-ocr page 1-

DE EEN 11 KI I) DEK GEMEENTE VAN CHRISTUS.

-ocr page 2-

Wm

®4 w \'

H

•Wquot;.....: quot;Vquot;

-ocr page 3-

De eenheid dep

Gemeente van Cliristus.

INTKEIÏREDE

Uitgespi\'okon dun 2(5«quot; Augustus 1894, voor de Ned. Heuv. Ge.mmente van Utreuht,

DOOK

Dr. J. H. GUNNING J.Hz.

V. D. M.

G. LOS.

LEID KN.

-ocr page 4-

Ik zou er niet aan gedacht hebben dit woord in het licht te yeren, ivanneer men er mij niet met aandrang om verzocht had, vooral ook omdat velen, die mijne overkomst herwaart* begeerd hebben, mijne intrede door uitstedigheid niet konden bijwonen. Hoewel ik liever deze preek, vooral om het zeer persoonlijk en lokaal karakter der toespraken, ongedrukt had gelaten:, geef ik haar toch, nu men ze eenmaal gedrukt wenscht,

onveranderd ZOOalS ik ZC U\'itSJIlYtk.

Utrecht, 27 Aug. \'94.

-ocr page 5-

Liturgio.

Cloz. 3 : 3. Voorgülozi\'ii 1 Cor. 1 10—21

I\'s. 133 1, 3. (.icz. 238 ; 1, 5. I\'s. 72 ■ 8, i 1

Gemeente des Heeren Jezus Christus! De intrede van een nieuwen herder en leeraar biedt nog al eens vaak aanleiding de nuchterheid en soberheid, die toch vóór alle dingen aan zulk eene heilige ure passen, te vergeten. Vele hoorders komen uit nieuwsgierigheid en spitsen zich de ooren, om straks duchtig te kunnen oordeelen, wikken en wegen, en menig leeraar meent alsdan een volledig programma te moeten geven van zijn leer en zijn plannen en het einde is dat Gods volk niet wordt opgebouwd en Gods Naam niet wordt verheerlijkt. Ook ik kan niet zonder innerlijke schaamte aan mijn eerste intreowoord, nu bijkans dertien jaren geleden uitgesproken, terugdenken. Hoeveel scheen mij destijds gewichtig en noodig, waarop ik thans niet zonder een glimlach kan neerzien! Wat al beloften en verwachtingen! Wat al idealen en .... teleurstellingen, teleurstellingen bovenal met mijzetmi!

-ocr page 6-

6

Welnu, ik hoop c/eleerd te hebben, Gemeente! en al kan ook bij eene gelegenheid als deze het persoonlijke niet geheel worden gemist, met Gods hulpe zal hot toch op den achtergrond blijven. Laat mij u, zoo objectief mogelijk, do boodschap des Heils mogen brengen, tot wier verkondiging mij de Heer, naast uwe andere dienaren, geroepen heeft, en zalve Hij, van wien alle licht en wijsheid komt, mijne lippen, opdat de opening mijns monds Hem welbehagolijk zij, om wiens goedkeuring het u en mij alléén te doen moge zijn!

Gij leest mijnen tekst in den Brief aan de El\'eziers, de verzen vier tot zen van het vierde hoofdstuk.

Epeze 4 : 4 — 6.

4) Eén lichaam •/« het en één Geest, gelijkerwijs gij ook geroepen zijl tot ééne hoop moer beroeping; •5) één Lieer, één geloof, één doop; 6) één God en Vader van allen, die daar is boren allen en door alten en in alten.

Deze Brief aan de Efeziërs heeft bovenal een kerend, ondericijzend karakter, en is juist daarom zoopraldisch, zich op het leven richtende. Ach wij, alles ontledende theologen, maken scherpe afscheidingen tussclien dogmatiek en ethiek, tusschen geloofsleer en zedeleer, maar hoe verrukkelijk mengt de Heilige Schrift die beide dooréén, ook daarin ons toonende dat het cliris-

-ocr page 7-

7

telijk levon eon belijden, en het christelijk belijden een beleven is.

In dezen Brief wordt voornamelijk gehandeld over de Gemeente, of wilt gij: over de Kerk van Jezus Christus, die „éene éénige Katholieke of Algemeene Kerk (gelijk onze Confessie haar beschrijft) welke is eene heilige vergadering der ware Christ-geloovigen, alle hunne zaligheid verwachtende in Jezus Christus, gewasschen zijnde door het bloed, geheiligd en verzegeld door den Heiligen Geest.quot; Achtereenvolgons handelt nu de Apostel over die Kerk in haar oorsprong en doel, haar grondslag en omvang, haar inrichting en betrekking tot de wereld, die haar omringt, om met haar strijd en overwinning te besluiten. Wij hebben ons, naar onze tekstverzen, thans bij de openbaring der Gemeente in deze wereld te bepalen. Beantwoorden wij dit tweetal vragen:

Ten eerste: Wat is die Gemeente van Christus?

Ten andere: Wat volgt daaruit voor hare leeraars on haarzelve?

I.

Ons teksthoofdstuk begint zoo schoon met de ernstige vermaning boven alles de eenheid des geloofs te bewaren, op grond en als noodwendig gevolg van het beleden geloof. Een christen is geen wijsgeer, die zichzelven een levensregel maakt, maar een mensch, die den goddelijken regel volgl, hem door zijnen lieiland gesteld. Zijne lezers herinnerende aan hunne heilige

-ocr page 8-

8

roeping of uitverkiezing tot het Koninkrijk Gods (de Gemeente der geloovigen), vermaant hij hen in ootmoed en zachtmoedigheid hunnen weg te bewandelen.

Daarna — en hiermede begint onze tekst voor deze ure — houdt de vermaning op, om plaats te maken voor de beschrijving van de boven en buiten ons staande objectieve éénheid der geloovigen. Nu klinkt het niet langer: „tracht naar clit^ of jaagt naar dat!quot; maar: aldus is het! houdt uw ideaal hoog, en trekt het niet omlaag in het stof!quot; Eén lichaam is hot; één Geest is het; één Heer, één geloof, één doop is het; één God en Vader is het — en dat alles maakt, o Gemeente! uw hoopvol belijden, uw blijdschap en uw zekerheid uit, in leven en in sterven.

Laat ons nu deze heerlijke bekentenis des Apostels, die in den volsten zin des woords ook de belijdenis der christelijke Kerk mag heeten, in hare verschillende bestanddeelen aandachtig overwegen!

Eén lichaam is het. Let wel, er staat niet; „één lichaam worde het!quot; of „zal het eens wezenquot; - neen, het is alzoo. God zij geloofd! Alle christenen, die den Heere Jezus naar de Schriften belijden en beminnen, zijn elkanders leden en vormen de ééne, heilige, al-gemeene Kerk, met hare twee groote Afdeelingen, die weldra vereenigd worden: de triimfeerende Kerk daarboven en de strijdende Kerk hierbeneden, de eerste reeds tot éénheid, ook in hare zichtbare aanbidding des Heeren gekomen, de laatste nog in allerlei secten en kerken en brokstukken gescheiden, maar noch-

-ocr page 9-

!)

tans (ién in belijdenis van Gods drievnldige genade en onuitputtelijke barmhartigheid. O, zijn hier wellicht broeders of\' zusters van andera afdeelingen der Christenheid — hoe gij ook heeten moogt, of waar gij ook kerkelijk onder dak zijt gekomen, ik reik u de broederhand wanneer gij Immanuöl in oprechtheid liefhebt, en al heb ik ook door bittere en pijnlijke ervaring geleerd dat in ons theologiseerende Nederland geene muren hooger en moeilijker te overklimmen zijn dan onze kerkelijke verschansingen, ik hoop toch altijd een hoekje in mijn hart open te houden dat voeling zoekt en begeert met een ieder, die zich in oprechtheid een lid mag noemen van het éene, groote lichaam des Heoren.

Die éénheid spreken wij laar in hel Heiligdom uit. Gij komt hier niet om een of anderen „redenaarquot; te beluisteren, wiens „stukquot; gij daarna op uwe eigenwillige weegschalen moogt keuren — maar om uwen God groot to maken, en Zijnen driemaal heerlijken Naam te aanbidden. Daartoe hebt gij eenen voorganger noodig, gewis; God is een God van orde. Maar immers dit woord-zelfwijst reeds op hen die. volgen? Mn dit „volgenquot; beteekent niet oen blindelings aannemen van iemands persoonlijke ideeën en meeningen (weg, weg met zulk eene slaafsche dweeperij met uwe leeraren, die niets minder dan menschvergoding moet heeten!) maar gij volyl uwen voorganger als mondige rnedebelijders in de gemeenscliappohjke aanbidding des Drieëenigen, waarbij prediichig, gehid en lied even belangrijke als onmisbaro bestauddeelen zijn. Dat is zeker

-ocr page 10-

10

wel de besta „predikingquot; waarbij de „preekquot; als zóódanig geheel vergeten wordt, omdat haar Voorwerp met onwederstaanbarc macht de zielen dor hoorders overmeesterd heeft. \') En dat Voorwerp is do lerende Heiland, wiens leden wij zijn en dien wij als ons aller Hoofd wenschen te eeren, Hem onzen „eere-dienstquot; als ons geestelijk dankofler toebrengend. Ik sta hier niet als een .zendeling onder heidenen; ook niet als een luihofficier onder eene schare verhei-denschte christenen, maar als een dienaar ran Christus\' Kerk waar, zeer zekerlijk, ook zwakke, ook kranke, ook twijfelende, ook dwalende leden zijn, maar toch zoolang de hemelse he Landman u niet heeft afgesneden,

x) Goldt ditzelfde niet van hot ovf/chpcl\' Men vergunne ons hier deze kleine uitweiding, omdat ze ons van het hart mort. Want. wat rijn er toch vele nare organisten \' Hoe kan een oreani-t de stichting van velen hederven, wanneer men bemerkt dat hij hef eens „heel rnooiquot; wil maken, en hoe ivaavlijk\'Srhoon is zijn spel, wanneer het ni\'t do aandacht alloidt, maar in werkelijkheid het (jezang der fjonicnt\'\' hctjdcidt! Zoo menige org.mist wil zijne eigene opvattingen „opleggen,quot; waar hij toch waai lijk geene les in harmonieleer of eene proeve van zijne verbazingwekkende techniek heeft te geven ! Hoe heerlijk daarentegen is een aohcrc passende begeleiding, zonder die jammerlijke „gevoeligheden,quot; waarbij men bijv. van den oenen regel van Gezang 5ü : 4

„Leer ons strijden, leer ons bidden,quot;

het .bidden\' in oen brommigen bas- of (orger nog) in een schreeuwenden fluit-, en het „strijdenquot; in een bulderenden bazuintoon te hooren krijgt. Alsof niet die yansrhc re lm;] in \'•■.nzelfdon eorl)iedigon, vertrouwenden toon gespoeld moest worden! Zoo wordt hebias ook nog maar al te vaak do laatste regel van (!ez. 90, na eene akelig-zoetelijke bcliandelini; der drie vorige regels, in een gillend fortissimo „begeleid quot; Waarom toch? Ja waarom zóóveel in dit genre? Waarom (bij zooveel f/ocdc vlt;\')quot;r- en naspelen als er door bekwame toonkunstenaars zijn nitt/cf/cvcn) vaak zulke droevige „fantasiënquot; van \'1 jam morlnkste slag.\' Doch wij kunnen d,i:irlt;«vor niet verder uitweiden.

-ocr page 11-

heb ik u te zaïnen als ranken van Zijnen wijngaard te beschouwen, het aan de tucht des Heiligen Geestes overlatende of en voor hoe ver elke afzonderlijke hoorder verslaat en heventigt, hetgeen wij uit mam der Gemeente aan al hare leden verkondigen. Ik breng niet mijn geloof op den kansel, maar het geloof der Kerk; het gebed is niet mijn gebed, maar de smeeking der Gemeente. Ik betoog hier niet, maar ik betuig, ik verkondig u de eeuwige waarheid Gods, oneindig verre boven uwe goed- of afkeuring verheven, maar eenvoudig en volstrekt uwe gehoorzaamheid eischende. Zoo ook is het tied waarlijk niet een vrij onbelangrijk onderdeel, „tot verpoozing der aandachtquot; ingesteld, maar een allergewichtigste, allernoodzakelijkste uiting van mts gemeenschappelijk geloof. Daarom zal ik u af en toe uitnoodigen gezamenlijk op te staan, hetzij bij het uitspreken onzer heerlijke Twaalf Artikelen, hetzij bij het aanheffen van een lied, \') waarlijk niet als zekere „nieuwigheidquot;, of om daardoor den eeredienst „plechtigerquot; te maken (want als de ernst onzer samenkomsten door zulke uitwendige dingen moet „opgewektquot; worden, dan blijft hij zeker weg!) maar omdat men dan toch onwillekeurig gevoelt: wij treden te zamen handelend op; wij zijn hier niet als een „publiek,quot; dat naar dien éénen man

\') Dc Gomoonto goliovo, ook xoudor dat. «lil uitdruk kol ijk //r; \'//il wordt, hoi :ils ooue 7iitnondif/in// foi h/cilc-apsfnfd to boscliouwon. wannoer ik, im hot voorlozou van ccnig lied, blijf staan. Vooral als slotzang, m do prodildng. als samonvatting van don dank ot do bodo dor gansoho Oomooiiio. igt; zulk oon st/Kindi\' gozongon lied gt;0 uitiiomoncl op /ijnc }»!.ials.

-ocr page 12-

12

op den kansel „luistert,quot; maar als „Gemeente,quot; en stellen ens als zóódanig voor het aangozichte Gods, ons hopen en verwachten, ons danken en ons belijden voor Hem uitsprekende.

Eén lichaam is het en één Geest. Al wat leeft wordt door eenigen geest bezield, goed of boos. Ieder mensch is oen voorwerp van begeerte voor booze en lage machten, die om zijn bezit strijden de „daemonen in de luchtquot; van welke de Apostel gewaagt, en die ons ton allen tijde omringen. Maar in de Gemeente heerscht nog een andere, eene hoogere Geest dan die machten der duisternis, welke ook haar belagen om (ware het mogelijk) ook Gods uitverkorenen te verleiden de Heilige Geest bezielt dat groote, mystieke lichaam van Jezus Christus tot een leven der heiligste, heerlijkste vrijheid, en juist daarom dor schoonste gemeenschap. Geen starre eenvormigheid wekt Hij onder de geloovigen! Eenvormigheid is de dood van alle leven. Maar opdat de vrijheid niet ontaarde, vormt de Heilige Geest die éénheid der Gemeente in Christus, die al Zijne belijders als hun hoogste en dierbaarste kleinood begeeren en bewaren. „Die Geest zal mij verheerlijken,quot; zegt Jezus, „want Hij zal het uil het mijne nemen, en zal het u verkondigen.quot;

Gemeente des Heeren! onderzoek nu uzelve of gij aanvankelijk dezo dingen verstaat. Of gij een oog bezit voor de werkelijkheid der eeuwige wereld, die een voorwerp is van geloor-en en niet van zien. Of gij den bloei ook uwer kerkafdeeling niet langer verwacht van eeuige organisatie of tucht ol\' leer (hoe belangrijk

-ocr page 13-

en onmisbuar ook op /ichzolve). maar van den levenden Chrittun dien gij belijdt, en van de innigheid en beslistheid waarmede elk uwer Hem omklemt. Want vergeet toch niet wat de Apostel hierop terstond laat volgen! „Gij zijt geroepen tot óóne hoop uwer beroepingquot; (of roeping), dat beteekent: gij hebt, als uitverkorenen en beminden Gods, in onderscheiding van de blinde heidenen, die zonder God en zonder hope in dit leven zijn, een vast en welbepaald doel waarin \') gij leeft, eene hope die niet beschaamt, omdat God, die ze bij u gewekt heeft, haar ook in heerlijkheid hekroonen zal. En nu bedenkt hot: adeldom verplicht. Wie zulk eene toekomst heeft, laat er zich ook volkomen door beheerschen en leiden.

Eén Heer, één geloof, één doop. Eén Heer, namelijk Christus. Alle kennis des heils rust in Christus, van Hem gaat allo leven uit, in Hem vindt het zijn dool en middelpunt in Hem, die onze vrede /-s, en daardoor alle muren verbroken heeft, din de monschen zoo jammerlijk van elkander scheiden.2) Do Gemeente

\') Er staat in \'t Grioksch: in oene hoop. Kraohtons hunno roeping levon dii goloovigcn in Muc hoop m t\'riir richting naar hunne ivnwi,^1 tookninst lionon. Zie ook Gal. 1 : \'i; 1 Cor. 7 15 (///• vredo); 1 lliess. 1 7 {/// heiligmaking).

\') Men lotte toch op vors drie van ons teksthooldslnk, en merko ojgt; hoe, volgens don heiligen Apostc\', do vgt;\'ritc, door Christus aangöbriudit, do rechte firondslnfj voor onderlinge geiuoenschup en vorstandhouding is\' Iwnhnd door vrede. lt; lowoonlijk doet men omgekeerd, en denkt „als men maar eorst een acooord sluit, on oeiu! uitwondigo eenheid vau vormen of belijdenis heeft ingesteld, dan zullen do hroedorlijke liefde en oons-oKiudheid wel komen.quot; Manr Paulus loert dat zij, die Imiinitni mot liefhebben, zij hot dan ook dat er onder hen nog nllorlei nuauceoringen van inzicht ou Kevoelon bestaan, ton

-ocr page 14-

14

is geen Republiek met algemeen stemrecht, maar eene Monarchic waar Eén het bevel voert. En welk een heilig recht heeft die Eéne op dat gezag! Het rust niet op de macht des gewelds maar ten koste van Zijn bloed en tranen, van Zijn gadeloos lijden aan het hout des kruises, heeft Hij Zijn volk voor eeuwig onlosmakelijk aan zich verbonden, en Hem aanziende kan elke overwonnen vijand, kan elke gevonden verlorene niet anders doen, dan met Johannes uitroepen: „het is de Heer, het is do lieer!quot; Geloovige! is nu uw leven ook waarlijk een leven in de gehoorzaamheid aan dezen uwen Vorst\'? Zijt (jij reeds koning-af geworden? Ach, hoeveel koninkjes, hoeveel eigenwillige grooten zijn er menigmaal in de Gemeente dos Heeren! Houdt het bij dat „een lieerquot; van den Apostel, en leert alle menschen, hoe wijs en vroom ze ook zijn of schijnen mogen, minder achten dan IJdelheid!

Eén Heer, één geloof. Eén geloof. Daarmede wordt niet bedoeld één dogma, éénzelfde geloofs/eer, geloofs-uiting, want ach, bij volkomen eenstemmigheid in deze kan het zaligmakende, kinderlijke geloof ten éénen male ontbreken, en daaraan wordt hier toch ongetwijfeld door den Apostel gedacht. Wanneer men in het „arme-zondaars-geloofquot; (als ik het zoo eens noemen

slotte tot de ware ddnheiU, óók van belijden, moeten en zullen geraken. Het is niel de eenvormigheid of identiteit van heyrip/.en, die de lai-hn tol elkander brengt, maar omgekeerd : wanneer de harten elkander verstaan, komt die eenheid van inzichten vanzelf. Hoeveel is er ml dezen reilen grondregel niel te leeren - óók voor ons kerkelijk leven I

-ocr page 15-

15

mag) óón is; wanneer men als een in zichzelf verlorene dien rijken Heiland omklemt, in wicn men zijne rechtvaardiging en zijne heiliging, in wien men zijn alles heeft gevonden voor tijd en eeuwigheid, ach, dan kan dat éóne, ondeelbare, onwankelbare geloof met zooveel kalmte allerlei %Q\\oofmcertuigingm en -schakeeringe-u nevens zich dulden! Hiermede wil ik in geenen deelt? do noodzakelijkheid eener vasto, kerkelijke belijdenis ontkennen. Eene Kerk heeft hare Confessie, of zij houdt op Kerk te zijn, en wie haar dienen wil, moet kunnen betuigen haar eerlijk en mn luiric te deelen, anders hoort hij niet in haar thuis. Maar . . . wie dezen band ten koste van alles rrcliterlijk wil handhaven, en niet allereerst op de onmisbaarheid van hartgrondige, persoonlijke bekecring aandringt, die kweekt huichelarij en letterknechterij en ik zog u dat zijn harde meesteressen! Wie evenwel dit ruime, blijde, heerlijke Evangelie verkondigt, en daarbij niet vraagt naar vormen, gewoonten en begeerten der „vromen,quot; wordt tegenwoordig al spoedig een „ketterquot; gescholden. Maar wie, die God vreest, en daarom naar de menschen niet durft te vragen, kan dit in onze dagen ontgaan? Gemeente! ik wensch dat gij weet dat ik mij eerlijk en van harte een zoon onzer Gereformeerde martelaarskerk begeer te noemen, wier belijdenis door genade ook de mijne is; maar juist daarom hoop ik een mild hart te hebben, ruim genoeg om allen^ die den Heiland oprechtelijk liefhebben, er in op te nemen, zelfs hen. die mij wellicht spoedig verworpen zullen, er bij ingesloten 1

-ocr page 16-

16

Eén Heer, één ij(ioof\\ cru doop. Dat beteekent alweer niet: één Aoopslml-iemnfj, éón (\\oo\\)ritus; want ook daarin heerschte altijd, en met volkomen recht, de meest mogelijke vrijheid \'); maar de doop is de openlijke^ hoorbare en zichtbare belijdenis van het geloof in Jezus Christus, dus de gemeentelijke bevos-tiging van hot gemeenschappelijk belijden van den Heiland. „Want zoo velen als gij in Christus gedoopt zijt, hebt gij Christus aangedaan.quot; O lieve Gemeente! ik hoop zoo dat gij diepen eerbied zult hebben voor den Heiligen Doop, en zijne bediening nooit als een lastig, eentonig „toevoegselquot; tot de Catechismus-prediking, maar steeds als een groot voorrecht zult beschouwen, waaraan gij gaarne en getrouw deelneemt. De doop, als het teeken van de afwassching onzer zonden door Jezus\' bloed, is eene profetie van de volkomen heiligheid, die ons wacht, wanneer wij eenmaal „onder de gemeente der uitverkorenen in het eeuwige leven onbevlekt gesteld zullen worden.quot;

Eén God en Vader van allen, die daar is hoven allen, en door allen, en in allen. (De lezing „in u allenquot; is ongetwijfeld eene onjuiste). Hier is natuurlijk, blijkens den samenhang, alleen sprake van geloovigen, en niet van alle menschen, die op aarde wonen. In de belijdenis van den Drieöenige lost zich alle kennis der Gemeente, lost zich haar gansche geloof op. God hoven allen, de hoog boven het geschapene Verhevene; God door allen, de alles en allen Doordringende; God

l) Zio mijn goschrift: Onzo Eorodienst. Opraerkiugeu over hoi liturgische eloinent in don Gorcformeordèn Cultus. Groningen, 1890, blz. 103.

-ocr page 17-

in uilen, omdat Hij woning maakt in het hart van Zijn volk, en aan al Zijne kinderen Zijne zalige tegenwoordigheid doet kennen en gevoelen.

Dit alles nu belijdt de Gemeente des Hoeren als onomstootclijke ivaarlicid. Zij beivijst die waarheid niet, maar zij betuigt haar en aanbidt.

Is nu - zoo vraagt men onwillekeurig — de toestand der Kerk ooit aldus volkomen geweest, zóó éénig en onverdeeld, als de heilige Apostel haar in deze verzen beschrijft? Volmondig antwoorden wij: neen! nimmer! \') Evenmin in Paulus\' dagen als in de onze. Al waren ook alle kerken en afdeelingen, die er van de eerste tot deze negentiende eeuw bestaan hebben, getrouw gebleven aan dit „één Heer, één geloof, één doopquot; van den Apostel, dan zou toch reeds hare onderlinge verdeeldheid liet „één lichaamquot; van onzen tekst op de smartelijkste wijze weerspreken. En daarom past ons boven alles een toon van diepe beschaming en verootmoediging over do gescheurdheid van Christus\' lichaam, en wel verre van ons zelfgenoegzaam achter de muren van ons kerkelijk verblijf te verschuilen, en ons in te richten als hadden wij eene eeuwigheid vóór ons, stellen wij ons de vraag

l) Evon volmondig had ik kunnen zoggon: Ja, fjewisselijk! wanneer ik de Kerk in haar eeuwige, ideale gestalte had in het oog gevat, gelijk liet in het Apostolicum luidt: „ik geloof éóne, heilige, algemeene. christelijke Kerk.quot; Door \'s Ileeren trouw is het alzoo, en ons geloof (dat immers slechts beamen kan datgene wat werkelijk is) spreekt dit dan in deze heerlijke, allesomvattende belijdenis uit. Maar wij hebben hier slechts het oog op de strijdende kerk, in hare lijdensgestalte, die zij in (iac bedeeling wol houden zal. En ach, wie durft het van haar beweren, dal hare éénheid ooit openhaar is geworden ?

-ocr page 18-

18

des profeten: „is het voor ulieden wel de tijd, dat gij woont in uwe gewelfde huizen, en zal dit huis (het huis des Heoren) woest zijn?quot;

Maar ondank*, ja veeleer, om dit alles hoog blijve de standaard onzer koninklijke belijdenis opgericht: één Heer, één geloof, één doop! Geve onze bazuin hieromtrent een helder, een ondubbelzinnig geluid! Hoe zwakker wij in onszelven zijn, te vaster en blijmoediger zullen wij ons vastklemmen aan het Ideaal, omdat wij weten dat hemel en aarde voorbij mogen gaan, maar dat blijven zal de genade des Driemaal-heiligen, wiens majesteit de Gemeente op aarde met de reeds aanvankelijk verloste creatuur in den hemel aanbidt. En wie uwer nu iets van deze dingen verstaat, die voege zich bij dat volk „hetwelk het geklank kent!quot; l)e Geest en de Bruid roepen: „Kom!quot; Dat roepen zij niet alleen tot den Bruidegom, die nog vertoeft, maar ook tot de menschheid rondomme, waar nog zoo velen zijn, die geen vrede kennen, terwijl toch het bloed der verzoening van vrede spreekt, óók voor hen.

Wie gelooft nu deze prediking, en aan wien wordt dientengevolge de arm des Heeren geopenbaard? „Niet de hoog ontwikkelde geest, schatrijk aan blinkende gedachten, maar het hart dat, bij ontdekkend licht des Heiligen Geestes, voor zichzelf in zijn dood en verlorenheid doorzichtig werd. Hot hart dor kinder-kens, aan wie naar \'s Vaders welbehagen geopenbaard wordt, wat den wijzen en verstandigen verborgen blijft. Zóó vormt zicli de Gemeente dei\' kinderen

-ocr page 19-

l\'.l

Gods, de ééne, heilige, ulgemeene Christelijke Kerk, met verscheidenheid van gaven en talonten, maar saam verbonden tot één lichaam door éénen Geest, één Heer, één geloof, één doop; één getuigenis des levens, worstelend en staraehsnd ook bij haar schoonste uitdrukking hierbeneden, maar bestemd om in eeuwige heerlijkheid van rondom den Troon des driemaal Heiligen gehoord te worden in de verste diepten van hot verheerlijkt Heelal.quot; \')

Geloofd zij Jezus Christus, die ons roept verkondigers te zijn van zóó groot eene zaligheid! O dat onze mond er nimmermeer van zwijge! Komt, geliefden, laat ons ook in ons lied de heerlijkheid onzer belijdenis uitspreken, en, ons vereenigende met allen, die Immanuöl liefhebben, hierboven en hierbeneden. Hem grootmaken, die alle banden slaakt en alle muren vallen doet!

Gezang 288 : 4, 5.

Nabij ol\' vor, — wij zijn vorbondon ;

Eón Hoor on üón goloof, ó. n doop,

Eén Goost is hior door ous gavpiulon,

En óóu is aller liefd\' on hoop;

Wij biddon on wij daukon /aAni Tot God mot d\' «\'i\'-nen Vadernaum.

Verhol\'t don Hoor! zijn dag komt nador;

Eón kndd\', óón Hordor is boloofd;

Do volken buigen zich to gader

Voor Jezus Christus, aller Hoofd!

ücli, of die heildag haast vorscheon!

Dan worden aard en hemel óón!

\') Blikken in «le Openbaring door .!. 11. Gunniim Jr. Dool 1 i)lz. 3(M.

-ocr page 20-

20 II.

Wat heeft nu een leer aar te doen, die de Gemeente van Christus dient, wier éénheid wij u thans naar het Apostolisch woord hebben beschreven, en wat volgt daaruit voor haar zelve? Bier zij het ons, bij wijze van uitzondering, thans vergund een weinig ook over onszelven te spreken, en dat, met het oog op de velerlei stemmen, die uit uw midden tot mij gekomen zijn, zoo openhartig en ononmonden mogelijk.

Wat de leeraars aangaat: een iegelijk heeft zich te onderzoeken of hij vastelijk gelooft dat daar op aarde zulk eene Gemeente -is, gelijk de heilige Apostel ons haar beschreven heeft, en dat hij tot haren dienst van Godswege geroepen is. Welnu, met ootmoed maar toch ook met kalme verzekerdheid mag ik dit voor \'sHeeren en uw aangezicht bevestigen. Ik heb dat reeds dezen morgen uitgesproken, toen mij het „ja ik, van ganscher hartequot; niet alleen van de lippen maar ook uit het diepst mijner ziele kwam, en gaarne herhaal ik ook thans in uw midden: wat ik u tot dusver in deze ure, naar dit ons tekstwoord heb voorgehouden, drukt ook mijn innigste overtuiging uit, gelijk ik mij in alle dingen eerlijk en onbepaald aan Gods geschreven Woord kinderlijk wensch te onderwerpen.

Maar daarom hebt gij dan ook van nu af aan evenzeer eene roeping tegenover mij, als ik tegenover u. Heb ik u als de Gemeente des Heeren te beschou-

-ocr page 21-

21

wen, niet als eea ijdel „publiek,quot; dat ik zoek te behagen, maar als de „kuddequot; des Heilands, die ik moet weiden — gij hebt mij van nu af aan, nevens mijne ambtgenooton, als een geroepen dienaar van Jezus Christus te behandelen en te eeren, te eeren niet door laffe vleierij, die ik hoop dat gij mij èn om uwszelfs — èn om mijnentwil besparen zult, maar door mijn woord aan te nemen als Gods roepstem tot u, zoodat gij u telkens afvraagt wat de Heer u ook door mijnen mond te zeggen heeft. Het trof mij, dat ons „Predikbeurtenbladquot; van gisteren juistciteen tekst bevatte: „Zijt uwen voorgangeren gehoorzaam, en zijt hun onderdanig, want zij waken voor uwe zielen, als die rekenschap geven zullen; opdat zij dat doen mogen met vreugde en niet zuchtende; want dat is u niet nuttig!quot; Let vooral ook op deze laatste woorden! Het is voor «, o Gemeente! schadelijk wanneer gij ons niet aanneemt als wat wij zijn: gezanten van Christus\' wege, die u toeroepen: laat u met God verzoenen! Moogt gij dan uwe taak verstaan, ook tegenover uwen jongsten leeraar. Begint althans met hem te vertrouwen! Waarom stellen christenen (en daaronder ook dezulken wier „liefheidquot; en „innigheidquot; bijkans spreekwoordelijk werden) het zich tot taak oenen medebelijder, onnoodig en ongeroepen, van hun misnoegen te verzekeren, in plaats van hem met een broederlijken handdruk te steunen? Waarom hebben vele „geloovigenquot; er behagen in eenen medereiziger naar de eeuwigheid, van wien zij vermoeden of hooren zeggen, dat hij niet in alles met hou medegaat, zoo-

-ocr page 22-

■22

veel mogelijk verdriet en pijn te doen? Zou dat recht zijn voor God, al is het misschien een eisch der partij? Zou dat zijn naar het Woord des Heeren? Ik vraag uw vertrouwen en uwen steun, Gemeente! bovenal den steun van uw gebed, opdat mijn werk in waarheid gezegend en tot zegen zij van dit deel van Jezus\' kudde. Ik hoop hen steeds als vrienden te bejegenen, die mij met zachtmoedigheid „de waarheid durven zeggen,quot; maar de beste vrienden van een leeraar zijn toch steeds diegenen geweest, die in hunne binnenkamer de knieën weten te buigen, en hem aanhoudend opdragen voor den troon der ge nade. Want wiens geestelijk leven is zóó telkens bedreigd, als dat van een herder en leeraar in onze felbcwogen dagen ?

O, gij weet niet hoe mijn hart ontroerd is bij de gedachte dat ik thans in uw midden. Gemeente van Utrecht! zal hebben te arbeiden. Wat al herinneringen wekt deze stad niet bij mij op! Een gelukkigen studententijd bracht ik hier door, en meer dan één band werd er in aangeknoopt, die voor mijn vorder leven van gewicht is geworden. Hoe menige vriendelijke woning stond voor mij open waar ik, met de onbesuisdheid aan een jongeling van achttien jaren eigen, de groote problemen van onze studentenwereld mocht bespreken, en vaak een sympathiek hart ontmoette, dat mij den strijd hielp dragen en verlichtte. Laat mij althans tinec namen met dankbaren eerbied in uw midden mogen uitspreken: Mr. Fatck en Jonkheer van Weede van Dijkveld. Ach, dat ik hunne

-ocr page 23-

stem hierbeneden niet meer hooren zal! Maar . . . misgunnen wij hun de rust bij hunnen Heiland niet, dien zij zoo trouw hebben gediend! Zal ik hier ook thans wederom zulke warme harten terug vinden, harten die mij althans énvigssins het verlies van mijner ouders huis zullen vergoeden, dat mij het verlaten van Loiden zoo dubbel zwaar heeft gemaakt? O vrienden! laat ons toch den korten tijd, dien wij nog te leven hebben, wat licht en icarmte rondom ons verspreiden, gelijk die twee ontslapenen het hebben gedaan! Hoe ander * doen vele christenen in onze dagen!

Wat zegt ook deze oude, eerwaardige Dom veel tot mij! Nog zie ik mij daarginds op de studenten-banken met moeite een plaatsje veroveren, om het machtige woord van den onvergetelijken van Oosterzee te kunnen hooren, of neerzitten onder de prediking van zoo menigeen uwer, waarde ambtgenooten! met wie ik van na af aan in deze gemeente zal mogen arbeiden. En hoe kan het anders of ik denk thans onwillekeurig aan die plechtige ure, juist vijftien jaren geleden, dat ik met kloppend harte op dezen zelfden kansel stond, om mijn „Eerste Voorstelquot; te houden over „Jezus en den blinden Bartimeüs,quot; waarna mijn lieve vader op mij toetrad, en mij met tranon aan zijn hart drukte, mij Gods zegen toebiddende over die eerste, ach zoo zwakke en gebrekkige Evangelieprediking... Waar blijft de tijd! Waarlijk, „wij brengen onze jaren door als eene gedachte!quot; Ach, dat wij leerden ze goad te tellen, opdat wij een wijs harte bekwamen!

-ocr page 24-

24

Waarde Medebroeders in de Heilige Bediening! Ik herinner mij in eenc levensbeschrijving van Calvijn gelezen te hebben, hoe op liet Ministerie der Geneef-schu predikanten, een der ouderen eens tot een jongeren ambtgenoot zeide: „boe is het, mijn broeder! met u daarbinnen gesteld? Het komt mij voor dat gij minder ernstig zijt in het vermanen. Wat drukt u? Is er eene verborgen zonde, die u omlaag trekt? Is er in uwe bediening iets niet recht voor den Heer?quot; En daarop knielden zij te zamen neder. God smeekende om genade en om licht, en zóó werd de belemmering weggeruimd, tot heil van dien leeraar niet alleen, maar ook van de gansche Gemeente. O, mocht ik zulke broeders onder u aantreffen! Hoe vaak geschiedt hot niet in onzen tijd dat elk zijn eigen kringetje vormt, en zich te midden zijner engere geestverwanten opsluit, terwijl men voor elkander en voor do geheele kudde des Hoeren toch zulk een hooge, gewichtige opdracht ontving! Schenkt mij uwe toegenegenheid, moge hot zijn straks ook uwe vriendschap, on weost verzekerd dat ik, die in jaren uw jongere ben, u gaarne in alles als mijne meerderen wensch te eeren.

Waarde Bevestiger, broeder Quast! Nu mijn geliefde vader, doordat iiij in den vreemde toeft, mij niet tot deze gemeente inleiden fewt, waart gij zoo goed deze taak op u te nemen, en ik dank u hartelijk voor de uitnemende wijze waarop gij dit gedaan hebt. Ik geloof\' dat wij elkander best zullen verstaan, en ik hoop van uwen omgang veel te zullen loeren. Laat al het geiijkvloerscho en kleingeestige dat ineormalen

-ocr page 25-

ouze vaderlandsche predikantenwereld innerlijk verdeelt, nooit op onzen omgang, nooit op onze verhon-dingen zijnen verpestenden invloed doen gevoelen. Wie kan deuken aan zichzelf, wanneer hij de banier des Konings draagt?

Hooggeschatte Felix! Waar ik broeder Merens, dio evenals gij eene welverdiende rust geniet, tot mijn groot leedwezen thans niet begroeten kan, omdat ongesteldheid hem aan zijne woning bindt, verblijdt het mij dubbel u hier in welstand te mogen zien. Ik ben geroepen uw opvolger te wezen, en dat zegt niet weinig. Ik weet, ook nog uit mijn eigen studententijd, hoe gij steeds het oor en het hart van e,e\\\\ groot deel dezer gemeente gehad hebt, en daarom voel ik al het gewicht er van dat ook gij mijne komst herwaarts gewenscht hebt. In welko ondergeschikte punten wij ook wellicht mogen verschillen, in liefde voor onze Kerk, in eerbied voor de Heilige Schrift als Gods Woord, in hartelijke begeerte deze Gemeente te weiden met de staven „liefelijkheidquot; en „zamen-binders,quot; wensch ik noch voor u noch voor iomand anders onder te doen. God kroone uwe grijsheid met Zijn genade, en zette u straks over in de erfenis, die Hij voor Zijne getrouwen heeft weggelegd!

Broeders ouderlingen en diakenen! dat ook gij niet allen éénzelfde taal spreekt en éénzelfde verlangen hebt, is mij uit velerlei brieven gebleken. Welnu, gij hebt heden avond gehoord dat ik voor verschil van inzicht geene vrees heb, mits er éénheid zij in Christus. Laat ons in Hem ons vereenigingspuut zoeken.

-ocr page 26-

26

maar verder elkanders zelfstandigheid eerbiedigen. Ik hoop het de uwe te doen, maar ik verwacht ook van u hetzelfde ten mijnen opzichte, want ik ben niet genegen mijne vrijheid ook maar door één draadjen of vezeltjen aan banden te laten leggen. Mogen wij broederlijk samenwerken, on schenke de Heer der Gemeente n voor uw gewichtig ambt Zijnen onmis-baren zegen.

Leden van het Kiescollege! ik hoop dat gij geen berouw moogt hebben over de keuze, die gij op mij hebt uitgebracht. Men heeft mij vrij volledig ingelicht omtrent de verschillende stroomingen en partijen, die er onder u bestaan, en van de zeer uiteenloopende verwachtingen, die men van mij gelieft te koesteren. Ook heeft het mij aan tal van raadgevingen niet ontbroken die, wanneer ik ze alle wilde opvolgen, mij aan de weerhanen onzer kerktorens gelijk zouden maken, die alle drijvingen van weder en wind aanschouwelijk voorstellen. Ik hoop dat niet te doen, maar dat alles zoo snel mogelijk te vergeten, en hoegenaamd niet te vragen naar hen, die mij al dan niet begeerden, maar eenvoudig het werk op te vatten, waartoe de Heer mij door uwe tusschenkomst geroepen heeft. God zegene uwe gewichtige werkzaamheid, waar die weldra wederom zal worden ingeroepen, tot het waarachtig heil der Gemeente en tot eere Zijns Naams!

Ambtgenooten van zusterkerken hier ter stede! medebroeders nit den ring, uit don omtrek, of uit andere plaatsen! mogen onze wegen van tijd tot tijd in eenigheid des geestes samenloopen! Mijn hart heeft

-ocr page 27-

27

grootelijks behoefte aan collegiaal verkeer, maar is alleszins verzadigd van confessioneele en kerkrechterlijke geschillen. Op den breeden, heerlijken grondslag van mijn tekstwoord voor dit avonduur hoop ik velen uwer menigmaal te zullen ontmoeten.

Indien hier leden van den Gemeenteraad aanwezig zijn, neemt dan de verzekering uit mijnen mond aan dat wij, ook in de samenkomsten der Gemeente, den Heer om een zegen hopen te vragen voor uwe regeering. Wie hebben meer den steun des gebeds noodig dan zij, die in onze onrustige dagen geroepen worden het gezag hoog te houden? „Alle ziel zij den machten, over haar gesteld, onderworpen; want er is geene macht dan van God.quot; Welk eene verantwoordelijkheid voor Overheid en onderdanen beide!

Heeren Kerkvoogden en Notabelen ! ontvangt mijnen eerbiedigen groet. Ik hoop dat gij steeds den onmis-baren steun zult ontvangen, om de uitwendiye belangen van den eeredienst naar beboeren te kunnen behartigen, hetwelk dan vanzelf op allerlei wijze ook hun ten goede komt, die voor de meer geestelijke noo-den dezer gemeente hebben te waken.

Aan Professoren en Studenten dezer achtbare Universiteit, ook aan de rustende Hoogleeraren, onder wie ik mijne leermeesters Beets, Brill en Doedes met erkentelijkheid en eerbied begroeten mag, bid ik van ganscher harte Gods rijkste zegeningen toe. Gelijk ik dat te Leiden zoo gaarne deed, hoop ik ook hier do Hoogeschool telkens den Heer op te dragen in het gebed. Immers het behoeft u toch niet uitdrukkelijk te worden

-ocr page 28-

28

herinnerd, Gemeente! dat ons volksleven, met name ook ons Vaderlandsche Protestantisme, ton nauwste met onze Academiën verbonden is? Daar toch worden de mannen gevormd die als rechters, als artsen, als leeraars, als denkers de publieke opinie zullen vormen en beheerschen. Wee, wee onzer Kerk wanneer zij voor dit hooge belang geen oog zou hebben! in hot bijzonder gedenk ik met erkentelijkheid aan de Theologische Faculteit, wier dankbare leerling ik was. God stelle haar, met do haar toegevoegde kerkelijke Hoogleeraron, voor het groot getal jonge mannen, die zich hier tot de bediening des Woords voorbereiden, tot rijken zegen! En mocht mijne studeer- of huiskamer, waarde aanstaande medebroeders, studenten in de theologie! iets aantrekkelijks voor u hebben, gij zult mij, evenals iedere student, die mijn omgang begeeren mocht, van harte welkom wezen, ik dank u zeer vriendelijk voor het warme Adres, door zoovelen uwer mij in de dagen, dat ik over hot beroep herwaarts beslissen moest, toegezonden.

Godsdienstonderwijzers, leeraren aan christelijke scholen, kweekelingen dei- Utrechtscho Zendingsver-eeniging, aan wier hoofd ik mijnen hooggeschatten aanverwant raag begroeten, directrice en zusters van het Diakonossenhuis, regenten en directeuren van onderscheidene Godshuizen! ik noem u thans met name, niet alleen om u te danken voor do vele on hartelijke brieven, die ik van u ontving, maar ook om u te verzekeren dat ik gaarne uwe belangen met de Gomeonte den iioor wensch op te dragon, ik weel

-ocr page 29-

het: de arbeid zal voor mij hier nid gemakkelijk zijn, en ik behoefde waarlijk geene fijne voelhorens te hebben ora te bemerken dat sommigen mij liever zagen gaan dan komen. Aan openhartigheid heeft het in dezen niet ontbroken! Maar toch eene Gemeente die, om nu maar niet meer te noemen, het voorrecht heeft een eigen Zendingsvereeniging en een eigen Diakonesson-huis te hebben, waar bidstonden voor Israël en de Heidenen geene zeldzaamheid zijn, o die herbergt toch zeker ook velen die het geleerd hebben vooruit en vooral ook naar Boven te zien, en met dezulken van tijd tot tijd in aanraking te komen, zal mij een liefelijk voorrecht zijn.

Vrienden uit Gouda en uit Leiden! hoe verblijdt mij uwe tegenwoordigheid in deze ure! Ik dank u voor uwe overkomst, die mij liet verkwikkend bewijs is dat gij mij, nu ik eenmaal besloot u te gaan verlaten, wilt mede uitzenden tot deze mijne nieuwe en gewichtige taak. Blijft mijner in uwe gebeden gedenken, en laat de hoofdgedachte dezer verkondiging, die gij zoo vaak uit mijnen mond vernomen hebt, u en mij bemoedigen mogen bij onze scheiding: één Heer, één geloof, één doop.

Gemeente van Utrecht! Waar liefde woont gebiedt de Heer den zegen. Wat ik mijner goede Leidsche Gemeente toebad bij het neerleggen, \') zij ook mijne bede voor u bij het aanvangen van mijnen arbeid: „de genade van onzen Heere Jezus Christus, de liefde

\') Do hoerlijkhoid vim dun driemaal heiligon Naam. Een woord van afscheid, (j. Los, Leidon.

-ocr page 30-

30

Gods en de gemeenschap dos Heiligen G-eestes zij met ii allen!quot; Do naam des Heeren is een sterke toren, welgelukzalig allen die daarheen vluchten en daar hunne ruste zoeken, bij al de beslommeringen van onze afmattende dagen!

Wilt mij ook eenigen tijd laten tot mijzelven te komen, na de aangrijpende weken, die achter mij liggen, en helpt mij in mijn eigenlijke werk, door mij niet terstond van allerlei zaken op te dragen, die mijn ambt niet onmiddellijk medebrengt. Ook deze stad heeft gewis hare nuttige en noodige vereenigingen tot „afschaffing,quot; „onthoudingquot; en „gre/jee^-onthouding,quot; tot „verbetering,quot; „bevordering,quot; „opwekking,quot; „verbreidingquot; en „bestrijdingquot; van alle mogelijke goede en kwade dingen .... ik hid u, laat mij voorloopig met vrede, geëerde Bestuurders van dat alles! opdat ik aan de prediking en mijn gemeentelijk werk allereerst mijne geringe krachten moge wijden.

Een partijman hoop ik nimmer te worden. Ik weet het, óók wel door eigen smartelijke ervaring, dat het Koninkrijk Gods in Staat noch Kerk bevorderd wordt door kracht of geweld, en dat alle partijschap, met hare onmisbare organisation, reglementen en commandanten, uit den booze is. Ik ken maar één programma, waaraan ik mijzelven van harte wensch te onderwerpen; het is dit óéne: „voorwaar, voorwaar zeg ik u: tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien.quot;

God schenke mij genade hieraan getrouw to zijn! „Getrouwheidquot; is oen woord dat men in onze dagen

-ocr page 31-

31

veel gebruikt, maar ook vaak misbruikt\'. O, dat de waarheid Gods hoog verheven zij en blijve boven de ellendige, kloinzielige, armzalige kibbelarijen van ons vaak zoo laaggezonken kerkelijk leven! Wij hebben „de waarheidquot; niet te verdedigen, en ons druk te maken alsof zij buiten ons gevaar liep de waarheid is sterker dan al hare tegenstanders, want zij onderwerpt hen toch allen vroeg of laat; maar zij is óók sterker dan al hare verdedigers, van welke zij er niet één van noode heeft Jezus Christus is cle waarheid, en wie zich Hem volkomen onderwerpt, en aan Hem in werkelijkheid genoeg heeft, die is Zijn trouwste dienaar, en Zijn krachtigste strijder, en zal het dan ook gewisselijk ervaren hoe die waarheid hem vrijmaakt en zaligt. Laat ons klein denken van ons en al het onze, en groot, eindeloos groot van onzen God! Nooit kan \'t geloof te veel verwachten. Nooit werd een arme zondaar teleurgesteld, die een beroep deed op het rijke hart van zijn Heiland. En daarop wil ook ik, arm en machte loos schepsel in mij zei ven, het wagen, vuriglijk den steun en de voorbede vragende van allen, die zich met mij één Weten in Jezus Christus, hartelijk hopende dat do I loer ook mijn zwakken dienst gebruiken wil om Zijne belijders nader tot elkander te brengen, tot uitbreiding van Zijn zalig Koninkrijk en tot verheerlijking van Zijnen nooit volprezenen Naam.

Ik weet het goed; de strijd komt on blijft. Ook onze wekelijksche opgangen in het huis des gebeds worden telkens weer afgebroken door de zesdaagsche worsteling in het drukke, afmattende, dagolijksche

-ocr page 32-

leven, dat er wM op uit is iemand spoedig te doen verslijten en te doen verlangen naar de eeuwige rust. Welnu, mijne ziel, verheug u, verheug u! Er blijft ook eene rust over voor het volk van God, en wat wij hier, op de rust- en hoogtepunten van ons leven belijden, belijden in hope en onder duizendvoudige struikeling, wordt eerlang door alle kinderen Gods mot ongedekten aangezichte in heerlijkheid aanschouwd. Zóó reizen wij welgemoed verder, lieve tochtgenooten! en schorten ons de lendenen op. Wij hebben één geloof, één doop, één dool, één vaderland, één vreugde, één hemel, en boven alles één Heer, één .lezus, en wat Hij heet dat is Hij ook; een Heiland, die Zijn volk zalig maakt van al hunne zonden. Loof, loof dien Heer, mijne ziel, en alles wat binnen in mij is prijze Zijnen heiligen Naam! Amen.

-ocr page 33-

NASCHRIFT.

Een enkel woord tot sommigen in de Gemeente van Utreclit. \')

IH\'t luoart Cljvifti luoonc vjjclielicli m u in nllc Uiysiljn.it: leert cube lu-vmanit maHiitiibcrcii, met pfalmcn cnbc (offansjcii, cnbc jccftelilic lu-bcuciift, innjrnbi- ben ll)cm met aeiiijeu.iemfiei.it 111 ulu\' Ij ei\'te.

Col. 3 : 16.

Met eenigen tegenzin, omdat mij de zaak eigenlijk zoo weinig gewichtig voorkomt, maar toch ook weer met alle liefde, omdat het u geldt, geliefde Gemeente! wil ik hier enkele woorden zeggen over eene zaak, die velen uwer zoo bitter ziuaar schijnt te wegen, namelijk : hel gebruik van den Vervolgbundel. Hoeveel heb ik daarover niet reeds moeten hooren en lezen! Hoeveel lange, dringende, soms ernstige, soms ook weinig ernstige epistels heeft men daaraan gewijd! Indien slechts de Jielfl van al de brieven, welke in de afgeloopen weken mij werden toegezonden, over andere, over hoogerc belangen gehandeld hadden, hoe innig zou het mij verheugd hebben!

Dit gehool persoonlijke woord geliove mon huilen Utrocht ongolezon, althr.ns onbosprokon on ongocritisoerd to laton.

-ocr page 34-

Maar helaas, de „nieuwe gezangenquot; waren en hieven schering en inslag bij het meeste, dat ik van uwentwege vernam!

Gelooft gij niet dat ik, die een man des vredes ben, gaarne het genoegen gesmaakt zou hebben allen ie zamen te bevredigen, wanneer dit mogelijk ware geweest? Edoch, ik /co» niet anders dan eenvoudig den weg te gaan, dien ik voor \'s Heeren aangezicht besloten heb te bewandelen, namelijk terstond, van mijne intrede af aan, naasl de oude óók de nieuwe liederen te gebruiken. Mag ik u thans eens zeggen waarom?

Op den voorgrond staat mij dat in eene christelijke Gemeente het christelijke lied eenvoudig onmisbaar en noodzakelijk is. Ik oordeel hen niet, die er anders over denken; ik zal hen gaarne als broeders erkennen, wanneer zij voorts den Heere Jezus liefhebben; maar ik kan \'t niet anders inzien. Vooreen uitsluitend gebruik der oud-testamentische Fsalmen, waarin de Christus toch niet anders dan aangeduid en voorspeld wordt, vind ik geen enkelen Bijbelschen grond, al zou ik ook onze heerlijke Psalmen in onzen eeredienst voor geen schatten ter wereld willen missen.

Maar geeft men ddl nu eenmaal toe, erkent men de behoefte aan het nieuw-testamentische lied, dan is toch, dunkt mij, de vraag naar het aantal gezangen, dat men zingen mag, eene bekrompene en divaze. Het gebruik van gezangen in onze bedehuizen is verkeerd, en dan ook geen enkel lied gezongen! Of dat gebruik is goed, en dan ook hoe ruimer de keuze hoe liever! (Altijd als ze goed zijn). „Zender einde geeft Uw lof, Jezus! ons de rijkste stof.quot; Zoo pas uit Duitschland teruggekeerd, denk ik nog met zekere jaloerschheid aan het meer dan C00 nummers tellende Gezangboek, dat ik daar heb aangetroffen, en hadden wij er een met OOOO of 00000 schriftuurlijke liederen, — het zou wellicht wat lastig zijn in het gebruik, maar ik zou er mij toch van heeler harte in verblijden! Wie zingt ooit genoeg van zijnen dierbaren Heiland en Heer?

-ocr page 35-

35

Is dus de noodzakelijkheid van het christelijk lied voor onze gemeenschappelijke samenkomsten toegegeven, dan kan men toch van kerkelijk standpunt geen grooter bezwaar hebben tegen de meuwe dan tegen de oude gezangen. Beide zijn, volgens de uitspraken der Dordtsche Synode van 1618—19, evenals naar de oudvaderlijke praktijk ongeoorloofd, en wie het verlof eener Generale Synode noodig heeft, eer hij met rustig geweten in het bedehuis een lied aanheft, welnu die zwijgel Ik zal er hem niet zuur om aankijken, al behoor ik tot dezulken niet. Ik voor mij acht het in onze, waarlijk in wel meer en wel gewichtiger opzichten zoo geheel veranderde toestanden, niet geraden door zulk eene „hoog-kerkelijkequot; overweging zich het noemen van den zoeten en dierbaren Jezusnaam in het gemeentelijk lied te laten ontzeggen. Zouden zelfs de strengste vrienden van Dordt in onze Kerk wel in alles conform aan het oud vaderlijk model zijn en handelen? Ik voor mij, die de wettigheid onzer bestaande Kerkenordening erken (wat volstrekt niet insluit dat ik haar in alles goedkeur), neem dankbaar uit de handen onzer „Haagsche Synodequot; ilen Vervolgbundel aan. Ik wenschte wel dat wij nimmer s/cc/jto\'geschenk van haar ontvangen hadden!

Is dan deze Bundel volmaakt? Wel neen, volstrekt niet! Er zijn gezangen in, die ik nooit zal laten zingen. Die zijn er ook in den ouden Bundel. Maar maakt niet ook de felste Gezangenhater bij bet gebruik zijner Psalmen eene keuze? Wie laat ooit alle verzen uit het Psalmboek door de Gemeente aanheffen? Weet go, als ik een mand met vruchten krijg, waaronder zich hier of daar een wormstekige bevindt, werp ik die gansche mand niet weg, maar laat de minder smakelijke exemplaren liggen, heel dankbaar dat er nog zoovele goede overblijven 1

En als men nu zegt: „ja maar, juist die verkeerde gezangen doen zooveel kwaad,quot; dan antwoord ik: laat ons toch niet

-ocr page 36-

36

villen! Het is bekend genoeg dat men ook in onze heden-daagsclie Psalmberijming heel wat „Remonstrantschen zuur-deesemquot; kan vinden, als men een scherpe dogmatische bril opzet. Toch betreuren nog maar weinigen in onze kerk de zooveel „zuiverderquot; berijming van den godzaligen Dathenus. Wie met een geloovig hart onze Psalmen zingt, ach, dio stoot zich aan die „kettersche wendingenquot; niet! En zoo meen ik ook dat een levend, waarachtig beheerd voorganger wel van zelf slechts goede liederen uit zal kiezen, terwijl het mij toch al te dwaas voorkomt tegen een dood en weerloos hoek zoo te ijveren, terwijl men de schreiendste ongsXookprcdiking op honderden kansels duldt, en dulden moei, helaas! Ik ben verzekerd dat iemand, die den Heiland liefheeft, slechts die liederen door de Gemeente zal doen aanheffen, die met het geloof der Gejneente overeenstemmen, en dat dan die enkele brave-Hendrik-achtige, min of meer verwaterde, rationalistische verzen, die er inderdaad in onze bundels te vinden zijn, hem hoegenaamd niet hinderen zullen, en zijn hoorders evenmin. Mij heeft eena iemand in Leiden gezegd dat hij, na een jaar onder mijne prediking zwijgend de gezangen te hebben aangehoord, ze voortaan meê was gaan zingen, „omdat ik alloos gezorgd had dat de zuivere waarheid er in was.quot; En, Gode zij dank, daarvoor te zorgen valt nog niet zoo zwaar, met het oog op onze twee in menig opzicht toch zoo schoone en goede gezangbundels!

Dit alles nu aldus zijnde, was het mij persoonlijk onmogelijk den Vervolgbundel te laten liggen. Van mijne eerste Gemeente af aan heb ik er voor geijverd (ik mag zeggen: met zachtheid en verstand). Waar ik zag dat er veel tegenkanting tegen bestond, gelijk in Wilhelminadorp, of gelijk in Leiden, waar geen mijner rechtzinnige ambtgenooten hem gebruikte, daar liet ik de zaak rusten. Waar het zonder veel strijd Icon, gelijk in Bennebroek, daar heb ik hem met mijnen kerkeraad ingevoerd.

-ocr page 37-

37

eu de gelieele gemeente is er nog steeds blijde om. In Gouda vond ik hem, evenals hier te Utrecht, tot mijne vreugde reeds in gebruik. Zou ik nu niet verkeerd doen hem op eenmaal in de grijze Bisschopsstad te gaan mijden, en dat waar broeders in Christus als de Heeren Bronsveld, Quast, Valeton, de Jonge (eu wellicht nog anderen) hem geregeld gebruiken, terwijl geen der andere dienstdoende ambtgenooten het noodig geacht heeft mij het gebruik van deze liederen te ontraden, hoewel het vrijwel heleend was dat ik er een warm vriend van was? Dat zij dezen bundel niet gebruiken, kan ik mij wel hegrijpen. Als men tien, twintig, dertig jaren lang het nooit heeft gedaan, en er komt op eenmaal een jonger collega, die er mede begint, en men ziet hoe velen in de Gemeente dat verkeerd vinden, nu ja, dan zou men mogen wenschen dat allen gezamenlijk zeiden : „wij doen \'t ook, want de zaak is toch goed!quot; —maar men kan er toch óók weer „in komen,quot; dat men daar nu geen lust in heeft. Een ieder zij in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd! Voor mij evenwel staat de zaak anders. Ik vind den Vervolgbundel in gebruik, en kan niet anders dan dankbaar daarvoor zijn. Waarlijk, ik zou mijzelven voorkomen een dienaar van menschen en niet van Christus te zijn, wanneer ik, tegen mijne zoowel in de praktijk als in geschrifte steeds betoonde ingenomenheid met onze beide Gezangbundels, éénen daarvan wegliet ter wille der „zwakke broeders.quot;

Hoort eens, lieve Gemeente! men kan dien „zwakkenquot; broederen ook wel eens te veel ter wille zijn! In de onbesuisdheid en hardheid, waarmede zij maar al te vaak hun meening willen doordrijven en opleggen, (ook mij wilden opleggen, blijkens meer dan één mij toegezondenen brief), spreekt nog wel wat anders clan teederheid en schuchterheid van zin, gelijk men dien toch alleerst van zulke aanvangers op den weg des levens verwachten mocht. Men heeft mij verhaald dat, toen Ds. Quast de Nieuwe Gezangen in gebruik zou nemen, een aantal

-ocr page 38-

38

politie-agenten gereqnireerd was om de orde iu het bedehuis te handhaven. Zóó vreesde men voor de handtastelijke en luid-Idinkende bewijzen van afkeuring der „zwakkequot; broederen! En op welk eene wijze velen hunner geestverwanten, die thans huilen onze kerk geraakt zijn, voor hunne meeningen en opvattingen gestreden hebben, ligt ons allen nog versch in \'t geheugen. Van groote „zwakheidquot; lei hun optreden nu juist f/ecra getuigenis af! Gewisselijk zijn er onder de tegenstanders der „Gezangenquot; vrome, ware kinderen Gods, en ik wensohte wel ora wat liefs, dat ik hun de droefenis had lunnen besparen mij „zoo\'n liedjequot; te hooren opgeven. Maar er zijn er ook onder die .... men eenvoudig beslist en kloek moet afwijzen, en een leeraar, die dat niet doet, raakl er onder! God beware mij er voor!

Gij bemerkt het, lieve Gemeente! dat ik deze geheele zaak, die zoovelen uwer zoo zwaar schijnt te wezen, nog al vroolijk en welgemoed onder de oogen zie. Ik vind haar, met den besten wil ter wereld, niet belangrijk genoeg om er rwyra ziele-vrede ook .maar één oogenblik door te laten verstoren.

Maar toch heeft zij eene ernstige zijde, namelijk voor u. En ik mag toch, als een uwer leeraren, dit woord niet besluiten zonder de dringende vermaning: onderzoek u of gij in den (jeloove zijt/ Uw orthodoxie zal wel in orde zijn; het geldt ten minste vrij algemeen als een bewijs van groote rechtzinnigheid tegen gezangen, en in het bijzonder tegen de nieuwe gezangen, te ijveren. Maar bedenk het, mijn broeder of zuster! orthodox en geloovig zijn twee! Men kan ook als een rechtzinnig mensch voor eeuwig verloren gaan! En o, als een medereiziger naar de eeuwigheid, bid en smeek ik u : Vraag u toch af of gij den levenden Heiland kent en toebehoort, of Hij, door genade, reeds uw êén en uw al geworden is!

En dan .... dan kunnen zulke dingen als deze laffe, kleinzielige, armzalige „gezangen-quaestiequot; geen quaestie voor ons

V

-ocr page 39-

39

sdjn! Dan kan men nog wel niteenloopende cfentófcWcn en wze«* nimjen daaromtrent koesteren, ach ja, maar dan stelt men die toch niet langer op den voorgrond, dan voelt men toch met jnisten, gemeentelijken tact: „dit zijn belangen van den tweeden of derden rang! Wij willen liet daar malkanderen niet mocielijk om maken!quot; Als wij waarlijk leven in de verwachting van Jezus heerlijke wederkomst; indien het ons waarlijk te doen is om het heil van onsterfelijke zielen; indien wij elkaar er op aanzien met deze vraag in het hart: „kont gij reeds den éónigen troost in leven en in sterven?quot; — o, dan is het onmogelijk dat wij ons laten ophouden en boos maken en ergeren door het zingen of niet-/,ingen van lied no. 192 of 193! En daarom, ik kan en ik xuil niet gelooven dat op den duur zij, die waarlijk kinderen Gods zijn, elkander om deze nietigheid zullen blijven veroordeelen, die mij thans voorkomt meer dan voldoende te zijn besproken en uiteengezet. „Nubicula est — transibit,quot; zeide mijn geliefde leermeester van Oosterzee wel eens op zijn colleges, wanneer hij allerlei aanvallen op het Christendom besprak — welnu, dat zeg ik ook van harte omtrent deze zaak; nubicula est — transibit, het is maar een wolkje — en \'l zal ivel voorbij drijven!

Wat is nu mijn stille hoop en verwachting? Drieërlei!

Dat ik over deze nietige zaak (nietig, in vergelijking bij de hooge belangen, die in onzen ernstigen tijd aan de orde zijn), nooit meer zal behoeven te spreken of te schrijven, en dat de lieve vrienden, die \'t met mij hierover oneens zijn, zich maar vooraf van mijne „onbekeerlijkheidquot; in dezen overtuigd zullen houden. Kom, er is gelukkig nog zóóveel waarin wij \'t hartelijk ééns zijn, dat wij deze geschilpunten maar moesten laten rusten. De Heer nadert! Laat ons in Hem ons verblijden!

Ten andere dat men toch deze zaak niet tot eene voorwendsel make om de roepstem, ook door mijnen zwakken dienst tot de Gemeente komende, te verwaarloozen. Die „oudequot; of „nieuwe

-ocr page 40-

40

gezangenquot; zxvgl, zinge den Heere, en wie ze niet zingt, zwijgc den Heere! Voor hen santen heb ik slechts ééne boodschap; namelijk dat Jezus Christus in de wereld is gekomen, om zondaren zalig te maken. En dat is toch een getrouw woord en aller aanneming waardig!

Eindelijk: dat de nu zoo heftige tegenstand gaandeweg moge verminderen, en dat het „één Geestquot; van mijn heerlijk tekstwoord ook meer en meer hieruit blijken moge, dat de Gemeente van Utrecht cénslemmig en hartelijk, zonder vreeze en zonder uitrekenen van nummertjes of boekjes, ellc lied mede aanheffe, waarin haar nooit volprezen Koning en Zaligmaker naar de Heilige Schriften geloofd en verheerlijkt wordt.

J. H. GUNNING J.Hz.

-ocr page 41-

NASCHRIFT.

Een enkel woord tot sommigen in de Gemeente van Utrecht. \')

UH-t Uinart Ojviftl Umcmr vitcluiitfi in u In alle Unjplinit: leert enhe liermaetit malliatiöeren, met p fa lm en cube laffangen, enbe (jeeftelifie Kebeficnp, ffnoenbe ben ll)eere met aemjenacmljeyt in ulu\' Ijcrte.

Coij. 3 : 16.

Met eenigen tegenzin, omdat mij de zaak eigenlijk zoo weinig gewichtig voorkomt, maar toch ook weer met alle liefile, omdat het u geldt, geliefde Gemeente! wil ik hier enkele woorden zeggen over eene zaak, die velen uwer zoo bitter zwaar schijnt te wegen, namelijk: hel gebruik van dm Vervolgbundel. Hoeveel heb ik dttórover niet reeds moeten hooren en lezen! Hoeveel lange, dringende, soms ernstige, soms ook weinig ernstige epistels heeft men dAaraan gewijd! Indien slechts de helfl van al de brieven, welke in de afgeloopen weken mij werden toegezonden, over andere, over hoogere belangen gehandeld hadden, hoe innig zou het mij verheugd hebben!

\') Dit goliool persoonlijke woord goliovo men htUm Utvodit ongelezen, althans onbesproken on ongecritiseerd io laten.

-ocr page 42-

2

Maar helaaa, de „nieuwe gezangenquot; waren en hieven schering en inslag bij het meeste, dat ik van uwentwege vernam!

Gelooft gij niet dat ik, die een man des vredes ben, gaarne het genoegen gesmaakt zou hebben allen te zamen te bevredigen, wanneer dit mogelijk ware geweest? Edoch, ik /co« niet anders dan eenvoudig den weg te gaan, dien ik voor \'s Heeren aangezicht besloten heb te bewandelen, namelijk terstond, van mijne intrede af aan, naast de oude óók de niemve liederen te gebruiken. Mag ik u thans eens zeggen waarom?

Op den voorgrond staat mij dat in eene christelijke Gemeente het christelijke lied eenvoudig onmisbaar en noodzakelijk is. Ik oordeel hen niet, die er anders over denken; ik zal hen gaarne als broeders erkennen, wanneer zij voorts den Heere Jezus liefhebben; maar ik kan \'t niet anders inzien. Vooreen uitsluitend gebruik der oud-testamentische Psalmen, waarin de Christus toch niet anders dan aangeduid en voorspeld wordt, vind ik geen enkelen Bijbelschen grond, al zou ik ook onze heerlijke Psalmen in onzen eeredienst voor geen schatten ter wereld willen missen.

Maar geeft men ddt nu eenmaal toe, erkent men de behoefte aan het nieuw-testamentische lied, dan is toch, dunkt mij, de vraag naar het aantal gezangen, dat men zingen mag, eene hekrompene en dwaze. Het gebruik van gezangen in onze bedehuizen is verkeerd, en dan ook geen enkel lied gezongen! Of dat gebruik is goed, en dèn ook hoe ruimer de keuze hoe liever! (Altijd als ze goed zijn). „Zonder einde geeft Uw lof, Jezus! ons de rijkste stof.quot; Zoo pas uit Duitschland teruggekeerd, denk ik nog met zekere jaloerschheid aan het meer dan 600 nummers tellende Gezangboek, dat ik daar heb aangetroffen, en hadden wij er een met (»000 of OOOOO schriftuurlijke liederen, — het zou wellicht wat lastig zijn in het gebruik, maar ik zou er mij toch van heeler harte in verblijden! Wie zingt ooit genoeg van zijnen dierbaren Heiland en Heer?

-ocr page 43-

3

Is dus da noodzakelijkheid van liet christelijk lied voor onze gemeenschappelijke samenkomsten toegegeven, dan kan men toch van kerkelijk standpunt geen grooter bezwaar hebben tegen de nieuwe dan tegen de oude gezangen. Beide zijn, volgens de uitspraken der Dordtsche Synode van 1(318—19, evenals naar de oudvaderlijke praktijk ongeoorloofd, en wie het verlof eener Generale Synode noodig heeft, eer hij met rustig geweten in het bedehuis een lied aanheft, welnu die zwijge! Ik zal er hem niet zuur om aankijken, al behoor ik tot dezulken niet. Ik voor mij acht het in onze, waarlijk in wel meer en wel gewichtiger opzichten zoo geheel veranderde toestanden, niet geraden door zulk eene „hoog-kerkelijkequot; overweging zich het noemen van den zoeten en dierbaren Jezusnaam in het gemeentelijk lied te laten ontzeggen. Zouden zelfs de strengste vrienden van Dordt in onze Kerk wel in alles conform aan het oud vaderlijk model zijn en handelen? Ik voor mij, die de wettigheid onzer bestaande Kerkenordening erken (wat volstrekt niet insluit dat ik haar in alles goedkeur), neem dankbaar uit de handen onzer „Haagsche Synodequot; den Vervolgbundel aan. Ik wenschte wel dat wij nimmer sfcc/jfer geschenk van haar ontvangen hadden 1

Is dan deze Bundel volmaakt? Wel neen, volstrekt niet! Er zijn gezangen in, die ik nooit zal laten zingen. Die zijner ook in den ouden Bundel. Maar maakt niet ook de felste Gezangenhater bij het gebruik zijner Psalmen eene keuze? Wie laat ooit alle verzen uit het Psalmboek door de Gemeente aanheffen? Weet go, als ik een mand met vruchten krijg, waaronder zich hier of daar een wormstekige bevindt, werp ik die gansche mand niet weg, maar laat de minder smakelijke exemplaren liggen, heel dankbaar dat er nog zoovele goede overblijven!

Eu als men nu zegt: „ja maar, juist die gezangen

doen zooveel kwaad,quot; dan antwoord ik; laat ons toch niet

-ocr page 44-

4

villen! Het is bekend genoeg dat men ook in on/,e lieden-daagsche Psalmberijming heel wat „Remonstrantschen zuur-deesemquot; kan vinden, als men een scherpe dogmatische bril opzet. Toch betreuren nog maar weinigen in onze kerk de zooveel „zuiverderquot; berijming van den godzaligen Dathenus. Wie met een geloovig hart onze Psalmen zingt, ach, dio stoot zich aan die „kettersche wendingenquot; niet! En zoo meen ik ook dat een levend, waarachtig helceerd voorganger wel van zelf slechts goede liederen uit zal kiezen, terwijl het mij toch al te dwaas voorkomt tegen een dood en weerloos hoek zoo te ijveren, terwijl men de schreiendste mgdoohprediking op honderden kansels duldt, en dulden moet, helaas! Ik ben verzekerd dat iemand, die den Heiland liefheeft, slechts die liederen door de Gemeente zal doen aanheffen, die met het geloof der Gemeente overeenstemmen, en dat dan die enkele brave-Hendrik-achtige, min of meer verwaterde, rationalistische verzen, die er inderdaad in onze bundels te vinden zïjfi, hem hoegenaamd niet hinderen zullen, en zijn hoorders evenmin. Mij heeft eens iemand in Leiden gezegd dat hij, na een jaar onder mijne prediking zwijgend de gezangen te hebben aangehoord, ze voortaan meê was gaan zingen, „omdat ik altoos gezorgd had dat de zuivere waarheid er in was.quot; En, Gode zij dank, daarvoor te zorgen valt nog niet zoo zwaar, met het oog op onze twee in menig opzicht toch zoo schoone en goede gezangbundels!

Dit alles nu aldus zijnde, was het mij persoonlijk onmogelijk den Vervolgbundel te laten liggen. Van mijne eerste Gemeente af aan heb ik er voor geijverd (ik mag zeggen: met zachtheid en verstand). Waar ik zag dat er veel tegenkanting tegen bestond, gelijk in Wilhelminadorp, of gelijk in Leiden, waar geen mijner rechtzinnige ambtgenooten hem gebruikte, daar liet ik de zaak rusten. Waar het zonder veel strijd kon, gelijk in Bennebroek, daar heb ik hem met mijnen kerkeraad ingevoerd.

-ocr page 45-

5

en de geheele gemeente is er nog steeds blijde om. In Gouda vond ik hem, evenals hier te Utreolit, tot mijne vreugde reeds in gebruik. Zou ik nu r.iet verkeerd doen hem op eenmaal in de grijze Bisschopsstad te gaan mijden, en dat waar broeders in Christus als de Heeren Bronsveld, Quast, Valeton, de Jonge (en wellicht nog anderen) hem geregeld gebruiken, terwijl geen der andere dienstdoende ambtgenooten het noodig geacht heeft mij het gebruik van deze liederen te ontraden, hoewel het vrijwel bekend was dat ik er een warm vriend van was? Dat zij dezen bundel niet gebruiken, kan ik mij wel begrijpen. Als men tien, twintig, dertig jaren lang het nooit heeft gedaan, en er komt op eenmaal een jonger collega, die er mede begint, en men ziel hoe velen in de Gemeente dat verkeerd vinden, nu ja, dan zou men mogen wenschen dat allen gezamenlijk zeiden: „wij doen \'t cok, want de zaak is toch goed!quot; —maar men kan er toch óók weer „in komen,quot; dat men daar nu geen lust in heeft. Een ieder zij in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd! Voor mij evenwel staat de zaak anders. Ik vind den Vervolgbundel in gebruik, en kan niet anders dan dankbaar daarvoor zijn. Waarlijk, ik zou mijzelven voorkomen een dienaar van menschen en niet van Christus te zijn, wanneer ik, tegen mijne zoowel in de praktijk als in geschrifte steeds betoonde ingenomenheid met onze beide Gezangbundels, éénen daarvan wegliet ter wille der „zwakke broeders.quot;

Hoort eens, lieve Gemeente! men kan dien „zwakkenquot; broederen ook wel eens te veel ter wille zijn ! In de onbesuisdheid en hardheid, waarmede zij maar al te vaak hun meening willen doordrijven en opleggen, (ook mij wilden opleggen, blijkens meer dan één mij toegezondenen brief), spreekt nog wel wat anders dan teederheid en schuchterheid van zin, gelijk men dien toch alleerst van zulke aanvangers op den weg des levens verwachten mocht. Men heeft mij verhaald dat, toen Ds, Quast de Nieuwe Gezangen in gebruik zou nemen, een aantal

-ocr page 46-

6

politie-agenten gerequireerd was om de orde in het bedehuis te handhaven. Zóó vreesde men voor de handtastelijke en luid-klinkende bewijzen van afkeuring der „zwakkequot; broederen! En op welk eene wijze velen hunner geestverwanten, die thans huilen onze kerk geraakt zijn, voor hunne meeningen en opvattingen gestreden hebben, ligt ons allen nog versch in \'t geheugen. Van groote „zwakheidquot; lei hun optreden nu juist (/een getuigenis af! Gewisselijk zijn er onder de tegenstanders der „Gezangenquot; vrome, ware kinderen Gods, en ik wenschte wel om wat liefs, dat ik hun de droefenis had kunnen besparen mij „zoo\'n liedjequot; te hooren opgeven. Maar er z^n er ook onder die .... men eenvoudig beslist en kloek moet afwijzen, en een leeraar, die dat niet doet, raakt er onder! God beware mij er voor 1

Gij bemerkt het, lieve Gemeente! dat ik deze geheele zaak, die zoovelen uwer zoo zwaar schijnt te wezen, nog al vroolijk en welgemoed onder de oogen zie. Ik vind haar, met den besten wil ter wereld, niet belangrijk genoeg om er mijn ziele-vrede ook maar één oogenblik door te laten verstoren.

Maar toch heeft zij eene ernstige zijde, namelijk voor u. En ik mag toch, als een uwer leeraren, dit woord niet besluiten zonder de dringende vermaning: onderzoek u of gij in den geloove zijt! üw orthodoxie zal wel in orde zijn; het geldt ten minste vrij algemeen als een bewijs van groote rechtzinnigheid tegen gezangen, en in het bijzonder tegen do nieuwe gezangen, te ijveren. Maar bedenk het, mijn broeder of zuster! orthodox en geloovig zijn twee! Men kan ook als een rechtzinnig mensch voor eeuwig verloren gaan! En o, als een medereiziger naar de eeuwigheid, bid en smeek ik u: Vraag u toch af of gij den levenden Heiland kent en toebehoort, of Hij, door genade, reeds uw één en uw al geworden is!

En dan .... dan kunnen zulke dingen als deze lalfe, kleinzielige, armzalige „gezangen-quaestiequot; geen quavstie voor ons

-ocr page 47-

7

zijn! Dan kan men nog wel uiteenloopende cfcwMeeWew en mce-nincjen daaromtrent koesteren, ach ja, maar dan stelt men die toch niet langer op den voorgrond, dan voelt men toch met juisten, gemeentelijken tact: „dit zijn belangen van den tweeden of derden rang! Wij willen het daar malkanderen niet inoeielijk om maken!quot; Als wij waarlijk leven in de verwachting van Jezus heerlijke wederkomst; indien het ons waarlijk te doen is om het heil van onsterfelijke zielen; indien wij elkaar er op aanzien met deze vraag in het hart: „kent gij reeds den éénigen troost in leven en in sterven?quot; — o, dan is het onmogelijk dat wij ons laten ophouden en boos maken en ergeren door het zingen of niet-zingen van lied no. 192 of 193! En daarom, ik kan en ik wil niet gelooven dat op den duur zij, die waarlijk kinderen Gods zijn, elkander om deze nietigheid zullen blijven veroordeelen, die mij thans voorkomt meer dan voldoende te zijn besproken en uiteengezet. „Nubicula est •—- transibit,quot; zeide mijn geliefde leermeester van Oosterzee wel eens op zijn colleges, wanneer hij allerlei aanvallen op het Christendom besprak •—• welnu, dat zeg ik ook van harte omtrent deze zaak; nubicula est — transibit, het is maar een wolkje — en \'i zal wel voorbij drijven!

Wat is nu mijn stille hoop en verwachting? Drieërlei!

Dat ik over deze nietige zaak (nietig, in vergelijking bij de hooge belangen, die in onzen ernstigen tijd aan de orde zijn), nooit meer zal behoeven te spreken of te schrijven, en dat de lieve vrienden, die \'t met mij hierover oneens zijn, zich maar vooraf van mijne „onbekeerlijkheidquot; in dezen overtuigd zullen houden. Kom, er is gelukkig nog zóóveel waarin wij \'t hartelijk ééns zijn, dat wij deze geschilpunten maar moesten laten rusten. De Heer nadert! Laat ons in Hem ons verblijden!

Ten andere dat men toch deze zaak niet tot eene voorwendsel make om de roepstem, ook door mijnen zwakken dienst tot de Gemeente komende, te verwaarloozen. Die „oudequot; of „nieuwe

-ocr page 48-

8

gezangenquot; zinyi, singe .len Heere, en wie ze niet zingt zm^c den Heerel Voor hen samen heb ik slechte ééne boodschap, namelijk dat Jezus Christus in de wereld is gekomen, om zondaren zalig te maken. En dat is toch een getrouw woord en aller aanneming waardig!

Eindelijk: dat de nu zoo heftige tegenstand gaandeweg moge

verminderen, en dat het „één Geestquot; van mijn heerlijk tekstwoord ook meer en meer hieruit blijken moge, dat de Gemeente van Utrecht éénstemmig en hartelijk, zonder vreeze en zon er uitrekenen van nummertjes of boekjes, elk lied mede aanhefle. waarin haar nooit volprezen Koning en Zaligmaker naar de Heilige Schriften geloofd en verheerlijkt wordt.

J, H. GUNNING J.Hz.