_-
ONDERRICHTINGEN IN DE GELOOFS - EN ZEDENLEER
NAAR DEN
M ECH ELSCHEN CATECHISM US KKRST K Dl-: KI. — ON\'KR I1KT GMLOül\'\'
ONDERRICHTINGEN
l.N DK
Geloofs-en Zedenleer
NAAK l)K\\
Mechelschen Catechismus in vijf deelen
DOOK
Aut. ROOVERS, Pastoor
l\'iKK\'STK DKKL
11 A S S E I. T MICIIEI/ CEÏSUXS, DRUKKKR- üll\'GKVEK
K o ]■; ll M O X I ) 1
HK.MU VAN DEK MAK UK, UIXOEVKK 1888
Vak 9(5
J
Volgens hol verslap; dat Ons is voorgelegd, zijn uwe •• Onderri(Mingo,n in de Geloofs - en Zedenleer naar den Meehelschen Catechismus » nauwkeurig van leering, klaar •\' en duidelijk van bewerking en over \'1. algemeen sierlijk en » boeiend van stijl. \\Vij staan dus volgaarne too dat uw werk •\' gedrukt worde, en wonschen tevens dat God uwen arbeid •gt; gelieve te zogenon, opdat bij overvloedige vruchten van quot; zaligheid voortbrenge, gt;•
Li\'iK, den 18 Oetober 1lt;SS7.
Goleokend) t N\'ictor-.Ios. Bisschop ran Luik.
■■ Ingevolge hot gunstig oordeel. Ons na inzage tier Onder-•gt; richtingen enz.... medegedeeld, sluiten wij ons volgaarne aan •gt; bij do goedkeuring van Zijne Door!. Hoogw. den Bissohop van Luik aan dat werk verleend; tevens wensohou wij dat aan •\' hetzelve eene ruime verspreiding ton doel vallo, en dat die quot; prijzenswaardige arbeid ook ton onzent met de rijkste vruehton quot; inöge bekroond worden. »
Roioumom), den 25 Maart 188lt;S.
((leteekendi t Franciscl\'s-A.-II. Borrmans, Bisschop van Roermond.
lt;• Gezien de goedkeuring van Monseigneur don Bisschop van •\' Luik keuren wij uwe •• Onderrichtingen in de Geloo/s - en ■■ Zedenleer naar den Mechelschen Calec/iismns goed on quot; bevolen dezelve tor verspreiding aan.
Hkkda, den 23 Mei 1888.
(Geteekond) t 1\'. Lkytkn, Bisschop can Breda
GOEDKEURING EN AANBEVELING
VOOR R ED E
Hoe nuttig, ja hoe noodzakelijk de Geloots- en Zedenleer voor den mensch is, kan niemand betwijJelen. Immers, daarin wordt hem geleerd wat hij weten en doen moet om zalig te worden. Niemand bijgevolg zal er zich met te veel belangstelling op toeleggen, en de priester, met de onderrichting der geloovigen belast, zal zich nooit te veel ■moeite geven om ze eenvoudig wel is waar, maar toch ook duidelijk en \'waardig voor te dragen.
De volgende onderrichtingen in de Geloofs- en Zedenleer zijn getrokken uit verschillende schrijvers, doch inzonderheid uit de Geloofs- en Zedenleer door den Zeer Eerwaarden Pater Joseph Deharbe S. J. (Dankelman), en uit de verklaring van den Meehelschen Catechismus door H. Lambrecht. Zij zijn naar den Meehelschen Catechismus ingericht, wiens vragen en antwoorden in de onderrichtingen letterlijk voorkomen ; ten minste de-vragen en antwoorden, vervat in de Onderwijzing voor de kinderen, die zich bereiden tot hunne Eerste Communie.
Dc onderrichtingen in de Geloofs- en Zedenleer zijn eigenlijk geene lezingen over die stof,, maar gansch afgewerkte onderrichtingen , met voorrede, ver deeling, uiteenzetting der punten en sluitrede, verrijkt met vergelijkingen, geschiedenissen, enz.; dus hoofdzakelijk geschreven voor priesters in bediening. Zij zijn naar den Mechelsehcn Catechismus verdeeld in vijf dcelen.
In het eerste deel wordt gehandeld over het Geloof en het Symbolum der Apostelen ;
In het tweede deel, over de Hoop, over het Gebed in het algemeen, over het Onze Vader en het Wees Gegroet;
In het derde deel, over dc Liefde, de tien Geboden Gods en de vijf Geboden der H. Kerk;
In het vierde deel, over de zeven HH. Sacramenten ;
In het vijfde deel, over de Christelijke Rechtvaardigheid, over dc Zonde, dc Deugd, dc Goede Werken cn eindelijk over de Vier Uitersten van den mensch.
Elke onderrichting is voorafgegaan van een korten inhoud, ivaardoor een spoedig overzicht vergemakkelijkt wordt.
De onderrichtingen kunnen in dc Vroeg- cn Hoogmis voorgedragen worden, zelfs op één cn denzclfden dag ; bijv., de inhoud een weinig daarbij gevoegd in de Vroegmis cn dc afgewerkte onderrichting in dc Hoogmis; hetgeen een groot gemak oplevert voor priesters, die, in hunne parochie alleen zijnde, veel bezigheden hebben.
Men zal mij wellicht ten laste leggen in de verhandeling van zekere stoffen te langdradig te zijn, en \'t is mogelijk; doch men merke op, dat niet alle onderrichtingen overal behoeven gegeven te worden, en dat men de overige kan wijzigen; ia, dat zij zelfs, volgens plaats en persoon, hier
oj daar moeten gewijzigd worden, laat zich gemakkelijk verstaan ; dat alles nochtans kan geschieden, zonder den draad der lessen van den Catechismus te breken.
Overvloedige stof doet zich in dit werk op voor onderwijzingen tijdens den Vasten, zooals, bijvoorbeeld, over de volmaaktheden van God, over het Gebed in \'t algemeen,
over het Onze Vader of het Wees Gegroet in 7 bijzonder,
\'over de Biecht, over het H. Sacrament des Altaars en het H. Sacrificie der Mis, over het een of ander Gebod, enz.
Bijgevolg, ten einde mijnen Medebroeders in het heilig ministerie van dienste te zijn heb \'ik op aanraden van meer dan één priester besloten met goedkeuring der geestelijke overheid mijne onderrichtingen in \'t licht te geven, in de hoop dat zij strekken mogen tot glorie van God en tol zaligheid der zielen.
Ant. Roovers, Pastoor.
I
Molen-Beersel (Maeseyek), den 8 Januari 1888.
ONDERRICHTINGEN
IN DE
Geloofs- en Zedenleer
NAAK DEN
Mechelschen Catechismus
EERSTE DEEL
OVER HET
GELOOF
EERSTE ONDERRICHTING
OVER DE CHRISTELIJKE LEERING
Fili mi, CHstodi serntones hmos cf praeepta mca rcconde tibi.
Mijn zoon, bewaar mijno woorden on verberg voor u mijno bevelen. {i\'rov. vu, i.)
INHOUD.
VOORUKDM.
Er bestaan verscheidene en menigvuldige leeringen voor de verscheidene, en menigvuldige staten ol\'standen; doch er bestaat eene leering, die de allerzaligste is en alle menschen aangaat, namelijk, de christelijke leering of de Catechismus. Zien wij vandaag de noodzakelijkheid dier leering.
VERDEEUNG.
I. Noodzakelijkheid voor alle menschen;
II. Noodzakelijkheid voor eenige personen in \'t bijzonder.
— 8 —
I.
De Catechismus is noodzakelijk voor alle inensche 11:
1° Omdat zij zonder den Catecliismus niet weten wat zij-moeten gcdooven om zalig te worden ;
2° Omdat zij zonder den Catechismus niet weten wat zij moeten doen om zalig te worden.
II.
De Catechismus is noodzakelijk voor eenige personen in het bijzonder:
1° Voor de ouders ten opzichte van hunne kinderen ;
2° Voor de oversten ten opzichte van hunne onderdanen ;
3° Voor de kinderen zeiven.
SLUITREDE.
Aangezien de noodzakelijkheid der christelijke leering onder alle wetenschappen der wereld, zullen wij ons best doen om die leering te kennen, te onthouden en er ons leven naar te schikken.
EERSTK ONDERRICHTING
OVER DE CHRISTELIJKE LEERING
Fili mi, custodi scnnoiies mcos et prlt;ecej)tU mea reconde tibi.
Mijn zoon, bewaar mijne woorden cn verberg voor u mijne bevolen. (1\'rov. vu, i.)
VOORREDE.
Mr bestaan, Zeer Bomimle Hroeders, versclicidone leeringen, inenigvuldige wetenschappen voor de verscheidene en menigvuldige staten of standen. De eene, bijv., legt zich toe op de geneeskunde; een ander bestudeert de rechten ; een derde-bereidt zich voor den handel; kortom, een ieder tracht zich bekwaam te maken voor de bezigheden van zijn beroep. Nochtans, onder al die leeringen en wetenschappen der wereld vindt men er ééne, die de allerzaligste is. De Catechismus vraagt:
Welke is de allerzaligste leering onder alle loetendheden der wereld? En hij antwoordt:
De chris lel ij he leering of de üalechismus.
Die leering wordt genoemd christelijke leering, dat wil zeggen, leering van Christus, omdat Christus zelf ze eerst geleerd heeft en zijne Apostelen hebben ze alom verkondigd. Thans wordt de christelijke leering door hunne opvolgers en afgevaardigden nog geleerd en overal verkondigd, en zij zal geleerd en verkondigd worden tot het einde der eeuwen, (laat, zeide Jesus tot zijne Apostelen, onderwijst alle volkeren: Eunies ergo docele omnes gen les. En ziet, Ik ben met u tot
— 10 —
het einde der eeuwen: Et ecce, Ego vobiscum sura usque ad consummationem sceculi. (i)
De christelijke leering wordt genoemd de allerzaligste, omdat zij den mensch het beste dient om zijn eeuwig geluk, zijne zaligheid te bewerken.
Vandaag, B. B., ben ik voornemens u te doen zien de noodzakelijkheid der christelijke peering:
I. Noodzakelijkheid voor alle menschen; II. Noodzakelijkheid voor eenige j)ersonon in \'t bijzonder.
I.
De christelijke leering of de Catechismus, B. B., is noodzakelijk voor alle menschen: do reden er van is zeer klaar. De mensch staat in betrekking met God, van wien hij afhangt; \'( is God die hem geschapen heeft en die hem voortdurend bewaart. De mensch staat in betrekking met zijnen evennaaste, met wien hij moet leven; derhalve heeft hij plichten te vervullen jegens God en jegens zijnen evennaaste; daarenboven heeft hij nog plichten jegens zich zeiven. Niemand is daarvan vrij. Hoe zal nu de mensch die plichten volbrengen, in geval hij zo niet kent? En hoe zal hij zo kennen, zoo hij den Catechismus verwaarloost \'i Immers, 15. B., de Catechismus vraagt:
Wat heet gij de christelijke leering? En hij antwoordt: Het kort begrijp van het gene dat Christus geleerd heep., en alle christene menschen moeten roeten of doen om zalig ie icorden.
Het kort begrip, d. i. een korte inhoud van hetgeen Christus geleerd heeft; bijgevolg geeue uiteengezette leering zooals de godgeleerdheid.
(ij Mattii. xxviii, 10-20.
En alle chrislene menschen moeten weten 0/ doen om zalig te worden. Wij moeten dus vooreerst eenige waarheden weten eu gelooven, de eene uit noodzakelijkheid des middels, d. w. z., dat wij zonder de kennis en liet geloof dier waarheden volstrekt niet kunnen zalig worden, al ware onze onwetendheid ook onvrijwillig; de andere uit noodzakelijkheid des gebods, d. w. z., dat wij die waarheden moeten kennen en gelooven uit kracht van een gebod van God of van de H. Kerk. Nochtans, wat deze laatste waarheden betreft, eene onvrijwillige onwetendheid er van zoude den menscli kunnen verschoonen. Wij moeten dus den Catechismus kennen om liet noodzakelijke te weten en te gelooven.
Doch, I). B., het is niet genoeg zijnen godsdienst te kennen, men moet hem ook beoefenen. Welnu, t is wederom de Catechismus die ons zulks leert; hij leert ons immers ook wat wij moeten doen om zalig te worden. De Catechismus is derhalve voor alle menschennoodzakelijk om hunne plichten te kennen en er naar te leven; kortom, om zalig te worden. En denkt niet, H. B., dat er weinige menschen gevonden worden, die uit gebrek aan kennis in de christelijke leering verloren gaan. Hoort hierover den Paus Benedictus xiv ; Dit beweren wij, zegt die groote Paus, dat er velen van hen die verloren gaan, verloren gaan om de onwetendheid in de geheimen des geloofs, die zij noodzakelijk moesten kennen en gelooven om zalig te worden. De christelijke leering o( de Catechismus is dus noodzakelijk voor alle menschen. Laten wij nu nog zien, voor wie hij in \'t bijzonder noodzakelijk is.
II.
Er bestaat eene groote en zware verplichting voor de ouders, B. B., te zorgen dat hunne kinderen in den Catechismus onderwezen worden. De ouders, die met God hunne kinderen het lichamelijk en tijdelijk leven geschonken hebben, moeten
— 12 —
ook voor hun geestelijk en eeuwig leven zorgen. Uwe kinderen, ouders, zijn bestemd om op aarde God te kennen, te beminnen en trouw te dienen, ten einde Hem na dit leven met u eeuwig-te bezitten in den hemel. Wie nu moet daartoe bijdragen? Vooral de ouders, en bijaldien zij het niet doen blijven zij te kort aan hunne plichten jegens God en jegens hunne kinderen. Ik zeg, aan hunne plichten jegens God. Vaders en moeders 1 God heeft u die kinderen gegeven, of liever Hij heeft ze u toevertrouwd; t zijn panden die Hij eenmaal van u zal terug vorderen; aan hunne plichten jegens hunne kinderen, die zij moeten onderwijzen in \'t geen de zaligheid aangaat; en gij zoudt hen uit gebrek aan geestelijk voedsel of onderwijs laten omkomen lt; Ook zullen de ouders het eerst de gevolgen van de onwetendheid hunner kinderen ondervinden, waarvan zij mede de schuld zijn; zij zullen liet eerst de vruchten der ongereld-heden plukken, die noodzakelijk uit de schuldige onwetendheid hunner kinderen voortspruiten.
Men treft soms ouders aan, die klagen over hunne kinderen. Onze kinderen, zeggen zij, beminnen ons niet; zij weigeren ons den verschuldigden eerbied, de gehoorzaam- en behulpzaamheid; zij schijnen er maar op uit te zijn om onze lasten nog zwaarder te maken. Mn waarlijk, B. 13., er worden van die ongelukkige ouders gevonden ; doch wilt gij nimmer tot het getal dier ongelukkigen behooren ? Dat dan eene moeder haar jeugdig kind God leere kennen; dat zij in liet hart van haar kind, dat zij het best moet kennen, de liefde en de vrees des Hoeren pronte, en zij zal weldra met genoegen de zoete vruchten van haren arbeid inzamelen. Ver van u derhalve, moeders! de goddelooze grondbeginselen dezer wereld, volgens welke men den kinderen niet meer van God moet spreken. Ver van u de dwaze verblindheid van het jeugdige hart uwer kinderen te bederven door de ijdelheden der wereld, door den overtolligen opschik en door de bedriegelijke schijnvermaken. O, hoe vele moeders worden er gevonden, die op
zulke wijze hunne kinderen bederven en de oorzaak zijn van hun eigen en hunner kinderen ongeluk! Dat eene moeder dus de godvreezende Moeder der Machabóen navolge en met haar zegge : Mijn kind ! ik verzoek u, sla uwe oogen ten hemel : 1\'cto te, nate! ut aspicias ad cainm. (i) Dat de eerste woorden, welke het kind op haren schoot stamele, de zoete namen van Jesus en Maria zijn. Eene moeder kent beter dan iemand de neiging van het kinderhart; zij is derhalve verplicht ei\' eene goede richting aan te geven, en zijt verzekerd, die moeder, in \'t algemeen gesproken, zal geenc noodlottige gevolgen te betreuren hebben. Bereidt derhalve uwe kinderen tot de onderrichtingen voor; doet hen den Catechismus te huis van buiten leeren en opzeggen; zendt hen naar de school en naar de kerk; woont, zooveel gij kunt, met hen de onder-richtingen bij, vooral die in de kerk gegeven worden; verzekert u of uwe kinderen den Catechismus bijwonen, zoo niet, moet gij hen berispen, ja misschien straffen.
Wat de vaders aangaat, zij moeten ongetwijfeld de lessen der moeders en de onze met hun vaderlijk gezag bekrachtigen; zij moeten met woorden en werken, gelijk eertijds Tobias, hunne kindereu God leeren kennen, beminnen en vreezen. O gelukkige ouders! die zich zoo van hunne plichten kwijten; die hunne kinderen met de jaren zien toenemen in wijsheid en deugd voor God en voor de menschen. Gelukkige, ja, driewerf gelukkige huisgezinnen I die uit dergelijke ouders en kinderen zijn samengesteld; die huisgezinnen genieten als het ware een voorsmaak van het groote huisgezin, waarvan God de Vader, Maria de Moeder, de Engelen en Heiligen de kindereu zijn, d. i. van den hemel.
De oversten, B. B., hebben dezelfde verplichting ten opzichte van hunne onderdanen of dienstboden ; zij zelven moeten hen onderwijzen, bijaldien zij onwetend zijn ; zij moeten hen
(ij II. Mach. vu, üs.
— 14 ~
gebieden de onderrichtingen bij te wonen, en vooral mogen zij geen beletsel stollen van aan die groote verplichting te kunnen voldoen.
Er blijft nog een woordje te zeggen van de kinderen zeiven. Mij dunkt dat ik hunne verplichting tot een punt kan brengen, namelijk, tot do gehoorzaamheid. Bijaldien de ouders en oversten hunnen plicht doen, d. i., zoo zij onderrichten en gebieden de onderrichtingen bij te wonen ; de kinderen en onderdanen moeten leeren en gehoorzamen. Doch hier zoude eene vergissing kunnen plaats hebben.
De Catechismus, zegt men, is maar voor de kinderen: en waarlijk, ik wil toegeven dat het in zekeren zin zoo is; doch verslaat mij wel : er zijn kleine en groote kinderen; de kleine kinderen moeten zeker leeren en de onderrichtingen bijwonen, maar de groote niet minder ; ja, deze nog meer. Van het gedacht uitgaande dat de Catechismus slechts voor de kleine kinderen is, zoudt gij een kind der onwetendheid kunnen zijn honderd jaren oud, en een menscli versleten in de ondeugd.
SLUITREDE.
Aangezien de noodzakelijkheid der christelijke leering voor alle menschen en voor eenige personen in \'t bijzonder, zullen wij ons best doen om die allerzaligste leering wel te kennen en te onderhouden. Immers de Catechismus vraagt:
Wie moeien de christelijke leering weten en onderhonden? En hij antwoordt:
Alle menschen, want dit is de wil van God, en anders hunnen zij niet zedig worden, noch oprecht gelukkig zijn in dit leren.
Dus, groot en klein, jong en oud, rijk en arm, in een woord, alle menschen. God gebiedt het en zonder dat kunnen zij niet
waarlijk gelukkig zijn hier op aarde, noch eenmaal in den hemel komen.
Is hel genoeg de. christelijke leering eens geweten te heihen ?
Neen ; men moei ze blijven onthouden, en er altijd voortgang in doen.
Dus, niet alleen ze niet vergeten of verwaarloozen, maar ze onthouden en immer beter trachten te verstaan. Vervolgens zullen wij met de genade Gods ons leven naar die leering inrichten, waardoor wij eerst ons tijdelijk en eindelijk ons eeuwig geluk zullen bewerken. Amen.
TWEEDE ONDERRICHTING
OVER DEN MENSCH
Facidmus hominem ad imagincm at smililudinem nostram.
Ijaten wij ilen mensoli makou naar ons beeld en onze gelijkenis.
(Gen. ], so.)
INHOUD.
VOOKREUE.
])e christelijke leering of de Catechismus is noodzakelijk voor alle menschen en voor eenige personen in \'t bijzonder. Hij leert ons al wat wij moeten weten en doen om zalig te worden. Vandaag gaan wij spreken over de waardigheid van den mensch:
VERUEEUNG.
I. Waardigheid van den mensch; 11. Waardigheid van den christen mensch.
I.
Waardigheid van den mensch beschouwd in zijne schepping, in zijne ziel en in zijn lichaam. Die waardigheid is zeer verminderd om de wonden, welke de mensch zicli door de zonden heeft toegebracht.
11.
Waardigheid van den christen mensch. Drie vereischten om christen mensch te zijn: gedoopt zijn, het waar geloof bezitten en staan onder de gehoorzaamheid van den Paus van Rome.
De christen is een broeder van Jcsus-Christus, erfgenaam van God, niedeërl\'genaain van Christus, lien christen mensch moet de geboden van Christus onderhonden en zijn leven schikken naar de leering van Christus. Hoe gedragen zich vele christenen jegens hunne ziel en hun lichaam.
Sl.rmiKOK.
Woorden van den II. Leo. Besluiten wij daaruit onze ziel en ons lichaam te eerbiedigen.
Gi-\'i.ooFh • I;N ZI:DEM.I;;;U. 2.
— 18 —
TWEEDE ONDERRICHTING
OVER DEN MENSCH
Faciamus hominem ad imaginem et simüitudinem nostrum.
Laten wij don mensch maken naai\' ons beeld cn onze gelijkenis.
(Gen, i, 20.)
VOORREDE.
In de eerste onderrichting, Beminde Broeders, hebben wij de noodzakelijkheid van de christelijke leering overwogen, noodzakelijkheid voor alle menschen en voor eenige personen in \'t bijzonder. Wij hebben gezien dat de Catechismus ons leert al wat wij moeten weten en doen om zalig te worden; dat de mensch zonder den Catechismus zijne menigvuldige plichten jegens God, jegens zijnen evennaaste en jegens zich zeiven niet kan kennen en bijgevolg ook niet kan nakomen. Doch alvorens de plichten van den mensch te onderzoeken, zullen wij eerst zien wat de mensch zelf is. Die kennis, B. B., zal ook niet weinig bijdragen om ons te eerbiedigen. De mensch vergeet zich dikwijls; hij geeft zich niet zelden aan buitensporigheden over, waarvan het gedacht zijner waardigheid hem met Gods genade zal terughouden. Met dit inzicht zullen wij zien de waardigheid van den mensch:
1. Waardigheid van den mensch;
11. Waardigheid van den christen mensch.
— 19 —
I.
De Catechismus vraagt:
Wat is de mensch? Eu hij antwoordt;
Een redelijk schepsel Gods, hebbende eene onsterfelijke ziel en een sier lelijk lichaam.
Vooreerst is de mensch eeu schepsel Gods.
Waarom wordt de mensch genoemd een schepsel Gods?
Omdat hij van God geschapen is.
God heeft den mensch evenals do overige schepselen het bestaan gegeven.
Weit volgt daaruit dat de mensch van God, geschapen is ?
Dat hij aan God toebehoort, en leenemaal van hem afhangt.
Do mensch is dus \'t eigendom van God; God kan over hem beschikken.
Vervolgens is do mensch een redelijk schepsel.
Waarom wordt hij genoemd een redelijk schepsel?
Omdat hij met rede en verstand begaafd is. Hij weet dus wat en waarom hij het doet.
Om ons, B. B., een juist en tevens treffend gedacht van de waardig- en verhevenheid van den mensch boven de overige schepselen der aarde te vormen, hebben wij slechts hot boek der schepping te beginnen.
God, die in eeuwigheid bestaat en in zich zeiven oneindig gelukkig is, heeft niets noodig. Nochtans, Hij besluit de aarde en al wat zij bevat te scheppen, d. i., van niet te maken. Door zijn woord, het almachtig « Fiat gt;• het worde, roept Hij hemel en aarde te voorschijn; alles staat daar in de volkomenste volmaaktheid. De aarde, B. B., met al hare schoon- en bevalligheden is als eene verhevene woonplaats, als een prachtig paleis voor eeu verhevener wezen in gereedheid
— 20 —
gebracht; een wezen dat meester zal zijn van de vogelen des hemels, van de visschen der zee en van de dieren des velds; een wezen, dat met rede en verstand begaafd zijnen Schepper zal kennen en Hem hulde zal bewijzen. Dat wezen, B. B., is de niensch. Doch boe heeft God den mensch geschapen?
Bij het scheppen van hemel en aarde gebruikte God het \'•Fiatquot;, d. i., Hij sprak; het worde, en het werd. Zoo sprak God, bijv., quot; Fiat lux* (i) ; bet worde licht, en bet werd licht: doch bij bet scheppen van den mensch zegt Hij: Laten wij den mensch maken: Facianus hominem, [•i] Wat moet er dan gebeuren? God, of liever de drie goddelijke personen beraadslagen gelijk iemand die een groot werk gaat beginnen; zij zeggen niet: dat de mensch worde, of dat de aarde den mensch voortbrenge, gelijk God gezegd liad, liet worde licht, of dat de aarde alle slach van dieren voortbrenge: neen, maar zij zeggen: Laten wij den mensch maken naar ons beeld en onze gelijkenis. De waardig- en verhevenheid van den mensch blijkt dus reeds uit de beraadslaging der Heilige Drievuldigheid in de schepping.
De mensch, in zijne bestanddeelen beschouwd, doet niet minder zijne waardigheid uitschijnen. De Catechismus vraagt: Uit hoeveel deden beslaat de mensch ? En hij antwoordt: Uü twee, te weten, uit eene onsterfelijke ziel en een sterfelijk lichaam.
Do waardigheid van den mensch, B. B., schijnt vooral uit in zijne ziel; deze overtreft ver liet lichaam. Immers:
Weill is het weerdigsle deel van den mensch ?.
De ziel.
Waarom ?
Omdat hij geschapen is naar hel beeld en degelijkems van God.
(i) Gen: t, 3. (2) Gen: i, 28.
— 21 —
De ziel van den mensch is geschapen naar liet beeld en de gelijkenis van God. God is een geest, de ziel is een geest; God is onsterfelijk, de ziel is onsterfelijk. Doch:
Weit is te zeggen: onsterfelijke ziel?
Dat onze ziel niet kan sterven en nooit zal te niet gaan.
De H. Augstinus drukt zich over de gelijkenis der ziel met God op do volgende wijze uit : Gelijk God, zegt hij. één is in wezen en drievuldig in personen, zoo is de ziel een is wezen en drievuldig in krachten, in verstand, geheugen en wil. De Catechismus vraagt;
Wat volgt daaruit dat onze ziel weerdiger is dan ons lickaam ?
En hij antwoordt:
Dat wij voor onze ziel veel meer. achting en zorg moeien hebben dan voor ons lickaam.
Het lichaam van den mensch, B. B., is sterfelijk :
Wat is te zeggen: sterfelijk lickaam?
Dal ons lichaam onderworpen is aan de dood, en eens zal sterven.
Alhoewel liet lichaam van den mensch sterfelijk is, \'t Is niettemin een meesterstuk van Gods handen. De edele houding van don mensch toont zijnen voorrang boven de overige schepselen der aarde. Terwijl de overige dieren naar den grond gebogen gaan, waarin zij weldra zullen wederkeeren, houdt de mensch zich recht en vestigt zijn oog ten hemel.
God,, B. B., had den mensch nog in eene nieuwe orde gesteld, d. i., Hij had hem tot een bovennatuurlijk einde bestemd, namelijk, om zijnen Schepper eenmaal aanschijn aan aanschijn te aanschouwen, waarop de mensch van natuur geene aanspraak had. Onze stamouders Adam en Eva waren vrienden van God; zij waren oorspronkelijk heilig en rechtvaardig. Met die oorspronkelijke heilig- en rechtvaardigheid
waren verscheidene voorrechten verbonden: hun wil stemde geheel en al met den wil van God overeen; het vleesch verzette zich niet tegen den geest; zij hadden eene verhevene kennis van God, eene groote kennis van al het geschapene; zij waren vrij van alle kwellingen en pijnen, ja zelfs van den dood. Ziedaar, hoe de mensch van God geschapen is. \'t Is waar, Adam en Eva verloren door de zonde van ongehoorzaamheid de heiligmakende genade ; zij brachten zich betreurenswaardige wonden toe, waarvan wij heden nog de droevige gevolgen ondervinden ; doch de mensch, door Jesus-Christus opgebeurd, blijft niettemin eene overgroote waardigheid behouden. Zien wij dus in het tweede deel de waardigheid van den christen mensch.
II.
De Catechismus vraagt:
Wat is een christen mensch? En hij antwoordt:
Een discipel van J es its - Christus, die gedoopt zijnde, gelooft en belijdt de zalige wet van Christus in de waarachtige Kerk tegen alle sekten.
Om christen mensch te zijn worden drie voorwaarden vereischt:
1° Men moet gedoopt zijn : het Doopsel is volstrekt noodzakelijk: zonder Doopsel is men Heiden, Turk of Jood ;
2° Men moet het waar geloof bezitten eu belijden als het noodig is. Ingeval men de dwaling vrijwillig aankleeft, is men Ketter;
3° Men moet staan onder de gehoorzaamheid van den Paus van Rome, d. i., men moet den Paus en de andere oversten der H. Kerk voor zijne oversten erkennen, zoo niet is men Scheurmaker. Ziedaar de drie voorwaarden, welke er voor hen, die tot de jaren van verstand gekomen zijn, vereischt worden om ware Christenen, d. i , om Katholieken te zijn.
Voor de kleine kinderen, die nog niet tot de jaren van verstand gekomen zijn, is natuurlijk het Doopsel alleen voldoende. De Catechismus vraagt;
Zijl gij een christen mensch? En hij antwoordt: Ja, door de gratie Gods. En te recht antwoordt hij: door de gratie Gods; want het is uit loutere goedheid en liefde van God jegens ons dat wij hot geluk hebben van Christenen te zijn.
Is het een groot geluk christen mensch te zijn ?
Ja, het is een allergrootste geluk
Immers, de Christen is een broeder van Jesus-Christus, hij is erfgenaam van God, medeërfgenaam van Christus, ja, wat meer is, zonder Christen te zijn zoude men nooit in den hemel kunnen komen. Zien wij nu ook nog wat er vereischt wordt om een goed christen mensch te zijn. De Catechismus vraagt: Wat betaamt een christen mensch ? En hij antwoordt: Dat hij de geboden ran Christus onderhoude, en zijn leven schihhe naar de leering ran C/iristiis.
De Christen moet dus de geboden van Christus onderhouden en zijn leven schikken naar de leering van Christus, en ingeval hij zulks niet doet is hij zijn naam onwaardig, hij verdient niet meer Christen, d. i., leerling van Christus genoemd te worden. En helaas! B. I!., hoevelen treft men er niet aan die zich slecht gedragen? Zij zeggen dat zij Christenen zijn, en \'t is waar. God heeft hen door eene bijzondere genade tot het H. Doopsel geroepen; daardoor zijn zij Christenen geworden buiten zoovele anderen, die dat allergrootste geluk niet hebben. Doch hoe gedragen zij zich? Leiden zij een leven hunnen naam waardig? En om tot mijne verdeeling terug te komen : welken eerbied hebben zij voor hunne ziel? Geschapen naar het heeld van God, een geestelijk en onsterfelijk wezen, overtreft zij ver het lichaam, zoodat het onmogelijk is hare schoon- en volmaaktheid te verbeelden. En welken eerbied heeft de zondaar voor zijne
ziel ? Dikwijls niet den minsten. En welken eerbied heelt hij voor zijn lichaam? Door het geloof onderricht, weten wij dat ons lichaam heilig is: liet is in de wateren des Doopsels gezuiverd, gesterkt door de II. Zalving, en wellicht is het dikwijls de tempel geweest van het goddelijk vleesch en Moed van Jesus-Christus. Ja, Ü. 1!., ons lichaam is de levende tempel des II. Geestes, een lidmaat van den God-mensch, bestemd tot de hemelsche glorie, om God eeuwig aanschijn aan aanschijn te aanschouwen; on niettegenstaande de kennis zijner waardigheid aarzelt de zondaar niet er misbruik van te maken en het de grootste schande en oneer aan te doen.
\'t Is waar, B. 15., wij bevinden ons niet meer in den staat, waarin Adam en Eva zich voor hunnen val bevonden. Zij hadden den strijd niet, dien wij te leveren hebben en wellicht te leveren zullen hebben gansch ons leven, den strijd van het vlef sch tegen den geest. Verscheidene wonden zijn óns door de zonde toegebracht, en de grootste en gevaarlijkste van allen is wel de begeerlijkheid. Doch ziet: die wonden kunnen voor ons bronnen van zaligheid worden, indien wij willen. Zoo is, bijv., de begeerlijkheid des vleesches, die neiging tot het kwaad, geene zonde, alhoewel zi j ons tot de zonde aanzet: daarom moeten wij haar bestrijden; wij moeten God om genade bidden, ten einde niet te bezwijken, en die begeerlijkheid, bijv., zal eene bron van verdiensten worden. Maar de mensch laat zich dikwijls door zijne kwade driften medeslepen; hij verzet er zich niet tegen ; hij wil zich niet bedienen van de middelen om te kunnen wederstaan; hij nadert niet genoeg tot de Uil. Sacramenten; hij bidt God niet; hij vlucht de gevaren en gelegenheden der zonde niet; integendeel, hij stelt er zich zonder reden aan bloot, en wat gebeurt er ? Hij valt in de zonde en dikwijls in de schandelijkste zonde, waardoor hij zijne ziel doodt en zijn lichaam onteert. O ongelukkige zondaar! welk gedacht hebt gij van u zeiven om u zoo te mishandelen!
— 25 —
SLUITREDE.
Ten slotte mag ik eenieder onzer met den H. Leo zeggen : O Christen! erken uwe waardigheid! denk aan uwen verheven oorsprong! Gij zijt een schepsel Gods, met rede en verstand begaafd; gij kent dus God en uwe bestemming, waardoor gij de overige schepselen der aarde ver overtreft. Uwe ziel is onsterfelijk, naar het beeld en de gelijkenis van God geschapen; zij is waardiger dan uw lichaam ; gij moet dus voor uwe ziel veel meer achting en zorg hebben dan voor uw lichaam. Uw lichaam is een meesterstuk van Gods handen en ook heilig. Gij zijt een christen mensch ; gij moet dus de geboden van Christus onderhouden, en uw leven schikken naar de leering van Christus. Ik herhaal het nogmaals : O christen mensch ! Erken uwe waardigheid naar ziel en lichaam! Eerbiedig u zeiven! Eerbiedig uwen eveiunensch ! Gij, die der goddelijke natuur deelachtig zijt, wil niet door eeu ontaarden levenswandel tot uwe vroegere laagheid terugkeeren ; beantwoord aan uwe waardigheid; beantwoord aan uwe bovennatuurlijke, aan uwe hemelsche bestemming, en eenmaal zult gij ze met Gods genade deelachtig worden, Amen.
DERDE ONDERRICHTING
OVER HET EINDE VAN DEN MENSCH
Non habemus Mc mancntcm civilatem, sed futuram inquininus.
Wij hebben liier geenc bestendige verblijfplaats, maar wij streven naar ecne toekomende. (11 win. xm, n.)
INHOUD.
VOORREDE.
Wij hebben gezien wat de menscli, en wat de christen mensch is. De schepselen der aarde hebben enkel eene natuurlijke bestemming. De mensch is uit loutere genade tot een bovennatuurlijk einde, voor den hemel geschapen. Om dat einde te bereiken moet hij:
VERDEELING.\'
I. God dienen;
II. Hoe moet hij God dienen?
I.
De mensch moet God dienen: \'I is de noodigste zaak, die hij te verrichten heeft. Zonder God te dienen kan hij niet gelukkig zijn, want hij is voor God geschapen en zijn hart kan geene rust vinden dan in God te dienen.
De leven- en redelooze schepselen dienen God. De Kngelen dienen God; Michael, Raphael, Gabriel. De mensch weigert weieens God te dienen. Nochtans, God heeft volle recht op den dienst van den mensch: God is zijn Schepper, Heer, Regeerder en Verlosser.
II.
Hoe moet de mensch God dienen? Hij moet God dienen gelijk God zelf het wil en voorschrijft, met wel te onder-houden ai wat een christen mensch betaamt. De mensch is vrij, doch hij moet God dienen door te onderhouden de wet der natuur, de tien geboden Gods, de geboden der H. Kerk en de plichten van zijnen staat.
Dwaling wederlegd van hen, die den dienst van God stellen enkel in veel bidden; dwaling wederlegd van zekere klasse jongelieden.
SLUITREDE.
Het einde van den menscii hier op aarde bestaat in God te dienen; daarna zal hij het geluk hebben zijnen Heer en (lod in den hemel eeuwig te aanschouwen.
Troostrijke waarheid, vooral voor den bedrukte, voor eiken christen mensch die God getrouw dient.
— 28 —
DERDE ONDERRICHTING
OVER HET EINDE VAN DEN MENSCH
Non habemus Inc. imncntcra civilalem, sed futurum mquirimus.
Wij hubboii liier geeno bestendige verblijfplaats, maar wij streven naar ceno toekornende. {Huiin. xm, n).
■S\'OORREDE.
hi onze voorgaande onderrichting, li. J!., liebben wij gezien, wat de menscli, en inzonderheid wat de christen mensch is: thans gaan wij spreken over het einde van den mensch.
Onder de schepselen, die wij op de aarde aantreffen, is de nionscli alleen niet rede en verstand begaafd-. De christen, door liet geloof verlicht, kent daarenboven beter dan iemand zijnen Schepper en zijne bovennatuurlijke bestemming. De Catechismus vraagt:
lol, wat einde is de mensch geschapen? En hij antwoordt:
Om m dtl leven God Le dienen, en namaals eeuioiglijk hem te aanschouwen.
De christen weet dat de overige schepselen der aarde slechts eene naluuiiijke bestemming hebben; dat zij eenmaal in den niet zullen wederkeeren, waaruit zij getrokken zijn. Hij weet dat zij voor hem geschapen zijn; dat hij er naar het gebod van God gebruik van kan maken; dat hij er zich van moet bedienen als van zoo vele middelen, om, door de genade Gods tevens geholpen, tot zijne hemelsche bestemming te geraken. De schepselen zijn derhalve, gelijk gij ziet, B. 13., middelen
— 29 —
om tot de zaligheid te komen; wij mogen er dus nooit ons laatste einde in stellen : de hemel, God alleen is en mag het laatste einde van den mensch zijn.
Om dat einde te hereiken, B. B., moeten wij God dienen. God wil, ja, Hij vereischt dat wij medewerken in het groot werk onzer zaligheid. Wij willen ons dus vandaag eens goed overtuigen:
I. Dat wij God moeten dienen;
II. Zien, hoe wij God moeten dienen.
I jl
De Catechismus vraagt:
Wat moei de mcnsch in dit leren meest Ier herle nemen? En hij antwoordt:
God te dienen-, want dit is de noodigsle zaak die hij in dit leven te verriclden heeft.
Krui de mensch oprecht gelukkig zijn zonder God, le dienen ?
Neen; want hij is voor God geschapen, en zijn hert kan geene rust vinden dan in God, te dienen.
Alles, 15. B., moet God dienen. God, gelijk wij weten, de Schepper, Heer en Regeerder; Hij is de Koning van al het geschapene.
De levenlooze schepselen zijn aan zijne wetten onderworpen. De zon, maan en sterren verkondigen zijnen lof: Cwli enarrant gloriam Dei. (i) Zij wijken in het minste niet van de hun voorgeschreven richting af. De woedende stormen, de bulderende orkanen gehoorzamen aan God; Hij spreekt van zich te verheffen en zij breken los; Hij gebiedt van zicli te stillen en zij bedaren. De zee, die met hare opgezweepte golven alles dreigt te vernielen, gehoorzaamt aan zijne stem.
(l) Ps; xviii, 1.
I
— 30 —
De redelooze dieren zijn aan zijne bevelen onderworpen. Hij gebiedt den uitgehongerd en leeuw den Martelaar in hel Amphiteatrum te sparen en te eerbiedigen, terwijl Hij wil dat hij den ongehoorzamen Profeet op den eenzamen weg aanvalle en doode.
De Engelen en Heiligen des hemels loven en verheerlijken Uod, door onophoudelijk het driewerf, Heilig, Heilig, Heilig de Heer der legerscharen! te zingen; zij werpen zich voor den troon zijner heerlijkheid neder, waardoor zij zich vernederen en Gods oneindige majesteit erkennen. De Engelen staan gereed om Gods bevelen op den eersten wenk te aanvaarden en ten uitvoer te brengen. De Aartsengel Michaël, bijv., werpt op bevel van God don opstandeling Lucifer met zijnen aanhang uit den hemel in den afgrond der hel. God zendt zijnen Engel om eene brave familie uit den nood te verlossen : Raphael verschijnt in de gedaante van een schoonen jongeling, vergezelt den jongen Tobias op zijne reis en brengt hem behouden bij zijne ouders terug. De Engel des Heeren ontvangt het bevel de menschwording van God den Zoon bekend te maken, en ziet! oogenblikkelijk daalt Gabriël uit den hemel neder, om Maria te boodschappen dat zij verkozen is do Moeder van God te worden.
Gij ziet dus, B. B., dat de leven- en redelooze schepselen der aarde, zoowel als de verhevenste geesten des hemels aan Gods wetten onderworpen zijn, dat zij Hem gehoorzamen en dienen; ja, wat meer is, zij roepen ons als het ware toe, en zij zullen niet ophouden ons toe te roepen van God te beminnen en te dienen. En de mensch ? O ! hij durft tegen God, zijnen Heer en Meester, opstaan ! Hij alleen durft in zijne dwaas- en dolzinnigheid uitroepen: Non serviam! (l) Ik zal u niet dienen! Ziedaar de ongehoorzaamheid van den mensch, die de schoonste orde verbreekt, die alles in wanorde brengt.
(l) JiiR: li, 20.
En welke reden heeft do mensch wel om God niet te dienen, om tegen Hem op te staan? Heeft God soms liet recht niet hem te gebieden? Kan God den dienst van den mensch wel vorderen?
God, 15. B., is de Sclieppor van den mensch, omdat Hij hem geschapen, van niet gemaakt heeft; de mensch hangt dus van God af.
God is de Heer van den mensch, deze behoort Hem toe, is zijn eigendom; bijgevolg kan God over hem beschikken, al liet mogelijke van hem vorderen en eischen dat hij Hem love, eerbiedige en diene.
God is de Regeerder of Koning van den mensch, omdat Hij hem regeert en bestiert. Welnu, in geval een wereldsch koning-gebied voert over zijne onderdanen, zoo hij het recht heeft van hem gediend té worden; hoeveel te meer recht heeft God dan, die de Koning der koningen is? De mensch is de onderdaan van God, hij moet Hem dus dienen. God is nog de Verlosser van den mensch. Door de zonde was de mensch in de macht van den duivel gevallen; hij zuchtte onder de klauwen van Satan; hij was een slaaf van den duivel, doch Jesus-Christus heeft hem met zijn goddelijk bloed vrijgekocht; voor die weldaad moet de mensch dus dankbaar zijn en die dankbaarheid moet hij toonen door zijnen God getrouw te dienen.
De waarheid, li. B., dat het einde van den mensch hier op aarde bestaat in God te dienen, en dat God het recht heeft den dienst van den mensch te vorderen, is dus klaar. Laten wij nu in ons tweede deel zien hoe de mensch God moet dienen.
II.
De Catechismus vraagt:
Staat hel de menschen Vrij God ic dienen gelijk zij het goedvinden ? En hij antwoordt:
Neen; maar zij moeten God dienen gelijk God zelf hel toil en voorschrijft.
— 32 —
Hoe toil God dat de mensdien hem dienen ?
Met toel te onderhonden ai wat oenen christen menscJt betaamt.
De inenscli, B. B., is vrij, d. \\v. z., liij kan God gehoorzamen, hij kau God ongehoorzaam zijn ; hij kan God dienen, hij kan God zijnen dienst weigeren, en het bestaat juist in hot goed of slecht gebruik zijner vrijheid dat de mensch of loon, of straf verdient; doch daaruit volgt niet dat de mensch God mag dienen gelijk hij het goedvindt; dat is zelfs eene tegenspraak. Want, wat is dienen? Dienen is den wil van zijnen meester doen ; zich onderwerpen aan zijne bevelen ; doen hetgeen hij gebiedt en laten hetgeen hij verbiedt; hem dienen in den staat waarin hij zijnen dienaar gesteld heeft.
Ziedaar, B. B., wat dienen is, en hoe men moet dienen. Welnu, God is de Oppermeester: Hij heeft zijnen wil te kennen gegeven; aan Adam heeft Hij hem geopenbaard: Hij heeft in het hart van den mensch de wet der natuur geprent; Hij heeft hem zijne tien geboden gegeven; Hij heeft gesproken door zijn eenigen Zoon Jesus-Ghristus, spreekt nog immer in de H. Kerk en zal in zijne plaatsvervangers blijven spreken tot het einde der eeuwen. Ziedaar den wil Gods. Ziedaar hoe Hij verlangt dat wij Hem dienen: volgens de wet der natuur, volgens de geboden van God en van onze Moeder de H. Kerk; en in welken staat? In dien staat, waarin God eenieder gesteld heeft door er de plichten stipt van te volbrengen.
God dienen, zeggen sommigen, is gemakkelijk voor rijke menschen: zij hebben tijd om te bidden en naar de kerk te gaan; zij kunnen aalmoezen geven en allerlei goede werken doen ; maar wij die arm zijn, die van \'s morgens vroeg tot \'s avonds laat moeten werken voor ons en voor onze kinderen, wij hebben den tijd niet om te bidden, om naar de kerk te gaan, wij kunnen God niet dienen. O, B. B., bijaldien gij er zoo over denkt, verkeert gij in eene groote dwaling. Gij hebt
geen goed gedacht van den dienst van God. God stelt u in dezen of genen staat; daarin moet gij Hem dus dienen, door er de plichten van te volbrengen. De werkman, bijv., die geen tijd heeft om veel te bidden, om op de werkdagen de H. Mis bij te wonen, zal trachten zijne korte gebeden goed te doen; Hij zal \'s morgens zijne werken aan God opdragen, een goed voornemen maken van namelijk alles te doen tot glorie van God en tot zaligheid zijner ziel; dat voornemen zal hij gedurende den dag van tijd tot tijd vernieuwen. De werkman zal zoo zorgvuldig mogelijk de zonde vermijden ; en gebeurde het al eens dat hij in zonde viel, hij vrage er God vergifl\'enis van, hetzij in de Bieeht, hetzij door eene akte van berouw of van liefde tot God te verwekken, en bijaldien hij don dag zoo doorbrengt, kan hij zeker zijn dat hij God gediend heeft, en dat zijne werken verdienstelijk voor den hemel zijn.
Een ander wordt door ziekten belet zijne gewone bezigheden te verrichten, voor zijn huisgezin of zijne zaken te zorgen. Hoe zal die persoon God dienen? Door zich aan Gods wil te onderwerpen. God zendt hem dio ziekten over; dat hij ze van God ontvange en met geduld verdrage; dat hij daartoe God om genade bidde; God zal hem bijstaan, en die persoon heeft God getrouw gediend: waarom? Omdat hij den wil van God gedaan heeft. De dienst van God bestaat dus niet in onzen wil, maar in den wil van God te doen, die ons door Gods wet en door de plichten van onzen staat bekend is. O, nu zie ik ook de dwaling in van hen, die den dienst van God en de volmaaktheid stellen enkel in het veel bidden, in het lang in de kerk zitten, in het dikwijls en dikwijls te biechten en te communie gaan; maar die de plichten van hunnen staat verwaarloozen ; die hunne ouders en overstem niet gehoorzaam zijn; die de kleinste gebreken van hunnen evenmensch niet kunnen verdragen; doen die ook den wil van God? Dienen zij God ook getrouw? Neen, ]!. P,., zij doen hun eigen wil,
Gbloofs- en Zedenleer. 3.
— 34 —
zij dienen zich zei ven. Doch die personen zijn zoo talrijk niet, noch zeer te vreezen.
Er bestaat een ander soort van menschen, die talrijker en tevens meer te beklagen zijn; die, alhoewel overtuigd dat zij God moeten dienen. Hem niettemin hunnen dienst weigeren: die ongelukkigen zeggen, zoo niet met den mond, ten minste metterdaad: Wij zijn nog jong; wij moeten ons eerst vermaken; laten wij van onze jonge jaren gebruik maken; wij zullen eerst de wereld en hare vermaken najagen, eerst de rijkdommen, de eer en den wellust genieten, en later, wanneer dat alles verdwenen zal zijn, dan zullen wij ons bekeeren, dan zullen wij boetvaardigheid doen en God beginnen te dienen, ü, zij bekennen dan toch dat alles voorbijgaat, dat er geen bestendig geluk in \'t zingenot te vinden is; doch wie heeft hun een lang leven verzekerd? Wie heeft hun gezegd, dat God, met wien zij in hunne jeugdige jaren gespot hebben, later medelijden met hen zal hebben; dat God, dien zij jong zijnde niet hebben willen dienen, hen later, als zij uitgeleefd zullen zijn, in zijnen dienst nog zal aanvaarden? O mijn God! De mensch zal zijne jeugd den duivel, de wereld en het vleesch opofFeren, en eenmaal afgemat op den weg der ondeugd zal hij U zijnen dienst aanbieden? Welk eene ondankbaarheid! Dat is openlijk den spot drijven met God; dat is zich aan zijn eeuwig ongeluk blootstellen, wijl de mensch den weg, dien hij in zijne jeugd ingeslagen heeft, later zelden verlaten zal; dat is gevaarloopen van eenmaal uit den mond van God te moeten hooren: Ik zal op mijne beurt in uwen ondergang spotten: Ego quoquc in interilu vestro ridebo: (l) Neen, B. B., handelen wij niet gelijk die uitzinnigen doen: overtuigen wij ons wel; dat God getrouw moet gediend worden, én in de kinderjaren, én in de jeugd, én in den ouderdom.
(i) Prov, i, 2G.
— 35 —
SLUITREDE.
Wij hebben de bestemming van den mensch op aarde gezien. God loven, God eerbiedigen, God getrouw dienen, ziedaar wat hij de weinige dagen zijns levens te verrichten heeft: God na dit kortstondig leven eeuwig aanschouwen, ziedaar zijn laatste einde.
O, hoe troostrijk is die waarheid voor don noodlijdende en den bedrukte! Hij scheppe moed! Hij richtte zijn oog en zijn hart ten hemel, naar zijn dierbaar vaderland ! Hij denke aan de woorden van den groeten Apostel, als hij zegt, dat het kortstondige lijden niet te vergelijken is met de toekomende verheerlijking; Non sunt condigncv passiones hujus temporis ad fultiram gloriam qua: revelabitur in nobis, (i) Hoe aangenaam is die waarheid voor eiken christen, die zijnen Heer en Meester, die zijnen goddel ijken Zaligmaker met Vlijt en liefde getrouw dient; eenmaal zal hij uit zijnen mond de troostrijke woorden hooren: Welaan getrouwe en brave knecht! Euge serve hone et fidelis! Kom, neem bezit van hetgeen gij verdiend hebt: ja, treed de eeuwige vreugde van uwen Heer binnen! Intra in gaudium Domini Dei tui! (2) Amen.
(i) Hom. vin, 18. (2) Matiii. xxv, 21.
VIERDE ONDERRICHTING
OVER HET TEEKEN DES H. KRUISES
Verhum crucis.,.. noUs Dei virtus est. Het woord des kruises is voor ons do bracht Gods. (i Cor. i, is.)
INHOUD.
VOORREDE.
Het eiiifle van don inonscli hier op aarde bestaat in God te dienen: het einde van den inenseh hiernamaals bestaat in God aanschijn aan aanschijn te aanschouwen. Tot dit laatste einde moet de niensch God dienen gelijk God het wil en voorschrijft.
Vandaag zullen wij spreken over het teeken van den christen mensch, het teeken des II. Kruises.
VERDEELING.
I. Wat belijden wij door het teeken des H. Kruises?
Tl. Welke kracht heeft liet?
III, Wanneer behooren wij liet te maken?
— 37 —
I.
Door het teeken des H. Kruises belijden wij twee groote mysteriën van ons geloof, te weten, van de H. Drievuldigheid en van do Mensohwording van Christus; ook nog liet mysterie van de Verlossing van het menschdom. Hoe belijden wij die mysteriën door hot teeken des H. Kruises ?
II.
Het teeken des H. Kruises heeft de kracht:
1° Om den duivel te verjagen. De H. Petrus, de H. Antonius Abt, Julianus de apostaat;
2° Om de bekoringen te overwinnen ;
3° Om den zegen van God over ons te trekken. De H. Kerk bedient zich van het kruisteeken. Hoe moet men het teeken des H. Kruises maken\'?
III.
Men behoort het teeken des 11. Kruises te maken :
1° Bij het opstaan en slapen gaan ;
2° In het begin der voornaamste werken ;
3° Voor en ua het eten ;
4° In de gevaren en bekoringen.
SLUITREDE.
Maken wij het teeken des H, Kruises dikwijls en altijd met eerbiedigheid en betrouwen op de verdiensten van Christus, om de vijanden onzer zaligheid te kunnen overwinnen en den gekruisten Zaligmaker te kunnen volgen, hier en hiernamaals.
— 38 —
VIERDE ONDERRICHTING
OVER HET TEEKEN DES II. KRUISES
Verbum erucis,,., nobis Dei virtus est.
Het woord des kruises is voor ons de kracht Gods. (i Cok. i, is.)
VOORREDE.
De mensch, B. B., is geschapen om in dit leven God te dienen en hiernamaals Hem eeuwig te aanschouwen. Het eene einde beantwoordt aan het andere: dient de mensch zijnen Heer en God getrouw den korten tijd dat hij hier op aarde te leven heeft, hij zal na den dood het geluk hebben zijnen lieer en God in den hemel eeuwig aanschijn aan aanschijn te aanschouwen.
De mensch moet God dienen, niet gelijk hij het goedvindt, maar hij moet Hem dienen, gelijk God zelf het wil en voorschrijft, namelijk, door wel te onderhouden al wat een christen mensch betaamt.
Na gezien te hebben dat en hoe de mensch, en vooral de christen mensch, God moet dienen, gaan wij over tot het teeken van den christen mensch, teeken, waaraan men hem erkennen en waardoor men hem van andersgezinden onderscheiden kan. De Catechismus vraagt:
Welk is het teeken van een christen mensch? En hij antwoordt:
Het teeken des heilig kruis.
Waarom is het teeken des heilig kruis het teeken van een christen mensch ?
Omdat men daardoor toont dat men discipel van Christus is, die ons door het kruis verlost heeft.
Wij hebben het teeken des II. Krui?os van onze voorourters, (1. av. z., van de Christenen, die voor ons geleefd hebben, zelfs van de Apostelen die het zeker gebruikt hebben, en die onze goddelijke Zaligmaker schijnt geleerd te hebben er zieli van te bedienen; ja, wat meer is, volgens het gevoelen der H. Vaders zonde Jesus zich van het kruisteeken bediend hebben, om zijne Apostelen te zegenen alvorens ten hemel te klimmen.
Om het teeken des H. Kruises altoos met eerbiedigheid te maken zien wij eens :
I. Wat gt;vij er door belijden;
li. Welke kracht liet heeft;
III. Wanneer wij het behooren te maken.
I.
Wat belijden wij door het teeken des H. Krnisos? Daardoor belijden wij twee groote mysteriën van ons geloof, te weten, van de li. Drievuldigheid en van de Menschwording van Christus.
Vooreerst belijden wij het mysterie van de H. Drievuldigheid. Dit mysterie bestaat, gelijk wij later zullen zien, in de eenheid van wezen en de verscheidenheid van personen: welnu, die twee zaken belijden wij door de woorden, die wij bij het kruis maken uitspreken, als wij namelijk zeggen; In den naam des Vaders en des Zoons en des H. Oeestes. Zeggende: in den naam, in het enkelvoud, en niet in de namen, in het meervoud, belijden wij dat er is één God, d. w. z., een goddelijk wezen, en daar bij voegende: des Vaders, en des Zoons, en des H. (leesles, belijden wij drie verscheidene personen in ééne Godheid, d. i., dat die drie verscheidene personen de Vader, de Zoon en de 11. Geest één en hetzelfde goddelijk wezen hebben.
Vervolgens belijden wij liet mysterie van de Menschwording van Clii lsius, dat nog met zich vereeingt eeii ander mysterie, namelijk, het mysterie van de Verlossing van het menschdom; want God de Zoon is eigenlijk menscli geworden om ons van de slavernij des duivels en van den eeuwigen dood te verlossen.
Die twee mysteriën nu belijden wij niet door de woorden, maar door het kruis maken zelf. Hot mysterie der Menschwording belijden wij door de hand te trekken van liet voorhoofd tot de borst; dus van boven naar beneden, want daardoor belijden wij dat (iod de Zoon uit den hemel is nedergedaald op de aarde en de menscbelijke natuur heeft aangenomen in het maagdelijk lichaam van Maria.
Het mysterie van de Verlossing van het menschdom belijden wij vooreerst door het kruisteeken zelf, op welke wijze ook gemaakt, wijl ( hristus door op het kruis voor ons te sterven het menschdom verlost heeft. Vervolgens nog, wijl wij in het gewoon kruisteeken onze hand trekken van de linker zijde naar de rechler zijde, waardoor wij belijden dat Christus ons overgebracht heeft van de malediclic, van den staat der zonde en vijandschap van God, door de linker zijde beteekend, tot de benediclic, tot den staat der genade en vriendschap van God, door de rechter zijde beteekend.
Ziedaar de voornaamste mysteriën, die wij door het teeken des H. Kruises belijden.
Welke kracht heeft nu hot teeken des H. Kruises ?
II.
Het teeken des H. Kruises, B. li., heeft vooral eene drievoudige kracht: 1° de kracht om den duivel te verjagen; 2° om de bekoringen te overwinnen ; ;50 om den zegen van God over ons te\'doen nederdalen.
Het teeken des H. Kruises heeft vooreerst de kracht om den duivel te verjagen en op de vlucht te drijven. Door het teeken
(les H. Kruises te maken zeggen wij als het ware lot de duivelen: Ziellier het wapen, waarmede Jesus-Christus n overwonnen heeft. Met dit kruisteeken iiebben zijne leerlingen gezegevierd over de machten der hel. ])e Apostelen deden er schrikbarende wonderen mede, zij bedienden er zich van tegen hunne vijanden. lgt;e H. Petrus deed Simon den toovenaar, die zich in de lucht verheven had, nederstorten. De II. Antonius Abt verdreef legioenen duivelen, die hem aanvielen en in zijn gebed kwamen storen. De Heiligen dus hebben zich van het kruisteeken bediend legen den duivel, en zij zijn er in geslaagd zijne aanvallen te vei ijdelen en hem te overwinnen. De kracht van het kruisteeken schijnt dus uit bij de Heiligen, ja, wat meer is, zelfs bij de goddeloozen. Ziet hiervan eene korte geschiedenis.
De apostaat Julianus kwam zekeren dag vergezeld van eenen bedrieger in een afgoden tempel. Toen de bedrieger de duivelen aanriep en deze te voorschijn kwamen, werd Julianus met vrees bevangen; hij dacht er op het oogenblik niet aan, dat hij den christen godsdienst afgezworen had, maakte een kruisteeken, en ziet! eensklaps namen de helsche geesten de vlucht. Ziedaar dus de kracht van het kruisteeken tegen den duivel niet alleen bij de Heiligen, maar zelfs bij eenen apostaat bewaarheid.
Het teeken des H. Kruises heeft ook de kracht om de bekoringen te overwinnen. Dit volgt natuurlijk uit het voorafgaande. Want wat zijn doorgaans de bekoringen? \'t Zijn meestal pogingen Aan den duivel om ons tot zonde te brengen. Zoo dus de duivel door het kruisteeken op de vlucht gedreven wordt, zullen de bekoringen ook ophouden.
Eindelijk heeft het teeken des H. Kruises de kracht om den zegen van God over ons te doen nederdalen. Immers, \'t is een kort en krachtig gebed door de verdiensten van Jesus-Christus. De H. Kerk geeft het ons genoegzaam te kennen. Wanneer
— 42 —
maakt zij van het kruisteeken gebruik ? Nauwelijks komt de mensch ter wereld of zij bedient er zich van in het H. Doopsel. Zij bedient zich ook van het kruisteeken in liet toedienen der overige Sacramenten. Wanneer de priesters brood, water, huizen, personen, vruchten of wat ook wijden; \'t is altoos onder het teeken des H. Kruises, liet kruisteeken is dus, gelijk gij ziet, een weldoend teeken, dat over ons eu alles wat ons dierbaar is den zegen des hemels doet nederdalen. Ziedaar, B. li., eene drievoudige kracht in het kruisteeken opgesloten; doch om die kracht gewaar te worden moet men het naar behooren maken. De Catechismus vraagt:
Mei welke gevoelens moet men hel teeken des lleilir] Kruis maken? Kn hij antwoordt :
Met eerbiediciheid en betrouwen op de verdiensten van Christus.
Met eerbiedigheid; dus vooreerst het teeken des li. Kruises goed maken; vervolgens de \'woorden goed uitspreken; ook met betrouwen op de verdiensten van Christus, die oneindig zijn en op ons moeten toegepast worden. Die twee vereischten laten dikwijls veel te wenschen over, en vandaar dat wij met het teeken des H. Kruises zoo weinig uitwerken. Teekenen Wij er ons dus dikwijls mede, en altoos met eerbiedigheid en betrouwen, wijl er zich in \'s rnenschen leven zooveel gevallen opdoen, waarin men zich van dat krachtig middel ter zaligheid behoort te bedienen. Doch laten wij in ons laatste deel eenige bijzondere gevallen aanstippen.
111.
1° Om den dag goed te beginnen, zal men zoodra men ontwaakt, zich wapenen met liet teeken des II. Kruises ; daardoor draagt men aan de II. Drievuldigheid, den Vader, den Zoon en den II. Geest zijne gedachten, woorden en werken op. Men zal den dag eindigen gelijk men hem begonnen heeft.
Alvorens ons dus ter ruste te begeven, vragen wij dan nog eerst den zegen van de 11. Drievuldigheid, door ons te teekenen niet het kruis, om den duivel, die als een biiesclieiide leeuw rondloopt zoekende wien hij kan verslinden, van ons ai te keeren.
2° Men behoort het teeken des II. Kruises te maken in het begin zijner bezigheden; \'tis het middel om ze allen te heiligen. O, zoo men altoos een goed kruis maakte, alles zoude beter gelukken. Maakt bij gevolg, B. B., alvorens uw werk te beginnen eerst het teeken des H. Kruises ; de landman als hij zijne akkers bebouwt, de koopman zoodra hij zijne winkels opent, de moeder als zij hare huiselijke bezigheden begint, de kinderen en dienstboden wanneer zij het een of ander werk verrichten. lu geval de mensch zoo zijne werken begon, wat zouden zij heilig, aangenaam aan God en verdienstelijk voorden hemel zijn. Hoe overvloedig zoude Gods zegen over zijne bezigheden, die dikwijls met moeite en kommer gepaard gaan. nederdalen. Maken wij dus, B. B., in het begin, ten minste van onze voornaamste bezigheden, het teeken des II. Kruises; het kruis zal er de moeielijkheden van verzachten; het zal ze allen heiligen, aangenaam aan God en verdienstelijk maken voor den hemel.
3° Men behoort het teeken des II. Kruises te maken vóélen na het eten: vóór het eten om er den zegen van God over af te smeeken; na het eten om God te bedanken. De ouders, die voornemens zijn hunne kinderen \'t een ot ander te geven, willen eerst dat de kinderen het beleefd vragen en hen daarna bedanken. Welnu, doen wij, die de kinderen van God zijn, hetzelfde ten opzichte van onzen hemelschen Vader: laten wij eten en drinken gelijk oen christen mensch betaamt; heiligen wij zelfs het eten en drinken volgens de uitdrukking van den Apostel Paulus: Hetzij gij eet, hetzij gij drinkt, zegt hij, doet alles tot glorie van God.
4° Bedienen wij ons van het teeken des II. Kruises in de gevaren: in de gevaren naar het lichaam, zooals in de ziekten.
— 44 —
onweders of andere hachelijke omstandigheden; doch vooral in de gevaren naar de ziel, d. i., in de bekoringen. Wanneer de duivel ons aanzet tot zonde; wanneer wij kwade gedachten hebben, slechte begeerten gewaar worden; wanneer iemand ons tot zonde zoude willen verleiden; wanneer wij ons uit noodzakelijkheid in \'t een of ander gevaar van zonde bevinden. O, IJ. B., maken wij dan met aandachtigheid het teeken des H. Kruises; zoo wij liet niet gevoeglijk in \'t openbaar kunnen doen, doen wij het dan in quot;t geheim; wapenen wij er ons hart mede opdat de zonde het niet overmeestere, en wij zullen de bekoringen overwinnen. Ik heb gezegd: Wanneer wij ons uit noodzcihclijhlieid in \'t gevaar bevinden; want bijaldien wij er 0]igt; zonder reden, roekeloos aan blootstellen, hoe zouden wij ons dan kunnen vrijwaren? Neen, B. B., dan zal het niet baten, want er staat geschreven : Die het gevaar bemint zal er in vergaan ; Qui cunal periculwn in Ulo peribit.
SLUITREDE.
Ziedaar, B. B., de bijzonderste gevallen, waarin men het teeken des II. Kruises behoort te maken : \'s morgens als men opstaat; \'s avonds als men slapen gaat; als men zijne bezigheden vooral die van aangelegenheid begint; voor en na het eten; als men aan gevaren naar lichaam of ziel is blootgesteld. Nemen wij dan onze toevlucht tot een zoo krachtig middel, als het teeken des H. Kruises: Jesus-Christus heeft met het kruis den duivel en de wereld overwonnen; wij op onze beurt zullen er ook den duivel, de wereld en het vleesch mede overwinnen; ij zullen den zegen des lieniels over ons afsmeeken, en eenmaal, zoo wij getrouwe leerlingen van den gekruisten Jesus zijn en blijven, met Hem in den hemel gelukkig zijn. Amen.
VIJFDE ONDERRICHTING
OVER HET GELOOF
Sine fide iwpossihile est plaeere Deo. Zonder het gelooi\' is liet onmogelijk aan God te behagen. (Hem. xi, c.)
INHOUD.
VOORREDE.
Het teeken des H. Kruisos is liet teekeu van den christen mensch. Waarom ?
Door liet teeken des H. Kraises belijden wij de voornaamste mysteriën van ons geloof. Welke?
Welke kracht heeft hel teeken des H. Kruises en wanneer behoort men het te maken ?
VERDEEUNG.
I. Wat is het geloof?
II. Welke zijn de bronnen der geloofswaarheden?
— 40 —
I.
Wat is liet geloof? Wat is gelooven ? Het geloof is eene gave Gods : Waarom ? Een licht: Waarom ? Wat is vastelijk gelooven ? Waarom moeten wij zoo gelooven en wat ? Wat moet er verstaan worden door de H. Kerk ?
II.
Welke zijn de bronnen der geloofswaarheden ? De H. Schrift of het geschreven woord van God en de Apostolische Trad! tien of hot overgeleverde woord van God.
De Katholieken alleen kunnen zeker zijn van hetgeen zij gelooven en moeten gelooven.
Waarom verbiedt de H. Kerk aan de gewone geloovigen de H. Schrift te lezen in de moedertaal ?
* SLUITREDE.
Vluchten wij al wat ons in gevaar kan brengen van het geloof te verliezen-: de personen zooals Protestanten, godde-loozen en liberalen : lezen wij nimmer hunne bijbels, boeken en dagbladen. Bedanken wij God voor de groote weldaad des geloofs en beantwoorden wij er aan door een levend geloof.
VIJFDE ONDERRICHTING
OVER HET GELOOF
Sine fide impossibile est placere Deo, Zonder bet gelooi\' is het onmogelijk aan God te behagen. (Hebb. xi, c.)
voorrede.
Het toeken des H. Knüses, B. 1!., is het teeken van den christen mensch: daardoor toont men dat men een leerling van Christus is, die ons door het kruis verlost heeft.
Door het teeken des Ti. Kruises belijden wij ook de voornaamste mysteriën ol geheimen van ons gelooi, namelijk, de mysteriën van de H. Drievuldigheid, van de Menschwording van Christus en van de Verlossing van het menschdom.
Het kruisteeken goed gemaakt, met eerbiedigheid en betrouwen op de verdiensten van Christus, heeft do kracht, onder anderen, om den duivel lo verjagen, om de bekoringen te overwinnen en om den zegen van God over ons te doen nederdalen.
Wij behooren het kruisteeken te maken : \'s morgens bij het opstaan, \'s avonds bij het slapen gaan, in \'t begin onzer bozigheden, voor en na hot eten en eindelijk in de gevaren en bekoringen.
Na over het teeken van den christen mensch gesproken te hebben, zullen wij handelen over de deugden die hij bijzonder moet kennen en oefenen. De Catechismus vraagt:
Welke deugden moet een christen mensch bijzonderlijk kennen en oefenen ? En hij antwoordt;
De drij goddelijke deugden: le welen, kei Geloo/, de Hoop en de Liefde.
— 48 —
Vandaag zullen wij handelen over de eerste der drie goddelijke deugden, over liet geloof. Zien wij dus:
I. Wat het geloof is;
II. Welke de bronnen zijn van de geloofswaar lieden.
De Catechismus vraagt:
Wat is het Geloof?
Eene gave Gods en een licht, door hetwelk de rnensch vastelijk geloofd, al hetgeen ons God veropenbaard heeft en door de heilige Kerk voorhoudt, \'t zij dat het geschreven is of niet.
Gelooven, B. B., is iets voor waar houden, enkel op een anders getuigenis, en niet, bijv,, omdat men het ziet of begrijpt. Alzoo is aan God gelooven, iets voor waar houden, hetgeen God geopenbaard heeft, niet \'Omdat men liet ziet met zijne oogen of begrijpt met zijn verstand, maar enkel omdat God liet getuigt.
Het geloof, B. B., is ook eene deugd, omdat het eene genegenheid der ziel is, waardoor de mensch weldoet.
Het geloof is eene goddelijke deugd, omdat het ons van God alleen is ingestort en eigenlijk alleen met God bezig is.
Het geloof is eene gave Gods.
Waarom noemt men het Geloof eene gave Gods?
Omdat het ons \'van God gegeven wordt zonder onze verdiensten.
Het geloof is eene bovennatuurlijke gave: ziehier de reden:
1° Omdat wij het door onze natuurlijke krachten en werken niet kunnen verkrijgen, evenals wij, bijv., door onze studie kennis verkrijgen ;
2° Omdat wij het door onze natuurlijke krachten en werken niet als loon kunnen verdienen, als zoude God verplicht zijn het geloof ons daarvoor te geven ;
— 49 —
3° Omdat het ons van God niet moet gegeven worden als zoude er zonder het geloof iets aan onze natuur ontbreken, evenals er iets aan de natuur van den monsch ontbreekt, die, bijv., niet ziet of hoort. Het geloof is ilus eene bovennatuurlijke gave Gods, omdat het ons uit loutere goedheid en liefde van God gegeven wordt zonder dat wij liet verdienen of er aanspraak op kunnen maken.
Het geloof is ook een licht.
Waarom noemt men het Geloof een licht?
Omdat het ons versland verlicht om le kermen en vastelijk le gelooven hetgeeyi God ons veropenhaard, heeft, en door de heilige Kerk voorhoudt te gelooven.
Het is een bovennatuurlijk licht, zoowel als eene bovennatuurlijke gave: het verlicht het verstand van den mensch, om duidelijk in te zien, dat de waarheden door God geopenbaard, verdienen en moeten geloofd worden : \'s menschen wil wordt tevens aangezet, en deze legt het verstand op en gebiedt aan God te gelooven. \'
Door hetwelk de mensch vastelijk gelooft. De Catechismus vraagt:
Hoe moeten loij gelooven? En hij antwoordt:
Vastelijk.
Wal is vastelijk gelooven?
Zoo gelooven dat men geenszins hoijfcU.
Men moet dus ten volle overtuigd zijn van de waarheid door God geopenbaard, en men mag niet vrijwillig twijfelen of het waar, onwaar of niet zeker is hetgeen God geopenbaard heeft. Eu,
Waarom moeten wij vastelijk gelooven ?
Omdat God, die het ons veropenbaard heeft, de opperste en onfaalbare waarheid, is, die niet kan liegen, noch bedriegen, noch bedrogen kan worden. De Catechismus vraagt:
Gkloofs en Zedenleer. 4.
— 50 —
Wat moeten wij yelooven? En hij antwoordt: Al hetgeen God ons veropenbaard heeft, en door de Heilige Kerk ons voorhoudt te gelooven. d. w. z,, niet hetgeen Hij ons door ons verstand, maar hetgeen Hij ons op eene bovennatuurlijke wijze geleerd heeft. Door het woord Kerk verstaat men hier de leerondc Kerk die onfeilbaar is, beschouwd of wel in den Paus van Rome, als hij als Opperhoofd tot de • geloovigen spreekt over zaken die het geloof of de zeden aangaan, met liet inzicht van hen tot het geloof te verplichten; of wel den Paus met de Bisschoppen in een algemeen Concilie vergaderd; of wel den Paus en de Bisschoppen gezamenlijk en eenparig de gansche wereld onderwijzende. God wil dat wij de geloofswaarheden door Hem geopenbaard, van do Kerk leeren, en om niet te dwalen heeft Hij haar tot zuil en grondpilaar der waarheid aangesteld: Colurnna et jlrrnamentuni veritatis: (i) daarom heeft Hij haar den H. Geest gegeven, die haar onfeilbaar maakt in alles wat zij ons voorhoudt te gelooven. God heeft zijne Kerk ook gemachtigd ons voor te stellen wat wij moeten gelooven. Aan zijne Apostelen heeft Hij gezegd: Gaat en onderwijst alle volkeren, hen leerende al wat Ik u geboden heb. En ziet, Ik ben met u al. de dagen tot de voleinding der eeuwen. Daarom vraagt de Catechismus :
Mogen wij teel twijfelen aan eenige deelen des Gdoofs? En hij antwoordt:
Neen, maar wij moeten al wat ons van de Heilige Kerk voorgehouden wordt vastelijk gelooven en belijden.
Die u hoort, zegt God van de Kerk sprekende, hoort Mij, en die u veracht, veracht Mij. Bijaldien iemand naar de Kerk niet luistert, houdt hem dan voor een Heiden en tollenaar. De Kerk moet ons dus voorstellen wat wij moeten gelooven; zonder dat weten wij het niet. De Kerk is daartoe van God
(i) h. tim. ui, i.
— 51 —
gemachtigd; wij moeten naar de Kerk luisteren, en door naar de Kerk te luisteren kunnen wij niet dwalen. Daarom ook zeide de li. Augustinus: Ik zoude zelfs aan het Evangelie niet gelooven, in geval liet gezag der H. Kerk mij daartoe niet overhaalde. Doch,
Waaruit hebben wij deze. zekerheid in de stukken, die het Geloof aangaan ?
Uit God, die ons niet kan bedriet jen, en uit de Heilige Kerk, die naar de leering van Christus niet kan dolen.
Is deze zekerheid grooter dan de zekerheid die wij hebben, als onze oogen of ons verstand ons iets leer en?
Ja : want onze oogen en ons verstand kunnen missen, en zij missen dikwijls, maar God en de Heilige Kerk zijn onfaalbaar. De Catechismus vraagt:
Is er meer dan een waarachtig Geloof? d. w. z., kunnen de waarheden die wij verplicht zijn te gelooven, ook met elkander in strijd zijn, zooals, bijv., de verschillende geloofsbelijdenissen der Protestanten? En hij antwoordt:
Geenszins-, want gelijk er maar één God is die het ons ingeeft, en ééne Heilige Kerk die het ons voorhoudt, zoo kan er maar één Geloof wezen.
Er is maar één God die ons geopendbaard heeft wat wij moeten gelooven, en door zijne genade het ons doet aannemen, en die God natuurlijk kan noch liegen, noch bedriegen, noch bedrogen worden. Er is maar eene 11. Kerk die liet ons voorhoudt te gelooven, en die Kerk is ook, gelijk wij gezien hebben, onfeilbaar. Doch,
Welk is het waarachtig Geloof\'!
Het Roornsch-Katholiek Geloof. Dus het geloof dat wij belijden.
Y Zij dat het geschreven is of niet. Door deze woorden worden ons de twee bronnen aangeduid, waarin de geloofswaarheden liggen opgesloten. En welke zijn die bronnen ?
I[.
I)e Catechismus vraagt:
Waaruit heeft de Heilige Kerk al wat zij ons voorhoudt te gelooren ? Eu hij antwoordt:
Uit de schatten die God haar achtergelaten heeft: te welen, de Heilige Schriftuur en de Apostclijke Tradilien of overleveringeii.
De eerste schat dus is de H. Schrift.
Wat heet gij de Heilige Schriftuur ?
Boeken, die zooicel in het Oud als in hel Nieuw Testament ran heilige mannen door het ingeven en den zonderlingen bijstand van den Heiligen Geest geschreven zijn.
De H. Schrift is dus hot geschreven woord van God en wij moeten ze gelooven.
Waarom moeten wij de Heilige Schriftuur gelooven?
Omdat zij geschreven is door hel ingeven en den zonderlingen bijstand\' van den Heiligen Geest, en omdat God ons door de Heilige Kerk voorhoudt dezelve te gelooven.
Men noemt de H. Schrift wel eens hot Oud en het Nieuw Testament: alzoo verdeelt men de H. Schrift in twee deelen: in boeken van het Oud Testament, die voor de komst van Christus, en in boeken van liet Nieuw Testament, die na de komst van Christus geschreven zijn.
Door het Oud Testament verstaat men eigenlijk den tijd van het begin der wereld tot de komst van Christus, en door het Nieuw Testament den tijd van Christus tot het einde der wereld.
De H. Schrift wordt ook wel Bijbel genoemd, doch aangaande dit woord mag men wel voorzichtig zijn, wijl er veel kettersche bijbels verspreid worden, die volstrekt geeno H. Schrift zijn.
De reden is, dat zij op vele plaatsen vervalsclit zijn; ja, wat meer is, er zijn zelfs eenige boeken in weg gelaten die de ketters niet aannemen, omdat hunne dwalingen er in veroordeeld staan. Wij weten uit de leering dei\' H. Kerk welke boeken, boeken der II. Schrift zijn: de II Kerk weet het uit de overleveringen en door den bijstand des H. Geestes die haar bestiert.
Wijl de H. Kerk als eene goede Moeder zorg draagt voor hare kinderen, verbiedt zij de H. Schrift te lozen in de moedertaal, d. L. in de talen die hedendaags gesproken worden, zooals de vlaamsche, fransche, enz. Gewone menschen, die in de Kerk niet belast zijn anderen te onderwijzen in den godsdienst, of zich daartoe niet voorbereiden, moeten eerst verlof bekomen. De Catechismus geeft er ons de reden van als hij antwoordt op de vraag :
Waarom verbiedt de katholieke Kerk de he Uitje Schri/tuur zonder oorlof le lezen in de moederlijke taal ?
Omdat het lezen van de heilige Schriftuur voor menige menschen gevaarlijk is, en omdat vele vertalingen der zelve vervalscht zijn.
De H. Schrift is moeielijk en duister op vele plaatsen, en daarom is het zeer gevaarlijk voor ongeleerde menschen die te lezen.
Dat de H. Schrift duister en moeielijk is getuigt ons reeds de H. Petrus. Van de brieven van den H. Paulus sprekende, zegt hij: In die brieven zijn eenige plaatsen, die moeielijk te verstaan zijn, aan welke, gelijk ook aan andere schriften, ongeleerde en ongestadige menschen een slechten zin geven tot hunne eigene verdoemenis. Hetgeen de Apostel Petrus van zijnen tijd zegt, mag te recht van den onzen gezegd worden. De Ketters beweren dat eenieder de H. Schrift naar zijn eigen goeddunken mag verstaan en uitleggen: vandaar dat zij op allerlei wijzen pogen zelfs de klaarste teksten aangaande de voornaamste geheimen
— 54 —
vau onzen heiligen godsdienst in den zin hunner dwalingen uit te leggen. Wat meer is, B. B., velen onder de Protestanten gelooven in onze dagen niets meer, niet eens de Godheid van Christus, of dat er een God bestaat. Zoo ver kan de mensch afdwalen, als hij zich verhoovaardigende op zijn eigen verstand steunt en naar de onfeilbare Kerk van Christus niet luisteren wil. Ingeval nu de klaarste teksten der H. Schrift zoo zonderlingen op allerlei wijzen verwrongen worden om de dwalingen staande te houden, wat mag men dan niet veronderstellen als er spraak is van teksten die wezenlijk moeielijk te verstaan zijn? De H. Kerk handelt dus wijs, als zij eenieder het lezen der H. Schrift niet toelaat.
De tweede schat, B. B., zijn de Apostolische Tradition of Overleveringen. De Catechismus vraagt:
Moeien wij iets gelooven dal in den Bijbel ui el geschreven slaat? En hij antwoordt:
Ja, ook de aposlelijhe Tradili\'én.
Wat zijn apostelijke Tradili\'én?
Leeringen, die van der Apostelen lijden af geleerd, en van hand tol hand overgeleverd zijn.
De Apostelen hadden die leeringen van Christus en door het ingeven van den H. Geest; zij leverden ze aan hunne opvolgers over, en zoo zijn zij door eene onafgebroken overlevering tot ons gekomen. Zij komen ook van God en zijn dus het overgeleverde woord van God.
De Apostel Paulus spreekt van de Apostolische Traditiën, als hij zegt: Blijft vast broeders, en houdt de Overleveringen, die gij geleerd hebt, hetzij door onze woorden, hetzij door onzen brief. Hij stelt dus op denzelfden voet hetgeen hij mondelings en hetgeen hij schriftelijk geleerd heeft.
De Protestanten verwerpen de Overleveringen: welnu, dan kunnen zij eveneens de H, Schrift verwerpen. Wie zegt hun dat de boeken die zij verkoopen, boeken der H. Schrift zijn?
dat zij van den H. Geest zijn ingegeven? dat zij niet vervalscht zijn ? De Protestanten steunen maar op den Bijbel; zij willen van de Overleveringen niets weten: waarom vieren zij dan met ons den Zondag en niet liever met de Joden den Sabbath? Van het vieren van den Zondag wordt in de H. Schrift niet gesproken, maar wel van het vieren van den Sabbath. Hoe weten zij dat er maar vier Evangelisten zijn, en dat hunne boeken goddelijke boeken zijn ? Er staat niets van in de H. Schrift. Zonder de Overleveringen, zonder de leering van de H. Kerk is het dus onmogelijk te weten wat men moet gelooven. Dat de Protestanten de ware Kerk van Christus niet uitmaken zal later breedvoerig bewezen worden.
SLUITREDE.
Wij hebben dus gezien, D. B., wat liet geloof is en welke de bronnen zijn, waarin de geloofswaarheden zijn opgesloten.
Zonder het geloof kan men niet gerechtvaardigd en bijgevolg niet zalig worden. Onze goddelijke Zaligmaker leert het uitdrukkelijk. Die niet geloofd zal hebben, zegt Hij, zal veroordeeld worden: Qui non credideril condemnabitur. (i)
Bedanken wij God dikwijls dat Hij ons van de duisternissen tot zijn wonderbaar licht geroepen heeft buiten zooveel anderen, die nog tot heden toe in de duisternissen des ongeloofs en in de schaduw des doods zitten, en die misschien beter dan wij aan die genade zouden beantwoord hebben. Hechten wij ons met lijf en ziel aan onze Moeder de H. Kerk, die ons voorhoudt wat wij moeten gelooven. Laten wij toonen, dat wij hare getrouwe kinderen zijn, door ons in alles aan hare bevelen en voorschriften te onderwerpen. Wachten wij ons voor hare vijanden. Vluchten wij als de pest hunne geschriften, onder welken naam ook verwaardigd, hetzij onder den naam van
(l) MAKC, XVI, 1G.
bijbels of boeken, van dagbladen of gazetten, waarin met alles wat heilig en eerbiedwaardig is, met God en godsdienst gespot wordt. Door te gehoorzamen aan de bevelen van de Oversten der H. Kerk, die met reden verbieden die boeken of geschriften te lezen, zullen wij onze gehechtheid aan de Kerk van Christus doen blijken; wij zullen ook geen gevaar loopen van den onwaardeerbaren schat des geloofs te verliezen. O. B. B., hoe velen hebben in het geloof schipbreuk geleden en zijn ongelukkig geworden, omdat zij die slechte geschriften gelezen hebben. Vlucht dus, ik herhaal het nogmaals, al wat tegen God of zijne Kerk is, hetzij personen zooals protestanten, goddeloozen, liberalen, enz.; hetzij geschriften zooals slechte boeken, gazetten en dagbladen. Hecht u vast aan de strijdende Kerk van Christus door ds banden van een levendig geloof, en gij zult eenmaal het geluk hebben van in de zegenpralende Kerk aanschijn aan aanschijn te aanschouwen, hetgeen gij hier geloofd hebt. Amen.
ZESDE ONDERRICHTING
OVER HET GELOOF
Fides sine operibus mortua est.
Hot geloof zonder do werken is dood.
(JAC. II, 20.)
INHOUD.
VOORREDE.
AVij hebben gezien \\Vat liet geloof is; vervolgens welke tie twee schatten zijn, waaruit de H. Kerk heeft al wat zij ons voorhoudt te gelooven, namelijk, de Heilige Schrift en de Apostolische Trachtiën of Overleveringen. Zien wij nu:
VERDEELING.
I. Dat de inensch eenige waarheden moet kennen en gelooven;
II. Dat hij soms eene akte van geloof moet verwekken; 111. Dat het geloof zonder de werken dood is.
I.
De mensch tot de jaren van verstand gekomen moet eenige waarheden kennen en gelooven, andere uit noodzakelijkheid des middels, andere uit noodzakelijkheid des gebods. Welke waarheden? Wat beteekenen de woorden: uit noodzakelijkheid des middels: uit noodzakelijkheid des gebods?
II.
De mensch moet in zijn leven de akten van geloof, enz., verwekken. Wanneer? Hoe verplicht dat gebods Hoe moet hij die akten verwekken ? Hoe zondigt hij tegen dat gebod ? De mensch moet soms zijn geloof belijden. Wie zondigen tegen het geloof?
III.
Het geloof zonder de werken is een dood geloof. Woorden van deii Apostel Jacobus, Paulus, Jesus-Christus. Bijgevolg zal het geloof alleen den mensch niet baten. Wat wordt er verstaan door een dood, wat door een levend geloof?
SLUITREDE.
Trachten wij een levend geloof te hebben en te bewaren, want een levend geloof, en een levend geloof alleen kan ons zalig maken.
— 59 —
ZESDE ONDERRICHTING
OVER HET GELOOF
Fides sine opcribtcs mortua est.
Het geloof zonder de werken is dood.
(JAC. II, 26.)
VOORREDE
Wij hebben gezien, B. Pgt;., wat liet geloof is. \'t Is eene deugd en wel eene goddelijke deugd; eene gave en wel eene bovennatuurlijke gave, ons van God gegeven zonder onze verdiensten; een licht en wel een bovennatuurlijk licht., dat ons verstand verlicht om te kennen en vastelijk te gelooven, zoodat wij geenszins twijfelen: al wat God geopenbaard heeft en door de II. Kerk voorhoudt, dus alle waarheden door God geopenbaard, welke liet ook zijn mogen: hetzij het geschreven staat of niet, d. i., hetzij die waarheden zich bevinden in de H. Schrift of\' in de Apostolische Overleveringen. De li. Schrift zijn boeken, die zoowel in het Oud als in het Nieuw Testament van H. Mannen door het ingeven en den zonderlingen bijstand van den H. Geest geschreven zijn. God heeft dus die li. Mannen zijne gedachten ingegeven; God heeft hen tot het schrijven zijner gedachten bewogen en God heeft hen belet in \'t schrijven zijner gedachten te dwalen of die te vervalschen. De Apostolische Traditiën zijn leeringen, die van der Apostelen tijden geleerd zijn en van hand tot hand zijn overgeleverd.
Vandaag zullen wij de drie volgende waarheden aangaande het geloof onderzoeken:
I. Dat de menscli zekere waarheden moet kennen en gelooven;
— CO
IL Dat hij eene akte van geloof moet verwekken;
III. Dat het geloof zonder de werken dood is.
I.
De Catechismus vraagt:
Is het Geloof noodig om zalig le worden? En hij antwoordt:
Ja ; want Christus zegt dat degene die niet zal geloojd hebben, veroordeeld zal worden.
Die dus de deugd des geloofs niet bezit kan nimmer in den hemel komen. Doch voor allen is het niet genoeg do deugd des geloofs alleen te bezitten. Wanneer de mensch tot de jaren van verstand gekomen is, moet hij eenige waarheden of punten des geloofs kennen en gelooven, andere uit noodzakelijkheid des middels, andere uit noodzakelijkheid des gebods.
De Catechismus vraagt :
I Vat moet men weten en gelooven uil noodzakelijkheid, des middels? En hij antwoordt;
Ten 1, dat er is een God; ten 2, dat er zijn drij goddelijke Personen: le toeten, God de Vader, God de Zoon, en God de Heilige Geest; ten \'■gt;, dat God de Zoon voor ons is men seti geworden, gekruist gestorven is en verrezen; ten 4, dal God, is de looner van het goed en de straffer van het kwaad.
Wij moeten dus weten on gelooven dat er één God is, d. w. z., een Opperwezen, Schepper van hemel en aarde, en dat God de goeden die Hem getrouw dienen met den hemel zal loonen, en dat Hij de kwaden die Hem niet dienen met de hel zal straffen. Van die twee waarheden spreekt de Apostel Paulus als hij zegt: Degene, die tot God wil naderen, moet gelooven dat er een God is, en dat Hij degenen die Hem zoeken zal beloonen: Credere opart et accedenlem ad Deurn quia est, el inquirentibns se remunerator sit. (i)
(ij Hisim. xi, «.
Wij moeten ook liet mysterie dor TL Drievuldigheid weten en gelooven: een God in drie versclieidene goddelijke personen: God de Vader, God de Zoon en God de H. Geest, die alle drie één en hetzelfde goddelijk wezen hebben. Vervolgens het mysterie van de Menschwording van Christus, dat Jesus-Christus de tweede persoon van de H. Drievuldigheid de menschelijke natuur aangenomen heeft en voor de zaligheid der menschen gestorven is. Die waarheden moeten wij weten uit de noodzakelijkheid des middels.
Wat is Ie zcggem Uil noodzakelijkheid des middels?
Bat het een zoo noodig middel ter zaligheid is deze vier punten te veten en te gelooven, dat men zonder dit niet kan zalig worden: zonder onderscheid te maken, B. B., of de onwetendheid vrijwillig of onvrijwillig is. De Catechismus vraagt;
Wat moet men toeten uit noodzakelijkheid des gehads? En hij antwoordt.:
Den Vader ons, de Wees gegroet, de twaalf Artikelen des Geloofs, de Hen geboden Gods, de rijf geboden der Heilige Kerk, de zeven Heilige Sacramenten, bijzonderlijk degene die men wil ontvangen, en voorts ieder de plichten van zijnen slaat.
Wat is te zeggen: int noodzakelijkheid des gebods?
Dat het noodig is die punten te weten uit kracht van een gebod van God of van de Heilige Kerk. In andere woorden: men is verplicht die punten te weten als het zijn kan: eene onvrijwillige onwetendheid alleen zal den mensch verschoonen. Doch wilt tevens niet uit het oog verliezen, 1gt;. B., dat de onwetendheid in die punten, ten minste hier te lande, doorgaans vrijwillig is en dat bijgevolg geene verschooning zal baten. Di geval men de onderrichtingen, waarin die waarheden geleerd en uitgelegd worden, vlijtig bijwoonde, men zoude ze ongetwijfeld kennen. Daarom zijn zij die ze niet kennen gewoonlijk plichtig
— 02 —
in de oogen van God en kunnen zij niet zalig worden, zoolang zij in die vrijwillige onwetendheid verkeeren.
De ouders kunnen hieruit opmaken de groote en zware verplichting van te zorgen dat hunne kinderen de christelijke leering bijwonen. Doch dit is niet genoeg; zij zeiven moeten hunne kinderen, t\'huis onderrichten en hun den Catechismus van buiten leeren. De ouders die zeggen dat zij hunne kinderen niet kunnen onderrichten uit gebrek aan tijd, of liever, omdat zij zeiven den Catechismus niet meer kennen, zullen daardoor niet verontschuldigd worden. Integendeel, zij zijn dubbel plichtig. Dat die ouders eens wel overwegen wat de Apostel Paulus in zijnen brief aan zijnen leerling Timotheus zegt: Dat zij, die de onderrichting hunner dienstboden verwaarloozen, het geloof ontkend hebben en slechter zijn geworden dan Heidenen. Hetgeen hier van de oversten aangaande de dienstboden gezegd wordt, moet met des te meer reden van de ouders aangaande hunne kinderen gezegd worden. Zij ontkennen het geloof, niet in den zin dat zij ongeloovig worden, maar zij ontkennen het door hunne werken, door namelijk niet te doen hetgeen het geloof hun leert of voorschrijft. De ouders, die uit nalatigheid of onwetendheid hunne kinderen niet onderrichten of laten onderrichten, zullen er reeds hier op aarde de droevige gevolgen van ondervinden en eenmaal na hunnen dood eene strenge rekenschap voor den rechterstoel van God af te leggen hebljen.
II.
De Catechismus vraagt;
Js er een gebod van somtijds de akten van Geloof, Hoop en Liefde te verwekken? En hij antwoordt:
Ja.
Wanneer verbindt dit gebod?
Ten 1, als men komt tot de jaren van verstand; ten 2, als men in gevaar is van sterven; ten 3, als men eenige
bekoringen hec/ï tegen die deugden; ten 4, dikwijls in het leven.
Blijft men nu in die gevallen aan het gebod te kort, dan zondigt men tegen die deugden, bijv., tegen het geloof.
Het gebod van eene akte van geloof te verwekken kan nog in andere omstandigheden verplichten, als men zich van zijne overige plichten niet kan kwijten zonder eene akte van geloof; bijv., iemand moet tot de H. Sacramenten naderen; of wel hij wordt tegen eene deugd bekoort, en die bekoring kan hij niet overwinnen, tenzij,.door eene akte van geloof te verwekken: in die gevallen moet hij zich van de akte van geloof bedienen als van een middel, om zijne overige plichten te volbrengen, doet hij dat niet, dan zondigt hij juist wel niet tegen het geloof, maar tegen de verplichting waaraan hij te kort blijft.
De akte van geloof, B. B., is een krachtig middel om de bekoringen te overwinnen; niet alleen de bekoringen tegen het geloof, maar ook tegen andere deugden. Wordt gij, bijv., tot onrechtvaardigheid, onzuiverheid, enz. aangezet, verwekt eene akte van geloof, door, bijv., te zeggen of te denken; Mijn God! ik geloof dat gij hier tegenwoordig zijt; dat Gij alles ziet; dat Gij rechtvaardig zijt; dat ik eenmaal voor U rekenschap zal moeten afleggen bijaldien ik deze of gene zonde bedrijf; voorzeker, het zal een krachtig middel zijn om in de bekoring niet te bezwijken.
„ Er bestaat dus een gebod van soms eene akte van geloof te verwekken. Doch gij moet niet denken, dat hot zoo moeielijk is dat gebod te volbrengen; dat gij daartoe eene akte van geloof moet verwekken, juist gelijk zij in den Catechismus staat; neen, B. B., volstrekt niet. Iemand, bijv., die \'s morgens goed bidt, voldoet reeds aan die verplichting; iemand, die de H. Mis naar behooren bijwoont, gelooft voorzeker aan de tegenwoordigheid van Jesus-Christus in het allerheiligste Sacrament des Altaars; iemand, die te biechten gaat, toont daardoor dat hij
gelooft dat de priester de macht heeft om de zonden te vergeven; door al die werken toont en belijdt hij zijn geloof. Nochtans, \'t is aan te prijzen en zeer voordeelig de akten van geloof, enz., te verwekken, gelijk zij in den Catechismus staan: daardoor oefent men de voornaamste deugden, herinnert men zich de voornaamste waarheden van den godsdienst en kan men tevens vele aflaten verdienen. Onze Moeder de II. Kerk heeft een aflaat van zeven jaren en zeven quadragölien verleent telkens als men de akten van geloof, hoop en liefde verwekt; die ze dagelijks verwekken kunnen in het uur des doods en eens in de maand, mits biechten en commimiceeren een vollen aflaat verdienen. De Catechismus vraagt ook;
Hoe dikwijls moet men in het leven de akten van Geloof, Hoop en Liefde verwekkend En hij antwoordt:
De tijd is niet gesteld; maar het is geraadzaam dagelijks dezelve te verwekken, alsook de akte ran Berouw.
Er bestaat ook een gebod, B. B., van het geloof uitwendig te belijden, als namelijk een christen door do overheid aangaande het geloof ondervraagd wordt. Zoo hebben de Martelaren hun geloof beleden voor de rechtbanken; zij hebben voor hun geloof de verschrikkelijkste folteringen ondergaan, hun bloed en leven ten beste gegeven; zij hebben Jesus-Christus voor de menschen niet geschaamd, doch kloekmoedig beleden; Jesus-Christus heeft hen ook beleden voor zijn hemelschen Vader en het tijdelijk leven, dat zij voor Hem ten beste hebben gegeven, verwisseld met de eeuwige zaligheid.
Men zondigt tegen het geloof:
ln Door de waarheden der If. Kerk te verwerpen, al zoude liet er ook maar ééue zijn, bijv., de onfeilbaarheid van den Paus;
2° Door vrijwillig aan do geloofswaarheden te twijfelen. Iemand zoude, bijv., vrijwillig twijfelen aan de waarachtige
tegenwoordigheid van Jesus-Christus in het allerh. Sacrament des Altaars;
8° Zij zondigen tegen liet geloof, die zich niet onderrichten of laten onderrichten in de waarheden, welke zij noodzakelijk moeten kennen;
4° Zij zondigen tegen het geloof, die het afzweren, die een valschen godsdienst belijden of veinzen. Eindelijk, die zich aan \'t gevaar blootstellen van het geloof te verliezen door liet lezen van slechte boeken, of door den omgang met ketters en goddeloozen.
Ziedaar verschillende manieren, waarop tegen liet geloof gezondigd wordt. Blijft er nog eene vraag te beantwoorden over, namelijk, of het geloof alleen voldoende is om zalig te worden.
De Catechismus vraagt;
Is liet Geloof alleen genoeg om zalig le worden? En hij antwoordt:
Neen; het moet vervoegd zijn met de werken; want de Heilige Schriftuur zegt dat het Geloof zonder de werken dood is.
Wanneer is ons Geloof vervoegd met de werken?
Als toij hel Geloof standvastiglijk belijden, en er ons leven naar schikken.
De Apostel Jacobus drukt zich daarover op de volgende wijze uit: Wat zal het den mensch baten, vraagt hij, te zeggen dat hij liet geloof heeft, bijaldien hij de werken niet heeft; zal het geloof alleen hem kunnen zalig maken? Ku hij antwoordt; Gelijk een lichaam zonder ziel dood is, zoo is het geloof zonder de werken een dood geloof; Fides sine operibiis marina est. (i)
(i) Jac. ii, 20.
Gei.ooks en* Zudknlueu, 5,
— G6 —
De Apostel Paulus zegt: Niet de aanhoorders der wet zijn gerechtvaardigd, maar die ze volbrengen. Onze goddelijke Zaligmaker zelf getuigt dat het niet genoeg is te gelooven: Niet allen, zegt Hij, die zeggen: Heer! Heer! zullen het rijk der hemelen ingaan, maar die den wil van mijn hemelschen Vader zullen gedaan hebben.
Ons geloof moet dus vervoegd zijn met de werken; wij moeten een levend geloof hebben, bezield met de liefde. Zonder do liefde kan het geloof wel bestaan, maar zonder haar kan het ons niet baten.
Wat nu gezegd, B. B., van de ontaarde Christenen, die aan God gelooven en die leven alsof er geen God bestond lt; Zij gelooven aan de goed- en barmhartigheid Gods en zij maken er misbruik van ; zij gelooven aan zijne strenge rechtvaardigheid en zij vreezen niet ze uit te tarten door de afschuwelijkste zonden; zij gelooven aan dood, oordeel, hel en hemel en zij leven alsof er niets van bestond. Dergelijke Christenen hebben een geloof, bijna gelijk aan dat der duivelen. De duivelen gelooven, zegt do Apostel Jacobus, en zij sidderen. De duivel heeft slechts een natuurlijk geloof, maar hij siddert voor God. De Christenen, die met God in vijandscLay leven, voor wiens rechtvaardige vierschaar zij weldra zullen moeten verschijnen, hebben een bovennatuurlijk geloof en zij vreezen dikwerf God niet: ziedaar het verschil dat er bestaat; doch het geloof zal geen van beiden ter zaligheid verstrekken.
SI,UITREDE.
Trachten wij dus, B. B., een levend geloof te hebben, bezield met de vriendschap Gods, met de liefde of heiligmakende genade om niet gerekend te worden onder hen, van welke de Apostel Paulus spreekt als hij zegt, dat zij God met den mond belijden, maar met hunne werken loochenen. Toonen wij door onze werken, door het beoefenen der deugd en door het vluchten
— 67 —
der zonde, dat wij een levend geloof bezitten. Daardoor zullen wij tevens aan de overgroote weldaad des geloofs, waarvan God ons eenmaal rekenschap) zal vragen, beantwoorden : wij zullen het geluk hebben van met God hier op aarde vereenigd te zijn door de banden van geloof, hoop en liefde, om eenmaal met Hem vereenigd te worden in den hemel gedurende de eeuwigheid. Amen.
ZEVENDE ONDERRICHTING
OVER HET SYMBOLUM DES GELOOFS
Lomwe / adauge nobis Jidem.
Heer ! vermeerder in ons liet geloof.
(Luc. XVII, 5.)
INHOUD.
VOORREDE.
Het geloof is noodzakelijk om in den hemel te komen. Men moet zekere waarheden kennen uit noodzakelijkheid des middels of uit noodzakelijkheid des g-ebods. Men moei van tijd tot tijd eene akte van geloof verwekken. Het geloof alleen is niet voldoende om zalig te worden, het moet vefvoegd zijn met de werken.
VERDEELING.
I. Hoeveel Symbolums zijn er en welke?
11. Behoort het Symbolum tot de H. Schrift of tot de Overlevering?
III. Door wie is het vervaardigd en om welke redenen?
IV. In hoeveel deelen en artikels wordt liet verdeeld?
— 09 —
I.
Er zijn vier Symbolums des geloofs: het Symbolum der Apostelen, van Nicëa, van Constantinopel en van den Heiligen Athanasius.
II.
Het Symbolum behoort tot de Overlevering en niet tot de H. Sclirift.
III.
De Apostelen hebben het Symbolum vervaardigd alvorens van elkander te scheiden om verschillende redenen :
1° Om de volkeren gemakkelijk to kunnen onderrichten;
2° Opdat de Christenen een teeken zouden hebben om elkander te erkennen;
3° Om de eenheid des g\'eloofs te bewaren,
IV.
Het Symbolum wordt verdeeld:
1° In drie deelen; liet eerste handelt over God den Vader; het tweede, over God den Zoon; het derde, over God den H. Geest;
2quot; In twaalf artikelen. Het woord artikel beteekent in \'t algemeen eene geopenbaarde waarheid, doch in \'t bijzonder ceno waarheid moeielijk te gelooven. Paulus te midden van den Areopagus.
SLUITREDE.
Wij zijn op zonde verplicht het Symbolum van buiten te kennen; ook moeten wij het dikwijls opzeggen.
ZEVENDE ONDERRICHTING
OVER HET SYMBOLUM DES GELOOFS
Domine! adauge nobis fidem.
Heer! vermeerder in ons het geloof.
(Luc. XVII, !i.)
VOORREDE.
De deugd des geloofs is volstrekt noodzakkelijk om in den hemel te komen. Ook moet men, tot de jaren van verstand gekomen, zekere geloofswaarheden kennen en gelooven, andere uit noodzakelijkheid des middels, andere uit noodzakelijkheid des gebods. Er bestaat een uitdrukkelijk gebod van somtijds eene akte van geloof te verwekken, waartoe de Christen van tijd tot tijd gehouden is. Het geloof alleen kan den mensch niet zalig maken; het moet vervoegd zijn met de werken, want het geloof zonder de werken is een dood geloof. Wij moeten dus het geloof standvastig belijden en er ons leven naar schikken, ons leven inrichten naar de waarheden des geloofs. Ziedaar wat wij in onze voorgaande onderrichting overwogen hebben. Vandaag zullen wij handelen over het Symbolum des geloofs. Beantwoorden wij te dien einde de vier volgende vragen:
I. Hoeveel Symbolums zijn er en welke?
II. Behoort het Symbolum tot de H. Schrift of tot de Overlevering?
III. Door wie is het vervaardigd en waarom?
IV. In hoeveel deelen en artikels is het verdeeld?
— 71 —
I.
De Catechismus vraagt :
Welk is het kort begrijp van heigeen wij meest moeien gelooven? En hij antwoordt:
Hel Sgmholum des Geloofs, ran de Apostelen gemaald en in twaalf deden verdeeld.
Het woord Symbolum beteekent verzameling, opsomming of teeken; bijgevolg is het Symbolum des geloofs eene korte verzameling of opsomming van de geloofswaarheden, die wij bijzonder moeten kennen en uitdrukkelijk moeten gelooven.
Doch hoeveel Syrnbolums zijn er? Men telt, B. B., vier Symbolums des geloofs, d. w. z., vier opstellen van een en hetzelfde geloof, van eon on dezelfde waarheden, doch waarvan liet eene klaarder, uitgebreider is dan het andere.
Het eerste is het Symbolum der Apostelen, zoo genoemd, omdat het de leering van Christus door de Apostelen verkondigd bevat en omdat het van de Apostelen gemaakt is.
Het tweede is het Symbolum van de kerkvergadering van Nicëa, gehouden tegen den aartsketter Arms, die de godheid van Jesus-Christus loochende. Arïus beweerde dat Jesus-Christus onkel mensch en geen God is.
Het derde is het Symbolum van de kerkvergadering van Constantinopel, waarin do godheid van den H. Geest en zijne afkomst van God den Vader en God den Zoon te zamen klaar geleerd wordt tegen de Kunomianen en Macedonianen, die vermelde waarheden bestreden en ontkenden. Dit Symbolum wordt in de H. Mis gelezen of gezongen
Het vierde is het Symbolum van den 11. Alhanasius, zoo genoemd, wijl volgens een algemeen gevoelen die Heilige er de opsteller van is.
Wij moeten over het eerste, namelijk, over het Symbolum der Apostelen spreken.
72
II.
Het Symbolum der Apostelen, B. B., behoort tot de Overlevering en niet tot de H. Schrift. Wij hebben reeds vroeger gezien, dat er twee bronnen bestaan, waarin de geloofswaarheden zijn opgesloten, de H. Schrift en de Apostolische Tradiliën of Overleveringen. Welnu, het Symbolum der Apostelen is eene Overlevering, geene H. Schrift; omdat het, alhoewel onder den bijstand van den H. Geest opgesteld, niet gelijk de li. Schrift ingegeven is om geschreven, maar1 om mondelings overgeleverd te worden. De Apostelen maakten het Symbolum zeer waarschijnlijk alvorens van elkander te scheiden om liet Evangelie te gaan verkondigen. Jesus-Christus, hun goddelijke Meester, had hun na zijne verrijzenis geboden aan alle volkeren de blijde boodschap te brengen. Gaat, zeide Hij, leert alle volkeren, hen doopende in den naam des Vaders en des Zoons en des IL Geestes. En ziet. Ik ben met u al de dagen tot het einde der wereld. De Apostelen, na de nederdaling van den H. Geest geheel en al veranderd, waren in nieuwe mannen herschapen. Vreesachtig als zij vroeger waren, toen zij zich voor de Joden verborgen, kwamen zij nu onverschrokken te voorschijn. Zij spraken verschillende talen en verkondigden den Joden en Heidenen den gekruisten Jesus, voor dezen eene dwaasheid, voor genen eene ergernis. Zij verdeelden onder elkander den ganschen aardbodem, waarvan verre weg het grootste gedeeltegt; in de schaduw des doods en in de duisternissen des ongeloofs en der afgoderij gezeten was. Zij maakten het voornemen van de gansche wereld voor Jesus-Christus te veroveren, niet met moordwapenen, gelijk de veldheeren doen; maar met het wapen des Evangelies dat zij van hunnen goddelijken Meester ontvangen hadden.
III.
Zeer waarschijnlijk dus stelden de Apostelen alvorens van elkander te scheiden om verschillende redenen het Symbolum op. Ziehier eenige dier redenen.
Zij stelden het Syrabolum op: vooreerst, om de volkeren des te gemakkelijker te kunnen onderrichten. Door de predikatiën en wonderen tot het waar geloof bekeerd, ontvingen die volkeren het Symbolum, waarin in \'t kort vervat stond, al wat zij moesten weten en gelooven om zalig te worden. Door de twaalf artikelen word het den nieuw-bckeerden gemakkelijk gemaakt de geloofswaarheden aau te leeren en te onthouden.
Eene andere reden waarom de Apostelen het Symbolum opstelden is, om een teeken te hebben, waardoor de Christenen zich van de ongeloovigen konden onderscheiden. De Christenen erkenden elkander aan het Symbolum als aan een wachtwoord. Verspreid onder de Joden en Heidenen, ja zelfs onder de Ketters, die reeds in het begin der H. Kerk gevonden werden, bedienden zij zich van liet Symbolum om de ongeloovigen te erkennen en om zich tegen hunne valsche broeders te wapenen. Want alhoewel de Joden, Ketters en zelfs de Heidenen eenige artikels geloofden, de Christenen alleen geloofden en beleden ze allen.
Het Symbolum des geloofs was ook oen krachtig middel om de eenheid des geloofs te bewaren, en te beletten dat het dooi\' de vijanden der Kerk vervalscht werde.
IV.
Men kan het Symbolum des geloofs verdoelen in drie doelen. Het eerste deel, in don eersten artikel vervat, handelt over den eersten persoon van de H. Drievuldigheid, namelijk over God God den Vader en het werk der Schepping.
Het tweede deel, van den tweeden artikel tot den achtsten, handelt over den tweeden persoon van de H. Drievuldigheid, over God den Zoon en het geheim der Menschwording en der Verlossing der wereld.
Het derde deel, van den achtsten artikel tot het einde, handelt over den derden persoon van de H. Drievuldigheid, over God den H. Geest en het werk der Heiligmaking.
In het eerste deel zien wij dus God den Vader, Schepper van hemel en aarde; in het tweede deel. God den Zoon, Verlosser der wereld en in het derde deel. God den Heiligen Geest, den Heiligmaker.
Het Symbolum der Apostelen bestaat uit twaalf artikelen. Door het woord Artikel kan men verstaan eene geloofswaarheid door God geopenbaard. Nochtans, men verstaat doorgaans door het woord Artikel, eene geloofswaarheid die eene bijzondere moeielijkheid heeft om geloofd te worden. Dergelijke waarheid is, bijv., de artikel, die ons leert dat God de Zoon voor ons geleden heeft, dat Hij gekruist en gestorven is voor de zaligheid der menschen. Een God, die in zich zelvon oneindig volmaakt en gelukkig is; een God Schepper, die van zijn schepsel niets kan erlangen, lijdt en sterft den schande- en pijnlijksten dood des kruises voor zijn wederspannig schepsel; ziedaar, B. B., een artikel des geloofs, die troostrijk is voor de geloovigen, maar die eene groote moeielijkheid beeft voor de hoovaardigen, die hun verstand niet willen ten beste geven voor bet geloof. O, voorzeker, dan is het moeielijk zoo niet onmogelijk te gelooven dat onze zaligheid van den Gekruiste afhangt.
De artikel, waarin over de vergiffenis der zonden gehandeld wordt, heeft ook zijne moeielijkheid: want, B. B., zoo wij de boosheid der zonde nagaan; zoo wij onderzoeken, van den eenen kant de oneindige majesteit, goedheid en rechtvaardigheid Gods dien men beleedigt; van den anderen kant de laag- en nietigheid van het zondige schepsel, van den mensch, die tegen zijnen Schepper, Heer en Regeerder opstaat, O, H. B., men zoude moeite hebben te gelooven dat de mensch vergiffenis van zijne zonden kan bekomen, ware het niet een punt van ons geloof.
!• I
I
il
Hetzelfde kan men zeggen van den artikel, die over de verrijzenis des vleesches handelt. Ook vinden wij er eene proef van in de handelingen der Apostelen. Paulus, de Apostel der Heidenen, in de hoofdstad van Griekenland, te Athene, aangekomen, bemerkte de verblindheid van die ongelukkige afgodendienaars. Hij ontvluinde in ijver en stelde zich voor hun den waren God te verkondigen. Naar den Ariopagus, in quot;t midden der geleerden van Griekenland gebracht, sprak hij onder anderen over de opstanding der dooden, d. i., over de verrijzenis des vleesches; en wat gebeurde er? Zoodra zij den Apostel over de opstanding der dooden gehoofd hadden, dreven er eenigen den spot mede, zegt de If. Lucas.
Ziedaar, B. B., wat den trotschen Atheners wedervoer, die hun verstand aan het geloof niet wilden onderwerpen, /iodaar, wat er hedendaags nog met vele ongelukkigen gebeurt. Men treft er aan, die naar de stem Gods in de H. Kerk en hare dienaren niet luisteren, zooals de ongeloovigen, de vrijmetselaars en vrijdenkers; anderen hooren wel, doch willen niet doen hetgeen er gezegd wordt: het gaat het eene oor in en het andere uit; zij drijven als het ware den spot met de woorden der H. Kerk.
|
En niettemin, wij weten het, \'t is door de H. Kerk dat God tot het menschdom spreekt. Zij lasteren hetgeen zij niet kennen; doch weest verzekerd, H. B., \'t zal niet ongestraft blijven, \'t Schijnt als of God er geen acht op sloeg. En inderdaad, vol goedheid is God lankmoedig; Hij heeft groot geduld met die ongelukkigen, doch het is niet minder een punt van ons geloof dat God ook rechtvaardig is; Hij zal zich niet altijd laten bespotten, zegt de Apostel Paulus. Bijaldien de mensch nu naar de li. Kerk en hare dienaren niet wil luisteren, eenmaal zal hij gedwongen zijn God in persoon te hooren en diens strafl\'ende hand te ondervinden, namelijk, in den laatsten dag des oordeels; ja, zelfs vroeger, onmiddellijk na den dood; want wat zegt het
1
II
lip
\'J
— 76 —
spreekwoord? Het spreekwoonl zegt; die niet hoeren wil moet maar voelen. Wij daarentegen, als getrouwe kinderen der Heilige Kerk, zullen in hare dienaren God aanschouwen; in de twaalf artikelen des geloofs, de twaalf Apostelen en naar hunne leering ons gedrag regelen.
SLUITREDE.
Ten slotte zeg ik, B, B.. dat wij op doodzonde verplicht zijn liet Symbohun der Apostelen te kennen, namelijk, wat het voor-naaraste er van Ijotreft. Immers, het Symbolum wordt gerekend onder de punten, die wij moeten weten uit noodzakelijkheid des gebods. Men is zelfs verplicht het Symbolum te kunnen opzeggen, wel niet op doodzonde, maai\' toch op zonde; ja wat meer is, zij die het niet van buiten kennen, kennen er dikwijls niets van, en zij zijn op doodzonde verplicht het voornaamste er van aan te leeren.
In de volgende onderrichtingen zullen wij de twaalf artikelen uitleggen. Gelooven wij vastelijk, B. 15., alwat de Apostelen ons in hun Symbolum geleerd hebben; zeggen wij het dikwijls op met aandachtigheid, uit eerbied voor de waarheden die het bevat; ja, bidden wij het dikwijls met droefheid over onze zonden, waarvan wij de vergilfenis verhopen en met een vurig verlangen naar den hemel, het eeuwige leven. Amen.
ACHTSTE ONDERRICHTING
OVER HET BESTAAN VAN GOD
li go sum qui sum.
Ik ben die ben. (Ex. ui, u.)
INHOUD.
VOORREDE.
Door den eersten artikel van liet Symbolum belijden wij dat er is één God. Die waarheid is de eerste en do grondslag van de overige geloofswaarheden. De uitzinnige heeft in zijn hart gezegd; Er is geen God; doch te vergeefs.
VERDEELING.
I. Er bestaat een God;
II. God is noodzakelijk één;
III. Wat is God?
— 78 —
1.
God heeft zich geopenbaard op eene natuurlijke en bovennatuurlijke wijze Op eene natuurlijke wijze, door zijne schepselen en door de stem des gewetens.
1° Door zijne schepselen: door do schepping en het bestuur van liet heelal. Vergelijkingen van een paleis en van een schip. Woorden van den H. man Job, van den Apostel Paul us, van don H. Antonius Abt.
2° Door de stem des gewetens, die getuigt dat er eene wet en bijgevolg ook een wetgever bestaat; die wetgever is God.
Op eene bovennatuurlijke wijze. God zeil\' heeft gesproken aan de Aartsvaders, door de Profeten, eindelijk door zijn eigen Zoon.
II.
De eenheid van God wordt bewezen door het gezond vorstand en door het geloof.
1° Door het gezond verstand. God is bet Opperwezen, oneindig volmaakt, de Oppermeester van hemel en aarde.
2° Door het geloof. Ik ben God en buiten Mij is er geen God, en er is niemand aan Mij gelijk. Geschiedenis van den Apostel Paulus te Athene.
III.
Wat is God, beschouwd in zijne natuur? God is onbegrijpelijk en onuitsprekelijk. Geschiedenis van Moses en den brandenden braamstruik. God is een geest, een enkele geest, een oneindig volmaakte geest. Wat wordt er verstaan door den arm, het oog, enz., van God?
•SI.UTRKDK.
God bedanken van tot de zaligmakende kennis van God geroepen te zijn. God onze dankbaarheid betoonen door dikwijls aan Hem te denken om Hem te verheerlijken en te beminnen. Verzuchten en Verlangen van God in den hemel te bezitten.
— 80 —
ACHTSTE ONDERRICHTING
OVER HET BESTAAN VAN GOD
Ego sum qui sum.
Ik ben die ben. (Ex. ui, quot;•)
VOORREDE.
Laatsleden, B. I?., hebben wij gesproken over liet Symboluni des peloofs; thans zullen wij de waarheden van liet Symbolum elk afzonderlijk verhandelen. Vandaag vangen wij aan met de eerste waarheid on die inderdaad de grondslag van de overige geloofswaarheden mag genoemd worden, namelijk, met het bestaan van God.
Niemand, li. li., die verstand heeft, twijfelt aan het bestaan van God; de uitzinnige alleen durft het in twijfel trekken en loochenen: Dixit insipiem in corde suo, zegt de Profeet David: de uitzinnige heeft in zijn hart gezegd, er is geen God: Non est Deus. (i) Ilij loochent liet bestaan van God: waarom? Spreekt hij met overtuiging? Volstrekt niet; maar hij loochent het, omdat hij een uitzinnige is. Ook durft hij die waarheid alleen in zijn bedorven hart in twijfel trekken; haar loochenen in \'t aangezicht van hemel en aarde durft hij niet, uit vrees van terstond beschaamd en gelogenstraft te worden. De goddelooze zoude wel willen dat er geen God bestond; geen God, die getuige is van zijne misdaden en weldra zijn rechter en wreker zal wezen. Ziedaar, waarom hij in zijn bedorven hart zegt: er is geen God: Non esl Deus. Doch te vergeefs; die waarheid is te diep in den geest van den mensch gedrukt om er ooit uitgewischt te kunnen worden.
(1) Ps. Lil, 1,
— 81 —
Terwijl ik u nu begin io spreken over liot bestaan van God, moet gij niet denken dat ik veronderstel dat gij die waarheid niet kent, of dat gij er eenigszins aan twijfelt: volstrekt niet. Waarom dan over het bestaan van God gesproken? God, B. B., heeft gaarne dat wij aan Hem en dikwijls aan Hem denken: ook zal het gedacht aan — en het gesprek over God niet anders dan Voordeelig voor ons zijn.
De eerste artikel van het Symbolum des geloofs luidt als volgt:
Credo in Dcum, Putrem omnipolentem, creatorem cceti et terra;.
Ik geloof in God, den Vader almachtig. Schepper des hemels en der aarde.
Oe Catechismus vraagt:
Wat belijden toij door de eerste woorden van het Sj/nibohun des Geloofs: Ik geloof in God? En hij antwoordt:
Dat er is een God. Zien wij dus:
1. Dat er een God bestaat;
11. Dat Hij één is in getal;
HI. Wat God is.
I.
Wij kunnen God niet zien, B. B., omdat Hij een enkele geest is: nochtans, wij weten dat Hij bestaat. God openbaart zich en Hij openbaart zich op tweederlei wijze, op eene natuurlijke en op eene bovennatuurlijke wijze.
Hij openbaart zich op eene natuurlijke wijze, door zijne schepselen en door de stem des gewetens. God openbaart zich door zijne schepselen, d. w. z., door de schepping en het bestuur der zichtbare wereld. Ziehier, B. B., eene vergelijking: Stelt u eens voor een gebouw, een schoon huis of een paleis: onderzoekt dat paleis; alles is stevig en ordelijk gebouwd en gij vindt
Gklooi-s- kn Zi:igt;knli;i:r. 0.
— 82 —
er niets in af te keuren: de verhoudingen zijn goed in acht genomen: hoogte, lengte, breedte, enz. De vertrekken zijn luchtig en geëvenredigd: keuken, eetzaal, spreekkamer, zaal, slaapkamers, alles in een woord is goed bemeubeld. Wat besluit gij daar nu uit? Besluit gij daaruit en zegt gij: dat gebouw, dat schoon huis, dat paleis is bij toeval gekomen? Men zou u uitlachen. Gij besluit dus en zegt: \'t Moet een bekwaam bouwmeester geweest zijn, die het plan gemaakt heeft: \'t moeten bekwame werklieden, metselaars, timmerlieden, enz., geweest zijn, die het plan ten uitvoer hebben gebracht, en alzoo redeneert gij wel.
Welnu, maakt nu de toepassing: aanschouwt het gebouw, het schoon huis, het paleis dat wij Heelal noemen, d. i., hemel en aarde: aanschouwt aan het uitspansel des hemels de zon, de maan en die millioenen sterren: op de aarde de bergen en valleien, de zeeën en rivieren, de visschen die in het water zwemmen, de vogelen die in de lucht vliegen: aanschouwt de verschillende dieren en eindelijk het meesterstuk der schepping, den mensch. Wat besluit gij daaruit? Besluit gij daaruit dat het heelal, dat hemel en aarde met al wat zij bevatten bij toeval gekomen zijn? Men zoude u voor een uitzinnige aanzien. Gij besluit dus noodzakelijk en zegt: er moet een Wezen bestaan, dat niet geschapen is en dat alles geschapen heeft, d. w. z., een Schepper van hemel en aarde, oneindig wijs, oneindig machtig, in een woord, er moet een God zijn.
Andere vergelijking: veronderstelt een schip, een zeilschip of stoomboot. Dat schip vertrekt elke week op bepaalde uur uit Antwerpen en komt elke week zonder schade op bepaalde uur op «ene bestemde plaats in Amerika aan. Zoudt gij durven zeggen, dat het schip alleen, zonder stuurman, zonder kapitein, zonder matrozen elke week die reis aflegt? Gij besluit en zegt dus: \'l moeten goede matrozen, \'t moet een goed kapitein en bijzonder een goed, een bekwaam stuurman zijn om elke week op bepaalde
— 83 —
uur en op bestemde plaats de haven binnen ie loopen. Eveneens moet men besluiten, als men den loop van het heelal gadeslaat; den geregelden loop van zon, maan 011 sterren, den geregelden loop der jaargetijden, van lente, zomer, herfst en winter, de geregelde afwisseling van dag en nacht, als men ziet de volmaakte orde die overal, te allen tijde en in alles bestaat. Wat moet men daaruit besluiten? dat alles bij toeval geschiedt? Gij besluit en zegt te recht: Er moet een Wezen bestaan, oneindig machtig, oneindig wijs, dat alles bestiert, in een woord, er-moet een God zijn.
Gij ziet dus, B. B., God openbaart zich op eene natuurlijke wijze door zijne schepselen. Hij had bijgevolg gelijk, de M. man Job, als hij zeide: Ondervraag slechts de dieren, zij zullen u leeren; de vogelen dos hemels, zij zullen het u te kennen geven; of wend tot de aarde uwe rede, en zij zal u onderwijzen; en de visschen der zee zullen het u melden: Wie erkent niet in dit alles dat de hand des Heeren hen gemaakt heeft?
De schepselen dus waarschuwen ons en roepen ons toe; Wij hebben ons zeiven niet gemaakt, maar God heeft ons gemaakt: Ipse fecit nos et non ipsi nos.
Te recht zegt dus de Apostel Paulus van de Heidenen sprekende, die zich aan afgoderij plichtig maakten, dat zij niet te verschoonen zijn, als zij God niet verheerlijken, dien zij uit de geschapen wereld konden kennen. De schepping is als een boek, dat altoos voor ons open ligt en waarin wij de oneindige wijsheid, macht en goedheid Gods kunnen lezen.
Zekeren dag vroeg men den H. Antonius Abt, hoe hij in de wildernis in de eenzaamheid zonder boeken kon leven. Heb ik dan Jiiei, sprak hij, het grootste van alle boeken? Dat boek heb ik nooit uitgelezen, de gansche schepping is mijn boek, daarin lees ik de heerlijkheid Gods, daarin is de Schepper met de levendigste kleuren afgeschilderd.
.
— 84 —
God openbaart zich ook door de stem des gewetens. Het geweten, die inwendige stem, getuigt ons dat er eene wet bestaat die gebiedt en verbiedt; dat, zoo er eene wet bestaat er ook een wetgever bestaan moet: en wie is die wetgever? Die wetgever, de gansche wereld stemt er in overeen, is niemand anders dan God, die mij op den dag van mijnen dood zal oordeelen en die op het einde der wereld nog zal oordeelen de levenden en de dooden. Ziedaar, hoe God zich op eene natuurlijke wijze openbaart.
God openbaart zich ook nog op eene bovennatuurlijke wijze, en de kennis van God op die wijze bekomen strekt ons ter zaligheid, is eene zaligmakende kennis. Ja, God heeft zich aan de menschen geopenbaard, rechtstreeks en op verschillende wijzen. Hij heeft zich geopenbaard aan de Aartsvaders, aan Noë, Abraham, Isaac en Jacob; aan Moses en aan de Profeten, die de middelaars waren tusschen God en het volk van Israël. God, zegt de Apostel Paulus, heeft eertijds bij verschillende gelegenheden en op verschillende manieren tot onze vaders gesproken door de Profeten, per Prophelas, en eindelijk heeft Hij door zijn eigen Zoon gesproken: Novissime uutern in Filio. l) Ziedaar dus hoe God zich openbaart en zich geopenbaard heeft, en hoe wij zeker zijn van het bestaan van God.
Zien wij nu op do tweede plaats, dat God noodzakelijk één is.
11.
De waarheid, B. B,, van do eenheid van God is niet minder klaar en duidelijk dan die van het bestaan van God. De Catechismus vraagt:
Hoeveel (joden zijn er? En hij antwoordt:
Één God alleen.
Er is dus maar één God, B. B., of wel er is geen God.
(i) Hebr. i, 1.
Dat er maar één God is, leert ons het gezond verstand en liet geloof. Vooreerst het gezond verstand. Wanneer er spraak is van God, dan verstaat men het Opperwezen, een Wezen oneindig volmaakt, de Oppermeester van hemel en aarde; bijgevolg is God noodzakelijk één.
God is het Opperwezen. Veronderstelt nu een oogenblik twee Opperwezens: ofwel zij zijn gelijk, of zij zijn niet gelijk. In het eerste geval is geen van beiden hel Opperwezen en bijgevolg zoude er geen God zijn. In het tweede geval zoude de een den anderen overtreffen, er zoude maar één Opperwezen en bijgevolg maar één God zijn.
God is oneindig volmaakt; doch veronderstelt twee of meer wezens die oneindig volmaakt zijn: eik wezen moet noodzakelijk eene bijzondere volmaaktheid bezitten om zich van het ander te onderscheiden; doch in dat geval zoude er geen enkel wezen zijn dat oneindig volmaakt is, en er zoude bijgevolg geen God zijn; docli God is oneindig volmaakt, bijgevolg kan er niet meer dan één God zijn. Te recht vraagt dus de Catechismus:
Wuarom is er maar één God? En hij antwoordt:
Omdat er maar een oneindig volmaakt toezen kan zijn.
God is de Oppermeester van hemel en aarde. Veronderstelt eeu oogenblik twee Oppermeesters; ofwel die twee Oppermeesters verdeelen onder elkander het bestuur van hemel en aarde; doch in dit geval zoude de een geen meester zijn van het deel van den anderen, er zoude geen Oppermeester en bijgevolg geen God zijn; ofwel de een zoude de meester zijn van het deel van den anderen, en alzoo zouden er geen twee, doch er zoude maar één Oppermeester en bijgevolg ook maar één God zijn.
Dat er maar één God is, leert ons ook het geloof.
God zelf zegt ons door den mond van zijnen Profeet Isaïas: Ego sum Deus, Ik ben God, el non est ultra Deus, en buiten mij is er geen God, eu er is niemand aan mij gelijk: nee est
similis mei. (i) Ea door den mond van zijnen dienaar Moses liet God liet volk. van Israël zeggen; Luister Israël: audi Israël: de Heer onze God is de eenige Heer: Dominus Dens nosier Dominus unus est. (2)
De Heidenen wel is waiir aanbaden meer goden; ook maakten zij zich een slecht gedacht van de Godheid door goden van verschillenden rang aan te nemen; nochtans, zij erkenden een Opperwezen, aan hetwelk hunne andere goden niet konden wederstaan. Dat Opperwezen noemden zij Noodlot, De Atheners hadden onder hot groot getal altaren hunnen goden opgericht, er oen opgericht met het opschrift; Ignolo Deo: aan den onbekenden God. De Apostel Paulus door de stad Athene wandelende, en onder al die altaren ook het altaar aan den onbekenden God ziende, zeide: Ik kom u den God, dien gij aanbidt zonder Hem te kennen, verkondigen, den God, die de wereld en al wat zij bevat, geschapen heeft; die de Meester is van hemel en aarde. Wij zien dus, B. 15,, vooreerst door het gezond verstand en vervolgens nog door het geloof dat er maar één God is. Blijft er te zien over wat God is.
Wanneer ik de vraag stel; Wat is God? dan bedoel ik wat God is in zich zeiven, wat het wezen, wat de natuur van God is. Kr is geen vraag moelelijker te,beantwoorden dan deze; Wat is God? Niemand, zelfs de volmaakste Engel niet, zoude er een volledig antwoord op kunnen geven. Het is gemakkelijker te zeggen wat God niet is, dan te zeggen wat Hij is; zoo spreekt de H. Augustinus. En de Apostel Paulus zegt dat God een ongenaakbaar licht bewoont; Lueern. inlmbilut inaccessibilem. (3) Vandaar dat de Catechismus zegt dat God onbegrijpelijk en onuiisprekelijk is. Hij vraagt;
(1) Is. xi.v), 9. (2) Deüt. vi, 4. \'3) Tim. vi, 16.
— 87 —
Wol is te zeggen dat God onbegrijpelijk en onuitsprekelijk is? En hij antwoordt:
Dat wij met ons rostand niet ten rolle kunnen hegrijpen, noch met onze woorden uitspreken wat God is.
God \'alleen kan ons zegden en leeren wat Hij is. Ziehier, B. B., hoe en bij welke gelegenheid God zich uitgedrukt heeft.
Moses hoedde de kudde van zijnen schoonvader Jethro. Zekeren dag leidde hij ze diep in de woestijn en kwam bij den berg Gods, Iloreb genaamd, God verscheen Moses iu een brandenden braamstruik. Moses zag don braamstruik branden, zonder te verbranden en iiij sprak: Ik moet gaan en dat groot visioen zien: Vadarn et rideho hanc visionem magnam. (l) Doch God Moses ziende naderen, riep hem toe: Moses! Moses! Moses antwoordde: Hier ben ik. God hernam: nader niet alvorens uwe schoenen uitgedaan te hebben; want de plaats waar gij staat, is eene heilige plaats. God zeide daarenboven: Ik ben de God van uwen vader, de God van Abraham, de God van Isaac, de God van Jacob: Hij beloolde net volk van Israel uit de slavernij van Egypte te verlossen en Hij voegde er hij dat Hij hem — Moses — naar Pharao zoude zenden om de kinderen van Israël uit Egypte te doen vertrekken. Moses aanvaardde die zending; doch hij maakte eene kleine opmerking en zeide tot God: Bijaldien de. kinderen Israels mij vragen: welk is de naam van Hem, dien gij zegt de God onzer voorvaderen te zijn en u gezonden te hebben: Wat zal ik hun antwoorden? God zeide tot Moses: Ik ben die ben: Ego sum qui sum. en gij zult den kinderen Israels zeggen: Hij die is, heelt mij gezonden, qui est, misit me ad vos.
Ziedaar wat God zeil\' zegt te zijn: Ik ben die ben: als wilde Hij zeggen: Ik ben het Wezen zeil\', de Volheid des Wezens, het eeuwig, het oneindig volmaakt, het onafhankelijk, het Opperwezen. Ik ben. Ik besta, Ik leef uit mij zeiven. De schepselen
(j) Ex. in, 3.
— 88 —
zijn niet het wezen zelf, zij hebben het ontvangen; zij hebben niet de volheid des wezens, zij hebben er enkel deel aan: zij bestaan niet uit hen zeiven en bijgevolg zijn zij noch eeuwig, noch oneindig volmaakt, noch onafhankelijk. De Catechismus vraagt nog:
Heeft God een lichaam? En hij antwoordt:
Neen, hij is een enkele geest. Spiritus est Deus. (i)
Wat is te zeggen dat God een enkele geest is?
Dat God uit geene deelen bestaat, noch iets heeft dat wij met onze oogen 0/ Met andere zinnen kunnen bemerken.
W ij kunnen dus God niet zien, niet hooren, niet voelen, evenmin als wij een Engel of onze ziel knnnen zien. Wanneer wij dus van den arm, van het oog, enz., van God spreken, dan beteekenen wij niet dat God inderdaad een arm, enz., heeft; \'t is enkel eene manier van spreken. Door den arm Gods. bijv., geven wij te kennen dat Hij almachtig is, door het oog, dat Hij alles ziet. God is een enkele geest, d. i., zonder lichaam en daarom overtreft Hij den mensch: de mensch is samengesteld uit ziel en lichaam; zijne ziel is ook een geest. God is niet alleen een enkele geest, maar ook een oneindig volmaakte geest, en daarom overtreft Hij in \'t oneindige de Engelen, alhoewel deze ook enkele geesten zijn, naar die God geschapen heeft en die van Hem afhangen.
SLUITREDE.
Ziedaar, B. B., in quot;t kort bewezen dat er een God bestaat, dat God noodzakelijk één is en wat Hij is. Wat moeten wij daaruit besluiten? Daaruit moeten wij besluiten:
1° Den Heer te bedanken van ons tot de ware kennis van God geroepen te liebben, zelfs op eene bovennatuurlijke wijze, die tot ons eeuwig geluk verstrekt, d. i., van ons tot het waar geloof
(1) Joan. iv, 23.
— 89 —
in God geroepen te hebben. Hoeveel menschen zitten tot op den dag van heden nog in de duisternissen der afgoderij en bijgevolg in de schaduw des doods? Welnu, zonder onze verdiensten, uit loutere genade heeft (lod ons uit de duisternissen tot zijn wonderbaar licht geroepen, tot het geloof\', gelijk de Apostel Petrus zegt; qui rocavit ros de tenehris in admirabile lumen suum. (i)
2° God onze dankbaarheid te betoenen naar het voorbeeld der Heiligen door dikwijls aan God te denken, om Hem te eeren en te verheerlijken, om Hem te aanbidden en te beminnen. De Heiligen stonden somtijds als buiten zich zeiven van verrukking bij het aanschouwen van het een of ander schepsel; zij werden daardoor tot God verheven, zooals, bijv., een H. Ignatius, eene Heilige Theresia bij het aanschouwen oener bloem des velds. Trachten wij dus in de kennis van God toe te nemen, en daarom herhalen wij dikwijls het kort maar schoon gebed van den H. Augustinus; Novenm me, noverim le! Dat ik mij en U kenne, o mijn God! Domine! noccrim te ut amem te! Dat ik U kenne, O Heer! om U te beminnen! daardoor zullen wij ook in liefde tot God toenemen. Zijn wij niet bang den goeden God te zeer te beminnen ; want de maat waarmede wij God moeten beminnen is, van Hem te beminnen zonder maat.
3° Dikwijls te verlangen en naar God te verzuchten om Hem te bezitten naar \'t voorbeeld der Heiligen, en daarom herhalen wij dikwijls de liefdevolle verzuchtingen; Deus meus et omnia! Mijn God en mijn al! Wanneer zal mij het geluk te beurt vallen, waarnaar ik zoozeer dorst! Quando fiel istud, quod tam sit ia! geluk, van U eenmaal aanschijn aan aanschijn te aanschouwen, ut te revelata cernens facie, en in \'t aanschouwen uwer glorie voor eeuwig gelukkig te zijn in den hemel! visu sim heatus tuce gloria:! Amen.
(i) I Petr. ii, 9.
NEGENDE ONDERRICHTING
OVER DE H. DRIEVULDIGHEID
Tres sunt qui testimonium dnnt in cwlo: Pater, Verhum et Spiritus Snncfus, et hi tres unum sunt.
Drie zijn er dio getuigenis afleggen in den hemel: de Vadei\', het \\\\oord en do H. Geest, en die drie zijn één.
(] JOAN. V,\' 7.)
INHOUD.
VOORREDE.
Er bestaat een God; God heeft zich zeiven geopenbaard; God is noodzakelijk één, onder anderen, omdat Hij oneindig volmaakt is; God is een enkele Geest, onbegrijpelijk en onuitsprekelijk.
VERDEELING.
I. II. Hl.
Wat is de H. Drievuldigheid?
Dit mysterie is boven, doch niet tegen de rede
De veropenbaring van do H. Drievuldigheid.
— 91 —
r.
Het mysterie der II. Drievuldigheid bestaat in twee zaken, in de eenheid van wezen en in do verscheidenheid van personen. Van wie komen de drie personen voort? De Vader komt van niemand voort, de Zoon van den Vader, de II. Geest van den Vader en den Zoon te zamen. Hoe? De Vader is niet ouder, niet machtiger, wijzer, enz., dan de Zoon of de II. (ieesi. Waarom niet? Waarom wordt de macht den Vader, de wijsheid den Zoon en de heiligheid den II. Geest zonderling toegeschreven ? Waarom de schepping den Vader, het bestuur den Zoon, de heiligmaking den H. Geest?
II.
Det mysterie der Heilige Drievuldigheid is een onbegrijpelijk mysterie, boven, doch niet tegen de rede. Waarom? Vergelijkingen van de ziel en van het water. Geschiedenis van den H. Augustinus op den oever der zee.
III.
God heeft liet mysterie der H. Drievuldigheid geopenbaard, minder klaar in \'t Oude, klaar in \'t Nieuwe Testament. Woorden van Jesus alvorens ten hemel te klimmen. Jesus door Joannes gedoopt in de Jordaan.
SLUITREDE.
In het mysterie der H. Drievuldigheid vinden wij:
1° Het waardigste voorwerp van vereering;
2° Het schoonste toonbeeld van vereeniging en liefde;
3° De grootste beweegreden van betrouwen.
— 92 -
Het mysterie der H. Drievuldigheid willen doorgronden is eene groote vermetelheid.
Hét mysterie der H. Drievuldigheid gelooven is eene volstrekte noodzakelijkheid.
Het mysterie der H. Drievuldigheid in den hemel aanschouwen is de volmaakte gelukzaligheid.
NEGENDE ONDERRICHTING
OVER DE H. DRIEVULDIGHEID
Tres sunt qui testimonium dant in ccelo: Pater, Verhum. et Spiritus Sanctus, et ld tres unum sunt.
Drie zijn er die getuigenis afleggen in den hemel; de Vader, het Woord en de H. Geest, en die drie zijn één.
(t J O AN. V, 7.)
VOORREDK.
In ouzo voorgaande onderrichting, Beminde Broeders, hebben wij gesproken over God, over zijn bestaan, zijne eenheid en zijn wezen. God bestaat: Hij heeft zich natuur- en bovennatuurlijker wijze geopenbaard. Natuurlijker wijze: vooreerst door zijne schepselen, door de schepping en het bestuur van hemel en aarde; ook door de stem des gewetens, dat ons leert dat er een wetgever en bijgevolg een looner van het goed en een straffer van het kwaad is. Bovennatuurlijker wijze; wijl God zich zeiven rechtstreeks geopenbaard heeft.
God is noodzakelijk één: de gezonde rede zegt het ons, wijl God het Opperwezen, oneindig volmaakt en de Oppermeester is. Overigens, God heeft ook uitdrukkelijk gezegd dat Hij éón in getal is.
God is het Wezen bij uitstek, de volheid des Wezens: Hij is een geest, een enkele en een oneindig volmaakte geest. Nooit of nimmer kunnen wij met ons verstand ten volle begrijpen wat God is, en bijgevolg kunnen wij het ook niet met onze woorden uitd rukken.
— 94 —
Zoo God dus reeds onbegrijpelijk en onuitsprekelijk is in zijn Wezen, des te onbegrijpelijker en onuitsprekelijker zal Hij zijn in zijne Drievuldigheid.
Nochtans, wij moeten er over haüdelen, wijl wij het mysterie der H. Drievuldigheid noodzakelijk moeten kennen en gelooven . om zalig te worden.
Wij zullen dus zien:
I. Waarin het mysterie der H. Drievuldigheid bestaat;
II. Dat liet niet tegen maar boven de rede is;
III. De veropenbaring van liet mysterie der H. Drievuldigheid.
I.
De Catechismus vraagt:
Wat is de heilige Drievuldigheid? En hij antwoordt:
God de Vader, God de Zoon, en God de Heilige Geest: drij Personen en één God.
Het mysterie der 11. Drievuldigheid bestaat dus in twee zaken, in de eenheid van wezen of natuur en in de verscheidenheid van personen.
Hoeveel goden zijn er?
Daar is maar één God, zoo nochtans dat er drij Personen zijn: de Vader, de Zoon en de II. Geest. De Vader is God, de Zoon is God, en de II. Geest is God.
Zijn er dan drij goden?
Neen, die dry Personen zijn maar één God. Doch:
Hoe kannen drij Personen één God zijn?
Omdat zij alle drij maar één en hetzelfde Goddelijk loezen of natuur hebben.
/ij zijn nochtans drie verscheidene personen: want een ander is de persoon des Vaders, een ander de persoon des Zoons, een ander de persoon des H. Geestes. De Catechismus vraagt:
— 95 —
Van loien komt God de Vader roorl? Kn iiij antwoordt:
Van niemand.
Van toien komt God de Zoon voort?
Van God den Vader.
Van toien komt God de lleüige Geest voort?
Van God den Vader en God den Zoon te zamen.
De eerste persoon wordt Vader genoemd, omdat Hij door het verstand — door de kennis — een Zoon voortbrengt. Do tweede persoon wordt Zoon genoemd, omdat Hij van den Vader door het verstand voortgebracht, geboren is. De derde persoon wordt H. (leest genoemd, omdat Hij van den Vader en den Zoon te zamen voortkomt door den wil — door de liefde. — De Catechismus vraagt:
Is God de Vader ouder of meerder dan de Zoon of de Heilige Geest? En hij antwoordt;
Neen; ivant g el ijk zij maar één Goddelijk I j \'ezen hebben, zoo zijn zij alle drij exen oud of\' eeuwig, wijs en machtig.
God de Vader immers heeft den Zoon in eeuwigheid voortgebracht door zijn verstand, omdat Hij zich in eeuwigheid gekend heeft, en God de H. Geest komt ook in eeuwigheid van God den Vader en God den Zoon te zamen voort door den wil, omdat God de Vader en God de Zoon zich in eeuwigheid bemind hebben; bijgevolg zijn Zij alle drie even oud, d. i., eeuwig; Zij zijn alle drie even wijs en machtig; in een woord, Zij hebben alle drie een en dezelfde goddelijke volmaaktheden of hoedanigheden, omdat die volmaakt- of hoedanigheden der goddelijke natuur eigen zijn; of liever, Zij zijn de goddelijke natuur zelve; en wijl Zij alle drie een en dezelfde goddelijke natuur hebben, daaruit volgt dat Zij alle drie een en dezelfde volmaakt- of hoedanigheden hebben, dat Zij alle drie zijn even wijs, machtig, enz
Waarom wordt — dan — God de Vader meer dan de Zoon almachtig geheeten?
Niet omdat hij machtiger is, maar omdat de macht hem zonderling wordt toegeschreven-, gelijk ook de wijsheid den Zoon, en de heiligheid den H. Geest.
Ik zeg, zonderling, en niet uitsluitend ; want alhoewel zij somtijds ook aan de andere personen toegeschreven worden, de almacht nochtans wordt den Vader, de wijsheid den Zoon en de heiligheid den H. Geest zonderling toegeschreven. De almacht wordt den Vader zonderling toegeschreven; Waarom? Omdat de Vader het beginsel en de oorsprong is van den Zoon en den Heiligen Geest, en niet alleen van de twee goddelijke personen, maar ook van alles wat er bestaat. De wijsheid wordt den Zoon zonderling toegeschreven; waarom? Omdat de wijsheid de vrucht is van het verstand; doch de Zoon is van den Vader door het versland voortgebracht. De heiligheid wordt den II. Geest zonderling toegeschreven; waarom? Omdat de heiligheid bestaat in de volmaakte liefde van den wil tot het goede; doch de Heilige Geest is de allorvolinaaktste liefde des Vaders en des Zoons. En niet alleen worden de opgesomde volmaaktheden, de almacht, de wijsheid en de heiligheid de drie personen zonderling toegeschreven, maar ook de uitwendige werken, d. i., de werken onder de schepselen die er uit voortvloeien; daarom wordt den Vader zonderling toegeschreven de schepping, het werk van Gods almacht : In principio crcavit Deus ccelum et terram : in \'t begin schiep God hemel en aarde; den Zoon het bestuur der wereld en hare verlossing, het werk der .wijsheid; Christus redemit nos : Christus heeft ons vrijgekocht; den H. Geest de heiligmaking der menschen door de vergiffenis der zonden en door de uitdeeling der genaden, het werk der heiligheid: Sancti-ficati eslis... in Spiritu Dei nos tri; gij zijt geheiligd in den Geest van onzen God.
Ziedaar, B. B., een klein gedacht van liet mysterie van do Heilige Drievuldigheid; ik zeg een klein gedacht en niet zonder reden.
II.
Do Catechismus vraagt:
Kunxien wij hegrijpen wat de Heilige Drievuldigheid is? En hij antwoordt:
JSieen, het is een onbegrijpelijk Mysterie.
Overigens, zulks moet ons volstrekt niet verwonderen: er zijn zooveel geheimen voor ons zelfs in de natuur en er zoude geene geheimen voor ons zijn in God? Een graankorrel, bijv., wordt aan de aarde toevertrouwd; hij rot in den grond en brengt tien- twintigvoudige vruchten voort. Uit een eikel, nietige vrucht, groeit een reusachtige eik ; wij zien het, wij gelooven het zonder nochtans te begrijpen hoe het gebeurt. Onze beperkte geest verliest zich in een grashalmtje en wij zouden den oneindig volmaakten God willen begrijpen? Bijgevolg kan er geen spraak zijn van het mysterie der II. Drievuldigheid te begrijpen, wij moeten het gelooven.
Nochtans, het mysterie der H, Drievuldigheid is niet tegen, maar hot is boven de rede. Het is niet tegen de rede; het bevat volstrekt, geene tegenstrijdigheid, geen onzin ; wij zeggen niet dat drie goden ëén God zijn, hetgeen eene tegenstrijdigheid, een onzin en bijgevolg tegen de rede zoude zijn; doch wij beweren dat drie verscheidene personen maar één God zijn, omdat zij een en hetzelfde goddelijk wezen of natuur hebben ; en daarin, B. B., is volstrekt geene tegenstrijdigheid, geen onzin te vinden.
Om dit mysterie toch eenigszins op te helderen, is men gewoon vergelijkingen aan te voeren. Ziehier twee vergelijkingen, eene van de ziel, eene van het water:
1° Van de ziel. De meusch heeft maar ééne ziel. In die ziel zijn drie verschillende zaken; het verstand, de gedachte en de
Gki.oofs- kn\' Zi:denm:rr. 7.
— 98 —
liefde: het verstand brengt de gedachte voort en is een afbeeldsel van God den Vader; de gedachte wordt door het verstand voortgebracht en is een afbeeldsel van God den Zoon; eindelijk, de liefde komt van het verstand en de gedachte voort en is een afbeeldsel van God den H. Geest. Ziedaar eene vergelijking van één God drievuldig in personen. Andere vergelijking:
2° Van het water. In de bron, de beek en de rivier vindt men een en hetzelfde water, zoo ook bestaat in de drie goddelijke personen den Vader, den Zoon en den H. lt;\'.eest één en dezelfde goddelijke natuur. God de Vader is als het ware de -bron, God de Zoon de beek en God de II. Geest de rivier; want evenals de beek uit de bron en de rivier uit de bron en beek voortkomt, zoo ook komt de Zoon van den Vader, eu de I!. Geest van den Vader en den Zoon te zamen voort. Doch merkt wel op, 1gt;. B., dat elke vergelijking gebrekkig is, en dat de II. Drievuldigheid altoos een mysterie voor ons zal blijven. Luistert wat wij daarover in het leven van den H. Augustiiius lezen.
Toen de Heilige Augustinus, een der grootste kerkleeraars, te Hippo in Afrika een boek over de H. Drievuldigheid schreef, was hij dag en nacht in gedachten over dit groot mysterie verslonden. \\a zijne studieuren ging hij gewoonlijk wandelen op den oever der zee. Zekeren dag ontmoette hij daar een schoon kind, dat in het zand een putje gemaakt had en bezig was met een lepeltje water uit de zee in dat putje te scheppen. De H. Augustinus, bij het kind gekomen, hield een oogenblik sül en vroeg wat liet voornemers was met het water uit de zee in dat putje te scheppen. Ik wil, antwoordde liet kind, al het water uit de zee in dit putje scheppen. .Mijn kind, zeide de H. Augustinus al glimlachende, daarin zult gij nooit gelukken, dat is onmogelijk. Ziet gij dan niet dat het putje veel te klein is om al het water der zee te bevatten? Het kind richtte zich op en zeide; Denkt gij dat ik daarin niet zal gelukken? Ik zal toch eerder de zee in dit putje scheppen dan gij met uw
verstand liet onbegrijpelijk mysterie der Heilige nrievuldigheid zult begrijpen, en na aldus gesproken te hebben verdween het schoone kind, of liever de Engel, want \'t was een Kngel onder de gedaante van een kind. Augustinus begreep daaruit dat hij te vergeefs arbeidde tn studeerde om het mysterie der Heilige Drievuldigheid te begrijpen en matigde zijn welgemeenden, doch al te grooten weetlust. Het putje, B. B., is een afbeeldsel van ons klein verstand en de onmeetbare zei; van het onbegrijpelijk mysterie der H. Drievuldigheid.
\'Alhoewel nu het mysterie der H. Drievuldigheid onbegrijpelijk is, wij moeten liet nochtans vasteh\'ik gelooven, omdat God het geopenbaard heeft. Zeggen wij nog een woordje over die veropenbaring.
111.
\'t Is den raensch met zijn klein verstand onmogelijk, niet alleen het mysterie der H. Drievuldigheid te; begrijpen, maar zelfs te ontdekken. De. kennis die wij er van hebben, hoe beperkt ook, zijn wij aan de goddelijke veropenbaring schuldig.
In \'t Oude Testament was dit mysterie niet zoo klaar als thans in het Nieuwe. In het boek der Psalmen lezen wij de volgende woorden, die op de li. Drievuldigheid kunnen toegepast worden: Vd\'ho Domini cceli jïihinli sunl\\ de hemelen zijn door het Woord des Heeren gevestigd, et spiritu oris ejus omnis virtus cor urn, (l) en de Geest van zijnen mond heeft al hunne kracht voortgebracht. Door den Heer, van welken hier sprake is, moet men verstaan God den Vader, door zijn Woord, God den Zoon, en door den Geest zijns monds. God den H. Geest.
In \'t Nieuwe Testament vinden wij het mysterie der Heilige Drievuldigheid duidelijker uitgedrukt. Alvorens ten hemel te klimmen, gebood onze goddelijke Zaligmaker zijnen Apostelen
(l) Ps. XXXII, Ü.
— 100 —
overal, de gansche wereld door, te prediken en te doopen in den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes; Euntes docete omnes gentes, zeide Hij: gaat en onderwijst alle volkeren; doopt hen in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, Baptisantes cos in nomine. Patris et Filii et Spiritus semeti. (i) Hij zegt; in den nacrn in \'t enkelvoud, om de eenheid van natuur uit te drukken, en Hij voegt er bij: des Vaders, en dos Zoons en des 11. Geestes, om de drie verscheidene personen te kennen te geven.
De H. Joannes in zijn eersten brief spreekt ook klaar van de H. Drievuldigheid. Er zijn er drie, zegt hij, die getuigenis afleggen in den hemel: de Vader, liet Woord, d. i,, de Zoon en de H. Geest, en die drie, voegt hij er bij, zijn maar één.
Ziehier nu hij welke gelegenheid de drie goddelijke personen zich aan de wereld geopenbaard hebben: \'twas bij het doopsel van Jesus. Onze goddelijke Zaligmaker wilde, alvorens zijn Evangelie te verkondigen, door Joannes gedoopt worden, niet oiu gezuiverd te worden van de erfzonde of andere zonden, waarvan geen spraak kon zijn; maai\' om aan het water de kracht te geven van de zonden af te wasschen, van allen die later het II. Sacrament des Doopsels zouden ontvangen. Hij verliet dus Nazareth en kwam bij Joannes den Dooper op den oever der Jordaan en vroeg om gedoopt ie worden. Joannes wilde uit ootmoedigheid in den beginne Jesus niet doopen; eindelijk gaf hij toe, stortle het water over het hoofd van Jesus die barrevoets de Jordaan ingegaan was, en ziet wat er toen voorviel; Zoodra Jesus gedoopt was en uit do Jordaan trad, gingen de hemelen open; de H. Geest daalde onder de gedaante van eene duif neder en kwam op Hem rusten; te gelijker tijd hoorde men eene stem uit den hemel die zeide; Deze is mijn welbeminde Zoon, in wien ik mijn welbehagen gesteld heb. De eerste persoon van de H. Drievuldigheid spreekt, namelijk de Vader, want Hij
(ij Mattii. xxvhi, 19.
___
— 101 —
noemt Jesus zijn Zoon, de Zoon is er tegenwoordig en de H. Geest daalt op Hem neder onder de gedaante van eene duif. Ziedaar eene korte verklaring van het mysterie der Heilige Drievuldigheid. Wat moeten wij daaruit besluiten?
SLUITREDE.
In het mysterie der H. Drievuldigheid vinden wij;
1° Het waardigste voorwerp van vereering ;
2° Het schoonste toonbeeld van vereeniging en liefde;
3° De grootste beweegreden van betrouwen.
Vooreerst vinden wij er in het waardigste voorwerp van vereering. De Catechismus vraagt:
Wat eer zijn wij de Heilige Drievuldigheid schuldig? En hij antwoordt;
De goddelijke en opperste eer. \'t Is God één in wezen en drievuldig in personen, die ons ter aanbidding wordt voorgesteld. Doch God moeten wij de opperste eer bewijzen, want er staat geschreven: Dorninum Deuni luum adorabis: (l) Gij zult den Heer uwen God aanbidden. Wij eeren de Heiligè Drievuldigheid telkens als wij met eerbiedigheid het teeken des H. Kruises maken en zeggen: in den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes: ook als wij de drie goddelijke personen loven door te zeggen: Glorie zij den Vader en den Zoon en den 11. Geest, enz. Onze Moeder de H. Kerk viert ook een bijzonderen feestdag ter eere van de H. Drievuldigheid.
Wanneer viert men den feestdag van de heilige Drijvul-digheid?
Op den eersten Zondag na Sinxen, die daarom heihge Drijvuldigheidsdag genoemd wordt.
Vervolgens vinden wij er in het schoonste toonbeeld van
ereeniging en liefde. Onze; goddelijke Zaligmaker drukt zich in
m) Matth. iv, 10.
— 102 —
zijn gebed voor zijne leerlingen, in \'l laatste avondmaal, op de volgende wijze uit; O Vader ! bewaar in uwen naam die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij een zijn gelijk Wij; Ut sint unum sicut et nos. (i) Wat geeft Jesus door die woorden te kennen, zoo niet dan dat wij in liefde inet God en onder elkander innig vereenigd moeten zijn, want wij moeten God beminnen bovenal en onzen evennaaste gelijk ons zeiven om God.
Eindelijk vinden wij in de Heilige Drievuldigheid de grootste beweegreden van betrouwen, \'t Is in den naam der Heilige Drievuldigheid dat wij den weg naar den hemel aanvangen en voortzetten, \'t Is in den naam der 11. Drievuldigheid dat wij gedoopt en gevormd wonden, dat wij de vergiffenis onzer zonden ontvangen in den biechtstoel, dat het Huwelijk wordt ingezegend, dat de laatste Sacramenten den zieke worden toegediend ; en terwijl de ziel op het punt staat het lichaam te verlaten en de eeuwigheid in te slaan, zegt de priester: Vertrek christene ziel in den naam des Vaders die u geschapen heeft; in den naam des Zoons die u verlost heeft; in den naam des H. Geestes die over u is uitgestort.
Ziedaar, li, B., waarheden, wel in staat om ons betrouwen in te boezemen. Denken wij dus dikwijls aan het mysterie der H. Drievuldigheid. Wij moeten er ook naar verlangen. De Catechismus vraagt;
Wat gevoelen moet de onbegrijpelijkheid der II. Drijvul-digheid in ons verwekken? En hij antwoordt :
Een vurig verlangen om God in den hemel aanschijn aan aanschijn te aanschouwen, en hem te zien gelijk, hij is.
Sluiten wij nu deze onderrichting met de volgende aanmerking.
Het mysterie der H. Drievuldigheid willen doorgronden is eene groote vermetelheid.
(l) JoAN. XVII, 11.
— 103 —
Het mysterie der M. Drievuldigheid gelooven is eene volstrekte noodzakelijkheid.
Het mysterie der II. Drievuldigheid in den hemel aanschouwen is de volmaakte gelukzaligheid, gelukzaligheid, die ik u allen wensch in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Oeestes. Amen.
TIENDE ONDERRICHTING
WAT IS GOD?
Omnia qucecumque voluit fecit. Hij heeft gemaakt al wat Hij gewild heeft. (Ps. cxxxiv, o.)
INHOUD.
VOORREDE.
Het mysterie van de H. Drievuldigheid besüuit in de eenheid van natuur en in de verscheidenheid van personen. God de Vader komt van niemand voort; God de Zoon komt van den Vader voort, en God de H. Geest komt van den Vader en den Zoon te zamen voort. Het mysterie der H. Drievuldigheid is onbegrijpelijk, boven, doch niet tegen de rede.
VERDEELING.
I. God is de Schepper;
II. De Heer;
III. De Regeerder van hemel en aarde.
— 105 —
I.
God wordt de Schepper genoemd van hemel en aarde, omdat Hij hemel en aarde geschapen heeft. Tot scheppen wordt de almacht vereischt. God is de Schepper van het zichtbare en onzichtbare. Vergelijking van een leger. Beschouwing van het werk der schepping.
][.
God wordt de Heer genoemd van hemel en aarde, omdat hemel en aarde Hem toebehooren. Al het geschapene is het eigendom van God; Hij kan er over beschikken volgens zijn welbehagen.
lil.
God wordt de Regeerder genoemd van hemel en aarde, omdat Hij hemel en aarde bestiert. De goddelijke Voorzienigheid is zeker, onfeilbaar en algemeen; zij strekt zich uit over alle schepselen te zatnen en over elk in \'t bijzonder.
SLUITREDE.
Geven wij ons geheel en al over aan de goddelijke Voorzienigheid; morren wij nimmer tegen God en wachten wij ons vooral van ooit te vloeken of te lasteren Hem die de Fontein onzer zaligheid en ons Opperste Goed is.
— 106 -
TIENDE ONDERRICHTING
WAT IS GOD?
Omnia qutecumque voluit fccit.
Hij hoeft gemaakt al wat Jlij gewild lieoft. (Ps. cxxxiv, o.)
VOORREDE
Het mysterio der Heilige Drievuldigheid, 1!. Igt;., bestaat in twee zaken, in de eenheid van de goddelijke natuur en in de verscheidenheid van personen. God de Vader, God de Zoon en God de H. Geest, alhoewel drie verscheidene personen, zijn maar één God, omdat Zij alle drie één en hetzelfde goddelijk wezen ot\' natuur. hebben.
De Vader komt van niemand voort; de Zoon komt in eeuwigheid van den Vader voort door het verstand; de 11. Geest komt in eeuwigheid van den Vader en den Zoon te zamen voort door den wil; vandaar dat Zij alle drie even oud zijn of eeuwig. Zij hebben alle drie dezelfde volmaaktheden der goddelijke natuur eigen, omdat zij een en dezelfde goddelijke natuur hebben.
Het inyslerie der II. Drievuldigheid alhoewel onbegrijpelijk is niet tegen, maar boven de rede. Nooit of nimmer zouden wij op liet gedacht er van gekomen zijn, bijaldien (lod het ons niet geopenbaard had.
Na gezien te hebben wat het geloof ons van God leert, van God in zich zeiven, in zijne natuur en in zijne drie personen beschouwd, en na ten minste een weinig de inwendige werken van God opevctlioties ad intra, — d. i., hoe de een persoon van den anderen voortkomt, uitgelegd te hebben, gaan wij thans
— 107 —
God beschouwen in zijne schepselen en zijne uitwendige werken — opcraliones ad extra. — De Catechismus vraagt:
Wat is God? En hij antwoordt:
Dc Schepper, Heer en Regeerder van hemel en aarde, de fontein onzer zaligheid en ons opperste goed. God is dus:
1. De Schepper;
II, De Heer;
111. Do Regeerder van hemel en aarde.
1.
God, B. B., is vooreerst de Schepper van hemel en aarde. De Catechismus vraagt:
Waarom toordt God genoemd de Schepper van hemel en aarde? En hij antwoordt:
Omdat hij hemel en aarde geschapen heeft.
Waarvan heeft God hemel en aarde gemaaid?
Van niet.
Scheppen, B. B., is iets van niet maken. Om te schoppen moet men almachtig zijn, doch God alleen is almachtig; bijgevolg kan God alleen scheppen.
Wanneer de rnensch iets wil maken, heeft hij slof en werktuigen noodig: een timmerman, bijv., heelt hout, ijzer en gereedschappen noodig om een meubel te maken: God alleen heeft niets noodig. Hij alleen kan scheppen. Hij schiep den hemel: de zon, de maan en de sterren, al de schoone hemellichamen die boven ons hoofd zweven. Hij schiep de aarde met al wat zij bevat: de menschen en dieren, de boomen en planten, de zeeën en rivieren. Hij heelt geschapen de lichamelijke wezens die wij kunnen zien en voelen, de geestelijke wezens die wij noch zien noch voelen; Hij is do Schepper van het zichtbare en onzichtbare: Yisibiliicm omnium et invisibilium. Vóór de schepping was er
— 108 —
geen hemel noch aarde; er was geen tijd noch plaats; God alleen bestond in eeuwigheid. Nochtans, het besluit van le scheppen is eeuwig gelijk God.
Wanneer God nu zijn besluit van te scheppen ten uitvoer bracht, zijn in den beginne, d. i., toen de tijd een aanvang nam, door de kracht van zijn heiligen wil als op een commando hemel en aarde te voorschijn gekomen. Ziellier eene kleine vergelijking.
Veronderstelt een leger, dat bestaat uit generaals, colonels, officieren en duizenden soldaten. Aan \'t hoofd van dat leger bevindt zich een Opperbevelhebber, aan wien gansch het leger moet gehoorzamen. Die Opperbevelhebber spreekt: Dat de soldaten zicli in beweging stellen en zij stellen zich in beweging; dat zij deze of gene wending nemen en zij nemen ze; gansch een leger, uit duizenden soldaten samengesteld, gehoorzaamt op de stem, op het commando van één Opperbevelhebber; flauw afbeeldsel, B. B., van de almacht Gods. God heeft slechts te willen en al wat Hij van eeuwigheid wil, geschiedt gelijk Hij het wil en op den tijd in zijne eeuwige raadsbesluiten bepaald.
God dus, wiens wil een krachtdadig woord is,- spreekt: Dat het licht zij, en het was licht; Fiat lux, el fuel a esl hue; dat er een firmament verschijne, en het verscheen; dat de wateren zich verzamelen, en zij verzamelden zich; dat de dieren te voorschijn komen, en zij kwamen te voorschijn; Diocil el faela sunl: Ilij sprak en het was; mandavil el er eat a sunl: Hij beval en het was geschapen. De Catechismus vraagt;
Wanneer heefl God hemel en aarde gesehapen? d. w. z., hoeveel tijd is er verloopen dat God hemel en aarde geschapen heeft? En hij antwoordt;
Over omlrenl zes duizend jaren. Zooveel tijd is er dus sedert de schepping verloopen. En,
Op hoeveel dagen heefl God hemel en aarde, gesehapen?
Op zes dagen, of in zes tijdvakken.
— 109 —
Ziedaar, B. B., luw God hemel en aarde en al wat zij bevaüen met zijn goddel ij ken wil van niet gemaakt heeft. Zouden wij bij dat wondervol schouwspel ongevoelig kunnen blijven? Worden wij, het hoofd verheven en liet oog; ten hemel gericht, niet gedwongen om op het gezicht van den purpergloed der zon, waarmede zij uitgedost niajesteitvol op en onder gaat; op het gezicht van de zilveren maan, die de duisternissen van den nacht verdrijft; bij het aanschouwen der ontelbare menigte van sterren, die als zoo vele diamanten aan liet firmament schitteren en flikkeren; worden wij dan, ik vraag het u, E. li., als liet ware in den geest vervoerd niet gedwongen uit te roepen: lie liemeleu verkondigen den lof van God; Ccdi enarrant gloriam Dei. (i)
Wanneer wij vervolgens onze oogen neerslaan en do aarde aanschouwen, verrijkt met de gaven des Scheppers; de bergen, wier toppunten in de wolken verschuilen; de uitgestrekte bosschen, de onmeetbare zeëen, de overvloedige oogsten, de groene weilanden, de vruchten en bloemen, die ons voeden en verrukken, worden wij dan niet ten sterkste aangezet om vol verwondering en dankbaarheid uit te roepen: O Heer! wat zijn uwe werken toch schoon! Qiictm magnilicciln sunt npeva hui Dornine! Gij hebt alles met wijsheid gedaan! Omnia in aapientia fecisli! Gij hebt de aarde met uwe goederen vervuld! Im/ilcUi est terra possessionc lua! (2) Wie is groot gelijk (\'101I! Quis Deus macpius sicut Deus noster! Gij zijt de God die wonderen verricht! Tn es Deus qui facis mirabilia!
O, I!. B., de niensch met rede en verstand begaafd klimt, wanneer hij dat alles gadeslaat, natuurlijk 011 tot het beginsel, d. i,, tot God, die hemel en aarde geschapen heeft: hij besluit daaruit de oneindige majesteit en grootheid des Scheppers, en vol van de teedersie gevoelens wordt hij aangezet om den Schepper te bedanken en te beminnen.
(1) Ps. xvm, 2. (2) Pa. cm, 24.
— no
il.
God dus, gelijk wij gezien hebben, is de Schepper van hemel en aarde: Hij is ook de Heer van hemel en aarde. De Catechismus vraagt:
Waarom wordt God genoemd de lieer van hemel en aarde? En hij antwoordt:
Omdat hemel en aarde hem toebehoor en.
God, 15. li., heeft niemand boven zich: Hij is de Heer der hoeren, de Eigenaar der eigenaars. De menschen hier op aarde, zelfs de rijkste, zijn len opzichte van God niets anders dan leenheoren, en alles wat zij bezitten zijn leengoederen; van daar dat de HeiligfJ schrift zegt, dat de Heer alles voor zich zeiven gemaakt heeft: omnia propter sefjfceiipsum operatus est Dominus. De mensch mag wel is waar van de schcuselen gebruik maken; doch.
Tot wat einde heeft God, hemel en aarde geschapen?
lol zijne glorie.
De gansche schepping is dus het eigendom van God, Hij kan er naar welbehagen over beschikken. Zonder iemand hot geringste ongelijk aan te doen kan God alles in den iiiei laten weder-keere.i, waaruit Hij liet gelrokken heelt. God wil dat niet: integendeel, als wijze Koning bestuurt Hij alles. Ja, God is de Regeerder van hemel en aarde en zijne regeering of liever zijne Voorzienigheid strekt zicli over alles uit, zoodat er in den hemel en op de aarde niets gebeurt zonder zijne orde of toelating.
God dus is de Regeerder van hemel en aarde. De Catechismus vraagt:
11 \'aarom wordt God genoemd de Regeerder van hemel en aarde? En hij antwoordt:
Omdat hij hemel en aarde bestiert.
Gods Voorzienigheid, B. 1)., is zeker on onfeilbaar; i zij is algemeen en strekt zich over elk in \'t bijzondei\' uit.
Zij is vooreerst zeker en onfeilbaar. Zij kan niet missen in \'t uitvoeren barer plannen. Gelijk de wereld door Gods almacht geschapen geenszins bij toeval gekomen is, zoo wordt zij ook niet door toeval, maar niet eene oneindige wijsheid bestuurd. Er gebeurt niets zonder de orde van God: alles geschiedt wijl God het wil en gelijk Hij het wil, uitgenomen de zonde. De zonde immers is het eenige kwaad dat er bestaat, en bijgevolg kan God de zonde niet willen, noch gebieden; integendeel. Hij verbiedt ze onder bedreigingen; maar wijl Hij ons de vrijheid gegeven heeft, waarvan wij goed of slecht gebruik kunnen maken voor de deugd of voor de ondeugd, waarop eenmaal de belooning of de straf zal volgen, daarom laat God den zondaar dikwijls begaan. Hij zendt hem voor- of tegenspoed over om hem te bekeeren; Hij bezoekt weieens den braven mensch met tegenspoed om liem zijne verledene zonden te doen uitboeten, of om hem des te meer verdiensten te doen vergaderen door het beoefenen der deugd; Hij laat de rechtvaardigen en de zondaars onder elkander leven om den een -door den anderen te beschamen of in de deugd te oefenen; maar God behoudt voor zich het recht van eenmaal zijne rechtvaardigheid ie toonen in het si rallen der zonde en in het beloonen der deugd, in dit of ia het andere leven. 01\' God dus zijne barmhartigheid of zijne rechtvaardigheid uitoefent, Hij bestuurt alles, gelijk gij ziet, met wijsheid; Hij zal altoos tot zijn doel komen en bijgevolg is zijne Voorzienigheid zeker en onfeilbaar. Gods Voorzienigheid is ook algemeen; zij strekt zich over alle schepselen uil.
God, B. B., gelijkt niet aan een gewoon werkman; een timmerman en een metselaar, na een huis gebouwd te hebben, bekommeren er zich niet meer om, zij gaan heen; het huis heeft hen voorloopig niet meer noodig. Zoo is het niet gelegen met God en zijne schepselen.
— 112 —
Hebben xoij Gods bewaring noodig?
Ja, want gelijk wij zonder zijne schepping niet zouden zijn, zoo zouden xoij zonder zijne bewaring in den niet vervallen waaruit hij ons getrokken heeft.
De schepselen hebben dus hunnen Schepper altoos noodlg; God bewaart ze altijd, en die bewaring is als eene aanhoudende schepping.
\'iod daarenboven bestiert alles; HIJ regelt den loop der sterren en de jaargetijden; Hij laat de vruchten groeien en rijpen; Hij overtrekt don hemel met wolken, bereidt den regen voor de aarde, brengt voor de dieren het gras voort op de bergen en in de valleien; Hij zendt koude en warmte, overvloed en gebrek, vreugde en droefheid, voor- en tegenspoed; \'t is God die ons alles geeft of ontneemt volgens zijn welbehagen; maar altoos vol barmhartigheid zorgt ft ij als een goede vader voor zijne kinderen. Hetzij Hij dus loont of straft, kastijdt of troost, Hij doet alles tot ons welzijn. Zelfs de ongelukken die ons overkomen zijn weldaden van God, wijl Hij ze ons overzendt om onze zonden te kunnen uitboeten en door geduld verdiensten voor den hemel te kunnen vergaderen. Het goed en liet kwaad, zeide Job, komt ons van de vaderlijke hand, die ons bestiert.
Gods A oorzienigheid is niet alleen algemeen, maar zij strekt zich uit over elk in \'t bijzonder; eens ieders lot is in Gods handen; er kan ons niets overkomen zonder de toelating van God; geen haarspier zelfs zal van ons hoofd vallen. Wat volgt daaruit, zoo niet dat wij ons betrouwen op God moeten stellen, wijl Hij zorg voor ons draagt.
God zorgt, voor het tijdelijke. Jesus - Christus zegt in het K vangel ié: Zij t niet te zeer bekommerd over he tgeen gij zult eten of waarmede gij u zult kleeden, uw hemelsche Vader weet immers dat gij dat alles noodig hebt.
Wat liet geestelijke betreft zegt Jesus; Ik heb u een rijk bereid, gelijk mijn hemelsche Vader Mij een rijk bereid heeft.
— 113 —
Dat rijk, namelijk, het hemelrijk, moeten wij wel is waar verdienen, doch God telt al onze goede werken om ze te beloonen.
Geven wij ons dus aan Gods Voorzienigheid over; ontvangen wij alles met overgeving aan zijnen wil. hetzij goed, hetzij kwaad, wijl God liet ons tot ons welzijn overzendt: Al wat- God doel is welgedaan.
SLUITREDE.
Wat moeten wij nu uit deze onderrichting besluiten?
Wij moeten er uit besluiten van nooit of nimmer tegen God op te staan, wanneer het een of ander niet naar den zin gaat. God immers weet beter wat wij noodig hebben dan wij zeiven.
En nochtans, er zijn van die ongelnkklgen, die tegen God morren; ja wat meer is, er worden er gevonden, die God liunnou Schepper, Heer en Regeerder durven vloeken en lasteren. Wee die ongelukkigen! Weet gij dan niet dat gij onder de macht van God zijt, en dat op het oogenblik dat gij God vloekt, Hij u ook kan vloekon en nederwcrpen in de hel l De gansche natuur, hemel en aarde, looft, prijst en verheerlijkt God, en de mensch durft God vloeken en lasteren ? hij is dan een monster in de natuur. Waarom vloekt gij? Is het om de weldaden die-God u bewezen heeft? Omdat Hij u geschapen heeft? Omdat Hij u bestuurt en zoo minzaam voor u zorgt? Ha! zoo de weldaden redenen zijn om te vloeken, dan hebt gij gelijk; doch ik herhaal het: gij zijt een monster in de natuur.
Hoe zal nu de zondaar, en vooral de vloeker, zijne zaligheid van God erlangen, van wien zij toch komen moet, want God, is de Fontein onzer zaligheid.
Waarom wordt God genoerid de Fontein onzer zaligheid?
Omdat onze zaligheid, van God voortkomt.
GKLOOFS UN ZEDKNLHKR. 8.
Neen, B. B., wij zijn redelijke schepselen Gods; gebruiken\' wij dus ons verstand en onze rede; erkennen wij God voor onzen Schepper, Heer en Regeerder; aanbidden wij altijd, overal en in alles zijne goddelijke Voorzienigheid; zijn wij kinderen den hemelschen Vader waardig, gehoorzaam en onderdanig; beminnen wij God al de dagen van ons leven, en wij zullen God, die gelijk de Catechismus zegt ook ons Opperste Goed is, d. w. z., het grootste goed, dal wij hunnen bezitten of verwaehten, in eeuwigheid genieten in den hemel. Amen.
ELFDE ONDERRICHTING
OVER DE EEUWIGHEID GODS
Vivo ego in mternum!
Ik leef in eeuwigheid! (Deut. xxxii, to.)
INHOUD.
VOORREDE.
God is de Schepper, Heer en Regeerder van hemel en aarde, de Fontein onzer zaligheid en ons Opperste Goed. God is oneindig volmaakt. Wat volgt daaruit dat God oneindig volmaakt is? \'t Is goed de volmaaktheden van God wel te kennen. Waarom? Benige eigendommen ol\' volmaaktheden van God.
VERDEELING.
I. Do eeuwigheid van God en hare gevolgen;
II. Indruk door die waarheden veroorzaakt.
I.
God is eeuwig, d. i., zonder begin en zonder einde. Daaruit volgt;
1° Dat Hij onafhankelijk is. Wij hangen van God af, God van niemand.
2° Dat Hij onveranderlijk is in zijn bestaan, in zijne kennis en in zijnen wil. Moeielijkheid verklaard en weggenomen. Vergelijkingen van de zon, van een spiegel en van het vuur. Waarom spreekt de H. Schrift van Gods gramschap, droefheid, enz.
De waarheid van de eeuwigheid Gods is troostrijk voor den rechtvaardige, God zal hem voor eeuwig loonen; verschnkkelijk voor den zondaar. God zal hem voor eeuwig straffen.
SLUITREDE.
Verhalen van keizer Karei V en zijn dienaar, van Alphonsns, koning van Portugal en zijne dochter.
ELFDE ONDERRICHTING
OVER DE EEUWIGHEID GODS
Vivo ego in ceternum!
Ik leef in eeuwigheid! (Deüt. xxxii, io.)
VOORKKDK.
In onze voorgaande onderrichting, B. B., hebben wij God in zijne uitwendige werken beschouwd. Wij hebben gezien dat Hij de Schepper is van hemel en aarde, omdat Hij alles uit den niet getrokken heeft; dat Hij de lieer is van hemel en aarde en dat Hem alles bijgevolg toebehoort; dat Hij de Regeerder is van hemel en aarde, wijl Hij alles bestiert. God is de Fontein onzer zaligheid, wijl onze zaligheid van God voortkomt, evenals, bijv., het water uit de fontein; eindelijk is Hij ons Opperste Goed, omdat God het grootste goed is dat wij kunnen bezitten of verwachten.
Vandaag, B. B., vangen wij aan met de eigenschappen of volmaaktheden van God. De Catechismus vraagt:
Noem eenige eigendommen van God? En hij antwoordt:
God_ is onbegrijpelijk en onuitsprekelijk, oneindig volmaakt, goed, bermhertig, rechtoeerdig en almachtig.
Eeno volmaaktheid is eene goede hoedanigheid die het beter is te bezitten dan niet; alzoo is de goedheid eene volmaaktheid.
Wat is nu een volmaakt wezen?
Een wezen aan hetwelk niets ontbreekt: alzoo is God volmaakt.
— 118 —
Wat is een onvolmaakt wezen?
Een wezen aan hetwelk iots ontbreekt: alzoo is de mensch onvolmaakt.
Wat is een oneindig volmaakt wezen?
Een wezen, wiens volmaaktheden oneindig zijn: alzoo is God oneindig volmaakt. De Catechismus immers vraagt:
Wal is le zeggen dat God oneindig volmaakt is? En hij antwoordt:
Dat God alle mogelijke begaafdheden \'en goede hoedanigheden bezit, en dat elke zonder einde is.
Wat volgt daaruit dat God oneindig volmaakt is?
T)at God- het nllervolmaaktste loezen is, dat wij hem de opperste eer moeten bewijzen, en\' hem boven alles moeten beminnen.
Is hel goed de eigendommen van God wél le kennen en te ovet \'wegen?
Ja zeker; want zij leeren God heter kennen en zij bewegen ons lot meer liefde, betrouwen en eerbiedigheid.
Dus zullen wij God zeiven beter leeren kennen; wij zullen die oneindige schoonheid, die altijd oud en altijd nieuw is, meer beminnen; wij zullen in dien God van goed- en barmhartigheid meer betrouwen stellen; ook zullen wij eerbied hebben voor Gods oneindige grootheid en majesteit.
Ziedaar de vruchten, die wij in de beschouwing van Gods eigendommen of volmaaktheden moeten opdoen. Vandaag zullen wij overwegen:
. I. De eeuwigheid van God met hare gevolgen;
II. Welken indruk die waarheid op ons kan maken.
I.
God, B. B., is eeuwig. Door de eeuwigheid Gods moet verstaan worden dat Hij geen begin heeft- gehad, noch einde zal hebben. Do Catechismus vraagt:
Van wemneer is God? En hij antwoordt;
Van in der eeuwigheid, d(d is, zonde)1 beginsel.
Hoe lang zal God er zijn?
Tol in der eeuwigheid, dat is, zonder einde.
Niemand heeft God het bestaan gegeven: Hij bestaat door zich zeiven in eeuwigheid. God bestaat noodzakelijk, Hij beelt altijd bestaan en Hij zal altijd bestaan. Hij heeft niet begonnen en Hij zal nooit eindigen. Verbeeldt u duizonde millioenen jaren verloopon: God bestond vóór dien tijd; verbeeld u duizende millioenen jaren in de toekomst: God zal altijd bestaan.
De koninklijke Profeet David, over de eeuwigheid -Gods handelende, drukt zich op do volgende wijze uit: Priusquam monies flerent, aul formarelur terra et orhis: alvorens er bergen bestonden en do aarde en het heelal uit het niet te voorschijn kwam, bestaat gij, o God, van eeuwigheid en gij zult in eeuwigheid bestaan: a sweulo et usque in sceculum lu es, Deus. (i)
Kr zijn schepselen, B. B., die altijd zullen bestaan, zooals de Engelen en de zielen; doch zij hebben niet altijd bestaan, zij zijn geschapen; dat zij nooit zullen vernietigd worden, komt voort, wijl God het niet wil; maar God alleen is in eeuwigheid, zonder begin en zonder einde; Hij alleen kan dus zeggen; Ik leef in eeuwigheid! Viro ego in ceternum!
Uit de eeuwigheid Gods, B. 1!., besluit ik vooreerst dat Hij onafhankelijk, en vervolgens dat Hij onveranderlijk is.
God is onafhankelijk; van zich zeiven bestaande kan Hij van niemand als oorzaak afhangen. Wij hangen van God af, wijl Hij
1
Ps. LXXXIX, 2.
— 120 —
ojis geschapen heelt; van onze ouders, wijl wij van hen geboren zijn; van onze oversten, wijl God hen over ons aangesteld heeft; docii alle oversten, de Pausen en Bisschoppen, de koningen en keizers, allen hangen van God af, wijl God hen gemaakt heeft wal zij zijn. God alleen is onafhankelijk, Schepper van hemel en van aarde, van eeuwigheid bestaande is Hij de Koning der koningen, de Heer der heeren, Rex regum et Dominus dominanlium, (i) God is onveranderlijk. Ik ben de Heer en verander niet, zegi. God: Ego Dominus cl non mulor. (2) Hij is gelijk aan eenc zon, die altijd schijnt en nooit verduistert.
1)(! Profeet David over de onveranderlijkheid Gods sprekende zegt; Heinel en aarde zullen vergaan; gij zult ze gelijk een kleed veranderen, maar (lij, (lij blijft altoos dezelfde; Tu aulem idem ipse es, en uwe jaren zullen nimmer eindigen, el anni tui non deficient. Kr is zelfs geen schijn van verandering bij (iod, zegt de Apostel Jacobus; apud quem non est transmulatio nee vicissitudinis obumbratio. (3)
God is geheel en al onveranderlijk in zijn wezen, in zijne kennis en in zijnen wil;
1quot; In zijn wezen; Hij is noodzakelijk wat Hij is en altijd dezelfde, d. w. z., het oneindig volmaakt, het eeuwig wezen, in een woord. God.
2quot; God is onveranderlijk in zijne kennis; Hij kent van eeuwigheid al wat er geweest is, al wat er is en al wat er zijn zal; zijne oneindige kennis omvat alles; er bestaat voor God geen verleden, geene toekomst, alles is voor zijnen geest tegenwoordig; voor God bestaat geen nieuws. Hij kan nooit iets aanleeren of vergeten.
God is onveranderlijk in zijnen wil: Hij heelt van eeuwigheid gewild hetgeen Hij gedaan heeft, hetgeen Hij doet en hetgeen Hij doen zal. Consilium meurn stabit, zegt God door den mond
(1) Al\'. xiJL. 10. (3) Mal. ui, 0. (3) Jac. i, 17,
— 121 —
van (l(3n Profeet Isaias; Mijn besluit is onveranderlijk en mijn ■wil zal volbracht worden: et omnia voluntas men jiel. (1)
Nochtans, men moet niet te zeer nadenken over de onveranderlijkheid Gods in zijne kennis en in zijnen wil. De gedachte die wij er ons hier op aarde van vormen, zal altijd onvolledig en duister zijn. Te zeer er over nadenken zoude voor zekere personen noodlottig kunnen wezen; doch om die waarheid wat op te helderen, ziehier eene moeielijkhoid, die wij zullen oplossen.
Wij lezen in de Heilige Schrift dat God vertoornd wordt; dat Hij berouw heeft; dat Hij vergeeft en straft; dat men zijne gramschap kan bedaren, enz.; derhalve is (Sod niet onveranderlijk gt;.
Ik antwoord; niet God, maar wij veranderen. God is altijd rechtvaardig en lóónt en straft dus altijd naar verdiensten. (5od is altijd heilig en haat\'dus altijd de zonde. God is altijd oneindig barmhartig en wordt dus altijd door ons leedwezen bewogen Ziehier eene vergelijking:
Neemt, bijv., een stuk was en wat slijk; legt beide in de zon; Wat gebeurt er ? Het was smelt en het slijk wordt hard. Is dan de zou veranderd\'t Is dezelfde zon. Dat verschillend uitwerksel wordt derhalve in die twee voorwerpen te weeg gebracht wegens de verschillende eigenschappen in die voorwerpen.
Hetzelfde kan men zeggen van een spiegel, die dezelfde blijvende den mensch verschillend wedergeeft: van het vuur, dat de boter doet smelten en de eieren hard worden.
Gij ziet dus, hoe God zonder te veranderen den zondaar straft en den rechtvaardige beloont; hoe Hij éénen mensch, zoolang hij deugdzaam is, bemint, en zoodra hij zondaar wordt, verfoeit. God is onveranderlijk, altijd dezelfde, maar \'t is de mensch die verandert.
(1) Is. XLVI, 10.
— 122 —
Wanneer dus de H. Schrift spreekt over de droefheid, de gramschap, het berouw van God, doet zij zulks om zich naar onze manier van spreken te voegen. Wij spreken en denken over de volmaaktheden van God, evenals over die van een mensch. Wij kunnen niet anders. Bijaldien wij niet menschelijker wijze over God spreken, zouden wij niet over Hem kunnen spreken en wij zouden moeten zwijgen.
Ziedaar B. B., de eeuwigheid van God met eene dubbele gevolgtrekking.
Zien wij nu op de tweede plaats welken indruk die waarheid in staat is op den mensch te maken.
II.
Die waarheid, B. B., is troostrijk voor den rechtvaardige, doch verschrikkelijk voor den zondaar.
Zij is troostrijk voor den rechtvaardige, die zijnen Heer en God bemint en trouw dient, wijl bij in God zijnen belooner erkent.
De goederen van deze wereld zijn van korten duur-; want ofwel zij verlaten den mensch, zooals de gezondheid, de schoonheid en de sterkte; ofwel de mensch moet ze verlaten, zooals bet goud en zilver, de vermaken en pleizieren. De koning Salomon had overvloed van alles; hij had in de wereld het toppunt van eer en grootheid bereikt; hij bad schatten en rijkdommen schier zonder einde vergaderd; hij vermaakte en verheugde zich meer dan iemand, en wat gebeurde er? Uitermate verzadigd, riep hij uit: Vanilas vanüatum el omnia vanitas: ijdelheid der ijdelheden en alles is ijdelheid.
Wijl hier op aarde alles van korten duur is, zoo kan niets op aarde den mensch een waar en bestendig geluk verschaffen. Onze ziel hongert en dorst naar eeuwige goederen en die goederen zijn in God alleen te vinden, die eeuwig is: daarom ook kan
— 123 —
God alleen ons voor eeuwig gelukkig maken. O God! zoo roept de H. Augustinus uit; Gij hebt ons voor u geschapen en ons hart zal geene rust vinden alvorens in u te berusten! Fecisti nos ad te el irrequietmn oor nostrum, donee requiescat in te! Wilt gij eeuwige vreugde genieten, zegt dezelfde Heilige, hecht u aan Hem, die eeuwig is. Ik, zoo sprak God tot Abraham, Ik zal uwe overgroote belooning zijn, Ego ero merces tua magna nimis. (l) Welken troost voor den mensch die zijnen Heer en God bemint en trouw dient.
Die waarheid is verschrikkelijk voor den zondaar, die zijnen Heer en God niet bemint, noch trouw dient, wijl hij in God zijnen straffer erkent.
Bij den dood zal de zondaar alles moeten verlaten; geld en goed, eer eu glorie, vermaken en pleizieren; dan zal hij, maar helaas! te laat zeggen: Ik heb mij bedrogen: Ergo erravimus, wijl ik mij gehecht heb aan de vergankelijke goederen die ik moet verlaten, en -wijl ik mijnen Heer en God niet gediend lieb, die mijne eeuwige belooning zoude geweest zijn. God daarenboven zal dien zondaar veroordeelen en werpen in den afgrond der hel om daarin voor eeuwig gestraft en gefolterd te worden.
SLUITREDE.
Ziedaar, 15. ]gt;., eene korte verklaring van de eeuwigheid Gods, van zijne onafhankelijk- en onveranderlijkheid. Zij is troostrijk voor den rechtvaardige, verschrikkelijk voor den zondaar. Volgen wij nimmer den zondaar na; doch, naar het voorbeeld van den rechtvaardige, beminnen en dienen wij God getrouw al de dagen van ons leven, en om u daartoe nog meer aan te zetten, luistert naar de twee volgende verhalen.
Keizer Karei V stond zekeren dag bij het sterfbed van een zijner getrouwste dienaren. Die dienaar had wel is waar zijnen
(i) Gen. v, 1.
— 121 —
heer en meester Karei trouw gediend; doch ongelukkig, hij had zijnen God vergeten. Om zijn trouwen dienaar te troosten, sprak de keizer tot hem en zeide: Vraag eene belooning voor uwe getrouwe diensten en zoo het in mijne macht is, zal ik ze u geven.
O, Mijnheer! sprak de dienaar, terwijl hij een diepen zucht slaakte: ik vraag u enkel van zoo goed te zijn mijn leven eenige dagen te verlengen. Helaas! antwoordde de keizer, dat is mij onmogelijk: de machtigen dezer aarde kunnen zelfs niet over één levensdag beschikken. Op het hooren dier woorden sloeg de dienaar bedroefd zijne oogen ten hemel en riep uit: Dwaas die ik geweest ben! gansch mijn leven heb ik aan den dienst des keizers toegewijd, en daarvoor kan hij mijn leven niet één dag verlengen. O, bijaldien ik, in plaats van den keizer te dienen, mijnen God getrouw gediend had, ik zoude eene eeuwige belooning, een leven zonder einde, te wachten hebben. Ilij had dus groot ongelijk van enkel de menschen te dienen en zijnen God te vergeten.
Joanna, de vrome dochter van AlphonsuS V, koning van Portugal, had een ander en tevens beter gedacht: luistert naar hare geschiedenis.
Joanna was deugdzaam bij uitstek en met de schoonste hoedanigheden naar de natuur bedeeld. Meer dan één prins dong naar hare hand. De koning haar vader ried, ja drong er zelfs op aan een dier prinsen te huwen. Ziehier wat Joanna haren vader antwoordde: Terwijl ik de namen dier doorluchtige prinsen doorloop, vraag ik in den geest eenieder hunner af, ol hij nimmer mijn hart zal bedroeven, en mij dunkt, eenieder hunner antwoordt: Zoolang ik leef, zal ik mijn best doen u nimmer te bedroeven; maar mijn dood zal u bittere tranen uit de oogen persen en uw hart ten bloede treffen. Doch ziet, daar biedt zich een bruidegom aan en zegt: Edele maagd! wees voorzichtig in uwe keus; zie, Ik, Ik ook bied u mijne hand aan.
— 125 —
en die hand draagt aan hare vingeren de koninkrijken dor -wereld, en die hand deelt de kronen uit aan de prinsen der aarde. Met Mij cn met Mij alleen, kunt gij een eeuwigen band treffen, dien de dood niet eens bij machte is te verbreken: mijne schatten en rijkdommen, mijne vreugden en genuchten zijn eeuwig gelijk Ik. Welnu mijn vader! Welke keus moet uwe dochter doen, die gij, ik twijfel er niet aan, voor eeuwig wenscht gelukkig te zien? Alphonsus, tot tranen toe bewogen, antwoordde: Joanna mijne dochter! gij de dierbaarste mijns harten, kies den laatste: neem tot bruidegom den Koning, die eeuwig leeft en die u eeuwige schatten bereidt. Joanna volgde den raad van haren vader; zij verliet de wereld, trad op jeugdigen leeftijd in de orde der Dominicanessen en wijdde al hare liefde aan Jesus-Christus den Bruidegom barer ziel toe.
Welnu, B. B., ik vraag liet u; had Joanna ongelijk den eeuwigen God aan te kleven? Ongetwijfeld neen. De dienaar van keizer Karei V had ongelijk, gelijk wij gezien hebben, en op zijn sterfbed uitgestrekt beklaagde hij zich hitter. Do dochter van koning Alphonsus had gelijk on op haar sterfbed zal zij zich zeker verheugd hebben. Wie van beiden moeten wij nu navolgen? O, B. 1!., er blijft geen twijfel over. N olgen wij dus, in zoo ver het mogelijk is, de wijze, de voorzichtige, de deugdzame Joanna na; dienen wij den eeuwigen God getrouw al de dagen van ons leven en eenmaal zullen wij het geluk hebben van hem in eeuwigheid te bezitten in den hemel. Amen.
TWAALFDE ONDERRICHTING
OVER DE ONMETELIJKHEID EN ALWETENDHEID GODS
Ambula coram me el esto perfectus. Wandel in mijne togenwoordiglieid. cn wees volmaakt. (Cien. xvk, i.)
INHOUD.
VOORREDE.
God is eeuwig, zonder begin en zonder einde; daaruit volgt dat Hij onafhankelijk is; dat Hij onveranderlijk is in zijn wezen, in zijne kennis en in zijnen wil, Waarheid troostrijk voor den rechtvaardige, verschrikkelijk voor den zondaar.
VERDEELING.
I. God is onmetelijk en alomtegenwoordig;
II. God is alwetend.
— 127 —
1.
Gort is onmetelijk en kan niet omsloten worden. God is overal tegenwoordig. Woorden van den Profeet Jeremias, van den Apostel Paulus, van den Profeet Baruch, van den koninklijken Profeet David.
God is overal: waarmede? Met zijne macht, met zijne kennis en met zijn wezen. ])e tegenwoordigheid Gods vergeleken met die van een koning. God is overal: hoe? Gelijk een geest, gelijk, bijv., de ziel in \'t lichaam. God beslaat tins geene oppervlakte, Hij verandert niet van plaats.
Waarom zegt men dat God nedergedaald is uit den hemel? Waarom noemt men den hemel den troon Gods, de ziel van den rechtvaardige den tempel van God, de kerk het huis van God?
Wat doet God in den hemel, op de aarde, in \'t vagevuur, in de hel?
II.
God is alwetend, liij weet, hoort en ziel alles. Waarheid troostrijk voor den rechtvaardige, verschrikkelijk voor den zondaar.
SLU1TRKDE.
Geschiedenis van de zuivere Susanna.
— 128 —
TWAALFDE ONDERRICHTING
OVER DE ONMETELIJKHEID EN ALWETENDHEID GODS
Ambula coram me et csto perfcctus.
Wandel in mijne tegenwoordigheid cn wees volmaakt. (CIen. xvii, i.)
VOORREDE.
God, B. B., is eeuwig, gelijk wij gezien hebben. Hij heeft van eeuwigheid, d. i., zonder begin bestaan en Hij zal in eeuwigheid, d. i., zender einde bestaan. Kn wijl God eeuwig is, daaruit volgt dat Hij onafhankelijk is; Hij hangt van niemand af; integendeel, alle schepselen hangen van God af. Hij is de Koning der koningen, de lieer der heeren.
Wijl God eeuwig is, daaruit volgt ook dat Hij onveranderlijk is; onveranderlijk in zijn wezen, in zijne kennis en in zijnen wil.
Die waarheden, B. B., zijn troostrijk voor den rechtvaardige, maar verschrikkelijk voor den zondaar: troostrijk voor den rechtvaardige, die in zijnen God den looner van het goed erkent; verschrikkelijk voor den zondaar, die in zijnen God den straffer van het kwaad erkent.
Wijl wij hier op aarde weldra alles zullen moeten verlaten, daarom moeten wij ons aan den Eeuwige hechten; wij moeten Hem beminnen, trouw dienen al de dagen van ons leven; ons geluk hangt er van af voor tijd en eeuwigheid. Bijaldien wij ons door de liefde aan God vasthechten gedurende den tijd, wij zullen het geluk hebben van ons eenmaal aan Hem te hechten door Hem te bezitten gedurende de eindelooze eeuwigheid.
— 129 —
Vandaag, B. B., zullen wij liandelen over twee andere eigenschappen van God:
I. Over zijne onmetelijkheid of\' alomtegenwoordigheid;
II. Over zijne alwetendheid.
I.
Door de onmetelijkheid Gods wordt verstaan dat Hij niet kan afgemeten, noch omsloten worden.
Door de alomtegenwoordigheid Gods, gelijk het woord zelf aanduidt, wordt verstaan dat Hij overal tegenwoordig is.
Alvorens er iets geschapen was bestond God uit- en in zich zeiven. Nadat Hij hemel en aarde geschapen heeft is Hij in het minste niet veranderd. God was volstrekt hetgeen li ij nu is; Hij bezat dezelfde volmaaktheden; Hij was even gelukkig als Hij nu is en altoos zijn zal. God kende zich \'/elven; God aanschouwde en beminde zich zeiven, en in die kennis, aanschouwing en liefde van zich zeiven was Hij oneindig gelukkig. God had zijne schepselen niet noodig, wijl Hij zonder hen even volmaakt, even gelukkig is.
Na de schepping is God niet alleen in zich zeiven, maar Hij is ook in zijne schepselen, die Hij uit den niet getrokken heeft. De Catechismus vraagt:
Is God altijd bij ons? En hij antwoordt:
Ja, ivant hij is overal tegenwoordig.
Ziehier hoe de H. Schrift zich over de alomtegenwoordigheid van God uitdrukt. Ik vervul hemel en aarde, zegt God: Ccdurn et terram ego ipmleo. (i) \'t Is in God, zegt de Apostel Paulus, dat wij leven, dat wij ons bewegen en dat wij bestaan: Ia ipso vivimus, movernur et sumus. (2) O Israël! roept de Profeet Baruch uit, wat is het verblijf van God groot! Wat is de plaats
(1) JKR. xxiii, 24. (2) ACT. XVII, 2S.
OliLOOKS• EN ZUDENLHKR.
— 130 —
zijner bezitting uitgestrekt! Hij is groot en kent geene palen! Hij is verheven zonder grenzen!
Bijaldien ik ten hemel klim, zegt de Profeet David, Gij zijt er: Si ascendero in caelum tu es: bijaldien ik in den afgrond nederdaal, Gij zijt er tegenwoordig; Si descendero in infernum ades: bijaldien ik vleugelen neem en naar het uiteinde der zee vlieg; Si sumsero pennas mms düuculo el habitavero in extremis maris-. Gij zult mij derwaarts voeren en uwe rechterhand zal mij staande houden; Etenim munus lua deducet me cl Icncbil me dextera lua. (i) God is dus overal.
Doch waarmede is God overal tegenwoordig?
Hij is overal tegenwoordig met zijne macht, met zijne kennis en met zijnen wil.
Om ons een juist denkbeeld van Gods alomtegenwoordigheid te vormen, stellen wij ze tegenover de tegenwoordigheid van den mensch. Een koning, bijv., is met zijne macht in zijn rijk, waarin hij zijne bevelen geeft die zijne onderdanen moeten volbrengen. Zoo is God overal tegenwoordig waar Mij zijne macht uitoefent.
Een koning ziet en weet niet al wat er in zijn rijk omgaat; doch hij ziet en weet alleen wat er omgaat in zijn palejs en eenige bepaalde plaatsen; God daarentegen ziet en weet al wat er omgaat op alle plaatsen. Veel minder is een koning met zijn wezen, d. w. z., met zijne ziel en zijn lichaam overal tegenwoordig; doch alleen op eene plaats, enkel in den engen kring, dien zijn lichaam beslaat; God daarentegen is met zijn wezen op alle plaatsen en tegelijkertijd geheel en al tegenwoordig.
Hoe is God overal tegenwoordig?
God is overal tegenwoordig, niet gelijk een lichaam, maar gelijk een geest. Immers, God is een zuivere Geest; Hij heeft geen lichaam. Gelijk nu de ziel van den mensch geheel en al tegenwoordig is in geheel het lichaam en geheel en al in elk
(i) Ps. cxxxviii, 8, 9.
— 131 —
deel des licliaams, bijv., in de hand, in het hoofd, enz., zoo is (iod geheel en al tegenwoordig in de gansche uitgestrektheid en geheel en al in elk deel der uitgestrektheid; bijgevolg moet men zich God niet overal tegenwoordig voorstellen ovenals een groot lichaam, dat eene groote oppervlakte beslaat. Ook bestond God, gelijk ik reeds in den beginne gezegd heb, voor de schepping, en voor de schepping was Hij evenwel onmetelijk. Alvorens er iets geschapen was bestond er geene plaats, geene uitgestrektheid om God te beperken, (iod zoude nog andere werelden kunnen scheppen en Hij zoude er zonder te veranderen zoowel in tegenwoordig zijn als in deze die wij bewonen. De plaats, B. B., beperkt God niet, omdat Hij onmetelijk is. Wij zijn in de onmetelijkheid Gods, zegt de Heilige Augustinus, evenals een viscli in de zee, als een vogel in de lucht; wij zijn met Gods tegenwoordigheid als omkleed.
Wijl God overal tegenwoordig is, daaruit volgt dat Hij niet van plaats verandert, niet reist. Nochtans, wij zeggen zeer wel en te recht dat God do Zoon uit den hemel nedergedaald is, niet om do beweging van de eene plaats naar do andere aan te duiden, maar om te kennen te geven, de overgroote liefde van den Zoon Gods jegens ons, die zich zoo diep voor ons heeft willen vernederen door de menschelijke natuur aan te nemen.
Ook noemen wij den hemel den troon van God. God immers spreidt in den hemel op eene bijzondere wijze zijne grootheid en pracht ten toon.
De ziel van den rechtvaardige wordt genoemd de tempel Gods; God schept er een bijzonder welbehagen in; Hij bemint en overlaadt ze met weldaden.
De kerk wordt genoemd het huis van God; Hij is er in tegenwoordig, niet alleen met zijne godheid, maar ook met zijne menschlieid in het allerheiligste Sacrament des Altaars.
God, B. B., vertoont zich op verscheidene manieren volgens do verscheidenheid der plaatsen: De Catechismus vraagt;
— 132 —
Waar is God? En hij antwoordt:
In den hemel, op de aarde en op alle plaatsen.
Wat doel God in den hemel?
Hij loont daar de gelukzaligen.
Wat doet God op de aarde?
Alles heslieren en bewaren.
Hebben loij Gods beioaring noodig?
Ja; want gelijk toij zonder zijne schepping niet zouden zijn, zoo zouden wij zonder zijne bewaring in den niet vervallen, ivaaruit hij ons getrokken heefi.
God is in het vagevuur, waarin Hij de zielen der overledenen loutert en zuivert.
Js God ook in de hel?
Ja.
Wat doet God in de hel?
Hij straft er de verdoemden.
Bijgevolg; God eeu en dezelfde is overal en ten allen tijde tegenwoordig.
Uit de alomtegenwoordigheid Gods besluit ik eene andere volmaaktheid, namelijk, zijne alwetendheid, waarvan wij nog een woordje zullen zeggen.
II.
Door de alwetendheid Gods, B. B., wordt verstaan dat God alles weet, hoort en ziet. Do Catechismus vraagt:
Weet God alles? En hij antwoordt:
Ja, ook de toekomende dingen, d. i., die nog moeten gebeuren. God hoort ook alles.
Ziet God alles?
Ja, ook de gepeinzen van ons hart, hetgeen wij denken, zonder iets te zeggen of uitwendig iets te toonen.
De waarheid, B. B., dat God alles weet, hoort en ziet is troostrijk voor den rechtvaardige, doch zij is verschrikkelijk voor den zondaar. Die enkele woorden: God iveel, hoort en \'ziel het, moedigen den deugdzame aan, daar zij den zondaar ontmoedigen. En och of de zondaar die waarheid nimmer uit het oog verloor; doch wat gebeurt er, helaas! maar al te dikwijls en vooral bij de jeugd? Non est Deus in conspectu ejus; de jeugd houdt God niet voor oogen, en daarom heeft zij zich aan de zonden overgegeven: Inquinalce sunt vice illius in omni tempore, (i) De jonge dochter, bijv., wanneer zij het werkzaam oog eener bekommerde moeder ontvlucht hoeft, durft zeggen: Niemand ziet ons: Nemo nos r/ulet. (2) De jongeling, die zich weinig meer laat gelegen liggen aan de lessen en raadgevingen van een wijzen vader, meent dat hij ver genoeg is, zoo deze hem geene verwijtingen meer doen kan; hij ook verstout zich te zeggen: Niemand hoort of ziet ons. O, B. B., waar is dan ons geloof in de alomtegenwoordigheid Gods, dat levend, dat werkend geloof, dat ons van de zonde kan terughouden? Dwazen, verblinden die wij zijn! Wij zijn er dus maar op uit om ons zeiven te bedriegen; wij vluchten de menschen en wij denken niet aan God; wij meenen in de een of andere schandelijke daad gelukt te zijn, omdat wij ze voor do wereld verborgen hebben, en wij verliezen uit het oog dat God er getuige van geweest is. Ach! B. R., ik vraag het u nogmaals; waar is ons krachtdadig geloof in de alomtegenwoordigheid Gods, die alles hoort en ziet? Hij hoort de stem van den deugdzame die Hem verheerlijkt en bidt; maar Hij hoort ook de stem van den goddolooze, die Hem vloekt en lastert. Hij hoort de stem van den brave, die den lof der deugd verkondigt; maar Hij hoort ook de stem van den zondaar, die zich niet schaamt met zijne vuile tong de engelachtige deugd, de deugd van zuiverheid aan te randen en te onteeren. God, die, gelijk de H. Schrift zegt,
(i) Ps. x, 5. (2) Dan, xiii, 2.
— 134 —
de harten en nieren doorgrondt, ziet de gedachten, de vurige begeerten van den brave om in de deugd voort te gaan, de aanhoudende pogingen die hij aanwendt om zijnen God te beminnen, te dienen en in alles te behagen; maar Hij ziet ook/ de schandelijke gedachten en begeerten, waarin de zondaar behagen schept, de snoode plannen die hij smeedt, de listen en lagen die hij gebruikt om tot de zonde te komen. God is getuige van den strijd, dien de rechtvaardige, van zich zeiven mistrouwende en op God steunende, kloekmoedig levert tegen de vijanden zijner zaligheid, den duivel, de wereld en het vleesch; maar Hij is ook getuige van den lafaard, die, in plaats van kloekmoedig te strijden, zijne toevlucht tot God te nemen, de vrijwillige gevaren en gelegenheden der zonde te vluchten, niets doet om aan de bekoringen te wederstaan, die zich zonder reden aan de gevaren blootstelt, in de naaste gelegenheden blijft, in de zonde valt en overwonnen wordt. Ja, God ziet den eenen zoowel als den anderen, zijnen vriend en zijnen vijand; Hij kent de gedachten, de begeerten, de woorden en werken van den rechtvaardige en van den zondaar: alles ligt bloot voor zijne oogen: Omnia nuda el aperla sunt oculis eyuu. (i)
SLUITREDE.
De Catechismus vraagt:
Is God altijd hij ons? Eu hij antwoordt:
Ja, want hij is overal tegenwoordig.
Wat moeten toij hieruit leer en? *
Altijd vermijden God te vergrammen, en op hem betrouwen wiens alziende oog gedurig op ons waakt.
Van die waarheid zal ons de volgende geschiedenis overtuigen.
Te Balylon, B. B., woonde een rijk man met name Joachim. Zijne huisvrouw Susanna was zeer godvreezend. Ten huize van
(i) Haëu. iv, 13.
— 135 —
flien Joachim hielden twee ouderlingen tot rechters gekozen zitting. Aan het huis lag een schoone boomgaard, waarin Susanna gewoon was omtrent middag te gaan wandelen. De twee rechters zagen haar dagelijks den boomgaard binnen gaan, en werden door eene schandelijke begeerte ontstoken. Die onkuischaards sloegen de oogen neder, zegt de if. Schrift; zij durfden den hemel niet aanschouwen, noch Gods rechtvaardige oordeelen gedenken. In den beginne nochtans schaamden zij zich hunne kwade begeerten elkander bekend te maken, eindelijk toch deden zij het en zij kwamen overeen om de zuiverheid van Susanna aan te vallen en te bestrijden: juist bet werk tan den duivel.
Toen Susanna zekeren dag wederom in den boomgaard was, vertoonden zich eensklaps de schaamtelooze ouderlingen die zich verborgen hadden; zij liepen naar Susanna toe en zeiden: Zie, de in- en uitgangen van den boomgaard zijn gesloten en niemand ziet ons: Nemo nos videt: voldoe aan ons verlangen; zoo niet, zullen wij tegen u getuigen dat wij u op echtbreuk betrapt hebben. Ziedaar waartoe het vergeten van Gods tegenwoordigheid die ouderlingen bracht. Zij durfden hunne oogen niet ten hemel slaan; niemand ziet ons,.zeiden zij. Doch wat deed Susanna? Zij verzuchtte en zeide: Ik word van alle kanten in het nauw gebracht; want doe ik uwen wil, dan ben ik des doods schuldig; weiger ik, dan zal ik uwe handen niet ontkomen: maar, zoo voegde zij er bij, het is beter onschuldig te vallen in uwe handen, dan te zondigen voor het aanschijn des llecren. Het gedacht dus aan Gods tegenwoordigheid deed Susanna zoo moedig weerstand bieden ten koste van haar leven: zij riep met luider stemme om hulp; de ouderlingen schreeuwden tegen haar in, klaagden haar aan, legden valsche getuigenis af, en Susanna werd ter dood veroordeeld. Verliet God nu zijne getrouwe dienares? Neen, B. B., God wekte den geest van den jeugdigen Daniël op, en terwijl Susanna ter strafplaats werd geleid, riep deze de menigte to^: Ik ben onschuldig aan haar bloed; keert terug: de rechters
— 130 —
hebben valsche getuigenis afgelegd. En inderdaad: bij een nauwkeurig onderzoek bevond men dat Susanna onschuldig was en dat de rechters gelogen hadden.
De twee ouderlingen werden ter dood gebracht en Susanna werd vrij gesprok en.
Ziedaar, B. JS., wat de gedachte aan de alomtegenwoordigheid Gods vermag. Volgen wij allen de zuivere Susanna na. Wanneer wij tot de zonde worden aangezet, o, denken wij aan God die alles hoort en ziet: roepen wij zelfs oni hulp, zoo wij ons in een groot gevaar bevinden, gelijk Susanna deed. De tijdelijke dood, waaraan Susanna ontsnapte en waartoe de twee ouderlingen veroordeeld werden, is een albeeldsel van den geestelijken dood der ziel door de doodzonde veroorzaakt; zij is maar een flauw afbeeldsel van den eeuwigen dood, d. i., van de hel. Denken wij dus aan de tegenwoordigheid Gods om den dood naar de ziel en den eeuwigen dood, de hel, te ontkomen. Amen.
DERTIENDE ONDERRICHTING
OVER DE ALMACHT EN WIJSHEID GODS
«
Kun erit impossibile apud Deum omne verbum.
Bij God zal niets onmogelijk zijn.
(Luc. I, 37.)
ixnoi i).
VOORREDE.
God is alomlegcnwoordig tnel zijne macht, zijne kennis en zijn wezen. Wijl God overal tegenwoordig is, daaruit volgt dat Hij alles weet, hoort en ziet. Die waarheid is troostrijk voor den rechtvaardige, verschrikkelijk voor den zondaar. Wij moeten de zonde vermijden en op God betrouwen.
VERDEELING.
I. De almacht Gods; II. De wijsheid Gods.
— 138 —
God is almachtig; Hij kan alles. Wat kunnen de machtigste keizers en koningen tier aarde? Woorden van den Aartsengel tot Maria. Opwerpingen wederlegd. (iod kan niet zondigen, geenc borgen maken zonder dalen; Hij kan alles met zijnen wil alleen. Gods almacht schijnt uit in hot scheppen en bewaren van hemel en aarde, in zijne wonderen, in hel- waler, het vuur, de vruchten der aarde, de aarde zelve, de dieren en in andere wonderen.
11.
God is alwijs: Hij weet alles te schikken en schikt alles, zoodat Hij onl\'eilbaar zijn doel bereikt. Daarloe gebruikt Hij, niel alleen geschikte, maar ook de beste middelen. Vergelijking mei een geneesheer en veldoversle. Gods wijsheid schijnt uit in \'1; werk der schepping, in \'t bestuur van hemel en aarde; doch vooral in \'t regelen van de lotgevallen der menschen. Personen die Gods werken beknibbelen of afkeuren: dwaasheid dier personen.
S],l ITRKDK.
\\\\ ij moeien ons voor (Jod verootmoedigen; (\'anutus en zijne vleiers. Wij moeien ons vertrouwen op God stéllen; Gedebn. Wij moeten ons in alles aan Gods Voorzienigheid onderwerpen: de li. man Job.
— 139 —
DERTIENDE ONDERRICHTING
OVER DE ALMACHT EN WIJSHEID GODS
Non ent impossibile aptul Deunt om ha verhum.
Bij God zul niets onmogelijk zijn.
(Luc. r, 37.)
VOORRKDi;.
In onze voorgaande onderrichting, H. B., liebben wij gesproken over de onmetelijkheid oi\' alomtegenwoordigheid en alwetendheid Gods. Wij hebben gezegd dat (Vod overal tegenwoordig is, in den hemel, op do aarde en op alle plaatsen. God is overal tegenwoordig met zijne macht, Hij bewaart en bestiert alles; met zijne kennis, Hij weet alles; eindelijk met zijn wezen.
(Vod is overal tegenwoordig, niet gelijk een lichaam, maar gelijk een geest; Hij behoeft zich niet te verplaatsen.
Wijl God overal tegenwoordig is, daaruit volgt dal Hij alles weet, hoort en ziet; de gedachten en begeerten, de woorden en werken, alles ligt bloot en open voor zijne oogen.
De waarheid dat (Vod alles weet, hoort en ziet is troostrijk voor den rechtvaardige en geeft hem moed; maarzij is verschrikkelijk voor den zondaar en ontmoedigt hem.
De gedachte aan de alomtegenwoordigheid Gods zal ons de zonde en vooral de doodzonde, waardoor men God zoo zeer vergramt, doen vermijden. De geschiedenis van de zuivere Susanna, B. B., overtuigt ons van die waarheid. Tot vervolg van de verklaring van (Vods oneindige volmaaktheden zullen wij vandaag ui Heggen;
1. De almacht Gods;
II. Zijne wijsheid.
— 140 —
De Cateohismus vraagt:
Waarom wordt God geheeten almachtig? En hij antwoordt:
Omdat /uj met zijnen goddelijken wil alle dingen kan maken en ook te niet doen.
God dus wordt almachtig geheeten, omdal Hij alles kan en omdat Hij alles kan met zijnen wil alleen.
God is almachtig, omdat Hij alles kan. Iemand die veel kan, wordt machlig genoemd, en vandaar dal men de keizers en koningen de machtigen der aarde noemt; zij vermogen veel en doen veel, hetgeen gewone menschen niet vermogen noch doen; doch ik vraag n, H. B., is er wel een enkel keizer of koning, die hel kleinste diertje, hel geringste bloempje, een grasspiertje, een zandkorreilje kan scheppen? Neen, de machtigste keizer, de grootste koning, zelfs de volmaakste Engel des hemels vermag zoo iets niet. Hijgevolg, de machtigen der aarde zijn niet almachtig, omdat zij niet alles kunnen; God daarentegen is almachtig, omdat Hij alles kan.
(tod kan alles. De Aartsengel Gabriël zeide het uitdrukkelijk, toen hij Maria boodschapte dat zij verkoren was de Moedei\' Gods te worden. Non er it irnpossibile apud Deurn omne verbum, (l) zeide hij: bij Goil is niets onmogelijk.
Gij zoudt misschien kunnen denken: ik weet Iwee zaken, die God niet kan; bijgevolg is God niet almachtig: God kan niet zondigen en God kan geene bergen scheppen zonder dalen.
Ik antwoord: God kan niet hetgeen eene onvolmaaktheid of tegenstrijdigheid, een onzin bevat; hijgevolg kan God vooreerst niet zondigen: zondigen is geene volmaaktheid, integendeel; doch God is oneindig volmaakt, gelijk wij reeds gezien hebben. Hij is ook oneindig heilig, gelijk wij later zullen zien; bijgevolg kan God niet zondigen.
(l) Luc. i, 37.
— 141 —
God kan ook geeno bergen scheppen zonder dalen: een berg zonder dal is eene tegenstrijdigheid, een onzin: als God sehepf, moei Hij iels te voorschijn brengen; doch een berg zonder dal is niets; dus kan God ook geen bergen scheppen zonder dalen.
God is almachtig, wijl Hij alles kan, en Hij kan alles mei. zijnen wil alleen. De inensch, wanneer hij iels wil maken, heefl allerlei zaken en werkluigen noodig; God alleen kan alles met zijnen wil alleen: Onmin qiuvcumque voluit fecit: i) Hij heelt alles wal Hij gewild heefl, gedaan: in ca\'lo et in terra, in den hemel en op de aarde, in de zee en in alle afgronden, in mari et in omnibus ahyssis.
God heefl zijne almacht getoond in het scheppen ol van niet te maken hemel en aarde en al wat er in is. Hij toonl ze nog in hel bewaren van zijne schepselen, wanl dal bewaren is als het ware eene aanhoudende schepping.
Doch de almachl Gods, li. B., schijnt voor ons op eene bijzondere wijze uit in zijne wonderen. Daardoor toont God, dal Hij over alle schepselen en over alle krachten der natuur beschikt.
(lod beschikt over zijne schepselen en hunne krachten volgens zijn goeddunken.
Hij beschikt,bijv., over het water. Tijdens den zondvloed gebood God de waterbronnen en zij braken los; Hij gebood de sluizen des hemels en zij openden zich; hel regende veertig dagen en veertig nachten onafgebroken. God gebóod op nieuw de waterbronnen en zij hielden op met springen; de sluizen des hemels en zij sloten zich, \'t hield op met regenen. Een ander wonder: God gebood zijnen dienaar Moses de hand over de roode zee uit te strekken: de wateren der zee scheidden zich, zoodat de Israëlieten er droogvoets door heen gingen. Na den doortocht dor Israëlieten gebood God Moses zijne hand op nieuw uil te strekken, en ziel! de wateren der zee namen hunnen gewonen loop, overdekten en sleepten het leger van Pharao in de golven mede.
(i) Ps, cxiii, 3.
— 142 —
God beschikt over het vuur. Hij deed een regen van solfer en vuur nedervallen op de steden Sodoma en Gomorrha, waardoor zij met hare inwoners verteerd werden. Het vuur zetlede den braamslruik, dien Moses in de woestijn zag, in lichte laaie vlam en verleerde den braamstruik niet. God deed een groot getal Israëlieten, die in de woestijn tegen Hem opstonden, door het vuur omkomen, en Hij bewaarde ongeschonden in \'t vuur de drie jongelingen, die op bevel van den koning van Babylon in den brandenden oven geworpen werden.
God beschikt over de vruchten der aarde. Tijdens het verblijf\' van den Aartsvader Joseph in Egypte liet God de aarde gedurende zeven jaren overvloedige vruchten voortbrengen; en ziet, de vruchtbare jaren werden opgevolgd door zeven onvruchtbare jaren.
God beschikt over de aarde zelve. Gore, Dalban en Abyron sleepten ecne menigte Israëlieten mede in hunnen opstand tegen Moses en Aaron; de aarde scheurde open, en zij werden ei* levend in begraven, terwijl de overige Israëlieten gespaard bleven.
God beschikt over de dieren. Hij zond zijnen Profeet naar den koning Jeroboam met het stellig verbod van onderweg te eten; de Profeet was ongehoorzaam; God zond eenen leeuw, die den Proleet om \'1 leven hraclvt, terwijl hel lastdier, waarop de Profeet gezeten was, gespaard bleef.
Daniël, de man naar het hart van God, werd in een leeuwenkuil geworpen; men gaf den leeuwen niels te eten, opdat zij Daniël zouden verslinden; de leeuwen spaarden Daniël, doch nauwelijks waren zijne vijanden in den kuil geworpen, of zij werden door de leeuwen verscheurd.
Twee Martelaren verschenen in hel strijdperk; xij waren veroordeeld om door de wilde dieren verscheurd te worden. De II. Ignatius van Antiochië verlangde niets zoo zeer dan door de landen der leeuwen gemalen Ie worden; hij werd in \'t Ampbiteator van Rome gebracht ; de wilde dieren werden op hem losgelaten; terstond werd hij verscheurd en verslonden, zoo dat er niets dan
— 143 —
de groote beenderen overbleven. I)e jeugdige Thecla trad op hare beurt in \'t strijdperk; zij kruiste de armen op hare borst; met een heilig ongeduld wachtte zij de wilde dieren af om haar zoo spoedig mogelijk aan de blikken van schaamtelooze toeschouwers te onttrekken; de leeuwen werden losgelaten. Wat gebeurde er^ Minder wreed dan de rechters, die de maagd veroordeelden, wierpen de leeuwen zich voor Thecla neder en likten hare voeten.
Men zoude nog andere wonderen kunneu aanhalen; De zon stond stil op het bevel van Josuë; eene wonderbare ster verscheen bij de geboorte van Christus; de zon verduisterde bij zijnen dood; de ziekten verdwenen op het bevel van den Zoon Gods; de dood zelf gaf hare slachlolfers weder; .lesus bad enkel de lijkbaar aan te raken en de zoon van de weduwe van Naïm richtte zich op; Hij had slechts tot een lijk, dat reeds de verrotting ten prooi was, te spreken: Lazare veni for as! (1) Lazarus komt buiten! en Lazarus stond op en kwam builen. Ziedaar, 15. B., hoe de almacht Gods zich vertoont: de wonderen zijn er het doorslaandste bewijs van.
Zien wij nu nog waarin de* wijsheid ftods bestaat.
11.
God, B. B.. is oneindig wijs, en zijne wijsheid bestaat hierin, dat Hij alles weet Ie schikken en inderdaad alles zoo schikt, dat Hij onfeilbaar zijn doel bereikt. God brengt zijne schepselen tot hun einde en Hij brengt ze tot hun einde door geëvenredigde middelen; ja, wat meer is, God gebruikt altoos de besle middelen om zijn doel te hereiken.
Veronderstelt een oogenblik een geneesheer of een veldoverste. ])c geneesheer verlangt den zieke te genezen; de veldoverste verlang! de overwinning te behalen. Ziedaar hun doel, hun einde. Zij geven blijk van hunne bekwaamheid en kunde door de keus
(l) Joan. xi, 43,
der middelen, waarmede zij hun doel kunnen bereiken. Doch hoe dikwijls gebeurt het niet dat zij de beste middelen niet gebruiken, ofwel omdat zij ze niet kennen, ofwel omdat zij ze niet bezitten?
Ziedaar, waarom zij hun einde of doel niet bereiken; doch God bereikt altoos zijn doel. Waarom? Vooreerst omdat Hij de beste middelen kent, want Hij weet alles; vervolgens omdat Hij ze bezit en kan gebruiken, want Hij kan alles.
De oneindige wijsheid Gods openbaart zich in \'t werk der schepping, in \'1 bestuur van hemel en aarde; doch vooral in \'t regelen der lotgevallen van alle menschen te zamen en van ieder in \'(, bijzonder. Zulks hebben wij reeds genoeg gezien, toen wij gesproken hebben over de goddelijke Voorzienigheid.
De oneindige wijsheid Gods openbaart zich dus op allerlei wijze. En nochtans, men treft wel eens menschen aan die de werken van God beknibbelen en afkeuren, die zich inbeelden dat zij dit of dat beter zouden gedaan hebben dan God. Dergelijke vermetelheid is niet alleen eene dwaasheid, zij is zelfs eene godslastering. Arme aardwormen! Wat begrijpen wij toch van de onbegrijpelijke werken Gods! Men zoude die waanwijzen kunnen vragen: Misschien hebt gij met God de hemelen gemaakt? Of waart gij er tegenwoordig toen God de grondslagen der aarde legde, toen Hij de zee hare oevers aanwees en zelde; Tot hier zult gij komen en niet verder, en hier zult gij den trots uwer schuimende baren breken? Hebt gij den bodem der zee onderzocht en de uitge-strektheld der aarde gemeten? Hebt gij een ahnachiigen arm gelijk God, eene donderende stem gelijk Hij? Bijgevolg, volgen wij nimmer dat soort van menschen na, die de werken Gods afkeuren of beknibbelen.
SI.UITREDK.
Aangezien Gods almacht en wijsheid verootmoedigen wij ons voor God; stellen wij ons vertrouwen op Hem en onderwerpen wij ons in alles aan zijne goddelijke Voorzienigheid.
— 145 —
Wij moeten ons verooimoedigen voor God. Wij zijn armzalige schepselen, zwakke stervelingen, ellendige zondaars: werpen wij ons dus voor de voeten van (iod onzen Schepper neder; vernederen wij ons voor den aiinachtigen God en smeeken wij Hem medelijden met ons te hebben.
De H. Canulus, koning van Denemarken, leert ons door zijn voorbeeld, hoe wij den aiinachtigen God erkennen en ons voor Hem vernederen moeten.
Canulus was dikwijls genoodzaakt uit den mond van lage vleiers Ie hooren dat hij een der machtigste koningen der aarde was, en dat zijne macht zich wijd en zijd te zee en te land uitstrekte. De koning, dat laag gevlei moede, ging zekeren dag op den oever der zee wandelen; en lerwijl zijne vleiers hein groei.Ien onder den litel van heerscher der zee, plaatste Canulus zich, om hun eene les It; geven, aan \'t uiterste van den oever en riep met eene statige stem: Zee! ik verbied u te naderen en mij nat te maken: \'I, was juist hel oogenblik dal het water der zee opkwam; doch ziet, hel water der zee kwam immer nader, en zonder acid te geven op den koning, dien zijne vleiers heerscher der zee durlden noemen, maakte liet hom gansch nat, zoodat hij van het water droop. Daarop richtte zich Canutus tot zijne vleiers en zeide: Aanschouwt, lage vloiers! do macht van uwen koning, dien gij niet ophoudt te verhoftbn; gij noemt mij meester der zee, en ik heb zelfs geono macht een druppeltje water te gebieden: God alleen, voegde do koning or bij, is machtig; Hom alleen kornl, dien naam toe; Hij alleen hoeft hot heelal geschapen on bewaart hot; Hij alleen verdient almachtig genoemd to worden.
Vervolgens moeten wij ons vertrouwen op God stollen naar het voorbeeld van Gedoon, die mot eene handvol volk maar vol vort rouwen op God de schitterendste overwinning behaalde op zijne vijanden onder den kroel van « Voor den lieer en voor Gedeon! quot; In den strijd dus tegen de vijanden onzer zaligheid moeten wij vol vertrouwen op God bon beveel don onder don kroot,
Gi\'i.oors UN ZlCDKNLKI\'U. 10.
— 140 —
van, quot; Voor God on voor onze ziel en zaligheid! « Want als God voor ons is, wie zal dan tegen ons wezen? Si Deus pro nobis quis contra nas?
Eindelijk moeten wij ons aan de goddelijke Voorzienigheid onderwerpen in den tegenspoed en de ongelukken die ons treffen. Naar \'t voorbeeld van den H. man Job moeten wij dan zeggen: God gaf, God nam; de naam des Heeren zij gezegend! En; Alwat God doet is wel gedaan. Bijgevolg, wijl God almachtig en ahvijs is, verootmoedigen wij ons voor God, vertrouwen wij op Hem en onderwerpen wij ons in alles en altijd aan zijne goddelijke Voorzienigheid. Amen.
O
VEERTIENDE ONDERRICHTING
OVER DE HEILIGHEID EN RECHTVAARDIGHEID GODS
Rcddet unicuique secundum opera ejus. God zal eenieder geven volgens zijne werken. (Kom. n, o.)
JNIIOII).
IKDK.
God hooft zijno almacht geloond: vooreerst in \'l scheppon van hemel cu aarde, vervolgens in \'l besluren van hemel en aarde en eindelijk in zijne wonderen. Aangezien God almachtig is verootmoedigen wij ons voor Hem.
God is alwijs: ilij bereikt onfeilbaar zijn doel. Aangezien God alwijs is moeten wij op Hom betrouwen en ons aan zijnen goddolijken wil onderwerpen.
VKltDKKIJMl.
I. Do heiligheid Gods;
II. De rechtvaardigheid Gods.
— 118 —
I.
God is oneindig heilig; Hij bemint het goed bovenal en Hij haat het kwaad bovenal. Woorden van de H. Schrift, van de H. Kerk. Door het goed en kwaad moet verstaan worden het zedelijk goed en kwaad. Woorden van den zondaar. Zoo God het goed niet beminde en het kwaad niet haatte zoude Hij ophouden God te zijn. Wij moeten het goed beminnen en oefenen, het kwaad haten en vluchten. Wij moeten ook heilig zijn; \'t is de wil van God. Tot dat einde moeten wij de wet der natuur, de tien geboden Gods en de wetten der H. Kerk onderhouden.
II.
God is rechtvaardig, d. w. z., dat Hij voor alle kwaad de verdiende straf eu voor alle goed den verdienden loon geeft. God is rechtvaardig jegens zich zeiven en jegens ons. God is niet verplicht den inensch te loonen, doch aangezien zijne beloften wil Hij hem loonen. God loont en slrafl naar verdiensten, d. w. z., alhoewel de belooning de goede werken overtrefl is zij toch geëvenredigd: alhoewel de straf beneden de zonden blijft is zij toch ook geëvenredigd.
God loont het geringste goed, een glas koud water. Hij straft het geringste kwaad, een ijdel woord. God weet, kan en wil loonen en straffen; Hij loont en straft zonder aanzien van persoon; Hij Iet enkel op de deugd en de ondeugd. God loont of straft reeds dikwijls in dit leven met vrede of kwelling des gewetens, met voor- of tegenspoed; hiernamaals mei den hemel of met de hel.
SUTl\'RKDK.
Parabel van den rijken vrek en den armen Lazarus. Besluit: Wijk van het kwaad «/ cn doe het goed.
__ 149 —
VEERTIENDE ONDERRICHTING
OVER DE HEILIGHEID EN RECHTVAARDIGHEID GODS
lieddet unicuique secundum opera ejus.
God zal eenieder geven volgens zijne, werken. (Hom. 11, 11.)
VOOIUIKUK.
God, B. B., is almachtig, omdat Hij met zijn goddelijkou wil alle dingen kan maken en ook te niot doen. God heeft zijne almacht getoond in \'t werk der schepping, in \'t bestuur van hemel en aarde en bijzonder in de wonderen, die Hij verricht. God is alwijs: overal en ten allen tijde zal Hij zijn doel bereiken, en om zijn doel te bereiken bezigt Hij de beste middelen.
Aangezien de almacht Gods, wachten wij ons wel van de hoovaardighekl: integendeel, verootmoedigen wij ons voor den almachtigen God, want God wederstaal de hoovaardigen, zegt de H. Petrus: Deus superbis rests tit, maar de ootmoedigen geelt Hij zijne genade: humüibus autern dat gralinm: bijgevolg, zoo besluit dezelfde Apostel, verootmoedigt u onder de machtige hand Gods: humüiamini igitur sub potenti manu Dei, opdat Hij u ten tijde der bezoeking, d. i., 0]i den dag des oordeels, verheffo: ut vos exaltet in tempore visitaiionis. (i)
Aangezien tic oneindige wijsheid Gods, wachten wij ons wel van de werken van God te beknibbelen of af te keuren, integendeel, stellen wij ons vertrouwen op God en onderwerpen wij ons in alles, overal en ten allen tijde aan zijn goddelijken wil, want al wat God doet is wel gedaan: Bene omnia jee.it. (2)
(i) i Pbtr, v, 5. (ti) Marc. vii, 37.
— 150 —
Vandaag, B. B., gaan wij over twee der voornaamste eigenschappen van God spreken; over zijne heiligheid- en rechtvaardigheid. Voorwaar, B. B., zoo men die twee eigenschappen beter kende en overwoog men zoude meer ontzag voor God hebben, en onze vrees van Hem te vergrammen zoude grooter zijn. Te dien einde zien wij:
I. De heiligheid;
II. De rechtvaardigheid Gods.
I.
God, B. B., is heilig. Docli wat moei ei- dooi\' de heiligheid Gods verslaan worden\'!\' Daardoor muet verstaan worden dal God het goed bovenal beminl; en het kwaad bovenal verfoeit.
God, gelijk wij vroeger reeds gezien hebben, is het allervol-maakste wezen; zijn wil is dus ook allervoimaakst; bijgevolg bemint en verlangt God hel goed, en Hij bemint en verlangt het met eene oneindige lielde. Van den anderen kant haat en verfoeit God het kwaad, en Hij baal en verfoeit hel mei een oneindigen haat. Ziedaar waarom God heilig en oneindig heilig is.
Over de heiligheid Gods drukt zich de 11, Schrift op de volgende wijze uit: Niemanil is heilig gelijk de lieer: Nemo est sanctus ut est Dominus. (1) De Profeet Isaïas hoorde iu den hemel voor den troon van God de Seraphienen beurtelings en zonder einde dezen lofzang zingen: Sanctus, Sanctus, Sanctus, Dominus Deus exercituum: Heilig, Heilig, Heilig de God der legerscharen, de aarde is vol van zijne glorie! plena est terra gloria ejus! (2j En onze Moederde H. Kerk in haren lofzang: Gloria in excetsis zegt: Tu solus Sanctus! Gij alleen zijl Heilig! De heiligheid Gods bestaat dus in de liefde tot het goed en in den haat tegen het kwaad.
(i) Reo. ii, 2. (2) Is. vi, 3.
Doch wfit moet hier ilooi\' liet goed, wat door het kwaad verstaan worden? Builen God zelf en zijne oneindige volmaaktheden moei door het goed verstaan worden hel zedelijk goed, d. i., de deugden en goede werken; door het kwaad, het zedelijk kwaad, d. L, de ondeugden en zonden. Kraehtens zijne oneindige heiligheid moet God het goed beminnen, wijl Hij er eenige gelijkheid in vindl mei zijne oneindige volmaaktheden, en Hij moet het kwaad ook liaten, omdat Hij er de tegenstrijdigheid in vindt met zijne oneindige volmaaktheden. Vandaar dat nooit iets besmeurds het rijk der hemelen zal binnengaan en dat God de kleinste zonde niet kan goedkeuren. Heer! zoo spreekt de koninklijke Profeet; (\'dj bemint de gerechtigheid: dileacisli jusliliarn, en Gij liaat de goddeloosheid, et odisti iniquilulem. (l)
Ongelukkig, li. li., men denkt dikwijls te weinig aan die waarheid, ja, wat meer is, men vergeel ze soms geheel en al. Wat zegt de zondaar, en dikwijls i)|j het oogenblik dat hij de al\'sehuwelijksle zonden bedrijft? Ka! dal is zoo erg niet; wat beteekenl dal? (tod ziet zoo nauw niet; God zal die kleinigheden niel aanrekenen, enz. Ziedaar wal men soms denkt en dnrlt zeggen. (1, die ongelukkigen denken dan niet aan de heiligheid Gods; dal God zoude ophouden heilig te zijn, zoo Hij geene rekening hield van hun slecht gedrag, la, B. H., God zoude, bijv., ophouden oneindig zuiver te zijn, zoo Hij geen acht sloeg op de vrijwillige gedachten, hegeerten ol andere zonden tegen de schoone deugd van zuiverheid. God zoude ophouden oneindig rechtvaardig Ie zijn, zoo hij geen acht sloeg op de zonden van onrechl vaardigheid.
Wat moeten wij nu hesluiten uit hetgeen wij over de heiligheid Gods gezegd hebben? Wij moeten er uit hesluiten dat wij liet goed bovenal moeten beminnen en oefenen, en het kwaad bovenal moeten halen en vluchten, in andere woorden, dat wij zeiven ook heilig moeten zijn. Ja, dat is de wil van God: llaec est
(i) Ps. XLIV, 8.
— 152 —
voluntas Dei sanctiflcalio vestra. (l) Weest heilig, zegt God, wijl Ik ook heilig ben; Sancii estate quoniam ego sanctus sum. (2) Dien wil heelt (tOcI ons niIdrukkclijk te kennen geg(!ven. Heelt God zijne wet niet in het hart van den mensch gegrift? Ziedaar de wet der nakmr. Heeft God zijne wet niet in twee steenen tafelen geschreven? Ziedaar de lien geboden Gods. Dezelfde wet heeft God ons verkondigd door zijn eenigen Zoon en verkondigt Hij ons nog dooi\' zijne H. Kerk. Naar die wet mi moeten wij leven om heilig te wezen.
De heiligheid Gods, waarvan wij gesproken hebben, schijnt vooral uit in zijne rechtvaardigheid, waarover wij nn nog eenige woorden gaan zeggen. B. H., ik spreek n over do rechtvaardigheid Gods niet om u schrik aan te jagen, maar om n de waarheid te zeggen.
II.
De Catechisnins vraagt:
II al is te zeggen dal God rechtveerduj is? Kn hij antwoordt;
Dal Hij voor alle kwaad de verdiende straf, en voor (die goed den verdienden loon geeft.
(rod dns loont het goed en straft het kwaad naar verdiensten en zonder aanzien van persoon.
Die zich zeiven geelt wat .hein toekomt is rechtvaardig jegens zich zeiven; en die een ander geeft wat hem toekomt is rechtvaardig jegens een ander. Welnu, God is het een en het ander. Hij is rechtvaardig jegens zich zeiven, en daarom wil Hij dat alle redelijke schepselen Hem erkennen, aanroepen en dienen. God is rechtvaardig jegens ons; Hij geeft, ons»volgens onze verdiensten, wijl Hij het goed loont en het kwaad straft. God, zoo spreekt de Apostel l\'aulus, zal eenieder geven volgens zijne werken: Reddel unicuique secundum opera ejus. (3)
(1) Th. iv, 3, (2) Lev. xi, 44. s) Rom.ii, ö.
— 153 —
Doch merken wij nog op dat God volstrekt niet verplicht is ons te loonen; bijaldien (lod daartoe verplicht was, zoude Hij onze schuldenaar zijn; doch wij, mei alwat wij zijn en bezitten, wij zijn \'t eigendom vau God; bijgevolg kan God onze schuldenaar niet zijn en is Hij strikt genomen niet verplicht ons te loonen. Doch wijl God zoo goed is geweest ons, zoo wij Hem getrouw dienen, eene belooning te beloven; daarom zal Hij ons, aangezien zijne beloften en zijne getrouwheid eraan, voor het goed naar verdiensten loonen, evenals Hij ons voor het kwaad naar verdiensten zal straffen. Ik zeg naar verdiensten, d. i.. God loont het goed nooit minder, maar wel meer dan het verdient beloond te worden; en God straft het kwaad nooit meer, maar wel minder dan liet verdient gestraft le worden. Al overtreft dus do belooning, in zich beschouwd, de verdiensten der goede werken, zij zal toch altoos min of meer groot wezen in evenredigheid der goede werken; en al staat de straf, in zich beschouwd, ook beneden de afschuwelijkheid en het getal der zonden, zij zal toch ook min of meer groot wezen in evenredigheid der zonden. Op deze wijze, B. H., schijnt Gods milddadigheid nog uit in \'I loonen van het goed en zijne barmhartigheid in \'I strallen van het kwaad. God loont het goed zelfs het geringste, en Hij straft het kwaad ook het geringste. Een glas koud water aan een dorstige gegeven is voorwaar niet veel; nochtans, God verklaart uitdrukkelijk dat het zijn loon niet zal missen: Amen dico volris non perdel mercedem sunm. (i) Men ijdel woord is voorzeker geene groote zonde; nochtans. God verklaart ook uitdrukkelijk dal de mensch in den laatsten dag des oordeels er rekenschap van zal moeten afleggen; Dico autem nabis.... reddent rationem de co in die judicii. (2)
Bijaldien God reeds bet geringste good loont, zooals oen glas koud water; hoe groot zal dan de bolooning niet wezen voor zoo vele liefdewerken, voor \'t beoofonen der heldhaftigste deugden.
(i) Matth. x, 42. (2) Matth. xii, 30.
— 154 —
voor de overwinningen op de vijanden der zaligheid behaald, voor zoo vele heilige begeerten en pogingen, voor het vasten en aalmoezen geven, voor de gebeden, sacrificiën en andere goede werken\'{
En bijaldien God een ijdel woord reeds straft en streng straft; hoe groot zal dan de straf niet wezen voor de afschuwelijkste zonden, bedreven door gedachten en begeerten, door woorden en werken; door die schandelijke gedachten, waarmede men zich vrijwillig bezig houdt; door die slechte begeerten, waarin men zijn vermaak schept; door de vloeken en godslasteringen; door het kwaad spreken van den evenmensch; door die vuile taal tegen de engelachtige deugd van zuiverheid; door de onmatigheid in spijs eu drank; door de onrechtvaardigheden en lieiligschen-derijen, in een woord, boe groot zal de straf niet wezen voor zoo vele en schandelijke zonden? God heefl daarenboven alles aangeleekend: bijgevolg weel Hij naar behooren Ie loonen eu Ie straffen. Hij is altijd en overal bij ons. Hij weel dus alles. Hij heelt, alles gezien eu gehoord, zelfs de gepeinzen van ons hart. Hij kentjuisl hel goed en hel kwaad. Hierop aarde ontsnapl veel goed en kwaad aan de menschelijke gerechtigheid; aan de goddelijke gerechtigheid z;d niets ontsnappen. God kan naar behooren loonen en straffen, wijl Hij almachlig is. God wil naar behooren loonen en straffen, omdat Hij oneindig heilig is. God loont en straft zonder aanzien van persoon. God ziet niet of iemand koning of onderdaan, rijk of arm, geleerd of ongeleerd, van aanzien of zonder aanzien is: Hij ziel alleen naar de verdiensten, of iemand goed of slecht, rechtvaardig of onrechtvaardig is. Alle onrecht-vaardigheden op aarde gepleegd zullen door God hersteld worden; ja, in den laai sten dag des oordeels vooral zal er recht gedaan worden; dan zal God zelfs de gerechtigheden komen oordeelen: Ego justitias judicabo De Catechismus vraagt:
Loont God alle goed en straft hij alle kwaad in dit leven? En hij antwoordt:
Neen, hij stelt dit dikwijls uit tot in het ander leven.
— 155 —
God nochtans loont en straft reeds in dit leven: Hij loont den deugdzame met den vrede des gewetens. J\'aa\' mulla düigenlibus legem luarn, Do mine! (l) zegt de koninklijke Proleet: die uwe wet liei\'hehben, () Heer! zullen veel vrede genielen. Hij straft daarenlegen den zondaar door de knaging des gewetens: Non est pax impiis! (2) de goddelooze heeft geen vrede: iiij is gelijk aan eene bruischende zee die niet kan hedaren: Impii quasi uiare fervens quad quiescere non potest. De slaap is van mijne oogen geweken, recessit sommis ah oculis meis, en ik hen ganseli ter neèrgeslagen wegens den kommer, die zicli van mij heefi meester gemaakt, et concidi et corrui corde pree snllicUudme: (3) \'t zijn de woorden van den goddeloozen Antioehus.
Ook loonl (lod den deugdzamen menseh reeds dikwijls in dit leven mei voorspoed in zijne tijdelijke Zaken, daar Hij integendeel den zondaar straft met tegenspoed. Mn loonl of slrafl God het goed of kwaad niet altijd hier op aarde; eenmaal toch zal Hij het naai\' verdiensten loonen en straiten: Hij zal het goed naar verdiensten voor eeuwig loonen in den hemel, en Hij zal het kwaad naar verdiensten voor eenwig straften in de hel, en deze waarheid, B. li., is niet minder dan de voorgaande waarheden troostrijk voor den brave en verschrikkelijk voor den zondaar.
Sluiten wij deze onderrichting mei de parabel van den rijken vrek en den armen Lazarus door den Kvangelist Lucas verhaald.
SL.U1TREDK.
Zekeren dag, zoo verhaalt de Evangelist Lucas, sprak Jesus tot de Phariseën:
Er was eens een rijk man, die in purper en het fijnste lijnwaad gekleed ging en dagelijks prachtige maaltijden hield. Ook was er een bedelaar, met name Lazarus, die voor de deur des rijken lag en overdekt was met zweren. Hij snakte naar de broodkruimels,
(1) Ps. cxviii, 165. (*2) Is. xiaiii, 22. (;{) Mach. vi, 10.
— 156 —
die van des rijken tafel vielen, om daarmede zijnen honger te mogen stillen; maar niemand gaf ze hem. Inmiddels kwamen de honden en lekten zijne zweren, éindelijk echter stierf de arme man en werd van de Engelen in Abrahams schoot gedragen. Ook de rijke stierf en werd begraven in de hel. Toen hij in die pijnen liggende de oogeu opsloeg, zag hij Abraham in de verte en Lazarus in diens schoot. Nu riep hij: Vader Abraham! ontferm u mijner en zend Lazarus om den top zijns vingers in water te steken en mijne tong te verkoelen. Abraham antwoordde; Gedenk mijn zoon, dat gij in uw leven het goede genoten hebt, terwijl Lazarus daarentegen niets dan kwaads ontving: nu echter wordt hij getroost en gij gepijnigd. Bovendien gaapt er tusschen ons en u een zeer diepe klove, zoodat niemand,\' al wilde hij ook, van ons tot u, noch van u lot ons over kan komen. Dan bid ik u, sprak de rijke, dat gij hein naar hel huis mijns vaders zendt; ik heb daar nog vijf broeders, laat hem aan deze getuigenis van mijne ellende geven, ten einde zij niet mede in de folteringsplaats komen. Abraham antwoordde: Zij hebben Moses en de Profeten, dat zij deze hooren. De rijke zeide; Ach, neen Vader Abraham! maar komt er iemand uit het doodenrijk tot hen, dan zullen\' zij boetvaardigheid doen. Abraham zeide: Indien zij noch naar .Moses, noch naar de Profeten luisteren, zullen zij ook niet gelooven, al stond er zelfs iemand uit de dooden weder op.
Ziedaar, 15. H., u een denkbeeld alhoewel onvolledig gegeven, van de heiligheid en rechtvaardigheid (lods. (toil is heilig, en daarom bemint Hij het goed en haat liij het kwaad hoven alles. God is rechtvaardig, en daarom loont Hij het goed en straft Hij het kwaad zonder aanzien van persoon naar verdiensten, zoo niet in dit, dan toch zeker in het andere leven. Besluiten wij daaruit het goed te doen en er in te volharden tot het einde toe; het kwaad te vluchten gansch ons leven, en ongetwijfeld, eenmaal zullen Wij zalig worden. Amen.
VIJFTIENDE ONDERRICHTING
OVER DE GOEDHEID EN BARMHARTIGHEID GODS
MiseriWb\'dia homini plena est terra. Do aarde is vol van (Jods barmhartigheid.
(Fe. xxxii, Ei.)
iNiiori).
VOORREDE.
God is oneindig hoilig; Jlij bominl hol good bovon ados en iiij haai het kwaad boven alles. God is oneindig rechivaardig; Iiij loont «ni straft naar verdiensten zonder aanzien van persoon; Hij weet, kan en wil loonen en straffen. Alhoewel de reehtvaar-digheid Gods verschrikkelijk is moeten wij loch vertrouwen op God stellen;
VERDEEMXG.
1. Omdal God goed is;
11. Omdal God barmhartig is.
— 158 —
I.
God is oneindig goed in zich zeiven en oneindig goed tot ons. (Jod toont gedurig zijne goedheid tot ons. God is welwillend en weldadig. Welwillend: de Aartsvader Jacob, de koning David. Gods liefde is grooter dan de moederliefde.
Weldadig. Weldaden in de orde der natuur, in de orde der genade. Gods goedheid jegens ons is onbaatzuchtig. Wij moeten God dankbaarheid en liefde bewijzen en Hem nooit vergrammen.
II.
God is oneindig barmhartig; Hij loont zijne barmhartigheid jegens den zondaar:
Iquot; Dooi\' hem te voorkomen mei zijne genade;
2quot; Door hem met geduld af te wachten;
3° Door hem met liefde Ie ontvangen;
4quot; Dooi\' hem de zonden ie vergeven.
SLUITREDE.
Parabel van den verloren zoon.
VIJFTIENDE ONDERRICHTING
OVER DE GOEDHEID EN BARMHARTIGHEID GODS
Misericordia Domini plena csf terra.
% Do aarde is vol van Ciods barmhartigheid.
(Ps. XXXU, ü.)
God, B. B., is oneindig heilig; Hij beminl dns het goed boven alles, d. i., de deugd en de goede werken, en Hij haat liet kwaad boven alles, d. i., de ondeugd en de zonden. God wil ook dat wij heilig zijn; bijgevolg moeten wij het goed beminnen en oefenen en hel kwaad verfoeien en vluehten.
God is oneindig rediivaardig; Hij loont het goed en strafl hel kwaad naar verdiensten en zonder aanzien van persoon. God loont den brave en strafl den zondaar reeds dikwijls hier op aarde, maar niet volkomen; doch hiernamaals zal Hij den brave volkomen en voor eeuwig loonen in den hemel, den zondaar zal Hij volkomen en voor eeuwig straffen in de hel.
God weel naar verdiensten te loonen en te si rallen, want Hij kent alles; Hij kan het, want Hij is almachtig; Hij wil het, want Hij is oneindig heilig.
De rechtvaardigheid Gods, B. I!., is eene verschrikkelijke waarheid; zij maakt zelfs den rechtvaardige hang, en de zondaar zoude niet sidderen en bevend En niet zonder reden, liens immers zal hij rekenschap moeien alleggen voor Hem, die gezegd heeft: Ego juslüias jiulicabo: Ik zal de gerechtigheden oordeelen. Wij hebben dus reilen van voor de recht vaardigheid Gods bang te zijn, doch onze vrees moei toch redelijk wezen. Allen, wie wij
— 160 —
ook zijn, zelfs de zondaren mogen nog vertrouwen op God stellen. Waarom? Omdat God oneindig goed en harmhiirtig is. Om dus de te groote vrees, die Avij wellicht l)ij de overweging van Gods rechtvaardigheid opgevat hebben, (e matigen, laten wij vandaag ons onderhouden;
I. Over de goedheid Gods;
11. Over zijne barmhartigheid.
I.
God, B. B., is oneindig goed. De Catechismus vraagt;
Hoc is God oneindig goed? fin hij antwoordt:
God is oneindig goed in zich zelven, en oneindig goed lol ons.
Wat is te zeggen dat God oneindig goed is in zich zelven?
Dal God alle goed zonder einde in zich besluit.
Wat is te zeggen dat God oneindig goed is lot ons?
Dat hij oneindig genegen is om ons goed te doen volgens onze bekwaamheid.
\'I Is over de goedheid Gods lol ons, over zijne goede genegenheid om ons goed te doen, dat wij willen handelen.
Toont God gedurig zijne goedheid tot ons?
Ja-, loant (ds een goede vader zorgt hij niet alleen voor helgene wij noodig hebben, naar ziel en lichaam, maar hij geeft ons nog reel tot ons gemak en vermaak.
God, B. )gt;., is vooreerst genegen om ons goed te doen; Hij is welwillend, Hij verlangl niels zoozeer dan ons gelukkig Ie maken. Vandaai\' dat Hij ons bemint. God is de liefde, zegt- do Apostel Joannes: Deus charitas est; (l) en de liefde waarmede Hij ons bemint is eene eeuwige liefde. Daarom overtreft de liefde Gods vei\' de vader- of moederliefde. Turn pater nemo, zegt Tertulianus,
(1) I JOAN IV. 16.
— 161 —
van God sprekende: Er is geen vader gelijk God; doch een goede vader bemint zijne kinderen teeder. Herinnert u de liefde van een Aartsvader Jacob jegens zijn zoon Joseph; de liefde van een koning David jegens zijn zoon Absalom. Absalom nochtans was een ondankbare zoon; hij was tegen zijn vader opgestaan, en toch, David weende over den dood van dien ondankbaren en weder-spamiigen zoon. Nauwelijks had David vernomen dat Absalom vermoord was, of hij sloot zich in zijne kamer op, hij wandelde op en neder onder het storten van bittere tranen, terwijl hij uitriep: Mijn zoon Absalom, Absalom mijn zoon! Fili mi Absalom, Absalom fili mi! wie vergunt mij voor u te mogen sterven? Quis mild iribuat ul ego moriar pro te? Igt;e liefde van de moeder overtreft doorgaans die van den vader. Ziehier hoe de l\'rofeel Isaïas zich over de moederliefde uildrnkl: Numquid protesl oblivisci muiier infanlcm suum: Kan eene moederbaar kind vergeten, zegt hij, en den zoon, dien zij in haren schoot gedragen heelt, niet indachtig zijn i ut non niisereatur filio ulcri sui? \'t Antwoord op (li(« vraag moet natuurlijk luiden, als volgt; Neen, dal is onmogelijk. Welnu, bijaldien nochtans eene moeder haar kind vergal: Elsi illa oblita fuerit: Ik zal u niel vergeten, zegt de lieer: Ego tarnen non oblimscar tui. (li Hoe nu, na dergelijke bewijzen, Gods goed- en welwillendheid nog in twijfel trekken t
Doch God is niel alleen goed en welwillend. Hij is ook weldadig, d. w. v.., Hij doet ons inderdaad goed. Kunt gij de weldaden opsommen, die Hij ons gedaan heeft, en in de orde der natuur, én in de orde der genade?
God heeft voor ons hemel en aarde geschapen, den hemel met al zijne pracht en zijnen luister, met zon, maan en sterren; de aarde met hare bloemen en vruchlen die ons verrukken en voeden. God heeft ons geschapen en bewaard, in een woord, al wat wij zijn en bezitten zijn weldaden van God. Doch al de weldaden, die wij
(1) ii Rl3G. xt,ix, 15.
Geloofs en Zedenlekiï. 11.
— 162 —
van God bekomen hebben in de orde der nutuur, heteekenen weinig ol\' niets vergeleken met de weldaden in de orde der genade. God heeft ons uit loutere liefde zijn eenigen Zoon geschonken: Sic Deus dileocil mundurn ul Füiuni suun unigcnilum darct: (i) en dio eenige Zoon heeft voor ons zijn leven ton beste gegeven; Hij is voor ons gestorven, en gij weet in welke pijnen en smarten, om ons liet leven, niel het natuurlijk, maar liet bovennatuurlijk leven, het leven der genade te bezorgen. Onmiddellijk na de geboorte, toen wij nog kinderen van Gods gramschap waren, heeft Hij ons in de wateren des H. Doopsels geheiligd, aangenomen kinderen Gods van ons gemaakt. God, die zich voor ons gegeven en ons tot zijne kinderen aangenomen heeft, sielt zieli daarmede niet te vreden; Hij geeft zich ook nog aan ons. Hoe dikwijls valt ons het geluk niet te beurt van den goeden God te ontvangen in zijn aanbiddelijk Sacrament? Ja, in de H. Communie geeft .lesus-Christus zich aan ons met godheid en menschheid, met ziel en lichaam, met vlcesch en bloed; zijn goddelijk vleesch wordt de spijs, zijn .goddelijk bloed wordt de drank onzer zielen, en opdat er volstrekt niets aan ons geluk zoude ontbreken heeft God nog beloofd ons voor eeuwig gelukkig te maken in den hemel, zoo wij Hem hier op aarde getrouw dienen: Graliam et gloriam dabit Dominus. (2) Doch welk belang vindt God in zoo goed, d. i., zoo welwillend en weldadig jegens ons te zijn? Volstrekt geen belang. God immers is in eeuwigheid oneindig gelukkig in zich zeiven, wij kunnen God niet gelukkiger maken. Gods goedheid jegens ons is dus de zuiverste, de onbaatzuchtigste goedheid.
De Catechismus vraagl:
Wat volgt daaruit dat God gedurig voor ons zorgt? En hij antwoordt:
Dat wij aan God veel dankbaarheid en liefde moeten bewijzen, en hem nooit mogen vergrammen.
(1) JOAN, III, 10, (2) PS, LXXX1II, 12.
— 163 —
Wij moeien dus God vooreerst, dankliiiar zijn, en die dankbaarheid moeien wij God loonen door Hem te beminnen. Ijiten wij dus God beminnen, zegt do H. Joannes, want Hij beeft ons eerst bemind: Nos ergo diligamus Dcum quonicwn Deus prior delcxit nos. (1) i\'lu bij voegt er bij: Mijne dierbaarsten! bijaldien God ons zoo feeder bemind beeft, moeten wij elkander ook beminnen: Si sic Deus dit exit nos, cl nos debemus aUcridrum diligere: En lioe moeten wij elkander beminnen? Dezelfde Apostel leert bet ons: Non ditigamus ncque rerbo ncquc Lingua, zegt bij: wij moeten niet beminnen, enkel met den mond en met woorden, maar met werken en in waarheid: Sed in opere et veritate\\ en om God onze liefde ie boloonen moeten wij ons wel wachten Hem ooit te vergrammen. Helaas! alle menseben beminnen God niet gelijk bet behoort: men treft ongelukkigen aan, die Hem vergrammen en zelfs grootelijks vergrammen. Welnu, die ongelukkige zondaren hebben bijzonder Gods barmhartigheid noodig, waarover wij nog een woordje zullen zeggen.
II.
De Catechismus vraagt:
Wat is ie zeggen dat God oneindig hcrmherlig is? En hij antwopfdt:
Dat \' hij oneindig genegen is om zijne schepselen in allen, nood bij te staan.
Uocb er is vooral een schepsel, jegens hetwelk God barmhartig is, en dal schepsel is do arme zondaar.
God toont zijne barmhartigheid jegens den zondaar door hem te voorkomen met zijne genade, door hem met geduld af te wachten, door hem met liefde te ontvangen, en eindelijk, door hem zoo bij zich oprecht bekeert zijne zonden te vergeven.
(1) I JoANi IV, 19.
— 1G1 —
God voorkomt den zondaar met zijne genade. De arme zondaar, B. B., is gelijk aan een zieke, die in al zijne ledematen zoo verlamd is, dat hij zich niel eens kan bewegen: \'t is dien zieke onmogelijk op (e staan; men moet hem helpen en de hand reiken. Zoo is het ook gesteld met den zondaar. Zonder de hulp Gods, zonder zijne barmiiartige hand, d. i., zonder zijne genade is het den zondaar onmogelijk uit den staat zijner zonden op te staan en ging hij voor eeuwig verloren. i)ie genade Gods, B. B., is de medelijdende blik, dien Jesus eertijds o|gt; Petrus wieip, en waaraan de zondaar, naai\' hei voorbeeld van l\'étrus, moet beantwoorden.
God waeht den zondaar met geduld af: dagen, weken, maanden, soms jaren lang. De steden Ninive en Jerusalem leveren er ons het doorslaandste bewijs van. De inwoners van Ninive bekeerden zich tot God en God vergaf hun; de inwoners van Jerusalem bekeerden zich niet tol God en God strafte hen. Kn welk geduld had God niel met den verrader Judas? Geruimen lijd had Jesus Judas verdragen; in \'t laalste avondmaal wierp Hij zich voor hem op de knieën en wieseh hem de voeten; in den Olijl\'hof ging Jesus Judas te gemoet en vroeg hem waartoe hij gekomen was. Jesus liet Judas zien dat Hij zijne slechte inzichten kende, en om hem tot inkeer te doen komen wierp Hij de soldaten ter aarde en genas door een wonder den gewonden Malchus. Doch waarom die voorbeelden aangehaald? ^\'ij zeiven, zijn wij geen doorslaand bewijs van Gods barmliarligheid en gedulde Waar zouden wij ons thans bevinden, bijaldien God ons onmiddellijk na de eerste doodzonde gestraft had? Wij mogen dus wel ui (roepen: Miseri-cordicc Domini quia non sumiis consumpti! (i) Ja, wij zijn aan de barmhartigheid des Heeren verschuldigd van reeds niet overlang\' verloren Ie zijn gegaan.
God ontvangt den zondaar met liefde. Die tot mij komt, zegt God, zal ik niet verslooten: Qui venit ad me non ejiciam for as. ii) God gaat zelfs den zondaar opzoeken. Hij is de Goede
(j) Tim. in, 23. (2) Joan, vi, 37.
Herder, die zich voor eenigen tijd van zijne negen en negentig schapen scheidt, om hol- verloren schaap op to zooken, on na het gevonden l-o hebben berispt of straft Hij hot niet, maar Hij troost het, legt het op zijne schouders en draagt het naar don schaapstal terug.
Eindelijk, God vergeeft den rouwmocdigon zondaar. Hij hoeft de zonden vergeven aan Maiia-Magdalena on don Apostel Petrus; aan den Publicaan, die zich rouwmoedig op do borst sloeg on aan don goeden moordenaar, die Josus bad van hem indachtig Ic zijn. Nolo mortem impii, zegt God: Ik wil don dood van don zondaar niet, maar dat hij zich bokoere en leve, sed ut convertatur et vivat, (i)
Bijgevolg, wij mogen nooit aan onze zaligheid wanhopen, hoe talrijk en hoe groot ook do zonden zouden zijn die wij bedreven hebben.
Luistert hoe God zich nog op eeno andore plaats in do II. .Schrift uitdrukt. Al waren uwe zonden ook als schaarlaken: Si fuerint peccata tna sicut coccinum, zij zullen wit worden als sneeuw: (/nasi nix deatbabuntur, en al waren zij ook rood als vermeil, zij zullen wit worden als linnen; velut lana alba erunt. (2)
Veronderstelt zelfs oen ongelukkige, die van zijne eerste biecht, van zijne eerste Communie te beginnen, buiten zijne andore zonden, niets dan hoiligschendorijen zoude bedreven hebben; bijaldien hij zich oprecht tot God bekeert. God zal zijne zonden, zijne iioilig-schonderijen nomen, ze achter zijnen rug, ja, zelfs in den afgrond der zee werpen: Projiciet in profundum maris omnia peccata nostra. (3) En om u nog beter van de goedheid en barmhartigheid Gods te overtuigen, luistert naar de volgende Parabel.
SLUITREDE.
Zeker huisvader had twee zonen. De jongste kwam bij hom en zeide: Vader, geef mij mijn kindsdeel! De vader deelde dan zijn
(i) Exod. xxxiii, 11. (2) Is, i, 18. (3) Mich, vii, 19.
— lOf) —
goed onder zijne twee kinderen. Eenige dagen daarna pakte de jongste zoon alles in en vertrok naar een vreemd, ver afgelegen land, waar hij geheel zijn vermogen verkwistte door oen weelderig en wellustig leven. Toen hij alles verteerd had, ontstond er in dat land een zware hongersnood en begon hij mede gebrek te lijden. Daarom begaf hij zich bij zekeren inwoner des lands en (rad in zijnen dienst. Deze zond hem naar het veld om de varkens te hoeden. Gaarne wensehte die zoon zich met den draf te verzadigen, welke de varkens aten; doch niemand gaf er hem van. Au kwam hij tot inkeer en sprak: Hoe vele daglooners hebben in het huis mijns vaders overvloed aan brood, en ik verga van honger! Ik zal opstaan, tot mijnen vader gaan en hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen den hemel en legen u; ik ben niet waardig langer uw zoon genoemd te worden; neem mij als een uwer daglooners aan. Hij slond dan op en kwam tot zijnen vader. Deze. zag hem reeds van verre aankomen, werd door medelijden getroffen, snelde hem te gemoet, viel hem om den hals en kuste hem. De zoon sprak; Vader! ik hel) gezondigd tegen den hemel en legen u; ik ben niet waardig uw zoon genoemd te worden. Doch de vader zeide lot zijne knechten: Haalt mij terstond het fraaisle kleed en trekt het hem aan; geeft hem een ring aan de. hand en schoenen aan de voeten; haalt het gemeste kalf en slacht het, en laat ons eten en feestvieren: want deze, mijn zoon, was dood, en is wederom levend geworden; hij was verloren, en is leruggevonden. Daarop begon het feestmaal. De oudste zoon, intusschen van den akker te huis gekomen, en vernomen hebbende wat er plaats greep, was ontevreden; hij wilde niet binnengaan; hij durfde zelfs zijnen vader eenige opmerkingen maken; doch die goede vader antwoordde: Mijn zoon! zeide hij: gij zijl. altijd bij mij, en al het mijne is het uwe. Nu echter moet gij mede het vreugdemaal genieten en vroolijk zijn: want ziet, deze mijn zoon was dood, en hij is weder levend geworden, quia hie fllius metis morluus er al et revixil: hij was verloren, en is wedergevonden, perierat el inventus est.
— 167 —
Ziedaar, B. B., de parabel vau deu verloren zoon, zijne misslagen en zijne bekeering. Men erkent er den armen zondaar in. De vader, die zoolang de terugkomst van zijnen zoon afwacht, die hem vergeeft en opnieuw aanneemt, men erkent er den hemelschen Vader, den goeden God in. Zoo wij nu den verloren zoon nagevolgd hebben in zijne misslagen, volgen wij hem dan ook na in zijne terugkomst, in zijne bekeering: de goede God zul ons ook ojitvangen. Hij zal ons ook onze zonden vergeven en ons opnieuw tot zijne kinderen aannemen. Amen.
ZESTIENDE ONDERRICHTING
OVER DE WAARACHTIGHEID EN GETROUWHEID GODS
Ccelum et terra transihunt, verin aulem inca, non prceterihunt.
Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar mijne woorden zullen niet voorbijgaan.
(MATTH. XXIV, 35.)
INHOUD.
VOORREDE.
God is oneindig goed in zich zeiven en oneindig goed tot ons; zijne goedheid is onbaatzuchtig. God is oneindig barmhartig en die barmhartigheid toont Hij vooral jegens den zondaar.
VERDEELING.
I. God is waarachtig; II. God is getrouw.
4
— 169 —
I.
God is oneindig waarachtig, kan niet liegen, noch bedriegen, noch bedrogen worden. De menschen liegen, bedriegen zich zeiven en anderen dikwijls.
God is niet gelijk de mensch. Woorden van de H. Schrift. Wij moeten vastelijk gelooven en zelf waarachtig zijn, \'t Is nooit geoorloofd te liegen. God is de vader der waarheid, de duivel de vader der leugen. Ananias en Saphira. De leugentaal is eene leelijke zonde.
II.
God is oneindig getrouw, Hij houdt zijne beloften en vervult zijne bedreigingen door te loonen en te straffen. God is niet gelijk de mensch. Geschiedenis van liet joodsche volk; de laatste dag des oordeels. God kan, wil en zal zijne beloften en bedreigingen volbrengen. Allen nemen de getrouwheid Gods in het beloonen aan; eenigen trekken de getrouwheid Gods in het straffen in twijfel. Wij moeten ons vertrouwen op God stellen en Hem getrouw dienen. Wij moeten God vreezen, maar met eene kinderlijke vrees. Wij zelf moeten getrouw zijn aan onze beloften.
SLUITREDE.
Geschiedenis van Joannes van Kent: van den II. Franciscus van Borgia. Wij moeten de eigendommen van God dikwijls overwegen, want zij leeren God beter kennen en zij bewegen ons tot liefde, vertrouwen en eerbiedigheid.
— no —
ZESTIENDE ONDERRICHTING
OVER DE WAARACHTIGHEID EN GETROUWHEID GODS
Ctelum et terra transibunt, veria autem mea non prieteribunt.
Hemel en aarde zullen .voorbijgaan, maar mijne woorden zullen niet voorbijgaan.
(MATTH. XXIV, 55.)
VOORREDE.
Laatsleden, B, B., hebben wij gesproken over de goedheid en barmhartigheid Gods. God is oneindig goed in zich zeiven en oneindig goed tot ons; oneindig goed in zich zeiven, d. w. z., dat God alle goed zonder einde in zich besluit: oneindig goed tot ons, d. w. z,, dat God oneindig genegen is om ons goed te doen volgens onze bekwaamheid.
God is oneindig welwillend en weldadig jegens ons: God wil ons goed doen en Hij doet ons goed, én in de orde der natuur, én in de orde der genade: Gods goedheid is gansch onbaatzuchtig.
God is oneindig barmhartig, oneindig genegen om zijne schepselen in den nood bij te staan; doch God is vooral den zondaar barmhartig door hem met zijne genade te voorkomen, met geduld af te wachten, met liefde te ontvangen en hem zijne zonden te vergeven.
Alvorens met de onderrichtingen over de volmaaktheden Gods te eindigen, zullen wij nog zien wat er verstaan moet worden:
1. Boor de waarachtigheid Gods;
11. Boor zijne getrouwheid.
— 171 —
I.
Wat moet er verstaan worden door de waarachtigheid Gods? Door de waarachtigheid Gods moet verstaan worden, dat Hij, wanneer Hij iets zegt, altoos waarheid spreekt, wijl Hij niet kan liegen, noch zich zeiven, noch anderen kan bedriegen.
De menschen, B. li., vertellen ons dikwijls zaken die niet waar zijn. Waarom\'? Ofwel, omdat zij weten dat het valsch is hetgeen zij zeggen, en alsdan spreken zij tegen hun gemoed, of zij liegen; vandaar de lengen; ofwel zij zeggen iets dat valsch is hetgeen zij meenen waar te zijn, en alsdan bedriegen zij zich; vandaar de dwaling. Doch God kan, noch het een, noch het ander; God kan niet liegen, noch zich, noch anderen bedriegen.
God kan niet liegen; want Hij bemint de waarheid boven alles, \'t Is onmogelijk dat God liegt, zegt de Apostel Paulus: Impossibüe est mcntiri Dcum. (i) God, zegt Moses, is niet gelijk de mensch dat Hij liegt; Non est Deus quasi homo, ut mentiatur. (2) Mn onze goddelijke Zaligmaker, van God zijn hemelschen vader sprekende, zegt: Sermo tuns Veritas est: (3) uw woord is de waarheid. Kn de Profeet David: De waarheid des Heeren blijft in eeuwigheid: Veritas Domini manet in cefermum. (4)
God kan zich niet bedriegen; Hij is de waarheid zelve en weet alles; dus is het onmogelijk zich te bedriegen. Wijl God dus noch liegen, noch zich bedriegen kan, daaruit volgt noodzakelijk dat Hij anderen ook niet kan bedriegen.
Wat moeten wij nu uit de waarachtigheid Gods besluiten? Daaruit moeten wij besluiten dat wij in God vastelijk moeten gelooven, d. i., zoo gelooven dat wij geenszins twijfelen. Wij moeten dus de waarheden, die God zich gewaardigd heeft ons te openbaren, aannemen: ook zijn wij zeker de waarheid te bezitten, al zoude ook hetgeen wij gelooven onbegrijpelijk zijn,
(1) IIaed. v, 18. [\'i) Num. xxiii, 19. (3) Joan, xvii, 17. (4) P.s. cxvi, 2.
zooals de geheimen van onzen heiligen godsdienst. Kn wij moeten ons volstrekt niet verontrusten, zoo de Ketters die waarheden bestrijden, de goddeloozen er mede spotten, wijl die ongelukkigen, volgens de uitdrukking van de II. Schrift, lasteren hetgeen zij niet kennen: Qimcumque quidem ignorant blasphemant. (i)
Wij moeten er uit besluiten zeiven waarachtig te zijn en niemand te bedriegen. Bijgevolg, vluchten wij leugen, bedrog, meineed, in een woord, alles wat tegen de waarheid is. \'t Is nooit geoorloofd te liegen, B. B., en al is de leugen doorgaans maar eene dagelijksclie zonde, juist wijl zij zonde is kan zij nooit of nimmer geoorloofd zijn. God is de Vader der waarheid; de duivel is de vader der leugen: paler mendacii: die dus de waarheid aankleven zijn kinderen Gods, doch die de leugen aankleven zijn kinderen van den duivel. Die de waarheid in zijn hart spreekt, zegt de Profeet David, en die geen bedrog in zijne woorden pleegt, zal iu de tenten des Heeren wonen, hij zal op den heiligen berg rusten; doch de bedrieglijke lippen zijn een walg voor den Heer; llij heeft een afschuw van den mensch die bedrog pleegt, en Hij zal den leugenaar verderven: J\'ordes otunes qui locjuunlur luendüciuin. Ananias en Saphira zijn met den dood gestraft, wijl zij tegen den Heiligen Geest gelogen hadden. Daarenboven, de leugen is ook eene leelijke zonden en wij moeten ze met de grootste zorg vluchten.
Zien wij nu nog waarin de getrouwheid van God bestaat.
II.
God, B. B., is oneindig getrouw, d. w. z.. Hij houdt zijne beloften en vervult steeds zijne bedreigingen; naar die beloften en bedreigingen zal Hij het goed voor eeuwig loonen en het kwaad voor eeuwig straffen. God is niet gelijk de mensch. De mensch doet soms de mooiste beloften; hij belooft weieens gouden bergen; hij doet de verschrikkelijkste bedreigingen; hij bedreigt
(1) JUD. 10.
— 173 —
met den dood; maar de mensch kan dikwijls, noch zijne beloften volbrengen, noch zijne bedreigingen uitvoeren; God daarentegen zal, én beloften, én bedreigingen gestand doen. De geschiedenis van het Joodsche volk geeft er ons het bewijs van. God beloofde het volk van Israël voorspoed en geluk tot belooning,van zijne getrouwheid; doch Hij bedreigde het met tegenspoed en rampen tot straf van zijne misdaden. Terwijl de Israëlieten de geboden van God trouw nakwamen, stortte God in tijd van vrede zijn mildsten zegen over hen uit: in tijd van oorlog schonk Hij hun de overwinning op hunne vijanden; doch ziet; nauwelijks hadden de Israëlieten hunnen Heer en God verlaten, of God op zijne beurt verliet de Israëlieten, een leger van ongelukken stortte op hen neder: oorlog, hongersnood, pest, enz. Zij namen de vlucht voor hunne vijanden, werden slag op slag overwonnen, om \'t leven gebracht of gevankelijk weggevoerd. Bijgevolg, zoo God iets gezegd heeft, zal Hij het niet volbrengen? vraagt Moses: en zoo Hij gesproken heeft, zal Hij zijn woord niet gestand doen? De Proleet Isaias antwoordt: Exsiccatmn est fjenum el ceeidil flos, zegt hij: het gras is verdord en de bloem is afgevallen; doch het woord des Heeren blijft in eeuwigheid, verbum (adem Domini manel in ccternum. (i)
God heeft den hemel beloofd aan zijne getrouwe dienaren; Hij heeft de zondaren bedreigd met de hel; eenmaal zal God zijne beloften en bedreigingen volbrengen. Ja, in den laatsten dag des oordeels zal Hij tot de rechtvaardigen aan zijne rechterzijde geplaatst zeggen; Komt gezagenden mijns Vaders, neemt bezit van het rijk, dat voor u bereid is van de grondlegging der wereld af: vervolgens zich naar de zondaren aan zijne linkerzijde geplaatst wendende zal Hij tot hen zeggen: Gaat weg van Mij vervloekten in \'t eeuwige vuur, dat bereid is voor den duivel en zijne engelen.
(l) Is. XL, 8.
God kan den hemel tot belooning geven, omdat Hij almachtig is; God wil hem geven, omdat Hij oneindig goed is; God zal hem geven, omdat Hij getrouw is aan zijne beloften.
Ook kan, wil en zal God de zondaren straiten met de hel: Caelum eL terra transibunt: hemel en aarde zullen voorbijgaan, zegt onze goddelijke Zaligmaker in het Evangelie, maar mijne woorden zullen niet voorbijgaan, verba aidem niea non prwteribunt: (i) zij zullen onfeilbaar bewaarheid worden.
Wat dn beloften aangaat, die God gedaan heeft van de rechtvaardigen voor eeuwig te beloonen in den hemel, die beloften neemt men volgaarne aan; maar wat de bedreigingen aangaat, die God nochtans ook gedaan heeft van de zondaren voor eeuwig te straffen in de hel, men vindt personen, die de bedreigingen Gods in twijfel trekken. Overdrijving! roepen zij. De priesters, wanneer zij op den predikstoel of in den biechtstoel van de eeuwige pijnen der hel spreken, hebben geen ander inzicht dan de geloovigen bang te maken; nooit of nimmer zal God, die oneindig goed is, zijne bedreigingen ten uitvoer brengen. B. 13., houden die ongelukkigen den zot niet met God? Maken zij geen misbruik van zijne goedheid? Dusdanig zijn hunne verlangens; doch hunne verlangens zijn zoovele beleedigingen den rechtvaardigen God aangedaan en zullen nooit verwezentlijkt worden. God die getrouw is in \'t volbrengen zijner beloften, zal ook getrouw zijn in \'t uitvoeren zijner bedreigingen. De dwazen, die zoo denken of spreken, gelijken aan de Inwoners van Sodoma en Gomorha. Zij ook lachten en spotteden met Loth, toen hij hun de straffen van God aankondigde. Doch wat gebeurde er? Het vuur des hemels viel op die onkuische steden neder en verteerde ze met hare inwoners.
Aangezien de getrouwheid van God aan zijne beloften, moeten wij ons vertrouwen op God stellen en Hem getrouw dienen; aangezien (fe getrouwheid van God aan zijne bedreigingen.
(i) Matth. xxiv, 3r
— 175 —
moeten wij God vreezen, doch onze vrees moot eene kinderlijke vrees zijn, d. w. z., wij moeten vreezen den goeden God te vergrammen; eindelijk moeten wij zeiven onze beloften getrouw blijven,
SLUITREDE.
Joannes van Kent, zoo verhaalt ons de geschiedenis, deed tot driemaal toe eene bedevaart naar Rome met den reiszak op den rug. Bij eene dier bedevaarten gebeurde het, dat hij op weg aangerand werd door roovers, die hem al wat zij vonden ontnamen. Na hem nauwkeurig onderzocht te hebben, \'vroegen zij hem of hij nog iets had, dat waard was meêgenomen te worden. Neen, antwoordde de heilige; nu heb ik niets meer, en de roovers lieten hem zijnen weg vervolgen. Na een weinig voortgewandeld te zijn. herinnerde zich Joannes dat hij nog eenige goudstukjes bezat, in zijnen mantel genaaid: terstond liep hij de roovers achterna, om hen te zeggen dat hij de waarheid niet gezegd had. en hij bood hun die weinige goudsiukjes aan. Verwonderd, men kan niet meer, over de gewetens nauwgezetheid van den heilige, wilden de roovers niet alleen die goudstukjes niet aannemen, doch zij gaven Joannes al wat zij hem ontnomen hadden, terug. Ziedaar hoe God de waarachtigheid van Joannes reeds in de wereld beloonde.
Ziehier ook een voorbeeld van vertrouwen op God.
Toen de II. Pranciscus van Borgia in Spanje overste was van een klooster, gebeurde het zekeren dag, dat zijne kloosterlingen niets te eten hadden. Vol vertrouwen op God, die de vogelen des hemels voedt, gaf hij nochtans het teeken voor het middagmaal: de kloosterlingen kwamen, baden en zetteden zich aan tafel; doch ongelukkig de tafel was ledig: zij zagen elkander met groote oogen aan. Eensklaps hoort men lievig aan de deur kloppen: de deurbewaardeV doet open, en ziet, er staat een jongeling, door eene edele dame gezonden, met eetwaren voor
hem. Gij ziet nu, mijne vrienden! zoo sprak de II. Pranciscus tot zijne broeders, hoe de hemelsche Vader hen beloont, die hun vertrouwen op Hem stellen, die Hem getrouw dienen en eerst het rijk Gods en deszelfs gerechtigheid zoeken: gij ziet dat al het overige hun toegeworpen wordt.
Ziedaar, B. B., de voornaamste eigendommen van God uitgelegd: denken wij er dikwijls aan en overwegen wij ze met aandacht. Immers, het is goed volgens de leering van den Catechismus de eigendommen van God wel te kennen en te overwegen, want zij loeren God beier kennen, en zij bewegen ons lol meer liefde, betrouwen en eerbiedigheid. God daarenboven zal, zoo wij Hem liefhebben en ons vertrouwen op Hem stellen; zoo wij Hem eerbiedigen en getrouw dienen onze beschermer zijn hier op aarde; Hij zelf heeft het Abraham verklaard: Ego protector tuus sum, Ik ben uw beschermer, zeide God, en hiernamaals zal Hij onze overgroote belooning zijn in den hemel: Et merces tua magna nimis. (l) Amen.
(i) Gen. xv. 1.
ZEVENTIENDE ONDERRICHTING
OVER DE SCHEPPING EN DEN VAL VAN ADAM
Fadamvs hominem ad imaginem et similitudincm nostrum.
Laten wij den mensch maken naai\' ons beeld en onze gelijkenis.
(Gen. i, 2(1.)
INHOUD.
VOORREDE.
Wij hebben gesproken over God don Schepper: thans gaan wij spreken over de schepselen. Onder de schepselen van God schijnen er vooral twee in volmaaktheid uit, namelijk de Engelen en de mensch.
VERDEELING.
I. Schepping van den mensch;
II. Val van den mensch.
Gelooks- en Zedenleer. 12.
— 178 —
I.
Adam en Eva zijn de eerste meiischeii geweest. God lieelt het lichaam van Adam gemaakt van aarde en eene ziel daarin gestort; maar Eva, van eene ribbe genomen uit Adam. De ziel van den mensch is onmiddellijk door God geschapen. De eerste mensch is geschapen in een gelukkigen staat naar ziel en lichaam; naar de ziel, begaafd met eene overgroote kennis, vrij van alle slechte begeerlijkheid; naar het lichaam, vrij van kwellingen en van den dood. Adam en Eva waren nog verrijkt met de genaden Gods. Die gelukkige staat zoude tot al hunne nakomelingen overgaan.
II.
De mensch heeft de oorspronkelijke heilig- en rechtvaardigheid verloren door van de verbodene vrucht te eten. Geschiedenis van den val.
Zonden van ongehoorzaamheid, hoovaardigheid, ongeloovigheid, nieuwsgierigheid, gulzigheid en ergernis.
SLUITREDE.
De duivel heeft de eerste menschen overwonnen: thans is hij cr op uit om ons ook te bedriegen. Wij moeten dus voorzichtig zijn en de gevaren en gelegenheden der zonde vluchten.
ZEVENTIENDE ONDERRICHTING
OVER DE SCHEPPING EN DEN VAL VAN ADAM
Faciamus liominem ad inuiginem et similitudinem nostrum.
Laton wij den mensoh maken naar ons beeld en onze gelijkenis.
(OEN. I, 2D.)
VOORREDE.
In onze voorgaande onderrichtingen, B. B., hebben wij de eerste woorden van den eersten artikel des symbolums « Ik geloof in God, Credo in Deum» uitgelegd. Wij hebben gezien dat God is één iu wezen en drievuldig in personen; dat Hij is de Schepper, Heer en Regeerder van hemel en aarde, de Fontein onzer Zaligheid en ons Opperste Goed; eindelijk hebben wij de voornaamste eigenschappen van God overwogen. Thans gaan wij de overige woorden van den eersten artikel uitleggen. Die woorden luiden als volgt quot; Den Vader almachtig. Schepper des hemels en der aarde. Patron omnipotentem Creatoreni caii cl turret;.» De Catechismus vraagt:
Wat belijden wij door deze woorden van den eersten artikel des Gcloo/\'s: den Vader almachtig, Schepper des hemels en der aarde? En hij antwoordt;
Dat God almachtig is, en dat hij hemel en aarde geschapen heeft.
God wordt almachtig geheeten, omdat Hij met zijn goddelljken wil alle dingen kan maken en ook te niet doen.
God de Vader wordt meer almachtig geheeten dan de Zoon, niet omdat Hij machtiger is, maar omdat de macht Hem
— 180 —
zonderling wordt toegeschreven, gelijk ook de wijsheid den Zoon en de heiligheid den Heiligen Geest.
God heeft hemel en aarde met alle schepselen die er in zijn geschapen, d. i., van niet gemaakt. Doch:
Welke zijn de volmaaktste schepselen van God?
De engelen en de \'tnensch.
En inderdaad: de overige schepselen zijn wel is waar bewonderenswaardig; maar zij kennen hunnen Schepper niet en kunnen Hem niet beminnen.
De Engelen, die God getrouw gebleven zijn, quot;aanschouwen Hem reeds aanschijn aan aanschijn; zij beminnen Hem met eene onuitsprekelijke liefde.
De mensch, met rede en verstand begaafd, kent ook zijnen Schepper, hij moet Hem ook beminnen en dienen.
De Engelen overtreffen dan mensch in verheven- en waardigheid, doch volgens de uitdrukking van den Profeet David is de afstand tusschen hen niet groot. Gij hebt den mensch slechts een weinig beneden de Engelen gesteld, zegt hij tot God sprekende; Gij hebt hem met glorie en eer gekroond en over het heelal aangesteld. Doch helaas! de mensch dooi\' God zoo hoog verheven, in plaats van Hem dankbaar te zijn en te blijven, is tegen Hem opgestaan en diepgevallen, en in dien val heeft hij het gansche menschdom medegesleept. Ziedaar de erfzonde waarvan wij allen de droevige gevolgen ondervinden.
Vandaag, B. B., gaan wij spreken:
I. Over de schepping van den mensch;
11. Over zijnen val door de zonde.
I.
De Catechismus vraagt:
Wie zijn de. eerste mensehen geweest? En hij antwoordt:
Adam en Eva.
— 181 —
Ziellier, B. B., in \'t kort de schepping van Jen mensch uit de H. Schrift verhaald:
Toen God hemel en aarde geschapen had, zeide Hij; Laten wij den mensch maken naar ons beeld en onze gelijkenis; dat hij over de visschen der zee, over do vogelen des hemels, over de dieren en geheel de aarde gebied voere. God schiep den mensch naar zijn evenbeeld: Hij schiep eenen man en eene vrouw.
Waarvan hccfi God \'loi mensch (jemaakt?
Hij heeft het lichaam van Adam gemaakt van aarde en eene ziel daarin gestort, maar Eva van eene ribbe genomen uit Adam.
De zielen van Adam en Eva heeft God niet van aarde of iets anders, maar onmiddellijk van niet gemaakt of\' geschapen.
Was Adam de vriend van God?
Ja: hij toas de vriend van God, en hij ontving van hem vele gratiën en weldaden, bijzonder de heiligmakende genade met het kindschap van God en het erfrecht op den hemel.
Van natuur was Adam niets anders dan een schepsel en dienaar Gods, doch door hem de heiligmakende en dadelijke genade te schenken had God hem tot zijn kind aangenomen en bekwaam gemaakt zijne goederen te erven, als ware hij zijn eigen kind geweest,
In wal staal is Adam geschapen?
In een gelukkigen staat naar ziel en lichaam.
Wat de ziel betreft, Adam en Eva hadden een buitengewoon verstand en bijgevolg eene overgroote kennis. Zij waren volkomen vrij om te doen wat zij wilden, en hun wil was ten goede geneigd.
Wat het lichaam betreft, Adam en Eva genoten eene altoos bloeiende gezondheid; zij waren vrij van ongemakken, ziekten, ja, zelfs van den dood. Adam, zegt do Heilige Augustinus, was sterfelijk en onsterfelijk; hij was sterfelijk van natuur, maar
— 182 —
onsterfelijk door eene bijzondere weldaad van God. Adam zoude onsterfelijk gebleven zijn, hadde hij in den staat der oorspronkelijke rechtvaardigheid volhard; hij zoude in dien gelukkigen staat geleefd hebben, tot dat God hem zonder te sterven in den hemel liadde opgenomen. Want hot is door de zonde, zegt de H. Schrift, dat de dood in de wereld gekomen is: Per peccalum mors. (l) Adam was koning. De gansche natuur was hem onderworpen. Allo schepselen wedijverden als het ware om hem gelukkig te maken. Hij beval over de vogelen des hemels, over de visschen der zee en over de dieren des velds, ja, wat meer is, hij was koning van zich zeiven. Adam bezat dat geluk niet alleen voor zich zeiven, maar hij moest het aan al zijne nakomelingen overbrengen. Wij allen moesten in eene oorspronkelijke heiligen rechtvaardigheid van hem voortkomen; bijgevolg zouden wij allen meesters, koningen der aarde geboren zijn, geëerd door de gansche natuur. O Mijn God! Wie kan aan dien gelukkigen staat denken zonder er het verlies van te betreuren en uit te roepen: O val van Adam, wat zij gij toch noodlottig voor hei. n. ?,nschdom geweest!
11.
Alhoewel wij niet juist bepalen kunnen, hoelang Adam en Eva in staat van onschuld geleefd hebben, omdat de H. Schrift liet niet zegt, zoo kunnen wij nochtans, wijl zij zoo spoedig tot hunnen val overgaat, met de H. Vaders besluiten dat hun geluk niet van langen duur is geweest, en dat zij na korten tijd door de zoude van ongehoorzaamheid gevallen zijn. Ziehier, B. B., hoe die ongelukkige val heeft plaats gehad. De Catechismus vraagt:
Waar hebben Adam en Eva eerst verbleven? En hij antwoordt:
In het aardsch paradijs.
(l) Rom. v, 12.
— 183 —
Het aardsch Paradijs was een schoone lusthof. De eerste mensch was in dien lusthof geplaatst om liem te bebouwen en in stand te houden, niet in het zweet zijns aanschijns, gelijk thans het geval is, maar om eene aangename bezigheid te hebben.
Ueejl God aan Adam iets verboden?
Ja; hij heejl hem verboden te eten van de vrucht van eenen der hoornen die in het paradijs stonden.
Heeft God hem streng verboden ran de. vrucht van dien boom te eten?
Ja, op straf van de dood.
Eet vrij, sprak God, van alle boomen die in het Paradijs staan, doch van den boom der kennis van goed en kwaad moogt gij niet eten, want ten dage dat gij er van eet, zult gij den dood sterven.
Is Adam aan God gehoorzaam gebleven?
Neen, hij heeft van de nerbodene vrucht geëten: en tot straf is hij gestorven.
Hij is gestorven, vooreerst naar de ziel door liet verlies der heiligmakende genade, die het leven der ziel is, en hij heeft ook de straf des doods naar hot lichaam ingeloopen.
De vrucht van dien boom was eigenlijk volstrekt niet kwaad, maar God had verboden er van te eten, om hen op de proef te stellen en te toonen dat zij van Hem afhingen en aan Hem moesten gehoorzamen; doch in plaats van zich aan God te onderwerpen, werden zij ongehoorzaam.
De duivel, die reeds door de hoovaardigheid gevallen was en hun geluk benijdde, kwam Eva bekoren. Zooveel macht op den mensch niet hebbende als thans, moest hij door uitwendige kunstgrepen, door voorstellen en aanraden de kans wagen. Hij bediende zich van eene natuurlijke slang, door wier mond hij
Eva toesprak: Waarom heeft God geboden, vroeg hij Eva, dat gij niet van alle boomen, die in het Paradijs staan, zoudet eten? Eva antwoordde: Wij eten van de vruchten der boomen die in het Paradijs zijn; slechts van de vrucht des booms, die in het midden staat, gebood God ons van niet te eten en haar niet aan te raken; anders kon het wel gebeuren dat wij stierven. De slang hernam: Volstrekt niet; gij zult niet sterven: maar God weet dat, zoodra gij er van eet, u de oogen zullen open gaan en dat gij als goden zult zijn en weten wat goed en kwaad is. Eva liet .zich door den bekoorder verleiden; zij zondigde reeds met hare oogen; zij zag dat de vrucht er smakelijk en schoon uitzag; zij nam en at er van, gat\' er van aan haren man, die insgelijks at en die des te plichtiger was, wijl hij geheel en al vrijwillig, om Eva te behagen, Gods gebod overtrad; want, 15. B., Adam is door de slang niet verleid geweest gelijk Eva.
\'t Is dus door Gods gebod te overtreden dat de mensch ongelukkig geworden is. Nauwelijks hadden zij van de verbodene vrucht geëten, ot\' hunne oogen gingen open; zij bemerkten hoe ellendig zij er naar ziel en lichaam uitzagen.
Ziedaar de zonde van den eersten mensch. Do Catechismus vraagt:
Heeft Adam daardoor eene groole zonde gedaan? En hij antwoordt:
Ja, eene doodzonde van ongehoorzaamheid.
Zij hebben bedreven niet alleen de zonde van ongehoorzaamheid, maar ook van hoovaardigheid, zij wilden aan God gelijk zijn; doch de ondervinding heelt geleerd wat al goden zij en wij door hen geworden zijn. Zij hebben bedreven de zonde van ongeloovigheid, door meer geloof te hechten aan den duivel dan aan God. God had gezegd dat zij den dood zouden sterven; Eva zeide dat het wel kon gebeuren dat zij stierven. God dus zegt stellig: Moriemini: gij zult sterven. Eva twijfelt; na forte
— 185 —
moriamur: misschien zouden wij sterven. De duivel ontkent het, gij zult volstrekt niet sterven, zegt hij: nequaquam moriemini, (l) en \'t is aan den duivel dat beiden gehoor geven. Zij hebben gezondigd door nieuwsgierigheid; zij wilden weten wat goed en kwaad is: door gulzigheid; Eva zag dat de vrucht er schoon en smakelijk uitzag. Eva heeft nog gezondigd door Adam tot de zonde over te halen, Adam door zijne vrouw te zeer te behagen. Beiden hebben nog gezondigd door zich in de zonden te verschooneu. Eva legt de schuld op de slang, Adam op Eva, beiden als het ware op God; als wilde Eva zeggen: Hadt Gij de slang in \'t Paradijs niet toegelaten, ik zoude uw gebod niet overtreden hebben. En Adam: Hadl Gij mij die vrouw niet gegeven, ik zoude van de verbodene vrucht niet geëten hebben: zoo ver kan de mensch gaan, als hij eenmaal aan \'t zondigen is; hij zoude God zeil\' de zonde willen aanrekenen.
SLUITREDK.
Wij hebben de schepping en den val van don eersten mensch uit de H. Schrift verhaald: uit die droevige geschiedenis moeten wij ons nut trekken.
Wij hebben gezien hoe de duivel Eva aanvalt en overwint: eerst ondervraagt hij haar, zij luistert en de duivel brengt haar langzamerhand verder.
Zoo ook handelt de duivel hedendaags met ons. Hij komt eerst onderzoeken en zijne voorstellen doen, en ingeval men het ongeluk heeft van te luisteren, o, B. B., men is reeds half overwonnen; de duivel is te slim om met hem te kunnen redeneeren.
Eva, in twijfel gebracht, zegt tot de slang dat zij wel zouden kunnen sterven, zoo zij van de vrucht eten. Wat doet de duivel? Hij laat eens zien hoe schoon en aangenaam de vrucht is. Ziedaar
(i) Gen. hi, 3.
de bekoring reeds verder gevorderd. Daarna verstout hij zich de uitspraak van God te loochenen: Gij zult volstrekt niet sterven, zegt hij; maar gij zult Gode gelijk zijn. Eveneens stelt de duivel ons liet vermaak der zonde voor. Wij willen hem niet terstond gelooven; het geweten werkt tegen: bijaldien ik dit of dat doe, zegt men, zal ik God vergrammen; ik zal het misschien beklagen, misschien ongelukkig worden. Volstrekt niet, zegt de duivel, maar gij zult pleizier hebben en gelukkig zijn.
De slang heeft reeds veel veld gewonnen, maar zij is nog niet tevreden; de zonde is nog niet voltrokken. De duivel is ook voorzichtig genoeg om er de gevolgen van te verbergen. Eindelijk brpngt hij liet zoo ver dat Eva van de vrucht eet; daarna ook Adam. De zonde is bedreven; nu behoeft hij zich niet meer te verbergen. Wat gebeurt er? Hunne oogen gaan open: de duivel lacht hen uit, hij heeft hen overwonnen en brengt ze nog tot andere zonden.
Ziedaar hoe de duivel slaagt. Juist zoo handelt hij met ons. Na liet vermaak voorgesteld te hebben, wil hij het ons doen proeven. Hij zet ons aan van naai deze of gene plaats, dezen of genen persoon te gaan; den dronkaard, bijv., naar de herberg, den jongeling naar de een of andere jonge dochter. De duivel met de woorden van pleizier, vermaak, enz., zet maar aan; eindelijk is men op de plaats, bij den persoon, men zondigt ; Wat gebeurt er? De duivel lacht, hij heeft overwonnen: de oogen gaan open, het schijnvermaak is verdwenen, het geweten begint te knagen, God is vergramd, de ziel gedood. O, zoo de duivel alle macht hadde, hij zoude wellicht den zondaar terstond met zich naar de hel slepen; maar God, die goed en barmhartig is, laat zulks niet toe; Hij geeft den zondaar nog tijd om zich te bekeeren, doch deze maakt er dikwijls geen gebruik van; zoo hij nu in zijnen ongelukkigen zondenstaat komt te sterven, aan welk gevaar hij voortdurend blootgesteld is, dan is hij voor eeuwig verloren.
— 187 —
Ziedaar, B. B., hoe het gaat, als men niet voorzichtig is. Zijn wij dus op onze hoede, en luisteren wij niet naar den duivel die een leugenaar is. noch naar de handlangers van den duivel, d. i., de verleiders. Vluchten wij de slechte personen, de gevaarlijke plaatsen en de gelegenheden der zonde, wij zullen geen gevaar loopen en nooit of nimmer een ongelukkigen val te betreuren hebben. Amen.
ACHTTIENDE ONDERRICHTING
OVER DE ERFZONDE
lieer enim in iniquitatihus conccptus sim et in peccatis eoncepit me mater mea.
Want zie, ik ben in ongerechtigheden ontvangen en mijne moeder heeft mij in zonden voortgebracht. (Ps, l, c.)
INHOUD.
VOORREDE.
God had den eersten menscli geschapen in een gelukkigen staat naar ziel en lichaam. Adam heeft het gebod, door God gegeven, overtreden en zich ongelukkig gemaakt. Door de zonde van ongehoorzaamheid heeft hij tevens het gansche menschdom in zijnen val medegesleept, uitgenomen Jesus-Christus en zijne Moeder Maria.
VERDEELING.
I. De Erfzonde;
II. Hare gevolgen.
— 189 —
I.
\'t Is eon punt van ons soloof dat alle menschen met do erfzonde besmet ter wereld komen. Woorden van de H. Schrift, leering der H. Kerk. Alhoewel wij de twee waarheden, de erfzonde en de rechtvaardigheid Gods niet ten volle met elkander kunnen overeenbrengen en begrijpen, wij moeten ze nochtans vastelijk gelooven, wijl zij van God geopenbaard zijn. Vergelijking van God en de menschen met een wereldschen koning en zijne onderdanen.
II.
Adam heeft verloren de heiligmakende genade, het kindschap Gods, het erfrecht op den hemel. Adam heeft gezondigd in ziel en lichaam; hij is in beide doelen gestraft geworden: in de ziel, met onwetendheid in verstand on geheugen, met boos- on zwakheid in den wil, eindelijk met do begeerlijkheid; in hot lichaam, met allerlei wederwaardigheden en kwellingen, met ziekten en met don dood.
SLUITREDE.
Aangezien de wonden ons in ziel en lichaam toegebracht moeten wij den moed niet verliezen; doch wij mogen ons ook niet verhoovaardigen, maar wij moeten kloekmoedig strijden, voorzichtig en ootmoedig zijn.
— 190 — ACHTTIENDE ONDERRICHTING
OVER DE ERFZONDE
Jir.ce enim in iniquitatihus conceptus sum et in peccatis concepit me mater mea.
Want zio, ik ben in ongerechtigheden ontvangen en mijne moeder heeft mij in zonden voortgebracht. (Ps. l, g.)
VOORREDE.
God, B. B., had den mensch in staat van onschuld en heiligheid geschapen; Hij had hem ontelbare weldaden en voorrechten naar ziel en lichaam geschonken. God had hem verboden te eten van de vrucht van een der boomen, die in het Paradijs stonden. Dat verbod was rechtvaardig van wege den Schepper, gemakkelijk te onderhouden voor het schepsel; en niettemin, de mensch heeft het overtreden. lgt;oor den duivel bekoord en misleid heeft hij dien leugenaar gehoor gegeven; hij is van den staat van onschuld en heiligheid in de zonde, van het toppunt van geluk in eenen afgrond van ellenden gevallen. De zonde van Adam en Eva was niet alleen persoonlijk. De Catechismus vraagt:
Hebben alle menschen in Adam gezondigd? En hij antwoordt:
■Ja, en daarom worden zij allen in zonde geboren.
Hoe wordt die zonde genoemd?
Erfzonde.
Waarom wordt zij erfzonde genoemd?
■ Omdat zij van Adam als een erfdeel overgaat tot alle zijne nakomelingen.
Droevig erfdeel, B. B., én in zich zelve, én in zijne gevolgen. De Catechismus vraagt nog:
— 191 —
Is er iemand vrij van de er/zonde? En hij antwoordt:
Ja-, .lesus is er vrij van geweest door zich zeiven, en Maria door een bijzonder voorrecht, vermits zij verkoren ivas om de Moeder Gods te worden. Onderzoeken wij in het kort;
I. De erfzonde;
II. Hare gevolgen.
1.
\'t Is een punt van ons geloof, B. B., dat de zonde van Adam overgaat tot al zijne nakomelingen, en dat wij allen- met de erfzonde besmet ter wereld komen. De H. Schrift is daarin duidelijk. Adam, zegt zij, heeft kinderen voortgebracht naar zijn beeld en zijne gelijkenis, d. w. z., kinderen, zondaren gelijk hij. Bijaldien Adam in den staat van onschuld en heiligheid, waarin hij geschapen was, volhard had, wij zouden ook in onschuld en heiligheid van hem voortgekomen zijn; doch eenmaal in de zonde van ongehoorzaamheid gevallen, werd hij in ziel en lichaam gewond, en dragen wij, die zijne kinderen zijn, het merkteekeu zijner verlaging.
Door die groote zonde van den eersten mensch is de mensche-lijke natuur, niet alleen met zonde bezoedeld, zegt de Heilige Augustinus, maar zij heeft ook zondaren voortgebracht.
De Apostel Paulus in zijnen brief aan de Romeinen leert ons die waarheid duidelijk. De zonde, zegt hij, is dour eenen mensch in de wereld gekomen, in wien allen gezondigd hebben: In quo omnes peccaverunt. (i) Wij allen zijn zondaren geworden door de ongehoorzaamheid van éénen; wij worden van natuur kinderen van gramschap geboren: Natura fUii ira;. De H. Kerk, door den H. Geest bijgestaan en bestuurd, heeft die Maarheid altijd
(i) Rom. v, is.
geleerd; zij heeft haar tegen de Ketters, die ze aanrandden, verdedigd en hunne dwalingen veroordeeld.
Hoe nu die zonde op ons overgaat, is en zal hier op aarde altoos een geheim voor ons blijven; doch het komt er niet op aan al kunnen wij met ons klein verstand de geheimen van onzen H. Godsdienst niet begrijpen: wij moeten ze niettemin vastelijk gelooven. God, die de eeuwige waarheid en rechtvaardigheid is, heeft gesproken: Hij heeft geopenbaard dat wij om de zonde van éénen veroordeeld zijn. De veroordeeling bestaat en is rechtvaardig, wijl zij door God zeiven is uitgesproken. Wij moeten dus de erfzonde en de rechtvaardigheid Gods aannemen, al kunnen wij ze ook niet overeenbrengen en begrijpen. Ziehier nochtans eene vergelijking van die twee waarheden.
Veronderstelt een koning. Die koning verheft een zijner dienaren tot eene groote waardigheid, waarop die dienaar niet de minste aanspraak heeft. De koning belooft dien dienaar zijne kinderen ook tot dezelfde waardigheid te verheffen, mits hij getrouw blijve en liet gebod hem gegeven nakome. De koning stelt zijnen dienaar op do proef. De ondankbare, in plaats van te gehoorzamen, staat tegen den koning op. Worden nu die dienaar en al zijne kinderen niet met alle recht en reden van die waardigheid beroofd door den koning, die geene verplichting jegens hen heeft? Ziedaar hoe God met Adam en Eva en ons gehandeld heeft. God had onze stamouders als het ware gezegd: (Jij zult gelukkig zijn, gij en al uwe nakomelingen, zoo gij mijn gebod onderhoudt. Adam en Eva hebben het gebod van God niet onderhouden. Is liet dan onrechtvaardig dat God hen van de genaden en voorrechten berooft? Volstrekt niet. Noch zij, noch wij hebben derhalve recht over God te klagen. Wij zijn die aarden vaten, waarvan de Apostel Paulus spreekt, als hij zegt, •lat zij geen recht hebben van den pottenbakker te vragen, waarom hij hen tot dit of dat gebruik, tot een verheven of lagen dienst gemaakt heeft. God is rechtvaardig en al zijne oordeelen zijn
— 193 —
rechtvaardig. Wij moeten ons aan God onderwerpen, ons voor Hem vernederen en met den koninklijken Profeet uitroepen: Ontferm n mijner, o God! volgens uwe overgroote barmhartigheid, want ik ben in ongerechtigheden ontvangen en mijne moeder heeft mij in zonden voortgebracht. David zegt: in zonden, in \'t meervoud, om ons te leeren dat alle zonden en ellenden uit eene zonde voortkomen, en ziedaar de gevolgen der erfzonde.
11,
De mensch, B. B., bestaat gelijk wij weten uit twee deelen, uit ziel en lichaam. Hij heeft in beide deelen gezondigd en hij is in beide gestraft geworden.
De Catechismus vraagt:
Hoe is Adam gestraft geworden? En hij antwoordt:
Hij is beroofd geweest van het recht lot den hemel, en is aan ellenden naar ziel en lichaam alsook aan de dood onderworpen geworden.
Is die straf voor Adam alleen geweest?
Neen zij is gevallen op alle mensehen.
Zoodra Adam en Eva gezondigd hadden, verloren zij vooreerst de heiligmakende genade. Van den staat van genade kwamen zij in den staat van doodzonde. Zij verloren ook het bovennatuurlijk kindschap Gods. Adam en Eva beminden God niet meer; immers, zij waren tegen Hem opgestaan. God op zijne beurt beminde Adam en Eva ook niet meer; zij waren slaven geworden van den duivel, naar wien zij geluisterd hadden.
Met het kindschap Gods verloren zij liet erfrecht op den hemel; nooit of nimmer konden zij in den hemel komen. De hel, de eeuwige verdoemenis zoude hun deel worden, hadde God in zijne oneindige barmhartigheid geen medelijden met hen gehad. Nochtans, zij zijn gestraft geworden in ziel en lichaam.
Gklooi\'s- en Zijdeni.kku. 13.
— 194 —
De straffen der ziel zijn verschrikkelijk; zij zijn als zoo vele ■wonden en vier in getal: de onwetendheid, de boosheid, de zwakheid en de begeerlijkheid.
De ziel van den mensch, B. B., heeft drie krachten, verstand, geheugen en wil. Wat is er nu van die krachten geworden? Het verstand is verduisterd: overal onwetendheid, overal dwaling. Bijaldien wij eene min of meer volmaakte kennis hebben van God, van onze plichten, van ons einde, enz., wij zijn hel aan het geloof verschuldigd, dat ons, zonder onze verdiensten gegeven, aangaande die waarheden verlicht. Buiten het waarachtig geloof vindt men de grootste onwetendheid, de ongehoordste dwalingen.
Wat is er van het geheugen geworden? Onderzoekt u zeiven. Wat moeite moet men zich niet geven om het een of ander aan te leeren, en nauwelijks weet men het of men is het wederom vergeten.
Wat den wil betreft, \'t is waar, B. B., en wel een punt van ons geloof; de vrije wil van den mensch is door de zonde niet vernietigd; maar het is toch zeker dat hij zeer verzwakt is; hij is genegen tot het kwaad en afkeerig van het goed. De mensch heeft het gemak niet meer om het goed te doen, dat hij voor de zonde had. Wij zijn zwakke, broze menschen geworden: door de minste wederwaardigheid worden wij ter neergeslagen; de kleinste drift doet ons niet zelden vallen; eene gedachte, een oogslag, een vermaak van een oogenblik werpt ons omver; wij vallen als het ware gelijk dorre bladeren van de boomen; Ceciclimus quasi folium universi, en onze boosheden hebben ons evenals de wind weggerukt, et iniquitales nosirce quasi ventus absiulerunl nos. (i)
Eene andere wond niet minder gevaarlijk, is de begeerlijkheid. De Apostel Joannes spreekt ons van eene drievoudige begeerlijkheid; van de begeerlijkheid des vleesches, van de begeerlijkheid der oogen en van de hoovaardij des levens. De eerste bestaat in
(l) Is. LXIV, 6.
— 105 —
een ongeregeld verlangen naar de vermaken der zinnen, zooals de gulzigheid in eten en drinken, de ontucht of onkuischheid en al wat het gevoelen kan slroeien; in \'t verlangen naar alles wat de zinnelijkheid kan begunstigen, zooals zachte kleêren, enz.
De begeerlijkheid der oogen bestaat in de ongeregelde neiging naar goud en zilver, naar schatten en rijkdommen, in een woord, naar de tijdelijke goederen dezer aarde, waaraan de mensch niet zelden zoodanig gehecht is, dat de dood alleen er hem van onthechten kan, of die hij mot zoo veel koortsdrift najaagt, dat hij er alles voor veil heeft en opoffert zelfs zijne ziel en zaligheid.
De hoovaardij des levens bestaat in de opgeblazenheid van geest en hart, zoodat men zich boven zijns gelijke verheft/ de eer en achting der menschen zoekt ten nadeele van de glorie van God, zich toelegt op overdreven opschik en pracht om de oogen der menschen tot zich te trekken. Ziedaar de voornaamste wonden den mensch in zijne ziel loegebracht.
De mensch, B. B., is ook gewond in zijn lichaam. Uit het aardsch Paradijs gedreven werden Adam en Eva prijs gegeven aan allerlei kwellingen en wederwaardigheden. Weldra kregen zij honger en dorst, leden nu eens aan al te groote koude, dan wederom aan al te groote hitte; zij waren tegen God opgestaan en do gansche natuur verzet zich beurtelings tegen hen. Dwangarbeid, ongemakken, ziekten en eindelijk de dood zijn ook straflen, waartoe het lichaam van den mensch veroordeeld is. God zeide tot Eva: Ik zal uwe rampen vermeerderen; in smart zult gij baren en in alles uwen man onderworpen zijn. Tot Adam sprak Hij: Wijl gij naar uwe vrouw geluisterd en van de verbodene vrucht geëten hebt, zij de aarde om uwentwil vervloekt: distelen en doornen zal zij voortbrengen; in \'t zweet uws aanschijns zult gij uw brood eten, tot dat gij wederkeert in do aarde, waarvan gij gemaakt zijt; want gij zijt stof en tot stof zult gij wederkeeren. Ziedaar, B. B,, de straften dos lichaams, waartoe Adam en Eva en wij allen veroordeeld zijn;
wij moeten ze in den geest van boetvaardigheid aannemen en met geduld ondergaan; niet alleen om de erfzonde, maar ook nog om de zonden die wij zeiven bedreven hebben.
SLUITREDE.
De mensch dus, B. B., is door de zonde gelijk wij gezien hebben diep en zeer diep gevallen; hij heeft zich verschrikkelijke wonden aan ziel en lichaam toegebracht. Aangezien die ellendige toestand, moeten wij nu den moed verliezen en wanhopen? Maar wij verachten en veroordeelen den lafaard en te recht. Kunnen wij ons verhellen, hoovaardig zijn; Maar wij vinden ovefal en in alles redenen om ons te vernederen: wij zijn in zonden ontvangen; onze ziel is in al hare krachten gewond; ons lichaam is uit stof en aarde gemaakt en zal weldra tot stof en aarde wederkeeren. Waarop zouden wij dus hoovaardig kunnen zijn? Neen, B. B., wij moeten noch den moed laten zinken, noch hoovaardig zijn, maar wij moeten vooreerst kloekmoedig strijden, want het leven van den mensch op aarde is een gedurige maar kortstondige strijd; wij moeten onze kwade driften aanhoudend bevechten, en om ze te overwinnen moeten wij voorzichtig en ootmoedig zijn. Voorzichtig: overtuigd van onze zwakheid moeten wij de gevaren vluchten; wij moeten zekere personen, plaatsen en gelegenheden vermijden of er aan vaarwel zeggen, omdat wij bij ondervinding reeds weten dat wij zullen vallen. Wij zijn zwak genoeg van ons zeiven. Waarom ons dan nog zonder reden aan de gevaren blootstellen? Waarom, in plaats van onze wonden te heelen, ze openrijten? Waarom, in plaats van het ongeregeld vuur uit te doven, hetzelve door brandstoffen bij te werpen aanhitsen. Ziedaar nochtans wat de zondaar doet, die onvoorzichtig is en zich overal aan de gevaren blootstelt. Wat zegt do H. Schrift? Die het gevaar bemint, zegt zij, zal er in vergaan. En het spreekwoord? De gelegenheid maakt den dief. Wij moeten dus voorzichtig zijn; vervolgens ootmoedig. De
— 197 —
ootmoedigheid verheft den mensch. Wilt gij verheven worden? Weest ootmoedig. Ook hebben wij allen Gods genade noodig om niet te bezwijken; doch God geeft zijne genade aan de ootmoe-digen, daar Hij ze integendeel aan de hoovaardigen weigert. Scheppen wij dus moed, 15. B. Laten wij ons nooit door onze zwakheden afschrikken; mistrouwen wij maar van ons zeiven en betrouwen wij op God; wij kunnen alles in God, die ons versterken zal; ja, door God bijgestaan zullen wij overwinnen en eenmaal de kroon voor den overwinnaar weggelegd bekomen. Amen.
NEGENTIENDE ONDERRICHTING
OVER DE SCHEPPING EN DEN VAL DER ENGELEN
Qtiomodo cccidisli de aelo lucifer? Hoe zijt gij, Liioiler! uit den hemel gevallen? (Is. xiv, 12.)
INHOUD.
VOORREDE.
God heeft niet alleen talrijke maar ook verscheidene wezens geschapen: lichamelijke, die de aarde bewonen; zuivere geesten, die in den hemel zijn. Eenige Engelen zijn door de hoovaar-digheid gevallen en in duivelen veranderd. Wij moeten door de getrouwe Engelen bijgestaan strijden tegen de duivelen.
VERDEELING.
I. De schepping der Engelen;
II. De val der Engelen.
— 199 —
I.
Do Kngelen zijn {ïeestelijke en i\'edelijke wezens: geestelijke wezens zonder lichaam; zij kunnen lichamen bewegen of aannemen. Drie Engelen verschenen aan Abraham, een Engel aan Tobias, aan Maria.
Redelijke wezens, met rede en verstand begaafd.
God heeft de Kngeleu van niet gemaakt in den hemel. De tijd waarop, en het getal waarin zij geschapen zijn, zijn onbekend. Koren der Kngelen. Zij zijn geschapen om voor Gods troon te staan en zijne bevelen uit te voeren.
II.
Do Kngelen zijn in staat van genade en heiligheid geschapen; doch allen zijn God niet getrouw gebleven. Lucifer is door de zonden van hoovaardigheid en ongehoorzaamheid gevallen en terstond tot de hel veroordeeld. Val der Engelen. Snares, Isaïas, Vermaning van Jesus tot de ootmoedigheid.
Wij moeten tegen de duivelen strijden, die door afgunst en haat gedreven den mensch bekoren en ongelukkig trachten te maken.
SLUITREDE.
De voornaamste wapenen tegen den duivel zijn:
1° Het vluchten der vrijwillige gevaren en gelegenheden dor zonde;
2quot; Het woord Gods;
:5o Het vasten en de versterving;
4° Het gebed met de voorzichtigheid.
NEGENTIENDE ONDERRICHTING
OVER DE SCHEPPING EN DEN VAL DER ENGELEN
Quomodn cecidisti de ctelo Lucifer ?
Hoe zijt gij, Lucifer! uit don henjol gevallen ? (Is. xiv, 12.)
VOORHICDE.
Hoe nauwkeuriger men de schepselen overweegt, derzelver schoon- en volmaaktheid inziet, des te sterker wordt men aangezet om de oneindige wijsheid en almacht des Scheppers te bewonderen. Want, li. B., God heeft niet alleen talrijke, maar ook verscheidene wezens geschapen. De eene leven niet zooals de steeneu en rotsen; do andere leven maar zijn niet liezield zooals de planten eu boonien. i)e eene zijn samengesteld uit ziel en lichaam, waarvan eenige redeloos zooals de wilde dieren, andere mot rede eu verstand begaafd zijn zooals de mensch. Al die schepselen bewonen de aarde. Doch er bestaan ook wezens, die enkel geesten zijn, van welke eenige om hunne hoovaardigheid tot de hel verwezen, andere om hunne getrouwheid in hunnen gelukkigen staat bevestigd en verheven zijn. \'t Zijn de Hagelen, B. B., met welke wij in nauwe betrekking staan; want wij moeten strijden tegen de afgevallen Hngelen, die men duivelen noemt, en onze toevlucht nemen tot de getrouwe Engelen om door hen geholpen en verdedigd te worden.
Na over de schepping en den val van den inensch gesproken te hebben zullen wij vandaag spreken;
I. Over de schepping;
II. Over den val der Engelen.
— 201 —
j 1
Doch vooreerst, wat zijn eigenlijk Engelen? Engelen, B. B., zijn geestelijke en redelijke wezens, die God van niet gemaakt heeft in den hemel; zij staan voor den troon van God om zijne bevelen uit te voeren.
De Engelen zijn dus geestelijke wezens; bijgevolg, wij kunnen ben niet zien, noch voelen. Men schildert de Engelen wel is waar af als kinderen of schoone jongelingen, niet dat zij inderdaad zoo zijn, maar om te verbeelden dat zij niet verouderen en altoos dezelfde blijven. Men geeft hun vleugelen om de snelheid aan te duiden, waarmede zij Gods bevelen ten uitvoer brengen. De ziel van den mensch is ook een geestelijk wezen, doch zij is geschapen out met een lichaam vereenigd te zijn. De ziel wordt wel is waar door den dood van het lichaam gescheiden, doch zij zal er op nieuw mede vereenigd worden, namelijk, in den laatsten dag des oordeels. Met de Engelen is het zoo niet gesteld. Daarom vraagt de Catechismus:
Hebben de ringelen ooit, een lichaam gelijk de menschen ? En hij antwoordt:
ISeen, zij zijn enkele geesten.
Zij hebben dus geen lichaam. Nochtans, zij kunnen lichamen bewegen, zelfs aannemen. Zoo lezen wij dat er drie Engelen aan Abraham verschenen.
Er verscheen een Engel aan Tobias, een Aartsengel aan Maria, enz., doch er bestaat een groot verschil tusschen de vereeniging van ons lichaam met de ziel en de beweging, welke een Engel aan een aangenomen lichaam geeft. Vandaar dat de Engel Raphael, na zich bekend gemaakt te hebben, zeide: Ik scheen wel te eten en te drinken, maar ik gebruik eene onzichtbare spijs en drank. De Engelen zijn dus geestelijke wezens.
Zij zijn op de tweede plaats redelijke wezens, d. w. z., dat zij met rede en verstand begaafd zijn; zij hebben veel meer
verstand dan wij; zij spreken eene taal verhevener dan de onze; zij bedienen zich niet van woorden gelijk wij, doch enkel met hunnen wil deelen zij elkander hunne gedachten mede. Ziedaar eenige aanmerkingen aangaande de natuur der Engelen.
Waar zijn de Engelen gemaakt en waarvan?
üe Engelen heeft God van niet gemaakt in den hemel.
Zij zijn dus geschapen niet op aarde, gelijk Adam en Eva, maar in den hemel.
Wat nu den tijd waarop, en liet getal waarin God de Engelen geschapen heeft aangaat, daarover hebben wij niets zekers. Volgens een algemeen gevoelen nochtans mogen wij aannemen, dat het getal der Engelen grooter is dan het getal der menschen, die er geweest ziju en tot liet einde der wereld zijn zullen.
Alle Engelen zij» niet gelijk in waardigheid. Er bestaan negen Koren van Engelen verdeeld in drie Hierarchiën, waarvan de eerste bevat de Seraphienen, Cherubieneu en Tronen; de tweede, de Overheden,Heerschappijen en Machten; de derde,de Krachten, Aartsengelen en Engelen. Allen zijn Engelen, d. i., dienstdoende geesten. Zij staan gedurig voor den troon van God om zijne bevelen te ontvangen en uit te voeren. Ziedaar een gedeelte hunner bedieningen.
11.
God, B. B., had de Engelen in staat van heiligheid geschapen: zij waren vrienden van God; doch God had hen vrij gelaten; zij konden goed of kwaad doen eti zoo hun geluk in den hemel bevestigen of verliezen. Want, B. B., alhoewel de Engelen in den hemel waren, zij bezaten hem nog niet voor goed: zij aanschouwden God nog niet aanschijn aan aanschijn; dat geluk moesten zij verdienen door God te beminnen en zich aan Hem te onderwerpen. Zij konden even als Adam on Eva misbruik maken van hunne vrijheid. En inderdaad, een gedeelte der
Engelen lieeft er misbruik van gemaakt; zij zijn tegen \'toi! opgestaan. De Catechismus vraagt;
Zijn de Engelen al le zamen in den hemel gebleven? Hn hij antwoordt:
Neen: want de ongehoorzame en hooreerdige zijn daaruit gedreven in den afgrond der hel.
De overige Engelen bleven God getrouw, en om hunne getrouwheid te beloonen vestigde God hen voor eeuwig in den hemel en verzekerde Hij hun het geluk van hunnen Schepper in eeuwigheid aanschijn aan aanschijn te aanschouwen.
\'t Is dan nogmaals de hoovaardigheid, de ongehoorzaamheid, die de Engelen doet vallen, die van de verhevenste geesten afgrijzelijke duivelen maakt; want:
Hoe noemt men die ongehoorzame Engelen?
Men noemt ze duivelen.
Lucifer, een der Seraphienen, stelde zich aan het hoofd der wederspannige geesten; hij wilde aan God gelijk zijn. lüen groot godgeleerde — Snares — is van gevoelen, dat Lucifer de eerste vijand geweest is van Jesus-Christus, onzen goddelijken Zaligmaker. Toen hein het geheim der Menschwording van God den Zoon geopenbaard werd en hij in de toekomst de glorie en majesteit van den Godmensch boven alle schepselen zag, wilde hij zich in zijne hoovaardigheid die glorie en majesteit aanmatigen. Uit die hoovaardigheid volgde de zonde van ongehoorzaamheid. Lucifer\' met zijnen aanhang verachtte het gebod van God gegeven, om Jesus-Christus als koning te aanbidden: Et adorent Eum omnes Angeli ejus, (i) De Profeet Isaïas spreekt ons over den val van Lucifer. Hoe zijt gij, Lucifer! roept die Profeet uit, uit den hemel gevallen? Quornodo eeci-disti de ccelo, Lucifer? (2) Gij die opgingt gelijk de morgenster,
(2) Is. xiv, 12.
die in uw trotsch gemoed zeidet: ik zal den hemel beklimmen;
(1) Haeb, I, G.
— 201 —
ik zal mijnen zetel boven de sterren verhellen; ik zal gelijk zijn aan den Allerheiligste: Si mi lis cro Altissimo: en ziet, gij wordt in de hel, in dien diepen kuil nedergeworpen: Verum-tamen in infernmn detraheris in projundum laai.
Er had in den hemel als liet ware een strijd plaats. Lucifer, de helsche draak, streed met de zijnen; Michaël stond op, trok met de zijnen tegen Lucifer en zijnen aanhang ten strijde, en onder de kreet: Wie is gelijk God! Quis ut Deus! versloeg hij Lucifer en zijnen aanhang.
Ziedaar de noodlottige gevolgen der hoovaardigheid; zij is het beginsel van alle zonden; zij maakt den eersten mensch ongelukkig in het aardsch Paradijs en zij werpt den Engel van boven uit den hemel neder in den afgrond der hel. Oordeelt uit de gevolgen over de afschuwelijkheid dier zonde. Onze goddelijke Zaligmaker vermaant ons tegen de hoovaardigheid. Toen zijne Apostelen zekeren dag tot de hoovaardigheid bekoord werden, riep Jesus uit: Ik heb Satan als de bliksem uit het hoogste der hemelen zien vallen! om hen zoo tot de ootmoedigheid te vermanen. Wij, B. li., moeten ook ootmoedig zijn, want wij hebben met de duivelen te doen: er zijn duivelen op de wereld.
Wat doen de duinelen op de wereld?
Zij trachten de rnenschen tot zonde ie brengen.
\'t Is de afgunst, die hen daartoe aanzet; zij benijden ons het geluk des hemels, dat zij verloren hebben, \'t Is ook de haat tegen Jesus-Christus, die voor onze zaligheid gestorven is; zij stellen alles in hot werk om zijnen dood nutteloos te maken, door de zielen tot zonden te verleiden en zoo in den helschen afgrond te trekken. De duivel, zegt Jesus-Christus, is een moordenaar van den beginne, d. w. z., dat hij van het begin der wereld getracht heelt de zielen door de zonde te vermoorden. De Apostel Petrus vermaant ons van voorzichtig te zijn en te waken, wijl de duivel als een brieschende leeuw rondloopt, zoekende wien hij kan verslinden. Wij hebben dus niet alleen tegen onze kwade
— 205 —
driften en tegen de wereld, maar ook tegen de prinsen en krachten der duisternissen, d. i., tegen de duivelen te strijden. Nochtans, wij moeten niet te bang zijn; de duivelen kunnen niets meer tegen ons dan God die ons beschermt toelaat. Doch God zal niet toelaten dat wij boven onze krachten bekoord worden. Hij zal ons de genade geven om de bekoringen te kunnen overwinnen, en alzoo zullen wij er zelfs voordeel uit trekken. De duivel, zegt de H. Augustinus, is gelijk een hond die aan een keten ligt; hij kan wel bassen, doch niet bijten, tenzij men te dicht nadert: worden wij dus gebeten, \'t is onze schuld, wijl wij niet voorzichtig genoeg zijn. Ziehier ten slotte eenige wapenen tegen den duivel.
SLUITREDE.
Het eerste wapen is het vluchten der vrijwillige gevaren en gelegenheden der zonde. De duivel doel, zijn best om ons iu die gevaren en gelegenheden te brengen. Met onze zwakheid bekend, weet hij dal wij er in zullen vergaan. Ik zog, rrijioiUige gevaren en gelegenheden, d. w. z., die men kan en moet vluchten. Alle gevaren vluchten is onmogelijk; doch zoo zij niet vrijwillig zijn en wij tot God onze toevlucht nemen zal Hij ons helpen en versterken.
Het tweede wapen is het woord Gods. Wij moeten dus in de bekoring de een of andere waarheid van onzen H. Godsdienst overwegen, bijv., de alomtegenwoordigheid Gods, zijne strenge rechtvaardigheid: denken wij in de bekoring aan den dood, het oordeel, de hol en den hemel.
Ken derde wapen is het vasten en de versterving. Wij moeten onze zinnen, vooral onze oogen versterven, onze kwade driften bedwingen door werken van boetvaardigheid.
Het vierde wapen, B. 13., is het gebed met de voorzichtigheid. Waakt en bidt, zegt Jesus, opdat gij niet vallet in bekoring.
— 200 —
Ziedaar de voornaamste wapenen tegen den duivel; bedienen wij er ons van en wij hebben niets te vreezen; zijn wij ootmoedig en kleven wij God aan, gelijk de getrouwe Engelen deden; wij zullen met lien overwinnen en tot belooning onzer overwinningen voor eeuwig met hen gelukkig zijn in den hemel. Amen.
TWINTIGSTE ONDERRICHTING
OVER HET AMBT DER ENGELEN
Air gel ts suis mandavit de te, ut cvstodiant te in omnibus vit» tuis.
Hij beeft zijnen Engelen bevolen u oji al uwe wegen te bewaren. (Ps. xc, n.)
JMIOÜI).
VOORREDE.
De menscli heei\'t niet alleen tegen de bedorvene wereld en zijne driften te strijden, maar ook tegen den duivel. Alleen zoude liij niet in staat zijn den duivel weerstand te bieden; doch God verleent hem hulp en bijstand; Hij geeft hem een Engelbewaarder.
VOORREDE.
I. Welk is het ambt der Engelen?
II. Welk is hei ambt van den Engelbewaarder?
I.
Het ambt der Engelen is God te loven, Gods bevelen te volbrengen, door, bijv,, te beschermen of te straffen. Engelen aan Abraham en Loth verschenen.
])e Engel Gabriël verscheen aan Zacharias, aan Maria, Engelen, die Jesus omringen in liet allerheiligste Sacrament des Altaars.
II,
Het ambt van den Engelbewaarder is:
1° Ons tegen den boozen vijand te bevrijden; Raphael en Tobias.
2° Onze gebeden aan God op te dragen; Raphael en Tobias, 3° In het uiterste onze ziel te beschermen, d. i., in het uur des doods,
SLUITREDE.
Luisteren wij altoos naar de stem van den Engelbewaarder gedurende ons leven, om zeker naar zijne stem te luisteren in het uur van onzen dood.
— 200 —
TWINTIGSTE ONDERRICHTING
OVER HET AMBT DER ENGELEN
Angelis suis mandavit dc te, ut custodiant te in omnibus viis tuis.
Hij heeft zijnen Engelen bevolen u op al uwe wegen te bewaren. (Ps. xc, u.)
VOORREDE.
De menscli, B. B., heeft te strijden, niet alleen tegen de bedorvene wereld die hem met hare schijnvermaken aanhoudend tot de ondeugd verleidt, niet alleen tegen zijne kwade driften die hem immer tot de zonde aanzetten, maar ook nog tegen de machten der hel. De duivel spant al zijne krachten in om ons ongelukkig te maken. Hij benijdt ons den hemel, dien hij verloren heeft en dien wij verdienen kunnen. Hij haat God, die hem in zijne strenge, doch rechtvaardige wrake tot de eeuwige pijnen der hel veroordeeld beeft.
De mensch nu, aan zich zeiven overgelaten, zoude niet in staat zijn om met voordeel tegen den duivel te strijden; vroeg of laat zoude hij overwonnen worden. Doch God die onze zwakheid kent, heeft medelijden met ons. Ziende, van den eenen kant, de machtige vijanden onzer zaligheid, heeft God ons, van den anderen kant, machtigere helpers gegeven, die met en voor ons strijden. De mensch dus die kloekmoedig strijdt, is niet alleen een schoon schouwspel voor God en zijne Engelen, maar hij wordt ook door hen bijgestaan. God, gelijk wij weten, staat altoos gereed om ons te helpen, mits wij onze toevlucht tot Hem nemen, en onder de hulp die II ij ons verleent, schijnen niet weinig zijne Engelen uit, die Hij ons tot bewaarders gegeven heeft.
Geloofs* en Zedenleer. M.
— 210 —
Om ons van den dienst, welken de Engelbewaarder ons bewijst, wel te overtuigen, en om er God en den Engelbewaarder dankbaar voor te wezen, zullen wij vandaag overwegen;
I. Het ambt der Engelen;
II. Met ambt van den Engelbewaarder.
I.
Welk is liet ambt der Engelen? Het ambt der Engelen is onder anderen God te loven en zijne bevelen te volbrengen.
De Engelen des hemels loven vooreerst God; zij herhalen onophoudelijk voor zijnen troon het verheven loflied, waarvan de H. Joannes in zijne openbaring gewaagt: Heilig! Heilig! Heilig! duizendmaal Heilig is de God die in de hemelen regeert! God lofzingen in den hémel is een der voornaamste bezigheden, welke de Cherubienen en Seraphienen, de Machten en Tronen, de Aartsengelen en Engelen, rondom den troon der goddelijke Majesteit geschaard, verrichten. Zij verlaten dat gelukkig verblijf niet, tenzij om op aarde de bevelen van God ten uitvoer te brengen. Wanneer God het noodig oordeelt zijne Engelen te zenden om ons zijne bevelen ol\' inzichten bekend te maken, dan gebiedt Hij als het ware; Gaat, zegt Hij, vliegt snelle Engelen en verkondigt den volkeren mijne bevelen. En ziet, eensklaps dalen• de Engelen neder, begeven zich van het oene uiteinde der aarde naar het andere, zonder nochtans iets van hun geluk, dat zij in den hemel genieten, te verliezen; want zij aanschouwen God altijd en overal aanschijn aan aanschijn, waarin eigenlijk het geluk des hemels gelegen is.
God zendt zijne Engelen onder anderen om de rechtvaardigen te beschermen en om de zondaren te straffen. Zoo lezen wij in de H. Schrift dat er Engelen aan Abraham en Loth verschenen, om Loth met zijn gezin van den ondergang ie bevrijden, daar zij integendeel de inwoners van Sodoma en Gomorrha in eonen
— 211 —
regen van solfer en vuur verdelgden. Kr zijn Engelen verschenen aan Isaac, aan Jacob, aan de moeder van Samson, aan Samuel, aan Elias en anderen van liet Oude Verbond. De Aartsengel Gabriel werd naar Zacharias gezonden om hem de geboorte van Joannes aan te kondigen. Dezelfde Aartsengel werd naar Nazareth afgevaardigd om Maria te boodschappen, dat zij verkoren was de Moeder van God te worden.
God heeft dus zijne gezanten, die Hij naar welbehagen zendt. Doch dit is niet alles. Eene waarheid, die ons aangenamer moet zijn en waarin wij meer belang moeten stellen, is. dat wij altijd met die hemelsclie geesten verkeeren. Hoeveel Engelen, denkt gij, dat hier tegenwoordig zijn? Ruiten de eerewacht, die Jesus in het II. Tabernakel omringt, zijn wij van Engelen omgeven; bijaldien zij geene enkele geesten waren, wij zouden rechts en links tegen hen aanstooten. Oordeelt nu ook, 15. B., uit de tegenwoordigheid der Engelen, hoe wij ons in de kerk, in liet huis Gods te gedragen hebben, namelijk, dat wij met hen Jesus-Christus in het allerheiligste Sacrament des Altaars moeten aanbidden en ons wel moeten wachten van alle oneerbiedigheid. Doch dil is niet alles: De Catechismus vraagt:
Zijn er eenige Engelen die ons bewaren? En hij antwoordt:
Ja, en elk heeft eenen, die kern van kei beginsel zijns lerens bewaart.
Om die reden worden zij Rngelenbewaarders genoemd.
Voorzeker, wij moeten hier Gods goedheid bewonderen, die eenieder onzer aan eenen Engel ter bewaring heeft toevertrouwd, die van het begin van ons leven tot het einde toe, dag en nacht over ons waakt. De Engel, dien God ons tot gezel gegeven heeft, oefent getrouw zijne bediening uit.
Welk is het ambt van den Engel onzen bewaarder?
Ons tegen den boezen vijand te bevrijden, onze gebeden aan God op te dragen, en in hel uiterste onze ziet te beschermen.
Leggen wij dit antwoord nu in \'t kort uit.
— 212 —
II.
De Engelbewaarder bevrijdt ons vooreerst tegen den boezen vijand, d. i., tegen den duivel. I)e duivel, gelijk de Apostel Petrus leert, loopt aanhoudend rond om ons te verslinden. Wat doet nu de Engelbewaarder? Hij strijdt voor ons tegen den duivel. Hij bedwingt dien lielschen draak, evenals eertijds de Engel Raphael, de getrouwe gezel van den jongen Tobias, den duivel boeide, die de mannen van Sara gedood had. Hij verslaat den duivel en doet hem als het ware voor onze voeten spartelen, evenals den grooten visch, die den jongen Tobias dreigde te verslinden. De duivel geeft ons kwade gedachten in, de Engelbewaarder goede. De duivel tracht\' ons in de gevaren en gelegenheden der zonde te brengen; de Engelbewaarder doet zijn best om er ons van te verwijderen. Hij beschermt ons altijd, en die bescherming van zijnen kant is altijd krachtdadig. Waarom vallen wij dan in de zonde? Omdat wij willen; \'t is onze schuld. De Engelbewaarder moet ons natuurlijk de vrijheid laten om God te gehoorzamen of niet, wijl wij door onze gehoorzaamheid aan God den hemel moeten verdienen. Bedrijven wij nu do zonde, \'t is een teeken dat wij naar den Engelbewaarder niet hebben willen luisteren. Nochtans, hij verlaat ons niet, zoo wij door de zonde ongelukkig geworden zijn; hij doet zijn best om ons door gewetensknagingen en andere middelen 011 te wekken, van zoo spoedig mogelijk uit de zonde op te staan en ons door eene oprechte biecht met God te verzoenen.
Do Engelbewaarder spreekt ten beste en bidt voor ons: hij ziet in den hemel, gelijk Jesus-Christus in liet Evangelie zegt, gedurig het aanschijn van onzen hemelschen Vader; daar spreekt hij van- en voor ons; hij verdedigt voor den troon Gods onze rechten en vraagt voor ons de genade van altoos naar zijne ingevingen te luisteren.
— 213 —
De Engelbewaarder draagt ook onze gebeden en goede werken aan God op. De geschiedenis van Tobias levert er ons het schoonste bewijs van.
Wanneer gij uwe gebeden en tranen voor den lieer storttet, zeido Raphael tot Tobias; wanneer gij uwe maaltijden verliet om de lijken uwer vermoorde broeders te gaan halen, dezelve in uw luiis verborgt om ze te begraven, dan offerde ik uwe gebeden aan God op: /i\'70 obluli oynlioncm tucxm Domino. (1) Hoe aangenaam zullen onze geboden en goede werken, onze aalmoezen en verstervingen aan God zijn, als zij Mem door zijne Engelen worden aangeboden.
Eindelijk beschermt de Kngelbewaarder onze ziel in het uiterste.
De Engelbewaarder beschermt ons ook in de gevaren des levens. De 11. Schrift, om ons te toonen hoe nauwkeurig de Engelen ons in de levensgevaren beschermen, zegt: De Heer heeft u aan de zorg zijner Engelen toevertrouwd, opdat zij u op al uwe wegen bewaren; zij zullen u op hunne handen dragen, opdat gij uwen voet niet stootet aan eenen steen; op den feilen leeuw en op de adder zult gij wandelen en gij zult den leeuw en den draak onder de voeten treden.
Van die zorgvuldige bescherming zijn de kleine kinderen een aanhoudend bewijs. Hoevelen worden er dagelijks niet als door een wonder bevrijd tegen water, vuur 011 andere ongelukken, waaraan zij blootgesteld zijn? Zonder die bescherming kan men niet begrijpen hoe zij bewaard blijven. Voorzeker, het is niet weinig aan onzen Engelbewaarder dat wij gedurende onze kinderjaren ons behoud te danken hebben.
De Engelbewaarder beschermt ons vooral in het uur van den dood, in dat gevaarvol oogenblik, waarop de mensch over de eeuwigheid gaat beslissen. O, dan doet de Engelbewaarder zijn uiterste bost om den brave in de deugd te doen volharden;
(1) Tob. xii, 12.
— 214 —
dan wendt hij eene laatste poging aan om den slaaf dei\' zonde aan de macht der duisternissen te onttrekken.
SLUITREDE.
Doch, helaas! hoe dikwerf gebeurt het niet dat de zondaar niet luistert naar den raad, naar de ingevingen A\'an «len Engelbewaarder gedurende zijn leven? Zal hij dan beter luisteren, als hij op zijn uiterste ligt?
Maar de zintuigen van den stervenden zondaar zijn bijna uitgedoofd: zijn verstand is verduisterd, zijn geheugen bijna verdwenen. Do duivel daarenboven wendt alle middelen aan om hem onder zijne macht te houden. Welk een schouwspel op de wereld! Doorwandelt in den geest de gansche aarde. Ziet die beweging, de geboorten, de sterfgevallen, den laatsten strijd, waarvan alles afhangt. De Kngelbevvaarder beschermt den brave en verwijdert van hem den duivel: de duivel bestormt den zondaar en spant al zijne krachten in om hem met zich naar de hel te sleuren. De Engelbewaarder doet wel is waar ook al wat hij kan, maar helaas! de ongelukkige zondaar, die gansch zijn leven naar den Engelbewaarder niet geluisterd
heeft, zal hij op zijn sterfbed beter naar hem luisteren?.....
O, B. B., luisteren wij dus nu naar de stem van onzen Engelbewaarder in dit leven, cm naar hem te luisteren en door hem beschermd te worden in liet uur van onzen dood. Amen.
EEN - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DEN ENGELBEWAARDER
Olserva cum et audi voccm ejus.
Sla hem gade en luister naar zijne stem.
(Exob. xxm, 21.)
INHOUD.
VOORREDE
Het ambt der Engelen is God te loven en zijne bevelen te volbrengen. Hot ambt van den Engelbewaarder is ons tegen den boozen vijand te bevrijden, onze gebeden aan God op te diagen en in liet, uiterste onze ziel te beschermen. Wij moeten den Engelbewaarder daarvoor:
VERDEELING.
C
I. Dankbaar zijn;
II. Ons betrouwen op hem stellen;
III. Hem eerbiedigen.
— 21(5 —
I.
Wij moeten den Engelbewaarder dankbaar zijn; in de dankbaarheid Tobias navolgen.
II.
Wij moeten den Engelbewaarder met betrouwen aanroepen in alle gevaren, maar inzonderheid in de bekoringen, om door den duivel niet overwonnen te worden; wederom Tobias navolgen, die zijnen reisgezel den Engel aanriep, toen de visch hem dreigde te verslinden.
III.
Wij moeten den Engelbewaarder eerbiedigen; denken dat wij altijd onder zijne oogen zijn. Wij moeten bijzonder do zonde vermijden waardoor wij hem zouden bedroeven. De zondaar zoekt te vergeels zicli te verbergen.
SLUITREDE.
Luisteren wij altoos naar den Engelbewaarder. Door naar hem te luisteren zullen wij de zonde vermijden, de deugd oefenen en eenmaal behouden aanlanden in de haven van het hemelsch vaderland.
— 217 —
:
II
EEN - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DEN ENGELBEWAARDER
Observa eum et audi voccm ejus.
Sin hem gade en luister naar zijne stom (EXOD. xxiii, 21.)
VOORKEI)!\':.
In onze voorgaande onderrichling, Beminde Broeder?, hebben wij overwogen liet ambt der Engelen, dat bestaat in God te loven en Jiijiie bevelen te volbrengen; liet ambt van den Engelbewaarder, dat bestaat: vooreerst in ons tegen den boezen vijand te bevrijden. De vijanden onzer zaligheid, onder welke de duivel vooral uitschijnt, doen hun best om ons ongelukkig te maken; de Engelbewaarder verdedigt ons tegen die vijanden; vervolgens in onze gebeden aan God op te dragen. Do Engelbewaarder staat altoos aan onzo zijde; hij is dus oog - en oorgetuige van al ons doen en laten; hij verheugt zich over het goed, dat wij verrichten en draagt het aan God op; eindelijk in onze ziel in het uiterste te beschermen. De Engelbewaarder beschermt ons wel is waar gansch ons leven in de gevaren naar ziel en lichaam, maar hij beschermt de ziel vooral in het uiterste, d. i., op het einde des levens, als de mensch gaat sterven, als hij over zijn eeuwig lot, over zijn eeuwig geluk of ongeluk gaat beslissen.
Na dus gezien te hebben wat de Engelbewaarder voor ons doet, zullen wij met den Catechismus de volgende vraag stellen en beantwoorden:
— 218 —
\\
Wat zijn wij onzen Engelbewaarder schuldig?
Wij moeten hem eeren, dikwijls aanroepen en bedanken, en de zonde vermijden, waardoor wij hem zouden bedroeven: in andere woorden; wij zijn den Engelbewaarder schuldig:
I. Dankbaarheid;
II. Betrouwen;
111. Eerbiedigheid.
1.
Wij zijn den Engelbewaarder vooreerst dankbaarheid schuldig.
De Engelbewaarder is naast God een onzer grootste weldoeners; wij moeten hem dus voor de ontvangen weldaden bedanken. De godvreezende Tobias geeft ons daarvan een schoon voorbeeld.
Toen Raphael zijnen zoon behouden te huis had gebracht, riep de oude Tobias zijnen zoon bij zich en zeide hem: Wat zullen wij den heiligen man die niet u gekomen is, geven? De jonge Tobias antwoordde: Ja, vader, wat zullen wij hem voor belooning geven? Wat zullen wij hem naar verdiensten aanbieden? Hij heeft mij behouden heen en weer gebracht; hij zelf heeft liet geld van Gabelus voor mij ontvangen; hij heeft mij van den verslindenden visch bevrijd; \'t is door hem dat gij wederom ziet; door hem dat wij met alle goed zijn overladen: Wat zullen wij hem nu geven dat heia waardig is: Quid üli ad haec poterimus dignum dare? (i)
B. B., moeten wij niet hetzelfde zeggen? Wanneer wij de een of andere bekoring overwonnen hebben, aan het een of ander gevaar ontsnapt zijn, de een of andere weldaad door de tusschenkomst van den Engelbewaarder ontvangen hebben;
(i) Ton. xii, 1.
moeten wij dan niet met Tobias zeggen? Quam mercedent cldbimus ci? Welke belooning zuilen wij den Engelbewaarder geven? Wat zal ik n, o getrouwe beschermer! toch wedergeven* voor al wat gij mij gegeven hebt? Hoe zal ik u dankbaar genoeg zijn? \'t Is aan u dat ik naast God zooveel te danken heb; aan u wellicht dat ik nog leel\', dat ik reeds niet voor eeuwig verloren ben. O getrouwe Engelbewaarder! ik dank u ten uiterste en ik bid u, zijt zoo goed van te blijven voortgaan met mij te beschermen!
II.
Ten tweede moeten wij ons betrouwen op den Engelbewaarder stellen, wijl hij voor ons zorg draagt.
De Kngelbewaarder, B. B., draagt als het ware zijnen beschermeling, evenals eene moeder haar kind, [op de armen; hij waakt met de uiterste zorg over hem: voorzeker kan de mensch dus zijn betrouwen op hem stellen. Daarom moeten wij onzen Kngelbewaarder dagelijks bidden, \'s morgens en \'s avonds; hem dikwijls aanroepen gedurende den dag; hem raadplegen in de ondernemingen; onze toevlucht tot hem nemen in de droefheid, in de kruisen en wederwaardigheden, in de gevaren en bekoringen; iu de bekoringen vooral, B. B. O, dan moeten wij onzen Kngelbewaarder aanroepen, den jongen Tobias navolgen, die, op het punt van door den visch verslonden te worden, uitriep: Domine, invadü me! (i) Heer, hij valt mij aan! Zoo moeten wij ook bandelen, als wij tot de zonde bekoord worden: O mijn getrouwe Engel! moet eenieder zeggen, ik ben verloren zoo gij mij niet te hulp komt; de duivel gaat mij verslinden, en ongetwijfeld, de Engelbewaarder zal ons te hulp komen en redden.
(1) Ton. vi, 3.
111.
Eindelijk zijn wij den Engelbewaarder nog eerbied schuldig-voor zijne tegenwoordigheid.
De Engelbewaarder is een prins van het hemelsch hof, een van de verhevene geesten, die rondom den troon van God geschaard staan.
Hij is altijd bij ons; hij vergezelt ons overal, op welke plaats wij ons ook bevinden; hij ziet en hoort alles; wij moeten dus altijd en overal zijne tegenwoordigheid eerbiedigen; wij moeten ontzag hebben voor de zuivere blikken des Engels, die onophoudelijk, dn op God, én op ons gevestigd zijn. Hoe zult gij dan onder de oogen van den Engelbewaarder de zonde bedrijven, waarover gij beschaamd zoudt staan voor uwe ouders, voor uwe meesters, voor uwen evenmensch? Denkt gij wel ooit daaraan? Wanneer gij u verborgen meent te hebben om gerust te kunnen zondigen, dan ziet u buiten God ook nog uw Engelbewaarder. Hij wijkt als het ware achteruit op het gezicht der schandelijke zonden, waaraan gij u plichtig maakt. Gij meent alleen te zijn of met uwe medeplichtigen, maar de Engelbewaarder is er ook tegenwoordig; hij hoort de godslasteringen van den vloeker, de zedenkwetsende taal van den onzuivere. O, gij wilt u verbergen, onzuivere, om alleen of met anderen de schoone deugd van zuiverheid des te geruster te schandvlekken? Ha! bedrieg u niet. Gij kunt wel de oogen der menschen ontvluchten, die uwer ouders en meesters, door u te begeven naar eenzame plaatsen, achter hagen en struiken; gij kunt wel gebruik maken van de duisternissen van den avond of van den nacht; ziet u nu niemand meer? Zijt gij nu alleen of met uwe medeplichtigen? O, bijaldien het zoo is, zondig dan vrij, stoutweg; geef u dan maar over aan uwe ongeregelde driften; maar weet dat er voor het minste drie getuigen zijn; de Engelbewaarder, die u van de zonde tracht terug te houden, dien gij ongehoorzaam zijt en bedroeft, en wiens tegenwoordigheid gij u niet schaamt te
— 221 —
onteeren; de duivel, die u tot de zonde aanzet, dien gij gehoor geelt en verheugt, wijl gij in zijne klauwen gaat vallen; beiden zullen getuigenis tegen u afleggen voor een derde, die u ook bezig gezien heeft; die niet alleen uwe woorden gehoord, uwe werken aanschouwd, maar die daarenboven de schandelijke gedachten en begeerten van uw hart doorgrond heeft; d. w. z,, dat de Engelbewaarder en de duivel eenmaal getuigenis tegen u zullen afleggen voor den rechterstoel van God. Wanneer? O, B B., de tijd is mij niet juist bekend; God weet wanneer gij de eeuwigheid zult inslaan en voor zijnen rechterstoel zult verschijnen; doch wij allen weten dat het toch eenmaal zal gebeuren en dat het niet lang zal aanloopen; want het leven van den mensch, genomen zeventig, tachtig, negentig, ja zelfs honderd jaren, beteekent niet veel; doch wie is er zeker van? De mensch immers kan elk oogenblik sterven; hij is dus altoos aan \'t gevaar blootgesteld van voor God te moeten verschijnen en hij die in staat van doodzonde leeft, loopt gevaar van elk oogenblik de beschuldigingen van den Kngelbewaarder en van den duivel voor den rechterstoel van God te moeten hooren. Ziedaar dan toch waarheden, die zeker zijn.
SI.UITREDE.
Wat moet men nu doen om niet langer in zoo groot gevaar te verkeeren? Luisteren naar den Engelbewaarder, B. B., hij zal zeggen wat er te doen staat; dat men zich met God moet verzoenen, zoo men in staat van doodzonde is; dat men boetvaardigheid moet doen en de zonde voortaan vluchten. Ja, B. B., nemen wij onzen Engelbewaarder in acht en luisteren wij naar zijne stem: Observa cum ct audi vocem ejus, (i) Volgen wij zijne heilzame raadgevingen; beoefenen wij de deugd waartoe hij ons aanzet; vluchten wij de zonde, die hij zoo zeer verfoeit; en door naar zijne stem te luisteren, door zijne raadgevingen
(i) Exoü. xxiii, 21.
te volgen, zullen wij hem dankbaarheid, betrouwen en eerbied betoonen. Hij zal ons tusschen de wisselvalligheden van dit kortstondige leven begeleiden en brengen tot voor den troon van God, niet om getuigenis tegen ons, maar voor ons af te leggen, en voor ons te vragen en te bekomen de belooning voor do getrouwe dienaren Gods weggelegd, namelijk, de eeuwige gelukzaligheid. Amen.
TWEE - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DEN ZOETEN NAAM
Vocatum est nomen ejus Jesus.
Zijn naam ia Jcsus genoemd. (Luc. n, 21.)
INHOUD.
VOOKKKDK.
De Engel zondigde in den hemel en werd om zij 110 zonde van hoovaardigheid zonder hoop op herstel ter helle veroordeeld. De eerste mensch zondigde in het aardsch Paradijs, docli bekwam eenen Verlosser en die Verlosser is de Zoon (iods zelf, Jesns-Christus.
VKKDKKI.IMd.
I. Wat heteekenl Jesus?
II. Wat lieteekent Christus?
— 224 —
I.
Het woord Jesus beteekent Zaligmaker, naam, die Hem van God zeiven gegeven is. De Aartsengel Gabriel tot Maria en Joseph. Men moet veel eerbied voor dien H. Naam hebben: dien eerbied bewijst men door zijn hoofd te ontdekken of te buigen bij het uitspreken of hooren uitspreken van den H. Naam. Men moet zich van de kwade gewoonte ontdoen van hem lichtvaardig uit te spreken, en men moet hem met betrouwen aanroepen, vooral als men bekoord wordt.
II.
Het woord Christus beteekent Gezalfde. Joannes de hooper en zijne leerlingen. Onze goddelijke Zaligmaker is tot Priester, Profeet en Koning gezalfd. Priester aan het kruis en in de 11. Mis; Pro feel en Leeraar; Hij heeft de toekomst voorzegd en ons geleerd al wat wij moeten weten en doen om zalig te worden; Koning als God en mensch.
SLUITRKDK.
Wij moeten op den naam Jesus-Christus onze hoop stellen. Jesus, die onze Zaligmaker is, zal ook eenmaal onze Rechter zijn. Maken wij dus gebruik van zijne goedheid, om tiet ongeluk niet in te loopen van in den laatsten dag des oordeels zijne strenge rechtvaardigheid te moeten ondervinden.
Dat Jesus, die onze Koning is hier op aarde, over onze harten heersche door zijne genade, om er eenmaal in den hemel over te heerschen in het rijk der glorie.
— 225 —
TWEE - EN TWINTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DEN ZOETEN NAAM
Voca tut,i est nomen ejus Jesus.
Zijn naam is Jesus genoemd. (Luc. n, ai.)
VOORRKDK.
In het eerste deel van het Symbolum des geloofs, B. B., hebben wij (iod, één in wezen en drievuldig in personen, als Schepper, Heer en Regeerder van hemel en aarde, als Fontein onzer zaligheid en ons Opperste Goed leeren kennen; wij hebben ook zijne voornaamste eigendommen uitgelegd. Wij hebben bijzonder over den eersten persoon van de IJ. Drievuldigheid, over (iod den Vader en hel werk der schepping gesproken; vervolgens over de voornaamste? schepselen, over de engelen en den mensch. Beiden, de engel en de mensch, werden door hunnen Schepper op de proef gesteld. Een groot getal engelen viel door de zonden van hoovaardigheid en ongehoorzaamheid en werd voor eeuwig zonder hoop op herstel Ier helle veroordeeld: die engelen zijn in afschuwelijke duivelen veranderd. De eerste mensch stond ook tegen zijnen (tod op, en viel insgelijks door tie zonden van hoovaardigheid en ongehoorzaamheid zwaar en diep. Zwaar, zoodat hij in zijnen val het gansche menschdom medesleepte; diep, zoodat hij niet in staat was om op te staan Wal zijn derhalve onze stamouders en wij hunne nakomelingen door de zonde geworden? De H. Augustinus antwoordt: Bene massa van veroordeeling: Massa damnationis, d. i., eene verworpene menigte, brandstollen der hel. Wij zouden dus hel lot der afgevallen engelen hebben moeten deelen, hadde (tod geen medelijden met ons gehad. God straft wei is waar Adam en Eva, en ons
Geloofs- en Zedenleer. 15.
— 226 —
doch niet zonder hoop op herstel: op hetzelfde oogenblik belooft Hij den mensch eenen Verlosser, en die Verlosser is zijn eenige Zoon Jesus-Christus. God heeft de mensehen zoo zeer bemind, dat Hij hun zijn eenigen Zoon gegeven heeft, niet alleen om voor de erfzonde, maar ook om voor de zonden der gansche wereld te voldoen. Overwegen wij thans dat liefdewerk van tiod jegens het mensehdom. In het tweede deel van het Symbolum zullen wij dus spreken over den tweeden persoon van de Heilige Drievuldigheid, over God den Zoon en hel work der verlossing. De Catechismus vraagt:
Waarvan spreken de hoeede en de vij/\' volgende artikelen des Geloofs? En hij antwoordt:
Van de nienschioording, het lijden, de dood, de verrijzenis, de hemelvaart en het rechterschap van Christus.
Beginnen wij met den tweeden artikel door den naam van onzen goddelijken Zaligmaker uit te leggen.
I. Wat beteelvont .Tesus?
li. Wat betoekont Christus!1
1.
Do tweede artikel van het Symbolum dos geloofs luidt als v( )lgt:
Et in Je sum Christum Filium ejus unicum Dotninum nostrum, Hn in Jesus-Christus zijn eenigen Zoon, onzen Hoor.
Het woordje: En, is eene herhaling van liet werkwoord: ik geloof, het eerste woord van het Symbolum.
Daardoor geven wij te kennen dat wij gelooven dat Jesus-Christus waarachtig God is en de tweede persoon van de H. Drievuldigheid. De Catechismus vraagt:
Hoe is God de Zoon, mensch geworden zijnde, genoemd? En hij antwoordt:
Jes us-C/ir is lus. Jesus is zijn naam, (\'livistlis zijn bijnaam.
Wal beleekenl Jesus-Chrislus?
Jesus beleekenl Zaligmaker, en Ciirislus beleekenl gezalfde.
Tc recht wordt de tweede persoon van de li. Drievuldigheid Zaligmaker genoemd, wijl Hij ons inderdaad zalig gemaakt heeft, door ons van de slavernij des duivels en van den eeuwigen dood te verlossen. Hij hecl\'l dien naam niet bij toeval gekregen, maar God zeil\' heel\'l Hem dien naam gegeven. Ziedaar, zeide de Engel Gabriel tot Maria: (üj zult. een Zoon un(.vangen en gij zult zijn naam .lesus noemen: J-J. \'ocubis nomen ejus Jesum. (1) Gabriel geel\'l er den 11. Joseph, den bruidegom van Maria, de reden van: \\\\ran( Hij zal zijn volk, zeg( de Kngel, van hunne zonden verlossen: Ipse enim salruru faciei, populurn sulim. a peccalis corum. (2)
De zoele Naam van Jesus, I!. 1!., is alle eer en achting waardig, én om zijnen oorsprong, wijl hij van God zeiven gegeven is, én 0111 zijne uitwerksels, wijl het door Jesus is dal wij van onze zonden verlost zijn. Wij zullen hem nooit eer genoeg kunnen bewijzen. In den naam van Jesus, zegt de Apostel 1\'aulus, moet alle knie gebogen worden, én in den hemel, én op de aarde, én in de hel.
Den eerbied, dien wij den zoeten Naam schuldig zijn, bewijzen wij, als wij, bijv., hij tiet uitspreken of hooren uitspreken van dien Naam ons hoofd ontdekken of buigen. De 11. Kerk leert ons ook eerbied hebben voor den 11. Naam, want zij heeft ter cere van dien Naam zelfs een feest, ingesteld, dat wij den tweeden zondag na Driekoningen vieren.
Bedienen wij ons derhalve dikwijls van den H. Naam Jesus, maar naar het voorbeeld der Heiligen, d. w. z., spreken wij Iküii dikwijls en altijd met eerbied uit. Roepen wij hem aan zeggende: Geloo/d zij Jcsus-Chrisltis! Trachten wij ons van
(i) 1,1.0. 1, 31. (2) Mattii. 1, 21.
— 228 —
de slechte gewoonte te ontdoen, zoo wij er mede behept zijn, van dien H. Naam telkens lichtvaardig uit te spreken; door zoo te handelen zouden wij, in plaats van den H. Naam te eeren, hem onteeren. Wij moeten hem ook met betrouwen aanroepen, vooral in de bekoringen, O, dan moeten wij er ons van bedienen als van een wapen om niet te bezwijken. Roepen wij in dat geval den zoeten Naam Jesus, zoo niet met den mond, ten minste met het hart aan, en wij zullen weldra de waarheid van dien Naam ondervinden, d. i., Jesus zal onze Zaligmaker zijn door ons de overwinning in de bekoringen Ie schenken.
II.
Het woord (\'lirislus, de bijnaam van onzen goddelijken Zaligmaker, beteekenl Gezalfde: \'t is van dien naam, dat wij Christenen genoemd worden.
De Profeten hebben Jesus ook dien naam gegeven Toen Joannes de Dooper in gezelschap van twee zijner leerlingen, zekeren dag Jesus zag, zeide hij hun: Ziedaar het Lam Gods. Die twee leerlingen volgden Jesus. Onze goddelijke Zaligmaker vroeg bun wat zij zochten; zij zeiden: Meesier, waar woont (lij? Jesus antwoordde: Komt met Mij en ziet. Zij gingen met Jesus mede om te zien waar Hij zicb ophield en .Weven dien dag bij Hem. Andreas, een dier leerlingen, de broeder van Simon Petrus, trof zijnen broeder Simon aan en zeide: Wij hebben den Messias, dat is, den (\'lirislus gevonden: Invenimus Messiam, quod csl inlerpretatum Christus, (i)
Jesus is dus Christus of Gezalfde genoemd. In de Oude Wet zalfde men de Priesters, Profeten en Koningen, om de waardigheid hunner bedieningen aan te duiden. Onze goddelijk;1 Zaligmaker is Priester, Profeet en Koning. Van daar dat Hij ook gezalfd is, niet met een stofl\'elijke olie gelijk de priesters.
1
JOAN. I, 41.
— £29 —
profeten en koningen der Oude Wet, maar met een geestelijke olie of balsem. Die olie of balsem is zijne godheid, waarmede Ifij zijne menschheid vereenigd heeft. Onze goddelijke Zaligmaker is, gelijk wij gezegd hebben, Priester, Profeet en Koning.
Hij is Priester, wijl Hij zich zelven op eene bloedige wijze op het kruis aan zijn hemelschen Vader opgeofferd heeft tot voldoening voor onze zonden. Die oiFerunde hernieuwt Hij nog dagelijks op duizenden plaatsen, maai- op eene onbloedige wijze, zoo dikwijls Hij zieli in de H. Mis door don priester aan God opoffert, .ta, Jesus-Christus is in eeuwigheid Priester volgens de orde van Melchisedech, gelijk David van Hem zegt: Tu es sacerdos in externum secundum ordtnem Melchisedech. (i)
Hij is Profeet, de groote Profeet, van wien Moses een afbeeldsel was en van wien hij spreekt, als hij zegt; God zal uit uw volk eenen Profeet verwekken gelijk aan mij; Profeet, die te gelijkertijd wetgever en leeraar zal zijn. En inderdaad, onze goddelijke Zaligmaker heeft de mensehen den wil of de wet van zijnen hemelschen Vader verkondigd; Hij leert hun alle wetenschap.
Jesus is Profeet, wijl Hij de toekomst voorzegd heeft; Hij heeft voorzegd zijn lijden, zijnen dood, zijne verrijzenis, enz.; ja wat meer is, \'t is door Jesus-Christus, hot eeuwige Woord des Vaders, dat de overige Profeten gesproken hebben.
Hij is Koning, Hij zelf heeft het verklaard voor de rechtbank van Pontius Pilatus; Ilex sum Ego, zegt Hij; Ik ben Koning. Mijn Vader, zoo sprak Jesus alvorens ten hemel te klimmen, heeft Mij alle macht gegeven in den hemel en op de aarde. Jesus draagt op zijn kleed geschreven, zegt do H. Joannes; Koning-der koningen en Heer der heeren; Reoo regum et Dominus domiiiuntium. (2) Hij is dus onze. Koning, wij zijn zijne onderdanen; Hij is onze Heer, wij zijn zijn eigendom, waarover Hij naar goeddunken kan beschikken. Jesus is onze Koning als God en mensch. Als God is Hij de Heer en Regeerder van hemel en
(i) Ps. cix. 4. (2) Aroc. xix. 1G.
— 230 —
aarde, die Hij uit den niet getrokken heeft. .Vis inensch, wijl Ilij ons in zijne menschheid vrijgekocht heeft met zijn goddelijk bloed. Gij zijl vrijgekocht, zegt de- Apostel Paulas, voor een grooten prijs: Emplt enim estis pretio magno. (i)
SLUITRKl)]\'!.
Ziedaar, B. ij., eene korte verklaring van den Zoeten Naam Jesus-Ghristus, die onze Heer is: Jeswn Christum Dominum nostrum.
Wij moeten voor dien Naam eerbied hebben; wij moeten er onze hoop op stellen. Wanneer wij wel nadenken, uit welken afgrond van ellenden Jesus-Christus ons getrokken heeft, dan zullen wij dien Heiligen Naam nooit oneerbiedig, maar altoos doordrongen van gevoelens van liefde en dankbaarheid uitspreken. Wij waren door de zonde voor eeuwig zonder hoop op herstel verloren, zoo God ons in zijne oneindige barmhartigheid, waarop wij geene aanspraak konden maken, zijn eenigen Zoon niet gegeven had om onze Verlosser, onze Zaligmaker te wezen, \'t Is in den Naam van Jesus, zegt de Apostel Paulas, .dat wij zalig moeten worden. Jesus nu is een machtige en goede Zaligmaker: Hij kan ons niet alleen, maar Hij wil ons ook zalig maken. Eenieder onzer moet dus met den Apostel Paulus zeggen: Hij heeft mij bemind en zich zeiven voor mij gegeven. In het Heilig Doopsel vooral hebben wij het eerste bewijs dier goedheid ontvangen; daarin heeft onze zaligmaking een aanvang genomen.
Jesus doet ons nog dagelijks zijne goedheid ouder vinden, door de ontelbare weldaden, waarmede Hij ons als overlaadt, én in de orde der genade, én in de orde der natuur. Wee ons! zoo wij er geen gebruik van maken; want dezelfde Jesus, die onze Zaligmaker is, zal ook eenmaal en misschien- binnen kort onze Rechter- worden. Bijaldien wij dus van zijne goedheid misbruik
(i) i. Cor. vi. 20.
— 231 —
maken, zullen wij zijne strenge reeiilvaardigheid ondervinden. Want, B. B., bedriegen wij ons niet: God is goed en lankmoedig, maar Hij is ook rechtvaardig en laat zich niet altoos wachten. De maat is eenmaal vol. Dat toch dergelijk ongeluk ons nimmer frette, maar dat Jesus onze Zaligmaker zij; dat Hij als Koning regeere hier op aarde over onze harten, die Hem altoos dankbaar moeten zijn, om er over te regeeren in den hemel gedurende de eindelooze eeuwigheid. Amen.
DRIE - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DE MENSCHWORDING VAN CHRISTUS
Ecce concipies in utero..... Filium.
Zie, Gij zult in uwen sohoot een Zoon ontvangen. (Loc. i, r,i.)
INHOUD.
VOOKRKDE.
God de Zoon, de tweede persoon van de H. Drievuldigheid, wordt Zaligmaker en Gezalfde genoemd. Hij komt in eeuwigheid van den Vader voort. Hij is de zelfstandige en eenige Zoon des Vaders in den eigenlijken zin des woords en niet gelijk de rechtvaardige. Die Zoon wordt in den tijd van Maria ontvangen.
Overwegen wij:
VERDEELING.
I. Het geheim der menschwording;
H. Den tijd waarop het is voltrokken;
Hl. De waardigheid waartoe Maria verheven is.
— 233 —
I.
Jesus-Christ us, ilc Zoon Gcjils, is oiitvangon van den Heiligen Geest. Jlij heeft de menschelijke natuur, d. i., eene ziel en een lichaam gelijk de menschen hebben, aangenomen door zonderlinge werking van den H. Geest in het zuivere lichaam van Maria. Er moest voldaan worden, voor de zonde. Een Engel of menseh kon daarvoor niet ten volle voldoen. Door mensch te worden werd de Zoon Gods in staat gesteld om ten volle voor onze zonden te voldoen. Hoe heeft Christus ons verlost?
II.
Tijd waarop het geheim der menschwording voltrokken is: Vier duizend jaren na de seiiepping van over ruim achttien honderd acht en tachtig jaren. Geschiedenis van de boodschap des Engels.
111.
Door de menschwording is Maria waarlijk de Moeder van God geworden, gelijk ons do Apostel Paulus leert. Ketterij van Neslorius in de kerkvergadering van Ephese veroordeeld. Nestorius beweerde dal er twee personen in Jesus-Christus zijn, de goddelijke en de menschelijke persoon; dat Maria slechts de Moeder is van den menschelijken persoon.
De waardigheid van Moeder Gods moet ons eerbied en betrouwen op Maria inboezemen.
SLUITRKDJi.
Wij moeten het geheim der menschwording wel overwegen, er ons goed in onderrichten en God er dankbaar voor zijn.
DRIE - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DE MEN SC H WO RD ING VAN CHRISTUS
Kcj\'e concipies in utero..... Füium.
\'/.ie, Gij zult in uwen schoot een Zoon ontvangen. (Luc. i, st.)
VOORREDE.
De Zaligmaker en Gezalfde, Jesus-Christus, B. B., van wien wij in onze voorgaande cmderricliüng gesproken hebben, is (iod de Zoon. God de Zoon is de tweede persoon in de H. l)ri(!vul-digheid; Hij komt in eeuwigheid van den Vader voort. Gij zijt mijn Zoon, zegt God de Vader van den (weeden persoon der H. Drievuldigheid sprekende; Ik heb 1 \\andaag, d. i., in eeuwigheid voortgebracht: Filius mem os tu ego J iodic genui te. (1) Voorzeker, wij kunnen niet begrijpen hoe de Zoon in eeuwigheid van den Vader voortkomt; \'t is een geheim voor ons. Vandaar dat de Profeet Isaias uitroept: Generationem ejus quis enarrahit? (2) Wie zal zijne afkomst uitleggen? Ziellier nochtans hoe men er zich eene gedachte van kan vormen.
God do Vader, B. B., heeft in eeuwigheid een oneindig volmaakt denkbeeld van zich zei ven. Dat denkbeeld door God den Vader voortgebracht, juist wijl het oneindig volmaakt is, is in Hein niets toevalligs, maar het heeft zelfstandigheid; het is en wordt zijn Woord of Zoon genoemd. Het Woord des Vaders of zijn Zoon is zoo oud als de Vader, wijl de Vader in eeuwigheid dat denkbeeld van zich zeiven gehad heeft, en bijgevolg heeft zijn Woord of zijn Zoon in eeuwigheid met Hem bestaan. Dat
(1) Ps li, 7. (2) Is. LUI, 8.
geheim is ons geopenbaard, en daarom moeten wij het vaslelijk gelooven. Jesus-Christus is de zelfstandige Zoon des Vaders, d. \\v. z., dal Hij een en dezelfde zell\'standiglieid, een en dezelfde natuur lieefl met den N\'ader, dat Mij waarlijk God, even groot, wijs, machtig, oud of eeuwig is als de Vader. Hij is de eenige Zoon des Vaders. Jesus-Christus is de eenige natuurlijke Zoon des Vaders, wijl de Vader Hem alleen in eeuwigheid heeft voortgebracht.
De rechtvaardigen worden ook kinderen Gods genoemd, maar in een geheel anderen zin dan het verstaan moet worden van Jesus-Clirisüis. De rechtvaardigen zijn enkel aangenomen, geene natuurlijke kinderen van God. Een rechtvaardige heeft, de goddelijke natuur niet; hij is dus geen God met den Vader, maar Jesus-Christus is een God met den Vader en den 11. Geest, omdat Hij een en dezelfde goddelijke natuur heeft met Hen.
Dat wij dus kinderen Gods genoemd worden, komt enkel voort, wijl God- zich gewaardigd heeft ons tot zijne kinderen aan te nemen, maar Jesus-Christus is waarlijk en in den eigenlijken zin des w\'oords de Zoon Gods.
Overwegen wij nu :
I. De inenschwording van den Zoon Gods;
H. Den tijd waarop dit geheim voltrokken is;
lil. De waardigheid waartoe Maria verheven is.
I.
De derde artikel van het Symbolum des geloofs luidt als volgt; Qui conceplus esl de Spirilu SancLo, nat us ex Maria Virgine: Die ontvangen is van den Heiligen Geest, geboren uit de Maagd Maria.
De Zoon Gods dus, die in eeuwigheid van den Vader voortkomt, is vooreerst ontvangen van den H. Geest, d. w. z., is mensch geworden.
De Catechismus vraagt:
Wat verstaal gij door de menschioording van Christus? En hij antwoordt:
D(d God de Zoon de tweede Persoon van de Heilige Drijvuldigheid, aangenomen heeft de menschelijke natuur, dal is, eene ziel en een lichaam, gelijk de mensehen hebben.
Hoe is de Zoon Gods mensch geworden?
Door zonderlinge werking van den Heiligen Geest, aannemende de menschelijke nutuur in het zuiver lichaam van Maria.
• Jesus-Christus is ons, wat de menschheid aangaat, in alles gelijk, uitgenomen de zonde. Immers, Hij hestaai uit ziel en lichaam, zijne ziel is rechtstreeks van God geschapen, maar zijn lichaam is gevormd uit de zelfslandigheid v;m de Zuiverste der Maagden, van Maria, door de zonderlinge werking van den H. Geest; dus niet op eene natuurlijke, maar bovennatuurlijke wijze, door een wonder van den H. Geest.
De mensch moest verlost worden; er moest voldaan worden voor de zonde.
Hadde een engel o/ een mensch niet kunnen voldoen voor de zonde?
Niet ten volle; want de zonde is van eene oneindige boosheid en daarom moest er een persoon van oneindige weerdigheid zijn, om daarvoor ten volle te voldoen.
Waar nu dien persoon gevonden? God alleen is van oneindige waardigheid: maar God de Zoon kon in zijne godheid de zonde niet uitboeten; in zijne godheid kon Hij niet lijden. Wat is er dan gebeurd? Toen de tijd vervuld was om het menschdom te verlossen en er geen schepsel gevonden werd dat in staat was ten volle voor de zonden te voldoen, toen heeft, de Zoon Gods zich aangeboden. Hij heeft eene ziel en een lichaam aangenomen, Hij is mensch geworden.
Waarom is de Zoon Gods mensch geworden?
Om de menschen met zijn voorbeeld en zijne leering den weg lot den hemel Ic loonen, en dezelve van de slavernij des duivels en van de eeuwige dood te verlossen.
Van de slavernij des duivels.
Wat wordt er verstaan door de. slavernij des duivels?
De staat van doodzonde, die ons slaven maakt van den duivel. En
Wie had ons in die slavernij gebracht?
Onze eerste vader Adam.
Van den eeuwigen dood, d. i., van de eeuwige pijnen der hel.
God de 11. (leest, de derde persoon van de li. Drievuldigheid, aan wien de menschwording wordt toegeschreven, wijl het een liefdewerk is, alhoewel de Vader en de Zoon er ook in medegewerkt hebben: God de H. Geest, vormde uil hel zuiver bloed van Maria een lichaam voor den Zoon Gods en stortte er eene volmaakte ziel in. Op dat oogenblik is hel Woord Vleesch geworden, gelijk de II. Joannes zich uitdrukt: hl Verbum Caro factum est, (i) d. w, z., heefl, God de Zoon de menschelijke natuur aangenomen.
Die menschelijke natuur werd .daardoor vereenigd met de godheid, zoodal God de Zoon mensch geworden — de Godmensch — in staat werd gesteld om voor de zonden ten volle te voldoen. Al wat Jesus-Christus deed ol\' leed was van eene oneindige waarde. Waarom? Omdat al wat Hij deed ol\' leed in zijne menschheid, God de Zoon zulks deed of leed, die* van eene oneindige waardigheid is. Immers, de Catechismus vraagt:
Hoe heejt Christus ons verlost? En hij antwoordt:
Met voor ons te lijden als mensch, en eene oneindige veerde aan zijn lijden te geven uil kracht van zijne Godheid.
(l) JOAN. I, 14.
II.
Het geheim der menselnvording van Christus is voltrokken geworden vier duizend jaren na de schepping der wereld, van ruim over de achttien honderd acht en tachtig jaren.
De {Evangelist Lucas verhaalt de menschwording van .lesus-Christus op eene eenvoudige doch treffende wijze.
God zond zijnen Engel, zoo verhaalt de Heilige Lucas, naar Nazareth cone stad van Galilëa tot eene maagd, die verloofd was aan eenen afstammeling uit hel huis van David, met name Joseph. Die maagd heeüe Maria. Uit deze woorden zien wij dat Joseph en Maria uit koninklijk bloed, of afstammelingen van David zijn. De Kngel naderde lui .Maria en sprak : Wees gegroet, gij vol van genade! de lieer is niet u! Gij zijl, gezegend onder de vrouwen. Zoodra Maria die woorden hoorde, ontstel de zij. De Kngel zeide; Vrees niel Maria, wanl gij hebt genade gevonden luj (iod: zie, gij zuil ontvangen en eenen Zoon baren, wiens naam gij Jesus zult noemen: Hij zal groot zijn en Zoon des Allerhoogsten geheeten worden: Hij zal eeuwig heerschen in het huis van David en zijn rijk zal geen einde hebben.
Maria: Hoe zal dat geschieden, wanl ik ken geen man?
De Engel: De H. Geest zal of) u nederkomen de Kracht des en Allerhoogsten zal u overschaduwen; daarom zal ook het Heilige, dat van u slaat geboren te worden, de Zoon Gods genoemd worden.
De Kngel bevestigde zijne woorden door een wonder, dat God voor Klisabelh, Maria\'s nicht, gedaan had. Klisabeth uwe nicht, zeide hij, lieefl ook een Zoon out vangen in haren ouderdom; want bij God is niets onmogelijk.
Maria hechtte geloof aan de woorden des Kngels; zij stemde toe en zeide: Zie de dienstmaagd des Heeren, mij geschiede naar uw woord: h\'cce ancilla Domini, fiat mild secundum verhum
— 239 —
iuum: (l) (3U dj) liet oogonhlik dat Maria hair toesteiinning gaf, werd lt;le inenscliworcling van Jesus-Clii\'istus door oeuc zonderlinge werking van God den 11. Geest in Haar voltrokken.
III.
Daardoor, B. B., is Maria waarlijk de Moeder van God geworden, niet dat zij de godheid van Jesus heeft voortgebracht, wijl God van eeuwigheid, dus voor Maria reeds bestond; maar omdat zij eenen Zoon heeft ontvangen, die God en nienseh te zamen is, eenen Zoon, die God van eeuwigheid, de menschelijke natuur in den tijd met zijne godheid vereenigd heeft, wiens lichaam waarlijk uit het zuivere lichaam van Maria gevormd is, gelijk de Apostel Paulus klaar leert.
Klisabeth erkende Maria ook voor de Moedor van God. Van waar mij toch het geluk, riep zij uit, dat de Moedor van mijnen Hoor, d. i , van God, tot mij kond! Unde hoe tniJii ui veniext Maler Domini mei ad me! (2)
Deze woorden veroordeelden reeds do Kotters, die Maria de waardigheid van Moedor Gods betwist en ontkend hebben.
Om nu de overgrooto waardigheid, waartoe .Maria in de menschwording van .losus-Christus verheven is, wol te kennen, zoo moeten wij ons herinneren wat wij daarover geleerd hebben. Do Catechismus vraagt:
lloereel personen zijn er in Christus? I\'.n bij antwoordt: Een, te weien, de iweede persoon der II. Driji\'uldigheid. Hijgo\\olg een goddelijke persoon.
Hoeveel naturen heeft Christus?
Twee, de goddelijke natuur en de menschelijke natuur. Van wanneer heef! Christus de goddelijke natuur?
Van in der eeuwigheid: namelijk, van den oorslon persoon van de 11. Drievuldigheid, van God don Vader.
(i) Luc. i, 38. (a) Luc. i, 43.
Van loanncer heeft hij de menschel)jkc natuur?
Van in den tijd dat hij is mensch geworden, dat is, nu over de achttien honderd jaren: namelijk, van Maria zijne Moeder.
Als God de Zoon is mensch getoorden, is hij dan God geh teven?
Ja, zijnde alzoo God en mensch te zarnen in eenen persoon.
Wijl dus Maria r.od den Zoon, den tweeden persoon van de II. Drievuldigheid, ontvangen heeft, daaruU volgt natuurlijk dat zij de Moeder van God moet genoemd worden en waarlijk is.
De Heilige Kerk heeft in het Concilie van Ephese die waarheid duidelijk verklaard en veroordeelt daarin den aartsketter Nestorius. Deze beweerde dat er in Christus twee personen zijn, de goddelijke persoon en de mensehelijke persoon: dal- Jesus-Christus. mensch maar een aangenomen zoon van God is. Hit die eerste dwaling volgde noodzakelijk eene tweede, namelijk, dat .Maria de Moeder van God niet is, maar enkel van den menschelijken persoon. Nestorius, in plaats van naar de 11. Kerk te luisteren, die de zuil en sleuupilaar der waarheid is; in plaats van zijne godslastering te herroepen, volhardde in zijne dwaling. Wat is er van dien ongelukkig» geworden? Zijne tong werd Aan de wormen verteerd tot straf der godslasteringen, die hij legen .Tesus-Christus en zijne Moeder Maria had uitgebraakt en hij stierf ellendig. Wij daarentegen, H. 1!., geven .Maria volgaarne den naam van Moeder van God; wij loven haar onder dien titel, zoo dikwijls wij hel; Wees gegroet bidden, waarin de woorden Moeder van God voortkomen: H. Maria, Moeder Gods, bid voor ons, zeggen wij. Dit\' waardigheid moet ons eerbied voor Maria en betrouwen op haar inboezemen, want zij is de Moeder van God, en in die hoedanigheid vermag zij alles bij haren goddelijken Zoon; doch Maria is tegelijker lijd ook onze .Moeder, wijl .Tesus-Christus, wiens ledematen wij zijn, zich gewaardigd heeft ons zijne broeders te noemen en Maria zijne Moeder in den persoon van Joannes ons tot Moeder te geven.
- 241 —
SI/UITRKDE.
Ziedaar, B. B., do woorden van het Symbolum: öic ontvangen is van den //. Geest, genoegzaam uitgelegd. Bijaldien er iemand zoude zijn, die zeide: Maar hoe is hel (och mogelijk dal God de Zoon voor ons is mensch geworden? Ik zoude hem met den Engel kunnen antwoorden: Bij God is niels onmogelijk. J)e II. Hernardus zegt dat het de liefde is, die dat groot werk, dat wonder verricht heeft. Do liefde tot het menschdom heeft den Zoon Gods uit den hemel op de aarde doen nederdalen, waar Hij zich als het ware vernietigd heeft onder de gedaante van eenen slaal, om den menseh, den slaaf van den duivel, in zijne waardigheid, waarvan hij om de zonde beroofd was, te herstellen.
Hot geheim der menschwording, de liefde die or in doorstraalt, moet ons aanzetten om den Godmenseh in zijne vernedering met een levendig geloof te aanschouwen en mei diepen eerbied te aanbidden. \'I Is den Zoon Gods niet genoeg goweesl voor ons mensch te worden; maar Hij heeft zich in alios aan ons gelijk gemaakt, uitgenomen de zonde. Moet men niet verbaasd staan over de diepe vernedering van den Zoon (lods. God is mensch geworden: Et homo foetus est: d. w. arm, lijdelijk, sterfelijk. Welk een afgrond van vernedering! Wij moeten ons in het geheim der menschwording goed onderlichten. Bijaldien men maar één christen aantrof, niet genoeg in dit liefdevol geheim onderwezen, \'t zoude reeds te betreuren zijn. En helaas! hoeveion treft men er niet aan, die het niet genoeg kennen? Hoe zullen zij er dan over nadenken en den goeden God er voor bedanken ?
En \'t is toch wel liefde en dankbaarheid, die wij Jesus-Christus voor die weldaad schuldig zijn. De Zoon Gods heeft de natuur der Rngolen niet aangenomen om voor de zonden der afgevallen engelen te voldoen en hen te verlossen; maar Hij heeft wel do menschelijke natuur aangenomen om voor onze zonden te voldoen en ons te verlossen. Wai, al goedheid! Wal al liefde van God jegens het menschdom! Denken wij wel genoeg daaraan?
Gei.ooks- i:n Zedim.khr. 16.
Vergeten wij niet dikwijls de weldaden Oods, en in plaats van Hem wederliefde te betoenen, betalen wij Hem niet dikwijls met de zwarste ondankbaarheid? De hemel heeft zieli geopend om ons eenen Verlosser te sehenkeii, en hoe dikwijls lieblieu wij niet verdiend, dat de aarde openscheurde om ons in te zwelgen, wijl wij in plaats van dankbaar ie zijn. God y.oo dikwijls vergramd hebben? () goddelijke Zaligmaker! vergeel ons onze verledene ondankbaarheid en gewaardig C ons de genade ie schenken van in \'t vervolg dankbaanler Ie zijn en beter aan uwe liefde te-beantwoorden! Amen.
VIER-EN-TWINTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DE GEBOORTE VAN CHRISTUS
Par vulus nat us est nobis.
Er is ons eon klein kind geboren.
(Is. IX, 0.)
INHOUD.
voorrede.
Nji de boodschap des Engels ging Maria hare nicht Elisabeth bezoeken. Zij vernederde zieh op liet liooren van de lofspraak harer nicht en braehl alles lol God terug.
verdeeijng.
I, Maria en Elisabelli ons voorbeeld;
II. Geschiedenis van de geboorte van Ohristus;
III. Zedenlessen daarnil te trekken.
De -wijze, waarop Maria en Elisabeth zich gedragen hebben, is een schoon voorbeeld, waarnaar wij ons ia de bezoeken,
verkeeringen en bijeenkomsten te gedragen hebben. Het bezoek en de gesprekken van Maria en Elisabeth waren bezield met den geest Gods. Waarmede zijn dlt;\' gesprekken der Jeugd niet zelden bezield? Met den geest van den duivel der onkuisehheid; die der kwaadsprekers? Met den geest van den duivel van den haat en van de nijd.
II.
Verhaal der gesehiedenis van de geboorte van Christus.
III.
1° Jesus-Christus vernedert zich In zijne geboorte; hoe zullen wij ons dan durven verhoovaardigen?
2° Jesus-ührislus veraeht de rijkdommen; hoe zullen wij dan ons hart aan het geld en goed durven hechten?
3° Jesus-Christus lijdt terstond na zijne geboorte; hoo zullen wij dan de verbodene vermaken durven najagen?
SLUITREDE.
Wij moeten Jesus-Christus navolgen in zijne vernedering, armoede, versterving en in zijn lijden.
Bijaldien wij Hem hier op aarde in zijn lijden navolgen zullen wij Hem ook eenmaal naar den hemel volgen in zijne glorie.
— 245 —
VIER - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DE GEBOORTE VAN CHRISTUS
Parvulus natus est nobis.
Er is ons een klein kind geboren.
(Is. IX, 6.)
VOORREDE.
De Aartsengel Gabriël, «Uo Maria gchoodscliapl had dat zij zonder verlies van haren maagdom de Moeder van den Zoon Gods zoude worden, verhaalde haar te gelijkertijd hot geluk Elisabeth te beurt gevallen.
Vol van genade begaf zich Maria op reis en ging met grooten spoed over het gebergte naar eene stad van Juda, om hare nicht geluk te wenschen en om zich te zamen over de wonderen in God te verheugen. Maria bij hare nicht komende groette haar. Zoodra Elisabeth Maria hoorde, werd zij van den Heiligen Geest vervuld; haar kind sprong van vreugde in haren schoot op en zij riep in verrukking uit: Gezegend zijl gij onder de vrouwen en gezegend is de vrucht uws lichaams! Waardoor heb ik toch verdiend dat de Moeder mijns Heeren tot mij komt? Want zoodra ik uwe stem gehoord heb, is mijn kind in mijnen sciioot opgesprongen: gij zijl zalig, die geloofd hebt, want u zal geschieden hetgeen u namens den Heer gezegd is. Maria, in plaats van zich op het hooren van die lofspraak te verheffen, bracht terstond alles tot God terug, die de oorsprong is van alle goed. Mijne ziel, sprak Maria, maakt groot den Heer! Magnificat anima mea Dominion! en mijn geest heeft zich verheugd in God mijnen
Zaligmaker, quot;wijl Mij op de geringheid zijner dienstmaagd heeft nedergezien: Quia respexü humilitatem nncilke suce. (i)
Vandaag zullen wij in \'t kort zien:
I. Welk voorbeeld Maria en Elisabeth ons geven;
II. Do geboorte.van Christus;
III. De zedenlessen er in opgesloten.
I.
De wijze, waarop Maria en Elisabeth zich tijdens hun bezoek gedragen hebben, is een schoon voorbeeld, waarnaar wij Christenen ons te gedragen hebben. Wij ook, li. B., hebben van tijd lot tijd bezoeken af le loggen of te ontvangen: zij zijn niet zeidon menigvuldig, zoo niet te menigvuldig. Die bezoeken nu kunnen ons of veel goed of voel kwaad doen, hetgeen van het inzicht waarmede en do wijze waarop zij geschieden afhangt. Waarover spreken Maria en Elisabeth? Hoe gedragen zij zich? Zij spreken over God en over heilige zaken; zij verheerlijken God door het verkondigen zijner almacht en heiligheid; zij bedanken Hom, terwijl zij zich zeiven vernederen dooi* hare\'goring- en onwaardigheid te erkennen. Dat bezoek strekt (his wezenlijk tot glorie van God en tot stichting van den evennaaste.
Schoon voorbeeld, li. B., voor ons; daarnaar moeten wij ons gedragen, ton minste in zoo ver dat onze bezoeken, verkeeringen en bijeenkomsten geeno beleediging van God, geen steen dos aanstoots voor onzen evonraonsch zijn. Doch helaas! Wat heeft er maar al te dikwijls en bijzonder in do bezoeken, verkeeringen of bijeenkomsten der jeugd plaats? Met welken geest zijn zij bezield? Mol den geest van God? Ach! Ik schaam het mij bijna te zeggen: neen, niet met den geest Gods, maar met den geest van den duivel: getuigen er van do dubbelzinnige en slechte
(i) Luc. i, 46.
— 247 —
gesprokken, die de jeugd zich uie( ^ ■ ■ im111 Ie voeren ï geluiden er van de slechte daden, die zij zieii veroorloof!. Wee ons! bijaldien onze bezoeken, verkeeringen of bijeenkomsten, in plaats van tol glorie van God en tot stichting van den evenmenseh te strekken, God beleedigen en onzen evennaaste ergeren. Want bijaldien wij van elk ijdel Avoord rekenschap zullen moeien afleggen, wal zal er dan van die schandelijke en zeden kwel senile gesprekken geworden? Bijaldien nu onze bezoeken, \\erkeei in^en of bijeenkomsten slecht zijn, waarover eenleder \\oor zich kan oordeelen, dan moet hij er aan vaarwel zeggen, ze afbreken, zoo niet gaal hij regelrecht tegen het gebod van God, die vereischt dat ganseh onze levenswandel heilig zij: Sancti erilis, quoniam ego Sanctus sum. (i)
Maria, na eenigen lijd bij hare nicht vertoefd te hebben, keerde naar huis terug. Zes maanden later werd onze goddelijke Zaligmaker uil de Maagd Maria geboren: .\\alus ex Maria Vircjine.
II.
De (quot;atechismns vraagt :
Waar is Christus geboren? Kn hij antwoordt:
Tc Bethleëm in cenen stal.
Wanneer vieren wij \'ten feestdag ran de geboorte van Christus?
Den 25 December.
Hoe wordt die feestdag genoemd?
Kerstdag of Kerstmis.
Hel woord Kerst beleekeut Christus-, vandaar Kerstdag of (\'hristus\'dag. Die feestdag wordt ook genoemd Kerstmis of Ghristus\'inis, omdat hel II. Sacrilicie der Mis hel voornaamste deel uitmaakt in het vieren der feesten. De Kvangelist Lucas verhaalt ons de geboorte van Christus op de volgende wijze.
(i) Petr. i, 10.
— 218 —
Nadat Maria, zoo vorhaait ons do H. Lucas, te Nazareth was leiuggokeonl, werd Joseph, haar bruidegom, in den slaap door een Mngel ingelicht, dat Maria zijne bruid den Vei\'losser dei-wereld zoude baren en dat hij Hem .lesus moest noemen. Omtrent dat tijdstip gal\' keizer Auguslus een bevel dat de gansche wereld zoude opgeschreven worden.
Kenieder trok nu naai\' de stad, waarloe hij oorspronkelijk behoorde,
Joseph begaf zich uit Nazareth van Galilëa naar de stad van David, Hethleem genoemd, in Judëa gelegen, wijl hij uil hel, huis en hel geslacht van David was, ten einde zich met Maria zijne huisvrouw Ie laten opschrijven. Te Hethlcëm aangekomen konden zij geene geschikte verblijfplaats vinden. Bene menigte \\ reemdelingen, waaronder vele i\'ijken, hadden de plaatsen reeds ingenomen. Ook weigerden de inwoners van Bethleëm Joseph en Maria, die er arm uilzagen, le ont\\angen. Na vruchteloos rondzoeken en smeeken vonden zij zich genoodzaakt een armen stal le belrekken. I oen zij daar waren, naderde liet oogenblik waarop Maria baren moest. Zij bracht zonder pijn of smart en zonder verlies barer maagdelijke zuiverheid haren eerst en eeniggeboren Zoon Ier Wereld, wond Hem in doeken en legde Hem neder in de kribbe.
Maria dus, H. li,, is altijd maagd geweest en gebleven, voor het ontvangen, voor de geboorte van haren Zoon en na de geboorte van Jesus.
In de velden rondom den stal bevonden zich herders die bij hunne kudde waakten; en ziet, een Kngel des Meeren stond eensklaps bij hen; do luister \'iods omstraalde hen en zij werden met vrees bevangen. De Engel trachtte hen gerust te stellen en zeide: Ik verkondig u eene grootc vreugde die geheel het volk zal te beurt vallen; want heden is n de Zaligmaker, die Christus de Heer is, in de stad van David geboren. Aan dit teeken zult gij Hem kennen; gij zult een kind vinden in doeken gewonden en
— 249 —
neergelegd in eene kribbe. Terstond voegde zich bij den Engel, die hun de blijde boodschap bracht, eene menigte Engelen, God verheerlijkende en zingende: Eere zij Goil in den hooge en vrede op de aarde den menschen van goeden wil. Toen tie Engelen ten liemol gestegen waren, zeiden de herders tol elkander: Laten wij tot Bethleëm doorgaan om te zien heigeen ons de Heer bekend heeft doen maken. Zij gingen met spoed en vonden Maria en .loseph en hel kindje Jesus nedergelegd in de kribbe. Toen de herders het zagen, erkenden zij tie waarheid van hetgeen de Engel hun gezegd had: zij keerden terug, God lovende en verheerlijkende, vertelden aan anderen wal zij gehoord en gezien hadden, en allen stonden verwontierd over hetgeen tie herders hun verhaalden. Maria bewaarde al die dingen en overwoog ze in haar hart. Ziedaar in hol kort de geschiedenis van de geboorte van Christus. Welke zedenlessen moeten wij er nu uit trekken;
Onze goddelijke Zaligmaker vernedert zich hij zijne geboorte diep en zeer diep. Hij kiest eene arme maagd tot Moeder; de plaats zijner geboorte is een stal; de wieg, waarin hij rust, eene kribbe. Wat al vernedering voor den Godmenseh! En wij nietige aardwormen zouden nog hoovaardig durven zijn? Wij zouden ons nog ilurven verhellen boven onzen evenmensch? Moeten wij dan niet schaamrood worden, als wij in den geest Jesus don Godmenseh zien in het stalletje te Bethleëm? Daar in de kribbe, als op oenen leerstoel gezeten, geeft Jesus ons tie schoonste les van ootmoedigheid: Leert van Mij, zegt Hij als het ware, dat Ik zachlmoedig en nederig van harte beu: Discite a me quia mi li a strn el Immiiis corde. (l) Doch, B. B., \'I is niet genoeg die schoone les van ootmoedigheid uit den mond van onzen god-delijken Leermeester gehoord te hebben; wij moeten er ook ons
(i) Mattii. xi, 29.
— 250 —
gedrag naar inrichten, de deugd van ootmoedigheid oefenen in woorden en werken.
Wachten wij ons dus van het grootspreken om de eer en achting der wereld te winnen; maken wij niet te veel werk van onze schoone hoedanigheden en (alenten, van onze fortuin en onze kleederen; misachten wij nimmer onzen evenmensch, omdat hij, bijv., arm i.s. Is Jesus-Christus de Godmensch niet arm geweest? Wee den hoovaardige! wanl hij zal eenmaal diep vernederd worden, (lelukkig de ootmoedige! want hij zal hemelhoog verheven worden.
Onze goddelijke Zaligmaker verachl de vergankelijke goederen, de rijkdommen dezer wereld, Hij bemint de armoede. Kon Jesus de Godmensch niet over al het geld en goed dezer wereld beschikken? Kn ziet, Hij wordt geboren in ecu armen stal, in arme doeken gewonden, op stroo nedergelegd. O, li. B., naderen wij in den geesi de kribbe van Betiileem en zien wij daar, welke gedachte Jesus, de eeuwige Wijsheid, zich van de goederen dezer wereld maakt. Kn wij, wij zullen ons zoodanig aan het geld en goed hechten, dat wij er slaven van zijn? Wij zullen ons mei onrechtvaardig geld en goed durven verrijken en onze ziel opofferen? O, B. B., onthechten wij ons van hel geld en goed en zoo wij het een of ander onrechtvaardig bezitten, geven wij het weder, want wee den rijke! hij zal eenmaal arm worden. Gelukkig de arme! naar liet voorbeeld van Jesus, want hij zal eenmaal rijk worden; ja, bel rijk der hemelen behoort hem toe.
Onze goddelijke Zaligmaker veroordeelt de zinnelijkheid en aanvaardI hel lijden. Aanschouwl het goddelijk Kind oji eene handvol stroo nedergelegd; hoort de zuchlen die het slaakt; ziet de tranen die uit zijne oogjes rollen. En wij, Christenen, leerlingen van Jesus, wij zijn bang op hel hooren alleen van het woord lijden, versterving? Wij zullen de zondige vermaken dei\' wereld najagen? Wij zullen ons vleescb vleien, onze bedorvene driften involgen? O, B. B., vluchten wij de zondige vermaken;
versterven wij onze ledematen; bedwingen wij onze driften; doen wij boetvaardigheid; want wee den wellusteling! die zich vermaakt in de wereld, eenmaal zal hij ie lijden en zonder einde te lijden hebben in de hel. Gelukkig daarentegen de mensch! die een kuisch en verslorven leven leidt, eenmaal zal hij zich vermaken in den hemel.
SI.IITKKDK.
Ziedaar, P.. B., de zedenlessen die wij uil de geboorte van pnzen goddelijken Zaligmaker inoeieii trekken. l)it kortstondige leven, wat de wereldlingen er ook van zeggen, mag niet besteed worden in grootheid en pracht, in schatten en rijkdoimnen, in de verbodene vermaken der wereld na te jagen. Ongelukkig zijn zij die ze zooken; ongelukkiger nog die ze vinden. Integendeel, wij moeten liet besteden aan den dienst van God; wij moeten een ootmoedig leven leiden, ons van de aardsche goederen onthechten, onze zinnen versterven en onze driften beteugelen. Gelukkig, die hun vermaak scheppen in Jesus-Chrislus in zijne vernedering, in zijne armoede, in zijne versterving, in zijn lijden na te volgen, eenmaal zullen zij het geluk hebben van Jesus te volgen in zijne glorie. Amen.
VIJF - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING
OVER HET VERBORGEN LEVEN VAN CHRISTUS
Post haec in torris visus est et cwa Uominihus conversatus est.
Daarna is Hij op aarde gezien on heeft Hij met de mensolien verkeerd,
(Bar. iii, 38.)
INHOUD.
VOORREDK.
Jesus-Chrislus verkeerde als mensch ondei\' ile menscheu en tegelijkertijd werd Hij als God aangebeden. Maria diende zijne menschheid en de Engelen zijne godheid. Hij verkeerde met de menschen om lien te leeren hoe zij met God moeten verkeeren. Hij leefde eenige jaren op aarde om voor hen de genade te verdienen van eeuwig met Hem te kunnen leven in den hemel.
VERDEELING.
I. II. III.
Hoe heeft Jesus te Nazareth geleefd? Wat deed Hij twaalf jaren oud zijnde? Wat moeten wij daaruit leeren?
I.
Jesus nam te Nazareth toe in jaren, wijsheid en genade bij God en bij de menschen. Hoe moeten die woorden verstaan worden en wat moeten wij er uit leeren?
II.
Twaalf jaren oud zijnde verbleef Jesus, zonder dat zijne ouders betwisten, te Jerusalem, waar zij Hem na drie dagen te midden der leeraars terug vonden.
III.
Daaruit moeten wij leeren:
1° Dat wij in alles God moeten trachten te behagen;
2° Dat wij in alles den wil van God moeten voorstaan;
3° Dat wij Maria en Joseph moeten navolgen.
SLUITREDE.
De zondaar, die door zijne zonden Gods genade verloren heeft, moet zich met God verzoenen, zich oprecht bekeeren. De brave, die door God op de proef wordt gesteld en Gods genade meent verloren te hebben, moet aanhouden en God zal hem troosten.
VIJF - EN TWINTIGSTE ONDERRICHTING
OVER HET VERBORGEN LEVEN VAN CHRISTUS
Post haec in terris visits est et cum homini/ms conversatus est.
Daarna is Hij op aarde gezien en heeft Hij met. de menschen verkeerd.
(Bar. in, 3s.)
VOORREDE.
Deze woorden, B. B., die wij in het Oude Testament bij den Profeet Baruch lezen, doen ons aan het wondervol gedrag van Jesus-Christus sedert zijne menschwording denken, ünze goddelijke Zaligmaker heeft zich als mensch onder de menschen vertoond, zegt de H. Ambrosius, maar tegelijkertijd werd Mij als God aangebeden. Maria wond zijn lichaam in doeken, en als God werd Hij door de Cherubienen en Seraphienen gediend. Nadat God de Zoon dus de menschelijke natuur had aangenomen, verloor Hij geenszins het recht op de goddelijke eer, die wij Hem als God schuldig zijn.
Jesus heeft nog met de menschen verkeerd. Waarom? Onder anderen, om de menschen te leeren hoe zij met God moeten verkeeren. Hij heeft eenige jaren met de menschen geleefd op aarde, om voor hen de genade te verdienen van eeuwig met God te mogen leven in den hemel.
\'t Is over het leven van onzen goddelijker! Zaligmaker dat wij thans in het kort gaan handelen. Men onderscheidt het verborgen leven van Jesus van zijn openbaar leven; den tijd, dien Hij met Maria en Joseph te Nazareth doorbracht, van zijn
openbaar leeraarsambt, als Hij optrad, steden en dorpen rond reisde om zijne zaligmakende leering te verkondigen. Zien wij dus;
1. Hoe Jesus te Nazareth leefde;
li. Wat Hij deed twaalf jaren oud zijnde;
lil. Wat wij daaruit moeten leeren.
I.
De Catechismus vraagt:
Wal word! cr in het Ivvanyelie verhaald aangaande de kindsheid van Jesus? En hij antwoordt:
l)(d hij opgroeide en versterkt wierd vol zijnde van loijsheid, en dat de gratie Gods in hem toas.
Ziehier hoe die woorden van het Evangelie kunnen verstaan worden.
Wat het uiterlijke betreft, Jesus was gelijk aan de overige kinderen: Hij was klein en zwak; Hij groeide dus wezenlijk op, of werd grooter; zijne lichaamskrachten namen ook met de jaren toe, zoodat men met recht kon zeggen dat Jesus in jaren toenam.
Jesus nam toe in wijsheid, niet dat Hij met verloop van tijd aanleerde, dat Hij van dag tot dag meer kennissen opdeed gelijk de overige kinderen: neen, 15. 15., Jesus, alhoewel klein, had in hoedanigheid van Godmensch eene oneindige, eene goddelijke kennis; Hij nam dus toe in wijsheid, enkel in dezen zin dat Hij zijne oneindige wijsheid langzamerhand meer toonde, er uitwendig meer blijken van gaf. Hij scheen dus bij de menschen met de jaren tevens in verstand en wijsheid toe te nemen. In denzelldeu zin moet men verstaan hetgeen de Evangelist er bijvoegt, als hij zegt, dat Jesus toenam in genade bij God en bij de menschen. Onze goddelijke Zaligmaker werd met verloop van tijd niet heiliger. Hij was reeds van het begin zijner
— 256 —
menschwording vol van genade. De H. Joannes leert het ons in het eerste hoofdstuk van zijn Evangelie: Het Woord, zegt de Evangelist Joannes, is Vleesch geworden en het heeft onderons gewoond, vol van genade en waarheid; Plenum gratia! ei veriiatis (i) Al wat onze goddelijke Zaligmaker deed was van eene oneindige heiligheid en waarde. Wat dus den persoon aangaat stonden al zijne werken gelijk; doch wat de werken in zich beschouwd betreft, liet eene was heiliger en waardiger dan het andere. Jesus nam dus ook in genade toe bij God en bij de menschen, wijl Hij immer volmaaktere werken verrichtte, tot dat Hij eindelijk het groot werk der verlossing voltrok op den berg van Calvarië.
Wat moeten de lander en daaruit leer en?
Dat zij ook in wijsheid moeten toenemen, en Gods gratie, die zij in hei Doopsel ontvangen hebben, wel moeten bewaren.
Tijdens Jesüs\' verblijf te Xazarelh met Maria en Joseph verhaalt ons het Evangelie slechts eene voorname daad, ilie Hij verrichtte, toen Hij twaalf jaren oud was.
11.
De ouders van Jesus gingen jaarlijks, zegt ons het Evangelie, naar Jerusalem om het Paaschfeest te vieren. Toen Jesus twaalf jaren oud was, begaven zij zich wederom ter gelegenheid van het feest naar Jerusalem en namen Hem mede. Als nu de dagen der plechtigheid voleindigd waren, keerden Maria en Joseph naar Nazareth terug; doch het goddelijk Kind bleef te Jerusalem achter, zonder dat zijne ouders het wisten. Maria en Joseph meenden dat Jesus in het gezelschap was, waarmede zij gekomen waren. Zij gingen dus eene dagreize ver en zochten Hem toen onder de bloedverwanten en bekenden. Daar zij Hem niet vonden, keerden zij naar Jerusalem terug Hem opzoekende. Den derden
lt;1; JoAN. I, 14.
— 257 —
dag\' vonden zij Hem in den tempel, zittende onder de leeraars, hen aanhoorende en vragende Allen, die Hem hoorden, stonden verbaasd over zijn verstand en zijne antwoorden. Toen zijne ouders Hem zagen, stonden zij verwonderd. Zijne Moeder zeide Hem: Kind, waarom handeldet gij zoo met ons? Uw vader, d. i., Joseph de voedstervader van Jesus, en ik zochten U met smart. Jesus zeide hun: Waarom zocht gij Mij? Wist gij dan niet dat Ik in de zaken, die, mijnen Vader aangaan, moet zijn? maar zij begrepen niet, zegt de Evangelist, wat Hij daarmede zeggen wilde: Ipai non inlellexerunt verbum, quod locutus est ad cos. (i)
Hl.
Wat moeten wij uit deze geschiedenis leeren?
Vooreerst zien wij daarin hoezeer het H. Huisgezin God lief had. Joseph alleen was eigenlijk verplicht zich naar Jerusalem te begeven, maar Maria wilde er ook naar toe gaan en in den tempel gaan bidden, om ons te toonen dat wij niet te vreden moeten zijn met datgene te doen, waartoe wij op zonde verplicht zijn, maar dat wij ons moeten beijveren God in alles te behagen, iets meer voor Hem te doen dan onze plichten .juist vereischen. Vervolgens kunnen wij hier besluiten hoe aangenaam het aan God moet zijn, zoo de ouders hunne kinderen vroegtijdig naar de kerk mede nemen om daar te bidden.
Jesus voorzag ongetwijfeld, B. B., dat Maria en Joseph bedroefd zouden zijn, zoodra zij gewaar werden dat zij Hem misten; doch door zijn gedrag, waarin wij voorzeker de goddelijke voorzienigheid moeten erkennen, wil Hij ons leeren, dat wij, als er spraak is van den wil van God, dien wil in alles moeten volgen, zonder de natuur te raadplegen, zonder naar hare gevoelens te luisteren. God dus, B. B., boven alles.
(1) Luc. ii, 50,
Gkloofs» kn Zedenleer. 17.
— 258 —
Bijaldien iemand zijnen vader of zijne moeder meer bemint dan Mij, hij is Mij niet waardig, zegt onze goddelijke Zaligmaker: Non est me dignus. (i) Des te meer, zoo iemand de eer en glorie der wereld, de rijkdommen en vermaken, cie gevaren en gelegenheden der zonde, zekere gevaarlijke plaatsen of huizen, gezelschappen of personen voor Jesus-Christus stelt, er meer aan gehecht is, die is Hem voorzeker ook niet waardig.
Maria en Joseph, die men voorzeker niet van nalatigheid kan beschuldigen, wijl zij met reden veronderstelden dat Jesus zich onder de bloedverwanten of bekenden, ja wellicht bij de overige kinderen bevond, welk is hun lot, toen zij Jesus, hun schat en hun al, niet terug zien? Wat al droefheid voor die twee zielen, die Jesus zoo teeder beminden! Met betraande oogen zien zij elkander aan; zij zoeken Jesus overal onderweg; zij ondervragen eenieder dien zij ontmoeten. 15. B., zeggen welke droefheid en smart Maria en Joseph uitgestaan hebben, wat al zuchten zij geslaakt, wat al tranen zij gestort hebben, \'t is onmogelijk. Aanschouwt in den geest wat een vader en eene moeder doen, die hun eenig kind, dat zij teeder beminnen, komen te verliezen, en gij zult nog maar een flauw denkbeeld hebben van de gemoedsgewaarwordingen van Maria en Joseph. Want, B. B., wat is toch, ik vraag het u, een gewoon vader, eene gewone moeder vergeleken bij Joseph den Voedstervader van Jesus, bij Maria zijne Moeder? Wat is een gewoon kind vergeleken bij den Zoon Gods? Misschien waren zij ook bevreesd iéts misdaan te hebben, waardoor zij onwaardig waren langer met Jesus te verkeeren.
Zij zoeken dus Jesus en \'t is niet te verwonderen, dat zij niets onbeproefd laten om Mem terug te vinden. In Jesus te zoeken, wanneer wij Hem wezenlijk verloren of enkel meenen verloren te hebben, moeten wij Maria en Joseph navolgen.
(i) Mattii. x, 37.
SLUITREDE
Ten slotte vraag ik; Wat doen wij, wanneer wij Jesus inderdaad door de zonde verloren hebben? Zijn wij dan ook zoo aangedaan? Zoeken wij dan ook met denzelfden ijver, waarmede Maria en Joseph zochten? Zij hebben enkel zijne tegenwoordigheid zonder hunne schuld verloren; zij zoeken en hebben het geluk van Hem in den tempel terug te vinden. En wij, B. B., wij hebben wellicht door de zonde en bijgevolg \'door onze schuld zijne genade en zijne vriendschap verloren, en wij, wij zoeken niet? Wij zijn gerust en tevreden ver van Jesus verwijderd? Bijaldien het zoo met ons gesteld is moeten wij Jesus zoeken in den tempel, d. i., wij moeten ons verzoenen met Jesus in de Biecht en boetvaardigheid doen over onze zonden: op die wijze zullen wij Gods genade en vriendschap terug bekomen en door een deugdzaam loven te leiden in Jesus\' gezelschap blijven.
Men treft ook wel eens brave menschen, heilige zielen aan, voor welke Jesus zich soms een tijd lang verbergt, om hun geloof en hunne liefde op de proef te stellen. Hoe moeten die personen zich gedragen? Zij moeten aanhouden met hunnen Zaligmaker te zoeken, d. i., zij moeten in hun gebed en in hunne goede werken volharden, en weldra zullen zij Jesus terug vinden, d. w. z., die beproevingen zullen ophouden en God zal hen troosten. Amen.
ZES - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING
OVER HET VERBORGEN LEVEN VAN CHRISTUS
lirat subditus illis.
Hij was hun onclordanig. (Luc. n, m.) INHOUD,
VOORREDE.
Toen Maria en Joseph liet goddelijk Kind teruggevonden hadden, keerden zij te zarnen naar Nazareth terug. Jezus heeft daar bij zijne ouders verborgen geleefd tot den ouderdom van omtrent dertig jaren, wanneer Hij heeft begonnen te prediken. Te Nazareth zullen wij zien:
VERDEELING.
1. Voorbeelden van allerlei deugden;
II. Een volmaakt toonbeeld van een gelukkig huisgezin.
— 201 —
I.
Het goddelijk Kind geeft ons voorbeelden van ootmoedigheid, gehoorzaamheid en arbeidzaamheid; Jesus vernedert zich, Hij is gehoorzaam aan Maria en Joseph en werkt met hen.
11.
Het huisgezin van Nazareth is liet volmaakste huisgezin, waarnaar de overige huisgezinnen zich moesten vormen. Waarom vindt men hedendaags zooveel ongelukkige huisgezinnen? Omdat Jesus niet in de kinderen, Maria niet in de moeder en Joseph niet in den vader te vinden is.
SLUITREDE.
Dat dus de kinderen Jesus en de ouders Maria en Joseph navolgen en er zullen gelukkige huisgezinnen bestaan; wij allen zullen eenmaal kinderen worden van het hemelseh huisgezin, waarvan God de Vader en Maria de Moeder is.
— 262 —
ZES - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING
OVER HET VERBORGEN LEVEN VAN CHRISTUS
Er at suhditus ülis.
Hij was hun onderdanig. (Luc. n, ki.)
VOORRKDE.
In onze voorgaande onderrichting hebben wij gezien, B. B., hoe bedroefd Maria en Joseph waren, toen zij den eersten dag hunner terugreis van Jerusalem naar Nazareth \'s avonds gewaar werden dat Jesus niet bij hen was. Terstond keerden zij naar Jerusalem terug om Hem te zoeken, en zij vonden Hem den derden dag \'s . morgens in den tempel bij de leeraars en het overige volk rondom hen vergaderd. Maria vroeg haren Zoon met eene droevige en tevens blijde stem: Kind! waarom handeldet Gij zoo met ons? Uw vader en ik zochten U met smart. Waarom zocht gij Mij? zeide Jesus. Wist gij dan niet, dat Ik in de zaken mijns Vaders zijn moet? Doch Maria en Joseph begrepen niet wat Jesus daarmede zeggen wilde. Zij wisten wel dat Hij de Zoon Gods was, dat Hij gekomen was om de menschen zalig te maken; maar zij wisten niet welke in het bijzonder de bevelen van zijn hemelschen Vader waren, die Hem te Jerusalem hadden teruggehouden. Wij lezen ook niet, B. B., dat Maria en Joseph Jesus later daarover ondervraagd hebben. Zij wisten dat het de wil van den hemelschen Vader was; zij waren tevreden Jesus terug gevonden te hebben en keerden met Hem naar Nazareth weder. De Catechismus vraagt:
— 263 —
Wat heeft Christus voorts gedaan? En hij antwoordt:
Hij heeft verborgen geleefd hij zijne ouders tot den ouderdom van omtrent dertig jaren, wanneer hij heeft begonnen te prediken.
Werpen wij vandaag een oogslag op het huisje van Nazareth om de Heilige Familie een weinig van nabij te leeren kennen. Wij zuilen daarin vinden:
I. Voorbeelden van allerlei deugden;
II, Een volmaakt toonbeeld van een gelukkig huisgezin.
1.
In \'t huisje van Nazareth vinden wij vooreerst voorbeelden van allerlei deugden, vooral in het goddelijk Kind.
Jesus is, onder anderen, ootmoedig, gehoorzaam en arbeidzaam. Te Nazareth leidt de Zoon Gods een verborgen leven tot omtrent zijn dertigste jaar; Hij onderwerpt zicli aan Maria en Joseph: End subditus illis, (i) zegt het Evangelie: Hij was hun onderdanig.
Een God-Schepper onderdanig aan zijne schepselen! Wat schoon voorbeeld van ootmoedigheid en vooral van gehoorzaamheid! Ja, B. B., \'t is te Nazareth dat wij naar school moeten gaan om de plichten jegens onze ouders en oversten te leeren kennen. Daar leert Jeamp;us ons hoe wij hen moeten beminnen, gehoorzamen en eerbiedigen. Jesus-Christus heeft alle staten geheiligd, maar wijl het grootste gedeelte der mensehen hunne zaligheid moeten bewerken onder de gehoorzaamheid, zoo wijdt Hij het grootste gedeelte zijns levens aan de gehoorzaamheid toe, en leert Hij ons aan ouders en oversten onderdanig zijn, al zouden zij zelfs ver beneden ons in verdiensten staan. Maria en Joseph stonden voorzeker oneindig beneden Jesus, en niettemin. Hij was hun onderdanig: Erat subditus illis.
(i) Luc. ii, 51.
Ouzo goddelijke Zaligmaker heeft gearbeid in het werkhuis van zijnen voedstervader. Men is in \'t algemeen van gevoelen dat de Heilige .losepli een timmerman was, en daaruit besluit men dat Jesus hetzelfde werk verrichtte: Nonne /tic esl /\'abri filiits? (l) Onze goddelijke Zaligmaker heelt zich in den geest van boetvaardigheid aan don arbeid onderworpen. God, B. B., heeft onze stamouders Adam en Eva na hunnen val niet tot det hel willen veroordeelen, maar Hij veroordeelde hen tot den arbeid, om in liet zweet huns aanschijns hun brood te verdienen. Jesus, die de zonden van het menschdom op zich genomen had, heeft zich ook aan de straffen der zonden willen onderwerpen. Vandaar dat de 11. Vaders Jesus-Chnstus de volgende woorden van den koninklijken Profeet in den mond leggen: Pauper sum ego el in laboribus a juventute inca: (2) Ik ben arm en van mijne jeugd af in den arbeid. Ziedaar, B. li., eenige deugden, waarvan het goddelijk Kind ons allen het voorbeeld gegeven heeft.
II.
Op de tweede plaats heb ik gezegd dat het H. Huisgezin van Nazareth een volmaakt toonbeeld is van een gelukkig huisgezin op aarde, en geen wonder. De H. Familie B. B., bestaat uit drie leden, uit Jesus, Maria en Joseph. Zij leven te Nazareth verborgen en onbekend aan de wereld; zij leiden een arm, werkzaam en boetvaardig leven; zij winnen hun brood in het zweet huns aanschijns. Jesus, Maria en Joseph zijn arm en tevens rijk; zij zijn arm in aardsche en vergankelijke goederen, maar rijk in hemelsche goederen, die eeuwig blijven duren. Hoe getrouw is het H. Huisgezin aan do wet des Heeren! Welke zoete vrede, welke eendracht heerscht in dat H. Huisgezin! De H. Joseph is een voorbeeld van vaderlijke waakzaamheid; Maria is een voorbeeld van moederlijke zorgvuldigheid; Jesus
(ij Matth. xiii, 55. i) Ps. lxxxvii, 16.
is een voorbeeld van gehoorzaamheid en kinderlijke liefde. Geen wonder zoo dat H. Huisgezin tot toonbeeld dient aan alle clirislelijke liuisgezinnen, Ja, \'t is naar het II. Huisgezin dat men goede, gelukkige en vreedzame huisgezinneu zal vormen. \'Waarom denkt gij wel dat er hedendaags zoo vele slechte huisgezinnen gevonden worden, waaruit de vrede en het geluk gebannen zijn? Om deze eenvoudige reden: wijl Jesus niet in de kinderen, Maria niet in de moeder en de heilige Joseph niet in den vader te vinden is. Jesus bevindt zich niet in den zoon, die tegen zijnen vader opslaat; Jesus bevindt zich niet in de dochter, die niet meer naar hare moeder luistert. En waarom, denkt gij, staat die zoon tegen zijnen vader op? Waarom luistert die dochter niet meer naar hare moeder? quot;Waarom weigeren de kinderen hunne ouders liefde en eerbied, gehoorzaam- en behulpzaamheid? O, B. B., de ouders zeiven zijn er doorgaans de schuld van; omdat Maria zich niet bevindt in de moeder. Die moeder, in plaats van hare kinderen de godsvrucht en liefde tot God in te prenten, leert hun de ijdelheden der wereld en de gevaarlijke vermaken najagen. Waarover spreekt niet zelden eene ijdele en onvoorzichtige moeder aan hare kinderen? Over opschik, pracht, mode, schoone kleederen en vermaken. En welken geest denkt gij dat dergelijke moeder haren kinderen inprent? O, voorzeker, den geest der wereld. Doch wat is dat voor een geest de geest der wereld? De geest der wereld, B. B., is een hoovaardige geest; een hoovaardige geest is een onafhankelijke en wederspannige geest. Bn gij zijt verwonderd dat uwe kinderen tegen u opstaan na hen den geest der wereld te hebben ingeprent? Ik zoude veeleer verwonderd zijn zoo zij niet tegen u opstonden. Ach, arme moeder! gij plant, om zoo te zeggen, rozenstruiken en gij denkt er niet aan hoe verschrikkelijk gij eenmaal, als gij de rozen zult willen plukken, uwe handen aan de doornen zult wonden, d. w. z., dat gij naderhand, als gij van uwe k nderen veel genoegen en voldoening zult meenen te hebben, dat gij reeds in dit leven.
— 266 —
in uwe oude dagen, niets dan verdriet en veel verdriet zult hebben.
Waarom weigeren de kinderen hunnen ouders liefde en eerbied, gehoorzaam- en behulpzaamheid? Omdat de H. Joseph zich niet bevindt in den vader. Die vader, in plaats van zijnen kinderen goede voorbeelden te geven, ergert hen en brengt hen zoo tot het kwaad. O, die vader heeft mooi praten, gebieden en verbieden; zoo hij zelf geene goede voorbeelden geeft, wat zal het hem baten? Niets, R. B., volstrekt niets; want wat zegt hot spreekwoord: Woorden wekken, maar voorbeelden trekken. Het voorbeeld des vaders is veel krachtiger voor het kind dan het strengste gebod. De algemeene regel nu is deze; waar de kinderen slecht zijn, zijn de ouders ook slecht, of ten minste zij zijn slecht geweest; zij verwaarloozen hunne plichten, of zij hebben ze verwaarloosd. Is het niet een ander spreekwoord, dat dien algemeenen regel bevestigt? En hoe luidt dat spreekwoord? Gelijk de ouden zongen, zoo piepen de jongen: Ja, B B., dat is maar al te waar; er kan hier of daar wel eene uitzondering zijn, doch eene uitzondering vernietigt den algemeenen regel niet, integendeel, zij bevestigt hem.
, SLUITREDE.
Te Nazareth beoefent het goddelijk Kind, gelijk wij gezien hebben, allerlei deugden. Te recht kan Jesus ons dus zeggen; Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat gij doen zoudt gelijk Ik gedaan heb. Hij leert ons vooral ootmoedig, gehoorzaam en werkzaam zijn. De kinderen leert Hij hoe zij zich van hunne plichten jegens hunne ouders moeten kwijten: Hij leert ons allen boetvaardigheid doen en God bidden. O, B. B., de mensch heeft niet gezien welke strenge boetvaardigheid het goddelijk Kind te Nazareth gedaan, en hoe dikwijls en hoe vurig Het gebeden heeft. Hoe veel nachten heeft Jesus niet in het gebed doorgebracht? Hoe dikwijls heeit Hij zich niet in de eenzaamheid
begeven, om ver van de wereld verwijderd zijne onschuldige handjes ten hemel te verheffen en zijn hemelschen Vader voor ons te bidden? Volgen wij Jesus zoo veel mogelijk na. De ouders daarenboven moeten de allerheiligste Maagd Maria en den heiligen Joseph navolgen. O gelukkige huisgezinnen, die het H. Huisgezin van Nazareth tot toonbeeld nemen! gelukkig hier op aarde, want vrede en eendracht zullen er in heerschen: gelukkiger nog hiernamaals, want zij zullen zich mogen aansluiten bij het H. Huisgezin. Ja, die kinderen, die moeders en vaders zullen zich eenmaal mogen vereenigen met Jesus, Maria en Joseph in den hemel. Amen.
ZEVEN - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING
OVER HET OPENBAAR LEVEN VAN CHRISTUS
Tentatus per omnia absque peccato. Hij is in alles beproefd uitgenomen de zonde. (IIkb. iv, 13.)
INHOUD.
VOORREDE.
Jesus, dertig jaren oud zijnde, be^on zijn openbaur leven. Hij ving aan met do deugd van ootmoedigheid. Jesus ging naar Joannes den Dooper om liet Doopsel van boetvaardigheid tc ontvangen.
God de Vader en Joannes de Dooper legden getuigenis van Jesus af.
VERDEELING.
I. Jesus werd bekoord in de woestijn;
II. Waarom heeft Jesus willen bekoord worden?
III. Wat deed Jesus na den duivel overwonnen te hebben?
— 269 —
I.
De Geest Gods dreef onzen goddelijken Zaligmaker naar de woestijn en deze liet toe dat de duivel Hem bekoorde. Jesus werd bekoord als volgt:
1° Zeg dat deze steenen brood worden;
2° Bijaldien Gij de Zoon Gods zijt, werp Ufdan naar beneden;
3° Ik zal U dat alles geven, zoo Gij ter aarde vallende mij aanbidt.
II.
Jesus heeft willen bekoord worden;
1° Om den duivel te overwinnen;
2° Om voor ons de genade te verdienen van den duivel te kunnen .overwinnen;
3° Om te toonen dat Hij waarlijk mensch was;
4° Om te toonen dat de bekoringen in zich geene zonden zijn.
Middelen tegen de bekoringen: het gebed, de versterving, het woord Gods.
III.
Jesus, na den duivel overwonnen te hebben, begon te prediken. Hij koos twaalf Apostelen en stelde Petrus aan hun hoofd. Hij koos ook nog twee en zeventig leerlingen. Hij sprak met gezag en bevestigde zijne leering met mirakelen.
SLUITREDE.
Zijn wij dankbaar voor al het goed dat Jesus ons tijdens zijn openbaar leven gedaan heeft. Trachten wij de middelen, die Hij ons aangewezen heeft om den duivel te overwinnen, te gebruiken en wij zullen gelukkig zijn hier en hiernamaals.
— 270 —
ZEVEN EN TWINTIGSTE ONDERRICHTING
OVER HET OPENBAAR LEVEN VAN CHRISTUS
Tentatus per omnia absque peccato.
Hij is in alles beproefd uitgenomon de zonde. (Heb. iv, m.)
VOORREDE.
Zoodra onze goddelijke Zaligmaker zijn dertigste Jaar bereikt had, was de tijd aangebroken om zijn openbaar leven te beginnen. Getrouw aan zijne zending, zeide Jesus vaarwel aan de eenzaamheid en verliet de arme quot;woning van Nazareth, die zoolang getuige was geweest van zijne deugden en heiligheid.
Jesus wendde zich eerst tot Joannes den Doopèr, die het Doopsel van boetvaardigheid in de woestijn van Judëa predikte, de Joden doopte en hen tot de komst van den Messias, wiens voorlooper hij was, voorbereidde.
Onze goddelijke Zaligmaker begon met zich te vernederen; Hij wilde door Joannes gedoopt worden. Joannes wilde in den beginne niet toegeven. Overtuigd dat Jesus do Zoon Gods was, zeide hij: Ik moet door U gedoopt worden en Gij komt tot mij? Jesus antwoordde: Laat het nu toe; want zoo behoort het dat wij alle gerechtigheid vervullen, Jesus namelijk door zich te vernederen en Joannes door te gehoorzamen. De gehoorzaamheid en de ootmoedigheid zijn de twee grondslagen der gerechtigheid. Aan de gehoorzaamheid zijn de overige deugden onderworpen en de ootmoedigheid verkrijgt en bewaart ze.
Nadat onze goddelijke Zaligmaker aldus gesproken had, gaf Joannes toe; hij gehoorzaamde en doopte Jesus. Na gedoopt te
— 271 —
zijn kwam Jesus terstond uit het water; en ziet! de hemel opende zich voor zijne oogen; Mij zag den Geest Gods onder de gedaante eener duif nederdalen en zich op Hem nederzetten. Tegelijkertijd hoorde men eene stem uit den hemel: Deze is mijn welbeminde Zoon, in wien Ik mijn welbehagen genomen heb. God de Vader geeft dus getuigenis dat Jesus-Ghristus waarlijk zijn Zoon is. Joannes de Dooper geelt op zijne beurt getuigenis van Jesus-Christus dat Hij de lang gewenschte Messias is: hij zegt tot het volk dat bij hem is, Jesus als het ware met den vinger aantoonende: Ziedaar het Lam Gods; ziedaar die de zonden der wereld wegneemt. Zien wij vandaag:
1. Hoe Jesus bekoord werd in de woestijn;
II. Waarom Hij heeft willen bekoord worden;
III. Wat Jesus deed na den duivel overwonnen te hebben.
Na gedoopt te zijn begaf zich onze goddelijke Zaligmaker naar de woestijn; Hij vastte daar veertig dagen en veertig nachten zonder iets te gebruiken.
De duivel, die wilde beproeven of Jesus waarlijk God of maar enkel mensch was, kwam Hem bekoren. Hij stelde alles in het werk om onzen goddelijken Zaligmaker tot zonde te brengen.
* Bijaldien gij de Zoon Gods zijt, zeide de duivel zich tot Jesus wendende, zeg dan dat die steenen brood worden. Jesus antwoordde: De mensch leeft niet alleen van brood, maar van elk woord, dat uit den mond van God komt. Ziedaar de bekoring voor de eerste maal overwonnen.
De duivel stelde Jesus op de tinne des tempels en zeide: Zoo Gij de Zoon Gods zijt, werp u dan naar beneden; want God heeft zijnen Engelen over U bevolen; zij zullen U op hunne handen dragen, opdat Gij uwen voet niet stootet aan eenen steen. Er staat geschreven zeide Jesus: Gij zult den Heer uwen
God niet beproeven. Ziedaar de bekoring voor de tweede maal overwonnen.
De duivel, na reeds twee maal overwonnen te zijn, lt;jaf den moed niet op; hij ging voor de derde maal de kans wagen. Hij nam Jesus op, stelde Hem op een hoogen berg, toonde Hem de koninkrijken der wereld met al hunne grootheid en pracht en voegde er bij: Dat alles zal ik U geven, zoo Gij ter aarde vallende mij aanbidt. Jesus de hoovaardigheid van den duivel ziende antwoordde verontwaardigd, terwijl Hij hem met zijnen naam noemde: Neem u weg. Satan! want er staat geschreven: Gij zult den Heer uwen God aanbidden en Hem alleen dienen. Ziedaar de bekoring voor de derde maal overwonnen. Daarop verliet de duivel, beschaamd men kan niet meer, onzen godde-lijken Zaligmaker, en ziet. Engelen naderden om Hem te dienen.
II.
Jesus overwon, gelijk wij gezien hebben, tot drie maal toe den duivel.
Doch waarom heeft Hij willen bekoord worden, daar Hij toch volstrekt niet kon overwonnen worden?
Jesus heeft willen bekoord worden:
1° Om op zijne beurt den duivel, dien leugenaar, die in het aardsch Paradijs onze stamouders overwonnen had, in de woestijn te overwinnen, om daar den val van Adam en Eva te herstellen.
2° Hij heeft willen bekoord worden, om voor ons de genade van den duivel te kunnen overwinnen en de overwinning zelve te verdienen.
3° Hij heeft willen bekoord worden, om te toonen dat Hij waarlijk mensch was, en dat Hij zich als het ware met al onze zwakheden bekleed had, uitgenomen de zonde.
— 273 —
4° Jesus heeft willen bekoord worden, om ons te toonen hoe noodzakelijk het is de bekoringen en beproevingen te ondergaan, om zijne zaligheid te bewerken.
De duivel, ]gt;. !gt;., haat de braafste Christenen het meest en hij valt hen het hevigste aan. En inderdaad: waarom zoude de duivel eenen zondaar, die dikwijls en gemakkelijk in de zonde valt, veel lastig vallen en bekoren? \'t Is onnoodig: de duivel heeft dien zondaar reeds onder zijne macht; hij leidt hem met zacht-en voorzichtigheid; hij laat hem gerust en tracht hem tevreden te stellen. Maar, K. R., zoo is het niet gelegen met den mensch die God \'bemint, die de deugd beoefent en een afschuw heeft van de zonde. Neen, dien braven mensch zal de duivel niet gerust laten; hij zal alles aanwenden om hem lot zonde te brengen, in een woord, hij zal hem bekoren. Gij ziet dus dat de bekoringen, in plaats van een sleclrt teeken te zijn, niet zelden een goed teeken zijn. Bekoord worden is geene zonde: wij allen zijn menschen en aan de aanvallen van den duivel, de wereld en het vleesch blootgesteld; maar onder de bekoringen bezwijken, zich overwonnen geven, ziedaar de zonde.
Om nu dat ongeluk niet te betreuren te hebben, moeten wij de middelen gebruiken, die ons voorgeschreven worden om aan de bekoringen te kunnen wederstaal). Igt;ie middelen zijn talrijk on verschillend volgens de verschillende bekoringen. Onze goddelijke Zaligmaker in de woestijn wijst ons door zijn gedrag drie middelen aan.
1° Met gebed. Als wij bekoord worden moeten wij ootmoedig onze toevlucht tot (iod nemen: wij moeten wel weten dat wij uit eigen krachten onze vijanden niet kunnen overwinnen, dat wij daartoe Gods genade noodig hebben, welke genade men door een nederig gebed kan bekomen.
2° De versterving. Wij moeten door den overdaad in spijs en drank de vijanden onzer zaligheid niet stouter en sterker maken. Wij allen hebben één vijand, die ons altijd en overal
gklooks- kn zkdenlkhr is.
vergezelt; die vijand is ons eigen vleesch dat tegen den geest opstaat. Welnu, om onder de aanvallen van dien vijand niet te bezwijken, moeten wij onder anderen ons versterven.
;}0 Een ander middel is het woord Gods. Onze goddelijke Zaligmaker heeft zich van dat middel bediend: doen wij het zelfde. Denken wij dus aan de een of andere waarheid van onzen heiligen godsdienst, vooral aan die, welke den grootsten indruk op ons kan maken, bijv., aan de goedheid Gods, dien men door de zonde beleedigt; aan de ijdelheid der vermaken, die wel voor een oogenblik den mensch wat genoegen verschaffen, maar welk genoegen weldra verdwijnt, het hart niet kan verzadigen en ten laatste met verdriet en bitterheid vervult. Denken wij als wij bekoord worden aan de gevaren, waaraan wij ons blootstellen door de zonde te bedrijven. Denken wij aan onze uitersten, aan den dood, die ons in de zonde kan verrassen. O, B. 15., hoeveien zijn er niet in de zonde gestorven? De duivel, ik weet wel, zal u zeggen, als gij aan den dood denkt, dat gij nog jong en sterk zijt, dat gij bijgevolg nog niet zult sterven. Zoo heeft hij ook met andere jonge personen gehandeld, die alhoewel sterk in de zonde gestorven zijn. Hetgeen anderen overkomen is, kan ons ook overkomen. Hoe groot zal dan de rekenschap niet zijn, die wij God zullen moeten geven? Ziedaar het oordeel: oordeelen wij ons zeiven eerst, om later in het oordeel door God niet veroordeeld te worden. Htellen wij ons ook de hel en den hemel voor oogen: de hel met hare pijnen en folteringen, die men voor eeuwig zal moeten lijden zoo men in doodzonde komt te sterven: en waarvoor? Voor dat vloeken, voor een kortstondig vermaak, voor eene handvol onrechtvaardig geld of goed, enz.; den hemel, dat onuitsprekelijk geluk van God eeuwig aanschijn aan aanschijn te aanschouwen, welk geluk men door de doodzonde verliest. O, B. B., denken wij bij tijds aan die waarheden om ze naderhand niet te laat te moeten ondervinden.
— 275 —
Wanneer wij ons nu in de bekoringen van die middelen bedienen zullen wij niet bezwijken; in plaats van te bezwijken zullen wij de vijanden onzer zaligheid overwinnen. En welke zal onze belooning zijn? Buiten den hemel, zoo wij volharden, zal God ons reeds hier op aarde beloonen met den vrede des gewetens, met liet bewustzijn dat wij God getrouw zijn gebleven. Wat gebeurde er met Jesus-Christus? Er kwamen Engelen bij Hem om Hem te dienen. Ik wil nu juist niet zeggen, dat wij, na de bekoring overwonnen te hebben, door Kngolon zullen gediend worden; doch wat toch zeker is, wij zujlen tevreden zijn; God zal ons troosten, daar wij integendeel zoo wij de zonde bedrijven de knaging van ons geweten zullen gevoelen. Neen, B. B., wat de goddelooze ook doe of niet; hoe de zondaar zich uitwendig ook aanstelle en trachte te toonen dat hij tevreden en gelukkig is, \'t is te vergeefs, \'t is niet waar. De li. Schrift is te klaar, Wat zegt God in de II. Schrift? Non cal pa.v irnpiis: (i) Er is geen vrede voor do goddeloozen: de godde-loozen zijn gelijk aan eene zee, die niet kan bedaren; Irnpii quasi marc /\'erfens, quad qniescere non potest. (2) Ziedaar, B. B., wat den mensch wedervaart, die aan de bekoringen wederstaat, of die er onder bezwijkt en zich overwonnen geeft.
111.
Na den duivel overwonnen te hebben, verliet onze goddelijke Zaligmaker de woestijn om zijn openbaar leven te beginnen. Dertig jaren oud, goed voorbereid ving Hij aan met prediken. Dat leeraarsambt oefende Jesus ongeveer drie jaren lang uit. Om zijne Kerk te stichten koos II ij eenige Apostelen, d. i., zendelingen, wijl Hij hen moest uitzenden om het Kvangelie te verkondigen.
(i) Is. XL vin, 22. (2) Is. LVII, 20.
— 27G —
De Catechismus vraagt:
Hoeveel Apostelen heeft Christus verkoren? Kn hij antwoordt:
Twaalf.
])(\', twaalf Apostelen zijn: Petrus en Andreas, Jacobus en Joannes, Philippus en Bartholomëus, Matthëus en Thomas, Jacobus zoon van Alpheus en Judas, Simon en Judas de Iskarioter, die Jesus verraden heeft.
Wien heeft hij aan hel hoofd zijner Apostelen gesteld?
Den heiligen Petrus.
De Apostelen, B. B.. waren in den beginne ongeletterde menschen. Jesus koos hen om zijne macht des te beter te doen uitschijnen en opdat men later den goeden uitslag niet aan hunne kennis en wetenschap zoude toeschrijven. Wijl de oogst overvloedig en het getal der arbeiders klein was, koos Jesus nog andere leerlingen uit. De Catechismus vraagt:
Heeft Christus nog andere discipelen verhoren? En hij antwoordt:
Ja, nog twee en zeventig, die hij vooraf zond, naar de plaatsen waar hij van zin was te gaan prediken.
Jesus ging de steden en dorpen van Judëa rond, overal het Evangelie, d. i., de blijde tijding verkondigende, ilij predikte de verzoening van God met de menschen; Hij leerde wat de menschen moesten doen om kinderen Gods en erfgenamen van zijn rijk te worden.
Onze goddelijke Zaligmaker sprak met gezag. Al wat Hij zeide leerde ilij tevens met zijn voorbeeld. Predikte ilij de armoede of de versterving. Hij gaf er het voorbeeld van. Hij at wat men hem gaf. Op zijne reizen verbleef Hij bij hen die Hem ontvingen. Armen en rijken stonden bij Hem gelijk, of liever, Hij had eene voorliefde voor de armen. Hij verkeerde zelfs met de zondaren om hen te bekeeren en tot boetvaardigheid aan te zetten. Hij bevestigde zijne leering met wonderen, die zijne
— 277 —
lt;gt;\'0(lliei(l deden uitschijnen, in een woord, Jesus bewees overal weldaden, xoodat het volk uitriep: Bene omnia fecit: (i) Hij heeft alles wel gedaan.
SLUITREDE.
Ziedaar, B. 15., reeds eene korte schets van het openbaar leven van onzen goddelijken Zaligmaker. Trachlen wij daarin Gods goedheid jegens ons te overwegen, want \'t is niet alleen voor zijne tijdgenoten, maar ook voor ons dat Jesus alles gedaan heeft. Doen wij ons best van die goedheid nimmer te beleedigen door de zonde; en daarom, wederstaan wij aan de bekoringen van de vijanden onzer zaligheid; nemen wij onze toevlucht tot God; bedienen wij ons van de middelen, waarvan wij gesproken hebben, namelijk, van liet gebed, van de versterving en liet woord Gods; voorzeker, dan zullen wij den goeden God nimmer vergramuion, wij zullen de vijanden onzer zaligheid overwinnen en voor de overwinningen op onze vijanden behaald door God ruimschoots beloond worden in den hemel. Amen.
(l) Marc. vu, 37
ACHT - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING
OVER HET OPENBAAR LEVEN VAN CHRISTUS
Potens in opere et sernione.
Hij was machtig in werken on woorden.
(Luc. XXIV, 19.)
INHOUD.
VOORREDE.
Hoe meer men het leven van Jesus overweegt, des te meer treft men er in aan. Alles is overwegenswaardig: zijne woorden zijne werken en zijn lijden:
VERDEELING.
I. Jesus heeft veel geleerd;
II. Jesus heeft wondere zaken verricht;
III. Jesus heeft veel geleden.
— 279 —
I.
Jesus heeft veel geleerd, of liever Hij heeft ons alles geleerd wat wij moeten weten cn doen om zalig te worden. Gesprek van Jesus met den welgeleerde. Jesus \'sprak doorgaans met zachtheid. De inwoners van Nazareth, liet volk en de dienaren stonden verwonderd over Jesus\' leering. Met de hardnekkige en versteende zondaren ging Jesus streng te werk: woorden tot de rharisëen en Schriftgeleerden. IJdel voorwendsel van hen, die beweren dat zij zich zouden bekeeren, zoo zij Jesus hoorden prediken. De rijke vrek en de arme Lazarus.
II.
Jesus heeft wondere zaken verricht, én in de orde der natuur, én in de orde der genade. Hij verwekte de dooden, deed de blinden zien, enz. Bekeering van Zachëus en Maria Magdalena.
III.
Jesus heeft veel geleden. Hij trof er aan, die zijne leering niet wilden aannemen; anderen spraken Hem tegen, vervolgden Hem en stonden Hem naar het leven. Jesus nochtans ging voort met prediken. Woorden van Jesus tot den schriftgeleerde. Jesus was arm en vermoeide zich.
SLUITREDE.
Wijl Jesus zooveel geleerd, gedaan en geleden heeft moeten wij van onzen kant ook ons best doen en arbeiden aan het werk oiizer zaligheid.
ACHT - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING
OVER HET OPENBAAR LEVEN VAN CHRISTUS
l\'ofcus in opcre et sermone.
Hij was machtig in werken en woorden.
(Luc. xxiv, M.)
VOORREDE.
Hoe meer wij, B. li., over het leven van onzen goddelijker! Zaligmaker nadenken, de bijzonderheden er van overwegen, des te meer en des te groofere daden ireHen wij er in aan onze aandacht en overweging waardig. Kn inderdaad; wat knnnen wij in het leven van Jesus-Christus overwegen? De 11 Bernard us antwoordt op die vraag, als hij zegt: Alles is overwegens-waardig; zijne woorden, zijne werken en zijn lijden. Jesus immers hoeft:
1. Veel geleerd;
II. Wondere zaken verricht;
111. Veel geleden.
I.
Jesus, B. B., heeft vooreerst veel geleerd, of liever Hij heeft ons alles geleerd wat wij moeten weten en doen om zalig te worden. Hij heeft ons geleerd onze plichten jegens God, jegens ons zeiven en jegens onzen evennaaste, en de -wijze waarop wij ons van die plichten moeten kwijten. Zekeren dag stelde een wetgeleerde onzen goddelijken Zaligmaker op de proef; hij
— 281 —
ondervroeg Hem naar het groot gebod der wet. Meester! zeide die wetgeleerde, welk is wel het groot gebod der wet? Quod esl mandatum magnum in lege? (i) Jesus, die liet inzicht van dien wetgeleerde zeer goed kende, gewaardigde zich nochtans te .antwoorden: Gij zult den Heer uwen God beininrien, zeide Hij, uit geheel uw hart, uit geheel uwe ziel en uit geheel uw verstand- dat is het grootste en eerste gebod; doch, voegde Jesus er bij, er bestaat nog een tweede, aan het eerste gelijk; Gij zult uwen evennaaste beminnen gelijk u zeiven: aan die twee geboden hangt de gansche wet en de Proleten. Die twee geboden dus kunnen niet gescheiden worden. Die God bemint, bemint zijnen evennaaste, en die zijnen evennaaste niet bemint, bemint ook God niet. Hoe zullen zij zich nu kunnen rechtvaardigen, die met hunnen evenmensch aanhoudend, in twist en tweedracht leven? die den voorspoed van hunnen evenmensch met nijdige oogen aanzien? die hem kwaad wenschen, zelfs ongelijk aandoen door zich aan onrechtvaardigheid plichtig te maken, of door de eer of den goeden naam van den evenmensch aan te randen? Handelen dergelijke personen ook volgens de leering van Jesus-Christus en onderhouden zij zijn gebod van den evennaaste te beminnen gelijk zich zeiven?
Integendeel, zij handelen juist tegen de leering van .lesus-Christus, zij overtreden zijn gebod van den evennaaste te beminnen en zij overtreden tevens het gebod van God te beminnen, waarom? Omdat die twee geboden niet kunnen gescheiden worden.
Als onze goddelijke Zaligmaker het volk onderrichtte, ging Hij doorgaans met zachtheid te werk, waardoor Hij niet zelden de verstokte harten won. De inwoners van Nazareth overigens tegen Hem ingenomen waren nochtans getroffen, als zij Hem hoorden spreken. Het volk, dat Hem vergezelde, verlangde zoo zeer Hem te hooren dat het soms zijn eten en drinken vergat.
(]) Mattii. xxii, 30.
— 282 —
Jesus\' vijanden zeiven waren gedwongen te bekennen dat er nooit iemand gesproken had gelijk Hij.
Zekeren dag dat Jesus liet volk over zijne zending onderrichtte, zonden de Oversten en de Pharaseën dienaren om Hem gevangen te nemen. Jesus zette zijne onderrichting voort. De dienaren, die Hem gevangen moesten nomen, hoorden Jesus ook, en getroffen door zijne zachtmoedigheid en leering koerden zij onverrichter zake terug. De Oversten en Phariseen vroegen waarom zij Hem niet gevangen genomen hadden. De dienaren antwoordden: Nooit heeft een mensch gesproken gelijk Hij: Nunquani locutus est homo sicut hic homo: (l) als wilden zij zeggen: Hoe zouden wij Hem gevangen hebben kunnen nemen, wiens leering en welsprekendheid ons verwonderd en eerbied ingeboezemd hebben.
Jesus, B. E., onderrichtte het volk doorgaans met zachtheid. Ik zeg doorga,cms; want als er sprake was van de hardnekkige zondaren te berispen, dan ging Hij niet altoos met dezelfde zachtheid te werk. Het Evangelie levert er ons meer dan een bewijs van. Dinners, hoe streng berispte Jesus de sclhjnlieiligheid der Phariseen en Schriftgeleerden. Wee u, Phariseen en Schriftgeleerden, gij huichelaars! Va; vobis hypocrüce! ip) Hij vergeleek hen bij wit gepleisterde grafsteden, die van buiten schoon, doch van binnen vol doodsbeenderen en vuiligheid zijn. Hij noemde hen slangen en adderengebroed. Hij vroeg hun rechtuit, hoe zij de straffen van het helsche vuur zouden ontkomen: Quomodo fugietis a judicio gehenncc? Hoe behandelde Jesus den ergernisgever? Wee den mensch, door wien de ergernis komt! Wee u rijken! zeide Jesus, die hier uwe vertroosting hebt. Hij sprak natuurlijk van slechte rijken, die zonder medelijden zijn voor den arme en die van hun geld en goed misbruik maken. Wee u, die thans lacht! d. w. z,, die uw vermaak schept in de zonde, naderhand zult gij weenen: Quia lugebitis et flebitis. (3) Tot
(i) Joan, vu, 46. (2) Matth. xxiii, 29, 33. (3) Luc. vi. 25.
— 283 —
de hardnokkige Phariseën, die Hem altijd wederstonden, zoide Hij: In pcccalo vestro moricrnini: (i) in uwe zonden zult gij sterven. Dezclfdo waarheden, 15. B., verkondigt Jesus tot op den dag van heden door den mond zijner dienaren. Men zoude zicli soms met de gedachte willen vleien en zeggen, dat men zich zoude bekeeren eu boelvaardigheid doen, zoo men .Tesus-Ohristus in persoon eens hoorde prediken. Eu inderdaad, \'t is mogelijk. Doch weet, B. B., dat de hedendaagsche predikanten dezelfde waarheden verkondigen; dat Jesus-Christus iu hun persoon vermaant van de zonden te vluchten en de deugd te oefenen. Want wat zegt Jesus? Die u hoort, zegt Hij, hoort Mij, en die u veracht veracht Mij: Qui vos audit me audit, et qui vos spernit me spernit. (2) Bijgevolg zal rieu zich niet kunnen verschoonen, zoo men naar de predikanten niet luistert, (lij kent do geschiedenis van den armen Lazarus en van den rijken vrek. De rijke vrek begraven liggende lu de hel verzocht Abraham Lazarus naar zijne broeders te zenden, die nog leefden, om ben met zijn ongeluk bekend te maken, opdat zij later ook niet in de folteringsplaats zouden komen. Wat antwoordde Abraham? Zij hebben Moses eu de Profeten. De rijke vrek zeide: Ach neen. Vader Abraham! maar zoo er iemand uit het doodenrijk bij hen komt, dan zullen zij zich bekeeren en boetvaardigheid doen. Abraham antwoordde: Bijaldien zij naar Moses eu de Profeten niet luisteren, dan zullen zij ook niet luisteren al stond er zelfs iemand onder de dooden op. Zouden wij niet heizelfde mogen zeggen van hen, die denken of beweren, dat zij zich zouden bekeeren, zoo zij Jesus eeus hoorden prediken? Dat zij dan het onrechtvaardig geld of goed zouden teruggeven, den haat zouden afleggen, van deze of geene plaats, van dezen of genen persoon zouden weg blijven? Wat mag men dergelijke personen antwoorden? Gij zoudt u niet bekeeren noch boetvaardigheid doen, al hoordet gij Jesus in persoon prediken, en in uwe zonden zult gij sterven: Ut in peccato vestro moriemini.
(1) Joan. viii, 21. (2) Luc. x, 1g.
— 284 —
II.
Jesus heeft op de tweede plaats wonders dingen verricht. Hij was maclitig niet alleen in woorden, maar ook in werken; Polens in operc et sennone. (l) Hij deed wonderen, én in de 01 de der natuur, en in de orde der genade. De Catechismus vraagt:
McZ/iV mivakclen deed Clwistus? l*]n hij antwoordt:
Hij verwe/ite de dooden, hij deed de blinden zien, de dooven hooren, de kreupelen cjuan, hij genas eene menigte van zieken, enz.
Jesus verwekte de dooden, zooais de dochter van Jaïrus, den zoon van de weduwe van Nairn, Lazarus den broeder van Maria en Martha. Hij deed de blinden zien, zooals den blindgeborene, den blinde van Jericho, den blinden Bar-Timeus en zijn gezel, die ook blind was.
Jesus deed de dooven hooren, waaronder een doofstomme.
Jesus deed de kreupelen gaan; zoo genas Hij met een enkel woord een lamme te Capharnaum. Hij genas eene menigte andere zieken.
Onze goddelijke Zaligmaker deed nog andere wonderen. Hij gebood aan de winden en aan de zee: Hij gebood aan de winden van los te breken of zich te bedaren; Hij zelf wandelde op de baren der zee en deed er Petrus op wandelen; Hij vermenigvuldigde het brood en do visschen tot tweemaal toe in de woestijn; Hij veranderde hot water in wijn; Hij joeg de duivelen uit en gebood hen van te zwijgen of te spreken.
Hij bekeerde de grootste zondaars, zooals Zachëus den tollenaar en Maria Magdalena om haar schandelijk gedrag de zondares genoemd.
(1) l,uc. xmv. 19.
— 285 —
III.
• Jesus heeft op de derde plaats veel geleden. Alhoewel lli.j eene zaligmakende leering en de waarheid verkondigde en zelfs met wonderen bevestigde, eenieder nam zijne leering en de waarheid niet aan. Hij ontmoette er velen, die Hein tegenspraken. De waarheid, zegt het spreekwoord, verwekt haat; Veritas odium parit. Wat gebeurt er, hij v., als een predikant uit, plicht en tot weizijn der geloovigen de waarheid zegt? Is men altijd tevreden? Ver vandaan. Welnu, hetzelfde had plaats tijdens de prediking van Jesus. Onze goddelijke Zaligmaker berispte de zondaren; Hij zeide de waarheid. Denkt gij, dat, bijv., de Pharisëen en Schriftgeleerden alles zoo gretig aannamen? Neen, B. B., maar zij haatten Jesus; zij spraken kwaad van Hem; zij vervolgden en trachtten Hem zelfs om het leven te brengen.
Jesus niettegenstaande ging voort met zijne zaligmakende leering te verkondigen: overdag onderwees Hij het volk; den nacht bracht Hij dikwijls door in het gebed; Hij matte zich af; doorgaans ging Hij te voet; voorraad om op reis te leven had Hij niet; Hij leefde van de aalmoezen; Hij deed wel mirakeien pm het volk te spijzen, maar dat Hij mirakelen gedaan heeft om zich zeiven te spijzen als Hij honger had, lezen wij niet. Jesus was dus arm. Zekeren dag wilde een Schriftgeleerde Hem volgen; .Meester, zeide die1 Schriftgeleerde, ik zal u volgen overal waar gij gaat: Scquar te quocumque ieris. (t) Jesus, die bemerkte dat die Schriftgeleerde zijn eigenbelang zocht, zeide; De vossen hebben hunne holen en de vogelen des hemels hunne nesten; maar de Zoon des menschen heeft niet, waar Hij zijn hoofd kan nederleggen. Is dat de armoede niet (en nilerste gedreven? Onze goddelijke Zaligmaker vermoeide zich ook. Wij lezen in het Evangelie dat Jesus zekeren dag afgemat bij den
\'i Mattii. vin, 19.
— 28G —
put van Jacob nederzat: Hij had dorst en vroeg de samari-taansche vrouw te drinken. Daaruit kan men besluiten dat Jesus uitgeput was van vermoeienis en dorst leed: Jesus ergo\' fatigatus ex itinere sedebat sic supra fonlcm. (i)
SLUITREDE.
Ziedaar, 15. 15., wat onze goddelijke Zaligmaker tijdens zijn openbaar leven geleerd, gedaan en geleden heeft om ons te onderrichten en den,weg naar den hemel te toonen Kn wij. Christenen, d. i., leerlingen van Christus, wij zouden niets doen? Jesus heeft zich voor ons opgeofferd, en wij zouden ons niet de kleinste moeite getroosten? Staan wij dus op uit onze lui- en onverschilligheid; slaan wij een oogslag op Jesus, Hij is ons voorbeeld, wij moeten Hem navolgen.
De Joden beroemden zich zekeren dag kinderen van Abraham te zijn. Wat antwoordde Jesus? Zoo gij kinderen van Abraham zijt, zeide Hij, doet dan ook Abrahams werken, d. w. z., volgt zijne deugden na. Wij beroemen ons Christenen te zijn: welnu; als ware Christenen moeten wij Christus navolgen. Hoe dan! de zondaren, die den schoonen naam van Christenen door hun slecht gedrag onteeren, durven beweren dat Jesus-Christus, die zoo ootmoedig en gehoorzaam, zoo matig en zuiver geweest ia», zijnen hemel zal geven aan de hoovaardigen en wederspannigen, aan de onmatigen en onzuiveren, in een woord, aan de zondaren? Zoo iets schijnt men zoo niet met woorden dan toch door zijne werken te zeggen. Maar welk denkbeeld vormt men zich dan van God? Neen, neen, 15. IJ., bedriegen wij ons niet; quot;t zal zoo niet gaan: wij moeten de handen aan \'t werk slaan, arbeiden en Jesus ons voorbeeld in zijne deugden navolgen, en dan, en dan alleen zullen wij eenmaal het geluk hebben van bij Hem
in den hemel te komen. Amen.
----- *
1) JOAN. IV, G.
NEGEN - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING
OVER HET LIJDEN VAN CHRISTUS
Oblatus est, quia ipse voluit.
Hij is opgeofferd, wijl Hij zeli\' het gewild hoeft. (ISAIASj Llïlj 7.)
INHOUD.
VOORREDE.
Jesus heeft geleden zijn geheel leven lang groote armoede en verdriet aan ziel en lichaam, maar op den dag van zijn lijden groote pijnen die nooit mensch verdragen heeft. In Jesus\' lijden schijnt vooral zijne liefde voor het mensclidom uit. Zien wij;
VERDEELING.
I. De benauwdheid van Jesus in den Olijfhof;
II. De gevangenneming van Jesus;
III. Hoe Judas en Petrus zich gedragen.
— \'288 —
I.
Jesus heeft geleden onder Pontius Pilatus. Hij begon zijn lijden in den Olijfhof. Hij werd bedroefd tot den dood toe en zweette water en bloed. Waarom die droefheid?
1° Jesns wilde de zwakheid zijner leden op zich nemen;
2° Hij wilde toonen dat de tegenstand van te sterven geene zonde is;
:{0 De zonde was de voornaamste reden van Jesus\' droefheid.
Vergelijking van Jesus\' droefheid met die van den zondaar.
II.
Jesus door Judas verraden. De heiligschender is een andere Judas, ja, erger dan Judas. Hoe gedraagt zich Jesus ten opzichte van Judas en den zondaar? Hoe gedragen zich Judas en de zondaar ten opzichte van Jesus?
III.
Jesus gevangen genomen werd eerst naar Annas, vervolgens naar Caïphas gebracht en mishandeld. Petrus verloochende zijn goddelijken Meester, doch bekeerde zich op eenen oogslag van Jesus en stortte bittere traner. Judas in wanhoop vervallen hing zich op en kwam ellendig om.
SLUITREDE.
Trachten wij noch Judas noch Petrus na te volgen in den val; doch hebben wij liet ongeluk gehad van gezondigd te hebben, wachten wij ons wel van evenals Judas te wanhopen, doch bekeeren wij ons oprecht en doen wij boetvaardigheid evenals Petrus.
— 289 —
NEGEN EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING
OVER HET LIJDEN VAN CHRISTUS
Oblatus est, quia ipse voluit.
Hij is opgeofferd, wijl Hij zelf het gewild heeft. (Isaias, lui, -.)
VOORREDE.
In onze voorgaande onderrichting, ]}. B., hebben wij gezien dat onze goddelijke Zaligmaker veel geleerd, wondere zaken verricht en veel geleden heeft. De (\'alecliismus vraagt:
Wat hecjl Chrislus voof ons geleden? Eu hij antwoordt: Zijn geheel leren lang groole armoede en verdriet aan ziel en lichaam; maar op den dag van zijn lijden groole pijnen, die nooit menseh verdragen heeft.
Waarom heeft Chrislus alle deze tormenten en dood willen verdragen?
(hn ons te loonen zijne zonderlinge liefde, en voorheelden le geven van vele deugden, hoewel hij mei Ideinen arbeid ons had hunnen eerlossen,
Ken enkele zucht was genoeg geweest om te voldoen voor de zonden van het menschdom, omdat die zucht van een persoon van eene oneindige waardigheid ook van eene oneindige waarde was; doch Jesus heeft willen lijden, llij is gestorven om ons zijne zonderlinge liefde te toonen: ja, die liefde schijnt vooral op den dag van zijn lijden uit, lijden, dat wij nu gaan overwegen. Wij zullen zien:
I. De benauwheid van Jesus in den Olijfhof; •
II. De gevangenneming van Jesus;
III. Hoe Judas en Petrus zich gedragen.
Gelooks- en Zedenleer. 19
— 290 —
I.
De vierde artikel van liet Symbolum des geloofs luidt als volgt: Passus sub Pontio Pilato, crucifixus, mortuus et sepultus-. Die geleden heeft onder Pontius Pilatus, gekruist, gestorven en begraven.
Door deze woorden, B. B., leeren ons de Apostelen den tijd kennen, waarop Jesus geleden heeft, namelijk, toen Pontius Pilatus landvoogd was van Judëa door keizer Tiherius aangesteld.
De Joden en vooral de Phariseën en Schriftgeleerden hadden tegen Jesus samengezworen: zij hadden vast besloten. Hij zoude sterven, koste wat het koste; doch zij wilden onzen goddelijken Zaligmaker een schande- en pijnlijken dood doen sterven. Dat goddelooze plan konden zij op eigen gezag niet ten uitvoer brengen, wijl de Romeinen hun het recht op leven en dood ontnomen hadden: zij konden Jesus wel heimelijk om het leven brengen, maar dat was hun niet genoeg, en daarom besloten zij onzen goddelijken Zaligmaker voor de rechtbank van Pontius Pilatus te dagen, van dien heidenschen rechter Jesus\' dood te eischen en niet op te houden, alvorens dien bekomen te hebben. Ziedaar de reden, waarom Jesus aan Pontius Pilatus is overgeleverd. Pilatus veroordeelde ten slotte onzen goddelijken Zaligmaker tot den kruisdood en zoo bereikten de Joden hun doel.
Men treft hedendaags in de wereld menschen aan, B. B., die juist de Joden in hunne boosheid navolgen. Dergelijken zijn, die, bijv., door onrechtvaardige processen, of het komt er niet op aan op welke onrechtvaardige wijze, hunnen evennaaste trachten ten onder te brengen en den haat, dien zij hem gezworen hebben, trachten te doen gevoelen.
Jesus begint zijn lijden in den Olijfhof, In liet laatste avondmaal voorzeide Hij zijnen leerlingen dat een van hen Hem zoude verraden. De Apostelen waren daarover bedroefd en vooral nog over zijn nabijzijnden dood. Jesus troostte hen met eene liefdevolle toespraak, waarin Hij hun te kennen gaf, dat Hij tot
zijn liemelschen Vader terugkeerde en hun den H. Geest zoude zenden. Daarna deed ilij een dankgebed, verliet Jerusalem en ging, vergezeld van zijne leerlingen, over de beek Cedron. In den Olijfhof aangekomen scheidde Hij zich van zijne leerlingen af, na hen vermaand te hebben van te bidden. Hij nam Petrus Jacobus en Joannes, die getuigen geweest waren van zijne verheerlijking op den berg Thabqr, wat verder mede. Zoodra Hij zich met deze alleen bevond, begon Hij te treuren, te sidderen en te beven en Ilij sprak: Mijne ziel is bedroefd tot den dood toe; blijft hier, waakt met Mij en bidt. Hierop rukte Jesus zich van hen af, ging een steenworp verder, viel op zijn aangezicht, bad en zeide: Vader, zoo liet mogelijk is, laat dan dezen kelk Mij voorbijgaan, doch niet mijn, maar uw wil geschiede. Er kwam een Engel uit den hemel om Hem te sterken. Jesus in een doodelijken angst vervallende volhardde langer in het gebed: zijn zweet werd als druppelen bloeds die op de aarde vielen.
Ziedaar, 1!. I!., de eerste omstandigheid van Jesus\' lijden. Doch waarom was onze goddelijke Zaligmaker zoo bedroefd bij het naderen van zijnen dood? Hij had hem zoo dikwijls voorzegd en Hij had er zoozeer naar verlangd.
Jesus, zegt do Heilige Augustinus, heeft de zwakheid zijner leden, d. L, onze zwakheid, op zich willen nemen en Hij heeft voor hen, d. i., voor ons gesproken. Ilij heeft ons willen troosten door te toonen dat de tegenstand van sterven, dien wij gewaar worden, geene zonde is, mits wij naar zijn voorbeeld onzen wil aan Gods wil onderwerpen; doch de voornaamste reden zijner doodelijke droefheid was de zonde. Jesus had zich als losprijs aangeboden om voor de bedreven en nog te bedrijven zonden te voldoen. Hij stelde zich die zonden voor den geest, en getrotlen door hare afschuwelijkheid werd Hij bedroefd tot den dood toe. Hij zweette water en bloed om ons te toonen, dat wij nooit te veel tranen zullen storten over onze zonden.
_ og2 _
Welk een schouwspel voor ons ongevoelige zondaars! Gaan wij soms onze zonden niet belijden zonder er een waar berouw over te hebben? O, Igt;. B., aanschouwen wij Jesus\' droefheid in den Olijfhof over de zonden; zij isquot;overgroot, zoo hevig, dat zij Hem (quot;en bloedig zweet uit zijne ledematen perst. En welk is onze droefheid over de zonden die wij bedreven hebben? Misschien is zij maar uitwendig, oppervlakkig of voor een oogenblik. O, B. B., keeren wij een oogenblik in ons zeiven, en dat de gedachte aan den Godmensch, die in doodsstrijd verkeert, die van droefheid over onze zonden water en bloed zweet, ons treffe, en dat Jesus in \'t vervolg ons tot voorbeeld strekke om eeu waar berouw, eene oprechte droefheid over onze zonden te hebben, zoo dikwijls wij tot het II. Sacrament der Biecht naderen om er vergiffenis van te bekomen.
Na den doodsstrijd wekte Jesus zijne leerlingen, die in slaap gevallen waren, op. Hij maakte hen opmerkzaam dat Judas, zijn verrader, naderde, en Hij ging met hen dien trouweloozen Apostel te gemoet. Judas door do geldzucht verblind stond aan het hoofd eener gewapende bende soldaten. Zijnen Meester ziende aankomen naderde hij stoutmoedig en kustte Hem, Hij had den soldaten een teeken gegeven, waaraan zij Jesus erkennen zouden: Dien ik kussen zal, had hij gezegd, die is het, grijpt Hem en leidt Hem behoedzaam. ■
Ziedaar hoe Judas, een leerling, een Apostel van Jesus, zijnen Meester door eenen kus verraadt. Wie zoude zoo iets kunnen zien, laat staan van doen? De gedachte alleen aan zulke afschuwelijke misdaad verontwaardigt en doet schrikken. Doch die misdaad, hoe afschuwelijk ook, wordt zij niet herhaald door andere leerlingen? Zijn er geen Judassen onder de Christenen, die Jesus uitleveren onder eenen kus? Ja, slechter en goddeloozer dan Judas zijn in zekeren zin de heiligschenders, die met een
— 293 —
besmeurd geweten en eene onzuivere ziel tot de H. Tafel naderen. Zij zijn slechter en goddeloozer dan Judas. Waarom? Judas door de geldzucht verblind levert Jesus aan de Joden zijne vijanden over, doch de heiligschender levert Jesus, die zachtmoedig onder de gedaante van brood tot hem komt, dikwijls enkel uit haat, niet aan de Joden, maar zoo ver het in zijne macht is, aan den duivel over. Wat zal Jesus, die de schandelijke inzichten vau Judas kende, nu doen? Zal Hij hem op staanden voet met den dood en de hel strallen? Neen, li. B., bewondert liever de zachtmoedigheid van onzen goddelijken Zaligmaker, en leert van Hem hoe men door het goed het kwaad moet trachten te overwinnen. Vriend, zeide Jesus, waartoe zijt gij gekomen? Verraadt gij den Zoon des meuschen door eenen kus? Waren die woorden niet in staat om liet verstoktste hart te vermurwen? Doch helaas! Judas maakte geen gebruik van dien liefdeblijk van Jesus, die hem tot bekeering aanzette; hij maakte geen gebruik van dien kostbaren tijd. Zoo ook handelt de zondaar, die Jesus zoo dikwijls heeft verraden door het hervallen in de zonde, door het verachten van Gods genaden en door het onteeren der H. Sacramenten, in geval hij niet tot inkeer komt en den tijd, dien God hem geeft om vergiffenis te bekomen en boetvaardigheid te doen, vruchteloos laat voorbijgaan;
III.
Daarop vroeg Jesus aan de soldaten: Wien zoekt gij? zij antwoordden; Jesus van Nazareth. Jesus zeide: Ik ben liet: E(jo sum, en ziet, eensklaps vielen zij als door den bliksem geslagen ter aarde neder. Jesus gaf daardoor duidelijk te kennen dat Hij zich niet uit gebrek aan macht om zich te verdedigen, maar geheel en al vrijwillig aan hen overgaf. Petrus, die Jesus wilde verdedigen, trok het zwaard en sloeg Malchus, den knecht van den Opperpriester, het oor af; doch onze goddelijke Zaligmaker berispte Petrus, gebood hem het zwaard in de schede te
— 291 —
steken en genas nog den gewonden Malchus. Hierop gaf Jesus zich aan zijne vijanden over, die hem boeiden. De leerlingen verlieten Hein en namen de vlucht, alhoewel zij een weinig te voren plechtig beloofd hadden van Hem getrouw te zullen blijven. Men leidde Jesus eerst naar Annas den schoonvader van Caïphas. Caïphas bekleedde dat jaar het ambt van Opperpriester. Hij bezwoer onzen goddelijken Zaligmaker in naam van den Levenden God van te zeggen of Hij de Christus was of niet. Jesus antwoordde: Ik ben bet. Caïphas riep uit; Hij heeft gelasterd, en allen antwoordden: Hij heeft den dood verdiend. Een dienaar van den Opperpriester gaf Jesus een verscluikke-lijken kaakslag; men spuwde Hem in het aangezicht; men gaf Hem vuistslagen. Jesus werd den soldaten ter bewaring gegeven, die den ganschen nacht doorbrachten met Hem te mishandelen; zij blinddoekten Hem, sloegen Hem en zeiden; Profeteer Christus en zeg wie U geslagen heeft.
Joannes was Jesus gevolgd. Petrus, nieuwsgierig om te welen hoe de zaken met Jesus zouden afloopen, kwam, doch van verre, achterna; hij was zelfs zoo onvoorzichtig van zich aan \'t gevaar bloot te stellen. Wat gebeurde er met Petrus? Om een doorslaand bewijs te leveren van \'s menschen zwakheid, verloochende hij tot driemaal toe zijn goddelijken Meester, alhoewel hij een weinig te voren plechtig beloofd had liever zijn leven ten beste te geven, dan Jesus te verloochenen. Jesus wierp een oogslag vol medelijden op Petrus; deze werd indachtig wat hij gedaan had; hij werd bedroeld, ging naar buiten en begon bitter te weenen.
Gelukkige oogslag van Jesus, waarop Petrus zich bekeert, \'t Is aan dergelijken oogslag, namelijk, aan Gods genade, dat de zondaren, die zich bekeeren, hunne bekeering te danken hebben. Gelukkige tranen van Petrus, waardoor hij de vergiffenis zijner zonden bekomt! B. B., hebben wij Petrus door te zondigen in zijnen val nagevolgd, volgen wij hem dan ook na in zijne bekeering.
— 295 —
Be Joden hadden in hunne vergadering hij Caïphas Jesus reeds ter dood veroordeeld; zij leidden Horn geboeid naar Pontius Pilatns om liet doodvonnis te doen bekrachtigen. Judas, ziende dat Jesus ter dood veroordeeld was, kreeg berouw; hij bracht het geld aan de priesters in den tempel terug en bekende onschuldig bloed overgeleverd te hebben. Doch helaas! Judas\' berouw was niet oprecht. Ook stelde hij geen betrouwen op Jesus; want hij viel in wanhoop en verhing zich in eenen strop. Wat moeten wij hier ten slotte leeren?
SLUITREDE.
Luistert B. B., ik ga het u in weinige woorden zeggen. Zoo wij Judas en Petrus in den val nagevolgd hebben, d. \\v. zoo wij gezondigd hebben, wachten wij ons wel van ooit Judas na te volgen in de wanhoop, hoe groot en hoe talrijk onze zonden ook zouden mogen wezen. Immers, onze goddelijke Zaligmaker kan alle wonden genezen. Hij wil den dood van den zondaar niet, maar dat hij zich bekeere en leve. Mij is in do wereld gekomen om de zondaren zalig te maken en niet om hcyi te veroordeelen. Bijaldien Judas zijne toevlucht tot Jesus genomen had, zijne zonden oprecht beweend en er boetvaardigheid over gedaan had; Jesus, die Petrus zijne drievoudige verloochening vergeven had, zoude hem ook zijn verraad en zijne overige misdaden vergeven hebben. Daarom, ik herhaal liet nogmaals; wachten wij ons van de zonden; doch zoo wij gezondigd hebben, volgen wij toch nimmer Judas na, maar wel Petrus; beantwoorden wij aan de genade van Uod; beweenen wij oprecht onze zonden; vragen wij er in de biecht ooimoedig vergiffenis van, met een vast voornemen van ze nimmer meer te bedrijven, en God, die, de God der barmhartigheid is, zal ons de zonden vergeven. Amen.
DERTIGSTE ONDERRICHTING
OVER HET LIJDEN VAN CHRISTUS
Ecce homo!
Zie den mensch! (Joan, xix, :i.)
INHOUD.
VOORREDE
De joodsche raad leidde Jesus, 21a Hem veroordeeld te hebben, naar Pontius Pilatus. Pllatus wilde Jesus niet blindelings veroor-deelen en vroeg welke klacht zij tegen Hem in te brengen hadden. Zien wij dus:
VERDKUI.INO.
I. Jesus voor Pllatus, vervolgens voor Herodes;
II. De middelen door Pllatus aangewend om Jesus los te laten;
III. De veroordeeling van Jesus tot den kruisdood.
Do Joden beschuldigden onzen goddelijken Zaligmaker: 1quot; Dat Hij het volk verleidde;
2° Dat Hij verbood den cijns aan don keizer te betalen; 3° Dat Hij zich voor koning uitgaf.
Pilatus Jesns\' onschuld bemerkende zond Hem naar Herodos Antipas.
Herodes verzoende zicli met Pilatus. Vorbroedering van de Joden met de Heidenen. Herodes zond Jesus naar den romein-schen landvoogd terug.
Pilatus liet kiezen tusschcn Jesus en Barabbas. De Joden kozen Barabbas. De zondaren volgen de Joden na.
Pilatus deed Jesus geeselen; daardoor voldeed Jesus voor de zonden van onkuischheid. Op de geeseling volgde de kroning met doornen: daardoor voldeed Jesus voor de zonden van hoovaardigheid.
Pilatus bracht Jesus met doornen gekroond te voorschijn en zeide; /ie den mensch! De Joden eischten dat Hij gekruist worde, wijl Hij zich voor den Zoon Gods uitgegeven had. Pilatus trachtte Jesus nog te redden; doch de Joden joegen hem schrik aan, namelijk, dat hij, zoo hij Jesus losliet, de vriend van den keizer niet meer zoude zijn. Pilatus wiesch zich de handen en zeide, maar te vergeefs: Ik ben onschuldig aan het bloed van dezen Rechtvaardige. Vervloeking, welke de Joden over zich en gansch hun nakomelingschap uitspraken. Daaruit moeten de ouders leeren van nooit hunne kinderen te vervloeken.
— 298 —
SLUITREDE.
Wijl Jesus zooveel voor ons geleden heeft, daaruit moeten wij besluiten:
1° Dat wij Hem groote wederliefde en dankbaarheid verschuldigd zijn;
2° Dat wij de zonde, die de oorzaak van zijn lijden geweest is, moeten haten en verfoeien;
3° Dat wij zeiven voor onze zonden moeten boetvaardigheid doen en gaarne lijden.
DERTIGSTE ONDERRICHTING
OVER HET LIJDEN VAN CHRISTUS
licc.e horna!
Zie don mensch! (Joan, xix, :i.)
VOORKKDK.
Nauwelijks hadden de Joden onzen goddel ij ken ZulijiinaUei\' ter dood veroordeeld, of zij haastten zich hun vonnis door den romeinschen landvoogd te doen bekrachtigen; zij stonden dus op en leidden Jesus geboeid naar Pontius Pilatus. N oor het rechthuis verschenen, gingen die huichelaars niet binnen om niet ontreinigd en zoo verhinderd te worden het paaschlam te eten. Pilatus kwam dus om hun te believen naar buiten en vroeg: Welke klacht hebt gij tegen dien mensch in te brengen? Door die woorden werden de Priesters, Ouderlingen en Schriftgeleerden gestoord; zij waren in hun eergevoel gekrenkt. Bijaldien deze geen misdadiger ware, antwoordden zij, zouden wij Hem aan u niet hebben overgeleverd. Door die onbeschofte woorden oordeelde zich Pilatus, en te recht, in zijne waardigheid van landvoogd en rechter beleedigd. Welnu, zeide hij, houdt gij Hem dan en oordeelt Hem volgens uwe wet. Daarop werden de Joden gedwongen hunne vernedering te bekennen: \'t Is ons niet geoorloofd, zeiden zij, iemand te doorten. Daarop begonnen zij allerlei valsche beschuldigingen tegen Jesus in te brengen. Overwegen wij die beschuldigingen vandaag en zien wij onzen goddelijken Zaligmaker:
I. Voor Pilatus, vervolgens voor Herodes;
H. De middelen door Pilatus aangewend om Jesus los te laten;
Hl. De veroordceling van Jesus tot den kruisdood.
— 300 —
/
I.
A oor Pontius Pilatus beschuldigden de Joden onzen soddelijken Zaligmaker onder anderen van de volgende misdaden:
Wij hebben van dezen mensoh ondervonden, zeiden zij, dat Hij het volk verleidt door nieuwe leeringen te verkondigen, die in strijd zijn met de wet van Moses. En Jesus, li. B., had altijd de gehoorzaamheid aan de wetten en den eerbied jegens de overheid geleerd. Op den leerstoel van Moses, had Hij gezegd, zullen Schriflgeleerden en Phariseën zitten; onderhSddt. en doet al wat zij ii zullen gezegd hebben, natuurlijk, zoo het geen kwaad is; doch naar hunne werken moet gij niet handelen; zij gebieden veel en doen het zelf niet.
Eene andere beschuldiging tegen Jesus was, dat Hij verbood den cijns aan den keizer te betalen. Jesus nochtans had geleerd den keizer te geven wat den keizer en God te geven wat God toekomt; ja, wat meer is, Hij had den cijns voor zich en Petrus betaald.
Eene derde beschuldiging en die Pilatus in aanmerking nam, was, dat Jesus zich voor den Christus, den koning, uitgaf. Pilatus ondervroeg dus onzen goddelijken Zaligmaker of Hij waarlijk de Koning der Joden was.
Jesus antwoordde, dat Hij wel is waar Koning, maar dat zijn rijk niet van deze wereld was.
Pilatus stelde nog eenige vragen, bevond weldra dat Jesus onschuldig was en zeide: Ik vind geene schuld in dezen mensch. De Joden gingen halstarrig voort met Jesus te beschuldigen: Hij ruit het volk op, riepen zij, door van Galilëa af tot hier toe overal zijne leering te verkondigen.
Pilatus den naam van Galilëa hoorende, meende een goed middel gevonden te hebben om zich van die lastige zaak te ontdoen. Hij zond Jesus naar Herodes, den viervorst van Galilëa, die zich juist in die dagen te Jerusalem ophield. Herodes, vroeger
een aartsvijand van l\'ilatus, oordeelde zich door die handelwijze van den romeinschen landvoogd vereerd en verzoende zich met hem, zoodat zij van dat oogenblik af vrienden werden; doch wij zien in die verzoening nog een ander geheim, namelijk, dat Jesus door zijnen dood de Joden met de Heidenen zonde verzoenen, ééne Kerk zoude stichten, die én Joden én Heidenen in haren schoot zonde opnemen en verbroederen.
Herodes was zeer verheugd Jesus te zien; hij had er reeds lang naar verlangd, daar hij veel van Hem gehoord had en Jesus een mirakel wenschte te zien verrichten. Hij vroeg onzen goddelijken Zaligmaker dus veel, doch deze gewaardigde zich niet eens dien wulpschen vorst te antwoorden. Herodes in zijne verwachting bedrogen bespotte en beschimpte met zijne lijfwacht Jesus, deed Hem een wit kleed aantrekken en zond Hem zoo naar l\'ilatus terug. Wat ging l\'ilatus nu beginnen? Hij bediende zich reeds van die terugzending om Jesus los te laten; doch te vergeefs: de Joden waren niet tevreden en vroegen niet des te meer hardnekkigheid Jesus\' dood. Zien wij nu welke middelen l\'ilatus beproefde om Jesus los te laten.
l\'ilatus wist dat Jesus onschuldig was; hij nam zijne toevlucht tot twee middelen om zich en Jesus te redden.
Het gebruik wilde, B. B., dat de landvoogd met liet paaschfeest naar de keus van liet volk de vrijheid schonk aan een gevangene. Er was juist in die dagen een groote booswicht in de gevangenis, met name Barabbas, die onder anderen bij eenen volksoploop een moord gepleegd had. l\'ilatus oordeelde dat liet volk, hetwelk eenen afschrik van Barabbas had, de voorkeur aan Jesus zoude geven en diens vrijheid zoude vragen; hij stelde dus aan het vergaderde volk Barabbas, een booswicht en moordenaar, en Jesus, den weldoener van gansch Judëa, voor en vroeg: Wien wilt gij dat ik u loslate? Het volk antwoordde
— 302 —
niet. De Priesters, Ouderlingen, enz , daar tegenwoordig, werden het gewaar; zij werden ook bang dat Jesus hun ging ontsnappen; zij hitsten het volk tegen Hem op, dat uitriep: Laat ons Barahbas los! Pilatus hernam: Wat moet ik dan met Jesus doen? En allen schreeuwden: Crucijige, crucifige emn! Kruis hem! kruis hem!
Welk eene onrechtvaardigheid in Pilaliis, die de keus tusschen Barahbas en Jesus voorstelt! Welk eene verbittering van het volk tegen Jesus, dat de voorkeur aan Barahbas geelt! Voorzeker, B. B., wij veroordeelen Pilatus en het joodsche volk en met recht; doch weten wij wel juist wat wij doen, wie wij nog meer veroordeelen? En naar waarheid: door de Joden te veroordeelen strijken wij ons eigen vonnis. Hoe dat? Wijl wij de Joden juist navolgen. Ziehier op welke wijze.
Men wordt, bijv., tot zonde aangezocht: de duivel, de wereld of het vleesch komt ons bekoren: wat heeft er dan plaats? Men bedrijft de zonde niet terstond; neen, maar men wordt eerst inwendig iets gewaar dat weerstand biedt: het geweten dat de zonde verbiedt ontwaakt; van den eenen kant heeft men de deugd, van den anderen kant de ondeugd; van den eenen kant de wet Gods, van den anderen kant zijne driften; Barahbas tegenover Christus, of de duivel tegenover God. In den beginne draalt men; maar de stem des gewetens en de wet Gods als eenen last beschouwende en door de driften aangehitst, roept de zondaar, die de zonde bedrijft als het ware met de Joden uit: Laat ons Barahbas los en hecht Jesus aan het kruis! \'t Is waar, B. B., de zondaar zegt het niet met den mond, maar hetgeen hij feitelijk doet, staat gelijk met hetgeen de Joden voor het paleis van Pilatus deden, wijl hij de zonde voor do deugd, het schandelijk vermaak voor zijn geweten, zijne kwade driften voor de wet Gods, in een woord, wij! hij den duivel voor God stelt. Ziedaar hoe wij, door de Joden te veroordeelen, ons zeiven veroordeelen, zoo dikwijls wij ons aan doodzonde plichtig maken.
Pilatus zijn eerste redmiddel mislukt ziende nam zijne toevlucht tot een tweede, te omnensclielijk om in alle zijne bijzonderheden te beschrijven. Hij bekende dat Jesus onschuldig was en hij veroordeelde Hem om gegeeseld te worden. De beulen bonden Jesus aan eene marmeren kolom en verscheurden met scherpe geeselroeden zijn maagdelijk lichaam van het hoofd tot de voeten zoodanig, dat Hij de gedaante van mensch verloren had; zijn goddelijk bloed stroomde op den grond neder. Mijn God! Mijn God! hoe duur is u dan die schandelijke zonde komen te staan, waarvan de Apostel Paulus zegt dat zij onder de christenen niet eens moest genoemd worden. Ja, B. B., \'t is op die pijnlijke wijze dat Jesus de zonde tegen de engelachtige deugd heeft uitgeboet: oordeelt uit hetgeen onze goddelijke Zaligmaker in zijne geeseling geleden heeft, boe verschrikkelijk Hij eenmaal zijn goddelijk bloed op den onkuischaard zal wreken.
De beulen waren wel is waar afgemat, maar hun bloeddorst was nog niet verzadigd; zij voegden den smaad bij het lijden. Gedachtig dat Jesus zich koning genoemd had, riepen de soldaten gansch hunne bende bijeen, zij wierpen Jesus een oud versleten purperen mantel om, vlochten eene kroon uit doornen, die zij Hem opzetteden, gaven Hem eenen rietstok voor schepter in de handen, bogen de knieën voor Hem en zeiden spottender wijze: Wees gegroet koning der Joden! Zij gaven Hem kaakslagen, ja, gingen in hunne baldadigheid zoo ver, dat zij Hem den rietstok uit de handen rukten en er mede op de doornen kroon sloegen, zoodat de doornen tot in zijne hersenen doordrongen. Jesus verdroeg alles zonder te klagen. Ziedaar hoe duur Jesus de zonde van hoovaardigheid is komen te staan.
111.
In dien ellendigen toestand bracht Pilatus onzen goddelijken Zaligmaker andermaal te voorschijn en trachtte de woede der
— 804 —
Joden te stillen. Zie den menscli! zeide hij: Ecce Homo! Zoodra de Priesters en gerechtsdienaren Jesus zagen, schreeuwden zij; Kruis hem! kruis hem! Pilatus zeide: Neemt gij Hem cn kruist Hem. De Joden antwoordden: Wij hebben eene wet en volgens die wet moet Hij sterven, wijl Hij zich voor den Zoon Gods uitgegeven heeft. Op het hooren dier woorden werd Pilatus bevreesd: hij had eene samenspraak met Jesus, waarna hij nog meer verlangde Hem los te laten; doch daarop begonnen de Joden hem schrik aan te jagen en zij schreeuwden: Zoo gij dezen loslaat, zijt gij de vriend des keizers niet meer; want al wie zich koning maakt, staat op tegen den keizer. Pilatus dit hoorende liet Jesus naar buiten brengen, zette zich op zijnen rechterstoel neder, richtte nog eenige woorden tot de menigte, doch ziende dat hij niets won, deed hij water brengen, wiesch zich ten aanzien van hét volk de handen en zeide: Ik ben onschuldig aan het bloed van dezen rechtvaardige. Geheel het volk riep als uit éénen mond: Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen! Pilatus, bang van zijne plaats te verliezen, offerde nu alles op: geweten, recht, al wat heilig is en gal den onschuldigen Jesus aan de Joden over om gekruist te worden.
Het volk, 15. B., sprak, gelijk wij gezien hebben, een verschrikkelijken vloek over zich zeiven en hun nageslacht uit, vloek, die nog immer op hen kleeft. Dat uit dit voorbeeld de ouders leeren van toch nimmer hunne kinderen te verwenscllen; want God in zijne oneindige rechtvaardigheid laat niet. zelden toe dat de vloek der ouders, even als die der Joden, bewaarheid worde. De Heilige Geest zegt in de H. Schrift uitdrukkelijk: Maledictio matris eradicat fundamental (i) De vloek eener moeder, en bijgevolg ook die eens vaders, werpt de huisgezinnen omver en verwoest ze tot in den grond toe.
(i) Eccl. iii, 14.
— 805 —
SLUITREDE.
Onze goddelijke Zali^mukci\', B. li., liecl\'l gelijk wij reeds gezien hebben, veel geleden en Hij heeft geleden voor ons, om ons zalig te maken. De Catechismus vraagt;
Wat besluit maakt gij daaruit dut Christus voor ons zooveel geleden heeft? En iiij antwoordt;
Ten 1, dat wij hem groote wederliefde en dankbaarheid verschuldigd zijn; ten 2, dat wij de zonde, die de oorzaak van zijn lijden geweest is, moeten halen en verfoeien; ten 3, dat wij zeiven voor onze zonden moeten boelreerdig heid doen en gaarne lijden.
Jesus heeft zich uit liefde voor ons overgeleverd en wij zouden Hem niet beminnen? Jesus heelt zooveel geleden om onze; zonden uit te boelen en wij zouden ze niet beweenen? Wat zeide Jesus op weg naar Calvarie tot de weenende vrouwen van Jerusalem? Weent niet over Mij, zeide Hij, maar weent over u en over uwe kinderen; want bijaldien er zoo met het groene hout gehandeld wordt, wat zal er dan met het dorre geschieden? Als wilde Jesus zegden: Bijaldien Ik, de Heiligheid zelve, die de zonden van anderen enkel op Mij genomen heb, zoo mishandeld word; wat zal er dan van de zondaren die ze bedrijven geworden? Wij moeten dus voor onze zonden boetvaardigheid doen en gaarne lijden. Wanneer wij kommer en verdriet hebben, als kruisen of wederwaardigheden ons treilen, wanneer men ons het een of ander ongelijk aandoet, dan moeten wij onze oogen naar Jesus wenden: Ecee Homo! Ja, 1!. B., aanschouwen wij den Godmensch, voor ons bespot en mishandeld, Aroor ons gegeeseid en met doornen gekroond; vereenigen wij ons lijden met het lijden van Jesus; volgen wij Hem na, want \'t is op voorwaarde, namelijk, van eerst met Jesus geleden te hebben, dat wij later met Hem in zijne glorie zullen deelen: Si tarnen compatimur ut et eonglorifleernur. (i) Amen.
(1) RCM, vhi, 17.
Geloofs- en Zedenleer. 20,
EEN - EN - DERTIGSTE ONDERRICHTING
OVER HET LIJDEN VAN CHRISTUS
t
Tradüus est propter delictn vostra. Hij is om onze mistliulen overgeleverd.
(ÜOM. IV, \'2ÏÏ.)
INHOUD.
VOORHEDB.
Jesus heeft zich voor ons overgeleverd, Hij i.s gestorven voor ons: de Rechtvaardige voor den onrechtvaardige, de Heilige voor den zondaar en men denkt er niet aan: hoe zal men dan (iod dankbaar zijn en Hem beminnen?
VERDEELING.
I. Jesus nam het kruis op zijne schouders;
II. De kruisweg van Jesus;
III, De kruisiging van Jesus.
— 307 —
I.
Pilatiis veroordeelde Jesus tot den kruisdood; later viel hij bij den keizer in ongenade on kwam ellendig om, Jesus nam liet kruis op zijne schouders en ging er mede Jerusalem uit. Isaac afbeeldsel van Jesus.
Jesus afgemat viel onder het kruis. Simon werd gedwongen Jesus\' kruis te dragen. Wat zijn wij anders dan Simons\', d. i., vreemdelingen op weg naar den hemel: op dien weg ontmoeten wij allerlei kruisen; wij moeten die met geduld dragen; ook moeten wij den arme bijstaan.
111.
Jesus op den Calvarieberg aangekomen werd tnsschen twee moordenaars gekruist. Hij boet voor de onzedigheid der wereld. Jesus aan het kruis hangende werd bespot en gelasterd, doch een der moordenaars verdedigde Hem.
SLUITREDE.
Treffend voorbeeld van bekeering in het uur des doods, waaruit men besluiten moet, dat men nooit mag wanhopen; doch men moet zich ook wachten voor de zonde van vemetelheid en zijne bekeering niet uitstellen tot het einde zijns levens.
— 308 —
EEN - EN DERTIGSTE ONDERRICHTING
OVER HET LIJDEN VAN CHRISTUS
Traditm est propter delicta nostra. Hij is om onze misiladen overgeleverd.
(Hom. iv, 2s.)
VOORREDE.
Dat Jesus-Cliristus zich voor ons overgeleverd heeft; dat Hij den dood des kruises uit loutere liefde voor ons gestorven is; ziedaar eene waarheid, B. B., die wij allen kennen, die niemand te veel zal overwegen en waaraan, helaas! velen te weinig-denken. Ja, de Rechtvaardige bij uitstek sterft voor den onrechtvaardige, de Heilige voor den zondaar en men denkt er niet aan. Zoo sprak al klagende eertijds de Profeet Isaias; zoo kan de dienaar des Heeren al klagende nog spreken, vooral in onze tijden, waarin zelfs vele Christenen aan het zingenot verslaafd aan alles behalve aan lijden denken, alles behalve lijden zoeken, zelden of nooit met ernst het lijden van Jesus overwegen. Gelukkig, ja driewerf gelukkig de mensch, die dikwijls denkt dat Jesus hem zoo zeer bemind heeft, dat Hij niet geaarzeld heeft den kruisdood voor hem te sterven: hij zal daardoor aangespoord worden om zijnen God dankbaar te zijn en wederliefde te betoonen.
Te dien einde gaan wij de lijdensgeschiedenis van onzen goddelijken Zaligmaker vervolgen. Wij zullen dus vandaag zien:
I. Dat Jesus het kruis op zijne schouders neemt;
II. Dat Hij met het kruis beladen den Calvarieberg bekl i mi;
III. Dat Hij op dien berg gekruist wordt.
— 309 —
I.
Pilatus, de zwakke landvoogd, liet zich eindelijk overwinnen. Bevreesd van zijne plaats te verliezen sprak hij het onrechtvaardige doodvonnis over den onschuldigen Jesus uit. Hij stelde zich tevreden met in tegenwoordigheid des volks zich de handen te wasschen, alsof die ij dele ceremonie zijne ziel van de vlek der misdaad kon vrijwaren. Doch ziet, B. B., (lod wachtte niet lang met zijn beminden Zoon op dien onrechivaardigen rechter te wreken. Pilatus viel weldra bij den keizer in ongenade, hij werd in ballingschap gezonden en bracht zich der wanhoop ten prooi om \'t leven.
Zoodra Jesus ter dood veroordeeld was, werd Hij do speelbal der Romeinsche soldaten. Die onmenscbeu rukten Hem met geweld den purperen mantel van zijne doorwonde schouders, waaraan hij vastkleefde en deden Hem zijne gewone kleederen aantrekken. Het kruis, waartoe alleen slaven en andere groote misdadigers veroordeeld werden, kwam te voorschijn: men wierp het Jesus op zijne vermorselde schouders, en gelijk eertijds Isaac met het hout voor het sacrificie bestemd beladen den berg Moria beklom, zoo ving Jesus met het kruis beladen den wegnaar den Calvarieberg aan, om daar geslachtofferd te worden.
II.
Jesus, door het aanhoudend lijden en bloedverlies uitgeput, bezweek onder zijn ivruis. De soldaten hielden eenen vreemdeling, Simon van Cyrene geheeten, die van zijne hoeve naar Jerusalem ging, aan en dwongen hem Jesus\' kruis te dragen. Gelukkige Simon! Gelukkige vreemdeling, dien het geluk te beurt viel het kruis van Jesus den Zoon Gods te mogen dragen. Doch helaas! Simon besefte zijn geluk niet; integendeel, hij meende dat hem het grootste ongelijk aangedaan werd en daarom moest hij gedwongen worden. O, bijaldien bij geweten had wie hot was, die daar ter strafplaats werd geleid, welke
— r?]o —
verdiensten er aan zijne hulp verbonden waren, hij zoude zich hebben aangeboden om het kruis van Jesus te dragen. Te recht, B. B., mogen wij er zoo over oordeelén; doch maken wij\'nu ook eene korte toepassing.
Wat zijn wij anders dan Simons, dan vreemdelingen? vreemdelingen hier op ajirde, waar wij immer vooruit moeten. Wij zijn ook op weg naar Jerusalem, niet naar de hoofdstad van Judea, maar naar het hemelsch Jerusalem. Op weg naar dat Jerusalem ontmoeten wij allerlei kruisen, groote en kleine, in- en uitwendige; kruisen van ongemakken en ziekten; kruisen van vervolgingen en ongelukken; rechts en links, overal, overal kruisen. Wij zien Jesus zijn kruis dragen in dien armen of zieken menscli, die, hij ook vreemdeling op aarde, zijne reis aanvangt en voortzet naar het hemelsch Jerusalem zijn dierbaar vaderland. Wat doen wij nu? Zoo even hebben wij Simon gelukkig geroemd; zoo even hebben wij gezegd dat, /00 Simon zijn geluk gekend hadde, hij zich aangeboden zoude hebben om Jesus\' kruis te dragen. Blijven wij ons nu gelijk: achten wij gelukkig de Christenen, aan welke Jesus zijn kruis mededeelt; die met Jesus en uit liefde voor Jesus hunne kruisen met overgeving aan den wil Gods en met geduld dragen. Roemen wij gelukkig de Christenen, die Jesus zijn kruis torschende bijstaan in dien arme op te beuren door hein eene aalmoes te geven, in dien zieke te troosten door hem te bezoeken of op eene andere wijze te helpen. Simon wist het geluk dat Hem te beurt viel niet te waardeeren. Geen wonder dat hij moest gedwongen worden Jesus\' kruis te dragen; maar wij Christenen, wij kennen Jesus die ons met het kruis is voorgegaan; wij kennen de verdiensten die aan het kruis vast zijn; ja, wij kennen de noodzakelijkheid van het te dragen. Wat \'doen wij nu? Jesus legt ons tot ons welzijn, ik zeg nog niet een groot, maar een klein kruis, op de schouders; men heelt het niet gaarne; blijft het voortduren, men wil het afschudden; wordt het zwaarder, men begint te morren tegen God; ja, sommigen gaan zelfs zoo ver dat zij God
— .si i —
»
durven vloeken en lasteren. Ziedaar hoe de Christen wel eens handelt. Iti plaats dus van voor en met Jesus den koninklijken we*»\' des kraises in te slaan; in plaats van niet eenen last, maar die met overgeving\' aan Gods wil en met geduld gedragen door God zeiven verlicht wordt, op te klimmen; de christen, die een anderen weg dan Jesus heelt aangewezen wil inslaan, hij vijand des kruises, maar toch gehukt onder een juk, onder het dwangjuk van den duivel, in plaats van voort te stappen, gaat achter uit; in plaats van op te klimmen, daalt, daalt immer neder, tot op de plaats, waar de vijanden des kruises in eeuwigheid zullen gefolterd worden. Wij moeten dus kie/en, B. B.. of wel Jesus met zijn kruis volgen, met dien zachten last beladen opklimmen ten hemel, of wel met den duivel en de vijanden des kruises onder een dwangjuk geboden afdalen en nederstorten in de hel.
Met onzen goddelijken Zaligmaker voerde men nog twee misdadigers ter strafplaats. Op den Calvarieberg aangekomen rukten de soldaten Jesus de bebloede kleederen van zijn doorwond lichaam om ze onder elkander later te verdeden. De beulen dreven Jesus op het kruis uitgestrekt eenige plompe nagels door zijne gezegende handen en voeten en richtten het kruis, waaraan Mij was vastgeklonken, tusschen die der twee moordenaars in de hoogte. Do voorzegging van den Profeet kreeg hier hare vervulling: Cum iniquis veputatus est: (i) Hij is ouder de misdadigers gerangschikt. Welk eene schande, B. B., voor den Bruidegom der Maagden in dien ellendigen slaat voor het volk ten toon te worden gesteld! \'t Is op die wijze dat onze goddelijke Zaligmaker aan de goddelijke rechtvaardigheid voldeed voor de onzedigheid vau zooveel wereldlingen, vooral van de jonge personen, die om de oogen der menschen tot zich te trekken, hunne harten te roeven, niet weten hoe zot, hoe
(i) Makc. xv, 28.
scli.uulelijk soms zich aan to stellen. Oortlcelcn wij hier over de grootheid der misdaad, waaraan de ergernisgever zich pliclitig maakt, als hij eene ziel, die Jesus met zijn goddelijk bloed heeft vrijgekocht, komt te verderven. Men vindt personen, die daar niets in zien of uit maken; die zich onschuldig wanen, maar die om hun valsch oordeel niet minder zullen veroordeeld worden. Men is nooit onschuldig als menquot; zich plichtig maakt aan vreemde zonden. Wee den mensch, door wien de ergernis komt! liet ware beter voor hem met een molensteen aan den hals in het diepste der zee geworpen te worden dan iemand te ergeren.
igt;e Joden, na Jesus gekruist te hebben, waren nog niet voldaan; zij gingen voort met Hem te bespotten en te beleedigon. Een der moordenaars, die dezelfde straf ondergingen, bleef niet viij van dio misdaad; hij lanterde Jesus, zeggende: Zoo gij de Christus zijt, verlos dan U zeiven en ons; doch ziet, de andere moordenaar, door een straal van hierboven verlicht, verdedigde Jesus; hij berispte zijnen medemakker en zeide; Vreest gij ook (tod niet, terwijl gij met Hem Ier doodstraf verwezen zijt\'? l\'-n wij ontvangen hetgene wij door onze misdaden verdiend hebben, — dus loon naar werken — maar deze, Jesus bedoelende, heeft niets kwaads gedaan; en zich tot Jesus wendende zeide hij: Heer! gedenk mijner als Gij in uw rijk zult gekomen zijn: eu wat antwoordde Jesus? Heden nog, zeide Hij, zult gij met Mij zijn in het Paradijs: I Iodic, mccum cris in Paradiso.
SLUITRKDK,
Ken zoo treffend voorbeeld van bekeering in het uur des doods, na een leven vol misdaden, is wel in staat den zondaar op Gods barmhartigheid te doen hopen, als hij op het punt van sterven is. Jesus hangende aan liet kruis hoeft een wonder van genade willen doen, om den zondaar te beletten van zelfs op het einde van zijn leven te wanhopen. Ja, nadat de goede moordenaar uit den mond van Jesus, niet alleen de vergiffenis zijnei zonden, maar ook nog de belofte van in den hemel te
— 313 —
komen erlangd heeft, mag geen zondaar meer wanhopen. Maar B. B., en let hier wel op: men maakt zich een slecht gedacht van het betrouwen op do barmhartigheid Gods, zoo men er zicli van bedient om in de zonde tot den dood-toe te volharden; in geval men denkt: God is goed en barmhartig, ik zal zoo maar blijven voortleven en in het uur des doods zal ik mij wel bekeeren, gelijk de goede moordenaar gedaan heeft. Ter zijde gesteld, hetgeen nochtans dikwijls gebeurt, dat de mensch schielijk sterft, zeg ik, dat dergelijke zondaar zich aan eene groote zonde van vermetelheid plichtig maakt; hij speelt met de barmhartigheid Gods en bedriegt zich zeiven: niets zoo gevaarlijk dan zijne bekeering tot het einde zijns levens uitstellen. Welk eene dwaasheid eene zaak van zoo groot aanbelang, als die van voor eeuwig gelukkig of ongelukkig te zijn, uit te stellen tot de laatste uren, uren, waarin men doorgaans niets met ernst kan verrichten. Bijaldien de goede moordenaar Jesus vroeger gekend had, mij dunkt, ten minste men mag liet ook niet ontkennen, hij zoude zich eerder bekeerd hebben. Doch, B. B., zoo is het niet gelegen met den zondaar, die zoo maar blijft voortleven, tot dat hij niet meer zondigen kan; verlaat nu de zondaar de zonde, of is het niet liever de zonde, die den zondaar verlaat? Dat uitstellen of die vermetelheid is eene misdaad, waardoor men zich de genade der bekeering onwaardig maakt. Dat dus niemand zijne bekeering uitstelle tot liet einde zijns levens. De goede moordenaar is gelukkig gestorven; doch ik vind in de 11. Schrift geen ander voorbeeld; maar men vindt een groot getal zondaren, die hunne bekeering tot den dood toe uitstellende ellendig gestorven zijn. Daarom B. I!., zoo er hier soms van die ongelukkige zondaren tegenwoordig zijn, geen uitstel, niets zoo gevaarlijk, de eeuwigheid hangt er van af, dus eene vaardige bekeering. Amen.
TWEE - EN - DERTIGSTE ONDERRICHTING
OVER HET LIJDEN VAN CHRISTUS
Muiier, ec,c,e fiiius luns... J{e.ce Mater tua. Vrouw, ziedaar uwen Zoon... Ziedaar uwe Moeder. (Joan, xix, ao.)
INHOUD.
VOORRKIIK.
De Joden en Heidenen spanden tegen Jesns samen, en na Hem allerlei pijnen aangedaan te hebben kmistten zij Hem. Stellen wij ons in den geest op den Calvarieberg en zien wij daar:
VERDEELING.
I. De liefde van Jesus aan het kruis;
H. Dat Hij ons zijne Moeder geeft;
Hl. Den dood van Jesus.
Jesus hangende aan het kruis sprak liefdevolle woorden: Heden zult gij met mij zijn in het Paradijs: Vader! vergeef het
— 315 —
hun, want zij weten niet wat zij doen. De Martelaren hebben Jesus daarin nagevolgd; wij moeten Hem ook navolgen.
II.
Jesus gaf ons zijne Moeder tot Moeder. Hij sprak als Verlosser tot do Medeverlosseres, ais goddelijke Meesier lot zijnen leerling. Wij moeten den II. Joannes in zijne liefde tot Maria navolgen.
III.
Het werk der verlossing stond te eindigen. Jesus, na nog verschillende woorden gesproken te hebben, boog liet hoofd en stierf. Er bleef nog een druppel bloeds in zijn H. Hart; doch Jesus wilde dat het vergoten werd. Een soldaat opende de zijde van Jesus, waaruit water en bloed vloeiden.
SLUITREDE.
Overwegen wij dikwijls het lijden en den dood van Jesus. Geen geheim, dat meer in staat is om ons oenen afschuw voor de zonde in te boezemen; geen geheim, dat meer in staat is om ons krachtdadig tot wederliefde aan te zetten.
TWEE - EN - DERTIGSTE ONDERRICHTING
OVER HET LIJDEN VAN CHRISTUS
Mulier, ecce fihus tuus... Hoce Mater tua, \\ rouw, ziedaar uwen Zoon... Ziedaar uwe Moeder. (Joan, xix, 90.)
VOORREDE.
1 wee volkeren, ]?, B,, de Joden en de Heidenen spanden samen, gelijk wij gezien hebben, om onzen goddelijken Zalig-niakiT Uquot; mishandelen en te pijnigen. Zij leidden Hem, met een zwaar kruis beladen, in gezelschap van twee moordenaars het ondankbare Jerusalem nit, om Hem op den Calvarieberg den schande - en pijnlijksten dood te doen sterven. Zij hechtten Jesus aan het kruis en stelden Hem voor het volk ten toon. Stellen wij ons eenige oogenblikken met Maria, den H. Joannes en de godvreezende vrouwen van Jerusalem bij het kruis tegenwoordig en zien wij daar:
I. Hoe vol liefde Jesus is;
II. Hoe Hij ons Maria tot Moeder geeft;
III. Hoe Hij sterft.
I.
Dat Jesus aan het kruis van liefde brandde, B. B., blijkt genoegzaam uit de woorden die Hij sprak. De goede moordenaar had het reeds ondervonden. Wat waren zij vol liefde, de woorden die Jesus hem deed hooren; Hodie mecum eris in Paradiso: (1) Heden zult gij met mij zijn in het Paradijs.
(1) Luc. xxiii, 13.
De liefde van Jesus verflauwde niet met zijn leven; Hij droeg zijn goddelijk bloed voor hen, die het vergoten, aan God zijn hemelschen Vader op.
Aan het kruis bad Hij voor zijne beulen: Vader, zeide Hij, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.
Wat wondervolle liefde van den Godmensch; doch tevens wat schoone les van den goddelijken Meester voor ons zijne leerlingen. De Heiligen, B. 15., hebben die les begrepen. De H. Stephanus, bijv., bad voor zijne moordenaars. De Martelaars hebben voor hunne vervolgers en beulen gebeden. Doch hoe begrijpen en volgen wij de les, die Jesus ons geeft? Dikwijls zeer slecht.
Jesus, gelijk wij gezien hebben, vergeeft; en wij die zijne leerlingen willen zijn vergeven niet?
Jesus, verworpen on vervolgd, gefolterd en gepijnigd, bespot en gelasterd, gekruist, vergeeft zijnen vijanden, en wij Christenen, na een weinig beleedigd te zijn in onze eer, na een weinig benadeeld le zijn in onze fortuin, wij vergeven niet aan onzen broeder, aan onze zuster, aan onzen evenmensch? Integendeel, ons bedienende van een valsch stelsel der bedorvene wereld, van punt van eer, van niet onder te doen, enz., handelen wij gelijk de wereld, d. i., wij haten, wij willen wraak nemen, wij vervolgen, wij willen kwaad met kwaad, ongelijk met ongelijk vergelden gelijk de wereld, en wij zullen niet handelen gelijk onze goddelijke Leermeester, die in plaats van te haten bemint; in plaats van te vervolgen opzoekt; in plaats van kwaad met kwaad te vergelden kwaad met goed loont; in plaats van zich te wreken vergeeft? O, Mensch! wie gij ook zijt of niet! wilt gij de wraakzuchtige wereld navolgen, niet vergeven? ga voort, maar zeg niet meer dat gij een waar leerling van den goddelijken Meester zijt, wiens lessen van het kruis gij versmaadt; zeg niet meer dat gij een waar Christen zijt, wijl gij Christus wederstaat. Doch neen; naar het voorbeeld
van Jesus willen wij ook onzen evenmènscli al liet persoonlijk ongelijk vergeven, om liet geschenk, dat Hij ons gaat doen, waardig te worden. En welk is dat geschenk? Dat geschenk, B. B., is zijne Moeder, die Hij ons bij testament achterlaat.
\' H.
Terwijl Maria in gezelschap van Joannes aan den voet des krnises stond en haar lijden met het lijden van haren godde-1 ij ken Zoon vereenigde, liet Jesus zijne stervende en met bloed overdekte oogen rondgaan en vestigde een blik van aandoening en liefde op zijne Moeder en zijnen Leerling. Maria aanschouwde te gelijkertijd haren Zoon, Joannes zijnen Meester. Jesus, geheel cn al bezig met het grootsche werk der verlossing, ging spreken in hoedanigheid van Verlosser en Meester. Hij sprak lot de Medeverlosseres en lot den Leerling. Vrouw, zeido Jesus, ziedaar uwen Zoon! Muiier, ecce filius luns! (i) Daarna zeide Hij tot den Leerling: Ecce Maler tua! ziedaar uwe Moeder! Als wilde Jesus zeggen: Ziedaar uwen Zoon, dien gij in liefde en smarten hebt voortgebracht; Gods kinderen zijn ook uwe kinderen géworden. Ziedaar uwe Moeder, d. i., uwe Moeder bij uitnemendheid, van welke gij het eeuwige, leven ontvangen hebt. En terwijl Jesus zoo sprak, Maria zijne Moeder tot Moeder der geloovigen aanstelde, o, B. ]!., toen ontsloot zich zijn goddelijk hart, dat van oneindige liefde brandde. Hij liet uit zijn II. Hart eene liefdevlam nederdalen in het H. Hart van Maria. Die liefdevlam, afgekomen van het kruis, ontstak haar .Moederhart en terstond voelde zij het van liefde voor de menschen kloppen.
Joannes bij het hooren van de woorden van Jesus gevoelde zich ook eensklaps veranderd. Zijn hart brandde van liefde; geen aarzelen in het besluiten; Jesus bood hem zijne Moeder aan; Maria werd zijne Moeder, hij nam haar tot Moeder, hij
•u) Joan, xix, 26-27.
— 319 —
zal Jesus\' Moeder beminnen en zijne Moeder: Et ca: illa hora accepit earn discipulus in sua.
Geen wonder zult gij wellicht denken, dat in die wondervolle oogenblikken alles zoo wonder gebeurde. Kn inderdaad, \'t is geen wonder. Maar wat wonder is, B. B., dat is, dat er hedendaags Christenen gevonden worden, die bekend met hetgeen er op den Calvarieberg voorgevallen is, namelijk, dat Jesus hun zijne Moedor tot Moeder geschonken heelt, en dat Maria zoo zeer verlangt hen tot hare kinderen aan 1e nemen, niet doen wat zij doen moesten, om ware kinderen van Maria te worden, (1. dat zij den H. Joannes niet navolgen. De H. Joannes vertegenwoordigde vooral de Christenen, en allen zonder uitzondering moeten hunnen vertegenwoordiger navolgen. Wij moeten dus naar zijn voorbeeld Maria tot Moeder nemen, haar beminnen en getrouw dienen. Wee ons! zoo wij onverschillig voor het groot geschenk, dat Jesus aan het kruis ons gedaan heeft, geene ware en krachtdadige godsvrucht tot Maria hebben, zoo dat wij ons vooral toeleggen om bare deugden na te volgen.
Konige oogenblikken daarna was het werk der verlossing voltooid, het wonder der goddelijke liefde voltrokken.
111.
De duisternissen namen toe. Onze goddelijke Zaligmaker, van allen menschelijken troost verstoken, werd ook nog als verlaten van de godheid. Mijn God! Mijn God! riep Hij uit, waarom hebt Gij Mij verlaten? Br moest nog eene voorzegging vervuld worden: men moest Jesus nog met edik laven. Jesus zeide dan: Sitio! Ik heb dorst! Br stond eene kruik met edik aan den voet des kruises: een soldaat doopte er eene spons in, plaatste ze op een bysopstengel en bracht ze aan de lippen van Jesus.
Zoodra Jesus er van geproefd had, zeide Hij: Het is volbracht! Consummalam est! !gt;e doodstrijd en het lijden van Jesus gingen een einde nemen. Mijn Vader! riep Hij nog uit, in uwe
liaiulen beveel ik mijnen geest! De Godmensch worstelde met d(jii dood; een koud zweet overdekte zijne ledematen; zijne wangen sloegen in en verbleekten; zijne liii|)en trokken zich smartelijk te zaïnen. Hij liet zijne niet bloed besmeurde oogen nogmaals over liet geschapene rondgaan, wierp een oogslag van weemoed en afscheid op zijne teêrgeliefde Moeder, die immer aan den voet des kraises stond, slaakte een luiden gil, boog liet hoofd en stierf. Had .Tesas na nog- iets om ons ten beste te geM\'n: 11 ij had ons zijne Moeder reeds geschonken, zijn leven \\ ooi ons opgeofferd? Ja, B. B., er bevond zich nog een druppel bloeds in het II. Hart van ,Tesas, dat ons zoo teeder beminde; die laatste druppel moest nog vergoten worden. De romeinsche soldaat naderde het kruis, hief zijne lans omhoog en doorboorde ei de zijde \\aii Jesus mede, waaruit terstond bloed en water vloeiden.
SLUITREDK.
Ziedaar, li. B., in quot;t kort de geschiedenis van het lijden en den dood van Christus.
Welke dood is Christus gestorven? Wij hebben het reeds gezien:
De dood des kruis.
()/gt; xont dag is Christus gestorven\'?
(gt;lgt; den vrijdag vóór Pasohen, die daarom Goede Vrijdag wordt genoemd. En niet zonder reden. Want
Voor wie is Christus gestorven?
Voor de zaligheid van alle mensehen te zamen, en van ieder in het bijzonder.
Wij moeten dikwijls aan het lijden en den dood van Jesas denken. Niets dat den mensch krachtiger zal aanzetten om de zonde te haten en te verfoeien; niets dat meer in staat is tot zijn hart te spreken.
Wolk eene schando voor ons, Christenen, van niet een weinig te willen lijden voor onze zonden, als wij zien wat Jesus geleden heeft. Doch wat wij vooral niet uit het oog moeten verliezen, is de liefde van God. God de Vader heeft uit liefde voor ons zijnen Zoon gegeven, en die Zoon heeft uit loutere liefde voor ons geleden; Hij is uit loutere liefde voor ons gestorven om ons te verlossen en zalig te maken. Bijaldien ik, zoo spreekt de Heilige Bernardus, bijaldien ik geheel en ai aan God moet toebehooren, wijl Hij mij geschapen heeft; wat moet ik er dan nog niet bijvoegen, wijl Hij mij vrijgekocht heeft en dat op eene zoo wonder - en liefdevolle wijze? Wij beminnen onze vrienden en wij zijn zoo gevoelig, zoo zij liet een of ander voor ons gedaan hebben: zullen wij dan voor Jesus alleen ongevoelig en Hem alleen ondankbaar zijn? Wie onzer vrienden is voor ons gegeeseld, met doornen gekroond? Wie hunner heeft voor ons zijn leven ten beste gegeven? Onze harten zijn ongevoeliger dan de rotsen van den Golgotha, zoo wij Jesus, die ons zoo zeer bemind heelt, niet wederkeerig beminnen. Wat heeft Jesus nog meer voor ons moeten doen? Hij sterft voor ons; er blijft nog een druppel bloeds in zijn H. Hart; Hij wil dat het voor ons vergoten worde. Beminnen wij dus Jesus-Christus onzen goddelijken Zaligmaker. Vluchten wij de zonde, waardoor wij Jesus volgens de uitdrukking van den Apostel Paulus op nieuw zouden kruisen. In Jesus te beminnen zullen wij reeds gelukkig zijn hier op aarde, en eenmaal zullen wij in Jesus te bezitten voor eeuwig gelukkig zijn in den hemel. Amen.
GKLOOFS- KN Zl\'DKNLEER. 21.
DRIE - EN - DERTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DE BEGRAFENIS VAN CHRISTUS EN ZIJNE NEDERDALING TER HELLE
Joseph... posiiif cum in monumento, quod erat excisum de petra.
Joseph... legde Hom iu een graf, dat in ile rots was uitgehouwen. (Mab. xv, io.)
INHOUD.
VOORREDE.
Jesus is op een Vrijdag gestorven. De gansche natuur treurde over den dood van haren Schepper. De Hoofdman en de soldaten erkenden Jesus voor den Zoon Gods. liet volk sloeg zich op de borst en keerde naar huis terug, \'t Was drie uren \'s namiddags. Het lichaam van Jesus mocht niet langer aan het kruis blijven hangen.
VKHDEULINCt.
I. De begrafenis van Jesus;
II. Zijne nederdaling ter helle.
J.
Joseph van Arimatliea vroeg liet licliaam van Jesus en legde het. door Nicodenius bijgestaan, in het graf. De Christenen, die de bedroefden troosten en de noodlijdenden bijstaan, volgen die twee mannen na. Jesus heeft willen begraven worden;
1° Om zich te verootmoedigen;
2° Om geen twijfel over zijnen dood te laten;
li0 Om zijne verrijzenis te doen uitschijnen;
4° Om ons te bevestigen in de hoop op de verrijzenis.
li.
De ziel van Christus vereenigd met de godheid is nedergedaald ter helle. Door het woord Hel wordt verstaan eene onder-aardsche plaats:
Iquot; De plaats der verdoemden;
2° liet vagevuur;
l!quot; Het vooigeborgte (ter kleine kinderen;
4° De schoot van Abraham.
De ziel van Jesus is zeker nedergedaald in den schoot van Abraham, om de zielen der II. Oudvaders en van anderen die in Gods liefde gestorven waren, te troosten en te verlossen.
SLI\'ITllKDK.
Wij kunnen in de vreugde der II. Oudvaders deden, mits wij ons die vreugde waardig maken; want bijaldien wij God in dit leven getrouw dienen, zal Jesus onze ziel bij het verlaten van haar lichaam te gemoet komen en bij zich nemen in den hemel.
DRIE - EN DERTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DE BEGRAFENIS VAN CHRISTUS EN ZIJNE NEDERDALING TER HELLE
Joseph... pox ui/ nun in monumen/u, quod oral cxcisum ilr jintra.
Joseph... logdc Horn in oen graf, dat in lt;le rots was uitgehouwen. (.jNIak. xv, m.)
INHOUD.
VOORKKDK.
\'t Was Vrijdag, B. !!,, toen onze goddelijlvo Zaligmaker aan het kruis verheven voor de zaligheid dor menschen stierf\'. T)e gansche natuur treurde over den dood van haren Schepper. De zon weigerde haar licht; de aarde beel\'de: de rotsen spleten; de graven openden zich; vele lichamen van Heiligen stonden op, kwamen in de stad Jerusalem en vertoonden zich aan velen; het voorhangsel in den tempel scheurde van boven tot beneden; de hoofdman en de overigen, die Jesns bewaakten, ontstelden zeer toen zij de aardbeving en de overige wonderen waarnamen; zij erkenden in Jesus den Zoon Gods. Het volk, dat getuige was van hetgeen er gebeurde, sloeg zich op de borst en keerde naar huis terug.
\'t Was drie uren \'s namiddags; het plechtig feest van den Sabbath stond te beginnen. Hot lichaam van Jesus mocht gedurende dien dag niet aan hot kruis blijven hangen en daarom
quot;waren de Joden, die Jesus getrouw gebleven waren, verplicht liet zoo spoedig\' mogelijk te begraven. Zien wij vandaag: 1. De begrafenis van Jesus;
II. Zijne nederdaling ter helle.
I.
Joseph van Arimathea, een rijk en aanzienlijk man, lid van den joodschen raad, maar die geen deel genomen had in de onrechtvaardige veroordeeling van Jesus, leerling zelis van Jesus, doch in \'t geheim uit vrees voor de Joden; die Joseph ging na den dood van Jesus stoutmoedig naar Pilatus en verzocht om liet lichaam van Jesus. Pilatus stond verwonderd dat Jesus zoo vroeg gestorven was; hij deed den hooidman bij zich komen en na zich van den dood van Jesus verzekerd te hebben, stond hij Joseph hét lichaam van onzen goddelijken Zaligmaker af. Joseph, door Nicodemus, een ander leerling van Jesus, bijgestaan, nam het lichaam van het kruis, wikkelde het met kostbaren balsem in fijn lijnwaad en legde het in een nieuw graf, waarin nog niemand begraven was, en dat hij in eene rots van zijnen tuin had laten uithouwen.
Joseph en Nicodemus, in den beginne bevreesd zich voor leerlingen van Jesus uit te geven, overwonnen die vrees en het menschelijk opzicht. Zij kwamen er na don dood van bunnen Meester kloek voor uit en boden zich aan om Hem do laatste eer te bewijzen.
Wij benijden voorzeker die twee leerlingen liet geluk, dat hun bij de begrafenis van Jesus te beurt viel. Niemand onder ons, of hij zoude Jesus dezelfde eer bewezen hebben. Gelukkig zijn zij, IJ. B., die zoo gestemd zijn; doch gelukkiger de Christenen, die van de gelegenheid gebruik wisten te maken om hunnen goddelijken Zaligmaker eer en liefde te betoenen. Eu hoe dat? Er doen zicli dan gelegenheden op? Ja, B. B., en dikwijls, \'t Is Jesus zelf, die het ons leert: Quamdiu fecislLs ani cm
— 326 —
his fratribm mcis minimis, mi hi fecAstis: (i) alwat gij den geringste der mijnen gedaan hebt, hebt gij aan Mij gedaan. Telkens dus als wij onze bedrukte broeders getroost, de armen bijgestaan zullen hebben, Jesus, gelijk wij uit zijne woorden kunnen besluiten, zal het beschouwen als aan Hem gedaan. Doch zien wij verder waarom Jesus heeft willen begraven worden. Hij heeft willen begraven worden:
1° Om zich na zijnen dood nog te vernederen. Natuurlijk, J.esus had onmiddellijk na zijnen dood kunnen verrijzen; doch neen, Hij wil dat zijn goddelijk lichaam even als dat van een gewoon mensch in een graf worde opgesloten.
2° Jesus heeft willen begraven worden om volstrekt geen twijfel aangaande zijnen dood te laten bestaan. Een zeker bewijs, dat men van den dood van den mensch hebben kan, is ongetwijfeld dat zijn lichaam begraven is. Vandaar dat Pilatus de grootste voorzorg nam om zich te verzekeren, dat Jesus inderdaad dood was, alvorens zijn lichaam ter begraving af te staan.
3° Eeno andere reden, waarom Jesus heeft willen begraven worden, is, om het wonder zijner verrijzenis des te beter te doen uitschijnen. De begrafenis, B. B., bewijs dat Hij waarlijk gestorven is, bevestigt tevens dat Hij verrezen is. Bijaldien Jesus terstond na zijnen dood levend geworden was, • zouden zijne vijanden hebben kunnen uitstrooien dat Hij niet waarlijk dood, maar slechts een schijndoode geweest, ware; doch zoo iets konden zij niet meer staande houden, sedert Jesus\' lichaam in liet graf gerust had. Jesus is begraven; Hij is dus waarlijk gestorven; den derden dag na zijnen dood vindt men het graf ledig; Jesus vertoont zich aan verschillende personen; Hij is dus waarlijk verrezen; Jesus\' begrafenis bijgevolg bevestigt zijne verrijzenis.
4° Jesus\' begrafenis met zijne verrijzenis geeft ons ook de vaste hoop, dat de lichamen onzer broeders en zusters, die reeds
(i) Matth. xxv, 40.
— 327 —
op liet kerkhof rusten, dat de onze, die ook weldra grafwaarts zullen gedragen worden, eenmaal zullen verrijzen. Ja, allen die reeds begraven zijn en nog zullen begraven worden, zullen eenmaal de stem van den Zoon Gods hooren: Omnes, qui in monwncnlis sunt, audient vocem Fdn Dei. (i) Nochtans, wij moeten aanmerken, B. li., dat liet met liet lichaam var. Jesus niet verging, gelijk het met onze lichamen, vergaan zal. Het lichaam van den mensch, hoezeer hij het ook koestert, vleit, siert en er als een afgod van maakt; dat ellendig lichaam zal ontbonden worden, \'t zal rotten en een voorwerp van walging worden; maar het lichaam van Jesus kon niet bederven. De Profeet David had hot voorzegd: Non dubis Sanclum luum videre conntplionem; (2) Gij zult niet toelaten dat uw Heilige der verrotting ten prooi worde. En inderdaad; hoe zoude dat H. lichaam hebben kunnen bederven, dat zoo innig vereenigd was met de godheid, welke vereeniging nimmer verbroken is. Want, B. B., al is Jesus ook gestorven, d. i., al is zijne ziel van zijn lichaam gescheiden; noch ziel, noch lichaam werd ooit van de godheid gescheiden, zoodat het eene goddelijke ziel en een goddelijk lichaam bleef, even aanbiddelijk na zijnen dood als voor zijnen dood, even aanbiddelijk als na zijne verrijzenis, als thans in den hemel.
II.
Wij hebben Jesus\' lichaam naar het graf vergezeld; vergezellen wij nu, B. B., ook zijne ziel naar de plaats waarin zij nedergedaald is. De vijfde artikel van het Symbolum des geloofs luidt als volgt: Dcscendit ad in/cros-, tertio, die resurrexit a mor luis: Die nedergedaald is ter helle, den derden dag is Hij verrezen van den dood. De Catechismus vraagt:
Wal heef! Christus gedaan na zijne doodt lin hij antwoordt:
De ziel van Christus, vereenigd met de (lodheid, is nedergedaald ter helle.
(l) Joan. v, 28. ^2) Ps. xv, 10.
— 328 —
Euwel vooreerst: wat moet er verstaan worden door het woord Hel?
Het woord Hel beteekent eene onderaardsche plaats; doch tijdens den dood van Jesus waren er vier onderaardsche plaatsen:
1° De hel, die men doorgaans verstaat, namelijk, do plaats, waar de verdoemden de slachtollers der goddelijke wraak gefolterd en in eeuwigheid gefolterd zullen worden.
2° Hot vagevuur, waar de zielen der rechtvaardigen, die nog niet geheel en al voldaan hebben aan de goddelijke rechtvaardigheid, gezuiverd worden.
3° Het voorgebergte der hel of de plaats, waar zich bevinden de zielen der kinderen, die zonder Doopsel sterven.
•1° Het voorgeborgte der hel of de schoot van Abraham, waarvan de Evangelist Lucas spreekt als hij zegt, dat do ziel van den armen Lazarus na zijnen dood door de Engelen naar den schoot van Abraham gedragen werd.
In welke van die vier plaatsen is nu de ziel van Christus na zijnen dood nedergedaald!
Vele godgeleerden beweren, dat zij is nedergedaald in het vagevuur, om de zielen, die daar opgehouden waren, te troosten en hunne pijnen te verkorten.
Eenige godgeleerden, doch in klein getal, beweren dat zij in het voorgeborgte der kinderen, ja zelfs in de hel der verdoemden zoude nedergedaald zijn, niet om de duivelen en de verdoemden te troosten of te verlichten, maar om hun zijne macht en overwinning op de hel behaald te toonen, en om do duivelen en verdoemden te doen knarsetanden van wanhoop en spijt. Ziedaar een gevoelen van min of meer godgeleerden; doch wat zeker is, B. B., dat is, dat de ziel van Christus nedergedaald is in den schoot van Abraham. In die plaats hielden zich op de zielen der rechtvaardigen, die van het begin der wereld tot den dood van Christus gestorven waren en die geheel en al
voldaan hadden aan do goddelijko rechtvaardigheid; zij leden niet de minste pijnen. Jesus\' ziel nu, vereenigd niet de godheid, is in die plaats nedergedaald en heelt ze terstond als in een Paradijs herschapen. De belofte, den goeden moordenaar aan \'t kruis gedaan, werd volbracht: Heden zult gij met Mij zijn in het Paradijs. Dalen wij in den geest een oogenblik neder in dat voorgebergte der helle.
Nog niet lanjj; geleden zuchtten de II. zielen naar de komst van den Messias. Met een heilig ongeduld riepen zij uit: Rorulc caili dcsuper cl nnbes /ihiuiit Jusiiun! (1) Dauwt hemelen en gij wolken zendt den Rechtvaardige! en ziet, eensklaps bevindt zich de ziel van Jesus in hun midden. Zien wij die zielen naderen: de zielen van Adam en Hva, van do Aartsvaders Abraham, Isaac en Jacob; van de 1\'rofeten, van Isaias, Jeremias, Daniël en Ezechiel; van Zacharias, Elisabeth en Joannes den Dooper; van Joachim en Anna de ouders van Maria de Moeder van Jesus: al die zielen scharen zich rondom de ziel van Jesus en vol\' verwondering, vreugde en liefde roepen zij te zamen uit: O Verlosser! (lij zijt dan eindelijk gekomen! Gij hebt de poorten van onze gevangenis geopend! Gij hebt onze boeien geslaakt! En wat antwoordt Jesus\' ziel op dat vreugde - en liefdevol onthaal? Ja, antwoordt Zij, Ik ben uw Verlosser; Ik ben aangekomen; Ik kom ii verlossen; Ik kom u voorbereiden tot den hemel; doch van nu af geniet reeds mijne goddelijke tegenwoordigheid; aanschouwt uwen God, uweu Verlosser; nog een weinig tijds en Ik zal u allen gevankelijk medevoeren naar den hemel.
B. 13., welk eene goed-, welk eene bezorgdheid van Jesus voor die zielen, die Hij terstond na zijnen dood indachtig gaat bezoeken! Doch wie zal zich een denkbeeld vormen van de vreugde en blijdschap dier zielen, toen zij hunnen Verlosser zagen: die vreugde, die blijdschap gaat alle denkbeeld te boven. Ten slotte zeg ik:
(1) Is. XLV, 8.
SI,UITREDE.
Wij kunnen er in deelen. De Verlosser dier H. zielen is ook onze Verlosser. Jesus, die haar verlost en in zijne glorie heeft doen deelen, is bereid voor ons hetzelfde te doen, mits wij ons dat geluk waardig maken. En wanneer? Hoe lang zullen wij nog leven? Nog een weinig tijds. Wij zullen weldra sterven. |te ziel zal van liet lichaam scheiden; het lichaam zul begraven worden en tot stof en ascli vergaan; maar de ziel, die onsterfelijke ziel, welk zal haar lot zijn? Zal zij ook naar den schoot van Abraham gaan? Neen B. I!., die schoot bestaat niet meer; maar zij zal gaan naar eene van deze drie plaatsen, naar den hemel, naar de hel of naar het vagevuur. Wie onzer schrikt niet op het hooren van het woord hel, de plaats der verdoemden? O, B. B., doen wij toch ons uiterste best om de hel te ontkomen. Wij hebben gezien wat Jesus gedaan heeft om onze zielen zalig te malvMi; blijven wij dus niet to kort; werken wij met vlijt aan die groote, aan die eenige zaak van aanbelang, aan de zaligmaking onzer ziel mede, opdat zij, bij of na het verlaten van haar lichaam, Jesus moge ontmoeten en Hem moge toeroepen: O mijn Zaligmaker! Gij zijl dan eindelijk gekomen! Advenisii Reclemptor nosterl Amen.
VIER - EN - DERTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DE VERRIJZENIS VAN CHRISTUS
Bril sepulerum ejus gloriomm. Zijn graf zul glorierijk wezen.
(ISAIASj XI, lil.)
iMiori).
VOORREDE.
Terwijl het lichaam van Jesus in het jiraf rustte en zijne ziel nedergedaald was ter helle, beraamden de vijanden van Jesus allerlei middelen om zijne verrijzenis te beletten; doch te vergeefs. Zien wij:
VERDEELING.
1. De verrijzenis van Jesus;
II. Aan welke personen Hij verschenen is.
Geschiedenis der verrijzenis. Bedrog door de Joden gepleegd, welk bedrog uit kwam. Pilatus zelf geloofde de Joden niet, die zeiden dat het lichaam van Jesus gestolen was.
— 332 —
#
De voM\'rijzenis is algebecld, voorzegd en verkondigd door geloofwaardige persoaon. Afgebeeld door Jonas, voorzegd door David. Petrus legt de voorzegging van David uit.
II.
Jesus is aan versclieidoue personen en meermalen verschenen: aan Maria Magdalena, aan Petrus, aan de leerlingen van hmniaus, aan lt;]c Apostelen, enz. Wij kunnen staat maken op de getuigenis van die personen: zij zijn niet kunnen bedrogen worden en zij hebben ons niet willen bedriegen; zij hebben hun bloed voor die waarheid vergoten en ze met wonderen bevestigd.
SI.l\'ITREUU.
Uit de verrijzenis van Jesus moeten wij besluiten;
1° Dat Hij waarachtig God is;
2° Dat de Christen godsdienst de eenige ware is; dat zijne leerstukken en beloften zeker zijn;
:ï0 Dat wij ook eenmaal zullen verrijzen, hetzij rechtvaardigen, hetzij zondaren; doch de staat der verrezenen zal zeer verschillend zijn.
VIER EN - DERTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DE VERRIJZENIS VAN CHRISTUS
JSHt sepulcrum ejus gloriostm.
Zijn s\'ral\' ziil glorierijk wczon.
(isaias, xi, 1(1.)
voorrede.
Terwijl liüt liclianm van Jpsus in luil, graf rustio en zijne ziel, in het voorgeborgte der hel nedergedaald, de heilige zielen daar troostte door hare verlossing aan te kondigen, beraamden de vijanden van Jesus, met verblindheid geslagen, allerlei middelen om eene voorzegging, welke Jesus gedaan had en die hun op het hart lag, te doen mislukken. Verwoest dezen tempel, had Jesus zijn lichaam bedoelende gezegd, en binnen drie dagen zal ik hem weder opbouwen; in andere woorden: brengt Mij om het leven, ten derden dage zal Ik verrijzen.
Na den dood van Jesus werden de Joden die voorzegging indachtig; zij trachtten er de vervuiling van te beletten; doch ziet, in plaats van de grondwaarheid van onzen il. Godsdienst, d, i,, de verrijzenis, te verduisteren, zullen zij ze tegen wil en dank, zonder er zelfs aan te denken, in het helderste daglicht doen komen; zij zullen de verrijzenis van Jesus bekrachtigen. Overwegen wij vandaag:
I. De verrijzenis van Jesus;
11. Aan wie Jesus verschenen Is.
Daags na de begrafenis van Jesus gingen de Priesters en Ouderlingen naar Pontius Pilatus en zeiden: Heer, wij zijn indachtig geworden, dat die verleider — zoo noemden zij onzen goddel ijken Zaligmaker — toen Hij nog leefde, gezegd hoeft: Ik zal na drie dagen weder opstaan. Beveel dus zijn graf tot den derden dag te bewaken, opdat zijne leerlingen soms niet komen, het lijk stelen en dan onder het volk uitstrooien dat Hij verrezen is, en die laatste dwaling zal nog erger zijn dan de eerste. Wat antwoordde Pilatus? Gij hebt eene wacht, zeide hij, gaat en bewaakt het graf naar uw goeddunken; doch al hunne voorzorgen, B. B., zijn vergeefsche pogingen. Den derden dag na zijnen dood, des zondags \'s morgens vroeg, verrees onze goddelijke Zaligmaker. De Catechismus vraagt:
Wol is le zeggen dal Christus verrezen is? En iiij antwoordt:
Dal hij zijne ziel wederom heeft vereenigd met zijn lichaam, en uit het graf levend is opgestaan.
Noch steen, waarmede het , graf gesloten en die verzegeld was, noch wachten, die er bij uitgezet waren, noch iets anders kou Jesus beletten van te verrijzen. Dat opstaan van den dood door eigene macht is een klaar bewijs van Jesus\' godheid. Iemand, die maar enkel mensch is, kan uit eigene macht niet verrijzen. Er zijn Heiligen wel is waar, die dooden verwekt hebben; doch er is geen enkele Heilige die zich zeiven van tien dood verwekt heeft. Jesus de Uodmensch alleen is van den dood kunnen opstaan.
Doch het wonder der verrijzenis van Jesus, B. B., moest uitschijnen, zijn graf moest glorierijk zijn. Het lichaam van Jesus, glorieus, richtte zich op en drong door den steen des grafs heen, zonder hem af le wentelen of te verbreken. Er ontstond eene geweldige aardbeving. Na de verrijzenis daalde een Engel des Heeren uit den hemel neder, wentelde den steen
uf, opdat een ieder zoude kunnen zien dat Jesus veirezen was, en zetlede er zich op neder. Zijne gedaante was als de bliksem, zijn gewaad helder als sneeuw. Do wachters vielen op het gezicht van den Kngel van schrik in zwijm en lagen voor dood ter aarde. Tot zich zeiven gekomen stonden zij op, liepen ijlings naar de stad en meldden den priesters wat zij gehoord en gezien hadden Deze; belegden terstond hunnen raad, riepen de Ouderlingen te zanien, en na onderling veel beraadslaagd te hebben vonden zij goed de wachters om te koopen. /ij boden hun veel geld aan en zeiden: Vertelt overal: Zijne leerlingen zijn des nachts gekomen en hebben Hein weggenomen terwijl wij sliepen. Mocht de landvoogd Pilatus dit vernemen, zijt maar gerust, wij zullen het wel gunstig bij hem weten uit te leggen en zorgen dat gij niet gestraft wordt. De wachters namen het geld aan en deden juist als hun was ingegeven.
Armzalig redmiddel! roept de 11. Augustinus uit, als of de getuigenis van slapers kon aangenomen worden. Wat grootere dwaasheid dan die leugen onder het volk verspreid! Want ziet; de soldaten waakten, of zij sliepen; een van beiden. Bijaldien zij waakten, waarom hadden zij dan de leerlingen niet belet het lijk te stelen? En bijaldien zij sliepen, wat hadden zij dan kunnen zien? En zoo zij niets gezien hadden, hoe konden zij dan getuigen dat de leerlingen het lijk gestolen hadden? De vijanden van Jesus, li. B., meenden slim te werk te gaan en hun bedrog, gelijk gij ziet, scheen in alles door. Ook Pilatus geloofde er niets van, en in een verslag aan den keizer Tiberius sprak hij, zegt Tertulianus, evenals een Christen zoude gesproken hebben.
Overigens, B. B., wij kunnen en moeten van de verrijzenis van Jesus zeker zijn. Nochtans willen wij in \'t kort eenige bewijzen aanhalen, om te toonen op welke hechte grondslagen het geheim der verrijzenis en de overige geheimen van onzen H, godsdienst berusten.
Wij zijn stellis zeker van de verrijzenis van Jesus, door de figuren, door de voorzeggingen en door de getuigenis der personen, die Jesus gezien, gehoord en aangeraakt, die met Hem geëten en gedronken hebben, en die de getuigenis, welke zij ajle.i.:den, met hun bloed bezegeld, met wonderen bekrachtigd hebben.
De verrijzenis van Jesus is in de Oude Wet door talrijke figuren afgebeeld: doch de jnistste figuur en het klaarste afbeeldsel is volgens de verklaring van onzen goddel ij kon Zaligmaker zeiven Jonas de Profeet. God, 1?. B., had Jonas bevolen den Ninivieten boetvaardigheid te prediken. Jonas wilde do vlucbt nemen naar Tharsis; doch or ontstond een lievige wind of storm op zee. Om dien te bedaren werd Jonas in zee geworpen. Een monsterachtige visch slokte den Profeet op. Jonas verbleef drie dagen in de ingewanden van den visch, tot dat deze hem aan het strand uitspuwde. Welnu, Jesus zelf past deze gebeurtenis op zijne verrijzenis toe; Hij zegt dat Jonas een afbeeldsel van zijn persoon is: Gelijk Jonas, zegt onze goddelijke Zaligmaker, drie dagen en drie nachten in den buik van den visch geweest is, zoo ook zal de Zoon des meuschen drie dagen- en drie nachten in den schoot der aarde rusten. Buiten de figuren, die als zoo vele levendke profetiën zijn, is de verrijzenis van Jesus nog dikwijls voorzegd geworden door onzen goddelijken Zaligmaker voor zijnen dood, en reeds lang voor zijne komst door de Profeten. Ik wil enkel de voorzegging van den Profeet David aanhalen.
David, van den Messias handelende, spreekt deze woorden, die op Jesus alleen kunnen toegepast worden; Gij zult mijne ziel niet in de hel laten: Non derelinques animam ^ieam in inferno-, en gij zult niet toelaten dat uw Heilige der verrotting ten prooi worde: Nee dabis sanctum luum videre corrup-lionem. i) Petrus, de prins der Apostelen, spreekt de Joden
(1) Ps. XV, 10.
over deze voorzegging van David. Mijne broeders, zegt Petrus, het zij mij geoorloofd u reehtnit te zeggen dat David gestorven is, dat hij begraven is en dat zijn graf onder ons tot heden toe nog te zien is; maar wijl hij Profeet was en wist dat er uit zijne familie een zoon zoude geboren worden, die op zijnen troon zoude zetelen, sprak David, in de toekomst lezende, over de verrijzenis van Christus, zeggende dat zijne ziel in de hel niet is achtergelaten, en dat zijn lichaam niet bedorven is. Dat is die Jesus, zegt Petrus, dien God verwekt heeft, en wij zijn getuigen zijner verrijzenis. Wat had er plaats bij die toespraak van Petrus? Drie duizend Joden bekeerden zich en lieten zich doopen.
De verrijzenis van Jesus is dus, gelijk gij ziet, duidelijk voorzegd geworden. Gaan wij nu over tot de getuigen dor verrijzenis.
Aan welke personen is Jesus na zijne verrijzenis verschenen?
II.
Jesus, li. B., is na zijne verrijzenis verschenen aan Maria Magdalena; aan de vrouwen, die \'s morgens vroeg naar het graf gingen; aan Petrus den prins der Apostelen; aan de twee leerlingen, die naar Emmaüs gingen; aan de Apostelen, toen Thomas afwezig was. Hij stond zijnen leerlingen toe Hem aan te raken; Hij at en dronk met hen. Acht dagen later, toeu Thomas ook aanwezig was, verscheen Jesus wederom. Hij gebood dien ongeloovige zijne lidteekens aan te raken, en Thomas riep hij het zien van zijnen goddelijken Meester uit: Dominus me us et Deus meus! (i) Mijn Heer en mijn God! als wilde hij zeggen: Ik geloof dat Gij het zijt, o mijn Meester! en dat Gij God zijt.
Thomas beleed dus twee waarheden, de verrijzenis en de godheid van Christus.
(i) Joan. xx, 28.
Gelooi-s- kn Z koen leer. *22.
Jesus versclieen nog aan zijne leerlingen in Galilöu op den oever van het meer Tiberias; op eenen berg van Gal ilea aan meer dan vijl\' honderd personen. Hij is verschenen aan Jacobus den Jongere, eerste Bisschop van Jerusalem. Ten laatste verscheen onze goddelijke Zaligmaker aan zijne Apostelen op den dag zijner hemelvaart.
Ziedaar tien verschijningen, waarvan de Heilige Schrift uitdrukkelijk gewaagt, zonder nochtans andere uit te sluiten, die wij met grond kunnen aannemen. Want wie onzer twijfelt er aan, of Jesus is en wel liet eerst aan zijne Moeder Maria verschenen? Die daaraan twijfelt zoude men wel mogen vragen of hij wel verstand heeft.
Doch kunnen wij staat maken op de getuigenis der personen, die zeggen dat Jesus verrezen is en dat zij Hem gezien hebben? Ja, D. 15., hunne getuigenis is onbetwistbaar en men mag ze niet in twijfel trekken; want \'t is onmogelijk dat zij bedrogen zijn geweest en dat zij ons hebben willen bedriegen. Zij zijn niet bedrogen geweest. Zij hadden Jesus meermalen gezien en gehoord; zij hadden Hem aangeraakt, geëten en gedronken met Hem. Zekeren dag waren zij met meer dan vijfhonderd personen bij elkander, zegt de Apostel Panlus: Visus est plus quam quingent.is fralribus. (l) Zij hebben ons niet willen bedriegen. Geen enkel, lï. H., heeft zijn woord herroepen; integendeel, allen hebben getuigenis van Jesus\' verrijzenis afgelegd en bijna allen hebben die waarheid met hun bloed bezegeld, d. w. z., dat zij liever den dood zijn gestorven dan hun woord te herroepen. Welnu, men geeft zijn leven zoo niet ten beste voor iets dat valsch of twijfelachtig is: wat belang zouden zij daarin gehad, wat voordeel er in gevonden hebben? De Apostelen daarenboven deden wonderen tot bevestiging van Jesus\' Verrijzenis, iels dat God volstrekt niet kan toelaten om de valschheid te bevestigen.
(l) I COR. XV, 0.
Jesus is dus waarlijk verrezen, gelijk wij gezien hebben. De Catechismus vraagt:
Wanneer vieren wij den feestdag der verrijzenis van Christus? En hij antwoordt:
Te Paschen. Het feest van raschen of van de Verrijzenis van Jesus is het grootste aller feesten. Doch wat moeten wij uit de verrijzenis van Jesus besluiten?
SLUITREDE.
Wij moeten er uit besluiten:
1° De godheid van Jesus. Jesus is verrezen, zegt de Heilige Ambrosius; daaruit volgt dat Hij God en mensch te zamen is;
2° Dat de Christen godsdienst de eenige ware is; dat zijne leerstukken en beloften zeker zijn;
3° Dat, wijl Jesus verrezen is, wij ook eejimaal zullen verrijzen.
Prenten wij deze laatste waarheid goed in ons geheugen en denken wij er dikwijls over na. Ik verkondig u een groot geheim, zeide de Apostel Paulus; Ecce mysierium vobis dico. (l) Wij allen zullen verrijzen, wijl Christus ons hoofd verrezen is; Ornnes qiddern resuryemus: doch helaas! Wij allen zullen niet veranderd worden, voegt dezelfde Apostel er bij: sed non ornnes immutahimur. De zondaren en de rechtvaardigen zullen verrijzen, maar hoe? De zondaren in afschuwelijke lichamen, waarvan zij de ongeregelde driften hebben ingevolgd; met afschuwelijke oogen, waarvan zij misbruik gemaakt hebben door zoovele slechte zaken te zien; met eene stinkende tong, waarmede zij zoovele vloeken en zedenkwetsende woorden hebben uitgebraakt; met die afschuwelijke handen, waarmede zij zoovele onrechtvaardigheden en schandelijke werken bedreven hebben; met die afschuwelijke voeten, waarmede zij het pad
(j) i. Cou. xv, 51.
— 340 —
der ondeugd bewandeld hebben: in een woord, zij znlllen verrijzen in lichamen, die voor eeuwig brandstoffen der hel zullen zijn. En de rechtvaardigen, die van hunne lichamen werktuigen van deugden hebben gemaakt, die ze verstorven en in toom gehouden hebben, o, zij zullen ook verrijzen, maar in schoone, in glorieuse lichamen, die onlijdelijk zijn. Zij scheppen dus moed en gaan met vlijt voort in \'t werk hunner zaligheid, om na het voltrokken te hebben, eenmaal te mogen schitteren in \'t rijk van \'den verrezen Godmensch, in den hemel. Amen.
VIJF - EN - DERTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DE HEMELVAART VAN CHRISTUS
Ascexilen.t in altum capitivam duxit caplivitatem.
Ten licmol klimmende voerde Hij de gevangenen gevankelijk mede.
(Eph. IV, 8.)
INHOUD.
VOORREDE.
Jesus, zegt Gregorius de G-roote, heeft zijn loven in nederdalen en opklimmen doorgebracht.
VERDEEUNG.
I. Hoe is Jesus ten hemel geklommen?
II. Waarom is Hij ten hemel geklommen?
1.
Jesus verkeerde na zijne verrijzenis nog veertig dagen op aarde. Gedurende dien tijd verscheen Hij dikwijls aan zijne
— 312 —
leerlingen en onderriclitte hen aangaande de verkondiging van \'t Evangelie, Hij beloofde met hen te zullen zijn, zijnen Heiligen Geest te zullen zenden, eindelijk klom Hij van den Olijfberg ten hemel.
Jesus is opgeklommen ten hemel als menseh, zonder iemands
hulp, door zijne eigene macht. Hij was omgeven van Engelen
en Heiligen. Thans zit Jesus aan de rechterhand des Vaders,
wezende in de opperste rust en allerhoogste eer met God den
Vader. Als God is Jesus zijnen Vader gelijk, als menseh is Hij
boven alle schepselen verheven.
i
II.
Jesus is opgeklommen ten hemel:
Iquot; Omdat de aarde Hem niet meer waardig was;
\'2° Om den H. Geest te, zenden;
:30 Om ons eene plaats te bereiden.
SI.ÜITHKDK.
Om met Jesus eenmaal ten hemel te mogen klimmen moeten wij Hem hier op aarde navolgen. Wij moeten den moed niet verliezen op het gezicht der moeielijkheden, maar wij moeten denken aan de beloften van .lesus.
— 343 —
VIJF - EN - DERTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DE HEMELVAART VAN CHRISTUS
Asmidens in altum capitivam duxit Mptivitatem.
Ton hemel klimmende voerde Hij de gevangenen gevankelijk mede.
(Ki\'it. iv, s.)
VOORRKÜE.
Zoo wij een lüiuwkcurig\'en blik op iu\'l leven van onzen goddelijken Zaligmaker werpen, dan kunnen wij gemakkelijk bespenren, zegt de 11. (li\'egoi\'ins de Oroote, dat Hij liet in nederdalen ea opkihnmen heeft doorgeliraelit. God de Zoon is, gelijk wij weten, in eeuwigheid in den hemel en Hij kmiU tip aarde öm de inensehelijke Rtuur aan te nemen, ilij daalt dns uit den hemel neder in don seiioot van Maria; uit den schoot van Maria daalt Hij neder in de kribbe van Bethleém; uil de kribbe beklimt Ilij het kruis; van het kruis daalt Ilij neder in hel graf en uit het graf klimt Ilij ten hemel. Ja, li. B., na alles volbracht te
hebben verlaat Jesus wederom de wereld en keert naar zijnen
\'
Vader terug: Ilerum rclinquo mundum cl vado ad Patron, n Die waarheid belijden wij in het eerste deel van den zesden artikel van het Symbohun des geloofs. Die artikel luidt als volgt :
Ascendit ad ccelos, sedel ad dexteram Dei Pat,ris omnipo-tenlis: Die opgeklommen is ten hemel, en zit ter reehlerhand Gods, zijns Vaders almachtig.
Do giorieuse hemelvaart van Jesus moet ons verheugen en
moed geven. Waarom? Omdat dezelfde Jesus, die ten hemel
— ---------------- —
(1) JOAN. XVI, 38.
!
.
— 344 —
geklommen is, eenmaal zal wederkomen om ons met zich naar den hemel te nemen, mils wij Hem hier op aarde trouw dienen. Te dien einde onderzoeken wij eens:
I. De hemelvaart van Jesus;
II. Waarom Hij ten hemel geklommen is.
J.
De Catechismus vraagt;
Wanneer is Christus len hemel geklommen? En hij antwoordt:
Veertig dagen na zijne verrijzenis.
Onze goddehjke Zaligmaker, H. B., verkeerde na zijne verrijzenis nog veertig dagen op aarde alvorens ten hemel te klimmen. Jiij verscheen dikwijls aan zijne leerlingen om hun te toonen dat Hij waarlijk verrezen was en leefde. Hij onderrichtte hen tevens nog in vele zaken, die zij later voor hunne zending noodig zouden hebben. Waar Jesus gedurende die veertig dagen altoos gebleven is, kunnen wij niet zeggen. Hij was niet gestadig bij zijne leerlingen; Hij vertoonde zich van tijd tot tijd, nu eens aan deze, dan aan gene, ot\' ook wel als zij allen vergaderd waren. Jesus verscheen dus, gelijk gij ziet, aan zijne leerlingen, maai\' wat de zondaren betreft, met welke Hij tijdens zijn leven ook wel omging, na zijne verrijzenis vertoonde Jesus zich niet meer aan hen. Onze goddelijke Zaligmaker beval zijne leerlingen alle volkeren te onderrichten, hen te doopen in den naam des Vaders en des Zoons en des H. üeestes, hen te loeren onderhouden al wat Hij bevolen had; Hij voegde er bij dat zij, die geloofd zouden hebben en gedoopt zouden zijn, zalig zouden worden; doch dat zij, die niet geloofd zouden hebben, veroordeeld zouden worden. Het geloof, 15. B., waarvan Jesus bier spreekt en waaraan Hij de zaligheid toeschrijft, moet, gelijk uit andere plaatsen der H. Schrift blijkt, verstaan worden van een levend
— 315 —
geloof, van eon gelool\' vervoegd met de wei\'ken, want het geloof zonder de werken is maar een dood geloof, dat den inensch niet kan zalig maken. Jesus beval dus zijne Apostelen het Evangelie te verkondigen. Doch om het met vrucht te doen, hadden zij de genade en kracht van hierboven noodig. Onze goddelijke Zaligmaker beloofde hen te zullen bijstaan, ik zal met u zijn, zeide Jesus, al de dagen tol het einde der eeuwen; en: Ik zal u den II. Geest zenden. Alsdan geleidde Hij hen in de richting van Bethanie naar den Olijfberg. Daar aangekomen strekte Jesus zijne handen uit om hen te .zegenen: intusschen verhief liij zich langzamerhand ten hemel, zoo dat de leerlingen het goed konden zien, tot dat eindelijk eene wolk Hem aan hunne oogen onttrok. De Apostelen bij het zien dier wondervolle hemelvaart als buiten zich zeiven, staarden immer naar den hemel. En ziet, er verschenen twee Engelen in menschen gedaante en in \'t wit gekleed. Mannen van Galilëa, zeiden zij tot de leerlingen, wat ziel gij zoo ten hemel? Deze Jesus, die voor uwe oogen ten hemel opgenomen is, zal evenals gij Hein hebt zien opvaren wederkomen. De Apostelen vielen op hunne knieën, aanbaden en keerden innig verheugd met Maria de Moeder van Jesus naar Jerusalem terug, om zich daar volgens het gebod van Jesus tot de komst van den ii. Geest voor te bereiden. De Catechismus vraagt:
Hoc is Christus len hemd (jehlommen? Eu hij antwoordt:
Zonder iemands hulp, door zijne eigene macht.
Jesus, B. B., is ton hemel geklommen als inensch met ziel en lichaam. Ik zeg, als mensch; want als God was Hij reeds in den hemel, wijl God overal tegenwoordig is.
Jesus is als mensch ten hemel geklommen zonder iemands hulp, door zijne eigene macht; dus niet alleen, omdat zijne menschheid vereenigd was met de godheid, maar ook krachtens de gave van snelheid, die zijne menschheid in de verrijzenis ontvangen en die Christus zelf verdiend had. Daardoor kon de
— 346 —
ziel het lichaam naar liolioven howcgen en hijgevolg ten hemel voeren. Maria is ook ten hemel geklommen door hare eigene macht krachtens de gave van snelheid bij hare verrijzenis ontvangen. Eveneens zullen de Heiligen in den laatslen dag des oordeels ten hemel klimmen; doch Maria en de Heiligen hebben die gave van snelheid niet aan hunne eigene verdiensten, maar aan de verdiensten van Jesus-Christus te danken. Henoch en Elias zijn niet door hunne eigene macht of door de gave van snelheid ten hemel geklommen; maar zij zijn door een mirakel Oods weggenomen van deze aarde en overgebracht naar «ene plaats die ons onbekend is.
Jesus was bij zijne hemelvaart niet alleen, maar Hij was omgeven en vergezeld van Engelen; niet, om Hem te helpen, maar om zijne hemelvaart des te meer luister bij te zetten. Ook voerde onze goddelijke Zaligmaker reeds een gedeelte van den buit, dien Ilij op de vijanden onzer Zaligheid gemaaki had, mei zich. Die buit, B. B., bestond in de zielen der rechtvaardigen, die zich in hel voorgebergte der hel bevonden en die zoo lang naar de komst van haren Verlosser verzucht hadden. Die li. Zielen voerde Jesus, door de banden der liefde met zich vereenigd, in triomf mede naar den hemel. De catechismus vraagt:
Waar is Christus nu? Mn hij antwoordt:
Hij zit ter \'rechteriland des Vaders, toezende in de opperste rust en allerhoogste eer met God den Vader.
Deze woorden moeten van Christus niet als God, maar als mensch verstaan worden; niet in den letterlijken zin, als waren er in den hemel zetels of banken, zooals hier in de kerk, en zat Jesus daar gelijk gij hier zijl gezeten: volstrekt niet. Wij begrijpen niet genoeg, hoe het in den hemel toegaat. De schilders wel is waai\' vertegenwoordigen ons de gelukzaligen als in menigte gezeten op schoone tronen, volgens het denkbeeld, dat Jesus zelf ons van hun geluk wilde geven, als Hij tot zijne Apostelen zeide: Cij zult op twaalf tronen gezeten zijn om de
— 317 —
twaalf stammen van Israel te ooi\'iloolcn; doch die uitdrukkingen zijn (iguui\'lijk olOverdrachtelijk; zij zijn enkel eene manier van spreken, waul inderdaad bestaat die zaak zoo niet. In den hemel gaal alles op eene geeslelijke wijze. Wanneer wij dus zeggen: Hij zdl, dan geven wij Ie kennen dal Jesus in den heniel is als in eene verblijfplaats, waar rust en vrede ongestoord in eeuwigheid heersclien. Door er bij te voegen: Ier féchlcrhand des Vaders: beteekenen wij niet dal (Hxi eene i\'eehier of linker hand iieel\'t. Immers, God is een enkele geest en lieefl geen lichaam; maar wij beteekenen dal .fesus ook als inensch in den hemel boven alle schepselen verheven, deelt in de eer en glorie van God zijn hemelschen Vader.
In de hemelvaart van Jesus wordt de voorzegging van den rrofeet David vervuld: Düril Domiims Domino meo, scde a dcxtï\'is meis. (1) De Heer, d. i., God de \\ ader, heelt aan mijnen Heer, d. i., aan God den Zoon gezegd: zil neder aan mijne rechterhand. Ziedaar de geschiedenis en do voornaamste waarheden van de hemelvaart van Jesus.
Wanneet\' vieren wij den feestdag der hemelvaarl ran Christus?
Op den veerticjsten dan ua l\'nscheu, die daarom Ons-Heer-Hemelvaart genoemd wordt.
Zien wij nu nog waarom Jesus ten hemel geklommen is\'?
II.
Jesus is ten hemel geklommen;
1quot; Omdat de aarde Hem niet meer waardig was. Die schouwburg van misdaden, dat dal van tranen was geene verblijfplaats meer voor Jesus, nadat Hij dood en hel overwonnen had, glorieus en onsterfelijk uit het graf was opgestaan. De verblijfplaats voor Jesus was de hemel.
(ll Ps. CIX, 1.
— 348 —
Jesus is len hemel geklommen:
2° Om zijne Apostelen den PI. Geest to zenden. Bijaldien Ik niet ga, sprak Hij tot zijne leerlingen, zal de Trooster, de II. Geest niet komen; doch zoo Ik ga zal Ik Hem zenden.
Jesus is ten hemel geklommen:
3quot; Om ons in zijn rijk eene plaats te bereiden: Vado parare •volris locum, (i) Toen Jesus voor zijn lijden van zijne Apostelen afscheid nam, sprak Hij hun in dezer voege aan: Lhv hart bedroeve zich niet! Gij gelooft in God; gelooft ook in mij. In \'t huis- mijns Vaders zijn vele woningen; ware dit zoo niet. Ik zoude het u gezegd hebben; want ik ga heen om u eene plaats te bereiden, en ids Ik u eene plaats bereid heb, zal ik wederkomen en u bij Mij nemen, opdat ook gij zijl, waar Ik ben, d. w. z., in den hemel.
O, 13. B., wij weten het zeer wel; wij zijn niet voor deze aarde geschapen maar voor den hemel, waar Jesus ons hoofd ons is voorgegaan. Niemand was voor Jesus-Christus in den hemel gekomen: de hemel was gesloten; doch Jesus heeft hem voor ons met zijn kruis als met eenen sleutel geopend, \'t Is in den hemel dat Jesus ons afwacht; van uit den hemel dat Hij ons aanmoedigt en toeroept om de plaats, die Hij er ons bereid heeft, weldra in te nemen. Ja, wat meer is; Jesus is in den hemel onze voorspreker bij God zijn bemelschen Vader; Hij is onze middelaar, zonder Hem is er geene zaligheid mogelijk. In \'t huis mijns Vaders, zegt Jesus, zijn vele woningen, d. i., in den hemel zijn vele plaatsen; doch merken wij ten slotte op dat er niet veel en verschillende wegen zijn, die ten hemel leiden.
SLUITRKDE.
Wat moeten wij dus doen om in den hemel te komen? Welken weg moeten wij Inslaan? Den weg, dien Jesus ons heeft aangewezen. En welke is die weg? Jesus zelf. Ik ben de weg, zegt Hij:
(l) JOAN. XIV, 2.
— 319 —
Ego sum via. Wij moeten dus Jesus\' voetsluppen drukken, doen hetgeen Hij ons met woorden en werken geleerd heeft, leven, lijden en sterven met en voor Hem. Wij moeten het merkleeken van den Gekruiste dragen, willen wij eenmaal de glorie van den Verheerlijkte binnengaan. Wanneer wij nu op het gezichi der moeilijkheden van den weg met vrees bevangen worden, denken wij dan aan de beloften van Jesus, namelijk, dat Hij ons zal helpen en bijstaan. Scheppen wij dus moed in den dienst van God, ons oog ten hemel gericht. Welke moeite, welke arbeid moet ons niet licht schijnen, als wij aan den schoonen hemel denken? Het lijden van dit leven beteekent weinig ot\' niets, zegt de Apostel l\'aulus, vergeleken bij de glorie, die wij eenmaal zullen deelachtig worden. De kwellingen en wederwaardigheden van dit leven zijn van korten duur; zij eindigen mol dit leven. En wat beteekent het leven van den mensch, als men het wel nagaat? Daarom, li. B., ik herhaal het: Scheppen wij moed: na een weinig tijds met en voor God geleden te hebben, zullen wij het geluk hebben van ons voor eeuwig met Hem te mogen verblijden in den hemel. Amen.
ZES - EN - DERTIGSTE ONDERRICHTING
OVER HET RECHTERSCHAP VAN CHRISTUS
O nines nos raaivifestari oportct ante irihunal Ch risti.
Wij allen moeten voor den reoliterstocl van Christna verschijnen. (n Cou. v, io.)
INHOUD.
YOOliRKDE.
Men onderscheidt twee komsten Aan Jesus op aarde, eene A\'erledene en eene toekomende. Over de eerste; hebben wij reeds meermalen gesproken; (hans gaan wij spreken over de tweede.
VKRDEEI.ING.
i. Waarom zal Jesus komen?
II. W \'aar zal Hij komen?
III, Wanneer zal Hij komen?
— 851 —
I.
Jesus zal komen om lo oonleclcn do levenden en de dooden: de levenden, die lot den laatsten dag nog leven; de dooden, die voor den laatsten dag gestorven zijn: in een geestelijken zin de i\'eclil,vaardigen en de zondaren, liet oordeel zal in een oogenhlik geseliieden. De Rechter zal liet vonnis uitspreken: Konil geze-genden mijns Vaders: en. Gaal weg van mij vervloekten in het eeuwige vuur.
Het algemeen oordeel moet plaats hebben:
1quot; Om de zondaren te besehamen;
2quot; Om de Heiligen le verheerlijken;
3° Om het gezag van Christus te openbaren;
1quot; Om de goddelijke voorzienigheid Ie reehlvaardigen.
Volgens een algemeen gevoelen zal hel algemeen oordeel plaats
hebben in het dal Aan Josaphat.
#
De lijd van het algemeen oordeel is onhekend. Voorleekenen. 1quot; Oorlog, hongersnood, pest, aardbevingen;
2quot; Verflauwing iu de liefde en in hei geloof;
Verkondiging van het Kvangclie de gansehe wereld door,
enz.
SUJITUKDH.
De zevende artikel des Symbolums beval versclirikkelijke en troostrijke waarheden. Denken wij dikwijls aan den laatsten dag des oordeels. Welke plaats zullen wij innemen? \'I Hangt van ons af. De Heiligen sidderden en beefden; hoeveel te meer redenen hebben wij dan van te sidderen en te beven.
ZES - EN DERTIGSTE ONDERRICHTING
OVER HET RECHTERSCHAP VAN CHRISTUS
Omnns tws manifestari oportet ante tribunal Chrisli.
Wij allen moeten voor den rechterstoel van Christus verschijneu. (n Cor. v, 10.)
VOOUKKDK.
Men onderscheidt twee komsten van Jesus op aarde, eene verledeno en eene toekomende; beide komsten zijn wonderlijk en God waardig; zij verschillen in de volgende punten. De eerste heeft reeds plaats gehad van over de achttien honderd acht en tachtig jaren; de andere moet nog plaats hebben, namelijk, op het einde der wereld. In de eerste is God de Zoon mensch geworden; in de tweede zal Hij God en mensch te zamen uit den hemel nederdalen. De eerste maal is Hij gekomen om de menschen te verlossen door voor hen te lijden; de tweede maal zal Hij komen om te oordeelen en te geven loon naar werken. De eerste keer is Hij, na het werk der verlossing voltrokken te hebben, ten hemel geklommen om nogmaals op aarde te verschijnen; de tweede keer zal Hij, na het lot van Engelen en menschen voor eeuwig beslist te hebben, ten hemel klimmen en niet meer op aarde verschijnen. Over de eerste komst van onzen goddelijken Zaligmaker hebben wij reeds breedvoerig gesproken. Over de tweede komst handelt de zevende artikel van het Symbolum des gcloofs, die luidt als volgt: Inde venturus est, judicare vivos ct mortuos: Vandaar zal Hij komen oordeelen de levenden en de dooden. Vandaag zullen wij aangaande die komst drie vragen stellen en in \'t kort beantwoorden:
— 353 —
I. Waarom zal Jesus komen?
U. Waar zal Hij komen?
III. Wanneer zal Hij komen?
I.
De Catecliismus vraagl: \'
Zal Christus nog zienlijk op dc locreld komen? lïn hij antwoordt:
Ja, als hij zal komen oordeclen.
Dat Jesus de Godmensch eenmaal uit den hemel zal wederkomen, B. B., is eene waarheid, waarvan wij allen overtuigd zijn en die ons toen wij nog klein waren geleerd is.
Maar waarom zal Jesus komen? Hij zal komen om te oordeelen de levenden en de dooden: d. w. Jesus zal eenmaal in het openbaar op eene pleehlige wijze, in de tegenwoordigheid van Engelen en inenschen de gewetens onderzoeken; Hij zal rekenschap vragen van alles, wat wij gedaan hebben; want de goede en slechte werken alleen volgen den mensch aan gene zijde des grafs; Opera enira illorum scquuntur illos. (i)
Jesus zal komen oordeelen de levenden en de dooden: de levenden, d. i., die tot liet einde der wereld leven zullen, met haar zullen vergaan en terstond daarop zullen verrijzen: de dooden, d. i., die van hel begin der wereld tot den laatsten dag gestorven zijn. Doch, B. B., men kan die levenden en dooden ook in een geestelijken zin verstaan: in dien zin beteekenen de levenden de rechtvaardigen, die in staat van genade en in de vriendschap Gods gestorven zijn: de dooden beteekenen de zondaren, die of wel het leven der genade nooit bezeten, of verloren hebben en die in staat van doodzonde, in de vijandschap van God, de wereld verlaten hebben. Welnu; Jesus uil den hemel nedergedaald met Kngelen en Heiligen zal uil den afgrond der
(i) Aigt;. xiv, 13,
Gia.ooi s- i:n Zedenleer. 23.
hel de duivelen en verdoemden te voorschijn doen komen; Hij zal de zielen gebieden zich met hare lichamen te vereenigen; Hij zal alle menschen voor zijne vierschaar doen verschijnen; Hij zal hen oonleelen.
iiu denkt niet, 13. B., dat het oordeel, het gewetensonderzoek, liet afleggen dor rekening lang zal duren. God kent alles; Hij heelt alles gehoord en gezien; in een oogslag zal Ilij niet alleen voor zich maar voor Engelen en menschen alles ten toon spreiden. Wij zullen niet alleen onze eigene werken, maar ook die van anderen zien; gij zult de mijne, ik zal de uwe zien; allen zullen zien wat ik heb uitgericht; ik zal zien wat alle menschen gedaan hebben. Ziedaar, li. li., hel gewetensonderzoek, de rekening gevraagd en in een oogenblik afgelegd.
Zoodra de rechtvaardigen aan de rechter, de verdoemden aan de linkerzijde zullen geplaatst zijn, zal de Rechter opstaan om het vonnis uit te spreken. Tot de rechtvaardigen zal Hij zeggen: Komt \'gezegenden mijns Vaders, bezit het rijk, dat voor u bereid is van het begin der wereld af. Zich vervolgens lot de verdoemden wendende zal Hij hen met eeno donderende stem toeroepen: Gaat weg van mij vervloekten in het eeuwige vuur, dat bereid is voor den duivel en zijne engelen. En welk zal het uitwerksel dier krachtdadige uitspraak wezen? Ibunl hi in supplicium ccternum, de verdoemden zullen met de duivelen in den afgrond der hel nederstorten, en de rechtvaardigen zullen met Jesus en de Engelen in triomf ten hemel klimmen, Justi aule.rn in vitam ceternam. (l) Ziedaar 13. B., het vonnis en deszelfs uitwerksel op dien plechtigen, majesteitvollen dag van het algemeen oordeel. Ik zeg van het algemeen oordeel; want \'t is van dit dat er in den zevenden artikel van het Symbolum spraak is, en niet van het bijzonder oordeel dat onmiddellijk na den dood van eenieder plaats heeft.
Uquot;j Mattii. xxv, 4G.
Doch zoo eenieder reeds geoordeeld is, waurdiu dan nog dut algemeen oordeel? Hel algemeen oordeel xal plaats hebben:
1° Om voor Engelen en mensehen de zondaren te beschamen. De geheime schelmstukken, de eerloozo daden in \'I verborgen bedreven en waarover men nu reeds beschaamd is, de onrechtvaardigheden, al de listen en lagen, die men gebruikt heeft om de onschuld te verleiden, in een woord, al de misdaden der zondaren zullen dan in het helderste; daglicht gebracht worden. Het algemeen oordeel zal plaats hebben:
2° Om de Heiligen te verheerlijken. Hoe vele deugdzame monschen worden hier op aarde onderdrukt cn vervolgd, veracht en bespot? Hoe vele valsche oordeelen worden niet geveld? Hoe vele brave menschen worden er niet beklad en bepraat door de lastertongen? Dat alles moet en zal in de tegenwoordigheid der gansche wereld hersteld worden. Het algemeen oordeel zal plaats hebben:
3quot; Om de macht en het gezag van Jesus te doen uitkomen. Hier op aarde; is Hij bespot en veracht, gelasterd en versmaad geweest; Hij is vervolgd en onrechtvaardig veroordeeld geweest tot den schandelijksten dood, tot den dood des kruises; dat alles moet en zal op die.n grooten dag hersteld worden.
Kindelijk zal hel algemeen oordeel plaats hebben om do goddelijke Voorzienigheid te rechtvaardigen. Deze, B. 15., werkt dikwijls iu \'t verborgen en wij kennen hare inzichten niet. Hoe vele brave menschen, bijv., worden gansch hun leven met armoede en ziekten geslagen? Hoe vele zondaren bezitten geld en goed, genieten vermaken en pleizieren? 1!, H., hebben wij nog maar een weinig geduld; in den laatsten dag des oordeels zullen wij er de redenen van zien; wij zullen dan zien dat God alles ten beste geschikt heeft; al wat hier op aarde ongestraft is gebleven zal dan gestraft worden, en al wat hier op aarde onbeloond is gebleven zal dan beloond worden. Zijn wij dan gerust, igt;. B., al wat God hier op aarde doet is wel gedaan; \'t zal in den laatsten dag des oordeels blijken.
II.
De plaats, B. B., waar Jesus zal komen oordeelen staat niet Juist in de H. Schrift aangewezen en vandaar verschillende gevoelens.
Men vindt leeraars, die meenen dat Jesus zal komen oordeelen op de plaats, waar Hij ten hemel klom; dus op den Olijfberg. Anderen zeggen op den Calvarieberg, waar Hij gekruist is; doch naar een algemeen gevoelen der H. Vaders en godgeleerden zal Jesus komen oordeelen in het dal van Josaphat. Zij steunen op eenen tekst van den Profeet Joel, die zegt: Ik zal alle volkeren verzamelen, congregabo omnes gentes, en Ik zal ze naar liet dal van Josaphat voeren, et deducam eas in ralion Josaphat, en daar zal Ik hen rechten, el disceptabo cum eis ibi. (l)
UI.
De Catecliisnnis vraagt:
Wanneer zal Christus komen oordeelen? Ku hij anlwoordt:
Op het uiterste der wereld, hoeicel ons de dag onbekend is.
Zekeren dag, B. B., deden de Apostelen Jesus bijna dezelfde vraag.
Toen Jesus over den ondergang der ondankbare stad Jerusalem handelde, sprak Hij te gelijkertijd over het einde der wereld en over het laatste oordeel. Zijne leerlingen kwamen iu \'t geheim bij Hem en zeiden: Meester, zeg ons toch, wanneer zal dat alles geschieden en welk zal het teekeu uwer komst en van bet einde der wereld zijn? Wat. antwoordde Jesus? Van dien dag en van dat uur weet niemand iets, zelfs de Engelen des Hemels niet, maar mijn hemelsche Vader alleen. En Jesus voegde er bij: \'t Zijn uwe zaken niet de tijden en oogenblikken te kennen, die de bemelsche Vader in zijne macht gesteld heeft. Jesus geeft nochtans eenige teekenen, waaraan men het einde der wereld
(i) JoKr, in, 2.
— 357 —
en do komst van den Zoon des mensehen zal kunnen kennen; zooals:
1° Algemeene oorlog, pest, hongersnood en aardbevingen;
2° Verflauwing bij velen in de liefde en verslapping in \'t geloof;
liquot; De verkondiging van liet Evangelie de gansehe wereld door;
1° De komst en de vervolging van den Antichrist. De Apostel Paulas noemt den Antichrist den mensch der zonde, een kind ties verderfs. Aartsvijand van Jesus en zijne Kerk zal hij deze op de gruwzaamste en verfeidendste wijze vervolgen, zoodal vele Christenen zullen bezwijken; doch die vervolging zal niet van langen duur zijn;
5quot; De komst van Henoch en Elias, die zich legen den Antichrist zullen verzetten en aan de bekeering der Joden zullen arbeiden;
0° Onze goddelijke Zaligmaker noemt de teekenen op, die onmiddellijk zijne komst en het oordeel zullen voorafgaan: de zon, zegt Hij, zal verduisterd worden; de maan zal haar lichl niet meer geven; de sterren zullen uit den hemel vallen en de krachlen der hemelen zullen beroerd worden; op de aarde zal er wegens het woedend gedruisch van zee en rivieren groote vervaardheid ontstaan en de menschen zullen uitdrogen van schrik: Arescenlibus hominibus pree Ia more. (i) Hel teeken van den Zoon des menschen zal aan den hemel verschijnen en Jesus-Christus de (lod-mensch zal zelf komen op de wolken des hemels met groote macht en heerlijkheid om te oordeelen de levenden.en de dooden.
SLUITllKDK.
Uit hetgeen wij hier over hel algemeen oordeel komen te zeggen, zien wij genoegzaam dat de zevende artikel van het Symbolum verschrikkelijke, maar ook troostrijke waarheden bevat; verschrikkelijke voor de zondaren, troostrijke voor de rechtvaardigen.
d) Luc. xxi, 2ö.
Onder welk getal, ]?. B., zouden wij ons op den laatsten dag-des oordeels willen bevinden? Welke zijde wijst het geweten ons aan? De linker- of de rechterzijde? Bijaldien vandaag het oordeel moest plaats hebben, waar zouden wij staan? \'t Is onze zaak van te kiezen; \'I hangt van ons af. Denken wij eens wel na wat er op den laatsten dag des oordeels zal gebeuren, als de Opperrechter de boeken der gewetens zal openslaan, rekenschap zal vragen van al onze daden, de verborgenste en de schandelijkste zonden voor de gansche wereld zal bekend maken. Roepen wij die waarheden in \'t geheugen als wij tot zonde bekoord worden; en zoo wij gezondigd hebben, stellen wij niet uit van door werken van boetvaardigheid onze schandvlekken af te wasschen, om er ons niet vruchteloos over te moeten schamen in den laatsten dag des oordeels.
De rechtvaardigen, B. li., moeten moed scheppen, met de gedachte aan den laatsten dag in het goede volharden; want dan zal Jesus hunne, verlossing aanbrengen.
De heiligste menschen, B. B., sidderden en beefden als zij aan den laatsten dag des oordeels dachten. O 1 leer! zeide de, II. man Job, ik vreesde voor al mijne werken, wel overtuigd dat dij op dat verschrikkelijk oogenblik den mensch niet sparen zult. Wat zal ik aanvangen, riep hij uit, als de Heer zal komen oordeelen? Zoo dikwijls ik aan dien ontzagvenvekkenden dag denk, zegt de II. Hieronymus, beef ik in al mijne ledematen; hetzij ik eet, drink of iets anders verricht, mij dunkt, ik hoor altijd de (rompet in mijne ooren klinken: Doodcn slaat op en komt ten oordeel!
B. 15., bijaldien de Heiligen sidderden en beefden, welke redenen hebben wij zondaren dan niet van bang te zijn?
O mijn dod! ik weet het; \'t moest veeleer uit loutere liefde voor (\' zijn, dat ik mij moest bekeeren, dat ik voortaan de zonden moest vluchten en de deugd oefenen; doch wijl de vrees voor uwe oordeelen ook heilzaam is, daarom bid en smeek ik [J voor mij en voor allen, die mij aanhooren; doordring ons vleesch
— 359 —
van oone heilzame vrees voor uwe oordeelen; doe ons dikwijls aan den laatstcn dag des oordeels denken, opdal wij U getrouw dienen al de dagen van ons leven, om eenmaal uil uwen geze-genden mond te mogen hooren: Komt gezegenden mijns Vaders, neemt bezit van het rijk dat voor n bereid is van den beginne der wereld al\'. Amen.
ZEVEN - EN - DERTIGSTE ONDERRICHTING
OVER GOD DEN H. GEEST
Noli te contristare Spirit urn Sanctum, qui habitat in vobis.
\\\\ ilt den H. Geest niet bedroeven, die in u woont. (Eph. iv, no.)
INHOUD.
VOORREDE.
A\\ ij hebben reeds de twee eerste deelen van het Symbolum verhandeld: het eerste, waarin gesproken wordt over God den Vader en \'t werk der Schepping; liet tweede, waarin gesproken wordt over God den Zoon en het werk der Verlossing. Thans gaan wij handelen over het derde deel, waarin gesproken wordt over God den H. Geest en het werk der Heiligmaking.
VERDEELING.
I. Wat moet men gelooven van den H. Geest?
H. Hoe wordt de derde persoon van de II. Drievuldigheid genoemd ?
III. Welke zijn de gaven en vruchten des H. Geestes?
— 361 —
I,
Men moet golooven van den II. Geest:
1° Dat Hij waarachtig God is: bijgevolg, dat Hij heeft dezelfde natuur en dezelfde volmaaktheden als God de Vader en (lod de Zoon en dat wij Hem dezelfde eer schuldig zijn;
2° Dat Hij de derde persoon is in de II. Drievuldigheid, niet in de orde des tijds, maar in de orde van den oorsprong.
II.
De derde persoon der H. Drievuldigheid wordt genoemd de H. Geest, de Levendmaker, de Trooster, de Voorspreker en de Gave Gods.
IH.
De gaven van den Heiligen Geest zijn tweederlei: gaven tot welzijn der Kerk geschonken, bijv., de gave om wonderen te verrichten, vervolgens de zeven gaven van den 11. Geest.
De vruchten van den H. Geest zijn twaalf in getal.
Die vruchten staan tegen over de vruchten des vleesches.
SLUITREDE.
Wachten wij ons van de werken des vleesches, waardoor het lichaam onteerd, de ziel gedood, de 11. Geest bedroefd en uitgedreven wordt. Daarom moeten wij bijzonder ootmoedig en voorzichtig zijn.
ZEVEN - EN - DERTIGSTE ONDERRICHTING
OVER GOD DEN H. GEEST
Nolite conii\'htarc Spiritum Sanctum, qui habitat in vobis.
Wilt den II. Geest niet bedroeven, die in u woont. (Epii. iv, 30.)
VOORREDE.
Het Symbolum des geloofs, B. B., bestaat, gelijk wij vroeger gezegd hebben, uit drie deelen. Wij hebben er reeds twee van verhandeld. In het eerste deel hebben wij gesproken over God den Vader en het groote werk der Schepping; in liet tweede deel over God den Zoon en het liefderijke werk der Verlossing; in het laatste deel uit vijf artikelen bestaande zullen wij spreken over God den H. Geest en het genadevolle werk der Heiligmaking. Vandaag zullen wij den achtsten artikel uitleggen.
De achtste artikel van het Symbolum des geloofs luidt als volgt: Credo in Spiritum Sanctum: Ik geloof in den H. Geest.
I. Wat moeten wij gelooven van den H, Geest?
II. Hoe wordt de derde persoon van de H. Drievuldigheid genoemd?
Hl. Welke zijn de gaven en vruchten des H. Geestes?
I.
De Catechismus vraagt:
Wat gelooft gij van den Heiligen Geest? En hij antwoordt :
Dat hij waarachtig God is en de derde Persoon in de Heilige Drij nddigheid.
Do H. Geest, B. B., is waarachtig God, wijl Hij een en dezelfde goddelijke natuur heeft met (Vod den Vader en God den Zoon. Uit dit beginsel spruiten twee noodzakelijke gevolgen voort: vooreerst, dat de li. Geest dezelfde volmaaktheden bezit als de Vader en de Zoon; dat Hij even oud, wijs, machtig is als zij; vervolgens, dat wij Hem dezelfde eer scimidig zijn.
Wat eer zijn wij den Heiligen Geest schuldig?
De goddelijke en opperste eer.
God de H. Geest is de derde persoon in de H. Drievuldigheid, wijl Hij van God den Vader en God den Zoon te zamen voortkomt. De Vader en de Zoon hebben den H. Geest in eeuwigheid voortgebracht. Ik zeg in eeuwigheid: Hij is dus de derde persoon, niet in de orde des tijds, maar in de orde des oorsprongs, wijl Hij van den Vader en den Zoon to zamen in eeuwigheid voortkomt. Dit geheim van ons geloof, B. B., kunnen wij niet begrijpen, en geon wonder. In God is alles onbegrijpelijk; Hij gaat ons verstand ver te boven. Ziehier nochtans hoe de leeraars de wijze waarop God de H. Geest van de twee andere personen voortkomt uitleggen.
God do Vader en God de Zoon, zoo leeren zij, die zich van eeuwigheid kennen, dragen elkander van eeuwigheid eene oneindig volmaakte liefde toe. Welnu; door die liefde, juist wijl zij oneindig volmaakt is. brengen zij eene zellstamlige of persoonlijke liefde voort, die de derde persoon van de H. Drievuldigheid is en God de H. Geest genoemd wordt.
Wij die elkander beminnen brengen geen persoon voort; maar de liefde van God den Vader en van God den Zoon is noodzakelijk vruchtbaar en brengt dus een persoon voort, die hun in alles gelijk is. \'t Is waar, wij kunnen dit geheim van onzen II. godsdienst niet begrijpen maar wij moeten het toch vaste lijk gelooven, omdat God, die de opperste en onfeilbare waarheid is, het geopenbaard heeft en door de H. Kerk het ons voorhoudt te gelooven. Eenieder onzer zegge dus met onze
— 364 —
Moeder ile H. Kerk: Ik geloof in den II. Geest: ik geloof dat Hij -waarachtig God is en de derde persoon in de H. Drievuldigheid.
11.
De derde persoon van de 11. Drievuldigheid wordt genoemd, vooreerst de II. Geest Die naam komt wel is waar den eersten en tweeden persoon der ii. Drievuldigheid ook toe. Immers, God is een enkele geest en Hij is Heilig, driewerf Heilig. De drie personen hebben dus dien naam gemeen; maar elk heeft daarenboven nog een eigennaam. De eerste persoon wordt Vader genoemd, omdat Hij den tweeden persoon voortbrengt; de tweede persoon wordt Zoon genoemd, omdat Hij van den1Vader voortgebracht is, maar de derde persoon heeft tot eigen naam den naam, dien de twee andere personen met Hem gemeen hebben. Hij wordt H. Geest genoemd, omdat Hij van den Vader en den Zoon te zamen als uit een beginsel door de liefde voortkomt.
De heiligheid wordt den H. Geest zonderling toegeschreven, gelijk de almacht den Vader en de wijsheid den Zoon.
De H. Geest wordt ook genoemd de Levendmaker. Ziehier de reden dier benoeming. Het bovennatuurlijk leven der ziel bestaat in de heiligmakende genade, in de liefde met God; doch die liefde wordt ons, zegt de Apostel Paulus, door den H. Geest ingestort: Charitas Dei diffusa est in cordibus nostris per Spiritum Sanctum, (i)
De H. Geest wordt genoemd de Trooster en onze Voorspreker. Het leven van den mensch is met ellenden en wederwaardigheden vervuld. De H. Geest nu beurt ons op en troost ons, zoo wij door de liefde met Hem vereenigd zijn; Hij bidt ook voor ons, zegt de Apostel Paulus, met onbegrijpelijke verzuchtingen,
1
Hom. v, 5.
— 365 —
(1. \\v. dat Hij door in ons te werken ons leert en doet vragen gelijk liet behoort, al wat wij noodig hebben.
De H. Geest wordt nog genoemd de Gave Gods. liij is de Gave Gods, wijl de Vader en de Zoon Hem geschonken hebben. Hij geelt ook zich zeiven en door zich zeiven te geven geeft Hij ook die verhevene gaven, welke men gaven des H. Geestes noemt. Zien wij nu in het derde deel wat er door de gaven en vruchten van den H. Geest verstaan moet worden.
III.
De gaven van den H. Geest, B. B., zijn tweederlei. Vooreerst de gaven die de Apostelen ontvangen hebben, bijzonder tot welzijn der Kerk, om met vrucht het Evangelie te kunnen verkondigen. Dergelijke gaven zijn, de gaaf, bijv., om verschillende talen te spreken, om voorzeggingen to doen en mirakelen te verrichten. Die gaven zijn hedendaags zoo talrijk niet meer als in het begin der H. Kerk; zij zijn ook zoo noodzakelijk niet meer. De H. Kerk is genoeg verspreid; doch in den beginne, B. B., werden er wel wonderen vereischt, om de 11. Kerk, die den oorlog ging verklaren aan den duivel, de wereld en het vleesch, te doen vooruitgaan. Die gaven kunnen zelfs aan zondaren geschonken worden, wijl zij niet zoo zeer het welzijn van eenieder in \'t bijzonder dan dat der gansclie Kerk aangaan.
Doch er bestaat nog eene andere soort van gaven, die als zoovele bovennatuurlijke genegenheden den mensch ingestort worden en waardoor hij aangezet wordt om iets buitengewoons, iets grootschs te verrichten.
Zij worden gaven van den H. Geest genoemd, omdat zij ons van den H. Geest gegeven worden zonder onze verdiensten Die gaven zijn niet te vinden in een hart met doodzonden bezoedeld en vijand van den H. Geest, maar alleen in het hart van den rechtvaardige, door de banden der liefde met den
♦
H Geest, de gave Gods bij uitstek, vereenigd. Die gaven zijn
zeven in getal; Wijsheid, Verstand, Raad, Sterkte, Wetenschap, Godsvrucht en de Vrees des Heeren.
1° De Wijsheid, die ons helpt om de hemelsche goederen boven de aardsche te stellen en er ons boven alles op toe te leggen;
2° Het Verstand, dat ons helpt om de geheimen en waarheden des geloofs te kennen en vastelijk te gelooven;
3° De Raad, die ons in de voorvallen des levens doet kiezen hetgeen strekt tot glorie van God en tot zaligheid van onze ziel;
4° De Sterkte, die ons kracht bijzet om de vijanden en overige beletselen onzer zaligheld te overwinnen;
5° De Wetenschap, die ons den wil Gods beter doet kennen en volmaakter helpt volbrengen;
0° De Godsvrucht, die ons God met vlijt doet dienen;
7° De Vrees des Heeren, die ons doet vreezen God te vergrammen en die ons doet vluchten alles, waardoor wij Hem zouden kunnen mishagen.
Om ons van de verhevenheid en kracht dier gaven te overtuigen, behoeven wij er enkel de uitwerksels van te zien in de Apostelen.
Op den Pinksterendag daalde de H. Geest op hen neder en vervulde hen zoodanig met zijne gaven, dat zij in nieuwe menschen herschapen werden. Zij spraken verschillende talen, legden de voorzeggingen uit en predikten de verrijzenis en leering van Christus met eenen moed, dien men vroeger te vergeefs in hen zoude gezocht hebben. Petrus, de prins der Apostelen, scheen vooral uit. Nog maar weinig tijds geleden sidderde en beefde hij op de stem eener dienstmeid en verloochende tot driemaal toe zijn goddelijken Meester; en ziet, na den H. Geest ontvangen te hebben trad hij moedig op; hij verweet den Joden den Godsmoord en hij voegde er bij, dat
God zijnen Zoon wederom heeft opgewekt en dat zij er getuigen van zijn. Welk is de uitslag? Op het eerste sermoen van den H. Petrus bekeerden zich drie duizend man: op liet tweede vijl\' duizend. Petrus en Joannes werden in de gevangenis geworpen en voor de rechtbank gedaagd. Ontkenden zij wat zij gepredikt hadden? Integendeel, zij bevestigden het en antwoordden: Oordeelt zeiven of het gerechtig is aan u meer te gehoorzamen dan aan God. De rechters verheden hen van nog in den naam van Jesus te spreken. Wat wij gehoord en gezien hebben kunnen wij niet zwijgen, was hun antwoord. Ziedaar, B. 15., één voorbeeld, want de overige Apostelen volgden Petrus en Joannes na. Ja, wat meer is, de H. Geest heeft zijne Bruid de H. Kerk met zijne gaven verrijkt; Mij deelt zijne zeven gaven mede aan de geloovigen, die de heiliginakende genade bezitten en in welke Hij als in zijne tempels woont.
Wat de vruchten van den H. Geest betreft, uit gebrek aan tijd kan ik ze enkel opnoemen. Zij zijn twaalf in getal. Liefde, blijdschap, vrede en verUjldigheid; goedertierenheid, goedheid, lankmoedigheid en zachtmoedigheid; getrouwheid, zedigheid, eerbaarheid en reinheid.
Men noemt ze vruchten van den II. Geest, wijl de H. Geest ze in de harten der geloovigen voortbrengt. De rechtvaardige volgens de uitdrukking der H. Schrift, is gelijk aan een boom langs de wateren geplant; en evenals die boom vruchten voort-brengt, zoo ook brengt de rechtvaardige vruchten van allerlei deugden voort. Zij worden ook vruchten genoemd, wijl men er den mensch aan kennen kan, evenals men den boom kent aan zijne vruchten.
De vruchten van den 11. Geest staan tegenover de vruchten van het vleesch of van den bedorven mensch. Over die vruchten of werken zullen wij maar zwijgen; zij zijn onder anderen eene reeks van gruwelen tegen de schoone deugd van zuiverheid, de eene al schandelijker dun de andere. De Apostel Paulus er van
sprekende zegt, dat zij, die zich aan die gruwelen plichtig maken, nooit het rijk der hemelen zullen bezitten; liegnuri Dei non consequentie, (i) Hjj voegt er bij dat zij, die met den Geest van Jesus-Christus bezield zijn, hun vlee.sch met deszelfs ongeregeldheden gekruist hebben; en om ons daartoe aan te zetten gaat hij voort: Nolite err are: Wilt u niet bedriegen: Deus non irredilur: God laat zich niet bespotten; lietgeen de mensch gezaaid heeft zal hij maaien, d. L, een ieder zal loon ontvangen naar werken; die zijne driften involgt zal niets anders dan ellenden inoogsten en den eeuwigen dood of de hel inloopen; die daarentegen goede werken verricht zal het eeuwige leven bezitten. Ziedaar het verschillend uiteinde van de werken des vleesches en des H. Geestes.
SLUITREDE.
Daarom vermaan ik u ten slotte met den Apostel Petrus van de werken des vleesclies te vermijden, van te vluchten en met de uiterste zorg te vluchten al wat in strijd is met de schoone deugd van zuiverheid. Welke gemeenschap toch kan er bestaan tusschen Christus en Belial, tusschen den H. Geest en den onzuiveren geest? Herinneren wij ons dat onze lichamen tempels zijn van den H. Geest, die in ons woont en dien God ons gegeven heeft; dat wij eenen God dienen, die oneindig heilig eu zuiver is, die van de kleinste vlek eenen afschuw heeft.
Daarenboven, al degenen die hunne slechte lusten involgen, zullen nooit in den hemel komen: Regnurn Dei non possi-debunt. Hier op aarde van het onzuivere vuur brandende zullen zij eenmaal brandstoffen worden van het vuur der hel. Daarom, B. B., vluchten wij die leelijke ondeugd en al wat er aanleiding toe geeft; oefenen wij de schoone deugd van zuiverheid, eenieder
(1) Gal. v, 21.
— 869 —
in en volgens zijnen staat; bewaren wij onze ziel en ons lichaam zuiver, opdat de H. Geest, na er hier op aarde als in zijnen tempel in gewoond te hebben gedurende den tijd, in den hemel er inwone gedurende de eindelooze eeuwigheid. A\'mcn.
Gelooks- en Zedkni.eeh. 2-1.
ACHT - EN - DERTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DE H. KERK — HARE STICHTING
Tw es Petrus et super hunc petram adificabo Ecclesiam meam.
Gij zijt Petrus en op die steenrots zal ik mijne Kerk bouwen. (Matth. xvi, ih.)
INHOUD.
VOORREDE.
In het derde deel van het Symbolum des gelools wordt gehandeld over God den II. Geest, wiens voornaamste werk is de leden van de waarachtige Kerk van Christus door het uitdeelen zijner genaden heilig te maken.
De Kerk kan onder drie opzichten beschouwd worden: in haar lijden, in haren strijd en in hare zegepraal. De drie deelen maken maar ééne Kerk uit. \'t Is over do strijdende Kerk dat wij moeten handelen.
VERDEELING.
I. Christus heeft de Kerk gesticht;
II. Het einde der Kerk is de zaligmaking der menschen;
III. Die Kerk is maar één in getal.
— 371 —
I.
Christus onzo Zaligmaker heeft do Kerk gesticht, zooals blijkt uit zijne beloften en uit de stichting zelve. Hij heeft het beloofd en Hij is waarachtig, getrouw aan zijne beloften en machtig. Hij heeft ze gesticht en Petrus aan liet hoofd der Kerk gesteld. De Apostelen hebben de Kerk verspreid.
II.
Het einde of doel der Kerk is de menschen door den christen godsdienst zalig te maken. Christus is op de wereld gekomen om de menschen zalig te maken; de Kerk is niets anders dan het werk van Christus voortgezet; bijgevolg is het einde of doel der Kerk de menschen zalig te maker.
III.
De ware Kerk is één in getal, omdat er maar één waar geloof, één ware godsdienst is, en de Kerk is niets anders dan de vergadering der geloovigeu, die dat één waar geloof belijden, dien éénen waren godsdienst bezitten. Dat waar geloof of die ware godsdienst heeft bestaan, bestaat en zal bestaan tot het einde der wereld.
SLUITREDE.
De leering: men moet alle godsdiensten toelaten of dulden; men mag welken godsdienst ook aanvaarden; eenieder kan in zijnen godsdienst zalig wowlen; die leering is valsch, goddeloos en noodlottig. Daarom, bedanken wij God van ons zonder onze verdiensten tot den waren godsdienst geroepen te hebben, en beantwoorden wij aan die genade door de geboden van God eu van de H. Kerk wel te onderhouden.
— 372 —
ACHT - EN DERTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DE H. KERK — HARE STICHTING
Tu es Petrus et mper hanr. petram mlificabo Ecdesiam mam.
Gij üijt Pfetrus cn 0|i die steenrots zal ik mijne Kerk bouwen. (Matiii. xvi, is.)
VOORREDK.
In onze voorgaande onderrichting hebben wij gezien dat er in het derde deel van het Symbolum des gelooft gehandeld, wordt over den H. Geest, wiens voornaamste werk is de leden der waarachtige Kerk van Christus door liet uitdeelen zijner genaden heilig te maken.
Doch buiten dit voornaamste zijn er nog andere werken, die in de laatste artikelen des geloofs zijn aangewezen en waardoor de II. Geest onze heiligmaking voltrekt, te weten: de H. Kerk te bestieren en hare leden deelachtig te maken aan elkanders goede werken; hun de vergiffenis der zonden te verleenen; in hunne lichamen zijne woonplaats te nemen en ze alzoo te bereiden tot eene glorieuse verrijzenis, en eindelijk hun het eeuwige leven te bezorgen.
In de volgende onderrichtingen gaan wij over vermelde artikelen des geloofs handelen en wel vooreerst over den negenden artikel. De negende artikel van het Symbolum des geloofs luidt als volgt: Credo.,.. Sanctam Ecdesiam catho-licam, sanctorum communionem: Ik geloof.... de Heilige katholieke Kerk, gemeenschap der Heiligen. Wijl wij het geluk hebben kinderen te zijn van de ware Kerk van Christus, zoo moet er ons niet weinig aan gelegen liggen onze Moeder wel te kennen. De Kerk van Christus kan onder drie opzichten
— 373 —
beschouwd worden: in haar lijden, d. i., het vagevuur; iu haren strijd, d. L, de geloovigen hier op aarde en in hare zegepraal, d. i., de hemel. Wijt de Kerk de vergadering is van de kinderen Gods, zoo maken die drie deelen maar ééne Kerk uit; doch \'t is over de strijdende Kerk hier op aarde dat wij thans moeten handelen. !)•\' Catecliismns vraagt:
Wat is de heilige Kerkt En hij antwoordt:
Ecnc vergadering ran alle gehorige Christenen, die onder de gehoorzaamheid run den Paus van Home, de waarachtige leering van Christus belijden.
De Kerk is eene vergadering, d. i., eene menigte van menschen, die vereenigd zijn. En waardoor zijn zij vereenigd? Door hetzelfde geloof, dezelfde leering, de gehoorzaamheid aan hetzelfde hoofd en het gebruik van dezelfde H. Sacramenten. De Kerk, die de Synagoge der Joden vervangen heeft, heeft haren oorsprong en haar bestaan aan God te danken. God heeft:
1. De II. Kerk gesticht;
11. Hij heeft haar gesticht tot zaligmaking der menschen;
HI. Die Kerk is maar één in getal.
1.
De Catechismus vraagt:
Wie heeft de heilige Kerk ingesteld? En hij antwoordt:
Christus, onze Zaligmaker.
Dat Christus de Godmensch de Kerk ingesteld of gesticht heeft, blijkt uit zijne beloften en uit de stichting zelve.
1quot; Uit zijne beloften. Bijaldien Jesus-Christus beloofd heeft eene Kerk te stichten, dan heeft Hij ze ook inderdaad gesticht. Waarom? Omdat Jesus-Christus God en mensch te zamen waarachtig is; wanneer Hij dus iels zegt, kan Hij niet liegen: omdat Hij getrouw is aan zijne beloften; Hij kan dus na iets
— 374 —
beloofd te hebben er niet aan te kort blijven. Doch dit is nog niet genoeg. Er wordt nog vereischt dat Hij machtig zij, d. w. z., dat Hij ook kan volbrengen hetgeen Hij belooft. Wij, B. li., beloven ook dikwijls veel, zonder te kunnen volbrengen hetgeen wij beloven; doch wie betwijfelt de macht in Jesus-Christus den Godmensch om te volbrengen hetgeen Hij belooft? Welnu, dat Jesus-Christus beloofd heeft eene Kerk te stichten blijkt duidelijk uit het Evangelie.
Zekeren dag dat Jesus in de omstreken van Cesarëa Philippi kwam, vroeg Hij zijnen leerlingen: Voor wien houden de lieden den Zoon des menschen? d. i., wat voor een persoon zegt het volk dat Ik ben? Want, B. B., niet allen hielden Jesus voor den .Messias. De Phariseën en Schriftgeleerden maakten Hem onder anderen zelfs voor eenen volksverleider uit. De leerlingen antwoordden: De eenen zeggen dat Gij Joannes de Dooper zijl,; anderen Ellas, Jeremias of een der Profeten. Ziedaar wat hot volk van Jesus dacht. Onze goddelijke Zaligmaker hernam: Maar gij, voor wien houdt gij .Mij? Het volk zegt dat Ik Joannes de Dooper, Hlias, enz., ben; dat is het volk: maar gij die mijne leerlingen zijt: Wien zegt gij dat Ik ben? Petrus, die het hoofd der Kerk moest worden, neemt liet woord en in naam van allen gaat hij antwoorden: Gij zijt de Christus, de Zoon van den levendon God, Wat antwoordt Jesus op die geloofsbelijdenis? ftij zijt gelukkig, Simon, zoon van Joannes; want noch vleesch, noch bloed, d. i., geen mensch heeft u die waarheid geopenbaard, maar mijn Vader die in den hemel is; en Ik zeg u: Gij zijt Petrus-. Tu es Petrus, d. L, gij draagt den naam van steenrots — de naam van Simon was reeds vroeger in dien van Petrus veranderd — en op die steenrots zal Ik mijne Kerk bouwen: Ei super hanc petram aidifieabo Ecclesiam meani, en aan u zal Ik de sleutels van het rijk der hemelen geven, et tibi dabo claves regni cailorum. (i)
(1) Matth. xvi, IS.
Ziet p,\'ii nu, 15. B., lioo Jesus belooft zijne Kerk te stichten: JEdificdho, zegt Hij; Ik. zal bouwen: boe Mij belooft Petrus aan het hoofd dier Kerk te stellen: Ik zal u de sleutels van liet rijk der hemelen geven: Tibi dabo claves regni ccelorum.
Jesus heeft dus beloofd, gelijk gij ziet, zijne Kerk te stichten; aan die belofte kan Hij in boedanigheid van Godmensch niet te kort blijven, gelijk wij vroeger reeds gezegd hebben; ook is Hij er niet aan te kort gebleven, hetgeen blijkt uit de stichting zelve.
Inderdaad, Jesus sticht zijne Kerk. Hij geeft aan Petrus en de overige Apostelen de macht en gebiedt hen overal het Evangelie te gaan verkondigen. Gaat, zegt Hij, en onderwijst alle volkeren; leert hen onderhouden al wat ik u bevolen heb. Hij belast zijne Apostelen de H. Sacramenten toe te dienen. Doopt hen, zegt Jesus, in den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes. Jesus verplicht het volk uitdrukkelijk naar zijne Apostelen te luisteren: Die u hoort hoort Mij, en die u veracht veracht Mij, en die Mij veracht, voegt Jesus er bij, veracht Hem die Mij gezonden heeft, d. i.. God zijn iiemelschen Vader. Jesus gebiedt het volk van te gelooven en het Heilig Sacrament des Doopsels te ontvangen, op straf van voor eeuwig-verloren te gaan: Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn zal zalig worden; maar die niet geloofd zal hebben zal veroordeeld worden, d. w. z., zal verloren gaan.
Wijl de Kerk van Christus de volmaakste familie, het volmaaks|i rijk op aarde is, gelijk wij later zullen zien, zoo moest er ook iemand tot hoofd dier familie ol van dat rijk aangesteld worden. Welnu; Jesus stelt Petrus tot hoofd zijnet Kerk aan. Wijd mijne lammeren, zegt Jesus, d. i. de gelóovigen: Pasce agnos mcos: wijd mijne schapen, d. i., de Bisschoppen \'pasen oves rneos.
Jesus heeft dus beloofd zijne Kerk te stichten en Hij heeft ze gesticht; Hij heeft Petrus over allen en de overige Apostelen
— :i76 —
onder Petrus over de overige geloovigeu aangesteld. Doch hebben de Apostelen liet gebod van Christus volbracht? Hebben zij zijne Kerk uitgebreid of verspreid? Ja, B. IJ., na de hemelvaart van Christus zijn de Apostelen vertrokken om alom liet Evangelie te verkondigen. In de handelingen der Apostelen zien wij hen aan \'t werk. Zij prediken en doopeu; zij geven bevelen en maken wetten; zij bedreigen en straflen de overtreders; zij wijden priesters en diaken; zij houden ecne kerkvergadering; ja, Petrus heeft te Jerusalem de eerste kerkvergadering of het eerste concilie gehouden. Paulus slaat de onwaardige Christenen in den kerkelijken ban; den boetvaardigen Corinthier neemt hij wederom in den schoot der H. Kerk op. Toen de geloovigen in getal toenamen wijdden do Apostelen andere Bisschoppen, en die Bisschoppen bemachtigden zij om naar hun voorbeeld, wanneer het noodig was, andere Bisschoppen te wijden en aan te stellen.
Ziedaar, B. B., hoe de Kerk van Christus gesticht en verspreid is. Zien wij nu op de tweede plaats waarom Christus zijne Kerk gesticht heeft.
II.
Jesus-Christus, B. B., heeft zijne Kerk gesticht om den christen godsdienst te bewaren en te verspreiden tot zaligheid dor menschen, d. w. z., om de waarheden, die wij moeten gelooven zuiver te bewaren en te verkondigen, en om de H. Sacramenten, die wij moeten ontvangen, toe te dienen aan allo menschen, tot zaligheid van allen. Ziedaar het einde waartoe de Kerk gesticht is.
En inderdaad; de Kerk kan geene andere zending, geen ander einde hebben dan Jesus-Christus haar stichter gehad heelt. En welk is de zending van Christus? Waarom is de Zoon Gods mensch geworden? Om den menschen met zijn voorbeeld en zijne leering den weg naar den hemel te toonen en hen van de
slavernij des duivels en den eeuwigen dood te verlossen, in een woord, om do menschen zalig te maken. Dat deze ook de zending, dat dit ook het einde der Kerk is, leert onze goddelijke Zaligmaker uitdrukkelijk. Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zegt Hij, zend Ik u.
Gaat dan en onderwijst alle volkeren; doopt hen en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb. \'Christus heeft dus zijne Kerk gesticht; Hij heeft ze gesticht tot zaligheid der menschen, en die Kerk is noodzakelijk één in getal.
Ill
De Catechismus vraagt:
Is er meer dan eene \'waarachtige Kerk? Mn hij antwoordt;
Neen, want Christus heeft maar ééne Kerk ingesteld.
De Kerk vau Christus is dus maar één. Er kunnen volstrekt geen twee of meer ware kerken bestaan. Waarom niet? Omdat er maar één waar geloof, maar één ware godsdienst bestaat. Welnu, de Kerk van Christus is niets anders dan de vergadering der geioovigen, die dat één waar geloof belijden, dien éénen waren godsdienst bezitten. Dat het waar geloof en de ware godsdienst maar één zijn is gemakkelijk te bewijzen. Het geloof en de godsdienst moeten dusdanig zijn als Christus gewild heeft. En hoedanig heelt Hij gewild? Éen geloof, één godsdienst. Gaat, zegt Jesus tot zijne Apostelen; verkondigt het Evangelie. Hij zegt niet: Verkondigt het een Evangelie aan dit, een ander Evangelie aan dat volk. En wat is het Evangelie? Al wat Christus bevolen heeft; al wat wij moeten\' weten en doen om zalig te worden. Het staat dus den menschen niet vrij van den christen godsdienst reis af te laten, als het niet aanstaat, gelijk, bijv., de Protestanten doen. \'t Is zelfs niet geoorloofd er iets bij te voegen. Men moet den christen godsdienst ongeschonden bewaren, ofwel men heeft den waren godsdienst niet meer.
Doch bestaat hedendaags de ware godsdienst nog? Ja, B. R. Jesiis-Christus, toen Hij zijne Apostelen uitzond om het Evangelie te verkondigen, zeide: Ik zal met u zijn tot het einde der eeuwen. Bijaldien nu hedendaags de ware godsdienst niet meer bestond, dan kon Christus onmogelijk met hem zijn tot het einde der eeuwen. Welnu: Christus, die waarachtig, getrouw aan zijne beloften en almachtig is, heeft gezegd dat Hij tot het einde der eeuwen met zijnen godsdienst zal zijn; de ware godsdienst dus heeft bestaan, bestaat en zal bestaan tot het einde der eeuwen.
Gij ziet dus, 15. B., dat er maar één waar geloof, maar één ware godsdienst is; bijgevolg is de ware Kerk van Ohrislus ook maar één, wijl de ware Kerk van Christus niets anders is dan de vergadering der geloovigen, die dat één waar geloof belijden, dien éénen waren godsdienst bezitten.
Sl.riTREDK.
Uit hetgeen ik hier kom te leeren, zien wij duidelijk, hoe valscli, goddeloos en noodlottig de leering is der Protestanten en van andere goddeloozen van onzen tijd, zooals vrijmetselaars, vrijdenkers, liberalen, enz., die zeggen dat men alle godsdiensten, boe tegenstrijdig ook met elkander moet toelaten of dulden als even goed of dienstig ter zaligheid; dat het onverschillig is welken men aanvaardt en dat eenieder in zijnen godsdienst kan zalig worden.
Die leering is vooreerst valsch, want wij komen zoo even te zien dat er maar één ware godsdienst is, volstrekt noodzakelijk ter zaligheid.
Die leering is goddeloos, want zij schrijft Cbristus leeringen toe, die met elkander in strijd zijn. Verscheidene en met elkander strijdende geloofsbelijdenissen hebben volgens die leering een en denzelfden leeraar, Cbristus, en zijn God even
— 379 —
aangenaam. Dat de Paus van Rome, bijv., het hoofd der II. Kerk is, gelijk wij Katholieken houden, eu dat hij de antichrist is, gelijk Luther beweert, die twee leeringen zouden eveneens van Christus komen en zouden God even aangenaam zijn. Is het geene goddeloosheid zoo iets God toe te schrijven?
Die leering is noodlottig voor den mensch. Immers, in de veronderstelling dat het niet zeker, maar enkel waarschijnlijk ware, dat er onder de verschillende godsdiensten maar een bestond, waarin men God kan dienen en zalig worden; het zoude voorzeker gevaarlijk zijn dien eenen godsdienst niet te aanvaarden. Welnu, even gevaarlijk is de leering, die het aan het goeddunken van den mensch overlaat dien eenen godsdienst te aanvaarden of niet; doch het is niet alleen waarschijnlijk, maar liet is volstrekt zeker dat er maar één godsdienst bestaat, waarin men God kan dienen en zffiig worden; bijgevolg moet men dien éénen godsdienst aannemen en staat het niet vrij tusschen verscheidene te kiezen.
De leerstellingen: vrijheid van godsdienst, vrijheid ran geweien, rrijdenkerij, zijn dus valsch, goddeloos en noodlottig. Melanchton, een aanhanger van Luther, werd door zijne moeder toen zij op sterven lag ondervraagd, wat hem van de nieuwe gezindheid van Luther dacht. Hij antwoordde; De nieuwe godsdienst is gemakkelijker, maar de oude — de Roomsch-Katholieke — is de zekerste. Ja, I!. B., de nieuwe godsdiensten zijn gemakkelijker. Waarom? De hervormers schallen al al wat hun iu den waren christen godsdienst niet aanstaat, zooals, bijv., vasten, biechten, enz.; maai\' zullen zij de hel ook kunnen afschafi\'en? Zullen zij de woorden van .Tesus-Christus ook kunnen logenstraffen, als Hij zegt: Die niet geloofd zal hebben zal veroordeeld worden. En die van den Apostel Jacobus: Het geloot zonder de werken is een dood geloof.
Bedanken wij dus God van ons tot het waar geloof, tot den waren godsdienst geroepen te hebben buiten zoo veel anderen.
God lieeft niet met eenieder gehandeld, gelijk Hij met on.s gehandeld heeft; Non fecit taliter omni nationi. Beantwoorden wij, B. B., aan die genade en bijgevolg, onderhouden wij. stipt en altijd de geboden van God en van onze Moeder de 11. Kerk. Amen.
NEGEN - EN - DERTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DE H. KERK — TIAAR HOOFD
Qiti vos audit mc audit, et qui vox spernit me spernit.
])io u lioort hoort Mij, cn die u veracht veracht Mij. {Lüc. x, id.)
INHOUD.
VOORREDE.
Christus had beloofd eene Kerk te stichten en die Kerk heelt Hij gesticht om door den christen godsdienst de menschen zalig te maken. Die Kerk is maar één in getal, llij heeft haar gesticht bij wijze van persoon bestaande uit ziel en lichaam, uit hoofd en leden. Er bevindt zich in do H. Kerk:
VERDEELING.
1. Een drievoudig ambt;
II. De geestelijkheid is met dat ambt bekleed.
1.
1° Leeraarsambt of macht van te onderwijzen, zoodat het volk verplicht is te luisteren;
2° Priesterambt of macht van de H. Sacramenten toe te dienen, die het volk verplicht is te ontvangen;
3° Herdersambt of macht van te regeeren, zoodat het volk verplicht is zich te onderwerpen op straf van voor eeuwig verloren te gaan.
II.
Christus heeft de Apostelen en in de Apostelen de geestelijkheid met dat drievoudig ambt bekleed; want Christus heeft:
1° De twaalf Apostelen uitgekozen;
2° Aan hen heeft Hij dat drievoudig ambt opgedragen;
3° Hij heeft het aan hen opgedragen rechtstreeks;
4° Hij heeft het aan hen opgedragen uitsluitend, zoo nochtans dat het aan hunne opvolgers overgaat, wijl het moet uitgeoefend worden onder alle menschen tot het einde der eeuwen.
SLUITREDE.
De priesters zijn verplicht te onderwijzen, de H. Sacramenten toe te dienen en te regeeren. liet volk is verplicht te luisteren, de H. Sacramenten te ontvangen en zich te onderwerpen. Wachten wij ons wel van ooit kwaad van de priesters te spreken; bidden wij integendeel voor elkander, om onze plichten te volbrengen en op die wijze onze zaligheid te bewerken.
NEGEN - EN - DERTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DE H. KERK — HAAR HOOED
Qui vos audit me audit, et qni ros spernit ■nu spernit.
Die Ti hoort hoort Mij, en die u veracht veracht j\\lij. (Luc. x, ui.)
VOORRl\'inK.
Jesus-Cliristus, ]!, B., Iieeft beloofd eene Kerk te stichten en Hij is aan zijne beloften getrouw gebleven, Hij heeft ze gesticht. De Apostelen hebben die Kerk verspreid, gelijk wij gezien hebben. Jesus heeft zijne Kerk gesticht tot zaligheid der menschen en die Kerk is noodzakelijk één in getal. Jesus\' Kerk is samengesteld bij wijze van persoon. Doch wat is een persoon? Een persoon, de mensch, bijv., is een redelijk schepsel, bestaande uit ziel en lichaam; de ziel geeft het leven aan het lichaam; het lichaam bestaat uit hoofd en leden. Welnu, de Kerk is ook een persoon, doch in een figuurlijken zin. Zij bestaat ook uit ziel en lichaam, uit hoofd eu leden. De ziel der Kerk bestaat vooral in de heiligmakende genade, die \'t leven geeft aan het lichaam. De geloovigen op aarde maken het lichaam der Kerk uit, waarvan de geestelijkheid het hoofd en de overige Christenen de leden zijn. Vandaag zullen wij ons een oogenblik met het hoofd der H. Kerk of met do geestelijkheid bezig houden. Wij zullen zien dat Christus in-en voor zijne Kerk ingesteld heeft:
I. Een drievoudig ambt;
II. Dat ilij de geestelijkheid er mede bekleed heeft.
I.
.Tesus-Ohristus heeft in-en voor zijne Kerk een drievoudig ambt ingesteld: een Leeraars - Priester - en Herdersambt; in andere woorden: Jesus heeft iemand met zijn recht en gezag bekleed om in zijnen naam te onderwijzen, zoodat het volk verplicht is te luisteren; om in zijnen naam de H. Sacramenten toe te dienen, die het volk verplicht is te ontvangen; om in zijnen naam te regeeren, zoodat het volk verplicht is zich te onderwerpen. Jesus-Christus heeft:
1° Iemand met zijn recht en gezag bekleed om in zijnen naam te onderwijzen, om de menschen te leeren wat zij moeten weten en doen om zalig te worden. Wat zeide onze goddelijke Zaligmaker alvorens ten hemel te klimmen? Gaat, sprak Jesus, leert alle volkeren: Euntes, docete omnes gentes. (i) Hij machtigt en beveelt te prediken, en wel in zijnen naam, want op eene andere plaats zegt Hij: Die u hoort hoort Mij: Qui vos audit me audit. (2)
Het volk is verplicht te luisteren op straf van voor eeuwig verloren te gaan. Zoo iemand naar de Kerk niet luistert, houdt hem voor een Heiden en tollenaar: Sit tibi sicut ethnicus el publicanus. (3) Jesus-Christus heeft:
2° Iemand met zijn reclit en gezag bekleed om in zijnen naam de 11. Sacramenten toe te dienen, om gansch den christen godsdienst in \'t openbaar uit te oefenen. Doopt hen, zoo sprak Jesus, in den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes. In het laatste avondmaal zeide Hij: Doel dit ter mijner gedachtenis. Welke macht gaf Jesus toen? De macht om te consacreeren; om het brood en den wijn te veranderen in zijn goddelijk vleesch en bloed; om de H. Communie uit te deelen, gelijk Hij zelf in het laatste avondmaal gedaan had. Wier zonden gij zult vergeven hebben worden hun vergeven, en wier zonden
(1) Mattii. xxviii, 20. (2) Lrc. x, 1G. (3) Mattii, xviii, 17,
— 385 —
ft\'ij zult wederhouden hebben worden linn wederliouden: \'t zijn de woorden van Jesus. En welke macht geeft Hij daardoor? De macht om in zijnen naam de zonden te vergeven of te wederhonden. De mensch, zoo spreekt de Apostel Paulus, moet ons aanzien voor de dienaren van Christus en voor de uitdeelers van Gods II. mysteriën.
Het volk van zijnen kant is verplicht de H. Sacramenten te ontvangen, op straf van voor eeuwig verloren te gaan. Voorwaar, voorwaar, zeide Jesus tot Nicodemus, over liet Doopsel handelende: Zoo iemand niet herboren wordt in liet water en den 11. Geest, hij kan het rijk Gods niet binnen gaan. Voorwaar, voorwaar Ik zeg het n, sprak Jesus tot de scharen: Zoo gij liet vleesch van den Zoon des menschen niet eet en zijn bloed niet drinkt, zult gij het leven in u niet hebben. Het volk, gelijk gij dus ziet, is verplicht de II Sacramenten te ontvangen.
Jesus-Christus heeft:
3° Iemand met zijn recht en gezag bekleed om in zijnen naam te regeeren, d. i., om wetten te maken; om de overtreders voor de rechtbank te dagen en te oordeelen; om hen te dwingen en te straffen. Ik zal u, zeide Jesus, de sleutels van het rijk der hemelen geven; al wat gij op aarde zult gebonden hebben zal gebonden zijn in den hemel. Weid mijne lammeren, weid mijne schapen. De Apostel l\'anlus de Bisschoppen van Ephese tot zich geroepen hebbende vermaant hen voor zich en voor hunne schapen, d. i., de geloovigen te zorgen, over welke de H. Geest hen tot Bisschoppen heeft aangesteld om de Kerk Gods te regeeren, die Jesus-Christus ten koste van zijn goddelijk bloed verworven heeft. Wat toch beteekenen de woorden: hinden, weiden, regeeren, zoo niet dat Christus iemand met zijn recht en gezag bekleed heeft om de Kerk te regeeren.
Het volk van zijnen kant moet zich onderwerpen op straf van voor eeuwig verloren te gaan. De Apostel Paulus leert zulks
Guloofs- en Zedenliiup. 25.
uitdrukkelijk. Eenieder, zegt hij, moet zich aan de macht onderwerpen; want er is geene macht tenzij van God. Bijgevolg, zoo gaat hij voort, die aan de macht wederstaat, wederstaat aan de beschikking van God; doch die wederstaan, zoo besluit hij, loopen de veroordeeling in: Ipsi sibi damnationem acquirunl. (i) Het volk is dus verplicht zich te onderwerpen op straf van voor eeuwig verloren te gaan.
Jesus-Christus heeft dus, gelijk wij gezien hebben, in en voor zijne Kerk een drievoudig ambt ingesteld. Doch wien heeft Hij met dat ambt bekleed? Wien heeft Hij het opgedragen?
11.
Jesus-Christus, B. B., heeft aan zijne Apostelen en in den persoon der Apostelen aan de geestelijkheid dat drievoudig ambt opgedragen; eerst niet aan de gansche Kerk, opdat deze hare leeraars, priesters en herders zoude kiezen en hun dat drievoudig ambt zoude overgeven. Neen, B. B., dat is eene groote dwaling van de Protestanten. De Protestanten zelf kiezen hunne Dominees of predikanten; oi liever \'t is de vorst, die ze in naam des volks kiest. Zij geven hun de macht van te prediken en ontnemen ze hun naar believen. Zoo, B. B., heeft Jesus zijne Kerk niet ingesteld. Jesus-Christus heeft rechtstreeks aan de Apostelen dat drievoudig ambt opgedragen; en niet alleen aan de Apostelen, maar ook aan de gansche geestelijkheid bij wijze van één. Die waarheid zal duidelijk worden uit de volgende opmerkingen. Onze goddelijke Zaligmaker heeft:
1° Iwhalf Apostelen gekozen. Zekeren dag beklom Jesus eenen berg, zegt de Evangelist Lucas, om te bidden en Hij bracht den nacht door in het gebed. — Jesus bad en Hij bad lang. Waarom? Omdat er eene groote zaak stond verhandeld te worden. Het hoofd der H. Kerk, de geestelijkheid ging aangesteld worden. — En toen het dag was geworden riep Jesus
(i) KOM. xiii, 1.
— 387 —
zijne leerlingen bij zich; en onder die leerlingen koos Hij er twaalf uit, die Hij Apostelen noemde: Simon, Petrus genaamd, Andreas, enz. Waarom koos Jesus die twaalf uit? Om bij Hem te blijven en om te prediken. Gaat, zeido Hij tot hen: predikt: zegt dat het rijk der hemelen, d. i., de Kerk nabij is.
2° Aan die twaalf Apostelen heeft Jesus het drievoudig ambt, waarover wij gesproken hebben, opgedragen. Mij, zoo sprak Jesus, is aile macht gegeven in den hemel en op de aarde. En gelijk de Vader Mij gezonden heeft zoo zend Ik u. En hoe had de hemelsche Vader zijnen Zoon gezonden? Als leeraar, priester en herder. Welnu; gelijk de Vader den Zoon zendt, zoo zendt de Zoon zijne Apostelen; bijgevolg als leeraars, priesters en herders.
3° Jesus heeft zijnen Apostelen \'rechtstreeks dat drievoudig ambt opgedragen; eerst niet aan de Kerk om van de Kerk lot de Apostelen over le gaan. Immers, Jesus sprak tot zijne Apostelen alleen, niet tot de overigen. De Apostelen daarenboven konden dat ambt van de Kerk niet ontvangen; zij moesten het eerst uitoefenen, eerst onderwijzen, doopen en regeeren, alvorens er eene vergadering van geloovigen, van gedoopten en onderdanen bestond.
4° Jesus heeft uitsluitend aan zijne Apostelen dat drievoudig ambt opgedragen; niet aan de overigen. Aan hen toch alleen kon dat ambt opgedragen zijn, die Jesus had aangesproken. Welnu; Jesus bad alleen tot zijne Apostelen en niet tot de anderen gesproken. De Apostel Petrus leert ons die waarheid duidelijk. Ons heeft Hij bevolen, zegt Petrus, te prediken: Prcecepit nobis prcedicare populo, (i)
Dat Jesus-Christus dat drievoudig ambt aan zijne Apostelen opgedragen heeft laat zich gemakkelijk verstaan; doch er blijft nog over te bewijzen dat Hij bet ook aan de hedendaagsche geestelijkheid opgedragen heeft.
(i) Act. x, 40.
— 388 —
De Apostelen, welke menschen moesten zij onderwijzen, bedienen en besturen? Enkel die van hunnen tijd? Neen, B. B., maar alle menschen: Omni crealurce: tot het einde der wereld: Usque ad consummalionem scvcidi. Wijl de Apostelen nu persoonlijk niet onsterfelijk waren, niet tot het einde der wereld zouden leven, zoo konden zij persoonlijk dat drievoudig ambt ook niet zoo lang uitoelenen; zij moesten dus eeniger wijze onsterfelijk zijn. En op welke wijze? In hunne opvolgers, in de geestelijkheid. Jesus sprak dus tot de Apostelen niet alleen persoonlijk, maar in persoon der Apostelen ook tot hunne opvolgers. Hoe zoude Jesus anders tot bon hebben kunnen zeggen dat zij aan alle menschen het Evangelie moesten verkondigen? Dat Hij met hen zoude zijn tot het einde der wereld? Ongetwijfeld, Hij wist zeer wel dat zij moesten sterven. Vandaar ook dat de Apostelen, gelijk wij in de H. Schrift zien, hun drievoudig ambt aan hunne opvolgers overlieten met bevel van te doen gelijk zij gedaan hadden.
SLUITREDE.
Uit deze onderrichting, B. B., moeten wij eene dubbele verplichting besluiten;
Verplichting voor de geestelijkheid en verplichting voor de geloovigen.
Op ons priesters drukt de groote verplichting:
1° Van te onderwijzen. Wee den pastoor!... die gezwegen en het woord Gods niet verkondigd zal hebben; die de waarheid niet gezegd en op allerlei wijze het volk niet aangezet zal. hebben de zonden te vluchten en de deugd te oefenen. Groote verplichting:
2° Van de H. Sacramenten waardig en trouw toe te dienen; van te zorgen dat zij door de onwaardigen niet onteerd worden; van rechtvaardig te rechten in den biechtstoel, den rouw moedigen zondaar te ontslaan, den onboetvaardigen te binden; van
— 389 —
te zorgen dat het goddelijk vleescli en bloed van Jesus-Christus aan de H. Tafel niet onteerd worden, door andere Judassen niet worden overgeleverd. O zorgt toch, zoo roept Jesus-Christus ons priesters toe, do heilige zaken niet te werpen voor de honden, d. w. z., de H. Sacramenten niet toe te dienen aan die ze onwaardig zijn. (iroote verplichting;
:50 Van als ware herders do schapen, die Jesus-Ghristus hun toevertrouwd heeft, te weiden, d. i., de geloovigen te besturen en bijeen te houden; liet afgedwaalde schaap op te zoeken en tot den schaapstal terug te brengen; de dieven af te weren en te zorgen dat er door hunne schuld geen enkel schaap verloren gaat O Mijn God! Wat groote en zware verplichting voor ons priesters! Wat is zij groot de verantwoordelijkheid, verschrikkelijk de rekenschap die wij eenmaal voor uwen rechterstoel zullen moeten afleggen; want het is vooral tot ons priesters, dat Gij de volgende woorden richt; Snngiünem ejus de manu tua requiram! (l) Hun bloed zal Ik van uwe handen afeisclien!
Zoo de verplichting der priesters groot is, die der geloovigen is niet minder groot; zij ook zullen eenmaal voor God moeten verantwoorden. De geloovigen moeten voorzeker de getrouwheid der priesters lioogschatten. En helaas! Wal gebeurt er niet zelden? Men bepraat en lastert de priesters; men lacht met hen. Is het wellicht omdat zij zich van hunne plichten niet kwijten? Omdat zij, bijv., het Evangelie niet verkondigen? Neen, B B., maar juist omdat zij de waarheid zeggen, en de waarheid verwekt haat Dat zeggen der waarheid heeft er zelfs velen het leven gekost. Maar wat is dan toch de predikstoel, zoo niet de stoel der waarheid? En zoo de priester de waarheid verkondigt, wat doet hij meer dan zijn plicht? Wat doet hij anders dan tot welzijn der geloovigen spreken? Bijaldien het den priester niet meer geoorloofd zoude zijn de waarheid te zeggen, de geloovigen te vermanen van de zonde te vluchten en de deugd te oefenen,
^1; Ezkcii xxx, 8.
hij zoude wel doen van zijnen voet niet meer in den predikstoel te zetten. En wat vereisclit men soms in den biechtstoel? Dat de priester den biechteling van de zonden ontsla? Neen, maar dat hij hem nog meer zonden doe bedrijven. En inderdaad: wat doet gij, zoo dikwijls gij onbekwaam om vergiffenis van uwe zonden te bekomen, den biechtvader praamt de absolutie te geven? Gij legt het er op aan om u zeiven en den biechtvader ongelukkig te maken. Ziedaar hoe onverstandig gij soms te werk gaat. Gij loopt naar den afgrond en gij staat op het punt om er n in te werpen, en het zoude den predikant niet geoorloofd zijn u toe te roepen; Ongelukkige! wat gaat gij doen? Blijf staan of gij zijt verloren! De predikant zoude moeten zwijgen en hij zoude wel doen? De biechtvader zoude niet meer mogen zeggen: Mijn kind! gij zijt op den dwaalweg; keer terug-of \'t is met u gedaan! De biechtvader zoude dat ongelukkig biechtkind in zijn ongeluk moeten stooten en hij zoude wel doen? De predikant moet dus vermanen; de biechtvader mag volstrekt in \'t ongeluk van den mensch niet mede werken op straf van zelf door Jesus-Christus veroordeeld te worden. Wat blijft er den priester nu over na alle middelen van zaligheid te hebben uitgeput? Niets anders, B. B., dan den zondaar te zeggen: Wilt gij niet luisteren naar goeden raad; wilt gij u ongelukkig maken; het staat u vrij; maar ik mijne eenige onsterfelijke ziel verdoemen om uwent wille, zonder u nog te redden, neen, dat niet: Zoo gij dus verloren gaat, \'t is uwe schuld: Perditio tua Israël, (l) Moet men die manier van handelen niet goedkeuren? Wachten wij ons dus wel ooit van de priesters kwaad te spreken, hen te lasteren of te lachen met hetgeen zij op den predikstoel of in den biechtstoel hebben voorgesteld of aangeraden. Moeten de priesters hunne plichten niet doen? Eenmaal zullen zij strenge rekenschap moeten afleggen. Daarenboven: is het niet tot welzijn der geloovigen dat zij zoo handelen?
(1) Os. xiii, o.
— 391 —
Daarom, zorgen wij van ons nooit aan die misdaad plichlig\' te maken, \'t Zijn niet zoo zeer de priesters die men bepraat, lastert, met welke men lacht; alles komt op God neder, die door den mond zijner dienaren spreekt en vermaant, die nitdrnkkelijk zegt: Die n hoort hoort Mij: en die u veracht veracht Mij. Daarom, bidden wij liever voor elkander om onze plichten te volbrengen; wij priesters door te onderrichten, de Heilige Sacramenten toe te dienen en te besturen; Rij geloovigen door te luisteren, de Heilige Sacramenten te ontvangen en u te onderwerpen, en op die wijze zullen wij door elkander bijgestaan en geholpen elkanders tijdelijk en eeuwig geluk verzekeren. Amen.
VEERTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DE H. KERK DE GEESTELIJKHEID EN HET PRIMAAT
Pasce arjnos mcos, pascc oves meas.
Weid mijne lammeren, weid mijne schapen.
(JOAN. XXI,
INHOUD.
voorrede.
Christus heeft in-en voor zijne Kerk een drievoudig ambt ingesteld, dat HIJ aan zijne Apostelen en aan de geestelijkheid heeft opgedragen. Thans gaan wij onderzoeken hoe de geestelijkheid is samengesteld. Wij zullen zien:
verdeeling.
r. ii.
Verschillende trappen of graden in de geestelijkheid;
Wat het Primaat is.
In de wijding telt men kleine en groote orden: kleine vier en groote drie.
In de jurisdictie telt men ook verschillende trappen of graden: den Paus, de Kardinalen, Patriarchen, Primaten, Aartsbisschoppen, Bisschoppen en Abten. Alle orden zijn niet van Christus ingesteld. Christus heeft ingesteld de Hiërarchie der wijding, bestaande uit Bisschoppen, Priesters en Diaken. Hij heeft ook ingesteld de Hierarchie der jurisdictie, waarin de Bisschoppen boven de Priesters en de Paus boven allen staat.
II.
Christus heeft het Primaat ingesteld en gewild dat het tot het einde der eeuwen in zijne Kerk zoude bestaan.
Christus heeft het ingesteld. Eerst heeft Hij het aan Petrus beloofd; daarna heeft Hij liet, hein geschonken.
Christus heeft gewild dat het Primaat van Petrus altijd in zijne Kerk zoude bestaan. Petrus als hoofd der Kerk is de grondslag der Kerk; doch Christus heeft gewild dat zijne Kerk tot bet einde der eeuwen zoude bestaan; bijgevolg ook het Primaat van Petrus of de grondslag.
SLUITREDE.
quot;Wat is de Paus van Rome? Wat zijn Bisschoppen, Pastoors en Priesters? Wat zijn wij hun schuldig?
VEERTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DE H. KERK DE GEESTELIJKHEID EN HET PRIMAAT
Pasce agnos racos, pasce oves mcas.
Weid mijne lammeren, weid mijne schapen.
(J O AN. XXI, 18-17.)
VOORREDE.
Jesus-Christus heeft, gelijk wij laatsleden gezien hebben, in-en voor zijne Kerk een drievoudig ambt ingesteld. Dat ambt heeft Hij aan de Apostelen en in den persoon der Apostelen aan de geestelijkheid opgedragen.
Aan dat drievoudig ambt beantwoordt voor de geestelijkheid en voor de geloovigen eene drievoudige verplichting. De geestelijkheid is verplicht te prediken; het volk is verplicht te luisteren. De geestelijkheid is verplicht de Heilige Sacramenten toe te dient1!!; het volk is verplicht dezelve te ontvangen. De geestelijkheid is verplicht te besturen en te reg^eren; bet volk is verplicht te gehoorzamen en zich te onderwerpen. Die waarheden hebben wij in de voorgaande onderrichting overwogen en bewezen. Vandaag gaan wij in quot;t kort zien hoe bet hoofd der H. Kerk, de geestelijkheid, is samengesteld:
1
De verschillende trappen of graden in de geestelijkheid;
— 395 —
I.
Al degenen, B. R., die tot de geestelijkheid behooren, bekleeden niet dezelfde plaiits. De geestelijkheid is wederom in verschillende graden gerangschikt. In de Kerk van Christus heeft men verschillende graden, én in de wijding, én in de jurisdictie.
Vooreerst in de wijding en vandaar de kleine en groote orden. Kleine orden telt men vier: de orde van Portier, van Lezer, van Bezweerder eu van Akoliet. Groote orden telt men drie: het Onderdiakenaat, het Diakenaat en liet Priesterschap.
Vervolgens telt men verschillende graden in de jurisdictie, d. i., in de macht, die iemand over anderen uitoefent als over zijne onderdanen. Vandaar de Paus van Rome, do Kardinalen, Patriarchen, Primaten, Aartsbisschoppen, Bisschoppen en nog andere Prelaten, die onder de Bisschoppen staan, zooals de Abten.
Al die graden zijn niet van Christus ingesteld: eenige zijn van goddelijke, andere van kerkelijke instelling.
Christus, B. B., heeft ingesteld de Hierarchie der wijding, bestaande uit Bisschoppen, Priesters en Diaken. Van der Apostelen tijden af heeft de H. Kerk Bisschoppen, Priesters en Diaken gehad, onder verschillende ceremoniën gewijd en met ongelijke macht bekleed. Welnu: van di^ Hierarchie kan men geen andere reden geven dan de instelling van Christus.
\'t Is de Overlevering, die het ons leert en die niet valsch kan zijn. \'t Is onmogelijk dat de gansche Kerk betrekkelijk dit punt in dwaling verkeere. Wat zoude er dan van do beloften van Christus geworden zijn, die gezegd heeft: Ik ben met u tot het einde der wereld: Ego vobiscum sum usque ad consum-mationem sceculi. (l) Ik zal u den Geest der waarheid geven, die met u zal blijven. Jesus zoude aan zijne beloften te kort
(i) Mattii. xxviji, 20.
zijn gebleven en de Geest der waarheid zoude de Kerk hebben verlaten; doch zoo iets te zeggen is God lasteren.
Jesus heeft in zijne Kerk ook nog ingesteld de Hierarchie der jurisdictie, waardoor vooreerst de Bisschoppen in waardigheid, graad en macht boven de Priesters verheven zijn. \'t Is wederom do Overlevering, die ons van die waarheid verzekert. Aërius, B. B., die in de vierde eeuw leefde, beweerde dat de Priesters en Bisschoppen gelijk staan, en terstond werd Aërius door de gansche Kerk ketter verklaard en veroordeeld. Ik heb gezegd: dat vooreerst de Bisschoppen boven de Priesters verheven zijn, want Jesus-Christus heeft in zijne Kerk nog eene andere waardigheid, namelijk, het Primaat ingesteld. Zien wij in liet tweede punt wat het Primaat is.
II.
Door het Primaat in de Kerk, B. B., moet verstaan worden, dat Christus er éénen onder zijne Apostelen uitgekozen heeft, dien Hij hier op aarde aan liet hoofd van gansch de Kerk gesteld heeft; die niet alleen in eer en waardigheid boven de anderen zoude verheven zijn, maar die ook met gezag en macht, én over geloovigen, én over geestelijken zoude regeeren. Dat Primaat heeft Christus aan Petrus geschonken en Hij heeft gewild dat het tot het einde der wereld zijne Kerk bijblijve.
Christus had vooreerst aan Petrus alleen het Primaat beloofd; vervolgens heeft Hij het aan Petrus alleen geschonken.
Onze goddelijke Zaligmaker, B. B., had beloofd Petrus tot hoofd der H. Kerk te benoemen; Hij had beloold Petrus aan te stellen, niet de andere Apostelen. Jesus immers sprak Petrus alleen aan en beloofde hem aan te stellen tot rotssteen en grondslag, waarop Hij zijne Kerk moest bouwen, en wel zoo hecht dat zelfs de machten der iiel haar niet zouden overweldigen; Tu es Petrus et super hanc petram wdificabo
Ecdcsiam meam, et porta\' inferi non prcvvcdebunt adversus earn, (i)
Aan Petrus, tot grondslag der Kerk aangesteld, — niet aan de anderen — belooft Jesus de sleutels van hot rijk der hemelen, d. i., van de Kerk te geven.
Wat beteekent die figuurlijke spreekwijze van onzen godde-lijken Zaligmaker? Bijaldien, bijv., een generaal eene vijandige stad bekeert en de inwoners dier stad, met den burgemeester aan \'t hoo(d, gaan dien generaal te gemoet om hem de sleutels der stadspoorten te overhandigen, wat willen zij daardoor te kennen geven? Niets anders dan dat zij zich aan dien generaal overgeven en onderwerpen. Welnu, Jesus-Christus heed, ook zoo ten opzichte van Petrus gehandeld; Hij heeft beloofd hem de sleutels zijner Kerk te geven, d. i., hem aan het hoofd zijner Kerk te stellen. Rn wat voegde Jesus er nog bij? Al wat gij op aarde zult gebonden hehhen zal gebonden zijn in den hemel: Quoilcumque ligaveris super terrain er it iKjatum et in coeiis; en al wat gij op aarde zult ontbonden hebben zal ontbonden zijn in den hemel; et quodewnque solver is super i errnvn erit solutwn el in ccelis. Is het niet met deze woorden dat Jesus belooft Petrus de volmacht te geven over geestelijken en geloovigen? Rijaldien Jesus dus beloofd heeft Petrus hot Primaat te schenken, Jesus, die gelijk wij reeds vroeger gezien hebben, waarachtig, getrouw aan zijne belolten en almachtig is, heeft zijne beloften volbracht. Ja, B. B., li ij heeft ze volbracht, en ziehier de schoone geschiedenis uit het Evangelie, waarin ons verhaald wordt wanneer en hoe Petrus tot hoofd der Kerk is aangesteld.
Zekeren keer ging Petrus na de verrijzenis van Jesus met eenige leerlingen visschen; doch zij werkten dien nacht te vergeefs en vongen niets. Toen de morgen aanbrak stond Jesus op het strand; doch zij wisten niet dat het hun goddelijke
(i) Matth. xvi, 18.
Meester was. Deze nu riep hun toe: Hebt gij iets om te ontbijten? Zij antwoordden: Neen. Jesus zeide dan: Werpt uw net uit aan de rechterzijde van het schip, dan zult gij iets vangen. Zij wierpen het net uit en konden het nu wegens de menigte visschen niet optrekken. Toen zeide de leerling dien Jesus lief had, namelijk, Joannes tot Petrus: \'t Is de Heer: Dominus est: (i) Zoodra Petrus dit hoorde, sprong hij in zee om zoo spoedig mogelijk bij Jesus te zijn. De overige leerlingen volgden in het schip, het net vol visschen voorttrekkende.
Aan \'t strand gekomen vroeg niemand: Wie zljt gij? want zij wisten dat het hun goddelijke Meester was. Nadat zij geëten hadden, sprak Jesus tot Petrus — let wel op, tot Petrus en niet tot de anderen. — Simon Jonas\' zoon — plechtige wijze van ondervraging en wel tot driemaal toe. Waarom? Omdat er eene zaak van aanbelang verhandeld werd — Simon Jonas\' zoon, sprak Jesus, bemint gij Mij meer dan deze? Simon Joannis diligis me plus his? Wat antwoordt Petrus? Ja Heer, zegt hij, gij weet dat ik u bemin. Jesus zeide: Weid mijne lammeren: Pasce agnos meos. Jesus vroeg andermaal: Simon Jonas\' zoon, bemint gij Mij? Simon Joannis diligis me? Petrus antwoordt: Ja Heer, gij weet dat ik ü bemin. Jesus zeide ten tweede male: Weid mijne lammeren: P-asee agnos meos. Jesus vroeg ten derde male: Simon Jonas\' zoon, bemint gij Mij: Simon Joannis amas me? Op die derde vraag wordt Petrus bedroefd; hij is bang van vermetel te zijn, gelijk hij vroeger geweest was; hij denkt wellicht aan zijne drievoudige verloochening; deze moest hier door eene drievoudige akte van liel\'de hersteld worden, en hij zegt: Heer! Gij weet alles. Gij weet dat ik U bemin. Wat antwoordt Jesus? Weid mijne schapen: Pasce ores meas.
Wat schoone geschiedenis, B. B,, vol liefde, maar ook van het grootste belang, wijl Jesus Petrus tot hoofd zijner Kerk aanstelt. De spreekwijze van Jesus is voorzeker figuurlijk. Er is
ü) Joan, xxi, 7.
— 399 —
geene sprake van lammeren en schapen, gelijk men hier op het veld ziet; dat zoude belachelijk geweest zijn.
Waarvan is er dan sprake? Van de geloovigen uitgedrukt door de lammeren, en van de geestelijken uitgedrukt door de schapen. Die lammeren en schapen moest Petrus weiden; niet dat hij hun enkel voedsel moest bezorgen, maar dat hij ook de volmacht had hem door Christus gegeven, even als de herder niet alleen het ambt heeft van de schapen van zijnen heer te \'weiden, maar ook de macht om anderen uit te sluiten.
Petrus is dus tot hoofd der Kerk aangesteld. Doch zal met den dood van Petrus het Primaat niet uit de Kerk verdwijnen? Neen, B. B., Jesus toch heeft liet Primaat niet alleen aan Petrus geschonken, maar Hij heeft tevens gewild dat het in de Kerk blijve tot het einde der wereld. Immers, de Kerk van Christus moet blijven bestaan tot het einde der wereld, gelijk wij reeds gezien hebben en nog duidelijker zullen zien. Welnu, wat is het Primaat? Wat is Petrus tot hoofd der Kerk aangesteld? Hij is de grondslag der Kerk. Zoo gij nu, bijv., uw huis wilt bewaren, moet gij dan ook niet den grondslag bewaren, waarop het gebouwd is? Kn bijaldien gij den grondslag afbreekt, zal dan het gansche huis niet instorten? Welnu; Jesus heeft als \'t ware gezegd: Mijn huis, mijne Kerk zal blijven bestaan tot liet einde der wereld; een huis kan niet bestaan zonder grondslag; bijgevolg moet liet Primaat van Petrus, dat de grondslag der Kerk is, ook blijven bestaan tot het einde der wereld; en hoe? In de wettige opvolgers van den H. Petrus.
SLUITREDE.
Uit deze korte onderrichting kunnen wij op nieuw besluiten dat de H. Kerk eene volmaakte familie of een volmaakt rijk is; \'t blijkt wederom uit de instelling en de schoone rangschikking der geestelijkheid. Die geestelijkheid bestaat vooral, gelijk wij
reeds weten, vooreerst uit den Paus van Rome. De Catechismus vraagt:
Wal is de Paus van Rome? tfn hij antwoordt;
De eigen stadhouder vgt;an Christus op de aarde, en de welticje navolger van den heiligen Petrus, op wien Christus zijne Kerk getimmerd heeft.
De Paus van Rome is de eigen stadhouder van Christus op de aarde, d. w. z., hij is de echte plaatsbekleeder van Christus, die thans in den liemel is. Bijgevolg bekleedt hij hetzelfde ambt en oefent hij dezelfde macht uit als Christus; niet dat hij dat ambt en die macht heeft uit zich zeiven gelijk Christus, maar van Christus, wiens plaatsbekleeder hij is. Ook mag hij zijn ambt niet uitoefenen of van zijne macht gebruik maken, gelijk hij wil; maar gelijk Christus wil; zulks immers is een plaatsbekleeder eigen en betaamt hem.
De Paus van Rome is de wettige navolger van den H. Petrus, d. i., do ware opvolger van den H. Petrus volgens de wet en den wil van Christus. Op wien Christus zijne Kerk getimmerd heeft, d. w. z., wien — Petrus — Christus het eerst tot opperhoofd zijner Kerk aangesteld heeft.
Wat zijn wij den Paus van Rome schuldig?
Wij moeien hem gehoorzaamheid bewijzen gelijk aan Christus zeiven, met wiens gezag hij bekleed is, en de allergrootste eerbiedigheid.
Vervolgens uit de Bisschoppen. De Catechismus vraagt:
Wat zijn de bisschoppen in de heilige Kerk? En hij antwoordt:
De bisschoppen zij de prinsen der heilige Kerk, en bedienen de plaatsen van de heilige Apostelen.
De Bisschoppen zijn de prinsen der 11. Kerk; zij besturen elk een deel er van, namelijk, hun bisdom, onmiddellijk onder
— -101 —
liet oppergezag van den Paus van Rome, die de gansche Kerk bestuurt.
De Bisschoppen bedienen de plaatsen der H. Apostelen, d. w. z.. zij bekleeden het ambt en oefenen de macht uit van de Apostelen, doch slechts gedeeltelijk, namelijk, de gewone en niet de buitengewone macht, die de Apostelen bezaten als eerste stichters der Kerk.
Eindelijk uit de Pastoors en Priesters. De Catechismus vraagt:
Wat zijn pastoors en priesters? En hij antwoordt:
De pastoors en priesters, zijn de wettige navolgers van de tivee-en-zerentig discipelen van Christus: niet krachtens de instelling van Christus, evenals de Paus van Rome de opvolger van Petrus, de Bisschoppen de opvolgers der Apostelen zijn; maar omdat hun ambt veel gelijkt aan het ambt der twee. en zeventig discipelen. Evenals deze medehelpers waren van Christus en vooruit gezonden werden, toen Jesus liet Evangelie verkondigde; zoo ook zijn de Pastoors en Priesters de medehelpers van do Bisschoppen en worden zij naar verschillende plaatsen van hun bisdom gezonden om te arbeiden aan de Zaligmaking der zielen.
Wat moet ons bewegen om de bisschoppen, de pastoors en de priesters te eeren en hun. te gehoorzamen?
Dat zij zijn de gezalfden des IIeeren, de afgezanten en dienaars ran Christus, en de aihh elders -an (Soils hedtge Mysteriën.
Wij moeten dus de geestelijkheid eeren en gehoorzamen. Zijn wij wel overtuigd van dien plicht, B. B , en blijven wij er nimmer aan te kort, om na de eerbiedige en gehoorzame kinderen geweest te zijn van de strijdende Kerk van Christus op aarde, eenmaal de gelukzalige kinderen ie kunnen worden van de zegenpralende Kerk van Christus in den hemel. Amen.
Gr.I.Olll\'S- KN ZHDENLRER 20.
I
EEN - EN - VEERTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DE H. KERK DE LEDEN EN DE ZIEL DER H. KERK
Quid mi hi de Us, qui forts sunt judicare. \'t Gaat mij niet aan over bon, die buiten zijn, te oordeelen. (i. Cob. v, 12.)
INHOUD.
VOORREDE.
Wij hebben reeds over het hoofd der H. Kerk, d. i,, over de geestelijkheid gesproken. Gaan wij thans over tot de leden, vervolgens, tot de ziel der Kerk.
VERDEELING.
I. Wie zijn leden van de H. Kerk?
II. Wie behooren tot de ziel der H. Kerk?
I.
Zijn leden van de H. Kerk aldegenen, die hier op aarde onder de gehoorzaamheid van den Paus van Rome het waarachtig
— 403 —
«
geloof belijden, of in liet vagevuur gezuiverd worden, of nu met Christus in den hemel leven. Tot de strijdende Kerk behooren aldegenen, die gedoopt zijn, noch door ketterij, scheuring of kerkelijken ban publiek gescheiden zijn. Dus zijn buiten de M. Kerk: Ongedoopten, Ketters, Schismatieken, Geëxcommu-niceerden en Apostaten.
Groote zondaren behooren tot het lichaam der- H. Kerk.
II.
De ziel der II. Kerk bestaat vooral in de heiligmakende genade: vandaar dat de rechtvaardigen, en do rechtvaardigen alleen tot de ziel der H. Kerk behooren.
SLUITREDE.
Het zal den zondaar niet baten, al behoort hij tot het lichaam der 11. Kerk. Parabels: van het onkruid onder de tarwe; van de verdorde ranken aan den wijnstok; van hot kaf onder de tarwe; van de slechte visschen met de goede in een en hetzelfde net; van de dwaze maagden, die met de wijze den bruidegom te gemoet gingen. Met zal den zondaar in den kaatsten dag des oordeels vergaan gelijk liet ging met het onkruid, enz. Voor den zondaar is zoolang hij leeft alles nog niet verloren; wijl hij zich met Gods genade kan bekeeren, in staat van genade kan volharden en zoo zijne ziel zalig maken.
EEN - EN - VEERTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DE H. KERK DE LEDEN EN DE ZIEL DER H. KERK
Quid mihi de Uk, qui foris mnt judicare.
\'t (iaat mij niet aan over lieu, die l)uiteii zijn, te oordeelen. (i. Coh. v, 12.)
VOOKUKDK.
Do volmaaktheid der H. Kerk, B. B., schifflt onder anderen ■feijzondér uit in d« sciioone rangschikking van liaar hoofd, d. i., van de geestelijkheid. Deze telt verschillende trappen of graden, zoowel in de Hierarchie der wijding als in de Hierarchic der jurisdictie. Eenige dier trappen zijn van goddelijke, andere van kerkelijke instelling.
Onze goddelijke Zaligmaker heeft na zijne verrijzenis Petrus tot opperhoofd der Kerk aangesteld om de lammeren en schapen te weidon, d, w. z., om de geloovigen en de geestelijken te besturen en te regeeren.
Van liet hoofd der H. Kerk dalen wij een weinig af en zullen wij spreken over hare leden; vervolgens zullen wij zien wat er door de ziel der 11. Kerk moet verstaan worden. Ziehier twee vragen:
I. Wie zijn leden van de H. Kerk?
II. Wie behooren tot de ziel der H. Kerk?
— 405 —
1.
De Catechismus vraagt:
Welke zijn de leden van de heilüje Kerk? En hij antwoordt:
A.1 decjcnen die hier op de cuwde onder de gehoorzcuanheid van den Paus van Home het waarachtig Geloof belijden, 0/ in het vagevuur gezuiverd worden, oj nu niet Christus in den hemel leven.
rit dit antwoord blijkt dat de Catechismus de gansche Kerk bedoelt: de lijdende, de strijdende en de zegepralende Kerk; doch wij moeten thans spreken over de strijdende Kerk.
Tot de strijdende Kerk van Christus behooren als leden zij allen en zij alleen, die gedoopt zijn, noch door ketterij, scheuring of kerkelljken ban publiek gescheiden zijn. Alzoo zijn buiten de H. Kerk:
Iquot; De Ongeloovigen, zij die niet gedoopt zijn, zooals de Heidenen, Turken en Joden. Zij zijn nooit door de deur, d. L, liet H. Doopsel de H. Kerk binnen gegaan; dus behooren zij ook niet tot de 11. Kerk. Van deze klasse spreekt de Apostel l\'aulus, als hij zegt: Quid mhi de Us qui /\'oris sunt judicare? (1) Wat gaat het mij aan te oordeelen over hen, die builen zijn? Zijn buiten de H. Kerk;
2° De Ketters, die met hardnekkigheid volgen de vervalschte leering van Christus. Om dus ketter te zijn moet men dwalen in een punt van het geloof en de dwaling met hardnekkigheid annkleven, zich niet willen onderwerpen aan de uitspraak van de 11. Kerk. Zij dus, die zonder schuld de waarheid niet kennen en te goeder trouw zijn, zijn geen Ketters. Protestanten, bijv., die zonder schuld en te goeder trouw de vervalschte leering van Christus volgen, gelijk men er voorzeker hier ol daar nog aantreft, zijn geen Ketters; zij behooren zelfs tot de II. Kerk, mits zij goed gedoopt zijn. De Ketters worden in de H. tsclnilt
(1) i Con. v, 12.
— .10() —
genoemd antichristen, grijpende wolven, schipbreukelingen, Heidenen en publikanen, onwaardig dat men hen aanspreke of met hen omga, namelijk, in geestelijke zaken. De li. Vaders hebben van de Ketters als van de verraderlijkste vijanden den grootsten afkeer. Toen zekeren dag de H. Polycarpus te Rome den aartsketter Marcion ontmoette, vroeg Marcion Polycarpus: Erkent gij ons? De II. Bisschop antwoordde: Ik erken u voor den eerstgeborene van den duivel: Cognosco primogenitimi diaboli. Ziedaar hoe de II. Polycarpus over eenen ketter oordeelde.
3° De Scheurmakers of Schismatieken behooren ook niet tot de II. Kerk van Christus. Scheurmakers zijn, die alhoewel zij het Doopsel en het geloof ontvangen hebben, niet willen staan onder de gehoorzaamheid van het zienlijk hoofd der H. Kerk, den Paus van Rome. En niet alleen van den Paus van Rome, maar ook van hunnen Bisschop of van hunnen Pastoor. Ik zeg niet willen slaan; want merkt wol op, B. B., niet willen staan onder de gehoorzaamheid is niet hetzelfde als niet gehoorzamen, of het een of ander bevel der wettige overheid overtreden. Niet willen staan onder de gehoorzaamheid betee-kent de wettig gekozen en aangestelde oversten zoo als, bijv., den Paus, den Bisschop of den Pastoor niet voor wettige oversten erkennen en zich bijgevolg van hen afscheiden in zaken die het geloof of den godsdienst aangaan. De Ketters verbreken den band des geloofs, de Scheurmakers den band der liefde. Zij verscheuren het geestelijk lichaam van Cliristus, d. i , de H. Kerk, evenals de Joden zijn sterfelijk lichaam verscheurden, of wel gelijk de If. Vaders zeggen; zij verscheuren het bovenkleed van Christus, dat uit één stuk geweven, een afbeeldsel der II. Kerk is. De Scheurmakers zijn hedendaags doorgaans ook Ketters, omdat zij\'het een of ander punt van ons geloof, bijv., de onfeilbaarheid van den Paus met hardnekkigheid verwerpen.
4° De Geoxcommuniceerden, of die in den groeten kerkelijken ban geslagen zijn, behooren ook niet tot de H. Kerk van
Christus. De H. Kerk heeft hen buiten haren schoot geworpen voor hunne misdaden en hardnekkigheid, om er hun des te grooteren alschrik voor in te boezemen en hen des te spoediger tot inkeer te doen komen. Zij zijn gelijk aan burgers, die gebannen zijn.
5° De Apostaten, d. i., die het Christendom afgezworen hebben om protestant, schismatiek, of onverschillig te worden, behooren zeker niet meer tot de M. Kerk. Zij zijn in zekeren zin erger dan ongeloovigen; zij zijn waarlijk monsters. Wat zoudt gij zeggen van een kind, dat na van zijne moeder opgevoed en verzorgd, gekleed en onderwezen te zijn, zijne .moeder vervolgt en lastert? Is zulk een kind als het ware geen monster in de natuur? Ziedaar bet afbeeldsel van den apostaat. Ik heb ook Onverschilligen genoemd: Wat zijn Onverschilligen? Onverschilligen, 15. B., zijn, die gelooven wat zij goedvinden; die leven gelijk zij goedvinden en die leeren dat eenieder mag handelen gelijk hij goedvindt. Van die kleur vindt men ei hedendaags velen en zij zijn de gevaarlijksten van allen.
Ziedaar, 1!. R, de voornaainsten, die geene leden van de H. Kerk zijn, en voor welke er geene zaligheid is, zoo lang zij in dien staat blijven. Behooren de groote zondaars ook tot de H. Kerk? Zijn zij, die niet voorbeschikt zijn tot den hemel, ook leden der H. Kerk?
De Protestanten en Jansenisten sluiten buiten d, II. Kerk al degenen, die de heiligmakende genade uiet bezitten, omdat zij geene levende leden der H. Kerk zijn; als ook hen, die eenmaal verloren zullen gaan en bijgevolg geene leden van de zegepralende Kerk of van den hemel zullen worden, quot;t Zijn twee groote dwalingen, I!. B., door de II. Kerk veroordeeld. Onze Moeder de H. Kerk sluit noch groote zondaren, noch hen die verloren zullen gaan buiten haren schoot, ten minste om die reden alleen niet.
Tot hiertoe hebben wij over het lichaam der H. Kerk gespro-kon, over haar hoofd en hare leden. Zeggen wij nu nog een
woord over de ziel der H. Kerk, waarin zij namelijk bestaat en wie er toe beliooren.
II.
De ziel der H. Kerk, U. H., bestaat vooral in de lieilig-niakende genade, waardoor de reciitvaardige innig met God vereenigd een bovennatuurlijk, als liet ware een goddelijk leven leidt en vruchten voor liet eeuwige leven voortbrengt.
Door de ziel dor 11. Kerk moet men ook nog verstaan de drie goddelijke deugden, het geloei\', de hoop en de liel\'de, zonder dewelke voorzeker niemand volmaakt leelt. Met die deugden zijn nog veel andere bovennatmirlijke gaven verbonden. Ziedaar de ziel der II. Kerk. Wie beliooren nu tot de ziel der H. Kerk? Alle rechtvaardigen, en de rechtvaardigen alleen beliooren eigenlijk tot de ziel der If. Kerk. En niet zonder reilen. Zij allen en zij alleen beliooren tot de ziel der II. Kerk, die inderdaad dat bovennatuurlijk, dat goddelijk leven bezitten, hetgeen de ziel der H. Kerk uitmaakt. Ziehier eeiie gelijkenis: Evenals men een lichaam waaruit het leven is een dood lichaam noemt, zoo ook noemt men den Christen, die liet leven der goddelijke genade verloren heeft, een dood Christen.
SLUITREDE.
0
De zondaren dus, die in staat van doodzonde leven, beliooren tot de M. Kerk, wij hebben het gezegd; doch zullen zij, enkel leden van het lichaam der strijdende Kerk van Christus op aarde, ook leden kunnen worden van de zegepralende Kerk van Christus in den hemel? Neen, H. I!., daartoe behoort men ook nog tot de ziel der H. Kerk te beliooren, liet leven der heilig-makende genade te bezitten.
O armzalige leden dus van de II. Kerk! Ja, ongelukkige zondaars! Zij beliooren wel is waar tot de H, Kerk; maar hoe? Juist gelijk het onkruid onder de tarwe tot denzellden akker
— 409 —
behoort; maar wat is er van liet onkruid geworden? Met den oogsttijd is de landman met zijne arbeiders gekomen; zij hebben het onkruid van de tarwe gescheiden, de tarwe in hunne schuren gebracht, maar het onkruid hebben zij geworpen in het vuur.
De zondaren behooren tot de 11. Kerk; maar hoe? Evenals de verdorde ranken nog behooren tot denzeltden wijngaard; maar met den snoei tijd is de wijngaardenier met zijne arbeiders gekomen; zij Hebben de verdorde ranken afgesneden en er niets van kunnende maken hebben zij ze geworpen in het vuur.
De zondaren behooren tot de H. Kerk; maar hoe^ Evenals het katquot; onder het goede graan, dat op denzellden dorschvloer ligt; maar de huisvader is met zijne arbeiders gekomen; zij hebben den wan gebruikt, het kaf van het graan gescheiden, het graan op hunne zolders gebracht, maar het kaf hebben zij doen verbranden.
De zondaren behooren tot de H. Kerk; maar 11; vraag het nogmaals, hoe behooren zij er toe? .luist als de slechte visschen, die zich met de goede bevonden in hetzelfde net; doch de visschers hebben hunne vangsl gescheiden, de goede visschen voor zich behouden, maar de slechte hebben zij weg geworpen.
Met de ongelukkige zondaren, zoo zij zich niet bekeeren, zal het in den laatsten dag des oordeels gaan evenals het ging in den oogsttijd met het onkruid, in den snoeitijd met de verdorde ranken; evenals het ging met het kaf onder het graan, de slechte visschen in liet net: evenals het onkruid, de verdorde ranken en het kaf zullen zij in het vuur, evenals de slechte visschen zullen zij buiten geworpen worden: Mulos aulein /bras miserunt. \\i)*
Dwaze maagden, die zij. zijn; want dat zijn de zondaren. Zij begeven zich met de wijze maagden naar de bruiloft, maar zij
(i) Mattii. xiii, 48.
— 410 —
%
hebben geen olie in hunne lampen. De bruidegom komt met den avond, de wijze maagden, die bij tijds hunne lampen van olie voorzien hebben, gaan met de feestvierenden de bruilofts-zaal binnen; de deur wordt gesloten, terwijl de dwaze, maar helaas! te laat om olie uit zijn. Zij komen op hunne schreden terug, kloppen aan en wat antwoordt men? Nescio vos: (i) Ik ken u niet. En terwijl zij de verlichte bruiloftszaal nog zien het muziek der feestvierenden nog hooren, scheurt de afgrond met een ijselijk gekraak onder een iielscli gevloek en getier onder hunne voeten open en zij storten neder in den afgrond der hel, in do uiterste duisternissen, waar een eeuwig gehuil en tandengeknars zal heerschen.
Gij hoort dus, B. K., dat de eeuwige verdoemenis de zondaren te wachten staat, al behooren zij ook tot de II. Kerk. Doch ik moet er ten slotte noodzakkelijk bijvoegen, dat alles met hen nog niet verloren is. Zij bezitten het geloof en de hoop nog; het leven is dus nog niet geheel en al uitgedoofd; zij behooren nog eenigszins tot de ziel der H. Kerk; want al is het geloof zonder de werken en zonder de liefde ook dood, het blijft nochtans bij wijze van wortel, welke wortel, al is hij voor het oogenblik van takken beroofd, besproeid door den dauw des hemels, de genade Gods, wederom kan uitschieten, groeu worden en nieuwe vruchtbare takken voortbrengen. Ziedaar wat er den zondaar overblijft; dien wortel doen ontkiemen; d. i., zijn dood geloof opwekken door eene oprechte bekeering, er in volharden, en dan zal hij eenmaal in den laatsten dag des oordeels, niet met de dwaze maagden d. i., met de duivelen en de verdoemden in de hel geworpen worden; maar hij zal met den bruidegom en de wijze maagden d. i., met Jesus-Christus, met de Engelen en Heiligen de verlichte bruiloftszaal den schoenen hemel binnen gaan, om daar in eeuwigheid feest te. vieren. Amen.
(i) Matth. xxv, 12.
TWEE- EN - VEERTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DE H. KERK HARE EIGENSCHAPPEN
Portee Inferl non prcevalcbunt (((/versus cam.
De poorten der hol zullen haar niet overweldigen (Matul xvi, is.)
INHOUD.
VOORKKDi:.
•
Christus heeft zijne Kerk bij wijze van persoon ingesteld. Gelijk de mensch beslaat uit ziel en lichaam en zijn lichaam uit hoofd en leden; zoo ook beslaat de II. Kerk uit ziel en lichaam en haar lichaam uit hoofd en leden. Om zalig te worden is het niet genoeg lol liet lichaam der II. Kerk te behooren; men moet ook tot de ziel hehooren. Gelijk de mensch eigenschappen en kenteekens heelt; zoo heeft de H. Kerk ook hare eigenschappen en kenteekens.
VERDEELING.
I. De Kerk is noodzakelijk;
II. Zij is zichtbaar;
UI. Zij is onfeilbaar;
IV. Zij is onvergankelijk.
1.
De H. Kerk is noodzakelijk, niet dat God verplicht was zijne Kerk te stichten; maar zij is noodzakelijk voor ons; buiten de H. Kerk geene zaligheid.
Het H vangel ie is noodzakelijk. Met Doopsel is noodzakelijk. Niemand kan tot den Vader komen tenzij door Jesus-Cliristus.
II.
De H. Kerk is zichtbaar, niet alleen omdat zij uit leden bestaat die men zien kan, maar men kan ook zien dat deze of gene Kerk de ware Kerk van Christus is.
De H, Kerk is onfeilbaar in hare leering en in baar geloof.
IV.
De H. Kerk is onvergankelijk; zij zal bestaan tot het einde der eeuwen één en dezelfde, onveranderlijk.
SLUITKHÜE.
Troostrijke waarheden aangaande de H. Kerk, vooral in onze tijden van ongeloof, dwaling en vervolging. Gelijk de vijanden der verleden eeuwen er niet in geslaagd zijn de H. Kerk te vernielen, evenmin zullen er de hedendaagsche vijanden in slagen. De vijanden der H. Kerk zullen verdwijnen en de H. Kerk zal, evenals eene onwrikbare rots in \'t midden eener onstuimige zee, te midden der bedorvene wereld blijven staan.
— 413 —
TWEE EN - VEERTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DE H. KERK HARE EIGENSCHAPPEN
Portal iufcri non irrcBvalcbuvt ad versus cam.
De poorten der hel zullen Imar niet overweldigen. (Matïh. xvi, is.)
VOORRHDK.
Wij hebben reeds meermalen over do II. Kerk gos]iroken, die iesus-Christus in persoon is komen stichten tot zalijilieid der menschen. Wij hebben gezien uit welke doelen zij is samengesteld. Gelijk de mensch uit twee doelen bestaat uit zied en lichaam, en zijn lichaam uit hoofd en leden; zoo bestaat de H. Kerk ook uit ziel en lichaam eu haar lichaam uit hoofd en leden.
]gt;e ziel der H. Kerk is vooral de heiligmakende genade.
liet lichaam zijn de geloovigen: het hoofd is de geestelijkheid en vooral de 1\'aus, Ik spreek hier, H. 1!., van het zienlijk hoofd. Immers, er bestaat nog een ander, maar onzienlijk hoofd. Vandaar dat de Catechismus vraagt:
Wie is het hoofd van de heilige Kerk? En hij antwoordt;
Hei onzienlijk en opperste hoofd is Christus, maar het zienlijk hoofd is zijn stadhouder op de aarde, de Pans van Rome.
De leden der H. Kerk zijn de gedoopten, die noch door ketterij, noch door scheuring, noch door kerkelijken ban buiten-geworpen zijn.
Om zalig te worden is liet niet genoeg tot liet lichaam der II. Kerk te behooren; men moet noodzakelijk ook behooren tot de ziel.
Ziedaar, B. B., de H. Kerk in hare deelen, waaruit zij is samengesteld. Doch gelijk de mensch buiten zijne natuurlijke bestanddeelen nog eigenschappen en kenteekens heeft; zoo ook heeft de 11. Kerk hare eigenschappen en kenteekens.
Door het woord eigenschap wordt verstaan eene hoedanigheid, welke Jesus-Christus volstrekt\' gewild heeft dat zijne Kerk zoude hebben.
Door het woord kenteeken wordt niets anders verstaan dan dergelijke hoedanigheid, maar die zich daarenboven nog uitwendig laat zien, welke men kan opmerken. De kenteekens der H. Kerk zijn tevens eigenschappen, maar de eigenschappen zijn daarom juist geene kenteekens. Onderzoeken wij vandaag de vier volgende eigenschappen der II. Kerk:
I. Hare noodzakelijkheid;
11. Hare zichtbaarheid;
III. Hare onfeilbaarheid;
IV. Hare onvergankelijkheid.
I.
De H. Kerk B. B., is vooreerst noodzakelijk; niet dat .Tesus-Christus verplicht was zijne Kerk te stichten; neen, Jesus was evenmin verplicht zijne Kerk te stichten, als Hij verplicht was het menschdom te verlossen. God had ons niet noodig; maar wij hadden God noodig; doch aangezien Jesus-Christus zoo goed geweest is zijne Kerk te stichten, is die Kerk noodzakelijk voor ons, d. w. z., wij allen zijn verplicht die Kerk binnen te gaan en niemand kan zalig worden, zoo hij door zijne
schuld buiten de H. Kerk is, d, i., zoo hij noch tot de ziel, noch lot het lichaam der H. Kerk behoort. De H. Kerk is dus noodzakelijk, buiten haar ^eene zaligheid.
Zij is noodzakelijk. Wat zeide Jesus tot zijne Apostelen? (iaat, zeide Hij, verkondigt het Evangelie aan alle mensclien: Predicate Evangelium omni creotura\'. Doch \\vat is het Evangelie\'? Al wat Jesus ingesteld heeft; maar vooral de H. Kerk, waaraan Hij al wat Hij heeft ingesteld toevertrouwd heeft; of liever, de li. Kerk is niets anders dan hetgeen Christus ingesteld heeft. Doch het Evangelie is noodzakelijk om zalig te worden: Die niet geloofd zal hebben, zal veroordeeld worden: Qui non crediderü condcmnabüur. (i) Bijgevolg is de II. Kerk ook noodzakelijk, buiten haar geene zaligheid.
Het Doopsel is noodzakelijk om zalig te worden ; doch het Doopsel is de deur, de ingang van de H. Kerk. Gelijk nu niemand door de deur van een vertrek ingaat, zonder het vertrek binnen te gaan; zoo ook gaat niemand door de deur der H. Kerk in, d. i., niemand wordt gedoopt, of hij gaat de H. Kerk binnen; en gelijk het Doopsel noodzakelijk is om zalig te worden, zoo ook is de H. Kerk noodzakelijk, buiten haar geene zaligheid.
Niemand, zoo leert onze goddelijke Zaligmaker, komt tot den Vader tenzij door Mij, Wat is dat, B. Pgt;., tot den Vader komen? Niets anders dan zijne ziel heiligen en zaligmaken. Welnu; dat kan niet gebeuren tenzij door Jesus, door zijne leering aan te kleven. Jesus nu is ten hemel geklommen, maar Hij heelt de H. Kerk in zijne plaats gesteld. Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zeide Jesus tot zijne Apostelen, zoo zend Ik u. Wijl men dus Jesus-Christus noodzakelijk moet aankleven om zalig te worden, en wijl Jesus de H. Kerk in zijne plaats gesteld heelt; zoo moet men ook noodzakelijk de H. Kerk aankleven en buiten haar geene zaligheid. De II. Kerk is dus voor eenieder
(1) marc. xvi, 16.
noodzakelijk om zalig\' te worden. Daaruit volgt eene tweede
eigenschap: de H. Kerk moet zichtbaar zijn.
«
II.
De H. Kerk is zichtbaar: vooreerst, wijl zij bestaat uit leden die men zien kan, namelijk, uit geloovigen en geestelijken; doch dit is niet genoeg, B. B., want zoo is, bijv., de protestantsche kerk ook zichtbaar. Er wordt dus vereischt dat men kan zien, dat deze of gene kerk, die uit zichtbare leden bestaat, de ware Kerk van Christus is; men moet die vereeniging van Christus met de H. Kerk kunnen zien. Ziehier tot opheldering van dit gezegde. Ken Protestant, bijv., zal zeggen dat hij tot de ware Kerk van Christus behoort: een Katholiek zal antwoorden dat de Protestanten de ware Kerk van Christus niet uitnuiken. Waarom niet? Wel uwe kerk. Protestant, zoude die Katholiek kunnen zeggen, bestaat slechts van den tijd van Lutlicr; voor Luther heelt men er niet van gehoord en heeft zij niet beslaan. Wat zal de Protestant daarop antwoorden? Als hij toegeeft, is de zaak uil,: maar neen; hij zoekt een uitvluchlsel en zegt: Onze kerk heeft altijd bestaan, van Christus af, voor Luther ook, doch voor hem was zij verborgen; met Luther is zij te voorschijn gekomen. Welke armzalige redeneering! Wij moeten dus dien Protestant bewijzen dat de Kerk van Christus zichtbaar heeft moéten zijn van hare stichting af. Kn kan men dat bewijzen? Zeker, B. B. Die waarheid volgt reeds uit do noodzakelijkheid dor H. Kerk, Eenieder moet de Kerk van Christus ingaan op straf van veroordeeld te worden; eenieder heelt ze dus moeten kunnen zien. Bijaldien de Kerk van Christus tot Luther toe onzichtbaar geweest was, hoe zouden dan de menschen na de komst van Christus dezelve zijn kunnen ingaan? Do menschen hadden ze voor Luther nooit gezien.
Daarenboven, de H. Kerk doet zich zichtbaar genoeg voor. De Profeet Isaias vergelijkt haar bij een huis, dat boven op
— 417 —
eenen berg ligt, waarheen alle volkoren te zamen stroomen. De Evangelist Matthfcus vergelijkt haar bij eene stad op eenen berg gelegen, die niet verborgen kan blijven. Die Kerk nu, zoo zichtbaar van den beginne af, wordt door den Apostel Paulus de Kerk Gods genoemd. Jesus-Christus noemt haar zijne Kerk, die Hij door zijn bloed verworven heeft. De Kerk van Christus is dus van den beginne zichtbaar geweest. Vandaar dat Origenes zeide: De Kerk is vol glans van het Oosten tot het quot;Westen; en de H. J. Chrysostomus: \'t Is gemakkelijker de zon uit te doven dan de Kerk.
111.
De H. Kerk is op de derde plaats onfeilbaar. Zij is onfeilbaar: vooreerst in de waarheden te onderwijzen, die bet geloof en de zeden aangaan; vervolgens in die te gelooven.
De II. Kerk is onfeilbaar in haar onderwijs en zij onderwijst ons in alles wat wij moeten weten. Gaat, zeide Jesus, onderwijst alle volkeren, en Ik ben met u — onderwijzende — tot het einde der eeuwen; Erjo mbiscum sum usque ad consummu-Lionent sceculi. (l) Christus staat dus zijne Kerk bij, waardoor zij belet wordt van ooit in dwaling te vallen.
Jesus beloofde den 11. (icost te zenden, den Geest der waarheid en Hij heeft den II. Keest inderdaad gezonden. Hij zal met u blijven, zeide Jesus: Ut maneal vobiscum in externum. (2) Hij
zal u alles en alle waarheid leeren: Docebit vos omnia.....
omnem veritalem. Bijaldien nu de H. Kerk in hare leering kon dwalen, zoude Jesus-Christus, zoude de H. Geest, zoude God zelf dwalen, hetgeen onmogelijk is.
Uit deze eerste waarheid volgt eene tweede, namelijk, de onfeilbaarheid der H. Kerk in haar geloof.
Jesus heeft zijne Kerk onfeilbaar in hare leering gemaakt tot welzijn der geloovigen, die op straf van voor eeuwig verloren
(i) Matth. xxviii, 20. (2) Joan. xiv, 1G.
Geloofs- en Zedenleer. ?T.
te gaan naar de leerende Kerk moeten luisteren. Wijl nu de H. Kerk in hare leering onfeilbaar is, daaruit volgt natuurlijk dat de geloovigen in hun geloof aan de H. Kerk niet kunnen dwalen.
De Kerk van den levenden God is de zuil en steunpilaar der waarheid, zegt de Apostel Paulus, en zij is eene zoo sterke zuil en steunpilaar der waarheid, dat zelfs de poorten der hel haar niet zullen overweldigen. Bijaldien nu de geloovigen in hun geloof aan de H. Kerk konden dwalen, dan zoude de it. Kerk de steunpilaar der waarheid niet zijn; integendeel, zij zoude do steunpilaar der dwaling wezen en de poorten der hel zouden haar overweldigd hebben.
Hieruit kunnen wij reeds besluiten, B. B., hoe belachelijk sommige afgevallen leden der H. Kerk te werk gaan, als zij uitstrooien, dat de 11. Kerk in dwaling gevallen is door de onfeilbaarheid van den Paus af te kondigen. Wie zegt dat de Paus onfeilbaar is, wie zegt dat hij niet onfeilbaar is? Dat hij onfeilbaar is zegt het Concilie van het Vatikaan van Rome; dus de Bisschoppen der gansche Christen wereld, die do leerende Kerk vertegenwoordigen, met welke Jesus gezegd heeft dat Hij zijn zal tot het einde der wereld; aan welke Hij den H. Geest, den Geest der waarheid geschonken heeft; ja, door wier mond God zelf spreekt, want van de leerende Kerk zegt Hij: Die u hoort hoort Mij. Wie zegt nu dat de Paus niet onfeilbaar is? Eenige heethoofden, die door de hoovaardigheid verblind, alleen meer verstand meenen te hebben dan de gansche H. Kerk te zamen, ja dan God zelf, die de eeuwige waarheid is.
Wien van beiden moet men nu gelooven ? of wel het Concilie van het Vatikaan, dat de gansche H. Kerk vertegenwoordigt, of wel die enkele hoovaardige en hardnekkige personen? Neen, B. B., in plaats dat de poorten, d. i., de machten der hel de H. Kerk overweldigd hebben, hebben zij die weinige personen overweldigd, in dwaling doen vallen en buiten de H. Kerk geworpen, waarin alleen de waarheid te vinden is.
— 419 —
IV.
De Kerk van Christus is onvergankelijk, d. i., altijddurend en onveranderlijk. Altijddurend. Die waarheid volgt wederom uit hare noodzakelijkheid. God wil dat alle menschen zalig worden: doch om zalig te worden moet men de Kerk van Christus ingaan; bijgevolg moet zij tot het einde der wereld duren. Overigens, de 11. Schrift leert het ons uitdrukkelijk: Zijn rijk, d. i., zijne Kerk zal geen einde hebben: Regni ejus non erit finis, (l) Jesus-Christus zelf zegt ook dat geene machten, niet eens die der hel, zijne Kerk zullen kunnen vernietigen; en de reden is, wijl Jesus met zijne Kerk zal zijn tot het einde der eeuwen.
De H. Kerk is onveranderlijk. En waarom? Ziehier de reden. De Kerk, die altijd moet blijven bestaan, is de Kerk van Christus, die Christus gesticht heeft; bijgevolg is zij onvcran-, derlijk; want in geval zij kon veranderen zoude die Kerk niet meer bestaan, die Christus gesticht heeft, \'t zoude eene andere wezen.
SI.UITKKDK.
Troostrijke waarheden, E. !gt;., die wij komen te vernemen, vooral de twee laatste, namelijk, dat de H. Kerk onfeilbaar en onvergankelijk is, hij zonder in onze tijden van ongeloof, dwaling en vervolging.
Ja de 11. Kerk is onfeilbaar. De arme rede van den mensch, door de zonden beneveld, waant zich nochtans groot en machtig; en terwijl zij zich op haar flauw licht alleen verlaat, dwaalt zij in hare navorsclnngen van het pad der waarheid af. Voor de komst van Christus aanbaden de Heidenen hout en steen; zij vielen voor de maaksels hunner handen neder als of zij godheden waren; zij aanbaden alles uitgenomen de Aanbiddelijke
(i) l.uc. i, 3S.
d. i., God alleen. De Joden volgden niet zelden de Heidenen in Ininne verblindheid na.
\\\\rat doet hedendaags de arme rede van den meiiseh ( Wijl zij de Kerk van Cluistus, die haar leiden moest, verstoot, valt zij van de eene dwaling in de andere; zij werpt alle beginselen van waarheid en recht, waarop de wereld nochtans steunen moet, om ver en wil hare monsterachtige beginselen, waardoor Europa zoo hevig geschokt wordt, in de plaats stellen. Baren van dartelend ongeloof, van toomelooze vrijheid, van wetenschap, maar met den God der wetenschap in strijd, die baren doorbruisen de hedendaagsche maatschappij en dreigen alles te verwoesten. Nochtans, B. B., vreezen wij niet van ooit in dwaling te vallen, zoo lang wij naar de II. Kerk luisteren, /ij heeft do waarheid en verkondigt ze aan de aarde. De Paus.... spreekt tot koningen en volkeren, en de Bisschoppen volgen den Paus na.
De H. Kerk is ook onvergankelijk, eeuwig en kan niet vergaan. Zij staat vast, terwijl op aarde de geslachten elkander verdringen. Nooit heeft zij ondergedaan, nooit zal zij onderdoen voor hare vijanden en vervolgers. Zij is machtig in haren goddelijken stichter. O wat Rots, B. B., in \'t midden van den Oceaan! want dat is de Kerk van Christus in \'t midden van de bedorvene wereld. Reeds achttien eeuwen loeien de stormen, bulderen de orkanen en slaan de bruisende golven er tegen aan; maar Jesus\' Rots, d. i., de 11. Kerk houdt stand. Nog niet lang geleden zeiden hare vervolgers dat het met de Kerk van Christus gedaan was, toen zij haar Opperhoofd den Paus Pius VI te Valence in ballingschap zagen sterven; maar wie leeft nog? De Kerk van Jesus-Christus.
Thans leggen het er hare vijanden wederom op aan om haar te vernietigen; doch zullen de hedendaagsche vijanden der H. Kerk heter slagen dan hunne voorgangers? Zullen zij Jesus\'
Kerk kunnen vernietigen? Neen B. li., de Almachtige, die haar gesticht heeft, beschermt haar.
Ik zal die Kerk regeeren, zegt Jesus. Geene macht der aarde, zelfs niet der hel zal ooit den spot drijven met mijne kracht. Liet God zich ooit ten onder brengen door nietige aardwormen? En wat zijn de vijanden der 11. Kerk in vergelijking met God dan nietige aardwormen ? Koningen, keizers en gouvernementen kunnen de PI. Kerk vervolgen; maar de H. Kerk vergaan? Neen, B. B., nooit of nimmer. Jesus heeft gesproken en zijn woord is Waarheid en Almacht: de poorten der hol zelfs zullen zijne Kerk niet overweldigen: El portee inferi non prwvalebunt adversus cam. (l) Wij zijn dus zeker van het bestaan der
(i) Mattii. xvi, 18.
onfeilbare Kerk tot liet einde der wereld; doch intusschen, B. B., wijl zij hedendaags wederom zoo verschrikkelijk vervolgd wordt, is het onze plicht door werken van boetvaardigheid en door een aanhoudend gebed de zegepraal der strijdende Kerk zooveel mogelijk te verhaasten. Amen.
DRIE - EN - VEERTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DE II. KERK — HARE KENTEEKENS
Unum corpus multi sumus.
Alhoewel talrijk vormen wij maar een lichaam. (i Cok. x, t?.)
INHOUD.
VOORREDE.
De Kerk van Christus is noodzakelijk, zichtbaar, onfeilbaar en onvergankelijk. Die vier eigenschappen hebben wij reeds overwogen. Vandaag zullen wij vier andere eigenschappen zien, die tevens zoo vele kenteekens zijn.
VEKDEELING.
I. De Kerk van Christus is één;
II. Zij is heilig;
III. Zij is katholiek;
IV. Zij is apostoliek.
I.
De Kerk van Christus is één. Zij is een in getal; de leden zijn onderling vereenigd. Één schaapstal, één lichaam. (lebed van Jesus voor de eenheid zijner Kerk. Die eenheid is een teeken waaraan men de ware Kerk van Christus kennen kan.
II.
De Kerk van Christus is heilig. Die heiligheid kan onder verschillende opzichten beschouwd worden: in haren Stichter, haar doel, hare middelen en hare leden. De Heiligen en quot;Wonderdoeners. Die heiligheid is een teeken waaraan men de ware Kerk van Christus kennen kan.
III.
De Kerk van Christus is katholiek. Hare zending strekt zich uit tot het gansche menschdom, zonder onderscheid van plaats of tijd. Die katholiciteit is een teeken waaraan men de ware Kerk van Christus kennen kan. De Kerk vergeleken bij eene moeder, die veel kinderen heeft; bij het mosteidzaad.
IV.
De Kerk van Christus is apostoliek. Zij steunt op de zending en leering der Apostelen. Die apostoliciteit is een teeken waaraan men de ware Kerk van Christus kennen kan.
SLUITREDE.
De Kerk van Christus is één omdat zij onder één hoofd staat en in alle stukken des geloofs één en dezelfde leering volgt.
Zij is heilig, omdat haar hoofd Christus heilig is, omdat in haar alleen te vinden is het waarachtig gebruik der Heilige Sacramenten, die ons heilig maken, en omdat haar beste deel, haar roep en hare leering heilig is.
/i.j is katholiek, omdat zij in zich besluit alle geloovigeii. die van den tijd van Christus geweest zijn en tot het einde dei-wereld zijn zullen, en omdat zij verspreid is onder alle natiën en in alle landen der wereld.
/ij is apostoliek, omdat zij van Christus ingesteld van de Apostelen al\' met ongebrokene achtervolging altijd gestaan heeft.
DRIE - EN - VEERTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DE IT. KERK — HARE KEN TEE KENS
TJnum corpus mutU sumiis.
Alhoewel talrijk vormen wij maar een lichaam. {i Coit, x, n.)
VOORRKDM.
De Kerk van Christus, li. B., Is noodzakelijk; bulfcii haar geene zaligheid. Alle menschen zijn verplicht die Kerk in te gaan en daarom moet zij zichtbaar zijn, van hei begin barer stichting tot het einde der wereld. Wijl de II. Kerk noodzakelijk is en eenieder hare leering moet volgen op strat van voor eeuwig verloren te gaan, daaruit volgt dat zij onfeilbaar moet zijn. Zij is ook eeuwig en kan niet vergaan: de machten der hel zullen haar niet overweldigen, d. w. z., noch ketterijen, noch scheuringen, noch vervolgingen hoe hevig ook, zullen in staat zijn die rots te vernielen. De Catechismus vraagt:
lieefl Christus cjewild dat zijne loaarachlige Kerk gemakkelijk zou kunnen gekend worden? Kn hij antwoordt:
Ja, hij heeft haar eenige eigendommen en teekenen gegeven waaraan zij gemakkelijk te kennen is.
Welke zijn de eigendommen en teekenen der waarachtige Kerk van Christus?
Onder andere deze vier: het eerste, dat zij een is; het tweede, dat zij heilig is; het derde, dat zij katholiek en apostel ijk is; het vierde, dat zij waarachtige mirakelen heeft.
Onderzoeken wij vandaag die vier eigendommen en kenteekens van de ware Kerk van Christus. Wij zullen dus zien:
I. Dat de ware Kerk van Christus één is;
II. Dat zij heilig is;
III. Dat zij katholiek is;
IV. Dat zij apostoliek is.
I.
Do Kerk van Christus, B. B., is één. Die eenheid bestaat in twee zaken: vooreerst, dat zij één is in getal, dat er tegelijkertijd niet meer kerken kunnen bestaan, noch de eene na de andere; vervolgens, dat de leden, waaruit die ééne Kerk is samengesteld, ten allen tijde en op alle plaatsen vereenigd zijn. En waaronder en waarin moeten zij vereenigd zijn? Onder een Opperhoofd en in één en denzelfden godsdienst. Jesus nu heeft gewild dat zijne Kerk die eigenschap zoude bezitten.
Er is maar één Opperhoofd in de Kerk, wijl Jesus Petrus alleen tot Opperhoofd heeft aangesteld. Met dat één Opperhoofd moeten de leden der H. Kerk vereenigd zijn en blijven in één en hetzelfde geloof, in één en denzelfden godsdienst. Vandaar dat de II. Kerk bij éénen schaapstal vergeleken wordt die éénen herder heeft; Unurn ovile el unus pastor. De schapen moeten de stem van dien éénen herder hooren; zij moeten dezelfde weiden ingaan, d. !., hetzelfde geloof belijden en deelachtig worden aan hetzelfde 11. Sacrificie en aan dezelfde II. Sacramenten. Alle geloovigen, die de Kerk uitmaken, zijn maar één lichaam: Unurn corpus multi sumus, zegt de Apostel Paul us.
Jesus, B. B., had die eenheid zijn Hemelschen Vader in het laatste avondmaal voor zijne Kerk afgesmeekt. Zijne oogen ten hemel geslagen bad Jesus op de eerste plaats voor zich zeiven. Vader, zeide Hij, liet uur komt, verheerlijk uwen Zoon, opdat uw Zoon U verheer!ijke: vervolgens bad Hij voor zijne leerlingen en alle geloovigen. Heilige Vader! zoo sprak Jesus, bewaar hen in uwen naam, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij een zijn
gelijk Wij: en Hij voegde er bij: Doch niel alleen voor hen, cl. L, ilo Apostelen, vraag ik, maar ook voor denenen, die door hun woord in Mij gelooven zullen, opdat zij allen één zijn gelijk O ij Vader in Mij en Ik in U; opdat ook zij in Ons eén zijn. Kon Jesus eene volmaaktere eenheid voor zijne Kerk verzocht hebben? Hij neemt de eenheid, die er tusschen Hem en zijnen Vader bestaat, tot gelijkenis. En dat de hemeische Vader zijnen Zoon verhoord heeft, wie twijfelt er aan? Jesus zelf zegt, dat zijn Vader Hem altijd verhoort: Ego autem scicbam, quia semper me audis. (i)
Die eenheid nu, B. I!., welke de Kerk van Christus bezit, is tevens een teeken waaraan men haar kennen kan, wijl die eenheid zich uitwendig vertoont en Jesus gewild heelt, dat zij een kenmerk zijner Kerk zij. Wat voegde Jesus er nog bij, na voor de eenheid der H. Kerk gebeden te hebben? Opdat de wereld geloove, zeide Hij, dat Gij Mij gezonden hebt\': als wilde Hij zeggen: Opdat alle mensohen ten allen tijde en op alle plaatsen kunnen zien en gelooven, dat (lij Mij gezonden hebt, dal mijne leering, dat mijne inslelling, dat mijne Kerk van goddel ij ken oorsprong is.
De Kerk van Christus, li. II., is heilig. Men noemt haar heilig, evenals men, bijv., een akker vruchtbaar, een boom vruchtdragend noemt. Een akker wordt vruchtbaar, een boom vruchtdragend genoemd, deels omdat hij de kracht heeft om vruchten voort te brengen, deels omdat hij ze voortbrengt. Zoo ook heeft de Kerk van haren stichter Jesns-Chrislus, niet alleen de kracht ontvangen om vruchten van heiligheid voort te brengen, maar zij brengt ze ook inderdaad voort.
(l) JOAN. XI, 14.
Die heiligheid kan onder verschillende opzichten beschouwd worden. De Kerk is heilig in haren Stichter en onzienlijk Opperhoofd, in haar doel, in hare middelen en in hare leden.
Wie is de Stichter der Kerk? Jesus-Christus de Heiligheid zelve; Hij is tevens het Opperhoofd der Kerk, doch thans na zijne Hemelvaart onzienlijk. Welk is het doel der Kerk? Den mensch hier te heiligen en hem hiernamaals zalig te maken.
Door welke middelen? Door hare heilige leering, het heilig Sacrilicie der Mis en de H. Sacramenten. Bijgevolg is de Kerk in dat alles heilig.
Doch opdat de heiligheid een teeken zij, waaraan men de Kerk van Christus erkennen kan, moet men die heiligheid inzonderheid in hare leden beschouwen, en zij bestaat in het beoefenen der verhevenste deugden en in het verrichten der grootste wonderen. De Heiligen en Wonderdoeners schitteren in de Kerk, evenals zoo vele sterren aan het uitspansel des hemels. Jesus, B. B., heeft gewild dat zijne Kerk in heiligheid, in deugden en wonderen zoude uitschijnen. Hij heeft zijne Kerk bemind, zegt de Apostel Paulus, en Hij heeft zich voor haar overgeleverd om ze te heiligen. Die heiligheid had Jesus voor zijne Kerk verdiénd, door voor haar te lijden en te sterven, en Hij heeft zijne Kerk geheiligd. Hoe? Door het H. Sacrament des Doopsels: Mundans lavacro aqua; in vcrho vitcv. Onze goddelijke Zaligmaker is gekomen, gelijk Hij zelf getuigt, opdat de menschen het leven zouden bezitten, namelijk het leven der heiligmakende genade, en zouden er immer in toenemen: Ut vilam habeant et abundantius habeant. Ziedaar het einde, waarom Jesus is mensch geworden; en wijl God zijn einde zeker bereikt, daarom zullen er in de Kerk altoos Heiligen zijn.
De leden der Kerk moeten uitschijnen in allerlei deugden, bijv., in de liefde. Ik geef u een nieuw gebod, zeide Jesus tot zijne leerlingen, opdat gij elkander beminnet, gelijk Ik u bemind
— 429 —
heb. Daaraan erkennen wij do liefde Gods, zegt de Apostel Joannes, dat Hij zijn leven voor ons (en beste gegeven heeft, en wij moeten ons leven voor onze broeders ten beste geven.
De leden der Kerk moeten uitschijnen in de slandvaslujheül. Een knecht, zeide Jesus, slaat niet boven zijn meester; bijaldien zij Mij vervolgd hebben, zij zullen u ook vervolgen. Wanneer zij u voor de rechtbanken dagen, denkt dan niet wat of hoe gij zult antwoorden. Wat wil Jesus daardoor te kennen geven, zoo niet dat zijne leerlingen getrouwd zouden blijven tot den ■dood toe.
De leden der Kerk moeten uitschijnen in de Evangelische raden; in de geloften van Armoede, Zuiverheid en (iehoor-zaamheid.
Van Armoede. Wilt gij volmaakt zijn, zegt Jesus, verkoop alles en geef het den arme en gij zult een grooten schat in den hemel bezitten.
Van Zuiverheid. Velen beleven den niaagdelijken staat en verzaken uit vrije keus aan het huwelijk. Waarom? om liet rijk der hemelen.
Van Gehoorzaamheid. Ik hel) u oen voorbeeld gegeven, zeide Jesus, opdat gij zoudet doen gelijk Ik gedaan heb; Hij, die gehoorzaam geweest is tot den dood, ja tot den dood des kruises.
De leden der Kerk monten in heiligheid en deugden uitschijnen opdat de inenschen zouden kunnen zien, dat zij do ware Kerk van Christus uitmaken. Daaraan zullen alle menschen erkennen, zeide Jesus, dat gij mijne leerlingen zijl, dat gij mijne Kerk uitmaakt, bijaldien gij liefde tot elkander hebt.
Opdat de Kerk of do leden der Kerk in heiligheid en deugden uitschijnen zal Jesus haar bijstaan. Tot dat einde hoeft hij haar den H. Geest, den Heiligmaker gegeven.
De Kerk, B. Pgt;., moet ook uitschijnen in wonderen. Jesus-Christus heeft zijne Kerk de macht gegeven om wonderen te
— \'1.10 —
verrichten; niet alleen in het begin der Kerk, maar tot op den dag van lieden, tot het einde der wereld. Tot wat einde heeft Jesus zijne Kerk de macht gegeven om wonderen te verrichten? Voorzeker om de menschen des te beter te kunnen bekeeren. Welnu; hedendaags, Ja tot het einde der wereld moeten er menschen bekeerd worden. Jesus gaf die macht zonder tijdsbepaling; Hij zeide, bijv., niet, voor tien, twintig of dertig jaren; maar Hij gaf aan zijne Kerk de macht om mirakelen te doen, dus voor zoo lang zij zoude bestaan. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg het u, sprak Jesus, die in Mij gelooft zal de wonderen, ja zelfs nog grootere verrichten dan Ik verricht. Deze teekenen zullen hen, die in Mij gelooven, volgen: In mijnen naam zullen zij duivelen uitwerpen, nieuwe talen spreken, slangen opnemen.., den zieken de handen opleggen en hen genezen; en ziet. Ik ben met u — wonderen verrichtende —• tot het einde der wereld. Dus zullen er in de Kerk wonderen gebeuren, zoo lang zij bestaat.
Dat de wonderen, die in de Kerk geschieden, een teeken zijn, waaraan men de ware Kerk van Christus kan kennen, is duidelijk. Een ieder immers kan die wonderen zien of ten minste in de geschiedenis lezen. Ook kan men gemakkelijk zien, dat er geen bedrog onder schuilt, en de Apostelen deden die wonderen om hunne leering te bevestigen.
111.
De Kerk van Christus, B. B., is katholiek of algemeen, d. w. z., hare zending moet zich uitstrekken tot het gansche menschdom, zonder onderscheid van plaats of tijd. Welnu; Jesus-Christus heeft zijne Kerk alom uitgezonden. Gaat, zeide Hij, onderwijst alle volkeren; en dat onderwijs der Apostelen moest vruchten voortbrengen, want Jesus beloofde met hen te zijn tot het einde der wereld. Niemand zal zijne Kerk kunnen beletten zich uit te breiden. Mij is alle macht gegeven, zegt Jesus; de machten der hel zullen tegen u niet vermogen.
s
Die algemeene zemling en die algemeene uitbreiding der H. Kerk binnen korten tijd, niettegenstaande zoo veel en groote moeieiijkheden, niettegenstaande de bedorvene driften der menschen, liet bederf der wereld en de vervolgingen, is een klaar bewijs dat de Kerk aldus verspreid de ware Kerk van Christus is; zonder den bijstand van God den H. Geest ware zoo iets onmogelijk.
De katholiciteit der Kerk was vroeger in liet Oude Verbond reeds voorzegd. De Profeet Isaias vergeleek de Kerk bij eene moeder, die veel kinderen heeft, die haar huis immer moet vergrooten en die haar gebied verder en verder uitstrekt. Jesus zelf vergelijkt zijne Kerk bij een mosterdzaad, dat klein in zich zelve, maar aan de aarde toevertrouwd opschiet tot een grooten boom, zoo dat de vogelen des hemels zicii op zijne takken komen nederzetten.
IV.
De Kerk van Christus, B. !gt;., is apostoliek, d. w. z., zij berust op de zending en leering der Apostelen.
De herders van de Kerk van Christus moeten onafgebroken eu zonder scheuring opklimmen tot de Apostelen. De Apostel l\'aulus in zijnen brief aan de Christenen van Kphose zeide: Gij zijt burgers van heiligen en huisgenooten van God, d. i., behoorende tot dat huis, waarvan God de Vader is; gij zijt gebouwd op de Apostelen, die de grondslag der Kerk zijn.
De leering van de Kerk van Christus moet de leering der Apostelen zijn. Daar, waar de leering der Apostelen niet is, bestaat de Kerk van Christus niet. De Kerk van Christus steunt dus op de zending en de leering der Apostelen, evenals een huis op den grondslag, van welk huis Christus de hoeksteen is.
Die Apostoliciteit, B. B., kan men zien in de geschiedenis. In eene sekte, waarvan de herders zich van de Apostelen
T
— 432 —
*
gescheiden hebben, door zich van hunne wettige opvolgers te scheiden of die van de Apostelen, die de grondslag der Kerk zijn niet afstammen; of wel die de leering der Apostelen niet belijdt, in die sekte kan do Kerk van Christus niet zijn. Waarom niet? Omdat Christus gewild heeft, dat zijne Kerk op de Apostelen beruste. Op gelijke wijze wederlegde Tertulianus reeds de Ketters van zijnen tijd, die beweerden de Kerk van Christus uit te maken.
SLUITREDE.
Ziedaar B. I!., u in \'t kort de vier eigenschappen en kentee-kens der Kerk uitgelegd. Zij is één, wijl zij onder één hoofd staat en in alle stukken des geloofs een en dezelfde leering volgt.
Zij is heilig, omdat Christus haar onzienlijk hoofd heilig is; omdat in haar alleen te vinden is het waarachtig gebruik van de H. Sacramenten, die ons heilig maken; omdat haar beste deel, haar roep en hare leering heilig is.
Zij is katholiek of algemeen, wijl zij in zich besluit alle geloovigen, die van den tijd van Christus geweest zijn en tot het einde der wereld zijn zullen, en omdat zij verspreid is onder alle natiën en in alle landen der wereld.
Zij is apostoliek, omdat zij van Christus ingesteld van de Apostelen af met ongebrokene achtervolging altijd gestaan heeft.
In de volgende onderrichtingen zullen wij bewijzen dat wij Rooinsch-katholieken de Kerk van Christus uitmaken. Intns-schen bedanken wij God; vooreerst voor de instelling der H. Kerk; vervolgens van ons in haren schoot te hebben opgenomen. Beantwoorden wij door een deugdzaam gedrag aan die dubbele weldaad, waarvan wij eenmaal eene strenge rekenschap zullen moeten afleggen, om niet met hen die buiten de Kerk van Christus zijn veroordeeld te worden. Amen.
VIER - EN - VEERTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DE H. KERK — HET PRIMAAT VAN PETRUS IN DE R. K. KERK
Tu es Petrus et super liane petram cedificabo Ecc.lesiam raeam.
Gij zijt Petrus en op die steenrots zal ik mijne Kerk bouwen. (M atth. xvi, is.)
INHOUD.
VOOKREDE.
Christus heeft maar ééne Kerk ingesteld: die Kerk moet het Primaat van Petrus en de vier konteekens hebben: de Roonisch-katholieke Kerk alleen heeft dat Primaat en die vier kenteekens; bijgevolg is de R. Iv. Kerk alleen de ware Kerk van Christus.
VERDEEI.ING.
I. De R. K. Kerk heeft het Primaat van Perams;
II. De overige kerken missen dat Primaat.
Gelooks- hn Zedknlrrr. 28
— 431 —
I.
Het Primaat van Petrus moet bestaan zoo lang als de Kerk; doch de Kerk moet bestaan tot het einde der wereld; bijgevolg ook het Primaat van Petrus. Het Primaat van Pétrus is eigen aan de Kerk en ingesteld om de eenheid der Kerk daar te stellen en te bewaren. Degene, die den H. Petrus te Rome opvolgt in de Bisschoppelijke waardigheid, volgt hem ook op in het Primaat; doch de Paus van Rome alleen volgt hem op in de Bisschoppelijke waardigheid; bijgevolg volgt hij hem ook alleen op in het Primaat. Geen enkel Bisschop heeft beweerd of kunnen beweren de opvolger van den H. Petrus te zijn, tenzij de Bisschop van Rome.
Wat moet er verstaan worden door het woord Roomsche Kerk?
1° De Kerk of het diocees van Rome.
2° De gansche Christen wereld.
Die den H. Petrus opvolgt als Bisschop volgt hem ook op als Paus; die twee zaken kunnen sedert den dood van den H. Petrus niet meer gescheiden worden. De Paus van Rome behoeft niet te Rome te verblijven of te wonen, noch vorst of koning te zijn om Opperhoofd der Kerk te wezen. De vijanden van het koningschap van den Paus wederlegd.
II.
De overige kerken hebben door hunne manier van handelen bewezen dat het Primaat van Petrus in de R. K. Kerk en in den Paus van Rome alleen te vinden is; daardoor hebben zij tevens bewezen dat de R. K. Kerk alleen de ware Kerk van Christus is, en dat zij niets anders zijn dan afvallige sekten.
SLUITREDK
Het Primaat van Petrus kan wel bestreden, doch nooit vernietigd worden. De tegenwoordige vijanden zullen bezwijken, gelijk hunne voorgangers bezweken zijn. Bidden wij intusschen opdat de goede God de zegepraal van de Kerk en van den Paus gelieve te verhaasten.
VIER - EN - VEERTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DE H. KERK — HET PRIMAAT VAN PETRUS IN DE R. K. KERK
Vu cs Petrus et super liane petram cedificaho Ecclesiam mcam.
Gij zijt 1\'ctrus en op die steenrots zal ik mijne Kerk bonwen. (Matth. xvi, ia.)
VOORREDE.
In onze voorgaande onderrichtingen, B. B., hebben wij de Kerk, door Jesus-Cbristus op aarde gesticht, beschreven. Wij hebben onder anderen gezien, dat er onder de geestelijken één is aangesteld, die het Primaat ot opperbevel voert over de gansche Kerk; vervolgens, dat de Kerk van Christus vier kenteekens heeft. In \'t voorbijgaan hebben wij gezegd dat de Roomsch-Katholieke Kerk de ware Kerk van Christus is. Doch ziet, B. B.; de Protestanten, bijv., zeggen ook, dat zij de ware Kerk van Christus uitmaken. Kr blijft ons dus te bewijzen over, dat de R. K. Kerk alleen de ware Kerk van Christus is, en dat de overige kerken niets anders zijn dan afvallige sekten.
Die Kerk, en die Kerk alleen is de ware Kerk van Christus, die het Primaat van Petrus en de vier overige kenteekens heeft. De Catechismus vraagt:
Welke kerk bezil de eigendommen en teekenen van de toaarachliye kerk van Christus? En hij antwoordt:
De Roomsch-Katholieke Kerk alleen. Bijgevolg is de R. K. Kerk alleen de ware Kerk van Christus.
— 437 — •
Bezitten de kettersche 0/ de schismatieke herken de eigendommen van de waarachtige Kerh van Christus?
Neen. Bijgevolg zijn /ij niets anders dan ai\'vallige sekten.
Spreken wij vandaag over het Primaat van Petrus en zien wij:
I. Dat de R. K. Kerk alleen liet Primaat van Petrus bezit;
II. Dat de overige kerken dat Primaat missen; bijgevolg is de R. Iv. Kerk alleen de ware Kerk van Christus,
I.
De R. K. Kerk alleen is do ware Kerk van Christus, wijl in haar alleen het Primaat van Petrus te vindon is. De R. K. Kerk alleen lieelt liet Primaat van Petrus en de Paus van Rome alleen is er mede bekleed. De Paus van Rome alleen is wat waardigheid, gezag en macht aangaat de wettige opvolger van den H. Petrus, op wien Christus zijne Kerk gebouwd heeft; hij alleen is het zienlijk hoofd der H. Kerk.
Het Primaat van Petrus, B. B., moet zoo lang in de Kerk bestaan als de Kerk zelve. Jesus-Christus immers heeft liet ingesteld om de eenheid der H. Kerk daar te stellen en te bewaren; dat Primaat is dus iets geheel en al eigen aan de Kerk, zonder hetwelk de Kerk niet kan bestaan; doch de Kerk, gelijk wij gezien hebben, moet bestaan tot het einde der wereld; bijgevolg ook het Primaat van Petrus.
Dat Christus het Primaat van Petrus ingesteld heeft 0111 de eenheid der Kerk daar te stellen en te bewaren, blijkt duidelijk uit de H. Schrift.
Jesus-Christus heeft zijne Kerk ingesteld bij wijze van schaapstal, waarover Hij één herder heeft aangesteld opdat de
Kerk één herder en één schaapstal zoude worden: Et fiet unum ovüe et unus Pastor, (i)
Bij wijze van rijk, waarover Hij één vorst heeft aangesteld, wien Hij de sleutels, d. i., de oppermacht lieeft gegeven, opdat het rijk niet verdeeld zoude worden en vergaan.
Bij wijze van gebouw, waarvan Hij één grondsteen heeft gelegd om liet gansche gebouw te steunen, opdat het niet invalle.
Ziedaar, B. B., wat de H. Schrift ons leert. De Overlevering der gansche christen wereld leert ons juist hetzelfde.
Welnu; het Primaat van Petrus is niet te vinden tenzij in de K. K. Kerk en in den Paus van Rome. Geen enkel Bisschop heeft ooit beweerd, of heeft eenigszins kunnen beweren, de opvolger van den H. Petrus te zijn, tenzij de Bisschoppen van Rome, die allen, altijd en eensgezind zich de opvolgers van den H. Petrus verklaard hebben, hetgeen niet kon bestaan, zoo zij het inderdaad niet waren.
Hij alleen nu kan het Primaat van Petrus bezitten of het zienlijk hoofd der Kerk zijn, die den H. Petrus wettig opvolgt; doch niemand volgt den H. Petrus wettig op, tenzij de Paus van Rome; bijgevolg kan de Paus van Rome alleen het Primaat van Petrus bezitten, het zienlijk hoofd der Kerk zijn. De H. Petrus heeft te Rome zijn Bisschoppelijken zetel gevestigd; in die hoofdstad is hij gestorven en heeft hij zijnen zetel aan de Pausen zijne opvolgers achtergelaten. Dit feit is allerzekerst, én door de geschiedenis, én door de overlevering ten volle bewezen.
Om wel te begrijpen, B. B., hetgeen ik hier kom te leeren, moet men aanmerken, dat men door het woord lioomsche Kerk twee zaken kan verstaan; vooreerst het Diocees of de kerk van Home, evenals, bijv., het diocees of de kerk van Luik. Van de Roomsche Kerk, in dezen zin genomen, is de
(l) JOAN. X, 16.
— 43Ö —
H. Petrus Bisscliop van Rome geweest; en de Paus van Rome is zijn opvolger krachtens de wet der 11. Kerk; want dat deze af gene Kardinaal Bisschop van het diocees van Rome genoemd wordt, hangt van de Kerk af, die dezen ol\' genen Kardinaal tot Bisschop van Rome kiest. Doch door hot woord Roomsche Kerk kan ook verstaan worden — en in dien zin verstaat men het doorgaans — gansch de Christen wereld, al de diocesen of bijzondere kerken, die met de Roomsche Kerk vereenigd zijn, in een woord, de waarachtige Kerk van Christus. Want:
Wdut\'om wordt de waarachtige Kerk van Christus genoemd de Roomsche Kerk?
Omdat de zetel van haar zienlijk hoojd te Home gevestigd is; omdat het Pausdom, het Primaat van den H. Petrus, waarmede de Paus van Rome alleen bekleed is, te Rome gevestigd is, waai\' de Paus ook zijn verblijf houdt.
Welnu, \'t is van de Roomsche Kerk in dien zin verstaan dat de H. Petrus het Opperhoofd was en na hem de Paus van Rome krachtens de instelling van Christus, niet van de Kerk, veel minder van het een o( ander gouvernement.
Wanneer er nu een Paus sterft, kiest de Kerk eenen Bisschop van het diocees of bisdom van Rome, en die Bisschop van Rome wordt middels do Bisschoppelijke waardigheid het Opperhoofd der gansche Kerk.
Bie twee waardigheden. Bisschop van het bisdom van Rome en Opperhoofd der gansche Kerk, kunnen niet meer gescheiden worden, sedert de H. Petrus, na eerst de kerk van Antioclüe eenige jaren bestuurd te hebben, naar Rome gekomen is, en daar zijn Bisschoppelijken zetel gevestigd en behouden heeft tot den dood toe; want de H. Petrus oefende tegelijkertijd liet Primaat, dat Christus hem opgedragen had, uit, zoodat hij Bisschop van het Diocees van Rome tevens het Opperhoofd en het middenpunt der gansche Kerk was. Illj en hij alleen dus, die Bisschop van het diocees van Rome wordt, kan Paus, dat
is, Opperhoofd der H. Kerk worden. De Bisschop van Luik, bijv., zoolang hij enkel Bisschop van Luik is, kan nooit Paus of Opperhoofd der if. Kerk worden. Waarom niet? Omdat hij de opvolger van den H. Petrus niet is, maar van den heiligen Lambertus. De H. Petrus heeft te Luik zijn Bisschoppelijken zetel niet gevestigd. De Bisschop van Luik zoude dus eerst Bisschop van Rome moeten worden, waardoor hij de opvolger van den H. Petrus werd; en krachtens do instelling van Christus, die gewild heeft dat het Primaat van Petrus zoo lang blijve als de B. Kerk, dus tot het einde der wereld; krachtens die instelling zoude hij Paus of Opperhoofd der gansche Kerk worden. Die twee waardigheden kunnen, gelijk wij gezien hebben, sedert den dood van den H. Petrus niet meer gescheiden worden. Die in de eene opvolgt, volgt ook in de andere op; die Bisschop van het diocees van Rome wordt, wordt tegelijkertijd Paus. Bijaldien het zoo niet was, B. B., kon elk Bisschop na den dood van den Paus zich liet Primaat van Petrus en de onafhankelijkheid aanmatigen, en dan was liet gedaan met de eenheid der H. Kerk, die Jesus nochtans dooi\' de instelling van het Primaat van Petrus beoogd heeft.
Uit hetgeen wij zoo even komen te zeggen moet men niet besluiten, dat de Paus noodzakelijk te Rome moet zetelen of wonen, om Opperhoofd der 11, Kerk te zijn of te blijven. Volstrekt niet; evenmin als de Bisschop van Luik te Luik moet verblijven om Bisschop van zijn diocees te zijn of te blijven.
In de veertiende eeuw zijn wegens de opschuddingen in Italië zeven Pausen gedurende zeventig jaren te Avignon in Sicilië verbleven, doch bleven tevens Bisschoppen van Rome; maar dat een eenvoudig Bisschop van Avignon Paus, opvolger van den H. Petrus was, dat kon volstrekt geen plaats hebben.
Zekeren dag raadde een vriend van den Paus, die te Avignon zijn verblijf hield, omdat de Italianen hem vijandig waren, hem aan, het Pausdom aan Rome te ontnemen en elders, naar
— 441 —
Cadurca in Vascotüe, over te brengen. Wat antwoordde de Paus? Hij begon te lachen eu zeide tot zijnen vriend: Weet gij dan niet, dat ik dan maar eenvoudig Bisschop van Cadurca zoude zijn, en dat de Bissclio]», die over Rome zoude aangesteld worden, Paus zoude wezen? /00 klaar en zeker is het, U. li., dat die twee zaken Bisschop van Rome en l\'aus ol\' Opperhoofd der Kerk niet kunnen gescheiden worden.
Veel minder moet meu uit hetgeen wij geleerd hebben besluiten, dat de Paus van Rome noodzakelijk een tijdelijk gebied moet uitoefenen, vorst of koning moet zijn om Paus ot Opperhoofd der II. Kerk te wezen. Volstrekt niet. In het begin des Christendoms bezaten de Pausen van Rome geen tijdelijk gebied, gelijk zij naderhand bezeten hebben — welk gebied den tegenwoordigen Paus ontweldigd is — en de Bisschoppen van Rome waren in liet begin der II, Kerk zoo wel Pausen als hunne opvolgers, die tevens vorsten of koningen geworden zijn. Doch wat niet minder onverstandig en helaas! te beklagen is, dat is, dat uien personen zelfs onder de katholieken aantreft, die zeggen: De H. Kerk en de Paus van Rome kunnen bestaan zonder dat deze een tijdelijk gebied uitoefene, zonder dat hij koning zij; dus behoeft hij over geene staten te regeeren; hij moet zich uitsluitend met het geestelijke bezig houden. Zij keuren dus de ontweldiging der Pauselijke staten goed ol althans niet af. Dergelijke personen, B. B., zijn allen, katholiek of niet katholiek, vijanden van den Paus en van de II. Kerk. Doch ik vraag u: mag men dan zijn evenmensch onrechtvaardig zijn geld of goed ontnemen? Verbiedt het zevende gebod alleen de onrechtvaardigheid door private personen en in \'t klein bedreven, en staat hot de onrechtvaardigheid door gekroonde hoofden en in \'t groot bedreven toe? Voorzeker neen. Kn wordt de Paus van Rome, na eerst van zijne tijdelijke macht beroofd te zijn, ook niet in \'t bestuur der H. Kerk belemmerd? Waar is de vrijheid die hij zoo zeer noodig heeft om, én met de Bisschoppen, én met de overige geloovigen te kunnen handelen?
— 442 —
De Pans van Rome heeft meer dan eens plechtig verklaard dat de rechten van den H. Stoel geschonden zijn, dat hij in zijne vrijheid belemmerd en in \'t bestuur der H. Kerk verhinderd wordt. Daarom ook en daarom vooral zegt Zijne Heiligheid de Paus; Ik kan, ik mag liet erfgoed van den H. Petrus niet afstaan; Non possurnus. Doch dit zij genoeg, B. B., om u te doen zien hoe verblind en onverstandig sommige personen zelfs onder de Katholieken kunnen zijn. Komen wij nu tot het Primaat van Petrus terug, (i)
II.
Het Primaat van Petrus, B. B., bestaat, gelijk wij gezien hebben in de R. K. Kerk, en de Paus van Rome alleen is er mede bekleed. Het schoonste van al nu is, dat de Protestanten en Schismatieken zulks bewijzen door hunne manier van handelen. Zij hebben in den Paus van Rome den opvolger van den H. Petrus en dus liet Opperhoofd der Kerk erkend. Wat deden zij in den beginne? Om aan hunne dwalingen den schijn van waarheid te geven, en om hunnen opstand eenigszins te rechtvaardigen, aarzelden zij niet zich naar Rome te wenden, hunne toevlucht tot den Roineinschen stoel te nemen en dien te verheffen, zoo lang er nog eenige hoop om de verdiende veroordeeling te ontkomen overbleef; doch zoodra zij zagen dat er niets te winnen was en hunne dwalingen en hun opstand door het Opperhoofd der H. Kerk gingen veroordeeld worden, dan spanden Ketters en Schismatieken onder welken naam
(i) Dominum temporale S, Pontiflcis non est juris divini stride dicti neque juris mere humani sed intermedii. De hoc dominio inter alia haec scripsit cl. J. Daris* H La principauté temporelle de l\'Eglise Romaine n\'est pas de droit divin dans le sens
» strict du mot, tels que les sepi Sacrements...... Jesus-Christ, en eliet, n\'a donnó
» lui-même aucune principauté temporelle a son Eglise..... Mais d\'un autre cóté, le
« fait que l\'Eglise a obtenu et conservé une principauté temporelle n\'appartient pas a la catégorie ordinaire des faits de droit humain, il appartient a un ordre spécial * plus élevó, qui tient un certain milieu entre le droit divin proprement dit et le droit » humain ordinaire. * — L\'Eglise et l\'Etat. P. 157.
|
BOTIi» 1 | |
|
rl;\' | |
|
i. rl,. |
}; |
|
■: .1 i: | |
|
i | |
|
ii ;.ï„\' rllil |
\'if HBÏ |
|
li |
i |
|
li\' | |
|
Ué: |
;*i |
|
i iif | |
|
ptt |
\'i; |
i-ii
ook, en hoezeer onderling ook verdeeld, in dit punt te zanien, om het Primaat van den Paus aan te vallen en te bestrijden, met eeno woede, B. B., aan die der hel gelijk.
Immers, deze waarheid aangenomen dat de Paus van Rome met het Primaat van Petrus bekleed is, daaruit volgt dat hij het zienlijk hoofd van de iverk van Christus is, het middelpunt barer eenheid, en dat wij R. Katholieken, met den Paus vereenigd, de ware Kerk van Christus uitmaken, t Blijlt dus waar, hetgeen de H. Vaders eertijds reeds zeiden: Ubi Petrus ibi Ecclesia: Waar Petrus is, daar is de Kerk. Hetzelfde zeggen wij in andere woorden: Waar do Paus is, daar is de Kerk, wijl bij alleen de wettige opvolger van den H. Petrus is. Geen wonder dus zoo Ketters en Schismatiekon liet Primaat zoo hevig aanvallen en bestrijden; geen wonder dat zij uitroepen: Liever turksch dan paapsch! doch al hunne pogingen zijn te vergeefs.
Hunne sekten maken bijgevolg de ware Kerk van Christus niet uit, wijl zij het Primaat van Petrus niet bezitten, hetgeen Jesus-Christus nochtans volstrekt gewild heelt, dat in zijne Kerk zoude bestaan, om er de eenheid van te bewaren. He R. K. Kerk heeft het Primaat van Petrus; bijgevolg is zij alleen de ware Kerk van Christus; de overige kerken missen dat Primaat, bijgevolg zijn zij uiots anders dan afvallige sekten.
SLUITREDE.
Die afvallige sekten, B. B., hebben altoos het Primaat bestreden en bestrijden het tot op den dag van heden; doch zijn wij niet bevreesd dat het Pausdom zal vergaan. Men kan de Kerk vervolgen; men kan den Paus geweld aandoen, zells den marteldood doen sterven, gelijk meer dan eens gebeurd is; maar liet Pausdom uitroeien? dat nooit. Daarvoor heeft Jesus-Christus de Godmeiisch gezorgd. Gij zijt Petrus, heeft Hij gezegd, Tu es Petrus: en op die steenrots — op het Pausdom — zal
ik mijne Kerk bouwen, en de poorten of machten der hel zullen noch tegen steenrots noch tegen Kerk vermogen: Et portee inferi non pnvvulebunt adversus aam. De woorden van Jesus-(lii\'istus zijn waarheid. Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar zijne woorden zullen niet voorbijgaan.- Ccelum et terra transihunt, verba autem mea non transibunt. (i) Thans legt men het er wederom op aan om het Pausdom te vernietigen; doch gelijk de vijanden der verledene eeuwen bezweken en vergaan zijn, in plaats van het Pausdom; zoo ook zullen de vijanden der tegenwoordige tijden bezwijken on vergaan; daar het Pausdom nimmer zal bezwijken noch vergaan en eenmaal vroeg of laat zal zegepralen. Intusschen moeten wij, kinderen der H. Kerk, gelijk ik reeds vroeger gezegd heb, niet alleen voor de II. Kerk in \'t algemeen, maar bijzonder voor het Hoofd der H. Kerk, voor zijne Heiligheid den Paus ons aller Vader bidden en aanhouden met bidden, opdat de goede God zijnen Plaatsbekleeder in de moeiclijkheden cn smarten trooste en sterke, ten einde de H. Kerk immer, tot glorie van God en tot zaligheid de zielen, naar behooren te kunnen besturen. Amen.
(l) Marc. xiii, 31.
VIJF - EN - VEERTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DE H. KERK DE EENHEID IN DE R. K. KERK
Unus Dominus, una fides, nnuui baptisma. Een Heer, een golooi\', een doopsel.
(iM\'ii. IV.
INHOUD.
VOORREDE.
D(! R. K. Kerk alleen bezit het Primaat van Petrus, ile overige kerken zijn er van verstoken; bijgevolg is de R. K. Kerk alleen de ware Kerk van Christus, de overige kerken zijn niets anders dan afvallige sekten.
VF.RDEKUMi.
1. De R. K. Kerk alleen heeft bet kenteeken der eenheid;
II. De overige kerken missen bet kenteeken der eenheid.
De R. K. Kerk is altijd één in getal geweest, is en zal altoos één in getal zijn, omdat zij onder één hoofd staat; ook lieeft zij één en hetzelfde geloof — de Onbevlekte Ontvangenis van Maria en de Onfeilbaarheid van den Paus, — één en dezelfde hoop, één en denzelfden godsdienst.
II.
De Ketters zijn menigvuldig en onderling verdeeld; zij hebben geen hoofd of staan onder verscheidene hoofden. Zij veranderen aanhoudend in de geloofspunten. Hunne hoopquot; is ijdel. Zij verwerpen het H. Sacrificie der Mis en de 11. Sacramenten.
SLUITREDE.
De R. K. Kerk dus alleen is de ware Kerk van Christus, wijl zij alleen het kenteeken der eenheid bezit. Gelukkig de mensch, dien God tot zijne Kerk geroepen heeft. Ongelukkig de mensch, die buiten de ware Kerk is; ongelukkiger nog de mensch, die de ware Kerk verlaat om de een of andere sekte aan te hangen.
Bedanken wij God van ons tot zijne Kerk geroepen te hebben, en toonen wij onze dankbaarheid, vooral door altoos de geboden der H. Kerk trouw na te komen.
— 447 —
VIJF - EN - VEERTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DE H. KERK DE EENHEID IN DE R. K. KERK
i\'nus Domimts, tmn Jides, nnnm baptisrna.
Een lieer, oen geloof, een doopsel.
(Eph. iv, u.)
VOORREDE.
.lesus-Christus, B. B., heeft het Primaat van Petrus in zijne Kerk ingesteld; \'t is haar geheel en al eigen; zonder dat Primaat kan zij niet bestaan. De R. K. Kerk alleen heeft het Primaat van Petrus en de Paus van Rome in hoedanigheid van wettigen opvolger van den H. Petrus is er mede bekleed; bijgevolg is de R. K. Kerk alleen de ware Kerk van Christus; de overige kerken, onder welken naam ook, missen het Primaat van Petrus, zij kunnen dus de ware Kerk van Christus niet uitmaken; bijgevolg zijn zij niets anders dan afvallige sekten.
Die waarheid, B. B., hebben wij in onze voorgaande onderrichting overwogen. Vandaag zullen wij zien dat de R. K. Kerk alleen de ware Kerk van Christus is, omdat zij alleen het kenteeken der eenheid bezit: ziehier dus de twee punten die wij zullen uitleggen:
I. De R. K. Kerk alleen bezit het kenteeken
der eenheid;
II. De overige kerken missen het kenteeken
der eenheid; bijgevolg is de R. K. Kerk alleen de ware Kerk van Christus.
I.
De R. K. Kerk de gansche wereld door verspreid, is geweest, is en zal altijd één in getal zijn; vooreerst, al hare leden staan onder één Opperhoofd, namelijk, onder de gehoorzaamheid van den Paus van Rome, die het middelpunt der eenheid is; vervolgens, omdat de R. Katholieken van allen tijd en plaats één en hetzelfde geloof, een en dezelfde hoop, een en denzelfden godsdienst hebben.
De R. Katholieken, B. B., hebben één en hetzelfde geloof. Wij R. Katholieken der negentiende eeuw gelooven niets minder of meer dan de Christenen tijdens de Apostelen; wij lezen nog hetzelfde Symbolum.
De H. Kerk dus heeft nooit de geloofspunten veranderd, verminderd of vermeerderd. De eenige verandering — zoo men het verandering noemen mag — die er gekomen is, bestaat hierin, dat de H. Kerk hare waarheden, wanneer zij door de Ketters bestreden of geloochend werden, verdedigd en te gelooven heeft vooigohouden, op straf van buiten de ware Kerk van Christus geworpen te worden. Dezelfde waarheden, die zij van Christus en de Apostelen ontvangen heeft, heeft zij ook dikwijls in hare vergaderingen of conciliën, volgens dat de tijdsomstandigheden het vereischten. uitgelegd, klaarder voorgesteld en vervolgens opgedrongen. Neemt, bijv., de twee geloofspunten, de Onbevlekte Ontvangenis van Maria en de Onteilbaarheid van den Paus. Hebben Pius IX — Z. G. — en het Concilie van het Vatikaan die twee geloofspunten gemaakt? Volstrekt niet. De Kerk van Christus heeft altoos geloofd dat Maria onbevlekt ontvangen, en dat de Paus van Rome onfeilbaar is.
De Kerk heeft altoos geleerd dat Maria door eene gansch bijzondere genade, niet alleen van alle persoonlijke zonden, maai\' ook van alle smet der erfzonde volkomen bevrijd is gebleven; doch wijl de geloovigen vurig verlangden en er zelfs op
— -i in —
aandrongen, dat de vlekkelooze Maagd meer en meer gekend en gediend, geëerd en bemind worde, daarom besloot Pius IX — Z. G. — dat verheven voorrecht van de Moeder van Jesus, tot glorie van God en zijne Mooder, voor de gansche wereld den achtsten December 1854 plechtig al\' te kondigen. Waarom die plechtige afkondiging over jaren reeds niet geschied is, doet niets ter zake.
Wat de onfeilbaarheid van den Paus betreft, de 11. Kerk heeft er altijd aan geloofd; niet dat de Paus onfeilbaar is uit zich zeiven, uit eigen krachten, maar door den zonderlingen bijstand van God; niet als privaat persoon, maar als herder en leeraar der II. Kerk, sprekende tot de geloovigen met het inzicht van hen te verplichten; niet in alles, maar in de geloofs-en zedenleer door Christus geopenbaard.
Daarenboven, in onze lijden van dwaling en ongeloof was het, zoo niet noodzakelijk, ten minste allernuttigst die waarheid de gansche wereld eens goed onder het oog te brengen. Hoe hevig zijn de vijanden der Kerk niet uitgevallen tegen het Concilie van het Vatikaan? En geen wonder, B. B. De verfoeie-lijkste leugens, de monsterachtigste dwalingen werden door de slechte pers verspreid. Niet alleen de H. Kerk, maar alle orde werd aangerand; en nochtans, zonder orde geene samenleving. Er moest zich dus wel iemand op doen om zich tot welzijn van het menschdom tegen dien stroom van leugens en dwalingen te verzetten. En wie heeft er zich vooral tegen verzet? Pins 1\\
_ /. g. — Hoe vele dwalingen heeft hij niet veroordeeld in
zijne omzendbrieven! De getrouwe kinderen der H. Kerk onderwierpen zich terstond. Anderen waren traag. Sommigen, dooide vijanden der Kerk misleid, verzetteden er zich tegen, hechtten niet meer geloof aan den Paus van Rome als aan een ander mensch, of liever, geloofden aan allen, die den Paus vijandig waren. Men begon te twisten over het gezag van den Paus. De eene zeide dat de Paus onfeilbaar is; een tweede
Ghlooi\'s- i-:gt;\' Zedenlbbr 29.
twijfelde er aan; een derde ontkende liet. Die droevige toestand van zaken wel ingezien, was liet nu ten minste niet allernuttigst dat geschil te eindigen, dat punt te beslissen? Ja, B. B., en de H. Kerk, die met de uiterste zorg over hare kinderen waakt, heeft het ingezien; zij zag dat velen harer kinderen door de vijanden der H. Kerk bedrogen werden; zij heeft zich opgericht en bijgestaan en ingegeven van den H. Geest, verklaart zij plechtig voor de gansche wereld dat de Paus van Rome als Opperhoofd der Kerk sprekende tot de geloovigen in zaken, die hel geloof en de zeden aangaan, onfeilbaar is.
De vijanden der Kerk knarsetanden van spijt; en niet zonder reden. Het vraagstuk is opgelost; alle twijfel, die zoude hebben kunnen bestaan, is voor allen, voor geleerden en ongeleerden weggenomen. De H. Kerk heeft een beslissenden slag gedaan.
Er blijft maar te kiezen over tusschen waarheid of dwaling; tusschen Kerk van Christus of afvallige Sekte; tusschen R. Katholiek of Oud-katholiek, gelijk die mannen zich durven noemen, al zijn zij ook maar van gisteren of eergisteren. O, B. B., de afkondiging van dit geloofspunt heeft gelukkig aan velen de oogen geopend, zelfs aan groote staatsmannen, die vroeger zeiden dat het niet noodig was dit punt van ons geloof af te kondigen, en die later ingezien en beleden hebben dat het noodzakelijk was. Sommige personen hebben zich tegen de uitspraak der H. Kerk verzet, zich van de ware Kerk van Christus afgescheiden en eene nieuwe sekte gevormd. Door de hoovaardigheid verblind, hebben zij de eeuwige Waarheid — want God heeft door den mond der H. Kerk gesproken — verworpen; zij hebben de onfeilbaarheid van den Paus niet willen aannemen; zij hebben naar den vader der leugen, d. i., den duivel geluisterd, de dwaling aangehangen en zich zelvcn onfeilbaar verklaard. Ziedaar, B. 1!., hoe ver die ongelukkigen gekomen zijn.
— 451 —
Één goed vooral, dat onder anderen uit de afkondiging van de onfeilbaarheid van den Paus is voortgesproten, is de openbare scheiding die er ontstaan is tussclien de Katholieken en hen die niet Katholiek, of om duidelijk te spreken, die Ketters zijn; want zij, die thans de onfeilbaarheid van den Paus niet gelooven, zijn Ketters.
De R. K. Kerk dus, gelijk gij ziet, heeft altijd een en hetzelfde geloof gehad: Una fides. Dezelfde waarheden worden ons te gelooven voorgesteld. De kerkelijke tucht alleen wordt nu en dan naar de tijdsomstandigheden door de Oversten der II. Kerk in zekere zaken veranderd; doch de kerkelijke tucht, zooals gemakkelijk te .begrijpen is, gaat het geloof niet aan, \'t zijn geen punten van het geloof.
De K. Katholieken hebben één en dezelfde hoop. Wij allen hopen denzelfden Hemel; dezelfde hemelsche erfenis is de kinderen van God en van de H. Kerk toegezegd; wij zijn erfgenamen van God: hceredes quidem Dei, medeóirfgenamen van Christus, Cohceredes autcni Chrisli. Wij moeten ons oog op den hemel gevestigd houden en er naar verlangen. Ook zijn wij zeker van op den goeden weg te zijn, wijl Jesus-Christus de eeuwige Waarheid hem ons heeft aangewezen; onze hoop is dus gegrond, zij is zeker. De R. Katholieken zijn vereenigd in een en denzelfden godsdienst, wijl zij een en hetzelfde Sacrilicie bezitten. Van het Oosten tot het Westen, van liet Noorden tot het Zuiden, wordt gansch de Katholieke wereld door eene zuivere Offerande, namelijk, het goddelijk Vleesch en liloed van Jesus-Christus aan God den hemelschen Vader opgeofferd. Zij hebben dezelfde H. Sacramenten, Wij Katholieken der negentiende eeuw nemen niet meer of minder Sacramenten aan als do eerste Christenen. Wij ontvangen hetzelfde Doopsel, denzelfden II. Geest in het H. Vormsel; wij ontvangen allen, aan de H. Tafel dos Heeren nedergeknield, het goddelijk vleesch en bloed van Jesus-Christus. Bijaldien wij gezondigd hebben naderen
wij allen den biechtstoel, om daar Gods barmhartigheid in te roepen en de vergiffenis onzer zonden te bekomen; wanneer wij ziek zijn en gevaar loopen van te sterven, komt de priester ons het II Sacrament des Oliesels toedienen; de Priesters, met de verhevenste bedieningen in de M. Kerk belast, ontvangen allen hetzelfde Sacrament des Priesterschaps; hetzelfde Sacrament des Huwelijks heiligt de vereeniging dér echtgfnooten en de voortplanting der geloovigen.
Gij ziet dus, 15. B., dat de R. Katholieke Kerk het ken toeken der eenheid bezit, waarover wij vroeger gesproken hebben; bijgevolg is de R. K. Kerk do ware Kerk van Christus. De overige Kerken bezitten het kenteeken der eenheid niet; bijgevolg zijn zij niets anders dan afvallige sekten.
11.
De Ketters B. B., zijn menigvuldig en verdeeld. Nauwelijks is er eene sekte ontstaan, of deze splitst zich wederom in verschillende andere, \'t Is ongelooflijk hoeveel sekten er uit het Lutheranismus alleen ontstaan ziju. De protestantsche sekten zijn ontelbaar. In de stad Londen en omstreken telt men er meer dan honderd. Elke sekte heeft haar hoofd, sommige geen. \'t Is doorgaans de vorst of koning, die het hoofd der Kerk uitmaakt. In Engeland is zelfs de koningin het hoofd der angllkaansche Kerk.
De Ketters hebben ook niet hetzelfde geloof. Van hunne opkomst tot hunnen ondergang veranderen zij bijna dagelijks hunne geloofspunten, \'t Zoude misschien lastig zijn twee Dominee\'s van dezelfde sekte aan te treffen, die het eens zijn in de punten hunner geloofsbelijdenis. Zekeren dag vroeg men Georgius hertog van Saksen wat de Lutheranen geloofden; hij antwoordde zeer wel te pas: Wat zij dit jaar gelooven, zeide hij, weet ik; maar wat zij aanstaande jaar gelooven zullen, weet ik niet.
De R. Katholieken koesteren allen, gelijk wij reeds sezegil hebben, dezelfde hoop van eenmaal in\' den hemel te komen. Kunnen de Ketters, die de ware Kerk van Christus verlaten hebben, die hoop ook koesteren? Neen, li. B., Jesus-Christus immers zegt uitdrukkelijk: Bijaldien iemand naar de Kerk niet luistert, houdt hem voor eenen Heiden en publikaan, die hot rijk der hemelen niet kunnen bezitten. Hunne hoop is dus ongegrond, zij is ijdel.
Daarenboven, de Ketters verwerpen de krachtigste middelen om te verkrijgen hetgeen wij hopen, namelijk, het H. Sacrificie der Mis en de 11. Sacramenten; of wel zij nemen geene Sacramenten meer aan, of een, twee, of drie, volgens dat zij het goedvinden. In onze dagen zijn vele Ketters zoo ver gekomen, dat zij leeren dat het Doopsel niet eens meer noodzakelijk is ter zaligheid.
SIAUTRKDU.
De R K. Kerk alleen is dus de ware Kerk van Christus, wijl zij alleen het kenteeken der eenheid bezit, dat wij vroeger beschreven hebben en hetgeen Jesus-Christus gewild heeft dat in zijne Kerk zoude bestaan. De overige kerken, wijl zij dat kenteeken niet bezitten, kunnen de ware Kerk van Christus niet uitmaken;quot; bijgevolg zijn zij niets anders dan afvallige sekten.
Gelukkig de inensch, dien God de genade gedaan heeft van in den schoot der R. K. Kerk te zijn geboren en opgevoed; ongelukkig de inensch, die buiten haar is geboren en opgevoed; maar ongelukkiger nog zijn zij, die na in de ware Kerk van Christus geboren en opgevoed te zijn, dezelve verlaten om eene andere sekte aan te hangen. Met deze laatsten zal het in den laatsten dag des oordeels het slechtste vergaan, als er namelijk aan God rekenschap zal moeten gedaan worden van de genaden, die Hij bewezen heeft. Zij hebben God en zijne strijdende Kerk
Yerloochencl; God zal hen op het einde der wereld ook niet voor de zijnen erkennen; zij zullen dus ook geen deel kunnen maken van de zegepralende Kerk, van den hemel. Wat ons betreft, B. B., bedanken wij God van ons tot zijne ware Kerk geroepen te hebben buiten zoo vele anderen, en toonen wij Hem onze dankbaarheid, door ons immer vaster aan de R. K. Kerk te hechten, en door ons in alles en ten allen tijde aan hare geboden te onderwerpen. Amen.
ZES - EN - VEERTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DE H. KERK DE HEILIGHEID IN DE R. K. KERK
Ekgit non ut essenms sancti.
Jlij hooft, ons gekozen om hoilig to zijn.
(EPH. i, i.)
INHOUD.
VOORREDE.
De Kerk van Christus moet één zijn; de R. K. Kerk alleen is één; bijgevolg is de R. K. Kerk alleen de ware.Kerk van
Christus.
Het tweede kenteeken van de Kerk van Christus is de Heiligheid.
VERDKKl.ING.
I. De R. K. Kerk alleen heeft Heiligen;
II. De R. K. Kerk alleen heeft Wonderdoeners.
— 456 —
I.
De R. K. Kerk alleen heeft Heiligen.
1° Hare leering is heilig, hare geloofs - en zedenleer;
~ Hare middelen zijn heilig; de Heilige Sacramenten, hare werken en gestichten van liefdadigheid, hare broederschappen en congregatiën;
li0 Zij heelt Heiligen voortgebracht; Martelaren, Belijders, Maagden, enz.
De protestantsche kerk, bijv., heeft geene Heiligen gehad en kan er geen hebben:
1quot; Wegens hare dwalingen in de geloofs - én zedenleer;
i Omdat zij de middelen van holligheid verwerpt.
De li. K. Kerk alleen heeft Wonderdoeners gehad en heeft er nog,
1° Christus en de Apostelen. Wonderen dooi\' de Heiligen vei lit ht. de Heilige 1quot; ranciscus-Xaveriiis. De gestrengheid der IJ. Kerk in t onderzoek der mirakelen bij de heiligverklaring.
2° Voortdurend wonder in de R. K. Kerk.
De Protestanten, bijv., hebben geene Wonderdoeners. Gedachte van Krasmus over de mirakelen der Protestanten. Luther en Calvien worden beschaamd, terwijl zij een wonder willen of veinzen te verrichten.
SUITKKDK.
Bijaldien de R. K. Kerk heilig is, waarom zijn er dan zooveel zondaren in die Kerk? De zonden kunnen de H. Kerk niet aangetekend worden, wijl zij haar uiterste best doet om ze te beletten; doch de geloovigen van hunnen kant moeten ook hun best doen om heilig te leven, willen zij eenmaal Heiligen worden in den hemel.
ZES - EN VEERTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DE H. KERK DE HEILIGHEID IN DE R. K. KERK
Elegit /tos n( essenms sancti.
Hij liecft ons gekozen 0111 licilig to zijn.
(P;ph. i, i.)
VOORKKDH.
De ware Kerk van Christus moet onder alle opzichten één zijn; één Opperhoofd, één gelooi\', ééne hoop, één godsdienst. De R. K. Kerk alleen is onder al die opzichten één; bijgevolg is zij alleen de ware Kerk van Christus; de overige kerken zijn niet één; bijgevolg zijn zij niets anders dan afvallige sekten. Die waarheid hebben wij in onze voorgaande onderrichting overwogen.
Het tweede teeken, waaraan men de Kerk van Christus erkennen kan, is de heiligheid. De heiligheid is eigenlijk inwendig, doch zij moet zich uitwendig vertoonen; men moet kunnen zien dat de geest, die de Kerk bezielt, de Geest Gods is.
En waaraan kan men dat zien? Vooral aan de deugden en wonderen. Ja, 15. 1?., de Kerk die Heiligen voortbrengt en Wonderdoeners bezit, die Kerk is de ware Kerk van Christus. Vandaag zullen wij zien:
I. Dat de R. K. Kerk alleen Heiligen voortbrengt;
II. Dat zij alleen Wonderdoeners bezit; bijgevolg is de R. K. Kerk alleen de ware Kerk van Christus.
— 458 1,
En vooreerst zeg ik, B. B., dat de R. K. Kerk alleen Heiligen voortbrengt, Heiligen van eene wonderbare en heldhaftige deugdzaamheid. Waarom? Vooreerst, omdat hare leering heilig is. Wat het geloof betreft geeft zij ons een juist begrip van de verhevene waarheden die God en den mensch aangaan. Hare zedenleer is heilig. Altoos heeft de R. K. Kerk de deugd voorgestaan en verdedigd, de ondeugd aangevallen en bestreden. Zij weet hare kinderen achting en liefde voor de deugd ia te boezemen door hare schoon-en verhevenheid voor te stellen, door te toonen dat de deugd alleen den mensch waarlijk gelukkig maakt hier en hiernamaals. Welken afkeer en haat prent zij hare kinderen niet in voor-en tegen de ondeugd. Nu eens stelt zij de leelijkheid der ondeugd voor oogen; dan wederom toont zij zonneklaar dat de ondeugd, in plaats van den mensch op aarde een waar genoegen te verschaffen, hem hier reeds ongelukkig maakt en hem eindelijk voor eeuwig nederstort in den afgrond der hel. Wat dus de zedenleer aangaat, \'t is altoos dezelfde stem, die de R. K. Kerk doet hooren: Declina a malo el fac honurn: Wijk van het kwaad af en doe liet goed.
Daartoe zet zij hare kinderen niet alleen aan, maar met hunne zwakheid bekend, komt zij hen tegen de vijanden hunner zaligheid ook te hulp. Welke middelen vindt zij niet uit, buiten die, welke zij van haren goddel ij ken Stichter ontvangen heeft? Hoevele werken of gestichten van liefdadigheid heeft zij niet ingesteld, bijv., katholieke scholen om de jeugd te onderwijzen, weeshuizen om ouderlooze of verlatene kinderen op te voeden, hospitalen om de zieken te verzorgen? Hoe vele broederschappen en congregatiën heeft zij niet opgericht, om het tijdelijk welzijn barer kinderen te bevorderen, hun het eeuwig geluk te verzekeren ?
— 159 —
De R. K. Kerk zet dus niet alleen tot de heiligheid aan, maar zij verschaft tevens de middelen om heilig te worden en te blijven, om immer in heiligheid toe te nemen.
Buiten haren Stichter Jesus-Christus, die de Heiligheid zelve is, hebben de leden der R. K. Kerk altoos in heiligheid uitgeschenen. Men behoeft enkel do kerkelijke geschiedenis open te slaan, een blik te werpen op de katholieke wereld. Wat lezen wij in de geschiedenis? Duizenden Martelaren van beide geslacht, van allen leeftijd en stand, hebben hun leven ten beste gegeven, hebben den heldenmoed gehad vau hun geloof en hunne deugd met linn bloed te bezegelen. Vele Christenen hebben de wereld verlaten, om ver van haar verderf in de wildernis, in grotten en spelonken een hemelsch leven te leiden. Wat hebben wij gezien, wat zien wij nog in de R. K. Kerk? Duizenden kloosters van beide geslacht, van mannen en vrouwen, die gebouwd, zoo wel in het diepste der eenzaamheid als in de volkrijkste steden, als zoo vele lichten in de wereld geschitterd hebben, schitteren en zullen schitteren tot het einde der wereld.
Wanneer men de geschiedenis der Kerk nagaat, de levens der Heiligen leest, dan moet men er den vinger Gods in erkennen en zeggen: die godsdienst is waarlijk lieilig, die Kerk is waarlijk de Kerk van Christus, die zulke Heiligen heeft voortgebracht. Welnu, B. B., \'t is de R. K. Kerk alleen die zulke Heiligen heelt voortgebracht; de andere kerken, de protestantsche, bijv., kan geene Heiligen voortbrengen. Vooreerst, hare leering is niet heilig. Wat het geloof betreft is zij gevallen in de grootste dwalingen; hedendaags treft men Dominees aan, die zelfs de godheid van Christus loochenen. Wat de zedenleer aangaat, de Protestauleu hebben beginselen, waarover de mensch zich moet schamen, die deugd en ondeugd wegcijferen; die nergens toe in staat zijn dan om de driften van den mensch te vleien en te begunstigen. Calvien, bijv., leert dat God vele menschen geschapen heeft, enkel om hen te verdoemen en eeuwig in de
— 460 —
hel te pijnigen. Waar is dan de Goil van goedheid, barmhartigheid en liefde? Luther leert onder anderen dat de niensch niet vrij is om goed of kwaad te doen, dat hij er toe gedwongen wordt; dat de goede werken niet noodig zijn ter zaligheid; dat de zonde zelf tot de heiligheid bij brengt —- pecca fortiter sed er ede fortius — Is dat geene leering, waarover de Heidenen zich zouden geschaamd hebben?
De Protestanten verwerpen ook de middelen ter zaligheid, waaraan de R. K. Kerk /00 vruchtbaar is, bijv., de Heilige Sacramenten en de goede werken.
Is het nu te verwonderen dat dergelijke sekte geene Heiligen voortbrengt? \'t Is een noodzakelijk gevolg van hare leering; \'t is onmogelijk dat zij Heiligen voortbrenge.
Ook zouden de hoofden of instellers dier kerken op de eerste plaats heiligen moeten geweest zijn, en wat vindt men onder hen? Luther was zeer zedenloos; hij heeft eigenhandig een gebed geschreven, waarin voortkomt dat goed eten en drinken het beste middel is om gelukkig te zijn. Calvien werd te Noyoris op hei schavot gebrandmerkt om onkuisschheid tegen de natuur. Henricus VIII koning van Engeland heeft zich aan wreedheden en schanddaden plichtig gemaakt, die doen ijzen als men er aan denkt. Hetgeen nog verdient aangehaald te worden is het volgende. Bijaldien er soms personen zijn, die do R. K. Kerk verlaten en tot eene andere sekte overgaan; wat zijn dat voor personen? Personen, B. B., die do Katholieken reeds lang tot ergernis gestrekt hebben; die het juk van God eu van de H. Kerk moede, afschudden om des te vrijer hunne schandelijke driften te kunnen botvieren. Wie zijn het, die de een of andere sekte verlaten en katholiek worden? Doorgaans geleerde en altijd de braafste personen der sekte, aan welke God de genade der bekeering schenkt en waaraan zij beantwoorden.
— 101 —
])e R. K. Kerk dus lioeft Heiligen; bijgevolg is zij ile waro Kerk van Christus; de overige kerken hebben geene Heiligen; bijgevolg zijn zij niets anders dan afvallige sekten.
11.
De R. K. Kerk alleen heeft op de tweede plaats Wonderdoeners. Geen enkel anders gezinde heeft ooit mirakels gedaan of kan ze doen.
lgt;e Catechismus vraagt:
Wat zijn mirakelen, die in de heilige Kerk geschieden? En hij antwoordt:
Wonderlijke teekenen, die alle kraclden der sckepselen te boven gaan, en door de zonderlinge Ind/i Gods gedaan worden.
Dergelijke mirakelen telt de R. K. Kerk van den beginne tot nu toe.
Wanneer men het Evangelie en de Handelingen der Apostelen leest, vindt men daarin eene aaneenschakeling van wonderen, door onzen goddelijken Zaligmaker en zijne Apostelen verricht.
Om u te overtuigen dat de R. K. Kerk mirakelen heeft, leest de levens der Heiligen, De wonderen, die de 11. Franciscus Xaverius alleen in de ludióin gedaan heeft, hebben vele geleerde Protestanten doen zeggen: \'t Is jammer dat hij niet tot onzen eeredienst behoort.
Ook hebben wij niet te vreezen, wanneer de R. K. Kerk verklaart dat dit of dat feit een mirakel is, dat er valschheid of bedrog kan bestaan. De strengheid, waarmede de li. Kerk de mirakels, bijv., bij de heiligverklaring onderzoekt, is zoo groot, dat de Protestanten zeiven er verwonderd over staan. Tijdens het Pausdom van Henedictus XIV bevond er zich te Rome een Engelsch Protestant. Die Protestant kwam met eenen Kardinaal in gesprek over den godsdienst, en hij randde den
*
— 402 —
R. K. Godsdienst hevig aan. Hij verwierp vooral als valsch de wonderen, die door de voorspraak der Heiligen geschieden. Een weinig daarna werd die Kardinaal belast de stukken eener Zaligverklaring te onderzoeken; hij gaf ze dien Protestant over, met het verzoek van ze met aandacht na te zien en vervolgens zijne gedachte te zeggen, in hoever die stukken geloof verdienden. Weinig tijds daarna bracht de Protestant de stukken terug. De Kardinaal vroeg hem wat er hem van docht: Ik heb er niets tegen in le brengen, antwoordde de Engelschman: bijaldien al de mirakelen der Heiligen, die uwe Kerk heilig verklaart, zoo zeker waren ais deze, dat zoude mij veel te overwegen geven. De Kardinaal begon te glimlachen. Inderdaad, zeide hij; wij zijn dan hier te Rome moeielijker dan gij, want de stukken, die ik u overhandigd heb, hebben ons niet genoeg overtuigd. De Protestant stond over het antwoord van den Kardinaal verwonderd; hij was er niet weinig door getroffen, legde zich eens goed op den Katholieken Godsdienst toe, en met welk gevolg? met dit gevolg, B. B., dat hij het Pi\'o testanti sinus nog verliet alvorens de stad Rome te verlaten. Zoo zeer was die Engelschman door do mirakelen onzer Heiligen van de echtheid der K. Iv. Kerk overtuigd geworden.
In de R. K. Kerk heett men wonderen die voortduren. Immers, de Catechismus vraagt:
Is er een altijddurend mirakel in de Roomscli-kalholieke Kerk? Eu hij antwoordt:
Ja; tc weten hare wonderlijke voortplanting en dat zij door de vcrcohjingen en ketterijen niet wordt ten onder (jebraehi.
De Apostelen, B. B., waren eenvoudige en arme menschen. Na de nederdaling van den H. Geest begonnen zij terstond te prediken. Zij predikten Jesus den Gekruiste, voor de Joden eene ergernis, voor de Heidenen eene dwaasheid. Zij begunstigden volstrekt niet de dwaalbegrippen, noch die der Joden, noch
4
die der Heidenen; zij vleiden geenszins de bedorvene natuur. Integendeel, zij verkondigden de ware en zuivere geloofs- en zedenleer en stelden ze tegenover de dwaalbegrippen der Joden, de afgoderij en het zedenbederf dor Heidenen. Daarenboven, van alle menschelijke hulp en natuurlijke middelen verstoken, ja zelfs van alle kanten en op alle manieren tegengewerkt en bestreden, vonden de Apostelen terstond aanhangers. J)e Kerk van Christus verspreidde zich binnen korten tijd over gansch den bekenden aardbodem. Hoe die snelle voortplanting uitgelegd? Moet men er geen mirakel in erkennen en zeggen: Digitus Dei est hic: de vinger Gods is in de Kerk zichtbaar. Diezelfde Kerk nu wordt nog immer door alle machten bevochten; zij ook bevecht én afgoderij, én ketterij, én zedenbederf, en toch bestaat, en toch verspreidt zich altoos op God alleen steunende die oen en dezelfde Kerk, terwijl alle andere menschelijke instellingen, de koning- en keizerrijken, die duizendmaal meer stoffelijke middelen hebben om zich staande te houden als de Kerk elkander verdringen en te gronde gaan. Kn hoe bestaat en verspreidt zich immer die een en dezelfde Kerk? Voorzeker door den zonderlingen bijstand van God, door een mirakel, zoo niet door een mirakel, dan is het bestaan en de uitbreiding dier Kerk het grootste mirakel. Gij ziet dus, I!. B., dat er buiten de mirakels die gebeurd zijn en nog van tijd tot tijd gebeuren een altijddurend mirakel in de R. K. Kerk is.
Hebben de Protestanten, bijv., soms ook mirakelen om de echtheid hunner sekte te bewijzen? Geen enkel, B, B., en zij bekennen het niet woorden en werken. Do geleerde Krasmus zegt; Do Protestanten, verre van mirakels te doen, hebben nooit een kreupel paard kunnen genezen. Luther zelf zegt: Van ons, die leeren dat de mensch niet vrij is, moet men geene mirakels vorderen, /ij, die van ons mirakels eischen, handelen slecht, zegt Calvien. Nochtans, Luther en Calvien hebben beproefd mirakels te doen; doch luistert met welk gevolg. Een leerling van Luther was van den duivel bezeten; Luther wilde
— 464 —
den duivel uitdrijven, maar liet scheelde weinig of de duivel brak hem den hals; een Protestant met name Stapliylus, die er bij tegenwoordig was, verhaalt ons dat feit. Een ander keer wilde Luther een verdronken van den dood verwekken; maar de verdronken man bleef dood. Met Calvien liep het niet beter af. li ij had een armen man omgekocht, die zich dood moest houden. Als Calvien nu voorbij kwam om den schijndoode tot het leven te verwekken, bevond men dat de man inderdaad dood was, en hij bleef dood; bijgevolg was dit een wonder tegen Calvien.
De R. K. Kerk dus heeft Wonderdoeners, gelijk gij ziet, bijgevolg is zij de ware Kerk van Christus; de overige kerken hebben geene Wonderdoeners bijgevolg zijn zij niets anders dan afvallige Sekten.
Sl.riTKKDK.
Alvorens te eindigen, zullen wij nog de volgende vraag beantwoorden:
Bijaldien de R. K. Kerk zoo heilig is, hoe komt het dan dat er slechte Christenen in die Kerk zijn; dat men soms hoort spreken zelfs van slechte geestelijken; dat men zoo dikwijls hoort van ergernissen onder de geloovigen? \'t Is waar, H. B,, er zijn zondaren in de R. K. Kerk, ontaarde kinderen, die zich alles behalve heilig gedragen; maar moeten de misslagen der kinderen de Moeder aangerekend worden, wanneer deze haar uiterste best doet om ze te beletten? Voorzeker niet. Welnu, ile R. K. Kerk handelt zoo. Zij spaart geene moeite om de zonden te beletten; zij bedroeft zich over het slecht gedrag van sommige Christenen en wendt alle middelen aan om hen tot inkeer te doen komen. Doch de R. K. Kerk leert niet, gelijk de protestantsche, dat hare leden niet vrij zijn, dat zij niet kunnen zondigen. Zij laat hare kinderen de vrijheid, waarvan zij misbruik kunnen maken; maar daarom houdt de
Kerk nipt op heilig te zijn. Zij is heilig in de geestelijkheid niettegenstaande den afval van eenige slechte priesters. Bevond er zich niet een Judas onder de twaalf Apostelen? En was daarom Jesus, waren daarom de anderen minder heilig? Doch merkt nog op, B. B., de ongelukkige priesters, die afgevallen zijn, behooren niet meer tot de R. K. Kerk, maar tot de Sekten, waartoe zij overgaan, of die zij vormen; \'t is dus niet op de R. K. Kerk, dat men het moet zoeken, maar op de andere Sekten.
Men hoort soms spreken van priesters, die eenen misslag begaan hebben, \'t Is waar, B. B., en zeker te betreuren; maar gelukkig, \'t gebeurt zelden; zij zijn gevallen, zij waren ook menschen, en dat leert ons op onze hoede te zijn. Maar wanneer men van hunnen val spreekt, waarom spreekt men dan tevens niet van hunne bekeering? Men vindt priesters die gevallen zijn, maar die zich bekeerd en strenge boetvaardigheid gedaan hebben. Bijaldien de Kerk hedendaags niet heilig was in hare geestelijken, dan zouden dezen zich zoo manhaftig niet verzetten tegen de vervolgers van de R. K. Kerk; want \'t is een reuzenstrijd, dien de geestelijken te strijden hebben; men behoeft maar een wéinig met de tijdsomstandigheden bekend te zijn, om zich te overtuigen van hetgeen ik kom te zeggen.
De Kerk is heilig in hare leden, in de geloovigen, alhoewel men, niet alleen in de steden maar ook op de dorpen van ergernissen hoort. Zij is heilig in de jeugd; in de jongelingen, al vindt men er ook hier en daar die door hun slecht gedrag tot ergernis strekken; in de jonge dochters, al treft men er ook aan, die na alle heilzame vermaningen in den wind geslagen te hebben, zoo ver gekomen zijn, dat zij geen grijntje eergevoel meer bezitten, een ongelukkig leven leiden tot schande en droefheid van ouders, bloedverwanten, ja, van gansch eene parochie.
Gkloofs- kn Zedenleer 30.
— 400 —
De Kerk is heilig in ile gehuwden, al zijn er ook die schijnen vergeten te zijn wat zij elkander aan den voet des Altaars plechtig beloofd hebben; die zich weinig laten gelegen liggen aan de wetten des Huwelijks, die zich de plichten van hunnen staat weinig aantrekken en zoo een ellendig en ongelukkig leven leiden.
Men zoude er ook nog kunnen aantreffen, die den spot drijven met de H. Kerk, niet de dienaren, ceremoniën en instellingen der Kerk, met de godsvrucht der brave geloovigen. B. B., wat beteekent dat? Die ongelukkigen, want ongelukkig zijn zij, die zelf den moed niet hebben braaf te leven, moeten al wat doen, al zouden zij ook maar lachen met hetgeen zij niet kennen en juist daardoor zicli zeiven belachelijk maken. Zijn wij niet bang, B. B.; de R. K. Kerk is heilig, eenieder behoeft daarom niet heilig verklaard te worden. Zij is dus de Kerk van Christus; deze zal zijne strijdende Kerk bijstaan, en na haren strijd gestreden te hebben, zal zij in de zegenpralende overgaan. Er zal een tijd komen dat de Kerk van Cliristus uitsluitend uit Heiligen zal bestaan, namelijk, op den laatsten dag des oordeels. Dan zullen de bespotters en slechte christenen met de openbare vijanden der Kerk, met de Ongeloovigen en Ketters, aan de linkerzijde staan, om dan, maar helaas! te laat, hun ongelijk te bekennen. Zouden er soms liier tegenwoordig zijn, die hunne dwaling, hun ongelijk op den laatsten dag des oordeels zullen moeten bekennen? De goede God beware er ons voor; doch zoo er groote zondaren tegenwoordig zijn, \'t hangt van hen af Heiligen te worden, door zicli oprecht te bekeeren, hunne misslagen uit te boeten en de ergernissen door een waar christelijk gedrag te herstellen. Amen.
ZEVEN - EN - VEERTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DE H. KERK — DE KATHOLICITEIT EN APOSTOLICITEIT DER R. K. KERK
In universo mundo ast et fructificat ct crescit sicut in vobis.
/ij bestaat in de ganscho wereld en brengt vruoliten voort en neemt toe gelijk onder u.
(Col. i, e.)
INHOUD.
VOORREDE.
De Kerk van Christus moet heilig zijn; de Roomsche Kerk alleen is heilig; bijgevolg is de Roomsche Kerk alleen de ware Kerk van Christus.
De twee laatste kenteekens van de Kerk van Christus zijn de katholiciteit en de apostoliciteit.
VERDEELING.
I. De Roomsche Kerk alleen is katholiek; 11. De Roomsche Kerk alleen is apostoliek.
— -IRS —
I.
De Roomsclie Kerk is katholiek; d. w. z., één en dezelfde is zij ten allen tijde en op alle plaatsen verspreid geweest. Ook overtreft zij alle andere sekten in getal; \'t blijkt:
1° Uit de geschiedenis;
2° Uit den naam van katholiek, dien zij draagt.
Zij overtreft alle andere sekten in getal; 120,000,000 Ketters en Schismatieken; 170,000,000 Katholieken.
De Protestantsche kerk, bijv., kan niet katholiek zijn; zij heeft niet altijd bestaan; zij is weinig uitgestrekt; zij kan volgens hare leering niet katholiek zijn.
De Protestanten zijn niet één, omdat zij niet onder één hoofd staan, noch één en dezelfde leering volgen.
II.
De Roomsche Kerk is apostoliek: zij gelooft wat de Apostelen geloofden; hare herders klimmen tot de Apostelen op.
Het geloof\' der Apostelen is zeker in de R. K. Kerk bewaard gebleven.
Het treffendste in de R. K. Kerk is de onafgebroken opvolging der Herders van Leo Xlil tot den II. Petrus.
De Protestantsche kerk, bijv., is niet apostoliek; zij heeft . het geloof der Apostelen verworpen; hare herders stammen niet van de Apostelen af, maar van Luther of Calvien.
SLUITREDE.
Besluiten wij uit onze onderrichtingen over de Kerk van Christus:
1° Dat de Roomsche Kerk alleen de ware Kerk van Christus is;
2° Dat de overige kerken niets anders zijn dan afvallige sekten.
Bedanken wij God van ons tot de ware Kerk geroepen te hebben, buiten dewelke er geene zaligheid is.
— 409 -
ZEVEN - EN - VEERTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DE H. KERK — DE KATHOLICITEIT EN APOSTOLIC1TEIT DER R. K. KERK
In universo mundo est et fructijicat et crescit sicut in volis.
Zij bestaat in do gansolie wereld en brengt vruchten voort en neemt toe gelijk onder u.
(COTj. I, o.)
VOORREDE.
De ware Kerk van Christus, B. B., moet heilig\' zijn, d. w. zij moet Heiligen en Wonderdoeners bezitten; de li. Iv. Kerk heeft Heiligen en Wonderdoeners; bijgevolg is de R K, Kerk de ware Kerk van Christus: de overige kerken hebben noch Heiligen noch Wonderdoeners; bijgevolg zijn zij niets anders dan afvallige sekten. Die waarheid hebben wij in onze voorgaande onderrichting overwogen. Vandaag zullen wij de twee laatste kenteekens van de ware Kerk van Christus verhandelen. Wij zullen dus zien:
I. Dat de Roomsche Kerk alleen katholiek is;
II. Dat de Roomsche Kerk alleen apostoliek is;
bijgevolg is de R. Kerk alleen de ware Kerk van Christus.
I.
De Roomsche Kerk, B. B., is katholiek. Waarom? Vooreerst, omdat zij van den beginne alom verspreid is en tot den dag van heden verspreid wordt, zoo nochtans, dat zij ten allen
tijde en op alle plaatsen één en dezelfde Kerk blijft; vervolgens, wijl zij elke sekte in \'t bijzonder, ja zelfs alle sekten te zamen in getal ver overtreft.
Dat de Roomsche Kerk alom, den ganschen aardbodem door verspreid is, blijkt uit de geschiedenis en uit den naam van katholiek, dien zij draagt.
Wat leert ons de geschiedenis? Jesus alvorens ten hemel te klimmen, had zijne Apostelen den H. Geest beloofd. Getrouw aan zijne beloften zond Hij Hem op den Pinksterendag. Zoodra de Apostelen van den H. Geest vervuld waren, begonnen zij verscheidene talen te spreken. Petrus, het hoofd der Apostelen, door Jesus-Christus zeiven tot eerste Paus der H. Kerk aangesteld, begon terstond te Jerusalem het Evangelie te verkondigen aan mannen, die uit alle landstreken naar de hoofdstad gekomen waren. Drie duizend bekeerden zich en werden gedoopt. Die eerste Christenen nu verbleven niet allen te Jerusalem; zij keerden naar hunne haardsteden terug, en zoo werd de H. Kerk van den beginne reeds de gansche wereld door verspreid.
De Apostel Paulus, van de Roomsche Kerk sprekende, zegt in zijnen brief aan de Colossensers; Zij bestaat overal: In universo vnundo est. zij brengt vruchten voort en neemt toe gelijk onder u, et fructificat et crescit sicut in vobis. (i)
In de tweede eeuw sprak de H. Irenseus van de Roomsche Kerk in dezer voege: Alhoewel de volken onder elkander in taal verschillen, bestaat bij hen toch één en dezelfde overlevering. De kerken van German ie gelooven oi leeren niets anders dan hetgeen de kerken van Spanje, van Gallie, van het Oosten, van Afrika, van Egypte, enz., gelooven en leeren. Gelijk aan de zon, die één in getal het gansche aardrijk verlicht, zoo ook verlicht de H. Kerk één in getal en geloof de gansche wereld.
Dat de Roomsche Kerk katholiek is blijkt ook duidelijk uit den naam, dien zij draagt. De Roomsche Kerk is altoos katholiek
(i) Col. i, G.
— 471 —
of algemeen genoemd. De Heidenen zeiven hebben haar van den beginne den naam van katholiek gegeven.
Wat niet minder in \'t oog valt, B. B., is dat de vijanden der Roomsche Kerk niet weinig bijgedragen hebben om haar te verspreiden. De romeinsche keizers hebben zooveel slachtoffers onder de Christenen gemaakt; ik zeg zooveel, en niet zonder reden. Rome, eertijds de hoofdstad van het heidendom, thans die der christen wereld, is als het ware overstroomd geweest door het bloed der Martelaren, Rome alleen heeft meer dan drie honderd duizend Martelaren opgeleverd. De gansche Kerk telt meer dan veertien millioen Martelaren. Die wreede dwingelanden wilden de Roomsche Kerk in haar bloed smoren; dikwijls lieten zij publiek afkondigen de Christenen uitgeroeid te hebben. Maar neen, 15. B., het bloed der Martelaren, gelijk Tertulianus zegt, was het zaad van nieuwe Christenen: Sanguis Martyr\'um semen Christianorum! Door do vervolgingen uit een gedreven gingen de Christenen van de eene stad naar de andere, van het eene land naar het andere en maakten overal nieuwe veroveringen voor Jesus-Christus, d. i., dat zij overal de Heidenen of Joden tot het christendom bekeerden. Wanneer in het begin der zestiende eeuw Luther en Calvien van de Roomsche Kerk afvielen en haar vervolgden, toen vooral stonden die onverschrokken Missionarissen op, om in de vreemde landen liet Evangelie te gaan verkondigen, en om voor hunne Moeder de Roomsche Kerk het verlies door den afval van velen veroorzaakt te vergoeden. Hetgeen de Kerk toen in het eene land verloor, won zij in het andere land dubbel terug. De H. Franciscus Xaverius alleen heeft meer dan veertien duizend afgoden omvergeworpen; hij heeft eigenhandig meer dan twaalf honderd duizend Heidenen gedoopt; hij alleen heeft den waren God aan meer dan drie honderd koninkrijken doen kennen.
Wat het getal der R. Katholieken aangaat, \'t overtreft niet alleen elke sekte afzonderlijk genomen, maar zelfs alle sekten te zamen. Volgens de nauwkeurigste berekening beloopt het
— 472 —
getal van alle Ketters en Schismatieken te zamen 120,000,000, het getal der Katholieken 170,000,000; dus 50,000,000 meer Katholieken dan amlersgezinden. Ziedaar, B. B., quot;waarin de katholiciteit der Roomsche Kerk bestaat.
Is nu de protestantsche kerk, bijv., soms ook katholiek? Neen, B. B., nooit hebben de Protestanten zich katholiek durven noemen: het ware ook eene groote leugen geweest; want vooreerst hebben zij niet ten allen tijde bestaan: over drie eeuwen hoorde men van geene Protestanten spreken: Zij hebben ook weinig uitgestrektheid, in vergelijking der R. Katholieken. Elke sekte strekt zich niet verder uit dan het land, waarin zij bestaat en door wiens vorst zij beschermd wordt. Elk weldenkend en onpartijdig mensch moet bekennen dat de voortzetting der ketterij het werk geweest is der geldzucht en ongebondenheid, die door de Ketters altoos begunstigd zijn geweest. De geschiedenis leert het ons. Doch wat meer is, B. B., de Protestanten kunnen volgens hunne leering niet katholiek of algemeen zijn. Strikt genomen strekt de protestantsche kerk zich niet verder uit dan elk Protestant. Waarom zijn wij Katholiek? Omdat wij één zijn in het geloof en onder één opperhoofd staan en zóó alom verspreid. Zonder eenheid in geloof en opperhoofd geene katholiciteit. Doch de Protestanten zijn vooreerst niet eén in het geloof: volgens hunne leering mag eenieder den bijbel lezen; hij mag hem verstaan gelijk hij liet goedvindt en eenieder zal gelijk hebben, zoo hij maar staande houdt, dat hij van den 11. Geest ingegeven is. Ziedaar hunne leering. Bijgevolg heeft een protestansche Dominee geen recht van te prediken, ten minste geen recht van op te dringen hetgeen hij leert; bij mag enkel den bijbel voorlezen en zeggen hoe hij hem verstaat, maar hij moet eenieder de vrijheid laten van hem op zijne manier te verstaan, al is het ook dat zijne toehoorders juist het tegenovergestelde verstaan, en eenieder hunner nog wat verschillends verstaat. Hoe ver strekt zich nu die kerk uit? Juist zoo ver als een ieders neus reikt, wijl
eenieder voor xicli eene kerk daarstelt. Kan er iets belache-lijkers uitgevonden worden? Ook staan zij niet onder één, maar onder meer hoofden, gelijk wij vroeger reeds gezien hebben.
11.
De R. K. Kerk alleen is apostoliek. Waarom? Omdat zij haren oorsprong, hare leering en herders van de Apostelen afleidt, d. \\v. z., omdat zij gelooft hetgeen de Apostelen geloofden en omdat hare herders onafgebroken do wettige opvolgers van de Apostelen zijn.
Wat het geloof aangaat, 15. B., \'t is zeker dat het niettegenstaande zoovele ketterijen, die er ontstaan zijn, ongeschonden in alle punten door de R. K. Kerk bewaard is gebleven. Wanneer er iemand verscheen, die het een of ander punt des geloofs aanrandde, hij werd terstond door de H. Kerk voor de rechtbank gedaagd; daar werd zijne leering onderzocht; werd zij in strijd bevonden met de leering der Apostelen, en bijgevolg valsch, dan werd die persoon uitgenoodigd zijne dwaling te herroepen, /,00 niet werd hij terstond ketter verklaard en buiten den schoot der H. Kerk geworpen.
Het schoonste bewijs nochtans van de apostoliciteit in de R. K. Kerk, en dat bij de Protestanten zeiven verwondering opgewekt iieeft, is de onafgebroken opvolging van de herders der H. Kerk, van Leo XIII tot den II. Petrus toe, dien Christus tot hoofd der Kerk heeft aangesteld; ja, met de geschiedenis in de hand kunnen wij de lijst opgeven van twee honderd negen en vijftig wettige opvolgers van den H. Petrus en ontegensprekelijk bewijzen, dat de tegenwoordige Paus Leo XIII de wettige opvolger van den H. Petrus is, op wien Christus zijne Kerk gebouwd heeft.
Die onafgebroken en wettige opvolging der Pausen heeft zelfs bij de vijanden der Kerk verwondering opgewekt, en niet zonder reden. Men moet er den vinger Gods in erkennen, als
— 474 —
men ziet dat de Apostolische Stoel, de zetel van den H. Petrus in do Pausen van Rome bestaan heeft en nog- bestaat, niettegenstaande de staatkundige en godsdienstige opschuddingen, die gansch Europa zoo hevig geschokt en veranderd hebben. Die stoel o(\' zetel van Petrus, of liever die steenrots blijft vast staan, zoo vast, dat zelfs de machten der hel haar niet kunnen omverwerpen. Hoeveel en hoe hevige aanvallen nochtans heeft het Pausdom niet onderstaan en onderstaat liet tot op den dag van heden? Zijn wij niet bevreesd; al die aanvallen zullen strekken om de zegepraal van het Pausdom des te meer luister bij te zetten.
Ziehier wat een Protestant daarover schreef: Wanneer men oenen oogslag op het verledene en op de toekomst werpt; wanneer men ziet hoe do instelling van het Pausdom alle andere instellingen in Europa overleefd heeft; hoe het de staten heelt zien opkomen en vergaan; hoe het in die oneindige verandering der menschelijke instellingen alleen onveranderlijk denzolfden geest bewaard heeft; moeten wij dan verwonderd zijn dat vele menschen het Pausdom beschouwen als eene rots, waarvan het spits zich onbeweeglijk verheft boven de ruischendè baren van den loop der eeuwen? Ziedaar, H. B., hoe een Protestant zich over liet Pausdom uitlaat.
De R. K. Kerk is dus apostoliok, wijl haar geloof dat dor Apostelen is, en wijl hare herders onafgebroken de wettige opvolgers der Apostelen zijn.
Die twee zaken ontbreken geheel en al aan de andere kerken: vooreerst hebben, bijv., de protestanten het geloof dor Apostelen niet, zij hebben het verworpen; vervolgens stammen zij van de Apostelen niet. af, him naam alleen geeft liet genoeg te kennen. De Lutheranen klimmen niet liooger op dan tot Luther, de Calvinisten niet hooger dan tot Calvien, en zoo is het ook met de andere kerken gelegen.
— 475 —
SLUITREDE •
Alvorens te eindigen met de onden\'iclitingen over do H. Kerk, waarmede wij ons lang bezig gehouden hebben, wijl er ons kinderen veel aangelegen moet liggen onze Moeder wel te kennen, besluiten wij dat de R. Iv. Kerk alleen de ware Kerk van Christus is en dat de overige kerken niets anders zijn dan afvallige Sekten.
Neen, B. B., de Sekten, die zich van de R. K. Kerk gescheiden hebben, maken dat één gebouw niet uit, door Jesus-Christus op de Apostelen gegrondvest; maar zij zijn verschillende gebouwen door de hoovaardig- en ongebondenheid opgericht. Die Sekten zijn dat één heiligdom niet, door Jesus-Christus gesticht, noch die ééne wijnstok, door Hem geplant, noch dat ééne lichaam, door Mem gevormd; maar zij zijn vermolmde steenen van dit heiligdom afgerukt, dorre ranken van dien wijnstok afgesneden, bedorvene leden van dat lichaam afgevallen, der ontbinding eu der verrotting ten prooi. Men bespeurt in die Sekten aiets dan dood, duisternis en puinhoopen; doch te midden van die doodenrijken staat de R. K. Kerk, het rijk van Jesus-Christus, vol leven; te midden dier duisternissen verspreidt de R. K. Kerk alom haar schitterend licht; te midden dier puinhoopen richt de R. K. Kerk zich majesteitvol ten hemel.
De R. K. Kerk is de wijngaard dos Heeren, die zijne ranken overal uitstrekt. God heeft hem geplant, en juist daarom heeft hij zich alom verspreid. Zij is de boom des levens, die langs een stroom van levend water geplant allerlei vruchten van heiligheid voortbrengt.
De R. K. Kerk wordt beschreven onder de figuur eener stad, wier omstreken bekoorlijk, wier gebouwen prachtvol zijn; die God zelf gesticht heeft en waarin Hij zoo gaarne zijn verblijf houdt. Zij is dat nieuw Jerusalem, uit den hemel nedergedaald en door de majesteit Gods omgeven.
— 470 —
De R. K. Kerk wordt in de H. Schrift ook genoemd de dierbare Bruid van Jesus-Christus, die uitwendig wegens de droefheid door vijanden en ontaarde kinderen haar aangedaan zwart ziet, maar die inwendig schoon en verrukkend is.
Hoe noemen wij de R. K. Kerk nog? Wij noemen haar Onze Moeder, Onze Moeder de 11. Kerk. En och of wij allen ware kinderen dier goede Moeder waren! Och of wij ons van de plichten van kind jegens onze Moeder kweten, gelijk zij zich van de plichten van Moeder jegens ons kwijt. Ja, de R. K. Kerk is onze Moeder; in haar zijn wij allen tot het leven der heiligmakende genade herboren door het H. Doopsel; door haar worden wij met eene hemelsche spijs gevoed, met haren geest bezield. Die goede Moeder bewaart ons; zij is het die haren kinderen het rijk der hemelen, waarvan zij weldra b§zit zal nemen, toelegt. Wie zal aan de zuchten zijner Moeder niet denken? Wie zal de liefde zijner Moeder vergeten? Bijaldien ik u vergeet, o Moeder, dat dan mijn rechterhand verstijve: Oblivioni detur dextra mea-, bijaldien ik niet aan u denk, o Moeder! dat dan mijne tong aan mijn verhemelte kleve: Adhcereat lingua mea faucibus meis, si non meminero lui! Amen.
ACHT - EN - VEERTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DE GEMEENSCHAP DER HEILIGEN
Particeps ego sum omnium timentivm te el custodientium mandata tua.
Ik ben deolaclitig aan het goed, dat zij verrioliten die l\' vreezen en nwo geboden onderhouden. (Ps. cxvin, c».)
IXllOll».
VOORRKDE.
Na over de H. Kerk gesproken te hebben, zullen wij zien welke voordeden er in te vinden zijn. Op de eerste plaats zullen wij spreken over de gemeenschap der Heiligen.
VERDEELING.
I. Wat beteekent de gemeenschap der Heiligen?
II. Waarin bestaat zij?
111. Onder wie bestaat zij?
— 478 —
«
I.
Om de gemeenschap der Heiligen te verstaan, moet men weten, dat de H. Kerk gelijk is aan eene familie of aan een lichaam. Zij wordt gemeenschap der Heiligen genoemd, omdat alle leden tot de heiligheid geroepen zijn, heilig moesten wezen.
H.
De gemeenscliap der Heiligen bestaat in eene mededeeling van alle sacrificiën, openbare diensten, goede werken en geboden, die in de H. Kerk geschieden. God is onze Vader, wij zijn zijne kinderen en broeders en zusters onder elkander; wij moeten onze stemmen vereenigen en God te zamen en voor elkander bidden.
111.
De gemeenschap der heiligen bestaat onder ons geloovigen, de Heiligen des hemels en de geloovige zielen des vagevuurs. Al degenen die buiten de Heilige Kerk zijn, zijn ook buiten de gemeenschap der Heiligen.
De gewone zondaren zijn niet buiten de H. Kerk, en bijgevolg zijn zij ook niet gescheiden van de gemeenschap der Heiligen; doch zij trekken er weinig voordeel uit.
SLUITREDE.
De zondaren zijn dus wel te beklagen, omdat zij alhoewel van de gemeenschap der Heiligen hier op aarde, ingeval zij zoo blijven voortleven, nooit in den hemel kunnen komen. Dus moeten zij zich oprecht bekceren.
— 179
ACHT EN - VEERTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DE GEMEENSCHAP DER HEILIGEN
Particeps epo sum omnium timentium le et custodientium mandata tua.
Ik bon deelachtig aan het goed, dat zij verrichten die TJ vreezen en uwe geboden onderhouden. (I\'s. cxvm, es.)
VOORREDE.
Na over de H. Kerk gesproken en bewezen te hebben, dat ■wij R. Katholieken alleen de ware Kerk van Christus uitmaken, zullen wij thans onderzoeken welke voordeelen er in die Kerk te vinden zijn. De Apostelen in hun Symbolum noemen er vier op: De gemoenseliap der Heiligen, waardoor de geloovigen aan elkanders goederen deelachtig worden; de vergiffenis der zonden, die in de H. Kerk te bekomen is; de verrijzenis des Vleesches d. w. z., dat tie doode lichamen wederom zuilen levend worden, en eindelijk het eeuwig leven, dat bestaat in God voor eeuwig te bezitten iu den hemel. Vandaag zullen wij spreken over het eerste voordeel, over de gemeenschap der Heiligen, en wij zullen zien:
1. Wat er door verstaan moet worden;
II. Waarin zij bestaat;
III. Onder wie zij bestaat.
I.
De geloovigen, B. B., gelijk wij vroeger over de H. Kerk sprekende gezien hebben, maken één huisgezin uit, waarvan God do Vader en de H. Kerk de Moeder is. Zij vormen één lichaam.
— -180 —
waarvan Christus het onzienlijk hoofd en de Paus van Rome liet zienlijk hoofd is. Welnu; evenals de kinderen, die te huis bij vader en moeder te zamen werken, deelachtig worden aan elkanders winsten en ook aan die hunner ouders, zoo worden de geloovigen ook deelachtig aan elkanders gebeden en goede werken en aan die van Christus en onze Moeder de H. Kerk.
De Apostel Paulus bedient zich ook van de gelijkenis eens lichaams, om ons de gemeenschap der Heiligen wel te doen verstaan. Gelijk een lichaam uit vele leden bestaat, die door de natuur innig vereenigd en met één geest bezield, dezelfde voordeden, bijv,, van spijs on drank deelachtig worden; zoo ook bestaat de Kerk uit vele leden, d. i., uit geloovigen, die door één geloof en één Opperhoofd innig vereenigd en met één en denzelfden geest bezield elkanders goede werken deelachtig worden.
I )(■ Profeet David erkende reeds die gemeenschap, als hij zieli lot God richtende zeide: Particeps ego sum omnium timentium te et custodientium mandata tua: Ik ben deelachtig aan het goed, dat zij verrichten, die ü vreezen en uwe geboden onderhouden.
Doch waarom wordt zij gemeenschap der Heiligen genoemd, en niet liever gemeenschap der geloovigen? Onder de geloovigen treft men er zoo velen aan, die alles behalve heilig zijn; die den naam van Christenen, dien zij dragen, door hun slecht gedrag onteeren, die Jesus-Christus met den mond belijden, maar met hunne werken loochenen. Zij wordt gemeenschap der Heiligen genoemd, B. B., niet dat alle geloovigen heilig zijn; maar omdat zij tot de heiligheid geroepen zijn. Vandaar dat zij door den Apostel Paulus in zijne brieven zoo dikwijls heiligen genoemd worden: Vocati Sancti.
De Apostel Petrus noemt de Christenen ook een heilig volk: Gens sancta. (i) Bijaldien nu de Christenen niet heilig zijn, zij
(li i Petr. ii, 9.
— 481 —
moesten hel noclilaus wezen; alles werkt mede om hen heilig te maken. Zij zijn lol ile heiligheui geroepen; hun slaal verplielit er hen toe; Jesus-Ciiristns, de Heilige der Heiligen, is het hoofd der II. Kerk; de heiligheid vloeit in de H. Kerk uit de Heilige Saeranienteri als uit zoovele bronnen. /.ij11 ^ ijl niel allen heilig geweest? Toen wij van de doopvont kwamen waren wij zonder vlek, witter dan sneeuw. Wij zijn dus heilig geweest; wij zijn vorpliclil heilig Ie zijn en te blijven; wij hebben er alle middelen toe. Wee ons! B. B., zoo wij niet heilig leven, want zoo wij geeue heiligen zijn gedurende den tijd hier op aarde,, nooit ot nimmer zuilen wij heiligen worden gedurende de eeuwigheid in den hemel.
II.
De (\'ateehismus vraagt;
Waarin is de gem^nschap drr heiligen gelogen? Kn hij antwoordt;
In ecne mededeeling van alle sacrificiën, openbare diensten, goede werken en gebeden die in de heilige Kerk geschieden.
Alle geloovigen, B. B., zijn deelaehtig aan de Sacrificiën en openbare dienslen, die dagelijks in de II. Kerk opgedragen en gedaan worden; \'t blijkt immers duidelijk uit de gebeden der H, Mis. Daarin wordt de gedachtenis gehouden, niet alleen van hen, voor wie de II. Mis opgedragen wordl, of van hen, die er bij tegenwoordig zijn, maar van alle geloovigen.
Wij allen hebben deel in de goede werken, die in de H. Kerk geschieden, zooals vasten, aalmoezen, verstervingen. Die goede werken zijn voordeelig niet alleen voor hen, die ze verrichten, maar ook voor de overige geloovigen volgens Gods beschikking en eenieders gesteltenis.
De gebeden der geloovigen zijn ons allen gemeen. Wij bidden de een voor den andere of wei de een met den andere. Jesus zelf heeft ons op die wijze leeren bidden. Zoo zult gij bidden, sprak
Gki.ooks- en Zedenleer. 31.
Jesus; Onze Vader: Pater noster; (i) geef ons heden ons dagelijksch brood; vergeef ons onze schulden; leid ons niet in bekoring; verlos ons; alles in \'I meervoud, niots in \'t enkelvoud. Wij zeggen, bijv., niet mijn Vader, enz. God, B. li., is de Vader van alle nionschen, doch vooral van de geloovigen; wij allen zijn zijne kinderen, broeders en zusters onder elkander die God hunnen Vader onder - en voor elkander bidden. Dat gemeenschappelijk gebed trefi het hart van dien goeden Vader en doel Hem ais I ware geweld aan. Vandaar dat de geloovigen niet zelden zich in de kerk, het huis des gebeds, vereenigen om te bidden ten einde de een of andere gunst te •bekomen, liet een of ander onheil af te weren. Doch zien wij op de derde plaats onder wie de gemeenschap der Heiligen bestaat.
111.
De Catechismus vraagt:
Onder wie is de gemeenschap der heiligen? En hij antwoordt:
Onder al de leden der heilige Kerk.
Dat wij geloovigen hier op aarde gemeenschap van geestelijke goederen hebben, wij hebben hel reeds genoeg gezien; wij helpen elkander door onze gebeden en goede werken. Doch dat is niet alles: die gemeenschap bestaat in de H. Kerk; die Kerk is wel is waar één, maar zij kan onder een drievoudig opzicht beschouwd worden, in haren strijd, in hare zegepraal en in haar lijden, en zoo hebben wij de geloovigen op aarde, de Heiligen in den hemel en de zielen in het vagevuur. Wij allen zijn vereenigd, wijl wij allen kinderen zijn van één en denzelfden Vader, van God, en van één en dezelfde; Moeder, van de II. Kerk. Wij zijn vereenigd met de Heiligen des hemels, en wij worden geholpen door hunne gebeden, die zij voor ons storten in den hemel; door de goede werken en voldoeningen, die zij in deze
(i) Mattii. vi, 9.
— 483 —
wereld volbracht en te veel gehad hebben om voor hunne schulden te voldoen. De Heiligen des hemels zijn onze broeders en zusters, die ons in de gelukzalige eeuwigheid zijn voorgegaan. Hier in dit tranendal verzuchten wij naar hetzelfde geluk, en wij bidden en smeeken hen van ons door hunne voorspraak te hulp te komen, ten einde met hen dat geluk eenmaal te mogen deelen.
Doch wij bidden en smeeken de Heiligen des hemels niet alleen voor ons, maar ook voor onze lijdende broeders en zusters in liet vagevuur, die onze hulp zoo zeer noodig hebben, en die wij zoo gemakkelijk kunnen helpen. Alles, B. B., eindigt niet met het leven van den menscli. De ziel is onsterfelijk, en hoevele zielen worden er niet naar liet vagevuur gezonden, om daarin gezuiverd te worden, alvorens in den hemel opgenomen te worden? In \'I vagevuur roept ons wellicht om hulp de ziel van oenen vader of van eene moeder, van oenen broeder of van eene zuster, van oenen bloedverwant of vriend: wij kunnen die zielen zoo gemakkelijk helpen, en wij zouden het niet doen? Dragen wij dus de verdiensten onzer gebeden, communiën en goede werken voor haar aan God op; verlossen wij haar uit don kerker van lijden en stollen wij haar in \'t bezit des hemels. De zielen, door ons uil het vagevuur verlost en in \'t bezit des hemels gesteld, zullen ons niet vergeten; zij zullen op hare beurt voor ons Ion boste sproken en krachtdadig medewerken, om eenmaal het geluk des hemels mol haar te mogen deelen.
Al degenen, B. B., die buiten de ware Kerk van Christus zijn, zijn ook buiten de gemeenscha]) der heiligen, namelijk, de Heidenen, Joden, Ketters, Schismatiekon, Apostaten en die in den kerkolijken ban zijn.
De gewone, zelfs groote zondaren, zijn niet buiten de 11. Kerk en bijgevolg ook niet buiten de gemeenschap der Heiligen; doch de Catechismus vraagt;
— 184 —
Zijn al de leden der heilige Kerk even deelachtig aan de gemeenschap der heiligen? En hij antwoordt;
Neen; maar ieder is deelac/dig volgens zijne gesteltenis en noodwendigheid.
De zondaren, die in staat van doodzonde leven, trekken bijgevolg weinig voordeel uit de gemeenschap der Heiligen: zij zijn nog in de goddelijke diensten tegenwoordig; zij deeleu nog in de openbare gebeden, maar weinig en zeer verschillend in vergelijking der brave Christenen, die in staat van genade leven. Igt;e zondaren moeten zich niet met de gedachte vleien van ooit in den hemel te komen, omdat er in de 11. Kerk veel goed gedaan wordt en zij er eenigszins aan deelachtig zijn. Neen, B. B., volstrekt niet. Zij moeten noodzakelijk uit hunne zonden opstaan, zeiven die goede werken doen, zoo niet gaan zij ongetwijfeld verloren. De uitspraak van God is klaar; Omnis arbor, quee non facit fructum bonüm, excidetur ei in ignern mitletur: (i) Elke boom, die geene goede vruchten voortbrengt, zal uitgehakt en in het vuur geworpen worden.
SLUITREDE.
De zondaren, B. B., zijn dus wel te beklagen; zij zijn van de gemeenschap der Heiligen, in \'t huis der Heiligen, maar zelf zijn zij niet heilig meer; zij hebben den naam van te leven, maar inderdaad zijn zij dood; zij zijn heilig geweest, maar die heiligheid hebben zij verloren door de doodzonde; zij dragon nog den naam van Heiligen, maar welk verschil tusschen naam en daad! Hoe weinig gelijken zij aan de brave, heilige Christenen, die in alles en overal stichten. Zullen zij zich nu ook eenmaal met de Heiligen des hemels mogen vervoegen? Neen, B. B,, zoo zij in hunnen ongelukkigen staat van doodzonde blijven voortleven. Daarom zeg ik met den Apostel Paulus tot de zondaren:
(i) Mattii. vu, 19.
Hernieuwt u naar den geest; doet den nieuwen raenseli aan, die volgens God lierboren is in eene ware rechtvaardigheid en heiligheid. Ja, B. 1!., dat de zondaren zich zuiveren van hunne zonden; dat zij, na de heiligmakende genade bekomen Ic hebben, zich beijveren om er in te volharden, om na hier op aarde als Heiligen, niet alleen met den naam maar ook inderdaad onder de brave en deugdzame Christenen geleefd te hebben, eenmaal met hen in den hemel onder de Engelen en Heiligen ie mogen leven gedurende de eintielooze eeuwigheid. Amen.
NEGEN - EN - VEERTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DE AFLATEN
Qurectimque solveritis super tevram erunt solutcc et in cc/slis.
Al wat gij op aarde zult outbonden hebben zal ontbonden zijn in den hemel.
(Mattii. xviii, i«.)
INHOUD.
VOORREDE.
Do gemeenschap der Heiligen bestaat In de H. Kerk; bijgevolg onder de geloovlgen hier op aarde, de zielen des vagevaurs en de Heiligen des hemels. De voldoeningen van de Heiligen des hemels worden ons toegevoegd dooV de aflaten.
Vl\'RDEELING.
I. Wat zijn aflaten en hoe worden zij verdeeld? H. Wie geeft de aflaten?
IH. Wat moet men doen om de aflaten te verdienen?
— \'187 —
I.
Allatou zijn kwijlsclioldingen der tijdelijke pijnen, die wij schuldig waren (lt;; lijden voor onze zonden. De penitentie der Biecht is doorgaans niet voldoende om de tijdelijke straften uit te boeten. De aflaten ontslaan ook niet van de penitentie.
Door de aflaten worden niet alleen de canonieke straffen, maar ook de pijnen des vagevuurs verkort. Zij bestaan uit de oneindige verdiensten en voldoeningen van Jesus-Christus en uit tie overvloedige voldoeningen der Heiligen. Men verdeelt de aflaten:
1° In plaatselijke en persoonlijke;
2° In algemeene en bijzondere;
3° In aflaten die aan leesten ot\' aan gebeden vast zijn;
1° In volle en gedeeltelijke atlafen.
Wat is een volle, wat een gedeeltelijke aflaat?
II.
De Kerk heeft de macht om aflaten te verleenen en het gebruik er van is ons voordeelig. Wie geeft de aflaten?
III.
Wat wordt er vereischt tot hot verdienen van eenen aflaat?
1° Het inzicht;
2° De staat van genade;
3° Het volbrengen der voorgeschrevene werken: biechten, communiceeren en bidden tot intentie der TI. Kerk.
SLUITREDE.
Trachten wij zooveel aflaten te verdienen als mogelijk is; zij zijn een gemakkelijk middel om voor onze zonden te voldoen en om de geloovige zielen uit het vagevuur te verlossen.
— -188 —
NEGEN - EN - VEERTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DE AFLATEN
Quaicumque solceritis super termm erunt soluta et in ccelis.
Al wat gij op aardo zult ontbonden hebben zal ontbonden zijn in den hemel.
(MATTH. XVIII, 18.)
VOORREDK.
In onze voorgaande onderrichting, B. B., hebben wij gesproken over do gemoonsehap dor Heiligen. Die gemeenschap bestaat onder alle loden der H. Kerk, namelijk, onder de goloovigon hier op aardo, de goloovige zielen dos vagevuurs en do Heiligen des hemels. Wij staan in betrekking met do Heiligen ties hemels en worden geholpen, niet alleen door hunne geboden, maar ook door hunne goede werken on voldoeningen, die zij op do wereld volbracht hebben. Die voldoeningen kunnen wij, én ons, én de goloovige zielen dos vagevuurs toevoegen door do aflaten. Wij zullen dus vandaag zien:
I. Wat aflaten zijn en hoe zij verdeeld worden;
II. Wie aflaten kan vergunnen;
HI. Wat men moet doen om ze te verdienen.
I.
De Catechismus vraagt:
Wal zijn aflaten? En hij antwoordt:
Kwijtscheldingen tier lijdelijke pijnen die wij schuldig waren le lijden voor onze zonden.
— 489 —
Wanneer men vorgillbnis van zijne zonden bekomt, of liever, als God ons de schuld en de eeuwige straffen vergeeft, blijven er doorgaans tijdelijke straffen over bier of liiernamaals te ondergaan. De penitentie, welke do biechtvader oplegt, is zelden voldoende of groot genoeg om voor alle tijdelijke straffen te voldoen. Somtijds en in buitengewone gevallen kan zij voldoende zijn, ter oorzake van het overgroot berouw van den biechteling en zijne volmaakte liefde tot God; doch die gevallen zijn zeldzaam.
Door de aflaten nu kunnen wij de tijdelijke straffen uitwisschen of ten minste verkorten. Van den anderen kant ontslaan de aflaten den biechteling niet van de verplichting om de penitentie te volbrengen door den biechtvader opgelegd. De 11. Kerk leert het ons uitdrukkelijk. Ook is de penitentie of voldoening een deel van het 11. Sacrament der Biecht, waarvan men het niet mag berooveu.
In het begin der H. Kerk waren de tijdelijke boeten zeer streng. Voor zekere zonden werden er boetplegingen opgelegd, die jaren en jaren duurden. De 11. Kerk vermindert die boetplegingen van de eerste tijden des Christendoms door het toevoegen der aflaten; doch merkt wel aan, B. B., om niet in dwaling te vallen; door de allaten vermindert zij niet alleen de boete, die-men hier op aarde zoude hebben moeten doen, maar ook de pijnen des vagevuurs. Veronderstelt een persoon, die eene groote zonde bedreven beeft: volgens de oude regeltucht zoude de H. Kerk hem een vasten opgelegd hebben van twee of drie jaren: door dien vasten nu zoude bij de pijnen des vagevuurs voor eenige dagen of maanden afkorten: bijaldien nu de 11. Kerk dien twee-of driejarigen vasten kwijtscheldt door het toevoegen der aflaten, dan moet zij tevens de pijnen des vagevuurs, die er aan beantwoorden, kwijtschelden, zoo niet beteekenen de aflaten niets; ja wat meer is, zij zouden ons in plaats van goed kwaad doen; want wij zouden hiernamaals in \'t vagevuur zuurder moeten betalen, hetgeen wij hier op aarde door werken van boetvaardigheid gemakkelijker hadden kunnen uitboeten.
— 490 —
De aflaten, B. B., worden getrokken uit de schatten dor H. Kerk. Deze bestaan uit de overvloedige en oneindige verdiensten en voldoeningen van Jesus-Christus en uit de overvloedige voldoeningen der Heiligen. Vandaar dat de schatten der II. Kerk onuitputbaar zijn.
De verdiensten en voldoeningen van Jesus-Christus worden ons op verschillende wijzen, ook buiten de aflaten toegepast, bijv., door de H. Sacramenten, door hot II. Sacrificie dor Mis; maar do voldoeningen der Heiligen kunnen alleen door de aflaten toegepast worden. Do aflaten worden verdeeld:
1° In plaatselijke en persoonlijke aflaten, volgens dat de aflaat aan eene plaats verbondon is of rechtstreeks aan iemand gegeven wordt: zoö kan men, bijv., voel aflaten verdienen door zekere kerken of bidplaatsen te bezoeken. Do Paus van Rome geeft ook soms aan don een of andoren persoon, die zich voor de Kerk verdienstelijk gemaakt heeft, oen vollen aflaat in het uur des doods.
2° In algerneeno on bijzondere aflaten. Algomoeno aflaten zijn, die alle geloovigen kunnen verdienen; bijzondere, waaraan de leden der broederschappen deelachtig zijn.
H0 In aflaten aan zekere feesten verbonden, bijv., aan de feesten van onzen Hoer Jesus-Christus, van Onze Lieve Vrouw of van do H. Apostelen; en in aflaten, die men door zekere gebeden te lezen kan verdienen. Docli het voornaamste verschil bestaat:
4° In de volle en gedeeltelijke aflaten. Een volle aflaat, B. B., is de volle kwijtschelding der tijdelijke pijnon, die men schuldig is te lijden voor zijne zonden. Bijgevolg is iemand, die oen vollen aflaat verdient, gelijk aan oen kind dat pas gedoopt is zonder do minste schuld van tijdelijke straf.
Doch merkt wel aan, B. B., dat het zoo gemakkelijk niet is een vollen aflaat te verdienen: \'t gebeurt zelden, wijl daartoe
— 491 —
veroischt wordt ilal. men alles stipt volbrcnigc, on zuivor zij van alle dadelijke zonde en van alle genegenheid tot zonde.
Door een gedeeltelij leen aflaat moet verstaan worden, dat ei een gedeelte der tijdelijke straffen kwijtgescholden wordt. Zoo bestaan er aflaten van veertig, van honderd dagen, van een jaar, van zeven jaren en zoo veel fjuadragenen. Door een (iiiadrageen worden veertig dagen verstaan, en alzoo beloopen zeven qnadra-genen twee honderd tachtig dagen.
Wat heeft nu iemand gewonnen, die, bijv., eenen aflaat verdiend heeft van veertig dagen? Wil dat zeggen dat hij na zijnen dood veertig dagen minder in \'t vagevuur zal doorbrengen? Neen, H. H., maar daardoor wordt hcteekend, dat die persoon kwijtschelding bekomt van zoo veel straf voor zijne zonden, .ds hij zoude bekomen hebben, ingeval iiij boetvaardigheid gedaan had door volgens de oude regeltucht, bijv., veertig dagen Ie vasten op water en brood. Hoeveel korting van slrall\'en, hiernamaals in \'t vagevuur te ondergaan, daaraan beantwoordt, weel God alleen. Ziedaar wat allaten zijn en hoe zij verdeeld worden. Zien wij nu wie de macht heeft om aflaten te verleenen.
II.
De Catechismus vraagt:
Wat moeien wij van de allaten noodzakelijk rjeloomi? Kn hij antwoordt:
Dal de heilige Kerk de macht heelt om allaten te r erg lin nen, en dal hel gebruik dei\'zelve ncin de geloo \'igen zeei\' voordeelig is.
Dit laatste, f!. B., blijkt genoeg uit hetgeen wij reeds gezegd hebben. Doch hoe bewijzen dat de Kerk de macht heeft om aflaten te vergunnen?
Onze goddelijke Zaligmaker tot de Apostelen sprekende zeide: Alwat gij op aarde zult gebonden hebben zal gebonden zijn in
ilen homel; en ahvat gij op aarde zult ontbonden hebben zal ook ontbonden zijn in den hemel. Jesus-Ohi\'istus /vgl: Alles, qucecumque; Hij neemt dus niets uit. Bijaldien Jesus nu zijne Kerk de macht heeft gegeven om de zonde, wat de schuld en de eeuwige straf aangaat, te vergeven; waarom zoude Hij haar dan de macht niet gegeven hebben om de tijdelijke siraf kwijt tc schelden? De Kerk heeft de macht om aan de zondaren, die de vijanden van God zijn te vergeven, met meer reden kan men dus zeggen dat zij de macht heeft om de tijdelijke straf kwijt to schelden aan hen, die reeds in vriendscha]) met God, in staat van genade leven. De Apostel Paulus lieeli van die macht gebruik gemaakt. Na den ongelukkigen zondaar van de zonden en de excommunicatie, die hij ingeloopen was, ontslagen te hebben, ontsloeg hem Paulus op verzoek der geloovigen ook nog van de tijdelijke straflen; in andere woorden, hij verleende hem eenen aflaat. In dien zin verstaan het grootste gedeelte der godgeleerden en vele 11. Vaders, inzonderheid de HH. (\'hrysostomus, Ambrosius, Anselmus, enz., de woorden van den Apostel Paulus (l) en zijne handelwijze jegens den boetvaardigen Corinthier. \'t Is dus volstrekt geene nieuwigheid, als het Concilie van Trente leert, dat de Kerk de macht heeft om aflaten te vergunnen, wijt de Apostelen reeds die macht uitgeoefend hebben.
Doch wie geeft in de Kerk de aflaten? De Paus van Rome, de Bisschoppen en sommige andere oversten door de goddelijke macht, die zij van Christus over de schatten der 11. Kerk ontvangen hebben. De Paus van Rome geeft in hoedanigheid van opperhoofd der Kerk aan alle geloovigen volle of gedeeltelijke aflaten, volgens dat hij het nuttig oordeelt. De Bisschoppen kunnen gedeeltelijke aflaten van veertig dagen geven en alleen aan hunne diocesanen of personen, die zich op dat oogenblik in hun bisdom bevinden. Bijgevolg, R li., zoo gij een gebed zoudet lozen, waaraan, bijv., do Bisschop van Namen eenen aflaat
(i) i Ccu. ii, 10.
gehecht heeft, dien atlaal kunnen wij niel verdienen, wijl wij geene onderdanen van vermelden Bisschop zijn.
De aflaten, B. B., zijn eigenlijk gegeven voor do levenden, tenzij er uitdrukkelijk bijgevoegd is, dat zij toepasselijk zijn aan de geloovige zielen des vagevuurs. Niemand kan voor de levenden eenen allaat verdienen tenzij voor zicii zeiven. Men kan op eenen dag verscheidene volk1 of gedeeltelijke allaten verdienen; doch zoo men op eenen dag een vollen aflaat in gansch zijne uitgestrektheid verdiend had, zoude men geen andere voor zich zeiven kunnen verdienen; men zoude die allaten op de geloovige zielen moeten toepassen, in geval zij er toepasselijk op zijn.
De Paus van Rome kan aflaten verlcenen, toepasselijk op de levenden en dooden, doch de Bisschoppen enkel voor de levenden. Ziedaar wie de macht heeft om aflaten te vergunnen.
111.
De Catechismus vraagt:
Wat moeien wij doen om de allaten te verdienen? Kn hij antwoordt:
Al wat de paus of\' de bisschoppen daartoe vereischen.
Er worden doorgaans drie zaken veroisclit: het inzicht, de staat, van genade en de getrouwe vervulling der voorgeschreven werken.
1quot; Het inzicht. Men moet den allaat dooi\' de voorgeschreven werken willen verdienen. De (Gelukzalige Leonardus van l\'orlo Mauricio raadt den geloovigen aan, van \'s morgens het inzicht te maken van alle aflaten te verdienen, die er gedurende den dag aan hunne goede werken vast zijn.
2° De staat van genade, d. w. z., men moet zuiver zijn van doodzonde; eene enkele doodzonde is reeds een beletsel van den kleinsten aflaat voor zich zeiven te verdienen. De dagelijksche zonde of de genegenheid tot die zonde is een beletsel van een vollen aflaat in gansch zijne uitgestrekheid te verdienen. 1k hob
— 494
gezegd voor zich zeiven, want \'t is een gegrond gevoelen van veel godgeleerden, dat men in slaat van doodzonde aflaten verdienen kan voor de geloovlge zielen des vagevuurs; doch wijl dit gevoelen niet geheel en al zeker is, daarom is het zekerste zich eerst in staat van genade te stellen door eene goede biecht te spreken, often minste dooi\' een volmaakt berouw te verwekken over zijne zonden met \'t voornemen van ze zoo spoedig mogelijk te biechten. Bijgevolg zoude iemand in staat van doodzonde den kruisweg doende de aflaten, die er aan vast zijn, wel niet voor zich, doch voor de geloovige zielen des vagevuurs kunnen verdienen.
3° De vervulling der voorgeschreven werken. Tot het verdienen van een vollen aflaat worden doorgaans drie voorwaarden vereischt: biechten, communiceeren en bidden tot intentie onzer Moeder de II. Kerk.
1° De biecht is altijd noodzakelijk, of men in staat van genade is of niet, zoo zij voorgeschreven is in de vergunning van den aflaat, anders is het genoeg in staat van genade te zijn. Zij, die eens in de week te biechten gaan, kunnen al de aflaten verdienen, welke in die week voorkomen, mils zij communiceeren en bidden gelijk vereischt wordt. Ik heb gezegd: eens in de week, en niet. alle acht dagen, want daarin bestaat een verschil. Iemand, bijv., zoude \'s maandags te biechten gaan en wachten tot den zaturdag der volgende week, dus tot den dertienden dag na zijne laatste Biecht; hij is nochtans eens in de weel; te biechten geweest, hetgeen voldoende is.
2° Door de II. Gommunie wordt natuurlijk verstaan eene waardige Communie: zij kan geschieden in welke kerk ook, lenzij de kerk aangewezen zoude zijn in de vergunning van den aflaat.
3quot; Men moet bidden tot intentie onzer Moedei\' de II. Kerk, namelijk, lot verhefllng onzer Moeder de H. Kerk zelve, tot uitroeiing der ketterijen, tot eendracht der chrlstene vorsten, tot voortplanting des geloofs en voor andere noodwendigheden des Christendoms. Men behoeft aan al die bijzonderheden niet te
— 495 —
denken; \'t is genoeg dal men bidde volgens do inzichten van Zijne Heiligheid den Paus. Ook is do tijd niet bepaald hoe lang men moet bidden; maar \'t is de gewoonte van minstens vijfmaal het Onze Vader en vijfmaal het Wees gegroet te bidden; doch hoe meer en vuriger men bidt, hoe beter men den aflaat deelachtig wordt. Men kan dat gebed doen voor ot\' na de II. Communie, of in den loop van den dag, dus is het niet noodig do kerk voor de tweede maal te bezoeken, zoo men eenmaal in de kerk volgons do inzichten van don Paus gebeden hooft.
Somtijds wordt er om een vollen aflaat te verdienen nog een ander goed werk vereischt, bijv., hot geven ooner aalmoes of het vasten tijdons den Jubiló. Moeten die werken ook in staat van genade geschieden!\' De godgeleerden stemmen in het algemeen overeen, dat het genoeg is in staal van genade te zijn, als men het laatste werk verricht, omdat alsdan de allaat toegepast wordt. Dus zoude men zijne aalmoes kunnen geven of vasten voor of na do biecht, als het maar geschiedt binnen don bepaalden tijd.
SLUITREDE.
Ziedaar, B. B., de voornaamste punten aangaande de aflaten uitgelegd. Bedanken wij God voor zijne oneindige goed - en barmhartigheid, wijl Hij zijne Kerk tot welzijn barer kinderen een zoo kostbaren schat van verdiensten en voldoeningen gelaten heeft; schat, die oneindig is en waaruit de oversten der Kerk, om ons en de geloovige zielen bij te staan, ruimschoots putten. Laten wij de schoone en gemakkelijke gelegenheden om aflaten te verdienen niet voorbij gaan.
De Catechismus vraagt:
Wat moei om bewegen om de aflaten te verdienen? En hij antwoordt:
Dal zij een yemakkelijli en krachtig middel zijn om voor onze zonden te voldoen, en de zielen des vagevuurs le helpen.
— 490 —
Wie onzer denkt geheel en al voldaan te hebben voor zijne zonden? Wie onzer telt niet iemand onder de overledenen, die hem dierbaar is? Daarom, verdienen wij zooveel aflaten als mogelijk is; wij zullen gemakkelijk hier op aarde aan de goddelijke reeiilvaardigheid voldoen; wij zullen vele geloovige zielen voor ons naar den hemel sturen, die onze zielen na den dood, \'t is te hopen, zullen mogen ontvangen. Amen.
VIJFTIGSTE ONDÊRRICHTINGr
OVER DE VERGIFFENIS DER ZONDEN
Quorum remiserit-is peecata remittuntur illis.
Wier zoikIcüi gij zult vergeven lieblien worden hun vergeven. (Joan, xx, 23.)
VOORRKDE.
In deii tienden artikel van het Syinboluin belijden wij dat er bij God vergiffenis der zonden te bekomen is, en dat .Tesus-Christns zijne Kerk de niaclit gegeven lieeK 0111 de zonden te vergeven.
VERDEELING.
1, Wie heeft de macht 0111 de zonden to vergeven ? 11. Hoe worden zij vergeven?
III. Welke zonden kunnen vergeven worden?
Gei.oofs- en Zedeni.rkr. 32.
I.
God alleen kan eigenlijk de zonden vergeven; Uij heeft de macht uit zich zeiven; die macht heeft Hij de dienaren der Kerk medegedeeld. De priester mag over die macht niet beschikken volgens zijn goedvinden. Hij mag niemand, die slecht gestold is, de absolutie geven; niemand, die goed gesteld is, de absolutie weigeren; bijgevolg is het jimbt van den biechtvader moeielijk eu verschrikkelijk.
II.
De zonden worden vergeven door het Doopsel, door de Biecht en door het H. Oliesel; maar de zondaar moet in elk geval leedwezen hebben over zijne zonden; zonder leedwezen kan God de zonde niet vergeven en de priester zoude te vergeefs de H. Sacramenten toedienen. De zondaar zoude zonde op zonde stapelen en zich des te ongelukkiger maken.
III.
Kr is vergitlenis te bekomen van alle zonden. Een en dezelfde zondaar kan herhaalde malen vergiffenis bekomen, mits bij telkens goed gesteld zij. Woorden van Jesus tot Petrus.
si,UITREDE.
Bedanken wij God voor zijne oneindige goed - en barmhartigheid; doch verliezen wij ook niet uit het oog wat er vereischt wordt om vergiffenis te bekomen. Zoo wij goed gesteld zijn, mogen wij met betrouwen onze toevlucht tot de H. Sacramenten nemen; wij zullen Gods genade bekomen, en er getrouw aan blijvende zullen wij onze zaligheid bewerken.
— 499 —
VIJFTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DE VERGIFFENIS DER ZONDEN
Quorum remiseritis peccata remittuntur illis.
Wier zonden gij zult vergeven hebben worden hun vergeven. (Joan, xx, 2.1.)
VOORREDE.
1 ld tweede voordeel, B. ]gt;., dat in de R. K. Kerk te vinden is en waarvan liet Symbolum gewag maakt, bestaat in de vergiffenis der zonden. De tiende artikel des geloofs luidt als
volgt: Credo...... remissionem peccatum. Ik geloot\'...... de
vergiffenis der zonden. Wanneer wij zeggen: Ik geloof de vergiffenis der zonden, dan belijden wij dat er bij God vergiffenis der zonden te bekomen is, en dat .iesus-Ciirislus zijne Kerk de macht gegeven heeft van de zonden te vergeven. Leggen wij vandaag die waarheden een weinig verder uil en zien wij:
I. Wie de macht heeft om de zonden te vergeven;
II. Hoe de zonden vergeven worden;
111. Welke zonden kunnen vergeven worden,
I.
De zonden vergeven, ten minste zoo er sprake is van dood zonden, beteekent eenen rnensch, die vijand van God is, met God verzoenen; doch dat verzoenen van dien vijand met God, of liever, gelijk de II. .Uigustinus zegt, het rechtvaardigen van
eenen zondaar, is een grooter werk clan het scheppenquot; van hemel en aarde; bijgevolg komt het God alleen toe de zonden te vergeven. God zelf verklaart het overigens door den mond van zijnen Profeet Isaias: Ego sum, ego sum ipse qui delc.o iniquiiutes: (i) Ik, Ik zelf ben het, zegt God, die de misdaden vergeef. De Schriftgeleerden, die Jesus niet voor den beloofden Messias wilden erkennen, verklaarden duidelijk dat God alleen de macht heeft om do zonden te vergeven.
Zekeren dag bracht men eenen lamme op zijn bed bij onzen goddelijken Zaligmaker. Toen Jesus het levend geloof van dien lamme en van hen, die hem aanbrachten, zag, zeide Hij zich tot den zieke richtende: Vertrouw mijn zoon! uwe zonden worden u vergeven. Kenigé Schriftgeleerden, die dat hoorden, zeiden: Hij lastert God — door zich namelijk iets toe te schrijven, dat God alleen toekomt — want wie kan de zonden vergeven, zoo niel God alleen? Onze goddelijke Zaligmaker ontkent niet hetgeen zijne vijanden zeggen, namelijk, dat God alleen de macht heeft van de zonden te vergeven; neen, B. B., maar Hij gaat door een mirakel bewijzen, dat Hij God is en bijgevolg, dat Hij ook de macht heeft van de zonden te vergeven. Jesus, zoo verhaalt de Evangelist Matlhams, hunne gedachten ziende, zeide: Waarom denkt gij kwaad in uw hart? Wat is er Keniakkelijkei\', te zeggen, u worden uwe zonden vergeven, dan wel, sta op en wandel? doch opdat gij zoudt weten dat de Zoon des menschen de macht heeft van de zonden te vergeven, — en bijgevolg God is — toen sprak Jesus tot den lamme: Surge, tolls ledum tuum, et cade in domum tuam; (8) Sta op, neem uw bed en ga naar huis. En wat gebeurde er? De lamme stond op en ging naar huis. God dus alleen kan uit eigene macht de zonden vergeven.
Doch ziet, God heeft de macht, die Hem alleen van natuur toekomt, aan de H. Kerk, d. i., aan de oversten der H. Kerk,
(i) Is. xl1ii, 25. (2) Matth. ix, 2.
— 501 —
aan do; Bisschoppen en Priesters geschonken. Immers; do Catechismus vraagt:
Van loicn heeft de heilige Kerk die macht? En hij antwoordt:
Van Christus, onzen Zaligmaker.
Jesus heeft die macht aan zijne Apostelen vooreerst beloofd, vervolgens gegeven. Tot Petrus zeide Jesus; Ik zal u de sleutels van het rijk der hemelen geven; alwat gij op aarde zuil gebonden hebben, zal gebonden zijn in den hemel, en al wat gij op aarde zult ontbonden hebben, zal ontbonden zijn in den hemel. Dezelfde beloften deed Hij aan de overige Apostelen. En opdat er niet de minste twijfel zoude overblijven; opdat wij juist zouden weten wat er door de macht van binden en ontbinden beteekend wordt, legde Jesus zelf het uit, toen Hij hun die macht gaf. Ontvangt den H. Geest, zeide Hij, wier zonden gij zult vergeven hebben worden hun vergeven, en wier zonden gij zult wederhouden hebben worden hun wederhouden. De Apostelen gaven die macht over aan de Bisschoppen, deze wederom aan hunne opvolgers en de Bisschoppen aan de Priesters, zoodat die» macht altoos in de II. Kerk bestaan zal. Hetgeen dus God van natuur en in eigen naam vermag, vermogen de Bisschoppen en Priesters in naam van God, met wiens macht zij bekleed zijn. Wij zijn, zoo sprak eertijds de Apostel Paulus, wij zijn de afgezanten van Jesus-Christus, en Hij zendt ons om u de vergiffenis uwer zonden te schenken. De Priester heeft dus van Christus de macht ontvangen om in zijnen naam de zonden te vergeven of te wederhouden. Doch merkt wel op, B. B., dat de Priester niet naai\' willekeur over die macht mag beschikken; hij mag er enkel over beschikken volgens de gesteltenis van den biechteling.
Bijaldien de Priester, bijv., , tot eenen zondaar, die slecht gesteld is, zegt: Ego et absolvo: ik ontsla u: God, die tot in het hart van dien zondaar doordringt, die weet dat hij zich maar in schijn bekeert, zegt op zijne beurt: en Ik veroordeel u. Bijaldien de Priester zich ook nog plichtig maakt, door bijv., te
toegevend te zijn, door zijne macht te buiten te gaan, dan zal hetzelfde vonnis, én Priester, en zondaar treffen. Wee u ! zegt God tot de Priesters door den mond van zijnen Profeet Ezechièl: Wee u! die te toegevend zijt en zoo de zonden begunstigt, en de zielen in het verderf stort: ja, ik veroordeel, zoude God kunnen zeggen, te gelijkertijd, én dien on boet vaardigen zondaar, en dien slechten rechter.
Ook staat het den biechtvader niet vrij de absolutie te weigeren aan den zondaar, die goed gesteld is. God zal hem veroordeelen zoo hij geen gebruik niaakt van de macht, die hij ten voordeele der geloovlgen ontvangen heeft.
De bediening van den Priester is dus, gelijk gij ziet, moeielijk en verschrikkelijk: moeielijk, want in hoedanigheid van rechter moet hij oordeelen over de gesteltenis van den zondaar, of iüj de absolutie waardig of onwaardig is; verschrikkelijk, wijl iüj eenmaal rekenschap voor God zal moeten afleggen, hoe bij van zijne macht .gebruik gemaakt heeft, of het geweest is tot glorie van God en tot zaligheid der zielen. Zijt dus niet verwonderd, B. B., bijaldien de Priester zoo voorzichtig te werk gaat in het uitdeden van Gods heilige mysteriën, in het toedienen der H. Sacramenten; want hij heeft wel redenen van te sidderen en te beven, denkende aan de rekenschap, die iiij eenmaal zal moeten geven.
De Priester heeft dus van Christus de macht ontvangen om de zonden te vergeven.- Doch hoe oefent hij die macht uit?
II.
De Priester oefent die macht uit in het toedienen der Heilige Sacramenten.
Er zijn twee Sacramenten ingesteld om de zonden te vergeven, namelijk, het Doopsel en do Biecht.
— 503 —
Hot Doopsel vergeoft de erfzoiulo en alle andere zonden, die voor het Doopsel bedreven zijn. Dit Sacramenl is volstrekt noodzakelijk en kan niet vervangen worden, tenzij door het doopsel van bloed en door het doopsel van begeerte, vervoegd met een volmaakt berouw over zijne zonden.
In de Biecht worden de zonden vergeven, die na het Doopsel bedreven zijn, zij is noodzakelijk om vergitlenis der doodzonden te bekomen, tenzij men zich in de onmogelijkheid bevinde van hot Sacrament te ontvangen, in welk geval do zondaar een volmaakt berouw moet hebben over zijne zonden, met het verlangen en voornemen van ze te. biechten.
Het 11. Sacrament des Oliesels kan in zekeren zin beschouwd worden als de voltrekking der Biecht; het vergeeft de zonden, die nog over zijn, of die de zieke in \'I een of ander geval bij gebrek aan tijd niet zoude hebben kunnen biechten.
Men kan dus in vorschillende Sacramenten vergiffenis van zijne zonden bekomen; doch iets, !?. !!., dat men volstrekI niet vergoten mag, is dat men geene vergillbnis der dadelijke zonden kan bekomen zonder berouw. Zonder berouw zoude God zelf do zonden niet kunnen vergeven. God verfoeit altoos en noodzakelijk do zonde; welnu, de zonde bestaat altoos in \'t hart van den zondaar, zoo lang hij er geen berouw over heeft, zoo lang hij niet voornemens is van leven te veranderen. Te vergeefs zoude do Priester de 11. Sacramenten toedienen om de zonden te vergeven; de zondaar, in plaats van vergiffenis te bekomen, zoude zonde op zónde stapelen, en in plaats van Gods barmhartigheid, die overigens oneindig is, over zich af te trekken, zoude hij zijnen toorn inloopen en zijne strenge rechtvaardigheid moeten ondervinden. Ik zeg dat Gods barmhartigheid oneindig is, en niet zonder reden.
— 504 —
III.
De Catechismus vraagt:
Van welke zonden is er in de heilige Kerk vergiffenis le bekomen?
En hij antwoordt:
Van alle zonden, hoe groot of hoe zwaar die ook zouden mogen wezen.
God dus hoeft geene enkele zonde uitgenomen. Alwat gij zult ontbonden hebben, zeide Jesus, zal ontbonden zijn. Wier zonden gij zult vergeven bobben, die worden hun vergeven.
God heeft niel alleen de macht gegeven van de zonden te vergeven, maar Hij heelt ook gewild dat de Priester er dikwijls gebruik van make, zelfs ten opzichte van den zondaar, die in de zonde zoude hervallen zijn. Petrus vroeg Jesus hoe dikwijls bij kon vergeven, of hij het zevenmaal kon. Wat antwoordde Jesus? Ik zeg u niet zevenmaal, maar zeventigmaal zevenmaal, d. w. volgens de leering van het concilie van Trente, zoo dikwijls de zondaar waarlijk bedroefd over zijne zonden vergiffenis vraagt in de biecht.
SLUITREDE.
God hoeft den Priesters, gelijk wij gezien hebben, do macht gegeven van de zonden te vergeven; zij oefenen die macht uit als zij zekere Sacramenten toedienen. Zij kunnen alle zonden, zelfs verscheidene malen, vergeven, mits de zondaar goed gesteld zij.
Bewonderen wij, 15. B., de oneindige goed- en barmhartigheid Gods; maar vergoten wij ook nooit de gesteltenis, die er van onzen kant veroischt wordt, dat wij ons waarlijk moeten bekoeren. God roept don zondaar toe van tot Hem te komen, indien hij leedwezen hoeft over zijne zonden; maar voor den zondaar, die zich niet wil bekoeren, heeft Hij geene woorden van goedheid, barmhartigheid en vergeving. Integendooi; ziehier
— 505 —
wal de Prolbel van God tot den zondaai\' zegt: Bijaldien gij u niet bekeert, zal Hij zijn zwaard gebruiken; Hij heeft zijnen boog gespannen en aangelegd, en Hij heelt er doodelijke pijlen op gelegd. Alles is dus te vreezen voor den onboetvaardigen zondaar, die zijne bekeering van dag tot dag uitstelt ; die vermetel zegt: God is goed; ik zal zoo maar voortleven; latei-zal ik mij wel bekeeren en boetvaardigheid doen. Neen, B. B., die zondaar loopt groot gevaar van nooit vergiffenis van zijne zonden te bekomen. God zoude bem kunnen zeggen: Ik zal met u laehen; gij zult Mij zoeken en niet vinden; in uwe zonden zult gij sterven. Hoe dan! B. B., wijl God goed is, moeten wij daarom ondankbaar zijn? En wijl God herhaalde malen vergeeft, zullen wij niet ophouden God herhaalde, malen te vergrammen? Hoort wat de Apostel Paulus daarover zegt: Weet gij dan niet, zegt hij, dat de goedheid Gods tot boetvaardigheid uitnoodigt, en nochtans, wijl uw hart verstokt is, vergadert gij u eenen schat van toorn voor den dag der wrake, d. L, voor den dag des oordeels, waarop God eenieder zal geven volgens zijne werken.
Onderzoeken wij ons dus wel hoe wij ons jegens God gedragen, en overwegen wij de aangehaalde woorden van den Apostel, (lod is goed en barmhartig jegens den zondaar; \'t is onbetwistbaar, zoo niet lag de zondaar reeds lang in de hel te branden; doch hoe beter en barmhartiger God hier op aarde is, des te strenger en ongevoeliger zal Hij zijn in den laats ten dag des oordeels. Daarom, B. B., maken wij zonder uitstel gebruik van Gods goedheid, terwijl het nog tijd is; bekeeren wij ons oprecht tot hem, om niet te laat zijne onverbiddelijke gerechtigheid te mocvten ondervinden. Amen.
EEN - EN - VIJFTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DE VERRIJZENIS DES VLEESCHES
Omnes quidamp;m resurgemvs, sed non onines immutabimur.
Wij ,allen zullen wol verrijzen, maar wij allen zullen niet veranderd worden.
(i t\'on. xv, 20.)
INHOUD.
VOORREDE.
Na over de geestelijke verrijzenis, d. i., over de vergiffenis der zonden gesproken te hebben, gaan wij over de lichamelijke
verrijzenis, over die der dooden spreken.
*
VERDEELING.
I. Is het zeker dat wij zullen verrijzen?
II. Door wiens macht zullen wij verrijzen?
III. Tot wat einde en hoe zullen wij verrijzen?
— 507 —
I.
k
De verrijzenis wordt ons geleerd in het Oude en liet Nieuwe Testament: de H. man Job, de Machabeesche moeder, de Apostel Paulus, Jesus-Christus.
Dooden verwekt door Elias, Elizëus, de Apostelen, door Jesus-Christus.
De verrijzenis is een punt van ons geloof, zoo men ze loochent wordt men ketter.
II.
Wij zullen verrijzen door de almacht Gods. Verschil tusschen dé verrijzenis en schepping. Bijaldien God kan hetgeen meer is, waarom zQude Hij dan niet kunnen hetgeen minder is? Waarom dan die vragen: Hoe zal dat kunnen geschieden? enz. De godde-looze stelt die vragen en loochent de verrijzenis, omdat hij er bang voor is.
III.
De verrijzenis zal plaats hebben om de lichamen te doen deelen in de belooning ot\' straf voor het goed of het kwaad, dat zij met de zielen gedaan hebben.
De lichamen der gelukzaligen zullen verrijzen, klaar en schoonblinkend, licht, subtiel en onlijdelijk. De lichamen der verdoemden zullen verrijzen, duister en vuil, zwaar, grof en geheel gesteld om te lijden.
SLUITREDE.
Richten wij ons leven naar de waarheid der verrijzenis in, d. w. z., leven en sterven wij gelijk wij wenschen te verrijzen. Scheppen wij moed in het lijden door het geloof in de verrijzenis. Troosten wij ons met die waarheid bij het overlijden van vader, moeder, enz.
EEN - EN - VIJFTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DE VERRIJZENIS DES VLEESCHES
Omnes quidem resurgemus, sed non omnes immutahimur.
Wij allen zullen wel verrijzen, maar wij allen zullen niet veranderd worden.
(i Cor. xv, 20.)
VOORREDE.
Na laat.sleden gesproken te hebben over de vergiffenis der zonden, die eeiie geestelijke verrijzenis is, wijl de mensch daardoor van den dood der zonde tot liet leven der genade opgewekt wordt; na onder anderen gezien te hebben dat de Priesters alle zonden, die na het Doopsel bedreven zijn, vergeven kunnen, gaan wij thans tot de lichamelijke verrijzenis over, waarvan in den elfden artikel van het Symbolum des geloot\'s
gesproken wordt. Die artikel luidt als volgt: Ik geloof..... de
verrijzenis des vleesches: Credo...... carnis resurrectionem:
en wijl het van groot belang is voor alle menschen dit punt van ons geloof wel te kennen, zullen wij de drie volgende vragen beantwoorden:
I. Is het zeker dat wij zullen verrijzen?
II. Door wiens macht zullen wij verrijzen?
III. Tot wat einde en hoe zullen wij verrijzen?
I.
Do Catechismus vraagt vooreerst:
Wat is te zeggen verrijzenis des vleesch? En hij antwoordt:
— 509 —
Dat de doode lichamen der menschen door de macht Gods wederom uit de aarde zullen opstaan en levend voorden.
Toen de Apostel Paulus zich zekeren dag te midden van den Ariopagus bevond, sprak hij den geleerden van Athene onder anderen over de verrijzenis des vleesches; en ziet, zoodra zij den Apostel Paulus over de verrijzenis des vleesches hoorden spreken, begonnen er eenigen te lachen, zegt de Evangelist Lucas; zij ineenden dat de verrijzenis onmogelijk was. Anderen antwoordden dat zij Paulus een tweede maal over die zaak wilden hooren; sommigen geloofden er aan, en onder dat getal waren Dionysius, een van de voornaamsten van den Senaat van Athene, en eene vrouw met name Damaris. Hetgeen ik hier kom te zeggen, B. B., had plaats te midden van Heidenen en afgodendienaars.
De verrijzenis des vleesches is zeker, en er zijn weinig waarheden in onzen heiligen godsdienst, die klaarder in de H. Schrift bewezen staan dan deze. Het Oude en het Nieuwe Testament overtuigen ons met woorden en daden van die waarheid.
De Heilige man Job, tot de uiterste armoede gebracht, deed belijdenis van de verrijzenis; hij bekende dat er zijn troost, dat er zijne hoop in gelegen was. Ik weet, riep Job uit, ik weet dat mijn Verlosser leeft, dat ik ten jongsten dage uit do aarde zal opstaan, dat ik wederom met het vel, dat mijn vleesch bekleedt, zal omgeven worden en dat ik in hetzelfde vleesch mijnen God zal zien; die hoop berust in mijn hart en troost mij te midden der ontelbare rampen, die mij treffen. Ik vraag het u, B. B., is zij klaar de belijdenis, welke de H. man Job aangaande de verrijzenis aflegt?
De kinderen der Machabeesche moeder beleden dezelfde waarheid. Op de onmenschelijkste wijze gefolterd zeide een hunner op het- punt van te sterven: De menschen brengen ons om het leven, maar \'t is een voordeel voor ons van zoo te
— 510 —
sterven; wij troosten er ons in met de zoete hoop, dat God ons eenmaal zal doen verrijzen. De geloofsbelijdenis der Maclia-beesche jongelingen in de verrijzenis is niet minder klaar dan die van den H. man Job.
In het Nieuwe Testament vinden wij die waarheid bevestigd.
De Apostel Paulus bewijst door \'de verrijzenis van Christus de verrijzenis der dooden. Ik wil enkel den zin van de woorden van den Apostel geven. Wij prediken, zoo leert hij, dat Christus verrezen is, hetgeen waar is en een der voornaamste punten van ons geloof. Hoe dan, vraagt de Apostel, durven er eenigen onder u zeggen dat er geene verrijzenis bestaat? Bijaldien zij onmogelijk is, dan is Christus ook niet verrezen en ons prediken beteekent niets; maar liet is zeker dat Christus verrezen is; Hij is de eerste, die na gestorven te zijn verrezen is en niet meer zal sterven; bijgevolg zullen wij allen ook eenmaal verrijzen: Omnes quidem resurgemus, (l) in een stond, in een oogslag, als de trompet van liet laatste oordeel zal schetteren, want de bazuin zal gestoken worden, en de dooden zullen opstaan en niet meer sterven.
Jesus-Christus, de Zoon Gods, de eeuwige Waarheid zelve leert ons ook de verrijzenis. De tijd zal komen, zegt Jesus, dat zij, die in de graven liggen, de stem van den Zoon Gods zullen hooren, en die goede werken verricht hebben, zullen verrijzen tot het eeuwige leven, doch die slechte werken gedaan hebben, zullen verrijzen om voor eeuwig veroordeeld te worden.
Buiten de woorden vinden wij in de H. Schrift ook nog de doorslaandste daden, die de verrijzenis bevestigen.
In het Oude Testament wordt ons verhaald dat de Profeet Elias den eenigen zoon eener weduwe verwekte. Een doode werd op het graf van den Profeet Eliseus geworpen; nauwelijks
(l) i. Cor. xv, 20.
had liet doode lichaam de beenderen van den Profeet aangeraakt, of het werd levend. In hot Nieuwe Testament lezen wij dat de Apostelen dooden verwekt hebben.
Onze goddelijke Zaligmaker verwekte den zoon van de weduwe van Nairn, de dochter van Jairus, Lazarus, den broeder van Maria en Martha, wiens lichaam reeds begraven begon te rieken. Bijaldien wij nu. gelooven, dat de dooden, die ik hier opgenoemd heb waarlijk verrezen zijn, al zijn zij naderhand ook wederom gestorven; waarom zouden wij dan niet gelooven dat alle menschen ten jongsten dage zullen verrijzen om niet meer to sterven? Bijaldien men dus de verrijzenis, door God geopenbaard en door de H. Kerk te gelooven voorgehouden, niet gelooft, heeft men het geloof verloren; men wordt ketter en men zal de verrijzenis, niettegenstaande men ze loochent, in den laatsten dag des oordeels tegen wil en dank moeten ondervinden.
11.
Door wiens macht zullen wij verrijzen? God, B. B., die machtig genoeg geweest is om hemel en aarde met al wat zij bevatten uit den niet te trekken, zal ongetwijfeld macht genoeg hebben, om do menschen, die gestorven zijn, tot hot leven terug te roepen, \'t Is dus door do almacht Gods dat wij zullen verrijzen.
Die almacht is wel is waar niet alleen voor de schepping, maar ook voor do verrijzenis vau een noodzakelijk vereisóhte; doch van de twee werken, de schepping en de verrijzenis, in zich beschouwd, overtreft het werk dor schepping dat der verrijzenis. Vóór de schepping immers bestond er niets, tenzij God alleen. De afstand van het niet tot het wezen is oneindig. Om te scheppen wordt dus de almacht vereischt; doch de verrijzenis is geene schopping. De mensch wel is waar leeft niet meer; de ziel is van het lichaam gescheiden; maar die
— 512 —
twee (leelen, de ziel en liet lichaam, bestaan nolt;ï. De ziel leeft, want zij is onsterfelijk en kan niet vergaan. Het lichaam bestaat ook nog; het kan bederven, verstrooid worden, tot stof vergaan en liet zal vroeg ot laat tot stof vergaan: Pulvis\'es el in pulverem reverleris: Sprak God den vloek niet uit over het gansche mensclulom? Maar het lichaam van den mensch is niet vernietigd; het bestaat nog alhoewel in eenen anderen staat. Bijaldien God nu de macht heeft gehad om de ziel en het lichaam van den mensch van niet te maken, d. i., te scheppen, en ze inderdaad geschapen heeft; waarom zoude Hij dan de macht niet hebben om zijne verstrooide ledematen bij elkander te voegen, dat lichaam op nieuw te vormen, de ziel, die nog bestaat, op nieuw met het lichaam te vereenigen, den mensch te doen verrijzen? En bijaldien God één mensch kan doen verrijzen, waarom zoude Hij dan alle menschen niet kunnen doen verrijzen? Heeft God soms de macht niet om te doen hetgeen minder is — doen verrijzen — terwijl Hij de macht heeft om te doen hetgeen meer is? — scheppen. —• Is God minder almachtig na de schepping dan vóór de schepping? Maar de schepping blijft immer voortduren. De zie! van den mensch wordt bij zijne ontvangenis rechtstreeks van God geschapen. Waartoe dan al die vragen: Hoe zal de verrijzenis kunnen plaats hebben? Hoe zal dat kunnen gebeuren? Hoe zullen de lichamen, die wijd en zijd, rechts en links overal verstrooid zijn, kunnen opstaan? Zotte, belachelijke vragen, die de godde-looze zich stelt, ten einde een schijn te vinden om de verrijzenis te loochenen, wijl hij er bang voor is; wijl hij bang .is voor den Rechter dor levenden en der dooden te verschijnen; ziedaar de reden waarom hij zegt dat de mensch niet kan verrijzen. Maar, H. B., is God verplicht ons reden te geven van zijne almaclit en zijne wonderen? Of staat het ons vrij het een of ander te loochenen, wijl wij het niet begrijpen? Bijgevolg hebben wij volstrekt geene reden om de verrijzenis te loochenen; integendeel, God is almachtig en \'t is door de almacht Gods
— 513 —
dat wij zullen verrijzen; de eenige reden, waarom de goddeiooze de verrijzenis loochent, is, omdat hij er batig voor is. Zien wij op de derde plaats tot wat einde en hoe wij zullen verrijzen,
III.
De verrijzenis, B. 13., zal strekken, gelijk de Apostel Paulus zegt, om de lichamen, die in het goed of kwaad deel gehad hebben, ook in de belooning of straf te doen deelen.
Er zullen twee klassen van lichamen zijn, die der Heiligen en die der verdoemden. Beide zullen natuurlijk en volmaakt zijn van wezen, doch verschillend van hoedanigheid. Natuurlijk van wezen, d. i., niet alleen dezelfde lichamen als voor den dood, maar ook van denzelfden aard en vorm, zoo dat de menschen, die zich vroeger gekend hebben, zich na de verrijzenis zullen herkennen; volmaakt van wezen, d. w. z., de mensch zal niet als kind of ouderling maar als volwassen jongeling verrijzen: doch verschillend van hoedanigheid.
Daarom vraagt de Catechismus:
Hoedanig zullen de lichamen der godvruchtige of heilige menschen in de verrijzenis voorkomen? En hij antwoordt:
Heel klaar en schoonhlinkend, licht, subtiel en onlijdelijk.
De lichamen der heiligen zullen schitteren als sterren; zij zullen niet zwaar zijn en zich met ongelooflijke snelheid kunnen bewegen; zij zullen geen eten of drinken meer noodig hebben; zij zullen overal door heen kunnen dringen en niets meer te lijden hebben.
Hoedanig zullen de lichamen der verdoemden venijzen?
Duister en vuil, zioaar, grof en heel gesteld om te lijden.
Duister en vuil, dus zonder glans en afschuwelijk; zwaar, die lichamen zullen zich niet dan met moeite kunnen bewegen; grof, want alhoewel onsterfelijk zullen zij door een eeuwigen honger en dorst gekweld worden; en geheel gesteld om te
ÜELOOKS- KN ZKDKNLEER. 33,
— 514 —
lijden, zoodat zij in eeuwigheid de verschrikkelijkste folteringen te verduren zullen hebben. De lichamen der verdoemden zullen dus, gelijk gij ziet, verrijzen in een juist, tegenovergestelden staat van dien der Heiligen.
En Wanneer zal de verrijzenis geschieden?
Op het einde der wereld, namelijk, als hemel en aarde vergaan, de tijd voorbij en de eeuwigheid zal begonnen zijn.
SLUITREDE.
Welke vruchten moeten wij nu uit deze onderrichting over de verrijzenis trekken?
1° Wij moeten ons leven naar deze waarheid inrichten, met ernst denken aan het einde, dat ons allen wacht. Ja, wij zullen verrijzen, of wel met glorie omgeven of met schande overladen; voor den hemel of voor de hel. Bijaldien ik nu kwam te sterven, welk lichaam zoude men ter aarde bestellen? Zoude het wezen een lichaam met zonden bezoedeld? En welk lichaam zoude er dan ten jongsten dage verrijzen? Een duister, vuil, zwaar, grof lichaam en geheel en al gesteld om te lijden. Doch zoo ik mijn lichaam eerbiedig en mijne ziel in staat van genade bewaar, zal die ziel een klaar, schoon blinkend, licht, subtiel en onlijdelijk lichaam wedervinden.
Het leven, de dood en de verrijzenis, 15. B., slaan gelijk, merkt het wel op. Gelijk de mensch leel\'t, sterft hij; en gelijk hij sterft, zal hij verrijzen. Leven wij dus heilig, om eenmaal den dood der rechtvaardigen te mogen sterven en met de Heiligen te mogen verrijzen. Versterven wij onze lichamen, waartoe de Apostel Paulus ons aanzet als hij zegt: Versterft uwe ledematen hier op aarde. Wij moeten naar het voorbeeld van den Apostel onze lichamen kastijden en in bedwang houden.
2° Wij moeten moed scheppen in de kruisen en wederwaardigheden, die ons overkomen; zij zullen niet altoos blijven
f i
SI
— 515 —
duren. Weldra zullen wij sterven; doch de dood, niet een levend geloof in de verrijzenis beschouwd, is geen ongeluk, vooral niet, zoo men op aarde veel te lijden heeft. Integendeel; sterven is eene verandering van leven; of liever, quot;t is de overgang van een langzamen dood tot een leven, dat eeuwig zal duren. Daarom moeten wij
3° ons troosten met de hoop op de verrijzenis, wanneer wij eenen vader of eene moeder, eenen broeder of eene zuster, een bloedverwant of vriend door den dood komen te verliezen. Wij mogen wel is waar het verlies dier dierbaren betreuren, doch onze droefheid moet niet overdreven, maar gematigd zijn; wij moeten ons troosten met de gedachte dat wij die personen eenmaal zullen wederzien. Dat lichaam, hetgeen wij naar liet graf vergezellen, zal eenmaal herleven om niet meer te sterven; of liever; ware Christenen sterven niet; zij doen niets anders dan van leven veranderen. Voor een oogenblik van elkander gescheiden zullen zij zich weldra met elkander op nieuw vereenigen, daarboven in den hemel, om nimmer meer gescheiden te worden. Amen.
TWEE - EN - VIJFTIGSTE ONDERRICHTING
OVER HET VAGEVUUR
Amen dico iibi, non exies inde, donee recldas novissmnm quadrantem.
Voorwaar ik zeg het, u, gij zult daar niet uitkomen, alvorens den laatsten penning to hebben betaald. (Matth. v, sb.)
INHOUD.
VOORREDE.
Wij allen zullen verrijzen: die waarheid is troostrijk voor den rechtvaardige en verschrikkelijk voor den zondaar. De eeuwige belooning of straf wordt voor liet lichaam uitgesteld tot het andere leven, maar de ziel wordt onmiddellijk na den dood gezonden naar den hemel, naar de hel of\' naar het vagevuur. Zien wij vandaag:
VERDEEUNG.
I. Wat liet vagevuur is;
.11. Welke zielen naar het vagevuur gezonden worden;
111. Hoe wij die zielen kunnen helpen.
— 517 —
L
\'t Is een punt van ons geloof dat er een vagevuur bestaat, door God geopenbaard en door de II. Kerk te gelooven voorgesteld. Judas de Machabeër, Jesus-Cliristus, de Apostel Paulus, de gezonde rede, het Concilie van Trente.
II.
Worden naar bet vagevuur gezonden de zielen dergenen, die in Gods genade sterven, maar niet ontslagen zijn van alle dagelijksche zonden ol last van penitentie. Die zielen lijden de pijn van schade en de pijn van gevoel. Zij worden getroost door de liefde Gods, door de verzekering hunner zaligheid. Zij zijn overgegeven aan den wil van God. Alle zielen lijden niet evenveel noch evenlang; zij kunnen zich zeiven niet helpen.
III.
Het geloof leert ons dat wij die zielen kunnen helpen en wij helpen haar:
1° Door het H. Sacrillcie der Mis;
2° Door andere gebeden;
3° Door de H. Communie en andere goede werken.
Wij moeten de geloovige zielen helpen; de liefde verplicht er ons toe en ons eigen belang vordert het.
SLUITREDE.
Trachten wij het vagevuur te ontkomen door de dagelijksche zonden te vermijden; voldoen wij voor onze zonden zooveel mogelijk reeds hier op aarde, en komen wij de geloovige zielen te hulp.
TWEE - EN - VIJFTIGSTE ONDERRICHTING
OVER HET VAGEVUUR
Amen dico HM, non exies inde, donec reddas novissimum qmdrantem.
Voorwaar ik zeg het u, gij zult daar niet uitkomen, alvorens den laatsten penning te hebben betaald. (Matth. v, as.)
VOORREDE.
Wij alleii, B. R,, zullen ten jongsten dage verrijzen. God, na de aarde met liet al verslindend vuur gezuiverd te hebben, zal zijne stem doen hooren: Dooden staat op en komt ten oordeel!
De waarheid der verrijzenis is troostrijk en verschrikkelijk, troostrijk voor den rechtvaardige en verschrikkelijk voor den zondaar. De ziel van den rechtvaardige zal zich met haar glorieus lichaam vereenigen, om in eeuwigheid beloond te worden; de ziel van den zondaar zal zich ook met haar afschuwelijk lichaam moeten vereenigen, maar om in eeuwigheid gestraft te worden. De twaalfde artikel van het Symbolum des
geloofs luidt als volgt: Credo...... vitam oeternam: Ik geloof
het eeuwig leven. De Catechismus vraagt:
Wal belijden wij door den twaalfden artikel des Geloofs? En hij antwoordt:
Dal er na dit hort leven nog een ander leven is, hetwelk eeuwig zal duren.
De belooning of straf wordt wel is waar, wat het lichaam betreft, uitgesteld tot den laatsten dag des oordeels; doch:
Waar gaan de zielen der overledene christenen, als zij van deze wereld scheiden?
— 519 —
Tot cenc van deze drij plaatsen, te weten- lot den hemel, tot de hel of lot hel vagevuur. Vandaag zullen wij spreken over het, vagevuur en zien:
I, Wat het vagevuur is;
II. Welke zielen naar het vagevuur gezonden worden;
111. Hoe wij die zielen kunnen helpen?
1.
Het vagevuur, B. B., is eene plaats onder de aarde, waarin de zielen der geloovigen door liet vuur en andere pijnen gezuiverd worden van hunne zonden en schulden De Catechismus vraagt:
Wat zijn wij verplicht te gclooven van het vagevuur? En hij antwoordt:
Dat er een vagevuur is, en dal de zielen die daar opgehouden zijn, door de gebeden der geloovigen en bijzonderlijk door het heilig sacrijicie der Misse geholpen worden.
\'t Is een punt van ons geloof dat er een vagevuur bestaat.
In de H. Schrift lezen wij dat Judas do Machabeër geld naar Jerusalem zond, om offeranden te doen opdragen voor de soldaten, die in den strijd gesneuveld waren; hij geloofde dus aan de opstanding der dooden. Zoo hij niet gehoopt had dat de dooden eenmaal zullen verrijzen, dan ware het nutteloos geweest voor hen te bidden, \'t Is dus een heilig en heilzaam gedacht, zegt de H. Schrift, voor de overledenen te bidden opdat zij van hunne zonden ontbonden worden.
Onze goddelijke Zaligmaker leert dat er zonden zijn, die noch hier noch hiernamaals vergeven worden. De 11, Augustinus besluit daaruit dat er zonden zijn, die hiernamaals vergeven worden; in andere woorden dat er een vagevuur bestaat.
— 520 —
De Apostel Paulus leert dat er geloovigen zijn, die zalig zullen worden, doch niet zonder door een vuur te gaan; en de heilige Augustinus verstaat door dat vuur het vagevuur,
De Overlevering, B. B., leert ons ook duidelijk dat er een vagevuur bestaat. Er is geene eeuw, waarin die waarheid niet geloofd is. De II. Vaders spreken er ons van. De H. Augustinus droeg de H. Mis voor zijne overledene moeder op en vroeg van hetzelfde na zijnen dood voor hem te doen.
De gezonde rede leert ons ook het bestaan van het vagevuur. quot;Wij weten van den eenen kant dat er vele menschen in de liefde Gods sterven, zonder ten volle voldaan te hebben aan de goddelijke Rechtvaardigheid; die zielen kunnen dus niet tot de hel veroordeeld worden, wijl God ze bemint; van den anderen kant weten wij dat er niets dat besmet is, in den hemel kan komen; bijgevolg moet er eene plaats zijn, waar die zielen gezuiverd worden, d. i., een vagevuur.
De H. Kerk houdt ons die waarheid te gelooven voor. Zij spreekt in \'t Concilie van Trente den vloek uit over hen, die ze verwerpen ol\' loochenen.
Er bestaat dus een vagevuur. Doch zien wij op de tweede plaats, welke zielen gezonden worden naar het vagevuur.
11.
De Catechismus vraagt:
Wel/te zielen worden gezonden lot het vagevuur? En hij antwoordt:
Ue zielen dergenen, die in de gratie Gods sterven, maar nogtans niet ontslagen zijn van alle dagelijkse he zonden of last van penitentie.
Gaan dus naar het vagevuur de zielen dergenen, wier zonden hetzij doodzonden of dagelij ksche zonden wel is waar vergeven zijn, wat de schuld aangaat en ook de eeuwige straf, als er
— 521 —
spraak is van doodzonde; maar die nog geene volkomen boetvaardigheid gedaan hebben voor hunne zonden; daarvoor zullen die zielen in het vagevuur moeten lijden.
Wie onzer, B. B., ik vraag het u, zoude zich met de gedachte durven vleien hier op aarde zoo volmaakt en zuiver geleefd te hebben, dat hij na den dood niets meer te boeten zal hebben? Ik geloof dat die personen zeldzaam zijn. Daarom ook bidt men zonder onderscheid voor alle geloovigen. Bijaldien het nu gebeurde dat men bad voor eene ziel, die recht naar den hemel zoude gaan, of\' voor eene ziel die reeds uit hot vagevuur verlost zoude zijn, die gebeden zijn niet verloren; zij worden krachtens de gemeenschap der heiligen, waarover wij vroeger gesproken hebben, aan andere zielen toegepast.
De pijn, die de geloovige zielen te lijden hebben, is tweederlei: de pijn van schade en de pijn van gevoel.
De pijn van schade bestaat in het derven van het goddelijk aanschijn, d. w. z., dat die zielen voor eenigen tijd verstoken zijn van het geluk van God, naar wien zij zoo vurig verlangen, aanschijn aan aanschijn te aanschouwen. Van de pijn van schade, B. B., kunnen wij ons maar een flauw denkbeeld vormen, omdat wij den staat van de zielen des vagevuurs niet genoeg kennen. Die zielen beminnen vurig haren God; zij verlangen naar niets zoo zeer dan naar Hein; zij weten dat haar geluk in het bezit van God bestaat; zij worden aanhoudend naar Hem getrokken, en nochtans, \'t is haar onmogelijk zich tot Hem te verheffen en zich met Hem te vereenigen. Ziedaar, B. B., waarin vooral de pijn van schade bestaat, maar waarvan wij hier op aarde nooit de hevigheid zullen besefl\'en.
De tweede pijn is de pijn van gevoel. De II. Kerk wel is waar heeft niet beslist of uitspraak gedaan over de pijn van gevoel; doch het is een algemeen gevoelen, hetgeen men volstrekt niet mag verwerpen, dat er in het vagevuur een
— 522 —
wezenlijk vuur bestaat, aan liet vuur der hel gelijk, waardoor de zielen gezuiverd worden.
In \'t midden der pijnen worden die zielen getroost door de liefde, die zij God en die God haar toedraagt, en door de verzekering van eenmaal in den hemel te komen. Zij hebben dus niet te vreezen van ooit verloren te gaan; daarom zijn die zielen ook geheel en al overgegeven aan den wil van God. Alle zielen in het vagevuur lijden niet evenveel noch evenlang; doch elke ziel lijdt volgens dat zij schuldig is, en tot dat zij aan de goddelijke Rechtvaardigheid voldaan lieeft. De zielen des vage-vuurs kunnen voor zich niets verdienen; zij moeten lijden tot dat de bepaalde tijd der straf verloopen is; doch de H. Kerk leert ons, gelijk wij reeds gezegd hebben, dat de zielen, die in het vagevuur opgehouden zijn, door de gebeden der geloovigen en bijzonder door het H. Sacrificie der Mis geholpen worden.
mm \'ï\'iï:
lil.
Het H. Sacrificie der Mis is het krachtigste middel om de geloovige zielen te helpen. Immers, \'t is de hernieuwing van het Sacrificie, dat Jesus-Christus op den Calvarieberg tot zaligheid der menschen aan God zijn Hemelschen Vader heeft opgedragen; \'t is het voldoeningsoffer bij uitstek. Vandaar dat de priester in de Mis de gedachtenis der\' overledenen houdt, als Jesus-Christus onder de gedaanten van brood en wijn op het altaar tegenwoordig is. Geen wonder dat de H. Kerk bij de begrafenis voor de rust der zielen het H. Sacrificie aan God opdraagt; geen wonder dat de geloovigen, om de zielen des vagevuurs bij te staan, zoo dikwerf de H. Mis bijwonen, ja, wat meer is, het H. Sacrificie der Mis laten opdragen.
Alle andere gebeden zooals, bijv., het Vader ons, het Wees gegroet, de ofllciën, die onze Moeder de I-I. Kerk voor de overledenen verricht, zijn uitstekende middelen om onze lijdende broeders en zusters te hulp te komen; docli wij moeten zorgen
li
— 523 —
die gebeden naar behooren te doen, met aandacht en godsvrucht, zonder dat zal Uod onze gebeden niet verhooren en zullen zij bijgevolg de geloovige zielen weinig of niet baten.
De H. Communie, in eene goede gesteltenis ontvangen, is een zeer krachtig middel om de geloovige zielen te helpen. Wanneer wij tot de 11. Tafel naderen doen wij een werk, dat God zeker aangenaam is. In die gelukkige ooguiiblikken zijn wij bijzonder de vrienden van God, waardig om tot Hem te spreken en om van Hem verhoord te worden. Wanneer wij Jesus-Christus ontvangen, rust Hij als het ware op ons hart, en op ons hart kunnen wij als op een altaar dat zoenoffer aan God den Vader opdragen. Op het oogenblik der H. Communie mogen wij met betrouwen God voor de geloovige zielen bidden. Zoude Hij ons iets kunnen weigeren? Hij heelt zich zeiven aan ons gegeven. Maar, B. B., wij zijn niet alleen die bidden. Jesus, die na de H. Communie in ons hart rust, bidt met ons voor de zielen des vagevuurs, en God de Vader zonde zijn welbeminden Zoon niet verhooren? Bidden wij dus dikwijls voor de geloovige zielen des vagevuurs, en verrichten wij voor haar nog andere goede werken, zooals, bijv., den kruisweg; zonder iets voor ons te verliezen, zullen wij tevens aan eene groote verplichting voldoen. Ik wil nu niet zeggen, B. 1!., dat men soms uit rechtvaardigheid verplicht kan zijn voor de geloovige zielen dos vagevuurs te bidden; ik zeg enkel dat wij er uit liefde toe gehouden zijn. Wat zegt het gebod der liefde? Doe aan een ander, hetgeen gij wenscht dat u geschiede. Welnu; zoo wij in het vagevuur lagen te branden, zouden wij zeker verlangen dat men ons te hulp kwam; doen wij dus hetzelfde en reiken wij eene helpende hand om de zielen uit hare pijnen te verlossen. Liefde, medelijden en dankbaarheid zetten er ons toe aan. Luisteren wij een oogenblik naar de klagende stem, die zich uit het vagevuur laat hooren. Miseretnini mei! i) Hebt mede-
(1) Jon. xix, 21.
lijden met mij, gij ton minste mijne vrienden, want de hand des Heeren heeft mij getroffen. Wellicht hoort gij de slem van eenen Vader, die u toeroept: Mijn kind, heb medelijden met mij! Ik lieb u naast God het leven geschonken en bewaard; dag en nacht heb ik voor u gearbeid en geslaafd om u het noodige en aangename te verschaffen. Ik heb u bemind, en door mijne liefde verblind, ben ik soms te toegevend geweest; die toegevendheid moet ik nu in liet vagevuur uitboeten: Miseremini mei! Heb dus medelijden met mij. Uwe moeder is gestorven; misschien lijdt zij in het vagevuur: die moeder, die zooveel voor u gedaan en geleden heeft; die zoovele slapelooze nachten voor u heeft doorgebracht, zoo menigen traan voor u gestort heeft; en het kind zal naar de klagende stem zijner moeder niet luisteren, als zij uitroept: Mijn kind! heb medelijden met mij: Miseremini mei! Man, denk aan uwe vrouw; vrouw, denk aan uwen man: aan den voet des altaars hebt gij elkander liefde gezworen; ach! \'t is nu meer dan ooit tijd uwe liefde te doen blijken, door uwe gebeden en goede werken voor de ziel van die vrouw, van dien man aan God op te dragen: in een woord, vergeten wij de geloovige zielen des vagevuurs niet. Neen, B. B., zijn wij niet ongevoelig noch ondankbaar; zoo wij er verlies in leden, wij zouden ons nog eenigszins kunnen verschoonen; doch ons eigen belang vordert de geloovige zielen bij te staan. Die zielen, door ons uit liet vagevuur verlost en in het bezit des hemels gesteld, zullen ons niet vergeten. Terwijl wij hier op aarde nog verkeeren, zullen zij reeds voor ons bidden; maar vooral wanneer wij zeiven na den dood in \'t vagevuur komen — en wie onzer denkt er aan te ontsnappen — o, dan zullen zij onzer gedenken en onze, verlossing verhaasten: ons eigen belang dus, gelijk gij ziet, vraagt van voor de geloovige zielen te bidden.
SLUITREDE.
Uit doze korte onderrichting over het vagevuur beluiten \\vi,j ons best te doen om het vagevuur te ontkomen, want \'t is eene plaats van verschrikkelijke pijnen. Zeggen wij dus nooit: Dit of dat is maar eene kleine zonde; \'t zal er zoo nauw niet in toegaan; daarvoor zal ik niet naar de hel gaan. B. 15., buiten het gevaar, waaraan men zich blootstelt van in doodzonde te vallen door de dagelijksclie zonden weinig of niet te achten, zal men die zonden in het vagevuur duur en zeer duur moeten betalen. Vervolgens, trachten wij hier op aarde reeds zooveel mogelijk voor de dagelijksclie fouten en gebreken aan de goddelijke Rechtvaardigheid te voldoen. Men kan hier op aarde veel gemakkelijker voldoen door zijne gebeden en goede werken, door de kruisen en wederwaardigheden met geduld te verdragen dan hiernamaals in het vagevuur. Eindelijk, staan wij de geloovige zielen bij:
Is hel goed de zielen des vagevuur te helpen ?
Ja, de heilige Schriftuur zegt dal het een heilig en zalig gedacht is voor de overledenen te hidden, opdat zij van de zonden onthanden worden.
Hebben wij dus medelijden met de zielen des vagevuurs, de zielen des vagevuurs zullen eenmaal medelijden met ons hebben. Amen.
DRIE - EN - VIJFTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DE HEL
llmnt hi in supplicium lt;eternum.
Dezen zullen de eeuwige straf ingaan.
(Matïh. xxv, -IC.)
INHOUD.
VOORREDE.
Na do pijnen des vagevuurs uitgelegd te hebben, zullen wij die der hel overwegen. De pijnen der hel overtreffen ver de pijnen des vagevuurs. Wij zullen zien;
VERDEELING.
1. Wat de hel is;
II. Welke zielen naar de hel gaan;
111. Wat zij daar moeten lijden.
— 527 —
I.
Dc hel is eene plaats onder de aarde, eene plaats van onbe grijpelijke tormenten, \'t Is een punt van ons geloof dat er eene hel bestaat. Woorden van Jesus-Christus, van den Heiligen Augustinus.
II.
Voor wie is de hel? Vooreerst voor hen, die buiten het waarachtig geloof sterven.
Wat moet men denken van de zielen der kleine kinderen, die besmet met de erfzonde alleen sterven? De H Augustinus, de H. Thomas, Vervolgens voor hen, die in staat van doodzonde sterven. Woorden van Jesus-Christus. Eene doodzonde is genoeg om naar de hel te gaan. Doch hoe is het mogelijk dat ééne doodzonde genoeg is om voor eeuwig gestraft te worden? \'t Is niet hetzelfde of men voor eene of meer doodzonden verloren gaat.
III.
Welke pijnen moeten de verdoemden lijden? De pijn van schade en de pijn van gevoel. De pijn van schade bestaat vooral in de onbegrijpelijk zware berooving van het goddelijk aanschijn. De pijn van gevoel is in - en uitwendig.
SLUITREDE.
Denken wij dikwijls aan de hel, vooral in de bekoringen. Denk aan uwe uitersten en in eeuwigheid zult gij niet zondigen.
— 528 —
DRIE - EN - VIJFTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DE HEE
Hunt hi in supplicium letenmm.
Dezen zullen de eeuwige straf ingaan.
(MaTTH. xxv, l(i.)
VOORREDE.
J)e pijnen des vagevuurs, B. B., zijn, gelijk wij in onze voorgaande onderrichting gezien hebben, verschrikkelijk. Immer naar oneindig geluk vurig verlangen, zonder het te kunnen bereiken; immer ten .sterkste naar God getrokken worden, zonder zich tot Hem te kunnen verhellen, ziedaar de pijn van schade, die de geloovige zielen lijden.
BiJ die pijn van schade komt ook nog de pijn van gevoel, namelijk, het vuur, waarin de zielen evenals het goud in den smeltkroes van hare vlekken gezuiverd worden. En nochtans, B. B., de pijnen des vagevuurs worden ver overtrolien door de pijnen der hel. Die waarheid zullen wij vandaag in \'t kort overwegen. Wij zullen dus zien;
I. Wat de hel is;
II. Welke zielen naar de hel gaan;
III. quot;Wat zij daar lijden.
I.
De hel, B. B., is eene plaats onder de aarde en eene plaats van onbegrijpelijke pijnen, waarin de duivelen en verdoemden door God gestraft worden.
— 529 —
Vooreerst is de hel eene plaats onder de aarde. Toen onze goddelijke Zaligmaker zekeren dag de duivelen uitjoeg, verzochten zij dat Hij hen niet zoude gebieden naar den afgrond te varen.
Vervolgens is de hel eene plaats van onbegrijpelijke pijnen. De rijke vrek noemt haar de plaats van folteringen: Locus tormentorum. (l) Hij somt de folteringen niet op, want de hel is eene verzameling van allerlei folteringen, die onbegrijpelijk, zijn, d. i., waarvan wij, noch de natuur, noch de hevigheid, noch de uitgestrektheid kunnen begrijpen. De duivelen en de verdoemden worden in die plaats van folteringen door God gestraft.
\'t Is een punt van ons geloof, B. B., dat er eene hel bestaat. Jesus-Christus de eeuwige Waarheid leert het ons duidelijk in het Evangelie. Hij zegt dat de goddeloozen zullen gaan in eene plaats van eeuwige straf: Ibunt In in supplicimn cvternum: (2) in eene plaats waarin geween en tandengeknars zullen heersclien; waarin uiterste duisternissen zullen zijn. Onze goddelijke Zaligmaker in het laatste oordeel het vonnis over de verdoemden uitsprekende zal zeggen: Gaat weg van Mij vervloekten in het eeuwige vuur, dat bereid is voor den duivel en zijne engelen, \'t Is dus zeker dat er eene hel bestaat. Niet gelooven dat God den boetvaardigen zondaar vergeeft, is God loochenen, zegt de H. Augustinus; doch men loochent niet minder God, door niet te gelooven dat Ilij de zonden straft. Zeggen dat er geene hel is, staat gelijk met te zeggen dat God zich den mensch niet aantrekt; dat Ilij hem aan zich zeiven overlaat; dat Hij zijne misdaden ziet en goedkeurt, ten minste niet afkeurt; in andere woorden: dat God niet wijs, niet heilig, niet rechtvaardig is.
Zij, die zeggen dat er geene hel bestaat, zijn goddeloozen of menschen, die zoo zeer aan hunne kwade driften verslaafd zijn, dat zij wenschen dat er geene hel ware. Zij zeggen dat zij aan het bestaan der hel niet gelooven; doch meenen zij het ook?
(i) Luc. xvi, 28. (2) Matth. xxv, 40.
üklooks i;\\ Zkdf.nlhi;r. Hl.
Neen, H. B., zij zijn onbeschaamde leugenaars; hun geweten spreekt hen tegen.
De Heilige Augustinus, van de goddeloozen van zijnen tijd sprekende, zeide: — en hetzelfde mogen wij van die van onzen tijd zeggen. — Gij durft zeggen dat er geene hel bestaat, maar gij durft het niet denken; het geweten zegt het tegenovergestelde. De goddelooze doet wel is waar zijn best om de stem des knagenden gewetens te smoren; maar het zal hem altijd doen weten, dat hij met de hel bedreigd wordt, en doen gevoelen dat hij ze verdiend heeft, \'t Is dus een punt van ons geloof dat er eene hel bestaat. Doch welke zielen zullen naar de hel gaan?
II.
De Catechismus vraagt:
Voor wie is dc hel? Rn hij antwoordt:
Voor die welke buiten het waarachtig (jeloof stenen, en ook voor die welke gelooven, maar buiten de liefde Gods met doodelijke zonden verscheiden.
Buiten de afgevallen engelen, die men duivelen noemt, zijn er twee klassen van menschen, die met de duivelen de straiten der hel zullen moeten deelen.
De eerste klasse van menschen zijn zij, die tot de jaren van verstand gekomen, buiten het waarachtig geloof sterven. Zonder liet geloof is het onmogelijk, zegt de Apostel Paulus, aan God te behagen; zonder het geloof is het onmogelijk zijne zaligheid te bewerken. Heidenen, Joden, Ketters, Schismatieken en al degenen die op geenerlei wijze, niet eens met de begeerte, tot de ware Kerk van Christus behooren, zullen verloren gaan.
Doch, B. B., wat moet men wel denken van de kleine kinderen, die nooit eene dadelijke zonde bedreven hebben, maar die, wijl zij het H. Doopsel niet ontvangen hebben, met de erfzonde alleen besmet gestorven zijn? Het is zeker dat die kinderen den hemel niet kunnen binnengaan: Zoo iemand niet
herboren is uit het water en den II. Geest, zegt Jesus uitdrukkelijk, liij kan het rijk Gods niet binnengaan. Nochtans, die kinderen zullen niet tot de hel veroordeeld worden, waar de duivelen en verdoemden gepijnigd worden; zij zullen gaan naar het voorgeborgte der hel, waarover wij vroeger gesproken hebben en dat voor die kinderen bestemd is.
De li. Augustinus is van gevoelen dat die kinderen eenige pijn van gevoelen zullen moeten lijden, maar de H. Thomas met nog andere godgeleerden zegt, dat zij wel is waar niet in den hemel zullen komen, en dus God niet aanschijn aan aanschijn zullen aanschouwen, waarin vooral hot geluk des hemels gelegen is; maar dat zij overigens geene pijnen te lijden zullen hebben, wijl de pijn van gevoel aan de dadelijke zonde beantwoordt, zonde, welke die kinderen nooit bedreven hebben. Zij zullen zelfs een natuurlijk geluk genieten, doch waarin dat natuurlijk geluk eigenlijk bestaat weten wij niet. \'t Zij ons dus genoeg te weten dat zij niet in den hemel kunnen komen, en dat zij met de duivelen en overige verdoemden niet zullen gestraft worden.
De tweede klasse van menschen, wier zielen onmiddellijk na den dood tot de hel veroordeeld worden, en die na het laatste oordeel met ziel en lichaam naar de hel zullen varen, zijn zij, die wel gelooven, maar in staat van doodzonde sterven.
Deze waarheid, 13. B., gaat ons vooral aan. Wij Katholieken zullen niet zalig worden, enkel, omdat wij het waar geloof bezitten; het geloof alleen is niet voldoende om in den hemel te komen; het geloof zonder de werken is een dood geloof. Niet allen, die zeggen: Heer! Heer! zullen het rijk der hemelen ingaan, zegt .lesus, maar die den wil van mijn hemelschen Vader gedaan hebben. Hu welk is de wil van God? Zoo gij het leven wilt ingaan, onderhoud de geboden; si ris ad vitani ingredi, serva mandata, (i)
(i) Matth. xix, 17.
De ondankbare Christenen dus, die tegen God zijn opgestaan, die zijne geboden overtreden en zich aan doodzonde hebben phchtig gemaakt, zullen, zoo zij geene boetvaardigheid doen, naar de hel verwezen worden.
\'t Is dus de doodzonde, B. B., die naar de bel leidt. Bijaldien gij God vrijwillig vloekt, in zaken van aangelegenheid aan ouders of oversten grootelijks ongehoorzaam zijt; zoo gij u aan merkelijke onrechtvaardigheid plichtig maakt, zondigt tegen de deugd van zuiverheid, in een woord, bijaldien gij eene doodzonde bedrijft, door gedachten ol\' begeerten, door woorden, werken of verznimenis en gij komt in staat van doodzonde te sterven, gij zijt verloren en de hol zal in eeuwigheid uw deel zijn. Wanneer men die waarheid wel nagaat, dan ziet men duidelijk hoe dwaas en hoe verblind de mensch is, die zich in gevaar stelt van voor eeuwig verloren te gaan, bijv., voor eene handvol geld of voor een vermaak van een oogenblik. Och of men over die waarheid eens goed nadacht, wanneer men in gevaar is van zonde of bekoord wordt; voorzeker, men zoude zoo gemakkelijk niet zondigen; Memorare, novissima iua el in ceternum non peccabis, zegt de 11. Geest; Denk aan uwe uitersten, en in eeuwigheid zult gij niet zondigen; bijgevolg, denk ook aan de hel.
Doch hoeveel doodzonden moet men bedreven hebben om tot de hel veroordeeld te worden? Eene enkele doodzonde is genoeg.
Men zoude soms kunnen denken en zich afvragen; maar hoe is het toch mogelijk, dat ééne doodzonde, die zoo weinig lang duurt, de gansche eeuwigheid gestraft wordt? Is dat niet in strijd met de goddelijke rechtvaardigheid? Neen, B. B., en wanneer men de zaak een weinig meer van nabij beschouwt, ziet men dat het volstrekt niet; strijdt met de goddelijke rechtvaardigheid, De beleediging God, de oneindige .Majesteit, dooide doodzonde aangedaan, is van eene oneindige boosheid, dus vereischt zij ook eene oneindige straf, doch de straf om oneindig te zijn moet eeuwig duren.
— 533 —
De mensch, die in doodzonde sterft, verdient gestraft te worden zoolang hij in staat van doodzonde, in vijandschap met God blijft; doch de mensch, die in doodzonde sterft, blijft in staat van doodzonde en in vijandschap niet God; bijgevolg moet hij ook voor eeuwig gestraft worden.
God, B. B., krachtens zijne heiligheid verfoeit en straft niet minder het kwaad dan Hij het goed bemint en loont; doch Hij bemint en loont het goed voor eeuwig in den hemel; bijgevolg zal Hij ook het kwaad verfoeien en straiten voor eeuwig in de hel. Hieruit nochtans moet men niet besluiten dat alle verdoemden evenveel zullen lijden, al is het ook dat zij allen evenlang, d. L, eeuwig zullen lijden. Neen, B. B,, God is rechtvaardig, en de zondaar zal in de hol gepijnigd worden naarmate hij op aarde zonden bedreven heelt. De pijnen der hel zijn dus ongelijk en geëvenredigd naar de grootte en menigte der zonden. Zien wij nu op de derde plaats wat de verdoemden in de hel moeten lijden.
De pijnen der hel, B. B., zijn menigvuldig; doch men kan ze tot twee soorten brengen, namelijk, tot de pijn van schade en tot de pijn van gevoel.
De pijn van schade bestaat in de onbegrijpelijk zware beroo-ving van het goddelijk aanschijn, en zulks voor eeuwig. Wij beseffen hier op aarde niet hoe hevig die pijn zijn moet, wijl wij niet genoeg beseffen, welk een oneindig geluk het is God te bezitten, en hoe groot het ongeluk is God te verliezen; maar de ziel van den verdoemde zal ten volle begrijpen, hoe gelukkig het voor haar zoude geweest zijn God het opperste goed, waarvoor zij geschapen was, te bezitten; zij zal zich met meer drift tot God haar einde richten, dan de pijl met snelheid naar het doelwit vliegt, dan de steen uit de hoogte ter aarde valt; doch helaas! die ziel zal hare vlucht niet kunnen nemen. God
— 534 —
in gramschap tegen haar ontstoken zal haar tegen houden en verstooten: Nescio vos: (i) Weg van mij, zal God zeggen, ik ken u niet: gij zijt van mijn volk niet meer; Ik ben uw goede en beminnelijke Vader niet meer, maar uw rechtvaardige en wraaknemende God.
De pijn van gevoel, B. B., is menigvuldig: in- en uitwendig.
Inwendig, zooals de knaging van geweten en de wanhoop, \'t Is de knagende worm, waarvan de Profeet Isaias spreekt en waarvan Christus zegt: Vermis eorurn non morilur-, (2) Hun worm sterft niet. Wat al verwijtingen zal het geweten den zondaar niet doen, als hij denkt aan de zonden, die hij bedreven, aan het misbruik dat hij van Gods goedheid en genaden gemaakt heeft; als hij ziet dat hij zich zoo gemakkelijk had kunnen zalig maken, en dat hij het niet gewild heeft. Ja, de verdoemden, zegt de H. Schrift, zullen dan in wanhoop uitroepen: Wij hebben ons afgemat op den weg der boosheid, en wij hebben moeielijke wegen bewandeld. Wat heeft ons de hoovaardij gebaat? Quid nobis profuit suporbia? (3) Waartoe hebben ons de pracht en eer, de schatten en rijkdommen, de vermaken en pleizieren gediend? Quid nobis pro fait? Alles is als eene schaduw voorbij gegaan, als een schip, dat do baren doorklieft; als een vogel, die door de lucht vliegt en geen spoor achterlaat. Nauwelijks waren wij geboren of wij hielden op te leven, en wij hebben geen teeiven van deugd gegeven, en wij zijn in onze boosheden gestorven. Wat zullen zij hartverscheurend zijn de wanhoopskreten der verdoemden, die van allen troost verstoken, te midden van een onuitbluschbaar vuur liggen te branden. Het vuur der hel, dat God in zijne wrake ontstoken heeft, is de grootste pijn van gevoel. Vuur en solfer zullen het aandeel der zondaren zijn. Uwe vijanden, zegt de Profeet David, zich tot God richtende, zullen als een gloeiende oven zijn; het vuur zal hen verslinden. Het vuur dat hen
(i) Matth. xxv, 12. (2) Mauc. ix, 43. (3) Sap. v, 8.
verslinden zal, zegt de Profeet Isaias, zal nimmer uitgedoofd worden. Het vuur der hel wordt een verslindend vuur genoemd, niet dat het de verdoemden zal vernietigen; maar liet zal hen innemen, gansch doordringen zonder hen te verteren, evenals het vuur het gloeiend ijzer. Het vuur der hel zal de verdoemden innemen, doordringen en tegen den ondergang bewaren, evenals het zout het vleesch inneemt, doordringt en tegen het bederf bewaart.
Buiten het vuur zullen er nog andere uitwendige pijnen zijn: de schrikverwekkende duisternissen, het geween en tandengeknars; in een woord, de hel is eene verzameling van folteringen, die in eeuwigheid zullen duren: Locus tormentorum.
SLUITRKDK.
li. li., denken wij eens wel over den inhoud dezer onderrichting na. Ja, er bestaat eene hel, en ééne doodzonde is genoeg om in de hel geworpen te worden. De pijnen der hel zijn menigvuldig, allerhevigst en zullen eeuwig duren. Denken wij aan die waarheden, vooral ais wij bekoord worden. \\ ragen wij ons dan af: Zoude ik dat eeuwig vuur kunnen uitstaan? Zoude ik in die eeuwige vlammen kunnen wonen? De gedachte aan de hel is ook in staat den zondaar wakker te schudden, uit zijn ongelukkigen staat te doen opstaan, van loven te doen veranderen. Hoe dan, B. 15., aan het bestaan der hel gelooven, met ernst er aan denken, weten dat men elk oogenblik kan sterven, in de hel, iu dien poel van solfer en vuur, kan verzinken, en nog zondigen, en nog in doodzonde voortleven? quot;t drenst aan de krankzinnigheid. Neen, B. I!., denkt aan uwe uitersten, denkt aan de hel, maar denkt er wel aan, en in eeuwigheid zult gij niet zondigen: El in celernum non peccabis. Amen.
VIER - EN ■ VIJFTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DEN HEMEL
Ibunt.... justi in vit am ceternam. De rechtvaardigen zullen hot eeuwige leven ingaan. (Matth. xxv, 10.)
INHOUD.
VOORREDE.
God straft de doodzonde met het eeuwige vuur der liel en Hij beloont de deugd met liet eeuwig geluk des hemels\'. Vandaag zullen wij zien;
VERDEEIiING.
I. Wat de hemel is;
II. Welke zielen naar den hemel gaan;
III. Waarin liet geluk des hemels bestaat.
I.
De hemel is vooreerst eene verhevene plaats; vervolgens eene plaats van onuitsprekelijke vreugde, \'t Is een punt van ons
geloof dat er een hemel bestaat. De rechtvaardigen zullen liet eeuwige leven ingaan, zegt de H. Schrift.
11.
De hemel is vooreerst voor hen, die na gedoopt te zijn sterven alvorens tot de jaren van verstand gekomen te zijn; vervolgens voor hen, die Uod getrouw dienen, of die na gezondigd te hebben de vergiffenis hunner zonden bekomen en geheel en al voldaan hebben aan de goddelijke rechtvaardigheid. Alzoo zijn er twee wegen naar den hemel, de weg der onschuld en de weg der boetvaardigheid.
111.
Het geluk des hemels bestaat:
1° In God aanschijn aan aanschijn te aanschouwen;
2° In te zien de plaatsen, die men op aarde bewandeld heeft;
3° In de zekerheid dat het geluk des hemels eeuwig zal duren;
4° In het einde van alle kwellingen en wederwaardigheden;
5° In de belooning voor de kleinste zaken;
6° In het gezelschap der Engelen en Heiligen.
SLUITREDE.
Wij zijn voor den hemel geschapen, wij moeten er immer naar verlangen; doch om het geluk te hebben van eenmaal in den hemel te komen moeten wij God beminnen en de geboden onderhouden.
— 538 —
VIER - EN - VIJFTIGSTE ONDERRICHTING
OVER DEN HEMEL
Ihunt.... justi in vitam mtermm.
Do rechtvaardigen zullen het eeuwige
leven ingaan. (Matth. xxv, jü.)
%
VOORREDE.
Laatsleden, B. B., liebben wij gezien hoe God hiernamaals de zondaren zal straffen; in den laatsten dag des oordeels zal Hij hen verstooten en veroordeelen tot de eeuwige pijnen der hel. Eene nauwkeurige overweging van de pijnen der hel, van dat eeuwig derven van het goddelijk aanschijn en van dat eeuwig branden in liet onuitbluschbaar vuur, is wel in staat ons eenen afschuw van de zonden in te boezemen.
Doch wij moeten niet alleen de zonde vluchten; wij moeten ook de deugd oefenen, en daartoe zet God ons aan, als Hij ons de schoonste belooning voorstelt, namelijk, zijnen hemel. Vandaag dus zullen wij te zamen overwegen;
I. Wat de hemel is;
11. Wolke zielen naar den hemel gaan;
III. Waarin het geluk des hemels bestaat.
I.
De hemel, B. B., is eene verhevene plaats, waar de gelukzaligen het aanschijn van God aanschouwen en onuitsprekelijke vreugde genieten. *
De hemel is vooreerst eene verhevene plaats, d. w. z., eene plaats boven de aarde. De H. Schrift geeft het ons te kennen,
— 539 —
als zij ons leert dat Christus opgeklommen is ten hemel; dat wij naar de goederen, die boven ons zijn, d. i., de hemelsche goederen, moeten sterven.
Vervolgens is de hemel eene plaats van onuitsprekelijke vreugde, waarvan wij hier op aarde de natuur, de groot - en uitgestrektheid nimmer zullen beseffen. Gelijk de hel eene plaats is van folteringen, zoo is de hemel eene plaats van vreugden. Noch oog heeft gezien, noch oor heeft gehoord, noch is er in het hart van den mensch opgekomen, wat God bereid heeft voor degenen die Hem beminnen. Do getrouwe Engelen en de Gelukzaligen worden in die plaats van God beloond.
\'t Is niet minder een punt van ons geloof dat er een hemel bestaat als eene hel. Dezelfde eeuwige Waarheid Jesns-Christus heeft het ons geopenbaard; Ibunl justi in vilcirn wlernam: (l) zegt Jesus-Christus: De rechtvaardigen zullen het eeuwige leven binnengaan. In den laatsten dag des oordeels zal de goddelijke Rechter tot de rechtvaardigen zeggen: Komt gezegenden mijns Vaders, neemt bezit van hot rijk, dat voor u bereid is van de grondlegging der wereld af.
\'t Is dus zeker B. B.. gelijk gij ziet dat er een hemel bestaat. Zeggen dat er geen hemel is, slaat om zoo te zeggen gelijk met te zeggen dat God kan liegen, want Hij heeft het uitdrukkelijk geleerd: dat Hij kan bedriegen, wijl Hij de menschen tot de deugd aanzet met de beloften van eene eeuwige belooning, die Hij niet voornemens is of niet kan volbrengen. Doch zoo iets te zeggen, zoude het geene groote godslastering zijn? Zoude men Gods wijsheid, heiligheid en vooral zijne rechtvaardigheid niet loochenen? Het bestaan des hemels lijdt dus volstrekt geen twijfel. Docli zien wij liever, wie naar den hemel zal gaan.
(i) Mattii. xxv, 46.
De Catechismus vraagt:
Welke zielen gaan tot de hemelsche glorie? En hij antwoordt:
De zielen dergenen die in de liefde Gods zoo sterven, dat zij niets te betalen of te zuiveren hebben.
Bijgevolg zullen naar den hemel gaan, die na het Doopsel ontvangen te hebben niet gezondigd hebben, of die na gezondigd te hebben, do vergiffenis hunner zonden bekomen en geheel voldaan hebben aan de goddelijke rechtvaardigheid, bier op aarde, of wel in het vagevuur. Buiten de getrouwe Engelen, die reeds over lang God aanschijn aan aanschijn aanschouwen, zijn er twee klassen van personen, die met de Engelen het geluk des hemels zullen deelen. Vooreerst degenen, die de onschuld huns Doopsels bewaard hebben; vervolgens degenen, die, na de onschuld huns Doopsels door do zonde verloren te hebben, dezelve door eeuo ware boetvaardigheid terug hebben bekomen.
De kleine kinderen dus gaan, na van de erfzonde gezuiverd te zijn, recht naar den hemel, in geval zij alvorens tot de jaren.van verstand gekomen te zijn sterven. Zij sterven immers in de liefde Gods en in staat van genade. God voorzeker is, gelijk gij ziet, wel goed voor die kleine kinderen. Nauwelijks zijn zij in de wereld gekomen, hebben zij een weinig geleden, of zij verlaten dit tranendal om bezit te gaan nemen van den hemel. Bijaldien de mensch de onschuld des Doopsels of de heiligraakende genade verloren heeft door de zoude, blijft er hem geen ander weg over dan de weg der boetvaardigheid. En helaas! B. B., hoe weinigen treft men er aan, die de onschuld huns Doopsels bewaren, die gansch hun leven heilig doorbrengen. Hoe dikwijls gebeurt het niet, dat de mensch, nauwelijks tot de jaren van verstand gekomen, zich door den duivel laat bedriegen, door de wereld laat verblinden en door zijne kwade driften laat modesiepen? En bijaldien de strijd
— 541 —
tegen de vijanden der zaligheid lang aanhoudt, wie is de mensch die altijd zegepraalt en nooit overwonnen wordt? Wie onzer, B. B., zoude durven zeggen, dat hij het wit kleed des Doopsels ongeschonden bewaard heeft? Dat hij in zijn leven geene zonde zelfs doodzonde bedreven heeft? Welnu, zoo wij gezondigd hebben, welk redmiddel blijft er dan over zoo niet de boetvaardigheid? Kr zijn twee wegen naar den hemel, de weg der onschuld en de weg der boetvaardigheid. Ziedaar, B. B., wie naar den hemel gaat, de onschuldige en de boetvaardige. I)och zien wij op de derde plaats waarin het geluk des hemels bestaat.
III.
Het geluk des hemels bestaat vooreerst en vooral iti God te zien gelijk Hij is, en in met God door de innigste liefde veree-nigd te zijn. Deze woorden verdienen eenige opheldering. Nu, zegt de Apostel Paulus, zien wij God als in eenen spiegel, maar dan zullen wij Hem zien aanschijn aan aanschijn; wij zullen Hem zien gelijk Hij is.
De H. Augustinus, die een voorgevoel had, van het geluk dat er bestaat in God te aanschouwen gelijk Hij is, riep van verwondering en liefde vervoerd uit: Ik weet, o mijn God! dat geen sterveling, zoo lang hij leeft, U zien kan; verleen mij dus de genade van te sterven, opdat ik U aanschouwen kunne; indien Gij nochtans niet wilt dat ik nu sterve, aanvaard ik uw besluit met vreugde. O hoe klein is het verlies van het aardsche licht. Vaarwel bosschen en weiden; vaarwel bergen en dalen! Vaarwel lusthoven en schoone wateren! Wat is er mij aangelegen dat ik u niet meer zie, bijaldien ik maar eeuwig aanschouwe Dengene die ons geschapen heeft.
De Gelukzaligen zullen met God te zien alles zien. Zij zullen in God zien zijne goddelijke natuur en al zijne volmaaktheden, de geheimen van onzen heiligen godsdienst, zooals het geheim der H. Drievuldigheid, van de menschwording van Christus,
— 542 —
«iiz. Zij zullen alle Engelen zien en kennen, niet alleen in het algemeen, maar elk in het bijzonder. Dat aanschouwen van God aanschijn aan aanschijn veroorzaakt zoo groote wellusten, dat een verdoemde te midden van de vlammen der hel, zoo hij God mocht aanschouwen, niet de minste pijn zoude gevoelen; ja, wat meer is, hij zoude niet alleen geene pijn gevoelen, maar zelfs ongeloofelijke vreugde genieten.
De Gelukzaligen zullen in den hemel de wereld, die zij verlaten hebben, beter kennen; zij zullen de plaatsen zien, waar zij gewandeld, gebeden en andere goede werken verricht hebben. Zij zullen de strikken zien, die men hun gespannen, de hinderlagen, die men hun gelegd heeft, en vol vreugde zullen zij uitroepen; De strikken zijn verbroken en wij zijn ontsnapt; Laqucus contritus est et nos liberali sumus: (l) Zij zullen zien hoe wonderlijk zij aan den duivel, de wereld en het vleesch ontkomen zijn, en daarvoor de goddelijke goed- en barmhartigheid in eeuwigheid bedanken.
De zekerheid van voor eeuwig gelukkig te zijn zal de Heiligen des hemels niet weinig vreugde verschaflen. De wereldlingen vermaken en verheugen zich wel is waar nu, maar hunne vermaken zijn niet van langen duur. De brave en deugdzame menschen worden niet zelden in de wereld met kruisen en wederwaardigheden bezocht; maar wat zegt onze goddelijke Zaligmaker? Uwe droefheid zal in vreugde veranderen, en niemand zal u die vreugde kunnen ontnemen; bijgevolg zal de vreugde des hemels eeuwig duren.
Eene andere vreugde nog, die de Gelukzaligen des hemels zullen genieten, bestaat in \'t einde van alle aardsche kwellingen en wederwaardigheden. God zal de tranen afdroogen; er zal geen dood of geen rouw, geen smart of geen gekerm meer zijn; al de ellenden zijn voorbij, en (Vod op zijnen troon gezeten zegt; Ecce! nova facio omnia. Ziet! Ik maak alles nieuw.
(1) Ps. CXXI1, 7.
— 543 —
De Gelukzaligen zullen zich verheugen, ziende dat het geringste goed, dat zij ooit gedaan hebben, ruimschoots door God beloond wordt. Bijaldien een teug koud water zijn loon niet zal missen, gelijk Jesus zegt, hoe ruimschoots zullen dan niet beloond worden al de goede werken, die de Heiligen verricht hebben? De menigvuldige aalmoezen om de armen bij te staan; de bezoeken en vertroostingen om de lijdenden op te beuren. Bijaldien het kleinste goed werk van God beloond wordt, welke belooning zullen zij dan niet bekomen, wier leven eene aaneenschakeling geweest is van de verhevenste deugden, van de volmaaktste goede werken tot glorie van God en tot zaligheid der zielen ?
Eindelijk zuilen de gelukzaligen zich verheugen over het schoon gezelschap, waarvan zij deel maken. Welk een onuitsprekelijk geluk te leven met Jesus-Christus den Godmensch hunnen Zaligmaker, met Maria de .Moeder van Jesus; te leven in gezelschap van die ontelbare menigte van Engelen en Heiligen, onder welke ongetwijfeld bloedverwanten en vrienden zullen zijn. Men zegt soms, B. B., dat het zoo aangenaam is in eene vreedzame familie te wonen; maar wat is toch eene aardsche familie vergeleken bij de liemelsche familie, waarvan God de Vader, Maria de Moeder, de Engelen en Heiligen de broeders en zusters zijn.
SLUITREDE.
Welnu, li. B., van die familie moeten wij eenmaal deel maken, want wij zijn voor den hemel geschapen, \'t Is dus naar den hemel dat wij onze oogen moeten richten, naar den hemel dat wij moeten verlangen en verzuchten. En och of wij ons eeuwig geluk wisten te waardeeren en meer aan den hemel dachten. Voorzeker, wij zouden ons van het aardsche en vergankelijke onthechten en naar het liemelsche en bestendige streven; wij zouden de zaken beter beseffen, en met eenen H. Ignatius kunnen zeggen; Hoezeer walgt mij de aarde, terwijl ik den hemel aanschouw. O, B. B., wij allen willen naar den hemel gaan; \'t zij zoo; maar
l
— 544 —
daartoe moet men ook den weg, dien God ons aangewezen heeft en die alleen ten hemel leidt, bewandelen. De hemel is ons oj) voorwaarde beloofd en op voorwaarde zal hij ons gegeven worden, zoo wij God beminnen en zijne geboden onderhouden. O zoo wij God hier op aarde reeds beminden gelijk het behoort, uit geheel ons hart, uit geheel onze ziel en uit al onze krachten, wij zouden reeds een voorsmaak van den hemel hebben. Wij moeten ook de geboden van God en van de H. Kerk onderhouden: Zoo gij het leven wilt ingaan, zegt Jesus, onderhoud de geboden. En denken wij niet dat die geboden zoo moeielijk zijn, dat zij geen genoegen verschaffen. Alles is gemakkelijk voor edelmoedige zielen; maar men moet vroegtijdig, van de kinderjaren af beginnen. Ook zegt onze goddelijke Zaligmaker: Mijn juk is zoet en mijn last is licht, \'t Is waar, het rijk der hemelen lijdt geweld, en de geweldigen nemen het in. De weg die naar den hemel leidt is smal; op dien smallen weg moet men de vijanden zijner zaligheid nog bestrijden; maar wanneer men zich van jongs af aan in dien strijd geoefend heeft, kost het zooveel niet. Overigens, het zal niet altijd blijven duren, \'t Is maar een tijd, dat men moet strijden, arbeiden en lijden, en na kloekmoedig gestreden, met vlijt gearbeid en met geduld geleden te hebben, hoe groot zal dan de belooning niet zijn? Aeternum glorice pondus, zegt de Apostel Paulus, een eeuwig gewicht van glorie zal onze belooning zijn. Scheppen wij dus moed; bestrijden wij zonder ophouden de vijanden onzer zaligheid den duivel, de wereld en het vleesch, want de hemel gewonnen is alles gewonnen, maar de hemel verloren is alles verloren en dat voor de eindelooze eeuwigheid. Dat toch de schoone hemel eenmaal ons aller belooning zij! Ja, B. B., het zij zoo. Amen.
KINDK VAX HET EKRSTE DEEL.
i
li I, A 1) W 1.1 / K H
BLADWIJZER
bi, adz.
V oorrede..................1
Eerste Onderrichting .
Om* de Christelijke Leering.....9
1. Noodzakelijkheid dier leering voor alle menschen . 10
11. Noodzakelijkheid voor eenige personen in\'t bijzonder. 11
Tweede Ondehrichting.
Over den Mensch.......18
I. Waardigheid van den mensch.. .... 19
II. Waardigheid van den Christen mensch ... 22
1 )eri)e Onderrichting.
Over hel Einde van den mensch .... 28
1, Wij moeten God dienen ...... 29
II. Hoe moeten wij God dienen? ..... 81
Vierde Onderrichting.
Over het Teeken des 11. Kruises . . . . 38
I. De belijdenis door het teeken des 11. Kruises. . 39
II. De kracht van het toeken dos H. Kruises . . 40
III. Wanneer behoort men het te makend ... 42
— 518 —
Vijfde Onderrichting.
Bladz.
Over het Geloof.......47
I. Wat is liet geloof?.......48
II. Welke zijn de bronnen der geloofswaarheden? . 52
• Zesde Onderrichting.
Over het Geloof.......59
I. De mensch moet eenige waarheden kennen en
gelooven........60
II. Hij moet soms eene akte van geloof verwekken . 62
III. Het geloof zonder de werken is dood ... 65
Zevende Onderrichting .
Over het Symbolum des geloofs . ■ . • 70
I. Hoeveel Symbolums zijn er en welke? ... 71
II. Behoort het Symbolum tot de H. Schrift of tot de
Overlevering?.......^2
III. Door wie is het vervaardigd en waarom? . . 72
IV. In hoeveel deelen en artikels wordt het verdeeld?. 73
Achtste Onderrichting.
Over het bestaan van God ..... 80
I. Er bestaat een God . . . .. . . 81
II. God is één in getal.......84
III. Wat is God?........86
Negende Onderrichting.
Over de II. Drievuldigheid.....93
I. Wat is de H. Drievuldigheid? .... 94
II. Dit mysterie is boven en niet tegen de rede . . 97 IH. De veropenbaring van de H. Drievuldigheid . . 99
— 549 —
Tiende Onderrichting.
Bladz.
Over God........106
I. God is de Schepper.......107
II. God is de Heer . . . . • • • HO
III. God is de Regeerder van hemel en aarde . . 110
Elfde Onderrichting.
Over de Eeuwigheid Gods.....117
I. Eeuwigheid van God en hare gevolgen , . . 119
II. Indruk door die waarheid veroorzaakt . . . 122
Twaalfde Onderrichting.
Over de Alomtegenwoordig-en Alwetendheid Gods 128
I. God is onmetelijk en alomtegenwoordig . . . 129
II. God is alwetend . . . . . . . 132
Dertiende Onderrichting.
Over de Almacht en Wijsheid Gods . . . 139
I. God is almachtig ....... 140
II. God is alwljs ........ 143
Veertiende Onderrichting.
Over de Heilig - en Recht vaardigheid Gods. . 149
I. God is heilig........150
II. God is rechtvaardig.......152
Vijftiende Onderrichting.
Over de Goed - en Barmhartigheid Gods . . 159
I. God is oneindig goed......160
II. God is oneindig barmhartig.....163
_J___1
— 550 — Zestiende On derrichting .
Over de Waarachtig - en Getrouwheid Gods
I. God is waarachtig......
Bladz.
170
171
172
179
180 182
190
191 19:f
II. God is getrouw aan zijne beloften .
Zeventiende Onderrichting.
Over de Eerste Menschen I. Over de schepping van den mensch II. Over den val van den inenscli
Achttiende Onderrichting.
Over de Erfzonde . I. Over de erfzonde II. Over hare gevolgen.
Negentiende Onderrichting.
Over de Engelen......
I. Over de schepping der Engelen II. Over den val der Engelen ....
Twintigste Onderrichting.
Over het Ambt der Engelen.
1. Welk is het ambt der Engelen?
11. Welk is het ambt van den Engelbewaarder? .
200 201 202
209
210 212
Een - en - twintigste Onderrichting.
Wat zijn wij den Engelbewaarder schuldig? . 217
I. Dankbaarheid .... ... 218
II. Betrouwen........219
III. Eerbiedigheid ... . . 220
■
— 551 —
Twee - en - twintigste Onderrichting.
Bladz.
225
Over den Zoeten Naam. .....
I. Wat beteekent Jesus? ...... 22ö
II, Wat beteekent Christus?.....228
234
238
246
247 240
Drie - en - twintigste Onderrichting. Over de Menschwording van Christus
I. Het geheim der menschwording .... 235 II. De tijd waarop dit geheim is voltrokken III. De waardigheid waartoe Maria verheven is . . 239
Vier - en - twintigste Onderrichting.
Over de Geboorte van Christus .... 245
I. Hoe gedragen zich Maria en Elisabeth tijdens hun
bezoek?
II. Geschiedenis van de geboorte van Christus III. Welke zedenlessen moeten wij er uit trekken?
Vijf - en - twintigste Onderrichting.
Over het Verborgen Leven van Christus I. Hoe leefde Jesus te Nazareth?
H. Wat deed Hij twaalf jaren oud zijnde? . III. Wat moeten wij daaruit leeren?
Zes - en - twintigste Onderrichting.
262
263
264
Over het Verborgen Leven van Christus I. Voorbeelden van allerlei deugden . II. Voorbeeld van een volmaakt huisgezin .
— 552 —
Zeven - en - twintigste Onderrichting.
Biadz.
Over het Openbaar Leven van Christus . . 270
I. Jesus wordt bekoord in de woestijn . . . 271
II. Waarom heeft Hij willen bekoord worden? . . 272 III. Wat deed Jesus na de bekoring overwonnen te
hebben?........275
Acht - en - twintigste Onderrichting.
Over het Openbaar Leven van Christus . . 280
I. Jesus heeft veel geleerd ...... 280
II. Jesus heeft wondere zaken verricht . . . 284
III. Jesus heeft veel geleden......285
Negen - en - twintigste Onderrichting.
Over hel Lijden van Christus .... 289
I. De benauwheid van Jesus in den Olijfhof . \' . 290
II. De gevangenneming, van Jesus. .... 292 III. Hoe gedragen zich Judas en Petrus? . . . 293
Dertigste Onderrichting.
Over het Lijden van Christus .... 299
I. Jesus voor Pontius Pilatus en Herodes . . . 300 II. Middelen door Pilatus beproefd om Jesus los te
laten........ . 301
III. De veroordeeling van Jesus tot den kruisdood . 303
Een - en - dertigste Onderrichting.
Over het Lijden van Christus .... 308
I. Jesus neemt het kruis op zijne schouders . . 309
II. De kruisweg van Jesus ...... 309
III. De kruisiging van Jesus......311
— 553 —
Twee - en - dertigste Onderrichting.
Bladz.
Over het Lijden van Christus .... 316
I. Jesus\' liefde aan het kruis ..... 316
II. Maria tot Moeder geschonken.....318
III. De dood van Jesus.......319
Drie - en - dertigste Onderrichting.
Over de Begrafenis en Neder daling ter helle . 324
I. De begrafenis van Christus.....325
II. Zij nu nederdaling ter helle.....327
Vier - en - dertigste Onderrichting.
Over de Verrijzenis van Christus . . . 333
I. De verrijzenis van Christus.....334
II. Aan welke personen is Hij verschenen? . . . 337
Vijf - en - dertigste Onderrichting.
Over de Hemelvaart van Christus . . . 343
I. Hoe is Christus ten hemel geklommen? . . . 344
H. Waarom is Hij ten hemel geklommen? . . . 347
Zes - en - dertigste Onderrichting.
Over de Terugkomst van Christus . . . 352
I. Waarom zal Christus komen? .... 353
II. Waar zal Hij komen?......356
III. Wanneer zal Hij komen?.....356
— 554 —
Zeven - en - dertigste Onderrichting.
Over den JI. Geest.......
I. Wat moet men gelooven van den H. Geest? .
II. Hoe wordt de derde persoon der H. Drievuldigheid
genoemd?........
III. Over de gaven en vruchten des H. G-eestes
Acht - en - dertigste Onderrichting.
Over de 11. Kerk.......372
I. Christus heeft de Kerk gesticht .... 373
II. Hij heeft haar gesticht tot zaligheid der menschen. 376 III. Die Kerk is maar één in getal .... 377
Negen - en - dertigste Onderrichting.
Over de II. Kerk ....... 383
I. Drievoudig ambt in de Kerk ..... 384
II. De geestelijkheid is er mede bekleed . . 386
Veertigste Onderrichting.
Over de 11. Kerk.......394
I. Verschillende trappen in de geestelijkheid . . 395
II. Wat is het Primaat.......396
Een - en - veertigste Onderrichting.
Over de 11. Kerk.......404
I. Wie zijn leden van de H. Kerk? .... 405
II. Wie behooren tot de ziel van de H. Kerk? . . 408
Bladz.
302 362
364
365
— 555 —
Twee - en - veertigste Onderrichting.
Over de H. Kerk . I. De Kerk is noodzakelijk . II. Zij is zichtbaar
III. Zij is onfeilbaar
IV. Zij is onvergankelijk
Bladz.
413
414
416
417 419
Drie - en - veertigste Onderrichting.
Over de H. Kerk . I. De Kerk van Christus is één . II. Zij is heilig . . . .
III. Zij is katholiek
IV. Zij is apostoliek
Vier - en - veertigste Onderrichting.
Over de 11. Kerk.......436
I. De R. K. Kerk alleen bezit het Primaat van Petrus 437 II. De o|erige kerken zijn er van verstoken . . 442
Vijf - en - veertigste Onderrichting.
Over de 11. Kerk.......447
I. De R. K. Kerk alleen heeft het kenteeken der
eenheid 448
II. De overige kerken zijn menigvuldig en verdeeld . 452
Zes - en - veertigste Onderrichting.
Over de II. Kerk.......457
I. De R. K. Kerk alleen heeft Heiligen . . . 458
II. Zij alleen heeft Wonderdoeners .... 461
425
426
427
430
431
— 556 —
Zeven - en - veertigste Onderrichting.
Bladz.
Over de H. Kerk.......409
I. De R. Kerk alleen is katholiek .... 469
II. Zij alleen is apostoliek......473
Acht - en - veertigste Onderrichting.
Over de Gemeenschap der Heiligen . . . 479
I. Wat beteekent de gemeenschap der Heiligen? . 479
II. Waarin bestaat zij?......481
III. Tusschen wie bestaat zij? . . . . . 482
Negen - en - veertigste Onderrichting.
Over de A/laten.......488
I. Wat zijn aflaten?.......188
II. Wie geeft de aflaten?......491
III. Wat moet men doen om de aflaten te verdienen? . 493
Vijftigste Onderrichting.
Over de Vergiffenis der zonden .... 499
I. Wie heeft de macht om de zonden te vergeven? . 499 II. Hoe worden zij vergeven?.....502
III. Welke zonden kunnen vergeven worden? . . 504
Een - en - vijftigste Onderrichting.
Over de Verrijzenis des vleesches. . . . 508
I. Is het zeker dat wij zullen verrijzen? . . . 508
II. Door wiens macht zullen wij verrijzen? . . . 511 III. Tot welk einde en hoe zullen wij verrijzen? . . 513
X
— 5Ü7 —
Twee - en - vijftigste Onderrichting.
Bladz.
Over hel vagevuur.......518
I. Dat er een vagevuur bestaat ..... 519
II. Welke zielen naar het vagevuur gaan . . . 520 III. Hoe wij die zielen kunnen helpen .... 522
Drie - en - vijftigste Onderrichting.
Over de hel........528
I. Dat er eene hel bestaat......528
II. Welke zielen naar de hel gaan .... 530
III. Wat zij daar lijden. . . • . . . . 533
Vier - en - vijftigste Onderrichting.
Over den Hemel.......538
1. Dat er een hemel bestaat ..... 538
II. Welke zielen naar den hemel gaan. . . 540
III. Waarin het geluk des hemels bestaat . . 541
KLM)M DER TAFEL VAN 11KT KKKSTK DELI