-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-

^g^MH

-ocr page 4-

De heerlijkheid van den

driemaal heiligen Naam.

AFSCHEIDSREDE.

Uitgesproken lt;len 1!)en Augnstns 1H94, voor dk Nkd. Hi:rv. Gkmmkntk van Lhllden,

DOOE

Dr. J. H. GUNNING J.Hz»

V. D. M.

j

O. LOS. — LEIDEN.

-ocr page 5-

■•■■■■.....

• ^ ; ,■ . ■\' \' \' \' - ■ .....

:

\'•vi* *gt; i »ni \'miu 11. -JhmiHf- ^kf»^f#5\'^ Ufe

i-m*ikv:ivw

ÜB

-ocr page 6-

Liturgie. Ps. 73 : 12, 13. Voorgelozon 2 Cor. 4 : 1—7.

Ps. 130 : 2, 3, 1. Goz. 2:5.

Gcz. 90.

Met weemoed sta ik thans voor u, Geineente dos Hoeren aan deze plaats! om u een afscheidswoord toe te spreken. 1 loe levendig komt mij die ure weer voor den geest, toen ik van dezen zelfden kansel mijne eerste prediking als een uwer leeraren hield, en thans moet het reeds de laatste zijn !

Ik weet het: velen uwer betreuren dit niet alleen, maar keuren het af, dat ik besluiten kon u te verlaten. Sommigen hebben zich zelfs niet ontzien mij hard en liefdeloos daarom te veroordeelen. Ik wil het hun gaarne vergeven, want wie kan iu eens anders harte lezen? Maar dit wil ik toch hier uitspreken, dat nooit een besluit mij zóó moeielijk is gevallen, mij zóó (ook lichamelijk) heeft aangegrepen als dit, en dat ik nog nimmer tegen eene verkondiging des Woords zóó heb opgezien, als tegen deze laatste in uw midden. Do Heer helpe mij, en geve ons te zamen een rijken zegen uit Zijn heiligdom!

Alle afscheid nemen is pijnlijk. Het is zelfs iets onnatuurlijks, want God heeft de eeuwigheid, in ons

-ocr page 7-

6

harte gelegd, en het beste in ons komt tegen dat telkens weer losmaken van eenmaal gelegde banden op. Wij hebben behoefte ons te hechten, te binden aan onze omgeving, aan ons werk, aan onze vrienden .... en hoe gemakkelijker men dat doet, en hoe spoediger men zich geeft, des te smartelijker valt het scheiden. Maar wanneer de Heer er ons toe roept, hebben wij in stille gehoorzaamheid te volgen.

Ik zal trachten heden avond zoo sober mogelijk te zijn. Wanneer wij elkanders gevoel niet sparen, gaat deze schoone gelegenheid te loor voor uwe breede rijen nog eens klaar en duidelijk rekenschap af te leggen van de hope, die in ons is. Laat mij dan, eenvoudig en duidelijk, u nogmaals de hoofdzaak mogen herhalen van hetgeen ik week aan week in uw midden verkondigd heb, namelijk: de heerlijkheid van den driemaal heiligen naam den Vader*, des Zoon* en den Heiligen Geesten. Gij vindt mijnen tekst in de apostolische zegenbede, die tevens de volledige uitdrukking is van hetgeen mijn hart u allen te zaraen van \'s Heeren ontferming toebidt.

2 Oor. 13 : 13.

De genade van den Heere Jezus Christus, en de liefde van God, en de gemeenschap des .Heiligen (leesles, zij met u allen! Amen.

-ocr page 8-

n I

De verkondiging des Woords is, Icortelijks samen-gevat, niet anders dan eene ontvouwing en aanbid-

amp; 7 o

dende verklaring dezer drievuldige genade des Heeren. Al wat wij boodschappen en tot de Gemeente brengen, onder welken vorm dan ook, is besloten in de belijdenis van den Naam den drieceniyen Gods.

Gij weet bet. Gemeente! boe ik u telkens op deze fundamenteele waarheid gewezen lieb. God de Vader, Schepper des hemels en der aarde; God de Zoon, Verzoener onzer zonden en schulden; God de Heilige Geest, de algenoegzame Trooster, die in alle

O \' O O

waarheid leidt, en om deze Drie, die één zijn, verleden, heden en toekomst zich bewegende — dat is de hoofdinhoud, de korte samenvatting van alles wat de Heilige Schrift leert. I it Hem, door Hem. en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid! Amen.

Men noemt ons predikers, en terecht. Xiet alleen naar het gewichtig onderdeel van onzen arbeid, dat op den kansel geschiedt, maar omdat (dies aan ons eene „predikingquot; behoort te wezen van de genade onzes Heilands, van de liefde on zes Gods, door de kracht en de gemeenschap des Heiligen (leestes. \') Wanneer niet het huisbezoek de prediking, in het heiligdom gebracht, voortzet; wanneer niet liet onderwijs, aan de leerlingen verstrekt, een levend

\') Ik dnclit, ondoi\' liet neerschrijven doxor woorden, onwillekeurig «an de iifsclieidsrod! vim mijn Vilder uit \'s-Graveuhage: Uw Koninkrijk hame. waarin deze waarheid zoo schoon wordt uiteengezet.

-ocr page 9-

getuigenis tot de jeugdige zielen brengt; wanneer niet de omgang met vriend en tegenstander, wanneer niet de vrucht ook der studie en der eenzame uren, één harmonisch geheel vormen met de wekelijksclie verkondiging des Woords in de diensten der Kerk-dan zijn ook deze laatste mot krachteloosheid geslagen, dan is ook de welsprekendste redenaar een klinkend metaal, een luidende schel geworden.

O Gemeente! wanneer ik hiermede nu mijn driejarigen arbeid in uw midden vergelijk, dan bedekt scliaamto mijn aangezicht, en dringt zich de bede naar mijne lippen: „treed. Heer! met Uwen knecht niet in het gericht!quot; Mijn eerste woord tot u handelde over „De ongerechtigheid der heilige dingen hier benedenquot; \') — mijne verwachting is dan ook alléén van dat bloed der verzoening, dat alle zonden, ook de mijne, bedekt voor Gods aangezicht.

De genade van den Heero Jezus Christus zij met u allen. Aldus bidt de Apostel Paulus het zijnen geliefden Corinthiërs toe, en ook mijne ziel vraagt het voor u te zamen, beminde broeders en zusters in den Keer! Want genade is het één en het al in het christelijk leven, dat met genade begint en eindigt, en van genade alléén zijn kracht en blijdschap ontvangt. Daarom noemt haar dan ook de Apostel aller eer nt, want do liefde des Vaders is

\') Do blijvonde Hoor daarbovon on do ongereebtialioid der lioiligo dingen lüerbenedon. Eon woord van afscboid cn intrede. Ta Groningen bij J. ]i. Wolters, 1891.

-ocr page 10-

9

onkenbaar en onverstaanbaar vóórdat de genade des Hoeren Jezns er oog en hart voor geopend heeft.

Wat is genade? Ja, wie zal daarop een volledig, een afdoend antwoord geven! Haar wezen is onpeilbaar gelijk God zelf. Maar wij kennen haar uit hare werkingen, en dan kunnen wij haar beschrijven als die macht, die het verlorene zoekt, die het kranke geneest, die wat dood is levend maakt. Paulus wist liet wat de genade des Heeren Jezus voor hem beteekende, en hij had het geleerd op den éénig-goeden weg: dien der persoonlijke er ra ring. Hij was een „godsdienstigquot; mensch geweest, die zijne zaligheid zocht in de werken der \\Vet. Met ernst had hij geleefd voor zijn ideaal, en met toewijding van alle krachten gejaagd naar het wit, dat hij zich voorstelde te bereiken. Maar alles was hem ontvallen. Die Jezus, tegen wien hij zich zoo lang en zoo energiek had verzet, was hem toch eindelijk fe machtig geworden, en toen was hem alles, letterlijk

O O •\'

cilles ontzonken, wat hem tot dusverre schoon en# begeerlijk had toegeschenen — sedert hij Jezus had leeren kennen, kende hij ook niets anders meer dan Hein en Zijne gekruisigde liefde. lt; reen zonde, geen dood, geen oordeel, geen hel kon hem meer verschrikken —■ waar hij dood was in de zonden en in de misdaden, daar is hij nu ten eeuwigen leven opgestaan, en niets kan hem meer scheiden van zijnen Koning en Borg.

Dat is genade! De genade des Heeren Jezus in

-ocr page 11-

10

Zijne onvoraiidcrlijke trouw voor allen, die in Jleni gelooven, de steeds aan hen denkende, steeds voor hen zorgende, eeuwig hen omvattende gunst van dien Heiland, die al hun leed en lijden, die al hun zonden en zorgen, die heel hunne toekomst voor Zijne rekening genomen heeft. En de prediking des Woords heeft niets anders te doen dan van deze verlossende, vrijmakende, alles herstellende genade te getuigen. O, van hoeveel mijn geweten mij ook aanklaagt, hiervan ben ik zeker; ik heb u telkens en telkens weer op deze genade gewezen als ook voor u verworven, als ook voor u verkrijgbaar, en geen gezang hebben wij zoo vaak gezongen als dat heerlijke 389 onzer liederen, waarvan bijkans iedere regel mij uit het hart genomen is. Ik weet het: de prediking der volstrekt-vrije en algehoegzame genade onzes Heeren kan misbruikt worden, en de Satan is er gewisselijk vaak in geslaagd haar tot een dekmantel en voorwendsel voor eigen traagheid en vleeseheslust te maken. Daarom brenae men haar

O

voorzichtiglijk, nooit verzuimende er met onzen ouden Catechismus op te wijzen dat het „onmogelij! is, dat wie Christus door een waarachtig geloof inge-

O O O

plant is, niet zoude voortbrengen vruchten der dankbaarheid,quot; opdat zich een iegelijk telkens onderzoeke óf hij wel de kenteekenen van een oprecht geloof bezit en vertoont. Maar indien iets dan is toch deze waarheid aanvang en einde van den weg des heils,

o o

dat het „niet is desgenen die wil, noch desgenen die

-ocr page 12-

11

loopt, maar des ontfermenden Gods,quot; diens Gods, die ia Christus Zijne vergevende en verlossende barmhartiglieid op het heerlijkst heeft geopenbaard.

De genade van onzen Heere Jezus Christus. Van onzen Heer. Niet van een vreeraden, onbekenden, onbeminden Vorst, die, op kouden afstand van ons blijvende, ons eenige bewijzen zijner welwillendheid toezendt — neen de genade, de volle, welbekende, onmisbare Heilandsgenade van onzeii Jezus, onzen Hoer en Meester, die recht op ons heeft en — o wonder van ontferming! — op wien ook mij recht hebben verkregen! Want in onzen Doop zijn wij met Hem in betrekking gebracht, en Hij wil dat wij dien band vastgrijpen, dat wij pleiten op Zijne belofte, dat wij Hem houden aan Zijn woord. /00 zijn wij dan, in Hem geloovende, overgeplant in den nieuwen bodem der eeuwige wereld, onttogen aan dezen schijn, overgezet in do sfeer der wezenlijke, blijvende, goddelijke waarheid. En nu wachten wij met zeer groot en vurig verlangen de volle openbaring dier genade af, die ons reeds hier in beginsel verlost en zaligt.

Gij weet het, geliefdon! mot hoeveel nadruk ik u telkens op de loehnml onze* Heercn gewezen heb. O, dailrheen, dóarheen gaat ons hart uit! Hoeveel hooger ligt het Koninkrijk dan onze diepgezonken kerkelijke toestanden! Gewis, wij leven daarin, en moaen er ons niet met zekere hooghartigheid boven

O OO

verheffen; liefdevol in de nooclen onzer geschokte

-ocr page 13-

li\'

en verscheurde Kerk in te gaan is roeping en plicht. Maar ach, wanneer men éénmaal de tinnen der eeuwige stad, der stad zonder tempel, heeft zien glansen in het rijzende morgenrood, kan men toch niet zonder een heimelijk zuchten zich begeven in de onvermijdelijke maar tocli vaak zoo kleingeestige, koude wereld van kerkelijke overleggingen en belangen. Het is althans mijn ideaal, mijn streven geweest u aan deze heilige plaats nimmer te vermoeien met tien partijstrijd, die onze Nedorlandsche Kerk, en bijkans elk barer afdeelingen, zoo jammerlijk verdeelt. Ach, hadde ik mij maar altoos er buiten gehouden! Met vuur van kcrkelijken hartstocht brandt wel schitterend en fel, maar verwarmen doet het niet, en heilig vuur is het allerminst 1

De genade onzes Heeren Jezus Christus zij met u allen 1 Hoe mild en onbekrompen wordt zij allen verloren zondaren aangeboden ! Ach, wij arme theologen, met onze dorre schema\'s en koude verstanden, wij maken onze stelselen, en durven te bepalen voor wie de Heiland al dan niet heeft geleden, voor wie

er wel of geen hoop zoude zijn.....Maar wanneer

wij ons houden bij onze boodschap, en die maar eerlijk en blijmoedig overbrengen, hoe onbegrensd, hoe onmetelijk, hoe allen wanhoop ontnemend is zij dan! „Die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet!quot;

Maar wat baat ook de ruimste aanbieding van Gods zijde, wanneer onwil en ongeloof haar voor den

-ocr page 14-

mensch onvruchtbaar doen zijn? „Die xvi! neme liet water des levens om niet!quot; Dus er zijn er die niet willen. Die den Heer laten noodigen en roepen, maar liever bij hunne gebrokene, waterlooze eigen bakken nederzitten, dan tot de Fonteino des levens te gaan, waar allen kunnen verkwikt en gelaafd worden, die van genade leven willen. O gij, die redeneert en theologiseert over den weg des heils, ataat gij er op? O gij die, gelijk de Israëlieten in de woestijn, gewond zijt ten doode door den giftigen slangebeet, ziet gij nu ook op dat opgerichte teeken des kruises, midden in uwen vloek en dood door \'s Heeren erbarming geplant? Neemt nog eenmaal de vermaning aan, ook door mijnen mond zoo vaak n overgebracht: „onderzoekt uzelven, of gij in het gelooi\' zijt, beproeft uzelven; want niet een iegelijk die tot mij zegt: Heere, Heere! zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar die daar doet den wil mijns Vaders, die in de hemelen is.quot;

Zalig gij, die als Jeremia en Paulus en allo kinderen Gods hebt leeren belijden: „Heer! Gij zijt mij te sterk geweest en hebt overmoogd.quot; Gij ervaart dan ook hoe die eenmaal ontvangen genade in u eene bron wordt van telkens vernieuwde genietingen. De eene genade volgt dan de andere op, want, zegt de Heiland, „zoo wie gedronken zal hebben van hot water, dat Ik hem geven zal, dien zal in eeuwigheid niet dorsten; maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van

O

-ocr page 15-

water, springende tot in hot eeuwige leven.quot; Ja, nogmaals zalig gij die, alles afleggende wat vi zou kunnen hinderen, als de blinde Bartimeüs zonder mantel, zonder eenige bedekking van uw eigen armoede en naaktheid, tot dezen rijken en gewilligen Heiland vlucht!

Wie komt tot ü gevloden

Dien Gij geen hulpe biedt?

Gij laat den zondaar nooden Nog eer hij tot U vliedt.

Nadat hij der Gemeente „de genade onzes Heeren Jezusquot; heeft toegebeden, vervolgt de Apostel Paulus: „en de liefde Gods zij met u allen!quot; Wie Jezus Christus kent, mag spreken van de liefde Gods, die buiten het geloof in den Heiland eenvoudig eene

0 O

leugen is op de lippen van allen, die haar roemen. Nóch de Schrift, nóch uw geweten, ja zelfs het gezond verstand niet. leeren dat wij van nature „lieve kinderen zijnquot; van een „hemelschen Vader,quot; die, wanneer Hij niet eene hloote fantasie is, een heilig God moet zijn, die ons, onreinen, verwerpen en veroordeelen moet.

Gemeente! gij die in den Christus naar de Schriften gelooft, gij hebt alléén het recht te gewagen van een God, die liefde is. Dat verstond de heidenwereld niet, die hare goden in ongenaakbare hoogheid op oen ol anderen ()lympus verbande, van waar zij zich

-ocr page 16-

If)

bijkans niet om de rampzalige stervelingen bekommerden, die hen vereerden met duizenden van rammen en stieren; ja, dat verstond ook Israid nog niet ten volle, het volk aan hetwelk Jehovah zich wel yeopenhcuml maar nog niet volkomen (jesc-ho^x\'oi had. Dat verstaat eerst het volk dat voor de kribbe van Bethlehem heeft leeren knielen, en bij die kribbe het heerlijke Schriftwoord leerde verstaan: „alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijnen eeniggeboren Zoon gegeven heeft.quot;

God heeft Ucfijehad, dat wil zeggen Hij, de in zichzelf Algenoegzame, die van eeuwigheid een welbehagen had in Zijnen Zoon, heeft eene wereld buiten zich in het aanzijn geroepen, heeft in die wereld een mensch geschapen, en aan dien mensch Zijne liefde geschonken. En toen dat schepsel in grenzenlooze verblinding zijnen Weldoener verstiet, en den dood verkoos boven het zalige leven der gehoorzaamheid aan het goddelijk gebod, is die be-leedigde Majesteit nochtans den overtreder blijven liefhebben, ja heeft zij aanstonds den weg beraamd tot volkomen herstel. Uitliefde sprak God; „Ik zal vijandschap zetten tusschen u, o mensch! en deze slangquot;; uit liefde ontzegde Hij hem den boom des levens; en met eene liefde, boven ons denken en bevatten verheven, zond Hij priesters, profeten, wijzen, gezanten, die gewaarschuwd hebben en gedreigd, gelokt en gedrongen, opdat daar toch een overblijfsel zou zijn naar de verkiezing der genade, dat den 1 [eer

-ocr page 17-

1(gt;

geloofde op Zijn woord dat liet nog eenmaal weder „alles zeer goedquot; zou worden, en dat de beloofde Hersteller van alle ellenden en zonden zou komen. En zie, Hij is gekomen. Hij is geboren, de lang beloofde, de vurig verwachte, Davids Zoon en Davids Heer! Hij is gekomen tot het Zijne — maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Hij is veracht, verworpen, bespuwd, gegeeseld, gekruisigd — nochtans heeft Hem de Heere gezet tot een hoofd des hoeks, en van Zijn kruishout daalt vrede neer op goddeloozen en verlorenen. O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennisse Gods, hoe ondoor-zoekelijk zijn Zijne oordeelen, hoe onnaspeurlijk Zijne wegen!

Mensch ! gij hebt boven alles hchoefte aan een God, die u lief heeft, en dien gij op grond dezer liefde liefhebben kunt. Alle schatten dezer aarde, de vervulling van alle denkbare idealen, kunnen dat Ledig niet aanvullen, dat gij als eene altoos bloedende wonde uit het verloren Paradijs hebt meêgenomen. En geene enkele vienschelijkc liefde, van bruid noch vrouw, van ouders noch kinderen, kan dat gemis vergoeden; zij mogen als de leeuwerik zijn die, terwijl de velden nog met sneeuw bedekt liggen, reeds zijn lentelied zingt, de lente zelve is zij niet. Wat bieden kunst en wetenschap, wat schenken de onmete-lijkste kennis en de onuitputtelijkste rijkdommen . . . om den honger van een hart te stillen, dat niet rust, dat niet rusten kan buiten den levenden God?

-ocr page 18-

17

Is dat nu geen rijke troost, gij bekommerde en verontruste zielen! dat gij het moogt aannemen, gelijk wij het u ook heden weder verkondigen, dat God u liet\' heeft, u zoocds gij hier zijt, u met al uwe ongeloovigheden en ongerechtigheden\'! Dat mogen wij zeggen, juist omdat „de genade van onzen Heere Jezus Christusquot; vooraf is gegaan. Anders zou Gods heiligheid en majesteit, die gij duizend en nogmaals duizend keeren beleedigd hebt, u verdelgen en verteeren, „want ouzo God is een verteerend vuur.quot; Maar nu die teedere en barmhartige Heiland Z\'nne vleugelen over een arm en

O •\' 0

machteloos volk houdt uitgebreid, en hot aan alle belasten en bcladenen toeroept; „komt tot Mij en Ik zal u ruste geven,quot; nu zijn zij veilig en geborgen, ook voor de pijlen van Gods vlammende gerechtigheid, die in de armoede van hun machtelooze hart tot dien rijken Heiland de toevlucht nemen. „De straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijne striemen is ou.s genezing geworden.quot;

Geliefden! wij zeggen het u allen aan: God heeft u lief. Ook u ongeloovige! die hier wellicht uit ijdele nieuwsgierigheid zijt opgegaan. Ook u, lichtvaardige spotter! die onze belijdenis met voeten treedt. Ook u, wijze dezer eeuw! die veel te verlicht zijt om nog aan dezen ouderwetschen Bijbel te ge-looven. Maar weet het wèl: deze liefde Gods kan uwe veroordeeling zijn. Want als zij niet, naar onze tekstwoorden, met u is, u vergezelt, u leidt, u sterkt.

-ocr page 19-

18

u troost, dan zal zij eenmaal blijken tegen u te zijn, gelijk dezelfde warme zonnegloed, die de sneeuw doet smelten, de klei verandert in een harden steen. Dezelfde wonderteekenen, die de kinderen Israels deden hopen en juichen, hebben Farao\'s harte verstokt. Kiest u daarom uwe plaats uit, lieve hoorders! en alsof Christus zelf door mij bade, roep ik u toe: laat u met God verzoenen! Heden, nu gij Zijne stemme hoort, verhardt u niet, maar laat u leiden! Wat kunt gij, leden dezer Gemeente! beter doen dan het schoone devies van uw kerkelijk zegel, week aan week op uw Predikbeurtenblad afgedrukt, te bestudeeren en op te volgen: Laet u tlarn leyde7i f Want dat Lam leidt u aan het harte des Vaders, en dat harte brandt van liefde, van onuitsprekelijke, ondoorgrondelijke barmhartigheid.

Waarom maakt men toch in de Gemeente zoo weinig ernst met de belijdenis der liefde God*? Omdat men haar gewoon is alleen als een heerlijk voorreehi, en niet ook tevens als eene heilige roeping te beschouwen. Omdat men haar afmeet naar onze flauwe, onbetrouwbare genegenheden, en dan deze liefde als iets wisselends, als iets onzekers leert aanzien, ja zelfs van eene prediking, die met nadruk op de liefde Gods wijst, als van eene „lichtequot; en „onvoedzamequot; spijze durft gewagen ! IJdele, dwaze mensch! Er is geen heiliger, geen ontzaglijker, meer den natuurlijken mensch vernietigende verkondiging mogelijk, dan deze dat God, die enkel liefde is, u

-ocr page 20-

19

tot belijdenis dezer liefde wil brengen, want, mijn broeder! dan moet het evjcu-Ik, die sombere Despoot, er aan! Dan is het uit met al o?tze liefheid en braafheid en gerechtigheid — dan gaat het den weg der zelfverloochening en der afsterving aan a! het onze op! Zalig wie dat geleerd heeft! God leere het u en mij steeds voller en vollediger verstaan!

In de derde plaats bidt de Apostel Panlus zijnen Oorinthiërs toe „de gemeenschap des Heiligen Gees-tes.quot; Ook uit deze gelijkstelling van den Heiligen Geest met den Vader en den Zoon volgt, evenals uit de Doopsformule, met innerlijke noodwendigheid de erkenning van de Godheid des Heiligen Geestes, eene waarheid die ik met onuitsprekelijke blijdschap voor u belijde. De Heilige Geest is God, dat wil dus zeggen; deze wereld is geene mislukking, maar een pronkstuk van \'s Heeren genade — het einde aller dingen is geene vernietiging maar eene verheerlijking, eene volkomen oplossing van alle raadselen. Welk een ruimte van blik, welk een verrukkelijk perspectief opent deze belijdenis voor het oog des geloofs! Niet alleen de uitverkoren Gemeente, neen, ook deze hemel en deze aarde worden vernieuwd, en het einde dezer bedeeling vol tranen en wanklanken zal zijn een veelstemmig loflied, eene volkomen genezing van elke breuke. God alles en in allen.

En daarin zijn ook wij opgenomen. Dat verzegelt

-ocr page 21-

20

de Heilige Geest aan het harte van ons, dio geloo-ven, die de genade van den Heere Jezus en de liefde Gods hebben leeren kennen, toen wij bij het kruis van Golgotha zijn neergezonken. Nu helpt ons de Heilige Geest dit geloof, dat wij uit onszelven telkens zouden verliezen, vast te grijpen, en daardoor vrede met God te houden door Jezus Christus, onzen Heer. Nu kunnen wij, daar wij met liet vleesch hebben afgerekend en aan het vleesch niets meer schuldig zijn, rustig de oogen opslaan, en ons verheugen in de nieuwe schepping, die rondom ons en in ons verrezen is. Nu leeren wij Gods heilig, geschreven Woord, dezen dierbaren Bijbel, eerst recht verstaan, nu wij iedere bladzijde en elk. verhaal beginnen te lezen in het licht dezer genade en dezer liefde, die ons vroeger een raadsel waren. Vroeger, ach ja, toen lazen wij óók de Schrift; en misschien hebben wij haar zelfs met groote geleerdheid bestudeerd en gecritiseerd en geanalyseerd.... Maar nu wij door den Heiligen Geest Jezus kennen leerden, nu zoeken we ook Jezus, en Jezus alléén in die heilige bladen, en houden al de wijsheid dezer wereld voor dwaasheid, wijs geworden zijnde door de dwaasheid van het kruis. Nu werd het met ons: „geef mij Jezus of ik sterf!quot; Nu leidt ons de Heilige Geest, zacht en teeder, in cdle waarheid. Nu gaat ons van dag tot dag een liefelijker licht op over de wegen Gods, ook over die welke ons zoo menigen traan en zoo vele zuchten gekost hebben, en al

-ocr page 22-

21

wordt hot ook wel weer eens donker en inoeielijk, wij kennen toch de Zon, die nimmer faalt, en weten dat, zelfs in het dal der schaduwen des doods, \'s Heeren vertroostingen ons niet zullen ontbreken.

Zie, dat geeft moed aan een moedeloozen pelgrim, dat hij, zoodra hij den Heere Jezus met een kinderlijk, ootmoedig geloof heeft aangenomen, ook deelgenoot is aan al de schatten des Heiligen. Geestes. En die Geest komt onze zwakheden mede te hulp, zoodat wanneer to ij niet weten wat wij bidden zullen, gelijk het behoort, Hij zelf voor ons bidt met onuitsprekelijke verzuchtingen. Die (leest verhoort ons, wanneer Satan met zijne beschuldigingen nadert, wanneer ons geweten ons aanklaagt geen enkel van Gods geboden te hebben gehouden, wanneer ons vleesch en ons hart dreigen te bezwijken. Die Geest wijst ons, wanneer wij al onze ledigheid en onmacht recht leerden kennen, zoodat wij verbijsterd rondziende, uit moesten roepen; „het is buiten hopequot;, op de volheid en al genoegzaam beid van Christus\' genade, en op de onveranderlijkheid van \'s Vaders liefde, zoodat wij met den profeet loeren getuigen: „al is het ook dat de vijgehoom niet bloeien zal, en geene vrucht aan den wijnstok zijn zal. dat het werk des olijfbooms liegen zal. en do volden geene spijze voortbrengen —- zoo zal ik nochtans in den Heere van vreugde opspringen, ik zal mij verheugen in den God mijns heils. De Heere Heere is mijne sterkte; en Hij zal mijne voeten maken als der

-ocr page 23-

hinden, en Hij zal mij doen treden op mijne hoogten.quot;

(reraeente! dat leere u en mij de Geest des Vaders en des Zoons! Hij wone in ons, en reinige ons meer en meer, opdat wij onberispelijk bewaard worden tot den grooten dag van Jezus\' toekomst! Hij geve ons oprechtheid en helderheid van blik, opdat wij onszei ven toch niet bedriegen, en niet met een gestolen geloof daarheen loopen. Er is in onzen drukken tijd bij velen een praat-Christendom aanwezig, dkt de zielen vermoordt. Men spreekt over de Schrift, men kent de zuivere waarheid, men zucht in de tale Kanaans, maar de krachI en het leven ontbreken, omdat het eigen werk en geen vrucht des Heiligen Geestes is, omdat men gelijkt op die watervaten op de bruiloft van Kana, sierlijk en gevuld, maar de hoofdzaak ontbreekt: het levende woord des Heilands, dat het water in kostbaren wijn verandert. O, laat ons ernstig ons allen afvragen of wij niet den Heiligen Geest met al onze vroomheid en rechtzinnigheid droefenis en smaadheid hebben aangedaan !

Wat mijzelven betreft: mijne cénige vrijmoedigheid bij het scheiden is de genade mijns Heilands, die mij aan de liefde Gods niet doet vertwijfelen, ondanks al mijne zonden, omdat ik weet dat ook die zonden verzoend zijn aan het kruis van Golgotha. En wat u aangaat, geliefden! vlucht naar datzelfde kruis, want daar is nog plaats voor u allen. Daar ont-

-ocr page 24-

23

mocton wij elkander dan nog meniginalen in den geest, ook wanneer wij voortaan naar hot lichaam van elkander verwijderd zijn, en dan zullen wij elkander er niet minder om leeren lief krijgen, hoe meer al wat vleeschelijk en zondig is, wegvalt. Golgotha is de groote plaats der genezing voor alle kranke en gewonde harten, en wie vaak aan den voet van het kruis vertoeft, neemt den troost des kruises mede naar elke plaats, waar de Heer hem henen zendt. Komt, vrienden! gaan we dan met goeden moed verder; gij nog een poosje in Leiden, en ik nog een poosje in Utrecht, en weldra zonder einde in Jeruzalem dat boven is, hetwelk is ons aller Moeder.

Wie de heerlijkheid van\'den driemaal heiligen Naam een weinig heeft leeren kennen, die heeft in beginsel

O 0

met deze aarde afgedacin. Die is met Christus in den hemel gezet, en leeft reeds hier beneden het leven der opstanding. „De opstanding is de Evangeliewaarheid zelve, tot hare meest feestelijke uitdrukking gebracht, de waarheid \' lods in den vorm

O O

der overwinning, de belijdenis zelve der Gemeente. Deze belijdenis, gezongen op de melodie der smart, der doodsbedroefheid, heet het kruis-, diezelfde belijdenis, gezongen op de melodie der triumfeerende blijdschap, heet de opstavdincj. En deze twee zijn onscheidbaar verbonden.\' Nu dan, wie dit geloolt, die gaat met vasten gang en blij moedig-opgericht hoofd zijnen levensweg verder. Die weet dat hij

-ocr page 25-

24

niets meer van de aarde noch van ziclizelven te hopen heeft, maar, Gode zij dank! dan ook niets meer te vreezen. Die leeft den korten tijd, dien de Heer hem nog verleent, in de verwachting van Jezus\' wederkomst. Een christen is een mensch die wachten kan. Nu, foonen wij dat dan, en zalven wij ons hoofd. Doet dit scheiden ons pijn, \'t is toch maar tijdelijk —

Straks roept de Heer Zijn welbeminden In \'t licht van d\' eeuwgen zonneschijn;

Dan zullen wij elkaar hervinden En zonder einde zamen zijn.

Ik beveel u Gode en Zijner heilige bescherming. En moge de genade van onzen levenden en barrn-hartigen Hoogepriester, de liefde van onzen verzoenden en goedertierenen Vader, en de troostvolle gemeenschap van den Heiligen Geest ons omringen, sterken en bewaren, totdat wij elkander wederzien in de hemelsche stad, en dan den Drieëenige loven

O

en prijzen tot in allo eeuwigheid! Amen.

Laat ons ook nu Zijnen heiligen Naam verheffen in ons lied!

Gez. 2 : 5.

Zingt, aarde en hemel! zingt uw Heer!

Het driemaal heilig meld\' zijn eer!

Zingt Hem op hooge toonen!

De lof van God vervuil\' \'t heelal,

Die is, die was, die komen zal,

En onder ons wil wonen.

-ocr page 26-

25

IT.

Naar bestaande gewoonte nu nog oen enkel woovcl tot\' sommigen uwer.

Allereerst tot u, mijn waarde ambtgenooten! Wij zijn een gemengd college geweest en gebleven. Maar tocli mag ik wel zeggen dat wij elkander beter hebben leeren verstaan, dan toen wij elkaar voor bet eerst ontmoetten, en met leedwezen verlaat ik uwen kring. Met diepe smart mis ik onzen broeder Segers in uw midden, een man wien ik èn om zijn persoon èn om het zware kruis, dat hij dragen moet, zoo gaarne een deelnemenden groet wil wijden. Vaartwel, mijne vrienden! en weest te zamen den Heer en Zijner genade bevolen. Ik mag zeker af en toe nog wel eens bier voor u optreden, want eene liefdebeurt in Leiden te vervullen zal mij steeds eene genotvolle ure zijn. Ook gij, ambtgenooten uit zusterkerken en uit omliggende gemeenten, weest gezegend in uwen arbeid, en kroone de Heer u met

O O

Zijne gunst!

Hoe moeielijk valt het mij in deze ure de voorbede

- doch neen! die gaat thans ook in den vreemde voor mij op! — maar toch de sterkende iegenwoor-dicjlidd van mijn lieven Vader te moeten missen! Maar de zorg voor zijne gezondheid, die eene lange jaarlijksche rust in de bergen noodzakelijk maakt, drong hem van de bijwoning dezer zamenkomst af te zien. Toch wil ik hier met een enkel woord uit-

-ocr page 27-

26

sproken hoe veel ik aan zijn gezalfden omgang on diepe Schriftkennis heb te danken, en u toe te wensclien, lieve Gemeente! dat gij nog menigmaal zijne ernstige, opheffende prediking in uwe bedehuizen zult mogen genieten.

Broeders Ouderlingen en Diakenen ! ontvangt mijnen dank voor uwe welwillendheid. Sommigen uwer zijn mij waarlijk vrienden geworden, zoodat ik vertrouwen mag dat wij niet geheel uit elkander zullen gaan. In \'t bijzonder dank ik u, ouderling Fontein! die van den aanvang af „mijnquot; ouderling geweest zijt, voor uwe hulp bij het huisbezoek en niet minder bij de stichting van \'t Lokaal „Pniëlquot; ondervonden. Gij zijt een trouw vriend geweest, van het begin tot het einde uzelf gebleven, en die u altijd beschikbaar gesteld hebt, wadrin ge mij ook maar helpen kondt. De Heer zegene u en uw huis!

Heeren Kerkvoogden en Notabelen! Ik wensch u sterkte en wijsheid voor de gewichtige taak, die gij met zooveel ernst behartigt.

Aan alle kerkelijke beambten, met wie ik van tijd tot tijd in aanraking kwam, mijn hartelijken groet. Al hoort hij het daar ginds op zijn verborgen zitplaats niet, ik dank ook den organist dezer schoone Pieterskerk voor zijn vaak. zoo treffelijk spel, dat mij meermalen verkwikt heeft.

Mijne hartelijkste zegenbeden zullen blijven oprijzen, gelijk wij haar steeds in ons gebed herdachten, voor deze Universiteit met al hare Professoren en

-ocr page 28-

27

Studenten. Ach, had ik meer voor haar kunnen zijn! Maar helaas! de kerkelijke strijd onzer dagen en de menigvuldige drukten aan de herderlijke praktijk verbonden, maakten dat ik ach zoo weinig van de hier beoefende wetenschap kon genieten, en tot mijn eroote smart ook zoo weinig voor de studeerende

O O

jongelingschap heb kunnen zijn. God zegene deze

doorluchtige Hoogeschool, met allen die er aan ver-Ö Ö

bonden zijn, en gij, Gemeente! hlijf haar dragen op de vleugelen dos gebeds, dat de adem des levens haar nog eens beziele, als in de dagen van ouds, en dat de lieer haar nog tot een rijken zegen stellen moge, ook voor onze beminde vaderlandsche Kerk, wier dienaren zij nog altoos helpt vormen!

Aan het Burgerlijk Bestuur dezer Gemeente, afwezig of aanwezig, breng ik mijnen eerbiedigen afscheidsgroet. God zegene allen, die deze goede Sleutelstad regeeren, en geve hun wijsheid en kracht tot hunne belangrijke taak!

Onderwijzers der jeugd, met name gij, die aan onze met. zooveel liefde en opoffering onderhouden, christelijke scholen arbeidt, ondervindt bij uw gewichtig werk de hulpe des Heeren!

Mijn eigen leerlingen, en gij, die ik reeds tot de Gemeente des Heeren mocht toeleiden, gedenkt mijner van tijd tot tijd, gelijk ook ik u niet hoop te vergeten, maar gedenkt bovenal aan den Heer en Heiland, van wien ilc u onder veel tekortkoming, maar toch met liefde en blijdschap gesproken heb. Ik

-ocr page 29-

28

vertrouw dat gij nu allen weer ter leering gaat, en dat gij hem, die mij thans als uw onderwijzer vervangt, dezelfde toegenegenheid schonken zult, die ik steeds van u ondervonden heb. Vaart wel!

Leden van het Kiescollege! Op u rust eerlang eene zeer gewichtige taak, en met grooten nadruk bind ik u de belangen dezer gemeente op het hart. Het is de zegen eener groote stad, dat er allerlei, en velerlei behoeften in kunnen bevredigd worden, iets wat vanzelf in eene dorpsgemeente, waar slechts één leeraar is, niet zoo gemakkelijk, zoo niet onmogelijk is. Houdt, bid ik u, een open oog voor de verschillende vragen, die in deze Gemeente om oplettende behartiging roepen. Het is mijne vaste overtuiging, dat in onze Volkskerk, die hare heerlijke belijdenis heeft, die als banier en vereenigings-punt gehandhaafd hlijve, plaats is en moet zijn voor de verschillende schakeeringen, die er nu eenmaal onder medebelijders bestaan, en ik vertrouw, en velen met mij, dat gij bij uwe aanstaande beroepingen toonen zult met ruimen blik de waarachtige belangen dezer Gemeente te kunnen behartigen, en niet alléén en uitsluitend naar eit/en smaak en inzicht zult vragen. Veler oogen zijn op u gevestigd -slaat gij uw oog naar Boven, en bidt den Heer om wijsheid en licht. Dan zal uwe keuze zeker dit volk-ten goede zijn.

Men heeft het mij wel eens verweten, hier en elders, dat ik niet genoeg „kleur bekende,quot; niet

-ocr page 30-

29

voldoende „vaste lijnen trokquot; tegenover de verschillende partijen onzer Kerk. Ach, waarom beziet men toch elkander altijd door liet gekleurde glas van zijn eigen kringetje! Ik kan het niet, geliefden! en wil er den naam van „halfslachtigheidquot; dan in Gods naam wel voor dragen. Ik vind onder mijn naaste geestverwanten vaak zóóveel jaloerschhcid en geesteloosheid, en omgekeerd bij hen, van wie ik mij in het leerstellige verder verwijderd weet, dikwijls zóóveel ernstigen, heiligen zin voor waarheid en recht, dat mij meer en meer de spreuk lief is geworden ; „ik verwerp niemand in wien ik iets van Christus vind.quot; Dat maakt niet onverscMllig tegenover de fouten en dwalingen van anderen; dat ontneemt ons niet den plicht te waarschuwen tegen alles wat niet naar Gods Woord is; maar dat leert ons wèl voorzichtigludd in het beoordeelen der geesten, want zou er wel één terrein bestaan waar men zóó spoedig de klaarheid van blik en de eenvoudigheid van zin verliest, als het kerkelijk erf, waar bijkans een iegelijk meent te moeten „handelenquot; en „getuigen?quot; Indien ik hier in Leiden veranderd ben — en wie ondergaat in drie jaren veelsoortigen arbeid geen wisseling van denkbeelden en inzichten? — dan is het zeker hierin : dat ik hoop ruimer van hart tegenover anderen en strenger tegenover mijzelven te zijn geworden.

Behalve het ouderlijke huis, dat ik ach! zoo noode missen zal, en dat mij een machtige aantrekking te meer naar deze stad zal wezen, laat ik hier nog

-ocr page 31-

:gt;)0

oen ander huis achter, dat mij na aan liet hart ligt, en dat ik u allen vriendelijk aanbeveel. Gij begrijpt dat ik het Gebouw „Pniölquot; bedoel, dat ik aan u, lieve Gemeente, bij deze opdraag, gelijk het van den aanvang af voor u bestemd is geweest, u gezamelijk vragende: Helpt mede dat het aan zijne bestemming hlijve beantwoorden! Ik heb mij deze jaren rust noch duur gegund eer het er stond, en bij honderden in ons gansche land aangeklopt om het te kunnen betalen. Medebroeders ! gebruikt het nu ook voor uwe catechisatiën, samenkomsten en bijbellezingen, en moge dat huis, niet zonder gebeden opgericht, tot in lengte van dagen een zegen zijn voor Leiden! Met groote gerustheid weet ik zijne belangen in uwe handen veilig, waarde Bestuursleden! De Heer geve u wat gij ook in dezen noodig hebt, uit Zijne volheid!

Vrienden, die mij en den mijnen op een of andere wijze het leven hier hebt veraangenaamd en verlicht, ontvangt onzen hartelijken dank voor uwe toegenegenheid. Wij hopen die nimmer te vergeten.

Tegenstanders — en wie heeft ze niet? — houdt geene bittere gedachte aan mij! Vergeeft mij elk woord en elke daad, die niet voortkwamen uit den Heiligen Geest, en neemt de hand ten afscheid aan, die ik u van harte toereik.

Geliefde medechristenen! onze éénige troost en blijdschap, bij het gedenken aan zóóveel onvoltooids en onvolbrachts, als zich van zelf bij het afsluiten onzer gebrekkige en kortstondige werkzaamheid aan ons

-ocr page 32-

31

opdringt, ligt in de zekerheid dat Christus werk voltooid en volbracht is. Ook alle moeielijkheden voor de toekomst, zoowel voor de gemeente als voor het geestelijk leven van elk onzer in het bijzonder, zijn toch reeds overwonnen zaken! In de zalige gewisheid dat Christus niet alleen onze rechtvaardiging maar ook onze heiliging is, ligt de onfeilbare medicijn voor alle neerslachtigheid en moedeloosheid. Het voornaamste deel der victorie is toch reeds achter ons, en voor het kleine stukje, dat nog vóór ons ligt, blijft Jezus eveneens Borg. Zoo hebben wij dan goeden moed, wetende dat niets ons zal kunnen scheiden van de liefde onzes Heilands.

Heden, 19 Augustus, is het do sterfdag van Sint Sebaldus, een der beminnelijkste heiligen der Hoom-sche Kerk, wiens wonderschoono graftombe ook dooide Protestanten van Neurenberg terecht in hooge eere gehouden wordt. Van hem verhaalt de legende dat hij eens in een donker woud een armen landman ontmoette, die zijn weggeloopen ossen den ganschen dag te veigeefs gezocht had, en die nu, bij \'t invallen van den nacht, volkomen troosteloos was. „Vouw uwe handen, en hef ze biddend omhoog!quot; voegde Sebaldus hem toe — en zie, terstond straalden zijne vingers zulk een helderen glans van zich af, dat het duistere bosch zoo licht was als op het midden van den dag, en weldra was het verlorene gevonden. Ligt hier niet de troostvolle gedachte in dat elke oprechte bidder het ervaart: de Heer is

-ocr page 33-

o O o 53

mijn licht en mijn heil; voor wien zou ik vreezen? Heft uwe handen naar omhoog, slaat naar het heiligdom uw oog; en knielt eerbiedig voor Kem neer — looft, looft nu aller heeren Heer!

Gemeente van Leiden! De Heer zij u genadig, en bonwe u op in ware Godsvrucht en Godzaligheid. Over al wat door mij verricht is, en dat niet was naar de heiligheid onzer roeping, doe het bloed des kruises genadiglijk verzoening; en wat er moge geweest zijn in woord en werk, dat Gode welgevallig was, ontvange den vruchtbaarmakenden zegen des Heiligen Geestes, opdat het uitspruite en rijpe, Grods driemaal heiligen Naam tot eere! Christenen zien elkander nooit voor het laatst, dus—tot luederziem!

De genade van onzen Heere Jezus Christus, de liefde Gods en de gemeenschap des Heiligen Geestes, zij met u allen ! Amen.