-ocr page 1-

BIBLIOGRAPHISCH ALBUM.

Gedanken über Kirche, Gemeinde, Reich
Gottes von
Moritz BernüS. (Beiträge zur Schrift-
erkenntniss, I Heft, Stuttgart, J. F. Steinkopf, 1881,
71 bladzz.).

Onder »kerkquot; en »gemeentequot; verstaat de heer Bernus
hetzelfde als onder »zichtbare en onzichtbare kerkquot;. De
zichtbare kerk, of de kerk in \'t algemeen, is de uitwendig
zichtbare, historische instelling: de onzichtbare kerk is de
ééne, algemeene Gemeente der heiligen, de Bruidsgemeente
des Heeren. De eerste is de schaal, de tweede de kern-
De ware Gemeente des Heeren heeft hare leden in elke
kerk of gemeenschap, en vormt, door alle kerkelgke begren-
zing heen, maar ook door alle aardsche en tijdelgke be-
grenzing heen, een mystisch organisme, het
lichaam des
Heeren.
Op de eenheid van het levende, verhoogde Hoofd
en de leden op aarde rust hier alles. Door den Heiligen
Geest, op den Pinksterdag uitgestort, is de geheele Gemeente
met den Heer verbonden. De apostelen zgn en blgveahet
middellid voor alle tijden. Elk lid heeft alzoo met het

-ocr page 2-

geheele lichaam, maar allereerst niet het Hoofd zelf, per-
soonlijke gemeenschap. Door strijd en Igden moet, daar
God niet door dwingende almacht maar op ethische wgze
den tegenstand des Satans en der zonde overwint, die
gemeente geheiligd worden. Is zg op die wijze voleindigd,
geheiligd, dan breekt het lang voorbereidde koningryk
Gods met macht te voorschijn. Dit koningrijk, in de heilige
Schrift zoowel als iets toekomstigs en zichtbaars, als ook
wederom als iets tegenwoordigs en onzichtbaars voorgesteld,
is de vervulling van het goddelijk rgksplau. Dat plan begint
r\'^eds met de schepping der aarde, op welke de mensch
als koninklijk plaatsbekleeder Gods geroepen was: de toe-
bereiding tot het vestigen van dit rgk is voortgegaan door
alle tgden heen, en als de tijd zal vervuld zijn, wordt het
plotselings openbaar. Israël is, ook voor de toekomst, de
blijvende basis: de tijd der »gemeentequot; is slechts een, door
Israels ongehoorzaamheid noodzakel jk geworden, tusschen-
tgd; gelgk dan ook de Apokalypse van Johannes het »over-
blgfselquot; uit Israël, dat door den afval der overigen gelou-
terd is, uit de oude profetische beschouwing weer opneemt
en den draad afspint. Dit overblijfsel zal de Gemeente in
haar getuigenis aflossen, de taak van haar overnemen,
zoodra door de voleinding en openbaring der Gemeente
het wederhoudende (2 Thess. 2 : 6) wordt weggenomen,
dat nu het snelle voortgaan der boosheid onder de gekers-
tende volken nog ophoudt. Met de verschoning van den
Heiland begint dan het duizendjarig Rgk, en als ook dit
voleindigd is, de geheele en eeuwig blijvende vernieuwing
van hemel en aarde. Alzoo neemt de geschiedenis van
Gods leidingen met de menschheid en de wereld, zoo wg
haar willen afteekenen, als het ware een amphitheatrale
gestalte aan. In drie trappen, de uitdrgving uit het Paradijs,
de zondvloed en het einde van den oudtestamentischen
2e
Belft.nbsp;16

-ocr page 3-

inbsp;240nbsp;BlBLIOliUAPHISCH ALBUM.

inbsp;aeon, gaat de gescliiedeuis nederwaarts, en in drie trappen,

de oprichting van de nieuvv-testaiuentische huishouding,
jnbsp;het duizendjarig rijk ea de voltooiing aller diugeu, gaat

Inbsp;zij ook weder naar boven. In het midden der tijden staat

inbsp;Christus. Wij hebben alzoo drie paren van aeonen \'), die

telkens pareilel met elkander staan. Tegeu den aeon des
begins, die met den val is afgtbrokeu, staat de aeon van
het einde over, waarin met het hemelsch Jeruzalem de
paradijsheerlijkheid op aarde terugkeert. Tegenover den
aeon der patriarchen vóór den zondvloed, toen duizend-
jarige levensduur nog het normale was, staat die van het
duizendjarig rijk: tegen dien van het oude eindelijk die
van het nieuwe testament over.

Dit is in het kort de inhoud vau het geschriftjen van den
heer Bernus. Ik beveel dit werk, waarvan ik de voort-
zetting belangstellend tegemoet zie, aan de kenuisneming
vau hen wie deze vragen ter harte gaan; al denk ik over
enkele punten andens, b. v. over een »nieuwe uitstorting
des Heiligen Geestesquot; die ik met Blumhardt en vele anderen,
ondanks hartelijke erkenning dat de Heilige Geest in de
gemeeute
is en blijft, mogelgk en noodzakelijk acht. Ook
kan ik »kerk en gemeentequot; niet met »zichtbare en onzicht-
bare kerkquot; verwisselen. Ik geloot trouwens dat wy hier
met toestanden te doen hebben, voor welke de uitlegging
der N. T. uitspraken noodzakelijk licht ontvangen moet
uit hetofeen men met Hausrath en Schürer »ueutestamentl.

O

f

Zeitgeschichtequot; noemen kau. B. v. eerst uit de tijdsomstan-
digheden onder welke waarschijnlijk de Johanneische ge-
schritten ontstonden, d. i. uit de reeds werkzame kiemen
van dat gnosticisme welks uitgewerkte stelsels de volgende
eeuwen ons te zien geven, laat zich in den eersten zend-

\') Tijdperken of bedeeliagen.

-ocr page 4-

bibmoguaphisch album.nbsp;241

brief de scherpe tegenstelling verklaren tusschen de gezalfde
kindereu Gods ter rechterzyde, en ter linker de kinderen
des duivels wier wandel in cle duisternis tot de »zonde
tot den doodquot; voortgaat. Een groot feit, dat gedurende
eu onmiddelijk na den tijd der apostelen den ganschen
toestand beheerscht, is de daling des geestelijken levens
van welke de »Herderquot; van Hermes zoo nadruklijk getuigenis
aflegt. Verschillende oorzaken hebben ongetwijfeld daartoe
samengewerkt. Het is een algemeene historische wet, dat
voor de werkingen op het gebied des geestelgken levens
slechts uit het geloof, niet uit de werken rechtvaardiging
is. Met andere woorden, dat hetgeen in beginsel rein en
zuiver te voorschijn treedt, \'door aanraking met den damp-
kring der wereld zijn schoone ongereptheid inboet en
bevlekt wordt. Van die gedachte uit zou Goethe, indien
hg zijn plan volvoerd had, de tragedie Mahomet hebben
bewerkt. Renan heeft haar met schendige hand op den
Heiland zeiven toegepast in zijn leven van Jezus. Zg geldt
echter bepaald voor den tijd onmiddelijk na de eerste
volheid des Heiligen Geestes in den aposteltgd. Wat
groote persoonlijkheden hebben in de wereld gebracht,
wordt zelden of nooit door even groote opvolgers ontvan-
gen. Velerlei vijandelgke invloeden, door de apostelen en
eerste verkondigers teruggedrongen, hernamen moed en
stonden weldra in gewijzigde gestalte weder tegen hun
arbeid over. Ook de uitbreiding over ruimer veld deed
noodzakelijk de kleur van het vocht dat in een grooten
vloed aangelengd werd, verbleeken. Zoo volgt ten allen tijde
en overal op een tijd van zangers en profeeten een tijdperk
van verklaarders en schriftgeleerden. Doch de allervoor-
naamste oorzaak van deze daling des geestelijken levens,
maar al te weinig als zoodanig erkend, was het groote,
ontzachlgke feit
dat Isracl Jezus als zijn Messias niet

I

-ocr page 5-

aannam. Immers daardoor miste de Gemeente het van God
gestelde kader aan \'r. welk zij zich had knnnen aansluiten
om terstond tot het
honingrijk over te gaan, en alzoo die
heerlijke geestesvlucht, die heilige wgde omvatting van
leven en werken te ontvangen, welke in het koningrijk
ons deel zal zijn. Gelijk Israël, uit de ballingschap terug-
gekeerd, behoefte voelde om zyn pas herwonnen zelfstan-
digheid door allerlei OQituining te handhaven, zoo kon
de gemeente, van Israels steun beroofd, zich tot het profe-
tisch omvatten van de wereld, het heilig kosmopolitisme
dat aan het echte Israël eigen is, niet verheffen. In plaats
van zich aan de wereld aan te sluiten, haar hoogere be-
hoeften te vervullen en alzoo geleidelgk tot koninrgk te
worden, moest de gemeente tusschen zich en de wereld
een vrij scherpe grenslijn trekken. Aan het omvatten van
het gansche leven gelgk het in Jezus zeiven profetisch te
zien was geweest, aan dat ineenvloeien van het godsdiens-
tige met het maatschappelijke (zedelijke) waaraan men het
koningrijk herkent, viel nu niet te denken. Neen, nu moest
de
Tcerk ontstaan, namelijk een gemeenschap met bepaald
religieuze bedoeling en leuze.

Door die kerk kon nu niet eenvoudig het volle rijke
menschen-Iéven, maar slechts bekeering en vergeving van
zonden worden gepredikt. Dat de wereld, de geheele wereld,
in den Zoon geschapen en gegrond, Hem ook toegebracht
moet worden, kon niet tot gelding gebracht maar slechts
als een schuchter en weinig begrepen dogma gepredikt
worden. En nu verloor de gemeente van lieverlede de veer-
kracht, noodig om
de Toekomst van Christus te verwachten.
Joodsch-eschatologische, farizeesche denkbeelden te verzaken,
kon op zichzelf niet anders dan een winst zijn. lu het
leven van Paulus b. v. zien wg hoe gewichtig die overgang
bij hem is in den overgangstijd tusschen het schrgven van

-ocr page 6-

\'deu eersten en deu tweeden der ons bewaarde brieven aau
de Korinthiërs. Maar hier was het anders. Als dogma, ja,
bleef die komst geloofd, en zelfs de voorstelling die men
vau haar ontwierp, met bekende krasse toevoegselen ge-
kleurd. Doch in werkelijkheid begon men het karakter
van
voorloopigheid vau den toestand dien de gemeeute
doorleefde, te vergeten. Men begon zich iu te richten in
deze wereld, en de toekomst des Heeren te verschuiven.
Nu moest de »gemeentequot; of de »kerkquot; beginnen zich vau
het »koningrgkquot; te scheiden. Maar deze scheidiug, dit
fixeeren van een toestand die als voorloopig, en niet als
defiuitief, in verlangen naar \'s Heeren komst had behooren
gedragen te worden, was Hem toch niet welgevallig, m. a. w.
was niet waar. Een bewys daarvan is, dat het begrip vau
»kerkquot; of »gemeentequot; in onderscheiding van het »kouingrykquot;
eigenlijk nooit duidelijk en voor goed heeft kunnen opge-
maakt worden, hoe veel scherpzinnigheid daaraan ook zij
ten koste gelegd Nog Luther noemt het »blindquot; en
»onduidelijk.quot; En met reden: het woord, het begrip »kerkquot;
is beschrijving van een toestand dien de Heer eigenlijk
niet gewild heeft.

Intussehen moest men zich iu dien toestand schikken,
en ook wij moeten trachten, het denkbeeld van de kerk zoo
juist mogelijk, zoo dicht mogelyk aan de werkelijkheid
aangesloten, te vormen. Allereerst moet de H. Schrift des
N. T. bepaald omtrent de beteekenis vau het woord ecclesia,
dat door »kerkquot; en »gemeentequot; beide vertaald kan worden,
geraadpleegd. Ouze slotsom is dau, dat er reeds in de
apostolische gemeente een gebrek aan overeenstemming
blijkbaar wordt tusschen het wezen der kerk en hare zicht-
bare inrichting. Niet alle »geestesgavenquot; toch verkrygen
vaste werkiug in »bedieningenquot;, en niet alle bedieningen
rusten op geestesgaven. Niet alles wat tot het wezen der

-ocr page 7-

244nbsp;bibliographisch albdm.

kerk behoort, zien wij zich ook in hare inrichting, besturirg,
uitdrukken. Schgnt zij aldus door deze incongruentie tusschen
wezen en vorm te naderen tot wat men »instellingquot; noemtr
men stelle dit karakter voor de oudste tyden niet te on-
gunstig tegen dat van een levend »lichaamquot; over. Want
ook deze instelling wordt door levende personen bezield,
wier samenvoeging ook alles behalve bloot werktuigelijk
is daar zij door goddelijke roeping, Geest, Woord en Doop
met Christus en elkander verbonden staan. Er is over
\'t geheel in de Heilige Schrift, naar onze overtuiging, geen
afgerondde leer omtrent de kerk te vinden; zoodat een
kerkbegrip hetwelk, van de verscheidenheid der omstandig-
heden en gezichtspunten afziende, enkel en alleeu »bijbelschquot;
wil zyn, juist daardoor onbijbelsch wordt.
Wij gaven reeds
te kennen waarom dit zeer natuurlijk is. Elk onderzoek
omtrent de grensbepaling van een zeker leven onderstelt
dat de naïeveteit van dat leven voorbij is. Zoolang de
gemeente door den Geest bloeit en leeft, vraagt men er uiet
naar wat zij eigenlyk is. In het eerst oefent men, zonder
zich rekenschap te geven, de macht des levens uit: eerst
in een later tijdperk kan men er aan denken, haar te willen
omschry ven en bepalen. Ongeveer gelijk Sparta in den tijd
zijner kracht geen muren had, later wel. Daarom is ons
ook als van Jezus zelf slechts een enkel woord over de
Gemeente overgeleverd (in het 16de en in het 18Je hoofd-
stuk van Mattheus) in \'t welk het moeielijk is te bepalen
of er conkreete of ideale toestanden worden beschreven.
In de »Handelingenquot; heeft het woord een meer plaatselijk
bepaalden, in de heerlgke beschouwingen van den brief
aan de Efeziërs (Koloss.) een idealen zin. In de »herderlijke
brievenquot; duidt het latere, zeer plaatselyke en uitwendig
bepaalde toestanden aan. Wg zien dan ook de eerste ge-
meente al dadeljjk onvermogend om de heerlijke rninite

-ocr page 8-

van Jezus\' blik over te nemeu. Wil men een voorbeeld?
Men zie dan hoe Hg als de »Zoon des menschenquot; zich
koninklgk vrg boven Sabbath en wet verhief, terwgl in
de eerste gemeentelijke kringen een vrij uitwendige aan-
vaarding van de oude wetsverordeningen heerseht. Of men
zie het Avondmaal aan. Naar Jezus\' bedoeling en woord
was het aan het paaschfeest van Israël aangesloten, israels
feesten waren niet slechts godsdienstig maar ook nationaal;
hadden betrekking niet alleen op het hoogere maar ook
op het natuurlgke leven, en Israël was op die feesten »vrolijk
voor het aangezicht van den Heer zijnen God.\'\' Zoo is
ook het avondmaal naar Jezus bedoeling, als profetie van het
Rijk waarin Hg den nieuwen wijn met de zijnen zal drinken,
even goed een feestmaal als de Paaschmaaltijd zelf, aan
welken het zich zeer natuurlijk sloot, of als het gezellig
liefdemaal dat de oudste kerk er aan deed vooraf gaan.
Maar van de hoogte des geestelgken levens op welke het
natuurlijke en het geestelijke aldus verbonden kan worden,
daalde de kerk reeds vroeg af, liet het liefdemaal varen en
maakte aldus het Avondmaal weêr tot een zuiver kerkelijke
allengs met nog meer mysterie befloerste, plechtigheid.

Langs welken weg is nu, bij deze onmiskenbare daling
dc.s geestelijken levens, de idee »kerkquot; ontstaan ¥ Sommigen
denken hier aan het zoeken van bevredig ng voor behoefte
aan steun tegen de opkomende ketterjj, of aan een inrichting
om de geloovigen op te voeden en te onderwijzen. Anderen
zien in de kerkvormen de lijnen, door het leerstellig naden-
ken over aard en omvang van het verzoeningswerk ge-
trokken. Deze beide motieven zijn hier zeker niet buiten
te sluiten. Maar bovenal hebben we hier toch te denken
aan een drang naar praktisch-vroom liefdebetoon, en een
zeker terugtreden van de paulinische rechtvaardigingsleer.
Zoo werd het meer en meer onontbeerlijk, de geireeiite

-ocr page 9-

bibijouraphisoh album.

hierarchisch te orgaaiseeren. Anders toch iiou men vooreerst
niet binnen de grenzen der kerk in vrede samen leven ea
de bevoegdheden wederzyds geschiktelijk afbakenen. En
ten andere gaf ook eerst een hierarchische ordening de
noodige kracht tot uitzetting van die grenzen, tot het
veroveren van de wereld waarin de broederliefde zich met
de algemeene menscheuliefde samenvoegde. Deze lijn wordt
in den loop der geschiedenis dan verder doorgetrokken.
Irenaeus en TertuUianus vormen hier de noodzakelijke
middelleden om tot Cyprianus te komeu. Vooral deze toch
biedt ons een hoogst belangrijk rustpunt. Bij Cyprianus is
de voorstelling van de kerk niet zoodanig, dat ze zijn zou
eeu terugziuken van de christenheid tot het wettelyke van
de oudtestamentische huishouding, noch een bevrediging
van de heidensche behoefte om het goddelyke in een uit-
wendig-zichtbare voorstelling te aanschouwen. Neen, hier
is de kerk een vrucht van dien, historisch noodzakelgk
geworden, vorm der christelijke vroomheid, die het zwaar-
tepunt van het geestelijk leven niet legt in persoonlijke
verhouding tot God, maar in de gemeenschap met en de
overgave aan de broederen die men in God liefheeft. Een
beweging kortom, bij welke men door een zichtbare iustel-
ling gedragen en gesterkt wil worden.

Nu komt Rome op den voorgrond en wij gaan de mid-
deleeuwen in. Het kan natuurlijk hier ons doel niet zijn,
daarover verder te spreken. Ons is het slechts te doen
geweest om met een enkel woord er aan te herinneren hoe
de idee »kerkquot; in onderscheiding van »gemeentequot; een
historisch vraagstuk is, schoon ongetwijfeld de exegetische
beschouwing van de nieuw testamentische gronddenkbeelden
er het uitgangspunt toe geeft.

J. H. Gunnino Jk.

246

[ff-