„GEDENKT UWER VOORGANGERENquot;
LEERREDE
gehouden in de Kloosterkerk te \'s-Gravenhage,
op don 27Kton OCTOBER 1895,
den eersten Zonclag1 na het overlijden van Ds. C. .). G. VAN HOOGSTRATEN,
noon
Dr. W VAN («IIKK1/ (i 1 LDKMKKSTKI!
■s-OUAVKNIlAHK.
W. A liMSCllOOl» I Sllquot;).
Uitgegeven ton voordoele der Wijk van wijlen Bs. Van Hoogstraten.
P S A L M 103 ; 8 en 9.
Gelijk het gras is ons kortstondig leven ,
Gelijk een bloem, die, op het veld verheven.
Wel sierlijk pronkt maar krachtloos is en teér:
Wanneer de wind zich over \'t land laat hooren.
Dan knakt haar steel, haar schoonheid gaat verloren: Men kent en vindt haar standplaats zelfs niet meer.
Maar \'s Heeren gunst zal, over die Mem vreezen, In eeuwigheid altoos dezelfde wezen;
Zijn trouw rust zelfs op \'t late nageslacht,
Dat zijn verbond niet trouweloos wil schenden.
Noch van zijn wet afkeerig d\' ooren wenden.
Maar die, naar eisch van Gods verbond, betracht.
Dat haddon wij uiof gediicht, (rol.! toen wij op don vorigou rustdag in dozo zolf\'de kerk samen baden voor hor behoud van dat. dierbaar leven, dat nog op dienzolfdon Zondag\'ouzo beminde broeder Van IIoogsthatkn van ons zou gaan. i folaas! moet nu aan onze beproefde Gemeente nog deze man ontvallen, weggenomen in hot midden zjjner dagen! Ontnomen aan zijne kinderen, voor wie hij alles was; ontnomen aan do Gemeente, die hem immers (zoo zeggen wij!) niet kan missen; en in zjjn henengaan oene leegte achterlatende, die nadrukkelijker dan vele woorden, aanwijst welke plaats hij onder ons innam. Ach, hij was ons zoo lief, do man met bet Johannes-hart, do discipel, dien Jezus liefhad, de arbeider in don wijngaard, dio mot zjjn arbeidskracht ge-
4
woekerd heeft, en gewerkt, de volle twaalf\' uren van clen dag. Wij kunnen ons nog niet voorstellen dat hot werkelijkheid is, en wij dit vriendelijk gelaat niet meer aanschouwen, die zachte stem niet meer hooren zullen; en nogtans, liet ia maar al te waar. Als in een sterfkamer, niet floers lie-hangen, zoo zijn wij heden ingegaan in dit bedehuis; wjj spreken op gedempten toon; en als wij liet liod aanheffen, dat aan die groeve weerklonk, „geljjk hot gras is ons kortstondig levenquot;, dan luistert ons hart, als zong het iemand anders; en wij vragen: „zingen wij dat nu, denkende aan onzen Van 1 [oogstraten?quot; Ach wjj weten het, do dagen des menschen zijn als het gras; maar toch, zooveel liever dan dezen 103d8n psalm, pasten wjj op hem dat woord uit den eersten toe, waar de rechtvaardige vergeleken wordt hjj „een hoom, geplant aan waterbeken; die zijn vrucht geeft op zijnen tijd, en welks blad niet afvaltquot;; of dien psalm van Jesaja: „die den Heer verwachten, vernieuwen de krachtquot;; en, omdat hij ons zoo heel dierbaar was; en wij hem zoo gaarne hadden hier gehouden, daarom praatten wij ons zelvon voor, en zeiden tot elkander: „deze krankheid is niet tot den doodquot;.
En nu ?
.Mogelijk hebben wij er nog wat van onze eigene wijsheid liji te pas gebracht, eu gevraagd waarom deze mensch nu moest henengaan, en zooveel nutteloozen gespaard worden; waarom de onmisbare sterft; en tal van nullen groeien als kool. Stil, mijn hart, stil; het zal beter zjjn te zwjjgon. Ja, als ons iets uoodig is, dan is het wel dit, dat wij leeren stil ziju, zwijgen, inkeeren in ons zeiven, en luisteren wat de Heer ons te zeggen heeft. Want Hij spreekt tot ons in deze oogenblikken, met heiligen nadruk heeft IIij gepredikt; de lieer is in Zjjn heiligdom, zwijg voor /jjn aangezicht, g|j gansche aarde! \'/aid zij het ons
ook nu ft\'ogeveii naar Zijn woord to luisteren, het levend en eeuwig blijvend woord van God; en wij vragen daarom in ons
GEBED.
GEZANG 182:4.
Vrome, vroeg\' gestorven vrinden!
Slechts zijl gij mij wat vooruit,
\'k Zal 11 allen wedervinden,
Als ons Jezus \'l graf ontsluit:
Eerlang zal ik met u rusten,
\'k Rijp al vast voor d\' eeuwigheid .
\'k Staar vast op die blijde kusten,
Daar mij \'t hoogst geluk verbeidt.
TEKST.
H E B R. XIII : 7,
ÖKOKNKT UWER VOOHGANOKREN, DlK U HET WOORD GODS GESPROKEN IIEÜliEN ; KN VOEGT HUN GEI.OOE NA, AANSCHOUWENDE DE UITKOMST HUNNER WANDELING.
Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid.
Dat was cene eigenaardige gemeente, aan wie het eerst dit woord van den apostolisclien schrijver werd gerieht; en /.ij had zeer eigenaardige behoefte aan vertroosting. Zij was zoo klein, zoo weinig in tel; tegenover haar de uiterlijke pracht van don tempel en het wel bevestigd gezag van het zondige Israël; het was voor de ilebroouwscho Christenen moeilijk, in die dagen het hoofd omhoog te honden.
En ooue eigenaardige vertroosting schenkt hun deze schrijver. Hij doet een beroep op hun hart, als hij den rijkdom van Gods Woord voor hen ontplooit: „gedenkt der gevangenen alsof gjj mede gevangen waart; en dergenen, die kwalijk g\'ehandold worden, alsof gjj ook zeiven in het lichaam kwalijk behandeld waart.quot; Verplaatst u in den toestand
t)
der lijdenden, der bedroefden en beproefden. Maar dan ook, verplaatst u in de vreugde dergenen, die u voorgegaan zijn in do heerlijkheid; en, zooals gij der gevangenen gedeukt, gedenkt evenzoo uwer voorgangeren!
Wij zjjn gewoon bij liet woord „voorgangerquot; te denken aan een predikant, wij noemen hom een voorganger, omdat hjj „ vóórgaatquot; in do samenkomsten der gemeente. Het is duideljjk dat in dezen brief dit woord een andere beteekenis heeft. Hier wordt bedoeld; „gedenkt aan dogenen, die u zijn voorgegaan in do heerlijkheidquot;; die u hier het Woord Gods verkondigd hebben, met hun woorden en met hun leven; en de uitkomst van wier wandeling gij nu hebt aanschouwd.
Zoo lezen wij dit woord met heilige aandoening. Ieder onzer hoeft zijne geliefden, wier naam en gedachtenis hij bewaart in het heiligdom zijns harten; en wij gedenken hunner mot aandoening, bij ieder nieuw verlies. Maar op dezen dag gedenken wij allen samen, en vooral, den beminden Leeraar, die ons het Woord heeft verkondigd, en ons nu is voorgegaan.
Gedenkt uwer voorgangeren; dit woord is in do eerste plaats eene vermaning; want dit gedenken is voor ons een heilige plicht. Het kan in deze oogenblikken hjj na eene beleediging schijnen dit woord „gedenktquot; to vertolken door „vergeet nietquot;; want hoe zouden wij kunnen vergeten! Maaide wereld vergeet; spoedig, onder allerlei invloeden en om allerlei redenen. Zij roept het u zelfs toe: „denk niet te veel na over uwe smarten en verliezen; leef voor hot heden, leef voor uzelf!quot; Maar onze oude trouwe Bijbel zegt: „vergeet niet, gedenk; leef met uw hart, uw hart zal or winst van hebben; leef met uw hart, leef in de diepte! quot;
Gedenkt] dat is ook een vriendelijke wenk, want dit gedenken is ons eene behoefte des harten. Wij gedenken den
7
man, die aan zichzolven nooit dacht; wij gedenken zjjner juist daarom met des te meer dankbaarheid. Wij gedenken zijner met dank aan den lieer, die ons dezen dienstknecht schonk; ons hart hcei\'t er behoefte aan, om er gedurig mee bezig te wezen.
Rn dit gedenken is ook een troont; er is zulke groote waarde, zoo rijke zegen aan verbonden. Daar wordt wel gezegd „de herinnering is als eene waterplant, die alleen in onze tranen leeftquot;; dit is eenzijdig. De herinnering is ook een schat van ons hart; een licht voor ons leven.
Godzelf neemt soms ons verleden in Zijne hand om er een vriendelijk genadelicht uit te laten schijnen voor onze taak en onzen strijd; het gedenken dat een plicht is en eene behoefte, is in vele gevallen ook een groote troost.
Gedenkt uwer voorgangoren! Dat wil niet zeggen : omgeeft ze met een stralenkrans en ziet hen aan voor protestantsche heiligen; — maar aanschouwt in hen, met dank aan God, menschen in wie het Woord Gods kracht had. Gedenkt hunner, als gaven Gods, voor hunnen tijd en in hunnen kring. De apostel l\'aulns zegt,1) dat de Heer der gemeente zelf Zjjn dienaren aan de gemeente gegeven heeft „sommigen tot apostelen, sommigen tot profeten, sommigen tot herders en leeraars.quot; Dat is een blijk van \'s ITeeren zorg; dat is het geheim van hunne kracht en hunnen zegen. Om aan de gemeente „gegevenquot; te worden, moeten deze herders en leeraars zich zeiven eerst kwijt zjjn aan den Heer. Zóó was het met onzen Van Hoogstraten; hij had zich aan den Heer ge-gegeven, en de Heer gaf hem aan de Gemeente, als een dienstknecht naar Zjjn hart.
Zoo willen wij dezen onzen voorganger gedenken met
1
lif. IV, 11.
8
dank aan God, on met oorbiodigo liofdo, gedonkonde dat wjj in hem con man bozeten hebben, die dor gemeente het Woord Gods heeft vóórgeleefd. Dat was zjjn wijsheid, zijn kracht; zijn troost. Dat was de adel van zijn karakter, daaruit leefde hij; en mij aangaande, als ik aan hem denk, dan hoor ik gedurig \'mot iiiijn hart de woorden: „Gij goede en getrouwe ilieiistknecht, over weinig zijl gij getrouw geweest; over voel zal ik u zetten; ga in, in de vreugde llws Heeren. Ja, een dionstkneeht, goed eu trouw; staan niet hij die woorden ook u de trokken van zijn vriendeljjk beeld voor oogenH (loed, dat was hij; een goed man, deze Har-nabas, zoon dor vertroosting; goed, en hij had Inst in hot goede, en oog voor het goede; goed, en hjj steunde het goede, waar hij maar kon. Goed, omdat hij in de gemeenscha]) van don Goede leefde, en liefhad, met de liefde, waarmode hij ziohzelven bemind wist. Kon hij daarom niet toornen.-\' O, zeker; maar hij was rechtvaardig ook in zijn toorn, on zocht ziohzelven niet, deze Nathanaël, oen man zonder hjjoogmerken , en een christen zonder bedrog. En trouw] door don Getrouwe trouw gemaakt, en trouw aan den Getrouwe; en daarom ook getrouw in alles. In zijn huis, welk een zware slag is zijn henengaan; maar gij, zijne kinderen! was er oen trouwer vader denkbaar dan hij ? Zijne trouwe liefde voor u was één, in daden omgezet, gebed. En wie weet er niet in zijne mate van te spreken? Men moet maar in zorg of smart geweest zijn, om goed te weten wie deze man, deze broeder was; „ een hart, voor niets of niemand koud; fijnvoelond, eerlijk, edelaardig, voor tegenstanderen rechtvaardig, en voor zijn vrienden trouw als goud.quot; Zulk oen man was geen geringe gave, en als wij zijner gedenken, dan is dit deuken in de eerste plaats danken, doch ook in de tweede, een diepe droefheid over ons groot gemis.
9
Maar daar is niééi-. „ G(mIcmkendat is ook: ^ aanschouwen van de uitkomst Innmer wandelingquot;. Dat was iu dagen van druk cene versterking voor de llebreeuwsche Christenen; dat is in dagen van droefheid oene rijke vertroosting voor ons. Ik behoef hier niet te herinneren aan wat onze gemeente geteisterd heeft; onze beminde broeder heeft mede /jju deel aan den smaad gedragen, die over ons allen gekomen is. Maar, geliefde gemeente! God heeft toch óók groote dingen gedaan ouder u , eu ook iu het heuengaan Zijner dienstknechten ecu zegen aan de gemeente geschonken. Onze grijze van Koktsvei.d , uadat lijj in zjjuen tijd den raad Gods gediend had, zacht en vredig ontslapen in de hope dos eeuwigen levens. Onze wakkere IIkinkckkn , rustig als een held, den dood te gemoet gegaan zonder verschrikking. Ku nu onze beminde van I loodSTKATEN, gevallen op zijn post; trouw tot den dood, die hem verraste, maar niet onvoorbereid vond. Toen de krankheid zoo lievig toenam, en de krachten zoo schielijk zonken, toen bleef het vrede daarbinnen in zijn hart. „Naar het lichaam, o zoo benauwd, maar naar de ziel zoo vrij en gerust, veilig in Jezus\' armenquot;, dat waren zijn eigen woorden. Vrijdags vóór zijn henengaan. En dan weder: „al ging ik ook in een dal der schaduwen des doods, ik zou geen kwaad vreezen, want Gij zijt met mjj: Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij!quot; De Heer lt;s met hem geweest, nog tot het laatste. Het was /jju voornemen dezen dienstknecht op den Sabbatdag in de Sabbatsheerlijkheid op te nemen; en vriendelijk, zacht heeft Hij do voorbereiding gemaakt. IIjj hoeft hem nog zjjuo kinderen, zijne zonen uit Engeland, tijdig aan zjjno legerstede gebracht; Hij heeft het groot genade won der gewerkt dat deze trouwe Vader zijn kinderen niet losliet, maar overgaf. Des Zaterdags was nog zijn getuigenis: „//■ wil wel heengaan, maar ach, mijii kinderen!quot;
10
Dob Zondagsmorgens: „God zal voor mijn kinderon zorgen
O gjj, zijne geliefde kinderen! Dat is een kostbare erfenis: een vader u van God gegeven, en die u aan zijnen Vader overgeeft. Eens heeft hij u in den doop aan uw Hemelschen Vader opgedragen; en nu op zijn sterfbed gaf hij u nóg eens, nog weder aan den Heer. God zélf had hem daartoe in staat gesteld. Maar dan is er ook in die daad eene profetie, een wondere vertroosting; en ik zeg het u, als in zijne plaats, mijne geliefden: vertrouwt daarop; houdt daaraan vast, rekent er mede, neemt het van uws vaders sterfbed in uw verdere leven mede, en gelooft het vast: „God in den Hemel zal u toonen wat zogen op het huis van Zijn beminden rustquot;.
En ook tot u, geliefde gemeente! rnag ik nog een woord zeggen aangaande het henengaan van dezen uwen voorganger. Toen ik, heden vóór acht dagen, \'s middags ongeveer vier uur aan zijn sterfbed werd toegelaten, lag hij reeds in de benauwdheid van den dood; zwaar hijgendeen nagenoeg buiten kennis. Ik heb toen gebeden aan zijn bed; maar ik geloof niet dat hij het verstond. Ook niet, toen ik, zijne hand in de mijne, hein dankte voor al zijne trouwe liefde. Doch toen ik mij daarop over hem henenboog, den naam Jezun uitsprak, en kalm on duidelijk vraagde: „lieve broeder, gaat gij naar Jezus?quot; toon kwam er weer licht in zijn oog; toen keek hij injj helder aan, en duidelijk klonk zijn antwoord: „Ja!quot; „Mag ik dat aan do gemeente zoggen?quot; — „Ja!quot;
En dit is zijn laatste getuigenis voor u, geliefde gemeente! en voor ons allen eene rjjke vertroosting: nu is hij opgenomen iu de heerlijkheid; op den Sabbatdag ingegaan in de Sabbatsruste, die daar overblijft voor het volk van God. Zalig die het heimwee hebben; zij zullen thuis komen; en
zijn heimwee trok imav imis. I [ef liiatsto wooid, door licm in den liuiseljjkcn dienst voorgelezen*) „die overwint, ik zal hem s\'CV011 t(\' zitten in mijnen troonquot;, het wordt nu heerlijk aan hom vervuld, nu hij, door genade, heeft overwonnen. Nu voor hém geen droefheid ineer; geen zuchten meer; geen onbevredigd zielsverlangen, maar verzadiging van vreugde. Hij legt den pelgrimstaf neêr; hij is in het Vaderhuis aangekomen; de reis is ten einde, het reiskleed mag afgelegd. Voor hém geen vraagteekens ineei\', geen „wolken en donkerheidquot;, geen onbeantwoord: waarom? of waartoe? — Ons de raadselen, hém de helderheid, óns de tranen, hém de glimlach; en wanneer de dood een feit is, do hemelsche heerlijkheid is ook een feit; en óók de verrassing en vreugde, als hem het hemelsch welkom groette: „ Wél, gij go( ule en getrouwe dienstknecht, ga in, in de vreugde tuvs ILeeren!quot;
Aanschouw, o gemeente! de „uitkomst zijner wandelingquot;. Dat is ware wijsheid, een weg te kiezen, die uitloopt op een eeuwige heerlijkheid. Aanschouw die uitkomst, stel uwen weg in dat licht, en vraag het uzelven af: gaat ook mjjn weg voorwaarts en opwaarts? Aanschouw deze uitkomst, en word genezen van de bekoring dor wereld met haar schijn, haar waan en haar dunk. Ach, de wereld richt trofeön op voor hare helden; maar wat blijft er soms over van hun werk, hier met zoo schetterende klanken geëerd? Maar dat zijn helden, die mannen, vast in do eeuwigheid geworteld; helden, naar den maatstaf der toekomende eeuw, die voor hen reeds de tegenwoordige was. Zeggen wij dit om een krans voor menschen te vlechten? Neen; maar om ilie genade te roemen, die dit van menschen maken en voor
) Openb. Ill : \'21.
12
\'menschen toebereiden kan, en om den Heer te danken, die aan \'t eind van don aardschen werkdag zulk een hemolsche rust doet overblijven, cn den mensoh voor zulk oen ruste bestemt en herschept.
GEZANG 260 ; 2, 3.
Zalig zijn cl\'ontslapen vromen,
Voor ons te vroeg aan d\'aard ontnomen,
Maar die door God ter goeder uur,
Aan het einde van hun dagen,
Het Vaderhuis zijn ingedragen Als rijpe schoven in de schuur.
Zij leven bij den Heer En zondigen niet meer;
Halleluja!
Daar is geen nacht.
Geen rouw, geen klacht;
Daar heeft geen zond\' of dood meer macht!
Dank, aanbidding, prijs en eere Word\' U, op \'t stof der graven, Heere !
Door uw verlosten toegebracht.
Zaalgen, die hebt overwonnen.
Brengt eer en prijs den Nooitbegottnen En \'t Lam, voor ons op aard geslacht!
Hij daald\' als wij in \'tgraf.
Droogt al uw tranen af.
Stervelingen!
Hij ging ons voor Het doodsdal door:
Wij volgen Hem langs \'t hemelspoor!
Godenk Uwer voorgangeren; en, zoo voegt de apostolische schrijver er bij, volg hun geloof na! Want dat is het beste „gedenkenquot;; zij zijn „vóórgangerenquot; in de eeuwige heerlijkheid; zij zijn, uit genade, binnengekomen door hun geloof\'. Het hartelijk vertrouwen op den Heiland als op hunnen Heiland en Zaligmaker ging vooraf\'; de geheiligde
i;-!
wandel was hot gevolg; de uitkomst van dion wandel wordt door ons niet hoving en blijdschap aanschouwd.
Volg ilit geloot\' na! Volg na; niet: „spreek het naquot;; en volg „het geloofquot; na; niet volg hunne gewoonten na; maar klem U ook vast aan dien/elfden Heiland, die voor uwe voorgangoren de gonoogzanie was. Volg dit werkzaam geloot na; dit geloof, in de liefde werkende. Is niet dit de hoodschap, die uit dezen gesloten mond tot de gemeente komt:
Och , heb toch lief, zoolang gij kunt,
Heb lief, zoolang U \'tharte slaat;
Daar komt een tijd, ja de ure komt,
Dat gij bij \'t graf der Uwen staat.
En is hot ons niet allen zoor duidelijk ; dat is de waarde van ons loven, wat wij aan liefde om ons henon hebben gespreid? Dat bljjft! Acii, lauweren verwolken voor d\'adem van den dood; gaven on talonten, zjj zijn gauw genoeg vergeten, verdrongen, in de schaduw gesteld. Maar wat wij aan liefde gegeven hebben, dat blijft. Dat was oen getuigenis, als wij deze week grafwaarts gingen, die dicht opeengedrongen scharen, stilstaande om den stoet te zien, met tranon op de bleeke wangen, mot oprechte droefheid in het hart. Deze man had in zoovele harten eone plaats, omdat hij aan zoovelen iets vun zijn hart had gegeven. Geliefden, laat ook ons trachten voed voor elkander te zijn!
Volg zijn geloof na, geliefden, en volg het spoedig na. Dok hier zagen wjj het weder: „ daar is slechts ééne schrede tusschen ons en don doodquot;. Op den eersten Zondag van deze maand mochten velen Uwer met hem het Avondmaal vieren, en op den laats ten zijn wij reeds teruggekeerd van zijne begrafenis, .luist heden vóór veertien dagen , ongeveer op dozen zelfden oogenblik, als hij tot do kinderen in de Bethlohemskork sprak, zoido onze brooder: „ ziet kinderen,
14
dat kunnen wij ons niot voorstellen dat misseliien al lieden over acht dagen een van ons er niet meer zal zijnquot;; . . . . en acht dagen later was zijn mond gesloten! Hem is de dood niet als een schuldeiseher overvallen; maar hoe kwam dit? Omdat hij niet tot zijn sterfbed uitgesteld heeft om zich vóór te bereiden; omdat hij met den heiligen ernst van den dood rekening hield. Volgt zjjn geloof na, Geliefden! en volgt hot nu na; stelt ook niet uit. Neen, wanneer gij op uw ziekbed ligt, en de vensteren uwer ziel geen licht meer doorlaten, dan is het niet het oogenblik om ü te bekeeren; wanneer gij wilt sterven zooals de ware christen sterft, dan moet gij geleerd hebben te leven zooals de ware christen leeft; en daarom, gij die wèl gaarne een zoo heerlijk sterfbed zoudt hebben, volgt in uw loven dit geloof na !
En dan heb ik nog een ernstig woord er bjj te zeggen; volgt het zelf na. (rij zelf, persoonlijk, behoort te leven in de gemeenschap met uwen Heiland. Een ander kan niet voor U gelooven; en misschien is het voor dezen of genen uwer noodzakelijk geweest dat «leze voorganger werd weggenomen, omdat gij mogeljjk te veel gesteund hadt opzijn geloof. Niet lang geleden kwam ik bjj eene zuster der gemeente, die moedeloos bij de pakken neerzat. „Ach, sints Da. Heinecken gestorven is, ben ik zoo achteruitgegaan; hij was mjj zulk een steun; zulk een trouwe herder; mnar sints hij weg is, is het mij zoo donker gewordenquot;! Geliefden! daar komen ook nu, in dit opzicht, zielen in gevaar. En daartoe heeft toch de Heer ons niet den rijken zegen gegeven van zulk een geheiligd sterfbed. Volgt zelf, persoonlijk, dat geloof na, dat ook persoonlijk is geweest in den edelsten zin; volgt dit geloof na, uw voorganger heeft er genoeg aan gehad; hij is er door behouden: hij is er door vertroost, hij is er door verlost, de heerlijkheid ingegaan.
dit: i^olnnf na; hot voorwor]) des i^oloofs Mijft, al wissolcni do dionaren: .lozus Christus is gistoron en lieden dezelfde en tot in eeuwigheid. *)
Gisteren; dat wil zeggen in liet gansche verleden, toen die Melireouwsche Christenen Hem geloofden en op Hem vertrouwden; zoolang daar oen „gisterenquot; is, is Jezus Christus dezelfde. Dat is de onvergankelijke rjjkdom der gemeente; dat hare heerlijke éénheid; dat de kostelijke erfenis der vorige geslachten, en van uit den liemol gezien, is niets gewichtiger dan dat het oeno geslacht met stervende hand aan het andere de slotsom van zjju geesteljjke ervaring overreikt; Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid. Ja die Hij gisteren was, is lljj ook heden. Hij is in de onzichtbare wereld overgegaan, maar niettemin werkelijk in do Gemeente gebleven; die Hij „gisterenquot; voor een Paulus, eon Johannes, een Apoilos of Petrus was, die is Hij gebleven: heden; en die lljj „gisterenquot; voor onzen geliefden van Hoogstraten was, die is Hij nog heden voor U en voor mij. Hoe kon de geliefde ontslapene met zjjn zachte stem het uitspreken: „niet ons, o Heer, niet ons, maar Uwen naam zij d\' eerquot;; en hoe was het gedurig zijn volle vertroosting dat zijn Heiland hem het eerst had gezocht. Geliefden! diezelfde Heiland, die hem heeft gezocht en vrjjgekocht, gezocht en gevonden, die zoekt ook U. Gisteren en heden.
En zooals lljj gisteren en heden is, zoo blijft lljj in der eeuwigheid. De blijvende Heer, blijvend, al wisselen de dienaren.
Ziedaar uwe beste vertroosting, geliefde gemeente, zuil gij haar dankbaar aanvaarden, ootmoedig gelooven, biddend
\') l)ilt; woonl boven «Ion kansel in i\\o. Kloosterkerk, is door de keuze van den ontslapene daar in groote letteren aangebracht.
gebruiken? Ziedaar een ernstige prikkel tot volhardend geloof\', en eeno aanmoediging tot den arbeid, zooals er geen betere is. Jezus Christus blijft: al wisselen de dienaren. Hij blijft met Zijn Woord, Zjjn zogen. Zijn vredegroet, lijj blijft de heilige, de onveranderlijke, de getrouwe, .lezus Christus, de oonigc Naam onder den Hemel, die onder de menschen gegeven is, door welken wij kunnen zalig worden; Jezus Christus, gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid. Geloofd zij Jezus Christus!
AMEN.
PSALM 73 : 12.
\'k Zal dan gedurig bij U zijn,
fn al mijn nooden angst en pijn;
U al mijn liefde waardig schatten,
Wijl gij mijn rechterhand wondt vatten.
Gij zult mij leiden door Uw\' raad,
O God, mijn heil, mijn toeverlaat!
En mij, hiertoe door U bereid,
Opnemen in Uw heerlijkheid.
■ ■ ■ ■......
■ ■ . ■ ■ .. : . . . •
.
,
.
......
^s-r^v • • \'mhèamp;m
m ]
IH
fawrim* i\'*Mèmlt; mm
■ - ■ ivHS ....
■: ■- •■ ■• ■ ■•■•\'-;■• ■ ■ t • •■■ ■■, . •■-■ \' -%amp;■ ■■■
\' ■ . ■ /
- ■■ ■
..... ■ ■ ■
■
• ....... • •
•.....
......■■■•. -
\'