Qenvenhis *Wkfimsi8f
(Bró. cFrat dit in.
ONDERRICHTINGEN IN DE GELOOFS - EN ZEDENLEER
NAAR DEN
MECHELSCHEN CATECHISMUS TWEEDE DEEL— OVER DE HOOP
ONDERRICHTINGEN
IN DE
Geloofs-en Zedenleer
NAAR DEN
Mechelschen Catechismus in vijf deelen
Ant. ROOVERS, Pastoor
TWRKDE DEEL
II A S S E L T WICHEL CEYSENB, DRUKKER - UITGEVER
ROERMOND HENRI VAN DER MAUCK, UITGEVER 1888
V\'uk %
ONDERRICHTINGEN
IN DB
Geloofs-en Zedenleer
NAAK DEN
Mechelschen Catechismus
TWEEDE DEEL
OVER DE
HOOP
I
■
.
EERSTE ONDERRICHTING
OVER DE HOOP
LcHcntur omnes qui sperant in te.
Dat allen zich verheugen die op U hopen.
(PS. V, fi.l
INHOUD.
VOORREDE.
De eerste der drie goddelijke deugden is het geloof. Het zaligmakend geloof moet algemeen, vast, standvastig en levend zijn. Bij gebrek aan deze hoedanigheden gaat het zaligmakend geloof verloren of wordt hot een dood geloof.
Thans gaan wij beginnen met de tweede der goddelijke deugden, met de hoop.
VERDEELING.
I. Wat is de hoop?
II. AVat brengt zij in ons te weeg?
De hoop is eejie deiigd en gave Gods, door dewelke wij met een vast betrouwen van God verzoeken en verwachten liet eeuwige leven en al wat ons daartoe helpen kan. De hoop is dus;
1° Eene deugd, eene goddelijke deugd;
2° i-Iene gave, eene bovennatuurlijke gave.
Ons betrouwen op God moet vast zijn. Men mag God niet mistrouwen. Mon moet zich zeiven mistrouwen en op God steunen. Onze hooi» steunt op Gods goedheid tot ons, zijne almacht en getrouwheid.
Wij moeten van (iod alleen den hemel en de middelen daartoe noodig bekomen door de verdiensten van Jesus-Christus, de voorspraak van Maria en van de Heiligen.
Het eeuwige leven bestaat in God eeuwig te aanschouwen, te beminnen en te genieten. God belooft niet alleen zich zeiven tot beiooning, maar ook de middelen om tot Hem te komen. Die middelen zijn onder anderen de genade Gods, de vergiffenis onzer zonden en al wat dient om wel te leven en zalig te sterven. Men mag de tijdelijke goederen ook hopen, maar op voorwaarde.
11.
1° De hoop breidt het hart van den mensch uit;
2° Zij troost en beurt den mensch op;
3quot; Zij geeft hem kracht om de grootste moeielijkheden te overwinnen.
SLUITREDE.
De Martelaren bevestigen die waarheid. Wij moeten hen navolgen, onze hoop doen herleven, onze oogen ten hemel richten, aan God denken en naar Hem verlangen.
EERSTE ONDERRICHTING
OVER DE HOOP
Lcetentur omnos ttui sperant in te.
Dat allen zich verheugen tlie op 1 hopen.
(Vs. V, 12.)
VOORREDH.
In liet eerste deel van den Catechismus, B. B., hebben wij gesproken over de eerste der drie goddelijke deugden, namelijk, over het geloof; wij hebben de voornaamste geloofswaarheden uitgelogd. Het geloof is, naar de leering van den Apostel I\'auhis, de grondslag van al wat wij moeten hopen; \'t is het beginsel onzer hoop, zegt de H. Thomas. Immers, \'t is onmogelijk iets te hopen, alvorens het te gelooven, en men bekomt doorgaans niets, alvorens het te hopen. Doch opdat het geloof ons wezenlijk strekko ter zaligheid, moet het eenige eigenschappen hebben. Het geloof moet zijn:
1° Algemeen: wij moeten niet eenige waarheden gelooven, maar al wat God geopenbaard heeft en door de H. Kerk voorhoudt te gelooven;
2° Vast; wij moeten gelooven zonder in het minste te twijfelen. Het zaligmakend geloof gaat door eiken vrijwilligen twijfel verloren;
3° Standvastig: wij moeten bereid zijn liever alles, ja zelfs het leven te verlaten dan het geloof te verzaken;
4quot;Levend; wij moeten ons gedrag inrichten naar de voorschriften des geloofs, de zonde vluchten en de deugd oefenen.
— 10 —
Bij gebrek aan deze, ol \'althans aan de een of andere dezer eigenschappen gaat in onze dagen bij velen, helaas! het zaligmakend geloof verloren; ofwel, hetgeen onder ons Christenen plaats heeft, het geloof verslapt en wordt ten slotte een dood geloof, O, B. B., hoe vele Christenen zullen er verloren gaan die wel gelooven, maar wier geloof dood is; die leven alsof zij niet geloofden.
De eerste plicht dus dien God den mensch oplegt, is in Hem te gelooven.
De tweede plicht is op Hem te hopen, en \'t is over de tweede der goddelijke deugden, namelijk, over de hoop, dat wij in de volgende onderrichtingen gaan handelen. Vandaag zullen wij zien:
I. Wat de hoop is;
II. Wat zij in ons uitwerkt.
I.
De Catechismus vraagt;
Wat is de Hoop? En hij antwoordt:
Eenc deugd en gave. Gods, door dewelke to ij met een vast betrouwen van God verzoeken en verwachten het eeuwig leven en al wat ons daartoe helpen kan.
Hopen, B. B., is verzoeken en verwachten. Die dus iets hoopt, verzoekt of vraagt het, en hij verzoekt of vraagt het niet alleen, maar hij verwacht het ook, d. i., hij heeft wel geene stellige zekerheid, maar toch eenige zekerheid van het te bekomen.
De hoop is vooreerst eene deugd, want zij is eene genegenheid der ziel, door dewelke de mensch weldoet.
Zij is eene goddelijke deugd, omdat zij ons van God alleen is ingestort en eigenlijk alleen met God bezig is.
De hoop is vervolgens eene gave Gods, omdat zij ons van God gegeven wordt zonder onze verdiensten.
Zij is eene bovennatuurlijke gave. De menscli kan de hoop door natuurlijke werken niet bekomen, evenals hij door studie kennis en wetenschap bekomt. Hij kan de hoop met natuurlijke werken niet verdienen, evenals de werkman zijn loon verdient. God is niet verplicht den mensch die deugd te geven opdat hij in zijn natuurlijk wezen volmaakt zij, evenals Hij hem rede en verstand moet geven om als mensch volmaakt te wezen. De hoop wordt ons dus van God gegeven uit loutere goedheid, zonder onze verdiensten.
Door dewelke wij met een vast betrouwen van God verzoeken en verwachten.
De mensch moet hopen met een vast betrouwen; hij mag dus God niet mistrouwen, gelijk wij terstond zullen zien.
Dat vast betrouwen nochtans besluit in zich eene heilzame vrees, niet dat wij moeten vreezen dat God te kort zal blijven; neen, B. B., maar wij moeten voor ons zeiven vreezen, ons zeiven mistrouwen en niet op eigen krachten steunen, wijl wij, zwakke schepselen en immer ten kwade geneigd, onbekwaam zijn om uit ons alleen iets goeds te verrichten. Helaas! B. B., zoo wij iu \'t werk onzer zaligheid aan ons alleen overgelaten werden, niemand zoude zalig worden, maar allen gingen ongetwijfeld verloren; doch God die onze zwakheid kent, wil ons te hulp komen en bijstaan. Wij moeten dus op Cioil hopen met een vast betrouwen. Doch;
Waarom moeien wij hopen met een vast betrouwen?
Omdat God oneindig goed is tot ons, almachtig en getrouw in zijne beloften.
God is vooreerst oneindig goed tot ons, d. i., oneindig genegen om ons goed te doen en gelukkig te maken; Hij wil ons dus het eeuwige leven geven.
God is vervolgens almachtig, Hij vermag alwat Hij wil; Hij kan ons dus het eeuwige leven geven.
Eindelijk is God getrouw aan zijne beloften, Hij heelt ons het eeuwige leven beloofd, zijne beloften met eed bevestigd; Hij zal ons dus hot eeuwige leven geven. Ziedaar, H. B.. op wien wij met een vast betrouwen moeten hopen; niet op ons zeiven, wijl wij zwak zijn, maar op God die oneindig goed is tot ons, almachtig en getrouw in zijne beloften. De Catechismus vraagt:
Van wien moeien wij hopen? En hij antwoordt:
\\an God, door de verdiensten ran Christus.
Ik zeg van God en van God alleen; niet van eenig schepsel, hoe volmaakt, hoe heilig het ook zijn moge. Bijgevolg, wanneer wij Maria onze hoop noemen, dan geven wij daardoor niel te kennen dat wij onze zaligheid van Maria hopen te bekomen; neen, maar van (lod door de voorspraak van Maria. Hetzelfde moet van de overige Heiligen gezegd worden.
t Is dus van God dat wij met oen vast betrouwen door de verdiensten van Jesus-Christus en door do voorspraak van Maria en van de overige Heiligen hopen, d. L, verzoeken en verwachten het eeuwirj leren en al wat ons daartoe helpen kan. Deze laatste woorden geven ons het voorwerp onzer hoop te kennen.
Vooreerst het eeuwig leven. De Catechismus vraagt:
Waarin bestaat het eeuwig leren? En hij antwoordt:
In God eeuwig lijk te aanschouwen, te beminnen en te genieten.
Goil dus belooft zich zeiven tot belooning. Ik zelf, zegt Hij, zal uw overgroot loon zijn: Ego ero merees lua magna nimis.
Aan wie heeft God het eeuwig leven beloofd?
Aan alle menschen, en daarom is Christus voor alle menschen gestorven; niet alleen voor de rechtvaardigen, maar ook voor de zondaars; ja, zelfs voor de Heidenen en Ketters. God geeft eenieder voldoende genaden en Hij wil dat alle menschen zalig worden, zegt de H. Schrift, en dat zij tot de kennis der waarheid komen.
Hoe komt het — dan — dat alle menschen niet zalig wordend
Omdat zij met de gratie, die God hun geeft om toel te leven, niet medewerken, en God vergrammen. Ziedaai\' de eenige reden.
God belooft dus het eeuwige leven. Doch die belofte, B, B., zoude wel ijdel zijn, zoo God ons tevens de middelen niet ter hand deed om in \'t bezit van het eeuwige leven te komen. God zonde ons den hemel toonen, er ons toe uitnoodigen, en Hij zoude weten dat wij niet bekwaam zijn om in den hemel te komen? Neen, B. 1!., zoo handelt de goede God niet met zijne kinderen; Hij geeft ons ook al wat ons helpen kan tot liet eeuwige leven, d. i., om in den hemel te komen. En,
Wat kan ons daartoe helpen?
J)e gratie Gods, de vergijfenis onzer zonden, en al wat ons dient om wel te leven en wel te sterven.
De genade Gods die volstrekt noodzakelijk is, gelijk wij weldra zullen zien; de vergiffenis onzer zonden, van de erfzonde en van de dadelijke zonden; de middelen die wij noodig hebben om een heilig leven te leiden en een zaligen dood te sterven, waarop het eeuwige leven, het geluk des hemels volgen zal. Vandaai\' dat do koninklijke Profeet zegt: Gratiam et gloriam dabit Dominus; (i) De Heer zal de genade en de glorie geven.
Mag men ook aardsche goederen van God hopen, zoo als, bijv., voorspoed in zijne ondernemingen, een rijken oogst, geld, gezondheid, enz.? Ja, B. B., maar op voorwaarde, in zoo ver die goederen strekken tot glorie van God en tot zaligheid onzer zielen. Bijaldien nu die aardsche goederen, in plaats van de glorie van God en de zaligheid onzer ziel te bevorderen, een beletsel zouden zijn, voorzeker, dan moeten wij ze van God niet hopen. Zijn wij dus niet te zeer bekommerd over het
(1) Ps. LXXXI11, 12.
— 14 —
tijdelijke ten koste van het eeuwige. Zoekt eerst het rijk Gods, d. i., den hemel, en zijne gerechtigheid, zegt Jesus, en al het overige zal u toegeworpen worden; Qucerite primum regnum Dei et juslitiam ejus, et luwe omnia adjioienlur vobis. (l)
Op de tweede plaats zullen wij zien wat de hoop in ons te weeg brengt.
11.
De hoop, li. B., breidt het hart van den mensch uit, d. w. z., zij maakt hem vaardig en zet hem kracht bij om de geboden te onderhouden en met vlijt de middelen van zaligheid aan te wenden. De hoop maakt ons bekwaam om de grootste zaken te ondernemen. Zien wij die waarheid niet door de dagelijksche ondervinding bevestigd? De hoop op winst doet den koopman te zee en te land levensgevaren trotseeren. De hoop op roem drijft den krijgsman voort naar het heetste van den strijd. Bijaldien dus de hoop op tijdelijke winst en op aardschen roem zoo veel vermag, zal dan de hoop op eeuwige winst en op hemelschen roem minder vermogen? Zal zij ons hart niet ontvlammen en uitbreiden, om niet alleen de geboden te onderhouden, maar ook om met vlijt werken te verrichten, door geen gebod opgelegd, maar die ons tot een verhevener trap van heiligheid en bijgevolg ook van glorie opvoeren?
De hoop troost en beurt den mensch op. (lij die den Heer vreest, hoopt op Hem, zegt de H. Schrift, en zijne barmhartigheid zal u troosten.
Verheugt u in de hoop, zegt de Apostel Paulus. Eu geen wonder, B. B., dat de hoop op den hemel den mensch in dit tranendal troost en opbeurt. Welk een troost voor den zieke, dien men verzekert dat hij weldra herstellen zal! Welk eene vreugde voor don gevangene, dien men aankondigt dat hij den
(i) Mattii. vi, 33.
kerker weldra verlaten zal! En wat beteekent dat alles in vergelijking met de goddelijke hoop? Voorzeker, zij geeft meer troost, meer vreugde, en te recht mag de koninklijke Profeet uitroepen: Lcvlenlur omnes qui sper ant in te! (1) Dat allen zich verheugen, o Heer! die op U hopen!
De hoop sterkt den mensch en houdt hem staande te midden der kruisen en wederwaardigheden. Met de hoop op een beter leven sterkte de Apostel Paulus de geloovigen tijdens de vervolgingen. Bijaldien wij nu lijden, sprak hij, wij zullen ook eenmaal verheerlijkt worden. En om hen nog meer aan te zetten voegde hij er bij: Ik ben overtuigd dat het lijden van dit leven weinig of niets beteekent vergeleken bij de glorie die wij eenmaal zullen deelachtig worden. Een oogenblik hier in kwellingen doorgebracht, zegt hij, brengt een eeuwig gewicht van onvergelijkelijke glorie voort. De Profeet Isaias had dus gelijk van te zeggen, dat in de hoop onze kracht gelegen is; dat zij die op den lieer hopen, in kracht zullen toenemen; en om ons ten slotte; van die waarheid te overtuigen:
SLUITREDE.
Wat zettede den Martelaren kracht en moed bij te midden der pijnen en folteringen? Voorzeker, zij voelden zeer goed de pijnen die men hen deed lijden; zij waren volstrekt niet van ijzer of staal, van hout of steen. Neen, B. B., beelden wij ons zoo iets niet in; maar zijn wij zeker dat de hoop op een beter leven hen de folteringen deed trotseeren, de dwingelanden en beulen deed overwinnen. Die hoop stortte verkwikkenden balsem in hunne wonden en troost in hun hart. Zoo lang ik op den Heer hoop, kon eenieder hunner met den Profeet David zeggen, zal ik niet bezwijken: In Domino sperans non inlirmabor. (2) Wij moeten de Martelaren, die onverschrokken helden, navolgen.
(i) Ps. V, 12. (2) I\'s. XXV, 1.
Ons lijden wel is waar beteekent weinig in vergelijking van liet hunne; maar in dit tranendal hebben wij toch ook onze kruisen en wederwaardigheden naar ziel en lichaam. Willen wij die nu met gelatenheid, met moed en voordeel dragen? Doen wij dan onze hoop herleven; slaan wij onze oogen omhoog; verheffen wij onze gedachten en harten ten hemel, naar de verblijfplaats waar een ongestoord geluk ons wacht, waar wij eene eeuwige vreugde zullen genieten. Amen.
TWEEDE ONDERRICHTING
OVER DE GENADE GODS
Cn-.tewplantes nr qnis dcsit gratim Dei.
Ziet toe ilat uiemamï aan do genaiU1 (ioils te kort blijvo. (Hebb. xii, is.)
INHOUD.
VOORREDE.
God gebiedt ons op Hem te hopen. Hij geeft ons ook do middelen die wij noodig hebben, om te verkrijgen hetgeen wij hopen. Zoo de mensch dus verloren gaat is het zijne eigen schuld.
VERDKKUXG.
i. Wat is de genade Gods?
II. Hoe wordt zij verdeeld?
Gbloofs - en Zbdënm?i-;r. Duel. 2
De genade is eene bovennatuurlijke hulp die God ons verleent voor onze zaligheid. De genade is:
1° Eene hulp, eene bovennatuurlijke hulp;
2° Die God ons verleent voor onze zaligheid.
God geeft eigenlijk de genade, Maria is er de uitdeelster van.
Die genade kan bestaan in eene bijblijvende hoedanigheid ol in eene voorbijgaande verlichting en beweging.
II.
De genade Gods is tweederlei, de heiligniakende genade en de dadelijke genade.
Wat is de heiligniakende genade? Wat de eerste, wat de tweede? Zij gaat door de doodzonde verloren.
Wat is de dadelijke genade? Waarin bestaat de bovennatuurlijke verlichting van het verstand, waarin de bovennatuurlijke beweging van den wil?
SIjUITREDK.
Zorgen wij van de dadelijke genade niet te laten voorbijgaan. Wij moeten er gebruik van maken als zij ons wordt aangeboden.
Wij kunnen er aan wederstaan, want God laat ons vrij onder de werking der genade. Bewaren wij de heiligniakende genade, dien kostbaren schat; beantwoorden wij immer aan de dadelijke genade, en wij zijn zeker van eenmaal zalig te worden.
— 19 —
TWEEDE ONDERRICHTING
OVER DE GENADE GODS
Contempiantcs //lt;• quis desit gmtiat Dei.
Ziet, toe dat niemand aan de genade Gods te kort blijve. (Hem. xii, «.)
VOORREDE.
God, B. B., gebiedt ons op Hem te hopen, d. i., met een vast betrouwen van Hein te verzoeken en te verwachten het eeuwige leven en al wat ons daartoe helpen kan. De reden is, wijl God oneindig goed is tot ons, almachtig on getrouw aan zijne beloften.
God bijgevolg wil ons allen zalig maken, en die wil Gods is oprecht; daarom is Jesus-Christus voor alle menschen gestorven.
Ook heeft God den mensch die daar onmachtig in de zonde ternèerlag, niet alleen toegeroepen: Red n, of gij zijt verloren! De mensch zoude hebben kunnen antwoorden: Ik heb geen middel en kan mij niet redden, (iod geeft hem ook overvloedige redmiddelen, de mensch behoeft ze maar aan te wenden. Bijaldien hij nu verloren gaat, moet hij zijn ongeluk niet aan God, maar aan zichquot; zeiven toeschrijven; \'t is zijne eigen schuld, hij heeft de middelen niet gebruikt, in een woord, hij heeft met de genade Gods niet medegewerkt. Ziedaar de oorzaak en de eenige oorzaak van zijn ongeluk. Vandaag zullen wij zien wat de genade is, om te weten waarover wij eenmaal zullen moeten verantwoorden; want overstroomd als het ware van genaden, zullen wij in den laatsten dag des oordeels voor den rechterstoel van Jesus-Christus eene strenge rekenschap moeten afleggen. Zien wij dus:
I. Wat de genade Gods is; 11. Hoe men ze verdeelt.
I.
De Catechismus vraagt:
Wat is de gratie Gods? En hij antwoordt:
Eenc bovennatuurlijke hulp die God ons verleent voor onze zaligheid.
De genade is dus vooreerst eene hidp, d. L, iets waardoor wij bijgestaan of geholpen moeten worden.
Zij is eene bovennatuurlijke hulp, d. w. z., eene hulp die wij door onze natuurlijke krachten niet kunnen bekomen, noch door onze natuurlijke werken verdienen; eene hulp die God ons niet geven moet opdat onze natuur volmaakt zij; ja, die al het geschapene in den hernel en op de aarde ver te boven gaat: zij wordt ons das uit loutere goedheid gegeven zonder onze verdiensten. Zulks geven wij genoegzaam te kennen door onze manier van spreken. Wat wil men, bijv., te kennen geven, als men zegt: Ik heb hem gratie gedaan: Ik heb hem dit of dat gratis gegeven? Niets anders, dan dat die persoon er geen recht, niet de minste aanspraak op had, dat hij het volstrekt niet kon vorderen. Zoo is het ook gelegen met de genade Gods. De Apostel Paulus leert het ons uitdrukkelijk, als hij zegt: Si autern gratia, jam non ex operibus-. Zoo liet genade is, bijgevolg niet krachtens de natuurlijke werken, anders is de genade geene genade meer: Alioquin gratia jam non est gratia.
Die God ons verleent: God geeft ons die hulp en God alleen. Hij alleen is er eigenaar en meester van en kan er dus naar welbehagen over beschikken.
Men noemt Maria wel is waar de uitdeelster der genaden, en niet zonder reden; maar daardoor ontkennen wij niet dat
— 21 —
zij van God moet komen. God, B. B., heeft Maria tot uitdeelster der genaden aangesteld, evenals, bijv., een koning de koningin zoude aanstellen, om geschenken onder het volk uit te deelen. Al zeggen wij dus en te recht, dat Maria de genaden onder ons uitdeelt, \'t blijft toch immer waar dat zij van God moet komen en dat God ze eigenlijk verleent.
Voo)\' onze zaligheid: dat is hot einde, waartoe ons de genade van God gegeven wordt, om heilig te leven en eenmaal in den hemel te komen. Ziedaar, B. B., wat de genade Gods is, wie ze ons verleent en tot welk einde. Zij is eene bovennatuurlijke hulp, die God ons verleent voor onze zaligheid.
m:
t
Die hulp nu, B. B., kan bestaan, of wel in eene bij blijvende hoedanigheid en geschiktheid der ziel, of wel in eene voorbijgaande werking op de ziel, en vandaar dat de genade veelvoudig is.
11.
De Catechismus vraagt:
Hoevelerlei is de gratie? En hij antwoordt:
Tweederlei, te weten, de heiligraakende gratie en de dadelijke gratie.
Wat is de heiligmakende gratie?
Een bovennatuurlijk sieraad van God in de ziel gestort, dat kaar bijblijft, en waardoor zij schoon en aangenaam is aan God, en van hem bemind wordt.
De heiligmakende genade is dus een bovennatuurlijk sieraad. Door het woord sieraad worden hier niet verstaan stoffelijke sieraden als goud, zilver of andere edelgesteenten, waarmede men het. lichaam siert, maar een geestelijk sieraad, eene bovennatuurlijke hoedanigheid en dus eene nieuwe manier van zijn onzer ziel, welke hoedanigheid God in onze ziel stort en die de ziel doordringt, nieuwe krachten geeft eu versiert.
ill
■I
l ■
Om te begrijpen, B. B., wat de heiligmakende genade is, moet men acht geven op liet werkwoord heiligmahen.
Heiligmaken beteekent maken dat de mensch die eerst niet heilig was, heilig wordt; den mensch uit den staat van doodzonde overbrengen tot den staat van heiligheid, in een woord, van een grooten zondaar een rechtvaardige maken. Doch hoe gebeurt dat? Dat gebeurt, B. B., door de heiligmakende genade, dat bovennatuurlijk sieraad dat God in de ziel van den mensch stort. De ziel van den mensch, alvorens de heiligmakende genade ontvangen te hebben, was niet versierd, integendeel, zij was besmeurd; zij was niet schoon, maar leelijk; zij was niet aangenaam aan God, maar een walg voor Hem\'; zij werd niet van God bemind, maar van Hem gehaat. God heel\'t nu de heiligmakende genade, dat bovennatuurlijk sieraad in de ziel gestort, en wat is daardoor gebeurd? I\'e ziel heeft daardoor niet enkel als een schoon kleed aangekregen, zoo dat hare leelijkheid alleen bedekt werd en zij in zich vuil bleef; neen, B. 15., maar de heiligmakende genade is in de ziel doorgedrongen; zij heeft de ziel door haar te sieren ook van al wat vuil en zondig was gezuiverd. Evenals men, bijv., een kleed dat van vuiligheid doortrokken is, door het te wasschen, niet alleen schoon maakt, maar ook de vuiligheid wegneemt; zoo ook wordt de ziel, als van zonden doordrongen, door de heiligmakende genade niet alleen gesierd, maar tevens van de vuiligheid der zonden gezuiverd. De heiligmakende genade heeft met zich vereenigd de bovennatuurlijke deugden en de gaven van den Heiligen Geest, die haar altoos vergezellen en waardoor zij in haar wezen voltrokken wordt. Ook gaat zij niet eensklaps voorbij, maar blijft den mensch bij, omdat zij eene hoedanigheid is. Gelijk een kleed dat vuil is, na gewasschen te zijn, wit wordt en blijft, tot dat men het wederom vuil make; zoo ook blijft de ziel van den mensch door de heiligmakende genade gezuiverd en gesierd, zuiver en schoon, tot dat de mensch haar wederom besmeure door de doodzonde. Nu is het ook gemakkelijk te
begrijpen wat de eerste en wat de hvcede heiliginakende genade is. De eerste heiligmakende genade is die van eenen zondaar een rechtvaardige maakt. Een menseh, bijv., in staat van doodzonde gaat goed te biechten; hij ontvangt de absolutie en daardoor de eerste heiligmakende genade. Na gebiecht te hebben nadert hij tot de H. Tafel en ontvangt de tweede heiligmakende genade of de vermeerdering van de eerste. De eerste dus maakt lieilig en rechtvaardig; de tweede maakt heiliger en rechvaardiger.
Uit het weinige dat wij hier over de heiligmakende genade gezegd hebben, kunnen wij met den Catechismus antwoorden op de vraag
Ts de heiligmakende gratie een groote schal?
Ja.
Wat volgt daaruit dat de heiliginakende gratie een groote schat is?
Dat 10ij ze (jrootelijks moeien hetrachten en zorgvuldig bewaren.
Wij moeten dus ons best doen, B. B., van ze te bekomen, en na ze bekomen te hebben zorgen van ze niet te verliezen. Want:
Kan men de heiligmakende gratie verliezen?
Ja, door de doodzonde, al ware. hel maar ééne.
De Catechismus vraagt:
Wat is de dadelijke gratie? En hij antwoordt:
De gratie die God ons dadelijk geeft om eenig goed te doen of eenig kwaad te oluchlcn.
De dadelijke genade, H. 1!., bestaat in eene bovennatuurlijke verlichting van het verstand en in eene bovennatuurlijke beweging van den wil, die beiden voorbijgaan. Onze ziel wordt een bovennatuurlijken invloed gewaar. De dadelijke genade verlicht ons verstand om te kennen wat wij moeten gelooven en wat wij moeten doen of laten; zij voorkomt den wil, zet hem aan en werkt met hem mede om te gelooven en om het goed te
— 24 —
doen en het kwaad te vluchten. Ziehier eene gelijkenis van eene moeder, die haar kind leidt, dat nog niet alleen loopen kan. Bijaldien het donker is, neemt die moeder licht, bijv., eene lamp, om voor te lichten: dat is de genade die ons verstand verlicht. Vervolgens voorkomt zij haar kind, moedigt het aan, neemt het bij de hand en leidt het naar de plaats, waar het zijn moet; dat is de genade die onzen wil voorkomt, aanzet en vergezelt om het goed te doen en liet kwaad te vluchten. Zonder dat de moeder met licht gekomen was en haar kind geholpen had, zoude het kind in de duisternissen op dezelfde plaats gebleven zijn. Eveneens zouden wij zonder de dadelijke genade, dat bovennatuurlijk licht voor ons verstand en die bovennatuurlijke beweging in onzen wil, niets kunnen beginnen voor onze zaligheid.
God geeft do dadelijke genade, of rechtstreeks door onmiddellijk ons verstand te verlichten en onzen wil te bewegen, of wel Hij laat, zoo als doorgaans het geval is, eerst andere middelen voorafgaan. Gij hoort, bijv., spreken over de een of andere geloofswaarheid en overweegt ze; de priester predikt over de doodzonde; de biechtvader geeft eene heilzame vermaning; daardoor wordt uw verstand verlicht, gij ziet dat gij de zonde moet vluchten en gij wordt er toe aangezet: gij zegt bij u zeiven: Ja, ik zie nu: ik moest dit of dat doen, deze of gene middelen gebruiken, dat gevaar vluchten, die vrijwillige gelegenheid vermijden. Tegelijkertijd werkt God met zijne genade op uw verstand en uwen wil; gij wordt in uw binnenste eene goede beweging gewaar; \'t is als of eene stem u toeriep en zeide: Doe dat, gebruik die middelen, vlucht dat gevaar, vermijd die gelegenheid van zonde; gij wordt er stilletjes toe aangezet en bewogen. Ziedaar, B. B., de dadelijke genade die God ons geeft om het goed te doen en liet kwaad te yluchten. Doch let nu wel op hetgeen ik ten slotte ga zeggen.
SI.riTRKDE.
Zorgen wij van do dadelijke genade niet te laten voorbijgaan, want zij blijft ons niet immer bij. G-od verlicht en beweegt niet aanhoudend. Wij moeten dus van de genade gebruik maken, als zij ons wordt aangeboden, oi\' wel zij gaat voorbij. Wij moeten met de genade medewerken en de genade met ons; Gratia Dei mecwn. (l) Wij zijn vrij onder den invloed der genade; God dwingt er ons niet mede. Immers, zonder vrijheid bestond er geen zedelijk goed of kwaad, geene deugd of ondeugd, en wij zouden noch beloond noch gestraft worden. Wij kunnen dus aan de genade wederstaan, en wij wederstaan er, helaas! al te dikwijls aan. Merkt dus wel op wat de Apostel Paulus zegt; Zijt voorzichtig, zoo spreekt hij, van aan de genade niet te kort te blijven; Conlemplantas ne quis clesit gratia} Dei. (2) Bijgevolg, doen wij ons best om de heiligmakende genade, dien kostbaren schat, te bewaren, en om met de dadelijke genade die God ons geeft, mede te werken, ten einde onze zaligheid, waartoe zij gegeven wordt, te bewerken. Amen.
(i) i Cor. xv, 10. (2) Hebk. xii, 15.
DERDE ONDERRICHTING
OVER DE GENADE GODS
Si scires donum Dei.
Zoo gij de gave (lods komlefc.
(Joan. iv, 10.)
INHOUD.
VOORREDE.
Gesprek van Jesus met de Samarituansche vrouw aan den put van Jacob.
VERDEELING.
1. Over den oorsprong;
II. Over liet einde;
III. Over de noodzakelijkheid der genade.
I.
Jesus-Christus heeft voor ons de genade verdiend. Hij heeft gesleten een leven vol moeite, arbeid en lijden. Hij is den dood des kruises gestorven en heeft zijn goddelijk bloed vergoten.
II.
De genade Gods strekt tot zaligheid der menschen. Door de li ei lig makende genade wordt de mensch een vriend van God, de goddelijke natuur deelachtig, een kind en erfgenaam van God, de tempel van den H. Geest en op liet innigste met God vereenigd. Door de dadelijke genade wordt de mensch geholpen om verdiensten te vergaderen voor den hemel.
III.
De genade Gods is noodzakelijk ter zaligheid.
De heiligmakende genade is noodzakelijk, want niemand kan met doodzonde besmeurd in den hemel komen. De heiligmakende genade is als het bruiloftskleed dat men aan moet hebben om tot het bruiloftsfeest toegelaten te worden.
De dadelijke genade is noodzakelijk, want zonder haar kunnen Wij in het goed niet volharden en onze werken kunnen niet dienstig zijn ter zaligheid. Vergelijking.
SMJITRKDK.
De mensch die doodzonde bedrijft, maakt zich aan groote ondankbaarheid jegens God plichtig; hij vernietigt voor zich het werk der verlossing.
Hij doet zich zeiven groot ongelijk, wijl hij zich zijn eeuwig ongeluk berokkent.
Bewaren wij de heiligmakende genade goed en beantwoorden wij immer aan de dadelijke genade; en de genade van God, dat bovennatuurlijk water, zal voor ons ontspringen ten eeuwigen leven.
— 28 —
DERDE ONDERRICHTING
OVER DE GENADE GODS
Si sciros donum Dei.
Zoo gij de gave Gods kendet.
(JOAN. IV, 10.)
VOORREDE.
Wontlerschoon, B. B., is de samenspraak die onze goddelijke Zaligmaker eertijds met de Samaritaansche vrouw had. De Evangelist Joannes verhaalt ze ons op de volgende wijze:
Toen Jesus vernomen had, zegt de 11. Joannes, dat Joannes de 1)ooper overgeleverd was, verliet Hij het land Judëa en begaf Hij zich naar Galilëa. Hij moest door de landstreek van Samaria trekken en kwam dan aan de stad Sichar, eertijds Sichem genaamd, nabij liet landgoed, dat Jacob aan zijnen zoon Joseph gaf en waai\' de vermaarde bron van Jacob gelegen was. Het was omtrent de zesde uur, d. i. bijna middag. Jesus vermoeid van de reis zettede zich bij de bron neder, terwijl zijne leerlingen naai\' de stad gingen om spijs te koopen.
Terwijl de leerlingen afwezig waren, kwam er eene Samaritaansche vrouw om water te putten. Jesus zeide tot haar: Geef Mij wat te drinken: Da mi hi Inhere, (i) De vrouw antwoordde: Hoe vraagt Gij, die een Jood zijt, te drinken aan mij,, die eene Samaritaansche ben. Jesus antwoordde: Indien gij de gave Gods kendet: Si scires donum Dei; en bijaldien gij wist wie het is die u zegt: Geef Mij te drinken, gij zoudt Hem wellicht te drinken gevraagd hebben, en Hij zoude u een levend water gegeven hebben. De vrouw zeide: Heer! Gij hebt niets om mede
(l) JOAN. VI, 5.
te putten, en de put is diep; van waar hebt Gij dan dat levend water? Zijt Gij grooter dan onze vader Jacob, die ons dezen put gegeven lieoft, er zelf\' uit dronk, alsook zijne kinderen en zijn vee? Alwie van dit water drinkt, sprak Jesus, zal nog dorst . krijgen; maar het water dat Ik hem geven zal, zal in hem eene bron worden van water springend ten eeuwigen leven. Heer! zeide de vrouw, geel mij van dat water opdat ik geen dorst meer krijge, noch hier behoeve te komen om te putten.
Gij hoort het, B. B., in de samenspraak van Jesus met de Samaritaansche vrouw is er spraak van water; ja, maar van tweederlei water, van natuurlijk, van putwater, hetgeen de vrouw kwam halen en dat Jesus vroeg; van bovennatuurlijk, van geestelijk water, waarvan Jesus sprak en dat de vrouw vroeg zonder te weten wat zij vroeg.
Dat bovennatuurlijk water is de genade Gods, waarvan Jesus zeide: Si scires donvrn Dei: Vrouw! och of gij de gave Gods kendet! Eveneens mag ik mij zeiven en u allen toespreken: Och of ik, och of gij de genade Gods beter kendet! Ja, kenden en overwogen wij beter de genade Gods, wij zouden de heilig-makende, genade hooger schatten en zoo licht niet verliezen; wij zouden aan de dadelijke genade zoo dikwijls niet wederstaal! en er beter aan beantwoorden. Te dien einde zullen wij overwegen:
1. Den oorsprong;
II. Het einde;
III. De noodzakelijkheid van de genade Gods.
1.
De genade Gods is, gelijk wij reeds gezien hebben, eene gave Gods; zij moet van God en zij kan van God alleen komen. Doch het is niet over dien oorsprong dat ik thans wil spreken; ik
— 30 —
wil spreken over den verdienstelijken oorsprong, namelijk, wie de genade Gods voor ons verdiend heeft.
Wie heeft de genade voor ons verdiend? Die vraag, B. B., doet ons aan het werk der verlossing gedenken, want \'t is Jesus-Christus die de genade voor ons verdiend heeft.
Doch hoe heeft Jesus-Christus voor ons de genade verdiend? Nauwelijks is Hij in armoede geboren, of door zijne vijanden achtervolgd wordt Hij gedwongen de vlucht te nemen naar een vreemd land. Uit zijn ballingschap teruggekeerd, brengt Hij te Nazareth verscheidene jaren door in armoede en arbeid. Hij mat zich af tijdens zijn openbaar leven. Van vermoeienis uitgeput zet Hij zich bij den put van Jacob neder en vraagt eene teug koud Mater. Doch die jaren van arbeid en lijden worden nog ver overtroffen door de laatste dagen zijns levens, waarop Hij voornemens was de bronnen der genade voor de gansche wereld te openen. Water en bloed hadden reeds gevloeid in den Olijfhof; de bebloede straten van Jerusalem getuigden van zijnen pijnlijken doortocht; de kolom nog rookende van bloed, de bloedplas in het gerechtshof, de met bloed geverfde geeselroeden en werktuigen in de zaal, de doornen kroon tot in zijne hersenen doorgedrongen, de van bloed druipende purperen mantel om zijne vermorzelde schouders geworpen; dat alles legt getuigenis af hoe Jesus voor ons de genade verdiend heeft. Nochtans, om de bronnen der genade te zien ontspringen, moet men den kruisberg beklimmen. De beulen kappen reeds een hol in de rots van den Golgotha; het kruis, waaraan Jesus is vastgeklonken, wordt opgericht en onze goddelijke Zaligmaker tusschen hemel en aarde verheven opent de fonteinen der genade om de gansche wereld te overstroomen. Zijn goddelijk bloed springt uit handen en voeten; zijne zijde wordt geopend, waaruit water en bloed vloeien. Ziedaar, H. B., wat Jesus gedaan, ziedaar hoe Hij de genade voor ons verdiend heelt, Doch zien wij op de tweede plaats het einde der genade.
II.
Bijaldien Jesus-Christus zooveel doet, lijdt en sterft om voor ons de genade te verdienen, wat is Hij dan wel voornemens, wat beoogt Hij met zijne genade? Jesus-Christus, 13. 13., is voornemens. Hij beoogt met zijne genade ons te heiligen en bekwaam te maken om den hemel te verdienen.
Vooreerst, Hij is voornemens ons te heiligen, d. i., ons aan God toe te wijden. Door de zonde, althans door de doodzonde, waren wij vijanden van God; door de heiligmakende genade worden wij middels de goddelijke liefde, die er onafscheidbaar mede vereenigd is, vrienden van God; want God zegt uitdrukkelijk; Ik bemin die Mij beminnen; Ego dilicjentes mc dilirjo.
Door de heiligmakende genade worden wij de goddelijke natuur deelachtig; niet dat wij deelen in al de goddelijke eigenschappen en volmaaktheden zooals, bijv,, in de almacht, alomtegenwoordigheid Gods, maar in het verstandelijk leven van God, d. L, in zijne oneindige wetenschap en heiligheid. In zijne oneindige wetenschap: God weet alles, 11 ij doordringt alle geheimen of liever voor God is geen geheim. Welnu, in die wetenschap van God deelen wij door de heiligmakende genade, want door die genade kennen wij middels de eerste der drie goddelijke deugden, \'t geloof, de geheimen of mysteriën van onzen heiligen godsdienst, geheimen of mysteriën, waaraan wij zonder die genade nimmer zouden gedacht hebben.
In zijne oneindige heiligheid, d. i , in zijne oneindig volmaakte genegenheid tot alles wat goed en heilig is. In die oneindige heiligheid deelen wij door de heiligmakende genade, want door die genade worden wij middels de overige bovennatuurlijke deugden en de gaven van den H. Geest geneigd en geschikt tot alles wat goed, heilig en verdienstelijk is voor den hemel. Te recht zegt dus de Apostel Petrus dat wij der goddelijke natuur deelachtig worden: Divinoe consortes natures, en dat de mensch als vergoddelijkt wordt, zooals de H. Dionysius zich
— 32 —
uitdrukt; deifieatus. Deelachtig aan de goddelijke natuur door de heiligmakende genade worden wij tevens kinderen van God en erfgenamen van zijn rijk. Kinderen van God, namelijk, aangenomen kinderen; ja, door die genade heeft God ons de macht gegeven om zijne kinderen te worden: Dedit eis poles-tatem filios Dei fieri; en zoo wij door de heiligmakende genade kinderen van God worden, worden wij in die hoedanigheid ook zijne erfgenamen, want do kinderen zijn de erfgenamen der ouders. Vandaar dat de Apostel Pauhis zegt dat wij erfgenamen zijn van God: Hcv.redes quidem Dei, medeerfgenamen van zijn eenigen Zoon Jesus-Christus: Cohceredes autem Christ,i.
Door de heiligmakende genade worden onze zielen de tempels van den H. Geest die er inwoont. Eindelijk worden wij door de heiligmakende genade op het innigste met God vereenigd, evenals een kind met zijn vader, een bewoner met zijne woonplaats vereenigd is, tot dat wij, na hier op aarde door de heiligmakende genade met God vereenigd te zijn geweest, eenmaal met Hem vereenigd worden door de glorie in den hemel. Dat is ook het voornemen van God, dat beoogt Hij ook met zijne dadelijke genade; daardoor maakt Hij ons bekwaam om den hemel te verdienen. De mensch, B. B., die in staat van heiligmakende genade is, kan door zijne goede werken met de dadelijke genade verricht den hemel als loon verdienen; en de mensch, die in staat van doodzonde zoude zijn, kan door de dadelijke genade geholpen zich naar behooren voorbereiden om de heiligmakende genade te bekomen. Ziedaar, li. B., wat God voornemens is, wat Hij beoogt met zijne genade. Tot dat einde nu is de genade van eene volstrekte noodzakelijkheid.
III.
Vooreerst de heiligmakende genade. De mensch die met de erfzonde besmet ter wereld komt, is niet bekwaam om in den hemel te komen; zijne ziel moet eerst gezuiverd en gesierd
■worden met do lieiligmakende genade, hetgeen geschiedt in liet H. Doopsel. Na de lieiligmakende genade in het H. Doopsel bekomen te hebben, kan de mensch ze verliezen, en hij verliest ze door de doodzonde al ware het er ook maar ééne. Van die zonde moet hij op nieuw vergiffenis bekomen, het zij door een Sacrament, het zij door een volmaakt berouw, en op die wijze de heiligmakende genade terug bekomen.
De hemel, B. B., is de bruiloftszaal, waarvan onze goddelijke Zaligmaker in hot Evangelie spreekt. Het bruiloftskleed dat men aan moet hebben om tot het bruiloftsfeest toegelaten te worden, is de heiligmakende genade. Zonder bruiloftskleed zoude God den mensch vragen, evenals de koning der parabel vroeg: Vriend, hoe zijt gij hier binnen gekomen zonder bruiloftskleed? Wat antwoordde die man? Niets, doch hij verstomde. Liet de koning hot bij dat stilzwijgen? Neen, B. I!., maar hij gebood zijnen dienaren dien persoon aan handen en voeten te binden en in de uiterste duisternissen te werpen, waar geween en tandengeknars zal heerschen. De heiligmakende genade is dus van eene volstrekte noodzakelijkheid.
De dadelijke gratie is niet minder noodzakelijk. De Catechismus vraagt:
Hebben wij de dadelijke gratie altijd noodig? En hij antwoordt:
Ja; want zonder de dadelijke gratie kunnen wij in het goed niet volkerden, en onze goede werken kunnen niet dienstig zijn ter zaligheid.
Zonder de dadelijke genade, B. B., kunnen wij niets ter zaligheid. Zonder Mij kunt gij niets, zegt onze goddelijke Zaligmaker uitdrukkelijk. Hetzij dus weinig, hetzij veel, voegt de II. Augustinus er bij, zonder Hem kan het niet gebeuren, zonder wien niets kan gebeuren. Wij zijn zoo onmachtig, zegt de Apostel Paulus, dat wij uit ons alleen niet eens eene heilzame gedachte kunnen hebben.
Geloofs-en Zedenleer Deel. 3
— 34 —
Ziehier wat Jesus zelf zegt; Gelijk de wijnrank uit zich zelve geene vruchten kan dragen tenzij zij aan den wijnstok vastblijve, zoo kunt gij niets zonder in Mij te blijven: Sic nee vos nisi in me manseritis: Zonder in Hem te blijven door de heiliginakende genade. Ik ben de wijnstok, gaat Jesus voort, gij zijt de ranken; die in Mij blijft en Ik in hem, die brengt overvloedige vruchten voort; want zonder Mij kunt gij niets doen, d. i., zonder de dadelijke genade: Sine me nihil potestis faccre. (i)
En waarom vermag men zonder de genade niets ter zaligheid? Om een doel te bereiken, moet men middelen gebruiken geëven-redigd met het doel. Om brand te blusschen, bijv., gebruikt men water en geen olie: olie is het middel niet om brand te blusschen, maar wel water. Zoo is het ook gelegen met het werk onzer zaligheid. De hemel, het doel waarnaar wij streven, is bovennatuurlijk; bijgevolg moeten de middelen om dat doel te bereiken ook bovennatuurlijk zijn; doch die middelen hebben wij niet uit ons zeiven of uit onze natuur, maar zij moeten van God komen, in een woord, \'t zijn de genademiddelen. Gelijk de mensch, die vooruitgaat, al is het ook dat hij aanhoudend zijne schreden verhaast, daardoor niet nader bij den hemel komt, niet opklimt, omdat de schreden die men vooruit maakt, niet geëvenredigd zijn met het opklimmen; zoo ook is het ónmogelijk met enkel natuurlijke werken zijne zaligheid te bewerken. De genade Gods is dus van eene volstrekte noodzakelijkheid.
SLUITREDE.
Uit deze onderrichting over den oorsprong, het einde en de noodzakelijkheid van Gods genade kan men zien, vooreerst de ondankbaarheid jegens God, waaraan de mensch zich plichtig maakt, die de heiligmakende genade zoo licht door de doodzonde verliest, en die zoo dikwijls aan de dadelijke genade weerstand
(l) JOAN. XV, 5.
biedt. Die ongelukkige zegge niet: Wat kwaad doe ik, of heb ik gedaan? Hij lieeft van het lijden van zijnen God misbruik gemaakt, zijn kostbaar bloed als bet ware met de voeten getreden, bet werk der verlossing voor zicli vernietigd. En wélk ongeluk doet bij zicb zeiven niet? Hij berokkent zich zijn eeuwig ongeluk, wijl bij bet eenige middel om zijne zaligheid te bewerken, namelijk, de genade Gods wegwerpt.
Doen wij dus, B. B., ons uiterste best om dat ongeluk te voorkomen door de beiligmakende genade, gelijk ik vroeger reeds gezegd heb, zorgvuldig te bewaren en door met de dadelijke genade goed mede te werken; en de genade Gods, dat bovennatuurlijk en geestelijk water, zal voor ons ontspringen ten eeuwigen leven; F iel fons aquai salientis in vilani ceternam. Amen.
VIERDE ONDERRICHTING
OVER HET GEBED
Dornine! docc nos or are.
Heer! leer ons bidden. (Luc. xi, i.)
INHOUD.
VOORREDE.
Na over de genade Gods gesproken te hebben, zullen wij zien welke de middelen zijn om die genade te bekomen. Die middelen zijn drie in getal: een godvruchtig leven, de goede werken, maar bijzonder het gebed.
VERDEELING.
I. Wat is het gebed?
II. Hoe wordt het verdeeld?
I.
Het gebed is eene samenspraak met God, waardoor wij aan God de begeerten onzer harten te kennen geven.
De ziel van den menscli verheft zich tot God om Hem te loven, te bedanken of het een of ander te vragen.
Men moet God vragen den hemel, alwat volstrekt noodzakelijk is om in den hemel te komen en eindelijk hetgeen dienstig is.
II.
Men verdeelt het gebed vooral:
1° In inwendig en uitwendig gebed;
2° In bijzonder en gemeenschappelijk gebed.
Hot inwendig gebed geschiedt alleen met het hart. Wat is de meditatie? Eenieder kan en moet mediteeren.
Het uitwendig gebed geschiedt met het hart en den mond te zamen.
De goddeloozen wederlegd, die den uitwendigen godsdienst willen afschaffen.
Het bijzonder gebed is dat men alleen verricht.
Het gemeenschappelijk gebed, dat men met twee of meer personen verricht.
SLUITREDE.
Wat zijn schietgebeden? Trachten wij hier op aarde voortdurend met God en zijne Heilgen vereenigd te zijn door het gebed, dan zullen wij eenmaal het geluk hebben van met hen vereenigd te worden in de glorie des hemels.
VIERDE ONDERRICHTING
OVER HET GEBED
Domine! doce nos or are.
Heer! leer ons bidden. (Luc. xi, t.)
VOORREDE.
In onze voorgaande onderrichling, B. 1!., liebben wij gezien dat wij de genade Gods altijd noodig hebben ter zaligheid. De Catechismus vraagt:
Wat volgt daar uil (Uit wij de dadelijke gratie altijd noodig hebben? En hij antwoordt:
Dal toij onophoudelijk de middelen moeien gebruiken waardoor wij Gods gratie kunnen verkrijgen. En:
Welke middelen zijn er om te verkrijgen hetgeen wij hopen?
Een godvruchtig leven en de goede werken, maar bijzonder het gebed.
Het eerste middel dus is een godvruchtig leven.
Wat wordt er vereiseht lol een godvruchtig leven?-
Dat men utl eene ware liefde tot God, met lever de christelijke plichten volbrenge, en de deugden en goede werken oef ene volgens zijnen slaat.
Moet men een godvruchtig leven hoogachten?
Ja, want het is beter dan al de goederen der aarde, en het doet den rnensch meer voldoening en vreugd genieten, dan al de vermaken der wereld hem kunnen geven.
Het tweede middel bestaat in do goede werken. De goede werken zijn talrijk; zooals vasten, aalmoezen geven, tot de
— 39 —
H. Sacramenten naderen, ja zelfs z\'jne gewone bezigheden, mits men ze verrichtte tot glorie van God en tot zaligheid der zielen.
Het derde en voornaamste middel is het gebed, en t is over dit middel dat wij in de volgende onderrichtingen gaan handelen. Vandaag\' zullen wij zien:
I. Wat het gebed is;
11. Hoe men het verdeelt.
Ik
II
De Catechismus vraagt:
Wat is hef, gebed? Kn hij antwoordt:
J\'Jene samenspraak met God, waavdoov wij aan God de begeerten onzer herten te hennen geren.
Het gebed is vooreerst eene samenspraak, d. w. z.; als men bidt spreekt men met iemand en men spreekt hem over het een of ander.
Het gebed is vervolgens eene samenspraak met God; bijgevolg spreekt het schepsel met zijnen Schepper, de onderdaan en dienaar met zijnen Heer en Meester.
Waardoor wij aan, God de begeerten onzer herten te kennen (jeven, d. i.: als wij bidden, geven wij God te kennen wat wij verlangen of liegeeren.
Het gebed wordt ook genoemd eene zielsverheffing tot God, vereenigd met het verzoek van hetgeen betamelijk is. Hieruit blijkt dat liet niet zoo zeer de tong is die bidt. De ziel van den mensch, naar het beeld en de gelijkenis van God geschapen, verheft zich tot haren Schepper en houdt zich met Hem bezig. De ziel nu kan tot verschillende doeleinden zich tot God verheffen.
1° Om God te loven, d. i., om God en zijne oneindige volmaaktheden, zijne almacht, wijsheid, goedheid, barmhartigheid, heiligheid, enz., te prijzen en te verheerlijken, en vandaar het Lofgebed.
,:l:: w li
\'Ife
f
m
P
mi
i?
ï;:h! ,
I
— 40 —
2° Om God te bedanken voor ai de weldaden die Hij ons naar ziel en lichaam bewezen heeft, en vandaar het Dankgebed. Wanneer men van iemand eene weldaad ontvangt, moet men zijnen weldoener bedanken; hoe veel te meer moeten wij dan God niet bedanken, van wien wij zoo veel weldaden ontvangen hebben en immer ontvangen, die de eerste, de voornaamste, de weldoener bij uitstek is?
3° Om God het een of ander te vragen zoo voor de ziel als voor het lichaam, voor dit of het andere leven, en vandaar het Smeekgebed.
\'t Is over dit gebed, dat thans gehandeld wordt.
In liet gebed, li li., mogen wij God verzoeken al wat betamelijk is, d. w. z., al wat wij noodig hebben of ons voordeelig kan zijn, naar ziel en lichaam, hetzij voor dit, hetzij voor het andere leven. Nochtans, men mag niet alles op een en dezelfde wijze begeeren. Geestelijke zaken, die bijzonder de ziel aangaan en strekken tot hare zaligheid, mag men volkomen, d. i., zonder voorwaarde begeeren; maar tijdelijke zaken, die bijzonder strekken tot welzijn des lichaams en dienen voor het tijdelijk leven, behoort men alleen te begeeren voor zoo veel zij strekken tot profijt onzer ziel. Onze goddelijke Zaligmaker leert het ons als Hij zegt: Quwrite primum regnurn Dei et justilicun ejus: Zoekt eerst het rijk Gods en deszelfs gérech-tigheid, en het overige zal u toegeworpen worden: et haec omnia adjicientur nobis, (i)
Ziedaar, B. B., wat het gebed is. Zien wij nu op de tweede plaats hoe het vooral verdeeld wordt.
II.
Het gebed wordt vooral verdeeld:
1° In inwendig en uitwendig;
2° In bijzonder en gemeenschappelijk gebed.
(i) Matth. vi, 33.
Hot inwendig gebed geschiedt met het hart alleen, als de ziel alleen zich met God bezig houdt zonder woorden te gebruiken.
God, B. B., heeft geene woorden nooüig; Hij dringt tot in het hart van den mensch door en ziet daar zijne gedachten en begeerten. Wij kunnen zonder te spreken God onze noodwendigheden te kennen geven. Men behoeft dus niet geleerd te zijn, geene uitgezochte woorden, geene schoone volzinnen te gebruiken om tot God te spreken. Niets van dat alles, 15. B. Maakt God uwe verlangens en behoeften enkel bekend, gelijk de anno, bijv., den rijke zijne armoede bekend maakt, door hem zijne lompen te laten zien, om hem tot medelijden te stemmen. Verzucht maar tot God, evenals de stomme die niet kan spreken. l)o ongeleerde landman bijgevolg kan zoo goed bidden als de geleerdste wijsgeer; want God ziet vooral naar het hart van den mensch.
Buiten het inwendig gebed, waarover ik kom te spreken, bestaat er nog een ander, dat men overweging of meditalie noemt. De meditatie is eene overweging der christelijke waarheden om die te kennen, te beminnen en er zijn leven naar te schikken. De meditatie heeft veel voordeelen. Onder anderen leert men de waarheden van den godsdienst grondig kennen, vurig beminnen en er krachtdadig zijn leven naar schikken.
Eenieder kan en moet mediteeren. Ik zeg niet dat eenieder evenveel tijd moet besteden, op dezelfde wijze en even volmaakt moet mediteeren. Neen, B. B., zij die gestudeerd hebben, tot den geestelijken of kloosterlijken staat geroepen zijn, die tijd genoeg hebben, moeten geregeld en met orde mediteeren, maar alle menschen kunnen en moeten mediteeren.
Zij kunnen mediteeren. Wat gebeurt er niet in de tijdelijke zaken, bijv., om wat geld te verdienen? Hoe denkt men niet na? Welke middelen beraamt men niet? Hoe wikt en weegt, hoe keert en draait, in een woord, hoe sterk mediteert men niet om eene handvol geld te winnen? En om den hemel, de
— 42 —
eeuwige gelukzaligheid to winnen, men mediteert niet? En nochtans, men kan zeer wel, als men zich maar een weinigmoeite geeft. De landman, bijv., die bezig is met zijne yruchten in te zamelen, hij denke eens na van wien die vruchten komen, en hij zal God zijnen weldoener vindon. Terwijl hij nu den overvloed van vruchten ziet, waarmede hij zijne schuren vult, wordt hij natuurlijk gedreven om aan Gods goedheid te denken, en door aan zijne vruchten en aan Gods goedheid te denken, d. i., door te mediteeren gevoelt hij de verplichting van God te beminnen en Hem dankbaar te wezen. Is het nu zoo moeielijk te mediteeren, als men zich voorstelt?
De menschen moeten mediteeren, zij moeten over de eeuwige waarheden nadenken. Denk aan uwe uitersten, zegt de Heilige Schrift: wat beteokent dat, zoo niet, denk er over na, mediteer hoe het eenmaal met u gaan zal. Wet; den mensch die over de eeuwige waarheden niet nadenkt, die niet mediteert! De wereld ligt woest, zegt God, omdat er niemand is die in zijn hart overweegt: Desolations desolala est omnis terra, quia nullus est, qui recoijitet corde. (i) Hetgeen God van de gansche wereld zegt, kan men te recht van vele menschen zeggen.
Ja, woest, verwilderd ziet liet er met de ziel van den mensch uit, die niet nadenkt over zijnen oorsprong, over God zijnen Schepper, over zijne bestemming, waar hij naar toe moet, over de plichten die hij te vervullen heeft jegens God, jegens zich zeiven en zijnen evenmensch. Ja woest en verwilderd, ellendig en rampzalig ziet het er met die ziel uit: Desolatione desolala est. Doch dit zij genoeg over het inwendig gebed en de meditatie.
Het uitwendig gebed, B. B., geschiedt mot het hart en den mond te zamen, en vandaar dat het ook mondeling gebed genoemd wordt. Het geschiedt dus ook met het hart en niet met den mond alleen: zonder dat zoude men liet verwijt van God verdienen, als Hij zegt: Dit volk eert Mij met de lippen, maar
(i) Jeukm. xii, 11
hun hart is ver van Mij verwijderd; ja, God zoude ons evenals de Phariseën huichelaars kunnen noemen. Er bestaat dus wel een gebed dat enkel inwendig is, maar er bestaat geen goed gebed dat enkel uitwendig of\' mondeling is.
Wijl het inwendig gebed goed is en God tot in het hart van den mensch doordringt, zoo is het genoeg God inwendig te bidden en te eeren; het uitwendig gebed en de uitwendige vereering zijn dus overbodig. Ziedaar wat vele goddeloozen in onze dagen zeggen, die den uitwendigen godsdienst willen afschaffen. Ik antwoord dus: Alhoewel het inwendig gebed alleen goed is en het uitwendig zonder hot inwendig niets beteekent, daaruit volgt niet dat men het uitwendige moet verwaarloozen, integendeel, men moet het met hot inwendige vervoegen.
De mensch, B. B., bestaat uit ziel en lichaam, hij moet dus zijnen Schepper loven met ziel en lichaam.
Wij menschen moeten te zamen leven; bijgevolg moeten wij elkander stichten en aanzetten om God, die ons aller Vader en Meester is, te loven en te verheerlijken; en hoe zuilen wij ons van dien plicht kwijten*zoo niet door onze uitwendige gebeden, door den uitwendigen godsdienst?
Uit deze aanmerking blijkt ook wat liet bijzonder en wat liet gemeenschappelijk gebed is. Het bijzonder gebed is dat men alleen doet, liet gemeenschappelijk gebed dat men met twee of meer personen verricht. Het gemeenschappelijk gebed overtreft het bijzonder; Waar er twee of drie, zegt onze goddelijke Zaligmaker, in mijnen naam vergaderd zijn, ben Ik in hun midden. Daaruit volgt hoe loffelijk en heilzaam liet gebruik is, dat in vele huisgezinnen bestaat, van \'s morgens en vooral \'s avonds te zamen te bidden.
— 44 —
SLUITREDE.
Ten slotte moet ik nog een woordje zeggen over eene soort van gebeden die men schietgebeden noemt. Zij worden sciüet-gebeden genoemd, omdat, evenals een pijl dien men afschiet naar \'t doelwit vliegt, zoo ook die gebeden naar God of zijne Heiligen vliegen. Zij bestaan vooral in teedere verzuchtingen tot God, waardoor men Hem zijne liefde of noodwendigheden te kennen geelt.
Eenieder kan zich van schietgebeden bedienen, eenieder kan zijn hart tot God verheffen. Die gebeden hebben veel voor; omdat men ze ten allen tijde en op alle plaatsen kan verrichten en wijl men geen gevaar loopt van verstrooid te worden, daar zij kort van duur zijn. Daarenboven, er zijn veel schietgebeden, waaraan aflaten verbonden zijn, die men voor zich of de geloovige zielen kan verdienen. Van die schietgebeden moet men zich bij voorkeur bedienen.
Maken wij ons dus de loffelijke gewoonte eigen van in den dag dikwijls ons hart tot God te verhellen, ziju H. Hart te groeten; het onbevlekt Hart van Maria, onzen Engelbewaarder, den H. Joseph, onzen Patroon of onze Patrones aan te roepen, en zijn wij er wel van overtuigd, B. B., na hier op aarde met God en zijne Heiligen voortdurend vereenigd te zijn geweest door het gebed, zullen wij ons eenmaal met God en zijne Heiligen mogen vereenigen in den hemel. Amen.
VIJFDE ONDERRICHTING
OVER DE WAARDIGHEID DES GEBEDS
Oratio humüiantis se nuhes penetrant.
Het gebed van den ootmoedige dringt door do wolken heen. (Eccl. xxxv, 21.)
INHOUD.
VOORREDE.
Het gebed is van een allergrootste belang, én voor u, én voor ons: voor u, zonder gebed kunt gij niet als ware Christenen leven; voor ons, wij zijn u drie zaken schuldig: do onderrichting, \'t goed voorbeeld en vooral het gebed. De waardigheid des gebeds.
VERDEELING.
I. Omdat het gebed eene zielsverheffing is tot God;
II. Omdat het gebed eene samenspraak is met God;
III. Omdat men door het gebed gemeenzaam met God
omgaat;
IV. Omdat men door het gebed als gebied voert over
God.
Het gebed is eene zielsverheffing. God wel is waar is overal tegenwoordig; doch als de mensch bidt, ontrukt zich zijne ziel aan het aardsche en stelt zich voor den troon van God. Woorden van den koninklijken Profeet David.
II.
Het gebed is eene samenspraak met God. Goed- on minzaamheid van God, die den mensch toelaat met Hem te spreken; eer die er voor den mensch uit voortspruit.
III.
De mensch des gebeds gaat gemeenzaam met God om, evenals twee vrienden gemeenzaam met elkander omgaan. Gesprek van Abraham met God.
IV.
De mensch des gebeds voert als gebied over God. Woorden van God tot Moses ter gelegenheid der aanbidding van het gouden kalf.
SLUITREDE.
Aangezien de waardigheid des gebeds is liet geen wonder dat de Heiligen het gebed zoo zeer bemind hebben. David, Daniel, de H. Antonius Abt, de II Aloysius. Door het gebed hebben de Heiligen zoo verheven toppunt van heiligheid bereikt. Beminnen wij dus ook het gebed, zijn wij mannen van gebed en ons geluk is verzekerd.
VIJFDE ONDERRICHTING
OVER DE WAARDIGHEID DES GEBEDS
Oratio himiliantis sc miles ■penetrabit.
Het gebod van den ootmoedige dringt dooi\' do wolken heen. (Eocl. xxxv, 21.)
VOORREDE.
Het gebed, B. B., is van het grootste belang voor alie menschen; voor u geloovigen, want zonder liet gebed zoudt gij als ware Christenen niet kunnen leven en bijgevolg ook niet kunnen zalig worden; voor ons priesters, want zonder gebed zouden wij te vergeefs aan onze eigen en uwe zaligheid werken. De priesters met de leiding der geloovigen gelast, zijn hun drie zaken schuldig:
1° De onderwijzing; wij zijn verplicht u te onderrichten in hetgeen de zaligheid aangaat;
2° Het goed voorbeeld; wij zijn verplicht u in alles en ten allen tijde te stichten;
3° Het gebed; wij zijn verplicht voor u te bidden, en deze laatste verplichting is de grootste, zegt de H. Bernardus: Major autcm horum oratio.
Wijl het gebed dus van zoo groot belang voor ons allen is, onderhouden wij ons vandaag een oogenblik over de waardigheid des gebeds, om daarvan overtuigd altoos menschen van gebed te wezen. Het gebed is zoo waardig:
I. Omdat het eene zielsverhelling is tot God; II. Omdat het eene samenspraak is met God;
III. Omdat men biddende gemeenzaam met God
omgaat;
IV. Omdat men biddende als gebied voert over
God.
I.
Het gebed, B. B,, gelijk wij reeds uit onze voorgaande onderrichting weten, ïs eene zielsverhefling tot God, vereenigd met het verzoek van hetgeen betamelijk is.
\'t Is eene zielsverheffing: niet dat het noodig is door de wolken te dringen om God te vinden, want God is overal tegenwoordig. Bijaldien ik ten hemel klim, zegt de koninklijke Profeet David, Gij zijt er; zoo ik in den afgrond nederdaal, ik ontmoet U daar; bijaldien ik vleugelen neem en naar de afgelegen stranden der zee vlieg. Gij zult mij daar vergezellen en beschermen. Waar zal ik mij dus naar toe begeven om mij van U te verwijderen? Waar zal ik heen vluchten om mij aan uwe blikken te onttrekken? Vergeefsche poging, B. B., want \'t is in God, gelijk de Apostel Paulus zegt, dat wij leven, dat wij ons bewegen en dat wij bestaan: In Ipso vivimus, movemur et summ. (i)
Waarom dan het gebed eene zielsverheffing genoemd? Ziehier de reden. Onze arme ziel, in dit sterfelijk lichaam als in eene gevangenis opgesloten en onder den last van dit vergankelijk vleesch ter neêr gedrukt, neigt gewelddadig naar beneden en kan zich niet zonder moeite losrukken. Doch ziet, het gebed voert de ziel omhoog, verheft haar boven de zichtbare wereld en plaatst haar als onder de hemelsche geesten voor den troon van God. Doch wat is er verhevener dan God? Hij is de Aller hoogste; en wijl het gebed de ziel naar God opvoert, daarom kan men het niet beter dan eene zielsverheffing noemen.
(i) Act. xvii, 28.
David legt ons die geheimvolle zielsverheffing uit. Wie zal mij vleugelen geven, zegt hij, en ik zal opvliegen en in (\', o mijn God! gaan rusten. Dat mijn gebed tot U opstijge, evenals de welriekende wierookswolken die van de altaren ten lieniel stijgen.
Ziedaar, B. B., die zielsverheffing, die ontrukking aan het aardsche, waartoe Jesus-Chrisius ons uitnoodigt, als Hij ons loert bidden: Pater noster, qui es in an lis: (i) Onze Vader, die in de hemelen zijt; waartoe onze Moeder de H. Kerk in de H. Mis ons aanzet, al zij zegt: Sursum oor da! De harten omhoog! Voorzeker, wij allen zouden dan naar waarheid moeten kunnen zeggen: Wij hebben onze harten reeds tot God verheven: Hdbemus ad Dominum.
II.
Het gebed, B. B., is niet alleen eene zielsverheffing, maar het is ook eene samenspraak met God. Bidden, zegt de H. Joannes Chrysostomus, en met hem alle H. Vaders, is met God spreken. De Catechismus vraagt:
Wie spreken wij aan als wij bidden? En hij antwoordt:
De opperste en aanbiddelijke Majesteit ran God.
Wie beseft nu de eer, die er uit die samenspraak met God voor ons voortspruit? Welke eer met een hooggeplaatst persoon, met een minister of koning te spreken; men beroemt er zich op. En wat beteekent zulks in vergelijking van eene samenspraak met God, den Koning der koningen? Al biddende zijn wij aan de Engelen gelijk en onderhouden wij ons even als zij met God.
De Engelen overtreffen ons wel is waar onder vele opzichten: zij zijn van eene verhevener natuur, enkele geesten; zij gaan ons ver te boven in wijsheid en verstand, maar wat het gebed aangaat, die samenspraak met God hebben wij met de Engelen
(i) Mattii. vi, ü.
Geloofs - en Zedenleer. 2(l0 Deel. 4,
— 50 —
gemeen, in die eer deelen wij met de verhevenste Cherubynen en Seraphynen. Wat al goedheid! Wat ai minzaamheid van God! Hoe dan? God wil zich met ons nietige schepselen, ellendige zondaren onderhouden? Hij staat ons toe, niet alleen dat wij ons voor den troon zijner ontzagverwekkende Majesteit neder-werpen, dat wij al sidderende en bevende Hem onze hulde bewijzen, dat wij Hem door de Engelen onze zwakke gebeden opdragen, maar Hij wil nog dat wij Hem naderen, dat wij met Hem spreken, de begeerten onzer harten aan Hem te kennen geven, evenals een kind met zijn vader, evenals een vriend met zijn vriend spreekt? Mijn God! Gij gewaardigt IJ mij gehoor te geven; uwe ooren staan altoos open om mij te hooren; uw hart is altoos bereid om mij te verhooren? Mijn Heer en mijn God! Wat al goedheid en minzaamheid van uwen kant, en wat al eer en glorie voor mij ellendig schepsel!
111.
Die samenspraak met God dikwijls herhaald heeft een gemeen-zamen omgang met God ten gevolge, evenals twee vrienden die dikwijls met elkander spreken, gemeenzaam met elkander omgaan. De H. Schrift geeft ons hiervan een treffend voorbeeld.
Zekeren dag, B. B., liet God zijnen dienaar Abraham weten dat Hij besloten had zich op de onkuische steden Sodoma en Gomorrha te wreken. Abraham, zonder een oogenblik te wachten, om den ondergang dier losbandige steden te voorkomen; Heer! sprak hij, is het mogelijk dat Gij de rechtvaardigen met de goddeloozen verdelget? Zoo er vijftig rechtvaardigen onder zijn, zult Gij dan de stad om hunnentwille niet sparen? Wat antwoordde God? Zoo Ik er vijftig vinde, zeidè Hij, zal Ik om hunnentwille de stad sparen. Abraham bemerkende dat het hem de eerste maal gelukt is, verstoutte zich voort te gaan. Daar ik eenmaal begonnen heb, verstout ik mij meer aan mijnen Heer te vragen, hoewel ik stof en asch ben. Indien er eens vijf
rechtvaardigen minder dan vijftig — dus vijf en veertig — waren, zoudt gij dan om die vijf minder de stad verdelgen? God antwoordde: Indien Ik er vijf en veertig in vinde, zal Ik de stad niet verdelgen. En bijaldien er maar veertig waren? Wat zoudt Gij doen? Dan zal Ik haar om die veertig niet straffen. Heer! zeide daarop Abraham, vertoorn U niet zoo ik voortspreke: Wat zoudt Gij doen zoo er maar dertig waren? Ook dan, antwoordde God, zal Ik haar niet verdelgen. Wat, zoo er maar twintig werden gevonden? Ook dan znl Ik de overigen niet dooden. Ik bid ü, Heer! vergram U niet, zoo ik nog eenmaal spreke: Indien er maar tien waren? Ook dan zal Ik de overigen niet ombrengen, om der tien wille zal Ik allen sparen.
Wat moet men in deze samenspraak van Abraham met God meer bewonderen, ofwel de toegevendheid van God, of de kinderlijke vrijheid van Abraham? Zoude men niet zeggen dat er twee vrienden samenspraken?
IV.
Eindelijk, om de waardigheid des gebeds nog meer te doen uitkomen, zeg ik dat men door het gebed als gebied voert over God. Inderdaad, het gebed oefent op het hart van God eene macht uit, waaraan Hij niet kan wederstaal). Al is God ook onoverwinlijk, men kan nochtans zonder overdrijving zeggen dat Hij dooi\' het gebed overwonnen wordt.
Het gebed doet Hem een heilig geweld aan, dat Hij lief heeft en waarvoor Hij volgaarne onderdoet. Ziehier nog eene geschiedenis uit de II. Schrift tot bevestiging dezer waarheid.
Terwijl Moses op den berg Sinai verbleef om de twee steenen tafelen, waarin God zijne tien geboden geschreven had, te ontvangen, dwongen de Israëlieten die ongeduldig geworden waren, Aaron een gouden kalf te maken. Haast n, sprak God tot Moses, en daal den berg af. Het volk heeft eene verschrikkelijke zonde bedreven, het aanbidt eenen afgod, \'t Is een
lialstarrig volk. Laat Mij begaan; dat mijn toorn tegen hen ontbrande en Ik hen verdelge. U zal Ik daarna tot een groot volk maken. Zonderlinge woorden in den mond van eenen God. Laat Mij begaan, zegt God tot Moses. Is Hij dan met Heer en Meester en kan Hij niet naar willekeur handelen? Wat heeft Hij dan de toestemming van Moses noodig? O voorzeker, God is almachtig, Hij is vrij en onafhankelijk, maar om te toonen wat het gebed is, laat Hij zich overmeesteren. Laat Mij begaan, zegt God tot Moses. Welk wondervol schouwspel! God de Schepper bidt; Moses het schepsel beveelt. Neen, Moses liet God niet begaan, hij bad en smeekte God zijn volk te sparen, en door zijn bidden en smeeken bracht hij het zoo ver, dat God zich liet bewegen. B. B., hoe dikwijls zijn wij misschien op de bede van den een of andere niet gespaard gebleven?
SLUITREDE.
Geen wonder dus, B. B., dat de Heiligen ten allen tijde mannen van gebed geweest zijn. Doorloopt de levens der Heiligen; overal zult gij hen biddende vinden, gij zult zien dat zij van het gebed als leefden.
David bidt dag en nacht.
Daniël aan \'t hof van Darius wil liever in den leeuwenkuil geworpen en verscheurd worden, dan zijne gewone gebeden achter te laten.
De H. Antonius vond den nacht te kort en beklaagde zich over de zon dat zij hem zoo vroeg in zijn gebed kwam storen.
De H. Aloysius besteedde onafgebroken twee uren aan het gebed, totdat hij één uur zonder verstrooidheid gebeden had.
De Heiligen beminden het gebed; zij waren mannen van gebed, en vandaar dat zij zoo heilig geworden zijn.
De wereldling kan niet begrijpen waar de Heiligen de kracht geput hebben om aan de rijkdommen, de eerambten en de
vermaken der wereld te verzaken, hoe zij een zoo verheven toppunt van heiligheid bereikt hebben. Neon, de wereldling kan dat niet begrijpen; maar ik zeg hem dat het .gebed die wonderen heeft voortgebracht, dat het gebed die helden des Christendoms gevormd heeft.
Zoo wij tot nu toe het gebed niet genoeg gekend, bemind en beoefend hebben, overtuigen wij ons dan van nu af aan van zijne waardigheid, namelijk, dat het, ons tot eer strekt de opperste en aanbiddelijke Majesteit van God te mogen aanspreken. Beminnen wij het gebed, zijn wij mannen van gebed en ons eeuwig geluk is verzekerd. Amen.
ZESDE ONDERRICHTING
OVER DE NOODZAKELIJKHEID DES GEBEDS
Petite et accipietis.
Vraagt en gij zult verkrijgen.
(JOAN. XVI, 21).
INHOUD.
VOORRKDK.
Na over de waardigheid des gebeds gesproken te hebben, gaan wij thans tot deszelfs noodzakelijkheid over. Het gebed is noodzakelijk ter zaligheid.
VERDEEUNG.
I. Zonder de genade vermag men niets ter zaligheid;
II. Zonder gebed kan men de genade niet bekomen.
I.
Zonder de genade vermag men niets ter zaligheid. Het leven van den mensch is tweevoudig, het natuurlijk en het bovennatuurlijk leven. Evenals de mensch zich zeiven niet heeft kunnen scheppen, zoo ook heelt hij zich zeiven niet kunnen herscheppen. Zonder God kunnen wij niets. De mensch heeft de genade Gods noodig: vooreerst, omdat hij mensch j vervolgens, omdat hij een zondig mensch is.
II.
Naar den algeineenen regel kan men zonder het gebed de genade Gods niet bekomen. Vraagt, ze^t God, en gij zult verkrijgen. Het gebed is als een kanaal, als een sleutel. Vergelijking tusschen het natuurlijk en het bovennatuurlijk leven, iioe beide ontstaan en worden voortgezet.
\'t Is de stellige wil van God dat wij zijne genade vragen.
God wil dat wij onze afhankelijkheid erkennen en onze armoede en ellenden gevoelen.
\'t Is geen schande voor ons van te moeten bidden; integendeel, het strekt ons tot eer.
Eindelijk, hetgeen men vraagt verdient wel gevraagd te worden.
SLUITREDE.
Gebruiken wij dus het noodzakelijke middel ter zaligheid, het gebed. Ongelukkig de mensch die niet bidt, hij kan niet zalig worden; gelukkig de mensch die bidt, hij kan niet verloren gaan.
ZESDE ONDERRICHTING
OVER DE NOODZAKELIJKHEID DES GEBEDS
Petite et accipietis.
Vraagt en gij zult verkrijgen.
(Joan. xvi, 21.)
VOORREDE.
Van de waardigheid des yebeds, 13. ]!., waarover wij laatsleden gesproken hebben, gaan wij over tot deszelfs noodzakelijkheid. De woorden van Jesus-Christus: Petile el accipietis: Vraagt en gij zult verkrijgen, beteckenen niet alleen dat het goed en geraadzaam is te bidden; neen, maar zij bevatten ook een gebod en eene verplichting, zelfs eene noodzakelijkheid; als wilde onze goddelijke Zaligmaker zeggen: Wilt gij verkrijgen, dau moet gij bidden; zonder dat zult gij niet verkrijgen, liet gebed is dus noodzakelijk ter zaligheid, ton minste uit noodzakelijkheid des gebods.
Er zijn H. Vaders, die zeggen dat het gebed voor de ziel is hetgeen het brood is voor liet lichaam. Anderen, dat wij het gebed noodig hebben, evenals wij de lucht noodig hebben om te ademen, evenals de visch het water noodig heeft om te leven, evenals wij het II. Doopsel noodig hebben om van de erfzonde gezuiverd te worden. De H. Alphonsus van Liguorio, het vraagstuk grondig verhandelende, namelijk, of het gebed noodzakelijk is ter zaligheid, zegt dat er niet alleen een gebod bestaat van te bidden, maar dat liet gebod voor allen, die tot de jaren van verstand gekomen zijn, noodzakelijk is uit noodzakelijkheid des middels, d. w. z., dat het onmogelijk is zonder bidden zalig te worden. De Catechismus vraagt ook:
Is het gebed noodig ter zaligheid\'? Kn hij antwoordt:
Ju^ voor allen die gekomen zijn tot de jaren van verstand.
I. Zonder de genade Gods vermag men niets ter zaligheid;
II. Die genade kan men naar den algemeenen regel niet bekomen tenzij door het gebed; bijgevolg is het gebed noodzakelijk ter zaligheid.
1.
Dat de mensch zonder de genade Gods niets vermag ter zaligheid, die waarheid hebben wij vroeger reeds bewezen; doch herhalen wij ze in \'t kort en in andere woorden.
Het leven van den mensch, 15. B., is tweevoudig, het natuurlijk en het bovennatuurlijk leven. Het natuurlijk leven, met de oogen des gelool\'s beschouwd, beteekent weinig of niets, al maakt er de mensch ook zuo veel werk vau; maar het bovennatuurlijk, het leven der genade, ziedaar wat naar waarheid leven mag genoemd worden, wijl het den grondslag legt voor het eeuwige leven in den hemel. Evenals nu de mensch zich zeiven het natuurlijk leven niet heeft kunnen geven, d. i., zich zeiven niet heeft kunnen scheppen, zoo heeft hij zich liet bovennatuurlijk leven ook niet kunnen geven, hij heeft zich niet kunnen herscheppen. In \'t heilig Doopsel is hij herschapen en heeft hij het leven der genade ontvangen, dat in het leven der glorie moet overgaan.
In de vierde eeuw leefde er een beruchte Ketter met name Pelagius. Deze beweerde dat de mensch uit eigen krachten zijne zaligheid kan bewerken. Die ketterij is door den Paus Innocentius 1 veroordeeld.
Natuurlijke deugden en goede werken kunneu ons geen recht geven op de hemelsche glorie. Zonder Mij kunt gij niets, zegt
— 58 —
Jesus-Christus. Zonder de genade Gods kunnen wij zelfs geen heilzame gedachte hebben, d. i., eene gedachte die strekken kan ter zaligheid.
En merkt wel op. P.. B.: om in den hemel te komen zoude de mensch de genade Gods reeds noodig gehad hebben in den staat der onschuld; hoe veel te meer dus sedert hij door de zonde zoo diep gevallen is, en hij zijne ziel zoo groote wonden heeft toegebracht. Hoe zoude hij zonder de genade Gods uit den staat der zonde kunnen opstaan, aan de begeerlijkheid kunnen wederstaan en de vijanden zijner zaligheid kunnen overwinnen? De mensch heeft dus als mensch en nog meer als zondig mensch de genade Gods noodig om zalig te worden. Doch zien wij nu welk het middel is om de genade Gods te bekomen.
II.
God alleen is de Heer der genade. Hij alleen kan er over beschikken. Het gewone middel nu om van God de genade te bekomen is het gebed. Ik zeg het gewone, want het gebeurt soms dat God zijne genade geelt, zonder dat men ze Hem vraagt; doch zulks geschiedt bij uitneming.
Dat het gebed het gewone middel is om Gods genade te verkrijgen, blijkt duidelijk uit de H. Schrift. Vraagt, zegt onze goddelijke Zaligmaker in het Evangelie, en gij zult verkrijgen; vraagt en u zal gegeven worden; al wie vraagt verkrijgt, die zoekt vindt en voor hem die klopt zal geopend worden.
Om dus te verkrijgen moet men vragen. Bijaldien gij niet vraagt, zegt de H. Theresia, zult gij ook niet verkrijgen.
Het gebed is als een kanaal, waardoor ons Gods genade toekomt; \'t is als een sleutel waarmede men Gods schatkamer moet openen. Doch leggen wij die waarheid door de vergelijking-van het natuurlijk met het bovennatuurlijk leven van den mensch een weinig verder uit.
God heeft ons het natuurlijk en het bovennatuurlijk leven geschonken. Het natuurlijk leven dat God ons geschonken heelt, moeten wij met Hem voortzetten door eten en drinken: bijaldien men niet eet of drinkt, kan men zonder mirakel niet leven. Passen wij dit nu toe op het bovennatuurlijk leven. In de bovennatuurlijke orde, zegt de 11. Prosper, geeft God ons de eerste genade, die liet beginsel onzer zaligheid is, zonder dat wij ze Hem vragen. Door die eerste genade worden wij in staat gestéld om vooruit te gaan, d. i., om met vrucht te bidden. Eenmaal nu in staat van vooruitgang gesteld, wil God dat wij de overige genaden vragen; op die voorwaarde heeft Hij ze ons beloofd. Bijaldien wij ze nu niet vragen kan God ze natuurlijk, zonder aan zijne beloften te kort te blijven, weigeren; ja, wat meer is, \'t schijnt dat God ze moet weigeren: waarom? Omdat men, ingeval men zoo kostbare gave als de genade niet eens wil vragen, daardoor toont dat men er weinig belang in stolt, en aan hen die er weinig belang in stellen, schijnt God zijne genade te moeten weigeren.
Algeineene regel dus: om Gods genade te bekomen moet men ze vragen, en bijgevolg is het gebed noodzakelijk ter zaligheid.
Maar God weet genoeg wat wij noodig hebben; waarom moeten wij dan zijne genade vragen? Wij moeten ze vragen:
1quot; Wijl God het wil en stellig wil, en die wil Gods moet ons voldoende zijn. Of is God niet vrij ons zijne genade te geven op deze of gene voorwaarde waarop Hij wil?
2quot; Is het niet billijk en rechtvaardig dat wij onze afhankelijkheid van God en God voor onzen Heer en Meester erkennen?
Ha! li. B., zoo wij ons verhoovaardigeu krijgen wij niets, want God wederstaat aan de hoovaardigen, maar Hij geeft zijne genade aan de ootmoedigen: Humüibus aulem dat grutiam. (i) Wij allen zijn bedelaars voor God, zegt de H. Augustinus, en
(i) Jac. iv, 6.
— 00 —
God wil dat wij onze armoede en behoeften gevoelen, en ziedaar, waarom Hij geboden heeft zijne genade te vragen.
Te moeten vragen strekt ons geenszins tot oneer of schande. Als wij aan de oneindige Majesteit Gods en aan onze nietigheid denken, zouden wij wellicht God niets durven vragen. Wat doet God nu? Om ons betrouwen in te boezemen staat Hij ons niet alleen to« tot Hem te naderen, Hem te bidden, maar Hij gebiedt het. Daarenboven, God die een goede Vader is, schept er vermaak in met zijne kinderen te verkeeren; li ij verlangt dat wij Hem ons hart openen en met betrouwen naar Hem toegaan. Yeronderstelt eens een koning, die gansch zijn rijk door liet afkondigen dat hij voornemens is allerlei weldaden uit te deelen, op voorwaarde nochtans, dat men ze hem kome vragen; en zoo hij beval dat al zijne onderdanen, en de armste op de eerste plaats, tot hem toegelaten werden, wat zou men van dien koning zeggen? Maar hij is een vader, zoude men van alle kanten roepen. Welnu, zulk een koning is God, zoo handelt God. Bijaldien Hij dus wil, van den eenen kant dat wij Hem eeren door Hem te bidden, God van den anderen kant eert ons door ons bij zich toe te laten en met zooveel liefde te behandelen.
Eindelijk, waarvan is er sprake in het gebed? Wat vragen wij? Wat goud of zilver, eene handvol stof? Wat eer of glorie gelijk aan rook? En nochtans, wat moeite getroost zich daarvoor de sterveling niet? Hij werkt en zwoegt om schatten te vergaderen, die de roest weldra verteert; om zich in de wereld te verheffen, daar hij weldra vernederd wordt. Verblinde sterveling! hij loopt achter schimmen; doch als men God bidt, jaagt men geene schimmen na; men vraagt, men zoekt het eenige, het ware goed, het goed bij uitstek, de genade Gods, en de kleinste genade is meer waard dan alle schatten en rijkdommen dei-wereld ; want wat baat het den mensch de gansche wereld te winnen als hij zijne ziel verliest, ziel, die hij zonder Gods genade niet kan zalig maken.
Och of wij dus Gods genade wisten te waardeeren en er meer prijs op stelden! Wij zouden zo zoo iioht niet verspillen en beter ons best doen om ze te bekomen. En wat vraagt God van ons om zijne genade te bekomen? Vraagt, zegt Hij, en gij zult verkrijgen: Petite ei accipietis.
SLUITREDE.
Om te eindigen trek ik in weinige woorden te zamen alwat ik over de noodzakelijkheid des gebeds gezegd heb. Het gebed is noodzakelijk, want:
1quot; Zonder de genade Gods kan men niet zalig worden;
2° Zonder het gebed kan men die genade niet bekomen; bijgevolg is het gebed noodzakelijk ter zaligheid.
Wij mogen ons ook niet beklagen van te moeten bidden.
Wat is er redelijker dan te erkennen dat God onze Heer en Meester is en dat wij van Hem afhangen?
Wat is er roemrijker voor den mffnsch dan met zijnen Heer en God te mogen spreken, Hem zijne noodwendigheden bekend te mogen maken, zijn hart in \'t hart van zijnen God te mogen uitstorten?
En wat verdient er meer gevraagd te worden dan de onschatbare genade, waarvan onze zaligheid afhangt?
Ongelukkig dus de mensch die niet bidt, hij kan niet zalig worden: gelukkig de mensch die bidt en die aanhoudt met bidden, hij wordt zeker zalig. Bewerken wij dus, B. B., onze zaligheid door te bidden en door aan te houden met bidden. Amen.
ZEVENDE ONDERRICHTING
OVER DE KRACHT DES GEBEDS
Omnia qucccumque or antes pctitis, credite quia accipietis et evenicnt vohis.
Al wat gij biddende vraagt, gelooft want gij zult liet verkrijgen en het zal u geworden.
(Mauc. xi, si.)
• INHOUD.
VOORREDE.
Hel gebed is niet alleen een noodzakelijk, maar ook een krachtig raiddel ter zaligheid.
VERDEELING.
I. Waarom is het gebed een zoo krachtig raiddel?
II. De kracht des gebeds door wonderen bevestigd.
I.
Het gebed is een zoo krachtig middel ter zaligheid:
1° Wijl het steunt op de beloften van God;
\'2° Op de oneindige verdiensten A-an Christus;
3° Op den bijstand van God den II. Geest.
II.
Er zijn vooral drie soorten van wonderen, dio de almacht Gods doen uitschijnen: de elementen gebieden, de dooden verwekken en iets van niet maken of scheppen. De mensch des gebeds wedijvert met God in die wonderen.
1° Hij gebiedt de elementen. Elias doet vuur uit den hemel nederdalen.
2° Elias en Elizëus verwekken dooden,• Petrus verwekt Tabitlia.
\',i0 De olie der weduwe van Sarepta vermenigvuldigt; de H. Franoisca doet druiven aan een wilden struik groeien.
De menseh des gebeds wedijvert niet alleen met God, maar hij overwint den Almachtige.
SLUITREDE.
Het gebed is dus even krachtig, ja in zekeren zin krachtiger dan het woord Gods. Bidden wij dus en wij zijn zeker van te verkrijgen. Vragen wij Gods genade, in een woord, alles wat wij noodig hebben om hier als brave Christenen te leven, het pad der deugd gestadig te bewandelen, en op het einde van ons leven zullen wij de belooning voor de deugd weggelegd erlangen.
— 64 —
ZEVENDE ONDERRICHTING
OVER DE KRACHT DES GEBEDS
Onmin, ijuacimiiue orantes petit is, credite quia, accipictis et evenient vol/is.
Al wat gij bicldeiulü vraagt, gelooft want gij zult liet verkrijgen 011 het zal u geworden.
(Mahc. xi, 21.)
VOORREDE
Wij allen, P.. B., hebben Gods genade noodig om zalig te worden; die genade wordt ons volgens de algemeene schikking der goddelijke Voorzienigheid niet gegeven tenzij wij ze vragen; bijgevolg is het gebed noodzakelijk om zalig te worden. Die waarheid hebben wij in onze voorgaande onderrichting overwogen en bewezen. Zij alleen moest voldoende zijn om ons krachtdadig aan te zetten van te bidden.
Doch ziellier eene andere waarheid, die niet minder in staat is om ons tot het gebed op te wekken, namelijk, dat het gebed een zoo krachtig middel is om te verkrijgen. Ja, B. B., wij zijn zeker van te verkrijgen, mits wij goed bidden en vragen hetgeen wezenlijk strekt tot onze zaligheid, \'t is van de kracht iles gebéds dat wij ons vandaag zullen overtuigen. Wij zullen dus zien:
I. Waarom het gebed zoo krachtig is;
II. Die kracht door wonderen bevestigd.
I.
De waarheid dat het gebed een zoo krachtig middel is, steunt op de beloften van God, op de verdiensten van Jesus-Christus en op den bijstand van God den H. Geest. Zij steunt;
1° Op de beloften van God. Wat zegt God van het gebed? Door den mond van zijnen Profeet Isaias zegt Hij: Alvorens zij hunne stem verheven hebben, zal Ik hen verhooren; hun gebed zal nog niet geëindigd zijn en Ik zal hen reeds verhoord hebben: Adhuc illis loquentibus ego aucliam. (i)
God is almachtig, zegt Moses, Hij hoort onze gebeden en Hij is immer gereed ons zijne genaden te schenken.
Als men bidt, zegt de Profeet David, is God er tegenwoordig, en waarom? Om ons te verhoeren en te helpen. O Heer! roept David op eene andere plaats uit, ik heb waarlijk bevonden dat Gij de God der goedheid en barmhartigheid zijt, wijl Gij mij, zoo dikwijls ik tot U mijne toevlucht genomen heb, te hulp zijt gekomen.
Onze goddelijke Zaligmaker verzekert ons nog meer van die waarheid. Vraagt, zegt Hij, en gij zult verkrijgen; zoekt en gij zult vinden; klopt en er zal voor u geopend worden. Bemerkt nu wel, Pgt;. B., de nauwe verbinding, die er bestaat tusschen vragen en verkrijgen, enz. De taal van Jesus hier gelijkt veel aan die der schepping. Hij spreekt hier, evenals God sprak, toen Hij hemel en aarde geschapen heeft. God sprak en het was; Hij beval en het was geschapen, zegt de H. Schrift. Die twee zaken, spreken en scheppen zijn zoo nauw met elkander verbonden, dat zij als het ware maar ééne zaak uitmaken. Zoo is het ook gelegen met het gebed; vragen en verkrijgen zijn zoo nauw met elkander verbonden dat zij maar één uitmaken.
Na zoo stellige verzekering, B. B., zoude men nog durven twijfelen aan de kracht des gebeds? Of kan God aan zijne beloften te kort blijven? Volstrekt niet. Hemel en aarde zullen voorbij gaan, zegt onze goddelijke Zaligmaker, maar mijne woorden zullen niet voorbij gaan.
Wat meer is, God heeft zijne beloften met een soort van eed willen bevestigen. Voorwaar, voorwaar Ik zeg het u, spreekt
(l) Esth. vi, 14,
Guloofs-en Zkdenlerr. Deel. 5.
Jesus: Amen, amen dico vobis: (l) zoo gij den Vader in mijnen naam iets vraagt, Hij zal het u geven. Wat beteekenen die woorden? \'t Is als of Jesus zeide: Veronderstelt dat Ik mijne beloften kon breken, zoo vast en onveranderlijk nochtans heb Ik besloten dezelve na te komen, dat men Mij van leugentaal mag beschuldigen, zoo Ik er aan te kort blijf.
Ziehier hoe onze goddelijke Zaligmaker zich in het Evangelie nog uitdrukt. Noemt Mij eenen vader, zegt Hij, die zoo onnatuurlijk is dat hij zijn kind, dat honger heeft en om brood vraagt, eenen steen zal geven; of die het eene slang zal geven, als het om visch vraagt. En merkt nu op wat Hij er bijvoegt: Hoe dan, zegt Jesus, gij die maar slecht zijt in vergelijking met Mij; gij kunt uwe kinderen niets weigeren als zij u iets vragen? En Ik uw hemelsche Vader, Ik die de goedheid zelve ben. Ik die u alles geven kan, Ik zoude u mijne genaden weigeren als gij er om vraagt? Neen, neen, B. B., zoo iets is onmogelijk. Hoe zoude God ons iets kunnen weigeren, die ons zijn eenigen Zoon gegeven heeft? Of heeft Hij ons met zijnen Zoon niet alles gegeven? Nonne cum ipso omnia nobis donavit? (2)
Men zoude soms kunnen zeggen: Ik twijfel niet aan de beloften van God, maar ik ben onwaardig verhoord te worden. Hoe kan ik mij overtuigen dat God mij ellendig, zondig schepsel zal verhooren als ik bid? Ik zeg dus dat de kracht des gebeds op de tweede plaats steunt op de verdiensten van Christus.
Wij, B. B., \'t is waar, wij zijn zonder verdiensten, doch wij bedienen ons van de verdiensten van Jesus-Christus. Heeft Jesus ons niet toegestaan zijne verdiensten in te roepen en ze bij God zijn hemelschen Vader te doen gelden? Ja, de Zoon Gods is onze Middelaar geworden, en Hij heeft ons de oneindige verdiensten van zijn lijden en van zijnen dood geschonken. Bijaldien wij om onze zonden niet verdienen verhoord te worden, ja, wat meer
(1) Joan# xvi, 23. (\'j) Hom. vin, 32.
is, zoo wij verdienen verstooten te worden, God zal niet doof blijven voor de stem van het hloed van zijn eenigen Zoon, dat met meer kracht om genade roept dan onze zonden om wrake. Wij verschijnen dus niet met ledige handen voor God, maar wij offeren Hem meer op dan wij Hem vragen, namelijk, zijn welbeminden Zoon, in wien Hij zijn welbehagen schept. Ziedaar, B. B., waarop de kracht des gebeds steunt, niet op onze verdiensten, maar op de oneindige verdiensten van Jesus-Christus. Jesus heelt zooveel bronnen van genade voor ons geopend, als Hij wonden in zijn gezegend lichaam ontvangen heelt.
Ook heeft Jesus niet alleen voor ons verdiend hetgeen wij vragen, maar in persoon zet Hij onze gebeden in zijnen naam gestort kracht bij. De Apostel Paul us leert ons dat God de Zoon in den hemel aan de rechterhand des Vaders gezeten is om voor ons ten beste te spreken. En inderdaad; waarom heeft Jesus na zijne verrijzenis do lidteekens zijner wonden in zijn heilig lichaam behouden? Ook om aan zijn hemelschen Vader te toonen wat Hij voor ons gedaan en geleden heeft, om alzoo met meer kracht voor ons ten beste te spreken en onze zaak te pleiten.
Hij is dus onze Middelaar en Voorspreker, en onze gebeden met de zijne vervoegd, steunende op zijne verdiensten, zouden niet verhoord worden? Daarom ook sluit onze Moeder de H. Kerk schier al hare gebeden met deze woorden: door Jesus-Christus onzen Heer, enz.; Per Dominum nostrum Jesum Christum, etc.
Eindelijk, ons gebed steunt nog op den bijstand van God den H. Geest. De H. Geest komt onze zwakheid te hulp, zegt de Apostel Paulus. Uit ons zeiven weten wij niet eens wat wij moeten vragen, maar de H. Geest vraagt voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen, en God die de harten doorgrondt, kent de verlangens van den H. Geest.
\'t Is dus niet zonder reden, B. B., gelijk gij ziet, dat ik gezegd heb, dat liet gebed een zoo krachtig middel is om te
— (18 —
verkrijgen hetgeen wij hopen. Die waarheid steunt op de onfeilbare beloften van God, op de oneindige verdiensten van Jesns-Christus en op den bijstand van God den Heiligen Geest. Er blijft nu nog over eenige voorbeelden aan te halen tot bevestiging dezer waarheid.
II.
Onder de wonderen die do Almacht Gods doen uitschijnen, zijn er vooral drie soorten: de elementen gebieden, de dooden verwekken en iets van niet maken of scheppen. Welnu, de mensch des gebeds wedijvert met God in die drie soorten van wonderen.
De Profeet Elias was een sterveling gelijk wij, zegt de H. Jacobus; hij bad God van geen regen te laten vallen, en gedurende drie jaren en zes maanden viel er geen druppel water. Zoodra die tijd verstreken was, bad Elias den Heer op nieuw, en ziet, het begon te regenen en de aarde kreeg hare vruchtbaarheid weder.
Dezelfde Elias deed, om te toonen dat zijn Heer de ware God is, door te bidden vuur uit den hemel vallen dat zijne offerande verteerde, terwijl de priesters der afgoden niets vermochten. Hij deed tot tweemaal toe vuur uit den hemel nedervallen op de soldaten, die de koning Ochosias gezonden had om hem gevangen te nemen. De biddende Elias gebiedt dus de elementen, gelijk gij ziet, en \'t is nochtans aan God alleen dat zij onderdanig zijn.
Dezelfde God, I?. B., is meester van leven en dood; Hij heeft het getal onzer dagen geteld, die wij niet in staat zijn eeue minuut te verlengen.
Welnu, hier wedijvert de mensch des gebeds wederom met God.
Hoe dikwijls is het niet gebeurd dat de dood op do nederige bede van .den een of anderen Heilige zijne slachtoffers heeft
moeten wedergeven? Elias en Elizeus bidden en de doode kinderen verrijzen op de stem der biddende Profeten. Eene weldoenster is dood; de arme weduwen komen al biddende en weenende bij den H. Petrus geloopen; zij laten liem de kleeding-stukken zien, die Tabitlia voor hen gemaakt heeft; Petrus bidt en Tabitlia staat op ten leven. Men zoude nog meer voorbeelden van Heiligen kunnen aanhalen, die al biddende dooden verwekt hebben; doch \'t is overbodig.
De mensch des gebeds, B. B., wedijvert eenigermate met zijnen God in \'t werk der schepping. Eene arme weduwe stond oji het punt van met hare kinderen verkocht te worden, omdat zij hare schulden niet kon betalen; zij bezat niets meer dan een weinig olie. De Profeet Elizëus gebood haar zoo veel vaatwerk mogelijk aan te brengen. Wat gebeurde er i1 Dat overschot van olie vermenigvuldigde zich en begon op eene wonderbare wijze te vloeien, zoo dat de arme weduwe in staat was haren schuldeischers te voldoen.
Eene edele romeinsche dame, met name Erancisca, werkte zekeren dag met hare religieuzen, \'t Was in de maand Januari. Hare arme medezusters waren van vermoeienis en dorst uitgeput. De 11. Erancisca begon te bidden en eensklaps gaf een wilde struik druiven in overvloed om den dorst barer medezusters te lesschen. Wedijvert nu de mensch des gebeds met (lod niet in \'t werk der schepping? Men kan zelfs verder gaan en zonder overdrijving zeggen dat de mensch des gebeds zegeviert over den Almachtige. Bestond er een ondankbaarder en hardnekkiger volk dan het volk van Israël? Nauwelijks is liet uit de slavernij van Egypte verlost of het vergeet zijnen God en Verlosser; het valt neder voor een gouden kalf en aanbidt het. God in rechtvaardige gramschap ontstoken besluit die ondankbaren te verdelgen; doch ziet, Moses, de aanvoerder des volks, stelt zich tusschen beiden; hij bidt voor het volk van Israël en God laat zich door het gebed van zijnen dienaar ontwapenen.
— 70 —
SLUITREDE.
Ziedaar, B. B., de kracht des gebeds genoegzaam bewezen. Wij mogen nu naar waarheid met den H. J. Chrysostomus besluiten, dat het gebed zoo veel kracht, ja in zekeren zin meer kracht heeft dan liet woord Gods. Het heeft zoo veel kracht; want evenals God door een woord te spreken hemel en aarde geschapen heeft, zoo heeft de mensch maar te bidden en alles geschiedt naar zijnen wensch: Quodcumque voluerüis peietis et [let rob is: (i) Al wat gij wilt, zegt Jesus, behoeft gij maar te vragen en \'t zal u geworden. Het gebed is in zekeren zin krachtiger dan het woord Gods. Dat God zich op zijn woord doet gehoorzamen, \'t is niets bijzonders, het schepsel gehoorzaamt aan den Schepper; maar dat God de Schepper op het woord van den mensch, van zijn schepsel, gehoorzaamt, ziedaar wat ons meer moet verwonderen, en dat men niet zoude durven beweren hadde men de H. Schrift niet in de hand om er de waarheid van te bewijzen: Ohedienle Deo vod hominis. (2) Bedienen wij ons dus van dat krachtig middel, het gebed, en vragen wij God zijne genaden, in een woord, al wat wij noodig hebben om als ware Christenen te leven, het pad der deugd standvastig te bewandelen, en eenmaal zullen wij de belooning voor de deugd weggelegd erlangen, d. i., wij zullen de eeuwige vreugde des hemels binnengaan. Amen.
(1) JOAN. XV, 7. (2) JOS. X, 14.
ACHTSTE ONDERRICHTING
OVER DE VOORWAARDEN DES GEBEDS
Petitis et non accipitis, eo quod male petatis.
Gij vraagt en verkrijgt niet, omdat gij slecht vraagt. (Jac. iv, 3.)
INHOUD.
VOORREDE.
Het gebod is eon krachtig, ja zelfs een onfeilbaar middel om te verkrijgen, mits men bidde gelijk liet behoort. Hoe moet men dus bidden opdat het gebed een onfeilbaar middel zij ?
VERDEELING.
I. Men moet bidden voor zich zeiven;
II. Om het noodige ter zaligheid;
III. Met godsvrucht;
IV. Met volharding.
I.
De H. Thomas leert dat men voor zich zeiven moet bidden; doch vele godgeleerden beweren dat men al biddende ook onfeilbaar voor anderen kan verkrijgen.
II.
God heelt niet beloofd van ons te verhooren, zoo wij om tijdelijke goederen vragen. Men mag ze nochtans vragen, maar voorwaardelijk en met overgeving aan den wil Gods; zelfs in. de bekoringen moet men zich aan den wil Gods onderwerpen.
III.
Men moet met godsvrucht bidden, d. i., met ootmoedigheid en betrouwen. Velen bidden zonder eerbiedigheid. Is het dan te verwonderen dat zij niet verhoord worden?
IV.
Mot volharding. Die volhard zal hebben tot het einde toe zal zalig worden; doch om tot het einde toe te volharden, moot men tot het einde toe bidden.
SLUITREDE.
Alle Heiligen hebben vermelde voorwaarden van hot gebed volbracht, en vandaar dat zij zalig zijn geworden. Willen wij eenmaal met hen in den hemel komen, dan moeten wij hen navolgen in het gebed.
ACHTSTE ONDERRICHTING
OVER DE VOORWAARDEN DES GEBEDS
Petitis et non accipüis, eo quod male petatis.
üij vraagt en verkrijgt niet, omdat
. gij slecht vraagt. (Jac. iv, rgt;.)
VOORREDE.
Het gebed, B. B., is een krachtig, ja, ik mag zeggen, een onfeilbaar raiddel om te verkrijgen. Doch daarover nadenkende zoude men soms kunnen zeggen: Bijaldien het gebed een zoo krachtig middel is om te verkrijgen, hoe komt het dan, dat ik die reeds zoo lang en veel gebeden heb, niet verkrijg waarom ik bid? Die vraag, B. B., ga ik vandaag beantwoorden.
Het gebed is een krachtig, een onfeilbaar middel; die waarheid blijft. Doch gij moet opmerken, dat men om zeker te verkrijgen goed moet bidden. In het gebed spreekt men de opperste en aanbiddelijke majesteit van God aan, gelijk wij reeds gezien hebben. De Catechismus vraagt nu;
Wat volgt daaruit dat wij God aanspreken als wij bidden? En hij antwoordt:
Dat wij moeten bidden met groote eerbiedigheid en aandachtigheid.
Waarom komt het nu dat er velen bidden en niet verkrijgen?
Omdat zij niet bidden gelijk het behoort of dingen begeeren, die hun schadelijk of min profijtig zijn.
Wanneer bidt men nu gelijk het behoort?
_ 74 —
Als men bidt met groote eerbiedigheid, aandachtigheid en volharding; als men bidt om hetgeen men noodig heeft ter zaligheid.
Vandaag, B. B., ga ik u de voorwaarden of hoedanigheden des gebeds uitleggen. De H. Thomas zegt dat zij vier in getal zijn. Men moet bidden:
I. Voor zich zei ven;
11. Om hetgeen noodig is ter zaligheid;
III. Met godsvrucht;
IV. Met volharding.
I.
De eerste voorwaarde die de H. Thomas stelt, is dat men bidde voor zich zeiven.
Die groote leeraar is van gevoelen dat men voor anderen biddende niet stellig zeker is van te bekomen — ex condigno — want, de belofte, zegt hij, is niet voor anderen, maar voor hen gedaan die bidden. Vele godgeleerden nochtans zijn van een ander gevoelen. De Heilige Basilius, bijv., leert dat het gebed onfeilbaar zijn uitwerksel heeft volgens de beloften van Christus, zelfs als men voor anderen bidt, mits die personen geen stellig beletsel stellen. Ook zet de II. Schrift ons zeer aan voor anderen te bidden, en de H. Joannes leert zelfs dat men voor een grooten zondaar de bekeering kan bekomen, zoo hij niet besloten heeft tot den dood toe in de zonde te volharden. Dit gevoelen van den Heiligen Basilius en voel andere uitmuntende godgeleerden mag men gerust bijtreden, zoodat er strikt genomen maar drie voorwaarden vereischt worden.
H.
De tweede voorwaarde is dat wij bidden om hetgeen wij noodig hebben ter zaligheid.
God, B. B,, heeft niet beloofd ons te verhoeren als wij tijdelijke of aardsche goederen vragen, die niet noodig zijn ter zaligheid.
De II. Angustinus de woorden van Jesus-Christus: In nomine meo: In mijnen naam, verklarende, zegt dat men in Gods naam niet kan vragen, hetgeen strijdt met onze zaligheid. Wij vragen soms aardsche goederen, voegt dezelfde Heilige er bij, en God verhoort ons niet: Waarom niet? Omdat Hij ons bemint en met barmhartigheid wil behandelen. Een geneesheer, bijv., die de gezondheid van zijnen zieke behartigt, staat hem geene zaken toe, die hem kunnen schaden, al is het ook dat de zieke er om vraagt. Welnu, B. B., hoeveel menschen zijn er niet, die, zoo zij arm en ziek waren, de zonden niet zouden bedrijven, waaraan zij zich in overvloed en gezondheid plichtig maken? Zoo God dus aan zekere personen tie tijdelijke goederen of de gezondheid, waarom zij bidden, weigert, \'t is omdat God hun welzijn behartigt en voorziet dat zij er misbruik van zouden maken. Daaruit echter volgt niet dat men God niet mag bidden om tijdelijke zaken, bijv., om zijne gezondheid terug te bekomen als men ziek is; om uit de armoede of den nood, waarin men verkeert, verlost te worden; maar men moet er om bidden voorwaardelijk en met overgeving aan den wil van God. Voorwaardelijk, d. i., in zoo ver zij strekken tot onze zaligheid; met overgeving aan den wil van God, d. w. z., dat wij tevreden zijn, ingeval God ze ons weigert; want ingeval God ze ons weigert, zijn wij er dan wel van overtuigd, dat Hij ze ons weigert uit liefde tot ons en wijl Hij voorziet dat zij ons zouden schaden.
Men vraagt God soms zoo goed te willen zijn ons van eene gevaarlijke bekoring te verlossen: God verhoort ons niet, of liever. Hij laat toe dat wij nog bekoord worden, \'t Geschiedt, B. B., tot ons welzijn. Bekoringen zijn geene zonden, maar alleen de toestemming in de bekoringen. Wanneer de mensch in de bekoringen God bidt en met Gods genade wederstaat, welken voortgang maakt hij dan niet in de deugd? Hoe nauw
— TO —
vereenigt hij zicli niet met God en hoeveel verdiensten vergadert liij niet voor den hemel? De Apostel Paulus bad God vurig om van de bekoringen bevrijd te blijven. Wat deed God? stond Hij niet meer toe dat Paulus bekoord werd? Neen, B. B., maar God zeide hem: Mijne genade is u voldoende: Suf/icil tibi gratia mea. (l) Zelfs in de bekoringen moeten wij God nog bidden met overgeving aan zijnen wil, zeggen, bijv.: O Heer! verlos mij van die bekoring; neem die slechte gedachten van mij weg, zoo niet, geef mij dan de genade om er krachtdadig aan te weder-staan. Alsdan zullen wij ondervinden dat God ons, gelijk de H. Bernardus zegt, de genade zal geven die wij vragen, of wel iets dat ons nog beter en voordeeliger is.
III.
De derde voorwaarde is dat men bidde met godsvrucht, lt;1. w. z., met ootmoedigheid en betrouwen.
God ziet met welbehagen op het gebed van den ootmoedige neder, Hij schenkt hem zijne genade; maar den hoovaardige wederstaat Hij, en die ongelukkige, van Gods genade verstoken, zal ook vroeg of laat vallen. Wij moeten ons dus voor God verootmoedigen als wij bidden, inwendig en uitwendig: inwendig; eenieder moet als het ware met Abraham zeggen; Ik zal tot mijnen Heer cn God spreken al ben ik maar stof en asch. Ziedaar de gedachte die wij van ons zeiven moeten hebben. Wie zijn wij? stof en asch; nog minder, zondaren, strafschuldigen. Met wien spreken wij? Met den majesteitvollen, den oneindig heiligen God.
Wij moeten ons ook uitwendig verootmoedigen, d. i., eene ootmoedige houding aannemen, onze gewone gebeden zooveel mogelijk verrichten op de knieën, de handen te zamen, de oogen neêrgeslagen. Op de knieën, daardoor vernedert men zich voor
(1) n Cor. xii, 9.
God. De handen te zamen is de houding van eenen bedelaar die eene aalmoes, van eenen misdadiger die vergiflTenis vraagt En wat zijn wij anders dan bedelaars voor God, van wien wij alles moeten bekomen, dan misdadigers, wijl wij Hem zoo dikwijls en zoo grootelijks beleedigd hebben? De oogen neergeslagen; want wij moeten beschaamd zijn over onze zonden Zoo bad de pnblikaan van \'t Evangelie; hij durfde zijne oogen niet verheffen, doch sloeg op zijne borst en zeide: Heer! wees mij zondaar genadig! Propitius esto mild peccatori! (i)
De Heiligen hebben met die in- en uitwendige ootmoedigheid gebeden en zijn verhoord geworden. Zoo bad David, die zich voor God nederwierp. Petrus wierp zich op de knieën neder, toen hij Tabitha van den dood verwekte. De Apostel Paulus bad op zijne knieën voor de nieuwbekeerden, gelijk hij zelf getuigt; Flecto genua mea ad Patrem Dominum nostrum Jesum Christum. (2) De knieën van den Apostel Jacobus waren hard geworden van het aanhoudend knielen gelijk de H. Hieronymus verhaalt. Maar waarom zoo veel voorbeelden van Heiligen aangehaald? Geven wij liever één voorbeeld, dat al de andere ver overtreft. Hoe bad Jesus-Christus, (Ui Heilige der Heiligen? Positis genibus procidit in /\'adem sitam: in den Olijfhof zette Jesus zich op de knieën en viel op zijn aangezicht neder. Wat schouwspel! B. li., Jesus de glans, het evenbeeld des hemelschen Vaders, voor wiens luister en heerlijkheid de Engelen zich met hunne vleugelen dekken; Jesus de Godmenseh gaat tot zijnen Vader spreken. Hij gaat bidden en Hij vernedert zich; Hij zet zich op de knieën, werpt zich op zijn aangezicht neder; en wij stof en asch, nietige aardwormen, ellendige zondaren, wij zullen voor God in het aanbiddelijk Sacrament onze knieën niet buigen? Wij zullen als wij Hem bidden, als wij zelfs in de kerk in zijne tegenwoordigheid verschijnen, ik zeg nog niet, geene ootmoedige, geene eerbiedige
(1) Luc. xviii, 88. (2) Ern. m, M.
houding, gelijk toch zijn moest, maar zelfs nog geene deftige, geene fatsoenlijke houding aannemen? Want inderdaad, B. B., wijl men de zaken bij naam moet noemen; gebeurt het niet gelijk ik zeg? Ziet men niet soms Christenen in de kerk voor God verschijnen in eene houding, waarover zij zich zouden schamen voor eenen mensch? Verdient men dan, ik vraag het u, door God verhoord en niet eerder door Hem gestraft te worden? Daarom, B. B., nemen wij ons in acht als wij bidden, vooral in de kerk, die God tot bidplaats verkozen heeft en waarin Hij onder ons woont in het aanbiddelijk Sacrament des Altaars. Bidden wij met in- en uitwendige ootmoedigheid, en God, die een vermorzeld en ootmoedig hart niet kan versmaden, zal ons verhooren.
Men moet ook bidden met betrouwen, en daarom mag men zijne oogen ook wel ten hemel richten. Tot het betrouwen zet ons vooral de Apostel Jacobus aan. Zoo wij genade van God willen bekomen, moeten wij ze met betrouwen vragen, zonder te aarzelen. ])e redenen, waarom wij vol betrouwen kunnen zijn, hebben wij genoeg gezien, toen wij over de kracht des gebeds gesproken hebben, onnoodig dus er nog iets bij te voegen. Naderen wij bijgevolg met betroiiwen den troon der genade, zegt de Apostel Paulus, en wij zijn zeker van verhoord te worden. Eindelijk en wel vooral moet men bidden met volharding.
IV.
En inderdaad: wat wordt er vereischt om zalig te worden? Dat men tot het einde toe in het goede volharde; doch om tot het einde toe in het goede te volharden, moet men ook tot het einde toe volharden met bidden. Door \'t een of ander gebed bekomt men deze of gene genade; maar om de uitstekende genade van volharding tot den dood toe te bekomen, moet men zijne gebeden verdubbelen en voortzetten tot den dood toe.
— 79 —
ü
Die waarheid, B. B., laat zicii gemakkelijk verstaan, als men begrijpt wal, de genade van volharding is. Zij is geene afzonderlijke genade; neen, maar eene aaneenschakeling, eene keten van afzonderlijke genaden, die zich altegaar aan een sluiten om de genade van volharding te vormen, evenals, bijv., de schakels eener keten zich aan een moeten sluiten om een geheel te vormen. Aan die keten van genaden moet eene keten van gebeden beantwoorden; bijaldien wij de keten van gebeden verbreken door onze nalatigheid, dan verbreken wij de keten van genaden, die ons moeten zalig maken, en wij zullen niet zalig worden, maar verloren gaan. Het Concilie van Trente leert wel is waar dat wrij de genade van volharding eigenlijk niet kunnen verdienen. De H. Augustinus verklaart dat wij ze in zekeren zin kunnen verdienen, namelijk, dat wij ze al biddende kunnen bekomen, en Suares een groot en heilig godgeleerde voegt er bij, dat men ze onfeilbaar bekomt; doch daartoe, zegt de H. Thomas, moet men met volharding bidden. Vandaar dat de H. Schrift ons leert aanhoudend te bidden: Sine intermissione oremies. (i)
SLUITREDE.
Ten slotte herhaal ik, B. B., al wat ik over de voorwaarden des gebeds gezegd heb. Opdat het gebed een krachtig, ja een onfeilbaar middel zij, wordt er volgens den H. Thomas vereischt;
1° Dat men voor zich zeiven bidde; doch deze voorwaarde is naar liet gevoelen van andere godgeleerden niet noodzakelijk;
2° Dat men bidde om zaken die noodig zijn ter zaligheid;
3° Dat men bidde met godsvrucht, d. L, met ootmoedigheid en betrouwen;
im!
W\'1
li
m
ï\' ïh
1 I k;
T V\'
ii:
i
i ■ ■ •{quot;
4° Dat men bidde met volharding.
O
1
i Tiibrs. v, 17.
— 80 —
De Heiligen zijn die vier voorwaarden stipt nagekomen eu daarom hebben zij zich zalig gemaakt. Thans in den hemel een ongestoord geluk genietende, beseffen zij dat zij liet aan het gebed grootendeels te danken hebben.
B. B., willen wij na den dood met de Heiligen in de glorie des hemels deelen? Volgen wij ben dan in het gebed na hier op aarde, en eenmaal met hen daarboven vereenigd zullen wij elkander over onze zaligheid mogen gelukwenschen. Amen.
NEGENDE ONDERRICHTING
OVER DE MOGELIJKHEID DES GEBEDS
Domine! propitius nsto mihi peccatori. Heer! Wees inij zondaar genadig.
(Loc. xvm, ir..)
IMIOUI).
VOORRmpK.
Viindaag zullen wij bewijzen dat eenieder kan bidden. Daarom zullen wij de drie volgende voorwendsels wederleggen:
VERDEELING.
F. Ik ben te groote zondaar;
11. ik ben te zeer verstrooid;
111. ik ben te dor en ongevoelig; bijgevolg kan ik niet bidden.
De recbtvaardige, wijl bij de vriend van God is, vindt gemak-kelijkei\' toegang bij Hein. Moses, Josue, Ezechias, di1 drie
Geloofs - en Zedenleer. 2«le Deei,. fi.
— 82 —
jongelingen in den brandenden oven. Het gebed van den zondaar, zoo tiet de vereischte voorwaarden heeft, is niet zonder uitwerksel. De Publikaan, Maria Magdaiena, de goede moordenaar.
II.
Dn verstrooidheden zijn niet altijd een beletsel van te kunnen bidden. Zij zijn tweederlei, vrijwillig en onvrijwillig. Van hen die vrijwillig verstrooid zijn, zegt God: Dit volle eert mij met de lippen, maar hun hart is ver van mij verwijderd. De onvrijwillige verstrooidheden zijn geen beletsel van met vrucht te kunnen bidden. De bekoringen zijn zelfs geen teeken dat het gebed slecht is, maar niet zelden een teeken dat Itet goed is. De H. Antonius Abt.
III.
Niettegenstaande men dor en ongevoelig is kan men bidden en met vrucht bidden. Om te kunnen bidden behoeft men geene schoone volzinnen te gebruiken, nocli veel verstand te hebben. Men behoeft geene gevoelige godsvrucht te hebben. Hot gebed is geen zenuwwerk, maar eene akte die van den wil uitgaat. Een goeden wil hebben hangt vooreerst van de genade Gods af, die niemand wordt geweigerd; vervolgens van ons zelven. Al zouden die dor - en ongevoeligheid ook eene straf zijn, moeten wij toch den moed niet opgeven, maar aanhouden mot bidden.
SLUITREDE.
Alle redenen dus, die men gewoon is aan te halen, zijn ijdel. Is men zondaar, men kan met David zeggen; Ik heb gezondigd.
Heeft men verstrooidheden, men moet ze bedaard trachten te verwerpen.
Is men dor en ongevoelig, men moet zijne toevlucht nemen tot het geloof.
NEGENDE ONDERRICHTING
OVER DE MOGELIJKHEID DES GEBEDS
Domine! propitius esto mihi pr.ccalori.
Heer! Weos mij zondaar genadig.
(Luc. XVIII, 13.)
VOORREDE.
Het gebeurt wel eens, 15. B., dat men personen aantreft, die zeggen dat zij niet kunnen bidden. De biechtvader heeft niet zelden hel antwoord gekregen: Ik kan niet bidden. Bijaldien het waar was, hetgeen de biechteling zegt, wat zoude de biechtvader dan kunnen antwoorden? Hij zoude kunnen zeggen; Mijn kind, zoo gij niet kunt bidden, dan is er gecne zaligheid voor u, dan zijt gij verloren, van nu af reeds geoordeeld en er blijft u niets meer over dan de dood om tot de hel veroordeeld te worden. Hoe vindl gij dat antwoord? .Misschien overdreven; en nochtans, \'t is de zuivere waarheid. Immers, het gebed is noodzakelijk ter zaligheid, \'t Is dus eeue groote leugen te zeggen dat men niet kan bidden. God wil dat alle menschen zalig worden en daarom geeft Hij eenieder de genade des gebeds. De duivel wil den mensch wijs maken dat hij niet kan bidden, wijl hij weet dat de mensch die liet gebed verwaarloost, in zonden valt en verloren gaat. \'t Is dus niets anders dan eene bekoring en een bedrog van den duivel, en om u daarvan goed te overtuigen wil ik vandaag eene drievoudige dwaling wederleggen:
1. Ik ben te groote zondaar;
11. Ik ben te zeer verstrooid;
III. Ik ben te dor en te ongevoelig; bijgevolg kan ik niet bidden.
Ziedaar drie redenen, die zoovele dwalingen zijn.
— 84 —
I.
Ik ben te groote zondaar en kan niet bidden. Groote dwaling, B. R., en ik voeg er bij: reden te meer van te bidden en veel te bidden.
Uwe zonden zijn geen beletsel van te kunnen bidden.
De rechtvaardige voorzeker, wijl hij Gods vriend is, vindt gemakkelijker toegang bij God. Moses, bijv., strekte zijne; handen ten hemel, hij bad voor de strijdende Israëlieten en zij behaalden de schitterendste overwinning. Josuë bad en de muren van Jericho vielen omver, de wateren van den Jordaan stremden hunnen loop, de zon bleef stil staan. De koning Ezeclüas bad, en een Engel daalde uit den hemel neder en vermoordde in éénen nacht honderd vijf en tachtig duizend Assyriers. De drie jongelingen te Babylonië in den brandenden oven geworpen namen hunne toevlucht tot het gebed, en de brandende hitte veranderde voor hen in eene verkwikkende koelte; in een woord, de rechtvaardige bidt en hij schijnt de natuur te gebieden; de Schepper stelt zich aan als dienaar van zijn schepsel. Ziedaar wat hij al biddende vermag in de orde der natuur; hoeveel te meer zal hij dan vermogen in de orde der genade?
De rechtvaardigen hebben hunne stem verheven, zegt David, en de Heer heeft hen verhoord. God zal den wil van hen die Hem vreezen, volbrengen, zegt Hij op eene andere plaats, en Hij zal hun gesmeek verhoeren: Et deprecationem eorum exaudiet. (l)
De rechtvaardige mag dus, gelijk gij ziet, alles verhopen. Volgt daar nu uit dat de zondaar zoo hij bidt, niets mag verhopen? Neen, B. B., zoo liet gebed van den zondaar de voorwaarden heeft, waarover wij laatstleden gesproken hebben, en die het kan hebben, vooral zoo het uit een vermorseld en ootmoedig hart voortkomt, hef zal niet onverhoord blijven.
(1) Ps. CXL1V, 19.
En waarlijk: lot wien heeft Jesus de troostrijke woorden gesproken: Komt allen tot Mij, die belast en beladen zijt, en Ik zal u verkwikken? Tot allen, tut den zondaar zoo wel als tol den rechtvaardige, en wel vooral tot den zondaar, wijl hij de ongelukkigste is. Maar, B. 15., ik wil uit de Heilige Schrift voorbeelden aanhalen, die duidelijk bewijzen hetgeen ik kom te zeggen. De l\'upBkaan van het Hvangelie, was liij een heilige? En ziet, hij verlaat den tempel gerechtvaardigd, waarin hij ootmoedig gebeden had.
Was Maria Magdalena eene heilige? Maar zij staat geboekt onder den naam van zondares: Peccatrioo. En ziet, Jesus vergeet! die arme zondares hare zonden, ongetwijfeld oniilal zij er ootmoedig om gebeden had.
De moordenaar, die naast Jesus aan het kruis hing, was hij een heilige? Hij bidt, belijdt zijne schuld; hij verzoekt Jesus hem indachtig te wezen, zoodra Hij in zijn rijk zal gekomen zijn: lieden nog zult gij met mij zijn in hel Paradijs, zegt .lesus: llodie rnccurti eris in Paradiso. (i)
Ziedaar wat het gebed van den zondaar vermag, (lij ziet dus duidelijk, 1!. B., dat de zonden geen beletsel ziju van te bidden.
Een tweede zegt: Ik ben te zeer verstrooid en kan niet bidden.
II.
Ik kan niet aandachtig zijn, is men gewoon te zeggen. Ik heb eene verbeelding gelijk aan een weérhaan, die schier aanhoudend in beweging is; \'t is genoeg dat ik maar wil bidden, en ziet, allerlei gedachten komen mij in het hoofd, hoe wilt gij dat ik buide-?
Ingeval het zoo met u gesteld is, B. B., denkt toch niet dat gij de eenigsten zijt. De geest van den mensch, helaas! is zoo
(1) Luc. xx, 4tf.
— 80 —
zwak, dat hij maar al te zeer aan verstrooidheden onderhevig is, zelfs dan als hij zich uitsluitend met God moet bezig houden.
Wij allen zijn aan die ellenden min \'of meer onderworpen. Doch ziehier den staat van zaken.
Is de verstrooidheid altijd een beletsel van te kunnen bidden? Volstrekt niet. Men onderscheidt tweederlei verstrooidheden, vrijwillige en onvrijwillige. Ik noem de verstrooidheden vrijwillig, als men bemerkt en weet dat men ze heeft en toch verwaarloost van ze te verwerpen, waarin men dus vrijwillig blijft voortgaan; de verstrooidheden, waarvan men zelf de oorzaak of de schuld is; omdat men zich, bijv., tot het gebed niet voorbereidt; omdat men begint zonder te weten wat men begint; ofwel, omdat men zich onder hel gebed niet in acht neemt, vooral niet waakt op zijne oogen; omdat men aanhoudend rondziet, dan rechts dan links om te weten hoe deze, boe gene gekleed is. Is het dan te verwonderen dat men verstrooid is? Zoude het niet eerder te verwonderen zijn zoo men niet verstrooid ware? Die vrijwillige verstrooidheden voorzeker mishagen aan God; Hij beklaagt er zich over dooi\' den mond van zijnen Profeet; Dit volk, zegt Hij, eert Mij met de lippen, maar hun hart is ver van Mij verwijderd. O, B. B., wat zoudt gij doen, zoo men u iets kwam vragen en nu eens rechts, dan links zag, zonder te weten wat men vroeg? dan dezen, dan genen toesprak of toelachtte zonder op te letten? zoudt gij dergelijken persoon verhooren, hem geven wat hij vroeg? Maar gij zoudt hem wegjagen; gij zoudt zeggen: Neem u weg en zoo gij iets noodig hebt, kom het dan op eene deftige en beleefde manier vragen, maar kom mij niet voor den zot houden. Ziedaar, B. B., wat wij zouden doen, wat wij menschen vorderen; en wij zouden willen dat God anders deed, dat Hij minder vorderde? En inderdaad, B. B., wij vorderen meer dan God; wij zouden de onvrijwillige verstrooidheden niet eens verschoonen en God verschoont ze. Ik zeg de onvrijwillige verstrooidheden, namelijk, de verstrooidheden die ons tegen wil en dank overkomen, waartoe wij geene vrijwillige aanleiding
— 87 —
geven \'n die wij zoo spoedig mogdijk Iraehien te verwerpen. \'Die verstrooidheden, hoe talrijk ook, beletten het gebed niet van goed te zijn. De 11. Thomas leert het ons duidelijk. Het gebed, zegt hij, heeft drie uitwerksels. Vooreerst, zoo het een levend gebod is, d. w. z., een gebed bezield met de liefde, verdient het het eeuwige leven; vervolgens bekomt het de genade Gods, en ziedaar wat het gebed eigen is; eindelijk beurt liet de ziel op wegens de vertroosting, die het er in uitstorl.
De twee eerste uitwerksels nu worden altoos bekomen en de onvrijwillige verstrooidheden beletten ze niet; doch wal de gevoelige godsvrucht aangaat, deze is iets dat er al of bij kan zijn zonder de verdiensten van het gebod te verminderen ol te vermeerderen. Zoo lang dus de verstrooidheden onvrijwillig zijn, kan men gerust wezen, want het gebed is goed en (lode aangenaam. God, zegt de H. Basilius, zal medelijdon met ons hebben en zich met onzen goeden wil tevreden houden.
Men vindt soms personen, die zeggen; verstrooidheden, t zij zoo; maar bij mij hoeft nog wat anders plaats; het zijn niet enkel verstrooidheden, maar slechte gedachten, die ik niet eens durf noemen; het schijnt dat ik maar moet gaan bidden om bekoord te worden.
Ik vraag u eerst: zijt gij de schuld van die sleeiite gedachten en schept gij er behagen in? Neen: zijl dan gerust, woest kalm in den strijd; God stelt u op de proef; geen beter bewijs dat uw gebed goed is dan die bekoringen. Bijaldien uw gebed niet goed ware, zoude de duivel zich zoo veel moeite niet geven om u te komen storen. Deukt aan den 11. Antonius in de woestijn, die ook bekoord werd; maar volhardt met hein in liet gebed en gij zult evenals de H. Antonius over de aanvallen van den diÜM 1 zegepralen.
Ik ben te dor en te ongevoelig, zegt een derde, en kan niet bidden.
— 88 —
nr. \'
Ik antwoord: niettegenstaande; uwe dor- en ongevoeligheid kunt gij bidden en zelfs veel verdiensten vergaderen in het gebed. Gij zijl dor als droog hout, hard als marmer, koud als ijs; maar wat doet gij\'? üij verlaat liet gebed en doet niets meer? O, H. B., dan is de zaak al\'geloopen. Doch ik vraag het u: kunt gij u dan ten minste niet in Oods tegenwoordigheid stellen, eens tot Hem verzuchten? Zeker; welnu, in dat geval bidt gij en gij bidt met vrucht. Gij bidt, zeg ik. En inderdaad, want om te bidden behoeft men geene uitgezochte woorden en sclioone volzinnen te gebruiken. Men behoeft in het groot Seminarie te Luik ol aan de katholieke Hoogeschool te Leuven niet gestudeerd te hebben om te kunnen bidden. Een Heilige met name Thaïs sprak enkel deze woorden: O (Jij, die mij geschapen hebt, heb medelijden met mij! en door die nederige verzuchting dikwijls herhaald bekwam zij talrijke genaden. Bijaldien men veel verstand moest hebben om te kunnen bidden, wat zoude er dan van de eenvoudige en ongeleerde menschen geworden? Zij moesten noodzakelijk verloren gaan. Bijaldien men hoogdravende woorden en mooie volzinnen moest gebruiken, dan zoude onze goddelijke Zaligmaker zeil in den Olijihol niet goed gebeden hebben. Hij sprak enkel deze eenvoudige woorden: Vader! niet mijn, maar uw wil geschiede! Paler! non mea sed tua voluntas tiat. (i)
Ei\' wordt ook geene gevoelige godsvrucht vereischt. Het gebed is geen zenuwwerk, t is eene akte die van tien wil uitgaat. De mensch kan niet teeder en gevoelig zijn naar willekeur; maar een goeden wil hebben, B. B., dat hangt van de genade Gods af, die niemand wordt geweigerd, en van ons zeiven, en ziedaar waarin eigenlijk \'t gebed bestaat. Gij kent uwe ellenden; gij geeft er God kennis van, meer door zuchten dan door woorden, en dat i.s eene goede manier van bidden, zegt de
(i) Luc. xxii, 42.
H. Augustinus; \'t komt er niet op aan of gij daarna gevoelig of ongevoelig zijl. Die dor- of ongevoeligheid in het gebed, in plaats van het gebed te doen mislukken, maakt het des te verdienstelijker.
Doch in geval die dor- of ongevoeligheid eene straf van God ware? Veronderstelt dat het zoo is: moet gij daarom den moed verliezen? Moet gij aan het gebed vaarwel zeggen, omdat (iod ongevoelig jegens u schijnt te zijn, wijl gij het jegens Hem inderdaad zijt? Lgt;. B., \'i is eene reden te meer van aan te houden met bidden; want het beste middel om God te winnen is een nederig en aanhoudend gebed. Verootmoedigen wij ons dus voor God en God zal ons op den geschikten tijd opbeuren.
SLUITREDE.
Ziedaar, B. B., de voorwendsels, die men gewoon is aan te halen om te beweren dat men niet kan bidden, genoeg weder-legd. Zij zijn ijdel, zonder grond en beteekenen niets.
Zoo wij zondaren zijn, wat belet ons met David te zeggen: Ik heb gezondigd: Peccavi; (i) of wel met den Publikaan: Heer wees mij zondaar genadig; Propitius esto mihi peccalori. (2)
Zijn wij aan verstrooidheden onderhevig, wij -moeten, zoodra wij ze bemerken, zoo veel mogelijk aandachtig zijn en de invallende gedachten bedaard trachten Ie verwerpen.
Zoo wij dor en ongevoelig zijn, nemen wij dan onze toevlucht tot het geloof. Gelukkig die gelooven zonder te zien; gelukkig-die aanhouden met bidden zonder gevoelige godsvrucht. Vernederen wij ons voor God en God zal ons niet alleen verhooren, maar ook eenmaal opbeuren. Amen.
(1) ii Rug. xh, 13. (2) Luc. xvm, 13.
TIENDE ONDERRICHTING
WANNEER MOET MEN BIDDEN?
Oportet semper or arc.
Men behoort, altoos te bidden.
(Luc. xviii, i.)
INHOUD,
VOORREDE,
Er bestaat een gebod van te bidden, dat allen die tot de Jaren van verstand gekomen zijn, \'verplicht. Dat gebod verplicht in zich zelve en in zekere omstandigheden. Vandaag zullen wij zien ■wanneer wij vooral behooren te bidden.
VERDEEUNG.
1. \'s Morgens en \'s avonds; •
II. Vóór en na het eten;
III. In de gevaren, kwellingen en bekoringen;
IV. In de zaken van aangelegenheid.
— 91 —
I.
Men moet\'s morgens zijne werken aan God opdragen, evenals de Joden de eerstelingen, en bidden vooral om gedurende den dag van zonden bewaard Ie blijven en om zijne werken te heiligen.
\'s Avonds moet men bidden om God te bedanken voor de ontvangen weldaden en llciu vergid\'enis te vragen van de fouten en gebreken, liet avondgebed te zamen doen.
II.
Men moet bidden voor liet eten om den zegen over de spijzen af te smeeken; na het eten om God voor de spijzen te bedanken.
Men moet God bidden in de gevaren, wijl Hij ons kan en wil helpen; in de kwellingen naar de ziel, bijv., in de droefheid; in de kwellingen naar liet liehaam, bijv., in de ziekten; eindelijk in de bekoringen om niet te bezwijken.
IV.
Men moet bidden in zaken van aangelegenheid, waarvan veel afhangt, zooals het kiezen van eenen levensstaat, de reis naaide eeuwigheid.
SLUIÏREDK.
Vergeten wij nimmer onze werken \'s morgens aan God op te dragen. Door liet gebed worden zij allen geheiligd. Gedurende den dag moeten wij van tijd tot tijd ons hart tot God verheffen en zoo zullen wij aanhoudend bidden.
— 92 —
TIENDE ONDERRICHTING
WANNEER MOET MEN BIDDEN?
Oporlet semper orare.
Men behoort altoos te bidden.
(JjUO. XVIII, i.)
VOORREDE.
God, B. 15., heel\'L eon gebod gegeven van te bidden. Dat gebod vorpliclil eenieder die tot de jaren van verstand gekomen is, en daaruit volgt reeds duidelijk dat de ouders gehouden zijn limine kinderen van Jongs al aan te leoron bidden, zoo niet, blijven zij aan een groeten plicht te kort.
Het gebod van te bidden verplicht in zich zelve, d. \\v. z., men kan doodelijk zondigen tegen dat gebod, zoo men gcruimen tijd niet bidt; doch het kan op de tweede plaats in zekere omstandigheden verplichten, namelijk, in geval het gebed hel middel is om een anderen plicht te volbrengen; bijv., iemand wordt hevig bekoord, en aan die bekoring kan hij niet wedcrslaan, tenzij door zijne toevlucht te nemen tot het gebed; bidt die persoon nu niet en valt hij in zonde, dan misdoet bij wel met tegen het gebod van te bidden, maar hij zondigt tegen eene andere deugd, bijv., tegen de deugd van zuiverheid, want hij is in de schandelijke zonde gevallen, omdat hij niet gebeden, het middel om te wederstaan verwaarloosd heeft.
De woorden: Oportel semper orare: sine inle.rmissione orale: Men moet altijd, zonder ophouden bidden, moeten niet in den letterlijken zin verstaan worden, als of men van don vroegen morgen tot den laten avond niets anders moest doen dan bidden. Neen, B. B., men heeft ook andere plichten te vervullen; maar
die woorden geven te kennen dat wij op zekere lijden en dikwijls moeten bidden. Ik wil ook den tijd niet bepalen, hoelang men zijn gebed moet verwaarloosd hebben om doodelijk tegen het gebod van Ie bidden te zondigen; het zonde zonder nut zijn: ik wil enkel de volgende vraag beantwoorden. De Catechismus vraagt:
Wanneer behoort men meest te hielden? Rn hij antwoordt:
\'s Morgens, als men opstaat; \'s avonds, als men slapen gaat; vóór en nd het eten, en als men een werk ran aangelegenheid begint.
Daarbij kan men nog voegen: als men hekoord wordt.
Men behoort dus te bidden:
I. \'s Morgens en \'s avonds;
II. Vóór en na het eten;
III. In de gevaren, kwellingen en bekoringen;
IV. In zaken van aangelegenheid.
I.
Men behoort Ie bidden \'s morgens en \'s avonds, en ik geloof dat men zijn morgen- on avondgebed niet dikwijls vrijwillig kan achterlaten zonder zich aan dagelijksche zonden plichtig te maken.
Wij moeten dus den wijze, van wien de II. Schrift spreekt, navolgen, die \'s morgens vroeg aan den lieer denkt en zich in Gods tegenwoordigheid stelt om te bidden.
In de Oude Wet vorderde God van de Joden de eerstelingen hunner vruchten, en zulks onder strenge bedreiging. Daardoor heeft God genoeg doen blijken dat wij Christenen Hem ook de; eerstelingen moeten opofferen, d. i., onze eerste gedachten, woorden en werken, in een woord, dat wij \'s morgens moeten bidden. God voorzeker heeft er recht op. Ook strekt liet tot ons eigen welzijn. Dagelijks van zoo vele gevaren en vijanden
— 94 —
omgeven moeten wij zwakke menschen door God bewaard en staande gehouden worden. Is liet dan niet billijk dat wij reeds \'s morgens onze toevlucht tot Hem nemen, Hem bidden dat Hij ons gelieve te bewaren? Van waar komt het dat men in den dag zoo dikwijls en wel eens diep valt, God doodelljk vergramt? Komt het niet vooral voort, omdat men \'s morgens niet bidt, God niet om de genade vraagt die men zoo zeer noodig heeft, en die men niel kan verkrijgen tenzij dooi\' ze te vragen, dus door te bidden
Eene andere reden, waarom wij \'s morgens moeten bidden is, opdat de goede God onzen arbeid en onze ondernemingen gelieve te zegenen. Wat zal het baten, B. B., ons gedurende den dag afgetobd, wat geld gewonnen te hebben, zoo wij aan het einde van den dag niets verdiend hebben voor den hemel? Zegt toch niet dat gij Ie veel bezigheden en te weinig tijd hebt om te bidden. Hoe meer werk gij hebt, des te meer hebt gij den bijstand en de bescherming van God noodig en des te beter moet gij bidden, wijl God niet verplicht is u bij te staan en te beschermen, zoo gij niet bidt.
Het avondgebed, B. B., is niet minder noodig dati het morgengebed. Men moet \'s avonds vooreerst God bedanken voor de ontvangen weldaden, én in de orde der natuur, én in de orde der genade. Zoude men zich niet aan ondankbaarheid plichtig en nieuwe weldaden\' en genaden onwaardig maken, zoo men God niet bedankte?
Eene andere reden, waarom wij \'s avonds moeten bidden, is, wijl er schier geen enkele dag voorbijgaat, waarop wij niet de een of andere fout begaan en God beleedigen. En ziet, B. B., de dood kan ons treffen, zelfs als wij er het minste aan denken, gelijk Jesus in het Evangelie zegt. Welk een ongeluk voor ons, zoo wij voor God moesten verschijnen, alvorens Hem ootmoedig vergiffenis gevraagd te hebben, vooral indien wij ons aan groote zonde hadden plichtig gemaakt. Dat ongeluk, hetgeen den zondaar
boven het hoofd hangt, verdient wol in aanmerking genomen te worden.
De beste en tevens de stichtendste manier om het avondgebed te doen is van het zoo vee;] mogelijk te zamen te doen. Welk een schoon schouwspel s avonds een huisgezin vergaderd te zien; een godvreezenden vader en eene brave moeder hunne kinderen; een meester en eene meesteres hunne dienstboden le zien vereenigen om te zamen God te bidden. Die ouders en oversten maken van hunne woning, gelijk de H. Joannes Chrysostomus zich uitdrukt, eeiie kerk, d. L, een huis des gebeds. Hoe overvloedig zal Gods zegen over de huisgezinnen nederdalen, waarin die godvruchtige oefening onderhouden wordt; want God, gelijk Hij Mf verklaart, bevindt zich in hun midden. Bidden wij dus altijd getrouw \'s morgens en \'s avonds naar het voorbeeld der brave Christenen, en gelijken wij nimmer aan menschen, die zonder geloof, hoop of liefde schijnen te zijn, die opstaan en zich te ruste begeven zonder aan God hunnen Schepper te denken.
II.
Men behoort te bidden vóór en na het eten. De Apostel Paulus leert het ons als hij zegt: Hetzij gij eet of drinkt, doet alles tot glorie van God.
Bidt dus God vóór het eten dat Hij de spijzen gelieve te zegenen, opdat zij u versterken om God met des te meer vlijt te kunnen dienen.
Na het eten moet men God bedanken voor het voedsel dat men genui heeft. Alles, B. B., komt op de eerste plaats van God. God laaft en spijst ons zoo wel als de vogelen des hemels en de dieren des velds.
Men treft in onze dagen een soort van menschen aan, die vóór en na het eten niet meer bidden; die er mede lachen en die zich dat tot eer rekenen. Ik voor mij nochtans geloof niet dat het zoo eervol is zich op die wijze te gedragen; want die
— 06 —
menschen gelijken veel aan de honden, of stellen zich nog beneden hen. Hoe dat? Wel, werpt eenen hond een stuk vleesch of brood voor, hij neemt en slokt het op en alles is gedaan; ziedaar waarin die menschen de honden gelijken. Doch ik heb gezegd dat zij zich zelfs beneden de honden stellen. Als men zijnen hond iets geeft, wil men wel eens dat hij het op de een of andere wijze vraagt, en na iets van zijnen meester ontvangen te hebben, toont de hond zijne tevredenheid, hij schijnt zijnen meester te willen bedanken; en de mensch stelt zich aan, alsof hij zijnen weldoener niet kende, iiij bedankt hem niet en lacht; met het gebed. Hoe meer goed God hem doet, des te ondankbaarder is hij. En inderdaad: quot;Waar bidt men dikwerf niet meer vóór en na het eten? Hij de grooten en rijken der wereld, die God het meest verschuldigd zijn, terwijl de landman of de anno God bidt, alvorens liet stuk zwart brood te nulten dal God hem geeft, en Hom hedankt na het genut te hebben. Volgen wij toch nimmer de slechte voorbeelden na, B. B., die men hier of daar zoude kunnen aantreffen; maar naar het voorbeeld der ware Christenen bidden wij God vóór en na het eten.
111.
Men behoort te bidden in de gevaren, kwellingen en bekoringen. (iij bevindt u, bijv., in gevaar, misschien in een levensgevaar; tot wien moet gij dan uwe toevlucht nemen? Tot Hem, die er u uit redden kan. Welnu, God kan er u uit redden. Do Apostelen stonden zekeren dag op het punt van schipbreuk te lijden; zij namen hunne toevlucht tot God; Heer! riepen zij, red ons of wij vergaan! en hun goddelijke Meester redde hen uit het gevaar, waarin zij verkeerden.
Wordt gij gekweld naar ziel of lichaam neemt uwe toevlucht; tol God. Tristalur aliquis vestrum or et, (i) zegt de Apostel
(1) .Iac. v, 13.
Jacobus: Is cr iemand onder u bedroefd, hij bidde. In plaats dus van in de kwellingen en wederwaardigheden den moed te verliezen, moeten wij David navolgen, die zijne toevlucht tot God nam. In mijne kwellingen heb ik den Heer aangeroepen, zegt hij, en Hij heeft mij verhoord; Ad Dominum cum tribu-larer flamavi, el exaudivit me. (l) De droefheid zal in vreugde veranderen, zegt de H. Joannes: Tristilio, vcslra vcvleluv in gaudium. (2) Men moet bidden tijdens de ziekte, liet gebed is niet zelden het eenige middel, waartoe de zieke zijne toevlucht kan nemen, de eenige bron waaraan hij troost en kracht kan putten. Zonder zich te zeer af te matten, kan de zieke bedaard zijn hart tot God verheffen en Hem bidden: Heer! heb medelijden met mij, want ik ben ziek.
Zoo men God moet bidden in de gevaren naar het lichaam, hoeveel te meer moet men Hem dan niet bidden in de gevaren naar de ziel, d. i., in de bekoringen. Wal beteekent toch het lichaam in vergelijking van de ziel. Rn nochtans, wordt men met het een of ander tijdelijk ongeluk bedreigd, loopt men gevaar schade Ie lijden, men roept om hulp; en verkeert onze ziel, die kostbare, onsterfelijke ziel in groot gevaar, staal zij op het punt, van door hare vijanden vermoord te worden, men blijft dikwijls onverschillig, men roept niet om hulp. Wal mag wel de reden zijn dat de bekoringen, die ons allen stof tot overvloedige verdiensten bieden, zoo velen voor eeuwig ongelukkig maken? Omdat zij hunne toevlucht tot hel gebed niet nemen. Men stelt zich niet in de tegenwoordigheid van God, die alles hoort en ziet. Als men de oogen der menschen ontvlucht heeft, meent men niets meer te vreezen te hebben; aan God denkt men niet, en ziedaar waarom men zich niet Zelden aan de schandelijkste zonden overgeeft.
Men wordt bekoord en valt; waarom? O de mensch is zoo zwak, zegt men. Inderdaad, B. B., de mensch is zwak; uit zich
(1) Ps. cxix, 1. (2) Joan. xvi, 20.
Geloofs en Zedenleer. Deel. 7,
zeiven alleen kan hij de vijanden zijner zaligheid niet overwinnen; maar waarom neemt hij onder anderen zijne toevlucht niet tot het gebed? Waarom roept hij niet om hulp? Zoo hij dus in de bekoringen bezwijkt, \'t is zijne eigen schuld, \'t is omdat hij niet gebeden heeft.
Vergeten wij dus nooit van in de bekoringen onze toevlucht tot het gebed te nemen, en God met betrouwen in den strijd aangeroepen, zal ons ie hulp te komen. Hij zal ons de overwinning op onze vijanden schenken.
IV.
Eindelijk behoort men te bidden in zaken van aangelegenheid, d. w. z., in zaken waarvan veel afhangt. Onmogelijk die allen op te noemen; ik wil er slechts twee aanhalen, namelijk, het verkiezen van oenen levensstaat on do reis naar de eeuwigheid. Bijaldien men ooit in zijn leven behoort te hidden, dan is het, geloof mij vrij, B. 15., als men voornemens is oenen lovensstaat te aanvaarden. Dit geldt vooral de jeugd. O gaat toch nooit in eene zaak van zoo groot aanbelang als deze met lichtzinnigheid te werk. \'t Zal, gelijk de II. Thomas leert, wol moeiclijk voor ii zijn zalig te worden, zoo gij den levensstaat niet kiest, dien God voor u bestemd heeft. Do menscli buiten zijnon levensstaat gelijkt veel aan oen vlsch buiten het water. Waarom worden er zoo veel menschon in hun leven met wederwaardigheden en ellenden bezocht? Waarom ziet het er in zoo veel huisgezinnen donker uit? Zeggen wij het maar recht uit; omdat men zich niet voorbereid heeft; omdat men den levensstaat lichtzinnig, misschien met slechte inzichten aanvaard heeft; omdat men God niet geboden lieefl.
Wilt gij dus, o jeugd! niet missen in eene zoo belangrijke zaak, waarvan uw tijdelijk, misschien uw eeuwig welzijn afhangt? Bidt, nadert tot God, Hij zal u verlichten. Hij zal tot uw hart spreken. Spreek o Heer! zoo moet gij bidden, uw
dienaar, uwe dienares luistert; leer mij uwen wil volbrengen en toon mij den weg, dien ik bewandelen, d. 1., den levensstaat, dien ik aanvaarden moet.
Ziedaar, B, B., hoe gij u moet gedragen. God zal dan ook zijnen wil doen kennen, toonen-welken levenstaat gij moet aanvaarden om hier op aarde reeds zoo gelukkig mogelijk te zijn, en vooral om uwe zaligheid te kunnen bewerken.
Eindelijk moet men bidden in liet uur des doods naar het voorbeeld van onzen goddelijken Zaligmaker. \'( Is waar, B. B., men sterft niet alle dagen; maar dat verschrikkelijk oogenblik, dat oogenblik, waarvan de gelukkige of ongelukkige eeuwigheid afhangt, zal toch eenmaal aanbreken en voor velen onder ons nadert het met rassche schreden. Ja, het laatste uur zal voor eenieder eenmaal slaan. O, dat dan onze laatste woorden of gedachten wezen mogen de bede van Jesus aan het kruis: Vader in uwe handen beveel ik mijnen geest: Pater in manus mas commendo spirilum rneum. (i)
SLUITREDE.
Ziedaar, B. B., wanneer men vooral behoort te bidden:
1° \'s Morgens en \'s avonds;
2° Vóór en na het eten;
:50 In de gevaren, kwellingen en bekoringen;
4° In zaken van aangelegenheid.
Vergeten wij toch nimmer bij het aanbreken van den dag \'s morgens onze werken aan God op te dragen, zij zullen allen geheiligd worden. Verheffen wij gedurende den dag van tijd tot tijd ons hart tot God; zoo zullen wij altijd, zonder ophouden bidden. Onze gedachten, woorden en werken zullen aangenaam
(i) Luc. xxiii, 40.
aan God en verdienstelijk voor den hemel zijn. In een woord, zoo wij goed bidden, zullen\' wij een dubbel voordeel hebben; hier in dit leven zullen wij in het tijdelijke vooruit gaan, en hiernamaals In het andere leven zullen wij van God voor eeuwig beloond worden in den hemel. Amen.
ELFDE ONDERRICHTING
VOOR WIE MOET MEN BIDDEN?
Oratc pro invicem ut salvemini.
Bidt voor elkander om zalig te worden.
(Jac. v, iü.)
INHOUD.
VOORREDE.
Na gezien te hebben wanneer men vooral behoort te bidden, zullen wij vandaag in het kort oiulerzoeken voor wie men hijzonder moet bidden.
VERDEELING.
I. Voor zich zeiven;
II. Voor zijne ouders;
III. Voor zijne oversten;
IV. Voor zijne weldoeners en vrienden.
— 102 —
I.
Men moet voor zicli zelven bidden, want do welgeregelde liefde begint met zich zelve. Dat spreekwoord is waar in de andere zaken, doch vooral in de zaak der zaligheid.
II.
Men moet voor zijne ouders bidden tijdens hun leven en vooral na hunnen dood.
111.
Men moet bidden voor zijne geestelijke oversten, den Paus, de Bisschoppen, de Pastoors en Priesters; voor zijne wereldlijke oversten, den koning, enz.
IV.
Men moet bidden voor zijne weldoeners, wijl men dankbaar moet zijn; voor zijne vrienden, wijl men hen moet beminnen. Een echt bewijs dier dankbaarheid en liefde is het gebed. Men moet ook bidden voor zijne vijanden.
SLUITREDE.
Bidden wij dus in \'t algemeen voor alle menschen, wijl wij allen broeders en zusters, kinderen van een en denzelfden Vader zijn. Bidden wij in \'t bijzonder voor vermelde personen, opdat wij na hier met elkander door het gebed vereenigd te zijn geweest, eenmaal het geluk mogen hebben van met elkander vereenigd te worden in den hemel.
— 103 —
ELFDE ONDERRICHTING
VOOR WIE MOET MEN BIDDEN?
Oratc pro inviccm nt salvemini.
Bidt voor elkander om zalig te worden.
(Jac. v, ic.)
VOORREDE.
In onze voorgaande onderrichting, 1?. B., hebben wij gezien wanneer men vooral behoort te bidden. Vandaag\' zulliii v* ij onderzoeken voor wie wij bijzonder verplicht zijn te hidden. Men moot wel is waar bidden voor alle monschen. De liefde gebiedt ons alle mensclien te beminnen en van daar dat men niemand, wie het ook zij, in het gebed mag uitsluiten, en dat wij allen voor elkander moeten hidden. Onze goddelijke Zaligmaker heeft het ons geleerd in het wonderschoon gebod dat Hij ons achtergelaten heeft.
Doch \'t is niet in \'t algemeen dat de vraag gesteld en opgelost moet worden, maar in \'t bijzonder, namelijk, voor wie men vooral gehouden is te bidden, en ik antwoord: men moet vooral hidden:
1. Voor zich zeiven;
II. Voor zijne ouders;
III. Voor zijne oversten;
IV. Voor zijne weldoeners en vrienden.
1.
Dat eenieder verplicht is voor zich zeiven te hidden is niet moeielijk te begrijpen. De liefde, zoo zij goed geregeld is,
— 101 —
begint met zich zelve. Dat spreekwoord is waar in de andere zaken, maar vooral in de zaak der zaligheid. Wien moet de menscli zich meer aantrekken dan zich zeiven? Waarvoor moet hij meer bezorgd zijn dan voor zijne ziel en zaligheid? Moet ik dus meer zeggen om u .te overtuigen dat een ieder voor zich zeiven moet bidden?
Bidden wij dus, B. B., en wel op de eerste plaats voor ons zeiven. Verhandelen wij vooreerst de gewichtige zaak onzer zaligheid met Hem die gezegd heeft; Er is maar eene zaak noodzakelijk; zoekt eerst liet rijk Gods en deszelfs gerechtigheid en het overige zal u toegewoipen worden; Quoerite primum regnum Dei et jusliiiam ejus, et Imc omnia adjicientur vobis. (i)
11.
Men moet bidden voor zijne ouders. Ounoodig breedvoerig uit te leggen waarom wij verplicht zijn voor vader en moeder te bidden. Daarover zal later in het vierde gebod gehandeld worden. Au zeg ik enkel in \'t voorbijgaan, dat, zoo wij niet willen dat de schandvlek der ondankbaarheid op ons kleve, wij voor vader en moeder moeten bidden, wijl wij hun naast God ons bestaan en al het overige voor het grootste gedeelte te danken hebben. Doch ik voeg er bij dat wij voor ons zeiven zorgen, zoo wij voor onze ouders bidden.
Nog klein en dus onbekwaam van voor zich zeiven te zorgen moet het kind God bidden, zijne onschuldige handjes ten hemel strekken en als het ware zeggen; U Vader! die in de hemelen zijt, bewaar mij mijnen beminden Vader nog lange jaren hier op aarde. O Moeder Maria! die in de hemelen zijt, bewaar mij mijne dierbare moeder; bewaart en beschermt toch mijne ouders, die ik zoo zeer noodig heb. Maar het kind beseft niet altoos hoe zeer het zijne ouders noodig heeft. Wanneer men dus in jaren
(1) Matth. vi, 35.
gevordenl, tot eenen Jongeling, eene jonge dochter opgegroeid zal zijn, dan zal men het beter beseffen. Of heeft men dan soms vader en moeder niet meer noodig? Mijn God! Mijn God! Men treft wel eens jongelingen en jonge dochters aan, die meenen hunne ouders te kunnen missen. Gelooft gij wel dat liet in hunne jeugd vooral is dat zij hen noodig hebben? Dan moeten de ouders niet alleen voor hun lichaam, maar vooral nog voor hunne ziel zorgen. De kinderen moeten dus God bidden, niet alleen, opdat Hij hunne ouders een lang leven schenke, maar zonder ondervinding en aan zoo veel gevaren in de bedorvene wereld blootgesteld, moeten zij God dringend bidden dat Hij hunne ouders verlichte en hun de genade geve van voor hunne opvoeding naar behooren te zorgen. De jongeling moet God bidden dat zijn vader over hem wake, dat hij hem bij tijds vermane, zeits straffe zoo hij liet wegens plichtverzuim verdiend heeft. De jonge dochter moet bidden voor hare moeder, dat zij niet te toegevend zij, dat zij hare oogen niet shüte daar, waar zij vooral goed moet zien en waken, dat zij haar, vermane tegen de verleiding en de gevaren der wereld; want wat zal er anders het gevolg van zijn? Kinderen en ouders zullen hunne plichten verwaarloozen, zullen ongelukkig worden in dit leven en voor eeuwig verloren gaan.
Gij ziet dus wel dat men in de jeugd zijne ouders nog meer noodig heeft dan wanneer men klein is; dat men dan verlichte, verstandige ouders noodig heeft, die met nauwgezetheid hunne plichten volbrengen, wijl zij, én voor ziel, én voor lichaam moeten zorgen.
Doch ik heb geene ouders meer, zij zijn reeds lang dood. — Ik hoop dat het niet tot straf der kinderen, noch der ouders zij, dat deze zoo vroegtijdig door den dood zijn weggerukt, hetgeen wel eens gebeurt. — Uwe ouders zijn dus dood, zegt gij; doch ik vraag u: zijt gij daarom niet meer verplicht voor hen te bidden? Waar zijn de zielen uwer ouders? In de hel?
\'t Zoude te vergeefs zijn voor haar te bidden, want in de hel is geene verlossing. Maar die gedachte is te akelig. Ook mag een kind nooit zulke gedachte van zijne ouders hebben. Zijn zij in den hemel? Dan hebben zij uwe gebeden niet meer noodig. Maar hoe zuiver moet eene ziel niet zijn om recht naar den hemel te gaan? Men mag en moet dus wel denken dat de ouders in staat van genade gestorven zijn; maar denken dat zij niet recht naar den hemel zijn gegaan, dat hunne zielen in het vagevuur nog zullen moeten gezuiverd worden, zoo iets denken is volstrekt geene vermetelheid, noch tegen de liefde. Welnu, zoo de zielen uwer ouders in het vagevuur opgesloten moeten lijden, weegt er dan geene zware verplichting op u kinderen van haar te hulp te komen, voor haar te bidden? Die moeder brandt in het vagevuur, en de dochter is er mede de schuld van, en zij zoude hare moeder niet te hulp komen? Die vader brandt in liet vagevuur, en de zoon is er mede de schuld van, en hij zoude zijnen vader in den steek laten? Welk eene ongevoelig- en ondankbaarheid! Maar neen, B. B., \'t zij verre van ons onze ouders te vergeten; wij zullen voor hen bidden gedurende hun leven en vooral na hunnen dood. Men verstaat gemakkelijk dat de ouders op hunne beurt voor hunne kinderen moeten bidden. Die verplichting strekt zicli ook uit tot de overige graden der bloedverwantschap, zoo dat broeders, zusters en bloedverwanten voor elkander moeten bidden.
ill.
Men moet bidden voor zijne oversten zoo geestelijke als wereldlijke. De geestelijkheid bestaat vooral uit den Paus van Rome, de Bisschoppen, de Pastoors en overige Priesters. Wij Katholieken, wij moeten in deze droevige tijden bijzonder voor hen bidden. Ik zeg droevige tijden, en niet zonder reden; want het is heden dat de II. Kerk wederom verschrikkelijk vervolgd wordt. Haar Opperhoofd, de Paus Leo XIII, van alle tijdelijke
macht beroofd, zucht als het ware in de gevangenis. Door zijne vijanden omgeven wordt hij in liet bestuur der christen wereld belemmerd en verhinderd. De Bisschoppen worden hier en daar van hunne zetels verdreven, tot ongehoorde geldboeten veroordeeld, voor de burgerlijke rechtbanken gedaagd, in ballingschap gezonden of in de gevangenis geworpen. De Pastoors en overige Priesters, die hunne Bisschoppen getrouw blijven, moeten met hen hetzelfde lot doelen. De verdedigers van recht en godsdienst worden op de een of andere onrechtvaardige wijze belet zich van die roemvolle taak le kwijten. Wat blijft er ons nu te doen over? Wij moeten God bidden, vooreerst voor Zijne Heiligheid den Paus van Rome, opdat God hem gelieve te bewaren, kracht en genade verleene om de vijanden der Kerk manhaftig het hoofd te bieden.
Wij moeten de eerste Christenen van Jerusalem navolgen, die, toen Petrus in de gevangenis zat, hunne toevlucht tot God namen en door hun bidden verkregen dat hij door eenen Kngel verlost werd. Zoo ook moeten wij voor den Paus van Rome bidden en aanhouden met bidden, tot dat hij op vrije voeten gesteld, de Kerk van Christus wederom naar behooren kan besturen.
Wij moeten bidden voor de overige Bisschoppen en Priesters die om de gerechtigheid vervolging lijden; voor onzen Bisschop, dat de goede God hem nog lange jaren gelieve te bewaren tot welzijn van het bisdom, en dat hij immer voortga de rechten der H. Kerk kloekmoedig te verdedigen.
Wij moeten bidden voor onze Herders, opdat zij tot hun en ons welzijn trouw hunne plichten volbrengen; ja, dat Pastoors en Priesters zonder vrees, zonder menschelijk opzicht de zonden, de zondige gewoonten en de misbruiken aanvallen, om ze uit te roeien, en dat aan hunne vermaningen gehoor gegeven worde. Ziedaar waarom wij voor de geestelijkheid moeten bidden. Deze
— 108 —
van haren kant is ook verplicht voor de geloovigen te bidden en veel te bidden.
Men moet ook bidden voor de wereldlijke overheid. De Apostel Paulus leert het ons in een zijner brieven: Ik verzoek u, zegt de Apostel, van te bidden voor de koningen en personen die niet eenige waardigheid bekleed zijn, opdat wij een rustig en stil leven mogen leiden in alle godsvrucht en zuiverheid van zeden. Vandaar dat de II. Kerk voor de koningen bidt om wijsheid en voorzichtigheid, want het is in onze dagen juist uit gebrek aan wijsheid en voorzichtigheid in de bestuurders, dat de volkeren geene rust genieten, dat zij God niet meer naar behooren kunnen oi\' mogen dienen, en dat het zedenbederf zoo sterk toeneemt, \'t Schijnt alsof de koningen en staatsmannen hedendaags met doof- en blindheid geslagen zijn. Men zoude als het ware met don Profeet David van hen mogen zeggen: Zij hebben ooren en hooren niet, oogen en zien niet. Zij luisteren niet naar de stem van God, die zich nochtans door den mond van zijnen plaatsbekleeder, den Paus van Rome zoo dikwijls laat hooren. Zij zien niet, of liever zij willen niet zien, welke onheilen en rampen zij over zich en over hunne onderdanen trekken.
IV.
Men moet ook bidden voor zijne weldoeners en vrienden. Wij moeten onze weldoeners dankbaar zijn en onze vrienden beminnen, en een toeken van dankbaarheid en liefde is voor hen te bidden. Men moet zelfs voor zijne vijanden bidden volgens de leering en naar het voorbeeld van Jesus-Christus. Bidt voor hen, zegt Jesns, die u vervolgen. Hangende aan liet kruis bad Hij voor zijne beulen: Vader, zoo sprak Jesus, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen. Nochtans, om niet in dwaling te vallen moet men weten dat men niet verplicht is in het bijzonder voor zijne vijanden te bidden. Daartoe is men zelfs
— 10\'.) —
niet eens verplicht voor hen die ons geen kwaad gedaan hebben. Wanneer God dus zegt dat men voor zijne vijanden moet bidden, moet dat gebod in dezen zin verstaan worden, dat men in de algemeene gebeden, zooals, bijv., het gebed des Heeren zijne vijanden niet mag uitsluiten; doch daardoor is men niet veplicht in \'t bijzonder voor hen te bidden, of zulks zal ten minste zelden voorkomen. Voorzeker, \'t is aan te raden en zeor verdienstelijk voor zijne vijanden iu \'t bijzonder te bidden; doch er bestaat een groot verschil tusschen aanraden en gebieden, tusschen iets dat verdienstelijk is, zoo men het doet, ofwel dat zonde is, zoo men het niet doet. Ziedaar in welken zin de woorden van onzen goddelijken Zaligmaker moeten verstaan worden als Ilij zegt: Or ate pro per sequent ibus ros: (i) Bidt voor degenen, die u vervolgen.
SLUITREDE.
T
Wij moeten dus, B. B., in het algemeen bidden voor alle menschen, gelijk wij gezien hebben, omdat wij allen broeders en zusters, kinderen van één en denzelfden Vader zijn die iu den hemel is; maar in het bijzonder voor eenige personen, jegens welke wij verplichting hebben, zooals ouders, oversten en weldoeners. Bidden wij dus de een voor den andere; staan wij al biddende elkander bij, om, na hier op aarde met elkander vereenigd te zijn geweest in het gebed, het geluk te mogen hebben van eenmaal met elkander vereenigd te mogen worden in het rijk der hemelen. Amen.
(i) Matth. v, 44.
TWAALFDE ONDERRICHTING
OVER HET GEBED DES HEEREN
Domive! doce nos or are.
Heer! leer ons bidtlcu, (Luc. xi, i.)
INHOUD.
VOORREDE.
In do bergrede handelt Jesus onder anderen over liet gebed. Hij leert zijne leerlingen het wonderschoon gebed, dat gebed des Heeren ol\' Pater noster genoemd wordt, \'t Is over het gebed des Heeren dat wij thans gaan handelen.
VERDEELING.
I. De noodzakelijkheid van het gebed des Heeren;
II. Deszelfs waardigheid.
I.
Het gebed in het algemeen is noodzakelijk uit noodzakelijkheid des middels; het gebed des Heeren is noodzakelijk uit noodzakelijkheid des gebods. Bijgevolg moeten de ouders hunne kinderen
— Ill —
vroegtijdig het gebed des Heeren leeren bidden en wij moeten liet ook dikwijls bidden.
II.
Het gebed des Heeren is liet beste en waardigste gebed, vooral om de volgende redenen:
1° Omdat Christus zelf\'het gemaakt heeft; geen mensch, zelfs geen Engel, maar de Zoon Gods, de eeuwige Wijsheid;
2° Omdat liet in zich besluit al wat wij mogen begeeren. Woprden van de HH. Augustinus en Cyprianus;
3quot; Om deszelfs orde. Wij vragen eerst het einde, daarna de middelen om het einde te bekomen, ouder de middelen, op de eerste plaats de noodzakelijkste; daarna vragen wij ook nog dat de -beletsels van het einde te bereiken weggenomen worden;
4° Om deszelfs beknoptheid.
SLUITREDE.
Bedanken wij God voor het schoon gebed dat Hij ons achtergelaten heeft; en om Hem onze dankbaarheid te betuigen, bidden wij het dikwijls met aandachtigheid, eerbied en betrouwen.
— 112 —
TWAALFDE ONDERRICHTING
OVER HET GEBED DES HEEREN
Domine! doco, non or are.
Heer! leer ons bidden. (Luc. xi, i.)
VOORREDE.
De bergrede, B. B., of het sermoon dat Jesus eertijds op den berg hield, is eene der sclioonste bladzijden van het Evangelie. Zij bevat eene menigte heilzame lessen. Onze goddelijke Zaligmaker spreekt in zijne bergrede ook over liet gebed. Wanneer gij bidt, zeide Jesus tot zijne leerlingen, dan moet gij niet doen gelijk de huichelaars, die in de synagogen en aan de hoeken der straten staan te bidden, om van de menschen gezien te worden: voorwaar. Ik zeg het u; zij hebben hun loon reeds ontvangen. Maar gij, wanneer gij gaat bidden, treed in uwe kamer, en de deur gesloten hebbende, bid uwen Vader in het verborgen, en uw Vader die in het verborgen ziet, zal het u vergelden. En als gij bidt, wilt dan ook niet veel spreken, gelijk de Heidenen doen, die meenen dat zij om hunnen overvloed van woorden zullen verhoord worden; doet niet gelijk zij, want uw Vader weet wat gij noodig hebt, alvorens gij Hem bidt: zoo zult gij dus bidden: Sic ergo vos orabitis. (l) En alsdan leerde Jesus zijne leerlingen het schoon gebed, dat het Onze Vader of het gebed des Heeren genoemd wordt.
Na over het gebed in het algemeen gesproken te hebben, gaan wij thans over het gebed des Heeren in het bijzonder handelen. Vandaag zullen wij zien:
(i) Matth. vi, 9.
— 113 —
I. De noodzakelijkheid van het gebed des Heeren;
II. Dcszelfs waardigheid.
1.
Het gebed in hot algemeen is noodzakelijk, gelijk wij reeds gezien hebben, en de II. Alphonsus, de groote Apostel des gebeds, leert dat het zelfs noodzakelijk is uit noodzakelijkheid des middels. Het gebed is voor de ziel wat het brood is voor liet lichaam; en evenals hot lichaam zonder voedsel wegkwijnt en sterft, zoo ook kwijnt de ziel zonder gebod weg, totdat zij eerst het leven der genade verliest en eindelijk voor eeuwig verloren gaat. Ziedaar hoe hot met het gebed in liet algemeen gelegen is.
Doch er is een verschil wat het gebed in het bijzonder, d. w. z., dit of dat gebed aangaat. Het gebed des Heeren is noodzakelijk uit noodzakelijkheid dos gebods, d. i , er bestaat een gebod, dat ons verplicht het gebed des Heeren te kennen en van tijd tot tijd to bidden. Immers, wat moeten wij weten uit noodzakelijkheid des gebods^ Op de eerste plaats het Onze. Vader. Wij allen zijn dus gehouden en wel uit noodzakelijkheid des gebods, het gebed des Heeren ie kennen. Daaruit besluit ik;
1° Dat de ouders verplicht zijn hunne kinderen vroegtijdig het gebed des Heeren te loeren. Ja, vaders en moeders, gij moet met uwe kinderen handelen, gelijk eertijds onze goddelijke Zaligmaker met zijne leerlingen handelde; gij moet hun loeren bidden en wel op de volgende wijze; zoo moet gij bidden, kinderen: Onze Vader, die in de hemelen zijl, enz. Kn denkt niet, ouders, dat gij niet verplicht zijl uwe kinderen te loeren, hetgeen Jesus-Christus zijne leerlingen en ons allen geleerd heeft. Ik besluit daaruit:
2quot; Dat wij het gebed des Hoeren dikwijls moeten opzeggen. Zulks blijkt duidelijk uit do verplichting van het te loeren. Waarom zouden wij het gebed des Heeren moeten loeren, zoo
Geloofs-kn Zedbnlekr. 2«\'«\'Dkkl. S.
— 114 —
niet om het op te zeggen? Ook is het gebed des Heeren het gebed, waarvan men het meest gebruik maakt, omdat het het beste en waardigste gebed is.
II.
De Catechismus vraagt;
Welk is het allerbeste en allerweerdigste gebed? En hij antwoordt:
liet Gebed des Heeren of de Paternoster, want dit is van Christus, den oppersten Meester, gemaakt, en het begrijpt al wat luij zouden mogen beg eer en.
Het gebed des Heeren is het beste en waardigste gebed:
1° Omdat Christus het gemaakt heeft, \'t Is dus geen mensch, ook geen Engel, maar do Zoon Gods zelf die het gemaakt hoeft. Die goede Meester hoeft zich niet tevreden gesteld ons te vermanen en te gebieden van te bidden; neen, maar Hij heeft ons ook geleerd hoe wij moeten bidden, welke woorden wij moeten gebruiken. Hij had het zijne leerlingen tot tweemaal toe geleerd; eens in het sermoon op den berg, gelijk wij gezien hebben, en een andermaal, toen Hij van zekere plaats, waar Hij gebeden had, terugkeerde en door een zijner leerlingen ondervraagd werd; Heer! leer ons bidden, gelijk Joannes zijne leerlingen geleerd heeft.
De Zoon Gods, de eeuwige Wijsheid zelve, heeft het ons dus geleerd. Doch een zoo groot Meester, kon Hij iets leeren dat niet onder alle opzichten uitmuntte en volmaakt was? Te meer daar Jesus wilde dat zijn gebed tot het einde der wereld zoude gebeden worden. Daarenboven, niemand wist beter dan Jesus wat God behaaglijk is en Roe men zijne genaden en weldaden kan bekomen. Bijgevolg kan er geen beter, geen waardiger gebed uitgevonden worden; geen gebed dat God aangenamer, voor ons roemvoller, om te verkrijgen krachtiger is, en daarom geen gebed dat ons dierbaarder wezen moet.
Het gebed des Heeren is liet beste en waardigste gebed;
2° Wegens zijnen inhoud. Het bevat alles wat wij noodig hebben, zoo voor dit als voor het andere leven. Vandaar dat de II. Augustinus zich op de volgende wijze uitdrukt: Het staat ons vrij andere woorden te gebruiken, zegt hij, maar het staat ons niet vrij iets anders te vragen dan hetgeen in dit gebed opgesloten ligt. He H. Cyprianus had voor den H. Augustinus reeds hetzelfde, maar in andere woorden, gezegd: Anders bidden, d. i., iets anders vragen dan Jesus-Ohristus ons geleerd heeft, is niet alleen een teeken van onwetendheid, maar \'t is zelfs eene fout.
:50 Het gebed des Heeren behelst niet alleen al wat wij mogen en moeten vragen, maar ook de orde waarin wij het moeten vragen. De volgorde van het gebed des Heeren is wonderschoon. Zij bestaat hierin dat men eerst het einde vrage, dan de middelen; vervolgens onder de middelen het middel dat geschikter en noodzakelijker is om het einde te bereiken, vóór een ander. Ziehier in het kort naar de leering van den H. Thomas de volgorde van het gebed des Heeren:
Op de eerste plaats vragen wij hetgeen het einde van den mensch uitmaakt, vervolgens de middelen om dat einde te bereiken.
Waarin bestaat het einde van den mensch? Het einde van den mensch bestaat in God zei ven o( in zijne glorie; want God heeft alles, dus ook den mensch, voor zich, tot zijne glorie geschapen. Welnu, wij vragen die glorie van God en wij trachten ze zoo veel mogelijk te bevorderen, als wij zeggen; Sanctificetur nomen tuurn.- (i) Geheiligd zij uw naam.
Doch wij vragen nog iets meer; wij vragen ook iets voor ons zeiven, namelijk, van God eenmaal te bezitten, d. i., van eenmaal in den hemel te komen: Advenial regnurn iuurn: Ons toekome uw rijk.
(i) Matth. vi, 9,
— 116 —
Vervolgens gaan wij tot de middelen over. Om de glorie van God te bevorderen en eenmaal in den hemel te komen, moet /men zich aan God onderwerpen, zijne geboden onderhonden en Hem dienen. Dat vragen -wij als wij zeggen; Fiat voluntas tua sicut in ccelo et in terra: Uw wil geschiede op de aarde als in den hemel.
Maar om God te dienen, moet men ook knnnen leven; en om te kunnen leven heeft men veel noodig. Welnu, alles wat wij tot ons onderhoud noodig hebben, vragen wij als wij zeggen: Panera nostrum quotidianum da, nabis hod.ie: Geef ons heden ons dagelijksch brood. Men moet nog opmerken, B. B., dat er zich ook zaken opdoen, die den mensch beletten van in den hemel te komen, van God getrouw te dienen en van naar behooren te kunnen leven. En wat belet den mensch van in den hemel te komen? De zonde, B. B., vooral de doodzonde. Welnu, van de zonde vragen wij God vergiffenis, als wij zeggen; Dimitte nobis debita nostra, sicut et nos dimittimus debito-ribus nostris: Vergeef ons onze schulden gelijk wij vergeven onze schuldenaren. Wat belet den mensch God getrouw te dienen en zijnen heiligen wil te volbrengen? De bekoringen, B. B.; doch wij vragen God, ofwel van niet bekoord te worden, of wel van in de bekoringen niet te bezwijken, als wij zeggen: Et ne nos inducas in tentationem: En leid ons niet in bekoring. Eindelijk, wat belet den mensch van naar behooren te kunnen leven, van God getrouw te dienen, van zijne zaligheid te bewerken? Allerlei ellenden, allerlei kruisen en wederwaardigheden naar ziel en lichaam. Welnu, wij verzoeken zoo veel mogelijk daarvan verlost te worden, als wij zeggen; Sed libera nos a rnalo: Maar verlos ons van den kwade. Ziet gij nu wat het gebed des Heeren behelst, alsmede de schoone volgorde er van? Alles wat wij noodig hebben naai\' ziel en lichaam, hier en hiernamaals, ligt in die weinige woorden opgesloten. Ik zeg: in die weinige woorden; want dat is juist nog eene reden te meer, waarom het gebed des Heeren het beste en waardigste
gebed is. In weinige woorden zoo veel en zoo wonder schoon zeggen, dat is de zaak. De wijste mensoh die er ooit geweest is of zijn zal, wat zeg ik, do wijste? alle wijzen te zamen, van liet begin der wereld tot het einde toe, zouden nooit een gebed opgesteld hebben als Jesus-Christus ons geleerd heeft.
SLUITREDE.
Bedanken wij dus God voor de overgroote weldaad van ons een zoo schoon gebed te hebben achtergelaten; en om blijken van onze dankbaarheid te geven, bidden wij het Onze Vuiler dikwijls, met eerbied, aandachtigheid en betrouwen. Ik zeg dikwijls, wijl wij dikwijls veel noodig hebben; met eerbied en aandachtigheid, want het zijn de woorden van Jesus-Ohristus en zij worden tot God gericht; met betrouwen; ja, B. B., en met een groot en onbeperkt betrouwen, waarom? Wijl de hemelsche Vader, als wij het Onze Vader bidden, de stem hoort van zijn beminden Zoon, die in ons en met ons bidt; die zijne doordringende stem met de onze vereenigt, evenals, bijv., eene moeder, die met haar kind naar vader zoude gaan om iets te bekomen, en die haar kind zoude voorzeggen, ja, hare bede met die van haar kind zoude vereenigen, te zamen zouden vragen wat zij verlangen; en de hemelsche Vader zoude zijn welbeminden Zoon niet verhooren? Doch Jesus zegt: Vader! Ik weet dat Gij Mij altijd verhoort, llij wordt verboord om zijne waardigheid. Neen, B. B., twijfelen wij er niet aan; wij zullen zeker verhoord worden, zoo wij dikwijls met aandachtigheid, eerbied en betrouwen het Onze Vader bidden. Amen.
DERTIENDE ONDERRICHTING
OVER HET GEBED DES HEEREN
VOOJIUEUK
Pater nostcr, qui cs in ccclis.
Onze Vader, die in de hemelen zijt.
(Matth. vi, o.)
INHOUD.
VOORREDE.
Na over het gebed des Heeren in \'t algemeen gesproken te hebben, gaan wij tot deszelfs bijzonderheden over. Het bestaat uit eene voorrede en zeven vragen. De voorrede luidt als volgt: Onze Vader, die in de^hemelen zijl.
VERDEELING.
I. Wien spreken wij aan, zeggende:
Onze Vader?
II. Hoe is God onze Vader?
III. Waarom zeggen wij, Onze, eu niet,
Mijn Vader?
IV. Wat beteekenen de woorden: Die in
de hemden zijt?
I.
Wij spreken de H. Drievuldigheid aan, maar bijzonder den eersten Persoon, God den Vader.
II.
God is onze Vader; omdat Hij ons geschapen, van den eeuwigen dood verlost, door het H. Doopsel tot zijne kinderen aangenomen en de hemelsche erfenis voor ons gereed gemaakt heeft.
III.
Wij zeggen Onze en niet Mijn Vader, niet om te beteekenen dat wij veel in getal moeten zijn om te kunnen bidden; maar dat wij broeders en zusters zijn en voor elkander moeten bidden. Daardoor toonen wij ook dat wij voor God gelijk zijn.
IV.
God is overal tegenwoordig, doch vooral in den hemel. Hij leert ons niet gehecht te zijn aan de wereld en hare schijngoederen, maar naar den hemel en naar de bestendige goederen te streven.
SLUITREDE.
De voorrede bevat naar de leering van den Kardinaal Hugo de drie goddelijke deugden; het geloof, de liefde en de hoop.
— J 20 —
DERTIENDE ONDERRICHTING
OVER HET GEBED DES HEEREN
VOOUREDE
Pater noster, qui es in ccelis.
Onze Vader, die in de hemelen zijt.
(Maith. vi. 9.)
VOORREDE.
Het gebed des lleeren, 13. B., is het beste en waardigste gebed, omdat Christus de opperste Meester liet gemaakt heeft, en wijl het met orde en in weinige woorden bevat al wat wij mogen begeeren. Die waarheden hebben wij reeds overwogen. Vandaag zullen wij niet de bijzonderheden van het gebed des lleeren beginnen.
De Catechismus vraagt:
Uit hoeveel deelen bestaat tiet gebed des Heer en? En hij antwoordt:
Uit eene voorrede en zeven vragen.
De voorrede luidt als vol^t: Pater noster, qui es in ccelis: (i)
(i) Matth. vi, 9.
Onze Vader, die in de hemelen zijt.
Wat zult gij denken, als gij die voorrede zegt?
Ik zal denhen dat ik in den naam van alle menschen spreek tot den besten en rnachtigsten Vader, en mijn hert naar hem in den hemel slierende, zal ik met betrouwen verzoeken al wat in de zeven vragen begrepen is.
Door de voorrede dus worden wij opmerkzaam gemaakt wien wij aanspreken en tevens opgewekt om met eerbiedigheid en
betrouwen te bidden. Beantwoorden wij vandaag in \'t kort de vier volgende vragen:
I. Wien spreken wij aan als wij zeggen:
Onze Vader?
•11. Hoe is God onze Vader?
III. Waarom zeggen wij Onze en niet Mijn
Vader?
IV. Wat beteekenen de woorden: Die in de
hemelen zijl?
1.
Wanneer wij in het gebed des Heeren zeggen: Onze Vader, Pater nosler, dan spreken wij de Heilige Drievuldigheid aan. De drie goddelijke personen, de Vader, do Zoon en de H. Geest zijn maar één God, die onze Vader is. Nochtans, wij mogen door de woorden. Onze Vader, den eersten persoon van de H. Drievuldigheid, God den Vader op eene bijzondere wijze verstaan, van wien God de Zoon, de tweede persoon van de II. Drievuldigheid, voortkomt. Deze is bijgevolg in den eigenlijken zin des woords de Zoon en wel de zelfstandige Zoon van God den Vader, in eeuwigheid van Hem geboren. Wij, B. B., wij zijn Gods kinderen enkel in een oneigenlijken zin eu bij aanneming.
\'t Is in den naam van den eeniggeboren Zoon des Vaders, die ons het gebed des Heeren geleerd heeft, ja, wat meer is, \'t is met Hem dat wij door den mond der Heilige Kerk zijn hemelschen Vader bidden.
H.
Wij noemen God dien wij aanspreken, Vader; eu te recht. Ziehier de redenen waarom wij God Vader noemen:
1° Omdat Hij ons geschapen heeft;
— 122 —
2° Omdat Hij ons van rten eeuwigen dood verlost heeft;
3° Omdat Hij ons door het H. Doopsel tot zijne kinderen heeft aangenomen; en
4° Omdat Hij voor ons de hemelsehe erfenis gereed gemaakt heeft.
God heeft ons geschapen, B. B., naar zijn beeld en zijne gelijkenis. En Hij zoude uw Vader niet zijn, vraagt de H. Schrift, die u bezit, die u gepiaakt en geschapen heeft?
Doch God heeft ons niet alleen geschapen; Hij bewaart ons voordurend, en die bewaring is als liet ware eene aanhoudende schepping. Bijaldien God slechts een oogenblik zijne hand van ons aftrok, wij zouden terstond in den niet hervallen, waaruit Hij ons getrokken heeft.
Wie bezorgt ons eten en drinken, zonder hetwelk wij van honger en dorst zouden omkomen? God, die de aarde planten en vruchten doet voortbrengen, die de wolken des hemels gebiedt den regen over het aardrijk uit te storten, die voor ons zorgt, beter dan een vader en eene moeder voor hunne kinderen zorgen, wijl God ook nog voor de ouders, die over hunne kinderen aangesteld zijn, moet zorgen. God is dus onze Vader, gelijk gij ziet, omdat Hij ons geschapen heeft, ons bewaart en voor ons zorgt.
Doch buiten het natuurlijk leven bestaat er nog een ander, namelijk, het bovennatuurlijk leven of het leven der genade. De eerste mensch wel is waar was in staat van genade, doch door zijne eigen schuld heeft hij de genade verloren. Welk droevig lot stond hem niet beschoren? Na nog eenige jaren in dit tranendal doorgebracht te hebben, zoude hij door den beleedigden Schepper ter helle verwezen worden. Doch ziet! God heeft medelijden met den mensch gehad; Hij belooft hem eenen Verlosser; Hij zendt zijn eenigen Zoon; die Zoon zal den mensch van den eeuwigen dood, d. i., van de hel verlossen; Hij zal de misdaden van het zondige menschdom op zich nemen
en er voor voldoen: ja, aan het kruis zal Hij ons vrijkoopen ten koste van zijn goddelijk bloed, dat Hij zoo edelmoedig\' tot den laatsten druppel vergiet; door zijnen dood zal Hij voor ons het leven der genade verdienen en in het H. Doopsel wedergeven. Vandaar ook dat het 11. Doopsel het Sacrament der wedergeboorte genoemd wordt.
In het H. Doopsel, B. B., heeft God ons tot zijne kinderen aangenomen; op dat gelukkig oogenblik kon \'lod van eenieder onzer als het ware zeggen: Ziedaar mijn welbemind kind, in het welk Ik mijn welbehagen schep. Welke liefde van wege God jegens ons; Hij wil ons zijne kinderen noemen en wij zijn het inderdaad, wijl Hij ons tot zijne kinderen heeft aangenomen. Wij hebben den H. Geest ontvangen, zegt de Apostel Paulus, door wien wij tot kinderen Gods zijn aangenomen, en door wien wij met een kinderlijk betrouwen God onzen Vader noemen. De 11. Geest gelnigt ons, gaat de Apostel voort, dat wij kinderen Gods zijn.
Doch zoo wij kinderen Gods zijn, daaruit volgt ook nog dat wij eenmaal het rijk Gods moeten erven. Immers, de kinderen zijn de erfgenamen van den vader; eenmaal moeten zij bezit nemen van zijne goederen. Vandaar dat de Apostel Paulus ons erfgenamen van God noemt als kinderen van God den Vader; Hreredcs quidem Dei, medeerfgenamen van Christus, als broeders en zusters van Jesus-Christus: Cohceredes au ton christi. (l)
God is dus onze Vader, gelijk wij komen te zien, wijl Hij ons geschapen, van den eeuwigen dood verlost, door het Doopsel tot zijne kinderen aangenomen en de hemelsche erfenis voor ons gereed\' gemaakt heeft.
Hl.
In de voorrede, B. B., zeggen wij Onze en niet Mijn Vader. Dat woordje Onze is vol beteekenis. Jesus veronderstelt niet
Ui Rom. vin, 15.
dat wij talrijk moeten zijn als wij het gebed des Heeren bidden. Neen, B. B., maar door dat woordje Onze wil Hij te kennen geven, dat wij allen, hetzij rijken of armen, grooten of kleinen, broeders en zusters zijn; wijl wij allen maar één en denzelfden Vader hebben. Daardoor vermaant Hij ons van onzen even-mensch te beminnen, van voor elkander te bidden, ja, voor alle menschen zonder uitzondering, voor rechtvaardigen en zondaren, voor vrienden en vijanden. Op die wijze volbrengt men ook het gebod van den goddelijken Meester, als Hij zegt; Orale pro persequentibus et calumnianlibus vos: (i) Bidt voor degenen die u vervolgen en lasteren.
He liefde nochtans belet niet voor zekere personen, zooals voor ouders, bloedverwanten, vrienden, enz., op eene bijzondere wijze te bidden.
Het woordje Onze leert ons ook nog van ootmoedig te zijn.
Wij allen moeten ons voor God vernederen, wij allen staan voor Hem gelijk. Kr bestaat bij God geen verschil tusschen rijk en arm, tusschen koning en onderdaan. Het eenige verschil dat God opmerkt, is gelegen in de deugd en ondeugd. Niemand mag zicli dus boven zijnen evenmensch verheffen. De bedelaar moet bidden voor den koning, de koning voor den bedelaar; de arme voor den rijke, de rijke voor den arme: Waarom? Omdat alle menschen, van groote of geringe afkomst,\' broeders en zusters zijn, één en denzelfden Vader hebben; omdat allen zich tot God richtende moeten bidden: Onze Vader: Pater noster.
IV.
Dien Vader belijden wij in den hemel te wonen: Qui es in ccelis. He reden is, B. B., omdat God, alhoewel Hij alle plaatsen met zijne tegenwoordigheid vervult, nochtans zich zeiven en zijne glorie aan de Heiligen openbaart in den hemel.
(i) Matth. v, 44.
— 125 —
De hemel is fle voornaamste verblijfplaats der Godheid. In den hemel heeft God den troon zijner majesteit opgeslagen en spreidt Hij voor Engelen en Heiligen zijne glorie ten toon. In \'t rijk der hemelen laat God zich zien gelijk Hij is.
Door de woorden: Die in de hemelen zijt, leert Jesus ons ook dat wij aan de wereld niet gehecht moeten zijn. Integendeel, Hij wil dat wij de aarde als eene ballingschap, een tranendal beschouwen, waarin wij slechts voor korten tijd vertoeven om weldra naar eene betere verblijfplaats over te gaan.
Hij leert ons dat wij de schijngoederen en vermaken der wereld niet moeten najagen, maar dat wij ons oog gevestigd moeten houden op de onvergankelijke en eeuwige goederen en vermaken des hemels, en dat wij ons best moeten doen om er bij het verlaten dezer wereld bezit van te kunnen nemen. Daaraan leert Jesus ons reeds hier op aarde denken. Eenieder onzer zoude dus naar waarheid met den Apostel moeten kunnen zeggen: Wij verkeerèn reeds in den hemel, namelijk, met onze gedachten en begeerten: Nostra conversatio in caüis est. (l)
SLUITREDE.
Ziedaar, B. B., eene korte verklaring van de voorrede van het gebed des Heeren: Onze Vader, die in de hemelen zijt: Paler no ster, qui es in coelis. Hoe schoon zijn die woorden, riep de Kardinaal Hugo uit, aangezien zij de drie goddelijke deugden bevatten.
Het woord Vader is de uitdrukking van ons geloof; daardoor erkennen wij God voor onzen Vader, en te recht. God is onze Vader en Hij is voor ons zijue kinderen bezorgd als de beste der vaderen: Tam pater nemo! zegt Tertulianus: Geen Vader gelijk God. En och of wij ook altoos aan zijne vaderlijke goedheid beantwoordden. Doch helaas! Hoe dikwijls blijven wij aan die verplichting niet te kort? Wat zegt God door den mond
(i) Puil. m, 20.
van zijnen Profeet Malachias? Zoo Ik uw vader ben, zo^t Hij, waar is dan mijne eer? Waarom eert, waarom bemint gij Mij dan niet? Rechtvaardig verwijt. Ja, God raag ons toeroepen: Ik heb kinderen opgevoed en verheven, doch zij hebben Mij veracht: Ipsi autem sprevcrnnt me. (i)
Het woordje Onze bevat de liefde. Die deugd moet onder ons heerschen als onder broeders en zusters, wijl wij allen kinderen van God zijn. Zij moet heerschen, B. li, en ik zeg wel. Doch helaas! Hoe dikwijls ziet men niet dat die schoone liefde geschonden wordt door haat en nijd, door twist en tweedracht. Mijn God! Ziet, die echtgenooten, die man en vrouw, beminnen elkander niet eens meer; zij leven gedurig in spanning; zij haten en verwenschen elkander. De ouders kiinnen hunne kinderen, de kinderen hunne ouders niet meer verdragen. De broeders beminnen hunne zusters, de zusters hunne broeders niet meer; weken, maanden. Jaren lang leven zij met elkander niet zelden om eenc kleinigheid in een doodelijken haat en afkeerigheid, en zelfs op den grooten verzoeningsdag, met Paschen, lijdt het dikwijls nog grooten twijfel of zij zich wel oprecht met elkander verzoend hebben. En dat zijn echtgenooten, ouders en kinderen, bloedverwanten, dat zijn Christenen, die zeggen: Onze Vader: Pater noster! ik belijd, o God! dat gij onze Vader zijt, dat wij uwe kinderen en onder elkander broeders en zusters zijn. Welk eene tegenspraak! Ons gedrag, gelijk gij ziet, moet dus wel veranderen om met onze woorden overeen te stemmen.
De laatste woorden, die in de hemelen zijt: Qui es in coelis, verwekken in ons gevoelens van hoop, namelijk, van eenmaal door God in den hemel ontvangen te worden. Die hoop, Igt;. B., moet ons allen sterken; doch den noodlijdende moet zij vooral opbeuren. Arbeidzame mensch! die van den vroegen morgen tot den laten avond zwoegen moet om in \'t zweet uws aanschijns
(i) Is. i, 2.
oen stuk brood te verdienen, voor u en uwe kinderen;\' verlies den moed niet; na den arbeid zal de belooning volgen.
Arme mensch! die in dit tranendal niet zelden aan alles gebrek lijdt, die niet weet waarmede u te dekken, uwen honger te stillen; laat den moed niet zinken; na gebrek zal overvloed, na armoede zal rijkdom volgen.
Lijdende menscli! \'t is waar, uw ziekbed heeft u menigeu zucht doen slaken, \'t heeft u menigeu traan afgeperst; doch weet, na lijden zal verblijden, na geween zal vreugde volgen. Schept dus moed, ik herhaal het; God, uw Vader, die daar boven in de hemelen woont, zal u niet vergeten. Vol liefde ziet Hij op u neder en Hij bereidt u reeds eene plaats in den hemel, plaats die gij eenmaal zult innemen, zoo gij lot het einde toe uwen hemelschen Vader bemint en getrouw dient; want die volhard zal hebben tot liet einde toe, die zal zalig worden; Qui perseveraverii usque in finera, hie sulcus erü. (i) Amen.
(i) Matth. xxiv, 13.
VEERTIENDE ONDERRICHTING
OVER HET GEBED DES HEEREN
EERSTE VRAAG
Sanctificetur nomen tuum.
Geheiligd zij uw naam. (Mattii. vi, o.)
INHOUD.
VOORREDE.
Na God den besten der Vaderen in het rijk der hemelen beschouwd te hebben, beginnen wij met Hem te loven en te verheerlijken als wij zeggen: Geheiligd zij uw naam.
VERDEELING.
1. Wat moet er door den naam Gods verstaan worden?
II. Wat beteekenen de woorden: Geheiligd, zij uw naam?
— 120
I.
Door den naam Gods moet verstaan worden God zelf en al wat men Hem toeschrijft, als zijne almacht, goedheid, liefde, enz.
II. \'f
Wij vragen dat de naam Gods geheiligd zij. De heiligheid is de voornaamste eigenschap van God. God wil dat wij Hem daarin navolgen. Wij vragen niet dat God heiliger worde, wijl Hij oneindig heilig is; maar dat Hij van ons en van alle menschen moge gekend, gediend en geëerd worden. Gekend door Heidenen, Joden, Ketters en Schismatieken; gediend door alle Christenen, want onder hen zijn er velen, die God niet dienen; geëerd, want God wordt door vloekers en lasteraars dikwijls onteerd.
sluitrede.
Onteert nooit den naam Gods door vloeken en lasteren. Zorgt dat God nooit gevloekt of gelasterd wordt door kinderen, dienstboden of werklieden.
Zoo men het vloeken of lasteren niet beletten kan, moet men inwendig tot God verzuchten, zeggende: Geheiligd zij uw naam.
Geloofs- en Zedenleer. Deel. ü»
VEERTIENDE ONDERRICHTING
OVER HET GEBED DES HEEREN
EEKSTK VRAAG
Sandificetur nomen tuum.
Geheiligd zij uw naam. (Matth. vi, o.)
VOORREDE.
In onze voorgaande onderrichting, B. B., hebben wij de voorrede van het gebed des Hoeren uitgelegd. WIJ hebben gezien dat God onze Vader is, omdat Hij ons geschapen, van den eeuwigen dood verlost, door het Doopsel tot zijne kinderen aangenomen en de hemelsche erfenis voor ons gereed gemaakt heeft. God, onze Vader, is bijzonder in den hemel.
Na God dus, den besten der vaderen, in den hemel beschouwd te hebben, beginnen wij met Hem op aarde te loven en te verheerlijken.
De eerste vraag van het gebed des Heeren luidt als volgt: Sanctificetur nomen tuum: (i) Geheiligd zij uw naam.
Ziedaar de wensch van een kind dat zijnen vader waarlijk lief heeft. Het verlangt niets zoo zeer dan dat zijn vader van eenieder gekend, gediend en geëerd worde. Wij. zullen dus vandaag zien wat de eerste vraag van het gebed des Hoeren beteekent.
I. Wat moet er verstaan worden door den naam Gods?
11. Wat vragen wij zeggende: Geheiligd zij uw naam?
(i) Matth. vi, 9.
J.
Door den naam Gods, B. B.. moet verstaan worden God zeU en al wat men Hem toeschrijft, als zijne almacht, goedheid, iieide, enz.; dus niet de naam ol\' liet woord God in zicli alleen beschouwd, maar hetgeen er door beteekend wordt, namelijk, de Schepper, Heer en Regeerder van hemel en aarde, dien wij God noemen; het Opperwezen, dat almachtig, goed, liefdevol, barmhartig, rechtvaardig, enz., is; in een woord; door den naam Gods moet verstaan\' worden God zelf, één in wezen, drievuldig in personen, de Vader, de Zoon en de H. Geest, met al zijne volmaaktheden.
Wij vragen nu dat do naam Gods, of liever dat (jod zeil geheiligd zij: Sanclifketur nomen iuum. Wij zeggen niet, geprezen of geloofd zij uw naam, maar geheiligd zij uw naam. Waarom? De heiligheid, B. B., is de voornaamste eigenschap van God; zij is Hem boven alles dierbaar; als Heilig wil Hij vooral geprezen worden.
Wat doen de Engelen en Heiligen des hemels? Voor Gods troon nedergebogen zingen zij onophoudelijk het loflied: Heilig, Heilig, Heilig, de Heer almachtige God! Sanclus, Sanctus, Sanctus Dominus Deus omnipotens! (i)
God vordert ook dat allo menschen Hem in de heiligheid navolgen. Hij zegt, bijv , niet: Weest wijs, almachtig, wijl Ik wijs en almachtig ben; neen, B. B., maar Hij zegt: Weest heilig, wijl Ik heilig ben: Sancli eritis, quqniam ego sanctus sum. (2)
Om nu de eerste vraag van het gebed des Heeren wel te begrijpen, moeten wij ze een weinig uitleggen. Hier op aarde.
(i) Al\', xxn, 11. (2) I Petr. 1, 10.
— 132 —
T
,
B. B., treft men voorzeker rechtvaardigen cn heiligen aan, doch zij kunnen altijd in rechtvaardig- en heiligheid toenemen: Justus justi/lcetur adhuc; et sanctus santificetur ad.hue. (i) Vandaar dat men God mag bidden, niet alleen om heilig te worden en te blijven, maar ook om heiliger te worden. Doch zoo is het niet gelegen met God. God is de Heiligheid zelve; Hij is oneindig heilig en kan bijgevolg in heiligheid niet toenemen. Wanneer wij dus zeggen; Geheiligd zij uw naam, dan vragen wij niet dat God heiliger worde. De Catechismus vraagt:
Wat begeert gij zeggende: geheiligd zij uw naam? En hij antwoordt;
Dat God ran ons en alle mensciien moge gekend, gediend en geëerd worden. Wij vragen dus:
1° Dat God van ons en alle menschen moge gekend worden, niet alleen door het verstand, maar ook door het zaligmakend geloof Er worden nog menschen gevonden B. B., die God niet kennen, namelijk, de Heidenen. Deze zitten nog in de duisternissen des ongeloofs en in de schaduw des doods. In plaats van den Schepper aanbidden zij de schepselen. Onder de afgodendienaars treft men er aan, die de zon, maan en sterren aanbidden. Anderen aanbidden redelooze dieren uit vrees of uit dankbaarheid. Men vindt er zelfs, die zich slaafs nederwerpen voor een houten blok of steenklomp, en in luuine verblindheid de afgoden die zij zelf gemaakt hebben, voor opperwezens aanzien.
Wanneer wij nu in het gebed des Heeren zeggen; Geheiligd, zij ine naam, dan vragen wij dat de Heidenen tot het ware geloof mogen geraken, den eenigeu waren God mogen bekennen, aanroepen en dienen.
Buiten de Heidenen zijn er nog anderen, die den waren God wel kennen, maar die zijn eenigen Zoon Jesus-Christus niet voor den Verlosser der Wereld willen erkennen, \'t Zijn de verblinde en hardnekkige Joden. Door God tot zijn volk
(1) Ar. xxii, 11.
— 133 —
verkozen, onilor allo opzichten begunstigd, in liet bezit van het Oude Testament, waarin de Messias afgebeeld en voorzegd is, hebben zij Jesus-Christus, in wien alle afbeeldsels en voorzeggingen vervuld zijn, verworpen. Blind voor het helderste licht der waarheid willen zij zich door do doorslaandste bewijzen niet laten overtuigen, en terwijl zij den ganschen aardbodem door verstrooid zijn, wachten zij nog immer naar Hem, die reeds overlang gekomen is, namelijk, naar den beloofden Messias.
Wanneer wij nu in het-gebed des Hoeren zeggen: Geheüigd zij uw naam, dan vragen wij dat de Joden hunne oogen voor het licht der waarheid openen, hunne hardnekkigheid alloggen en .losus-Christus voor den beloofden Messias, voor don Zoon Gods en don Zaligmaker der wereld, erkennen.
De Heidenen kennen God niet; de Joden erkennen Jesns-Christus uiet. Buiten dezen vindt men or nog, die het werk van Jesus-Christus, d. i., zijne Kerk niet willen erkennen. Ziedaar de Kotters en Scheurmakers. Jesus-Christus heelt, gelijk wij weten, maar eéne Kerk ingesteld. Hij gebiedt alle monschen naar die éene Kerk te luisteren. En ziet, de Kotters en Scheurmakers scheidon zich van die ééne ware Kerk om verschillende Sekten te vormen. In plaats van de waarachtige loering van Christus te volgen, volgen zij allerlei dwalingen. Voor hen ook bidden wij, als wij in het gebed des Hoeren zeggen: Gelicüigd zij uto naam, dat die ongelukkigen hunne dwalingen afzweren, tot do ware Kerk, den waren schaapstal van Jesus-Christus terugkeeron, opdat wij allen maar één schaapstal met éénen herder uitmaken: Et fiet anum ovüe et unus pastor, (i)
Wij vragen dus B. B., dat God van ons en alle monschen moge gekend worden. Doch dat is niet alles. Wij vragen ook dat Hij van ons en alle monschen moge gediend en geëerd worden. Die zaak gaat ons vooral aan.
(l) JOAN. X, 10.
— 134 —
Wij, B. B., wij kennen God en zijn eenigen Zoon Jesus-Christus; wij hebben liet geluk tot zijne ware Kerk te behooren; doch dienen en eeren wij God ook? Om God te dienen moet men zijne geboden onderhouden; daardoor heeft Hij zijnen wil te kennen gegeven, getoond, hoe Hij wil gediend worden. Men moet ook de geboden der H. Kerk onderhouden zoo wel als de geboden Gods; want God heeft de Oversten der H. Kerk aangesteld om ons in zijne plaats te regeeren. Men moet de plichten van zijnen staat volbrengen. God heelt voor eenieder eenen staat bestemd; wij moeten Hem bidden om dien staat te kennen, te aanvaarden en er vervolgens de plichten van te volbrengen. Men moet de zonde vluchten en de deugd oefenen. Ziedaar wat God dienen is.
Zij nu die zich getuigenis kunnen afleggen dat zij de geboden van God en van de II. Kerk onderhouden, dat zij de plichten van hunnen staat trouw volbrengen, dat zij de zonde vluchten en de deugd oefenen, zij dienen God en zij worden rechtvaardigen, dienaren Gods genoemd, daar integendeel de anderen onrechtvaardigen, zondaren genoemd worden, en van dat soort, B. B., worden er helaas! maar al te veel gevonden.
Hoevelen, die zich Christenen noemen, leven niet gelijk een Christen mensch betaamt. In plaats van God te dienen, dienen zij den duivel; in plaats van do geboden van God te onderhouden, leven zij volgens de grondregels der bedorvene wereld; in plaats van naar de H. Kerk te luisteren, spannen zij met hare vijanden aan; in plaats van hunne plichten waar te nemen, volgen zij hunne kwade driften in. Onder de Christenen dus worden er gevonden, die God getrouw dienen, \'t zijn de rechtvaardigen; anderen, die God niet dienen, \'t zijn de zondaren. Wanneer wij nu in het gebed des Heeren zeggen: Geheiligd zij uw naam: dan vragen wij dat de rechtvaardigen in den dienst van God volharden, dat zij door hunne deugden en goede werken hunnen Heer en God meer en meer verheerlijken; maar wij
vragen ook voor de ongelukkige zondaren, dat zij het slavenjuk van Satan afschudden en zich aan den dienst van God toewijden; dat zij het pad der ondeugd verlaten en het pad der deugd bewandelen; dat zij zich oprecht bekeeren en boetvaardigheid doen over hunne zonden.
God moet ook nog door ons en alle menschen geëerd worden. Doch, helaas! Hij wordt in onze dagen niet zelden onteerd. Om daarvan overtuigd te zijn behoeven wij enkel te zien wat er hedendaags zoo al rondom ons plaats heeft. Hoevele slechte geschriften en nieuwsbladen worden er niet gedrukt, waarin God en godsdienst, Kerk en Priester, alles wat heilig en eerbiedwaardig is, aangerand wordt? Hoevele slechte boeken worden er niet verspreid, waardoor de eenvoudige en onvoorzichtige menschen zich laten bedriegen? Hoevele goddeloosheden worden er dagelijks niet uitgebraakt? Daar over heb ik niets te zeggen, dan dat gij voorzichtig zijt in de keus van nieuwsbladen en boeken, namelijk, van nooit slechte te lezen of in uwe huizen toe te laten.
Doch ziehier een ander punt en waarop ik uwe aandacht in roep. De naam van God of God zelf wordt nog onteerd door Christenen, die zich aan de zonden van vloeken en godslastering plichtig maken. Men mag zelfs den naam Gods niet ijdel gebruiken, en men moet die slechte gewoonte, zoo men ze aangenomen heeft, afleggen.
Bijaldien men dus den naam Gods niet oneerbiedig mag uitspreken, eu men zicli aan dagelijksche zonde plichtig maakt, zoo het uit vrijwillige gewoonte geschiedt, hoeveel te meer mag men dan den naam Gods of God niet lasteren of vloeken? En aan welke ongehoorde zonde maakt de godslasteraar en vloeker zich niet plichtig? Ik wil vandaag het ondankbare, het monsterachtige, het duivelsche van die zonden niet ontvouwen. Vandaag zeg ik alleen: Arm schepsel! Ongelukkige mensch die vloekt
— 136 —
en lastert.! Ja ik beween en beklaag hem want hij is wel beweenens - en beklagenswaardig.
Ai me \\ ader! Bidt gij s morgens alvorens uw werk te beginnen? Ja, antwoordt gij; ik bid t Onze Vader. Gij zegt dus \'s morgens: Geheiligd zij uw naam; en helaas! hoe dikwijls vloekt of lastert gij den H. Naam van God niet gedurende den dag?
Dat kind van tien of twaalf jaren spreekt reeds vloeken uit, die de haren ten berge doen rijzen. Ongelukkige vader! gij zijt het die uw kind God den hemelschen Vader hebt loeren vloeken; door uw vloeken, ongelukkige vader! door uw vloeken misschien ook, rampzalige moedor! is uw kind, zijn uwe kinderen zoo ver gekomen.
\'s Morgens bidt gij God; Geheiligd zij uw naam, en te recht; want de naam van God is heilig; Sanctum nomen ejus; en gedurende den dag vloekt of lastert gij den heiligen naam van God. Weet gij dan niet dat die naam ook verschrikkelijk is^ Sanctum el tewibile nonien ejus, (i) Heeft God u misschien reeds gestraft voor uw vloeken en lasteren? \'t Is om u tot inkeer te doen komen en die duivelsche gewoonte te doen afleggen. Dankt God dat Hij u gestraft heeft, want het is tot uw welzijn geweest. Maar God heeft mij niet gestraft. En gij gaat voort met vloeken en lasteren? Dan zijt gij wel te beklagen, want er staat van God geschreven. Deus non irridelur: (2) God laat zich niet altijd bespotten. Dan zult gij in den afgrond der hel met de duivelen en verdoemden het verschrikkelijke van den naam Gods moeten ondervinden, hetgeen nog erger is. Ik viaag het u, B. B., of het zonder reden is dat ik den vloeker en godslasteraar beklaag.
Daarom vermaan ik u ten slotte;
ft) Ps. cx, fl. {2J Gul. vi, 7.
— 137 — SLUITREDE.
1° On teert nooit den naam Gods door vloeken of lasteren. Welk eene boosheid God aan te randen, die ons met weldaden overlaadt! Wat zoudt gij zeggen van uw kind, zoo liet u vloekte of lasterde?
2° Let wel op, ouders en meesters, dat er door uwe kinderen, dienstboden en werklieden nooit gevloekt wordt, \'t Ls uw plicht daarvoor te zorgen, uwe onderdanen, zoo zij vloeken, te berispen en te straffen. Zoudt gij dulden dat uw vader door uwe onderdanen gevloekt en aangerand werd? En is God ons aller Vader niet?
3° Zoo gij hoort vloeken en het niet kunt beletten, o, verzucht dan al eens ten minste inwendig tot God en zegt: Geheiligd zij uw naam. Ja, o Mijn God! Geheiligd zij uw naam! Sanctificetur nomen luum! Wij willen hem immer heiligen eu loven tot herstelling der oneer U door de vloekers en lasteraars aangedaan; wij willen hem immer heiligen en loven hier op aarde, om eenmaal het geluk te hebben van hem hiernamaals met de Engelen te heiligen en te loven in den hemel. Amen.
VIJFTIENDE ONDERRICHTING
OVER HET GEBED DES HEEREN
TWEEDE VRAAG
Adveniat regnum tumn.
Ons toekome uw rijk. (Matth. vi, 10.)
INHOUD.
VOORREDE.
Door den naam Gods moet God zelf verstaan worden, en wij vragen dat Hij geheiligd zij, d. w. z., dat Hij van ons en alle menschen moge gekend, gediend en geëerd worden.
De tweede vraag van het gebed des Heeren luidt als volgt: Ons toehome uw rijk.
VERDEELING.
I. Hoevelerlei is het rijk Gods?
H. Welk rijk vragen wij, zeggende:
Ons toekome uw rijk?
I.
Het rijk Gods is driederlei: hot rijk der natuur, liet rijk der genade en het rijk der glorie.
II.
Er is geen spraak van het rijk der natuur, wijl dat rijk van het begin der schepping bestaat.
Er is spraak van het rijk der genade en vooral van het rijk der glorie.
Door de woorden: Ons lockome uw rijk, op de Kerk toegepast, vragen wij dat de H. Kerk zich altijd meer en meer uitbreide. Op het rijk der genade toegepast, vragen wij dat God met zijne genade in de harten van alle menschen heersche. Er zijn er twee, die over het hart van den mensch willen heerschen, (iod en de duivel; God door zijne genade, de duivel door de doodzonde.
SLUITREDE.
Men moet hier op aarde tot het rijk der genade behooren, wil men eenmaal het geluk hebben van tot het rijk der glorie te behooren.
— 140 —
VIJFTIENDE ONDERRICHTING
OVER HET GEBED DES HEEREN
TWEEDE V HAAG
Adveniat regnmi tuum.
Ons toelsome uw rijk. (Matth. vi, io.)
VOORRBDÜ.
Laatsleden, B. B., hebben wij gesproken over de eerste vraag van liet gebed des Heeren. Wij hebben gezien wat er door den naam Gods moet verstaan worden, namelijk, God zeil\' en al wat men Hem toeschrijft als zijne almacht, goedheid, liefde, enz., wat wij vragen als wij zeggen: Geheiligd zij uw naam, dat God van ons en van alle menschen moge gekend, gediend en geëerd worden.
Thans gaan wij over tot de tweede vraag van het gebed des Heeren.
Die vraag luidt als volgt: Adveniat regnum tuum: (i) Ons toekome uw rijk. Leggen wij die woorden in \'t kort uit dooide twee volgende vragen te beantwoorden:
1. Hoevelerlei is het rijk Gods?
II. Welk rijk wordt er in de tweede vraag verstaan?
I.
Het rijk Gods, 1!. B., is driederlei: het rijk der natuur, het rijk der genade en hot rijk der glorie.
(l) Matth. vi, 10.
Door het rijk der natuur wordt verstaan de gansche schepping, waarover God gebied voert. God voert gebied over hemel en aarde: over den hemel, d. i., over liet uitspansel des hemels met zon, maan en sterren; over de aarde met menschen en dieren, met boomen en planten, met bergen en valleien, met zeeën en rivieren. Ziedaar het rijk der natuur, dat ook liet rijk Gods is en dat Hij als Schepper en Heer bestiert met wijsheid en macht, met eene goddelijke Voorzienigheid, \'t Is van dit rijk der natuur dat de koninklijke Profeet spreekt als hij zegt: Uw rijk, o Heer! is het rijk van alle eeuwen: Regnum tuum regnum omnium sceculorum, en uw gebied strekt zich uit over alle geslachten der wereld: el dominatio tua in ornni generatione ei generalionem. (i)
Het tweede rijk Gods, B. B., is het rijk der genade. Dat rijk gaat het eerste ver te boven, wijl liet van eene hoogere orde, een geestelijk rijk is. In dat rijk voert God vooral gebied over de zielen, waarin Hij regeert door geloof, hoop en liefde. Over dit rijk spreekt Jesus-Christus in het Evangelie als Hij zegt: Regnum Dei intra vos est: [2] Het rijk Gods is onder u. En de Apostel Paulus in zijnen brief aan de Romeinen: Het rijk Gods bestaat niet in eten en drinken, maar in de gerechtigheid, in den vrede en in de vreugde, die de H. Geest geeft.
Dat rijk, B. B., is vooral inwendig en onzichtbaar. Immers, men kan van buiten niet zien hoe de mensch van binnen gesteld is, of hij in staat van genade is, en bijgevolg of Jesus-Christus in zijne ziel regeert. Nochtans, liet is ook eenigszins uitwendig en zichtbaar, en alsdan wordt er de H. Kerk door bedoeld, die ook het rijk Gods genoemd wordt, rijk dat de Zoon Gods Jesus-Christus op aarde is komen stichten, en waarin alleen de genade en de genademiddelen, bijv., de H. Sacramenten te vinden zijn.
(l) Ps. CXLVI, 13. (2) Luc. XVII, 21.
— 112 —
Het derde rijk, B. B., is het rijk der glorie of het hemelrijk, waarin God en de Engelen en Heiligen met God voor eeuwig gelukkig zijn. Over dit rijk wordt in het Nieuw Testament vooral veel gesproken. De Apostel Paulus spreekt van het hemelrijk als hij zegt: Noch oog heeft gezien, noch oor heeft gehoord, noch is er in het hart van den mensch opgekomen, wat God bereid heeft voor hen die Hem beminnen, \'t Is van den hemel dat Jesus zegt: Niet allen, die zeggen: Heer! Heer! d. i., niet zij die enkel in mij gelooven, zullen het rijk der hemelen binnengaan, maar die den wil van mijn hemelschen Vader volbrengen, zullen het rijk der hemelen binnengaan.
Dat rijk der hemelen vangt reeds terstond na den dood aan voor de ziel van den rechtvaardige, in geval zij bij het verlaten van haar lichaam niets meer te betalen of te zuiveren heeft. Dan neemt de ziel hare vlucht recht naar den hemel, om daar in eeuwigheid met God te regeeren.
Doch in de vreugde van het hemelrijk moet ook het lichaam van den rechtvaardige deelen, wijl hot een werktuig van allerlei deugden en goede werken geweest is. Op den dag der algemeene verrijzenis, zoodra de zielen zich met hunne verheerlijkte lichamen zullen vereenigd hebben, • zal het rijk der glorie voltrokken worden. In den laatsten dag des oordeels zal God de rechtvaardigen uitnoodigen en zeggen: Komt gezegenden mijns Vaders: Vcnite benedicli Potvis mei; neemt bezit van het rijk, dat voor u bereid is van de grondlegging der wereld af: po.ssidete parahirn vohis vegnum a constitulione mundi, (i) waarna Hij omgeven van Engelen en Heiligen ten hemel zal stijgen.
Ziedaar, B. B., het drievoudig rijks Gods, waarvan in de H. Schrift gesproken wordt; het rijk der natuur, het rijk der genade en het rijk der glorie.
(i) Matth. xxv, 33.
— 113 —
Welk rijk bedoelen wij nu als wij in het gebed des Heeren zeggen: Ons toekome uw rijk? Adveniat regnwn tuum?
II.
Br is geen spraak van het rijk der natuur, maar wel van het rijk der genade en vooral van het rijk der glorie of van den hemel.
Dat er geen spraak is van het rijk der natuur, laat zich gemakkelijk verstaan. Immers, quot;dat rijk bestaat van het begin der wereld al\': \'t is met de schepping begonnen en bijgevolg kunnen wij ook niet meer vragen dat het kome, wijl het overlang gekomen is.
Wat het rijk der genade betreft, daarvan kunnen wij strikt genomen ook niet meer zeggen; Ons toekome uw rijk. Waarom niet? Omdat het gekomen is. Zoo gij door dat rijk de II. Kerk verstaat; wol, over achttien eeuwen heeft Jesus-Christus zijne Kerk reeds gesticht; zij heeft dus over lang bestaan en zij bestaat nog. Dat rijk der Kerk behoeft bijgevolg niet meer te komen. Door de woorden dus: Ons toekome uw vijh, van de H. Kerk verstaan, vragen wij niet dat zij kome, maar dat zij zich meer, en meer uitbreide, dat zij immer nieuwe veroveringen make, dat allen, die nog buiten de ware Kerk zijn, het geluk te beurt valle dezelve in te gaan.
Wat het rijk der genade betreft. God wel is waar \'regeert reeds in de zielen van vele Christenen, maar toch niet van allen. De Catechismus vraagt:
Wat verzoekt gij, zeggende: Ons toekome uw rijk? En hij antwoordt:
Dat God in dit leven in onze herten heersche door zijne gratie en dat wij met kem eeuioig mogen heerschcn in den Hemel.
— 144 —
Heerschen, B. B., beteekent meester zijn, gebied voeren. Welnu, er zijn er twee, die over het hart van den mensch. willen heerschen, God en de duivel. God wil er over heerschen door zijne genade, de duivel door de zonde. Het hart van den rechtvaardige is eene aangename verblijfplaats van God. \'t Is als het ware een troon, waarop God zetelt.
Doch ziet, door de doodzonde verdrijft de mensch God uit zijn hart; hij laat er den duivel bezit van nemen; hij werpt God van zijnen troon en plaatst er den duivel op. Deze heerscht ids koning of liever als dwingeland over zijn hart. De schandelijke driften, waaraan de zondaar zich overgeeft, zijn als zoo vele meesters die over zijn hart heerschen. De zondaar is slaaf van zijne driften. De onkuischaard, bijv., is slaaf van den wellust; de dronkaard is slaaf van den drank; de onrechtvaardige is slaaf van het geld; en zoo is liet gelegen met eiken kwaden hartstocht, waardoor de mensch zich laat medeslepen. Wij moeten dus den duivel uit onze harten jagen, en wij moeten er God in doen komen door zijne genade\' en er in doen blijven door een braaf en deugdzaam leven te leiden. Daarvoor bidden wij, niet alleen voor ons, maar voor alle menschen, als wij zeggen: Ons toekome uw rijk: Advenial reynum luum. Wij moeten noodzakelijk tot het rijk der genade behooren, willen wij eenmaal het rijk der glorie binnengaan. Wij vragen vooral het rijk der glorie of het hemelrijk, dat God aan zijne dienaren beloofd heeft na dit leven. Dat rijk, B. B., is voor ons nog niet gekomen, en \'t is naar waarheid dat wij zeggen: Ons toekome uw rijk. Wij moeten dus aan het rijk der glorie denken; wij moeten naar den hemel verlangen, zoolang wij hier op aarde in dit tranendal zijn; wij moeten naar ons waar vaderland verzuchten, waar wij met Jesus-Christus in eeuwige vreugde zullen regeeren.
De gedachte aan den hemel zal ons troosten en aanmoedigen te midden der ellenden en gedurende den arbeid, waartoe wij
liier veroordeeld zijn. Want wat is toch, ik vraag het u, het leven van den mensch, zoo men het wel nagaat? O, B. B., Job voorwaar sprak waarheid, als hij zeide: De mensch, die maar korten tijd leeft, wordt met veel wederwaardigheden bezocht. Hoe is \'t dan mogelijk dat wij, voor het eeuwige leven bestemd, zoo zeer aan dit kortstondig en ellendig leven gehecht zijn? Waarom zijn wij bang voor den dood, terwijl dit leven niets anders is dan een beletsel van God te zien, van ons met de Engelen en Heiligen te vereenigen? Niets beters, geen grooter geluk kon ons dus overkomen, ten minste met het oog des geloofs beschouwd, dan uit deze levensgevangenis verlost te worden, dan deze wereld te verlaten, waarin wij aan zoo vele gevaren zijn blootgesteld, waarin ons zoo vele strikken gespannen zijn en waarin wij dus geyaar loopen van telkens om te komen. De ware christen, die voor zijn eeuwig geluk bezorgd is, begrijpt het. Hij heeft de belooning die hem hiernamaals wacht, onafgebroken voor oogen. Hij ziet zich hier op aarde voor een reiziger, een vreemdeling aan. Gelijk aan het volk van Israël, dat op de oevers der rivieren van Babylonie neêrgezeten, bittere tranen stortte, toen liet aan de stad Jerusalem dacht; zoo ook treurt de ware christen, terwijl hij te midden der bedorvene wereld aan het hemelsch Sion denkt. O, de Apostel Paulus beklaagde zich zeer. Ongelukkige die ik ben! riep hij uit: Wie zal mij van dit sterfelijk lichaam verlossen? Hij verlangde niets zoo zeer dan te sterven, deze wereld te verlaten, om zich met Jesus-Christus te kunnen vereenigen. De Apostel Paulus dus verlangde naar den dood. Waarom? Omdat hij, dood voor de wereld, reeds tot het rijk der genade behoorde en bijgevolg bereid en toegerust was om tot het rijk der glorie over te gaan. Wij zijn bang voor den dood. In plaats van verlangen te sterven, verlangen wij niets zoo zeer dan te leven. Waarom, B. B.? Wij zijn wellicht te zeer aan deze wereld gehecht. Wij behooren misschien niet tot het rijk der genade en zijn dus niet bereid
Geloofs-kn Zedenleer. 2«^ Deel. 10.
— 146 —
om te sterven, niet toegerust om de reis naar den hemel aan te vangen. Vragen wij dus ten slotte, dat Jesus-Christus met zijne genade in onze harten heersche en ons eenmaal met zich late heerschen in den hemel.
SLUITREDE.
Ja, Mijn God! Ons toekome uw rijk! Adveniai regnurn tuum! Vooreerst uw rijk der genade. Ja, wees de Koning, de Heer, de Meester onzer harten; van alle aandoeningen, gewaarwordingen onzer harten. Maas! Wij betreuren het. De duivel heeft er door de doodzonde te lang over geregeerd; doch wij willen dat er een einde aan zijne dwingelandij kome. Wij jagen hem uit onze harten en noodigen U dringend uit om er bezit van te nemen. Adveniai regnurn tuum! Ons toekome uw rijk! O ja, regeer toch over - en in onze harten met uwe genade gedurende dit leven, opdat wij eenmaal het geluk mogen hebben van met U te regeeren in het rijk der hemelen gedurende de eeuwigheid. Amen.
ZESTIENDE ONDERRICHTING
OVER HET GEBED DES HEEREN
DKliDK \\ HAAG
Fiat voluntas tua, sicut in ccelo el in tarra.
Uw wil geschiede op do aarde als in den hemel. (.Matth. vi, id.)
INHOUD.
VOORREDE.
Het rijk Gotls is driedcrlei; het rijk der natuur, der genade en der glorie. God wil dat wij allen heilig worden en in den hemel komen. Daartoe wordt vereischt dat wij zijne geboden onderhouden en ons aan zijnen wil onderwerpen. De derde vraag luidt als volgt: Uw wil geschiede op de aarde als in den hemel.
VERDEELING.
1. Wal beteekenen de woorden: Uw toil geschiede?
II. Hoe moet men den wil Gods volbrengen?
I.
De wil Gods is gebiedend en verbiedend. Die wil wordt ons bekend gemaakt door de geboden van God, van de H. Kerk en van onze oversten.
God geeft ons dikwijls in wat meer te doen dan juist waartoe wij op zonde verplicht zijn; aan die ingevingen moeten wij beantwoorden.
God regelt ook alles wat er voorvalt, en aan dien wil moeten wij ons onderwerpen.
De ongelukken die ons overkomen, zijn of wel rechtvaardige straffen, of wel blijken van Gods goed- en barmhartigheid, middelen tot zaligheid en bewijzen van Gods vriendschap.
II.
Door de woorden: Op dc aarde als in den hemel, geven wij te kennen hoe volmaakt wij verlangen dat Gods wil volbrachtworde.
De Engelen volbrengen Gods wil, en wij vragen dat de menschen hem ook volbrengen. Alle Engelen; zoo ook alle menschen.
De Engelen volmaakt; de menschen zoo volmaakt mogelijk.
De Engelen met overeenstemming van hunnen wil met den wil van God, met spoed, en liefde; dat vragen wij ook voor ons.
SLUITREDE.
Doen wij ons best van ons leven naar de derde vraag van het gebed des Heeren in te richten. Wij moeten aan onzen wil, ten kwade geneigd, wederstaan en den heiligen wil van God volbrengen. Wij moeten aan Gods ingevingen en uitnoo-digingen beantwoorden en met overgeving aan don wil van God de kruisen aanvaarden en met geduld dragen. Dan zal de derde vraag van het gebed des Heeren bewaarheid worden, d, i., Gods wil zal geschielen op de aarde als in den hemel.
ZESTIENDE ONDERRICHTING
OVER HET GEBED DES II EER EN
DE HUE VJIAAG
Fiat voluntas tva, sicut in ccclo et in terra.
Uw wil geschiodo op de aarde als in den hemel, (Mattii. vi, id.)
VOORREDE
Het rijk Gods, B. B., is driederlei: het rijk der natuur, het rijk der genade en het rijk der glorie. In de tweede vraag van het gebed des Heeren vragen wij God, dat zijn rijk der genade en der glorie ons toekome, d. w. z., dat Hij gedurende dit leven met zijne genade in de harten van alle menschen heersche, en dat Hij ous allen eenmaal in gezelschap van Engelen en Heiligen met zich late heerschen in den hemel.
\'t Is ook de wil en het verlangen van God. Uwe heiligmaking is de wil van God, zegt de Apostel PaOlus; Hij wil namelijk met zijne genade in onze harten heerschen.
Dat God niet minder ons eeuwig geluk verlangt, leert dezelfde Apostel. God wil, zegt hij, dat alle menschen zalig worden, d. i., in den hemel komen. Dat is ook eigenlijk de eenige zaak, die wij in ons leven te verrichten hebben; want wat baat het den mensch de geheele wereld te winnen, als hij zijne ziel verliest? Doch merkt hier de woorden van den H. Augustinus op. God, zegt hij, die u zonder u geschapen heeft, zal u niet zonder u zaligmaken. Daarin moet de mensch medewerken. En wat moet hij doen om zalig te worden? Gods geboden
onderhouden. Zoo gij het leven wilt ingaan, d. i., zoo gij zalig wilt worden, onderhoud de geboden: Si vis ad vitam ingredi, serva mandata, (l) Daarom bidden wij B. B,, in de derde vraag van het gebed des Heeren. Die vraag luidt als volgt: Fial voluntas tiia sicut in caHo et in terra: (2) Uw wil geschiede op de aarde als in den hemel. Bijgevolg:
i, Wat verzoeken wij zeggende: Uw toil geschiede?
II. Hoe moeten wij den wil van God volbrengen?
I
De Catechismus vraagt:
Wat verzoeken wij zeggende: Uw toil geschiede? En hij antwoordt:
De hulp Gods om zijne geboden teel te onderhouden en ons in alles aan zijnen wil te onder toer pen.
Om dit antwoord wel te begrijpen, B. B., moeten wij een drievoudigen wil in (iod onderscheiden: den wil, waarmede Hij ons de plichten voorschrijft; den wil, waarmede Hij ons het een of ander aanraadt en den wil, waarmede Hij alles regelt.
Vooreerst den wil, waarmede God ons de plichten voorschrijft, namelijk, als Hij ons gebiedt of verbiedt wat wij moeten doen of laten. Die wil wordt ons bekend gemaakt door de geboden van God en van de H. Kerk en door onze ouders en oversten. Den wil Gods doen is dus eigenlijk niets anders dan de geboden onderhouden. Van dien wil spreekt de Proleet David als hij zegt: Heer! leer mij uwen wil volbrengen; doe mij den weg uwer geboden bewandelen. Als wij nu bidden: Uw wil geschiede: Fiat voluntas tua, dan vragen wij de hulp Gods of zijne genade om de geboden te onderhouden en ons aan onze ouders en oversten te onderwerpen. En niet zonder reden, B. B.; want
(l) Matth. xix, 17. l\'j) Matth, vi, 10.
zonder die hulp of genade zijn wij veel te zwak en zouden wij in veel zaken te kort blijven.
Vervolgens den wil, waarmede God ons het een of ander aanraadt. God, B. R., gebiedt of verbiedt niet altoos; dikwijls zet Hij ons enkel aan of geeft Hij ons in van wat meer te doen dan datgene, waartoe wij op zonde verplicht zijn. Als wij nu bidden: Uw wil geschiede: Fiat voluntas tua, dan vragen wij de hulp Gods of zijne genade om aan zijne uiinoodigingen en ingevingen te beantwoorden, hetgeen God zoo aangenaam en ons zoo voordeel is is.
Eindelijk den wil, waarmede God alles regelt. Er valt op aarde niets voor, B. li., of het geschiedt wijl God het wil, uitgenomen de zonde. God kan de zonde niet willen; Hij laat ze enkel toe, en altoos weet Hij er nog goed uit te trekken.
Aan «Hen wil, in andere woorden, aan de goddelijke Voorzienigheid moeten wij ons altijd en jn alles onderwerpen.
De mensch wordt in zijn loven met veel kruisen en wederwaardigheden bezocht. Nu eens komt God zeil hem op eene gevoelige wijze bezoeken; dan wederom wordt hem door zijnen evemncnscii ongelijk aangedaan. Nu eens lijdt hij aan ziekten; dan wederom overkomen hem ongelukken. Bij sommigen is liet eene kruis nauwelijks buiten de deur, of een ander en wel een grooter en zwaarder staat er wederom voor. Wat moeten \\\\ ij nu aanvangen? Ons in alles aan den wil Gods onderwerpen. Wij moeten de wederwaardigheden zonder morren aannemen, de kruisen met geduld dragen. Wij moeten ze beschouwen, ofwel als rechtvaardige strall\'en voor onze zonden, ofwel als bewijzen van Gods goed-en barmhartigheid, zoo Hij de eeuwige strall\'en, die wij voor onze zonden verdiend hebben, in tijdelijke verandert.
Wij kunnen ze ook aanzien als middelen ter zaligheid waardoor ons geduld geoefend en onze deugd op de proef gesteld en volmaakt wordt.
— 152 —
Wij mogen ze zelfs aanzien als blijken van Gods vriendschap. Ja, B. B., de kruisen en wederwaardigheden zijn niet zelden een teeken dat God den mensch lief heeft. Ik berisp en kastijd degenen die Ik bemin, zegt God: Ego quos amo arguo et castigo: (l) Men inai; bijgevolg uit het een of ander ongeluk, dat den mensch overkomt, niet besluiten dat hij zich slecht gedragen heelt; volstrekt niet. God zendt den mensch rampen en tegenspoed over, niet alleen om hem ie straffen, maar ook om hem te beproeven, om hem meer en meer te zuiveren, om hem verdiensten te doen vergaderen en daarvoor hiernamaals ruimschoots te beloonen.
Tot ons eigen welzijn dus moeten wij ons aan Gods wil onderwerpen en de deugd van geduld oefenen.
Ik weet wel; \'t is niet altoos gemakkelijk. De bedorven natuur werkt tegen, \'t Is eerder gezegd; Jleb geduld, dan geduldig te zijn; doch ik vraag u: wat zal men er bij winnen door tegen God op te staan, door ongeduldig te worden? Wordt daardoor het lijden verlicht? Neemt het integendeel niet toe? In plaats dus van door geduld de kruisen te verlichten en ze verdienstelijk te maken, zal men ze door ongeduld verzwaren en hiernamaals nog gqstralt worden. Hier komt dus zeet wel het spreekwoord te pas: Men moet van den nood eene deugd maken.
Als wij nu bidden: Uw wil geschiede: Fiat voluntas tua, dan vragen wij de hulp Gods of zijne genade om de kruisen en wederwaardigheden met overgeving aan den wil Gods te onlvangen en met geduld te dragen.
Doch ziet, de mensch wil zich niet zelden in zijn ongeduld verschoonen. Ik zoude wel geduld hebben, zegt hij, bijaldien ik wist, dat het de wil van God was; maar ik ben ongeduldig, omdat de ziekte, die mij overkomen is, mij belet mijne zaken te doen en andere goede werken te verrichten. Die mensch heeft ongelijk en groot ongelijk. God heeft hem, bijv., die ziekte
(1) AP. ui, 19.
— 153 —
overgezonden; \'t is dus de wil Gods; door zich aan dien wil te onderwerpen, wint de mensch meer in zijne ziekte dan door de goede werken, die hij zoude verrichten zoo hij gezond ware. Job, zegt de H. Joannes Chrysostomus, had meer verdiensten met zicli in zijne armbede aan Gods wil te onderwerpen, dan met groote aalmoezen te geven, toen hij rijk was.
Een ander om zich te verschoonen zegt: Het zoude zoo groote moeite niet kosten mij te onderwerpen, zoo ik maar wist dat het onheil of de schade van God kwam; doch dikwijls wordt het aangedaan door iemand, die uit afgunst niet verdragen kan dat zijn evenmensch vooruitgaat, of dat zijne zaken goed staan, \'t Is maar een voorwendsel, li. B., waardoor men zich bedriegt. Voorzeker, men kan of mag de manier van handelen niet goedkeuren van personen, die hunnen evenmensch ongelijk aandoen; doch het kwaad dat een ander doet, ontslaat ons niet van de verplichting van ons aan den wil van God te onderwerpen. Hoe gedroeg zich de 11. man Job? De 11. Schrift stelt hem ons voor als een voorbeeld van geduld en overgeving aan den wil Gods. Job was een eenvoudig en rechtvaardig man, die God vreesde. Hij stond bij zijne tijdgenooten in groot aanzien, had vele bezittingen en was rijk en gelukkig. God stond den duivel toe van hem te bekoren. Toen Job zich van al zijne goederen, ja zelfs van zijne kinderen, beroofd zag, wat deed hij? Viel hij tegen den duivel en zijne overige vijanden uit? Beschuldigde hij hen dat zij hem zooveel kwaad gedaan hadden? Integendeel; hij zag in die ongelukken de hand Gods, die hem alles gegeven en die hem alles ontnomen had. Hij zeide, bijv., niet; De Heer heeft het mij gegeven en de duivel en mijne vijanden hebben het mij ontnomen; neen, maar de Heer heeft het mij gegeven en de Heer heeft het mij ontnomen; Dominus dedü et Dominus abstulü: de naam des Heeren zij gezegend; Sit nomen. Domini benedictum. (i)
(i) Jon, i, 21.
Ziedaar, B. B., een voorbeeld van geduld en overgeving aan den wil Gods, dat wij moeten trachten na te volgen.
Wij moeten dus de geboden van God onderhouden, aan zijne ingevingen beantwoorden en ons in alles aan zijnen wil onderwerpen, en door de woorden van het gebed des Heeren: Uw wil geschiede: Fiat voluntas tua, vragen wij God de hulp of de genade om het een en het ander te doen.
Doch wij voegen er bij: Op de aarde als in den hemel: Sicut in cwlo et in terra. Wat beteekenen die woorden?
II,
Door die woorden geven wij te kennen, B. B., hoe volmaakt wij verlangen dat de wil Gods geschiede. Wij vragen namelijk, dat, gelijk de wil Gods in den hemel van de Engelen volbracht wordt, hij ook van ons menschen volbracht worde op de aarde.
Alle Engelen zonder uitzondering gehoorzamen aan God.
AA ij vragen dat ook alle menschen zonder uitzondering aan God onderdanig zijn.
De Engelen gehoorzamen aan God op de volmaaktste wijze. Zoo volmaakt kunnen wij hier op aarde den wil Gods niet volbrengen, maar wij verzoeken de hulp om God te dienen zonder Hem te vergrammen gelijk de Engelen in den hemel doen. Door het voorbeeld der Engelen wil God ons aanwakkeren van zijnen wil zoo volmaakt mogelijk te volbrengen. Welnu, hoe volbrengen de Engelen den wil van God?
1° Met eene volkomene overeenstemming van hunnen wil met den wil van God. Zij zijn onverschillig zoo voor het een als voor hot ander bevel. Zij zijn zoo tevreden als God hun de ziel van den grootsten zondaar toevertrouwt als de ziel van tien grootsten heilige. Zij bewaren met zoo veel zorg de ziel van den armsten bedelaar als die van den rijksten prins oi\' koning; in een woord, zij willen niets dan hetgeen God wil, wanneer
— 155 —
en do wijze waarop Hij het wil; zij hebben als liet ware geen anderen wil dan den wil Gods.
2° Zij volbrengen den wil Gods met spoed, zonder uit te stellen, zonder tegen te spreken, zonder naar de redenen te vragen, waarom God dit of dat gebiedt; en
3° Met eene vurige liefde. Zij beminnen hetgeen God beveelt en zij scheppen hun vermaak in den wil van God te volbrengen.
SLUITREDE.
Ziedaar, B. B,, de derde vraag van het gebed des Hoeren genoeg uitgelegd. Trachten wij er nu ook ons leven naar in te richten.
Wij moeten de geboden van God en van de Heilige Kerk onderhouden, aan onze ouders en oversten onderdanig zijn. Maar al te dikwijls, helaas! hebben wij zc overtreden en zijn wij ongehoorzaam geweest. Ja, wij hebben onzen eigen wil, ten kwade geneigd, aangehangen en den heiligen on rechtvaardigen wil Gods weerstand geboden. De zaken moeten dus omkoeren; wij moeten in het vervolg onzen wil weêrstand bieden en den wil Gods volbrengen. Dat zijn heilige wil geschiede! Vervolgens moeten wij aan de uitnoodigingen en ingevingen van God beantwoorden. Wij moeten ook de kruisen en wederwaardigheden, die God ons overzendt met overgeving aan zijn goddelijken wil aanvaarden en met geduld dragen, deels om te voldoen voor onze zonden, deels om ons aan Jesus-Christus gelijkvormig te maken. Onze goddelijke Meester is ons met het kruis voorgegaan. Hij heeft moeten lijden, gelijk Hij zelf verklaart, en zoo zijne glorie binnengaan. De Heiligen hebben zijne voetstappen gedrukt. Willen wij hen dus volgen in de glorie, dan moeten wij hen ook volgen in het lijden: Si tarnen oompcdinnir ui et conglorip.cemur. (i)
(l) Rom. vim, 17.
Maken wij dus liet vaste voornemen van voortaan Gods geboden stipt te onderhouden, naar zijne ingevingen te luisteren, de kruisen en wederwaardigheden met geduld te dragen; vragen wij te dien einde de hulp en de genade Gods, en de derde vraag van het gebed des lleeren zal bewaarheid worden, d. i., Gods wil zal geschieden op de aarde als in den hemel. Amen.
ZEVENTIENDE ONDERRICHTING
OVER HET GEBED DES HEEREN
VIERDE VRAAG
Panem nostrum quotidianum dn nobis hodic.
Geef ons heden ons dagolijksoh brood.
(Luo. XI, 5.)
INHOUD.
VOORREDE.
Men moet God dienen. Om God naar behooren te dienen moet men kunnen leven naar lichaam en ziel. Alles wat wij daartoe noodig hebben vragen wij als wij zeggen: Geef ons heden ons dagelijksch brood.
VERDEELING.
I. II.
Wat wordt er verstaan door het brood dat
wij vragen?
Wat beteekenen dagelijksch en heden?
— 158 —
I.
God is de bron van alle goed en wij moeten alles van God verkrijgen. Wij allen moeten Mem dus bidden, hetzij arm of rijk. Wij zeggen: Geef ons en niet: Geef mij, om te beteekenen dat wij voor elkander moeten bidden. Wrij vragen alles wat wij noodig hebben voor lichaam en ziel, zeggende: Geef\' ons heden ons dagelijksch brood: voor het lichaam, kost, kleederen, gezondheid, enz. Wij vragen liet noodige en niet het overtollige. Men moet de gierigheid en de ongeregelde begeerlijkheid uit het hart bannen; voor de ziel, de genade Gods, bel woord Gods, de Heilige Sacramenten en vooral het allerheiligste Sacrament des Altaars.
II,
Hel woord dngelijhsch beteekent dat men tevreden moet zijn met hetgeen men dagelijks noodig heeft en dat men niet naar overvloed moet verlangen. Het woordje heden beteekent dat wij dagelijks moeten bidden en niet te zeer bekommerd moeten zijn voor den dag van morgen. .Men mag niet te zeer bezorgd zijn voor de toekomst, maar men mag ook niet vermetel zijn.
SLUITREDE.
ijl Onze ziel kostbaarden\' is dan ons lichaam, daaruit volgt dat wij op de eerste plaats voor onze ziel moeten zorgen en haar geen honger moeten laten lijden; vervolgens moeten wij eene gematigde zorg dragen voor ons lichaam.
— 159 —
ZEVENTIENDE ONDERRICHTING
OVER HET GEBED DES HEEREN
V1EKDK V1UAG
Pancm nostrum quotidianum da iwlis hudie.
Geel\' ons heden ons dagelijksch brood.
(l,uc. XI, 3.)
VOORREDE.
Wij moeten den wil van God volbrengen, B. B., gelijk wij laatstleden gezien hebben, d. \\v. wij moeten God dienen door zijne geboden te onderhouden, door aan zijne ingevingen te beantwoorden en door ons in alles en altijd aan zijne goddelijke Voorzienigheid te onderwerpen. De Engelen zijn ons tot voorbeeld gesteld, wij moeten hen zoo goed mogelijk navolgen.
Doch om God naar behooren te kunnen dienen, moet men ook kunnen leven; en om te kunnen leven heeft men veel noodig.
Merken wij hier, li. B., in \'t voorbijgaan aan dat het leven van den menseh tweevoudig is, het lichamelijk leven, waarmede wij allen bezield zijn, en hel, geestelijk leven, hel leven der genade, waarmede wij allen ook moesten bezield zijn, doch hetgeen, helaas! bij velen, namelijk, bij de zondaren ontbreekt.
Om dat tweevoudig leven te onderhouden wordt er veel vereischt, en al wat er toe vereischt wordt verzoeken wij in de vierde vraag. Do vierde vraag van het gebed des ileeren luidt als volgt: Panera nostrum quotidianum da nobis hodie: (i) Geef ons heden ons dagelijksch brood. Zien wij vandaag:
(i^ Luc. xi, 3.
— 100 —
I. Wat er verstaan moet worden door het brood dat wij vragen;
II. Wat de woorden dagelijksch en heden beteekenen.
I.
Wij wenden ons tot God, B. B., als wij zeggen: Geef ons: Da nobis. God is de bron van alle goed. Ja, \'t is God, die in al onze noodwendigheden naar lichaam en ziel voorzien moet. Wij allen zijn in het oog van God arme schepselen die niets bezitten, tenzij wij het van God ontvangen. Allo schepselen, zegt de Profeet David, hebben hun oog op U, o Heer! gevestigd; zij hopen op U en Gij geeft eenieder voedsel bij tijd; Gij opent uwe hand en zij worden met uwe goederen vervuld. Alles wat ademt, zegt dezelfde Profeet op eene andere plaats, verwacht van U op den bepaalden tijd zijn voedsel; Gij geeft het en uwe schepselen ontvangen het; Gij opent uwe hand en zij worden van uwe goedheid overladen.
Deze woorden, B. B., moeten op allés wat leeft toegepast worden, zelfs op het redelooze dier; hoeveel te meer dan op den mensch, een redelijk schepsel Gods. Ja, wij allen zonder onderscheid moeten God bidden, hetzij arm of rijk. De arme, opdat God hem onderhoude door hem krachten te geven van te kunnen werken, of door den rijke aan te zetten van aalmoezen te geven. De rijke moet bidden om te erkennen dat hij alles van God ontvangen heeft Is het God niet, die hem uit rijke ouders heeft doen geboren worden, die hem middelen heeft verschaft om rijk te worden? De rijke bijgevolg is nog meer verplicht te bidden dan de arme; van hem wordt meer dankbaarheid gevorderd. God kan hem elk oogenblik zijne goederen ontnemen; doch ziet. Hij bewaart ze aanhoudend voor hem. Vandaar dat de Apostel Paulus zegt: Gebied den rijke van zich niet te verhoovaardigen, zijn vertrouwen niet te stellen op de rijkdommen die onzeker
en vergankelijk zijn, maar op don levenden God, die ons in alles ruimschoots bedeelt.
Wij zeggen: Geef ons: Da nobis, en niet: Geef mij, om te toonen dat wij niet alleen voor ons, maar ook voor anderen bidden, ja, voor alle menschen, wijl wij allen broeders en zusters onder elkander zijn: ook om te beteekenen, dat wij verplicht zijn de armen, zelfs onze vijanden, bij te staan, volgens deze woorden van den Apostel; Zoo uw vijand honger of dorst heeft, spijs en laaf hem.
Wij vragen dus God al wat wij noodig hebben naar lichaam en ziel, en wij vragen het Hem met deze eenvoudige woorden: Partem nostrum quotidianum da nobis: Geef ons heden ons dagelijksch brood.
De Catechismus vraagt:
Wat is hei dagelijksch brood, dal wij begeer en? En hij antwoordt:
Al hetgeen wij van noode hebben tot kost, kleederen, gezondheid, en alle andere dingen die hel lichaam of de ziel aangaan.
Wij vragen kost, kleederen, gezondheid, enz. voor liet lichaam, natuurlijk, niet om er misbruik van te maken of om er mede te pronken; neen, B. B., maar tot een eerlijk onderhoud en ook om er van mede te deelen aan onze arme broeders. Wij vragen dus het noodige en niet liet overtollige. Wij hebben niets op deze wereld gebracht, zegt de Apostel Paulus, en bij den dood zullen wij ook niets medenemen; zoo wij ons dus kunnen spijzen en kleeden, moeten wij tevreden zijn.
Wat volgt daaruit? Daaruit volgt dat wij de gierigheid die schande - en hatelijke ondeugd, de ongeregelde begeerte naar aardsche goederen uit onze harten moeten bannen. De begeerlijkheid, zegt de Apostel Paulus, is de wortel van alle kwaad:
Geloofs \' bn Zbdenlber. 2(l0 Dhbl. 11
— 102 —
Radix omnium malorum est cupiditas. (i) Ziedaar, 15. B., wat er verstaan moe\'i worden door het brood dat wij voor het lichaam vragen.
Wij vragen ook voor de ziel. Buiten hei lichamelijk leven bestaat er, gelijk ik reeds gezegd heb, nog eon ander, namelijk, liet geestelijk leven der ziel, en evenals het geestelijk leven dei-ziel het leven des lidmams ver in waardigheid overtreft, zoo ook overtreft het brood of de sj)ijs der ziel ver die van het lichaam en moeten wij er veel meer bezorgd voor ziju.
Waarin bestaat die geestelijke spijs? Zij bestaat in de goddelijke genade, in hot woord Gods, in de H. Sacramenten en vooral in het allerheiligste Sacrament des Altaars.
Die spijs bestaat vooreerst in de goddelijke genade. De genade is tweederlei: de heiligmakendo genade, die liet leven der ziel uitmaakt en recht geelt op liet eeuwige leven. De niensch die de heiligmakende genade bezit, mag met de Apostel Paulus uitroepen: Ik leef, doch ik niet meer, maar het is Christus die in mij leeft. Kene ziel zonder de heiligmakende genade is eene doode ziel.
Buiten de heiligmakende genade is er nog eene andere, de dadelijke genade genoemd. De ziel heeft die genade noodig om haar bovennatuurlijk leven te onderhouden on te versterken; daarenboven, zonder de dadelijke genade vermogen wij niets ter zaligheid.
Die spijs bestaat vervolgens in het woord Gods. De mensch, zoo leert Jesus-Christus zelf, leeft niet alleen van brood, maar van eik woord dat uit den mond van God komt. Van die spijs of van zijn woord bedient God zich om den rechtvaardige te sterken en op den weg der deugd te doen vooruitgaan; om den zondaar te bekeeren en het pad der ondeugd dat Ion verderve leidt, te doen verlaten. Doch om uit die spijs nut te trekken moet men lust woord Gods met eerbied en aandacht aanhooren, met verlangen om er voordeel uit te trekken.
(1) Tim. vi, 10.
— i()3 —
Men moet overtuigd zijn dat God tot ons spreekt in den persoon van den Priester, en bijgevolg, dat men naar God niet luistert zoo men naar den Priester niet luistert. Immers, die u hoort, zegt God, hoort Mij; en die u veracht, veracht Mij.
Wanneer men de een of andere waarheid hoort verkondigen, moet men niet handelen, gelijk sommige menschen doen, die, bijv., zeggen: Dat was goed voor dezen, en dat was goed voor genen. Weet gij wel met wien men die personen mag vergelijken? Met eenen mensch die grooten honger heeft, en die na brood ontvangen te hebben hef weggeeft en zelf van honger sterft. Men moet dus de waarheden op zich zeiven toepassen, zoo zij toepasselijk zijn en zeggen: Ik ben die persoon; Ik ben, bijv., die hoovaardige, die vloeker, die ongehoorzame, die onrechtvaardige, die onkuischaard; ik moet mij bekeeren en beteren. Zalig zijn zij die het woord Gods hooren, bewaren en naar dat woord leven.
Eindelijk bestaat de spijs der ziel in de H, Sacramenten, doch vooral in het allerheiligste Sacrament des Altaars. Onze goddelijke Zaligmaker zelf leert hel . Ego sum pants vivus, qui do ccelo clescendi, zegt Jesus: (l) Ik ben het lovend brood uit den hemel nedergedaald; die dat brood eet zal in eeuwigheid leven. Voorwaar! Voorwaar! Ik zeg bet u, voegt Jesus er bij; zoo gij hel vleesch van den Zoon des menschen, d. i., zijn vleesch, niet eet en zijn blo.ed niet drinkt, zult gij het leven in u niet hebben. Die mijn vleesch eet en mijn bloed drinkl, blijfl in Mij en Ik in hem. Hoe heeft Jesus zijn aanbiddelijk Sacrament ingesteld? Onder de gedaanten van brood en wijn, om te beteekenen dat, evenals brood en wijn het leven geven aan liet lichaam, zoo ook zijn goddelijk vleesch en bloed het leven geven aan de ziel. Naderen wij dus dikwijls, 15. B., maar met de noodige gesteltenis tot de 11. Sacramenten om het geestelijk leven, bet leven der ziel, zoo wij hel verloren hebben in de Biecht terug te bekomen.
^l) J OANa VI, 51.
— 1(34 —
en vervolgens, om het in het aanbiddellijk Sacrament des Altaars te versterken en te vermeerderen, Zien wij op de tweede plaats wat de woorden dagelijksch en heden beteekenen.
II.
Het bijvoeglijk naamwoord dagelijksch leert ons, dat wij tevreden moeten zijn met hetgeen wij dagelijks noodig hebben, en dat wij niet te zeer naar overvloed moeten verlangen.
Het bijwoord heden leert ons, dat wij dagelijks moeten bidden, en dat wij niet te zeer bekommerd moeten zijn voor den dag van morgen, die onzeker is. Wij moeten dus niet buitenmate bekommerd zijn voor de toekomst. Na van onzen kant ons best gedaan te hebben, moeten wij het overige aan de goddelijke Voorzienigheid overlaten. Zoo God zorg draagt voor de vogelen des hemels, hoe veel te meer zal Hij dan voor ons mensohen zorg dragen. Bekommert u dus niet te zoaw, zegt Jesus, denkende: wat zullen wij eten of drinken, waarmede zullen wij ons kleeden, gelijk de Heidenen doen. Uw hemelsche Vader weet immers dat gij liet noodig hebt. Zijt dus niet ongerust voor den dag van morgen; elke dag heeft aan zijn leed genoeg: Sufficit diei malitia sua. (l) God verbiedt ons daardoor niet bezorgd te zijn voor de toekomst, maar onze zorg voor de toekomst moet gematigd zijn. Hij verbiedt die overdreven, al te groote zorg, bijv., waarvan zal ik morgen, over eene week, eene maand, een jaar, enz., wel leven? Men kan immers reeds lang dood zijn en dan is alles te vergeefs. Ons betrouwen op de goddelijke Voorzienigheid moet ook redelijk en niet vermetel zijn. God wil de lui- en ledigheid niet voeden. Veronderstelt, bijv., iemand, die zegt: Ik zal maar braaf leven, veel naar de kerk gaan en bidden, en voor het overige zal ik maar op God betrouwen. Dat zijn schoone zaken in zich beschouwd; maar denkt gij dat
^i) Mattii. vi, 34.
— 105 —
het eenieder goed zoude vergaan? Beproef het eens, werkman, ga eens den ganschen dag in de kerk zitten, bid en bid daar veel; wat zult gij thuis komende op de tafel vinden? Betrouw hot niet; er zal geen Engel gekomen zijn om u eten en drinken te brengen evenals een Engel Elias eten en drinken bracht, en do boterhammen zullen ook niet uit do lucht op de tafel gevallen zijn. Bijgevolg, onze zorg voor de toekomst on ons betrouwen op do goddelijke Voorzienigheid moeten redelijk zijn; wij moeten van onzen kant ons best doen on het overige aan God overlaten.
SLUITREDE.
Ziedaar, B. B., wat wij in de vierde vraag van hei gebed dos Hoeren verzoeken als wij zeggen: Geef ons heden ons d(ige-lijhsch brood: alles wat wij noodig hebben zoo voor de ziel als voor hot lichaam. Men moet voor zijne ziel moer bezorgd zijn dan voor zijn lichaam, wijl de ziel hot lichaam ver in waardigheid te bovon gaat; eerst zorgen voor do geestelijke, vervolgens voor de lichamolijko goederen. O, B. B., wat is de verblindheid van don monsch groot! Denkt gij dat hij altijd die orde onderhoudt? Neen, B. B., want in plaats van voor hunne ziel to zorgen vindt men er, helaas! maar al to voel, dio uitsluitend voor hun lichaam zorgen; die er zich maar op toeleggen om schatten en rijkdommen te vergaderen, om bij de menschen in eer en aanzien te komen, om goed te eten en te drinken; en terwijl zij alles voor hun lichaam over hebben, vorwaarloozen zij hunne ziel. Die kostbare en onsterfelijke ziel lijdt aan alles gebrek. Van haar geestelijk voedsel beroofd moet zij van honger omkomen. Overgroote verblindheid van den monsch! Moeten wij dan niet weldra hier op aarde alles verlaten? Waarom dan mot koortsdrift hot aardsche, het vergankelijke nagejaagd? En waarom zich niet liever op het geestelijke, het bestendige toegelegd? ,1a, B. B., zorgen wij op de eerste plaats voor onze ziel zonder ons lichaam te vorwaarloozen: Operamini non cibum qui peril.
— 160 —
zegt Jesus: Legt u niet toe op eene spijs die vergaat, d. w. z., op de tijdelijke goederen, maar legt u toe op eene spijs die ten eeuwigen leven blijft, d. i., op de geestelijke goederen; sed qui permanet in vitam eet,er nam. (i) Amen.
(l) Joan. vi, 27.
ACHTTIENDE ONDERRICHTING
OVER HET GEBED DES HEEREN
VIJFDE VRAAG
Dimitte nobis debita nostra sicnt el nas dimittimus debitoribus nostris.
Vergeef ons onze schulden gelijk wij vergeven onze schuldenaren.
(Matth. vi, 12.)
INHOUD.
VOORREDE.
Om in den hemel to komen moet men God dienen. Om God te dienen moet men kunnen leven naar lichaam en ziel. Alles wat wij daartoe noodig hebben vragen wij als wij bidden: Geef ons heden ons dagelijksch brood.
De vijfde vraag van het gebed des Heeren luidt als volgt: Vergeef ons onze schulden gelijk wij vergeven onze schuldenaren.
— 108 —
VERDEELING.
I. Van welke schulden vragen wij God vergiffenis?
II. Op welke voorwaarden?
I.
De schulden, waarvan hier spraak is, zijn onze zonden, waarvoor wij pijn of straf schuldig zijn. Wij vragen vergiffenis, vooreerst van de zonden. Het middel om vergiffenis te bekomen is eene ware en oprechte bekeering. Zonder dat wij ons oprecht bekeeren zal God onze zonden niet vergeven; vervolgens, van de straffen. Wij zeggen: Vergeef ons onze schulden, in het meervoud, omdat wij allen zondaren zijn en voor elkander vergiffenis moeten vragen.
II.
Wat beteekenen de woorden: Gelijk wij vergeven onze schuldenaren? \'t Is zoo veel alsof wij zeiden: Bijaldien ik niet vergeef, behoeft Gij mij ook niet te vergeven. Door de schuldenaren moeten verstaan worden degenen, die ons ongelijk hebben aangedaan.
Men mag wel is waar schadevergoeding vragen, zelfs wettig, doch zonder haat of afkeerlgheid, en men moet altijd het persoonlijk ongelijk vergeven. Hoe moet men zich in processen gedragen?
Als wij zeggen: Gelijk loij vergeven, dan hebben wij niet de maat, maar de wijze in het oog. Wat moet men denken van den haatdrager? Kr zijn godgeleerden die zeggen dat de iiaatdrager tegen God liegt, tegen zich zeiven liet vonnis uitspreekt en bijgevolg niet kan bidden. Anderen leggen die woorden minder streng uit.
SLUITREDE.
Besluiten wij dus van altoos elkander het ongelijk te vergeven, dan zal God ons ook vergeven, en wij zullen met vertrouwen kunnen bidden: Vergeef\'ons onze schulden gelijk wij vergeven onze schuldenaren.
— 169 —
ACHTTIENDE ONDERRICHTING
OVER HET GEBED DES HEEREN
VIJFDE VRAAG
Dimitte nobis dehüa nostra sicut et nos dimittimus debitoribus nostris.
Vergeel\' ons onze schulden gelijk wij vergeven ome schuldenaren.
(MATTH. VI, 12.)
VOORREDE.
Om in den hemel te komen, B. B., moet men G-od dienen; \'l is volstrekt noodzakelijk. Doch om God naar behooren te dienen moet men kunnen leven naar lichaam en ziel. Het leven der ziel overtreft ver, gelijk wij gezien hebben, het leven des lichaams in waardigheid. In de vierde vraag van het gebed des Heeren vragen wij God al wat wij noodig hebben naar lichaam en ziel. Voor het lichaam vragen wij kost, kleederen, gezondheid en andere tijdelijke goederen; voor de ziel, do goddelijke genade, het woord Gods, de H. Sacramenten en vooral het allerheiligste Sacrament des Altaars, dat het lichaam en bloed van onzen Heer Jesus-Christus bevat, de waarachtige spijs onzer zied.
Men mag niet te zeer bekommerd zijn over de lichamelijke en tijdelijke goederen ten koste van de geestelijke en eeuwige goederen; doch men raag ook niet vermetel zijn.
Men moet dus zorgen voor ziel en lichaam, maar op de eerste plaats voor zijne ziel. Die waarheden hebben wij in de voorgaande onderrichting overwogen.
Vandaag zullen wij onderzoeken wat de vijfde vraag van het. gebed des Heeren beteekent. Die vraag luidt als volgt: Dimitte nobis debita nostra simt et nas dimittimus debitoribus nostris: (i) Vergeef ons onze schulden gelijk wij vergeven onze schuldenaren. Zien wij dus:
1. Van welke schulden wij God vergiffenis vragen;
II. Op welke voorwaarden.
I.
De Catechismus vraagt:
Wat vragen wij zeggende: vergeef ons onze schulden, gelijk wij vergeven onze schuldenaren? En hij antwoordt:
Wij vragen vergiffenis van onze zonden, en van de straffen die toij daarvoor schuldig zijn, en wij belijden dal wij onzen naaste ook vergeven.
De zonde, D, 15., is het eenigo beletsel van in den hemel te komen. De doodzonde sluit den mensch voor eeuwig buiten den hemel; de dagelijksche zonde houdt hem voor eenigen tijd tegen. Welnu, \'t is vooreerst van de zonden, dat wij God vergiffenis vragen als wij bidden: Vergeef ons onze schulden: Dimitte nobis debita nostra.
De vergiffenis onzer zonden is dus het einde waarom wij bidden. Doch weet wel, B. B., dat er om een einde te bereiken ook een middel vereischt wordt. En welk is het middel om vergiffenis van zijne zonden te bekomen? Dat middel is eene ware en oprechte bekeering. Wij vragen dus twee zaken, de vergiffenis onzer zonden en de genade der bekeering. Die twee zaken kunnen niet gescheiden worden; nooit zullen wij vergiffenis van onze zonden bekomen zonder ons te bekeeren, d. w. z.,
(1) matth. vi, 12.
God zal nooit of nimmer onze zonden vergeven, zoo wij er geen waar berouw over hebben, zoo wij niet bedroefd zijn God vergramd te hebben, met het vaste voornemen van de zonden niet meer te bedrijven en daartoe de middelen aan te wenden. Waarom niet? quot;Wel, B. B., de reden is zonneklaar. Is God niet oneindig heilig? Welnu, in hoedanigheid van oneindig heiligen God verfoeit Hij noodzakelijk de zonde, waar Hij ze ook vinde; doch de zonde bestaat bij den zondaar die er geen berouw over heeft; God ziet de zonde in het hart van den zondaar die geen vast voornemen heeft van zich\' te beteren en van de middelen ter verbetering aan te wenden, van, bijv., te bidden, de gevaren en gelegenheden der zonde te vluchten. Wij vragen dus hot een en het ander, het einde en het middel, de vergiffenis der zonden en de genade der bekeering.
Ik zeg do genade dor bekeering, en te recht, H. B., want \'t is eene genade, maar die God niemand weigert zoo men ze naar behooren vraagt.
Hoe moet men die genade nu vragen? Als wij bidden: Verga\'j ons onze schulden, dan moeten wij ten minste van goeden wil zijn; er moet een zeker begin van bekeering in ons hart ontstaan. Wat zal het ons baten dagelijks te bidden: Vergeef ons onze schulden, zoo wij dagelijks in dezelfde zonden hervallen; bijv., In de zonden van vloeken en lasteren, van ongehoorzaam- en onzuiverheid, om dezelfde slechte gewoonte die men niet wil afleggen; om hetzelfde gevaar dat men niet wil vluchlen; om dezelfde naaste gelegenheid die men niet wil verlaten. Wat beteekent dan ons gebed? \'t Is als of wij zeiden: Mijn God! Vergeef mij mijne zonden, maar wat mij betreft, ik wil ze toch niet laten. Zullen wij dan verhoord worden? Verdienen wij het? Men moet dus voor het minste zich willen bekeeren, de begeerte hebben om van leven te veranderen. Hoe kunnen wij anders met ernst zeggen: Vergeef ons onze schulden? Wij vragen God ook vergiffenis van de straffen die wij voor de zonden schuldig zijn. Die straffen zijn tweederlei, de eeuwige en de
— 172 —
tijdelijke straffen. De eeuwige straffen of die der hel worden ons met de zonden vergeven; de tijdelijke moeten uitgeboet worden hier op aarde of hiernamaals in het vagevuur.
Wij zeggen: Vergeef ons onze schulden, en niet, mij mijne schulden. Waarom? \'t Is voorzeker en wel op de eerste plaats de zondaar die God vergiffenis moet vragen; doch de rechtvaardige behoeft niet te vreezen dat die woorden in hem niet zullen bewaarheid worden. Wie is de mensch die niet zondigt, die geene dagelijksohe fouten begaat? De rechtvaardige, zegt de H. Schrift, valt zevenmaal. Zoo wij zeggen dat wij geene zonden hebben, leert de H. Joannes, dan bedriegen wij ons zeiven en wij spreken geene waarheid. Wij mogen dus allen, zonder uitzondering, wijl wij allen zondaren zijn, zeggen; Vergeef ons onze schulden.
Eene andere reden waarom wij in het meervoud spreken, is, dat wij voor elkander God vergiffenis van onze zonden moeten vragen. Ziedaar, B. B., wat wij vragen als wij bidden; Vergeef ons onze schulden; Dimitle nobis debit a nostra; wij vragen voor ons en voor andere de genade der bekeering en de vergiffenis der zonden en der straffen die wij er voor schuldig zijn. Door er bij te voegen; Gelijk wij vergeven onze schuldenaren; Sicid el nos dimiltemus dehitorïbus nostris, belijden wij dat wij onzen naaste ook vergeven. Ik heb zoo even gezegd dat men noodzakelijk berouw moet hebben om vergiffenis van zijne zonden te bekomen. Kenieder verstaat die voorwaarde. Doch buiten deze is er nog eene andere, welke zekere personen misschien niet genoeg in acht nemen en waarvan hier vooral gesproken wordt.
II.
Wat geeft gij te kennen als gij bidt; Gelijk wij vergeven onze schuldenaren\'? \'t Is zoo veel als of gij tot God zeidet; Als ik vergeef aan degenen die mij misdaan hebben, dan hoop ik dat Gij mij ook zult vergeven; doch zoo ik niet vergeef.
— 173 —
behoeft Gij mij ook niet te vergeven. Ciij hebt misschien io(s tegen uwen evenmensch; wat moet gij nu van uw gebed zeggen? Doch er wordt hier over eene zaak van aanbelang gehandeld; \'t is dus de moeite waard van ze eens goed op te helderen.
Wie worden hier verstaan door onze schuldenaren? Al degenen die ons eenig ongelijk aangedaan hebben, hetzij in ons lichaam door mishandelingen, hetzij in onze tijdelijke goederen door onreehtvaardigheid, hetzij in onze eer of faam door kwaadspreken of laster. Mag men dan geene schadevergoeding of eerherstelling vragen? Zeker, B. B„ men mag zijne rechten voorstaan, zelfs \'s lands wetten inroepen zoo het noodig is, maar zonder haat tegen — en zonder afkeerigheid van den evenmensch, wie het ook zij. Daarenboven, men moet het persoonlijk ongelijk altijd vergeven, \'t Is moeielijk, zult gij misschien denken: \'t komt er niet op aan. God, zegt de H. Augustinus, heeft ons niet aangeraden onze vijanden te beminnen. Hij heeft het streng geboden, \'t Is dus een gebod van God dat moet onderhouden worden, koste wat het koste.
Men heeft soms geschil met zijnen evenmensch, zegt gij, zonder dat men er iets aan doen kan. Hoe moet men zich dan gedragen? Doet eerst uw best om het geschil met elkander in vriendschap en zonder kosten te veretienen, want weet wel, procedeeren kost geld. Kunt gij echter niet vermijden een proces te krijgen of aan te gaan, onderhoudt dan de volgende regels:
1° Geeft uwe zaak over aan een deugdzamen, geleerden en onpartijdigen advocaat, die vijand is van twist en tweedracht en legt hem uwe zaak openhartig uit.
2° Handelt niet om u te wreken op uwe tegenpartij, maar om uwe rechten te verdedigen en te doen gelden, en handelt gelijk een christen mensch betaamt.
3° Hetzij gij uw proces wint of verliest, aanbidt altijd de inzichten van God. Hebt gij uw proces gewonnen, verhoovaardigt
u niet; hebt gij uw proces verloren, wacht u wel van haat of vijandschap tegen uwe rechters of tegenpartij te voeden.
Ziedaar hoe men zich in de processen gedragen moet. Doch ik heb gezegd: vermijdt de processen en tracht de zaken onder elkander te vereffenen. Waarom? Wilt gij mijn gedachte over de processen weten? Algemeene regel: De beste deugen niet: vandaar het spreekwoord, dat zegt,: Beter een slecht akkoord dan een goed proces. Wie wint er bij de processen? De beurs der advocaten. Die een proces wint, zegt een ander spreekwoord, win( het kieken en verliest do kooi. Wij bidden: VcvQcef ons onze schulden gelijk wij vergeven onze schuldenarendaardoor geven wij niet ie kennen dat (Jod ons maar juist zoo veel en zoo groote zonden zoude vergeven, als wij onzen evenmensch beleedigingen vergeven. Neen, 15. H., want de beleediglngen die wij God aangedaan hebben, zijn veel talrijker en grooter dan de beleedigingen die men ons aangedaan heeft. \'I Is dus de wijze alleen, die wij in het oog hebben en niel de maat, en wij bidden God dat Hij ons op die wijze vergeve, waarop wij onzen evennaaste vergeven.
Wat nu gezegd van den haatdrager, die zijnen evenmensch niet wil vergeven? Liegt hij niet als hij die woorden van het gebed des Heeren uitspreekt? Spreekt hij zijn eigen vonnis niet uiti Kan hij met vrucht het gebed des Heeren bidden? Ziedaar, B. B., de vraag klaar voorgesteld. Ik zal er de leeraars op laten antwoorden.
Vele leeraars, B. B., zijn van gevoelen dat de haatdrager tegen (iod liegt, dat iiij zijn eigen vonnis uitspreekt, de goddelijke gramschap en wrake over zich afroept, waarvan het gevolg zoude zijn, dat dergelijke mensch het gebed des Heeren niet zoude kunnen bidden.
Die verklaring, B. 1!., is strikt genomen waar. Andere leeraars nochtans\'zijn van een ander gevoelen en leggen de woorden van hot gebed dos Heeren minder streng uit. Ziehier, hoe onder
anderen de vermaarde godgeleerde Suarez die woorden verklaart. De haatdrager, zoo leerl Suarez na den H. Thomas, liegt niet tegen God, wijl liij niet zegt: Vergeef mij mijne schulden, gelijk ik mijne schuldenaren vergeef; maar hij zegt: Vergeef ons gelijk wij vergeven: die woorden slaan terug op de gansche 11. Kerk, en ongetwijfeld, die goede Moeder vergeeft.
De haatdrager spreekt wel is waar het vonnis tegen zich uit, maar in dezen zin dat hij bekent beletsel te stellen om vergiffenis van zijne zonden te bekomen, \'t Staat gelijk als of hij zeide: Mijn God! ik verlang wel is waar vergiffenis van 1\' te bekomen, doch te recht weigert Gij ze mij, wijl ik mijne schuldenaren ook niet vergeef. Die mensch kan en moet dus bidden om de genade te bekomen van zijnen haat af te leggen, en hij moet voor het minste zoo gesteld zijn, dat hij die genade wil bekomen, zonder dat kan hij niet naar behooren bidden.
SLUITREDE.
Ziedaar, Pgt;. H., wat wij vragen als wij bidden: Vergeef ons onze schulden gelijk wij vergeven onze schuldenaren, overwegen wij de onderrichting over deze vraag eens wel. Treden wij eens goed in ons binnenste om te zien boe wij jegens onzen evenmensch gesteld zijn. Is het waarlijk niet te bejammeren, B. B., van Christenen, wat zeg ik. Christenen? ja, van zelfs ouders en kinderen, van broeders en zusters, van oversten en onderdanen aan te treffen, die zoolang, soms jaren in vijandschap en haat, zelfs doodelijken haat leven, wel eens in processen gaan? Denken wij eens wel na over hetgeen wij zeggen, als wij bidden: Vergeef ons onze schulden gelijk wij vergeven onze schuldenaren. O ja: vergeven wij elkander hel persoonlijk ongelijk dat ons is aangedaan. Beminnen wij elkander gelijk broeders en zusters betaamt. Volgen wij zoo goed mogelijk Jesus-Christus na. Hij vergaf zijnen vijanden, die; Hem nochtans zoo zeer beleedigd hadden; Hij bad voor hen om vergiffenis:
Vader vergeef het hun, sprak Jesus. Dat voorbeeld, denkt gij misschien, is boven onze macht. Wat hebben dan de Heiligen gedaan, die menschen waren gel ijle wij? Paulus, bijv., door de Joden vervolgd en ten dood gezocht, wil zich voor hen ten beste geven. Stephanus door de Joden gesteenigd bidt voor zijne beulen. Ziedaar dan toch voorbeelden van menschen die het ongelijk vergeven hebben. Ja, B. B., wij moeten, en mits wij van goeden wil zijn kunnen wij met Gods genade onzen vijanden vergeven, in welk geval God ons ook onze zonden zal vergeven, en met betrouwen zullen wij dan tot God mogen zeggen: Vergeef ons onze schulden gelijk wij vergeven onze schuldenaren. Amen.
I
NEGENTIENDE ONDERRICHTING
OVER HET GEBED DES HEEREN
ZESDE VKAAG
7:7 nc :ws inducas in tentationem. En leid ons niet in bekoring.
(MAÏTII. VI, 13.)
INHOUD.
VOORREDE.
In de vijfde vraag bidden wij God van ons onze zonden te vergeven. In de zesde vragen wij de genade van in de bekoringen niet te bezwijken, om niet opnieuw in zonde te vallen. Die vraag luidt als volgt: 1\'Jn leid ons niet in hekoving.
VBRDEEUNG.
I. Wat zijn bekoringen?
II. Wie bekoort ons?
III. Hoe moeten wij ons in de bekoringen gedragen?
GKLOOFS• KN ZliDËNLIJHR. *2(,c DEKI.. 12.
— 178 —
I.
Be bekoringen zijn inwendige bewegingen ten kwade. Zij kunnen van zelf komen, ook als men het een of ander hoort of ziet; soms worden zij door den vijand onzer zaligheid te weeg gebracht. De bekoringen zijn geene zonden, maar enkel aanzettingen tot zonde.
II.
God bekoort niemand, doch Hij laat toe dat wij bekoord worden;
1° Om onze getrouwheid op de proef te stellen;
2° Om ons te zuiveren;
3° Om ons in de deugd te oefenen;
4° Om onzen trots te breken;
5° Om ons later te beloonen. De vijanden onzer zaligheid bekoren ons, namelijk, de duivel, de wereld en het vleesch.
III.
Jesus-Christus heeft ons geleerd hoe wij ons moeten gedragen in de bekoringen; waken en bidden.
SLUITRKDK.
Wanneer wij liet eerste middel tegen de bekoringen goed aanwenden, d. i., zoo wij goed waken, dan mogen wij God ook met vertrouwen bidden, en God, die niet toelaat dat de mensch boven zijne krachten bekoord wordt, zal hem, die om hulp vraagt, de overwinning op zijne vijanden schenken.
— 179 —
NEGENTIENDE ONDERRICHTING
OVER HET GEBED DES HEEREN
ZESDE VRAAG
Et nc nos inducas in tentationem.
En leid ons niet in bekoring.
(Matih. VI, lö.)
VOORREDE.
Door de woon®: Vergeef ons onze schulden gelijk wij vergeven onze schuldenaren, vragen wij vergifIbnis van onze zonden en van de straften, die wij er voor schuldig zijn, en wij belijden dat wij onzen naaste ook vergeven. Doch, B. B., \'t is niet genoeg dat God ons de zonden, die wij bedreven hebben, vergeve; wij blijven immer dezelfde zwakke menschen: zonder God vermogen wij niets, en aanhoudend nog aangevallen hebben wij Gods genade noodig om in de zonde niet te hervallen. Ja, God moet ons bewaren en bijstaan.
Daarvoor bidden wij B. B,, in de zesde vraag van het gebed des Heeren, die luidt als volgt: Et nc nos inducas in tentationem: (l) En leid ons niet in bekoring.
Om die woorden wel te verstaan zullen wij de drie volgende vragen beantwoorden:
I. Wat zijn bekoringen?
II. Wie bekoort ons?
UI. Hoe moet men zich in de bekoringen gedragen?
(j) Matth. VI, 13.
— 180 —
I.
Eenieder weet, B. B., wat bekoringen zijn, al zoude hij het ook met woorden niet kunnen uitdrukken. Men weet zeer goed wanneer men bekoord, wanneer men niet bekoord wordt.
De bekoring is eene inwendige beweging, waardoor men tot zonde wordt aangezet; bijv., men ziet bij zijnen evennaaste iets liggen, men voelt zich genegen om het weg (e nemen; ziedaar eene inwendige beweging, eene bekoring tot stelen.
Iemand heeft ons boleedigd, men gevoelt zich inwendig aangezet om dien persoon ook te beleedigen en hem kwaad met kwaad te vergelden; ziedaar eene bekoring tot wrake. Do bekoring is dus eene inwendige beweging tot zonde. Die beweging kan van zelf komen; soms komt zij, als men het een of ander hoort of ziet; ook wordt zij door de vijanden onzer zaligheid te weeg gebracht. De Catechismus vraagt;
Wat vragen icij zegt jende: leid ons niet in bekoring? En hij antwoordt:
Dat God de bekoring van ons zonde afkeer en, of ons de hulp geve om daaraan te weder staan; d. i., van niet bekoord te worden, ofwel, van in de bekoringen niet ie bezwijken, van niet te zondigen.
Uit deze weinige woorden ziet men reeds duidelijk dat de bekoringen in zich beschouwd geene zonden zijn. Integendeel; wanneer wij weerstand bieden en ze met de hulp Gods te boven komen, leveren zij ons stof in overvloed om overwinning op overwinning te bevechten, en alzoo een schoonen schat van verdiensten te vergaderen voor den hemel. De bekoringen, B, B., zijn dus geene zonden, maar alleen inwendige bewegingen tot zonde. Doch wie bekoort ons?
II.
Dat God ons niet bekoort, laat zich gemakkelijk begrijpen; \'t is onmogelijk en in strijd met zijne oneindige volmaaktheden,
met zijne heiligheid, goedheid, enz. Het zoude zelfs eene groote godslastering zijn te zeggen dat God ons bekoort.
Bijaldien er iemand bekoord wordt, leert de H. Jacobus, hij zegge niet dat hij van God bekoord wordt. God zet niemand tot het kwaad aan, Hij bekoort niemand: Ipse autem neminem lenlat. (i)
God nochtans kan toelaten dat wij bekoord worden en Hij laat het niet zelden toe. Daarin heeft Hij voorzeker zijne inzichten.
God laat de bekoringen toe:
1° Om onze getrouwheid op de proef te stellen. Niet zondigen als men niet bekoord wordt, is geen sterk bewijs van groote deugd. Doet men zijne trouw zeer blijken, als men niet aangezet wordt van iets tegen zijnen meester te misdoen? Hoe kan men overwinnaar geroemd worden, zoo men geene vijanden te bestrijden heeft? Men kent den stuurman tijdens den storm, zegt de H. Cyprianus, en den soldaat op het slagveld.
God laat de bekoring ioe:
2quot; Om ons te zuiveren. Evenals het vuur het goud zuivert, zoo ook zuivert de bekoring den rechtvaardige.
God laat de bekoring toe:
3° Om ons in de deugd te oefenen en daarin voortgang te doen maken: in de sterkte en in het geduld; in het geloof en in de hoop; in elke deugd, waartegen men bekoord wordt.
God laat de bekoring toe:
4° Om onzen trots te vernederen, om ons te verootmoedigen door onze zwakheid te doen gevoelen. Hoe drukt de Apostel Paulus zich uit? Opdat ik mij niet zoude verhoovaardigen over de veropenbaringen mij gedaan, zegt hij, heeft God toegelaten dat ik den prikkel des vleesches gevoelde, den engel van Satan die mij kwelt. Tot driemaal toe had de Apostel God gebeden om van de bekoring tegen de schoone deugd bevrijd ie blijven;
(i) JAC. I, 13.
doch de Heer antwoordde hem: Sufficil tibi gratia mea: (i) Mijne genade moet u voldoende zijn, want de deugd wordt in de zwakheid volmaakt.
Eindelijk laat God de bekoring toe om ons voor de overwinningen op de vijanden onzer zaligheid behaald te beloonen; want naar de leering van den Apostel Paulus zal er niemand gekroond worden, tenzij hij wettig gestreden heeft.
God dus, B B., bekoort niemand. Hij laat de bekoring enkel toe en wel tot ons welzijn. Met Gods genade, welke Hij niemand weigert die er qm vraagt, kan men altijd wederstaan en de bekoringen overwinnen. De Catechismus vraagt:
Wie zijn ze die ons behoren? En hij antwoordt:
De vijanden onzer ziel, te toeten-, de duivel, de wereld en het vleesch.
De duivel, B. B., wendt alle middelen aan om ons tot zonde en vervolgens tot ons eeuwig ongeluk te brengen. Uit den hemel verdreven, benijdt hij ons liet geluk van eenmaal de plaats die hij verloren heeft, ie kunnen innemen. Nu eens stelt hij zich aan als een leeuw en gaat hij met kracht en geweld te werk; dan wederom als eene slang en bezigt hij listen en lagen. Hij loopt aanhoudend rond zoekende wien hij kan verslinden.
De wereld doet niet minder haar best om de menschen ongelukkig te maken. Doch wat moet hier door de wereld verstaan worden? De valsche grondregels en de ijdelheden der wereld, de menschen die ze aankleven, ja, alles wat ons in de wereld aanzet lot zonde. Ik zeg de valsche grondregels, d. i., de valsche spreuken der wereldlingen, zoo als, bijv,, dat men zich moet vermaken als men jong is; dat men later tijd genoeg heeft om boetvaardigheid te doen; dat men moet doen gelijk anderen, enz, Hoe velen treft men er niet aan, die de valsche
(l) ii Cor. xii, 9.
grondregels der wereld voorstaan en er naar leven? Ik zeg de ijdelhoden der wereld, d. i., de gevaarlijke vermaken en gezelschappen, de overtollige pracht in kleederen en alles wat strijdt tegen do christelijke eenvoudig- en zedigheid. En helaas! hoe velen worden er in onze dagen niet gevonden, die aan de ijdelhoden der bedorvene wereld gehecht zijn? Doe velen, die de zondige vermaken najagen, die de slechte gezelschappen opzoeken? Hoe velen, die niet weten hoe zich genoeg op te tooien, hoe zich ijdel genoeg aan te stellen, en waarom? Zoggen wij de waarheid, om te bekoren, om te bederven en tot zonde te verleiden. Doch, helaas! velen verstaan die taal niet meer; men lacht er eens mede. O, B. B., och of wij de woorden van de H. Schrift eens wel overwogen: Is iemand minnaar van de wereld, de liefde des Vaders is in hem niet: die\'de vriend van de wereld wil zijn, wordt de vijand van God. Ja, luisterde men beter, men zoude zich niet langzamerhand door de bedorvene wereld laten medeslepen.
De derde vijand, niet minder gevaarlijk, ja misschien de gevaarlijkste van allen, die ons bekoort, is ons eigen vleesch, d. w. , de begeerlijkheid of de kwade neigingen, die ons tot zonde opwekken.
Die vijand heeft zicli reeds ^an den dag der geboorte aan onze zijde gesteld; of liever, hij verblijft in ons, hij volgt en vergezelt ons overal en ten allen tijde. Niet tevreden van in persoon immer onze ziel aan te vallen en tegen den geest op te staan, levert hij nog wapenen aan den duivel en aan de wereld om ons des te heviger te kunnen bestrijden. Wij allen, zegt de Apostel Jacobus, worden door de begeerlijkheid bekoord, die ons van het goed aftrekken en tot liet kwaad brengen wil.
Wij kennen this de vijanden die ons bekoren, den duivel, de wereld en het vleesch. De strijd tegen hen blijft voortduren en is allerhevigst, gelijk wij reeds besluiten kunnen uit de verbittering en de macht onzer vijanden. Zwakke schepselen die wij
— 184 —
zijn, hetgeen door eigen ondervinding, helaas! maar al te dikwijls geleerd, niemand betwisten kan, wat moeten wij nu doen om in dien strijd niet overwonnen te worden? De Catechismus vraagt:
Welk is het beste middel om in geene bekoring te vallen? En hij antwoordt:
Christus wijst ons dit aan als hij zegt: waakt en bidt, opdat gij niet vallet in bekoring.
Ziedaar twee wapenen, waarvan wij ons bedienen moeten, en wij zijn zeker van niet overwonnen te worden.
111.
Wij moeten op de eerste plaats waken: Waakt, zegt God, Vigilatc. Wat is waken? Waken is ouzo zintuigen bewaren. God heeft den mensch vijl\' zintuigen gegeven die als zoovele deuren zijn, waardoor de ziel met het uitwendige in aanraking komt. Die deuren zijn ons toevertrouwd om ze volgens de verschillende omstandigheden te openen ol\' te sluiten. Zoo wij nu niet waken, dringen de vijanden door de deuren binnen.
Gij vraagt God van u niet in bekoring te leiden, en gij wilt alles, zonder onderscheid te maken tusschen goed of kwaad, hooren en zien; gij wilt alles lezen en weten; uw gebed is een onzin.
Wat is waken? Waken is de gevaren en gelegenheden der zonden vluchten. Gij bidt God van u niet in bekoring te leiden, en gij begeeft u telkens in de gelegenheid der zonde; gij zoekt de gevaren der zonde op. Jongeling! jonge dochter! gij vooral, gij verkeert met een slechten persoon; gij gaat naar het een of ander slecht huis; gij loopt \'s avonds rond, blijft laat uit, staat aan hoeken en kanten te praten, misschien in de een of andere herberg; gij bidt God: Leid ons niet in bekoring: Weet gij wat gij zegt? Ja wel; houdt gij dan den zot met God? Wat zegt God? Waakt, zegt Hij, Vigilate, d. i., vlucht de gevaren en
— 185 —
gelegenheden tier zonde, zonder dat zal liet gebed niet baten; neen, maar gij zult vergaan niettegenstaande uw gebed. Die het gevaar bemint, hetzij hij bidt of niet, daarvan spreekt God niet, hij zal vergaan; Qui arnat periculurn in Ulo perihü. (i) quot;Wat is waken? Waken is de ledigheid vluchten die de moeder is van alle ondeugden en bijgevolg de bron van allerlei bekoringen. Gij vraagt God van u niet in bekoring te leiden, en gij doet van den vroegen morgen tot den laten avond niets of bijna niets. Wanneer men zich met bet een of ander werk niet bezighoudt, staat de ziel open voor allerlei slechte gedachten en begeerten. De mensch zonder werk is gelijk aan den soldaat zonder wapenen die eene stad moet verdedigen. Bij den eersten aanval wordt hij verslagen en de stad ingenomen. Bij de eerste bekoring wordt de luie mensch overmeesterd en zijne ziel valt in de macht van den duivel.
Maar ik heb niets te doen; wat wilt gij dat ik werke? Gij zijt
i\'
dan vrij van den vloek, waarmede God den mensch trof, toen Hij zeide: In \'t zweet nws aanschijns zult gij uw brood eten? Gij zijt dan ook zeker vrij van erfzonde en dadelijke zonden?
Men moet zijn tijd toch ombrengen, zegt men, en zoo verkwist men den kostbaren tijd in beuzelarijen; doch weet het wel; terwijl men zoo zijnen tijd verkwist, brengt men tevens zijne ziel om. Vlucht dus de ledigheid en houdt u met het een ot ander nuttig werk bezig; zonder dat zal het gebed niet baten.
Wat is waken nog meer? Waken is met een levend geloof God voor oogen houden. Gij bidt God van u niet in bekoring te leiden, en gij denkt niet aan God, Wat bcteekent dan uw gebed? Maakt dus uw ingeslapen geloof wakker; denkt dat God u overal en ten allen tijde ziet, dat Hij doordringt tot in uw hart, daarin uwe gedachten en begeerten leest. Gij zijt bang voor de menschen, zoekt de afgelegene plaatsen en de duisternissen, en gij zijt niet bang voor God? Verblind schepsel! Wat
(l) Eccl. ui, 27.
— 18(1 —
kwaad zouden de menschen u doen? Misschien een weinig-bepraten, wellicht nog niet, en daarvoor zijt gij bang? En daarom vlucht gij de menschen? En gij zijt niet bang voor God, van wien gij afhangt, die alles hoort en ziet, die zijne hand over u uitgestrekt heeft, waarom? Wellicht om een einde aan uw zondig leven te maken en u te verdoemen in de hel: Qui potest et corpus et unirnam perdere in gehennam. (i) Ziedaar, B. B., wat wij op de eerste plaats moeten doen, waken. Ten slottte zeg ik dat wij ook nog moeten bidden.
SLUITREDE.
God zal niet toelaten dat wij boven onze krachten bekoord worden; doch Hij wil dat wij de middelen ook aanwenden om te kunnen wederstaan. Hij wil dat wij onze toevlucht tot Hem nemen. Na dus de eerste voorwaarde volbracht te hebben, d. i., zoo wij waken, met welk groot vertrouwen mogen wij dan onze toevlucht tot God niet nemen. Hom, bijv., toeroepen: Heer, kom mij te hulp! Heer, spoed ü om mij te helpen! Heer, red mij of ik verga! Ja, 15. B., met vertrouwen zullen wij God dan mogen bidden: Leid ons niet in bekoring: Ne nas inducas tn tentationem, en God die getrouw is aan zijne beloften, zal ons niet in bekoring leiden, d. w. z.. Hij zal ze afweren ofwel de hulp en de genade geven om er kloekmoedig aan te wederstaan. Amen.
(i) Matth. x, 28.
TWINTIGSTE ONDERRICHTING
OVER HET GEBED DES HEEREN
ZEVENDE VllAAG
Sed libera no.i a malo.
Maar verlos ons van den kwade.
(Matth. vi, 13.)
INHOUD.
VOORRED]:.
God bekoort niemand, Hij laat de bekoringen toe tot ons welzijn. De duivel, do wereld en het vleesch trachten den mensch tot zonde tc brengen. God leert ons wat wij moeteii doen om in de bekoringen niet te bezwijken: Waakt en bidt, zegt Hij, opdat gij niet vallet in bekoring.
De laatste vraag van het gebed des Heeren luidt als volgt: Maar verlos ons van den kwade..
verdkkmng.
1. Wat wordt er verstaan door het woord kwaad?
II. Hoe vragen wij om er van verlost te worden?
— 188 —
I.
Dooi\' liet woord kwaad kan verstaan worden de duivel ofwel alle kwaad naar ziel en lichaam. De zonde is eigenlijk het eenige kwaad; al het overige dat wij kwaad noemen, is niets anders dan het gevolg der zonde. Lucifer, Adam en Eva, het zondige raenschdom. Woorden van Blanca tot haren zoon Lodewijk.
II.
A\\ ij viagen God onvoorwaardelijk om van den duivel en van het kwaad naar de ziel verlost te worden; van het kwaad naar het lichaam, dat Hij er ons van beware, in zoo ver het strekt tot glorie van God en tot zaligheid onzer ziel. De tegenspoed kan eenieder voordeelig zijn:
1° Den zondaar om hem te bekeeren;
2° Den tragen mensch om hem wakker te schudden;
3° Den rechtvaardige om hem te zuiveren.
SLUITREDE.
\'t Is niet noodig te weten dat er zoo veel in het gebed des Heeren opgesloten ligt. Ook behoeft men daaraan niet te denken als men bidt, mits men bidde zoo goed mogelijk.
Doen wij dus ons best van altoos te bidden met eerbiedigheid en aandachtigheid. Vereenigen wij ons met onze Moeder de H. Kerk, met Jesus-Christus die ons het gebed des Heeren geleerd heeft, die met ons bidt en weet wat in zijn gebed is opgesloten, en God zal ons verhooren. Het zij zoo!
TWINTIGSTE ONDERRICHTING
OVER HET GEBED DES HEEREN
ZEVENDE VRAAG
Scd libera nos a malo.
Maar verlos ons van den kwade, (Matth. vi, w.)
VOORREDE.
God, B. B., bekoort of zet niemand tot zonde aan. Hij laat de bekoring enkel toe en altoos tot ons welzijn, \'t Zijn de vijanden onzer zaligheid, die ons bekoren, namelijk, de duivel, de wereld en het vleesch. Wanneer wij God nu bidden van ons niet in bekoring te leiden, dan vragen wij Hem, dat Hij die van ons afwere, of voor het minste, dat Hij ons de kracht of de genade geve om er aan te wederstaan.
Christus wijst ons ook de beste middelen aan om in de bekoringen niet te bezwijken, als Hij zegt; Waakt en bidt, opdat gij niet vallet in bekoring. Waken is volstrekt noodzakelijk, en zonder waken kan het gebed niet baten; want die het gevaar bemint zal er in vergaan; Qui amat periculum in Ulo peribit. (i)
De Catechismus vraagt;
Wat moet men doen als men in zioare bekoring is? En hij antwoordt:
Zich wapenen met hel techen des heilig kruis, God bidden, of op iets anders denken.
,1) Eccl. in, 27.
— 190 —
1° Zich wapenen met het teeken des H. Kruises, d. i., het teeken des H. Kruises maken, als men, bijv., alleen is, want het teeken des H. Kruises is een kort en krachtig gebed door de verdiensten van Christus en het verjaagt den duivel met al zijn bedrijf.
2° God bidden, door, bijv., liet Onze Vader of liet Wees Gegroet op te zeggen, ofwel door in \'t een of ander schietgebed zijn hart tot God te verheffen.
3° Op iets anders denken, denken, bijv., aan de tegenwoordigheid Gods, aan zijne goedheid en liefde jegens ons, aan den dood, enz., ofwel zijne aandacht vestigen op het werk dat men verricht.
Die waarheden hebben wij in onze voorgaande onderrichting-overwogen. Vandaag gaan wij de zevende en laatste vraag van het gebed des Heeren verhandelen. Die vraagt luidt als volgt: Scd libera nos a malo; Maar verlos ons van den kwade.
I. Van welk kwaad is hier spraak?
11. Hoe vragen wij God om er van verlost te worden?
1.
De Catechismus vraagt:
Wat Kragen wij, zeggende: maar verlos ons van den kwade? En hij antwoordt:
Wij vragen van alle kwaad verlost te worden.
Het woord kwaad, B, B., waarover in de zevende vraag van het gebed des Heeren gehandeld wordt, kan in een min of meer uitgebreiden zin genomen worden, d. w. z., men kan er enkel den duivel door verstaan ofwel alle kwaad dat ons naar ziel of lichaam kan hinderen, en de tijdelijke of eeuwige welvaart beletten. In dezen laatsten zin zullen wij liet kwaad ook
— 191 —
beseliouwen, het kwaad op zedelijk gebied of de zonde, en liet kwaad op natuurlijk gebied of de natuurlijke rampen, de gevolgen der zonde. Doch bemerkt eerst wel, U. B., dat er eigenlijk maar één kwaad is, kwaad in het oog van God, en het is naar God dat men moet oordeelen of iets kwaad is of niet. Dat kwaad is de zonde. Al hot overige, zooals, bijv., de algemeene rampen die het menschdom teisteren, oorlog, hongersnood, pest, aardbevingen; de bijzondere kruisen en wederwaardigheden die ons naar lichaam en ziel overkomen, zoo als armoede, ziekten, droefheid en kwellingen; de pijnen des vagevuurs, ja zelfs de pijnen der hel, zijn eigenlijk geen kwaad; zij zijn niets anders dan de gevolgen van het eenige kwaad, van de zonde. Oordeelt hieruit, B. B., of het niet te recht is dat aan de zonde de naam van kwaad gegeven wordt, welk een groot, afschuwelijk kwaad zij is, daar zij zulke noodlottige gevolgen na zich sleept, en besluit tevens hoe zeer men zijn best moet doen om do zonde, dat eenige kwaad te vermijden.
Om ons te overtuigen, B. B., dat de zonde het eenige kwaad is, en dat al het overige kwaad niets is dan het gevolg dei-zonde, zien wij eens hoe het ontstaan is.
God, gelijk wij weten, had de Engelen eerst geschapen. Zij genoten reeds een natuurlijk geluk; doch het bovennatuurlijk geluk van God aanschijn aan aanschijn te aanschouwen, moesten zij verdienen. Maar ziet, eenige Engelen — doch nemen wij Lucifer hun aanvoerder alleen •—■ Lucifer staat tegen God op, hij zondigt en eensklaps verandert hij in eenen duivel; hij wordt van boven uit den hemel nedergew\'orpen in den afgrond der hel. Wie heeft nu den duivel gemaakt? Den kwade bij uitstek, van wien wij God bidden om verlost te worden! Wie heeft, om zoo te zeggen, God gedwongen het vuur der hel te ontsteken, waar voor wij God bidden dat Hij ons gelieve te bewaren? Wie heeft den duivel en de hel gemaakt? Wat is er de oorzaak van? De zonde, B. B., en niets anders dan de zonde.
— 192 —
De eerste mensch was gelukkig in het aardsch paradijs. Ja, Adam en Eva leefden in staat van onschuld; doch ziet, de kwade, de eerste kwade, namelijk, de duivel komt te voorschijn, hij zet hen aan Gods gebod te overtreden; Adam en Eva luisteren naar den duivel, zij bezwijken onder de bekoring en zij worden ongelukkig naar ziel en lichaam. Wat is er de oorzaak van? De zonde van hoovaardig- en ongehoorzaamheid, die den Engel ongelukkig gemaakt had, maakt den mensch ook ongelukkig; ja, de mensch moest ook naar de hel, hij had ze ook verdiend; doch God, zonder medelijden met Lucifer, heeft medelijden met den eersten mensch; van den eeuwigen dood, van het eeuwige vuur der hel wil Hij hem bevrijden, doch in plaats van hem met eeuwige straffen te slaan, slaat Hij hem met tijdelijke; de eeuwige pijnen der hel worden door eene menigte tijdelijke pijnen naar ziel en lichaam vervangen. Adam en Eva zondigen en zij worden gestraft. Het menschdom vermenigvuldigt en zondigt en het menschdom wordt gestraft. De zonden worden algemeen, de straffen worden algemeen; ja, men ziet de straffen, de geesels Gods, in aantocht evenals een leger in slagorde geschaard, om zich op het zondige menschdom te werpen; oorlog, hongersnood, pest, aardbevingen, eene menigte ziekten en ongelukken, eene menigte rampen en kwellingen naar ziel en lichaam. De mensch van de wieg tot het graf moet er door heen, en wee hem! zoo hij zich nog slecht gedraagt; hij valt nog van de tijdelijke pijnen des levens in de eeuwige pijnen der hel. Ziet gij nu waarom de zonde eigenlijk het eenige kwaad is en dat al het overige, dat wij kwaad noemen, niets anders is dan het gevolg van het eenige kwaad, van de zonde? De godvreezende Blanca, de moeder van den H. Lodewijk, koning van Frankrijk, verstond die waarheid. Zij was gewoon bijna dagelijks tot haren zoon te zeggen, toen hij nog kind was: Mijn zoon! Wees altoos indachtig dat er in de wereld geen ander ongeluk is dan de zonde, en hoe teeder ik u ook bemin, ik zoude u nochtans liever op staanden voet dood uitgestrekt
— 103 —
zien liggen in eene doodskist, dan te moeten hooren dat gij liet ongeluk gehad had van eene doodzonde te bedrijven. Schoon voorbeeld van de ouders van voor hunne kinderen te zorgen.
Wanneer wij God dus bidden; Maar verlos ons van den kwade, dan vragen wij Hem dat Hij ons verlosse van den duivel, d. i., uit zijne macht, dat wij nimmer, noch hier noch hiernamaals zijne slaven worden; dat Hij ons verlosse van onze zonden, van de reeds bedreven zonden, van de straffen daartoe staande, hetzij eeuwige in de hel, hetzij tijdelijke hier of in het vagevuur, en dat Hij ons beware voor andere zonden.
Wij vragen Mem tevens van in dit tranendal zoo veel mogelijk van kwellingen en wederwaardigheden bevrijd te blijven.
Ziedaar, B. B., wat er door het kwaad, waarover in de zevende vraag van het gebed des Heeren gehandeld wordt, verstaan moet worden. Blijft er nog te zien over, hoe wij vragen en verlangen van al dat kwaad verlost te worden.
Van den duivel en van het kwaad naar de ziel vragen wij onvoorwaardelijk om geheel en al verlost te worden, en daarom bidden wij God van nooit onder de macht van den duivel te komen en van de zonde en van de straffen der zonden bewaard te blijven.
Wat de tijdelijke rampen hier op aarde aangaat, wij vragen God, om er zooveel mogelijk van bewaard te blijven; doch wij vragen het altoos voorwaardelijk, namelijk, in zoo ver het strekt tot glorie van God en tot zaligheid onzer ziel. Vindt God goed ons tegenspoed over te zenden, dan moeten wij Hem de genade vragen om den tegenspoed met overgeving aan zijn goddel ij ken wil te ontvangen en met geduld te verdragen, in welk geval de tegenspoed altoos, in welken staat ook, tot ons welzijn zal strekken. Ik zeg, B. B., in welken staat ook; want men is ofwel in staat van doodzonde, van lauw - en traagheid
Geloofs kn Zkdeni.ekr. 2lt;,c Deel. 13
of in staat van genade. Welnu, de tegenspoed strekt den zondaar tot zijn welzijn. Waarom zendt God den zondaar tegenspoed over? Om hem uit zijn ongelukkigen zondenstaat te doen opstaan. De zonde is voor de ziel, hetgeen eene gevaarlijke wond is voor het lichaam. Gelijk de wond toeneemt en den dood veroorzaakt, ingeval men ze verwaarloost; zoo ook veroorzaakt de zonde den dood der ziel en wel den eeuwigen dood, d. i., de mensch wordt vóór eeuwig ongelukkig, zoo God op de een of andere w ijze hem de oogeii niet opent, door tegenspoed niet komt aanzetten om uit zijnen zondenstaat op Ie staan. Zien wij van deze waarheid geen doorslaand bewijs in den verloren Zoon. Die ongelukkige verlaat het huis zijns vaders en vraagt zijn erfdeel; na het bekomen te hebben werpt hij zich in de zonden: zoo lang hij geld en goed heeft denkt hij er niet aan het pad der ondeugd te verlaten en tot zijnen vader terug te keeren; doch ziet, nauwelijks begint hij gebrek te lijden, of hij komt tot inkeer: Ik zal opstaan, zegt hij, en tot mijnen vader gaan en hem zeggen: Vader ik heb gezondigd tegen den hemel en tegen u, ik ben niet waardig uw zoon genoemd te worden, \'t Is dus de tegenspoed die den verloren zoon de oogeu opent en noodzaakt naar zijnen vader terug te keeren.
Gij zijt wel juist nog geen groote zondaar, in geen groote zonden gevallen; maar gij zijt misschien verslapt, gij zijt lauw. Och of gij koud of warm waart, zegt de H. Geest, doch wijl gij lauw zijt, zal Ik u uit mijnen mond beginnen te spuwen. De tegenspoed nu strekt den lauwe tot zijn welzijn. Gij zijt, bijv., te zeer over uwe tijdelijke goederen bekommerd; God ontneemt er u een gedeelte van, om te toonen dat de tijdelijke goederen onbestendig zijn; dat men ze toch eenmaal zal moeten verlaten en dat men zich bijgevolg meer op de bestendige, de eeuwige goederen moet toeleggen. Gij zoekt te zeer de eer der wereld, gij zijt te graag geprezen; God laat toe dat gij er bij den een of anderen eens duchtig tegen loopt; dat men u
— 195 —
licpraiit, enz. Waarom? om te toonen dat do eer dezer wereld niets beteekent en opdat gij meer uw best zoudt doen om van God geëerd en geprezen te worden. Gij bemint te zeer de vermaken en loopt gevaar van om te komen; wat doet God? Hij zendt u eene ziekte over om u tegen te houden; want gij stond reeds op den boord van den afgrond. Nu, nu hebt gij geen trek meer voor de vermaken en God heeft u bewaard. Ziet gij nu hoe de tegenspoed den lauwen mensch geneest, den ingeslapen om zoo te zeggen wakker schudt?
De tegenspoed strekt den rechtvaardige ook tot zijn welzijn. God zendt den rechtvaardige tegenspoed om hem van liet kwaad af te houden, om hem gemakkelijk te laten voldoen voor zijne dagelijksche fouten en gebreken, om hem in de deugd te doen vorderen en een grooten schat van verdiensten te doen vergaderen voor den hemel.
De tegenspoed is dus den mensch voordeelig; doch hij moet geduld hebben en zich aan den goddeiijken wil onderwerpen, en daarom moet hij nimmer vergeten dat God hem den tegenspoed overzendt tot zijn welzijn.
HIJ\' ITlvKHK.
Ziedaar, D. B., wat wij God vragen als wij bidden: Maar verlos ons van den kwade: Scd libera nos a malo. Het woordje A men, waarmede wij het gebed des Heeren sluiten, beteekent Het zij zoo, en daardoor geven wij te kennen dat wij nogmaals wenschen van in al onze vragen verhoord te worden.
Ik eindig thans met de onderrichtingen over het gebed des Heeren. Ik heb het genoeg uitgelegd, doch volstrekt niet uitgeput \'l is onuitputbaar. Nochtans, deze Route uitleggingen zullen wel voldoende zijn om ons te overtuigen dat het Onze Vader liet schoonste, het waardigste en het rijRste gebed is. Iiv zeg hel rijkste, en niet zonder reden: geen gebed dat in zoo weinige
— 19(5 —
woorden zooveel bevat. Misschien hebt gij er nooit zoo over gedacht. Gij zoudt nog kunnen denken en zeggen: maar het is mij onmogelijk aan dat alles te denken als ik bid. B. B., dat is ook niet noodig, mits gij bidt zoo goed gij kunt. Daarom moeten wij ons best doen van hel; gebed des Heeren altijd te bidden met groote eerbiedigheid en aandachtigheid. Wij moeten ons vereenigen met onze Moedor de H. Kerk, met Jesus-Christus onzen goddelijken Zaligmaker, die het gemaakt en geleerd heeft, die met ons bidt en die weet wat er in zijn gebed ligt opgesloten, en God, tot wien wij ons richten, zal ons verhooren, onze wenschen zullen vervuld worden. Het zij zoo! Amen.
BEN - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DE ENGELSCHE GROETEN IS
Ave, gratia plena.
Wees gegroet, vol van genade.
(LüC. I, 28.)
INHOUD.
VOORREDE.
Na het gebed des Heeren komt, wat waardigheid aangaat, het Wees gegroet. Wij voegen liet doorgaans na het Onze Vadei\', om door de H. Maagd ons gebed aan God op te dragen. Dat kort gebed wordt Engelsche groetenis genoemd van den Aartsengel Gabriël. Wij zijn verplicht dat gebed te kennen uit noodzakelijkheid des gebods.
VERDEELING.
1. II.
Wie heeft de Engelsche groetenis
gemaakt?
Wat bevat zij ?
— 198 —
I.
De Engel Gabriel heeft het eerste deel uitgesproken, Elisabeth de nicht van Maria het tweede en onze Moeder de H. Kerk heeft er liet derde bijgevoegd.
De Engel Gabriël heeft het eerste deel uitgesproken, toen hij door God naar Nazareth gezonden werd om Maria te boodschappen dat zij verkoren was de Moeder van God te worden. De Engel kwam bij Maria en zeide: Wees gegroet, vol van genade, de Heer is met u, gezegend zijt gij boven alle vrouwen.
Elisabeth sprak het tweede deel uit, toen Maria haar kwam bezoeken: Gezegend zijt gij boven alle vrouwen, en gezegend is de vrucht uws lichaams. Bij die twee deelen heeft onze Moeder de H. Kerk de namen Jesus en Maria gevoegd.
De H. Kerk heeft er het derde deel bijgevoegd, onder anderen, om de ketterij van Nestorius te veroordeelen.
II.
Het Wees gegroet bevat:
1° Een groet en eene lofrede;
2° Eene dankzegging en eene bede.
SLUITREDE.
Bidden wij dikwijls het Wees gegroet, dat niet alleen een der waardigste, maar ook een der krachtigste gebeden is. Bidden wij het vooral \'s morgens en \'s avonds en in de bekoringen tegen de schoone deugd. Geschiedenis.
— 199 —
EEN EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING
(5VER DE ENGELSCHE GROETEN IS
Ave, gratia plena.
Wees gegroet, vol van genade.
(LOC. I, 38.)
VOORREDE.
Het gebed des Heeren, li. B., is het waardigste gebed, wijl Jesns-Clmstus zelf het gemaakt heeft, en wijl het in zich besluit al wat wij mo^en begeeren. \'t Is tot God dat wij ons in het gebed des Heeren wenden.
De Engelsche groetenis komt, wat waardigheid aangaat, op de tweede plaats, \'t Is tot Maria, de Moeder van (Vod, dat wij ons in de Engelsche groetenis wenden.
He Catechismus vraagt:
Waarom voegt men gemeenlijk de Engelsche Groetenis na hel Gebed des Heeren? En hij antwoordt:
Om door de heilige Maagd mts gebed aan God np te dragen.
God, B. B., zal ons gebed des te beter verhoeren.
Onze Moeder de H. Kerk hoeft daardoor ook op eene bijzondere wijze onze lieve Vrouw willen eeren, ten einde de oneer en de beleedigingen haar door de Ketters aangedaan zooveel mogelijk te herstellen. Immers, de Ketters hebben Maria hardnekkig aangevallen en op allerlei wijze onteerd. Welnu, onze Moeder de H. Kerk doet haar best om die oneer te herstellen door haar dagelijks hulde te brengen, door haar dagelijks herhaalde malen met den Engel te groeten.
— 200 —
De H. Kerk leert ons ook, terwijl zij het Onze Vader en liet Wees gegroet te zamen voegt, hoe innig Jesus en Maria, de Zoon en de Moeder, vereenigd zijn.
Dat kort gebed nu, waardoor wij de H. Maagd en Moeder Gods Maria eeren en haren bijstand afsmeeken, wordt Engelsche groetenis genoemd. Waarom? Omdat het eerste deel bestaat uit de woorden, waarmede de Engel Gabriël Maria groette, toen hij haar boodschapte dat zij verkoren was de Moeder van God te worden.
Alle Christenen, B. 13., zijn verplicht de Engelsche groetenis te kennen uit noodzakelijkheid des gebods. De H. Kerk gebiedt het ons.
Om de Engelsche groetenis dikwijls met eerbiedigheid en aandachtigheid te bidden, gaan wij eenige woorden zeggen over hare waardigheid. Wij zullen zien:
I. Wie de Engelsche groetenis gemaakt
heeft;
II. Wat zij in zich besluit.
I,
Wie heeft de Engelsche groetenis gemaakt? De Engel Gabriël door God gezonden heeft het eerste deel uitgesproken; het tweede Elisabeth de nicht van Maria, en het derde heeft er bijgevoegd onze Moeder de li. Kerk. Ziedaar de opstellers van het Wees gegroet.
Gabriël een Aartsengel, een prins van het hemelsch hof, en eene Heilige, namelijk, Elisabeth eeren en loven Maria, terwijl zij tevens God bedanken voor de weldaad van de verlossing van het menschdom, en bij dat vereerings - lof - en dankgebed voegt onze Moeder de H. Kerk haar smeekgebed voor ons hare kinderen. Doch breiden wij ons antwoord een weinig verder uit.
Toen God besloten had zijnen Engel te zenden, woonde de Heilige Maagd Maria met haren maagdelijken bruidegom den Heiligen Joseph te Nazareth, een stadje van ({alilëa. Het Oude Testament spreekt nauwelijks over Nazareth, dat in het Nieuwe zoo beroemd geworden is. Nazareth beteekent in het hebreeuwscb Bloemenstad. Eenige schrijvers noemen het de bloem van Galilëa. Kon die naam op eene plaats beter dan op Nazareth toegepast worden? \'t Was te dien tijde dat te Nazareth de H. Maagd Maria, de bloem van het menschdom, de sneeuwwitte lelie, bloeide. De tijd was vervuld; de Allerhoogste zoude zijn eenigen Zoou in de wereld zenden, Maria do nederige Maagd van Nazareth tot de waardigheid van Moeder van God verheffen. Een Engel werd afgevaardigd, ja, gelijk een engel, maar een engel der duisternissen ons ongeluk met Eva bewerkt had, zoo zoude ook een Engel, maar een Engel des lichts het werk onzer verlossing met Maria bewerken. Den Aartsengel Gabriel viel het geluk te beurt Maria de blijde boodschap te mogen brengen. Dezelfde Engel had reeds vroeger den Profeet Daniël liet tijdstip geopenbaard, waarop het geheim der Menschwording zoude voltrokken worden. Nog maar weinige maanden geleden had hij Zacharias eenen zoon beloofd, die geroepen was om de vooiiooper van den Messias te wezen. Gabriël daalde dus uit den hemel neder onder de gedaante van een schoonen jongeling, en terwijl de overige Engelen verbaasd stonden over de zending van Gabriël en over hetgeen er ging gebeuren, bevond Maria zich alleen in de stille eenzaamheid, ver buiten het gewoel der wereld, verslonden in het gebed, weggerukt door de beschouwing van Gods oneindige goedheid en liefde. Hare ziel was boven het aardsche verheven, alsof zij tot deze aarde niet meer behoorde. Misschien overwoog Maria op dat oogenblik de voorzeggingen der Profeten aangaande den Messias; wellicht stuurde zij hare verzuchtingen ten hemel en riep zij met de Aartsvaders uit: Rorate eaii desuper, O hemelen, zendt uwen dauw, en gij wolken regent den rechtvaardige, ei nubes pluant jus turn!
— 202 —
Misschien bad Maria van toch de komst van den Messias te mogen beleven en het geluk te hebben zijne Moeder te mogen dienen. Want Maria, B. B., was le ootmoedig van ooit te denken dat zij tot de waardigheid van Moeder van God kon verheven worden. Gabriel van blijdschap vervoerd haastte zich zijne zending te vervullen. Hij trad het eenzaam vertrek van Maria binnen, en eerbiedig gebogen sprak hij met zachte en minzame stem deze merkwaardige en beteekenisvolle woorden: Ave gratia plena-. Wees gegroet vol van genade; Dominus tecum, de Jleer is met u, benedicta tu in mulieribus, gij zijt gezegend boven alle vrouwen. Na aldus gesproken te hebben bleef hij vol verrukking voor Maria staan en wachtte op haar antwoord. Maria, die nederige Maagd, ontstelde zich op het hooren van dien wondervollen groet; doch gerust gesteld door Gabriel, ingelicht over de wijze waarop het geheim moest voltrokken wrorden, en na haren maagdom, dien zij God beloofd had en dien zij zelfs voor de grootste waardigheid, namelijk, voor het goddelijk moederschap niet wilde afstaan, gevrijwaard te hebben, gaf zij haar jawoord eu stemde zij er in toe de Moeder Gods te worden: Ecce ancilla Domini, fiat mihi secundum verbum tuur,}: Zie de dienstmaagd des Heeren, mij geschiede naar uw woord. Ziedaar B. B. waar, door wien en bij welke gelegenheid het eerste deel der Engelsche groetenis uitgesproken is.
Het tweede deel is uitgesproken door Elisabeth de nicht van Maria, en ziehier bij welke gelegenheid.
Toen het geheim der menschwording in Maria voltrokken was, herinnerde zij zich wat de Engel haar van Elisabeth gezegd had en besloot zij hare nicht te gaan bezoeken; niet om zich te verzekeren van hetgeen de Engel haar geboodschapt had; niet om hare nicht te gaan verhalen tot welke waardigheid zij verheven was, hetgeen zij zelfs voor Joseph haren bruidegom verborgen hield; maar om Elisabeth, die zij voor hare tweede moeder beschouwde, te gaan geluk wenschen en te dienen.
— 203 —
Toen Maria dus na ile boodschap des Engels eenige dagen in dankzegging had doorgebracht, begaf zij zicli, niet alleen, maar in gezelschap van eenige bloedverwanten op weg. Zij ging, gelijk de H Lucas zegt, met haast over het gebergte. Welk een schoon voorbeeld van voorzichtigheid geeft hier Maria vooral aan de jeugd! Te recht mogen wij haar allervoorzichtigste Maagd prijzen; zij ging niet alleen, maar in gezelschap van bloedverwanten; zij ging met haast over het gebergte om zich zoo spoedig mogelijk aan de oogen der menschen te onttrekken. Ja, de allerheiligste Maagd Maria leert ons hier, en u vooral jonge dochter, van nooit zonder noodzakelijkheid te midden van de gevaren der wereld te blijven.
Eindelijk kwam Maria bij hare nicht Elisabeth aan. Maria trad het huis van Zacharias binnen, zegt de Evangelist Lucas, en groette Elisabeth. Lucas geeft de woorden niet op, die Maria bezigde, docli hij meldt nauwkeurig de uitwerksels door Maria\'s groet te weeg gebracht. Zoodra Elisabetii de stem van Maria hoorde, zegt de Evangelist, sprong het kind in haren schoot\'op; Joannes werd onder anderen van de erfzonde gezuiverd; Elisabeth werd vervuld van den Heiligen Geest, en vol verwondering over hetgeen zij zag gebeuren riep zij uit: Benedicta hi inter mulieres! Gij zijt gezegend boven alle vrouwen! Zij herhaalde dus gedeeltelijk de woorden van den Engel, doch zij voegde erbij: En gezegend is de vrucht uws lichaams: Et henedictus fructus ventris tui. Welk eene verheven lofrede als die van Elisabeth ter eere van Maria uitgesproken! Bij die twee deelen heeft onze Moeder de H. Kerk twee woorden gevoegd, namelijk, de namen Jcsus en Maria. De Engel zeide: Wees gegroet vol van genade, en wij bidden; Wees gegroet, Maria, vol van genade. Elisabeth zeide; Gezegend is de vrucht uws lichaams, en wij bidden: Gezegend is de vrucht uws lichaams, Jesus.
Hot smeekgebed of het derde deel heeft onze Moeder de H. Kerk er bijgevoegd, onder anderen, om de ketterij van
Nestorius te veroordeelen. Die ongelukkige beweerde dat men Maria wel de Moeder van Christus, maar niet de Moeder van God mocht noemen. Hij loochende dus Maria\'s goddelijk moederschap. Wat is er van Nestorius geworden? Tot straf van den laster tegen Jesus en Maria uitgebraakt werd hem levend de tong door de wormen afgeknaagd.
Het Wees gegroet is dus gelijk wij reeds gezien hebben een der schoonste en waardigste gebeden ter oorzake der opstellers. Zien wij nu ook in weinige woorden wat het in zich besluit.
H.
Het besluit in zich een groet en eene lofrede, eene dankzegging en eene bede.
Een groet, zeg ik, B. B. Immers, wij groeten Maria, die goede Moeder, terwijl wij haar met den Engel zeggen: Wees gegroet, Maria: Ave Maria. Eene lofrede. Wat zeggen wij van Maria? Hoe noemen wij haar? Vol van genade: Gratia plena; wij zeggen dat de Heer met haar is; Doninus tecum; dat zij gezegend is onder de vrouwen: Benedicta tu in mulieribus en eindelijk noemen wij haar nog heilig en de Moeder van God: Sancta Maria, Maler Dei.
Het besluit in zich eene dankzegging. Wanneer wij zeggen: Gezegend is de vrucht uws lichaams, Jesus, aan danken wij God van ons door Maria zijn eenigen Zoon geschonken te hebben, geschenk, dan welk God het menschdom geen kostbaarder doen kon. Eindelijk eene bede, want wij bidden en smeeken Maria dat zij voor ons zondaren gelieve te bidden, nu en in het uur van onzen dood: Nunc et in hora mortis nostra;.
SLUITREDE.
liet Wees geroet is een der waardigste gebeden, gelijk wij gezien hebben, ter oorzake van zijne opstellers en zijnen inhoud;
ook is het een krachtig gebed, dat wij dikwijls moeten bidden. Wij moeten vooral \'s morgens en s avonds drie Wees gegroeten bidden ter eore van de zuiverheid van Maria. Vergeten wij ook nooit van in de bekoringen tegen de sclioone deugd onze toevlucht tot Maria te nemen, door met aandachtigheid (gt;11 betrouwen liet Wees gegroet te bidden. Die goede Moeder zal ons bijstaan en wij zullen over de bekoringen zegepralen.
Ten bewijze hiervan ga ik u eene korte geschiedenis verhalen.
Zekeren dag predikte te Rome de vermaarde Pater Zucchi op liet leest van do Onbevlekte Ontvangenis van Maria. Zijn sermoon handelde over de sclioone deugd; en om die deugd te bekomen, raadde hij zijne toehoorders ten sterkste aan liet Wees gegroet met nog een ander kort gebed tot Maria te bidden. (1) Onder zijne toehoorders bevond zich een jongeling, die zich dikwijls aan de schandelijke zonde plichtig maakte, niettegenstaande hij dikwerf tot de II. Sacramenten naderde. Hij had eene bedevaart naar Rome ondernomen om zich van zijne zonden te reinigen. Zoodra hij den raad van den Pater hoorde, besloot hij vastelijk dien te volgen. Hij liet geen dag voorbij gaan zonder het Wees gegroet met dat klein gebed te lezen. Vier jaren later kwam hij te Rome terug en ging bij denzelfden priester, bij wien hij vroeger geweest was, te biechten. Deze stond niet weinig verwonderd dat die jongeling niets dan kleine zonden te biechten had: hij vroeg hem welk middel hij gebruikt had om zich te beteren. Ik heb den raad van Pater Zucchi gevolgd, zeide de jongeling met tranen in de oogen, en daardoor gevoelde ik mij zoo zeer gesterkt, dat ik dacht nog wel aan heviger bekoringen te kunnen wederstaan. Die jongeling volhardde en leefde voortaan als een heilige.
Ziedaar, B. B., eene wondervolle verandering. Ziedaar hoe men door het Wees gegroet te bidden aan de bekoringen
(1) « O mijne meesteres, o mijne moeder! Ik olFor mij geheel aan u op en ik wijd u w mijne oogen, mijne ooren, mijne tong, mijn hart en mij zeiven geheel en al: wijl ik ■* alzoo de uwe ben, o goede moeder! bewaar mij, bescherm mij als uw be/it en eigendom,quot;
wederstaat en de vijanden zijner zaligheid overwint. Doen wij hetzelfde. Hetgeen die jongeling gekunnen heeft, kunnen wij ook. Willen wij dus nimmer bezwijken in de bekoringen tegen de schoone deugd, nemen wij dan onder anderen onze toevlucht tol; Maria en bidden wij dikwijls de Kugelsche groetenis. Amen.
TWEE - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DE ENGELSCHE GROETEN IS
EERSTE DEEL
Ave, gratia pienn, Dominus fecutn. Wees gegroet, vol van genade, de Heer is met u. (i.uc, ï, 28.)
INHOUD.
VOORREDE.
Het Wees gegroet is een dei waardigste gebeden, hetgeen blijkt uit deszelfs opstellers en inhoud. De opstellers zijn de Engel Gabriel, Elisabeth, de nicht van Maria en onze Moeder de H. Kerk. Den inhoud zullen wij thans verder uiteenzetten. Wat beteekenen de woorden;
VERDEKLING.
I. Wees gegroet?
II. Vol van genade?
111. De Heer is niet u?
— 208 —
De Engel Gabriel groet Maria minzaam en vernedert zich voor haar. Hij wist dat Maria hem ver overtrof. Wij moeten den Engel Gabriël navolgen, zoo dikwijls wij het Wees gegroet bidden.
II.
Maria wordt vol van genade genoemd, omdat zij overvloediger genade van God ontvangen heeft dan eenig ander schepsel, welke zij nooit door eene zonde verloren, maar altijd vermeerderd beeft. Zij was vol van genade naar ziel en lichaam; ja, zoo vol dat van die volheid uitging over het gansche menschdom.
III.
God is meer met Maria dan met andere menschen:
1° Omdat Hij haar altijd op eene bijzondere wijze bewaard en geholpen beeft;
2quot; Omdat de H. Drievuldigheid in haar gewrocht heeft het werk der Menschwording van Christus;
3° Omdat zij nu in de glorie God de allernaaste is.
SLUITREDE.
De naam Maria beteekent Meesteres, Hoop en Ster der zee. Die Ster moeten wij in het oog houden, willen wij eenmaal behouden in de haven des hemels aanlanden.
TWEE - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DE ENGELSCHE GROETEN IS
EERSTE DEEL
Ave, gratia plena, Dominus tecum.
Wees gegroet, vol van genade, de lieer is met u. (Luc. i, as.)
VOORRKDK.
T)e waardigheid van de Engelsche groetenis, B. B., schijnt vooral uit, als wij overwegen wie dat gebed gemaakt heeft en wat het bevat. Gabriël, gelijk wij gezien hebben, heeft het eerste doel uitgesproken, toen hij naar Nazareth gezonden werd, om Maria te boodschappen dat zij verkoren was de Moeder van God te worden.
Elisabeth sprak het tweede deel uit ter gelegenheid van het bezoek, dat Maria hare nicht bracht, en het derde deel heeft er onze Moeder de H. Kerk bijgevoegd, onder anderen, om Maria\'s grootste waardigheid, namelijk, haar goddelijk moederschap, tegen den aartsketter Nestorius te verdedigen.
\'t Is dus een Engel en wel een Aartsengel, een prins van het hemelsch hof; \'t is eeno Heilige, vol van den 11. Geest; \'t is onze Moeder de H. Kerk, die te zamen het Wees gegroet gemaakt hebben; zij zijn er de opstellers van. Geen wonder dus dat de Engelsche groetenis zoo waardig is. Wat den oorsprong van het Wees gegroet aangaat, daarover hebben wij laatsteden genoeg gesproken, liet tweede punt, namelijk, den inhoud ervan, hebben wij slechts aangeraakt, en \'t is vandaag
Geloofs-en Zedenleer. \'2^ Deel. M.
— 210 —
dat wij hem verder gaan verklaren. Het eerste deel van het Wees gegroet luidt als volgt; Wees gegroet, Maria, ooi van genade, de Heer is met u. Wat beteekenen dus de woorden:
I. Wees gegroet?
II. Vol van genade?
111. De Heer is met u?
1.
De Engel Gabriel, B. B., groet vooreerst Maria; hij vernedert zich voor haar: wij allen moeten hem daarin navolgen. Ja, Gabriel is een Engel, en door zijne engelachtige natuur, overtreft hij den mensch ver in waardigheid; hij is ruimschoots met genaden bedeeld; hij is een hoveling des Allerhoogsten en houdt wacht bij zijnen troon. En ziet, B. B., Gabriël groet Maria minzaam. Ave! zegt hij: Wees gegroet! Vol eerbied buigt hij zijn hoofd voor die nederige Maagd. Van waar toch die diepe eerbied door een Engel Maria betoond? Wat mag er de reden van zijn? O, B. B., Gabriël weet dat die eenvoudige Maagd van Nazareth in genade, in gemeenschappelijken omgang met God en in waardigheid, niet alleen boven hem, maar zelfs boven alle Engelen uitmunt; hij weet zeer wel dat hij, al is hij ook Engel, wat natuur, genade en ambt aangaat, met Maria niet kan vergeleken worden, en daarom vernedert liij zich, en te recht, voor dat wonder van Gods oneindige almacht, wijsheid en liefde.
Bijaldien een Engel zoo handelt, wat moeten wij ellendige schepselen dan niet doen, wij, die ter oorzake van de erfzonde van Gods genade beroofd, ver van Hem afgedwaald, met het vloekmerk der zonde op ons voorhoold op de aarde verschenen? Vernederen wij ons dus naar het voorbeeld van den Engel en groeten wij Maria vol eerbied, zeggende: Wees gegroet, Maria! Ave, Maria!
.
Daarenboven, wij hebben Maria\'s tusschenkomst en voorspraak zoo zeer noodig om Gods genade te bekomen, ten einde onze ziel zalig te maken. Vereeren wij dus de allerheiligste Maagd, zegt de H. Bernardus, uit al de kracht van ons gemoed, met de vurigste toegenegenheid des harten; want \'t is de wil van God, voegt hij er bij, dat wij alles door Maria bekomen. Ja, zoeken wij de genade die wij noodig hebben, maar zoeken wij ze door Maria, zij is in zekeren zin eene bron van genade. Welgepast-noemt haar dus de Engel vol van genade: Gratia plena.
II.
Maria wordt genoemd vol van genade, omdat zij meer genaden ontvangen heeft dan eenig ander schepsel, welke zij nooit door eene zonde verloren ot verminderd heelt, maar altijd bewaard en vermeerderd.
Maria was vol van genade naar ziel en naar lichaam.
Maria\'s ziel werd terstond bij hare schepping zoo zeer door de genade ingenomen, dat zij zuiver was en altoos zuiver bleef. Vrij van de erfzonde, bewaarde zij hare ziel ook nog vrij van alle, zelfs van de kleinste dadelijke zonde. Hare vlekkelooze ziel werd daarenboven met de schoonste deugden versierd. De volle maat van genade in hare zuivere ziel Uitgestort, maakte haar voor den hoogsten trap van heiligheid vatbaar. Vandaar dat Maria alle mogelijke deugden, en elke in de hoogste volmaaktheid beoefend heeft. Zij bleef daarenboven ook niet verstoken van de gunsten, die hoofdzakelijk ten voordeele van anderen geschonken worden, zooals, bijv., de kennis der talen, het doorgronden der H. Schrift, de gave van voorzeggingen te doen en de macht om wonderen te verrichten. Doch de ziel van Maria was zoo vol van genade, dat zij overstroomde en door een uitwerksel, bij de Heiligen onbekend, uitgoot over haar maagdelijk lichaam. Ja, Maria was ook vol van genade naar het lichaam. Vandaar dat er in Maria geen strijd bestond van
— 212 —
liet vleescli tegen den geest, strijd, waarover de. Apostel Paulus zoo zeer klaagde, en dien eenieder onzer in zich gevoelt. De ledematen van Maria\'s lichaam werden door dien genadestroom zoo zeer veredeld en geheiligd, dat zij verdienden een lichaam mede te deelen aan den Zoon des Allerhoogsten, en den God-mensch te voeden en te verzorgen.
De rijkdom van Maria\'s genadeschat overtreft dien der Heiligen en Engelen nog onder een ander opzicht. Stephanus wordt vol van genade genoemd. De Engelen zijn ook vol van genade; doch, B. B., hoe vol zij ook zijn of niet, die volheid is ontoereikend om tot het menschdom over te gaan en de zaligheid der wereld te doen ontstaan. Zoo iets, B. B., bestaat alleen in Christus en door Christus in Maria. Maria kan dus met recht zeggen: Komt allen tot mij om vervuld te worden van mijne geschenken. Allen, zegt de H. Bernardus, deelen in den overvloed harer genaden.
De gevangene bekomt van haar de vrijheid, de blinde het gezicht, de zieke de genezing, de bedroefde den troost, de zondaar de vergiffenis, de rechtvaardige talrijke gunsten. Geen wonder ook, B. B., dat Maria zoovol van genade wordt genoemd; immers, de Heer was op eene bijzondere wijze met haar: Dominus tecum.
111.
Is God dan meer met Maria dan met andere menschen? Ja, B. B.; vooreerst, omdat God haar altijd op eene bijzondere wijze bewaard en geholpen heeft; vervolgens, omdat de H. Drievuldigheid in haar bewerkt heeft de menschwprding van Christus en eindelijk, omdat zij nu in glorie God de allernaaste is.
God, B. B., is o]) verschillende manieren met iemand:
1° Door zijne kennis, zijne almacht en zijn wezen;
2° Door zijne genade;
3° Door zijne menschwording;
4° Door zijne glorie.
— 213 —
God is met al zijne schepselen door zijne alomvattende kennis; alles ligt Moot en open voor zijne oogen; door zijne almacht, waarmede Hij al het geschapene regeert ea bestuurt; door zijn wezen, want in Hem leven wij, bewegen wij ons en bestaan wij. Zoo ook, maar op eene bijzondere wijze, was God met Maria. Hij kende haar en schepte een bijzondei welbehagen in hare heiligheid; Hij zorgde voor Maria door haar zuiver te bewaren van alle zonden, van de erfzonde en van alle, zelfs van de kleinste dadelijke zonde; door haar den H. Joseph tot bruidegom te geven, die haar vergezellen zoude naar Kgypte; door in persoon tijdens zijn leven haar bij te staan en door haar bij zijn sterven den H. Joannes te schenken, die Hem vervangen en voor haar zorgen zou. \'t Was voorzeker in God dat Maria meer dan eenig ander schepsel leefde, zich bewoog en bestond.
God is door zijne genade met den rechtvaardige als met het voorwerp zijner liefde, doch bijzonder niet Maria. Hij was met Maria bijzonder door zijne heiligmakende genade; geen heilige heeft ooit een schat van heiligmakende genade ontvangen gelijk Maria, dien zij immer vermeerderde, zoodat niemand haar in heiligheid evenaarde; met zijne dadelijke genade, dan welke er nooit iemand overvloediger ontvangen heeft, en waaraan nooit iemand zoo trouw beantwoord heelt als Maria. God was daarmede in de vermogens barer ziel, in haar verstand om het immer in kennis te doen toenemen, in haar geheugen om het onafgebroken aan God te doen denken, in haren wil om hem van liefde tot God en den naaste steeds meer en meer te doen branden. Hij was met haar maagdelijk lichaam om het te veredelen en tot zijn heiligdom voor te bereiden.
God is door zijne menschwording met Maria en met Maria alleen, d. w. z., de H. Drievuldigheid, God de Vader, God de Zoon en God de H. Geest, heeft Maria alleen verkoren om de Moeder van Christus te worden; Zij heeft Maria alleen door
het wonder der menschwording in haar te voltrekken, waarlijk Moeder van Christus gemaakt.
Eindelijk is God nog met zijne Engelen en Heiligen door zijne glorie; doch wijl Maria alle Engelen en Heiligen in heiligheid en waardigheid te boven gaat, daarom overtreft zij hen ook in glorie en is zij thans, als koningin van hemel en aarde boven Engelen en Heiligen verbeven, God de allernaaste in den hemel.
\'t Is opmerkenswaardig, R. B., de Engel zegt: Dorninns lecurn: De Heer met u, zonder tijdsbepaling: hij zegt, bijv., niet, de Heer was met u, is of zal met u zijn; neen, maar eenvoudig: De Heer met u; als wilde hij zeggen: De Heer, voor wien geen verleden of geene toekomst bestaat, is bestendig met u. Alvorens de tijd begonnen was, had God de Heer reeds eene voorliefde voor u; Hij had u reeds tot de grootste heilig- en waardigheid bestemd; nu is Hij op eene bijzondere wijze door zijne genade met u, om op uwe toestemming het wonder der wonderen ia u te voltrekken, om uw Zoon te worden en om u later op te voeren in \'t rijk zijner glorie en daar aan zijne zijde te plaatsen. God dus, B. B., is met geen enkel schepsel, gelijk gij ziet, zooals Hij is met Maria.
SLUITREDE.
Ten slotte wil ik nog een woordje zeggen over den naam van Maria, dien onze Moeder de H. Kerk bij de Engelsche groetenis gevoegd heeft. Die naam, bestemd om door alle geslachten aangeroepen te worden, werd door een lïngel aan de ouders van Maria bekend gemaakt.
Hij is vol beteekenis. Vooreerst beteekent hij Meesteres. Zoo Christus onze Heer en Meester is, dan wordt Maria, zegt de H. Athanasius, te recht onze Meesteres genoemd. Dien naam ontving zij reeds in het begin der Kerk. De Apostelen noemden Maria hunne Meesteres.
Maria beleekent ook Hoop. Onze Moeder tie H. Kerk noemt haar onze Hoop; Spes nostra. Eenige M. Vaders erkennen Maria voor onze eenige Hoop naast God.
Eindelijk beteekent Maria Ster der zee. Maria ster der zee! Maris Stella! Wat beteekenen die woorden? Wat is eene schitterende ster voor den zeeman die op den onstuimigen oceaan rondzwerft? Wel, die ster is zijne eenige hoop. Onafgebroken iieel\'t hij er zijn oog op gevestigd. Hij weet, dat zoo hij die ster komt te verliezen, zijn schip op de een of andere zandbank geworpen, tegen de een of andere klip verbrijzeld en door de zee ingezwolgen zal worden; dat hij integendeel, zoo hij die ster volgt, behouden in de haven zal aanlanden. En wat zijn wij, li. B., hier op aarde? Arme zeelieden of schepelingen, die telkens gevaar loopen van op eene zandbank geworpen, tegen eene klip verbrijzeld, door de opgezweepte golven verslonden te worden. Ja, do wereld is niets anders dan eene onstuimige zee vol zandbanken, klippen en dreigende golven, d. i., vol gevaren en gelegenheden van zonden. Wij arme schepselen zijn die zeelieden of schepelingen; zoo wij onze oogen niet op de Ster der zee, d. i., op Maria gevestigd houden, dan lijden wij schipbreuk en gaan wij zeker verloren; doch zoo wij die Ster goed in \'t oog houden en ons door Maria laten geleiden, wij zijn zeker van eenmaal behouden aan te landen in de haven van liet hemelsch vaderland. Amen.
DRIE - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DE ENGELSCHE GROETENIS
TWEEDE DEEL
* Henedicta tu in mulienhus d benodictus
fruetus ventris tui.
Gezegend zijt gij boven alle vrouwen en gezegend is de vrucht uws liohaams,.
(LüC. I, 1*2j)
INHOUD.
VOORREDE.
Gabriël groette Maria minzaam; hij vernederde zich voor haar; hij wist dat Maria vol van genade was. Geen wonder, want de Heer was op eene bijzondere wijze met Maria. De Engel gaat voort met Maria te verheffen: Gezegend zijt gij boven alle vrouwen. Elisabeth herhaalt de woorden van den Engel en voegt er bij; En gezegend is de vrucht uws lichaams.
VERDEELING.
I. Waarom is Maria gezegend boven alle vrouwen?
H. Wat beteekenen de woorden: En gezegend is de vrucht uws lichaams?
— 217 —
I.
Maria is gezegend boven alle vrouwen:
1° Omdat zij onder alle vrouwen verkoren is om de Moeder van God te zijn;
2° Omdat zij is geweest moeder en tevens maagd gebleven;
3° Omdat zij gebaard heeft zonder pijn of smart;
4° Omdat zij in glorie alle vrouwen te boven gaat.
II.
Elisabeth wil dat wij eene tegenstelling maken tusschen de noodlottige vrucht van het aardsch paradijs en de gezegende vrucht van Maria.
Eva meende iets grootsch te worden en zij werd verlaagd. Zoo gaat het ook met den niensch, die zich verheit. De rechtvaardige wordt verheven evenals Maria, die tot de grootste waardigheid verheven is.
Eva meende dat de vrucht aangenaam zoude zijn en zij vond niets dan bitterheid. Zoo gaat het ook met den zondaar. De rechtvaardige vindt zijn genoegen in God, evenals Maria.
De verboden vrucht was enkel uitwendig op liet oog schoon en goed, en Eva verloor er hare ware, inwendige schoonheid en haar geluk door. Zoo gaat het ook met den zondaar; doch de rechtvaardige vindt in God de ware schoonheid en zijn geluk, evenals Maria.
SLUITREDE,
De naam Jesus is van hemelschen oorsprong; Hij beteekent Zaligmaker. Die naam verlicht, versterkt en zallt. Men moet den naam Jesus met eerbiedigheid en betrouwen aanroepen.
— 218 —
DRIE - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DE ENGELSCHE GROETENIS
TWEEDK DEEL
Jienedicta tu in mvMcrütus et benedictus fruclns ventris tui.
Gezegend zij t gij boven alle vrouwen on gezegend is de vrucht uws liohaums.
(Luc. i, .12.)
VOORREDE.
De Engel Gabriel groette Maria, gelijk wij laatsleden gezien hebben, minzaam; hij vernederde zich diep voor die ootmoedige Maagd. Waarom? Omdat Gabriël Maria kende; hij wist dat zij vol van genade was; namelijk, dat zij meer genaden van God ontvangen had dan eenig ander schepsel, en dat zij die genaden nooit door eene zonde verloren of verminderd, maar altoos bewaard en door hare deugden en goede werken vermeerderd had. Geen wonder dat Maria zoo vol van genaden was. Immers, God was op eene bijzondere wijze met haar. Van eeuwigheid bestemd om de Moeder van zijn eenigen Zoon te worden, bewaarde Hij haar vrij van de erfzonde en alle andere zonden; Hij hielp haar op eene bijzondere wijze ui haar streven naar deugd en heiligheid; Hij ging haar tot de grootste waardigheid, tot die van Moeder van God verheffen, tot dat Mij haar eindelijk boven alle Engelen en Heiligen zoude verheffen in den hemel.
De Engel gaat voort met Maria te verhellen. Gezegend zijt gij, zegt hij, boven alle vrouwen: Benedicta tu in mulict ihus. Elisabeth, Maria\'s nicht, herhaalt die woorden en voegt er bij:
Kn gezegend is de vrucht uws licliaams: Et benedid/us fruclus ventris tui. Het tweede deel van het Wees gegroet luidt dus als volgt: Gezegend zijt gij hoven alle vrouwen, en gezegend is de vrucht uws lichaams, Jesus. Leggen wij vandaag iu \'t kort het tweede deel der Engelsche groetenis uit.
I. Waarom wordt Maria gezegend genoemd boven alle vrouwen?
II. Wat beteekenen (Ie woorden: Gezegend is de vrucht uws lichaams?
I.
Waarom wordt Maria gezegend genoemd boven alle vrouwen ?
Vooreerst, omdat zij onder alle anderen verkoren is om de Moeder Gods te zijn; vervolgens, omdat zij is geweest moeder en tevens maagd gebleven; ten derde, omdat zij gebaard heeft zonder pijn ot\' smart, en eindelijk, omdat zij iu glorie alle vrouwen te boven gaat.
Nooit. B. B., is er eene vrouw geweest, nooit zal er eene vrouw komen, zoo gezegend, zoo begunstigd als Maria. Vele dochters, zegt de H. Schrift, van Maria sprekende, vele dochters hebben rijkdommen verzameld, maar gij hebt ze allen overtroffen: Th supergressa es universas. (i)
Doch. B. B., zien wij een weinig meer van nabij den zegen van Maria boven alle vrouwen.
Tijdens de boodschap des Engels overmeesterde, om mij zoo uit te drukken, een vurig verlangen, eene brandende begeerte de joodsche familiën. Elke familie verlangde niets zoo zeer dan den Messias in zich te zien geboren worden. Doch bij wien kon ooit de gedachte opkomen dat die zegen, dat geluk eene eenvoudige, schier onbekende maagd zoude te beurt vallen? Moest men niet eerder aan iets grootsch in de wereld denken.
(n Prov. xxxi, ^9.
bijv., aan eene keizers of konings dochter? Ziedaar hoe de wereld, hoe de mensch redeneert; maar de hemel, God redeneert anders. De Messias, de Zooti des Allerlioogsten, moest uit eene vlekkeiooze Maagd geboren worden. Welnu, sedert den val van Adam en Eva weegt er een verschrikkelijke vloek op gansch liet menschdom, vloek die blijft en overgaat van de ouders op de kinderen, namelijk, de vloek der zonde; Maria, en zij alleen is uitgenomen. Reeds in het begin, kort na de schepping wordt zij ons voorgesteld als bestemd om het doemvonnis te herroepen. Ik zal vijandschap stellen tusschen u en de vrouw, sprak God tot liet serpent, tusschen uw en haar zaad, zij zal u den kop verpletten: Ipsa conteret caput tuum. En hoe zoude Maria liet lielsch serpent den kop verpletten? Met haren vlekkeloozen voet en door Jesus-Christus den Zoon Gods, tot wiens Moeder zij verkoren was.
Moeder van Jesus-Christus, den Zoon Gods, is Maria tevens Maagd gebleven. Ecce virgo concipiet et pariet [ilium et vocabitur nomen ejus Emmanuel, riep de Profeet Isaias vol verwondering uit, toen hij Maria in de toekomst aanschouwde: Ziet eene Maagd zal ontvangen en een zoon baren, en zijn naam zal Emmanuel, d. i.. God met ons genoemd worden. Maria dus heeft nimmer haren maagdom verloren, wonder dat Maria, en Maria alleen is te beurt gevallen. Maagd voor —tijdens—en na de geboorte van Jesus haren goddelijken Zoon, is zij immer Maagd gebleven, en van daar dat wij haar Moedermaagd noemen.
Vrij van erf - en dadelijke zonde bleef\' Maria ook vrij van de straffen der zonde. Zij bleef\' nog vrij van de pijnen en smarten die eene moeder te lijden heeft; van de gevaren die zoo menige moeder op den boord des grafs brengen, ja er zelfs in neder-werpen zonder medelijden met het pasgeboren kind.
Het doodvonnis is ook nimmer over Maria uitgesproken, zij bleef hare geestvermogens en lichaamskrachten altoos behouden; hare geestvermogens verminderden niet, hare lichaamskrachten
— \'221 —
namen niet af gelijk de onze, Maria wel is waar is gestorven, doch niet uit gebrek aan krachten, maar door overmaat van liefde tot Jesus haren Zoon, en haar maagdelijk lichaam, vrij van zonde en van de begeerlijkheid, moest ook nog vrij zijn van den verslindenden worm des grafs. Opgevoerd met ziel en lichaam ten hemel gaat zij thans, niet alleen alle vrouwen, maar zelfs alle Engelen en Heiligen in glorie te boven.
Geen wonder dus zoo de H. Geest de schoone woorden van den Engel Gabriel: Gezegend zijt gij boven alle vrouwen, Elisabeth ook ingaf, die er bijvoegt: En gezegend is de vrucht nws lichaams: El benedictus fructus ventris tui. Geen wonder dat onze Moeder de H. Kerk de woorden van den Engel en van Elisabeth bij elkander heeft gevoegd om er een altijd-durenden lofzang voor Maria van te maken, want de lof des Zoons kaatst terug op de Moeder.
II.
Wat beteekenen de woorden: En gezegend is de vrucht nws lichaams? Zonderlinge zaak, en waaraan gij misschien nog nooit gedacht hebt. Elisabeth zegt niet: Gezegend is n\\v Zoon of uw kind; maar: Gezegend is de vrucht nws lichaams. Waarom? Denkt gij dat zij toevallig zoo spreekt? Volstrekt niet, want Elisabeth was vervuld van den H. Geest; doch door die woorden doet zij ons aan eene andere vrucht, namelijk, aan de vrucht van het aardsch paradijs denken, en zij wil dat wij eene tegenstelling maken tusschen die noodlottige vrucht en de gezegende vrucht, van welke hier spraak is. Die tegenstelling is treffend.
Eva, B. 1!., is de eerste van zooveel ongelukkige zondaren geweest, die een geluk zoeken waar het niet te vinden is, en dat voor de rechtvaardigen alleen is weggelegd.
Eva dacht dat zij iets grootsch zoude worden door van do vrucht van den boom der kennis van goed en kwaad te eten.
ii\', ir
1\'. i |
li j ;||i l\'quot; I
De duivel, de vader der leugen, had het haar wijs gemaakt: Gij zult niet sterven, maar aan God gelijk zijn, sprak de duivel; doch in plaats van zich tot God te verheffen en Hem gelijk te worden, valt zij in een afgrond van verlaging.
Zoo gaat het ook met den zondaar. Door de zonde, bijv., door de zonde van hoovaardigheid verlaagt hij zich. Toen Nabuchodonozor zich verhoovaardigde werd hij aan een beest gelijk. De rechtvaardige, de ootmoedige daarentegen wordt hoog verheven; met Christus vereenigd wordt hij als het, ware vergoddelijkt, hij wordt de goddelijke natuur deelachtig, zegt de Apostel Petrus: Divince consortes naturos. (i) En Maria dan? Hoe hemelhoog werd zij niet verheven door Jesus haren Zoon? Zij immers werd tot de grootste waardigheid verheven, namelijk, tot de waardigheid van Moeder Gods.
Eva dacht dat de vrucht van den boom der kennis van goed en kwaad aangenaam van smaak zijn moest, en wat vond zij? Helaas! in plaats van een aangenamen smaak vond zij niets dan wrange bitterheid; ontelbare rampen en pijnen, ja zelfs de dood werden haar aandeel.
Zoo gaat het ook met den zondaar. De zondaar zoekt vermaak en voldoening in de zonde, en hij vindt er niets in dan bitteren nasmaak en eindelijk den dood. Welk een zoet genoegen vindt daarentegen de rechtvaardige in God niet? Smaakt en ziet, raag hij met den Profeet uitroepen, hoe zoet de Heer is! Guslate et videte quam suavis est Dominus. Welk een heerlijk leven vindt hij niet in het onsterfelijk voedsel, dat Jesus-Christus hem aanbiedt in de H. Communie? Die mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, zegt Jesus, blijft in Mij en Ik in hem; hij leeft voor Mij; in eeuwigheid zal hij niet sterven: TSon morietur in aiternum. (2) Wellv een zoet genoegen, welk een hemelsch leven vond Maria dan niet in het bezit van haren teergeliefden Zoon! Wie kan het begrijpen?
(1) II, PlïTR. I, 4. (2) JOAN, VI, 57.
Do vrucht van den boom der kennis van goed en kwaad, dio Eva bekoorde en waarvan zij tegen het gebod van God at, was schoon en goed, maar enkel uitwendig en in liet oog. Eva door het gebod van God te overtreden verloor hare ware schoonheid; zij verloor door van de verboden vrucht te eten haar tijdelijk en eeuwig geluk.
Zoo gaat het ook met den zondaar. Door de geboden te overtreden en door te zondigen verliest hij alle ware bovennatuurlijke schoonheid, de heiligmakende genade, het sieraad zijner ziel, en door de schijngoederen dezer wereld na te jagen verliest hij de ware en bestendige goederen des hemels. De rechtvaardige daarentegen, door de heiligmakende genade met Christus vereenigd, is schoon in de oogen van God, en door zich met Christus vereenigd te houden vindt hij reeds in Hem zijn tijdelijk en zal iiij eenmaal in Hem zijn eeuwig geluk vinden. Ook Maria vond in Jesus haren Zoon den schoonsten van de kinderen der menschen, wiens volmaaktheden de Engelen verrukken; zij vond in Hem den Zoon Gods, in wiens bezit zij gedurende haar sterfelijk leven reeds zoo gelukkig en thans voor eeuwig onuitsprekelijk gelukkig is in den hemel.
Hetgeen wij dus verlangen, zegt de 11. Thomas, zoeken wij het in de vrucht van de allerheiligste Maagd Maria, in Jesus haren goddelijken Zoon. Die vrucht wordt vol zegen verklaard door God, door de Engelen en door de menschen. Die zegen ging eerst over op de 11. Maagd; hij zal ook op ons overgaan, mits wij ons dien zegen waardig maken; ja, dan zal Maria ons eenmaal na dit ballingschap Jesus de gezegende vrucht van
haren school toonen in den hemel.
•
SLUITREDE.
Alvorens te eindigen, B. B., moet ik nog een woordje zeggen over den Zoeten Naam Jesus, dien onze Moeder de H. Kerk erbij gevoegd heeft. Die Naam is van hemelschen oorsprong.
224
T)e Engel Gabriël zeide Maria ter gelegenheid der boodschap, niet alleen hoe het geheim der menschwording in haar zoude A\'oltrokken, maar hij voegde er ook bij hoe haar Zoon moest genoemd worden: Gij zult zijn naam Jesus noemen, zeido de Engel. De reden waarom het goddelijk kind Jesus moest genoemd worden is, omdat Hij zijn volk van zijne zonden zoude verlossen.
Jesus beteekent Zaligmaker. Ja, B. B., Jesus de Zoon van Maria is onze eenige Zaligmaker, buiten Hem is er geene zaligheid mogelijk.
De H. Bernardus zegt dat de Naam Jesus gelijk is aan de olie. Evenals de olie verlicht, versterkt en zalft, zoo ook verlicht, versterkt en zalft de Naam Jesus. Hij verlicht, B. B. Is het niet door de verkondiging van dien Naam dat de gansche wereld, in de duisternissen en in de schaduw des doods neergezeten, tot het ware licht, tot het geloof gekomen is? Wanneer wij dus in twijfel zijn,- niet weten wat aanvangen, roepen wij dan den H. Naam Jesus aan.
De H. Naam Jesus versterkt. Wij zijn zwak in den strijd tegen de vijanden onzer zaligheid. Waarom roepen wij dan den H. Naam Jesus niet aan, die zoo verschrikkelijk is voor de duivelen?
De H. Naam Jesus zalft. Ja, B. 1!., hij stort een verkwikkenden balsem uit over onze wonden. Hoe dikwijls gebeurt het niet dat men bedroefd is? Waarom dan onze toevlucht niet genomen tot den H. Naam Jesus: Roept Mij aan in uwe wederwaardigheden, zegt Jesus, en Ik zal er u uit verlossen.
De Zoete Naam Jesus is honig in den mond, zegt dezelfde H. Bernardus: Mel in ore; hij is een aangename klank in het oor: In anre rnelos, een jubel in het hart: In corcle jubüus. Roepen wij dus dikwijls dieft H. Naam met betrouwen aan; spreken wij hem altoos met eerbied uit, en wij zullen de waarheid van dien Naam ondervinden, d. L, Jesus zal reeds onze Zaligmaker zijn in dit leven, doch vooral hiernamaals. Amen.
VIER - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DE ENGELSCHE GROETENIS
DERDE DEEL
Sancta Maria, Mater Vei, ora pro nobis. Heilige Maria, Moeder (iods, bid voor ons.
(Sal. Ano.)
INHOUD.
VOORREDE.
Maria 1« gezegend boven alle vrouwen. De vrucht van haren schoot is ook gezegend; daardoor is de zaligheid der wereld ontstaan. Onze Moeder de H. Kerk, die onze zwakheid kent, leert ons Maria bidden, nu en in het uur van onzen dood.
VERDEELING
I. Maria is heilig en Moeder van God;
II. Wij bidden haar van ons te helpen, nu en in het uur van onzen dood.
Qeloofs - en Zbdenlgbr. 2»io Deel. 15.
— 220 —
I.
Maria is heilig, zij is altijd heilig geweest, zij heeft de heiligheid uooit verloren, zij overtreft alle Heiligen, zij komt het naaste bij den oneindig heiligen God.
Maria is de Moeder van God, wijl zij eenen Zoon ontvangen heeft, die God en mensch te zamen is; God van eeuwigheid, mensch in den tijd. De eenige Zoon des hemelschen Vaders is de Zoon van Maria geworden. Uit die waardigheid spruit hare overgroote macht voort, en daarom wil de H. Kerk dat wij onze toevlucht tot Maria nemen.
II.
Wij moeten ons eerst voor Maria vernederen; vervolgens moeten wij haar smeeken van voor ons te willen bidden, d. L, van voor ons ten beste te spreken, ons bij te staan en te verdedigen, nu gedurende dit leven en vooral in het uur van onzen dood.
i
SLUITREDE.
Geschiedenis van eenen Kanunnik regulier door Maria in het uur des doods op eene bijzondere wijze bijgestaan. Bidden wij dus het Wees gegroet dikwijls, en Maria zal ons helpen, nu en in het uur van onzen dood.
VIER - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DE ENGELSCHE GROETENIS
DEUDE DEEL
Sancta Maria, Maler Dei, ora pro nobis.
Heilige Maria, Moedoi- Gods, bid voor ons.
(Sal. Angel.)
VOORREDE
De Engel Gabriel, B. B., verklaarde dat Maria gezegend is boven alle vrouwen. Elisabeth herhaalde de woorden des Engels en voegde er bij dat de vrucht van haren schoot ook gezegend is. Maria wordt te recht gezegend genoemd boven alle vrouwen. Immers, zij alleen is verkoren om de Moeder van God te worden, en Moeder van God is zij tegelijkertijd Maagd gebleven. Zij brengt haren Zoon zonder pijn of smart ter wereld en zij gaat alle Engelen en Heiligen in glorie te boven.
De vrucht van Maria\'s schoot wordt ook gezegend genoemd en met reden. Gelijk Eva in het aardsch paradijs met de verboden vrucht den ondergang van gansch het menschdom berokkend heeft, zoo heeft Maria met dè gezegende vrucht van haren schoot de zaligheid der wereld bewerkt; ja, Jesus haar Zoon is het begin en het einde onzer zaligheid.
Onze Moeder de li. Kerk, na de heiligheid en grootheid, de waardigheid en macht van Maria beschouwd te hebben, ziet de onwaardigheid en zwakheid harer kinderen. Zij staat verbaasd over Maria, en in naam van allen en van eenieder in het bijzonder roept zij vol verwondering uit: Heilige Maria, Moeder
— 228 —
Gods, Sancta Maria, Mater Dei. Zij roept ook om hulp voor hare kinderen gedurende hun leven, en vooral in liet uur van hunnen dood: Bid voor ons zondaars, nu en in het uur van onzen dood: Om pro nobis peccatoribus, nunc et in hora mortis nostrce. Het derde deel van het Wees gegroet luidt dus als volgt: Heilige Maria, Moeder Gods, bid voor ons, zondaars, nu en in het uur van onzen dood. Amen. Leggen wij dat smeekgebed vandaag uit. Ik zeg dus:
I. Dat Maria heilig is en de Moeder van God;
II. Dat wij haar bidden van ons te helpen, nu en in het uur van onzen dood.
1.
Wat do heiligheid van Maria aangaat, B. B., daarover hebben wij reeds genoeg gesproken; onnoodig dus daarvan nog veel te zeggen. Wanneer wij Maria heilig noemen, geven wij te kennen dat zij altijd heilig geweest is, dat zij altijd in heiligheid heeft toegenomen, dat zij alle Heiligen overtreft en dat Zij het naaste bij den oneindig heiligen God komt.
Maria is altijd heilig geweest. Er zijn vele Heiligen, gelijk wij weten, doch zij zijn niet altijd heilig geweest. Waarom niet? Omdat alle menschen in staat van erfzonde geboren worden. Zij zijn dus op de een of andere wijze gezuiverd moeten worden, en sedert de instelling der H. Sacramenten worden wij allen gezuiverd in de waters des H. Doopsels. Maria behoefde niet gezuiverd of geheiligd te worden, wijl zij zonder erfzonde altijd zuiver en heilig geweest is.
Maria heeft altijd in heiligheid toegenomen. Velen, B. B., die thans heilig en zelfs in den hemel zijn, hebben hunne eerste heiligheid niet altijd bewaard. Door in doodzonde te vallen hadden zij ze verloren en zij hebben ze later, door eene ware boetvaardigheid te doen, moeten terug bekomen. Zoo iets is
— 229 —
Maria nooit overkomen, wijl zij hare heiligheid, in plaats van ze door de zonde verminderd of verloren te hebben, altijd door het beoefenen van allerlei deugden vermeerderd heeft. Maria gaat alle Heiligen en Engelen te zamen in heiligheid te boven en vandaar dat \'\'.ij Koningin der Engelen en van alle Heiligen genoemd wordt.
Daaruit volgt ook natuurlijk dat zij het naaste bij den oneindig heiligen God komt. Ik zeg bij den oneindig heiligen God. Immers, hoe heilig Maria ook zijn moge, hare heiligheid heeft altoos een einde en blijft dus op een oneiudigen afstand van de heiligheid Gods, die zonder einde of oneindig is.
Maria wordt ook Moeder Gods genoemd. Waarom? Omdat zij de Moeder van Jesus is, die waarlijk God is. De tweede persoon van de H. Drievuldigheid komt in eeuwigheid van God den Vader voort; Hij is dus de ware /0011 van God den Vader, en wijl Hij de ware Zoon vau God den Vader is, is Hij Hem in alles gelijk; Hij heeft de goddelijke natuur en is God met den Vader. Doch buiten de goddelijke natuur heeft Jesus de mensche-lijke natuur aangenomen; het Woord, d. i., de tweede persoon van de H. Drievuldigheid, is vleesch geworden, d. w. z., heeft de menschelijke natuur aangenomen, namelijk, eene ziel en een lichaam gelijk de menschen hebben. Er is dus maar een persoon in Christus, de goddelijke persoon. Die persoon heeft twee naturen, de goddelijke natuur in eeuwigheid van zijn hemelschen Vader en de menschelijke natuur in den tijd van zijne Moeder Maria. De allerheiligste Maagd heeft wel is waar de godheid niet voortgebracht, dat is duidelijk, wijl God van eeuwigheid, dus reeds vóór Maria bestond; doch dat wordt ook niet vereischt om do Moeder Gods genoemd te worden en te zijn; evenals eene moedor de ziel van haar kind niet voortbrengt — want de ziel wordt rechtstreeks van God geschapen — en toch wordt zij de moeder van het kind genoemd en is zij de moeder naar waarheid. Jesus die Christus genoemd wordt, is uit Maria geboren; doch
— 230 —
Christus is waarlijk God: Gij zijt de Christus, de Zoon van den levenden God, zeide Petrus, toen Jesus hem ondervroeg wat hem van den Zoon des menschen docht. Maria is dus niet bij toeschrijving en door aanneming van Jesus tot Zoon de Moeder van God, gelijk de H. Joseph bij toeschrijving en door aanneming van het goddelijk Kind zijn vader is; neen. B. B., maar Maria is werkelijk en in den eigenlijken zin des woords de Moeder van God. Ja, hetzelfde maagdelijk bloed vloeit in de aderen van Jesus en Maria; dezelfde adem bezielt liet; dezelfde hartkloppingen doen het rondstroomen; het leven van Maria is het leven van Jesus. Docli dit zij genoeg, want die waarheid is te duidelijk om er langer op te blijven stilstaan; zij is daarenboven in de kerkvergadering van Rphese tot geloofspunt verheven en de tegenovergestelde dwaling als ketterij gedoemd.
Door haar goddelijk moederschap, waarmede Maria den maagdom vereenigt, hetgeen een ander wonder is — want, B. B., men kan wel eene maagd vinden die tegelijkertijd martelares is, maar eene Moedermaagd, \'t is ongehoord — door haar goddelijk moederschap is Maria tot de grootste waardigheid verheven. De Heiligen staan als het ware verstomd, als zij over die waardigheid nadenken. Ik weet niet, roept de H. Augustinus uit, hoe u hoog genoeg verheffen en hoe u genoeg prijzen, want gij hebt in uwen schoot ontvangen, dien de hemelen niet kunnen omvatten. Dat alle schepselen zwijgen, roept de H. Petrus Damianus uit, dat zij van eene heilige vrees bevangen beven, en dat zij zich wel wachten hunne oogen op den glans dier groote waardigheid te slaan. Wondervol geheim, roept de H. Basilius uit, en verbeven wonder, dat niet alleen niet met woorden uitgedrukt, doch niet eens gedacht kan worden; er van spreken staat gelijk met eenen afgrond te willen pijlen. En inderdaad, B. B. Doch om u een klein denkbeeld van die waardigheid te vormen, wat is Maria wedervaren? Do hemelsche Vader had een eenigen Zoon, doch Hij heeft niet gewild dat die Zoon Hem
— 231 —
uitsluitend toebehoorde; Hij heeft Hem medegedeeld aan Maria. De onvergelijkelijke eer dus van eenen üod tot Zoon te hebben komt alleen aan God den Vader en aan Maria toe. De Zoon van God is de Zoon van Maria. Geen wonder dus zoo de H. Kerk Maria eert, haar heilig noemt als zij zegt; Heilige Maria, Sancta Maria. Zij weet dat Maria heilig bij uitstek, het allerheiligste schepsel ■ moet wezen om tot de overgroote waardigheid van Moeder Gods verheven te worden. Wijl nu de allerheiligste Maagd de Moeder van God is, hoe groot moet dan hare macht niet wezen? Ja, B. B., onze Moeder de H. Kerk weet het; zij weet dat Maria tot die glorievolle waardigheid verheven is, niet voor zich alleen, maar ook voor ons, om ons te helpen, en dat zij in hoedanigheid van Moeder Gods ons in alles kan helpen. Daarom legt zij ons de volgende woorden in den mond: Bid voor ons zondaars, nu en in het uur van onzen dood: Ora pro nobis peccatoribus, nunc et in hora mortis nostra;. Leggen wij die woorden een weinig uit.
II.
Wij allen, B. B., moeten ons vernederen. Waarom? Omdat wij zoo diep gevallen zijn. In zonde ontvangen zijn wij eerst gezuiverd moeten worden, en \'t is uit loutere genade dat wij in het H. Doopsel gezuiverd zijn. Doch hoe klein is het getal dat het kleed der onschuld, in het II. Doopsel ontvangen, ongeschonden bewaart? Na het dus door de doodzonde besmeurd te hebben, moeten wij ons op nieuw vernederen. Dat vallen en hervallen in de zonde verraadt ook onze zwakheid. Vandaar dat wij onze toevlucht nemen tot de machtige Maagd Maria en haar smeeken van voor ons te bidden, nu en in het uur van onzen dood. Wij smeeken haar dat zij voor ons bidde, d. w. z., dat zij voor ons ten beste spreke van niet in zonde te vallen, zoo wij het geluk hebben van nog niet gezondigd te hebben; ofwel, dat zij ons de genade bekome van uit de zonden op te
232
staan en niet meer te hervallen. Bid voor ons, nu, zeggen wij, d. L, gedurende dit leven, dat zoo kort van duur is en nog zoo snel voorbijgaat. Kort van duur; want wat beteekenen toch de weinige jaren die wij hier in dit tranendal moeten doorbrengen. Dat het leven snel voorbijgaat wordt eenieder maar al te goed gewaar. Gedurende dit leveu, waarin wij een hevigen strijd te leveren hebben tegen de vijanden onzer zaligheid, tegen den duivel, de wereld en het vleesch, die er onverpoosd op uit zijn om ons ongelukkig te maken; gedurende dit leven dat zoo nietig in zich zelve, zoo belangrijk is wegens de eeuwigheid die er van afhangt. Ja, B. B., denken wij er eens wel over na; van dezen korten tijd hangt de eindelooze eeuwigheid af. Zoo wij heilig leven zullen wij voor eeuwig gelukkig, zoo wij slecht leven zullen wij voor eeuwig ongelukkig zijn. En wijl de eeuwigheid vooral van het uur des doods afhangt, en de duivel op het laatste oogenblik ook nog eene laatste poging zal wagen om ons in zonde en vervolgens in den afgrond der hel te doen vallen, daarom smeeken wij de allerheiligste en machtigste Maagd Maria, dat zij bijzonder voor ons gelieve te bidden, ons gelieve bij te staan en te verdedigen in het uur van onzen dood: In hora mortis nostra;.
SI,UITREDE.
Ten slotte ga ik u eene korte geschiedenis verhalen, waarin zich de bescherming van Maria in het uur des doods levendig afteekent.
Te Reissenburg, zoo verhaalt ons de H. Alphonsus, woonde een kanunnik regulier, die zeer veel godsvrucht tot Maria had. Op het punt van te sterven ontving hij de H. Sacramenten, deed de kloosterlingen bij zich komen en bad hen van hem op het einde zijns levens niet te verlaten. Nauwelijks had hij gesproken, of ziet, eensklaps begint hij te sidderen en te beven; zijne oogen draaien rond; zijne ledematen worden met een koud zweet
overdekt. Ziet gij die duivelen niet rondom mij, zeide hij met eene bevende stem, om mij naar de hel te sleuren? Een weinig daarna riep hij uit: Mijne Brooders, roept voor mij Maria om hulp, want ik betrouw op haar, zij zal mij de overwinning doen behalen. De kloosterlingen begonnen de litanie te bidden, en toen zij gekomen waren aan de woorden; Heilige Maria, bid voor hem, zeide de zieke: Herhaalt, herhaalt nog\' den naam van Maria, want ik sta reeds voor den rechterstoel van God. Na een oogenblik stilzwijgen voegde hij er bij: Ik heb het gedaan, ik beken het; maar ik heb er ook boetvaardigheid voor gedaan. Vervolgens zich tot de allerheiligste Maagd wendende zeide hij: Maria! ik ben gered, zoo gij mij te hulp komt. De duivelen hernieuwden hunnen aanval, waartegen de zieke niets anders dan het kruisteeken en den naam van Maria stelde, dien hij aanriep. De gansche nacht verliep in dien akeligen strijd. Tegen den morgen hoorde men den zieke vol blijdschap uitroepen: Maria, mijne Meesteres, heeft voor mij vergilïenis en de eeuwige zaligheid bekomen. Hij wendde zich tot Maria, die hem uitnoodigde van haar te volgen, en hij zeide: O Koningin! ik ben geheel en al voor u, ik ben geheel en al voor u, waarna hij kalm en bedaard den geest gaf.
Ziedaar, B. B., hoe Maria hare kinderen te hulp komt en hen verdedigt vooral in hot uur van den dood.
Nemen wij dus ook dikwijls onze toevlucht tot Maria in dit leven, vooral in de bekoringen. Zeggen wij haar dan: Heilige Maria, Moeder Gods, bid voor ons zondaars. Bidden wij haar nu reeds dat zij ons gelieve bij te staan in het uur van den dood. Wellicht zullen wij dan het Wees gegroet niet meer kunnen bidden; doch zoo wij het nu doen, Maria zal het niet vergeten zijn; neen, maar zij zal ons te hulp komen, nu en in het uur van onzen dood. Amen.
VIJF - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING
OVER\' DEN ROZENKRANS
Mittebant coronas suas ante tronum. /ij legden hunne kronen voor den troon neder. (Ap. iv, ia.)
INHOUD.
VOORREDE.
Het Wees gegroet is een der waardigs to gebeden, een gebed dat Maria aangenaam is. Om het nog aangenamer te maken moet men er eenige goede werken bijvoegen, zooals vasten, bedevaarten, enz. Ook is het goed in de een of andere broederschap geschreven te zijn, bijv., van den H. Rozenkrans.
VERDEELING.
J. Wat is de H. Rozenkrans?
11. Deszei I\'s kracht.
I.
De H. Rozenkrans is eene wijze van bidden, zoo dat men vijftien maal het Onze Vader en honderd vijftig maal het Wees gegroet bidt. Dat gebed wordt Rozenkrans genoemd, omdat het
— 235 —
bestaat uit gebeden, die als zoo vele rozen zijn voor Jesus en Maria. Do roos bestaat uil drie deelen, welke de drie rozenhoedjes verbeelden. Dit gebed wordt ook kroon genoemd, bestaande uit de edelgesteenten der verdiensten van Jesus en het goud der liefde van Maria.
Er is geene kracht gelegen in de bolletjes van het Rozenhoedje, noch bijgoloovigheid in liet getal der gebeden.
II.
De Ketters keuren den H. Rozenkrans af, omdat zij Maria haten. Anderen die niet weten wat zij zijn, lachen er mede; zij zouden de godsvrucht onder de geloovigen willen uitroeien. Eenigen vinden het gebed vervelend. \'( Is vervelend voor llauwe Christenen.
De H. Kerk heeft den Rozenkrans goedgekeurd, en de Heiligste en geleerdste menschen hebben hem gebeden.
Kracht van den H. Rozenkrans bewezen door de bekeering van eenen zondaar.
SLUITREDE.
Geschiedenis van de overwinning door de Christenen op de Turken behaald.
— 236 —
VIJF - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DEN ROZENKRANS
Mütehant coronas snas ante tronum.
Zij legden hunne kronen voor den troon neder. (Ap. iv, 10.)
VOORREDE.
In onze voorgaande onderrichtingen, B. B., hebben wij over het Wees gegroet gesproken. Daaruit kunnen wij besluiten hoe waardig dat gebed is. \'t Is ook aangenaam aan Maria; zulks lijdt geen twijfel. Doch om hel nog aangenamer aan de allerheiligste Maagd te maken moei men er eenige andere goede werken ter harer eere bijvoegen, zooals vasten, bedevaarten, enz.
De bedevaarten dienen om te toonen dat wij God en zijne Heiligen hoogachten; zij zijn een krachtig middel om allerlei genaden en weldaden van God te bekomen (in om te voldoen voor onze zonden Zij dienen ook om door het aanschouwen der plaatsen, waar God of zijne Heiligen bijzonder geëerd worden, en door hei goed voorbeeld der geloovigen ons op te wekken tot godsvrucht en een christelijk leven. Doch om dat doel te bereiken moeten de bedevaarten geschieden met een goed inzicht, met godvruchtigheid en geschiktheid en zonder God Ie; vergrammen. Bijaldien die voorwaarden ontbreken doet men veel beter van geene bedevaarten te ondernemen, want in plaats van God of zijne Heiligen te eeren, onteert men hen; in plaats van de geloovigen te stichten, ergert men ben; in plaats van Gods zegen over zich af te trekken, verdient men veeleer door Hem gestraft te worden.
Is het ook goed van geschreven te zijn in de een of andere broederschap, bijv., van onze lieve Vrouw? Zeker, B, B., wijl
— 237 —
men door zijne gebeden te vereenigen Maria\'s bijstand des te beter bekomt.
Nochtans, om de voordeelen aan de broederschappen verbonden deelachtig te worden, moet men de regels of voorwaarden daartoe vereischt nakomen. Vandaag zullen wij spreken over een gebed dat Maria alleraangenaamst en ons allervoordeeligst is; dat gebed is de H. Rozenkrans.
I. Wat is de H. Rozenkrans?
II. Wat kracht heeft hij?
I.
De Rozenkrans, li. B., is niets anders dan eene wijze van bidden. Deze bestaat in eens het gebed des Heeren en tienmaal de Engelsche groetenis te bidden en die gebeden vijftienmaal te herhalen, zoodat men in het geheel vijftienmaal het gebed des Heeren en honderd vijftig maal de Engelsche groetenis bidt.
De H. Dominicus heeft den II. Rozenkrans ingesteld, gelijk hij hedendaags gebeden wordt.
Die wijze van bidden wordt Rozenkrans genoemd, omdat zij bestaat uit gebeden die God en Maria zeer aangenaam zijn, en hun als een krans van welriekende rozen worden opgedragen. Ziehier, B. B., eene aanmerking aangaande de roos.
De roos bestaat uit drie deelen: uit groene bladeren, scherpe doornen en eene bloem. Die drie deelen der roos verbeelden de drie rozenhoedjes, waaruit de rozenkrans is samengesteld.
De groene bladeren verbeelden de blijde mysteriën van het eerste rozenhoedje. Immers, welke vreugde en blijdschap heeft de komst van den Zaligmaker op aarde niet te weeg gebracht!
De scherpe doornen verbeelden de droevige mysteriën van liet tweede rozenhoedje. Wat heeft Jesus-Christus niet geleden voor al op het einde zijns levens!
— 238 —
De bloem verbeeldt de glorieuze mysteriën van het derde rozenhoedje. Jesus immers staat na zijnen dood vol luister en heerlijkheid uit het graf op, evenals eene bloem door den stormwind neergebogen, zoodra deze voorbij is, zich op nieuw vol kracht en leven verheft. Dit gebed wordt ook dikwijls bij eene kroon vergeleken.
De twaalf artikelen des geloofs zijn twaalf edelgesteenten, de vijftien Onze vaders zijn als zoovele goudblinkende sterren, en de honderd vijftig Wees gegroeten zijn als zoovele zilverblanke leliën of prachtige rozen, want Maria wordt in de H. Kerk onder de benaming van zilverblanke lelie of geheimzinnige roos gegroet.
De Rozenkrans mag verdeeld worden, en men verdeelt hem doorgaans in drie deelen, die men rozenhoedjes noemt en waarop onze paternosters gemaakt zijn.
Wij allen weten, B. B., hoe wij den Rozenkrans of het Rozenhoedje moeten bidden; doch trachten wij bet goed te doen.
Op de eerste plaats moet men zich stellen in de tegenwoordigheid van God, d. w. z., men moet zich herinneren en er wel van overtuigd zijn dat men God en zijne H. Moeder aanspreekt. Welnu, van die waarheid goed doordrongen zal men zooveel mogelijk met eerbied en aandachtigheid bidden.
Vervolgens bidt men de twaalf artikelen des geloofs, een Onze Vader en drie Wees gegroeten, welke gebeden dienen om zich tot bet bidden van den Rozenkrans of van het Rozenhoedje goed voor te bereiden.
Eindelijk bidt men vijf of vijftien tientjes, volgens dat men een Rozenhoedje of een Rozenkrans wil bidden, waarbij men tevens de voornaamste mysteriën van onzen H. Godsdienst overweegt.
Is er ook eenige kracht gelegen in de bolletjes van het Rozenhoedje? Uit hunne natuur hebben de bolletjes geene kracht en zij dienen alleen tot gedachtenis van het getal gebeden dat wij aan God of zijne Heiligen opdragen; doch in zoo ver zij gewijd zijn, hebben zij de kracht om ons van God de een of andere
— 239 —
gunst, zooals, bijv., do aflaten aan tie gewijde Paternosters gehecht, te bekomen. In het getal gebeden is ook geene bijge-loovigheid gelegen; het heeft enkel eene geestelijke beteekenis, en daarom mag het wel verminderd of vermeerderd worden.
Welke is nu die geestelijke beteekenis? Ziehier, B. B , waarin zij bestaat. Men heeft honderd vijftig Wees gegroeten gesteld om de honderd vijftig Psalmen van David te beteekenen. Die Psalmen zijn schoone gezangen, waarin de koninklijke Profeet den lof van God, van Maria en van de H. Kerk verkondigt.
Men heeft de honderd vijftig Wees gegroeten in vijftien tientjes verdeeld, om daardoor de vijftien voornaamste mysteriën van onzen H. Godsdienst te eeren, namelijk, de vijf blijde, de vijf droevige en de vijf glorieuze mysteriën, \'t Is waar, men is niet verplicht aan die mysteriën te denken, het gebed is toch goed; doch om het grootste gedeelte der aflaten te verdienen, moet men tegelijkertijd die mysteriën overwegen.
Nu kunt gij gemakkelijk begrijpen hoe waardig de Rozenkrans of het Rozenhoedje is, en welke voordeden er voor ons aan vast zijn.
Te recht vraagt dus de Catechismus:
Wat moet ons bewegen om dikwijls hel rozenhoedje le lezen? En hij antwoordt:
Ten 1, dal het beslaat uit de weerdigste gebeden: ten 2, dat men daardoor de voornaamste Mysteriën eert; ten 3, dat hel een gemakkelijk middel is om le bidden; ten t, dal men er vele aflaten door -verdienen kan.
Ziedaar, B. B., wat eigenlijk de Rozenkrans is. Nu nog eonige woorden over deszelfs kracht.
II.
Dat de Ketters den Rozenkrans afkeuren en er den spot mede drijven laat zich gemakkelijk verstaan; zij zijn de vijanden van Maria. Dat een ander soort van menschen, van welke men
— 240 —
moeielijk kan zeggen wat zij zijn, in een woord, die alles behalve goed katholiek zijn; dat die personen er mede lachen laat zich ook verstaan; zij beoogen niets anders dan de godsvrucht onder de geloovigen te doen verslappen en geheel en al uit te dooven, zoo het mogelijk ware.
Doch ziehier eene andere zaak. Men zoude soms personen kunnen aantreflen die denken en zeggen; Maar waarom zooveel Onze Vaders? Waarom zooveel Wees gegroeten? Waarom dat aanhoudend herhalen? Dat moet op de lange baan vervelen; waartoe is dat goed? B. B., ik vraag het u; Wat zijn al onze gebeden in de oogen van God zoo niet duizenden en duizenden woorden, waardoor wij Hem altijd dezelfde noodwendigheden herinneren, dezelfde betuigingen van lof en eer, van liefde en dankbaarheid herhalen? Vervelend herhalen, zegt men; doch voor wie is het vervelend? Voor God of Maria? Volstrekt niet. Wat zegt God in de H. Schrift? Vraagt en gij zult verkrijgen; klopt en men zal voor u openen. Wij moeten volharden in liet roepen en kloppen om te verkrijgen hetgeen wij verlangen. Die wijze van bidden is dus niet vervelend voor God of voor Maria. Doch wilt gij weten voor wie zij vervelend is? Zij is vervelend voor zekere (lauwe Christenen; voor personen, die zonder aandacht bidden. Ik weet wel, brave en deugdzame Christenen kunnen in het bidden van den Rozenkrans somtijds, ik zeg niet verveling, maar eene zekere dorheid gewaar worden. Dat is niet te verwonderen. De duivel weet zeer wel hoe aangenaam dat gebed aan Jesus en Maria is, welk een krachtig wapen tegen hem de Rozenkrans is, welke voordeden er voor de geloovigen aan vast zijn, en daarom zoude hij er hen afkeerig van willen maken. Laten wij ons niet bedriegen; verzetten wij ons tegen die dorheid en doen wij ons best van niet vrijwillig verstrooid te zijn, ons gebed is goed en misschien verdienstelijker dan zoo wij het met eene zekere gevoelige godsvrucht verrichtten. Bijgevolg, men mag den rozenkrans niet alleen niet verachten of afkeuren, maar zelfs niet eens minachten. De H. Kerk heeft den rozenkrans
— 241 —
goedgekeurd, zelfs eenen feestdag ingesteld. Zij heeft vele aflaten aan de broederschap van den rozenkrans verleend. Wie onzer herinnert zich niet hoe dringend het Opperhoofd der H. Kerk, zijne Heiligheid Leo XIII, liet gebed van den H. Rozenkrans heeft aanbevolen om zoo spoedig mogelijk door de machtige voorspraak van Maria de zegepraal der 11. Kerk te bekomen? Wie mag dus den Rozenkrans afkeuren! Daarenboven, de heiligste en geleerdste mensehen hebben er ons hel voorbeeld van gegeven: een II. Dominicus, een 11. Thomas, een II. Franciscus van Sales, enz. Volgen wij hen na, zonder vrees van slecht te handelen. Doch de ondervinding heeft ook zonneklaar bewezen hoe krachtig het Rozenkransgebed is. Ziehier twee geschiedenissen om u van die waarheid te overtuigen.
Ren arme zondaar, op hot punt van te sterven, viel bij de gedachte aan zijne talrijke groote zonden in wanhoop; hij wilde volstrekt niet biechten. Zoodra de II. Vincenlias zulks vernomen had haastte hij zich dien ongelukkige le bezoeken. Bij hem gekomen zeide hij; Mijn welbeminde broeder! gij weet dat Jesus-Christus voor u gestorven is, en twijfelt gij dan nog aan zijne barmhartigheid? Ach! hoe zeer beleedigt gij zijne groote liefde, die Hij u betoont. Wat antwoordde daarop die ongelukkige? B. B., iiij gaf ecu antwoord, dat misschien de duivel zelf moeite zoude gehad hebben van te vinden. Ik wil, zoo sprak hij, ik wil als een verdoemde sterven tol spijl van Christus. Mn ik, zeide de II. Vincentius, ik wil u van de verdoemenis bevrijden tot vreugde van Christus. Hij wendde zich tol de omstaanders en noodigde hlt;;n uit van te zanieu den Rozenkrans te bidden. Dat. gebed, B. 1!., bleef niet onverhoord. Maria ging weldra bewijzen geven van haar groot vermogen bij haren goddelijken Zoon. Het versteend hart van dien ongelukkige vermurwde, hij kwam tot inkeer en op het punt van in onboetvaardigheid te sterven bekeerde hij zich, sprak eene rouwmoedige biecht en stierf als een boetvaardige.
Geloofs-en Zedenleer 2«^ Deel, IC.
— 212 —
SLUITREDE.
De tweede geschiedenis, en waarmede ik eindig, is eene schitterende overwinning door de christen vloot op die der Turken behaald in het jaar 1571 den 7 October. Te dien tijde, B. B., dreigden de Turken gansch Europa te overweldigen. De halve maan scheen het kruis Ie zullen vervangen. De Christenen rustten eene oorlogsvlot tegen de Turken uit. De Paus Plus V wendde zicli onder andereu vooral tot Maria, om door hare machtige voorspraak de overwinning te bekomen. Hij gebood de kloosterlingen hunne toevlucht lot Maria ie nemen. Alle geloo-vigen volgden dat voorbeeld. Men bad vooral den rozenkrans. Den 7 October 1571 onlmoetle de christen vloot die der Turken in den zeeboezem van liepante in West-Griekenland. Nauwelijks hadden de Christenen de vloot der Turken in het gezicht, of zij riepen Maria om hulp. Zij richtten een kruis op, waarvoor zij zich eenige oogenblikken nederwierpen. Op elk schip dei\' Christenen had men een beeld van Maria geplaalsl. De Christenen, B. I!., waren veel minder iu getal dan de Turken; nochtans, zij hoopten de overwinning en stelden al hun vertrouwen op God en Maria. De Admiraal der christenvloot Don Juan van Oostenrijk beloofde eene bedevaart naar Loretle, zoo hij de overwinning behaalde. Gansch christen Kuropa was in die dagen in het gebed. Men hield processiën ter eere van Maria en bad alom den Rozenkrans. Die goede Moeder bleef dan ook niet doof voor de smeekingen barer kinderen. Neen, B. B., en ziehier wat er voorviel. De zeeslag begon. De •Christenen bemerkten weldra duidelijke teekenen van den bijstand des hemels. De wind die hun in den beginne ongunstig was, ging liggen. Men zachte wind verhief zich en dreef den rook van hel geschul der Christenen tegen de Turken. De zon hield op de Christenen met hare stralen te verblinden. Men streed vier uren lang met de grootste hardnekkigheid. Vier uren lang donderde het geschut op de vervaarlijkste wijze. De verste kusten daverden en weergalmden
dooi\' liet gebulder van liet kanon. Toen het gesehui begon te verminderen en de rookwolken te verdwijnen, zag men, zoo ver het oog kon dragen, de oppervlakte der zee mei bloed geverfd en met lijken, met zeilen en roeren, met gebroken masten en andere stukken van verbrijzelde sehepen bedekt. Van den kant der Turken sneuvelden er omtrent veertig duizend man; drie duizend vijfhonderd werden er krijgsgevangen genomen; honderd iaebtig turksehe schepen alsmede veel krijgsvoorraad vielen in de macht der Christenen; een zeventig tal schepen der Turken waren tegen de klippen verbrijzeld, in den grond geboord of door hel vuur verteerd. Weinige Turken ontkwamen bet nauwelijks door de vlucht. Op de schepen die in de handen der (quot;hristenen vielen, vond men veen-tien duizend Christene slaven, die allen in vrijheid gesteld werden. Don Juan van Oostenrijk, na de zaken geregeld te hebben, begaf zich terstond op reis om zijne beloofde bedevaart te volbrengen. Hij ging zelfs in bet hevigste van den winter naar Lorei,te om God en Maria voor de overwinning te bedanken, l\'ius deed alom dankgebeden storten, stelde den feestdag van onze lieve Vrouw der Overwinningen in en deed in de Litanie de volgende woorden plaatsen: Hulp der Christenen, hid voor ons.
Ziedaar, li. I!., twee trekken onder eene menigte uitgekozen, die het doorslaandsl,e bewijs opleveren van de kracht van den H. Rozenkrans. Twijfelen wij er niet aan, B. Ik, hetgeen de allerheiligste Maagd niet vertrouwen aangeroepen gekunnen heelt, kan zij nog; hare macht is niet verminderd. Trachten wij van onzen kanl hel middel om hare macht te doen werken Ie gebruiken, d. w. z., bidden wij met betrouwen den II. Rozenkrans; Maria zal ons helpen wi bijslaan in den nood; zij zal ons helpen en bijstaan in de bekoringen en ten slotte de overwinning op onze vijanden schenken. Amen.
ZES - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DE VEREERING EN AANROEPING DER HEILIGEN
Nimis honorati sunt amici tui, heus.
I we vrienden, o God! zijn bijzonder vereerd. (Ps. cxxxvm, n.)
INHOUD.
VOOKKKDK.
Na over het gebed in het algemeen, over het Onze Vader, het Wees gegroet en den Rozenkrans in het bijzonder gesproken te hebben, gaan wij tot do vereering en aanroeping\' der Heiligen over. Uit de leering van de vereering en aanroeping der Heiligen zal blijken dat de Ketters ons ten onrechte van afgoderij beschuldigen.
VERDEEUNG.
I. Wat leert ons de R. K. Kerk over de
vereering der Heiligen?
II. Hoe verschilt de vereering Gods van die
der Heiligen?
HL Waarop moet men vooral acht geven?
— 245 —
-r
r-
De R. K. Ivork leert dat het goed en heilzaam is de Heiligen Ie eeren én aan te roepen:
1° Te eeren. Het gezond verstand keurt die; vereering goed. De Ketters zeiven eeren groote mannen. Wat zegt de il. Schrift? Wat de Overlevering?
2° Aan te roepen. Die leering spruit voort uit de gemeenschap der Heiligen.
II.
Wij eeren God als den Oppersten Heer, do Heiligon als vrienden en dienaren van God. Wij eeren (Jod om Hem zelven, de Heiligen om hetgeen zij van God ontvangen heblien, en alzoo eeren wij God in zijne Heiligen.
Wij roepen God aan als den Oppersten lieer en de bron van alle goed, de Heiligen als voorsprekers die God met- en voor ons bidden. Gelijk men tot de vrienden des konings zijne toevlucht, neemt, zoo mag men ook tot de Heiligen zijne toevlucht nemen om iets van God te bekomen.
Hl.
Men moet vooral acht geven van de deugden der Heiligen na te volgen, zonder dat kan de vereering en aanroeping der Heiligen niet baten. Daartoe zet ons de H. Kerk vooral aan.
SIXTI\'RKDK.
\'t Is voordeelig de Heiligen te eeren, want zij zijn de vrienden van God en kunnen ons helpen door imnne voorspraak. Wij moeten eenige Heiligen bijzonder eeren, zooals onze Patronen, de Patronen van onze parochie, de Heiligen die in ons land het Evangelie verkondigd en daar geleefd hebben. Wij moeten de Heiligen bidden om eenmaal het geluk des hemels met hen te mogen deelen.
:
— 246 —
ZES - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DE VEREERING EN AANROEPING DER HEILIGEN
Nimis honorati sunt amici tui, Deus. livve vrienden, o God! zijn bijzonder vereerd. (Ts. cxxxvin, n.)
VOORREDE.
[ii onze voorgaande onclerrichtingen, ü. B,, hebben wij brecdvK . ig gehandeld over hel bijzonderste middel om van God Ie verkrijgen hetgeen wij hopen, namelijk, over het gebed; vooreerst over het gebed in \'t algemeen, vervolgens over het Onze Vader, het Weesgegroet en den Rozenkrans in het bijzonder. Thans gaan wij over tot een ander middel dat ook geschikt is om van God te verkrijgen hetgeen wij noodig hebben, namelijk, tot de vereering en aanroeping der Heiligen.
Het was den Israëliten streng verboden naast den eenen waren (toi! vreemde goden te hebben; zij inoehten geeno gesneden beelden maken om die te aanbidden. Uil dat verbod mi meenden de Ketters der zestiende eeuw ons Katholieken van afgoderij te mogen beschuldigen, omdat wij de Heiligen eeren en aanroepen, omdat wij hunne beelden en reliquiën vereeren. Dat de Ketters ons ten onrechte van afgoderij beschuldigen zal duidelijk worden uit de volgende onderrichtingen. Wij zullen eerst spreken over de vereering en aanroeping der Heiligen.
I. Wat leert ons de R. K. Kerk aangaande de
vereering en aanroeping der Heiligen?
II. Welk verschil bestaat er tusschen de vereering en
aanroeping van God (in van zijne Heiligen? lil. Waarop moet men bijzonder acht geven?
, !
T.
I),gt; K. k. Kerk loert ons, B. IS., dat hot geoorloofd en voordoelig is de Heiligen te eeren en aan te roepen.
Ziehier wat wij daarover in de geloofsbelijdenis van de kerkvergadering van Treate le/iui*. Ik houd standvastig vooi waar, zoo lezen wij daar, dat de Heiligen, die met Christus heersehen, mogen vereerd en aangeroepen worden.
De R. K. Kerk dus, die onfeilbaar is, leert dat het geoorloofd en voordeelig is de Heiligen te eeren en aan te roepen.
De R. K. Kerk leert dat het geoorloofd en voordeelig is de Heiligen te eeren. Keurt soms het gezond verstand die \\ereering af? Kenieder, !!. !gt;., die met rede en versland te werk gaat, zal goedkeuren edele en deugdzame mensehen te eeren, d. i., hun bewijzen van eerbied en hoogaehting te geven, /al men, bijv., een kind berispen, omdat het, zijne ouders; een onderdaan, omdat hij zijnen koning eert? Zoo iels zal voorzeker bij een \\erslandig man niet opkomen. Doch ziehier, wat moer is. /ij die do veieeiing der Heiligen afkeuren, vereeren andere mensehen. onder welkeer velen zijn, die alles verdienen behalve veroord te worden. Zij riehton standbeelden op voor mannen van kunst en weton-sehap; voor mannen van dapperheid, die zich voor hot vaderland verdienstelijk gemaakt hebben. Zij versieren hunne gralstoden, houden lofreden en vieren schitterende feesten. Waarom zouden wij dan de Heiligen niet mogen vereeren, die hier op aarde door het beoefenen der heldhaftigste deugden geschitterd hebben; die door leering en voorbeeld, ja door onvermoeide zorgen voor het welzijn van den evemnensch zich onsterfelijke verdiensten verworven hebben; die den heeten strijd togen de vijanden hunner zaligheid kloekmoedig tot het einde gestreden hebben en die nu beloond en gekroond staan voor den troon van Uod om in eeuwigheid met Hem te heersehen? Waarlijk, H. !gt;., do Heiligen verdienen moei dan iemand onze vereering.
it r
ü
ij
— 218 —
Doch niet alleen het gezond verstand maar ook de H. Schrift en de Overlevering leeren ons de vereering der Heiligen.
Reeds in het Oude Testament lezen wij dat mensolien, om hunne deugd en heiligheid bekend, vereerd werden. De vereering der Heiligen dagteekent ook niet van gisteren of eergisteren, gelijk zekere Ketters beweren; zij werd in het begin der II. Kerk gepleegd.
Reeds in de tweede en de derde eeuw werd de sterfdag der Martelaren pleehtig gevierd. De Christenen vergaderden om hunne grafsteden en de Priesters droegen op de overblijfsels dier glorievolle bloedgetuigen het H. Sacrilicie der Mis op.
Dwaalt de R. K. Kerk niet in de vereering der Heiligen, evenmin dwaalt zij in de aanroeping der Heiligen.
De kerkvergadering van \'[\'rente leert ons dat liet geoorloofd en voordeelig is de Heiligen aan te roepen om door hen geholpen te worden. Die leering is een noodzakelijk gevolg van de leering over de gemeenschap der Heiligen.
t Is een punt van ons geloof dat de dood de bovennatuurlijke verwantschap tusschen ons en de Heiligen niet verbreekt. Men mag er dus niet aan twijfelen of de Heiligen des hemels beminnen ons en wenschen ons alle goed toe. Ja, hunne liefde tot ons in den hemel is grooter dan zij ooit geweest is op aarde. Hoe zouden wij dan niet aannemen dat zij God voor ons bidden? De Apostel Jacobus leert ons dat liet gebed van den rechtvaardige hier op aarde reeds zooveel vermag; hoeveel te meer zal dan het gebed van de Heiligen in den hemel vermogen, waar zij aan (rods macht in zekere mate deelnemen? Zoo het afgoderij was de Heiligen aan te roepen, gelijk sommige Ketters beweren, wat zoude men dan van zooveel, ja, van alle Heiligen moeten zeggen? Wat van de Kerk van ( hristus, die ten allen lijde de Heiligen aangeroepen heeft? Men zonde de Heiligen van afgoderij moeten beschuldigen; men zoude moeten zeggen dat de Kerk van Christus in dwaling gevallen is, daar haar goddelijke Stichter nochtans
— 249 —
gezegd heeft dat de poorten der hel zijne Kerk niel zullen overweldigen. Welk eene ongerijmdheid!
\'t Is dus geoorloofd en voordeelig de Heiligen te eeren en aan te roepen, en er is geen spoor van afgoderij lu te vinden. Maar er bestaat misschien afgoderij in de wijze, waarop wij de Heiligen eeren en aanroepen? Kvenmin, B. 15., zooals uit het volgende blijken zal.
Welk verschil bestaat er tusschen de vereering van God en die van zijne Heiligen? God, H. li., eeren wij als den Opperheer, de Heiligen eeren wij niet als goden maai\' als vrienden en dienaren van den waarachtigen God.
Voorzeker, men moet de Heiligen eeren, maar nooit of nimmer mag men hun de eer bewijzen die God alleen toekomt. Gelijk er tusschen den Schepper en het schepsel een oneindige afstand bestaat, zoo bestaat er een oneindig verschil tusschen de eer die wij den Schepper en bet schepsel bewijzen. Wij bidden wel is waar geknield of de banden te zamen de Heiligen om hunne voorspraak in te roepen, doch ons inzicht is niet hen te aanbidden. Wij laten ter eere der Heiligen hel II. Sacrificie der .Mis opdragen, maar aan God alleen wordl bet H. Sacriücie der Mis opgedragen. Wij bouwen kerken en altaren ter eere van de Heiligen, doch zij worden niet voor hen opgericht als waren zij godheden, maar voor den eenigen waren God alleen. Heeft men ooit gehoord dat er in de K. Iv. Kerk, evenals bij de Heidenen, bijzondere priesters voor de Heiligen zijn aangesteld?
God, II. B., eeren wij om Hem zeiven of om zijne oneindige volmaaktheden die Hij van zich zeiven beeft; de Heiligen eeren wij om de genaden en voorrechten die zij van God ontvangen hebben, en vandaar dat wij God in zijne Heiligen eeren. Ja, de vereering der Heiligen strekt God tot eer. Wij erkennen dat
— 250 —
God zijne dienaren en vrienden met genaden en voorrechten verrijkt heeft- Immers, God is de eenige bron van heiligheid; de Heiligen zijn door de genade Gods hetgeen zij zijn, d. L, vereerenswaardig. Door de Heiligen te eeren zoeken wij God te eeren. Ziehier eene gelijkenis tot bewijs van hetgeen ik kom te zeggen. Gelijk men een aardschen koning meent te eeren als men zijne gezanten eert, zoo meenen wij ook God te eeren door zijne dienaren en vrienden te eeren; en zoo iets zoude niet geoorloofd zijn en God mishagen? Wie is zoo dwaas van het te gelooven? Welk verschil bestaat er tusschen de aanroeping van God en die van zijne Heiligen? Als wij God aanroepen, bekennen wij Hem te wezen onze opperbeste Heer en de fontein van alle goed, en daarom begeeren wij dat ilij ons geve heigeen wij verzoeken; doch de. Heiligen erkennen wij als vrienden en voorsprekers bij God, die met ons en voor ons bidden. God dus bidden wij dat Hij ons helpe door zijne almacht; de Heiligen bidden wij dat zij ons helpen door hunne voorspraak. Dit blijkt duidelijk uit de manier van bidden. Als wij God bidden, zeggen wij: Geef ons: Ontferm U onzer; wij verzoeken dus dat God zelf ons geve hetgeen wij vragen. Als wij de Heiligen bidden, zeggen wij; Verhrijyl voor ons: Bidt voor ons, omdat wij hunne voorspraak alleen bij God inroepen. Wat is er nu tegen dergelijke voorspraak bij God in te brengen? Zou het, bijv., niet geoorloofd zijn de voorspraak van eenen vriend die aan hel hof in aanzien staat, in te roepen om eene gunst van den koning te bekomen? Waarom zoude het dan niet geoorloofd zijn de voorspraak der Heiligen in te roepen die aan het hemelsch hof in zoo groot aanzien staan om van God den Koning der koningen, de een of andere genade te bekomen? Zoude zoo iets God kunnen mishagen? Volstrekt niet. B. I!., en hetgeen de Ketters ten opzichte van God, den Koning der koningen, afkeuren, keuren zij goed ten opzichte van eenen koning dezer aarde, om wiens gunsten te bekomen zij allerlei voorsprekers bezigen.
Niet alleen dus do vereering of aanroeping van Gods Heiligen is niet verboden, maar ook de wijze niet, waarop /ij geschiedt. Doch waarop moet men vooral acht geven in de vereering en aanroeping der Heiligen?
III.
Men moet vooral acht geven, 1!. B., van de Heiligen in hunne deugden na te volgen, om hen eenmaal te kunnen volgen naar den hemel.
De Heiligen in hunne deugden navolgen, ziedaar het beste en krachtigste middel om hen naar behooren te eeren en hunne voorspraak te bekomen, \'t Is ook het hoofddoel van onze Moedor de 11. Kerk, als zij ons de vereering en aanroeping der Hoiligon aanprijst, als zij tor core der Heiligen feesten instelt en met zoo veel luister viert.
Zij houdt niet op ons in te prenten dat hot niets betoekent
tor zaligheld de Heiligen te eeren en aan te roepen, zoo men
zich niet beijvert om hunne deugden na te volgen. Vandaar dat
zij ter navolging Heiligen voorsteU van allen leeftijd, van allo
staten en standen, jonge en oude, arme en rijke, getrouwde en
ongetrouwde, opdat eenieder ii*l hem passende voorbeeld vindo.
Ook toont zij ons hare Heiligen, niet alleen hier op aarde in
t
dil Iranendal in hunnen strijd, maar zij wijst ook op hen in den hemel, waar zij thans door luister en glans omgeven oen ongestoord geluk genieten, om ons aan te zetten van de Heiligen hier op aarde na te volgen, ten einde hun geluk in den hemel deelachtig (e worden.
SLUITREDE.
Uit hetgeen wij hier over de vereoring en aanroeping dei\' Heiligen komen te zoggen, blijkt duidelijk, hoe waar do leering van don Catechismus is. Do Catechismus vraagt:
Is het voordeelig de Heiligen le eeren en te aanroepen? En hij antwoordt:
Ja, tvant zij zijn vrienden van God en dus kunnen zij ons helpen door hunne voorspraak.
De Heiligen hebben hunnen Heer en God bemind op aarde, en zij beminnen Hem des te meer in den hemel. God heeft hen lief gehad op aarde en Hij heeft hen nog meer lief in den liemel, waar Hij hen in eeuwigheid zal loonen.
Wij moeten onze toevlucht tot do Heiligen nemen, want zij kunnen ons helpen door hunne voorspraak, d. i., door voor ons te bidden en ten boste te spreken. God immers kan de Heiligen die zijne vrienden en lievelingen zijn, niets weigeren.
De Catechismus vraagt nog:
Zijn er eenige Heiligen die wij bijzonderlijk moeien eoren en aanroepen? Kn hij antwoordt:
Ja, onze patronen, de patronen van onze parochie, de Heiligen, die in ons land het Evangelie hebben verkondigd, of daar geleefd hebben.
Buiten de 11. Maagd Maria, die wij moeten eeren boven alle Engelen en boven alle Heiligen, gelijk wij in de volgende onderrichting zullen zien, moeten wij bijzonder eeren en aanroepen onze Patronen, d. w. z., de Heiligen wier namen wij dragen en die onze bijzondere voorsprekers zijn; de Patronen van onze parochie, d. i., aan welke de parochie is toegewijd en die parochie en parochianen onder hunne bescherming nemen; de Heiligen die in ons land het évangelie verkondigd en daar geleefd hebben, die ons met woorden en werken, door hunne onderrichtingen en deugden geleerd hebben wat wij weten en doen moeten om zalig te worden. Voor alles dus wat zij voor ons gedaan hebben en nog doen, moeten wij hen op eene bijzondere wijze eeren en hun onze dankbaarheid betuigen. Wij moeten hen ook op eene bijzondere wijze aanroepen om, door hen beschermd en bijgestaan, een heilig leven te leiden, ten einde eenmaal niet hen de eeuwige vreugde des hemels die zij reeds genieten, te mogen doelen. Amen.
ZEVEN - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DE VEREERING VAN MARIA
licxe Mater lua.
Ziedaar uwe Moeder. (Joan, xix, 27.)
INHOUD.
VOORREDE.
Men mag de Heiligen eeren 011 aanroepen; quot;l is ons zelfs voordeelig. Men moet bijzonder eeren zijne Patronen, de Patronen zijner parochie, de Heiligen die in ons land liet Kvangelie verkondigd of daar geleefd hebben; doch men moet Maria eeren boven alle Heiligen en boven alle Engelen.
VERDEELING.
I. Waarom moeten wij Maria zoo eeren?
11. Hoe zullen wij ons van dien plicht kwijten?
— 254 —
Wij moeten Maria eeren boven alle Heiligen en boven alle Engelen ;
1° Wijl zij de Moeder van God is;
2quot; Wijl zij alle Heiligen en Engelen in heiligheid en waardigheid te boven gaat;
3° Wijl zij boven hen verheven is in den hemel;
4° Wijl Jesus-Christus en de Heiligen er ons het voorbeeld van gegeven hebben;
5° Wijl ons welzijn het vordert.
II.
Om ons van dien plicht jegens Maria te kwijten, moeten wij eene oprechte godsvrucht tot haar hebben. Die godsvrucht bestaat vooreerst in liet navolpen van hare deugden. Bijaldien men Maria niet navolgt of tracht na te volgen in hare deugden, dan heeft men mooi praten dat men Maria eert, \'t is eene valsche godsvrucht. Die godsvrucht kan ook vermetel zijn, bijaldien men op de bescherming van Maria bouwt, en voor het overige niets doet om zalig te worden.
SLUITREDE.
Bedriegen wij ons dus niet, doch trachten wij naar het voorbeeld der Heiligen Maria waarlijk te-eeren, eene oprechte godsvrucht tot die goede Moeder te hebben; dan zal zij ons helpen iu alles wat profijtig is; zij zal ons verlichten in de ziekten, troosten in ons uiterste, de bekoringen beletten en eindelijk ons helpen tot de eeuwige zaligheid.
ZEVEN EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DE VEREERING VAN MARIA
lïcce Mater tun.
Ziedaar uwe Moeder. (Joan, xix, a:.)
VOOUKKDE.
Laatstleden hebben .wij gezien, B. B., dat wij de Heiligen mogen eeren en aanroepen, dat liet zelfs voordeelig is. Immers, de Heiligen zijn de vrienden en lievelingen van God en in die hoedanigheid kunnen zij ons helpen door liunne voorspraak, d. i., door voor ons te bidden en ton beste te spreken.
Wij moeten bijzonder eeren en aanroepen onze Patronen, de Patronen van onze parochie, de Heiligen die in ons land het Evangelie verkondigd en daar geleetd hebben.
Nochtans, onder alle Heiligen, ja zells de Engelen er bij gerekend, schijnt vooral eene persoon uit die wij bijzonder moeten eeren en aanroepen. Die persoon, gij hebt liet reeds geraden, is de allerheiligste Maagd Maria.
De Catechismus vraagt:
Hoe moeien wij de heilige Maagd eeren? En hij antwoordt:
Wij moeten haar eeren horen alle Heiligen en hoven alle Engelen, d. w. meer dan alle Heiligen en Engelen te zamen.
Wij moeten dus Maria liet meeste eeren na haren goddel ij ken Zoon. Doch onderzoeken wij vandaag een weinig:
1. Waarom wij Maria zoo moeten eeren;
li. Hoe wij ons van dien plicht zullen kwijten.
— 256 —
I.
Wij moeten Maria eeren boven alle Heiligen en boven alle Engelen. De Catechismus vraagt:
Waarom moeten wij de heilige Maagd zoo eeren? En hij antwoordt:
Omdat zij alle Heiligen en Engelen in heiligheid en weerdig-heid te hoven gaat, en horen hen bij Gorl verheven is in den hemel.
De redenen, waarom wij Maria zoo moeten eeren, en al hare voorrechten, nemen haren oorsprong in eene waardigheid, namelijk, in de waardigheid van Moeder van God, waartoe zij verheven is. Die waardigheid dus is de eerste en voornaamste reden, waarom wij Maria moeten eeren boven alle Heiligen en boven alle Engelen.
Over het goddelijk moederschap hebben wij reeds gesproken, toen wij hebben gehandeld over de menschwording van Christus. Maria is de Moeder van God geworden, toen God de Zoon, de tweede persoon van de H. Drievuldigheid, in haren zuiveren schoot door de werking van den H. Geest aangenomen heeft de menschelijke natuur, d. L, eene ziel en een lichaam gelijk de menschen liebben. In de uitlegging van het Wees gegroet hebben wij over dat voorrecht, Maria alleen te beurt gevallen, ook gehandeld; besluiten wij nu alleen dat wij Maria, wijl zij de Moeder van God is, naast God de grootste eer schuldig zijn.
Wij moeten Maria eeren boven alle Heiligen en Engelen, wijl zij alle Heiligen en Engelen in heiligheid en waardigheid te boven gaat, d. w. z., wijl zij het heiligste en waardigste schepsel is.
Maria besluit in zich alleen alle volmaaktheden die de Heiligen en Engelen slechts gedeeltelijk zijn te beurt gevallen. Noemen wij haar niet Koningin van alle Heiligen, Koningin der Engelen\'!? \'t Is niet zonder reden dat wij die doorluchtige Moedermaagd boven alle Heiligen en Engelen verheften. God de Vader bereidde
eone Moeder voor zijn welbeminden Zoon; denkt gij dat de Almachtige zijn werk onvoltooid liet? Neen, de kleinste onvolmaaktheid, de schaduw eener onvolmaaktheid ontsierde haar niet. Integendeel, Maria was met allerlei volmaaktheden en deugden versierd. Terwijl de duivel zicli terstond bij de ontvangenis van den mensch van hem meester maakt, Maria, de dochter van God den Vader, de Moeder van Ood den Zoon, de Bruid van God den H. Geest viel niet in de klauwen van Satan. Gode zij lof en dank; \'t is geen enkel gevoelen meer, hoe redelijk en gegrond ook; \'t is een punt van ons geloof\'dat Maria onbevlekt ontvangen is. Welk eene ongerijmdheid te zeggen dat de-duivel, die onzuivere geest, al was het ook maar voor een oogenblik, in Maria zoude gewoond hebben, in Maria, die bestemd was om den Heilige der Heiligen te ontvangen.
Doch niet alleen bij hare ontvangenis, maar gansch haar leven is Maria zonder smet geweest. Vandaar dat do H. Kerk ten allen tijde haar de volgende woorden toepast: Gij zijt geheel schoon en er is geen vlek in u te vinden.
Maria, de tempel van den levenden God, was daarenboven met allerlei deugden versierd, met de goddelijke en zedelijke deugden. Van hare geboorte af maakte zij er immer voortgang in, zoodat zij waarlijk een meesterstuk was van den Allerhoogste. Bijaldien Maria dus het heiligste en volmaaktste schepsel is. Heiligen en Engelen in heiligheid en waardigheid te boven gaat, is het dan te verwonderen dat wij haar boven alle schepselen moeten eeren?
Daarenboven, Maria is reeds van nu af met ziel en lichaam boven alle Heiligen en Engelen verheven in den hemel. Wanneer wij nu in de kerken hare beelden zien, dan moeten wij ons hart en onzen geest naar Maria verheffen in den hemel. Daar is zij de Koningin van Engelen en Heiligen, \'t Kan niet minder, wijl zij de Moeder van God is. In den hemel regeert Maria over Ghernbynen en Seraphynen, over Engelen en Aartsengelen,- zij
GELOOFS-EN ZuDENLEER. 2,lc DEKL 17,
— 258 —
regeert over de Patriarchen en Profeten, over de Apostelen en Martelaren, over de Belijders en Maagden, in een woord, zij regeert over alle gelukzaligen die over Maria verwonderd staan. Ja, B. B., Jesus-Cliristus, de beminde Zoon, heeft zijne beminde Moeder in liet hemelscli hof gekroond; Hij heeft haar op een schitterenden troon aan zijne zijde geplaatst.
De drie aangehaalde redenen zullen wel voldoende zijn om ons te overtuigen dat wij Maria boven alle Heiligen en Engelen moeten eeren. Doch het voorbeeld is ook nog een prikkel voor ons.
Wat hebben de Heiligen gedaan? Een Heilige A.ugustinus en Dominicus, een Heilige Thomas en Bernardus? iu een woord, wat hebben alle Heiligen gedaan? Maria geëerd, haren lof, hare grootheid alom door woorden, werken en geschriften verkondigd. Wie denkt gij wel dat hen is voorgegaan om Maria zoo te eeren? Maar \'t is Jesus-Christus zelf geweest. Ja, Jesus-Christus, hoe groot, hoe verheven ook, heeft als eerbiedige, gehoorzame Zoon gansch zijn leven zijne Moeder geëerd.
Ons eigen welzijn is niet minder eeno krachtige reden om Maria te eeren. Waarom zijn Augustinus, Dominicus, Thomas, Bernardus, enz., waarom zijn zij zoo groote Heiligen geworden? Onder anderen, wijl zij Maria geëerd, eene ware, oprechte godsvrucht tot die goede Moeder gehad hebben. Willen wij dus ook eenmaal Heiligen worden, dan moeten wij die vereerders van Maria navolgen; wij moeten ons van onzen plicht jegens Maria kwijten, gelijk zij er zich van gekweten hebben. En hoe zullen wij dat doen? Ik kom bet zoo even te zeggen, dooi\' eene ware, oprechte godsvrucht tot Maria te hebben.
II.
Ik zeg eene ware, oprechte godsvrucht, B. B., want men geeft wel eens den naam van godsvrucht, waar hij niet te pas komt en waar men niets meer dan eene valsche of vermetele godsvrucht aantreft. Doch helderen wij die zaak een weinig op.
— 25!) —
Ik zeg dus; om Maria naar beliooren te eeren moet men eene ware, oprechte godsvrucht tot haar hebben. Deze bestaat vooral in het navolgen van hare deugden, en die navolging is tevens een krachtg middel om den bijstand van Maria te bekomen. Wilt gij dus weten of gij Maria waarlijk toegedaan zijt? Onderzoekt of gij Maria in hare deugden navolgt, bijv., in de ootmoedigheid en zuiverheid, in de gehoorzaamheid en voorzichtigheid, in de liefde tot God en den evennaaste. Zoo gij die deugden bezit, ik zeg niet in denzelfden graad, waarin Maria ze bezeten heeft; ofwel, zoo gij er u met vlijt op toelegt, dan hebt gij eene ware, oprechte godsvrucht lol Maria, dan eert gij haar naar beliooren. Eenen Heilige navolgen, zegt Lactantius, is de grootste eer die men hem bewijzen kan. Bijaldien men die deugden niet bezit en er zich volstrekt niet op toelegt, zoo men zich integendeel nog met de tegenstrijdige ondeugden bezoedelt, B. B., men heeft mooi praten en zeggen: Ik eer Maria, ik heb veel godsvrucht tot Maria; men eert Maria niet en onze godsvrucht is valsch of vermetel. Ja, \'t is eene valsche godsvrucht Maria enkel uitwendig en niet inwendig te eeren. Maria zoude kunnen zeggen, hetgeen eertijds Jesus haar Zoon van de Pharisëen en Schriftgeleerden zeide; Gij zijt huichelaars; gij eert mij met de lippen, maar uw hart is ver van mij verwijderd. Mooie godsvrucht, Maria met tien mond te eeren, en Jesus haren Zoon, met wien zij om zoo te zeggen maar één uitmaakt, door de zonden te onteeren. Neen, B. B., dat is eene valsche godsvrucht. Ik heb gezegd dat er ook eene vermetele godsvrucht bestaat, \'t Is eene vermetele godsvrucht, B. B., te denken dat onze lieve Vrouw ons wel zal redden, zonder dat wij in het werk onzer zaligheid mede doen; op de goedheid van Maria tot den mensch te steunen om in de zonden te kunnen voortgaan, denkende, bijv., Maria zal wel vergiffenis voor mij bekomen alvorens te sterven; dat is eene vermetele godsvrucht. En helaas! men vindt personen, die denken dat het genoeg is van ter eere van onze lieve Vrouw
— 200 —
wat te bidden, in de een of\' andere broederschap van den Rozenkrans of Schapulier geschreven te zijn om niet verloren te gaan; want, zeggen zij, onze lieve Vrouw bekomt onfeilbaar van God voor allen die haar toegedaan zijn, dat zij niet in staat van doodzonde sterven, en bijgevolg zullen wij niet verloren gaan, en ziedaar alles wat die personen doen; voor het overige bekommeren zij zich nergens om. In plaats van zich geweld aan te doen, want het rijk der hemelen lijdt geweld, gelijk Jesus-Christus zelf verklaart, doen zij niets. In plaats van hunne kwade driften te beteugelen, geven zij er zich aan over, en dat alles, B. B,, denkende dat zij toch wel in den hemel zullen komen, omdat zij het een of ander uitwendig werk van godsvrucht ter eere van Maria verrichten; omdat zij haar uitwendig eeren. Overgroote dwaling, B. B., ongehoorde vermetelheid! Neen, neen; die personen zullen niet zalig worden; hunne godsvrucht zal hun niets baten. Al die werken ter eere van onze lieve Vrouw, zoo als, bijv., den schapulier dragen, in de een of andere broederschap geschreven zijn, al die werken, in zich beschouwd, zijn goed en prijzenswaardig, doch alleen zijn zij niet voldoende; men moet op de eerste plaats een christelijk leven leiden en daarmede de overige werken van godsvrucht vervoegen. Bijaldien de II. Schrift leert dat het niet genoeg is God te bidden en dikwijls te herhalen: Heer! Heer! om in den hemel te komen; zal het dan, denkt gij, genoeg zijn Maria enkel te bidden? O, B. B., men mag niet meer staat maken op de bescherming van Maria dan op de barmhartigheid Gods. Welnu, God heeft niet beloofd den mensch genadig te zullen zijn, die, zich beroepende op de oneindige barmhartigheid Gods, immer voortgaat met Hem te vergrammen; en Maria zoude meer doen, terwijl zij ziet dat haar goddelijke Zoon aanhoudend door die vermetelen beleedigd wordt? O, B. B., bedriegen wij ons niet, en daarom zeg ik ten slotte.
— 261 —
SLUITREDE.
Doen wij ons best om eene ware en oprechte godsvrucht tot Maria te hebben naar het voorbeeld der Heiligen, die Maria eerden door op de eerste plaats hare deugden na te volgen en vervolgens door andere werken van godsvrucht te verrichten. Alsdan zal Maria ons door hare verdiensten en gebeden die zij voor ons aan God opdraagt, helpen. Die goede Moeder zal altoos verhoord worden, mits wij van onzen kant geen beletsel stellen; want \'t is onmogelijk dat een Zoon gelijk Jesus iets weigere aan eene moeder gelijk Maria. Ja, zoo wij eene ware en oprechte godsvrucht tot Maria hebben mogen wij met vertrouwen hulp of bijstand van de Heilige Maagd verwachten. De Catechismus vraagt:
Wufirom mogen wij met betrouwen hulp of bijstand van de heilige Maagd verwachten? En hij antwoordt:
Omdat zij onze Moeder is, en het grootste vermogen heelt hij haren goddelijken Zoon.
En wat hulp oj bijstand mogen wij van de heilige Maagd verwachten?
In hel leven helpt zij ons in alles taal profijtig is; maar in hel taterste vertroost zij de kranken, verlicht de zieken, belet de bekoringen en helpt ons tot eeuwige zaligheid. Amen.
ACHT - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DE BEELDEN EN RELIQUIËN
An nescitis quontam membra vestrcc tempiwn sunt Spiritus Scmcti?
Weet gij niet dat uwe ledematen de tempel zijn van den H. (jcestV (i, Cob. VI, is.)
INHOUD.
VOORREDE.
Gods Heiligen te eeren en aan te roepen is volstrekt geene zonde; integendeel, \'t is billijk en voordeelig. Wij eeren lien niet als goden maar als dienaren en vrienden van den waarach-tigen God. Wij worden dus door de Ketters ten onrechte van afgoderij beschuldigd. De beste vereering der Heiligen bestaat in hunne deugden na te volgen. Er bestaat ook geene zonde:
VERDEBLING.
I. In de vereering der beelden; noch II. In de vereering der reliquiën.
— 263 —
I.
De Catechismus leert ons dat men beelden mag maken, en te recht; want wij maken tie beelden tot gedachtenis van God en zijne Heiligen, \'t Is niet alleen billijk maar ook voordeelig de beelden te eeren om het profijt dat zij ons doen. Wat is een mirakuleus beeld en welke beelden moet men \\ooial in huis hebben?
II.
Wat zijn reliquiën? Waarom moeten wij de reliquien eeren?
1° Omdat zij panden zijn van onze goede en groote vrienden;
2° Omdat hunne lichamen ledematen van Jesus-Christus, hunne ledematen tempels zijn geweest van den H. Geest;
3° Omdat zij werktuigen zijn geweest van alle deugden; en
4° Omdat zij eenmaal verheven zullen worden bij God.
God heeft die vereering ook door wonderen goedgekeurd.
SLUITREDE.
Wat zijn bedevaarten en hoe moeten zij gedaan worden?
ACHT - EN TWINTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DE BEELDEN EN RELIQUIÊN
An nescitis quoniam membra vostra templum svAit Spiritus Sancti?
Weet gij niet dat uwe ledematen de tempel zijn van den H. Geost?
(i, Coiï. vi, is.)
VOORREDE.
Er bestaat volstrekt geene zonde, B. B., in de vereering en aanroeping der Heiligen. Integendeel, liet gezond verstand, de H. Schrift en de Overlevering keuren ze goed. De H. Kerk leert ook dat liet geoorloofd en voordeelig is Gods Heiligen te eeren en aan te roepen. De Ketters beschuldigen ons dus ten onrechte van afgoderij. Immers, wij eeren en roepen de Heiligen aan niet als goden, maar als dienaren en vrienden van den waarachtigen God, die God met- en voor ons bidden. Ja, wij eeren God in zijne Heiligen.
De beste en krachtigste manier om Gods Heiligen (e eeren beslaat in de navolging hunner deugden; zonder deze kan al het overige niets baten. Vandaar ook dat de H. Kerk ons aanzet van hare Heiligen en bijzonder de allerheiligste Maagd Maria op het pad der deugd na te volgen. Die waarheden, B. B., hebben wij in onze voorgaande onderrichtingen overwogen. Vandaag zullen wij nog een woordje zeggen over de vereering der beelden en reliquiën der Heiligen.
Bijaldien er geene zonde bestaat in de vereering en aanroeping van Gods Heiligen, er bestaat soms zonde en wel zonde van afgoderij in de vereering der beelden en reliquiën der Heiligen? Evenmin, B. B., noch,
I. In de vereering der beelden, noch H. In de vereering der reliquiën.
I.
Do Katholieken misdoen niet door beelden te maken. En God nochtans zegt uitdrukkelijk; Gij zult u geen gesneden beeld maken, noch oen of andere gelijkenis van iets dat in den hemel of op de aarde is. Hoe komt nu onze leering met het gebod van God overeen?
Wat meer is, en hetgeen in strijd schijnt te zijn met het voorgaande. God heeft Moses geboden van beelden te maken; Maak twee gouden Cherubynen, sprak God tot Moses. Die Cherubynen waren toch zeker beelden van iets dat in den hemel is. God beval Moses nog een ander beeld te maken; Maak eene koperen slang en richt ze tot een teeken op; al wie van de slangen gebeten is en de koperen slang ziet, zal leven. Die koperen slang was toch zeker de beeltenis van iets dat op de aarde is. Hoe nu die verschillende geboden van een en denzelfden God overeen brengen? Ofwel God heeft zich tegengesproken, doch dat is onmogelijk; ofwel het gebod van geen gesneden beelden te maken moet zoo verstaan worden, dat men ze niet mag maken om ze te aanbidden. En inderdaad, B. B., zoo is het.
God dus heeft niet verboden beelden te maken, maar Hij heeft verboden en streng verboden die te maken met het inzicht van ze te aanbidden, gelijk de Heidenen deden.
De Heidenen hielden hunne beelden, uit hout, steen, enz., vervaardigd, voor goden; zij aanbaden In die beelden valsche goden en zij geloofden dat er in die beelden eene goddelijke kracht verborgen was. Zoo bekent de H. Ambrosius van het heidendom tot den christen godsdienst bekeerd van zich zeiven. Nog onlangs, zoo spreekt hij, vereerde ik, o verblindheid! goden, die men pas uit den smeltoven gehaald had, goden met hamei-op bet aanbeeld gesmeed. Ik viel voor hen in het stof neder alsof zij goddelijke kracht bezaten, en ik riep ze om gunsten aan. Hout en steen golden bij mij voor goden. Zoo handelen wij Katholieken niet, want wij maken de beelden — en hetzelfde
— 26r. —
moet van de schilderijen gezegd worden — alleen tot gedachtenis van God en zijne Heiligen.
De Catechismus vraagt:
Als wij voor de beelden der Heiligen bidden of knielen, aanbidden ivij dan de beelden? En hij antwoordt:
Neen, maar wij eeren en aanroepen de Heiligen wier beelden het zijn.
Wij bidden, knielen, ontsteken licht voor de beelden, doch die eer geschiedt niet aan de beelden, maar aan God of zijne Heiligen die wij ons voorstellen bij het aanzien der beelden.
Hieruit blijkt duidelijk, B. B., dat het door God niet verboden is beelden te maken, en dat het geene afgoderij is die te eeren.
Dat de Ketters der zestiende eeuw ons van ongerijmdheid, ja zelfs van ketterij durven beschuldigen, is niets anders dan een oud deuntje vroeger reeds door de beeldstormers der achtste eeuw gezongen.
Om nog beter te zien dat de Ketters ongelijk hebben, maken wij eene kleine vergelijking.
Een kind eert liet portret zijner ouders, een onderdaan het beeld van zijnen koning. Verdienstelijke mannen eert men in hunne standbeelden. De Protestanten richten standbeelden op voor hunne hervormers. Hoeveel te meer mogen wij dan de beelden van God en zijne Heiligen eeren. En evenals de oneer het standbeeld eens konings aangedaan op den koning neerkomt, zoo ook komt de oneer de beelden van God of zijne Heiligen aangedaan op God of zijne Heiligen neder.
Ziehier, B. B., eene korte geschiedenis tot bevestiging van hetgeen ik ivom te zeggen.
In de omstreken van Nicomedië leefde een H. Abt, met name Stephanus, die bij het volk in groot aanzien stond. De keizer Leo Copronymus, een goddelooze beeldstormer, deed hem zekeren dag naar Constantinopel komen. Hij nam op zich den Heiligen
— 207 —
Stephanus van de dwaasheid der beeldenvereering te overtuigen. Onverstandig mensch, die gij zijt, sprak de keizer. Hoe, verstaat gij dan niet dat men het beeld van Jesus-Christus met voeten kan treden zonder daardoor Jesus-Christus zeiven te beleedigen? Wat antwoordde de Heilige Stephanus? Hij nam een stuk geld, waarop de beeltenis van den keizer stond, evenals thans op een stuk van vijf franken de beeltenis van Leopold II staat, en hij vroeg aan de hovelingen: Wiens beeltenis en opschrift is dit? Van den keizer was het antwoord. Daarop wierp de H. Stephanus het stuk geld op den grond en trapte hot inet de voeten. Zoodra de hovelingen dat zagen wierpen zij zich op den Heilige eh mishandelden hem zeer, omdat hij den keizer in zijne munt had durven beleedigen. Toen slaakte de dienaar Gods een diepen zucht en zeirte: Weihoe! Is liet dan zulk een strafwaardig bestaan de beeltenis van een aardschen koning te beleedigen, en zoude het geene misdaad zijn het beeld van den koning des hemels, namelijk, van God, met voeten te treden en in het vuur te werpen? De keizer wist daartegen niets in te brengen. Kwam hij tot inkeer? Neen, B. B., maar hij liet den Heiligen Stephanus die zoo kloek voor de waarheid uitgekomen was, in de gevangenis werpen en kort daarna ombrengen.
\'t Is niet alleen billijk, gelijk wij zoo even gezien hebben, maar \'t is ook voordeelig de beelden van God en zijne Heiligen te eeren. Wat voordeel doen ons de beelden? Zij ververschen ons geheugen en maken ons indachtig hetgeen wij wel dienen te weten. Dienen wij, bijv., iets beter te weten, aan iets meer te denken dan aan het lijden en den dood van Jesus, wat Hij voor ons gedaan en geleden heeft, hoezeer Hij ons bemind heeft? Welnu, B. B., werpt een oogslag op een kruisbeeld; doet den kruisweg en gij zult zien en u herinneren welke pijnen de Godmensch uitgestaan heeft, wie ze Hem aangedaan heeft en waarom. Ja, den kruisweg doende zult gij begrijpen wat zonde en hoe ondankbaar de zondaar is. Gij zult zien dat God u bemind heeft, en de statiën zullen u de bekentenis
— 268 —
afpersen en doen zeggen: Hij heeft mij bemind eu zich zeiven voor mij gegeven.
De beelden vertoonen ons de levens der Heiligen en de manier waarop zij tot de glorie gekomen zijn. Zij verwekken onze liefde tot God en zijne Heiligen. Voorzeker, B. B., wanneer wij zien hoe zeer God ons bemind heeft, hoe zeer Hij en zijne Heiligen ons nog beminnen, dan worden wij tot wederliefde aangezet. De beelden wakkeren ons ook aan om God en zijne Heiligen na te volgen. Het beeld, bijv., van eenen H. Petrus, van eene H. Maria Magdalena, die hunne zonden beweenen, zegt ons wat wij zondaren moeten doen, namelijk, dat wij onze zonden ook moeten beweenen.
Kindelijk helpen zij ons om met aandacht te bidden.
Kr worden wonder- of mirakuleuze beelden gevonden. Waarom worden die zoo genoemd? Niet dat die beelden wonderen gedaan hebben, maar wijl God om de vereering dier beelden wonderen, zoo als, bijv., mirakuleuze genezingen, gedaan heeft.
Men behoort beelden in zijn huis te hebben en vooral van onzen goddelijken Zaligmaker en van de allerheiligste Maagd Maria. Na over do vereering der beelden gesproken te hebben wil ik nog een woordje zeggen over de vereering der reliquiën.
11.
Het woord reliquiën beteekent overblijfsels. Daardoor worden verstaan de lichamen, gebeenten, kleederen en alles wat de Heiligen ons hebben achtergelaten toen zij van ons gescheiden zijn. De Catechismus vraagt:
Is hei goed de reliquiën der Heiligen te eer en? En hij antwoordt:
Ja, en dit is van ouds in de heilige Kerk gepleegd.
Dat de reliquiën der Heiligen in eere moeten gehouden worden leert insgelijks de kerkvergadering van Trente.
— 269 —
Toen in de vierde eeuw de Ketter Vigilius opstond en de vereering der reliquiën van de Heiligen als onzinnig en heiligschendend bestreed, wees de H. Hieronymus op de algemeene vereering der reliquiën in de Kerk. Hij herinnerde Vigilius wat de keizer Constantijn de Groote, wat de keizer Arcadius, de Paus van Rome, de Bisschoppen van het Oosten, ja, wat de geheele wereld ter eere van de reliquiën in de H. Kerk deed. Zijn wij dan allen heiligschenners? vraagt de H. Hieronymus. Was Constantijn een heiligschenner?.... zijn alle Bisschoppen \'Heiligschenners? O gij monster, voegt hij er vervolgens bij, gij verdiendet naar de uiterste grenzen der aarde verbannen te worden; gij lacht met de reliquiën der Martelaren en lastert de Kerk van Christus.
Men kan verschillende redenen opgeven, waarom wij de reliquiën der Heiligen eeren.
1° Omdat het panden zijn die ons van onze goede en groote vrienden, namelijk, van do Heiligen zijn achtergelaten. Hier op aarde geeft men elkander wel gedachtenissen die men in eere houdt; waarom zoude men dan de gedachtenissen der Heiligen niet in eere houden?
2° Omdat de lichamen der Heiligen tempels zijn geweest van den H. Geest. Wat leert ons de Apostel Paulus in zijne brieven? Weet gij niet, zegt hij, dat uwe lichamen ledematen van Christus zijn, en dat uwe ledematen de tempel zijn van den H. Geest die in u woont?
3° Omdat de lichamen der Heiligen werktuigen zijn geweest van allerlei deugden, en
4° Omdat zij eenmaal verheven zullen worden bij God\'. Zij zullen ten jongsten dage glorieus verrijzen en vereenigd met hunne zielen door God den rechtvaardigen vergelder in eeuwigheid beloond worden.
Zijn dat geene redenen genoeg om de lichamen der Heiligen te eeren? 01\' zijn wij te berispen, omdat wij thans eeren
— 270 —
hetgeen Jesus-Christus eenmaal in de tegenwoordigheid der gansche wereld zal eeren en verheerlijken?
De Protestanten vinden goed de stoffelijke overblijfsels te eeren van mannen die in hunne oogen groot waren en wier zielen misschien reeds jaren en jaren lang in de hel liggen te branden. Zij achtten zich gelukkig het een of ander te bezitten, hetgeen aan die mannen toebehoorde, zoo als, bijv., een boek, eene pen, een stoel, onz. Waarom willen zij ons Katholieken dan beletten, hetgeen zij zeiven doen? En waarom zouden wij de reliquiën niet mogen eeren van hen, wier zielen reeds overlang het geluk des hemels genieten? Maar gij. Katholieken, zeggen de Protestanten, gij vereert de reliquiën der Heiligen door godsdienst-plechtigheden. En inderdaad, B. B., zoo is het, eu met reden; want iu de reliquiën der Heiligen eeren wij de Heiligen zeiven, en de Heiligen komt godsdienstige eer toe, evenals, bijv., burgers die zicli voor het vaderland verdienstelijk gemaakt hebben, burgereer toekomt.
Dat het geoorloofd, ja zelfs verdienstelijk is de reliquiën der Heiligen te eeren blijkt nog uit de wonderen die God door de reliquiën der Heiligen gedaan heeft, en door de weldaden die hunne vereerders bekomen hebben.
SLUITREDE.
Wij hebben nu genoeg gezien, B. B., dat het billijk, voordeelig en verdienstelijk is de beelden en reliquiën van God en van zijne Heiligen te eeren. De gelegenheden daartoe ontbreken ons niet. Het eenige dat er vereischt wordt, is van het te doen op eene-wijze God en zijne Heiligen waardig. Men kan het te huis doen, in de kerk, in zijne eigen parochie en op andere plaatsen.
Er zijn plaatsen, waar de een of andere Heilige op eene bijzondere wijze vereerd wordt, die zelfs het voorrecht hebben van reliquiën of een mirakuleus beeld te bezitten, en naar die plaatsen onderneemt men bedevaarten.
— 271 —
De bedevaarten, B. B., in zich beschouwd zijn loffelijk; zij zijn zelfs verdienstelijk, mits zij geschieden op eene behoorlijke wijze en met goede inzichten, namelijk, om God en zijne Heiligen te eeren.
Bijaldien men zich dus naar dé een of andere plaats ter bedevaart begeeft, moet men zich wel wachten voor allo buitensporigheden, waaraan zekere personen bij die gelegenheid zich plichtig maken, bijv., aan dronkenschap en dergelijke zonden. Men gaat naar de een of andere plaats. Waarom? Om God en zijne Heiligen te eeren? Men kan het zeggen, maar bij velen is het eigenlijk te doen om op die plaats bij dezen of genen persoon te komen, waarop en met welken men zich alles behalve christelijk en stichtend gedraagt. In zulk geval, in plaats van God of zijne Heiligen te eeren, onteert men hen; in plaats van de een of andere weldaad van God te bekomen, verdient men veeleer van door Hem gestraft te worden. Men doet bedevaarten, zegt men, om van zijne lichamelijke ziekten genezen te worden, en hoe komt men soms terug? Zonder naar het lichaam geholpen te zijn komt men terug nog ziek naar de ziel, ja, en met verschillende geestelijke ziekten geslagen, en die men juist\'ter gelegenheid der bedevaart opgedaan heeft; d. w. z,, men maakt zich soms aan vele en groote zonden plichtig, aan zonden van dronkenschap, onkuischheid, ergernis, enz. In zulk geval doet men veel beter, of liever men is verplicht thuis ie blijven.
Beren wij dus, B. B,, God en zijne Heiligen in hunne beelden en reliquiên naar behooren, en wij zullen in dit leven reeds op de een of andere wijze geholpen en zeker hiernamaals er voor beloond worden. Amen. (l)
ElNDl\': VAX HET TWEEDE DKKL.
(i) Over de vereering en aanroeping der Heiligen, alsmede over de vereering dor reliquiên en beelden der Heiligen kan bok gesproken worden in de onderrichtingen over het eerste gebod.
BLADWIJZER
Eerste Onderuichting .
Hr-Aüz
Over de Hoop........9
I. Wat is de hoop?.......10
II. Wat brengt zij in ons te weeg? .... 14
Tweede ONDERRicirrmffi.
Over de Genade Gods .... . 19
1. Wat is de Genade Gods? ..... ~0
II. Hoe wordt zij verdeeld? ..... 21
I )eri )e Onderrichting.
Over de Genade Gods......28
I. Over den oorsprong. ...... 29
II. Over het einde ....... lil
III. Over de noodzakelijkheid der genade . . . lJgt;2
Vierde Onderrichting.
Over het Gebed . ....
I. Wat is liet gebed? ...... 39
II. Hoe wordt het verdeeld?.....40
ÜF.LOOKS ■ EN ZEDKNI.EER, 2\'16 DKIX IK
— 27 I —
Vi.ifde Onderrichting .
Over de Waardigheid des Oebeds I. Het gebed is eone zielsverhefllng tot God II. Het gebed is eene samenspraak met God
III. Die bidt gaat gemeenzaam met God om .
IV. Die bidt voert als gebied over God .
Zesde Onderrichting.
Over de Noodzakelijkheid des Gebeds .
I. Zonder de genade Gods vermag men niets voor den hemel ........
II. Zonder gebed kan men die genade niet bekomen .
47 47
49
50
51
,)Ü
57
58
Zevende Onderrichting .
Over de Kracht des Gebeds ..... o i
1. Waarom is bet gebed oen zoo krachtig middel? . 04
II. De kracht des gebeds door voorbeelden bevestigd 08
T.i 74 74 70 78
Achtste Oni)errichting ,
Over de voorwaarden des Gebeds 1. Men moet bidden voor zieli zeiven . 11. Om het noodige ter zaligheid .
III. Met godsvrucht.....
IV. Met volharding ....
Negende Onderrichting.
Over de Mogelijkheid des Gebeds. . . 83
I. Ik ben te groote zondaar ..... 84
II. Ik ben te zeer verstrooid.....85
III. Ik ben te dor en te ongevoelig en kan dus niet
bidden ........88
— 275 —
TlKNDE lt; )NDERRICI1ÏING,
Wanneer moet men hidden?.
\'s Morgens en \'s avonds .... Vóór en na het eten .... In de gevaren, kwellingen en bekoringen In de zaken van aangelegenheid
Elfde Onuekiuciiting.
Biauz
92
93 95 9(j 98
II. 111. IV.
Voor wie moet men hidden\':.
I. Voor zich zeiven . . . . .
II. Voor zijne ouders . . . . .
III. Voor zijne oversten.....
IV. Voor zijne weldoeners en vrienden .
Twaai.kue Ündeuiuchtino.
Over het Gebed des Heer en .
I. Deszells noodzakelijkheid.
11. Deszells waardigheid
Dertiende ( Vnderrichtlxü.
Over de Voorrede van het gebed des lieer en I. Wien spreken wij aan zeggende: Onze Vader? II. Hoe is God onze Vader?......
III. Waarom zeggen wij Onze en niet Mijn Vader? .
IV. Wat beteckenen de woorden: Die in de hemelen
zijt?........
Veertiende Onderrichting .
Verste vraag van het gebed des Heer en
I. Wat moet er verstaan worden door den Naam Gods?
II. Wat beteckenen de woorden: Geheiligd zij uw
naam? ........
103 103 101 IOC) 108
112 1M
120 121 121
123
124
130
131
131
Vijftiende Onderrichting .
Blad/,
Tweede vraag van het gebed des Heer en . 140
I. Hoevelerlei is liet rijk Gods? . . . . , 140
II. Welk rijk vragen wij zeggende: Ons toehome uio
rijk?.........ll:5
Zestiknde Onderrichting .
Derde vraag van het gebed des Heeren . . 149
I. Wat beteekenen de woorden: IJ 10 wil geschiede?. 150
II. Hoe moet men den wil Gods volbrengen? . . 154
Zeventiende Onderrichting.
Vierde vraag van het gebed des Heeren . . 159 I. Wat wordt er verstaan dooi\' liet brood dat wij
vragen?.........100
H. Wat beteekenen Dagelijksch en Heden. . . 164
Achttiende Onderrichting.
Vijfde vraag van het gebed des Heeren . 169
I. Van welke schulden vragen wij God vergin\'enis? . 170
II. Op welke voorwaarden? ......172
Negentiende Onderrichting .
Zesde vraag van het gebed des Heeren . . 179
I. Wat zijn bekoringen? ...... 180
11. Wie bekoort ons?.......l^o
III. Hoe moeten wij ons in de bekoringen gedragen? . 184
Twintigste Onderrichting .
Zevende vraag van hel gebed, des Heeren . . 189
I. Wat wordt er verslaan door het woord kwaad? . 190
II. Hoe vragen wij om er van verlost te worden? 193
— 277 —
ken - kn - twintigste onderrichting.
Bladz.
Over de Engelsche groetenis.....\'
I. Wie heeft de Engelsche groetenis gemaakt? . . 200
II. Wat bevat zij?.......201
Twee - en - twintigste Onderrichting.
Eerste deel van de Engelsche groetenis . . 20\',
I. Wees gegroet........-l\'
II. Vol van genade.......211
III. De Heer is niet ........212
Drie - en - twintigste Onderrichting.
Tweede deel van de Engelsche groetenis . . 218
I. Waarom is Maria gezegend boven alle vrouwen? . 219 II. Wat beteekenen de woorden: En gezegend is de
vrucht mos lichaams?.....221
Vier - en - twintigste Onderrichting.
Derde deel van de Engelsche groetenis . . 227
I. Maria is Heilig en Moeder van God . . . 22K
II. Wij bidden haar van ons te helpen, nu en in het
uur van onzen dood . . . . . .231
23(1 237 230
Vijf - en - twintigste Onderrichting.
Over den Rozenkrans . I. Wat is de H. Rozenkrans? H. Deszelfs kracht
— 278 —
Zes - en - twintigste Onderrichting.
Over de vereering en aanroeping der Heiligen .
1. Wat leert de Heilige Kerk over de vereering dei Heiligen?........
H. Hoe verschilt de vereering Gods van die dor Heiligen? Hl. Waarop moet men vooral acht geven? .
Zeven - en - twintigste Onderrichting.
Over de vereering van Maria .... 255
I. Waarom moeten wij Maria zoo eeren? . . . 256
H. Hoe zullen wij ons van dien plicht kwijten? . . 258
Acht - en - twintigste Onderrichting.
Over de Beelden en Reliqui\'èn . . . . 261
ISl.MlZ.
246
217 249
251
I. t Is geene zonde de beelden te eeren . . . 265 11. t Is geene zonde de reliquiën te eeren . . . J68
EINDE DER TAFEL VAN HET TWEEDE DEEL.
ONDERRICHTINGEN IN DE GELOOFS - EN ZEDENLEER
NAAR DEN
MECHELSCHEN CATECHISMUS
— OVER DE
l.IEKUK
DKRDE DEE I-
ONDERRICHTINGEN
IN l)K
Geloofs - en Zedenleer
.NAAK DKN
Mechelschen Catechismus in vijf deelen
Ant. ROOVERS, Pastoor
Dili;DM DKKL
II A S S K I, T MICHEL CEYSEKS, DU UKKER - U1TGKVER
R O K R M O N 1)
IIENIU VAK DER SIAHt\'K, UITCKVKU 1888
m \' ■
■
ONDERRICHTINGEN
IN IJK
Geloofs-en Zedenleer
NAAR DKN
Mechelschen Catechismus
DERDE DEEL
OVER DE
LIEFDE
:
EERSTE ONDERRICHTING
OVER DE LIEFDE TOT GOD
DUiges Dominmn Deum tmim ex toto corde tuo, et ex tota anima tua, et ex toto, menie tua, et ex tota virtutc tua.
Gij zult, don Heer uwen (Jod beminnen uit irelieel uw hart, uit .geheel uwe ziel, uit geheel uw verstand en uit al uwe krachten.
(marc. xii, 30.)
INHOUD.
VOORREDK.
Na over de hoop en het gebed gehandeld te hebben, gaan wij met de liefde beginnen. Do lieltle is de waardigste der deugden. Zonder de liefde is liet onmogelijk zalig te worden.
VERDEELING.
I. Wat is de liefde?
II, Hoedanig moet onze liefde tot God zijn?
i.
De liefde is eene deugd en gave Gods, door dewelke wij God boven alle dingen beminnen en onzen naaste gelijk ons zeiven om God. Kr bestaat een gebod aangaande de liefde. Gij zult den Heer uwen God beminnen uit geheel uw hart en uwen naaste gelijk u zeiven.
Het gebod van God en den naaste te beminnen is het eerste en voornaamste gebod. Het omvat alle andere geboden. Het omvat geheel den mensch met ziel en lichaam en in al zijne betrekkingen.
Wij moeten God beminnen bovenal.
Onze liefde jegens God moet bovennatuurlijk, boven alles groot en krachtdadig zijn.
SLU1THEDK.
Geschiedenis van de .Maagd en .Martelares Susanna.
EERSTE ONDERRICHTING
OVER DE LIEFDE TOT GOD
Diliges Dominum Dom tuum ex toto rorde. tuo, et ex tota anima tua, et ex lota mente tua, et ex tota virtute ma.
Gij zult den Heer uwen God beminnen uit gelieel uw hart, uit geheel uwe xiel, uit geheel uw verstand en viit al uwe krachten.
(Makc. xii, 30.)
VOORREDE.
In het tweede deel van den Catecliisinus, B. B., hebben wij gesproken over de tweede der drie goddelijke deugden, over de hoop; wij hebben tevens gezien welk het krachtigste middel is om van God te verkrijgen hetgeen wij hopen, namelijk, liet gebed; thans gaan wij over do derde der drie goddelijke deugden, over de liefde, handelen. De drie goddelijke deugden worden in de volgende orde gerangschikt: op de eerste plaats het geloof, op de tweede de hoop en op de derde de liefde; doch wat verheven- en waardigheid aangaat, de liefde overtreft niet alleen de zedelijke maar ook de twee andere goddelijke deugden, zij is de koningin der deugden: Major aulem hor urn est charitas. (i)
Zonder de liefde kan noch geloof, noch hoop ons helpen ter zaligheid. Om zalig te worden moet men in staat van genade zijn, doch zonder de liefde is de staat van genade onmogelijk; bijgevolg, zonder de liefde geene zaligheid. Willen wij dus voor altijd gelukkig zijn in den hemel. God daar in eeuwigheid beminnen, dan moeten wij hier op aarde met tiod door den
(i) i Cou. xiii, 13.
— 10 —
band der liefde vereenigd zijn. De 11. Schrift leert ons die waarheid uitdrukkelijk: Qui non diligit manet in morle, (i) zegt de H. Joannes: Die niet bemint blijft in den dood, in den dood der zonde hier in dit leven, totdat hij den eeuwigen dood sterft, d. i,, voor eeuwig verloren gaat.
Aangezien de waardig - en noodzakelijkheid der liefde, doen wij ons best om wel te begrijpen wat de liefde is. Zien wij dus vandaag:
I. Wat de liefde is;
11. Hoedanig onze liefde tot God moet wezen.
I.
De Catechismus vraagt:
Wat is de Liefde? En hij antwoordt;
Eene gave Gods door dewdke wij God boven cdle dingen beminnen, en onzen naaste als ons zeiven om God.
Beminnen, B. B., is iemand van harte genegen zijn, hem goed willen en daartoe naar behooren bijdragen.
De liefde is ook eene deugd, d. w. z., eene genegenheid der ziel door dewelke de mensch weldoet. Zij is eene goddelijke deugd, omdat zij ons van God alleen is ingestort en eigenlijk met God alleen bezig is.
De liefde is eene gave Gods, omdat zij ons van God gegeven wordt zonder onze verdiensten. Zij is eene bovennatuurlijke gave. De mensch kan de liefde door natuurlijke werken niet bekomen, evenals hij, bijv., door studie kennis en wetenschap bekomt. Hij kan de liefde met natuurlijke werken niet verdienen, evenals de werkman, bijv., zijn loon verdient. God is niet verplicht den mensch die deugd te geven, opdat hij in zijn natuurlijk wezen volmaakt zij, evenals hij hem, bijv., rede en
(l) I JOAN. 111, 14.
— 11 —
verstand on de vijf zintuigen moet geven om als mensch volmaakt to wezen. Do liefde wordt ons dus van God uit loutere goedheid gegeven zonder onze verdiensten. Door dewelke ioij God— beminnen en onzen naaste. Dus:
Wie moeten wij beminnen?
God en onzen naaste.
God beminnen is Hem van harte genegen zijn en goed willen, d. w. zijn behagen scheppen in liet bestaan, in de oneindige volmaaktheden en in de verheerlijking van God door zijne schepselen, en daartoe naar behooron bijdragen, ten minste door het nakomen zijner geboden.
Den naaste beminnen is hem van harte genegen zijn en goed willen gelijk ons zolven, on daartoe naar behooren bijdragon, ten minste door het nakomen der geboden die op den naaste betrekking hebben.
Dat er een gebod bestaat van God en den naaste te beminnen, lijdt geen twijfel. Ziehier, B. 15., hoe onze goddelijke Zaligmaker zich zekeren dag aangaande dit gebod uitdrukte.
Een wetgeleerde, zoo verhaalt ons het Evangelie, wilde Jesus door strikvragen in hot nauw brengen en vangen. Meester! sprak de wetgeleerde, wolk is het groote gebod in do wet: Quod es/, mandatum magnum in lege? Jesus die de inzichten van den wetgeleerde kende, gewaardigde zich nochtans te antwoorden: (lij zult den Hoer uwen God lief hebben, sprak Jesus, uit geheel uw hart, uit geheel uwe ziel, uit ganscli uw verstand en uit al uwe krachten; dit is het eerste en grootste gebod: Hoc est maximum et primum mandatum, (l) Het andere echter aan het eerste gelijk, voegde Jesus er bij, luidt als volgt: Gij zult uwen naaste lief hebben gelijk u zeiven: Ihlujes proximum steul te ijisum.
(i) Mattii. xxii, 38.
•— 12 —
Het gebod van God en den naaste te beminnen is \'t voornaamste gebod, wijl de liefde; de voornaamste aller deugden is; zonder haar kan het gelooi\' of de hoop ons niet helpen ter zaligheid. De Apostel Paulus leert ons die waarheid met klem en nadruk. Al had ik, zoo spreekt de Apostel, de gave van voorzeggingen te doen; al wist ik allo geheimen en bezat ik alle wetenschap; al had ik een geloof zoo sterk dat ik de bergen kon verzetten; zoo ik de liefde niet heb, ben ik niets: Nihil sum. (l) En al deelde ik al mijne goederen uit aan den arme, en al gaf ik mijn lichaam over om verbrand te worden, zoo ik de liefde niet heb, het kan mij niets baten: Nihil mild prodest.
Die woorden, B. 13., behoeven voorzeker geene verklaring, zij zijn duidelijk genoeg.
Het gebod van God en den naaste te beminnen omvat alle overige geboden. Waarom? Ziehier dé reden. l)ie God bovenal bemint en zijnen naaste gelijk zich zeiven, moet zich kwijlen van al zijne plichten jegens God, jegens zijnen naaste en jegens zich zeiven, hem voorgeschreven in de overige geboden, en daaruit blijkt dat liet gebod van God en den naaste te beminnen alle overige geboden omvat.
Het gebed van God en den naaste te beminnen omvat geheel den mensch met ziel en lichaam, in al zijne betrekkingen. Immers, wij moeten God beminnen en den naaste, God uit geheel ons hart, uit geheel onze ziel, uit gansch ons versland en uit al onze krachten. Wat beteekenen die woorden? Niets anders dan dat wij God moeten beminnen zoo veel als mogelijk is. Men mag dus aan de liefde tot God noch paal, noch perk stellen, maar men moet Hem met eene onbegrensde liefde beminnen, volgens de schoone uitdrukking van den H. Bernardus: De maat der liefde tot God, zegt#die groote Heilige, is God te beminnen zonder maat. God immers is de oneindige goedheid.
(l) 1 COR. XIII, 2.
•vandaar dat Hij ook eene oneindige liefde verdient. Daar wij echter tot zulke liefde niet kunnen komen, moeten wij nochtans ons best doen van God zoo zeer te beminnen als in onze macht is. Ook wordt ons hier niet aangeduid waartoe wij streng verplicht zijn, maar waarop wij ons moeten toeleggen.
Onzen naaste moeten wij beminnen gelijk ons zeiven om God.
Doch zien wij op do tweede plaats verder hoedanig onze liefde tot God zijn moet.
II.
De Catechismus vraagt:
Hoe moeien wij God beminnen? En hij antwoordt:
Bovenal.
Wat is God beminnen bovenal?
Zoo beminnen dal men liever zoude verlaten alle dincjen, ook het leven, dan God mei eene zonde te vergrammen.
Onze liefde om heilzaam te zijn of om ons ter zaligheid te strekken, moet drie hoedanigheden hebben: zij moet boven-natuurlijk, boven alles groot en krachtdadig zijn.
Vooreerst moet onze liefde tot God bovennatuurlijk zijn. Zij moet het geloof tot grondslag hebben, er uit voortkomen en er op berusten. De rechtvaardige, zegt do H. Schrift, leeft uit het geloof: Justus ex fide vivil.
En zonder het geloof is het onmogelijk aan God te behagen: Sine fide impossibile est plaeere Deo. Bijgevolg moeten wij God eerst kennen door \'t geloof. Wij moeten God ook beminnen door middel der genade. Immers, \'t is de genade Gods die al de oefeningen onzer deugden, en bijgevolg ook de oefening onzer liefde, bovennatuurlijke waarde bijzet. Ook kunnen wij sedert den val van den mensch God niet boven al beminnen zonder behulp der genade. Vervolgens moet onze liefde tot God boven
.\'illes groot zijn, d. \\v. z., wij moeten God meer beminnen dan al het overige, zoo dat wij liever zoude verlaten alle dingen, ook het leven dan God door eene zonde te vergrammen, d. i., door eene doodzonde, waardoor men zich van God scheidt. God, B. ]!,, is het grootste goed, dus moeten wij Hem ook boven alles beminnen. Wij moeten Hem beminnen meer dan geld en goed, meer dan eer en waardigheden, meer dan vreugde en genot, meer dan onze gezondheid, ja, meer dan ons leven. Niets is billijker, niets rechtvaardiger. Met die liefde voorwaar was de Apostel Paulus bezield, toen hij de Romeinen schreef: Wat zal ons van de liefde van Christus scheiden? ramspoed en angst? honger en naaktheid? gevaar en vervolging? het zwaard? Ik ben zeker dat noch dood noch leven, noch Engelen noch Machten, noch Krachten, noch het tegenwoordige noch het toekomende, noch eenig ander schepsel ons vermag te scheiden van de liefde Gods, die is in Christus Jesus onzen Heer.
Doch ziehier eene aanmerking, om niet in dwaling te vallen. Het gebod van God boven alles te beminnen moet niet zoo verstaan worden, als ware het ter zaligheid noodig God met eene gevoeligere liefde, met eene levendigere gewaarwording te beminnen dan hot overige. Die gevoelige liefde hangt doorgaans niet van den vrijen wil van den mensch af, en kan bijgevolg niet als noodzakelijk ter zaligheid gevorderd worden. Eene moeder, bijv., kan haar kind met eene gevoeligere liefde beminnen dan God, zonder het daarom boven God te beminnen. Wij zijn dus maar verplicht aan God dien wij als het hoogste goed, en bijgevolg boven alles beminnenswaardig. erkennen, boven alles de voorkeur te geven, en dat heeft juist plaats, als wij zoo gesteld zijn, dat wij liever alles, zelfs het leven zouden willen verlaten dan God door eene doodzonde te vergrammen en ons daardoor van God te scheiden.
Eindelijk moet onze liefde tot God krachtdadig zijn. Zij is krachtdadig, B. B., als wij niet met woorden, maar met werken
toonen dat wij God beminnen, d. w. z., als wij zijne geboden onderhouden en doea hetgeen Hem aangenaam is. Hierin, zoo schrijft de 11. Joannes, hierin bestaat de liefde tot God, dat wij zijne geboden onderhouden. En Jesus-Christus zelf verklaart: Die mijne geboden heelt en ze onderhoudt, die is het die Mij bemint. Een kind, bijv., kan zijne ouders zoo heilig getuigen als het wil dat het hen bemint; zoo dat kind de geboden zijner ouders niet volbrengt, niet doet hetgeen hun aangenaam is, zijne liefde is niets anders dan leugen, en zijne liefdebetuigingen zijn niets anders dan huichelarij. Zoo is het ook gelegen met de liefde lot God. Zoo iemand zegt dat hij God bemint en Gods geboden niet onderhoudt, noch doet hetgeen Hem aangenaam is, hij is een leugenaar en huichelaar, zelfs dan al zoude hij maar één gebod, dat op doodzonde verplicht, overtreden, want de overtreding van dat één gebod is voldoende om den band der liefde tusschen God en den mensch te verbreken.
Hoedanig, B. B., is onze liefde tot God? Onderzoeken wij ons eens goed. Wij moeten onze 1 iel de toetsen niet aan ouze woorden alleen maar bijzonder aan onze werken. Onderhouden wij Gods geboden\'? Doen wij altijd wat Hem aangenaam is\'? Zoo wij Gods geboden niet onderhouden, nog doen wat Hem aangenaam is, kan God van ons zeggen: Dit volk bemint mij met woorden, maar niet met werken; met dén mond, maar niet niet het hart; integendeel, hun hart is ver van mij verwijderd. Ziedaar, B, B., wat de liefde is, en hoedanig onze liefde tot God zijn moet.
SLUITREDE.
Tijdens het oud romeinsch gebied leefde er eene H. Maagd met name Susanna. In hare prilste jeugd had zij reeds eeuwige zuiverheid beloofd. Susanna schitterde te Rome niet alleen door adel, maar ook door andere begaafdheden naar ziel en lichaam zoodanig, dat de keizer Diocletiaan besloten had haar aan zijnen
— 10 —
mederegent Galerlus ten huwelijk te schenken. De keizer liet Susanna door haren vader daartoe het voorstel doen. De vader begaf zich terstond bij zijne dochter en zeide: Welaan, mijne dochter! hebt gij de waarde en het voorrecht van bruid van Christus te wezen, gelijk gij het inderdaad zijt, wel begrepen? Ik begrijp die zoo goed, vader! antwoordde Susanna, dat naar mijn oordeel allo kronen der wereld er mede vergeleken niets zijn. Gij oordeelt juist, zeide de vader. Maar zoo de keizer u eens bestemd had tot echtgenoote van zijnen mederegent Galerius? Zoude dan de waardigheid van keizerin met de liefde tot uwen gekruisten Bruidegom niet in vergelijking komen? En zoo gij eens tusschen de kroon van keizerin en den dood om Christus\' wille te kiezen hadt? Ach mijn vader! riep toen Susanna vol heilige vreugde uit, hoe gelukkig zoude ik zijn, zoo het mij vergund werde mijn leven ten beste te geven uit liefde tot dien goddelijken Bruidegom, die orn mij te verlossen zijn allerheiligst bloéd vergoten heeft. Geen purper verblindt mij, geene marteling schrikt mij af. Dat zult gij weldra kunnen bewijzen, antwoordde de vader diep getroffen, en hij moedigde daarop zijne dochter tot den strijd aan. Susanna bleef standvastig. De wreedste martelingen vermochten niet haar een oogenblik in den trouw aan haren goddelijken Bruidegom en haar geloof te doen wankelen. Susanna stierf den marteldood, en met de dubbele kroon van Maagd en Martelares versierd vloog hare kuischheid-minnende ziel ten hemel in de omhelzingen van Jesus-Christus haren Bruidegom.
Welk een treffend voorbeeld, B. B., van alles opofferende liefde! God nu vordert niet evenveel van alle menschen, d. i.. Hij vordert niet dat allen voor hun geloof en hunne deugd den marteldood sterven om Hem hunne liefde te bewijzen; doch hetgeen God van ons vordert, is, dat wij zijne geboden onderhouden. Welnu; onderhouden wij Gods geboden, wij zullen God beminnen hier op aarde en eenmaal het geluk hebben van Hem in eeuwigheid te mogen beminnen in den hemel. Amen.
TWEEDE ONDERRICHTING
OVER DE LIEFDE TOT GOD
JVos ergo üüigamus Dcum, quoniam Deus yrior düexit nos.
Laten wij dus God beminnen, wijl God ons eerst, bemind heeft. (i. Joan, iv, io.)
INHOUD.
VOORREDE.
Het gebod der liefde is het eerste en grootste gebod. Het omvat alle overige geboden en geheel den mensch. Men moet God beminnen boven al. Onze liefde tot God moet zijn bovennatuurlijk, boven alles groot en krachtdadig.
VERDEEUNG.
1. Waarom moeten wij God beminnen?
11. Wat is de volmaakte, wat de onvolmaakte liefde?
1.
|
Wij moeten God beminnen: vervolgens, wijl God ons eerst vooreerst, om Hem zeiven; bemind heeft; daarom zegt de |
Geloofs-en Zedenleer. Deel. 2. |
H. Schrift: Laten wij God beminnen, want Hij heeft ons eerst bemind; wijl God onze grootste en milddadigste weldoener is, die ons geschapen en van den eeuwigen dood verlost heeft, die niet ophoudt ons alle goed te doen, en ons een onuitsprekelijk geluk bereidt in den hemel.
11.
Onze liefde is volmaakt, als wij God boven alles beminnen omdat Hij in zich zeiven het hoogste en beminnenswaardigste goed is.
Zij is onvolmaakt, als wij God boven al beminnen, enkel omdat Hij ons hoogste goed is of de gelukzaligheid uitmaakt, die wij hopen. Beiden kunnen in \'t hart van een en denzelfden mensch bestaan. Geschiedenis van de moeder van Moses.
SLUITREDE.
Wij moeten God beminnen, onder anderen, omdat Hij ons eerst bemind heeft: de zondaar is dus een ondankbare. God belooft ons den hemel; de zondaar is dus een ongevoelige.
Beminnen wij God. In de liefde levende zullen wij ook in de liefde sterven en den hemel tot loon krijgen, dien God beloofd heeft aan allen die Hem beminnen.
TWEEDE ONDERRICHTING
OVER DE LIEFDE TOT GOD
JVos rrr/o diligamus Dcum, qnoniam Dans prior dilexit nos.
Laten wij dus God beminnon, wijl God ons corst bemind heeft. quot;(i. Joan, iv, in.)
VOORUEDE.
Het gebod van God te beminnen, B. B., is het eerste en grootste gebod. Het tweede aan het eerste gelijk, is van den naaste te beminnen gelijk zich zeiven. tiet gebod der liefde omvat alle overige geboden; zoo wij dit gebod dus trouw nakomen, onderhonden wij, alles wat ons is voorgeschreven.
Het gebod der liefde omvat geheel den mensch met ziel en lichaam en in al zijne betrekkingen.
Men moet God beminnen bovenal, d. w. z., zoo beminnen dat wij liever zouden verlaten alle dingen, ja zell\'s het leven, dan God door eene doodzonde te vergrammen.
Onze liefde tot God moet bovennatuurlijk, boven alles groot en krachtdadig wezen. Die waarheden hebben wij in onze voorgaande onderrichting verhandeld. Vandaag zullen wij zien:
I. Waarom wij God moeten beminnen;
11. Wat de volmaakte, wat de onvolmaakte liefde is.
I.
De Catechismus vraagt:
Waarom moeten wij God beminnen? En hij antwoordt:
Om hem zeiven, dat is, om zijne goedheid, bermherligheid,
— 20 —
liefde tot ons, en andere volmaaktheden met dewelke hij alle goed te hoven gaat.
De eerste en voornaamste beweegreden dus, waarom wij God moeten beminnen is God zelf, die oneindig volmaakt is, d. w. z., dat Hij alle mogelijke begaafdheden en goede hoedanigheden bezit, en dat elke zonder einde is. God is dus het hoogste en volmaakste goed.
Het hart van den mensch, B. B., is geschapen om bet goed te beminnen, en om het te beminnen naarmate liet groot en volmaakt is; en wijl God het grootste en volmaaktste goed is, daaruit volgt dat de mensch God bovenal moet beminnen. Daartoe is hij eigenlijk bestemd. De H. Augustinus begreep en beleed eindelijk die waarheid. Na ruimen tijd, maar te vergeefs gezocht te hebben zijn brandend hart in het schepsel te bevredigen, riep hij zekeren dag tot inkeer gekomen uit; O Heer! Gij hebt ons voor l\' geschapen en ons hart zal ongerust zijn zoolang het niet in U ruste.
God dus verdient om zich zeiven geheel onze liefde.
Buiten deze beweegreden, zijn er nog andere die ons moeten aanzetten van God te beminnen. De Catechismus vraagt:
Zeg nog eenige andere redenen die ons moeten bewegen om God te beminnen? Ito hij antwoordt:
Ten 1, dat God ons altijd bemind heeft-, daarom zegt de heilige Schriftuur: Laten wij God beminnen, want hij heeft ons eerst bemind; ten 2, dat God onze grootste en milddadigste weldoener is, die ons geschapen en van de eeuwige dood verlost heeft, die niet ophoudt ons alle goed te doen, en ons een onuitsprekelijk geluk, bereidt in den hemel.
1quot; God dus, B. B., heeft ons eerst, ja altijd bemind Doch. gaan wij niet te licht over die beweegreden heen. Merken wij wel op wie ons eerst bemind heeft. Niet een mensch, niet een Engel, neen, maar God heeft ons eerst en altijd bemind. Hij
heeft ons eene eeuwige liefde toegedragen: In charilate perpclua dilexi te.
Bijaldien een vorst of koning ons beminde, wij zouden in die liefde veel belang stellen; wij zouden er lier op zijn en hem wederzijds eene bijzondere liefde toedragen. Doch wat beteekent de liefde van eenen vorst of koning in vergelijking van de liefde van God? God heeft ons eerst bemind en Hij bemint ons nog zoo wij willen. Wat moeten wij daaruit besluiten? Dut wij God ook moeten beminnen, zegt de 11. Joannes, de Apostel der liefde, wijl God ons eerst bemind heeft: A\'os ergo (liligavius Dcnrn, quoniam \'prior dilextt nos. (i)
2quot; God is onze grootste en milddadigste weldoener. Hij heeft ons reeds met allerlei weldaden en genaden overladen, en Hij overlaadt er ons nog mede tot op den dag van heden. Aan wien hebben wij ons bestaan, ons leven te danken? Aan God. Ja, God heeft ons geschapen, niet dat Hij ons noodig had orn gelukkig te zijn, maar uit liefde tot ons, omdat Hij ons beminde en gelukkig wilde maken. God gaf ons vorstand om Hem te kennen, een hart om Hem te beminnen. God schiep voor ons de wereld met al wat er in is. Waarom? Opdat wij Hem des te beter zouden kennen, des te meer zouden beminnen. Ja, de schcpseleii leeren ons God kennen, zij noodigen ons uit om Hem te beminnen. Doch hoe kunnen de schepselen die geen verstand, noch stem hebben ons leeren en uitnoodigen van God te beminnen? t Is waar, IS. B., zij doen hot niet met woorden, maar op eene andere wijxe. Bijaldien de dicuaai\' eens konings u een geschenk bracht van den koning zonder zelfs een woord te zeggen, zoude die dienaar daardoor alleen u niet genoeg verzekeren van de goedheid des konings jegens u? Welnu, zoo is het ook gelegen met de leven- en redelooze schepselen Gods; zij zeggen ons niets met woorden, maar door hunne schoone orde, door het nut en genoegen dat zij ons verschaffen zeggen zij ons meer
(1) 1 JüAN. IV, 19.
22
dan men mot woorden kan uitdrukken. Aanschouwt tijdens den oogst uwe akkers, zij brengen geen woord uit, zij zeggen niets; maar zoodra zij met vruchten beladen zijn is het als riepen zij u met luider stemme (oe: Weet gij het, o menschenkinderen! dat gij een goeden Vader in den hemel hebt? Ziet eens hoe wij met vruchten beladen zijn; niet voor zich zeiven, niet voor ons, maar voor u heeft de hemelsche Vader ons zoo rijk uitgedost. God, B. B., heeft ons nog andere en grootere weldaden bewezen. Hij heeft ons van den eeuwigen dood verlost. God heeft ons, toen wij als zondige nakomelingen van een zondigen vader slaven waren van den duivel en de eeuwige pijnen der hel verdiend hadden, verlost door Jesus-Christus zijn eenigen Zoon, dien Hij uit liefde tot ons gegeven heeft. Ja, God de Zoon, gelijk wij weten, is voor ons mensch geworden; jaren lang heeft Hij voor ons gearbeid, onuitsprekelijk veel geleden, en eindelijk is Hij den schande - en pijnlijken dood des kruises voor ons gestorven. Waarom? Om ons van de slavernij des duivels en van den eeuwigen dood te verlossen.
God houdt niet op ons alle goed te doen. Dagelijks, ja elk oogenblik van den dag deelt Hij zijne weldaden en genaden onder ons uit; Hij is nog altoos bij ons, zijne vaderhand leidt al onze schreden. Hij beschermt ons tegen de gevaren naar ziel en lichaam en redt ons uit den nood. Niet alleen met zijne godheid, maar ook met zijne menschheid is Hij onder ons tegenwoordig, namelijk, in het aanbiddelijk Sacrament des Altaars. Hier in de kerk verblijft Hij om ons te hooren en te verhooren; Hij verlangt niets zoo zeer dan tot ons te komen en in onze harten te wonen door de heilige Communie; ja, daardoor voedt, sterkt en heiligt Hij onze ziel.
Eindelijk moeten wij God beminnen, omdat Hij ons een onuitsprekelijk geluk bereidt in den hemel. God, gebiedt niet alleen van Hem te beminnen, maar Hij belooft ons daarenboven eene groote belooning, waartoe Hij volstrekt niet verplicht
was. En welke is de belooning die Goil ons belooft en die Hij ons zal geven, zoo wij zijn gebod volbrengen? Die belooning is de hemel, of liever, \'t is God zelf: Ik zelf, zegt God, zal het overgroot loon voor nwe liefde tot Mij wezen: J\'\'()0 ero merces tua magna nimis. (i) Ziedaar, B. B., waarom wij (tod moeten beminnen bovenal.
Laten wij nu op de tweede plaats zien wat er door de volmaakte, wat door de onvolmaakte liefde moet verstaan worden.
11.
De Catechismus vraagt:
Zijn cr verschillende trappen in de liefde Gods? En hij antwoordt:
Ja, de eene mensch bemint God meer dan dc andere.
Iloevelerlei is de Helde Gods?
Tweederlei, de volmaakte en de onvolmunhte.
Ziellier wat er door de volmaakte, wat door de onvolmaakte liefde moet verstaan worden.
De volmaakte liefde is de liefde, waardoor wij God bovenal beminnen om Hem zeiven, d. L, om zijne oneindige volmaaktheden allen te zamen, of elke in \'t bijzonder, zoo als, bijv., zijne goedheid, barmhartigheid, wijsheid, rechtvaardigheid, enz., waardoor Hij alle goed te boven gaat en eene oneindige liefde waardig is.
De onvolmaakte liefde is de liefde waardoor wij God bovenal beminnen, omdat Hij ons goed is — nostrum honuM het grootste goed dat wij kunnen bezitten of verwachten, in een woord, onze gelukzaligheid.
De beweegreden dus waarom wij God beminnen is verschillend. De beweegreden in dc volmaakte liefde is God zeil. ij beminnen
God om Hém zelveu, omdat Hij in zich zeiven boven alles beminnelijk is; de beweegreden in de onvolmaakte liefde zijn wij zeiven, wij beminnen God bovenal, omdat Hij ons goed is. Wij hebben bijgevolg ons zeiven meer in \'t oog: bijv., omdat wij reeds weldaden van God ontvangen hebben en nog verhopen, bijzonder den hemel, zoo wij God beminnen; omdat wij vreezen door God gestraft te worden, vooral met de hel, zoo wij Hem niet beminnen.
Alzoo luidt eene akte van volmaakte liefde als volgt: Mijn God! ik bemin U uit geheel mijn hart en bovenal, omdat Gij in U zelve het opperste goed zijt en alle liefde waardig. Eene akte van onvolmaakte liefde: O mijn God! ik bemin U bovenal omdat Gij mijn grootste goed zijt, dat ik kan verwachten en eenmaal hoop te bezitten.
God dus volmaakt beminnen wil niet zeggen den hoogsten trap ol graad der liefde bereikt te hebben, waartoe de mensch in dit leven geraken kan, zoo dat er in de volmaakte liefde ook verschillende trappen of graden zijn.
De volmaakte liefde rechtvaardigt den mensch. Men kan God niet volmaakt beminnen en tevens in staat van doodzonde leven. Die God volmaakt bemint leeft in staat van genade. Zoo dus een groote zondaar, door Gods genade bijgestaan en geholpen, eene akte van volmaakte liefde tot God verwekt, hij wordt eensklaps gerechtvaardigd. Die in de liefde blijft, zegt de Heilige Schrift, blijft in God en God in hem. Eenieder, die God lief heeft, is uit God geboren, d. w. z., is een kind Gods. Ik, zegt God, bemin degenen die Mij beminnen: Ego düigentes me düigo.
De onvolmaakte liefde alleen kan deu zondaar niet rechtvaardigen, maar zij stelt hem in staat om tot de rechtvaardigmaking te geraken en uit den staat van doodzonde op te staan.
Gelijk de twee goddelijke deugden, de hoop en de liefde, zoo ook kunnen de volmaakte en onvolmaakte liefde te zamen gaan. De eene beweegreden waarom men God bemint, sluit de andere
niet uit. Men kan gedreven worden om God te beminnen, wijl God liet hoogste en beminnenswaardigste goed is in zich zeiven, en tevens, wijl God het hoogste goed en de gelukzaligheid van den mensch uitmaakt.
Zie hiervan een voorbeeld of eene gelijkenis in de moeder van Moses. -
Moses, gelijk wij uit de II. Schrift weten, werd te vondeling gelegd. Toen de dochter van den koning Pharao met hare dienstmaagden bij den Nijl kwam, zag zij een biezenkorfje, opende het en vond er een kind in liggen. Door medelijden bewogen deed zij het kind door eene hebreeuwsche vrouw voor zich opvoeden, en beloofde die vrouw daarvoor eene goede belooning. Die vrouw nu, met de opvoeding van Moses belast, was juist de moeder van Moses. Wie zul nu ontkennen dat de moeder van Moses door twee verschil lende beweegredenen gedreven werd, of althans kon gedreven worden, om zoo goed mogelijk en met de meeste liefde voor Moses te zorgen. Vooral was het de genegenheid van moeder voor het kind, want Moses was haar eigen zoon; vervolgens mocht de moeder van Moses ook eene schoone belooning van de dochter des konings verwachten; of werd daardoor nu de liefde van de moeder van Moses tot haar kind verminderd? Volstrekt niet. Welnu, zoo is het ook gelegen met de volmaakte en onvolmaakte liefde tot God, de eene sluit de andere niet uit.
SLUITREDE.
Wij hebben gezien, B. B., wat de volmaakte, wat de onvolmaakte liefde is. Wij hebben de voornaamste beweegredenen aangehaald, waarom wij God bovenal moeten beminnen. Ik heb onder anderen gezegd, wijl God ons eerst bemind heeft. Niemand onzer voorzeker zal de liefde Gods jegens ons in twijfel trekken. Neen, tot dusdanige godslasteraars spreek ik niet. Doch ik vraag u: Maakt de mensch zich niet aan de zwartste ondankbaarheid
— 20 —
plichtig, zoo hij Gort rtie hem eerst bemind en zooveel weldaden bewezen heeft, niet wederkeerig bemint? Moest de mensch, met rede en verstand begaafd, niet schaamrood worden van door het redelooze dier overtroffen te worden; want een hond, bijv., toont trouw en gehechtheid aan zijnen heer voor het weinige dat hij van hem ontvangt. Gort belooft ons daarenboven nog den hemel zoo wij Hem de weinige jaren die wij te leven hebben, beminnen. Wie kan dus zoo ongevoelig, zoo dwaas zijn van het gebod der liefde le overtreden? Zoo ongevoelig, zoo dwaas van liever den hemel te verliezen en voor eeuwig te branden in de hel dan Gort den beste der vaderen te beminnen? Nochtans, die ondankbare, die ongevoelige, die dwaas is rte zondaar. De zondaar bemint God niet; hij geeft de voorkeur, bijv., aan eene handvol onrechtvaardig geld, aan een schandelijk vermaak. Wat kan mij rte liefde schelen, zegt hij, niet met woorden, maar met werken, zoolang hij in staat van doodzonde is, zoo dikwijls hij eene doodzonde bedrijft. Wat kan mij rte liefde schelen! Er ligt u niets aangelegen? Vandaar ook dat gij rtoort zijt, want rtie niet bemint, blijft in rten dood. Uwe ongelukkige ziel heelt het leven der heiligmakeude genade verloren; vandaar dat gij gevaar loop) deu eeuwigen dood te sterven, d. !., voor eeuwig verloren te gaan, want Gort, wiens vijand gij u verklaart, heelt enkel den levensdraad af te snijden en \'t is met u gedaan.
Wat kan mij de liefde schelen! Ongelukkige dwaas! Weet gij wat gij zegt? Gij zegt als het ware; Wat maak ik er uit of ik mijne eeuwige bestemming bereik, voor eeuwig naar den hemel of naar de hel ga. Ziedaar wat rte zondaar, niet met woorden, maar met werken zegt. Vele voorgangers hebben ook zoo geoordeeld en gedaan, \'t Zijn de verdoemden in de hel. Hun ook lag er aan rte liefde Gods niets gelegen, en vandaar dat zij ze roekeloos voor nietigheden verspilden. Nu in de hel te midden der vlammen erkennen zij, maar, helaas! te laat hunne dwaasheid. B. B., zijn wij op onze hoede; volgen wij die
, ;:K ï-i!
ongelukkigen niet na in dit leven, wij zullen liet ongeluk dat hen onherstelbaar getroffen heeft, vermijden. Beminnen wij God die ons eerst bemind heeft, onderhouden wij trouw zijne geboden, en op het einde onzer loopbaan zullen wij den schoonen hemel dien Hij ons beloofd heeft, binnengaan. Amen.
li
lil
\'li i
11
,
!f|i
, r
DERDE ONDERRICHTING
OVER DE LIEFDE TOT DEN NAASTE
Düiges proximum tmm sicut tc if sum.
Gij zult uwen naaste beminnen gelijk u zeiven. (Matth. xix, 19.)
INHOUD.
VOORREDE.
»
De liefde Gods gaat door de doodzonde verloren. De dage-lijksche zonde baant den weg tot de doodzonde en,bijgevolg tot liet verlies der liefde. Men moet dus vooreerst de doodzonde vluchten als liet grootste kwaad, vervolgens de dagelijksche zonde. Men moet de liefde trachten te vermeerderen door het waardig ontvangen der H. Sacramenten, door het gebed en andere goede werken, door de overweging van de volmaaktheden en weldaden van God.
VERDEELING.
I. Wii! moet men na God beminnen?
11. Waarom moeten wij den naaste beminnen?
111. Hoe moeten wij hem beminnen?
God heeft ons geleerd dat wij na Hem onzen naaste moeten beminnen, d. L, alle redelijke schepselen die met ons deel kunnen hebben in de hemelsche glorie. Men moet dus den evenmensch zijn geluk van harte toewenschen en daarin naar vermogen medewerken.
11.
Men moet zijnen naaste beminnen wijl God het gebiedt, wijl de naaste het kind en het beeld van God is en bestemd om de goddelijke glorie te genieten, ook wijl Jesus er ons het voorbeeld van gegeven heeft.
111.
Wij moeten den naaste beminnen gelijk ons zeiven, d. L, zoo beminnen dat wij hem geen kwaad doen, dat wij zeiven niet zouden willen lijden, maar hem alle goed zoeken te bewijzen, dat wij ons zeiven wensohon. Onze naastenliefde moet dus oprecht zijn.
SLUITREDE.
Misbruik dat er van het woord liefde gemaakt wordt:
1quot; Door de ouders, die de opvoeding hunner kinderen verwaarloozen;
2quot; Door de jeugd.
— 30 —
DERDE ONDERRICHTING
OVER DE LIEFDE TOT DEN NAASTE
Düiges proximum tnuvi sicut te ipsurn.
Gij zult uwen naaste beminnen gelijk u zelvon. (Matth. xix, io.)
VOORREDE.
Door de doodzonde, B. B., en dooi\' de doodzonde alleen, verliest men de liefde Gods. Door de dagelijksclie zonde gaat zij wel is waar niet verloren, maar hare kracht verzwakt, hare oefeningen verflauwen en verminderen. Zoodra dus de raensch doodelijk zondigt, wijkt de liefde; bedrijft hij eene dagelijksclie zonde, de liefde blijft; doch wijl de dagelijksclie zonde, dikwijls en met opzet bedreven, den mensch langzamerhand tot doodzonde brengt, op die wijze doet zij hem ook de liefde verliezen. Wij moeten dus de zonde, vooreerst de doodzonde, vervolgens de dagelijksclie zonde vluchten als het grootste kwaad. Ook moeten wij er ons op toeleggen om God immer meer en meer te beminnen. De Catechismus vraagt:
Mogen wij ons tevreden houden met God door eene onvolmaakte liefde te beminnen? En hij antwoordt:
Neen; maar wij moeten gedurig ons best doen om in de liefde Gods aan te groeien, van inyner volmaaktere liefdewerken te verrichten, vurigere akten van liefde te verwekken. Daartoe zijn de volgende middelen zeer geschikt:
1° Het gebruik der 11. Sacramenten, vooral van het allerheiligste Sacrament des Altaars, ook wel het Sacrament dei-liefde genoemd;
2° Het gebed en andere goede werken;
:Jgt;0 Eene rijpe overweging van\'de beweegredenen, waarom wij God moeten beminnen, vooral de overweging van Gods oneindige volmaaktheden en ontelbare weldaden, die wij reeds ontvangen hebben, ontvangen en zullen ontvangen.
Na over de liefde tot God gesproken te hebben, zullen wij over de liefde tot den naaste handelen.
I. Wie moeten wij beminnen na God?
II. Waarom moeten wij den naaste beminnen?
III. Hoe moeten wij hem beminnen?
I.
Wie wij na God moeten beminnen, IJ. B., heeft God zelf ons geleerd, als Hij zegt: Uwen naaste zult gij beminnen gelijk u zeiven: Diliges proximum luurn simt te ipsum. (l) Hij heeft ons dus geboden onzen naaste te beminnen. Dat gebod is zoo nauw met het gebod van God te beminnen verbonden, dat men het een zonder het andere niet kan nakomen. De H. Joannes leert het duidelijk. Dit gebod hebben wij van God, zegt hij, dat, wie God bemint, ook zijnen broeder moet beminnen: Hoe manduhtm habenius a Deo, ut qui diliyit Deurn, (lilicjat et jratrem stiuvi: (l) Zonder de liefde tot den naaste is onze liefde tot God niets anders dan bedrog en huichelarij. Dezelfde Apostel leert het uitdrukkelijk: Zoo iemand zegt, ik bemin God, en hij haat zijnen broeder, hij is een leugenaar: Mendax est. Wij moeten dus onzen naaste beminnen. De Catechismus vraagt:
Wie verstaat gij door onzen naaste? En hij antwoordt:
Alle redelijke schepselen die met ons deel hunnen hebben in de hemelsehe glorie.
(i) Matth. xix, 19. (l) 1 Joan, iv, 21.
Om dus onze naaste te zijn worden er drie zaken vereischt;
1° Men moet een schepsel zijn. Alzoo is God onze naaste niet, Wjint Hij is de Schepper;
2° Een redelijk schepsel. Alzoo zijn de dieren onze naaste niet, want zij zijn redelooze schepselen;
3° Men moet in den hemel kunnen komen. Alzoo zijn de duivelen en verdoemden onze naaste niet, want zij zijn voor eeuwig verloren. Bijgevolg, alle menschen hier op aarde zijn onze naaste: Heidenen en Christenen, vijanden en vrienden, zondaren en rechtvaardigen. Waarom? Wijl zij aUen redelijke schepselen zijn, die te zamen deel kunnen hebben in de hemeische glorie. De ongeloovige kan tot het waar geloof komen; de vijand kan zijnen haat afleggen; de zondaar kan zich bekeeren, in een woord, de mensch hoe slecht, hoe goddeloos ook, kan, zoolang hij leeft, tot inkeer komen en zalig worden.
Zijn de zielen des vagevuurs onze naaste?
Ja; want wij kunnen met hen deel hebben in de hemeische glorie.
Zij zijn zeker van eenmaal in den hemel te komen, wij leven nog in de onzekerheid.
De Engelen en Heiligen zijn ook onze naaste. Zij genieten reeds het onuitsprekelijk geluk des hemels, wij moeten het nog verdienen. De Catechismus -vraagt:
Zijn de verdoemden der hel onze naaste? En hij antwoordt:
Neen; want zij kunnen met ons geen deel hebben in de hemeische glorie. Zij hebben haar onherroepelijk en voor eeuwig verloren. Om dezelfde reden zijn de duivelen onze naaste niet. De liefde nu tot den naaste is niet enkel eene natuurlijke, eene zuiver menschelijke liefde; neen, B. B., maar zij is de bovennatuurlijke, de christelijke liefde, die ons gebiedt den naaste het hoogste goed, d. i., den hemel van harte toe te wenschen en daarin naar vermogen mede te werken.
Ziedaar dus wie wij na God moeten beminnen en wie er door onzen naaste verstaan moet worden.
II.
De Catechismus vraagt:
Waarom moeien toij onzen naaste beminnen? En hij antwoordt:
Om God.
Wt\'l is te zeggen dat toij onzen naaste moeten beminnen om God?
Dat wij onzen naaste moeten beminnen omdat God het gebiedt, alsook omdat hij hel kind en hel beeld van God is, en bestemd om de goddelijke glorie le genieten.
Jesus-Christus, B. B,, iieeft ons geboden den naaste te beminnen, en\' om te toonen dat het gebod van den naaste te beminnen van groot belang is, noemt Hij hot bij voorkeur zijn gebod: Dit is mijn gebod, zegt Hij: Hoc est prceceptum meum; dat gij elkander bemint: ut diligatis invicem. Jesus noemt het een nieuw gebod. Ik geef u een nieuw gebod, zeide Hij: Frceceptum novum do vobis; i) dat gij elkander bemint, gelijk Ik u bemind heb. Jesus wilde daardoor niet te kennen geven, dat het gebod van den naaste te beminnen vroeger niet bestaan had. Neen, 1!. B., maar daardoor wilde Hij leeren dat Hij ons op nieuw verplichtte, dat Hij zijn gebod meer wilde uitbreiden en volmaakter maken dan het te voren was.
Van welk belang het is, en hoezeer wij verplicht zijn onzen naaste te beminnen, blijkt ook hieruit dat Jesus ons dat gebod als bij testament achter liet. Schoon is desaangaande de opmerking van den H. Augustinus. Die Heilige vergelijkt onzen goddelijken Zaligmaker bij een edelen vader des huisgezins. Die vader alvorens te sterven doet voor de laatste maal zijne kinderen
(l) Joan. xiii, 34.
Gkloofs - en Zedenleer. 3^c Dkkl. 3.
— 34 —
bij zich komen om hun eene belangrijke zaak, waarover hij tijdens zijn leven reeds dikwijls gesproken had, te herinneren. En welke is die belangrijke zaak? Die belangrijke zaak is de liefde tot den naaste, welke Jesus ons met ernst voor de laatste maal op het hart drukt en tot den heiligsteil plicht maakt. Hoe zouden nu de kinderen, zegt de Heilige Augustinus, den last van den stervenden Vader kunnen vergeten? En zoo er zich eene moeielijkheid opdoet, zullen zij dan niet aangespoord worden dooi\' de gedachte: Hoe dan! Ik zoude niet doen hetgeen mijn stervende Vader mij zoo dringend aanbevolen heeft? O, B. B., toonen wij door onzen naaste te beminnen, dat wij ware kinderen en leerlingen van Jesus-Christus zijn. Daaraan zullen allen erkennen, zegt onze goddelijke Zaligmaker, dat gij mijne leerlingen zijt, zoo gij elkander lief hebt: Si dileciionem habueritis ad invicem. (i)
Wij moeten den naaste beminnen, omdat hij het kind en het beeld is van God en bestemd om de goddelijke glorie te genieten. De naaste is het aangenomen kind van God, zoo niet inderdaad, dan toch door den roep; hij is geschapen naar het beeld en de gelijkenis van God, om eenmaal in den hemel te komen De H. Schrilt verhaalt ons, dat Raguël, toen hij vernomen had dat de jongeling die voor hem stond, de zoon van zijnen neef was, den jongen Tobias om den hals viel en zeide: Gezegend zijt gij, mijn zoon, want gij zijt de zoon van een goed, ja, van een besten man. Welnu; wat is de naaste? Hij is het kind, het beeld van den besten der Vaderen, van God. Vandaar dal de Profeet Malachias vraagt: Hebben wij allen niet éénen Vader? Heeft niet één God ons geschapen? Doch wij zijn niet alleen zijne kinderen, wijl Hij ons geschapen heeft, maar ook wijl Hij ons verlost en herschapen heeft in het H. Doopsel. Neen; de Zoon Gods heeft het niet beneden zich gerekend mensch te worden, te lijden en te sterven om ons in de verloren rechten
(x) Joan, xiii, 35.
van het goddelijk kindschap te herstellen, in \'t H. Doopsel .tot zijne kinderen aan te nemen en den hemel voor ons te openen. Wanneer wij nauwkeurig inzien wat Jesus-Christus voor den naaste gedaan heeft, dan achten wij hem onze liefde des te waardiger, wij zien hoe zeer God hem bemind heeft; wij zien in hem den duren prijs van Jesus\' goddelijk bloed; ja, wij zien in den naaste een medebroeder van Jesus-Christus den Zoon Gods, bestemd om met Hem voor eeuwig te leven in den hemel.
Eindelijk moeten wij den naaste beminnen, wijl Jesus het ons ook door zijn voorbeeld geleerd heeft. Het voorbeeld van Jesus, B. B., is niet minder krachtig dan zijn gebod. Uit liefde tot ons daalt hij uit den hemel neder; Hij wordt mensch, arbeidt en lijdt uit liefde tot ons, om op het einde zijns levens ons met des te meer klem en nadruk te kunnen toeroepen: Bemint elkander gelijk Ik u bemind heb; Sicut dilexi vos. Uit liefde tot ons laat Hij zich aan hot kruis vastnagelen en sterft Hij er aan, om ons het grootst mogelijk bewijs zijner liefde te geven. Ziedaar, B. B., waarom wij onzen naaste moeten beminnen.
lil.
De Catechismus vraagt:
Hoe moeien wij onzen naaste beminnen? Kn hij antwoordt:
Gelijk ons zeiven.
Wat is onzen, naasle beminnen gelijk ons zeiven?
Zoo beminnen dal wij hem geen kwaad doen dat wij zeiven niet zouden willen lijden, en hem het goed zoeken te bewijzen dat wij ons zeiven wenschen.
Om te weten hoe wij ons te gedragen hebben, ten einde onzen naasle le beminnen gelijk ons zeiven, stellen wij ons in de plaats van onzen naaste, en vragen wij ons af: Wat zoude ik met recht en reden wenschen dat men mij niet deed? Wat zoude ik met recht en reden wenschen dat men mij deed? Antwoordt
— 36 —
slechts rechtzinnig op die twee vragen, en gij zult den gedragsregel jegens uwen naaste vinden. Gij zoudt, bijv., niet wenschen bestolen, en gij zoudt wenschen in den nood bijgestaan te worden. Welnu, zoo moeten wij handelen jegens den naaste, en wij beminnen liem gelijk ons zeiven.
Uit hetgeen ik kom te zeggen kan men besluiten, dat onze liefde tot den naaste oprecht moet wezen. Wij moeten onzen naaste beminnen, niet in schijn, maar inderdaad, gelijk de Apostel Joannes ons leert: Laten wij beminnen, zegt bij, niet met woorden en met de tong; Non verho ucque lingua; maar met werken en in waarheid: sed opcre et veritate. Mooie woorden, gemaakte manieren, complimenten zijn niet altoos een bewijs dat men den naaste bemint; neen, B. !?., want zij dienen niet zelden om den mensch om den tuin te leiden en te bedriegen, om van zijn vertrouwen misbruik te maken; zij worden wel eens gebezigd uit eigenbelang, ja wat meer is, om don naaste oen lang gevoeden haat te doen gevoelen. Geeft Judas de verrader niet hot doorslaandste bewijs dier waarheid? Uitwendig bevriend levert hij uit hebzucht en haat Jesus aan zijne vijanden over. Met woorden en wenschen alleen wordt dus weinig of niets uitgericht, de daad moet bewijzen dat het met woord en wensch n-oed gemeend is, Zoo doende zullen wij bewijzen dat wij onzen naaste waarlijk beminnen gelijk ons zeiven.
SLUITREDE.
Ten slotte, ,15. B., roep ik uwe aandacht in op het schandelijk misbruik dat van het schoone woord liefde gemaakt wordt. Ja, men bezigt het niet zelden, als men een helschen haat aan den dag legt.
Wat is do ware, christelijke liefde eigen? Ik heb het reeds gezegd: den mensch het ware welzijn, de eeuwige gelukzaligheid of den hemel toe te wenschen en naar vermogen te bevorderen. En helaas! wat gebeurt er maar al to dikwijls? Men zoekt niet
alleen het tijdelijk, maar ook het eeuwig ongeluk van den even-mensch; men werkt uit al zijne krachten aan zijne eeuwige verdoemenis, en dat onder voorwendsel en onder den naam van liefde.
Wij beminnen onze kinderen, zeggen die zorgelooze en onachtzame ouders, üa! ik zou wel eens hartelijk lachen met uwe zoogenaamde liefde, bijaldien zij de droevigste en noodlot-tigste gevolgen niet na zich sleepte.
Ik bemin mijne kinderen, zegt die moeder; doch ik vraag u: Waarom zijt gij dan niet meer bezorgd voor het ware welzijn van uwe kleine kinderen? Waarom zijt gij in hunne kinderjaren reeds zoo toegevend en bedwingt gij hunne kwade neigingen niet, die zich reeds zoo vroeg openbaren? Nu is het nog tijd, naderhand is het te laat.
Ik bemin mijne kinderen, zegt die moeder; doch ik vraag u; Waarom houdt gij dan geen waakzaam oog bijzonder op uwe jonge dochters. Dat is vooral uwe zaak, moeder. Waarom laat gij haar rondloopen, also! zij u geheel en al vreemd waren? In plaats van de gevaren en gelegenheden der zonde te verwijderen, laat gij er haar in verkeeren: ja, wat meer is, men treft moeders aan, die ze zelfs voor hare dochters opzoeken. En die moeder durft zeggen dat zij hare kinderen bemint. Ongelukkige moeder! gij hebt dan alle denkbeeld van ware moederliefde verloren? Neen, dergelijke moeder bemint hare kinderen niet, zij haat hen, wijl zij hare kinderen, in plaats van hun goed te willen, kwaad wil; wijl zij hare kinderen in plaats van hen gelukkig te maken, ongelukkig maakt voor tijd en eeuwigheid.
Ik bemin mijne kinderen, zegt die vader. O, zoo die vader waarheid sprak, hij zoude zijne kinderen een beter voorbeeld geven; hij zoude zoo dikwijls niet moeten vloeken in de tegenwoordigheid zijner kinderen, hij zoude zich zoo dikwijls niet te. buiten moeten gaan aan den drank, hij zoude zich zoo oneerbiedig in de kerk niet moeten gedragen, hij zoude beter
— ;i8 —
moeten zorgen dat zijne kinderen \'s avonds bij tijd t\'liuis waren, hij zoude hen moeten vermanen, berispen, zelfs de roede moeten gebruiken. Neen, die vader bemint zijne kinderen niet; hij haat hen, wijl hij de schuld, de oorzaak is van hun tijdelijk en eeuwig ongeluk.
Ik bemin dien persoon, zegt die jongeling, die jonge dochter. O mijn Jesus! Ik vraag u vergiffenis, U, die de Liefde zijt, want God is de Liefde: Deus Charüas est. (i) Vergiffenis voor die verblinde jeugd, want zij noemt de duisternis licht, den baat noemt zij liefde. Gij bemint dien persoon? Ja, juist gelijk de duivel ons allen bemint, die rondloopt als een brieschende leeuw, zoekende wien hij kan verslinden. Welke zijn de gevolgen uwer dwaze, on tijdige en schandelijke liefde, die gij elkander toedraagt? Eene menigte, eene aaneenschakeling van de afschuwelijkste zonden Ziet eens de vruchten, welke die personen reeds in dit leven inoogsten van hetgeen zij liefde noemen. De straffende hand Gods, die zij zoo dikwijls door hun schandelijk gedrag uitgetart hebben tijdens hunne slechte verkeeringen, heeft zich reeds, alvorens of nu zij tot slaat gekomen zijn, over hen uitgestrekt. En och of zij de straffende hand Gods wilden erkennen, haar wilden aanzien als straffende tot hun welzijn, om hen tot inkeer te doen komen, om»hen de misslagen in de jeugd bedreven te doen uitboeten. Maar neen; dikwijls verzetten zij zich tegen God. zij vloeken Hem, zij haten elkander, zij leggen de schuld op elkander, zij verwenschen elkander, om te eindigen? niet altoos om te eindigen, want de tijdelijke straf wordt niet zelden opgevolgd door de eeuwige straf, de tijdelijke haat door den eeuwigen haat, de tijdelijke verwensching door de eeuwige verwensching, en ziedaar niet zelden het uiteinde eener ontijdige liefde. Ja, B. B., zoo gij in den afgrond der hel kondet nederdalen, gij zouilt in dien poel van solfer en vuur de slachtoffers der schandelijke liefde zien, die de waarheid van hetgeen ik
(1) I. JOAN. IV, lö.
kom te zeggen bevestigen. Bijgevolg, zoo wij afgedwaald zijn, komen wij op onze schreden terug, breken wij de ongeoorloofde vriendschapsbétrekkingen af, beminnen wij onzen naaste in geest en waarheid, wenschen wij hem waar goed, bevorderen wij zooveel mogelijk zijn tijdelijk en vooral zijn eeuwig welzijn, en de God der liefde zal met ons zijn; wij zullen God beminnen, wij zullen als ware kinderen van God elkander beminnen op aarde, om God en elkander tot belooning in eeuwigheid te beminnen in den hemel. Amen.
VIERDE ONDERRICHTING
OVER DE LIEFDE TOT ZICH ZELVEN
Qui düigit iniquitatem odit animan mam. Dio de ongerechtigheid bemint haat zijne ziel. (Ps. x, e.)
INHOUD.
VOORREDE.
God heeft de liefde in pns geregeld. Wij moeten den eenen mensch meer beminnen dan den anderen, naarmate hij nauwer met God of met ons vereenigd is. Men mag en moet zich zeiven beminnen; dat gebod ligt opgesloten in de woorden; Diliges proximum tuum sicul te ipsum.
VERUEELING.
1. Waarin bestaat de christelijke liefde tot zich zei ven?
11. Wanneer zorgt men voor zijne ziel? III. Wat is in strijd met de christelijke liefde tot zich zeiven?
I.
De ware christelijke liefde tot zich zelven bestaat hierin, dat men in zich«zelven het meest beminne hetgeen volgens de geloofsleer het beminnenswaardigste is, en dat men het beminne om de redenen die het geloof opgeeft; doch liet geloof leert dat de ziel het beminnenswaardigste is, bijgevolg moet men de ziel het meest beminnen,
II.
Men bemint zijne ziel het meest:
1° Zoo men de zonde, de gevaren en gelegenheden der zonde vermijdt;
2° Zoo men na gezondigd te hebben, zich terstond bekeert en boetvaardigheid doet;
8° Zoo men zich met ijverop de deugden en goede werken toelegt.
ill.
De ongeregelde eigenliefde is in strijd met de christelijke liefde tot zich zelven. Zij bestaat hierin:
1° Dat men aan zijne eer en zijnen wil de voorkeur geeft boven de eer en den wil van God;
2° Dat men zijn lichaam meer bemint dan zijne ziel;
3° Dat menzijn eigen welzijn zoekt ten nadeele van zijnen naaste.
SLUITREDE.
Gij bemint uwe ziel niet:
1° Als gij maar rijkdommen zoekt te vergaderen, \'t komt er niet o]) aan op welke wijze;
2° Als gij u maar zoekt te verhellen ten koste van de eer van God of van den naaste;
3° Als gij u maar zoekt te vermaken in de zonde.
Wijl van de zaligheid der ziel alles afhangt, moet eenieder zijn best doen om zijne ziel zalig te maken.
— 42 —
VIERDE ONDERRICHTING
OVER DE LIEFDE TOT ZICH ZELVEN
Qui dilif/it iniquitatem odit animam suam.
Die de ongereohtigheid bemint haat zijne ziel. (Ps. x, o.)
VOORREDE.
God, R. li., heeft niet alleen geboden van Hem en onzen naaste te beminnen, maar Hij beeft de liefde ook geregeld, d. w. wij moeten wel is waar alle menschen beminnen, doch wij moeten den eenen mensoh meer beminnen dan den anderen. En waarnaar moeten wij onze liefde regelen? Wij moeten ze regelen naar God en ons zeiven. Hoe nauwer iemand met God of met ons vereenigd is, des te meer moeten wij dien persoon beminnen. Hijgevolg moeten wij den eenen Heilige meer beminnen dan den anderen, naarmate de een den anderen in heiligheid te boven gaat. De rechtvaardigheid zelve vordert zulks, en de liefde is rechtvaardig. Vandaar\'dat wij de allerheiligste Maagd Maria moeten beminnen boven alle Heiligen.
Onder de menschen moeten wij den eenen meer beminnen dan den anderen, volgens dat hij door bloedverwantschap of door andere banden min of meer met ons vereenigd is. Alzoo moet een zoon, bijv., zijnen vader meer beminnen dan zijnen broeder. De wet der natuur vordert zulks, en de liefde vernietigt de wet der natuur niet, integendeel, zij volmaakt ze.
Dat wij ons zeiven mogen en moeten beminnen lijdt geen twijfel. Jesus immers zegt; (Jij zult uwen naaste beminnen gelijk u zeiven. Wij moeten dus ons zeiven eerst beminnen, vervolgens onzen naaste. In de woorden: Gij zult uwen naaste beminnen
gelijk u zeiven, ligt het gebod van zich zeiven te beminnen opgesloten, zegt de H. Augustinus. Er is geen bijzonder gebod van zich zelveh te beminnen noodig, zegt dezelfde Heilige, wijl eenieder krachtens de door den Schepper hem gegeven en ingeprente wet der natuur zich zeiven bemint. Vandaag zullen wij zien wanneer men zich zeiven christelijk bemint.
I. Waarin bestaat de christelijke liefde tot
zich zeiven?
II. Hoe moet men voor zijne ziel zorgen?
III. Wat is in strijd met de christelijke liefde
tot zich zeiven?
1.
De christelijke liefde tot zich zeiven bestaat hierin, B. li., dat wij op de eerste plaats onze ziel beminnen en zorg voor haar dragen.
Opdat de liefde tot zich zeiven cliristclijk zij, moet zij naar de geloofsleer geregeld worden. Welnu; wat leert ons het geloof? Het geloof leert ons dat wij in ons zeiven datgene het meest moeten beminnen, hetwelk het beminnenswaardigste is, doch het geloof leert ons dat onze ziel het beminnenswaardigste is; bijgevolg moeten wij onze ziel liet meest beminnen: wij moeten haar dus meer beminnen dan goud en zilver, meer dan eer en glorie, meer dan de vermaken en pleizieren der wereld, meer dan ons lichaam, ja, meer zelfs dan het leven. En waarom? Het geloof geeft ons ook de redenen op, waarom wij onze ziel meer dan al het overige moeten beminnen;
1° Omdat de ziel het waardigste deel is van den mensch, geschapen naar het beeld en de gelijkenis van God;
2° Omdat de ziel vrijgekocht is door het kostbaar bloed van Jesus-Christus, gezuiverd in de II. Waters des Doopsels en gevoed met het goddelijk vleesch en bloed van Jesus-Christus;
_ 44 —
3° Omdat de ziel de woonplaats is van God, bestemd om eenmaal een sieraad te worden van het huis Gods, van den hemel, en
4° Omdat van de zaligheid onzer ziel ons eeuwig geluk afhangt. Jesus drukt ons die waarheid sterk op het hart, als Hij zegt: Wat baat het den mensch de geheele wereld te winnen als hij zijne ziel verliest: of wat zal de mensch in ruiling geven voor zijne ziel? Aal quam dabit homo commutationem pro anima sua? (l) Wij moeten dus, willen wij ons christelijk beminnen, op de eerste plaats onze ziel beminnen en zorg voor haar dragen. Doch wanneer bemint men zijne ziel en draagt men zorg voor haar?
11.
Men bemint zijne ziel en men draagt zorg voor haar:
1° Als men de zonde, de gevaren en gelegenheden der zonde zorgvuldig vermijdt;
2° Als men na gezondigd te hebben niet uitstelt van zich te bekeeren en boetvaardigheid te doen;
3° Als men zich op de deugden en goede werken met vlijt toelegt.
Men moet vooreerst de zonde, de vrijwillige gevaren en gelegenheden der zonde vluchten. De doodzonde is de dood der ziel, en het gevaar der doodzonde is doodsgevaar voor haar. Wie dus zonde, althans doodzonde bedrijft, of zich aan het gevaar van doodzonde te bedrijven zonder wettige reden blootstelt, die bemint zijne ziel niet, hij zorgt niet voor haar. Hij bemint zijne ziel, evenals Caïn zijnen broeder Abel beminde dien hij doodsloeg. Hij zorgt voor zijne ziel, evenals David zorgde voor den dapperen Urias dien hij met opzet in \'t heetste van het gevecht in den steek liet, zoo dat hij sneuvelde. Is
(i) Matth. xvi, 10.
dat nu zijne ziel beminnen? Neen, B. B., maar dat is haar haten. Qui diligit iniquitatem odü animam suum, zegt de koninklijke Profeet: Die de ongerechtigheid, de zonde bemint, haat zijne ziel. Is dat voor zijne ziel zorgen? Neen, B. B., maar dat is haar verraden. De Engel Raphael zeide het uitdrukkelijk tot den jongen Tobias: Die zonde bedrijven en ongerechtigheid plegen zijn vijanden van hunne ziel: Hostes sunt animce suce. (i) Zoo men nu eene groote zonde bedreven heeft, dan blijft er geen ander middel over om zijne doode ziel tot het leveu der genade op te wekken en van den eeuwigen ondergang te bevrijden, dan zich oprecht te bekeeren en boetvaardigheid te doen, en dat eenige middel moet men uit liefde voor zijne ziel zonder uitstel aanwenden. Dwaasheid is het dus, ja*, onvergeeflijke dwaasheid zijne bekeering van dag tot dag uit te stellen, vooral, wijl men van den dag van morgen niet zeker is. De dood die ons den tijd van boetvaardigheid te doen afsnijdt, kan ons eensklaps treffen, waarna men onmiddellijk voor den rechterstoel van God moet verschijnen, waar hot vonnis der eeuwige verdoemenis den zondaar die geene boetvaardigheid gedaan heeft, wacht. quot;Wat leert de Apostel Paulus? (iij weet zeer goed, zegt hij, dat evenals een dief\' in den nacht, de dag des Heereh komen zal. Daarom vermaant ons ook de 11. Schrift; Verzuim niet, zegt zij, u tot den Heer te bekeeren, en stel niet uit van den eenen dag tot den anderen, want eensklaps komt zijne gramschap, en ten tijde der wrake zal Hij u verderven. Hoe zal men nu, na de vermaningen en bedreigingen van den H. Geest gehoord te hebben, een oogenblik durven aarzelen van zich te bekeeren en boetvaardigheid te doen? En bijaldien men het niet deed, zoude men tooneu dat men zijne eenige onsterfelijke ziel beminde en zorg voor haar droeg? Zoo gij vergift had ingenomen, zoudt gij wachten tegengift te gebruiken? En zoo u iemand raadde van het niet te doen of
(i) Tob. xii, 10.
— 46 —
uit te stellen, zoudt gij dien persoon niet voor uw grootsten vijand aanzien? Welnu; is dan uwe ziel niet meer waard dan uw lichaam? En is de eeuwige verdoemenis niet meer te vreezen dan de lichamelijke dood? Zoo men dus zijne ziel naar behooren bemint en er zorg voor draagt, dan moet men, zoo men het ongeluk gehad heeft van in doodzonde te vallen, zoo spoedig mogelijk uit zijne zonden opstaan, zich bekeeren en boetvaardigheid doen, opdat do ziel leve, leve hier door de heiligmakende genade, om eenmaal voor eeuwig te kunnen leven in den hemel.
Eindelijk moet men zich met vlijt op de deugden en goede werken toeleggen. Iemand, die zijnen naaste oprecht bemint, stelt zich niet tevreden met hem het noodzakelijke om te kunnen leven te* verschaffen; hij zal zich ook beijveren om hem nog andere zaken te bezorgen.
Zoo is het ook gelegen met den mensch, die zijne ziel oprecht bemint; hij is niet tevreden dat zijne ziel in staat van genade zij, maar hij doet daarenboven zijn best om haar te sieren met allerlei deugden en om haar te verrijken met allerlei verdiensten en goede werken; doet hij zulks niet, dan loopt hij gevaar van Gods genade te verliezen, omdat hij langzamerhand verflauwt en van den staat van verflauwing tot doodzonde komt, en vandaar dat de Apostel Petrus zegt: Doet uw best van uwen roep en uwe uitverkiezing door goede werken te verzekeren; Magis satagite ut per hona opera eer Lam coealtonern vestram et electionem faciatis. (i )
Ziedaar, B. B., wanneer men zijne ziel waarlijk bemint en zoi\'g voor haar draagt. Doch wat is in strijd met de christelijke liefde tot zich zeiven?
III.
Met de christelijke liefde tot zich zeiven is in strijd de ongeregelde eigenliefde. De ongeregelde eigenliefde bestaat vooreerst hierin, dat de mensch zijne eer en zijnen wil stelt boven
(i) ii Pbtr, i, 10.
de eer en tien wil van God. De eigenliefde is de zonde, zegt de II. Augustinus, waaraan de mensch zich eerst plichtig maakte. Adam en Eva weigerden God de eer le geven, die Hem toekomt; zij wilden zich aan God niet onderwerpen, maar aan Hem gelijk zijn.
Om dezelfde recten is Lucifer met zijnen aanhang gevallen.
De ongeregelde eigenliefde bestaat vervolgens liierin, dat de mensch meer voor zijn lichaam dan voor zijne ziel over heeft, dat hij meer voor het tijdelijke dan voor het eeuwige bezorgd is. Bijaldien de ware christelijke liefde tot zich zeiven bestaat, gelijk wij reeds gezien hebben, in de voorkeur te geven aan zijne ziel en zaligheid, zoo moet het eene slechte en ongeregelde eigenliefde zijn zijn lichaam en het tijdelijke te beminnen ten koste van zijne ziel en zaligheid. Die zich zoo bemint, B. B., is gelijk aan don rijke van het Evangelie; hij had overvloed aan tijdelijke goederen en hij zeide: Mijne ziel! gij hebt veel goed verzameld voor vele jaren, rust, eet en drink nu maar, maak goeden sier. En wat antwoord kreeg die rijke? Dwaas, die gij zijt, sprak God: SluUe, (i) dezen nacht nog zal men uwe ziel van u afeischen, en al wat gij bereid hebt, voor wien zal liet wezen? Qmv autem parasti cujus e.riml? Het lichaam van den hoovaardige, van den wellusteling wordt de spijs der wormen. De schatten en rijkdommen van den onrechtvaardige, ■van den gierigaard worden liet deel, ja wellicht de twistappel van lachende erfgenamen, want zoo gaat het met den mensch, die schatten en rijkdommen vergadert en niet rijk is voor God: Sic esi qui sibi thesaurizat et non est in Deurn dives. Dat is de zuivere waarheid.
De ongeregelde eigenliefde bestaat eindelijk hierin dat de mensch zijn eigen voordeel zoekt ten nadeele van zijnen naaste. Om zijnen naaste bekommert hij zich niet, mits hij zijn doel bereike. Goederen, eer, goede naam van den naaste, alles wordt
(i) Luc. xn, 19.
— 48 —
op \'t spel gezet, mits men zich verrijke of verhefl\'e. Vandaar, B. B., zoo vele zonden van onrechtvaardigheid op allerlei wijze bedreven, waardoor men zijnen naaste benadeelt en zich zeiven zoekt te verrijken. Vandaar zoo vele zonden van eerrooverij door laster en kwaad spreken, waardoor men den naaste vernedert en zich zeiven zoekt te verheffen.
Alwie zich zeiven dus ongeregeld bemint, zondigt: vooreerst, tegen God, wijl hij Hem noch eert, noch dient; vervolgens, tegen zicli zeiven, wijl hij zijne ziel en zaligheid verwaarloost en in gevaar brengt; eindelijk, tegen zijnen naaste, wijl hij hem onrechtvaardig benadeelt.
SLUITREDE.
Uit deze onderrichting over de christelijke liefde tot zich zeiven, kimt gij zien of gij u waarlijk en oprecht bemint; gij kunt er uit besluiten wat u te doen staat.
Is uwe liefde goed geregeld? Waar draagt gij meer zorg voor, voor uwe ziel of voor uw lichaam? Gij doet uw best van den vroegen morgen tot den laten avond om vooruit te komen in de wereld, om schatten en rijkdommen te vergaderen, er ligt u weinig aangelegen op welke wijze, op geoorloofde of ongeoorloofde, op rechtvaardige of onrechtvaardige wijze, liet scheelt u weinig? Uwe liefde is ongeregeld, gij stelt uw lichaam voor uwe ziel, gij bemint uwe ziel niet.
Gij zijt er maar op uit om te schitteren in de wereld, het komt er niet op aan hoe gij u verheft, het toppunt van eer bereikt, al wordt den goeden God de grootste oneer aangedaan, al wordt de evenmensch bepraat en gelasterd, in zijne eer en faam gekrenkt? Uwe liefde is ongeregeld, gij bemint uwe ziel niet, gij haat uwe ziel.
Gij zijt er maar op uit om u te vermaken, om uwe kwade neigingen in te volgen, ten koste van de liefde tot den naaste.
dien gij ergert en ongelukkig maakt? Uwe liefde is ongeregeld, gij bemint uwe ziel niet, gij haat uwe ziel, gij zijt de moordenaar uwer eenige, onsterfelijke ziel. Armzalig schepsel! want dat is de ongelukkige zondaar, die de gansche orde der liefde omverwerpt. O ja, hij draagt nog een weinig tijds eene doode ziel rond in een levend lichaam, tot dat de dood komt en hij niets meer zal kunnen regelen. O, \'t is nu nog tijd, regel zelf nu eerst uwe zaken, draag zorg voor uwe ziel en zaligheid, want wat baat het den mensch de geheele wereld te winnen, zoo hij zijne ziel verliest? Dat dus eenieder onzer tot dit krachtdadig besluit kome en zegge; Ik heb maar ééne ziel, die ziel kan, die ziel moet ik zalig maken, koste wat het koste, want mijne ziel verloren, is alles verloren, maar mijne ziel gewonnen, is alles gewonnen, en dat voor de eeuwigheid. Amen.
GiiLooi\'s - en Zedenleer. Deel. 4.
VIJFDE ONDERRICHTING
OVER DE LIEFDE TOT ZIJNE VIJANDEN
Diligitc inimicos vestros.
Bemint uwe vijanden. (Matth. v, u.)
INHOUD.
VOORREDE.
God heeft ons niet uitdrukkelijk geboden van ons zeiven te beminnen, doch Mij heeft ons om wettige redenen uitdrukkelijk geboden van onze vijanden te beminnen.
verdeeling.
I, Waarom moeten wij onze vijanden beminnen? II. Hoe moeten wij ons jegens hen gedragen?
I.
Wij moeten onze vijanden beminnen:
1° Wijl God liet geboden heeft: Bemint uwe vijanden;
2° Wijl Hij er ons het voorbeeld van gegeven heeft; Vader vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen;
3° Wijl wij anders geen vergiffenis van onze zonden kunnen bekomen: Vergeef ons onze schulden gelijk wij vergeven onze schuldenaren.
11.
Hoe moeten wij ons jegens onze vijanden gedragen?
1° Zoo wij iemand beleedigd hebben, moeten wij tot hem gaan, ons met hem verzoenen en niet uitstellen;
2° Zoo wij door iemand beleedigd zijn, moeten wij ons ook met hem verzoenen, vergeven en geen wraak nemen.
Men behoeft zijne vijanden geen bijzondere teekenen van vriendschap of liefde te bewijzen, maar men mag hun de algemeene niet weigeren. Ook is men niet gehouden voor zijne vijanden in \'t bijzonder te bidden, doch men mag hen in de gewone gebeden niet uitsluiten.
SLUITREDE.
Dwaling wederlege! van hen, die meenen te zondigen tegen de liefde, daar zij enkel bekoord worden. Om in die bekoringen niet te bezwijken moeten wij de Heiligen en vooral onzen goddelijken Zaligmaker trachten na te volgen.
VIJFDE ONDERRICHTING
OVER DE LIEFDE TOT ZIJNE VIJANDEN
Lüigite inimicos vestros.
Bemint uwe vijanden. (Matth. v, 11.)
VOORREDE.
Het gebod van zich zeiven te beminnen, B. B., ligt in liet gebod van den naaste; te beminnen opgesloten. Jesus heeft ons niet uitdrukkelijk willen verplichten van ons zeiven te beminnen, wijl eenieder krachtens de hem ingeprente wet der natuur zich zeiven bemint. Zoo is het niet gelegen met het gebod van onze vijanden te beminnen, alhoewel zij ook verstaan moeten worden onder onzen naaste. Immers, de Catechismus vraagt ;
Zijn onze vijanden onze naaste? En hij antwoordt:
Ja; want xoij kunnen samen deel hebben in de hemelsche glorie.
Doch wijl het veel moeielijker is zijne vijanden te beminnen dan anderen, daarom zoude de mensch zich licht willen wijs maken, dat hij daartoe niet verplicht is. Om ons nu van die dwaling te vrijwaren heeft onze goddelijke Zaligmaker ons uitdrukkelijk geleerd, dat onze vijanden ook onze naaste zijn; Hij heeft ons uitdrukkelijk geboden van hen te beminnen. Over dit gebod van liefde tot onze vijanden zullen wij vandaag handelen.
I. Waarom moeten wij onze vijanden beminnen?
II. Hoe moeten wij ons jegens hen gedragen?
I.
Door vijanden, B. B., van welke liier sprake is, mooten verstaan worden, al degenen die ons of de onzen haten, beleedigd hebben of als dusdanig beschouwd worden. Ik zeg: als dusdanig beseJiomod worden; want het kan zeer goed gebeuren, dat wij zekere personen voor vijanden of beleedigers aanzien, die het inderdaad niet zijn; ja, de beste vrienden, bijv., die ons eene heilzame, maar naar de bedorven natuur minder aangename vermaning geven, worden wel eens voor vijanden aangezien.
quot;Wij moeten onze vijanden beminnen vooral om drie redenen:
1° Wijl God het gebiedt;
2° Wijl Jesus-Christus er ons het voorbeeld van gegeven heeft;
:ia JVijl wij anders van onze eigen zonden geen vergiffenis kunnen bekomen.
De Catechismus vraagt:
Is er een hijzonder gebod ran onze vijmiden le beminnen? Rn hij antwoordt;
Ja, icant Christus zegt: Bemint mee vijanden, doet hun wel die u halen, en bidt voor degenen die n vervolgen en lasteren. Kn Mij voegt er bij: Opdat gij kinderen zijn moogt van uwen Vader die in de hemelen is, die zijne zon laat opgaan over de goeden en kwaden en die zijnen regen uitstort over de rechtvaardigen en onrechtvaardigen. De Pharisëen en Schriftgeleerden, die de wet dikwerf valsch en immer naar hunne zienswijze uitlegden, zeiden: Bemint uwe vrienden en haat uwe vijanden. De bedorvene wereld zegt hun dat na, en liet hart door den drift vervoerd herhaalt onstuimig: Ja, gij moet uwe vijanden haten, gij moet wraak nemen, \'t zoude wel schande zijn zoo gij geen ongelijk met ongelijk, geen kwaad met kwaad vergeldt. En wat antwoordt Jesus op de vervalschte leering der Phariseén en Schriftgeleerden, op de wraakstem der bedorvene wereld en van het door den drift vervoerde hart? Maar Ik zeg
u, antwoordt Jesus, bemint uwe vijanden: Ego autem dico vobis, diligite inimicos vestros: doet goed aan degenen, die u haten: Bcnefacilc Ids yui odcvunl vos: en bidt voor degenen die u vervolgen en lasteren: Et ovate pro persequentibus et calumniantihus vos. (i) Naar wien zullen wij 7ni luisteren? Aan wien zullen wij gehoorzamen? O, 13. 15., ecu christen, d. !., een leerling van Jesus-Christus, mag geen oogenblik aarzelen; lilj moet naar Jesus luisteren, aan Jesus gehoorzamen; ja, hij moet het gebod van zijn goddelijken Meester volgen en zijne vijanden beminnen; kost het moeite, t kan niet baten. Ook heeft hij God maar om de genade te vragen. God zal ze hem geven; maar zijne vijanden beminnen, hij is er toe verplicht. God heeft het geboden. Doch God heeft het niet alleen geboden, Jesus-Christus heeft er ons ook het schoonste voorbeeld van gegeven. Bemint uwe vijanden, zegt Jesus ons door zijn voorbeeld, want Ik uw Meester heb ze bemind. Bemint al uwe vijanden, ook de grootste, want Ik heb ze allen bemind. Bemint uwe vijanden met eene grootmoedige liefde, want Ik heb zo met de grootmoedigste liefde bemind. Jesus, B. B., had beleedi-gingen te verdragen, zooals nooit iemand verdragen heeft of kan verdragen. Die beleedigingen waren Hem aangedaan door hen, die Hij met weldaden overladen had. Zoo iemand, dan had Jesus reden van zich te wreken; zoo iemand, dan mocht Jesus zich wreken, wijl Hem als God de wraak behoort; zoo iemand, dan scheen Jesus zich te moeten wreken, wijl Hem zoo groote oneer was aangedaan; zoo iemand zich gemakelijk kon wreken, \'t was insgelijks Jesus, wijl Hij met den adem zijns monds zijne vijanden kon verdelgen. En hoe gedraagt Jesus zich ten opzichte van zijne vijanden? Tot den trouweloozen Judas, bijv., die Hem verraadt en overlevert, zegt Hij: Mijn vriend! waartoe zijt gij gekomen? Akh de beulen die Hem aan het kruis nagelen en in \'t hevigste zijns lijdens bespotten en lasteren, vergeeft Hij; ja,
(i) Matth. v, 45.
bo —
■wat meer is, Hij bidt zijn hemelschen Vader om vergiffenis voor hen: Vader! vergeef het hun, zegt Jesus, want zij weten niet wat zij doen. Ziedaar, R. B., het voorbeeld van onzen goddelijken Meester, voorbeeld dat wij, zijne leerlingen, tot ons eigen voordeel moeten navolgen. Ik zeg tot ons eigen voordeel, en niet zonder reden; waarom? Omdat wij anders van onze eigen zonden geen vergiffenis kunnen bekomen.
En inderdaad; wij allen zijn zondaren, wij allen hebben dus vergiffenis noodig; doch hoe zullen wij die bekomen, zoo wij onze vijanden niet beminnen, hun liet ongelijk dat zij ons aangedaan hebben, niet vergeven? Wat zeggen wij als wij het Onze Vader bidden? Onze Vader, zeggen wij: Vergeef ons onze schulden gelijk wij vergeven onze schuldenaren; \'t is dus onder voorwaarde dat wij vergiffenis van Ood te verwachten hebben, namelijk, zoo wij onzen naaste die ons beleedigd heeft, vergeven. Ja, Jesus-Christus heeft verklaard, dat de vergiffenis onzer zonden van die voorwaarde afhangt. Zoo gij de menschen hunne zonden, d. i., de misslagen die zij tegen u begaan hebben, vergeeft, zegt Hij, dan zal uw hemelsche Vader u uwe zonden ook vergeven, d. 1., de zonden die gij tegen Hem bedreven hebt; zoo gij echter de menschen niet vergeeft, dan zal uw hemelsche \\ ader u uwe zonden ook niet vergeven. En wat is er billijker, IS. B.? Wat zijn de beleedigingen die ons nietige schepselen worden aangedaan, in vergelijking van de beleedigingen die wij door onze zonden de oneindige Majesteit Gods hebben aangedaan? Zoude het dus niet onbillijk, ja zelfs vermetel zijn van zijne veel zwaardere zonden van God vergiffenis te willen bekomen en zijnen evenmensch de vergiffenis van kleinere misslagen te weigeren? Wij hebben dus reden van bang te zijn, zoo dikwerf wij met haat in het hart bidden; Vergeef ons onze schulden gelijk wij vergeven onze schuldenaren. Is het inderdaad niet als of wij zeiden; Vergeef ons niet, wijl wij onze broeders ook niet vergeven? Moeten wij niet vreezen dat God ons bij ons
Üs
li
m
• i
•C JJ ii
iM 1É
1 \'m
■ m
lü f.
l
! V?!,,
li m
— 50 —
woord houde en ons eenmaal zegge: De ore luo te judico serve nequani: (i) Naar uwe eigen uitspraak veroordeel Ik u, booze en onbarmhartige dienstknecht; gij wilt uwe broeders die tegen u misdaan hebben, niet vergeven, u geschiede gelijk gij vraagt, Ik zal u ook niet vergeven. Er blijft dus den mensch slechts te kiezen over tusschen vergiö\'enis te schenken of de eeuwige verdoemenis in te loopen. Immers, zonder vergiffenis te schenken is er geene vergiffenis te bekomen, en zonder vergiffenis te bekomen is er geene zaligheid: Neen, noch gebed, noch aalmoes, noch andere goede werken, hoe groot, hoe talrijk overigens kunnen den hemel ontsluiten, dien haat en vijandschap gesloten houden. Om dat ongeluk nu niet in te loopen, hoe moeten wij ons jegens onze vijanden gedragen?
11.
Ziehier, B. B., in \'t kort onzen gedragsregel.
Zoo wij zelf iemand beleedigd hebben, dan moeten wij den eersten stap doen; wij moeten tot den beleedigde gaan en ons met hem verzoenen. Die plicht is heilig, noodzakelijk en kan door geen ander goed werk vervangen worden. Ook mag men die verzoening niet uitstellen. Vandaar dat de Apostel Paulus zegt: Laat de zon over uwen toorn niet ondergaan. Mocht men reden hebben van te vreezen dat men den persoon, dien men beleedigd heeft, door hem aan te spreken of te bezoeken, in plaats van hem tevreden te stellen, nog meer zoude verbitteren, dan behoort men zich ten minste de moeite te geven van op de een of andere wijze, bijv., door een beleefd of vriendelijk gedrag of door bemiddeling van een derde den beleedigden persoon te voldoen.
Zoo wij zelf door een ander beleedigd zijn, dan moeten wij ons nog met hem verzoenen, van harte vergeven en liever
(1) Luc, xix, 22.
onrecht lijden dan kwaad met kwaad te vergelden. Ja, B. B., men moet zicli met zijne vijanden verzoenen. Bijgevolg, men mag nooit do teekenen van vriendschap of liefde weigeren, die men gewoon is elkander te geven, zooals, bijv., te groeten als men gegroet wordt, te antwoorden als men ondervraagd wordl .
Tot buitengewone teekenen van vriendschap of liefde is men niet verplicht, tenzij in zeldzame gevallen.
Men mag zijne vijanden nooit in de algemeene gebeden uitsluiten, zooals, bijv., in het gebed des Heeren, doch men is in den regel niet verplicht in \'t bijzonder voor zijne vijanden te bidden; doet men zulks naar het voorbeeld van Jesus aan het kruis, \'t lijdt geen twijfel, of men verricht een groot werk, en God zal ons daarvoor op eene bijzondere wijze beloonen, en daarom is het ook sterk aan te raden zelfs voor zijne vijanden te bidden.
Wij moeten onzen vijanden dus vergeven. Doch wat moeten wij vergeven? Wij moeten vergeven, B. B., de persoonlijke beleediging ons aangedaan. Daaruit volgt nu niet dat men geen eerherstel of schadevergoeding mag vorderen, zoo men in zijne eer grootelijks beleedigd of in zijne goederen benadeeld is: men mag en men kan soms verplicht zijn gerechtelijk te werk te gaan, zoo de zaken in der minne niet kunnen verellend worden; doch iioe zeer men zoo iets moet trachten te vermijden, om onaangenaamheden te voorkomen en zelfs om kosten te sparen, verstaat men gemakkelijk. Ook mag men nooit uit haat of vijandschap iemand voor het gerecht dagen, doch enkel om zijne* eigen rechten te verdedigen, en men wachte zich wel van tot dat middel over te gaan, zoolang men in opgewondenheid verkeert en niet bedaard is. Wat gebeurt er niet zelden? Als men tot inkeer gekomen, kalm en bedaard geworden is, heeft men spijt zoo ver te zijn gegaan. Men mag geen kwaad met kwaad vergelden. Ook kan men doodelijk tegen de liefde zondigen door zijnen vijand groot kwaad te wenschen of te doen. Doch hij heeft het mij ook wel gedaan. Wat beteekent
— 58 —
dat?. Wijl uw vijand slecht gehandeld heeft, moet gij daarom ook slecht handelen? Als uw vijand den goeden God vergramt, moet gij Hem daarom ook vergrammen? Zoo uw vijand in den put springt, zult gij hem naspringen? Men mag zich dus niet wreken. Vergeldt niemand kwaad met kwaad, zegt de Apostel Paulus, maar laat aan God de wraak over, want er staat geschreven: Mild vindida: Mij behoort de wraak, en Ik zal vergelden, zegt de Heer: Ego rctribuarn, (Heit Dominus. (i) Hieruit kunt gij ook besluiten, B. B., dat men tegen de liefde zondigt en doodelijk kan zondigen, door den eenen menscli tegen den anderen op te hitsen, in plaats van zich te beijveren om y.e niet elkander te verzoenen. Men heeft daartoe allerlei uitdrukkingen: Hoe! zoudt gij dat van zulk een verdragen? Bijaldien hij mij zoo iets gedaan had, ik zou hem recht zetten; hij zoude bij mij geen voet meer binnen do deur zetten, enz., en zoo doende is men dikwijls de oorzaak dat twee of meer personen, dat gansche familiën jaren en jaren lang in doode-lijken haat leven en menigeen wellicht voor eeuwig verloren gaat. O, B. B., die zaak verdient wel in acht genomen te worden, want God zal ons eenmaal rekenschap vragen van de zonden die door onze schuld bedreven worden, van de zielen die misschien door onzen slechten raad verloren gaan.
Alvorens te eindigen moet ik nog eene aanmerking maken.
SLUITREDE.
Men treft soms personen aan die de zaken verwarren, die denken dat zij hunne vijanden niet beminnen, en dat zij zicli aan zonde en soms aan groote zonde plichtig maken, daar zij enkel aan bekoringen onderhevig zijn. Men is, bijv., grootelijks door iemand beleedigd: zoo dikwijls men daaraan denkt, ontstaat er onwillekeurig eene beweging, eene afkeerigheid van dien
U) Rom. xii, 17.
— 59 —
persoon; zoo dikwijls men hem ziet, begint men warm te worden, zonder dat men er iets aan doen kan. Als men van dien persoon hoort spreken ten zijnen voor- of nadeele, wordt men onwillekeurig bedroefd of verblijd; men voelt die gewaarwordingen zoo eensklaps in zich opkomen. Zondigt men nu tegen het gebod van zijne vijanden te beminnen? Zoo het daar bij blijft, volstrekt niet; maar vrijwillig jegens iemand vijandig gezind zijn, hetgeen genoegzaam blijkt, zoo men dien persoon, bijv., niet eens wil aanzien en zich van hem afwendt; zoo men hem niet wil groeten als men door hem gegroet wordt, dat is zonde, dat is tegen het gebod van zijne vijanden te beminnen. Het eerste is slechts bekoring tot vijandschap, het laatste is een teeken van vijandschap; het eerste kan aanleiding\' geven tot zonde, maar het geeft ook aanleiding tot groote verdiensten, zoo daar tegen standvastig gestreden wordt, het laatste is in elk geval zonde. Wat nu gedaan om in die bekoringen niet te bezwijken? O, B. H., denken wij onder anderen aan hot voorbeeld der Heiligen, die hunnen vijanden vergeven, die voor hen gebeden, die hen bemind hebben. Denken wij vooral aan het voorbeeld van onzen goddelijken Zaligmaker aan het kruis en volgen wij het na; ja, vergeven wij onzen vijanden, beminnen wij hen; God zal ons onze zonden vergeven en ons beminnen. Amen.
ZESDE ONDERRICHTING
OVER DE TIEN GEBODEN GODS
Si vis ad vitam ingredi, serva mandata.
Zoo gij liet leven wilt ingaan, onderhoud de geboden. (Matth. xix, it.)
INHOUD.
VOORREDE.
Men moet God beminnen bovenal en zijnen evennaaste gelijk zieli zeiven. Dit gebod besluit in zich alle overige geboden.
In de tien geboden wordt ons breedvoerig geleerd, hoe wij ons van de plichten jegens God en den evennaaste moeten kwijten. Zien wij thans:
VERDEELING.
1. Wanneer God de tien geboden gegeven heeft;
II. Wie ze moet onderhouden en waarom.
— 61 —
I
God heeft in \'t begin zijne geboden geprent in de harten der menschen, daarna heeft Hij ze aan Moses gegeven, in twee steenen tafelen geschreven, en Christus heeft ze vernieuwd in liet Nieuwe Testament.
De mensch kent dus de geboden Gods door het licht der rede. God heeft den Joden zijne geboden schriftelijk gegeven. Plechtige afkondiging der tien geboden op den berg Sinaï: de twee steenen tafelen. Christus heeft de tien geboden niet afgeschaft, maar op nieuw voorgehouden. Vraag van den jongeling, en antwoord van Jesus op die vraag.
II.
Alle menschen moeten de geboden Gods onderhouden; Heidenen, Joden, Christenen; \'t geldt de rechten van God en ons eigen welzijn. Alle menschen moeten aan God hunnen Schepper en oppersten Heer gehgorzamen, en anders kunnen zij niet zalig worden, vermits Christus zegt; Wilt gij het leven ingaan, onderhoud de geboden.
SI,UITREDE.
Wij kunnen de geboden van God onderhouden, en om het gemakkelijk te kunnen, moeten wij ons van jongs af daaraan gewoon maken en dikwijls Gods genade verzoeken. Uit ons zeiven zijn wij zwak, doch sterk door de genade van God, welke hij niemand weigert die er om bidt. God stelt ons leven en dood voor, eeuwig leven en eeuwigen dood, d. i., den hemel en de hoi. Willen wij den hemel ingaan? Onderhouden wij dan de geboden.
— G2 —
ZESDE ONDERRICHTING
OVER DE TIEN GEBODEN GODS
Si vis ad vitam ingredi, serva mandata.
Zoo gij liet leven wilt ingaan, onderhoud de geboden. (Matth. xix, -n.)
VOORREDE.
Het eerste en grootste gebod, 13. B., bestaat in God bovenal te beminnen uit geheel ons hart, uit geheel onze ziel, uit geheel ons verstand en uit al onze krachten. Het tweede, aan iiet eerste gelijk, bestaat in onzen evennaaste te beminnen gelijk ons zeiven. Het gebod der liefde besluit in zich alle overige geboden. Die waarheden hebben wij in onze voorgaande onderrichtingen genoeg overwogen. Nu gaan wij verder onderzoeken, waar ons breedvoeriger geleerd wordt, hoe wij ons van de liefde jegens God en den evennaaste moeten kwijten. Dat wordt ons geleerd in de tien geboden Gods, in twee steenen tafelen geschreven. De drie eerste geboden, in de eerste tafel geschreven, handelen over de plichten jegens God; de zeven overige, in de tweede tafel geschreven, handelen over de plichten jegens den evennaaste: dit blijkt reeds uit de woorden zelf der tien geboden en zal nog duidelijker worden uit hunne verklaring. Onderzoeken wij vandaag:
1. Wanneer God de tien geboden gegeven heeft;
II. Wie ze moet onderhouden en waarom.
Wanneer heefl God de tien geboden gegeven?
God heeft de tien geboden in het begin geprent in de harten der inenschen; daarna heeft Hij ze aan Moses gegeven, in twee
— 03 —
steenen tafelen geschreven, en eindelijk heeft Christus w vernieuwd in het Nieuwe Testament.
God heeft vooreerst de tien geboden in het begin geprent in de harten der mensehen; niet dat Hij ze in de vleeschelijke harten der mensehen geprent heeft, evenals Mi,; ze Inter prentte in de twee steenen tafelen; neen, B. B., maar dat wil zeggen, dat God de eerste mensehen, Adam en Eva, geschapen heeft, begaafd met rede en verstand, zoodat zij Gods geboden, waarvan zij ook nog eene bovennatuurlijke kennis hadden, met hunne natuurlijke rede en met hun gezond verstand konden kennen zonder ze van iemand te leeren.
God heelt vervolgens de tien geboden aan Moses gegeven, in twee steenen tafelen geschreven. Ziehier in \'I kori de geschiedenis van de plechtige afkondiging der tien geboden op den berg Sinaï.
God, had de Israëlieten onder eene macht van wonderen uit de slavernij van Egypte verlost. Droogvoets gingen zij door de zee, waarin I\'liarao, die hen met zijn leger op de hielen zat, levend begraven werd. Toen zij in de woestijn den berg Sinaï genaderd waren, deed .God van dien berg zijne stem hooren. Hij sprak tot Moses en gebood hem zijne bevelen aan het volk van Israël bekend te maken. Moses volbracht het bevel Gods; hij maakte de oudsten bekend met hetgeen (Vod hem gezegd had, en geheel het volk antwoordde; Wij willen alles doen wat de Heer bevolen heeft. Daarop beval God Moses hel volk gedurende twee dagen te heiligen, en zich gereed te houden voor den derden dag, waarop de Heer ten aanzien der geheele volksmenigte op den berg Sinaï zoude nederdalen. De berg moest afgepaald worden, want het was den Israëlieten streng verboden dien te beklimmen; ja, zij mochten hem niet eens aanraken op straf des doods. Zoodra de bazuin zal schallen, zeide God tot Moses; dan zal het volk den berg naderen. Toen nu de morgen van den derden dag was aangebroken, zie! daar begon het eensklaps te weêrlichtcn en le donderen; eene dikke wolk overdekte den
- (54 —
Sinaï; het geschal der bazuinen werd hoe langer hoe sterker, en het volk sidderde in de legerplaats. Moses leidde het uit de tenten den Heer te\' gemoet tot aan den voet des bergs. De berg rookte, vermits God er in hellen vuurgloed op afdaalde. Gansch de berg was schrikverwekkend. God riep Moses tot zich op den top des bergs en zeide: Begeef u wederom naar beneden, en waarschuw het vólk de ompaling niet te overschrijden. Toen Moses nu beneden was, verkondigde God van de kruin des bergs zijne tien geboden. Ik ben de Heer uw God, die u uit Egypte uit het huis der slavernij geleid heb. Gij zult geene vreemde, goden roov mijne oogen hebben: Aou habebis deos cdienos coram me. (l) Gansch liet volk hoorde den Heer zijne geboden geven; liet stond vol schrik en angst van verre en bezwoer Moses: o spreek gij voortaan tot\'ons, zeide het volk, wij zullen naar u luisteren en alles doen wat de Heer tot u zeggen zal; maar laat den Heer niet meer tot ons spreken, opdat wij misschien niet sterven. Vreest niet, zeide Moses: God kwam slechts om u op de proef te stellen en om u vrees voor zich in te prenten, opdat gij u van zonde zbudet onthouden. Nadat God zijne geboden afgekondigd had, beval Hij Moses den berg te beklimmen, om de tien geboden te ontvangou. Moses beklom den borg en verbleef daar veertig dagen en veertig nachten, zonder spijs of drank te gebruiken. Wijl Moses nu zoolang op den berg verbleef, begon het volk in de legerplaats zich te verdrieten en maakte zich eindelijk aan eene groote zonde, namelijk, aan afgoderij plichtig. Moses daalde van den berg af, de twee steenen tafelen dragende. Doch ziet wal er plaats greep. Moses hoorde in de verte vreugde gezangen. Nader komende zag hij dat het volk een gouden kalf aanbad. Bij het aanschouwen dier ongehoorde misdaad, ontvlamde hij in toorn, nam de twee steenen tafelen en verbrijzelde ze tegen den voet van den Sinaï. Doch dat was niet alles. I»e zoo diep beleedigde Godheid moest
li) Ex. xx, 1.
ook gewroken worden. Moses deert een beroep op de getrouwheid aan den Keer. Alwie den Heer getrouw wil zijn, zcido hij, kome tot mij. En ziet! de kinderen van Levi verzamelden zich rondom Moses; deze gaf zijne bevelen en zeide: Dus spreekt de Heer, de Gort van Israël: Gaat met ontbloote zwaarden midden door de legerplaats, en slaat, zonder verschooning, wien gij ook aantreft, dood, hij zij uw broeder, vriend of naaste gebuur. De Levieten volbrachten het bevel en doodden op dien dag ongeveer 23000 man. Ziedaar hoe duur het aanbidden van het gouden kalf den Israëlieten kwam te staan. Do diep beleedigde Godheid was gewroken. Daarna beval de Heer Moses twee steenen tafelen te vervaardigen. Met deze beklom hij wederom den borg Sinaï, verbleef or nogmaals veertig dagen en veertig nachten, zonder spijs of drank te gobruiken, 011 God schroef op nieuw zijne tien geboden in do twee stenen (aioion. Die tajpen worden in de ark des verbonds nodorgelegd, later in hot Heilig der heiligen van den tempel van Salomon overgebracht, waarin zij bewaard (gt;11 in oor gehouden werden, tot dat de tompol dooi\' Nabuchodo-nosor verwoest word. Ziedaar, 1!. lï., n in \'t kort verhaald, hoe God tie Hoer plechtig (i|) don berg Sinaï voor do sidderende aarde zijn eeuwig wetboek opensloeg, on hoe het Joodscho volk in \'I bezit kwam van de twee steenen tafelen, waarin God met eigen vinger de tien geboden geschreven had.
Kindolijk heeft Christus do lion geboden vernieuwd in \'I Nieuwe Testament. Ouzo goddelijke Zaligmaker hoeft do tien geboden in de nieuwe wet niet afgeschaft; neen, maar Hij hoeft zo vernieuwd, op nieuw voorgehouden, bekrachtigd on ons geloerd, wat wij moeten doen om zo trouw na to komen. Zekeren dag sprak oen jongeling van goeden huize Josus aan on zeide; Goede Moestor! wat moet ik doen, om het eeuwige loven te erlangen? Zoo gij het loven wilt ingaan, antwoordde Josus, onderhoud do geboden. De jongeling vroeg: Welke? Kn daarop begon Josus met het opsommen dor tien geboden, om te toonen dat hij niet
Gisloofs-kn Zedenleer. 3(le Deel. 5.
— 0(5 —
gekomen was om zo af te scliafl\'en, maar veeleer om ze te bekrachtigen, gelijk Hij overigens uitdrukkelijk verklaart, als Hij zegt: Non vent solvere legem aut Projphetas, sed adim-plere: (l) Ik ben niet gekomen om de wet of de Profeten af te schaffen, maar om ze te vervullen.
Ziedaar, B. B., hoe God de tien geboden bekend gemaakt en afgekondigd heeft: vooreerst, door het licht der rede of het gezond verstand van den mensch; vervolgens, schriftelijk in twee steenen tafelen, en eindelijk, mondelings door zijn eenigen Zoon Jesus-Christus.
Doch wie moeten de tien geboden Gods onderhouden en waarom?
H.
Do Catechismus vraagt;
Moeien alle memchen de geboden Gods onderhouden? En hij antwoordt:
Ja; want zij moeien aan God, hunnen Schepper en oppersten Heer gehoorzamen, en anders kunnen zij niet zalig worden, vermits Christus zegt: Wilt gij lol het leven ingaan, onderhoud de geboden.
Alk1 inenschen, zonder onderscheid, hetzij Heidenen, Joden, Christenen, allen moeten de tien geboden onderhouden; tot dat einde immers heeft God zo gegeven en afgekondigd. Hij heeft zo zelfs geprent in de harten der monschen, gelijk wij gezien hebben. Vandaar dat de Heidenen, alhoewel het licht der openbaring of des Evangelies niet over hen is opgegaan, onverschoonbaar zijn, wanneer zij togen de tien geboden misdoen; God heeft ze hun door het licht der rode of door het gezond verstand verkondigd. Voor do Israëlieten heeft God do tien geboden nog op eene plechtige wijze aigekondigd en in twee steenen tafelen geschreven achtergelaten. Voor ons Christenen, ja, voor alle monschen hooft
1
M.vrni. v, 17.
11 ij zo op nieuw door zijn eenigen Zoon Jesus-Cliristus afgekondigd en bevestigd. Alle menschen moeten dus de tien geboden onderhouden. Doch waarom moeten zij ze onderhouden? Ziehier twee redenen; \'t geldt vooreerst de rechten van God, vervolgens ons eigen welzijn.
\'t Geldt vooreerst de rechten van God. Alle menschen immers moeten aan God hunnen Schepper en oppersten Heer gehoorzamen. God is onze Schepper, wijl Hij ons uit hei niet getrokken heeft; Hij is onze Heer, wijl wij Hem (oebehooren. En evenals de overige schepselen, de Engelen, bijv.. God onderdanig zijn, evenals de leven - en redelooze schepselen zijne bevelen volbrengen; zoo ook moeten wij menschen, met rede en verstand begaafd, aan God gehoorzamen, wijl Hij onze Schepper en opperste Heer is. En hoe moeten wij God gehoorzamen? Wij moeten God gehoorzamen door zijne geboden stipt te onderhouden.
\'t Geldl vervolgens ons eigen welzijn. Wij moeten de tien geboden Gods onderhouden, wijl wij anders niet zalig kunnen worden, vermits Christus zegt: Wilt gij hel leven ingaan, onderhoud de geboden, d. L, wilt gij zalig worden of in den hemel komen, onderhoud de geboden.
God, B. 1!., heeft wel is waar het recht van ons le gebieden, zonder ons eene belooning le beloven, en wij menschen zouden evenwel zijne geboden moeten volbrengen en gehoorzamen; wij zouden hel ons zelfs nog tot eer moeten rekenen God te mogen gehoorzamen en zijne geboden te mogen onderhouden, d. w. z.. Hem te mogen dienen; doch ziet hoe goed God jegens ons is. In plaats van ons zijne geboden te geven, enkel met de verplichting van ze te onderhouden, op straf van voor eeuwig tot de hel veroordeeld te worden, zoo wij ze niet nakomen, God in zijne oneindige goedheid jegens ons, heeft nog de schoonste, belooning beloofd. Kn welke is de belooning, die» God ons beloofd heeft? enkel een lang en gelukkig leven op aarde? ofwel schatten en rijkdommen, eer en glorie, vermaken en pleizieren in de wereld ?
Neen, R. B., maar een eeuwig leven en een ongestoord geluk in den hemel; en dat eeuwige leven, dat ongestoord geluk in den hemel zal ons gegeven worden, zoo wij zijne geboden trouw onderhouden, \'t Geldt dus ook, gelijk gij ziet, ons eigen welzijn. Ziedaar, B. B., wie en waarom wij Gods geboden moeten onderhouden.
SLUITREDE.
En zeggen wij niet: Ik kan de geboden Gods niet onderhouden: dergelijke taal, met voorbedachtheid gevoerd, zoude onverstandig, ja. God beleedigend zijn. Wij kunnen de geboden van God onderhouden; dit waarborgt ons de oneindige goedheid, wijsheid en rechtvaardigheid van den goddelijken Wetgever. Dit blijkt- ook uit de ontelbare voorbeelden der Heiligen; zij waren zwakke; menschen, gelijk wij; hetgeen zij gekunnen hebben, kunnen wij ook. Doch
Wat moet men \' doen om de geboden Gods gemakkelijk te onderhouden?
Men moet zich van jongs aj daaraan gewoon maken, en dikwijls Gods gratie verzoeken.
Jong en klein zijnde moet men reeds altijd en in alles de geboden van God stipt nakomen, om later in de jeugd als de driften heviger en de moeielijkheden grooter worden, ook getrouw te blijven. Daarenboven moeten wij daartoe dikwijls Gods genade verzoeken, d. w. z., bidden. Uit eigen krachten kunnen wij Gods geboden niet volkomen onderhouden; doch hetgeen ons aan macht ontbreekt vult God met zijne genade aan, genade, welke Hij niemand weigert die er om bidt. Uod, B. B., beveelt het onmogelijke niet. Bijaldien Hij beveelt, vermaant Hij te doen wat wij kunnen, te vragen hetgeen wij niet kunnen, en Hij helpt ons opdat wij kunnen. Zoo wij nu het middel dat God ons ter hand doet, niet gebruiken, d. i., zoo wij God niet om genade bidden, aan wien moeten wij dan onze zwakheid en do
— 09 —
overtreding der geboden toeschrijven? Aan God\' Dat is God beleedigend. Aan ons zeiven? Ja, en aan niemand dan aan ons zeiven. Vandaar dat onze goddelijke Zaligmaker in het Evangelie zegt: De dienstknecht die den wil van zijnen meester gekend, maar niet volbracht heeft, zal veel slagen krijgen, d. L, zal streng gestraft worden. Bijgevolg, eenieder kan met Gods genade de geboden onderhouden, \'t Is dus onze zaak van te kiezen: ofwel de geboden onderhouden en voor eeuwig gelukkig zijn in den hemel, ofwel de geboden overtreden en voor eeuwig branden in de hel. Ziet! zoo spreekt God zelf: Ik stel u heden zegen en vervloeking voor: zegen, zoo gij de geboden van den Heer uwen God onderhoudt; vervloeking, zoo gij ze niet onderhoudt. Ik roep heden hemel en aarde tot getuigen, voegt God er bij: Testes invoco hodie caelum et terrain, (i) dat Ik u leven en dood, d. L, den hemel en de hel heb voorgesteld: quod proposuerim vobls vitarn et mortem. Welnu, B. B., wat zullen wij kiezen? Ik kies het leven, den hemel, zult gij antwoorden: O! dan roep ik u ten slotte toe: Zoo gij het leven, d. i., den hemel wilt ingaan, onderhoud de geboden: Si vis ad vitarn ingredi, serva mandata. (2) Amen.
(1) Deut. IV, 20. (2) MATTh. xix, 17.
ZEVENDE ONDERRICHTING
EERf-TE GEBOD
OVER DE KETTERIJ EN ONGELOOVIGHEID
JVon habehis dcos altenos coram mc. Gij zult gcenc vreemde goden voor mijne oogen hebben. (Ex. xx, 2.)
INHOUD.
VOORREDE.
God heeftjde tien geboden geprent in de harten der menschen, daarna aan Moses gegeven in twee steenen tafelen geschreven, en Jesus-Christus heeft ze vernieuwd in het Nieuwe Testament. Alle menschen moeten de geboden onderhouden, want alle menschen moeten aan God gehoorzamen, en anders kunnen zij niet in den hemel komen.
VERDUEUNG.
I. Wat wordt er belast in het eerste gebod? II. Welke zonden strijden tegen het eerste gebod?
Het eerste gebod gebiedt en verbiedt. Wat? De vereering van God is in- en uitwendig. Welke? Beiden zijn noodzakelijk.
Wat wordt ons belast in het eerste gebod?
1° Dat wij oenen God alleen bekennen of in Hem gelooven;
2° Dat wij oenen God alleen aanroepen of op Hein hopen;
3° Dat wij oenen God alleen dienen of Hem beminnen.
Het eerste gebod luidt ook als volgt; Boventd bemin éenen God. Waarom? Door de drie goddelijke deugden vereeren wij God op eene bijzondere wijze. Waarom? Die vereering is de voortreflblijksto. Waarom? Woorden van den H. Augustinus.
H.
Welke zonden geschieden tegen het eerste gebod? Alle afgoderij, superstitie, tooverij, ketterij en alle andere oi\\geloovigheid, wanhoop en haal van God. Wat is ketterij? Onvrijwillige twijiel is geen zonde. Hoe moet men zich in de bekoringen tegen het geloof gedragen?
Hoe misdoen de Ketters tegen het eerste gebod?
Men zondigt tegen het geloof:
1° Door het te loochenen met woorden of met werken;
2° Door het lezen of verspreiden van kettersche boeken of geschriften;
;}0 Door met Ketters om te gaan en naar hunne gesprekken tegen liet geloof te luisteren. Mag men hunne vergaderingen of predekatiën bijwonen ?
Hoe moet men zich gedragen als men gedwongen is met Ketters of goddeloozen om te gaan?
Wat is ongeloof? Volslagen vrijwillig gemis van het alleen zaligmakend geloof:
De onverschilligheid is driederlei;
1° Tusschen godsdienst of geen godsdienst; 2° Tusschen dezen of genen godsdienst; 3° Omtrent den oenigen waren godsdienst.
SLUITREDE.
Do onverschilligheid spruit voort uit de onwetendheid, de onwetendheid uit de verwaarloozing der christelijke leering. Verantwoordelijkheid der ouders.
ZEVENDE ONDERRICHTING
EERSTE GEBOD
OVER DE KETTERIJ EN ONGELOOVIGHEID
Kon hahelit deos alienos coram me.
Gij zult geene vreemde goden voor mijne oogen hebben. (Ex. xx, a.1
VOORREDE.
In onzo voorgaande oncleiTicliting, B. II., hebben wij over de tien geboden in \'t algemeen gesproken. God heeft den menscii zijne geboden bekend gemaakt door de rede of door het gezond verstand, schriftelijk in twee steenen tafelen, en eindelijk mondelings door Jesus-Christus zijn eenigen Zoon. Alle mensehen zijn verplicht de geboden Gods te onderhouden, want zij moeten God hunnen Schepper en oppersten Heer gehoorzamen, en anders kunnen zij niet zalig worden of in den hemel komen. Vandaag vangen wij aan met elk gebod afzonderlijk te verhandelen. Ik ben de Heer uw God: Ego sum Dominies Deus tuus: die u uit het land van Egypte geleid heb, uit het huis der slavernij. Die woorden liet God de afkondiging zijner geboden voorafgaan, om te toonen, dat Hij als Heer en God het recht heeft van ons zijne geboden te geven, en dat wij, zijne schepselen en zijn eigendom, verplicht zijn zijne geboden trouw na te komen. Het eerste gebod luidt als volgt: Non habébis deos alienos coram me: (l) Gij zult geene vreemde goden voor mijne oogen hebben: gij zult u geen gesneden beeld of gelijkenis maken: gij zult die niet aanbidden noch godsdienst aandoen: in andere woorden:
:I) Ex. xx, 2.
Bovenal bemin éénen God. Ziedaar liet eerste der tien geboden. Onderzoeken wij vandaag:
I. Wat er ons belast wordt in het eerste gebod;
II. Welke zonden strijden tegen het eerste gebod.
I.
Het eerste gebod, B. B., gebiedt en verbiedt. Het gebiedt ons God de eer te geven die Hem toekomt, namelijk, de goddelijke eer of aanbidding; en het verbiedt ons die eer aan eenigschepsel te bewijzen. De vereering van God is tweederlei, inwendig en uitwendig. Zij is inwendig, zoo wij God vereeren met ons verstand en onzen wil, zonder het uitwendig te laten blijken; zij is uitwendig, zoo wij God vereeren door uitwendige teekenen of handelingen, die onder de zintuigen vallen, zoo als door te knielen, door de handen te vouwen of naar den hemel uit te strekken, door de godsdienstplechtigheden bij te wonen. Beide vereeringen worden vereischt. De inwendige wordt vereischt, want zonder haar zoude de uitwendige niets zijn dan schijnheiligheid ot veinzerij; de uitwendige wordt vereischt, wijl de mensch uit ziel en lichaam bestaat, en niet alleen met zijne ziel, maar ook met zijn lichaam aan God toebehoort en van Hem afhangt; hij moet dus zijnen Heer en God in- en uitwendig vereeren. Doch onderzoeken wij verder door de vraag van den Catechismus te beantwoorden, hoe wij God bijzonder inwendig moeten vereeren. De Catechismus vraagt:
Wat wordt ons belast in het eerste gebod? En hij antwoordt: Dat wij éénen God alleen zullen bekennen, aanroepen en dienen: in andere woorden: dat wij eenen God alleen zullen vereeren door geloof, hoop en liefde.
Vooreerst wordt ons belast éénen God alleen te bekennen, d. w. z., te erkennen of vrijwillig aan te nemen, dat er maar één ware God bestaat, één in getal, geen twee, drie of meer
goden, en bijgevolg, dat er buiten dien één of eenigen waren God volstrekt geen god bestaat, en dien eenigen waren God te erkennen of vrijwillig aan te nemen voor God, d. i., voor datgene wat God is. En wat is God? God, B. B., gelijk wij in den eersten artikel des Symbolums gezien hebben, is het Wezen hij uitstek, bet Opperwezen, het oneindig volmaakte Wezen. God is ook de Schepper, Heer en Regeerder van hemel en aarde. Wij moeten dus don eenigen waren God ook erkennen en aannemen voor God, d. i., voor het Wezen bij uitstek, het Opperwezen, het oneindig volmaakte Wezen, voor den Schepper, Heer en Regeerder van hemel en aarde. Doch die twee waarheden kunnen wij niet erkennen of aannemen, alvorens Ie weten dat er maar één ware God bestaat, en te weten wat Hij is. Eit hoe weten wij die twee waarheden? Door de rede of het gezond verstand alleen? Door do rode en hot gezond verstand kan men reeds veel van God weten, doch niet alles wat men moot weten, en niets naar bohooren, d. i., op eone verdienstelijke wijze: zóó kennen wij het bestaan van God en wat God is alleen door de openbaring, wijl God ons geopenbaard hoeft dat en wat Hij is; doch iets weten of kennen met het verstand en aannemen met den wil, omdat God hot geopenbaard heeft, is niets anders dan golooven; dus éénen God alleen bekennen is God golooven en alzoo wordt ons in hol eerste; gebod belast in God Ie golooven. Vervolgens wordt ons belast éénen God alleen aan te roepen, d. w. z., te bidden; doch die bidt, verzoekt en verwacht iets, in andere woorden, hij hoopt iets, en hetgeen wij moeten verzoeken en verwachten of hopen, is hot eeuwige leven en al wat ons daartoe helpen kan; bijgevolg wordt ons in het eerste gebod ook belast op God te hopen.
Eindelijk wordt ons belast éénen God alleen to dienon. Dienen, B. B., is den wil van zijnon moester volbrengen, doen hetgeen hij gebiedt, laten hetgeen hij verbiedt. God dienen dus is den wil van God volbrengen, doen hetgeen God gebiedt, laten hetgeen
— 7(5 —
Hij verbiedt, zich volkomen aan God onderwerpen, in een woord, zijne geboden onderhouden; docii die de geboden van God kent en onderlioudt, bemint God, gelijk God zelf verklaart, als Hij zegt; Qui habet mandata mea et servat ca,: Die mijne geboden heeft en onderhoudt: ille est qui düigit me: (i) die is het die Mij bemint. Bijgevolg eenen God alleen dienen beteekent hier niets anders dan God beminnen, en alzoo wordt ons in het eerste gebod ook belast God te beminnen.
Wijl nu niemand God beminnen kan gelijk het behoort, zonder in Hem te gelooven en op Hem te hopen, daarom wordt het eerste gebod: Gij zidt geene vreemde goden voor mijne oogen hebben, enz., ook zeer goed uitgedrukt door deze weinige maar beteekenisvolle woorden; Bovenal bemin eenen God.
Door de oefeningen der drie goddelijke deugden vereeren wij God op eenc bijzondere wijze, wijl wij daardoor zijne bijzonderste eigenschappen of volmaaktheden erkennen en ons aan Hem onderwerpen. Door de oefening van geloof erkennen wij Gods oneindige waarachtigheid en onderwerpen wij ons verstand, wijl wij gelooven al wat God geopenbaard heeft en door de heilige Kerk voorhoudt, hetzij het ons verstand te boven gaat of niet, omdat God de opperste en onfaalbare waarheid is, die niet kan liegen, noch bedriegen, noch bedrogen kan worden.
Door do oefening van hoop erkennen wij Gods oneindige goedheid tot ons, zijne almacht en zijne getrouwheid aan zijne beloften, alsmede ons eigen onvermogen, wijl wij van God hopen, d. i., verzoeken en verwachten het eeuwige leven en al wat ons daartoe helpen kan; omdat God oneindig goed is tot ons, almachtig en getrouw aan zijne beloften.
Door de oefening van liefde erkennen wij Gods oneindige heiligheid en alle andere volmaaktheden, en wij geven ons geheel en al aan God over; omdat wij God beminnen bovenal om Hem zeiven, d. i,, om zijne goedheid, barmhartigheid, liefde tot
fl) JOAN. XIV, 21.
ons on allo andere volmaakthoden, ■waarmode Hij allo good te boven gaat.
Do vereering van God door de oefeningen der drie goddelijke deugden, van geloof, hoop en liefde, is de voortreffelijkste. Immers, do drie goddelijke deugden zijn de waardigste; bijgevolg moet de vereering door de oefening dier deugden ook de voortreffelijkste wezen. Vandaar dat de TI. Augustinus op do vraag: Hoe moet men God vereeren? dit kort maar beteekonisvol antwoord geeft; Men moet God vereeren door geloof, hoop en liefde. Daaruit volgt ook nog hoe geraadzaam het is dikwijls de akten van geloof, hoop en liefde te verwekken. Ziedaar, B. B., wat ons heiast wordt in het eerste gebod. Zien wij nu welke zonden strijden tegen het eerste gebod.
II.
De Catechismus vraagt:
Welke zonden geschieden legen het eerste gebod? Kn hij antwoordt:
Alle afgoderij, superstitie, loorerij, ketterij en alle andere ongeloovigheid, wanhoop en haat van God: dus juist de zonden die strijden tegen de drie goddelijke deugden. Leggen wij er vandaag in \'t kort twee van uit, namelijk, de ketterij en de ongeloovigheid, groóte zonden tegen het geloof, wijl men God niet als God erkent. De eerste zonde is de ketterij.
Wat is ketterij? Ketterij bestaat hierin, B. B., dat men met hardnekkigheid volgt de vervalschte leering van Christus; dat men de een of andere waarheid, door God geopenbaard en door de H. Kerk voorgehouden, verwerpt, niet wil gelooven, of er vrijwillig aan twijfelt. Ik zeg vrijwillig. Immers, onvrijwillige twijfel tegen bet geloof is volstrekt geene zonde; \'t is enkel eene bekoring, die den deugdzaamsten mensch kan overkomen. Doch hoe moet men zich in de bekoring tegen het geloof gedragen? Men moet ze verachten en ze trachten te verwerpen, door, bijv.,
— 78 —
te denken: ]Ioe zoude ik die zoo weinig versland heb, liet beter ■willen weten dan zoo veel geleerde en heilige menschen, beter dan de H. Kerk die onfaalbaar is, beter dan God zelf die de opperste Waarlu\'id is: door eene akte van geloof te verwekken: Mijn God! ik geloof in U, omdat Gij oneindig waarachtig zijt: in - en voor dit geloof wil ik leven en sterven.
Hoe misdoen de ketters tegen het eerste gebod?
Dat zij niet geloovende hetgeen God voorhoudt door de heilige Kerk, God leugenachtig maken en zoo hem loochenen.
Een Ketter, bijv., die de een of andere van God geopenbaarde waarheid weigert te gelooven, weigert, omdat hij denkt dat zij valsch of onzeker is; doch hij die denkt, dat eene van God geopenbaarde waarheid valsch of onzeker is, houdt God voor een leugenaar of althans voor iemand, die kan liegen; doch hij die God voor een leugenaar houdt of voor iemand, die kan liegen, ziet God niet aan voor oneindig waarachtig; hij erkent dus God niet voor God, maar loochent Hem.
Men zondigt tegen het geloof en zelfs doodelijk, als men het geloof loochent met woorden of met werken, al zoude men het inwendig ook niet meenen. Met woorden, als men het geloof afzweert om protestant of andersgezind te worden; met werken, als men daardoor toont dat men tot een anderen godsdienst behoort, bijv., door het deelnemen aan het protestantsch avondmaal. Op Vrijdag vleesch eten, zelfs onder protestanten, om wettige redenen, is geen teeken dat men protestant of anders-gezind is; het kan zelfs geoorloofd zijn, doch aan een protestansch avondmaal deelnemen is nooit geoorloofd. Bijgevolg:
Mag men de predicatiën of andere vergaderingen der ketters o/ goddeloozen bijwonen?
Het is doorgaans gevaarlijk, en men zondigt doodelijk, als men daarin deel neemt, dezelve goedkeurt, of te kennen geeft dat men aan hunne sekte toebehoort. Uit nieuwsgierig-beid die eens bijwonen is minder kwaad, doch altoos verboden.
om de ergernis die men zoude geven, of het geloofsgevaar waaraan men zich min of meer blootstelt.
Men zondigt tegen het geloof door het lezen of verspreiden van ongodsdienstige of kettersche boeken of geschriften; men mag die niet lezen noch bewaren, want men stelt zich aan het gevaar bloot van het geloof te verliezen. En zegt niet: Ik sta vast genoeg in het geloof: ik ben er zoo goed in onderwezen, dat het lezen dier boaken of geschriften mij in het geloof niet zal doen wankelen. Gij bedriegt u; gij kunt zoo vast staan en zoo goed onderwezen zijn in het geloof als gij wilt, \'t komt er niet op aan; onze Moeder de II. Kerk die verstandiger is dan wij, die een waakzaam oog op hare kinderen houdt en moet houden, verbiedt het, en dat verbod alleen moet ons voldoende zijn.
Men zondigt tegen het geloof door den omgang met Ketters en door naar hunne gesprekken tegen het geloof te luisteren, om dezelfde reden als in het voorgaande geval, om het gevaar waaraan men zich blootstelt van hot geloof te verhezen. Daarom moet men de verkeering met de Ketters altijd goed vermijden, doch vooral in kerkelijke en geestelijke zaken.
Moet men uit noodzakelijkheid of om andere wettige redenen met hen omgaan, dan moet men altoos de gesprekken over den godsdienst zoo veel mogelijk \'vermijden. Wat zal men er bij winnen door met Protestanten of andersgezinden over den godsdienst te redetwisten? Zal men hen overtuigen en tot het waar geloof bekeeren? Ik zeg u, en zijt er wel van overtuigd, gij zult een protestant eerder bekeeren door één Vaderons voor hem te bidden, dan dooi\' drie dagen onafgebroken met hem over Kerk en godsdienst te redetwisten. In geval die personen de waarheid zoeken en verlangen onderricht te worden, moeten zij zich begeven tot de priesters, van welke Jesus-Christus spreekt, als Hij zegt: Gaat en onderwijst alle volkeren, en de priesters zullen hen leeren wat zij doen moeten. Doch weet gij wel, waarom Protestanten ot andersgezinden dikwerf over Kerk en godsdienst
— 80 —
willen spreken? Soms, omdat zij inzien dat hun godsdionstwinkel weinig of niets beteekent; ook wel, om de Katholieken in het nauw te brengen of voor den zot te houden. In dit laatste geval, zoo men door een kort antwoord te gevon, dezen of genen wijsneus den mond kon stoppen, zoo iets zoude men kunnen doen, doch in \'t algemeen gesproken is het beter van volstrekt niet met Protestanten of andersgezinden over den godsdienst te spreken. Te recht vraagt dus de Catechismus:
Hoe moeten icij ons gedragen als wij gedwongen zijn met ketters of goddeloozen om te gaan? En hij antwoordt:
Wij moeten ten 1, in liefde en vrede met hen omgaan; ten 2, door ons goed gedrag het waarachtig Geloof minnelijk maken; ten :S, voor hunne bekeering hidden; ten 1, wel \'bijzonderlijk zorgen dat wij in hunne dolingen en zonden geen deel nemen, noch die goedkeuren.
De tweede zonde is de ongeloovigheid. Wat is ongeloovigheid? Volslagen ongeloovigheid bestaat hierin, dat men door eigen schuld, geheel en al vrijwillig, niets van het alleenzaligmakend geloof weet of wil weten. Daartoe behoort de onverschilligheid in den godsdienst. Men treft personen aan, die gansch onverschillig zijn, die zeggen dat gansch de godsdienstzaak ccne onverschillige zaak is die niet eens verdient opgemerkt te worden. Anderen beweren dat alle godsdiensten goed zijn, en dat men volgens tijdsomstandigheden on belangen een godsdienst, welken ook, mag volgen. Een derde soort van onverschilligen, zijn die beweren dat de katholieke godsdienst de eenige ware is, maar die zich weinig bekreunen om de leering van dien godsdienst; die zich de moeite niet geven om de waarheden die volstrekt noodzakelijk zijn ter zaligheid, aan te leeren; die onverschilligen zondigen tegen het geloof door verzuim van onderricht in den godsdienst.
SLUITREDE
Ziedaar, B. B., hoe men op verschillende wijzen tegen het geloof en bijgevolg tegen het eerste gebod zondigt. Rn denkt niet dat Protestanten of andersgezinden alleen zich aan die zonde plichtig maken. Neen; want men treft hedendaags onder ons ook onverschilligen en onwetenden aan. De onverschilligheid spruit voort uit de schuldige onwetendheid. Ik zeg schuldige, en te recht. Onderwijst men niet genoeg? Wordt de geloofs - en zedenleer niet genoeg uitgelegd? Waarom kent men ze dan niet? Omdat men er zich niet om bekreunt, noch voor zich, noch voor anderen. En dit laatste mogen de zorgelooze ouders wel in aanmerking nemen. Ja, men treft in onze dagen ongelukkige ouders aan, die hunne kinderen in de betreurenswaardigste onwetenden onverschilligheid laten opgroeien; die er niet naar omzien of hunne kinderen den Catechismus bijwonen. Welk eene verantwoordelijkheid halen dergelijke ouders op zich. Bijaldien hunne kinderen om onwetend - en onverschilligheid verloren gaan, zijn de ouders verantwoordelijk; ja, zij zullen het dubbel betalen, want zij zijn inderdaad zielenmoordenaars van hunne kinderen. Denkt dus wel na, ouders, of gij bezorgd zijt voor uwe kinderen, zoo niet, ontwaakt dan uit uwe onverschilligheid, waarin gij tot hiertoe uwe kinderen zijl voorgegaan, en waarin zij u reeds navolgen, opdat gij de wrake Gods, die u wegens plichtverzuim boven het hoofd hangt, moget ontkomen, uwen I leer en. God moget erkennen en aanbidden hier op aarde, om Hem eenmaal na dit kort leven te mogen aanschouwen en loven in den hemel. Amen.
GKLOOFS - KN ZliDENI.I\'I\'R 3^C DEEL. 0.
ACHTSTE ONDERRICHTING
EERSTE GEBOD
OVER DE AFGODERIJ, SUPERSTITIE EN TOOVERIJ
Nolo vos socios fieri dtBinoniorum.
Ik wil niet dat gij gezellen wordt van de duivelen. (i Cor. x, 20.)
INHOUD.
voorrede.
Ketterij en ongeloovighoid strijden tegen het geloof en bijgevolg tegen het eerste gebod. Men moet de Ketters en goddeloozen vluchten 0111 geen gevaar te loopen van het geloof te verliezen. Strijden nog tegen het geloof: afgoderij, superstitie en tooverij, wijl men daardoor God alleen niet erkent.
verdeeung\'.
I. Wat is afgoderij ?
II. Wat is superstitie?
UI. Wat is tooverij?
Wat is afgoderij? Wat zijn afgoden? Wat zijn afgodisten?
Vóór de komst van Christus was de afgoderij algemeen. De Israëlieten volgden woleens de Heidenen na. Na de komst van Christus is de afgoderij merkelijk verminderd. Wat is afgoderij in een figuurlijken zin?
II.
Wat is superstitie of bijgeloof? Elke zaak heeft uit hare natuur eene kracht en kan nog eene hoogere kracht bekomen van God of door de instelling der II. Kerk: voorbeeld in het water.
\'t Is geen superstitie Agnus Dei, enz. (e gebruiken.
\'t Is superstitie zekere middelen te gebruiken tot een einde waartoe zij noch natuurlijke noch bovennatuurlijke kracht hebben.
\'t Is superstitie zekere toevallen voor stellige voorteekenen te houden van het een of ander, waarmede zij niet in betrekking staan.
Men kan zelfs doodelijk zondigen door superstitie.
Wal is tooverij? Wat is waarzeggerij? Wal zijn tooveraars, wat waarzeggers? Wanneer zondigt men door tooverij, wanneer door waarzeggerij? Kr kunnen tooveraars en waarzeggers bestaan en deze zondigen doodelijk. Wat zijn doorgaans onze hedendaagse!ie tooveraars en waarzeggers? Men mag bij tooveraars of waarzeggers te rade gaan. Ongelukken daardoor ontstaan. Men mag niemand zonder wettige reden voor een tooveraar, enz., aanzien.
SLUITREDE.
Wachten wij ons van de zonde van superstitie, en geven wij den evenmensch nimmer een slechten naam. Nemen wij onze toevlucht tot God.
Onderzoeken wij ons gedrag, en zoo wij plichtig zijn aan groote zonden, verzoenen wij ons met God. In twijfelachtige zaken gaan wij te rade hij de geestelijke overheid ten einde van God geholpen te worden.
ACHTSTE ONDERRICHTING
EERSTE GEBOD
OVER DE AFGODERIJ, SUPERSTITIE EN TOOVERIJ
Nolo vos socios fieri dremomoruni.
Ik wil niet dat gij gezellen wordt van de duivelen. (i Cou. x, \'io.)
VOORREDE.
In het eerste gebod, B. 15., wordt ons belast, onder anderen éénen God alleen te bekennen, d. w. z., te erkennen en vrijwillig aan te nemen dat er maar één ware God bestaat, en dien éénen waren God te erkennen en vrijwillig aan te nemen voor hetgeen Hij is, d. i , voor het Wozcn bij uitstek, het Opperwezen, het oneindig volmaakte Wezen, voor den Schepper, Heer en Regeerder van hemel en aarde.
De Ketters en ongeloovigen zondigen tegen het eerste gebod, wijl zij God niet als God erkennen. Wij moeten den omgang met de Ketters en goddeloozen zorgvuldig vluchten, zonder wettige reden niet met hen verkeeren, wijl wij ons anders aan liet gevaar bloot stellen van den kostbaren schat des geloofs te verliezen.
Buiten de zonden van ketterij on ongeloovigheid zijn er nog andere zonden die strijden tegen het geloof, en bijgevolg tegen het eerste gebod, namelijk, afgoderij, superstitie en looverij: door die zonde erkent men den éénen waren God alleen niet als God. Zien wij vandaag in \'t kort;
I. Wat afgoderij;
II. Wat superstitie;
III. Wat tooverij is.
— 80 —
I.
Wat is afgoderij? Afgoderij, B. B., is niets anders dan de eer die (tod alleen toekojnt, namelijk, de goddelijke eer of aanbidding aan eenig schepsel, welk ook, bewijzen.
Afgoden zijn beelden of andere dingen die gehouden worden voor üod, daar zij nochtans maar schepselen zijn. Bijgevolg, beelden uit hout, steen of metaal vervaardigd, ook schilderijen die een geest, mensch, dier of ander schepsel voorstellen, of andere dingen, d. i., de schepselen zei ven, bijv., de zon, de maan, enz., zonder door een beeld of eene schilderij voorgesteld te zijn, dat alles voor God beschouwd en als God geëerd, ziedaar de afgoden of valsche goden. Waarom? Omdat zij de goddelijke natuur niet hebben.
Afgodisten of afgodendienaars zijn menschen die de afgoden aanbidden.
Vóór de komst van Christus was buiten het uitverkoren volk Gods, namelijk, de Israëlieten, de afgoderij algemeen. De Heidenen waren eerste afgodendienaars. Alles was bij hen als het ware God, uitgenomen God alleen. Zij aanbaden de zon, maan en sterren; geesten, menschen, dieren, planten, zelfs monsters, die zij zich doer beelden uit hout, steen of metaal voorstelden. Een timmerman, bijv., niet wetende wat van een stuk hout te maken, maakte er een god van en aanbad dat stuk hout. Zij aanbaden zelfs planten gelijk ik gezegd heb. Vandaar dat de dichter al lachende zegt: O gelukkige volkeren, wier goden in den hof groeien!
De Israëlieten volgden weleens de Heidenen in hunne afgoderij na. Reeds in de woestijn aanbaden zij een gouden kalf en werden voor die misdaad op Gods bevel streng gestraft: drie en twintig duizend Israëlieten kwamen door het zwaard om.
Sedert de komst van Christus is de afgoderij merkelijk verminderd. Nochtans, men treft nog volkeren aan die het Evangelie niet ontvangèn hebben, en die zich immer aan de zonde van
afgoderij plichtig maken. Dat afgoderij grooto zonde is laat zich gemakkelijk verstaan, wijl men de eor die den Schepper alleen toekomt, aan het schepsel geeft. Zij is zelfs groote zonde al zoude zij onkel uitwendig geschieden. Ken Christen, bijv., zoude om den dood te ontkomen afgoden aanbidden, ofschoon hij inwendig aan den éénen waren God gelooft. Vandaar dat in \'t begin der Kerk vooral do; Martelaren liever de verschrikkelijkste folteringen, ja zelfs den dood ondergingen dan slechts uiterlijk de afgoden te aanbidden.
Onder ons, B. B., bestaat in den eigenlijken zin des woords geene afgoderij waarover in het eerste gebod gehandeld wordt; doch er bestaat eene andere soort van afgoderij, in een figuurlijken zin genomen, omdat zij eenigszins gelijkt op de ware afgoderij. Zoo wordt de geldzucht, de ontucht, de onmatigheid wel eens afgoderij genoemd, omdat, evenals tie afgodendienaar liet schepsel voor God aanziet, de mensch die zieli aan die zonden plichtig maakt, het geld, den wellust, het eten en drinken, bijgevolg het schepsel boven God stelt. Vandaar dat de Apostel Paulus van de vijanden van liet kruis van Christus sprekende zegt: Hun buik is hun goed: Quorum deus venter est. (i) Van die afgodendienaars worden er, helaas! onder de Christenen veel gevonden.
II.
Wat is superstitie?
Superstitie of bijgeloof is het ongoddelijk gebruik van eenige woorden of teekenen tot zeker uitwerksel, waartoe deze geene kracht hebben noch uit de natuur, noch van God, noch door de instelling der H. Kerk.
Elke zaak, B. B., — en bijgevolg ook elk woord of teeken —■ heeft uit hare natuur eene kracht die haar eigen is. Zoo heeft, bijv., het water van natuur de kracht om het vuur te blusschen.
(i) Phil, in, 19.
Eene zaak kan ook oene hoogere kracht van God bekomen. Zoo heeft het water bij het II. Doopsel gebruikt, van God de bovennatuurlijke kracht bekomen om de ziel te zuiveren van de erfzonde.
Eene zaak kan ook nog eene hoogere kracht bekomen door de instelling der H. Kerk. Zoo heeft liet wijwater de kracht bekomen door de gebeden der II. Kerk om veel onheilen af te weren.
Zoude het nu superstitie of bijgeloof zijn water te gebruiken om het vuur van een huis dat in brand staat, te blusschenNeen. Waarom niet? Omdat bet water van zijne natuur de kracht heeft om het vuur te blusschen.
Is er superstitie of bijgeloof gelegen in het gebruik van water bij het II. Doopsel van een kind om vergiffenis van de erfzonde te bekomen? Neen. Waarom niet? Omdat het water, gebruikt bij het H. Doopsel, met do woorden die men uitspreekt, van God de kracht ontvangen heeft om de erfzonde te vergeven of af te wasschen.
Is er superstitie of bijgeloof gelegen in het gebruik van wijwater om, bijv., den duivel op de vlucht te drijvengt;. Neen. Waarom niet? Omdat het wijwater, door de gebeden der 11. Kerk er over uit gesproken, dc kracht heeft: om den duivel op de vlucht te drijven.
, Doch heeft eene zaak, een woord of teeken noch uit de natuur, noch van God, noch van de II. Kerk kracht tot een uitwerksel, en wil men door die zaak, dat woord of teeken te gebruiken niettemin dat uitwerksel bekomen, dan maakt men zich pliciitig aan superstitie of bijgeloof.
(Jit hetgeen ik kom te leeren blijkt duidelijk dat er geene superstitie of geen bijgeloof gelegen is in het gebruik van Agnus Dei, gewijde kaarsen, palmen, assclie, vruchten, wijwater, enz.
Door een Agnus Dei wordt verstaan eene medalie uit wit was, waarop van de eene zijde het afbeeldsel staat van een lam, dat
Josus-Christus voorstelt, hot Lam Gods dat de zonden der wereld wegneemt. Die medalie wordt door den Paus alleen op zekere tijden gewijd.
De priester wijdt kaarsen op Lichtmis, palmen op Palm-zondag, asschc op Asch-woensdag, vrachten, bijv., brood op den feestdag van den 11. Hubertns, water eiken Zondag. Al die gewijde voorwerpen hebben de kracht van God te bewegen, om over de personen die ze dragen, en de plaatsen waarin zij bewaard worden, zijnen zegen uit te storten en hen te bewaren voor allerlei ongelukken naar ziel en lichaam. Daarom is het zeer voordeelig en aan te prijzen hel gebruik van gewijde palmen te plaatsen op de akkers, gewijd brood te eten en zelfs te eten te geven aan de dieren, tijdens onweder eene gewijde kaars te ontsteken en de huizen met wijwater te besproeien. Doch om de heilzame kracht der gewijde voorwerpen te ondervinden moet men ze gebruiken in den geest van godsdienstigheid, met betrouwen op God en zich wel wachten er meer kracht aan toe te schrijven dan met de inzichten der H. Kerk overeenstemt.
Uit hetgeen ik kom te leeren blijkt ook dat men zich aan superstitie of bijgeloof plichtig maakt, als men, bijv., om van ziekten te genezen, tegen het een of ander gevaar bevrijd te zijn, middelen gebruikt die daartoe noch natuurlijke, noch bovennatuurlijke kracht hebben. Die middelen bestaan doorgaans in zekere spreuken, vreemde namen, letters of andere teekenen, waaraan men eene wondervolle, onfeilbare kracht toekent. Kerlooze bedriegers drijven met dergelijke middelen schandelijken handel. Sommigen gaan zelfs zoo ver van gewijde voorwerpen tot dat einde te misbruiken. Men vindt er die met gebeden rond loopen, die voor alles goed zijn. Als men ze leest is men bevrijd tegen water en vuur, tegen een haastigen dood, men kan zelfs niet verloren gaan; zoo ver wordt de bedriegerij soms gedreven.
Men maakt zich nog aan superstitie of bijgeloof plichtig, als men zekere toevallen aanziet en houdt voor stellige, voorteekenen
— 00 —
van geluk of ongeluk, alhoewel zij er volstrekt niet mede in betrekking staan. Bijv., \'s morgens met het linker been eerst van het bed stappen, slecht toeken: twee messen of lepels kruiselings op tafel, een ongeluk: er zitten dertien personen te zamen aan tafel, in den loop van \'t jaar zal er een van sterven: een hond huilt wat akelig, er zal weldra iemand in de buurt dood zijn; en duizend andere dergelijke belachelijke zaken, die men allen moet bestempelen met den naam van ouden wijvenpraat. En niettegenstaande al dat belachelijke vindt men personen die voor wijs en verstandig willen doorgaan, en die aan zoo iets geloof hechten. Doch het ergste van al is dat, men door superstitie of bijgeloof zondigt, zelfs grootelijks kan zondigen, tenzij men, bijv., om te lachen het een of ander zegt of doet, zoodat eenieder weet dat men het zegt of doet om te lachen en er volstrekt geen geloof aan gehecht wordt.
III.
Wal is tooverij?
Tooverij is door behulp van den duivel iets wonders verrichten. Waarzegerij — een soort van tooverij — is door behulp van den duivel het verborgene achterhalen of het toekomende leeren kennen.
Tooveraars zijn dus die den duivel aanroepen om door zijne hulp iets wonders te verrichten, hetgeen God zelden toelaat. Waarzeggers of-zegsters zijn die don duivel aanroepen om door zijne tusschenkomst het verborgene of toekomende te leeren kennen hetgeen ook zelden gebeurt.
Men maakt zicli aan tooverij plichtig, als men door behulp van den duivel, bijv., schatten wil vinden, zijn evenmensch schade wil veroorzaken of andere wondere zaken verrichten, zooals Simon de tooveraar of de tooveraars van Egypte verrichtten, die door behulp van den duivel eenigo wonderen van Moses nadeden.
Men maakt zich aan waarzeggerij plichtig, als men zich laat voorzeggen wanneer of hoe men sterven zal, of\' men geluk of
ongeluk zal hebben in deze of gene onderneming, bijv., in het aangaan van een huwelijk, enz.
Er kannon tooveraars en waarzeggers beslaan, li. li., \'t is waar; de H. Schrift maakt er duidelijk gewag van. Zij maken zich aan groote zonde plichtig, want in plaats van God nemen zij den duivel tot hunnen heer en meester, aan wien zij zich verbonden hebben.
Doch wat zijn doorgaans onze hedendaagsche tooveraars, waarzeggers of waarzegsters, die hier en daar rond loopen? PersoaU\'U die le lui zijn om te werken; doortrapte en lijn alge-richtte bedriegers, die de eenvoudige en lichtgeloovige menschen door allerlei listen en kunstgrepen om den tuin leiden en het geld uit den zak tooveren. Men mag volstrekt niet bij tooveraars en waarzeggers te rade gaan, want dat is God afgaan en den duivel aanhangen, door wiens hulp zij het wonders doen hetgeen zij verrichten, en door wien zij weten wat zij zeggen. Mn nochtans, B. I!., men vindt personen, die voor verstandig willen doorgaan, die aan den duivel den vader der leugen, aan waarzeggers en -zegsters gelooven, maar die aan God die do eeuwige waarheid, en aan de H. Kerk die onfeilbaar is, niet willen gelooven. Ook heeft God hen niet zelden verschrikkelijk gestraft, die bij tooveraars en waarzeggers of - zegsters te rade gingen, en in plaats van het goed dat hun voorzegd was, kwaad doen overkomen. Gansche familiën zijn daardoor wel eens ongelukkig geworden. Er is afgunst, haat en nijd tusschen de leden dier familiën ontstaan, doodelijke afgunst, haat en nijd, die immer bleef duren en soms de verschrikkelijkste aanslagen, ja zelfs moord ten gevolge had.
Ook mag men niemand voor tooveraar of waarzegger aanzien, \'t Strijdt grootelijks tegen de liefde iemand zonder klaar bewijs plichtig te ourdeelen aan dergelijke zonden.
Somtijds wordt een huisgezin met rampen en tegenspoed, bijv., onder het vee bezocht; de kinderen lijden aan zonderlinge ziekten, het een of ander mislukt. Wat zegt men dan? Die menschen
zijn door eene kwade hand geraakt; daar is hekserij in \'t huis, op den stal; die en die is teruggekomen; \'t spookt er. Eenigen die er op uit zijn om de lichtgeloovigen voor den zot te houden,\' doen er nog wat bij en zeggen dat zij hot spook gehoord en gezien hebben. Doch wat verder gaat is, dat men zekere personen hunne eer en faam beneemt, door, bijv., te zeggen: die of die heeft dat gedaan: die of die is eene heks. B. B., \'t is eene groote zonde de menschen op die wijze hunne eer en faam te benemen, arme menschen soms bet stuk brood te onttrekken.
Men kan verplicht zijn de geschonden eer en faam van den
*♦
evenmensch te herstellen, zelfs schadevergoeding te doen, zoo de evenmensch door het kwaadspreken schade geleden heeft. Eenmaal zullen die kwaadsprekers en lastertongen groolelijks bij God te verantwoorden hebben.
SLUITRKDK.
Ziedaar, B. B., eenige zonden, die vooral strijden tegen het eerste gebod. Wachten wij lt;gt;1\' ons wel van, en bijzonder van de zonde van superstitie of bijgeloof. Wachten wij ons wel, zoo het een of ander ongeluk ons overkomt, van hulp of bijstand te willen bekomen door bijgeloovige middelen, en van onzen evenmensch aan te zien of te bepraten, als zoude hij ons door tusschenkomst van den duivel schade veroorzaakt hebben. Neen B. B., maar wij moeten in die omstandigheden onze toevlucht nemen tot God. Ook zal het wellicht niet slecht zijn eens in zijn binnenste te treden en te onderzoeken of men door zijn slecht gedrag en zijne zonden \'t een of ander ongeluk niet verdiend heeft; en na in zich de ware oorzaak gevonden te hebben moet men zich met God verzoenen, eene ware boetvaar-digheid doen, de kruisen en wederwaardigheden met overgeving aan den wil van God aanvaarden en tot uitboeting der zonden met geduld dragen. Bijaldien wij in de een of andere omstandigheid niet weten waaraan ons te houden, dan moeten wij ons
tot de geestelijke overheid wenden en haren raad volgen. Op die wijze zal men zich van zonde wachten, do zonde die men misschien bedreven heeft en waarom men met rampspoed bezocht wordt, uitboeten, en vroeg of laat door God, van wien alle hulp moet komen, verlost worden. Amen.
NEGENDE ONDERRICHTING
EEHSTM GEBOD
OVER DE WANHOOP EN VERMETELHEID
In te Domine! speravi, non conjundar in aternurn.
Op l\', Heer! heb ik gehoopt, in eeuwigheid zal ik niet heschaamd worden. (Ps. xxx, i.)
INHOUD, *
VOORREDE.
Afgoderij, superstitie en tooverij zijn groote zonden. Men mag geene bijgeloovige middelen gebruiken, doch de middelen goedgekeurd door de H. Kerk. Men mag bij geen tooveraars of waarzeggers te rade gaan; niemand zonder reden voor tooveraar, enz., aanzien.
Het eerste gebod belast ons ook éénen God alleen aan te roepen, d. i., op Hein te hopen. Zonden die strijden tegen de hoop.
VERDEKLING.
I. De wanhoop.
II. De vermetelheid.
I.
Men zondigt door te weinig te hopen:
1° Als men de hoop opgeeft door te wanhopen. Gain, Judas. De duivel tracht vooral de Jeugd wijs te maken dat de zonde weinig of niets beteekent, en na haar tot ^val gebracht te hebben, zegt hij dat de zaligheid niet meer mogelijk is. Na eenmaal bedrogen te zijn geweest, wachten wij ons van ons voor een tweede maal te laten bedriegen, van te wanhopen.
2° Als men de hoop wel is waar niet opgeeft, maar te weinig vertrouwen op God stelt. De Apostelen tijdens den storm.
Men zondigt door Ie veel te hopen:
1° Als men vermetel is, van Gods goed- en barmhartigheid misbruik maakt om te zondigen of in de zonde te blijven loven. God is goed en barmhartig, maar God is ook heilig en rechtvaardig.
2° Als men een valsch vertrouwen heelt, Gods genade en zijnen bijstand verwacht op eene andere wijze dan God beschikt heeft. Die in vermetelheid en onboetvaardigheid leeft, sterft niet zelden in wanhoop.
sluitrede.
Geschiedenis van een wanhopigen zondaar.
— 9() —
NEGENDE ONDERRICHTING
KEHSTK (iKBGI)
• _
OVER DE WANHOOP EN VERMETELHEID
In te Lominc! speravi, non confundar in leternum.
Op Ti\', Heer! heb illt; gehoopt, in eeuwigheid zal ik jiiet beschaamd worden. (I\'s. xxx, t.)
VOORREDE.
De zonden van afgoderij, superstitie en tooverij, B. B., strijden tegen het geloot en bijgevolg tegen het eerste gebod. Men moet zich vooral wachten van de zonde van superstitie, waartoe zekere personen genegen zijn. Wanneer men dus met ziekten of ongelukken, met rampen of. tegenspoed bezocht wordt, mag men nimmer bijgeloovige middelen gebruiken, want in plaats van uit den nood verlost te worden, zoude men veeleer verdienen van God gestraft te worden.
In die droevige omstandigheden mag men, buiten de natuurlijke middelen, ook nog met betrouwen zijne toevlucht nemen tot de middelen, die onze Moeder de H. Kerk goedkeurt en aanbeveelt.
Nooit of nimmer mag men te rade gaan bij tooveraars, waarzeggers of waarzegsters, die voor \'t algemeen niets anders dan bedriegers en geldafzetters zijn.
Evenmin mag men zonder klare bewijzen zijnen evenmensch voor een tooveraar, waarzegger of waarzegster aanzien.
In beide gevallen zoude men zich aan groote zonden kunnen plichtig maken.
Op de • tweede plaats wordt ons in het eerste gebod ook belast éénen God alleen aan te roepen, in andere woorden, op Jlera te hopen. Vandaag zullen wij zien welke zonden strijden tegen de hoop. Men zondigt tegen de hoop:
I. Door te weinig te hopen;
II. Door te veel te hopen.
1.
Men hoopt te weinig:
1quot; Als men de hoop opgeeft door te wanhopen. Aan die zonde maakt men zich plichtig, bijaldien men vrijwillig denkt en wezenlijk meent, dat er geene zaligheid meer mogelijk is; zoo men evenals Caïn of Judas volstrekt niet hoopt van nog ooit vergiffenis van zijne zonden te kunnen bekomen; bijaldien men geheel en al den moed verliest, denkende dat men zijne ondeugden nimmer zal kunnen meester worden, dat men van zijne slechte gewoonten die reeds diep ingeworteld zijn, nooit afstand zal kunnen doen, dat men nimmer meer een christelijk leven zal kunnen leiden.
De wanhoop is eene groote zonde, waardoor de mensch God zeer beleedigt en zich zeiven diep ongelukkig maakt.
De wanhopige beleedigt God zeer. Hij loochent feitelijk de goedheid Gods jegens ons, zijne almacht en getrouwheid aan zijne beloften. Hij loochent de verdiensten van onzen goddelijken Zaligmaker Jesus-Christus, die van eene oneindige waarde zijn.
De wanhopige maakt zich zeiven diep ongelukkig. Hij bedrijft de eene zonde na de andere, valt telkens dieper en dieper, tot dat hij voor eeuwig verloren gaat; ja, zoo ver brengt eindelijk de duivel dien ongelukkigen zondaar.
Doch hoe legt de duivel het aan om den mensch aan zijne zaligheid te doen wanhopen? Welke middelen bezigt hij om hem
Geloofs-en Zbdbnlrbr. 3Jc Deel. 7,
zoo ongelukkig te maken? Ziehier, H. Ji., hoede duivel doorgaans te werk gaat.
Natuurlijk, hij zet den mensch, vooral als deze nog jong is, aan van te zondigen; doch hij bezigt het woord zondigen niet; neen, hij gebruikt een ander woord, hij spreekt van zich te vermaken. Ziet eens, zegt de duivel, die en die personen, die jongeling en die jonge dochter, hebben in dat gezelschap, in die herberg, bij die gelegenheid zooveel pleizier, zij vermaken zich zoo goed. Daarin bestaat ook zoo groot kwaad niet. Mag men zich in zijne jeugd dan niet eens verzetten? Ziedaar hoe de duivel begint. Maakt nu de biechtvader eene opmerking, brengt de predikant, de jeugd vooral, de gevaren onder het oog, dan is het terstond: ons, jonge personen, wordt niet het kleinste genoegen gegund.
Heelt nu de duivel den mensch zoo ver gebracht dat hij, door zich aan de gevaren en gelegenheden bloot te stellen, in zonde valt; wat gebeurt er dan? O, zegt de duivel, dat is zoo erg niet, dat is maar eene zwakheid, gij moet ook zoo nauwgezet niet zijn, zoo gaat het met iedereen, dat kunt gij naderhand biechten en er boetvaardigheid over doen; en na op die listige en bedriegelijke wijze den mensch niet zelden jaren en jaren in zonden te hebben doen leven, wat heeft er dan eindelijk plaats? De oogen gaan bij de een ol\' andere gunstige gelegenheid, bij het hooren eener strafpreêk, bij een schielijk sterfgeval open, de zondaar ziet ziju ongelukkigen staat in, hij denkt aan zijne bekeering, wat doet dan de duivel? Hij werpt het eene masker af om het andere aan te doen: \'t is nu (e laat, zeg;t hij; nu kunt gij die gelegenheid niet meer verlaten; nu kunt gij van dien persoon, van die plaats niet meer weg blijven, wat zal men van u denken en zeggen? Nu kunt gij die gewoonte niet meer afbreken; zij is u eene tweede natuur geworden. Daarenboven, uwe zonden zijn te talrijk en te afschuwelijk, gij hebt te lang van Gods goed - en barmhartigheid misbruik gemaakt,
— 99 —
weet gij dan niet dat God ook rechtvaardig is? Neen, nu is het to laat, nu kunt gij u niet bekeeren en boetvaardigheid doen,
God zal u uwe zonden niet meer vergeven, ga dus maar voort,
gelijk gij geleefd hebt, er is toch geene zaligheid meer voor u.
En, helaas! B. B., men treft ongelukkigen aan, die den duivel gehoor geven, die zich tot tweemaal toe door hem laten bedriegen, die den broedermoorder Caïn navolgen en zeggen: Mijne zonden zijn te groot, ik kan er geen vergiffenis van bekomen; j
die den verrader Judas navolgen, en die door gewetenswroegingen verscheurd, door de wanhoop vervoerd, ellendig omkomen,
ja, wat niet zelden gebeurt, die zich zeiven om hals brengen.
Ziedaar, hoe ver de duivel, die leugenaar van den beginne, den menscli brengt! Ziedaar hoe ellendig de wellustrol van den zondaar niet zelden eindigt! Ja, tot tweemaal toe, gelijk ik reeds gezegd heb, laat die ongelukkige zich bedriegen. Doen wij een beroep op de ondervinding. Rampzalige zondaar! Ik vraag het u, nu gij verder in jaren gevorderd zijl: heeft de duivel u niet bedrogen, toen hij u zeide dat liet zoo erg niet was? dat het maar kleinigheden, zwakheden waren? Vol droefheid en smart moet gij thans bekennen dat gij door den duivel bedrogen zijt geweest in uwe jeugd; doch ik vraag het u;
waarom wilt gij u nu een tweedemaal door dien leugenaar laten bedriegen? Waarom wilt gij nu aan uwe zaligheid wanhopen?
Gij hebt er niet de minste reden toe. God wil niet dat gij verloren gaat: Ik wil den dood van den zondaar niet, zegt God,
maar dat hij zich hekeere en leve; dat hij leve, namelijk, hier door het leven der genade, en dat hij hiernamaals eeuwig leve in den hernel.
Ten bewijze hiervan, B. B., heeft de lankmoedige God op u gewacht; Hij heeft u zoo lang verdragen. Denkt gij dat Hij met eenieder gehandeld heeft gelijk met u? Volstrekt niet. Vele zondaren, dio wellicht zoo groote en talrijke zonden niet bedreven hadden als gij, zijn zoo maar eensklaps te midden hunner zonden uit het leven weggerukt, zonder den tijd gehad te hebben van
— 100 —
er boetvaardigheid over te doen. Dien tijd laat God u; Hij wil uwen dood niet, maar dat gij u bekeeret. \'t Is dus aan uwe bekeering dat gij moet denken en werken; Gij moet uwe zaken in orde brengen, eene goede biecht spreken, zelfs eene generale biecht, zoo het noodig of nuttig is.
Misschien kunt gij reeds zeggen: Ik heb mij bekeerd, ik heb aan de gevaren en gelegenheden der zonde vaarwel gezegd, ik heb reeds eene generale biecht, zoo goed mogelijk, gesproken, en toch, ik ben nog niet gerust, \'t schijnt dat er tocli geene zaligheid meer voor mij is. B. B., dat zijn bekoringen. De duivel wil u nu den moed benemen, hij wil u doen wanhopen; weest dus voorzichtig van hem geen gehoor te geven. Als hij u uwe groote en talrijke zonden voor oogen stelt, u tracht wijs te maken dat God u niet zal vergeven, dat er geene zaligheid meer voor u is; antwoordt den duivel dan: \'t Is waar, ik heb den goeden God dikwijls eu grootelijks vergramd; doch al mijne zonden zijn mij van harte leed, en ik maak het vaste voornemen van het overige mijns levens mijnen God des te trouwer te dienen; maar gij, duivel! leugenaar van de eerste klasse, gij hebt mij reeds eenmaal bedrogen in mijne jeugd, toen gij zeidet dat het zoo erg niet was; gij zoudt mij nu ook nog willen bedriegen, mij wijs willen maken dat er geene zaligheid meer voor mij is, weg van mij: Vade retro, Satana! want ik weet dat God niet wil dat ik verloren ga, maar dat ik mij bekeere en leve. Ziedaar, B. B., hoe men zich moet gedragen.
Men vindt soms personen, die zeggen: O, als ik maar wist dat mijne zonden vergeven waren! Wat zoudt gij dan doen? Dan zoude ik mij goed gedragen en God getrouw dienen, \'t Is moeielijk, ja, zelfs onmogelijk die vraag te beantwoorden, want de mensch weet niet of hij haat of liefde waardig is. Doch \'t is ook nutteloos, wijl men wat de zaligheid betreft, tot het einde zijns levens bevreesd moet zijn. De Apostel immers leert ons dat wij met vrees en siddering onze zaligheid moeten bewerken.
Doch ziehier liet antwoord, dat ik geven kan en dat voldoende moet wezen.
Bijaldien gij wist dat uwe zouden vergeven waren, zoudt gij God, zegt gij, getrouw dienen: Welnu, na zoo goed mogelijk gebiecht te hebben, doet dat; dient God getrouw en ik verzeker u, alles zal goed afloopen.
Men hoopt nog te weinig:
2° Als men wel is waar de hoop op God niet geheel en al opgeeft, maar toch niet vertrouwen genoeg op God stelt. Zoo waren de leerlingen van Jesus gesteld, toeu zij tijdens den storm vol vrees tot Hem kwamen en zeiden: Heer! red ons of wij vergaan: Domine! salva nos, perhnus! (i) Doch dit zij genoeg over de zonden uit gebrek aan hoop bedreven. Zien wij nu nog welke zonden men bedrijft door overmaat van hoop of door te veel te hopen.
Men hoopt te veel:
1° Als men vermetel is. Aan de zonde van vermetelheid maakt men zich plichtig, als men van Gods goed- en barmhartigheid misbruik maakt om te zondigen of in de zonden te blijven. Hoe velen stapelen zonde op zonde, denkende dat God oneindig goed en barmhartig is en zoo gemakkelijk tien, twintig zonden vergeeft als eene. Anderen verschuiven hunne bekeering tot het einde huns levens, denkende dat God in de laatste oogenblikken hunne zonden vergeven zal, gelijk Hij den goeden moordenaar aan het kruis vergeven heeft.
Men vindt er ook die hunne zonden weinig of niet achten, verwaarloozen boetvaardigheid te doen, zeggende: God is te goed en te barmhartig om ons voor die zonden, die bagatellen — zoo noemen zij de zonden — voor eeuwig te verwerpen.
(i) Matth. vin, 25.
— 102 —
Die personen B. B., zondigen grootelijks tegen de hoop door vermetelheid, omdat zij van Gods goed- en barmhartigheid vorderen hetgeen regelrecht strijdt met zijne oneindige heiligen rechtvaardigheid. God wel is waar is goed en barmhartig, en ten dage waarop de zondaar met leedwezen over zijne zonden tot Hem wederkeert, zal Hij hem in genade ontvangen; doch God is ook heilig, zoodat Hij zelfs de kleinste zonde niet kan goedkeuren; Hij is ook rechtvaardig, zoodat Hij ze vroeg of laat zal straffen.
Men hoopt te veel:
2° Als men een valsch vertrouwen heeft. Hebben een valsch vertrouwen, bijv., de zondaren, die meenen vergiffenis van hunne zonden te bekomen, alleen door werken van liefdadigheid te verrichten, door aalmoezen te geven, enz., zonder boetvaardigheid te doen; die meenen in den hemel te komen zonder de middelen te gebruiken, zonder, bijv., tot de H. Sacramenten te naderen. Al die personen hebben een valsch vertrouwen, wijl zij de genade van God en zijnen bijstand verwachten anders dan God beschikt heeft. Ziedaar, B. B,, de bijzonderste zonden tegen de hoop.
Ten slotte voeg ik er bij, dat het niet zelden gebeurt, dat zij die in vermetel-en onboetvaardigheid leven, in wanhoop sterven, en tot staving van dit gezegde diene de volgende geschiedenis.
SLUITREDE.
Een man uit de stad Talabera, zoo verhaalt ons een beroemd redenaar uit Spanje, wiens leven eene aaneenschakeling van zonden en ongeregeldheden was, werd gevaarlijk ziek. Een priester met den toestand van den zieke bekend geworden, kwam hem bezoeken; hij stelde hem het gevaar waarin hij verkeerde, voor oogen en vermaande hem dringend zijne biecht te spreken. Ja, ja: ik wil biechten, antwoordde de zieke, en als de biechtvader hem bezwoer van niet langer uit te stellen.
antwoordde hij nog: Bij u wil ik biechten. De priester maakte zich nu gereed zijne biecht te hooren, doch do zieke bleef sprakeloos. Eindelijk brak hij zijn diep stilzwijgen en sprak op eenen toon, die door iner|j: en beenen drong, deze verschrikkelijke woorden van de H. Schrift: De zondaar zal het zien en vertoornen: Peccator videhit et irascetur. Daarop trok hij het deksel van zijn bed over het hoofd en zweeg. De biechtvader, vol zorg voor den ongelukkige, doet het deksel van zijn hoofd weg en zegt: Vriend! er is geen tijd meer te verliezen, biecht toch terstond. Ja, ja, antwoordde de zieke: ik zal biechten, en hij zette tevens de verschrikkelijke woorden van David voort: Dentibus suis fremet et tabescet, riep hij uit: de zondaar zal knarsetanden en verkwijnen, en hij dekte zich voor de tweede maal. Wederom door den biechtvader tot vertrouwen opgewekt, sprak hij: Ja, ja, wij zullen biechten, en daarop voleindigde hij met de stem en den blik eens wanho-pigen den aangehaalden tekst van den koninklijken Profeet: hel verlangen der zondaren zal vergaan: Desiderium pecca-torurn peribit: (1) en onder die woorden stierf hij.
Welk een schrikwekkend voorbeeld van eenen zondaar, die, eerst vermetel én onboetvaardig, eindelijk in wanhoop valt! Ik weet wel, B. B., dergelijke gevallen hebben niet dagelijks plaats; doch het zij een voorbeeld, om ons te leeren van op onze hoede te zijn. O, schatten wij de zonden, die eene beleedi-ging van den heiligen en rechtvaardigen God zijn, niet licht, en wachten wij ons van de vermetelheid. Hebben wij het ongeluk gehad van gezondigd te hebben, staan wij op, spreken wij bij tijds eene oprechte biecht. Ja, nemen wij onze toevlucht tot den barmhartigen God; wanhopen wij nimmer aan onze zaligheid, doch hopen wij met een vast vertrouwen op God en in eeuwigheid zullen wij niet beschaamd worden. Amen.
(i) Ps. cxi, 10.
TIENDE ONDERRICHTING
EERSTE GEBOD
OVER DEN HAAT TEGEN GOD, DE HEILIG-SCHENDING EN ONGODSDIENSTIGHEID
Dominwn Deum tuum adorabis.
Gij zult den Heer uwen God aanbidden.
(Matth. iv, 10.)
INHOUD.
VOORREDE.
De Wanhoop en de vermetelheid strijden tegen de hoop en bijgevolg tegen het eerste gebod. De eene zonde is niet zelden de straf van de andere. Het eerste gebod belast ons ook éénen God alleen te dienen, d. i., te beminnen.
VERDEELING.
1. Hoe zondigt men tegen de liefde?
II. Wat is heiligschending?
III. Hoe zondigt men door ongodsdienstigheid?
— 105 —
I.
Alle doodzonden strijden in zekeren zin tegen de liefde, doch inzonderheid de haat tegen God. Waardoor komt de mensch zoo ver van zijnen God te haten? Men treft personen aan, die meenen dat zij God niet beminnen, dat zij God zelfs haten, en dat zij onverschillig zijn. Hunne dwaling wederlegd. Hun toestand is ofwel eene bekoring, ofwel eene beproeving.
II.
Wat is heiligschending? Zij is driederlei:
1° Heiligschending van zaken;
2° Heiligschending van plaatsen;
3° Heiligschending van personen.
De grootheid dier zonde hangt af van het voorwerp, de handeling en de meening. Straffen der heiligschending. Balthasar, Heliodorus, de kinderen die den Profeet Elizeus bespotteden.
III.
Men zondigt door ongodsdienstigheid:
1° Door de godsdienstplechtigheden te verwaarloozen;
2° Door ze oneerbiedig bij te wonen, door eene onbetamelijke houding aan te nemen, door te lachen en te praten. Welke personen zeggen dat het in de kerk te lang duurt? Vermaning van zich in de kerk godsdienstig te gedragen.
SLUITREDE.
Dominum Deun liaan adorabis. Allen zullen God eenmaal, moeten aanbidden, hunne knieën voor Hem moeten buigen in den iaatsten dag des oordeels; de ongodsdienstigen zoowel als de gOdsdienstigen, dezen geschaard onder de Engelen, genen onder de duivelen. Eeren wij God in- en uitwendig hier op aarde, om Hem met de Engelen en Heiligen eenmaal te mogen eeren in den hemel.
— 10(i —
TIENDE ONDERRICHTING
EKRSTK GEBOD
OVER DEN HAAT TEGEN GOD, DE HEILIG-SCHENDING EN ONGODSDIENSTIGHEID
Dominum Deum tuum adorahis.
Gij zult den Heer uwen God aanbidden.
(Matth. iv, 10.)
VOORREDE
De zojulen van wanhoop en vermetelheid, H. H., strijden tegen de hoop en bijgevolg tegen het eerste gebod. De zondaar die vermetel is en zijne jeugd in onboetvaardigheid doorbrengt, valt bij zijnen dood wel eens in wanhoop, en zoo is de eene zonde de straf van de andere. De geschiedenis van den ongelukkigen zondaar, die op zijn sterfbed naar den biechtvader niet wilde Inisteren en in wanhoop stierf, bevestigt die waarheid.
Het eerste gebod belast ons ook nog éénen God alleen te dienen, d. i. te beminnen. Vandaag zullen wij zien, welke zonden strijden tegen de liefde; vervolgens zullen Avij nog zien, wat heiligschending en wat ongodsdienstigheid is.
I. Hoe zondigt men tegen de liefde?
II. Wat is heiligschending of sacrilegie?
III. Hoe zondigt men door ongodsdienstigheid?
I.
Alle zonden, B. B., strijden in zekeren zin tegen de liefde Gods, Door de doodzonde immers verliest men de goddelijke liefde. Die doodelijk zondigt, verwerpt zijnen God en stelt het
— 107 —
IM
11 ll
schepsel boven den Schepper; hij verbreekt den liefdeband, de vriendschap met God, want de liefde is de vriendschap tusschen God en den mensch.
Doch er is vooral ééne zonde die rechtstreeks strijdt tegen de liefde lot God, namelijk, de haat tegen God.
De haat tegen God is de grootste van alle zonden, zij is waarlijk eene duivelsche zonde. Immers, de duivelen in de hel haten God ook; zij hebben een^n afkeer voor God en verfoeien Hem; zij verklaren zich vijanden van God en wenschen Hem kwaad toe.
De mensch, B. B., komt niet eensklaps tot zoo groote zonde. Ziehier hoe hij er toe komt.
Door zonden op zonden, misdaden op misdaden te stapelen, en vooral door zijne vleeschelijke lusten in te volgen, wordt het hart van den mensch geheel en al bedorven. Het hecht zich aan de aardsche goederen, aan de zinnelijke vermaken en aan het tegenwoordige loven. De mensch, wiens hart zoo bedorven is, stelt geen prijs meer op de genade en vriendschap Gods; hij bekreunt zich niet eens meer om den hemel, in een woord, hij wordt er onverschillig voor.
Daar hij echter de wet Gods uit zijn hart niet verbannen, noch de stem zijns knagenden gewetens ganse,h versmoren kan, denkt hij weieens, aliioewel met tegenzin, aan God en aan de geestelijke zaken. Hij krijgt een afkeer van God, oen walg van de geestelijke zaken.
Wil God nu het bedorven hart van dien ongelukkige door rampen ol tegenspoed, door ziekten of ongelukken genezen, hem van \'t aardsche losmaken, uit zijne onverschilligheid doen ontwaken; denkt gij dat die mensch zich ootmoedig aan de beschikkingen der goddelijke Voorzienigheid zal onderwerpen, dat hij de hand Gods, van den besten der vaderen, die hem tot zijn welzijn treft, zal zegenen? Helaas! maar al te dikwijls
ill
I
Mr
I I
a tf
i ■■ A
1
I
a: Ï ■ U
I
— 108 —
•
verklaart hij zich vijand van God, valt in klachten en verwijtingen tegen God uit, wenscht Hem kwaad, hij zoude God zelfs willen vernietigen.
Geen wonder dus zoo de haat tegen God de grootste van alle zonden is, dat hij eene duivelsche zonde genoemd wordt.
Hetgeen ik hier van den haat tegen God en van de onverschilligheid voor God of de geestelijke zaken kom te zeggen, moet, gelijk gemakkelijk te begrijpen is, van een stelligen haat, van eene wezenlijke onverschilligheid verstaan worden. Om dus in geene dwaling te vallen, ziehier eene kleine aanmerking.
Brave menschen, heilige zielen worden weieens gekweld door akelige gedachten; zij denken dat zij God niet beminnen, ja, dat zij God zelfs haten; zij zijn bedroefd over hunnen tops land, men kan niet meer. De droefheid alleen, B. B., is reeds een doorslaand bewijs dat die gedachten niets anders dan bekoringen zijn. Zoudt gij u van God willen scheiden? Neen. Zoudt gij eene doodzonde willen bedrijven? Ook niet. Zoudt gij den goeden God kwaad willen? Nog veel minder, voor de gansche wereld niet, nog liever sterven. Ziet gij dus niet dat al die gedachten niets anders dan bekoringen zijn. In dien toestand moet gij al eens tot God verzuchten, zeggen, bijv.: O mijn God! ik bemin u bovenal, omdat Gij boven alles beminnelijk zijt, en vervolgens geduld hebben.
Anderen zijn van tijd tot tijd dor; geen gevoel, geene godsvrucht in het gebed, in de H. Communie, in de geestelijke oefeningen. Zij denken dat zij onverschillig zijn. Zijn zij nu inderdaad onverschillig, gelijk ik zoo even gezegd hef)? Neen, B. B., die toestand kan ofwel eene bekoring, ofwel eene beproeving zijn.
Eene bekoring: ja, de duivel doet zijn best om u op die wijze het gebed te doen verwaarloozen, de H. Communie te doen achterlaten, in een woord, hij doet zijn best om u wezenlijk
— 109 —
onverschillig voor God en de geestelijke zaken te maken, en om u aan de wereld en het aardsche te hechten.
Ofwel, die toestand is eene beproeving: God geeft of ontneemt naar zijn welbehagen de gevoelige godsvrucht; Hij laat soms dorheid toe om u op de proef te stellen, om te onderzoeken of gij wel wezenlijk aan Hem gehecht zijt, om te zien of gij Hem inderdaad zoekt en niet eerder u zeiven. Want, B. B., den moed verliezen, het gebed verwaarloozen, de H. Sacramenten achterlaten, ongeduldig, soms onverdraaglijk worden voor anderen, omdat men geen godsvrucht of niet genoeg godsvrucht heeft, \'t is een teeken dat men zich zeiven zoekt en niet God; \'t is eene dwaling, waarin men gevallen is en waaruit men moet opstaan. In dien toestand moet men zich voor God verootmoedigen, in zijne goede werken volharden, en de ondervinding zal leeren dat liet spreekwoord waarheid is: Aanhouden overwint.
Gij ziet dus, B. B., hoe die bekoringen of beproevingen verschillen van den haat en van de onverschilligheid, waarover boven gesproken is.
H.
De Catechismus vraagt:
Noem nog eene zonde die strijdt legen het eerste gebod? En hij antwoordt:
Heüigschenderij of saerUegie.
Wanneer bedrijft men heiligschender ij?
Als men heilige of aan God toegewijde zaken, plaatsen of personen onteert of mishandelt, als zijn: de heilige Sacramenten, de kerken en kerkhoven, de geestelijke personen, enz.
Bijgevolg is de heiligschending driederlei:
1° De heiligschending van heilige of God toegewijde zaken, zooals de H. Sacramenten, gewijde vaten of kleederen, gewijde beelden van Christus of zijne Heiligen;
— 110 —
2° De heiligschending van God gewijde plaatsen, zooals de kerken, altaren,\' gewijde kerkhoven;
3° De heiligschending van God gewijde personen, zooals de geestelijken, de kloosterlingen van beide geslacht.
Niet alle heiligschendingen of sacrilegiën zijn even groote zonden. Naarmate het voorwerp vereerenswaardig is, des te grooter is de onteering, Alzoo is de onteering van het allerheiligste Sacrament des altaars de grootste heiligschending.
Het hangt ook af van de handeling die min of meer onteerend kan zijn.
Zoo zoude de heiligschending, die men bedrijft door de H. Hostie met de voeten te trappen, grooter zijn dan door ze onbevoegd aan te raken; door een priester te mishandelen, dan door hem uit te lachen.
Ook moet men letten op de meening, waarmede de heiligschending gescliiedt. Iemand zou zich in priestergewaad kleeden enkel uit lichtzinnigheid, ofwel om er den spot mede te drijven.
In het bestelen van gewijde plaatsen, bijv., van kerken, moet men ook acht slaan op de waarde van het gestolene. Iemand, die, bijv., maar eenige centen wegnam, zoude daardoor niet doodelijk zondigen.
God heelt de zonde van heiligschending meer dan eens verschrikkelijk gestraft. Zoo lezen wij in de H. Schrift dat Balthasar, koning van Babylonië, die zekeren nacht de gewijde vaten van den tempel van Jerusalem onteerde, nog in denzelfden nacht zijne kroon en zijn leven verloor. Heliodorus werd door twee Engelen zoodanig gegeeseld, dat hij voor dood weggedragen werd. De kinderen die den Profeet Elizëus bespotteden en uitlachten, werden ten getalle van twee en veertig door twee beeren verscheurd. Verschrikkelijke straffen, waardoor wij genoeg gewaarschuwd worden van ons nooit aan de zonde van heiligschending plichtig te maken. Zien wij nu nog op de derde plaats, hoe men zondigt door ongodsdienstigheid.
111.
Wij moeten God in- en uitwendig eeren, gelijk wij vroeger gezegd hebben, bijzonder door de godsdienstplechtigheden bij te quot;wonen. Men zondigt tegen die vereering:
1° Door de godsdienstplechtigheden te verwaarloozcn;
2° Door zich daaronder oneerbiedig te gedragen.
Dat het verwaarloozen van zekere godsdienstplechtigheden zonde en somtijds groote zonde is, laat zich gemakkelijk verstaan.
Onze Moeder de H. Kerk, bijv., gebiedt op Zon- en geboden leestdagen Mis te hooren. Alwie nu zonder wettige reden daaraan te kort blijft, zondigt doodelijk. Evenals een koning dezer aarde van zijne onderdanen hulde vordert, en de onderdanen hunnen koning hulde moeten bewijzen, willen zij niet voor majesteitsschonders doorgaan en streng gestraft worden; zoo ook vordert de Koning der Koningen, God, van zijne onderdanen, d. i., van alle menschen, hulde op straf van voor schenders der goddelijke Majesteit door te gaan en streng gestraft te worden. Doch ziehier een ander punt, waarop ik vooral uwe aandacht inroep.
Men zondigt ook, en men kan zelfs grootelijks zondigen door zich tijdens de godsdienstoefeningen oneerbiedig te gedragen, namelijk, als men eene onbetamelijke houding aanneemt, als men zich lichtzinnig en uitgelaten gedraagt. Wat geeft men daardoor te kennen? Uitwendig geeft men te kennen, dat men inwendig evenmin achting en eerbied voor God heeft, en ziedaar nochtans wat dikwijls plaats heeft.
Wij moeten geen verschil maken tusschen personen en personen, volstrekt niet. Van den eenen kant hebben wij de oneindige Majesteit Gods, van den anderen kant nietige aardwormen; van den eenen kant den Koning der koningen, van den anderen kant zijne onderdanen. Wij allen staan dus voor God gelijk; geen onderscheid tusschen koning en onderdaan,
— J12 —
tussclien rijk en arm. Wij allen moeten godsdienstig zijn, God in - en uitwendig eeren. En nochtans, men vindt menschen, B. B., welke die waarheid feitelijk niet willen huldigen. Helaas! \'t is met droefheid dat ik het zeg. Alhoewel er velen en zeer velen de godsdienstoefeningen stichtend bijwonen, en die over de oneer, welke den God van goedheid en majesteit wordt aangedaan, diep bedroefd zijn, men vindt er ook, die in de kerk, in het huis van God, tijdens de goddelijke diensten, voor het aanbiddelijk Sacrament des Altaars, onder de oogen van Jesus-Christus eene houding aannemen, waarover zij zich in een burgerhuis, onder de oogen van een deftig mensch zouden schamen, eene houding, die alles behalve fatsoenlijk is; en hetgeen ik opgemerkt heb is, dat sommige kinderen hunne ouders reeds juist navolgen: Schoone voorbeelden, schoone gevolgen.
Men vindt er ook die tijdens de goddelijke diensten lachen en praten. Waarmede? Waarover niet zelden? God beware mij van mij te duidelijk uit te drukken, hier in de kerk, in de tegenwoordigheid van den oneindig heiligen God, die daar in het Tabernakel rust; doch ik zeg enkel, over zalxen die onbetamelijk zijn. Ik vraag het u of de oneerbiedigheid dooi\' zekere personen ver genoeg gedreven wordt.
Doch het duurt zoo lang in de kerk. Wie spreken zoo? die eens in de week in de kerk komen. B. B., bijaldien er sprake is van eene Mis van verplichting, zijt gij verplicht dezelve stichtend bij te wonen; zoo het geene Mis van verplichting is, kunt gij t\' huis blijven; doch zoo gij ze tot uw eigen welzijn wilt bijwonen, moet gij u eerbiedig in de kerk gedragen.
Het duurt zoo lang. Een half uur? drie kwartiers? een uurtje? Doch wie spreken zoo? Niet zelden personen, die tijd genoeg vinden om uren en uren in de kroegen en herbergen door te brengen, ja, soms tot diep in den nacht: tijd voor de herberg, geen tijd voor de kerk; doch ik vraag het u: Wat zal u in den hemel brengen, de herberg of de kerk?
Ouders en oversten! geeft een goed voorbeeld aan uwe kinderen en onderdanen; vermaant, berispt en straft hen, zoo zij zich slecht gedragen, opdat zij zich beteren; het strekt tot uw, tot hun, tot ons aller welzijn, en opdat wij allen God dus naar behooren eeren, en vooral, opdat de ongodsdienstigen tot inkeer komen, ziehier ten slotte eene groote waarheid.
SLUITREDE.
Dominum Deiim luum adorabis. Ja, mensch, wie gij ook zijt, gij zult den Heer uwen God aanbidden, want er staat geschreven: In den naam van Jesus zullen alle knieën gebogen worden, van hen die in den hemel, op de aarde en in do hel zijn. Hier op aarde moeten wij God in- en uitwendig eeren. Die eer wel is waar kunnen wij God weigeren of geven, waarop dan ook later de straf of de belooning zal volgen; doch eenmaal van deze wereld verdwenen, als God de trompet van het laatste oordeel zal doen schetteren, zullen alle knieën voor Hem moeten buigen; Omnc rjenu fiectetur. (l) Allen zullen voor Hem moeten verschijnen, doch in verschillende gedaanten. De ongodsdienstigen en de zondaren in eene afschuwelijke gedaante, geplaatst onder de duivelen; de godsdienstigen en rechtvaardigen in schoon blinkende gedaante geplaatst onder de Engelen. De ongodsdienstigen en de zondaren zullen dan, maar te vergeefs, uitroepen: Bergen valt op ons: Cadite super nos: Heuvelen overdekt ons: Opcritc nos. \'t Kan niet baten. Vroeger hebben zij God niet willen aanbidden, nu zullen zij Hein aanbidden. Vroeger hebben zij hunne knieën voor God niet willen buigen, nu zullen zij ze buigen; maar in welk gezelschap? in \'t gezelschap der duivelen. O. B. B., trachten wij toch dat ongeluk te ontkomen, want God zal in den laatsten dag des oordeels de duivelen en verdoemden uit zijne tegenwoordigheid bannen en naar de eeuwige verdoemenis jagen.
(i) Pu. ii, 10.
Grloops-en Zedenleer. 3lt;ie Deel. 8,
— 114 —
Aanbidden wij dus God hier op aarde, buigen wij onze knieën voor Hem, wachten wij ons van alle ongodsdienstigheid; dan zullen wij eenmaal het geluk hebben van God te mogen aanbidden, van onze knieën voor Hem te mogen buigen, in een woord van Hem in - en uitwendig te mogen eeren in het gezelschap der Engelen en Heiligen in \'t rijk der hemelen. Amen.
ELFDE ONDERRICHTING
TWEEDE GEBOD
OVER HET ONEERBIEDIG UITSPREKEN VAN GODS NAAM DE BLASPHEMIE EN HET VLOEKEN
Sou assumes nomen Domitü Dei tui in vanum.
(üj zult den naam van den Heer uwen God niet ij del gebruiken. (Ex. xx, 7.)
INHOUD.
VOOKHKDK.
Het tweede gebod verbiedt alle oneer die den goddelijken naam wordt aangedaan, door hem oneerbiedig te gebruiken, door blasphemeeren, door vloeken, door lichtvaardig zweren en breken van beloften. Vandaag zullen wij spreken:
VKHDKKI.LVl.
I. Over het oneerbiedig gebruiken van Gods naam;
II. Over het blasphemeeren en vloeken.
I.
Men mag den naam Gods niet oneerbiedig gebruiken. God zelf verbiedt liet. Men mag de namen der Engelen en Heiligen ook niet oneerbiedig gebruiken. Men gebruikt die namen oneerbiedig:
1° Als men onverduldig wordt;
2° Als men verwonderd is;
3° Uit lichtzinnigheid en eene slechte gewoonte.
\'t Is doorgaans dagelijksche zonde, \'t Is geene zonde, ja zelfs verdienstelijk, als bet geschiedt met reden en eerbiedigheid.
II.
Blasphemie is een beleedigend spreken van God, van de Engelen of Heiligen. De blasphemie geschiedt als men God of zijne Heiligen iets toeschrijft dat tegen hunne eer is, of iets van hen loochent dat hun toekomt, of van dezelven spotsge-wijze spreekt. Spotternij met den godsdienst behoort ook tot de blasphemie. Die zonde kan ook geschieden met gedachten of uitwendige teekens.
Vloeken is iemand kwaad wenscben. Vloeken strijdt tegen het tweede en tegen het vijfde gebod. Wanneer? Er zijn groote en kleine of basterdvloeken. God lasteren of vloeken is eene schandelijke en groote zonde. Opwerpingen der godslasteraars en vloekers wederlege!.
SLUITREDE.
Middelen om zich van die zonden te beteren;
1° Het gebed;
2° Het vluchten der gelegenheden en het wegnemen der oorzaak;
3° Zich telkens eene kleine boete opleggen;
4° Dikwijls naderen tot de H. Sacramenten.
ELFDE ONDERRICHTING
TWEEDE GEBOD
OVER HET ONEERBIEDIG UITSPREKEN VAN GODS NAAM DE BLASPHEMIE EN HET VLOEKEN
Non assumes nomen Domini Dei tui in vamim.
(lij zult den naam van den Heer uwen God niet ijdel gebruiken. (Ex. xx, 7.)
VOORREDE.
Het tweede gebod, li. B., luidt als volgt; Non assumes liomen Domini Dei tui in vanum: (1) Gij zult den naam van den Heer uwen God niet ijdel gebruiken, in andere woorden: IJ\'lelijk zweer noch spot. De Catechismus vraagt:
Wat verbiedt God in hel. tweede gebod? En hij antwoordt:
Alle oneer die den goddelijken Naam aangedaan wordt door Uasphemeeren, lichtveerdig zweren, of breken van belofte.
Door den naam Gods wordt God zelf verstaan; vervolgens alle namen, waardoor God of zijne eigenschappen beteekend worden, zooals, bijv., God de Vader, God de Zoon, God de H. Geest, de Allerhoogste, de Almachtige, Christus, onze goddelijke Zaligmaker en vooral de Zoete Naam Jesus. Men kan den naam Gods op verschillende wijzen onteeren, door hem oneerbiedig uit te spreken, door blasphemeeren, door vloeken, door
(1) Ex. xx, 7.
— 118 —
lichtvaardig zweren en door breken van belofte. Vandaag zullen wij over de drie eerste zonden handelen:
1. Over het oneerbiedig uitspreken van Gods naam;
11. Over het blasphemeeren en vloeken.
1.
Men mag den naam Gods niet oneerbiedig en zonder reden gebruiken; God is te groot, en vandaar dat Hij zelf zegt: De Heer zal hem niet voor onschuldig houden, die den naam van den Heer zijnen God nutteloos noemt. En op eene andere plaats in de 11. Schrift staat: Heb den naam Gods niet altoos in den mond, en meng ook de namen der Heiligen niet altoos in uwe gesprekken, want gij zoudt niet zonder zonde blijven.
Men zondigt dus, B. B., niet alleen als men den naam Gods, van Jesus, van Jesus-Christus, maar in evenredigheid ook als men de namen der Engelen of Heiligen, bijv., van Maria, van den H. Joseph, enz., oneerbiedig uitspreekt; de reden is, omdat de Engelen en Heiligen in nauwe betrekking staan met God, en vandaar ook dat hunne namen eerbiedwaardig zijn.
Doch bij welke gelegenheid gebruikt men de namen van God en van zijne Heiligen doorgaans oneerbiedig?
1° Als men ongeduldig of boos wordt, zoo iets niet naar den zin gaat;
2° Als er iets bijzonders plaats heeft gehad of plaats heeft;
3° Uit lichtzinnigheid en eene kwade gewoonte. Zoo vindt men personen die geen drie of vier zinnen spreken kunnen zonder er den H. Naam tusschen te voegen.
Is het nu groote zonden den naam Gods oneerbiedig, zonder reden te gebruiken? De godgeleerden zeggen dat het in den regel dagelijksche zonde is. Men kan wel is waar soms van dagelijksche zonde vrijgesproken worden, als het, bijv., gebeurt in overhaasting; doch zij die er de slechte gewoonte van
hebben, kunnen volstrekt niet van dagelijksclie zonde vrijgesproken worden, en zij zijn verplicht die slechte gewoonte af te leggen en de middelen daartoe te gebruiken, bijv., door \'s morgens een goed voornemen te maken, zich eene kleine boete op te leggen, zoo dikwijls het in den dag gebeurt.
De namen van God of van zijne Heiligen zonder reden en oneerbiedig gebruiken is zonde, gelijk wij komen te zien. Heeft men er nu reden toe, bijv., men wordt bekoord, men bevindt zich in gevaar van zonde, men gevoelt hevige pijnen, enz., en als het met eerbied geschiedt, in plaats van zich in dergelijke gevallen aan zonde plichtig te maken, doet men een goed en verdienstelijk werk, wijl men de namen van God en van zijne Heiligen eert en verheerlijkt, hetgeen God zelf ons geleerd heeft te vragen in het gebed des Hoeren, zeggende: Geheiligd zij uw naam: Sanclificetur nomen Umm. (i)
H,
Men zondigt tegen liet tweede gebod door blasphemeeren, d. i., door God te lasteren of kwaad van Hem te spreken. De woorden: God lasteren, kwaad van God spreken, die woorden alleen zeggen genoeg, hoe en wanneer men zich aan die groote zonde plichtig maakt. Door Gods Engelen of Heiligen te lasteren of kwaad van hen te spreken, lastert men God ook, want die beleediging komt op God neder. De Catechismus vraagt;
Tn wat manier geschiedt blmphemie of godslastering? En hij antwoordt;
Als men God of zijne Heiligen iets toeschrijft dat legen hunne eer is, of iets loochent dat hun toekomt, of van dezelve spotgeioijs spreekt.
Vooreerst, als men God of zijne Heiligen iets toeschrijft dat tegen hunne eer is, bijv,, men zoude van God zeggen dat Hij
(i) Matth. vi, 9.
— 120 —
geen acht op ons slaat, dat Hij zich de wereld niet aantrekt, dat Hij een wreedaard is en te streng straft, dat Hij, gelijk Calvien godlasterend zeide, zekere menschen geschapen heeft om ze in de hel voor eeuwig te pijnigen. Als men van onze lieve Vrouw zoude zeggen dat zij eene vrouw is gelijk eene andere.
De blasphemie geschiedt als men van God of zijne Heiligen iets loochent dat hun toekomt: men zoude, bijv., van God zeggen dat Hij niet goed,-barmhartig, enz., is; dat Maria de Moeder van God niet is.
De blasphemie geschiedt nog als men van God of zijne Heiligen spotsgewijze spreekt. Hetgeen men zegt is in zich juist niet tegen de eer van God of van zijne Heiligen; men loochent niets van hen, maar door de manier van spreken laat men blijken dat men God of zijne Heiligen misacht. Op die wijze misdeden de Joden toen zij met minachting van Jesus zeiden: Nonne hic est fabri filius? Is deze niet de zoon van een timmerman? En Juliaan de apostaat, van wien meii zegt dat hij op het slagveld tot Jesus riep; Gij hebt overwonnen Galileër.
Men maakt zich ook aan de zonde van blasphemie plichtig, als men met de H. Sacramenten, de H, Mis, het H. Kruis, het wijwater of andere gewijde voorwerpen den spot drijft. De spotternij met den godsdienst behoort ook tot de blasphemie, als namelijk de spotter van zin is daardoor den godsdienst, de 11. Kerk, hare ceremoniën en gebruiken belachelijk te maken.
De blasphemie geschiedt doorgaans door woorden, doch zij kan ook geschieden enkel met gedachten of door uitwendige teekenen, bijv., door naar den hemel te spuwen of zijne vuist tut te steken. De Catechismus vraagt:
Wat is vloeken? En hij antwoordt:
Vloeken is iemand kwaad wenschen. Daarbij wordt dikwijls tie naam Gods onteerd. In zoo ver nu het vloeken een kwaad wenschen is van zicli zeiven of zijnen naaste, strijdt het tegen
het vijfde gebod, doch in zoo ver daardoor de naam Gods onteerd wordt, strijdt het ook tegen het tweede gebod.
Er bestaan afschuwelijke vloeken in \'t fransch en in quot;t hol-landsch, vloeken, die den braven menscb doen sidderen als hij ze hoort, en hein de haren ten berge doen rijzen. Er bestaat een soort van vloeken, basterdvloeken genoemd, van die grove, zwaarklinkende, onfatsoenlijke woorden: al zondigt men juist nu niet doodelijk door die basterdvloeken te spreken, men zal zich toch licht aan dagelijksche zonde plichtig maken, als zij, bijv., te veel aan groote vloeken gelijken, ofwel, als men ze zoude uitspreken in de tegenwoordigheid van kinderen, die gemakkèlijker slechte woorden, zelfs vloeken aanleeren dan gebeden.
De zonde van godslastering en vloeken is vooreerst eene schandelijke zonde, zij onteert den mensch. God lasteren of vloeken is een teeken dat de mensch zicli niet bezit, dat hij een laag karakter heeft, dat hij zonder opvoeding, van het schuim of janhagel is. De godslasteraar en vloeker spreekt de taal der verdoemden en duivelen in de hel.
De zonde van godslastering en vloeken is vervolgens eene groote zonde. De Catechismus vraagt;
Is godslastering groote zonde? En hij antwoordt:
Ja; zij is eene van de grouwelijkste zonden en zij is dikwijls op eene zienlijke wijze van God gestraft geweest.
Is het groote zonde God te vloeken?
Ja; want behalve dat deze zonde groolelijks strijdt tegen de eer die wij God schuldig zijn, is het nog eene groote ondankbaarheid ktoaad te loenschen aan d eng ene die de oorsprong is van alle goed, namelijk, aan God. Wat zoudt gij zeggen van een onderdaan, die na van zijnen koning allerlei weldaden ontvangen te hebben, hem lastert, kwaad van hem spreekt en hem verwenscht? Gij zoudt zeggen dat die onderdaan een ondankbare, een majesteitschenner is, en dat hij verdient
streng gestraft te worden. En inderdaad, zoo is het. Doch wat moet men dan niet zeggen van den godslasteraar, van den vloeker, die van den Koning der koningen, den grootsten der weldoeners, kwaad spreekt en Hem kwaad wenscht? Aan welke ondankbaarheid maakt hij zich niet plichtig, en welke straffen heeft hij niet te vreezen? Luistert, B. B., hoe de H. Alphonsus de Liguorio, die overigens met zachtheid te werk gaat, zich desaangaande uitdrukt. Ik begrijp niet, zegt die Heilige, hoe bij elke godslastering do aarde zich niet opene onder de voeten van hem, die waagt van ze uit te spreken, om hem te verslinden. Een godslasteraar of vloeker is slechter dan een verdoemde in de hel; deze lastert God, wijl hij door Hem gestraft wordt, gene echter, terwijl God hem goed doet.
De zonde van godslastering of vloeken neemt toe in groot -en afschuwelijkheid, zoo zij uit haat tegen God, met het doel om God te bespotten bedreven wordt; ofwel, zoo zij met ketterij gepaard gaat; ook als God gelasterd of als er gevloekt wordt in de tegenwoordigheid van anderen, die er door geergerd worden en ook leeren vloeken. Welke verantwoordelijkheid trekken de ouders en oversten niet op zich! Ik heb reeds opgemerkt, dat de kinderen die God lasteren of vloeken, juist kinderen zijn van ouders, die godslasteraars en vloekers zijn; welke verantwoordelijkheid, ik herhaal het, voor dergelijke ouders. Om u nog beier dc groot - en afschuwelijkheid dier zonde te doen zien, zoude ik u verschillende geschiedenissen kunnen verhalen, hoe verschrikkelijk die zondaren reeds in deze wereld zichtbaar van God gestraft zijn geweest, maar de tijd laat het niet toe. Dezelfde straffen hebben de hedendaagsche godslasteraars en vloekers te vreezen. Eene zaak nog, waarop ik uwe aandacht inroep, is de volgende. Voor weke zondaren moeten wij \'s Zondags bidden om hunne bekeering te bekomen? Hebt gij wel ooit daaraan gedacht? Onder anderen voor de bekeering der godslasteraars en vloekers, en daaruit alleen kunt gij reeds besluiten welke afschuwelijke zonde het is God te lasteren of
te vloeken, anders zouden de oversten der H. Kerk niet voorschrijven voor hunne bekeering te bidden. Ziehier nu hoe men gewoon is zich te verschoonen.
1° Ik weet niet eens wat ik zeg als ik laster of vloek: hoe wilt gij dan dat ik zoo grootc zonde bedrijve? Weet gij ook dat de woorden die gij spreekt, groote godslasteringen of vloeken zijn? Ja wel, maar ik weet toch juist niet wat zij beteekenen; dat is niet noodig; gij weet dat het groote godslasteringen of vloeken zijn, gij spreekt ze vrijwillig uit, gij bedrijft groote zonden.
2° Ik laster of vloek zoo zelden. Hoe dikwijls? Eens per maand. Welnu, dat maakt twaalf godslasteringen of vloeken in \'t jaar, vier en twintig in de twee jaren, acht en veertig in de vier jaren. Hoe dikwijls hadden Lucifer en de overige afgevallen engelen gezondigd? Maar eens, en zij zijn in duivelen veranderd, en zij liggen reeds eeuwen en eeuwen in de hel te branden, en zij zullen er in branden in eeuwigheid; en gij acht die twaalf, vier en twintig, acht en veertig godslasteringen, vloeken of doodzonden licht?
3° Ik laster of vloek maar als ik kwaad wordt of in gramschap schiet. Dan bedrijft gij nog eene tweede zonde, zonde van gramschap zonder reden en zonde van godslastering of vloeken.
4° Anderen lasteren en vloeken als zij zich te buiten gaan in den drank. Bijaldien zij weten dat zij in staat van dronkenschap vloeken, en zoo zij zich vrijwillig dronken drinken, zullen de godslasteringen en vloeken hun ook aangerekend worden, omdat zij met kennis en vrijwillig de oorzaak gesteld hebben, waaruit de godslasteringen en vloeken voortkomen.
5° Men treft er zelfs aan die met de grootste onverschilligheid zeggen: Ik laster en vloek uit gewoonte. O lieve Jesus! Er worden dan menschen gevonden, die u lasteren en vloeken uit gewoonte! Welke monsters van boos-en ondankbaarheid! Doch ziehier eene aanmerking. Iemand, bijv., heeft de gewoonte van
— 124 —
vloeken, maar hij heeft vast besloten die gewoonte af te breken, en hij wendt wezenlijk de middelen, door den biechtvader hem voorgeschreven, daartoe aan; bijaldien dien persoon onvrijwillig, bij toeval, wegens die verouderde gewoonte eene godslastering of een vloek ontsnapte, hij zoude niet zondigen, ten minste niet doodelijk, maar zoo iemand vloekt uit gewoonte, waarvan hij zich niet wil beteren, en waartoe hij geene middelen wil aanwenden, die persoon bedrijft ongetwijfeld groote zonden. Wat zoudt gij zeggen van eénen dief, die aangeklaagd tot den rechter om zich te verontschuldigen zoude zeggen: Mijnheer de rechter, ik steel maar uit gewoonte. Gij ziet dus, B. B., dat de voorwendsels die men gewoon is aan te halen om zich te verontsclmldigen, niets beteekenen.
SLUITREDE.
Om dus de straffende hand Gods te ontkomen, B. B., blijft er den godslasteraar en vloeker niets anders over dan zich te bekeeren en te beteren, en ziehier tot dat einde eenige middelen.
Het eerste middel is het gebed. Die het ongeluk heeft van dikwijls te lasteren of te vloeken moet God vurig bidden om die duivelsche gewoonte af te leggen.
Het tweede middel is zich te wachten voor de gelegenheden en oorzaken, die aanleiding geven tot lasteren en vloeken, bijv., de drank of voor zekere personen het spel.
Het derde middel is van telkens, als men bij toeval onvrijwillig lastert of vloekt, zich eene boete op te leggen, bijv., van een Onzen Vader of Wees gegroet te bidden, eene kleine aalmoes te geven om in het vervolg niet meer te lasteren of te vloeken.
Het vierde middel is dikwijls te biechten te gaan. Dit middel is allerkrachtigst om alle gewoonten van zonde af te leggen, en met vele zondaren helpt geen ander. Zoo lang zij dus dit
middel niet aanwenden zullen zij in zonde leven, en die in zonde leeft sterft in zonde en gaat verloren.
Eindelijk is liet ook zeer nuttig dikwijls aan de afschuwelijkheid van de godslastering (in van het vloeken te denken en de tijdelijke en eeuwige straffen te overwegen, welke die zonden na zich sleepen.
In plaats dus van den naam Gods te onteeren, hetzij door hem oneerbiedig te gebruiken, hetzij door hem te lasteren of te vloeken, beijveren wij ons van hem hier op aarde te eerbiedigen, te loven en te verheerlijken, om eenmaal liet geluk te hebben van hem in eeuwigheid lof te mogen zingen in den hemel. Amen.
TWAALFDE ONDERRICHTING
TWEEDE GEBOD
OVER MET EED DOEN OF ZWEREN
Juraiis, vivit Uominus, in veritate, vt in judicia ct in jnstitia.
Gij zult zworen, leve do Heer, mot waarheid en mot good oordeel en met rechtvaardigheid. (Jeu. iv, s.)
INHOUD.
VOORRED]:.
Den naam (iods oneerbiedig gebruiken strijdt reeds tegen het tweede gebod, doch de godslastering en het vloeken nog meer. De godslasleraaar en de vloeker maken zich aan schandelijke en groote zonden plichtlg.
VERDEELING.
I. Wat is zweren?
II. Wanneer zondigt men in het zweren
Men moet liet vloekeu en zweren niet met elkander verwarren. quot;Vloeken is iemand kwaad wenschen, zweren is God, of iets dat God merkelijk aangaat, nemen tot getuige van hetgeen men zegt.
Tot den eed wordt vereischt:
1° J)e meening vau God tot getuige aan te roepen;
2° De aanroeping zelve.
Kr zijn spreekwijzen die volstrekt geen eed bevatten; andere, waarvoor men zich moet wachten.
11.
\'t Is niet altijd slecht en verboden te zweren: \'t is zelfs goed en deugdelijk, als de eed geschiedt met goed oordeel, rechtvaardigheid en waarheid, maar het is zonde, als er eene van die voorwaarden ontbreekt.
Wie zweert met goed oordeel, wie tegen het goed oordeel?
Wie zweert met rechtvaardigheid, wie tegen de rechtvaardigheid?
Wat is eedbreuk?
Wie zweert met waarheid, wie tegen de waarheid? De mein-eedige beleedigt God, benadeelt zijnen naaste, de samenleving en zich zeiven.
Men mag niemand aanzetten of omkoopen om een valschen eed te doen. De valsche eed is altijd doodzonde.
SliUITRKDK.
Geschiedenis van den meineedige door den bliksem gei rol Ten. Wachten wij ons zorgvuldig van die zonde, want God straft ze dikwijls reeds in dit leven, met ziekten, beroöVing van tijdelijke» zegen en met een haastigen dood.
— 128 —
TWAALFDE ONDï RRICHTIKG
TWEEDE GEBOD
OVER HET EED DOEN OF ZWEREN
Jurabis, vivit Dominus, in veritate, ct in judicia et in justitia.
Gij zult zweren, leve do Heer, met waarheid en met goed oordeel en met roolitvaardigheid. (Jee. iv, 2.)
VOORREDE.
Den naam Gods of de namen der Heiligen, B. Pgt;., oneerbiedig gebruiken strijdt reedh tegen het tweede gebod en is dagelijksche zonde. Zoo men er de slechte gewoonte van heeft moet men de middelen gebruiken om ze af te leggen.
De godslastering en het vloeken strijden nog meer tegen het tweede gebod. De mensch die God lastert of vloekt, bedrijft, vooreerst eene schandelijke zonde, hij stelt zich gelijk met de duivelen en verdoemden der hel, ja, in zekeren zin stelt hij zich beneden hen. Daaruit kan men ook besluiten dat de godslasteraar en vloeker zich aan groote 011 afschuwelijke zonden plichtig maken.
Die waarheden hebben wij in onze voorgaande onderrichting overwogen. Vandaag zullen wij onderzoeken, wanneer men tegen het tweede gebod zondigt door te zweren. Zien wij dus:
I. Wat zweren is;
II. Wanneer men zondigt door te zweren.
I.
Vloekon en zweren, B. B., wordt dikwijls met elkander verward, daar zij nochtans geheel en al van elkander verschillen. Want wat is vloeken? Vloeken is iemand kwaad wenschen. De Catechismus vraagt:
Wat is eed doen of zweren? Mn hij antwoordt;
God of iets dat God merkelijk aangaat, nemen lot getuige van hetgeen men zegt.
De eed beslaat dus eigenlijk hierin, dat hij dio eod doel of zweert, God diy de harten en nieren doorgrondt, tot getuige neemt, en bijgevolg ook, zoo hij een valschen eed zoude doen, tot rechter en straffer.
Tot den eed behoort noodzakelijk: vooreerst, de meening, d. L, men moet voornemens zijn God tot getuige te nemen of aan te roepen; vervolgens,de aanroeping zelve. Ziehier twee voorbeelden van den eed.
Hij zweert, die, bijv., zegt: Ik neem God tot getuige dat het waar is hetgeen ik zeg, ofwel: God oordeele en straffe mij zoo het niet waar is hetgeen ik zeg.
Om te zweren behoeft men God niet uitdrukkelijk tot getuige te nemen van hetgeen men zegt; daarom voegt de Catechismus er bij: 0/ iets dat God merkelijk aangaat. Daardoor verstaat men, de tingelen, de Heiligen; ook andere heilige zaken, zooals, bijv., de H. Sacramenten, de H. .Mis, het H. Evangelie, het H. Kruis of andere voorwerpen, waarin do een of andere eigenschap van God, zooals zijne almacht, rechtvaardigheid, enz., bijzonder uitschijnt; dergelijke voorwerpen zijn: de hemel, de aarde, de zee, de ziel van den mensch.
Be H. Thomas leert ons, waarom men eed doet of zweert, als men die voorwerpen tot getuige neemt van hetgeen men zegt. Wijl die dingen, zegt hij, onbekwaam zijn door zich zeiven iets te getuigen of de leugen te straffen, daarom is liet, in zoo
Geloofs-en Zedenleer. Deel. 9,
— 130 —
ver zij tot getuigenis \'worden opgeroepen, eigenlijk God zelf, dien men tot getuige roept. Om dezelfde reden zeggen wij, en zeer wel te pas, dat wij den hemel bidden, in welk geval door het woord hemel niet de verblijfplaats van God en zijne Heiligen, maar God zelf en zijne Heiligen verstaan worden.
Jesus-Christus, B. B., leert ons hetzelfde in \'t Evangelie.
Wie zweert bij het altaar, zegt Hij, zweert bij Hem en bij alles wat er op is. Wie zweert bij den tempel, zweert bij Hem die er inwoont, en wie zweert bij den hemel, die zweert bij den troon Gods en bij Hem die er opzit, dus bij God zeiven.
Tijdens het leven van onzen goddelijken Zangmaker had de lichtvaardigheid van zweren bij de Joden de overhand genomen. Men meende zelfs dat het maar eene kleinigheid was bij den hemel, de aarde, bij de stad Jerusalem of bij zijn hoofd te zweren, en dat men zulken eed- mocht breken zonder groote zonde te bedrijven. Tegen dat misbruik en tegen die valsche meening vermaande onze goddelijke Zaligmaker zijne toehoorders.
Er bestaat eene soort van uitdrukkingen, B. B., waardoor men volstrekt niet wil zweren, doch enkel het een of ander wil bevestigen. Dusdanige uitdrukkingen zijn onder anderen, de volgende woorden: Zeker, waarachtig, bij mijn trouw, bij mijn hoofd, op mijn woord van eer, zoo waar als Ik leef, zoo waar als ik hier sta, enz. Waarom bevatten die woorden geen eed? Om de eenvoudige reden, wijl God er niet door aangeroepen wordt.
Er bestaan nog andere uitdrukkingen, waarvoor men zich zorgvuldig moet wachten, alhoewel zij geene eeden zijn; bijv., bij mijne ziel; God weet dat ik de waarheid zeg; dat is zoo waar als ik leef, als God leeft, als het Evangelie. Dergelijke uitdrukkingen worden niet zelden door sommigen voor eeden gehouden; men ergert er soms den evenmensch door en men zoude er, vooral bij leugens, God grootelijks door kunnen beleedigen.
— 131 —
Ziedaar, B. B., wat eigenlijk zweren is. Zien wij nu op de tweede plaats, wanneer men zondigt door te zweren.
11.
De Catechismus vraagt:
Is het altijd kwaad en verboden te zweren? En hij antwoordt:
Neen; want het is deugdelijk als de eed geschiedt met goed oordeel, rechtveerdigheid en waarheid; maar het is zonde, als er eene van deze voorwaarden ontbreekt.
De eerste voorwaarde, door den Catechismus aangegeven, om te mogen zweren, is liet goed oordeel.
Wie zweert met goed oordeel? Die niet zweert tenzij uit nood en goede reden. Men mag dus eed doen uit noodzakelijkheid, bijv., om een geschil te eindigen of om eene andere wettige reden. Alhoewel de eed in zich beschouwd God tot eer verstrekt, nochtans, men mag niet zweren zonder noodzakelijkheid of wettige reden, noch anderen daartoe aanzetten, anders zoude men zich aan oneerbiedigheid jegens God plichtig maken. quot;Wat zoudt gij zeggen van een hoveling of minister, die in de nietigste zaken, bij elk gesprek of verhaal dat hij met of tot iemand heeft, zijn koning tot getuige ging oproepen om te bevestigen dat het waar is hetgeen hij zegt of verhaalt? Die hoveling of minister zoude weinig eerbied voor zijnen koning toonen, en de koning zoude daardoor gestoord zijn en te recht. Hij zoude mogen zeggen: Ik kan mij telkens met die kleinigheden niet bezig houden; roep mij op als het noodig is, als er over zaken van aanbelang gehandeld wordt. Zoo is hel ook gelegen met God. Wij moeten God niet tot getuige roepen, d. i., niet zweren, tenzij in zaken van aanbelang, om allen twijfel weg te nemen, om langdurige geschillen te eindigen; ofwel, als wij door de wettige overheid, hetzij geestelijke of wereldlijke, ondervraagd worden.
— 132 —
Is liet nu ook groote zonde te zweren alleen zonder oordeel?
De waarheid zweren, maar zonder oordeel, zonder wettige reden is wel geene doodzonde, maar dagelijksche zonde, waarvoor men zich ook moet wachten.
De tweede voorwaarde om te mogen zweren is de rechtvaardigheid.
Wie zweert met rechtvaardigheid? Die niets met eed bevestigd tenzij hetgeen eerlijk en geoorloofd is. Dus. hetgeen men met eed. bevestigt mag volstrekt geen kwaad of zonde zijn. Wie zweert tegen de rechtvaardigheid? Die met eed bevestigt hetgeen kwaad en verboden is, en die eed mag niet gehouden worden.
Is het groote zonde te zweren tegen de rechtvaardigheid ? Zweren, B. B., van eene doodzonde te bedrijven, bijv., van honderd franken te stelen, is doodzonde. Bijgevolg zoude iemand die dergelijken eed deed, twee doodzonden bedrijven, eene van onrechtvaardigheid en eene andere tegen het tweede gebod, door tegen de rechtvaardigheid te zweren. Zweren van eene dagelijksche zonde te bedrijven is naar het gevoelen der meeste godgeleerden ook doodzonde; eenigen nochtans beweren dat het maar dagelijksche zonde zoude zijn. Iemand, bijv., zoude zweren van vijf centiemen te stelen, hij zoude eene dagelijksche zonde bedrijven tegen de rechtvaardigheid en naar een waarschijnlijker gevoelen der godgeleerden eene doodzonde tegen het tweede gebod.
Men kan ook nog zondigen en doodelijk zondigen door eedbreuk, als men na iets merkelijks onder eed beloofd te hebben, daaraan te kort blijft, zonder er door wettige reden van ontslagen te zijn.
De eed tegen de rechtvaardigheid mag niet gehouden worden, d. w. z., men mag niet doen, waartoe men zich tegen de rechtvaardigheid, zelfs op eed, verplicht hééft, omdat het kwaad en verboden is.
l)e derde en voornaamste voorwaarde van te mogen zweren is de waarheid.
Wie zweert met waarheid? Die iets met eed bevestigt dat hij zeker weet, of met gegronde reden rechtzinnig meent waar te zijn. Wie zweert tegen do waarheid? Die met eed bevestigt hetgeen hij zeker weet of meent valsch te zijn en ook waaraan hij twijfelt. In deze drie gevallen spreekt men tegen zijn gemoed, d. i., men liegt, en men roept God op om getuigenis af te leggen van de leugen en ze te bevestigen; zoo iets, B. B., kan niet anders dan eene groote zonde zijn.
Men zweert ook nog tegen de waarheid, als men iets onder eed belooft dat men niet voornemens is te volbrengen. De Catechismus vraagt:
Is de valsche eed eene groote zonde? En hij antwoordt: Ja, hij is eene ran de grootste zonden.
De valsche eed of meineed, bijzonder voor de rechtbank, is eene der afschuwelijkste zonden. Die een valschen eed «loet beleedigt God, hij benadeelt zijnen evennaaste en zich zeiven. Hij beleedigt God. Immers, zweren, gelijk reeds gezegd is, is God tot getuige oproepen; die nu een valschen eed doet, oordeelt ofwel dat God de alwetende de waarheid niet kent, ofwel dat God de allerheiligste de leugen bemint, ofwel dat God de rechtvaardige en almachtige de leugen niet wil of kan straffen; doch al die oordeelvellingen zijn als zoo vele godslasteringen, gelijk gemakkelijk te begrijpen is.
Die een valschen eed doet benadeelt zijnen evennaaste. Veronderstelt dat iemand een valschen eed doet voor de rechtbank, waardoor het gebeurt dat den evenmensch tot eene geldboete veroordeeld wordt: in zulk geval zondigt de meineedige niet alleen tegen het tweede gebod, maar ook tegen de rechtvaardigheid, en hij is verplicht zijn evenmensch de schade die hij hem door zijn valschen eed aangedaan heeft, te herstellen. Doch dat is niet alles. Wat zoude er van de samenleving, van de
maatschappij geworden, zoo men ongestraft een valsohen eed kon doen, en zoo men geen staat meer kon maken op hetgeen onder eed bevestigd wordt? De samenleving immers berust op wederzijdsch geloof en vertrouwen; doch zoo men ongestraft een valschen eed kan doen, en zoo men geen staat meer kan maken op hetgeen onder eed bevestigd wordt, dan is het gedaan met het wederzijdsch geloof en vertrouwen; bijgevolg zoude het ook gedaan zijn met de maatschappij of samenleving.
Die een valschen eed doet benadeelt zich zeiven. Waarom? Omdat hij vroeg of laat hier of hiernamaals streng van God zal gestraft worden. Te recht zegt dus de H. Thomas: De meineedige doet God eene groote beleediging, hij is verderfelijk voor zijnen evenmensch en wreed jegens zich zeiven.
Wijl de valsche eed, d. i., zweren tegen de waarheid, eene zoo afschuwelijke zonde is, wachten wij ons wel van ooit een valschen eed te doen, en niet alleen van zelf een valschen eed te doen, maar wachten wij ons ook wel van anderen daartoe aan te zetten, over te halen, door hen, bijv., om te koopen voor het gerecht.
SLUITREDE.
De Catechismus vraagt:
Straft God somtijds den valschen eed van in dit leven? En hij antwoordt:
Ja, met herooring van lijdelijken zegen, met ziekten, en eene haastige dood. Tot bevestiging dezer waarheid diene de volgende geschiedenis.
Den twaalfden Juli 1845 had er een merkwaardig voorval plaats te Scharrenstein bij Rastenburg. Een inwoner dier plaats was kort te voren van diefstal beschuldigd en voor de rechtbank gedaagd. Hij verklaarde zich gereed om eed te doen ten einde zijne onschuld te staven; doch wijl hij als een slecht persoon bekend stond, werd hij tot den eed niet toe gelaten.
Toen zwoer hij op eigen gezag en sprak daarbij de volgende woorden: Het eerste on weder dat losbreekt moge mij treffen, zoo ik gestolen heb. Hij werd vrijgesproken. Den twaalfden Juli pakte zich boven Scharrenstein een zwaar onweder tezamen. De dief bevond zich met vier kinderen te huis. Op eens ratelde een geweldige donderslag; de bliksem had het huis van den meineedige getroffen oh den ongelukkige dood geslagen; de andere personen waren wel eenigszius verward, maar toch ongedeerd gebleven. De bliksemstraal was hem in den mond geschoten. Het huis stond ook in brand. De doode moest er uitgedragen worden. De inwoners wilden hem, dien zij voor eenen van God gestrafte aanzagen, niet aanraken. De Pastoor van het dorp zette er hen toe aan, doch te vergeefs; hij was genoodzaakt zelf het lijk uit het vuur te redden. Het huis brandde af, doch het vuur ging niet verder.
Ziedaar, B. B., eene verschrikkelijke straf voor den valschen eed. Wachten wij ons dus wel van die zonde. God straft ze soms ook met berooving van tijdelijken zegen en met ziekten, zoodat de meineedige met tegenspoed in zijne tijdelijke zaken en andere onheilen getroffen wordt. Doch al zoude God die zonde ook in dit leven niet straffen, zij zal daarom niet ongestraft blijven. Uitgesteld is niet kwijtgescholden. God zal den valschen eed in het andere leven des te verschrikkelijker straffen, namelijk, in de hel gedurende de eindelooze eeuwigheid. Wachten wij ons dus, ik herhaal het, van die zonde om de tijdelijke en eeuwige straffen niet in te loopen. Amen.
DERTIENDE ONDERRICHTING
TWEEDE GEBOD
OVER DE BELOFTEN
Vovete et reddite Domino Deo vestro. Doet den Heer uwen God beloften en volbrengt ze. (Ps. lxxv, 12.)
INHOUD.
VOORREDE.
Na over den eed en deszell\'s voorwaarden gesproken te hebben, zullen wij over de beloften handelen.
VERDEELING.
I. Wat is belofte?
II. Hoe verdeelt men de beloften?
III. Wat leert de H. Kerk aangaande de beloften?
I.
Belofte is een aan God gegeven woord, of eene toezegging-van iets te doen dat God aangenaam is, en hetgeen de belovende
— 137 —
bij machte is te volbrengen. Verschil lusschen een voornemen en eene belofte. De belofte om te verplichten moet gedaan worden met voorbedachtheid, volle kennis en vrijheid.
De belofte is een aan God gegeven woord. Belofte aan eenen Heilige gedaan, wordt beschouwd aan God gedaan ter cere van den Heilige, liet beloofde moet God aangenaam zijn, niet enkel goed, maar beter dan hot tegenovergestelde. Men moet het beloofde kunnen volbrengen. Tot het onmogelijke is niemand verplicht. Men kan iets beloven, waartoe men overigens reeds verplicht is
II.
Men verdeelt de beloften:
1° In volkomene en voorwaardelijke;
2° In persoonlijke, zakelijke en gemengde;
:30 In tijdelijke en eeuwige;
4° In enkele en plechtige.
HL
De H. Kerk leert ons dat het God aangenaam is beloften te doen. Men is verplicht zijne beloften te volbrengen, op doodzonde in zaken van aanbelang, op dagelijksche zonde in kleine zaken.
SLUITREDE.
De belofte moet gedaan worden met voorzichtigheid; bijgevolg moet men eerst God bidden, vervolgens zien of men het beloofde zal kunnen volbrengen, en eindelijk zijnen biechtvader of ziel-bestuurder raadplegen.
— ins —
DERTIENDE ONDERRICHTING
TWEEDE GEBOD
OVER DE BELOFTEN
Yovetc et rcddite Domino Deo vestro.
Doet den Heer uwen (iod beloften en volbrengt ze. (I\'s. i.xxv. is.)
VOORREDE.
Eod doen of zweren, H. B., is God, of iets dat God merkelijk aangaat, nemen tot getuige van hetgeen men zegt. \'t Is niet altijd kwaad en verboden te zweren; \'t is zelfs goed en deugdelijk, als de eed geschiedt met goed oordeel, rechtvaardigheid en waarheid, maar het is zonde als er eene van die voorwaarden ontbreekt.
De valsche eed is eene afschuwelijke zonde. De ineineedige wordt niet zelden reeds in dit leven op eene zichtbare wijze door God gestraft. Doch al zoude hij op aarde ook ongestraft blijven. God zal hem des te verschrikkelijker straften hiernamaals.
Ziedaar, B. B., wat wij laatsleden overwogen hebben. Vandaag zullen wij spreken over de beloften. Wij zullen tegelijkertijd zien, wanneer men tegen het tweede gebod misdoet door het breken van beloften.
1. Wat is belofte?
II. Hoe verdeelt men de beloften?
III. Wat leert ons de H. Kerk aangaande de beloften?
— i:?9 —
I.
Wat is belofte? Belofte, B. B., is een aan God gegeven woord, of eene toezegging van iets te doen dat Hem aangenaam is, tin hetgeen de beloovende bij machte is te volbrengen.
De belofte is vooreerst een aan God gegeven woord of eene toezegging. Eenieder weet wat het be teekent iemand zijn woord geven, iemand iets toezeggen. Daaruit volgt dat men zich in geweten verplicht, zoodat men zondigt, indien men aan zijne belofte te kort blijft.
Uit deze weinige woorden kan men reeds opmaken het verschil dat er bestaat tusschen een eenvoudig voornemen van iets Ie doen en eene belofte. Door een eenvoudig voornemen maakt men enkel het besluit van een goed werk te doen, zonder zich daartoe O]) zonde te verplichten; maar door eene belofte verplicht men zich op zonde. Iemand, bijv., maakt het voornemen, het besluit van eene bedevaart te doen; dat voornemen of besluit, wijl het geene belofte is, verplicht niet op zonde; doch iemand belooft God eene bedevaart te doen met het inzicht van zich daartoe te verplichten, die belofte verplicht op zonde.
De belofte om te verplichten moet met voorbedachtheid gedaan worden, d. w. z., met volle kennis, men moet weten wat men doet, en met volle vrijheid, zoodat eene belofte zonder kennis of met dwang gedaan niet verplicht. Iemand, bijv., zoude gelofte doen van eeuwige zuiverheid, maar hij zoude niet weten wat dat is; eene jonge dochter zoude door hare ouders gedwongen worden den kloosterlijken staat te aanvaarden: die geloften verplichten niet, omdat zij niet gedaan zijn met kennis en vrijheid.
De belofte is Vervolgens een aan God gegeven woord, \'t Is dus aan God dat zij eigenlijk gedaan wordt. Gij zoudt misschien kunnen zeggen: Maar ik heb onze lieve Vrouw eene bedevaart beloofd; is dat nu geene ware belofte? Bijaldien gij die bedevaart alleen aan onze lieve Vrouw beloofde zonder u daardoor jegens
— 140 —
God te verplichten, dan zoude iiet in den eigenlijken zin dos ■woords geene belofte zijn, alhoewel men verplicht is dezelve te volbrengen; doch weet gij hoe die woorden, bijv.: Ik beloof eene bedevaart aan onze lieve Vrouw, verstaan worden? In dezen zin; Ik beloof God van eene bedevaart te doen tor eere van onze lieve Vrouw, hetgeen blijkt uit hot inzicht dat men heeft, namelijk, om van God door de voorspraak van onze lieve Vrouw de een of andere weldaad te bekomen, en in dien zin zijn do beloften, aan onze lieve Vrouw of aan andere Heiligen gedaan, ware beloften, die iu geweten verplichten.
Op de derde plaats wordt er voreisclit dat hot beloofde aangenaam zij aan God. Wie dus iets belooft dat zondig, ijdel of den naaste nadeelig is, diens belofte is nietig, want God neemt dat gegeven woord of die toezegging niet aan. \'t Is zelfs niet genoeg, dat hetgeen men belooft enkel in zich goed zij, \'t moet ook beter zijn dan het tegenovergestelde, d. w. z., do belofte moet den mensch niet beletten van naar een grooter goed te kunnen streven, en daarom is alles wat in strijd is met de evangelische raden, mot de geloften van gehoorzaamheid, armoede on zuiverheid, in den regel geene stof voor belofte. Zoo is, bijv., de belofte van den huwelijken staat aan te gaan in zich ongeldig. Waarom? Omdat die belofte don mensch belet den staat van eeuwige zuiverheid te kiezen, die veel verhevener en volmaakter is.
Eindelijk moet men bij machte zijn het beloofde te volbrengen.
Iemand, bijv., zoude beloven eene bedevaart te doen naar......;
dat is mogelijk, en die bedevaart is stof voor belofte. Een ander zoude beloven op zijne knieën naar Jerusalem to kruipen; dat is onmogelijk en dus geene stof voor belofte. Er zijn personen die zoo veel beloven, om anderen te doen gelooven dat hot waar is hetgeen zij zeggen. Ik geef hónderd duizend franken aan den arme, zoo het niet waar is hetgeen ik zeg. Bijaldien de armen ontvingen hetgeen hun zoo beloofd is, zij waren reeds overlang schatrijk, en vele rijken doodarm. Dergelijke uitdrukkingen zijn
— Hl —
dus niets anders dan cene manier van sproken, die niet verplicht en op de personen die zoo spreken, kan mon doorgaans hot minste staat maken als zij iets vertellen.
Men kan zich door belofte ook lot iets verplichten, waartoe men reeds verplicht is, bijv.,, tot het vermijden der naaste gelegenheid van dronkenschap. In geval men zich nu in de naaste gelegenheid begeeft en zich te buiten gaat aan den drank, dan zondigt men niet alleen tegen de matigheid, maai\' ook tegen het tweede gebod door het breken zijner belofte; doch in geval men zijne belofte volbrengt, heeft het werk dat men verricht, ook dubbele verdienste.
Wie kunnen beloften doen? Die gekomen ziju tot de jaren van verstand, en voor hetgeen zij beloven zich zeiven meester zijn. Die zaak is duidelijk, want men kan eens anders rechten of goederen niet beloven. Ziedaar, B. B., genoegzaam verklaard wat belofte is. Zien Avij nu op de tweede plaats hoe men de beloften verdeelt.
11.
De beloften worden verdeeld:
1° lu volkomene en voorwaardelijke beloften.
Volkomene beloften zijn, die van geene voorwaarde afbangen, bijv., iemand belooft God dagelijks een rozenhoedje te bidden. Die beloften moeten op den bepaalden tijd, ol zoo er geen tijd bepaald is, zoo spoedig mogelijk volbracht worden. Wat voorwaardelijke beloften ziju zal duidelijk worden door een voorbeeld. Iemand belooft God den arme eene aalmoes te geven, zoo bij van zijne ziekte herstelt. Wordt nu de voorwaarde volbracht, d. L, herstelt hij van zijne ziekte, dan moet hij zijne belofte?, volbrengen, hij moet eene aalmoes geven; herstelt hij niel van zijne ziekte, dan is hij tot niets verplicht.
2° In persoonlijke en zakelijke beloften. Persoonlijke beloften zijn, die do persoon zelf moet volbrengen, bijv., de beloften van
vasten, bidden en dergelijke. Deze beloften gaan niet tot anderen, bijv., tot de erfgenamen over. Zakelijke beloften zijn, waarin men de een of andere zaak verbindt, en deze beloften kunnen tot anderen, namelijk, tot de erfgenamen overgaan.
Er zijn ook beloften die gemengde beloften genoemd worden, die deels persoonlijk, deels zakelijk zijn: bijv., een vader belooft
eene bedevaart te doen naar..... en daar honderd franken te
offeren; dat is nu eene gemengde belofte; de bedevaart is persoonlijk, bol- offeren der honderd franken is zakelijk. Veronderstelt nu dat die vader kwam te sterven alvorens zijne belofte volbracht Ie hebben: waartoe zouden dan zijne erfgenamen, bijv., zijne kinderen Verplicht zijn? Zij zouden niet verplicht zijn tot de bedevaart, omdat deze persoonlijk is en dus door den vader zeiven moest volbracht worden, doch wat het zakelijke deel aangaat, d. i., de honderd franken, deze moeten door de erfgenamen geofferd worden, wijl de zakelijke beloften tot hen overgaan. Men zoude dus op de een of andere wijze die som moeten offeren.
:30 In tijdelijke en eeuwige beloften. Tijdelijke beloften zijn die voor een bepaalden tijd gedaan worden, bijv., voor eene week of maand; eeuwige, die men doet voor gansch zijn leven.
1° In enkele en plechtige beloften. Zoo doen, bijv., de kloosterlingen enkele of plechtige geloften van gehoorzaamheid, armoede en zuiverbeid. Ziedaar, B. li., hoe men de beloften verdeelt.
Zien wij nu op de derde plaats nog wat ons de li. Kerk aangaande de beloften leert.
111.
De H. Kerk leert ons vooral twee zaken aangaande de beloften:
1° Dat de beloften aangenaam aan God zijn;
2° Dat men verplicht is zijne beloften te volbrengen.
De beloften zijn aangenaam aan God. Iemand die God eene belofte doet, brengt Hem een offer, waarin Hij zijn welbehagen
— 143 —
schept. Hij brengt Hem een uitstekend offer. De mensch brengt daardoor zijnen God niet alleen de vruchten, bijv., gebeden, aalmoezen, enz.; maar om zoo te zeggen ook den boom die de vruchten voortbrengt, d. i., zijn vrijen wil. Immers, de belofte is een vrijwillig oiler; God verplichl niemand Hem beloften te doen, doch Hij laat liet uitsluitend aan de grootmoedigheid zijner dienaren over. Eindelijk is de belofte een offer, waardoor de wil van den mensch in het goede bevestigd wordt. Het blijkt dus duidelijk dal; de belofte aangenaam aan God moet zijn.
Men is verplicht zijne beloften te volbrengen. Het spreekwoord zegt: Belofte maakt schuld. Bijaldien men eene wettige overeenkomst, met zijnen evenmensch gesloten, moet nakomen, hoeveel te meer moet men dan volbrengen hetgeen men God beloofd heeft? En bijaldien ontrouw en woordverbreking jegens den naaste eene schandelijke en soms groote zonde is; hoeveel te meer is het dan schande en groote zonde zijnen Heer en God ontrouw te worden.
Doch ziehier eene andere zaak.
Is het altoos doodzonde aan zijne belofte te kort te blijven? \'t Is doodzonde, B. B., zoo men zonder wettige reden aan eene belofte van aanbelang te kort blijft, tenzij de persoon die de belofte doet, zich uitdrukkelijk niet op doodzonde wilde verplichten. Iemand, bijv., belooft God ter eere van onze lieve Vrouw honderd franken of vijftig centiemen te offeren, zonder juist te denken van zich daartoe op doodzonde of dagelijksche zonde te verplichten, doch hij heeft wel het inzicht van zich te verplichten: in het eerste geval zoude hij doodelijk zondigen, zoo hij zijne belofte niet volbracht, omdat honderd franken eene zaak van aanbelang is; in het tweede geval zoude hij eene dagelijksche zonde bedrijven, wijl vijf centiemen maar eene kleine zaak is; ja, wat meer is, in het laatste geval zoude men zich niet eens op doodzonde kunnen verplichten, wijl de stof ontoereikend is.
— 144 —
t
Dat men niet verplicht is zijne belofte te houden, zoo het beloofde onmogelijk wordt, verstaat eenieder: tot \'t onmogelijke is niemand verplicht. Soms kan men ook om wettige redenen door do Oversten der H. Kerk die daartoe gemachtigd zijn, van zijne, beloften ontslagen worden.
De belofte, d. i., de stof, of hetgeen men beloofd heeft, kan soms ook veranderd worden; doch in die gevallen raadplege men zijnen biechtvader of zielbestuurder.
SLUITKKDE.
Ten slotte zeg ik, B. B., wachten wij ons van onvoorzichtig te werk te gaan in het doen van beloften, en bijgevolg, zien wij wel toe van ooit iets te beloven in haast of opgewondenheid, van ons door overdreven godvruchtigheid te laten vervoeren. Men moet God eerst vurig bidden en rijpelijk overwegen of men zijne beloften zal kunnen volbrengen. In eene zaak van aanbelang, zooals, bijv., in de belofte van zuiverheid, zelfs maar voor (•enigen tijd, moet men nooit nalaten wijze personen te raadjilegen, vooral zijnen biechtvader; aan dezen moet men zich bekend maken en zijne gesteltenis openhartig blootleggen. De biechtvader zal beter over onzeé krachten oordeelen dan wij, wijl bij van God eene bijzondere genade ontvangt om de zielen op liet pad der deugd te leiden. Na dus met voorzichtigheid te werk te zijn gegaan, d. i., na de. zaken gewikt en gewogen, na God goed gebeden, en vooral, na naar wijzen raad geluisterd te hebben, mag men God beloften doen en zij zullen Hem aangenaam zijn. God zal den belovende met zijne genade bijstaan om zijne beloften te volbrengen; en wijl God zich nimmer in edelmoedigheid iaat overtreden, zoo zal Hij reeds in dit leven toonen hoe aangenaam Hem de beloften zijn; doch Hij zal er den menscii vooral ruimschoots voor beloonen in den hemel gedurende do eindelooze eeuwigheid. Amen.
VEERTIENDE ONDERRICHTING
DERDE GEBOD
OVER HET MIS HOOREN
Mcmcntö ut difin Suhhati sanctifices.
Wees gedachtig dat gij don Sabbath heiligt. {Ex. xx, s.)
INHOUD.
VOORRfffijü.
De wet der natuur gebiedt ons God uitwendig te eeren, doch zij bepaalt noch tijd, noch wijze. In de Oude Wet was vooral de Sabbath bepaald, in de Nieuwe Wet vooral de Zondag. Om de Zon - en geboden feestdagen te vieren moet men ophouden van alle werken die op die dagen verboden zijn, en zich begeven tot godsdienstigheid.
VERDEELING.
I. Wie is verplicht Mis te hooren?
II. Wanneer is men van die verplichting vrij?
Geloofs - kn Zkdenleer. 3«lc Deel. 10,
— 116 —
1.
Alle geloovige Christenen die gekomen zijn tot de jaren van verstand, zijn op doodzonde verplicht op Zon - en geboden feestdagen Mis te hooren, tenzij zij om wettige redenen ontslagen zijn. Welke Mis, en waar moet men zo hooren? \'t Is aan te raden in zijne parochiekerk Mis te hooren. Men behoort in de sermoonen, christelijke leeringen en andere kerkelijke! diensten tegenwoordig te zijn. Velen zijn verplicht de sermoonen en christelijke leeringen bij te wonen, voor allen is het heilzaam.
II.
Men kan van de verplichting van Mis to hooren ontslagen zijn:
1° Wegens onmogelijkheid;
2quot; Wegens den afstand;
3° Wegens liefdewerken; de personen moeten zich afwisselen.
1° Wegens noodzakelijke reizen.
Zoo men om de een of andere wettige reden niet naar de kerk kan gaan om Mis te hooren, moet men dan t\'huis tijdens de H. Mis bidden?
SI.UIÏHKDE.
Trachten wij het gebod van Mis te hooren trouw na te komen, niet alleen omdat de II. Kerk het gebiedt, maar ook om de geestelijke voordeden die er aan vast zijn. Luisteren wij ook met aandachtigheid naar het woord Gods; richten wij er ons gedrag naar in, want niet die Gods woord gehoord, maar die er naar geleefd hebben zullen zalig worden.
— 147 —
VEERTIENDE ONDERRICHTING
DERDE GEBOD
OVER HET MIS HOOKEN
Memento ut diem Sabbati sanctiflces.
Wees gedachtig dat gij den Sabbatli heiligt. (Ex. xx, «.)
VOORREDE.
Na over het tweede gebod gesproken te hebben, B. B., gaan wij met het derde beginnen. Het derde gebod handelt vooral over de uitwendige vereering van God en luidt als volgt: Memento ut diem Sabbati sanctiflces: (i) Wees gedachtig dat gij den Sabbath heiligt: in andere woorden: Vier de lleitigdafien altegader.
Krachtens de wet der natuur moeten alle menschen God uitwendig eeren, dóch die wet bepaald noch tijd, noch wijze.
In de Oude Wet was voor de Joden de zevende dag der week bepaald, namelijk, de Zaterdag, ook Sabbath, d. i., rustdag genoemd, tot gedachtenis aan het dooi\' God voltrokken werk der schepping.
De viering van den Sabbath werd door de wel Gods, den Israëlieten op den berg Sinaï gegeven, geregeld en strekte daarenboven lot gedachtenis aan de verlossing uit de slavernij van Egypte; doch wijl sedert de Nieuwe Wet alle ceremoniale of plechtigheids wetten der Joden hebben opgehouden, daarom verplicht het vieren van den Sabbath thans niet meer.
(l) Ex. xx, 8.
— 148 —
In de Nieuwe Wet is voor ons Christenen de eerste dag der week, de Zondag bepaald, tot gedachtenis aan het door Jesus-Christus voltrokken werk der verlossing, die eene nieuwe, eene geestelijke schepping is. De Apostelen hebben, waarschijnlijk terstond na de nederdaling van den H. Geest, den Zondag gesteld in de plaats van den Sabbath.
De Heidenen, B. B., noemden den eersten dag der week ook Zondag — dag der zon —• omdat bij hen de eerste dag der week aan de zon die aan den hemel staat, en door hen als eene godheid geëerd werd, was toegewijd. In dien zin voorzeker noemen wij Christenen den • eersten dag der week niet Zondag, maar wijl Jesus-Christus de Zon der gerechtigheid, dien dag \'s morgens vroeg verrezen is en glorievol uit hel- graf is opgestaan.
Evenals den Zondag, zoo moeten wij ook zekere geboden feestdagen vieren, waarover later in de geboden der H. Kerk zal gesproken worden:
De .Catechismus vraagt;
Wat moeien wij doen om de Zon- en feestdagen te meren? En hij antwoordt:
Ophouden van alle werken die op zulke dagen verboden zijn, en ons begeven lol godsdienstigheid.
Wij moeten ons dus begeven lot godsdienstigheid, en de godsdienstoefening, waartoe wij ons vooral moeten begeven, bestaat in Mis te hooren. Vandaag zullen wij eens zien:
I. Wie verplicht is Mis te hooren;
11. Wanneer men van die verplichting vrij is.
I.
Wie is verplicht Mis te hooren? Alle geloovige Christenen die gekomen zijn tot de jaren van verstand, zijn op doodzonde verplicht op Zon - en geboden feestdagen Mis te hooren, tenzij zij om wettige redenen ontslagen zijn.
— 149 —
lil
Ik zég vooreerst: alle gdoovigc Christenen. Bijgevolg\' zijn de Heidenen en Joden, wijl zij geene Christenen zijn, door het gebod der H. Kerk niet verplicht.
Die gekomen zijn tot de jaren van verstand. Alzoo zijn de kinderen onder de zeven jaren in don regel niet vcrplichi Mis te hooren. Oin dezelfde reden zijn de krankzinnigen of andere personen die geen vorstand hebben, alhoewel boven de zeven jaren, vrij van deze vofpliohiing.
Wij zijn verplicht .Mis l:e hooren op dood zonde. Mis hooren is oeno zaak van aanbelang, en onze Moedor de II. Kerk hooft er oen streng gebod over uitgevaardigd, zij bevoelt liet streng. Bijgevolg moet men zoo onvorsohillig niet zijn of men Mis hoort, ja of neen; wij zijn or streng toe verplicht op straf van doodzonde, en dus ook op straf van voor eeuwig verloren te gaan.
Wij zijn verplicht Mis te hooren op Zon - en geboden feestdagen, dus niet op feestdagen van devotie, alhoewel zulks loffelijk en voordoelig is. De geboden feestdagen, waarop men evenals op Zondag verplicht is Mis to hooren, zijn hier to land vier in getal: Allerheiligen, Kersmis, de» llomelvaarl van Chrislus en de Hemelvaarl van Maria.
Doch welke Mis on op wolko plaats moet men zo hooren? Desaangaande, 15. I!., gebiedt do 11. Kerk niets; zij gebiedt Mis te hooren, dus do eerste of do laatste, oeno gelezen of gezongen Mis, Zij bepaalt ook do plaats niet, namelijk, of hot geschieden moet in zijne parochie of op oeno andere plaats, mits het geschiede in oeno publieke of openbare kerk of bidplaats. Nochtans, onze Moedor de H. Kerk verlangt en dringt er zelfs op aan dat eenieder in zijne parochiekerk Mis hoore, en niet zonder roden, \'t Is immers tiaar dat eens ieders Pastoor verblijft, dat deze het woord Gods verkondigt, do H. Mis voor zijne parochianen aan God opdraagt en andere zaken van wege de geestelijke overheid aankondigt.
I|
li
i|i |R|
\' Éf\'\'
, \'wK
quot;Wij zijn dus streng verplicht oj) Zon - en geboden feestdagen Mis te hooren. N\'crvolgens behooren wij ook op die dagen in de sermoonen, christelijke leeringen en andere kerkelijke diensten, zooals lol\', vespers, kruisweg, enz., tegenwoordig to zijn. Ik zeg; behooren. Kr bestaat dus een groot verschil tusschen Mis hooren en tegenwoordig zijn in de sermoonen, enz. Het eerste gebiedt onze Moeder de IT. Kerk, en wij moeten dat gebod volbrengen, zoo niet maken wij ons plichtig aan doodzonde; tot hot overige, wijl zij zoo zoor voor ons tijdelijk en eeuwig welzijn bezorgd is, wakkert zij ons aan en zij verlangt het, en het betaamt inderdaad dat wij aan do aanwakkering en het verlangen onzer Moedor do li. Kerk beantwoorden, namelijk, dat wij do overige godsdionst-oofeningon, vooral het sormoon en de christelijke leering bijwonen.
Hier nochtans moot ik u, B. i-S., voor cone dwaling waarschuwen.
Gij zoudt misschien kunnen denken: de H. Kerk gebiedt mij niet hot sermoon of do christelijke leering bij te wonen, bijgevolg ben ik er niet toe verplicht, en het staat mij vrij van het te doen of niet. \'t Is oono groote dwaling, die gemakkelijk te wederleggen is, en ziehier op welke wijze. Gij zijl niet verplicht krachtens het derde gebod de sermoonen of christelijke looringon bij te wonen, doch velen kunnen er om andere redenen too verplicht zijn, voor allen is het zoor heilzaam. Uwe kinderen, bijv., moeten hunne eerste H. Communie doen, daartoe moeten zij voorbereid worden; bijgevolg moeten zij de christelijke leering bijwonen, on do ouders zijn ook verplicht daarvoor to zorgen. Zijn er geone waarheden die alle menschen moeten weten uit noodzakelijkheid dos middels en des gebods? Hoe zult gij die aanloeron of onthouden, zoo gij geone christelijke leering of geen sormoon bijwoont? Wat zegt do Paus Bonedictus XIV? Velen, zegt hij, zullen om de onwetendheid verloren gaan.
Heeft eenieder geone plichten te vervullen jegens God, jegens zich zei ven on jegens zijnen naaste? Heeft eenieder geone plichten van staat? Do ouders zoo wol als de kinderen; de oversten zoo
Avcl als de onderdanon? Hoe zuil gij u van die plichten kwijten zoo gij ze niet kent, en zoo gij de middelen niet kent om er u yan te kwijten? Menieder moet do geboden van God en van de H. Kerk onderhouden. Wilt gij hel leven ingaan, zegt onze goddelijke Zaligmaker, d. i., wilt gij zalig worden, onderhond de geboden. Kn aan hoevele gevaren is men niet bloot gesteld? Hoevele vijanden zijn er niet onverpoosd op uit om ons te verderven? F.u nochtans, men moet heilig leven wil men eenmaal zalig sterven. Waar worden ons nu onze plichten geleerd, de middelen aangewezen om er ons trouw van te kunnen kwijlen? Waar worden ons de geboden uitgelegd? Waar wordt ons geleerd hoe wij de gevaren moeten vluchten, hoe wij de vijanden onzer zaligheid moeten bevechten om niet overwonnen te worden? In een woord, waar wordt ons geleerd wat wij moeten weten en doen om heilig te leven ten einde eenmaal in den hemel te komen? Wel, B. H., in de kerk; dal geschiedt op Zon - en feestdagen in de sermoenen en christelijke leeringen; bijgevolg zijn velen verplicht op die dagen de sermoenen en christelijke leeringen bij te wonen en voor allen is het heilzaam.
Onze Moeder de 11. Kerk gebiedt ons dus, en wel op doodzonde op Zon - en geboden feestdagen Mis te hooren; vervolgens zet zij ons aan zooveel mogelijk de sermoenen, christelijke leeringen en andere kerkelijke diensten bij te wonen, tenzij men om wettige redenen ontslagen zij.
Zien wij dus op de tweede plaats, wanneer men van de verplichting van Mis te hooren ontslagen is.
II.
Ik zal enkel de voornaamste redenen aanhalen. Men is van die verplichting ontslagen.
1° Wegens onmogelijkheid. Vandaar dat de zieken niet gehouden zijn Mis te hooren, noch de pas herstelden, en in den regel die personen niet, wier gezondheid door naar de kerk te gaan
— 152 —
of door in de kerk te verblijven merkelijk zoude lijden. In geval nu iemand zoude twijlelen of hij verplicht is, hij raadplege, bijv., den geneesheer, den pastoor of een ander voorzichtig en verstandig persoon;
2° Wegens afstand. De afstand van de kerk kan ook eene voldoende reden zijn om van de verplichting van Mis te hooren, al\'hans alle Zon - en geboden feestdagen, ontslagen te zijn; doch in dit punt moet men acht geven op persoon, ouderdom, plaats, jaargetijde, weder, enz. Vijl\' kwarlier uurs afstand is voor iedereen voldoende, doch een uur, drie kwartier, een half uur kan soms bij winterdag voor een oud man voldoende zijn;
J M eyens liefdeplieht. Hei gebod van liefde kan den mensch ook ontslaan van de verplichting van Mis te hooren. Vader of Moeder is ziek en moet opgepast worden: in zulk geval is eene dochter die alleen t\'huis zoude zijn, niet verplicht Mis te hooren; integendeel, zij is verplicht hare zieke ouders op te passen.
Kveneens is het gelegen met een soldaat die pp post moet staan, eene moeder die hare kleine kinderen niet alleen kan laten, een persoon die het een of ander werk niet kan verlaten zonder groote schade te lijden; in al die gevallen verplicht onze Moeder de H. Kerk ons niet van Mis te hooren.
In geval er meer dan eene Mis gedaan wordt en de personen zich kunnen afwisselen, dan moet zulks, gelijk gemakkelijk te begrijpen is, gebeuren. Doch ziehier, 15. H., wat soms plaats heell. De man moet naar de eerste Mis gaan, en de vrouw blijft t\'huis; ofwel, de vrouw gaat naar de eerste Mis, en de man blijf t\'huis. Nu blijft die vrouw met de een of andere kennis onderweg zoo lang staan praten, of zij heeft in den winkel zooveel te vertellen en ie hooren, dat de man de tweede Mis niet meer kan bijwonen. Ofwel tie man blijft hier en daar zoo lang in de herberg\' zitten, dat zijne vrouw geene Mis kan hooren. Die zaak, B, B., mag wel in aanmerking genomen worden, want de persoon, de vrouw ol de man ol welke ook, die zoo de schuld
is dat eon ander geene .Mis- kan hooren, zondigt groolelijks, en er moet gezorgd worden dat men op tijd t\'huis zij, o]idat eenieder in staal zij van liet gebod onzer Moeder de II. Kerk te volbrengen.
1° Wegens reizen. Om noodzakelijke reizen Ie zee of Ie land waar goene kerk of geen priester is, ofwel om reizen die volstrekt niet kunnen onderbroken worden zonder groote schade te lijden kan men ook ontslagen zijn van de verplichting van .Mis te liooren. Bijaldien men nu om wettige redenen niet naar de kerk kan gaan, is men dan op zonde verplicht gedurende den .Mistijd te bidden? Neen, B. B., maar gij verstaat gemakkelijk hoe prijzens - en aanbevelenswaardig het is dien tijd in het gebed of eene christelijke lezing, zoo het mogelijk is, door te brengen, en zich met den priester en de overige geloovigen die in de kerk zijn, te vereenigen.
SIjUITRKDE.
Ziedaar, B. B., wat onze Moeder de H. Kerk ons gebiedt op Zon - en geboden feestdagen te doen: namelijk, zij gebiedt, en wel op straf van doodzonde. Mis te hooren, tenzij men om wettige redenen ontslagen zij. Blijven wij toch nooit aan die verplichting te kort, niet alleen omdat onze Moeder de II. Kerk het streng gebiedt, maar ook om de voordeden die er uit het Mis hooren voor ons voortspruiten. Ik vraag u eens, B. B., zoo gij eene goudmijn hadt gevonden, zoudt gij niet gaarne eenige oogenblikken uwe gewone bezigheden ter zijde stellen, dikwijls naar die goudmijn toe gaan om u daar met kleine moeite te verrijken? Voorzeken\', gij zoudt het doen. Welnu; wat is locli al het goud der wereld in vergelijking van de oneindige schatten iler goddelijke genade opgesloten in de H. Mis, en waarmede wij ons zoo gemakkelijk kunnen verrijken? Hoe groot is dus de verblindheid van zoovele menschen, die tijd genoeg hebben om de H. Mis bij te wonen, en die de gunstigste gelegenheid om
ovorvloedigp verdiensten voor den hemel te vergaderen roekeloos laten voorbijgaan! Doch de verblindheid van hen die op Zon-en geboden feestdagen de H. Mis verwaarloozen, is nog grooter, wijl zij zich daarenboven aan groote zonde plichtig maken en zich aan het gevaar blootstellen van voor eeuwig verloren te gaan.
Trachten wij ook de sermoonen en christelijke leeringen bij te wonen zooveel als mogelijk is. Sommigen kunnen er toe verplicht zijn, voor allen is het heilzaam. Ook mag men het te recht als een slecht teeken beschouwen, zoo iemand, wie het ook zij, het aanhooren van Gods woord uit gewoonte of uit afkeer dikwijls verzuimt. Dergelijke personen mogen wel met ernst de woorden van Jesus overwegen: Qui ex Deo est, verba Da audit •. (i) Die uit God is, hoort Gods woorden: proptereci ros non auditis, quia ex Dm non cstis; daarom hoort gij niet, omdat gij uil God niet zijl. Dat deze laatste woorden toch nimmer op ons mogen toegepast worden; neen, B. 15., maar luisteren wij met aandachtigheid naar het woord Gods, hetzij op eene eenvoudige, hetzij op eene plechtige wijze verkondigd. Richten wij er vooral ons leven naar in, want niet zij die het woord Gods zullen gehoord hebben, zullen zalig worden, maar zij, die er naar geleefd hebben. Amen.
(1) JOAN. VIII, 47.
VIJFTIENDE ONDERRICHTING
DEI!DE GEBOD
HOE MOET MEN MIS HOOREN EN GODS WOORD AANHOOREN?
Qui vos avdü Me audit.
Dir u hoort hoort Mij. (Lüc. x, ie.)
INHOUD.
VOORREDE.
Alle geloovige Christenen zijn op doodzonde verplicht op Zon - en geboden feestdagen Mis te hooren. Sommigen zijn verplicht de sermoonen en christelijke leeringen bij te wonen, voor allen is het nuttig en heilzaam.
VERDEELING.
I. Hoe moet men Mis hooren?
11. Hoe moet men Gods woord aanhooren?
— 150 —
I.
Men moot eenc, geheele Mis bijwonen met hot inzicht van God to oeren on met aandaohtigheid. Eene gelioelo Mis van eon on donzellden priestoi*. Men bedrijft doodzonde of dagolijksche zonde door aiwezig to zijn, naarmate liet dool dor Mis belangrijk of niet belangrijk, van langen of korten duur is.
Wolko zijn de belangrijke dooien dor Mis? Do Consecratie en do Nutting. Men moet lichamolijk de H. Mis bijwonen, zich aansluiten liij do goloovigon die Mis liooron. Mon moet bet inzicht hebben van (lod to eoren on Mis hooron met aandachtigheid. Do aandachtigheid is tweoderloi, uitwendig en inwendig. Wal wordt er door verstaan!\' Wie is vrijwillig verstrooid? Waarop moet men aandachtig zijn^ Hoe moet men zich in de verstrooidheden gedragen!
II.
Men moet hot woord Gods aanhooren met belangstelling, mot aandacht luisteren naar hetgeen er gezegd wordt, wol overtuigd dat hot tot ons wolzijn gezegd wordt, op zicli zolvon het gezegde toepassen om er nut uit te trekken.
SLUITREDE.
Ziedaar hoe wij de 11. Mis moeten bijwonen. Doen wij ons bost om hot gebod onzer Moeder do II. Kerk, dat strong verplicht, stipt te volbrengen. Luisteren wij ook met aandachtighoid naar Gods woord om er tot ons tijdelijk en eeuwig welzijn nut uit te trokken.
VIJFTIEND2 ONDERRICHTING
DKIIDE OEBOD
HOE MOET MEN MIS HOOREN EN GODS WO O RD AAN H O O REN?
Qui vos audit Me audit.
Die u hoort hoort Mij. (Luc. x, ic.)
VOORREDE.
Alle geloovige Christenen, B. B., gekomen tot de jaren van verstand, zijn op doodzonde verplicht op Zon - en geboden feestdagen Mis te hooren, tenzij zij om wettige redenen van die verplichting onslagen zijn. Ik zeg op doodzonde: Mis hooren is eene zaak van aanbelang, en onze Moeder do II. Kerk gebiedt het streng. Daar zij voor het welzijn harer kinderen bezorgd is, zet zij ons ook dringend aan om op Zon - en feestdagen de sermoonen en christelijke leeringen bij te wonen. Velen zijn er toe verplicht, voor allen is het aanhooren van Gods woord nuttig en heilzaam.
Men kan om wettige redenen van de verplichting van Mis te hooren ontslagen zijn. Die redenen zijn, bijv., de onmogelijkheid, de verre afstand, de liefdeplicht, de noodzakelijkheid van te reizen, enz. Die waarheden hebben wij laatstleden overwogen. Vandaag zullen wij onderzoeken;
I. Hoe men Mis moet hooren;
II. Hoe men liet woord Gods moet aanhooren.
I.
Men moet Mis liooren met groote eerbiedigheid en aandachtigheid, in andere woorden, men moet bij eene geheele Mis tegenwoordig zijn met liet inzicht van God te eeren en met aandachtigheid.
Vooreerst moet men bij eene geheele Mis tegenwoordig zijn. \'t Is niet genoeg een deel van de Mis te hooren, maar wij zijn verplicht eene geheele Mis te hooren en geen merkelijk deel achter te laten. Door het woord Mis wordt verstaan, niet alleen de consecratie, het tijdstip waarop Christus zich aan God zijn hemelschen Vader opoffert, maar ook de gebeden en ceremoniën die de Consecratie voorafgaan of volgen.
Men moet tegenwoordig zijn bij eene geheele .Mis van een en denzelfden priester. Bijgevolg voldoet men niet door twee halve Missen te hooren yan twee priesters; bijv., eene helft van na de Consecratie tot het einde van eenen priester en de andere helft van het begin der Mis tot de Consecratie van een anderen priester; nochtans, volgens een waarschijnlijk gevoelen zoude men kunnen volstaan, zoo men de H. Mis van den eenen priester bijwoonde van toor de Consecratie tot het einde, vervolgens onmiddellijk daarna de H. Mis van een anderen priester van het \'begin tot aan do Consecratie, doch zonder wettige reden mag men zich zulks nooit veroorlooven en zoude men zich voor het minste aan dagelijksche zonde plichtig maken. Zeker, B. 15., zoude men aan de verplichting van eene geheele Mis te hooren niet voldoen, door tegelijkertijd twee halve Missen bij te wonen: bijv., twee Priesters zouden bezig zijn met Mis lezen, de eene zoude pas beginnen en de andere zoude reeds aan de Consecratie gekomen zijn, en zoo zoude men de twee doelen van twee priesters tegelijkertijd hooren.
Tegen het gebod van eene geheele Mis te hooren bedrijft men doodzonde of dagelijksche zonde, naarmate het deel der Mis dat
men vrijwillig verzuimt, belangrijk of van langen duur, of niet belangrijk of van korten duur is.
Doch welke zijn de belangrijke doelen der Mis? De belangrijke deelen dor Mis zijn do Consecratie en de Nutting.
Ziellier nu aan welke zonde men zich plichtig maakt door vrijwillig van die deelen afwezig te zijn;
1° Men maakt zich plichtig aan doodzonde door afwezig te zijn van de Consecratie en de Nutting te zamon;
2° Door afwezig te zijn van de Consecratie alleen;
3° Men maakt zich waarschijnlijk aan doodzonde plichtig door afwezig te zijn van de Nutting alleen.
Wat nu het een of ander deel der Mis betreft, dat min of meer lang duurt:
1° Men bedrijft dagolijksehe zonde als men een weinig te laat komt, bijv., men komt onmiddellijk voor den Kpistol of voor liet Evangelie; ook als men te vroeg uitgaat, bijv., na de Nutting.
2° Men bedrijft doodzonde als men vrijwillig veel te laat komt, bijv,, na de offerande. Sommige godgeleerden zijn van gevoelen dat men ook doodelijk zoude zondigen, zoo men na \'t Evangelie kwam, doch anderen spreken dit gevoelen tegen, zoodat dit laatste niet mei zekerheid kan bepaald worden.
Om dus volstrekt niet te zondigen moet men zorgen dat men eene geheele Mis bijwone, dat men van het begin tot het einde in de Mis tegenwoordig zij.
Doch hoe moet men in de II. Mis tegenwoordig zijn? Men moot er in tegenwoordig zijn lichamelijk on met godsvrucht.
Vooreerst, lichamelijk. Nochtans, om Mis te hooren is hot niet noodig dat men den priester hoore of zie; neen, ü. B., mits men naar waarheid zeggen kan, dat men tot diegenen behoort, die de Mis bijwonen; alzoo zoude men soms door buiten de kerk te blijven kunnen voldoen. De toeloop van volk, bijv., is tijdens eene bedevaart zoo groot dat alle goloovigen de kerk
— 1G0 —
niet kunnen ingaan; in zulk geval voldoet men, bijaldien men zich buiten de kerk bij de overigen aansluit en zich overigens goed gedraagt. Doch veronderstelt dat iemand buiten de kerk blijft zonder noodzakelijkheid of andere wettige reden, van de overigen die Mis hooren, gescheiden: iemand, bijv., zoude in den zomer buiten blijven, omdat het hem wat warm is of om eene andere nietige reden; al staat hij nu juist buiten niet te praten en te lachen, hetgeen doorgaans het geval is, en in welk geval men nooit Mis hoort noch binnen, noch buiten de kerk; al zoude zulks het geval ook niet zijn, hij voldoet toch niet aan het gebod der 11. Kerk. Waarom niét? Omdat men van dien persoon niet zoggen kan dat hij bij de H. Mis tegenwoordig is, dat hij ze bijwoont, of doiol maakt van de geloovigen die ze bijwonen, (i)
Die zaak mag door zekere personen, die zonder de minste reden onder de Mis buiten blijven, in acht genomen worden. Doch hoe blijven zij buiten en wat doen zij ? Zij liggen doorgaans op den grond in eene houding die alles behalve fatsoenlijk is; zij lachen, praten en houden zich bezig met alles uitgenomen met Mis hooren. Dergelijke personen hooren geen Mis; zij zijn de schuld dat anderen geen Mis hooren, en bijgevolg maken zij zich aan groote zonde plichtig.
Die zaak, ik herhaal het, verdient wel door zekere personen in acht genomen te worden. Men moet dus lichamelijk tegenwoordig zijn. Doch de lichamelijke tegenwoordigheid alleen is niet genoeg, anders zoude iemand die van het begin der Mis tot het einde sliep, ook voldoen aan het gebod der H. Kerk van Mis te hooren; er wordt dus ook nog vereischt eene godvruchtige tegenwoordigheid, men moet met godsvrucht Mis hooren. Te dien einde moet men vooreerst het inzicht hebben van door het bijwonen der H. Mis God te eeren. Iemand, bijv., zoude naar de Mis gaan, uitsluitend met het inzicht om eenen vriend te zien, of om de muziek te hooren; die persoon zoude grootelijks
(i) Opinio J. Daris: De audilione Missfc. Vol, JU, pag. 385,
I
— 161 —
■misdoen tegen hot gebod der II. Kerk. Ik zeg uitsluitend niet dergelijk inzicht, want veronderstelt dat iemand naar de kerk gaat om Mis te hooren, om God te eeren, hetgeen nafuurlijk verondersteld wordt, als men o]i Zon - en feestdagen naar de kerk gaat; doch hij zoude tevens voornemens zijn bij die gelegenheid zijn vriend te zien of de muziek te hooren, dan voldoet liij toch aan het gebod der II. Kerk, zoo hij met aandachtigheid Mis hoort, want die twee zaken kunnen zeer goed samengaan. Ik zeg met aandachtigheid, want om met godsvrucht Mis te hooren moet men aandachtig zijn.
De aandachügheid, B. 1!., is tweederlei, uitwendig en inwendig.
De uitwendige aandachtigheid bestaal hierin, dat men zich geschikt gedrage, dat men uitwendig niets doe dat een beletsel is van inwendig aandachtig te zijn.
Die uitwendige aandachtigheid is volstrekt noodzakelijk om «Mis te hooren. Hijgevolg zondigen zij en zelfs grootelijks, die gernimen tijd praten, lachen, rondzien om te weten hoe deze of gene gekleed is ; die iets lezen dat volstrekt geen betrekking heeft op (lodsvereering zooals, bijv., nieuwsbladen of romans. Ik zeg, die volstrekt geen betrekking hebben op (lodsvereering. Hijgevolg voldoen aan hel gebod der II. Kerk de organisten, kosters en aalmoezeninzamelaars, mits zij eenigszins op de II. .Mis aciitgeven, want door die werken en bezigheden wordt God tevens vereerd.
Kan men ook volstaan met eene .Mis waarin men te biechten gaat? Men mag zich onder de Mis voorbereiden tot de biecht, zijn geweten onderzoeken, de akten van geloof, enz. verwekken, doch zoo men biecht en de biecht van langen duur is en onder de voornaamste deelen, schijnt men niet te kunnen volstaan met de Mis, waaronder men te biechten gaat. (l) Eenieder moet dus weten hoe. hij zich in die zaak te gedragen heeft, want ik? biechtvader is niet verplicht te vragen of men onder eene Mis van verplichting te biechten gaat of niet; dat moet eenieder voor zich weten.
(1) Sententin communior. .1. Daris vol. III, De Audilione Minn* Tag. 303.
Gulooks-kn Zbdbni.bkr. 3de Deel. 11,
%
— 1G2 —
De inwendige aandachtigheid bestaat hierin dat men niet vrijwillig verstrooid zij. Onvrijwillig verstrooid zijn, B. B., belet volstrekt niet van Mis te hoeren, anders zoude wellicht niemand of althans weinig personen aan het gebod der H. Kerk voldoen. Ik spreek dus van vrijwillige verstrooidheden.
Doch wat is eene vrijwillige verstrooidheid in betrekking met het Mis hooren waarover hier spraak is? Ziehier wat eene vrijwillige, wat eene onvrijwillige verstrooidheid is. Iemand, bijv., houdt zich tijdens de H. Mis bezig mei huiselijke zaken, en hij weet zeer goed dat hij daarmede bezig is; tevens denkt hij aan de Mis en aan de verplichting van die met aandachtigheid te hooren, en niettemin gaat hij voort met vrijwillig aan zijne huiselijke zaken te denken, die persoon is vrijwillig verstrooid. Een ander is tijdens de H. Mis met zijne gedachten verward; hij weet niet eens waaraan iiij denkt, ofwel hij denkt vrijwillig aan zijne tijdelijke zaken, doch hij heeft er geen erg in dat het, tijdens de H. Mis is, die persoon, B. B., is onvrijwillig verstrooid. De onvrijwillige verstrooidheden beletten niet van Mis te hooren. Doch wat nu gezegd van een persoon, die langen tijd vrijwillig verstrooid is, voldoet die persoon aan het gebod onzer Moeder de H. Kerk, ten minste in zoo ver, dat hij op doodzonde niet meer verplicht is eene andere Mis te hooren? Die vraag, B. B., wil of liever kan ik niet met zekerheid beantwoorden en beslissen. Het waarschijnlijkste gevoelen en door de meeste godgeleerden gevolgd is, dat die persoon niet voldoet!; nochtans, de Heilige Alphonsus houdt het tegenovergesteld gevoelen, namelijk, dat hij wel voldoet, ook voor waarschijnlijk. Wat zal men nu uit het voorgaande kunnen besluiten? Men zal daaruit kunnen besluiten, B. B., dat ieder christen mensch, die wezenlijk voor zijne zaligheid bezorgd is, niet alleen met uitwendige aandachtigheid Mis zal hooren, maar dat hij er zich met allen ernst op zal toeleggen om het ook met inwendige aandachtigheid te doen.
— 1G3 —
In de veronderstelling dat do inwendige aandachtigheid vereischt wordt om niet doodelijk te zondigen, waarop moet men dan tijdens de H. Mis aandachtig zijn? Men kan aandachtig zijn op de woorden en handelingen des priesters aan liet altaar, op hetgeen de woorden en handelingen des priesters beteekenen. Men kan zich vereenigen met Jesus-Christus, die zich zelvon aan God zijn hemelschen Vader opoffert om Hem te aanbidden, te voldoen voor onze zonden, om Hem te bedanken voor de ontvangen weldaden en om nieuwe weldaden van Hom te bekomen. Bijgevolg, men behoeft niet onafgebroken te bidden of in zijn kerkboek to lezen om good Mis te hooron; volstrekt niet, doch men kan, bijv., al eens denken aan de goedheid van God, die zioh gowaardigt tijdens de H. Mis onder ons te konion, of die na do Consecratie zich roods onder ons bevindt. Hel, beste middel om Mis te hooren voor eenvoudige menschen is hot rozenhoedje te bidden tijdens de H. Mis, en voor hen die kunnen lezen, in een kerkboek de geboden te lezen onder do Mis. Zoude men nu gewaar worden dat men verstrooid is, dan moet men mot bedaardheid tot de 11. Mis terug komen, door, bijv., te donken wat de priester doet, dat Josiis-Christus op liet altaar tegenwoordig is; door opnieuw met aandacht zoo goed mogelijk te bidden of te lozen. Men mag zich ook wel voor God vernederen, denkende dat men zoo zwak is on niet eens, gelijk liet behoort, met aandachtigheid in de U. Mis tegenwoordig is.
11.
Op de tweede plaats heb ik de vraag gestold, hoe wij liet woord Gods moeten aanhooron. Wij moeten het woord Gods aanhooren, B. B,, met belangstelling. Bijgevolg moeten wij goed toeluisteren naar hetgeen er gezegd wordt, niet zoo zeer acht geven wie het zegt, of hoe het gezegd wordt, maar wat er gezegd wordt; vervolgens moeten wij wel overtuigd zijn, dat
de waarheden ons verkondigd worden tot ons eigen welzijn, en eindelijk moeten wij ze op ons zeiven toepassen.
Men treft personen aan die met aandacht toeluisteren en de zaken ook wezenlijk goed verstaan, maar die missen in de toepassing; die bijv., denken en soms, wat erger is, hard op denken, d. L, anderen zeggen: Dat was goed voor.... dat paste....
dat was raak voor____ Het kan soms gebeuren dat de predikant
het een of ander misbruik aanrandt, waaraan men niet plichtig is, en dat men het zich bijgevolg niet behoeft, noch kan toepassen; doch in \'t algemeen gesproken, men moet niet alles van zich afschudden en op een ander werpen; men moet voor zich zeiven toeluisteren cn het gezegde op zich zeiven toepassen, dan zal men ook wezenlijk voordeel trekken uit hei aanhooren van Gods woord.
SI.UITRKDK,
Ziedaar, li. H., het gebod van Mis te hoorcn genoegzaam verklaard. Wij moeten eene geheelc Mis van een en dcnzelfdcn priester bijwonen met het inzicht van God te eeren en met in-en uitwendige aandachtigheid. Beijveren wij ons als ware Christenen, die de glorie van God en de zaligheid hunner zielen behartigen, het gebod van Mis te iiooren stipt te onderhouden.
Om de liefde van Jesus-Christus, die zoo dikwijls op onze altaren in ons midden nederdaalt, om de dierbaarste belangen uwer \'/Ad en zaligheid bid en smeek ik u, wacht u wel liet gebod onzer Moeder de H. Kerk te misachten of te overtreden, wacht u wel van praten, lachen of andere oneerbiedigheid in de kerk tijdens de H. Mis. Luistert, B. B., wat de IT. J. Chrysostomus over het Mis hooren zegt: Weet gij niet, zegt hij, dat gij te midden van fingelen verblijft, dat gij met Engelen lofgezangen zingt, en gij staat daar en lacht: zoude het te verwonderen zijn zoo een on weder losbarstte en de bliksem insloeg? De Koning is
hier tegenwoordig, Hij neemt zijne legerschaar in oogenschouw, en gij staat daar en lacht.
Joannes de Aalmoezenier dulde niet dat iemand in tie kerk praatte. Hem, die het deed, woes hij in aller tegenwoordigheid de kerkdeur, terwijl hij zeide: Zijt gij hier gekomen om te bidden, wend dan geest en mond tot het gebed; zijt gij echter gekomen om te praten, weet dan dat er geschreven staat: Het huis Gods moet een huis des gebeds zijn.
En gij, B. 13., die er behagen in schept dikwijls het li. Sacrificie der Mis bij te wonen, doet al meer en meer uw best om met de Engelen, die hunnen Koning op het altaar omringen, om Jesus-Christus uwen Heer en God te eeren en te aanbidden. Bidi ook voor de ongelukkige Christenen, die, in plaats van Jesus-Christus in zijn Sacrament van liefde te eeren en te aanbidden, Hem door hunne oneerbiedigheid onteeren en vergrammen, opdat zij eenmaal hunne oogen openen en tot inkeer komen.
Wij hebben ook gezien boe wij Gods woord moeten aaniiooren, namelijk, met belangstelling. Handelen wij reeds zoo met deze onderrichting; ja, passen wij ze op ons toe; ik op mij, om altijd de ontzagwekkende geheimen der H. Mis met eerbiedig - en aandachtigheid hij te wonen of te verrichten; gij, godvruchtige Christenen, die ei\' prijs op stelt van dikwijls bij het onbloedig Sacrificie der Mis met eerbied tegenwoordig te zijn, op u, om toe te nemen in uwe goede gesteltenis; en gij, ongodsdienstige Christenen, op u, om uwe oogen te openen, om u te bekeeren, om uwe zonden van oneerbiedig - en ongodsdienstigheid te beweenon, om er boetvaardigheid over te doen en u in \'t vervolg eerbiedig en godsdienstig in de kerk, vooral tijdens de H. Mis, te gedragen: alsdan zal deze onderrichting wezenlijk strekken tot glorie van God en tot ons aller welzijn. Amen.
ZESTIENDE ONDERRICHTING
DEHDE GEBOD
OVER DE SLAAFSCHE WERKEN
Non facies in co quidquani operis.
Gij zult op dien dag niet werken.
(Deute. v, u.)
INHOUD.
VOORREDE.
Op Zon - en geboden feestdagen is men streng verplicht Mis te hooren. Men behoort ook in de sermoonen, christelijke leeringen en andere kerkelijke diensten tegenwoordig te zijn. Op Zon-en geboden feestdagen zijn ook zekere werken verboden.
VERDEEUNG.
I. Welke werken zijn op die dagen verboden?
II. Wanneer mag men ze verrichten?
— 107 —
I.
Op Zon - en geboden feestdagen zijn verboden slaafsche werken en ambachten, koopmanschappen, gedingen op processen. De werken zijn tweederlei: slaafsche, door de slaven verricht; vrije, door de vrijgeborenen verricht, liet inzicht verandert de natuur van het werk niet. Merkelijk meer dan twee uren lang zonder reden slaafschen arbeid verrichten is doodzonde.
Op Zon - en geboden feestdagen zijn verboden openbare verkoopingen.
Hoe moeten de winkeliers en herbergiers zich op Zon - en geboden feestdagen gedragen?
Eindelijk zijn verboden gedingen of processen.
II.
Om welke redenen mag men op Zon - en geboden feestdagen slaafschen arbeid verrichten?
1° Als men dispensatie bekomen heeft;
2° Als het algemeen gebruik het toelaat;
3° Als de eer van God het vordert;
4° Als het welzijn van den naaste het vordert;
5° Om dringende noodzakelijkheid.
SLUITREDE.
Zorgen wij van ons op Zon-en geboden feestdagen te onthouden van werken, welke op die dagen verboden zijn. De goede God zal ons daarvoor beloonen reeds in dit leven en vooral hiernamaals.
— 1()8 —
ZESTIENDE ONDERRICHTING
DEKDE GEBO])
OVER DE SLAAFSCHE WERKEN
Non facies in eo quidquam operis.
Gij zult op dieu dag\' niet werken.
(Dedtp. v, ii.)
VOORKBDE.
Het derde gebod, B, Ji., gebiedt en verbiedt: het gebiedt, gelijk wij reeds gezien hebben, van ons tc begeven lol cjods-! Hens lig heid, en onze Moeder de H. Kerk bepaalt den tijd en de wijze, waarop wij daaraan kunnen voldoen, als zij ons gebiedt op Zon-en geboden feestdagen Mis te hooreii. op die dagen behooren wij ook in sermoonen, christelijke leeringen en andere kerkelijke diensten tegenwoordig te zijn.
W ij moeten op Zon - en geboden feestdagen ook ophouden tun cdle werhoi, die, op zulke dagen verboden zijn. Daarom heb ik gezegd, dat het derde gebod ook verbiedt. En inderdaad, er zijn werken die op /on-en geboden feestdagen verboden zijn, en l is over die werken dat wij vandaag in quot;t kort gaan spreken.
I. Welke werken zijn op Zon-en geboden feestdagen verboden?
11. Wanneer mag men ze verrichten?
I.
Welke werken zijn verboden op Zon - en feestdagen? Drie soorten van werken, namelijk; slaafsche werken en ambachten, koopmanschappen, gedingen of processen.
— 169 —
Zijn verboden, vooreerst slaafsclie werken en ambachten. Men onderscheidt twee soorten van werken, slaatsche en vrije werken. De eerste worden slaafsclie werken genoemd, omdat zij eertijds door de slaven verricht werden.
De tweede worden vrije werken genoemd, wijl zij door de vrijgeborenen verricht werden. In de slaafsclie werken wordt vooral het lichaam, daar integendeel in de vrije werken vooral de geest wordt ingespannen. Ziehier eenige slaafsclie werken:
1° De werken die in den tuin of op den akker geschieden, als ploegen, spitten, zaaien, maaien, enz.;
2° Alle stielen en ambachten, als timmeren, metselen, smeden, kleermaken, enz.;
Tot de vrije werken, tegenover de slaafsclie, behooren: lezen, schrijven, les geven, studeeren, enz.
Het doel of inzicht waarmede men een werk verricht, brengt geene verandering in de natuur van het werk; een slaafsch werk blijft altijd slaafsch; een vrij werk blijft altijd vrij met welk inzicht het ook geschiede. Ken timmerman, bijv., zoude \'s Zondags werken en zich willen verschoonen, zeggende: ik werk niet om geld te verdienen, maar om mij wat te verzetten; \'t komt er niet op aan. B. B.; dat inzicht verandert de natuur van timmeren niet, timmeren is en blijft altoos een slaafsch werk en dus op Zondag verboden. Een ander zoude op Zondag geruimen tijd schrijven of les geven en vraagt daarvoor eene som geld. Mag hij dat doen? Zeker, B. B.; schrijven of les geven is een vrij werk, het inzicht van daardoor geld te verdienen verandert de natuur van schrijven niet, schrijven is en blijft een vrij werk en dus op Zondag geoorloofd.
Niemand mag op Zon - en geboden feestdagen zonder wettige reden slaafsclie werken verrichten. De ouders en meesters mogen hunne kinderen of dienstboden ook niet gebieden op die dagen te werken, anders maken zij zicli aan vreemde zonde plichtig. God immers zegt uitdrukkelijk: Op dien dag zult noch gij, noch
uw knecht, noch uwe dienstmeid iets verrichten, opdat uw knecht en uwe dienstmeid rusten evenals gij.
Doch nu komt de vraag: Ts het altijd doodzonde op Zon - en geboden feestdagen te werken? \'t Is moeielijk, B. B., juist te bepalen, hoelang men mag werken alvorens zich aan doodzonde plichtig te maken.
Er zijn godgeleerden die beweren, dat een uur zonder reden slaafschen arbeid verrichten doodzonde is; doch ziehier een meer waarschijnlijk gevoelen van meer godgeleerden: merkelijk meer dan twee uren — dus twee en een half uur — wezenlijk slaafschen arbeid verrichten zonder eenige reden is doodzonde. Bijaldien men dus een kwartier, twintig minuten werkte, zoude men dagelijksche zonde bedrijven, die ook moet vermeden worden, zoodat men op Zon - of geboden feestdagen zonder reden volstrekt geen slaafschen arbeid mag verrichten.
Zijn verboden, ten tweede de koopmanschappen. Daardoor, B. B., worden verstaan openbare verkoopingen, die door een notaris met uitroeper en toeloop van volk gehouden worden. Alzoo is het niet verboden onder private personen iets te koopen of te verkoopen, bijv., eene koe of een paard, alhoewel zulks af te raden is.
Wat nu gezegd van de winkeliers? Ziehier, B. B., in weinige woorden het voornaamste over die zaak. De winkeliers mogen verkoopen, zelfs aan de inwoners der plaats, hetgeen voor liet dagelijksch gebruik noodig is, als koflij, thee, brood en dergelijke. Zij mogen ook andere zaken verkoopen zooals kleederen, ten minste aan buitenlieden die op de andere dagen der week niet goed kunnen komen om het noodige te koopen. Doch ziellier eene aanmerking: de winkeliers zouden op de Zon - en geboden feestdagen hunne winkelwaren niet moeten ten toon stellen gelijk op de andere dagen; zij zouden dus op de een of andere wijze moeten tonnen het verschil dat er bestaat tusschen de Zon - en geboden feestdagen en de werkdagen, bijv., door
Imiine koopwaren voor het raam weg te nemen, ofwel door het raam eenigszins te sluiten, (l) Ook is het een misbruik aan de inwoners der plaats gedurende de geboden godsdienstoefeningen in winkels of herbergen sinjs of drank te verkoopen, iets waarvoor zekere herbergiers vooral zich beter moesten wachten.
Zijn verboden, ter derde de gedingen of processen. Daardoor worden de gerechtszaken verstaan, zooals de opening van een proces, het oproepen der partijen, het verhoor der getuigen, het pleiten der advokaten, de uitspraak en de uitvoering van het vonnis; doch die zaak, B. B., gaat ons minder aan: wij willen dus liever in ons tweede deel zien, wanneer het geoorloofd is op Zon - en geboden feestdagen slaafschen arbeid te verrichten.
II.
Men mag slaafschen arbeid verrichten;
1° Als men dispensatie bekomen heeft. Om wettige redenen kan dispenseeren de Paus van Rome voor gansch de christenwereld, de Bisschop voor zijn bisdom en de Pastoor voor zijne parochie. De biechtvader heeft geen recht van in die wetten te dispenseeren: nochtans, hij kan verklaren of in \'t een of ander geval de wet nog verplicht of niet.
Bijaldien het zeker is dat er voldoende reden bestaat van te werken, dan behoeft men eigenlijk geene dispensatie te vragen; doch zoo er twijfel bestaat of de reden voldoende is moet men bij de geestelijke overheid dispensatie vragen, of moet zij door haar gegeven worden, hetgeen somtijds plaats heeft tijdens den oogst of den hooitijd. In denQregel dus moet men niet werken op Zon-of geboden feestdagen, alvorens dispensatie van zijnen Pastoor bekomen te hebben.
Cl) J. Daris vol. m, Pag. 407.
— 172 —
De tweede reden waarom men slaafschen arbeid mag verrichten is het algemeen gebruik. Daardoor wordt geoorloofd spijzen bereiden voor menschen en dieren, huiselijke bezigheden verrichten, zooals, schoonmaken, slaapkamers in gereedheid brengen, eetgereedschappen of keukengerief wasschen: om dezelfde reden mag men om naar de een of andere plaats te rijden zijn paard ol rijtuig gereed maken, enz.
De derde reden waarom men slaafschen arbeid mag verrichten is de eer van God. Evenals de Priesters in de Oude Wet de ofl\'erdieren mochten slachten, op het altaar leggen en verbranden zonder daardoor de wet van den Sabbath te overtreden, zoo ook mag men ter eere Gods en van zijne Heiligen op Zon - en geboden feestdagen klokken luiden, kerken en altaren versieren, enz.
De vierde reden waarom men slaafschen arbeid mag verrichten is het welzijn van den naaste. Jesus vroeg zekeren dag de Phariseën: Wie uwer, die een schaap heeft, zal dat schaap, zoo het op den Sabbath in eene sloot valt, niet aangrijpen en er uittrekken? Maar de mensch is toch veel meer waard dan een schaap, \'t is dus geoorloofd op den Sabbath wel te doen. Volgens de uitdrukkelijke leering van onzen goddelijken Zaligmaker is het dus bij ons Christenen geoorloofd op Zondag tot welzijn van den naaste slaafschen arbeid te verrichten, bijv., zieken te verplegen, enz.
Eindelijk is liet nog geoorloofd slaafschen arbeid te verrichten, wanneer de noodzakelijkheid het vordert. Een landbouwer, bijv., mag werken in de vruchten des velds, zoo hij anders door slecht weder merkelijke schade zoude lijden; een molenaar, zoo hij gedurende de week uit gebrek aan water of wind niet hoeft kunnen malen en er behoefte aan levensmiddelen ontstaat.
Om dezelfde reden mag men in steen - en pannenbakkerijen de bezigheden die begonnen zijn, voortzetten, ingeval zij zonder schade niet kunnen onderbroken worden. Men mag werken om
brand te blusschen, of om tijdens overstroomingen andere ongelukken en rampen te voorkomen. Men mag zijne kleederen maken op Zondag die men voor zich zeiven of voor zijne kinderen noodig heeft en die men op werkdagen niet kon of zoude vergeten hebben te herstellen; in al die gevallen overtreedt men het gebod der II. Kerk niet, omdat zij als eene goede Moeder met hare kinderen omgaat en het onmogelijke, of hetgeen zeer lastig is niet vordert. Zij verbiedt in die gevallen den slaafschen arbeid niet, en bijgevolg kan men ook niet tegen haar gebod zondigen.
SLUITREDE.
Ziedaar, B. B., in \'t kort maar toch genoeg verklaard welke werken op Zon - en geboden feestdagen verboden zijn, namelijk, slaafsche werken en ambachten, koopmanschappen, gedingen of processen.
Wij hebben ook gezien wanneer men zonder te zondigen op Zon - en geboden feestdagen mag werken, namelijk, als men dispensatie bekomen heeft, als het algemeen gebruik zekere werken toelaat, als de eer van God of het welzijn van den naaste het vordert, en eindelijk als de noodzakelijkheid zich opdoet.
Onderhouden wij het derde gebod getrouw; vieren wij de Zon - en geboden feestdagen naar behooren door zondef wettige reden op die dagen nooit te werken, door God en zijne Heiligen naar waarheid te eeren en te bidden, door op die dagen uit te rusten van de vermoeienissen der overige dagen der week: o[gt; die wijze zal men zich voor den toekomenden arbeid bekwaam maken, de goede God zal onze ondernemingen zegenen, reeds in dit leven zal Hij ons beloonen door tijdelijken voorspoed, in zoo ver het strekken kan tot ons waar en eeuwig welzijn; doch Hij zal ons zeker voor het goed onderhouden en vieren zijner Zon-en feestdagen beloonen hiernamaals in \'t rijk der hemelen. Amen.
ZEVENTIENDE ONDERRICHTING
DBRDK GEBOD
OVER HET ONTHEILIGEN DER ZON - EN FEESTDAGEN
Odi et projeci fostivitatcs nestras.
Ik haat 011 ik versmaad uwe feesten.
(Amos. v, 21.)
INHOUD.
VOORREDE.
Wij moeten de Zon-en feestdagen heiligen door de H. Mis bij te wonen en door ons te onthouden van siaafsche werken. Wij moeten op die dagen ook uitrusten om de overige dagen der week te kunnen arbeiden. Niet alleen door siaafsche werken, maar ook door zondige werken worden de Zon - en feestdagen ontheiligd.
VERDEELING.
I. Door welke zonden worden zij ontheiligd?
II. Wat moet ons aanzetten tot het heiligen der Zon - en feestdagen?
I.
\'t Gebeurt dikwijls, dat de rnenscli op de dagen God ea zijne Heiligen toegewijd, zich aan de grootste zonden plichtig maakt: aan de zonde van dronkenschap, waaruit doorgaans volgen twist en tweedracht, vloeken en vechtpartijen; aan de -zonde van onkuischheid, bedreven door de jeugd ter gelegenheid der slechte bezoeken en ontijdige verkeeringen; aan de zonde van plichtverzuim, bedreven door ouders en oversten. De Zondagen zijn voor velen veranderd in zondigdagen, de feestdagen in b....dagen. Dikwijls wil men zich nog verontschuldigen, ja zelfs rechtvaardigen en men zegt: als men de gansche week gewerkt heeft mag men zicli op de Zon - en feestdagen ook wel wat verzetten of vermaken. Voorzeker, men mag zich verzetten of vermaken, maar op eene christelijke en zedige wijze.
II.
Tot het heiligen der Zon - en feestdagen moet ons aanzetten:
1° De gedachte dat het groote dwaasheid is van niet één dag der week aan de zorg zijner ziel te besteden;
2° Dat het vieren der Zon - en feestdagen eene openbare belijdenis is van ons geloof;
3° De tijdelijke en eeuwige straffen die den ontheiliger der Zon - en feestdagen wachten.
SLUITREDE.
Voorbeelden van personen die om de ontheiliging der Zon-en feestdagen door God gestraft zijn. De Israëliet, de Vrouw en de molenaar.
— 176 — ZEVENTIENDE ONDERRICHTING
DERDE GEBOD
OVER HET ONTHEILIGEN DER ZON - EN FEESTDAGEN
Odi et projcci festivitates vostras.
Ik haat en ik versmaad uwe feesten.
(Amos. v, 21.)
VOORREDE.
Wij moeten, B. B., de Zon - en feestdagen heiligen en vieren tot glorie van God en tot zaligheid onzer zielen. Daarom moeten wij bij zekere godsdienstoefeningen en vooral bij de H. Mis tegenwoordig zijn. Wij moeten ons ook onthouden van slaafsche werken. Blijven wij aan dien tweevoudigen plicht to kort, in plaats van die dagen te heiligen, ontheiligen wij zo; in plaats van ze tot glorie van God en tot zaligheid onzer zielen te vieren, brengen wij ze door in de onteering van God en tot ons tijdelijk en eeuwig ongeluk.
De Zon-en feestdagen zijn ook rustdagen. Wij moeten op die dagen onze lichamen die op de overige dagen der week door zwaren arbeid afgemat en uitgeput zijn, laten uitrusten om zo nieuwe krachten te doen bekomen.
Niet alleen door het verwaarloozen der H. Mis en door slaafsche werken, maar ook door andere werken worden de Zon-en feestdagen ontheiligd. De Catechismus vraagt:
Wie zondigen tegen het derde gebod? En hij antwoordt:
Die zonder nood op de Zondagen of feestdagen slafelijke werken doen, die geene geheele Mis hoor en, of zulke dagen niet godvruchtig overbrengen.
Door welke werken worden dus de Zon - en feestdagen nog ontheiligd? Door zondige werken, B. V,., en des te schandelijker, wijl deze reeds in zicli beschouwd, beleedigingen van God zijn, daar de slaafsche werken in zich beschouwd, geene beleediging van God bevatten. Doch zien wij verder:
1, Door welke zonden de Zon-en feestdagen vooral ontheiligd worden;
11. Wat ons moet aanzetten om de Zon-en feestdagen goed (e vieren.
I.
\'t Is gewis te betreuren, B. B., dat juist op de Zon-en feestdagen de mees to en de grootste zonden bedreven worden, quot;t Is gewis te betreuren dat juist van de dagen, God en zijne Heiligen toegewijd, feestdagen van den duivel en zijne engelen gemaakt worden. Immers, velen maken zich op die dagen aan de schandelijkste zonden plichtig, velen bedrijven op die dagen zonden, die den (quot;bristen niet eens bekend moesten wezen: ja, velen strekt het vieren van de Zon-en feestdagen tot last, en voor sommigen heeft het schier géene heteekenis meer. Men verlangt wel is waar naar een Zon - en feestdag, doch niet om God of zijne Heiligen te eeren, niet om voor zijne ziel en zaligheid te zorgen, maar men verlangt er naar, om zich op die dagen te vermaken, om zekere slechte personen te bezoeken, om zekere gevaarvolle partijen bij te wonen, om zijne driften bot te vieren, feitelijk, om te kunnen zondigen.
Welke zijn de voornaamste zonden waaraan men zich op de Zon - en feestdagen plichtig maakt?
Zonden van dronkenschap en twist, zonden van onkuischheid en ergernis, eindelijk, zonden van nalatigheid in \'t volbrengen zijner plichten.
Gixooi\'s - en Zedhxlehr. Duel. I?,
En inderdaad, B. B., op welke dagen ziet men vooral de dronkaards? Op de Zon - en feestdagen, \'t Is op die dagen vooral dat een vader, een ambachtsman, het weinige geld dat hij in de week zoo zuur verdiend heeft, en dat hij zoo groot noodig heeft om zijn huisgezin te onderhouden, in dronkenschap verkwist. Of zijne vrouw en kinderen honger en gebrek lijden; of zij het noodzakelijke missen om zich, bijv., in den winter tegen de koude te dekken, daarover bekommert hij zich niet, alles gaat in den put der dronkenschap.
\'t Is ook doorgaans op die dagen dat een zoon of dienstknecht zich aan dronkenschap plichtig maakt. Die personen wel is waar zijn nog niet tot staat gekomen, doch zij zouden, voorwaar! beter doen van zich daartoe goed voor te bereiden; die zoon, door zoo veel opspraak niet te maken, dat hij hier of daar in eene kroeg gelegen, het geld zijner ouders verkwist heeft; die dienstknecht, door van zijne huur wat terug te houden voor de toekomst, om terstond na tot staat te zijn gekomen niet naar het armbureel behoeven te gaan. Welk eene dwaasheid! Welk eene schande! Welk eene ondankbaarheid van op de Zon - en feestdagen zijn geld op de overige dagen zoo zuur verdiend te verkwisten, zich door de dronkenschap aan het redelooze dier gelijk, ja zelfs beneden hetzelve te stellen, zijnen Heer en God zoo grootelijks te vergrammen!
En wat spruit er niet zelden op de Zon - en feestdagen uit de dronkenschap voort? Twist en tweedracht. Welk eene ellende in de huisgezinnen, waarvan vader of zoon, ja dikwijls beiden dronkaards zijn. De liefde, de vrede en eendracht zijn uit die huisgezinnen verdwenen. Wat hoort en ziet men daar? Men hoort er vloeken en scheldwoorden, en niet zelden wordt men er handgemeen, \'t Zijn huisgezinnen, waarin alles verward ligt; ja, dergelijke huisgezinnen zijn reeds eene bel op aarde.
En wanneer komt men onder de jeugd tot vechtpartij? Dikwijls op de Zon - en feestdagen. Door den drank verhit
krijgt rnpii eerst woorden, soms over nietige zaken; daarna gaat men tot werken over; men valt zijnen evenmensch aan; men brengt hem wonden toe, ja wat meer dan eons gebeurd is, men maakt zich aan moord plichtig en men wascht zijne handen in \'t bloed van zijnen broeder. Ziedaar hoe soms de Zon-en feestdagen gevierd worden.
Doch dit is niet alles. Er is eene andere zonde, waaraan men zich op die dagen onder de jeugd vooral plichtig maakt, en waarover ik mij wel zoude wachten van te spreken, bijaldien het plicht en strenge plicht niet vorderde; ik bedoel de schandelijke zonde tegen de schoone deugd van zuiverheid. Ja#,o{) de de Zon - en feestdagen barst het vuur der hartstochten, dat gedurende de week door den arbeid onderdrukt werd, in lichte laaie vlam uit, en neemt niet zelden zoo wel in \'t openbaar als in \'t geheim het laatste spoor van zedigheid en eerbaarheid weg. \'t Is op die dagen dat plaats hebben de slechte bijeenkomsten, de ontijdige verkeeringen, waarin de schandelijkste gesprekken gevoerd, de afschuwelijkste zonden bedreven worden. Ha! B. li., ik zal mij wel wachten van ze te noemen, doch ik wil toch dat gij beseffet aan welken gruwel sommige personen zich op de Zon-en feestdagen plichtig maken. Ja, \'t is op die dagen dat zij zoo dikwijls de schoone deugd in \'t aangezicht slaan, \'t Is op die dagen dat zij zich aan zonden plichtig maken, waarvoor de zon aan den hemel haar licht wenscht te weigeren; niet aan ééne zonde, maar aan eene menigte van zonden; niet op één Zon - of feestdag, maar op eene reeks van Zon - en feestdagen. Ja, telkens als die slechte jongeling uitgaat is hij als het ware gelijk aan een wolf, die een schaap uit de kudde van den huisvader gaat stelen; maar die gelijkenis is te zacht. Hij is gelijk aan den duivel, die rondloopt als een brieschende leeuw zoekende wien hij kan verslinden. Hoe vele zonden, doodzonden heeft hij, heeft zij niet bedreven op de Zon - en feestdagen? Hoe vele zonden, doodzonden hebben zij niet doen
— 180 —
Tjedrijven? Hoeveel personen die de schandelijke ondeugd nauwelijks kenden, hebben zij ze niet geleerd? Hoe velen hebben zij niet ongelukkig gemaakt voor tijd en eeuwigheid? Hoeveel personen hebt gij, jongeling of jonge dochter, geene ergernis gegeven? En gij schat de woorden licht die Jesus eertijds sprak: Wee den mensch door wien de ergernis komt! Vee-homini illi per quern scandalum venit! (i) \'t ware beter voor hem met een molensteen aan den hals in de diepte der zee geworpen te worden en daarin te smoren, dan een dier onschuldigen te ergeren. En gij, gij hebt zoo dikwijls ergernis gegeven, gij hebt er zoo veel tot val en tot hun ongeluk gebracht. Quis demonstravü volns f\'ugere a ventura ira? (2) Wie heeft n getoond den toekomenden toorn Gods te ontvluchten? Wie heeft u verzekerd dat gij niet eenmaal streng zult gestraft worden?
En de ouders en meesters, aan welke zonden maken zij zich plichtig op de Zon-en feestdagen? Aan plichtverzuim. Waarom slaan zij hunne kinderen en dienstboden niet beter gade? Waarom laten zij de ontijdige\'verkeeringen en de slechte bijeenkomsten toe? Waarom leveren zij hunne dochters en dienstmeiden als het ware aan grijpende wolven over en laten zij ze zonder medelijden verscheuren? Geene verschooning ouders en meesters, doch in \'t vierde gebod zal breedvoeriger over uwe plichten gesproken worden. Hier zeg ik enkel wat er geschreven staat: Oculum pro oculo: Oog voor oog; Dentem pro dente; Tand voor tand: zoo klonk bij de Joden dó wet der wederwraak; bij God zal in \'t oordeel tegen u eene andere wederwraak klinken: Ziel voor ziel! zal God u toeroepen.
Bijaldien nu de Zon - en feestdagen zoo slecht worden doorgebracht, hetgeen nochtans, helaas! bij velen het geval is; •wat moet men dan van die dagen zeggen? Be Zondagen, God toegewijd, worden door die personen in zondigdagen veranderd
(1) Maith. xviii, 7. (2) Matth. m, 1.
181 —
en den duivel toegewijd; de feestdagen, waarop men de Heiligen
moest eeren, in b.... dagen, waarop zij de verdoemden eeren
door hunne zonden na te volgen en met welke zij ook gevaar
loopen van eenmaal in het vuur der hel te branden. Kan God
nu vele Christenen onzer dagen niet toeroepen, hetgeen hij
eertijds het volk van Israël door den mond van zijnen Profeet
Amos toeriep? Numquid non tmebrw dies Domini et non IfJi,
Ij f.
lux? Is de dag des Heeren niet duisternis en geen licht? Ik hIMI
■Hl
haat en ik versmaad uwe feesten: Odi et projeci festivitates vestras. (i)
• • \'Lf
In het schandelijk misbruik dat men van de Zou - on feestdagen
maakt, wil men zich nog verontschuldigen, ja zelfs rechtvaardigen. Wij hebben de gansche week, zegt men, hard gewerkt;
wij hebben de hitte en den last van den dag gedragen; op de Zon- en feestdagen zij ons dus ook eenige uilspanning en vreugde gegund. J)at is billijk, B. B , doch in plaats van eene uitspanning geene uitspatting in dronkenschap; in plaats van eene christelijke vreugde, geene heidensche vreugde in oneerbaarheid, l\' is uitspanning en vreugde gegund, namelijk, eene uitspanning en vreugde in den Heer die de ziel verkwikt, maar niet eene uitspanning en vreugde die haar den doodsteek toebrengt; eene uitspanning en vreugde die het afgemat lichaam nieuwe kracht bijzet, maar niet eene uitspanning en vreugde die met de ziel ook nog het lichaam onteert en verderft. Verheugt u, ik herhaal het, verheugt u; Gaudete, ilerurn dico, gaudete: maar dat uwe zedigheid alom bekend zij: modestia vestra nota sit omnibus horninihus. (2) Weet overigens wel hoe de heilige J. Chrysostomus zich daarover uitdrukt: Het schoonste feest,
11
Ill
in
ill
zegt hij, is een zuiver geweten: geene uiterlijke pracht, geene heerlijke tafel maakt het leest, maar de zorg voor de ziel: hij die geen zuiver geweten heeft, is bij het schitterendste feest zonder feest. En inderdaad: hoe kan de mensch eene ware
lt; iis
a»?
(i) Am. v, 21. (a) Ph. iv, 4.
— 182 —
vreugde genleien die na de Zon - en feestdagen in zonden te hebben doorgebracht, wanneer hij zich \'s avonds ter rust begeeft, denken moet: zoo ik van nacht kom te sterven ben ik verloren en moet ik voor eeuwig branden in de hel, en ziedaar nochtans hetgeen maar al te waar is.
Alhoewel men nu door de zonden waarover ik gesproken heb, de Zon - en feestdagen ontheiligt, daaruit volgt niet dat men, als men te biechten gaat, moet zeggen dat men op de Zon-of feestdagen die zonden bedreven heeft; die tijdsomstandigheid behoeft niet uitgedrukt te worden. Zien wij nu nog in \'t kort wat ons moet terughouden van het ontheiligen der Zon - en feestdagen.
II.
Vooreerst, li. B., de gedachte, dat het eene overgroote dwaas-en lichtzinnigheid is van zelfs niet één dag der week voor zijne onsterfelijke ziel te zorgen, nadat men de overige dagen voor zijn lichaam gezorgd heeft.
Vervolgens de gedachte, dat het vieren van den Zondag eene openbare belijdenis is van ons geloof, en bijgevolg dat het ontheiligen van den Zondag eene versmading is van den godsdienst en tot ergernis strekt van den evennaaste.
Eindelijk, de tijdelijke en eeuwige straffen. De Catechismus vraagt:
Wat hebben de onteerders der heiligdagen te vreezen? En hij antwoordt:
De straften van God; want hij zegt in de heilige Schriftuur: zij hebben mijne Sabatdagen onteerd,; daarom heb ik besloten mijne gramschap over hen uit te storten: d. w. z., daarom heb ik besloten hen streng te straffen. Hetgeen God eertijds van de ontheiligers van den Sabath zeide, mag te recht van de ontheiligers der Zon - en feestdagen gezegd worden. Ja,
God zal hen streng straffen. En denken wij niet dat het enkel bij bedrijgingen gebleven is. Neen, B. ]?., God heelt hen ook dikwijls reeds hier op aarde en voorbeeldig gestraft, en ziehier van die stralïen ten slotte eenige geschiedenissen.
SLUITREDE.
Tijdens de Oude Wet had oen Israëliet op den Sabath hout •geraapt. Op die daad betrapt, bracht men hem voor Moses en Aaron. Moses raadpleegde God wat men met dien Sabathschender moest aanvangen, en God antwoordde dat die persoon den dood moest sterven. Men leidde hem buiten de legerplaats en hij werd gesteenigd.
Ziehier eenige straffen tijdens de Nieuwe Wet. De II. Gregorlus van Tours verhaalt ons dat een inwendige gloed, als het ware een wonder vuur, de rechterhand eener vrouw aantastte, omdat zij den Zondag door sluafschen arbeid ontheiligd had. Van anderen leest men dat hunne hand verdorde, toen zij ze op Zondag tot slaafschen arbeid uitstrekten. Ziehier nog een ander, niet minder verschrikkelijk voorbeeld. Een hebzuchtige molenaar die meer van het geld en goed dezer wereld dan van God en zijne geboden maakte, werkte bijna eiken Zondag. Dikwijls liet iiij zelfs onder dc godsdienstoefeningen zonder reden zijnen windmolen draaien. Op zekeren lioogen feestdag was hij, iu plaats van naar de kerk te gaan en Mis te hooren, \'s middags nog aan het werk. Zijne vrouw wachtte te huis reeds lang op hem, doch hij kwam niet: tegen den avond ging men eens zien waar hij zich wel mocht bevinden. Vond men hem? Ja, B. B., men vond hem, maar hoe? Men vond hem dood op den grond uitgestrekt. De eene zijde van het lichaam van dien ongelukkige was geheel en al door de wieken van den molen verbrijzeld.
Ziedaar, B. B., eenige voorbeelden onder eene menigte uitgekozen, om u te doen zien, dat God reeds dikwijls hier op aarde de ontheiligers zijner Zon - en feestdagen straft. Doch al zoude
God hen ook hier op aarde niet straffen met tijdelijke rampen en ongelukken, \'t is toch zeker dat zij niet ongestraft zullen blijven; hiernamaals zullen zij des te strenger gestraft worden.
Doen wij dus ons best, van door het stipt nakomen van het derde gebod, door het christelijk vieren der Zon-en feestdagen de straffen Gods te ontkomen; brengen wij die dagen door tot ylorit! van God en zijne Heiligen, door de H. Mis en de andere godsdienstoefeningen bij te wonen; tot zaligheid onzer zielen, door op die dagen dikwijls tot de II. Sacramenton te naderen, door er een geruimen tijd van toe te wijden aan het gebed. Onthouden wij ons niet alleen van slaafsche werken, maar zorgen wij ook van ons op die dagen aan geene zonden plichtig te maken. Alsdan zal God ons reeds hier zegenen; wij zullen reeds waarlijk feestvieren op aarde, en eenmaal zullen wij bet geluk hebben van met God en zijne Heiligen voor lt;tunvig feest te vieren in het rijk der hemelen. Anten.
ACHTTIENDE ONDERRICHTING
VIERDE GEBOD
OVER DEN EERBIED EN DE GEH OORZAAM HEID
1 In gt;iora pat rem tuum et matrem tuam.
Eer uwen vader en uwe moeder.
(Ex. xx, ii.)
INHOUD.
VOORREDE.
De drie eerste geboden handelen over de plichten jegens God, de zeven overige over de plichten jegens den naaste.
Het vierde gebod leert ons wat de kinderen en onderdanen aan hunne ouders en oversten schuldig zijn. Daarna zullen wij zien wat de ouders en oversten voor hunne kinderen en onderdanen moeten doen. De kinderen moeten hunne ouders eeren en hun gehoorzamen, hen beminnen en hun behulpzaam zijn. Vandaag zullen wij zien dat de kinderen:
— 186 —
VERDEELING.
I. Hunne ouders moeten eeren;
II. Hunne ouders moeten gehoorzamen.
I.
De kinderen moeten hunne ouders eeren, wijl zij de plaats-bekieeders van God zijn. Die eer is in - en uitwendig. Waarin bestaat de inwendige, waarin de uitwendige eer? Joseph en Salomon. Wie zondigen tegen de eer die zij aan hunne ouders schuldig zijn?
H.
De kinderen moeten hunne ouders gehoorzamen in alles wat geen kwaad of niet onwettig is. Bijgevolg mogen de kinderen nooit kwaad doen al gebieden het de ouders; zij zijn ook niet verplicht te gehoorzamen in liet verkiezen van een levensstaat. Tobias, Samuël.
Wie zondigen tegen de gehoorzaamheid? Is liet altijd doodzonde niet te gehoorzamen?
Algemeene regel: \'t is doodzonde iets van belang dat de zeden of de tucht des huizes aangaat, niet te doen of niet te laten, zoo de ouders het met ernst gebieden of verbieden.
SLUITREDE.
Jesus ons voorbeeld in de eerbiedig - en gehoorzaamheid aan onze ouders.
— 187 —
ACHTTIENDE ONDERRICHTING
VIERDE GEBOD
OVER DEN EERBIED EN DE GE H O O RZAAM H EID
Honora patrem hmm et matrem tuum.
Eer uwen vader en uwe moeder.
(Ex. XX, 21.)
VOOKRKDK.
In de drie eerste geboden, B. B., wordt gehandeld over de plichten jegens God; in de zeven overige over de plichten jegens den evennaaste. Het vierde gebod leert hoe wij ons jegens vader en moeder, de zes overige, hoe wij ons jegens de overige menschen te gedragen hebben.
Het vierde gebod luidt als volgt: Honora palrcm tuum et matrem, tuam, ut sis longaams super terrain: Eer uwen vader en uwe moeder opdat gij lang moget leven op aarde: in andere woorden: Eer vader en moeder. De Catechismus vraagt:
Wie verslaat gij door vader en moede)\' in het vierde gebod? En hij antwoordt:
Onze ouders van ivie wij geboren zijn, en alle oversten, zoo geestelijke als toereldlijke.
Daarom zullen wij, behalve over de plichten der kinderen jegens hunne ouders, ook handelen over de plichten der onderdanen jegens hunne oversten, en eindelijk zullen wij nog zien wat de ouders voor hunne kinderen en de oversten voor hunne onderdanen moeten doen. Trachten wij, B. B., het vierde gebod
— 188 —
wel te verstaan, en doen wij vooral ons best van het stipt na te komen. Waarom ziet men vooral hedendaags zooveel ongelukkige huisgezinnen? Omdat het vierde gebod niet onderhouden wordt. De ouders en oversten doen hunne plichten niet jegens hunne kinderen en onderdanen, en daaruit volgt dat de kinderen en onderdanen ook te kort blijven aan hunne plichten jegens hunne ouders en oversten. Doch het ergste van al is, dat er zoo velen om plichtverzuim voor eeuwig verloren gaan. Mijn gevoelen, B. B., is — en ik wenschte dat ik mij bedroog — mijn gevoelen is dat het grootste gedeelte der ouders en oversten die verloren gaan, verloren gaan omdat zij aan hunne plichten jegens hunne kinderen en onderdanen te kort blijven. Wij moeten dus het vierde gebod goed onderzoeken en vervolgens er ons leven naar inrichten. Te dien einde zullen wij overwegen, op de eerste plaats, de plichten der kinderen jegens hunne ouders. De Catechismus vraagt;
Wat zijn wij onze ouders schuldig? En hij antwoordt:
Inwendige en uitwendige eer, gehoorzaamheid en behulpzaamheid. In andere woorden; wij moeten onze ouders eeren en bun gehoorzamen, hen beminnen en hun behulpzaam zijn.
I. Wij moeten onze ouders eeren:
II. Wij moeten hun gehoorzamen.
I,
De kinderen moeten vooreerst hunne ouders eeren; de reden is, wijl de ouders hen in Gods plaats regeeren. Vader en moeder zijn de plaatsbekleeders van God. Welnu, evenals een aardsch koning wil dat men zijne plaatsbekleeders eere, en de eer of oneer hun aangedaan beschouwt ais hem zeiven aangedaan, zoo ook wil God dat de kinderen vader en moeder eeren, wijl zij zijne plaatsbekleeders zijn, en Hij beschouwt de eer of oneer hun aangedaan als Hem zeiven aangedaan; vandaar dat een
— 189 —
H. Kerkleeraar zegt: Geen kind kan zijne ouders onteeren zonder dat God zelf onteerd wordt.
Doch welke eer zi.jn wij onze ouders schuldig? quot;\\\\ ij zijn onze ouders schuldig inwendige en uitwendige eer.
De inwendige eer bestaat hierin, dat wij onze ouders vooi onze oversten aanzien, overtuigd zijn dat zij boven ons geplaatst zijn, en dat wij eene eerbiedige vrees voor hen hebben.
De uitwendige eer bestaat hierin, dat wij met woorden en werken, dus uitwendig toonen, dat wij inwendig eer voor onze ouders hebben, hetgeen plaats heeft als wij, bijv., onze oudeis beleefd aanspreken of antwoorden, als wij voor hen opstaan, enz.
Een schoon voorbeeld van kinderlijken eerbied gal de Aartsvader Joseph. Joseph bekleedde in Egypte de eerste plants na die van Pharao. ZoodrÉ hij nu vernam dat zijn vader dié herder was, hem kwam bezoeken, ging hij, in plaats van zich over hem te schamen, zijnen vader te geinoet en stelde hem den koning l\'harao voor. /00 ook handelde Salomon met zijne moeder. Vernemende dat zij de koninklijke zaal binnen kwam, stond Salomon op, ging zijne moeder te gemoet, boog zich voor haar en deed haar aan zijne rechterhand op een troon nederzitten. De Catechismus vraagt:
Wie zondigen legen de eer, die zij aan hunne ouders schuldig zijn? En hij antwoordt:
Die hunne ouders misachten, spijtig aanspreken, tegenspreken, bedroeven, hun kwaad toenschen, enz.
Alhoewel men niet altoos grootelijks misdoet, men kan toch grootelijks zondigen tegen den eerbied dien men zijne ouders schuldig is, hetgeen blijkt uit de volgende woorden \\an do 11. Schrift; Maledictus, qui non honorat patrem suurn cl matrem: (1) Vervloekt zij hij, zegt (iod, die zijnen vader en
(1) Deutr, xxvii, 10.
— 190 —
zijne moeder niet eert. Ziehier eenige gevallen, waarin men doodelijk zoude kunnen zondigen.
Een kind — een zoon of eene dochter — zondigt doodelijk, dat zijne ouders durft slaan; Qui percusscrit patrern suurn aut malrfiin, movtc inoriatuv, zegt God: Die zijnen vader of zijne moeder zal geslagen hebben, dat hij den dood sterve; dat zijne ouders drijgt te slaan, bijv., den wil loont door de vuist uit te steken, door naar een stok te grijpen, enz.
Een kind zondigt doodelijk, dat zijne ouders kwaad wenscht: Qui maledixerit patri suo aut matri, morte moriatur: Die zijnen vader of zijne moeder kwaad wenscht, dat hij den dood sterve.
Een kind zondigt doodelijk, dat zijne ouders groote scheldwoorden toespreekt, groote beleedigingen aandoet; dat zijne ouders bits aanspreekt, den spot met hen drijft of hen uitlacht, zoo dat vader en moeder ofwel zeer bedroefd, of zeer kwaad worden, wellicht in vloeken en godslasteringen uitvallen. Luistert, B. B., wat de H. Schrift daarover zegt: Het oog dat zijnen vader veracht en valsch naar zijne moeder ziet, zullen de raven uitpikken en de jonge adelaars opeten. Uit deze bedreiging van den H. Geest blijkt duidelijk, dat een kind doodelijk zondigen kan tegen den eerbied aan zijne ouders verschuldigd.
11.
De kinderen moeten op de tweede plaats hunne ouders gehoorzamen. Wat gehoorzamen is verstaat iedereen. Gehoorzamen is niets anders dan den wil doen van een ander, die recht heeft van te gebieden of te verbieden. De ouders nu hebben dat recht van God ontvangen, wijl zij als plaatsbeklee-ders van God door God gelast en gemachtigd zijn voor hunne kinderen te zorgen. Vandaar dat de Apostel 1\'aulus zegt: Filii, oh edit e parentihus vestris in Domino, hoe enirn justum
est: (l) Kinderen, gehoorzaamt aan uwe ouders in den Heer, d. \\v. z., wijl God de Heer liet beveelt en gelijk Hij het beveelt, want dat is rechtvaardig.
Zijn wij nu verplicht alios te doen wat onze ouders gebieden\'? Ja, als het geen kwaad is en tegen Gods wet niet strijdt. Om dus de verplichting van te gehoorzamen stipt na te komen moet een kind, vooreerst alles doen en laten wat zijne ouders gebieden en verbieden, mits het geen kwaad of niet onwettig is; vervolgens moet het naar de vermaningen zijner ouders luisteren en hunnen raad volgen. De Apostel Paulus leert het ons; Kinderen, zogl hij, gehoorzaamt aan uwe ouders in alles. Per omnia, namelijk, in alles dat geen kwaad of niet onwettig is. Zouden er ouders zijn, die zoo ver hunne plichten vergeten, dat zij hunne kinderen iets kwaads zouden gebieden, dan mogen de kinderen niet gehoorzamen. Immers, CJod dio ons aller Vader is, verbiedt de zonde. Ook zcgl de 1^, Schrift uitdrukkelijk, dat wij God meer moeten gehoorzamen dan de menschen: Obedire oportet Deo rnagis quam hominibus. (2) En op eene andere plaats zegt Jesus-Christus: Die zijnen vader of zijne moeder meer bemint dan mij, is mijner niet waardig; Non est me dignus. (3)
Ook is een kind niet verplicht zijne ouders te gehoorzamen, bijaldien zij iets onwettigs gebieden. Zulks heeft plaats, B. I?., zoo de ouders hunne kinderen niet vrij laten in de keus van eenen levenstaat. Alzoo kunnen en mogen de ouders hunne kinderen niet dwingen van den huwelijken of geestelijken staat te aanvaarden. Door die onwettige manier van handelen gaan de ouders hunne rechten te buiten. Nochtans, de kinderen zijn in den regel verplicht, wanneer zij eenen staat willen aanvaarden, hunne ouders te raadplegen en hunnen wijzen raad te volgen.
(1) Eph. vi, 1. (2} Act. v, 29. (3) Matth. x, 37.
— 192 —
Voorbeelden van volmaakte gehoorzaamheid, R. R., ontbreken er niet. A Izoo gehoorzaamde de jonge Tobias aan zijnen vader. Alles, zoo sprak die gehoorzame zoon, alles wat gij mij bevolen hebt, vader, wil ik doen. Eveneens gehoorzaamde de jonge Samuêl aan den Opperpriester Heli, Tot driemaal toe geroepen kwam hij telkens om de bevelen van Heli te ontvangen, zeggende: Ziehier ben ik, want gij hebt mij geroepen.
De Catechismus vraagt:
Wie zondigen tegen de gehoorzaamheid\'! En hij antwoordt:
IHe niet gewillig volbrengen wat hunne ouders gebieden, of niet laten wal zij verbieden.
Om te gehoorzamen moet men gewillig zijn, de wil van het kind moet met den wil der ouders instemmen, zoodat een kind, hetgeen met tegenzin en al morrende doet of laat hetgeen zijne ouders gebieden of verbieden, niet gehoorzaamt.
Niet elke zonde van ongehoorzaamheid, H. B., is doodzonde; vervandaan; doch om met juistheid en voor elk geval te bepalen wanneer men doodzonde, wanneer dagelij ksche zonde bedrijft tegen de gehoorzaamheid, dat is zoo gemakkelijk niet. Ziehier nochtans den algemeenen regel. Bijaldien het van belang is, hetgeen de ouders gebieden of verbieden, in zaken die de zeden of de tucht en orde van het huisgezin aangaan, en ingeval zij wezenlijk en met ernst gebieden of verbieden, zoodat hun inzicht niet enkel is van raad te geven of te vermanen, maar van te verplichten; bijaldien een kind in dergelijk geval niet gehoorzaamt, zondigt het doodelijk. Van zulk een geldt hetgeen de Apostel Paulus zegt: Die aan hunne ouders niet gehoorzamen, zijn den dood schuldig: Parentibus non obedienles. digni sunt morle. (l)
Een zoon of eene dochter, die tegen het stellig verbod van vader of moeder naar slechte huizen gaat, gevaarlijke gezelschappen opzoekt, bij nacht uit blijft of uit gaat, om, bijv., bij
(l) Rom. i, 30.
ongelijke personen te komen, enz., die zoon of die dochter zondigt doodelijk tegen de gehoorzaamheid.
Stellen wij nu het geval: eene jonge dochter verkeert met een slechten persoon, hetgeen vader of moeder haar streng verboden heeft: die jonge dochter beschuldigt zich in de biecht dat zij in die verkeering gezondigd heeft; is dat genoeg? Volstrekt niet; zij moet er bijvoegen dat zij tegen het stellig verbod van hare ouders bij dien persoon geweest is, want daardoor heeft zij ook grootelijks gezondigd tegen het vierde gebod, tegen de gehoorzaamheid: zonder dat is de biecht van geene waarde. Bijaldien de kinderen in dergelijke zaken hunne ouders niet meer behoeven te gehoorzamen, dan is bet gedaan met het vierde gebod.
Insgelijks zondigt een kind zwaar tegen de gehoorzaamheid, dat in zaken van huishouden niet wil doen wat vader en moeder gebieden, dat altijd en in alles zijn eigen zin wil volgen, dat zich niet schaamt tegen zijne ouders te zeggen: Ik weet wel wat ik Ie doen heb; gij hebt mij niets te zeggen ofte gebieden; gaat maar heen; gij verveelt mij, enz. Moe is het toch mogelijk dat een kind zich zoo ver kan vergeten! Ik weet wel, zoo iets zoude eens kunnen gebeuren uit jeugdige onbezonnenheid, uit haast of drift, in welk geval de wil niet altijd zoo slecht is en liet berouw niet lang uitblijlt; alsdan zoude de zonde ook merkelijk verminderen; doch zoo iels kan het geval niet zijn met kinderen, die gewoon zijn aan hunne ouders wederspannig te zijn, en die zich geene moeite geven van die slechte gewoonte af te leggen. Dusdanige kinderen zijn onverbeterlijk door hunne eigen schuld; zij verdienen niet alleen uit het huisgezin, maar zelfs uit de samenleving gebannen te worden. Zoo wilde het God in de Oude Wet: Zoo iemand, zegt God, een wederspan-ningen en losbandigen zoon heeft, die naar de vader - en moederlijke bevelen niet luistert, en wanneer zij hem straffen niet wil gehoorzamen, dan moeten zij hem nemen en bij de
Gei.oofs-en Zedenleer. Deel. 13.
— 194 —
oudsten der stad brengen en hun zeggen: deze zoon is weder-spannig en losbandig; hij veracht onze vermaningen en geeft zich over aan dronkenschap, brasserij en ontucht, en de stad zal hem steenigen, en hij zal sterven, opdat gij het kwaad van u wendet, en geheel Israël het hoore en vreeze. Uit deze woorden, kan men genoegzaam opmaken hoe groote zonde de weder-spannig-en ongehoorzaamheid\' is.
SLUITREDE.
Wij hebben gezien, B. B., dat wij onze ouders moeten eeren en hun moeten gehoorzamen, en om dien tweevoudigen plicht met nauwgezetheid te volbrengen moeten wij dikwijls onze oogen werpen op Jesus ons voorbeeld. Ja, Jesus heeft ons het volmaaktste voorbeeld gegeven van eerbiedig-en gehoorzaamheid: gansch zijn leven heeft Hij zijne ouders geëerbiedigd en is Hij hun gehoorzaam geweest.
Het volmaakste voorbeeld van eerbiedigheid. Het eerste wonder dat Jesus verricht, verricht Hij uit eerbied voor zijne Moeder. Te Cana in Galilëa verzocht Maria haar goddelijken Zoon in de behoefte aan wijn te voorzien. Ofschoon Jesus nu, gelijk de H. Joannes Chrysostomus aanmerkt, op het verzoek van Maria antwoordde: Mijn uur, d. i., de tijd van wonderen te doen, is nog niet gekomen, quot;Hij voldeed toch aan het verzoek zijner Moeder om haar te eeren en voor de aanwezigen niet te beschamen. Jesus geeft ons dus het volmaakste voorbeeld van eerbiedigheid jegens onze ouders. Eert uwe ouders, besluit de H. Ambrosius, wijl de Zoon Gods de zijne geëerd heeft.
Het volmaakste voorbeeld van gehoorzaamheid. Wat zegt de H. Schrift van onzen goddelijken Zaligmaker? Erat subditus ülis: Hij was hun onderdanig. Jesus gehoorzaamde aan Joseph en Maria. Hoe kan de gehoorzaamheid ons nu nog moeielijk vallen, als wij aandachtig overwegen dat Jesus de Zoon Gods,
wien alle schepselen in den hemel en op de aarde moeten gehoorzamen, jaren lang aan Maria en Joseph in alles gehoorzaam is.
Heeft Jesus door zijn voorbeeld de gehoorzaamheid niet gemakkelijk en tevens verdienstelijk gemaakt? Volgen wij dus, B. B., in zoo vei\' het in onze macht is, Jesus ons voorbeeld na. Eerbiedigen wij in - en uitwendig onze ouders, zijn wij hun in alles gehoorzaam, wij zullen de vreugde onzer ouders zijn en groot zal daarenboven nog de belooning wezen in den hemel. Amen.
NEGENTIENDE ONDERRICHTING
VIERDE GEBOD
OVER DE LIEFDE EN BEHULPZAAMHEID
Honora patrem tuum et matrem... ut longo vivas tempore et bene sit HM in terra.
Eer uwen vader en uwe moeder... opdat gij lang levet en liet n welga op aarde.
(Deutr. v, IC.)
INHOUD.
VOORREI )K.
In onze voorgaande onderrichting hebben wij gezien dat de kinderen hunne ouders in-en uitwendige eer en gehoorzaamheid schuldig zijn; wanneer en hoe zwaar zij daartegen kunnen zondigen. Vandaag zullen wij spreken over de liefde en behulpzaamheid der kinderen jegens hunne ouders, over de belooning en straf aan het volbrengen of niet volbrengen van het vierde gebod verbonden.
VERDEELING.
I. Welke is de derde plicht der kinderen?
II. Wat staat de kinderen die het vierde gebod onderhouden of niet onderhouden te wachten?
1.
De kinderen moeten hunne ouders beminnen en hun behulpzaam zijn, wijl de ouders naast God hunne grootste weldoeners zijn.
De liefde moet inwendig, uitwendig en oprecht zijn. Een kind moet door een goed gedrag zijne ouders tot troost en vreugde verstrekken. Tobias. De kinderen moeten de gebreken hunner ouders met geduld verdragen.
De kinderen moeten hunne ouders behulpzaam zijn, voor hen in den nood en den ouderdom zorgen, bijzonder voor hunne zaligheid, voor hen bidden tijdens hun leven en vooral na hunnen dood.
De kinderen zondigen tegen de liefde, als zij hunne ouders bedroeven of vergrammen door hun slecht gedrag, hunne gebreken niet geduldig verdragen: tegen de behulpzaamheid, als zij hunne ouders in nood laten, voor hunne zaligheid niet zorgen en voor hen niet bidden.
De kinderen kunnen grootelijks zondigen tegen de liefde en tegen d^ behulpzaamheid. Wanneer?
II.
De kinderen die het vierde gebod onderhouden, worden door God gezegend, hier op aarde met een lang en gelukkig leven, en hiernamaals met het eeuwige leven. Waarom laat God toe dat een braaf kind soms vroegtijdig sterft? De kinderen, die het vierde gebod overtreden, wacht hier in dit leven de vloek Gods, de smaad der mensclïen, en hiernamaals de eeuwige verdoemenis.
SLUITREDE.
Voorbeelden getrokken uit de geschiedenis.
— 198 —
NEGENTIENDE ONDERRICHTING
VIERDE ÜEB01)
OVER DE LIEFDE EN BEHULPZAAMHEID
Honora putrem tuum et matrem.,, ut longo vivas tempore et bene sit tibi in terra.
Eer uwen vader en uwe moeder... opdat gij lang levet, en het u welga op aarde.
(Deutk. v, 16.)
VOORREDE
De kinderen, B. li., moeten hunne ouders in - en uitwendig eeren; zij moeten hun gehoorzamen, doen wat vader en moeder gebieden, en laten wat zij verbieden. Zijne ouders oneerbiedig en ongehoorzaam zijn is altijd zonde, soms doodzonde, als de oneer vader ol moeder aangedaan groot is, als de ongehoorzaamheid plaats heeft in zaken van aanbelang. Die waarheden hebben wij in onze voorgaande onderrichting overwogen. Vandaag gaan wij handelen over den derden plicht van de kinderen jegens hunne ouders, en wij zullen er bijvoegen wat de kinderen te wachten staat, die het vierde gebod volbrengen of niet volbrengen. Ziehier twee vragen;
I. Welke is de derde plicht van de kinderen jegens hunne ouders?
II. Wat staat de kinderen té wachten die het vierde gebod onderhouden of niet onderhouden?
I.
De derde plicht van een kind, B. B., is zijne ouders te beminnen en hun behulpzaam te zijn. De reden waarom een kind vader en moeder moet beminnen en hun behulpzaam moet
— 199 —
zijn is, wijl vader en moeder naast God zijne grootste weldoeners zijn. Inderdaad, is het aan vader en moeder niet dat een kind naast God zijn bestaan en zijn leven te danken heeft? Wie is het, die ons In onze eerste levensdagen gevoed en gekleed, verzorgd en beschermd heeft? Vooral onze ouders. Vader en moeder waren voor ons als liet ware de rechterhand der goddelijke Voorzienigheid. Naast God dus, van wien alle goed voortkomt, zijn onze ouders onze grootste weldoeners, en zijn wij hun voor alle overige menschen liefde en behulpzaamheid schuldig.
Wij zijn onze ouders liefde schuldig. Doch hoedanig moot onze liefde jegens vader en moeder zijn? Zij moet zijn in - en uitwendig; inwendig^ d. w. z., wij moeten onze ouders dankbaar en van harte genegen zijn; uütoendig, d. i., wij moeten hun met woorden en werken dankbaarheid en genegenheid toonen.
Zoude het geene ondankbaarheid, ja zwarte ondankbaarheid zijn de liefde zijner ouders niet met weOerliéfde te vergelden, vader en moeder niet te beminnen, die ons bemind hebben en nog beminnen? Weet gij hoe een ondankbaar kind iu de II. Schrift genoemd wordt? Ken schandelijk en rampzalig mensch.
Doch opdat de liefde en dankbaarheid van een kind oprecht zijn, moeten zij niet alleen in woorden maar vooral in werken bestaan. Dat kind moet door een goed en voorbeeldig gedrag zijne ouders tot troost verstrekken; het moet de hoop en de vreugde zijner ouders uitmaken. Daarenboven, ik vraag het u, kan er wel iets troostrijker voor een kind zijn, dan uit den mond van vader of moeder te mogen hooren: Mijn zoon! mijne dochter! eene grootere vreugde heb ik niet als te hooren, dat gij u goed, deftig en voorbeeldig gedraagt, dat gij een waar christelijk leven leidt? Dien troost verdiende de jonge Tobias. Zijne ouders noemden hem het licht hunner oogen, den staf van hunnen ouderdom, den troost in hun leven en hunne hoop. Ook vermeed de jonge Tobias zorgvuldig al wat zijne ouders
— 200 —
maar eenigszins kon bedroeven. Mocht ook gij, mijn kind! den jongen Tobias gelijken! Mochten ook uwe ouders zich over u verheugen, gelijk de ouders van Tobias zich verheugen mochten over het gedrag van hunnen zoon! Mocht ook gij den troost verdienen dien Tobias verdiende, en mocht gij door uw gedrag uwe ouders evenmin bedroeven als Tobias de zijnen bedroefde.
De lielde gebiedt de kinderen ook de gebreken hunner ouders, vooral als zij reeds oud worden, zooals misverstand, lastigheid met geduld te verdragen; bijgevolg moeten zij zich wel wachten van doorslechte of harde behandeling hunne ouders te bedroeven.
Wij zijn onze ouders behulpzaamheid schuldig. Ja, de kinderen moeten hunne ouders in den nood bijstaan, in den ouderdom verzorgen. Wanneer een kind wél nagaat, wat vader en moeder voor hem gedaan hebben, dan zal het nooit aan dien plicht te kort blijven. Hat zal volgaarne zijnen arbeid verdubbelen, zich eenige ontbering getroosten, zicli zelfs het noodige ontzeggen om zijne ouders bij te staan en te helpen. En wat zoude alles wat een kind doet, beteekenen in vergelijking van hetgeen de ouders voor hun kind gedaan hebben? Hoe vele jaren heeft die vader niet gewerkt voor zijn kind, alvorens het in staat was voor zich zeiven te zorgen? Hoe lang heeft hij niet geslaafd en gezwoegd van den vroegen morgen tot den laten avond? Hoe menigen druppel zweet heeft hij niet gestort om in het levensonderhoud van zijn kind te voorzien? Hoe dikwijls heelt hij zich wellicht het noodzakelijke onttrokken om zijn kind het een of ander aangenaams te bezorgen? 150 wie beseft de opofferingen eener moeder? Welke moeielijklieden heeft zij zich niet getroost, welke smarten niet geleden? Hoe vele slape-looze nachten heeft zij vol angst bij de wieg van haar kind niet doorgebracht? Hoe zal nu een kind zijne ouders vergelden al wat zij voor hem gedaan hebben? Ziedaar de reden, waarom de kinderen verplicht zijn hunne ouders in den nood te helpen en in den ouderdom bij te staan.
Eindelijk moeten wij voor de zaligheid onzer ouders zorgen en voor hen bidden tijdens hun leven, doch vooral na hunnen dood.
De kinderen moeten dus bezorgd zijn dat de ouders, wanneer zij niet meer naar de kerk kunnen gaan, bijzonder als zij ziek zijn, bij tijds van de sacramenten voorzien worden; zij moeten voor hen bidden tijdens hun leven, opdat de goede God hen tot hun welzijn nog lange jaren gelieve te bewaren; doch zij moeten vooral voor hen bidden.na hunnen dood. Inderdaad; wanneer de ouders overleden zijn, hebben zij het gebed hnnncr kinderen misschien nog meer noodig dan toen zij leefden: waarom? omdat zij wellicht, wijl zij te toegevend zijn geweest, in het vagevuur lijden en zich zeiven niet meer kunnen helpen. Is het dan geene zware verplichting voor de kinderen van hunne ouders door hunne gebeden te hulp te komen en hen zoo spoedig mogelijk uit het vagevuur te verlossen? Ziedaar, IJ. 15., hoe een kind zich gedraagt dat zijne ouders waarlijk bemint en hun behulpzaam is.
Zien wij nu hoe de kinderen zondigen tegen de liefde en behulpzaamheid.
Zij zondigen tegen de liefde, als zij hunne ouders door hun slecht gedrag bedroeven of vergrammen, als zij hunne gebreken niet met geduld verdragen. De Catechismus vraagt;
Wie zondigen tegen de behidpzaamheid? En hij antwoordt:
Die hunne ouders in nood lalen, als zij hen kunnen helpen, die voor hunne zaligheid niet zorgen, of voor hen niet bidden, \'t zij in hun leoen, \'l zij na hunne dood.
Men kan zelfs doodelijk zondigen tegen de lielde en behulpzaamheid.
Tegen de liefde. Men treft soms kinderen aan die hunne ouders niet beminnen, hetgeen zij door hun slecht gedrag doen blijken; die vader en moeder door twist en tweedracht, door losbandigheid en lediggang, door verkwisting en dronkenschap, door slechte kennissen of ontijdige verkeeringen de grootste
— \'202 —
droefheid aandoen; die het leven hunner ouders verbitteren, ja zelfs verkorten. Inderdaad, B. ,B.; hoe menig vader, hoe menige moeder daalt vroegtijdig ten grave, omdat het leed, door een ontaarden zoon, door eene losbandige dochter veroorzaakt, onophoudelijk aan hun hart knaagt en den levensdraad met geweld vóór den tijd afbreekt? Zijn er soms onder ons dergelijke kinderen, ongelukkige, ondankbare schepselen? Hoe! gij zult het dan wagen de doodkist voor uwen vader, voor uwe moeder te bestellen en hun te zeggen: \'t Is tijd, vader, moeder, dat gij er u in nederlegt; ik kan uwen dood niet langer meer afwachten; ik wil vrij, mijn eigen baas en meester zijn. Welnu, gij doet nog meer.
Door de aanhoudende droefheid, die gij uwe ouders door uw slecht gedrag veroorzaakt, sleept gij hen langzaam naar het graf; langzaam foltert gij hen en brengt gij hun den doodsteek toe, want de droefheid doet sterven, zegt de H. Schrift, en droogt het gebeente uit. Doch ook uw levensgeluk, ontaarde zoon, losbandige dochter, is voorbij; neen, nooit zult gij u meer van harte mogen verheugen. Waarom niet? Omdat de grafheuvel uwer ouders, wanneer gij over of langs het kerkhof gaat u zal toeroepen: Hier liggen zij, die u het leven geschonken hebben, en wier leven gij door uw slecht gedrag verkort, geroofd hebt.
Men kan doodelijk zondigen tegen de behulpzaamheid. Men treft kinderen aan die hunne ouders in nood laten als zij hen zeer goed kunnen helpen. Zij weten dat hunne ouders door \'t een of ander ongeluk, of \'t komt er niet op aan op welke wijze, tot nood gekomen zijn, en zij hebben middelen genoeg om hen bij te staan. Een zoon, bijv., is nog niet gehuwd; hij verdient geld genoeg, hij kent den bekrompen toestand waarin zijn vader verkeert, maar die zoon wil als een eerste heer gekleed gaan, die zoon wil alle pleizierpartijen bijwonen; en terwijl zijn vader met lompen gekleed van \'t armbureel bedeeld wordt, gaat die ontaarde zoon, fijn gekleed, met vroolijke
— 203 —
gezellen in kroegen en herbergen zijn geld verkwisten, waarmede hij zijn ouden vader onderhouden moest.
Die dochter is ook nog niet tot staat gekomen, zij verdient geld genoeg, zij ook kent den ellendigen toestand waarin hare moeder verkeert; maar die losbandige dochter moet als eene eerste juffrouw gekleed zijn, zij moet de mode volgen; en terwijl hare moeder, slecht gekleed, door medelijdende personen bijgestaan wordt, of misschien van deur tot deur gaat bedelen, gaat die losbandige dochter in zijde gekleed en met bloemen versierd naar een modewinkel of naar eene modemaakster hare penningen dragen, waarmede zij hare moeder onderhouden en voeden moest. Dergelijke ontaarde kinderen, die zoo weinig of niets voor hunne ouders over hebben, zullen zij vooi\' do zaligheid, voor de zielen hunner ouders zorgen? Zullen zij voor hen bidden tijdens hun leven of na hunnen dood? Evenmin, en dergelijke kinderen zouden niet doodelijk zondigen tegen de behulpzaamheid? O, B. B., denkt eens wel over deze waarheden na, want zij verdienen van goed overwogen te worden. Doch zien wij nu nog wat de kinderen te wachten slaat, die het vierde gebod volbrengen of overtreden.
II.
God, B. B., belooft de kinderen die hunne ouders eereu en hun gehoorzamen, die hen beminnen en hun behulpzaam zijn een lang en gelukkig leven en hiernamaals\' het eeuwige leven. Ja, God beloont die kinderen in hun leven, doch vooral na hunnen dood. Ziedaar den algemeenen regel. Waarom dan, denkt gij misschien, worden brave kinderen soms vroegtijdig uit dit leven weggerukt? Waarom worden zij weieens met tegenspoed bezocht? God, B. B., laat toe dat die kinderen vroegtijdig sterven om hen des te spoediger met den hemel te beloonen, of ook nog wel om andere gewichtige redenen, namelijk, om hen aan zoo
— 204 —
vele gevaren van verleiding te ontrukken, waarin zij bezwijkende voor eeuwig zouden verloren gaan. Hij bezoekt hen soms met tegenspoed om hen hunne zonden voordeelig te doen uitboeten, ofwel om hen des te meer verdiensten voor den hemel te doen vergaderen, terwijl hij hen tijdens hun leven met zijne genade beschermt eu bijstaat. Eindelijk mag het leven van den rechtvaardige, alhoewel kort van tijd, een lang leven genoemd worden, omdat het leven van den mensch vooral naar het getal van goede werken en verdiensten moet afgemeten worden.
Doch wat wacht de kinderen die het vierde gebod overtreden? Hun wacht, B. 1!., in dit leven de vloek Gods en de smaad der monschen, en in \'t andere leven de eeuwige verdoemenis. Die waarheid blijkt duidelijk uit de H. Schrift, /ij spreekt ons onder anderen over eenen ontaarden zoon Absalon, die vermoord werd; over de twee ontaarde zonen van Heli, die beiden op éénen dag in een veldslag sneuvelden. Doch die droevige voorbeelden zijn ons reeds bekend: ziellier, B. B., ten slotte twee voorbeelden, die gij wellicht nog nooit gehoord hebt.
SLUITREDE.
De H. Augustinus verhaalt ons hoe zekeren dag eene weduwe van Cesarëa in Cappadocie den vloek over hare kinderen uitsprak. Die weduwe had zeven zonen en drie dochters. Zekeren dag beleedigde de oudste zoon zijne moeder en ging zelfs zoo ver, dat hij zijne hand tegen haar ophief. De overige kinderen ■zwegen stil en kwamen niet uit voor hunne moeder: doch ziet! de moeder werd daardoor zoo zeer vergramd dat zij hare kinderen vloekte: Dat allen, zoo sprak die moeder, vluchten uit hun vaderland, in vreemde landen ronddwalen en het geheele menschdom tot voorbeeld dienen mogen. Wat gebeurde er? Eensklaps greep eene geweldige siddering al die kinderen aan. In dien ellendigen toestand verlieten allen hun vaderland.
— 205 —
dwaalden overal rond en vertoonden alom de gevolgen van den moedervloek. Twee hunner kwamen te Hippo in Afrika, toen de H. Augustinus in die stad Bisschop was, en werden daar ten aanzien van het volk, (oen zij voor de reliquiën van den H. Stephanus baden, van hunne kwaal genezen.
Eene dergelijke geschiedenis wordt ons nog verhaald van eenen vader, die zijne kinderen vloekte. Die vader was voor de tweede maal getrouwd; uit het eerste huwelijk had hij drie zonen, doch deze konden met hunne schoonmoeder niet in liefde en vrede leven. Die ontaarden gingen zelfs zoo ver dat zij hunne schoonmoeder om het leven brachten. De vader die de moordenaars goed kende, sprak over zijne zonen den vloek uit, die voor hen de treurigste gevolgen had. De eene werd op weg vermoord, van de twee overigen bracht de een den anderen om het leven, en de derde werd om broedermoord ter dood veroordeeld en omgebracht. Eene andere straf die zelden uitblijft, is dat de kinderen die hunne ouders mishandelen, later als zij tot staat gekomen zijn, op gelijke wijze door hunne eigen kinderen mishandeld worden. Een heidensch wijsgeer, Aristoteles genaamd, verhaalt ons dergelijke geschiedenis. Hen slechte zoon sleepte zekeren dag zijn vader bij de haren tot aan de deur. Toen riep die ongelukkige vader zijn zoon toe: Houd op, ondankbare, verder heb ik mijn vader ook niet gesleept.
B. B., dat dergelijke voorbeelden een heilzaraen indruk op ons maken. Dat zij ons aanzetten om onze misslagen te beweenen die wij misschien tegen vader of moeder begaan hebben, om de tijdelijke en vooral om de eeuwige straften (e ontkomen. Dat zij ons aanzetten van vader en moeder te eeren en hun (e gehoorzamen, van hen te beminnen en hun behulpzaam te zijn, en God zal ons daarvoor reeds zegenen in dit leven, doch vooral beloonen gedurende de eeuwigheid in den hemel. Amen.
TWINTIGSTE ONDERRICHTING
VIERDE GEBOD
OVER DE OPVOEDING
Filii tibi sunt, crudi illos a puentia eorum. Zoo gij kinderen hebt, onderwijs hen van jongs af aan. (Eccl. vii, m.)
INHOUD.
VOORREDE.
Na de plichten der kinderen jegens hunne ouders overwogen te hebben, gaan wij over de plichten der ouders jegens hunne kinderen spreken. De algemeene regel is: Goede ouders goede kinderen; slechte ouders slechte kinderen.
VERDEELING.
I. De ouders moeten hunne kinderen beminnen;
II. Zij moeten hun eene goede opvoeding geven.
Ir\':
— 207 —
I.
De liefde der ouders moet eene ware, christelijke en geregelde liefde zijn. Men vindt ouders die hunne kinderen zonder reden haten, kwaadwenschen, enz. In den regel moeten de ouders al hunne kinderen evenveel beminnen. Zij moeten hen waarlijk beminnen, zoodat zij bezorgd zijn voor hun tijdelijk en vooral voor hun eeuwig welzijn. Uit de ware liefde volgt de goede opvoeding.
II.
De opvoeding is tweederlei, de lichamelijke en de geestelijke opvoeding. De ouders moeten zorgen voor het leven, het onderhoud en den levensstaat hunner kinderen. Zij moeten zorgen dat hunne kinderen zoo spoedig mogelijk gedoopt worden. Om de onschuld der kinderen te bewaren moeten de ouders hen onderwijzen, berispen en hun een góed voorbeeld geven. AVelke ouders misdoen tegen de lichamelijke en geestelijke opvoeding hunner kinderen?
SLUITREDE.
De ouders moeten hunne kinderen een goed voorbeeld geven. Zonder goed voorbeeld kan al het overige niets baten.
— 208 —
TWINTIGSTE ONDERRICHTING
VIERDE GEBOD
OVER DE OPVOEDING
Filii tihi sunt, erudi illos a pucritia eorum.
Zoo gij kinderen hebt, onderwijs lien van jongs ai\' aan. (Eccl. vii, 5;;.)
VOORREDE.
In onze voorgaande onderrichtingen, B. B., hebben wij de plichten der kinderen jegens hunne ouders overwogen; wij hebben gezien wat zij hun schuldig zijn, hoe zij vroeg of laat beloond of gestraft zullen worden. Thans gaan wij de plichten der ouders jegens hunne kinderen onderzoeken, zien wat zij hun schuldig zijn, en hoe de ouders vroeg of laat beloond of gestraft zullen worden.
Men treft niet zelden ongelukkige ouders aan\', die veel verdriet hebben, die klagen en bittere tranen storten over de ongeregeldheden hunner kinderen. En inderdaad, die ouders zijn ongelukkig. Doch wie is de schuld van al die onaangenaamheden, van den slechten toestand hunner huisgezinnen, ;n een woord, van hun ongeluk? Algemeene regel, de ouders zeiven. De vader is aan het hoofd van het huisgezin geplaatst en dikwijls trekt hij er zich het minste van aan. De moeder moest de uiterste zorg dragen voor hare kinderen en zij verwaarloost ze. Is het dan te verwonderen dat het in zulke huisgezinnen slecht gaat? Integendeel, het zoude te verwonderen zijn zoo- het er goed ging. Algemeene regel dus; Goede ouders hebben goede kinderen, slechte ouders hebben slechte kinderen.
— 2Ö9 —
Doch wat wordt er vereischt om goede ouders te zijn, of liever, welke zijn de plichten der ouders jegens hunne kinderen?
I. De ouders moeten hunne kinderen beminnen;
II. Zij moeten hun eene goede opvoeding geven.
J.
Vooreerst moeten de ouders hunne kinderen beminnen. Doch merkt wel op, zij moeten hun eene ware, christelijke en geregelde liefde toedragen, eene liefde die tot het tijdelijk en wel bijzonder tot het eeuwig welzijn hunner kinderen verstrekt.
Bijgevolg zondigen de ouders zwaar tegen de liefde, als zij hunne kinderen haten, in vloeken en verwenschingen tegen hen uitvallen, hen grootelijks mishandelen, uit het huis wegjagen, soms trachten te onterven, en om welke reden? Om eene reden die alles behalve billijk en rechtvaardig is; omdat, bijv., die zoon of die dochter tegen wil en dank van vader of moeder getrouwd is met een persoon, op welke niets te zeggen viel, die braaf en deugdzaam was, maar die juist zooveel niet bezat als hun zoon, als hunne dochter. Dat is wel eens de reden, waarom de ouders hun kind haten, kwaad wenschen en benadeelen.
De ouders, willen zij aan den eersten plicht van hunne kinderen te beminnen voldoen, moeten in den regel eene gelijke liefde hebben voor al hunne kinderen. Bijaldien zij in zekere gevallen zich volstrekt niet kunnen onthouden van liet eene kind meer te beminnen dan liet andere, omdat het, bijv., deugdzamer is, beter oppast, enz., dan mogen zij het uitwendig toch niet laten blijken; waarom niet? Omdat die bijzondere liefde eene gelegenheid kan worden van jaloerschheid voor de andere kinderen, eene bron van haat en nijd, van twist en tweedracht in het huisgezin. Wat leert ons daarvan de Heilige Schrift? Zij verhaalt ons dat de Aartsvader .lacob zijn jongsten zoon meer beminde dan zijne overige kinderen. Deze nu werden
Gkloofs-en Zedenleer 3«\'« Deel. 14,
— 210 —
daarover gestoord; zij haatten hun jongsten broeder en kwamen zelfs tot het besluit van hem om het leven te brengen. Dat besluit wel is waar brachten zij niet ten uitvoer, maar zij verkochten Joseph aan Ismaëlitische kooplieden. Ziedaar, B., B., wat er soms uit eene ongelijke liefde voortspruit.
De ouders moeten hunne kinderen eene ware, christelijke en geregelde liefde toedragen, eene liefde die strekt tot het tijdelijk en wel bijzonder tot het eeuwig welzijn hunner kinderen.
Men treft dikwijls verblinde ouders aan, die meenen dat zij hunne kinderen beminnen, omdat zij hun alles toestaan, uit vrees van hen te bedroeven; die te bang en te laaghartig zijn om hunne kinderen iets te gebieden of te verbieden, van hen bij tijds te vermanen tegen de gevaren der ondeugd, van hen met gepaste en krachtdadige middelen tot het pad der deugd terug te brengen, zoo zij er van afgeweken zijn, in een woord, die hunne kinderen laten begaan. Dusdanige ouders, B. 11., zijn verblind, zij zijn wreed jegens hunne kinderen: in plaats van hen te beminnen, haten zij hen; zij zijn niet voor het welzijn hunner kinderen uit, doch zij berokkenen hun tijdelijk en vooral hun eeuwig ongeluk. De ouders mogen er dus wel eens over nadenken of zij hunne kinderen waarlijk beminnen.
Uit de liefde der ouders jegens hunne kinderen volgt een tweede plicht, namelijk, te zorgen voor de opvoeding hunner kinderen,
II.
De opvoeding der kinderen, B. B., is tweederlei, de lichamelijke en de geestelijke opvoeding.
Door de lichamelijke opvoeding wordt verstaan de zorg die de ouders moeten hebben voor het leven, het onderhoud en den levensstaat hunner kinderen.
De ouders moeten bezorgd zijn voor het leven hunner kinderen.
— 211 —
Bijgevolg moeten zij reeds van den beginne af zorgvuldig vermijden al wat hunne kinderen kan schaden. Kene moeder moet zooveel mogelijk zorg dragen van zioh niet met te veel Of te zwaren arbeid te overladen, van zich niet te vertoornen, van zich niet aan overtollige vreugde of droefheid over te geven. Een man mag zijne vrouw niet mishandelen, hij moet van haar niet vorderen hetgeen boven haren staat of hare macht is. Vader en moeder moeten een waakzaam oog op hunne kleine kinderen houden, opdat hun geene ongelukken overkomen door water, vuur, enz,
De ouders moeten bezorgd zijn voor het onderhoud hunner kinderen; zij moeten hun eten en drinken, kleederen en woning verschalfen. De wet der natuur vereischt zulks streng van de ouders.
Eindelijk moeten zij nog bezorgd zijn voor den levensstaat hunner kinderen, waarin zij deftig door de wereld kunnen komen, eerlijk hun brood kunnen verdienen.
Men vindt vele ouders, die aan dezen plicht te kort blijven en niet zelden grootelijks zondigen; die er, bijv., niet op uit zijn om door te werken of iets te ondernemen wat te verdienen voor hunne kinderen, om hen later tot staat te kunnen brengen; want, wat zegt de Apostel l\'aulus? De kinderen, zegt hij, behoeven geene schatten voor hunne ouders te vergaderen, maar de ouders voor hunne kinderen.
De ouders zondigen doodelijk, zoo zij hunne kinderen geen ambacht laten leeren; zoo hunne zaken om lui-of onachtzaamheid merkelijk achteruit gaan; zoo zij in ledigheid of spelen, in dronkenschap en brasserijen hun geld en goed verkwisten. B. B., gebeurt het, helaas! maar niet al te dikwijls, dat eene brave vrouw, dat eene brave moeder en hare kinderen arm zijn, aan alles gebrek lijden, omdat de man, de vader een loeg-looper is, ofwel, omdat hij alles naar de kroegen en herbergen draagt? Soms ook is een huisgezin arm, omdat de vrouw geene
— 212 —
huisvrouw is; zij slaat hare zaken niet gade; zij loopt te veel rond, zij houdt te veel van lekker eten en drinken, zij volgt de mode, zij maakt de boel maar op, gelijk men dat noemt. En of de man al slaaft en zwoegt van den, vroegen morgen tot den laten avond, \'t is te vergeefs, hij gaat niet vooruit, \'t is armoede troef. Waarom? Zijne vrouw past niet op, in een woord, hij heeft geene huisvrouw. B. 1?., men mag die waarheden wel rijpelijk overwegen, want men treft maar al te veel ouders aan, die aan dien zwaren plicht te kort blijven, en eenmaal zullen zij eene strenge rekenschap voor God af te leggen hebben.
Door de geestelijke opvoeding, wordt verstaan de zorg welke de ouders moeten hebben voor de zielen hunner kinderen. Wijl de ziel waardiger is dan het lichaam, daarom moeten de ouders meer zorg dragen voor de zielen dan voor de lichamen hunner kinderen. De ouders moeten zich bevlijtigen dat hunne kinderen zoo spoedig mogelijk na de geboorte gedoopt worden. De kleine kinderen zijn dikwijls zwak; kwamen zij nu zonder Doopsel te sterven, nooit of nimmer konden zij het rijk der hemelen binnengaan.
Na gedoopt te zijn, na het leven der heiligmakende genade bekomen te hebben, moeten de ouders hun best doen dat hunne kinderen de onschuld des 11. Doopsels bewaren. Daartoe worden vooral drie zaken vereischt: de onderwijzing, de berisping en het goed voorbeeld.
De ouders moeten vooreerst hunne kinderen onderwijzen. Zij zijn verplicht hunne kinderen zoo spoedig mogelijk de waarheden te leeren die ieder christen mensch moet weten en gelooven uit noodzakelijkheid des middels en uit noodzakelijkheid des gebods. Gij, ouders! gij moet uwe kinderen ook vroegtijdig leeren bidden. Zijn er zaken, die gij uwe kinderen niet kunt leeren bij gebrek aan kennis of tijd, dan moet gij hen naar eene goede school en naar den Catechismus zenden om door
— 213 —
goede onderwijzers en door de geestelijkheid onderwezen te worden. Zijt gij voornemens uwe kinderen naar eene kostschool te zenden, weest dan voorzichtig in de keus, dat gij hen niet naar slechte of gevaarlijke kostscholen zendt, want gij krijgt uwe kinderen bedorven terug, hetgeen de droevige ondervinding maar al te dikwijls leert. Ook moet gij zorgen dat uwe kinderen te huis of bij andere brave en godsdienstige meesters bij tijds eenen stiel of een ambacht leeren.
De ouders moeten hunne kinderen berispen, ingeval zij misdoen. Zij moeten dus vooreerst een waakzaam oog op hunne kinderen houden, zien of zij zich van hunne plichten en van de plichten van christen mensch trouw kwijten, of zij \'s morgens en \'s avonds bidden, \'s Zondags de II. Mis bijwonen, bij tijds tot de H. Sacramenten naderen. Wanneer de kinderen grooter worden moeten de ouders zien, waar zij zich naar toe begeven, naar welke plaatsen; met wie zij omgaan, met welke gezellen of personen. Bevinden do ouders dat hunne kinderen misdoen of aan hunne plichten te kort blijven, dan moeten zij hen bij tijds berispen. Doch, B. B., \'I is niet genoeg van met flauwheid eens te zeggen: Doet dit, of laat dat; wanneer de kinderen, na eens of tweemaal vermaand te zijn, niet luisteren, moeten de ouders hen straffen, de roede gebruiken. De H. Schrift zegt het duidelijk; Die de roede spaart, haat zijnen zoon, zegt zij. En op eene andere plaats: Gij zult uwen zoon met de roede slaan, en gij zult zijne ziel van de hel bevrijden.
Men vindt ouders, die zonderling in de vermaning, berispingen bestraffing hunner kinderen te werk gaan. Als de kleine kinderen, bijv., een weinig misdoen, dan is het; Gij zult naar de hel gaan, als gij dat nog doet. Dat is eene gro.ote leugen, want voor eene dagelijksche zonde gaat men niet naar tie hel, maar wel naar het vagevuur. Ik zal het aan Mijnheer Pastoor zeggen: Biecht u dat eens, gij zult er van krijgen. Welk eene onvoorzichtigheid! Daardoor maakt men de kinderen bang voor
de priesters, en men brengt ze in gevaar van hunne zonden in de Biecht te verzwijgen.
Er zijn ouders die niet willen dat hunne kinderen gestraft worden. Straft, bijv., een onderwijzer een kind dat het verdiend heeft, dan beschuldigen zij den onderwijzer van ongevoelig - en wreedheid. Eu van de kinderen? Wat zeggen zij? Och! dat zijn maar kinderstreken, kleinigheden van do lieve, onschuldige jeugd. Verblinde ouders! Weet dat die kleinigheden, zoo zij uiet beteugeld worden, iu groote zaken zullen veranderen. Neen, die ouders beseffen niet, welke opofferingen een onderwijzer, enz., zich moet getroosten.
Men vindt ouders, die den ganschen dag niets doen dan roepen, zoo dat zij \'s avonds heesch en vermoeid zijn, en de kinderen, aan al dat geroep gewoon, hooren niets meer, luisteren naar niets meer. Neen, zoo moet men niet te werk gaan. Na eens of tweemaal vermaand te hebben, moet men, zoo de kinderen niet luisteren, tot de straf, tot de roede overgaan, en men zal veel minder moeite hebben.
\'t Gebeurt soms dat de vader bij de moeder, de moeder bij den vader klaagt over de kinderen. De man zegt: Ik kan mij daarmede niet bezig houden; ik heb wel andere zaken te doen. Dat is letterlijk valsch. De vader is het hoofd van liet huisgezin; hij is dus op de eerste plaats verplicht te vermanen, te berispen en te straffen, en zoo hij het niet doet, blijlt hij aan een zwaren plicht te kort. Doch vader en moeder moeten in die zaak eens zijn. Bijaldien de eene vermaant of straft, mag de andere niet verschoonen of partij trekken voor het gestrafte kind, waardoor niet zelden groote oneenigheid in het huisgezin ontstaat.
Andere ouders, na hunne kinderen eens of tweemaal, maar te vergeefs vermaand te hebben, geven den moed op, laten hunne kinderen loopen, doen niets meer. B. B., de ouders moeten aanhouden met vermanen, en zij moeten God tevens vurig bidden opdat de kinderen naar hunne vermaningen luisteren.
Opdat de berisping, van welken aard ook, nuttig zij en hare vruchten voortbrenge moet zij gematigd zijn en met voorzichtigheid gegeven worden; nooit uwe kinderen, als gij kwaad of vertoornd zijt, overdreven straffen, doch later, en uwe kinderen tevens doen verstaan, dat gij alles wat gij-doet, tot hun tijdelijk en eeuwig welzijn doet. Eindelijk - moeten de ouders hunne kinderen een goed voorbeeld geven.
SLUITREDE.
Ja, vaders en moeders, en merkt dit ten slotte wel op, al uwe vermaningen, berispingen en straffen zullen niets baten, zoo gij uwe kinderen geene goede voorbeelden geeft. Indien zij u zien doen hetgeen gij hun verbiedt, zullen ai uwe schoone lessen zonder vruchten blijven. De kinderen doen doorgaans wat zij hunne ouders zien doen. De kinderen zijn van natuur nieuwsgierig, zij bemerken alles, hunne oogen vliegen rond, hunne ooren staan open. En op wien slaan zij hunne oogen? Naar wien luisteren zij? Naar u, vaders en moeders. Wee u dus, ouders! bijaldien uwe kinderen u zaken zien doen, welke zij niet mogen navolgen, en waartoe gij hen nochtans door uw voorbeeld zoo sterk aanzet; bijaldien zij van u zaken hooren, die hun geheel en al onbekend moesten zijn; bijaldien zij u, bijv., hooren vloeken, zedenkwetsende, goddelooze taal of tegen uwe geestelijke overheid hooren spreken. Wee u! bijaldien gij uwe kinderen die gij tot de deugd moest opleiden, door dronkenschap of andere zonden van jongs af aan de ondeugd inplant. Denkt er wel aan welke verschrikkelijke straffen u en uwe kinderen wachten, reeds hier op aarde en vooral hiernamaals. Om dus die straffen niet in te loopen, leeft zoo dat gij met recht naoogt zeggen: Kinderen, doet gelijk gij ons ziet doen; volgt ons na, gelijk wij Jesus-Christus navolgen; dan zal God met u zijn. Hij zal u zegenen in dit leven en vooral u beloonen in den hemel, Amen.
EEN - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING
VIEKDE GEBOD
OVER DE GEVOLGEN DER OPVOEDING
Filius sapiens tcehficat patron, f litis vero stultus mastitia est matris sum.
Een wijze zoon verheugt zijnen vader, een dwaze zoon bedroeft zijne moeder.
(Peov. x, i.)
INHOUD.
VOORREDE.
De ouders moeten hunne kinderen beminnen en hun eene goede opvoeding geven. Te dien einde moeten zij imnne kinderen onderrichten, vermanen, straffen en hun vooral een goed voorbeeld geven.
VERDEELING.
I. Welke zijn de gevolgen eener goede opvoeding?
II. Welke zijn de gevolgen eener slechte opvoeding?
— 217 —
I.
De ouders die hunne kinderen eene goede opvoeding geven, zullen:
1° Veel genoegen van hunne kinderen hebben;
2° De kinderen strekken hun tot eer;
3° Ood zegent hen hier op aarde;
4° God zal hen vooral beloonen in den hemel.
II.
De ouders die hunne kinderen eene slechte opvoeding geven, zullen:
1° Veel verdriet van hunne kinderen hebben;
2° De kinderen strekken hun tot schande;
30 God straft hen hier op aarde;
4° God zal hen vooral straffen in de hel.
SLUITREDE.
Wat moeten wij uit de gevolgen der opvoeding besluiten?
1° De ouders die tot hiertoe hunne plichten gedaan en zorg voor hunne kinderen gedragen hebben, moeten blijven voortgaan.
2° De ouders die hunne plichten verwaarloozen, moeten zich bekeeren, boetvaardigheid doen en zoo veel mogelijk hunne misslagen herstellen.
3° De ouders die, niettegenstaande hunne plichten gedaan te hebben, slechte kinderen hebben, en die ze niet gemakkelijk tot het pad der deugd kunnen terugbrengen, die ouders moeten de H. Monica navolgen.
— 218 —
EEN - EN TWINTIGSTE ONDERRICHTING
VIERDE GEBOD
OVER DE GEVOLGEN DER OPVOEDING
Filius sapiens laitifical patre/m, films vero stultus mcestitia est matris suw.
Een wijze zoon verheugt zijnen vader, een dwaze zoon bedroeft zijne moeder.
(Pbov. ^,I.)
VOORREDE.
Laatstleden, B. B., hebben wij gehandeld over de plichten , der ouders jegens hunne kinderen. De ouders moeten hunne kinderen beminnen en hun eene goede opvoeding geven; te dien einde moeten zij hunne kinderen vroegtijdig onderrichten, vervolgens zorg dragen dat zij getrouw do school en vooral den Catechismus bijwonen. Zij moeten hunne gebreken trachten uit te roeien door vermaningen en berispingen, hunne fouten en misslagen straffen, en eindelijk en vooral moeten zij hunne kinderen een goed voorbeeld geven. Bijaldien de ouders hunne kinderen zulke opvoeding geven, zijt er verzekerd van, zij hebben hunne plichten trouw volbracht. Om u, vaders en moeders! daartoe krachtdadig aan te sporen, wil ik u vandaag een oogenblik onderhouden over de gevolgen der opvoeding. Wij zullen zien:
I. De gevolgen eener goede opvoeding; 11. De gevolgen eener slechte opvoeding.
I.
De ouders, li. li., die hunne kinderen eene ^oede opvoeding-geven, zullen veel genoegen hebben, hunne kinderen zullen hun strekken tot eer, en God zal hen zegenen hier op aarde en hiernamaals beloonen in den hemel. Ziedaar de voornaamste gevolgen eener goede opvoeding.
Om u van die waarheid te overtuigen, treedt enkel een voorbeeldig huisgezin binnen. Wat bespeurt gij daar? Ziet eens hoe de kinderen zich daar gedragen van liet jongste tot het oudste. Welken eerbied hebben die kinderen niet voor hunne ouders! Moeten zij iets vragen of zeggen, altoos zijn zij beleefd; zij erkennen vader en moeder. Welke stipte gehoorzaamheid! Die kinderen weten en beseffen dat hunne ouders de plaats-b\'ekleeders van God zijn, dat zij in hunne ouders aan God gehoorzamen. Vandaar dat zij doen hetgeen vader en moeder gebieden, dat zij luisteren naar hunne vermaningen, dat zij laten hetgeen zij verbieden, bijaldien er leis te verbieden valt. Een goed opgebracht kind zal zich wel wachten van tegen zijne ouders op te staan; het beseft dat alles wat vader en moeder voor hem doen, tot zijn tijdelijk en eeuwig welzijn gedaan wordt. Vandaar dat liet zijne ouders bemint, het weet dat vader en moeder hem ook beminnen en liet blijft niet te kort in wederliefde te betoonen.
Ouders en kinderen, broeders en zusters beminnen elkander; zij beminnen hunne dienstboden, de dienstboden beminnen hen. Liefde, vrede en eendracht heerschen in die huisgezinnen. Welk genoegen, welke voldoening smaken dusdanige ouders, te midden van den huiselijken haard, te midden hunner kinderen!
Do kinderen strekken hunne ouders tot eer. Die verstandige en arbeidzame zoon strekt tot eer van dien braven vader; die deugdzame en zedige dochter strekt tot eer aan die christelijke moeder. Vader en moeder! bedankt God zoo gij brave kinderen hebt. Gij moogt fier zijn op hun verstand, gij moogt roem
— 220 —
stellen in hunne deugd; ja, weet dat men u eert en roemt om uwe kinderen. B. B., gebeurt het niet dikwijls, dat men met lof spreekt van een braven zoon, van eene deugdzame jonge dochter? En wat voegt men er bij ? Geen wonder, zegt men; kent gij dien vader, kent gij die moeder? Weet gij wat die ouders voor hunne kinderen gedaan hebben? Hoe zij tot op den dag van heden voor hunne kinderen bezorgd zijn? Welnu, die kinderen drukken de voetstappen van hunne ouders; die zoon volgt zijnen vader, die dochter hare moeder na, en vandaar dat zij zoo verstandig, zoo deugdzaam zijn; vandaar dat men hen eert en roemt, en vandaar dat men u, vader en moeder! eert en roemt in uwe kinderen.
God zegent de ouders die hunne plichten jegens hunne kinderen volbrengen, hier reeds op aarde, en hij zal hen hiernamaals beloonen in den hemel. Ja, B. B., let maar op; ziet maar vrij na over welke huisgezinnen God zijnen zegen uitstort, welke reeds in hunne tijdelijke zaken vooruitgaan, \'t Zijn juist de huisgezinnen waarvan de ouders zorg dragen voor hunne kinderen. De kinderen, wijl zij deugdzaam zijn en oppassen, komen goed door de wereld, en zijn zij van minderen stand, toch winnen zij eerlijk hun brood. Gaan zij eenen staat aan, wijl zij God voor oogen houden, hunne ouders raadplegen en naar hunne vermaningen luisteren; wijl zij zich wezenlijk als kinderen Gods en der Heiligen gedragen, zij gaan een gelukkigen staat aan. God zegent die kinderen op hunne beurt, en zoo gaat Gods zegen van het eene huisgezin over op het andere. Waarom? Omdat allen zich van hunne plichten kwijten, \'t Is waar, B. B., God komt wel eens brave huisgezinnen, deugdzame ouders en kinderen met kruisen en wederwaardigheden bezoeken; God heeft daarin zijne inzichten, doch zijne belooning blijft nimmer achter: beloont Hij niet in dit leven, dan zal Hij des te ruimer beloonen in het andere; \'t is vooral na dit kort leven, dat de ouders voor hunne zorgen zullen beloond worden.
Welk schoon schouwspel zullen die huisgezinnen vormen na de glorieuze verrijzenis, wanneer die schitterende kinderen hunne van glans en luister schitterende ouders zullen omgeven, wanneer zij met Jesus-Christus ten hemel zullen klimmen, om daar elkander in het bezit van God voor eeuwig geluk te wenschen. Welaan! zal God tot die ouders zeggen: Ik heb u die kinderen geschonken om hen tot mijne eer en glorie op te brengen; gij hebt uwe taak volbracht, gij hebt zorg voor hen gedragen, gij hebt hunne onschuld bewaard; komt binnen, neemt bezit van het rijk dat voor u bereid is. En die ouders, vergezeld van hunne kinderen, die als een kring rondom vader en moeder vormen, zullen ten hemel stijgen, om daar te zamen voor eeuwig gelukkig te zijn. Ziedaar B. B., de gevolgen eener goede opvoeding. In het tweede deel moet ik spreken over de gevolgen eener slechte opvoeding.
II.
Alvorens daarmede te beginnen verklaar ik rechtuit, dat ik er veel liever een diep stilzwijgen over bewaarde, doch \'I is uit plicht en tevens tot welzijn van de ouders en kinderen dat ik er over ga spreken.
Welke zijn de gevolgen der slechte opvoeding? Juist de tegenovergestelde der goede opvoeding. De ouders die hunne kinderen eene slechte opvoeding geven, zullen veel verdriet hebben, hunne kinderen zullen hun strekken tot schande. God zal hen straffen reeds hier op aarde en vooral hiernamaals.
Vooreerst zullen de ouders veel verdriet hebben. Gaat een oogenblik een huisgezin binnen, waarin de opvoeding verwaarloosd wordt. Wat ziet, wat hoort gij daar? Welken eerbied hebben de kinderen voor hunne ouders? Weinig of geen! Welke onbeleefde en onfatsoenlijke woorden, vragen of antwoorden hoort men daar! Be kinderen gehoorzamen niet aan hunne ouders; integendeel, zij luisteren niet eens, ofwel zij lachen
222
met hetgeen vader of moeder liun zegt; niet zelden gaan zij zoo ver van juist het tegenovergestelde te doen van hetgeen hun opgelegd is.
Hoe zal men nu kunnen zeggen dat die kinderen hunne ouders beminnen, die zij zoo veel verdriet veroorzaken door hunne oneerbiedig - ongehoorzaam - en wederspannigheid? En wat is de oorzaak er van? Niets anders dan de verwaarloozing der jeugdige opvoeding.
Doch niet alleen verdriet, maar ook groote schande wordt de ouders die hunne plichten verwaarloozen, door hunne kinderen aangedaan. Waarom spreekt men zooveel van dien jongeling? Waarom zooveel van die jonge dochter?,\'t Is niet zonder reden. Omdat zij zich zoo slecht gedragen. De vader moet zich schamen over zijnen zoon, de moeder over hare dochter; ja, schaamrood moesten die ouders worden, en ik kan niet begrijpen hoe na den val ouders en kinderen nog zoo fler durven te voorschijn komen, hadden zij niet schier alle eergevoel verloren. Maar waarom zijn die kinderen zoo diep gevallen? Wijl de ouders hunne plichten verwaarloosd hebben. Zij hebben hunne kinderen niet bewaakt, zij hebben niet rond gezien waar en met wie zij verkeerden, zij hebben hen laten loopen, met hunne eerste lichtzinnigheid hebben zij gelachen, zij hebben hen zelfs aangezet denkende dat zij hunne kinderen op deze of gene ongeoorloofde wijze tot een goeden staat zouden brengen, naar de vermaningen van predikant of biechtvader hebben zij niet geluisterd, de opmerkingen van den een of anderen wijzen persoon hebben zij in den wind geslagen, zij zijn zelfs gestoord geweest, als men hun over hunne kinderen eene opmerking maakte, in een woord, zij hebben de opvoeding hunner kinderen verwaarloosd, en ziedaar de reden waarom de kinderen gevallen zijn en eene gansclie familie, doch vooral de ouders tot schande verstrekken.
Doch dit is niet alles. Op het verdriet en de schande volgt nog de straf hier en hiernamaals. Ja, God straft reeds in dit
leven de onachtzame ouders, hij slaat hen niet zelden met wederwaardigheden en tegenspoed in hunne tijdelijke zaken. Deze gaan langzamerhand achteruit. In het oog der wereld schijnen die huisgezinnen een weinig tijds gelukkig, doch \'t is veeleer een schijngeluk dat weldra verdwijnt, dan een waar geluk dat blijft duren. En inderdaad; hoe kan het anders? Hoe wil God zijnen zegen blijven uitstorten over huisgezinnen waarvan de leden hunne plichten vergeten, en waarin God ontkend en zoo schandelijk onteerd wordt. Ziet men niet zelden, B. B., dat dergelijke huisgezinnen verstrooid in ellenden vervallen en ellendig omkomen? Ja, God bedient zich soms van de kinderen zeiven die de ouders slecht opgebracht hebben, als van werktuigen om vader en moeder te straffen; zij worden door hunne eigene kinderen mishandeld en in hunne oude dagen verlaten. Op hun sterfbed uitgestrekt, terwijl zij op liet punt staan van de eeuwigheid in te slaan, worden zij met hangen kommer vervuld. Vol angst moeten zij rekenschap gaan afleggen van de kinderen die God hun heeft toevertrouwd, (leeft rekenschap, zal God dien vader en die moeder bij hunnen dood toeroepen; rekenschap van de kinderen, die ik u geschonken heb, maar die gij hebt verwaarloosd; rekenschap van de kinderen, die ik door mijn goddelijk bloed heb vrijgekocht uit de slavernij des duivels, maar die door uwe schuld wederom slaven zijn geworden van den duivel; rekenschap van de kinderen, die in het H. Doopsel afgewasschen aan Engelen gelijk waren, maar die gij als het ware in duivelen hebt herschapen door de verwaarloozing uwer plichten, door uwe slechte voorbeelden en ergernissen, door uw vloeken en zweren, door uwe dronkenschap en brasse-rijen. O, B. B., bijaldien God een zoo vervaarlijk wee uitroept tegen eenieder die ergernis geeft, welk een verschrikkelijk wee zal hij dan de ouders niet doen hooren, die door hunne dagelijksche ergernissen hunne kinderen, die voor den hemel geschapen waren, met zicli in den afgrond der hel storten. Want ziedaar, B. B., de laatste, maar ook do grootste, de
224
eeuwige straf die slechte ouders en kinderen wacht. Ouders! nu reeds in dit leven valt uwe schouderen het torsen zwaar; nu klaagt, kermt en weent gij reeds; doch, helaas! hoe zwaar zal het u niet vallen, hoezeer zult gij niet klagen, kermen en weenen, als gij met uwe kindereu in den afgrond der hel geworpen in eeuwigheid zult moeten branden. In dien poel van solfer en vuur zullen de ouders en kinderen elkander hun ongeluk verwijten. De vader zal de schuld leggen op den zoon, de zoon op den vader; de moeder zal de schuld leggen op de dochter, de dochter op de moeder; en alzoo zullen zij elkander vervloeken en verwenschen; zij zullen zich als furiën op elkander werpen en in eeuwigheid folteren en pijnigen. Doch wenden wij onze oogen af van dien poel van solfer en vuur, waarin die ongelukkige ouders en kinderen in eeuwigheid moeten branden; \'t is te akelig om er zich lang mede bezig te houden; komen wij liever tot een heilzaam besluit.
SLUITREDE.
En welk zal dat besluit wezen? B. B., wij hebben nu de gevolgen der opvoeding gezien, de gevolgen eener goede, de gevolgen eener slechte opvoeding. Dat de ouders die hunne plichten goed volbrengen en voor hunne kinderen zorgen, blijven voortgaan. Dat de ouders die hunne plichten verwaarloozen, tot inkeer komen en hunne misslagen zoo goed mogelijk herstellen; dat zij boetvaardigheid doen over hunne zonden; dat zij voor hunne afgedwaalde kinderen bidden; dat zij hen ook nog, zoo zij onder hun bereik zijn, vermanen en vooral dat zij hun een goed voorbeeld geven. Zouden er ouders zijn die hun best gedaan hebben, en die niettemin een ontaarden zoon of eene losbandige dochter hebben, zij moeten de H. Monica navolgen. De H. Augustinus was in zijne jeugd ook van het pad der deugd afgedwaald; hij was gevallen en diep gevallen; hij luisterde ook niet naar de vermaningen en smeekingen zijner moeder.
Wat ileed de H. Monica? Zij gaf een goed voorbeeld, zij bap en hield aan met bidden. Augustinus bekeerde zich en werd een groote Heilige.
Ziedaar hoe de ouders zich moeten gedragen. Ja, vaders ea moeders! Ik bid en smeek u, ik bezweer u bij al wat u dierbaar is, volbrengt uwe plichten, gij zult brave kinderen hebben; God zal u zegenen in dit loven en Hij zal u en uwe kinderen gelukkig maken en beloonen gedurende de eeuwigheid in den hemel, Amen.
Geloofs-en Zedenleer. 3de Deel. 15.
TWEE - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING
VIERDE GEBOD
OVER DE PLICHTEN DER DIENSTBODEN
Servi, obedite dominis... sicut Christo. Dienstboden, gehoorzaamt aan uwe heeren... gelijl; aan Christus.
(Eph. vi, 3.)
INHOUD.
VOORREDE.
Door vader en moeder in het vierde gebod moeten verstaan worden onze ouders van wie wij geboren zijn, en alle oversten zoo geestelijke als wereldlijke. Onze geestelijke oversten zijn de Paus van Rome, onze Bisschop, onze Pastoor en andere Priesters die ons bestieren in hetgeen de zaligheid aangaat. Onze wereldlijke oversten zijn onze Souverein — koning of keizer — en degenen die onder hem ons bestieren. Wij zullen zien wat de dienstboden aan hunne meesters schuldig zijn. De dienstboden moeten:
VERDEELING.
I. Hunne meesters eeren;
II. Hun gehoorzamen;
III. Hen getrouw dienen.
I.
De dienstboden moeten hunne meesters eeren, niet hunne fouten of gebreken, maar hun persoon. Zij moeten God aanschouwen in den persoon hunner meesters. God zal eenmaal de brave dienstboden boven de slechte meesters verhellen. Zondigen tegen den eerbied, de dienstboden die zich aan hunne meesters ■willen gelijk stellen ol\' boven hen verheffen, die hen uitlachen, onbeleefd aanspreken, enz.
II.
De dienstboden moeten hunne meesters gehoorzamen evenals aan God, in alles waartoe zij door verdrag verplicht zijn, dat redelijk is en tegen Godswet niet strijdt. Zij moeten ook gehoorzamen in hetgeen do huiselijke tucht aangaat. Men mag nooit gehoorzamen in iets dat kwaad is. Zorg welke de ouders en dienstboden móeten hebben, om een goeden dienst bij brave meesters te bekomen.
III.
De dienstboden moeten hunne meesters getrouw dienen. Daartegen misdoen de dienstboden die hunne meesters bestelen, hunne zaken bederven of laten bederven, die over hunne meesters praten; die de kinderen des huizes ergeren en bederven, die zonder wettige reden voor den tijd den dienst verlaten, in welk geval zij soms tot schadevergoeding gehouden zijn.
SLUITREDE.
De tronwelooze dienstknecht zal eenmaal moeten hoeren; Werpt den nutteloozen knecht in de uiterste duisternissen; de getrouwe dienstknecht: Welaan goede e^i getrouwe knecht, ga de vreugde van uwen Heer binnen.
— 228 —
TWEE - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING
VIERDE GEBOD
OVER DE PLICHTEN DER DIENSTBODEN
Servi, oledite dominis... sicut Christo.
Dienstboden, gehoorzaamt aan uwe hoeren... gelijk aan Christus.
(Eph. VI, 5.)
VOORREDE.
In onze voorgaande onderrichtingen, B. B., hebben wij over de wederzijdsche plichten der kinderen en ouders gesproken: thans gaan wij spreken over de wederzijdsche plichten der onderdanen en oversten. Die stof behoort ook nog tot het vierde gebod. Immers de Catechismus vraagt:
Wie verstaat gij door vader en moeder in het vierde gebod? En hij antwoordt:
Onze ouders van wie wij geboren zijn, en atle oversten, zoo geestelijke als wereldlijke. Dus de gansche overheid.
Wie zijn onze geestelijke oversten?
De Paus van Rome, onze Bisschop, onze pastoors en andere priesters, die ons bestieren in hetgeen de zaligheid aangaat.
Wie zijn onze wereldlijke oversten?
Onze Souverein, en degenen die onder hem ons bestieren.
Eindelijk worden door vader en moeder in het vierde gebod nog verstaan de meesters en meesteressen in betrekking tot hunne dienstboden.
Al die personen bekleeden in zekeren zin de plaats der ouders, en vandaar dat zij deelen in hun gezag en in hunne rechten.
— 229 —
Daarom ook zijn de onderdanen en dienstboden hun eerbied, gehoorzaambeid en liefde schuldig. Vandaag zullen wij in het bijzonder handelen over de plichten der dienstboden jegens hunne meesters. De dienstboden moeten:
1. Hunne meesters eeren;
II. Hun gehoorzamen;
III. Hen getrouw dienen.
I.
Vooreerst moeten de dienstboden hunne meesters eeren. De H. Schrift zegt het uitdrukkelijk. De dienaren moeten hunne heeren, zegt zij, alle eer waardig achten. En inderdaad, zoo is hel.
Men treft soms meesters aan die fouten en gebreken, en groote fouten en gebreken hebben; vloekers, dronkaards, onzuiveren, goddeloozen, vijanden van Kerk en godsdienst. Anderen die nooit tevreden of voldaan zijn. Die baas heeft altijd wat te zeggen, nooit kan men het bij hem van pas maken: die vrouw gromt bijna den ganschen dag, nooit is het werk goed gedaan. En inderdaad, B. B., men vindt soms van die zonderlinge en lastige meesters en meesteressen, die als het ware schijnen geboren te zijn om de dienstboden te plagen en te kwellen. Hoe wilt gij dan, zoudt gij kunnen zeggen, dat men eerbied hebbe voor de meesters die zich zoo slecht gedragen, voor de lastige meesteressen die altijd zure gezichten trekken. Luistert eens naar hetgeen de H. Petrus zegt: Gij, dienstboden, zegt hij, zijt onderdanig met allen eerbied aan uwe heeren, niet alleen aan hen die goed en zachtmoedig, maar ook aan hen die eigenzinnig zijn: Etiam dyscolis. (i)
Niettegenstaande de fouten en gebreken moet men zijne meesters nog eeren, niet hunne fouten en gebreken, volstrekt
(1) Petr. II, 18.
— 230 —
niet, want deze zijn verachtenswaardig, maar hun persoon. Evenals wij onze vijanden moeten beminnen, zonder bet kwaad dat zij ons gedaan hebben te beminnen, zoo ook moeten wij onze meesters eeren al zijn zij ook slecht en lastig, zonder nochtans hunne fouten en gebreken te eeren. Ik weet wol, zoo iets valt voor de dienstboden moeielijk, maar wat wilt gij? Gij, dienstboden, gij zijt de dienaren, uwe meesters zijn de heeren. (lod heeft u in dien staat gesteld, daarin moet gij u heiligen door er de plichten van te volbrengen. Zult gij uwen staat verbeteren door uwe oneerbiedigheid? Integendeel, gij verergert hein, gij verliest er de verdiensten van en maakt u nog plichtig voor God. Om naar behooren eerbiedig te zijn, B. B., moeten de dienstboden hunne meesters eerbiedigen, als of zij Christus eerbiedigden; Sieut Chrislo: (i) Ziedaar een middel in de moeielijkheden. Aanschouwt in uwe meesters God zeiven, die de Meester der meesters is. Eerbiedigt God in uwe meesters eu God zal u daarvoor beloonen reeds in dit leven on honderdvoudig in het andere leven. Ja, B. B., de brave en eerbiedige dienstboden die zooveel te verdragen hebben gehad van hunne meesters, onder welke zij hebben moeten staan in deze wereld, zij zullen eenmaal boven hen verheven worden; eenmaal zullen zij, door God opgenomen, hunne meesters aan hunne voeten zien.
Doch men treft, helaas! ook dienstboden aan die zich jegens hunne meesters slecht gedragen, die, vergetende in welken staat zij gesteld zijn, hoovaardig en trotsch zijn; die aan hunne meesters gelijk willen zijn, ja zelfs boven hen willen staan; die hen uitlachen, verachten, niet zelden door hunne onbeleefdheid grootelijivs beleedigen. Dergelijke dienstboden blijven voorzeker grootelijks aan hunne plichten te kort, zullen eenmaal daarvan rekenschap moeten afleggen en strengt gestraft worden.
(i) Eph. vi, 5.
— 231 —
II.
De dienstboden moeten op de tweede plaats hunnen meesters gehoorzamen, en om de verdiensten aan de gehoorzaamheid verbonden niet te verliezen, moeten zij gehoorzamen zonder morren, juist als of zij aan Christus gehoorzaamden: Sicut Christ,o. Doch waarin moeten zij gehoorzamen? In alles waartoe zij zich bij verdrag verplicht hebben, dat redelijk is en tegen Gods wet niet strijdt. Bijgevolg moeten de dienstboden de werken van hunnen staat, hun opgelegd verrichten. Doch dat is niet alles.
Men treft soms dienstboden aan die beweren, dat zij enkel in slaafsche werken behoeven te gehoorzamen, maar die, wat de huiselijke tucht en orde, wat de zeden betreft, als baas en vrouw iets gebieden of verbieden, durven zeggen: Ik zal mijn werk doen, maar voor het overige hebt gij mij niets te bevelen. Hoe is het toch mogelijk dat zekere dienstboden zoo ver hunnen plicht vergeten. Neen, B. B., dat is letterlijk valsch. Ook in zaken die do zeden aangaan, zijn de dienstboden streng verplicht hunne meesters te gehoorzamen. Een dienstknecht, bijv., zoude zijne godsdienstplichten verwaarloozen; hij zoude niet bidden, op Zon - en feestdagen de II. Mis niet bijwonen, zich aan dronkenschap plichtig maken, dikwijls \'s avonds te laat of \'s nachts t\' huis komen: eene dienstmeid zoude gevaarlijken of slechten omgang hebben met ongelijke personen, enz.; in dergelijke gevallen zijn de meesters streng verplicht hunne dienstboden te vermanen, te gebieden of te verbieden, en de dienstboden zijn op zonde verplicht hunne meesters te gehoorzamen; dan alleen behoeven of mogen zij niet gehoorzamen, als hetgeen er geboden wordt zonde is, als de meesters, bijv., zouden opleggen van den evenmensch te benadeelen door onreclitvaardigheid, van de geboden van God of van de H. Kerk te overtreden.
Wanneer de dienstboden het ongeluk zouden hebben van te vallen in de handen van slechte meesters, die hen zouden
— 232 —
aanzoeken tot het kwaad, dan moeten die dienstknecht en ^dienstmeid niet bang zijn; zij moeten toonen dat zij prijs stellen op hunne onschuld, deugd en eer: (Ier moeten zij hunne meesters antwoorden: Neen, dat nooit; ik wil u wel gehoorzamen, maar in dergelijke zaken niet, want ik moet God Mie ons aller Meester is, meer gehoorzamen dan u. Zoude het gebeuren dat eene dienstmeid in een huisgezin door een zoon of knecht lastig gevallen of aangezocht werd tot het kwaad, dan moet zij hen waarschuwen met de bedreiging van de zaak aan hare meesters bekend te maken. Blijven die verleiders voortgaan, dan moet zij terstond haren meester of hare meesteres verwittigen, opdat er een einde aan de gevaren der zonde kome; komt er geen einde aan, dan moeten de dienstboden den kuischen Joseph navolgen, d. i., zij moeten vluchten, hunnen dienst verlaten, koste wat het koste. De dienstboden die zich zoo gedragen, die hunnen Heer en God stellen boven den mensch, hunne deugd en onschuld boven het vermaak en de zonde, die dienstboden hebben niet te vreezen dat zij door God zullen verlaten worden. God zal hen beloonen, gelijk Hij den kuischen Joseph beloonde door hem over gansch Egypte aan te stellen. Ik zeg niet dat God van dien dienstknecht een koning, van die dienstmeid eene koningin zal maken, maar God zal hen voor hun gedrag beloonen.
Uit deze weinige woorden blijkt duidelijk, B. B., dat de ouders, die hunne kindéren willen verhuren, en dat de dienstboden zeiven voorzichtig moeten zijn in de keus van eenen dienst. Zij moeten niet te zeer letten op eene groote huur, maar veeleer op hun geestelijk welzijn, want: Wat baat het den mensch de geheele wereld te winnen, als hij zijne ziel verliest? Onschuld, eer en deugd zijn oneindig meer waard dan goud of zilver. En nochtans, men vindt wel eens ouders die, om van hunne kinderen geld te trekken, hen overleveren aan meesters, aan welke zij hunne koeien en paarden niet zouden toevertrouwen. Zijn uwe kinderen u dan niet dierbaarder dan uwe dieren? Let
dus vooreerst wel op, ouders en dienstboden, of uwe meesters brave en godsdienstige mensclien zijn, of\' zij deugdzame kinderen en dienstboden hebben; gaat bij dusdanigen dienen, want \'t is bij hen dat gij onder alle opzicht de grootste huur verdient. Hebt gij eenmaal een goeden dienst gevonden, verlaat hem niet lichtzinnig om in geen slechten te geraken, waarin men volstrekt niet mag,treden o( verblijven.
Eindelijk moeten de dienstboden hunne meesters trouw dienen alsof zij Christus dienden: Sicut Christo.
111.
Om dien plicht te volbrengen moeten zij de belangen hunner meesters zoo behartigen alsof het hunne eigen belangen waren. Dus mogen zij hun geene schade toebrengen, noch gedoogen dat hun schade toegebracht wordt, hetzij in hunne goederen, persoon, faam, kinderen, in een woord, in alles wat hun aangaat.
Tegen den trouwen dienst misdoen min of meer de dienstboden — ook arbeiders — die hunne meesters bestelen, die het een of ander achterhouden, die kostbare voorwerpen bederven of laten bederven door nalatigheid, die den tijd waarop zij moeten werken, doorbrengen in lui - en ledigheid.
Men vindt soms dienstboden of arbeiders die werken zoo lang zij onder de oogen hunner meesters zijn, maar die daarna weinig of niets doen. De Apostel Paulus noemt hen oogendienaars: Ad oculwn servientes. (i) Deze moeten wel weten dat God, dien zij op de eerste plaats moeten dienen, hen altijd en overal ziet. Anderen, gelijk ik wel eens gelezen heb, werken dat zij groote koude krijgen en eten dat zij zweeten. Weet gij wel dat dergelijke dienstboden of arbeiders grootelijks h,un geweten bezwaren, dat zij verplicht kunnen zijn van schadevergoeding te doen. En inderdaad, welk recht heeft een dienstbode of arbeider op zijn loon, die nauwelijks den kost verdient?
(i) EPH vi, 0.
Tegen den getrouwen dienst misdoen min of meer de dienstboden die van hunne meesters praten, die alles wat er in het huis voorvalt op straat brengen. Hoe dikwijls gebeurt het niet, dat door eene kwade tong gansch een huisgezin overhoop gezet wordt. Vroeger bestond er vrede en eendracht onder de meesters, kinderen en dienstboden; er is eene kwade tong tusschen gekomen, en nu is het oneenigheid, twist en tweedracht. Welk eene verantwoordelijkheid voor de dienstboden die kwaad van hunne meesters spreken! Doch, B. B., men moet ook niet naar die kwade tongen luisteren. Waarom niet? Omdat het doorgaans leugens zijn die zij uitstrooien, en in alle geval, die kwaad van een ander spreekt deugt zeil\' niet. Ook kan ik niet begrijpen hoe iemand dienstboden huurt, die van hunne vorige meesters alles uitbrengen. Wel, die dienstboden zullen later eveneens met u handelen: als zij hunnen dienst bij u verlaten hebben, zullen zij ook alles van u op straat brengen. Wacht u dus voor die slechte tongen. Men treft soms brave meesters aan, die zoo door hunne dienstboden, welke zij als liet ware van de straat opgeraapt en voortgeholpen hebben, beloond worden. Welk eene ondankbaarheid!
Tegen den trouwen dienst misdoen de dienstboden die de kinderen des huizes ergeren en bederven door slechte voorbeelden, door zeden kwetsende taal, door gesprekken tegen God of godsdienst. Welke schromelijke misdaden! Dergelijke dienstboden zijn inderdaad de beste medewerkers van den duivel om de onschuldige jeugd te bederven.
Eindelijk misdoen nog tegen den getrouwen dienst de dienstboden die zonder wettige redenen voor den tijd hunnen dienst verlaten, hetgeen hedendaags niet zelden gebeurt. De baas of de vrouw heeft maar iets te zeggen, eene vermaning te geven, waartoe zij verplicht zijn, of het is: Ik vertrek, enz. Als er drukke bezigheden zijn zouden de meesters alles moeten toelaten, ofwel de bedreigingen met vertrek zijn daar. Neen, B. B., zoo
gedraagt zich een trouwe dienstbode niet, en zij die hunne meesters in den nood laten door voor den tijd zonder wettige redenen te vertrekken, blijven zeer aan hunne plichten te kort en kunnen tot schadevergoeding verplicht zijn. Men denkt daar niet aan, of liever, men wil er niet aan denken, doch vroeg of laat zal het bij die dienstboden wel bovenkomen.
SLUITRKDE.
Ziedaar, B. B., de plichten der dienstboden uitgelegd. Zij moeten hunne meesters eeren, hun gehoorzamen en hen getrouw dienen. Blijven zij aan die plichten te kort, dan wacht hen de straf, waarmede de H. Schrift deu trouweloozen dienaar bedrijgt: Inutileni servum ejecile in lencbras exteriores: Werpt den nutteloozen knecht in de uiterste duisternissen, daar zal geween en tandengeknars heerschen: Ibi eril fletus ei stridor denlium. (i) Zoo zij daarentegen, in hunnen staat tevreden, hunne plichten nauwkeurig volbrengen. God zal hen beloonen reeds in dit leven, en bij het verlaten dezer wereld zal Hij hen toeroepen: Welaan goede en getrouwe knecht: Euge serve bone et lidelis, ga de vreugde van uwen Heer binnen: Intra in gaudium Domini tui. Amen.
(i) Matth. xxv, 30.
DRIE - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING
VIEHDE GEBOD
OVER DE PLICHTEN DER MEESTERS
Si est tibi semis Jidelis, sit tibi quasi anima tua.
Zoo gij een getrouwen dienstknecht hebt, hij zij u dierbaar als uwe ziel.
(EOCL. XXXIII, 51«)
INHOUD.
VOORREDE.
Gelijk de dienstboden hunne plichten hebben jegens hunne meesters, zoo hebben de meesters hunne plichten jegens hunne dienstboden.
De meesters moeten hunne dienstboden:
VERDEELING.
I. Zacht en christelijk behandelen;
II. Voor hen zorgen;
III. Hun het verdiende loon betalen.
— 237 —
I.
De meesters moeten hunne dienstboden zacht en christelijk behandelen, omdat zij, vooreerst huns gelijken zijn naar de natuur, vervolgens hunne broeders en zusters naar den godsdienst.
II.
De meesters moeten voor hunne dienstboden zorgen dat zij onderwezen worden, de sermoenen bijwonen, op tijd tot de H. Sacramenten naderen. Daaruit zal voor de meesters groot voordeel voortspruiten. Die God getrouw dient, dient ook zijne meesters getrouw.
De meesters moeten een waakzaam oog houden op het gedrag hunner dienstboden. Hoe moeten de meesters zich gedragen die slechte dienstboden en veel werk hebben? Zij moeten hunne dienstboden ook een goed voorbeeld geven.
III.
De meesters moeten hunne dienstboden trouw het verdiende loon betalen, zoo niet maken zij zich aan eene wraakroepende zonde plichtig. Ook moeten zij voor hen zorgen wanneer zij ziek worden en in gevaar van sterven komen.
SLUITREDE.
Aangaande het vierde gebod heb ik harde waarheden verkondigd, doch uit plicht en tot ons aller welzijn. Daarom, onderhouden wij goed het vierde gebod om door God beloond te worden hier op aarde, en vooral hiernamaals in den hemel.
— 238 —
DRIE - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING
VIERDE GEBOD
OVER DE PLICHTEN DER MEESTERS
Si est HU scrvns Jtdelis, sit tibi quasi anima tm,
Zoo gij een getrouwen dienstknecht hebt, hij zij u dierbaar als uwe ziel.
(ECCL. XXXIII, 31.)
VOORREDE.
Do plichten der dienstboden en meesters, B. B.,/iJa wederzijdsch. Zoo de dienstboden hunne meesters moeten eerbiedigen, hun gehoorzamen en hen trouw moeten dienen, de meesters hebben ook hunne plichten te vervullen jegens hunne dienstboden. Hetzelfde moet men zeggen van de oversten ten opzichte van hunne onderdanen. Zoo moet oen onderwijzer, bijv., zich bekwaam maken om zich van zijne taak naar behooren te kunnen kwijten; hij moot zijne leerlingen beminnen, hun eon goed voorbeeld geven, hen straiten zoo het noodig is on mot vlijt onderwijzen. De geestelijke on wereldlijke oversten zijn door God aangesteld tot welzijn hunner onderdanen. Dat welzijn nlóoten zij behartigen; zij moeten hen met wijsheid en rechtvaardigheid bestieren, het kwaad straffen, on eindelijk on vooral moeten zij xicli goed gedragen ton einde een goed voorbeeld te geven.
God, wiens plaats de oversten bekleeden, zal hen eenmaal oordooien. Hij zal do geestelijke oversten oordooien, van don Paus van Rome die aan het hoofd staat van gansch de katholieke Kerk tot don Pastoor van de kleinste parochie. Hij zal do wereldlijke oversten oordeelon, van don .machtigsten koning of keizer
tot den burgemeester van do kleinste gemeente, en Hij zal hen streng oordeelen, want er staat geschreven; Judicium duris-simum his qui prcesunt: Die over anderen aangesteld zijn ■wacht een zeer streng oordeel.
God zal de oversten geven loon naar werken. Hij zal de oversten die hunne plichten nauwkeurig volbrengen ruimschoots beloonen; Hij zal de oversten die hunne plichten verwaarloozen streng straffen: Polmies potenter torrnenta patientur. (i)
Alvorens onze onderrichtingen over het vierde gebod te eindigen, moeten wij nog spreken over de plichten der meesters jegens hunne dienstboden. De meesters moeten lumne dienstboden:
I. Zacht en christelijk behandelen;
II. Zij moeten voor hen zorgen;
III. Zij moeten hun loon stipt betalen.
I.
Vooreerst moeten de meesters hunne dienstboden zacht en christelijk behandelen. Bijgevolg moeten zij hen niet met trotsch-heid bejegenen, maar met liefde; hen niet met bits-en stuurschbeid aanspreken of gebieden, maar op eene zachte en beleefde wijze. Zij moeten hun een voldoend onderhoud bezorgen en zij mogen hen niet met werk overladen. Als de dienstboden ziek worden, dan moeten zij vooral voor hen zorgen. Die verplichting, li. B., verstaat men gemakkelijk, als men overweegt wat de dienstboden zijn.
De dienstboden zijn ons gelijken naar de natuur, zij zijn onze broeders en zusters naar den godsdienst.
Zij zijn ons gelijken naar do natuur. Die dienstknecht en dienstmeid zijn van hetzelfde stof gemaakt als do meester en meesteres. Die baas en vrouw zijn stof en asch gelijk zij: Pulvis CS: Zij zijn zonder iets en in armoede in de wereld gekomen
(i) Sap. vi, 7.
gelijk zij. Waaraan hebben zij te danken van boven hen verheven te zijn? Waarbij komt het dat gij baas, zijn knecht niet zijt, en hij knecht, uw meester niet is? Dat gij vrouw, hare dienstmeid niet zijt, en zij dienstmeid, uwe meesteres niet is? Om geene andere reden dan omdat God het zoo gewild heeft. Wie zijt gij dus? Waarover verhoovaardigt gij u? En hoe durft gij uwe dienstboden met stuurschheid behandelen, met minachting op hen nederzien? Doch dat is niet alles.
De dienstboden zijn ook onze broeders en zusters naar den godsdienst. Zij zijn geschapen naar het beeld en de gelijkenis van God gelijk de meesters. Zij zijn door het goddelijk bloed van Jesus-Christus vrijgekocht en herboren in de H. waters des Doopsels gelijk de meesters. Zij hebben hetzelfde recht op den hemel als de meesters. God bemint hen zoowel als de meesters, misschien meer dan hen; Hij heeft voor hen in den hemel eene plaats bereid, misschien eene verhevener dan voor de meesters. En de meesters zouden hunne dienstboden durven verachten? Zij zouden hen durven mishandelen? Neen B. B., gij zult hen integendeel met zachtheid en christelijke liefde behandelen, en zoo zult gij hun lot, dat overigens reeds zwaar genoeg valt, zooveel mogelijk verlichten.
Daarenboven, wat doen de dienstboden voor hunne meesters? Zij werken voor hen en hunne kinderen. Gij zult misschien zeggen: Wij betalen hen voor hunnen dienst. Waarmede? Met hunne huur. \'t Is waar, B. B., maar gij moet hen ook nog betalen met goed - en zachtheid, met christelijke liefde, wijl zij uws gelijken zijn naar de natuur, uwe broeders en zusters naar den godsdienst. De H. Schrift drukt zich daarover op de volgende wijze uit; Zoo gij een getrouwen dienstknecht hebt, hij zij u dierbaar als uwe ziel, behandel hem als eonen broeder. Stel u niet aan in uw huisgezin, zegt de Wijze Man, gelijk een leeuw, die alles omverwerpt en huisgenooten en dienstboden onderdrukt. De meesters moeten dus hunne dienstboden zacht en christelijk
behandelen, zoo nochtans, dat de dienstboden weten en bemerken dat zij onder hen moeten staan.
II.
Op de tweede plaats moeten de meesters voor hunne dienstboden zorgen. Zoo iemand voor de zijnen en voornamelijk voor zijne huisgenooten geene zorg draagt, zegt de Apostel Paulus, hij heeft het geloof verloochend, en hij is erger dan een ongeloovige. Hij heeft het geloof verloochend, in dezen zin, dat hij de werken des geloofs niet doet, wijl hij zijn huisgezin volgens de voorschriften des geloofs niet bestiert. Hij is slechter dan een ongeloovige. Waarom? Omdat de Heidenen zelfs gewoon waren hunne huisge-nooten tot den dienst hunner valsche goden aan te zetten, en wij Christenen zouden hen nog niet eens aanzetten tot den dienst van den eenigen waren God?
De meesters moeten zorgen dat hunne dienstboden onderwezen worden, en bijgevolg moeten zij hen naar den Catechismus en naar de school zenden. Dit geldt, gelijk gemakkelijk te begrijpen is, vooral de jongere dienstboden of kinderen.
De meesters moeten zorgen dat hunne dienstboden zich goed gedragen. Daarom moeten zij zorgen dat hunne dienstboden op Zon - en feestdagen de H. Mis en de sermoonen bijwonen, en dat zij op behoorlijken tijd tot de li. Sacramenten naderen. Zoo de dienstboden aan hunne godsdienstplichten te kort blijven, moeten de meesters hen met goedheid vermanen en aanzetten van zich van hunne plichten te kwijten. In geval de meesters aan dien strengen plicht te kort blijven, zich daarover volstrekt niet bekommeren, zondigen zij grootelijks. Ik weet wel, men vindt meesters die daaraan niet denken, of liever, die zich daarom niet bekreunen; zij zien maar of hunne dienstboden voordeelig zijn voor hunne tijdelijke zaken, en als zij maar werken is alles goed. Goed voor die meesters, maar zal het ook goed zijn bij den Meester der meesters, bij God? Neen, B. H., en eenmaal
Geloofs-en Zedenleer. 3«lc Deel. 16.
— 242 —
zullen zij voor God streng te verantwoorden hebben, want God zal hun ziel voor ziel afvragen.
Eene zaak, nog opmerkenswaardig, is de volgende. Bijaldien uwe dienstboden hunne plichten van christen mensch goed volbrengen, d. i., zoo zij dikwijls de H. Mis bijwonen, tot de H. Sacramenten naderen, daaruit kan niets dan voordeel voor de meesters voortspruiten. Hoe dat? De dienstboden, die als Christenen hunnen Heer on God getrouw dienen, zullen ook hunne meesters getrouw dienen; doch een dienstbode, die er geene zwarigheid uitmaakt zijnen Heer en God ontrouw te zijn, zal er ook geene zwarigheid uitmaken zijne meesters ontrouw te zijn, hen te bedriegen, zelfs te bestelen, als hij er dc gelegenheid toe heeft en de politie maar ontkomen kan. Wanneer de meesters dus hunne dienstboden ontrouw maken aan God, zij moeten zich niet verwonderen zoo de dienstboden hun ook ontrouw worden.
De meesters zijn ook streng verplicht het gedrag hunner dienstboden te bewaken, vooral zoo zij kinderen hebben en dienstboden van beide geslacht. Zij moeten dus zorgen dat zij in geene slechte of gevaarlijke gezelschappen komen, dat zij geene goddelooze of zedenkwetsende taal voeren. Meesters! vader en moeder! Gij moogt geene dienstboden huren die vloeken of zedenkwetsende taal voeren, die zonder godsdienst zijn. O hebt toch medelijden met uwe eigene kinderen, die nog jong en onschuldig zijn, maar die op den duur door slechte dienstboden oeheel en al zullen bedorven worden. Maar men weet ook niet altijd vooruit, wat voor personen men in dienst krijgt. Daarom moet gij, alvorens dienstboden te huren, goed uit uwe oogen zien. Weet gij, bijv., dat zij om hun slecht gedrag hier of daar weg zijn geraakt, en in geval gij niet stellig verzekerd zijt dat zij zich gebeterd hebben, dan moet gij die personen niet in uw huis nemen. Bemerkt gij later dat gij bedrogen zijt, hetgeen natuurlijk kan gebeuren, dat uwe dienstboden den schijnheilige gespeeld hebben en inderdaad slecht zijn; dan moet gij hen
— 243 —
vermanen on berispen, en zoo zij zich niet beteren zijt gij streng verplicht hen weg te zenden, \'t Is wonder; als men een paard of oene koe wil koopen neemt men alle voorzorgen. Is men bedrogen, men tracht er zich zoo spoedig mogelijk van te ontdoen. Handelt dan voor het minste ook zoo als er sprake is van dienstboden te huren, van welke oneindig meer afhangt. Wat hangt er dan van af? liet geestelijk leven van de zielen uwer kinderen en van de andere dienstboden kan afhangen van één dienstbode; één dienstbode die slecht is, kan alles bederven.
Anderen zeggen: Maar \'I is hedendaags zoo moeielijk om goede dienstboden te bekomen en ik heb veel werk. Ik geloof dat het eerste overdreven is, althans ik hoop het, zoo niet, \'t zoude niet pleiten voor de meesters, want zoo meesters zoo dienstboden, en omgekeerd. Doch ziehier wal van die zaak is. Zoo gij de diedstboden die slecht zouden zijn, volstrekt noodig hebt en geene anderen kunt krijgen, dan moogt gij hen houden voor den tijd dat gij ze noodig hebt; daarna moet gij hen laten vertrekken. Daarenboven moet gij hen vermanen en zorgen dat uwe kinderen en andere dienstboden zich zoo veel mogelijk voor hen wachten.
Uit hetgeen ik zoo even kom te zeggen kan men gemakkelijk begrijpen dat de meesters verplicht zijn hunne dienstboden een goed voorbeeld te geven. De meesters dus die spotten met God of godsdienst, die vloeken en slechte taal voeren in de tegenwoordigheid der dienstboden en hen op die wijze goddeloos of zedeloos maken, zijn dubbel plichtig. Maar, zegt men soms; Ik heb daarin geene slechte inzichten; \'i is enkel om eens te lachen. Gij kunt zeggen wat gij wilt; maar ik zeg u, gij beleedigt God zeer, gij ergert uwe dienstboden, en gij maakt u en hen ongelukkig.
Men vindt soms meesters — doch ik hoop dat er onder u geen enkel zij — meesters zoo slecht dat zij de dienstboden van het ander geslacht tot het kwaad aanzetten, verleiden en ongelukkig maken. Ik weet inderdaad niet hoe die meesters te
— 244 —
noemen; zij zijn tijgers, ja erger dan tijgers. Een tijger verscheurt het lichaam, maar de verleider verscheurt de ziel van den raensch. Dergelijke meesters zijn geen plaatsbekleeders van God, maar plaatsbekleeders van den duivel; zij zijn quot;wangedrochten, monsters van hoosheid, die de vervloeking van hemel en aarde verdienen. Wee! ja, driewerf wee de meesters, die door schandelijke listen en lagen hunne dienstboden verleiden. Dat arm, maar braaf meisje is bij hen in dienst getreden om voor zich en hare ouders een stuk brood te verdienen; \'t is in hun huis gekomen om bescherming te vinden voor hare deugd en onschuld; en zij, zij verleiden de onschuld door vleitaal, met wat geld; zij berooven dat kind van zijn kostbaarsten schat; zij maken liet tot een slachtoffer hunner toomclooze driften; \'t zal een leven vol schande moeten slijten, wellicht zal het voor eeuwig verloren gaan. Door de schuld dier slechte meesters is al het kwaad gekomen; dat kind kende eerst geen kwaad; ja, zij hebben eene ziel vermoord, voor welke Jesus-Christus aan het kruis gestorven is. Ik vraag het u, zijn dergelijke meesters niet de grootste booswichten die men vinden kan? O, B. B., weten wij wel dat er in eeuwigheid een rechtvaardige Rechter leeft, die; alles gehoord en gezien heeft, wiens rechtvaardige wraak eenmaal in al hare zwaarte donderend op die slechte meesters zal nederkomen, die Hij, zoo zij zich niet bekeeren en het ongelijk hunne dienstboden aangedaan zoo goed mogelijk niet herstellen, voor eeuwig in het diepste der hel zal folteren. Doch zwijgen wij van die afschuwelijke misdaad.
111.
De meesters moeten op de derde plaats de dienstboden stipt hunne huur betalen. De huur der dienstboden of het loon der arbeiders op welke wijze ook onthouden, is eene overgrooto zonde. De H. Schrift vergelijkt ze bij eenen moord. Die iemand het brood ontneemt, zegt de II. Geest, dat hij in het zweet gewonnen heeft, is gelijk aan die zijnen evenmensch doodt. Die
1 bloed vergiet cn den arbeider zijn loon onttrekt zijn gebroeders, \'t Is, gelijk wij later zullen zien, eene wraakroepende zonde. bloed vergiet cn den arbeider zijn loon onttrekt zijn gebroeders, \'t Is, gelijk wij later zullen zien, eene wraakroepende zonde.
])o meesters moeten ook edelmoedig en goed zijn jegens oude en zieke dienstboden. Worden zij in hun huis ziek, dan moeten zij hen naar vermogen verzorgen; wordt de ziekte gevaarlijk, dan moeten zij zorgen dat hunne dienstboden bij Lijds de Heilige Sacramenten ontvangen.
SLUITREDE.
Ik eindig met de onderrichtingen over het vierde gebod. Voorzeker, ik heb daarover groote en harde waarheden gezegd, doch gelijk wij allen begrijpen uit plicht en tot ons aller welzijn. Ik zeg uit plicht. Ja, B. B., \'t is een strenge plicht voor ons, Priesters, de geloovigen die aan onze; zorgen zijn toevertrouwd, hunne plichten voor oogen te houden. Wee ons. Priesters! zoo wij zwijgen! God zal ons eene strenge rekenschap vragen. Hij zal uwe zielen ons toevertrouwd eenmaal uit onze handen terug-eischen, en wee ons Priesters! zoo er maar ééne door onze schuld verloren gaat. \'t Is dus ook tot ons aller welzijn gelijk uit het voorgaande blijkt.
Maken wij nu het vaste voornemen van het vierde gebod trouw na te komen. Vrede en eendracht, voorspoed en geluk zullen reeds hier op aarde in de huisgezinnen heerschen, en eindelijk, wat liet voornaamste is, wij allen, ouders en kinderen, meesters en dienstboden, zullen als broeders en zusters met de Engelen des hemels eenmaal deel maken van het groot huisgezin, waarvan God de Vader en Maria do Moeder is, om rond hen geschaard in eeuwigheid gelukkig te zijn. Amen.
VIER - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING
VIJFDE GEBOD
OVER DEN DOODSLAG
Non occides.
Gij zult niet doodslaan. (Ex. xx, 13.)
LXHOUD.
VOORREDE.
Het vierde gebod leert hoe wij ons jegens de overheid moeten gedragen. Het vijfde gebod, hoe wij zorg moeten dragen voor ons leven. Het leven van den mensch is tweederlei, het leven des lichaams en liet leven der ziel. Wij moeten zorg dragen voor ons leven en voor het leven van den evenmensch.
VERDEELING.
I. Hoe misdoet men tegen zijn eigen leven en lichaam?
II. Hoe tegen het leven en lichaam van den naaste?
2\'17
Men misdoet tegen hot vijfde gebod door zich zeiven het leven te benemen. De zelfmoordenaar begaat eene misdaad tegen God, tegen zich zeiven en tegen de maatschappij.
Men misdoet ook tegen het vijfde gebod door zich zonder reden bloot te stellen aan het gevaar van zijn leven of zijne gezondheid te verliezen, als men zijn leven verkort, zijne gezondheid benadeelt door onmatigheid in spijs en drank, enz.
• •. ;« . \'\' \'
1 kiil
Men misdoet togen het vijfde gebod door den evenmensch zonder wettige macht of reden dood te slaan. De moordenaar schendt Gods rechten, hij ondermijnt de maatschappij en stort zijnen evennaaste in \'t ongeluk.
Men misdoet tegen het vijfde gebod door den evennaaste te wonden ofte verminken. Het eenige middel tegen de vechtpartijen is de oorzaak weg te nemen. Wat is een tweegevecht? Waartegen strijdt het? Hoe wordt het gestraft?
Men misdoel niet tegen het vijfde gebod door iemand wei l ig en rechtvaardig van het leven te berooven.
SLUITREDE.
De vrijwillige doodslag is eene wraakroepende zonde. Voorbeelden van straffen. Wachten wij ons, niet alleen van doodslag of moord, maar ook van alles wal er aanleiding toe kan ge\\en, zooals vechtpartijen, omgang met twistzieke personen, spel en drank.
I
1-i\'
ill
; ryssp» 1
i
1 Mi
— 248 —
VIER - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING
VIJFDE GEBOD
OVER DEN DOODSLAG
Non nccides.
Gij zult niet doodslaan. (Ex. xx, 15.)
VOORREDE.
In het vierde gebod, B. B., hebben wij onder anderen gesproken over de plichten jegens de ouders en meesters.
In de zes overige geboden gaan wij sproken over de plichten jegens alle menschen zonder onderscheid.
Het vijfde gebod luidt als volgt; Non occides: Gij zult niet doodslaan; in andere woorden: Mei wil of mei loerhen sla niemand dood. Door het vijfde gebod wil God \'s menschen leven beveiligen tegen allo onrechtvaardige aanslagen. Het leven van den mensch is tweederlei, het leven des lichaams en het leven der ziel. Het vijfde gebod gebiedt ons van gematigd zorg te dragen voor het leven en de gezondheid des lichaams; vervolgens, van zorg te dragen voor het leven en de zaligheid der ziel. Het vijfde gebod gebiedt ons ook van met den evennaaste in vrede en eendracht te leven. Doch, B. B., wij moeten vooral zien wat het vijfde gebod verbiedt. De Catechismus vraagt:
Wat verbiedl hel vijfde gebod\'? En hij antwoordt:
Zich zeiven 0/ eenige andere menschen zonder wettige macht en reden dood te slaan, te kwetsen, merkelijk te hinderen, of daartoe raad of hul]) te geven.
II
— 249 —
I
(m
pte
1
!lp;
li ■ Ij\'?;?\'
1
MIN
■•■] n\' y i
li
iili
; ■ r\'jf:!
li
-: • V ; -
, ii
{M*!
m iii
■.
m
} ij
.1\'; . L 5
iter
lllli ■
■ n^RK#! : [:-*£ •
; \'t \'lp l
; ?tl
Doodslaan is iemand hot leven benemen. Kwetsen is iemand wonden toebrengen, of van het een of ander lidmaat, bijv., de hand, den voet berooven. Merkelijk hinderen is iemand in zijne gezondheid benadeelen door hem slecht voedsel te geven, enz.
De Catechismus zegt: Zich zeiven of andere menschen. Zien wij dus hoe men misdoen kan:
I. Tegen zijn eigen leven en lichaam;
II. Tegen het leven en lichaam van den naaste.
I.
Men misdoet tegen zijn eigen leven en lichaam, als men zich zeiven het leven beneemt. Die zich zeiven het leven beneemt is een zelfmoordenaar, en hij begaat eene drievoudige misdaad, tegen God, tegen zich zeiven en tegen de maatschappij.
Vooreerst begaat hij eene misdaad tegen God. De mensch, B. B., is geen meester van zijn leven, hij mag er niet naar willekeur over beschikken. God heeft hem het leven geschonken, en God is Heer en Meester van leven en dood. Wie zich zeiven. dus het leven beneemt, schendt de rechten van God.
Vervolgens begaat hij eene misdaad tegen zich zeiven. Hij doet zich zeiven het grootste ongelijk aan, want hij berooft zich van den tijd om boetvaardigheid te doen voor zijne zonden, om de deugd te oefenen, om andere goede werken te verrichten en zich op die wijze verdiensten te vergaderen voor den hemel. Daarenboven, hij stort zich nog met open oogen in zijn eeuwig ongeluk. Men vindt er die zich het leven benemen om een ongeluk of eene kwelling, om schade of schande te ontkomen. Is dan de zelfmoord een redmiddel? O die lafaards! Zij hebben den moed niet om een tijdelijk ongeluk, eene tijdelijke kwelling te verdragen, en zij vreezen niet zich neder te storten in het eeuwig ongeluk, in de eeuwige vlammen der hel.
, m.....
Eindelijk begaat de zelfmoordenaar eene misdaad tegen de maatschappij. Hij berooft haar van een lid, weigert haar zijnen dienst, ergert de inenschen door zijn slecht gedrag en berokkent zijne familie de grootste schande en smart.
Aangezien die drievoudige misdaad, is het dan te verwonderen dat de H. Kerk den zelfmoordenaar na zijnen dood nog vervolgt met hare straffen, en dat zij hem de kerkelijke begrafenis weigert? Neen, B. B., maar wat waarlijk te verwonderen is, dat is, dat er in onze verlichte (?) eeuw schrijvers gevonden worden die zich niet schamen de zelfmoordenaars voor moedige helden te houden, den zelfmoord voor eene heldendaad aan te zien. Doch ik vraag het: is dat heldenmoed toonen de kwellingen en wederwaardigheden van dit kortstondige leven niet te willen verdragen? Is dat eene heldendaad verrichten tie menigte der misdaden die men bedreven heeft, met de ijselijkste der misdaden, met den zelfmoord te eindigen om eene eeuwigheid van pijnen te beginnen in de hel? Neen, B. B., daartoe wordt geen heldenmoed vereischt, en \'t is uit lafheid, uit gebrek aan geloof en uit wanhoop dat de mensch zich om het leven brengt. Een held daarentegen is hij, die zich zeiven overwint, die van zijne misdaden en zonden afstand doet en ze uitboet; maar de verach-tenswaardigste der menschen is hij, die zich zeiven niet meester zijn eigen beul wordt.
Men misdoet tegen zijn eigen leven en lichaam, als men zicli zonder wettige reden of noodzakelijkheid aan het gevaar blootstelt van zijn leven of zijne gezondheid te verliezen, en vandaar de waaghalzen, \'t Is geheel anders, B. B., als er reden bestaat om zich aan een gevaar bloot te stellen. Zoo moet, bijv., een soldaat in tijd van oorlog op zijnen post blijven. Een geneesheer of een priester stelt zich aan het gevaar bloot door de zieken te bezoeken; doch hun gedrag, in plaats van afgekeurd, verdient goedgekeurd en geprezen te worden.
— 251 —
Men iiusdoet legen zijn eigen leven en lichaam, als men zich dikwijls overgeeft aan de zonden van dronkenschap en onmatigheid, van ontucht en gramschap; daardoor ondermijnt men zijne gezondheid en verhaast men den dood. Bijaldien de tijd toeliet hierover breedvoerig te spreken, ik zoude u iets kunnen doen zien. Het onmatig gebruik van sterke dranken kan iemand eensklaps uit het leven wegrukken, ofwel op den lijd van weinige uren dooden, en het dagelijksch gebruik van sterke dranken, maar een weinig buiten mate genomen, verzwakt en verkort het leven van den mensch. \'t Is verschrikkelijk en schier onge-loofelijk, hetgeen men in de statistieken van de gevolgen der dronkenschap leest. In Kngeland, bijv., doet de dronkenschap jaarlijks vijftig duizend menschen ten grave dalen. De helft der zotten in de godshuizen, het drie vierde der misdadigers in de gevangenissen, het twee derde der armen, het vierde van hen die schielijk sterven, hebben hun ongeluk aan de dronkenschap te\' wijten.
Hoe vele ellendige slachtoffers maakt de ontuchl niet? Zij vult de hospitalen met walgende zieken en rukt er velen in den bloei hunner jaren van het tooneel der wereld weg.
De gramschap kan iemand plotseling doen dood vallen en de voorbeelden daarvan zijn niet zeldzaam.
Men misdoet tegen zijn eigen leven en lichaam, als men zich uit droefgeestigheid, uit gebrek aan geduld of uit wanhoop den dood of groot kwaad toewenscht. Zeggen: Ik wilde dat ik dood ware, enz. uit onverduldigheid, iu eene haast en bijgevolg zonder het te meenen, is natuurlijk geene groote zonde; nochtans, men moet zich van die uitdrukkingen wachten, \'t Is niet verboden zich den dood toe te wenschen om groot lijden of zware pijnen te ontgaan, mits men voor het overige aan den wil van God onderworpen zij. Verlangen te sterven om niet meer te kunnen zondigen en om zoo spoedig mogelijk in den hemel te zijn, zulk verlangen is niet alleen niet afkeurens-, maar zelfs prijzenswaardig
— 252 —
en verdienstelijk. Wat zeide de Apostel Paulus: Ik verlang ontbonden te worden en met Christus te zijn, riep hij uit: Desiderium habens dissolvi et esse cum Christo. (i)
Zoo even hebben wij gezien, B. B., wanneer men tegen zijn eigen leven cn lichaam misdoet. Zien wij nu wanneer men misdoet tegen het leven en het lichaam van den naaste.
II.
Men misdoet tegen het leven en lichaam van den naaste, als men hem zonder wettige macht of reden van het leven berooft. De vrijwillige doodslag is eene wraakroepende zonde. De moordenaar schendt Gods rechten, hij ondermijnt de maatschappij en stort den evenmensch in het ongeluk.
De moordenaar schendt vooreerst Gods rechten. Ik zal dooden en levend maken, zegt God uitdrukkelijk; Ego occidam et vivere faciam. (2)
De moordenaar ondermijnt de maatschappij. Wat zoude er geworden van de maatschappij? Wat zal men nog eerbiedigen, zoo men het leven van den evenmensch niet meer eerbiedigt? Ook verliest een land of rijk door den moord niet zelden zijne beste burgers, die hunne medeburgers beschermen en verdedigen moesten.
Eindelijk stort de moordenaar zijnen evenmensch in zijn tijdelijk en misschien in zijn eeuwig ongeluk, want wordt hij in staat van doodzonde van het leven beroofd, dan gaat hij voor eeuwig verloren.
Ziedaar aan welke afschuwelijke zonde de moordenaar zicli pliohtig maakt.
Men misdoet tegen het leven en lichaam van den naaste, als men hem kwetst, d. i., als men hem wonden en verminkingen toebrengt door slagen en stooten; als men zijn leven verbittert
(jj Pu. 1, 23. (2) Dekt. xxn .39.
of verkort door een slecht gedrag of andere harde behandelingen. Alzoo zijn de vechtpartijen, die soms de noodlottigste gevolgen hebben, tegen het vijfde gebod.
Om de vechtpartijen te voorkomen bestaat er geen ander middel dan de oorzaak waaruit zij voortspruiten, weg te nemen, zooals de omgang met twistzieke menschen, het spel, de dronkenschap, enz.
He( dnël ol\' tweegevecht is ook eene afschuwelijke zonde. Door duel verstaat men een gevecht tusschen twee of meer personen, die koelbloedig met elkander handgemeen worden, nadat zij de plaats, den dag, het uur, de wapenen en de getuigen aangeduid hebben. Zulk gevecht heeft wel eens plaats ouder hooggeplaatste personen om hunne eer, gelijk zij dat noemen, te wreken of te herstellen, daar zij zich integendeel door het duel verachtelijk en eerloos maken. Het duel is tegen alle wetten, tegen de wet der naluur en tegen de kerkelijke en burgerlijke wetten. Daardoor wil men zicli persoonlijk wreken en recht doen gelden, hetgeen verboden is. Immers, God zegt uitdrukkelijk: Aan Mij behoor! de wraak: Mild vinilic.ta. (l)
Bijaldien iemand ongelijk aangedaan wordt, moet hij zich, zoo iiij voldoening vordert, tot de rechtbanken wenden, die daartoe aangesteld zijn; docli het duêl is liet middel niet noch om zijne onschuld te bewijzen, noch om zijne eer te luTStellen: integendeel, in het duel waagt men zijne gezondheid en zijn leven, en men trekt op zich en zijne familie ellende en schande. Geen wonder dus dat de 11. Kerk het duel verboden heeft en de duellisten streng straft. Zij heeft namelijk vastgesteld dat de duellisten, de getuigen en aldegenen die er deel aan nemen, in den kerkdijken ban vallen, en dat zij die in een duel sneuvelen, de kerkelijke begrafenis niet zullen ontvangen.
Ik heb gezegd, B. B., dat men misdoet tegen het leven (gt;11 lichaam van den naaste, als men hem zonder wettige macht of reden van het leven berooft.
(l) Hom. xii, 19.
— 251 —
Bijgevolg kunnen er zich gevallen opdoen, waarin men zijnen naaste mag dooden, zonder zich aan moord plichtig te maken. Alzoo mag de wereldlijke overheid groote misdadigers, zooals, bijv., moordenaars, ter dood brengen. Bat recht heelt God, die de Heer en Meester is van leven en dood, aan de overheid overgedragen. In dat geval zondigt de overheid niet tegen het vijfde gebod: integendeel, zij doet goed en zij draagt er sterk toe bij om hare onderdanen uit vrees voor de doodstraf het vijfde gebod trouw te doen nakomen. Be bedreiging met levenslange gevangenis is niet iu staat, gelijk door de gezonde rede en de geschiedenis genoeg bewezen is, zekere slechte mensciien van moorden terug te houden; daardoor wordt hun het leven in zekeren zin gewaarborgd, wijl hun altoos de hoop blijft op de een of andere wijze uit de gevangenis te geraken.
Ook mag een soldaat in een rechtvaardigen oorlog, of wanneer hij niet zeker weet dat de oorlog onrechtvaardig is, zijnen vijand dooden.
Men mag zijnen vijand ook dooden, zoo dit het eenige middel is om zijn eigen leven te redden, bijv., eenen moordenaar die u het leven wil benemen.
Ziedaar, B. B., reeds eenigszins verklaard, wanneer men zondigt tegen het vijfde gebod.
sluitrede.
Be vrijwillige doodslag, zelfs van het kleinste kind, dooi\' wien ol o]) welke wijze ook begaan, is eene hemeltergende zonde, (rod haat de moordenaars en straft hen reeds dikwijls in dit leven. Be moordenaars, zegt de Profeet David, zullen de helft van hunne jaren niet bereiken. Caïn, de eerste broedermoorder, verviel in wanhoop. Door de knaging zijns gewetens aanhoudend gefolterd, vluchtte hij immer voort, dwaalde overal rond; hij meende dat men hem telkens zoude ombrengen.
Zeker miin had zijnen broeder vermoord. Hij meende dat zijn broeder hem eiken avond voor oogen kwam, en dat hij hem een beker met bloed aanbood, zeggende: Drink, broeder! drink. De schrik overviel hem zoodanig, dat hij overal vluchtte en eindelijk van ellenden omkwam. Een ander had een kind vermoord; hij meende dat liet kind hem overal vervolgde en toeriep; Barbaar, waarom hebt gij mij vermoord? Negen jaren lang leefde hij in dien ellendigen toestand; eindelijk dat verwijt moede, gaf hij zich over aan het gerecht, Weed zijne misdaad en stierf op het schavot. Hetzelfde wordt verhaald van eene vrouw die twee kinderen had omgebracht. Alhoewel zij zich reeds oprecht bekeerd en gebiecht had, kon zij haar geweten niet gerust stellen; zij gaf zich over aan het gerecht en verzocht van gevonnisd en gestraft te worden. Men moet mij het hoofd afzagen, zeide zij, opdat ik voor mijne misdaden gepijnigd worde en boete doe. Ook de voeten moet men mij afzagen; die voeten, welke zij misbruikt had om slechte personen op te zoeken en slechte partijen bij te wonen, en bij welke gelegenheid zij baar zondig leven begonnen had.
Omloodig, B. B., van u te zeggen; Wacht u van den doodslag; wij allen hebben er een te grooten afschuw van; doch wat ik tot zekere personen zeg; Wacht u voor vechtpartijen, die soms aanleiding geven tot moord, gelijk door de ondervinding, helaas! maar al te dikwijls gebleken is. Gij zijl er streng toe verplicht. O ij zijt ook streng verplicht te vermijden al wat aanleiding geeft tot vechtpartijen, zooals de omgang met personen die er loe aanzetten, het spel, de dronkenschap, Men vindt personen die zeer bedaard zijn, maar die, als zij wal veel verspeeld hebben, tot vechten komen. Anderen, die zeer rustig zijn, maar als zij wat veel gedronken hebben slaan zij over tot geweldenarijen. Welk middel nu om de vechtpartijen te voorkomen? Geen ander dan gelijk ik reeds gezegd heb, de oorzaak wegnemen, bijv., t\'huis blijven van deze of gene plaats ter gelegenheid van een feest; niet omgaan met personen die slechten raad geven, en die,
— 256 —
na anderen in het net of ongeluk gebracht te hebben, zeiven er van doorgaan; om zooveel geld niet spelen; zorgen van de herbergen zooveel niet te bezoeken. Alsdan zult gij u, B. B., veel onaangenaamheden en onkosten besparen; gij zult u niet verachtelijk maken in de oogen van deftige menschen; en eindelijk, nooit of nimmer zult gij de straffen inloopen, waarmede de overtreders van het vijfde gebod bedreigd worden. Amen.
VIJF - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING
VIJFDE GEBOD
OVER DE VERMALEDIJDING EN GRAMSCHAP, DEN HAAT EN DE NIJD
Qui oO.it fratrem suvn homicida ent.
Die zijnen brooder haat is een moordenaar.
(i. »1oan. iii, lö.)
ixiiori).
VÓORUKDK.
Men zondigt tegen het vijfde gebod dooi\' zich zelven ol anderen zonder wettige niiieht of reden dood le slaan, l,e kweisen, merkelijk te hinderen en daartoe raad of hulp te geven: insgelijks door iemand te vermaledijen, kwiiad te wenschen, door grain te worden en door haat en nijd in liet hart te dragen. Alzoo strijdt \' nog tegen het vijfde gebod:
VERDKEMNÜ.
I. Iemand vermaledijen en kwaad wenschen;
11. De gramschap;
111. Haat en nijd in het hart dragen.
Gicloofs - en Zedenleer. 3de Deel. 17.
— 258 —
1.
Iemand vermaledijen en kwaad wenschen is altijd zonde en doodzonde, zoo men groot kwaad wenscht en het wezenlijk meent.
Iemand beschimpen, verwijtingen doen en beleedigende woorden toespreken strijdt ook tegen het vijfde gebod en kan soms doodzonde zijn.
11.
De gramschap strijdt tegen bet vijfde gebod. Zij is eene dierlijke drift en eene korte razernij. Met grammoedige personen kan men niet huizen. Jesus leert duidelijk dat de gramschap zonde is.
lil.
De baat en de nijd zijn ook zonden tegen het vijfde gebod. Zoolang iemand den doodelijken haat niet a(logt, blijft hij in staat van doodzonde, en de H. Sacramenten, in dien staat ontvangen, zijn zoovele hoiligschendingen. De nijd geeft niet zelden aanleiding tot moord. Abel en Caïn, Joseph en zijne broeders, (\'hrishis en de .loden.
In de zonde tegen het vijfde gebod moet men doorgaans de hoedanigheid van persoon uitdrukken. In de zonde van haat, hoe lang hij geduurd heeft, in de zonden tegen bet vijfde gebod kan men ook tot schadevergoeding verplicht zijn.
SLUITRKDE.
De Heidenen beschamen vele Christenen, namelijk, de onver-dragelijke, oploopende, wraaknemende en nijdige Christenen: deze luisteren niet naar Jesus als bij zegt: Leert van Mij dat Ik zachtmoedig en nederig van karte ben. Gelukkig de vreedzamen, want zij zullen kinderen Gods genoemd worden.
» — 259 —
VIJF-EN-TWINTIGSTE ONDERRICHTING
VIJFDE GEBOD
OVER DE VERMALEDIJDING EN GRAMSCHAP, DEN HAAT EN DE NIJD
Qui odit Jratrem smiui homicida est.
Die zijnen broeder haat is een moordenaar.
(I. J OAK. Ill, lo.)
VOORRKDK.
Pi
■r:|r 11 iH fm.
illl
3 Eli\' ï
P
V
\'1!
i
| j aquot;.f|
ii :fe \' ■||;
Aldegenen, li. B., die zich zch\'cn of anderen zonder wettige macht of reden doodslaan, kwetsen of merkelijk hinderen, misdoen tegen het vijfde gebod; ook die daartoe raad of hulp geven, door, bijv., den moord zonder wettige macht te bevelen, door hem aan te raden, door iemands inzichten van een moord te plegen goed le keuren, door iemand daartoe aan te zetten, zeggende dal hij een lafaard is zoo hij geen wraak neemt, door iemand wapenen lot een moord te verschaffen, enz. Men kan zich nog aan moord plichtig maken door hem niet te beletten als men kau: iemand, bijv., zoude welen dal men zijnen evemnensch naar het leven staat, en hij zoude hem, zoo hij kan, daarvan niet verwittigen; een ander is onschuldig, doch wordt valsch aangeklaagd, gevangen genomen en ter dood veroordeeld; bijaldien men nu dien persoon kan redden, is men er streng toe verplicht. Buiten vermelde zonden tegen hel vijfde gebod, die voorzeker de grootste zijn, zijn er nog andere en waaraan men zich niet zelden plichtig maakt, De Catechismus vraagt:
Misdoen zij allen tegen het vijfde gebod, die metterdaad iemand hinderen? En hij antwoordt:
Ja, ook degenen die iemand vermaledijden,kwaad loenschen, gramachap of haat en nijd in het hert dragen.
tei
-■
■li .. quot; ■
.#è,|
i\' t:
j
11 -ti i
quot;quot;«1 «
lit
• ; „V
\' Vf\'
m
\' !ii| i:
■ iaHlIT
■ I
h \'i\'; IhMk Ü\'-iv. 19
;::p?
»ii J
tn
— 260 —
Al deze zonden strijden tegen het vijfde gebod, omdat zij tot den moord aanleiding geven. Zij zijn niet altijd doodzonden, doch zij kunnen soms doodzonden zijn. Wij zullen vandaag in \'t kort zien wat er verstaan moet worden:
1. Dooi\' de zonde van vermaledijding;
II. Door de zonde van gramschap;
III. Door do zonden van haat en nijd.
1.
Wat heteekenl vermaledijóri? Vermaledijen. B, 1!., beteekent met een slecht inzicht verlangen dat ons of anderen kwaad overkome, terwijl men tevens God of den duivel aanroept, opdat door hunne tusschenkomst aan ons verlangen voldaan worde.
Kwaadwenschen is niets anders dan met een slecht inzicht verlangen dat ons of anderen kwaad overkome, zonder Gods tusschenkomst of die van den duivel in te roepen.
Zekere menschen maken zich dikwijls aan de zonden van vermaledijen of althans van kwaad wenschen plichtig. Hoe dikwijls gebeurt hot niet dat de een den andere kwaad wenscht? Hoe dikwijls hoort men zekere personen die kwaad op hunnen naaste zijn, niet zeggen: lie wilde dat hij dood viel, dat hij de beenen brak, enz. Bijaldien het wezenlijk gemeend is, B. B., hetgeen men zegt, wie kan er dan aan twijfelen of men zondigt doodelijk tegen het vijfde gebod? Iets anders zoude het natuurlijk wezen, bijaldien men in overhaasting en zonder het te meenen iets dergelijks zeide. Nochtans, men moet zich altoos van dergelijke uitdrukkingen zorgvuldig wachten.
Zonder juist iemand te vermaledijen of kwaad te wenschen, zondigt men ook tegen het vijfde gebod door iemand schimpwoorden toe te spreken, door hem verwijtingen en beleedigingen te doen.
— 261 —
ïlf
Dit blijkt duidelijk zoo men een weinig nagaat wat wol cons het gevolg is van die schimpwoorden, verwijtingen en beleodi-gingen. Wanneer men elkander beschimpt, verwijt of boleedigt, geraakt men dikwijls aan \'t vechten. Ook zoude men daardoor grootelijks kunnen zondigen, zoo de bokuidigingen groot zijn en men zijnen naaste daardoor grootelijks bodroelt. Men moet zieli dus altijd in acht nemen, en wel zorgen van nooit woorden uit zijnen mond to laten gaan, die aanstootelijk of beloodigond voor iemand zouden kunnen wezen. Ook mag men niet terstond kwaad worden, zoo hot een 1)1\' ander woordje dat ons minder aangenaam is, gezegd wordt: \'t zijn immers maar woorden; en wat zijn woorden? Woorden, zegt Thomas a Ivempis, zijn klanken die niemand kwetsen.
Men treft menschen aan, die bij het minste dat hun tegengaat, bij de kleinste beleodiging hun aangedaan, zich in gramschap stollen en zich willen wreken ol\' kwaad met kwaad vergelden.
II
ö-;
1|
\'lil i1 \'ï
! S
lil
If r:\'|
i ij
Wal is de gramschap? De gramschap, H. 15., is cone onredelijke en ongeregelde begeerte ol\' zucht naar wraak; zij is ceno schandelijke zonde. De mensch die zich door de gramschap laat vervoeren, luistert naar niets dan naar zijne drilt. Waarmede kan men don grammoedige beter vergelijken dan mot een dier, dat zich in woede gestold heeft? Do gramschap benoemt don mensch soms hot gebruik der rede, zoodat hij niet meer als oen redelijk schepsel te werk gaat. De grammoedige spreekt en handelt, raast en tiert als een waanzinnige. Daarom noemde de wijsgeer Seneca de gramschap eenc korte razernij. Is hot nu te verwonderen dat die personen hatelijk zijn, dat men met hen niet kan huizen? Doch de H. Schrift zegt het duidelijk: Wie zal, zegt zij, kunnen leven met een mensch die zich gemakkelijk in gramschap stelt;\' Onze goddelijke Zaligmaker, over do gramschap sprekende, leert dat zij verdient gestraft te worden, (lij hebt
| ll
tl!
fi\'
_
1
— 262 —
gehoord, sprak Jesus zekeren dag, dat er tot de ouden gezegd is: Gij zidt niet doodslaan, en al wie doodslaat is strafbaar voor het gerecht, d. L, de rechters zullen hem veroordeelen en doen straffen; maar Ik zeg u, voegt Jesus er bij, dat al wie op zijnen broeder kwaad wordt, strafbaar zal zijn voor het gerecht: Reus erit judicio. Het gebod dus: Gij zult niet doodslaan, verbiedt niet alleen den werkelijken doodslag, maar in het algemeen allo onredelijke en ongeregelde, zelfs inwendige gramschap en bijgevolg zal eenieder die zieb onredelijk en ongeregeld vergramt, van God gestraft worden. Ik zeg onredelijk en ongeregeld. Immers, wordt men gram met reden en is onze gramschap niet onstuimig, zoo dat zij de palen niet te buiten gaat, dan is zij volstrekt geene zonde: bijv., iemand zoude gram worden omdat de goede God beleedigd, omdat de evenmenseli benadeeld wordt; hij wordt dus gram, omdat God of den evenmensch ongelijk wordt aangedaan; daardoor zondigt hij niet; integendeel, \'t is eene goede, heilige gramschap, en vandaar dat de 11. Schrift zegt: Irascimini et noble peccare: Wordt gram, maar wilt niet zondigen. Nu nog een woordje over den haat en de nijd.
111.
Wat is de haat? De haat, B. H., is een inwendige wrok, dien men tegen zijnen evenmensch voedt, zoodat men hem verfoeit, niet wil hooren of zien, zelfs soms kwaad wenscht. De H. Joannes over den baat sprekende zegt: Qui odit fratrem suum, homi-cida est: Die zijn-n broeder haat is een moordenaar. Daardoor wil de H. Joannes wel niet zeggen, dat iemand die zijnen naaste haat, terstond tot moord overgaat; maar hij wil daardoor te kennen geven, dat uit langdurigen haat soms moord voortkomt, die eerst, in \'t hart van den mensch niet gedachten en begeerten bedreven wordt. Op eene andere plaats zegt dezelfde Apostel: Qui non diligit manet in mor te: Die niet bemint blijft in den dood, d. i., die een doodelijken haat tegen zijnen broeder heeft blijft in staat van doodzonde, zoolang hij dien haat niet aflegt.
— 263 —
i
«ipH ; ■■■BK 5
Een haatiU\'ïiger, R. B., maakt zich doorgaans aan talrijke en groote zonden plichtig. Hij kan zoo dikwijls te biechten gaan, tot de H. TalW naderen, zijnen I\'aschen houden als liij wil, alles te vergeefs, quot;t zijn allegAar heiligschendingen. Welk een ongelukkig schepsel als de haatdrager. En nochtans, R. R., van die ongelukkigen treft men aan; ja, wat meer is, men treft soms gansche familiën aan, die er\' mede hehebt zijn. Die haat gaat niet zelden over van den vader tot den zoon, van de moeder tot de dochter, van den zoon en de dochter tot hunne kinderen, en zoo bestaat die haat soms jaren en jaren lang in een en dezelfde familie en maakt er velen van ongelukkig. En wat is er niet zelden de oorzaak van?
Men heeft, bijv., onderling het een of ander goed moeten deelen, en men meent in zijne rechlen gekrenkt te zijn. Ik zeg: Men meent, want \'t is inderdaad dikwijls niet. Docli al had men u ook wezenlijk in uwe rechlen gekrenkt en. onrechtvaardig behandeld,. gij inoogt uwe rechten voorstaan, gij moogt u de schade doen herstellen, doch nooit of nimmer hebt gij het recht van uwen evemnensch, uwen broeder, uwe zuster te haten. God gebiedt zelfs onze vijanden te beminnen: Diligitd inimicos vestros: (\\) en ingeval gij uwen haat niet aflegt, blijft gij immer in staat van doodzonde; Qui uoii dilif/it incmet in movte; ja, gij zijt in zekeren zin een moordenaar: Qui odit fratvem suum homicida est. Hetgeen ik hier van den haat gezegd lieb, geldt ook eenigszins van de nijd:
Wat is de nijd? De nijd is cene onredelijke en ongeregelde droefheid over het goed van den evemensch, dat men beschouwt als zijn eigen kwaad. Daaruit volgt doorgaans dat men zich verheugt en verblijdt zoo den evemnensch het een ol ander ongeluk overkomt.
De nijd geeft niet zelden aanleiding tot de grootste onheilen, ja zelfs tot moord. Waarom kwam Caïn zoo ver dat hij zijnen
(1) Mattii. v. 14.
■ }ér
pi I
1••eifi:
m \' fi
fil\'M I
.
•jr
\'li
il J 1 H
m
i\'l
\'r
Si r c,
H ■ gt;\':11
mi tfli
t f
i i f
■Si
i$$jar
— 264 —
broeder Abel, die hem niets misdaan had, dood sloeg? Hij kon hem niet verdragen; hij benijdde Abel dat diens offerande van (iod aanvaard en de zijne verworpen werd. Waarom wilden de zonen van Jacob hun jongsten broeder Joseph ombrengen? Omdat zij hem benijdden dat hij van hun vader boven hen bemind werd Waarom stonden de Joden onzen goddelijken Zaligmaker naar het leven en hebben zij Hein eindelijk vermoord? Onder anderen, omdat zij Hem niet konden verdragen, uit nijd en uit afgunst; zij konden niet zien dat zooveel Joden hen verlieten en Jesus aanhingen. Vandaar ook dat de Opperpriester (quot;aïphas in den raad zeide: Ziet gij dan niet dat allen Hem naloopen en dat wij niets vorderen? Hij moet dus uit den weg geruimd worden. Ziedaar, 1!. 15., hoe ver de nijd den mensch kan voeren, tot den moord, tot den broeder-ja tot den Godsmoord.
In de zonden tegen het vijfde gebod moet men dikwijls de hoedanigheid van persoon uitdrukken als men te biechten gaat; die hoedanigheid verandert weieens de zonde en kan ze ook merkelijk verzwaren: bijv., men zoude zijne ouders of geestelijke personen geslagen hebben; in de zonde van haat, hoe lang hij geduurd heeft, of hij onderbroken is geweest, om zoo het getal der zonden te kennen.
Eindelijk is het niet altoos genoeg de zonden tegen het vijfde gebod enkel te biechten; men kan soms ook tot schadevergoeding gehouden zijn. Iemand, bijv., heeft zijn evenmensch onrechtvaardig wonden toegebracht; daardoor vervalt de gewonde in onkosten bij den geneesheer; hij kan niet werken, dus niets verdienen zoolang bij niet genezen is. Wie is verplicht de onkosten te betalen, de schade te herstellen? Die zijnen evenmensch de wonden heelt toegebracht; ja, hij moet alles naar vermogen herstellen.
SLUITRRDK.
De II. Basilius verhaalt ons van een Heiden met name Pericles het volgende. Een man van de geringe klasse overlaadde zekeren
dag dien beroemden veldheer en staatsman met de grootste beleedigingen. l\'erides stoorde er zich niet aan en iüoef kalm, alhoewel de beleedigingen tot don avond werden voortgezet. Toen bet donker geworden was, maakte Pericles zeil licht aan en bracht daarmede zijnen heleediger naar huis. Bijaldien een Heiden dus zijne driften zoo wist te bedwingen, is het dan geene schande, B. B., dat Christenen bij elk hard woord, bij eene kleine beleediging terstond gramstorig worden, dat zij kwaad met kwaad, onrecht met onrecht, slagen met slagen vergolden? Wie zal in zulk gedrag de navolgers erkennen van Hem, die zijne leerlingen toeriep; Leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van harte. Neen, 15. 1!., de onverdraagzame, oploopende, wraakzuchtige en nijdige menschen verdienen den naam van Christenen niet. Zij zijn gelijk aan vuurspuwende bergen, wijl zij bij de minste aanleiding een stroom beleedigingen, vloeken en verwenschingen uitbraken, en soms dood en verderf verspreiden. Daarom, Pgt;. li., moeten wij ons best doen van in den beginne reeds alle opwellingen tot gramschap legen te gaan; wij moeten vreedzaam, vriendelijk en zachtmoedig zijn naar het voorbeeld van onzen goddelijken Zaligmaker. Wordt iemand kwaad op ons, daarom moeten wij niet kwaad worden, maar wij moeten de gramschap van dön evemueusch met een zacht antwoord trachten te breken.
Gelukkig ook de vreedzamen, want zij zullen kinderen Gods genoemd worden. Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde bezitten, de aarde der levenden, d. i., den hemel. Ja, 15. B., zoo wij Jesus hier op aarde onder anderen ook in de deugd van zachtmoedigheid navolgen, zullen wij wezenlijk zijne kinderen zijn, en in hoedanigheid van kinderen Gods zullen wij eenmaal den hemel erven. Amen.
ZES - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING
VlJl\'HK GEBOD
OVER DE ERGERNIS
1«? homini HU per qucm scandalum vcnill AVee den mensoh door wien de ergernis komt! (Mattii. xviii, t.)
LXNOÜJ).
VOORREDE.
Het leven van den mensch is tweederlei; liot leven des lichaams en het leveji der ziel. Het loven der ziel is ook tweederlei, liet natuurlijk en het bovennatuurlijk leven.
Evenals men den mensch naar liet lichaam kan kwetsen of dooden, zoo ook kan men hem kwetsen of dooden naar de ziel, door de oorzaak te zijn dat hij in dagelijksche of doodzonde valt, dus door de zonde van ergernis.
VKRDEKI.ING.
I. Wat is ergernis?
II. Wie zijn de voornaamste ergernisgevers?
III. Welke is de boosheid dier zonde?
267
\'f
I.
Ergernis is een woord, werk of verzuimenis minder goed, waardoor men den evenmensch gelegenheid geeft tot zonde.
Wat is ergeren met-of zonder opzet?
Waarvan hangt de hoedanigheid en grootte dezer zonde af?
Wanneer bedrijft men de zonde van ergernis, wanneer niet al ergert zich de evenmensch aan hetgeen men doet?
II.
De voornaamste ergernisgevers zijn:
1° Die goddelooze en zedenkwetsende taal voeren;
2° De ouders en meesters die slechte voorbeelden geven of hunne plichten verwaarloozen;
3° De geestelijke on wereldlijke overheid, door niet te beletten dat misbruiken Insluipen, of door de reeds ingeslopen niet naar vermogen uit te roeien;
•1° De herbergiers die alles in hunne herbergen toelaten en niet zelden zelf mede doen;
5° Die op verboden dagen zonder noodzakelijkheid in \'t openbaar vleesch eten en slaafsche werken verrichten.
III.
Men kan de boosheid der ergernis hier op aarde niet berekenen. In den laatsten dag des oordeels zullen wij ze beter kennen.
De ergernisgever is een handlanger van den duivel, een vijand van de H. Drievuldigheid. Men kent de boosheid dier zonde eenigszins aan hare gevolgen. Woorden van Jesus-Christus.
SLUIT REDK.
Geschiedenis van een jongeling die door slechte makkers verleid, op zijn sterfbed uitriep: Wee dengene die mij verleid heeft!
i |
: I 1
1
— 208 —
ZES - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING
VIJFDE GEBOD
OVER DE ERGERNIS
Va; homini HU per quamp;m scandaluri venitl ^\'ee den meiisoli door wien do ergernis komt! (Mai\'th. xviii, 7.)
VOORREDE.
liet leven van den mensch, B. 15., is tweederlei, het leven des lichaams en het leven der ziel. Het leven der ziel is ook tweederlei, namelijk, het natuurlijk en het bovennatuurlijk leven. Wat haar natuurlijk leven betreft, de ziel is onsterfelijk, zij kan niet sterven en zal nooit te niet gaan; doch wat haar bovennatuurlijk leven, d. L, het leven der genade betreft, de ziel kan dat leven verliezen, en helaas! zij verliest het maar al te dikwijls. Immers, evenals men het lichaam van den even-mensch kan kwetsen of dooden, zoo kan men ook zijne ziel kwetsen of dooden. De Catechismus vraagt:
Misdoen zij tegen het vijfde gebod, die hunnen naaste verergernis geven? Kn hij antwoordt:
Ja; want met verergernis te geven, kwetsen of dooden zij de ziet van hunnen naaste.
Men kwetst de ziel van den naaste, als men de oorzaak is dat hij in dagelijksche zonde, men doodt zijne ziel, als men de-oorzaak is dat hij in doodzonde valt.
De moordenaar der ziel is, de zaak wel verstaan, een afschuwelijker booswicht, een grooter misdadiger dan de moordenaar van liet lichaam. De dood naar liet lichaam is geen kwaad in
— 269 —
\\
de oogen van God; zij is niets anders dan een gevolg van het eenige kwaad, van de zonde, en vandaar dat God zijn schepsel kan dooden; doch de dood naar de ziel is een overgroot, ja, zij is het eenige kwaad in de oogen van God, en God kan den mensch volstrekt niet ergeren.
Die waarheid hoe klaar en duidelijk ook, wordt, helaas! niet genoeg ingezien Men denkt, of liever men wil er niet aan denken, en daarom bedrijft men zoo licht en zoo vele zouden van ergernis; doch eenmaal, namelijk, in den laatsten dag des oordeels, als Jesus-Christus zijne Engelen zal bevelen alle ergernisgevers te verzamelen om hen in den afgrond der hel te werpen, dan zal die waarheid, doch, helaas! te laat ingezien worden.
Om ons een afschuw van die zonde in te boezemen, en om er ons altoos zorgvuldig van te wachten zullen wij vandaag onderzoeken:
I. Wat ergernis is;
II. Wie de voornaamste ergernisgevers zijn;
III. Welke de boosheid dier zonde is.
1.
Ergernis geven, IJ. 15., beteékent den toestand der ziel van den evenmensch verergeren. Schandaal geven beteekent iemand een struikelsteen leggen, waarover hij valt, d. w. z., iemand aanleiding geven tot zonde.
Wat is nu ergernis? Ergernis is een woord, werk. verzuimenis minder goed, waardoor men zijnen evenmensch gelegenheid ol aanleiding geeft tot zonde. Ik zeg: tuinder cjoad. Immers, t, is niet noodig dat hetgeen waardoor men ergert, juist in zieii kwaad zij, alhoewel zulks doorgaans het geval is; quot;t is genoeg dat het als kwaad beschouwd wordt, al is het in zich goed ol onverschillig.
— 270 —
Men ergert zijnen evenmensch als men hem rechtstreeks aanzei: tol zonde, bijv., men wil iemand door vleitaal tot slechtigheid overhalen, of een vader gebiedt zijn kind van te stelen.
Men ergert zijnen evenmensch, zonder hem rechtstreeks aan te zetten tot zonde, door hem de gelegenheid te geven van te zondigen, in welk geval men het inzicht heeft van hem tot zonde te brengen, en dat noemt men ergeren met opzet-, ofwel men heeft juist het inzicht niet van hem tot zonde te brengen, maar een ander doel, en dat noemt men ergeren zonder opzet.
De ergernis kan beschouwd worden in hem door wien, en de daad waardoor zij komt; vervolgens in hem die geërgerd wordt en zondigt.
De hoedanigheid en grootte van de zonde van ergernis hangt af, deels van den persoon, die, het inzicht waarmede, en de daad waardoor hij tot zonde aanzet; deels van den persoon die, en de zonde waartoe hij wordt aangezet.
Iemand rechtstreeks tot zonde aanzetten is altoos zonde, doodzonde of dagelijksche zonde, volgens dat de zonde is, waartoe men aanzet.
Iemand de gelegenheid geven tot zonde, met het inzicht van hem tot zonde te brengen, is ook altoos zonde.
Iemand de gelegenheid geven tot zonde, zonder inzicht van hem tot zonde te brengen, is ook zonde ingeval men geene genoegzame reden heeft om zich daaraan onverschillig te houden.
Ziehier nu eenige gevallen waarin men niet zondigt al is het ook dat de evenmensch zich ergert;
1° Als hetgeen men verricht in zich goed of onverschillig is, en de mensch ergert zich daaraan uit enkele boosheid. Zoo ergerden zich de Phariseën over de genezing van den waterzuchtige door onzen goddelijken Zaligmaker;
2° Als hetgeen waaraan de mensch zich ergert, ons op zonde geboden is, vooral door de wet der natuur, want men mag nooit kwaad doen opdat er goed uit voortkome;
3° Als hetgeen waaraan de mensch zich ergert, in zich goed of onverschillig is en niet kan daar gelaten worden zonder merkelijk nadeel in onze ziel of in ons lichaam, d. i., in onze geestelijke of tijdelijke goederen. In dergelijk geval verplicht het gebod der liofde tot den naaste niet. Zien wij nu wie de voornaamste ergernisgevers zijn.
II.
De voornaamste ergernisgevers zijn :
1° Die goddelooze en onzuivere taal spreken: goddelooze taal, die spreken tegen God of godsdienst, tegen Kerk of geestelijkheid ; die met de godvruchtige personen, met de sermoonen, sacramenten, mis, kruisweg en andere godsdienstoefeningen den spot drijven of lachen.
Onzuivere of dubbelzinnige taal, en dubbelzinnige taal is niet zelden erger dan onzuivere taal rechtuit gesproken. Men vindt soms personen die denken dat zij daardoor geene ergernis geven, omdat do aanhoorders er mede lachen en mede spreken, en dat zij er ergernis door geven, als de aanhoorders verontwaardigd worden en hen berispen. B. B,, \'t is juist het tegenovergestelde. In het eerste geval bedrijven zij groote zoude van ergernis, wijl de aanhoorders daardoor in zonde vallen\'; in het tweede geval zondigen zij wel is waar tegen de schoone deugd van zuiverheid door hunne slechte gesprekken, doch zij bedrijven eigenlijk geene zonde van ergernis, wijl de aanhoorders niet in zonde vallen.
Tot deze klasse van ergernisgevers behooren ook, die slechte liederen zingen, slechte boeken of dagbladen aan anderen verkoopen, uitdeelen of laten lezen; slechte prenten, schilderijen of beelden ten toon stellen of verkoopen; personen, vooral van het ander geslacht, die zich onzedig kleeden.
2° De ouders en meesters bedrijven niet zelden de zonde van ergernis door hun slecht voorbeeld; door vloeken en dronkenschap, zoo dat hunne kinderen en dienstboden doorgaans ook vloekers en dronkaards worden; door plichtverzuim, omdat zij het kwaad niet beletten, alhoewel zij kunnen, maar integendeel onder hunne kinderen of dienstboden van beide geslacht alles toelaten en zich nergens om bekreunen als er maar gewerkt wordt. De ouders die hunne kinderen tot het kwaad aanzetten, de meesters die hunne dienstboden tot val brengen.
3° De overheid zoo geestelijke als wereldlijke kan zondigen door ergernis, als een Pastoor en Burgemeester het kwaad naar vermogen niet tegen gaan, niet beletten dat er schandelijke misbruiken insluipen; als zij hun best niet doen om de in de parochie of gemeente reeds ingeslopen misbruiken uit te roeien.
4quot; Er zijn nog andere personen die zich aan de zonde van ergernis grootelijks plichtig maken: de herbergiers, bijv., die zells \'s nachts hunne herbergen openhouden, die door te veel drank te geven de menschen dronken maken, die alles toelaten in hunne huizen, zedenkwetsende gesprekken, slechte liederen, vloeken, schandelijke verkeeringen, enz., in een woord, die nergens naar om zien als zij maar tappen, schenken en geld verdienen, en die voor vijf centiemen hunne eigen ziel en die van den evenmensch aan den duivel verkoopen.
Maken zich ook aan de zonde van ergernis plichtig, die op Vrijdagen en andere dagen waarop het verboden is, in \'t openbaar en zonder noodzakelijkheid vleesch eten, die óp Zon-en geboden feestdagen zonder reden in \'t openbaar slaafsche werken verrichten.
Ziedaar, B. B., de voornaamste ergernisgevers. Blijft er nog over te spreken over de boosheid dier zonde.
111.
Nooit of nimmer, B. B., zullen wij ons hier op aarde een volledig denkbeeld vormen van de boosheid der zonde van
— 273 —
ergernis. Tn den laatsten dag des oordeels zullen wij eerst voor goed beseffen aan welke afschuwelijke en talrijke zonde de ergernisgever zioh plichtig maakt. Ziellier nochtans hoe men zich eenigszins een denkbeeld van de boosheid dier zonde kan maken.
De ergernisgever is op de eerste plaats een handlanger van den duivel. De duivel, do eerste vijand van God, beoogt niets anders dan de menschen tot zonde te brengen, hunne zielen te vermoorden en voor eeuwig ongelukkig te maken. Vandaar dat de H. Joannes den duivel noemt een moordenaar van den beginne. Welnu, in dat werk staat de ergernisgever den duivel ter zijde en helpt hij hem op allerlei wijze. Hij ook is de vijand van God. Hij is de vijand van God den Vader. God de Vader heeft de menschen geschapen om Hem hier op aarde te dienen en te beminnen, ten einde hiernamaals voor eeuwig met Hem gelukkig te zijn in den hemel. Kn ziet, de ergernisgever trekt de menschen van dat einde af; hij zegt als hot ware tot God den Vader: \'t Is waar, Gij hebt dat kind, dien jongeling, die Jonge dochter geschapen om U te dienon en te beminnen en hiernamaals eeuwig te aanschouwen, doch ik, ik wil dat zij in plaats van U te dienen tegen U opstaan, in plaats van C te beminnen U beleedigen, in plaats van 1\' in den hemel te aanschouwen voor eeuwig uw goddelijk aanschijn derven in de hel. Hij is de vijand van God den Zoon. God de Zoon heeft de menschen toen zij verloren waren vrijgekocht, dertig Jaren lang heeft Hij daarvoor gearbeid, geslaafd en gezwoegd; Hij heeft gansch zijn leven geleden, doch vooral op het einde; toen heeft Hij hangende aan het kruis zijn goddelijk bloed tot den laatsten druppel vergoten. Mij dunkt, ik hoor Jesus zeggen: Ach! spaar de zielen toch die Mij zoo duur zijn komen te staan, voor welke Ik geleden heb en gestorven ben; en de ergernisgever zegt: Ik zal ze niet sparen.
Hij is de vijand van God den H. Geest. God de H. Geest tracht de menschen op allerlei wijze tot het goed te brengen;
Gbloofs-en Zkdbnlbbr. 3«1o Dbel. 18.
— 274 —
daartoe verlicht Hij hun verstand en zet hunnen wil aan. Hoe schoon maakt de H. Geest eene onschuldige ziel! Hij siert haar met de kostbaarste sieraden van deugden; en de ergernisgever, wat doet hij? Hij spant al zijne krachten in om de menschen tot het kwaad te verleiden, om die onschuldige zielen met zonden en misdaden te bezoedelen.
De gevolgen der ergernis toonen ook de boosheid dier zonde, zij zijn niet te berekenen. Want wat is doorgaans het geval? De persoon door u verleid, verleidt een tweede, de tweede een derde, en zoo gaat de verleiding immer voort, groeit het getal der verleiders en verleiden immer aan, en worden de zonden door hen bedreven als het ware ontelbaar. God de alwetende alleen kan het getal der zonden berekenen, waarvan de eerste verleider de eerste oorzaak is. Waar is de verleider die niet siddert en beeft, als hij daarover met ernst nadenkt? Doch zien wij ook nog hoe onze goddelijke Zaligmaker zich over de ergernis uitdrukt.
Den ergernisgever bedreigt hij met de volgende woorden: Wee den mensch, door wien de ergernis komt! Vee homini illi, per quem scandalum venit! (i) Het ware hem beter met een molensteen aan den hals in de diepte der zee geworpen te worden. En van de bedorven wereld zegt Jesus-Christus: Wee de wereld om de ergernissen! Vee mundo a scandalis!
Besluit hieruit B. B., hoe groot de boosheid der ergernis moet zijn, aan welke afschuwelijke zoude de ergernisgever zich plichtig maakt, welke straffen hem wachten en vroeg of laat zullen treffen. •
Wanneer men zich aan die zonde, althans met opzet heeft plichtig gemaakt, dan moet men in de biecht uitdrukken welke personen men geergerd heeft, omdat de omstandigheid van persoon de zonde dikwijls verandert of verzwaart. Ook moet
(1) Matth. xvii, 6.
de ergernisgever de schade, die hij de ziel van den evenmensch heeft toegebracht, /.co goed mogelijk herstellen, hetgeen doorgaans geschiedt door een voorbeeldig gedrag en door voor hem te bidden.
SLUITREDE.
Alvorens te eindigen ga ik u eene droevige geschiedenis verhalen. Thomas de Cantipratenser meldt ons het volgende. Een zijner medeleerlingen onderscheidde zich in het begin zijner studiejaren bijzonder door zijne bescheiden - en zedigheid. Door het slecht voorbeeld van andere studenten verleid, gaf hij zich later aan de schandelijkste zonden over. Zijne vrienden de ongelukkige verandering in hem bespeurende vermaanden hem, zelfs onder bedreigingen van tot liet pad der deugd terug to komen, doch alles te vergeefs. Na zekeren dag in zwelgerij en ongebondenheid te hebben doorgebracht, kwam hij \'s avonds laat t\'huis; doch luistert wat er plaats had. \'s Nachts begint hij te kermen en eensklaps te schreien. Be huisgenooten wakker geworden komen aanstonds tpegeloopen; zij vragen wat hem scheelt, maar krijgen geen antwoord. Weldra bemerken zij dat hij ziek is en dat hij in doodsgevaar verkeert. Met zijn schandelijk gedrag bekend, denken zij op de eerste plaats aan zijne arme ziel; zij vermanen hem van zich door een goed berouw over zijne zonden en door eene oprechte biecht tot de eeuwigheid voor te bereiden, doch, helaas! de huisgenooten richten niets uit, alles is te vergeefs. De wellusteling, wiens rol afgespeeld is, die terstond gaat sterven, antwoordt niet, hij zwijgt op al hunne smeekingen, vermaningen en bedreigingen. Wat ging er op dat oogenblik wel om in zijn knagend geweten? Ik laat er u over oordeelen uit het volgende. Kindelijk breekt do jongeling zijn diep stilzwijgen en hij valt in een hartverscheurend geschreeuw uit, terwijl hij wanhopende roept: Wee dengene die mij verleid hee/l! Wee hem! ik zie de hel voor mij geopend, hel is gedaan met mij, en onder die woorden stierf
hij. Gij hebt het gehoord, B. B., en ik hoop, ook begrepen. Wee dengene die mij verleid heeft! Moet de ergernisgever, moet de verleider niet sidderen en beven op het hooren dier woorden? Roept er misschien thans uit de diepste kolken der hel eene verdoemde ziel tegen hem om \\vraak, wijl hij haar verleid, wijl hij haar in de hel gestort heeft? Zal misschien die jongeling, die jonge dochter later op haar sterfbed der wanhoop ten prooi van n verleidster, van 11 verleider eenmaal, zoo niet uitwendig, dan toch inwendig hetzelfde niet zeggen? Wee haar! Wee hem, die mij verleid heeft! of zal die persoon, door uwe schuld voor eeuwig verdoemd te midden der helsche vlammen tegen u in verwijtingen en verwenschingen uitvallen? Die vraag kan ik niet met zekerheid beantwoorden. God weet het, doch \'t is niet onmogelijk. Herinnert u de geschiedenis van den wellusteling, die ik zoo even verhaald heb; zij is wel in staat om indruk op ons te maken, om ons krachtdadig aan te zetten van nooit onzen evenmensch te ergeren. Hebt gij het ongeluk gehad van u aan die zonde plichtig gemaakt te hebben, bekeert u, verandert van gedrag. In plaats van te verleiden tot het kwaad, tracht door een goed en voorbeeldig gedrag de slachtoffers die gij gemaakt hebt, tot het goed terug te brengen en bidt voor iien. Vlucht ook de ergernisgevers en de verleiders evenals den duivel zeiven; want gelijk hij, zoo ook zoeken zij uwe ziel te vermoorden. Wacht u voor hunne vleitaal, luistert niet naar hunne honigzoete woorden, wantrouwt hunne beloften en wijst altoos hunne geschenken van de hand. Waarom? De ergernisgever, de verleider heeft het inzicht van u ongelukkig te maken en geen ander.
Eindelijk stichten wij elkander door goede voorbeelden; bidden wij voor elkander als kinderen van denzelfden Vader die in den hemel is, om eenmaal, na God getrouw gediend en daartoe elkander geholpen te hebben, te zamen het geluk te hebben van Hem voor eeuwig te mogen bezitten in den hemel. Amen.
ZEVEN - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING
ZESDE GEBOD
OVER DE ONKUISCHHEID
Fugite fornicationem.
Vlucht do onkuisoliheid. (i, Cob. vi, is).
INHOUD.
VOORREDE.
Thans gaan wij over liet zesde gebod handelen ten einde te krijgen een grooten afschuw van de schandelijke zonde van onzuiverheid en eene groote achting voor de schoone deugd van zuiverheid.
Wat verbiedt liet zesde gebod?
VERDEELING.
I. Alle uitwendige zonden van onzuiverheid;
II. Alles wat er aanleiding toe kan geven.
I.
Het zesde gebod verbiedt vooreerst overspel, vervolgens onkuischheid en eindelijk alle uitwendige zonden tegen de schoone deugd, bedreven door oneerbare aanrakingen, op wat
— 278 —
manier en onder welke personen; door oneerbare woorden en zangen. IJdele uitvluchtsels van den vuilnisspreker. De vuilnis-spreker is gelijk aan een inenscli die etter spuwt. Men moet den vuilnisspreker vluchten en de zedenkwetsende gesprekken verbieden ot\' zoo veel mogelijk beletten. Door hot gebruik van onzuivere boeken en beelden. Wat zijn romans? De onkuischheid is groote zonde. Woorden van den Apostel Paulus. In twijfel of liet een of ander strijdt tegen de sclioone deugd moet men zijnen biechtvader raadplegen. Men moet ook met eerbare woorden verklaren in de biecht op wat manier men door onkuischheid gezondigd heeft.
II.
Het zesde gebod verbiedt ook:
1° Lang zijne oogen op iemand te vestigen vooral op personen van het ander geslacht;
2° De oneerbare kleeding;
3° De gevaarlijke kennissen en bijeenkomsten;
4° De schouwburgen en danspartijen;
5° De onmatigheid in spijs en drank;
0° De lediggang en weekei ij kheid
SLUITREDE
Geschiedenis van eenen jongeling.
ZEVEN - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING
ZESDE GEBOD
OVER DE ONKUISCHHEID (!)
Fugite fornicationcm.
Vlucht do onkuischheid. (i, Cor. vi, is.)
VOORREDE.
lu onze onderriclitingen in de tien geboden, B. B., zijn wij gekomen aan het zesde gebod dat luidt als volgt; Aon mcechct-heris: Gij zult geen overspel doen; in andere woorden: Doe geen overspel of onkuischheid ooit. Door het zesde gebod wil God de schoone deugd, de kuischiieid beveiligen tegen alle vijandelijke aanvallen, liet eenige inzicht dat wij moeten hebben in de onderrichtingen over het zesde gebod, is, vooreerst een grooten afschuw te krijgen van de schandelijke zonde die er door verboden wordt, vervolgens eene groote achting voor de schoone deugd van zuiverheid. Te dien einde zullen wij vandaag zien wat het zesde gebod verbiedt.
De Catechismus vraagt:
Wat verbiedt het zesde gebod? En hij antwoordt:
Overspel, onkuischheid en cülc oneerlijke aanrakingen, in ivat manier en onder loelkc personen ze mochten geschieden, ja ook oneerlijke woorden, zangen en gebruik van onzuivere boeken en beelden.
(i) Mcmlnerit Catechista in materia de sexto et nono pnecepto melius esse in quibusdam defleere quam in paueis exeedere: ncceasaria tamen dicenda sunt, eaque dicat paree, casle et caule. Si quis meo modo meliorem modum necessaria exprimendi invenerit, hunc modum non possum non approbare.
— 280 —
Bijgevolg verbiedt liet zesde gebod:
I. Alle uitwendige zonden tegen de schoone deugd van zuiverheid;
II. Alles wat tot die zonde aanleiding kan geven.
I.
Het zesde gebod, B. B., verbiedt alle uitwendige zonden tegen de schoone deugd van zuiverheid: vooreerst, de grootere zonden ejjuso semine cum vel sine copula; — vervolgens, de minder groote zonden — non e/fuso semine. —
Het verbiedt vooreerst de grootere zonden zoo als overspel en onkuischheid.
Overspel is de zonde welke bedreven wordt door - of niet personen die reeds tot staat gekomen zijn, maar die hunnen staat te buiten gaan. Die zonde strijdt niet alleen tegen de schoone deugd van zuiverheid, maar ook nog tegen het Heilig Sacrament des Huwelijks en tegen de rechtvaardigheid, d. i., tegen de getrouwheid welke de gehuwden elkander aan den voet des altaars beloofd hebben: zij maakt de gehuwden, ja soms gansche familiën reeds in dit leven ongelukkig.
Door onkuischheid wordt hier verstaan elke grootere zonde Aan onzuiverheid of tegen de natuur, ofwel niet tegen de natuur, maar bedreven door hen die nog niet tot staat gekomen zijn.
Vervolgens verbiedt het de minder groote zónden zoo als oneerbare aanrakingen, woorden, zangen en het gebruik van onzuivere boeken en beelden.
Oneerbare aanrakingen zijn, die geschieden zonder noodzakelijkheid of wettige reden op de oneerbare deelen des lichaams
de deelen die niet genoemd mogen worden en waarover de mensch zich bijzonder schaamt; — die geschieden zelfs op eerbare deelen, maar met een slecht inzicht, — ad ciendos pravos moius; — die geschieden niet het naaste gevaar van
— 281 —
daardoor in de zonden tegen de schoone deugd te vallen: Op wat manier of op welke wijze die ook geschieden — per tactus, amplexus, oscula; — en onder welke personen, door ons of door anderen, aan ons of aan anderen.
Oneerbare woorden en zangen; woorden, d. L, gesprekken zonder reden over onzedige zaken. Zoo nu de onzedige gesprekken verboden zijn, daaruit volgt dat dergelijke gezangen of liederen niet minder verboden zijn.
De dubbelzinnige gesprekken zijn ook niet geoorloofd, en deze zijn niet zelden gevaarlijker dan de eerste. Van vermelde gesprekken zegt de Apostel Paulus: Onzuiverheid moet onder u niet eens genoemd worden, gelijk het Heiligen betaamt. De slechte gesprekken, zegt hij op eene andere plaats, bederven de goede zeden: Corrumpunt bonos mores eloquia prava: (i) De mond van den vuilnisspreker is gelijk aan een open graf, zegt de Profeet David, waarin een rot lichaam ligt dat een afschuwelijken stank verspreidt: Sepulcrum patens est guttur eorum. (-2)
Men vindt soms personen, die zich in dergelijke gesprekken willen verschoonen en zeggen: Wij hebben daarin geen slecht inzicht, \'t Komt er niet op aan; dergelijke gesprekken voeren met - of zonder slecht inzicht is altoos zonde, en bijgevolg verboden. Anderen zeggen: \'t Is maar om eens te lachen. Ha! gij ergert uwen naaste, gij beleedigt God, gij geeselt als het ware op nieuw uwen goddelijken Zaligmaker, die om de schandelijke zonde tegen de schoone deugd uit te boeten zooveel geleden heeft, gij maakt misbuik van uwe tong, waarmede gij God loven, danken en bidden moet, tong waarop het lichaam en bloed van Jesus-Christns in de H. Communie gerust hebben, en zoo doende maakt gij uwe arme ziel nog ongelukkig. Is dat, ik vraagquot; het u, B. B., al te maal maar om te lachen? Maar er waren toch geene kleine kinderen tegenwoordig die er door
(1) I Cor. XV, 33. (2) Ps. XIII, 3.
— 282 —
geërgerd werden. Kan men dan groote raenschen niet ergeren? Doch uit al die ijdele voorwendsels en uitvluchtsels blijkt duidelijk dat men plichtig is, want eerbare gesprekken mogen, én van kleine kinderen, én van groote menschen gehoord worden.
Wat moet men nu zeggen van hen die zedenkwetsende taal spreken? Als iemand etter spuwt zegt gij dat er bederf aan zijn lichaam is. Welnu, zoo is liet ook gelegen met den vuilnisspreker. Uit de oneerbare woorden die uit zijnen mond komen, mogen wij besluiten dat zijn hart bedorven is, en van daar het spreekwoord: Vuile monden vuile gronden. Bijgevolg, wacht u wel van ooit zedenkwetsende taal te voeren, vlucht de personen die zich aan die zonde plichtig maken, toont er altijd en overal uwe ontevredenheid over, en zij die over anderen aangesteld zijn, moeten ze streng verbieden.
Het gebruik van onzuivere boeken en beelden.
Onzuivere boeken, d. L, boeken waarin slechtigheden verhaald en beschreven worden. Wat de romans betreft, B. B., \'t is waar, er zijn romans, die niet slecht zijn; doch het getal der slechte romans is overgroot, en van daar dat men in \'t lezen van romans niet te voorzichtig kan zijn, en niets beter dan er zich geheel en al van te onthouden. De H. Alphonsus zich tot de huisvaders richtende zegt: Verbiedt uwe kinderen streng het lezen van romans, want deze stichten soms nog grooter kwaad dan de algemeen bekende slechte boeken, \'t Is gemakkelijk te begrijpen, als men inziet wat romans zijn. Romans zijn boeken, die niets behelzen dan droomerijen en verdichtsels van menschen die ze maken, doorgaans om geld te verdienen. Een groot gedeelte behelst geschiedenissen met slechtigheden doorweven. Hoeveel jonge personen, van welke men de schoonste verwachting had, zijn door hot lezen van romans van het pad der deugd geraakt en deugnieten en misdadigers geworden? Het getal dier ongeluk-kigen is overgroot. Het lezen der romans heeft; doorgaans de noodlottigste gevolgen.
Onzuivere beelden — en onder beelden worden ook verstaan schilderijen en prenten — die hetgeen met de schoone deugd in strijd is, uitdrukken en voor oogen stellen. De Catechismus vraagt:
Is de onkuischheid eène groots zonde? En hij antwoordt:
Ja; want de heilige Schriftuur zegt dat de bnkuischaards het rijk der hemelen niet zullen bezitten.
Elke zonde wetens en willens tegen de schoone deugd bedreven, hetzij met zich zelven, hetzij met anderen — extra Matri-monium — is altijd doodzonde. Er zijn personen die zich geruimen tijd in de modder der ontucht gewenteld hebben, wellustelingen genoemd, die deze zonde voor eeno menschelijke zwakheid aanzien. Luistert, B. 15,, wat de Apostel Paulus tot dusdanigen zegt: Bedriegt u niet, zegt hij, noch ontuchtigen, noch overspelers zullen het rijk Gods binnen gaan. Weet wel dat geen wellusteling deel heeft aan het rijk van Christus en van God. En op eene andere plaats: Aldegenen die de werken des vleesches doen, zullen bet rijk Gods niet erlangen, d. i., zullen niet in den hemel komen: Regnwn Dei non eonse-quentur. (i) Welnu, B. B., \'t is zeker, niemand wordt voor altijd buiten den hemel gesloten tenzij om doodzonde. Doch later, over de gevolgen dezer zonde sprekende, zullen wij nog beter zien aan hoe groote misdaad de onkuischaard zich plichtig maakt.
Bijaldien zekere personen, vooral die pas tot staat gekomen zijn, twijfelen of liet een of ander zonde of groote zonde is, bestaat er geen beter middel om geene zonde te bedrijven en niet tegen zijn geweten te handelen, dan eerst zijnen biechtvader te raadplegen. Doch hoe moet men zich van de zonden tegen het zesde gebod beschuldigen in de biecht? Men moet met eerbare woorden verklaren op wat manier men door onkuischheid gezondigd heeft. Men moot dus zeggen of men
(i) Gal. v, 21.
alleen geweest is of met anderen; of die zonde geschied is onder gehuwden, bloedverwanten, personen die gelofte van zuiverheid gedaan hebben of anderen. Ook. moet de biechteling zelf ootmoedig in zedige en korte woorden zeggen wat hij misdaan heeft.
Ziedaar, B. B., de voornaamste zouden tegen het zesde gebod. Dit gebod verbiedt ook nog alles wat aanleiding geeft tot de zonde van onkuischheid.
II.
Het verbiedt zijne oogen onvoorzichtig op anderen te vestigen, zich onzedig te kleeden, gevaarlijke kennissen en bijeenkomsten te onderhouden, schouwburgen en danspartijen bij te wonen, zich te buiten te gaan in spijs en drank, en eindelijk een lui en weekei ijk leven te lijden. Het verbiedt;
1° Zijne oogen onvoorzichtig op andere personen te vestigen. Men moet niemand lang met aandacht bezien — vooral geen persoon van het ander geslacht. — Waarom zijn de twee rechters gevallen die Susanna tot het kwaad aanzochten? Omdat zij hunne oogen niet bewaarden. Waarom is de koning David zoo diep gevallen dat hij een overspeler en moordenaar werd? Om dezelfde reden. De H. Augustinus noemt het oog de deur der ziel, en door die deur komt de zonde gemakkelijk binnen. Wachten wij ons dus wel van ooit onze oogen onvoorzichtig op anderen te vestigen. Het verbiedt;
2° Zich onzedig te kleeden. In de wereld treft men soms vrouwspersonen aan die zeggen: \'t Is de mode van zoo gekleed te gaan, en als men met de mode niet méégaat, wordt men uitgelachen. Wat zou men daarop kunnen antwoorden? Men zou kunnen antwoorden: \'t Is de mode in de wereld van door zich onzedig te kleeden, groote zonden te bedrijven en voor eeuwig verloren te gaan: volgt men dus die modepoppen na in de wereld, men zal ze ook volgen naar de hel. Ook moet men zich in den zomer tijdens de warmte in acht nemen en zorgen van op het veld of elders genoegzaam en zedig gekleed te zijn.
Buiten de onzedige kleederdracht bestaat er nog eene andere, die wel juist niet onzedig is, maar die toch voor christelijke vrouwen en jonge dochters niet past, en die bijgevolg af te keuren is. Ik bedoel, B. B., als men zich boven zijnen staat of stand kleedt, zich te zeer opschikt om te behagen en zich boven anderen te verheffen. Van dergelijken zegt de Apostel Paulus:
De vrouwen moeten zich...... met zedigheid en gematigdheid
opschikken. De ondervinding daarenboven leert dikwijls dat pronkzieke jonge dochters later smerige huisvrouwen worden, dat pronkzieke vrouwen juist niet de getrouwste echtgenooten zijn. Eenieder moet zich dus naar zijnen staat of stand kleeden en zich niet belachelijk maken; want wat is niet zelden het geval? Als men zich te hoog aanstelt wordt men uitgelachen en op allerlei wijze bepraat. Het verbiedt;
3° Gevaarlijke kennissen en bijeenkomsten te onderhouden. Onder de gevaarlijke kennissen en bijeenkomsten zijn voorzeker de gevaarlijkste, die plaats hebben tusschen jonge personen van beide geslacht, d. i., de ongeoorloofde verkeeringen. Ik zal u in het kort zeggen, wanneer eene verkeering gevaarlijk en verboden is.
Eene verkeering is gevaarlijk en verboden, die plaats heeft:
1° Zonder voorkennis van ouders of oversten;
2° Zonder plan en hoop op een huwelijk binnen min of meer korten tijd;
8° Zonder dat zij door ouders of oversten met zorg bewaakt wordt.
Bijaldien eene verkeering deze drie hoedanigheden niet heeft, men kan zeggen wat men wil, zij is reeds slecht of zal het weldra worden, en zij mag bijgevolg geen plaats hebben. Dat nachtelijke bijeenkomsten of laat in den avond met kermissen en feesten tusschen personen van beide geslacht slecht en verboden zijn behoeft niet gezegd te worden.
Van de gevaarlijke kennissen en bijeenkomsten geldt hetgeen de H. Oeest zegt: Die het gevaar bemint zal er in vergaan:
— 286 —
Qui amat periculum in Ulo peribit. (i) Hoeveel jongelingen zijn daardoor in de klauwen van den duivel gevallen? Hoeveel jonge dochters zijn daardoor ongelukkig en schandalen geworden? Hoeveel jonge personen hebben daardoor hunne onschuld, deugd en eer verloren? Doch \'t is de jeugd alleen niet, B. B., die plichtig is. Hoeveel ouders zijn er niet verloren gegaan en branden reeds in de hel, omdat zij hunne plichten verwaarloosd hebben, door die gevaarlijke kennissen en bijeenkomsten toe te laten? Dat de ouders daarover hun geweten maar goed onderzoeken, want velen blijven aan hunne plichten te kort en zullen, zoo zij niet bij tijds tot inkeer komen, niet beter varen dan die over welke ik zoo even gesproken heb. Het verbiedt:
4° De schouwburgen en danspartijen bij te wonen. Wat de schouwburgen aangaat, B. B., zoo gij in eene stad komende ooit uitgenoodigd zoudt worden van er naar toe te gaan, nooit een voet er in zetten. Waarom niet? De hedendaagsche schouwburgen of theaters zijn in \'t algemeen niets anders dan scholen van bederf.
Van de dansen zegt de H. Franciscus van Sales dat de beste niet deugen. De H. Joannes Chrysostomus noemt den dans een duivelsspel, de pest der zielen, de nederlaag der onschuld, een helsch feest en het middenpunt van den duivel. En een ander verstandig\' man noemde den dans eene helsche processie, waarvan de duivel de speelman en aanvoerder is. Het verbiedt:
5° De onmatigheid in spijs en drank vooral in den drank. Daarom zegt de H. Hieronymus: Een aan den drank verslaafde zal ik nooit voor een kuisch mensch aanzien. De Apostel Paulus vermaande de Christenen van Rome en in hen ook ons allen: Laten wij eerbaar wandelen, zegt hij, niet in brasserijen en dronkenschappen en verzorgt het vleesch niet tot begeerlijkheden.
Eindelijk verbiedt.het een lui en weekelijk leven te lijden. De lediggang is wel is waar bet begin van vele zonden, doch
(1) Eccl. ui. 27.
vooral van de zonde tegen de schoone deugd. De lediggang heeft veel kwaad geleerd, zegt de 11. Geest. Zoolang David bezig was met oorlog te voeren, bleef bij een man naar Gods bart; doch toen bij een ledigganger werd, viel hij weldra in zonde. Ook mag men zijn lichaam niet vleien en koesteren door zachte kleederen, enz. Het leven van den mensch is een strijd, en wel bijzonder een strijd tegen de vleeschelijke lusten. In plaats van ze te vleien moet men ze bestrijden; men moet ze in toom houden, wil men er niet door ten onder gebracht worden.
SLUITREDE.
Ten slotte, B. B., ga ik u eene geschiedenis verhalen, waaruit gij zult zien hoe voorzichtig men zijn moet om niet tot de zonde tegen de schoone deugd en daardoor tot zijn ongeluk te komen.
Een jongeling met name Mauritius volbracht zijne plichten met nauwgezetheid. Zijn vader beminde hem zeer. De zoon had nergens meer genoegen dan t\'buis, ofwel met toestemming zijns vaders in gezelschap met deugdzame jongelingen. Zijn vader stond hem zekeren dag toe naar oen bal te gaan in de buurt om zich daar wat te verzetten. Mauritius antwoordde: Vader, zeide hij, ik heb geen grooter genoegen dan in uw gezelschap te zijn. Welnu, mijn zoon, zeide de vader, wij zullen samengaan. De vader vergezelde eenige malen zijnen zoon naar dergelijke vermaken. Mauritius kreeg er zin in en begon langzamerhand aan zijne plichten te kort te blijven. Eindelijk kreeg bij genegenheid voor eene dochter, die hem volstrekt niet geleek. Zoodra de vader zulks bemerkte verbood iiij hem streng den omgang met die dochter. Doch, helaas! de genegenheid van Mauritius voor dat schepsel was sterker dan de eerbied voor zijnen vader. Hij wist middelen te vinden om dikwijls \'s avonds bij die dochter te komen. Er werd veel over gesproken onder
— 288 —
liet volk, en de vader werd gewaarschuwd. Welnu, mijn man, zeide hem zijne vrouw; gij ziet nu de vruchten van uwe onvoorzichtigheid. Ik ontsla mij voor God; thans is het uwe zaak. Gij hebt gelijk on ik heb ongelijk, antwoordde haar man, ik had naar uwen raad moeten luisteren; \'t is mijne schuld dat mijn zoon een vrijdenker geworden is; ik wil er een einde aan maken. Hij verbood dus zijn zoon op nieuw nog ooit den voet in het huis dier dochter te zetten. Welk antwoord kreeg hij? De zoon, die vroeger sprak dat hij geen grooter genoegen had dan in het gezelschap van zijn vader te zijn, antwoordde, dat hij in dat huis geen kwaad bedreef, dat hij het niet zoude laten, dat hij de raadgevingen van zijnen vader niet meer noodig had, dat hij oud genoeg was on zeer goed wist wat hem te doen en te laten stond. lie vader, zich aan zulk antwoord niet verwachtende, strafte zijnen zoon terstond, doch, helaas! het was te laat. Mauritius was wederspannig geworden en stoorde zich nergens meer aan. Nauwelijks was hij vermaand en gestraft of hij ging uit om dienst te nemen bij de soldaten; hij werd bij de ruiterij ingelijfd; doch de straffende hand Gods lint zich weldra gevoelen; eenige maanden later werd Mauritius door zijn paard doodgeslagen en verpletterd.
Ziedaar, B. H., een voorbeeld uit eene menigte gekozen om u te doen zien hoe voorzichtig men moet zijn en hoe ongelukkig de zonde tegen de schoone deugd den mensch maakt. O, hoevelen zijn er ongelukkig door geworden en beweenen thans maar, helaas! te laat hun ongeluk! Daarom, ouders! Waakt op uwe kinderen, en gij, oversten en meesters! Waakt op uwe onderdanen en dienstboden, opdat zij door uwe schuld niet in het verderf loopen en verloren gaan. Wapent n allen tegen de schandelijke ondeugd; vermijdt vooral zorgvuldig alles wat er aanleiding toe kan geven. Zoo gij door haren vergiftigen adem niet besmet en met den eeuwigen dood niet wilt getroffen worden, vlucht dan, en vlucht als de pest de onkuischheid; Fugite fornicatiomru. Amen.
ACHT - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING
NKdM.NJ)!\', GEBOD
OVER DE ONKUISCHHEID
Non desiderabis uxorem ejus.
Gij zult uws naasten huisvrouw niot begeeren. (Ex. xx, 17.1
INHOUD.
VOORREDE.
Het zesde gebod verbiedt alle uitwendige zonden tegen de zuiverheid, liet negende gebod verbiedt alle inwendige zonden tegen de zuiverheid.
VERDEKUNG.
1. Hoe geschieden de inwendige zonden?
II. Hoe moeten wij ons gedragen in de bekoringen?
I.
Do zonde tegen liet negende gebod kan geschieden door gedachte, begeerte en vreugde. De gedachte en begeerte gaan niet zelden te zamen.
GELOOFS-EN Zfdrnlekr. 3«Ie DEEF, 19.
— 290 —
Wanneer zijn zij geene, wanneer dagelijksche, wanneer doodzonden?
Zij zijn geene zonden als zij gansch onvrijwillig zijn; zij zijn dagelijksche zonden als zij half vrijwillig zijn; zij zijn doodzonden als zij gansch vrijwillig zijn.
Dwaling van hen die meenen dat zij altijd zonden zijn; insgelijks van hen die meenen dat, bijv., onzuivere gedachten alleen nooit zonden zijn.
II.
Hoe moet men zich in de bekoringen gedragen?
Men moet terstond ernstig weerstand bieden door zijne gedachten van de slechte voorstellingen af te wenden en ze over te brengen op heilzame of althans onverschillige zaken.
Men moet God bidden, de kinderen navolgen die in het gevaar vader of moeder om hulp roepen.
Als de bekoring blijft duren moet men den moed niet verliezen, maar kalm en bedaard volharden in den strijd en do Heiligen navolgen. Denken wij ook aan de belooning, voor hen weggelegd, die moedig zullen gestreden hebben.
SLUITREDE,
Geschiedenis van den kluizenaar die zijne bekoringen niet durfde bekend maken, en die, na ze aan zijn geestelijken vader bekend gemaakt te hebben, verlost werd.
ACHT - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING
NKGK-NDE GEBOD
OVER DE ONKUISCHHEID
Non de.iiderabis uxorem ejus.
Gij zult uws naasten huisvrouw niet begeoren. (Ex. xx, n.)
VOORRRDK.
Hel. zesde gebod, 1?. B., verbiedt, gelijk wij in onze voorgaande onderrichting gezien hebben, vooreerst de schandelijke zonden van overspel en onkuischheid, vervolgens alle uitwendige zonden tegen de schoonc deugd, en eindelijk alles wat er aanleiding toe geven kan. Wijl het negende gebod ook handelt over de zonden tegen de schoone deugd, daarom zullen wij er vandaag over spreken. Het negende gebod luidt als volgt: \'Sec dcsiderabis uxorem ejus, gij zult uws naasten huisvrouw niet begeeren, in andere woorden, begeert niemands echtgenoot. Dat gebod verbiedt op de eerste plaats de begeerte van overspel te doen, vervolgens alle inwendige zonden tegen de schoone deugd van zuiverheid. Wij zullen tegelijkertijd zien hoe wij ons in de bekoringen moeten gedragen. Ziehier dus de twee punten die wij gaan uitleggen:
I. Welke zonden strijden tegen het negende gebod?
II. Wat moeten wij doen als wij tegen de zuiverheid bekoord worden?
I.
De Catechismus vraagt:
Wie misdoen tegen het negende gebod? Mn hij antwoordt:
Die den wil hebben van onkuischheid te doen, o/ wetens en willens behagen nemen in onkuische gedachten.
— 292 —
Uit ilit antwoord blijkt, dat de zonde tegen liet negende gebod kan bedreven worden door gedachte en begeerte, waarbij men kan voegen «Ie vreugde over bet bedreven kwaad.
Men heeft onzuivere gedachten, als er zich voor den geest iets opdoet, in strijd met de schoone deugd van zuiverheid, zonder nochtans den wil te hebben van het te doen.
Men heeft onzuivere begeerten, als men het verlangen gewaaV wordt van iets te doen in strijd met de schoone deugd van zuiverheid.
Men heeft onzuivere vreugde, als men vermaak gewaar wordt over iets in strijd met de schoone deugd, door zich zeiven of door anderen bedreven.
De gedachte dus betreft het tegenwoordige, de begeerte het toekomende en de vreugde het verledene.
Die drie zaken kunnen, gelijk gemakkelijk te begrijpen is, samengaan, vooral de gedachte en de begeerte. Eerst krijgt men slechte gedachten, daarna de begeerte om de zonde te bedrijven. Nochtans, elk afzonderlijk genomen, bijv., de gedachte, zonder de begeerte van de zonde te bedrijven, kan zonde en zelfs doodzonde zijn. Ik zeg kan: bijgevolg is het niet altoos doodzond»; soms is het niet eens dagelijksche zonde.
Wanneer zijn nu onzuivere gedachte, begeerte en vreugde geene zonden, wanneer dagelijksche, wanneer doodzonden?
Zij zijn geene zonden als zij gansch onvrijwillig zijn, d. i., zonder kennis van het kwaad of zonder toestemming in het kwaad, hetgeen het geval is, als men in de bekoring naar behooren weerstand biedt of aan iets denkt, zonder erg waaraan men denkt. Niet alleen onzuivere gedachten, B. B., maar ook begeerte en vreugde kunnen in ons opkomen, zonder de minste schuld van onzen kant, geheel en al buiten, ja zelfs tegen onzen wil.
^jj kunnen voortkomen uit de begeerlijkheid die ons aangeboren is, bij \'toeval, als men iets zonder erg ziet of hoort, en
1
— 293 —
11
eindelijk door de bekoringen van den duivel. In al die gevallen zijn zij geene zonde zoo lang men bet kwaad verfoeit, zoo lang men weerstand biedt en zijne toestemming weigert; en zoo lang men volstrekt niet toestemt in het kwaad is het geene zonde of de bekoringen van korten of langen duur zijn, \'t komt er niet op aan. Integendeel, God zal ons beloonen voor den tegenstand dien wij bieden, en hoe heviger de strijd geweest is, des te schitterender zal de overwinning, des te grooter zal de belooning wezen. Van den mensch die moedig in de bekoring strijdt, gelden de volgende woorden van den H. Geest: Hij kon zondigen en zondigde niet, lt;iui potuil transgredi cl non esl transgressus; hij kon kwaad .doen en deed het niet; facere mala el non fecit; daarom zijn zijne goederen verzekerd in den Heer; ideo stabilita sunt bona illius in Domino, (i)
Wanneer zijn zij dagelijksche zonden?
Zij zija dagelijksche zonden, als zij half vrijwillig zijn, d. i., met halve kennis van het kwaad, of met halve toestemming in het kwaad, hetgeen plaats heeft in de volgende gevallen:
1° Als men, bijv., de slechte gedachten we! is waar niet met opzet wil, maar er toch eenige aanleiding toe geeft;
2° Als men er zich wel niet met behagen, maar uit nieuwsgierigheid een weinig mede bezig houdt;
3° Als men wegens den plotselingen aanval, of wijl men, hijv., maar half wakker is, het kwaad niet genoeg bewust is, niet ten volle kent, dus ook niet met volle kennis wil, en
4° Als men in het kwaad, alhoewel men het genoeg kent, niet ten volle toestemt; men verzet er zich wel is waar tegen, doch niet zoo sterk als men verplicht is. Ziedaar in welke gevallen de onzuivere gedachten, enz., dagelijksche zonden zijn.
.
i#| lij
|i
I
■ :S#;f
hH
li •;
lip
II f k »
■ ÏÏtï
j
1
\' Ei|
i\'r li Ifei quot; • i! \' •
•: il l.
■ A
■■.
ff®
■
•quot;gt;Ki \'
\' -M;.-
\' vlr f\'
■\'M
1: ^ i
Wanneer zijn zij doodzonden?
■ -T
quot;h lt;1
(i) Eccl. xxxi, 10.
— 294 —
Zij zijn doodzonden, als zij ganscli vrijwillig zijn, d. i,, met volle kennis van het kwaad eu met volle toestemming in liet kwaad, in andere woorden, als men er wetens en willens behagen in heeft. Ik zeg gansch vrijwillig, en dat moet men wel in aanmerking nemen. Immers, het kan gebeuren dat men aan iets denkt, zonder erg in hetgeen men denkt, of zonder erg in het kwaad waaraan men denkt. Ook kan het gebeuren dat men tijdens de bekoring eenig behagen gewaar wordt, maar waarin de wil volstrekt niet toestemt, dat dus onvrijwillig is en bijgevolg geene zonde. Dat onvrijwillig behagen of genoegen komt voort uit de bedorven natuur van den mensch en niet uit zijn vrijen wil. Keurt de mensch nu dat behagen of genoegen af, d. i., heeft hij het niet gaarne, is het tegen zijn vrijen wil, dan wederstaat hij aan de bekoring, hij zondigt niet; keurt de mensch het goed, heeft hij het gaarne, is het met zijn vrijen wil, dan stemt hij in de bekoring toe, hij zondigt al duurt die gedachte, begeerte of vreugde ook maar een oogenblik.
Uit hetgeen ik hier over de onzuivere gedachte, begeerte en vreugde kom te zeggen blijkt, dat in dwaling verkeeren: vooreerst, zekere personen die meenen dat zij altoos zonden zijn, daar zij dikwijls of wel geene zonden, of maar dagelijksche zonden zijn; vervolgens, zekere personen die meenen, of liever die zich wijs willen maken, dat zij alhoewel vrijwillig geene zonden zijn, bijaldien zij geene slechte werken ten gevolge hebben, of althans, dat de gedachten alleen, alhoewel vrijwillig, geene groote zonden zijn, als zij maar met geene onzuivere begeerten of gevoelens gepaard gaan. Elk afzonderlijk, de onzuivere gedachte, begeerte of vreugde is zonde en zelfs doodzonde, wanneer zij gansch vrijwillig is, of als men er wetens en willens behagen in neemt. Doch zien wij liever in ons tweede punt, wat wij moeten doen als wij tegen de zuiverheid bekoord worden.
295
Bekoringen, B. B,, zijn gelijk wij reeds weten, geene zonden, mits men er niet in toestemt. Wat moeten wij nu doen om het ongeluk niet te hebben van in de bekoring toe te stemmen? Wij moeten terstond ernstig weèrstand bieden, en zoo de bekoring aanhoudt den moed niet verliezen, maar kalm en bedaard volharden in den strijd.
Wij moeten terstond ernstig weerstand bieden. Ik zeg, terstond, d. 1., zoodra men de bekoring gewaar wordt. Wachten wij ons wol, B. B., van Eva na te volgen. De duivel kwam haar bekoren, zij bezweek niet terstond on at niet onmiddellijk van de verboden vrucht, maar zij had liet ongeluk van naar den duivel te luisteren en zoo kwam zij langzamerhand tot val. Wij moeten dus vooreerst terstond weerstand bieden: vervolgens, ernstig. Ha! B. B., met liet vuur valt niet te spelen; evenmin met de bekoring tegen de schoone deugd. Doch wanneer biedt men ernstig weerstand? Men biedt ernstig weerstand door zijne gedachten van de slechte voorstellingen af te wenden, door ze te vestigen op heilzame of onverschillige zaken, door te denken aan de tegenwoordigheid van God die alles ziet zelfs de gepeinzen van ons hart, aan de tegenwoordigheid van den Engelbewaarder die altoos bij ons is, aan de uitersten van den mensch, aan den dood, liet oordeel, de iiel of den hemel, door zijne oogen te laten vallen op de voorwerpen die ons omringen en daaraan te denken, ofwel door zijne aandacht te vestigen op liet werk dat men verricht, om zoo doende de slechte gedachten van zich te verwijderen.
In de bekoring moeten wij God ook bidden. Hem met vertrouwen aanroepen, inzonderheid ons bedienen van het een of ander schietgebed, zoo als, bijv,. Jesus, Maria en Joseph staat mij bij, enz. Met vertrouwen tot God zijne toevlucht nemen is het beste en krachtigste middel om in de bekoring niet te bezwijken. Wij moeten de kinderen navolgen. Als de kinderen op straat
: H Hib |
irj:
i:ll
411 ;l»l
fi
i ■ m
. m
l .
■ fl.h •
I# y
.v-li
•C.
ill
■I-
li
n
■lii
f
li
iij \'• v n
— 296 —
een grooten hond zien aankomen, loopen zij terstond naar *ader of moeder, of ten minste zij roepen om liulp; zoo moeten wij ook in de bekoring tot God onzen Vader of tot Maria onze Moeder gaan of hen om hulp aanroepen. Onze goddelijke Zaligmaker wijst ons dat middel ook aan als li ij zegt: Bidt opdat gij niet vallet in bekoring: Orate ut non intrelis in tentationem. (l)
Maar die slechte gedachten, verbeeldingen, enz., kan ik, zult gij misschien denken, niet van mij verwijderen. Nauwelijks zijn zij een oogenblik geweken of zij zijn wederom daar. \'t Is waar, B. B., dat is niet altoos in onze macht, maar wat in onze macht is? Dat is met Gods genade er niet in toe te stemmen. In geval dus de bekoring aanhoudt moeten wij den moed niet laten zinken, maar wij moeten kalm en bedaard volharden in den strijd. Wij moeten de Heiligen navolgen, die ook langen tijd tegen den onzuiveren geest te strijden hebben gehad. De Heilige Paulus, bijv., die tot den derden hemel verheven was geweest, gelijk hij ons in een zijner brieven meldt, werd tegen de schoone deugd bekoord. Tot driemaal toe had hij God vurig gebeden om van den prikkel des vleesches verlost te worden, en wat kreeg de H. Paulus tot antwoord? Zeide God: Ik zal er u van verlossen? Neen, B. B., maar God zeide: Paulus, mijne genade is u voldoende: Sufficit tihi gratia mea. (2) Bijgevolg, wij moeten den moed niet laten zinken zoo de bekoringen blijven voortduren, veel minder mogen wij wanhopen: integendeel, wij moeten de Heiligen navolgen, met vertrouwen God om genade bidden die Hij ons ongetwijfeld zal geven, en waarmede wij alle aanvallen onzer vijanden zegevierend kunnen afslaan.
Wij moeten ons oog ook nog gevestigd houden op de schoone kroon welke Jesus eenmaal zal schenken aan hen, die wettig gestreden hebben; want niemand verdient gekroond te worden tenzij die wettig gestreden heeft; Non coronabitur nisi legitime
11) Matth. XVI, 41, (2) n COR. XII, 9.
— 297 —
certaverit. (i) Vandaar dat de Apostel Jacobus pns vermaant als hij zegt: Zalig de mensch die de bekoring doorstaat, want als hij beproefd zal zijn, zal hij de kroon des levens ontvangen, d. L, eene schitterende kroon in den hemel.
God daarenboven die ons bemint, en die weet hoe broos en zwak wij zijn, zal, zoo wij onze toevlucht tot Hem nemen, niet toelaten dat wij boven onze krachten bekoord worden.
Men vindt niet zelden brave, godvruchtige zielen die met slechte gedachten gekweld worden, en om hen gerust te stellen, luistert naar de volgende geschiedenis.
SLUITRKDK.
In de woestijn leefde een vroom kluizenaar die ook door slechte gedachten geplaagd werd. Gedurende twintig jaren durfde hij er niemand van spreken, want hij meende dat het ongehoord was, en dat eenieder die het hoorde zicli zoude ergeren. Eindelijk dan toch nam hij het besluit zijnen toestand aan een oudvader bekend te maken, docli mondelings durfde hij niet, en hij deed het bijgevolg schriftelijk, door een brielje. Zoodra nu de H. grijsaard het briefje gelezen had, begon hij hard op te lachen en zeide: Mijn zoon! leg uwe hand op mijn
hoofd;..... ik neem al uwe zonden op mij; verontrust er u
voortaan niet meer over. De kluizenaar stond over die woorden niet weinig verwonderd. Hoe, zeide hij: Ik dacht reeds met den eenen voet in de hel te staan, en gij zegt dat ik mij verder daarover niet behoef te verontrusten. Hebt gij soms, vroeg de oudvader, behagen genomen in die gedachten? Integendeel, antwoordde de kluizenaar, zij hebben mij veel verdriet veroorzaakt. Daar het zoo is, ging de man Gods voort, is liet een teeken, dat gij er de schuld niet van zijt, cn dat de duivel ze in u opwekt om u te doen wanhopen. Daarom, mijn zoon!
(i) ii Tim. ii, 5.
— 298 —
volg mijnen raad: Wanneer u wederom dergelijke gedachten in \'t hoofd komen, zeg dan tot den duivel: Wee u geest van onzuiverheid! op u zullen die onzuivere gedachten en beelden terugvallen; ik wil er geen deel in nemen, neen, liever duizendmaal sterven dan God te vergrammen. De kluizenaar volgde dien wijzen raad, en hij was voortaan van zijne kwelling bevrijd. Handelen wij eveneens, 15. 15. Laten wij ons niet door den duivel bedriegen; mistrouwen wij van ons zeiven, docli nemen wij in de bekoringen terstond onze toevlucht tot (lod. God zal ons bijstaan, en met zijne genade gesterkt zullen wij de bekoringen overwinnen, en voor onze overwinningen van God hiernamaals ruimschoots beloond worden. Amen.
NEGEN - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING
ZESDE EN NEGENUE UEBOD
OVER DE GEVOLGEN DER ONKUISCHHEID
Nescitis quoniam corpora vostra membra sunt Christi?
AVoet gij niet. dat uwe lichameu ledematen zijn van Christus?
(l. Cob. vi, is.)
INHOUD.
VOOUUKDK.
Het zesde en negende gebod verbiedt alle uit - en inwendige zonden van onkuisschheid; deze overdekt den mensch met schaamte en berooft hem van zijne eer. De zonde van onkuisch-heid is eene gevaarlijke zonde. Men moet er zich zorgvuldig van wachten:
VKRDKEUNG.
I. Wijl er geene schandelijkere zonde is;
H. Om hare droevige gevolgen.
— 300 —
I.
Do onkuischheid is eene schandelijke zonde, waardoor de mensch en vooral de christenmensch zich onteert. De mensch moet zoo veel mogelijk aan God gelijken, en de onkuischaard maakt zich gelijk aan het redelooze dier. Diogenes met de lantaarn op liet markplein te Athene. De christen die zich aan de zonde\'van onkuischheid overgeeft, onteert de ledematen van Christus, drijft den H. Geest uit en laat den onzuiveren geest binnenkomen.
II.
1° De onkuischheid richt de verschrikkelijkste verwoestingen aan in ziel en lichaam.
2° De onkuischheid is eene hoofdzonde en bijgevolg het beginsel en de oorsprong van veel andere zonden.
3° De onkuischheid stort den mensch in allerlei ellenden. Geschiedenis van den verloren zoon.
4° De onkuischheid stort den mensch in de eeuwige verdoemenis.
SLUITREDE.
Iemand, aan de zonde tegen de schoone deugd verslaafd, bekeert zich zelden oprecht. Geschiedenis.
1
— .r501 —
NEGEN - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING
.
y-f i
teili
■tili
• r-L ,
■ tei i
1
m 1
i\'1
j -
■■1«
■
:
; -
i „li
ui i
ZKSÜK EN NEGENDE GEHOD
OVER DE GEVOLGEN DER ONKUISCHHEID
Nescitis quoniam corpora vest ra membra sunt Christi?
Weet gij niet dat uwe lichamen ledematen zijn van Christus?
(i Con. VI, «.)
VOORREDK.
In onze twee voorgaande onderrichtingen B. B., hebben wij gesproken over de uit-en inwendige zonden tegen de schoone deugd. De Catechismus vraagt;
Wat is er eigen nan de zonde van onkuischheid? l\'.n hij antwoordt:
Dat zij den mensch met schaamte overdekt en hem van zijne eer berooft.
Dat antwoord zul duidelijk worden uit de volgende verklaring; doch de schande en oneer zijn de eenige gevolgen niet van de zonde van onkuischheid. Zij is ook eene gevaarlijke zonde; vooreerst, omdat men er licht in hervalt; vervolgens, omdat men er gemakkelijk eene gewoonte van krijgt die moeielijk is om af te breken. Vandaag, B. B., ga ik n bijzonder leeren, waarom wij ons zorgvuldig van de onkuischheid moeten wachten. Wij moeten er ons zorgvuldig van wachten:
,
lm
I li
1
Wijl er geene schandelijkere zonde is;
— 302 —
I
Wij moeten ons zorgvuldig van de onkuischheid wachten, wijl er geene schandelijkere zonde is.
Er bestaat geene schandelijkere zonde, B. 1?., dan de zonde tegen de sclioone deugd. De mensch, met rede en verstand begaafd, is geschapen naar het beeld en de gelijkenis van God; hij moet zich dus beijveren om dat beeld van God zoo trouw mogelijk in zich uit te drukken, hij moet God zooveel mogelijk gelijken. Kan er nu iets schandelijker voor den mensch zijn dan zich gelijk te maken aan liet redelooze dier? En ziedaar nochtans wat de wellusteling doet.
Men verhaalt van een heidensch wijsgeer, Diogenes genaanid, dat hij op een helderen middag met eene brandende lantaarn te Athene op de markt rondliep, alsof bij iets zocht. Men stond; niet weinig verwonderd over die handelwijze, en men vroeg hem wat hij zocht. Diogenes gaf ten antwoord: Ik zoek een mensch. Maar, bemerkte iemand al lachende: Ziet gij dan niet dat het plein vol menschen is? Diogenes antwoordde: Dat zijn geen menschen, maar dieren, want zij leven niet als menschen, maar gelijk het vee, en zij laten zich door hunne dierlijke driften leiden en regeeren. Ziedaar hoe een heidensch wijsgeer over de wellustelingen dacht. Welk eene onteering! Welk eene
verlaging van den mensch door de zonde van onkuischheid!
(
De christen daarenboven, li. li., is nog hooger in waardigheid verheven. Wij, Christenen, wij zijn door den Zoon Gods van de slavernij des duivels en van den eeuwigen dood verlost; onze lichamen zijn in het H. Doopsel ledematen geworden van Jesus-Christus en tempels van den H. Geest. De Apostel Paulus leert het ons duidelijk. Weet gij niet, zegt hij, dat uwe lichamen ledematen zijn van Jesus-Christus? Weet gij niet dat uwe ledematen de tempel zijn van den H. Geest die in u woont? Ziedaar de waardigheid, waartoe onze lichamen verheven zijn. Wij
— :i03 —
moeten onze lichamen dus eerbiedigen; wij moeten zorgen van ze niet te besmeuren, en wij mogen niets doen, waardoor zij van het toppunt van waardigheid, waartoe zij verheven zijn, tot den afgrond van verlaging zouden nederdalen. Zoo iets nochtans geschiedt door de zonde tegen de schoone deugd. Men rukt zijne lichamen die ledematen van Jesus-Christus zijn, van Hem los, en men misbruikt ze tot schandelijke werken; men drijft er den H. Geest die er in als een tempel in woont, uit, en men laat er den onreinen geost, den duivel, inkomen. Hoe zeer daardoor onze eigen lichamen onteerd en welke beleediging Jesus-Christus en den II. Geest daardoor aangedaan! De mensch dus, en vooral de Christenmensch, die zich aan de onkuischheid overgeeft, verdient door God zijnen Schepper, Verlosser en Heiligmaker, door Engelen en Heiligen, door alle menschen zoo diep mogelijk veracht te worden.
I
I-li
; m
;\'n
ijir
k|
fff
;4jii \'w
m
1
■Jvi
: i
■ „i ■
i i gt; ■\'
■ -r;:®! • \'k gt;
II.
Wij moeten ons zorgvuldig van de onkuischheid wachten om hare noodlottige gevolgen.
Die zonde, 13. I!., verderft den mensch naar ziel en lichaam, waarin zij de verschrikkelijkste verwoestingen aanricht.
Zij richt de verschrikkelijkste verwoestingen aan in de ziel. Immers, liet verstand wordt bedorven door de kennis van het kwaad en door het opsporen van de middelen om er toe te komen; liet geheugen wordt bedorven door de herinnering aan liet bedreven kwaad; de wil wordt bedorven door het verlangen om het kwaad te bedrijven; de verbeelding wordt bedorven door het voorstellen van allerlei slechtigheden, in een woord, zij verdierlijkt den geest en maakt hem onbekwaam tot hoogere gewaarwordingen.
Zij richt de verschrikkelijkste verwoestingen aan in het lichaam. Wat gaat er geworden van de zintuigen en krachten
:l|
: \'v M ; I.\'
■lil M\'
I vn
.k i RfliK
t3i
ii
É ■^p
■ i ■
van het lichaam des wellustolings? Zijne oogen worden geschandvlekt door het aanschouwen van schandelijke voorwerpen; zijne ooren, door het hooren van slechte gesprekken; zijne tong, door liet voeren van zeden kwetsende taal of het zingen van slechte liederen; zijne handen, door liet verrichten van oneerbare werken; zijne voeten, door net oezoeken van slechte plaatsen en personen. De krachten des lichaams worden verspild. Een vader die een ongelukkigen zoon had, bracht hem zekeren daar
.V
m een hospitaal om hem van zijne schandelijke gewoonte te genezen. Hij wees hem op eene menigte kranken, die met de walgelijkste ziekten geslagen waren. De zoon kon het in het hospitaal schier niet uithouden en viel bijna in onmacht. Buiten gekomen sprak de vader tot zijnen zoon; Welnu, mijn zoon, zeide hij: Wat dunkt u van die ellendige slachtoffers der onkuischlieid? Ga maar voort met uwe schandelijke lusten in te volgen; gij hebt nu de zaal gezien die voor u bestemd is, zoo gij in uwe schandelijke zonde voortgaat. Die woorden van den vader, B. B., en de ijselijkheden die hij gezien had, maakten een heilzamen indruk op dien jongeling en deden hem geheel en al van leven veranderen; hij leefde daarna braaf en deugdzaam en bekleedde later zelfs hooge graden in den krijgsdienst.
De onkuischlieid is eene hoofdzonde, wijl zij het beginsel en de oorsprong is van veel andere zonden. En inderdaad, B. B., hoe veel andere zonden worden er niet bedreven door hen die aan den wellust verslaafd zijn? Hoe vele zonden van onrechtvaardigheid? De ouders worden door hunne kinderen, de meesters door hunne dienstboden bestolen.
Hoe dikwijls maakt de losbandige jeugd zich niet plichtig aan groote zonde van ongehoorzaamheid, omdat zij met dezen of genen persoon niet wil afbreken, \'t een of ander gezelschap, dit of dat huis niet wil verlaten, niettegenstaande de ouders of meesters het streng geboden hebben.
— 305 —
Hoevole zonden van lieilipschending? Waarom heeft die jongeling of jonge dochter reeds jaren lang heiligschendende biechten en communiën gedaan, en waarom gaan zij immer voort in die hemeltergende zonde? Zij hebben gezondigd tegen de schoone deugd. De duivel had hun wijs gemaakt dat het zoo groot kwaad niet was, dat zij het later konden biechten. Toen de tijd van biechten gekomen was, heeft de duivel hen nogmaals bedrogen; toen heeft hij het zoo ver gebracht dat zij die zonde uit schaamte verzwegen, bewimpeld of zonder berouw gebiecht hebben. Dat heeft jaren en jaren geduurd, van paschen tot paschen. Hoevele doodzonden van heiligschending? Berekent het getal zoo gij kunt. En hoe lang zal dat hemeltergend leven nog duren? Hoe lang zal de duivel hun den mond nog sluiten? Ha! de duivel had hen vroeger reeds bedrogen, toen hij zeide dat het zoo groot kwaad niet was, doch nu, helaas! nu zij hunne zonden niet meer biechten zijn zij nog ongelukkiger geworden.
Er zijn nog veel andere zonden, die uit de onkuischheid voortspruiten, ik zal slechts de voornaamste opsommen: haat tegen God, onverschilligheid in den godsdienst, afval van het geloof, moord, wanhoop en eindelijk de zelfmoord. B, B., er is bijna geene misdaad, waartoe die schandelijke zonde geene aanleiding gegeven heeft en geeft tot op den dag van heden. De onkuischheid stort den mensch in allerlei ellenden en eindelijk in de eeuwige verdoemenis. Hoe groot en talrijk de ellenden zijn, waarin de wellusteling zich stort, leert onze goddelijke Zaligmaker in de parabel van den verloren zoon. Die zoon verkwistte binnen korten tijd gansch zijn vermogen door losbandig te leven. Nadat hij alles had doorgebracht, ontstond er hongersnood in het land en hij begon gebrek te lijden. Hij ging heen en verhuurde zich aan een landman uit de streek. Deze zond hem naar een® hoeve om de zwijnen te hoeden. Ziedaar hoe ver die jongeling van aanzienlijken huize reeds gekomen is, hij is zwijnenhoeder. Doch dat is niet alles. Door den honger
GiiLooFS - en Zedf-nleer. 3«ie Deei.. 20.
— 306 —
gekweld wenschte hij zich te mogen voeden met den draf der zwijnen, doch niemand gaf er hem van. Ziedaar het beeld van de meeste wellustelingen. Die ongelukkige kinderen van God den hemelschen Vader verspillen de natuur - en bovennatuurlijke goederen der ziel in drinkpartijen en brasserijen; langzamerhand teren hunne lichaamskrachten weg, en een leger van ziekten en gebreken wreekt zich op hen om hunne schandelijke zonden. Men krijgt een walg, men heeft een afschuw van den wellusteling en door de onkuischheid gebrandmerkt wordt hij van iedereen verlaten.
Intusschen wordt de duivel den wellusteling meer en meer meester, hij zot hem immer aan van zijne lusten te voldoen; doch onmogelijk, want zij groeien aanhoudend aan, en zoo is het leven van dien ongelukkigen zondaar een onafgebroken lijden door eigen schuld veroorzaakt, en de dood, wel verre van er een einde aan te maken, stort hem eindelijk in de eeuwige verdoemenis, waar het deel der onkuischaards zal wezen in den poel, die met vuur en solfer brandt: in stagno ardenti igne et sulfure. (i)
SLUITREDK.
Ten slotte zeg ik: Het verschrikkelijkste van alles is, dat de zondaar die zich aan de schandelijke zonde verslaafd heeft, wanneer hij zelfs snel zijn ongeluk ziet naderen, dikwijls den moed niet heeft van door eene oprechte bekeering zich nog bij tijds te redden.
Een priester beijverde zicli zekeren dag een doodzieken wellusteling door smeeken en bedreigen met de eeuwige straffen tot inkeer te doen komen. De ongelukkige scheen getroffen, want hij stortte een vloed van tranen. Doch ziet, onder het weenen en snikken sprak hij deze verschrikkelijke woorden, waaraan men zich zeker niet verwachtte: Al kondet gij de poorten der
(i) Ai», xxi, 3.
— 307 —
liel voor mij openen, sprak hij, en mij daar de duivelen doen zien gereedstaande om mij te ontvangen, ik zoude bij de eerste gelegenheid de beste mij niet van mijne gewone zonde kunnen onthouden, al ware het ook geheel en al zeker dat ik terstond daarop stierf eu verloren ging. Welk een akelig voorval, B. B. Mochten toch allen, doch vooral de jonge personen de noodlottige gevolgen van do zonde tegen de schoone deugd, waarover wij gesprokken hebben, immer voor oogen houden: voorzeker, velen zouden zoo niet uit liefde tot God, dan toch uit vrees voor de onheilen de schandelijke zonde vermijden. Nooit zouden zij den weg betreden die tot zulk een afgrond van tijdelijke en eeuwige ellenden leidt. Daarom, vermijdt die leelijke zonde, wederstaat vooral in den beginne, opdat het kwaad niet langzamerhand inwortele en naderhand de middelen ter verbetering zonder uitwerksel blijven: gij zult van eene menigte onheilen naar ziel en lichaam bevrijd blijven en daarenboven voor de beoefening der schoone deugd van zuiverheid van ( Vod ruimschoots beloond worden hier en hiernamaals. Amen.
DERTIGSTE ONDERRICHTING
ZESDE EN NEGENDE GEBOD
OVER DE KUISCHHEID
Florete Jlores quasi liliutn, Jüloeit bloemen gelijk de lelie.
(EoCIi. XXXIX, 19.)
INHOUD.
VOORREDE.
Wij hebben gezien wat het zesde en negende gebod verbiedt en de droevige gevolgen der onkuischheid. Het zesde en negende gebod gebiedt ook de kuischheid te oefenen. De kuischheid is drievoudig; der gehuwden, der weduwen en der maagden. Ieder moet de kuischheid oefenen en bewaren in-en volgens zijnen staat.
VKRDKELING.
I. quot;Welke zijn de middelen om de kuischheid te bewaren?
11. Welke waarde heeft de kuischheid?
De voornaamste middelen om de kuischheid te bewaren zijn: 1° Voorzichtig zijn, vluchten de gevaren en gelegenheden der zonde;
2° Waken o|gt; zijne zintuigen, vooral op zijne oogen; :i0 Bidden, vooral drie Wees gegroeten \'s morgens en \'s avonds ter eere van de zuiverheid van Maria;
4° Dikwijls naderen tot de H. Sacramenten;
5° Gods tegenwoordigheid en zijne uitersten gedenken;
6° Zich zeiven mistrouwen en ootmoedig zijn.
De mensch staat tusschen het dier en den Engel. Door de zonde van onkuischheid wordt hij gelijk aan het dier en hij stelt zich zelfs beneden hetzelve. Door de kuischheid wordt de mensch gelijk aan den Engel en hij verheft zich in zekeren zin boven hem. Welke gedachte maakte Jesus zich van de zuiverheid e
SLUITREDE.
Florete /lores quasi lilium! Ja, jongelingen en jonge dochters, bloemen des jeugdigen leeftijds, bloeit gelijk de sneeuwwitte lelie. Gij, die prijs stelt op schoonheid, weet en zijt er van overtuigd, om waarlijk schoon te zijn moet gij van den beginne, ten allen tijde en in alles kuisch wezen.
DERTIGSTE ONDERRICHTING
ZESDE EN NEGENDE GEBOD
OVER DE KUISCHHEID
Florete Jlores quasi lilium. liloeit bloemen gelijk do lelie.
(Eccl. xxxix, ia.)
VOORREDE.
Tot hiertoe, B. B., hebben wij gezien wat het zesde en negende gebod verbiedt, namelijk, de schandelijke zonde van onkuisehheid en alles wat er aanleiding toe kan geven. Wij hebben ook overwogen de noodlottige gevolgen dier zonde, het uiteinde of liever het eeuwig ongeluk, waarin zij den wellusteling nederstort.
Het zesde en negende gebod gebiedt ons ook de kuischheid te oefenen, de schoone deugd ongeschonden te bewaren. Vandaar dat wij in gansch ons uitwendige, in onze oogslagen, woorden, werken en gebaren eerbaar en zedig, in gansch ons inwendige, in onze gedachten en begeerten kuisch en zuiver moeten zijn.
Men onderscheidt doorgaans eene drievoudige kuischheid, die der gehuwden, der weduwen en der maagden. Eenieder is verplicht de kuischheid te; oefenen en te bewaren in-en volgens zijnen staat.
Wijl de mensch van natuur zwak is, en wijl hij daarenboven nog door machtige vijanden aangevallen wordt, daarom zullen wij vandaag een oogenblik overwegen:
I. Welke de middelen zijn om de schoone deugd te bewaren;
II. Waarin de waarde der schoone deugd gelegen is.
311
Welke zijn de middelen die wij moeten gebruiken, om de schoone deugd van zuiverheid te bewaren?
Die middelen, R. B., zijn talrijk, doch ziellier de voornaamste: Voorzichtig zijn, waken, bidden, naderen tot de II. Sacramenten, de tegenwoordigheid Gods en de uitersten van den menscii gedenken, en eindelijk zich zeiven mistrouwen en ootmoedig zijn.
Het eerste en noodzakelijkste middel, en zonder hetwelk de overige niets kunnen baten, is voorzichtig zijn, d. w. z., wij moeten de gevaren en gelegenheden der zonde nauwkeurig vluchten. In den strijd tegen de schandelijke ondeugd zullen zij slechts de overwinning behalen die het gevaar vermijden en die de vlucht nemen, zoo zij zicli in het gevaar bevinden, \'t Is de leering van allen die over liet geestelijk leven geschreven hebben. De vreesachtigen zijn de overwinnaars, zegt de H. Philippus Norius. Vandaar dat de H. Geest vermaant en zegt; Mijn zoon, wanneer de zondaren u lokken, volg hen niet; als zij u vragen, kom met ons, ga dan niet mede. Hoe ontsnapte Loth en behield hij het leven? Door de vlucht; zoo ook zal de mensch ontsnappen en de schoone deugd van zuiverheid bewaren door de gevaren en de gelegenheden der zonde te vermijden en te vluchten, vooral de gezelschappen en verkeeringen met ongelijke personen. Want denkt niet dat gij wijs en deugdzaam genoeg zijt om in het gevaar en in de gelegenheid niet te bezwijken. Zijt gij wijzer dan Salomon, deugdzamer dan David? Welnu, zoo de Ceders van den Libanon, d. w. z., zoo de in deugd en heiligheid grijs geworden mannen gevallen zijn, hoe zal het dan met het zwakke riet, d. i., met u vergaan? Weet dus en zijt er wel van overtuigd, een enkel gevaar, eene enkele gelegenheid kan genoeg zijn om u voor tijd en eeuwigheid ongelukkig te maken. B. B., zoo gij een oogenblik, in den afgrond der hel kondet nederdalen, wat zoudt gij daar zien en hoeren? Gij zoudt daar duizenden menschen en vooral jonge personen zien,
1:1
1
\'■lm
il iv r
m
!:i|
m ■ ?! jfó
tpl
■ ïSlsMi
P!
fi i t .i: # 1
i
iii i
— 312 —
gij zoudt hen hunne onvoorzichtigheid hooren vervloeken en hooren zeggen, doch, helaas! te laat: Ach had ik dien persoon nooit gekend; had ik dien jongeling, die jonge dochter toch nooit gehoord of gezien; had ik dat huis, dat gezelschap nooit bezocht, ik zou hier in de hel niet voor eeuwig liggen te branden, en ik zoude reeds overlang voor eeuwig gelukkig zijn in den hemel. Vluchten wij dus, B. B., liet koste wat het wil, de gevaren en gelegenheden der zonde.
Het tweede middel is waken: Vigilaie. Wij moeten waken op onze zintuigen en vooral op onze oogen, ze nimmer vestigen op personen van het ander geslacht, gelijk wij reeds vroeger gezien hebben. Ascendit mors per fenestras nostras, (i) zegt de Proleet Jeremias: De dood komt door onze vensters binnen, d. w. z., de zonde sluipt door de zintuigen en vooral door de oogen binnen. In de bewaking der oogen moeten wij den 11. Aloysius navolgen. Aloysius was onder de edelknapen die de keizerin omgaven, en na verloop van twee jaren kende hij haar nog niet eens van aanzien. Eenieder onzer bidde dus met den Profeet, zeggende: O Heer! wend mijne oogen af opdat zij geene ijdelheid zien: Averle oculos rneos ne videant vanilatem. (2)
Het derde middel is bidden: Orate. Men moet God, de allerheiligste Maagd Maria, den H. Joseph, zijnen Engelbewaarder, zijnen patroon of zijne patrones bidden. Men moet vooral nooit nalaten van \'s morgens en \'s avonds drie Wees gegroeten te bidden ter eere van de zuiverheid van Maria. De H. Alphonsus raadt dit middel allerdringendst aan om de schoone deugd te bekomen en te bewaren. Meer dan ooit echter is het gebed noodig in den strijd, d. i., in de bekoring. Zoodra men de bekoring gewaar wordt moet men tot God om hulp roepen: Heer! Help mij! Sta mij bij! Ofwel tot Maria: H. Maria! Bid voor mij! Tot den Engelbewaarder die altijd bij ons is: H. Engelbewaarder bewaar en bescherm mij! Wij moeten de
(i) Jeu ix, 21. (2) Ps. cxvm, 37.
namen van Jesus, Maria en Joseph aanroepen; Jesus, Maria en Joseph! Staat mij bij! Ofwel de IIH. Harten van Jesus eu Maria: H. Hart van Jesus, heb medelijden met mij! H. Hart van Maria, bid voor mij! Ziehier, B. B., hoe de li. Joannes Berchmans zich gedroeg tijdens de bekoringen — want de Heiligen werden ook bekoord —• O Maria! zoo bad die engelachtige jongeling, verlaat mij niet, laat mij niet te vergeefs op n betrouwen. Ik. ben uw zoon, gij weet dat ik gezworen heb en nogmaals zweer als een ware zoon van u te willen overwinnen en sterven. Zoo moeten wij in de bekoring ook onze toevlucht tot Maria nemen, en die goede Moeder zal ons bijstaan en redden.
Het vierde middel is dikwijls en waardig naderen tot de H. Sacramenten. In het H. Sacrament der Biecht verkrijgt men niet alleen de vergiflenis zijner zonden, maar ook de heiligmakende genade en andere dadelijke genaden om de lieilig-makende genade te bewaren en de zonden te vermijden. De biechtvader leert den biechteling tevens hoe hij zicii godragen moet om de bekoringen te overwinnen. De gedachte alleen dat men zijne zonden aan den priester moet belijden, is reeds een geschikt middel om er zich van te wachten, \'t Is zell\'s voor-deelig zijne bekoringen, al is men er ook niet in bezweken, aan den biechtvader bekend te maken, want eene bekoring ontdekt, zegt, de H. Philippus Nerins, is reeds hall\' overwonnen. Welk eene ellende dus, B. B., zoo iemand, die het ongeluk heeft van in de bekoring te bezwijken, den moed verliest, zijne biecht uitstelt en zoo van de eene zonde in de andere valt. En helaas! hoe velen worden er op die wijze door den duivel bedrogen! Waarom dus niet terstond na den val opgestaan? Waarom zich niet voor God vernederd, ootmoedig vergiffenis gevraagd en vervolgens met nieuwen moed begonnen? Wanneer gij, bijv., in het slijk valt, blijft gij er in liggen? En wanneer gij eene vlek op uw kleed krijgt, doet gij er dan nog andere vlekken bij of\' wascht gij de eerste niet liever uit? Welnu, handelt ook zoo als gij in zonde gevallen zijt, als gij uwe ziel
besmeurd hebt; staat op, zuivert uwe ziel in liet Sacrament der Biecht en wacht u zoo goed mogelijk voor het hervallen in de zonde.
Het H. Sacrament des Altaars, B. B., is een allerkrachtigst middel om de zuiverheid te bekomen en te bewaren, Wieu ontvangt men in het allerheiligste Sacrament des Altaars? Men ontvangt Jesus-Christus die het brood der Engelen is, en men zoude de engelachtige deugd van zuiverheid niet bekomen en bewaren? Men drinkt het Bloed van den Godmensch, en dat bloed is de kostbare wijn die Maagden voortbrengt: Vinum germinans virgines. (i)
Een vijfde middel is Gods tegenwoordigheid en de uitersten van den mensch gedenken. Hoe gedroeg zich de kuische Joseph in Egypte? Door de vrouw van Putiphar tot het kwaad aangezocht sprak Joseph onverschrokken: Hoe zoude ik zoo groot kwaad kunnen doen en zondigen tegen mijnen God? en daarop nam hij de vlucht. Ziedaar jongeling, hoe gij u ook gedragen moei in de bekoring en wien gij moet navolgen. Hoe gedroeg zich de kuische Susanna? Door de twee rechters, die schaam-telooze boeven, bekoord sprak zij vol moed: Ik wil liever in uwe handen vallen, d, i , ik wil liever sterven dan zondigen voor het aanschijn des Heeren, en daarop riep zij om hulp. Ziedaar het voorbeeld dat gij vrouw, dat gij jonge dochter in t gevaar moet navolgen. En inderdaad, hoe zoude men tot die schandelijke zonde durven overgaan, zoo men er wel aan dacht en er wel van overtuigd was dat God ons overal en altijd ziet, dat Hij ons elk oogenblik kan laten sterven, voor zijnen rechterstoel roepen en tot het eeuwige vuur der hel veroor-deelen kan? Vandaar dat de li. Geest zegt: Denk aan uwe uitersten, en in eeuwigheid zult gij niet zondigen: Memorare novissima iua et in celernum non peccabis. (2)
(1; ZACH. IX, 17. (2) ECCL. VII, -10.
- 315 -
w
•:fji
Eindelijk moeten wij ons zeiven ralstrouwen, wel wetende M
MB
dat wij zwakke schepselen zijn. dat wij uit eigen krachten de
schoone deugd niet kunnen bekomen nocli bewaren. Wij moeten ons dus verootmoedigen voor God, en God, die met welbehagen op de ootmoedigen nederziet, zal ons de genade schenken van zuiver te leven. Wat de hoovaardigen betreft, God laat niet zelden tot straf van hunne hoovaardigheld toe dat zij in de
f II
m\\
rif \'m*
schandelijke zonde vallen en zich verlagen; Hij wederstaat den hoovaardigen en geeft zijne genade aan de ootmoedigen. Ziedaar,
B. B., de voornaamste middelen om de schoone deugd van
im
zuiverheid te bekomen en te bewaren. Om u nu krachtig aan
fBltl
te zetten van die middelen te gebruiken, zullen wij nog een woordje zeggen over de waarde der kuischheid.
lil . ^ -H:; \'\'
hm\'\':-
ïitmi
11.
De mensch, B. B., staat tusschen de Engelen en do dieren;
hij moet of zich verheffen, of zich verlagen Door de schandelijke zonde verlaagt hij zich, gelijk wij reeds gezien hebben; \'Éflif hij maakt zich aan het redelooze dier gelijk, ja, hij stelt zich beneden hetzelve. Door do schoone deugd daarentegen verheft zich de mensch, wordt aan de Engelen gelijk, ja, overtreft in zekeren zin de hemelgeesten.
De kuischheid, zegt de II. Ambrosius, maakt van gebrekkige Wm\'
menschen Engelen. De kuische mensch, zoo merkt de H. Bernardus op, is wel onderscheiden van den Engel, doch niet wat de deugd, maar enkel wat de zaligheid aangaat. De reinheid des Engels is zaliger, maar de kuischheid van den mensch is heldhaftiger. Daarom aarzelt de II. J. Chrysostomus niet te beweren dat de kuischheid in zekeren zin den mensch boven de Engelen verheft, \'t Is voor den mensch verdienstelijker kuisch te zijn te midden van den strijd dien hij te leveren heeft tegen de vijanden zijner zaligheid, den duivel, de wereld en het vleesch, dan voor de Engelen zonder strijd Engelen te wezen. Ziedaar hoe de
,\'v.B ■ - ;f t
■
■A-
^ m
— 316 —
Heiligen zicli uitdrukken over de schoone deugd van zuiverheid. Doch zien wij een oogenblik hoe Jesus, wiens oordeel niet falen kan, over de kuischheid dacht, hoe hoog Hij die deugd waardeerde. Wie koos de Godmensch tot Moeder? De allerheiligste en onbevlekte Maagd Maria. Wien tot voedstervader? Den kuischen Joseph. Wien tot voorlooper? Den zuiveren Joannes den Dooper. Wie was Jesus\' lieveling onder de Apostelen?
* Joannes, do maagdelijke Joannes; ja, deze verdiende in \'t laatste avondmaal aan Jesus\' Hart te rusten; deze verdiende onder het kruis Jesus\' Moeder, de Maagd der maagden, tot moeder te ontvangen.
Ook de menschen in de wereld zijn gedwongen deze deugd hulde te brengen. Hoe noemen zij haar? Zij noemen haar de kuischheid, de zuiverheid, de schoone deugd, de deugd schoon bij uitstrek, de engelachtige deugd, de deugd der Engelen. Zoo ziet men dus de uitspraak van den H. Geest bewaarheid: Hoe schoon is een kuisch geslacht! Quam ] mier a est casta gene-ratio! ()) Onsterfelijk is zijn aandenken, \'t is in eer bij God en bij de menschen! De kuischheid siert den mensch naar ziel en lichaam. Met dat schoon kleed versierd trekt de mensch aller oogen, zelfs die der hemelingen, tot zich. De kuischheid is de overschoone bloem, is de sneeuwwitte lelie welke Jesus in zijnen hof, de Kerk, geplant heeft; daarmede moet de mensch zich sieren, gelijk de lelie moet hij bloeien.
SLUITREDE.
Ja, B. B., bloeit dan zoo, en gij vooral jongelingen en jonge dochters, gij die de bloemen der lente des jeugdigen leeftijds zijt. Bloeit gelijk de sneeuwwitte, gelijk de zilverblanke lelie. Ftorele Jlores quasi li Hum! Uwe onschuld, uwe kuischheid moge bloeien tot sieraad van den hof, d. i,, van de H. Kerk, waarin zij geplant staat, tot eer van den staat waarin gij
(i) Sap. iv, 1.
wordt opgevoed om de hoop en de verwachting der toekomst te wezen. Bloeit, doch zoo, dat de schoone deugd, dat uwe kuischheid de eerst opkomende bloem wel is waar ter uwer versiering zij, maar dat zij nooit gelijk elke natuurlijke bloem verwelke. Want jongelingen en jonge dochters, gij die prijs stelt op schoonheid, weet en zijt er voor altoos van overtuigd, wilt gij waarlijk schoon zijn, dan moot gij van den beginne, dan moet gij ten allen tijde, dan moet gij in alles kuisch wezen. Amen.
EEN - EN - DERTIGSTE ONDERRICHTING
ZKVENDE GEBOD
OVER DE ONRECHTVAARDIGHEID
Non furlmi facies.
Gij zult niet stelen. (Deüt. xx, ib).
INHOUD.
VOORREDE.
Het zevende gebod verbiedt alle zonden van onrechtvaardigheid en ongelijk waarmede wij onzen evennaaste beschadigen in zijne tijdelijke goederen, als zijn:
VERDEKLING.
I. Eens anders goed stelen en tot stelen helpen; H. Gestolen goed koopen of bewaren;
III. Den arbeiders het loon onthouden;
IV. In processen óf koopmanschappen bedrog of
valschlieid gebruiken.
— 319
I.
Men zondigt tegen het zevende gebod:
1° Door te stelen en te rooven. Stelen is iets heimelijk tegen don redelijken wil des eigenaars wegnemen; rooven is iets openlijk en met geweld wegnemen.
2° Door tot stelen te helpen, door werktuigen te bezorgen, door wacht te houden, door den diefstal aan to raden, te bevelen of niet te beletten als men er toe verplicht is.
Is
■■■iv ■
IP iii, r-r
M( 1°
2° moet
Mi
1° 90
M( 1°
moet indei .)(gt;
Hoe men
l|i :
: r- VÏ
11.
■n zondigt tegen het zevende gebod:
Door gestolen goed te koopen of te bewaren;
Door het geleende of gevondene niet terug te geven. Wat men doen zoo de eigenaar van het gevondene onbekend is?
III.
Ti zondigt tegen het zevende gebod :
Door den arbeiders het loon te onthouden;
Door zijne schulden niet te betalen.
IV.
\'n zondigt tegen het zevende gebod;
Door in processen bedrog of valschheid te gebruiken. Men de processen zooveel mogelijk vermijden en de geschillen •minne bijleggen;
iMif ;:fli
Door in koopmanschappen bedrog of valschheid te gebruiken, moet men zich gedragen in het verknopen van dieren? Is verplicht de gebreken bekend te maken, en welke?
■hl
; :,i? m
si.i:
In twijfel of lots rechtvaardig of niet rechtvaardig, en bijgevolg geoorloofd of niet geoorloofd is, kan men niets beter doen dan den volgenden regel raadplegen en volgen; Hetgeen gij niet wilt dat u geschiede, doe dat ook aan anderen niet.
ii i
— 320 —
EEN - EN - DERTIGSTE ONDERRICHTING
ZEVENDE GEBOD
OVER DE ONRECHTVAARDIGHEID
Non furtum facies.
Gij zult niet stolen. (Deüï. xx, is).
VOORREDE.
Het zevende gebod, B. B., waarmede wij thans gaan beginnen, luidt als volgt: Non furtum facies, (l) Gij zult niet stelen: in andere woorden: Wacht u van stelen en onrechtvaardig leven. Door dit gebod wil God \'s menschen eigendom beveiligen tegen alle onrechtvaardige aanvallen. Immers, de Catechismus vraagt:
Wat wordt er verboden in het zevende.... gebod? En hij antwoordt:
Alle onrechtveerdigheid en ongelijk waarmede ivij onzen evennaaste, beschadigen.... in zijne tijdelijke goederen. Dus alle uitwendige zonden van onrechtvaardigheid.
Men kan op verschillende manieren tegen de rechtvaardigheid zondigen. De (Catechismus noemt er eenige op;
Eens anders goed stelen, tot stelen helpen, gestolen goed hoopen of bewaren, den loon der arbeiders onthouden, in processen of koopmanschappen eenig bedrog of valschheid gebruiken.
Zien wij dus hoe men tegen het zevende gebod zondigt:
I. Door te stelen en daartoe te helpen;
II. Door iets te koopen of te bewaren dat gestolen is;
(1) Deut. xx, 15.
III. Door het verdiende loon en zijne schulden niet te
betalen;
IV. Door onrechtvaardig te handelen in processen en
koopmanschappen.
I.
Men zondigt tegen het zevende gebod:
Door eens anders goed te stelen en tot stolen te helpen.
Men steelt of men maakt zich aan diefstal plichtig, als men heimelijk, d. i., buiten weten van den eigenaar en onrechtvaardig, d, w. z., tegen zijn redelijken wil zijn goed wegneemt.
Men rooft of men maakt zich aan rooverij plichtig, als men openlijk, d. L, met weten van den eigenaar en met geweld zijn goed wegneemt. Rooverij is natuurlijk grootere zonde dan enkele diefstal; daardoor immers ontneemt men den eigenaar niet alleen onrechtvaardig zijn geld of goed, maar men doet hem tevens geweld aan.
Ik heb gezegd dat men óm zich aan diefstal plichtig te maken eens anders goed moet wegnemen tegen zijn redelijken wil-. bijgevolg zondigt men niet tegen de rechtvaardigheid zoo men iets neemt dat ons niet toebehoort, als men met reden mag veronderstellen dat do eigenaar er in toestemt: bijv., ik wandel in den luin van mijn vriend on pluk een appel of peer af; ofwel zoo de natuur zelve er mij recht op geeft: bijv., ik neem con stuk brood om mijn leven to redden en niet van honger om te komen, in welk geval de eigenaar, zoo iiij hel weigerde, onredelijk en tegen de wet der natuur zoude handelen.
Men zondigt tegen het zevende gebod door tot stelen tc helpen, door de dieven behulpzaam te zijn, bijv., door hun werktuigen te verschaffen als hamers, bijtels, enz.; door de wacht te houden en de dieven te verwittigen om niet betrapt te worden, door hun schuilplaatsen aan te wijzen of te verloenon. Men zondigt ook tegen liet zevende gebod door aan te raden van te stelen,
Gelooks-en Zedenleer. 3«ie Deel. 21.
— 322 —
door aan de dieven te zeggen waar, wanneer en hoe zij het best liet een of ander zullen kunnen meester worden. Zondigt men nu tegen het zevende gebod of tegen de rechtvaardigheid door hulp of raad te geven, hoeveel te meer zondigt men dan door den diefstal te gebieden: de ouders of meesters, bijv., zouden hunne kinderen of dienstboden gebieden van te stelen. Men zondigt nog tegen het zevende gebod, door den diefstal niet te beletten zoo men kan, en vooral zoo men er ambtshalve of door verdrag toe verplicht is.
II.
Men zondigt tegen het zevende gebod door gestolen goed te koopen of te bewaren. In dit geval moet men, gelijk gemakkelijk te begrijpen is, weten dat het gestolen is. Men zondigt insgelijks tegen het zevende gebod, door geleende of gevonden voorwerpen niet terug geven.
Geleende voorwerpen. Uw buurman, bijv., zou u het een of ander voorwerp geleend en daardoor voortgeholpen hebben: zoude het nu geene onrechtvaardigheid en tevens groote ondankbaarheid zijn het geleende niet terug te geven? Zoo treft men nochtans personen aan die gauw zijn in het leenen maar traag in het terugbrengen.
Gevonden voorwerpen. Wie gevonden goed niet teruggeeft, is een dief in den echten zin dos woords, als hij weet wie het verloren heeft.
Doch ik ken den eigenaar niet, zegt gij, ik weet niet wie het verloren heeft; wat moet ik dan aanvangen? Ziehier in weinige woorden wat u te doen staat. Gij moet onderzoek doen naar den eigenaar, en gij moet u, volgens dat het gevondene waarde heeft, moeite geven of onkosten doem om hem te vinden, welke moeite en onkosten gij u later kunt doen betalen, als gij den eigenaar gevonden hebt en hem het gevondene terug geeft; kunt gij den eigenaar niet vinden, dan is \'t naar een gegrond gevoelen
der godgeleerden geoorloofd het gevondene voor zich te behouden, vooral als het van geene overgroote waarde is: nochtans, men mag het ook aan den arme geven of aan een ander goed werk besteden, hetgeen voorzeker aan te raden en prijzenswaardig is.
III.
Men zondigt tegen het zevende gebod door den arbeiders het loon niet te betalen of door het achter te houden; doch hierover zal in de volgende onderrichting breedvoeriger gehandeld worden.
Men zondigt ook tegen het zevende gebod door zijne schulden niet te betalen, en ziedaar, B. 15 , eene zaak waaraan men in onze dagen dikwerf te kort blijft. Men maakt schulden zonder hoop van zo op den bepaalden tijd, ofwel met het zeker vooruitzicht van ze nooit te kunnen betalen. Iemand, bijv., onderneemt zaken waartoe iiij niet bekwaam is; doch om zaken te doen moet er geld zijn. Hij vraagt om geld; een vriend leent zonder achterdocht eene som, de koopman levert waren en stoffen, de werkman werkt dagen, weken, maanden lang, later zal men betalen; en ziet, eensklaps moet er bij Mijnheer het hooge woord uitkomen: ik kan niet betalen. Welke ongehoorde onrechtvaardigheden worden er hedendaags op die wijze in de wereld gepleegd! Men heeft zijne zaken eerst goed in orde gebracht, d. i., men heeft gezorgd van door de wet of voor de wereldlijke rechtbanken niet vervolgd te kunnen worden; doch ik vraag u, li. 13 , zullen die schreeuwende onrechtvaardigheden door de wét en voor de rechtbank van God niet gestraft worden? Voorzeker, er kan den mensch een ongeluk overkomen, zelfs dan als hij zijne zaken goed waarneemt en behartigt: van dusdanigen spreek ik niet, maar ik spreek van personen die hunne zaken verwaarloozen, of die zaken ondernemen waartoe zij niet bekwaam zijn, die ze inrichten op eenen voet waarop zij genoeg voorzien dat zij ze niet kunnen voortzetten of volhouden. Wat liet schuldenmaken betreft, ziehier nog eene aanmerking. Ik kan niet begrijpen hoe
— 324 —
zekere personen zoo fier voor den dag durven komen, hoe zij zich niet schamen, ten minste voor menschen aan welke zij genoeg bekend zijn. Men werkt niet, men leeft er goed van, men eet en drinkt lekker, men kleedt zich boven zijnen staat, men speelt den groeten heer en de groote dame, en wat is er betaald van alles waarvan men zoo goed leeft, waarop men zoo groot gaat en zoo fier is? Niets, alles staat nog to betalen en heeft reeds jaren lang te betalen gestaan. Denkt niet, B. B., dat het genoeg is zijn staat van zaken voor de wereld Ie verbergen; men moet zijne schulden betalen, zoo niet zondigt men tegen het zevende gebod en men is plichtig voor God.
IV.
Men zondigt tegen het zevende gebod door in processen of koopmanschappen bedrog of valschheid te gebruiken.
In processen, namelijk, als men eene onrechtvaardige zaak voor het gerecht brengt, als men advokaten, rechters of getuigen omkoopt, en zij die zich laten omkoopen zondigen ook tegen het zevende gebod. Wat de processen aangaat, li. II., men moet altijd trachten de geschillen inderminne bij te leggen. Welke zijn doorgaans de gevolgen der processen? Groote nadeeleu van beide kanten, de ondergang somtijds van gansche familien, twist en tweedracht, haat en nijd, die wellicht nooit geheel en al worden afgelegd. Nochtans, zoo men eene rechtvaardige zaak voor heeft, en men het met zijne tegenpartij niet. eens kan worden, dan is men niet verplicht schade te lijden; men mag zijne zaak voor de rechtbank brengen en daar verdedigen.
Bedrog of valschheid gebruiken in koopmanschappen. Alzoo zondigt men tegen het zevende gebod, als men zijnen evenmensch bedriegt met valsche maten en gewichten, met valsch geld en slechte waren. Ziehier, B. B., wat de H. Schrift daarvan zegt: Gij zult geen onrecht doen in de ellemaat, in gewicht en maat. Gij zult geen tweederlei gewicht hebben, een grooter en een
kleiner, want de Heer uw God verfoeit hem die zulks doet, en Hij heeft een afschuw van alle onrechtvaardigheid. Dubbel gewicht en dubbele maat, beiden zijn een gruwel voor God: Utrunique, abominatio est apud Deum. (l) Men mag geen valsch of afgedankt geld voor echte en gangbare munt uitgeven. Maar men heeft liet mij ook gegeven. Dat doet niets ter zake. Zoo anderen u bedrogen hebben, het geeft u geen recht van anderen te bedriegen.
Men bedriegt en besteelt zijnen evenmensch als men wetens en willens slechte of bedorvenc waren verkoopt voor goede, zonder in evenredigheid den prijs te verminderen; als men goede waren vervalscht, bijv., door er water bij te doen; als men bij den verkoop, bijzonder van dieren, de gebreken niet bekend maakt. Doch ziellier, B. B., aangaande die zaak eene aanmerking.
De gebreken der dieren zijn tweederlei; vooreerst, verborgen gebreken die men niet zien kan, en openbare gebreken die men zien kan; vervolgens, gebreken die het dier schadelijk, gevaarlijk of nutteloos maken voor hem die liet koopt, ofwel, die het minder schadelijk, gevaarlijk of nutteloos maken. Ziellier nu de regels:
1° Zoo een gebrek verborgen is en het dier niet schadelijk, gevaarlijk of nutteloos maakt voor den kooper, ingeval de kooper naar de verborgen gebreken niet vraagt, dan behoeft de verkooper die niet bekend te maken, doch hij moet in evenredigheid van het gebrek den prijs van het dier verminderen.
2° Ingeval de verborgen gebreken het dier voor den kooper schadelijk, gevaarlijk of nutteloos maken, dan is do verkooper verplicht die gebreken bekend te maken, zelfs dan als er de kooper niet naar ondervraagt.
3° Ingeval een gebrek openbaar, duidelijk en zichtbaar is, dan is in den regel de verkooper niet verplicht dat gebrek bekend te maken zoo de kooper er niet naar ondervraagt, doch hij mag,
(i) Prov. xx, 10.
mm,
\'tl:
\'SaH
i ll rlVt— r .
rik ^
® lp
jil
mi
|
11
II
■ ï\'
■f
i- •
-J-
teM
li j i
.I
\'■ 4\'
■\'Mi
1 \'i\'A
• lil
ii i- -i
— 320 —
bijv., het dier niet boven de waarde verkoopen; bijgevolg moet hij in evenredigheid van het gebrek den prijs verminderen.
Ook is het in den regel niet geoorloofd van den nood of- van de onkunde des koopers of verkoopers gebruik te maken om iets op een onbillijken prijs te koopen of te verkoopen, d. i., onder of boven de waarde.
SLUITREDE.
Ziedaar, B. B., reeds eenige manieren uitgelegd, waarop men zich aan de zonde van onrechtvaardigheid plichtig maakt. Al de bijzondere gevallen aanhalen, waarin men togen het zevende gebod kan zondigen, is onmogelijk, wijl zij te talrijk zijn. Daarom is het voordeelig in twijfelachtige gevallen zicli aan den volgenden regel te houden: Doe aan niemand hetgeen gij niet zoudt willen dat aan u gedaan werd, ofwel, gelijk het spreekwoord zegt: Hetgeen gij niet Avilt dat u geschiede, doe dat ook aan anderen niet. Niemand voorzeker wenscht onrechtvaardig behandeld te worden. Welnu, gaan wij van dat punt uit; wij zullen onzen evennaaste ook niet onrechtvaardig behandelen, en ons geweten zal ons nooit eene onrechtvaardigheid te verwijten hebben. Amen.
TWEE - EN - DERTIGSTE ONDERRICHTING
ZEVENDE GEBOD
OVER DEN WOEKER EN DE SIMONIE
Pecuniam tuam non daim ad usuram. (üj zult uw geld niet op woeker geven (Lev. xxv, .-gt;7.)
IIS HOU D.
VOORREDE.
Het zevende gebod verbiedt ook de zonden van woeker Simonie en bet beschadigen van den evenmensch in zijne tijde lijke goederen.
VERDEELING.
I. Wat is woeker, wat Simonie?
II. Hoe zondigen zekere personen tegen de
rechtvaardigheid ?
Hl. Is de onrechtvaardigheid groote zonde?
— 328 —
I.
Men maakt zich aan de zonde van woeker plichtig, als men om het leenen alleen meer terugeischt dan men geleend heeft. Dus mag men iets meer eischen om de schade die uit het leenen voortkomt, om de winst die ophoudt, om het gevaar van zijn geld niet terug te krijgen, ook krachtens do wet of rechtstitel.
Men maakt zich aan de zonde van Simonie plichtig, als men voor geestelijke zaken geld eischt voor zooveel zij geestelijk zijn.
Simon de tooveraar en de li. Petrus. De gewone Stipendia voor de Missen zijn volstrekt geene Simonie.
II.
Zondigen tegen de rechtvaardigheid:
1 De kinderen die hunne ouders bestelen om te kunnen spelen, drinken, enz.;
~ De ouders die hunne kinderen bcnadeelen; de man die zijne vrouw, de vrouw die haren man benadeelt;
3 De meesters die het loon aan hunne dienstboden niet betalen;
4 De dienstboden die hun loon niet verdienen, ook als zij iets achterhouden onder voorwendsel dat hunne huur te klein is.
III.
De zonde van onrechtvaardigheid is in zich doodzonde, doch niet altijd. Zulks hangt af van de waarde, van het inzicht en van de schade.
SLUITREDE.
Geschiedenis van een onrechtvaardigen koopman die zijne ziel bij testament aan den duivel liet.
TWEE - EN - DERTIGSTE ONDERRICHTING
ZEVENDE GEIiOD
OVER DEN WOEKER EN DE SIMONIE
Pecuniam tuam non dühis ad umrnm.
(Jij zult uw geld niet op woeker geven.
(Lev. xxv, 57.)
VOORREDE.
Men zondigt tegen het zevende gebod, B. B., door te stelen en tot stelen te helpen, door gestolen goed te koopen ol te bewaren, door den arbeiders het verdiende loon te onthouden en door zijne schulden niet te betalen, door in processen ot koopmanschappen bedrog of valsehheid te gebruiken. Die verschillende manieren hebben wij in onze voorgaande onderrichting uitgelegd. Buiten die zonden tegen de rechtvaardigheid zijn er nog andere, zooals de woeker en de Simonie.
Het zevende gebod daarenboven verbiedt niet alleen van te stelen, maar ook van zijnen evemnensch te beschadigen. Vandaag nu zullen wij in \'t kort zien;
I. Wat er verstaan moet worden door woeker en Simonie;
II. Hoe zekere personen zich aan onrechtvaardigheid plichtig maken;
HL Of de onrechtvaardigheid groote zonde is.
1.
Vooreerst, wat moet er verstaan worden door woeker? Aan die zonde maakt men zich plichtig, als men alleen om het leenen
— 330 —
meer terugeischt dan men geleend heeft. Ik zeg alleen om het leenen, want ingeval men iets meer terugeischt ter oorzake en in evenredigheid van de schade die uit het leenen voortkomt, of van de winst die men door het leenen belet wordt te maken, of van het gevaar dat men loopt van zijn geld niet terug te krijgen, dan maakt men zich niet plichtig aan woeker; ook niet, B. B., als men krachtens rechtstitel geen overdreven interest vraagt. Do interest door het algemeen gebruik en de burgerlijke wetten hedendaags bepaald, is vijf ten honderd in burgerlijke zaken, en zes ten honderd in handelszaken. Alhoewel nu in ons land de burgerlijke wet den interest niet meer bepaalt, nochtans, men mag in geweten, en wil men zich niet aan onrechtvaardigheid voor God plichtig maken, zonder wettige reden de interesten van vijf of zes ten honderd niet te boven gaan. De overdreven interesten, zonder wettige reden of titel geëischt, zijn verfoeielijk in de oogen van God.
Men zoude soms kunnen zeggen: de menschen die in nood verkeeren en geld noodig hebben, geven gaarne dien interest. Ik antwoord: zij geven dien interest niet gaarne, B. B., maar omdat zij er door den nood (oe gedwongen worden. Zij dus die interest vragen zonder wettige reden of titel, ofwel die meer vragen dan mag gevraagd worden, maken zich plichtig aan de zonden van woeker en onrechtvaardigheid, en zij handelen uitdrukkelijk tegen het gebod van God als Hij zegt: Pecuniam tuam. non dabis ad usuram: Gij zult uw geld niet op woeker geven.
Wat moet er verstaan worden door Simonie? Aan die zonde maakt men zich plichtig, als men iets dat enkel geestelijk is, of iets voor zoo veel het geestelijk is, voor geld of geldswaarde koopt of verkoopt, bijv., een H. Sacrament; ofwel, men zou een rozenkrans duurder verkoopen, omdat hij gewijd is. Aan die zonde maakte Simon de tooveraar zich plichtig, toen hij de Apostelen geld aanbood om de macht te koopen van den
H. Geest door het opleggen der handen aan anderen te kunnen mededeelen.
Simonie, B. B., is eene groote zonde; \'t blijkt uit de woorden van den Apostel Petrus tot Simon den tooveraar: Uw geld, zeide Petrus, zij met u ten verderve. Pecunia lua tecum sit in perditioncm, (i) omdat gij geacht hebt dat de gave Gods voor geld te koop is.
Hort geld dat men geelt aan een priester, met het verzoek van de H. Mis te lezen ot\' ook wel van andere goddelijke diensten te verrichten, dat geld wordt niet gegeven tot prijs voor do H. Mis of de goddelijke diensten; neen, B. B., maar tot onderhoud van de bedienaars der II. Kerk. Vandaar dat de Apostel Paulus zegt: Weet gij niet, zegt hij, dat zij die in het heiligdom werken, ook van het heiligdom eten, en dat zij die het altaar bedienen, ook van het altaar hun deel ontvangen? Zoo ook heeft de Heer het verordend, dat zij die het Evangelie verkondigen, ook van het Evangelie leven. Evenmin is het Simonie iemand eene aalmoes te geven, met verzoek of onder voorwaarde van voor ons te bidden of eene bedevaart te doen naar den een of anderen Heilige, zoo die aalmoes niet beschouwd wordt als gegeven juist voor het gebed of do bedevaart. Ook mag men geestelijke zaken verruilen, bijv., reliquiën tegen reliquiën; gewijde zaken verkoopen, mits zij niet duurder verkocht worden, omdat zij gewijd zijn: nochtans, onze Moeder de 11 Kerk heeft, om de zonde van Simonie zoo veel mogelijk te beletten, vastgesteld dat de gewijde voorwerpen, waaraan aflaten gehecht zijn, zoo als, bijv., de rozenkransen, enz., de aflaten verliezen in geval zij verkocht worden, al worden zij ook maar verkocht in zoo ver zij stoffelijke waarde hebben en niet duurder omdat zij gewijd zijn.
Zien wij nu in het tweede punt hoe zekere personen zich aan onrechtvaardigheid plichtig maken.
(ï) Act. Apost. vin, 20,
— 332 —
II.
Men treft soms ongelukkige kinderen aan die hunne ouders bestelen. Sommige Jongelingen zijn te zeer verslaafd aan het spel of aan den drank; zij kunnen met hunne gezellen niet mede doen, omdat do ouders hun geen zakgeld genoeg bezorgen. Wat doen zij nu? Zij bestelen hunne ouders; zij houden geld achter, ■wanneer zij iets moeten verkoopen; zij halen het geld uit de kast weg; ja, zij gaan soms zoo ver dat zij het graan van den zolder of het een of het ander verkoopen. Eveneens handelen soms de jonge dochters om zich te kunnen opschikken. Dergelijke kinderen zouden zich nog gerust willen stellen en zeggen: Het goed van vader en moeder gaat na hunnen dood toch tot ons over. Dat is waar, B. B., doch zoolang de ouders leven, behoort de eigendom aan hen; vader en moeder zijn de eigenaars, en zoo dikwijls gij iets buiten weten en tegen den wil uwer ouders wegneemt of achterhoudt, maakt gij u aan onrechtvaardigheid plichtig.
Men treft ook ouders aan die hunne kinderen benadeelen, door hen, bijv., te onterven, alles behalve om wettige redenen; die zich het goed dat hunne kinderen reeds toebehoort, toeëigenen; mannen die hunne vrouwen, vrouwen die hunne mannen benadeelen door hun geld of goed te verkwisten. Hoe menig man, bijv., is de schuld dat vrouw en kinderen tot armoede komen. Waar is het geld en goed gebleven? \'t Is verspeeld of naar de herbergen gedragen. Doch, B B., \'t zijn de mannen niet altijd die den ondergang der huisgezinnen berokkenen: men treft ook vrouwen aan die het geld of goed verkwisten. De man werkt, zwoegt en slaaft van den vroegen morgen tot den laten avond, het kan niet baten. Waarom niet? De vrouw slaat niets gade, zij werkt niet, zij gaat maar op visite en houdt visite; de kleederen zijn nooit schoon genoeg noch voor haar, noch voor de kinderen; komt er eene nieuwigheid, \'t moet er zijn; en al wederom eene nieuwigheid, \'t moet er wederom zijn; ja wel, maar waar komt dat al te maal van daan? Is die vrouw van
haar zelve zoo rijk? Ha! zij spreekt het geld en goed van haren man en wel buiten zijn weten en tegen zijnen wil aan; die vrouw zondigt tegen liet zevende gebod en maakt zich plichtig aan onrechtvaardigheid. Bijgevolg; de kinderen mogen hunne ouders niet bestelen; de ouders mogen hunne kinderen niet benadeelen; de gehuwden moeten hunne huwelijksvoorwaarden nakomen, hun wederzijdschen eigendom eerbiedigen, en do goederen die hun gemeen zijn, moeten wel bestierd worden.
De meesters moeten hunne dienstboden en werklieden liet verdiende loon betalen; zij mogen hun dat loon niet alleen niet weigeren, maar zelfs zonder reden of toestemming der dienstboden en werklieden niet eens uitstellen te betalen, zonder zich aan zonde van onrechtvaardigheid plichtig te maken.
Doch zoo de meesters van den eenen kant het loon moeten betalen, de dienstboden en werklieden van den anderen kant moeten het loon ook verdienen; al/oo zondigen zij tegen liet zevende gebod, niet alleen door geld of goed te stelen, door eetwaren te gebruiken waarop zij geen recht hebben, door de hun toevertrouwde zaken te bederven of door eigen schuld te laten bederven, zooals, bijv., de koeien, paarden, enz., maar zij zondigen ook, ais zij hunnen lijd verwaarloozen en in ledigheid doorbrengen, \'t Is niet genoeg B. B., dat de meester den werkman betaalt, de zaak is of de werkman zijn loon verdiend heeft: men vindt dienstboden, arbeiders, enz., die nauwelijks den kost verdienen; welk recht hebben zij dan op hunne huur of op hun loon? Zij hebben er geen recht op en zij zijn verplicht restitutio te doen, zoo niet zondigen zij tegen het zevende; gebod of tegen de rechtvaardigheid. Men zal soms zeggen; Mn dat gebeurt nochtans zoo dikwijls; \'t is velen zelfs tot eene gewoonte geworden. Mooie verontschuldiging! Dat stelen en op allerlei wijze bedriegen hedendaags velen tot eene gewoonte is geworden is maar al te waar en erg genoeg, maar die gewoonte, 15. B., verontschuldigt niet, anders zoude (lod al zijne geboden wel kunnen alschaffen, de hel vernietigen en alle zondaren bij zich in den hemel nemen,
wijl het velen tot eene gewoonte is geworden zich aan God, noch gebod meer te storen. Maar moeten wij ons dan dood werken voor vreemde menschen? Gij moet uwe huur of uw loon verdienen; ziedaar alles wat u te doen staat; doch gelooft mij vrij, 13. B., voor hen, die zoo spreken, is het minste te vreezen dat zij zich dood zullen werken.
Het is de dienstboden ook niet toegestaan geld of iets anders in stilte achter te houden onder voorwendsel dat hunne huur te klein is, en dat zij het wel verdienen. Bijaldien de huur te klein schijnt of inderdaad is, hebben de dienstboden recht van te spreken, doch de meesters zijn niet verplicht iets meer te betalen dan de huur, waarin men overeengekomen is, en zoo de dienstboden zich daarboven iets toe eigenen, maken zij zich aan diefstal en onrechtvaardiglieid plichtig. Welke is nu de regel waarnaar dienstboden en arbeiders, werk - en ambachtslieden zich moeten gedragen in hun werk of in hunne bezigheden? Die eenvoudige regel, B. B., is de volgende: zij moeten hun werk en hunne bezigheden voor hunne meesters zóó verrichten, als zij zouden wenschen dat zij verricht werden, in geval zij zich in de plaats hunner meesters bevonden.
Voorzeker, er zijn veel en zeer voel getrouwe dienstboden, die wezenlijk hun loon goed verdienen; de meesters moeten hen hoogachten, want zij zijn inderdaad een schat voor hen; doch die dienstboden, enz., moeten niet tienken, dat de tijdelijke huur ol het loon dat do meesters hun betalen, het eenige is. Neen, B. B., Uod, dien zij op do eerste plaats in den persoon hunner meesters dienon, ziel ook met welbehagen op bon neder; Hij beloont hen reeds hier op aarde, doch hiernamaals zal Hij hen nog beter beloonen, als Hij hun namelijk zal zeggen: Kom getrouwe knecht! Kom bravo dienstmeid on ga de vreugde van uwen Heer, d. i., ga den hemel binnen! Inlra in rjaudium Domini tui! (l)
ii i MATTH. XXV, 21.
Blijft de derde vraag te beantwoorden over, namelijk, of de onrechtvaardigheid groote zonde is.
III.
De Apostel Paulus, li. B., spreekt in naam van God over allen die zich aan de zonde van onrechtvaardigheid plichtig maken, hetzij door stelen of door iemand te benadeelen, liet vonnis uit, als hij zegt: Weet gij niet dat de onrechtvaardigen het rijk Gods niet zullen bezitten? Bedriegt u niet, zegt hij: Nolile er rare; noch dieven, noch baanstroopers zullen liet rijk Gods bezitten: Neque fures neque rapaces rcgmirn Dei possi-debunt. (i) Hieruit volgt nochtans niet dat elke zonde van onrechtvaardigheid telkens doodzonde is. Zulks hangt af, vooreerst van de som, of zij groot of klein is: twintig of dertig franken stelen zoude zeker doodzonde zijn; twee of drie centiemen, eene dagelijksche zonde. Ook kan men door kleinigheden te stelen doodelijk zondigen, zoo het dikwijls herhaald wordt en men tot eene groote som komt; of zoo men reeds van den beginne het inzicht had van tot eene groote som te komen. Het hangt ook af, B. B., van de schade die men zijnen evennaaste veroorzaakt, of zij groot of klein is. Zoo zoude men doodelijk kunnen zondigen door het stelen van een werktuig van geringe waarde, in geval de werkman daardoor groote schade leed. Juist en voor elk geval bepalen of deze of gene onrechtvaardigheid doodzonde of dagelijksche zonde is, valt moeieiijk, wijl het dikwijls van de een of andere omstandigheid afhangt.
SLUITREDE.
Alvorens deze onderrichting te eindigen, wil ik u eene droevige geschiedenis verhalen, waardoor wij allen, ik hoop het, afgeschrikt zullen worden van de zonde van onrechtvaardigheid, \'t Is de verschrikkelijke dood van zekeren koopman, die zich met onrechtvaardig geld en goed verrijkt had. Kort voor zijnen
(r i Cor. vi, 9.
— 336 —
dood liet die koopman een notaris^met getuigen bij zich komen om zijn testament te maken.
Notaris, zoo sprak de zieke, schrijf wat ik u zal voorzeggen; en na eerst van woede op zijne tanden gebeten te hebben begon bij : Ik geef mijn lichaam aan de aarde waaruit het voortkomt, en ik geef mijne ziel aan den duivel aan wien zij toebehoort. Gij kunt begrijpen of de notaris lust had van met dergelijk testament voort te gaan. De aanwezigen sidderden en beefden bij het hooren dier woorden; zij meenden dat de stervende zijn verstand verloren had; zij wekten hem op tot betere gevoelens, doch te vergeefs; want luistert, B. B., wat er verder gebeurde. In zijne boosheid en wanhoop voortgaande herhaalde de zieke nog tweemaal dezelfde woorden op een hoogeren toon en met meer nadruk; en om te toonen dat hij volkomen bij zijn verstand was, voegde hij er bij: ja, dit is mijn besluit, dit is mijn laatste wil: ik geef mijne ziel aan den duivel, omdat ik mij door diefstal en bedrog verrijkt heb. En hij voegde er bij: en ik geef ook de ziel van mijne vrouw en de zielen van mijne kinderen aan den duivel, omdat zij mij tot diefstal en bedrog verleid on aangezet hebben, om hunne pracht in kleederen, hunne onmatigheid en andere buitensporigheden te kunnen voldoen. Nauwelijks bad de ongelukkige die woorden gesproken of hij gaf den geest, hij was dood.
B. B., wat dunkt u van dat voorval? Wat dunkt u van den dood van dien onrechtvaardige? En hoevelen geven hunne ziel niet aan den duivel, al is het ook dat zij het op eene zoo plechtige wijze niet doen, als vernielde koopman deed? Zij hebben onrechtvaardigheid bedreven, zij hebben het onrechtvaardig geld of goed niet terug gegeven, zij hebben de schade niet hersteld, noch den wil gehad van hot een of ander te doen, zij zijn in hunne zonde van onrechtvaardigheid gestorven en voor eeuwig verloren gegaan. Ja, velen, B. B., hebben zich op die wijze ongelukkig gemaakt. Daarom, zijn wij wijzer, volgen wij die dwazen niet na, en wachten wij ons van alle onrechtvaardigheid. Amen.
DRIE-EN-DERTIGSTE ONDERRICHTING
ZEVENDE GEBOD
OVER DE RESTITUTIE
Si... impius rapinam reddiderit... vita vivet et non moriatur.
Zoo do goddelooze liet geroofde ternpfgeeft, hij ziil loven en niet sterven.
(Ezeoh. xxxiii, 45.)
INHOUD.
VOORREDE.
Het zevende gebod verbiedt niet alleen te stelen en schade te veroorzaken, het gebiedt ook het gestolene terug te geven, de schade te herstellen. Zonder restitutie of schadevergoeding kan men geene vergiffenis van zijne zonden bekomen. Zien wij vandaag;
VERDEELING.
I. Wie restitutie moet doen;
H. Wat men moet restitueeren;
HL Aan wien en wanneer.
geloofs-kn zfïoknlekr. 3de Duur,. 22.
— 338 —
I.
Die het goed van een antler onrechtvaardig bezit moet restitutie doen; die werkelijk iemand schade veroorzaakt heeft moet ze herstellen; zoo deze ontbreken, zijn de deelnemers er toe verplicht.
II.
Men moet het gestolene of de waarde er van teruggeven, men moet juist de schade herstellen. Die twee zaken kunnen soms samengaan. Voorbeeld.
III.
Men moet restitutie doen aan hem, dien men iets ontnomen heeft; schadevergoeding aan hom, dien men ze veroorzaakt heeft.
Bijaldien de eigenaar overleden is, aan zijne erfgenamen, en men voldoet niet door, bijv., iets aan den arme te geven. Zoo de eigenaar niet kan gevonden worden, moet men het gestolene aan den arme geven of er andere goede werken voor laten verrichten. Hoe zal een onrechtvaardige winkelier restitutie doen?
Men moet den wil hebben van zoo spoedig mogelijk restitutie of schadevergoeding te doen; intusschen moet men zijn best doen om zich zoo spoedig mogelijk van dien plicht te kunnen kwijten. Ontbreekt de wil en geeft men zich geene moeite, dan gaat men voort in de onrechtvaardigheid. Voorwendsels om geene restitutie te doen wederlegd.
SLUITREDE.
Geschiedenissen van twee onrechtvaardigen die op sterven liggen.
— 339 —
DRIE - EN - DERTIGSTE ONDERRICHTING
ZEVENDE GEBOD
OVER DE RESTITUTIE
Si... impius rapinam reddiderit... vita vivet et non mnrietur.
Zoo tie goddelooze liet geroofde teruggeeft, hij zal leven en niet sterven.
(Ezech. xxxiu, (5.)
VOORREDE.
Het zevende gebod, li. B., verbiedt niet alleen eens anders goed te stelen of iemand schade te veroorzaken, het gebiedt ook het gestolene terug te geven en de schade te herstellen, in een woord, het gebiedt restitutie oi\' schadevergoeding te doen. De Catechismus vraagt:
Wat moet hij doen die iemand in zijn goed... beschadigd heeft? En hij antwoordt:
Hij moet zoo hij bent kan aan hem of aan zijne erfgenamen restitutie doen.
De restitutie dus, ofwel metterdaad zoo men kan, ofwel met den wil zoo men niet kan, is volstrekt noodzakelijk om vergiffenis van zijne zonden te bekomen en zalig te worden. Bijaldien de goddelooze het geroofde teruggeeft, zegt God, zoo hij in de geboden des Heeren wandelt en geen onrecht doet, waarlijk, hij zal leven en niet sterven. De H. Augustinus en met hem alle H. Vaders leeren dat de zonde niet vergeven wordt, tenzij het gestolene teruggegeven worde: Non remittitur peeeatum, nisi restüuutur ablatum. Die leering komt overigens geheel
en al met de wet der natuur overeen. Iemand dus die onrechtvaardig goed bezit of die schade veroorzaakt heeft, hij kan God bidden zooveel hij wil, hij kan goede werken verrichten, vasten, aalmoezen geven, zijne zonden beweenen, maar vergiffenis van zijne zonden bekomen kan hij niet, zoo hij geene restitutie doet of althans wil doen. Noch Pastoor, noch Bisschop, de Paus van Rome zelfs heeft de macht niet om hem zijne zonden te vergeven. De restitutie en schadevergoeding zijn dus van eene volstrekte noodzakelijkheid. Vandaag zullen wij eenige omstandigheden van de restitutie overwegen:
I. Wie moet restitutie doen?
II. Wat moet men restitueeren?
III. Aan wien en wanneer moet men restitueeren?
I.
Wie moet restitutie of schadevergoeding doen? Die onrechtvaardig eens anders goed of de waarde er van bezit -t- want men kan, bijv., het goed verkocht hebben — moet restitutie doen; die iemand inderdaad schade veroorzaakt heeft, moet de schade herstellen. Dat is duidelijk. In geval die personen het niet doen en er deelnemers zijn in den diefstal of in het schade veroorzaken, dan zijn deze er toe verplicht. Zoo kunnen de ouders, bijv., verplicht zijn restitutie of schadevergoeding te doen voor hunne kinderen, de meesters voor hunne dienstboden. Doch welke orde moet men volgen onder de deelnemers, in de on rech tvaardighei d ?
Ziehier die orde. Eerst moet restitutie of schadevergoeding-doen, die den diefstal of de schade bevolen heeft; vervolgens, die gestolen of schade veroorzaakt heeft; dan die door daad of raad den diefstal of de schade bevorderd heeft; en eindelijk, die den diefstal of de schade zoo als zijn plicht was, niet belet heeft. De eigenaar moet zijn goed terug hebben, de schade moet hersteld worden. God wil. God gebiedt het.
gt;4] —
II.
Hoeveel moet men restitueeren ol vergoeden? Men moet het gestolene of de waarde er van restitueeren. Iemand, bijv., heeft een uurwerk van honderd franken gestolen, hij moet het uurwerk of honderd franken terug geven. Men moet juist de schade vergoeden. Iemand, bijv., heeft bij zijn buurman de ruiten stuk geslagen en daardoor eeue schade veroorzaakt van dertig franken; hij moet zijn buurman dertig franken geven om de schade te vergoeden. Die twee zaken nu kunnen soms samengaan, gelijk blijken zal uit het volgende voorbeeld. Iemand heeft een paard gestolen van duizend franken; zijn evenmensch lijdt daardoor eene schade van honderd franken, wijl hij bij tijds zijne veldvruchten niet kan binnen halen; het paard wordt, door de schuld van hem die het gestolen heeft, binnen het jaar honderd franken slechter. Is het nu voldoende van het paard terug te geven? Volstrekt niet, maar hij moet vooreerst het paard, vervolgens honderd franken die het slechter geworden is, en eindelijk honderd franken voor de schade in de vruchten herstellen. Zoo kan men ook, gelijk gemakkelijk te begrijpen is, soms grootelijks zondigen en op straf van doodzonde verplicht zijn restitutie te doen, al is ook hetgeen men wegneemt in zich beschouwd van geringe waarde, namelijk, in geval men daardoor groote schade veroorzaakt.
III.
Aan wien en wanneer moet men restitutie of schadevergoeding doen? Men moet restitutie of schadevergoeding doen aan den persoon, dien men iets ontnomen of schade veroorzaakt heeft; is die persoon gestorven, dan moet het geschieden aan zijne erfgenamen, bijv., aan de kinderen van den eigenaar. Hieruit blijkt duidelijk dat het niet genoeg is het gestolene aan den arme te geven of tot andere goede werken te gebruiken, bijv.. Missen te laten lezen. Men heeft den arme niet bestolen.
. Iquot;
\'f m--.
i
li :l»
li itil
li
\'ff-\' r\'H
■- .y •
I
m il :
lil mt
pi
i
V\'É M
:gt;fe
■•i i
i
i
1«
— :542 —
maar wel den eigenaar; aan dezen moet de dief dus restitutie doen, cn hij lieofl geen recht om over eens anders goed ten voordeele van den arme te beschikken.
In geval men den eigenaar volstrekt niet kan vinden, mag men dan het gestolene voor zich behouden? Evenmin, B. B., want het zevende gebod verbiedt ook zich met eens anders goed te verrijken; bijgevolg, men zoude liet gestolene of de waarde er van aan den arme moeten geven, Missen voor de ziel van den overleden eigenaar laten lezen of er andere goede werken mede verrichten.
Aan wien moet een koopman restitutie doen, die jaren lang bedrog of valschheid gebruikt heeft? Een winkelier, bijv., heeft vier of vijf jaren lang vervalschte waren verkocht of valsche maat en gewicht gebruikt; er zijn zoo veel mensclien die zijn winkel bezocht hebben, zoo dat hij niet zeggen kan, wien, of liever, wien hij liet meest bestolen heeft — want hij heeft al zijne kalanten bestolen? — De restitutie voor dergelijken winkelier zal het gevoeglijkst geschieden door evenlang als hij vervalschte waren verkocht of valsche maat en gewicht gebruikt heeft, onopgemerkt zijne kalanten wat minder te laten betalen of liever hun iets meer te geven; kan hij zulks niet meer doen, omdat hij, bijv., opgehouden heeft met zijn winkel, dan moet hij aan den arme en bij voorkeur aan den arme zijner plaats restitutie doen.
Be Catechismus vraagt;
Wanneer moet men restitutie doen? En hij antwoordt:
Zoo haast als het mogelijk is; icunt die geene restitutie doet als hij kan, gaat voort in de onrechtveerdigheid.
Men moet dus, zoo men kan, terstond restitutie of schadevergoeding doen, en men mag het niet uitstellen tot aan zijnen dood; kan men voor liet oogenblik geene restitutie of schadevergoeding doen, dan moet men voor het minste den goeden wil hebben van het zoo spoedig mogelijk te doen. Intusschen
— 343 —
\'fv!\'\' (ji
mm
moet men zich beijveren om zich van dien plicht te kunnen kwijten; doet men zulks niet, ontbreekt de goede wil, dan gaat men immer voort in de zonde van onrechtvaardigheid, en \'t is onmogelijk er vergiffenis van te bekomen.
De onrechtvaardige, B. B., zoekt niet zelden uitvluchtsels om zich te verontschuldigen in het nalaten van restitutie ol schadevergoeding te doen.
Hoe zoude ik restitutie of schadevergoeding kunnen doen, zegt de ecne: ik heb nauwelijks genoeg om er zelf van te leven of mijn huisgezin te onderhouden. Ik antwoord; misschien heeft de persoon dien gij bestolen of beschadigd hebt, even weinig, misschien nog minder dan gij, en bijgevolg zijt gij verplicht van het weinige aan dien persoon terug te geven. Is het billijk dat een ander om uwe onrechtvaardigheden gebrek lijdt en in armoede zucht? Is dat niet eenigszins wraakroepend? Doch veronderstelt dat gij een rijke bestolen of beschadigd hebt, zijt gij daarom ontslagen van de verplichting van restitutie of schadevergoeding te doen? Volstrekt niet: kunt gij nu niet terug geven of vergoeden in weerwil van uw sparen en goed oppassen, voorzeker, dan is God voorloopig met uw goeden wil tevreden. Maar doet gij wezenlijk uw best? Werkt gij met vlijt of spoelt gij niet eerder den luiaard? Zet gij uwe kinderen aan van te werken, of geeft gij hun niet eerder een slecht voorbeeld? Waar blijft het geld dat gij met uwe kinderen verdient? Wordt het overschot dat gij niet noodig hebt om uw huisgezin te onderhouden, ter zijde gelegd om weldra restitutie of schadevergoeding te kunnen doen, om uwe schulden te kunnen betalen, of wordt het niet eerder naar de kroegen en herbergen gedragen of op andere wijze verkwist? Ziedaar, B, B., wat niet zelden plaats heeft. Neen, dergelijke personen zullen bij God geene verschooning vinden.
Bijaldien ik restitutie of schadevergoeding doe, zegt een ander, dan maak ik mijne vrouw en kinderen ongelukkig. Ik antwoord:
ik-
ï«pp
• gt; 11
ril:
ill »1
lij
life
ill rf\'
P:\'
\'-tV,
;.1 v\': ■ .i\\ |
i|||
iii v\'P
fill
■quot; :
fe PM! M\'vi
■H H
quot;éi pj
I !li
||
\'ll kill
— 344 —
Uwe vrouw en uwe kinderen zijn wel te beklagen, zoo huu geluk van onrechtvaardig geld of goed afhangt. De vloek, ja de vloek Gods hecht zich aan hun erfdeel vast. Zoo gij waarlijk bezorgd zijt voor het welzijn uwer vrouw en kinderen, geef dan het onrechtvaardig geld of goed terug, vergoed de schade, en God zal het weinige dat u overblijft, zegenen en vermeerderen, zoo het tot welzijn van uwe vrouw en van uwe kinderen verstrekt. Dus wilt gij uwe vrouw en uwe kinderen niet ongelukkig maken, doe restitutie en vergoed de schade die gij veroorzaakt hebt.
Bijaldien ik restitutie of schadevergoeding doe, zegt een derde, dan kan ik mijn rang in de wereld niet meer handhaven. Vooreerst, ik vraag u: Moogt gij den rang waartoe gij u door onrechtvaardigheden verheven hebt, wel mo rang noemen? Daarenboven antwoord ik: Mijn vriend! \'t is niet noodig uw rang in de wereld te handhaven om in den hemel te komen, maar daartoe is wel noodig resiitutie of schadevergoeding te doen. \\\\ at baat het thans zooveel verdoemden, die reeds jaren en jaren lang in de hel liggen te branden om hunne zonden van onrechtvaardigheid, van in de wereld hunnen rang gehandhaafd te hebben? En wat zal het u baten, zoo gij evenals zij om de zonden van onrechtvaardigheid verloren gaat? Daal dus wat af van de hoogte waartoe gij door uwe onrechtvaardigheden gekomen zijt, wees matiger in eten en drinken, reis zooveel niet, en weldra zult gij zoo niet alles, ten minste een groot gedeelte kunnen teruggeven of herstellen. En zeg niet: Mijne eer en mijn goede naam loopen daardoor gevaar; dat is maar een ijdel voorwendsel, dat allen die restitutie of schadevergoeding moeten doen, gewoon zijn aan te halen. Men zal, zoo men van goeden wil is, gemakkelijk wegen of middelen vinden om restitutie of schadevergoeding te doen, zonder iets van zijne eer of van zijn goeden naam te verliezen, en bij God, 13. B., hetgeen het voornaamste is, bestaat geen grootere eer dan de rechtvaardigheid. Gij ziet dus; alle redenen die men
3-15 —
gewoon is aan te halen om zich van het restitutie of schadevergoeding te doen vrij te pleiten, zijn enkel ijdole voorwendsels en uitvluchtsels die niets beteekenen.
SLUITREDE.
Ten slotte ga ik u twee geschiedenissen verhalen die ik aangaande de restitutie gelezen heb. Ten jare 1889 leefde er iti het zuiden van Frankrijk een koopman, die zich met onrechtvaardig geld en goed verrijkt had. Ziek geworden moest er een priester komen om hem bij te staan en tot den dood voor te bereiden. De priester die geroepen werd, had den zieke eertijds dikwijls raad gegeven; hij dacht dus dat de zaak weldra zoude geregeld zijn; doch ziet! hoe vond zich de priester bedrogen. Hij verschrok, toen hij, in de kamer van deu zieke gekomen, hem met eene klagende stem hoorde zeggen: \'t Is met mijne zaligheid gedaan; reeds jaren lang bezit ik onrechtvaardig goed, en het staat bij mij vast van het nooit terug te geven, want doe ik het, gansch mijn huisgezin zoude tot armoede komen; ook zoude ik door allen voor een eerloos mensch gehouden worden. Ga maar terug, zeide hij tot den priester, ik heb uwe hulp niet noodig, gij hebt mij vroeger altoos voor een rechtschapen man aangezien, en nu sterf ik naar Oods rechtvaardig oordeel den dood der verdoemden. Gij kunt begrijpen, B. B., de priester ging niet terug; hij zag dat de tijd kort en dus kostbaar was, en hij deed alles wat mogelijk was om hot vertrouwen bij dien wanhopende op te wekken, om hem te bekeeren en met God te verzoenen. Doch, helaas! alles leed schipbreuk op de woorden: Wat zal mijne vrouw zeggen? Wat zal er van mijne kinderen geworden? De vrouw nu word intusschen van hetgeen er in de kamer van den zieke voorviel onderricht, en ziet! toon had er een hartroerend schouwspel plaats. Die vrouw, welke haren man waarlijk, in don echten zin des woords beminde, snelt toe, zij valt haren
m
m
hl i®
»111 ■\'f
■ - ÏM
:yfl! I illü
quot; ■;l; A rff
ill \'JÜ
•\'I
•Jjiii
■u
\'ïvfill
m
: Vj jpl
■ \'•I\'i I
t,;
:ï|j v||l
II
1 • I
maar wel den eigenaar; aan dezen moet de dief dus restitutie doen, en hij lieofl geen recht om over eens anders goed ten voordeele van den arme te beschikken.
In geval men den eigenaar volstrekt niet kan vinden, mag men dan liet gestolene voor zieli behouden? Evenmin, B. B., want het zevende gebod verbiedt ook zicli met eens anders goed te verrijken; bijgevolg, men zoude liet gestolene of do waarde er van aan den arme moeten geven. Missen voor de ziel van den overleden eigenaar laten lezen of er andere goede werken mede verrichten.
Aan wien moet een koopman restitutie doen, die jaren lang bedrog of valschheid gebruikt heeft? Een winkelier, bijv,, heeft vier of vijf jaren lang vervalschte waren verkocht of valsche maat en gewicht gebruikt; er zijn zoo veel menschen die zijn winkel bezocht hebben, zoo dat hij niet zeggen kan, wien, of liever, wien hij het meest bestolen heeft — want hij lieeft al zijne kalanten bestolen? — De restitutie voor dergelijken winkelier zal het gevoeglijkst geschieden door evenlang ais hij vervalschte waren verkocht of valsche maat en gewicht gebruikt heeft, onopgemerkt zijne kalanten wat minder te laten betalen of liever hun iets meer te geven; kan hij zulks niet meer doen, omdat hij, bijv., opgehouden heeft met zijn winkel, dan moet hij aan den arme en bij voorkeur aan den arme zijner plaats restitutie doen.
De Catechismus vraagt:
Wanneer moet men restitutie doen? En hij antwoordt:
Zoo haast als het mogelijk is; want die geene restitutie doet als hij hem, gaat voort in de onreehtveerdigheid.
Men moet dus, zoo men kan, terstond restitutie of schadevergoeding doen, en men mag liet niet uitstellen tot aan zijnen dood; kan men voor het oogenblik geene restitutie of schadevergoeding doen, dan moet men voor liet minste den goeden wil hebben van het zoo spoedig mogelijk te doen. Intusschen
— 343 —
inoet men zich beijveren om zich van dien plicht te kunnen kwijten; doet mon zulks niet, ontbreekt de goede wil, dan gaat men immer voort in de zonde van onrechtvaardigheid, en \'t is onmogelijk er vergiffenis van te bekomen.
De onrechtvaardige, B. B., zoekt niet zelden uitvluchtsels om zich te verontschuldigen in hot nalaten van restitutie of schadevergoeding te doen.
Hoe zoude ik restitutie of schadevergoeding kunnen doen, zegt de eene: ik heb nauwelijks genoeg om er zelf\' van te leven of\' mijn huisgezin te onderhouden. Ik antwoord; misschien heeft de persoon dien gij bestolen ol beschadigd hebt, even weinig, misschien nog minder dan gij, en bijgevolg zijt gij verplicht van het weinige aan dien persoon terug te geven. Is het billijk dat een ander om uwe onrechtvaardigheden gebrek lijdt en in armoede zucht? Is dat niet eenigszins wraakroepend? Doch veronderstelt dat gij een rijke bestolen of beschadigd hebt, zijt gij daarom ontslagen van do verplichting van nestitutie of schadevergoeding te doen? Volstrekt niet: kunt gij nu niet terug geven of vergoeden in weerwil van uw sparen en goed oppassen, voorzeker, dan is God vootloopig met uw goeden wil tevreden. Maar doet gij wezenlijk uw best? erkt gij met vlijt of speelt gij niet eerder den luiaard? Zet gij uwe kinderen aan van te werken, of geeft gij hun niet eerder een slecht voorbeeld? Waar blijft hot geld dat gij met uwe kinderen verdient? Wordt het overschot dat gij niet noodig hebt om uw huisgezin te onderhouden, ter zijde gelegd om weldra restitutie of schadevergoeding te kunnen doen, om uwe schulden te kunnen betalen, of wordt het niet eerder naar do kroegen en herbergen gedragen of op andere wijze verkwist? Ziedaar, B, B., wat niet zelden plaats heeft. Neen, dergelijke personen zullen bij God geene verschooning vinden.
Bijaldien ik restitutie of schadevergoeding doe, zegt een ander, dan maak ik mijne vrouw en kinderen ongelukkig. Ik antwoord:
li i 11
:
m
•i
jï:
IÉ 1
ft: l I.;, |i
■;-fJ
3#
ri
■ ;
lil
ill
li
r-i ii
— 344 —
Uwe vrouw en uwe kindereu zijn wel te beklagen, zoo hun geluk van onrechtvaardig geld of goed afhangt. De vloek, ja de vloek Gods hecht zich aan hun erfdeel vast. Zoo gij waarlijk bezorgd zijt voor het welzijn uwer vrouw en kinderen, geef dan het onrechtvaardig geld of goed terug, vergoed de schade, en God zal het weinige dat u overblijft, zegenen en vermeerderen, zoo het tot welzijn van uwe vrouw en van uwe kinderen verstrekt. Dus wilt gij uwe vrouw en uwe kinderen niet ongelukkig maken, doe restitutie en vergoed de schade die gij veroorzaakt hebt.
Bijaldien ik restitutie of schadevergoeding doe, zegt oen derde, dan kan ik mijn rang in de wereld niet meer handhaven. Vooreerst, ik vraag u; Moogt gij den rang waartoe gij u door onrechtvaardigheden verheven hebt, wel uiv rang noemen? Daarenboven antwoord ik: Mijn vriend! \'t is niet noodig uw rang in de wereld te handhaven om in den hemel te komen, maar daartoe is wel noodig restitutie of schadevergoeding te doen. Wat baat het thans zooveel verdoemden, die reeds jaren en jaren lang in de hel liggen te branden om hunne zonden van onrechtvaardigheid, van in de wereld hunnen rang gehandhaafd te hebben? En wat zal het u baten, zoo gij evenals zij om do zonden van onrechtvaardigheid verloren gaat? Daal dus wat af van de hoogte waartoe gij door uwe onrechtvaardigheden gekomen zijt, wees matiger in eten en drinken, reis zooveel niet, en weldra zult gij zoo niet alles, ten minste een groot gedeelte kunnen teruggeven of herstellen. Eu zeg niet; Mijne eer en mijn goede naam loopen daardoor gevaar; dat is maar een ijdel voorwendsel, dat allen die restitutie of schadevergoeding moeten doen, gewoon zijn aan te halen. Men zal, zoo men van goeden wil is, gemakkelijk wegen of middelen vinden om restitutie of schadevergoeding te doen, zonder iets van zijne eer of van zijn goeden naam te verliezen, en bij God, B. B., hetgeen het voornaamste is, bestaat geen grootero eer dan de rechtvaardigheid. Gij ziet dus; alle redenen die men
gewoon is aan te halen om zich van hot restitutie of schadevergoeding te doen vrij te pleiten, zijn enkel ijdele voorwendsels en uitvluchtsels die niets heteekenen.
SLUITREDE.
Ten slotte ga ik u twee geschiedenissen verhalen die ik aangaande de restitutie gelezen heb. Ten jare 1839 leefde er in het zuiden van Frankrijk een koopman, die zich met onrechtvaardig geld en goed verrijkt had. Ziek geworden moest er een priester komen om hem bij te staan en tot den dood voor te bereiden. De priester die geroepen werd, had den zieke eertijds dikwijls raad gegeven; hij dacht dus dat de zaak weldra zoude geregeld zijn; doch ziet! hoe vond zich de priester bedrogen. Hij verschrok, toen hij, in de kamer van den zieke gekomen, hem met eene klagende stem hoorde zeggen: \'t Is met mijne zaligheid gedaan; reeds jaren lang bezit ik onrechtvaardig goed, en het staat bij mij vast van het nooit terug te geven, want doe ik het, gansch mijn huisgezin zoude tot armoede komen; ook zoude ik door allen voor een eerloos mensch gehouden worden. Ga maar terug, zeide hij tot den priester, ik heb uwe hulp niet noodig, gij hebt mij vroeger altoos voor een rechtschapen man aangezien, en nu sterf ik naar Gods rechtvaardig oordeel den dood der verdoemden. Gij kunt begrijpen, B. B., de priester ging niet terug; hij zag dat de tijd kort en dus kostbaar was, en hij deed alles wat mogelijk was om het vertrouwen bij dien wanhopende op te wekken, om hem te bekeeren en met God te verzoenen. Doch, helaas! alles leed schipbreuk op de woorden: Wat zal mijne vrouw zeggen? Wat zal er van mijne kinderen geworden? De vrouw nu werd intusschen van hetgeen er in de kamer van den zieke voorviel onderricht, en ziet! toen had er een hartroerend schouwspel plaats. Die vrouw, welke haren man waarlijk, in den echten zin des woords beminde, snelt toe, zij valt haren
— 340 —
zieken man om den hals en roept, terwijl zij in tranen losbarst, uit: Ach mijn goede man! red toch uwe ziel! geef terug hetgeen gij onrechtvaardig bezit! voor mij en mijne kinderen is schoon water en gebedeld brood genoeg! wij zullen met de armen tevreden zijn, mits gij uwe ziel van de pijnen der hel bevrijdt! Door die woorden getroffen en als buiten zich zeiven schept de zieke moed, hij spreekt eene rouwmoedige biecht, doet restitutie en een weinig daarna stierf hij.
Niet zoo troostrijk, B. B., eindigde het volgende voorval. Een ander bezitter van onrechtvaardig geld en goed werd gevaarlijk ziek. Zijn einde voelende naderen verzocht hij te middernacht zijn minderjarig zoontje bij zich te brengen. Men voldeed aan het verzoek van den zieke. Toen men het kind bracht, kwam er een traan in het oog van den ongelukkigen vader; hij zag het onschuldig wicht weemoedig aan, omhelsde het voor de laatste maal en liet het vervolgens wegbrengen. Ik wenschte, zoo sprak daarop de zieke met gebroken stem, ik wenschte mijn kind nog eens te zien, want in eeuwigheid zal ik het niet wederzien; ik ben verdoemd: \'t waren de laatste woorden van den ongelukkige, van den onrechtvaardige, hij was dood.
Deze twee voorvallen laat ik u ter overweging over, en wel vooral laat ik ze ter overweging over aan de onrechtvaardigen, zoo er hier tegenwoordig zijn. Zij kunnen er uit kiezen: ofwel met den eerste zich bekeeren, restitutie doen en een goeden dood sterven, ofwel met den laatste in de onrechtvaardigheid voortgaan, volharden en daarna voor eeuwig verloren gaan. Amen
VIER - EN - DERTIGSTE ONDERRICHTING
ZEVENDE GEBOD
OVER DE GEVOLGEN DER ONRECHTVAARDIGHEID
Benedictio Domini divitcs facit. De zegen des Heercn verrijkt.
(1\'rov. X, Ti.)
INHOUD.
VOORREDK.
Velen zijn om de zonde van onrechtvaardigheid verloren gegaan. Velen volgen die ougelukkigen, én in de onrechtvaardigheid, én in hun eeuwig ongeluk. Zien wij dus:
VERDEELING.
I. Dat onrechtvaardig goed den mensch niet gelukkig-
maakt ;
II. Dat de dood ons alles ontnemen zal;
III. Dat de onrechtvaardige zich voor eene handvol geld voor eeuwig ongelukkig maakt.
I.
Onrechtvaardig goed maakt den mensch niet gelukkig; integendeel, het maakt liem ongelukkig. De H. Schrift leert het uitdrukkelijk. De onrechtvaardige is nooit gerust; hij is op zijne beurt bang van bestolen, of ontdekt en in de gevangenis geworpen te worden.
II.
De dood zal den mensch eenmaal alles ontnemen. Alles wordt achtergelaten voor de erfgenamen. De dood valt eenieder bitter, doch vooral den onrechtvaardige; deze is meer dan iemand aan het geld en goed gehecht; het geweten verwijt hem zijne onrechtvaardigheden, en hij voorziet de straffen die hem wachten.
III.
De onrechtvaardige verliest den hemel en stort zich voor eene handvol geld in den afgrond der hel. Welk eene dwaasheid! De duivel zelf lacht er mede.
SLUITREDE.
Wachten wij ons wol van de zonde van onrechtvaardigheid, vooral in den beginne. Hebben wij ons aan die zonde plichtig gemaakt, zorgen wij zoo spoedig mogelijk restitutie te doen, de schade te herstellen; \'t is de eenige weg om vergiffenis van zijne zonden te bekomen en zijne ziel te redden. Ook moeten wij gaarne aalmoezen geven.
VIER-EN DERTIGSTE ONDERRICHTING
ZEVENDE GEBOD
OVER DE GEVOLGEN DER ONRECHTVAARDIGHEID
Benedictio Domini divites facit.
De zegen des Hoeren verrijkt.
(Peov. x, 22.)
VOORREDE.
De zonde van onrechtvaardiglieid, B. B., maakt veel slachtofl\'ers. Vele verdoemden in de hel beklagen, maar helaas! te laat hunne zonden tegen het zevende gebod. Men treft hedendaags ook veel menschen aan, die zich aan eens anders goed vergrijpen en met welke, zoo zij zich niet bekeeren, het niet beter vergaan zal dan met hen, die reeds de verdiende straffen voor hunne schelmstukken ondergaan.
Alvorens met het zevende gebod te eindigen, wil ik eerst nog drie beweegredenen uitleggen, die ons allen krachtdadig zullen aanzetten van ons nooit aan onrechtvaardigheid plichtig te maken; ofwel, zoo wij ons aan die zonde plichtig gemaakt hebben, van zoo spoedig mogelijk restitutie te doen en de schade onzen evenmensch aangedaan te herstellen. Ziehier die drie beweegredenen:
I. Onrechtvaardig goed maakt den mensch niet gelukkig;
II. De dood zal ons eenmaal alles ontnemen;
III. Voor eene handvol onrechtvaardig geld of goed maakt de mensch zich voor eeuwig ongelukkig.
— 350 —
1.
Op de eerste plaats zeg ik dat onrechtvaardig goed den mensch niet gelukkig maakt op aarde; integendeel, het maakt hem ongelukkig. Aan den zegen van God, B. B., is alles gelegen. Bijaldien God niet medewerkt, alles is te vergeefs. De zegen des Heeren, maakt rijk, zegt de H. Schrift: Benedictio Domini dirites facit; doch die zegen des Heeren zal op den onrechtvaardige niet nederdalen; integendeel, de H. Geest voorspelt den onrechtvaardige veel onheil. Wie onrecht zaait zal ongelukkig oogsten. Wie zijn huis met vreemd geld bouwt, verzamelt steenen voor zijnen grafheuvel. Wat wil dat zeggen? Niets anders voorzeker dan dat de onrechtvaardigheid den mensch ongelukkig maakt. De goederen van den onrechtvaardige, zoo lezen wij nog op eene andere plaats in de H. Schrift, droogen uit gelijk eene beek: Sicui fluvius siccabuntur. (i) God spreekt door den mond van zijnen Profeet een verschrikkelijk wee uit over den onrechtvaardige. Wee hem, zegt de Profeet Habacuc, die ophoopt dat het zijne niet is: Wee hem die uit gierigheid onrechtvaardig goed verzamelt voor zijn huis. Er is nog vuur in het huis van den goddelooze, zegt de Profeet Micheas; en welk is dat vuur? De schatten van onrechtvaardigheid: Thesauri iniquitalis. (2)
Gij ziet het dus, B. B., onrechtvaardig goed maakt den mensch niet gelukkig; integendeel, het maakt hem ongelukkig. Die waarheid van de H. Schrift is zoo duidelijk en klaar dat zij zelfs tot spreekwoord is overgegaan. Wat zegt het spreekwoord? Onrechtvaardig goed gedijt niet, d. w. z., geeft geen zegen.
Mocht het nu den een of anderen onrechtvaardige gelukken van min of meer lang in bezit te blijven van het onrechtvaardig geld of goed, is hij daarom gelukkig? Volstrekt niet. Hij zeil is bang dat het hem door anderen ontnomen wordt; hij is bang
(1) Eocl. xxxix, 29. (2) Micu. vi, 10.
dat zijne onrechtvaardigheden ontdekt worden. Nu, zoo denkt hij, ziet men mij nog aan voor een eerlijk man, maar het moest eens bekend worden, wat en hoe ik hot geld en goed bezit. Die gedachte, B. B., foltert den onrechtvaardige dag en nacht, zoodat hij geen waar genoegen kan smaken. En hoe velen worden reeds in dit leven voor hunne onrechtvaardigheden gestraft? Het schelmstuk is aan den dag gekomen, men is den dief op het spoor, men neemt hem gevangen en in de gevangenis brengt hij jaren en jaren door, ja eindigt hij niet zelden zijn leven. Ziedaar wat den dief of onrechtvaardige wel eens overkomt.
II.
Op de tweede plaats zeg ik dat de dood ons eenmaal alles ontnemen zal, en misschien vroeger dan wij er ons aan verwachten. Ziet gij niet dagelijks, zoo drukt zich de H. Joannes Chrysostomus uit, hoe zij die men ten grave draagt, van alles ontbloot derwaarts gedragen worden en niets van huis mede-nemen? Hoe zij zelfs het doodskleed, dat hen omhult, aan de wormen moeten overlaten? Welnu, B. B., ons zal men niet meer mede geven, wanneer men ons naar het kerkhof dragen zal. Alles wat men hier op aarde bezit moet men aan zijne erfgenamen achterlaten, die er wellicht eens hartelijk om lachen zullen. De erfgenamen van den onrechtvaardige zullen hem niet eens bedanken, dat hij hun ten koste van zijne onsterfelijke ziel zooveel geld en goed achtergelaten, dat hij hen verrijkt heeft. Waarom vergadert gij u dan zoo veel onrechtvaardig geld en goed? Is de dood reeds niet bitter genoeg? Moet gij hem door uwe zonden van onrechtvaardigheid nog bitterder maken? O B. B., niet zelden valt het den mensch reeds hard het geld en goed dat hij rechtvaardig bezit, te moeten verlaten, hoe hard zal het hem dan niet vallen aan het onrechtvaardig geld en goed te moeten vaarwel zeggen? Die ongelukkige vooreerst is meer dan iemand aan \'t geld en goed gehecht; zijn
— 352 —
geweien, dat hij gedurende zijn leven getracht heeft in slaap te wiegen, zal bij den dood heviger clan ooit ontwaken, het zal hem zijne onrechtvaardigheden verwijten en de straffen doen zien die hij er voor verdiend heelt. En och of de onrechtvaardige gedurende zijn leven zich het akelig oogenblik van den dood meer voor oogen stelde! Och of hij meer aan den dood dacht, aan den dood die hem telkens kan treffen, en van al zijn geld en goed kan berooven. Wat zegt onze goddelijke Zaligmaker in het Evangelie tot den rijke? Dwaas, die gij zijt, zegt Jesus: Stulte: (i) dezen nacht nog zal men uwe ziel van li afeischen: hac nocte aniinam tuam repetent a te, en alwat gij bereid hebt, voor wien zal het wezen ? quce antem parasti cujus erunt?
III.
Eindelijk moet ik niet vergeten dat men zich door de zonde van onrechtvaardigheid voor eeuwig ongelukkig maakt. Men verliest den hemel en men stort zich in den afgrond der hei. Ja, het verlies van den schoonen hemel en de eeuwige pijnen der hel staan den onrechtvaardige te wachten. De onrechtvaardige verkoopt ais het ware het eeuwig geluk des hemels voor eene handvol onrechtvaardig geld of goed, waarvan hij slechts een weinig tijds kan genieten, omdat de dood, gelijk wij zoo even gezien hebben, hem weldra alles ontnemen zal. Kan er, ik vraag het u, B. B., eene grootere dwaasheid gevonden worden? Doch dat is niet alles. De onrechtvaardige verliest niet alleen den hemel, maar hij stort zicli daarenboven in den afgrond dei-hel, om daarin voor eeuwig gepijnigd te worden. Met geld brengt menigeen in de hel, zegt het spreekwoord, en blijft er zelf uit. Te recht roept dus de Apostel Jacobus de onrechtvaar-digen toe; Welaan, zoo spreekt hij; Weent en huilt om uwe ellenden; waar is nu het geld en goed dat gij in uw leven met
(1) Luc. xii, 20.
— 353 —
zoo veel drift gezocht liebt? De dood heeft het u ontnomen; doch gij hebt aan dat geld en goed de voorkeur gegeven boven den hemel; daarom hebt gij n schatten van goddelijke gramschap vergaderd voor den laatsten tijd, d. L, voor den laatsten dag des oordeels en voor de eindelooze eeuwigheid. In de hel, in dien poel van solfer en vuur, zal de onrechtvaardige het geld en goed verwenschen, doch te vergeefs, want in eeuwigheid zal hij er om zijne onrechtvaardigheden in gefolterd worden.
B. B., ik vraag het u nogmaals, kan er eene grootere dwaasheid gevonden worden dan voor eene handvol onrechtvaardig geld of goed den hemel te verkoopen en zich voor eeuwig neder te storten in den afgrond der hel? De duivel zelf, geloof mij vrij, lacht met die overgroote dwaasheid. En inderdaad, een grooter genoegen kan men den duivel niet doen dan hem voor zulk een spotprijs zijne onsterfelijke ziel te verkoopen.
SLl\'ITREDK.
Ziedaar, B. B., de drie beweegredenen, waarover ik in den beginne gesproken heb, genoegzaam verklaard. Het eenige dat er nu te\'doen overblijft, is er zijn leven naar inrichten.
Wij moeten dus zorgen van onzen naaste niets te ontnemen, hem geene schade te veroorzaken. Men moet de neiging tot onrechtvaardig geld of goed vooral in den beginne tegen gaan, zich volstrekt niet veroorloven jong zijnde kleinigheden hetzij te huis, hetzij elders weg te nemen. Hier geldt waarlijk het spreekwoord: Werk de beginselen tegen. Met het kleine begint men, met het groote eindigt men. Menigeen, B. B., heeft op het schavot zijn leven geëindigd, die mot het wegnemen van eene kleinigheid begonnen was. Bezit men het een of ander onrechtvaardig, heeft men zijnen evenmensch schade veroorzaakt, men moet zoo spoedig mogelijk restitutie doen, de schade herstellen: quot;t is de eenige weg, gelijk wij reeds vroeger gezien hebben om vergiffenis van zijne zonden te bekomen en zijne
Gkloofs-rn Zrdrnlbbr. 3«lo Okkf, 23.
Pi 11
i
i:
If
%
0
1 si
ii
ia #1
f.iiL, |
1
■V*
,:i
— 354 —
ziel van den eeuwigen ondergang te bevrijden. Daarenboven, B. B., zoo God ons veel geld of tijdelijke goederen geschonken beeft, trachten wij er dan een goed gebruik van te maken, zijn wij weldadig jegens den arme en behoeftige. Zijn wij allen geen kinderen van een en denzelfden Vader die in den hemel is, d. i., van God? quot;Waarom heeft God nu gewild dat gij rijk zijt, dat een ander arm is? Om deze reden, opdat gij u door werken van liefdadigheid, door aalmoezen uit te deelen, verdiensten zoudet vergaderen voor den hemel, cn opdat de arme door de deugd van verduldigheid te oefenen, daarvoor zoude beloond worden. Vandaar dat de Apostel Paulus in zijnen brief aan Tiniotheus schrijft: Giebied aan de rijken der wereld niet hoogmoedig te zijn, niet te vertrouwen op onzekeren rijkdom, maar op den levenden God, — die ons rijkelijk geeft tot ons genot, — goed te doen, rijk te worden aan goede werken, gaarne te o-even en mede te deelen, om het ware leven, d. i., het eeuwige leven of den hemel, te bekomen: Ut apprehendant ter am vitarn. (i) Amen.
(i) i Tim, vi, 17.
— 356 —
Zondigen ook tegen het tiende gebod;
1° De kinderen en erfgenamen die naar den dood hunner ouders en bloedverwanten verlangen;
2° De kooplieden die naar schaarschheid van levensmiddelen verlangen;
3° Allen die hunnen naaste in den nood wenschen om zich te kunnen verrijken. De hebzucht strijdt in zekeren zin ook tegen het tiende gebod en is de bron van talrijke zonden van onrechtvaardigheid.
II.
Het tiende gebod gebiedt:
1° Eenieder het zijne te gunnen;
2° Met het zijne tevreden te zijn.
De ontevredenheid geeft aanleiding tot de zonde van onrechtvaardigheid; zij veroorzaakt den raensch veel onrust en ongenoegen. De tevredenheid met zijn lot verschaft den mensch rust en genoegen. De arme moet zoowel tevreden zijn als de rijke. Daarom overwege hij:
1° Dat een zuiver geweten het grootste goed is;
2° Dat de rijke ook eenmaal alles zal moeten verlaten;
3° Dat de Zoon Gods arm geleefd heeft.
SLUITREDE.
Parabel van den rijken vrek en den armen Lazarus.
VIJF - EN - DERTIGSTE ONDERRICHTING
TIEiNDK GEBOD
OVER DE INWENDIGE ZONDEN VAN ONRECHTVAARDIGHEID
Non concupisces domum proximi tui.
Gij zult het huis van uwen naaste niet begeeren. (Ex. xx, 13.)
VOORREDE.
Na over het zesde gebod gesproken te hebben, B. B., zijn wij onmiddellijk daarna met het negende gebod begonnen; de reden is, wijl beide geboden over dezelfde stof handelen, namelijk, over de schandelijke zonde tegen de schoone deugd van zuiverheid, het zesde gebod over de uitwendige, en het negende gebod over de inwendige zonde van onkuischheid. Hetzelfde heeft plaats in het zevende en tiende gebod; beide geboden handelen over dezelfde stof, namelijk, over de zonde van onrechtvaardigheid, het zevende gebod over de uitwendige zonde of metterdaad bedreven, en het tiende gebod over de inwendige zonde of alleen met de begeerte bedreven. Alle geboden wel is waar kunnen, niet alleen metterdaad of uitwendig, maar ook met den wil of de begeerte alleen overtreden worden; nochtans, er zijn maar twee geboden die uitdrukkelijk over de zonde, enkel met de begeerte of inwendig bedreven, handelen, namelijk, het negende en tiende gebod: de reden is, wijl de mensch gemakkelijker inwendig of door de begeerte alleen tegen de schoone deugd en de rechtvaardigheid zondigt.
Het tiende gebod luidt als volgt: Non concupisces domum proximi tui: Gij zult uws naasten huis niet begeeren, noch zijn akker, noch zijn dienstknecht, noch zijne dienstmeid, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets van alles wat hem toebehoort; in andere woorden, Begeer noch onrechtvaardig iemands goed hetzij klein of groot. Vandaag zullen wij zien;
I. Wat het tiende gebod verbiedt;
li. Wat het gebiedt.
fa
i.
De Catechismus vraagt:
Wat wordt er verboden in het tiende gebod? En hij antwoordt;
Alle onreehtveerdigheid en ongelijk waarmede ivij onzen evennaaste willen beschadigen in zijne lijdelijke goederen.
De wil dus ol het verlangen alleen van zijnen evennaaste te bestelen of schade te veroorzaken, zonder het inderdaad te doen, strijdt tegen het tiende gebod, en is bijgevolg zonde.
Nochtans, niet alle verlangen naar de tijdelijke goederen van den evenmensch strijdt tegen het tiende gebod. Iemand kan het een of ander goed bezitten dat mij ook goed gelegen komt, en ik kan zonder te zondigen naar dat goed verlangen. Mijn buurman, bijv., heeft een jong en sterk paard, ik daarentegen een oud en versleten, met hetwelk ik mijn werk niet meer kan verrichten. Ik wenschte nu wel het paard van mijn buurman te bezitten; zondig ik nu tegen het tiende gebod? Volstrekt niet, B. B., in geval ik dat paard niet verlang te krijgen op eene onrechtvaardige wijze of ten nadeele van mijn buurman, doch ik zoude tegen het tiende gebod zondigen, zoo bij mij de begeerte opkwam van dat paard te stelen, en zoo ik vrijwillig in die begeerte toestemde.
— 359 —
Gij ziet dus wat er vereischt wordt om tegen liet tiende gebod te zondigen.
Doch zien wij verder welke personen soms tegen dit gebod misdoen.
Misdoen tegen het tiende gebod, B. 1?., de kinderen en erfgenamen die naar den dood hunner ouders en bloedverwanten verlangen, om des te spoediger in \'t bezit hunner goederen te komen. Dergelijke personen treft men wel eens aan. Ken losbandige zoon, bijv , is nog niet vrij genoeg, hij kan zijne driften nog niet genoeg botvieren, het geld ontbreekt hem om met zijne kameraden mede te doen. De ouders daarenboven doen nog zoo goed mogelijk hun best om hein van de slechte personen, gezelschappen en bijeenkomsten verwijderd te houden: daarom weigeren zij hem zakgeld le geven. Wat gebeurt er nu wel eens? De ouders staan dién zoon in den weg; hij zoude willen dat vader en moeder, aan welke hij naast God zijn leven en alles wat hij heeft en nog krijgen zal te danken heeft, die alles in liet zweet huns aanschijns gewonnen hebben, ja, die ontaarde zoon of liever dat monster van ondankbaarheid wenscht dat zijne ouders dood waren, om zoo spoedig mogelijk iu t bezit hunner goederen te komen en zijne driften den vrijen teugel te kunnen vieren. Hetgeen ik hier van een ontaarden zoon kom te zeggen, mag ook wel eens van eene ontaarde dochter gezegd worden.
Misdoen tegen het tiende gebod de kooplieden die naar schaarschheid of duurte van levensmiddelen verlangen ten einde winst te maken, die niet gaarne zien dat buiten hen ook nog anderen koopen of verkoopen; in \'t algemeen, al degenen die hunnen naaste in den nood wenschen om er voordeel uit te trekken.
Misdoen tegen het tiende gebod do hebzuchtigen, d. L, die te hevig naar geld en goed verlangen.
Uit de hebzucht, B. B., spruiten nog veel andere zonden voort, in - en uitwendige zonden van onrechtvaardigheid, van
afgunst en nijd. Immers, de hebzuchtige wordt afgunstig op zijn evenmensch, hij benijdt hem zijnen voorspoed en verheugt zich over zijnen tegenspoed, \'t Is dus niet zonder reden dat de Apostel Paulus de hebzucht noemt de wortel van alle kwaad: Radix omnium malorum est cupiditas. (l) Ziedaar, wat het tiende gebod verbiedt en wie er tegen zondigen. Zien wij nu ook nog een oogenblik wat liet tiende gebod gebiedt.
II.
Het tiende gebod, B. 15., gebiedt ons voooreerst quot;eenieder het zijne te gunnen, d. \\v. z., van harte te wenschen dat eenieder hebbe en behoude hetgeen de goede God hem geschonken heeft, en dat liet hem welga. ])e wet der natuur gebiedt hetzelfde.
Zouden wij gaarne zien dat anderen zich bedroefden omdat liet ons welgaat, omdat God ons ruimschoots, ook in het tijdelijke zegent\'? Volstrekt niet. Welnu, dan moeten wij wenschen dat het onzen naaste ook welga, en dat God hem zegene.
Het tiende gebod gebiedt eenieder nog met zijn lot tevreden te zijn, d. i., met hetgeen God hem gegeven heeft, met den staat ol stand waarin God hem geplaatst heeft. ])e mensch die ontevreden is met zijn lot, maakt zich doorgaans aan vele zonden van onrechtvaardigheid plichtig. Immers, hij wil zich in de hoogte beuren, hij wil geld en goed vergaderen, hij wil zich weieens binnen kort verrijken, zonder juist te letten op de manier waarop zulks gebeurt. Luistert eens, B. B., hoe de H. Geest, die de Geest der waarheid is, zich daarover uitdrukt: Die zich haast om rijk te worden, zegt Hij, zal niet onschuldig zijn. En op eene andere plaats: Wie het goed — ongeregeld — bemint, blijft niet zonder zonden— Wee dengenen, die er naar dorsten: Vcv illis qui sectantur illud. (2) De Apostel Paulus leert het volgende: Die rijk willen worden, zegt hij, vallen in bekoring en in de valstrikken des duivels, in veel onnuttige en
(ij i Tim. vi, 10. (2) Eccl. xxxi, 7.
— aei —
schadelijke begeerten, die den mensoh in het verderf storten. Ja, li. B., zonder de waarheid te overdrijven, wij mogen uit dit gezegde besluiten, dat zij die zoo maar eensklaps rijk willen worden, het niet altoos worden op eene onschuldige wijze. God wil dus dat wij met ons lot tevreden zijn, dat wij goed oppassen en ons beijveren van zelfs in het tijdelijke ook vooruit te komen, in welk geval wij mogen betrouwen dat God onzen arbeid en onze ondernemingen zal zegenen, welke goddelijke zegen onvergelijkelijk meer waard is dan alle schatten en rijkdommen der wereld. En\' God wil dat wij met ons lot tevreden zijn, niet alleen opdat wij ons van alle onrechtvaardigheid zouden wachten, maar ook opdat wij, in zoo ver het hier op aarde mogelijk is, gelukkig zouden zijn.
De tevredenheid \'met zijn lot schenkt den mensch rust en genoegen. En waarom zich toch zoo zeer alge tobt en verontrust voor de tijdelijke goederen, waarvan wij niets zullen mede-nemen, maar die wij bij den dood zullen moeten verlaten? De tevredenheid dus verzoet dit kortstondige leven en verrijkt ons door het beoefenen der deugd voor het andere loven; de ontevredenheid daarentegen maakt ons dit leven bitter en belet ons van verdiensten voor het andere leven te vergaderen. Gij zoudt misschien kunnen denken en zeggen: Den mensch, dien God in liet tijdelijke zegent, of dien Hij ten minste het noodzakelijke niet laat ontbreken, valt het niet zwaar met zijn lot tevreden te zijn, doch wat den arme betreft, voor dezen is het zoo gemakkelijk niet. \'t Is waar, B. B., en toch geldt het den arme zoowel als den rijke. Ziehier nu eenige middelen voor den arme om met zijn lot tevreden te zijn.
1° De arme moet weten dat een zuiver geweten meer waard is dan al het geld en goed dezer wereld. Luistert hoe de oude Tobias zekeren dag zijnen zoon toesprak; Wees niet bevreesd, mijn zoon! zeide de oude Tobias, wij leiden wel is waar een arm leven, maar wij zullen vele goederen hebben, zoo wij God
— 362 —
vreezen, de zonden vermijden en de deugd oefenen. Met \'die woorden kunnen de armen zich zeiven, en kunnen vooral de arme ouders die braaf zijn, hunne kinderen troosten en opbeuren. En inderdaad, de zaak wel ingezien en nauwkeurig beschouwd, een braaf mensch, al is hij arm, is rijker en gelukkiger dan de rijkste zondaar. Beiden immers zullen weldra het tooneel dezer wereld moeten verlaten. Wien zal de dood liet hardste vallen? In wiens plaats zoudt gij u in \'t stervensuur willen bevinden?
2° De arme moet ook denken dat hij hier geene vaste verblijfplaats heeft; hij trooste zich dus met de gedachte aan den hemel. Gelijk de reiziger, in zijn vaderland aangekomen, zich verblijdt en nog met genoegen denkt aan de moeielijkheden waarmede hij op weg te kaïnpen heeft gehad; zoo ook zal de arme zich verblijden en met genoegen denken aan zijne armoede, aan zijne ontberingen, aan al zijne kruisen en wederwaardigheden, waarvoor hij in den hemel door God beloond wordt. Daar boven in den hemel wordt het spreekwoord bewaarheid en ten volle bewaarheid; Na lijden komt verblijden.
3° De arme moet ook gedenken dat Jesus-Christus de Zoon Gods voor ons arm geworden is,, arm in zijne geboorte, arm gedurende zijn leven, arm bij zijnen dood. Voorzeker, indien wij de armoede van den Zoon Gods wel overwegen, zoo wij wel nagaan dat Hij uit liefde voor ons arm is geworden, o dan zullen wij ons voorzeker in onze armoede getroosten en ze uit liefde tot Jesus verduldig verdragen.
SLUITREDK.
Dat de armoede den mensch niet ongelukkig, en dat het geld en goed hem niet gelukkig maakt, zien wij in de parabel van den rijken vrek en den armen Lazarus. Eens lag de arme Lazarus vol ellenden aan de deur van den rijke, later rustte hij in den schoot van Abraham en nu in den hemel. Eens likten
— 363 —
de honden zijne wonden, thans wordt hij van de Kngelen gediend. Eens \\vlt;\'is hij arm, thans is hij rijk. Eens leed hij honger en dorst, thans heeft hij overvloed. Eens moest hij strijden, thans draagt hij de zegekroon.
Hieruit moeten wij leeren, zegt de H. Joannes Chrysostoinus, de armen niet voor ongelukkig, noch de rijken voor gelukkig te houden; want de rijke vrek stierf ook, en hij werd begraven in de hel. Eens had hij geld en goed in overvloed, thans is hij arm. Eens ging hij kostbaar en fijn gekleed, thans is hij van alles beroofd. Eens at en dronk hij naar lust, thans lijdt hij honger en dorst. Eens volgde hij in alios zijne zinnen en lusten in, thans wordt hij in het helsche vuur gefolterd en gepijnigd. Alles is dus veranderd, en nu ziet men wie in waarheid de rijke, en wie in waarheid de arme is; dat Lazarus de rijkste, dat de rijke vrek daarentegen de armste van allen is.
Ziedaar, B. H., wat den behoeftige, wat den arme moet troosten en opbeuren, waaraan hij moet denken om zijne behoefte en armoede met geduld te verdragen, ten einde er met den armen Lazarus eenmaal voor beloond te worden in den hemel. Amen.
i
ZES - EN - DERTIGSTE ONDERRICHTING
ACHTSTE GEBOD
OVER DE VALSCHE GETUIGENIS EN HET KWAAD SPREKEN
Non falsum testimonium dices.
Gij zult geene valsche getuigenis geven.
(Matth. xviii, so.)
INHOUD.
VOORREDE.
Het achtste gebod verbiedt alle ongelijk, waardoor onze naaste gehinderd wordt binnen ol\' buiten het recht; binnen het recht, d. !., voor de rechtbank, door valsche getuigenis te geven; buiten het recht, d. i., in de gewone gesprekken, door achterklap te spreken, te liegen, door kwaad te vermoeden of kwaad te oordeelen.
VERDEELING.
I. Wat is valsche getuigenis geven?
II. Wat is kwaad spreken?
Het achtste gebod verbiedt valsclie getuigenis tegen zijnen naaste af te leggen, door bijv., voor de rechtbank de waarheid te verzwijgen, de valschheid voor te staan of te bevestigen. Die valsche getuigenis geeft zondigt tegen de waarheid, tegen de liefde, tegen de rechtvaardigheid en tegen den godsdienst; hij bedrijft dus groote zonden en kan verplicht zijn van restitutie te doen. Hij moet zijne valsche getuigenis zoo spoedig mogelijk herroepen. Hieruit moeten wij besluiten van ons nooit te laten omkoopen en van altoos de waarheid te zeggen.
II.
Kwaadspreken is zonder noodzakelijkheid of reden de geheime fouten en gebreken van den naaste bekend maken: \'t is zonde tegen de liefde en tegen de rechtvaardigheid. Men kan uit noodzakelijkheid of om wettige reden verplicht zijn de geheime fouten en gebreken te openbaren, in welk geval men altijd een goed inzicht moet hebben. Wat is lasteren? Welke zijn de fijne lastertongen? Wat is achterklap spreken? Wat is verwijting, beschimping en uitschelding? Al die zonden zijn uit hunnen aard doodzonden. Wat is oorblazerij? Welke zijn hare gevolgen?
SLUITREDE.
De zonde van kwaadspreken is algemeen. Te vergeefs tracht men zich te verontschuldigen, door, bijv., te zeggen: Ik heb het van anderen gehoord, enz.
— 366 —
ZES - EN - DERTIGSTE ONDERRICHTING
ACIli\'STE GEBOD
OVER DE VALSCHE GETUIGENIS EN HET KWAAD SPREKEN
Non falsum testimonium dices.
Gij zult gecnc valsoho getuigenis geven.
(MATTH. XVIII, 20.)
VOORREDE.
Het achtste gebod, B. li., waaraan wij thans gekomen zijn, luidt als volgt; Non falsum testimonium dices-. Gij zult geene valsche getuigenis geven, ofwel: Gij zult geen getuigenis der valschheid geven. Door dit gebod wil God de eer en faam van den mensch beveiligen tegen alle vijandelijke aanvallen. Het bevat eene uitgebreide stof. quot;Wij zullen zien hoe dikwijls en hoe gemakkelijk men dit gebod overtreedt, dat men door het te overtreden zich soms aan doodzonde plichtig maakt, en dat men zelfs verplicht kan zijn van eerherstel of schadevergoeding te doen.
Het achtste gebod verbiedt alle ongelijk, waardoor pnzen naaste gehinderd wordt binnen en buiten het recht; binnen het recht, d. L, voor de rechtbanken; buiten het recht, d. i., buiten de rechtbanken. De Catechismus vraagt:
Noem de bijzonderste zonden tegen het achtste gebod? En hij antwoordt:
Valsche getuigenis geven, achterklap spreken, liegen, kwaad van iemand vermoeden of kwaad oordcelen.
De zonde, waardoor den naaste ongelijk aangedaan wordt binnen het recht, is valsche getuigenis geven; de zonden, waardoor den naaste ongelijk aangedaan wordt buiten het recht,
— 807 —
zijn talrijk. Buiten do zoo even opgenoemde zonden, zijn het in \'t algemeen alle zonden, waardoor de naaste in zijne eer en faam aangerand wordt. Vandaag zullen wij handelen over de twee eerste zonden en zien:
I. Wat er verstaan moet worden door valamp;che
getuigenis geven;
II. Wat door kwaadspreken.
I.
Het achtste gebod, I!. B., verbiedt niet tegen don evenmensch getuigenis af te leggen; volstrekt niet. Wanneer men door de wettige overheid opgeroepen wordt om getuigenis, af te leggen, dan is men gehouden zich aan te bieden en de waarheid te zeggen, gelijk men ze weet, niet minder noch meer, en in dergelijk geval doet men een goed werk.
Het achtste gebod verbiedt dus voor de rechtbank valsche getuigenis te geven, op welke wijze het ook geschiede, hetzij door de waarheid te verzwijgen, hetzij door de valschheid voor te staan of te bevestigen.
Ken mensch, die voor de rechtbank valsche getuigenis aflegt, zondigt tegen de waarheid en de liefde, tegen de rechtvaardigheid en den godsdienst.
ilij zondigt tegen de waarheid. Hij liegt en hij liegt stout en onbeschaamd voor God en voor de menschen, en dikwijls in zaken waarvan veel afhangt.
Hij zondigt tegen de liefde. Het gebod der lietdo zegt: Hetgeen gij niet wilt dat u geschiede, doe dat ook aan anderen niet. Welnu: niemand wil verongelijkt worden; bijgevolg moet men zijn evennaaste ook niet verongelijken; doch die valsche getuigenis geeft verongelijkt zijn ,evennaaste, bijgevolg zondigt hij tegen de liefde-
Hij zondigt tegen de rechtvaardigheid. Door zijne valsche getuigenis brengt hij de rechters in dwaling; hij is de oorzaak
— 368 —
dat zij een onrechtvaardig vonnis uitspreken, dat de schuldige vrijgesproken, de onschuldige veroordeeld wordt tot geldboete, gevangenis of andere straffen.
Eindelijk zondigt hij nog tegen den godsdienst, zoo hij zijne valsche getuigenis, gelijk doorgaans liet geval is, met eed bevestigt, want hij roept God die de eeuwige Waarheid is, tot getuige van hetgeen hij weet valsch te zijn.
Uit deze weinige woorden kunt gij reeds besluiten, B. B., dat valsche getuigenis geven eene groote zonde is. De if. Schrift noemt hen die er zich aan plichtig maken, kinderen van den duivel. Doch ziehier eene andere aanmerking. Iemand die wetens en willens valsche getuigenis aflegt, is uit rechtvaardigheid verplicht de schade te herstellen die hij veroorzaakt heeft; hij is zelfs verplicht zoo spoedig mogelijk zijne valsche\'getuigenis te herroepen, zoo hij op geene andere wijze de schade herstellen kan, en zoo hij reden heeft van te verhopen den valsch beschuldigde daardoor te verlossen. Gij zoudt misschien denken en zeggen: Maar dan loop ik zelf gevaar van veroordeeld te worden. Ik antwoord: Dat doet niets ter zake; \'t is. uwe eigen schuld: hier, zoo hot overige gelijk staat, moet de onschuldige, d. i., de valsch aangeklaagde, gesteld worden voor den schuldige, en die schuldige zijt gij.
Ingeval iemand zonder te weten, te goeder trouw tegen zijnen naaste valsche getuigenis zoude afgelegd hebben, is hij dan ook verplicht de schade die er uit voortkomt, le herstellen? Neen, B. B., doch zoo hij later, beter onderricht, zonder groote zwarigheid het ongelijk ol de schade kan beletten of herstellen door zijn woord te herroepen, daartoe zoude hij, gelijk gemakkelijk te begrijpen is, voor het minste uit liefde verplicht zijn.
Uit hetgeen ik hier over de valsche getuigenis kom te zeggen, moet gij besluiten: Vooreerst van u nooit, door wie ook, met geld of andere middelen te laten omkoopen om voor de rechtbank de waarheid te verzwijgen of valsche getuigenis af te leggen;
— 369 —
vervolgens, van altijd, wanneer gij door de wettige overheid opgeroepen wordt, te verschijnen en de zuivere waarheid te zeggen, gelijk gij ze weet niet minder noch meer.
II.
Het achtste gebod verbiedt ook kwaad van den evenmensch te spreken. \'
\'Wat is kwaadspreken? Kwaadspreken, B. B,, is zonder noodzakelijkheid of reden de geheime fouten en gebreken van den evenmensch bekend maken. Deze zonde strijdt, en tegen de liefde, en tegen de rechtvaardigheid.
Ik heb gezegd: zonder noodzakelijkheid of reden. Kn inderdaad; er kunnen zich gevallen opdoen, waarin men niet alleen mag, maar zelfs verplicht is de geheime fouten en gebreken van den evenmensch bekend te maken: vooreerst, als \'t noodig is tot welzijn van den evenmensch: vervolgens, als het noodig is om een grooter kwaad te voorkomen. Alzoo mag en moet men, bijv., aan de ouders en meesters bekend maken de sleclitig-heden en ondeugden, zooals, bijv., de slechte verkeeringen of dieverijen van kinderen of dienstboden. Ook mag en moet men bekend maken degenen, die in \'t geheim onzedige, kettersche oi\' goddelooze boeken of geschriften verspreiden, slechte gesprekken voeren, omdat menigeen daardoor misleid en ongelukkig gemaakt wordt. Doch ziehier, B. B., wat in deze zaak nog in acht moet genomen worden.
Ingeval men voorziet dat men, bijv., een kind of dienstbode tot inkeer kan brengen door hen afzonderlijk te vermanen, dan moet men hen niet terstond aan de ouders of meesters overdragen. Ook mag men niet aan jan en alleman die fouten, gebreken of zonden bekend maken, maar alleen aan hen, die het kwaad kunnen verhelpen, en altoos met een goed inzicht, niet uit haat of nijd. Vervolgens moet men zich wel wachten van de fouten te overdrijven, d. i., te vermeerderen of te
G kloofs - kn Zrdbnlber. 3lt;,e Dbki, 24.
— 370 —
vergrooten. Men moet dus altoos bij de waarheid blijven; gaat men buiten de waarheid, dan maakt men zich plichtig aan lastertaal.
Wat is lasteren? Lasteren is den evenmensch fouten, gebreken of zonden toedichten waaraan hij niet plichtig is, ofwel de fouten, enz., waaraan hij plichtig is, vermeerderen of vergrooten.
Lasteren strijdt dus niet alleen tegen de liefdé en rechtvaardigheid gelijk kwaadspreken, maar ook nog tegen de waarheid.
Buiten deze lastertaal, B. B., welke eenieder verstaat, is er eene fijnere, die zich onder den een of anderen dekmantel verbergt, om des te beter te kunnen doordringen en den mensch te kunnen treffen.
Ziehier eenige manieren van die fijnere lastertaal:
Zoo spreekt men, bijv. eerst over de fouten van zijnen naaste die weinig of niets beteekenen, en dan voegt men er ten slotte bij: Ik weet nog wel iets meer van hem, van haar, doch ik zal er maar van zwijgen, \'t is beter dat er van gezwegen wordt: Men weet zaken van hem, van haar, waaraan niemand zou gedacht hebben. En wat zijn dat nu doorgaans voor zaken, die men zwijgt, waaraan niemand zoude gedacht hebben? kleinig-of nietigheden, die men door zijne manier van spreken voor zaken van aanbelang wil laten doorgaan. Op die wijze, B. B., doet men zijn evenmensch meer nadeel met te zwijgen, dan met rechtuit te spreken.
Ziehier hoe men zich nog meer aan die fijne en tevens verfoeielijke lastertaal plichtig maakt. Alzoo zegt men: Die persoon is braaf en eerlijk, zeggen ten minste de menschen van dat soort: Die man doet zijn best, die vrouw past goed op, maar....: Die jongeling, die jonge dochter is braaf, godvruchtig,
gaat dikwijls te biechten, maar..... Ongelukkige maar! Hij
bederft alles. Weet gij wel waarbij men dergelijke lastertongen best vergelijken kan? Bij vergiftige slangen, die zich onder het loof verbergen om des te beter in stilte te kunnen steken.
Wanneer men van iemand kwaad spreekt of hem lastert achter den rug, zonder dat hij liet hoort, dan noemt men zulks achterklap spreken; gebeurt het in zijne tegenwoordigheid, dan noemt men zulks iemand verwijtingen doen, hem beschimpen of uitschelden.
Kwaadspreken, lasteren, enz,, zijn altemaal van natuur of uit hunnen aard doodzonden, doch zij zijn niet altijd doodzonden; zij kunnen ook dagelijksche zonden zijn, hetgeen afhangt van verschillende omstandigheden.
Het hangt af van den persoon die kwaad spreekt of lastert. Die persoon, bijv., is van lageren of hoogeren stand, en alzoo verdient hij min of meer geloof, en heeft het kwaadspreken of lasteren min of meer invloed.
Het hangt af van den persoon van wien men kwaad spreekt of dien men lastert. Die persoon kan, bijv., zeer deftig en braaf zijn; hij kan bij de menschon in groot aanzien staan, eene groote waardigheid of een aanzienlijk ambt bekleeden; van zulken persoon kwaad spreken, hem lasteren is voorzeker grootere zonde dan van een gewoon mensch.
Het hangt af van het geheim kwaad dat men bekend maakt, ofwel van het valsch kwaad dat men van iemand uitstrooit, of het namelijk van veel of weinig beteekenis is. 1
Het hangt ook veel a(\' van de schade die men zijnen naaste veroorzaakt in zijne tijdelijke goederen. Die schade is niet zelden onberekenbaar: gij zoudt, bijv., van een dienstbode of werkman valsche geruchten uitstrooien, dat zij niet rechtvaardig zijn; die dienstbode zoude daardoor zijnen dienst, die werkman zijne kalanten verliezen; wie is nu de schuld of de oorzaak van al de nadeelen welke de dienstbode of werkman lijdt?. De kwaadspreker en lasteraar.
Het hangt ook af van het getal min of meer groot der personen, in wier tegenwoordigheid men kwaad spreekt of lastert. Eindelijk van het inzicht; men mag wel is waar nooit
van zijnen evenmensch kwaad spreken of hem lasteren, zelfs niet uit praatzucht of lichtzinnigheid; doch de zonde wordt grooter als zij geschiedt uit haat, nijd of afgunst, met het voornemen van hem te benadeelen.
Uit deze weinige regels kan men afleiden wanneer men zich \'aan groote of kleine zonde plichtig maakt door kwaadspreken en lasteren.
Tot de zonde van kwaadspreken en lasteren behoort do hatelijke zonde van oorblazerij. Waarin bestaat die zonde? Zij bestaat hierin, B. B., dat men aan een ander gaat overdragen of terug zeggen wat men van hem gehoord heeft. De gevolgen dier zoude zijn niet zelden verschrikkelijk. Wat spmit er dikwijls uit voort? Haat en afkeer, twist en tweedracht, doode-lijke vijandschap, die wel eens tot den dood blijft voortduren. Vandaar dat de H. Geest zegt: De oorblazer wordt vervloekt, want onder velen die in orde — in liefde en eendracht — leefden, richt hij verwarring — twist en tweedracht — aan.
SI.riTREDK.
De zonde van kwaadspreken of lasteren wordt, helaas! maar al te dikwijls bedreven. In veel bijeenkomsten houdt men zich schier met niets anders bezig dan met de geheime of valsche gebreken van zijnen evennaaste. Men treft personen aan die bijna nooit met elkander spreken of de een of andere moet er aan, gelijk men dat noemt. Ook wil men zich in die zonde nog verontschuldigen. Zoo zegt men, bijv.: Ik heb die zaken niet uitgevonden of uit de lucht gegrepen: Ik vertel maar hetgeen ik van anderen gehoord heb. Men meent dus kwaadsprekers of lasteraars te mogen zijn, omdat anderen het zijn, en in plaats van de zonde te beletten, werkt men er in mede. De H. Schrift spreekt daarover geheel anders. Hebt gij iets nadeeligs van uwen naaste gehoord, zegt zij, laat het in u wegsterven; wees verzekerd, het zal u niet hinderen. Wat wil
— 373 —
(lat zeggen; Laat liet in u wegsterven? Dat wil zeggen: Zwijg en zeg er niets van.
Maar die zaak was algemeen bekend, zegt men; die persoon is er voor veroordeeld en wordt er zelfs in de gevangenis voor gestraft. Het zij zoo, B. B.; laten wij ons dan nog niet bezig houden met zaken die doorgaans alles behalve stichtend zijn. Ziehier wat de H. Theresia zeide: Bijaldien ik, zoo sprak zij, geen goed van mijnen naaste weet te zeggen, dan wil ik liever van hem zwijgen.
Anderen verontschuldigen hun kwaadspreken en lasteren met te zeggen; Ik heb liet maar aan één persoon gezegd, en daarenboven, ik heb er goed bij gevoegd dat hij, dat zij het moet zwijgen, \'t Was maar onder ons. Ja, B. B., onder ons: De eerste vertelt het aan een tweede onder ons; de tweede aan een derde onder ons, enz. enz. en zoo komt de zaak onder ons, d. L, onder allen. Doch door die woorden alleen; Onder ons, geeft de kwaadspreker oi lasteraar genoeg te kennen dat hij slecht gehandeld heeft. Waarom moet het onder ons blijven en mag het niet verder gaan? Doch bijaldien gij wilt dat iets niet verder ga hadt gij het op de eerste plaats niet moeten bekend maken. Gij wilt dat anderen zwijgen, en gij kunt zelf niet zwijgen. Gij ziet dus, B. B., al de uitvluchtsels, zooals; Onder ons, Hier gezegd en daar gezwegen, enz., beteekenen niets en spreken den mensch volstrekt niet vrij van de zonde van kwaadspreken of lasteren. Volgen wij dus liever den wijzen raad van de H. Theresia; Weten wij geen goed van onzen naaste te zeggen, zwijgen wij dan, en wij zullen tegen het achtste gebod niet zondigen door kwaadspreken of lasteren. Amen.
ZEVEN - EN - DERTIGSTE ONDERRICHTING
ACHTSTE GEBOD
OVER DE VERPLICHTING VAN DEN KWAADSPREKER
Lingmm ncquam noli audire.
Luister naar geen kwade tong.
(ECCL. XXVIII, 25.)
INHOUD.
VOORREDE.
Wat is valsche getuigenis geven? Wat is kwaad spreken, lasteren en achterklap spreken?
Valsche getuigenis geven strijdt tegen de waarheid en de liefde, tegen de rechtvaardigheid en den godsdienst.
Kwaad spreken strijdt tegen de liefde en de rechtvaardigheid.
Lasteren strijdt tegen de liefde, de rechtvaardigheid en de waarheid.
Achterklap spreken strijdt tegen de liefde, de rechtvaardigheid en soms tegen de waarheid; zij zijn allen van hunne natuur doodzonden.
Men mag zelfs van de dooden geen kwaad spreken, tenzij van publiek slechte personen.
VERDEELING.
I. Over het aanhooren der kwaadsprekers en
lasteraars;
II. Over de verplichting van den kwaadspreker
en lasteraar.
I.
\'t Is zonde:
1° Met vermaak naar de kwaadsprekers en lasteraars te luisteren;
2° Het kwaadspreken en lasteren niet te beletten;
3° Tot het kwaadspreken en lasteren aanleiding te geven. Hoe?
Die het kwaadspreken met genoegen aanhoort of niet belet als hij kan, zondigt tegen de liefde; die tot het kwaadspreken aanleiding geeft, zondigt ook tegen de rechtvaardigheid. De kwaadsprekers, enz., deugen zelf niet. Die van een ander bij u kwaad spreekt, zal van u kwaad spreken bij een derde.
II.
De kwaadspreker, lasteraar en beschimper zijn verplicht de geschonden eer en faam van don evennaaste te herstellen. Hoe? Men is van die verplichting ontslagen:
1° Als het onmogelijk is;
2° Zoo het kwaad ook op eene andere wijze bekend is geworden;
3° Zoo de aanhoorders er geen geloof aan hechten;
4° Zoo de eer of faam van den evennaaste reeds hersteld is;
5° Zoo de kwaadspreker van de verplichting ontslagen wordt; 6° Zoo het kwaad zoude vergeten zijn.
De kwaadspreker, enz. is ook verplicht de schade te herstellen, zoo hij zijnen evennaaste in xijne tijdelijke goederen benadeeld heeft.
SLUITREDE.
Voorbeeld van valsche getuigen gestraft. Voorbeeld van eenen lasteraar gestraft.
ZEVEN - EN - DERTIGSTE ONDERRICHTING
ACHTSTE GEBOD
OVER DE VERPLICHTING VAN DEN KWAADSPREKER
linguam ncqmm noli audire.
Luister naar }gt;ecii kwade tong.
(EOOL. XXVIII, \'23.)
VOORREDE.
Laatsleden, B. B., hebben wij gesproken over de zonden die strijden tegen het achtste gebod; over de valsche getuigenis, het kwaadspreken, lasteren en achterklap spreken.
Valsche getuigenis geven is iets voor de rechtbank tegen zijn evenmensch zeggen dat niet waar is. Die zonde strijdt tegen de waarheid en de liefde, tegen de rechtvaardigheid en den godsdienst.
Kwaadspreken is zonder wettige reden de geheime fouten of gebreken van den evenmensch aan den dag brengen. Die zonde strijdt tegen de liefde en de rechtvaardigheid.
Lasteren is zijn evenmensch fouten of gebreken toedichten die hij niet heeft. Die zonde strijdt niet alleen tegen de liefde en de rechtvaardigheid, maar ook tegen de waarheid.
Achterklap spreken is van den evenmensch in zijne afwezigheid kwaadspreken ol hem lasteren, en die zonde strijdt altoos tegen de liefde en de rechtvaardigheid, soms ook nog tegen de waarheid. Al deze zonden zijn of doodzonden of dagelijksche zonden, hetgeen van verschillende omstandigheden afhangt, gelijk wij gezien hebben.
Men mag zelfs van de overledenen geen kwaad spreken of hen lasteren; zij hebben het recht op hunne eer en faam niet verloren. Nochtans, er zijn goddeloozen, wier nagedachtenis voor eeuwig gebrandmerkt is, zooals bijv,, een Luther, Calvien, Henricus VIII, enz. Van dergelijken zeggen dat zij goddeloos en slecht geweest zijn is geene zonde: het kan zelfs soms goed zijn om de menschen te waarschuwen voor hunne geschriften.
Van het reeds bekend slecht gedrag van andere bijzondere personen zwijgen is voorzeker het geraadzaamste, om zoo doende hunne slechte daden te doen vergeten en hunne familiën geene oneer aan te doen. Vandaag, B, B., zullen wij spreken:
I. Over het aanhooren der kwaadsprekers en lasteraars;
II. Over de verplichting van den kwaadspreker en lasteraar.
I.
De gevallen, B, B., waarin men volstrekt niet zondigt door naar kwaadsprekers en lasteraars te luisteren, zijn zeldzaam; daarom zullen wij liever zien wanneer men daardoor zondigt. Men zondigt:
1° Door met vermaak naar de kwaadsprekers, enz., te luisteren. Schept men nu verinaak in het kwaadspreken, enkel omdat men iets nieuws of iets zonderlings hoort, dan is het in den regel dagelijksche zonde; schept men vermaak in het kwaad zelf, dan is het doodzonde of dagelijksche zoude, volgens dat het kwaad groot of klein is. Men zondigt:
2° Door het kwaadspreken niet te beletten als men \'kan of er toe verplicht is, evenals men, bijv., zondigt door een diet niet te beletten van te stelen als men kan of er toe verplicht is. Vandaar dat de H. Schrift zegt: Omzoom uwe ooren met doornen, en luister niet naar de kwaadsprekende tong: Sepi
aurcs Urns spinis et linguam nequarn noli audire. (i) I)e H. Thomas, over liot beletten van kwaadspreken handelende, leert ons het volgende: Wanneer iemand niet uit vermaak in de zonde, maar uit menschelijk opzicht, uit nalatigheid of nit zekere vrees het kwaadspreken niet tegengaat, zondigt hij wel is waar; doen hij bedrijft geene grooie zonde gelijk de kwaadspreker zelf; hij maakt zich meestal slechts aan dagelijksche zonde plichtig.
i)e ouders, oversten en meesters zijn tot iets meer verplicht dan gewone personen. Alzoo zijn zij verplicht hunne kinderen, onderdanen of dienstboden het stilzwijgen op te leggen, zoodra zij hooren dat zij hunnen evenmensch in zijne eer of faam aanranden, of bemerken dat zij het voornemens zijn te doen. Andere personen moeten hot kwaadspreken ook beletten zoo het gevoeglijk kan geschieden, zoo niet zal men trachten de samenspraak af te breken of op iets anders over te brengen. Zoo dit niet helpt zal men ten minste zijn misnoegen toonen door te zwijgen, door een ernstig gelaat aan te nemen, of zelfs als het mogelijk is, door het gezelschap te verlaten. De 11 Geest geeft ons dien raad als hij zegt: De noorderwind verdrijft den regen en een somber gelaat de kwaadsprekende tong.
Zondigt men reeds, B. B., door met genoegen naar de kwaadsprekers te luisteren of het kwaadspreken niet te beletten, zeker zondigt men dan
8° Door de kwaadsprekers er toe uit te lokken, hetgeen geschiedt: vooreerst, als men over eens anders fouten of gebreken ondervraagt; vervolgens, als men door woorden of op eene andere wijze het kwaad dat verhaald wordt, bevestigt, en eindelijk, als men den kwaadspreker prijst.
Al die personen zijn gelijk aan de medeplichtigen van een brandstichter. Een deugniet, bijv., is voornemens het huis van zijn buurman in brand te steken: de eene geeft hem vuur, een
(i) Eccii. xxviii, 28.
— 380 —
tweede wijst hem den weg, een derde zet hem aan of prijst hem; zoo is het ook gelegen met hen die den kwaadspreker ondervragen, aanzetten of prijzen. Van dergelijken zegt de H. Bernardus: \'t Is moeieiijk te zeggen, zoo spreekt hij, wat doemenswaardiger is, kwaad te spreken of naar kwaadsprekers te luisteren. De reden laat zich gemakkelijk verstaan: want waren er geene personen die naar de kwaadsprekers luisterden, er zouden ook geene kwaadsprekers zijn.
Door met genoegen naar de kwaadsprekers te luisteren of door het kwaadspreken niet te beletten zondigt men in den regel enkel tegen de liefde, doch door tot het kwaadspreken uit te lokken zondigt men ook nog tegen de rechtvaardigheid.
Iets, B. B., dat men nooit moest vergeten, en waardoor men zich van het kwaadspreken en lasteren en voor de kwaadsprekers en lasteraars zoude wachten is: vooreerst, dat de kwaadsprekers en lasteraars zelf niet deugen; vervolgens, dat zij die kwaad van anderen spreken of hen lasteren hij u, de eerste gelegenheid de heste kwaad van u zullen spreken en u zullen lasteren bij anderen: bijgevolg, weest op uwe hoede tegen de kwaadsprekers en lasteraars.
11.
De Catechismus vraagt:
Wat moet hij doen die iemand in zijne eer beschadigd heefl? En hij antwooordt:
Hij moet zoo hij best kan aan hem restitutie doen.
De kwaadspreker, lasteraar of beschimper is streng verplicht de geschonden eer van den evenmensch te herstellen en de schade te vergoeden, zonder dat kan hij geene vergiffenis van zijne zonden bekomen.
Hij moet vooreerst de geschonden eer van zijnen evenmensch herstellen. De kwaadspreker heeft de eer of faam van zijnen naaste geschonden door fouten en gebreken aan den dag te
brengen, die wel waar, doch onbekend waren. Hoe zal hij de eer en faam van zijn eveumensch nu herstellen? Mag de kwaadspreker zeggen dat hij de waarheid niet gezegd heeft? Volstrekt niet, want alsdan zoude hij liegen. Immers, hetgeen hij gezegd heeft is waar, maar onbekend, en liegen is nooit geoorloofd, gelijk wij later zullen zien. De kwaadspreker moet dus zoo spoedig mogelijk den kwaden indruk dien hij bij de menschen verwekt heeft, trachten weg te nemen, of zooveel mogelijk trachten te verminderen, door, bijv., de fouten en gebreken waarvan hij gesproken heeft, te verontschuldigen, door de goede hoedanigheden van den persoon van wieu hij kwaad gesproken heelt, te verhalen, of door hem bij deze ol gene voorkomende gelegenheid eer en achting te bewijzen. Dat alles zal misschien weinig baten, doch de kwaadspreker is verplicht van het te beproeven.
Wijl het dus moeielijk voor den kwaadspreker is de geschonden eer of faam van den evenmensch te herstellen, daaruit moeten wij reeds besluiten van ons wel te wachten van de zoude van kwaadspreken.
De lasteraar heeft, gelijk wij gezien hebben, valsche loulen en gebreken uitgestrooid, hij heeft zijnen naaste zijne eer en faam benomen. Hoe moet nu de lasteraar de geschonden eer en faam van den naaste herstellen? Hij moet dit! herstellen door zijne leugens te herroepen, door te zeggen dat het niet waar is hetgeen hij verteld heeft, en wel publiek, zoo hij zijnen naaste publiek gelasterd heeft. Die herroeping, B. 13., is van eene volstrekte noodzakelijkheid, omdat zij het eenige middel is om de door den lasteraar geroofde eer te herstellen.
De beschimper, d. i., die den naaste in zijne tegenwoordigheid beleedlgd heeft, is verplicht in \'t openbaar of in \'t geheim zijnen naaste vergiffenis te vragen of voldoening te schenken, volgens dat de beleediging in \'t openbaar of in \'t geheim aangedaan is. Zoo zoude, bijv., de onderdaan zijn overste vergiffenis moeten
— .182 —
vragen; de overste zoude zijn onderdaan door zijne manier van handelen voldoening moeten schenken, door hem, bijv., in het vervolg met meer goedheid te behandelen.
Er kunnen zich ook gevallen opdoen, waarin men ontslagen is van de verplichting van de geschonden eer of faam van den naaste te herstellen:
1quot; Als het onmogelijk is. Tot het onmogelijke is niemand verplicht. Ook is de kwaadspreker niet verplicht, zoo hij groote schade moest lijden, en de persoon van wien hij kwaad gesproken heeft, zoude maar een weinig in zijne eer geleden hebben;
2° Indien het kwaad dat men verteld heeft, ook langs andere wegen bekend geworden is;
Zoo de aanhoorders van den kwaadspreker er geen geloof aan hechten, hetgeen doorgaans het geval is, als men kwaad spreekt in drift of gramschap;
■1° Bijaldien de persoon van wien men kwaad gesproken heeft, zijne eer of faam reeds terug bekomen heeft: hij zoude, bijv., voor de rechtbank onschuldig verklaard en door de rechters vrijgesproken zijn;
5° Ingeval men met reden mag veronderstellen dat de persoon van wien kwaad gesproken is, den kwaadspreker van die verplichting ontslaat;
Eindelijk, wanneer men met reden mag gelooven dat het kwaad en de kwade indruk door liet kwaadspreken veroorzaakt, volkomen vergeten zijn; want in zulk geval zoude het onvoorzichtig zijn het kwaad dat men vroeger veroorzaakt heeft, door het te willen herstellen\', opnieuw voor den dag te brengen en te vermelden.
De kwaadspreker, enz., moet ook vergoeden de schade die hij door zijn kwaadspreken den evennaaste in zijne tijdelijke goederen veroorzaakt en ten minste eenigszins voorzien heeft. Iemand, bijv., heeft kwaad van een dienstbode of koopman
— 383 —
gesproken, hij heeft hen gelasterd. J)e dienstbode wordt weggejaagd, de koopman verliest zijne kalanten; daardoor lijdt elk eene schade van honderd franken, hetgeen gemakkelijk te voorzien was; de kwaadspreker of lasteraar is in geweten verplicht dien dienstbode, dien koopman de schade van honderd franken te herstellen. Van deze verplichting is men niet ontslagen, al is men ook ontslagen van de eerste, namelijk, van de verplichting van de eer te herstellen: ja, wat meer is, de verplichting van de schade door den lasteraar den evenraensch in zijne tijdelijke goederen veroorzaakt te herstellen, gaat over tot de erfgenamen van den lasteraar, doch niet de verplichting van de geschonden eer te herstellen.
(iij zoudt misschien kunnen denken en zeggen, B. 15., er wordt toch zoo veel kwaad gesproken en gelasterd, en men hoort zoo zelden van eerherstel of schadevergoeding. Ik antwoord: Bijaldien er wezenlijk verplichting bestaat, en men doet geen eerherstel, geene schadevergoeding zoo het mogelijk is, nooit of nimmer zal men vergiffenis van zijne zonden bekomen. Omdat men aan dien zwaren plicht dikwijls te kort blijft, daaruit volgt niet dat het achtste gebod van God afgeschaft is. Neen, B. B., en de kwaadsprekers en lasteraars zullen later streng geoordeeld en gestraft worden. Ook straft God reeds dikwijls die zondaren tijdens hun leven, en ziehier twee voorbeelden van die waarheid.
SI.UmiKDI\'.
Vooreerst, boe God hen straft die zich verstouten valsche getuigenis af te leggen.
Tep tijde van den H. Clemens werd een Heilige met name Karcissus door drie valsche getuigen van eene schandelijke zonde beschuldigd; zij bevestigden hunne getuigenis onder ver-wenschingen. Dat ik door liet vuur verslonden worde, zeide de eerste, zoo ik geene waarheid spreek. Dat eene schromelijke
— 384
ziekte mij treffe, zeide tie tweede, zoo het niet waar is hetgeen ik zeg, en de derde zeide: Ik wil blind worden, zoo ik lieg. Wat gebeurde er nu? Ha! B. B., God bleef niet lang uit om hen te straffen. Het huis van den eerste geraakte in brand, en hij kwam in de vlammen om. De tweede werd van het hootd tot de voeten met zweren geslagen, zoo dat ganscli zijn lichaam in verrotting viel. De derde, door de straffen der twee eersten verschrikt, beweende zijne zonde zoo zeer, dat hij er blind van werd. Ziedaar hoe God in dit leven reeds de valsche gestuigenis straft.
De Heilige Bernardus verhaalt ons de volgende geschiedenis, waaruit blijkt hoe God eenen lasteraar strafte.
Zeker man, die bij .arm en rijk, ja zelfs bij den koning in groot aanzien stond, had zich vijand verklaard van den Heiligen Malachias, Aartsbisschop en Primaat van Ierland. Hij lasterde dien Heilige niet zelden in zijne afwezigheid; doch luistert wat er voorviel. Die schaamtelooze lasteraar kreeg weldra het verdiende loon: zijne tong, waarmede hij den H. Bisschop zoo dikwijls gelasterd had, zwol op en ging tot verrotting over, zoodat de wormen in menigte uit zijnen mond vielen. Na zeven dagen gaf de lasteraar den geest. Ziedaar, B. B., hoe God den kwaadspreker, den lasteraar reeds in zijn leven straft. Doch al zoude Hij hem ook niet strafTen in zijn leven. Hij zal liem des te strenger straffen na zijnen dood. Wachten wij ons dus wel van de zonden van kwaadspreken en lasteren, om er niet voor gestraft te worden, noch hier, noch hiernamaals. Amen.
De leugen is driederlei: leugen om te lachen, om bestwil en om te benadeelen. Liegen is altijd zonde. De leugen strijdt tegen de waarachtigheid Gods, onteert den mensch en benadeelt den \'evennaaste.
II.
Liegen is niet altijd doodzonde: \'t is doodzonde als God in zijne eer grootelijks aangerand, als den evenmensch groote schade veroorzaakt of als er groote ergernis door gegeven wordt. Liegen is eene hatelijke zonde, vooral als men de gewoonte heeft van te liegen. Alhoewel men nooit mag liegen, men is toch niet altoos verplicht de waarheid te zeggen.
III.
Wat is een geheim? Het geheim is driederlei: het natuurlijk, het beloofde en het toevertrouwde geheim. Welk van die drie geheimen verplicht het meest?
Men is niet verplicht een geheim te bewaren:
1° Als de zaak algemeen bekend is;
2° Als het algemeen welzijn vordert dat men het geheim bekend make;
3° Als een onschuldige daardoor in groot gevaar komt;
4° Als men zelf groote schade zoude moeten ondergaan.
Welk geheim mag men voor de rechtbank bekend maken?
Men mag geene geheimen onderscheppen door, bijv., brieven te openen.
SLUITREDE.
Straf voor de leugen in Ananias en Saphira. Geschiedenis van een priester die liever verkoos te sterven dan te liegen.
ACHT-EN-DERTIGSTE ONDERRICHTING
ACHTSTE GEBOD
OVER DE LEUGENTAAL
Perdes omnes qui loqvuntur mendacitm.
Gij zult verderven al die leugen spreken.
(Ps. v, 7.)
VOORREDE.
De leugentaal, B. B., waarover wij vandaag gaan spreken, strijdt ook tegen het achtste gebod. Zij is eene zonde, waaraan zich jong en oud, groot en klein plichtig maakt; ja, wellicht bestaat er geene zonde, die zoo algemeen is als de zonde van leugentaal. Doch hoe algemeen die zonde ook zijn moge, daaruit kan en mag men niet besluiten dat het geoorloofd is te liegen. Liegen is altoos zonde, bijgevolg eene beleediging van God, en daarom is en blijft het verboden te liegen. Wij zullen aangaande de leugentaal drie vragen stellen en beantwoorden:
I. Wat is leugentaal?
II. Is de leugentaal groote zonde?
III. Is men altijd verplicht de waarheid te zeggen?
I.
En wel vooreerst, wat is leugentaal of liegen? Liegen, B. B., is spreken tegen zijn gemoed, in andere woorden, \'t is wetens en willens of met opzet onwaarheid spreken, d. i., voor waar uitgeven hetgeen men weet of meent valsch te zijn, of ook waaraan men twijfelt. Daarbij heelt men doorgaans het inzicht van anderen te bedriegen.
— 388 —
«
Men spreekt tegen zijn gemoed, als men anders spreekt dan men denkt.
Men spreekt wetens onwaarheid, als men overtuigd is dat liet valsch is hetgeen men zegt.
Men spreekt willens of met opzet onwaarheid, als men voornemens is voor waar te doen doorgaan hetgeen men weet valsch te zijn.
Iemand verhaalt iets dat waar is, doch hetgeen hij meent valsch te zijn; die persoon liegt. Waarom? Omdat hij spreekt tegen zijn gemoed.
Iemand verhaalt iets dat niet waar is, doch hetgeen hij meent waar te zijn; die persoon liegt niet. Waarom niet? Omdat hij niet wetens onwaarheid spreekt; hij bedriegt zich.
Iemand verhaalt fabels, waarin, bijv., dieren\' worden voorgesteld te spreken; parabels of gelijkenissen, zoo als onze goddelijke Zaligmaker verscheidene in het Evangelie verhaalt; die persoon liegt niet. Waarom niet? Omdat hij niet willens of met opzet onwaarheid spreekt; hij is niet voornemens van te liegen, maar hij wil de waarheid enkel onder het kleed eener fabel, parabel of gelijkenis voorstellen, waaronder zij niet zelden klaarder en aangenamer aan den dag komt.
Men kan liegen met woorden, in geschriften en met werken.
Men onderscheidt drie soorten van leugens: de leugen om te lachen, de leugen om bestwil en de leugen om te benadeelen.
De leugen om te lachen heeft doorgaans plaats om een gezelschap te vermaken. Kluchten vertellen, waarin het onwaarschijnlijke zoo sterk doorstraalt, dat iemand die nog een grijntje verstand heeft, ziet dat het niet waar is, ofwel dat men de leugen met dikke wollen handschoenen aan kan voelen, zoo iets is eigenlijk geen leugentaal.
De leugen om bestwil heeft plaats om zich zeiven of anderen voordeel te doen, om zich zeiven of anderen uit eene moeielljk-heid te trekken, om \'t een of ander kwaad te voorkomen.
bijv., twist, tweedracht of andere onaangenaamheden. Alzoo liegt eene moeder dikwijls door te zeggen dat de kinderen zich goed gëdragen hebben, al is het ook niet waar, opdat de kinderen van vader niet zouden gestraft worden.
De leugen om iemand te benadeelen heeft plaats uit haat, nijd, afkeer of vijandschap, en kan soms groote zonde zijn, hetgeen afhangt van het nadeel of kwaad dat men zijnen naaste toebrengt, of voornemens is toe te brengen.
II.
Is de leugentaal altijd zonde? Leugentaal of liegen in den eigenlijken zin des woords, al zoude het maar geschieden om te lachen of om bestwil is altijd zonde. Het inzicht dat men heeft, kan zoo goed zijn als \'t wil, \'t is nooit in staat een middel te rechtvaardigen of goed te maken, dat in zich slecht is. Men mag geen kwaad doen opdat er goed uit voortkome.
Alzoo zoude men geene enkele leugen mogen spreken, al kon men daardoor alle geloovige zielen uit het vagevuur, ja zelfs alle verdoemden uit de hel verlossen.
Dat liegen zonde is blijkt:
1° Wijl de leugen strijdt tegen de waarachtigheid Gods. Vandaar dat zij een afschuw is in zijne oogen. Leugenachtige lippen zijn den Heer een gruwel, zegt de H. Schrift.
2° Wijl de leugen den mensch onteert; zij maakt hem eenigszins gelijk aan den duivel die een leugenaar is van den beginne. Vandaar dat onze goddelijke Zaligmaker tot de leugenachtige Joden zeide: Gij hebt den duivel tot vader; wanneer hij liegt spreekt hij uit zich zeiven, want hij is een leugenaar en de vader der leugen. De leugen doet den mensch alle achting en vertrouwen verliezen; niemand acht, niemand vertrouwt den leugenaar, en vandaar het spreekwoord; Eens leugenaar, blijft leugenaar: men gelooft hem niet meer, zelfs dan als hij waarheid spreekt.
— 890 —
3° Wijl de leugen den evennaaste, ja zelfs de gansche maatschappij benadeelt. Hoe menig leugenaar heeft zijnen evenmenscli zijne eer en faam benomen? Hoeveel en hoe groot kwaad heeft hij hem niet toegebracht? Doch, B. B., wat zoude er van de samenleving geworden, bijaldien het, al was het ook maar in tijd van nood, geoorloofd was te liegen? Iedereen zoude voor zich gemakkelijk veronderstellen dat de nood daar was: men zoude vooral in den handel op elkander geen staat meer kunnen maken, en alzoo was het met het onderling vertrouwen en ook met den handel gedaan.
Alhoewel liegen altijd zonde is, \'t is telkens geene doodzonde.
\'t Is doodzonde:
1° Als het geschiedt met groote oneer van God, hetgeen wel eens plaats heeft in zaken van godsdienst;
2° Als het geschiedt met groote schade of oneer van onzen naaste; men zoude, bijv., zijnen naaste groot nadeel doen in zijne tijdelijke goederen, hem in zijne eer of faam grootelijks krenken, in welk geval men tot schadevergoeding en eerherstel gehouden is;
3° Als het geschiedt met groote ergernis, hetgeen wel eens plaats heeft bij de bespotters van God of godsdienst in kluchtige leugens waardoor zij de geestelijke overheid belachelijk willen maken. In alle andere gevallen is liegen dagelijksche zonde; doch \'t is eene hatelijke en leelijke zonde, vooral als men de gewoonte heeft van te liegen.
Alhoewel het nooit geoorloofd is te liegen, daaruit volgt niet dat men in den omgang met anderen altijd verplicht is de waarheid te zeggen. Volstrekt niet. Er kunnen zich gevallen opdoen, waarin men de waarheid mag verbergen of verzwijgen. Zoo mag men, bijv., de vragen die ons iemand stelt, maar op welker antwoord hij geen recht heeft, eenvoudig afwijzen door te zeggen: Dat zijn mijne zaken niet; ik bemoei mij daar niet
mede, enz. Om deze zaak wel te begrijpen wil ik u een oogen-blik onderhouden over het geheim.
III.
Wat is een geheim? Men noemt iets een geheim, B. B., hetgeen aan niemand of aan een, twee ol drie personen slechts bekend is, zoodat het niet als publiek kan beschouwd worden. Buiten het geheim der Biecht zijn er drie soorten van geheimen: het natuurlijk, het beloofde en het toevertrouwde geheim.
Wat het geheim der Biecht betreft, een biechtvader die over iets ondervraagd wordt, hetgeen hij alleen uit de Biecht weet, mag gerust antwoorden: Ik weet het niet; dat is volstrekt niet gelogen, want hij is gelijk aan iemand die niets weet, wijl hij, zooals eenieder bekend is, uit do biecht niets mag mededeelen en niemand, noch Paus, noch Koning het recht heeft van hem iets uit de biecht te vragen.
Het natuurlijk geheim is eene geheime zaak, waarvan wij kennis hebben gekregen, omdat wij er bij toeval getuigen van geweest zijn, omdat wij ze door de onvoorzichtigheid van den een of anderen persoon vernomen of omdat wij ze ontdekt hebben.
Het beloofde geheim is een geheim dat wij beloofd hebben te bewaren, toen men het ons verteld heeft.
Het toevertrouwde geheim is een geheim, dat men ons verteld heeft, onder voorwaarde van het niemand kenbaar te maken.
\'t Is zonde, B. B., een dezer geheimen wetens en willens zonder wettige reden bekend te maken, en indien men weet of meent dat het geheim eener zaak van aanbelang is, en uit het bekend maken er van groote oneer of schade voor den evenmensch voortspruit, dan is de schending van zulk geheim groote zonde, en de geheimschender kan verplicht zijn van de oneer of schade zijnen evenmensch daardoor veroorzaakt, te herstellen.
— 392 —
Doch welk van die drie geheimen verplicht het meest? Vooreerst het toevertrouwde geheim, vervolgens het beloofde geheim, en eindelijk het natuurlijk geheim.
Bijaldien men dus bij toeval eeue geheime zaak verneemt of ontdekt, dan mag men die niet altoos terstond uitbazuinen en alom bekend maken, tenzij zij onverschillig is en er voor niemand oneer of schade uit volgt. Nochtans, er kunnen zich gevallen opdoen, waarin men niet verplicht is een geheim te bewaren:
1quot; Als de zaak algemeen bekend is geworden, want zij houdt daardoor reeds op een geheim te zijn;
2quot; Als t openbaren van een geheim noodig\' geoordeeld wordt voor het algemeen welzijn, bijv., de ontdekking eener samenzwering tegen den Staat, enz.;
:!0 Als het openbaren van een geheim noodig geoordeeld wordt om een onschuldige of zich zeiven te vrijwaren voor een groot ongeluk of nadeel, of voor het gevaar van een groot ongeluk of nadeel.
Wanneer men voor de rechtbank wettig over liet een of ander ondervraagd wordt, mag men dan een geheim bekend maken? Ingeval er sprake is van een natuurlijk of beloofd geheim, moet men de waarheid zeggen, al had men ook onder eed beloofd het geheim te bewaren; doch de personen die wegens staat of beroep een toevertrouwd geheim bezitten, zooals Notarissen, Advokaten, Geneesheeren, enz., die personen mogen het voor de rechtbank niet openbaren, tenzij liet noodig zoude zijn om, bijv., eene groote misdaad tegen den Staat te voorkomen.
Ook mag men zonder toestemming of wettige reden de geheimen van anderen niet onderscheppen, door, bijv., brieven te openen en te lezen. Ik zeg zonder wettige reden, want de ouders kunnen soms reden hebben en zelfs verplicht zijn van de brieven die hunne kinderen schrijven of ontvangen, te lezen.
— 393 —
SLUITREDH.
Ziedaar, B. B., genoegzaam verklaard wat leugentaal is, wat een geheim is en in welke gevallen het geoorloofd ol\' niet geoorloofd is een geheim bekend te maken en te onderscheppen.
Men moet zich altoos wachten van leugentaal, wijl de kleinste leugen altijd eene beleediging is van den goeden God. God haat de leugen, en hoe streng Hij haar soms straft toont onder anderen het voorbeeld van Ananias en Saphira, die plotseling den dood stierven, omdat zij tegen den H. Geest gelogen hadden.
Het ontbreekt ook niet aan voorbeelden van personen, B. B., die liever de grootste pijnen, ja zelfs den dood hebben ondergaan, dan eene leugen te spreken. Ziehier een dusdanig voorbeeld, hetgeen tijdens de fransche revolutie te Straatsburg in den Elsas is voorgevallen.
Om de priesters, die God en Kerk getrouw bleven, de zielzorg in zekeren zin onmogelijk te maken, had men hun op doodstraf verboden zich te verkleeden. Een priester dier plaats, die meer voor de zaligheid der zielen dan voor zijn eigen leven over had, bekreunde zich weinig om dat verbod; hij ging voort nu zus dan zoo verkleed zijne priesterlijke bedieningen uit te oefenen. Doch ziet, ongelukkig valt hij in de handen der gerechtsdienaren. die hem in do gevangenis werpen. Nauwelijks was die tijding in de stad bekend, of eenigen der aanzienlijkste burgers begaven zich naar den President van het gerechtshof, om de vrijstelling van den gevangene te bekomen. De President toonde goeden wil en sprak: De wet tegen de verkleeding is slechts weinige dagen geleden gedragen; de gevangene behoeft enkel te zweren dat hij ze niet gekend heeft, en ik zal hem ontslaan. Met die tijding begaf men zich naar den gevangen priester, doch deze weigerde standvastig zich van dat redmiddel te bedienen. De wet, zoo sprak hij, was mij niet onbekend, en ik wil liever den dood sterven dan mijn leven met eene leugen te koopen. Hij werd dan ook om hals gebracht. Doch hoe groot,
— 394 —
R. B., ik vraag het u, is\' de belooning niet, die God hein ongetwijfeld reeds geschonken heeft. Door dit voorbeeld aangezet, wachten wij ons zorgvuldig van alle leugentaal, niet alleen om Gods straffen te ontkomen, maar ook om eenmaal voor onze waarheidsliefde beloond te worden in den hemel. Amen.
NEGEN - EN - DERTIGSTE ONDERRICHTING
ACHTSTE GEBOD
OVER HET KWAAD VERMOEDEN EN VERMETEL OORDEEL
Nolite judicare et non judicabirnini. Wilt niet oordeelen en gij zult niet geoordeeld worden. (Luc. vi, 37.)
INHOUD.
VOORREDE
•
Alhoewel men nooit mag liegen, daarom is men nochtans niet altijd verplicht de waarheid te zeggen.
Leugentaal is zonde en soms doodzonde.
De schijnheiligheid komt de leugen zeer nabij. God verfoeit den schijnheilige; deze kan God niet bedriegen, maar hij bedriegt zich zeiven.
VÈRDEELING.
I. Wat is kwaad vermoeden, wat vermetel oordeel?
II. Wat gebiedt het achtste gebod?
— 390 —
I.
Kwaad vermoeden is inwendig kwaad denken van zijnen evennaaste zonder liet nochtans voor zeker te houden. Kwaad vermoeden met reden is geene zonde. Alhoewel men van niemand zonder reden kwaad mag vermoeden, daarom is men niet verplicht eenieder terstond zijn vertrouwen te schenken. Dit geldt vooral de ouders, meesters en oversten.
Vermetel oordeel is het kwaad dat men van iemand zonder reden denkt, voor zeker houden. Vermaning van Jesus tegen het vermetel oordeel. Den vermetelen oordeeler wacht eene strenge straf; hij is een onbevoegde rechter, een rechter zonder kennis, en niet zelden een onrechtvaardige rechter.
Kwaad vermoeden en vermetel oordeel is altijd zonde, soms doodzonde, namelijk, als men geene reden heeft en het kwaad groot is. Geschiedenis van den stervenden monnik.
11.
Het achtste gebod gebiedt de waarheid te beminnen, behoorlijk voor de eer en faam van onzen naaste te zorgen en onze tong in bedwang te houden.
SLUITREDE.
Wij kennen nu de tien geboden; doch vergeten wij nimmer de volgende waarheid van de H. Schrift en overwegen wij ze dikwerf: Zoo gij het leven wilt ingaan, onderhoud de geboden.
NEGEN - EN - DERTIGSTE ONDERRICHTING
ACHTSTE GKBOD
OVER HET KWAAD VERMOEDEN EN VERMETEL OORDEEL
Nolite judtcnre et non judicabimini.
W ilt, niot oordeelen en gii zult niet geoordeeld •worden. (l.uc. vi,
VOORREDE.
Liegen, gelijk- wij gezien hebben, B. I!., is wetens en willens of met opzet onwaarheid spreken, waarbij man doorgaans het inzicht heeft van te* bedriegen. Liegen is altijd zonde, soms doodzonde; vooreerst, als de leugen grootelijks strijdt tegen de eer van God; vervolgens, als zij geschiedt met groote schade of groot ongelijk van onzen naaste; en eindelijk, als de leugen groote ergernis ten gevolge heeft.
Alhoewel het nooit geoorloofd is te liegen, men behoeft toch ook niet altijd de waarheid te zeggen; men kan zelfs verplicht zijn van de waarheid te verbergen of te verzwijgen.
Bij de leugentaal mag men voegen de huichelarij of de schijn-. heiligheid. Men noemt iemand een huichelaar of schijnheilige, die uitwendig den schijn aanneemt van heilig of deugdzaam te zijn, daar hij het inwendig niet is. Hoe verfoeielijk de schijnheiligheid is blijkt hieruit, dat onze goddelijke Zaligmaker de schijnheilige Phariseên met de grootste strengheid behandelde. Vol heilige verontwaardiging riep Hij hen toe: Wee u Schriftgeleerden en Phariseên, schijnheiligen! want gij zijt gelijk aan witgepleisterde graven, die van buiten fraai schijnen, maar van binnen vol doodsbeenderen en vuiligheid zijn; zoo ook schijnt
— 398 —
gij van buiten rechtvaardig, maar van binnen zijt gij vol gevoindsheid en boosheid. Wachten wij ons altoos van de zonde van schijnheiligheid. De schijnheilige kan God niet bedriegen, doch hij bedriegt zich zeiven. Vandaag zullen wij, om met de tien geboden te eindigen, in \'t kort zien:
I. Wat kwaad vermoeden, wat vermetel oordeel is;
II. Wat het achtste gebod gebiedt.
I.
Wat wordt er verstaan door kwaad vermoeden?
Iemand die van zijnen naaste kwaad denkt, d. w. z., die meent of veronderstelt dat hij kwaad gedaan heeft, doet of doen zal, zonder het evenwel voor zeker te houden, die persoon heeft vermoeden van kwaad. Dat vermoeden nu is niet altijd zonde; \'t hangt af of het gegrond of ongegrond, d. i., met of zonder reden is. Door een voorbeeld zult gij die zaak duidelijk zien.
Gij hebt, bijv., zaken gedaan met een koopman. Die koopman heeft u verschillende malen bedrogen, gij denkt dat hij u de eerste gelegenheid de beste opnieuw zal trachten te bedriegen; uw vermoeden van kwaad is gegrond, met reden en bijgevolg geene zonde. Doch die koopman heeft u nimmer bedrogen, hij heeft zich in zijnen handel en wandel altijd eerlijk en deftig gedragen; nochtans, gij trekt zijne eerlijk - en deftigheid in twijfel, misschien, omdat hij binnen kort wat veel geld gewonnen heeft, of wijl de een of andere langtong wat veel van dien koopman gepraat heeft: in dit geval is uw vermoeden van kwaad ongegrond, zonder reden en bijgevolg zonde.
Uit hetgeen ik hier kom te zeggen over het vermoeden, moet men niet besluiten, B. B., dat men zoo maar terstond jan en alleman zijn vol vertrouwen moet schenken. Neen, men moet ook voorzichtig zijn, anders zoude men dikwijls bedrogen worden. Dit geldt vooral de ouders, meesters en oversten, die
streng verplicht zijn een waakzaam oog op hunne kinderen, dienstboden en onderdanen te houden. Zeker blijven zij aan hunne plichten te kort, door een al te groot vertrouwen in hunne kinderen, dienstboden en onderdanen, namelijk, als zij hun veroorlooven in de eenzaamheid onder elkander gemeen-zarnen omgang te houden, denkende, bijv., mijne dochter, mijne dienstmeid is braaf; en die zoon, die dienstknecht ook; er geschiedt volstrekt geen kwaad. De bedorvenheid vau het hart van den mensch en de gelegenheid die aangeboden of gegeven wordt om te zondigen, is eene voldoende reden om te veronderstellen, en met grond of reden te veronderstellen, dat het daar, ten minste op den duur, niet zonder zonde eindigen zal. Dergelijk vermoeden, dat niet den persoon betreft, maar de menschelijke natuur die zwak en ten kwade geneigd is, dergelijk vermoeden is niet tegen de liefde, noch tegen do rechtvaardigheid en bijgevolg geene zonde: integendeel, \'t is een bewijs dat die ouders, meesters en oversten hunne kinderen, dienstboden eu onderdanen naar behooren beminnen, en dat zij voor hen zorg dragen, iets waarvoor kinderen, dienstboden en onderdanen niet te dankbaar kunnen zijn.
Wat wordt er verstaan door vermetel oordeel?
Men heeft een vermetel oordeel van zijnen naaste, B. B., als men zonder voldoende reden het kwaad dat men van hem denkt, voor waar en zeker houdt. Uit deze woorden kunt gij zien, dat men in het vermetel oordeel een stap verder gaat dan in het kwaad vermoeden. In het kwaad vermoeden had men zonder reden enkel nog maar de gedachte dat iemand kwaad deed, gedaan had of wilde doen, doch in het vermetel oordeel zegt men als het ware zonder reden: \'t Is zoo, juist zoo als ik gedacht heb; ja, die persoon heeft kwaad gedaan, doet het of wil het doen.
Onze goddelijke Zaligmaker vermaant ons uitdrukkelijk tegen die zonde. Oordeelt niet, zegt Hij, en gij zult niet geoordeeld
— 400 —
worden: Nolite judicare et non judicabimini. (i) Veroordeelt niet en gij zult niet veroordeeld worden.
En niet zonder reden verdient de mensch die zich verstout zijnen naaste vermetel te oordeelen, een streng oordeel van den goddelijken Rechter. Immers, de mensch is een onbevoegde rechter, hij heeft geen recht zijnen evenmensch te oordeelen; deze is de onderdaan van God. Vandaar dat de Apostel Paulus zegt: Wie zljt gij die eens anders dienstknecht oordeelt? En de H. Jacobus: Er is een wetgever en rechter, die verderven en verlossen zal; maar wie zijt gij die uwen evenmensch oordeelt?
De mensch is een onbekwaam rechter, zonder kennis van zaken. Hij oordeelt, ofwel over het in - ofwel over het uitwendige van zijnen naaste: in het eerste geval, d. i., oordeelt hij over het inwendige, dan gaat hij te ver, want aan God alleen is het inwendige bekend: in het tweede geval, d. i., oordeelt hij over het uitwendige, dan wordt hij dikwijls door den schijn bedrogen, omdat hij de inzichten van den mensch niet kent. Waarvoor, bijv., zag de Hoogepriester Heli, Anna, de moeder van Samuël, aan, toen zij God zoo vurig bad? Hij zag haar aan voor eene beschonkene. Wat zeiden de Joden van de Ajiostelen na de nederdaling van den H. Geest? Zij hebben zich aan den drank te buiten gegaan, zeiden zij.
Eindelijk is de mensch niet zelden een vooringenomen en onrechtvaardige rechter. Vandaar dat Jesus-Christus zegt: Wat ziet gij den splinter in het oog van uwen broeder en den balk in uw eigen oog ziet gij niet. Wilt gij weten waarom men dikwijls kwaad vermoedt en vermetel van zijnen naaste oordeelt? Omdat men zelf niet deugt. Men is gelijk aan den dief, die meent dat de overige menschen ook dieven zijn, omdat hij zelf een dief is.
Kwaad van iemand vermoeden en vermetel oordeelen is zonde; het kan zelfs doodzonde zijn, ingeval men geene reden
(1) Luc, vi, 37,
heeft en het kwaad dat men vermoedt of oordeelt groot is. Doch ziehier, B. B., waarop men vooral acht moet slaan. Het kwaad vermoeden of vermetel oordeel om zonde te wezen moet vrijwillig zijn, men moet er in toestemmen. Er komen soms over iemand gedachten in \'t hoofd, zonder dat men ze beletten kan: zoolang men daarin niet toestemt, zondigt men niet. Daarom moet men die gedachten terstond verwerpen, door, bijv., te denken; Ik heb genoeg aan mij zeiven; weg met die prullen. Ofwel, denken wij liever aan de woorden van onzen goddelijken Zaligmaker: Nolile judicare et non judicahimini: Wilt niet oordeelen en gij zult niet geoordeeld worden.
Hoe troostvol het ons in het stervensuur zal zijn niemand vermetel geoordeeld te hebben, blijkt uit de volgende geschiedenis.
Een monnik die juist wel niet in geur van heiligheid geleefd had, en die daarom bij de overige kloosterlingen niet voor den besten broeder doorging, werd gevaarlijk ziek. De overste van hot klooster was niet weinig verwonderd dat de zieke, in plaats van bij het naderen van den dood ongerust te worden, veeleer rustiger werd. Hij gal den zieke zijne verwondering te kennen en maakte hem opmerkzaam, dat hij weldra rekenschap voor God zoude gaan afleggen. Verwonder u niet, mijn vader! zeide de zieke, dat ik zoo gerust ben: de Heer heeft mij een Engel gezonden om mij te verzekeren dat ik in den hemel zal komen, en hij zal zijn woord houden. Hij heeft gezegd: Oordeelt niet en gij zult niet geoordeeld worden, veroordeelt niet en gij zult niet veroordeeld worden. Ziedaar wat dien monnik, die zich van de zonden van kwaad vermoeden en vermetel oordeel wachtte, in het uur des doods overkwam.
II.
Op de tweede plaats ga ik u in \'t kort zeggen wat het achtste gebod gebiedt.
Gki.ooks- bn Zkdknlkkk 3lt;l« Duicr, 20.
— /102 —
Het gebiedt ons vooreerst de waarheid te beminnen, d. i als wij iets zeggen de waarheid te spreken. Vandaar dat de Apostel Paulus zegt: Eenieder spreke de waarheid met zijnen evenmensch; vervolgens gebiedt het ons behoorlijk voor de eer en faam van onzen evenmensch te zorgen. Bijaldien wij dus onzen evenmensch hooren lasteren, dan moeten wij, zoo wij er toe in staat zijn, den laster wederleggen en de eer en faam van onzen evenmensch verdedigen.
Immers, wij moeten voor onzen eigen goeden naam zorg dragen, want een goede naam is meer waard dan schatten en rijkdommen. Vandaar dat er geschreven staat: Curam hobo, de bono nomine: (l) Draag zorg voor een goeden naam: eu wijl wij onzen naaste moeten beminnen gelijk ons zeiven, daarom moeten wij ook naar behooren zorg dragen voor de eer en faam van onzen naaste; eindelijk gebiedt liet achtste gebod onze tong in bedwang te houden. Hoeveel kwaad ontstaat er soms niet, omdat men te veel praat? Twist en tweedracht, haat en nijd die nimmer afgelegd worden. Bijaldien men, gelijk Jesus-Christus zegt, van elk ijdel woord rekenschap zal moeten geven; hoe groot zal dan de rekenschap niet zijn the wij zullen moeten geven van de gesprekken, waardoor zooveel kwaad ontstaan is? De H. Vincentius Ferrerius zegt daarover zeer schoon: Wij moeten, zegt hij, met de woorden even spaarzaam zijn als met het geld. Voor dat men de beurs opent, denkt men wel na of en wat men te betalen heeft; zoo moeten wij, alvorens onzen mond tot spreken te openen, ook wel nadenken of en wat wij zullen zeggen. Voorzeker, indien men dien regel onderhield, men zoude zoo licht niet met zijne tong misdoen.
SLUITREDE.
B. B., wij zijn aan het einde der tien geboden gekomen. Ik heb ze één voor één uitgelegd, zoodat wij er thans genoeg mede
(i) Sik. xli, 15,
— 403 —
bekend zijn. Doch vergeten wij vooral de volgende waarheid niet: \'t Is niet genoeg de geboden Gods te kennen, de voornaamste zaak is ze te onderhouden. Niet die de geboden Gods gehoord en gekend hebben, zullen zalig worden, maar die ze onderhouden hebben. Zoo gij het leven, d. i., den hemel wilt binnengaan, zegt onze goddelijke Zaligmaker, onderhoud de geboden; Si vis ad vitam ingredi, serva mandata, (l) Doen wij dus ons best, B. B., om de geboden van God te onderhouden, de eeuwige zaligheid hangt er van af. Daaraan moeten wij vooral denken. Ja, eenieder denke bij zich zeiven, en hij zij van die waarheid wel overtuigd: Ik heb slechts weinige dagen te leven; God heeft mij zijne geboden gegeven; bijaldien ik nu de weinige dagen welke ik te leven heb die geboden trouw onderhoud, de hemel, die plaats van onuitsprekelijke vreugden, zal in eeuwigheid mijn loou zijn; doch zoo ik de weinige dagen mijns levens Gods geboden niet onderhoud, de hel, die plaats van onuitsprekelijke pijnen zal in eeuwigheid mijne straf zijn. Ik vraag het u, B. B., welk van twee verlangt gij? Den hemel of de hel? O voorzeker, gij verlangt den hemel. Welnu, dan zeg ik u ten slotte nogmaals: Wilt gij den hemel binnengaan, onderhoudt de geboden: Si vis ad vitam ingredi, serva mandata. Amen.
(i) Mattii. xix, 17.
VEERTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DE WETGEVENDE MACHT DER H. KERK
Qui vos audit me audit, et qui vos spernit t/ie spernit.
Die u hoort hoort mij, en die u veracht veracht mij. (Lüc. x, io.)
INHOUD.
VOORRED!\';.
Na over de tien geboden Gods gesproken te hebben, gaan wij met de vijf geboden der PI. Kerk beginnen; doch vooreerst zullen wij zien:
VERDEELINÖ.
I. Of de H. Kerk liet recht heeft van geboden te geven;
II. Of wij verplicht zijn naar de H. Kerk te luisteren,
I.
De II. Kerk heeft van haren Stichter, Jesus-Christus, het recht en de macht ontvangen van geboden te geven. Woorden van
Christus tot Petrus, tot de Apostelen; woorden van den Apostel Paulus.
De H. Kerk is liet rijk dat Jesus-Christus op aarde gesticht heeft; doch er is geen volmaakt rijk denkbaar zonder wetgevende macht. Het recht van geboden te geven sluit in zich:
1° Het recht van te waken dat zij onderhouden worden;
2° Het recht van do overtreders der geboden te straffen.
Er zijn voornamelijk vijf geboden van de H. Kerk: wij moeten ze kennen uit noodzakelijkheid des gebods.
II.
quot;Wij moeten de geboden der 11. Kerk onderhouden, aangezien zij gegeven zijn van degenen, die ons in Gods plaats regeeren.
Wij zijn op zonde verplicht de geboden der H. Kerk te onderhouden, want zij kan en wil ons daartoe op zonde verplichten. Zij kan. Een \'wereldsch wetgever, eene moeder. Zij wil. Leering der godgeleerden.
SLUITREDE,
Het strekt den Christen niet tot schande aan de H. Kerk te gehoorzamen, evenmin als het eon kind tot schande strekt aan zijne moeder gehoorzaam te zijn.
De H. Kerk kan hem, die hare geboden afkeurt, antwoorden: Ik weet dat ik den Geest Gods heb, en dat gij door den geest der bedorvene wereld bedrogen wordt. Daarom, laten wij ons door den geest der bedorvene wereld niet bedriegen, doch onderhouden wij stipt de geboden der H. Kerk tot ons tijdelijk en eeuwig welzijn.
— 406 — VEERTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DE WETGEVENDE MACHT DER H. KERK
Qmï vo.i audit mc audit, ct qui vos spernit me spernit.
Die u lioort hoort mij, en die n veracht veracht mij. (Luc. x, ie.)
VOORREDE.
Na de tien geboden Gods, B. B., welke alle menschen moeten onderhouden, verhandeld te hebben, kunnen wij de vraag stellen of de Christenen nog andere geboden te onderhouden hebben, en op die vraag moet men antwoorden; ja, de Christenen moeten ook nog onderhouden de geboden dor H. Kerk. Ik zeg de Christenen; dus niet alleen de Katholieken, maar aldegenen die het H. Doopsel ontvangen hebben en daardoor leden van de H. Kerk geworden zijn, al is het ook dat zij zich naderhand door ketterij of opstand van de H. Kerk gescheiden hebben. Bijgevolg zijn de Ketters en Scheurmakers verplicht de geboden der H. Kerk te onderhouden. Wijl de Heidenen en Joden geene Christenen zijn, daarom verplichten hen de geboden der H. Kerk niet, tenzij in zoo ver zij verplicht zijn de H. Kerk binnen te gaan en vervolgens hare geboden te onderhouden. De kerkvergadering van Trente leert duidelijk dat alle Christenen, zelfs de Ketters en Scheurmakers, verplicht zijn de geboden der H. Kerk te onderhouden. » Als iemand zegt », zoo drukt zich de kerkvergadering van Trente uit quot; dat de gedoopten vrij zijn van alle » geboden der Kerk, welke geschreven of overgeleverd zijn, » zoodat zij niet gehouden zijn die na te komen tenzij dat zij » zich uit vrije keus willen onderwerpen, hij zij in den ban: Anathema sü. »
— 407 —
Niets kan dus den Christen, zelfs den Ketter of Scheurmaker, verontschuldigen tenzij «me onvrijwillige onwetendheid of de onmogelijkheid van de geboden te onderhouden.
Alvorens de vijf geboden der H. Kerk te verklaren zullen wij eerst de twee volgende vragen beantwoorden:
I. Heeft de H. Kerk liet recht en de macht van geboden te geven?
II.. Zijn wij verplicht naar de H. Kerk te luisteren?
I.
In de II. Kerk, B. 1!., door Jesus-Christus gesticht, bestaat eene wetgevende macht, en die macht wordt uitgeoefend dooide Oversten der II. Kerk, door den Paus van Rome. en door de Bisschoppen: of liever, Jesus-Christus heeft den Oversten der 11. Kerk, den Paus van Rome en de Bisschoppen het recht toegekend en de macht verleend van geboden te geven en wetten te dragen. Jesus-Christus heeft den II. Petrus en in hem al zijne wettige opvolgers de Pausen van Rome aan I hoofd dei 11. K\' 11\\ gesteld. Hij heeft hun den last opgedragen van zijne schapen en lammeren te weiden: Pasce agnos mcos, pasce ovcs meas. (i) Weid mijne lammeren, weid mijne schapen: in andere woorden. Hij heeft den 11. Petrus en de Pausen van Rome geboden alle geloovigen te besturen en te leiden op den weg der zaligheid. Doch om alle geloovigen te besturen en te leiden op den weg der zaligheid, moeten de H. Petrus en de Pausen van Rome de geloovigen voorschrijven en gebieden wat hun te doen staat; bijgevolg heeft Jesus-Christus den H. Petrus en de Pausen van Rome het recht toegekend en de macht verleend om geboden te geven en wetten te dragen; zonder dat, B. li., konden zij zich onmogelijk van hunne taak kwijten. Doch Jesus-Christus heeft niet alleen aan den H. Petrus, maar ook aan de oveiige Apostelen, — dus niet alleen aan den Paus van Rome, maar ook
(l) JOAN, XXI, 15.
— 408 —
aan do Bisschoppen —• de macht gegeven van te binden en te ontbinden. Qucecumque alligaveritis supe/\' ierram, erunt ligata el in coelo; Alwat gij zult gebonden hebben op aarde, zal gebonden zijn in den hemel: el qucecumque solveritis super terrain, erunl solula et in cailo: (i) en alwat gij ontbonden znl( hebben op aarde, zal ontbonden zijn in den hemel. Doch waardoor worden de geloovigen gebonden en hoe worden zij ontbonden? Zij worden gebonden door de geboden en wetten, en zij worden ontbonden door liet afschaffen dier geboden en wetten; bijgevolg heeft Jesus-Ciiristus hun het recht toegekend en de macht verleend om geboden te geven en wetten te dragen, lt;\'n om die geboden en wetten wederom af te schaffen, zoo zij liet nuttig oordeelen. In denzelfden zin spreekt de Apostel Paulus, als hij zegt dat de li. Geest Bisschoppen aangesteld heeft om de Kerk Gods te besturen: Spiritus Sanclus postdl Episcopos regere Kcclesiam Dei, die hij door zijn bloed verworven heeft; (puim acquisivil sanguine suo. (2)
Ook lezen wij in de geschiedenis, 1!. 15., dat de Oversten der H. Kerk van hunne wetgevende macht gebruik gemaakt hebben, dat zij vele geboden en wetten uitgevaardigd hebben. Kn geen wonder. Is de H. Kerk niet het rijk Gods op aarde? Welnu; er is geen rijk denkbaar zonder regeering, geene regeering zonder wetgevende macht; bijgevolg, zoo iemand de oversten der H. Kerk het recht ontkent van geboden te geven, van wetten te dragen, dan ontkent hij ook het rijk Gods, de Kerk van Christus op aarde. Ziedaar, B. B., hoe ver men komt, zoo men de H. Kerk het recht en de macht ontkent van geboden te geven.
Het recht en de machl nu van geboden te geven sluit in zich: vooreerst, het recht van te waken dat die geboden onderhouden worden; vervolgens, van de overtreders der geboden te straffen. Waartoe overigens zoude de wetgevende macht in de 11. Kerk dienen? Veronderstelt een aardsch koninkrijk, wiens koning en
li) Matth. xvm, 18. (2} Act. xx, 28.
— 409 —
ministers wetten dragen, doch dat zij liet recht niet hebben van er op aan te dringen dat hunne onderdanen die wetten nakomen, van de overtreders te straffen. Welk belang zal men in die wetten stellen? En hoe zal dat koninkrijk kunnen bestaan\'? Bijaldien men nu zoo niet raag denken van een aardse!i rijk, hoeveel te ininder van het rijk dat Jesus-Christus, de eeuwige Wijsheid, gesticht heeft, van de H. Kerk, die tot het einde der eeuwen moet blijven bestaan? Bijgevolg heeft de H. Kerk liet recht van te waken dat de geloovigen hare geboden onderhouden, zij heeft het recht van de overtreders ham* geboden te straffen.
Alhoewel de H. Kerk, d. i., dc Oversten der li. Kerk, de Paus en de Bisschoppen, veel geboden gegeven en wetten gedragen hebben, zoo als, om maar een voorbeeld aan te halen, in onze dagen over de opvoeding der kinderen en het onderwijs der jeugd, nochtans, men telt er voornamelijk vijf, algemeene of hoofdgeboden genoemd. Die vijf geboden der H. Kerk zijn de volgende: De geboden Heiligdagen zult gij vieren, enz. Zij worden algemeene of hoofdgeboden genoemd, omdat zij alle geloovigen aangaan en verplichten. Men moet ze van buiten kennen, en wel uit noodzakelijkheid des gebods, d. i., uit kracht van een gebod van onze Moeder de H. Kerk.
Het einde waartoe onze Moeder de 11 Kerk hare geboden gegeven lieeft is, niet om hare kinderen een nieuwen last op te leggen: neen, B. B., zij wil daardoor onder anderen de wet der natuur en de goddelijke geboden verklaren, en nader bepalen hoe zij moeten onderhouden worden.
Het eerste gebod van God, bijv., gebiedt ons éénen God alleen te bekennen, aan te roepen en te dienen. Hoe zullen wij nu dat gebod volbrengen? Door het eerste der vijf geboden van de H. Kerk trouw na te komen; De geboden Heiligdagen zidt gij vieren.
Het derde gebod van God gebiedt de heiliging van den Sabbath, — in de Nieuwe Wet de Heiliging van den Zondag. — De
— 410 —
H. Kerk verklaart dat daartoe het bijwonen van de H. Mis vereischt wordt: En dan ook Mis hooren met goede manieren.
De wet der natuur zegt dat het vleesch aan den geest onderworpen moet zijn, en bijgevolg dat wij onze zinnelijke lusten moeten versterven. De H. Kerk geeft daartoe een krachtig middel, namelijk, het vasten: Geene geboden vastendagen zult gij breken.
God heeft geboden te biechten en het allerheiligste Sacrament des Altaars te ontvangen. Wat zegt de H. Kerk daarover? Terwijl zij het ouk gebiedt, bepaalt zij tevens den tijd waarop men die twee Sacramenten moet ontvangen: Gij zult ten minste eens \\v jaars uwen priester de Biecht spreken en nullen omtrent Paschen hel Lichaam des Heer en.
Onze Moeder de II. Kerk heeft hare geboden nog gegeven, om ons daardoor te leeren van immer een echt christelijk leven te leiden, en op die wijze onze zaligheid te verzekeren. Ziedaar liet laatste einde dat de II. Kerk zich voorstelt, de zaligmaking harer kinderen.
II.
De H. Kerk, B. B., heeft, gelijk wij gezien hebben, het recht en de macht van geboden te geven. De Catechismus vraagt:
Zijn wij schuldig de geboden der heilige Kerk te onderhouden? En hij antwoordt:
Ja, zoowel als de goddelijke geboden, aangezien zij gegeven zijn van degenen die in Gods plaats om regeer en.
Wij zijn dus verplicht, zoodra wij gekomen zijn tot de jaren van verstand, en wel op zonde, ja zelfs op doodzonde de geboden der H. Kerk te onderhouden. De H. Kerk kan en wil hare kinderen op doodzonde daartoe verplichten.
Vooreerst kan zij het: zij heeft er het recht toe. Een aardsch wetgever heeft daartoe het recht, hoeveel te meer dan de H. Kerk, door God tot wetgeefster aangesteld? Eene moeder kan
haar kind op zware zonde gebieden eone zaali van aanbelang te doen of te laten; zoo ook kan het onza Moeder de H. Kerk ten opzichte van de geloovigen, hare kinderen. Aan die waarheid, B. B., valt niet te twijfelen. Wat zegt Jesus-Christus? Van de Oversten der H. Kerk sprekende zegt Hij: Die u hoort, hoort Mij; Qui vos audit, Me audit, en die u veracht, veracht Mij; et qui vos spernit. Me spernit. Die naar de Kerk niet luistert, houdt hem voor een heiden en publikaan; Sit tibi sicut ethnicus et publicanus: (i) Bijgevolg kan de H, Kerk op doodzonde verplichten. God, zoo sprak zekeren dag een slecht christen, zal mij niet verdoemen, omdat ik de geboden der H. Kerk niet onderhoud; als ik de zijne maar onderhoud, dan is Hij over mij tevreden. Ken vriend antwoordde: Maar is dat wel mogelijk? Hebt gij wel iemand gekend, die do geboden der H. Kerk verachtte en de geboden van God in cere hield? ol bestaat er geen gebod van God van naar de II. Kerk te luisteren? Ku zijn wij niet aan heidenen en publikauen, d. i., aan groote zondaren gelijk, zoo wij hare stem verachten? \'t Is dus eene groote dwaling van te zeggen: God zal mij niet verdoemen, omdat ik de geboden der H. Kerk niet onderhoud, zoo ik de zijne maar onderhoud. Ja, God zal dergelijke Christenen wel verdoemen. Waarom? Wijl zij, die de Kerk verachten God verachten; en God zoude zijne verachters ongestraft laten?
Men zoude kunnen vragen: Maar wil tie II. Kerk in hare geboden ook op doodzonde verplichten? Ja, B. B., het is de eenparige leer der godgeleerden. Immers, ieder wetgever wordt beschouwd op zware zonde te verplichten in zaken van aangelegenheid, zoo dikwijls hij er niet uitdrukkelijk bijvoegt, dat hij niet op zware zonden wil verplichten. Welnu; tie H. Kerk heeft nooit gezegd dat zij niet op doodzonde wil verplichten; integendeel, door het verwerpen der tegenovergestelde leering, en door het bedreigen met zware straften heeft de H. Kerk
quot;(1) Mattii. xvii, 17.
— 412 —
duidelijk genoeg te kennen gegeven, dat zij op doodzonde wil verplichten. De leering, B. B., die houdt dat liet maar cene dagclijksdie zonde Is, het gebod van het vasten niet te volbrengen, als er geene ergernis, geene verachting der wet en geene openbare ongehoorzaamheid door plaats heeft, die leering is veroordeeld, en de overtreder zondigt dus doodelijk. Wat leert de kei■ kvergader!ng v;in Laterane aangaande de paaschcommunie ? Dat dengene, die zijnen Paschen niet houdt, de kerk ontzegd en bij zijn sterven de christelijke begrafenis geweigerd moet worden. Uit die leering en straf ziet men duidelijk, dat hij die het gebod van het vasten overtreedt of zich van zijnen paasch-plicht niet kwijt, doodelijk zondigt.
SJjUITREDK.
Ziedaar, B. B., in \'t kort de wetgevende macht onzer Moeder de H. Kerk verklaard, alsmede de zware verplichting die op ons, hare kinderen, rust, van naar de H. Kerk te luisteren.
Ook strekt de gehoorzaamheid aan zijne moeder liet kind niet tot schande. Wie toch weel beter wat hot kind noodig heeft dan de moeder! En wie kan het beter helpen dan de moeder? Tot schande daarentegen, ja tot eeuwige schande strekt het den Christen tegen zijne moeder op te staan, hare voorschriften en geboden a( te keuren, met verachting daarover te spreken, er zich niet aan te storen en ze te overtreden. Ja, schamen moesten zich de Christenen, die het wagen met hun grijntje verstand de wijze wetten der H. Kerk te beoordeelen, dat liet, bijv., beter was de feestdagen, het vasten, biechten. Mis hooren af te schaffen; dat het beter was zoo de H. Kerk zicii met de opvoeding en het onderwijs der jeugd niet bemoeide, enz. Ha! men kent de personen die zoo denken en spreken; men kent ook de redenen waarom zij zoo denken en spreken. De 11 Kerk kan die naamwijzen antwoorden: Ik weet dat ik met den Geest Gods bezield ben en naar dien Geest handel, en Ik weet tevens dat
— 413
gij met den geest der bedorvene wereld bezield zijl en naar dien geest handelt, zoo dikwijls gij u verstout mijne geboden en wetten af te keuren en te versmaden. Ja, B. B., met den geest der bedorvene wereld zijn die ondankbare en wederspannige kinderen bezield, naar dien geest spreken en handelen zij tot hun tijdelijk en eeuwig ongeluk.
Om dus dat dubbel ongeluk niet in te loepen, onderhouden wij stipt, buiten de geboden van God, ook de geboden van onze Moeder de 11. Kerk. Bidden wij God dikwijls om zijne genade van ze trouw na te komen; Hij zal ons die genade geven in dit leven, en hiernamaals eene overgroote belooning in het rijk der hemelen. Amen.
EEN - EN - VEERTIGSTE ONDERRICHTING
EERSTE GEBOD DEK II. KERK
OVER HET VIEREN DER HEILIGDAGEN
Inspice el fac secundum exemplar quod tidi.... momlratum est.
Zie en doe naar het toonbeeld dat u aangewezen is. (Ex. xxv, 40.)
INHOUD.
VOORREDE.
Gelijk do Israëlieten hunne bijzondere feesten hadden, zoo hebben wij de onze. De H. Kerk heeft het recht van feestdagen in te stellen. Men verdeelt de feestdagen:
1° In feestdagen van Onzen Heer Jesus-Christus, van Onze Lieve Vrouw en van de Heiligen;
2° In feestdagen van verplichting en van devotie.
Het eerste gebod gebiedt de feestdagen te vieren gelijk de Zondagen.
VERDEELING.
I. Waarom zijn de feestdagen des Heeren ingesteld?
II. Waarom de feestdagen der Heiligen?
I.
De voornaamste feestdagen des Heeren zijn: de Zondag, Kersdag, de Besnijdenis van Christus, Driekoningen, Paschen, de Hemelvaart van Christus, Pinksteren, liet feest van de 11. Drievuldigheid, Sacramentsdag. Zij zijn ingesteld:
1° Om op die dagen de bijzonderste weldaden die alsdan geschied zijn, te overwegen;
2° Om God er voor te bedanken.
Oogslag op die weldaden.
II.
Op de feestdagen van Onze Lieve Vrouw en van de overige Heiligen moeten wij (lod öok bedanken; doch zij zijn vooral ingesteld:
1° Om de deugden dor Heiligen na te volgen. Wij allen, wie wij ook zijn, vinden Heiligen die ons tot voorbeeld strekken. Die Heiligen hebben den hemel ook moeten verdienen door het beoefenen der deugden; zij hebben ons voorbeelden van allerlei deugden gelaten. Maria strekt ons in alles tot voorbeeld. De overige Heiligen hebben ook in de deugd uitgeschenen, de eene in deze, gene in eene andere deugd. Zij hebben de vijanden hunner zaligheid ook moeten bestrijden: wij kunnen hetgeen zij gekuimen hebben.
2° Om hunne gebeden te verzoeken ten einde hunne deugden ie kunnen navolgen.
SLUITREDE.
Wachten wij ons zorgvuldig van misbruik te maken van de feestdagen gelijk sommige Christenen doen, die in plaats van God en zijne Heiligen te eeren, hen onteeren en zich zelven ongelukkig maken.
— 41G —
EEN - EN VEERTIGSTE ONDERRICHTING
EERSTE GEBOD DER II. KERK
OVER HET VIEREN DER HEILIGDAGEN
Inspice et fac secundum exemplar quod tibi.... monstratmi est.
/10 on clou naar hot toonbeold dat u aangewezen is. (Ex. xxv, .10.)
VOORRKDE.
Gelijk de Israëlieten, B. B., tijdens de Oude Wet hunne feestdagen hadden, zoo hebben wij Christenen tijdens de Nieuwe Wet de onze. Voorzeker, de H. Kerk heeft het recht van feestdagen in te stellen, wijl zij het recht heeft van geboden te geven. Doch niet alleen kan zij feestdagen instellen, zij kan die ook wederom afschaffen; zij kan die afschaffen voor de gansche Kerk, ofwel voor een gedeelte, zoodat, bijv., voor het eene land de verplichting bestaat van een feest - of heiligdag te vieren en voor het andere niet. Dat alles ligt opgesloten in de wetgevende macht der H. Kerk.
Men verdeelt de feestdagen:
1° In feestdagen van Onzen Heer Jesus-Christus, van Onze Lieve Vrouw en van de Heiligen;
2° In feestdagen van verplichting en van devotie.
Door feestdagen van verplichting verstaat men de feestdagen die men moet vieren gelijk de Zondagen. Zij zijn hier te land vier in getal: de Geboorte van Christus, de Hemelvaart van Christus, de Hemelvaart van Maria en Allerheiligen.
Door feestdagen van devotie verstaat men vooral do afgezette heiligdagen, die men niet meer verplicht is te vieren gelijk de
— .117 —
Zondagen, \'t Is dus loffelijk, en ook voordeelig die dagen te vieren gelijk de Zondagen.
Het eerste gebod der H. Kerk luidt als volgt: De cjehodene heiligdagen zult gij vieren. De Catechismus vraagt:
Wal gebiedt het eerste gebod der heilige Kerk? En hij antwoordt:
De gebodene heiligdagen die de Kerk heeft ingesteld, te vieren gelijk de Zondagen.
Men moet zich dus op die dagen onthouden van slaafsche werken en zich begeven tot godsdienstigheid. Daarover hebben wij reeds gesproken in het derde der tien geboden. Vandaag\' zullen wij zien;
I. Tot welk einde de feestdagen des Heeren;
II. ïot welk einde de feestdagen der Heiligen ingesteld zijn.
1.
Door feestdagen des Heeren worden verstaan, de dagen waarop men de voornaamste geheimen van onzen H. Godsdienst viert.
Tot welk einde zijn de feestdagen des Heeren ingesield? Zij zijn ingesteld, H. B., om op die dagen eenige bijzondere weldaden die alsdan geschied zijn te overwegen en God er voor te bedanken.
1quot; Om eenige bijzondere weldaden te overwegen. Elite week vieren wij een dag, den Zondag, tot herinnering aan het werk der schepping. Op Kersdag vieren wij de Geboorte van Christus, dag waarop Hij in de wereld gekomen is om de menschen te verlossen. De feesten van de Besnijdenis en opoflëring van liet goddelijk Kind in den tempel doen ons denken aan de eerste offers, die Jesus zijn hemelschon Vader voor ons gebracht heeft. Het feest van Driekoningen herinnert ons hoe Jesus zich aan
Ghloofs-en Zhdkni-kkr. 3lt;1c Deef,. 27.
— 418 —
de Heidenen bekend gemaakt heeft, door deze bezocht en aangebeden is. Het Hoogtijd van Paschen stelt ons voor hoe Jesus-Christus den derden dag na zijnen dood overwinnaar van dood en hel levend uit het graf is opgestaan. De Hemelvaart van Christus, hoe Hij, na veertig dagen na zijne Verrijzenis op aarde doorgebracht te hebben, in triomf ten hemel is geklommen. Het \'feest van Pinksteren doet ons denken aan de nederdaling van den H. Geest over\' de Apostelen, en hoe deze vervuld van den H. Geest, terstond aangevangen hebben het Evangelie te verkondigen. Het feest der H. Drievuldigheid is ingesteld om ons.aan het eerste en grootste geheim van onzen H. Godsdienst te doen denken, namelijk, aan God, één in wezen en drievuldig in personen den Vader, den Zoon en den H. Geest. Sacramentsdag, om ons te herinneren de grenzelooze liefde van onzen godde-lijken Zaligmaker, die zich gewaardigd heeft met ons te blijven onder de gedaanten van brood in het aanbiddelijk Sacrament des Altaars.
Hetgeen ik hier van eenige feesten ter cere van Onzen Heer Jesus-Christus ingesteld, gezegd heb, kan van allen gezegd worden; allen zijn ingesteld om de voornaamste geheimen van onzen H. Godsdienst te vieren, om ons de uitgelezenste weldaden te herinneren.
2° Zij zijn ingesteld om God er voor te bedanken.
Eiken Zondag moeten wij God bedanken dat Hij ons geschapen en herschapen heeft in het H. Doopsel, dat Hij ons bewaart en zoo minzaam voor ons zorgt.
Wanneer wij op Kersdag overwegen dat Jesus-Christus de eenige Zoon des Vaders, die in eeuwigheid oneindig gelukkig is in den hemel en ons menschen volstrekt niet noodig hoeft, dat Hij in de wereld gekomen is, klein kind heeft willen worden, en wanneer wij dat klein Kind te Be(hleem in een armen stal op eene handvol stroo zien liggen en bittere tranen storten voor ons zondaren, zullen wij dan als het ware niet gedwongen
— 410 —
worden van te zeggen: lt;3 goddelijke Zaligmaker! O lieve Jesus! Wij liedanken U duizendmaal, en wij weten niet hoe U genoeg te bedanken, wijl Gij uit den hemel zijl nedergedaald, menseh zijt geworden om ons te verlossen. Den dag zijner Geboorte- stort Jesus tranen voor ons, den dag zijner Besnijdenis geeft Hij reeds zijn goddelijk bloed ten beste, den dag der opdraeht in den tempel offert Hij ziclt op aan zijn hemelsehen Vader: Zie, Vader! zegt Jesus, hier ben Ik om te voldoen voor de menschen. In den persoon der drie koningen die Heidenen waren, heeft Hij ons geroepen en zich aan ons geopenbaard; zonder dat zaten wij nog in do duisternissen des ongeloofs, gelijk er hedendaags in de vreemde landen nog zooveel aangetroffen worden. Wanneer wij nu o]) Driekoningendag overwegen dat God zich gewaardigd heeft ons te roepen en zich aan ons te openbaren, moeten wij den goeden God dan niet duizendmaal bedanken van ons tot het waar geloof geroepen te hebben? Jesus sterft. Hij verrijst ten dorden dage; doch waarom sterft Jesus aan hot kruis in de hevigste folteringen? Waarom staal Hij levend uit het graf op? Jesus sterft om ons lovend te maken; Hij verrijst om ons ten eeuwigen leven te doen verrijzen. Ja, Hij doet alles voor ons. Wij waren verloren, de hel zoude ons dool zijn; Jesus sterft en verrijst om ons van de hel en van den eeuwigen dood te verlossen. Hij klimt ten hemel. Waarom? Om ons eene plaats te bereiden. Ik ga u eene plaats bereiden, zeide Jesus: Vado parare vobis locum, (l) Wanneer wij dus die geheimen wel overwegen, do liefde Gods die er in doorstraalt, wol inzien, dan worden wij voorzeker tot wederliefde en dankbaarheid aangezet.
Ziedaar dus tot welk einde de H. Kerk do feestdagen des Hoeren heeft ingesteld, om Gods weldaden te overwegen en om er Hom voor te bedanken.
(l) JOAN. XIV*, 2.
— 420 —
11.
Tot welk einde zijn de feestdagen der Heiligen ingesteld? Zij zijn ingesteld, li. B., vooral om de deugden en goede werken der Heiligen na te volgen en hunne gebeden te verzoeken. Voorzeker, onze Moeder de H. Kerk heeft de feesten ter cere van Onze Lieve Vrouw en van de overige Heiligen ook ingesteld om God te loven en te danken voor de genaden die Hij hun en ons door hen bewezen heeft; doch zij heeft ze vooral ingesteld:
1quot; Óm ons aan te zetten van de deugden en goede werken der Heiligen na te volgen. Elke staat of stand, elke leeftijd heeft zijne Heiligen, te beginnen van den vcrhevensten staat tot den geringsten, van de prilste jeugd tot den ouderdom, zoo dat eenieder een voorbeeld ter navolging vindt. De priester vindt zijn voorbeeld gelijk de geloovigc; de koning gelijk de onderdaan; de getrouwde gelijk de ongetrouwde; de arme gelijk de rijke; de jonge gelijk de oude. Hoeveel heilige priesters vindt men niet, die zich met liefde en met ijver van bunnc plichten gek welen hebben? Men vindt ook heilige koningen, die goed geregeerd hebben; getrouwde; personen, die de plichten van hunnen staal, trouw volbracht hebben en zoo heilig geworden zijn; rijken, die heilig geworden zijn, onder anderen, wijl zij niet gehecht waren aan luni geld en goed, maar ei\' goede werken mede verrichtten, door, bijv., aalmoezen (e geven. Men vindt Heiligen van allen leeftijd: jonge personen, die binnen kort den hemel verdiend hebben; anderen, die meerjaren hebben moeten besteden. Doch vergeten wij nooit, !!. H , dat de Heiligen niet zonder verdiensten in den hemel gekomen zijn. De hemel was hun ook als belooning voorgesteld, zij moesten hem verdienen door de deugd te oefenen en goede werken te verrichten. Ook hebben zij ons voorbeelden van allerlei deugden achtergelaten, van ootmoedigheid en gehoorzaamheid, van matigheid en kuischheid. De allerheiligste Maagd Maria, de eerste en de verhevenste, dus de koningin van alle Heiligen, heeft al die deugden beoefend.
Tot de grootste waardigheid, namelijk, tot het goddelijk moederschap verheven, is zij de ootmoedigste van allen; in hoedanigheid van Moeder van God kan zij gebieden, en zij gehoorzaamt aan haren bruidegom, den H. Joseph; zonder zonden ontvangen cn vol van genade, heeft zij niets te vreezen, en nochtans, zij versterft hare zinnen en kastijdt haar onschuldig lichaam. Wat de kuischheid betreft, \'t is genoeg ons te herinneren dat de II. Kerk Maria noemt do allerreinste en allerzuiverste, de koningin der Maagden.
De overige Heiligen hebben die deugden ook beoefend. De eene heeft in deze, gene in eene andere deugd uitgeschenen. Ook hebben zij de vijanden hunner zaligheid den duivel, de wereld cn het vleesch moeten bevechten. De Heiligen, die thans in den hemel met de kroon der onsterfelijkheid op hunne hoofden schitteren, hebben die kroon van glorie door hun manhaftig strijden verdiend. Zij hebben den duivel, die hen aanviel en tot zonde trachtte te brengen, overwonnen, vooral met het wapen des gebeds; de wereld, die hen bekoorde, door het vluchten der gevaren (in gelegenheden der zonde; het vleesch, door de zinnen te versterven cn de begeerlijkheid te onderdrukken. Zij hebben niet geaarzeld alle middelen aan to wenden, de hevigste pijnen te ondergaan, ja zelfs hun leven ten beste te geven om het eeuwige leven deelachtig te worden. Ziedaar, li. 15., wat tie Apostelen en .Martelaren, de Belijders en Maagden, in een woord, wat alle Heiligen gedaan hebben. En nochtans, die Heiligen hier op aarde waren menschen gelijk wij. Waarom zouden wij dan niet kunnen hetgeen zij gekunnen hebben, zoo wij dezelfde middelen gebruikten? Maar ik, zoudt gij misschien kunnen deuken, ik heb zoo lang slecht geleefd, zoo vele jaren in zonden doorgebracht; ik ten minste kan de Heiligen niet meer navolgen. B. B., onder de Heiligen bevinden er zich ook, die groote zondaren geweest zijn. Ik zal er maar twee noemen. De H. Augustinus on de 11. Maria Magdalena. Augustinus was onder anderen een wellusteling. Maria Magdalena stond bekend onder den naam van
zondares; Jesus had uit haai\' zeven duivelen geworpen. Hoe zijn zij dan zoo groote Heiligen geworden? Zij hebben zich oprecht bekeerd; eenmaal met God verzoend zijn zij Hem getrouw gebleven; het overige van hun leven hebben zij hunne zonden beweend en door werken van boetvaardigheid uitgeboet; daarin kunt gij zondaar Augustinus, gij zondares Maria \'Magdalena navolgen, en gij moet het doen, zoo niet zult gij nooit zalig wordén, maar verloren gaan.
Wij moeten dus de Heiligen navolgen willen wij eenmaal het geluk des hemels met hen deelen. Te dien einde moeten wij hunne gebeden verzoeken. Ja, wij moeten hen dikwijls aanroepen, de allerheiligste Maagd Maria, den H. Joseph, onzen patroon of onze patrones: zij weten aan welke gevaren wij zijn blootgesteld; zij zullen voor ons bij God ten beste spreken en de genade bekomen van hunne deugden na te volgen, de vijanden onzer zaligheid te overwinnen en het eeuwig geluk des hemels te bekomen.
SLUITREDE.
Ziedaar, B. B., hoe wij de feesten, ter eere van Onzen Heer Jesus-Christus en van de Heiligen ingesteld, moeten vieren; zoo zullen wij het doel bereiken, waartoe zij door onze Moeder de H. Kerk zijn ingesteld, d. L, wij zullen ze vieren tot glorie van God en zijne Heiligen en tot zaligheid onzer zielen. Volgen wij dus nimmer de slechte Christenen na, die van do feesten misbruik maken, die, bijv., de kermisdagen welke de H. Kerk heeft ingesteld om God te bedanken voor de wijding der kerken en andere weldaden, die de feestdagen ter eere van eemm Patroon of van eene Patrones ingesteld, doorbrengen in zonden van onmatigheid en dronkenschap, in zonden te schandelijk om te noemen. Neen, B. B., volgen wij zulke slechte Christenen niet na; zoo handelt men regelrecht tegen de inzichten van onze Moeder de H. Kerk en tegen zijn eigen welzijn. Bijgevolg, eeren
— 42:? —
wij God on zijno Heiligen op do foostdagon door met godvruchtigheid de goddelijke diensten bij te wonen; brengen wij een groot gedeelte van die dagen dooï in het gebed; vluchten wij vooral de zonde, de vrijwillige gevaren en gelegenheden dei-zonde, volgen wij de Heiligen wier feesten wij vieren, na, wij kunnen zeker zijn van hunne tusschenkomst te bekomen, zeker zijn van eenmaal met hen in den hemel te komen. Amen.
TWEE - EN - VEERTIGSTE ONDERRICHTING
TWEEDE GEBOD DEK 11. KE1IK
OVER HET MIS HOOREN
In omni loco sacrijlcatur et offurtur nomini meo ablatio munda.
Op allo plaatsen wordt cr geollcrd en mijn naam oene zuivere otierande opgedragen. (Mal. i, n.)
INHOUD.
VOOHRKDK.
is\'a gezien te hebben dat en hoe wij de geboden heiligdagen moeten vieren, zullen wij in liet tweede gebod overwegen, welk liet voornaamsle werk is dat onze Moeder de H. Kerk op die dagen voorschrijft.
VERDEELING.
I. W ie zijn verplicht Mis te hooren?
II. Waarom gebiedt ons de H. Kerk vooral van Mis te hooren?
I.
Allo geloovigen tot de jaren van verstand gekomen, zijn op doodzonde verplicht Mis to hooren, tenzij zij om wettige redenen ontslagen zijn. Men moet eene geheele Mis hooren en men volstaat niet, zoo men vrijwillig van een merkelijk deel afwezig is, door, bijv., veel te laat te komen. Men moet Mis hooren met groote eerbiedigheid en aandachtigheid.
II.
Do H. Kerk verplicht ons Mis te hooren vooral om twee redenon:
1° Omdat de H. Mis het beste middel is om God te eeren;
2° Omdat de H. Mis het beste middel is om van God te verkrijgen alles wat wij begeeren voor ons zeiven en voor anderen.
De H. Mis is het beste middel om God te eeren. Wat is de H. Mis?
Aan wien en door wien wordt zij opgedragen?
De H. Mis is het beste middel om van God te verkrijgen, wijl in de H. Mis de verdiensten van Jesus-Christus worden toegepast.
Daaruit moeten wij besluite]) van niet alleen op Zon - en geboden feestdagen, maar van zoo dikwijls mogelijk do H. Mis bij te wonen.
SLUITREDE.
Wanneer men zich naar de kerk begeeft om de II. Mis bij te wonen, kan men zich met vrucht verbeelden dat men zicli naar den Calvarieberg begeeft om het Sacrificie des Kruises bij te wonen. Voorbeeld van den H. Wilhelmus van Bourges.
TWEE - EN - VEERTIGSTE ONDERRICHTING
TWEEDE GEBOD DEK II. KERK
OVER HET MIS HOOREN
In omni loco sacrificatur et offertur nomini meo ablatio munda.
Op alle plaatsen wordt cr geofferd en mijn naam eene zuivere ofVerande opgedragen. (Mal. i, h.)
VOORREDE.
In het eerste gebod, B. B., gebiedt onze Moeder de H. Kerk de geboden heiligdagen te vieren gelijk de Zondagen. Zij heeft de heiligdagen vooral ingesteld om eenige bijzondere weldaden die ons alsdan geschied zijn, te overwegen en God voor dezelve te bedanken, om de deugden en goede werken der Heiligen na te volgen en hunne gebeden te verzoeken\'. Daarover hebben wij laatstleden gesproken.
Het tweede gebod onzer Moeder de H. Kerk luidt als volgt: En dan ook Mis hooren met goede manieren. Daardoor gebiedt zij ons de voornaamste godsdienstplechtigheid, namelijk, de li. Mis bij te wonen. Immers, de Catechismus vraagt;
Wat belast het tweede gebod der heilige Kerk? En hij antwoordt;
Op al de gebodene heiligdagen Mis te hooren.
Wijl er vroeger reeds, namelijk, in het derde gebod breedvoerig over de verplichting en wijze van Mis te hooren gehandeld is, daarom zal ik er hier slechts in \'t kort over handelen. Daarna zullen wij zien waarom onze Moeder de H. Kerk gebiedt op Zon - en geboden heiligdagen Mis te hooren.
I. Wie en hoe moet men Mis hooren?
II. quot;Waarom gebiedt de II. Kerk vooral van
Mis te hooren?
I.
De Catechismus vraagt:
Wie zijn verplicht Mis te hooren op de heiligdagen? En hij antwoordt;
Alle geloovigen die gekomen zijn tot de jaren can verstand, en door zichten of andere goede redens niet ontslagen zijn.
Dus, in den regel zijn alle geloovigen, zoodra zij zeven jaren oud zijn, verplicht op Zou-en geboden feestdagen het H. Sacrificie der Mis bij te wonen. Die verplichting is zoo groot, dat men doodelijk zondigt, in geval men er zonder wettige reden aan te kort blijft.
Is het genoeg een deel te hooren?
Wij zijn verhonden ecne heele le hooren, en geen merkelijk deel achter le laten.
Men moet dus van liet begin tot liet einde in de H. Mis tegenwoordig zijn, en men zondigt zehs doodelijk, ingeval men vrijwillig een merkelijk deel achterlaat. De Catechismus vraagt:
Wanneer laai men een merkelijk deel achter? Mn hij antwoordt;
Als men veel le laat komt; als men onder de consecratie of onder de nutting niet tegenwoordig is, en ook als men veel le vroeg uitgaat.
De voornaamste deelen der H. Mis zijn: do offerande, de consecratie en de nutting.
Men volstaat dus niet, B. B., met eene Mis waarin men merkelijk te laat komt, bijv., na de oü\'erande, en men is verplicht denzelfden dag eene andere te hooren; is zulks onmogelijk geworden, omdat, bijv., de laatste Mis geëindigd is, dan
— 428 —
kan men zich aan groote zonde pliclitig maken, ingeval men uit onverschilligheid, traagheid of slechte gewoonte de schuld is dat men merkelijk te laat komt. Men maakt zich aan groote zonde pliclitig, zeg ik, waarom? Omdat het gebod onzer Moeder de 11. Kerk streng verplicht in eene zaak van aangelegenheid. De geloovigen dus, die er zich weinig aan laten gelegen liggen, die doorgaans en niet zelden veel te laat komen, kunnen niet verontschuldigd worden, en zij zijn streng verplicht de slechte gewoonte van te laat te komen die zij aangenomen hebben, af te leggen. Ik zeg gewoonte, en inderdaad; \'t is doorgaans niets anders dan gewoonte; doch ik voeg er bij, slechte gewoonte en die bijgevolg strafwaardig is. De Catechismus vraagt:
Hoe moeten wij Mis hooren? En hij antwoordt:
Met groote eerbiedigheid en aandachtigheid.
Men moet Mis hooren, vooreerst met eerbiedigheid, zoodat men uitwendig, in zijne manieren en houding toont hoogachting te hebben voor het H. Sacrificie der Mis dat van eene oneindige waarde is, en waarbij de Engelen des hemels van eene eerbiedige vrees doordrongen tegenwoordig zijn. Men moet zich in de kerk dus wachten van eene houding waarover men beschaamd zoude zijn op straat of in eene herberg; men moet zich wachten van praten, lachen en rondzien.
Vervolgens moet men Mis hooren met aandachtigheid, door bijv., te denken aan hetgeen er op het altaar geschiedt, door zich met den priester te vereenigen, door de gebeden onder de Mis in een kerkboek te lezen, door zijn rozenhoedje of andere gebeden te bidden.
Heeft men nu het ongeluk van verstrooid te zijn, zoo die verstrooidheid onvrijwillig is, zondigt men niet, en men moet zich, zoodra men ze gewaar wordt voor God verootmoedigen en op nieuw met aandacht trachten Mis te hooren; God zal dan medelijden met onze zwakheid hebben en onze gebeden toch verhooren. Ziedaar, B. B., in korte woorden herhaald wie
verplicht is Mis te hooren, en hoe men zich van dien plicht moet kwijten. Nu gaan wij op de tweede plaats de v.raag beantwoorden, waarom onze Moeder de II. Kerk vooral gebiedt op Zon-en geboden feestdagen Mis te hooren.
II.
De Catechismus vraagt:
Is hel goed dikwijls Mis te hooren? En hij antwoordt:
Ja-, loant de Mis is het hehwaamste middel om God te eeren, en om te verkrijgen cd wat wij van hem hegeeren voor ons zeiven, voor anderen en ook voor de zielen die in het vagevuur zijn.
Onze Moeder de H, Kerk gebiedt ons dus Mis te hooren vooral om twee redenen: vooreerst, omdat het H. Sacrificie der Mis het bekwaamste middel is om God te eeren. \'t Is gemakkelijk te begrijpen, zoo men een weinig overweeg! wat het H. Sacrificie der Mis is, door wien en aan wien het opgedragen wordt. Het II. Sacrificie der Mis is liet onbloedig Sacrificie der Nieuwe Wet, waarin het lichaam en bloed van Jesus-Christus onder de gedaanten van brood en wijn worden opgedragen. Ik vraag het, li. B., kan er wel een reiner, waardiger en heiliger offer gevonden, zelfs uitgedacht worden!? Wie draagt dat II. Sacrificie op? Jesus-Christus zelf, de Heilige der Heiligen, want de Priester is maar zijn dienaar in het offeren. Aan wien draagt Hij het H. Sacrificie op? Aan God zijn hemelschen Vader, die niemand zoo zeer bemint dan zijn eenigen Zoon; die uitdrukkelijk voor de wereld verklaard heeft dat Jesus zijn beminde Zoon is, in wien Hij zijn welbehagen genomen heeft.
Uit deze korte opmerkingen blijkt reeds zonneklaar, dat er in onzen heiligen godsdienst niets bestaat, zoo heilig, zoo verheven, Gode zoo welgevallig als het H. Sacrificie der Mis; ja, wat
— 430 —
meer is, het. H. Sacrificie der Mis alleen is de eenige offerande, waardoor de Allerhoogste naar verdienste en waardig geëerd wordt.
Een God alleen kan God naar verdienste en waardig eeren, want God verdient eene goddelijke en oneindige eer; doch in de H. Mis ollert God de Zoon zich op aan God zijn hemelschen Vader en geeft Hem daardoor eene goddelijke en oneindige eer, bijgevolg is het H. Sacrificie der Mis de offerande om God naar verdienste en waardig te eeren.
Geen wonder dus dat de H. Kerk hare kinderen gebiedt op Zon - en feestdagen Mis te hooren.
Doch de .Mis is niet alleen het bekwaamste middel om God te eeren, zij is ook het bekwaamste middel om van God te verkrijgen al wat wij van Hem begeeren voor ons zeiven, voor anderen en ook voor de zielen die in \'t vagevuur zijn.
En wat begeeren of verlangen wij van God hier op aarde voor ons zeiven of voor anderen, althans zoo wij ons welzijn behartigen? Wat voor onze ziel, wat voor ons lichaam?
Wat begeeren of verlangen wij voor onze ziel? Zijn wij niet allen arme zondaars, sommigen wellicht die in staat van doodzonde verkeeren? Daarom moeten wij van God verlangen en vragen: vooreerst, de genade der bekeering- om vergiffenis van onze zonden te bekomen; vervolgens, de genade om voor onze zonden te voldoen.
Na ons bekeerd en vergiffenis van onze zonden bekomen te hebben, blijven wij nog altoos zwakke schepselen, aan de aanvallen onzer vijanden blootgesteld; daarom moeten wij van God verlangen en vragen de genade van ons staande te kunnen houden, van aan de vijanden onzer zaligheid te kunnen wederstaal), d. L, van in het goede te volharden en in de zonde niet te hervallen.
Wat vermogen wij uit ons zeiven alleen voor den hemel? Niets, volstrekt niets, B. B., en daarom moeten wij van God
— 431 —
verlangen en vragen de genade, zonder dewelke onze goede werken zelfs niet eens kunnen dienstig zijn ter zaligheid.
Wat begeeren of verlangen wij voor ons lichaam? Wat al ellenden, wat al kruisen en wederwaardigheden ontmoeten wij in dit tranendal. Voorzeker, wij begeeren of verlangen zoo veel mogelijk er van bevrijd te blijven. Welnu, vragen wij zulks aan God; ofwel zoo God het anders beschikt, vragen wij Hem dan de genade van die ellenden, die kruisen en wederwaardigheden met overgeving aan zijn goddelijkcn wil te ontvangen en met geduld te dragen, opdat zij ons strekken ter zaligheid.
Wat begeeren of verlangen wij voor de zielen die in het vagevuur zijn? Ongetwijfeld, wij begeeren, wij verlangen die zielen, onder welke er zich wellicht bevinden die ons dierbaar zijn, jegens welke wij eenige verplichting hebben; die zielen begeeren, verlangen wij zoo spoedig mogelijk uit het vagevuur te verlossen en in \'t bezit te stellen van den hemel.
Welnu, alles wat wij Van God begeeren voor ons zelveu, voor anderen naar ziel en lichaam, en voor de zielen des vagevuurs, dat alles kunnen wij van God verkrijgen door het IJ. Sacrificie der .Mis. Waarom? Omdat het H. Sacrilicie der Mis eene overstroomende en nimmer uitdrogende bron van genaden is voor levenden en voor dooden, genaden, die Jesus-Christus, toen Hij zicb aan het kruis aan God zijn hemelschen Vader opofferde, verdiend heeft, en die ons onder anderen eu bijzonder in-en door het II. Sacrificie der Mis, worden toegepast. Had nu onze Moeder de H. Kerk ons iets beters, iets heilzamers kunnen voorschrijven of gebieden dan op Zon - en feestdagen Mis te hooren?
Ziedaar dus, B. B., de voornaamste redenen waarom onze Moeder de H. Kerk ons geboden heeft op Zon - en geboden feestdagen Mis te hooren. Op die dagen heeft zij het streng geboden; doch wijl veel personen tijd eM gelegenheid hebben
om dikwijls, zonder juist daartoe verplicht te zijn, naar de kerk te gaan, dat zij van dien tijd en die gelegenheid gebruik maken om de overvloedige en kostbare vruchten der II. Mis deelachtig te worden, en dat zij ze op zich zeiven oi\'op anderen, bijv., op hunne bloedverwanten hetzij levenden of dooden toepassen; daardoor zullen zij voor zich zeiven veel verdiensten vergaderen en de personen, jegens welke zij verplichting hebben, van dienst zijn. De Catechismus vraagt:
Is het genoeg Mis te hoor en om de heiligdagen toel te vieren? En hij antwoordt:
Neen; wij hehooren ook in sermonen, christelijke leeringen, en andere kerkelijke diensten tegenwoordig te zijn.
Krachtens het tweede gebod der H. Kerk zijn wij daartoe niet op zonde verplicht, doch om de heiligdagen naar behooren te vieren, betaamt het dat wij er in tegenwoordig zijn, en ieder oprecht Christen zal ook in dit punt niet te kort blijven.
SUITRKDE.
Uit deze korte onderrichting over de H. Mis, waarover later breedvoerig zal gehandeld worden, kunnen wij reeds besluiten, hoeveel er ons aan gelegen moet liggen het tweede gebod onzer Moeder de H. Kerk stipt na te komen; dat wij liet met zekere onverschillige Christenen niet voor eene kleinigheid moeten aanzien op Zon - en geboden feestdagen Mis te liooren of niet. Ook moeten wij ons wel wachten, B. B,, van alle ongeschikt-en oneerbiedigheid tijdens het H. Sacrificie der Mis. Immers, de H. Mis is het Sacrificie der Nieuwe Wet, waarin Jesus-Christus zich door den priester aan God den hemelschen Vader opoffert, aan wien Hij zich vroeger aan het kruis opgeofferd heeft. Met welke eerbiedig - en aandachtigheid zoude men de H. Mis bijwonen, zoo men van die waarheid diep doordrongen was; zoo men, reeds op weg naar de kerk, zich levendig voor den geest stelde en overwoog, dat men als het ware naar den
— ins —
Calvariëberg gaat om met Maria do Moeder van Jesus, met Joannes zijnen leerling on met Maria Magdalena getuigen te zijn van liet II. Offer, dat Jesus zijn hemelschen opgedragen lieeft aan het kruis. Zoo deden vele Heiligen, B. B., en liunne harten vloeiden over van aandoening en medelijden, van dankbaarheid en liefde, van leedwezen en berouw over hunne zonden. Wij lezen van den H. Wilhelmus, Aartsbisschop van Bourges, dat hij bij liet opdragen der H. Mis eene wondervolle liefdesmart gevoelde: overvloedige tranen vloeiden uit zijne oogen, tranen vau onbegrijpelijke teederheid en godsvrucht. Hij was gewoon te zeggen; Als ik bij de H. Mis gedenk dat Jesus-Christus zich op het altaar den hemelschen Vader als eeu slachtoffer opdraagt, dan ondervind ik niet minder smart, dan wanneer ik Hem op den Calvarieberg aan het kruis zoude zien sterven.
Vanwaar nu dat er in onze dagen zooveel Christenen gevonden worden die onverschillig zijn, die niet eens meer Mis hooren? Vanwaar dat men geloovigen vindt die zich alles behalve stichtend in de kerk gedragen, die zonder godsvrucht bij de H. Mis tegenwoordig zijn? Omdat hun geloof niet levend genoeg is. Zij hebben geen medelijden met Jesus. Onze gevoelige tijd heeft tranen in overvloed voor theater-en romanshelden, maar tranen voor onzen goddel ijken Zaligmaker, tranen voor den gekruisten Jesus? Neen, die tranen heeft hij niet. Welk eeue ongevoelig - en ondankbaarheid! Wij daarentegen, H. B., als ware en verkleefde kinderen onzer Moeder de H. Kerk, onderhouden wij stipt haar gebod, wonen wij dikwijls de H. Mis mot eerbiedig - en aandachtigheid bij, om de overvloedige en heilzame vruchten die er uit voortvloeien, voor ons en voor anderen deelachtig te worden. Amen.
(iKt.OOFS-KN ZhDKNLKKR. 3«lo DlJKt, 28.
DRIE - EN - VEERTIGSTE ONDERRICHTING
DEKUK GEBOD DEK 11. KEliK
OVER HET VASTEN
Attendite vobis ne forte graventur conla veslra in crapula et ehrietate.
Let np dat uwe harten niet bezwaard worden in overdaatl en dronkenschap.
|Lüc. xxi, r,i.)
INHOUD.
VOORREDE.
Gelijk de slaal den meester, zoo moet het vleesch den geest onderdanig zijn. De mensch moet dus de middelen gebruiken om het vleesch aan den geest te onderwerpen. En welke zijn die middelen? Het vasten en de onthouding.
VERDEELING.
I. Wat is vasten?
II. Wanneer moet men vasten?
III. Wie moet vasten?
I..
Vasten is zich onthouden van verboden spijzen en maar eens daags zijne nooddruft nemen. Men moet zich vooreerst onthouden van verboden spijzen, als zijn: vleesch, eieren en zuivel; vervolgens mag men maar eens binnen de vier en twintig uren een vollen maaltijd nemen. Hedendaags is ook eene avondcollatie toegestaan. Men neemt zijne nooddrult doorgaans om den middag.
II.
Men moet vasten:
1° Veertig dagen voor Paschen, om zich voor te bereiden tot het hoogtijd van Paschen;
2° De quatertemperdagen, om de vierjaargetijden te heiligen;
H0 De vigiliedagen, om zich goed voor te bereiden (ot de feesten.
Onze Moeder de H. Kerk kan dispensatie verleenen, en zij verleent die zooals blijkt uit de vastenbrieven.
111.
De Christenen ten volle een en twintig jaren oud en om geene wettige reden ontslagen, zijn verplicht te vasten.
SI.UITRKDK.
Leering van den H. Ambrosius aangaande het vasten. Men moot vasten in den geest van gehoorzaamheid en boetvaardigheid. De vijanden van liet vasten wederlegd. Wachten wij ons wel van ons voor aardsche spijzen van den hemelschen maaltijd te berooven.
— 430 —
DRIE - EN - VEERTIGSTE ONDERRICHTING
DEE DE GEBOD DER II. KEKK
OVER HET VASTEN
Attendite vobis ne forte gmventur corda nestra in crapula ct ebrietate.
Let op dat uwe harten niet bezwaard worden in overdaad en dronkenschap.
(Luc. xxi, öt.)
VOORREDE.
Gelijk de slaaf zijnen meester, zoo moet liet vleescli den geest onderdanig zijn. Immers, de geest is het waardigste deel van den mensch: bijgevolg moet het vleesch den geest, en niet de geest het vleesch dienen. Nochtans, het vleesch staat niet zelden op tegen den geest, en wil de orde, door de wet der natuur zelve voorgeschreven, verbreken. Waartoe is de mensch nu verplicht in dien opstand? Hij is verplicht het vleesch aan den geest te onderwerpen en daartoe de noodige middelen te gebruiken. En welke zijn die middelen? Voornamelijk do twee volgende, het vasten en de onthouding. Onze Moeder de 11. Kerk, die zoozeer bezorgd is voor het welzijn barer kinderen, stelt ons niet alleen die twee middelen voor, maar zij legt /c ons op, zij gebiedt ze, en vandaar het derde gebod, dat luidt als volgt: Geen geboden vastendagen zult gij breken. Dit gebod gebiedt eigenlijk te onderhouden, vooreerst de geboden vastendagen, vervolgens de geboden onthoudingsdagen. Leggen wij het derde gebod der H. Kerk naar orde uit:
I. Wat is vasten?
II. Wanner moet men vasten?
111. Wie moet vasten?
De Catechismus vraagt:
Wat gebiedt het derde gebod der heilige Kerk? En hij antwoordt:
Ten 1, te vasten op de dagen die de heilige Kerk gebiedt; ten 2, vleesch te derven op de Vrijdagen en Zaterdagen, alsook op Marcusdag en op de kruisdagen.
Vasten, B. B., is zich onthouden van verboden spijzen en maar eenmaal daags zijne nooddruft nemen. Op de vastendagen moet men zich vooreerst onthouden van verboden spijzen. Doch welke spijzen zijn verboden? Zijn verboden de vleeschsilijzen. Men mag dus op de vastendagen geen vleesch of spek gebruiken, geen vleeschsoep of vet.
Zijn gedurende de veertigdaagsche vasten, zelis de Zondagen daarin begrepen, nog verboden de eieren en het zuivel, d. i., melk en alwat van melk voortkomt, zooals boter en kaas. Zoo iemand nu door dispensatie verlof bekomen heeft van op een vastendag vleesch te eten, dan mag hij nimmer, zelfs niet op een Zondag gedurende de veertigdaagsche vasten, op denzelfden maaltijd vleesch en visch gebruiken. Dit gebod, li. B., verplicht op doodzonde. Doch mag men op Vrijdagen of Zaterdagen, die geene vastendagen zijn, waarop men door dispensatie verlof heeft van vleesch te eten, tegelijkertijd visch gebruiken? Ja, B. B., dat is op die dagen toegestaan.
Vervolgens mag men op de eigenlijke vastendagen — de Zondagen in de vasten uitgenomen — maar eens binnen de vier en twintig uren zijne nooddruft nemen, d. i., een vollen maaltijd houden. Nochtans, het is hedendaags geoorloofd \'s avonds eene collatie te nemen. Als men nu de vraag stelt; Hoeveel mag men in de avond-collatie gebruiken? dan kan men die vraag slechts in \'t algemeen beantwoorden, namelijk, dat men daarin volgen moet het gebruik der godvruchtige Christenen. Hetgeen voldoende is voor den eene is niet voldoende voor den andere.
— 438 —
Men moet in aanmerking nemen de behoefte van den persoon die vast, de meer of minder lichaamskrachten, en den arbeid dien hij te verrichten heeft.
Ik heb gezegd, B. B., dat men maar eens daags zijne nooddruft mag nemen. Daaruit mag men nu niet besluiten dat men op een vastendag meermalen mag eten, zoo men zijne nooddruft maar niet neemt, d. i,, zoo men zich niet verzadigt. Dat is eene groote dwaling, en bijaldien de zaak zoo bestond, dan was het met het vasten gedaan. Men mag dus gedurende den vastendag zonder reden geen eten gebruiken. Al wie van tijd tot tijd eet, zondigt telkens, en hij loopt gevaar van doodelijk te zondigen, wijl hij op die wijze tot eene merkelijke hoeveelheid van spijs kan komen.
Drank, die voornamelijk dient om den dorst te lesschen of om zich te verfrisschen, breekt liet vasten niet, en daarom mag men meermalen bier, wijn, enz., gebruiken. Drank echter, die veeleer dient om te voeden en te versterken dan om te verfrisschen en den dorst te lesschen, zoo als, bijv., melk, bouilllon, enz., dergelijken drank mag men niet gebruiken. Men mag dus maar eens daags zijne nooddruft nemen.
Doch wanneer moet men zijne nooddruft nemen? In de eerste tijden des Christendoms gebruikten de geioovigen eerst voedsel na zonneondergang, daarna werd het uur, voor den maaltijd bestemd, ten drie uren bepaald, en thans is het toegestaan op den gewonen tijd, d. i., om twaalf, half twaalf of elf uren te eteu.
Ziedaar, waarin het vasten eigenlijk bestaat.
11.
quot;Wanneer moet men vasten?
Men moet vasten, B. B., op de dagen die de H. Kerk gesteld heeft, als zijn: de veertig dagen voor Paschen, de quatertemperdagen en zekere vigiliedagen dooi\' het jaar.
Moii moet vasten, veertig dartvi voor Paschen, die daarom de veertigdaagsche vasten genoemd wordt, d. i., alle dagen van Assclie-Woensdag tot Paschen, uitgenomen do Zondagen. De oorsprong van deze vasten klimt op tot de eerste tijden des Christendoms en wordt niet zonder reden voor oene instelling der Apostelen gehouden. 1de vasten is ingesteld, onder anderen, om liet voorbeeld van Christus te volgen en om ons voor te bereiden tot het Hoogtijd van Pasehen. In de Oude Wet hadden Moses (gt;11 Elias ook veertig dagen gevast, en onze goddelijke Zaligmaker, gelijk wij in het Evangelie lezen, vastte in de woestijn even zoo veel dagen. Door die vasten bereiden wij ons voor tot het Hoogtijd van Paschen. Ziehier hoe zich daarover de 11. Leo uitdrukt: Geliefden, /,00 spreekt die 11. Paus, het Heilig Paasch-feest is nabij, laten wij ons daartoe voorbereiden door de gebruikelijke veertigdaagsche vasten, waardoor de heiligheid van ons lichaam en van onze ziel bevorderd wordt. Wijl wij de viering van het grootste der feesten te gemoet gaan, zoo laat onze voorbereiding daarin beslaan, dat wij met den gestorven Heiland aan de wereld afsterven, opdat wij met den opgewekten ook opgewekt mogen worden.
Men moet vasten, H, li., op de quatertemperdagen — Quatuot\' tempora, — d. i., een Woensdag, Vrijdag en Zaterdag van elk der vier jaargetijden. Deze vastendagen klimmen ook op tot de hoogste tijden des Christendoms en zijn wellicht ook van de Apostelen ingesteld.
De Heilige Kerk heelt deze vastendagen voorgeschreven om verschillende redenen. Vooreerst;, om de vier jaargetijden lente, zomer, herfst en winter, te heiligen. Die dagen moeten wij God bedanken voor de ontvangen weldaden naar ziel en lichaam en nieuwe weldaden trachten te bekomen; vervolgens moeten wij ook voldoen voor onze zonden en onze voorzorgen nemen van niet meer te zondigen; eindelijk heeft de H. Kerk de quatertemperdagen voorgeschreven om goede priesters te bekomen, die doorgaans op die dagen gewijd worden. Zoo lezen
— 440 —
wij in de H. Schrift dat reeds iu het begin der H. Kerk, toeu Saulus en Barnabas de handen opgelegd, d. w. z,, toen zij gewijd werden, de geloovigen van Aatiociiië in vasten eu gebeden vereenigd waren, opdat de H. Geest met zijne genaden en gaven op hen zoude nederdalen. Hetzelfde, B. B., geschiedt nog hedendaags op de quatertemperdagen.
Men moet nog vasten, op zeken; vigiliedagen door hot jaar. Men noemt vigiliedagen zekere vastendagen, die onze Moeder de H. Kerk heelt voorgeschreven daags vóór de voornaamste leesten. Hier te land zijn vijf vigiliedagen, waarop wij verplicht zijn te vasten, namelijk, de vigiliedagen van Pinksteren, van de Solemniteit van de HM. Apostelen Petrus en Paulus, van Onze Lieve Vrouw Hemelvaart, van Allerheiligen en van Kersmis.
De naam vigilie komt van het latijnsche woord, rig ilia of vigil are, hetgeen waken beteekent: de reden is, omdat de geloovigen in vroegere tijden den nacht die de hooge feesten voorafging, in de kerk al wakende en biddende doorbrachten. Van ouds heeft men reeds zekere vigiliedagen voor vastendagen aangenomen.
Buiten de reeds opgenoemde vastendagen kunnen er in verschillende tijden en op verschillende plaatsen nog vastendagen komen. Daarin geldt de volgende algemeene regel: Eenieder moet de vastendagen onderhouden, die in zijn bisdom voorgeschreven zijn.
Hetgeen ik tot hiertoe over het vasten en de vastendagen gezegd heb, wordt ons voorgeschreven door het derde gebod van onze Moeder de H. Kerk.
Ziehier nu den besten en korsten regel om het gebod aangaande het vasten naar behooren te onderhouden: Eenieder richtte zich naar het wettig gebruik dat in zijn bisdom bestaat, en jaarlijks door den Bisschop van zijn bisdom den geloovigen in den vastenbrief wordt aangekondigd. Daarin worden telkens veel dispensation verleend, waarvan men gebruik mag maken;
— 441 —
doch men moet zorgen van de dispensatie niet te buiten te gaan en slechts gebruik maken van de dispensatie, welke de Bisschop tot wiens bisdom men behoort, voor zijn bisdom verleend heeft. Welke gebruiken er ook in een ander bisdom zouden bestaan, quot;t doet niets ter zake. Waarom niet? Omdat de dispensatie van den Bisschop zicli alleen uitstrekt over zijn bisdom en niet over dat van een andoren Bisschop. Zien wij nu nog wie verplicht zijn te vasten.
III.
De Catechismus vraagt:
Wie zijn schuldig te vasten? En hij antwoordt:
Aldefjenen die tot hunne jaren gekomen zijn, en door ziekte, weekheid of zioaren arbeid niet verontschuldigd zijn.
Alzoo zijn verplicht te vasten alle geloovige Christenen, die den vollen ouderdom van een en twintig jaren bereikt hebben en om geene wettige reden ontslagen zijn.
Onze Moeder de H. Kerk, B. B., die zeer goed weet dat jonge personen die grooter en sterker moeten worden, dagelijks dikwijls en meer eten noodlg hebben, verplicht hen niet tot liet vasten voor hun een en twintigste jaar. Zoodra dus iemand ten volle een en twintig jaren telt, is hij verplicht en wel op doodzonde verplicht te vasten; niet dat elke overtreding van het vastengebod doodzonde is, maar men kan zoo ver gaan dat men zich aan doodzonde plichtig maakt. Wanneer het nu voor elk geval juist doodzonde, wanneer dagelijksche zonde is, kan in \'t algemeen niet bepaald worden. Dit nochtans is zeker dat men gemakkelijker doodzonde bedrijft door op een vastendag verboden spijzen, zooals, bijv., vleesch te eten, dan door buiten den maaltijd andere niet verboden spijzen te nutten. Het beste middel, zoo men misdaan heelt, is in de biecht te zeggen, waarin of waardoor men tegen het derde gebod der H. Kerk gezondigd heeft.
SIJITRKDE.
Ten einde ons wel te overtuigen, B. B., dat eenieder, die verplicht is te vasten, streng daartoe verplicht is, hij overwege de vermaning van den 11. Ambrosius. Wacht u wol, zegt hij, van het gebod van te vasten te breken, gedoog niet dat aardsche spijzen u van den hemelschen maaltijd berooven. Wat leert daardoor de H. Ambrosius? Hij leert daardoor, dat men door niet te vasten doodelijk kan zondigen en voor eeuwig verloren kan gaan. Luisteren wij dus nooit naar de slechte Christenen, die met de geboden der 11. Kerk lachende durven zeggen dat vasten niets anders is dan bijgeloovigheid en bedrog: volstrekt niet, B. B. \'t Is geene bijgeloovigheid, noch bedrog, zoo het geschiedt in den geest van gehoorzaamheid en boetvaardigheid, gelijk de H. Kerk het voorschrijft. Alsdan is het eene boet-pleging die God aangenaam en ons voordeeiig is, gelijk wij later nog beter zullen zien. Maar, voegen er de vijanden van vasten en boetvaardigheid bij: Welk verschil bestaat er dan tusschen een Vrijdag en Donderdag? tusschen het vleesch dat ik eet op een Vrijdag of Donderdag? het smaakt en bekomt mij zoo goed op een Vrijdag als op een Donderdag. Wat meer is, zij schamen zich niet van de woorden der 11. Schrift in te roepen; heeft Christus zelf dan niet geleerd, zeggen zij: Hetgeen in den mond gaat besmet den mensch niet: Non coinquinat hominem, (i) Ja, B. B., dat heeft Christus geleerd. Ook zijn het de spijzen niet die den mensch besmetten, maar wel de ongehoorzaamheid aan de 11. Kerk, aan welke Christus wil dat wij gehoorzamen gelijk aan Hem zeiven. Was de vrucht van den boom die in het aardsch Paradijs stond, in zich kwaad? Neen, B. B. Waarom hebben Adam en Eva dan zoo grootelijks gezondigd door er van te eten? Omdat God het streng verboden had. Hetzelfde geldt hier van het vasten. De spijzen in zich
a) Matth. xv, 20.
beschouwd zijn niet slecht, doch indien men er op zekere dagen van eet, zondigt men. Waarom? Omdat men handelt tegen het gebod der H, Kerk. Tot dergelijke uitvluchtsels nemen de vasten - en boetvaardigheidsvijanden hunne toevlucht, doch te vergeefs. Ook weten zij zeer goed dat hunne uitvluchtsels niets beteekenen. Wachten wij er ons dus wel voor; onderhouden wij het derde gebod der H. Kerk en gedoogen wij niet dat aardsche spijzen ons van den hemelschen maaltijd berooven, d. w. z., dat wij door het derde gebod te overtreden ons berooven van de eeuwige gelukzaligheid, Amen.
VIER - EN - VEERTIGSTE ONDERRICHTING
DERDE GEBOD DEK II. KEliK
OVER HET VOORDEEL VAN HET VASTEN
Nisi pmnitentiam habueritis omnes similiter peribitis.
/00 gij geeno boetvaardigheid doet zult gij allen vergaan. (Luc. xm, 3.)
INHOUD.
VOORREDE.
Vasten is zicli onthouden van verboden spijzen en maar eens daags zijne nooddruft nemen. De vastendagen zijn; veertig dagen voor Paschen, de quatertemperdagen en zekere vigiliedagen door het jaar. De geloovigen die een en twintig jaren voluit tellen, zijn verplicht te vasten, tenzij zij om wettige redenen ontslagen zijn.
VERDEELING.
I. Wanneer is men ontslagen van het vasten?
II. Wat voordeel doet ons het vasten?
— 445 —
I.
De redenen waarom men van het vasten ontslagen is zijn: de onmogelijkheid, zooals voor zieke on zwakke menschen; de zware arbeid, zooals die van landbouwers, timmerlieden, enz.; het volbrengen van lastige plichten door godsdienst of mensch-lievendheid opgelegd, zooals die der Missionnarissen en ziekenoppassers; eindelijk de dispensatie.
Door het vasten bedwingen wij onze kwade lusten, verzoenen de goddelijke gramschap en voldoen voor onze zonden. Daaruit blijkt dat het vasten ons voordeelig en Gode aangenaam is. \'t Is voordeelig naar ziel en lichaam.
\'t Is aangenaam aan God. Onze Goddelijke Zaligmaker, de Apostelen, andere Heiligen. Genade en wonderen door het vasten bekomen.
SLUITREDE.
Geschiedenis van Nicolaus van den h\'lue.
— 446 —
VIER - EN - VEERTIGSTE ONDERRICHTING
DERDE GEBOD DER II. KERK
OVER HET VOORDEEL VAN HET VASTEN
Nisi pcenitentiam habueritis omnes similiter peribitis.
Zoo gij geene boetvaardigheid doet zult gij allen vergaan. (Luc. xm, r,.)
VOORKKDK.
In onze voorgaande onderrichting, B. B., hebben wij gezien, waarin het vasten bestaat. Men vast als men zich onthoudt van verboden spijzen en maar eens daags zijne nooddruft neemt. De dagen waarop men moet vasten, zijn; veertig dagen voor Paschen, de quatertemperdagen en zekere \'vigiliedagen door het jaar. Alle Christenen die ten volle een en twintig jaar oud en door geene wettige reden verontschuldigd zijn, zijn op doodzonde verplicht te vasten. Die drie punten hebben wij laatstleden uitgelegd.
Vandaag gaan wij de twee • volgende vragen beantwoorden:
I. Wanneer is men ontslagen van het vasten?
II. Wat voordeel doet ons het vasten?
I.
De redenen, B. B., waarom men van het vasten ontslagen is, zijn vier in getal: de onmogelijkheid, de zware arbeid, het volbrengen van zeer moeielijke plichten en eindelijk de dispensatie.
— 447 —
De eerste reden waarom men ontslagen is van het vasten is de onmogelijkheid. Tot het onmogelijke is niemand verplicht.
Deze reden geldt: voor zieke of zwakke personen, die door te vasten nog zieker of zwakker zouden worden; voor personen, die zoo zwak zijn dat zij geen geheelen maaltijd kunnen houden zonder zich ziek te maken, en die daarom genoodzaakt zijn meer dan eens gedurende den dag een weinig te gebruiken; voor personen, die ziek zijn geweest en beginnen te herstellen; voor arme menschen, die niet genoeg hebben om een maaltijd te houden voor den dag. Wat de arme menschen betreft die van deur tot deur moeten bedelen, zij mogen eten hetgeen hun gegeven wordt, zelfs da spijzen die anders verboden zouden zijn, zooals vleesch, ingeval zij geen ander eten hebben. Wat oude en bejaarde menschen betreft, ziehier, B. B., wat de godgeleerden daarover zeggen. Sommigen houden voor waarschijnlijk, dat allen die hun zestigste jaar ingetreden zijn, van het vasten ontslagen zijn. Zeker zijn zij er van ontslagen, zoo zij zwak zijn of zoo er eenige twijfel bestaat oi zij sterk genoeg zijn om te kunnen vasten.
Wijl ik hier van kunnen vasten spreek, ziehier eene kleine aanmerking.
Men vindt soms personen, jonge personen, die, als er spraak is van het een of ander werk te verrichten, sterk zijn, men kan niet meer; the op hiulne krachten lier zijn en zwetsen, maar die, als er spraak is van vasten eensklaps zwak worden en niet kunnen vasten. Die personen, zoo zij geene andere wettige reden hebben om van het vasten ontslagen te worden, zijn er, gelijk gemakkelijk te begrijpen is, toe verplicht. Maar ik lijd toch door dat vasten, ik geloof liet wel, B. li., en \'t is ook niet tot ons vermaak en pleizier, maar wel om boetvaardigheid te doen en ons vleesch te kastijden, dat de 11. Kerk het vasten ingesteld heeft.
— 418 —
De tweede reden, waarom men ontslagen is van het vasten, is de zware arbeid, namelijk, de arbeid die zeer vermoeit en de krachten doet verliezen. Vandaar dat niet verplicht zijn te vasten, de landbouwers, de dienstknechten en meiden, de timmerlieden en metselaars. Lichte arbeid, als die van horloge - en kleermakers, van barbiers en dergelijken ontslaat niet van de verplichting van te vasten, tenzij er eene andere omstandigheid bijkome, waardoor het vasten zeer nadeelig zoude wezen voor de gezondheid dier personen.
De derde reden waarom men ontslagen is van het vasten is \'t volbrengen van lastige plichten door godsdienst of mensch-lievendheid opgelegd. Om die reden zijn niet verplicht te vasten de Missionnarissen, die zich tijdens eene Missie zeer vermoeien en uitputten; de ziekenverzorgers of oppassers, die schier dag en nacht te been zijn. Immers, deze zouden, zoo zij vastten, zelf weldra ziek worden, en1 zoo op hunne beurt andere ziekenverzorgers of oppassers noodig hebben.
De vierde reden waarom men ontslagen is van het vasten is de dispensatie. Deze kan gegeven worden door den Paus van Rome, door de Bisschoppen en in het algemeen door allen die met het geestelijk bestuur eener parochie belast zijn zooals de Pastoors.
De Paus van Rome kan dispensatie geven aan alle Christenen; de Bisschop aan zijne diocesanen in bijzondere gevallen, en de Pastoor aan zijne parochianen, doch ook alleen in bijzondere gevallen.
Elk jaar, B. B., krijgen wij dispensatie in het vasten. Immers, het verlof van zuivel te mogen gebruiken, van op zekere dagen gedurende de groote vasten vleesch te mogen eten, is niets anders dan eene dispensatie. Aldegenen nu, die van de dispensatie gebruik maken, moeten letten op hetgeen hun daarvoor voorgeschreven wordt. Zoo wordt er, bijv., voor de dispensatie in de veertigdaagsche vasten voorgeschreven van dagelijks
— 449 —
eenige gebeden te doen, ofwel van op liet einde van de vasten een weinig te offeren. Dat zij die van de dispensatie gebruik maken, tot een van beiden verplicht ziji:, blijkt zonneklaar. Bijaldien zij dus niet bidden, hetgeen zij toch zeker wel kunnen, noch offeren hetgeen voorgeschreven is, in een woord, zoo zij zich nergens aan storen en wol van de goedheid onzer Moeder de H. Kerk gebruik maken, zondigen zij ongetwijfeld. Alwie dus van dispensatie gebruik maakt moet ook volbrengen hetgeen daarvoor is voorgeschreven. Ziedaar, B. li., de voornaamste redenen, waarom wij ontslagen zijn van het vasten. Wat moet men doen, zoo men oordeelt gegronde redenen te hebben om ontslagen te zijn van het vasten? Moet men dan nog dispensatie vragen? Bijaldien men zeker is dat de reden voldoende is, dan is men niet verplicht dispensatie te vragen, doch als men aan de voldoende reden twijfelt, dan is men verplicht. Het beste wat ile geloovigen doen kunnen is, hunne geestelijke overheid dispensatie te vragen; alsdan verliezen zij vooreerst de verdiensten van het vasten niet, wijl de geestelijke overheid doorgaans een ander goed werk oplegt, en op die wijze wordt aan den geest der wet die de boetvaardigheid in \'t oog heeft, voldaan, en vervolgens zijn zij daardoor altijd gerust van geweten.
Kiudelijk, men moet zich wol wachten de dispensatie die men bekomen heeft, verder uit te strekken dan zij luidt. Bijv., iemand vraagt zijn Pastoor dispensatie in het vasten; de Pastoor dispenseert zijn parochiaan om wettige reden; door die dispensatie wordt nu verstaan dat liet zijn parochiaan toegestaan is meer dan eens per dag te eten, doch het is hem nog niet toegestaan verboden spijzen te gebruiken. Wil hij nu ook nog dispensatie hebben om verboden spijzen, bijv., vleesch te eten, dan moet hij er zulks uitdrukkelijk bijvoegen.
Op de tweede plaats zullen wij zien het voordeel van het vasten.
Gkloofs - un Zkpknlkhr 3«lo Diinr.. 29.
II.
De Catechismus vraagt:
Wat pro lij t doen wij met vasten? En hij antwoordt:
Wij bedwingen onze kwade lusten, verzoenen de goddelijke gramschap, en voldoen voor onze zonden.
Uit dit antwoord blijkt dat het vasten ons voordeelig en God aangenaam is. Het vasten is ons voordeelig naar ziel en lichaam. Voordeelig naar de ziel; want vooreerst bedwingen wij door te vasten onze kwade lusten, vooral de ongeregelde neigingen tot eten, drinken en zinnelijk vermaak. Het vleesch strijdt tegen den geest, en de geest strijdt tegen liet vleesch. Die strijd zal duren gansch ons leven. Het vleesch moet aan den geest onderdanig zijn, en daarom moeten wij door te vasten het vleesch kastijden en in bedwang houden.
Vervolgens verzoenen wij door te vasten de goddelijke gramschap. Wij allen, B. B., zijn zondaren, en zoo iemand zoude zeggen dat hij geene zonde heeft, hij is een leugenaar en de waarheid is niet in hem, zegt de H. Geest. Welnu, door de zonde hebben wij God beleedigd; om de zonde hebben wij verdiend dat God zich op ons wreke en er ons voor straffe: door te vasten nu bekomen wij van God dat Hij zich over ons ontferme en ons de vergiffenis onzer zonden schenke.
Eindelijk voldoen wij door te vasten voor onze zonden. Na door een volmaakt berouw, of door het Sacrament der Biecht met een onvolmaakt berouw vergiffenis van onze zonden bekomen te hebben, zoodat de schuld en.de eeuwige pijnen vergeven zijn, hoeten wij ook nog door te vasten voor de tijdelijke straffen, die wij schuldig waren te ondergaan voor onze zonden hier op aarde of hiernamaals iu het vagevuur.
Het vasten, B. B., is ons voordeelig, niet alleen naar de ziel, maar ook naar het lichaam. Daardoor behoedt men zich voor eene menigte ziekten en voor een vroegtijdigen dood, die niet
— 151 —
zelden het gevolg is van de zonde van overdaad in eten en drinken.
Het vasten is aangenaam aan God. \'t Blijkt voorwaar uit het voorbeeld van onzen goddelijken Zaligmaker, van de Apostelen en van de overige Heiligen. Alwat Jesus deed was zijn hemel-schen Vader aangenaam, zoo spreekt Hij zelf; welnu, Jesus vastte veertig dagen lang. De Apostelen volgden hun goddelijken Meester na, zij ook vastten en geboden de geloovigen van te vasten, gelijk blijkt uit de handelingen der Apostelen. Alle Heiligen onderhielden, zoo als uit hunne levensgeschiedenis blijkt, een streng vasten, niet alleen de Heiligen die in de eenzaamheid of in een klooster leefden, maar ook die te midden der wereld schitterden. Zoo lezen wij van een H. Kanutus, koning van Denemarken; van een 11. Lodewijk, koning van Frankrijk; van eene H. Elisabeth, koningin van Portugal en van meer andere Heiligen, dat zij een boetvaardig en verstorven leven geleid, en dat zij gevast en streng gevast hebben.
Dat het vasten aangenaam is aan God blijkt ook uit de genaden en weldaden, ja zelfs uit de wonderen die God verricht heeft.
Moses, de aanvoerder van het Israëlietische volk, wierp zich veertig dagen en veertig nachlen voor het aanschijn des Heeren neder, hij at noch dronk, en de Heer verhoorde het gebed van zijnen dienaar. Bethulea verkeert in den uitersten nood; de inwoners der stad nemen hunne toevlucht tot God, zij vasten en bidden, Judith bereidt zich tot eene stoute onderneming voor met vasten en bidden, en ziet, Holofernes valt door de hand van Judith en Bethulea is gered. God heelt zelfs door wonderen bewezen hoe aangenaam Hem het vasten is, en ziehier ten slotte eene geschiedenis tot bewijs van die waarheid.
SLUITREDE.
in do vijftiende eeuw leelde er in Zwitserland een groote dienaar Gods, met name Nicolaus van der Flue. Hij begon
eerst met alle Vrijdagen te vasten, later voegde hij er de Maan-Woens-en Zaterdagen bij. Gedurende de veertigdaagsche vasten at hij slechts eenmaal daags een weinig droog brood met eenige gedroogde vruchten. Zoo streng leefde hij reeds alvorens hij twintig jaren oud was. Als de menschen hem zeiden dat hij daardoor zijne gezondheid benadeelde, antwoordde hij: God wil het zoo. Na besloten te hebben de wereld te verlaten, begaf hij zich op weg om eene eenzame plaats op te zoeken. Op reis viel hij in slaap en het was als omgaf hem eensklaps een hemelsch licht. Tegelijkertijd kreeg hij zulke inwendige pijnen, als werden hem met een mes de ingewanden uitgesneden. Van dat oogenblik af gevoelde Nicolaus zijn leven lang geen honger of dorst meer. Hij bouwde zich op eene eenzame plaats eene arme hut en eene kleine kapel: zijn bed was eene harde plank en zijn hoofdkussen een steen. Daaruit kan men ook\'afleiden, dat hij armoedig gekleed ging. Hij had altoos een rozenkrans bij zich, waaraan hij bad; zoo bracht hij den tijd door in gebed en handenarbeid zonder spijs of drank te gebruiken. Zijne eenige versterking, B. B., was do. Heilige Communie. Nicolaus was gewoon alle veertien dagen tot de H. Tafel te naderen. Die wondervolle levenswijze bracht veel opspraak te weeg. Eenigen zeiden dat men hem heimelijk eten en drinken bracht; anderen dat hij een schijnheilige en bedrieger-was. Men onderzocht nauwkeurig of men hem iets in het geheim bracht, doch men kon niets bespeuren. Een Bisschop met name Thomas, begaf zich naar den dienaar Gods om zijne kapel te wijden en om hem op de proef te stellen. De Bisschop nu hoorde van Nicolaus zelf, dat hij reeds anderhalf jaar volstrekt niets geëten noch gedronken had. Daarop vroeg de Bisschop: Welke is wel de voornaamste deugd en de aangenaamste aan God? Ik geloof, antwoordde Nicolaus, de gehoorzaamheid. Daarop nam de Bisschop eten en drinken, stelde het den dienaar Gods voor en zeide: Ziedaar, mijn broeder! spijs en drank, welke de. gehoorzaamheid u voorzet; neem en eet
opdat gij de belooning van die deugd moget verkrijgen. Nicolaus ontstelde eerst, doch gehoorzaamde. Hij at en dronk een weinig, doch hij werd zoo benauwd, dat hij meende te sterven. Hij dat voorval vroeg de Bisschop hem vergiffenis, verklaarde dat hij op bevel zijner overheid zoo gehandeld had en zoide: Thans zie ik dal. gij een godvruchtig en geloofwaardig man zijt. Nicolaus zette tot zijnen dood die wondervolle levenswijze voort, zoodat hij bijna twintig jaren zonder eten en drinken doorbracht.
Het vasten, B. li., is gelijk wij gezien hebben, ons voordeelig naar ziel en lichaam, \'t is tevens aangenaam aan God. Doch opdat het ons voordeelig en God wezenlijk aangenaam zij, moeten wij ons aan het gebod der II. Kerk onderwerpen in den geest van boetvaardigheid. Wat gebeurt er, zop men al morrende en met tegenzin vast? Men onderhoudt wel is waar hot gebod der II. Kerk, maar men maakt het vasten moeielijker, men verliest er de verdiensten van, en men verdient daarenboven nog van gestraft te worden. Is dat nu niet eene over-groote dwaasheid? Daarom, zijn wij wijzer; onderwerpen wij ons ootmoedig en in den geest van boetvaardigheid aan het vasten, en het vasten zal God aangenaam en ons voordeelig zijn voor tijd en eeuwigheid. Amen.
VIJF - EN - VEERTIGSTE ONDERRICHTING
DEHDE GEJ30D DEK\' II. KEKK
OVER DE ONTHOUDINGSWET
lionum est non manducare carncrn. \'t Is goed geen vleesoli te eten.
(Hom. xiv, 21.)
INHOUD.
VOORRKDK,
Buiten liet vasten gebiedt onze Moeder de H. Kerk ook de onthouding van zekere spijzen op zekere dagen. Zien wij vandaag:
VKKDKKI.INd.
I. Wanneer men geen vleesch mag eten;
II. Wie door dat gebod gehouden is;
III. Wanneer men er van ontslagen is.
I.
Men mag geen vleesch eten;
1\' Op de \\ rijdagen en Zaterdagen in het Jaar, uitgenomen als Kersmis op een Vrijdag of Zaterdag valt;
2° Op S1 Marousdag en de kruisdagen;
;30 Op de eigenlijke vastendagen;
40 op de Zondagen van de veertigdaagsclie vasten.
Dit gebod verplicht streng, zoodat men er doodelijk tegen kan zondigen.
11.
Ieder christen mensch, die zeven jaren oud, genoeg verstand heeft en door geene wettige reden ontslagen is, moU di dingswet nakomen. Er bestaat dus een groot verschil tusschen den ouderdom vereischt om te moeten vasten en den ouderdom vereischt om zich van vleeschspijzen te moeten onthouden. De ouders die hunne kleine kinderen op de onthoudingsdagen vleesch te eten geven, zondigen niet tegen het derde gebod.
III.
Zijn ontslagen van de onthoudiugswet;
Iquot; Zieke en zwakke menschen;
2° Arme menschen, die van deur tot deur gaan bedelen;
3° Soldaten;
4° Dienstboden, die geen ander eten krijgen;
5quot; Reizigers, die op weg geen ander eten vinden;
Iemand die dispensatie bekomen heeft mag vleesch eten, en zoo lang, als de reden, waarom hij gedispenseerd is, blijft bestaan.
SLUITRKDK.
Geschiedenissen van de Machabeische moeder met hare kinderen en van Eleazarus.
— 456 —
VIJF - EN - VEERTIGSTE ONDERRICHTING
DKUDE GEJ50J) DEK H, KEUK
OVER DE ONTHOUDINGSWET
Sonum est non manducare carncm. \'t Is good geon vleesoh te eten.
(HOM. XIV. 21.)
VOORRKDE,
Buiten liet vasten, verplicht ons de II. Kerk ook nog
tot de onthouding. Er bestaat een groot verschil tusschen \\ asten - en onthoudingsdagen: alle vastendagen zijn wel onthou-diugsdagen, doch niet alle onthoudingsdagen zijn vastendagen. Op de vastendagen moet men zich niet alleen onthouden van verboden spijzen, doch men mag ook maar eens zijne nooddruft nemen: op de onthoudingsdagen die geene vastendagen zijn, mag men wel is waar geen vleesch gebruiken, maar men mag toch meer dan eens zijne nooddruft nemen, \'t Is dus over de onthoudingswet dat wij vandaag gaan spreken.
I. Wanneer mag men geen vleesch eten?
II. Wie is tot dat gebod verplicht?
III. In welke gevallen is men er van ontslagen?
I.
Men mag geen vleesch eten, H. B.:
Iquot; Op de \\ rijdagen en Zaterdagen in het jaar. Valt echter Keisdag op eon Vrijdag ol Zaterdag, dan is het overal toegestaan op dien dag vleesch te eten.
— 457 —
De 11. Kerk heeft tien Vrijdag en Zaterdag gekozen, en niet zonder reden. Immers, op Vrijdag vooral heeft onze goddelijke Zaligmaker zoo veel geleden, op dien dag is Hij voor ons den schande - en pijnlijken dood des kruises gestorven. Welnu, onze Moeder de H. Kerk wil dat wij wekelijks op Vrijdag onzen goddelijken Zaligmaker daarvoor ons medelijden betoonen, door ons van vleeschspijzen te onthouden. Den Zaterdag heeft zij gekozen ter eere van Maria, onze Medeverlosseres, die na haren goddelijken Zoon het meest voor ons geleden heeft; liet betaamt dus ook dat wij op dien dag eenigszins boetvaardigheid doen en Maria ons medelijden betoonen.
Op Kersdag mag men altijd vleesch eten, gelijk ik gezegd heb. Die dag is een zoo gelukkige, een zoo blijde dag voor ons, dat onze Moeder de H. Kerk geenszins gewild heeft daarop droevig te zijn, noch hare kinderen verplicht heeft eenige boetvaardigheid te doen. Op Kersdag is Jesus-Christns geboren, is het groot verzoeningswerk van God met de menschen aangevangen. Op dien dag is de glorie aan God in den hooge en de vrede aan de menschen van goeden wil op de aarde door de Engelen verkondigd.
Op sommige plaatsen, zooals in ons bisdom, is het ook toegestaan vleesch te gebruiken op de Zaterdagen die komen tusschen Kersmis en Lichtmis mede inbegrepen.\'
Men mag geen vleesch eten:
2° Op S\' Marcusdag en de kruisdagen, tenzij de geestelijke overheid dispensatie verleent. (1)
Men mag geen vleesch eten:
3° Op de eigenlijke vastendagen, wijl op die dagen vasten en zich onthouden van verboden spijs samengaan.
Men mag geen vleesch eten:
li) Quibusdnm in locis hisce diebus prrescribitur jejunium us(iiic ad meridiem et abstinentia por totam diem.
— 458 —
4° Op de Zondagen van de veertigdaagsche vasten, want alhoewel die dagen eigenlijk geene vastendagen zijn, nochtans, zonder dispensatie mag men er geen vleesch op gebruiken.
Het gebod, B. B., van op vermelde dagen vleesch te derven, verplicht streng, zoodat men doodelijk kan zondigen, ingeval men zonder reden of dispensatie vrijwillig eene merkelijke hoeveelheid vleesch eet. Eertijds werden de overtreders van dit gebod der H. Kerk streng gestraft, vooral zoo het gebod van onthouding op vastendagen overtreden werd. Zoo lezen wij in de kerkvergadering van Toledo het volgende; Dat degene, die zich verstout in de veertigdaagsche vasten vleesch te eten, op Paschen van de H. Communie uitgesloten worde, en dat hij zich geheel het jaar van vleeschspijzen onthoude, omdat hij op genoemde heilige dagen de onthoudingswet niet in acht genomen heeft. Do staatswetten werkten hierin met de H. Kerk mede. Zoo lezen wij dat Karei de Groote de overtreders van de onthoudingswet streng deed straffen. Die overtreding werd voor eene verachting van den godsdienst aangezien. In Denemarken, Engeland en Ierland werden de overtreders dier wet tot eene geldboete* of tot een zeker getal stokslagen veroordeeld. AVat zijn de tijden veranderd, B. B. Zoude men hedendaags niet juist het tegenovergestelde moeten zeggen, en schijnen de staatswetten in vele landen niet eerder ingericht om de overtreding der kerkelijke wetten te bevorderen, in plaats van ze tegen te gaan? En bijaldien hedendaags de vroegere straffen op de overtreding der onthoudingswet gesteld, nog bestonden, hoe vele Christenen zouden er niet tot geldboete veroordeeld, en wat al stokslagen zouden er niet uitgedeeld moeten worden?
II.
Doch wie is verplicht op vermelde dagen vleesch te derven\'lt; Daartoe is verplicht, B. B., ieder christen mensch, die tot de jaren van verstand gekomen is; dus in den regel, die zeven jaren oud is, tenzij hij om wettige reden ontslagen is.
Uit dit antwoord kunt gij opmerken het verschil dat er bestaat tusschen den ouderdom vereischt om te moeten vasten, en den ouderdom vereischt om zich van zekere spijzen te moeten onthouden.
Tot vasten is men eerst verplicht, als men voluit een en twintig jaren oud is; tot vleeschderven is men verplicht, zoödra men zeven jaren oud is. Hieruit kunt gij ook nog besluiten dat de ouders niet zondigen, wanneer zij hunne kinderen, die nog niet gekomen zijn tot de jaren van verstand, of nog geen zeven jaar oud zijn, vleesch te eten geven. Nochtans, \'t is zeer aan te prijzen de kleine kinderen reeds aan de onthoudingswet te gewennen, alvorens zij er toe verplicht zijn. Ik heb gezegd dat ieder christen mensch verplicht is vleesch te derven, zoo hij door geene wettige reden ontslagen is. Welke personen mogen dus op vermelde dagen vleesch eten?
111.
1° Zieke en zwakke menschen, voor welke het vleeschderven schadelijk zoude zijn;
2° Arme menschen, die hun dagelijksch eten van deur tot deur gaan bedelen, of zoo veel niet hebben dat zij zich een maaltijd gereed kunnen maken; die arme menschen mogen dus het vleesch dat zij krijgen, eten.
3° Soldaten, die niets anders hebben dan hetgeen hun door het land verschaft wordt;
4° Dienstboden, wier neesters hun geen ander voedsel dat voldoende is, zouden geven. Dat die meesters zich aan groote zonde plichtig maken, blijkt duidelijk; doch de dienstboden zondigen nie(, zoo zij uit noodzakelijkheid vleesch eten. Ziehier wat men daarover in aanmerking moet nemen. Men mag zich niet verhuren bij personen, bij welke men voorziet dat men de geboden der H. Kerk niet zal kunnen onderhouden; heeft men zich buiten weten bij dergelijke personen verhuurd, dan
— 4fi0 —
moet men trachten van zoo spoedig mogelijk dien dienst te verlaten en bij brave Katholieken in dienst treden.
5quot; Eindelijk mogen vleesch eten de reizigers, die geene andere spijzen kunnen bekomen, ofwel, zoo zij zich bevinden op plaatsen, waar eene algemeene dispensatie verleend is.
Wat de dispensatie betreft, ziehier daarover nog eenige regels.
1° De dispensatie in een algemeen gebod der II. Kerk, die de geloovigen van een bisdom gegeven wordt, mag alleen van hen gebruikt worden, die zich in dat bisdom bevinden; gaat men naar een ander bisdom, waar die dispensatie niet verleend is, dan mag men er daar ook geen gebruik van maken. Bijv., hier in het bisdom van Luik is het toegestaan op Zaterdag vleesch te eten: gaat men nu elders, bijv., naar S. Bosch, waar het vleesch eten op Zaterdag niet toegestaan is, daar gekomen moet men zich aan de algemeene wet der H. Kerk onderwerpen, en men mag daar geen vleesch eten op Zaterdag. Kwam daarentegen iemand uit het bisdom van S, Bosch hier in het bisdom van Luik, dan mag hij van onze dispensatie gebruik maken, en bijgevolg mag hij op Zaterdag hier vleesch eten, zells dan als hij er slechts doortrekt. Hetzelfde, li. ]}., geldt van de overige algemeene feest - en vastendagen onzer Moeder de H. Kerk.
2° Zoo iemand door liet opgeven van valsche redenen dispensatie bekomen heeft, die dispensatie is niet geldig, en de persoon die de vasten - of onthoudingsdagen niet onderhoudt, zondigt, alsof hij geene dispensatie gevraagd had.
.\'i0 Met de dispensatie in de onthoudingswet is de dispensatie in liet vasten niet noodzakelijk verbonden. Is het iemand toegestaan op vastendagen vleesch te eten, daardoor is het hem nog niet toegestaan van meer dan eens daags zijne nooddruft te nemen. Bijv., hier is het ons allen toegestaan gedurende de veertigdaagsche vasten eenige dagen \'s middags vleesch te eten, doch daardoor is het nog niet toegestaan meer dan eens daags
— 461 —
*
zijne nooddruft te nemen: daartoe wordt nog eene andere wettige reden vereischt. Hetzelfde, H. B., geldt ook omgekeerd. Iemand, een dienstbode, bijv., die zwaren arbeid moet verrichten, is ontslagen van het vasten, d. i., hij mag meer dan eens daags zijne nooddruft nemen. Is hij nu ook ontslagen van de onthou-dingswet, d. w. z., mag hij nu ook zoo dikwijls vleesch eten als hij wil? Volstrekt niet, doch eens op den dag, waarop het vleesch eten toegestaan is, en op de andere dagen, waarop het verboden is, volstrekt niet.
SLUITRKDK.
Wij zijn streng verplicht, B. 1!., het derde gebod der 11. Kerk, te onderhouden. Ook moeten wij ons nooit door de spotternijen der wereld laten afschrikken van dat gebod te onderhouden. Te dien einde ga ik u twee geschiedenissen uit het Oude Testament verhalen, waaruit gij zult zien hoe eene moeder met hare kinderen en hoe een stokoude man aan het gebod van verboden spijzen te eten wederstonden.
Bij de Joden was het streng verboden varkensvleescli te eten. De goddelooze koning Antiochus, die de Joden zoo onmensche-lijk mishandelde, deed onder anderen de Machabeische moedei met hare kinderen geeselen, ten einde hen te dwingen varkensvleescli te eten. De oudste der zeven zeide tot Antiochus: Wat zoekt gij van ons? Wij willen liever sterven dan de wet to overtreden. Do dwingeland werd over die vrijmoedige taal vertoornd en beval braadpannen en potten gloeiend te maken. Daarna gebood men den jongeling de tong uit te steken; in de tegenwoordigheid der moeder en der overige broeders werd zij afgesneden, het vel van het hoofd getrokken, handen en voeten afgehouwen en daarop werd hij levend in eene pan gebraden. Op gelijke wijze werden de vijf volgende broeders gemarteld en omgebracht. De jongste bleef nog alleen over: Antiochus trachtte hem door vleien te winnen; hij beloofde hem rijk en
— 4G2 —
gelukkig ie maken, ja zelfs van hem tot zijn gunsteling aan te nemen, zoo hij tie wet zijner vaderen verliet; doch de jongeling liet zich niet overhalen. Antiochus meende hem nu door zijne moeder te winnen; hij zette de moeder aan haren zoon over te halen van varkensvleescli te eten; doch de moeder, wezenlijk bezorgd voor liet geluk, het eeuwig welzijn harer kinderen, in plaats van het jongste daartoe aan le zetten, wees hem op zijne andere broeders en op den hemel en wakkerde hem aan van getrouw te blijven en de wet niet te overtreden. Na die vermaning der moeder sprak de jongeling: Op wien wacht gij? Ik gehoorzaam niet aan het bevel des konings, maar aan de wet die ons door Moses gegeven is. De koning werd zoo zeer vertoornd dat hij dezen laatste nog gruwzamer deed rolleren dan de vorigen. Eindelijk werd na de kinderen ook nog de moeder ter dood gebracht. Treffend voorbeeld, B. B., van getrouwheid aan de onthoudingswet. Het voorbeeld van getrouwheid dat Eleazarus ons geeft, is niet minder treilend. Kleazarus was een der voornaamste leeraars der wet, een achtbaar negentigjarig grijsaard, die van jongs af een slichtend levend geleid had. Men brak hem den mond open om hem varkensvleescli te doen eten; Hij stelde echter een roemvollen dood voor de wet Gods ver boven een misdadig leven, en ging vrijwillig naar de strafplaats. Kenigen zijner vrienden, die medelijden met hem hadden, trachtten hem over to halen van ten minste te veinzen aan het bevel van Antiochus te voldoen; doch Eleazarus antwoordde: Het past onzen ouderdom niet te huichelen; vele jongelingen zouden daardoor bedrogen en in den waan gebracht worden, dat de negentigjarige grijsaard Eleazarus tot de levens der heidenen was overgegaan; dat zoude mijn hoogen ouderdom met schande en vloek beladen; en indien ik in den tegenwoordigen tijd ook de kwellingen der inenschen ontginge, de hand des almachtigen Gods zoude ik noch in niijn leven, noch na mijnen dood kunnen ontvluchten: dus wil ik kloekmoedig voor de H. wetten sterven; daardoor zal ik mij
— 163 —
mijnen hoogen ouderdom waardig toonen en aan de jongelieden een krachtig voorbeeld nalaten. Toen hij aldus gesproken had, werd hij terstond ter marteling gesleept en dood geslagen; hij liet zijn volk een voorbeeld van deugd en standvastigheid.
Naar deze voorbeelden van getrouwheid moeten wij Christenen ons gedragen. O voorzeker, er wordt van ons zooveel niet gevorderd; wij worden met den dood niet bedreigd, zoo wij het derde gebod niet willen overtreden; trouwelooze Christenen, of Christenen enkel met den naam, kunnen wel is waar ons wat uitlachen; doch dat is ook alles. Aan die spotternijen moeten wij ons niet storen; wij moeten door ons gedrag en door eene stipte gehoorzaamheid aan de geboden der H. Kerk toonen, dat wij ware kinderen dier Moeder, dat wij echte Katholieken zijn; en om ons zoo te gedragen, vergeten wij nimmer wat Mleazarus zeide; Indien ik ook nu de kwellingen der menschen ontginge, de hand des almachtigen Gods zoude ik echter noch in dit leven, noch na mijnen dood kunnen ontvluchten, d. w. z., dat wij vroeg of laat, hier of hiernamaals, voor de overtreding zouden gestraft worden, waarvoor wij ons vooral moeien wachten. Amen.
ZES - EN - VEERTIGSTE ONDERRICHTING
VIEUDK GKBÜD DEI! II. KilliK
OVER DE BIECHT
Ohsecramus \'pro Christo, reconciliamini Deo. Wij liiddon u in naam van Christus, verzoent ii met God. (n Cok. v, 20.)
INHOUD.
VOORRUDK.
Later zal er breedvoeriger over de Biecht en over het H. Sacrament des Altaars gehandeld worden in de onderrichtingen over de H. Sacramenten. Het vierde gebod der H. Kerk luidt als volgt: Gij zult ten minste eens \'s jaars uwen priester de biecht spreken.
VERDEKUNG.
I. Wie moet biechten?
II. Hoe dikwijls moet men biechten?
111. Aan wien moet men biechten?
I.
Alle geloovigen die tot de jaren van verstand en discretie gekomen zijn, d. i., in den regel die zeven jaar oud zijn, moeten
— 465 —
biechten. Er beslaat een groot verschil tusschon den ouderdom vereischt voor de Biecht, en den ouderdom vereischt voor de eerste H. Communie. De ouders zijn streng verplicht te zorgen dat hunne kinderen bij tijds te biechten gaan. De Biecht is niet alleen een middel om vergiffenis van zijne zonden te bekomen, maar ook om er zich van te wachten.
II.
Men moet biechten als men in doodzonde gevallen is, hetgeen men niet langer mag uitstellen als er gevaar is van sterven, en naar het gebod der H. Kerk is het van noode alle jaren eens te biechten. In het begin der H. Kerk was het niet noodig er op aan te dringen van dikwijls te biechten te gaan. Men moet eene goede biecht spreken, ten minste eens \'s jaars, want de II. Kerk verlangt dat wij dikwijls in het jaar biechten. Die hunne biecht van den eenen Paschen tot den anderen uitstellen berooven zich van vele voordeelen en veronachtzamen hunne zaligheid.
Men mag biechten bij ieder goedgekeurd biechtvader.
SI.UITRK DK.
Geschiedenis van eenen zondaar, die immer uitstelde en eensklaps door den dood werd weggerukt.
Gkloofs-kn Zedbnlber. 3de 30
— 460 —
ZES - EN - VEERTIGSTE ONDERRICHTING
VIEUDE GEBOD DER II. KERK
OVER DE BIECHT
Obsocramus f ro Christo, reconcilicmini Deo.
quot;Wij bidden u in naam van Christus, verzoent u niet God. (n Cob. v, 20.)
VOORREDE.
Wijl wij later In onze onderrichtingen over de zeven Heilige Sacramenten breedvoeriger zullen spreken over de Biecht en. liet H. Sacrament des Altaars, daarom zullen wij nu slechts in het kort de twee laatste geboden der H. Kerk verhandelen, door eenige vragen te stellen en in weinige woorden te beantwoorden.
Het vierde gebod der H. Kerk luidt als volgt: Gij zuil ten minste eens \'s jaars uwen priester de biecht spreken. De kerkvergadering van Laterane heeft ten jare 1215 de volgende wet gedragen: « Dat eenieder van het een en ander geslacht, .. die tot de jaren van discretie en verstand gekomen is, ten „ minste eens \'s jaars alleen getrouwelijk al zijne zonden „ biechtte aan zijn eigen priester, en zorgo de penitentie, die » hem opgelegd is. volgens zijn vermogen te volbrengen. quot; Zien wij vandaag in \'t kort:
I. Wie moeten biechten;
II. Hoe dikwijls men moetbiechten;
111. Bij wien nien moet biechten.
1.
Wie zijn verplicht te biechten?
Zijn verplicht te biechten, B. H., alle geloovigen, die tot de jaren van discretie en verstand gekomen zijn, d. \\v. z., wier
— 407 —
kennis en onderscheiding van goed en kwaad zoo ver gaat, dat zij in staat zijn zich aan eene doodzonde plichtig te maken.
])e Biecht is voornamelijk ingesteld om vergiffenis van de doodzonden te bekomen, want om vergiffenis van de dagelijksche zonden te bekomen is zij niet van eene volstrekte noodzakelijkheid. Daaruit mag men besluiten dat de 11. Kerk tot de Biecht hen niet verplicht, die zich uit gebrek aan kennis en verstand aan geene doodzonde kunnen plichtig maken. Het juiste tijdstip nu bepalen, waarop de kinderen verstand genoeg hebben om doodelijk te kunnen zondigen, en hoelang zij de heiligmakende genade die zij in het H. Doopsel ontvangen hebben, bewaren, is onmogelijk; bijgevolg is het geraadzaam in deze zaak het zekerste te kiezen en de kinderen te biechten te zenden, zoodra zij zeven jaar oud zijn. De ouderdom dus, tot de jaarlijksche biecht vereischt, is iu den regel die van zeven jaren. Hieruit blijkt hoezeer de ouders zich bedriegen, die i noen en dat hunne kinderen niet behoeven te biechten alvorens hunne eerste II. Communie te doen, en die er zich bijgevolg weinig aan laten gelegen liggen of hunne kinderen voor dien tijd te biechten gaan of niet. Die ouders blijven grootelijks aan hunne plichten te kort, want liet is niet alleen de Pastoor, maar het zijn ook de ouders die streng gehouden zijn te zorgen, dat liet vierde gebod der H. Kerk door hunne kinderen onderhouden wordt. Mn inderdaad, knnnen uwe kinderen niel doodelijk zondigen reeds voor hunne eerste H. Communie? 01\' liever, zijt gij niet zeker dat zij reeds doodelijk gezondigd hebben, omdat gij hen op eene slechte daad betrapt hebt? Welnu, dan zijn uwe kinderen ook verplicht te biechten, on gij, ouders! zijt mede verplicht te zorgen dat zij te biechten gaan. Doch er zijn nog andere redenen, waarom de ouders hunne kinderen vroegtijdig behooren te biechten ie zenden. In de Biecht worden niet alleen de doodzonden, maar ook do dagelijksche zonden vergeven. De kinderen ontvangen de eerste of tweede heiligmakende genade. Ook is de Biecht een krachtig middel om de
— 108 —
kinderen voor de ondeugd te bewaren, de eerste wortelen van het kwaad uit te roeien, om het zaad der deugden in hunne harten te strooien en vruchten te doen voortbrengen.
II.
De Catechismus vraagt:
Hoe dikwijls moet men biechten? En hij antwoordt:
Als men in doodzonde gevallen is, hetwelk men niet langer mag uitstellen als er gevaar is van sterven, en naar hel gebod der heilige Kerk is het van noode alle jaren eens te biechten.
Aldegenen die doodelijk gezondigd hebben, moeten biechten, gelijk wij reeds gezien hebben: doch moet de mensch, die doodelijk gezondigd heeft, terstond biechten, zoodat hij zoude zondigen tegen het gebod der H. Kerk, indien hij een dag of eene week uitstelde te biechten? Neen B. B. in dien zin moet het antwoord niet verstaan worden, doch luistert in welken zin.
1° Iemand, die doodelijk gezondigd heeft, en onmiddellijk daarna of later in gevaar van sterven verkeert, die persoon moet terstond in het doodsgevaar biechten en zulks krachtens een gebod van God.
2° Iemand die doodelijk gezondigd heeft, moet ten minste eens \'s jaars biechten en zulks krachtens het vierde gebod onzer Moeder de H. Kerk. Jesus-Christus, B. B., heeft de Biecht ingesteld voor ons, namelijk, opdat wij er gebruik van zouden maken. Wanneer en hoe dikwijls wij nu te biechten moeten gaan was door Christus niet bepaald, en in \'t begin der H. Kerk was het niet noodig den tijd te bepalen, wijl de Christenen dikwijls genoeg tot de H. Sacramenten naderden. Toen echter na verloop van tijd die ijver begon te verkoelen en er geloovigen aangetroffen werden, die jaren lieten voorbijgaan zonder tot de H. Sacramenten te naderen, en die bijgevolg hunne ziel en zaligheid veronachtzaamden, toen werd onze Moeder de H. Kerk
— 469 —
genoodzaakt maatregelefi te gebruiken. Bedroefd over die onachtzaamheid en bezorgd voor het welzijn harer kinderen gaf zij een geboil van ten minste eens \'s jaars liet Sacrament der Biecht te ontvangen: ten minste eens \'s jaars: op welken tijd nu van het jaar, daarvan spreekt de H. Kerk niet, doch zeker verlangt zij dat de geloovigen volgens het aloud gebruik in den H. Vastentijd hunne biecht spreken. Men volbrengt dus, B. B., het vierde gebod onzer Moeder de H. Kerk, zoo men met Paschen te biechten gaat. Doch merkt wel op: men volbrengt het -gebod der H. Kerk dan alleen als men eene goede Biecht spreekt; daartoe nu worden verschillende voorwaarden veroischt:
1° Dat men zijn geweten naarstig onderzoeke;
2° Dat men een waar berouw heb be over zijne zonden;
3° Dat men een vast voornemen make van ze niet meer te bedrijven, van de vrijwillige gevaren en naatste gelegenheden van zonde te verlaten en te vermijden;
4° Dat men alle doodzonden die men nog niet goed gebiecht heeft, en die men na een naarstig onderzoek van geweten indachtig is, biechte;
Kindelijk, dat men de penitentie volbrenge, door den biechtvader opgelegd, en andere verplichtingen zooals van schadevergoeding of eerherstel te doen, enz.
Ziedaar, B. B., hoedanige biecht er vereischt wordt om aan liet vierde gebod der H. Kerk te voldoen. Spreekt men eene slechte biecht, dan bedrijft men vooreerst eene doodzonde van lieiligseiiending, en vervolgens zondigt men doodelijk door het vierde gebod der H. Kerk te overtreden, door welk gebod men immer gehouden blijft, totdat men eene goede biecht gesproken heeft.
De H. Kerk gebiedt ten minste eens \'s jaars te biechten. De Catechismus vraagt:
— 470 —
Waarom zegt het vierde gebod der heilige Kerk dat men moet biechlen ten minste kens \'s jaabs? En hij antwoordt:
Omdat de heilige Kerk verlangt dat wij dikwijlder in het jaar biechten.
Onze Moeder de H. Kerk gebiedt dus van eens in \'t jaar to biechten, en zij verlangt dat wij het meermalen doen. En waarom verlangt zij zulks? Om het welzijn harer kinderen, om de voordeelen die wij door het Heilig Sacrament der Biecht verkrijgen, voordeelen, waarover later zal gesproken worden. Dus:
W(d mort men zeggen van degenen die de Biecht van den \'eenen Paschen tot den anderen uitstellen?
Dat zij zich berooven van vele voordcelen en hunne zaligheid veronachtzamen. En niet zónder reden, li. B. Dat zij zich berooven van vele voordeelen blijkt duidelijk, wijl zij zoovele en kostbare genaden die men door \'t waardig ontvangen der II. Sacramenten kan verkrijgen, niet deelachtig worden. Maar, zij veronachtzamen ook het groote werk hunner zaligheid, Gij zoudt misschien denken en willen zeggen: Maar ik ga alle jaren eens te biechten: de II. Kerk gebiedt mij niet van meer te biechten te gaan: dus, ik onderhoud het gebod der H. Kerk; wat wilt gij meer van mij? Dooi\' alle jaren eens te biechten onderhoudt gij het vierde gebod der H. Kerk, dat is waar, en gij zult bijgevolg om de overtreding van dit gebod niet veroordeeld worden; doch gij voldoet niet aan het verlangen ouzer Moeder de H. Kerk van meermalen \'s jaars te biechten. Wat wilt gij meer van mij? Wat ik meer van u wilde? Ik wilde dat gij aan het verlangen onzer Moeder de H. Kerk ook voldeedt, dat gij zoo nalatig niet waart in de eenige zaak van noodzakelijkheid, irr \'t zaligmaken uwer ziel. Hoe, lang blijft iemand die alle jaren eens te biechten gaat, doorgaans in staat van genade? En veronderstelt dat hij na eenigen tijd in doodzonde hervalt, welk is dan het gewone en het gemakkelijkste
middel om daaruit op te staan? Het H. Sacrament der Biecht. Doch die persoon stelt uit, gaat niet te biechten; zoo hij in staat van doodzonde blijft voortleven, leeft hij ook in vijandschap met Gód; ja. God is zijn gezworen vijand. Die persoon doet zich de grootste schade; hij berooft zich van zoo vele genaden, en al het goede dat hij verricht in staat van doodzonde, is zonder verdiensten voor den hemel; de tijd gaat verloten voor de eeuwigheid, daar integendeel het kleinste goul weik in staat van genade verricht en aan God opgedragen, verdienstelijk is voor den hemel, en door God hiernamaals ruimschoots zal beloond worden, \'t Is zeer gevaarlijk in staat van doodzonde te leven. Waarom? Omdat men gemakkelijker in grootere en meerdere zonden valt. Immers, de genaden verminderen, de afschuw voor de zonde vermindert, de mensch reeds zwak \\an zich zeiven wordt immer zwakker, hij valt meermalen en hij valt telkens dieper. En kan hij niet elk oogenblik in dien ellendigen staat uit het leven worden weggerukt? Is dan de staat van doodzonde geen gevaarlijke staat? Maar men sierll zoo niet. B. B., hetgeen aan anderen overkomen is kan ons ook overkomen; wij kunnen ook schielijk sterven, en verliezen wij vooral niet uit het oog, eenmaal slecht gestorven, komt men niet weder om het verlies zijner ziel te herstellen, neen, E. B., maar zij is verloren en verloren voor de eindelooze eeuwigheid. Ziedaar wat ik van de Christenen, die maar eens in \'t jaar te biechten gaan, wil en verlang. Ik wil en verlang dat zij meermalen in \'t jaar te biechten gaan, en zich dus met berooven van zoovele voordeden en het werk huunei z.ili^lu id niet veronachtzamen; ik\'wil en verlang dat zij niet in staat van doodzonde blijvenquot; en alzoo geen gevaar loopen van voor eeuwig verloren te gaan. Wat Wil, wat verlang ik nu, hun geluk of hun ongeluk?
— 472 —
III,
Bij wien moet men biechten? Men moet biechten, 13. 13., bij zijnen Pastoor of bij een Priester, die van den Paus van Rome of van den Bisschop de macht van de zonden te vergeven ontvangen heeft. Alhoewel ieder Priester in zijne wijding de macht van de zonden te vergeven ontvangen heeft, nochtans, hij kan vj),n die macht geen gebruik maken, tenzij het hein dooiden Paus van Rome, door zijnen Bisschop of andere Oversten der H. Kerk toegestaan wordt. In tijd van nood, d. L, zoo een geloovige in gevaar verkeert van te sterven en er geen Priester, die jurisdictie heeft, bijgeroepen kan worden, in tijd van nood heeft ieder Priester de macht van alle zonden te vergeven en staat de H. Kerk hem toe die macht te gebruiken.
SLUITRKDE.
Ziedaar, B. B., in het kort het vierde gebod der H. Kerk verklaard. Onze Moeder de H. Kerk gebiedt op straf van doodzonde ten minste eens \'s jaars te biechten: ten minste, want zij verlangt en zet hare kinderen aan van meermalen te biechten te gaan. Ten einde u allen daartoe ook aan te zetten, vooral, zoo gij het ongeluk hebt in staat van doodzonde te loven, wil ik u ten slotte eene geschiedenis verhalen van eenen zondaar, die immer uitstelde te biechten en eindelijk plotseling door den dood werd weggerukt.
Zeker Pastoor vergaderde omtrent Paschen alle jongelingen die om verschillende misdaden in de gevangenis waren opgesloten, en hij vermaande hen van aan hun paaschplicht niet te kort te blijven. Er bestond daar een gebruik, dat aldegenen die wilden te biechten gaan, hunne namen op een briefje schreven ol lieten schrijven, lletwelk daarna aan den Pastoor overhandigd werd. De Pastoor ontving verscheidene briefjes, doch één had geweigerd, een jongeling van zeventien jaren. De Pastoor was daarover bedroefd. Den volgenden dag ging hij naar dien
— 473 —
jongeling toe en zelde hem met zaclit-en goedheid: Mijn vriend! Gij hebt zeker vergeten uw naam te geven voor uw paasch-plicht? Neen, Mijnheer! antwoordde de jongeling; ik heb er wel over nagedacht, maar.... ik ben nog niet tot besluit gekomen. Is het anders niet, zelde de Pastoor, ik zal u helpen, maak daarin geen bezwaren, laat mij uw naam maar opschrijven. Neen, Mijnheer Pastoor! zelde de jongeling, nu nog niet, maar later, wij zullen zien ... in alle geval, aanstaande jaar zeker. Maar, sprak de Pastoor: Zult gij aanstaande jaar dezelfde moeielijkheden niet hebben? Waarom dan tot aanstaande jaar uitgesteld? Daarenboven, zijt gij zeker van aanstaande jaar nog leven? O, zelde de jongeling, ik zal wel- biechten, maar nu nog niet, later als ik daartoe wat beter bereid zal zijn. De Pastoor na alle middelen aangewend te hebben, kon van dien jongeling niet bekomen zijne biecht te spreken. Bedroefd verliet hij hem, bij zich zeiven denkende: die arme jongeling weigert den eenigen troost die hem met vrede en blijdschap kan vervullen. Luistert nu, R. B., wat er een weinig later voorviel, \'s Anderendaags hoorde de Pastoor dat die jongeling ziek was geworden: terstond ging hij hem bezoeken; en inderdaad, hij vond hem bleek op zijn bed uitgestrekt. Wat is u overkomen, mijn vriend? vroeg hem de Pastoor; gisteren waart gij frisch en gezond, gelijk aan eene bloeiende roos, en nu ligt gij ziek te bed. De jongeling antwoordde niet. De Pastoor ging nader bij en bemerkte dat hij buiten kennis was. Spoedig riep hij de ziekenzuster, die hem verzorgde en een geneesheer. Deze kwamen terstond. Ziet, zeide de Pastoor, mij dunkt dat deze jongeling op sterven ligt; wat heeft hij dan? De geneesheer voelde zijnen pols, hij klopte niet meer; hij legde zijne hand op het hart van den jongeling, het hart was. zonder beweging, zijne ademhaling had opgehouden. Hij is dood, zeide de geneesheer; hoe is hot toch mogelijk, zeide de zuster, over een uur is hij nog buiten zijne kamer geweest, en hij klaagde enkel over een weinig hoofdpijn, \'t Is mogelijk, sprak de geneesheer;
doch nu verklaar ik u dat hij dood is, en bijgevolg, dat ik hem niet meer kan helpen. Verbeeldt u, welk een slag voor dien Pastoor! Vol droefheid liet hij zich op een stoel nederVallen en aanschouwde de nog half geopende oogen van dien jongeling, den bleeken mond, waarmede hij daags te voren nog gezegd had; Later zal ik biechten; aamp;nstaande jaar zeker. Helaas! de eeuwigheid Was reeds voor dien jongeling aangevangen, er was geen later, geen aanstaande jaar meer voor hem, en zijne ziel was reeds voor den rechterstoel van (iod verschenen en geoordeeld. Denkt, B. B., aan dit droevig en noodlottig voorval. En gij, die in staat van doodzonde leeft en.verwaarloost u met God door eene oprechte biecht te verzoenen, denkt gij voorat er aan. Hetgeen dien jongeling overkomen is kan u ook overkomen; jiij ook kunt plotseling door den dood uit het leven worden weggerukt. Bekeert u dus, wijl het nog tijd is, tot den Heer uwen God, om naderhand uw uitstel niet te laat en voor eeuwig te moeten betreuren. Amen.
ZEVEN - EN - VEERTIGSTE ONDERRICHTING
VIJFDE GEBOD DEI! H. KEKK
OVER DE PA AS C H COMMUNIE
Nisi manducaveritis carnem Filii hominis et liberitis ejus sanguincm, noii habebitis vitam id vobis.
Tenzij gij hot vleesoh van tien Zoon des mensclien eot en zijn bloed drinkt, zult gij het leven in u niet hebben. (Joan, vi, si.)
INHOUD.
VOORREDE.
Buiten het vierde gebod heeft de kerkvergadering van Laterane ook nog het vijfde gedragen, namelijk, van eens \'s jaars te communiceeren.
Gij zult ten minste eens \'s jaars nutten omtrent Pasehen het lichaam des Heer en.
vkrdeEI.ixg.
I. In wat ouderdom moet men communiceeren?
11. Hoe dikwijls moet men communiceeren?
III. Waar moet men zijn Paschen houden?
Men moet communiceeren als men gekomen is tot de jaren van discretie of Verstand, dus doorgaans omtrent den ouderdom van tien of elf jaren. Buiten den ouderdom wordt er nog vereischt dat de kinderen behoorlijk onderwezen zijn in de christelijke leering en van een goed christelijk gedrag zijn, waarvoor Pastoor, kinderen en ouders moeten zorgen.
II.
Men moet communiceeren ten minste eens \'s jaars, binnen de veertien dagen omtrent Paschen, te weten van Palm-Zondag tot Beloken-Paschen. De paaschtijd kan door de Oversten der II. Kerk verlengd worden. Om zijn paaschplicht te volbrengen moet men waardig, d. i., in staat van genade communiceeren. Wat moet rnen antwoorden aan iemand die zegt dat hij zijn Paschen niet kan houden? Dat hij zich vrijwillig in de onmogelijkheid stelt. Voor hem die met Paschen niet communiceert, blijft het gebod na Paschen voortduren. Een zondaar, met Paschen door zijn Biechtvader uitgesteld, moet zich onderwerpen en zich zoo spoedig mogelijk bereiden. Degenen die godvruchtig willen leven, beliooren ten minste alle maanden te communiceeren.
III.
Ieder moet zijn Paschen houden in zijne Parochie, tenzij het hem onmogelijk is, of dat hij verlof bekomen heeft van het elders te doen.
SLUITREDE.
Parabel der uitgenoodigden tot het gastmaal.
— 477 —
ZEVEN - EN - VEERTIGSTE ONDERRICHTING
VIJFDE GEBOD DER H. KERK
OVER DE PAASCHCOMMUNIE
Nisi manducaveritis tavnem Filii hominis ct liberitis ejus sanguinem, nun habebitis vitam in vobis.
Tenzij gij hot vleescli van don Zoon (les menschen eet en zijn bloed drinkt, zult gij hot leven in u niet hebben. (Joan, vi, m.)
VOORRKDK.
In de kerkvergadering van Laterane ten jare 1215 is eene wet gedragen, B. B., van \'s jaarlijks ten minste eens te biechten, en vandaar liet vierde gebod der H. Kerk; Gij zult ten minste eens \'s jaurs uwen priester de biecht spreken. Dat gebod hebben wij in onze voorgaande onderrichting uitgelegd. Onze Moeder de 11. Kerk heeft in dezelfde algemeene vergadering hare kinderen ook nog opgelegd van ten minste eens \'s jaars te communiceeren omtrent Paschen, en vandaar het vijfde gebod der H. Kerk, dat luidt als volgt: Gij zult ten minste eens \'s jaars nulten omtrent Paschen het Lichaam des Heer en. Leggen wij in \'t kort dit gebod uit:
I. Hoe oud moet men zijn om te communiceeren?
II. Hoe dikwijls moet men communiceeren?
Hl. Waar moet men zijn Paschen houden?
I.
De Catechismus vraagt:
In wat ouderdom is men schuldig het heilic) Sacrament te ontvangen? En hij antwoordt:
Als men gekomen is tot de jaren van discretie of verstand.
— 478 —
De ouderdom, B. R., die er vereischt wordt om verplicht te zijn van jaarlijks te biechten, is in den regel, gelijk wij gezien hebben, die van zeven jaren; doch zoo is het niet gelegen met den ouderdom die er vereischt wordt om verplicht te zijn van met Paschen te communiceeren; daartoe wordt meer vereischt. Een kind moet zoo ver in jaren en verstand gevorderd zijn, dat het onderscheid kan maken tusschen de goddelijke spijs der ziel, die in het allerheiligste Sacrament aan de Communiebank gegeven wordt en de gewone spijs des lichaams, die men t\'liuis nut. De ouderdom daartoe vereischt is doorgaans die van tien a ell\' jaren. Overigens, wat de eerste H. Communie aangaat, uien moet zich regelen naar de voorschriften des Bisdoms, waartoe men behoort. Doch buiten de jaren, B. B., wordt er in de kinderen nog meer vereischt. De Catechismus vraagt:
Wal is er, behalve de jaren van verstand, in de kinderen noodig om de eerste Communie te mogen doen? En hij antwoordt:
Dat zij behoorlijk onderwezen zijn in de Christelijke Leering en van een goed christelijk gedrag zijn.
De kinderen moeten dus ook den Catechismus kennen, en buiten het noodzakelijke des middels ook het noodzakelijke des gebods en vooral hetgeen de II. Sacramenten betreft die zij moeten ontvangen; zij moeten zich ook goed gedragen. Doch wie moeten daarvoor zorgen? Vooreerst de Pastoors en Priesters, die belast zijn de kinderen in de christelijke leering te onderwijzen en hen tot de H. Communie voor te bereiden; vervolgens de kinderen zeiven door met vlijt de christelijke leering of den Catechismus bij te wonen, en eindelijk de ouders of oversten door zelf hunne kinderen of onderdanen te onderwijzen of voor het minste te zorgen dat zij de christelijke leering bijwonen en onderwezen worden. Dat de ouders streng verplicht zijn daarvoor te zorgen laat zich gemakkelijk verstaan. Doch, B. B., ik aarzel niet te bekennen, dat men dikwijls ouders aantreft,
— 479 —
die grootelijks in deze zaak van aanbelang aan hunne plichten te kort blijven. Een kind, bijv., heeft den vereischten ouderdom om zijne eerste II. Communie te doen, doch het is niet genoeg onderwezen. Waarom is dat kind niet genoeg ouderwezen? Omdat het niet verstand genoeg heeft? In dat geval, B. B., zal voorzeker niemand bij God te verantwoorden hebben. Doch dat is doorgaans het geval niet. De reden waarom dat kind niet genoeg onderwezen is, komt doorgaans voort, omdat het kind den Catechismus verwaarloosd heeft; omdat de ouders hun kind noch naar de school, noch naar de kerk gezonden hebben. En nochtans, krachtens het vijfde gebod der II. Kerk moest dat kind jaarlijks communiceeren. Wie is nu de schuld dat het vijfde gebod onzer Moeder de II. Kerk niet onderhouden wordt? Bijzonder de ouders, en zij zullen op do eerste plaats eene strenge rekenschap bij (iod moeten afleggen. Hieruit kunt gij ook besluiten, B. B.. dat zekere ouders veel beter zouden doen van desaangaande hun geweten te onderzoeken, in plaats van bij hunnen Pastoor er op aan te dringen, dezen als het ware te dwingen van hun kind onbereid en niet genoeg onderwezen tot de H. Tafel te laten naderen. Immers, tot de eerste U. Communie kan men zich nooit te goed voorbereiden. Wat leert, helaas! do dagelijksche ondervinding? Zij leert dat eene lauwe eerste H. Communie waartoe men zich niet goed voorbereid heeft, eene reeks lauwe Conununiën na zich sleept.
II.
Do Catechismus vraagt:
Wanneer moet men hel lichaam des Heer en nullen? En hij antwoordt:
Ten minste eens \'s jaars, elk in zijne parochie, binnen de veertien dagen omtrent Paschen, te welen ran Palmen-zondag tot Beloken Paschen.
Niet zonder reden B. B. heeft de II. Kerk den tijd van het Lichaam dos Hoeren te nutten, d. w. z., van te Communie te
— 480 —
gaan, bepaald omtrent Pasclien. Immers, om dien tijd heeft onze goddelijke Zaligmaker in liet laatste avondmaal liet allei-heiligste Sacrament des Altaars ingesteld; om dien tijd is Hij gestorven en eindelijk den derden dag na zijnen dood levend uit het graf opgestaan en verrezen. Met Pasclien moeten wij ook aan de zonde sterven; met Pasclien moeten wij uit het , graf der zonde opstaan, verrijzen en een nieuw leven beginnen. Met Pasclien viert onze Moeder de 11. Kerk haar grootste feest, liet feest der Verrijzenis van Christus. Ter gelegenheid van dat feest noorligt, of liever gebiedt zij hare kinderen tot de II. Tafel te naderen, deel te nemen aan den hemelschen maaltijd dien Jesus-Christus voor hen bereid heeft, en waarin Hij zijn goddelijk Vleesch en Bloed tot spijs en drank geeft aan de geloovigen. Pasclien, is dus het groot familiefeest dei-Christenen.
De paaschtijd — van Palmzondag tot Beloken (gesloten)
Pasclien _ of liever de tijd, binnen welken men moet comniu-
niceeren, kan ook door de Oversten der li. Kerk verlengd worden,gelijk op sommige plaatsen om wettige redenen geschiedt.
Ingeval iemand om ziekte of andere wettige reden belet is gedurende den paaschtijd naar de \'kerk te gaan en te commu-niceeren, dan moet hij zijn Pastoor om uitstel vragen ofwel de H. Communie t\'huis laten brengen. Ook kan de biechtvader den biechteling soms om wettige reden in de biecht uitstel geven.
Om het vijfde gebod onzer Moeder de H. Kerk te volbrengen wordt er vereischt dat men waardig tot de H. Tafel nadere. De Catechismus vraagt:
Voldoet men aan den Paaschplicht door eene onweerdige Communie? En hij antwoordt:
Geenszins; integendeel men bedrijft eene zonde van heiligschender ij.
Men moet dus in staat van genade te communie gaan. Verstout men zich in staat van doodzonde te communiceeren, men bedrijft
— -181 —
vooreerst eene afschuwelijke zonde van heiligschending, door liet goddelijk Vleesch en Bloed van Jesus-Christus te onteeren; men is gelijk aan den verrader Judas; vervolgens zondigt men nog doodelijk tegen het vijfde gebod onzer Moeder de H. Kerk, door het te overtreden.
De geloovige dus, die in staat van doodzonde is, moet zich, alvorens tot de H. Tafel te naderen, van die doodzonde zuiveren en wel door het H. Sacrament der Biecht. Een volmaakt berouw, waardoor men ook vergiffenis van zijne zonden kan bekomen, is hier niet voldoende. Wat zegt de Apostel Paulus om den mensch van eene onwaardige Communie af te schrikken? Die het Vleesch van Jesus onwaardig nut en zijn bloed onwaardig drinkt, zegt hij, die eet en drinkt zijn eigen oordeel: Judicium sibi manducal et bihil. (i) Integendeel, zoo iemand waardig, d. L, in staat van genade tot de 11. Tafel nadert, Jesus-Christus belooft hem het eeuwige leven: Zoo iemand, zegt Jesus, van dit brood eet, hij zal in eeuwigheid leven: Si -quis manducaverit ex hoc pane vivet in ceternum. (2) Vandaar dat onze Moeder de H. Kerk zegt: Eene onwaardige \' communie is de dood voor den mensch: Mors esl malis, docli eene waardige communie is zijn leven: Vila bonis.
Dat degene die zijn paaschplicht verzuimt, zich aan groote zonde plichtig maakt, blijkt ook uit de straffen waarmede onze Moeder de H. Kerk hem bedreigt: Dat dusdanigen, zegt zij, in dit leven de toegang der kerk en na den dood de christelijke begrafenis geweigerd worde. Die straffen nochtans moeten om de overtreders werkelijk te treffen door de Oversten der H. Kerk over hen uitgesproken worden.
Het gebeurt soms, B. B., dat men den een of anderen aantreft, die beweert zijn Paschen niet te kunnen houden. Ik kan, zegt hij, mijn Paschen niet houden. Waarom niet? De biechtvader, antwoordt hij, weigert mij de absolutie. En waarom weigert u
(l) Cor. xi, 28. (2) Joan. vi, 52.
Gelooks-kn Zedenleer. Debl. 31.
— 482 —
de biechtvader de absolutie? Omdat gij ze onwaardig zijt; omdat gij geen berouw hebt over uwe zonden, zonder hetwelk men geene vergiffenis kan bekomen; omdat gij altoos dezelfde zondaar blijft, wijl gij van de middelen ter verbetering u door den biechtvader voorgeschreven geen gebruik maakt, wijl gij u in het naaste gevaar, de naaste gelegenheid van doodzonde bevindt, die gij wel kunt maar niet wilt verlaten. Maar ik heb wel berouw over mijne zonden, zegt gij; ik ben gereed om de absolutie te ontvangen. Ik antwoord: \'t Is de biechtvader en niet de biechteling, die daarover moet oordeelen: de biechtvader is de rechter en de biechteling is de aangeklaagde, \'t Is dus niets anders, B. B., dan een ijdel uitvluchtsel dat men zoekt, als men zegt: Ik kan mijn Paschen niet houden; rechtuit en rechtzinnig gesproken zoude men moeten zeggen: Ik wil mijn Paschen niet houden. De ongelukkigen dus, die zich niet willen bekeeren, zullen bij God geene verschooning vinden. De biechtvader daarenboven heeft eene betere gedachte van eene paaschcommunie, ook van zijn plicht als biechtvader. Hij weet zeer goed dat men door heiligschendingen aan zijn paaschplicht niet voldoet, en hij zal zich wel wachten door eene wreede toegevendheid in de misdaden van den zondaar te deelen, zich zeiven met hom ongelukkig te maken. Die zondaar denke dus niet dat hij daarom van de verplichting Aan te communiceeren ontslagen is. Volgens een algemeen gevoelen houdt het gebod onzer Moeder de II. Kerk niet op, doch het blijft gedurende het jaar voor hem bestaan, totdat hij er aan voldaan heeft. Wat moet nu een zdhdaar in dergelijk geval doen? Hij moet zich aan de uitspraak van den biechtvader ootmoedig onderwerpen, van het uitstel dat hem gegeven wordt, goed gebruik maken, den raad van don biechtvader volgen, de middelen ter verbetering voorgeschreven aanwenden, en eindelijk op den door den biechtvader bepaalden tijd terugkomen oin de absolutie te ontvangen, die hem alsdan niet zal, noch mag geweigerd worden. Doch, zeggen tot den biechtvader, die alles uit plicht
— 483 —
en tot welzijn van rlen biechteling doet; zeggen: Zoo gij mij ile absolutie niet geeft houd ik mijn Paschen niet, kom ik niet meer terug, en dergelijken, is dat zich naar behooren voorbereiden tot eene waardige Communie? Wat kan de priester in dergelijk geval doen? Hij kan zeggen: Mijn kind, zoo gij uw plicht niet wilt doen, ga heen; ik van mijnen kant, ik zal mijn plicht doen; ik zal intusschen voor u bidden, opdat gij van gevoelen en van leven moget veranderen en u niet voor eeuwig ongelukkig makel. Ziedaar, li. R, alwat de biechtvader doen kan.
Men moet dus ten minste eens \'s jaars omtrent Paschen communiceeren. De Catechismus vraagt:
Is hel goed dikioijls te communiceeren? En hij antwoordt:
Ja; als de Uechlvader het goedvindt, en als men er vrucht mede doet.
Is hel goed alle maanden te communiceeren?
Ja; zelfs degenen die godvruchtig willen leven behooren ten minste alle maanden le communiceeren.
De Catechismus leert nog, dat men moet communiceeren als men deze wereld gaat verlaten. Hij vraagt;
Moet men de heilige Communie ontvangen, als men in gevaar is van sterven? En hij antwoordt:
Ja; indien men zijne eerste Communie gedaan heeft, oj daartoe bekwaam is.
Een kind, bijv., heeft zijne .eerste H. Communie nog niet gedaan en wordt gevaarlijk ziek; bijaldien dat kind zoo ver in jaren gevorderd en zoo goed in de christelijke loering onderwezen is dat bet beseft wat het allerheiligste Sacrament des Altaars is en wien het ontvangt in de H. Communie, dergelijk kind, zoude het allerheiligste Sacrament moeten ontvangen, en bijgevolg op zijn sterfbed zijne eerste II. Communie moeten doen. Op dit punt B. B., moeten de ouders letten wier kinderen den ouderdom van 9 a 10 jaren bereikt hebben en gevaarlijk
— 484 —
ziek worden; die ouders moeten zorgen van bij tijds hunnen Pastoor te verwittigen en zij moeten aan zijn oordeel de zaak overlaten.
111.
Waar moet men zijn Paschen houden? Ieder moet zijn Paschen houden in zijne parochie, d. w. z., in zijne parochiekerk, tenzij hij zich in do onmogelijkheid bevindt van zich naar zijne parochie te begeven, of dat hij van zijnen Pastoor verlof bekomen heeft om in eene andere parochiekerk aan zijn paaschplicht te voldoen. Hieruit kunt gij besluiten dat de reizigers die overal rond trekken, en die onmogelijk of zeer moeielijk binnen de veertien dagen omtrent Paschen in luinne parochie kunnen zijn, en aldegenen die nergens eene. vaste woonplaats hebben, overal hunnen Paschen kunnen houden.
Bijaldien iemand binnen de veertien dagen omtrent Paschen in zijne parochiekerk niet tot de H. lafel genaderd is, blijit hij naar een algemeen gevoelen zelfs na den paasch-tijd verplicht zoo spoedig mogelijk in zijne parochie zijn paschen te houden. Zoude hij daarentegen binnen den bepaalden tijd in zijne parochie tot de H. Tafel genaderd zijn, doch onwaardig, d. i., in staat van doodzonde, die persoon zoude wel is waar zijn Paschen niet gehouden hebben, omdat men door eene onwaardige communie aan zijn paaschplicht niet voldoet, gelijk wij reeds gezien hebben; nochtans, alhoewel hij verplicht blijft zoo spoedig mogelijk waardig te communiceeren, hij is niet meer verplicht in zijne parochie te communiceeren om zijn Paschen te houden, wijl er reeds, wat de omstandigheid der plaats betreft, aan het gebod der H. Kerk voldaan is.
SLUITREDE.
Ten slotte, B. B., ga ik u eene parabel verhalen, die onze goddelijke Zaligmaker zekeren dag voorstelde.
— 485 —
Een rijk Heer, zoo sprak Jesus, rechtte een kostbaar gastmaal aan en noodigde daartoe zijne vrienden, docli deze begonnen allen zich te verontschuldigen; de eene had eene landhoeve gekocht en moest zo gaan bezichtigen; een tweede had een koppel ossen gekocht en moest ze gaan beproeven; een derde had eene vrouw getrouwd en kon niet komen. De Heer werd toornig en verklaarde dat niemand der uitgenoodigden zijn gastmaal proeven zou. Niet beter, B. B., handelen vele Christenen, voor welke Jesus een kostbaar gastmaal aangerecht heeft, en die om de nietigste reden weigeren daaraan deel te nemen, die verzuimen tot de Tafel des Heeren te naderen, alhoewel de H. Kerk hen niet alleen daartoe uitnoodigt, maar zelfs onder bedreiging der strengste straffen verplicht. Kan men onzen goddelijken Zaligmaker eene gevoeligere oneer aandoen ? Jesus, de Zoon Gods, noodigt uit, en de Christen, dat armzalig kind, weigert te komen. Jesus wil den Christen eerst zuiveren, het schoon kleed der heiligmakende genade aantrekken in de Biecht, om hem zoo te bereiden van deel te kunnen nemen aan het gastmaal; die Christen weigert. Jesus heeft hem zijn goddelijk Vleesch en Bloed tot spijs en drank bereid, en die Christen durft weigeren aan dien goddelijken maaltijd te verschijnen; liever wil hij evenals de verloren zoon zich voeden met den draf der zwijnen. Aan welke ondankbaarheid maakt die Christen zich niet plichtig? En wat vreeselijk oordeel staat hem niet te wachten? Zal die ondankbare, die ongevoelige later deel mogen nemen aan het hemelsch gastmaal? Of zouden wij hem niet eerder met Jesus mogen zeggen dat hij er volstrekt niet van smaken zal? Daarom, B. B., wachten wij ons wel van na te laten, vooral met Paschen tot de H. Tafel te naderen: integendeel, nemen wij tot regel van dikwijls in het jaar vooral op de hooge feestdagen te communiceeren; ja, volgen wij al meer en meer de eerste Christenen na en richten wij ons leven zoo in, van, zoo niet dagelijks of wekelijks, dan toch gelijk brave en godvreezende Christenen gewoon zijn te doen, alle maanden
— 486 —
te mogen communiceeren. O, B. B., gelooft mij, na dikwijls hier op aarde waardig aan de Tafel des Heeren te hebben aangezeten, na dikwijls hier op aarde Jesus-Christus in zijn H. Sacrament waardig ontvangen te hebben, zal ons eenmaal het geluk te beurt vallen van ons te mogen aanzetten aan de Tafel des Heeren en van Jesus-Christus te mogen genieten in den hemel. Amen.
EINDE VAN HET DERDE DEEL.
BLADWIJZER
Eerste Onderrichting.
Bladz.
Over de Liefde lot God......
I. Wat is de liefde?.......10
11. Hoedanig moet onze liefde tot God zijn? . . 13
Tweede Ondkrrichtinw.
Over de Liefde Lol God......19
I. Waarom moeten wij God beminnen? . . . 19
II. Wat is de volmaakte, wat de onvolmaakte liefde?. 23
Derde Onderrichting.
Over de Liefde lot den naaste .... 30
I. Wie moet men na God beminnen? .... 31
II. Waarom moet men den naaste beminnen? . . 33 111. Hoe moet men hem beminnen? .... 35
Vierde Onderrichting.
Over de Liefde lol zich zeh-en .... 42
1. Waarin bestaat do christelijke liefde tot zich zeiven? 43
11. Wanneer zorgt men voor zijne ziel? . . . 44
III. Wat strijdt tegen de liefde tot zich zeiven? . . 46
Vijfde Onderrichting.
Over de Liefde lot zijne vijanden ... 52
I. Waarom moet men zijne vijanden beminnen?. . 53
II. Hoe moet men zich jegens hen gedragen? . . 56
— 488 —
Zesde Onderrichting.
Bladz.
Over de tien Geboden Gods.....62
I. Wanneer heeft God de tien geboden gegeven? . 62
II. Wie moet ze onderhouden? ..... 66
Zevende Onderrichting.
Eerste Gebod. Ketterij en ongeloovigheid . . 73
I. Wat wordt er belast in het eerste gebod? . . 74
II. Welke zonden strijden tegen het eerste gebod? . 77
Achtste Onderrichting.
Eerste Gebod. Afgoderij, superstitie en tooverij. 85
I. Wat is afgoderij? ....... 86
II. Wat is superstitie? ....... 87
III. Wat is tooverij? ....... 90
Negende Onderrichting.
Eerste Gebod. Wanhoop en vermetelheid . . 96
I. Wat is de -wanhoop? ...... 97
II. Wat is de vermetelheid?......101
Tiende Onderrichting.
Eerste Gebod. Haat tegen God, heiligschending
en ongodsdienstigheid ..... 106
I. Hoe zondigt men tegen de liefde? .... 106
II. Wat is heiligschending? ... ... 109
III. Hoe zondigt men door ongodsdienstigheid? . . lil
Elfde Onderrichting.
Tweede Gebod. Oneerbiedig uitspreken van Gods
naam, blasphemie en vloeken. . . . in
I. Wanneer gebruikt men Gods naam oneerbiedig? . 118
II. Wat is blasphemeeren, wat is vloeken? . . . 119
— 489 —
Twaalfde Onderrichting .
Bladz.
Tweede Gebod. Eed doen of\' zweren . . . 128
I. Wat is zweren?.......121)
II. Wanneer zondigt men in het zweren? . . . 131
Dertiende Onderrichting .
Tweede Gebod. Beloften. ..... 138
I. Wat is belofte?........139
II. Hoe verdeelt men de beloften? . . . . 141
III. Wat leert de 11. Kerk aangaande de beloften? . 142
Veertiende Onderrichting.
Derde Gebod. Mis hooren ..... 147
I. Wie is verplicht Mis te hooren? .... 148
II. Wanneer is men van die verplichting vrij? . . 151
Vijftiende Onderrichting.
Derde Gebod. Mis hooren ...... 157
I. Hoe moet men Mis hooren? ..... 158
H. Hoe moet men het woord Gods aanhooren? . . 163
Zestiende Onderrichting.
Derde Gebod. Slaafsche werken . . . . 108
I. Welke werken zijn op Zon - en geboden feestdagen
verboden? ........ 168
II. Wanneer mag men ze verrichten? . . . . 171
Zeventiende Onderrichting.
Derde Gebod. Ontheiliging der Zon-en feestdagen 176
I, Door welke zonden worden zij ontheiligd? . . 177
II. Wat moet ons aanzetten tot het heiligen dier dagen? 182
Achttiende Onderrichting.
Vierde Gebod. Eerbied en gehoorzaamheid . I. Wij moeten onze ouders eeren II. Wij moeten hun gehoorzamen.
Negentiende Onderrichting.
Vierde Gebod. Liefde en behulpzaamheid I. Welke is de derde plicht jegens de ouders? . II. Wat staat de kinderen te wachten?
Twintigste Onderrichting.
Vierde Gebod. Opvoeding .... I. De ouders moeten hunne kinderen beminnen . II. Zij moeten hun eene goede opvoeding geven .
Een - en - twintigste Onderrichting.
Vierde Gebod. Gevolgen der opvoeding .
I. Welke zijn de gevolgen eener goede opvoeding? II. Welke zijn de gevolgen eener slechte opvoeding?
Twee - en - twintigste Onderrichting.
Vierde Gebod. Plichten der dienstboden I. De dienstboden moeten eerbiedig zijn II. Zij moeten gehoorzamen ..... III. Zij moeten getrouw dienen ....
Drie - en - twintigste Onderrichting.
Vierde Gebod. Plichten der meesters . I. De meesters moeten de dienstboden zacht behandelen
II. Voor hen zorgen.......
III. Hun het verdiende loon betalen
— 491 —
Vier - en - twintigste Onderrichting.
Bladz
Vijfde Gebod. Doodslag ...... 248
I. Hoe misdoet men tegen zijn eigen leven en lichaam? 249
II. Hoe tegen het leven en lichaam van den naaste? . 252
Vijf - en - twintigste Onderrichting.
Vijfde Gebod. Vermalcdijding, gramschap, haat
en nijd ........ 259
I. Wat is iemand vermaledijën? ..... 260
II. Wat is de zonde van gramschap? . . . . 26[ III. Wat wordt er verstaan door haat en nijd? . . 262
zes - en - twintigste onderrichting.
Vijfde Gebod. Ergernis . .... 268
I. Wat is ergernis? ....... 269
II. Wie zijn de voornaamste ergernisgevers? . . 271
III. Welke is de boosheid dier zonde? ....
070
Zeven - en - twintigste Onderrichting.
Zesde Gebod. Onkuischheid.....279
I. Welke zijn de uitwendige zonden tegen de schoone
deugd? ........ 280
II. Wat geeft aanleiding tot de zonde van onkuischheid? 284
Acht - en - twintigste Onderrichting.
Negende Gebod. Onkuischheid .... 291
I. Hoe geschieden de inwendige zonden tegen de schoone
deugd?........291
II. Hoe moeten wij ons gedragen in de bekoringen? . 295
— 492 —
Negen - en - twintigste Onderrichting.
Bladz.
Zesde en Negende Gebod. Gevolgen der onhuischheid 301 I. De zonde van onkuischheid is eene schandelijke
zonde........302
II. Welke zijn liare droevige gevolgen? . . . 303
I )ertigste Onderrichting.
Zesde en Negende Gebod. Kuischheid . . . 310
I. Welke zijn de middelen om de kuischheid te bewaren? 311
II. Welke waarde heeft de kuischheid? . ... 315
Een - en - dertigste Onderrichting.
Zevende Gebod. Onrechtvaardigheid . . . 32o
.1. Eens anders goed stelen of daartoe helpen . . 321
II. Gestolen goed koopen of bewaren .... 322
III. Het loon den arbeiders onthouden .... 323
IV. In processen of handel bedrog gebruiken . . 324
Twee - en - dertigste Onderrichting.
Zevende Gebod. Woeker en Simonie . . . 329
I. Wat is woeker en Simonie? ..... 329
II. Hoe zondigen zekere personen tegen de rechtvaar
digheid? ........ 332
III. Is de onrechtvaardigheid groote zoude? . . . 335
Drie - en - dertigste Onderrichting.
Zevende Gebod. Restitutie ..... 339
I. Wie moet restitutie doen? ..... 340
H. Wat moet men restitueeren? . . . , . 341
111. Aan wien en wanneer?......341
«
— 493 —
vier - en - dertigste onderrichting.
Zevende Gebod. Gevolgen der onrechtvaardigheid. I. Onrechtvaardig goed brengt geen zegen .
II. De dood zal ons alles ontnemen .... III. Voor eene handvol onrechtvaardig geld gaat men verloren........
Vijf - en - dertigste Onderrichting.
Tiende Gebod. Inwendige zonden van onrechl-
vaardigheid.......357
I. quot;Wat verbiedt het tiende gebod? .... 358
II. Wat gebiedt het tiende gebod? .... 360
zes - en - dertigste onderrichting.
Achtste Gebod. Valsche getuigenis en kioaad-
spreken........360
I. Wat is valsche getuigenis geven? .... 367
II. Wat is kwaadspreken? ...... 369
377
378
380
Zeven - en - dertigste Onderrichting.
Achtste Gebod. Verplichting van den kwaadspreker
I. Over het aanhooren der kwaadsprekers en lasteraars.
II. Over de verplichting van den kwaadspreker en
lasteraar . • .
Acht - en - dertigste Onderrichting.
Achtste Gebod. Leugentaal.....387
I. Wat is leugentaal?.......387
II. Is leugentaal groote zonde?.....389
III. Is men altijd verplicht de waarheid te zeggen? . 391
Bladz.
349
350
351
352
— 491 —
Negen - en - dertigste Onderrichting.
Achtste Gebod. Kwaad vermoeden en vermetel
oordeel ........
I. Wat is kwaad vermoeden en vermetel oordeel? II. Wat gebiedt liet achtste gebod? . . . .
Veertigste Onderrichting.
Wetgevende macht der H. Kerk . . . . I, Heeft de II. Kerk het recht van geboden te geven? II. Moeten wij naar de H. Kerk hiisteren? .
Een - en - veertigste Onderrichting.
Eerste Gebod der H. Kerk. Vieren der Heiligdagen I. Waarom zijn de feestdagen des Heeren ingesteld? . II. Waarom de feestdagen der Heiligen?
Twee - en - veertigste Onderrichting.
Tweede Gebod der H. Kerk. Mis hoor en I. Wie is verplicht Mis te hooren? . . . . Waarom gebiedt de H. Kerk vooral Mis te hooren? .
Drie - en - veertigste Onderrichting.
Derde Gebod der II. Kerk. Vasten.
I. Wat is vasten? .......
H. Wanneer moet men vasten? . . ,
IH. Wie moet vasten? .... . ,
Vier - en - veertigste Onderrichting.
Derde Gebod der II. Kerk. Voordeel van hel vasten
I. Wanneer is men ontslagen van het vasten? , H. Wat voordeel doet ons het vasten?
— 495 —
Vijf - en - veertigste Onderrichting.
Bladz.
Derde Gebod der II. Kerk. Onthoudingswet . . 456
I. Wanneer mag uien geen vleesch eten? . . . 456
II. Wie mag geen vleesch eten? ..... 458 III. Wanneer mag men vleesch eten? .... 459
Zes - en - veertigste Onderrichting.
Vierde Gebod der H. Kerk. Biechten . . . 466
I. Wie moet biechten? ...... 466
II. Hoe dikwijls moet men biechten? .... 468 III. Aan wien moet men biechten? .... 472
Zeven - en - veertigste Onderrichting.
Vijfde Gebod der II. Kerk. Communie . . . 177
1. Wanneer moet men communiceeren? . , . 477
II. Hoe dikwijls moet men communiceeren? . . 179
III. Waar moet men zijn Paschen houden? . . . 184
EINDE DHR TAFEL VAN HET DERDE DEEL,