Z. oct.
37P9
.....
^ A •. ■gt; \'_ ■f\\ry-.lt;èt % \' ^ %\' r\\.h- - ■ ■ ■ r\\SsfKA ■ a- AI^I \\-V* f avmgt;\' K\')-»\\
HRMj
DE MALAVOGLI
4-
4.
|
1 I
i
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
0386 9512
fl.S\'.vSi /
Jamp;L
DE
ALAVOGLIA\'S
NAAR HET tTALiAANSCH
VAN
G. VERGA
BIBLIOTHEEK DER RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT.
De vertaler meent den lezers een dienst te bewijzen, door, het voorbeeld volgende van den bekenden schrijver Thomas Hardy, in zijn roman »A pair of blue eyesquot;, eene naamlijst der voornaamste personen, die op het tooneel zullen treden, aan dit verhial te doen voorafgaan
Antonio Malavoglia.
Bastianazzo Malavoglia, zijn zoon.
Maruzza, bijgenaamd de Lange, diens vrouw.
\'Ntoni,
Lukas, I
Mena, bijgenaamd de H. Agatha, ;■ hunne kinderen.
Alexis, ^
Lia. I
Oom Crucifix, bijgenaamd Houtenbel.
Zijne nicht, bijgenaamd de Wesp.
Locca, zijne zuster.
Domenico, haar zoon.
Fortunate Cipolla.
Brasi Cipolla, zijn zoon.
Agostijn, bijgenaamd Biedipapera (Ganzevoet of Gan-Grazia, zijne vrouw. zepoot).
Lastiaan I uri. dc kalfateraar^ bijg. Zuppiddu (de manke).
Venera Zuppidda, zijne vrouw.
Barbara Zuppidda, hunne dochter.
Croce Calla, de syndicus (burgemeester).
Betta, zijne dochter.
Don Silvester, de gemeente-secretaris.
Don Jan Marie, dc pastoor.
Donna llosa, zijne zuster.
Don Michiel, de brigadier.
Don Franco, de apotheker.
Zijne vrouw, bijgenaamd de Dame.
Nicht Anna Spatü.
Rocco Spatü, haar zoon.
Een buurmeisje, bijgen. Mangiacarrubbc (Vruchten-
snoepster).
Nuniiata.
Alfio Mosca, voerman.
Vanni Pizzuto, barbier.
Mariangela, bijgenaamd Santuzza, herbergierster. Santoro, haar vader,
enz. enz.
ertijds, nu lange jaren geleden, waren te Trezza de Malavoglia\'s zoo talrijk als de straatstee-
nen, er waren er tot in Ognina en Aci Castello, allen, beste brave zeelui, het tegenovergestelde van hetgeen men zoude verwachten van menschen die zulk een naam dragen \'). In de doopboeken stonden ze ingeschreven onder den naam van Toscano, maar dat gaf niets, want, zoo lang de wereld bestond, noemde men ze te Ognina, Trezza en Castello, Malavoglia; van vader op zoon hadden ze altijd eenige vaartuigen op het water en een paar huisjes aan wal bezeten. Nu bleef van alle Malavoglia\'s slechts de tak van den ouden baas Antonio te Trezza over, die van het huis met den mispelboom; hem behoorde de sVoorzienigheidquot;, die gemeerd lag naast de sConcettaquot; van oom Cola en de barkas van baas Fortunato.
De stormen, die de andere Malavoglia\'s uiteengedreven hadden, waren over het huis met den mispelboom
ff A
*) I M.alavoglia beteekent: de Kwaadwilligen.
2
heengetrokken zonder er veel schade aan te richten. Om dit wonder te verklaren , had baas Antonio de gewoonte zijne vuist uit te steken, eene vuist die wel uit notenhout gesneden scheen, met de woorden: s Om de riemen goed te hanteeren , moeten de vijf vingers elkaar trouw bijstaan.quot; Dikwijls zeide hij ook: »1)0 menschen zijn als de vingers van eene hand, de duim moet zich gedragen als een duim en de kleine vinger als een pink, en niet andersom.quot;
En waarlijk zoo ging het in het gezin van baas \'Ntoni. Eerst kwam hij, de duim. die alles en allen bestuurde; dan zijn zoon Bastiaan, zoo groot en sterk als de H. Christophorus die op den muur der kerk was afgebeeld, en die toch, hoe groot en sterk hij ook was, precies deed wat hem door zijn\' vader bevolen werd, ja zelfs zijn neus niet snuiten zou voordat * deze hem gezegd had: »snuit je neusquot; en zijne vrouw, de Lange, getrouwd had toen men hem gezegd had: »neem die.quot; Dan volgde de Lange, een dapper vrouwtje die het druk had met linnenweven, ansjovis zouten en kinderen krijgen , zoo als het aan eene goede huisvrouw betaamt. Eindelijk kwamen de kleinkinderen naar rang van ouderdom: \'Ntoni de oudste, een lummel van twintig jaren, die gedurig van zijn\' grootvader een oorveeg ontving, welke hij trouwens verdiend had, en dan iets lager een schop om het evenwicht
3
te herstellen, als de oorveeg wat hard was aangekomen; Lucas, die heel wat meer verstand had dan de oudste , altijd volgens den grootvader; Filomena, of Mena, bijgenaamd sSant\' Agata,quot; omdat zij voortdurend aan den weefstoel zat; Alexis nog een bengel, maar precies zijn grootvader en Lia (Rosalia) die nog geen visch of vleesch was. Als zij \'s Zondags de kerk binnen kwamen , allen de een na den ander, leek het wel eene processie.
Baas \'Ntoni kende vele gezegden en spreekwoorden die hij van ouden van dagen had gehoord; sWant des ouden spreekwijs liegt nietquot; — »Zonder loods vaart geen schip wèlquot; — s Om voor paus te kunnen spelen moet je eerst koster geweest zijnquot; — of wel s Oefen het handwerk uit dat je kent, al wordt ge er niet rijk door, het zal je toch brood verschaffenquot;—»Vergenoeg je met hetgeen je vader van je gemaakt heeft, dan wordt ge ten minste geen schurkquot; — en dergelijke wijze spreekwoorden.
Daarom liep alles voor den wind in het huis met den mispelboom. Baas \'Ntoni ging voor een snugger hoofd door, zoo zelfs dat men hem gaarne in den gemeenteraad had gekozen, maar dat werkte de secretaris Don Silvester, een slimmert, tegen, bewerende dat hij een erge klerikaal was, een reactionnair, zoo als de Bourbons gaarne zagen en dat hij in het geheim aan de terugkomst van koning Frans trachtte mede te werken, om in dat
4
geval den baas te spelen in het dorp, zoo als hij dat nu in zijn eigen huis deed.
In waarheid echter bekommerde baas \'Ntoni zich volstrekt niet om koning Frans, hij bemoeide zich met zijn eigen zaken en zeide: — Wie met de zorg eener familie belast is kan niet gaan slapen zoo maar, als hij er lust in heeft, want wie baas is heeft de verantwoording.
In December 1863 was \'Ntoni, de oudste kleinzoon, in de zee-conscriptie gevallen; baas \'Ntoni was toen naar al de groote lui geloopen, want die zijn het toch maar die helpen kunnen. De pastoor Don Jan Marie had hem echter geantwoord, dat het zijn verdiende loon was, dat was nu het gevolg van die helsche revolutie, toen ze die Satansche driekleur van den toren hadden laten wapperen. Maar Don Franco de apotheker lachte schamper in zijn grooten baard en in de handen wrijvende, betuigde hij, dat als ze nu maar zoo ver gingen om de republiek uit te roepen men alle loting en belasting kon missen, want dan had men er geen soldaten meer op na te houden en, kwam de nood aan den man, dan moesten allen dienen. Baas \'Ntoni bad en smeekte hem om dan toch maar gauw vóór het vertrek van \'Ntoni de republiek uit te roepen, alsof de apotheker die uit zijne mouw kon schudden en hij maakte het dien man zoo lastig, dat deze eindelijk heel boos werd. Don Silvester de secretaris schudde van het
5
lachen bij deze praatjes en gaf hem eindelijk den wenk om iets te laten glijden in den zak van zekere hem welbekende personen, dat zou het middel zijn om bij zijn kleinzoon het een of ander gebrek te doen ontdekken, dat hem ongeschikt maakte voor den dienst. Maar het ongeluk wilde dat de jongen gebouwd was als de kloeksten en toen de dokter belast met de keuring dien flinken jongen vóór zich kreeg, zeide hij, dat bij hem geen ander gebrek te bekennen was dan dat hij als een pilaar stond op zijn breede voeten, die veel hadden van cactusbladeren, maar dat dergelijke groote voeten beter te pas komen bij slecht weer op het dek van een monitor, dan de netste laarsjes, en daarom werd \'Ntoni zonder bezwaar of aarzeling aangenomen. Toen de lotelingen naar hun nachtkwartier moesten marcheeren draafde de Lange naast haar zoon, die met groote stappen voort schreed en drukte hem op het gemoed, dat hij het gebenedijde Mariabeeldje toch op de borst zou blijven dragen en dat hij tijding moest zenden telkens als er een kennis uit de stad naar huis ging, dat men hem dan de centen voor het papier wel zou vergoeden.
De grootvader zeide niets, zoo als een man past, maar ook hij voelde een brok in de keel en vermeed zijne schoondochter aan te zien, als of hij iets tegen haar had. Zoo keerden zij naar Aci Catena terug, zwijgend en met gebogen hoofd. Bastiaan, die zich gehaast had de
sVoorzienigheidquot; te onttakelen, om hen bij de bocht van den straatweg op te wachten, had het hart niet om den mond te openen toen hij ze eindelijk zoo ter neer geslagen, met de schoenen in de hand, terug zag komen en hij keerde met hen huiswaarts. De Lange stoof haar keukentje in, als wilde ze daar haarleed aar-haar potjes en pannetjes toevertrouwen en baas \'Ntoni zeide tot zijn zoon:
— Ga iets aan het arme schepsel zeggen, zij kan niet meer.
Daags daarna gingen ze allen naar het spoorwegstation om het konvooi miliciens, dat naar Messina bestemd was, te zien vertrekken. Ze wachtten er wel een uur in het gedrang der menschen achter het hek. Eindelijk kwam de trein en men zag al die jeugdige hoofden uit de raampjes kijken, dicht op elkander gepakt als ossen die naar eene markt vervoerd worden. Schreeuwen, lachen en zingen als of het een feestdag was, en zoo\'n leven en gejoel, dat men eindelijk zelf het verdriet vergat, dat toch eerst het hart zoo had toe-genepen.
— Dag \'Ntoni! — Dag moeder! — Goên dag! vergeet ons niet! Vlak daarbij aan den kant van den weg stond Sara de dochter van vrouw Tudda wat gras voor haar kalf te snijden, maar vrouw Venera, de manke, fluisterde ieder in het oor dat ze daar enkel gekomen
7
was om \'Ntoni van baas \'Ntoni vaarwel te zeggen. Zij had met haar eigen oogen die twee menigmaal samen over den muur van den tuin zien praten. Zeker is het dat \'Ntoni, Sara een groet toewierp en zij bleef met het mes in de hand onbeweeglijk staan, den trein nastarende zoo lang die in \'t gezicht was. De Lange had het gevoel dat die groet haar was ontstolen; telkens als zij daarna Sara van vrouw Tudda ontmoette, hetzij bij het spoelen van het linnen of op de markt, draaide ze haar den rug toe.
De trein vertrok fluitend en hijgend en overstemde de laatste groeten en liederen; langzaam keerden al de nieuwsgierigen huiswaarts, er bleven maar enkele vrouwen en eenige arme drommels achter, hangende over de hekken die tot afsluiting dienden, blijkbaar zonder te weten waarom; eindelijk gingen ook die heen en baas \'Ntoni, begrijpende dat zijne schoondochter troost noodig had, trakteerde haar op een cent citroen water.
Vrouw Venera Zuppidda, de manke, zeide telkens, om de Lange te troosten:
— Kom aan, buurvrouw! houd je nu maar bedaard, je moet maar doen als of je zoon voor vijf jaar dood is en zoolang maar niet meer aan hem denken.
En toch dachten die in het huis met den mispelboom altijd aan hem: nu eens was het de Lange die bij het dekken voor het middageten zijn eigen bord in handen
8
kreeg, dan weder als er een zekere lus in het zeilkoord moest gemaakt worden, die niemand zoo goed leggen kon als \'Ntoni, of als men schot geven moest aan een als eene vioolsnaar gespannen touw, of de mast oprichten, stond de grootvader hijgende en zuchtende:
— Was \'Ntoni maar hier! — of wel; — Denk je dat ik nog een arm heb als die jongen ? En als de moeder de schietspoel van het weefgetouw deed gaan — een! twee! drie! — herinnerde dit geluid haar aan het puffen van de locomotief die haar zoon had weggevoerd, een geluid dat haar hart pijn deed — een! twee! drie!
Grootvader had soms eene zonderlinge manier om zich zelf en anderen te troosten: — Weet je wat ik vind? Een poosje dienen is wat goed voor hem , want zijne twee armen liet hij liever \'s Zondags slap langs het lijf hangen dan ze door de week te gebruiken om er zijn brood mede te verdienen. Of wèl: — Als hij eens, geproefd heeft hoe bitter het vreemde brood smaakt zal hij over huismanskost niet meer klagen.
Eindelijk kwam uit Napels de eerste brief; die bracht de heele buurt in opschudding. Hij schreef dat daar te lande de vrouwen lange zijden japonnen dragen die de straat schoon vegen, dat op het zeehoofd de poppenkast wordt vertoond, dat daar ook broodjes, zoo als de rijke lui ze eten, verkocht worden, voor een cent het
9
stuk, dat men er altijd zakgeld moet hebben, want dat het volstrekt niet is zoo als te Trezza, waar men behalve in het kroegje van Santa geen cent kan verteren, al wil men. — Laten wij hem maar wat centen zenden aan dien lekkerbek, dan kan hij ook van die broodjes koopen, bromde baas \'Ntoni, want zie, het is niet zijne schuld, hij is net een karper, die zou ook een verroesten spijker inslikken. Had ik hem zelf niet ten doop gehouden dan zou ik moeten gelooven dat Don Jan Marie hem suiker in plaats van het heilige zout op de tong heeft gelegd.
Een der meisjes van het dorp, bijgenaamd Mangiacar-rubbe, de Vruchtcnsnoepster, herhaalde telkens als zij aan de fontein stond te spoelen, vooral als Sara van vrouw Tudda er bij was; — Wel zeker, de in zij gekleede dames stonden allen \'Ntoni van baas \'Ntoni op te wachten om hem te stelen, want ze hadden daar nog nooit eene Augurk gezien.
De andere meisjes schudden van \'t lachen en van toen af noemden de spotzieken onder haar hem nooit anders dan de augurk.
\'Ntoni had ook zijn portret gezonden, al de meisjes aan de fontein hadden het gezien. Sara van vrouw Tudda liet het van hand tot hand onder de boezelaars gaan en de Vruchtensnoepster barstte van nijd en jaloezie. Hij leek wel de aartsengel Michaël in levenden lijve.
kreeg, dan weder als er een zekere lus in het zeilkoord moest gemaakt worden, die niemand zoo goed leggen kon als \'Ntoni, of als men schot geven moest aan een als eene vioolsnaar gespannen touw, of de mast oprichten, stond de grootvader hijgende en zuchtende:
— Was quot;Ntoni maar hier! — of wel: — Denk je dat ik nog een arm heb als die jongen ? En als de moeder de schietspoel van het weefgetouw deed gaan — een! twee! drie! — herinnerde dit geluid haar aan het puffen van de locomotief die haar zoon had weggevoerd, een geluid dat haar hart pijn deed — een! twee! drie!
Grootvader had soms eene zonderlinge manier om zich zelf en anderen te troosten; — Weet je wat ik vind? Een poosje dienen is wat goed voor hem , want zijne twee armen liet hij liever \'s Zondags slap langs het lijf hangen dan ze door de week te gebruiken om er zijn brood mede te verdienen. Of wèl: — Als hij een^ geproefd heeft hoe bitter het vreemde brood smaakt zal hij over huismanskost niet meer klagen.
Eindelijk kwam uit Napels de eerste brief; die bracht de heele buurt in opschudding. Hij schreef dat daar te lande de vrouwen lange zijden japonnen dragen die de straat schoon vegen, dat op het zeehoofd de poppenkast wordt vertoond, dat daar ook broodjes, zoo als de rijke lui ze eten, verkocht worden, voor een cent het
9
stuk, dat men er altijd zakgeld moet hebben, want dat het volstrekt niet is zoo als te Trezza, waar men behalve in het kroegje van Santa geen cent kan verteren, al wil men. — Laten wij hem maar wat centen zenden aan dien lekkerbek, dan kan hij ook van die broodjes koopen, bromde baas \'Ntoni, want zie, het is niet zijne schuld, hij is net een karper, die zou ook een verroesten spijker inslikken. Had ik hem zelf niet ten doop gehouden dan zou ik moeten gelooven dat Don Jan Marie hem suiker in plaats van het heilige zout op de tong heeft gelegd.
Een der meisjes van het dorp, bijgenaamdMangiacar-rubbe, de Vruchtensnoepster, herhaalde telkens als zij aan de fontein stond te spoelen, vooral als Sara van vrouw Tudda er bij was: — Wel zeker, de in zij gekleede dames stonden allen \'Ntoni van baas \'Ntoni op te wachten om hem te stelen, want ze hadden daar nog nooit eene Augurk gezien.
De andere meisjes schudden van \'t lachen en van toen af noemden de spotzieken onder haar hem nooit anders dan de augurk.
\'Ntoni had ook zijn portret gezonden, al de meisjes aan de fontein hadden het gezien. Sara van vrouw Tudda liet het van hand tot hand onder de boezelaars gaan en de Vruchtensnoepster barstte van nijd en jaloezie. Hij leek wel de aartsengel Michaël in levenden lijve,
10
met de voeten op een tapijt en een gordijn even mooi als dat van de H. Maagd te Ognina achter zijn hoofd, met glad gestreken haren en zoo netjes en deftig dat zijn eigen moeder hem bijna niet herkende. De arme Lange kon nooit genoeg staren op het tapijt, het gordijn en de kolom waar haar jongen recht tegen aan stond, terwijl hij den rug van een mooien leuningstoel krampachtig vasthield, en dankte God en alle Heiligen, die haar jongen gebracht hadden in zoo\'n prachtige omgeving. Zij bewaarde het portret onder een glazen stolp bij het beeldje van den goeden Herder op de latafel. — Zij knielt er voor en bidt een rozenkrans , zeide de Manke, en denkt er wonderwat aan te bezitten, toch heeft juffer Santa uit de herberg er ook zoo een, dat ze van baas Mariano present heeft gekregen, zij heeft het achter de glazen in het buffet vastgespijkerd.
Eenigen tijd daarna had \'Ntoni een kameraad opgedaan die de pen hanteerde en nu luchtte hij door diens hulp zijn hart met klachten over het akelige leven aanboord, over de strenge discipline, over de chefs, over de dunne soep en de nauwe schoenen. — Een brief die de 5 cent port niet waard is, bromde baas \'Ntoni. De Lange staarde op de letters, die haar aan visch-haken deden denken en niets goeds wisten te vertellen. Bastiaan schudde bedenkelijk het hoofd, als wilde hij
zeggen dat dit niet goed van \'Ntoni was ingezien, ware hij in zijne plaats geweest dan zou hij altijd vroolijke dingen daar op het papier gezet hebben, hij wees er met zijn dikken vinger op, reeds alleen om het hart van de arme Lange te verheugen, die arme ziel, die nu evenmin rust had als eene van hare jongen beroofde kat. Baas \'Ntoni ging stilletjes bij den apotheker om zich den brief voor te laten lezen en dan bij Don Jan Marie, die van de tegenovergestelde partij was, ten einde de beide klokken te hooren luiden; toen hij eindelijk overtuigd was dat het er precies zoo in stond zeide hij met Bastiaan en Bastiaan\'s vrouw:
— Heb ik het niet altijd gezegd, die jongen had rijk moeten geboren worden, zoo als de zoon van baas Cipolla, dan had hij niets behoeven te doen dan zoo maar met de handen over elkaar te zitten.
Ondertusschen was het een slecht jaar geweest en men moest de visch bijna om niet verkoopen, nu de christen-menschen vleesch hadden leeren eten op Vrijdag, precies als of ze allen Turken waren. De koning neemt de jongens ook net als ze op den leeftijd komen om het brood te verdienen; zoolang als ze slechts een last voor de ouders zijn, moeten die ze voor de loting grootbrengen; en dan, men moest langzamerhand gaan denken aan Mena, die zeventien werd en van de jongelieden reeds
veel bekijks had als zij naar de mis ging. »De man is het vuur, de vrouw is het tondel, dan komt de duivel en blaast het aanquot;, zegt het spreekwoord. Zoodoende was het noodig geworden alle krachten in te spannen om het huishouden van het Mispelhuis aan den gang te houden.
Baas \'Ntoni had daarom ook een zaakje op touw gezet met oom Crucifix (Houtenbei bijgenaamd), namelijk om een zekere partij lupinen op krediet in te koopen en ze weder te gaan verkoopen te Riposta, waar, volgens vriend Cinghialenta, een schip op lading naar Triest zeilklaar lag. Het viel niet te ontkennen dat de lupinen wel eenigszins geleden hadden, maar er waren er geen andere te Trezza en Houtenhei, die loelijke slimmert, wist wel dat de »Voorzienigheidquot; daar nutteloos in de zon lag te blakeren en hare rente op te eten zonder iets te verdienen, daarom hield hij zich zoo on-noozel. — Staan ze je niet aan ? wel neem ze dan niet, maar ze een cent minder geven! op mijn geweten ik kan \'t niet, zoo waar ik mijne ziel aan God vertrouw, en hij schudde met het hoofd als of het eene klok zonder klepel was. Het gesprek werd gevoerd vóór de deur der kerk te Ognina, den eersten Zondag van September, \'t Was net het feest geweest van de H. Maagd en de menschen uit de omliggende plaatsjes waren daarheen gestroomd. Vriend Agostijn was er ook eu
13
het mocht hem al schertsende en lachende gelukken hun een akkoord te doen sluiten: twee dukaten het last, te betalen bij maandelijksche aflossingen. Zoo liep het altijd af, oom Crucifix moest altijd toegeven en het hoofd buigen, omdat hij het ongeluk had zijn aanvankelijke weigering nooit op den duur te kunnen volhouden.
— Je weet ook nooit wanneer je neen moet zeggen, grijnsde Augustijn, — je bent als de ... . en hij maakte een onwelvoeglijke vergelijking.
Na het avondeten toen ze, met de ellebogen optafel, zaten te babbelen, hoorde de Lange van de zaak en zij bleef met open mond luisteren, alsof het heele gewicht van deze schuld, 40 dukaten groot, haar op de maag was gelegd. Vrouwen hebben ook geen moed ! Baas \'Ntoni beduidde haar, dat als de zaak meeliep, het brood voor den winter verzekerd was, er zelfs voor Mena een paar oorringen zouden overschieten en dat haar man Bastiaan met hulp van Dominicus binnen ééne week heen en terug naar Riposta zou kunnen gaan.
Intusschen snoot Bastiaan de vetkaars zonder te spreken. Op die wijze werd tot den handel in lupinen besloten en tot de reis van de «Voorzienigheidquot;, die wel de oudste schuit van het heele dorp was, • maar een heilspellenden naam droeg. Maruzza de lange had er een zwaar hoofd in, maar zij sprak geen woord tegen, want het was niet hare zaak, integendeel zij ging stil
i4
haar gang om alles voor de reis in orde te brengen: het versche brood, de kruik met olie, de uien en de met schapenvachten gevoerde overjassen.
De mannen hadden het den ganschen dag druk over oom Crucifix, dien woekeraar. Malavoglia had de kat in den zak gekocht, de lupinen hadden veel geleden. »lioutenbelquot; verzekerde dat hij het niet wist — zoo waar God leeft! Afspraak is toch geen bedrog, zijne ziel moest hij toch verantwoorden en Agostijn, bijgenaamd Ganzepoot, vloekte en tierde als een bezetene om ze maar weêr eens te doen worden, betuigende en zwerende bij al wat heilig was, dat hem zoo iets in zijn heele leven nog nimmer was overkomen; dan stak hij de bloote armen in den hoop lupinen en er een handvol uithalend wees hij die aan God en aan de H. Maagd en riep die als getuigen aan.
Eindelijk, rood, opgewonden, buiten zich zelf deed hij een laatst, wanhopig voorstel en wierp dat Oom Crucifix die heel bedremmeld was en Malavoglia die met de ledige zakken daarbij stond, naar het hoofd. — Weet je wat? betaal met Kerstmis, in plaats van zoo veel in de maand, daar haal je dan een tari 1) per last mede uit! Is liet zoo nu goed ? Heilige Duivel I En hij begon de zakken te vullen. — sin Gods naam! dat \'s er éénquot;!
1
Eeu Siciliaansche muot.
ÏS
De s Voorzienigheidquot; vertrok Zaterdag tegen den avond, de Ave Maria had al moeten luiden, maar men had de klok niet gehoord, daar baas Cireno, de koster, een paar nieuwe laarsjes was gaan bezorgen bij Don Silvester den secretaris; de meisjes van het dorp waren verzameld rond de fontein, als eene vlucht tjilpende musschen en de avondster scheen reeds helder aan den hemel als of het eene lantaarn aan den boegspriet der Voorzienigheid was. Maruzza, de lange, stond, met haar jongste kind op den arm, aan het strand zwijgend te kijken naar haar man die aan boord de zeilen hcesch; de » Voorzienigheidquot; danste als een eendje op de brekende golven. — Zuiden wind bij dag, noorden wind tegen den avond , geeft behouden vaart, zeide baas \'Ntoni van de ligplaats, terwijl hij naar de bergen keek waar zich zwarte wolken ophoopten.
Dominicus die met Bastiaan aan boord der sVoorzienigheidquot; was, riep iets, maar het geruisch van de zee maakte zijne woorden onverstaanbaar. — Hij zegt dat je zijn daggeld aan zijne moeder moet zenden, want dat zijn broer geen werk heeft, riep Bastiaan, en dit was het laatste woord dat men van hem hoorde.
■\'I.II.
n het heele dorp praatte men over de zaak van de lupinen, en toen de Lange terugkeerde met Lia op den arm kwamen de buurvrouwen aan de deur om haar na te kijken. —Een goudmijn! zeg ik je! riep Agostijn met het kromme been, staande achter Baas \'Ntoni die op de treden der kerk was gaan zitten, om met baas Fortunato en den broer van Domi-nicus, Locca\'s tweeden zoon, van de koelte te genieten.
— Ja, ja Oom Crucifix schreeuwt wel als of ze hem geplukt hadden, maar dat doet er niet toe, want de oude heeft veerpn genoeg. En ik heb mij ook moeite gegeven, dat moet je erkennen, baas \'fltoni, niet waar ? maar voor baas \'Ntoni zou ik boven van den vuurtoren willen springen! Naar mij luistert Oom Crucifix, hij doet niets zonder mij, hij heeft mij ook zoo noodig als een houten lepel om er zijn potje mede te roeren, een aardigen pot daar meer dan 200 dukaten \'s jaars in koken.
Oom Crucifix kon araper zijn neus snuiten zonder hem, zoude men zeggen.
Toen de zoon van Locca hoorde hoe rijk oom
i7
Crucifix was, werd hij teeder gestemd voor dien oom, hij was dan ook zijn eigen oom, de broeder zijner moeder Locca. — Wij zijn familie van hem, zeide hij. Als ik een dag bij hem ga werken betaalt hij mij maar het halve loon en geeft mij geen wijn, omdat wij familie van hem zijn, herhaalde hij trotsch.
Agostijn grijnsde: — Dat doet hij voor je bestwil, eerstens om je niet dronken te maken en dan om je erfenis grooter te doen zijn als hij komt te sterven.
Vriend Agostijn sprak gaarne van den een en ander een beetje kwaad, maar zonder boos opzet en op zoo prettigen toon, dat men het hem onmogelijk kwalijk nemen kon.
— Baas Filips is al twee maal voorbij de herberg gegaan en hij wacht nu dat Santa hem een teeken geeft om haar in den stal op te zoeken en er samen een rozenkransje te bidden.
Of hij zeide tot den zoon van Locca;
— Je oom Crucifix tracht het stukje land van je nicht de Wesp te stelen, hij tracht het voor de halve waarde te koopen door haar te doen gelooven dat hij ze trouwen wil. Maar het kon wel worden de bedrieger bedrogen, als zij hem nu eens beet kreeg, in plaats van hij haar en zij liet zich wat anders dan het land stelen, dan kan jij fluiten naar je erfenis en je verliest je daggeld en den wijn dien hij je afhoudt.
Daarop begonnen ze te praten en te kijven en baas
2
i8
\'Ntoni beweerde, dat oom Crucifix een christen was en niet zoo volslagen krankzinnig om te gaan trouwen met de dochter van zijn broeder.
— Wat komt hier Turk of Christen te pas? zei dan weer Agostijn. Gek, ja, dat is hij. Hij zit er zoo goed in als een vet varken, terwijl de Wesp niets heeft dan dat stukje land, dat niet grooter is dan een zakdoek!
— Wil je mij dat vertellen, mij, die er mijn wijngaard tegenaan heb liggen, zeide baas Cipolla zich als een kalkoensche haan opblazende.
— Noem je dat een wijngaard? dien anderhalven wilden vijgenstruik! antwoordde Agostijn.
— Nu, tusschen de vijgenstruiken staan juist de wijngaarden en als de H. Franciscus ons een goeden regen zenden wil, dan zal je eens zien wat voor most het geven zal. De zon is van avond in een nevel ondergegaan — dat geeft regen of wind.
— Als de zon in een nevel ondergaat, kan men westenwind verwachten, voegde baas \'Ntoni er bij.
Ganzepoot kon den toon niet verdragen waarop baas Cipolla gedurig zijne wijsheid uitkraamde en, omdat hij rijk was, zich het recht aanmatigde zijne gevoelens op te dringen aan een ander, die dit voorrecht niet had.
— De een verlangt het gestoofd, de ander liever
I9
rauw. Baas Cipolla hoopt op regen voor zijn wijngaard, en gij westenwind voor de sVoorzienigheid\'\'. Vanavond schitteren de sterren, tegen middernacht keert de wind, dat is wat ik je voorspel. Voelt ge de koelte niet opsteken f
Op den straatweg hoorde men de karren langzaam voorbijrijden.
Baas Cipolla maakte de wijze opmerking: —Nachten dag zijn er tóch altijd menschen, die over den aardbodem heentrekken.
En nu men zee noch land meer kon onderscheiden, was het als of er niets op aarde buiten Trezza bestond, men moest zich verwonderend vragen waarheen die karren gingen op zulk een uur.
\'— Vóór middernacht zal de »Voorzienigheidquot; de Kaap van de Molens voorbijgestcvend zijn en de wind zal haar niet meer hinderen.
Baas \'Ntoni dacht aan niets anders dan aan de j Voorzienigheid,quot; als hij daarover niet sprak, zeide hij geen enkel woord en bracht aan het onderhoud niet meer bij dan een bezemsteel.
— Gij moest u voegen bij de lui die daar in de apotheek redeneeren over den koning en den paus, daar zoudt ge een goed figuur maken, zeide Ganzepoot tot hem, hoor eens, hoe ze daar schreeuwen.
20
— Dat is Don Jan Marie die aan het kibbelen is met den apotheker, zeide de zoon van Locca.
De apotheker zat aan de deur van zijn winkel met den vicaris en een paar andere sommiteiten van het dorp die zich steeds ten zijnen huize vereenigden. Daar hij geletterd was, las hij de courant en leende die aan anderen, hij had ook de «Geschiedenis der Fransche Revolutiequot; altijd bij de hand, onder den glazen mortier en voor tijdverdrijf keef hij den heelen dag met Don Jan Marie, zoo hevig dat bij beiden de gal overliep, maar toch konden ze geen dag laten voorbijgaan zonder elkander op te zoeken. Als Zaterdagavond de courant kwam beging Don Franco wel eens de buitensporigheid, om een half uur, of zelfs wel een heel uur lang, licht te branden, op het gevaar af zich duchtig door zijne vrouw de les te hooren lezen, maar dat had hij er voor over, zeide hij, ten einde zijné verlichte denkbeelden aan den man te brengen en niet te gaan slapen net als de stomme dieren, zoo als buurman Cipolla of buurman Malavoglia bijv. Maar \'s zomers was er niet eens eene kaars noodig, men kon aan de deur zitten onder de lantaarn, als baas Cireno die aangestoken had, en soms voegden Don Miehiel de brigadier van de douane en ook Don Silvester de gemeente-secretaris, als hij van zijn wijngaard naar huis keerde, zich even bij hen.
Dan wreef Don Franco zich de handen van genoegen
en zeide dat het wel eene zitting der Kamers in het klein leek, hij plaatste zich achter de toonbank, met zulk een slimme, boosaardige uitdrukking op het gelaat, als of hij een van hen, misschien wel allen, voor zijn ontbijt wilde nuttigen en hij liet zich sommige halve woorden ontvallen, waaruit moest blijken dat hij er meer van wist dan de anderen, dat maakte Don Jan Marie dan zoo woedend dat hij het niet meer kon uithouden en hem latijnsche machtspreuken naar het hoofd wierp.
Don Silvester moest er om lachen, als hij zag hoe die twee zich opwonden ter verbetering van misbruiken, eene verbetering die hun even veel voordeel zoude opleveren als wanneer zij b. v. aan alle honden de pooten recht hadden kunnen zetten. Hij was niet zoo\'n heethoofd, zoo\'n doordrijver, daarom had hij ook de beste landerijen van Trezza — waar hij, voegde Ganzepootje er bij, zonder schoenen aan de voeten gekomen was.
Silvester hitste de twee tegen elkander op en lachte zich dan ziek met een ha! ha! ha! als eene kip die een ei legt.
— Hoor je Don Silvester die een ei legt, vroeg de zoon van Locca.
— Don Silvester legt gouden eieren, daar op het Raadhuis, zei Agostijn de Ganzepoot.
— Och kom! barstte baas Fortunato los, altemaal gekheid. Juffer Zuppidda heeft hem tocli hare dochter niet willen geven.
— Dat is te zeggen; Klaas Zuppiddu heeft liever de eieren van eigen kippen, zeide baas \'Ntoni en baas Cipolla knikte toestemmend. Iedereen moet omgaan met zijns gelijken, voegde baas Malavoglia er bij.
Ganzepoot merkte op, dat als don Silvester zich tevreden had gesteld van met zijns gelijken op den duur te blijven omgaan, hij nu in plaats van de pen te voeren , eene schop zou hanteeren.
— Zoudt gij hem uwe kleindochter Mena geven? vroeg eindelijk baas Cipolla, baas \'Ntoni aanziende.
— Soort bij soort is mijne leus, maar dat zegt de wolf niet als hij de schapen nazit.
Baas Cipolla bleef toestemmend knikken, te meer omdat er weieens spraak geweest was van Mena aan zijn zoon Brasi uit te huwelijken; als de handel met de lupinen goed uitkwam, zoude Mena haar huwelijksgift in geld ontvangen en dan zou de zaak spoedig beklonken zijn.
— Meisjes moeten opgevoed en vlas moet gesponnen worden, zeide Malavoglia ten slotte, waarop Cipolla zich haastte te betuigen dat iedereen op het dorp wist dat de Lange hare dochter goed had weten op te brengen en dat, als men \'s avonds voorbij kwam en nog altijd den weefstoel van de H. Agatha hoorde gaan, gezegd werd dal buurvrouw Maruzza de olie van de lamp niet verspilde.
— Juffer Mena ziet men niet, zeiden de buurvrouwen, Zij zit dag en nacht aan het weefgetouw, evenals de H. Agatha zelve.
— Zoo moet men de meisjes wennen, antwoordde dan de Lange, en niet om aan het venster of aan de deur te staan. Kies geene vrouw onder degenen die zich daar vertoonen.
— En toch zijn er die er een man mede vangen, met dat gluren aan \'t venster, merkte nicht Anna van den overkant op.
Nicht Anna had gelijk — want haar malle zoon Rocco had zich in laten palmen door de Vruchtensnoepster, eene van die welke met onbeschaamd gelaat aan het venster staan.
Toen juffer Grazia Ganzepoot hoorde dat er op straat gebabbeld werd, kwam ook zij aan haar deur met den boezelaar vol boonen, die ze bezig was te doppen; zij had veel te vertellen van de ratten die den zak hadden stuk gebeten, zoodat die er als eene vergiettest uitzag en zoo regelmatig, alsof ze menschenverstand hadden; nu werd het gesprek algemeen, want ook Maruzza wist veel te verhalen van al hetgeen zij had uit te staan van die akelige dieren. En nicht Anna was er van over-loopen nu hare kat dood was, eene poes die goud waard was; het arme dier was gestorven aan de gevolgen van een schop, dien baas Tino haar gegeven had.
— Grijze katten zijn de beste muizenvangsters, die halen ze uit een gaatje zoo klein als het oog eener naald!
— Men moet voor katten \'s avonds de deur niet openen, want een oud mensch in Aci hebben zij op die wijze vermoord: drie dagen te voren stalen ze de kat en toen hebben de dieven het dier voor de deur gezet, miauwende van den honger; het arme oudje kon niet van zich verkrijgen om het lieve dier buiten te laten, ze doet open en krijgt zoo de dieven in huis. Thans verzinnen ze van alles, die gauwdieven! men ziet nu in Trezza lui omzwerven onder voorwendsel van tusschen de rotsen te gaan visschen en wat doen ze, als ze er kans toe zien; het linnen inpalmen dat er te drogen ligt. Zoo hebben ze van die arme Nunziata een nieuw laken gestolen. Arme meid! haar nog te bestelen die het reeds zoo hard te verantwoorden heeft, die het brood zoó zuur verdienen moet voor al die broertjes en zusjes die haar vader achtergelaten heeft, toen hij de plaat poetste om fortuin te gaan zoeken, heel in Egypte, in Alexandrië. Nunziata was er precies aan toe als nicht Anna, toen die haar man verloor, die bleef ook zitten met een huis vol kinderen, Rocco, de oudste kwam haar tot aan de knie en waarvoor heeft ze den bengel groot gebracht? om hem nu in de handen van de Vruchtensnoepster te zien vallen.
In \'t drukst van het gesprek verscheen eensklaps de
Manke, de vrouw van baas Bastiaan den kalfateraar, die aan het einde der steeg woonde, zij kwam altijd zoo onverwachts voor den dag om haar lootje in het zakje te leggen, dat niemand ooit wist uit welken hoek zij opdook.
— Wat dat aangaat, bromde zij, nu, jou zoon Rocco heeft je ook nooit geholpen, want, als hij eens een stuiver had verdiend, ging hij dien in de kroeg opdrinken.
De Manke wist altijd alles wat er in het dorp voorviel, men vertelde dat ze den heelen dag op haar Lloote voeten rondsloop om alles uit te visschen; zij sprak de waarheid als het evangelie, dat was haar groote fout en daarom zeiden de menschen, welke die niet gaarne hooren, dat zij een helsche tong had die gift achter liet. — Een bittere mond moet gal spuwen — en waarlijk zij had een bitteren mond wegens hare dochter Barbara, die ze niet had kunnen uithuwelijken, omdat deze zoo trotsch en ongemanierd was; toch had de moeder haar wel den zoon van Victor-Emanuël willen geven.
— Een mooi perceel die Vruchtensnoepster, ging zij voort, eene deerne die het heele dorp langs haar raam heeft laten wandelen; Vanni Pizzuto ■ bracht haar de vijgen die hij bij den hovenier Filippo gestolen had, die aten zij samen op in den wijngaard onder den amandelboom, dat had zij gezien met eigen oogen.
20
1
En Peppi Naso de slachter — wat deed hij toen hij op baas Mariano den karreman jaloersch begon te worden ? hij wierp de hoorns van al het vee dat hij slachtte vóór hare deur, zoodat de booze tongen spottend zeiden:
— Kijk, hij gaat zijn haar onder de ramen van de Vruchtensnoepster uitkammen.
Nicht Anna, die goede ziel, was gemoedelijk:
— Don Jan Marie zegt dat het een zware zonde is om zoo van den naasten kwaad te spreken.
— Kom, kom, Don Jan Marie moest liever een ernstig woordje spreken met zijne zuster. Donna Rosalina, antwoordde vrouw Zuppidda, en zorgen dat zij zich niet zoo dwaas aanstelt voor Don Silvester als hij voorbij komt, of met Don Michiel den brigadier; niettegenstaande al de jaren en het vet dat ze op de schouders heeft te torschen, zou ze nog dol graag een man hebben!
— Gods wil geschiede! zoo vatte nicht Anna het gesprek beknopt samen. Toen mijn man stierf was Rocco niet hooger dan dit spinrokken en zijne zusjes waren allen jonger. Heb ik daarom den moed verloren ? wel, lang niet, cn zoo zullen mijne dochters ook handelen ; zoolang er steenen bij de waschplaats liggen, zullen wij er ons brood kunnen verdienen. Ziet Nun-ziata maar eens; zij heeft verstand als een groot mensch en verzorgt de kleintjes, als of het haar eigen kinderen waren.
— Waar blijft Nunziata, dat zij nog niet hier is ? vroeg de Lange aan een troepje in lompen gekleede kinderen die zich op den drempel van het tegenovergelegen huisje vertoonden en die, toen zij hoorden spreken over hunne zuster, allen te zamen begonnen te gillen.
— Ik heb ze naar de heide zien gaan om daar een paar bossen brem te halen, je zoon Alexis ging met haar mede, antwoordde nicht Anna.
De kinderen luisterden en eindelijk antwoordde de grootste, die op een steen gehurkt zat; — Ik weet niet waar zij is.
Langzamerhand waren alle buurvrouwen aan de deuren harer woningen komen staan, er ontstond een algemeen gebabbel. Het raam zelfs van baas Alfio Mosea, den eigenaar der ezelkar, stond open en liet veel rook uit van brandende brem. Mena had haar weefgetouw laten staan om op het balkon te komen.
. — Kijk, daar is de H. Agatha ook, riepen de buurvrouwen allen verheugd.
— En denk je er nog niet aan om je Mena uit te huwelijken, fluisterde de Manke vrouw Maruzza in \'t oor. Ze wordt met Paschen achttien jaar, ik weet het precies, want zij is geboren in het jaar-van de aardbeving, net als mijne Barbara. Wat Barbara aangaat, die haar trouwen wil, moet mij eerst aanstaan.
Opeens hoorde men hel ritselend geluid van iets dat
28
over de steenen gesleept werd en zag men twee groote bossen brem aankomen, waaronder Alexis en Nunciata bijna verdwenen, zoo klein waren zij nog.
— Oho, Nunziata! riepen de vrouwen, was je niet bang zoo laat op de hei?
— Ik was er bij, antwoordde Alexis. -
— \'t Is laat geworden toen ik aan de waschplaats was met nicht Anna en ik had geen brand meer.
Het meisje stak licht op en begon vlug alles voor het avondeten gereed te maken, de kleinen volgden haar overal door de kamer; zij leek wel eene klokhen met haar kiekens.
Alexis had zijne vracht afgeworpen en stond nu heel ernstig te kijken, met de handen in den zak.
— Nunziata, riep Mena van het balkon, als je den ketel te koken hebt gehangen, kom dan eens hier.
Nunziata vertrouwde den haard aan de goede zorgen van Alexis en ging bij de H. Agatha zitten, om ook van een rustig oogenblikje te genieten.
Na een poosje zeide zij: —• Baas Alfio Mosca is bezig zijne boonen af te koken.
— Och ja, die arme! hij heeft evenmin als jelui iemand in huis die voor hem zorgt, als hij \'savonds moe thuis komt moet hij nog eerst zijn eten klaar maken.
— Ja, dat is waar, en naaien en wasschen moet hij ook, hij verstelt zelf zijne hemden.
29
Nunziata wist precies wat Alfio deed, zij kende zijn huis als haar eigen zak en, naarmate zij hier of daar licht in zijne woning zag, zeide zij; — Nu gaat hij hout halen, of nu is hij bezig zijn ezel te verzorgen. De H. Agatha moest cr om lachen. —Ja, voegde Nunziata er bij, aan Baas Alfio ontbreken de rokken slechts om heelemaal eene vrouw te zijn.
— Zoodat, zeide Mena, mocht hij nog eens trouwen, zijne vrouw met de kar rond zal gaan, terwijl hij het huishouden waarneemt en de kinderen opbrengt.
De moeders, op straat verzameld, praatten ook over Alfio Mosca, de Manke vertelde dat tot de Wesp toe hem bedankt had, want de Wesp had een ferm stuk land en als zij trouwen wilde zoude ze wel wijzer zijn dan er een te nemen die niets had dan eene ezelkar, het spreekwoord zegt immers: sEene kar, eene lijkkoetsquot;. Zij, dat slimmertje heeft een goed oog op haar oom de Houtenbel.
De meisjes onder elkander trokken partij voor Mosca tegen die leelijke Wesp; Nunziata vooral voelde haar hart kloppen wegens de minachting die men Alfio betoonde, alleen omdat hij arm was en niemand meer op de wereld had. Eensklaps zeide zij aan Mena;
— Als ik groot was zou ik hem wel nemen , als hij mij werd gegeven.
Mena wilde antwoorden maar bedacht zich en vroeg leukweg:
3°
— Ga jij ook naar de stad met Allerzielen?
— Neen, ik ga er niet heen omdat ik het huis niet alleen kan laten.
— Wij gaan wèl, heeft grootvader gezegd, als de lupiuenhandel goed gaat.
En na eenig nadenken voegde zij er bij: — Baas Alfio gaat er dan ook gewoonlijk heen om zijne okkernoten te verkoopen.
En beiden zwegen, denkende aan het feest van Allerzielen waarop baas Alfio zijne noten ging verkoopen.
Nicht Anna begon weer: — Die oom Crucifix, al doet hij als een heilig boontje, steekt de Wesp nog in zijn zak !
— Dat wou ze wel! antwoordde dadelijk de Manke; de Wesp verlangt niet beter dan opgestoken te worden. Ze is immers altijd bij hem over den vloer onder voorwendsel van hem lekkere beetjes te brengen , en daar heeft de oude volstrekt niet op tegen, het kost hem immers niets! Zij mest hem als een varken dat men slachten wil! Dat zeg ik u, dat ze niets liever wil dan opgestoken te worden.
Ieder had het hare te zeggen over oom Crucifix die altijd klaagde en toch zooveel geld had, schepels vol. Op een dag dat de oude ziek was, had vrouw Zuppidda een groote kist onder zijn bed zien staan.
De Lange gaf eene andere wending aan het gesprek, want de schuld der veertig dukaten voor de lupinen
drukte haar zwaar en zij hoorde den voetstap van oom Crucifix, die de markt op en neer liep al pratende met don Jan Marie, zoo dicht bij, dat de Manke ophield met kwaad van hem te spreken om hem beleefd te groeten.
Don Silvester lach^te als eene hen die kakelt, en die gekke manier van lachen maakte den apotheker, die toch al vrij driftig van aard was, woedend; geduld had hij nooit veel gehad, dat liet hij over aan ezels en aan hen, die geene revolutie verlangden, zeide hij.
— Nu, nu, geduld heb je nooit gehad, dat wetèn wij; waar zoudt ge dat ook bergen, schreeuwde don Jan Marie hem toe, en don Franco, die heel klein was, werd nog woedender en vloekte met zulk een harde stem tegen den priester, dat men hem in den donker van het eene eind der markt tot het andere kon hooren.
Houtenbei hield zich bedaard en haalde de schouders op, hij herhaalde steeds, dat hij slechts aan zijn eigene zaken dacht.
— Als of dat niet je zaken zijn , dat niemand meer een cent betaalt aan de Broederschap van \'t zalig sterven, antwoordde dan de pastoor Jan Marie.
— O, als men bij hen om geld komt worden allen nog erger dan eene troep protestanten, net als die apotheker; ze laten de kas van de Broederschap zoo leeg dat de ratten er in dansen kunnen ! \'t is schande!
Don Franco van uit zijn winkel bespotte ze met luider
32
stem en trachtte den schellen lach van don Silvester na te bootsen, tot groot vermaak der zijnen. Maar de apotheker was een liberaal, dat wist men enDon Jan Marie schreeuwde hem van verre toe; — Het geld zoudt ge wel vinden als het voor eene school of voor straatverlichting was!
De apotheker zweeg, want hij merkte dat zijne vrouw aan het open raam was gekomen, en oom Crucifix, toen hij ver genoeg voortgegaan was om niet meer gehoord te worden door Don Silvester, die ook al het luttele traktement van den schoolmeester oppikte, zeide: —Het kan mij niet schelen maar in mijn tijd waren er niet zooveel scholen en niet zooveel lantaarns — men dwong den ezel niet te drinken en het ging er niet minder om.
— Op school ben je niet geweest en toch weet ge uw zaken te doen.
— En mijn catechismus ken ik, voegde oom Crucifix er bij, om niet achter te blijven.
In de hitte van het gesprek miste Don Jan Marie het bestraat pad, dat dwars over de markt liep, hij had het anders wel met de oogen toe kunnen volgen, maar nu stond hij in den modder en hij liep gevaar om zijn nek te breken en, God verhoede het, zich te bezondigen met de een of andere verwensching.
— Als zij hunne lantaarns dan ten minste maar opstaken !
33
— Op den huldigen dag moet ieder voor eigen zaken zorgen, hiermede eindigde oom Crucifix.
Don Jan Marie hield hem bij de mouw van zijn rok, midden op de markt in den donker, om hem van dezen of genen nog wat leelijks te vertellen; van den lantaarnopsteker die de olie stal, van Don Silvester die één oog dichtkneep, van den •wethouder Giufa die zich bij den neus liet voeren en van baas Cirino die, nu hij eindelijk tot koster was aangesteld, de klokken slechts luidde als hij niets beters te doen had en wijn voor de bediening der mis kocht, niet beter dan dien men den gekruisigden Christus te drinken gegeven had. Houtenbei knikte uit gewoonte altijd toestemmend, ofschoon het zoo donker was dat men er niets van zien kon; Don Jan Marie bleef de revue p asseeren en zeide van dezen: \'t is een dief — en van den ander: \'tis een schurk en van een derden: \'t is een Jaco-bijn — luister maar eens naar dien Ganzepoot hoe hij daar staat te redeneeren met baas Malavoglia en Cipolla! hij is ook al zoo\'n liberaal, een opruier van het volk, die met zijn kromme been! — Den paardevoet van den duivel heeft hij, bromde de pastoor. Oom Crucifix haalde de schouders op en herhaalde, dat hij als eerlijk man buiten al die praatjes wenschte te blijven.
— Baas Cipolla is ook al een gek, een windbuil, die zich heelemaal laat regeeren door dien Ganzepoot. . .
34
en baas \'Ntoni tevens, die zal wel door hem geruïneerd worden — alles kan men thans verwachten!
— Die eerlijk man blijven wil, lette op zijn eigen zaken, herhaalde oom Crucifix.
Ondertusschen zat Baas Tino op de treden der kerk, als een president, te redeneeren:
— Luistert eens naar mij. Vóór de revolutie was alles beter dan thans. Nu is de visch betooverd , dat zeg ik je.
— Neen, dat is niet zoo. De ansjovis voelt den noordoosten wind 24 uur te voren, dat is altijd zoo geweest. De ansjovis is een veel verstandiger visch dan de tonijn. En dan, voorbij de Kaap van de Molens, visschen ze nu allen met netten waarvan de mazen veel te dicht zijn en vangen ze ons voor den neus weg.
— Ik zal u zeggen waar het aan ligt, zeide Baas Fortunato hem in de rede vallend. Het zijn die vervloekte stoombooten die heen en weer varen en het water omwoelen met hare raderen. Geen wonder dat de visch schrikt en zich niet meer laat zien. Zoo is het.
De zoon van Locca luisterde met open mond en krabde zich in het haar: — Zoo! zeide hij eindelijk, dan zoude er geen visch meer moeten zijn noch te Messina, noch te Syracusa, waar de stoombooten zoo druk varen, integendeel juist vandaar worden er honderden ponden met het spoor verzonden.
35
— Wel! maakt het onder elkander uit, riep Baas Cipolla knorrig — ik wasch mijne handen in onschuld en eigenlijk kan \'t mij ook geen cent schelen, ik heb mijne weiden en mijn wijngaard die mij brood geven.
Ganzepoot gaf een fermen oorveeg aan den zoon van Locca, zeker om diens opvoeding te bevorderen : — Stommerik, als je meerderen praten, leer jij dan je mond houden.
Daarop ging de jongen schreeuwende weg en sloeg zich het hoofd met de vuist, omdat iedereen hem voor een sukkel aanzag, als zijnde de zoon van Locca. Baas \'Ntoni keek naar de lucht en merkte op; — Als de Noordwesten wind niet vóór middernacht opsteekt zal de j Voorzienigheidquot; tijd hebben om rond de Kaap te stevenen.
Langzaam vielen van den toren de zware klokslagen.
— Eén uur na zonsondergang, merkte Baas Cipolla op.
Baas \'Ntoni sloeg een kruis en bad:
— Vrede zij den levenden en rust den dooden.
— Don Jan Marie eet van avond gebakken vermicelli, zeide Ganzepoot, de geuren opvangende die uit het raam der pastorie opstegen.
Don Jan Marie, naar huis gaande, groette ook Ganzepoot, want in deze benarde tijden-moet men zelfs mcnschen van dit slag te vriend houden. Watertandende riep deze hem na: — Zoo, zoo! Don Jan Marie! gebakken vermicelli eet ge van avond!
3\'\'
— Hoor dat nu eens! Zelfs met hetgeen ik eet, bemoeien zij zich, prevelde de pastoor tusschen de tanden. Ze bespieden de dienaren Gods en misgunnen hun elke bete, alles nit haat en nijd tegen de Kerk. En toen ze Don Michiel den brigadier der douane tegenkwamen, die met een pistool in de hand en de broekspijpen in de laarzen de ronde deed om smokkelaars op te speuren, zeide hij verder: — Aan zulke menschen rekenen ze niet vóór, wat, en hoeveel ze eten.
— Dat is volk naar mijn hart, zei Houtenbei, lui die aangesteld zijn om te waken voor het goed van eerlijke menschen, daar heb ik vrede mee.
— Hem zouden ze ook makkelijk omkoopen, zei Don Jan Marie, met de hand aan den klopper van zijne huisdeur, altemaal dieven bij elkander, bromde hij bij zich zelf en terwijl hij met achterdochtige blikken den brigadier nakeek die zijne schreden naar de kroeg richtte, vroeg hij zich af hoe deze de belangen der eerlijke lieden moest behartigen juist in de kroeg.
Maar baas Agostino Ganzepoot wist best welke belangen Don Michiel in de kroeg waarnam, het had hem menigen slapeloozen nacht gekost, loerende achter den olm, om het te ontdekken; en hij placht te zeggen:
— Hij gaat er heen om in \'t geheim te praten met oom Santoro, Santuzza\'s vader. Die het brood eten van den Koning moeten allen spionnen zijn en alles weten
wat er omgaat te Trezza en overal, en wanneer oom Santoro, hoe blind hij ook zij, (hij is het als eene vleermuis in den zcnneschijn), daar staat op den drempel zijner kroeg, dan weet hij toch alles wat er gebeurt, enkel aan den gang herkent hij ons allen, den een uit den ander. Hij is slechts doof wanneer Boer Filippo met Santuzza gaat vrijen en dan is hij geld waard, om voor ze op de wacht te staan en niets te zien, nog minder dan als hij geblinddoekt ware.
Toen Maruzza, de lange, de klok hoorde slaan, wipte ze vlug naar binnen om de tafel te dekken, de buurvrouwen hadden zich gaandeweg verwijderd en nu het dorp zich ter ruste begaf hoorde men de zee daar buiten ruischen en hijgen, als iemai.d die onrustig in bed heen en weer woelt. Een rood lichtje glom nog in de kroeg waar het lustig toeging, de stem van Rocco Spatü hoorde men boven alle iquot;\'t; voor Rocco waren er geen werkdagen in de week.
— Vriend Rocco heeft een vroolijk humeur, zeide iets later Alfio Mosca uit zijn raam kijkend, terwijl niemand meer op scheen te zijn.
— O baas Alfio! ben jij daar nog, antwoorddeMena die op het balkon stond, wachtende op grootvader.
— Ja ik ben hier, Jufter Mena, ik eet mijne soep bij het raam, als ik jelui dan allen aan tafel bij het licht zie zitten, is het alsof ik niet zoo geheel alleen ben.
38
— Hebt gij clan geen vroolijk, opgeruimd gemoed?
— Daar hoort zooveel toe om tevreden te zijn.
Mena antwoordde niet en na eene poos te hebben
gezwegen, voegde Alfio erbij; —Morgen ga ik met eene vracht zout naar de stad.
— En ga je ook met Allerzielen?
— Dat weet de Hemel! de weinige noten die ik dit jaar heb zijn alle voos.
— Baas Alfio gaat er heen om zich daar eene vrouw te zoeken, riep Nunziata van den overkant.
— Is \'twaar? vroeg Mena.
— Ach, Juffer Mena, als ik het maar voor het vragen had, zijn er meisjes in mijn eigen dorp die mij best zouden aanstaan, zonder dat ik ze zoo ver ging zoeken.
— Kijk eens wat flikkeren daarboven een menigte sterren! zeide Mena na eenig stilzwijgen. Men zegt dat het zielen zijn die uit het Vagevuur naar den Hemel stijgen!
— Luister, zeide Alfio, nadat ook hij de sterren had aangestaard, gij, die de H. Agatha zijt, als je eens van een goed nommer droomt, zeg het mij en ik zal er op zetten, al moest ik er mijn hemd om verkoopen, dan zal ik spelen in de loterij en aan trouwen kunnen denken!...
— Goeden avond! was Mena\'s antwoord. De sterren schitterden nog sterker, bijna alsof ze in brand stonden.
De zee ruischte zacht, nu en dan met lange tus-
39
schenpoozen hoorde men eene kar in den donker voorbij gaan, rommelend over de steenen trok die verder de wereld in, die zoo groot is, dat als men nacht en dag door kon loopen men toch nooit het einde zoude bereiken; — Er zijn menschen die nu nog op dit uur de wereld intrekken, menschen die niets weten noch van Alfio noch van de sVoorzienigheidquot; die op zee is, noch van het feest van Allerzielen — zoo mijmerde Mena die op het balkon grootvader bleef wachten.
Twee, driemaal kwam grootvader boven om naar buiten te kijken vóór hij de deur sloot; de sterren flikkerden al te helder naar zijn zin en hij mompelde:
— Wreed en bitter is de zee-
Rocco Spatii zong met een harde stem, aan de deur van de kroeg bij het lichtje staande.
— Die een tevreden gemoed heeft kan altijd zingen, zeide Baas \'Ntoni.
m.
■i; J\'Mf;
gt;! a middernacht stak de wind op en maakte een
leven als of alle katten op het dak verzameld waren, de luiken sloegen heen en weer, telkens op punt om van het kozijn te worden afgerukt. Men hoorde de zee brullen rondom de rotsen, als waren al de ossen van de markt van St. Alfio daar vereenigd en toen de dag eindelijk aanbrak bleef het donker als in de ziel van Judas, \'t Was een leelijke Zondag in September, die verraderlijke maand die je in eens een hooge zee bezorgt, even onverwachts als een geweerschot uit het kreupelhout. De schuiten van het dorp waren alle op het droge gehaald, goed gemeerd aan zware steenen bij de waschplaats, en daarom hadden de jongens pleizier om te fluiten en te schreeuwen, als ze in de verte een scheepje zagen worstelen tegen wind en regen, als of het den duivel achter zich had; de vrouwen daarentegen sloegen een kruis, als konden ze de opvarenden met eigen oogen zien.
Maruzza, de lange, zeide niets, want het paste haar te zwijgen, maar zij kon geen oogenblik stil blijven zitten;
41
nu was zij hier, dan daar, nu boven dan beneden, als eene Idp die een ei moet leggen.
De mannen waren in de kroeg, in den winkel van Piz-zuto, of onder het afdakje van den slager en keken met den neus in de lucht naar den regen. Op den oever stond baas \'Ntoni alléén en mijmerend, wegens de vracht lupinen die hij op zee had in de s Voorzienigheidquot; en zijn zoonBastianazzo daarenboven. Naast hem stond de zoon van Locca; die had niets te verliezen en op zee had hij slechts zijn broer Menico die mee was gegaan in de schuit met de lupinen. Baas Fortunato Cipolla beweerde, terwijl hij zich in den winkel van Pizzuto liet scheren, dat hij geen dubbeltje gaf voor het leven van Bastianazzo en van Menico den zoon van Locca, evenmin als voor de s Voorzienigheidquot; en de vracht lupinen.
— Och ja, thans wil ieder handel gaan drijven om rijk te worden, zeide hij, de schouders ophalende, en als zij het muildier verloren hebben, loopen ze den halter zoeken.
In de kroeg van Juffer Mariangela Santuzza was het vol; Rocco Spatu, die dronkenlap, schreeuwde wel voor tien. Baas Agostijn Ganzepoot, baas Nicolaas Zuppiddü, baas Maugiacarrubbe, don Michiel de brigadier van de douane, met de broekspijpen in de laarzen en het pistool vóór in den gordel, (alsof hij met zulk weer uit zou gaan om smokkelaars op te sporen) en
42
baas Marino Cinghialenta waren daar bijeen. Baas Turi, die olifant, gaf rechts en links, nu aan dezen dan aan genen der vrienden, een vuistslag, die een os geveld zou hebben, alsof hij den kalfaatliamer nog in de hand had, en dan begon baas Cinghialenta te razen en te vloeken, om te toonen dat hij een ijzervreter en een karreman was.
Oom Santoro zat voor de deur, onder het lage afdakje gehurkt, wachtende dat iemand voorbij kwam om dan de hand uit te steken en te bedelen.
— Nu! zeide baas Nicolaas, vader en dochter daar , moeten beiden een aardigen duit verdienen, op een dag als deze, dat er zooveel volk in de kroeg komt.
— Let op mijn zeggen, antwoordde Ganzepoot, dal: Bastianazzo Malavogha er op het oogenblik erger aan toe is dan de blinde oom Santoro, baas Cirino kan de klok\' luiden zooveel hij wil, de Malavoglia\'s gaan vandaag niet naar de kerk, zij zijn boos op onzen lieven Heer wegens de vracht lupinen die ze op zee hebben.
De wind deed de rokken en de droge bladeren omhoog vliegen en Vanni Pizzuto hield, met het scheermes in de hand, den klant dien hij bezig was te bedienen bij den neus vast, om zich te kunnen keeren en de voorbijgangers te bekijken; de apotheker stond aan de deur van zijn huis met een hoed op het hoofd zoo groot als eene parapluie, voorgevende dat hij gewich-
43
tige zaken met den secretaris Don Silvester te bespreken had, opdat zijne vrouw hem niet zoude dwingen naar de mis te gaan; in zijn vuistje lachtte hij om die uitvlucht en gaf knipoogjes aan de meisjes die over de plassen heen moesten springen.
— Ja, aldus zette Ganzepoot het gesprek voort, van daag wil baas \'Ntoni den protestant uithangen zoo goed als Don Franco de apotheker.
— Als je durft omzien, om dien onbeschaamden vent, dien Don Silvester, na te kijken, geef ik je een klap om de ooren, hier op de plek waar wij staan, beet vrouw Zuppidda hare dochter in het oor, terwijl ze de markt samen overstaken, — die staat mij niet aan.
Santuzza liet bij het laatste kleppen der klok de zorg voor de kroeg aan haar vader over en ging met de meeste van de klanten naar de kerk. Oom San-toro, die arme man, was blind en beging dus geene zonde als hij niet naar de mis ging. Zoodoende verzuimde men niets, want ofschoon hij niet zag kon hij best oppassen, aan den gang herkende hij ieder die in de herberg een glas kwam drinken.
Santuzza ging zoo netjes als eene poes op de punten van haar schoentjes tusschen de plassen door, zoodat Ganzepoot niet nalaten kon de volgende opmerking te maken: — Er is toch nog niemand, behalve Filippo de hovenier, die ooit de kousen van Santuzza gezien
44
heeft; al waait of regent het, haar kousen toont zij niet, dat moet toch maar gezegd worden.
— Duivels vliegen door de lucht, zei Santuzza terwijl zij wijwater nam en zich kruiste. — \'t Is een dag om licht zonden te begaan!
En vlak bij haar knielde vrouw Zuppidda, avemaria\'s afroffelend en zulke nijdige blikken in de rondte werpend, dat zij op gespannen voet met het gansche dorp scheen te zijn. Zij verhaalde telkens aan wien maar naar haar wilde luisteren; — Buurvrouw de Lange is niet in de kerk en toch is met dat weêr haar man op zee! Als men zulke dingen beleeft behoeft men waarlijk niet ver te zoeken waarom de Heer ons bestraft. Menico\'s moeder is wel in de kerk — al kan zij er niet veel anders doen dan de vliegen nastaren.
— Men moet ook voor zondaren bidden, antwoordde Santuzza, daar zijn de brave zielen voor.
— Ja, ja zoo bidt ook de Vruchtensnoepster met haar neus in \'t manteltje gedoken, en God weet, welke leelijke zonden zij de jongens laat begaan.
Santuzza schudde met het hoofd en zeide dat men in de kerk geen kwaad moet spreken van den naasten.
— De waard moet een vriendelijk gezicht toonen aan al zijne gasten antwoordde vrouw Zuppidda en beet de Wesp in \'t oor: — Santuzza zoude niet gaarne hooren dat men haar verwijt dat zij water voor wijn verkoopt, intus-
45
schen zoude zij beter doen van niet te zondigen met baas Filippo den hovenier, een getrouwd man met kinderen.
— Wat mij aangaat, antwoordde de Wesp, ik heb het al aan Don Jan Marie gezegd, dat ik niet blijf bij de s dochters van Mariaquot; als men Santuzza aan haar hoofd laat.
— Wil dat zeggen dat je een man gevonden hebt? vroeg vrouw Zuppidda.
— Een man heb ik niet gevonden, antwoordde de Wesp vinnig. Ik hoor niet tot dezulken, die tot in de kerk toe de mannen zoeken aan te halen, mannen met verlakte schoenen, of anderen die zeer gezet zijn.
Daarmede bedoelde zij Brasi den zoon van baas Cipolla, die de hartewensch van alle moeders was, omdat hij een olijfberg en wijngaarden bezat.
— Ga eens zien of de schuit goed vast ligt, zeide zijn vader tot hem, terwijl hij zich bekruiste.
Iedereen dacht: — Die regen en wind geven zóóveel in de beurs van Cipolla.
Zoo gaat het in de wereld; nu hunne schuit op strand vastlag konden de Cipolla\'s zich in de handen wrijven gedurende den storm, terwijl de Malavoglia\'s verbleekten en zich de haren uit het hoofd trokken wegens die vracht lupinen, die ze op krediet hadden gekocht van oom Crucifix, bijgenaamd Houtenbel.
— Wil ik je wat zeggen, zei plotseling de Wesp, op
46
bitsen toon, wie er het ergst aan toe is, dat is mijn oom Crucifix, die zijne lupinen op krediet heeft verkocht. Die krediet geeft zonder pand te nemen trekt altijd aan \'t kortste eind.
Oom Crucifix lag geknield voor het altaar der H. Maagd van Smarten, met een grooten rozenkrans dien hij door de vingers liet glijden cn hij zette de coupletten van het gezang telkens met zulk een nasaal geluid in, dat hij den Satan in persoon zoude geroerd hebben. Tus-schen elke Aveinaria werd er druk gepraat over dien handel in lupinen, over de »Voorzienigheidquot; die op zee was en over de Lange die met vijf kinderen bleef zitten.
— Tegenwoordig, zei baas Cipolla en hij trok de schouders op, tegenwoordig is niemand met zijn stand tevreden, den hemel zouden ze wel met vuistslagen willen\' veroveren.
— Met dat al, meende baas Zuppiddu, zal het voor de Malavoglia\'s maar een kwade dag zijn.
— Wat mij aangaat, zei Ganzepoot, ik wou liefst niet steken in het vel vau vriend Bastianazzo.
De avond viel koud en treurig, nu en dan kwam er nog eene windvlaag uit het noorden, verder regende het stil door; \'t was een van die avonden waarop men zich verheugt den ketel over \'t vuur te zien hangen en de vrouw door het huis te hooren sloffen, mits men wete
47
dat zijne schuit veilig met de kiel op het droge is getrokken. De kroeg was vol luie kerels die wel voorzagen dat ze aan dezen Zondag den Maandag zouden kunnen knoopen, alles ging er vroolijk toe; op de oude donkere kasten weerkaatsten de vlam van den haard en zelfs oom Santoro, die men buiten had gezet om de hand weer uit te steken, was toegetreden, om ook wat van die warmte te genieten.
— Hij is er beter aan toe, op dit oogenblik, dan vriend Bastianazzo, herhaalde Rocco Spatü, die aan de deur staande zijne pijp opstak.
Hij haalde een cent te voorschijn en had de grootmoedigheid hem die te schenken.
— Ge zijt zoo kwistig met je aalmoes om God te danken dat je hier veilig staat, zeide Ganzepoot. Jij behoeft echter niet bang te zijn dat je ooit zult eindigen als Bastianazzo.
Allen lachten over de aardigheid en vereenigden zich toen aan de deur om te kijken naar de zee die zoo zwart was als inkt.
Baas \'Ntoni heeft den heelen dag heen en weer geloopen alsof hij door eene tarentula gestoken was. De apotheker heeft hem gevraagd of hij, eene staalkuur deed, dan of hij met dat liefelijke weer voor zijn pleizier wandelde en tevens gezegd: — een mooie gt;Voorzienigheidquot;, niet waar, baas \'Ntoni f
Maar de apotheker was een protestant en een jood, dat wist iedereen.
De zoon van de Locea die buiten de deur stond met de handen in den zak, omdat hij er geen cent in had, zeide:
— Oom Crucifix is met Ganzepoot bij baas \'Ntoni geweest om hem voor getuigen te doen herhalen, dat hij hem de lupinen op krediet verkocht heeft.
— Dus ziet hij ook in, dat ze op de «Voorzienigheidquot; in gevaar zijn ?
— Mijn broer is ook op de s Voorzienigheidquot; met Bas-tianazzo meê.
— Juist! dat is net wat wij zeiden; als je broer Menico niet terugkomt, dan wordt gij erfprins!
— Menico is meegegaan omdat oom Crucifix hem maar het halve daggeld betaalt als hij voor hem vaart, terwijl de Malavoglia\'s hem het volle geld geven, antwoordde Locca\'s zoon, zonder te begrijpen wat hij eigenlijk zeide en toen de anderen spottend lachten bleef hij hen met open mond aanstaren.
Toen de avond viel ging vrouw Maruzza met haar kindertjes naar eene hoogte, van waar men een tamelijk ruim gezicht had op de zee, en luisterend naar het geweld der baren huiverde zij en schudde met het hoofd zonder een woord te spreken.
liet kleintje huilde, en de ongelukkigen die daar nog
49
zoo laat op hel strand stonden, van iedereen als het ware vergeten, geleken zielen in het vagevuur. Het schreien van het kindje deed der arme moeder in den letterlijken zin des woords pijn, zij beschouwde het als een slecht voorteeken en bedacht van alles om het wicht te stillen, zij zong haar liedjes voor met bevende stem waarin ook tranen hoorbaar waren. De buurvrouwen die in de kroeg, èf een maatje olie óf eene flesch wijn waren gaan halen, bleven even staan om een woord met haar te wisselen, zonder te toonen dat zij iets vermoedden, en een paar vrienden van haar man, baas Cipolla onder anderen en baas Mangiacarrubbe, kwamen ook eens kijken naar de zee om te zien in welk humeur die oude brompot zich in slaap wiegde; ze bleven even de Lange gezelschap houden, bliezen haar zwijgend den rook uit hunne pijpen in het gezicht, of spraken zachtjes onder elkander.
Angstig geworden door deze ongewone blijken van belangstelling, keek de ongelukkige vrouw verschrikt rond en drukte het kindje krampachtig aan hare borst, als vreesde zij dat men het haar wilde ontrooven. Eindelijk nam de ruwste, die misschien wel de meewarigste was, haar bij den arm en leidde ze naar huis. Zij liet zich brengen, steeds herhalende:
— O heilige maagd Maria, o heilige Maagd!
De kinderen volgden, hangende aan haar rokken, alsof ook zij vreesden dat men hun iets wilde ontstelen. Toen
4
5°
zij voorbij de kroeg gingen kwamen alle gasten aan de deur en staarden haar in stilte na alsof zij reeds iets bijzonders geworden was.
— Requiem eternam, mompelde zachtjes oom Sah-toro, die arme Bastianazzo gaf mij altijd eene aalmoes, ten minste als baas \'Ntoni hem een cent op zak liet.
De armste, die nog niet wist dat zij weduwe was, fluisterde steeds door: — O! maagd Maria, o heilige Maagd!
Vóór het huis stonden een tal van buurvrouwen haar op te wachten, druk onder elkander, met gesmoorde stemmen, pratende. Als men haar van verre zag aankomen, gingen vrouw Ganzepoot en nicht Anna haar met gevouwen handen stilzwijgend tegemoet. Toen rukte zij zich woest de haren los en met een wanhopenden kreet vloog zij hare woning binnen, om zich daar te verschuilen.
— Welk een ongeluk! herhaalden de anderen op straat. En eene schuit zoo volgeladen! Voor meer dan veertig dukaten aan lupinen!
et ergste was dat men die lupinen op krediet had gekocht, en oom Crucifix liet zich niet met mooie woorden en fraaie beloften paaien, juist daarom heette hij Houtenbei, omdat hij aan dat oor geheel doof was. Hij was een beste vent en leefde enicel om zijn vrienden genoegen te doen en hun geld ter leen te geven, hij had geen andere bezigheid; daarvoor stond hij den ganschen dag op de markt met de handen in den zak, geleund tegen den muur der kerk, met een\' jas aan, die zoo versleten was dat men hem een cent zou willen geven; maar geld had hij zooveel men verlangde en als iemand hem 12 tari vroeg, leende hij ze dadelijk (op pand altijd, want die zonder pand krediet geeft, verliest zijne have en zijn vriend op den koop toe), op voorwaarde, dat hij ze den volgenden Zondag terug zou ontvangen in zilvermunt; zóó verdiende hij daaraan vijf stuivers, zooals het betaamt, want waar het belang spreekt, houdt de vriendschap op. Hij kocht nu en dan ook de geheele vischvangst, onder de waarde, van den een of anderen armen duivel die dadelijk geld
52
noodig had, maar dan moest die gewogen worden op Houtenbel\'s eigen schalen en die waren zoo valsch als Judas , dat zeiden ten minste zij die daarmede niet tevreden waren. Ook schoot hij als men wilde geld voor, om de bemanning van levensmiddelen te voorzien, daarvoor berekende hij, behalve de som die terugbetaald moest worden, niets extra, behalve dagelijks één brood en een maatje wijn per hoofd meer dan zij gebruikten , hij wilde niets meer hebben, want men moet toch christen zijn en rekenschap kunnen geven hier namaals van hetgeen men op aarde gedaan heeft. In één woord hij was eene voorzienigheid voor allen die in moeielijkheden zaten; hij had buitendien nog honderd andere middelen verzonnen om zijn naasten tegemoet te komen: zonder zeeman te zijn had hij schuiten, netten, in één woord alles wat men noodig kon hebben en dit leende hij uit, zich tevreden stellende met één derde van de vischvangst, plus nog één deel voor de schuit, die hij zoo gelijk stelde met één der bemanning, en eindelijk één deel voorde netten, indien ze de zijne ook hebben moestén; bij slot van rekening verslond de schuit de heele winst, zoodat ze den naam gekregen had van ades Duivels schuitquot; — en als men hem vroeg waarom hij zelf niet op zee ging , om zijn leven te wagen zooals de anderen deden, terwijl hij nu zonder gevaar de grootste winst genoot, antwoordde hij:
S3
— Wel zeker! en als mij op zee eens een ongeluk overkwam, moge God het verhoeden! en ik liet er mijn corpus, wie zou dan mijne zaken behartigen?
Hij behartigde zijn eigen zaken terdege — zijn hemd zoude hij ter leen gegeven hebben, mits betaling, daar ging niets af en \'t was overbodig om veel met hem daarover te redeneeren, want hij was doof en daarenboven zwak van hoofd, hij had maar éen antwoord: — Een man een man, een woord een woord, of; Bij het scheiden van de markt leert men de lieden kennen.
Nu lachten zijne vijanden hem in het gezicht uit,wegens die lupinen die naar de maan waren, en hij moest nog wèl met het hoofd in de zwarte kap gedoken, met de andere broeders van shet Zalig Uiteindequot; bidden voor de ziel van Eastianazzo, toen de mis voor hem gelezen werd!
De ramen van het kleine kerkje schitterden in den zonneschijn en de zee was glad en helder alsof het niet dezelfde was, die aan de Lange haar man had ontroofd, zoodat, nu het weêr gekeerd was, alle leden der broederschap zich geducht haastten om de plechtigheid achter den rug te hebben en naar hun zaken terug te kunnen keeren.
De Malavoglia\'s zaten gehurkt voor de draagbaar, hun tranen stroomden dat men er den steenenvloer wel mede had kunnen wasschen, het was als of de doode daar
54
werkelijk tusschen die vier planken lag, met al de wolfsboo-nen om den hals gebonden die oom Crucifix hem op krediet had verkocht, omdat baas \'Ntoni altijd als een eerlijk man bekend was; maar als men hem nu bedriegen wilde onder voorwendsel dat Bastianazzo verdronken was, wel dan konden ze onzen lieven Heer even goed bedriegen en bestelen, het was een heilige schuld, die schuld van 500 lire en hij offerde die aan het heilig kruis — maar wat duivel nogtoe! er waren toch nog wetten te Trezza en baas \'Ntoni zoude daarvoor naar de galeien gaan.
Intusschen had Don Jan Marie haastig wat wijwater gesprenkeld op de baar en meester Cirino begon reeds de waskaarsen uit te blazen, terwijl de broeders over de banken heen stapten met de armen omhoog, om zich des te spoediger te bevrijden van de zwarte kappen die hun gelaat bedekten. Oom Crucifix bood baas \'Ntoni een snuifje aan om hem wat te troosten; — Want, ziet ge, als men eerlijk man is en in den hemel wil komen laat men geene schulden na en dit is wat hij aan allen gezegd had, die hem naar zijne wolfsboonen hadden gevraagd — wat de Malavoglia\'s betreft ben ik zoo gerust als het maar kan, want dat zijn brave lui en ze zouden Bastianazzo toch niet in de klauwen van den duivel willen laten — baas \'Ntoni kon met eigen oogen zien dat men niets gespaard had om den doode te eeren —
55
zóóveel kost.e de mis, zóóveel de waskaarsen en zóóveel de lijkstatie, op zijn d\'kke vingers in katoenen handschoenen gestoken telde hij de uitgaven na.
De kinderen luisterden met open mond naar de opsomming van al deze dingen die zoo duur waren en ter eere van vader daar stonden: de lijkbaar en de waskaarsen en de papieren bloemen, totdat het kleintje begon te kraaien van pleizier toen zij de verlichting zag en het orgel hoorde.
Het »Mispelhuisquot; was vol menschen; sdroevig is het met dat huis gesteld waar de rouwbezoeken den man gelden,quot; zegt het spreekwoord. Iedereen die op den drempel de kinderen Malavoglia zag staan met ongewasschen gezichten en de handen in den zak, zeide schuddend met het hoofd: — Arme vrouw Maruzza! nu begint het ongeluk!
Volgens het aloud gebruik brachten de vrienden geschenken; eieren, wijn, macaroni en allerhande goede gaven van God, zooveel, dat men wel een vroolijk gestemd gemoed had mogen hebben om dat alles op te eten: zelfs baas Alfio Mosca had in iedere hand eene kip gebracht: — Neemt ze juffer Mena , zeide hij. Geloof mij, ik had wel in je vaders plaats willen sterven. Aan mij had niemand iets verloren en niemand zou daarover een traan hebben gestort.
Mena die tegen de deur van de keuken geleund stond, met het gezicht in den boezelaar gedoken, voelde het
56
hart bonzen en zij had moeite om haar geheim meester te blijven. Haar bruidschat was met de j Voorzienigheidquot; ten gronde gegaan en al de bezoekers dachten dat het Mispelhuis weldra in de klauwen van oom Crucifix zoude vallen.
Er waren er bij die even gingen zitten en weder verdwenen, zonder den mond te openen, droog als stokvisschen; maar zij die een beetje bespraakt waren, trachtten met het eene of andere verhaal de droefenis wat te verzetten, ter wille van die arme Malavoglia\'s, die nu al twee dagen lang als fonteinen zaten te huilen. Zoo vertelde baas Cipolla dat de ansjovis twee tari per vaatje gerezen was, dat kon baas \'Ntoni misschien pleizier doen , als hij er nog te koop had; hij Cipolla, bij voorbeeld, had nog omstreeks een honderd vaatjes overgehouden na den laatsten verkoop. Ze spraken ook wel van den braven Bastianazzo, de Heer zij zijne ziel genadig, een stevigen kerel, die zoo maar in zijne beste jaren was weggenomen, arme jongen!
De syndicus zat er ook, meester Croce Calla, bijgenaamd Zijdeworm, met den secretaris Don Silvester en als deze lachte, lachte ook hij, overigens hield hij den neus in de lucht, om toch goed te weten uit welke streek de wind woei en zich dan steeds daarheen te wenden.
Ten einde de vergadering nog eens te laten lachen, bracht Don Silvester het gesprek op het successierecht van
57
ilen boedel van den armen Bastianazzo verschuldigd; het was hem te doen om een ui te pas te brengen die hij eens van zijn advocaat had gehoord en waarover hij zoo had moeten lachen, toen ze hem was uitgelegd, dat hij i nooit verzuimde die te vertellen, als hij ter gelegenheid van een sterfgeval bij iemand een bezoek bracht.
— Gij hebt ten minste het genoegen van Victor Emanuel als lid der familie te mogen beschouwen, daar hij ook zijn deel van de erfenis moet hebben!
En allen schudden van het lachen; \'t is immers spreekwoordelijk geworden dat men lacht bij eene visite van rouwbeklag en weent op eene bruiloft.
De vrouw van den apotheker trok den neus op over deze luidruchtigheid. Zij zat met handschoenen aan en trok een lang gezicht, zooals het in de stad bij zulke gelegenheden gebruikelijk is; de menschen die haar aankeken werden er stil van , alsof de doode zelf voor hen lag, daarom heette zij ook üde Damequot;.
Don Silvester maakte zijn hof aan de vrouwen; hij stond gedurig op onder het voorwendsel van een stoel aan te bieden, om zijn verlakte schoenen te laten kraken.
— Al die belastingen, \'t is schande; ze moesten al de ontvangers verbranden 1 bromde vrouw Zuppidda, die zoo geel zag alsof zij enkel van citroenen leefde, en zij zeide dit don Silvester aankijkende, alsof hij een ontvanger was. — Best wist zij het, waarop zulk een
5S
pennelikker, die onder zijne verlakte laarzen geen kousen aan de voeten had, aasde; bij eene familie wilde hij zich indringen om den bruidschat en de dochter samen in te palmen. »Om de liefde van het smeer likt de kat den kandeleerquot; — daarom had zij hare dochter Barbara liefst niet mede gebracht. — Zij hield niet van zekere snoeshanen.
— Aan mij hoeft ge dat niet te vertellen! riep baas Cipolla, ze trekken mij het vel over de ooren met hunne belastingen!
— Goede gerustheid! riep meester Zuppiddü met de vuist dreigend, alsof hij zijn hamer hanteerde. Het zal nog slecht afloopen met die Italianen! dat zal het.
— Hou jij je mond! commandeerde vrouw Venera, want jij weet toch niet wat je zegt.
— Ik zeg immers net wat jij zegt, dat ze ons tot het hemd yan het lijf halen, dat zeg ik, bromde hij heel onderworpen.
Daarop zeide Ganzepootje, om er een eind aan te maken, baas Cipolla zachtjes in het oor:
— Jij moest juffer Barbara nemen, het zou een troost voor je zijn en dan waren moeder en dochter tevreden en zouden zich niet meer ergeren.
— \'t Is een vuile boel! riep in eens Donna Rosa., de zuster van den pastoor met een gezicht zoo rood als een kalkoensche haan en zich met een zakdoek waaiende,
59
zij schold op Garibaldi die zekei schuld was dat de belastingen zoo hoog werden opgevoerd, zoodat men niet meer leven kon en tegenwoordig niemand meer trouwde.
— Hé, wat kan dat eigenlijk Donna Rosa nu nog schelen, fluisterde Ganzepoot.
Inrasbchen deed Donna Rosa lange verhalen aan Don Silvester, hoe druk zij het had met al wat er te doen viel: een stuk linnen van meer dan uien el had zij op het weefgetouw, de groenten moesten tegen den winter gedroogd worden en de tomaatappels ingemaakt, want zij wist een geheim waardoor zij het heele jaar zoo goed als versche tomaten had.
— Och, een huishouden zonder vrouw dat ging toch niet — maar natuurlijk dan moest het ook eene vrouw zijn zoo als zij, die verstand in de vingers had, niet zoo\'n mal schaap dat enkel dacht aan opschik s lange haren, kort verstandquot; neen, daarbij ging de man te gronde, net als baas Bastianazzo verdronken is. God zij zijne ziel genadig!
— O! hij is gelukkig, zuchtte Santuzza, hij is op een heiligen dag gestorven, den dag vóór Maria\'s Smarten en nu bidt hij voor ons zondaren, te midden van de engelen en de heiligen in het Paradijs. God zendt beproevingen aan zijne uitverkorenen. Een brave man v/as Bastianazzo die zich alléén met zijn eigen zaken bemoeide en er niet altijd op uit was om splinters bij
6o
den naasten te ontdekken, zoo als ik er zoo velen ken.
Maruzza zat bij het bed, geheel ontdaan en zoo wit als een doek, zij leek wel de Maagd der Smarten en baas \'Ntoni, ter neer gebogen, scheen in eens wèl honderd jaar ouder geworden; hij keek haar hoofdschuddend aan wegens dien scherpen doom, die hem in het hart stak over Bastianazzo. \'t Was alsof een otter daaraan knaagde.
— Och! wat is juffer Santuzza honigzoet in haar manier van spreken, zeide juffer Grazia, de vrouw van Ganzepoot.
Zuppidda antwoordde: — Zóó moet een herbergierster we! zijn; kan ze dat niet, laat ze dan gerust den winkel sluiten want die niet zwemmen kan moet verdrinken. Zuppidda had meer dan genoeg van die zoetsappigheid van Santuzza, zij kon het niet verdragen dat sde Damequot;, van de anderen zich afwendende, alleen met deze sprak; die twee konden elkaar ook best verstaan, daar ze zoo wat óp dezelfde manier geld maakten, namelijk door den evenmensch te bedriegen en wat gekleurd water tegen grof geld te verkoopen; die konden goed over de belasting lachen!
— Op het zout willen ze nu ook al eene belasting leggen, zeide Mangiacarrubbe. De apotheker heeft verteld dat het in de courant te lezen staat. Dan zullen ze geen ansjovis meer zouten en wij kunnen de schuiten wel voor brandhout verkoopen.
6i
Baas Turi de kalfateraar was op punt van weer uit te roepen — Goede gerustheid! maar hij keek zijne echt-genoote aan en slikte zijne woorden in.
— Ja, ja, het jaar zet zich maar slecht in, zei baas Cipolla, het heeft sedert den dag van de H. Catharina niet geregend en zonder dien storm, waarin de sVoorzienigheidquot; zoo ongelukkig is omgekomen, weet ik niet welk een hongersnood wij te gemoet gingen — die storm is toch maar een ware zegen Gods geweest.
Ieder vertelde van zijn eigen tegenspoeden, eigenlijk om de Malavoglia\'s te troosten met de gedachte, dat ze toch niet de eenigen waren, die veel te verduren hadden. — De wereld is vol ellende, de een heeft wat meer, de ander wat minder te lijden.
Die buiten stonden keken naar de lucht of er soms nog een buitje kwam, dat hadden ze zoo broodnoodig. Baas Cipolla wist wel waarom het nu zooveel minder regende dan vroeger. — Dat komt van die vervloekte telegraafdraden, die trekken al den regen aan en brengen hem verder.
Baas Mangiacarrubbe en Agostijn Ganzepoot keken hem verbouwereerd aan, want er stonden immers juist telegraafpalen op den straatweg van Trezza, maar toen Don Silvester het uitproestte van \'t lachen met zijn ah, ah, ah, net als eene kip, vloog Cipolla woedend op en voer uit tegen die stommerikken, die ooren hadden als ezels. — Wisten ze dan niet, dat de telegraaf boodschappen overbracht van
62
de eene plaats naar de andere, dat geschiedde door dat er in den draad een zeker levensvocht is, net als, bij voorbeeld, in de rank van den wijnstok en op dezelfde manier trekt het den regen uit de wolken en brengt dien ver weg waar hij het meest noodig is; dat konden ze gaan vragen aan den apotheker als ze hem niet geloofden , de apotheker had het gezegd. Daarom had men in de wet vastgesteld, dat wie een telegraafdraad doorsnijdt de gevangenis in moet. Hierop kon zelfs Don Silvester niets antwoorden en hij hield zijn mond.
— Heiligen uit het Paradijs! men moest al die telegraafpalen omhakken en verbranden, zoo begon baas Zuppiddu, maar niemand lette op hem en om tot een ander onderwerp van gesprek te komen, keken ze in den moestuin. — Een aardige lap gronds, zei Mangia-carrubbe, als die goed bebouwd wordt geeft hij groente voor het heele jaar.
De Malavoglia\'s waren altijd onder de aanzienlijksten van Trezza geweest, maar nu, Bastianazzo dood\',\'Ntoni soldaat en Mena huwbaar was en al die broodeters over den vloer, gingen zij achteruit, zoo hard als een paard kan trekken.
— Wat kon het huis wel waard zijn f
Allen keken met lange halzen over de heg van den tuin om het zoo maar globaal te schatten. Don Silvester kon het \'t beste welen hoe het met de zaken stond, want hij had immers
al de stukken onder zich op de secretarie van Aci-Castello.
— Wil je wedden dat het niet alles goud is dat daar blinkt, wil je om 12 tari wedden? en hij liet voor hun oogen een nieuw geldstuk van 5 lire schitteren.
Hij wist dat het huis aan grondbelasting opbracht 5 tari in \'t jaar. Daarop maakten de anderen eene berekening wat het geheel wel zoude opbrengen, huis en tuin met ap- en dependentiën.
— Noch het huis, noch de schuit kunnen verkocht worden, die behooren tot den bruidschat van Maruzza, aldus wist toen een ander te vertellen en zij werden zoo luidruchtig in het uiten van hunne meening dat men ze daarbinnen, waar de doode beweend werd, best kon hooren.
— Ja, zeker, zooishet, bevestigde eindelijk Don Silvester.
Baas Cipolla, die indertijd wel eens een woordje met
baas \'Ntoni gewisseld had, over de mogelijkheid van een huwelijk tusschen Mena en zijn zoon Brasi, schudde zwijgend met het hoofd.
— Bij slot van rekening is dus oom Crucifix eigenlijk de lijdende partij in deze geschiedenis; hij verliest er zijne lupinen bij.
Daarop wendden allen zich naar Houtenbei, die ter sluik het gezelschap genaderd was, hij wilde wel weten wat men besprak en bekeek het huis zoo aandachtig als of hij het aantal tegels en balken, die het dak
64
uitmaakten, wilde tellen. De meest nieuwsgierigen strekten de halzen uit en knikten elkander toe met het oog op hem wijzende; — Hij lijkt wel de deurwaarder die beslag komt leggen op den boedel.
De buurvrouwen die de lucht hadden gekregen van de afspraak, die half en half tusschen baas \'Ntoni en baas Cipolla bestond, zeiden dat het nu zeker het oogenblik was om vrouw Maruzza een hart onder den riem te steken, door het huwelijk van Mena als vastgesteld te beschouwen. Maar de arme Lange wist wel dat daarvan niets meer komen zoude. Baas Cipolla keerde zich om en draaide hun zonder verder te spreken den rug toe, en toen allen zich verwijderd hadden en de Malavoglia\'s alleen op de binnenplaats waren gebleven, zeide baas \'Ntoni; — Nu is het met ons gedaan, goed voor Bastianc.zzo dat hij onzen val niet beleeft!
Bij deze woorden begon eerst Maruzza en daarna al de anderen opnieuw te huilen, de kinderen de volwassenen ziende weenen vingen ook weder ■ aan te schreien, ofschoon het al drie dagen geleden was dat hun vader gestorven was. De oude man ging doelloos heen en weer, zonder te weten wat hij deed. Maruzza daarentegen bleef maar zitten bij het bed als of er niets meer te doen was. Zeide zij iets dan waren het telkens dezelfde woorden, die zij met strakken blik uitte: — Nu heb ik niets meer te doen.
65
Het was alsof geen andere gedachte meer in haar brein kon opkomen.
— Neen, antwoordde dan baas \'Ntoni, neen! zeg dat niet, want wij moeten onze schuld betalen aan oom Crucifix; van ons mag niet gezegd worden: s Als een eerlijk man achteruit gaat wordt hij spoedig een schurk.quot;
En de gedachte aan de lupinen maakte de droefheid over het verlies van den zoon des te bitterder. De mispelboom liet de gele bladeren vallen en, door den wind voortgestuwd, dwarrelden zij rond op de binnenplaats.
— Hij is gegaan omdat ik hem gezonden heb, herhaalde de oude man, zoo als de wind die bladeren heren derwaarts voert, zoo als hij ook zou gegaan zijn, zonder een woord tegen te spreken, indien ik hem gezegd had: bind een steen om je nek en werp je van de rots in zee. Gelukkig hij die gestorven is toen de mispelboom en het huis tot den laatsten steen toe ons nog behoorden. En, ik reeds zoo oud, ik ben nog hier. Ach! ja, slang zijn de dagen van de ongelukkigen.quot;
Maruzza sprak niet veel, maar zij had slechts éen wensch die haar geheel vervulde, het verlangen om te weten hoe het in dien nacht was toegegaan. Zij moest steeds aan dat tooneel denken en als,zij de oogen sloot zag zij in hare verbeelding de «Voorzienigheidquot;, daar ginder bij het Hoofd van de Molens, op die gladde, blauwe zee, bezaaid met scheepjes, als zoo vele meeuweii
5
64
uitmaakten, wilde tellen. De meest nieuwsgierigen strekten de halzen uit en knikten elkander toe met het oog op hem wijzende; — Hij lijkt wel de deurwaarder die beslag komt leggen op den boedel.
De buurvrouwen die de lucht hadden gekregen van de afspraak, die half en half tusschen baas \'Ntoni en baas Cipolla bestond, zeiden dat het nu zeker het oogenblik was om vrouw Maruzza een hart onder den riem te steken, door het huwelijk van Mena als vastgesteld te beschouwen, Maar de arme Lange wist wel dat daarvan niets meer komen zoude. Baas Cipolla keerde zich om en draaide hun zonder verder te spreken den rug toe, en toen allen zich verwijderd hadden en de Malavoglia\'s alleen op de binnenplaats waren gebleven, zeide baas \'Ntoni: — Nu is het met ons gedaan, goed voor Bastianazzo dat hij onzen val niet beleeft!
Bij deze woorden begon eerst Maruzza en daarna al de anderen opnieuw te huilen, de kinderen de volwassenen ziende weenen vingen ook weder aan te schreien, ofschoon het al drie dagen geleden was dat hun vader gestorven was. De oude man ging doelloos heen en weer, zonder te weten wat hij deed. Maruzza daarentegen bleef maar zitten bij het bed als of er niets meer te doen was. Zeide zij iets dan waren het telkens dezelfde woorden, die zij met strakken blik uitte: — Nu heb ik niets meer te doen.
65
Het was alsof geen andere gedachte meer in haar brein kon opkomen.
— Neen, antwoordde dan baas \'Ntoni, neen! zeg dat niet, want wij moeten onze schuld betalen aan oom Crucifix; van ons mag niet gezegd worden: s Als een eerlijk man achteruit gaat wordt hij spoedig een schurk.quot;
En de gedachte aan de lupinen maakte de droefheid over liet verlies van den zoon des te bitterder. De mispelboom liet de gele bladeren vallen en, door den wind voortgestuwd, dwarrelden zij rond op de binnenplaats.
— Hij is gegaan omdat ik hem gezonden heb, herhaalde de oude man, zoo als de wind die bladeren heren derwaarts voert, zoo als hij ook zou gegaan zijn, zonder een woord tegen te spreken, indien ik hem gezegd had: bind een steen om je nek en werp je van de rots in zee. Gelukkig hij die gestorven is toen de mispelboom en het huis tot den laatsten steen toe ons nog behoorden. En, ik reeds zoo oud, ik ben nog hier. Ach! ja, slang zijn de dagen van de ongelukkigen.quot;
Maruzza sprak niet veel, maar zij had slechts een wensch die haar geheel vervulde, het verlangen om te weten hoe het in dien nacht was toegegaan. Zij moest steeds aan dat tooneel denken en als zij de oogen sloot zag zij in hare verbeelding de «Voorzienigheidquot;, daar ginder bij het Hoofd van de Molens, op die gladde, blauwe zee, bezaaid met scheepjes, als zoo vele meeuwen
5
66
schitterende in de zon; men kon ze tellen één voor één; daar was de schuit van oom Crucifix, ginds die van vriend Barabbas, verder de »Ontvangenisquot; van oom Cola en de pink van Baas Fortunato: o, het was om krankzinnig te worden! en dan hoorde men baas Cola zingen met zijn zware stem, terwijl hij kalfaatte en men rook de teerlucht die van den oever kwam, men hoorde nicht Anna het linnen slaan op de steenen der waschplaats en ook Mena kon men stil in de keuken hooren weenen.
— Arm kind, zei dan de grootvader, ook haar luchtkasteel is ingestort, baas Fortunato is weg gegaan, zoo onverschillig mogelijk, zonder verder over iets tc reppen.
Toen ging hij met bevende handen de vischtuigen, die in een hoek opgestapeld waren, betasten en Lucas ziende, met vader\'s jas aan, (men had hem die aangetrokken al hing ze hem tot op de hielen) zeide hij;
— Ja, ja, daar zult ge \'twarm in hebben als je mede gaat werken, wij moeten nu allen de handen ineen slaan, om de schuld van de lupinen af te doen.
Maruzza stopte zich de ooren toe om Locca, die achter de deur nedergehurkt zat, niet te hooren schreeuwen; die wilde naar geene rede luisteren, maar eischte voortdurend met schelle stem , dat men haar den zoon zoude terug geven.
67
—- Ach! die arme krankzinnige, zeide eindelijk nicht Anna, zij stelt zich ioo aan omdat ze honger heeft, oom Crucifix is boos op iedereen die maar eenigszins in die zaak van de lupinen betrokken is en wil haar nu niets meer geven. Ik zal haar wat brengen, dan gaat zij wel heen.
Nicht Anna, die goede ziel, had haar weefstoel en hare dochters verlaten om vrouw Maruzza een handje te helpen, want die was versuft; als men haar alleen gelaten had zou ze er niet aan gedacht hebben om het vuur aan te leggen of om den ketel over te hangen, ze zouden allen van honger zijn omgekomen. «Maaide eene hand moet de andere wasschen.quot; Ondertusschen werden de lippen der kinderen bleek van het hongerlijden. Nunziata hielp ook en Alexis, met een betraand gezicht, daar hij zoo bitter had geschreid toen hij moeder had zien huilen, paste op de kleintjes en zorgde dat ze Nunziata niet altijd omringden en vóór de voeten liepen, als een broeisel kuikens, want Nunziata wilde de handen vrij hebben, dat wilde zij.
— Handig ben je en je weet je te redden, zeide nicht Anna tot haar, als je eens opgegroeid zult zijn behoeft ge niet om een bruidsschat verlegen te zijn, dien hebt ge in je eigen handen.
tl ena wist volstrc;kt niet dat men haar aan Brasi van baas Cipolla wilde uithuwelijken en dat men dit nu des tc meer wenschte, om hare moeder te midden der diepe droefheid te troosten; de eerste die er haar iets van mededeelde was Alfio Mosca, die, van Aci-Castello met zijne ezelkar terugkomende, stil bleef staan voor het hek van den tuin. Mena antwoordde:
— Neen, neen, \'t is zoo niet, — maar zij werd verlegen en op eens, terwijl hij aan \'t uitleggen bleef hoe en waar hij liet had hooren vertellen , door de Wesp bij oom Crucifix aan huis, kreeg zij een erge kleur.
Vriend Mosca stond ook bedremmeld als hij het meisje, met dien zwarten doek om den hals, aanzag; hij trok aan de knoopen van zijn vest, stond te draaien van den eenen voet op den anderen en zoude er veel voor ge-geveii hebben om weg te kunnen gaan.
— Hoor eens! ik heb er geen schuld aan, ik heb het hooren vertellen bij Houtenbei, terwijl ik op de binnenplaats hout stond te klooven van dien boom, weet je
69
nog, die door den storm op den dag van St. Clara geveld is; thans laat oom Crucifix mij wel eens werken, want hij wil den zoen van Locca niet meer over den vloer hebben, sedert de andere hem die kool gestoofd heeft met de vracht lupinen.
Mena had de klink van het hek in de hand, maar zij kon niet besluiten om open te doen.
— En dan, als het niet waar is, waarom krijgt ge zoo\'n kleur?
Zij wist het niet, in gemoede waarlijk niet, en zij speelde steeds met de klink. Dien Brasi kende ze slechts van aanzien, en zij wist verder niets.
Alfio ging voort haar al de schatten van Brasi op te sommen, hij die na Naso den slachter voor de beste partij van het dorp gold, de meisjes verslonden hem dan ook met de oogen. Mena stond gespannen te luisteren, maar plotseling groette ze hem heel beleefd, ofschoon eenigszins spottend en ging den tuin in. Alfio, in woede ontstoken, liep naar de Wesp om zich te beklagen dat zij hem zulke leugens op de mouw had gespeld, die de menschen dan boos maakten.
— Ik heb het van oom Crucifix gehoord — ik vertel geen leugens, antwoordde de Wesp.
— Leugens, leugens! bromde oom Crucifix. Ik wil mijne ziel voor die lui niet bezwaren, bewaar me! Ik heb het met deze ooren hooren vertellen. Men zegt ook
7°
dat de sVoorzienigheidquot; een bruidsgoed van Maruzzais en dat men voor het huis jaarlijks aan grondbelasting 5 tari moet betalen.
— Wij zullen zien, wij zullen zien, nu of later zal het uitkomen of gij leugens vertelt of niet — alzoo ging de Wesp voort met de handen achter den rug tegen de kast geleund en zij keek hem met uittartende oogen aan; — Ach, ach, die mannen zijn allen koekoek één zang, men kan ze niet vertrouwen.
Somtijds was Crucifix een beetje hardhoorig en nu ook bleef hij, in plaats van vuur te vatten, doorpraten over de Malavoglia\'s, die wél dachten aan trouwen maar in \'t geheel niet letten op dat andere punt, namelijk de veertig dukaten die ze schuldig waren.
■— Ja, ja, viel hem de Wesp nu ongeduldig in de rede, als men naar u luisterde zou wel niemand meer aan trouwen denken!
— Het kan mij niet schelen of zij trouwen! Als ik maar terug krijg wat mijn eigendom is. Voor de rest kan het mij niet schelen.
— Al kan het u niet schelen, dan zijn er toch anderen die niet zoo onverschillig zijn, hoort ge ? Want niet iedereen is gezind om de dingen zoo maar van den eenen dag op den anderen te verschuiven.
— Hebt gij dan zoo\'n haast?
— Ja zeker, heb ik haast. Jij wilt altijd maar uitstel-
71
leu, maar als ge denkt dat anderen den leeftijd van den H. Joseph af willen wachten vóór zij trouwen, clan hebt gij het mis.
— Het jaar is slecht, zeide Houtenbei, en \'tis geen tijd om nu aan zulke dingen te denken.
Uc Wesp zette de handen in de zij en begon hem nu terdege de les te lezen:
— Luister, want dit wil ik je nu eens voor al zeggen, bij slot van rekening heb ik toch óok nog wat en bij de gratie Gods behoef ik nog niet om een man te gaan bedelen. Of wat denk je wel ? Als jij met je vleierijen mij niet van de wijs hadt gebracht had ik niet één maar wél honderd mannen kunnen krijgen; Vanni Pizzuto den barbier, en Alfio Mosca en neef Cola, die aan mijne rokken als vastgenaaid was en mij eens haast geen tijd gunde om mijne kous op te binden, maar die heeft nu dienst genomen. Allen brandden van ongeduld en zouden mij niet zoo voor den gek gehouden hebben , steeds uitstellende en verschuivende van Paschen tot Kerstmis, zoo als gij gedaan hebt!
Oom Crucifix had met aandacht geluisterd, soms zijne hand achter het oor geplaatst om nog beter hare woorden op te vangen; nu begon hij haar te.paaien:
— Ja, ja, ik weet het, je bent een verstandige meid en daarom houd ik zoo veel van je, en ik ben niet als sommigen die je naloopen enkel om je stuk land, die
het dan na het huwelijk zouden doorbrengen bij Santuzza in de herberg.
— \'tls niet waar dat je van mij houdt, vervolgfle zij hem met den elleboog van zich duwend, als dat waar was zoudt ge wel weten wat u te doen stond, en dan zoudt ge wel zien dat ik niet anders verlang.
Zij was boos en keerde hem den rug toe, maar bleef hem toch telkens met den schouder aanstooten:
— Maar om mij geeft ge niet!
De oom toonde zich over dit verwijt gebelgd;
— Dat zegt ge om mij te doen zondigen ! begon hij op klagenden toon, hoe is het mogelijk ! ik zou niet geven om mijn eigen bloed — want dat was zij toch even goed als dat stuk land dat altijd in de familie geweest was en er ook in gebleven zou zijn, als zijn broer, God beware zijne ziel, niet op de gedachte gekomen was om te trouwen en zoo doende de Wesp in de wereld te roepen — en daarom had hij ze altijd zoo lief gehad als zijn oogappel en was hij altijd bedacht op haar welzijn. — Daarom, zeide hij, heb ik er al over gedacht om je de schuld van de Malavoglia\'s over te doen, dat is veertig dukaten in ruil voor dat stukje land, «n met den intrest en de onkosten worden het haast 50 en je kunt zoo het Mispelhuis machtig worden, dat voor jou eigenlijk ook beter past dan het land.
— Het Mispelhuis kan je zelf houden! riep de Wesp
vertoornd. Ik houd iiiijn land cn ik weet wat ik er mee te doen heb.
Nu werd ook oom Crucifix beestachtig kwaad en antwoordde dat hij best wist wat zij er mee doen wilde. Zij wilde het laten verdrinken door dien bedelaar Alfio Mosca, die haar verliefde blikken toewierp, enkel uit begeerte naar dat land, nu was het genoeg, hij wilde ze niet meer in zijn huis of op zijne binnenplaats hebben — hij had toch ook nog bloed in de aderen.
— Kijk eens aan! riep de Wesp, wilt ge soms den jaloersche uithangen!
•— Dat zal waar zijn dat ik jaloersch ben, riep Houtenbei — jaloersch als een tijger; wel vijf lire zou hij willen betalen om Alfio Mosca te laten radbraken, maar hij dééd het niet om dat hij een Christen was en in de vreeze des Heeren leefde; thans, als men braaf en eerlijk is, wordt men bedrogen; goede trouw woont in de Sukkelstraat waar het touw verkocht wordt om zich aan op te knoopen ... het bewijs daarvan was dat hij goed wandelen had voorbij de Malavoglia\'s, de menschen lachten hem uit en zeiden dat hij een vergeefsche reis maakte. De Malavoglia\'s onthaalden hem op diepe buigingen , de kinderen , als ze hem zagen aankomen aan het einde der straat, maakten zich uit de voeten, als of hij de boeman was, maar tot nog toe had niemand hem een woord gezegd over dat geld voor de lupinen ,
74
en ja, Allerzielen stond weldra voor de deur en baas \'Ntoni dacht er aan om zijne kleindochter uit te huwelijken !
Daarop ging hij zijn hart luchten bij Ganzevoet die hem, volgens zijn zeggen, in deze misselijke zaak gebracht had, terwijl de anderen volhielden dat hij er slechts heen ging om het Mispelhuis te begluren; daar ontmoette hij dan Locca die er gedurig ronddwaalde omdat men haar verteld had dat haar zoon Menico in de schuit van de Malavoglia\'s was mede gegaan en zij meende hem daar terug te zullen vinden; zoodra zij echter haar broer Crucifix ontwaarde begon zij als een onheilspellende nachtuil te krijschen en dat maakte hem des te boozer.
— Deze brengt mij ook in verzoeking! zoo bromde Houtenbei binnensmonds.
— Nu, antwoordde Ganzevoet, steeds gesticuleerend, het is nog geen Allerzielen, heb geduld! Wil je baas \'Ntoni geheel uitzuigen? Eigenlijk hebt ge niet eens veel verloren, je weet zelf dat al de lupinen bedorven waren.
Daarvan wilde hij niets hooren, hij wist alleen dat zijn bloed en zijn goed in Gods hand waren.
De kinderen van Malavoglia durfden niet op het balkon spelen als hij voor het huis van Ganzevoet op en neer liep.
Ontmoette hij Alfio Mosca met de ezelkar en be-
75
groette deze hem met een effen gezicht, dan kookte hem ook al het bloed in de aderen, uit nijd over dal stuk land en hij ging bij Granzevoet klagen:
— Uie nicht van mij zoekt me te bedotten, en het land uit de familie te laten gaan. Zoo\'n nietsdoener die niets anders voor den kost doet clan rondloopen met eene ezelkar, het eenige wat hij bezit! Een hongerlijder! Een schelm, die aan die leelijke heks, mijne nicht, vertelt dat hij verliefd is op haar tronie, alleen maar om aan haar duiten te komen!
Als hij niets anders te doen had vatte hij post voor de kroeg van Santuzza, naast oom Santoro en leek wel een tweede bedelaar, hij kwam er niet om een stuiver aan wijn te verteren, bewaar me, hij bleef staan klagen bij oom Santoro.
— Luister, oom Santoro, als Alfio Mosca eene vracht wijn aan je dochter brengt en mijne nicht de Wesp ook komt gonzen, lel dan op wat ze samen uitvoeren.
Oom Santoro met den rozenkrans tusschen de vingers knikte van ja met zijn doffe oogen — hij kon gerust zijn, er vloog geene vlieg voorbij of hij wist het, zoo zelfs dat zijne dochter hem wel eer.s zeüle: Vader! waar bemoei jij je toch mede, wat heb je met de zaken van Houtenbei te maken, die verteert toch nooit een roo-den duit in de kroeg en hij staat voor niemendal aan de deur.
76
Maar Alfio Mosca dacht niet eens aan de Wesp — als iemand zijne gedachten bezig hield dan was het juffer Mena van baas \'Ntoni die hij dagelijks zag op het balkon of op de binnenplaats, of als ze de hoenders in het hok ging verzorgen en als hij de twee hennen hoorde klokken, die hij haar present had gegeven, dan voelde hij het zoo raar in zijn borst kloppen; ware hij niet een arme voerman geweest, die niets had dan eene ezelkar, och! wat had hij dan gaarne de heilige Agatha ten huwelijk gevraagd en ze als zijne vrouw weggevoerd in diezelfde ezelkar. Als hij over al zulke zaken peinsde dan voelde hij zich zoo welbespraakt, maar stond hij weer vóór haar dan kon hij zijne tong niet roeren — integendeel hij keek naar het weêr of vertelde haar van den wijn dien hij voor Santuzza had gehaald en hoe zijn ezel, arm\'dier, eene vracht van vier vaten trekken kon, nog beter dan een muildier. Mena streelde het arme dier en Alfio glimlachte als of hij zelf geliefkoosd werd ;
— Ach juffer Mena, als mijn ezel u slechts toebehoorde !
Mena schudde het hoofd, zij werd droefgeestig gestemd en de gedachte kwam bij haar op dat het beter geweest zou zijn indien de Malavoglia\'s slechts voerlieden waren geweest, dan zou haar vader zoo niet omgekomen zijn.
— De zee is bitter, herhaalde zij, en verslindt het leven van den zeeman.
11
Ofschoon Alfio haast had om den wijn te lossen bij Suntuzza, kon hij toch maar niet besluiten om verder te gaan, hij bleef babbelen over de voordeden van het beroep van herbergier, dat altijd winst afwerpt; als de most wat duurder wordt doet men maar een weinig meer water in de vaatjes.
— Oom Santoro is op die manier rijk geworden en nu bedelt hij enkel uit tijdverdrijf.
— En gij, verdient gij wat met de vrachten wijn? vroeg Mena.
— Ja \'s zomers als men \'s nachts door kan werken dan heb ik nog al een aardig inkomen. Dit arme dier verdient zijn brood wél, maar als ik wat zal hebben overgelegd dan koop ik een muilezel en zoo zoetjes aan hoop ik een echte voerman te worden, zoo als baas Cinghia-lenta, bij voorbeeld.
Het meisje luisterde naar al wat vriend Alfio vertelde; intusschen ruischte het in den olijfboom als of het regende en de straat werd met de droge gekrulde blaadjes als bezaaid.
— Uaar komt de winter al, merkte Alfio op, en dat alles kan niet voor den volgenden zomer geschieden.
Mena keek de schaduw van de gezweepte wolken na die over de velden jaagde, de gedachten vlogen haar ook zoo door het hoofd.
— Weet je — vriend Allio, van die praatjes over den
78
zoon van baas Cipolla is niets aan, want wij moeten eerst de schuld van de lupinen betalen.
— Dat doet mij genoegen, antwoordde Mosca, zoo verlaat ge de buurt niet.
— Nu \'Ntoni terug komt uit den dienst, zullen we te samen ons wel redden en betalen. Moeder heeft ook aangenomen om linnen te weven voor de »Damequot;.
— Dat is ook een mooi beroep, dat van Apotheker, merkte Musea op.
Op dit oogenblik verscheen aan het eind van \'t straatje buurvrouw Venera Zuppidda met het spinrokken in de hand.
— O bewaar me! daar komt iemand, zeide Mena en zij sprong naar binnen.
Alfio sloeg den ezel, van plan om ook voort te gaan, maar Venera zeide:
— Wel vriend Alfio! hebt ge zoo\'n haast? ik wilde u juist vragen of die wijn dien je bij Santuzza brengt van hetzelfde vat is als die van verleden week.
— Dat weet ik niet, de wijn wordt mij in kleine vaatjes gegeven.
— Azijn voor de sla! antwoordde Venera, een waar vergif; op die manier is Santuzza rijk geworden en nu om de lui er nog beter in te laten loopen is zij toegetreden tot »de dochters van Mariaquot;. Dat mooie lint over de borst dat bedekt een heelen boel! Ach ja, op den
79
huldigen dag moet men zóó handelen om vooruit te komen, anders gaat men een kreeftengang zoo als de Malavoglia\'s. Weet je dat ze de »Voorzienigheidquot; hebben opgevischt ?
— Neen, ik ben van huis geweest, maar jufferMena wist er ook niets van.
— De tijding is juist gekomen en baas \'Ntoni is terstond gaan zien hoe zij hierheen gesleept wordt, het was als of de oude man jonge beenen had gekregen. Nu, met »de Voorzienigheidquot; zullen de Malavoglia\'s er wel boven op komen en Mena wordt weer een goede partij.
Alfio antwoordde niets daarop, omdat Venera hem met hare gele oogjes zoo stond aan te kijken, hij zeide dat hij haast had daar hij den wijn aan Santuzza moest leveren.
— Aan mij wil hij niets loslaten, bromde Venera, als of ik ze niet met mijn eigen oogen samen had gezien. Ze trachten de zon met een net te bedekken.
Men had »de Voorzienigheidquot; geheel onttakeld binnen gesleept juist zoo als men ze voorbij de Kaap van de Molens gevonden had, den boeg tussehen de rotsen en de kiel omhoog. In een oogenblik was het heele_ dorp uitgeloo-pen, mannen, vrouwen en kinderen; baas \'Ntoni stond in het gedrang te kijken net als de andere nieuwsgierigen.
Sommigen gaven »de Voorzienigheidquot; een schop om te toonen hoe hol /.ij klonk, eh de arme man voelde
So
dien schop alsof het eene beleediging was hem zeiven aangedaan.
— Een mooie Voorzienigheid is zij, zeide don Franco de apotheker, die ook eens was komen kijken, in zijn hemdsmouwen, den hoed op het hoofd en de pijp in den mond.
— Zij is nu goed voor brandhout, zoo besloot baas Fortunato Cipolla, en baas Mangiacarrubbe, die kennis van zulke zaken had, zeide dat de schuit zeker plotseling gezonken was zonder dat de opvarenden tijd hadden gehad om sGod helpe mijquot; te roepen; dat zeide hij omdat de zee alles weggeveegd had, zeilen, boegspriet, riemen, in één woord alles en er geen houten pin meer was die vast zat.
— Dit was vaders plaats, zeide Lucas die tegen dc schuit was opgeklauterd, en hier onderin lagen de lupinen.
Maar van de lupinen was er geen enkele overgebleven , want de zee had alles weg- en schoongewasschen. Daarom zette Maruzza geen voet buitenshuis. Zij wilde »de Voorzienigheidquot; niet terug zien; neen! nooit of nimmer, zoolang zij leefde.
— De romp is goed, daar kan men nog wel wat van maken — dit was ten slotte het oordeel van meester Zuppiddu den kalfateraar, en hij schopte ook al met zijn leelijke groote voeten tegen sde Voorzienigheidquot;.
8i
— Als ik zu wat oplap kan ze weer zee bouwen. Zij zal wel nooit meer eene schuit zijn om een hooge zee te doorstaan, want één golfslag in de zij en ze slaat uit elkander als een rotte ton. Maar om op de kust te vissclien en in het goede jaargetij kan ze nog wel dienen.
Baas Cipolla, baas Mangiacarrubbe en vriend Cola stonden naar hem te luisteren als naar een orakel.
— Zeker, zeide daarop baas Cipolla ernstig, eer men ze verbrandt....
— Mij goed! zeide oom Crucifix die er ook bij stond te kijken, met de handen op den rug. Wij zijn christenen en wij moeten ons mede verheugen als het een ander wel gaat en... wensch je buurman zonneschijn toe, je zult er zelf ook de warmte van voelen.
De jongens huisden reeds in -^de Voorzienigheidquot;, terwijl de andere kinderen van het dorp nu ook tegen de schuit opklauterden.
— Als wij sde Voorzienigheidquot; gerepareerd hebben, zeide Alexis, zal zij even bruikbaar zijn als »de Ontvangenisquot; van Oom Cola.
Zij spanden zich zeer in om ook een handje te helpen en de schuit tot voor de deur van meester Zuppiddu den kalfateraar. te trekken en te duwe\'n, alwaar zware steenen lagen om de schuiten te onderstutten, een grootc ketel voor liet scheepsteer stond en verder een hoop hout en bindrijs tegen den muur geplaatst was.
6
82
Alexis zat de jongens, die de schuit wilden enteren of het vuur, dat onder den ketel met teer brandde, wilden helpen aanblazen, steeds in de haren en als ze hem raakten dan begon hij te huilen en dreigde:
— Wacht maar! mijn broer \'Ntoni komt uit den dienst terug!
\'Ntoni had zich inderdaad de vereischte papieren laten zenden en zijn ontslag gekregen, ofschoon Don Silvester de secretaris, hun verzekerd had dat hij verstandiger noen zou met nog zes maanden te blijven dienen, in dit geval ware Lucas vrijgesteld. Maar \'Etoni wilde niet eens zes dagen langer dienen nu zijn vader gestorven was. Lucas, die het hun overkomen ongeluk tehuis had kunnen beweenen, zou, zeide hij, eveneens gehandeld hebben. Nadat zij hem de tijding van vader\'s dood gebracht hadden wenschte hij liever niets meer te doen, maar die duivelsche officieren verlangden dat hij zijn dienst bleef waarnemen.
— Wat mij aangaat, zeide Lucas, ik ga gaarne dienen in plaats van \'Ntoni. Als hij thuis komt zult ge »do Voorzienigheidquot; weer op zee kunnen brengen en dat zonder vreemde hulp.
— Deze hier is een echte Malavoglia van \'t onvervalschte soort, zeide baas \'Ntoni met welgevallen, krek zijn vader Bastianazzo, die had een hart zoo ruim als de zee, zeg ik je, en goed als God\'s genade.
83
Op een avond nadat de schuiten uit zee terug waren gekeerd kwam baas \'Ntoni buiten adem aanloopen.
— Hier is de brief, vriend Cirino heeft mij dien juist gegeven toen ik de fuiken bij Pappafave wilde terugbrengen.
Maruzza werd zoo wit als een doek, maar nu van vreugde en zij liepen allen naar de keuken om den brief te zien.
\'Ntoni kwam terug in het dorp met de pet op één oor en een gebloemd katoenen hemd zoo mooi dat zijne moeder niet laten kon het telkens te bevoelen; zij haalde hem van het station af en volgde hem omringd van een stoet vrienden en bekenden; in één oogenblik was het huis en de binnenplaats vol menschen, net als toen Bastianazzo gestorven was, maar dat was nu al zoo lang geleden dat niemand daar meer aan dacht.
Er zijn zoo van die zaken en omstandigheden waaraan alleen oude menschen blijven denken en die zij zich herinneren alsof ze eerst gisteren gebeurd waren. .. zoo bleef Locca, bijvoorbeeld, maar altijd vóór het huis van de Malavoglia\'s tegen den muur zitten, wachtende op Menico, en als zij een voetstap hoorde aan deze of gene zijde van het straatje, wendde zij dadelijk het hoofd daarheen.
VI.
: ! (■■,•gt;(\' et was op een Zondag dat \'Ntoni terug kwam; \' \' ■ dadelijk ging hij huis aan huis zijn buren en kennissen begroeten, iedereen keek hem na, zijne A vrienden omringden en volgden hem, de meisjes liepen naar het venster, maar wie men niet zag was Sara, de dochter van juffer Tudda.
— Die is haar man gevolgd naar Ognina, zoo deelde hem Santuzza mede. Zij is getrouwd met DominikusTrinca, een weduwnaar met zes kinderen, maar akelig rijk. Zij is met hem getrouwd nog geen dertig dagen na den dood zijner eerste vrouw, God bewaar me! het bed was nog warm.
— Een weduwnaar heeft wel iets van een soldaat. De liefde zit er niet diep en bij den eersten trommelslag is het vaarwel!quot; dit voegde vrouw Züppidda er bij. En dan »de Voorzienigheidquot; was verongelukt!
Vrouw Venera, die aan het station was toen \'Ntoni, den zoon van baas \'Ntoni, vertrok om te zien of Sara zou komen om van hem afscheid te nemen , want zij had ze samen over het muurtje zien praten, wilde zich nu
85
ook het genoegen verschaffen om te kijken welk gezicht \'Ntoni bij deze tijding zetten zou. Maar voor hem had de tijd ook niet stil gestaan, men zegt: suit het oog, uit het hart.quot; En \'Ntoni droeg nu zijn pet op één oor.
— Vriend Trinca durft veel wagen! zeide hij om zich te troosten en die uitspraak beviel aan juffer Mangiacar-rubbe die hem indertijd Sukkel en Augurk had genoemd — nu zag zij dat hij een slimme jongen geworden was en zij zoude hem gaarne geruild hebben voor dien grooten lummel, Rocco Spatü, die tot niets deugde en dien ze maar voor lief had genomen omdat toen niemand andera zich voordeed.
— Ik houd niet van die meisjes die met twee, drie, te gelijk vrijen, zeide zedigjes juffer Mangiacarrubbe, terwijl zij de punten van haai hoofddoek over de kin trok met een o! zoo bescheiden blik, als ik van iemand hield, kijk! dan zou ik hem niet willen ruilen, neen, zelfs niet voor Victor Emmanuel of voor Garibaldi.
— Ik weet heel goed van wien gij houdt! zeide\'Ntoni met de hand in de zij.
— Neen, dat weet je niet, vriend \'Ntoni, ze hebben u praatjes verteld. Mocht het soms gebeuren dat ge langs mijn huis komt dan zal ik u wel alles vertellen.
— Nu dat Mangiacarrubbe haar zinnen op \'Ntoni heeft
36
gezet, zal het eene uitkomst zijn voor nicht Anna, zeide juffer Venera.
\'Ntoni wandelde trotsch op en neer, zich op de heupen wiegelend met een zwerm van vrienden achter zich, hij zou wel gewenscht hebben dat het dagelijks Zondag ware geweest, om zijn gebloemd hemd te kunnen vertoonen; dien namiddag vermaakte hij zich door met baas Pizzuto eens te vechten. Hoewel Pizzuto geen soldaat geweest was, vreesde hij toch niemand, zelfs niet onzen Lieven Heer — dit moest hij echter bekoopen met een bebloeden neus, daar hij voor de kroeg op den grond werd gesmeten; Rocco Spatu daarentegen bleek sterker te zijn dan \'Ntoni en kreeg hem onder den voet.
— Bij de heilige Maagd! zeiden zij die toekeken, die Rocco is even sterk als baas Zuppiddu de kalfateraar. Die kon veel geld verdienen als hij wilde werken!
Om niet toe te geven dat hij overwonnen was, zeide Pizzuto het scheermes toonende: — Hiermede kan ik het beste overweg.
\'Ntoni had dien heelen dag veel pleizier, maar toen ze \'s avonds, allen om de tafel gezeten, babbelden en de moeder hem nu over dit dan over dat ondervroeg, terwijl de kinderen hem met groote slaperige oogen zaten aan te kijken en Mena zijne muts en zijn gebloemd hemd betastte om te zien hoe dat toch gemaakt was, zeide zijn grootvader dat het hem gelukt was werk voor hem te
8?
vinden, voor een hoog dagloon zou hij baas Cipolla op diens pink behulpzaam zijn.
Fortunato Cipolla, vóór den barbierswinkel gezeten, vertelde aan wien het maar wilde hooren: — Ik heb ze uit medelijden genomen. Ik heb »jaquot; gezegd om Baas \'Ntoni geen weigerend antwoord te geven, toen hij mij onder den olm kwam vragen of ik bemanning noodig had voor de pink. Ik heb nooit bemanning noodig, maar in den nood leert men den vriend kennen, ofschoon Baas \'Ntoni eigenlijk veel te oud is, zoodat het geld dat men hem betaalt weggegooid is.
— Oud is hij, maar het vak kent hij terdege, antwoordde Ganzevoet, daar verlies je niet bij en wat zijn kleinzoon betreft, dat\'s een jongen dien iedereen je wel zou willen onttroggelen.
— Zoodra meester Bastiaan »de Voorzienigheidquot; in orde gebracht heeft zullen wij onze schuit weder tuigen en dan behoeven we niet langer als daglooners te werken, zeide Baas \'Ntoni.
\'s Ochtends wekte hij zijn kleinzoon wel twee uren voor zonsopgang, maar \'Ntoni zoude liever nog een poosje onder de dekens gebleven zijn; als hij dan geeuwende op de binnenplaats kwam en de sterren nog helder flikkerden aan den hemel, even talrijk als men de zoogenaamde nonnetjes ziet loopen op den zwarten bodem der braadpan, zeide hij brommende:
36
gezet, zal het eene uitkomst zijn voor nicht Anna, zeide juffer Venera.
\'Ntoni wandelde trotsch op en neer, zich op de heupen wiegelend met een zwerm van vrienden achter zich, hij zou wel gewenscht hebben dat het dagelijks Zondag ware geweest, om zijn gebloemd hemd te kunnen vertoonen; dien namiddag vermaakte hij zich door met baas Pizzuto eens te vechten. Hoewel Pizzuto geen soldaat geweest was, vreesde hij toch niemand, zelfs niet onzen Lieven ïleer — dit moest hij echter bekoopen met een bebloeden neus, daar hij voor de kroeg op den grond werd gesmeten; Rocco Spatü daarentegen bleek sterker te zijn dan \'Ntoni en kreeg hem onder den voet.
—■ Bij de heilige Maagd! zeiden zij die toekeken, die Rocco is even sterk als baas Zuppiddu de kalfateraar. Die kon veel geld verdienen als hij wilde werken!
Om niet toe te geven dat hij overwonnen was, zeide Pizzuto het scheermes toonende: — Hiermede kan ik het beste overweg.
\'Ntoni had dien heelen dag veel pleizier, maar toen ze \'s avonds, allen om de tafel gezeten, babbelden en de moeder hem nu over dit dan over dat ondervroeg, terwijl de kinderen hem met groote slaperige oogen zaten aan te kijken en Mena zijne muts en zijn gebloemd hemd betastte om te zien hoe dat toch gemaakt was, zeide zijn grootvader dat het hem gelukt was werk voor hem te
§7
viaden, voor een hoog dagloon zou hij baas Cipolla op diens pink behulpzaam zijn.
Fortunato Cipolla, vóór den barbierswinkel gezeten, vertelde aan wien het maar )vilde hooren: — Ik heb ze uit medelijden genomen. Ik heb sjaquot; gezegd om Baas \'Ntoni geen weigerend antwoord te geven, toen hij mij onder den olm kwam vragen of ik bemanning noodig had voor de pink. Ik heb nooit bemanning noodig, maar in den nood leert men den vriend kennen, ofschoon Baas \'Ntoni eigenlijk veel te oud is , zoodat het geld dat men hem betaalt weggegooid is.
— Oud is hij, maar het vak kent hij terdege, antwoordde Ganzevoet, daar verlies je niet bij en wat zijn kleinzoon betreft, dat\'s een jongen dien iedereen je wel zou willen onttroggelen.
— Zoodra meester Bastiaan s de Voorzienigheidquot; in orde gebracht heeft zullen wij onze schuit weder tuigen en dan behoeven we niet langer als daglooners te werken, zeide Baas \'Ntoni.
\'s Ochtends wekte hij zijn kleinzoon wel twee uren voor zonsopgang, maar \'Ntoni zoude liever nog een poosje onder de dekens gebleven zijn; als hij dan geeuwende op de binnenplaats kwam en de sterren nog helder flikkerden aan den hemel, even talrijk als men de zoogenaamde nonnetjes ziet loopen op den zwarten bodem der braadpan, zeide hij brommende:
88
— \'t Is precies als toen ik marinier was en ze tusschen-deks de reveille bliezen, \'t Is wèl de moeite waard om daarvoor thuis te komen.
— Houd je stil, grootvader staat daar de netten in orde te brengen, hij is een uur vóór ons opgestaan , antwoordde Alexis.
Maar Alexis was ook juist zijn vader Bastianazzo, zijn ziel ruste in vrede. Grootvader ging heen en weer op de plaats met de lantaarn in de hand; buiten hoorde men het volk voorbij komen dat naar zee ging en aan de deuren klopte om de kameraden te wekken. Toen men het strand bereikte en de donkere zee, die de sterren weerkaatste, zoo zacht tegen het strand kabbelde, terwijl men hier en daar de lantarens van de andere schuiten op en neer zag gaan, haalde \'Ntoni vrijer adem en de armen uitstrekkende riep hij;
— O, \'tis toch goed om weer thuis te zijn. Hier kent de zee mij.
Baas \'Ntoni had ook altijd gezegd geen visch kan buiten het water leven en dc zee wacht hem die op strand geboren is.
Op de pink, terwijl ze de zeilen inhaalden, werd hij geplaagd en uitgelachen omdat Sara hem had laten loopen! Langzaam dreef tie sCarrnelaquot; rond, de netten achter zich slepend als eene slang haar staart. — Ja, ja, zeiden ze, varkensvleesch en soldatunliefde kan men
89
niet lang bewaren, daarom heeft Sara je laten loopen.
— Tegen den tijd dat vrouwen het gegeven woord zullen houden, zijn alle Turken Christenen geworden, voegde oom Cola er bij.
— Meisjes kan ik genoeg krijgen, antwoordde\'Ntoni, te Napels liepen ze me als schoothondjes na.
— Ja! te Napels droeg je een lakensch pak, een pet met een biesje en schoenen aan je voeten, zeide Ba-rabbas.
— Zijn er in Napels even mooie meisjes als hier?
— De mooie meisjes van hier zijn nog niet waard de schoenriemen te ontbinden van die te Napels. Ik had er eene die droeg een zijden japon en zij had roode linten in \'t haar, een geborduurd lijfje en gouden epauletten net als mijn commandant \'). Een Hinke meid die met de kinderen van haar meesteres uit wandelen ging cn niets anders te doen had.
— Dat moet een prettig leven zijn om daar te wonen, bemerkte Barabbas.
— O! jelui daar aan den linkerkant! drukt op de riemen! schreeuwde baas \'Ntoni.
— Bloed van Judas! vloekte oom Cola van den stuurstoel uit, je laa: me de pink over-de netten gaan. Scheidt uit met dat babbelen! Zijn wc hier om met
*) Kleederdracht eener min bij rijke families.
9°
de handen over elkaar te zitten, of om te letten op het werk.
— \'t Is de golfslag die ons opstuwde, zeide \'Ntoni.
— Zwijg daar ginds, beroerde jongen!... schreeuwde Barabbas, met die koninginnen die je in het hoofd spelen laat je ons den dag verliezen.
— Sakkerloot! antwoordde \'Ntoni den riem met beide handen opheffende, als je dat nog eens zegt sla ik je op je kop!
— Wat is dat voor nieuws ? zeide oom Cola, tusschen-beide komende, heb je dat als soldaat geleerd, geen woord meer van iemand te kunnen velen?
— Dan vertrek ik terstond, antwoordde \'Ntoni.
— Ga je gang! met zijn geld kan baas Fortunato best een ander vinden.
— sPen knecht past geduld, den baas past beleid,quot; haalde baas \'Ntoni aan.
\'Ntoni die nu toch niet weg kon loopen bleef brommend doorroeien en Mangiacarrubbe, om den vrede te herstellen, zeide dat het tijd was om te ontbijten.
De zon rees juist boven de kimmen en \'t werd zoo frisch, dat men naar eene teug wijn verlangde.
En toen, met de flesschen tusschen de knieën geklemd, begonnen ze dapper te kauwen, terwijl de pink langzaam bleef dobberen midden in den grooten cirkel der kurken.
9*
— Die het eerst spreekt krijgt een schop van achteren, zeide oom Cola.
Om dien schop niet te krijgen aten ze zwijgend als ossen in de weide, naar de golven kijkend die uit de wijde zee zacht en zonder schuimige koppen kwamen aanrollen.
— Baas Cipolla zal van avond wel eenige vloeken uiten, zeide oom Cola, maar dat is onze schuld niet; als het water zoo koud is vangt men geen visch.
Mangiacarrubbe gaf eerst aan oom Cola, die nog wel zelf de bepaling had gemaakt, den beloofden schop, toen zeide hij: — Nu wij toch hier zijn laat ons dan nog maar wat wachten met het ophalen der netten.
— Ja, de golfslag is in ons voordeel, voegde baas \'Ntoni er bij, terwijl oom Cola: — Ai, ai! bromde.
Nu het stilzwijgen toch verbroken was vroeg Barabbas aan \'Ntoni: — Geef mij eene sigaar?
— Ik heb er geene, antwoordde \'Ntoni, die niet meer dacht aan hetgeen daareven was voorgevallen, maar ik zal je de helft van de mijne geven.
De bemanning zat nu op den bodem der schuit, geleund tegen de banken, met de handen achter het hoofd, ieder van hen neuriede heel zachtjes op eigen hand het een of ander liedje om niet in te slapen,, maar toch vielen hunne oogen dicht, zoo schitterde de zon! en Barabbas liet zijn vingers kraken terwijl de harders uit het water opsprongen.
92
— Die hebben niet te werken, zei \'Ntoni, die kunnen zich vermaken met springen.
— Dat is een lekkere sigaar, zei Barabbas, rookte je van dit soort te Napels.
— Ja zeker! vele.
— De kurken beginnen te zakken, merkte vriend Mangiacarrubbe op.
— Kijk, zie je de plaats waar »de Voorzienigheidquot; met je vader verloren is gegaan ? zeide Barabbas, daar, bij het Hoofd, waar de zon vlak op die witte huizen schijnt en de zee wel goud lijkt.
— Bitter is de zee en de zeeman wordt door haar verslonden, antwoordde \'Ntoni.
Barabbas reikte hem de Hesch en ze begonnen samen fluisterend te brommen over oom Cola die zoo hondsch voor de bemanning der pink was, als ware baas Cipolla zelf aan boord om na te gaan wat of ze deden of niet deden.
— En dat alles om te doen gelooven dat men zonder hem niets met de pink zou verdienen, voegde Barabbas er bij. Spion!
— Nu zal hij hem zeker vertellen dat de visch alleen door zijn toedoen gevangen is, door zijne knapheid, ofschoon het water zoo koud was; kijk de kurken eens zakken, men ziet ze niet meer.
— Komaan! jongens, riep oom Cola, willen we de
93
netten ophalen? want als er een hooge golf komt dan rukt die ze ons nog uit de handen.
— Ohi! oohi! riepen nu de mannen, het touw van hand tot hand optrekkend.
— Heilige Franciscus! het lijkt wel een wonder van Gods goedheid dat we met zulk eene zee zoo veel visch hebben gevangen.
Het krioelde in de netten die, naarmate zij uit het water getrokken werden, glinsterden in den zonneschijn — de heele bodem van de pink scheen met kwikzilver gevuld te zijn.
— Nu zal baas Fortunato tevreden zijn, bromde Ba-rabbas, vuurrood in \'tgezicht cn nat van het zweet, nu zal hij ons die drie karlijnen daggeld wel niet misgunnen.
— Dit is nu ons lot, zei \'Ntoni, de lendenen te breken voor anderen; en als wij wat centen opgespaard hebben, dan komt de duivel en eet ze op!
— Waar klaag jij overr vroeg hem zijn grootvader, betaalt baas Fortunato je niet je daggeld ?
De Malavoglia\'s spanden zich op alle mogelijke wijze in om geld te verdienen. De Lange begon linnen te weven voor rekening van anderen en ging ook voor hen naar de waschplaats. Baas \'Ntoni, benevens zijne kleinzoons, gingen als daggelders uit; zij behielpen zich zoo goed als zij konden en was nu en dan de oude man door de rheumatiek gebogen als een vischhaak, dan bleef hij
Q4
dien tijd werken op de binnenplaats met fuiken in orde te brengen of netten te verstellen, want hij was kundig in alles wat betrekking had op zijn vak. Lucas ging werken aan de spoorwegbrug, voor 25 centen daags, al zeide \'Ntoni dat hij meer versleet aan zijn hemden door het dragen van de zware lasten steen, maar Lucas gaf er niet ora en versleet vroolijk zijne schouders daarenboven. Alexis ging nu eens tusschen de rotsen kreeften vangen, dan weder wormen zoeken, die men als lokaas voor 5 stuivers het maatje verkocht, hij zocht soms tot voorbij Ognina of het Hoofd van de Molens en kwam thuis met aan bloed geloopen voeten. Maar eiken Zaterdagavond nam baas Zuppiddii een aardig hoopje geld mede voor het herstellen van sde Voorzienigheidquot; ener moesten heel wat fuiken in orde, steenen voor de spoorwegbrug aangebracht, of wormen tegen 5 stuivers verkocht en linnen gebleekt worden, met het water tot aan de knieën en de brandende zon op het hoofd, om veertig dukaten bij elkander te krijgen!
Allerzielendag was aangebroken en oorn Crucifix wandelde hst straatje steeds op en neer met de handen op den rug, venijnige blikken rond zich werpend.
— Dit is eene geschiedenis die met den deurwaarder zal eindigen — zeide oom Crucifix aan Don Silvester en Don Jan Marie, den vicaris — dat zult ge nog zien.
— Deurwaarders zullen niet noodig zijn, oom Cru-
95
cifix, antwoordde hem baas \'Ntoni, toen deze vernomen had wat de Houtenbel rondbazuinde. De Malavoglia\'s zijn altijd eerlijke lui geweest en ze hebben geen deurwaarder noodig.
— Dat kan mij niet schelen, zeide oom Crucifix, leunend met den rug tegen den muur onder het afdakje der binnenplaats, waar gewoonlijk het hout werd opgestapeld; dit eene weet ik, dat ik betaald moet worden.
Eindelijk verleende Houtenbei door bemiddeling van den vicaris uitstel van betaling tot Kerstmis, maar daarvoor nam hij als schadevergoeding de 75 lire die Maruzza stuiver bij stuiver gespaard had en in eene kous onder de matras bewaarde.
— Zoo gaat het, bromde \'Ntoni van baas \'Ntoni, wij werken dag en nacht enkel voor oom Crucifix, als wij ééne lira verdiend hebben, dan komt die Houtenbei en haalt ze ons voor den neus weg.
Grootvader en Maruzza zochten zich te troosten met het bouwen van luchtkasteelen tegen den zomer, als men ansjovis kon zouten en cactusvijgen krijgen tien voor een cent; met tonijnennetten zouden ze uitgaan en men verdiende steeds een flink daggeld als men op de vangst van z waardvisschen medeging en intus-schen zou meester Bastiano »de Voorzienigheidquot; wel in orde hebben gebracht. De jongens luisterden aandachtig met de kin in de hand naar deze redeneeringen
96
die op het balkon of na het avondeten gehouden werden, maar \'Ntoni die naar verre oorden was geweest en de wereld zoo veel beter kende, verveelden deze praatjes, hij ging liever uit wandelen of naar de herberg waar veel men-schen bijeen waren die niets deden, waar ook oom Santoro, die zoo slecht was als maar mogelijk is, het luie beroep uitoefende van de hand uit te steken en Ave Maria\'s te prevelen, of hij ging bij meester Bastiaan (onder voorwendsel van te gaan zien of de reparatie der »Voorzienigheidquot; vorderde) een praatje maken met Barbara die, als \'Ntoni er was, het vuur kwam opstoken onder den ketel met teer.
— Gij zijt toch altijd ijverig in de weer, zeide \'Ntoni tot haar, de rechterhand van uw vader, geen wonder dat hij u niet wil uithuwelijken.
— Hij wil mij niet uithuwelijken aan iemand die mij niet past, antwoordde Barbara.
— Bij de H. Maagd! juffer Barbara, ik zoude- u wellicht wel passen! Als gij maar wildet....
— O, vriend \'Ntoni, hoe kunt ge zoo praten —moeder zit in \'t voorportaal te spinnen en straks hoort ze u nog.
— Ik sprak over het hout dat niet goed brandt omdat het nog te groen is. Laat mij het vuur opstoken.
— Is het waar dat ge hier enkel komt om juffer Man-giacarrubbe te zien als zij uit haar raam kijkt f
97
— Voor heel wat anders, jutter Barbara. Ik kom zien hoe ver het met »de Voorzienigheidquot; is.
— O, die vordert goed! Vader beweert dat ze daags voor Kerstmis weder te water zal kunnen gaan.
Tegen dat het heilige Kerstfeest naderde liep de heele familie Malavoglia de deur plat bij meester Bastiaan. Het gansche dorp doschte zich feestelijk uit, in elk huis werden de heilige beeldjes versierd met groene takken en sinaasappelen en de kinderen drongen zich achter den doedelzak, die voor elk huis bleef staan spelen waar een heilig beeldje, in eene nis bij de deur geplaatst, verlicht was. Alleen het beeldje van den goeden Herder dat de deur der woning van de Malavoglia\'s bewaakte, werd niet verlicht en toch ging \'Ntoni van baas \'Ntoni overal heen om den gebraden haan te spelen.
Barbara zeide hem: — Zult ge niet vergeten als ge op zee zijt, dat ik het teer te koken heb gezet voor »de Voorzienigheidquot;?
— Die bedrogen en bestolen is, dat ben ik, jammerde oom Crucifix. Ik zou wel eens willen zien van waar ze het geld voor de lupinen zullen halen, als \'Ntoni gaat trouwen en ze aan Mena een bruidsschat willen geven, en dan nog met die belasting op het huis en die verwarde geschiedenis betreffende de hypotheek, hetgeen nu alte-maal pas voor den dag is gekomen! Kerstmis staat voor de deur, maar van de Malavoglia\'s heb ik niemand gezien.
7
gB
Haas \'Ntoni ging hem opzoeken op de markt of onder hel afdak en zeide: — Wat wil je dat ik doe als ik geen geld heb ? Uit steenen kan je geen bloed persen. Wilt ge mij een groote gunst bewijzen? wacht dan tot Juni, of neem nn ■»de Voorzienigheidquot; en het Mispelhuis. Meer heb ik niet.
— Ik wil mijn geld, herhaalde Houtenbei, met den rug tegen den muur geleund. Gijlieden hebt beweerd eerlijk te zijn en mij niet te zullen betalen met zulke praatjes over het schip en je huis.
Hij verloor daardoor den slaap en den eetlust, kwijnend naar ziel en lichaam, en kon zich niet eens wreken door te dreigen met den deurwaarder, want dan zou dadelijk Don Jan Marie of de secretaris op hem afgezonden worden om hem te vermurwen, hij kor. niet meer op de markt verschijnen om zijne zaken tc doen zopder dat men hem achter de hielen zat om hem te zeggen dat dit geld van den duivel was. Aan Ganze-voet kon hij zich ook al niet uiten, want deze veïweet hem dat de lupinen bedorven geweest waren en die kon het weten, want hij was de tusschenpersoon bij den handel geweest. Op eens schoot hem wat te binnen en hij sliep dien nacht niet meer van blijdschap over den heerlijken inval: — Het is een kleine dienst die hij mij wel kan bewijzen, sprak hij tot zichzelf en met het krieken van den dag zocht hij Ganzevoet op die zich al geeuwend bij zijne voordeur stond uit te rekken.
99
— Hoor eens, wij moeten voorgeven dat gij van mij de schuldvordering hebt gekocht, zoo doende kunnen wij den deurwaarder zenden bij de Malavoglia\'s en niemand zal het jou verwijten, als jij je geld terug wilt hebben, dat je een woekeraar bent of dat het geld van den duivel is.
— Hebt ge dat van nacht bedacht, zeide Ganzevoet spottend, dat ge nu voor dag en damv mij daarmede komt verrassen ?
— Ik kwam je ook zeggen dat als je die planken nog noodig hebt, je ze bij mij kunt komen halen.
— In dat geval kunt ge om den deurwaarder zenden, antwoordde Ganzevoet; maar, alle onkosten zijn voor jou rekening.
Zijne vrouw, juffer Grazia, stak hel hoofd uit het raam om hem te vragen:
- Wat is oom Crucifix zoo vroeg hier met je komen bepraten? Laat die arme Malavoglia\'s in rust, die hebben al genoeg te lijden !
— Ga jij spinnen! antwoordde Tino. Vrouwen hebben geen verstand van zaken.
En hinkend met zijn lam beentje ging hij bij Pizzuto een glaasje morgendrank gebruiken.
— Zij bereiden een treurige Kerstmis aan die arme sukkels, dat is wat ze beramen, zuchtte juffer Grazia, terwijl zij zich langzaam begon aan tc klecden, want zij was nog in nachttoilet.
I CO
Voor elk huis was er een kapelletje gemaakt, versierd met groene takken en sinaasappelen, \'s avonds werden er de lichtjes aangestoken als de doedelzak kwam spelen en dan werden de litanieën gezongen; overal was er feest en vreugde. De kinderen knikkerden niet noten op de straat, maar als Alexis wijdbeens stil stond om er naar te kijken riepen ze:
— Ga jij maar heen, jij hebt geen noten te verspelen. Jou huis gaan ze je afnemen.
En werkelijk, daags vóór Kerstmis kwam de deurwaarder, expres voor de Malavoglia\'s, in een rijtuig, zoodat het heele dorp in rep en roer was, hij liet een gezegeld papier achter op de latafel, naast het beeld van den goeden Herder.
— Hebt ge den ■ deurwaarder gezien die voor de Malavoglia\'s gekomen is? vroeg Venera aan allen die zij ontmoette. Nu zijn ze ingerekend!
Haar echtgenoot, maar al te blij nu hij eens \'gelijk had, maakte eene opschudding van belang, schreeuwende en tierende: — Ik had het wel gezegd, dat ik dien jongen \'Ntoni niet bij mij over den vloer wilde hebben!
— Houd jij je mond, antwoordde zij, jij weet van niets. Dat zijn nu eenmaal onze zaken. De meisjes worden op die manier uitgetrouwd, anders blijven ze als een vaatje zuur bier voor je rekening staan.
— Wat trouwen, ben je mal, nu de deurwaarder. . . .
lOI
Maar Venera liet hem niet uitspreken; — Wist jij dan dat de deurwaarder komen zoude? Ja, van achteren gezien kan je mooi praten, maar spijkers met koppen slaan, neen, dat kunt ge niet. En wat beteekent het eigenlijk een deurwaarder, hij slikt de menschen toch niet op.
Dat is zoo, de deurwaarder slikt de menschen wél niet op, maar de Malavoglia\'s waren toch door zijne komst als het ware verpletterd, zij bleven op de binnenplaats zitten, in een kring, elkaar aankijkende, en op dien dag werd in het huis der Malavoglia\'s de tafel niet eens gedekt.
— Sakkerment! riep \'Ntoni. Wij zijn toch ongeluksvogels! nu komt de deurwaarder ons nog nekken.
— Wat zullen wij nu beginnen? vroeg de Lange.
Baas \'Ntoni wist het niet, maar eindelijk nam hij het
gezegeld papier in de hand en ging met zijn twee kleinzoontjes naar oom Crucifix, om hem te zeggen dat hij »de Voorzienigheidquot; maar in betaling nemen moest, en de stem van den ongelukkige beefde even als op dien dag toen zijn zoon hem ontrukt werd, nu hij er bij moest voegen dat meester Bastiaan de schuit juist afgeleverd had.
— Ik weet van niets meer af, antwoordde Houtenbei, het gaat mij niet verder aan, ik heb de schuldvordering verkocht aan Ganzevoet en gij moet het met hem uitmaken.
Nauwelijks zag Ganzevoct ze allen in optocht naderen of hij begon zijn hoofd te krabben, zeggende:
— Wat kan ik er aan doen? ik ben een arme drommel en heb dat geld noodig; met sde Voorzienigheidquot; weet ik geen raad, want, ziet ge, ik ben niet van het vak, maar wil oom Crucifix ze hebben, dan wil ik je wel behulpzaam zijn om ze te verkoopen. Wacht even, ik kom zoo meteen terug.
De ongelukkigen bleven op hem wachten, zij zaten op het muurtje, maar hadden niet den moed om elkander aan te zien, zij wierpen verlangende blikken naar den kant van waar Ganzevoet moest opdagen; eindelijk zagen ze hem, heel langzaam de straat afkomen — als hij wilde kon hij anders wat vlug dat manke beentje roeren. Reeds van verre riep hij hun toe: — Hij zegt dat de schuit zoo versleten is als een oude slof en dat hij er geen weg mede weet; — het spijt mij wel, maar ik heb er niets aan kunnen doen.
Zoodoende keerden de Malavogliars huiswaarts met het gezegeld papier in de hand.
En toch moest er iets gedaan worden, want dit hadden zij wel hoeren zeggen: dat dit gezegeld papier, dat men op de latafel neer had gelegd, in staat was om alles op te eten, de latafel, het huis en hen zelve op den koop toe.
— Hierin hebben wij den raad van Don Silvester
103
noodig, opperde Maruzza. Breng hem deze twee kippen present, hij zal er wél iets op weten.
Don Silvester was van meening dat het hoog tijd was en zond ze hij een krappen advocaat, Scipioni genaamd, hij woonde in de Ziekenstraat, vlak over den stal van oom Crispijn, en was wel jong, maar kwam hel op praten aan, dat kon hij heel wat beter dan al de oude advocaten te zamen die vijf dukaten nemen om den mond fc openen, terwijl hij zich met vijfentwintig lire tevreden stelde.
De advocaat Scipioni was bezig sigaretten te maken, en hij liet ze twee a driemaal terugkomen voor hij ze te woord stond; het kluchtige van de zaak was, dat de heele familie altijd te samen daar heen ging, in den beginne zelfs Maruzza met haar jongste kind op den arm; zij wilden allen behulpzaam zijn in het geven van inlichtingen en zoo verloren ze allen den dag. Toen de advocaat eindelijk de stukken gelezen had en iets, hoe weinig dan ook, had begrepen uit de verwarde antwoorden die baas \'Ntoni zich als het ware liet afpersen, terwijl de anderen op krukjes in de rondte tegen den muur zaten, zonder te durven kikken, lachte hij hartelijk en de anderen lachten van den weeromstuit, zonder te weten waarom.
— Je moet niets doen, zeide hij, volstrekt niets, en toen \'Ntoni herhaalde, dat de deurwaarder er toch ge-
io4
weest was: — Wel! laat de deurwaarder maar komen en liefst dagelijks, des te eerder zal het den schuldeischer verdrieten, die de kosten moet betalen. Zij zullen u niets kunnen afnemen, want het huis is een bruidsgocd en wat de schuit betreft, daarop zullen wij beslag leggen in naam van meester Bastiaan Zuppiddu. Uwe schoondochter heeft niets te maken met den gesloten koop van de lupinen.
De advocaat praatte maar door, zonder ophouden, en gaf ruime maat voor de vijfentwintig lire, zoodat baas \'Ntoni en zijn kleinzoons van verlangen brandden om ook eens wat te zeggen en de verdediging, die ze in hun brein voelden kiemen, te mogen uiten; ze keerden huiswaarts, bezwaard met al wat ze ongezegd moesten laten, de praatjes van den advocaat bepeinzende en overdenkende. Maruzza was ditmaal niet medegegaan; toen zij ze met vuurroode gezichten en schitterende oogen zag aankomen , voelde zij dat haar een pak van het hart genomen werd en met een opgeklaard gelaat wachtte ze nu dat men haar vertellen zou wat de advocaat gezegd had; maar niemand deed den mond open, ze bleven elkander aanstaren.
— Welnu? vroeg eindelijk Maruzza, die haar ongeduld niet langer kon bedwingen.
— Geen vrees! antwoordde heel bedaard baas \'Ntoni, volstrekt niet.
\'OS
— En de advocaat?
— Juist, de advocaat heeft gezegd dat wij niets te vreezen hebben.
— Maar wat heeft hij dan gezegd? bleef Maruzza op dringenden toon vragen.
— Ja! hij weet de dingen wat goed te zeggen! Een heer met snorren! Maar ook vijfentwintig lire!
— Maar wat heeft hij dan gezegd dat wij doen moeten ?
Grootvader keek \'Ntoni aan en \'Ntoni keek grootvader aan.
— Wel niets! zeide eindelijk baas \'Ntoni! Hij heeft gezegd, dat wij niets moeten doen.
— Wij zullen niets betalen, voegde \'Ntoni stoutmoediger geworden er nu bij, want hij kan ons noch het huis, noch sde Voorzienigheidquot; afnemen. Wij zijn hem niets schuldig.
— En de lupinen ?
— Ja, dat is waar ook, en de lupinen? herhaalde baas \'Ntoni.
— Wel, de lupinen.... Wij hebben zijne lupinen niet opgegeten, wij hebben ze ook niet opgestoken; en oom Crucifix kan ons niets afnemen; de advocaat heeft gezegd, dat hij daarenboven nog de kosten zou moeten betalen.
Hierop volgden eenige oogenblikken van stilte; Maruzza scheen niet overtuigd.
o6
— Hij heeft dus gezegd van niet te betalen?
\'Ntoni krabde zicli het hoofd, grootvader zeidc eindelijk ;
— Ja, maar de lupinen heeft hij ons geleverd, dus moeten ze betaald worden.
Daar was niets aan te veranderen. Nu de advocaat niet meer daar was om dit tegen te spreken, moesten ze betaald worden. Baas \'Ntoni schudde het hoofd en mompelde ; — Neen dat niet! dat hebben de Malavoglia\'s nooit gedaan. Oom Crucifix kan het huis, de schuit en alles nemen, maar het zal niet gebeuren dat wij niet betalen wat wij schuldig zijn.
De oude man was ontdaan, de schoondochter weende stil achter haar boezelaar.
— Dan moeten wij naar Don Silvester gaan, zeide eindelijk baas \'Ntoni.
En als één man gingen ze weer allen in optocht, grootvader, kleinkinderen, schoondochter, zelfs het jongste kindje, naar den Gemeentesecretaris om zijn raad in te winnen, hoe zij het moesten aanleggen om de schuld te betalen, voor dat oom Crucifix nog meer zegels zond, dat vreeselijk gezegeld papier, dat huis en erf en schuit en alles op zoude eten. Don Silvester, de man die de wet door en door kende, was bezig met voor tijdverdrijf eene valkooi te fabriceeren, die hij aan de kinderen der Dame wilde schenken. Hij deed niet
10/
als de advocaat, maar liet ze integendeel naar hartelust uitpraten; ondertusschen bleef hij aan zijne vogelkuui voortvverken. Eindelijk zeide hij wal gedaan moest worden : — Weet je wat ? als jufter Maruzza mede wil helpen, dan komt alles in orde.
De arme vrouw kon zich niet voorstellen wat men van haar wenschte of\' verwachtte.
— Wel, zeide Don Silvester, je moet afstand doen van je bruidsgoed en mede aansprakelijk worden voor den koop der lupinen, ofschoon jij ze niet gekocht hebt.
— Wij allen te samen hebben de lupinen gekocht en onze Lieve Heer heeft er ons allen voor gestraft, door mijn man weg te nemen, zeide de Lange, bijna onhoorbaar.
Die arme, onwetende schepsels zaten onbeweeglijk op krukjes langs den muur en keken elkaar aan, terwijl Don Silvester stil in zijn vuistje lachte.
Hij liet oom Crucifix roepen, die, op een droge kastanje kauwende, aan kwam zetten; hij had juist gedaan met eten en zijn oogjes schitterden meer dan gewoonlijk. Eerst wilde hij nergens van weten, hij zeide dat het hem niet meer aanging, dat het zijne zaak niet was.
— Ik ben even als dat lage muurtje, waarop een ieder zoo maar gaat zitten, omdat ik zoo vlot niet kan praten en redeneeren als een advocaat, \'t is net als of wat mij behoort gestolen goed is en ik ben toch een eerlijk man, het onrecht dat ze mij aandoen is ook tegen den ge-
j ocS
kruisten Heiland gepleegd, en hij bromde en gromde voort, met de handen diep in den zak en den rug tegen den muur; wat hij zeide was op zijn best verstaanbaar wegens de kastanje die hij in den mond bleef houden.
Het kostte Don Silvester veel moeite om hem te doen begrijpen, dat men de Malavoglia\'s niet voor bedriegers kon houden, daar ze bereid waren om te betalen en de weduwe afstand deed van haar voorrecht; het zweet brak Don Silvester uit voor dat hij hem overtuigd had.
— De Malavoglia\'s zijn bereid om zich tot het hemd uit te kleeden, om maar niet te procedeeren, maar als je ze tot het uiterste drijft, welnu, dan zetten ze de verzenen tegen de prikkels en zenden jou van hun kant gezegeld papier op je dak. En wat duivel! je moet toch medelijden hebben met je medemensch! En ik wed, wat je wilt, dat als,je zoo koppig op je rechten blijft staan, je ten slotte niets krijgt.
Daarop antwoordde oom Crucifix:
— Als je mij van die zijde aanpakt, dan weet ik niet meer wat ik zeggen moet —• ik zal er Ganzevoet over spreken — uit vriendschap wil ik alles, wat het ook zijn moge, toegeven, dat weet baas \'Ntoni, dat ik voor een vriend alles over heb — en hij bood hem een snuifje, liefkoosde Lia het jongste kind en gaf haar eene kastanje. — Don Silvester kent mijne zwakke zijde, ik kan nooit neen zeggen. Van avond spreek ik Ganze-
109
voet en ik zal hem vertellen dat hij wachten moet tot Paschen; maar dan moet juffer Maruzza medehelpen.
Juffer Maruzza wist niet waarmede zij behulpzaam kon zijn, maar was er dadelijk, onmiddelijk, toe bereid.
— Als dat zoo afgesproken is dan kan je die boonen bij mij laten halen, die je hebben wildet om te zaaien, zeide oom Crucifix aan Don Silvester bij het heengaan.
— Goed, goed, antwoordde Don Silvester, dat weet ik dat je een wijd geopend hart hebt voor je vrienden, ruim als de zee.
Voor de menschen wilde Ganzevoet van geen uitstel hooren, hij schreeuwde en gilde en trok zich de haren uit het hoofd — men wilde hem tot den bedelstaf brengen, tot het hemd uitkleeden, zonder brood laten den ganschen winter hem en zijne vrouw Grazia, nadat men hem eerst had overgehaald om die schuld der Mala-voglia\'s te koöpen; ja,- dat waren, goed berekend, vijfhonderd lire, zoo goed als een duit een duit, die men hem uit den zak geklopt had om ze aan oom Crucifix present tp doen. Zijne vrouw Grazia spalkte de oogen wijd open, want zij kon zich niet begrijpen hoe hij zoo veel geld had om te verliezen en de goede ziel sprak de Malavoglia\'s voor, zeggende dat het\'zulke beste menschen waren en\'zij altijd in de heele buurt voor eerlijk bekend hadden gestaan. Nu trok oom Crucifix ook partij voor de Malavoglia\'s.
1 to
— Kom, ze hebben beloofd ie zullen betalen en als ze het niet kunnen dan staan ze je het huis af. Juffer Maruzza is nu ook behulpzaam geweest. Weet je dan niet, dat men tegenwoordig dankbaar zijn mag als men met krabben en bijten zijn eigen goed terug krijgt ?
Ganzevoet trok nu verwoed zijn jas aan en liep vloekende de deur uit: daar hij niets meer in huis te zeggen had, zoo zeide hij, moesten zijne vrouw en oom Crucifix alles maar schikken naar hun zin.
VII,
met de pet op één oor, vergezelde zijn broeder en herhaalde dat hij indertijd ook gegaan was cn dat het eigenlijk niets betcekende! Het regende en de weg was één modderpoel.
— Neen, moeder, je moet niet medegaan, ik wil hot niet hebben, zeide Lucas, — \'tis cen heel end naar het station.
Hij bleef op den drempel van het huis staan, niet zijn pakje onder den arm, starende naar den regen die op den mispelboom viel — dan zoende hij eerbiedig de hand van zijn grootvader en die zijner moeder, omhelsde Mena en de broeders.
Zoo zag de Lange hem vertrekken, onder eene para-pluie, vergezeld van zijn geheele familie. De weg was een en al modder cn de jongen, die even wijs cn bedachtzaam was als zijn grootvader, stroopte voor de deur
112
zijne broekspijpen op, ofschoon hij die broek vooreerst niet meer zou aantrekken, daar hij als soldaat van nu af door het gouvernement werd gekleed.
— Deze zal niet om geld schrijven als hij daar ginder is, dacht de oude man bij zich zelf, en als God hem lengte van dagen scheukt, dan haalt hij het Mispelhuis er nog boven op.
Maar juist omdat hij van dat soort was schonk God hem geen lang leven — en toen eenigen tijd later het bericht van zijn dood hen bereikte, was het de Lange een doorn in het hart dat zij hem in den regen had laten vertrekken, zonder met hem tot aan het station te gaan.
— Weet je wat, moedertje, had Lucas gezegd, hij was even terug gekomen want hij kon het niet over zijn hart verkrijgen om haar, even treurig als de H. Maagd der Smarten, alleen achter te laten op het balkon, weet je wat? ik zal je vooruit laten weten wanneer ik terugkom, dan kunt ge mij van het station afhalen.
Die woorden vergat Maruzza haar leven lang niet; evenmin kon zij, tot men haar de oogensloot, vergeten dat haar jongen niet bij het blijde feest tegenwoordig was dat gevierd werd toen ze s de Voorzienigheidquot; weer te water lieten; het heele dorp nam er deel aan en Barbara Zuppiddü stond met den bezem klaar om de spaanders weg te vegen.
quot;3
— Dat doe ik enkel voor u, zeide zij tot den jongen \'Nloni, — omdat »de Voorzienigheidquot; van u is.
— Met den bezem in de hand lijkt gij toch eene koningin, antwoordde \'N toni; in heel Trezza is er geene huishoudster zoo als gij.
— Nu ge »de Voorzienigheidquot; weghaalt, zullen wij u hier in de buurt niet veel meer zien, wel, vriend \'Nioni ?
— Wel zeker zal ik toch hier komen; eigenlijk is dit voor mij de kortste weg naar het strand.
— Dan zult ge komen om jufter Mangiacarrubbe te zien, die ligt altijd uit het venster als gij voorbij komt.
— Neen, haar laat ik aan Rocco Spatü. Ik heb wat anders in den zin.
— Wie weet hoeveel mooie meisjes, die hier niet thuis behooren, gij wel in den zin voert. Is het zoo niet ?
— Er zijn hier ook mooie meisjes, jufter Barbara, dat weet ik maar al te goed.
— Zoo, waarlijk?
— Ja, bij mijne ziel!
— Wat kan u dat schelen?
— Mij kan het veel schelen, maar de meisjes geven niet om mij, zij hebben andere hofmakers die onder haar vensters met verlakte schoenen pantoffelparade maken.
— O, naar verlakte schoenen kijk ik niet eens, dat
8
ii4
zweer ik bij de H. Maagd van Ognina. Moeder zegt dat verlakte schoenen enkel dienen om een bruidsschat klein te krijgen en als die Don Silvester mij niet met rust laat, komt moeder een dezer dagen met haar spinrokken voor den dag; dat zal eene komedie geven.
— Spreekt gij in ernst? juffer Barbara.
— Zeker.
— Dat staat mij aan! zeide \'Ntoni.
— Hoor eens, Maandag gaat moeder naar de jaarmarkt — gaat gij dan naar het strand?
— Maandag zal grootvader mij geen oogenblik rust gunnen, nu ivij »de Voorzienigheidquot; op zee hebben.
Zoodra meester Turi had medegedeeld dat de schuit gereed was, kwam baas \'Ntoni met zijn jongens en al zijn vrienden haar halen en »de Voorzienigheidquot; werd waggelend en schommelend, als of zij zeeziek was, getrokken\' naar het strand, door een jubelende menigte omringd.
Luider dan alle overigen riep meester Zuppiddu: — Geeft hier! — De anderen schreeuwden en duwden als de schuit tegen een steen stootte, en zweetend en hijgend kregen zij haar weer in de gleuf.
— Geeft liier, Iaat ik het doen — ik neem de heele schuit op mijn arm als een kindje en zet haar zoo in eens in het water.
— Meester Turi Zuppiddu zoude in staat zijn om te
TI5
doen wat hij zegt. Kijk me zoo\'n paar armen eens aan! zeiden sommigen: anderen: — Nu zijn de Malavoglia\'s er weer bovenop.
— Die Zuppiddü kan tooveren met zijne handen, riepen ze. Kijk, hoe hij die schuit, die er uitzag als een oude slof, nu in orde heeft gemaakt!
En waarlijk, sde Voorzienigheidquot; zag er heel anders uit, glinsterend van het nieuwe teer met een flinke roode streep langs het boord en op den achtersteven den H. Franciscus met een prachtigen wolligen baard als van watten, zoodat zelfs de Lange nu weer verzoend was met het schip, dat zij niet lijden mocht sedert het zonder haar man terug was gekomen; de angst voor den deurwaarder had ook wel iets bijgedragen om haar jegens de schuit vergevensgezinder te stemmen.
— Leve de H. Franciscus! riep een ieder die sde Voorzienigheidquot; voorbij zag komen en de zoon van Locca wel het hardst van allen, in de hoop dat baas \'Ntoni hem nu zou medenemen.
Mena stond op het balkon te kijken, zij weende van vreugde en zelfs Locca maakte zich gereed om met de menigte mede te gaan , achter de Malavoglia\'s aan.
— O juffer Mena! het moet voor ulteden toch een overschoone dag zijn, zeide Alfio Mosca van uit het raam zijner woning, net een feestdag als wanneer ik mijn muilezel zal kunnen koopen !
116
— Zult gij dan uw ezel verkoopen ?
— Wat kan ik anders doen ? Ik ben niet zoo rijk als Vanni Pizzuto; anders, zeker niet!
— Dat arme dier!
— Als ik het zoo ruim had dat ik een ander den kost kon geven, bleef ik niet hier alléén zitten koekeloeren — dan trouwde ik, zeide Alfio lachend.
Mena wist niet wat te antwoorden, en Alfio vroeg verder; — Nu »de Voorzienigheidquot; weder vlot is zal men u wel aan Brasi Cipolla uithuwelijken ?
— Grootvader heeft er niets van gezegd.
— Hij zal het u later zeggen. Tijd\'s genoeg. Wie weet wat er gebeuren kan tusschen heden eu uw trouwdag en op welke straatwegen ik mijne kar nog zal moeten voeren? Ik hoor dat er aan gene zijde der stad overvloedig werk te krijgen is aan den spoorweg, voor mij is hier niets meer te verdienen sedert Santuzza met Boer Filippo een akkoord gemaakt heeft over het bezorgen van den nieuwen most.
Baas Cipolla echter, niettegenstaande de Malavoglia\'s nu weer in den zadel zaten, bleef het hoofd schudden —-het was slechts een mank paard dat zij bereden, zeide hij, en hij wist welke gebreken dat nieuwe teer bedekken en verbergen moest.
— Een opgelapte Voorzienigheid, zeide de apotheker spottend, een beetje althéa-stroop met eene oplossing
iiy
van arabische gom, precies het constitutionele Koningschap. Men zal baas :Ntoni nog aanslaan als belastingschuldig voor zijne roerende goederen!
— Tot het drinkwater toe zouden ze willen belasten! Ik hoor dat ze zelfs van het teer accijns willen hebben. Daarom heeft baas \'Ntoni zich zoo gehaast met de schuit — intusschen moet meester Bastiaan Zuppiddü nog vijftig lire van hem hebben.
— Oom Crucifix is slim geweest, toen hij zijne pretentie van de lupinen verkocht aan Ganzevoet.
— Als de fortuin geen gunstigen keer neemt voor de Malavoglia\'s, dan gaat het Mispelhuis aan Ganzevoet en sde Voorzienigheidquot; naar de maan — dat zal je zien!
Intusschen was »de Voorzienigheidquot; als een eendje in het water gegleden, zij had pleizier, danste en schommelde op de groene zee, terwijl de zon schitterde op het versche teer. Baas \'Ntoni genoot ook zeer, met de handen op den rug, de beenen wijd van elkander en de wenkbrauwen samengetrokken, zooals zeelieden plegen te doen als ze in den zonneschijn toch goed wenschen te zien, want het was een zonnige winterdag — en de velden waren groen, de zee glad en de hemel donkerblauw zonder een enkele wolk. Zoo keere\'n zonneschijn en liefelijke winterochtenden weder voor de oogen die bittere tranen geweend hebben en alles zoo donker hebben ingezien als dit teer — alles wordt vernieuwd en ver-
ii8
jongd zoo als nu »de Voorzienigheidquot;, die met behulp van wat verf, teer en een paar planken er uitzag even flink als vroeger; het is slechts voor de oogen die niet langer kunnen schreien, omdat de dood ze voor altijd heeft gesloten, dat er geene ommekeer meer plaats heeft.
— Bastianazzo heeft dezen dag niet meer mogen beleven, dacht vrouw Maruzza bij zich zelve, terwijl zij de verschillende gedeelten van den weefstoel in orde bracht, die haar man, Zondags of op regendagen, eigenhandig voor haar gemaakt had. Alles in dat huis sprak nog zoo duidelijk van den geliefden doode, zijne para-pluie van wasdoek stond in den hoek der kamer en onder het bed een paar bijna nieuwe schoenen. Mena had ook onder het gereedmaken van haar werk een bedrukt gemoed , zij dacht aan Alfio, die naar Bicocca zou vertrekken en daar zijn ezel, dat arme dier, verkoopen, —de jeugd heeft maar een kort geheugen en kijkt slechts naar de opkomende zon; het zijn slechts de ouden van dagen, die reeds zoo dikwijls de zon hebben zien ondergaan, die de blikken naar het westen richten.
— Nu de sVoorzienigheidquot; weder vlot is, zeide Maruzza eindelijk, toen zij hare dochter in gedachten verzonken zag, gaat je grootvader weer meer om met baas Cipolla. Van ochtend nog, toen ik op het balkon stond, heb ik ze samen gezien onder het afdak van Peppi Naso.
— Baas Fortunato is rijk en heeft niets anders te
119
doen dan den ganschen dag op de markt te kuieren, antwoordde Mena.
— Ja, en zijn zoon Brasi! wat zit die er warm in. Nu onze pink weer in orde is en onze mannen niet meer bij vreemden behoeven te gaan werken zullen wij er ook nog bovenop komen, en als de lieve zielen in het vagevuur ons behulpzaam zijn en die schuld eens betaald is, zullen wij ook aan andere zaken kunnen denken. Wees jij maar gerust, grootvader slaapt er niet bij in, eu hij zal je niet laten voelen dat ge je vader verloren hebt — hij is precies als een vader voor je.
Meteen kwam baas \'Ntoni thuis, zwoegende onder een hoop netten, die hem geheel, zelfs tot zijn gelaat, bedekten.
— Ik ben ze uit de schuit gaan halen, zeide hij, wij zullen ze moeten nazien, want morgen takelen wij sde Voorzienigheidquot; op.
— Waarom hebt gij u niet door \'Ntoni laten helpen, vroeg Maruzza, terwijl zij aan het eeue eind trok en de oude man op de binnenplaats als een garenwinder draaide, om zich uit de netten, die niet schenen te eindigen, los te wikkelen — het leek wel eene slang met een langen staart.
— Och, ik heb hem gelaten bij meester Pizzuto. De arme jongen moet de heele week werken! En \'t is warm, zelfs in Januari, met dat vrachtje op den rug.
Alexis moest over grootvader lachen, zoo rood was
120
hij in het gezicht en gebogen als een vischhaak. Grootvader zeide tot hem: — Loop eens naar buiten, daar staat die arme Locca, haar zoon is op de markt en voert niets uit, ze hebben niet te eten.
Maruzza gaf hem een schoteltje boenen mede voor Locca en de oude zeide verder, terwijl hij zich met zijne hemdsmouw het zweet van het gelaat veegde:
— Nu onze schuit weder in orde is zullen wij, als wij den zomer halen, met Gods hulp de schuld wél betalen.
Hij kon over niets anders dan dit spreken, zat onder den Mispelboom en keek zijne netten aan, alsof hij ze reeds vol visch zag.
— Ja, ja, nu dienen wij ook eene provisie zout op te doen vóór het belast wordt, als het ten minste waar is, zoo ging hij voort, met de armen kruiselings over elkander. Met het eerste geld dat wij verdienen betalen wij meester Zuppiddü en dan, zoo als hij mij beloofd heeft, zal hij ons een voorraad tonnetjes op krediet leveren.
— In de latafel liggen vijf dukaten, die Mena met het weven verdiend heeft, zeide Maruzza.
— Mooi zoo! bij oom Crucifix wil ik niet verder in het krijt staan, daartoe heb ik het hart niet meer, na die ongelukkige zaak met de lupinen; maar dertig lire, zeide hij, wilde hij wel geven voor onze eerste vischvangst met »de Voorzienigheidquot;.
— Ach, doe het niet, riep de Lange, liet geld van oom Crucifix brengt ongeluk aan! Van nacht nog heb ik de zwarte hen hooren kakelen.
— Arm dier, zeide de oude man glimlachend, toen hij juist de zwarte hen voorbij zag promeneeren met opgeheven staart alsof zij van den koning geen kwaad wist, zij legt toch alle dagen een ei.
Mena kwam even met het hoofd buiten de deur en zeide:
— Er staat eene mand vol eieren en Maandag als baas Alfio naar Catania gaat kunt ge ze medegeven om daar te verkoopen.
— Ja alle beetjes helpen om uit de schuld te komen! zeide baas \'Ntoni, maar jelui moet tusschenbeide een eitje eten, als je er lust in hebt.
— Neen, dank je, wij hebben er geen lust in, zeide Maruzza, en Mena voegde er bij: — Als wij ze opeten, kan Alfio ze niet verkoopen op de markt; wij zullen eendeneieren plaatsen onder de kloekhen, de kiekens kunnen wij dan voor vier stuivers het stuk verkoopen.
Grootvader keek haar met welgevallen aan: — Meid, meid, je bent eene Malavoglia van het echte soort!
De kippen krabden in het zand, de hen zat te broeien in een zonnig hoekje, van den eenen kant der binnenplaats naar den anderen was er linnen uitgestrekt om te bleeken.
122
— Dit alles brengt geld op, zeide baas \'Ntoni, met God\'s genadige hulp zullen ze ons niet uit ons huis zetten en smijn huis is mijn heilquot;, zoo zegt men wél.
— Nu mogen de Malavoglia\'s God en den H. Franciscus wel aanroepen, dat zij hun een overyloedige vischvangst schenken, zeide Ganzevoet.
— Ik help het hun wenschen! riep baas Cipolla, tegenwoordig moet men wel gaan denken dat ook de visch de cholera gekregen heeft.
Baas Mangiacarrubbe knikte bevestigend met het hoofd en oom Cola babbelde weer over den accijns die op het zout zou komen en zeide:
— Als dat waar is dan kan de ansjovis gerust zijn en hoeft niet meer te schrikken van de raderen der stoom-booten, geen mensch zal ze dan meer gaan vangen.
— O! ze hebben nog wat mooiers verzonnen, vertelde nu ïuri de kalfateraar, op het teer ook al een accijns!
Die niet met teer te maken hadden antwoordden niets, maar Zuppiddü ging voort met schreeuwen en tieren, hij zou zijn winkel sluiten en die zijn schuit wilde laten kalefaten moest die zelf maar met een oud hemd dicht stoppen. Daarop begonnen allen te razen en te vloeken. Op dat oogenblik hoorde men de stoomfluit van de locomotief en de trein kwam uit de tunnel te voorschijn, blazende, rookende, puffende als of hij de duivel in eigen persoon was.
123
— Wèl zeker, zei baas Fortunato, aan den eenen kant een spoorwagen, aan den anderen eene stoomboot; hoe wil men het langer hier te Trezza uithouden?
Op het dorp was het een heidensch lawaai toen men waarlijk een accijns op het teer trachtte in te voeren.
Juffer Zuppidda klom op haar balkon en van daar begon zij te redeneeren, zeggende dat het opnieuw een gemeene streek was van Don Silvester, hij wilde het heele dorp te gronde richten, omdat men hem niet wilde trouwen. — Wat! trouwen! herhaalde zij met het schuim op den mond, niet eens naast hem in de processie gaan wilde zij, noch hare dochter! (Als juffer Venera van een mogelijk huwelijk van hare dochter sprak, was het altijd of zij zelve de bruid in kwestie was). Baas Turi zou zijn winkel sluiten, natuurlijk, maar dan wilde zij wel eens weten hoe ze ooit klaar zouden komen om hunne schuiten zeevaardig te krijgen; elkaar opeten en verslinden dat zouden ze!
De buurvrouwen kwamen nu ieder aan hare voordeur, met het spinrokken in de hand, schreeuwende dat ze al die lui van de belastingen wilden vermoorden, tevens zouden ze al hun duivelsche papieren en het huis waar ze bewaard werden, verbranden. De mannen die uit zee kwamen lieten de vischtuigen liggen en bleven aan het raam staan kijken naar het oproer der vrouwen.
— En weet je waarom dat alles gebeurt, zoo ging
124
Vencra voort, omdat \'Ntoni van baas \'Ntuiii terug is gekomen, die loopt nu mijne dochter na, en dat kan Don Silvester niet verdragen. Maar wat denkt hij wél, hem willen wij toch niet! Mijne dochter behoort mij en ik kan ze geven aan wien ik wil. Klaar en duidelijk heb ik neen geantwoord toen meester Cola mijne dochter is komen vragen voor Don Silvester, dat heeft oom Santoro ook gehoord. Don Silvester draait dien mallen syndicus zoo maar om zijn vinger, maar ik ben zoo niet, ik lach wat om den syndicus en den secretaris er bij. Nu zijn zij er op uit om ons den winkel te laten sluiten, omdat ik mij de kaas niet van \'t brood laat nemen. Wat is dat voor heidenvolk? Waarom verhoo-gen ze niet de belasting op den wijn, of op het vleesch, dat toch niemand hier eet? Maar dat zou Boer Filippo geen pleizier doen voor Santuzza, alsof ik niet weet welke zonden die twee samen begaan en zij draagt het lint van de Dochters van Maria om hare onreinheden te bedekken! en die oude, gekke Santoro, die maar alles door de vingers ziet! Een ieder trekt het water naar zijn eigen molen zoo als baas Naso, die nog vetter is dan zijn eigen varkens. Lief volk hebben wij aan ons hoofd, maar nu zullen wij ze eens een dansje laten zien.
Baas Turi Zuppiddü weerde zich ook al op het balkon, hij hield een breeuwhamer in de eene vuist en eene plak
125 ,
in de andere — bloed wilde hij zien — ja, zelfs met geene ketenen zoude men hem terughouden.
Als wassend water steeg de opgewondenheid en deelde zich van de eene huisdfeur aan de andere mede.
Don Franco de apotheker wreef zich in de handen en met een ouden hoed scheef op het hoofd, riep hij;
— Best! het volk ontwaakt; en toen hij Uon Michiel voorbij zag komen, met het pistool in den gordel, lachte hij hem in \'t gezicht uit.
Langzamerhand lieten de mannen zich door de woede der vrouwen aansteken, zij zochten elkander op om zich op te winden en verloren den dag besluiteloos op de markt, met open mond staande te luisteren naar den drogist die hun de revolutie predikte, echter fluisterend, uit angst dat zijne vrouw, die op de bovenverdieping was, hem zou hooren:
— Als ze geen sukkels waren dan moesten ze niet geven om de eene of andere belasting op het zout, of op het teer, — neen, in eens moesten ze schoon schip maken, het volk moest koning worden.
Sommigen keerden hem den rug toe of trokken een gezicht en zeiden: — Hij zou wel koning willen zijn. De apotheker is voor de revolutie om de arme lui te laten verhongeren.
En zij gingen liever naar de herberg waar Santuzza hun een ferm glas wijn schonk, dat verwarmde de ge-
T
126
moederen en vriend Cinghialcnta en Rocco Spatü maakten een leven voor tien.
Nu liet liedje van nieuwe belastingen weder gezongen werd, zouden ze met die op he* »haarquot;, zoo als men de belasting op lastdieren noemde, zeker weer voor den dag komen en dan zou de accijns op den wijn ook wel verhoogd worden.
— Bij alle heilige Duivelen! nu zal het verkeerd loo-pen, bij de Maagd Maria.
De wijn deed schreeuwen en het schreeuwen gaf dorst, men moest er gebruik van maken zoo lang de accijns niet verhoogd was, en zij die gedronken hadden stroopten de hemdsmouwen op, balden de vuisten en zochten ruzie, zelfs met de vliegen in de lucht.
— Dit is voor Santuzza zoo goed als een feestdag.
De zoon van Locca, die geen geld had om binnen te
komen en iets te gebruiken, schreeuwde buiten dat hij zich liever wilde laten doodslaan, nu oom Crucifix hem niet eens meer voor half geld wilde nemen, in plaats van zijn broer Menico, die met de lupinen verdronken was.
Vanni Pizzuto had zijn winkel gesloten, daar toch niemand zich .liet scheeren; hij liep met het scheermes in den zak, vloekende en vuile woorden uitbrakende tegen hen die zich bedaard hielden en met de roeiriemen op de schouders aan het werk togen.
— Dat zijn ellendelingen! die niets geven om het va-
127
derland, raasde Don Franco, die zoo verwoed aan zijne pijp trok als of hij die met den rook wilde inslikken. Volk, dat geen vinger zoude uitsteken om het land te redden.
•— Laat jij ze maar praten, zeide baas \'Ntoni tot zijn kleinzoon, die zijn riem wilde stuk slaan op den kop van dengenen die hem voor ellendeling had uitgemaakt, met hunne praatjes bezorgen ze ons geen brood en nemen ons geen cent belasting van het lijf.
Oom Crucifix was iemand die zich alleen met zijn eigene zaken bemoeide; al moest hij voor de belasting bloeden, hij verkropte zijne woede uit vrees voor erger; nu kwam hij niet óp de markt tegen den muur leunen, hij bleef stil thuis in het donker ave\'s en pater\'s biddende om zijnen toom te onderdrukken tegen die vervloekte schreeuwers, die het land in rep en roer brachten en de brave menschen, die zich een centje hadden weten te vergaderen, wilden uitkleeden.
— Wel! hij heeft gelijk, zeide men, hij moet zeker hoopen geld hebben. Daarenboven heeft hij nu nog de vijfhonderd lire, die Ganzevoet hem betaald heeft voor de schuld der lupinen.
Maar de Wesp, die alleen onroerende goederen had en dus niet vreesde bestolen te worden., schreeuwde in zijne plaats; met hangend3 haren liep ze rond, zeggende dat haar arme oom telkens om de zes maanden levend werd opgegeten door die zware belasting; kwam
128
men die nu weer opeischen, dan zoude zij zelve de oogen van den ontvanger uitkrabben.
lutusschen ging zij gedurig bij nicht Anna, bij juffer Grazia of bij vrouw Mangiacarrubbe, nu onder dit dan onder dat voorwendsel, alleen om op te diepen hoe de zaken stonden tusschen Alfio Mosca en Mena, zij had de H. Agatha met de heele familie Malavoglia wel willen vernietigen, daarom vertelde zij dat het niet waar was dat Ganzevoet de schuld van de lupinen gekocht had, Ganzevoet had nooit vijfhonderd lire bezeten. Oom Crucifix had nog altijd den voet op den nek der Malavoglia\'s en hij kon ze met één trap dood drukken als zooveel mieren — zoo rijk en machtig was hij — zij had ongelijk gehad om hem te bedanken en dat voor het lieve uiterlijk van iemand die niets anders in de wereld had dan eene kar en een ezel. Oom Crucifix had haar nog altijd lief als zijn oogappel, zeide zij, maar zij verzweeg dat hij haar nu niet eens de deur wilde openen, uit vrees dat men binnen zou dringen om alles te vuur en te zwaard te verwoesten.
Wie iets te verliezen had, zooals Cipolla of Boer Fiiippo, bleef stil thuis met den ketting op de deur en stak niet eens den neus buiten. Brasi Cipolla had een duchtigen oorveeg van zijn vader gekregen, omdat deze hem gevonden had aan de deur van de binnenplaats als een stokvisch, glurende naar hetgeen op de markt
129
voorviel. — De groote visschen bleven onder water en lieten zich niet zien als er beweging in zee was, van die kon hij wat leeren.
Zij lieten nu den Syndicus met de handen in het haar zitten.
— Ziet ge dan niet dat ze je maar gebruiken, zeide zijne dochter Betta tot hem, als eene pop in de poppenkast. Nu ze je in het nauw gebracht hebben keeren ze je den rug toe en laten je zelf de kastanjes uit het vuur halen — dat komt er van als men zich in handen geeft van zoo\'n warhoofd als Don Silvester.
— Ik laat mij niet om den tuin leiden door Don Silvester, antwoordde op nijdigen toon Croce Calla. Ik ben Syndicus en niemand anders.
Maar Don Silvester vertelde dat het zijne dochter Betta was die het hecht in handen had en dat Croce, bijgenaamd Zijdeworm, slechts de uiterlijke teekenen zijner waardigheid droeg; zoodoende bleef de arme Calla tus-schen hamer en aanbeeld gekneld. Nu echter de storm losgebroken was lieten beiden hem in den steek en hij wist volstrekt niet hoe hij het varken wasschen zou.
— Wat gaat het u aan ? schreeuwde Betta. Doe zoo als de anderen, en, willen ze den accijns op het teer niet, dan moet Don Silvester maar een ander middel bedenken.
Don Silvester hield zich standvastiger en vertoonde zich met een effen gelaat op straat.
9
13°
Rocco Spatü en Cinghialenta gingen, als ze hem zagen, haastig de herberg weder binnen uit vrees van hem iets onbehoorlijks te zeggen, en Vanni Pizzuto vloekte en klemde het scheermes vast dat in zijn broekzak verborgen was. Don Silvester toonde zich onverschillig, hield even een praatje met oom Santoro en stopte hem een paar centen in de hand.
— God lof! riep de blinde, dat is Don Silvester de secretaris; geen van die anderen die hier komen schreeuwen en met vuisten op de banken slaan, denkt er aan om mij eene aalmoes te geven, ze roepen slechts dat ze den secretaris en den Syndicus en allen willen vermoorden. Vanni Pizzuto, Rocco Spatü en Cinghialenta hebben het gezegd. Vanni heeft de gewoonte aangenomen, om zonder schoenen rond te loopen om niet gehoord te worden, maar ik herken hem toch want hij sleept met den voet over den grond en maakt zooveel stof als eene kudde schapen.
Maar zijne dochter zeide tot hem, zoodra Don Silvester den rug had gekeerd:
— Waar bemoeit ge u mede? Het zijn onze zaken niet. Eene herberg is als een zeehaven, men komt, men gaat, met allen moet men vriendelijk zijn, maar voor niemand partij trekken, daarvoor heeft ieder een geweten om te letten op zijn eigen zaken; vermetele oordeelvellingen over den naaste zijn zondig. Rocco
Spatü en Cinghialenta verteeren bij ons hun geld, van Pizzuto spreek ik niet want hij verkoopt morgendrank en tracht ons zoodoende klanten af te troggelen.
Daarna ging Don Silvester bij den apotheker binnen; die zette zich vierkant vóór hem en durfde beweren dat het eindelijk tijd was om alles over hoop te werpen en schoon schip te maken.
— Wil je wedden dat het ditmaal verkeerd afloopt, antwoordde bedaard Don Silvester en hij stak twee vingers in zijn vestjeszak en haalde er een nieuw geldstuk uit. Hier is het de vraag niet van meer accijnsen, er moet eene geheele verandering komen, de Syndicus is een malle vent die zich laat regeeren door zijne dochter, boer Filippo kan de heele zaak geen duit schelen en baas Cipolla wil ook niets voor het dorp doen. De menschen hebben geen ongelijk om kabaal te maken tegen eene regeering die ze nog erger dan een bloedzuiger uitzuigt — het geld moet er goed- of kwaadschiks zijn, dat is zeker, maar verlichte liberale mannen moesten hier aan het hoofd staan. Gij bijvoorbeeld moest Syndicus zijn.
De apotheker liet zich vangen en begon uit te weiden over hetgeen hij in het gegeven geval zoude doen en Don Silvester luisterde zoo aandachtig, als of hij in de kerk eene preek aanhoorde.
— De gemeenteraad moet vernieuwd worden; baas
ÏS2
\'Ntoni deugt niet als lid, want dat is zoo\'n stijfkop, hij is oorzaak van den dood van zijn zoon Bastia-nazzo — tusschen twee haakjes, als die nog maar leefde! dat was een verstandig man, — en thans weer die zaak met de lupinen, daarin heeft hij zijne schoondochter ook al betrokken, hij heeft haar laten onderteekenen en nu blijft zij zonder een cent. Verbeeld je dat hij op die wijze de belangen van de gemeente waarnam! ....
Zoo sloeg hij door, maar als »de Damequot; zich aan het raam vertoonde, veranderde hij plotseling van toon:
— Mooi weertje, hé? — zeide hij dan knipoogend, om Don Silvester te doen begrijpen wat hij eigenlijk bedoelde.
Dat zou mij een vent zijn om op te bouwen! die zoo onder de pantoffel zit, dacht Don Silvester.
Maar baas \'Ntoni behoorde tot de weinigen die stil naar hun werk togen met de roeiriemen op de schouders; aan zijn kleinzoon, die ook zoo gaarne naar de markt zoude gehold zijn om te zien hoe het daar toeging, herhaalde hij;
— Denk jij maar aan je eigen zaken, al dat volk schreeuwt enkel uit eigenbelang en wij moeten maar denken aan onze schuld.
Baas Mosca bemoeide zich ook niet met de algemeene aangelegenheden en ging stil zijn weg met zijne kar, tus-
133
schen allen door die met gebalde vuisten stonden te schreeuwen.
— Kan het u niet schelen of er een belasting op de lastdieren komt ? vroeg Mena toen ze hem zag aankomen met den ezel, die met hangende ooren, van vermoeienis hijgde.
— Ja zeker kan bet mij schelen, maar om de belasting te kunnen betalen moet ik werken, anders nemen ze mij niet alleen den ezel af, maar de kar nog daarenboven.
— Zij dreigen en zeggen dat ze nu verschillende personen willen doodslaan. O, Jezus Maria! Grootvader heeft gezegd dat wij alles gesloten moesten houden en aan niemand de deur openen, voor dat hij weer thuis komt. Gaat gij morgen nog weg?
— Ik ga een voer kalk halen voor baas Croce Calla.
— O, waarom doet ge dat! ge weet toch dat hij de Syndicus is! Ze zullen u ook vermoorden?
— Hij zegt dat het hem niet schelen kan, dat hij metselaar is van zijn ambacht, dat hij den muur van den wijngaard moet opbouwen voor rekening van boer Filippo en als dat de gemeente geen accijns op het teer hebben wil, Don Silvester dan wel wat anders zal moeten bedenken.
—• Heb ik het jelui niet altijd gezegd dat Don Silvester van alles de schuld is, riep Zuppidda met baar
134
spinrokken in de hand, altijd gereed om het vuurtje aan te blazen.
— Dieven en schurken zijn het! ze hebben niets te verliezen bij eene belasting op het teer, die lui die nog nooit eene plank op zee hebben gehad.
Daarop ging zij verder, overal steeds herhalende:
— \'t Is de schuld van Don Silvester en van dien broddelaar Ganzevoet, die zelf geen schip of schuit heeft en op kosten van anderen leeft, voor wien hij de vuile baantjes schoonveegt. Wilt ge er een staaltje van hooren ? !t Is niet waar dat hij die schuld gekocht heeft van oom Crucifix! Dat is een doorgestoken kaart, alléén om die ongelukkigen in het verderf te storten. — Die Ganzevoet! vijfhonderd lire zou hij er voor betaald hebben! hij heeft nog nooit met eigen oogen vijfhonderd lire bij elkaar gezien, laat staan, gehad!
Om op de hoogte van alles te blijven ging Don Silvester nu en dan eene sigaar koopen in de herberg; bij die gelegenheid liepen dan Rocco Spatü en Vanni Pizzuto vloekende er uit, of hij bleef wel eens staan babbelen bij oom Santoro als hij terugkwam van den wijngaard; zoodoende kwam hij eindelijk achter het fijne van dien schijnkoop door Ganzevoet gesloten; maar hij was een goedaardig Christenmensch, die een ruim geweten had en eene maag die alles kon verteren. Hij wist best wat hem te doen stond.
i35
Toen Betta hem ontving op eene hondsche wijze en meester Croce Calla daarenboven durfde zeggen dat het hem niet schelen kon, zeide Don Silvester:
— Wat verkijkt gij er aan als ik jelui laat zitten? En werkelijk zette hij geen voet meer bij den Syndicus aan huis, die kon nu alleen bedenken hoe zich uit den nood te redden, en Betta miste de gelegenheid om hem grofheden naar het hoofd te werpen, b. v. dat hij een Judas was, die ook zijn vriend voor dertig zilverlingen wilde verkoopen, en dergelijke meer.
Toen er des Zondags raadsvergadering gehouden moest worden na de H. Mis, ging Don Silvester bedaard naar de groote zaal, zette zich achter de groene tafel en vermaakte de pennen voor tijdverdrijf, terwijl Zuppidda en de andere vrouwen op straat schreeuwende dat ze de Regeering de oogen wilden uitkrabben, in de open lucht stonden te spinnen.
Nadat men Croce Calla was gaan halen van den wijngaard van boer Filippo, waar hij zelf den muur herstelde, schoot hij ijlings zijn nieuwe jas aan, borstelde zich af en waschte zich de handen, maar weigerde verder iets te doen, voor dat Don Silvester werd geroepen. Betta had mooi praten, zeggende: Iwie kaatst moet den bal verwachtenquot; hij moest maar alle verantwoording aan anderen overlaten, dat was de eenige manier om Syndicus te blijven.
136
Calla echter, koppig als een muilezel, bleef bij zijn stuk; hij had den oploop gezien vóór het gemeentehuis:
— Ik wil en zal er niet zonder Don Silvester heen gaan. Don Silvester mag een redmiddel vinden.
— Een redmiddel kan ik wel vinden, antwoordde Betta. Ze willen geen accijns op het teer, wel laat het er af.
— Mooi zoo! en het geld, waar halen we dat vandaan ?
— Waar vandaan? Laat hen betalen die het hebben, oom Crucifix bijvoorbeeld, of baas Cipolla, of slager Nasi.
— Zoo! die het weet moet het zeggen! Die zijn immers de leden van den raad.
— Stuur die dan weg en benoem anderen. Geloof mij, op mijn woord, je moet handelen naar den zin der meerderheid, want als de anderen je afvallen, zullen deze drie je toch niet redden.
— Welke vrouwenpraatjes! alsof die anderen zouden maken dat ik er aan bleef! Je weet er niets van. De leden van den raad benoemen den Syndicus en er zijn geen anderen dan deze, die voor die betrekking geschikt zijn. Wie zoudt gij het wel willen maken ? Bedelaars misschien, van de straat opgeraapt.
— Laat dan de leden van den raad met rust en jaag den secretaris, dat warhoofd, weg!
— Mooi, mooi zoo! en wie moet dan voor secretaris
137
spelen? wie kan het? Jij misschien, of ik, of baas Ci-polla, al praat hij alsof hij de wijsheid in pacht had!
Daarop wist Betta niets meer in te brengen en zij luchtte haar hart door een vloed van scheldredenen op Don Silvester uit te storten; hij had hen allemaal in zijn zak en zijn haan kraaide koning over het heele dorp.
— Goed, best zoo! eindigde Calla, maar zonder hem ga ik er niet heen. Ik zoude jou eens in mijne schoenen willen zien staan.
Eindelijk kwam Don Silvester aanslenteren, met een onverschillig gezicht en de handen op den rug, een deuntje fluitende:
— Houd je goed, meester Croce, ditmaal ten minste valt de Hemel nog niet in!
En meester Croce liet zich binnen leiden en ging deftig zitten achter de groene tafel, met den inktkoker vóór zich, maar raadslieden waren er niet, behalve Peppi Naso de slager, met een rood gezicht, die voor niemand bang was en Tino Ganzevoet.
— Die heeft niets te verliezen, schreeuwde Zuppidda van den drempel, die komt hier om het arme volk uit te zuigen, hij leeft op kosten van dezen\' en genen, die hij in hun bedriegerijen een handje helpt. Dieven en schurken altemaal.
Ganzevoet veinsde onverschilligheid ter wille van het
138
ambt dat hij bekleedde, maar weldra verloor hij het geduld, stond met zijn krom beentje op om den gemeentebode, meester Cirino, die met de zorg voor de orde belast was en daarom, als hij niet voor koster fungeerde , een roode pet droeg, te gelasten: — Laat die kwade tong zwijgen!
— Hé, hé, baas Tino, gij zoudt wel willen dat iedereen zweeg! bleef juffer Venera roepen.
— Alsof men niet weet wat voor bedrijf gij uitoefent wanneer je een oog toedrukt als \'Ntoni van baas \'Ntoni met je dochter Barbara komt praten,
— Een oog toedrukken, dat doet gij als uwe vrouw de Wesp behulpzaam is om Alfio Mosca te ontmoeten. Dal: is een schoon beroep! Maar Alfio wil er toch niet van. hooren, hij heeft meer zin in Mena van baas \'Ntoni en jelui verliest er de olie mee indien de Wesp je wat beloofd heeft voor de moeite.
— Wacht, nu kom ik je eens toetakelen, zeide Gan-zevoet met een dreigend gebaar en schoof de tafel al op zij.
— Ach! zuchtte meester Croce —, vandaag loopt het toch zeker in \'t honderd.
— Wat zijn dat voor manieren? gilde üon Silvester, \'t is alsof jelui hier midden op de markt zijt. Wat wedt ge, dat ik u hier allen uitschop. Wacht, nu zal ik eens de handen uit de mouw steken.
i39
Daar gaf Zuppidda niets om, zij worstelde met Don Silvester, die haar de zaal vrij onzacht uitduwde; maar zoodra ze buiten waren nam hij haar achter het hek ter zijde:
— Wat wilt ge toch? vroeg hij zoodra ze alléén waren; wat kan het je schelen of ze eene belasting zetten op het teer, moet gij die misschien betalen of uw man? is het niet veel meer iets dat uwe klanten zelve betalen moeten, als ze hun schuiten laten herstellen. Luister naar mij — je man is gek om zoo\'n leven te maken en zoo tegen de regeering op te spelen. Er moeten juist nieuwe raadsleden gekozen worden en in plaats van baas Cipolla en boer Filippo, die niets deugen, kon men uw man nemen.
— Ik weet van niets, antwoordde Zuppidda eensklaps doodbedaard geworden, ik bemoei mij niet met de zaken van mijn man, ik weet maar dat hij op zijne vuisten bijt van woede. Ik kan niets anders doen dan hem van de zaak kennis geven — ten minste indien het zeker is.
— Wel gerust! ga het hem zeggen, het is bepaald waar, zoo waar als ik hier voor u sta. Vertrouw je mij niet? ben ik een eerlijk man, ja of neen! Allerheiligste duivel!
Op een draf liep Zuppidda naar huis om haar man te halen; hij zat werk uit te kammen in een hoekje van
140
de binnenplaats; bleek als een doek riep hij maar dat hij voor geen geld de deur wilde uitgaan, want: — Bij God! een moord zou ik begaan! een moord!
Om de raadsvergadering te kunnen openen ontbraken nog baas Cipolla en boer Filippo, die maar niet kwamen opdagen, zoo zelfs dat de menschen zich begonnen te vervelen en vele der vrouwen zich op het muurtje der kerk neerzetten om te spinnen.
Eindelijk stuurden beide mannen eene boodschap dat ze verhinderd waren te komen, maar dat men maar zonder hen voort moest gaan en de belasting uitschrijven.
— Precies wat mijne dochter Betta gezegd heeft, precies, bromde baas Croce.
— Zoo, laat Betta je dan maar komen helpen, beet: Don Silvester hem in het oor; Croce zweeg en hield zijne opmerkingen voor zich.
— Ge zult zien dat de Zuppiddü\'s zelve mij nu hunne dochter Barbara komen aanbieden, zeide Don Silvester, maar ik zal mij laten bidden, dat zal ik.
De zitting werd opgeheven zonder dat er iets vastgesteld was. De secretaris wilde de kat nog eens uit den boom zien; het was ondertusschen twaalf uur geworden en de buurvrouwen waren meest allen naar huis gewipt. Zij die nog gebleven waren trokken af toen ze meester Cirino de deur zagen sluiten en den sleutel in zijn zak
i4i
steken, samen bepratende hoe Ganzevoet en juffer Zup-pidda elkander hadden uitgescholden.
\'s Avonds vernam \'Ntoni van baas \'Ntoni deze praatjes, sakkerment nog toe! dan wilde hij dien Ganzevoet nog eens laten voelen dat hij soldaat geweest was. Hij kwam hem juist tegen, dicht bij de woning der Zuppiddü\'s; daar begon hij tegen hem uit te varen: dat hij zich bij dit en bij dat moest wachten om van de Zuppiddu\'s kwaad te spreken. Ganzevoet was ook niet op zijn mondje gevallen; Wat denkt ge, dat ge terug gekomen zijt om ons hier te ringelooren?
— Om je te muilbanden ben ik gekomen als je nog één woord durft zeggen.
De menschen waren uitgeloopen om te zien wat er te doen was en nu vielen de twee elkaar eerst meenens aan en Ganzevoet, die zoo slim was als een duivel, liet zich eensklaps met \'Ntoni op den grond vallen, nu hielpen geen gezonde beenen meer, zij rolden over en over in de modder, elkaar slaande en bijtende als de honden van slager Peppi Naso, zoodat \'Ntoni zich spoedig met een gescheurd hemd moest bergen op de binnenplaats van de Zuppiddu\'s, terwijl men Ganzevoet, als Lazarus bebloed, naar huis bracht. •
—■ Wel, nu nog mooier! raasde juffer Venera voort nadat men de deur den buren voor den neus gesloten had; zou ik in mijn eigen huis niet eens meer naar
142
eigen zin mogen handelen ? Ik geef mijne dochter aan hem, die mij bevalt.
Het meisje had zich intusschen met een kloppend hart en gloeiende wangen in huis verstopt.
Baas Bastiano hielp \'Ntoni en goot hem zachtjes water over het hoofd:
— Wat heeft hij je toegetakeld! het oor hangt er half bij. Hij bijt nog erger dan een Corsikaansche hond, die Agostijn!
\'Ntoni was half razend van woede en wilde er nu een einde aan maken.
— Hoor eens, juffer Venera, zeide hij toen, zoodat allen het konden hooren, wat mij betreft als ik je dochter niet krijg, trouw ik nooit.
Het meisje luisterde aandachtig achter de deur.
— Dit is wel het oogenblik niet om zulke zaken te behandelen — maar, vriend \'Ntoni! ik zal het nu maar zeggen, als uw grootvader zijne toestemming geeft dan ruil ik je niet tegen Victor Emanuel zelf.
Baas Zuppiddii hield zijn mond; hij gaf hem een handdoek om zich af te drogen en \'Ntoni ging opgetogen naar huis.
Maar de arme Malavoglia\'s, toen ze van deze vechtpartij met Ganzevoet hoorden, verwachtten niemand anders dan den deurwaarder om ze uit het huis te zetten, want het was bijna Paschen en ze hadden, en dat met
143
groote moeite, nog maar de helft van het geld voor de betaling der schuld opgespaard.
— Dat komt er van om altijd over den vloer te zijn waar huwbare meisjes zijn, zeide zijne moeder aan\'Ntoni; nu babbelt het heele dorp over hetgeen gij gedaan hebt en dat kan mij spijten voor Barbara.
— Dat behoeft niet, antwoordde \'Ntoni. Ik ben van plan ze te trouwen.
— Jij ze trouwen? riep de grootvader. Ren ik er dan niet meer ? en je moeder telt die niet mede ? Toen je vader eene vrouw nam, daar staat ze nog, liet hij mij eerst het woord voeren. Toen leefde uwe grootmoeder nog, zij sprak mij er het eerst over in onzen tuin onder den vijgenboom. Nu handelt men niet meer zoo en de ouden zijn voor niets meer nut. Voorheen placht men tc zeggen; luister naar de ouden en gij zult u niet vergissen. Eerst moet je zuster Mena getrouwd zijn, weet dat wel.
— Welk een ellendig leven heb ik, riep\'Ntoni stampvoetende en zijne haren uitrukkende. Den ganschen dag moet ik werken, nooit kan ik naar de kroeg gaan, ik krijg nimmer een cent op zak! En nu ik een meisje naar mijn zin heb gevonden, mag ik ze niet hebben! O, waarom ben ik uit den dienst weer thuis gekomen!
— Luister, zeide de grootvader, zich met moeite op-
144
richtende wegens de knagende pijn in den rug, \'t is beter dat je nu gaat slapen, want zulke dingen moest ge nooit ten aanhoore uwer moeder zeggen.
— Mijn broer Lucas beeft het in dienst beter dan ik, zeide \'Ntoni op brommenden toon en ging heen.
vin.
i,, ucas, die arme jongen, had het daar ginds niet beter maar ook niet slechter dan \'Ntoni, hij deed zijn plicht even nis thuis en klaagde nooit, quot;t Is waar, hij schreef maar zelden, want postzegels kosten 5 centen, zijn portret had hij niet gezonden, als jongen had men hem steeds geplaagd met zijn ezelsooren, maar in plaats daarvan wist hij tusschen-beide een muntbiljet van vijf lire naar huis te zenden die hij, door het bewijzen van kleine diensten aan de officieren, verdiend had.
Grootvader had gezegd: — Eerst moet Mena getrouwd zijn. Vóór dien tijd had hij er nooit over gesproken, maaier altijd aan gedacht en nu er in de latafel een sommetje geborgen lag 0111 de schuld gedeeltelijk af te doen, had hij uitgerekend dat men, na het zouten van de ansjovis, Ganzevoet geheel zou kunnen betalen, dan bleef het huis onbezwaard om voor \'bruidsschat der kleindochter te dienen. Daarover had hij reeds eenige malen duisterend met baas Cipolla gesproken, terwijl zij te samen aan strand de pink opwachtten, of als zij in
146
\'t zonnetje voor de kerk zaten, ten minste als zij er toevallig alléén met hun beiden waren. Indien het meisje een bruidsschat kreeg, wilde baas Cipolla zijn woord wel houden, te meer omdat zijn zoon Brasi hem niets dan hoofdbreken kostte, daar hij als een ware lummel gedurig het eene of andere meisje dat niets bezat achterna liep.
— Een man een man, een woord een woord, herhaalde hij telkens.
Mena was dikwijls onder het weven bedroefd en ongerust , want meisjes zijn slimmerdjes, en nu grootvader weer zoo druk omging met baas Fortunato en hij dikwijls thuis over de Cipolla\'s sprak, was het haar a.!.s of zij het gelaat van Alfio altijd voor zich zag tusschen de afbeeldingen der Heiligen die tegen het weefgetouw geplakt waren. Op een zekeren avond wachtte ze tot heel. laat om hem met zijn ezelkar thuis te zien komen; zij stond op den drempel met de handen onder den boezelaar, want het was koud, alle deuren waren gesloten, zoodat niemand in het straatje te zien was.
Zij wenschte hem goeden avond en vroeg dan;
— Gaat gij nog op den eersten der maand naar Bicocca ?
— Neen, nu nog niet, ik moet over de honderd vrachten wijn aan Santuzza bezorgen, maar later — die dan leeft, die dan zorgt.
147
Zij wist niets meer te zeggen, Alfio spande zijn ezel uit, hing het tuig op en ging met de lantaarn nu hier dan daar heen; eindelijk zeide Mena, bijna onverstaanbaar :
— Wie weet wanneer wij elkaar terug zien, als gij naar Bicocca gaat!
— Hé! waarom dat? Gaat gij dan ook weg?
Het duurde een poosje voor dat het arme kind in staat was te antwoorden, al was het donker en kon niemand de uitdrukking van haar gelaat zien. Nu en dan hoorde men de buren achter de gesloten deuren praten, de kinderen schreien en, waar er gegeten werd, met de borden en schotels rammelen, niemand kon dus iets hooren van hun gesprek.
— Wij hebben nu de helft van het geld voor Gan-zevoet bijeen, en na het zouten der ansjovis kan het overige ook betaald worden.
Bij deze woorden liet Alfio den ezel midden op de binnenplaats staan, hij kwam nader en vroeg:
— Dus wordt gij na Paschen uitgehuwelijkt ?
Zij antwoordde niet.
— Had ik het niet gezegd? vervolgde Alfio, ik heb ze samen zien praten, baas \'Ntoni en baas Fortunato.
— Gods wil geschiede! zeide toen Mena. Ik verlangde niet te trouwen, als ze mij maar hier hadden willen laten.
146
\'t zonnetje voor rle kerk zaten, ten minste als zij er toevallig alléén met hun beiden waren. Indien het meisje een bruidsschat kreeg, wilde baas Cipolla zijn woord wel houden, te meer omdat zijn zoon Brasi hem niets dan hoofdbreken kostte, daar hij als een ware lummel gedurig het eene of andere meisje dat niets bezat achterna liep.
— Een man een man, een woord een woord, herhaalde hij telkens.
Mena was dikwijls onder het weven bedroefd en ongerust, want meisjes zijn slimmerdjes, en nu grootvader weer zoo druk omging met baas Fortunato en hij dikwijls thuis over de Cipolla\'s sprak, was het haar als of zij het gelaat van Alfio altijd voor zich zag tusschen de afbeeldingen der Heiligen die tegen het weefgetouw geplakt waren. Op een zekeren avond wachtte ze tot heel laat om hem met zijn ezelkar thuis te zien komen; zij stond op den drempel met de handen onder den boezelaar , want het was koud, alle deuren waren gesloten, zoodat niemand in het straatje te zien was.
Zij wenschte hem goeden avond en vroeg dan:
— Gaat gij nog op den eersten der maand naar Bicocca ?
— Neen, nu nog niet, ik moet over de honderd vrachten wijn aan Santuzza bezorgen, maar later — die dan leeft, die dan zorgt.
147
Zij wist niets meer te zeggen, Alfio spande zijn ezel uit, hing het tuig op en ging met de lantaarn nu hier dan daar heen; eindelijk zeide Mena, bijna onverstaanbaar :
— Wie weet wanneer wij elkaar terug zien, als gij naar Bicocca gaat!
— Hél waarom dat? Gaat gij dan ook weg?
Het duurde een poosje voor dat het arme kind in staat was te antwoorden, al was het donker en kon niemand de uitdrukking van haar gelaat zien. Nu en dan hoorde men de buren achter de gesloten deuren praten, de kinderen schreien en, waar er gegeten werd, met de borden en schotels rammelen, niemand kon dus iets liooren van hun gesprek.
— Wij hebben nu de helft van het geld voor Gan-zevoet bijeen, en na het zouten der ansjovis kan het overige ook betaald worden.
Bij deze woorden liet Alfio den ezel midden op de binnenplaats staan, hij kwam nader en vroeg;
— Dus wordt gij na Paschen uitgehuwelijkt ?
Zij antwoordde niet.
— Had ik het niet gezegd? vervolgde Alfio, ik heb ze samen zien praten, baas \'Ntoni en baas Fortunato.
— Gods wil geschiede! zeide toen Mena. Ik verlangde niet te trouwen, als ze mij maar hier hadden willen laten.
! 4«
— \'t Is toch een mooi ding om rijk te zijn, zoo als de zoon van baas Cipolla, die kan trouwen met wie hij wil en wonen waar hij lust heeft.
Mena bleef nog even staan, zij staarde naar de aan liet rasterwerk opgehangen lantaarn en naar den ezel die eenige brandnetels, welke tegen den lagen muur groeiden, had opgepeuzeld, daarna wenschte zij Alfio goeden nacht, hij beantwoordde haar groet en ging zijn ezel op stal zetten.
— Die onbeschaamde Mena! bromde de Wesp, die op alle uren van den dag bij Ganzevoet kwam aanwippen, onder voorwendsel, nu om breinaalden te leenen, dan om ze een handje boonen te geven. Die feeks! Zij haalt Alfio nu voortdurend aan, zij laat hem geen oogen-blik met rust.
—• \'t Is schande! bromde zij nog op straat, nadat Ganzevoet de deur achter haar gesloten en toen de tong tegen haar uitgestoken had.
— De Wesp steekt zoo venijnig als of het reeds Juli was, zeide hij lachend.
— Wat kan het haar schelen? vroeg zijne vrouw Grazia.
— Het is omdat zij de zon nooit in \'t water mag zien schijnen — en zij heeft zelve een goed oog op Alfio Mosca.
— Gij moet haar zeggen dat wij niet gaarne de hand leenen aan zoo\'n konkelarij. Als of iedereen het niet
149
merken kan dat ze hier slechts komt om hem. en Zuppitkla vertelt dat wij niet voor niets dat baantje bii de hand hebben.
— Zuppidda incest liever met geen steenen gooien want ze woont zelve in een glazen huis! Is dat dan geen gemeene streek om \'Ntoni van baas \'Ntoni zoo aan te halen, terwijl de oude man en de heele familie er niets van willen hooren. Doe het raam dicht, dan vertel ik je meer. Vandaag heb ik er pret van gehad! een half uur heb i k gedoken gezeten achter den muur om te luisteren naar de komedie tusschen \'Ntoni en Barbara gespeeld, ik heb er nog pijn van in de lenden! \'Ntoni was van »de Voorzienigheidquot; weggeloopen onder voorwendsel dat hij den grooten vischangel voor de harders ging halen en hij vroeg haar: — Wat zullen we toch aanvangen, als grootvader niet wil? — Wij zullen samen wegloopen, en als het zoo ver gekomen is, zullen ze ons wel vergunning moeten geven om te trouwen, antwoordde zij. Ik ben zoo goed als zeker, dat hare moeder achter in huis stond te luisteren. Een mooie rol die zulk een oude heks speelt! Maar ik zal ze nog voor het heelo dorp aan de kaak stellen. Toen ik het aan Don Silvester vertelde, wilde hij wedden. dat hij Barbara nog. als een overrijpe peer voor zijne voeten zou zien vallen. Doe de knip niet op de deur, ik wacht Rocco Spatü nog hier om mij te spreken.
ïSO
Don Silvester had, om Barbara als eene peer voor zijne voeten te zien vallen, iets uitgedacht dat de slimste guit niet zou hebben verzonnen.
— Ik zal ieder die Barbara wil hebben uit den weg ruimen en dan als zij niemand krijgen kan, zullen ze mij nog op de bloote knieën moeten vragen en ik zal goede voorwaarden stellen zooals men op de markt doet, als er weinig voorraad is, zoo dacht hij.
Onder hen die Barbara hadden zoeken te krijgen waren Vanni Pizzuto, die er dagelijks aan huis kwam om meester Bastiaan te scheren, toen deze rheumatisch was, en Don Michiel die zich verveelde eeuwig het pistool in den gordel te dragen, zonder iets uit te richten; als hij niet achter de toonbank bij Santuzza stond wierp hij de mooie meisjes tot tijdverdrijf knipoogjes toe. Eerst bad Barbara deze verliefde lonken beantwoord, maar nadat hare moeder haar de les had gelezen , dat al die vreemde snoeshanen niet veel deugden, dat zij slechts doodeters waren en afgeweerd moesten worden, had zij hem het venster voor den neus toegeslagen, al droeg hij een galon om de pet en al waren zijne snorren nog zoo lang. Don Michiel had het zich erg aangetrokken en hij bleef nu uit nijd onder haar venster op en neer wandelen met de pet diep in de oogen getrokken, terwijl hij zijne snorren opkrulde. Zondags zette hij zijne schako met den vederbos op en wachtte in den
I5I
barbierswinkel tot het meisje met hare moeder naar de mis ging om haar dan onbeschaamd aan te kijken. Don Silvester nam ook de gewoonte aan om zich op Zondag \'s ochtends daar te laten scheren, tevens zich de handen te wannen aan den waterketel en eenige aardigheden uit te kramen.
— Die Barbara zal haar oogen nog verliezen, zoo kijkt ze \'Ntoni Malavoglia aan. Wat wedt ge, dat hij ze nog krijgt? Kijk! hij staat daar met de handen in den zak haar op te wachten.
Vanni Pizzuto liet Don Michiel half ingezeept zitten, om aan de deur het meisje na te kijken.
— Wat een ferme meid! bij de H. Maagd, kijk ze daar eens loopen, zoo recht als eene kaars en toch het neusje in den mantel gedoken! En dan te denken dat zoo\'n aap als \'Ntoni Malavoglia die nog zal krijgen!
— Als Ganzevoet op de betaling aandringt, dan krijgt \'Ntoni ze niet, dat zeg ik je. Ze zullen dan heel wat anders te doen hebben, als Ganzevoet het Mispelhuis inpalmt.
Vanni ging van de deur in zijn winkel terug en Don Michiel bij den neus nemende vroeg hij hem:
— Wel, wat zegt u er van, Don Michiel? U hebt haar indertijd ook niet onaardig gevonden. Maar zij is cene meid, die het iemand geel en groen voor de oogen doet worden.
Don Michiel antwoordde niet, hij stond op om zich
voor den spiegel de snorren te krullen en zijne schako op te zetten.
— Daar hoort meer toe dan eene mooie uniform om die te krijgen! zeide Vanni Pizzuto op spottenden toon.
— Sakkerment, zeide eindelijk op eenmaal Don Middel, als het niet was om die schako, die ik de eer heb te dragen, zoude ik het met dien kwajongen, dien Malavoglia, wel willen opnemen.
Don Silvester haastte zich om dit aan \'Ntoni over te brengen en er bij te voegen dat Don Michiel niet iemand was die met zich liet spotten.
— Ik lach wat om Don Michiel den brigadier, antwoordde \'Ntoni, ik weet best wat hij tegen mij heeft , maar voor ditmaal kan hij zijn gemak houden. Hij deed beter zijne schoenen niet te verslijten, door voor het huis der Zuppiddu\'s heen en weer te loopen, met zijn gegalonneerde pet op als of het eene kroon was: om het even! de menschen lachen wat om hem en zijne pet.
Als hij hem ontmoette keek hij hem vierkant in \'t gezicht en dan knipoogde hij even, zoo als het een jongen betaamt die soldaat geweest is, en niet van zins is zich de kaas van het brood te laten eten.
Don Michiel bleef de straat op en neer wandelen uit eergevoel, hij wilde liet niet voor een ander opgeven, dien hij zoo makkelijk had kunnen vernielen .... als de hoed met den vederbos het maar niet had belet.
— Zij vermoorden elkaar! dat beleven wij nog, zeide Vauni Pizzuto aan allen die zijn winkel binnenkwamen om zich te laten scheren of er sigaren, hengels, visch haken of bcenen knoopen, van die van vijf om een cent, te koopen. — Ja, ja, verslinden zullen ze elkaar, Don Michiel en \'Ntoni Malavoglia. Tot nu toe geeft de hoed met den vederbos geene vrijheid, die bindt hem volkomen de handen. Hij zou er wat voor geven als Ganzevoet dien sukkel van een \'Ntoni voor hem uit den weg ruimde.
Dit was nu reeds zoo dikwijls verteld dat de zoon van Locca, die toch den heelen dag leeg liep, ze trouw op de hielen volgde als hij ze toevallig ontmoette, om te zien hoe het zou afloopen.
Toen Ganzevoet onder het scheren hoorde dat Don M ichiel er veel voor zou geven, zoo hij hem van \'Ntoni Malavoglia verloste, werd hij zoo trotsch als een kalkoen -sche haan, hij rekende dus ook nog mede in het dorp! Eu Vanni Pizzuto herhaalde telkens:
— Nu! de brigadier gaf er wat voor om de Mala-voglia\'s zoo in zijne macht te hebben als gij ze hebt. Waarom hebt ge hun die historie van de vuistslagen die quot;Ntoni je heeft toegediend toch zoo makkelijk vergeven ?
Ganzevoet haalde de schouders op en bleef zich rustig de handen warmen. Don Silvester lachte schamper en antwoordde voor hem:
^54
— Kijk, kijk, meester Vanni zou de kastanjes uit het vuur willen halen met het pootje van Ganzevoet. Men weet immers toch dat moeder Venera, noch van vreemdelingen, noch vau gegalonneerde petten gediend wil zijn, dus als \'Ntoni Malavoglia uit den weg was geruimd, bleef meester Vanni alleen aan het bod en kreeg misschien het meisje.
Vanni Pizzuto zei niets, maar moest den heelen nacht aan deze combinatie denken.
— Dat was nog zoo gek niet! dacht hij bij zich zelf, alles komt er maar op aan om Ganzevoet op het rechte oogenblik te pakken.
Het rechte oogenblik deed zich voor op een avond dat Rocco Spatü zich niet had laten zien en Ganzevoet al twee-, driemaal naar hem was komen vragen, telkens met een bleeker gelaat en angstiger blik. Men had de kustwachters zeer bedrijvig, als speurhonden met den neus langs deu grond, heen en weer zien loopen en Don Michiel liep mede, met het pistool in den gordel en de broekspijpen in de hooge laarzen.
— Gij zoudt Don Michiel een waren dienst bewijzen, met hem van dien \'Ntoni Malavoglia te bevrijden, zeide Vanni nog eens tot Tino Ganzevoet, toen deze om eene sigaar te koopen zich in den donkersten hoek van het slecht verlichte winkeltje begeven had. — Een grooten dienst zoudt ge hem bewijzen en hij zoude je er eeuwig dankbaar voor zijn.
ÏSS
— Gaarne, zeide Ganzevoet, die op dien avond niet zeer bespraakt was, met een zucht en voegde er niets anders bij.
In dien nacht hoorde men zooveel schoten vallen als of er op kwartels gejaagd werd.
— Heel wat anders dan kwartels! zeiden de visschers die, in hun slaap gestoord, in bed zich oprichtten om te luisteren. — Het zijn kwartels zonder vleugels, die suiker, koffij en zijden halsdoeken binnen smokkelen. Don Michiel had gisterenavond ook het pistool in den gordel en de laarzen over de broekspijpen.
Den volgenden ochtend bij het krieken van den dag, de lantaarn brandde nog voor de deur, dronk Ganzevoet zijn glaasje in den winkel van den barbier Vanni Pizzuto, hij verkocht zijne gewone aardigheden niet, maar zag er bedremmeld uit en vroeg aan dezen en genen water toch \'s nachts gaande was geweest, of men Rocco Spalü en Cinghialenta reeds gezien had. Don Michiel groette hij met bijzonderen eerbied en wilde hem absoluut trac-teeren, maar Don Michiel, die gezwollen oogen en bestoven laarzen had, bedankte; hij was reeds in de herberg geweest waar Santuzza, dievleister, tot hem had gezegd:
— Lieve Hemel, waar zijt ge nu je leven gaan wagen ? Weet ge dan niet, dat als gij het hoofd neêrlegt gij anderen mede ten grave sleept?
— En mijn plicht dan? Had ijc ze van nacht maar op
\'50
heeterdaad betrapt! Sakkerloot! dat was een aardige winst voor mij geweest.
— Als ze ii misschien wijs willen maken dat bet boer Filippo was, die zijn wijn binnen wilde smokkelen, geloof ze niet, bij dit heilige lint van Maria, dat ik, ofschoon onwaardig, dragen mag, kan ik u verzekeren dat het allemaal verzinsels zijn van gewetenlooze lieden, die hunne ziel bezondigen met kwaadspreken over den naasten.
— Neen, ik weet wel wat het geweest is. Zijden halsdoeken, suiker en koffij, eene waarde van duizend lire die mij zoo maar als een paling door de vingers gegleden is. Maar bij de Maagd Maria, ik heb ze in de gaten, op een anderen keer zullen ze niet ontkomen.
Piedipapera bleef aandringen:
— Toe! Don Michiel, neem een glaasje, het zal tl goed doen na dezen slechten nacht.
Don Michiel was kwaad, ja ziedend van toorn;
— Kom, zeide daarop Vanni, neem het, als vriend Agostijn het u aanbiedt, dat is een bewijs dat hij geld heeft. Hij heeft veel duiten, die slimmerd! dat ziet men, heeft hij de schuld van de Malavoglia\'s niet overgenomen ? en waarmede betalen ze hem nu ? met slagen.
Don Michiel verwaardigde zich te glimlachen.
— Bij het bloed van Judas! riep Ganzevoet, met de vuist op de toonbank slaande, als of hij waarlijk boos
was. — Die kwajongen \'Ntoni hoeft niet ver te loopen om een duchtig pak ransel te krijgen.
— Goed zoo! zei Pizzuto, ik zou het zoo niet laten afloopen. Wat zegt u, Don Michiel ?
Deze bromde toestemmend.
— Hij en zijn heele familie moeten er onder, zeide Ganzevoet dreigend, ik wil niet om hem ten spot loopen, daar kunt ge zeker van zijn. Don Michiel!
En iiij ging vloekende weg alsof hij razend was van woede, maar bij zich zelf zeide hij:
— Men moet ze maar te vriend houden, al die verduivelde spionnen!
Daarover peinzend ging hij naar de herberg waar hij van oom Santoro vernam, dat noch Rocco, noch Cinghi-alenta daar geweest waren; toen ging hij even bij nicht Anna; die arme ziel stond met een bleek gelaat voor de deur, zij had wegens ongerustheid over haren zoon Rocco geen oog toegedaan. Daar voor de deur ontmoette hij de Wesp, die bij zijne vrouw Grazia een beetje gist was komen leenen. Om een praatje te maken zeide hij:
— Ik ben daar juist vriend Allio Mosca tegengekomen. Hij was zonder kar en ik wil wedden, dat hij achter den tuiu van de M xlavoglia\'s gaat drentelen in de hoop van zijn buurmeisje te zien. \'*„ Is wel geen vrijen onder éen dak, maar het heeft er toch wel iets van, tenminste wat het gemak betreft.
158
De Wesp begon dadelijk te schelden: — \'t Is een fraaie heilige om te aanbidden, die Mena! men wil ze aan Brasi Cipolla uithuwen en toch blijft ze luisteren naar de praatjes, nu van dezen dan van genen. Wel foei, nog toe!
— Laat ze maar begaan, des te eerder zullen de oogen van dien anderen geopend worden en zal hij inzien wat voor vleesch hij in de kuip heeft. Maar weet vriend Mosca dan niet dat men ze aan Brasi Cipolla geven wil ?
— Ach, gij weet hoe de jongens zijn: als zoo\'n spring-in-\'t-veld hen aankijkt om ze aan te halen, loopen zij haar na voor de aardigheid. Maar als het hun om trouwen te doen is, dan zoeken ze wel een ander soort uit.
— Vriend Mosca moest eene vrouw nemen zoo van uw slag!
— Voor het oogenblik denk ik nog niet aan trouwen, maar \'tis zeker, bij mij zoude men het noodigevinden, Een goed stuk land, dat heb ik en niemand kan.er de klauwen inzetten, zoo als met het huis van den mispel het geval is, dat met één rukwind zoo maar weggeblazen kan worden. Dat zou wat geven als zoo\'n wind eens blies!
— Wacht maar! wacht maar! \'t Is niet altijd zonneschijn en de wind komt wel eens onverwacht opsteken. Vandaag nog moet ik je oom Crucifix spreken over de bewuste zaak.
Crucifix, bijgenaamd Houtenbei, was bijzonder goed gestemd om over die zaak te spreken, een geval dat zoo langdradig dreigde te worden en men zegt immers: »gerekte zaken worden slangenquot;.
Baas \'Ntoni herhaalde hem telkens tot vervelens toe, dat de Malavoglia\'s eerlijke lieden waren en dat ze zeker zouden betalen, maar hij wenschte wèl te weten van waar ze het geld zouden halen. In het dorp wisten zij allen van elkander hoeveel en wat ieder bezat tot op een halven cent toe, en die eerlijke lieden, die Malavoglia\'s, zouden van nu tol Paschen niet eens de helft der schuld, die zij moesten voldoen, bijeen hebben, al hadden ze met lichaam en ziel zich daarvoor aan den grooten Mogol willen verkoopen; daarentegen, het overnemen van het mispelhuis ging ook niet zonder onkosten, dan bleef er veel aan den strijkstok hangen: zegels, notariëele akten, enz. enz. — ja, ja, Don Jan Marie en de apotheker hadden wel gelijk als zij de regeering een dievenbende noemden; wat hem aanging, zoo waar hij oom Crucifix heette, hij had het niet alleen tegen hen die de belastingen uitschreven, maar nog meer tegen die oproermakers die van geen belastingen wilden hooren en daardoor het land zoo onrustig maakten\', dat huis en have van een eerlijk man niet eens meer veilig of zeker waren; ja, toen men hem was komen polsen om Syndicus te worden, had hij geantwoord; — Wel zeker! en mijn
1 ho
eigen zaken, wie zon daarvoor zorgen? Ik blijf bij mijn eigen zaken — en intusschen, waaraan dacht nu baas \'Ntoni? om zijne kleindochter uit te trouwen! Men had hem met vriend Cipolla vertrouwelijk zien spreken, oom Santoro had het gemerkt, tevens hoe Ganzevoet de Wesp behulpzaam was om haar dien doodeter Alfio Mosca te bezorgen, die toch enkel maar loerde op haar stuk best land, dat stuk land, dat hem, Crucifix, eigenlijk toekwam.
— Hij krijgt het toch. dat stuk land, al speelt gij nog zoo op, schreeuwde hem Ganzevoet in \'t oor, uwe nicht is razend verliefd op dien jongen, zij volgt hem overal op de hielen. Ik kan haar toch de deur niet voor den neus toegooien als zij een praatje met mijne vrouw Grazia komt maken, dat kan ik ook niet doen uit ontzag voor u, zij is toch uw eigen nicht.
— Zoo, uit ontzag voor mij zult ge mij het land nog doen verliezen!
— Op welk eene wijze ook, kwijt raakt ge dat land toch; als Mena Malavoglia met Brasi Cipolla trouwt, kan vriend Moca niet anders doen, om zich te troosten, dan de Wesp met hare weide te nemen.
— Laat zij met haar land naar den duivel loopen, riep eindelijk oom Crucifix, heel ontstemd door al dal gebabbel van Agostijn Ganzevoet. — Het kan mij niets meer schelen, dat verduivelde wijf laat mij telkens zon-
i6i
digen. Ik wil hebben wat mij toekomt, mijn eigen goed; \'t is waarachtig als of ik het gestolen heb, zoo leven ze er meê, ze grabbelen er in, Alfio èn de Wesp èn de Malavoglia\'s om het hardst; maar nu is het lang genoeg, ik leg beslag op het huis en ik neem het.
— Gij zijt de baas. Zoodra gij beveelt, leg ik er dadelijk beslag op.
— Neen, neen, wacht nog tot Paschen. Eerst met goede woorden probeeren. Maar betaald wil ik worden, ja, tot op den laatsten cent en uitstel geef ik daarna niet meer, al kwam de koning zelf het mij verzoeken.
Paschen was inderdaad nabij. De heuvelen kleedden zich in \'tjonge groen en de cactusstruiken begonnen te bloeien. De meisjes hadden basilicum gezaaid voor de vensters en de witte kapellen kwamen er omheen fladderen , zelfs de armoedige bremstruiken in het duin hadden zich met enkele bleeke bloesems getooid, \'s Ochtends sloegen de gele en groene dakpannen vochtig uit en de musschen tjilpten vroolijk tot zonsondergang. Het huis met den mispelboom zag er ook feestelijk uit: de binnenplaats was aangeveegd, het vischtuig netjes tegen het muurtje opgehangen, de tuin was groen van kool en kropsalade, de kamer stond open, vroolijk scheen de zon overal daar binnen, alles duidde aan dat Paschen naderde. De oudjes kwamen tegen den middag voor de deur zitten en de jonge meisjes zongen bij het
ii
162
wasschen aan dc fontein, \'s Nachts kon men nu de karren weder voorbij hooren trekken en \'s avonds babbelden de buren weder op straat.
— Men zegt dat juffer Me na uitgehuwelijkt wordt. Hare moeder is druk bezig met het uitzet.
De tijd neemt het verdriet even goed als de vreugde mede en er was nu al heel wat tijd overheen gegaan, zoodoende kon juffer Maruzza zich met hart en ziel wijden aan het knippen en naaien van het goed; maar Meha, ach! vroeg niet eens voor wie dat alles moest dienen. Op zekeren avond kwam Brasi Cipolla met zijn vader baas Fortunato bij hen en de heele parentage tevens.
— Hier is onze vriend Cipolla, die u een bezoek komt brengen, zeide baas \'Ntoni en leidde ze binnen, als of niemand van iets afwist, terwijl de wijn en de gebraden kastanjes in de keuken klaar stonden en de kinderen zoowel als dc vrouwen de Zondagsche kleeren aan hadden. Mcna geleek nu waarlijk op Santa Agatha, met een niéuw kleed aan en een mooie zwartzijden doek op het hoofd, zoodat Brasi zijn oogen niet van haar kon afwenden, hij zat gedoken op een krukje cn wreef zich dc handen, die hij tusschen de knieën hield, nu en dan in\'t geniep, van pleizier.
— Hij is gekomen met zijn zoon Brasi, die nu een man geworden is, vervolgde baas \'Ntoni.
— Ja, ja, kinderen worden groot en duwen ons bij
163
de schouders in \'t graf, antwoordde baas Fortunato Cipolla.
— Drink nu een glas wijn, \'t is beste, zeide vrouw Maruzza, en deze kastanjes heeft mijne dochter juist gebraden. Het spijt mij dat ik het niet wist, anders had ik u beter kunnen onthalen, zooals gij het verdient.
— Wij waren hier in de buurt, antwoordde baas Cipolla, en toen hebben wij gedacht: — laat ons juffer Maruzza eens gaan begroeten.
Drasi vulde zijne zakken met kastanjes, het meisje steeds aankijkende, daarop roofden de kinderen den schotel leeg, niettegenstaande Nunziata, die het jongste kind op den arm had, ze tegen zocht te houden, fluisterende als of ze in de kerk was. De ouders hadden zich intusschen onder den mispelboom begeven, druk samen pratende; de buurvrouwen prezen het meisje met uitbundige loftuitingen, een degelijke huishoudster was zij, zij hield het heele huis zoo helder als een spiegel, welk een goede opvoeding had zij dan ook genoten!
— Uwe kleindochter is ook groot geworden, merkte nu baas Cipolla op — het zou tijd worden om ze uit te trouwen.
— Zoo de Heer haar een goeden man zendt, verlangen wij niet beter, antwoordde baas \'Ntoni.
— Huwelijken worden in den hemel gesloten, zeide vrouw Maruzza.
164
— Een goed paard wordt altijd gezadeld en uwe kleindochter is zoo\'n mooie meid dat de aanzoeken wel niet zullen uitblijven, zeide baas Fortunato.
Mena zat, zoo als de gewoonte is, naast den jongen man, maar zij hief dé oogen niet van haar voorschoot op, en toen zij naar huis gingen beklaagde Brasi zich aan zijn vader, dat zij hem den schotel niet kastanjes niet zelve had aangeboden.
— Hadt ge er soms nog meer willen hebben! zeide baasFortunato op bestraflenden toon. Men hoorde niemand knabbelen als jou alleen, net een muilezel vóór een haverzak! Kijk! je hebt wijn gemorst op je nienwe broek! Sakkerloot ! stommerik, een heel nieuw pak hebt ge mij bedorven.
Baas \'Ntoni stond zich te verkneuteren en in zijne handen te wrijven.
— Eindelijk, zoo God wil, zijn wij binnen! zeide hij tot zijne schoondochter. Mena zal het zoo best hebben als maar mogelijk is, wij zullen dan onze overige zaakjes ook in \'t effen brengen en gij zult later kunnen zeggen — die goede grootvader heeft het altijd voorspeld: — Na regen komt zonneschijn.
Op dien Zaterdagavond kwam buurvrouwtje Nunziata eene handvol boonen halen voor hare kinderen en vertelde meteen:
— Vriend Alfio gaat morgen weg. Hij is bezig met al zijn goed op te ruimen.
I65
Mena werd doodsbleek en hield op met weven.
Bij Alfio in huis brandde licht en men kon zien hoe binnen alles het onderstboven lag. Een oogenblik later kwam hij aan de voordeur kloppen; hij had ook iets ongewoons over zich, hield zijne zweep in de hand en legde er knoopen in, die hij er dan weer even snel uitmaakte:
— Ik ben gekomen om u allen gocn dag te zeggen, baas \'Ntoni, jufter Maruzza, de kinderen en u ook, juffer Mena. De wijn te Aci-Catena is op. Nu neemt Santuzza den wijn van boer Filippo. Ik ga naarBicocca waar ik werk kan vinden voor mijn ezel.
Mena zeide niets, hare moeder alleen antwoordde:
— Wilt ge baas \'Ntoni niet afwachten, hij zal u gaarne nog eens zien.
Vriend Alfio ging op de uiterste punt van een stoel zitten, de zweep in de hand; hij keek rond, maar niet naar den kant waar Mena zat.
— En wanneer komt gij terug? vroeg de Lange.
— Wie weet wanneer! Ik moet gaan waarheen mijn ezel mij leidt, zoo lang er werk voor hem is moet ik daar blijven, maar ik kwam hoe eer hoe liever hier terug, als er wat te verdienen was.
— Neem u in acht, baas Alfio. Ik hoor dat te Bicocca de menschen sterven als vliegen van de malaria.
Alfio haalde de schouders op en zeide dat hij niet anders kon handelen.
i66
— Ik ging er liever niet heen, zeide hij, de kaars aanstarende: — En zegt u mij niets, juffer Mena?
Een paar malen bewogen zich de lippen van het meisje, maar zij kon geen woord uitbrengen, zoo bonsde haar hart.
— Nu men u uittrouwt, verlaat ook gij deze buurt, zeide eindelijk Alfio. Och, och, de wereld is precies een huurstal, de eene komt, de andere gaat, en dat duurt zoo lang tot allen van standplaats veranderd zijn en niets meer hetzelfde is als voorheen.
Dit zeggende wreef hij zich in de handen en lachte, maar enkel met de lippen, niet van harte.
— De meisjes, antwoordde de Lange, gaan daarheen waar de hemel het beschikt heeft. Eerst zijn ze vroolijk en zonder zorgen, maar komen zij eenmaal in de wereld dan leeren ze verdriet en moeilijkheden kennen.
Nadat baas \'Ntoni en de jongens thuis gekomen waren nam Alfio afscheid van hen, maar hij kon het toch niet over zich verkrijgen om weg te gaan; besluiteloos bleef hij op den drempel staan met zijne zweep onder den arm, hij drukte de hand nogmaals dan aan dezen, dan aan genen, zelfs aan juffer Maruzza, en herhaalde telkens de woorden die men gebruikt als men ver heen gaat en niet zeker weet of men ooit terug zal komen; — Vergeeft mij, als ik soms in iets te kort ben geschoten.
167
De eenige die hem de hand niet gaf was Mena, zij bleef in een hoekje zitten bij haar weefgetouw.
Natuurlijk, zoo moeten de meisjes zich gedragen, dat is bekend.
Het was een prachtige avond, de maan scheen helder op de binnenplaats en de straten, de menschen zaten voor hunne deur en de meisjes liepen samen al zingende op en neer. Mena nam den arm van Nunziata en ging met haar uit, want binnenshuis dacht zij te stikken.
— Nu zal men geen licht meer \'s avonds zien bij Alliu en zijn huis zal gesloten blijven, zeide Nunziata.
Het meeste van het geen hij bezat had Alfio op zijne kar geladen, hij was bezig het beetje stroo, dat nog in de ruif was gebleven, in een zak te stoppen, terwijl de boonen voor zijne soep stonden te koken.
— Gaat gij morgen al voor dag en dauw, baas Alfto ? vroeg Nunziata, aan de deur der binnenplaats staande.
— Ja, dat zal wel, want ik ga ver weg en dat arme dier zal midden op den dag een poosje moeten rusten.
Mena sprak geen woord, zij stond tegen het kozijn geleund en keek naar de geladen kar, het leege huis, het afgehaalde bed en naar den ketel die voor het laatst kookte op den haard.
— Zijt gij daar ook, juffer Mena? riep Alfio, zoodra hij haar ontwaarde en hij liet alles staan. Zij knikte van ja. Nunziata was, als een braaf huismoedertje, naar den
i68
haard geloopen om den ketel, die overkookte, af te schuimen.
— Nu ben ik tevreden, zeide Alfio, zoo kan ik van u ook afscheid nemen.
— Ik ben gekomen om u vaarwel te zeggen, zeide zij en men hoorde tranen in hare stem, ik ben gekomen omdat gij naar Bicocca gaat en als daar malaria is....
Allio begon weer te lachen, maar het was geen vroo-lijke lach, evenmin als toen hij afscheid was komen nemen.
— Wel, nu nog mooier! waarom ga ik naar Bicocca ? Waarom trouwt gij met Erasi Cipolla? Men doet wat men niet laten kan, juffer Mena. Uad ik kunnen doen wat ik wilde dan waren de dingen heel anders geloopen, dat weet gij ook!
Zij zag. hem aan, bleef hem met schitterende oogen aankijken.
— Ik zou hier gebleven zijn waar mij alles, tot de steenen muren toe kennen, waar ik zoo thuis ben dat ik \'s nachts in den donker mijn ezel zou kunnen aanspannen, en ik zou u getrouwd hebben, juffer Mena, want lief heb ik je sedert lang in mijne ziel en ik draag je mede in mijn hart naar Bicocca, ja, en overal waarheen ik ooit gaan zal.. Maar dit zijn nu onnutte woorden, want iedereen moet verrichten wat zijne hand vindt om te doen, ook mijn ezel gaat waarheen ik hem leid.
169
— Vaarwel dan, zeide Mena, ik heb ook een doorn in mijne ziel... als ik dit venster voortaan altijd gesloten zie, zal het zijn alsof mijn hart ook voor altijd gesloten is en dat venster zal er zoo zwaar als lood op rusten. Maar God wil het zoo. Nu moet ik u vaarwel zeggen en naar huis gaan.
Het arme meisje huilde zachtkens, met de hand voor de oogen; zij ging met Nunziata en zette zich weenende onder den mispelboom neder in den maneschijn.
och de Malavoglia\'s, noch iemand anders in het dorp wisten wal Ganzcvoet met oom Cru-cilix had overlegd. Op den eersten Paaschdag trok baas \'Ntoni zijn nieuwe jas aan, nam de honderd lire uit de latafel en ging ze brengen aan oom Crucifix.
— Is het de geheele som? vroeg deze.
— Alles kan ik nu niet betalen, oom Crucifix; gij zelf weet hoeveel er toe noodig is om honderd lire bij elkaar te krijgen. Maar een half ei is beter dan een leege dop en hij die zijne schuld vermindert is geen kwade schuldenaar. De zomer is weldra in \'t land- en dan met God\'s hulp zullen we alles afdoen.
— Waarom komt ge mij dat vertellen? Je weel dat het mij niet meer aangaat, \'tis nu de zaak van vriend Gan-zevoet.
— Dat staat gelijk, want als ik u zie, komt het mij toch altijd voor als of ik in uwe schuld ben — en als gij het hem vraagt, zal vriend Agostijn niet weigeren om te wachten tot de H. Maria van Ognina.
171
— Dit is op zijn best genoeg voor de onkosten, her haalde Houtenbei, die het geld liet dansen in zijne hand. Ga gij zelf hem vragen of hij tot zoolang wachten wil, ik heb er niets meer mede te maken.
Ganzevoet begon te tieren en te vloeken, hij smeet zijne muts op den grond, volgens zijne gewoonte, en zeide dat hij geen brood had om te eten en niet wachten kon, neen! zelfs niet tot den Hemelvaartsdag.
— Luister nu toch, vriend Agostijn, zeide baas\'Ntoni die voor hem stond met gevouwen handen als of hij onzen lieven Heer aanbad, als je geen geduld met mij wilt hebben tot St. Jan, nu ik mijne kleindochter uit ga trouwen, dan kunt ge mij evengoed dadelijk een messteek geven.
— Heilige Duivel, schreeuwde Agostijn, je vergt meer van mij dan ik doen kan! Vervloekt zij het uur en vervloekt het oogenblik waarop ik mijzelve in deze zaak gemengd heb! en hij scheurde zijn oude muts aan flarden vóór hij heen ging
Baas \'Ntoni was nog bleek toen hij thuis kwam.
— Ik heb er hem toe gekregen, zeide hij aan zijne schoondochter, maar ik heb moeten bidden ensmeeken als of hij onze lieve Heer was.
De arme oude beefde nog, toch was hij blij dat baas Cipolla er niets van wist en dat het huwelijksplan van zijne kleindochter niet in rook verdween.
172
\'s Avonds van Hemelvaartsdag, terwijl de jongens sprongen en dansten rond de vreugdevuren, waren de buurvrouwen weder verzameld vóór hel balkon van dc Malavoglia\'s. Juffer Venera, de vrouw van Zuppiddu was ook gekomen om te hooren wat men alzoo vertelde en ook haar lootje in \'t zakje te doen. Nu baas \'Ntoni zijne kleindochter uittrouwde en sde Voorzienig- i
heidquot; weer zeilklaar was, toonde ieder hun weder een vriendelijk gezicht, want niemand wist iets van dc mikmak met Ganzevoet, niet eens zijn eigene vrouw Grazia.
die nu met Maruzza stond te babbelen als of Ganzevoet niets op het hart had.
Eiken avond ging \'Ntoni bij Barbara een praatje maken en deelde haar in vertrouwen mede dat grootvader gezegd had:
— Eerst moet Mena getrouwd zijn.
— En dan is het mijne beurt, voegde \'Ntoni er bij.
Daarom had Barbara een bloeiende plant in een pot met
roede linten versierd aan Mena present gezonden, zoo als gebruikelijk is wanneer men elkander voortaan vriendin noemen wil. Allen waren voor Mena even voorkomend —
zelfs hare moeder had den zwarten hoofddoek afgelegd, *
want rouw te dragen waar verloofden zijn, brengt ongeluk aan. Men had geschreven aan Lucas om hem te melden dat Mena ging trouwen.
Zij alléén scheen niet met de anderen vroolijk te zijn,
♦
het was alsof voor haar zwaartillend gemoed zich alles donker kleurde, terwijl i:och alles bloeide en de velden bedekt waren met duizende gouden en zilveren sterretjes; de kinderen vlochten guirlandes voor den Hemelvaartsdag en zij zelve was op de ladder geklommen om hare moeder behulpzaam te zijn die boven vensters en deuren op te hangen.
Terwijl alle deuren zoo versierd werden, bleef alleen die van Alfio\'s woning donker, verwaarloosd en altijd gesloten, er was niemand om daar bloemen voor den Hemelvaartsdag op te hangen.
— Die leelijke meid! zeide de Wesp, bevende van woede, zoolang heeft zij gekuipt en gebabbeld dat zij Alfio hier van dnan gejaagd heeft!
Intusschen had men Mena heel in het nieuw uitgedost en wachtte men Sint Jan maar af om haar kapsel te veranderen; vóór ze op dien dag naar de kerk ging zou men het zilveren pijltje, dat hare vlechten samenhield, er uit nemen en eene scheiding midden op het hoofd maken, opdat een ieder die haar zag zou kunnen zeggen ;
— Gelukkig zij!
De goede moeder was zoo dankbaar, haar hart klopte vreugdevol als zij bedacht hoe haar kind in een welgestelde familie kwam waar het haar aan niets zoude ontbreken; intusschen bleef zij druk knippen en- naaien. Baas \'Ntoni
174
wilde ook als hij \'s avonds thuis kwam alles zien, hij betastte het linnen en hield de streng katoen in zijne handen op; telkens als hij naar stad ging bracht hij de eene of andere kleinigheid mede.
Het mooie weer gaf hun eenige verademing, de jongens verdienden allen iets, de een meer de ander minder, de »Voorzienigheidquot; bracht ook wat op en zij berekenden dat zij met God\'s hulp met Sint Jan wel uit den nood zouden zijn.
Baas Cipolla zat \'s avonds uren lang op de treden der kerk te redeneeren met baas \'Ntoni over hetgeen »de Voorzienigheidquot; verricht had. Brasi wandelde steeds in zijn nieuwe kleeren het straatje van de Malavoglia\'s op en neêr, en weldra wist iedereen te vertellen dat voor aanstaanden Zondag juffer Grazia Ganzevoet verzocht was om eene scheiding in Mena\'s haar te komen maken en het zilveren pijltje uit hare vlechten te nemen;, daar Brasi Cipolla geene moeder meer had, was juist Grazia hiervoor uitgenoodigd, ten einde haar man gunstig te stemmen.
Oom Crucifix was ook verzocht, alsmede alle vrienden en verwanten, ja! de heele buurt; op kosten werd niet gelet.
— Ik ga er niet heen! bromde oom Crucifix, terwijl hij tegen den olm op de markt geleund stond. Ik heb er te veel kwaad bloed gezet en ik wil mij niet meer be-
*75
zondigen. Ga jij maar, vriend Agostijn, jou kan het niet schelen, jij verliest er toch geen duit bij. Maar \'t is nu nog niet te laat om ze den deurwaarder te zenden, de advocaat heeft het gezegd.
— Gij zijt de baas natuurlijk, en ik zal handelen zoo als gij wilt. Nu kunt ge boud spreken omdat Alfio Moscn vertrokken is. Maar, dat zult ge zien, zoodra Mena getrouwd is, komt hij hier terug en dan neemt hij uwe nicht en krijgt hij haar stuk land.
Juffer Venera Zuppiddu speelde op als eene duivelin, nu juffer Grazia uitgenoodigd was om de aanstaande bruid te kappen, terwijl het een recht was dat onbetwistbaar haar toekwam, daar zij op het punt stond van de familie aangetrouwd te worden, hare dochter Barbara was immers kortelings door het geschenk van den bloempot in een nadere betrekking tot Mena getreden, ja, zij had er zoo zeker op gerekend, dat ze in allerijl een nieuwe japon voor Barbara had laten maken, zoo weinig had ze deze beleediging verwacht. \'Ntoni bad en smeekte te vergeefs dat zij zich het voorval niet zou aantrekken. Daar stond zij, netjes gekapt maar met bloote armen en de handen wit van meel, want expres, om te toonen hoe weinig zij verlangde naar de partij bij de Malavo-glia\'s te gaan, was zij bezig deeg voor het brood te kneden, en zij antwoordde:
— Goed, best! je hebt Grazia Ga\'nzevoet willen heb-
ben, dan kunt gij ze houden ook. Zij of ik — \'tis kiezen of deelen, want samen kunnen wij daar niet komen. De Malavoglia\'s wisten wèl wat zij deden toen zij juffer Grazia de voorkeur hebben gegeven wegens dat geld dat ze aan haar man schuldig zijn! Ze zijn nu twee handen op één buik, sedert baas Cipolla hun vrede heeft doen sluiten in de herberg van Santuzza, na die vechtpartij tusschen Ganzevoet cn \'Ntoni van baas \'Ntoni.
— Ze likken de schoenen van Ganzevoet omdat ze hem dat geld van het huis schuldig zijn, zoo bromde Venera voort, aan mijn man zijn ze ook meer dan vijftig lire schuldig voor zijne reparaties aan »de Voorzienigheidquot;. Morgen moeten ze betalen.
— Och moeder, laat dat toch, laat het, smeekte Barbara, maar zij was ook knorrig omdat zij haar nieuws japon nu niet kon aantrekken en zij had bijna berouw van het geld dat ze voor den bloempot uitgegeven had; \'Ntoni, die haar was komen afhalen, werd op minder vriendelijke wijze weggezonden, zoodat hij druipstaartend aftrok.
Moeder en dochter luisterden naar het leven dat bij de Malavoglia\'s werd gemaakt en elke schaterlach die tot haar doordrong vermeerderde hare woede, terwijl zij brood bleven bakken. Het huis met den mispel was nu even vol menschen als toen Bastianazzo gestorven was.
I??
Mena, zonder zilveren piji in \'t haar en met eene scheiding op het voorhoofd, zag er heel anders uit dan gewoonlijk, alle buurvrouwen omringden haar en men had zelfs geen kanonschot kunnen hooren, zoo\'n helsch leven maakten allen onder elkaar. Ganzevoet was onvermoeid in het schertsen op allerlei wijze met de vrouwen, en toch was de advocaat bezig met het in orde maken der papieren, want, het was nog tijd om hun den deurwaarder op het dak te zenden, dat had oom Crucifix gezegd.
Zelfs baas Cipolla vertelde eenige aardigheden waarover zijn zoon Brasi alleen lachte — allen babbelden tegelijk en de kinderen streden om de kastanjes en om de boo-nen, zelfs tusschen de beenen der gasten. De goede Maruzza vergat in de vreugde van haar hart al wat zij doorgestaan had en baas \'Ntoni zat op het muurtje te knikken van ja en lachte in zijn eentje.
— Pas nu maar op dat je geen wijn aan je broek te drinken geeft, zoo als laatst, zeide Cipolla aan zijn zoon Brasi, je broek heeft geen dorst, onthoud dat. En dan voegde hij er nog bij dat hij zich zoo jolig voelde, nog jonger dan de bruid en dat hij van plan was om de i-fasolaquot; met haar te dansen.
— Dan heb ik hier verder niets te maken en kan ik wel heen gaan, antwoordde Brasi, die op zijne beurt ook eens wat aardigs zeggen wilde: hij was uit zijn
12
178
humeur omdat men zoo weinig acht op hem sloeg en zelfs Mena zich niet eens met hem bemoeide.
— Het feest is ter eere van juffer Mena, zeide Nun-ziata, en toch is zij niet zoo vroolijk als de anderen.
Nicht Anna deed als of de groote flesch, die nog een weinig wijn bevatte, haar bij ongeluk uit de handen gleed en begon toen luide te roepen;
— Welk een pret! waar scherven zijn, daar zijn feesten en vergoten wijn voorspelt geluk!
— \'t Was haast weer over mijne broek geweest, bromde Brasi, die sedert hem dat ongeluk was overkomen steeds bijzonder voorzichtig op zijne kleeren was.
Ganzevoet had zich schrijlings op den muur gezet en zeide met den vollen beker in de hand, net als of hij er heer en meester was, wegens den deurwaarder dien hij zenden kon:
— In de herberg is vandaag niemand, niet eens Rocco Spatü, al de vroolijkheid is hier vereenigd, men zou zich kunnen voorstellen bij Santuzza te zijn!
— \'t Is hier heel w at beter, merkte de zoon van Locca op, die achter al de anderen aan gekomen was; men had hem binnen geroepen om hem ook een glas wijn te schenken. — Als men bij Santuzza zonder geld komt krijgt men er niets, hier wel.
Ganzevoet kon van zijn muur af op de markt kijken, hij zag eenige menschen daar bij de fontein samen staan
179
praten, met gezichten zoo ernstig als of de hemel op punt was in te vallen. Bij de apotheek stonden de gewone leegloopers redetwistende, met de courant in de hand die ze zoo ijverig bespraken als of ze elkaar iu \'t haar zouden vliegen; don Jan Marie lachte en nam een snuifje met zoo veel welgevallen, dat men het zelfs op dien afstand kon bespeuren.
— Hé! waarom zijn de vicaris en don Silvester niet hier? vroeg Ganzevoet.
— Ik heb ze ook gevraagd, antwoordde baas\'Ntoni, maar zij zijn zeker verhinderd te komen.
— Nu, ze staan daar bij de apotheek, \'t Is als of er een loterijjood bij is, zoo druk praten ze. Wat duivel, zou er toch gebeurd zijn ?
Een oude vrouw liep schreeuwende over de markt en trok zich de haren uit het hoofd , als of ze een heel akelige tijding had gehoord, en voor den barbierswinkel stonden nu veel menschen bij elkaar precies als wanneer een ezel onder een te zware vracht ineenzinkt, alle menschen samenloopen om te zien wat er gebeurd is, en zelfs de vrouwen van verre met open mond staan te kijken.
— Ik voor mij moet eens zien, wat er gaande is, zeide Ganzevoet, terwijl hij behoedzaam van den muur afklom.
Midden onder die menigte bevond zich niet een ezel
i8o
die gevallen was, maar wel twee mariniers die met den zak op den rug en een doek om het hoofd gebonden niet verlof huiswaarts keerden. Zij vertelden dat er een zeeslag geleverd was en dat er schepen, die zoo groot waren als heel Aci Catena, gezonken waren, niet alléén met de gansche bemanning maar nog buitendien veel soldaten; zij hadden zooveel te vertellen, precies als zij die op de kaai te Catania de lotgevallen van den razenden Roeland of van de Fransche Paladijnen verhalen; het volk stond met gespannen aandacht in een dichten drom naar hen te luisteren.
— De zoon van Maruzza de lange was aan boord van den »Koning van Italiëquot;, merkte don Silvester op, die ook was komen luisteren.
— Dat ga ik gauw aan mijne vrouw zeggen, zeide haastig meester Cola Zuppiddu, dit zal haar zeker wel bewegen om naar juffer Maruzza te gaan, dat is goed ook, want ik kan geen lange gezichten velen tusschen buren en vrienden.
Intusschen wist de Lange nog van niets en zij stond, die ongelukkige, te lachen en te schertsen met de vrienden en kennissen.
De soldaat ging voort met vertellen aan ieder die wilde luisteren, hij stak zijne armen omhoog en gesticuleerde als of hij op den preekstoel stond:
— Jawèl! Sicilianen waren ook aan boord, raenschen
i8i
van alle landen waren er bij. En weet je? als de trom geroerd wordt dan is er voor den dood geen aanzien des persoons, voor het geweervuur zijn allen gelijk; en zulke flinke jongens! jongens, die een hart in \'t lijf hadden! Hoort eens, als men heeft bijgewoond hetgeen waarbij ik tegenwoordig was en gezien wat deze oogen gezien hebben, hoe die jongens hun plicht gedaan hebben, bij de H. Maagd, dan heeft men het recht zijn hoed op één oor te dragen.
De oogen van den jongeling glinsterden, een traan was daarin te bespeuren, maar hij wilde het niet weten en zeide dat het kwam omdat hij gedronken had,
— Het schip heette de »Koning van Italiëquot;, en zoo was er geen tweede, gepantserd, ik zal maar zeggen als eene vrouw die een korset aan heeft en dat korset van ijzer is, zoo dat je er een kanon op lossen kunt zonder het te beschadigen. En dat schip nu is gezonken in één oogenblik en wij hebben niets meer dan rook gezien, een rook, weet je? als of twintig kalkovens daar gestookt werden.
— Te Catania, daar was het een helsch rumoer! zeide de apotheker. De menschen drongen rond hen die de couranten lazen, men zou gedacht hebben dat het een feestdag was.
— Couranten zijn enkel gedrukte leugens, was de wijze uitspraak van don Jan Marie.
— Men zegt dat het een leelijke geschiedenis is; wij hebben een grooten slag verloren, zeide don Silvester.
Baas Cipolla was ook al komen loopen om te hooren wat er gaande was.
— Gelooft ge er aan? zeide hij eindelijk opspottenden toon, \'t zijn enkel praatjes om veel couranten te ver-koopen.
— Maar als iedereen zegt dat wij slaag hebben gehad!
— Wat, wat is \'t? zeide oom Crucifix met de hand achter het oor.
— Een zeeslag.
— Wie heeft verloren?
— Ik, gij, wij allenItalië in één woord, antwoordde de apotheker.
— Ik heb niets verloren, zeide de Houtenbei, de schouders ophalend, thans is het de zaak van Ganzevoet geworden, hij moet er nu voor zorgen, en hij keek haar het huis met den mispel waar men nog zoo vroolijk feest vierde.
— Weet je hoe het eigenlijk is, besloot baas Cipolla, \'tis net als toen de gemeente van Aci Trezza dat proces had met de gemeente van Aci Castello over een stuk grond. Wat kwam er van in jou zak of in den mijne? Niets.
— Er komt wel wat in, schreeuwde de apotheker met
183
een heel rood gezicht, maar jelui bent te dom om er iets van te begrijpen!
— Het ergste is het voor zoo vele arme moeders, waagde nu een van allen op te merken. Crucifix die geene moeder was haalde de schouders op.
— In twee woorden vertel ik jelui hoe het was, ging intusschen de andere marinier voort, \'tis net als in de herberg als de hoofden wat heet worden en glazen en borden in het rond beginnen te vliegen tusschen den tabaksdamp door en het geschreeuw — daar ben je wel eens bij geweest? nu, precies zoo is het. Eerst sta je op je plaats met het geweer in de vuist geklemd, een groote stilte en je hoort niets dan het geluid van de stoommachine en \'t is als of die puf, puf, puf, binnen in je maag slaat. Dan bij de eerste kanonnade, als de dans begint, krijgt ge zoo\'n lust om mede te doen dat ze je met geen ketens vast zouden kunnen houden, net als wanneer in de herberg de muziek begint te spelen, na dat je goed gegeten en gedronken hebt; dan schiet men zijn geweer af waar men een menschelijke gedaante tusschen den rook meent te onderscheiden. Aan wal gaat dat heel anders. Een bersagliere die met ons mee naar Messina terugvoer, heeft mij verteld dat men al die pif, pif, paf, van de geweren niet hooren kan zonder een dollen lust te krijgen om zich plat op den grond te smijten. Maar dat komt omdat bersaglieri, geen mariniers zijn en
184
*
ff
ze weten niet hoe men pal in het scheepstuig staat met de hand vast op den trekker, niettegenstaande het slingeren van het schip, terwijl de kameraads rondom je naar beneden vallen als rotte peren van den boom. •
— Bij de H. Madonna! riep Rocco Spatü, daar had ik bij willen zijn om ook eens mede te doen.
Al de anderen stonden met groote oogen te luisteren.
Daarna begon de andere jonge man te verhalen hoe de »Palestroquot; in de lucht was gesprongen: — toen wij er voorbij stoomden brandde het reeds als een houtstapel, de vlammen raakten reeds den uitersten top van den mast. En toch al de jongens op hun post, bij de batterijen of in het touwwerk. Onze commandant riep hun toe of hij ze nog helpen kon: — Wel verplicht, antwoordden ze. En het schip sloeg op zij en verdween in de diepte.\'
— Neen, wat dat aangaat, om als een gebraden kastanje te roosteren — dat zou mij niet bevallen, zéide Rocco Spatü, maar als het op vechten aankomt wil ik wel een handje helpen.
Toen Spatü terug was gekomen in de herberg zeide Santuzza tot hem:
— Ga die arme jongens toch hier halen, ze moeten ^ na die lange reis wel dorst hebben en een goed glas
wijn zal hun zeker welkom zijn. Die Pizzuto vergeeft de menschen met zijn slechten kost en hij biecht het niet
I85
eens, \'t is wat te zeggen*, waar sommige menschen hun geweten toch hebben!
— Ze lijken mij allen wèl gek, zeide Raas Cipolla, die uiterst langzaam zijn neus stond te snuiten. Mijn Hemel! zoudt gij u dood laten slaan als de koning zoo maar tegen u zei; — Laat je voor mijne rekening doodslaan ?
— Ach, ze hebben er geene schuld aan, die arme jongens, bemerkte don Silvester. Ze worden er toe gedwongen! achter eiken soldaat staat een korporaal met een geladen geweer, die niets anders te doen heeft dan op dien soldaat te passen dat hij niet aan den haal gaat en, loopt hij weg, dan schiet hij op hem niet meer of minder dan of hij een kwartel was.
— Zoo, nu begrijp ik het — maar \'t is toch een schandelijke boel, wat zegt gij ?
Den ganschen avond werd er bij de Malavoglia\'s op de binnenplaats in den maneschijn gelachen en gedronken ; toen het laat geworden was en sommigen, met den rug tegen den muur geleund, zachtjes neurieden en allen vermoeid waren, kwam men er de tijding mededeelen die door de mariniers was gebracht. Baas Fortunato Cipolla was al lang te voren heen gegaan en had zijn zoon Brasi meegenomen.
— Die arme Malavoglia\'s! had hij gezegd aan Crucifix den Houtenbei, dien hij op de markt ontmoette. — God
186
zij hun genadig, maar zij schijnen wel voor \'t ongeluk geboren te zijn.
Houtenbei zweeg eerst en krabde zich het hoofd, maar toen zeide hij dat hij niets meer met hen te maken had, \'t was nu alles in handen van Ganzevoet, maar het speet hem voor die arme menschen — ja! dat kon hij met een woord van waarheid zeggen.
Daags daarna begon het gerucht veld te winnen, dat er waarlijk in de buurt van Trieste een zeeslag geleverd was tusschen onze schepen en die van den vijand, maar wie die vijand was wist niemand — wel dat er veel dooden gevallen waren; de eene vertelde zus, de andere zoo, meestal met halve woorden en binnensmonds sprekende.
De buurvrouwen kwamen, met de handen onder den boezelaar,.bij Maruzza, vroegen of haar Lucas niet daar ginder was en keken haar dan, vóór ze heen gingen, met groote oogen ter sluiks aan. De arme vrouw nam weer de treurige gewoonte aan, zoo als zij telkens deed als haar een ongeluk overkwam, om op den drempel te staan, angstig kijkende, nu naar het eene dan naar het andere eind der straat, als of zij haar schoonvader en haar zoons vroeger dan anders thuis verwachtte. Dan kwamen de buurvrouwen vragen of Lucas nu geschreven had, of zij in lang geene tijding van hem had ontvangen ? Zij had te voren niet aan dien brief gedacht, maar nu
18;
kon zij den heelen nacht geen oog sluiten — altijd was het haar of zij daar bij Trieste die verwoesting bijwoonde en zij zag haar jongen, haar Lucas, die haar met wijd opengespalkte, schitterende oogen aankeek, doodsbleek en onbeweeglijk stond hij voor haar, steeds knikkend van 5gt;jaquot;, precies als toen ze hem als soldaat hadden zien vertrekken, en zij voelde ook een onuitstaanbaren, brandenden dorst haar de keel verschroeien.
Onder al de verhalen die op het dorp gedaan werden en die men ook haar had medegedeeld, was zij het meest getrofifen door dat van dien zeeman, die na twaalf uren zwalkens in zee opgevischt was, net toen de haaien hem zouden verslinden en hij in \'t midden van al dat water stervende was van dorst.
En als de Lange dan telkens dacht aan dien man, die in \'t midden van al dat water van dorst bijna was gestorven dan moest zij opstaan om te drinken als of zij dien zelfden brandenden dorst leed, en in den donker spalkte zij de oogen wijd open, steeds zich verbeeldend dien man vóór zich te zien.
Dagen gingen voorbij, geen mensch sprak meer over het gebeurde, maar daar er geen brief kwam verloor Maruzza allen lust in \'twerk; thuis kon zij niet blijven, zij ging gedurig van de eene buurvrouw naar de\'andere, alsof die haar inlichting konden geven.
1
i88 *
— Hebt ge ooit eene kat gezien die haar jongen verloren heeft? vroegen de buren elkaar.
Intusschen bleef de brief uit. Baas \'Ntoni ging niet meer op zee, hij bleef als vastgehecht aan de rokken ,
zijner schoondochter, precies een angstig hondje. Sommigen gaven hem den raad:
— Ga naar Catania, dat is een groote stad, daar •% zullen ze u wel iets kunnen vertellen.
In die groote stad voelde de arme oude man zich nog meer verloren dan wanneer hij \'s nachts zonder roer op zee was geweest. Eindelijk had iemand de vriendelijkheid hem te zeggen dat hij bij den havenmeester gaan moest,
want die zou de tijding wèl ontvangen hebben. Daar gekomen, werd hij eerst van Pontius naar Pilatus gezonden, daarna begon men de boeken na te slaan en de namen- der dooden op de lijsten met den vinger te volgen.
De Lange, zoo wit als een doek, had moeite om te luisteren, zij kon niet goed hooren, haar ooren suisden. — Toen ze eindelijk den naam gevonden hadden zakte zij stil ineen en bleef voor dood op den grond liggen.
— Wel, \'t is meer dan veertig dagen geleden .... te Lissa. Ik begrijp niet dat gijlieden het nog niet wist,
zeide de beambte en hij sloeg de registers dicht.
Men bracht de Lange op eene kar naar huis waar zij
r
189
verscheidene dagen ziek lag. Van dat oogenblik kreeg zij eene bijzondere voorliefde voor een zeker beeld van de H. Moeder der Smarten, dat boven het altaar der kerk geplaatst was en stortte daar hare gebeden uit; het was als of dat lange, stijve lichaam, zwart van magerte met bloedende wonden, dat op de knieën zijner Moeder uitgestrekt lag, het portrét van haar Lucas was, en zij voelde de zilveren zwaarden die het hart der Madonna doorboorden ook hare ziel doorvlijmen. lederen avond, als de vrome zieltjes den zegen gingen halen en meester Cirino met de sleutels rammelde voor hij de kerk sloot, zag men haar daar op dezelfde plek geknield liggen en men noemde haar nu ook »de moeder der smarten.quot;
— En geen wonder — zeide men op het dorp. Lucas zoude binnen kort teruggekomen zijn en zijn vijftien stuivers daags weer verdiend hebben. Een ongeluk komt nooit alléén en voor een wrak schip is elke wind na-deelig.
— Hebt gij baas \'Ntoni gezien, zeide Ganzevoet, na dat ongeluk met zijn kleinzoon is hij precies een nachtuil. Nu is het huis met den mispelboom waarlijk verloren, het is van alle kanten lek als een versleten schoen en ieder moet nu wel aan zijn eigen belangen denken.
Juffer Zuppidda trok een lang gezicht en bromde binnensmonds, dat, nu de heele familie op de schouders van \'Ntoni drukte, elk meisje er wel tweemaal over
tgo
moest denken voor ze er toe over ging hem te trouwen.
— Wat hebt ge toch tegen dien braven jongen? vroeg haar man Bastiaan.
— Jij hebt maar te zwijgen, want jij weet van niets, antwoordde zij. Ik houd van geen verwarringen. Ga jij maar naar je werk, dat is jou zaak — en zij duwde hem de deur uit met zijn zwaren kalfaathamer in de hand.
Barbara zat op het terras, werktuigelijk bezig de verdorde blaadjes van de muurbloemen af te rukken, hare lippen waren toegeknepen en nauw hoorbaar bromde ze tusschenbeide:
— «Muilezels dienen een eigen stal en jonggehuwden een eigen woning te hebbenquot;, en sschoonmoeder en schoondochter verdragen zich als olie en azijnquot;.
— Als Mena getrouwd is dan zal grootvader ons de bovenkamer wel willen afstaan, antwoordde \'Ntoni.
— Daar ben ik niet aan gewend om als de duiven op een bovenkamertje te zitten! antwoordde Barbara zoo kort af dat haarvader, nogwèl haar vader! aan\'Ntoni zeide, na eerst voorzichtig rond te hebben gekeken, terwijl ze samen door het straatje gingen: — Zij zal krek hare moeder worden, die Barbara, denk er aan dat je van den beginne af het heft in handen houdt — anders gaat het je later zoo als mij.
Juffer Venera Zuppiddu had ondertusschen gezegd:
— Vóór mijne dochter op de duiventil gaat slapen.
igi
moet er uitgemaakt worden aan wien het huis blijft; die zaak van de lupinen moet eerst uit de wereld zijn.
Ganzevoet verlangde nu eindelijk betaald te worden, wat drommel! Sint Jan was voorbij en de Malavoglia\'s spraken er weer van een gedeelte op rekening af te doen, omdat ze de heele som nog niet hadden opgespaard... en ze hoopten op den olijvenoogst. Hij had het geld zuur verdiend, had geen brood om te eten, zoo waar als God leeft en hij kon toch maar niet van den wind leven tot aan dien tijd.
— Het spijt mij erg, baas \'Ntoni, zeidehij, maar wat kan ik er aan doen? ik moet zorgen voor mijn eigen belang. Zelfs de H. Jozef schoor eerst zijn eigen kin voor hij anderen inzeepte.
— \'t Is haast een vol jaar! bromde oom Crucifix, toen hij alléén was met Agostijn Ganzevoet, een vol jaar en geen duit interest, want die twee honderd lire zullen wel door de onkosten verslonden worden. Ja, en inden olijventijd, dat zal je zien, zullen ze zeggen: wacht tot Kerstmis en dan weder tot Paschen. Zóó gaat men te gronde. Maar ik wil terug hebben wat ik in het zweet van mijn aangezicht verdiend heb. De eene zoon is in den hemel, de ander wil Barbara trouwen, en zij zouden de dochter uit willen huwelijken — zoo kunnen ze toch hun wrakke schuit niet vlot krijgen. Dat volk denkt alleen maar aan trouwen, ze hebben den duivel in\'t lijf,
192
net als mijne nicht de Wesp. Ja, ja, als Mena trouwt dan komt Alfio Mosca weer terug en pakt mijne Wesp met haar weiland er bij.
Ten slotte hadden zij veel te zeggen op den advocaat, die zoo talmde met het in orde brengen der stukken vóór hij den deurwaarder zond.
— Baas \'Ntoni zal zeker bij hem geweest zijn om hem te verzoeken slechts langzaam te handelen, zeide Gan-zevoet, want, voegde hij er bij, met eenige ponden visch koopt men wel tien advocaten om.
Hij had reeds ongenoegen gehad met de Malavoglia\'s, omdat Venera Zuppidda het linnen van zijne vrouw Grazia van den rand der fontein weggenomen had, om daar het hare op de geschikste plaats te leggen — dat zijn van die gemeene streken die iemand de gal doen over-loopen.
Venera durfde zoo iets doen omdat zij zich gerugsteund voelde door dien \'Ntoni, dien lummel, die den piet uithing! Een boel, die Malavoglia\'s, gemeene lui al te maal! hij wilde niets meer met ze te doen hebben, noch met hen, noch met dien anderen schavuit, dien don Jan Marie, die hun den H. Doop had toebediend.
Toen begon het gezegeld papier op de Malavoglia\'s te regenen; Ganzevoet beweerde dat de advocaat zeker niet tevreden geweest was met het geschenk van baas \'Ntoni en wat bewees dit? dat ze miserabel krenterig waren.
j 93
Kon men zich dan op hen verlaten, als zulke menschen beloofden hunne schuld af te doen?
Baas \'Ntoni liep het huis plat bij den secretaris en bij den advocaat Scipioni, maar deze lachte hem in zijn gezicht uit en zeide;
— Wat hadt ge ook de vingers te branden? je hadt je schoondochter nooit moeten laten medeteekenen, maar nu moet ge die pil maar slikken. Die reeds gevallen is, is moeilijk te helpen.
— Luister naar goeden raad, zeide don Silvester, geef hem liever het huis, anders gaat alles op in onkosten, de Voorzienigheid en zelfs de haren van je hoofd; en buitendien je schiet er je daggeld bij in met telkens naar den advocaat te loopen.
— Als je ons nu goedschiks het huis afstaat, zeide Ganzevoet tot hem, dan zullen wij u »de Voorzienigheidquot; laten, daarmede kunt ge altijd uw brood verdienen en gij blijft Baas zoo als voorheen, dan behoeft de deurwaarder met zijn gezegeld papier verder niet te komen.
Vriend Tino was volstrekt niet haatdragend, hij ging steeds praten met baas \'Ntoni alsof de zaak hem niet aanging, hij sloeg zijn arm om-den hals van den ouden man en zeide;
— Neem het mij toch niet kwalijk, broeder, het spijt mij meer dan ik zeggen kan om je zoo uit je huis te moeten zetten, maar ik kan \'t niet laten, ik ben een
13
194
arme drommel, die vijfhonderd lire heb ik zoo noodig als brood en de H. Jozef schoor zich zelf ook het eerst. Als ik het geld had van oom Crucifix! op mijn woord van eer, zoo waar ik leef, ik zou je er niet eens over spreken, laat staan, mede lastig vallen.
De oude man had den moed niet om aan zijne schoondochter te zeggen dat ze het huis met den mispel verlaten moesten, nadat ze er zoo lang in gewoond hadden; \'t was alsof ze het dorp verlieten, alsof ze landverhuizers waren geworden — het bed van Lucas stond er nog en daar was de spijker waaraan Bastia-nazzo zijne jas hing. Maar men moest eindelijk toch verhuizen, al het huisraad van zijne plaats nemen; elk stuk liet eene moet op den muur achter en toen alles er uit was leek het niet meer hetzelfde lieve huis. \'s Nachts droegen ze alles naar het huisje dat zij gehuurd hadden van den slager, alsof niet iedereen wist dat het huis met den mispelboom nu aan Ganzevoet behoorde en zij er uit moesten trekken, maar zoo ten minste zag niemand ze met hun goed dragen en sjouwen.
Telkens als de oude man een spijker los rukte of het een of ander van de gewone plaats weghaalde, moest hij even met het hoofd schudden. Toen alles bijna afge-loopen was gingen ze zitten uitrusten op de stroozakken die midden in de kamer opgestapeld lagen, zij keken in het rond om te zien of zij nog iets vergeten hadden.
195
maar grootvader stond schielijk op en ging naar buiten in de vrije lucht.
Daar lag de grond bestrooid met scherven van gebroken pannen en stroohalmen; in den hoek stond de mispelboom en boven de deur hingen de wijngaardranken als eene guirlande.
— Komt, kinders, komt! riep hij, laat ons gaan, om
het even of het vandaag is of morgen. Komt---- maar
hij zelf bleef onbeweeglijk staan.
Maruzza keek naar de deur der binnenplaats waardoor zij Lucas en Bastianazzo had zien vertrekken en naar het straatje waar zij haar zoon voor het laatst had nagestaard, toen het zoo regende en hij heen was gegaan zonder parapluie, met zijn broekspijpen opgestroopt; nimmer had zij hem daarna terug gezien. Het raam van AUio Mosca was ook dicht, de wijngaardranken slingerden er los over heen en ieder die voorbij ging gaf er nog een ruk aan. Elk had voor zich iets te betreuren bij het verlaten van dat huis en in \'t heengaan streek de oude man ter sluip de hand over de deur, die zoo los in de hengsels hing dat Crucifix gezegd had: — hier zullen een paar spijkers en een flinke plank noodigzijn.
Oom Crucifix kwam met Ganzevoet eens kijken en zij spraken zoo luide dat hun stem weergalmde in de holle kamers alsof zij in eene kerk waren.
Vriend Agostijn had niet zoo lang van den wind kun-
196
nen leven maar was genoodzaakt geweest alles weder aan Crucifix over te doen, om zijn geld binnen te krijgen.
— Wat wilt ge, vriend Malavoglia ? zeide hij en sloeg meteen zijn arm om den hals van den ouden man. Ge weet dat ik maar een arme drommel ben en vijfhonderd lire dat is voor mij geene kleinigheid. Als gij rijk geweest waart had ik het u weer over gedaan.
Maar baas \'Ntoni kon het niet verdragen om zoo door het huis te gaan met den arm van Ganzevoet om zijn hals. Oom Crucifix was er met den timmerman en den metselaar gekomen en nu liepen de menschen door de leege kamers als of het de marktplaats was en zeiden;
— Hier moet een nieuwe balk komen, daar moeten een paar tegels en hier moet het luik vernieuwd worden, — zoo speelden ze er den baas, en voegden er bij: — als het hier eens goed gewit is zal het er heel anders uitzien.
Oom Crucifix ging ook door het huis met den voet de stroohalmen en de scherven opeenhoopend, hij raapte een stuk van een ouden hoed, die nog aan Bastianazzo behoord had, van den grond op en wierp het in den moestuin, daar kon het nog als bemesting dienst doen. Intusschen ruischten de bladeren van den mispelboom zachtkens, de bloemenguirlanden, waarmede men deur en ramen versierd had voor het Paaschfeest, hingen er nog, maar treurig en verlept.
197
De Wesp was ook eens komen kijken, druk aan eene kous breiende snuffelde zij in alle hoeken; het huis hoorde nu aan haren oom en; — Het bloed kruipt waar het niet gaan kan, zeide zij telkens hard op, opdat de doove het ook zoude hooren — ik stel belang in het huis van mijn oom, zoo als hij natuurlijk belang stellen moet in mijn stuk weiland.
Oom Crucifix liet haar praten en wilde niets hooren, want zag hij niet aan den overkant de deur van Alfio Mosca die met eene ketting gesloten was?
— Nu er eene ketting over de deur van Alfio gespannen is hebt ge toch, wat hem betreft, uw hart gerust gesteld en nu gelooft ge mij toch, als ik u verzeker dat ik niets om hem geef, fluisterde zij oom Crucifix in \'t oor.
— Mijn hart is gerustgesteld! antwoordde hij, wees nu maar bedaard.
Van toen af durfden de Malavoglia\'s zich niet meer op straat vertoonen, noch des Zondags in de kerk komen; om de mis bij te wonen gingen ze tot naar AciCastello en niemand groette ze meer, niet eens baas Cipolla, die telkens zeide;
— Dat is eene part die baas \'Ntoni mij niet had moeten spelen. Dat noem ik eenvoudig den naasten voor het lapje houden, nu hij zijne schoondochter heeft laten mede teekenen voor de schuld der lupinen.
198
— Precies wat mijne vrouw ook zegt! voegde meester Zuppiddu er bij. Zij zegt van de Malavoglia\'s; de honden zullen er nu geen brood meer van eten!
Maar die malle Brasi stampvoette en wilde Mena volstrekt trouwen, men had ze hem beloofd en hij wilde ze hebben, net een kind vóór eene speelgoedkraam op de kermis.
— Denk jij dat ik alles gestolen heb wat ik bezit, dat ik het zoo maar voor de voeten van een meisje dat niets heeft zou werpen, jou grootegek! schreeuwde hem zijn vader toe.
Men had Brasi zelfs zijn nieuw pak kleeren afgenomen en hij kon zich troosten met hagedissen te gaan vangen of schrijlings te zitten op den muur der waschplaats, hij zwoer bij kris en kras dat hij volstrekt niets meer wilde uitvoeren, nooit meer werken, neen, nooit, al sloeg men hem dood, nu men hem de vrouw zijner keuze niet geven wilde en hem zelfs zijn bruiloftskleereh had afgenomen. Gelukkig dat Mena hem niet kon zien zoo als hij nu gekleed was, want de Malavoglia\'s zaten meestal met gesloten voordeur in dat huisje dat zij van den slager gehuurd hadden, vlak bij de Zuppiddu\'s in de strada del Nero en als Brasi ze toevallig in de verte zag, liep hij hard weg, om zich achter een muur of tus-schen de cactusstruiken te verschuilen.
Nicht Anna, die het fijne van de zaak had ontdekt,
igq
zeide, terwijl zij het linnen op de bleek leide, aan Grazia de vrouw van Ganzevoet:
— Ach! nu moet die arme Mena in huis blijven als een koperen pan in de keuken, precies als mijne dochters, die ook geen bruidsschat hebben.
— Arme ziel! antwoordde juffer Grazia, en ze hadden haar al eene scheiding in het haar gemaakt.
Mena echter was tevreden en had zich doodbedaard het zilveren pijltje zelve weder in het haar gestoken. Ze had nu veel te doen in de nieuwe woning, waar men voor alles eene plaats moest vinden, men had geen uitzicht meer op de deur van nicht Anna, noch op die van Nunziata en ook van den mispelboom was er niets te zien. De moeder volgde al hare bewegingen met liefdevolle blikken, en als zij tot haar sprak was er in den toon harer stem, bij de eenvoudige vraag: — geef mij de schaar — of, houd die streng eens voor mij op — eene liefkoozing, want, nu ieder haar dochter den rug toekeerde, droeg zij ze op de handen; maar het meisje zelve zong als eene lijster, omdat ze achttien jaren oud was en op dien leeftijd staan de oogen altijd vroolijk als de hemel blauw is en weerklinkt het gezang der vogels in het hart. Buitendien had ze nooit veel zin in dien jongen gehad; dat fluisterde ze hare moeder in \'t oor, toen ze samen het weefgetouw opzetten. De moeder was de eenige die in het hart van haar kind gelezen had en
200
die in die benauwde tijden haar nog een opwekkend woord toevoegde:
— Ware vriend Alfio nog maar hier! die zou ons den rug niet toedraaien. Maar, stil, als de tijd van den nieuwen wijn daar is, dan komt hij.
De buurvrouwen, die goede zielen, hadden de Mala-voglia\'s den rug niet toegekeerd. Maar nicht Anna had het altijd even druk om door de wereld te komen met al hare dochters die bij haar waren gebleven, even als de koperen pannen die in de keuken hingen en buurvrouw Ganzevoet schaamde zich over die leelijke handeling die haar man de arme Malavoglia\'s had aangedaan. Zij had een goed hart en was het met haren man niet eens, die ronduit zeide:
— Laat die menschen loepen, ze hebben niets meer, geen rqoden duit. Wat geeft ge nu om ze.
De eenige die hen nog wel bezocht was Nunziata, die kwam van tijd tot tijd met haar jongsten op den arm en al de anderen achter haar aan, maar zij ook had veel te doen en moest op haar eigen zaken letten.
Zoo gaat het in de wereld. — Ieder moet op zijn eigen zaken letten, dat was juist wat juffer Venera gezegd had aan \'Ntoni van baas \'Ntoni. Ieder moet eerst aan zijn eigen baard denken voor hij uit scheren gaat. Je grootvader geeft je niets, dus hebt ge ook geene verplichting aan hem — dat wil zeggen, dat als gij trouwt,
20I
gij op uw eigen gaat wonen en wat gij verdient, verdient ge voor eigen huis. Ieder kan zich Gods zegen verdienen, en behoeft daarom niet allen uit zijn schotel te laten pikken.
— Dat zou mij mooi staan, dat moet ik zeggen, antwoordde \'Ntoni, nu mijn naaste familie op straat staat zou ik ze ook maar den rug toe moeten draaien. Hoe zal grootvader »de Voorzienigheidquot; in zee krijgen en aan allen den kost geven als ik hem in den steek laat?
— Dan moet jelui het maar onder elkaar uitmaken! riep Venera Zuppidda, keerde zich van hem af en deed als of zij het heel druk in kelder en keuken had om hem maar niet aan te zien, terwijl zij voortging: — Weet je! mijne dochter heb ik niet gestolen, ik zou er nog een oog voor kunnen sluiten dat ge zelf niets hebt — omdat ge jong en gezond zijt en het ambacht goed kent — te meer, omdat huwbare mannen tegenwoordig schaarsch zijn roet dien vervloekten dienstplicht, die al de jongens uit het dorp weg komt halen! Maar dat ik je mijn doch-ter\'s bruidsschat zou moeten geven om dien door jou met je familie op te doen eten — dat is wat anders. Aan mijne dochter ben ik bereid één man te geven maar geen vijf of zes, en den last van eene familie op\' den koop toe!
Barbara zat in de andere kamer, haar weefspoeltje vloog ras heen en weder en ze deed als of zij geen woord verstond, maar zoodra \'Ntoni haar naderde, sloeg
202
zij de oogen neder op haar werk en trok een lang gezicht. De arme jongen wist niet wat hij doen zou, het werd hem zoo moeilijk gemaakt, want Barbara had hem met hare zwarte oogen betooverd en zij zeide:
— Ik zie het wel, je houdt niet van mij, je houdt meer van je familie, en met den boezelaar voor het gezicht huilde zij als haar moeder er niet bij was.
— Sakkerment! riep dan \'Ntoni — ik wenschte dat ik weer soldaat was! trok zich de haren uit het hoofd en sloeg zich zelf met de vuisten in \'t gezicht, want, als een ware lummel die hij was, kon hij geen besluit nemen.
Verder zeide Venera: — Ieder moet in zijn eigenhuis wonen!
Haar echtgenoot waagde te zeggen: — Heb ik je niet altijd herhaald dat ik van geen gebroddel houd!
En zij: — Ga jij maar naar je werk, jij weet van niets.
Telkens als \'Ntoni bij de Zuppiddu\'s kwam, werd hij er met lange gezichten ontvangen en Venera verweet hem dat de Malavoglia\'s juffer Grazia Ganzevoet verzocht hadden om Mena te komen kappen.
— Dat kappen is mooi uitgevallen! maar dat doet niets ter zake, haar hebben ze gevraagd om het te doen wegens die schuld die Ganzevoet op het huis had en wat heeft het bij slot van rekening gebaat? het huis heeft hij hun toch afgenomen en ze zijn in hun hemd blijven staan.
203
— Denkt gij soms dat ik niet weet wat je moeder Maruzza gezegd heeft indertijd toen zij het hoofd zoo hoog droeg ? Toen heeft zij gezegd dat Barbara veel te veel de dame uithing om een goede huisvrouw voor \'Ntoni te zijn, dat zij niet geschikt was om de echtgenoote van een zeeman te worden — ja, dat hebben mij buurvrouw Mangiacarrubbe en juffer Cicca verteld.
— Buurvouw Mangiacarrubbe en juffer Cicca zijn beiden leelijke feeksen, antwoordde \'Ntoni, dat zeggen ze nu maar uit nijd om dat ik niet met juffer Mangiacarrubbe getrouwd ben.
— Wat mij betreft, neem ze gerust. Juffer Mangiacarrubbe zou er wat fijns mede krijgen.
— Zoo, juffer Venera, is dat uwe meening? \'t Is zoo goed als mij te zeggen; zet geen voet meer in mijn huis.
\'Ntoni wilde zich kranig houden en liet zich een dag twee, drie niet zien. Maar de kleine Lia, die van al dat gebabbel niets af wist, bleef komen om er op de plaats te spelen; Barbara had ze vroeger daarheen gelokt met kastanjes of vijgen toen zij nog een goed oog had op haar broeder; nu echter kreeg het kind niets, integendeel. Vrouw Zuppidda zeide haar;
— Wat komt ge hier doen? je broer\'zoeken ? Is je moeder misschien bang dat wij hem zullen stelen?
Buurvrouw de Wesp kwam ook met haar breikous aanzetten om van de manlui, die bedriegers! eens ferm
204
kwaad te spreken en Barbara snauwde het kind toe:
— Ik weet wèl dat ik niet zoo\'n knappe huishoudster ben als je zuster!
Daarop viel Venera weer in:
— Je moeder, die nu toch waschvrouw is, deed beter om je armzalig jurkje eens uit te wasschen, dan aan de fontein te staan babbelen over anderen!
Vele van deze verwijten begreep het kindje niet, maar als het iets, al was het nog zoo weinig, antwoordde, werd Venera nog boozer, zij zeide dan dat Maruzzahet kind opstookte en haar daarheen zond, enkel om de Zuppiddu\'s te ergeren — het kleintje bleef spoedig geheel weg en Venera zeide dat dit maar goed was, dat er dan geen spionnen gezonden werden om te zien of ze dien dierbaren schat al hadden gestolen.
Het was nu al zoo ver gekomen dat Venera en de Lange niet meer met elkander spraken en dat zij elkaar zelfs den rug toedraaiden in de kerk.
— Ze zullen elkander nog eens in \'t haar vliegen, riep vrouw Mangiacarrubbe zich verkneuterend — je zult het zien gebeuren, ik wil geene Mangiacarrubbe meer heeten als het er niet eindelijk toe komt! Venera is er toch maar leelijk ingeloopen in de zaak met \'Ntoni, dien lummel.
Gewoonlijk bemoeien de mannen zich niet met de kijverijen der vrouwen, het zoude anders te ernstig
205
worden en misschien op messteken uitloopen; terwijl buurvrouwen als ze elkaar eerst den rug hebben toegedraaid, dan terdege uitgescholden om elkander eindelijk in de haren te vliegen, spoedig den vrede sluiten, elkander omhelzen en afzoenen, om dan weer als van ouds samen voor de deur te staan babbelen.
\'Ntoni, behekst door de mooie oogen van Barbara, sloop weer stil onder haar vensters, ofschoon Venera dreigde eene kan boven zijn hoofd uit te gieten en de dochter zelve de schouders ophaalde en niets meer van hem wilde weten, nu de Malavoglia\'s huis noch kluis meer hadden.
Eindelijk zeide ze het hem ronduit, om zich van dien jongen te bevrijden, die daar maar altoos pal bij hare deur als een hond stond te wachten; dat hij op die manier haar de kans zou ontnemen — denk eens! als iemand anders een goed oog op haar had!
— Kom aan, vriend \'Ntoni, de beste visch is voor hem die het best kan betalen, laat ons onze ziel in lijdzaamheid bezitten en geen van beiden meer denken aan hetgeen misschien had kunnen zijn!
— Zoo kunt gij misschien doen, juffer Barbara, zuchtte hij, maar wat mij betreft; de liefde wordt niet gecommandeerd.
— Probeer maar eens — daar kunt ge niets bij verliezen. Ik wensch u het beste, maar verzoek u mij nu
2o6
met rust te laten, ik moet aan de toekomst denken, ik ben al tweeëntwintig jaar oud.
— Dat wist ik, dat ge weldra zoo tot mij zoudt spreken , toen het huis ons werd afgenomen, en allen ons nu den rug toekeeren!
— Hoor eens, vriend \'Ntoni, moeder kan zoo komen en ik zou niet graag hebben dat ze ons hier samen aantrof.
— Ach, ach, zeide de arme jongen, dat mag niet, nu wij het huis met den mispel niet meer hebben.
Zijn hart was diep bewogen en hij kon niet van haar afzien. Maar zij moest water gaan halen, groette hem en liep trippelend heen met sierlijken, netten gang, want zij heette wel Zuppidda, dat is de Manke, omdat haar vader\'s grootvader bij eene ontmoeting op het feest van Trecastagne zijn been gebroken had — maar haar beide beenen waren wat ilink en recht, dat verzeker ik u.
— Vaarwel, juffer Barbara, antwoordde de arme jongen, en dit was het einde van zijn hangen en verlangen; hij keerde terug tot zijn eentonig slavenleven, altijd koekoek een zang, roeien van Maandagochtend tot Zaterdagavond ! hij was dat doelloos voortzwoegen moe, want als men eenmaal voor het ongeluk geboren is helpt het niet al werkt men vroeg en spa, niemand wil iets van je weten; van dat leven had hij meer dan genoeg, dan nog liever heuscli niets uitvoeren, in bed blijven en
207
zich aanstellen alsof hij ziek was, zoo als hij wel eens had gedaan toen hij nog in dienst was, te meer, daar zijn grootvader makkelijker te bedriegen was dan de scheepsdokter.
— Wat scheelt er aan? vroeg deze dan.
— Ik heb het land, antwoordde \'Ntoni — omdat ik zoo\'n arme drommel ben.
— Wat wil je daaraan doen. Een vogel moet zingen zoo als hij gebekt is.
Moedeloos liet hij zich als een ezel met de vischnetten beladen, hij deed den ganschen dag geen mond open dan orn te vloeken of te brommen: — 2 die zich brandt moet op de blaren zittenquot;.
Als zijn broer onder het varen begon te neuriën, zeide hij:
— Zing nu maar. Als je oud wordt zult ge brommen zoo als grootvader.
— Om nu reeds daarmee te beginnen geeft ook niets, antwoordde de kleine jongen.
— Je hebt gelijk! \'tleven is wat liefs!
— Of het lief is of niet, wij hebben het ons zeiven niet gegeven, daarmede eindigde grootvader het gesprek.
\'s Avonds at hij misnoegd zijne soep en \'s Zondags zwierf hij in de buurt van de herberg waar de menschen niet anders te doen hebben dan lachen, pret maken en vergeten dat men \'s anderen daags weer met den
2Ó8
zelfden arbeid moet voortgaan dien men de heele week verricht heeft; of hij bleef uren lang op de treden der kerk zitten, het hoofd met de hand steunend, mijmerend over de baantjes die geen handenarbeid ver-eischen.
\'s Zondags ten minste kon hij genieten van alle plei-ziertjes die geen geld kosten, zonneschijn en luieren met de handen in den zak, maar dan nog verveelde het hem dat hij telkens denken moest aan zijne ontevredenheid, aan het verlangen naar zoo vele zaken die hij gezien had gedurende zijn diensttijd, en toch was dal; onder het werken zijn grootste troost.
\'t Was voor hem een genot om zich als eene hagedis in de zon uit te strekken en niets te doen. En als hij de voerlieden voorbij zag komen, hossende op hun karren , dan bromde hij; Dat is nog een leventje! die rijden den ganschen dag! Keerde de eene of andere oude vrouw van de stad terug, zwoegende onder den iast als een vermoeide ezel en klagende, zoo als oude lieden dat gewoon zijn, dan zeide hij bij wijze van troostrede: — Wat gij voor den kost verricht, mijn lieve mensch, zoude ik ook wel willen doen. \'t Is eigenlijk niets anders dan uit wandelen gaan.
hfa-