-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-

pk .(va

_, -quot;ar\'igréc t®

5:«« c«:« «■ • lt; cc cc quot;cC ci Cc c-C CC :«c:clt; ■er cv v quot;C es. lt; ~\'ö cc lt; t c c c lt;!lt;e c? i\'

c«C \'

cr ccc

cl ccc

-e; cc-

cc CC lt;C c«\' (C! C( quot;G CC CC 4 cci. « 5 CCC \' lt;■•

,\'CCc cc c^clt;c J c c . lt;gt;« gt; c C-Ml\'.cCC \'- \' cc

ccmIC (cc • ■ *•

I

ttCCs^ r c \'C

aassSt-\' \'

««2ML

ui.

CS\'i

(:?fr

V\'Ci

CV*? \'

E7:

Z oct

Hl

c€5,i

\';c; , \'

«\'C

C\'.- C \'

m - a

Clt; c C lt; . C

Cf cCC f C

«Jf CC C c c-

t CCC « clt;

\' C \'CC lt; C \'

„ CCC « cr C \'\' cc. «.lt;•

CCCCt lt;4-, v cclt;r c clt;clt;\' ccc cgt;; lt;« . ccc cc • quot;

CCC CC\' -t\'Cl\' CCC te\'CC.; \'Cï.C CC-\'- r

ccc c ^

lt; C

C U c lt;.1 r\'

dC Clt; CCt of lt;■lt; «■ \'lt;:.

C C lt; ( \'C \' lt;

\' c c lt; lt; \' ■

clt;lt; Clt; CC\' \'

lt; c lt; «r- :«

\' a

cis\'

lt;s CCC

■-■ cc

® c lt;c

«\'-CC CCC

ygt;:lt; « ;;c lt;clt;l

C C

\'/r roequot; cV ö cc\' cc ( c? Clt; Cf \' C \'C • lt;} • C/

is. . .c lt; lt; lt;rlt;\' lt; •lt; lt;lt; \' lt;-\'

CC\'töC C\'C\'CCCCc; CC e^\' clt; I t fCC.-C c c cc c gt;•« ( cc ( ffi ( « (r-.cr rc cccïff

(.C . « t c CC\'.

; lt; «cc

SP

cc

C \'CS

1

3E

« . . lt; !tc« ; fC

rec -.■((.«. c.lt; , c u

lt;lt;; ■ «.«ccc« ■( lt; c ci \'CCf \' quot;C\'SCC .( C C c. lt;« 1

\'fCS, ei cclt; cc ccc ; CCCi\'/\'« Cc« ■(.■■ C cCc 1 cc^\'f tamp;ic\'rfCf c cc, (Cfcl? f CCC ■ c. v clt;a CCC . (X^o « «ie _.( CcCjCf\'. i^C\'.cc . - «lt;lt;; lt;

.csegcc\'ccclt; (\'cccrcc. \'desli- ccc c cclt;

, CCC: \' CO quot; gt; gt;; cc ((te

rlt;r c lt;lt;; lt; clt;i

geef C!».

isCO CCC ( clt;t ciö, \' «

i

cc^

m

QK

CO

cc c

_C! JGj

C C(S

lt; ca clt;rlt;a

eeï

mie c

tic CC C\',.. TS CClt;_gt; va gfff \' lt; « ^ « EcCc C

W (\' lt;

Al

reeft

CCfcw

, «i

Zi\'f

..quot;ec

fc.

f Mt-ii*

Sc1 2:

quot; \'Cc

■quot;«era

quot;(CC

CCClt;1 amp;.;cct gt;Mlt;!c

r ■ lt;«.« ■» lt;»«: « \'• . lt; lt; lt;CC

v cclt;Clt; ïACCtquot;

\'lt; IV lt; lt; lt;».x quot;

lt; lt;«lt; «

... CCiKlC \' ■■«quot;

C Cc cc?

.cüt cSEli: ,c\' CC\'CC\'C: «lt;£ quot; « CC C51

lt;Clt;. «c. ccc«lt;: clt; CC «c arrf -cc ^;

lt;C lt; ccc « c .-CClt;\'.C CCCOI c \'C C C.\' ■ «. ■lt;«■

c c lt; o ■ cC«

•!«S\'lt;^9C.lt;4c. lt;amp;lt;« , ( lt;lt; lt; f lt;„

■ lt; • ■ cCC (. o\'Xlt; \' •lt; CCT c S.ö:lt;

.. t cc t C\'caffe\'

(, lt; ■ \'Clt;, \' Cv u

•lt; ■ quot;.C Cc CC. lt;lt;.■gt;\' \'C lt; lt;-■

« C quot;vlt;£... C .IAVlt;

lt;CC«. c «aii lt;Cg\'lt;C c -Cöi

. clt;f «c .«cc ®6-. ip jfc ( \'(( cc ■C( «*lt; C\'c/; «C

Cl ■ Cf ( lt; ta.c; cc .\' lt;C C .( (fr Cf fC.C \' CC 1 ■ (C C\' ■\' C(quot; fCC « \'■ cc

O i cr fC c CC c « o a c (.cc c ^rc \\ cc :„ c c c c ccc c lt;f amp; c cc

Ccc Cv | V CCC f \'

-lt;rclt; t (. .. \' lt;;lt;C_ cc ^ lt; lt;lt;

r«r Vf c \' CCC Cf cC® lt; cc ;•.( CCC K c ,C c CC

« lt;:. quot; «\'(■cfoti.C\'

ar ccs* ct.cc ■ ixcflt;ê

•\'fitC.C\' cc \'C

v\'. (i ;lt; tf.cc flt;

:lt;Xamp;Slt;lt; CC \' \'«

cc^yc* lt; clt;

__.... ._». .^cgSiCcC; cc

cc «fe \'ccccccc\' : . cr

cc c S c^ CC. 5« CC iCC

gt;/quot; . ■\' ■

quot;\\Cc- lt; j\' e .«Cgt; «lt;lt; lt; j 3

•.v c « ■ (.lt;;(•:

lt;■ «.lt;;.• -lt;5;: li •lt;- ■■

7« lt; lt;■ lt; «f quot; (C

lt;lt;./lt; lt; « . «Ué 55

j:lt;. lt; c C ■ ■ •\'f\' \'A i..\'-\'

t cc- c c\' *r.1\'

\'CCC\'CC\' ,«■■ C «!! \'■\'.\' CClt; C ■! . «\'.C\'f,

cctC C C «C I CCC

( c ■ ■ lt; c lt;- lt; i .f1

c;CtiCCClt; I • cc

. .....lt; CC Cf ;(-.\\c -ccccc ■ cc .« C,c C:«

^ lt; CC 5.\'

,c#gr\' ^CcC\' JC\'CCK\'V

lt; lt; « ■ gt;«.lt;

(CC c(i\'C«,lt;C.

(CC \'C ■■.«

lt;■ «m. cC ■ * \'■\'lt;lt;

uiÉ.

\'C_

-ocr page 4-

Cff y \'

ylt;lt;

lt;rrlt;f®E

2 ^

cc€JG

\'0\' S%

:ccc:Ö -^$^5

u \'■ ■«:«

j^miS

KL\'« tl

Ma

^ilt;C_ lt;ï

oc.

^tcecxiL

föquot;. •(■-«.«1

B\'

jngr a:

5cclt;lt;xoia^

égre^oc\'

\'

1 ^

aro:

g;. #

i^^E39

ggc r^cji^

lt;

rragcx\' «c

CClt; \' •\'- Xlt;xa

jogCc ^

llt;rclt;S_i: ^

«C

5.\' ^

S^CSlt;Lv ^

^^ck\'c#

-ocr page 5-
-ocr page 6-
-ocr page 7-
-ocr page 8-

DE MALAVOGLIA\'S

-ocr page 9-
-ocr page 10-

cl.d\'ilh /

DE

ALAVOGLIA\'S

NAAR HET ITAL1AANSCH

V.\\N

G. VERGA

SiBLIOTHEEK OER RIJKSUNIVERSITEIT U T R B C H T4

-ocr page 11-
-ocr page 12-

X.

c wandelingen van \'Nloni bestonden echter daarin ilat hij, dag in dag uit, op zee ging, de riemen \' - hanteerend en den rug gekromd van den zwaren ■lt;- arbeid. En als de zee soms boos was en de zijnen, »dc Voorzienigheidquot; en alles dreigde in to slikken, dan ontzonk hem de moed niet, hij voelde zich legen de zee opgewassen.

— Dat is de inborst der Malavoglia\'s — zcide de grootvader.

Die mocht gezien worden als hij aan het werk was, zijn witte haren vlogen dan in den wind, terwijl de schuit op de baren danste als een dolfijn.

De »Voorzienigheidquot; waagde het dikwijls, hoe ouden opgelapt zij ook was, de hooge zee te kiezen, ter wille van een eenigszins rijkere vangst, nu er zoo vele pinken uitgingen dat ze de zee als met bezems schoon veegden. Ook op die dagen dat de wolken zoo laag hingen naaiden kant van Agnone en de lucht in het oosten vol zwarte koppen was, zag men nog heel in de verte het zeil van sde Voorzienigheidquot; niet grooter dan een zak-ii. i

-ocr page 13-

doek tegen de loodkleurige zee afsteken en iedereen zeide:

— Baas \'Ntoni en de zijnen gaan, men zou haast zeggen expres, het ongeluk opzoeken.

Baas \'Ntoni antwoordde dat hij zijn brood ging zoeken en als de kurken van de netten, een voor dén omlaag getrokken, verdwenen onder de uitgestrekte zee, die zoo glad en groen als een weiland was, wanneer de huisjes van Trezza zoo ver af waren dat ze witte stipjes leken en er rondom niets meer dan water te zien was, dan begon hij van pleizier met de kleinzoons te babbelen: hoe \'s avonds de Lange en allo anderen op het strand hen zouden opwachten, als ze hun zeil hadden zien opdagen tusschen de Fariglioni\'s en hoe verheugd ze dan zouden staan te kijken naar de rijke vangst die in de netten opsprong en den bodem der schuit met een zilveren massa vulde. En vóór dat iemand den mond geopend had om het te vragen, antwoordde baas \'Ntoni reeds: — Zoo en zoo veel visch brengen wij thuis — en hij vergiste zich geen vijf pond — dan werd er den ganschen avond over de rijke vangst gepraat, terwijl de vrouwen tusschen twee steenen het zout fijn wreven, en als men de gevulde vaatjes één voor één telde en oom Crucifix, die eens kwam kijken wat ze uitgericht hadden, maar in den blinde een bod deed en Ganzevoet schreeuwende en tierende aan het loven en bieden ging •— o! dan hoorde men Ganzevoet\'s gillen met innig welgevallen.

-ocr page 14-

3

och! men moet niet haatdragend zijn in deze wereld! dan telde de Lange haren schoonvader het geld, dat Ganzevoet in een zakdoek geknoopt bracht, cent voor cent voor en verdeelde zij het, zeggende: — dit is voor het huis, en dat voor de huishouding.

Mena hielp ook dapper mede met het fijn wrijven van het zout en het vullen der vaatjes; zij had reeds haar blauw kleed en haar bloedkoralen ketting gelost die bij oom Crucifix verpand waren geweest; nu konden beide vrouwen weder gerust in het dorp naar de mis gaan, want als de een of ander jongeling altemet een oog liet vallen op Mena, welnu men was immers alweer bezig om een bruidsschat voor haar op zij te leggen.

— Wat mij betreft, zeide \'Ntoni heel zachtjes de riemen bewegende, juist genoeg dat de stroom hen niet van de netten zou doen afdrijven, terwijl grootvader over al deze dingen zat na te denken, — wat mij betreft ik heb maar een wensch en dat is, dat die kreng van eene Barbara bersten zal van spijt en woede als wij weer in een goed doen zullen gekomen zijn en het haar berouwen mag dat ze mij de deur zoo voor den neus heeft dicht gesmeten!

— Den goeden loods leert men in den storm kennen, antwoordde de oude man. Als wij later zullen geworden zijn wat wij vroeger waren, komt ieder ons weder vriendelijk te gemoet en alle deuren staan weder voor ons open.

-ocr page 15-

4

— Nu, dat muet maar gezegd worden, zeide Alexis, Nuuziata en ook nicht Anna zijn altijd dezelfde voor ons gebleven.

— Ja, in den nood leert men de echte vrienden kennen. Mogen daarom die twee door den Heer gezegend worden, zij en al de monden die ze te voeden hebben!

— O! als Nunziata uit sprokkelen gaat, of als hel pak linnen dat ze gaat bleeken wat zwaar is, help ik haar op mijne beurt, zeide Alexis.

— Nu, help dan op dit oogenblik maar hier trekken, want. God lof! du H. Franciscus heeft ons een rijke vangst gezonden!

En de jongen zette zich schrap en trok uit al zijne macht alsof hij allée\'n al het werk had willen doen. Intusschen lag \'Ntoni uitgestrekt, met de armen onder \'t hoofd gekruist, te neuriën en te kijken naar de meeuwen, die schitterend wit afstaken tegen den grenzenloozen donkerblauwen hemel.

De 3Voorzienigheidquot; schommelde zachtkens op de groene golven, die van den verren horizont, zoo ver het oog reikte, kwamen aanrollen.

— Hoe komt het toch dat de zee nu eens groen, dan weder blauw of wit van kleur is, ja, soms zoo zwart als inkt? vroeg Alexis, \'t is toch altijd hetzelfde water.

— Dat is eene beschikking van God, antwoordde de grootvader, op die manier weet de zeeman wanneer hij

-ocr page 16-

5

zonder vrees in zee kan steken en wanneer hij beter doet binnen te blijven.

— De meeuwen hebben het best — die vliegen daar in de hoogte en zijn niet bang voor een nat pak, al stormt het op zee.

— Dan hebben zij toch ook niet te eten, die arme dieren!

— Dus, eigenlijk heeft elk schepsel het mooie weer noodig, Nunziata ook, die niet kan gaan wasschen aan de fontein als het regent, zoo redeneerde Alexis.

— Na regen komt zonneschijn en geen van beide duurt altijd voort, zeide de oude man.

Maar als het waarlijk boos weêr was, de wind uit het noorden blies en de kurken op het water den heelen dag dansten alsof iemand voor haar pleizier op de viool speelde, de zee zoo wit was als melk en opbruischte alsof ze aan het koken was, de regen van den hemel in stroomen nederviel, zoodat er geen jassen tegen bestand waren en de zee rondom hen borrelde als of hun schuit een vischje in de pan was, dan was het heel wat anders, dan had \'Ntoni geen lust om te neuriën als hij met den kap van zijne jas tot over den neus getrokken het water uit de schuit stond te scheppen; maar grootvader sprak kalm op zijne manier in spreekwoorden precies alsof ze daar gekomen waren alléén om die van hem te leeren. Onk \'s avonds, als hij met den neus in

-ocr page 17-

6

de lucht aan de deur naar het weêr keek, kwam hij met tal van spreekwijzen voor den dag, als daar zijn; jAls de maan rood is komt er wind, als zij helder is wordt het goed weêr, als zij bleek ziet komt er regenquot;.

— Als u weet dat hel regenen zal, waarom gaan wij er dan op uit, vroeg \'Ntoni hem. Was het niet beter geweest als wij nog een paar uren in de kooi waren gebleven ?

— Water van den hemel geeft visch in de netten, antwoordde de oude man.

\'Ntoni vloekte en raasde inwendig, terwijl hij tot aan de knieën in \'t water stond.

— Van avond, zeide de grootvader, vinden wij bij moeder Maruzza een helder vuur en dan drogen we ons allen lekkertjes.

Eri als \'s avonds tegen donker »de Voorzienigheidquot; huiswaarts keerde, boordevol van Gods rijken zegen, het zeil door den wind gezwollen en de lichten in de huisjes een voor een van achter de zwarte rotsen te voorschijn kwamen, alsof ze elkaar geroepen hadden, dan wees baas \'Ntoni aan zijn jongens het vuur dat bij hun moeder in de keuken brandde aan het uiteinde van het binnenplaatsje — want het muurtje was heel laag en van zee uit kon men het heele huis overzien, aan den eenen kant van de deur den oven en aan den ande-

-ocr page 18-

7

ren eenige tegels die tot een afdak voor de kippen dienden. — Ziet ge wèl, dat moeder voor een lekker vuur heeft gezorgd! — zeide hij op vroolijken toon en moeder stond reeds met de manden op den oever te wachten. Als zij die leeg naar huis moesten terug dragen dan hadden ze geen lust in babbelen — maar als er geen manden genoeg waren en Alexis naar huis moest loopen om er nog meer te halen, dan waren ze blij en grootvader zette beide handen aan den mond en riep: — Mena, kom Mena! - en Mena wist wat dat te beduiden had en ze kwamen allen aangeloopen, zij en Lia en ook Nunziata met al haar kuikens achter haar aan; dat was een feest! dan stoorde men zich niet aan wind of regen en vóór het open vuur bleven ze nog laat samen babbelen over God\'s rijken zegen, die ze door bemiddeling van den H. Franciscus verkregen hadden, en over hetgeen men met de winst zoude uitvoeren.

Maar het was een gewaagd spel dat zij speelden, want telkens stelden ze voor eenige ponden visch meer, hun leven in de waagschaal; eens scheelde het geen haar of alle Malavoglia\'s waren uit winstbejag omgekomen even als Bastianazzo. Ze voeren op de hoogte van Agnone, tegen den avond en de lucht was zoo donker, dat men zelfs den Etna niet kon onderscheiden, de wind loeide en huilde, alsof hij alleen het woord had.

— Slecht weêr, zeide baas \'Nloni. De wind draait

-ocr page 19-

8

heen en weer nog erger dan het hoofdje van een mooie meid, en de zee ziet er uit als Ganzevoet als hij een leelijke poets wil spelen.

De zee was pikzwart, hoewel de zon nog niet onder was en van tijd tot tijd kookte ze bruischend op als water in een ketel.

— Nu zijn alle meeuwen zeker gaan slapen, zeide Alexis.

— Ze hadden met dit weêr den vuurtoren te Catania wèl mogen aansteken, zeide \'Ntoni, maar er is niets van te zien.

— Houd het roer steeds links, Alexis! beval de grootvader, over een half uur zullen wij geene hand voor oogen meer zien.

— Op zoo\'n kwaden avond is het beter zitten bij Santuzza in de herberg.

— O ja, of in je bed te liggen slapen, niet waar? antwoordde de grootvader; dan hadt ge maar gemeentesecretaris moeten worden net als don Silvester.

De arme kerel had den ganschen dag gekermd van rheumatische pijnen.

— Verandering van weêr, had hij gezegd — ik voel het in mijn oude botten.

Eensklaps was het stikdonker geworden. Maar de golven, die sde Voorzienigheidquot; naderden, schitterden alsof ze oogen hadden en het schip wilden verslinden;

-ocr page 20-

9

niemand durfde meer een woord spreken te midden van die brullende zee.

Toch zeidc \'Ntoni op eens:

— Mij dunkt dat van avond onze vangst naar den duivel is.

— Zwijg! zeide de grootvader en zijne stem klonk zoo indrukwekkend in die duisternis, dat zij zich klein tegenover hem voelden.

Men hoorde den wind blazen in het zeil der »Voorzienigheidquot; en de touwen trilden als de snaren van cenc gitaar. Plotseling begon de wind te fluiten als eene locomotief, wanneer die uit den tunnel boven Trezza te voorschijn komt, meteen kwam er onverhoeds eene stortzee die sde Voorzienigheidquot; deed kraken als een zak vol noten en haar omhoog wierp.

— Strijk het zeil, strijk het zeil! schreeuwde baas \'Ntoni, snijd los, snijd los! — en \'Ntoni met het mes tusschen de tanden, kroop als een kat langs de gaffel en eindelijk schrijlings op de nok zitttende, liet hij zich onverschrokken heen en weer slingeren boven de gapende zee, die hem wilde verslinden.

— Houd je vast! houd je stevig vast! schreeuwde zijn grootvader midden onder het geraas der golven die hem van daar trachtten weg te scheuren, en srle Voorzienigheidquot; met alles wat er in was nu eens omhoog slingerden en haar dan weer zoo naar een kant deden over-

-ocr page 21-

10

hellen dat ze in de schuit tot aan de knieën in het water stonden.

— Snijd, snijd los! herhaalde de grootvader.

— Sakkerment! riep \'Ntoni. Als ik nu lossnijd, wat doen wij dan straks als wij het zeil noodig hebben ?

— Vloek niet! wij zijn in Gods hand.

Alexis, die zich aan het roer vastgeklemd had, begon, toen hij dit hoorde, te huilen en te schreeuwen:

— O, moeder! moeder!

— Zwijg! riep hem zijn broer toe, die nog altijd het mes tusschen de tanden geklemd had, zwijg of ik geef je een schop.

— Sla liever een kruis, en wees stil! zeide nu de grootvader, zoodat de jongen niet meer durfde kikken.

In eens viel het zeil met geweld naar omlaag, zoo gespannen was het geweest, bliksemsnel greep \'Ntoni het en rolde het dicht ineen.

— Je kent het handwerk even goed als je vader, zeide de grootvader tot hem. Een echte Malavoglia zijt gij ook.

De schuit richtte zich onmiddelijk in de hoogte met een ontzettenden sprong en bleef dansen op de baren.

— Geef hier het roer, zeide baas \'Ntoni, nu is er een stevige hand noodig — en niettegenstaande de jongen er ook aan geklemd bleef, kwamen er zulke golfslagen dat tusschenbeide de roerpen hen tegen de borst sloeg.

— De riemen! schreeuwde \'Ntoni, Toe Alexis! eten

-ocr page 22-

11

kunt ge flink, toon nu je kracht met de riemen, daar is nu meer mede uit te voeren dan met het roer.

De schuit kraakte onder de geweldige inspanning van dat viertal armen. Alexis zette zich schrap en roeide uit al zijne macht.

— Houd je goed! riep de grootvader van het ander end der schuit, nauwelijks kon men zijne stem boven het loeien van den wind hooren. — Houd je goed, Alex.

— Ja, grootvader, ja, antwoordde de jongen.

— Ben je bang? vroeg \'Ntoni.

— Neen, antwoordde de grootvader voor hem, maar God zij onzen zielen genadig.

— Heilige Duivel! riep \'Ntoni, van vermoeienis hijgende — men zou armen van ijzer als eene stoommachine moeten hebben. De zee is ons te sterk.

Grootvader zweeg en een oogenblik bleven ze naar den storm luisteren.

— Moeder staat nu zeker op het strand onze terugkomst af te wachten — zeide eindelijk Alexis.

— Spreek niet van moeder, zeide grootvader, \'t is beter om nu niet aan haar te denken.

— Waar zijn wij op \'t oogenblik? vroeg \'Ntoni wat later, geheel buiten adem.

— In Gods hand, antwoordde grootvader.

— Nu moet ik huilen! riep Alexis, die zich niet langer kon bedwingen. En hij begon zoo luid te huilen

-ocr page 23-

1 2

en moeder te roepen dat zijne stem boven het loeien van wind en zee uitkwam, maar niemand durfde het hem nu verbieden.

Eindelijk zeide zijn broeder, maar met zulk eene verandering in zijne stern, dat ze niet te herkennen was ;

— Je kunt wel roepen, maar niemand hoort je —ge doet beter stil te zijn. Zwijg liever, dat schreien deugt noch voor je zelf, noch voor de anderen.

— Het zeil! beval baas \'Ntoni — het roer naar den wind en dan — Gods wil gegchiede.

De wind maakte de uitvoering van dit bevel moeielijk, maar na vijf minuten zwoegens gelukte het hel; zeil te hijschen en »de Voorzienigheidquot; sprong over de baren, al lag ze als een gewonde vogel geheel op zij.

De mannen hielden zich allen aan den eenen kant vastgeklemd — geen van hen zeide een woord, want als de zee zoo luide spreekt heeft niemand het hart om den mond te openen.

Baas \'Ntoni zeide slechts even:

— Op dit oogenblik bidden ze thuis een rozenkrans voor ons.

Verder zwegen zij — door den wind en de golven voortgestuwd vlogen zij voort, terwijl het eensklaps pikduister was geworden.

— Daar is de vuurtoren — schreeuwde \'Ntoni — ziet ge hem ?

-ocr page 24-

I3

—■ Rechts! — gilde baas \'Ntuni — houd rechts! het is de vuurtoren niet, wij komen op de rotsen. Strijk! strijk!

— Ik kan niet strijken, antwoordde \'Ntoni niet eene stem die bijna onhoorbaar was door den storm en de overgroote inspanning — het touw van het zeil is nat. Een mes, Alex, een mes.

— Gauw, gauw, snijd door!

Men hoorde het geluid van iets dat vaneen scheurde *, de s Voorzienigheidquot;, die eerst op zij gelegen had, richtte zich als een losgelaten veer met zulk een ruk op, dat het weinig scheelde of allen waren in het water gesmeten; de gaffel middendoor gebroken als een riet, viel met het zeil op de schuit neer en metéén hoorde men een kreet! — ü wee! als van iemand die doodelijk getroffen was.

— Wat gebeurt er? wie heeft zoo gegild? vroeg \'Ntoni, die met het mes en zelfs met de tanden in tie weer was om het zeil, dat met de gaffel op de schuit gevallen was en alles bedekte, los te krijgen.

Op een gegeven oogenblik rukte een windstoot het zeil los en voerde het gierend en fluitend met zich mede, toen konden de beide broeders ook het zware hout verder losmaken en over boord werpen. Wederom richtte dc schuit zich op, maar wie zich niet oprichtte — was baas \'Ntoni — hij antwoordde \'Ntoni ook niet die hem bij den naam riep. Nu is er niets angstverwekkender dan,

-ocr page 25-

14

wanneer wind en zee zoo te samen razen, geen antwoord te krijgen als men roept.

— Grootvader, grootvader! riep ook Alexis — en toen zij volstrekt geen antwoord bekwamen, rezen de haren den beiden broeders te berge.

De nacht was zoo pikdonker dat men van het eene end der schuit naar het andere niet zien kon; Alexis huilde niet meer, zijn angst was daarvoor al te groot.

De grootvader lag onder in de schuit uitgestrekt, met eene wond aan het hoofd. \'Ntoni, rondtastende, vond hem in dien toestand en meende dat hij dood was, daar hij volstrekt geen teeken van leven meer gaf. Het roer sloeg om en om, terwijl de schuit geheel onbeheerd nu eens hoog opsprong, dan weder diep neerdaalde.

— O heilige Franciscus! gezegende Franciscus, help ons in den nood, riepen de beide jongens, die geen raad .meer wisten.

De heilige Franciscus, die in den storm rondging om zijne vereerders te helpen, verhoorde hun gebeden en breidde zijn mantel uit onder sde Voorzienigheidquot;, juist toen ze op punt stond van op de rotsen der kust, precies onder het douaniers wachthuisje, als een notendop uiteen te barsten. De schuit sprong als een veulen in de hoogte en viel op het droge neer met de punt naar beneden.

— Moed gehouden! riepen de kustwachters, die met

-ocr page 26-

i5

lantaarns heen en weder renden en lijnen toewierpen. Moed gehouden, wij zijn hier om u te helpen!

Eindelijk lukte het hun een der touwen over »de Voorzienigheidquot;, die als een blad lag te beven, heen te gooien — het touw trof \'Ntoni vlak in \'t aangezicht als een zweepslag, maar op dat oogenblik was het hem nog aangenamer dan eene liefkoozing.

— Hier, hier! riep hij, het touw grijpend dat hem snel en snijdend door de handen gleed, maar Alexis klemde er zich ook met alle krachten aan vast en zoodoende gelukte het hun dit twee, driemaal rond de roerpen te winden en dc kustwachters konden de schuit optrekken buiten het bereik der zee.

Maar baas \'Ntoni gaf geen teeken van leven; bij het licht der lantaarn zag men dat zijn gezicht geheel bebloed was, de kleinzoons, meenende dat hij dood was, trokken zich wanhopend de haren uit.

Een paar uren later kwamen alle leegloopers, die in de herberg verzameld waren toen de tijding er gebracht werd, met don Michiel, Rocco Spatü en Vanni Pizzuto aandraven en eindelijk na lang wrijven deed de oude man de oogen weder open. Zoodra hij wist waar hij zich bevond en dat men Trezza binnen een uur bereiken kon, wilde hij op eene ladder naar huis gedragen worden.

Maruzza, Mena en de buurvrouwen stonden samen buiten te klagen, te huilen en zich op de borst te slaan

-ocr page 27-

i6

tuen zij hem zoo zagen aankomen, uilgeslrekt op eene ladder — zoo wit als een doode.

— Niets, \'tis niets, verzekerde don Michiel, die voorop liep — \'t is maar eene kleinigheid! en hij ijlde naar den apotheker om azijngeest te halen. Don Franco kwam zelf in eigen persoon het flesehje brengen enGanzevoet met zijne vrouw Grazia, de beide Zuppiddu\'s, baas Ci-polla en de heele buurt verzamelden zich in de straat del Nero, want bij zulk een gebeurtenis vergeet men alle twisten, om slechts belangstelling aan den dag te leggen, Locca was ook aan komen loopen — overal waar er drukte was of zij geraas hoorde, zoowel bij nacht als bij dag, was zij altijd een van de eersten er bij, \'t was als of ze nooit meer sluimerde of sliep, maar altijd waakte om haren Menico op te wachten. De menschen verdrongen zich in het straatje alsof er een doode was in het huis tier Malavoglia\'s cn nicht Anna werd eindelijk genoodzaakt de deur voor aller neus te sluiten.

— Laat mij toch binnen! riep Nunziata, die half aangekleed was komen aanloopen cn nu met de vuisten op de deur stond te trommelen. Laat mij binnen, ik moet zien wat er bij buurvrouw Maruzza gebeurd is!

— Dan hadden ze ons de ladder maar niet moeten laten halen, nu ze ons niet eens vergunnen te kijken wat er binnen te doen is! zoo morde de zoon van Locca.

Juffer Zuppidda en juffer Mangiacarrubbe hadden hare

-ocr page 28-

i?

vcete vergeten, om nu vertrouwelijk vóór de deur, met de handen onder den boezelaar, te staan praten:

— Ja, ja, \'tis een baantje waarbij men gewoonlijk het leven inschiet. Iemand die zijne dochter aan een zeeman uithuwelijkt, zeide juffer Zuppidda, ziet ze op den een of anderen dag als weduwe in huis terugkomen meteen tal van weezen op den koop toe; als nu don Michiel niet allen gered had, was er geen kind of kraai der Mala-voglia\'s overgebleven. Eigenlijk is het maar het beste te beboeren tot hen die niets te doen hebben en toch hun daggeld ontvangen, zoo als don Michiel b. v., die er zoo frisch en gezond uitziet als een kanunnik en altijd in een lakensch pak loopt; iedereen maakt strijkages voor hem - tot don Franco de apotheker toe, die den koning wel zou willen verslinden — maar voor don Michiel staat te knikken en te buigen.

— \'tls niets, kwam eindelijk don Franco melden, wij hebben hem verbonden — maar als de koorts niet komt om hem lucht te geven, vreesik dat hij er mee heengaat.

Ganzevoet deed zijn recht gelden, hij behoorde als het ware tot het gezin en moest binnen gaan, zoo ook baas Fortunato Cipolla en wie nog meer, door stompen met de ellebogen, zich toegang wist te verschaffen.

— Zijn uitzien bevalt mij volstrekt niet, zeide baas Cipolla hoofdschuddend. Hoe voelt ge u, baas \'Ntoni?

— Daarom heeft baas Fortunato zijne toestenmning

II. 2

-ocr page 29-

tS

geweigerd tot het huwelijk van zijn zoon met Mena. Die vent heeft een fijnen neus, dat zeg ik! zoo sprak juffer Zuppidda, die men voor de deur had laten staan.

— Ja, ging de Wesp voort, wat een zeeman bezit is niets waard, een goed stuk grond zoo als ik heb, dat is het ware.

— Welk een nacht voor de Malavoglia\'s, zeide juffer Ganzevoet.

— Hebt ge het wel opgemerkt ? — al hun ongelukken gebeuren \'s nachts, zeide baas Cipolla, die met don Franco en Agostijn Ganzevoet het huis uitging.

— Die arme zielen! ze waren toch op zee om het lieve brood te verdienen, zeide Grazia Ganzevoet.

Gedurende eenige dagen was baas \'Ntoni er erg aan toe. Wel was de koorts gekomen zoo als de apotheker gewenscht had, maar zij werd zoo hevig dat ze den patiënt dreigde weg te nemen. De arme man klaagde niet meer, maar lag stil in een hoekje, met verbonden hoofd en ongeschoren baard. Het meest werd hij gefolterd door een onleschbaren dorst en als Mena of de Lange hem te drinken gaven, klemde hij de bevende handen om den beker, alsof hij vreesde dat die hem ontstolen zoude worden. Don Ciccio kwam iederen ochtend, verbond de wond, voelde den pols, keek naar de tong en ging dan hoofdschuddend heen.

Op een avond schudde don Ciccio zelfs zoo bedenkelijk

-ocr page 30-

19

het hoofd dat men de kaars liet branden, de Lange plaatste het beeldje van de H. Moeder der Smarten er achter en de heele familie knielde vóór het bed van den kranke om den rozenkrans te bidden — hij wilde zelfs geen water meer hebben en haalde nog slechts met moeite adem, — niemand ging naar bed, Lia zelfs niet, die van slaap niet meer uit de oogen kon zien en vreeslijk geeuwde. Een onheilspellende stilte heerschte in huis, zoodat als een voorbijgaande kar de glazen, die op de tafel stonden, deed rinkelen, de heele familie, die bij den zieke waakte, opschrikte. Zoo ging de gansche volgende dag voorbij, de buurvrouwen stonden buiten bij de deur zachtjes onder elkaar te babbelen en telkens naar binnen te gluren als die geopend werd, om iets te zien van wat er gebeurde.

Tegen den avond verlangde baas \'Ntoni al de zijnen één voor één te zien — hij keek ze met matte oogen aan — en wilde weten wat de dokter gezegd had. \'Ntoni stond bij het bed te huilen als een kind, want de jongen had een goed hart, dat was ontegenzeglijk.

— Schrei zoo niet, zeide zijn grootvader tot hem.— Schrei nu niet. Gij zijt nu liet hoofd van hel gezin. Denk dal je voor allen zorgen moet en handel zoo als ik gedaan heb.

De vrouwen begonnen te snikken en zich de haren uit te rukken tot zelfs de kleine Lia, toen ze hem aldus

-ocr page 31-

hoorden spreken, want vrouwen toonen in zulk een geval weinig verstand; ze zagen niet in hoe moeielijk het den armen man werd gemaakt, nu ze misbaar maakten als of hij reeds stervende was. Hij ging echter met zwakke stem voort;

— Als ik er niet meer zijn zal moet ge geen groote onkosten maken. De Heer weet dat we niet veel uit kunnen geven en zal zich tevreden stellen met den rozenkrans, die Maruzza en Mena voor mij zullen bidden. Gij, Mena, ga voort met te handelen zoo als uwe moeder steeds heeft gedaan, zij is altijd een brave vrouw geweest; zij heeft wat ongelukken beleefd! houd je zusje onder je vleugels als eene klokhen hare kiekens. Zoo lang als ge elkaar blijft helpen, zullen de beproevingen u minder zwaar drukken. \'Ntoni is thans volwassen en weldra zal ook Alexis in staat zijn ulieden te helpen.

— O zeg dat niet — spreek toch niet zoo, smeekten al de vrouwen snikkende, even alsof hij ze uit eigen beweging wilde verlaten.

Treurig schudde hij het hoofd en sprak gelaten:

— Nu ik ulieden bedaard alles heb kunnen zeggen, zoo als ik wenschte, kan ik er in berusten. Ik ben oud. Als er geene olie meer in de lamp is, gaat het licht uit. Keert mij nu naar den muur, want ik ben moe.

Later riep hij nog \'Ntoni en zeide hem :

— Verkoop de «Voorzienigheidquot; niet, al is zij oud;

-ocr page 32-

ge zoudt genoodzaakt zijn voor een ander te gaan werken — en je weet niet hoe hard het valt als baas Cipolla of oom Cola tegen je zeggen: — Neen, tegen Maandag heb ik niemand noodig. En, \'Ntoni, ditwensch ik je nog op het hart te drukken: als je een beetje gespaard hebt, moet je eerst Mena uithuwelijken, aan een braven kerel, aan iemand die hetzelfde ambacht uitoefent als je vader, en ik wilde je ook nog zeggen dat als ge Lia ook zult hebben uitgehuwelijkt, gij dan moet sparen en op zij leggen om het huis met den mispel terug te koopen. Oom \'Crucifix zal het je wel met een kleine winst ver-koopen, want het heeft altijd aan de Malavoglia\'s behoord en uit dat huis heb ik je vader zaliger en dien braven jongen, je broeder Lucas, heen zien gaan.

— Ja, grootvader, ja, grootvader, beloofde \'Ntoni al weenende.

Alexis luisterde ook aandachtig alsof hij reeds volwassen was. De vrouwen dachten dat de zieke ijlende koorts had, omdat hij zoo aanhoudend praatte en wilden hem natte omslagen om hét hoofd leggen.

— Neen, neen, zeide baas \'Ntoni, ik ben best bij \'t hoofd. Ik wil alles met ulieden bespreken en beschikken vóór ik heenga.

Ondertusschen begon men al eenig leven te bespeuren in het dorp, enkele karren rolden reeds voorbij en de visschers riepen elkaar toe, van de eene deur naar de andere.

-ocr page 33-

— Goed, zeide baas \'Ntoni, over twee uur zal het dag zijn, dan kunt gijlieden don Jan Marie gaan halen.

Met angst en beving wachtten de arme lieden den dageraad af, telkens openden ze een kier van het luik om naar den hemel te kijken; eindelijk werd het licht in het kamertje en andermaal zeide baas \'Ntoni:

— Haalt mij nu den priester, ik wil biechten.

Toen don Jan Marie kwam was de zon al een eind wegs boven de kimmen en al de buurvrouwen, toen ze het belletje hoorden gaan langs de straat del Nero, liepen naar buiten, om te zien hoe het Allerheiligste gebracht werd bij de Malavoglia\'s en drongen mede naar binnen want, dat staat vast, waar het H. Sacrament binnengebracht wordt, mag men de menschen niet buiten sluiten — maar de arme Malavoglia\'s, toen ze hun huis weer vol menschen zagen, durfden niet eens meer naar hartelust huilen en aan hun wanhoop bot vieren. Don Jan Marie prevelde binnensmonds, terwijl mêester Cirino, de koster, een brandende waskaars bij den zieke hield, dien armen man, die er al even geel en uitgedroogd als die waskaars uitzag.

— Hij lijkt precies op den heiligen Patriarch Jozef, op dat bed met dien langen, witten baard. Gelukkig hij! herhaalde Santuzza, die bij dergelijke gelegenheden haar herberg in den steek liet en altijd ging waar de

-ocr page 34-

Lieve Heer in huis gebracht werd. — Precies eene raaf, zeide de apotheker van haar.

De dukter, don Ciccio, kwam, terwijl de vicaris daar nog met het H. Sacrament was; eerst wilde hij zijn ezeltje omwenden en dadelijk wegrijden.

— Wie heeft jelui gezegd dat hier de priester van noode was? Wie is het laatste oliesel gaan vragen? dat moeten wij, dokters, beslissen, wanneer het tijd daarvoor is; ik verbaas mij over den vicaris, die zonder het briefje van den dokter, gekomen is met het Heilige Sacrament. En, wilt ge nu weten hoe het met hem is? Hij had het laatste oliesel niet noodig, want ik zeg je, dat het beter met hem gaat.

— O ! dat is een wonder van de H. Moeder der Smarten ! riep de Lange. De H. Maagd heeft een mirakel voor ons willen doen! — omdat de Heer reeds te dikwijls gedragen is in dit arme huis.

O! gezegend zij de H. Maagd, bad Mena met gevouwen handen, o Maagd Maria, gij hebt ons willen redden!

Allen huilden van blijdschap en waren zoo uitgelaten, alsof de zieke zoo maar dadelijk in staat zou zijn om zich op 5de Voorzienigheidquot; in te schepen.

Don Ciccio ging brommende heen:

— Dit is nu de dank dien ik krijg! Blijven ze in het leven dan heeft de Maagd een mirakel gedaan, maar als ze sterven, dan heet het dat ik ze heb vermoord.

-ocr page 35-

2 4

De buurvrouwen stonden nog voor haar deur om tien doode uit te zien dragen — dit kon elk oogenblik gebeuren, meenden zij. Ach, ach, die arme man! zeiden ze.

Juffer Zuppidda merkte daarentegen op:

— Het leven schijnt wèl in dien ouden verroeat — hij is zoo taai als ecne kat. Hier staan wij nu sedert twee dagen gedurig tc vragen, sterft hij of sterft hij niet ? Let op mijne woorden, hij overleeft ons nog allen, zoo velen als wij hier staan.

üe vrouwen staken den wijsvinger en de pink uit, bij wijze van horons, om zich tegen deze voorspelling te behoeden.

-- Het zij verre, ik ben dochter van Maria, zeide de Wesp, die ten overvloede ook de medaille der II. Maagd te voorschijn haalde en eerbiedig kuste.

Juffer Zuppidda ging voort:

— Gij ten minste hebt geene dochters om uit te huwelijken, zoo als ik; als ik eens kwam te vallen zou het een geducht verlies zijn!

De anderen lachten, want de Wesp behoefde zich zelve slechts uit tc huwelijken cn had het toch nooit zoo ver kunnen brengen.

— Wat dit betreft, antwoordde nicht Anna, dan zou baas \'Ntoni het grootst verlies van alle zijn, hij is de steunpilaar van het gansche huis. Die lummel van een \'Ntoni is wel geen kind meer (allen haalden de schouders

-ocr page 36-

25

op) maar als de oude man kwam te vallen, dan zondt ge eens zien hoe dat heele huis in duigen viel.

Nu kwam Nunziata vlug aangestapt met een emmer vol water op het hoofd:

— Plaats, plaats! bij vrouw Maruzza wachten ze op het water; ik heb haast, als mijne kinderen eens aan het spelen gaan laten ze mijne zaken midden op straat staan.

Lia kwam voor de deur en deelde mede;

— Grootvader is beter. Don Ciccio heeft gezegd dat hij ditmaal niet sterven zal.

liet kind was wat trotsch dat alle buurvrouwen naar haar stonden te luisteren alsof zij een groot mensch was.

Alexis kwam buiten en zeide aan Nunziata:

— Nu gij hier zijt, ga ik even kijken hoe het met sde Voorzienigheidquot; staat.

— Deze jongen beeft meer overleg dan dc oudste, zeide nicht Anna.

— Don Michiel zal wel dc medaille krijgen, omdat hij het touw aan de Voorzienigheidquot; heeft toegeworpen, meende de apotheker. Daaraan is ook een jaarlijkscbe toelage verbonden. Och ja! zoo wordt het geld verkwist, dat het volk moet opbrengen.

Ganzevoet nam partij voor don Michiel en beweerde dat hij èn medaille èn toelage dubbel en dwars verdiende — hij had zich te water begeven, nog wel met

-ocr page 37-

20

zijn groote laarzen aan en was er tot boven de knieën in geweest, — hij had het leven van drie menschen gered — dunkt u dit misschien weinig ? het scheelde geen haar of hij zelf had er het leven bij gelaten.

Er werd zoo veel over gesproken dat op den volgenden Zondag, toen hij zijn nieuwe uniform had aangetrokken, de meisjes hem met de oogen veTslonden, uil belangstelling en ook om te zien of de medaille op zijne borst gehecht was.

— Nu Barbara Zuppidda zich dien kwajongen van de Malavoglia\'s uit den zin gezet heeft, zal zij don Michiel den rug niet langer toedraaien, meende Ganzevoet, ik zelf heb gezien dat ze met één oog tusschen de reet van de luiken stond te gluren toen hij voorbij kwam.

Als don Silvester dit hoorde, zeide hij op knorrigen toon aan Vanni Pizzuto:

— Daar hebt ge veel mee gewonnen, dat ge \'Ntoni van baas \'Ntoni uit den weg geruimd hebt! nu heeft Barbara slechts oogen voor Don Michiel.

— Dat zal niet lang duren, het zal spoedig voorbijgaan, want hare moeder kan geen gendarme, leegloopcr of vreemdeling uitstaan.

— Dit staat nog te bezien! Barbara is drie en twintig jaren oud en als zij zich in het hoofd gaat zetten dat ze van den tand raakt — dan neemt ze hem goed- of kwaadschiks. Wil je wedden dat ze met elkaar al aan het

-ocr page 38-

27

venster staan te praten? En hij haalde een nieuw stuk van vijf lire te voorschijn.

— Ik wil niet wedden, dank je hartelijk, antwoordde Pizzuto met een schouderophalen. Het kan mij ook gecne lor schelen.

Ganzevoet en Rocco Spatü, die er bij stonden, gierden van \'t lachen.

— Welnu, al wilt ge niet wedden, zal ik het jelui tocli voor niet laten weten, vervolgde Don Silvester, die zich gestreeld voelde. Hij ging in gezelschap van de anderen een praatje maken vóór de herberg met oom Santoro.

— Wel, oom Santoro, heb je lust vijf lire te verdienen? cn hoewel de man blind was, haalde don Silvester het nieuwe muntstuk weder te voorschijn. — De zaak staat zoo — wij zullen om 5 lire wedden dat de brigadier don Michiel \'s avonds bij Barbara aan het raam gaat praten. Wilt gij die vijf lire verdienen ?

— O heilige zielen van \'t vagevuur — zeide oom Santoro en hij kuste zijn rozenkrans, terwijl hij met aandacht luisterde, maar hij was onrustig en bewoog de lippen op en neer, zoo als een jachthond die een schop vreest het met de ooren doet.

— Altemaal vrienden, vrees niet, voegde don Silvester meesmuilend er bij.

— Het zijn vriend Agostijn cn Rocco Spatü, zeide

-ocr page 39-

28

de blinde, nadat hij nog even nauwlettend had geluisterd.

Hij herkende allen die voorbij de heiberg kwamen aan hun gang, of zij schoenen aan hadden dan welbarvocts liepen en zeide steeds: Gij zijt deze of gene — zonder zich ooit te vergissen, en daar hij altijd daar stond, bereid met ieder een woordje te wisselen, wist hij bijna alles wat er op het dorp voorviel. Nu, om die vijf lire te krijgen, riep hij de kinderen telkens tot zich, als hij Alexis of Lia voorbij hoorde komen, wanneer zij wijn haalden voor het avondeten en dan was het een vragen: — Waar gaat gij heen? waar komt gij vandaan? \'Wat hebt gij heden gedaan? — of wèl — Hebt gij don Michiel gezien? Komt hij wel eens door de straat del Nero?

Wat \'Ntoni betreft, die arme jongen had zich het vuur uit de schoenen geloopen, zoolang er reden voor bestond. Maar nu grootvader weer aan de beter hand was kuierde hij veel op straat met de handen in den zak, zoolang tot ze weer sde Voorzienigheidquot; bij meester Zuppiddu den kalfateraar konden brengen; of hij ging wat zitten praten in de herberg, vertering kon hij er niet maken daar hij geen cent op zak had, maar hij kon vertellen van hoe nabij ze den dood onder de oogen gezien hadden en als de een of ander hem soms op een glas wijn trakteerde, liet hij zich uit over don Michiel, hoe die hem zijn meisje had afgevreeën en hoe

-ocr page 40-

2Q

deze nu eiken avond vó6r Barbara\'s raam ging praten, dat wist hij van oom Santoro die het gezien had; oom Santoro had zelf gevraagd aan Lia of don Michiel niet door de straat del Nero kwam: — Maar bij alle duivelen, ik heet geen \'Ntoni Malavoglia als ik hem geene loer draai! Bloed van Judas!

Het vermaakte hun om hem zoo woedend te zien worden, daarom trakteerden ze hem. Santuzza wendde, terwijl zij de glazen spoelde, haar hoofd af, om de vloeken en ruwe woorden, die gebezigd werden, niet te hooren, maar, als zij merkte dat het gesprek over don Michiel liep, vergat zij dit te doen en luisterde aandachtig; als de kinderen nu wijn kwamen halen gaf ze hun appelen of groene amandelen om ze uit ie hooren wie er zoo al gezien werd in de straat del Nero.

Don Michiel zwoer bij kris en kras dat het niet zoo was, maar \'s avonds laat, als de herberg reeds gesloten was, hoorde men er een helsch cabaal en de stem van Santuzza die iemand binnen uitmaakte voor:

— Leugenaar! Dief! Moordenaar! Gods vijand!

Het liep zoo hoog dat don Michiel zich niet meer in de herberg liet zien; want om des vredes wil verkoos hij liever den wijn te laten halen en dien in zijn eentje in den winkel van Pizzuto op te drinkeft.

Boer Filippo, in plaats van blij te zijn dat zijn medeminnaar afgewezen was, trachtte het onmogelijke te doen

-ocr page 41-

om eene verzoening tot stand te brengen, maar liet was vergeefsche moeite.

— Spreek er mij niet over, zeide Santuzza — ziet ge niet hoe hij ons vermijdt — dat is wel een bewijs dat het waar is — ik wil er niet meer van hoeren, al moest ik mijne herberg sluiten en mijn leven lang kousen breien !

Dan probeerde Filippo het met don Michiel, maar die was ook al koppig als een muilezel en de toenadering scheen onmogelijk.

Eensklaps ging Santuzza, met haar mantel om, naar de kerk om te biechten, niettegenstaande het Maandag was en de tapperij vol klanten. Gewoonlijk ging Santuzza eiken Zondag biechten, dan bleef zij wel een uur geknield voor den biechtstoel, want zij hield hare conscientie gaarne rein, zoo rein als de glazen die ze zoo zorgvuldig spoelde, maar zoo lang als het ditmaal duurde was nog nooit geschied en Donna Rosolina, de zuster van den vicaris die ook heel dikwijls biechtte, eigenlijk omdat zij op haar broer jaloersch was en een oog in het zeil wilde houden, kon zich niet begrijpen hoe het mogelijk was dat Santuzza zoo veel op het geweten had en den vicaris zoo lang ophield; meer dan vijfmaal had hij zich gedurende de biecht den neus gesnoten. Aan tafel gekomen kon zij zich niet langer bedwingen en vroeg hem:

— Wat is er toch gaande met Santuzza?

-ocr page 42-

3\'

— Niets, niets, antwoordde de vicaris en hij stak haar zijn bord toe.

Maar zijne zuster kende zijn zwak en, in plaats van op te scheppen, liet zij het deksel op de soepterrine en bleef hem met vragen bestormen, tot hij eindelijk schoorvoetend zeide dat het een geheim was, in de biecht medegedeeld. Hij slikte, over zijn bord gebukt, zoo haastig de macaroni in alsof hij sedert twee dagen geen eten had gehad en bromde binnensmonds dat hij van zulk een maal geen wil zou hebben, waarom kon men hem ook nooit met rust laten ? Daarop nam hij hoed en mantel en ging een bezoek brengen bij juffer Zuppidda.

- Daar moet wat achter zitten! sprak donna Rosa bij zich zelve. Er is zeker iets raars voorgevallen tusschen Santuzza en Venera, dat mijn broeder onder het geheim van de biecht is medegedeeld. Ik moet opletten hoe lang hij wel bij Venera blijft.

Juffer Zuppidda geraakte in blinde woede over de boodschap .die Santuzza haar door don Jan Marie zond, zij begon te razen en te tieren, zij wilde niet hebben wat een ander toebehoorde; van het balkon schreeuwde ze, in de hoop dat Santuzza liet zou hooren, dat als don Michiel bij haar voorbij kwam zij hem de oogen, met het spinrokken dat ze in de hand hield, uit zou steken, in weerwil van het pistool dat hij in den gordel droeg — want voor pistolen was zij niet bang, waarlijk niet! en

-ocr page 43-

32

hare dochter zou zij niet geven aan zoo\'n leeglooper, een spion, die bovendien de vrijer was van Santuzza — ja, dat had don Jan Marie zelf gezegd, wel onder het geheim van de biecht, maar daar gaf zij wat om, om dat geheim, als het hare Barbara gold — en zij sloeg zoodanig door en gebruikte zulke vuile taal dat èn de

O O

Lange èn nicht Anna beiden, haar deur moesten sluiten uit vrees dat de meisjes het zouden hooren.

Meester Cola Zuppiddu vond noodig om zich niet onbetuigd te laten; ook hij schreeuwde:

— Als ze mijn kind aanraken! wel goede God, ik zou eene misdaad begaan! Ik ben niet bang voor don Micbiel, noch voor boer Filippo, noch voor rle heele bende van Santuzza\'s vrijers.

Maar zijne vrouw gebood hem te zwijgen:

—■ Jij weet toch van niets.

Op het dorp werd schrikkelijk veel gebabbeld over dit geval, maar Ganzevoet, die don Silvester indertijd had hooren zeggen dat hij niet zou rusten voor Barbara hem als een rijpe peer voor de voeten viel, fluisterde:

— \'t Is alles op touw gezet door don Silvester, die denkt op zoo\'n manier nog met Barbara te gaan strijken.

Baas \'Ntoni was intusschen aan de beterhand; men zette hem bniten in de zon, in zijn mantel gewikkeld, een doek om het hoofd gebonden leek hij wel Lazarus

-ocr page 44-

die van de dooden was opgestaan; de menschen gingen hem als iets zeldzaams bekijken, en hij knikte dezen en genen toe, net een papegaai en glimlachte; hij voelde zich gelukkig daar bij de deur te kunnen zitten terwijl Maruzza naast hem spon; Mena kon men aan haar weefstoel hooren arbeiden en de kippen op straat zien wroeten en krabben.

Nu hij toch niets anders te doen had, had hij al de kippen een voor een leeren kennen, hij sloeg ze gade en wist precies wat zij deden; voor tijdverdrijf luisterde hij ook naar de stemmen der buren.

— Dat is buurvrouw Venera, die haar man de les leest. — Dat is nicht Anna, die aan de fontein komt.

Dan keek hij naar de schaduw die de huizen wierpen en als de zon niet meer scheen op zijn huis droegen ze hem naar den overkant — hij leek wel de hond van meester Tuni die altijd den zonneschijn opzocht om zich te slapen te leggen.

Eindelijk toen hij weer kon staan, bracht men hem op het strand, want hij vond het prettig om daar de bedrijvigheid te zien en nu en dan te dutten, gezeten op de stee-nen dicht bij de schuiten; hij zeide dat de zilte lucht de maag goed deed en schepte er behagen in de bijzonderheden van de vischvangst te vernemen. De vrienden stonden hem even te woord en zeiden troostend:

— Er is nog olie in de lamp, niet waar baas \'Ntoni ?

II. 3

-ocr page 45-

34

\'s Avonds als allen thuis waren en de deur gesloten was, begon Maruzza den rozenkrans te bidden; dan keek hij ze allen een voor een aan, ook het vertrek, het kastje met het beeldje van den goeden Herder en het tafeltje met de lamp er op; telkens zeide hij:

— Ik kan het niet genoeg zeggen hoe gelukkig ik ben nog bij jelui allen te zijn.

Maruzza zeide dat de groote schrik een ganschen ommekeer bij haar teweeg had gebracht en zij nu niet meer onophoudelijk die twee, die ze had moeten verliezen, voor oogen had — de verandering was zoo sterk, dat zij het aan don Jan Marie ging biechten. Maar hij gaf haar absolutie, zeggende dat het altijd zoo was, dat het eene leed het andere verdrong, dat de Heer dat zoo verordend had daar Hij niet wilde dat alle doornen te gelijk in het hart der zijnen zouden dringen — anders zoude men wel van verdriet moeten sterven.

\'T is waar ze had haar man verloren, haar zoon was verdronken, zij was uit haar huis gezet, maar nu had zij toch groote reden tot dankbaarheid, ze had dokter en apotheker kunnen betalen en was niemand meer iets schuldig.

Langzamerhand was grootvader weer zoo ver hersteld, dat hij zeide:

— Geef mij wat te doen, zoo kan ik het niet langer uithouden.

Eerst begon hij de netten te verstellen, dan nieuwe

-ocr page 46-

35

te breien; met behulp van zijn stokje bereikte hij de werkplaats van baas Tino om »de Voorzienigheidquot; te bekijken en bleef zich daar in den zonneschijn koesteren. Eindelijk had hij het zoo ver gebracht, dat hij zich weer met de jongens kon inschepen.

— Precies katten zijn die Malavoglia\'s — ze komen altijd weer op de pooten terecht, zeide juffer Zuppidda.

De Lange had een soort uithangbordje aan de voordeur geplaatst, waarop vermeld stond dat ze binnen,chinaas-appelen, noten, harde eieren en gezouten olijven verkocht.

— Binnenkort zullen we nog beleven dat ze wijn gaan verkoopen, zeide Santuzza — nu, wat mij betreft, het doet mij genoegen, want het zijn godvreezende lui, dat moet gezegd worden.

Maar baas Cipolla trok minachtend de schouders op als hij door de straat del Nero kwam, voorbij het huis der Malavoglia\'s die nu winkeliers wilden worden. De handel ging goed, omdat de eieren altijd versch waren en Santuzza zond wel eens om olijven bij de Lange, als er klanten bij haar waren die geen dorst hadden. Zoodoende hadden ze stuiver bij stuiver verdiend en Zuppiddu betaald, die nogmaals sde Voorzienigheidquot; opgelapt had; de arme schuit leek nu niet eens nieer een ouden schoen, eerder een oude slof. Toch kon men opsparen, al was het nog zoo weinig. Ze hadden een flinke partij vaatjes

-ocr page 47-

36

en eene provisie zout opgedaan tegen den tijd dat de H. Franciscus de ansjovis zou zenden, ook was er een nieuw zeil voor de schuit gekocht en toch was er nog eenig geld in de latafel.

— Wij doen net als de mieren, zeide baas \'Ntoni.

Dagelijks telde hij het geld na en ging dan om het

huis met den mispel kuieren, de handen op den rug, maar met opgeheven hoofd. De deur was gesloten, de musschen tjilpten en vochten op het dak, de wijngaardranken slingerden zachtjes heen en weer over het venster.

Dc oude man trok zich met moeite tegen den muur van den tuin op, om te kijken naar de uien die hij er gezaaid had en die nu als in eene wolk van witte pluimen gehuld stonden en hij liep oom Crucifix telkens na om hem wel honderdmaal te herhalen:

— Dat huis, weet je oom Crucifix, moet je ons weer verkoopen als wij het geld bijeen kunnen brengen, want het heeft altijd aan de Malavoglia\'s behoord en ieder vogeltje heeft zijn eigen nest lief en ik zou willen sterven daar, waar ik geboren ben. Gelukkig hij, die in zijn eigen bed mag sterven.

Oom Crucifix bromde dan maar iets tusschen de tanden, ten einde zich niet te binden; intusschen liet hij aan het huis nu een paar nieuwe pannen en dan wat kalk aanbrengen, om er den prijs van te verhoogen.

-ocr page 48-

37

Ecu anderen keer stelde oom Crucifix hem weder gerust:

— Zeker, zeker, wees maar niet bang. Het huis loopt niet weg. Je moet het maar in \'t oog houden, zoo als ieder het zijn eigen belangen moet doen, — Eens voegde hij er bij: Trouwt gij uwe Mena niet uit?

— Ik zal haar uithuwelijken zoodra God het mij toelaat, antwoordde baas \'Ntoni. Al was het morgen aan den dag, wat mij betreft.

— In uw geval gaf ik ze aan Alfio Mosca, een braven jongen, eerlijk en ijverig; hij zoekt overal eene vrouw, dat is zijn eenige fout. Men zegt dat hij weldra hier terug komt en dat het je kleindochter geldt.

— Loop heen! ze vertellen dat het voor je nicht de Wesp is, dat hij komt.

— Begint gij nu ook! gij nu ook! schreeuwde Hou-tenbel. Wie zegt het ? Praatjes, altemaal praatjes. Het weiland van mijne nicht, dat zoude hij wel willen, anders niet. Het zou wat mooi\'s zijn! Wat zoudt gij wel zeggen als ik je huis aan een ander verkocht?

Ganzevoet, die eeuwig op de markt stond en zoodra als er twee samen praatten zich in het gesprek mengde, zeide;

— Voor het oogenblik heeft de Wesp het te druk met Brasi Cipolla nadat zijn huwelijk met Mena afgesprongen is; ik heb rnet mijn eigen oogen gezien dat ze

-ocr page 49-

samen het paadje langs den bergstroom opliepen — ik was er heen gegaan om een paar gladde kiezelsteenen te zoeken, die ik noodig had; zij trachtte hem op alle manieren te vangen! ge hadt het moeten zien! de punten van haar hoofddoek over den kin getrokken, zeide zij tot hem: — Bij deze gebenedijde medaille kan ik hetu heilig verzekeren dat er niets van aan is, volstrekt niets. O, hoe is het mogelijk zulke praatjes uit te strooien, gij maakt mij ziek als gij mij plaagt met dien ouden bullebak van een oom! — Zij sprak over u, oom Crucifix, begrijp mij wèl; en dan liet ze hem hare medaille betasten, gij weet waar zij die draagt?

Houtenbei hield zich doof en schudde met het hoofd.

Ganzevoet ging met zijn verhaal voort: —Brasi vroeg toen — Wat zullen we doen? — Dat weet ik niet, wat gij doen wilt, antwoordde de Wesp, maar als het waar is dat gij mij lief hebt zult ge mij toch niet zoo laten zitten, want als ik je niet zie is het alsof mijn hart vaneengescheurd wordt als een geschilde chinaasappel, en als ze u met een andere laten trouwen, dan zweer ik u bij deze heilige medaille dat er iets akeligs op het dorp gebeuren zal, ja, want dan ga ik mijzelve in zee verdrinken, zóó aangekleed als ik nu voor je sta! — Brasi krabde zich verlegen het hoofd en zeide: — Wat mij betreft, ik zou wel willen, maar wat zal vader dan wel doen ? — Laat ons vertrekken, antwoordde zij, het dorp

-ocr page 50-

39

verlaten alsof wij reeds man en vrouw waren, is dat geschied, dan zal je vader wel moeten toegeven. Hij heeft geen andere kinderen, hij kan zijne bezittingen aan niemand anders nalaten.

Nu begon oom Crucifix, zijne doofheid gansch vergetende, te schreeuwen:

—■ Wat voor volk is dat! die heks heeft zeker den duivel in het lijf. En te zeggen dat zulke meiden de medaille van de Maagd Maria op de borst dragen. Ik moet het aan baas Fortunato zeggen, dat moet ik. Ben ik een eerlijk man, ja of neen? Want waarachtig, als baas Fortunato niet oppast, zou die heks hem de poets spelen van zijn zoon te stelen; die arme man!

En hij liep als een dolle langs de straat.

— Luister eens, riep Ganzevoet die hem naliep, zeg toch niet dat ik ze gezien heb. Ik zou niet gaarne over de tong van die venijnige nicht van je komen.

In een ommezien had oom Crucifix het hcele dorp het onderstboven gezet, hij wilde zelfs don Michiel en de kustwachters op de Wesp afzenden om haar gevangen te nemen, ze was bij slot van rekening zijne nicht en hij moest op haar passen en don Michiel was aangesteld, expres, om voor de belangen van eerlijke lieden te zorgen.

De menschen hadden er schik van om baas Cipolla nu ook zoo heen en weer te zien draven, ze moesten

-ocr page 51-

lachen dat die malle zoon van hem in de netten der Wesp was geraakt, terwijl zijn vader deed alsof hij eene dochter van Victor Emanuel nauwelijks goed genoeg voor hem achtte, zoodat hij Mena Malavoglia had laten loopen zonder zelfs afscheid van haar te nemen.

Mena had er niet over getreurd dat Brasi haar had laten loopen, integendeel, nu zong zij weer vroolijk onder het weven of als zij de ansjovis gedurende de mooie zomeravonden hielp zouten. En waarlijk de H. Franciscus had een rijken zegen gezonden, de ansjovis was in zulk eene menigte gekomen zoo als het sedert jaren niemand heugde — een ruimen zegen voor het gansche dorp, de booten kwamen beladen thuis, de bemanning zong en zwaaide reeds uit de verte met de mutsen als een teeken voor de vrouwen die met de kinderen op den arm stonden te wachten.

De opkoopers kwamen in menigte uit de stad, te voet, te paard of in karretjes gezeten en Ganzevoet had nu geen tijd te verliezen, \'s Avonds op het strand was het kermis, praten en schreeuwen geen gebrek. Op de binnenplaats bij de Malavoglia\'s bleef het licht tot na middernacht branden alsof daar feest werd gevierd.

De meisjes zongen, de buren kwamen helpen, nicht Anna met hare dochters en Nunziata, want er viel voor ieder wat te verdienen en reeds stonden er vier rijen vaatjes langs den muur kant en klaar met zware steenen erop.

-ocr page 52-

4i

— Nu wenschtc ik dat juffer Zuppidda eens hier ware! zcide \'Ntoni, die op de steenen zat om met zijn gewicht ook nog mede te helpen, nu zoude zij zien dat wij ook wat bezitten en dat wij lachen kunnen om don Silvester en don Michiel.

De opkoopers liepen baas \'Ntoni met het geld in de hand na. Ganzevoet trok hem bij de mouw en fluisterde:

Maak gebruik van het oogenblik. — Maar baas \'Ntoni bleef steeds hardnekkig antwoorden: — Met Allerheiligen spreken wij elkaar nader, dan zal de ansjovis hooger van prijs zijn. Neen, ik wil mij niet binden, ik weet hoe het met die zaken gaat. — En dan sloeg hij met de vuist op de vaatjes en zeide tot zijn kleinkinderen; — Hierin zitten de koopprijs voor het huis en de bruidsschat van Mena. De H. Franciscus is mij genadig geweest, hij wil mij in vrede laten heengaan.

Daarenboven hadden ze de heele provisie voor den winter opgedaan, olie, boonen en tarwe, en van boer Filippo hadden ze reeds tegen kontante betaling een kleine hoeveelheid wijn voor de Zondagen gekocht.

Zij waren nu gerust, vader en schoondochter telden gedurig het geld na dat ze in de kous bewaarden en bekeken de dubbele rijen vaatjes op de binnenplaats, berekenend wat nog aan den koopprijs voor hèt huis ontbrak.

De Lange kende dat geld bijna stuk voor stuk: dit was gekomen van de eieren en dat van de chinaasap-

-ocr page 53-

42

pels, dit had Alexis verdiend aan den spoorweg en dat Mena met haar weefgetouw; zij zeide; Ieder heeft er wat toe bijgedragen.

— Heb ik het niet altijd gezegd, antwoordde baas \'Ntoni, om den riem te hanteeren moeten al de vijf vingers elkaar bijstaan. Nu ontbreekt slechts weinig meer.

En dan gingen ze in een hoek staan praten en keken Mena aan, die het wel verdiende dat men zich met haar toekomst bemoeide, die lieve meid, die nooit eigenzinnig was, maar altijd ijverig doorwerkte, zingende als de vogels in hun nest vóór den dageraad; slechts als zij des avonds de wagens over den weg hoorde ratelen, dacht zij aan de kar van Alfio Mosca die aan het zwerven was, wie weet waar, dan zong zij niet meer.

In het dorp zag men iedereen beladen met netren en vqor elke deur zaten de vrouwen baksteenen fijn te stampen, overal stonden vaten, \'twas een lust het te zien, een uur ver kon men reeds aan den geur gewaar worden dat de H. Franciscus zijn zegen in rijke mate over het dorp had uitgestrooid, men sprak over niets dan zout en ansjovis. In de apotheek, waar de wereld steeds geregeerd werd, stond don Franco die hun een nieuwe manier van zouten wilde leeren, zoo als hij het in een gedrukt boek gelezen had — en toen ze hem in het gezicht uitlachten, riep hij;

-ocr page 54-

43

— Zoo, stommeriken! ezels die ge zijt, en je wilt de republiek, en je wilt vooruitgang!

De menschen draaiden hem den rug toe en lieten hem praten als een gek, alsof de ansjovis niet altijd gezouten werd met zout en gestampte bakstecnen, sedert de wereld bestond.

— Dat is het gewone antwoord! Grootvader heeft het altijd zoo gedaan! schreeuwde hun de apotheker na — ezels zonder staart! wat wil men met zulk volk beginnen, ze stellen zich met dien meester Croce Giufa als burgemeester tevreden, omdat hij het altijd geweest is; ze zouden in staat zijn om de republiek niet te willen, omdat zij die nog nooit gehad hebben.

En die zelfde woorden herhaalde hij dan aan don Silvester die onder de drukste gesprekken zich altijd tevreden stelde met aandachtig te luisteren, zonder zelf den mond te openen. Men wist dat don Silvester het oneens was geworden met juffer Betta van meester Croce, omdat zij regeeren wilde en haar vader nu reeds geheel naar haar pijpen danste, zoodat hij heden zwart en morgen wit zeide, precies zoo als het in haar kraam te pas kwam; hij wist nooit iets te zeggen dan:

— Burgemeester ben ik toch, wat drommels!

Don Franco verkondigde de leer dat zonder nieuwe mannen er nooit iets goeds tot stand zoude komen, maar vooral trachtte hij ie bewijzen dat het verkeerd was om

-ocr page 55-

44

de rijken van hel dorp le kiezen, zoo als bij voorbeeld baas Cipolla, die antwoorden zou dat hij bij de gratie Gods genoeg te doen had en wel hartelijk bedankte om de gemeente voor niets te dienen; of zoo als boer Filippo die alléén dacht aan zijn land en wijngaarden en slechts de ooren had gespitst toen er sprake geweest was om de belasting van den most op te heffen.

— Versleten menschen — daarmede eindigde Don Franco met den neus in de lucht. Antidiluviaansch! In deze dagen hebben wij nieuw bloed en nieuw leven noodig.

— We zullen eenige exemplaren, expres, voor je bij den bakker bestellen, zoo dat je ze verschkrijgt, zeidc don Jan Marie spottend.

— Indien de zaken gingen zooals het behoorde, zouden wij ons in weelde baden, zeide don Silvester en daarbij bleef hij.

— Weet je wat ze hebben moesten ? vroeg de apotheker fluisterend, met een blik naar den winkel. — Menschen van ons slag, dat is het wat hun goed te pas zou komen.

En nadat hij hun dit geheim in \'t oor gefluisterd had, liep hij op de punten van zijn voeten terug naar zijn voordeur waar hij op den drempel bleef staan met den neus in de lucht en de handen op den rug, zich heen en weer wiegelend op de dunne beenen.

— Best volk zou dat zijn, bromde don Jan Marie,

-ocr page 56-

45

bij den bakker behoeft men ze niet te laten maken, van dat soort zijn er genoeg te krijgen op de galeibanken of in elke gevangenis. Ga praten met Tino Ganzevoet of met dien dronken Rocco Spatu, die stemmen in met je fraaie denkbeelden over den tegenwoordigen tijd. Ik weet maar al te goed dat men mij vijf en twintig dukaten uit huis ontstolen heeft, maar daarvoor is niemand naaide galeien of naar de gevangenis gegaan. Dat zijn de niéuwe tijden en de nieuwe zeden!

Juist kwam de vrouw van don Franco den winkel binnen met de breikous in de hand en haar echtgenoot slikte haastig in wat hij voornemens was te zeggen, hij deed als of hij slechts stond te kijken naar de menschen die water gingen putten, maar don Silvester, die niet bang was voor de sDame\'\', zeide dat er geen andere nieuwe mannen in aanmerking konden komen dan \'Ntoni van baas \'Ntoni en Erasi Cipolla.

—- Bemoei jij je maar niet met zulke zaken — hoor je! ze gaan jou niet aan, zeide op berispenden toon de vrouw van don Franco tot haren echtgenoot.

— Ik zeg immers niets, antwoordde hij zijn baard glad strijkend.

Rn de vicaris, nu hij zelf buiten schot was en eene bond-genonte gevonden had in de persoon van de »Damequot;, vermaakte hij zich met den apotheker op te hitsen en woedend te maken.

-ocr page 57-

46

— Het is wat mooi\'s! die nieuwe mannen die ge wilt aanbevelen! Weet ge wat Brasi Cipolla doet, nu zijn vader hem overal zoekt om hem de ooren te wasschen wegens die gekheid met de Wesp? hij verstopt zich nu hier dan daar als een kwajongen. Van nacht heeft hij in de sacristie geslapen en gisteren heeft mijne zuster hem een bord macaroni gebracht in den hoenderhof waaruit hij sedert 24 uren niet had durven kruipen, zelfs niet om te eten. En \'Ntoni Malavoglia, ook al een van je besten! zijn grootvader en al de anderen werken zich dood om er weer boven op te komen, terwijl hij blauwe boodschappen verzint om uit pierewaaien te gaan, of in de kroeg zit; geen haar beter dan Rocco Spatü is hij!

En zoo ging de vergadering uiteen, £\'.ls gewoonlijk, zonder iets te hebben afgedaan, daar iedereen bij zijn eigen meening bleef, daarenboven werd ditmaal don Franco door de tegenwoordigheid zijner vrouw verhinderd , zijn gevoelen naar hartelust te uiten.

— Zie je nu wel dat don Silvester meer verstand heeft dan jij, zeide de Dame tot haar echtgenoot, terwijl hij den winkel sloot, hij is een man die haar op de tanden heeft en toch houdt hij binnen wat hij zou kunnen zeggen, hij weet te zwijgen. Ieder weet dat hij de vijf en twintig dukaten aan donna Rosolina onttroggeld heeft, maar niemand zegt hem dat in \'t aangezicht, aan zoo\'n man

-ocr page 58-

47

durft men dat niet, maar jij bent een gek en een babbelaar en je zult je eigen belangen nooit weten te behartigen. Babbelkous!

— Maar wat heb ik dan gezegd ? klaagde de apotheker, die achter zijne vrouw de trap opging met het licht in de hand. — Weet ge dan wat ik gezegd heb?

Echter waagde hij niet zijn gekkepraat, waar kop noch staart aan te vinden was, haar te herhalen, zij wist dus alleen dat don Jan Marie verontwaardigd heen was gegaan, een kruis slaande en brommende:

— Een fraai geslacht dat van de nieuwe mannen, zoo\'n \'Ntoni Malavoglia, die op dit uur van den nacht nog hier of daar rondzwerft.

-ocr page 59-

ens op zekeren dag dat \'Ntoni Malavoglia weer er op uit gegaan was, ontmoette hij een ^ paar jongelieden die eenige jaren te voren zich ingescheept hadden te quot;Riposto, om fortuin te zoeken en nu terug waren gekeerd van Trieste of van Alexandrië in Egypte, van heel ver ten minste, en ze maakten veel vertering en lawaai in de herberg, nog meer dan baas Cipolla of baas Naso de slager; ze zaten schrijlings op de tafels, plaagden de meisjes en schertsten met haar, en in eiken zak van hun jas stak een zijden zakdoek — het gansche dorp was door hen in opschudding gebracht.

Toen \'Ntoni \'s avonds thuis kwam vond hij slechts de vrouwen die eerst de pekel van de vaatjes nog eens hadden ververscht en toen nog een uurtje met de buren bleven keuvelen, of voor tijdverdrijf oude vertelsels en raadsels opdischten, goed om de kinderen te vermaken, die er slaapdronken naar luisterden. Baas \'Ntoni zat er ook bij, hij knikte haar toe die het mooist\' wist te vertellen of het snuggerst te raden.

-ocr page 60-

49

— Het schoonste verhaal, zeide \'Ntoni, is dat van de vreemdelingen, die heden hier zijn aangekomen, zijden zakdoeken hebben ze meer dan men gelooven kan, en geld! zonder het zelfs aan te zien geven ze het zoo maar uit. De halve wereld hebben ze rond gereisd, Trezza en Aci Castello te zamen zijn nog niets in vergelijking van hetgeen zij gezien hebben. Nu, zoo veel weet ik er ook van, want dat heb ik zelf gezien, dat daar ginder de men-schen den ganschen dag doorbrengen met pret maken, in plaats van altijddurend ansjovis te zouten; en vrouwen in zijden japonnen, met meer ringen en sieraden aan dan de H. Maagd van Ognina, loopen langs de straten om de knapste zeelui uit te pikken.

De meisjes keken de oogen uit en baas \'Ntoni luisterde even aandachtig als bij het uitleggen van een moeilijk raadsel.

— Ik, zeide Alexis, die voorzichtig de vaten afschuimde en ze dan aan Nunziata reikte, wil als ik groot ben met jou trouwen.

— Dat is nog ver in het verschiet, antwoordde Nunziata met een efifen gezicht.

— Het moeten steden zijn nog grooter dan Catania, ieder die er niet goed bekend is verliest er den weg en raakt buiten adem, van het lange loopen tusschen twee rijen huizen, zonder zee of land te zien.

— Ja, daar is de grootvader van Cipolla ook geweest,

n. 4

-ocr page 61-

zeide nu baas \'Ntoni, daar beeft hij zijn geld verdiend. Hij zelf is nooit te Trezza teruggekeerd, hij zond het geld aan zijne kinderen.

— Arme man! zeide Maruzza medelijdend.

— Laat eens zien of je dit raadt, zeide Nunziata, 2 kijkers, 2 stekers, 4 klompen en één bezem.

— Een os, antwoordde onmiddelijk Lia.

— Dat hadt ge zeker al meer gehoord, want je hebt dadelijk geraden, zeide de broeder.

— Daarheen zou ik ook willen gaan, zoo als baas Cipolla, om rijk te worden, zei \'Ntoni.

— Kom, kom, denk daar niet aan, zeide grootvader die in zijn schik was over al die gevulde vaatjes — nu moeten wij de ansjovis zouten.

De Lange keek haar zoon aan zonder te spreken, maar met een bezorgd hart, want telkens als zij van heengaan hoorde, kwamen haar de lievelingen, die nooit terug waren gekomen, voor den geest.

Het aantal vaatjes langs den muur groeide steeds aan en toen baas \'Ntoni er weer een op zijne plaats had gezet, met de steenen er op, zeide hij:

— Zie zoo! met Allerheiligen is dat alles geld.

\'Ntoni lachte even hoonend als baas Fortunato het

doen kon, als men hem over de welvaart van een buurman sprak.

— Geld, bromde hij, dat zal wat zijn, en hij moest

-ocr page 62-

5\'

telkens weer denken aan die twee vreemdelingen, die in de herberg zulk een hoogen toon aansloegen en \'t geld in den zak lieten rammelen. Zijne moeder keek hem aan alsof ze zijne gedachten lezen kon, het onschuldige schertsen waarmede de anderen voortgingen, deed haar niet meer lachen.

— Hij, die deze ansjovis eten zal, zoo begon nu nicht Anna te zeggen, moet de zoon van een gekroonden koning zijn, zoo schoon als de zon; gedurende één jaar, ééne maand en één dag zal hij voortrijden op zijn witten schimmelhengst tot hij komt bij een betooverde fontein, overvloeiende van melk en honig, en daar van zijn paard afgestegen om te drinken zal hij den vingerhoed mijner dochter Mara vinden, die er door de feeën gebracht werd, nadat mijne Mara dien onder het waterscheppen hier in de wel heeft laten vallen, en de koningszoon, drinkende uit den vingerhoed, zal verliefd worden op Mara; dan zal hij weder rijden één jaar, ééne maand en één dag tot zijn witte schimmelhengst hem brengen zal te Trezza en daar zal hij stilhouden bij de waschplaats, waar mijne dochter Mara dan het linnen zal staan spoelen; de koningszoon zal haar een ring aan den vinger steken en zal met haar trouwen;, dan neemt hij haar achter op zijn paard en rijdt met haar weg naar zijn koninkrijk.

Alexis luisterde met open monrl als of hij reeds zag

-ocr page 63-

52

hoe de koningszoon, Mara van nicht Anna op het witte paard wegvoerde.

— En waarheen brengt hij ze dan ? vroeg eindelijk Lia.

— Ver, verreweg, naar zijn land, aan gene zijde der zee, van waar men niet meer terugkeert.

— Zoo als vriend Alfio Mosca, zeide Nunziata. Ik zoude met den koningszoon niet mee willen gaan, als ik nooit meer terug mocht komen.

— Uwe dochter heeft geen cent bruidsschat, daarom zal de koningszoon ook niet komen om haar te trouwen, zeide \'Ntoni — integendeel, men zal haar den rug toe-keeren zooals men gewoonlijk doet aan menschen, die niets meer bezitten.

— Daarom juist is mijne dochter hier weer aan het werk, nadat zij den ganschen dag aan het wasschen geweest is, zoo zal zij zich een bruidsschat verdienen. Niet waar, Mara? En als de koningszoon niet om haar komt, dan zal wel iemand anders het doen. Ik weet hoe het in de wereld gaat en daarom moeten wij niet, klagen. Gij, bijvoorbeeld, waarom zijt gij niet eerder verliefd geraakt op mijne dochter dan op Barbara die zoo geel is als saffraan — omdat Barbara een aardigen stuiver heeft, is het waar of niet? En toen gij het ongeluk hebt gehad uw boeltje te verliezen, toen, natuurlijk, heeft Barbara u weer laten loopen.

— Gij schikt u overal in, zeide \'Ntoni knorrig, de

r

-ocr page 64-

53

menschen hebben gelijk u s zieltje zonder zorgquot; te noemen.

— Zoo, en indien ik geen «zieltje zonder zorgquot; was zou dat iets aan den loop der zaken veranderen? Weet gij, als men niets heeft dan is het nog het wijste om heen te gaan, zooals Alfio heeft gedaan.

— Juist wat ik zeg 1 viel \'Ntorn haar in de rede.

— Het ergste wat men doen kan, zeide Mena, is toch uit zijn eigen dorp te vertrekken, waar tot de steenen toe goede kennissen zijn en het moet zijn om krankzinnig te worden van verdriet, die achter zich te laten liggen. Neen, neen: Oost, West, thuis best.

— Braaf gesproken, Mena, zeide grootvader, zoo mag ik het hooren.

— Ja, gromde \'Ntoni, na eerst gezwoegd en gezweet te hebben om het huis terug te krijgen, zullen wij voort kunnen gaan om van den Maandag tot den Zaterdag te zwoegen en te zweeten voor het dagelijksch brood, en zoo altijd door, da capo.

— Hé jij daar! zoudt ge dan niet meer willen werken ? wat verlangt ge dan te doen? Advocaat worden?

— Dank je! ik verlang niet advocaat te worden, bromde \'Ntoni, en hij ging uit zijn humeur naar bed.

Maar van dat oogenblik af dacht hij gedurig aan een leven zonder zorg of moeite, dat zoo vele anderen, volgens hem, genoten en \'s avonds, om den zouteloozen

-ocr page 65-

54

kout niet aan te hooren, ging hij buiten de deur, tegen den muur geleund, naar de voorbijgangers staan kijken en over zijne tegenspoeden nadenken, zoo rustte hij ten minste uit tegen den volgenden dag, als hij weer hetzelfde werk zou moeten verrichten, precies de ezel van Mosca, die, zoodra hij den pakzadel zag naderen, zijn rug reeds kromde om belast te worden. — Ezels, bromde hij, werkezels dat zijn wij en anders niet. Het was duidelijk dat hij genoeg had van dit leven en dat hij weg wilde om fortuin te zoeken, zooals de anderen; zijn arme moeder liefkoosde hem angstvallig door hem de hand op den schouder te leggen en sprak hem met betraande oogen aan, in de hoop van zijn hart te vermurwen. Maar hij zeide dat het voor allen beter zou zijn, voor de anderen zoo wel als voor hem zeiven, na zijne terugkomst konden ze dan allen te zamen vroolijic leven. De arme vrouw deed \'s nachts geen oog meer toe en haar kussen was nat van tranen, zoodat grootvader het eindelijk merkte en zijn kleinzoon buiten dè deur riep, om onder de nis met het heilige beeldje hem te vragen wat er gaande was.

— Kom, jongen, wat hebt ge toch? zeg het aan grootvader , zeg het!

\'Ntoni haalde de schouders op, maar de oude man bleef aanhouden ofschoon hij moeite had om de juiste woorden te vinden.

-ocr page 66-

55

— Ja, ja, er is wat, mijn jongen. Muizennesten die er niet altijd geweest zijn — wat is het toch?

— Wèl, dat ik een arme drommel ben, wat zou het anders?

— Nu, dat\'s wat nieuws! wist je dat nog niet? dat is je vader geweest en je grootvader ook al! sDe rijkste is hij die het minst behoeftquot;, \'t Is beter zich tevreden te stellen dan onnut te klagen.

— Dat is een mooie troost!

Nu vond de oude man plotseling de juiste woorden, want zijn hart sprak duidelijk :

— O, zeg dit niet dat je moeder het hoort!

— Mijne moeder! het ware beter geweest indien zij mij niet ter wereld had gebracht.

— Ja, antwoordde baas \'Ntoni met het hoofd knikkend, ja, waarlijk, dat ware beter geweest dan dat ge nu zulke taal spreekt!

Eén oogenblik zweeg \'Ntoni, hij wist niet wat te zeggen, maar toen brak hij los:

— Wel! ik doe het voor haar, voor u, voor ons allen, \'k Wil haar rijk maken, dat is wat ik verlang. Nu gaan wij gebukt onder het huis en den bruidsschat, die verdiend moet worden voor Mena, dan komt Lia aan de beurt, en het minst dat het een schraal jaar is, blijven wij in de ellende zitten. Zulk een leven wil ik niet langer lijden. Ik haak naar verandering, ik kan dit

-ocr page 67-

S6

niet langer verdragen. Ik wil rijk zijn, ook voormoeder en voor u, Mena, Alexis, voor allen.

Baas \'Ntoni spalkte de oogen wijd open en nadenkend herhaalde hij die woorden, alsof hij moeite had ze in zich op te nemen.

— Rijk, zeide hij, rijk! en wat moeten we dan beginnen als wij rijk zijn?

\'Ntoni stond beteuterd en zocht ook wat ze wel zouden kunnen doen als ze rijk waren.

— Wel, we zullen doen als de anderen. Wij zullen niets doen, dat is het! Wij zullen in de stad gaan wonen, niets verrichten en alle dagen vleesch en macaroni eten.

— Ga jij dan maar in de stad wonen. Ik wil sterven waar ik geboren ben en, bij de herinnering aan het huis, dat hein niet meer toebehoorde, liet hij het hoofd op de borst zinken. Jij bent jong en weet niet wat dat is, je weet het niet. Maar ge zult naderhand voelen wat het beteekent niet meer te mogen slapen in eigen bed en de zon niet meer door eigen venster te zien schijnen... Je zult het voelen, ik die oud ben, verzeker je dit — en hij hoestte tot stikkens toe, zijn rug was krom en gebogen, en treurig schudde hij het hoofd.

— Ieder vogel vindt zijn eigen nest het mooist, kijk die musschen maar, ziet ge ze? Daar hebben ze hun nest eens gebouwd en zullen het telkens weder doen, die plek willen ze niet verlaten.

-ocr page 68-

57

— Ik ben geone musch. Ik ben geen stom dier, antwoordde \'Ntoni. Ik wil niet leven als een hond aan den ketting of als de ezel van Alfio, die eeuwig hetzelfde karrepad gaat, ik wil niet van honger sterven in een verloren hoek of misschien door de haaien worden opgevreten.

— Liever moest gij God danken dat Hij u hier ter wereld heeft doen komen, denk er tweemaal over vóór gij het oord verlaat, waar elke steen u kent. Alle verandering is geene verbetering. Gij zijt bang voor werken, bang voor armoede; dat ben ik niet, ik die niet meer uwe jeugd, noch uwe krachtige armen heb. In \'t gevaar leert men den loods kennen. Het brood dat gij eet, zoudt ge liever niet in het zweet van uw aangezicht willen verdienen, dat is het waar de schoen wringt. Toen je grootvader zaliger mij »de Voorzienigheidquot; naliet en vijf monden er bij om te voeden was ik jonger dan gij nu zijt, maar ik was niet bang — ik heb zonder morren mijn plicht gedaan; en dien tracht ik nog te doen en bid dat God mij helpe om het te mogen blijven doen, zoo lang ik de oogen nog niet gesloten heb; eveneens heeft je vader gehandeld en je broer Lucas zaliger, hij heeft niet gevreesd zijn plicht te gaan doen toen hij geroepen werd. Ook je moeder heeft gedaan wat haar te doen stond, arm vrouwtje, nederig verscholen tusschen de vier muren van haar huis; jij weet niet welke bittere tranen zij daar

-ocr page 69-

geweend heeft en nu nog schreit ze over je plan om heen te gaan, \'s ochtends vindt je zuster het laken nat van tranen, maar zij zwijgt en zegt niet wat gij durft uitspreken, zij heeft gewerkt als een vlijtige mier, nooit heeft ze iets anders gedaan haar geheele leven lang, ook voordat ze zoo\'n verdriet gehad heeft, reeds toen ge nog aan de borst waart, en ge u zelf nog niet kondet helpen; toen hadt gij nog geen lust om als een land-looper te gaan zwerven door de wereld.

Toen grootvader eindigde met spreken huilde \'Ntoni als een klein kind, want eigenlijk was de jongen zoo goed als brood — maar \'s anderendaags begon hij op nieuw, \'s Ochtends nam hij lusteloos de vischtuigen op den schouder en ging brommende naar zee.

— Precies als de ezel van Alfio Mosca, zeide hij, zoodra het dag wordt kijkt hij al uit naar zijn pakzadel.

Als de netten uitgeworpen waren liet hij Alexis de riemen heel zachtjes hanteeren, juist genoeg om niet af te drijven, hij kruiste de armen en staarde naar den verren horizont, waar de zee eindigde en die groote, groote steden lagen, waar men niets deed en altijd pleizier maakte; of hij dacht aan die twee zeelieden, die terng waren gekomen en nu sedert lang weer vertrokken waren, het scheen hem dat die niets te doen hadden dan van de eene herberg naar de andere te gaan om vertering te maken, \'s Avonds, als de schuit en het tuig opgehaald

-ocr page 70-

59

was liet zijne familie hem in vredesnaam, zonder een cent op zak, maar rondloopen, als een hond die aan niemand toebehoort.

— Wat scheelt eraan, vroeg de Lange, hem schuchter aanziende met de oogen glinsterende van tranen, want de arme ziel raadde maar al te goed wat hem haperde. Zeg het mij, zeg het moeder!

Hij zweeg of antwoordde dat hem niets scheelde. Eindelijk zeide hij het haar toch: grootvader en iedereen wilde dat hij zich dood werkte, hij kon het niet meer uithouden en wenschte nu zijn fortuin te gaan zoeken, zooals de anderen.

Zijne moeder stond naar hem te luisteren, de oogen vol tranen, zij had den moed niet om een woord te zeggen, het deed haar te veel aan hem zoo te zien huilen en stampvoeten en zich de haren uittrekken; de arme ziel zoude hebben willen spreken, of hem de armen om den hals slaan en met hem mede schreien om hem maar niet te laten ontsnappen, maar als zij iets wilde zeggen beefden hare lippen zóózeer, dat zij geen woord kon uiten.

— Hoor, zeide zij eindelijk, gij kunt heengaan als gij dat begeert, maar mij zult gij niet meer terug vinden, ik ben oud en moe, ik geloof niet dat ik deze nieuwe smart kan doorstaan.

\'Ntoni trachtte haar gerust te stellen met te zeggen

-ocr page 71-

6o

dat hij spoedig terug zou komen, rijk aan geld en goederen en dat ze dan allen te zamen vroolijk zouden leven, maar Maruzza schudde droevig het hoofd en keek hem strak in de oogen, terwijl zij steeds herhaalde:

— Neen, neen, mij zult ge niet terugvinden. Ik voel mij zoo oud, zoo oud! Kijk mij maar eens goed aan, zeide zij. Ik kan niet eens meer zoo bitter schreien, als toen ze mij de tijding brachten van den dood van je vader en van je broeder. Als ik nu uit was-schen ga, kom ik \'s avonds uitgeput thuis, dat was vroeger niet het geval. Neen, kindlief, ik ben dezelfde niet meer van voorheen. Toen het met je vader en je broer gebeurde was ik jonger en sterker. Net als het linnen vergaat door het vele wasschen, zoo slijt ook het hart van \'t vele verdriet, en nu heb ik geen moed meer, alles maakt mij ongerust en bevreesd; zijt ge op zee dan is het alsof iedere golf mij over het hoofd slaat. Ga heen, als dat je verlangstis, maar laat mij eerst de oogen sluiten.

De tranen biggelden haar langs de wangen, maar zij wist niet dat zij weende — het was haar alsof zij de gestalten van haar man en van Lucas vóór zich zag, toen zij vertrokken om nimmer terug te keeren.

— Zoo zal ik je dus ook niet terugzien! zeide zij. Zoo gaan ze allen, de één na den ander, zoo wordt het huis allengs verlaten — en als je grootvader komt

-ocr page 72-

6t

te vallen, wie zal die arme weezen clan verzorgen ? Ach, ach, H. Moeder der Smarten!

Zij hield hem vastgeklemd, zijn hoofd tegen hare borst gedrukt, alsof haar jongen zoo aanstonds had willen vluchten en zij betastte met bevende handen zijn gelaat en zijne schouders. Toen zwichtte \'Ntoni voor haar, hij omhelsde zijne moeder en kuste haar op den mond:

— Neen, neen, als gij het niet hebben wilt, zal ik niet weggaan. Spreek zoo niet, zeg niet zulke dingen. Toe, huil dan niet, ik zal hier blijven. Ik zal blijven werken tot het laatst, zooals de ezel van Alfio, dien men, als hij niet meer trekken kan, aan een slootkant zal laten sterven. Zijt ge nu tevreden ? Grootvader heeft zijn geheele leven gezwoegd en nu hij oud is werkt hij even hard als in zijne jeugd en wij zitten nog even diep in de ellende — daarvoor zijn wij toch geboren.

— Denkt ge dan niet dat ieder zijn leed heeft. »Elk huis heeft zijn kruis.quot; Let maar op baas Cipolla, die moet zijn zoon Brasi naloopen om te beletten dat hij zich niet vergooie aan de Wesp, met al dat goede geld waarvoor hij zijn leven lang gewerkt en gezwoegd heeft. En, boer Filippo, hoe rijk hij ook is, staat hij niet bij iedere wolk die zich aan den hemel vertoont, te sidderen en rozenkransen te bidden voor het behoud van zijne wijngaarden ? En oom Crucifix die het brood uit zijn mond

-ocr page 73-

62

spaart om een paar centen over te leggen en met iedereen overhoop ligt! Denkt ge misschien dat die twee vreemde zeelui geen verdriet hebben? Wie weet of ze haar oude moeders vinden zullen als ze thuis komen, en wie kan zeggen wat ons later nog ontbreken zal, al moge het ons eenmaal gelukken het huis met den mispel terug te koopen, al hebben wij koren genoeg en boonen in overvloed voor den winter en al hebben wij Mena uitgehuwd? Als ik er niet meer zijn zal en de arme oude man, ook weggenomen is en wanneer Alexis zijn brood verdienen kan, dan kunt ge gaan waarheen ge wilt. Maar dan zult ge niet meer willen, dat zeg ik je, dan zult ge eerst begrijpen wat wij allen doorstaan, nu wij voortleven zonder klagen en zonder je iets te verwijten, al weten wij dat ge vast besloten zijt om ons vaarwel te zeggen. Dan zult ge het hart niet hebben om het dorp te verlaten, waar ge gewonnen en geboren zijt en waar al je dooden begraven liggen onder die zerk bij het altaar, die uitgesleten is, zoo velen hebben er des Zondags op geknield.

Van dien dag af sprak \'Ntoni niet meer van fortuin zoeken, hij gaf het denkbeeld van heengaan vooreerst op; zijne moeder kon hare oogen niet van hem afwenden als zij hem treurig op den drempel zag zitten; zelve zag zij er bleek en ontdaan uit, als zij na gedanen arbeid met gevouwen handen zich nederzette. Haar rug

-ocr page 74-

63

was nu even krom gebogen als die van haar schoonvader, maar zij vermoedde niet dat ze zoo spoedig tot de onverwachte reis opgeroepen zoude worden, die reis waarvan men voor altijd in de kerk onder de gladde zerken uitrust, dat zij die allen zou moeten achterlaten, die ze zoo lief had, en aan wie haar hart zoozeer hing, al hadden ze dat hart beurtelings zoo gepijnigd.

De cholera was te Catania uitgebroken, zoodat allen die de stad verlaten konden eene toevlucht in de omringende dorpen zochten; het was een zegen voor Trezza en Ognina, al die vreemdelingen die daar kwamen vertering maken. Maar als men een dozijn vaatjes ansjovis verkoopen wilde trokken de opkoopers een scheef gezicht, zeggende dat de vrees voor de cholera het geld eensklaps had doen verdwijnen.

— Wat? antwoordde hun Ganzevoet, eten de lieden dan geene ansjovis meer?

Maar tegen baas \'Ntoni en tegen alle anderen die ook nog ansjovis te verkoopen hadden zeide hij dat wegens de cholera niemand zulk tuig at, dat men zich natuurlijk liever met vleesch en macaroni voedde en men derhalve beter deed de waar voor een geringen prijs van de hand te doen. Daarop hadden de Malavoglia\'s niet gerekend!

Om dus zoo min mogelijk in te teren ging de Lange langs de buitentjes, nu door vreemdelingen bewoond, versche eieren en brood verkoopen, terwijl het manvolk

-ocr page 75-

64

op zee was en zoo verdiende ze nog wat. Maar men moest op zijne hoede zijn voor gevaarlijke ontmoetingen, vooral niets aannemen, niet eens een snuifje, van onbekenden. Men moest zorgen steeds midden op den weg te loopen, volstrekt nooit strijkelings langs een muur gaan daar men er zich blootstelde aan wie weet welke besmetting; ook moest men niet uitrusten op steenhoopen of op de lage omheiningen gaan zitten.

Maar een keer dat Maruzza van Aci Castello terugkeerde met de mand aan den arm, voelde zij zich zoo moe, haar beenen waren loodzwaar en toch beefde ze als een riet. Zij kon aan de verzoeking niet weerstaan, ze mopst even gaan zitten om uit te rusten op die platte steenen, die aan den ingang van het dorp in de schaduw van den vijgenboom bij de kapel liggen.

Zij merkte toen niet op, maar het schoot haar later te binnen, dat zij daar even te voren een onbekenden had zien zitten die er ook doodmoe had uitgezien.

Intusschen was nu ook hare beurt gekomen, zij werd door de ziekte aangetast, uitgeput kwam zij thuis, geel als een citroen en met zulke zwarte kringen om de oogen dat Mena, zoodra zij haar zag, in tranen uitbarstte en Lia dadelijk kruiden en malvabladeren ging plukken om haar daarvan een aftreksel te geven. Mena spreidde bevende het bed, de zieke, die op een stoel was neergevallen, trachtte haar nog behulpzaam te zijn en sprak geruststellend; — \'tls

-ocr page 76-

65

niets, maak je niet ongerust, als ik in bed ben zal liet wel gauw voorbij zijn — maar zij moest telkens weer gaan zitten omdat de krachten haar ontzonken.

— O, heilige Moeder Gods! stamelde Mena. O, heilige Maagd Maria! En de anderen die allen op zee zijn!

Lia intusschen gaf toe aan haar angst en droefheid en zwom in tranen.

Toen baas \'Ntoni met de kleinzoons thuis komende de voordeur op een kier zag staan en het licht schijnen tusschen de luiken, sloeg hij zich met de quot;vuist voor het hoofd.

Maruzza lag te bed, de oogen reeds geheel ingezonken, de lippen pikzwart.

Na zonsondergang kon men in die dagen noch dokter noch apotheker krijgen; de buurvrouwen hielden de deuren dicht en plakten de reeten toe met afbeeldingen van heiligen, hopende de gevreesde ziekte aldus buiten te sluiten; de arme vrouw kon derhalve geene hulp dan van de haren verwachten, en die deden niets dan radeloos door huis loopen. Toen zij besefte dat er geene hoop meer was, wenschte zij dat men haar een watje op de borst zoude leggen in de heilige olie gedoopt , die ze nog met Paschen had gekocht, en dat men de kaars zou laten branden, juist als toen men gedacht had dat baas \'Ntoni op het uiterste lag.

quot;• 5

-ocr page 77-

66

Zij verlangde allen vóór haar bed te hebben, ieder van hen wilde zij nog eens voor het laatst aanzien en toch konden hare oogen niets meer onderscheiden.

Hartverscheurend was het huilen van Lia; bleek en ontdaan keken de anderen, elkaar als het ware om hulp vragende, aan, zij bedwongen zich om niet in tegenwoordigheid der stervende in tranen uit te barsten, maar al kon zij niet meer zien, toch was de smart waarin ze hare lievelingen ongetroost moest achter laten haar ten volle bewust. Zij riep ze één voor één met gebroken stem bij den naam, te vergeefs trachtte ze de verstijfde hand op te lichten om hun nog als eenigen schat haar zegen te geven.

— \'Ntoni, zeide ze schier onhoorbaar, \'Ntoni! mijn oudste! aan u vertrouw ik deze arme weezen toe.

Haar dit te hooren zeggen terwijl zij nog bij hen was, schokte de aanwezigen zoo, dat zij zich niet langer konden bedwingen, maar in tranen uitbarstten.

Zoo bleven ze den ganschen nacht bij het bedje staan waarop Maruzza onbeweeglijk uitgestrekt lag, de kaars brandde ten einde, het vale daglicht drong naar binnen en bescheen het bleeke gelaat eener doode. Pijnlijk scherp waren de trekken geworden, de lippen volkomen zwart, toch bleef Mena hare moeder op den mond kussen en tot haar spreken alsof zij ze nog hooren kon.

Luid snikkend sloeg \'Ntoni zich op de borst:

-ocr page 78-

6;

— O, moeder, moeder! Ik wilde u verlaten cn nu zijt gij het die ons verlaat.

Alexis staarde op zijne moeder; dat gelaat zoo geel als was en die witte haren vergat hij nimmer; zelfs toen ook zijn haar wit was geworden stond zij hem aldus nog

voor den geest.

0 .

\'s Avonds werd het lijk haastig weggehaald, niemand bracht het gebruikelijk bezoek aan de doode, ieder dacht slechts aan eigen behoud en toen don Jan Marie het wijwater kwam sprenkelen bleef hij angstig op den drempel staan, de pij van den H. Franciscus, die hij aan had, opnemend en strak om de beenen houdend als een echte egoïste monnik, die hij trouwens ook was, zoo beweerde ten minste de apotheker.

Deze daarentegen, als men hem een recept bracht, zoude gaarne, zelfs des nachts, de apotheek opensluiten , om hulp te verleenen; hij was niet bang voor de cholera en zeide ook dat het altemaal domme praatjes waren, dat men de cholera willens en wetens verspreidde door besmettelijke stoffen op straat en achter de deuren te werpen, zoo als beweerd werd.

— Dat hij zoo iets zegt, is juist het bewijs dat hij er zelf aan debet is, fluisterde don Jan Marie.

Daarom waren er velen op het dorp die den apotheker te lijf wilden, maar hij lachte steeds als eene klokhen, net als don Silvester en vroeg:

-ocr page 79-

CS

— Hoe is het mogelijl? zou iets van mij te denken ? van mij, een republikein! als ik iets niet de regeering te maken had, zoude ik het nog vatten!

De Malavoglia\'s bleven ondertusschen alleen bij dat smalle leege bed.

Nadat Maruzza weggedragen was hielden ze de huisdeur een tijdlang gesloten. Gelukkig hadden ze een voorraad hout, olie en boonen, daar baas \'Ntoni het goede voorbeeld van de mieren had gevolgd, anders hadden ze wel van honger om kunnen komen, zonder dat iemand navraag was komen doen of ze dood of levend waren.

Na verloop van eenigen tijd kwamen ze weder te voorschijn ; bleek en ontdaan zagen zij er uit; als teeken van rouw droegen ze zwarte halsdoeken. De buurvrouwen riepen hen van verre aan en wilden weten hoe alles gebeurd was, want Maruzza was een der eerste slachtoffers geweest.

Als don Michiel voorbij kwam of een der andere beambten die \'s Konings brood eten en een galon om den pet dragen, keek men ze eerst met schitterende, uittardende oogen aan, om zich daarna snel in huis op te sluiten. In het dorp heerschte groote verslagenheid, op straat zag men niemand of niets, zelfs niet de kippen; ook meester Cirino hield zich stil en luidde noch de middag-, noch de Ave-Maria klok, want hij was toch ook een beambte, in zoo ver hij 12 tari in de maand

-ocr page 80-

69

ontving uit de gemeentekas cn hij vreesde dat men ook hem te lijf zoude willen.

Thans was Den Michiel alleenheerscher, daar allen, zelfs Pizzuto en don Silvester, zich als konijnen in hunne holen terug hadden getrokken, hij was de eenige die nog vóór de gesloten deur van Barbara Zuppidda op en neer bleef wandelen. Jammer maar dat hij door niemand werd opgemerkt dan door de Malavoglia\'a, die, niets meer te verliezen hebbende, onbeweeglijk op den drempel van hun huis zaten, het hoofd met de hand steunende. Don Michiel, om toch eenigszins wil van zijne wandeling te hebben, nu de andere deuren alle gesloten waren, keek Mena aan, zij zag er met dat bleeke gezichtje waarlijk als de H. Agatha uit en hij was ook niet ongenegen om aan \'Ntoni, dien lummel, te toonen dat hij, noch voor hem , noch voor iemand op aarde bang was ... en dan dat jongere zusje, met dien zwarten doek om, begon ook al een mooi meisje te worden.

Die arme Mena had het treurige gevoel, alsof ze eensklaps twintig jaren ouder was geworden en ging met Lia om, zoo als Maruzza vroeger met haar gedaan had, zij meende dat zij Lia steeds moest bewaken als eene hen haar kieken en voelde nu de verantwoordelijkheid voor het heele huishouden op-hare schouders rusten.

Zij nam de gewoonte aan om alléén met het zusje thuis te blijven als het manvolk naar zee trok; dat

-ocr page 81-

smalle, leege bed had zij altijd voor oogen. Als hare bezigheden waren afgeloopen, zette zij zich met gevouwen handen neder en, als zij dan dat leege bed aanstaarde, voelde ze eerst recht dat zij allen, moeder verloren hadden ; hoorde ze op straat vertellen; — Die of die is gestorven, dan dacht zij: ja zoo heeft men ook verteld: de Lange is

dood____ en nu was zij alléén overgebleven met die

andere arme wees die even als zij een zwarten doek droeg.

Nu en dan kwam Nunziata of nicht Anna met zachten tred en een lang, uitgestreken gezicht, dan gingen ze op den drempel zitten en keken, zonder te spreken, met de handen onder den boezelaar, de eenzame s:raat op en neer. Allen die van zee terug kwamen liepen haastig en voorzichtig verder, met de netten opgerold op den rug; de karren reden voorbij en hielden zelfs niet bij de herberg stil.

Wie weet waar nu de kar van baas, Alfio rolde, en of die arme jongen, die niemand op aarde had om voor hem te zorgen, niet achter eene heg, aan de cholera lag te sterven?

Ganzevoet zag men tusschenbeide met een uitgehongerd gezicht ronddwalen, en oom Crucifix, die overal geld had uitstaan, ging bij zijne schuldenaars rond om hun den pols te voelen, want hun sterven stond gelijk met hem te bestelen. Het laatste oliesel werd ook al haastig langs

-

-ocr page 82-

7i

de straat gedragen door don Jan Marie, die zijn priesterkleed strak om de beenen trok, terwijl een jongen blootsvoets voorop liep, het belletje luidende, want meester Cirino had zich niet meer vertoond. Dat belletje in die verlaten straten, waar men zelfs geen hond meer ontmoette en ook don Franco zijne deur half gesloten hield, deed het hart ineenkrimpen.

Het eenig^f levend wezen dat men zoowel bij dag als bij nacht rond zag dwalen, was Locca met hare witte, ongekamde haren, zij zette zich neder vóór het huis met den mispel, of wachtte de schuiten af die uit zee kwamen — de cholera zelfs wilde niet van het arme schepsel gediend zijn.

De vreemdelingen waren allen gevlucht, als vogels voor den winter, er was niemand om de visch te koo-pen, zoodat iedereen zeide: — Na de cholera krijgen wij nog hongersnood toe.

Baas \'Ntoni was genoodzaakt geweest het geld aan te spreken, dat hij voor het huis op zij had gelegd, nu zag hij het dagelijks minderen, maar toch had hij slechts die ée\'ne droeve gedachte, dat Maruzza niet in haar eigen huis gestorven was, dat stond hem steeds voor den geest. Ook \'Ntoni schudde het hoofd, nu hij het geld uit zag geven.

Toen de cholera eindelijk had opgehouden en slechts de kleinste helft van het zoo zuur opgespaarde geld over-

-ocr page 83-

72

gebleven was, begon \'Ntoni weer te zeggen dat het zoo niet langer kon duren, dat het beter was een grooten slag te wagen om uit de ellende te geraken, in een woord, dat hij niet blijven wilde daar, waar zijne moeder van kommer en ellende was omgekomen.

— Weet gij dan niet meer dat moeder, Mcna aan uwe zorg heeft toevertrouwd ? vroeg hem baas \'Ntoni.

—■ Maar zeg dan zelf, wat kan ik ooit voor Men.i doen, als ik hier blijf?

Mcna keek hem met haar lieve, zachte oogen aan, men kon er hetzelfde hart als dat van de moeder uit lezen, maar zij durfde geen woord zeggen, tot zij eindelijk eens moed schepte om, tegen de deur geleund, hem aldus aan te spreken:

— Luister, ik verlang geen andere hulp, als gij ons maar niet verlaat; nu moeder er niet meer is, geef ik verder om niets, ik voel mij als een visch op het droge; maar het zou mij spijten voor die arme wees die, als gij heen gaat, alleen op aarde blijft, even als Nunziata toen haar vader haar verlaten heeft.

— Neen, antwoordde \'Ntoni, neen. Hoe kan ik jelui helpen zoo lang ik zelf niets heb. Het spreekwoord zegt immers; sHelp u zeiven, zoo helpt u Godquot;. Zoodra ik geld verdiend zal hebben kom ik terug en dan leven wij vroolijk met elkaar.

Lia en Alexis keken hem wel eenigszins verschrikt.

-ocr page 84-

73

maar toch bewonderend aan, grootvader echter liet het hoofd op de borst vallen.

— Nu gij noch vader noch moeder meer hebt, zeide hij eindelijk, kunt ge handelen zoo als gij wilt. Zoolang ik leef zal ik voor die kinderen zorgen, en als ik er niet meer ben, zal onze lieve Heer het overige wel doen.

Daar \'Ntoni nu toch wilde heengaan, bracht Mena alles voor hem in orde, zoo als zijne moeder gedaan zoude hebben, zij dacht dat als haar broeder eenmaal daar in den vreemde zoude zijn, hij evenmin als Alfio Mosca iemand zou hebben om voor hem te zorgen en terwijl zij hemden voor hem naaide en zijne kleeren verstelde, moest zij aan zoo vele dingen en gebeurtenissen denken, dat haar het hart bloedde. Eens dat zij\'s avonds naast grootvader zat, zeide zij;

— Het huis met den mispel kan ik niet voorbijgaan, ik heb een brok in de keel tot stikkens toe, als ik denk aan al hetgeen ons is overkomen sedert wij het hebben verlaten.

En terwijl zij het bundeltje voor haren broeder gereed maakte, schreide zij alsof ze hem nooit zou terugzien.

Toen eindelijk alles klaar was riep grootvader zijn jongen tot zich, om hem voor het laatst toe te spreken en hem den laatsten raad te geven, tegen den tijd wanneer hij geheel op zich zelf zou staan en alles uit eigen

-ocr page 85-

74

brein moeten putten, daar hij de zijnen niet meer bij zich zou hebben, om in elke mogelijke omstandigheid samen te beraadslagen, of met hen te treuren en te weenen; hij gaf hem ook een beetje geld in geval van nood en zijn mantel met schapevachten gevoerd — want hij was nu oud geworden en kon dien wel missen.

Toen de kinderen hun oudsten broeder bezig zagen met zijne laatste voorbereidselen, volgden ze hem stil op en neer door het huis en durfden hem nauwelijks aanspreken , als ware hij reeds een vreemdeling voor hen geworden.

— Precies zoo is mijn vader ook heen gegaan, zaide eindelijk Nunziata, die gekomen was om afscheid van hem te nemen. Toen sprak niemand meer.

Een voor een kwamen al de buurvrouwen hem nog een laatsten groet brengen, en wachtten dan op straat om hem te zien vertrekken. Maar hij bleef aarzelend staan, het bundeltje over den schouder, de schoenen in de hand, alsof, nu het er op aankwam, zijne beenen hem niet meer wilden dragen. Hij was even ontroerd als de anderen en keek in \'t rond, als wilde hij het huis, het dorp, alles, in zijn geheugen prenten.

Grootvader nam zijn stok om hem tot aan de stad uitgeleide te doen, Mena zat stil in een hoekje te weenen.

— Komaan! zeide \'Ntoni. Ik ga niet voor altijd heen! ik ben immers wel uit den dienst terug gekomen!

-ocr page 86-

75

Hij gaf Mena een zoen, dan Lia, en nadat hij aller! nog gegroet had zette hij zich in beweging, maar Mena, luid snikkende, bijna buiten zich zelve van wanhoop, liep hem met uitgestrekte armen na.

— Wat zal moeder nu zeggen, wat zal moeder nu zeggen ?

Alsof moeder nog zien of spreken kon, maar Mena herhaalde slechts wat haar zoo diep in het geheugen was gebleven van de vorige maal, toen \'Ntoni ook weg had willen gaan en zij moeder zoo bitter had zien schreien, dat ze telkens \'s ochtends, bij het opmaken van het bed, het hoofdkussen nat van tranen gevonden had.

— Vaarwel \'Ntoni! riep Alexis, toen zijn broeder reeds vrij ver was en daarop begon Lia te huilen en te weenen.

— Zoo is mijn vader ook heengegaan, zeide Nun-ziaïa, die op den drempel was blijven staan.

Vóór hij den hoek der straat omsloeg, wendde\'Ntoni het hoofd en met de oogen vol tranen deed hij eene beweging met de hand om ze te groeten.

Nu sloot Mena de deur en ging in een hoekje zitten met Lia, die nog altijd hardop snjkte.

— Alweer een minder! zeide zij. Als wij nu nog in het huis met den mispel woonden, zoude het er zoo leeg zijn als in eene kerk.

-ocr page 87-

76

En nu zij zoo den een na den ander van hen die zij lief had moest missen, voelde zij zich geheel als een visch buiten zijn element.

Nunziata, die met de kleintjes op den arm bij haar gebleven was, herhaalde nogmaals :

— Zoo is mijn vader ook heengegaan.

-ocr page 88-

XII.

u baas \'Ntoni niemand meer dan Alexis tehuis had, was hij wel genoodzaakt vreemde hulp voor de schuit te nemen, hetzij vriend Nunzio die zoo\'n groot huishouden en een zieke vrouw had, of den zoon van Locca, die telkens aan de deur kwam klagen dat zijne moeder van honger stierf, daar oom Crucifix niets meer geven wilde omdat hij, volgens zijn zeggen, door de cholera ten gronde gericht was, daar zoo velen die bij hem in het krijt stonden gestorven waren, zoodat hij zelf er de cholera van gekregen had — maar, voegde Locca\'s zoon er bij, hij is er niet aan gestorven, en hij schudde droevig het hoofd. — Als hij dood was gegaan hadden ik , moeder en de heele familie genoeg te eten. Twee dagen lang hebben wij hem met de Wesp opgepast, — ieder oogenblik dachten wij dat hij ging, maar hij is toch in \'t leven gebleven.

Menigmaal was de verdienste van den dag zoo gering dat men daarvan zelfs niet vriend Nunzio of Locca\'s zoon kon betalen en dan moest het geld weer aangesproken worden, dat met zooveel moeite was bijeengegaard voor

-ocr page 89-

78

het huis met den mispel. Telkens als Mena de kous van onder den stroozak te voorschijn haalde, zuchtten beiden, zij en grootvader.

De arme zoon van Locca had er geene schuld aan, hij zoude wel voor vier hebben willen werken om zijn daggeld te verdienen, maar het was de visch, die zich niet wilde laten vangen.

Als ze huiswaarts keerden met geborgen zeil en de riemen lusteloos hanteerend, zeide de zoon van Locca:

— Hoor eens, baas \'Ntoni, ik wil mijn daggeld niet zoo voor niemendal opstrijken, laat mij nu hout klooven of takkenbossen binden — ik kan best werken tot middernacht, dat moest ik voor oom Crucifix ook doen.

Na lang gepeins besloot baas \'Ntoni eindelijk Mena te spreken ovc hetgeen hun te doen stond. Zij was een .verstandige meid zoo als hare moeder zaliger en.. .. er was niemand meer over van de velen met wie hij vroeger kon beraadslagen.

Het best zoude zijn om in Gods naam sde Voorzienigheidquot; te verkoopen. Zij bracht niets meer op en het daggeld verslond alles, zoo als het nu ging zoude wat zij met zooveel moeite gespaard hadden er bij inschieten. De 5 Voorzienigheidquot; was oud en had gedurig reparatie noodig, telkens moest er geld bijgelegd worden om ze boven water te houden. Later, als \'Ntoni terug kwam en de fortuin wat gunstiger was, zooals toen ze dat geld voor het

-ocr page 90-

79

huis bijeen hadden gegaard, welnu, dan zouden ze een nieuwe pink koopen en die zouden ze weer »de Voorzienigheidquot; doopen.

Den volgenden Zondag ging hij op de markt om Ganze-voet na kerktijd over de zaak te spreken. Vriend Agostijn schudde het hoofd, trok de schouders op en zeide dat »de Voorzienigheidquot; goed was om er een vuurtje mede te stoken.

Meteen ging hij naar het strand en wees met den vinger de stukken, die hier en daar in de schuit gezet waren en die onder het versche teer toch zichtbaar waren, krek als sommige vrouwen, hij wilde ze niet noemen, die de rimpels onder het blanketsel te vergeefs verbergen, en met zijn manken voet schopte hij tegen de schuit.

— Het ging ook zoo slecht met het ambacht, eerder dan om te koopen was ieder geneigd te verkoopen .... let wel, schuiten die heel wnt beter en nieuwer waren dan »de Voorzienigheidquot;. En wie was er die ze koopen kon ? Baas Cipolla wilde zulke antiquiteiten niet hebben. Het was eerder eene zaak voor oom Crucifix, maar die had nu wel wat anders in\'t hoofd met die satansche Wesp, die hem zoo\'n last veroorzaakte en hem zijne ziel liet bezondigen, daar ze alle huwbare mannen van het dorp naliep en trachtte aan te halen.

Maar, om der vriendschaps wille, zou hij er oom Crucifix dan toch wel over spreken, hij zou een gunstig oogenblik afwachten en, als baas \'Ntoni besloten

-ocr page 91-

was uiu »(ie Voorzienigheidquot; voor een appel en een ei te verkoopen, welnu, dan zou het ook wel lukken, want oom Crucifix deed toch altijd wat hij, Ganzevoet, wilde.

En waarlijk, toen Ganzevoet oom Crucifix ter zijde gevoerd had bij de fontein, om hem over de zaak te spreken, begon deze eerst hevig met het hoofd van neen te schudden, hij wilde hem ontloopen, maar vriend Agostijn hield hem bij de rokspanden vast om hem tot luisteren te dwingen — daarop sloeg hij hem beide armen vast om den hals, ten einde in zijn oor tc kunnen fluisteren :

— \'t Is al te gek, als je van deze gelegenheid geen gebruik maakt, ik zeg je immers dat baas \'Ntoni verkoopen moet, omdat zijn kleinzoon hem heeft laten zitten; voor een appel en een ei zeg ik je! Gij zoudt als daggelder op de schuit vriend Nunzio of den zoon van Locca kunnen nemen, beiden krimpen van den honger en zouden voor bijna niets komen werken. De geheele verdienste steekt gij in den zak. Als je het niet doet ben je een stommerik, dat zeg ik maar. De schuit is best onderhouden, zij ziet er uit alsof ze nieuw was. Baas \'Ntoni, had er verstand van toen hij ze liet bouwen! \'t Is eene zaak om goud mee te verdienen, net als met de lupinen indertijd — luister toch naar mijn raad!

Maar oom Crucifix wilde van niets weten, hij had

-ocr page 92-

8i

bijna tranen in de oogen, zoo worstelde hij om los te komen, hij wilde zijne jas in Ganzevoet\'s handen laten.

— Het kan mij niet schelen, volstrekt niets kan het mij schelen, herhaalde hij. Je weet niet, vriend Tino, hoe ik mij hier van binnen voel. Allen willen het eene of andere hebben dat mij toebehoort, allen willen mij uitzuigen, net bloedzuigers. Nu loopt zelfs Pizzuto mijne nicht de Wesp na, zij lijken allen wel jachthonden.

— Wel, trouw ze dan zelf! Is de Wesp misschien niet van je eigen familie, zij en haar weiland? Het zal ook volstrekt geene uitgaaf zijn, want het brood dat zij eet is ze dubbel en dwars waard. Zij is zoo handig, wat haar oogen zien, kunnen haar handen maken. Ge krijgt niet alleen eene dienstmeid aan wie gij geen loon geeft, maar daarenboven nog het stuk weiland op den koop toe. Luister naar mijn raad, oom Crucifix, dit is alweer eene zaak even voordeelig als die van de lupinen.

Intusschen stond baas \'Ntoni in pijnlijke onzekerheid, vóór den winkel van Pizzuto het antwoord af te wachten, angstig sloeg hij de bewegingen van het tweetal, dat op het punt scheen van elkaar in de haren te vliegen, gade, om daaruit op te maken of oom Crucifix toegaf. Ganze-voet kwam af en toe vertellen wat hij verkregen had, dan ging hij wederom onderhandelen; zoo trok hij met zijn mank been heen en weer over de markt, tot zij het eindelijk door zijn toedoen eens werden.

ii. 6

-ocr page 93-

82

— Het gaat uitstekend, zeide hij aan baas \'Ntoni, maar aan oom Crucifix herhaalde hij; — Voor een appel en een ei.

Verder bracht hij ook den verkoop van al het visch-tuig tot stand; wat moesten de Malavoglia\'s daarmede nu ook uitrichten ? nu ze niet eens meer eene plank op het water hadden drijven. Maar het was baas \'Ntoni als of ze hem het hart uit het lijf scheurden, toen ze de netten, fuiken, hengels en al het overige weg kwamen halen.

— Ik zal mijn best doen om u en uw kleinzoon Alexis dagwerk te bezorgen, zeide Ganzevoet. Gij zult u met een klein loon tevreden moeten stellen, dat spreekt, want men verlangt »werkkracht van jongen en goeden raad van oudenquot;. Wat mijne bemoeiingen betreft... dat laat ik geheel en al aan uwe beleefdheid over.

— Men moet de tering naar de nering zetten, antwoordde baas \'Ntoni. Nood breekt niet alleen wetten , maar ook hoogmoed.

— Goed zoo, best! wij begrijpen elkaar, en Ganzevoet liep inderdaad naar de apotheek waar het don Silvester gelukt was baas Fortunato Cipolla, boer Filippus en eenige anderen van de gegoeden bijeen te brengen, om over de belangen van de gemeente eens ferm te redekavelen, want, ziet ge, dat is maar malligheid om niets in eene gemeente te zeggen te hebben, als men rijk

-ocr page 94-

is en belasting betaalt.... wel driemaal zooveel als een ander.

— Kom, baas Fortunato, gij die zoo rijk zijt, ge moest dien armen baas \'Ntoni zijn brood nu laten verdienen, zei Ganzevoet. Het zou voor u geene schade zijn om hem en zijn kleinzoom Alexis in dienst te nemen, hij weet meer van het ambacht dan één van de anderen, daarvan kunt ge zeker zijn en . .. hij zal met een klein loon tevreden zijn, want ze hebben, waarachtig, broodsgebrek. Geloof me, baas Fortunato, je doet er je voordeel mede en geen gering ook.

Baas Fortunato, zoo onverhoeds aangevallen, wist zich niet te weren en gaf toe; maar toen men lang over het loon gestreden had, de tijden waren immers zoo slecht en er was voor niemand werk, bleek het iedereen klaar en helder als de dag, dat baas Cipolla door baas\'Ntoni in dienst te nemen hem eigenlijk eene aalmoes gaf.

— Nu, goed, ik neem hein als hij zelf het mij komt vragen! Want, of ge het gelooven wilt of niet, hij ziet er mij nog schuins op aan sedert ik dat huwelijksplannetje tusschen mijn zoon en ziine Mena verijdeld heb. Nu! daar was ik anders wèl bij gevaren! En toch durven die lui het mij nog kwalijk nemen op den koop toe.

Don Silvester, boer Filippus, zelfs Ganzevoet en alle anderen, haastten zich met hem in te stemmen en hem

-ocr page 95-

84

gelijk te geven. Zijn zoon Brasi, nu men hem eens trouwlustig gemaakt had, liet den vader rust noch duur, hij liep alle meisjes na, \'t was een heele zorg voor den armen man.

Juffer Mangiacarrubbe was nu ook al in het spel gekomen, zij had zich in het hoofd gezet dat, daar Brasi slechts te krijgen was voor wie hem veroverde, zij hem even goed voor zich nemen kon, zij was ten minste een mooie meid, breed van borst en niet oud en tanig als de Wesp. Maar aan den anderen kant, had de Wesp een mooi stuk land en Mangiacarrubbe niets dan haar lange zwarte vlechten, zoo zeiden weder anderen.

Juffer Mangiacarrubbe wist wat haar te doen stond als zij Brasi Cipolla wilde krijgen; wegens de cholera had zijn vader hem weder in huis gelokt en hij behoefde zich nu niet meer te verstoppen in de kerk bij den koster, bij den apotheker of op het land. Zij trippelde op haar nieuwe schoentjes hem. vlug voorbij, en in het gedrang der menschen die uit de kerk kwamen liet ze zich wel eens door zijn elleboog stooten 5 zij wachtte hem voor hare deur op; daar stond zij met een zijden doek op het hoofd en keek hem met zulk een schalkschen blik aan, dat er geen hart tegen bestand kon zijn, of zij knoopte de punten van haar hoofddoek netjes onder de kin en meteen keek ze om, zij wilde zien of hij wel op haar lette; dan

-ocr page 96-

S5

vloog zij haar huis binnen zoodra zij hem de straat zag inslaan en, verscholen achter de bloempotten die op het kozijn stonden, verslond ze hem met haargrootezwarte oogen. Maar als Brasi, die gekke jongen, even stilstond om haar aan te kijken, dan wendde zij zich om, liet het hoofdje hangen en, niet neergeslagen oogen en een vuurrood gezicht, beet ze den zoom van haar boezelaar; zij was, dat moest men erkennen, een snoeperige meid.

Maar daar Brasi geen beslissenden stap scheen te willen doen, moest zij eindelijk wel handelend optreden :

— Luister eens, vriend Brasi, waarom wilt ge mij den vrede rooven ? Ik weet wel dat ik niet iemand ben die u past. Daarom is het beter dat ge hier niet meer voorbij komt, want hoe meer ik u zie, hoe meer ik verlang u te zien en iedereen begint al met mij te spotten; juffer Zuppidda komt telkens aan de deur als ze u voorbij ziet komen en dan vertelt ze het rond, maar beter deed ze, dat is zeker, om wat meer te letten op hare dochter Barbara— die heeft van deze stille straat wat mooi\'s gemaakt, nu zij er zoovelen aanhaalt en hare moeder zal niet gaan vertellen hoe dikwijls don Michiel hier voorbij komt patrouilleeren, om Barbara aan het venster tc zien.

Het gevolg van deze slimme mededeelingen was, dat Brasi niet uit dat straatje te krijgen was, niet eens niet stokslagen zoude men hem er uit gejaagd hebben, daar bleef hij maar rondslenteren met den neus in de lucht en een

-ocr page 97-

lt;S6

open mond, als een malle vent, die hij trouwens was.

Juffer Mangiacarrubbe bleef aan het venster zitten, alle dagen wisselde zij van zijden hoofddoek en kralen kettingen, alsof ze eene koningin was.

— Al wat ze bezit stelt ze aan het raam te kijk, vertelde juffer Zuppidda, die gekke Brasi ziet alles wat blinkt voor goud aan, hij is zoo door het malle heen, dat al kwam zijn eigen vader hem bij de haren er vandaan trekken, hij toch niet gehoorzamen zou.

— Dat is de vinger Gods, om den hoogmoed van baas Fortunato te stiaffen, zeiden de menschen. Duizendmaal beter ware het geweest als hij zijn aoon aan Mena Malavoglia had gegeven, die had nog een stuivertje en verteerde niet alles aan zijden doeken en halskettingen.

Mena daarentegen kwam nooit aan het raam, zelfs niet even staan kijken, want dat paste niet, nu zij hare moeder niet meer had en een zwarten hoofddoek droeg, buitendien moest ze op haar zusje passen en een tweede moeder voor haar zijn; zij had niemand om haar in het huishouden te helpen, daarenboven moest zij water halen en uit wasschen gaan, of het eten aan de mannen brengen , als die op dagwerk waren, zoodat men haar niet meer bij de H. Agatha vergelijken kon zoo als vroeger, toen niemand haar ooit zag en zij steeds aan haar weefstoel zat. Nu had zij niet veel tijd over, om aan het weefgetouw te zitten.

-ocr page 98-

8?

Sedert den dag toen juffer Zuppidda die mooie redevoering van het balkon gehouden had, niet het spinrokken in de hand, verklarende bereid te zijn om met genoemd spinrokken de oogen van don Michiel uit te steken , als hij daar nog durfde te blijven loopen voor hare Barbara, kwam don Michiel expres wel tienmaal daags door de straat del Nero, om te tooncn hoe weinig hij juffer Zuppidda en haar spinrokken vreesde en als hij het huis der Malavoglia\'s voorbijging, liep hij langzamer en keek naar binnen om de meisjes te bekijken, die daar zoo schoon opgroeiden.

\'s Avonds, als de mannen van zee thuis kwamen, vonden ze altijd alles gereed, den ketel kokende op den haard en de tafel gedekt — die tafel, die zoo veel te groot geworden was voor de weinigen die over waren gebleven. De deur werd gesloten en ze aten ongestoord, om later builen op den drempel te gaan zitten, met de armen om de knieën geslagen; zoo rustten zij uit van den arbeid. Er was ten minste aan niets gebrek en het geld voor het huis werd niet meer aangesproken. Dat huis met de gesloten vensters en den mispelboom, die boven den muur der binnenplaats uitstak, had baas \'Ntoni nog steeds voor oogen. Maruzza had er niet mogen-sterven, misschien zou ook hem dit niet vergund worden, maar het geld begon toch zachtjes weer aan te groeien en later zouden zijne kinderen er toch weer intrekken, nu*Alexis

-ocr page 99-

88

een man begon te worden en toonde een Malavoglia van het goede, echte ras te zijn. Als men later de meisjes uitgehuwelijkt, het huis weer ingekocht en zich weer cene pink had kunnen aanschaffen, dan bleef er niets meer te wenschen over en baas \'Ntoni zoude voldaan de oogen kunnen sluiten.

Nunziata en nicht Anna kwamen nu en dan een praatje maken en zetten zich naast hen op den drempel, na het avondeten; zij waren ook zoo\'n paar verlaten schepsels, zoodat ze zich bij hen aansloten, bijna alsof zij tot de familie behoorden. Nunziata was er geheel thuis en bracht haar kleine broertjes en zusjes mede.

Alexis, dicht bij haar gezeten, vroeg nu eens: —Hebt ge het stuk linnen heden afgemaakt? — of wèl —Gaat gij Maandag wijnoogsten bij boer Filippus? Nu de tijd der olijven aankomt zult ge dagelijks wat kunnen verdienen , ook zonder uit wasschen te gaan; en ge kunt uw broertje medenemen, hem zullen ze ook wèl 2 stuivers daags geven.

Nunziata deelde hem heel deftig al hare voornemens mede en vroeg hem om raad; zij redeneerden samen als of ze beiden reeds grijze haren hadden.

— Zij hebben geleerd vroeg wijs te zijn, zeide baas \'Ntoni, ze hebben daarvoor ook reeds genoeg ondervondenquot; — Geen betere school dan het ongeluk.

-ocr page 100-

89

Alexis met zijn armen rond de knieën geslagen, precies zooals grootvader, vroeg aan Nunziata:

— Wilt ge mij trouwen als ik groot ben ?

— Dat duurt nog een heel poosje, zeide zij.

• — Ja, ja, maar \'t is toch goed om er bijtijds aan te denken, dan weet ik waar ik mij aan te houden heb. Eerst moet Mena getrouwd zijn en ook Lia, als zij volwassen is, Lia begint al naar lange rokken en mooi gebloemde doeken te verlangen; gij moet ook eerst voor uwe jongens zorgen. Eerst moesten wij ons eene schuit kunnen aanschaften, dan zal die ons voorthelpen om een huis te koopen. Grootvader zou het huis met den mispel wenschen en dat zoude mij ook best bevallen, daar kan ik in den donker overal rondgaan, zonder mij te stooten, er is een groote binnenplaats voor de netten en \'t is vlak aan zee. En dan, als mijne zusters getrouwd zijn, komt grootvader bij ons inwonen, wij geven hem de groote kamer die op de plaats uitkomt, daar schijnt de zon lekker, zoo kan de goede oude als hij niet meer naar zee gaat bij de deur der binnenplaats zitten en des zomers heeft hij de schaduw van den mispelboom. Wij zullen de kamer aan den tuin nemen, vindt ge dat goed ? Dan hebt ge de keuken vlak bij, dat is makkelijk, zoo alles bij de hand, niet waar? Maar als broer\'Ntoni terugkomt, zullen wij hem die kamer geven en wij gaan naar den zolder, daar vandaan hebt ge het trapje maar

-ocr page 101-

af te klimmen om in de keuken of in den tuin te zijn.

— In de keuken moet de haard nagezien worden, antwoordde Nunziata. Als ik er de laatste maal den pot kookte, toen die arme buurvrouw Maruzza te ziek was om zelve eene hand uit tc steken, moest men den ketel met steenen recht zetten.

— Ja, dat weet ik, zeide Alexis, met het hoofdknik-kende.

Hij keek strak vóór zich alsof hij dat droeve tooneel weder aanschouwde: Nunziata voor den haard, terwijl zijne moeder als cene wanhopende naast het bed zat.

— Gij zoudt ook wei blindelings door het huis met den mispel kunnen gaan, zoo dikwijls zijt gij er geweest. Moeder zeide altijd; een brave meid is zij.

— Nu hebben ze den tuin vol uien geplant, die zijn best opgekomen, zoo groot als chinaasappelcn zijn ze.

— Houdt ge van uien?

— Van den nood moet men eene deugd maken en daarom moet ik er wel van houden. Ze helpen het brood eten en zijn goedkoop. Als we geen geld hebben om soep te koken, eten wij altijd uien, ik en mijne kleintjes.

— Daarom worden er zeker zoo vele verkocht. Oom Crucifix behoefde daar geen kool en sla te telen, omdat hij een eigen tuin heeft, daarom heeft hij dezen vol uien kunnen planten. Maar wij zullen er ook bloemkool en broccoli kweeken. — Lekker, niet waar?

-ocr page 102-

91

Het meisje, neergehurkt op den drempel, met de armen om de knieën geslagen, keek strak vóór zich uit en begon zachtjes te zingen; Alexis luisterde aandachtig, eindelijk zeide zij:

— Dat zal nog wel eene poos duren.

— Ja, antwoordde Alexis, eerst moet Mena uitgehuwelijkt worden en dan Lia en al uw kleintjes moeten verzorgd zijn. Maar \'t is toch goed om er bijtijds aan te denken.

— Als Nunziata zingt, zeide Mena aan de deur komende, kan men bijna zeker zijn dat het den volgenden dag mooi weer zijn zal en men dan uit wasschen kan gaan.

Nicht Anna had eveneens belang daarbij, want ook zij had niets dan de waschplaats om iets te verdienen, geen weiland, noch wijngaard, en haar eenige uitspanning was iets om handen te hebben, te meer nu haar lieve zoon Rocco van den eenen Maandag tot den anderen in de herberg feestvierde, om zijn leed te verzetten over dat juffertje Mangiacarrubbe, dat nest!

— Verdriet is niet altijd een ongeluk, zoo troostte baas \'Ntoni haar, uw zoon Rocco zal.er mogelijk ook wijzer door worden. Aan mijn \'Ntoni zal het bij voorbeeld misschien goed doen, om eenigen tijd van huis te zijn; als hij terug komt, moe van het zwerven, zal hem alles hier goed dunken en hij\' zal niet meer over alles

-ocr page 103-

92

klagen. Als wij het nog eens zoo ver brengen om weder eene schuit te bezitten en onze bedden weer te plaatsen in het huis met den mispel, dan zal het oen best leventje zijn! — Wat zal dat heerlijk zijn als wij \'s avonds voor de deur zitten uit te rusten, na een goede vangst en dan het licht zien branden in die kamer waar het vele jaren lang die lieve gezichten bescheen. Maar nu zijn zoo velen reeds heengegaan, de een na den ander, die niet meer terug zullen komen, donker is de kamer en gesloten is de deur, alsof zij, die heengegaan waren, den sleutel mede genomen hadden voor altijd.

Kort daarna begon de oude man weder:

— \'Ntoni had niet weg moeten gaan. Hij had moeten bedenken dat ik oud ben en dat als ik sterf, deze kinderen niemand meer hebben.

— Als wij het huis koopen terwijl hij weg is, zal hij het niet kunnen gelooven, zeide Mena, als hij terug komt zal hij ons zeker hier komen zoeken.

Treurig schudde baas \'Ntoni het hoofd en zeide juist wat Nunziata reeds gezegd had:

— Dat zal nog wel eene poos duren.

Nicht Anna voegde er bij:

— Als \'Ntoni rijk thuis komt, kon hij het huis wel koopen.

Baas \'Ntoni antwoordde niet; maar het heele dorp wist immers dat \'Ntoni rijk terug moest komen, nu hij

-ocr page 104-

93

al zoolang weg was om fortuin te maken; velen benijdden hem reeds en wilden alles in den steek laten om fortuin te zoeken, zoo als hij. En ze hadden immers geen ongelijk? Wat lieten ze achter, niets dan een paar treurende vrouwtjes. De eenigen die daartoe het hart niet hadden, waren die domme zoon van Locca, en toch weet men welk een raar soort van moeder hij had, en Rocco Spatü omdat hij zoo van ganscher ziele aan de herberg gehecht was.

Maar, gelukkig voor de vrouwtjes, vernam men eensklaps dat \'Ntoni van baas \'Ntoni op een zeilscheepje \'s nachts terug was gekomen, zich schamende om zonder schoenen bij dag thuis te komen. Gesteld hij had fortuin gemaakt, dan zou hij toch zijn geld nergens op zijn lijf hebben kunnen bergen, xoo waren zijne kleeren versleten en aan flarden gescheurd. Maar zijn grootvader en broer verwelkomden hem alsof hij rijk beladen thuis was gekomen en de zusters hingen hem huilende aan den hals en lachten tevens, omdat hij Lia niet herkende, zoo was zij gegroeid; allen riepen:

— Nu verlaat ge ons niet meer, niet waar?

Grootvader moest zich ook snuiten voor hij zeggen kon;

— Ziezoo, nu kan ik gerust sterven, nu blijven die kinderen toch niet alléén op straat staan.

Het duurde wèl acht dagen vóór \'Ntoni den moed had om een voet buiten de deur te zetten. Allen die

-ocr page 105-

94

hem zagen lachten hem in het gezicht uit en Ganzevoet vroeg telkens:

— Hebt ge de schatten gezien die \'Ntoni van baas \'Ntoni mede heeft gebracht ?

Zij die een weinig getalmd hadden om hun bundeltje dicht te knoopen, alvorens de gekheid te begaan om op goed geluk het dorp tc verlaten, schudden van het lachen, nu ze hun eigen wijsheid vergeleken bij zijne dwaasheid. Gaat het iemand niet voor den wind, dan is hij een sukkel — dit is overbekend. Don Silvester, oom Crucifix, baas Cipolla en boer Filippus waren geen sukkels en voor hen boog dan ook de heele goê gemeente , want die niets hebben kijken de rijken en de voor-spoedigen met eerbied en open mond aan, zij moeten voor hen arbeiden, net als de ezel vanMosca, die voor een handvol stroo den ganschen dag werkte in plaats van achteruit te slaan en de kar kapot te trappen, om dan in het gras te gaan rollen, met de vier pooten in de lucht. De apotheker had volkomen gelijk met te zeggen, dat zooals de wereld nu was, het niet langer blijven kon, een schop moest men geven aan al het bestaande en dan alles beter inrichten. En toch behoorde hij, die tegen alles zoo stond te oreeren, ook tot de lui die het vette der aarde weten te veroveren; zijn grootste genot was op den drempel van zijn winkel een praatje nu met dezen dan met genen te houden , want als hij een poedertje in den vijzel gestampt en

-ocr page 106-

95

het eene of andere vuile watertje gemengd had, was zijn dagwerk afgeloopen! \'t Was toch een mooi beroep dat zijn vader hem geleerd had, geld te maken met een beetje water uit de pomp. Grootvader had daarentegen aan \'Ntoni een akelig ambacht geleerd, den godganschelijken dag hard te werken, zoodat armen en beenen geradbraakt schenen, het leven in de waagschaal te stellen, honger te lijden en dan niet eens een enkelen dag in het gras te kunnen rollen met de beenen in de lucht. Een vermaledijd beroep waarvan hij, bij de H. Maagd! tot over de ooren genoeg had, dan was hij nog liever als Rocco Spatü, die ten minste niets deed. Niet dat hij iets gaf om juffer Zuppidda, om Sara van juffer Tudda, of om eenig meisje ter wereld. Die doen maar haar best om een man te krijgen, die later voor haar werken kan, nog erger dan een hond, om ze den kost te geven en zijden doeken voor haar te koopen, waarmede ze des Zondags voor de deur pronken, met de handen in den schoot. Welnu, hij stond lievervzelf met de handen op den buik niet alléén \'s Zondags, maar ook \'s Maandags en al de dagen der week — want wat geeft al het zwoegen en werken? — niets, niemendal.

Zoo preekte nu \'Ntoni, hij kon liet even goed als de apotheker, dat ten minste had hij geleerd op reis, zijne oogen waren nu geopend en hij had leeren kijken, even als een poesje negen dagen na- de geboorte. Een rond-

-ocr page 107-

96

zwervende kip komt verzadigd thuis, zegt men en hij kwam thuis, ten minste van wereldkennis doorvoed en verspreidde nu zijn licht op de markt, in den winkel van den barbier Pizzuto en in de herberg bij Santuzza. \'tWas nu niet meer in liet geheim dat hij de herberg van Santuzza bezocht, waarom dan ook? Hij was immers een man en grootvader zoude hem bij slot van rekening toch ook niet bij de ooren trekken en, durfde men hem verwijten dat hij daar een mageren troost ging zoeken voor al zijne ellende — welnu, dan zou hij ze te woord weten te staan.

De arme grootvader, in plaats van hem de ooren te wasschen, trachtte hem met zachtheid over te halen;

— Kijk, zeide hij, nu gij weer terug zijt, zullen wij het geld voor het huis spoedig bijeen hebben — hij zong altijd denzelfden deun, de oude man.

— Oom Crucifix heeft gezegd dat li ij het aan niemand anders zal afstaan. Je arme moeder heeft er niet mogen sterven. Op het huis zullen wij dan eene hypotheek nemen, als huwelijksgift voor Mena en daarna kunnen wij met Gods hulp ons weder eene schuit aanschaffen; want____ het moet er nu maar uit, \'t is op mijn leeftijd een hard gelag om te dienen als men vroeger eigenaar geweest is. Gijlieden zijt ook als eigenaars geboren. Hoe wilt gij? Eerst weer eene schuit koopen met het geld dat ik voor het huis bestemde? Kom, gij zijt nu een man

-ocr page 108-

97

en moet dus ook uwe meening zeggen, gij weet het zeker nu beter dan ik, die oud en versleten ben. Wat wilt gij doen ?

Niets wilde hij doen. Wat kon hem het huis of de schuit schelen. Er zou immers wel weer een slecht jaar komen, weer de cholera, weer een ongeluk, dat andermaal èn huis én schuit zou verzwelgen, dan kon men weer van voren af beginnen, net als de mieren.

\'t Is wat schoons! En al had men het huis en de schuit, moest men dan toch niet hard blijven werken? Kreeg men dan misschien dagelijks vleesch en macaroni te eten? Daar ginds in dat land waar hij geweest was had hij menschen gezien en gekend, die niets deden dan in open rijtuigen rijden en pleizier maken. In vergelijking met deze lieden was hetgeen de secretaris en de apotheker deden zelfs zwaar werk: don Silvester die een beetje papier bekladde en don Franco die eenige ileschjes vulde met gekleurd water. Hij zou wel willen weten waarom er menschen op aarde zijn, die slechts voor het genot geboren zijn en anderen, die zich levenslang moeten afbeulen.

En dan als daglooner uit werken te gaan — grootvader had het immers zelf gezegd, dat paste hem volstrekt niet, daar hij toch als eigenaar geboren was. Eevelen te ontvangen van volk dat van niemendal opgekomen is, van lui die alles cent voor cent verdiend hebben in \'t zweet

-ocr page 109-

98

van hun aanschijn! Hij ging uit werken — ja! omdat grootvader er hem toe aanzette en hij eigenlijk nog niet durfde weigeren. Maar als de aanvoerder van de boot hem zoo op de hielen zat en van uit den stuurstoel commandeerde en toeriep: — Hoe is het, jongentje, werken wij vandaag, of doen wij niets? — dan bekroop hem de lust om hem met den riem op den kop te slaan; hij bleef liever op het strand kwansuis de netten verstellen, want, zat hij dan soms met de handen in den schoot, niemand was er bij om hem dit te verwijten.

Daar kwamen Rocco Spatü en Vanni Pizzuto zich de leden uitrekken, deze laatste wanneer hij als barbier niets te doen had, ook Ganzevoet, wiens ambacht het was, overal te gaan babbelen, in de hoop van hot eene of andere zaakje op te doen, om daarin als tusschenpersoon op te treden. Ovèr alles wat op het dorp voorviel werd daar druk gepraat: over donna Rosa en hoe zij geld aan don Silvester geleend had, waarom? ja! dat was maar beter gezwegen, en hij had het nooit terug gegeven, \'t was zoo goed als stelen .... en van den eenen dief op den anderen kwamen ze ook op oom Crucifix, die er meer dan 30 dukaten bij inschoot, nu de cholera zoovelen zijner schuldenaars weggenomen had, maar hij had ringen en oorbellen in menigte, in pand. — O! ja, zoo viel een ander dan weer in, nu trouwt hij zeker de Wesp — omdat hij anders met haar geen raad weet, men heeft

-ocr page 110-

99

gezien dat ze zich op het gemeentehuis lieten inschrijven in tegenwoordigheid van don Silvester.

— Neen, zei Ganzevoet die het best kon weten, dat hij ze neemt om die ringen en oorbellen, is niet waar, want die zijn van goud en hij kon ze voor klinkende munt in de stad gaan verkoopen, maar hij trouwt ze, omdat zij hem ronduit te kennen heeft gegeven dat zij van plan was met Rocco Spatü naar den notaris te gaan, daar juffer Mangiacat rubbe zich voor goed van Brasi Cipolla meester had gemaakt. Je neemt het me niet kwalijk, vriend Rocco?

— Volstrekt niet, vriend Agostijn, antwoordde Rocco, het kan mij volstrekt niet schelen, men zou wèl gek zijn als men op dat vrouwvolk wilde bouwen. Wat mij betreft, ik heb geen ander liefje noodig dan Santuzza, die is wèl twee Mangiacarrubbe\'s waard, wat zegt gij, vriend Agostijn ? wat een postuur! en wat nog meer zegt, zij geeft mij net zoolang krediet als ik maar wil.

— Een mooie herbergierster maakt hooge rekeningen, zeide Pizzuto, de barbier.

— Vrouwen zoeken slechts een man, om zich door hem te laten onderhouden, zeide \'Ntoni. Allemaal koekoek ée\'n zang.

Ganzevoet ging met zijn bericht voort:

— Oom Crucifix liep buiten adem naar den notaris, en zoo is het geschied dat hij nu de Wesp voor zich neemt!

-ocr page 111-

100

— Die treft het, dieMangiacarrubbe! nietwaar? zeide \'Ntoni.

— Zeker, zeide Spatu, als de vader van Brasi Cipolla sterft, zal \'t zoontje bulken van \'t geld, maar onze lieve Heer kan hem nog wel honderd jaren laten leven.

— De vader speelt nu geducht op, maar mettertijd zal hij het hoofd wel buigen. Hij heeft geen andere kinderen, wil hij dus met krachten geweld beletten dat jufifer Mangiacarrubbe ten leste zijn geld in handen krijgt, zon blijft hem nu niets over dan om zelf nog te hertrouwen.

— Dat zou me pleizier doen, zeide \'Ntoni. juffer Mangiacarrubbe heeft niets. Waarom moet baas Cipolla alléén rijk zijn ?

Nu kwam de apotheker opdagen, die na den eten altijd zijne pijp op strand rookte en aan de verzamelde vrienden verkondigde, dat de wereld in \'t honderd liep en dat men alles onderstboven werpen moest, om het dan beter op te zetten. Maar met zulke menschen was het den Moriaan gewasschen, \'t was water in den vijzel stampen! De eenige die er nog een beetje begrip van had, was \'Ntoni, die de wereld gezien had; hij had als soldaat leeren lezen en daarom kon hij ook voor de deur der apotheek staan praten over de couranten met den apotheker; die was volgens hem een beste vent, wilde met iedereen omgaan en had niet zulke malle..pretensies als zijne vrouw, die hem telkens vermaande:

-ocr page 112-

lOI

— Bemoei je tcch niet mei dingen die je niet aangaan.

— Vrouwen moet men laten praten en handelen moet men buiten haar om, zeide don Franco, zoodra de Dame naar boven was gegaan. Wat hem zei ven betrof, hij versmaadde zelfs niet een gehoor zonder schoenen of kousen, als ze dan maar niet zijn winkel binnendrongen; met de grootste welwillendheid legde hij hun de couranten woord voor ■ woord uit en bewees duidelijk dat het in de wereld eigenlijk zou moeten gaan, zooals daar gedrukt stond.

Als don Franco bij de vrienden kwam, terwijl ze aan het redeneeren waren, knikte hij \'Ntoni Malavogliatoe, die op het zand zijne netten zat te verstellen , den rug geleund tegen een hoop steenen, en met tal van gebaren zeide hij:

— Dat noemt men dan rechtvaardigheid! terwijl sommigen niets te doen hebben dan in de zon te luieren met de pijp in den mond, moeten anderen hard werken en hun rug aan de steenen bezeeren, en toch moesten alle menschen broeders zijn en gelijke rechten hebben; heeft Christus dit niet verkondigd? was hij niet de grootste revolutionnair die ooit geleefd heeft? en heden ten dage zijn de priesters spionnen en verklikkers. Weet ge wel dat don Jan Marie het geheim van don Michiel met Santuzza, dat men hem in de biecht medegedeeld had, heeft laten uitlekken?

-ocr page 113-

102

— Wat zegt ge ? Santuzza en don Michiel ? Ik dacht dat hij zijn hof maakte aan Barbara Zuppidda? Hij loopt den heelen dag de straat dol Nero op en neer, dit zeggende keek hij \'Ntoni spottend aan.

— Geen wonder! hij heeft niets ter wereld te doen en daarvoor krijgt hij vier tari daags.

— Juist wat ik zeg, herhaalde de apotheker. Zoo is het heele systeem: lecgloopers worden betaald om niets uit te voeren en ons, die het geld daarvoor moeten verschaffen, op den koop toe uit te lachen. Lieden zoo als hij, die vier tari daags krijgen om bij juffer Barbara, voorbij te wandelen, en don Jan Marie die eéne lira daags ontvangt om Santuzza\'s fraaie geheimen in de biecht aan te hooren! en don Silvester. . . waarvoor krijgt die het ? en meester Cirino die betaald wordt om ons door zijn klokkengelui te verdooven, die de lantaarns niet opsteekt om de olie voor eigen gebruik te houden! daar op het gemeentehuis gebeurt nog zooveel meer ! Eens hadden ze afgesproken schoon schip te maken, maar toen is alles met don Silvester weder bijgelegd en er is niet verder over gesproken. Dieven, altemaal dieven, net als die anderen, die in het Parlement zitting hebben en altijddurend praten en babbelen; weet jelui wat ze doen ? Ze praten veel en nu en dan zou men denken dat ze elkaar in \'t haar willen vliegen, maar intusschen lachen ze samen de onnoozelen uit die nog geloof slaan aan

-ocr page 114-

io3

hun goede trouw. Allen zijn zij uitzuigers van het volk, dat steeds klaar moet staan om dieven en spionnen, zoo als don Michiel, te betalen.

— \'t Is toch aardig om vier tari daags te verdienen, alleen met hier en daar rond te wandelen! zeide\'Ntoni, was ik ook maar kustwachter!

— Daar hebt ge het al! schreeuwde don Franco met van woede uitpuilende oogen, dat komt nu van zoo\'n verkeerd systeem, het gevolg is, dat allen schurken en schoften worden. Neem het mij niet kwalijk, vriend \'Ntoni. Ik zou misschien juist zoo zijn had ik niet gestudeerd en had ik niet een beroep, waarmede ik mijn brood verdienen kan.

Zij waren allen eenstemmig; het was een heerlijk beroep dat de vader aan zijn zoon geleerd had,... dat van apotheker te zijn — in den vijzel stampen en geld verdienen met een gekleurd watertje, terwijl er anderen zijn die zich in de zon moeten laten braden, het gezicht bederven met het verstellen van netten, krampen in de beenen en in den rug krijgen en dat voor eene verdienste van nog geene tien stuivers daags! het was om van te spuwen; ze lieten de netten liggen en keerden langzaam, gezamenlijk naar de kroeg terug.

-ocr page 115-

XIII.

aas \'Nloni deed zijn uiterste best om, als zijn kleinzoon \'s avonds dronken thuis kwam , hem stil naar bed te brengen, zonder dat de anderen het merkten, want dit was bij de Malavoglia\'s nog nooit gebeurd, de tranen kwamen hem in de

hij dan \'s nachts opstond on Alexis wekte om mede naar zee te gaan, liet hij \'Ntoni maar slapen, hij zou toch voor niets gedeugd hebben. In den beginne schaamde \'Ntoni zich diep en ging ze, met een gebogen hoofd, op strand wachten, maar spoedig raakte hij er aan gewend en dacht bij zich zeiven: —Zie zoo, dat\'s weer een vrije dag.

De arme oude man trachtte door allerlei middelen dit verstokte hart te vermurwen; eens zelfs liet hij don Jan Marie in \'t geheim het hemd van \'Ntoni belezen; dit kostte hem drie tari.

— Zie! zeide hij tot hem, dit is nog nooit met de Malavoglia\'s gebeurd! Als gij den verkeerden weg Van Rocco Spatü inslaat, sleept gij uw broeder en uwe zusters mede

-ocr page 116-

IOS

in het verderf, seen rotte appel steekt de heele mand aanquot; en al het geld dat wij met zooveel moeite bijeen gegaard hebben zal in rook en asch vergaan; door éénen slechten zeeman vergaat de geheele bemanning en dan, ik vraag je, wat dan?

\'Ntoni liet het hoofd hangen, of bromde onverstaanbare woorden; maar des anderen daags was het hetzelfde; eens antwoordde hij:

— Wat zal ik u zeggen? als ik bedwelmd ben, vergeet ik ten minste mijn ongeluk!

— Wat is je ongeluk? ge zijt jong, gezond en je kent je handwerk, wat praat ge van ongeluk, wat mankeert je? Ik, die al zoo oud ben, en je broer die nog maar een kind is, wij hebben er ons toch bovenop gewerkt. Als gij ons wildet helpen, zouden wij weder kunnen worden, wat wij vroeger waren en al zouden wij niet even gelukkig zijn, door de vele verliezen die wij geleden hebben, wij zouden tenminste tevreden en zorgeloos kunnen leven, saam verbonden als de vingers van ééne hand cn zeker van het dagelijksch brood. Maar als ik de oogen sluit, wat moet er dan van jelui worden? Kijk, ziet ge, telkens als ik scheep ga om een eenigszins verderen tocht te ondernemen, bekruipt mij dien angst. Ik ben al oud!...

Gelukte het grootvader \'Ntoni\'s hart te roeren, dan begon deze te weenen. De broer en de zusters, die van

-ocr page 117-

IOÓ

alles wisten, trokken zich terug als ze hem hoorden aankomen , alsof hij een v reemdeling was, of iemand die hun vrees inboezemde; grootvader, met den rozenkrans in de hand, prevelde:

— O, gezegende ziel van Bastianazzo! O, lieve ziel van Maruzza! helpt mij en verricht gij dit wonder!

Als Mena haar broer zag naderen, bleek en met schitterende oogen, ging ze hem te gemoet en liet hem door de achterdeur in de keuken.

— Kom dezen weg, zeide zij tot hem, grootvader is in het voorhuis, zij zette zich bij den haard neder en schreide lang en bitter, tot \'Ntoni eindelijk zeide:

— Ik wil niet meer naar de kroeg — al sloegen ze mij dood, ik ga er niet meer heen!

Hij begon weer te werken, hij stond nog vroeger op dan de anderen en ging twee uur vóór zonsopgang zijn grootvader wachten op het strand; de sterren flikkerden nog helder boven den kerktoren en de krekels op de weiden hoorde men zoo duidelijk, alsof ze vlak bij waren.

Grootvader was meer dan gelukkig, hij keuvelde voortdurend met \'Ntoni, om te toonen hoe lief hij hem had en bij zich zeiven herhaalde, hij telkens:

— Het zijn de gebenedijde zielen van zijn vader en moeder, die dit wonder hebben bewerkt!

Volle acht dagen hield het wonder stand, des Zondags

-ocr page 118-

i07

ging \'Ntoni niet eens naar de markt, hij wilde de herberg en de vrienden die hem lokten niet zien. Maar van verveling wist hij geen raad, hij geeuwde, rekte zich uit, er kwam geen einde aan den dag. Hij had den kinderlijken leeftijd achter den rug, waarin men, zooals Alexis en Nunziata, vermaak schept in het slenteren door de bremstruiken, een deuntje neuriënd, of, gelijkMena. in het opknappen van het huis, en hij was geen grijsaard, zoo als grootvader, die er genoegen in vond om in zijn leegen tijd de bodems der vaatjes of de gescheurde netten in orde te brengen. Hij bleef dus op den drempel zitten in de straat del Nero, waar geen levend wezen voorbij kwam, maar in de verte hoorde hij het schaterlachen in de herberg. Eindelijk ging hij uit baloorigheid slapen en den daarop volgenden Maandag zag hij er weer ontevreden en knorrig uit. Grootvader zeide:

— Het ware beter voor je zoo er geen Zondag in de week was, ie kunt er niet tegen, het is alsof het je ziek maakt.

Zoo! zou hem dat passen dat het nooit Zondag werd! het hart zakte hem in de schoenen bij de gedachte dat alle dagen werkdagen konden zijn. \'s Avonds van zee terugkeerende, had hij niet eens lust om te gaan slapen, wel om rond te loopen, mijmerend over het slechte gesternte waaronder hij geboren was; het duurde dan ook niet lang of hij kwam weer in de kroeg terecht.

Vroeger, als hij waggelend thuis kwam, trachtte hij

-ocr page 119-

ioS

binnen Lu sluipen, zich verontschuldigend of zich heel stil houdend. Maar nu praatte hij luide, bekeef zijne zuster, als zij hem met rood geschreide oogen en bleek gezicht opwachtte, om hem de achterdeur binnen te laten, omdat grootvader in het voorhuis zat.

— Dat kan mij niet schelen! antwoordde hij.

\'s Anderendaags stond hij geheel uit zijn humeur op, was knorrig en onwillig, weldra was het een vloeken en tieren van \'s ochtends tot \'s avonds.

Eens had er een treurig tooneel plaats. Grootvader, die niets onbeproefd wilde laten om hem tot inkeer te brengen, trok hem in een hoek van het vertrek, de deuren waren gesloten uit vrees dat de buren iets zouden hooren en, schreiende als een kind, sprak de arme grijsaard hem aldus aan:

— \'Ntoni, \'Ntoni, zijt ge dan alles vergeten? weet je niet meer hoe je moeder hier gestorven. is ? wilt ge haar dit verdriet aandoen, dat ze je een dronkaard ziet worden, zooals Rocco Spatu? Ziet ge niet, hoe diep ongelukkig de arme nicht Anna is door dien slechten zoon en hoe zij soms bitter huilt, als er geen brood is om aan de andere kinderen te geven, en dat alles door zijne schuld! als jij met hem blijft omgaan, wordt ge zijns gelijke, die met kreupelen verkeert, loopt binnen\'t jaar zelf mank, en die met wolven in het bosch omgaat, huilt spoedig mede. Denkt ge nooit meer aan dien vreese-

\'■

m

-ocr page 120-

rog

lijken nacht, toen ze daar op dat bedje lag, wij allen er omheen, hoe zij je toen Mena en de kinderen heeft aanbevolen ?

\'Ntoni snikte als een kind, betuigde dat hij maar liever wilde sterven .... en toch wendde hij weldra zijne schreden weer naar de kroeg, en \'s nachts, in plaats van naar huis te gaan, bleef hij op straat ronddwalen, of leunde doodmoe, in gezelschap van Rocco Spatü en Cinghialenta, tegen eene deur, al brullende en zingende, om zijn leed te verzetten.

Ten langen leste durfde baas \'Ntoni zich bijna niet meer op straat vertoonen. Zijn kleinzoon daarentegen kwam maar zelden thuis en als hij er verscheen was het met zulk een norsch gelaat, dat hij allen den lust tot vermanen benam. Zelfverwijtingen kwelden hem genoeg, maar hij kon het immers niet helpen, hij had er geene schuld aan, het was het noodlot, dat hij in zoo\'n ongelukkigen stand geboren was .... Dan ging hij zijn hart luchten bij den apotheker, of bij een ander, die tijd over had om te babbelen over het onrechtvaardig oordeel dat in alle wereldsche zaken geveld wordt. Bij voorbeeld: gaat men soms bij Santuzza om zijn leed te verzetten, dadelijk wordt men voor een dronkaard uitgekreten, maar van anderen die thuis van lekkeren wijn een roes hebben, zonder dat ze daartoe door verdriet gedreven worden, zegt niemand iets, omdat ze rijk zijn en niemand

-ocr page 121-

I 10

hen tot werken vermaant, daar ze niets te doen hebben en geld zat bezitten! het heet toch dat wij allen broeders zijn en gelijke rechten hebben, dan moesten wij ook allen evenveel bezitten.

— Daar zit wat in dien jongen! zeide de apotheker aan don Silvester, aan baas Cipolla en aan een ieder die maar luisteren wilde, hij is niet geheel op de hoogte, dat spreekt, maar er zit pit in; dat hij zich niet beter weet uit te drukken kan hij niet helpen, dat is de schuld der regeering, die hem in onwetenheid heeft laten opgroeien.

Ter zijner onderrichting bracht de apotheker hem couranten, »de Vooruitgangquot; en het 5gt;Recht voor Allenquot;, maar lezen verveelde \'Ntoni, het kostte hem nogal moeite, hij was er veel van vergeten en behalve dat, als soldaat was hij er toe gedwongen, als vrij man kon hij nu doen en laten wat hij wilde — ten slotte-, wat hielp het f al die praatjes gedrukt in de courant te lezen, gaven hem geen duit, brachten hem geen voordeel. Wat kon het hem dan eigenlijk schelen ? Don Franco bewees hem, dat hij er wel degelijk belang in moest stellen en als don Michiel voorbij kwam, wees hij knipoogend op hem en deelde \'Ntoni mede, dat deze nu een goed oog had op donna Rosa, sedert hij te weten was gekomen dat zij een aardig stuivertje had en bereid was dit te geven, aan wien haar wilde trouwen.

~

-ocr page 122-

111

— Eerst allen die uniform dragen uit den weg geruimd! daarmede moet men beginnen. Revolutie, dat is het wat noodig is.

— En wat geeft ge mij om revolutie te maken?

Dan haalde don Franco de schouders op en keerde

knorrig naar zijn vijzel en pillendoozen terug; met zulk volk was het geen praten, even goed kon men vuil water in den vijzel stampen, zeide hij en nauwelijks had \'Ntoni de hielen gelicht of Ganzevoet fluisterde:

— Nu, als hij don Michiel van kant wil maken, heeft hij wel een betere reden om hem te vermoorden dan deze: don Michiel wil zijne zuster verleiden, maar daarom geeft de kerel niet; die gemeen genoeg is om zich door Santuzza te laten onderhouden.

Ganzevoet had eene veete tegen don Michiel en wilde hein gaarne uit den weg ruimen, omdat deze hem met Rocco Spatü en Cinghialenta van smokkelarij verdacht en hem schuins aanzag, als hij ze ontmoette.

Die arme meisjes Malavoglia gingen wat over de tong, het was de schuld van den broeder dat ze maatschappelijk eene sport naar beneden waren gegaan. Het heele dorp wist dat don Michiel de straat del Nero op en neer wandelde om juffer Zuppidda te plagen, die met het spinrokken in de hand hare dochter Barbara bewaakte; maar intusscbien had don Michiel, ten einde niet te vergeefs daar op- en neer te loopen, zijne oogen laten

-ocr page 123-

1 ) 2

vallen op Lia, die een mooi meisje geworden was en door niemand bewaakt werd dan door hare zuster; Mena bloosde voor haar en zeide:

— Kom, Lia, laat ons in huis gaan. Het past ons niet hier aan de deur te staan, nu wij weezen zijn.

Maar Lia was ijdel en stond gaarne aan de deur, om haar mooi gebloemden halsdoek te laten bewonderen, want ieder zeide: — Wel! juffer Lia, wat staat je die halsdoek goed! en don Michiel verslond haar letterlijk met de oogen.

De arme Mena, gedwongen om den dronken broeder op te wachten, was zoo terneer geslagen en voelde zich zoo moe en moedeloos, dat ze de armen liet hangen, in plaats van hare zuster binnenshuis te houden, nu don Michiel dikwijls voorbijkwam, en Lia antwoordde haar;

— Zijt ge bang dat hij mij op zal eten ? Niemand wil iets met ons te doen hebben, sedert wij niets meer bezitten. Zie maar hoe het \'Ntoni gaat — zelfs de honden willen niet van hem weten.

— Als \'Ntoni een hart in het lijf had, zou hij don Michiel wel uit den weg ruimen, herhaalde Ganzevoet.

\'Ntoni wilde don Michiel wel uit den weg ruimen, maar om eene geheel andere reden. Nadat Sar.tuzza niet don Michiel gebroken had was zij van \'Ntoni gaan houden, om de kranige manier waarop hij zijne pet op één oor droeg en om den slingerenden gang, eene herinnering

-ocr page 124-

uit den soldatentijd; onder de toonbank bewaarde zij voor hem de lekkere beetjes, die van de bestellingen der andere klanten overschoten , nu en dan zorgde ze ook dat zijn glas met wijn gevuld stond; op die wijze werd hij zoo dik en vet als een slagershond, een sieraad voor de herberg. Hij beloonde deze goede zorgen, door San-tuzza\'s rechten te handhaven, wanneer het soms gebeurde dat slechte klanten liever ruzie maakten dan hun geld te laten zien, als het op betalen aankwam. Met de vrienden daarentegen was hij spraakzaam en vroolijk; als Santuzza ging biechten, zorgde hij voor de bediening in de herberg, iedereen hield van hem, hij werd door allen als kind des huizes behandeld, behalve door oom San-toro, die hem schuins aankeek en tusschen de eene Ave Maria en de andere pruttelde, dat hij zich liet onderhouden en op kosten zijner dochter zoo dik en vet als een kanunnik werd — waarop Santuzza antwoordde: dat, als het haar goeddacht, zij vrij was om aldus te handelen, \'twas slechts een bewijs dat zij er pleizier in had en dat ging niemand anders aan.

— Ja, ja, bromde oom Santoro, toen hij ze eens alleen onder vier oogen kon spreken, don Michiel hebt ge toch noodig. Boer Filippus heeft mij al zoo dikwijls herinnerd dat het hoog tijd is, den nieuwen wijn kan hij niet langer in den kelder houden, die moet nu of nimmer binnengesmokkeld worden.

-ocr page 125-

ii4

__ O ja, boer Filippus denkt slechts aan eigen voordeel, maar mij, ziet ge, kan het niets schelen, al moet ik er dubbele rechten voor betalen; met don Michiel wil en zal ik niets meer te doen hebben.

Zij kon hem de parten niet vergeven die hij haar met juffer Zuppidda gespeeld had en dat nog wel nadat ze hem, ter wille van zijne brigadiers uniform, steeds als een kanunnik getrakteerd had. \'Ntoni Malavoglia, zelfs zonder uniform, was tienmaal meer waard dan hij en wat ze dezen gaf, schonk ze van ganscher harte.

Op die wijze verdiende \'Ntoni thans den kost, en als grootvader hem verweet dat hij leeg liep en zijne zuster hem lang met treurige blikken aankeek, zeide hij:

— Kost ik jelui soms wat? van het opgespaarde geld verteer ik niets en mijn brood verdien ik zelf. ■ — Het ware beter van honger te sterven, antwoordde grootvader, ja, het best van alles ware dat we allen stierven en wel, liever vandaag dan morgen!

Eindelijk spraken ze niet meer met elkaar en keerden elkander den rug toe. Baas \'Ntoni, om met den kleinzoon é\'in vrede te blijven, durfde den mond niet meer openen; \'Ntoni, die stille verwijten moe, liet hem zitten en ging Rocco of Vanni den barbier opzoeken, met hen kon men altijd vroolijk zijn en nieuwe grappen verzinnen. Eens bedachten zij de aardigheid om eene serenade te brengen aan oom Crucifix, den nacht na diens huwelijk

-ocr page 126-

\'IS

met zijne nicht lt;le Wesp. Onder zijne ramen verzamelden zij allen, aan wie oom Crucifix niet meer wilde leenen; voorzien van potten, ketels, slagersbellen en rieten fluiten, maakten ze tot middernacht een helsch lawaai, zoodat de Wesp den volgenden dag nog groener en geler dan gewoonlijk te voorschijn kwam en alles aan die gemeene juffer Santuzza weet; bij haar in de herberg was het schelmstuk zeker beraamd, uit wraak dat zij, de Wesp, een man had weten te vinden, met wien zij eerzaam leven kon, terwijl anderen doodzonde en allerlei schandalen pleegden, onder den dekmantel van het blauwe lint der H. Maagd.

De menschen lachten oom Crucifix in het gezicht uit, toen hij zich als een jonggehuwde op de markt vertoonde in een nieuw pak kleeren; hij zag er bleek en gansch ontdaan uit, van akeligheid over dat nieuwe pak, waarvoor de Wesp hem zoo veel geld had doen verkwisten. Zij deed niets dan verteren en als hij haar had laten begaan zou de beurs wel binnen de acht dagen geleegd zijn, en dan durfde zij volhouden, dat zij er nu ook iets over te zeggen had, zoodat er dagelijks strijd en gekijf was. Zijn lieve wederhelft zette haar nagels op het gezicht van den armen gierigaard en schreeuwde dat zij de sleutels hebben wilde, dat zij niet genoodzaakt wilde zijn naar een stuk brood of een nieuwen halsdoek te hunkeren, nog erger dan vóór haar trouwen; als zij

-ocr page 127-

116

alles te voren geweten had, omtrent het huwelijk en het model van een echtgenoot dat zij getroffen had, zou zij liever haar stuk weiland gehouden hebben en het blauwe lint van de dochters van Maria — nu, wat dat betrof, dat lint kon zij nog wèl dragen!

Hij daarentegen gilde dat hij te gronde ging, dat hij geen baas meer was in zijn eigen huis, dat hij zich de cholera op den hals gehaald had, dat men hem vóór zijn tijd van verdriet wilde doen sterven, ten einde naderhand den boedel, dien hij met zoo veel moeite bijeen had gegaard, er door te brassen. Had hij maar alles te voren geweten, dan zou hij liever het weiland en de vrouw er bij naar den duivel hebben laten loopen — eene vrouw had hij niet van noode, maar ze hadden hem het nies op de keel gezet, door hem wijs te maken dat de Wesp, Brasi Cipolla had ingepakt en op het punt stond hem, haar eigen persoon en het stuk weiland te schenken; dat vervloekte stuk weiland was het begin van al de ellende geweest!

Juist nu hoorde men dat Brasi Cipolla zich als een gek had laten inpalmen door juffer Mangiacarrubbe en dat zijn vader hem nazat en in alle hoeken en gaten zocht, schuimbekkende van woede; hij had gezworen dat als hij het voortvluchtige paar vond, hij het zou schoppen en trappen en Brasi de ooren van het hoofd trekken. Oom Crucifix rukte zich de haren uit, wanhopig

-ocr page 128-

iiy

dar dit niet acht dagen te voren was gebeurd, dan zou hij niet, uit vrees voor Brasi, zoo in het ongeluk ge-loopen zijn.

— Het was een ware straf des Heeren, herhaalde hij, zich op de borst slaande, ik heb zeker de Wesp moeten krijgen voor mijne pekelzonden.

Zijne pekelzonden moeten beduidend geweest zijn, want de straf was zwaar, de Wesp vergalde hem elke bete broods, dag en nacht leed hij de smarten van het vagevuur.

Daarenboven liet de Wesp zich heel wat voorstaan op hare huwelijkstrouw — zij zoude geen man, al ware hij even jong en knap als\'Ntoni Malavoglia of Vanni Pizzuto, hebben aangekeken, neen! voor geen geld en toch zwermden de jongens om haar heen alsof ze van honig was.

— Ik wenschte wel dat het waar was — bromde oom Crucifix — zelf ging ik er een halen, als hij mij maar van haar wilde bevrijden! Ik zou Vanni Pizzuto of\'Ntoni Malavoglia nog geld toe geven, als ze mij op die wijze van deze heks verlosten.

Maar \'Ntoni bleef waar hij het goed had en, zooveel hij maar lustte, te eten en te drinken kreeg; zijn beroep was niet fraai, maar daar lachte hij wat om, hij bleef met opgeheven hoofd staan, als zijn grootvader hem verwijten deed, alsof deze en niet hij de schuldige was. \'Ntoni zeide, dat als men hem thuis niet meer hebben

-ocr page 129-

118

wilde, hij best wist waarheen te gaan , bij Santuzzakwam hij nooit over de hand en voor zijne vertering behoefden ze thuis toch niets uit te geven; al wat ze te zamen, baas \'Ntoni, Alexis en Mena, verdienden met de visscherij, den weefstoel, het wasschen en andere werkzaaiuhed^r 1 dat mochten zij, wat hem aanging, wel bij elkander leggen, om er die veel besproken schuit voor te koopen, waarmede ze toch niets zouden verkrijgen dan pijn in de armen; misschien kon het ook dienen voor dat heerlijke huis met den mispel, waar ze dan, na hel: gekocht te hebben, hun intrek konden nemen, om er vroolijk van den honger te sterven! hij wenschte hun voortaan geen cent meer te kosten; nu hij toch altijd een arme duivel moest blijven, wilde hij liever, zoolang hij nog jong was en \'s nachts nog niet lag te kuchen en te hoesten zooals grootvader, van het leven genieten. De zon scheen voor iedereen en de olijfboomen gaven schaduw, de markt was er om te wandelen en de treden van de kerk om te zitten babbelen, de straatweg om de menschcn voorbij te zien komen en de herberg om er te eten en met de vrienden te drinken. En als men zich begon te vervelen kon men kaart of ook smoraquot; spelen; kreeg men eindelijk slaap, dan kon men zich over dag in \'t land, waar slager Naso zijne schapen weidde, uitstrekken en \'s nachts in den stal van Santuzza hetzelfde doen.

— Schaamt gij u niet zulk een leven te leiden, zeide

-ocr page 130-

iig

eindelijk grootvader tot hem; hij was, weenende als een kind, hem komen opzoeken en trok hemnu bij de mouw achter den stal van Santuzza, om niet gezien te worden:

— Denkt ge dan nergens meer aan? Geeft ge niets meer om je familie? Was je vader nog maar in leven en je moeder! \'Ntoni, \'Ntoni!....

— Hebt gijlieden het dan misschien beter met al dat sloven en werken? \'t Is de vloek die op ons rust, dat is het. Zie maar, hoe ge zelf van het harde werken gekromd zijt als een strijkstok, tot op uw ouden dag hebt ge het volgehouden en wat hebt ge er aan gehad? Van de wereld weet ge toch niet meer af dan een katje wiens oogen nog niet geopend zijn. Dj visch die gijlieden vangt, eet ge die soms zelve ? Weet ge voor wien gij van den eenen dag op den anderen gewerkt en gesloofd hebt, zoodat gij niet eens goed genoeg meer zijt om in een armenhuis opgenomen tc worden! voor de lui die niets doen hebt gij gezwoegd, voor hen, die meer geld hebben dan ze kunnen tellen.

— Maar dat is niet zoo! gij hebt geen geld, ik ook niet, wij hebben geen van allen ooit iets gehad, daarom hebben wij ons het brood moeten verdienen met handenarbeid, als wij niet van honger wilden sterven; zoo is Gods wil.

— Des duivels wil, bedoelt gij zeker. En wilt ge nu weten wat u wacht, als de handen, (.lie nu reeds zoo krom

-ocr page 131-

120

staan van de jicht, den arbeid volstrekt niet meer kunnen verrichten ? dan kunt ge onder eene brug gaan liggen sterven.

— Neen, neen! riep de oude verheugd en hij sloeg zijne door de jicht kromgetrokken armen om den hals van \'Ntoni, het geld voor het huis hebben wij bijeen en als gij ons helpt....

— O ja, het huis met den mispel! Gij verbeeldt u zeker dat dit het mooiste paleis van de wereld is, gij hebt ook nooit een ander gezien.

— Dat het niet het mooiste paleis van de wereld is weet ik ook, maar gij die er geboren zijt moest dat niet zeggen, te meer dewijl je moeder er niet heeft mogen sterven.

— Wat dat betreft, mijn vader is er ook niet gestorven. Naar de haaien gaan, dat is het lot dat ons wacht, en zoolang het daartoe nog niet gekomen is, wil ik van het leven genieten en mijn lichaam niet voor niemendal verslijten. Wel zeker! eerst werken voor het huis, en als we dat hebben, dan werken voor eene schuit en daarna voor een bruidsschat voor Mena, en dan voor Lia en dan voor dit en dat! O! bij het bloed van Judas! Wij zijn voor het ongeluk geboren.

Het hoofd schuddend en met gebogen rug verwijderde zich de oude man, want de bittere woorden van zijn kleinzoon hadden hem verpletterd, als ware hem eene

-ocr page 132-

121

rots op het lijf gestort. Nu had hij den moed verloren, de armen liet hij slap hangen, hij had wel willen schreien. Telkens dacht hij — hoe is \'t mogelijk dat \'Ntoni zich zulke dingen in het hoofd heeft gezet! die zijn Bastia-nazzo of Lucas nooit in de gedachte gekomen, zij hebben altijd zonder klagen gedaan wat er gedaan moest worden; en dan kwam hij tot de treurige overtuiging dat men de hoop op een bruidsschat voor Mena of Lia maar op moest geven — hij kon het toch nooit bijeen krijgen.

Dit scheen Mena ook te begrijpen — zij werd hoe langer hoe neerslachtiger. De buren meden thans het huis der Malavoglia\'s en gingen voorbij, alsof de cholera er nog heerschte, Mena bleef alleen met het zusje, die den mooien gebloemden halsdoek droeg, of met Nunziata en nicht Anna, die nog de vriendelijkheid hadden om een praatje te komen maken; nu, de arme nicht Anna had zelve een kruis in dien ongelukkigen Rocco Spatü, die thans bij allen bekend stond als een dronkaard.

Nunziata was te jong geweest toen haar vader haar verliet, om nu nog veel onder die schande te lijden. Toch konden die arme schepsels elkaar goed verstaan, zoowel als ze met onderdrukte stem en gebogen hoofd stonden te praten, als wanneer ze zwegen, zonder elkaar aan te zien, met de handen onder den boezelaar, elk haar eigen droevig lot overpeinzende.

-ocr page 133-

122

— Als men in zulk een toestand gekomen is als waarin wij ons nu bevinden, zeide Lia, die als eene vrouw van ondervinding begon te praten, dan moet men zich zelve weten te helpen, elk moet voor eigen belangen zorgen.

Een enkele maal bleef don Michiel in \'t voorbijgaan even staan, om een paar woorden te wisselen, zoodat de vrouwen langzamerhand aan hem gewend waren geraakt en zijn gegalonneerde pet geene vrees meer inboezemde, integendeel, Lia begon ook aardigheden te vertellen, zij lachte en schertste met hem. Mena durfde haar niet berispen, durfde nog minder heengaan en haar alléén laten, nu ze geene moeder meer hadden; daarom bleef ze ineengedoken zitten, de straat met droeve, moede oogen op en neer kijkende.

Eindelijk, toen de buren zich in \'t geheel niet meer over haar bekommerden, voelde zij telkens het hart dankbaar kloppen, als don Michiel stil bleef staan en niet te grootsch was, hij in zijne uniform, om vóór de deur der Malavoglia\'s een praatje te maken. En als hij Lia soms alléén aantrof, dan keek hij haar diep in de oogen, zette zijn gegallonneerde pet op één oor, trok aan zijn knevel en zeide:

— Wat zijt ge toch een mooie meid, juffer Mala-voglia.

Dat had niemand haar ooit gezegd, daarom bloosde ze en werd zoo rood als een granaatappel.

-ocr page 134-

123

— Hoe komt het dat ge nog niet getrouwd zijt? vroeg hij dan verder.

Zij trok de schouders op en zeide dat zij het niet wist.

— Gij moest in zij gekleed gaan, met lange oorbellen — dan zoudt ge, op mijn woord van eer, voor eene dame uit de stad kunnen doorgaan.

— Zijden japonnen zijn voor mij niet weggelegd, don Michiel, antwoordde dan Lia.

— En waarom niet? Juffer Zuppidda heeft ze wel en juffer Mangiacarrubbe, nu zij Brasi van baas Cipolla gekregen heeft, en de Wesp kan ze ook hebben, als ze lust heeft, net zoo goed als de anderen.

— Maar die zijn ook rijk!

— O! onrechtvaardigheid van het lot! en don Michiel sloeg met de hand aan de sabel. Ik zou wel een prijs uit de loterij willen trekken, juffer Lia, alleen om u te laten zien wat ik dan zou doen.

En soms zeide don Michiel met de hand even aanslaande:

— Is het veroorloofd ? en dan ging hij op den drempel zitten.

Mena dacht dat hij dit deed om juffer Barbara, daarom maakte zij geene aanmerkingen. Maar aan Lia zwoer hij, dat het niet voor Barbara was, nimmer of nooit had hij aan Barbara gedacht, op zijn woord van eer niet, hij dacht aan heel wat anders, wist juffer Lia dit niet ? . ...

-ocr page 135-

I 124

En hij streek zich de kin en trok aan zijn knevel, terwijl hij haar met doorborende oogen aankeek.

Het meisje bloosde, veranderde telkens van kleur en stond op het punt om heen te gaan, maar don Michiel vatte hare hand en vroeg;

— Waarom wilt ge mij op deze wijze beleedigen? Blijf toch hier, juffer Malavoglia! U zal geen kwaad geschieden!

Zoo bleven ze bij elkaar, terwijl de mannen op zee waren, zij stond aan de deur, hij zat op den drempel en trok voor tijdverdrijf enkele grashalmpjes uit; daarop vroeg hij:

— Zoudt ge in de stad willen wonen ?

— Wat zoude ik in de stad?

— Wel 1 daar behoort gij! Onder deze boerenlum-mels zijt ge niet op uwe plaats, waarachtig niet! Een meisje dat er zoo uitziet, moet in de stad wonen, in een lief huisje en netjes gekleed naar de muziek, die op de Marina speelt, gaan luisteren. Ik weet wel hoe: niet een mooien zijden doek en eene ketting van amber. Hier — foei, \'t is alsof men in een varkenshok woont, ik hunker naar het oogenblik dat ik verplaatst word! \'tls mij dan ook beloofd, met nieuwjaar werd ik naar de stad teruggeroepen.

Lia moest er om lachen, zij haalde de schouders op en verklaarde dat ze niet eens wist hoe een zijden doek of een halsketen van amber er uitzag. Eens haalde don

-ocr page 136-

l25

Michiel een pakje uit zijn zak en toen hij het op zeer geheimzinnige wijze geopend had, kwam er een prachtige doek, geel en rood, te voorschijn, het was smokkelwaar, zeide hij en wenschte dien nu aan mejuffrouw Lia te vereeren, maar zij riep vuurrood:

— Neen, neen, ik neem den doek niet, al moest ik er om sterven!

Don Michiel bleef aandringen:

— Dat had ik niet verwacht, juffer Lia, dat heb ik niet aan u verdiend!

1 och moest hij den doek weder in het papier oprollen en in den zak steken.

Van dat oogenblik liep Lia naar binnen, zoodra zij de punt van zijn neus maar zag, uit angst dat hij haar den doek weder zou opdringen.

Aanhoudend drentelde hij langs het huis, zoodat juffer Zuppidda van woede dacht te barsten, maar al keek hij nog zoo in bij de Malavoglia\'s , het lukte hem niet iemand te zien, zoodat hij eindelijk besloot binnen te treden. I oen de beide meisjes hem plotseling voor zich zagen staan, ontroerden ze zoo, dat zij rilden alsof ze de koorts hadden, een man bij haar in huis! wat moesten, wat konden ze doen ?

Hoewel gij den zijden doek niet van mij hebt willen aannemen, juffer Lia, zeide hij tot het meisje dat bevende en rood als eene papaver voor hem stond, ben

-ocr page 137-

ik toch gekomen, wegens de groote vriendschap die ik ulieden toedraag. Wat doet uw broeder \'Ntoni?

Ook Mena bloosde toen hij naar haar broeder \'Ntoni vroeg en naar hetgeen hij uitvoerde, want hij deed niets. Don Michiel ging voort:

— Ik vrees dat gij allen nog verdriet van hem zult beleven. Ik ben ulieden zoo goed gezind dat ik een oog toeknijp, maar als in mijne plaats een andere brigadier komt, zal die bepaald willen weten wat uw broer \'s avonds met Cinghialenta en dien anderen schelm, RoccoSpatü, op de rotsen naar den kant van Rotolo, uitvoert. Zie goed toe, juffer Mena, en luister naar hetgeen ik u nu zeg: waarschuw uw broer voor Ganzevoet, zeg hem dat hij niet zoo veel met hem in den winkel van Piz-zuto moet verkeeren, alles komt vroeger of later aan het licht, en dan blijft hij met de gestoofde peren zitten. De anderen, zijn oude rotten, die niet in de val loopen; maar het zou hem dienstig zijn indien uw grootvader, \'Ntoni onder het oog bracht, dat wandelingen aan het strand gevaarlijk zijn, de rotsen luisteren alles af, al hebben ze geen ooren, en zien, ook zonder verrekijker, de verdachte schuiten die tusschen licht en donker zoo stil langs de kust varen, alsof ze vleermuizen willen vangen. Zeg hem dit, juffer Mena, en voeg er bij dat deze waarschuwing van iemand komt, die hem goed gezind is. Cinghialenta, Rocco Spatü en Vanni Pizzuto wovden ook

-ocr page 138-

127

in het oog gehouden. Uw broeder stelt vertrouwen in Ganzevoet — weet hij dan niet dat de douaniers percenten trekken van elke vangst die ze maken, dat ze er daarom zoo fel op zijn en gewoonlijk met één uit de bende in verstandhouding staan, om ze op heeterdaad te betrappen. Het spreekwoord zegt immers: Wacht u voor den geteekende.

Mena spalkte de oogen wijd open en verbleekte, ofschoon ze niet best begreep wat men haar mededeelde, behalve dat er vrees bestond dat haar broeder bet aan den stok zou krijgen met de gewapende macht. Maar don Michiel trachtte haar moed in te spreken en haar bij de hand nemende, ging hij voort:

Ik zoude er wèl aan toe zijn, indien men wist dat ik u was komen waarschuwen. Mijne betrekking staat op het spel, maar omdat ik zoo zielsveel van uliedenhoud, wil ik niet dat uw broeder iets overkomt. Op mijn woord van eer verzeker ik u, dat ik hem des nachts niet gaarne zou ontmoeten, op de een of andere verdachte plaats, al was er eene aanhaling ter waarde van duizend lire mede gemoeid.

Van dat oogenblik hadden de arme meisjes geene rust meer. \'s Nachts deden ze geen oog toe, bevende van angst en koude wachtten ze aan de voordeur den broeder op, terwijl hij zingende met Rocco Spatü over de straat slingerde en telkens meenden ze in de verte

-ocr page 139-

128

geweerschoten en kreten te hooren, zoo als dien keer toen men zeide dat er jacht gemaakt was op kwartels, die hooge laarzen dragen.

— Kom, ga slapen, zeide Mena tot hare zuster. Gij zijt te jong om van dergelijke zaken iets te weten.

Aan grootvader werd niets gezegd, om hem ten minste dit leed te besparen , maar toen zij \'Ntoni in een bedaarde bui aantrof, terwijl hij het hoofd met de hand steunend vóór de deur zat, vatte zij moed hem te vragen:

— Wat doet ge toch altijd met dien Rocco en met Cinghialenta? Wees op uwe hoede, men heeft u op het strand naar den kant van Rotolo gezien. Pas op voor Ganzevoet. Gij weet dat men van Judas gezegd heeft; Wacht u voor den geteekende.

— Wie heeft je dat verteld? vroeg \'Ntoni, als een ■razende opspringend, zeg mij, wie dat verteld heeft.

— Don Michiel heeft het mij gezegd, antwoordde Mena, met tranen in de oogen. Hij heeft mij geraden u voor Ganzevoet te waarschuwen en er bijgevoegd, dat er altijd één is die de overigen voor een aandeel in de winst verraadt.

— Heeft hij niets anders gezegd?

— Neen, verder niets.

Daarop verzekerde \'Ntoni dat er volstrekt niets van aan was, daarop kon hij een eed doen, maar ze moest er toch maar niets van zeggen aan grootvader. \'Ntoni stond

-ocr page 140-

129

haastig op, om in de kroeg zijn leed te verzetten; als hij iemand in uniform in de verte zag aankomen maakte hij een omweg, hij kon die lieden niet eens geschilderd zien. Don Michiel buitendien wist er niets van, beweerde \'Ntoni, hij vertelde zoo maar wat, om Mena bang te maken, daarvan was hij overtuigd, uit wraak wegens dat geval met Santuzza die hem, don Michiel, de deur uitgezet had, als ware hij een schurftig schaap. Hij was niet bang voor de uniform van dien betaalden leeglooper, die bezoldigd werd om het arme volk na te zitten en niets te doen had, dan het den een of anderen armen duivel, die wat verdienen wilde, lastig te maken. Welk eene afzetterij was het dan ook, dat men van goederen inkomende rechten betalen moest, alsof ze gestolen waren, wat hadden die kustwachters zich ook overal mede te bemoeien! Die douaniers konden op alles beslag leggen en nemen wat ze wilden, maar was er een ander, die er den hals aan waagde, om zijn goed te lossen, deze werd voor een dief uitgekreten en met pistool en geweer nagezeten , als een wild beest. Buitendien dieven te bestelen is nooit zonde geweest, dit had zelfs don Jan Marie in de apotheek gezegd. Don Franco knikte toestemmend en voegde er dadelijk bij dat, zoodra de republiek uitgeroepen werd, zulke schandalen niet meer konden gebeuren. — Die beroerde ambtenaren! zeide

-ocr page 141-

130

de vicaris; hij kon de 25 dukaten niet vergeten, die hem afhandig gemaakt waren.

— En de soldaten dan die betaald worden om in eene uniform fraai voor den dag te komen en verder niets uit te voeren! maar bij de H. Maagd, zeide \'Ntoni, met zijn eigene sabel zal ik dien don Michiel eens in \'t gezicht slaan, om hem te toonen hoe weinig ik om hem geef!

— Goed zoo! antwoordde de apotheker, het volk moet eindelijk de tanden laten zien. Maar hier niet, ik wil geen oproer in mijne buurt hebben, geene gekheid in mijne apotheek; het gouvernement zou mij wat graag in het een of ander standje betrokken zien, maar ik bedank mij daaraan bloot te stellen en op die manier kennis te maken met rechters en vonnissen.

\'Ntoni Malavoglia balde de vuist, vloekte en zwoer bij kris en kras, dat hij er een einde aan wilde maken, al werd hij daarvoor levenslang tot de galeien veroordeeld — hij had toch niets meer te verliezen. Sanluzza was hem niet meer zoo genegen als vroeger, haarvader had haar onder handen genomen, grijnende, tusschen de eene Ave Maria en de andere in; nu boer Filippus zijn wijn niet meer leverde aan de herberg verminderden de klanten, als vliegen na den H. Andreasdag, aandien wijn waren ze nu eenmaal gewend, als zuigelingen aan de moedermelk en Santoro jammerde:

-ocr page 142-

iS1

— Wat wilt ge met dien \'NtoniMalavoglia, dien hongerlijder aanvangen ? Ziet ge dan niet dat ge aan het kortste eind trekt ? Hij wordt hier op jou kosten dik en vet en dan gaat hij mooi weer spelen bij de Wesp of bij juffer Mangiacarrubbe, die nu beiden in goeden doen zijn.

De oude ging door met te klagen:

— De klanten blijven weg, omdat die kerel altijd om en nabij je is en je geen oogenblik tijd gunt met hen te praten en te schertsen.

Of oom Santoro beweerde:

— \'t Is schande, dien \'Ntoni, die er zoo vuil en slordig uitziet, hier over den vloer te hebben, het lijkt op het laatst hier wel een varkenshok, de klanten zijn te vies van hem, om uit de glazen te drinken. Don Michiel, was heel wat anders, toen die hier aan de deur stond in zijne uniform was het nog eene aanbeveling. Zij die voor hun geld hier wijn komen drinken, willen dat liever rustig en in vrede doen en zien gaarne dat iemand met eene sabel gewapend vóór de deur staat. Allen nemen de muts voor hem af en niemand zou het ooit in de hersens gekregen hebben, te kibbelen, al ware het slechts over een stuiver, waarvoor men bij je in het krijt stond. Nu hij zich riiet langer laat zien, komt boer Filippus ook niet meer; verleden kwam deze voorbij en ik wilde hem naar binnen troonen, maar hij weigerde op beleefden toon zeggende, dat hij toch den

-ocr page 143-

13-\'

wijn niet meer kon insmokkelen, nu gij met don Michiel gebroken hebt. \'t Is schadelijk voor ziel en lichaam beide; de menschen beginnen te mompelen en te fluisteren dat het niet voor niemendal is, dat ge zooveel aan \'Ntoni doet — het zal den vicaris nog ter oore komen en ze zullen je de medaille van de s dochters van Mariaquot; afnemen.

Santuzza hield wel vol, want zij bleef gaarne meesteres in huis, maar daar alles wat vader zeide de zuivere waarheid was, begon het wel eenigszins ingang bij haar te vinden en ze behandelde \'Ntoni niet zoo goed als dit vroeger het geval was. Al schoot er een lekker portietje over, het werd niet meer voor hem bewaard en de wijn dien hij kreeg was aangelengd met water, zoodat \'Ntoni eindelijk een lang gezicht trok, waarop hij hoeren moest dat zij niet op leegloopers gesteld was, zij en haar vader werkten hard voor het lieve brood, hij mocht ook wel wat helpen in huis, hout klooven of het vuur opstoken, in plaats van als een echte luilak te babbelen, of met het hoofd op de armen rustend te zitten slapen en overal op den grond te spuwen, zoodat men geen droog plekje vinden kon, om er den voet neer te zetten.

\'Ntoni ging hout klooven, bromde, vond het een harden arbeid en probeerde of vuur aanblazen niet makkelijker werk was. Het stond hem niet aan den heelen dag in touw te zijn, nog meer dan vroeger thuis en hier

-ocr page 144-

133

werd hij nu daarenboven afgesnauwd, terwijl hij voor belooning als een lond de vuile borden mocht aflikken. Eens, toen Santuzza met den rozenkrans in de hand van de biecht thuis kwam, brak de storm eindelijk los; de aanleiding daartoe was, volgens \'Ntoni, dat don Michiel weer op was komen dagen, hij stond haar weder op te wachten als zij ging biechten, oom Santoro was hem nageloopen, zoodra hij zijne stem van verre had gehoord, ja, was hem zelfs, langs de muren tastende met den stok om den weg te vinden, uit den winkel vanPizzuto gaan halen. Daarop werd Santuzza woedend en antwoordde dat hij, \'Ntoni, expres gekomen was, op het oogenblik dat ze de heilige hostie nog op de tong had, zeker om haar de heilige communie te vergallen:

— Tievalt het je hier niet, pak dan je biczen. Ik verkies niet mij om uwentwil te bezondigen! heb ik je ooit iets verweten, en toch weet ik dat ge de Wesp en juffer M\'angiacarrubbe naloopt, nu ze wel rijk, maar ongelukkig getrouwd zijn. Ga daar maar heen, een trog hebben ze al en ik hoor dat ze een varken zoeken!

\'Ntoni betuigde bij hoog en laag dat er niets van aan was, dat hij daaraan niet meer dacht — zij mocht hem gerust een slag in \'t gezicht geven, als zij hem ooit een andere vrouw zag aanspreken.

— Neen, zeide later oom Santoro tot haar, dit is de

-ocr page 145-

134

manier niet om hem kwijt te raken. Ziet gij niet hoe hij gehecht is aan je goede keuken ? Hij moet de deur uitgeschopt worden. Filippus heeft mij gezegd dat hij den most niet langer in de vaten houden kan, dat hij derhalve dien aan een ander verkoopen zal, als gij niet vrede sluit met don Michiel en een middel vindt, om, zooals vroeger, den wijn binnen te smokkelen!

Dan ging hij, langs de muren tastend, Filippus weer opzoeken in den winkel van Pizzuto. Zijne dochter deed alsof zij er niets van wilde weten en verzekerde, dat zij het hoofd nooit buigen zou voor don Michiel., na die leelijke poets die hij haar had gespeeld.

-— Laat mij maar begaan, zeide oom Santoro, ik zal alles wel weer in het effen brengen, en op slimme wijze , verstaat ge? ik zal wèl zorgen dat het den schijn niet heeft, alsof jij je voor hem wilt vernederen —ben ik je vader of niet?

Nu Santuzza hem schuins begon aan te kijken, moest \'Ntoni een middel uitdenken om zijne vertering in de herberg te kunnen betalen, want thuis durfde hij zich niet meer vertoonen, daar beschouwden zij hem als behoorde hij niet meer tot de levenden. Zij dekten zelfs de tafel niet meer, maar gebruikten treurig en zonder eetlust, door het huis verspreid, hun sober middagmaal, met het bord op de knieën.

— Dit is voor mij de genadeslag — zeide herhaal-

-ocr page 146-

delijk de arme, oude grootvader — en zij, die hem onder de netten gebogen uit werken zagen gaan, zeiden;

— Zeker is dit de laatste winter dien hij beleeft! Baas \'Ntoni zal het niet lang meer maken en dan staan die arme weezen gansch en al op straat.

Als Mena Lia verzocht stil in huis te blijven , wanneer don Michiel voorbij kwam, zette deze een grooten mond en antwoordde:

— Wel zeker, berg mij maar zorgzaam in huis,alsof ik een schat was! Houd je maar bedaard, van zulke schatten als wij zijn, willen de honden niet eens gediend zijn.

— Ongelukkige! als uwe moeder nog leefde zoudt ge zoo niet spreken, fluisterde Mena.

— Als mijne moeder nog leefde zou ik geen wees zijn , die voor zich zelve te zorgen heeft. En \'Ntoni zou dan niet op straat rondslenteren, zoodat men zich schamen moet zijne zuster te zijn; niemand zal ooit eene zuster van \'Ntoni Malavoglia ten huwelijk vragen.

\'Ntoni, geheel tot armoede vervallen, schaamde zich niet langer met Rocco Spatü en Cinghialenta gezien te worden, als zij langs de rotsen naar Rptolo gingen, of geheimzinnig en met donkere blikken als uitgehongerde wolven samenspanden.

Don Michiel waarschuwde Mena nog eens:

— Juffer Mena, ge zult verdriet beleven van uw broeder.

-ocr page 147-

136

Eindelijk moest zij zelve hem gaan zoeken, óf op de rotsen in de richting van Rotolo, óf vóór de deur der herberg; snikkende trok zij hem bij de hemdsmouw, maar hij antwoordde op barschen toon:

— Neen! Ik heb het je al gezegd,\'t is niets anders, dan dat don Michiel iets tegen mij heeft. Ik heb gehoord hoe hij in den winkel van Pizzuto leelijke plannen tegen mij beraamt, met oom Santoro — en hoe don Michiel hem vroeg: — Als ik soms bij je dochter terug kwam, hoe zoude ik dan ontvangen worden? — En oom Santoro antwoordde: — Met open armen; ik zeg je immers de heele buurt zou van nijd barsten.

— Maar wat wilt gij doen? vroeg Mena, bleek van aandoening op dringenden toon. Denk toch aan onze lieve moeder, \'Ntoni, en denk aan ons die gansch verlaten zijn!

— Niets wil ik doen ! Enkel maar èn hem èn Santuzza voor het heele dorp aan de kaak stellen, als ze naar de kerk gaan. Ik wil iedereen laten lachen, als ik die twee eens Hink de waarheid zeg. Want bang ben ik voor niemand en de apotheker hier in de buurt zal dan ook zien wie ik ben.

Te vergeefs bleef Mena schreiende bidden en smeeken, hij hield vol dat hij niets meer te verliezen had, het zou voor die anderen erger zijn dan voor hem, dit leven was hij moe, er moest een einde aan gemaakt worden — dat zeide don Franco ook.

-ocr page 148-

i37

Daar men in de herberg heiii niet meer met een goed oog aanzag, ging hij op de markt luieren, voornamelijk des Zondags en dan zette hij zich op de treden der kerk, om te zien welk figuur die onbesehaamden maakten, die God en de H. Maagd in hun eigen huis, als het ware durfden uittarten.

Sedert \'Ntoni als een schildwacht vóór de kerkdeur post had gevat, ging Santuzza \'s ochtends vroeg naar Aci Castello in de mis, liever dan door zijn aanblik in verzoeking gebracht te worden, maar hij had het genoegen om juffer Mangiacarmbbe voorbij te zien komen, het neusje in den mantel gedoken, zonder iemand meer aan te kijken, nu zij een man had veroverd. De Wesp, mooi uitgedost, met een bijzonder grooten rozenkrans tusschen de vingers, ging onzen lieven Heer bidden, haar te willen bevrijden van zulk eene straf des Hemels, als haar echtgenoot bleek te zijn. \'Ntoni riep haar spottend achterna:

— Nu ze een echtgenoot rijk zijn hebben ze niets meer noodig. Nu is er iemand die haar den kost moet geven!

Zelfs de kerkschheid van oom Crucifix was er na zijn huwelijk met de Wesp bij ingeschoten, hij ging er niet meer heen, om haar ten minste gedurende de mis kwijt te zijn. Zoo doende verspeelde hij ook het heil zijner ziel.

— Dit jaar is voor mij het laatste, zeide hij grijnzend en

-ocr page 149-

138

liep baas \'Ntoni en anderen, evenzeer beproefden, na om hun mede te deelen: — In mijn wijngaard heeft het gehageld, maar den wijnoogst zal ik zeker niet meer beleven.

— Zeg eens, oom Crucifix, zeide baas \'Ntoni, wanneer schikt het u om met mij naar den notaris te gaan, wegens het huis? het geld ligt bij mij klaar.

Hij dacht alleen aan dat huis en wat de anderen overkwam liet hem koud.

— Spreek mij niet van den notaris, baas\'Ntoni. Als ik dien naam hoor noemen, moet ik er steeds aan denken , hoe ik mij naar zijn huis heb laten sleepen door de Wesp. Verdoemd zij de dag dat ik den voet daarin zette!

Intusschen viel Ganzevoet, die de mogelijkheid om iets te verdienen bespeurde, hem in de rede, met te zeggen: — Als gij komt te sterven dan is die vrouw van je, die heks, in staat om hem het huis voor een appel of een ei te laten, je doet veel verstandiger om je zaken af te doen, terwijl je nog door eigen oogen zien kunt.

— Ja, ja, antwoordde dan oom Crucifix, laat ons dan maar naar den notaris gaan; maar dan moet gij zorgen dat ik wat op dat huis verdien, want zie eens,.welke verliezen ik geleden heb.

Ganzevoet deed alsof hij enkel en alleen het belang van oom Crucifix op het oog had en zeide:

— Ge moet oppassen, want als die heks er achter

-ocr page 150-

139

komt dat ge het geld van het huis gebeurd hebt, dan is zij in staat je te worgen, om halskettingen en zijden doeken daarvoor te koopen. Juffer Mangiacarrubbe ten minste koopt geene halskettingen of zijden doeken, nu ze een man heeft weten te vangen. Zie hoe zedigjes ze naar de mis gaat, met een katoenen kleedje aan.

— Wat kan mij juffer Mangiacarrubbe schelen! ze hadden haar ook maar levend moeten verbranden, met alle andere vrouwelijke schepsels, die toch maar op de wereld zijn om ons in het eeuwig verderf te storten. Gelooft ge waarlijk dat ze niets meer koopt? Altemaal smoesjes, om baas Fortunato te bedotten; hij zegt nog altijd, dat hij de eerste de beste trouwen wil, om niet gedwongen te worden, zijn goed te laten aan die bedelaarster, die hem zijn zoon Brasi ontstolen heeft! Ik, voor mij, wil hem de Wesp wel schenken, als hij die soms hebben wil. Ze zijn allemaal hetzelfde, koekoek één zang, en wee hem die in haar klauwen valt, de Heer laat ons op zoo\'n oogenblik in het duister rondtasten. Let maar op don Michiel, wat doet die? hij loopt de straat del Nero op en neer, om oogjes te geven aan donna Rosa. Wat ontbreekt dien man toch ?

zeer gezien is hij, goed betaald, dik et) vet____ welnu!

ook hij loopt het vrouwvolk na, om zich in het ongeluk te storten; en dat alles om die miserabele paar centen van den vicaris!

— \'t Is niet om donna Rosa dat hij daarheen gaat,

-ocr page 151-

i4o

fluisterde hein Ganzevoet heimelijk in het oor, donna Rosa kan ongedeerd op haar terras wortel schieten en hem eeuwig aangluren met haar verliefde blikken; om de duiten vau den vicaris geeft don Michiel ook volstrekt niet, maar ik weet voor wie hij die straat ingaat.

— Maar hoeveel moet ge voor dat huis hebben ? vroeg hein andermaal baas \'Ntoni.

— Daar spreken we wel later over, als wij bij den notaris zijn, antwoordde oom Crucifix. Laat ons nu naar de H. Mis gaan luisteren.

Zoo stuurde hij hem met een kluitje in \'t riet.

— Don Michiel heeft heel wat anders in \'t hoofd, herhaalde Ganzevoet, en hij stak zijne tong ver uit, toen baas Ntoni den rug had gekeerd en wees tegelijk niet het oog op \'Ntoni, die in een versleten pak tegen den muur leunde, woedende blikken werpend op oom Santoro, die nu de gewoonte aangenomen had om de kerk te bezoeken. Daar stak hij de hand uit haar de geloovigen, die hij allen één voor één herkende, als ze de kerk uitgingen, zeggende aan den eenen: — De Heer geve u rijkelijk! — aan den anderen: — Gezondheid — en toen don Michiel hem voorbijging, zeide hij: — Ga er heen, zij wacht u in den tuin achter het afdak — Santa Maria ora pro nobis!

Zoodra men vernam dat don Michiel weder verkeerde met Santuzza, werd er gezegd:

-ocr page 152-

i4i

Kat en hond hebben vrede gesloten! Zeker moet iets daarachter geschuild hebben, dat dit niet vroeger tot stand kwam.

En toen boer Fiiippus ook naar de herberg terugkeerde , zeide men:

Wel kijk! hij ook al! Hij kan niet buiten don Michiel. Zeker is hij meer op don Michiel dan op San-tuzza verliefd. Och ja, er zijn er die zelfs den hemel niet alléén weten te genieten.

Ntoni Malavoglia kon zijne woede niet verkroppen, nu hij op deze wijze uit de kroeg was weggeschopt, nog ergei dan een hond; en dan geen cent op zak te hebben, om ei onder de oogen van don Michiel te kunnen gaan drinken en er den ganschen dag met de ellebogen op tafel te blijven zitten, zoodat ze van spijt zouden bersten! In plaats daarvan moest hij wegsluipen, als een ellendige hond, die met den staart tusschen de beenen en den snoet op den grond wegloopt, en tusschen de tanden bromde hij:

Bij het bloed van Judas, er zal nog eens wat ge-hemen, een fraaie vertooning zullen we hebben, dit is zeker.

Rocco Spatü en Cinghialenta, die altijd een beetje geld hadden, stonden aan de deur der kroeg en lachten hem in het gezicht uit, of ze praatten zachtjes met hem en trokken hem bij den arm in de\' richting van het strand.

-ocr page 153-

142

Hij aarzelde nog altijd toe te stemmen en dan verweten hem de anderen, dat hij zoo\'n flauwe kerel was.

— \'t Is je verdiende loon, dat je van honger sterft, terwijl Santuzza het onder je oogen met don Michiel houdt. Foei!

— Bij het bloed van Judas, spreekt zoo niet, schreeuwde dan \'Ntoni met gebalde vuist — want, zoo waar ik leef, ik zal nog een ongeluk aan hem begaan.

Maar de anderen haalden de schouders op, lachten hoonend en lieten hem alléén staan, tot eindelijk eens de maat overliep en hij de herberg binnen trad; daar stond hij nu, bleek als een doode, de vuist; in de zijde, fier van houding in zijn versleten pak, alsof hij in het fluweel was gedost; met woedende blikken keek hij uittartend rond; don Michiel was in uniform, deed daarom alsof hij het niet zag en trachtte stil heen te gaan, maar deze bedaarde houding deed \'Ntoni\'s bloed des te meer koken, hij lachte don Michiel en Santuzza brutaal in \'t gezicht uit en spoog op den wijn dien hij voor zich had staan, schreeuwende dat het vergif was, of met gal gemengden azijn, en bovendien gedoopt! want iedereen wist, dat Santuzza er water bij deed; het was eene dwaasheid om in die kroeg zijn goed geld voor zulk bocht uit te geven — daarom kwam hij er niet meer.

Santuzza, in haar zwak getast, kon zich niet langer bedwingen en antwoordde dat hij er niet meer kwam,

-ocr page 154-

\'43

omdat zij er eindelijk genoeg van had hem om niet te onderhouden en dat men zelfs genoodzaakt geweest was hem er met stokslagen uit te jagen, zoo\'n hongerlijder was hij!

Daarop vloog \'Ntoni op, razende en tierende sloeg hij de glazen stuk tegen den vloer, zeggende dat hij slechts weggezonden was om dien anderen met zijne uniform er weer in te kunnen halen, maar hij was bereid om hem den wijn en het bloed te gelijk af te tappen, want, bij alle duivelen! — bang was hij voorgeene christenziel.

Don Michiel werd groen en geel van woede en, met de pet op één oor, stotterde hij: — Bij mijn heilig eerewoord, het loopt slecht af — terwijl Santuzza beiden, kannen en bekers naar het hoofd slingerde. Weldra pakten zij elkaar aan, begonnen elkander vuistslagen toe te dienen en rolden eindelijk onder de banken, al schoppende en bijtende, terwijl de omstanders met handen en voeten hun best deden om ze te scheiden; dit lukte eindelijk, toen Peppi Naso den lederen gordel dien hij om het lijf droeg had ontgespt en daarmede op hen insloeg -- waar die trof, was het raak.

Don Michiel stofte zijne monteering af, gespte de sabel die hij al worstelend verloren had weder aan en ging stil de deur uit, zijne woede verkroppend ter wille van fijne uniform. Maar \'Ntoni, wien het bloed uit den neus

-ocr page 155-

144

stroomde, behoefde zich voor niemand in te houden en toen hij den brigadier stil de deur zag uitknijpen, balde hij de vuist en zond hem een vloed van scheldwoorden achterna; dan niet de hemdsmouw zich het bloed van het aangezicht vegende, zwoer hij bij de eerste ontmoeting zich terdege te zullen wreken.

-ocr page 156-

XIV.

iHi.

yviMf\' ie eerste ontmoeting vond plaats op een stik-jf ^y- donkeren nacht, terwijl de sluizen des hemels geopend schenen, zoo plaste de regen neder bij qi- de rotsen naar den kant van Rotolo; een paar schuiten voeren dicht langs de kust, onder voorwendsel van tegen middernacht op vischvangst uit te gaan. \'Ntoni was met Rocco Spatü, Cinghialenta en eenige andere deugnieten daarheen geslopen, met de pijp in den mond; de kustwachters, die met geladen karabijnen gedoken lagen tusschen de rotsen, konden die gloeiende spijkers tellen.

— Juffer Mena, had don Michiel nogmaals gezegd, in het voorbijgaan, — juffer Mena! zeg aan je broer dat hij s nachts niet naar Rotolo met Rocco Spatü en Cinghialenta moet gaan.

Maar \'Ntoni was doof voor die vermaning, want honger is een scherp zwaard; sedert hij eens handgemeen met don Michiel geweest was, vreesde hij hem minder dan ooit, daarenboven had hij ten aanhoore van velen gezworen zich te zullen wreken, en hij wilde niet voor een

-ocr page 157-

146

gemeenen bluffer gehouden worden, noch door Santuzza, noch door de anderen, die tegenwoordig geweest waren bij de vechtpartij.

— Ik heb hem de rest beloofd, bij de eerste ontmoeting; kom ik hem het eerst bij Rotolo tegen, dan krijgt hij die daar, zeide \'Ntoni telkens tot zijne makkers.

Den zoon van Locca hadden ze ook medegetroond; met zingen en drinken hadden ze den avond in de herberg doorgebracht, zulk een oord is als eene zeehaven, voor iedereen staat die open en Santuzza kon hem er niet uitzetten, nu hij geld bij zich had en dit in den zak deed rammelen, of liet dansen in de hand.

Don Michiel was de ronde komen doen, maar Rocco Spatu die het reglement kende, had, op den grond spuwende, gezegd: — Zoolang het licht bij de deur brandt, hebben wij het recht om hier te blijven — en hij leunde tegen den muur om nog makkelijker te zitten.

Voor \'Ntoni was het ook een genot om Santuzza lang uit de veeren te houden, zij zat geeuwende te knikkebollen achter de glazen der toonbank, het hoofd gebogen op den gevulden boezem, die nog steeds de eer genoot van de medaille der dochters van Maria te mogen dragen.

— Ja, dat hoofdje rust daar wat zacht! \'t is een mollig plaatsje, zeide \'Ntoni, die een luidruchtigen,babbelach-tigen dronk had, terwijl Rocco, wanneer die vol zoeten

-ocr page 158-

147

wijn was, geen geluid meer gaf en tegen den muur bleef leunen.

Intusschen had oom Santoro al tastende het licht binnen gehaald, om daarna de deur te sluiten.

— Kom, gaat nu allen heen, ik heb slaap, zei de Santuzza.

—• Ik nog niet!

— Dat gaat mij niet aan of ge slaap hebt of niet, maar ik ben niet van zins om voor uw pleizier boete te betalen, als ze mijne herberg nog open vinden.

— Wie zou je in de boete slaan ? Die spion, don Michiel, misschien ? Zeg maar dat ik hem die boete wel zal be-talen, gerust, zeg hem dat \'Ntoni Malavoglia hier is! bij alle duivelen! zeg het hem.

Santuzza had hem bij de schouders gepakt en duwde hem zoo naar de deur:

— Ga zelf het hem zeggen, ga jij je ongeluk ergens anders te gemoet, ik verlang niet om uwentwil moeielijk-heden met de politie te krijgen.

Toen \'Ntoni zoo op straat was gezet, terwijl de regen met bakken uit den hemel viel, haalde hij zijn mes voor den dag en zwoer, dat hij haar, don Michiel, en allen dood zou steken! Cinghialenta, de eenige die zijne vijf zinnen nog bij elkander had, trok hem bij de jas, zeggende :

Houd je van avond stil! Weet je dan niet meer, wat wij te doen hebben ?

-ocr page 159-

148

De zoon van Locca voelde grooten lust om te huilen, het was ook zoo donker!

— Hij is dronken! merkte Rocco Spatü aan, zet hem onder de goot, dat zal hem goed doen.

\'Ntoni, door het koude bad, dat hem op de schouders viel, ietwat bedaard, liet zich door Cinghialenta leiden, echter steeds mompelend en een duren eed zwerend, dat, zoo hij don Michiel tegenkwam, hij hem alles betaald zou zetten. Daar stond hij waarlijk eensklaps vlak tegenover don Michiel, die, met de broekspijpen in de hooge laarzen en het pistool in den gordel, rondliep. Als met een tooverslag verstomde \'Ntoni, stil droop hij met zijne vrienden af, naar den winkel van Pizzuto; daar aangekomen, terwijl don Michiel reeds ver weg was, wilde \'Ntoni volstrekt dat de anderen zouden blijven stilstaan, om naar hem te luisteren.

— Hebt gij gezien waar don Michiel heenging? en Santuzza die beweren durfde dat zij slaap had!

— Laat jij don Michiel zijn gang gaan, zeide Cinghia-lenta, als het zoo is als jij denkt, zal hij ons niet hinderen.

— Jelui zijt allemaal flauwe kerels, om bang te zijn voor don Michiel, riep \'Ntoni.

— Je bent van avond dronken! anders zou ik je laten zien of ik bang ben. Nu ik mijn muilezel verkocht heb, verlang ik niet dat ze uitvisschen, hoe ik mijn brood verdien, wat duivel!

-ocr page 160-

149

Daarop bleven ze nog wat samen fluisteren, maar door het kletteren van den regen vernam men geen woord; op eens sloeg de klok en allen zwegen om te hooren hoe laat het was.

— Laat uns bij vriend Pizzuto gaan, zeide Cinghia-lenta. Hij mag zijne deur open houden zoolang hij wil en behoeft er geen licht vóór te hangen.

— \'t Is zou donker dat men geene hand voor oogen ziet, klaagde de zoon van Locca.

— Wij moeten iets drinken, zeide Rocco, met dit weêr is ditnoodig, anders verongelukken wij tusschen de rotsen.

— Alsof wij daarheen voor tijdverdrijf gaan, bromde Cinghialenta, kom, ik zal je bij meester Vanni Pizzuto, citroenwater geven.

— Ik dank je voor citroenwater — ik heb niets noo-dig om je te .laten zien, dat ik nog beter bij de pinken ben dan jelui.

Pizzuto wilde niet opendoen, hij zeide dat hij te bed lag, maar toen ze bleven kloppen, op gevaar af van het heele dorp te wekken en de wacht in hun zaakjes te mengen, vroeg hij het wachtwoord en kwam toen, zonder zich aan te kleeden, de deur openen.

— Zijt ge nu heelemaal gek om zoo te staan kloppen ? daar even heb ik don Michiel voorbij zien komen.

— Ja, wij hebben hem ook gezien, hij zit nu een rozenkrans te bidden met Santuzza.

-ocr page 161-

148

De zoon van Locca voelde grooteu lust om te huilen, het was ook zoo donker!

— Hij is dronken! merkte Rocco Spatü aan, zet hem onder de goot, dat zal hem goed doen.

\'Ntoni, door het koude bad, dat hem op de schouders viel, ietwat bedaard, liet zich door Cinghialenta leiden, echter steeds mompelend en een duren eed zwerend, dat, zoo hij don Michiel tegenkwam, hij hem alles betaald zou zetten. Daar stond hij waarlijk eensklaps vlak tegenover don Michiel, die, met de broekspijpen in de hooge laarzen en het pistool in den gordel, rondliep. Als met een tooverslag verstomde \'Ntoni, stil droop hij met zijne vrienden af, naar den winkel van Pizzuto; daar aangekomen, terwijl don Michiel reeds ver weg was, wilde \'Ntoni volstrekt dat de anderen zouden blijven stilstaan, om naar hem te luisteren.

— Hebt gij gezien waar don Michiel heenging? en Santuzza die beweren durfde dat zij slaap had!

— Laat jij don Michiel zijn gang gaan, zeide Cinghia-lenta, als het zoo is als jij denkt, zal hij ons niet hinderen.

— Jelui zijt allemaal flauwe kerels, om bang te zijn voor don Michiel, riep \'Ntoni.

— Je bent van avond dronken! anders zou ik je laten zien of ik bang ben. Nu ik mijn muilezel verkocht heb, verlang ik niet dat ze uitvisschen, hoe ik mijn brood verdien , wat duivel!

-ocr page 162-

149

Daarop bieren ze nog wat samen fluisteren, maar door het kletteren van den regen vernam men geen woord; op eens sloeg de klok en allen zwegen om te hoeren hoe laat het was.

— Laat ons bij vriend Pizzuto gaan, zeide Cinghia-lenta. Hij mag zijne deur open houden zoolang hij wil en behoeft er geen licht vóór te hangen.

— \'t Is zou donker dat men geene hand voor oogen ziet, klaagde de zoon van Locca.

— Wij moeten iets drinken, zeide Rocco, met dit weer is ditnoodig, anders verongelukken wij tusschen de rotsen.

— Alsof wij daarheen voor tijdverdrijf gaan, bromde Cinghialenta, kom, ik zal je bij meester Vanni Pizzuto, citroenwater geven.

— Ik dank je voor citroenwater — ik heb niets noo-dig om je te.laten zien, dat ik nog beter bij de pinken ben dan jelui.

Pizzuto wilde niet opendoen, hij zeide dat hij te bed lag, maar toen ze bleven kloppen, op gevaar af van het heele dorp te wekken en de wacht in hun zaakjes te mengen, vroeg hij het wachtwoord en kwam toen, zonder zich aan te kleeden, de deur openen.

— Zijt ge nu hcelemaal gek om zoo te staan kloppen ? daar even heb ik don Michiel voorbij zien komen.

— Ja, wij hebben hem ook gezien, hij zit nu een rozenkrans te bidden met Santuzza.

-ocr page 163-

\'So

— Weet ge waar don Michiel vandaan komt? vroeg Pizzuto, \'Ntoni strak aanziende; deze trok de schouders op. Vanni maakte plaats om hem te doen binnentreden en achter diens rug knipoogde hij tegen Rocco en Cinghialenta, terwijl hij hun tevens in het oor beet: — Bij de meisjes Malavoglia is hij geweest! Ik zelf heb er hem zien uitkomen.

— Wel moge het hem bekomen! antwoordde Cinghialenta, eigenlijk moesten we aan \'Ntoni zeggen dat hij zijne zuster op het hart moest drukken, don Michiel den heelen nacht bij zich te houden, zoo dikwijls wij iets hebben uit te richten ....

— Wat wilt ge toch van mij hebben, vroeg \'Ntoni met een dikke tong.

— Niets, \'tis niets, voor van avond ten minste niet.

, — Wat? is er van avond niets te doen? waarom hebt

ge mij in dezen regen dan uit de kroeg gehaald? ik ben doornat, zeide Rocco Spatü.

— Neen, neen, wij hadden het nu over heel iets anders met vriend Cinghialenta; integendeel, vervolgde Pizzuto, die man uit de stad is komen zeggen dat van avond het goed er zijn zal, maar het zal heel wat moeite kosten om het met dit weer aan wal te krijgen.

— Des te beter, dan ziet niemand ons lossen.

— \'t Is mogelijk, maar geloof vrij dat de kustwachters fijne neuzen en goede ooren hebben en, let wel,

-ocr page 164-

ÏS1

ik meen dat ze hierlangs zijn komen snuffelen en dat ze hier ingekeken hebben.

Op deze inededeeling volgde een oogenblik van stilte. Pizzuto vulde vier glaasjes ter afleiding.

Ik lach wat om de kustwachters! riep Rocco, nadat hij gedronken had. Dat zal hun duur te staan komen, als zij den neus in mijne zaken willen steken, dan heb ik hier mijn zakmesje, daarmede gaat men heel wat stiller te werk dan met hun pistolen.

— Wij verdienen ons brood zooals wij kunnen en willen niemand kwaad doen, voegde Cinghialenta erbij. Dat zou mooi zijn, als men zijn goed niet meer mocht lossen, waar men lust had!

— Die lui zijn dagdieven, ze hebben niets te doen dan geld te beuren op iederen zakdoek, die hier aan wal komt en geen mensch zit hen met geweerschoten na, zeide \'Ntoni. Weet ge wat don Jan Marie gezegd heeft? dieven te bestelen is geene zonde en de grootste dieven zijn die kerels met het galon om de pet; die eten ons arm.

— Wij zullen pekelvleesch van hen maken! zeide Rocco en zijne oogen schitterden als die eener kat.

Dit gezegde deed den zoon van Locca bleek worden als een doode; zonder het aan de lippen te brengen zette hij zijn glas neder.

— Hoe is \'t? ben je al dronken? vroeg Cinghialenta.

— Neen, antwoordde hij, ik heb niet gedronken.

-ocr page 165-

150

— Weet ge waar don Michiel vandaan komt? vroeg Pizzuto, \'Ntoni strak aanziende; deze trok de schouders op. Vanni maakte plaats om hem te doen binnentreden en achter diens rug knipoogde hij tegen Rocco en Cinghialenta, terwijl hij hun tevens in het oor beet: — Bij de meisjes Malavoglia is hij geweest! Ik zelf heb er hem zien uitkomen.

— Wel moge het hem bekomen! antwoordde Cinghialenta, eigenlijk moesten we aan \'Ntoni zeggen dat hij zijne zuster op het hart moest drukken, don Michiel den heelen nacht bij zich te houden, zoo dikwijls wij iets hebben uit te richten ....

— Wat wilt ge toch van mij hebben, vroeg \'Ntoni met een dikke tong.

— Niets, \'tis niets, voor van avond ten minste niet.

— Wat? is er van avond niets te doen? waarom hebt ge mij in dezen regen dan uit de kroeg gehaald? ik ben doornat, zeide Rocco Spatü.

— Neen, neen, wij hadden het nu over heel iets anders met vriend Cinghialenta; integendeel. vervolgde Pizzuto, die man uit de stad is komen zeggen dat van avond het goed er zijn zal, maar het zal heel wat moeite kosten om het met dit weer aan wal te krijgen.

— Des te beter, dan ziet niemand ons lossen.

— \'t Is mogelijk, maar geloof vrij dat de kustwachters fijne neuzen en goede ooren hebben en, let wel,

-ocr page 166-

*51

ik meen dat ze hierlangs zijn komen snuffelen en dat ze hier ingekeken hebben.

Op deze inededeeling volgde een oogenblik van stilte. Pizzuto vulde vier glaasjes ter afleiding.

Ik lach wat om de kustwachters! riep Rocco, nadat hij gedronken had. Dat zal hun duur te staan komen, als zij den neus in mijne zaken willen steken, dan heb ik hier mijn zakmesje, daarmede gaat men heel wat stiller te werk dan met hun pistolen.

— Wij verdienen ons brood zooals wij kunnen en willen niemand kwaad doen, voegde Cinghialenta erbij. Dat zou mooi zijn, als men zijn goed niet meer mocht lossen, waar men lust had!

— Die lui zijn dagdieven, ze hebben niets te doen dan geld te beuren op iederen zakdoek, die hier aan wal komt en geen mensch zit hen met geweerschoten na, zeide \'Ntoni. Weet ge wat don Jan Marie gezegd heeft? dieven te bestelen is geene zonde en de grootste dieven zijn die kerels met het galon om de pet; die eten ons arm.

— Wij zullen pekelvleesch van hen maken! zeide Rocco en zijne oogen schitterden als die eener kat.

Dit gezegde deed den zoon van Locca bleek worden als een doode; zonder het aan de lippen te brengen zette hij zijn glas neder.

— Hoe is \'t? ben je al dronken? vroeg Cinghialenta.

— Neen, antwoordde hij, ik heb niet gedronken.

-ocr page 167-

152

— Laat ons in dc open lucht gaan, dat zal ons goed doen. Goeden nacht aan de achterblijvers,

— Met je verlof! zeide Pizzuto met zijne hand op de klink, \'t Is niet om de centen van den drank, bewaar mij, dien heb ik je geschonken als aan vrienden, die ge waarlijk zijt, maar, ik beveel mij aan. Mijn huis staat u ten dienste als de zaak goed afloopt. Gij weet, ik heb eene achterkamer, zoo ruim dat er een heele scheepslading in kan en niemand ziet er ooit naar om, want met don Michiel en zijne kustwachters, zijn wij als de vinger naast den duim. Wat Ganzevcet betreft, hem vertrouw ik niet, die heeft mij verleden bij den neus gehad. .. hij is het goed bij don Silvester in huis gaan bergen. Don Silvester zal zich niet tevreden stellen niet hetgeen je hem als zijn deel zult aanbieden, altijd onder voorwendsel dat hij er zijne betrekking aan waagt, maar met mij behoeft ge daarvoor niet bang te zijn, ik stel mij tevreden met hetgeen billijk is. Toch heb ik aan Ganzevoet nooit het bewaargeld geweigerd, een glaasje morgendrank geef ik hem iederen keer als hij hier komt en ik scheer hem omniet. Maar, bij den heiligen Duivel! als hij mij weder bij den neus heeft, wil ik niet andermaal voor den gek gehouden worden, maar ga ik in eigen persoon naar don Michiel en vertel hem al de schelmstukken.

— Neen, neen, vriend Vanni; gij zult niets aan don

-ocr page 168-

Michiel behoeven te vertellen. Is Ganzevoet van avond gezien ?

— Neen, niet op de markt. Wel heeft hij met den apotheker in den winkel het land staan regeeren. lederen keer dat er wat uitgevoerd wordt, houdt hij zich achterbaks, om te kunnen beweren dat hij er niet mede te doen heeft. Een oude vos is hij en de kogels van de kustwachters zullen hem nooit treffen, al is hij zoo mank als de duivel. Den volgenden dag weet hij wel te komen en met een effen gezicht zijn aandeel te vragen, maar de kogels laat hij aan de anderen over.

— Het regent maar altijd door! zeide Rocco, zou het van nacht nooit uitscheiden?

— Met dit weer zal niemand komen te Rotolo, waagde de zoon van Locca te zeggen, \'t is beter dat we naar huis gaan.

\'Ntoni, Cinghialenta en Rocco Spatu, die op den drempel stonden, zwegen even en keken naar den regen, die steeds in stroomen neerviel.

— Malle jongen, zeide toen Cinghialenta, bij wijze van bemoediging, en Vanni Pizzuto sloot heel zachtjes de deur, met deze laatste vermaning:

— Hoort eens! als ulieden allernet een ongeluk overkomt, mij hebt gij van avond niet gezien! Een glaasje heb ik aan ieder van u uit vriendschap geschonken, maar in mijn huis zijt gijlieden niet geweest. Ik vertrouw

-ocr page 169-

154

dat ge mij niet zult verraden — bedenkt dat ik niemand op aarde heb.

De anderen gingen heel stil, strijkelings langs de muren der huizen, door den regen, voort.

— Hij ook al! bromde Cinghialenta tusschen de tanden, hij vertelt dat hij niemand op aarde heeft en toch spreekt hij kwaad van Ganzevoet! Die heeft ten minste eeue vrouw. Ook ik ben getrouwd! Maar ik behoor tot hen die de kogels treffen!

Op dat oogenblik slopen ze juist langs de deur van nicht Anna en Rocco Spatü zeide, dat ook hij eene moeder had, die nu rustig lag te slapen, God zegene haar.

— Nu, die in zijn bed kan blijven liggen, behoeft met dit weertje waarlijk niet voor zijn pleizier uit wandelen te gaan, zeide Cinghialenta.

■ \'Ntoni gaf hun een teeken van stil te zijn en een omweg te maken, om niet langs zijn huis te komen, \'t was niet onmogelijk dat Mena of zijn grootvader hem opwachtte en dan zouden ze gehoord worden.

— Jou wacht ze niet, je zuster! zeide tot hem die dronkenRocco. Als zij iemand wacht, dan is het donMichiel.

\'Ntoni tastte reeds in den zak om zijn mes voor den dag te halen, toen Cinghialenta vroeg of ze nu heeleniaal dronken waren, om alles op het spel te zetten voor zulke malligheden, terwijl zij op iets uit waren, dat hij niet behoefde te noemen.

-ocr page 170-

ÏSS

Mena stond inderdaad achter de deur op den broeder te wachten, terwijl zij den rozenkrans door de vingers liet glijden; eveneens Lia, bleek als eene doode, maar die niets zeide van hetgeen zij wist.

Het ware voor allen beter geweest indien \'Ntoni wel langs zijn huis was gekomen, in plaats van een omweg te maken. Don Michiel was ook dien avond laat komen tikken.

— Wie klopt daar zoo laat? vroeg Lia, die in \'t geheim bezig was een zijden zakdoek te zoomen; het was don Michiel eindelijk gelukt haar dien te doen aannemen.

— Ik ben het, don Michiel, die je noodzakelijk spreken moet, doe open.

— Ik kan niet open doen, want allen zijn te bed, behalve mijne zuster, die op \'Ntoni wacht.

— Het doet er niets toe of je zuster de deur open hoort gaan; \'t is juist over \'Ntoni dat ik kom spreken, \'t is dringend. Ik wil je broer redden van de galeien. Maar doe toch open, want ziet men mij, dan verlies ik mijne betrekking.

— O, heilige Maagd, zoo jammerde het meisje, o, heilige Maagd Maria!

— Als je broer van avond thuis komt, sluit hem in huis op. Zeg niet dat ik hier geweest ben. Zeg hem, dat het beter is dat hij thuis blijft. Zeg het hem, herhaalde hij.

-ocr page 171-

rS6

— O, heilige Maagd, o, heilige Maagd! zuchtte Lia met gevouwen handen.

— Nu zit hij nog in de kroeg, maar hij moet hier voorbij komen, wacht hem op aan de deur. Het is beter voor hem.

Lia weende stil, om niet door hare zuster gehoord te worden, zij had het gezicht in de handen verborgen. Don Michiel, met het pistool in den gordel en de broekspijpen in de hooge laarzen, zag het meisje schreien:

— Voor mij is niemand ongerust en er is niemand die voor mij van nacht tranen stort, en toch, juffer Lia, ben ik in even groot gevaar als uw broeder. Als mij dus wat overkomt, herinner u dan later dat ik u ben komen waarschuwen en mijne kostwinning voor u op het spel heb gezet!

Toen hief Lia het gelaat op en zag hem met betraande oogen aan; — God moge het u vergelden, don Michiel.

— Ik verlang geene vergelding, juffer Lia, ik heb het om uwentwil gedaan, omdat ik u lief heb.

— Ga nu heen, don Michiel, ga heen, allen slapen, om Gods wil, ik smeek het u, ga heen.

Don Michiel vertrok en het meisje bleef, achter de deur staande, een rozenkrans voor haar broeder bidden, God smeekende dat hij hem naar huis zou zenden.

Maar de Heer zond hem niet daarheen. Het viertal, \'Ntoni, Cinghialenta, Rocco Spatü en de zoon van Locca

-ocr page 172-

157

slopen in allerijl langs den muur van het steegje; toen ze eenmaal op den grindweg waren, trokken ze de schoenen uit en bleven, die in de hand houdende, even staan luisteren.

— Niets te hooren, zeide Cinghialenta.

De regen bleef nederplassen en van den kant der rotsen vernam men geen ander geluid dan het ruischen der zee.

— Geene hand voor oogen te zien! zeide Rocco, hoe zullen ze in deze duisternis bij de rots van de Duiven weten te landen.

— Het zijn allen doorknede kerels, antwoordde Cinghialenta. Ze kennen de geheele kust op hun duim, zelfs met gesloten oogen.

— Maar ik hoor niets, zeide \'Ntoni.

— \'t Is waar, men hoort niets, en toch moesten ze er al lang zijn.

— Dan is het maar beter om naar huis te gaan, zeide de zoon van Locca.

— Och kom! nu je goed gegeten en gedronken hebt, denkt ge maar aan naar huis gaan, maar als jij je niet stil houdt, geef ik je een schop en smijt je zoo van de rotsen in zee, zeide Cinghialenta.

— Als er toch niets te doen is, ga ik veel liever weg, bromde Rocco.

— Wij zullen weldra weten of ze er al of niet zijn, en zij bootsten het gekras van een nachtuil na.

■S\'

-ocr page 173-

158

— Als de kustwachters vnn don Michiel dit hooren,

zeide \'Ntoni, loopen ze dadelijk hierheen, in zulk weer ji; krassen de nachtuilen niet. n

— Dan is het beter naar huis te gaan, herhaalde de

zoon van Locca op klagenden toon, er is toch niemand b

die antwoordt. zi

Ofschoon ze geen gelaat konden onderscheiden, keken z

ze elkaar toch vragend aan en dachten na over hetgeen n

\'Ntoni van baas \'Ntoni gezegd had. f1

— Wat doen wij f vroeg nog eens de zoon van Locca.

— Wij moeten ons laten afzakken tot op den straatweg, meende nu Cinghialenta, als daar ook niemand is,

hebben zij zeker van het plan af moeten zien. i

Onder het voortgaan zeide \'Ntoni:

— Ganzevoet is in staat ons allen voor een glas wijn \\

te verraden. i

— Zoo! zoodra je geen glas wijn meer.voor je hebt staan, zijt ge al bang, voegde Cinghialenta hem toe.

Vooruit maar, voor den duivel. Ik zal je laten zien dat ik ten minste niet bang ben.

Terwijl ze langzaam, met de grootste voorzichtigheid, de rotsen af klauterden en zich terdege moesten vastklampen, om den nek niet te breken, fluisterde Rocco:

— Vanni Pizzuto ligt nu warm in zijn bed, hij die, nota bene, schimpte op Ganzevoet,\'omdat die zijn aandeel krijgt zonder iets te wagen.

-ocr page 174-

r59

— Nu is het eindelijk genoeg, zeide Cinghialenta, als jij je lichaam niet wildet wagen, hadt ge maar thuis moeten blijven en slapen.

Niemand kikte meer; \'Ntoni dacht, terwijl hij telkens behoedzaam de handen uitstak vóór hij een voet verzette, dat Cinghialenta wel had kunnen laten zoo iets te zeggen, onder zulke omstandigheden denkt iedereen natuurlijk aan zijn tehuis; hij zag duidelijk zijn bed en Mena, die duttende hem opwachtte.

Eindelijk zeide die dronkaard Rocco:

— Ons leven is op het oogenblik geen dubbeltje waard.

— Werda! hoorde men eensklaps van achter een hooge rots roepen. Halt! Staat stil!

— Verraad, verraad! riepen ze en namen ijlings de vlucht, zonder er verder op te letten waar zij den voet neerzetten.

Maar \'Ntoni stond eensklaps vlak vóór don Michiel, die een pistool in de hand had.

— Bloed van de Maagd! riep Malavoglia, zijn mes trekkend, denk je dat ik bang ben voor je pistool!

Het schot viel, de kogel vloog in de lucht zonder te raken, maar don Michiel, getroffen in de borst, viel, als een geslachtte os. \'Ntoni wilde vluchten, deed eenige wanhopige sprongen, maar de kustwachters achterhaalden hem en smeten hem op den grond, terwijl het kogels rond hem hagelde.

-ocr page 175-

i6o

— O, wat zal moeder nu beginnen ? jammerde de zoon van Locca, terwijl hij vastgebonden werd.

— Haalt zoo stijf niet aan! schreeuwde\'Ntoni, bloed van de Maagd, ziet ge dan niet dat ik geene vin meer verroeren kan.

— Houd je maar stil, Malavoglia, je bent ingerekend, antwoordden ze en ze duwden hem met de loopen van de geweren voort.

Terwijl ze hem gebonden naar de gevangenis brachten en don Michiel op de schouders der kustwachters weggedragen werd, keek \'Ntoni gedurig in het rond, of hij iets van Cinghialenta of van Rocco Spatu gewaar werd.

— Die hebben de plaat gepoetst en hebben niets meer te vreezen, evenmin als Ganzevoet en Vanni Pizzuto, die hoog en droog in bed liggen te slapen. Maar bij mij .thuis slapen ze niet meer, nu ze de geweerschoten hebben gehoord.

Inderdaad stonden die ongelukkigen, in plaats van te slapen, aan de voordeur, in den regen, met een angstig voorgevoel luisterende; de buren intusschen keerden zich geeuwend in bed om en zeiden, weder indommelend:

— Morgen zullen wij wel hooren wat het geweest is.

Bij het krieken van den dag stond het reeds vol vóór

den winkel van Pizzuto, waar het lichtje was blijven branden en werd er druk geredeneerd, over hetgeen gebeurd was in dien akeligen nacht.

-ocr page 176-

i6i

— Het gesmokkelde en de smokkelaars tevens hebben ze gekregen, deelde Pizzuto mede, en don Michiel heeft een messteek opgeloopen.

Allen keken in de richting van de woning der Mala-voglia\'s en wezen met den vinger daarheen.

Nicht Anna kwam, zoo wit als een doek, de haren nog niet uitgekamd, aanloopen, zij durfde niet spreken. Alsof zijn hart hem reeds alles voorspeld had, vroeg baas \'Ntoni:

— En \'Ntoni ? waar is hij ?

— Van nacht is hij als smokkelaar opgepakt, tegelijk met den zoon van Locca, antwoordde nicht Anna die niet meer recht wist wat zij zeide, en____don Michiel is vermoord.

— O, lieve moeder! riep de oude man zich met de handen voor het hoofd slaande; zoo deed ook Lia, geen wonder!

Baas \'Ntoni, zich de haren uitrukkend, riep voortdurend : — O, lieve moeder! o, lieve moeder!

Later kwam Ganzevoet met een benepen gezicht opdagen, hij stelde zich aan als wanhopig en vroeg:

— Hebt ge \'t gehoord ? baas \'Ntoni, dat is een ongeluk! ik werd door den schrik bevangen, toen ik het vernam.

Zijne vrouw, juffer Grazia, huilde echte tranen, zij kon het met geen droge oogen aanzien, hoe het ongeluk de Malavoglia\'s bleef vervolgen, maar haar man nam haar ter zijde bij een raam en zeide fluisterend:

ii. ii

-ocr page 177-

i6o

— O, wat zal moeder nu beginnen ? jammerde de zoon van Locca, terwijl hij vastgebonden werd.

— Haalt zoo stijf niet aan! schreeuwde\'Ntoni, bloed van de Maagd, ziet ge dan niet dat ik geene vin meer verroeren kan.

— Houd je maar stil, Malavoglia, je bent ingerekend, antwoordden ze en ze duwden hem met de loopen van de geweren voort.

Terwijl ze hem gebonden naar de gevangenis brachten en don Michiel op de schouders der kuBtwachters weggedragen werd, keek \'Ntoni gedurig in het rond, of hij iets van Cinghialenta of van Rocco Spatü gewaar werd.

— Die hebben de plaat gepoetst en hebben niets meer te vreezen, evenmin als Ganzevoet en Vanni Pizzuto, die hoog en droog in bed liggen te slapen. Maar bij mij thuis slapen ze niet meer, nu ze de geweerschoten hebben gehoord.

Inderdaad stonden die ongelukkigen, in plaats van te slapen, aan de voordeur, in den regen, met een angstig voorgevoel luisterende; de buren intusschen keerden zich geeuwend in bed om en zeiden, weder indommelend:

— Morgen zullen wij wel hooren wat het geweest is.

Bij het krieken van den dag stond het reeds vol vóór

den winkel van Pizzuto, waar het lichtje was blijven branden en werd er druk geredeneerd, over hetgeen gebeurd was in dien akeligen nacht.

-ocr page 178-

i6i

— Het gesmokkelde en de smokkelaars tevens hebben ze gekregen, deelde Pi;;zuto mede, en don Michiel heeft een messteek opgeloopen.

Allen keken in de richting van de woning der Mala-voglia\'s en wezen met den vinger daarheen.

Nicht Anna kwam, zoo wit als een doek, de haren nog niet uitgekamd, aanloopen, zij durfde niet spreken. Alsof zijn hart hem reeds alles voorspeld had, vroeg baas \'Ntoni:

— En \'Ntoni ? waar is hij ?

— Van nacht is hij als smokkelaar opgepakt, tegelijk met den zoon van Locca, antwoordde nicht Anna die niet meer recht wist wat zij zeide, en____don Michiel is vermoord.

— O, lieve moeder! riep de oude man zich met de handen voor het hoofd slaande; zoo deed ook Lia, geen wonder!

Baas \'Ntoni, zich de haren uitrukkend, riep voortdurend: — O, lieve moeder! o, lieve moeder!

Later kwam Ganzevoet met een benepen gezicht opdagen, hij stelde zich aan als wanhopig en vroeg;

— Hebt ge \'t gehoord ? baas \'Ntoni, dat is een ongeluk! ik werd door den schrik bevangen, toen ik het vernam.

Zijne vrouw, juffer Grazia, huilde echte tranen, zij kon het met geen droge oogen aanzien, hoe het ongeluk de Malavoglia\'s bleef vervolgen, maar haar man nam haar ter zijde bij een raam en zeide fluisterend;

II. ii

-ocr page 179-

102

— Wat doe je hier. Die met de inwoners van dit huis blijft omgaan, wordt door de politie verdacht.

Daarom vertoonde zich niemand meer, zelfs niet aan de deur, bij de Malavoglia\'s. Nunziata alléén, zoodra zij van \'t ongeval hoorde, vertrouwde de kinderen aan het oudste toe, beval het huisje aan de zorgen der buurvrouw aan en haastte zich, om bij en met hare vriendin Mena te komen weenen; zij was nog te jong om te begrijpen, dat men zulke ongeluksvogels vermijden moet. De anderen genoten van alles op een afstand, of zwermden als vliegen vóór de gevangenis, om te kijken hoe \'Ntoni van baas \'Ntoni zich achter de tralies hield, nadat hij don Michiel een messteek gegeven had; men bestormde den winkel van Pizzuto, die morgendrank verkocht, zijne klanten schoor en haarklein wist te vertellen , hoe alles gebeurd was.

— Stommeriken zijn het, zoo oordeelde de apotheker, wie laat zich ooit vangen? Stommeriken altemaal.

— Het is een leelijk geval, dat kan ik je verzekeren, zeide don Silvester, daarop staat de galeistraf, waarvan geen levende ziel hem redt.

Don Jan Marie antwoordde hem vlak in het gezicht:

— Die het verdienen, gaan niet naar de galeien.

— Volkomen waar, die komen er niet, zeide don Silvester met een heel effen gezicht.

O! thans, zeide baas Cipolla, geel door een over-

-ocr page 180-

163

loop van gal, wordt men nog het meest bestolen op klaarlichten dag, midden op de markt. De echte dieven dringen bij een mensch in huis, zonder slot of grendel te verbreken en nestelen zich er ongestoord.

— Zoo trachtte \'Ntoni Malavoglia het ook bij mij te doen, zeidc juffer Zuppidda, die haar hennep liever in gezelschap met anderen kwam spinnen.

— Dat heb ik je immers altijd gezegd, lieve deugd, waagde haar echtgenoot te zeggen, maar hij werd spoedig tot zwijgen gebracht door een:

— Hou jij je stil, want jij weet van niets! Het zou nu wat geweest zijn voor mijne dochter Barbara, als ik mij niet voor haar in de bres had gesteld.

Hare dochter Barbara stond aan het venster, om \'Ntoni van baas \'Ntoni tusschen de gendarmes te zien voorbij gaan, toen hij naar de stad vervoerd werd.

— Daaraan ontkomt niemand, zeiden allen. Weet ge wat er boven het hoofdbureau van politie te Palermo geschreven staat? sTrekt waarheen gij wilt, ik wacht u hierquot; en ^boontje komt om zijn loontjequot;. Arme duivels!

— Och kom, de goeden kiezen dit pad niet! schreeuwde de Wesp. Een ongeluk overkomt alleen hem die er zelf inloopt. Wie doet ooit zulke dingen ? enkel zij, die, zooals \'Ntoni of de zoon van Locca, tot niets anders deugen.

Daarover waren ze het allen eens, dat, als eene familie

-ocr page 181-

164

het ongeluk heeft zulk een jongen te hebben, het beter is dat het huis op zijn hoofd instort. Locca alleen zocht haar zoon overal, zij bleef pal stdan voor de gevangenis en schreeuwde, zonder naar rede te willen luisteren, dat zij haar zoon terug wilde hebben; dan ging zij haar broeder Houtenbei uren lang plagen en zette zich opzijn drempel, met de witte haren fladderende in den wind. Oom Crucifix antwoordde:

— De galeien heb ik reeds hier in huis. Ik wenschte dat ik in plaats van je zoon daarheen moest gaan. Wat wil je van mij hebben? Den kost verdiende hij toch niet voor je.

— Wèl, Locca wint er nog bij, merkte don Silvester op; nu ze het voorwendsel niet meer kunnen gebruiken dat zij een kostwinner heeft, zullen ze haar wel in het groote Armenhuis moeten opnemen en dan krijgt ze dagelijks vleesch en macaroni te eten. Anders blijft ze ten laste van deze gemeente.

En daar ze het allen eens waren, dat boontje eindelijk om zijn loontje komt, zeide baas Fortunato:

•— Voor baas \'Ntoni is het ook nog zoo slecht niet; gelooft me vrij, die kwajongen kostte hem nog heel wat geld. Daarvan weet ik mee te praten, wat het is een jongen te hebben, die niet deugen wil. En nu moet de koning hem onderhouden.

Maar in plaats van die stuivers te besparen, die hij voor \'Ntoni nu niet meer noodig had, smeet baa i \'Ntoni

-ocr page 182-

i65

handenvol geld weg aan advocaten en beunhazen, om dien deugniet maar weer op vrije voeten te krijgen; dat lieve geld, zoo zuur verdiend, waarmede ze het huis weder in wilden koopen!

— Nu hebben wij noch huis, noch iets, meer noodig, zeide hij, met een gezicht even wit als dat van\'Ntoni, toen de gendarmes hem wegvoerden naar de stad en alle men-schen uit kwamen loopcn, om hem, met gebonden handen en een pakje linnengoed onder den arm, voorbij te zien komen; Mena was weenende hem dat komen brengen, \'savonds, toen niemand haar zien kon.

Grootvader was den advocaat weer op gaan zoeken, dien eenen, die zooveel praats had, want sedert hij don Michiel, bleek en ontdaan, met losgeknoopte uniform, in een rijtuig naar het hospitaal had zien brengen, was de arme oude man bang geworden en bereid, alles van den advocaat, die zoo welbespraakt was, goed te vinden, mits deze zijn kleinzoon maar vrij pleitte en zorgde dat hij weder tehuis kwam — want soms leek het hem, dat \'Ntoni, na al het verschrikkelijke dat voorgevallen was, terug zou komen, evenals toen hij nog een knaap was, om ze niet meer te verlaten en tevreden met hen te leven.

Don Silvester bewees hem den dienst om mede naar den advocaat te gaan, want, zeide hij, als een christen-mensch zoo in het ongeluk is als de arme Malavoglia\'s,

-ocr page 183-

i66

moet men alle krachten inspannen om hem bij te staan; zelfs al geldt het een buef, die het schavot verdient, moet men toch zijn best doen om zoo iemand uit de handen der justitie te redden, daarvoor zijn wij nu eenmaal christenen en rust de plicht op ons, onze naasten te helpen. De advocaat, na alles, tot de minste bijzonderheden, vernomen, en dank zij de hulp van don Silvester, ook te hebben begrepen, verklaarde dat het een prachtige zaak was, waarop zonder twijfel de galeien stonden, als ze hem niet gekozen hadden, en hij wreef zich vergenoegd de handen. Baas \'Ntoni werd zoo week als was, bij het hooren spreken over galeistraf, maar meester Scipio klopte hem op den schouder en zeide dat hij geen meester Scipio meer heeten wilde, als hij niet maakte dat \'Ntoni er met een jaar drie, vier, gevangenschap afkwam.

— Wat heeft de advocaat gezegd? vroeg Mena, maar toen ze grootvader aankeek en merkte, hoe ontdaan hij er uitzag, begon ze te schreien, zonder het antwoord af te wachten.

De oude man trok zich de weinige witte haren uit het hoofd en liep als een krankzinnige door het huis, telkens herhalende:

— Ach! waren wij maar allen gestorven!

Lia, bleek als eene doode, keek ieder die sprak met groote, holle oogen aan, zonder zelve een woerd uit te kunnen brengen.

-ocr page 184-

167

Kort daarop werden Barbara Zuppidda, Grazia Gan-zcvoet, don Franco de apotheker en verder al degenen die veel op de markt babbelden, of dikwijls in den winkel van Pizzuto verkeerden, gedagvaard, om als getuigen te verschijnen. Het heele dorp was in opstand, de menschen liepen heen en weer, met het gezegeld papier in de hand, en allen zwoeren, dat ze, zoo waar God leeft, van niets af wisten; natuurlijk, want niemand wil iets met de justitie te doen hebben.

— Die ellendige \'Ntoni en die akelige Malavoglia\'s, sleepen fatsoenlijke menschen bij de haren in hun verwikkelingen mede!

Juffer Zuppidda schreeuwde als eene bezetene:

— Ik weet niets; ik sluit altijd mijn huis, zoodra het avond wordt, ik hoor niet tot dat slag van menschen dat, je weet wel waarom, uitgaat, of aan de huisdeur met gerechtsdienaren staat te keuvelen.

— Wees voorzichtig, en heb eerbied voor de overheid, waarschuwde don Franco, ze weten maar al te goed dat ik republikein ben en zouden wat blij zijn een voorwendsel te vinden, om mij van den aardbodem te doen verdwijnen.

De menschen dachten zich suf, maar konden er geene mouw aan passen, wat in \'s hemels naam, juffer Zuppidda of Grazia Ganzevoet zouden kunnen getuigen, evenmin als zoo vele anderen die niets gezien en de

-ocr page 185-

i68

geweerschoten slechts gehoord hadden, toen ze in bed lagen. Maar don Silvester wreef zich de handen, net als de advocaat, hij zeide dat hij wel wist waarom ze gedagvaard waren, het was in het belang van den beschuldigde. Telkens als deze naar de gevangenis ging, om \'Ntoni Malavoglia te spreken, ging don Silvester mede, als hij niets anders te doen had en dit was dikwijls het geval, want de raadsvergaderingen woonde niemand meer bij en de olijvenoogst was afgeloopen.

Een paar maal had baas \'Ntoni getracht zijn kleinzoon op te zoeken, maar toen hij vóór die getraliede vensters gekomen was, en de soldaten zag die met geladen geweren de wacht hielden en ieder die naar binnen wilde strak aankeken, was hij er akelig van geworden en had verkozen buiten te blijven wachten, op den \'drempel zittende, tusschen de verkoopers van kastanjes en cactusvruchten; het leek hem een booze droom dat zijn \'Ntoni daar achter die tralies zat, bewaakt door gewapende soldaten. Dan kwam de advocaat, die er zoo frisch als eene roos uitzag, van het onderhoud niet \'Ntoni terug en in de handen wrijvende vertelde hij den ouden man, dat zijn kleinzoon heel wel was, ja, dat hij zelfs dikker geworden was. De oude man dacht soms dat \'Ntoni weer onder dienst was:

— Waarom laten ze hem nu niet weggaan? vroeg hij dan als een papegaai of als een kind dat naar geene rede

-ocr page 186-

i6g

luistert; dan vroeg hij weer of \'Ntoni\'s handen nog altijd gebonden waren?

— Laat hem nu maar, waar hij is, antwoordde dan meester Scipio. In zulke gevallen is het goed als het wat lang duurt, tijd gewonnen is veel gewonnen. En ik zeg je immers dat het hem aan niets ontbreekt, hij heeft het daar als een banjerheer. De zaken staan goed. Don Michiel is bijna hersteld van zijne wonde, en dat is ook in ons voordeel. Wees maar niet bezorgd, vertrouw op mij en ga jij weer naar je schuit, ik sta voor alles in.

— Ik kan niet naar de schuit teruggaan, nu \'Ntoni in de gevangenis zit kan ik niet naar de schuit gaan. Ieder die ons ontmoette zou ons aankijken, en dan, ik heb er het hoofd niet bij, nu \'Ntoni in de gevangenis zit.

Altijddurend herhaalde hij diezelfde woorden. Het geld smolt weg als sneeuw voor de zon, de heele familie bleef gansche dagen werkeloos in huis zitten en hield de deur gesloten.

Eindelijk brak de dag aan waarop de getuigen moesten verschijnen; ze konden allen wandelen naar het gerecht, wilden ze er niet met geweld door de karabiniers gebracht worden. Zelfs don Franco ging te voet en wel zonder zijn leelijken, zwarten hoed metbreeden rand op het hoofd, deftig gekleed verscheen hij voor liet hof, maar nog bleeker dan \'Ntoni Malavoglia zelf, die tusschen do karabiniers achter de

-ocr page 187-

170

tralies stond, alsof hij een wild beest was. Don Franco had nog nooit iets met de justitie te maken gehad en het was hem hoogst onaangenaam met haar in aanraking te komen; zoo\'n partijtje rechters en spionnen stoppen je in een oogwenk, net als \'Ntoni Malavoglia, achter de tralies, men kon het nooit weten.

Het heele dorp was er heengegaan, om te kijken hoe \'Ntoni van baas \'Ntoni er uitzag, achter de tralies, tusschen de karabiniers in; geel was hij als eene wr.skaars en hij durfde niet eens zijn neus snuiten, om niet de oogen van al zijne vrienden en kennissen op zich te richten; hij draaide en kneep zijne muts krampachtig tusschen de vingers, terwijl de president in een langen zwarter, tabbaard en een witte bef onder de kin, hem zijn heelen levensloop en al de schelmstukken die hij ooit uitgevoerd had, opdreunde; het was alles precies opgeschreven, er ontbrak geen woord aan.

Don Michiel was tegenwoordig, hij ook zoo geel als was, gezeten in een leuningstoel, vlak tegenover de leden der jury, die geeuwden en met den zakdoek waaiden om zich te verkoelen. De advocaat babbelde intusschen met zijn buurman, alsof de gansche zaak hem niet aanging.

— Ditmaal, fluisterde juffer Zuppidda, toen ze al de leelijke streken die \'Ntoni had uitgevoerd hoorde opsommen, ditmaal ontloopt hij de galeien zeker niet.

Santuzza was ook opgeroepen om te getuigen waar

-ocr page 188-

i7i

\'Ntoni geweest was en hoe hij den bewusten avond had doorgebracht.

— Kijkt eens aan! wat ze nu van Santuzza willen weten ; ik ben benieuwd te hoeren hoe zij het plooien zal, dat de justitie niet achter haar schandaaltjes komt, pruttelde juffer Zuppidda binnensmonds.

— Wat willen ze toch van ons weten ? vroeg juffer Grazia.

— Ze willen weten of het waar is dat Lia het met don Michiel houdt, en \'Ntoni hem daarom heeft willen vermoorden, de advocaat zelf heeft het mij gezegd.

— Mocht ge de cholera krijgen! voegde haar de apotheker fluisterend, maar met woedende oogen, toe. Wilt ge ons allen naar de galeien laten gaan ? Leer dit van mij: aan de justitie moet men altijd s neenquot; antwoorden en zeggen dat men van niets afweet.

Juffer Venera Zuppidda trok zich de sjaal strakker om en bromde voort:

— \'t Is toch de waarheid. Ik heb ze met mijn eigen oogen gezien en het heele dorp weet er van.

Het was op dien ochtend bitter droevig in het huis der Malavoglia\'s toegegaan; toen grootvader alle menschen had zien vertrekken, om de terechtstelling van\'Ntoni bij te wonen, had hij mede willen gaan. Lia, als eene krankzinnige, met ongekamde haren en schitterende oogen, liep klappertandend door het huis, zonder een woord te zeg-

-ocr page 189-

172

gen, haar manteltje zoekende, om er ook heen te snellen; maar Mena, diep ontroerd, hield haar met beide handen terug, telkens herhalende:

— Neen gij moet niet, gij moet niet gaan.

Grootvader zeide dat ze beiden liever thuis moesten blijven en de Madonna bidden; de straat del Nero weerklonk van al het gehuil en gejammer.

Nauwelijks was hij in de stad aangekomen, of, verscholen achter den muur van een hoekhuis, zag hij zijn kleinzoon, omringd van karabiniers, voorbijkomen; met knikkende knieën ging hij verder en zette zich neder op de trap van het gerechtshof, midden onder de menschen die op en neer klommen, slechts aan eigen zaken denkende. Maar hij meende dat al die menschen kwamen om zijn kleinzoon te hooren veroordeelen, zijn kleinzoon die daar stond midden onder de soldaten, vlak vóór de rechters, en nu scheen het hem dat hij hem verloochend, of wel alléén gelaten had, onder een storm, midden op zee; daarom volgde hij de menigte de trap op en ging op de teenen staan, zoodat hij even de tralies, het bovenste van de steken der karabiniers en het flikkeren der bajonetten zag, maar van \'Ntoni kon hij onder zoovele menschen niets gewaar worden; nu en dan verbeeldde de oude man zich weer dat zijn kleinzoon ook tot die soldaten behoorde.

Ondertusschen ratelde de advocaat maar voort, zonder

-ocr page 190-

i73

ophouden, de woorden rolden hem uit den mond. Hij zeide van neen, dat het niet waar was dat\'Ntoni zoovele schurkenstreken had uitgevoerd. De president had dit alles opgerakeld, om den armen jongen in het verderf te storten, dat bracht zijne betrekking als president mede. Maar hoe kon de president zoo iets met een woord van waarheid zeggen? Had hij soms \'Ntoni Malavoglia in dien nacht gezien, toen het zoo pikdonker was ? De arme wordt altijd in het ongelijk gesteld, het schavot staat er voor den ongelukkige en als men een hond wil slaan is de stok licht te vinden. De president bleef, alsof het hem niet aanging, met de ellebogen op de wetboeken, den advocaat rustig door zijn bril aanstaren. Daarop begon meester Scipio te vragen, waar nu eigenlijk het gesmokkelde was ? sedert wanneer was het aan een eerlijken vent verboden te gaan wandelen, hoe en waar hij verkoos, vooral als hij iets te veel gebruikt had en verkoeling zocht. Nu knikte baas \'Ntoni met het hoofd en riep: Ja, ja, zoo is het! met de tranen in de oogen; hij had dien advocaat, die \'Ntoni voor een dronkaard uitmaakte, op dit oogen blik wel willen omhelzen. Wat die advocaat nu zeide, dat alleen was wel vijftig lire waard, want aan degenen die hem vast wilden zetten en hem bewijzen, zoo helder als tweemaal twee vier is, dat \'Ntoni op heeterdaad met het mes in de hand betrapt was en don Michiel daar zoo akelig bleek in den armstoel zat, wegens de mes-

-ocr page 191-

i74

steken, die \'Ntoni hem in de maag had toegebracht, antwoordde de slimmerd gevat:

— Zoo! en wie zegt dat \'Ntoni hem dien messteek gegeven heeft ? Wie kan het bewijzen ? wie weet of don Michiel integendeel zich zeiven niet dien messteek gegeven heeft, expres om \'Ntoni te doen veroordeelenf Wenschte men nu eigenlijk het fijne van de zaak, het naadje van de kous te weten ? welnu, de smokkelpartij had er niets mede te maken! Er bestond een oude veete tusschen don Michiel en \'Nloni van baas\'Ntoni — vrouwen waren daarin gemengd.

Baas \'Ntoni knikte alweer met zijn hoofd, wel zeker! hij had het zelf wel op het crucifix kunnen bezweren; kende het gansche dorp niet den omgang van Santuzza en don Michiel, en hoe jaloersch don Michiel was, nadat Santuzza zoo verzot geraakt was op \'Ntoni? ze hadden elkaar onverwachts \'s nachts ontmoet, en de jongen had juist wat veel gedronken, er gebeurt zoo licht een ongeluk, als men een weinig beneveld is.

De advocaat praatte voort:

— Gij kunt het vragen aan juffer Zuppidda, aan juffer Grazia Ganzevoet, ja, aan honderdduizend ooggetuigen, die het allen weten, dat don Michiel het hield met Lia, de zuster van \'Ntoni Malavoglia, dat hij voor dit meisje alle avonden daar op die hoogte der straat del Nero op en neer wandelde. Men had hem op den

-ocr page 192-

i75

bewusten nacht van den messteek daar ook in huis zien gaan!

Verder hoorde baas \'Ntoni niet, het gonsde hem zoo vrecmrl in de ooren, nu zag hij \'Ntoni achter de tralies opspringen en zijne muts met de handen vaneenscheuren, met den blik van een waanzinnige; spreken wilde hij, maar hij kon slechts met het hoofd schudden van neen, neen!

Die naast hem stonden namen den ouden man op, ze droegen hem weg, meenende dat hij eene beroerte had gekregen; de karabiniers brachten hem in de getui-genkamer, legden hem op de tafel en sprenkelden hem koud water over het gezicht.

Toen ze hem later de trap hielpen afstijgen en hij, ofschoon door twee menschen onder de armen gesteund, waggelend voortsukkelde, stroomde ook de menigte uit de gerechtszaal, en hij hoorde zeggen:

— Hij heeft 5 jaar dwangarbeid gekregen.

Op hetzelfde oogenblik werd door een andere deur \'Ntoni, bleek en ontdaan, tusschen de soldaten, geboeid naar buiten gebracht.

Juffer Grazia Ganzevoet liep op een draf cn bereikte het dorp vóór alle anderen; slechte tijdingen vliegen even snel als een vogel. Nauwelijks zag ze Lia, die haar aan de deur stond op te wachten, of. ze greep haar bij de beide handen en riep gansch ontroerd uit;

-ocr page 193-

176

— Rampzalige! wat hebt gij gedaan! aan den rechter heeft men gezegd dat gij het met don Michiel houdt en je grootvader heeft eene beroerte gekregen!

Lia zeide niets, \'t was alsof ze niets gehoord had, of die beschuldiging haar niet aanging. Ze bleef haar met een open mond en groote oogen aanstaren; eindelijk zonk ze langzaam op een stoel neder, alsof beide beenen gebroken waren. Nadat ze een heelen tijd aldus zwijgend en onbeweeglijk gezeten had, terwijl juffer Grazia Ganzevoet haar water in \'t gezicht wierp, begon ze stotterend te fluisteren: — Ik wil weg! ik wil hier niet langer blijven! en dit ging ze nu, overal door het huis dolende, als een krankzinnige, aan de stoelen en tafels herhalen; te vergeefs liep hare zuster ze schreiende na: — Ik had het je wel gezegd, ik had je wel gewaarschuwd; tevergeefs trachtte ze weder hare hand te vatten, \'s Avonds werd de oude man op eene kar naar huis gebracht en terwijl Mena, die zich nu niet langer voor de menschen schaamde, hem te gemoet liep, sloop Lia over de binnenplaats naar buiten. Zij ging heen en niemand zag haar ooit weer.

-ocr page 194-

XX.

en beweerde dat Lia bij don Michiel was gaan

jcSg^ wonen; nu, de Malavoglia\'s hadden toch niets meer te verliezen en don Michiel zou haar ten minste te eten geven.

Baas \'Ntoni was een echte ongeluksvogel geworden; krom van de rheumatiek deed hij niets dan, met een lang, uitgerekt gezicht, net een pijpenkop, rond dwalen. Voortdurend prevelde hij spreekwoorden zonder kop of staart: — Gevallen boom wordt stuk gehakt. — Die in \'t water valt wordt nat. — Bij een ziek paard, vliegen. En als men hem vroeg waarom hij toch altijd zoo ronddoolde, antwoordde hij: — de honger jaagt den wolf het bosch uit, of wel — uitgehongerde hond vreest geen stokslagen, maar gewoonlijk bemoeide zich niemand met hem, nu hij zoo diep was gevallen. Ze lachten hem uit en vroegen hem soms wat of wien hij wachtte, als hij geleund stond tegen den muur onder den kerktoren , evenals oom Crucifix, wanneer deze dacht dat er menschen zouden komen om geld van hem te leenen, of als hij ruggelings zat tegen de schuiten die op het

II. 12

IR

m

-ocr page 195-

178

droge getrokken waren, alsof hij evenals baas Cipolla eene pink op zee had — wat dacht hij dan en wat verwachtte hij toch? — en baas \'Ntoni antwoordde, dat hij den dood wachtte, die hem niet wilde afhalen, omdat: »lang zijn de dagen den ongelukkige uitgemeten.quot;

Over Lia werd in huis nooit gesproken, zelfs Mena noemde haar naam niet; als zij het niet meer uit kon houden ging zij ter sluiks, als niemand tehuis was, uithuilen bij het leege bedje van moeder. Het huis scheen nu waarlijk even groot als de zee, ze verloren er zich in.

Het geld was ter wille van \'Ntoni geheel verteerd; Alexis was steeds afwezig, om dan hier dan daar zijn brood te verdienen; Nunziata kwam menigmaal uit medelijden het vuur aanleggen, als Mena uitgegaan was om grootvader te zoeken en bij de hand naar huis te leiden, want \'s avonds kon hij volstrekt niet meer zien: zoo blind als eene kip, zeiden de buren.

Velen, onder anderen don Silvester, zeiden dat Alexis verstandiger zou handelen met den ouden man naar het Armenhuis te zenden, hij deugde nu toch voor niets meer; maar dit was het eenigste waarvoor de stumper bang was. Telkens als Mena hem bij de hand leidde naar een zonnig plekje, waar hij dan den ganschen dag geduldig op den dood wachtte, vreesde hij dat men een plan had beraamd om hem naar het Armenhuis te brengen. — Het was nu zoo ver met hem gekomen dat hij als een pape-

-ocr page 196-

179

gaai steeds herhaalde: — De dood komt nog niet — zoodat er grappenmakers waren die spottend hem vroegen, hoe dicht de dood nu reeds genaderd was.

Als Alexis \'s Zaterdagsavonds thuis kwam telde hij hem het weekgeld voor, alsof grootvader nog wel bij het hoofd was. Hij knikte altijd van ja en dan verlangde hij dat het zakje weder onder de matras werd verborgen; om hem tevreden te stellen, verzekerde Alexis dat het geld bijna weer bijeen was, en zij derhalve spoedig het huis met den mispel zouden kunnen koopen. — Zeker, binnen een jaar of twee.

Maar dan schudde de oude man het hoofd en zeide dat ze thans geen huis meer noodig hadden, het ware beter geweest indien er nooit een Malavogliahuis bestaan had, nu de Malavoglia\'s toch heinde en verre verspreid waren.

Eens, op een oogenblik dat er niemand bij was, riep hij Nunziata heimelijk onder den amandel, hij scheen haar iets gewichtigs mede te willen deelen, maar zijne lippen bewogen zich zonder iets te zeggen, het was alsof hij de woorden niet kon vinden. Eindelijk vroeg hij, voorzichtig naar rechts en links omkijkende:

— Is het waar wat ze van Lia verteld hebben ?

— Neen! antwoordde Nunziata, de handen kruiselings over elkander houdende, neen! bij de Heilige Maagd van Ognina, neen, het is niet waar!

-ocr page 197-

iSo

Hij schudde met het hoofd; zijne kin zonk op de borst.

— Waarom is zij dan weg? waarom is zij ook weg?

En hij zocht haar overal in huis, voorgevende dat hij

zijne muts had verloren, hij betastte het bed en de latafel en ging vóór den weefstoel zitten, zonder iets te zeggen, eindelijk vroeg hij:

— Weet jij het? weet jij waarheen zij gegaan is?

Maar aan Mena zeide hij er niets van.

Nunziata kon in waarheid antwoorden dat zij het niet wist, evenmin als iemand van het dorp.

Op een avond hield Alfio Mosca in de straat del Nero stil, met zijne kar, waarvoor nu een muilezel gespannen was; om zich dien te kunnen aanschaffen had hij zich te Bicocca de koorts op het lijf gehaald, hij had op sterven gelegen en nog was zijn gezicht geel van kleur, maar de muilezel had een dikke en glanzige huid.

— Herinnert gij u nog toen ik naar Bicocca vertrok, zeide hij, gij woondet nog in het huis met den mispel! Ach, ach, wat is er veel in dien tijd veranderd! ja, de wereld is rond en draait al zonderling, de een klimt naar boven, de ander tuimelt naar beneden.

Ditmaal konden ze hem niet eens met een glas wijn welkom heeten.

Vriend Alfio wist waar Lia was, hij had haar met eigen oogen gezien, het was hem geweest alsof hij Mena

-ocr page 198-

i8i

terugzag, de Mcna van voorheen, toen ze met elkaar uit het venster spraken. Daarom keek hij met zoo\'n beklemd gemoed de muren en de meubels van het vertrek rond, alsof zijn heele kar hem op de borst drukte, daarom zat hij zoo zwijgend aan dien disch, waarop niets stond en waaraan niemand meer kwam zitten, om het avondbrood te nuttigen.

— Ik zal maar heengaan, zeide hij daar niemand sprak. Och! als men éénmaal zijn dorp verlaten heeft, deed men eigenlijk beter nooit terug te keeren, want alles verandert, alles! en zelf wordt men er met andere oogen aangezien, zoodat men zich eindelijk ook als een vreemdeling gaat beschouwen.

Mena bleef zwijgen. Alexis echter begon te vertellen dat hij Nunziata wilde trouwen, zoodra hij wat gespaard zou hebben; Alfio zeide dat hij daar wel aan deed, als zij ook wat had, Nunziata was een brave meid en iedereen kende haar op het dorp.

Zoo vergeten ook de naaste bloedverwanten hen die er niet meer zijn, een ieder moet zijn best doen om den last, hem door God opgelegd, te dragen; ieder moet zijn eigen karretje voortrekken, zooals vroeger de ezel van vriend Alfio, die nu wie weet wat moest verrichten, nu hij in andere handen overgegaan was.

Nunziata had ook een bruidsschat opgespaard, daar haar broertjes wat begonnen te verdienen en zij nooit

-ocr page 199-

i82

gouden sieraden of wit linnen voor ondergoed gekocht had, want, zeide zij, het eene past slechts aan rijke lui en het andere moet men niet maken, zoolang men nog niet volwassen is.

Zij was nu lang en slank opgegroeid, met pikzwart haar en zulke lieve, trouwe oogen; als zij voor de deur zat, omringd van al haar jongens, was het alsof ze nog den zwaren tijd herdacht, dien zij had moeten doorworstelen, toen haar vader haar met al de kinderen had laten zitten. Dapper had zij zich geweerd en zegevierend was zij uit den strijd gekomen, hoe moeielijk het ook voor dat jonge, magere ding, met de zorg voor al die broertjes belast, geweest was er zich door te werken. Nu nam iedereen den hoed voor haar af en bleef gaarne een praatje met haar maken.

— Het geld hebben wij, zeide zij aan vriend Alfio, dien had men zoolang gekend dat hij , bijna als lid der familie beschouwd werd. — Met Allerheiligen wordt mijn broer boerenknecht bij Filippus en de tweede valt voor hem bij baas Cipolla in. Als ik Turi geplaatst heb, dan zal ik trouwen, maar ik moet eerst den leeftijd hebben en de toestemming van mijn vader.

— Kom! alsof je vader ooit van zijn leven nog aan je denkt! antwoordde Alfio.

— Als hij nu terugkwam, zeide Nunziata met die zachte, bedaarde stem en de armen steunende op de

-ocr page 200-

I83

knieën — dan zoude hij niet meer heengaan, want nu hebben wij eenig geld.

Toen keerde Alfio zich tot Alexis om hem te zeggen, dat hij wel deed van Nunziata te nemen, als ze een beetje geld had.

— Wij zullen het huis met den mispel koopen, zeide Alexis, grootvader zal bij ons inwonen. Als de anderen terugkomen, zullen ze er ook hun intrek nemen en keert Nunziata\'s vader weder, dan zal er ook voor hem een plaatsje zijn.

Lia werd niet genoemd, maar alle drie dachten aan haar, terwijl ze met de handen in den schoot in het licht zaten te turen.

Eindelijk stond vriend Mosca op om heen te gaan, de muilezel schudde zijn hoofdstel en deed alle bellen rinkinken, alsof hij ook de verdwaalde kende die Alfio ontmoet had en wist dat niemand haar meer in het huis met den mispel terug verwachtte.

Oom Crucifix daarentegen wachtte al een tijdlang op de Malavoglia\'s, wegens het huis met den mispel — dat ongelukshuis, dat niemand wilde koopen en hem als lood op de maag lag. Zoodra hij dus hoorde dat Alfio Mosca teruggekeerd was, ging hij dien man, dien hij indertijd wel had willen vermoorden, toen hij jaloersch op hem was wegens de Wesp, verzoeken, als tusschenpersoon op te treden, ten einde de zaak met de Malavoglia\'s te beklinken. Als

-ocr page 201-

184

hij hern op straat tegenkwam groette hij hem beleefd, zelfs trachtte hij de Wesp over te halen om Mosca over deze zaak te gaan spreken, wie weet of de oude liefde zoodoende niet wakker werd geschud en hij op deze manier zijne vrouw kwijt raakte, dat zouden twee vliegen in ée\'n klap geweest zijn. Maar de Wesp, die slimme vos, wilde van Alfio Mosca, noch van iemand anders, iets weten, zij was nu getrouwd en regeerde in huis en zij zoude haar oom Crucifix niet hebben willen ruilen, neen, niet eens tegen Victor Emanuel in levenden lijve.

— Zoo iets kan mij alleen gebeuren! klaagde oom Crucifix en hij bracht weer een bezoek bij Alfio Mosca, om zijn hart te luchten. Als hij bedacht dat hij vroeger wel tien lire had willen geven om Alfio terdege af te laten ranselen, sloeg hij zich voor de borst, alsof hij bij zijn biechtvader was.

— Ach, vriend Alfio, zeide hij, als ge wist welk onheil er over mijn huis gekomen is, ik eet en slaap niet en maak maar kwaad bloed, over geen cent van mijn eigen goed heb ik meer iets te zeggen en dat nadat ik het brood uit mijn mond gespaard heb, om stuivertje bij stuivertje bijeen te krijgen. Nu moet ik alles in handen zien van die slang, die zoo maar handelt naar eigen hartelust en ik kan ze niet eens kwijt raken op wettige wijze, daarop past zij wel, ze is den duivel te slim!

-ocr page 202-

185

Zij is zoo erg op mij gesteld dat ik haar wel tot mijn dood toe op den hals zal hebben — die gaat niet heen vóór ik zelf van wanhoop den hoek omga!

Sedert baas Cipoila zijn huis en haard ook door eene Wesp, in de gedaante van juffer Mangiacarrubbe, had zien innemen, bracht hij zijn meesten tijd op de markt door, snuffelende in alle hoeken, als een slagershond.

Toen oom Crucifix hem zag aankomen, hervatte hij zijn gesprek met Alfio aldus:

— Zoo als ik u zeide, vriend Mosca, in ons eigen huis kunnen wij het niet meer houden, die duivelsche heksen verjagen ons uit onze eigene woning, als een fret de konijnen! Vrouwen! ze zijn tot ons verderf geschapen. Wij zouden het zonder dat tuig een boel beter hebben. Wie ons zoo iets voorspeld had! hè! baas Fortunato ? Wij, die in vrede en verdraagzaamheid ons leven dachten te slijten! Maar zoo gaat het in de wereld, er zijn er velen die naar het huwelijk hunkeren, maar die eenmaal in de fuik is, zou heel wat geven om er weêr uit te komen.

Baas Fortunato dacht een poosje na, wreef zich de handen en liet zich ontvallen;

— Het huwelijk is als eene muizenval, die er inzit wil er uit, maar de anderen die er rondom loopen, denken slechts aan het spek en willen er in.

— Ze lijken wel gek! Don Silvester, bij voorbeeld, wat ontbreekt hem nog op aarde, zou men zeggen? die

-ocr page 203-

186

heeft nu in zijn hoofd gezet, zoo vertelt men, dat Barbara Zuppidda hem voor de voeten vallen moet — en als juffer Venera niets beters voor hare dochter vindt, zal ze waarachtig nog moeten beleven, dat het gebeurt.

Baas Cipolla bleef peinzende zijne kin wrijven, maar zeide niets meer. Houtenbei vervolgde:

— Hoor, vriend Alfio, breng jij die zaak van het huis voor mij in orde, zorg dat de Malavoglia\'s het van mij koopen, nu ze nog dat beetje geld hebben — ik zal je dan wat geven, om een paar schoenen te koopen, voor al dat heen en weer geloop.

Vriend Alfio ging er weder over spreken, maar nu was het baas \'Ntoni die het hoofd schudde en weigerde.

— Wij hebben nu het huis niet meer noodig, want Mena kan niet trouwen en Malavoglia\'s zijn er niet meer. Ik alleen ben er nog, omdat de ongelukkigen lang van dagen zijn. Maar sluit ik de oogen, dan zal Alexis Nunziata huwen en heengaan.

Ook hij zou weldra heengaan. Meestal bleef hij in bed liggen, als een kreeft die onder de platte kiezels gedoken is, hij hoestte en blafte nog erger dan een hond.

— Wat heb ik hier nog te doen? fluisterde hij en hij had een gevoel alsof elk bordje soep dat ze hem deden eten een diefstal was. Te vergeefs zochten Mena en Alexis hem zulke gedachten uit het hoofd te praten.

TT

-ocr page 204-

I87

Hij antwoordde steeds dat hij hun tijd en voedsel stal; telkens wilde hij dat ze hem het geld, dat onder de matras geborgen was, voortelden en het langzaam ziende minderen, zeide hij droevig:

— Ach! als ik er niet meer was, zoudt ge niet zoo veel behoeven uit te geven. Ik heb hier toch niets te verrichten, ik zou nu wel kunnen heengaan.

Don Ciccio kwam hem tusschenbeide den pols voelen; die beweerde ook dat het veel verstandiger zijn zou, den ouden man naar het gasthuis te brengen, hier at hij toch maar zonder zich zeiven of anderen nuttig te zijn. En de arme stumper, met matte oogen hem aanziende, wachtte af wat de anderen wel zouden antwoorden, hij was er zoo bang voor om naar het gasthuis gebracht te worden.

Alexis wilde er niet van hooren; neen, zeide hij, zoolang er brood is, zal hij ook zijn deel hebben. Mena was er even sterk tegen als hij; was het mooi weer dan bracht ze hem buiten in het zonnetje en zette zich naast hem met haar spinrokken, spinnende en sprookjes vertellende, als aan een kind, ten minste als zij niet genoodzaakt was uit wasschen te gaan. Om hem wat moed in te spreken, praatte zij over hetgeen zij zouden doen, als ze het wat ruimer hadden; tegen St. Sebastiaan zouden ze een klein kalf koopen, voor gras en ander voldoend voedsel zou zij wel zorgen en met

-ocr page 205-

i8S

Mei kon men dan het dier met winst verkoopen; zij wees hem ook op de verschillende broedsels kuikens, waarmede zij zooveel voorspoed had gehad, dat ze nu reeds vlak bij hare voeten in het zand stonden te krabbelen. Met het geld dat de kippen zouden opbrengen wilde zij een varken koopen, zoo ging het afval van de wilde vijgen en het water waarin ze de boonen afkookte niet verloren — dat zoude tegen het einde van het jaar alles zuivere winst zijn — als geld uit een spaarpot.

Met de beide handen op den stok geleurd, knikte de oude man goedkeurend met het hoofd en keek tegelijk naar de kuikens. Hij luisterde zoo aandachtig en was zoo in die plannen verdiept, dat de arme oude eindelijk zoo ver ging van te zeggen dat, indien men het huis met den mispel nog bezeten had, het varken daar op de binnenplaats had kunnen gemest worden, dan zouden ze een aardigen duit verdiend hebben, van vriend Naso den slachter; voor het kalfje was in het huis met dén mispel ook een stal en zoo\'n goede gelegenheid om het voer te bewaren onder het afdak! Zoo ging hij voort, allengs zich alles weer te binnen roepende en hij keek vorschend rond, met een matten blik, terwijl de kin nu ook op den stok steunde. Daarop vroeg hij zijne kleindochter fluisterend:

— Wat heeft don Ciccio toch van het gasthuis gezegd ?

1

-ocr page 206-

189

En op bestraffenden toon zooals men het een kind zoude doen, antwoordde Mena:

— Waarom denkt u aan dergelijke dingen?

Toen zweeg hij en luisterde heel rustig naar al hetgeen het meisje te zeggen had, maar later herhaalde hij smeekend:

— Zendt mij niet naar het gasthuis — want dat zou ik niet kunnen verdragen.

Eindelijk kwam hij het bed niet meer uit en don Ciccio zeide, dat het nu heelemaal gedaan was en dat men den dokter niet meer noodig had, want in dat bed kon de oude man nog wel jaren lang zoo blijven liggen. Alexis, Mena en zelfs Nunziata moesten hun daggeld missen, om een wakend oog op hem te houden, men kon hem niet alleen laten, uit angst dat hem iets zou overkomen.

Baas \'Ntoni verstond best wat zij onder elkander spraken, hij keek ze allen beurtelings aan, met zulk een treurige uitdrukking in de oogen, dat het pijnlijk was om aan te zien; nauwelijks had de dokter zich verwijderd en stond die nog op den drempel te praten met Mena die weende en met Alexis die van »neenquot;\'knikte en met de voeten stampte, of hij riep Nunziata bij zijn bed, om haar toe te fluisteren:

— Het zal toch beter zijn als gijlieden mij maar naar het gasthuis brengt, hier eet ik uw weekgeld op. Brengt

-ocr page 207-

190

mij daarheen als Mena en Alexis uit zijn. Zij zouden er zich tegen verzetten, omdat ze het goede hart der Malavoglia\'s hebben, maar ik eet het beetje geld dat ge nog hebt op en de dokter heeft gezegd dat deze toestand nog wel jaren duren kan. Ik ben hier tot niets meer nut. Maar ik hoop dat het in dat gasthuis niet jaren duren zal.

Nu begon Nunziata ook te huilen en te zeggen dat het niet gebeuren mocht, zoodat de heele buurt zich daarmede ging bemoeien, om er schande over te spreken — foei, die schepsels die geen eten hadden en nog zoo grootsch wilden zijn! Schaamden die zich om hun grootvader naar het gasthuis te zenden, terwijl de heele familie heinde en ver verspreid was, en dan nog hoe en waar!

Santuzza kuste de medaille die ze op de borst droeg en dankte de H. Maagd, die haar beschermd had tegen het gevaar, waarvoor de zuster van Mena, en zoo vele anderen, bezweken was.

— Ze moesten dien armen, ouden man naar het gasthuis brengen, dan zou hij ten minste gedurende dit leven niet in het vagevuur zijn, zeide zij. Nu haar vader oud en gebrekkig geworden was, liet zij het hem aan niets ontbreken en zij hield hem bij zich op den drempel van haar huis.

— Maar hij helpt u ook nog! zeide Ganzevoet. Die man, ofschoon gebrekkig, is goud waard! Hoe

-ocr page 208-

191

blind hij moge zijn, schijnt hij toch als het ware geschapen om aan den ingang van eene herberg te zitten. Gij moogt de Madonna wèl bidden, dat zij hem honderd jaren oud laat worden. En wat kost hij je, zoo goed als niets!

Santuzza had alle reden om de medaille te kussen, niemand had verder iets ten haren nadeele te zeggen; sedert don Michiel was vertrokken liet boer Filippus zich ook niet meer zien, de menschen zeiden, dat hij het buiten don Michiel niet kon stellen. Tusschenbeide kwam de vrouw van Cinghialenta kabaal voor de deur der herberg maken en met de handen in de zij staan schreeuwen, dat men haar man daar verleidde, maar daarvoor kreeg ze, als hij \'s avonds thuis kwam, een braaf pak slaag met de leisels en den halter, want Cinghialenta had zijn muilezel verkocht en wist die voorwerpen nu niet anders te gebruiken; de buren konden \'s nachts geen oog sluiten door het lawaai.

— Foei, zeide don Silvester, dit is niet zooals het behoort, een halter dient voor een muilezel. Cinghialenta is een onbeschaafde kerel.

Dergelijke gezegden bracht hij steeds te berde in tegenwoordigheid van juffer Venera Zuppidda, die eenigszins voorkomender jegens hem begon te worden, nu de lichting de meeste jonge mannen uit het dorp weghaalde.

— Ieder kent zijn eigen zaken het best, antwoordde

TT

I

-ocr page 209-

1Q2

dan juffer Zuppidda, als gij dit zegt omdat de kwade tongen uitstrooien dat ik de hand wel eens tegen mijn man ophef, dan heb ik de eer van u te zeggen, dat u er niets van weet, al zijt u een geletterde. Overigens, ieder handelt in zijn eigen huis zooals het hem belieft. En in mijne woning is mijn man de baas.

— Laat ze maar praten, zeide haar man. Want, dat weten ze wel, dat wie mij te na komt, met mij te doen krijgt, daarvan maak ik pekelvleesch!

liet kwam thans in juffer Zuppidda\'s kraam te pas, om haar man als het hoofd van het gezin te doen voorkomen en te zeggen, dat hij Barbara kon uithuwelijken met wien hij goedvond; als hij zijne dochter aan don Silvester gaf, dan beduidde dit, dat hij het hem beloofd had, en als haar man had ingewilligd, was er geen veranderen meer aan, dan was hij zoo koppig als een stier.

— Wel zeker, zeide don Franco met den neus in de lucht — hij heeft toegestemd omdat don Silvester tot degenen behoort, die het heft in handen hebben.

Sedert hij voor het gerecht, midden tusschen al de gendarmes, had moeten verschijnen, was don Franco razender dan ooit en zwoer, dat hij nimmermeer daarheen zou gaan, neen, zelfs niet al kwamen de karabiniers hem halen. Verhief don Jan Marie een enkele maal zijne stem, om over het een of ander te redekavelen, dan

f

-ocr page 210-

193

ging hij op de tesnen staan, om met de nagels vlak voor de oogen van den priester te komen en drong hij dezen tot achter in den winkel; zoo rood als een haan, met schuim op den mond, van woede, snauwde hij hem daar toe;

— \'t Is je alleen maar te doen om mij in opspraak te brengen!

En als hij merkte dat op de markt twee het oneens werden, haastte hij zich de deur te sluiten, uit angst van als getuige te worden opgeroepen.

Don Jan Marie zegevierde, die lange staak was moedig als een leeuw, omdat hij het priestergewaad droeg; hij kon licht kwaad spreken van de regeering, zijne lira stak hij toch dagelijks op; hij zeide dat men onder dit bestuur niets anders had dan men verdiende, daar men de revolutie gewild had; nu kwamen de vreemdelingen naar hartelust huishouden, de vrouwen schaken en het geld uit den zak van het arme volk kloppen. Hij wist wien hij daarmede bedoelde; uit woede had hij de geelzucht gekregen en donna Rosa was van kwaadheid mager geworden, vooral door het vertrek van don Michiel en toen men al de gemeene streken v.an dien andere had ontdekt. Nu had zij zich ook geheel van de wereld afgewend, zij verwaarloosde de inmaak der tomaten en het zouten van de visch, om zich geheel aan de devotie te wijden; zij dacht slechts aan kerkgang en biechtva-

ii. 13

-ocr page 211-

*94

ders; tot in Ognina en Aci Castello ging zij ze zoeken.

Daarover maakte don Franco zich vroolijk; als een kakelende hen, net als don Silvester, lachte hij, al stond zijne deur wijd open, want daarvoor kon men hem niet gevangen zetten en, staande op zijne teenen, zeide hij dat zoolang er priesters waren het wel altijd hetzelfde zou blijven; men moest schoon schip maken, hij wist op welke wijze en maakte eene beweging met de hand.

— Ik zoude ze allen willen zien branden, antwoordde don Jan Marie, die op zijne beurt ook wist wien hij bedoelde.

Nu hield de apotheker geene redevoeringen meer en als don Silvester bij hem in den winkel kwam, ging hij stil voort met zalfjes te mengen, om zich niet te com-promitteeren. Ja! voor al die lui die het brood van den Koning eten en iets met de regeering te maken hebben, moet men zich wachten. Hij luchtte zijn hart alleen aan don Jan Marie en don Ciccio den dokter, als deze zijn ezeltje bij de apotheek had laten staan, om even den pols te gaan voelen aan baas \'Ntoni; recepten schreef hij hem niet meer voor, dat, zeide hij, was overbodig, voor zulk arm volk dat geen geld te verspillen had.

— Maar waarom brengen ze dien ouden man toch niet naar het gasthuis? vroeg men alweer, waarom houden ze hem toch daar in huis?

Tot vervelens toe herhaalde de dokter aan de buur-

-ocr page 212-

I95

vrouwen, juffer Ganzevoet, nicht Anna en Nunziata, die vóór het bed van den zieke stonden te babbelen, dat zijn bezoek volkomen nutteloos was.

Baas \'Ntoni durfde niet meer kikken, hij zag er wit en ontdaan uit. Nu de buurvrou-ven weer zoo babbelden en Nunziata zelve van vermoeienis niet meer kon, zeide hij eindelijk, op een dag dat Alexis afwezig was:

— Haal mij vriend Mosca, hij zal mij den liefdedienst wel willen bewijzen, om mij op zijne kar naar het gasthuis te brengen.

Zoo ging baas \'Ntoni naar het gasthuis. Alfio Mosca had zijne matras cn kussens in de kar gelegd, de arme zieke zeide niets, maar keek overal rond, terwijl ze hem naar buiten droegen, op een dag dat Alexis voor zaken naar Riposto was gegaan; ook Mena hadden ze onder het eene of andere voorwendsel uitgezonden, anders hadden die hem zeker niet laten vertrekken. Men ging langs de straat del Nero, over de markt, het huis met den mispel voorbij; baas \'Ntoni bleef steeds kijken, nu rechts, dan links, om zich alles goed in het geheugen te prenten. Alfio leidde den muilezel, aan den anderen kant ging Nunziata met eenig linnengoed onder den arm, zij had het huis, het kalf en den toom kippen aan Turi toevertrouwd. Ieder kwam aan het venster, om de kar voorbij te zien komen en bleef die nastaren; don Silvester zeide dat ze gelijk hadden, daarvoor betaalde de ge-

-ocr page 213-

i gó

meente eene toelage aan het gasthuis 5 don Franco zoude ook gaarne een woordje gezegd hebben, hij had eene redevoering klaar, die geheel voorde gelegenheid paste, maar don Silvester stond daar — dan maar liever gezwegen,

— Nu, die arme drommel gaat ten minste een vreedzaam leven te gemoet, zeide oom Crucifix, ten slotte.

— Nood breekt wetten en hoogmoed komt vóór den val, antwoordde baas Cipolla. Santuzza prevelde een Ave Maria voor den armen, ouden kerel.

Alléén nicht Anna en juffer Grazia Ganzevoet moesten hare tranen met een puntje van den boezelaar afwisschen, terwijl de kar langzaam over de ongelijke steenen voorbij hotste. Maar Ganzevoet snauwde zijne vrouw toe;

— Waarom staat ge daar te schreien? Ben ik soms gestorven ? Zoo niet, wat gaat het jou dan aan ?

Alfio Mosca leidde den muilezel en vertelde al voortgaande aan Nunziata, boe en wanneer hij Lia ontmoet had; zij leek precies op Mena, hij kon soms niet ge-looven dat hij ze met eigen oogen aanschouwd had. Voortdurend sprak hij, om den langen, stoffigen, vervelenden weg te korten, maar bij oogenblikken haperde zijne stem.

— Ach, Nunziata! wie zou het ooit gedacht hebben toen wij zoo van de eene deur naar de andere stonden te babbelen in den maneschijn en de hee1.e buurt kwam

-ocr page 214-

i97

praten! Den ganschen dag hoorde ik het kloppen van Mena\'s weefgetouw, het kakelen der kippen die haar herkenden, zoodra zij de klink maar oplichtte en de Lange, die haar op de binnenplaats riep, alles kon ik bij mij hooren, alsof ik bij hen in huis was. Die arme Lange! Kijk, nu bezit ik den muilezel en alles wat ik vroeger wenschte; als een engel uit den hemel het mij toen was komen voorspellen, ik had het niet geloofd — en nu — denk ik altijd terug aan die avonden, toen ik die stemmen van u allen hoorde, terwijl ik voor mijn ezel zorgde en ik licht zag in het huis met den mispel, dat nu gesloten is; thans nu ik terug gekomen ben, heb ik niets gevonden zooals ik het verlaten heb; Mena lijkt mij ook veranderd te zijn. Als een mensch eenmaal eene plaats verlaten heeft, doet hij waarlijk beter niet terug te komen. Kijk, nu moet ik weer denken aan dien armen ezel, die mij zoo lang en trouw gediend heeft, die in regen of zonneschijn altijd voortliep, met gebogen kop en neerhangende ooren. Ach, wie weet waar ze hem nu voortdrijven, zwaar bepakt over slechte wegen, zijne ooren zullen zeker nog lager hangen, want hij buigt zich ook naar den grond, die hem weldra zal opnemen, nu het stomme dier oud is.

Uitgestrekt op de matras hoorde baas \'Ntoni niets van dit al; over de kar had men een kleed gespannen, \'t was alsof ze een lijk vervoerden.

-ocr page 215-

198

— Voor hem is het maar beter dat hij niets meer hoort, vervolgde vriend Alfio. Het verdriet over \'Ntoni heeft hij beleefd en wie weet of hem niet eens ter oore zou komen, wat er van Lia geworden is.

— Hij vroeg het mij dikwijls, als wij alléén waren, antwoordde Nunziata. Hij wilde weten waar zij was.

— Zij is denzelfden weg opgegaan als haar broer. Wij, arme lieden, zijn als de schapen en volgen blindelings waarheen de eerste ons leidt. Zeg het hem nooit, zeg het nooit aan iemand, waar ik Lia gezien heb, het zoude voor Mena een doodsteek zijn. Lia heeft mij zeker herkend, toen ik voorbij de deur ging, want zij werd eerst bleek, daarna heel rood, toen ik den muilezel met de zweep raakte,quot; om maar gauw voorbij te zijn; ik wed dat het arme schepsel liever onder den muilezel gelegen had en hij haar zoodanig vertrapt had, dat wij ze weg hadden moeten dragen, uitgestrekt op- eene kar, zooals wij nu haar grootvader vervoeren. Het geslacht van de Malavoglia\'s is ineengestort, met Alexis moet gij het weder opbouwen.

— Het geld is al bijeen om het noodige goed te koopen, en dan met St. Jan zullen wij het kalf verkoopen.

— Goed zoo, dat is best, als je geld hebt liggen dan loopt ge geen gevaar dat alles zich in rook oplost, zooals kon gebeuren als het kalf kwam te sterven, hetgeen God verhoede. Nu zijn wij tot aan de eerste huizen der

-ocr page 216-

i99

stad gekomen, gij kuilt mij hier wachten, als ge liever niet mede gaat naar het gasthuis.

— Neen, ik wil ook mede, zoo zal ik teti minste weten waar zij hem leggen, hij zal mij dan ook zien tot het laatste oogenblik,

En baas \'Ntoni kon haar tot het laatste oogenblik zien; terwijl zij zich uit de groote zaal, die als eene kerk zoo ruim was, met Alfio Mosca langzaam verwijderde, volgde hij haar met de oogen; dan keerde hij zich om en bewoog zich niet meer. Vriend Alfio en Nunziata klommen op de kar, rolden de matras en het kleed op en keerden zwijgend terug, langs den stoffigen, langen weg.

Toen Alexis grootvader niet meer op het bed vond en hij de anderen met de opgerolde matras terug zag komen, sloeg hij zich met de vuist tegen het hoofd en trok zich de haren uit, hij verweet het Mena, alsof zij het geweest was, die den ouden man had weggezonden. Maar vriend Alfio zeide tot hem;

— Wat wilt ge er aan doen, het huis van de Mala-voglia ligt in duigen en gijlieden moet het op nieuw opbouwen.

Daarop wilde hij hem voorrekenen, hoeveel geld er voor het huisraad was en wat het kalf zou opbrengen, zooals hij onder weg met het meisje besproken had, maar Alexis en Mena zaten met gebogen hoofd en de oogen vol tranen, op den drempel van het huis, waar zij nu eerst

-ocr page 217-

200

in waarheid alléén overbleven en sloegen geen acht op zijne redeneeringen. Hij intusschen trachtte ze te troosten, door hun het huis met den mispel in de herinnering terug te roepen, hoe ze van de eene deur naar de andere daar babbelden, in den maneschijn, hoe men den ganschen dag het kloppen van Mena\'s weefgetouw hoorde, de hennen die klokten en de Lange die het altijd even druk had. Nu was alles veranderd, ja, als iemand eens het dorp, verlaat is het maar beter dat hij er nooit terugkomt, de straat zelve leek heel anders sedert er geene pantoffelparade meer was voor de Vruchtensnoepster; don Silvester liet zich ook niet meer zien, hij wachtte maar dat juffer Zuppidda hem voor de voeten viel, en oom Crucifix had zich in huis opgesloten, om op zijn boeltje te passen, misschien wel om met de Wesp te vechten; zelfs in de apotheek hoorde men niet zoo druk meer redeneeren; sedert don Franco met de justitie in aanraking was geweest praatte hij zooveel niet meer, hij trok zich in een hoekje terug om zijne courant te lezen en aan zijn benard gemoed gaf hij slechts lucht door eeuwig in zijn mortier te stampen.

Baas Cipolla zat ook niet meer op de treden der kerk, sedert hij zijne rust had verloren. Dit had zich nu zoo toegedragen; op een mooien dag hoorde men dat baas Fortunato Cipolla in het huwelijk was getreden, uit vrees dat zijne schoondochter zijn boeltje in handen zou krij-

-ocr page 218-

20I

gen en zijns ondanks verteren, daarom liep hij de treden der kerk niet meer plat, maar in plaats daarvan trouwde hij Barbara Zuppidda.

— Hij placht mij te zeggen: het huwelijk is eene fuik, bromde oom Crucifix, en nu loopt hij zelf er in!

De meisjes, die afgunstig waren, zeiden dat Barbara haar grootvader trouwde. Maar de menschen van ondervinding, zooals slager Peppi Naso, Ganzevoet en zelfs de apotheker, redeneerden aldus:

— Deze partij heeft juffer Venera don Silvester toch afgewonnen, \'t is een heele slag voor don Silvester; het verstandigste wat hij doen kan is, om het dorp maar te verlaten. Ja, vreemdelingen blijven toch maar altijd vreemdelingen en hier hebben ze nooit goed wortel kunnen schieten. Don Silvester zou zich toch nooit vermeten met baas Cipolla op gemeenzamen voet om te gaan.

— Wat dacht hij wel? schreeuwde juffer Venera met de armen in de zij, mijne dochter wilde hij misschien wel uit medelijden nemen! Dat nog niet! want soms heb ik ook wat te zeggen en dat heb ik mijn man nu ook beduid — een goede hond eet uit eigen bakje en vreemdelingen verlang ik niet over den vloer. Eertijds hadden wij het hier heel wat beter, toen er nog niemand van buitenaf gekomen was, om alles in een register te schrijven, tot zelfs de brokken die men verorbert, zooals don

-ocr page 219-

202

Silvester of die andere, die daar malvabloenien staat te stampen in zijn mortier en intusschen leeft van het bloed, dat hij ons afperst. Destijds kenden allen elkander en men wist wat ieder uitvoerde en wat zijn vader en grootvader vóór hem verricht hadden, men wist zelfs wat ze aten en zag men iemand voorbij gaan, dan behoefde men niet te vragen waarheen hij zich begaf, de stukken weiland gingen steeds over van vader op zoon en de visch liet zich niet door jan en alleman vangen. Toen verspreidden de menschen zich niet heinde en ver en ging men ook niet naar het gasthuis, om daar te sterven.

Nu iedereen trouwde had Alfio Mosca juffer Mena wel tot vrouw willen nemen, niemand dacht meer aanhaar, daar het huis van de Malavoglia\'s ineengestort was en vriend Alfio kon zich, nu hij een muilezel bezat, eene beste partij voor haar rekenen. Zoo overpeinsde hij alles en sprak zich moed in, terwijl hij des Zondags naast haar zat voor de deur, met den rug tegen den muur geleund en takjes van de heg afbrak, voor tijdverdrijf.

Zij keek ook naar de voorbijgangers — dat was het Zondagsvermaak.

— Juffer Mena, zeide hij eindelijk, als gij mij nog hebben wilt, wat mij betreft, ik ben bereid.

De arme Mena bloosde niet eens, nu haar uit deze woorden duidelijk werd dat Alfio begrepen had, hoe ze

-ocr page 220-

203

hem indertijd voor echtgenoot gewenscht had, toen uien op het punt stond haar aan Brasi Cipolla uit te huwelijken — zoolang geleden scheen dit haar toe en zij voelde zich niet meer dezelfde van toen.

— Ik ben te oud, vriend Alfio, antwoordde zij, ik trouw niet meer.

— Vindt gij u te oud, dan zou ik hetzelfde zeker met recht van mij zeiven kunnen zeggen, daar ik ouder was dan gij, toen wij stonden te keuvelen aan het raam; het staat mij alles nog zoo duidelijk voor den geest, alsof het gisteren was. Hec moet toch wel acht jaar geleden zijn. Als je broer Alexis trouwt dan blijft gij geheel alleen over.

Mena haalde de schouders op, dewijl zij evenals nicht Anna gewend was zich te onderwerpen aan den wil van God; dit bemerkende, hervatte Alfio:

— Gij houdt dus niet van mij, juffer Mena, vergeef mij dat ik u ten huwelijk heb durven vragen. Ik weet dat ge van betere afkomst zijt dan ik, de dochter van een baas, maar nu hebt gij niets meer en, als uw broer trouwt, blijft gij op straat staan. Thans heb ik een muilezel en eene kar en aan brood zou liet u nooit ontbreken, ge zoudt het zoo goed hebben als ik het u maar geven kan, juffer Mena. Maar vergeef mij de vrijpostigheid!

— Gij hebt mij niet beleedigd, neen, waarlijk niet.

-ocr page 221-

204

vriend Alfio; indertijd toen we »de Voorzienigheidquot; nog bezaten en het huis met den mispelboom, zou ik 3jaquot; gezegd hebben, indien mijne ouders toegestemd hadden, want onze lieve Heer weet, hoe het in mijn hart gesteld was, toen ge met de kar en den ezel naar Bicocca zijt vertrokken, \'t is alsof ik nog het licht in den stal zie, toen ge bezig waart je heele boeltje te laden op de kar; weet je \'t nog ?

— Of ik nog alles haarklein weet! Wel, waarom zegt ge dan nu niet »jaquot;, nu ge niets meer hebt en ik een muildier in plaats van een ezel om voor mijne kar te spannen, en je ouders er niet meer zijn om uncenquot; te kunnen zeggen?

— Ik ben te oud om te trouwen, herhaalde Mena met een afgewend gelaat, terwijl zij op hare beurt de takjes van de heg afknapte. Ik ben 26 jaar oud, de tijd is nu voorbij om aan trouwen te denken.

— Neen, dit kan de oorzaak niet zijn, dat geloof ik niet, zeide Alfio met gebogen hoofd. Gij wilt mij de ware reden niet zeggen, waarom gij blijft weigeren.

Zoo bleven ze dan zwijgen, de takjes aftrekkende en brekende, zonder elkaar aan te zien. Toen stond hij eindelijk op met gebogen hoofd, om heen te gaan. Mena volgde hem met de oogen zoolang zij hem zien kon, daarop keek ze naar den muur aan den overkant en zuchtte.

-ocr page 222-

205

Zooals Alfio Mosca voorspeld had, trouwde Alexis met Nunziata en hij loste de schuld af, die op het huis met den mispel rustte.

Mena had hem telkens gezegd;

— Voor mij is het huwelijk niet weggelegd, trouw gij dus maar, voor u is het nog niet te laat.

En zij trok zich terug naar den zolder van het huis met den mispelboom, waar men ook het oude en versleten huisraad bergt. Vrede was in haar hart teruggekeerd ; zij wachtte op de kinderen van Nunziata, om er moedertje over te spelen.

Zij hadden weer kippen in het hok, een kalf op stal, hout en voeder opgestapeld onder het afdakje en netten en allerhand vischtuig hangen op de binnenplaats, alles zoo als baas \'Ntoni het gewenscht had; Nunziata had in den tuin bloemkool en broccoli geplant, alles met haar teere handjes, het scheen een wonder dat zij er zoo veel mee doen kon; hoeveel linnen had zij er mee ge-weefd en gebleekt! Wat waren de kinders frisch en gezond die weldra kwamen en die Mena op den arm droeg en zoo liefderijk verzorgde, alsof ze haar eigen vleesch en bloed waren.

Vriend Mosca schudde het hoofd en wendde zich treurig af, als zij voorbijkwam.

Eindelijk, toen zijn hart te vol was om langer te kunnen zwijgen, zeide hij tot haar;

-ocr page 223-

2o6

— Ik verdiende de eer niet om het jawoord uit uwen mond te hooren.

— Neen, vriend Alfio, antwoordde Mena, die de tranen voelde opwellen. Dit is de ware reden niet, ik betuig het u bij het reine zieltje van dit lieve kind, dat ik op den arm houd, maar ik kan niet meer trouwen.

— Maar waarom kunt ge niet meer trouwen, juffer Mena, waarom niet?

— Neen, neen, herhaalde Mena bijna weenende, vraag mij niet uit, vriend Alfio! Laat mij niet spreken! Als ik nu trouwde, zouden de menschen weer over mijne zuster Lia gaan praten, want wie zou na het gebeurde met eene Malavoglia durven trouwen. Gij zoudt de eerste zijn om er berouw van te hebben. Zie van mij af; ik pas niet meer voor het huwelijk, stel uwe ziel daarmede gerust.

— Gij hebt gelijk, juffer Mena! antwoordde Mosca, zoo ver had ik niet gedacht, maar gij hebt gelijk! \'t Is een hard gelag, dat er zoovele ongelulddgen moeten zijn.

En zoo keerde de vrede in Alfio\'s hart terug.

Mena bleef haar neefjes en nichtjes verzorgen, alsof ook in haar gemoed de rust geheel en al was teruggekeerd en zij maakte den zolder schoon en hield het huis netjes, tegen dat die anderen, die er toch ook geboren waren, altemet terug kwamen.

— Alsof ze eene reis hebben aangenomen, waarvan men ze terug kan wachten, zeide Ganzevoet boosaardig.

-ocr page 224-

201

Baas \'Ntoni had intusschen de groote reis aanvaard, verder heen dan naar Trieste of Alexandrie, de reis waarvan men niet terugkeert. Werd zijn naam toevallig genoemd in het gesprek, als zij uitrustten van den arbeid, de wekelijksche rekening optelden, of plannen voor de toekomst maakten, dan zwegen ze plotseling, want allen meenden dan den ouden man weder vóór zich te zien, zooals ze hem aanschouwd hadden, toen ze hem voor het laatst bezochten, in die groote, akelige zaal waar de bedden op zoo\'n lange rij stonden, dat men zoeken moest om hem te vinden. Ja, daar lag grootvader als een arme ziel in het vagevuur, de oogen op de deur gevestigd, ofschoon hij op zijn best nog iets kon onderscheiden en hij ze betasten en bevoelen moest, om zich te overtuigen dat het de zijnen waren. Toen had hij niets gezegd, terwijl men het hem kon aanzien dat hij hun nog zooveel had wenschen mede te deelen, o! het was hartverscheurend geweest, dat alles, wat hij niet uiten kon, op zijn gelaat te lezen. Als zij hem vertelden dat ze het huis met den mispelboom eindelijk weder ingekocht hadden en dat, zoodra zij er in waren, ze hem weer naar huis zouden halen, knikte hij van ja, ja; zijne oogen begonnen weer te schitteren en hij plooide zijn mond tot een lachje — een lachje zoo flauw als men dat bij hen ziet, die het lachen hebben afgeleerd en het nu voor het laatst beproeven — een lach die onvergetelijk is voor degenen

-ocr page 225-

20S

die hem aanschouwen. Dit was dan ook het geval met de Malavoglia\'s, toen zij grootvader den volgenden Maandag met de kar van vriend Alfio kwamen afhalen — en hem niet meer vonden.

Als zij al deze gebeurtenissen herdachten, lieten ze den lepel op hun soepbord liggen en dan peinsden ze lang na over al het voorgevallene, dat zoo donker en geheimzinnig was, alsof een zware schaduw op het huis met den mispelboom gevallen was.

Als nicht Anna nu en dan een enkele maal bij de buurvrouwen kwam spinnen, zag men dat ze grijze haren had gekregen, zij zelve zei de dat ze het lachen had afgeleerd, want dat zij geen tijd had om vroolijk te zijn, metzoo\'n gezin op de schouders en Rocco, dien men dagelijks moest opzoeken in sloppen en stegen, om hem dan, als een verdoold kalf, naar huis te drijven.

Van de Malavoglia\'s waren er pok twee verdoold en Alexis zoude alles ter wereld hebben gegeven om te weten waar ze te zoeken, langs de breede straatwegen, die wit van stof in den zonneschijn lagen te blakeren, want zij, die zoo lang reeds weg waren, zouden wel nooit uit eigen beweging terugkeeren. En toch begon eens laat op den avond de hond achter de deur der binnenplaats te blaffen; Alexis, die zelf opendeed, herkende \'Ntoni niet, die met zijn pakje onder den arm terug kwam, zoo was hij veranderd, met een langen baard.

-ocr page 226-

209

vuil en bedekt met stof; hij scheen dezelfde niet meer tc zijn. Nadat hij binnen gekomen en in een hoekje was gaan zitten, durfden de anderen hem nauwelijks welkom heeten; hij keek rond, alsof de muren van het oude huis hem vreemd geworden waren; de hond blafte hem aan, die had hem nooit gekend. Zij gaven hem te eten, want hij had honger en dorst, hij at met het bord op de knieën, zwijgend, gulzig, alsof hij in geen acht dagen warm eten gezien had, maar de anderen hadden geen honger, met zulk een benepen hart zaten zij daar. Toen \'Ntoni verzadigd en uitgerust was, nam hij zijn pakje weder op, om heen te gaan.

Alexis, hem zoo veranderd ziende, durfde niets zeggen, maar, toen hij hem zijn pakje op zag nemen, bonsde zijn hart. Mena vroeg gansch verschrikt;

— Gaat gij heen?

— Ja, antwoordde \'Ntoni.

— En waarheen gaat gij, vroeg Alexis.

— Ik weet het niet. Ik kwam om ulieden te zien. Maar sedert ik hier ben, is het alsof de soep, die ik gebruikt heb, in vergif is veranderd. Overigens, hier kan ik niet blijven, waar iedereen mij kent, daarom ben ik bij avond gekomen. Ik ga ver weg, waar ik mijn brood zal kunnen verdienen, zonder dat iemand weet wie ik ben.

Niemand durfde iets ■ zeggen, want zij voelden een bijtende smart en begrepen dat hij gelijk had om aldus

ii. 14

-ocr page 227-

210

te spreken. \'Ntoni bleef besluiteloos aan de deur staan, hij keek overal rond, hij kon niet weg.

— Ik zal u laten weten waar ik blijf, zeide hij eindelijk.

En toen hij op de binnenplaats onder den mispelboom

gekomen was, waar het donker was, vroeg hij:

— En grootvader?

Alexis antwoordde niet, \'Ntoni zweeg ook; na een poosje echter:

— En Lia, die heb ik ook niet gezien?

Daar hij te vergeefs op antwoord wachtte, voegde hij er met eene stem die beefde, als van koude, bij:

— Is zij ook dood ?

Alexis antwoordde evenmin op deze vraag. \'Ntoni, die onder den mispelboom stond, met zijn pakje in de hand, deed eene beweging als wilde hij gaan zitten, want zijne knieën knikten, maar eensklaps richtte hij zich op en stamelde:

— Vaartwel, vaartwel! Begrijpt ge nu, dat ik weg moet gaan?

Vóór hij daar was gekomen, had hij voorgenomen het heele huis door te loopen, om te zien of alles weder zooals vroeger op zijne plaats stond; maar hij, die vroeger den moed gehad had dat huis te verlaten, aan don Michiel een messteek te geven en een slecht leven te leiden, durfde nil niet van de eene kamer naar de andere gaan, zonder dat ze hem daartoe uitnoodigden.

-ocr page 228-

Alexis, die den wensch in do oogen van zijn broeder las, trok hem in den stal, onder voorwendsel van hem het kalf te laten zien, dat Nunziata gekocht had en nu dik, glimmend van vet geworden was; in een hoekje was ook de klokhen met haar kuikens. Van daar bracht Alexis hem in de keuken, waar een nieuwe oven gebouwd was, dan in de kamer daarnaast, waar Mena sliep met de kinderen van Nunziata, die ze als de hare Hef had en verzorgde.

\'Ntoni bekeek alles en knikte goedkeurend.

— Ja, zeide hij, hier had grootvader reedsgewenscht een kalf te hebben; vroeger waren de kippen daar en hier sliepen de meisjes.... toen de anderen nog....

Maar hij zeide niets meer en bleef zwijgend met vochtige oogen rondkijken. Juist op dat oogenblik kwam de Vruchtensnoepster voorbij, op straat kijvende met haar man Brasi Cipolla.

— Deze heeft wèl een man gekregen, zeide \'Ntoni, en als ze uitgekeven hebben, gaan zij slapen in hun eigen huis.

De anderen zwegen; stilte heerschte er in het heele dorp, slechts in de verte hoorde men nu en dan eene deur toeslaan en sluiten. Alexis vermande zich om hem te zeggen;

— Zoo gij wilt, hebt gij ook hier een tehuis. In die kamer staat expres een bed voor je.

-ocr page 229-

212

— Neen! antwoordde \'Ntoni. Ik moet heengaan. Daar stond het bed van moeder, dat zij met tranen besproeide, toen ik vertrekken wilde. Weet gij nog hoe prettig wij allen samen zaten te babbelen, als de ansjovis werd ge-zout? Wat kon Nunziata de raadsels goed raden! Moeder met Lia en allen stonden bij elkander in den maneschijn , men hoorde het gansche dorp samen praten en lachen, alsof het ééne groote familie was. Toen wist ik van niets af, maar ik was ontevreden en wilde niet hier blijven en, nu ik dat alles weet, moet ik hier vandaan.

Hij sprak met de oogen op den grond gevestigd, liet hoofd diep neergebogen. Alexis sloeg hem beide armen om den hals, maar \'Ntoni herhaalde;

— Vaarwel, gij ziet zelf dat ik hier niet blijven kan. Vaarwel, en gij allen vergeeft mij!

En hij ging heen met zijn pakje onder den arm.

Midden op de markt, die geheel donker en eenzaam was, daar alle deuren reeds dicht waren, bleef hij een oogenblik luisteren, of ze ook de deur van het mispelhuis sloten — hij hoorde slechts den hond, die hem nog steeds nablafte en hem daarmede als het ware verkondigde, dat hij alléén in de wereld stond.

Slechts de zee zong hem in de verte het gewone lied voor, want de zee heeft ook geen tehuis en behoort aan een iegelijk die naar haar luiste-t, in het oosten zoowel als in het westen; ja, te Aci Trezza maakt

-ocr page 230-

213

zij, brekende tegen de rotsen, zoo\'n eigenaardig geluid , een vriendengroet als \'t ware voor hem , die haar kent.

\'Ntoni bleef midden op den weg staan, om het gansche dorp te overzien, en als ontzonk hem, nu hij alles wist en kende, den moed er zich van los te scheuren, zette hij zich neder op het muurtje van den wijngaard van boer Filippus.

Lang bleef hij zitten peinzen, starend in de duisternis die het dorp voor zijn blik verschool en luisterend naar hetgeen de zee hem voorzong. Hij bleef totdat andere hem welbekende geluiden het aanbreken van den dag aankondigden; stemmen die elkander van achter de nog gesloten deuren toeriepen, luiken die opengeworpen werden, voetstappen in de nog donkere straten.

Op het strand, heel in de verte, dwaalden eenige lichtjes heen en weder. Hij keek omhoog, de sterren schitterden, de plaats waar zij aan het uitspansel stonden kondigde hem den dageraad aan, evenals zoo dikwijls voor deze. Weder boog hij het hoofd op de borst en moest zijn heelen levensloop overdenken.

Langzamerhand begon de zee lichter te worden en de glans der sterren te tanen; één voor één werden de huizen in de donkere straten zichtbaar, dc deuren waren nog dicht, maar hij herkende ze alle. Slechts in den winkel van Pizzuto brandde een flauw lichtje,

-ocr page 231-

214

Rocco Spatü stond er vóór, met de handen in den zak, hoestend en kuchend.

— Weldra zal oom Santoro de deur openen, dacht \'Ntoni, en dan zal hij zich op den drempel nederhur-ken, om ook zijn dagwerk aan te vangen.

Hij richtte zijne blikken weder naar de zee, die nu het vermiljoen van den hemel weerkaatste en met vis-schersbooten, die het dagwerk ook begonnen, als bezaaid was; hij nam zijn pakje op en zeide:

— Nu is het tijd voor mij om heen te gaan, weldra zullen menschen hier voorbijkomen. De eerste van allen om zijn dagwerk te beginnen, is toch Rocco Spatü geweest.

-ocr page 232-

ERRATA.

DEEL I.

26 reg. 11 v. o. torschen, lees: torsen.

v. b.

2 v b J Inchtte, lees: lachte.

5 v. I). weerkaatsten, lees: weerkaatste. 7 v. b. doschte, lees: doste. •S v. o. kloekhen, lees: klokhen. S v. o. scheeren, lees: scheren. I v, b. verteeren. lees: verteren. 5 v. o. dat — moet vervallen.

9 v. b.

I97 » 3 v

. b. -)

gt;■ naasten, •. o. J

31 J» 5 v. b. 43 47 97 121 126 \'31 1

156

DEEL II.

8 reg. 5 v. b. bruischend, lees: bruisend. 105 * 4 v. o. dien, lees: die. 159 » 4 v. o. geslachtte, lees: geslachte.

-ocr page 233-
-ocr page 234-
-ocr page 235-
-ocr page 236-

El

5sgt;-»\'J

-sm .\' S \'* ■ »Rgt; \' ^ \'

pEL,.-,.®

► igSJ. ^

g^.011 !,gt; JE»\' -quot;; 21

gt;gt;% I

!»-amp;, y.

)gpgt; ^ 5

wsgt;M, r,

gt; wJ%L %

Fgt;i»

gp.

y. f

)mgt;$ I

4» \\

ptV* -sS gt;i ^gt;5gt;- ^ M

SL

m^jm

JtC-W\'

^W;P

g$»S8B£ s.o

IF

j»gt;)M »gt; ia

»•» gt;gt;»,»,

■osr-a

»gt;a ^.vgt;gt; •

#10^ »Sgt;5Si^ \' ^3 gt;mgt;Tgt; \' ,(gt;gt;»gt;»: %\'v

gt;#»■gt;* ?^gt;^i »\'w #fOï \' J\'Sa» quot;»iö^ gt; gt;!gt; . #.5gt;S gt;;mM8»gt;5gt; »

gt;Sogt;gt;y:s »t

gt; gt;v v»»m ?

,^ . 5; I) ; , \'■ \'x mrjr

üo S s»\' -ijsl ^\'SBK

^ »gt; ,»gt; ■ ®3Bgt;J

^|:»)) -s» ■.gt;gt; igt;-»-

Wmimmst

gt;rs»amp;5»?gt;

v

gt; •!gt;■ •

»\'•3»-?*gt;»gt;■

■ gt;0 -iggt;vgt;»quot;\'1 1 gt;gt;gt;mS®3^

1 j) gt;»gt; 520 3 . gt;)»;•;gt;) 53» gt;-, b;gt;

\' gt;gt; ?gt;£gt; ®»2 f » »»

( Tlt;Ö» ^

,■ » »0 ».»

5 »»3» M

J gt;i\'2SP gt;4

if gt;gt;f»M «

j\' »)■ ■»gt; 3J K. gt; ; »gt; gt;1

£ OS gt; gt; .=

:i »gt;■»gt;gt; I ?i, gt;:pgt; ,:ig

\'s: JS

3) ? ■gt;gt; ï?

gt;quot;§3»

gt;|»gt;

s..33jf»gt;:

gt;3^ t»;»

ilkK73Kgt;: , \' yjlSJ^EPrquot;:

p;l». - ») (gt; quot;:»gt;gt;

-ocr page 237-
-ocr page 238-
-ocr page 239-