-ocr page 1-

LEESBOEK

OVER DE

GERL\'ÜRÏEERDE fiE:sSfSLEER

DOOR

Henrious EskelliofF Gri ■;:i A-exnoi (er, (jeh. 13 April 1813 — orui. ö Ar. 1S9(gt;.

Tweede druk.

nieuw herzien en uitgegeven

DOOR

igt; e. c. rs a aj: \\i k i.j i : ij

pred. /? Utrecht.

EERSTE DEEL.

O C.O-UTRECHT,

II. T E N H 0 0 V E.

-ocr page 2-

Kast 2\'! 2 JJI. D N0. 8

j j

-ocr page 3-
-ocr page 4-

-

.

! \'

\'

\'

| -*

\'

\'

.

|

- -

t .

j 1

„ ■.

i

quot; I

\'

, V ,

i

-ocr page 5-

LEESBOEK

OVER I»E

GEREFORMEERDE GELOOFSLEER.

-ocr page 6-

..RIJKSUNiyERsiTEIT TE UTRECHT

-rv : aawr; -.%•

__

1782 5831

-ocr page 7-

LEESBOEK

OVER DE

BEEEFOBIEERDE SElflOFSLEER

DOOR

Henrious EskelhofF Gr ravemeij er, geh. 13 April 1813 — overl. 5 Dec. 1890.

T w e e d e cl r u k.

Op nieuw herzien en uitgegeven

DOOH

•Igt;H. E. O. GKRAVEMEIJER,

pred. te Utrecht.

A

EERSTE DEEL.

UTRECHT,

If. TEN HOOVE.

-ocr page 8-
-ocr page 9-

VOORREDE

Den Gen Deo. 1890 overleed te Oldoboorn de schrijver van dit leesboek, de heer Henricus Eskelhoff Gravemeijer, yeh. 13 April 1813 te Weencrmoor in Oostfriesland.

Ruim 46 jaren heeft hij het leeraarsambt mogen hekleeden. Eerst 5 jaren in Oostfriesland te Oldesummergast en Rijssum in een tijd van veel opgewektheid, toen de Geest ivas blazende in de dorre doodsbeenderen, de gemoederen wakker werden en men weer vraagde naar de oude paden. Daarna heeft de hand Gods hem in December 1843 uit het land zijner geboorte herwaarts naar Nederland cjeleid en heeft hem dit tot een tweede Vaderland doen worden en heeft hij het heilige ambt in onderscheidene gemeenten onzer Nederlandsche Hervormde Kerk mogen waarnemen 1).

Den 26en April 1885 legde hij het predikambt neer en nam ut scheid van zijne geliefde Gemeente EIburg, met eene schoone rede over Openb. 22 : 20 , 21: Die deze dingen getuigt, zegt: Ja ik kom haastelijk. Amen. Ja kom Heere Jezus. De genade onzes Heeren Jezus Christus [zij] met u allen. Amen.

Mijn Vader besloot zijne prediking o. a. met deze verklaring: „Zie ik terug op de jaren van mijn dienst, dan moet ik mij zelven wel diep voor God verootmoedigen en zeggen: o Heere, ga niet in het gerichte met uwen knecht, want niemand die leeft zal voor uw aangezichte rechtvaardig zijn (Ps. 143 : 2). De Heere is mij geenen

1

Namelijk Unstwedde 1 Si3. Losdorp 1852, Jlantum en llantuvihuizen 1856, Midwolda (Oldaiabt) 1857, Onstmedde, voor de 2e keer, 1865, wegens ongesteldheid de bediening neergelegd in 1878, doch spoedig, tegen verwachting, weer hersteld, vertrok hij naar Mbury, 1878—\'85.

-ocr page 10-

danh schuldig, maar ik Hem veel. Voor zoo lange jaren van dienst. Voor zooveel geduld, verschooning, genade. Voor zoovele, zoo ontelbare weldaden en. voorrechten. \\oor zoo menig en zegen. Inzonderheid hiervoor dat Hij mij met zijne getrouwen verwaardigd heeft Zijn Woord onvervalscht te verkondigen, dat Hij mij gesterkt heeft om daarin een vasten gang te gaan onder allen wind van dwaalleer die er waaide, bij alle verwarring van denkbeelden die er heerschte, bij alle verderf dat helaas als een vloed de kerk doorstroomt. En ik zeg nog op dezen oogenblik amen op hetgeen ik gepredikt en in het openbaar en in het bijzonder geleerd heb en druk er nog te dezer stonde voor het aangezicht mijns Zenders plechtig het zegel op.\'\'\'\' \') Door zijne prediking had hij zich vele vrienden verworven, zoowel in de Hervormde als in de Christelijke Gereformeerde Kerk. Ooi-door zijn omgang. Door zijn innemend, voorkomend en vriendelijk

karakter jegens ieder dwong hij aller achting af..... Men kon

altoos van hem leeren en in een enkel kort kernachtig woord lag meer opgesloten dan in eene lange rede van anderen.quot; 1)

Van Elburg vertrok hij naar Kampen. Ook daar genoot hij vele en groote voorrechten en verheugde zich zeer nu en dan den waardigen S. van Velzen, doe. aan de theol. school der Chr. Ger. kerk, te mogen ontmoeten, voor wien hij oprechte hoogachting en bijzondere toegenegenheid gevoelde 2), bewust, hij verschillend kerkelijk standpunt, van overeenstemming in het hoogste, nl. in datgene wat

1

\'2) Woorden van Ds. Bax van Doornspijk bij zijne begrafenis gesproken.

2

Mijn Vader schreef o. a. tol afscheid aan van Velzen: „Gods kinderen mogen voor een wijle gescheiden zijn door verschillende omstandigheden; de innerlijke, i/eesteiijJce eenheid hlijft, oolc lij uitwendige verwijdering lestaan en wat hier beneden wordt gemist en donker en raadselachtig schijnt, doe ons des te begeeriger opwaarts zien daarheen, waar al zijne verstrooide kinderen voor en na worden vergaderd en waar al de verlosten de vrij machtige genade Gods in Christus roemen als den eenigen grond onzer zaligheid.quot;

De heer van Velzen schreef in Zijn afscheidswoord o. a. „Er bestaat onder Gods kinderen hier op aarde nog bij sommigen eene bijzondere overeenstemming des Geestes; en mij dacht, zoo was hel tusscheu U en mij. Alleen in betrekking tot de houding tegenover een ingedrongen en verderfelijk Kerkbestuur verschilden wij, maar overigens gevoelde ik met niemand grooter vereeniging dan wanneer ik u hoorde of uwe schriften las. Ga voort, geliefde broeder, met uwe gaven en talenten

-ocr page 11-

voor allen, van natuur in hoofd en hart verkeerde, maar door Gods genade in Christus gereformeerde zondaren noodig is en blijft.

Doch was het verblijf te Kampen in vele opzichten aangenaam, het verlangen om weer in de nabijheid van zijne kinderen te zijn, deed hem besluiten van woonplaats te veranderen, en naar Oldeboorn te gaan, waar ik toen predikant was. De Heere gaf ons daar gelukkige dagen; geïsoleerd van de buitenwereld, leefden en werkten wij op de schoone Andringastate — en daar werd het „Leesboekquot; voltooid.

Doch die vreugde was van korten duur.

Den Gen Dec. 1890 nam de Heere mijn Vader plotseling weg. Zoo is dan zijn loopbaan afgeloopen en hij is de Godstad binnen. Nu juigt hij voor den troon des Lams en brengt Hem de hulde van dank en aanbidding, met de rij van Gódgetrouwe leeraren uit ons geslacht.

Zoo stierf „een van het oudere geslacht, dat nog onder ons verkeerde — schreef Dr. Hoedemaker \') een getuige der waarheid, die na lang en niet zonder zegen te hebben gearbeid zijn tijd van rust heeft besteed, om in hoog en ouderdom der gemeente een werk over de belijdenis der Gereformeerde kerk saam te stellen , dat niet alleen de leden dier gemeente, maar ook hare voorgangers een helder inzicht in deze waarheid verschaft en van veel studie en evenveel liefde voor de waarheid getuigt.\'\'^

Van dat werk verschijnt nu een geheel nieuwe uitgave, overeenkomstig den ivensch van velen, in drie deelen, met in ieder deel door hopende pagineering, hier en daar gewijzigd en aangevuld.

Met gr oo te belang steil inq werd dit werk door de Chr. pers begroet, o. a. door Dr. A. Knijper in de „Herautquot;, dan in „Kerkelijk iceekbladquot;, „ Wekstemquot; 2) e. a. als een tverk dat met beduidende kennis van zaken geschreven is, van degelijke studie en groote be-

le woekeren, velen tot voordeel te strekken... Weldra is onze loop op aarde voleindigd; clan vereenige ons do Heere met allen die door Hem gekocht zijn, om Hem op volmaakte wijze de aanbidding en dankzegging toe te brengen\'\' . . .

4) Geref. Kerk No. 114 (11 Dec.) 1890.

2) Dr. J. H. Gunning, thans pred. te Utrecht schreef in zijn lezenswaardig werk: „Het Protestansche Nederland onzer dagenquot;, blz. 66 van dit Leesboek; „een boek dat bij dezen aan allen ter bestudeering zij aanbevolen.quot;

-ocr page 12-

lezenheid getuigt, een werk dat jaren lang een trouwe gids zal zijn voor ieder en denkenden Gereformeerde, een werk dat den rijkdom en de diepte der Gereformeerde Geloofsleer, hare waarheid en hare kracht tegenover oude en nieuwe dwaling in helder licht stelt.

„Zoo moge dan dit „Leeshoekquot; een waardige plaats blijven innemen onder de degelijke werken, die op de studeertafel moeten liggen, en nog een rijken zegen afwerpen, wanneer de bejaarde hand, die deze honderden bladzijden schreef, reeds lang verstijfd is.quot; \')

Moge er maar vrij en vroolijk gewerkt worden, gelijk goede theologen betaamt, 1) dan zal door Gods zegen ook op wetenschappelijk gebied de naam der Gereformeerde weer meer in eere komen en de Kerk worden opgebouwd door leering en stichting.

Utrecht, Juli 1896. Dr. E. C. GRAVEMEIJER.

1

Zie Ebraud, Handbuch der Chr. Kirchen- u. Dograengeschichte 1 vorrede S. XII.... „urn so dringender thut es noth, dasz in ihren Pastoren der üeisl. selbstandigen Studiums und Wissenschaftlicher Forschung sich erhalte und mehre.quot;

H. E. Ghavemeueb , welk nul kan de Evangelieprediker uil de classioke literaluur trekken, Stemmen v. Waarh. en Vrede, Juli quot;ISSS.

-ocr page 13-

Inhoud van het Eerste Deel.

Inhoud van Hoofdstuk I. bl. 1-114.

Godsdienst. Brovnev der Godskennis,

Lladz.

§ 1. Zorg voor do ziol .......1—2

„ 2. Drangredenen ........3—4

» 3. „ Vervolg............4

„ 4. De ware Godsdienst de weg ter zaligheid 5— 6

„ 5. Grond van don Godsdienst .... 0— 7

„ 6. God „goedquot; .........7-0

„ 7. Bronnen van onze Godskennis . . . 9—12

ƒ. Natuurlijke Godskennis. „ 8. Tweeërlei ..........12 — 14

A. Aangeboren of huieschapen Godskennis.

„ 9. Wat zij is..........14—16

„ 10. Zij behoort tot het wezen van den mensch 1G—19

„11. De Schrift leert ze.......19—21

» 12. „ Vervolg .... 21—23

„ 13. Ook de ervaring........24—2G

, 14. Ongodisten..........2G—27

„ 15. „ Vervolg.......27—29

„ 1G. „ Vervolg.......29—31

B. Verkregen Natuurlijke Godskennis.

„ 17. Wat zij is . ........31 —3G

„ 18. Dat zij is ..........36—39

-ocr page 14-

bladz.

liet onvoldoende der natuurlijke hennis.

§

19.

Blijkbaar uit den toestand der heidenen

40—

48

20.

Gebrek der natuurlijke Godskennis

48-

49

21.

„ Vervolg

49 -

52

11. Openharing. Schrift.

n

22.

Goddelijk onderwijs ......

52-

54

23.

Kennis uit de Heilige Schrift . . .

54—

56

24,

De Christelijke Godsdienst ....

56-

76

25.

Geen zaligheid buiten Christus . . .

76-

82

V

26.

Afwijkingen binnen het Christendom .

82 -

87

r

27.

Getuigen der Waarheid.....

87-

97

28.

Verbindende kracht der formulieren

97-

114

Inhoud van Hoofdstuk II. bl. 115—279.

Gods Woord.

1. De Heilige Schrift.......115—120

CJ. Do Goddelijke Openbaringen . . . 120 — 127

3. Het onbeschreven Woord .... 127—129

4. Mondelinge overlevering.....129—13G

5. Zekerheid der mondelinge overlevering 130 — 139 G. De dragers der Waarheid .... 139—146

7. Mondelinge overlevering op den duur onvoldoende.........146—148

8. Begin der beschrijving.....148—152

9. Voltooiing der beschrijving .... 152—15G

10. Verzameling der Heilige Schriften . 15G —168

Taal der Heilige Schriften,

11. A. Taal des Ouden Testaments . . 168—171

12. B. Taal dos Nieuwen Testaments . 171 — 177

-ocr page 15-

VII

§ 13.

Goddelijkheid der Heilige Schrift . .

177

bladz. —180

„ 14.

De Bijbel is Gods Woord ....

180

-182

„ 15.

» A. Naar zijn inhoud

183

-185

„ 16.

„ B. Naar de beschrijving 186

-190

, 17.

De Ingeving der Heilige Schrift , .

190

-192

„ 18.

» „ » A. Aandrijving . .

192-

-195

„ 19.

» » ,, B. Ingeving . .

196-

-198

„ 20.

i) » » G. Besturing . .

198-

-199

» 21.

Onderscheiding........

199-

-208

„ 22.

Bewijzen voor de Goddelijkheid dei-

Heilige Schrift.......

208-

-209

v 23.

„ Vervolg

209-

-212

„ 24.

,, Vervolg

212-

-216

„ 25.

„ Vervolg

-216

» 26.

Getuigenis voor het Oude Testament

217-

-218

0)7 v — \' •

Getuigenis van Christus voor het Nieuwe

Testament.........

218-

-219

n 28.

Getuigenis der Apostelen voor het Nieuwe

Testament .........

- 220

„ 29.

Geloofwaardigheid der Apostelen . .

221-

- 222

„ 30.

„ Vervolg

222—

-223

„ 31.

Goddelijkheid der Heilige Schrift . .

223-

-225

„ 32.

„ Vervolg

225-

-230

w 33.

Gezag der Heilige Schrift ....

230-

-234

„ 34.

Apocrijfen ......

234-

-237

» 35. „ Vervolg.......237—244

„ 36, Volmaaktheid der Heilige Schrift . . 244—246

37- „ Vervolg 246—250

38. Genoegzaamhoid der Heilige Schrift.

Geen Traditie................250—257

39. Klaarheid der Heilige Schrift . . . 257—264

-ocr page 16-

VIII

bladz.

§ 40. Noodzakelijkheid der Heilige Schrift . 264—267 „ 41. Gebruik der Heilige Schrift, Bijbel verbod 267—274

„ 42. Het rechte Bijbellezen..... 274—279

Inhoud van Hoofdstuk III bl. 280-412.

Gods Wezen , Namen , Eigenschappen.

1. Het Opperwezen....... 280—312

ij 1. Onbegrijpelijkheid Gods..........280—285

„ 2. Het Godsbegrip................285— 288

„ 3. God Geest....................288—293

„ 4. Menschvormigheid Gods..........294—298

„ 5. Een Opperwezen..............298—301

„ 6. Geen andere Goden............301—305

„ 7. Opkomst der afgoderij............305—312

2. Gods Namen........312—335

„ 8. Namen noodig ?........312—314

„ 9. Waarom Namen?.......314—310

„ 10. Al de Namen belangrijk .... 316—322 „11. De Namen God en Heere (Jehovah) 322—330 „ 12. Jehovah.......... 330—335

3. Gods eigenschappen...... 336—

„ 13. Begrip...........336—339

„ 14. Verdeeling ..................339—340

A. Onmededeelbare Eigenschappen . . 341—366

„ 15. Hare eigenaardigheid............341

„ 16. Gods onafhankelijkheid.....341—343

„ 17. De Eenvoudigheid ot Enkelheid Gods 343—344

„ 18. Gods Eeuwigheid..............344—345

, lü. „ Vervolg .... 345—349

-ocr page 17-

IX

bladz.

20.

Gods Overaltegenwoordigheid

.

349-

■352

21.

» »

Vervolg

352-

-353

22.

» »

n

353-

-357

23.

n

358-

-301

24.

Gods Onveranderlijkheid . .

• • •

3G1-

-3G3

25.

„ „ Berouw . .

363-

-3GG

B.

Mededeelbare Eigenschappen .

. . 366—412

2G.

Haar Soort......

3GG

27.

Haar Naam......

3G6-

-3G7

28.

Gods Alwetendheid . . ..

367-

-3G9

29.

» „ Vervolg

• •

369-

-370

30.

n » n

• • •

370-

-376

Middel ken nis......

• •

372-

-376

31.

Gods Wijsheid.....

376-

-377

32.

Gods Wil.......

377-

-378

33.

„ „ . Onderscheiding .

. •

378-

-383

34.

De Wil van Gods Besluit

• • •

383-

-384

35.

Gods Wetgevende Wil

384

36.

Kegel van ons gedrag . .

384-

-385

37.

Eigenschappen van Gods Wil

.

385

38.

Gods Goedheid.....

386-

-387

39.

Onderscheiden liefde . . .

387-

389

40.

Gods Heiligheid ....

389-

-391

41.

Gods Rechtvaardigheid . .

39 J —

-394

42.

Gods straffende Gerechtigheid

: toorn

394—

-39G

43.

Noodzakelijkheid der Straf .

.

396—

-397

44.

„ „ „ Vervolg

397-

•398

45.

n n n

398-

-400

4G.

n

400-

-401

47.

» » »

401-

402

48.

» n n

402-

■404

-ocr page 18-

X

bladz.

§ 49. Noodzakelijkheid der Straf, Vervolg 405—407

„ 50. Gods Macht......... 408—401

„ 51. „ „ Vervolg......410 -411

„ 52. „ , ........411-412

§

l.

2.

w

3.

4.

5.

6.

7.

V

8.

10.

11.

12.

7J

13.

n

14.

»

15.

n

16.

n

17.

Inhoud van Hoofdstuk IV. bi 418—539.

Gods Drieëenheid.

Een Drieëenig God......413—41G

De naam Drieëenheid.....416—419

De Drieëenheid eene Verborgenheid . 419—425

De Drieëenheid in het Oude Testament 425—434 „ „ » Vervolg 434—440

„ , Nieuwe „ „ 440—442

» »•.»»» 443—444

445—448

„ » , » , 448-452

Één Wezen..............452—454

Drie Personen..............455—457

Drie onderscheiden Personen . . 457—459

Eene eeuwige Drieheid .... 460—463

De onderscheidenheid der Personen . 463—464

Persoonlijke eigenschap dos Vaders . 464- 465

„ „ „ Zoons . 465—466 „ „ „ des Heiligen

Geestes..................467—468

18. Waarom Persoonlijke eigenschappen genoemd?................468—470

19. De eeuwige generatie des Zoons . . 470—476 20- „ „ „ Vervolg 476 -482

-ocr page 19-

XI

lilaJz,

§

21.

Do Naam Zoon Gods..... 482-

-485

22.

„ Vervolg . . 48G-

-488

23.

Do uitgang des Heiligen Geestes . . 488-

-492

»

24.

Persoonlijkheid des Heiligen Geestes . 492-

-497

25.

„ Vervolg 497-

-499

26.

» » » » » 499-

-503

»

27.

» „ „ „ Slot 503-

-505

28.

Godheid des Zoons en des Heilig. Geestes 505-

-506

29.

Goddelijke namen des Zoons . . . 506

-520

30.

De Heilige Geest God genoemd . . 520-

-522

31.

Goddelijke eigenschappen des Zoons . 522

-526

»

32.

„ » » H. Geestes 526-

-527

33.

„ werken des Zoons en des Heiligen Geestes......... 528-

-530

»

34.

Goddelijke eere des Zoons en des H. Geestes 531-

- 535

35.

Noodzakelijkheid van de leer der Drieeenheid .........535

-539

Inhoud van Hoofdstuk V. bl. 540—632.

J. Gods Besluiten. Praedesiinatie. Gods Besluiten.

§

1.

Noodzakelijkheid en begrip .

. 540-

542

2.

Eeuwige besluiten.....

543-

-545

3.

Vrije besluiten......

, 545-

-547

4.

Wijze besluiten......

, 547-

-549

5.

Onveranderlijke besluiten .

. 549-

-554

6.

Geen voorwaardelijke besluiten

. 554-

-559

7.

De Voorwerpen van Gods besluit .

. 559-

-561

-ocr page 20-

XII

bladz.

B. Praedestinatie.

8. Des menschen lot eeuwig vastgesteld 5G1—5G3

9. Verkiezing en verwerping .... 563—581

10. Verwerping........582—585

11. Eeuwige Verkiezing..........586 -588

12. Geen algemeene Verkiezing . . . 588—599

13. Persoonlijke Verkiezing .... 599—603

14. Beweegreden..............603—G05

15. Niet wegens voorgezien geloof . . 605—609

16. Onrechtvaardig ?............609—616

17. Onveranderlijk.......616—622

18. Niet tot zorgeloosheid..........622 -624

19. Kenteekenen..............624 -627

20. Belang en nut..............627—629

21. Vervolg en Slot............629—632

Inhoud van Hoofdstuk VI. bl. 633—768,

Schepping.

1. Gods Werken..............633—635

2. „ „ Vervolg .... 635—636

3. „ „ „ ..........636-638

4. Gods eerste werk............638—640

5. Scheppen................641—643

6. Schepping der wereld..........643—646

7. De Schepping het werk der ürieëenheid 646—650

8. De wereld niet van eeuwigheid . . 651—656

9. Uit niet..................656—663

10. Het bericht van de Schepping . . 663- 667

11. In zes dagen..............668—674

-ocr page 21-

XIII

bladz.

§ 12. Waarom in zes dagen? .... 675—681

„ 13. De voornaamste Schepselen . . . 682—687

„ 14. De Engelen. Wat zij zijn en wat zij doen 687—699

„15. „ „ Wanneer geschapen . . 699—706

„16. „ „ Goed geschapen . . . 706—710

„17. „ „ Niet allen goed gebleven 711—731

„ 18. De eerste menschen..........731—739

„ 19. Het menschelljk wezen .... 740—746

„ 20. Oorsprong van het lichaam der eerste

menschen................746— 757

„ 21. Van waar de ziel?..........757—703

„ 22. Doel der Schepping..........763—768

Inhoud van Hoofdstuk VII. bl. 769-846.

Voorzienigheid.

§ 1. Wat zij is................769—774

„ 2. Driedeelig................774—778

„ 3. Onderhouding..............778—792

„ 4. Medewerking. Natuurorde. Wonderen 792 - 797

„ 5. Regeering................797—801

„ 6. Voorwerpen der Voorzienigheid . . 801—804

„ 7. Toeval..................804—807

„ 8. „ Vervolg..............807 — 810

„ 9. Leven en Sterven......810 — 812

„ 10. „ „ „ Vervolg . . . 812—816

„11. Middelen........—822

„ 12. Vrijwillige handelingen .... 823 — 825

„13. De mensch vrij?............825— 830

„ 14. Goddeloozen en duivelen .... 830—831

-ocr page 22-

xu

bladz.

B. Praedestinatie.

§ 8. Des menschen lot eeuwig vastgesteld 501 — 563

„ 9. Verkiezing en verwerping .... 563—581

„ 10. Verwerping........582—585

„ 11. Eeuwige Verkiezing..........586 -588

„ 12. Geen algemeene Verkiezing . . . 588—599

„ 13. Persoonlijke Verkiezing .... 599—603

„ 14. Beweegreden.......G03—605

„ 15. Niet wegens voorgezien geloot\' . . G05—609

„ 16. Onrechtvaardig?............609—616

„ 17. Onveranderlijk.......616—622

„ 18. Niet tot zorgeloosheid..........622 -624

„ 19. Kenteekenen..............624 -627

„ 20. Belang en nut..............627—629

„ 21. Vervolg en Slot............629—632

Inhoud van Hoofdstuk VI. bl. 633—768.

Schepping,

§ 1. Gods Werken quot;f............633—635

„ 2. „ „ Vervolg .... 635—636

3, _ . „ ..........636—638

„ 4. Gods eerste werk............638—640

„ 5. Scheppen................641—643

„ 6. Schepping der wereld..........643—646

„ 7. De Schepping het werk der Drieëenheid 646—650

„ 8. De wereld niet van eeuwigheid . . 651—656

„ 9. Uit niet..................656—663

„ 10. Het bericht van de Schepping . . 663 - 667

„11. In zes dagen..............668—674

-ocr page 23-

xiir

Waarom in zes dagen ? . . . . De voornaamste Schepselen . De Engelen. Wat zij zijn en wat zij doen » ,, Wanneer geschapen . „ „ Goed geschapen . » » Niet allen goed gebleven De eerste monschen .... Het menschelijk wezen Oorsprong van het lichaam der eerste

menschen.......

Van waar de ziel ? .... Doel der Schepping ....

bladz.

«75—681

§ 12. n 13. , 14. » 15. „ 16. „ 17. » 18. , 19. , 20.

, 21. „ 22.

Inhoud van Hoofdstuk VII. bi. 769 -846.

Voorzienigheid.

1. Wat zij is................769—774

2. Driedeelig................774—778

3. Onderhouding..............778—792

4. Medewerking. Natuurorde. Wonderen 792-797

5. Regeering................797—801

6. Voorwerpen der Voorzienigheid . . 801—804

7. Toeval..................804—807

8. „ Vervolg..............807 — 810

9. Leven en Sterven......810 — 812

10. » » » Vervolg . . . 812—816

11. Middelen........816—822

12. Vrijwillige handelingen .... 823 — 825

13. De mensch vrij ?............825— 830

14. Goddeloozen en duivelen .... 830—831

-ocr page 24-

XIV

bliulz.

§ 15. De zonde........832—834

„ 16. De zonde niet Gods werk .... 834—839 „ 17. God de werker vim het goede . . 839—843 „ 18. Vrucht......... 843-846

Inhoud van Hoofdstuk VIII. bl 847-893

Staat der Rechtheid.

§ 1. De mensch goed geschapen . . . 847—849

„ lt;). Bepaald goed..............850- 853

„ 3. Naar Gods beeld......853—858

„ 4. Het beeld Gods............858—859

„ 5. Het beeld Gods niet lichamelijk . . 859—862

„ 6. Niet alleen heerschappij .... 863—865

„ 7. Kennis..................865—869

„ 8. Heiligheid en rechtvaardigheid . . 869—874

„ 9. Onsterfelijkheid..............874-878

„ 10. Levensregel..............878—880

„ 11. Het proefgebod. De dood gedreigd . 880—887

„ 12. Het leven beloofd............887—889

„ 13. De boom des levens..........889—893

-ocr page 25-

EERSTE HOOFDSTUK,

GODSDIENST. BRONNEN DER GODSKENNIS.

§ 1. Zorg voor de ziel.

Ieder monsch heeft wel een taak op aarde, eene bijzondere roeping , die hij getrouw en willig moet volbrengen ; ook zijn wij hier niet voor ons zeiven slechts; als leden eener maatschappij moeten wij voor elkander zorgen en werken: maar de zorg voor onze eigen ziel moet ons boven alles gaan. Wij mogen en moeten voor ons tijdelijk leven zorgen; onzen aardschen welstand bcoogen, mot inspanning van de krachten en vermogens , die God ons daartoe heeft gegeven , met gebruik van de middelen en wegen , welke Hij door Zijne voorzienigheid beschikt: want waar in de Schrift is zegen beloofd voor den luiaard en welvaart voor die zich slap aanstelt ? maar bovenal moeten wij trachten naar het eeuwige leven.

Wie zijne matelooze aardschgezindheid hiermede wil bemantelen , dat men zoo veel te doen heeft in de wereld, dien roepl Christus toe Matth. ü : 33 : Maar zoekt eerst

-ocr page 26-

2 § 1. ZORG VOOR DE ZIEL.

het koninkrijk Gods en zijne (Gods) gerechtigheid en al deze dingen (voedsel en klceding) zullen u toegeworpen worden. Het koninkrijk Gods is op aarde aanwezig als een genaderijk ; wie hier ingaat, komt namaals in het rijk der heerlijkheid. Het koninkrijk zoeken is trachten om er in te komen door bekeering en geloof. De gerechtigheid Gods is die hoedanigheid van onzen persoon en van onze handelingen die aan den wil Gods beantwoordt, is al wat door God geëischt wordt, voor zijn oordeel bestaat, Hem welgevallig is: het is de gerechtigheid des geloofs en de daaruit ontspruitende gerechtigheid des levens naar het beeld Gods. Daarnaar moet eerst gezocht worden. Bij deze zorg valt eene menigte van andere zorgen, voor het lichaam en voor het tijdelijke leven, weg. Heeft de ziel haar brood en haar kleed gevonden, waarom dan angstig voor het lichaam bezorgd? Dit is de ware wijsheid, waarbij men de hemelsche en de aardsche dingen in het rechte licht beschouwt en in dat licht wandelt. Daarbij ondervindt men Gods zegen.

Een treffend voorbeeld biedt Salomo , die onder het getrouwe opzicht van zijne ouders David en Bathseba en van zijnen hofmeester Nathan van kindsbeen aan naar wijsheid zocht en koning geworden, eerst twintig jaren oud, op de hoogte te Gibeon in eenen droom den Heere alleen om eeu verstandig hart, om wijsheid en wetenschap bad , om het volk te richten, verstandelijk onderscheidende tus-schen goed en kwaad. En de Heere gaf het hem en bovendien , hetgeen hij niet begeerd had, rijkdom en eer: zoo werd het tijdelijke hem, als eene toegift, toegeworpen, 1 Kon. 3: 5—14. II Kron. 1: 3—12.

-ocr page 27-

§ 2. DRANGREDENEN.

§ 2. Drangredenen.

De krachtigste drangredenen zijn er, die iederen mensch tot deze voornaamste zorg moesten dringen.

a. De kortstondigheid en onzekerheid van ons leven. Kort is het aardsche leven: zeventig of, zoo wij zeer sterk zijn , tachtig jaren ; en hoe velen worden vroeger weggenomen, als bloemen in den bloei geknakt! Altoos is het onzeker: wij weten niet wat de dag van morgen baren zal, als een dief in den nacht kan de dood komen. Uitstel is dus gevaarlijk.

b. Hierbij komt de wisselvalligheid en het onvoldoende van de wereld. Wisselvallig, onbestendig is al het on-dermaansche , onvast als de golven der zee : kunnen wij daarop het huis onzer hope bouwen ? Onmogelijk is het een vasten steun te vinden voor het gemoed in dingen , die naar hunnen aard bewegelijk en veranderlijk zijn. Bovendien in het einde haat ons de wereld niet met al hare begeerlijkheid: bij ziekte en dood blijkt het, dat het geluk des menschen niet ligt in wereldsch goed en genot en dat er iets anders noodig is ; om , waar alles ons ontzinkt, toch goeden moed te hebben en niet te bezwijken. Want wat baat het een mensch, roept Jezus ons toe , zoo hij de geheele wereld gewint en lijdt schade zijner ziel ? Of ivat zal een mensch geven tot lossing van zijne ziel? Matth. 16: 2G. Er is nog nooit een mensch geweest die de geheele wereld had gewonnen ; de machtigste bezat er maar een klein gedeelte van : maar al kon iemand de gansche wereld bemachtigen, wat nut zou \'t hem doen, indien hij daarbij schade, niet alleen aan of voor zijne ziel , maar schade zijner ziele leed,

3

-ocr page 28-

g 2. DRANGREDENEN.

4

indien hij zijne ziel, d. i. zich zeiven verloor ? (Luc. 9 : 25), Geen wereld is kostbaar genoeg, om een eenige ziel vrij te koopen van het verderf; dat kon alleen het bloed van Christus. IJdelheid der ijdelheden, zegt de Prediker (Salomo , de mond der Wijsheid), het is al ijdel-heid. Pred. 1:2. In het begin was alles „zeer goedquot;, nu is alles ijdel: tusschen beide ligt de zondenval. De nietigheid van al wat de wereld biedt en van al het werken en woelen dat daarop alleen gericht is moet erkend worden, ten einde tot de ware bron van allo goed, tot God te gaan.

§ 3. Drangredenen. Vervolg.

Nog meer moet ons hiertoe aanzetten c. de eigen aard van ons wezen en de bestemming van ons als menschen. Do mensch is persoon, van wege zijnen redelijken en onsterfelijken geest, heeft eene bestemmhuj voor zich zeiven en is als zoodanig verheven boven alle redelooze schepselen, die niet voor zich zeiven maar alleen voor den mensch bestaan , is vatbaar voor eene eeuwige zaligheid en helaas ook voor eene eindelooze rampzaligheid. Zorgen en werken wij alleen voor het lichaam en voor het aardsche leven, dan verlagen wij ons tot do dieren, die het alleen te doen is om eten en drinken. De dieren hebben niets te verantwoorden , maar den mensch wacht eene rekenschap , een gericht. Pred. 12: 1b, 14: Van alles , wat cjehoord is, is het einde van de zaak : vrees God en houd zijne geboden, want dit betaamt alle menschen. Want God zal ieder werk in het gericht brengen met al wat verborgen is , hetzij goed of het zij kwaad.

-ocr page 29-

§ 4. DE WARE GODSDIENST DE WEG TER ZALIGHEID. O

§ 4. De waro Godsdienst de weg ter zaligheid.

Wio God niet dient, wordt ook niet zalig. Hem te kennen, te beminnen, te genieten , te verheerlijken is de hestemminy van ons menschen en de weg van een gelukzalig leven. Eoe zou een mensch gelukkig kunnen zijn dan in de gemeenschap met de bron van zijn bestaan V hij moet ongelukkig wezen , waar deze gemeenschap is verstoord. Dat voelde Asaf, Ps. 73: 23—28: Wienheb ik nevens u in den hemd? nevens u lust mij ook niets op de aarde. Bezwijkt mijn vleesch e)i mijn hart, zoo is God de rotssteen mijns harten en mijn deel in eeuwigheid. Want zie, die ver van u zijn , zullen vergaan, Gij roeit uit al wie van u af hoereert. Maar mij aangaande, het is mij goed nabij God te wezen , ik zet mijn betrouwen op den Heere lleere, om al uwe werken te vertellen. — Er is in den mensch een onuitroeibare, schoon onbegrepen trek naar iets hoogers , gelijk Salomo zegt Pred. : 11 : ook heeft Hij de eeuwe \') in hun hart gelegd, waarvoor

\') D^rrns4 de eeuwigheid. Dat het aldus moet verstaan worden , bewijst Prof. E. W. Hengstenberg , der Prediger Salomo ausgelcgt. Berlin 1859. S. 106. R ami ach: noliüatn dei aeterni. Prof. Fr. Delitzsch , System der bibl. Psychologie. 2te Aufl. S. 34 : Ewigkeit ist der innerste Kern jedes Menschenherzen, wie die Alten Pr. 3:11 auslegten ; aeternitatern indidit cordibus eorum. Onze Kaniteekenaars verwerpen deze opvatting niet.

Treffend G. 11. von Schubert, Lehrb. der Menschen und See-lenkunde. Erlangen 1838. S. 1 : Wenn auch der Mensch ganz nach Wunschc von den Giitern der Welt gesattigt ist; wenn er alles hat, was sein Lcib begehrt, so bleibt doch immer noch ein Bedürfnisz in ihm , das durch Speise und Trank und alle Vergnügungen des Leibes nicht gestillt wird. Dieses Be-

-ocr page 30-

§ 5, GROND VAN DEN GODSDIENST.

in al hel eindige geen verzadiging gevonden wordt. Toch zoekt de natuurlijke mensch zijne bevrediging in de dingen dezer wereld en wil zijn eigen zaligmaker zijn, zonder ooit tot het dool te geraken. Gods Woord wijst ons den weg uit de doolhoven van menschelijke wijsheid tot den waren vrede. Wie rust voor zijne ziel in God heeft gevonden, acht de wereld met al hare schijngoederen voor niets daartegen en kent geen grooter smart dan Hem te missen , maar ook geen grooter vreugd dan Hem te bezitten en in liefde met Hem te leven en te doen wat Hem welbehagelijk is.

§ 5. Grond van den Godsdienst.

God kan niet gediend worden of men moet gelooven, op voor ons onwrikbare en genoegzame gronden voor waar houden, dat Hij werkelijk bestaat en dat zijne liefde ons zalig, zijn toorn ons rampzalig maakt. Hebr. 11 : 6: Maar zonder geloof is het onmogelijk Gade te behagen : want die tot God komt, moet gelooven dat Hij is en een belooner is dergenen, die hein zoeken. Dit was het ongeloof dier eerste wereld, uit wier geslachten Henoch als eene lichtgestalte uitblinkt, daar men eerst moedwillig loochende

diirfnisz ist jenes, das seine Seele nach einem Etwas hat, welches mit ihr von verwandter art, ihr angehörig ist. Denn wie das Auge eines im Dunkeln sitzenden Menseiien mit all der Nahrung, die seinem Munde, mit der Ruhe, die seinen Gliedern geboten wird, noch nicht befriedigt ist, sondern fiber das alles doch immerhin nach den Lichte verlangt , ffir das es ge-macht war ; so verlangt die seele, die von ewiger Natur ist, nach einem Ewigen , au dem sie als an ihrcm eigen thümlichen Element , nur allein ihre Beruhigung und Sattigung (Inden Kann.

6

-ocr page 31-

w

1

§ 6. GOD „GOED.quot; 7

als erkende men nog het bestaan Gods, dat Hij niet alleen was maar ook een Vergelder was. Zij zeiden tot God : wijk van ons, want aan de kennis uwer ivecjen hebben wij geenen lust. Wat is de Almachtige, dat wij Hem zouden dienen ? en ivat haat zullen wij hebben, dat wij Hem aanloopen zouden? Job 21: 14, 15. Voortgaande wordt dit dan ook een werkelijk loochenen dat God is en dit is ook in onze dagen nog de weg der ongeloovigen. AVant wie niet aan Gods vergelding gelooft en van genade en van oordeel niet weten wil en daarom lot Hem niet nadert en Hem niet zoekt, die gelooft eindelijk in don grond niet meer, dat er een levend God is.

§6. God ..goed.quot;

„Godquot; zegt „goed.\'quot; \') Hij is absoluut goed: eenig goed, wijl al het goede in de schepselen niet dan eene afstra-

\') W. Hoffmann in Herzogs Roal-Encykl. I, S. 58 : „uit het Gothisch afgudei vormde zich het Oudnederduitsche substantief afgud (nog voorhanden in het Hollandsche afgod) van gud — Gottquot; Vele niouweren ontkennen dat „Godquot; met „goedquot; samenhangt. Kehrein , Auszug aus Grimms Deutscher Mythologie 1848^ S. 2. Luthardt, Kompendium dor Dogmatik 2te Aufl. S. G2 stelt het duitsche got niet — gut, maar verwant met het Perzische Khodd in het Zend (de heilige taal) quaddta, a se datus , van zich zelven gegeven, of met liet Sanskritsche gudh — legere , dekken {G, Curtius , Grundziige der griech. Etymologie. Vicrte Aufl. S. 259), waardoor dan allereerst de hemel zou aangeduid worden. Grimm heelt later den samenhang van den naam Colt, Gothisch guth {Curtius, a. w. S. 260) met liet adj.

V gid (goed), Gothisch góds, voor mogelijk verklaard, een samen

hang door hel begrip geëischl en door hel stafrijm of de gelijkluidendheid der consonanten aangeduid: „de goede God,quot; „God

1

-ocr page 32-

§ 6. GOD „GOED.quot;

ling is van zijne goedheid; eetiwiy goed, wijl Hij het is door zich zeiven. Hij is goed in zich zeiven, oneindig volmaakt, en Hij is do oorzaak , bron en werker van al het goede , dat er in het heelal is , door schepping en voorzienigheid.

Christus zelf verklaarde God voor alleen goed Matth. 19: 17. Een jong overste kwam daar tot Hem mot de aanspraak ; goede meester, wal zal ik goeds doen; opdat ik het eeuwige loven hebbe ? Toen zeide Jezus tot hem : wat noemt gij mij goed ? niemand is rjoed dan één, namelijk God. Doch wilt gij in het loven ingaan, onderhoud de geboden. Jezus zeide niet: ik bon niet goed, maar: wat noemt gij mij goed ? Ook zeide hij niet: niemand is goed dan alleen mijn Vader, maar : niemand is goed clan één , (namelijk) God. De goedheid is niet zonder de Godheid. De jongeling erkende eon zekere goedheid in Jezus: anders ware hij niet tot Hem gekomen; maar hij erkende ze niet geheel: anders ware hij niet weggegaan ; veel min erkende hij Jezus Godheid en het was daarom dat deze dien hoogen titel „goedequot; uit zulken mond niet aannam.

is goed.-quot; H. Cremer, bibl.-theol. Wörtenb. der Noutest. Griicit. 2te Aufl. S. 279. Hierbij dient tweeërlei herinnerd. Vooreerst was Curtius a. w. S. 81 zegt; „Bij de Grieken waren hunne enkele goden veolnamig. Hoeveel meer mogen wij nopens het algemeene woord voor God bij de Indogermanen het gevoel „namen noemen Hem nietquot; en dienvolgens verschillende proeven des noemens van den aanvang al\' veronderstellen ! Van daar het feit, dat de verschillende volken van éénzeifden stam zoo zeer in deze namen van elkander afwijken.quot; En ten andere: hoe het met Je namen sta , God blijft goed. Vergel. lioihe, thool. Ethik. 1. S. 138: das Gute ist nicht anders als seiend denkbar als in guten Personen und Gott ist das absolute Gute nüher als der absolute (absolut) Gute, niimlich moralisch Gute.

8

-ocr page 33-

§ 6. GOD „GOEüquot;.

God is goed: al wat goed Is, is uit Hem en uit Hem is niets dan goed. Jac. 1:17: Alle goede gave en alle volmaakte gifte is van boven van den Vader der lichten afkomende, bij welken geene verandering is of schaduw van omkeering. Nederl. Goloofsbel, art. I: Wij yelooven allen met het hart en belijden met den mond, dat er is een eenig en eenvoudig geestelijk Wezen, \'t welk wij God noemen: eeuwig, onbegrijpelijk, onzienlijk, onveranderlijk, oneindig, almachtig i), volkomen wijs, rechtvaardig,goed en eenezeer overvloedige fontein aller goeden.

Wie en wat God in zich zeiven eigenlijk zij , vermag geen eindig schepsel te doorgronden, omdat het niet buiten tijd en ruimte kan. Maar in het godsdienstig bewustzijn ligt noodzakelijk dit: a. \\s, een persoonlijk Wezen, aan hetwelk al die eigenschappen en werken, die wij Goddelijk noemen, toekomen, een levende drager van alle, een subject wiens zij zijn. b. Er is eene bepaalde betrekking tusschen God en de wereld. En wel x. eene tegenstelling : wij onderscheiden God en wereld; /3. eene volstrekte afhankelijkheid der wereld van God: de wereld is zijn werk. Hij is haar Schepper, Onderhouder en lie-geerder. Als Schepper is Hij buiten en boven de wereld, als Onderhouder en Regeerder ook in de wereld.

§ 7. Bronnen van onze Godskennis.

Wij vragen : hoe weten wij van God ? — Maar mogen wij aangaande God , den Onzienlijke , van ons weten spre-

\') Almachtig is er ten gevolge van eene considei\'alie van de Remonstranten door de Dordr. Synode bijgevoegd. J. van Toorenenhcrgen, de Symbol. Schriften der Ned. Herv. Kerk. p. 5.

9

-ocr page 34-

§ 7. BRONNEN VAN ONZE GODSKENNIS.

ken ? Kan het bij ons wel iets anders dan gelooven zijnquot;)? Het is waar, ivcten kunnen wij, nauw genomen, van God niets, daar de bevatting van onzen geest alleen voor zoover een weten is als de voorworpen (objecten) in tijd en ruimte demonstrahel zijn, aangetoond kunnen worden. De religieuze overtuiging, onze bewustheid van God en het Goddelijke is naar haar eigen aard cjeloof, een op het gevoel berustend voorwaarhouden, de eenheid des yevoels en des erkennens; zij is voor een ander bewijs niet vatbaar noch des behoeftig dan alleen van deductie , afleiding , ontwikkeling, gevolgtrekking en wordt, verneembaar eeniglijk voor de rede, door het verstand , hetwelk het vernomene door reflectie tracht te verstaan, slechts tot klaarheid, eenheid en bestendigheid gebracht. Zoo is, zoo wordt meer en meer en zoo blijft het geloof het waarachtige weten van God en hot Goddelijke. Joh. 4:22 : wij aanbidden wal wij weten. Tegen het geloof staat niet het toeten over , maar het aanschouwen. Overigens ligt bij alle weten een gelooven te gronde , een vertrouwen op de waarheid van de gezamenlijke werkingen onzes lichaams en goestes. — Dit vooropstellende , mogen wij vragen: hoe weten wij van God ? van waar onze kennis van God ?

Twee bronnen zijn er, waaruit onze Godskennis vloeit. De eene is algemeen: aan alle menschen te allen tijde en in ieder plaatse eigen : dat is de natuur. De andere is eene bijzondere: dat is de Heilige Schrift, die niet allen hebben.

Van beide spreekt Ps. 19: 2: de hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt zijner handen werk, 8. De wet des Heeren is volmaakt, bekeerende de ziel, de getuige-

\') Vergcl. Prol. ./. I. Doedes, Inleid, tot de Leer van God, bi. 1G—24.

10

-ocr page 35-

§ 7. BRONNEN VAN ONZE GODSKENNIS.

nis des Heeren is gewis , den slechten wijsheid gevende. David noemt do hemelen, waar bij dage de zon, des nachts de maan en al de sterren door haren glans en hare orde nevens en boven elkander van Gods majesteit getuigen , maar hij bedoelt het gehcele ivereldyebouw. „Niets is voorzeker teekent Calvijn hierbij aan, „zoo duister en verachtelijk in de kleinste schuilhoeken der aarde, hetwelk niet eenig merkteeken van de kracht en wijsheid Gods geeft te aanschouwen; maar wijl de hemelen er een duidelijker beeld van vertoonen , zoo gewaagt David bij voorkeur van deze, ten einde hun glans ons tot de beschouwing der gansche wereld zou leiden. Want waar iemand uit don aanblik des hemels God erkend heeft, zal hij niet alleen in het aard-rond over \'t geheel, maar in de allergeringste plantjes zijne wijsheid en kracht leeren opmerken en bewonderen.quot; Dezelfde God, die in de schepping zoo heerlijk is en groot, heeft aan zijn volk de wet gegeven. Deze gedachte, dat Hij , die de wet gegeven heeft, dezelfde is, die alles geschapen heeft en onderhoudt, wiens lof de hemelen verkondigen, wiens grootheid in het uitspansel schittert, moet ons hart, wil David zeggen, met heilige vrees en innige liefde voor haar vervullen. De God der natuur is ook do God der genade.

Wij vragen: wat is de natuur? Wij kunnen ««toren wereld onderscheiden \'). Niet, als waren het twee verschillende kringen van voorwerpen; integendeel, het is één en hetzelfde wat in verschillende betrekking wei\'eld heet of natuur. Wereld is al het eindige in zijne eenheid, als een saamverbonden geheel gedacht; «aiHMr is datzelfde eindige

\') Verg. Twesten, Vorlesungen fiber die Dogm. II, 1 , S. 151 , f. Ook Doedes, de Leer van God, p. 50 schijnt beide aldus te onderscheiden, cf. p. 118 v.

11

-ocr page 36-

§ 8. NATUURLIJKE GODSKENNIS.

met opzicht tot de menigvuldigheid van krachten en verschijningen die zich daarin geregeld vertoonen, In dezen zin is er maar ééne wereld, gelijk er maar ééne natuur is. Wij kunnen dit dan ook dus uitdrukken : de wereld is het geschapene , natuur is dit geschapene ten opzichte van zijn aanleg, aard en staat, zoo de mensch, deze microcosraos, wereld in het klein, als de alheid der dingen buiten den mensch.

I. NATUURLIJKE GODSKENNIS. § 8. Tweeërlei.

De natuurlijke Godskennis is aangeboren en verkregen. Do aangehorene is grond en wortel, waaruit en waarop deverkre-gene ontspruit; de verkregene is do ontwikkeling van de aangehorene. De aangehorene is het vermogen om God te kennen, de verkregene is de vrucht van de oefening van dat vermogen.

De natuurlijke Godskennis wordt door sommigen geloochend , door anderen overdreven.

a. Geloochend door de Socinianen , volgens welken alle kennis van God voortgekomen is uit eene bijzondere openba-ring van God aan Adam, dien het bij zijn lang leven gemakkelijk moest vallen, zijnen nakomelingen het denkbeeld van de Godheid in te prenten , hetwelk dan verder door overlevering werd voortgeplant. „ Het gevoelen , dat den mensch de gedachte van eene Godheid van nature eigen is, verklaart F. Socinus voor valschquot; ))• Een volgeling van dezen verzekert: „dat de menschen van God of van de Godheid iets weten, dit hebben zij niet van natuur noch uit de beschouwing der schepping, maar van hooren zeggen, naar-

\') Prof. J. II. Schollen, de Leer der Hcrv. Kerk, 4de uiig. 1, i). 294. F. Spanhem , Controv. Elenchus ed. 1G94, p. 155. sq.

12

-ocr page 37-

§ 8. NATUURLIJKE GODSKENNIS.

dien God zich, van dat er menschen zijn, geopenbaard heeft. Tot wifer gehoor echter zulks niet is gekomen, die hebben lichtelijk wel geheel geen vermoeden van eenige Godheidquot; \'). Do Remonstranten verwierpen alleen het aangeboren Godsbesef 2), niet hot verkregene , evenals sommigen onder de Socinianen -t). Beiden loochenden de aangeborene Godskon-nis, om niet ook te moeten toestemmen, dat de eerste menschen met eene oorspronkelijke gerechtigheid, waartoe ook kennis van God behoorde, geschapen waren. Want beiden , Socinianen en Arminianen, willen bij het beeld Gods alleen gedacht hebben aan de heerschappij over de dieren \'*).

Door de Eoomschyezinden o) wordt de natuurlijke Godskennis niet geloochend, maar kerkelijk geleerd. Intusschen was volgens hen ook de eerste mensch, vóór hij de bovennatuurlijke gave der oorspronkelijke heiligheid en gerechtigheid ontving , door zijn natuurlijk vermogen alleen, zonder hoogere leiding, niet in staat. God recht te kennen quot;).

h. Overdreven, te hoog geschat en te ver gerekt werd de natuurlijke kennis van do Goddelijke dingen x. door vele Roomsche Godgeleerden, in de middeleeuwen, realistische Scholastieken, die zelfs vele bijgeloovigheden, b. v. de

1) CUph. Ostorodt, Socin. predikant te Buskovv bij Dantzig f lüll. Winer , Gompar, Darstcllung p. 39.

2) Scholten, a. VV. I, p. 291.

:\') P. v. Mastricht, Godgeleerdh. I, p. 18.

4) Winer, a. W. p. 53.

5) Seiwit en, a. W. 1 , 290. Anders was het in do tweede uitgaaf I, p. 205, waar de Roomsche kerk in dit punt bij het Socinianisme stond geschaard.

r\') Dit volgt ook uit hetgeen Bellarminus leert van rechtheid en val, z. Winer, Gompar. Darstell. p. 50.

13

-ocr page 38-

§ 8. NATUURLIJKE GODSKENNIS.

transsubstantiatie met behulp van hunne philosophie trachtten te staven i); /3. door hen, die leerden, dat de denkbeelden van alle, ook van de Goddelijke dingen den mensch aangeboren zijn, die slechts opgewekt en ontwikkeld moeten worden, en wel dusdanig dat niets voor waarheid moet worden aangenomen, wat men niet in die denkbeelden vindt (Cartesius); y. door de bewerkers en voorstanders van de „Natuurlijke religie en theologiequot; vooral sinds het midden der 18de eeuw, die langs zoo meer op vijandschap tegen het positieve Christendom uitliep ; §. in het gemeen door allen , die stellen, dat een iegelijk in zijnen Godsdienst, hoedanig ook , kan zalig worden.

A. AANGEBOREN OF INGESCHAPEN GODSKENNIS.

§ 9. Wat zij is.

Wij moeten onderscheiden , wat zij niet is en wat zij wel is. Zij is niet een klaar begrip van God; dat heeft geen mensch van natuur. Maar zij is een ingeschapen gevoel van eene Godheid, een zaad van religie, dat zelfs in dege-

\') P. v. Mastricht, Godgel. I, p. 17. Vergel. Schollen. Gc-scliicd. der Godsd. en Wijsbeg. p. 156.

\') Hagenbach , Dogmengesch. p. 665, 667. ,Naar de zienswijze der modernen bestaat er geene andere dan eene natuurlijke Godskennis. Huns inziens behoort ook do Schrift tot de natuurlijke voortbrengselen van \'s menschen werkzaamheid.quot; Standaard 1874 no. 18. Vergel. aanteekeningen op Hoedemaker, Handboek, nieuwe druk blz. 28 v.v, (rationalisme, suprana-tionalisme, materialisme).

14

-ocr page 39-

§ 9. AANGEBOREN GODSKENNIS.

nen blijft, die anders weinig van de dieren verschillen en gaarne alle vrees zouden uitschudden , eene onuitdelgbare overtuiging dat er een God is, hoedanig dan ook; „niet eene kennis, die eerst in de scholen moet aangeleerd worden, maar die een ieder van zijne geboorte af door zijne eigen natuur leert en die de natuur zelve niemand toelaat te vergeten, hoezeer velen dit willen .

Deze aangeboren Godskennis met de daaruit voortvloeiende natuurlijke zedelijkheid is geen overblijfsel van het beeld Gods in nauiveren zin, in hetwelk het eerste menschenpaar was geschapen. Want naar de Schrift is de mensch in zijn natuurlijken toestand geestelijk blind, ja dood, wat hij niet zijn zou, ware er iets van dat beeld Gods in hem thans nog van zijne geboorte af aanwezig; dut beeld heeft nu niemand door schepping, maar het wordt door herschepping verkregen en de herstelling van den verdorven mensch bestaat niet in een toenemen en ontwikkelen van de natuurlijke kennis en redelijkheid, maar in een overbrengen tot een geheel nieuwe soort van kennis en deugd. De natuurlijke Godskennis maakt dat de mensch niet te verontschuldigen is , de geestelijke, een werk der genade, maakt hem zalig 2).

De natuurlijke Godskennis, die iederen mensch eigen is, is ook geen nieuwe gifte, na den zondenval van Adams nakomelingen geschonken, maar behoort, mot het geweten, tot de redelijke natuur dos nienschen en in deze wordt bij herschepping het beeld Gods in nauweren zin weer gewerkt en zij is er de plaats en draagster van. Gereformeerde leer is dit, beide de aangeboréne en de verkregene Godskennis

\') Calvin, Instit. I. 3. 3.

2) W. h Brakel, Redel. Godsd. i, p. 15.

15

-ocr page 40-

§ 9. AANGEBOREN GODSKENNIS.

aan te nemen , doch niet zoo als of in een ieder, ook in de kleine kinderen en zelfs in krankzinnigen een duidelijk begrip van God zou liggen, maar een besef, hetwelk uit de redelijke natuur, die een lederen mensch aangeschapen is, van zelf, alle openbaring ter zijde gesteld, geboren wordt, op dezelfde wijze als de redelijkheid en het redeneeren den mensch ingeschapen is •), Het is een indruk in onzen redelijken geest van een Oppenvezen, van hetwelk wij en alle schepselen afhangen. Afhankelijkheid is het grondgevoel van alle religie en dit gevoel is in ieder mensch ; datgene , waarvan hij zich en voortgaande met zich zeiven ook de wereld, waarvan hij een deel is, afhankelijk voelt; is zijn God. In de bewustheid van onze beperktheid, ongenoegzaamheid en nietigheid ligt de wortel der religie») als een oorspronkelijk voelen en erkennen van eene boven al het eindige staande oorzakelijkheid.

g 10. Zij behoort tot het wezen van den mensch.

Deze aanleg tot Godskennis en Godsdienstigheid behoort met rede en geweten tot het wezen van den mensch en het is juist hierdoor dat de mensch zoo hoog boven de rede-

1) P. v. Mastricht, 1, p. 17.

2) Dit is het blijvend ware in Schleiermachers leer van liet afhankelijkheidsgevoel als het constante wezen der vroomheid , terwijl de idee Gods slechts de uitdrukking van liet volstrekte afhankelijkheidsgevoel, de onmiddelbaarste reilexie over hetzelve is. Zie Dr. Fr. Sehleiermacher, der christliche Glaube, Dritte Ausg. I, S. 15, 03. Vergel. Schenkel in Herzogs Real-Enc. I, S. 63.

16

-ocr page 41-

§ 10. AANGEBOREN GODSKENNIS.

looze schepselen staat, die voor het bovenzinnelijke en daarom voor Godsdienst onvatbaar zijn. Het bovenzinnelijke is wat men niet door de zintuigen, door gezicht, gehoor, gevoel, reuk en smaak kan waarnemen. Het vermogen daarvoor is de rede. Het dier heeft verstand, hetwelk op de eindige gericht is en zich in het eindige beweegt, maar geen rede. De rede vraagt naar den grond der dingen. Zonder de rede zou hot verstand God niet kennen. Al het beschouwen der wereld zou den mensch er zoo min toe brengen als het dier, hetwelk immers ook veel van dezelfde wereld ziet, er toe g bracht wordt , hadde hij de rede niet en ware hem dit vermogen en deze drang niet eigen en aangeboren om boven het eindige , stoffelijke op te klimmen. — Met de rede heeft de mensch een geweten, hetwelk niet alleen een vermogen, eene macht te kennen geeft, maar ook de daaruit voortkomende toestanden omvat. De wil, naar welks beslissing de driften zich moeten voegen, staat onder opzicht en leiding van het geweten. Het is een oorspronkelijk iveten van het goede als iets Goddelijks \'), een weten hetwelk met den persoon des menschen onafscheidelijk gepaard en vergezel-schapt is, dat hem bijwoont, een hem natuurlijk weten van zijne verplichting, voortkomende uit de hem natuurlijke be-

\') Bij het (7ui/ en con in en conscientia kan men

vragen , waarop dat ziet en het wordt verschillend beantwoord. O. a. is het naar Ad. Wuttlce, Handb. der christl. Sittenlehre 3te Ausg. 1874-, I, S. 308 een medeweten met God krachtens diens inwoning in de redelijke schepselen. Anders Delitzsch, bibl. Psychologie S. 133, volgens wien daardoor het Ik als wetend en het iveten van elkander onderscheiden worden, tervvijl hij van zelf het Godsbewustzijn ten grondslag legt. Wij geven aan dezen de voorkeur.

17

2

-ocr page 42-

§ 10. AANGEBOREN GODSKENNIS.

18

wustheid zijner afhankelijkheid van God. Als zoodanig is hot geweten middelpunt der rede zelve en erkent het goede niet alleen als bestaande, als iets wezenlijks en werkelijks, maar ook als voor de handelingen verbindend {theoretische en practische rede) en het staat dienvolgens met de idee der Godheid in de nauwste wisselkeorige betrekking. Als een inwendige rechter, zonder welken geen uitwendige iets vermag , is het dan ook niet alleen de bron van het hoogste genot en van de diepste smart, maar ook voorwaarde van alle zedelijkheid. — Het geweten behoort dus even als het Godsbesef tot het wezen van den mensch: zonder het geweten is de mensch geen mensch en het is, hoezeer in de verschillende persoonlijkheden gewijzigd, toch iets algemeens en dus iets voorwerpelijks. Het heeft bij alle subjectieve wijziging toch een objectief karakter; het geweten van dezen en genen heeft alleen in zoo ver waarheid als het do uitdrukking der zedelijke idee is; de zedelijke idee echter is niet iets bloot subjectiefs, maar één en algemeen. Wat tvij goed en heilig achten is het dan alleen in waarheid, wanneer het op zich zelf en voor God heilig is en wat voor God heilig is, moet voor alle zedelijke wezens heilig zijn. Het geweten is dus naar zijn innerlijken grond religieus: het is het zedelijk-religieus bewustzijn des menschen. Het kan niet genomen en kan niet gegeven worden. Iemand kan goddeloos zijn, kan gewetenloos handelen en toch zich van de macht des gewetens niet ontdoen : „van zijne oogen kan zich een mensch berooven maar van zijne rede en daarmede van zijn geweten niet i)-quot; Het kan gewekt, ontwikkeld , gekweekt, gescherpt, maar door geen menschelijke

\') Wuttke , a W. I, S. 309.

-ocr page 43-

§ 11. AANGEBOREN GODSKENNIS.

leering of macht voortgebracht worden. — Volgens dit alles mogen wij dan ook zeggen , dat godsdienstigheid tot het wezen van don inensch behoort en dat do ongodsdienstige niet alleen God de eere rooft maar ook zijn eigen wezen smaadt en eene schande voor de menschhoid is.

Bewijs voor de aangeboren kennis Gods wordt ons beide door Schrift en ervaring gegeven.

§ 11. De Schrift leert ze.

De aangeboren Godskennis is Bijhelleer. Van de Heidenen, die Gods Woord niet hadden en Hem dus niet daaruit kenden, betuigt Paulus nadrukkelijk, dat zij hem toch kenden. Rom. 1 : 19, 20: Overmits hetgeen van God kennelijk is , in hen openhaar is : ivant God heeft het hun geopenbaard. Want zijne onzienlijke dingen worden van de schepping der wereld aan uit de schepselen verstaan en doorzien, heide zijne eeuwige kracht en Goddelijkheid, opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn. Niet al wat van God kon-baar is of gekend kan worden door redelijke schepelen, was don Heidenen bekend, maar do kennelijkheid Gods gt;) of

\') Bij dc woorden Rom. 1 ; 19: A/aV/ to yvutrrm roü óscü Cpmspóy sttiv êv xOroïg komt liet niet alleen op de beteekenis van to yvmtov aan maar ook op den zin van den genitivus roü ösoii. a. Tvusto\'; betcekent in het Oudgrieksch doorgaans, bij Plato altijd, kennelijk, kenbaar ; in het latere Grieksch bekend , dus ook in het N. T. b. v. Joh. 18 : 15 : deze discipel W yvcottoq tu dpxispsï. Van daar o\'i yvmTo) dc bekenden , be-vrienden. Daarom wordt hier\'door vele uitleggers, ook Meijer a. 1., de beteekenis kennelijk beslist verworpen en bekend als de eonig ware aangenomen. Even zoo Bühne , Entwiek. des paulin. Lehrbegrifïs S. 27. Dr. B. Weisz, Lehrb. der Bibl. Theol. de

19

-ocr page 44-

§11. aangeboren godskennis.

dat God gekend kan worden, dat Hij kennelijk is, was en is in hen openbaar; v. 21 gaat de Apostel dan verder en zegt, dat zij God leenden. Dus leert Paulus, dat de Icen-nelijkheid Gods en dienvolgens de werkelijke kennis van Hem in de Heidenen blijkbaar was : zij hadden en toonden die. Van waar? God heeft het hun geopenbaard. Waardoor ? Door zijne werken , v. 20. Maar zoo was er dan iets in hen, waardoor zij Hem uit zijne werken kennen konden. Immers alle beschouwing van het eindige zou den mensch, als zijnde in al zijn denken binnen tijd en ruimte beperkt, niet boven het eindige leiden , wanneer hij de idee van het Oneindige niet reeds in zich droeg; hij kon de onzienlijke dingen, de Goddelijke eigenschappen, uithet

N. T., 2te Aud. S. 250, verklaart: „het voor hen van het wezen Gods kenbare, dat wat zij daarvan op hun standpunt erkennen zouden hetwelk niets of overtolligs zegt. Dahne neemt het voor notum Dei, in den zin van praeclarum, notum illud Platonis : „het bekende van God, dat wat, gelijk bekend is, van God komt en het bestaan van een God aantoont, was den Heidenen tegenwoordig en voor oogen : do middelen om God te kennen hetwelk vreemd en willekeurig is. Wij moeten hiei bij herinneren dat kennelijk en hekend niet zoo ver van elkander liggen , zelfs b. v. Joh. 18: 15: de discipel was den hoogepriester bekend , maar dan ook , wanneer deze hem zag, kenbaar, dus kon hij binnengaan. Hoe zeer kenlijk en bekend in elkander vloeien, blijkt Hand. 4: lü : ort fuv yxp yvoirrrov (ryftsïov yèyovs Si\' avTcov, rrSiviv roh xxTOiMvinv quot;Upouirx^/t (pavspov. b. Den ge-nitivus tsü Ósoü verstaan moest allen verkeerd : wat van God hetzij dan kenbaar of bekend is. Maar het is geen genit. ^ar-titivus maar possessivus even als b.v. to xpy^tov toü ósoü Rom 2: 4. Het duidt eene eigenschap aan die God bezit, deze dat Hij gekend worden kan en dienvolgens gekend wordt. H. Cremer, Bibl.-theol. Wörterbuch. 2te Aufl. S. 156.

20

-ocr page 45-

^12. AANGKUOHEN UODSKENN1S. 21

geschapene niet verstaan, wanneer er niet iets in hem lag, wat hem daarvoor vatbaar en bekwaam maakte.

i

J

§ 12. Vervolg.

Een nog krachtiger bewijs van de aangeboren keunis Gods geeft ons de heilige Schrift in hetgeen zij leert vim ivet en yeweten dor Heidenen. Rom. 2 : 14, lü : Want wanneer de Heidenen, die de wet niet hebben, van nature de dingen doen, die der wet zijn, dezen, de wet niet hebbende, zijn zich zeiven eene tvet. Als die betoonen het werk der wet geschreven in hunne harten, hun comcientie mede getuigende en de gedachten onder elkander hen beschuldigende of ook ontschuldigende.

Paulus spreekt daar van iets, wat den redelijken mensch als zoodanig eigen is en ook bij ontaarding in hem voorhanden blijft.

Hij zegt, do Heidenen, die van de geopenbaarde op stee-nen tafelen geschreven wet niet weten, hebben toch a. eene ■wet in zich, daar het door de geopenbaarde wet geboden werk hun in het hart geschreven is, hoe? als door God geëischt. Immers het werk der wet is hier niet de werkzaamheid der wet, als gebieden, verbieden, beloven, dreigen, overtuigen, noch dat wat de wet tot stand zal brengen of wat zij werkt, want daarbij past het „geschrevenquot; niet, maar al wat de wet vordert \'), wat voor God recht is. Met onuitwischbare trekken staat dit, als objectief voorschrift, op de tafelen van hun hart geschreven. Zij hebben b. een geweten. Paulus spreekt hier van het natuurlijk

\') Cremer, bibl.-theol. Wörterb. S. 259. Ome Kantleek. voorzichtig: „een deel van den inhoud der wet Gods.quot;

w

-ocr page 46-

§ 12. AANGE130UEN GODSKENNIS.

geweten van den zondigen mensch. Do (jedachten^ waarvan hij voorts gewaagt, zijn niet het geweten zelf, maar volgen eerst uit hot geweten en zijn er uitingen van. Het geweten is een erkennend, oordeelend bewustzijn, daar het goedkeurt of verwerpt; het is een gevoel, daar het verblijdt of kwelt; het is een drang, daar het aandrijft of weerhoudt. Het geeft aan de inwendige wet in den mensch voor hem-zelven getuigenis, hot betuigt en bevestigt door toestemming de waarheid en gelding van die wet, hot drijft hem aan, om naar die wet te handelen, het oordeelt zijne handelingen naar deze wet en houdt hem in haar licht als in eenen spiegel zijn doen en zijnen toestand voor. Hot treedt dus in zekere mate tegen den mensch over en terwijl hij over eene enkele handeling of over geheel zijnen toestand nadenkt , worden er door do getuigenis des gewetens gedachten in hem opgeroepen, die hem verklagen of ont-schuldigen en verdedigen gelijk Abimélech Gen. 20 : 4. Daarmede komt ook de Heiden voor het gerichte Gods te staan, waar hij helaas niet bestaan kan \').

Deze wet in den mensch en dit geweten zijn een bewijs van de aangeboren Godskennis. Waar zulk eene gezag oefenende wet is en een geweten, dat er onwillekeurig naar vonnist, daar is ook de erkentenis van een Wetgever en Rechter , en wel van een zoodanigen , die over alle menschen te gebieden en te rechten heeft.

Van dezen onlosmakelijken band tusschen God en de menschen heeft Paul us ook eene merkwaardige getuigenis gegeven te Athene , in hel middelpunt van heidensche wijsheid en religie. Hand. 17 : 27 , 28 : God openbaarde zich

i) Delitzsch, bibl. Psychol. S. 136 ff. Wuttlce, chr. Sitten-lehre, I, S. 308. Weisz, bibl. Theol. S. 251.

22

-ocr page 47-

§ 12. AANGEBOREN GODSKENNIS.

23

in het lot der volken — Opdat zij den Tfeerc zouden zoeken of gij Hem immers tasten en vinden mochten , hoewel 11 j niet verre is van een iegelijk van ons. Want in Hem leven wij en heiveyen we ons en zijn wij, gelijk ook eenige van uwe poëten gezegd hebben: „want wij zijn ook zijn geslacht.\'quot; Letterlijk was dit zoo gezegd door den Griekschen dichter Aratus uit Gilicië in de dorde eeuw voor Christus. Paulus erkent waarheid in dit gezegde en hij neemt het over. Van geen dieren kan dit gezegd worden , het geldt alleen van de menschen , die ais persoonlijke wezens uit God hunnen oorsprong hebben op eene wijs, die hen boven alle aard-sche schepselen verheft, waarvan Elihu spreekt Job 33:4: de Geest Gods heeft mij gemaakt en de adem des Almachtig en heeft mij levend gemaakt. Naar onzen redelijken geest zijn wij uit God, krachtens de Goddelijke inblazing, Gen. 2:7; evenwel zijn wij geen goden noch doelen der Godheid, in welk geval één mensch den anderen Goddelijke eer moest bewijzen : maar wij zijn aan God verwant, hebben zelfbewustzijn en eene vrije persoonlijkheid en even daarin don eigenaardigen , onverdelgbaren aanleg om Hem te kennen. Deze aanleg, leert Paulus, was ook in de Heidenen ; een verborgen trek , welken zij hadden te volgen, om den Heere te zoeken, of zij in hunne blindheid, zonder het licht der nadere openbaring, met de handen des gevoels Hem tasten en vinden mochten, ofschoon Hij trouwens geheel niet eerst zoo behoeft gezocht en gevonden te worden, als of Hij verre van ons ware, daar Hij ons alom en geheel omvangt gelijk de lucht en ons draagt door zijne kracht. Vervul ik niet den hemel en de aarde? spreekt de Heere Jerem. 23 : 24.

-ocr page 48-

§ 13. AANGEBOREN GODSKENNIS.

§ 13. Ook de ervaring.

De Heilige Schrift neemt belangende de aangeboren Godskennis de getuigenis der ervaring over en bekrachtigt deze en wederom bevestigt voortgaande de ervaring wat de Schrift er van leert. Namelijk er wordt geen volk op aarde gevonden of het erkent eene bovenaardsche macht en heeft eenige soort van Godsdienst. Hierop hebben de Gereformeerden zich te recht beroepen tegenover degenen die de natuurlijke Godskennis loochenden. Het was een feit, \'t welk men niet kon ontkennen, dat er, van enkele invidu\'s afgezien , nooit en ergens in eenig tijdperk dor geschiedenis, in eenig land der bewoonde wereld een volk of stam gevonden werd , op wat lagen trap ook, waar men niet een soort van Godsdienst had. Hebben sommige reizigers dit tegengesproken en het bericht overgebracht van een volk of stam zonder Godsdienst, een nader onderzoek heeft hen gelogenstraft Reeds de Heiden Cicero ») getuigt, dat geen volk zoo wild is of het heeft het denkbeeld van goden. Treffend zegt hiervan onze Galvijn s):

„Van het begin der wereld is er geene landstreek, geene stad , geen huis geweest, waar men buiten allen Godsdienst kon: daarin ligt eene stilzwijgende getuigenis, dat in aller harten het gevoel van eene Godheid is ingeschreven. Zelfs de afgoderij bewijst het. Immers wij weten, hoe noode de mensch zich hiertoe vernedert, dat hij andere schepselen boven zich ontziet; daar hij nu echter

\') Doedes, de Leer van God p. 9 sq. en p. 61. O. Zöckler, die Lehre vom Urstand des Monschen. Giitersloh 1879 S. 192 f.

2) Cic. Tuscul. I. 13. 30; de Legg. I. 8.

3) Calvin. Instit. I, 3. 1,

24

-ocr page 49-

§13. AANGEBOHEN HODSKENNIS.

25

liever een hout of steen wil vereeren dan er voor gehouden worden geenen God te hebben : zoo blijkt, dat deze indruk van eene Godheid allergeweldigst is en zoo onver-delgbaar, dat de mensch, hoezeer het anders zijne natuur is zich niet te vernederen , onder dezen natuurlijken drang zich zelfs tot het allerlaagste vrijwillig neerbuigt, om maar eenen God te vereeren.quot;

Sommigen, de aangeboren Godskennis loochenende, hebben geleerd , dat de Godsdienst zou zijn ontstaan uit den indruk van schrikwekkende natuurverschijnselen of ook van dankwekkende gunstbewijzen en gaven dor natuur. Maar ook de dieren ontvangen zulke indrukken, zonder daardoor tot Godsdienst te komen. En het algemeene, duurzame gevoel van afhankelijkheid is daaruit om zoo vveiniger te verklaren, wijl één ander indruk telkens den vorigen weer wegnam of gewoonte ze alle van hun kracht beroofde. — Anderen hebben beweerd, dat de Godsdienst slechts eene nuttige uitvinding van ivijze wetgevers, als Numa, Lycurgus en anderen, is geweest, om het volk te temmen en in gehoorzaamheid te houden, of een werk van priesterlist en heersch-zucht, terwijl zij, die hun volk Godsdienst leerden, zeiven niets minder dan het bestaan van een God zouden hebben geloofd. Dan hiertegen heeft men te recht aangemerkt niet alleen , dat de priesters toch niet eerder waren dan de Godsdienst, maar ook, met Calvijn: zij zouden hun doel nergens bereikt hebben, ware niet reeds vooraf in den geest der menschen die vaste overtuiging van het bestaan van een God geweest, als een zaad, waaruit de neiging van den godsdienst ontspruit\'). Uit deze algemeenheid van het geloof

\') Doedes, de Leer van God p. G2. Calvin, Inst. I. 3. 2.

-ocr page 50-

§ 14. AANdEDOUEN (iODSKENNIS.

aan eene hoogere Macht on van oenigon godsdienst kunnen wij nu wel niet hot bestaan van God bewijzen, maar wel mogen wij zeggen : de algemeenheid bewijst, dat het zoo in de natuur dos menschen ligt. Want „in iedere zaak moet de overeenstemming van alle volken voor eene wet dor natuur gehouden wordenquot; \').

§ 14. Ongodisten.

Intusschen men brengt hiertegen in, dat er toch Godloochenaars zijn. Maar nader bezien blijkt deze Godlooche-narij meer de vrucht te zijn van zondige driften dan van grondige overtuiging, meer een wenschen dut er maar geen God ware, althans geen heilige en rechtvaardige, die het kwade straft, dan een werkelijk gelooven dat er inderdaad geen God is, zonder geheime vrees dat Hij er toch wel zijn kon. „Er zijn vroeger enkelen opgestaan,quot; zegt Gal-vijn, „en heden verheffen er zich niet weinigen, die zeggen, dat er geen God is. Maar willens of onwillens voelen zij bij wijlen wat zij begeeren niet te weten. Er was wel geen stouter Godverzaker dan de romeinsche keizer G. Ga-ligula; maar, wanneer eenig toeken van Goddelijken toorn zich vertoonde, hoeft niemand jammerlijker gesidderd dan hij. Bij een weinig donder en weerlicht deed hij de oogen toe en omhulde het hoofd, bij zwaarder onweer verborg hij zicli ijlings onder het bed 2). Zoo ziet men het nog wel eens: do vermetelste Godverachter schrikt zelfs op liet geritsel van een bladquot; 3). Zijn niet de goddeloozen vaak

\') Cic. Tusc. I. 13. 30. De Nat. dcor. I. 17. 44.

2) Sucton. Galig. c. 51.

:\') Calvin, Inst. I. 3. 2.

26

-ocr page 51-

§15. AANGEBOREN GODSKENNIS.

zeor bijgeloovig en vreesachtig ? Het is als Salomo zegt Spr. 28 : 1 : De yoddeloozm vlieden, waar r/een vervolyer is, maar elk rechtvaardige is moedig als een jonge leeuw. En altijd wordt bewaarheid wat wij lezen Jes. 57 : 21 : De goddeloozen , zegt mijn God , hebben geenen vrede.

§ 15. Ongodisten. Vervolg.

Er zijn Atheïsten, dat zegt Ongodisten. Maar wie zijn het ? Niet slechts die zeggen dat er geen God is, maar die zich alleen tot het eigen aardsch bestaan bepalen en daarin hunne bestemming en gelukzaligheid stellen en die alleen uit zich zeiven den maatstaf van hun doen ontleenen en voor zich en voor iederen mensch don eigenwil tot beginsel maken en zich aldus gerechtigd achten om te doen wat hun lust en wat zij kunnen, die dienvolgens zoo leven alsof er geen God was Voorts ook die zijn Ongodisten, die eenen anderen God verzinnen dan den levenden, persoonlijken, bovenwereldlijken God, den Vader en den Zoon en den Heiligen Geest, die zich in zijn Woord geopenbaard heeft. Want „die God anders wil dan Hij is en zich in zijn Woord openbaart, die heeft geen God; maar het Wezen van verbeelding , dat hij eert of waant te eeron , is een Ongod; en zijn dienst, hoe men \'t nemo, is niet meer of anders dan Ongodisterijquot;»). In dezen zin is do veelgoderij dor Heidenen ongodisterij. Daarom zegt Paulus tot degenen die eertijds Heidenen waren Ef. 2: 12: gedenkt Dat gij in dien tijd waart zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israels en vreemdelingen van de verbonden der belofte,

\') Hinkel in Herzogs Rcal-Enclyckl. 1 , p. 582.

2) W. Bilderdijk, voor zijn Dichtstuk De Ongodisten.

27

-ocr page 52-

§ 15. AANGEISOUEN GODSKENNIS.

(jeene hoop hebbende en zonder God Q\'xOsoi\') in de wereld \'). Van zulken wist ook David, daar hij spreekt Ps. 10:4: de yoddelooze, gelijk hij zijnen neus omhoog steekt, onder\' zoekt niet; cd zijne gedachten zijn dat er geen God is, David wil zeggen : de goddeloozen veroorlooven zich alles zonder onderzoek of onderscheiden niet tusschen recht en onrecht, wijl hunne begeerlijkheid hun voor wet is, ja zij, als van de wetten ontheven, voor zicii geoorloold houden al wat hun lust. Het beginsel om recht to handelen in het gansche leven is de onderzoeking, terwijl wij namelijk noch blindelings naar onzen geest noch door den drang van ons verdorven vleesch ons laten wegslepen. De aandrilt om te onderzoeken wordt echter uit de bescheidenheid geboren, terwijl wij God als scheidsrechter en leidsman over ons stellen, gelijk billijk is. Daarentegen de godverzaking is eene vrucht van den hoogmoed (het opsteken van den neus). De boozen willen zeiven God zijn , daarom doen zij den levenden God weg. Zij verkeeren alle betamelijkheid en recht , als of er geen God in den hemel op den troon zat. Want bestond er voor hen een God, de vrees voor het toekomende oordeel zou hen bedwingen. Niet dat zij bepaald ontkennen, dat er een God is, maar, terwijl zij Hem zijne machtoefening en het werk van rechter ontnemen, maken zij Hem tot een dood beeld 2) — Dezelfde David klaagt

\') quot;AÖ£09 is eerst en oorspronkelijk ac^\'e^; goddeloos, godvergeten; dan passief: van God verlaten, van Goddelijke liul|) verstoken. In den laatsten zin neemt het Meijer a.1., ook Cremer bibl. theol. Wörterbuch S. 281. Maar heide is door Paulus tegelijk bedoeld: het is: geenen God hebbende — do diepste ellendigheid des menschen.

-) Calvin, ad Ps. 10: 4.

28

-ocr page 53-

§ 15. AANGEBOREN GODSKENNIS.

Ps. 14 : 1 : Be dwaas zegt in zijn hart: er is geen God. Zij verderven het, zij maken het gruwelijk met hun werk; er is niemand, die goed doet. Van zulke dwazen is de wereld vol. Zij , die met verloochening van allo vreeze Gods zich aan de ongorechtigheid overgeven, dwazen zijn zij, ontzinden, al worden zij bang bij zich zeiven en door de wereld als groote geesten en als menschen van uitnemende wijsheid geprezen. Maar zij ontgaan hot oordeel niet. David betuigt v. 5 do gewisheid van hunne straf on wijst die als met den vinger aan: aldaar zijn zij met vervaardheid aanvaard en wel, naar Ps. 53 (die eene herhaling is van Ps. 14 , door David zeiven met eenigo veranderingen gemaakt i) v. 6: waar geene vervaardheid ivas: midden in hun geluk worden zij plotseling door het strafgericht Gods overvallen.

§ 16. Ongodisten. Vervolg.

De ongodisterij is geenszins een bewijs, dat het Godsbesef niet in aller menschen natuur ligt. Immers zij is geen aangeboren gebrek, maar verbastering, ontaarding: ook in de Godverzakers is het hetere bewustzijn, maar zij onderdrukken het, zij doen als de Heidenen, van wie Paulus toch beslist zegt, dat zij God kenden.

Van dezen geeft ons de Apostel eene droevige , doch waarachtige beeltenis Rom. 1 : 18—25. Hij had daar de fundamenteele Evangelie-waarheid uitgesproken: zaligheid voor Jood en Heiden alleen door het geloof in Jezus Christus; anders geen redding. Dat bewijst hij hier van de Heidenen, vs. 18: zij liggen onder den toorn Gods A\\q van den hemel,

1) Dus oordeelt, tegenover Ewald e. a., te recht Hengsten-herg, Gommentai\'. über die Psalmen, I. S. 276.

29

-ocr page 54-

g 16. AANGEBOREN GODSKENNIS.

waar Hij troont, heilig en almachtig , zijne verbolgenheid openbaart over hunne roekelooze verachting van Hem , den eenigen en waarachtigen, en over hunne zedeloosheid, daar zij de Goddelijke waarheid, die in hun gemoed gehecht is en hen prikkelt, door hunne onzedelijkheid niet tot werking en invloed laten komen. V. 19, ^0: zij doen dat niet uit onwetendheid : immers zij hebben kennis van God (zie boven bl. 23), daar God zich in zijne werken te allen tijde heeft doen kennen, ten einde zij niets zouden hebben om zich te verschoonen en God te beschuldigen. V. 21: niet te verontschuldigen zijn zij , omdat zij, ofschoon zij God kenden , Hem als God niet hebben verheerlijkt of gedankt, maar , God vergetende, zijn zij al meer verijdeld en verduisterd geworden en hebben de natuur tot hunnen God gemaakt. Vs. 22 , 23 : in averechtsche wijsheid, verzonken in den natuurdienst, waarin zij bevrediging voor de ook in hen onuitroeibare godsdienstbehoefte zochten, hebben zij den hoogen God verlaagd en naar beneden gehaald en Hem gelijk gesteld met vergankelijke , aan de zonde onderworpene men-schen, hetwelk inzonderheid de Grieken deden.

Nog dieper zonken zij , zij miskenden God zoo zeer, dat ook gevogelte , als de ibissen, en viervoetige en kruipende gedierten, stieren, katten, krokodillen en dergelijke in Egypte, apen en slangen elders als godenbeelden vereerd werden. Paulus spreekt hier niet van den groven fetisohdienst, waarbij het godenbeeld zelf voor do godheid wordt gehouden; maar uit den beeldendienst der Heidenen besluit hij te recht, dat zij de Godheid voor een wezen hielden, hetwelk aan hetgeen de menschen- of dierbeelden voorstelden gelijk was \')

\') Dit ligt ontegenzeglijk in éftolu/tx v. 23. Zie Dr. B. Weise, Leiirb. der bibl. Theol. N. T. S. 252.

30

-ocr page 55-

§ 16. AANGEBOREN GODSKENNIS. 31

en daarom door deze afgebeeld worden kon, Hand. 17 :29. Hij wil hierdoor te kennen geven, tot welk een laag denkbeeld van God de Heidenen waren afgedaald, blijkbaar hieruit dat zij in zulke beelden hunne goden voorstelden, terwijl zij de heerlijkheid des onverderfelijkon Gods prijs gaven , omdat immers die beelden alleen eene gelijkenis van een schepsel en niet van de Godheid zijn konden. Zij die dezen menschen- en dierendienst invoerden, waren meestal priesters, die op eene bijzondere wijsheid roemden en de volken, bij welken hij heerschte, waren de meest beschaafde der oude wereld i)- V. ^4 , 25 : God strafte zonde met zonde, Hij strafte hunnen afval, hunne godverzaking met hen aan hunne hooze driften over te geven en wel bovenal aan ontucht , die altijd met de afgodendienst is verbonden geweest en die , hoe onnatuurlijker en schandelijker , des te meer bleek straf te zijn. quot;Want hetgeen God waarachtig en werkelijk is , hebben zij in de leuyen , in verbeelde goden veranderd en alzoo het schepsel vereerd en met ofters en op andere wijze gediend hoven en met voorbijgang van den Schepper, die te prijzen is in der eeuwigheid.

B. VERKREGEN NATUURLIJKE GODSKENNIS. § 17. Wat zij is.

Verkregen Godskennis is die , welke men voor en na deelachtig wordt; natuurlijk is zij, in zoover zij buiten do

\') Dc Egyptiëis vereerden wel oorspronkelijk dieren,

als zinnebeelden van Goddelijke krach ten ; doch ook zij bleven daarbij niet staan , maar gingen mede heelden van dieren vereeren. ,J. O. Muller in Herzoqs Real-Encyckl. XVI , S. 51.

-ocr page 56-

§17. VERKREGEN GODSKENNIS.

Heilige Schrift, uit de natuur verkregen wordt: door eigen nadenken en oefening, door opmerking en beschouwing van de werken der schepping en van de wegen der Voorzienigheid. Hierdoor wordt \'s menschen aangeboren bewustzijn van God opgewekt, ontvangt al meer stof en inhoud, breidt zich uit en neemt bepaalde vormen aan.

In deze natuurlijke Godskennis hebben bij de oude Heidenen de verstandigsten onder hunne wijzen groote vorderingen gemaakt. Later werd zij ook bij degenen, die hot Woord Gods hadden, veelvuldig beoefend en er ontwikkelde zich eene Natuurlijke Godgeleerdheid in onderscheiding van de Geopenbaarde, terwijl intusschen deze daarbij ongemerkt haren invloed oefende en er onwillekeurig iets van haar licht op vallen liet. Doch bij de oude Protestantsche Godgeleerden , ook bij de Gereformeerde , die er anders nog meer werk van maakten dan de Luthersche, werd haar steeds eone ondergeschikte plaats aangewezen, in het voorhof.

Men heeft daar dan ook zoogenaamde heivijzen voor het bestaan van God gegeven , die voor en na meer ontwikkeld werden en die men ten minste dienstig achtte „ter wederlegging van hen , die niet aan God gelooven en om den ongeloovige eiken grond van verontschuldiging voor zijn ongeloof te ontnemenquot; \').

32

a. Uit de menschelijke jV/ee van een allervolmaakst Wezen maakt men de sluitrede tot zijn bestaan: het ontologisch bewijs. En in waarheid mogen wij zeggen; uit denzelfden

\') Doedes, Inl. p. 204. De beoordeeling er van bij Denzelfden , de Loer van God p. 51 , sqq. Anders Twesten, Vorles. II, 1 , S. 21 , die de bewijzen alleen voor wankelmoedigen nuttig en noodig acht.

-ocr page 57-

§ 17. VERKREGEN GODSKENNIS.

grond, waarom wij aan de realiteit of werkelijkheid van andere voorstellingen der rede gelooven, moeten wij ook aan de objectieve realiteit van deze idee gelooven. In dezen vorm en tot zoover heeft dit bewijs kracht — maar niet als of existentie, bestaan, eene volmaaktheid ware.

h. Uit het bestaan der wereld (gr, kosmos) besluit men tot een eerste voortbrengende oorzaak, uit de verschijning der dingen tot het wezen der dingen, uit de toevalligheid der wereld tot den toereikenden grond van alles, naar den regel: van niets komt niets. Dit noemt men het cosmologisch bewijs. Werkelijk blijkt al wat in de wereld is en geschiedt, het gewrocht te zijn van eene voorgaande oorzaak en deze weder van eene vorige. Vandaar oordeelen wij, dat de wereld in haar geheel toevallig is, niet noodzakelijk. Toevallig namelijk is wat den grond van zijn bestaan niet in zich zelf, maar buiten zich in een ander Wezen heeft; noodzakelijk daarentegen wat door zich zelf bestaat. Daar wij nu niet kunnen denken , dat de volgreeks van eindige werkingen geenen aanvang zou hebben, evenmin als dat er een stroom zou zijn zonder oorsprong of bron ; zoo dringt ons de rede, vóór alle werkingen eene éérste werkende oorzaak aan te nemen , die zelf niet is het gewrocht van een ander, een Wezen buiten en boven de wereld , dat den grond zijns bestaans in zich heeft, dat is God. Dit staat wel vast, dat de wereld niet door zich zelve zijn kan. Want zou zij door zich zelve zijn, zoo moest zij reeds zijn, om zich te kunnen voortbrengen en moest tegelijk nog niet zijn, om te kunnen voortgebracht worden.

c. Ook maakt men van de doelmatigheid der schepping het besluit, dat er een alwijs Wezen moet zyn, hetwelk de

3

33

-ocr page 58-

§ 17. VERKREGEN GODSKENNIS.

84

eerste oorzaak is van dit wonderbaar samenstel, van geheel de harmonische inrichting der natuur (gr. physis): het physico-theoloyisch bewijs , ook genoemd hot teleologische (van het gr. telos, dool). Dit is het oudste, bevattolijkste en vruchtbaarste van deze bewijzen. Men redeneert hierbij aldus. De wereld vertoont bij al de menigvuldigheid en verscheidenheid van voorwerpen eene verwonderlijke orde, oene regeling naar een bepaald oogmerk. Deze doelmatigheid kan niet in de dingen zelve gegrond zijn, maar is er aan gegeven : redelijke doeleinden kunnen hunnen grond alleen hebben in een redelijk bewustzijn, dus in een verstandig , alwijs Wezen, dat al die eigenschappen bezit, welke het ontwerp en de uitvoering van zulk een wereldplan vereischen. — Men heeft intusschen niet zonder roden hiertegen aangemerkt, dat dit alleen tot het begrip van een bouwmeester der wereld , niet tot een Schepper leidt, daar het ons niet zegt van wien stof en krachten te gader zijn, of dat het ons niet meer dan een wijzen heheerscher der natuurkrachten kennen doet, evenals men uit het aanschouwen van een varend schip, dat koers houdt en de haven inzeilt, besluit, dat er een stuurman op moet zyn. Bovendien op het gebied der openbaring en in het loven des geloofs, hetwelk haar aanneemt en beaamt, keert zich deze sluitrede dikmaals geheel om; want er wordt in de natuur niet alleen bouw, maar ook afbraak en verwoesting gezien en vele schepen zeilen mis en vergaan: dies zal de geloovige, in plaats van uit de wijze inrichting der wereld de sluitrede te maken tot een wijzen ordineerder, eer omgekeerd uit de wijsheid Gods, aan welke hij gelooft en vasthoudt, tot de wijsheid en onberispelijke voortreffelijkheid dor wereld-

-ocr page 59-

§17. VERKREGEN GÜDSKENNIS.

inrichting besluiten ook daar, waar hij ze niet kan zien •).

d. Hierbij wordt, om niet meer te noemen, het moreele of zedelijk bewijs gevoegd : uit de wet in het hart; of, in nauweren zin dus geheeten: uit den strijd van den plicht en het streven om de zedenwet te vervullen met den drang naar gelukzaligheid , waaruit de noodzakelijkheid eener vereffening door vergelding namaals en aldus het bestaan eens vergelders noodzakelijk zou volgen 1).

Na dit alles zij hier tweeërlei herinnerd. Vooreerst: met hetgeen door ons vooraf bl. 22—85 is gebracht, hebben wy niet willen bewijzen het bestaan van God, maar het bestaan van het aangeboren Godsbesef in den mensch.

En ten andere: de Heilige Schrift bewijst God niet, maar wijst en pryst Hem ; zij stemt daarin saam met de Natuur, die dat ook doet s). Beiden verheerlijken als in een schoon acpoord eenzelfden God. Beiden zijn lichten, door den Vader der lichten ontstoken, beiden onderwijzingen van onzen he-

\') Twesten , Vorles. II, 1, S. 31.

2) Het gebrek van Kants moreel bewijs ligt deels in zijne bepaling van \'s menschen gelukzaligheid, daar hij deze als bevrediging der neigingen van den mensch als zinnelijk wezen opvat, deels in zijne voorstelling van God als „een God van namaalsquot; en niet van thans, „van gindsquot; en niet van hier. Zie H. Ulrici in Herzogs Real-Enc. VII, S. 344 (. — Overigens had M. Immanuel Kant reeds in zijn merkwaardig Schrift Der einzig mögliche Beweisgrund zu einer Demonstration des Dasevns Gottes. Königsb. 1763, waar hij nog ontologisch handelt, gezegd S. 205 : Hel is volstrekt noodig , dat men zich van het bestaan Gods overtuige ; het is echter niet even noodig dat men het bewijze (demonstreere).

3) .... Der grosze Lobgesang

Tönt auf der Laute der Natur. Schiller, Gedichte.

35

-ocr page 60-

§17. VERKREGEN GODSKENNIS.

melschen Leermeester, van welke de céne ons leert wat

wij als redelijke schepselen, de andere wat wij als gevallene en verloren zondaren te betrachten hebben. Twee scholen dus, do school der Natuur en de school dos Woords ; beide moeten wij bezoeken.

§ 18. Dat zij is-

Immers zijne werken toonen ons Hem. Want Hij hoeft ons met de wonderen zijner eeuwige macht, wijsheid en goedheid omringd. Het is in waarheid zoo als onze Neder-landscho Geloofsbelijdenis Art. II, treffend spreekt: „ Wij hennen Hem door twee middelen. Ten eerste door de schep-piny, onderhouding en regeer int/ der geheele wereld: vermits dezelve voor onze oogen is als een schoon boek, in hetwelk (die, schepselen, groote en kleine, gelijk als letteren zijn, die ons de onzienlijke dingen Gods geven te aanschouwen, name-lijk zijne eeuwige kracht en Goddelijkheid, als de Apostel Paulus zegt, Bom. 1 ; 20. Welke dingen alle genoegzaam zijn om de menschen te overtuigen en hun alle onschidd te benemen. Ten tweede geeft Hij zich zeiven ons nog klaarder en volkomenlijker te kennen door zijn heilig en Goddelijk Woord, te iveten , zoo veel als ons van mode is in dit leven tot zijne eer en de zaligheid der zijnen.quot;

De wereld een boek, waarin men lozen moet. Deze voorstelling was reeds vroeger bij Godgeleerden in zwang. Hugo de Sando Victore (f 1141) noemt de wereld een boek, door Gods vinger geschreven en de schepselen zijn als zoo vele lettors, niet door menschelijke willekeur uitgevonden, maar door Gods wil geordend, om de wijsheid van Gods onzicht-

-ocr page 61-

T

i

§ 18. VERKREGEN GODSKENNIS. 37

baarheden te openbaren. Om echter dit schrift te verstaan, moet men geestelijk zijn. Baimond van Sabunde (omtrent 143G) leerde: God heeft den menschen twee boeken gegeven, het boek der natuur en hot boek der Schrift. Het eerste; het boek der natuur, heeft de mensch van den beginne gehad. Elk schepsel is daarin als een letter en de mensch is er de voornaamste letter in. Deze twee boeken, natuur en Schrift, komen met elkander overeen en spreken elkander niet tegen. Van hel boek der natuur, hetwelk ook voor leeken toegankelijk is, moet alle kennis aanvangen quot;)•

Paulus wijst Hand. 14; 16, 17 de Heidenen zei ven op het boek der natuur. Te Lystre in Lycaonië geneest hij eenen kreupelgeborene. De schare wil hem als Jupiter en Barnabas als Mercurius Goddelijke eer bewijzen. Paulus verkondigt haar den waren God: Welke in de verledene \' tijden al de Heidenen heeft laten wandelen in hunne weyen.

De weyen zijn de religiën en wel beide: Godsdienstleer en leven naar deze. De religiën der Heidenen waren hunne eigene wegen, in tegenstelling tegen de van God gegevene ; daarom waren zij ijdel , verkeerd en boos, God had hun geene buitengewone, rechtstreeksche openbaring van zijnen wil medegedeeld ; de openbaringen , waarop zij roemden,

\') Boedes, Inleid, bl. 147, 169.Doguiengcsch. S. 347. Hugo , geboren te IJpem ; was canonicus in het sticht van den heiligen Victor te Parijs. Hij zeide : Drie oogen zijn den mensch gegeven : liet zinnelijke voor de buiten liggende zinnelijke voorwerpen ; een ander oog , waardoor de ziel zich zelve en wat in haar zelve is , erkepnen kan , liet oog der rede; een derde oog, om in haar zelve God en de Goddelijke dingen te eikenncn, het oog der beschouwing (liet geloof). Neander, Allgein. Gesch. der Chr. Relig. und Kirclie. Fünfter Bd. 2te Abth. S. 780.

J.

-ocr page 62-

§18. VERKREGEN GODSKENNIS.

38

waren voorgewend , verzonnen. De Apostel stelt een wezenlijk onderscheid tusschen de openbaring in de natuur, die slechts voorbereidende op het gevoel van den zondigen mensch kan werken, en de verkondiging dor onmiddellijke afgezanten van God, die het bijzonder geopenbaarde, den weg Gods bekend maakten. — Doch ook de Heidenen waren niet te ontschuldigen. Zij hadden een boek. God heeft hen niet zonder alle getuigenis van Hem zeiven gelaten , gelijk de Apostel, in tegenstelling tegen het vooraf gezegde bijvoegt en aandringt v. 17: Hoewel Hij nogthans zich zeiven niet onbetuigd gelaten heeft, goeddoende van den hemel, zijne woning, ons regen en daardoor vruchtbare tijden gevende — vriendelijke getuigenissen, door welke de lankmoedige, goedertieren God van boven de wolken nog altijd tot de volken spreekt, vervullende, verzadigende onze harten met spijs en vroolijkheid: de harten , niet slechts de magen, want het doel van zijne spijziging en verzorging is, dat zijne redelijke schepselen zich dankbaar in Hem verheugen. Zoo spreekt ook Job 12: 7 —10: En waarlijk vraag toch de heesten en elk een van die zal het u leeren en het gevogelte des hemels, dat zal het u te kennen geven. Of spreek tot de aarde en zij zal het u leeren, ook zullen het u de visschen der zee vertellen. Wie weet niet uit alle dezen, dat de hand des Heeren dit doet ? In wiens hand de ziel is van al wat leeft en de geest van alle vleesch des menschen. Dus slaat ook Job het boek der natuur open.

Men sprak vroeger van drie wegen, langs welke men dooide beschouwing der natuur tot nadere kennis van God kon komen gt;). a. De weg van ontkenning. Deze is, dat men al

\') Doedes, Inleid, p. 160, 104. Leer van God p. 208—211.

-ocr page 63-

§ Ï8. VERKREGEN GODSKENNIS. 39

hot onvolkomeno, eindige, beperkte, hetwelk aan het schepsel eigen is, aan God niet toekent, b. De weg van op-Mimminy , verheffing of uitnemendheid , terwijl men alle voortreffelijkheid , die de wereld , inzonderheid de menscli geeft te aanschouwen , in den hoogsten graad, in den volstrekten zin aan God toeschrijft, c. De weg der oorzakelijkheid: door dat men van de wereld en hare hoedanigheid als gewrocht eene sluitrede maakt tot do volmaaktheden van God als hare oorzaak. — Al deze drie methoden hangen saam ; \'t zijn drie paden op éénon weg; zij loopen in elkander en vullen elkander aan. Door don eersten weg komt men tot de onmededeelhare eigenschappen Gods, als oneindigheid , onveranderlijkheid enz., waardoor Hij tegen de ivereld gestold wordt; door don tweeden tot de mededeelbare eigenschappen, als wijsheid, goedheid, rechtvaardigheid; door den derden tot zijne betrekkelijke eigenschappen , waarbij Hij in zijne betrekking tot de van Hem afhankelijke wereld wordt gedacht. Doze drie wogen dienden hier vermeld to worden, om aan te duiden, dat zij wezenlijk meer tot de natuurlijke Godgeleerdheid behooren dan tot de geopenbaarde. Het zijn pogingen, ton gevolge van een philosophische trek , „om van uit den mensch onafhankelijk van de openbaring God in wezen en in zijne wezensuitingen te bevattenquot; i).

I

Het eindoordeel van Tweslen, .Vorles. 11 , 1 , S. 32 over de drie wegen luidt iels gunstiger dan dat van prof. Doedes; desgelijks dat van NitzscJi in Herzogs Real-Enc. V, S. 262.

\') A. F. C. Vilmar, Dogmatik 1874, I, S. 191.

w

4

-ocr page 64-

40 NATUURLIJKE GODSKENNIS ONVOLDOENDE.

HET ONVOLDOENDE DEE NATUURLIJKE KENNIS.

§ 19. Blijkbaar uit den toestand der Heidenen.

Do oude Gereformeerden hebben aangaande do natuurlijke Godgeleerdheid 1. haar bestaan en haar recht verdedigd togen de Socinianen; 2. hare overeenstemming met de geo-penbaardc waarheid beweerd tegen de Lutheranen; maar 3. evenzeer hare ontoereikendheid ter zaligheid volgehouden. De natuurlijke Godskennis is voor den mensch in zijnen staat van schuld en verdorvenheid niet genoeg, om hem den weg tot het eeuwige leven te doen vinden; dat zij daartoe ontoereikend en krachteloos is, blijkt uit den treurige n toestand der Heidenen, die het licht van Gods woord missen. Ja, door achteloosheid, dwaasheid en boosheid wordt ook de natuurlijke aanleg bedorven, verontreinigd, verduisterd en krachteloos gemaakt. „Allen is een zaad van Godsdienst ingeplant, maar nauwelijks de honderdste kweekt het in zijn hart aan; tot rijpheid komt het bij geen één: zoo min draagt het zijn vrucht op zijn tijdquot; gt;).

Buiten alle samenleving en zonder spraak en onderwijs blijft de natuurlijke vatbaarheid voor geestelijke dingen bij den mensch onontwikkeld, gelijk de rede zelve. Dit blijkt uit den toestand van zulke menschen; die door bijzondere omstandigheden in eenzame wildernis zonder onderwijs opgroeiden »). Wat wordt er van een zoodanige , die van

\') Calvin, Inst. I. 4. 1.

\'2) Zie K. G. Bretschneider, Handb. der Dogmatik. Dutte And. 1. 142 en Prof. P. Jlofsiede de Groot, Inst. Theol. Natur. ed. 3 , p. 18 sqq. Dezelfde over Natuurmenschen , in Waarheid en Liefde 1805, II, bl. 343 v.v.

-ocr page 65-

g 19. NATUURLIJKE GODSKENNIS ONVOLDOENDE. 4i

kindsbeen aan van het menschdom geïsoleerd, van alle men-schelijk onderricht verstoken blijkt ? Een wilde, die men-schen schuwt, in de wouden omkruipt, op de hoornen omklautert, zich bij de dieren houdt en als een dier zijn voedsel zoekt. De zinlijkheid ontwikkeld zich daar volkomen en het .vorstand eenigermate , maar van ontwikkeling der rede is er meestal nauwelijks een spoor. Onderwijs door anderen is hiertoe noodig. Het onderricht nu geschiedt inzonderheid door het woord, de spraak. — Hoe gansch anders was het met Adam, die toch ook eerst alleen is geweest!

De minste ontivikkeling van rede en Godsbesef vindt men dan ook bij zulke volken of stammen, die van de beschaafde volken het meest verwijderd bleven. De laagste trap, tot welken de menschheid van het oorspronkelijke en eerste monotheïsme verzonken is, is het zoogenaamde Fetischisme, de ruwste vorm van het polytheïsme (veelgodendom), hetwelk alleen bij volksstammen van Ghams geslacht voorkomten hierin bestaat, dat de een deze, de andere wederom andere willekeurig gekozene en meest gefabriceerde voorwerpen alleen als zyne bijzondere beschermers beschouwt en vereert i).

Doch ook wanneer wij het oog slaan op de meest ontwik\'

\') Scholten, Geschied, ci Godsd. en Wijsb., p. G. Doede* , Leer van God. p. 28, VU mar, Dogm. I, S. 185. Fetisch, komt van het Portugeesche Fetisso , een tooveracblig ding, dat ons goed of kwaad kan doen (facere). H. Par et in llcrzogs Ueal-En-cykl. IV, S. 39G. H. Voigt, Fundamenlaldogmatik , S. 107. f., volgens wien het Fetischisme zich van den Natuurdienst hierdoor onderscheidt, dal het eenig voorwerp ten eerste voor God zelf houdt, als daarin wonende, en als God eert en ten tweede er bovennatuurlijke , magische krachten aan toeschrijft. Er zijn natuurlijke en kunstige (gemaakte) fetischen.

-ocr page 66-

§19. EGYPTIËRS.

helde Heidensche volken der oudheid, do Egyptiërs, do Indiërs , de Grieken, vinden wij , dat de ongerijmdste denkbeelden met al de onreinheden van dwaze algoderij en natuurdienst bij hen heerschten en zich voortplantten; de wijsten onder hen bekenden hunne onwetendheid. Wij gaan van dezen slechts iets vermelden.

De grondslag van de leer der oude Egyptiërs is volslagen naturalisme. Hunne goden zijn louter natuurmachten ; worden echter in de voorstellingen des volk mettertijd al meer persoonlijk , tot zij eindelijk ongemerkt vermen-scheiijkt, met eene eigen geschiedenis van strijd en overwinning , zich voordoen. Naar de oudste en oorspronkelijke voorstelling is er een grond van al wat bestaat, genoemd Arnun , „de Onzichtbare , Verborgenequot; (gelijk het Brahma der Indiërs). Zijn naam wordt uit schroom niet uitgesproken , de godheid wordt door zwijgen vereerd. Maar in dit stille, bewegelooze grondwezen komt beweging. Deze beweger heet Kneph, door wien het vormlooze eene gestalte bekomt en wel de eenvoudigste, die van eenen bol. Dat drukken zij dus uit en beelden het ook zoo af: uit Knephs mond komt een ei voort en dit ei is de wereld.

— Terwijl Kneph het bewegende, actieve , krachtoefenende clement is, staat meteen daartegen over het bewo-gene, passieve, de stof. Dat is de vrouwelijke wereldmacht, de godin van Saïs, Neith geheeten , de groote moeder, meest als oorspronkelijk water of slib gedacht: zij is „de groote voedster van het heelal, de almoeder, de koe, die de zon voortbrengt.quot; Vaneen scheppend God geenegedachte!

— Later ontstonden de fabelachtige verhalen van Osiris, Isis en Typhon. Aan Osiris was de stier Apis; aan Isis de koe gewijd. Ook vereerde men den vogel Ibis , den krokodil,

42

I

i

-ocr page 67-

§19. INDIËRS.

don hond Anubis en andere dieren (vergel. boven bl. 34) quot;).

Bij de Indiërs vinden wij niets beters, a. Hunne oudste Brahmaleer is desgelijks geheel naturalisme: geene onderscheiding tusschen de wereld en eene boven haar verheven Godheid. Alles vloeit in den kringloop van ontstaan, bestaan en vergaan. De kracht des ontstaans is Indra, de hemel, de zon; de kracht der onderhouding, der beweging is Waruna, de lucht of het water; de kracht des vergaans is Agnis, het vuur. Maar het is ééne oorspronkelijke kracht , die zich op deze drievoudige wijze uit: dat is „de Geest,quot; Mahan-Atma of Brahma. De bijzondere Goddelijke groote natuurmachten. Zon, water, vuur enz. zijn slechts ontvouwingen van het Brahma. Brahma is Geest, doch geen persoonlijke, zelfbewuste Geest, maar natuurkracht. Brahma schept niet naar vrijen wil eene wereld, maar ontvouwt zich ter wereld. Brahma is niet de Schepper der wereld, maar de ingewikkelde wereldkiem, die zich uitzet en uitbreidt in den veeltakkigen boom. Of naar een ander beeld van de weelderige phantasie der Hindoes: gelijk de golven en het schuim op de zee ontstaan en weder vervloeien , zoo de wereld uit het Brahma; en gelijk de melk in kaas verandert en ijs in water, zoo Brahma in de wereld-vormingen s). — In Brahma is een drang om uil het reine zijn in het schijnen over te gaan, zich te ontvouwen, in de drievoudige wezenheid des levens in te gaan: deze gedachte hebben de Hindoes uitgedrukt in Maja, de vrouwelijke, wereldsche zijde in Brahma, de oorzaak van het werke-

\') A. Wuttke, übcr die Cosmogonie der lioidn. Völkor. Inde Veriiand. uitg. door het Haagsche Genootsch. Xde deel, 1ste stuk, 1850, S. 44—49. Scholten, Gesch. d. Godsd, en Wijsbeg., p. 9 v,

2) A. Wuttke , a. W., S. 30 v.v.

43

-ocr page 68-

§ 19. 1ND1ËHS. ÜU1EKEN.

lijk bestaan der eindigheid, wier vrucht te smaken Brahma gelust: Maja is de moeder der wereld \').

h. De Buddhaleer 2) ontstond als reactie tegen het Brahmanisme. Den Buddhaïst geldt alleen het ontvouwde Brahma iets; het onontvouwde , het centrum, geldt hem niets, is nietig: het schepsel losgerukt van God. Er is een bestendig worden en niets dan worden; het staat nooit stil, gelijk de gebedsraderen derBuddhaïsten. „De zonen van Sakya (Buddha) houden vast aan de leer, dat de wereldloop geenen aanvang heeft gehad.quot; In de heilig geachte Buddha-

schriften is geen spoor van een Goddelijk Wezen, althans geen religieuze betrekking tusschen God en menschen; het eigenlijk karakter van het Buddhaïsme is atheïsme 3).

De Grieken waren polytheïsten bij uitnemendheid. Hunne

\') A. Wuttke, S. 38. Naai\' de oude Loer der Vedas en do philosophische ontwikkeling van deze in de Vedanla.

2) Stichter Gautama of Saki/a , prins van geboorte , toege-naamd Sakyamuni en ^Buddhaquot; d. i. de Verlichte, gestorven 543 v. G. De eigen naam van den prins was Siddharta, in de zuidelijke bronnen heet hij Gatama, als afstammeling uit het geslacht der Sakya\'s voert hij de titels van Sakya-muni (monnik) of Sakya Sinha (leeuw). De eigenaardigste, algemeenste titel is echter die van Buddha. Het woord beteekent: de ontwaakte, verlichte. (Naar Ch. de la Sausl\'aye , zie Stemmen v. waarli. en vrede Oct. 1883.

a) Wuttke, a. W. p. 42. — „Het is meer eene rationaliüscho moraal dan eene religie.quot; 7/. Reuchlin in Her zog s Real-Encycl. XIX, S. 274. Zielsverhuizing: iedere ziel had reeds tallooze geboorten ondergaan. Streven naar ontlichaming. Verlossing uit den tantalischen kringloop te verkrijgen in den Nirvana, onderscheidslooze eenheid , absolute ledigheid , dus vernietiging van eigene persoonlijkheid. Alzoo eene zaligmakende leer van het Niets. Fr. Baum, Kirchen gesch. für Haus und Schule 1881. S. 377. Ilerzog, Real-Ec. 1. c. en V. S. 20G.

u

-ocr page 69-

lt;4

§ 19. GRIEKEN. 45

goden leefden als vrije persoonlijkheden en hadden eene geschiedenis: van daar hier de voorname zetel der mythologie (fabelachtige goden-geschiedenis). Zij waren slechts in trap, niet in wezen van den mensch verscheiden : van daar de overgang van menschen in de rij der goden. Ieder god had zijne natuur : menschelijke zwakheden, hartstochten en ondeugden, maar in alles kolossaal. Overal leefden en zweefden goden en berg en boom en land en stroom waren woningen van geestelijke persoonlijkheden i).

De wijze Socrates (469—399) bekende zijne onkunde. Dit achtte hij zijne wijsheid , dat, hetgeen hij niet wist , hij niet meende te weten. De bewustheid van niet-te-weten was zijn grondbeginsel. Hoewel dit niet was de bewustheid van het onvermogen om te weten, dus ook niet het stelselmatig volharden in het niet-weten (Scepticisme), maar de bewustheid van de oneindigheid der taak, in tegenstelling tegen het gemeene Dogmatisme, hetwelk met zijn ingebeeld weten zich zelf bedroog en tegen de dogmatisch-sceptische Sophistiek, die den schijn der door haar prijsgegeven waarheid tot misleiding van anderen misbruikte. Nietweten het uitgangspunt (Scepsis), weten het doel. Dat Socrates de onbereikbaarheid des wetens kon erkennen veronderstelt eene klare voorstelling bij hem van de kenmerken des wetens. Zijne taak was zich zeiven te kennen. Hoogere vragen wees hij als onbeantwoord van de hand. Hij wordt geroemd de philosophie het eerst van den hemel te hebben afgeroepen ^), van de uitvorsching der verborgen dingen, en haar in het prac-tische leven te hebben ingevoerd. Maar tot den zuiveren grondslag van den Godsdienst, tot de erkentenis van GodalsSchep-

1) Wuttke, a. W., p. 65. 63. Schiller, Die Götter Griechenlands.

a) Cicero Tuscul, V. 4. 10. Academ. I. 4. 15.

i

-ocr page 70-

§ 19. GRIEKEN.

per, tot de scheppingsidee kwam ook Socrates niet i), hoeveel tegenstelling tegen materialistisch atheïsme, tegen pantheïsme en tegen polytheïsme er ook bij hem gevonden wordt.

Ook de grootste Grieksche pliilosoof, Plato (430—348), hoe rijk in ideeën , komt niet tot een rein begrip van God als Schepper der wereld, want zijn God is, schoon heer over de stof, toch geen schepper van deze J).

Zelfs Aristoteles (385 -322), de volmaker van Plato, drong tot de monotheïstische Godsidee niet door, hoe nabij hij ook kwam. De denkende geest des Heidendoms had in hem den hoogsten trap beklommen en zag van zijn Nebo in een ander, hem nog vreemd land, maar hy zou er niet ingaan s).

En daarna? Wat hebben de Epicureïsche en de Stoïsche wijsgeeren (Hand. 17 : 18) bijgebracht ?

Epicurus, geboren 342, gestorven 271 v. G., hoezeer zelf als mensch achtenswaardig, stelde het hoogste goed niet hoo-ger dan in een redelijk genot bij vryheid van alle smart en geheel zijne levensleer was niet dan eene theorie van den wederstand tegen iedere storing van het egoïstisch genoegen, van waar zij ook mocht komen, van den Godsdienst of van de staatswetten of van de algemeene natuur of van men-schen. — Het bestaan van goden achtte hij wel wegens het ons aangeboren bewustzijn ontwijfelbaar; doch zijne goden verkeerden in eenen staat van rust, van geheele werkeloosheid, zich met niets bemoeiende«). Geen Goddelijke zorg

\') Wuttke, a. W. p. 80.

2) WtMke S. 89.

:l) Dezelfde S. 93. 97.

4) Cicero, de Nat. Deor. I. 17. Horat. Sat. 1. 5.101; deos secu-rum agere aevum. Scholten, Gesch. der Godsd. en Wijsbeg. p. 155, Wuttke, a. W. 1, S. 81. J. Woltjer, Lucretii Philosophia cum

46

-ocr page 71-

§ 19. GRIEKEtf.

voor de wereld, geen voorzienigheid, niets dan toeval; eene wereld, niet door schepping maar toevallig ontstaan uit atomen, ondeelbare stofdeeltjes , zwevende in de ijdele ruimte en toevallig tot een geheel verbonden. Ook de zielen der menschen uit zulke, doch fijnere deeltjes voortgekomen ; stervende met de lichamen , daar de atomen zich dan weer scheiden. — Troostelooze leer, die Gods voorzienigheid en \'s menschen onsterfelijkheid loochende en aldus het geloof aan eenige Godheid tot eene IJdelheid maakte en de bestaande Godsdiensten als voortbrengselen der mensche-lijke zwakheid en als gewrochten der vreeze bespotte!

Het hoofd van de Stoïsche Wijzen was Zeno, geboren te Gitium op het eiland Cyprus, 340 v. G. Volgens hem is God de ziel der wereld, \'s menschen ziel een uitvloeisel uit deze, doch in hare bijzonderheid, als enkele, vergankelijk. Deugd is gehoorzaamheid aan de rede, door eigen kracht verkrijgbaar. Wie ééne deugd heelt, heeft alle. Ook alle ondeugden zijn elkander wezenlijk gelijk i) en eenen haan onnut te dooden is even zoo kwaad als een vadermoord J). De Wijze is rijk, zich zelf genoeg, is koning en kan zijn leven eindigen, zoodra hem het leven verdriet. Zeno zelf wordt gezegd na een zedelijk streng leven in hoogen ouderdom zich te hebben verhangen. Bi] de Stoïsche Romeinen was de zelfmoord veelvuldig. — Bij al hunne strengheid s)

Fonlibus comparata , Gron. 1877 p. 1G5. De Physiek, natuurleer , van Epicurus was materialisme; zijne Ethiek , zedenleer, eudaemonisme; zijne Logica of Kanoniek sensualisme : aller waarheid bron zijn de akOfasig.

\') quot;Ot; \'kx tx uftxptyiftxtx .kx) rx kxtopöuftxtx. Leerzaam handelt daarover L. F. Heindorf zu Horat, Sat. I. 3. 78,

3) Wutthe , a. W., I. S. 84.

n) Een waar rigorisme. Scholten , a. W., p. 123.

47

-ocr page 72-

48 § 20. HERREK DER NATUURLIJKE GODSKENNIS.

klommen de zedelijke gevoelens gt;) der Stoïcijnen niet hoog : den echt schatten zij gering , de leugen, waar zij voordeel bracht, hielden zij voor geoorloofd.

Do leer der Epicureërs en der Stoïcijnen vond hare consequente ontwikkeling in de stelsels der twijfelaren (Scepticisme J), waarin de Grieksche godsdienst en zedeleer zich zelve vernietigde.

Het gebrek van de kennis , uit de natuur verkregen, ligt in het volgende.

§ 20. Gebrek der natuurlijke Godskennis.

a. De natuur, zonder het licht van Gods Woord, laat ons in het duister aangaande tvereld en mensch. Dat blijkt uit hetgeen de wijsten onder de Heidenen er van geleerd hebben en uit hetgeen ook nog degenen er van leeren, die het Woord wol hebben, maar zich er niet naar richten. Ontkennen zij het Goddelijke wereldbestuur niet, zij hebben er dwaze en tegenstrijdige, Gode onwaardige voorstellingen van. Kunnen zij \'s menschen onsterfelijkheid niet verzaken, van wege het eigenaardige „levensgevoel, dat in den mensch is geplant en dat sterker spreekt dan alle redeneeringquot; s), zij vormen zich over het leven na dit loven allerhande onware, fabelachtige gedachten en dobberen door allen wind gedre-

\') Met de verhevenste zedenspreuken in den mond leidden velen hunner een slecht leven , — qui Curios loquuntur et Bacchanalia vivunt. Juvenal. II. 3. Neander, Allgein. Gesch. der Ghr. Rel. u. K. I, S. 19.

2) Dit kon niet anders, omdat het Epieureïsme en het Stoïcisme louter subjectivisme waren. Wuttke, a. W. 1, 89. :l) Doedes, Leer v. God, p. 113.

-ocr page 73-

§ 20. GEBREK DER NATUURLIJKE GODSKENNIS, 49

ven op de wateren hunner phantasie, zonder een vasten ankergrond te vinden. — Inzonderheid blijft hun de oorsp-owgr van het zedelijke ktvaad, de zonde, en daarmee van het lijdenskwaad en het middel tot genezing verborgen. Werkelijk maakt niets de regeering Gods zoo onbegrijpelijk als het kwaad, dat er in de wereld is. Is er een God, van waar het ktvaad ? Maar er is geen Ood, van waar het goede? •) Geen wonder, dat sommigen het goede in de wereld van een goeden God, het kwaad van een kwaden God hebben afgeleid. Van een strijd tusschen beiden heeft men voortgaande vele fabelen uitgedacht. Dit (zedelijke) dualisme 1) ontwikkelde zich bijzonder in het Parsisme, vooral bij de Perzen en andere Iranische volksstammen : licht en duisternis tegen elkander gesteld, als tegenstelling en strijd tusschen goed en kwaad en deze voorgesteld, in de twee tegen elkander staande wezens Ormuzd en Ahriman. Ormuzd was de grond van al het goede, wonende in het volmaakste licht, Ahriman de grond van al het kwaad, wonende in de diepste duisternis 3). — Bij de Heidenen vindt men geen waar begrip van de zonde, veel minder van de verlossing.

§ 21. Vervolg.

h. Uit de natuur alleen, buiten Gods Woord, verkrijgt men geen genoegzame, geen zaligmakende kennis van God, van zijn wezen , wil en besluit. Zij wijst geenen weg aan, langs welken men vergeving der zonden en de gewisse hope

\') Boëthius, (t 524) de Gonsolatione philos. L. 1 : Si Deus est, unde mala ? bona vero undo, si non est ?

2) Scholten, Gesch. d. Godsd. en Wijsbeg, p. 25.

■\') Spiegel in Herzogs Real-Enc. XI, S. 110.

Qravomeijer , Goref. Gol. leer. 4

-ocr page 74-

§ 21. (iEUREK DEIi NATUURLIJKE UODSKENNIS.

eens eeuwigen zaligen levens kan erlangen. En hoe krachtig natuur en geschiedenis eenen en liecjeerderwev-kondigen , almachtig , wijs, rechtvaardig en goed, zij noemen ons den Zoon niet, dus ook den farfer niet, zij zeggen ons niets van den Heiligen Geest: de drieëenige God wordt er niet uit gekend. — Ook kan de natuur Gods besluit niet vermelden. Wat Hij bij zich had voorgenomen, dat kon Hij zelf alleen ontdekken en menschen konden het niet gewaar worden dan door dat Hij tot hen sprak. Een voornemen, dat iemand bij zich zeiven heeft, kan geen ander weten tenzij het door hem op eenige wijze medegedeeld en verstaanbaar gemaakt wordt. Inzonderheid het raadsbesluit van de verlossing was eene verborgenheid, waarvan, zonder Gods bijzondere openharing, geen schepsel iets wist. Dat vertellen de hemelen ons niet, dat verkondigt ons geen uitspansel.

Daarom leidt het natuurlicht ook tot geen waar godsdienstig zedelijk leven. Het hapert aan den grondslag : geen ootmoed maar trotsch gevoel van eigen verdienste, geen kinderlijk geloof, maar eigene wijsheid i). Er ontbreekt doorgaans de erkenning der tvare zedelijke vrijheid, der menschheid als een geheel van gelijken, der zedelijke verdorvenheid van den natuurlijken mensch en dus der noodzakelijkheid eener wedergeboorte. Wel toont ook het ontwikkelde Grieksche en Romeinsche Heidendom bewustzijn te hebben van onzedelijke toestanden der menschheid, ja van natuurlijke onbekwaamheid tot het goede, maar door de eerste wilde men meestal slechts burgerlijke en individueele ontaarding verstaan en de laatste eigende men aan de barbaren en slaven toe. Als het hoogste wat te bereiken is stelt de denkende Heiden

\') A. Wuttke, Handb. der Christel. Sittenlehre. Dritte Aufl. 1874, 1, S. 110.

50

-ocr page 75-

§ 21. GEIiKEK DEIl NATUU1ÏLIJKE GODSKENNIS. 51

zich voor èf eene bloot aardsche volkomenheid met verzaking van een bovenaardsch doel (Chineezen) èf het prijsgeven van het persoonlijk bestaan in \'t geheel (Indiërs) óf oene enkel individueele volmaaktheid zonder de idee van een Godsrijk, dat allen samenvat en als levende leden vereenigt (Egyptiërs , Perzen , Grieken , Germanen) \').

De natuurlijke religie heeft dan ook nooit eene kerk kunnen stichten of onderhouden wijl tot vestiging en instandhouding van eene religieuze gemeenschap een Goddelijk gezag behoort. Ten tijde der Fransche revolutie hebben de zoogenaamde Theophilanthropen beproefd, eene kerk en eenen eeredienst der natuurlijke religie te stichten, hetwelk intusschen geheel mislukte s). Juist datgene wat het eigenaardige en wezenlijke van de natuur- en redereligie uitmaakt ; de ontkleeding der waarheid van haar openbarings-

\') Hetzelfde werk S. 18 f. Aldaar wordt 8.41 te recht herinnerd , hoe ook Socrates in zijn eigen zedelijk leven zich geenszins boven de gewone Grieksche zedelijkheid verhief: getuige zijn drinken, zijne verhouding omtrent de hetaeren en jegens zijne vrouw en kinderen. Diogenes vervalscht het geld En wordt slechts Filozoof om schaamtloos uit te spatten : De brave Seneka veracht, maar zamelt, schatten : En de achtbre Socrates, die Goddelijke man .... Ja , zwijgen wij daar liever van! Bilderdjk, Nieuwe Mengelingen. II. Deel. 1835. p. 243. Wuttke, a. w. 1.4G7.

\'2) Schleiermacher „ der chr. Glaube. Dritte Ausg. I , S. 37 wil , geheel naar zijn standpunt, niet gezegd weten „natuurlijke religie , wijl er geen natuurlijke kerk bestaat, dus ook geen bepaalde kring , in welken men de fundamenteele bcstanddeelen der natuurlijke religie kan opzoeken.quot; Maar van natuurlijke religie mogen en moeten wij zekerlijk spreken: immers zij is eene geschiedkundige zaak ; slechts niet in denzelfden zin als men zegt; Christelijke en Mohammedaansche religie.

3) Bretschnelder, Handb. der Dogmatik. Dritte Autl. 1, S. 145.

-ocr page 76-

ij 22. KENNIS DOOU OPENBARING.

feit cn van hare haar stavende geschiedenis, maakt haar onbekwaam, om dooi- zich en voor zich zelve ware gemeenschap te stichten. Immers uitwendig gezag kan in den Godsdienst niet plaats hebben zonder een heilig feit, door hetwelk een religiestichter of eene oorkonde gewaarmerkt wordt \').

II. OPENBARING. SCHRIFT. § 22. Goddelijk Ouderwijs.

God heeft zich nader bekend gemaakt. Den mensch, in zonde en dwaasheid verzonken, is Hij te hulp gekomen door bovennatuurlijke openbaring 1), De bijzondere, bovennatuurlijke openbaring, de Goddelijke Aej/sopenbaring, de „openbaring van genade en leven tegenover schuld en doodquot; a) was na den zondenval zoo noodzakelijk, dat zonder haar het menschdom moest verloren gaan. Want met te zondigen begaf zich de mensch op den weg van God af en voortgaande op dezen eigen weg kon hij niet anders dan zich al meer van God, de fontein des lichts en des

52

1

) Wel mogen wij met Twesten, Vorles. I, S. 320 zeggen : „In den ruimsten zin is alle religie openbaring d. z. zij is noch bloot aangeleerd en overgeleverd noch menschelijk bedacht of uitgevonden, maar berust hierop dat God zich aan ons mededeelt , dat een straal van het oorspronkelijke licht ook in onze ziele valt (revelatie generalis, immediata primitiva).quot; Maar wij moeten dit niet zoo verstaan alsof de ziel des mensehen eerst zonder dat licht bestond cn het er vervolgens in kwam , het is er van den beginne in, gelijk de redelijkheid, als vermogen (gelijk als lalénie warmte) maar komt daarna in werking.

:l) Pt of. J. J. van Oosterzee , Christel. Dogmatiek I, p. 186.

-ocr page 77-

§ 22. KENNIS DOOR OPENBARING. 53

levens, verwijderen. Met te zondigen verviel hij tevens in dwaasheid, gelijk na den zondenval aanstonds bleek. Hoe kon hij, daar het licht in hem duisternis was geworden , zelf het middel, de wijze en den weg van redding vinden ? En omdat het Goddelijke raadsbesluit van de verlossing een eeuwig voornomen is, zoo moest de onthulling of ontdekking van deze groote verborgenheid ook met den val des menschen tegelijk beginnen \').

God heeft zich genadig geopenbaard aan Adam en aan de stamvaderen na hem in en 5ms geslachten ^), dan bijzonder aan Abraham en aan diens zaad, het Israëlietische volk. Maar al deze heilsopenbaringen waren slechts voor-bereidingen tot zijne hoogste openbaring in zijnen zoon Jezus Christus. Joh. 1: 18: Niemand heeft ooit God gezien, zelfs Mozes niet; de eeniggeboren Zoon, die in den schoot des Vaders is of liever was 3), die heeft hem ons verklaard. Hebr. 1:1: God, voortijds veel malen en op velerlei wijzen tot de vaderen gesproken hebbende door (in) de Profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door den Zoon (in Hem die Zoon is). Hiermede is hot spreken Gods besloten. De Apostelen hebben niets nieuws na Christus geleerd;

\') Aanteekenimjen van schrijver dezes op Dr. Iloedemakers Handboek 1875, bl. 19.

2) Daarover hierna II, 2.

•\'\') Dus moet men ó uv verstaan, als imperfectum. Hij tvas bij God Joh. 1:1, daar hij te voren was G : 62. Daarbij behoudt de Kantteekening op 1 : 18 hare volle waarheid: Uns wezens met den Vader, van Hem (jeliefd en derhalve met al de geheime wijsheid des Vaders lekend. De opvatting van ó mv in .den zin: die nu is, na de verhooging (ook door Meyer) is niet aannemelijk. Het toont immers zijne bekwaamheid en bevoegdheid tot het verklaren.

-ocr page 78-

§ 28. KENNIS UIT DE HEILIGE SCHRIFT.

zij waren dienaren des Woords; Christus sprak in hen. wat zij gesproken hebben was hun door Hem gegeven.

§ 23, Kennis uit de Heilige Schrift.

Een nieuw Goddelijk spreken laat zich dienvolgens niet verwachten en de zaliymakende kennis wordt door onmid-delijko openbaring aan niemand medegedeeld. Het boek der natuur leert ze ons niet, wij hebben een licht van boven noodig, dat onze duisternis verheldere. Want de zonde heeft niet alleen onzen wil bedorven, maar den gan-schen mensch, zij heeft ook het verstand verduisterd. Wij zijn van natuur niet alleen onvermogende om het Goddelijke te willen en te beminnen, maar evenzeer om het recht te erkennen en vast te gelooven. Het is Gods gave. Doch deze gave komt tot ons niet zonder middel, maar door middel van de Heilige Schrift, hei beschreven Woord van God. Dat is hot middel, hetwelk de Goddelijke genade gebruikt om ons te verlichten en ter zaligheid te bewerken. Alle onderwijzingen werken tot dit hooge doel slechts in zoover mede, als zij van de Schrift uitgaan en haren inhoud tot en in ons overbrengen.

Want daar de mensch onbekwaam is, door eigen nadenken en inspanning God en de Goddelijke dingen naar waarheid en op eene zaligmakende wijze te erkennen, gelijk de vruch-telooze arbeid van zoo vele denkende geesten in allerlei volk gedurende zoo vele eeuwen getoond heeft: zoo is er niets, wat ons terecht kon leiden en ons tot een veiligen, betrouwbaren gids kon zijn, waaraan wij ons met volkomen zekerheid konden houden, dan do Goddelijke onderwijzing zelve, het Woord van God. En dat is nergens anders te vinden

54

-ocr page 79-

23. KENNIS UIT DE HEILIGE SCHRIFT.

55

dan in de Schriften van die mannen, die zeiven do Goddelijke openbaring oorspronkelijk hebben ontvangen en tot en in wie God heeft gesproken of die hoogste openbaring , de openbaring Gods in Christus op het onmiddel-baarst in zich opgenomen en onder leiding des Heiligen Geestes, dien zij van Hem ontvangen hadden, onvervalscht ten dienste en ten regel voor al de navolgende tijden door Gods bijzondere beschikking hebben opgeteekend. Dat zijn de profetische en apostolische Schriften, die samen één geheel, de Heilige Schrift, don Bijbel uitmaken. Deze is dienvolgens de eenige kenbron van de zaligmakende waarheid.

Zoo grondden Christus en de Apostelen hunne leer op hetgeen geschreven stond in hot Oude Testament. Der Heilige Schrift ontwast geen mensch op aarde. Ook de in het geloof volwassene geestelijke zoon des Apostels Paulus wordt vermaand zich aan de Schriften te houden en het als een uitnemend voorrecht te waardeeren, van kindsbeen aan door zijne moeder Eunice daarin onderwezen te zijn, terwijl door de Schriften van Mozes en de Profeten de Apostolische leer bevestigd werd: En dat gij van kinds af de Heilige Schriften geweten hebt, die u wijs kunnen maken tot zaligheid door het geloof, hetwelk in Christus Jezus is, 2 Tim. 3 : 15.— Zelfs om uit het boek der natuur den waren God en Schepper te kennen, is de Schrift onmisbaar, gelijk voor kranke of zwakke oogen, zegt Calvijn \'), een bril, een kunstglas noo-dig is om in een boek te lezen. Maar tot onze zaligheid moeten wij niet alleen den Schepper, maar ook den Verlosser kennen , hetwelk geheel onmogelijk is zonder het Woord van God. Daarom is het geen wonder, dat, die in

\') Calvin. Instil. I. G. 1 , 2.

-ocr page 80-

56 § 23. KENNIS UIT DE HEILIGE SCHRIFT.

duisternis geboren zijn, meer en meer in hunne onwetendheid verharden, omdat de minsten zich leeren laten door Gods Woord. De ware religie blinkt ons aan alleen uit de hemelsche leer en niemand kan ook maar het geringste van de waarheid smaken, dan dit een leerling is der Beilige Schrift. De ware kennis begint te dagen, wanneer wij eerbiedig omhelzen , hetgeen God daar van zich heeft willen getuigen.

§ 24. De Christelijke Godsdienst.

Trapsgewijs heeft God zich geopenbaard, voor lederen tijd, voor iedere bedeeling genoeg en gepast, totdat de Zaligmaker zelf verscheen en de verborgenheid der verlossing, waarin alle schatten der wijsheid en der kennis gelegen zijn (Kol. 2:3), volkomen ontsloot.

God werkt ook in zijne openbaringen organisch, systematisch, op eene samenhangende wijs. Er is geleidelijke voortgang in, ontwikkeling, opklimming, totdat het hoogste punt in Christus bereikt is. De onderwijzingen en instellingen, door God in den voortijd aan de aartsvaderen en daarna aan het Israëlitische volk gegeven, waren niet slechts voorafgaande voorbereidingen tot het Christendom, maar behelsden van hetgeen zij voorbereiden zouden de kiem en kern in zich. Wat tot het wezen van den Godsdienst, tot de altijd gelijke vereischten van onze zaligheid behoort, ontbrak nooit aan eone religie , die door God was geopenbaard. In de vrome eerste vaderen en in de oprechte Israëlieten erkent de Christen geloofsgenooten \'). De ^alt;narc//a?e godsdienst en

\') Tw anten , Varies. I, S. 302. Calvin. Comment, in Genes. Argument, ed. Hengstenb, p. 5.

-ocr page 81-

§ 24. DE CHRISTELIJKE GODSDIENST.

daarna de Israëlitische waren toen, ieder op zijn tijd, de ware Godsdienst, in onderscheiding en tegenstelling van die eigene tveyen, waarin de andere volken en stammen wandelden , die het licht der openbaring misten.

En welke is thans de tvare godsdienst ? De Christelijke, geen ander. Deze is de eenig ware \') en wordt de Christelijke godsdienst genoemd, omdat hij gegrond is op de volkomen openharing van den tvaren God in Christus, gebouwd op het fundament der apostelen en profeten , waarvan Je-zus Christus is de uiterste hoeksteen.

Den hoofdinhoud van deze hoogste openbaring drukt de Apostel Paulus uit in do merkwaardige woorden 1 Tim. 3; 16, in zes welluidende zinsneden, die volgens sommigen toen reeds in een kerklied der geloovigen of ook in een geloofsformulier 2) zouden zijn voorgekomen, in allen gevalle echter eene belijdenis behelzen van die waarheid, welke aan de gemeente des levenden Gods, die wel niet haar bron maar haar pilaar, haar draagster en bewaarster is, was toebe-trouwd. Hij zegt: En huiten allen twijfel de verborgenheid der Godzaligheid is groot, de waarheid, de leer des Evangelies, die geen mensch kon uitvinden en die de wereld niet kent, maar die de bron en grond is, waaruit de ware Godzaligheid geboren en onderhouden wordt, is zonder te-

\') Niet; „de meest ware,quot; zoodat ook de andere Godsdiensten, schoon in minder mate, waar zouden zijn. Tc recht werd dit tegen ima verissima d. i. „de allenvaarstequot; der Groningsclie Dogmatiek herinnerd door da Costa, Eenige opmerkingen omtrent het onderscheidend karakter der Gron. Godgel. School, hl. 5 v.

-) Hiervan heeft men zelfs in óftohoyovftsm? eene aanduiding willen vinden, ook Weisz, Lehrb. der bibl. Theol. N.T. S. 4G5. Maar dit zegt alleen : zonder tegenspraak.

57

-ocr page 82-

§ 24. DE CHRISTELIJKE GODSDIENST.

58

genspraak verwonderingwekkend en boven alles gewichtig. 1. God\') is (jeopenhaard in het vleesch: de Zoon Gods is niensch geworden, Hij, die vroeger niet in het vleesch bestond , maar bij God was en God was, is in het vleesch gekomen door dat Hij de menschelijke natuur met hare zwakheden en lijdingen , doch zonder zonde, aannam en daarin met zijne persoonlijkheid, met zijn Ik kwam wonen ) terwijl Hij door zijne woorden en werken zijne Godheid er ook in kennen deed. 2. Hij is gerechtvaardigd in den Geest: bij do nederigheid zijns vleesches is Hij in en door de kracht van zijn Goddelijk Wezen beloond die te zijn die Hij eigenlijk was, namelijk de Heilige , de Zoon van God, bijzonder door zijne zegevierende opstanding uit de dooden. 3. Hij is gezien van de engelen. Nadat Hij geopenbaard was in het vleesch, kon Hij gezien worden; ook de engelen zagen Hem, niet alleen in zijne nederigheid op aarde, wanneer zij Hem dienden , maar vooral en blijvend in zijne hoogheid, terwijl Hij op aarde 4. is gepredikt onder de Heidenen, lot wie nu, na de volbrachte verlossing, do zaligmakende waarheid van de Joden door de Apostelen overkwam. De prediking droeg vrucht. 5. Hij is geloofd in de wereld, is door de uitverkorenen onder alle volken als hun Zaligmaker aangenomen en zijn rijk is gevestigd en uitgebreid op de aarde, terwijl Hij in den hemel is, in welken Hij is opgevaren. Want 6. Hij is opgenomen en is dienvolgens nu in heerlijkheid en zal eens in heerlijkheid wederkomen.

\') Al leest men ook naar de oudste handschriften in og plaats van ósic zoo blijft toch de zin dezelfde : immers geopenbaard in het vleesch kon alleen Hij worden, die vooraf buiten en oven alle vleesch, dal is die God was.

-ocr page 83-

§ 24, DE CHRISTELIJKE GODSDIENST.

Dat is de belijdenis van Gods gemeente. Aan ieder stuk van dit 16e vers moeten wij vasthouden bij de tegenspraak der wereld en tegen de vervalschingen der leer door dwaalgeesten. De Apostel moest helaas al aanstonds in het 4de hoofdstuk voorspellen en waarschuwen dat er sommigen zouden afvallen van het geloof. lïoe schrikkelijk wordt dat in onze dagen vervuld ! Onbeschaamd valt het ongeloof op ieder stuk van deze apostolische belijdenis aan , die in het vermelde 16e vers is vervat! Men geeft de „groote verborgenheid der godzaligheidquot; prijs. Men wil in vele kringen van deze verhortjenheid niet meer weten , maar de godzaligheid is er dan ook niet meer. Want de openbaring van God in het vleesch, deze i\'un-damenteele waarheid des Christendoms , is de grond en bron, waaruit de ware godzaligheid voorkomt. Gelijk in Christus de Godheid en de menschheid zijn vereenigd geworden in den eigenlijken zin en lichamelijk (Kol. 2:10), alzoo dat Hij die geopenbaard is en het vleesch, waarin Hij is geopenbaard, samen één persoon zijn : zoo wordt door Hem de mensch in geloof en liefde met God vereenigd op geestelijke wijs, alzoo dat beiden niet meer verre van elkander, niet meer vijandig tegen elkander staan, ja niet meer twee zijn maar één. En die band is onverbreekbaar; niets zal ons van zijne liefde scheiden. Aldus is hier de Christelijke godsdienst naar grond en wezen treffend geteekend: Christelijk, omdat daarin alles van Christus uitgaat, in Hem wortelt en opwast.

quot; Dit kenmerkende van den Christelijken Godsdienst wordt door denzelfden Apostel van eene andere zijde in het licht gestold, waar hij de Christenen noemt haisgenooten Gods, gebouwd op het fundament der Apostelen en Profeten, waar-

59

-ocr page 84-

§ 24. DE CHRISTELIJKE GODSDIENST.

van Jezus Christus is de uiterste hoeksteen. Efez. 2 ; 20. Als huisgezin van God zijn de geloovigen zolven een huis i). Een huis heeft een fundament, cenen grondslag. Niet de Apostelen en Profeten zeiven zijn hel fundament, maar het is van hen, het is hun fundament, dat zegt; zij hebben het gelegd. Ook Openb. 21: 14 wordt niet gezegd, dat de Apostelen de twaalf fundamenten waren van den muur der stad, maar alleen dat de namen der twaalf A2)ostelen des Lams er in stonden.

Hel gelegde fundament is hunne leer, prediking, getuigenis. En wel gegeven als iets, waaraan niet te veranderen valt, als iets dat voor alle tijden geldt, dat de grondslag en voorwaarde is van het ontstaan en bestaan der gemeente, gelijk hot fundament van het huis, de wortel van den boom. Het is iets blijvends en voor het gebouw volstrekt noodzakelijk. Wij hebben het in de Heilige Schrift. Wie aan dien grondslag begint te breken en te woelen, ondermijnt het gebouw ; wie er nevens bouwt, die bouwt op zand. Dit fundament is dus niet de belijdenis der gemeente onder-toerpelijh maar de belijdenis voonverpelijk, dat zegt het geloofde en beledene of hetgeen geloofd en beleden moet worden. Immers anders rustte de gemeente toch weer op haar eigen grond. Door hare belijdenis of haar belijden stelt en bouwt zij zich op den eens voor al gegeven en gelegden grond of veelmeer betuigt zij er op te staan 1),

60

De Apostelen en Pro/eten zijn de leggers van het fundament. Dit doet ons noodzakelijk bij heiden aan het Nieuwe Testament denken en ongetwijfeld worden hier door beide

1

) Stier, Brief an die Epheser I. S. 383 f.

-ocr page 85-

§ 24. DE CHRISTELIJKE GODSDIENST.

()1

namen dezelfde personen \') beteekend, evenals Efez 3:5, waar Paulus van de verborgenheid der genade in Christus voor de Heidenen gelijk voor de Joden spreekt: tvellce in andere eeuwen den kinderen der menschen niet is bekend gemaakt, gelijk zij nu is geopenbaard aan zijne heilige Apostelen en Profeten door den Geest. Het nu „geopenbaardquot; verbiedt ons hier bepaald onder „Profetenquot; de oudtestamentische te verstaan. De Apostelen en Profeten zijn hier dan dezelfde personen. De naam Apostelen, gezanten des Heeren, ziet vooral op hunne persoonlijke, menschelijke getuigenis van hetgeen zij gezien en gehoord hadden; profeten meer op de getuigenis des Geestes in hen : want profeet is wie door Gods Geest, uit ingeving spreekt. Intusschen wordt hierbij van zelf veronderstelt de overeenstemming der apostolische getuigenis met het Godswoord des Ouden Testaments en juist dit wordt ook aangeduid door den oudtestamenti-schen naam „Profetenquot;, aan de Apostelen hier gegeven, en nog kennelijker door het beeld van den steen, uit het O. T. (Jes. 28 : 16 e. a.) ontleend. Terwijl de hoeksteen Jezus Christus zelf is, zegt de Apostel (gr.) Hoeksteen, die de wanden van het gebouw samenhoudt en draagt; grondsteen

\') Zoo ook Weisz, bibl. Theol. N. T. S. 441. Daarentegen wil O. Pfleiderer , der Paulinismus S. 44G de (Christelijke) profeten hier van de Apostelen onderscheiden naar Efez. 4; 11. Maar reeds taalkundig zijn beide namen tot één begrip versmolten door dat het gr. artikel maar éénmaal is geplaatst, zoowel Efez. 2 : 20 : tcov xttcjtpXuv y.x) trpotpytwv als 3 : 5; rcns xyiois xttcrróxci: xutov xx) ttpocp\'/irxi:. Ilengstenherg, die Offenb. des h. Joh. 1. S. 112 : Profeten, die zich den canonischen des O. T. durfden ter zijde stellen, werden alleen linnen den kring der ApusteU n gevonden.

-ocr page 86-

§ quot;24. DE CHRISTELIJKE fiODSDIENST,

„waarop het geheel gebouw steunt met zijne muren en steenen, dat is tol en op wien alle ware goloovigen uit Joden en Heidenen bijeenvergaderd worden on door éénen Geest aaneenkleven.quot; (Kantteek.).

Onchristelijke godsdiensten.

liuiten den Christelijken Godsdienst en naar hun eigen aard vijandig tegen dezen staan de Joden, de Mohammedanen en de Heidenen.

1. De Joden. Hun tegenwoordig getal in al de vijf werelddeelen saam wordt door velen op meer dan vijf mil-lioen , door sommigen boven zeven millioen geschat \'). Hunne bouwlieden, dat zegt de oversten van Israël hebben te zijnen tijd Hem verworpen, die bestemd was de hoeksteen te zijn en die het ook geworden is. Dat hield Petrus hun voor in hunne vergadering te Jeruzalem. Jezus Christus; de Nazarener, dien gij gekruisigd hebt, welken God van de dooden heeft opgewekt; — Deze is de steen, die van u, de houwlieden, veracht is, welke tot een hoofd des hoeks ge-ivorden is, Hand. 4: 11, naar Ps. 118: 22, hetwelk velen van deze oversten vroeger zei ven wel uit Jezus eigen mond in den tempel hadden gehoord; Matth. 21 : 42.

De hedendaagsche Joden; inzonderheid hunne voorgangers, zetten die verwerping voort, in Hem niet geloovcnde. En terwijl zij Hem verwerpen, in wien al de beloften Gods ja

\') In Nederland; met Luxemburg en Limburg, maar zonder do koloniën , telt men ruim 05.000, in Amsterdam alleen meer dan 20.000 Joden. Pressel in Herzorgs Real-Encykl. XVII. S. 382 fl\'. De Standaard 1875, no. 1086 neemt in\'t geheel zeven a acht millioen aan. Anderen, b. v. Niedner, tien millioen.

62

-ocr page 87-

§ 24. DE JODEN.

on amen zijn, verwerpen zij meteen het Evangelie der vervulling, het Nieuwe Testament en houden zich alleen aan het eerste deel der Goddelijke openharing, het Oude Testament, hetwelk zij intusschen , van wege hun ingeworteld verkeerd begrip van den Messias en van de verlossing, niet verstaan , daar zij Hem er niet in vinden van wien deze Schriften getuigen.

Hooren wij Paulus over hen. Hij zegt Rom. 10 : 1 — 4; Broeders, de toegenegenheid mijns harten en het gebed dat ik tot God voor Israël doe, is tot hunne zaligheid. Want ik geef hun getuigenis, dat zij eenen ijver tot God hebben, maar niet met verstand. — IJver voor God is goed, mits hij niet tegen Christus zij. „De Joden hadden en hebben ijver zonder verstand , wij Christenen helaas dikinaals verstand zonder ijverquot; (Flacius). Maar booze ijver, furie, wordt niet goedgemaakt door onwetendheid, zelfs niet door goede bedoeling. Zal iemand wagen de Joden te ontschuldigen dat zij Christus gekruisigd, dat zij tegen de Apostelen gewoed hebben, dat zij alles in het werk hebben gesteld om het Evangelie te verdelgen ? ontschuldigen met dat zij toch naar hun inzien voor God ijverden? Weg met alle voorwendselen van eene goede bedoeling, roept hier onze Calvinus gt;) uit; wanneer wij God van harte zoeken, laat ons dan den weg volgen langs welken men alleen tot Hem komt. Want , gelijk Augustinus zegt, het is zelfs beter op den weg voort te hinken, dan van den weg af hard te loopen. En nu der Joden weg ?

63

Want, vervolgt de Apostel, alzoo zij de rechtvaardigheid Gods (die God in Christus schenkt) niet kennen en hunne

\') Calvin. Commentar. in Epist. ad. Rom. 10: 2.

-ocr page 88-

§ 24. DE JODEN.

eigene gerechtigheid zoeken op te richten, zoo zijn zij der rechtvaardigheid Gods niet onderworpen (aan welke men zich onderwerpt door in Christus te gelooven), Want het einde der wet is Christus , tot rechtvaardigheid eenen iegelijk die gelooft. Het doeleinde der wet is Hij, want naar Hem wijst zij, tot Hem leidt zij ; hare voleinding en dienvolgens haar uiteinde is Hij , want Hij heeft haar vervuld en vervult haar in de zijnen. De Jood, die in Christus niet gelooft, verstaat de wet niet.

Eigenaardig teekent de Apostel deze verblinding der Joden 2 Kor. 3; 14, 15, waar hem het deksel of de sluier van Mozes een beeld is van dat deksel , hetwelk voor de geestesoogen der Joden hangt en hen verhindert, hij het lezen hunner Heilige Schriften haren zin en haar doel en het einde der wet, namelijk Christus te erkennen. Hij denkt aan die merkwaardige gebeurtenis, die Ex. 34 ; 29 v.v. verhaald wordt, zinvol teeken zoowel van de heerlijkheid als van de vergankelijkheid des Ouden Verbonds, tastelijk bewijs tevens dat noch die heerlijkheid , noch deze vergankelijkheid door het volk werd ingezien.

Namelijk als Mozes de laatste maal van den berg Sinaï afkwam, glinsterde het vel zijns aanschijns zoo zeer , dat de kinderen Israels het niet konden aanzien, weshalve hij het moest bedekken, wanneer hij met hen sprak. Die glinstering was een afglans van de heerlijkheid des Heeren, in wier nabijheid hij op den berg was geweest en van de heerlijkheid der dingen, welke hij daar had gezien en gehoord en aldus van de heerlijkheid zijner bediening. Maar de kinderen Israels waren bij hunne grovigheid niet bekwaam deze heerlijkheid in te zien en de Goddelijke en hemelsche dingen te verstaan. Zij kondon inzonderheid het einde of het

64

-ocr page 89-

§ 24. de joden.

doel van het vergankelijke lovietische priesterschap, dat is de heerlijkheid dos eeuwigen Priesters, die zich daarin ceni-germate afspiegelde , niet zien en hadden nog weinig besef van de zaak zelve of van het wezen der beelden.

En aldus bleef het in de volgende tijden hij het grootste gedeelte des volks. Waren zij gezeglijk geweest, zij zouden door het Woord der Profeten al meer ingelicht zijn geworden. Maar hunne zinnen zijn verhard geworden, zegt de Apostel. Er kwam een deksel voor hunne harten: zij hebben Hem , diens heerlijkheid Mozes op den berg zag, zelfs toen niet erkend, toen Hij vleesch geworden was en onder hen woonde. Want tot op den dag van heden, schrijft de Apostel van zijnen tijd, blijft hetzelfde deksel in het lezen des Ouden Testaments zonder ontdekt te worden, hetwelk door Christus te niet gedaan wordt. Maar tot den huidigen dag toe, wanneer Mozes gelezen wordt, ligt een deksel op hun hart. Daar ligt het deksel : het ligt niet meer op Mozes aangezicht, niet op de hoeken van Mozes, maar op het lezen van dezen door de Joden , hot ligt op of over hun hart uitgebreid gt;). Zoolang zij Christus niet erkennen, zien zij het doel en aldus het einde van het Oude Testament niet in. Tot Christus bekeerd verstaan zij het, daar Hij het einddoel er van is, gelijk de Apostel v. 16 verzekert: Doch zoo wanneer het (namelijk hun hart) tot den Heer zal bekeerd zijn, zoo wordt het deksel weggenomen. Door bekeering wordt de waarheid verstaan.

\') Dit wordt v. 15 aangeduid door «n met den accusativus. In v. 14 is als subject bij Kxrxpysïrxi te denken gt;? Trxhxix dixifayi wegens v. 7 : rijv — xxTxpycvftéuw, v. 11 : ra

kxtxpyovpmv in tegenstelling van to /iivov, v. 13: to tshoe, toü xxTxpyou/tévoj. Te lezen on, niet o, ti.

Gravcmoijor, Gcrof. Gel. leer. 5

65

-ocr page 90-

§ !24. ÜE JODEN.

De tegenwoordige staat der Joden en hunne toekomst is geteekend bij den profeet Hosea 3:4,5: Want de kinderen Israels zullen vele dagen blijven zitten zonder koning en zonder vorst en zonder offer en zonder opgericht beeld en zonder efod en terafim. Daarna zullen zich de kinderen Israels bekeeren en zoeken den Heere hunnen God en David hunnen koning — namelijk in Christus, in wiens verschijning en eeuwige heerschappij de beloften, aan David gegeven, eerst ten volle bewaarheid worden \') — en zij zullen vree-zende komen tot den Heere en tot zijne goedheid in het laatste der dagen. — Dat zij weer in hun land zullen komen , is de meening des Geestes niet in die plaatsen der Heilige Schrift, waar velen bij eene al te letterlijke opvatting der Godspraken dit lievelingsdenkbeeld vinden 2).

In de Christenlanden hebben zij vele voordeelen van het Christendom getrokken en er uitwendig veel van aangenomen s), doch de eigenaardige grondtrekken van hun karakter en hun voorkomen daarbij behouden en tot Christus zijn zij daardoor niet nader gebracht. Slechts enkelen worden er bekeerd. Wel komt het met hen eenmaal tot eene al-gemeene bekeering, maar voor hen die dan op aarde leven.— „Ofschoon zij van hun eigen, vroeger zoo gezegend land verstoken zijn , heeft de Heere hen toch ook in het tij-

\') E. W. Hengstenberg, Christologie des Alten Testaments 111,8.133.(1835.)

2) B. v. Jer. 3: 18. Ez. 37 : 21 e. a. Hengstenberg a. W. Ill, S. GO ff, wijst den rechten weg aan , op welken ook onze Uandteekenaars reeds wandelden. Vergel. Hengstenberg Ev. Joh. 4 : 21. I. S. 266.

a) Dit wordt nog al hoog opgevijzeld door Pressel in Herzoqs Real.-Ene. XVII; S. 381 f.

66

-ocr page 91-

§ 24. DE JODEN. DE MOHAMMEDANEN.

delijke niet zoo kort aangebonden, dat zij door gebrek gedrongen waren, hunne handen tot een vreemden God op te heffen. En het hapert ook anderszins niet aan sporen, hoe Gods hart nog altoos op dit volk gericht is. Het is waar, gelijk men zich het Christenvolk niet naar den groven, ruwen hoop moet voorstellen, maar naar het kleiner edel deel dergenen , die God in Geest en waarheid aanbidden: zoo moet men ook het volk der Joden niet naar datgene schatten, wat van bedrog en aardschen zin uit den grooten hoop van hen meest in de oogen valt, maar men moet ook aan de verborgenen onder hen gedenken, die onder menige belijdenis van hunne en huns volks zonden op den raad des Heeren, op hetgeen Hij met hen voorheeft, merken en zijne beloften te gemoet gaanquot; \').

2. Mohammedanen, aanhangers van Mohammed, moer dan 130 millioen. Mohammed was geboren in de stad Mekka in Arabië 571 n. C.

Terwijl onder de Arabiërs afgoderij, bijzonder sterrendienst met allerhande bijgeloof heerschte, vestigde zich in hem onder veelvuldig verkeer met Joden en ook met enkele Christenen de idee: er is maar één God. Deze idee , in hem gerypt, ontvonkte zijne vurige ziel en liet hem niet meer rusten. Hij zonderde zich af in de eenzaamheid, kreeg daar visioenen en eindelijk de Goddelijke openbaring, naar hij geloofde, dat hij geroepen was om Gods gezant en profeet te zijn en den dienst van den éénen God te vestigen en met kracht te verbreiden 2). Toen trad hij op en predikte

\') C. H. Rieger, kurze Betrachtungen über die zwölf kleinen Propheten. Herdr. Stuttg. 1835. S. 10.

2) Twee voorname momenten dus in zijne ontwikkeling: a. de macht der monotheistische Godsidee die hem met eene

67

-ocr page 92-

§ 24. DE MOHAMMEDANEN.

in het aloude heiligdom , de Kaaba te Mekka, in zijn veertigste levensjaar, 611 n. G. Van daar moest hij vluchten 622, welk jaar vervolgens als het eerste gerekend werd in do jaartelling der Muzelmannen. Daarna veroverde hij Mekka, liet de Kaaba van alle afgodsbeelden en schilderijen reinigen en verhief haar ten heiligdom van den nieuwen Godsdienst i).

De leer van Mohammed heet hldm (onderwerping) en is vervat in den Koran, het heilige boek, in hetwelk al de openbaringen , die hij naar zijn voorgeven had ontvangen, beschreven zijn. Zijne volgelingen heeten Muzelmannen, van Muslim , dat zegt die zich onderwerpt, namelijk aan den wil van God. Mohammedanen noemen zij zich zeiven niet J).

Zij staan huiten en tegen het Christendom. Want de Isltim mist of verwerpt juist wat het wezen des Christen-doms uitmaakt: de behoefte aan een Verlosser en aan verlossing is er volstrekt uitgesloten. Een drieëenig God was aan Mohammed vreemd, de leer van de Drieëenheid verwierp hij met afschuw 3). Alles waardoor het Christendom, van hetwelk hij slechts gebrekkige kennis had , zich wezenlijk onderscheidt van het Joodsche standpunt, stiet hij van zich

kracht aangreep als geenen anderen en b. zijne bijzondere roe-ping tot profeet, die de anderen niet voelden. Vergel. Th. Nöldeke in Herzogs Real-Enc. XVIII, S. 771.

\') Herzogs Real-Enc. XVIII, S. 792. Scholten, Gesch. der Godsd. en Wijsb. p. 51.

\'2) Herzogs Real-Enc. XVIII, S. 811.

:,) Ihr sollt nicht sagen Drey , (spricht Muhamed). Enthal-tet Euch dieses Ausdrucks. Allah ist der Einzige; fern also sey es, ihm einen Sohn beyzulegen.quot; — „Die Unglaubigen sprichen: Allah ist dor Dritte von Dreyen. Es ist aber Kein Gott, ausser Allah.quot; Zie Augusti, Handb. der Chr. Archüologie II. S. 15. f.

68

-ocr page 93-

§ 24. DE MOHAMMEDANEN.

en zag het als eene vervalsching aan van de oorspronke-lÜke leer van Jezus. Hij geloofde niet, dat Jezus („Isaquot;) werkelijk gekruisigd was, maar wel dat Hij bovennatuurlijk van de maagd Maria was geboren, wonderen had gedaan en ten Hemel was gevaren. Jezus was, verklaarde hij, zijn voorlooper geweest, grooter dan al diens voorgangers. Tot op hem, Mohammed, was het plicht geweest, betuigde hij, zich aan Jezus leer te houden en de Joden hadden, door Hem te verwerpen, zich zwaar bezondigd; maar hij zelf was de laatste profeet, aan wien alle menschen tot aan de opstanding moesten gelooven. Van Jezus verwierp hij don naam „Zoon Godsquot; als afgodisch. De aanhangers van Jezus hebben, zeide hij, diens leer misvormd, weshalve Hijzelf in het jongste gericht tegen hen zal getuigen. Bij het laatste oordeel zal naar den Koran God tot Jezus zeggen: o Jezus , zoon van Maria, hebt gij tot de menschen gezegd: „neemt mij en mijne moeder tot twee Goden aan behalve God ?quot; En Jezus roept God tot getuige aan , dat Hij dit niet heeft geleerd: „ik heb hun niet gezegd dan wat gij mij bevolen hebt: eert God mijnen Heer en uwen Heer\')!quot;

Terwijl Mohammed in zijne leer van God, h\\] Aiens persoonlijke eenheid, de idee der almacht voorop stelde, eene almacht als onbegrensde willekeur gedacht, eene willekeur die voor den mensch een onbuigbaar, onvermijdelijk noodlot is en bij hem geene redelijke vrijheid laat bestaan, eischte hij vereeviny van dien God door blinde overgeving aan zijnen wil, door slaafsche gehoorzaamheid met velerlei bijzondere uitwendige handelingen, als opzegging van gebeden, vooral en gemeenschappelijk op den geheiligden dag, vrijdag, die

\') Neander, Algctn. Gesch. der chr. Rel. und Kirche. III. Band. S. 120.

69

-ocr page 94-

§ 24 DE MOHAMMEDANEN.

70

er intusschen geen rustdag om is, vasten gedurende de negende maand (Ramadan) met geheele onthouding van alle spys en drank iederen dag van den opgang der zon tot haren ondergang. Daarbij werden in \'t gemeen zekere spijzen verboden , als het vleesch van zwijnen, honden en van andere onreine dieren , ook het genot van bloed ; voorts van wijn volstrekt, naar Mohammeds bedoeling van alle bedwelmende dranken. De besnydenis van halfvolwassen knapen werd niet door Mohammed ingevoerd, maar bleef als een oud Arabisch gebruik bestaan. Werken van weldadigheid beval hij krachtig aan: een bepaald deel van zijn vermogen moet een ieder voor de armen geven — als eene schatting. Het karakter van de zedenleer des Islams is eigene gerechtigheid en wel zeer uiterlijk en ruw opgevat. Maar tot de plichten van de Muzelmannen behoort helaas vooral ook de heilige oorlog tegen de ongeloovigen i) : verdelging van de afgodendie-naars, overreding of persing van Joden en Christenen tot bekeering. Doch geene inquisitie.

Niet ten onrechte heeft men het onstuimig doorbrekende Mohammedanisme beschouwd als eene proef van het Heidendom om zich onder uitwendig monotheïstische gedaante tegen het Christendom staande te houden en het gansche ongebroken wezen van den natuurlijken mensch tegen den Geest der wedergeboorte en vernieuwing te bevestigen en te stijven i). Het is eene religie op fanatisme gebouwd en daarom altijd gevaarlijk. Ware humaniteit kan hare vrucht niet zijn, ja is onvereenigbaar met haar, die stelselmatig al de-

\') Nöldeke in Herzogs Real-Enc. XVIII, S. 813 (. 2) A. Wuttke, Handb. dor chr. Sittenlehic 1, 107.

-ocr page 95-

§ 24. DE HEIDENEN.

genon, die haar niet willen belijden, als vijanden beschouwt , welke uitgeroeid moesten worden.

3. Heidenen. Terwijl de Christelijke religie, die buiten Europa het meest in Amerika verbreid is, tot nog toe door niet meer dan een vierde van de 1200 tot 1300 millioen aardbewoners beleden wordt, maken de aanhangers der Heidonsche religie omtrent 800 rnillioen uit.

De Schriftuurlijke beschouwing van het Heidendom is, dat de Heidenen in hunne blindheid goden dienen, die geheel niet bestaan. Zoo Ps. 96 : 5: want al de goden der volken zijn afgoden (hebr. nietigheden), maar de Ileere heeft hemelen gemaakt. Toen deze psalm eerst gezongen werd en nog lang daarna werd de ware God, de Schepper, alleen in een kleinen hoek der aarde, in Judea gekend en geëerd, terwijl de wereld rondom vol van afgoden was; waarvan iedere landstreek hare bijzondere had — een bewijs, herinnert Culvijn , dat men verkeerdelijk uit de overeenstemming der menigte de waarheid eener religie afleidt.

Velen hebben , in navolging van de meeste kerkvaders \') aan de goden der Heidenen een werkelijk bestaan toegekend of dit althans in de Schrift gevonden »): de goden der Hei-

\') Merkwaardige plaatsen uit dozen geeft {7slt;m, Entwickel. des Paulinischen Lehrbegriiïcs. 5te Ausg. S. 421 ff.

2) Usteri, a. W. S. 419 schrijft aan Paulus toe vermenging van Heidensche daemonologie niet Joodsche , I Kor. 10: 20, „waar de Heidensche afgoden genoemd worden.quot; Niet

beter Dahne , Entwick. des paul. Lehrbegr. S. 97 : „de daemo-nen of booze engelen hadden naar Paulus soortgelijk als naar de Alexandrijnsche Godsdienst-philosophie zich als goden der Heidenen opgeworpen.quot; Desgelijks Meijer, zu I Kor. 10: 20, die zelfs van Usteri 1. c. en anderen, Ps. 95 : 6 in pl. v. Ps. 96 : 5,

71

-ocr page 96-

§ 24. DE HEIDENEN.

denen zouden booze geesten geweest zijn. Maar het waren „nietigheden.quot; Dat ook Paulus de werkelijke existentie der Heidensche goden geenszins beweert, blijkt uit 1 Kor. 8:4; wij weten, dat een of god niets is in de wereld. En bevestigt de Apostel l Kor. 10 : 20 ; dat hetgeen de Heidenen offeren , zij den duivelen offeren niet Gode ; en ik wil niet dat gij met de duivelen gemeenschap hebt, namelijk door aan de Heidensche offermaaltijden deel te nemen : zoo wil hij in geenerlei wijs daarmede te kennen geven, dat de afgoden werkelijke wezens waren. Dat ontkent hij zelf met nadruk v. 19: wat zeg ik dan? dat een afgod iets is ? of dat het afgodenoffer iets is ? Maar wel geeft hij te verstaan, dat, wie aan den afgodendienst deelneemt, zich daardoor in verbintenis stelt met de booze geesten , dienvolgens dat de afgodendienst onder onmid-delharen invloed van het rijk der duisternis staat en in dezen zin een eigenlijke duivelendienst is \').

Deze waarheid; dat de afgoden huiten de beelden geheel niet bestaan is juist de grondslag , waarop de levendige bestrijding en bespotting van den afgodendienst bij Jezaja in het tweede deel zijner Godspraken (van kap. 40 aan)

(naar de Vulgata) mede overneemt. Ook onze Kantteekenaars op I Kor. 10: 20: „vele van de Heidensche goden, die zij door hunne beelden eerden, waren booze geesten,quot; met verwijzing naar Lev. 17:7 waar (bokken) en Deut. 32 : 17 waar

(heeren^baiils) staat. Ook naar Roos , Einleit in die bibl. Ge-schichten. Herdr. Tiibing. 1838, III ,3. 144 ff. waren de Seïrim en de Schedim daemonen.

1) Zoo te recht Hengstenberg, Gommentar uber die Psalmen IV. I, S. 49. Gesch. des Reiches Gottes unter dem A. B. II. S. 37. f. En v. G er lach zu I Kor. 10: 20.

72

-ocr page 97-

§ 24. UE HEIDENEN.

berust. Aldus ook Hoofdstuk 44, waarbij v. 9—20 de dwaasheid van de afgoderij treffend ten toon stelt.

De Heere, de leidsman Israels, vraagt zijn volk: is er ook een God behalve mij P immers er is geen ander rotssteen, ik ken er geenen. En dan v. 9: De formeerders van gesnedene heelden zijn al te zamen ijdelheid (daar zij eerst hunne goden maken , dan hen dienen) en hunne gewenschte dingen (de afgoden) doen geen nut (geven hun dat niet om hetwelk zij ze zoo liefhebben) ; ja zij zeiven (de formeerders en dienaars der afgoden) zijn hunne (der afgoden) getuigen (namelijk dat dezen , hun eigen maaksel, niets zijn): zij (namelijk de afgodendienaars, zie v. 18) zien niet en zij weten niet, daarom zullen zij beschaamd K orden. 10. Wie formeert eenen god en giet een beeld , dat geen nut doet ? (een beeld , ja , laat zich beitelen of gieten , maar wie dan alleen een onzinnige maakt het om een god te zijn, en wel een god die dan daarstaat en geen leven heeft?) 11. Zie, al hunne medegenooten (die er aan arbeiden) zullen beschaamd worden, ivant de werkmeesters zijn uit de menschen (sterfelijk en zwak, die daarom ook geenen god maken kunnen) : dat zij zich allemaal vergaderen , dat zij opstaan, zij zullen verschrikken , zij zullen te zamen beschaamd worden (wanneer de levende God het werk hunner handen maar aanraakt, verstuift het).

a. De dwaasheid blijkt uit den moeilijken arbeid, die er noodlg is om eenen god te maken : ijzersmid en houtsnijder moeten er met inspanning aan werken. 12. De ijzersmid maakt eene bijl en werkt in den gloed en formeert het (ijzer tot eene bijl) met hameren en werkt het met zijnen sterken arm; ook lijdt hij honger (om maar

73

-ocr page 98-

§ 24. DE HEIDENEN.

do bijl klaar te krijgen) totdat hij \'krachteloos wordt, hij drinkt geen water, totdat hij onmachtig u ordt (zoo ijverig arbeidt hy aan de bijl; mot welke het hout voor oenen afgod zal gehouwen worden ! Spijs en drank kan alleen de ware God hem geven). 13. De timmerman trekt het richtsnoer uit, hij teekent het af met den draad (met de stift), hij maakt het {elfen ] met de schaven en teekent het met den passer en maakt het naar de beeltenis eens mans , naar de schoonheid van een mensch, dat het in het huis llijve (om in het huis te zitten, waar het beeld gestold wordt. Daar zit dan in zijn huisje of in zijnen tempel de gemaakte god !)

b. Nog meer springt de bespottelijke dwaasheid in het oog, wanneer men op de stofe ziet, waaruit do God gemaakt wordt. Do fabrikant moet eerst oenen boom vellen , ja de boom moet eerst groeien , ton einde hout te leveren. 14. Als hij zich cederen afhouwt (hij gaat heen om zich coderen af te houwen), zoo neemt hij, (of hij kiest) eenen cijpreshoom of eenen eik en hij versterkt zich (dien, laat hem sterk worden) onder de boomen des wouds , hij plant eenen olmboom en (niet hij , maar) de regen (welken de ware God zendt) maakt dien groot. 15. Dan is\'t voor den mensch om te verbranden , dan neemt hij daarvan en warmt er zich bij, ook ontsteekt hij het en bakt er brood bij; daarenboven maakt hij er eenen God van en buigt zich daarvoor, hij maakt er een gesneden beeld van en knielt er voor neder. 1G. Zijne helft brandt hij in het vuur, bij de andere helft daarvan eet hij vleesch ; hij braadt een gebraad en hij ivordt verzadigd, ook warmt hij zich zeiven cn zegt: hei, ik ben warm geworden, ik heb vuur gezien. 17. Het overige nu daarvan maakt hij tot eenen God, tot zijn gesneden beeld; hij knielt daarvoor neder

74

-ocr page 99-

§ 24. DE HEIDENEN.

en huiyt zich en bidt het aan en zegt: red mij, want (jij zijt mijn god! (Zoo is het ook met de verfijnde afgoderij , met al wat eigenwijsheid buiten dien God, die zich in zijn Woord geopenbaard heeft, als God verziert quot;)• 18. Zij weten niet en verstaan niet, want het heeft hunne oogen hestreken , dat zij niet zien, en hunne harten , dat zij niet verstaan. 19. En niemand van hen brengt het in zijn hart en er is noch kennis noch verstand , dat hij zeggen zou : de helft daarvan heb ik verbrand in het vuur , ja ook op de kolen daarvan heb ik brood gebakken , ik heb vleesch daarbij gebraden en heb het gegeten, en zou ik het overblijfsel daarvan tot eenen gruwel maken? zou ik nederknielen voor hetgeen dat van eenen boom gekomen is ? 20. Hij voedt zich met ascJi, het bedrogen hart heeft hem ter zijden afgeleid , zoodat hij zijne ziel niet redden kan noch zeggen: is er niet eene leugen in mijne rechterhand (is het niet bedrog wat ik met mijne rechterhand werk, wanneer ik met die hand mij eenen God maak) ?

Intusschen is niet alle Heidendom van dienzelfden aard als waartegen Israels Profeten en daarna de Apostelen streden ; vele Heidensche religiën hebben bovendien mettertijd veranderingen ondergaan 2); ook zijn niet alle Heidenen evenzeer beeldendienende. Evenwel een ieder maakt zich zijnen God. Maar eenmaal zal \'t anders worden, reeds ba-

\') Cl. Harms, Thesen, 27: „Naar het oude geloof heeft God den mensch geschapen ; naar het nieuwe geloof schept de mensch God , en , wanneer hij hem klaar hoeft, spreekt hij : hei!quot; li. Stier, Jesaias. S. 159.

2) Prof. J. I. Boedes, De Leer van God p. 26. Vergel. het overzicht over de niet-monotheïstische Godsdiensten, aldaar p. 27—32. En Dezelfde, de Leer der zaligheid bl. 311.

75

-ocr page 100-

§ 24. DE HEIDENEN.

nen zich de wegen daartoe : en de Heere zal tot koning over de gansche aarde zijn; te dien dage zal de Heere één zijn, en zijn naam één. Zach. 14 : 9.

Tot zoo lang blijft er eene veelheid van religiën bestaan , die wezenlijk verschillen van de eenige ware, welke tot het eeuwige leven leidt.

§ 25. Geen zaligheid buiten Christus.

Of is dat verschil niet zoo groot? en kan men misschün bij lederen Godsdienst zalig worden ? Dit was het gevoelen der Pelagianen\'), naderhand breed uitgemeten en met kracht voorgestaan door allerhande Vrijgeesten, bijzonder door de zoogenaamde Deïsten in Engeland in de 17cie en vooral in het begin van de 18de eeuw, dan door vele toongevers in Frankrijk, maar ook door de Rationalisten in Duitschland, die volgens eenen van hunne eerste woordvoerders (Tüllner) tusschen de natuurlijke religie en de openbaring alleen een quantitatief, trapsgewijs onderscheid stelden. En zoo leeren thans in allerlei gezindten zeer velen, die dan ook de zaligheid der Heidenen aannemen als iets dat zich van zelf verstaat a).

76

-ocr page 101-

§ 25. GEEN ZALIGHEID BUITEN CHRISTUS.

Maar het Christendom is exclusief: het maakt de zaligheid vast alleen en geheel aan Christus persoon. Het is ruim, het is mild: het roept allen tot wie het komt; maar het sluit van de zaligheid uit en verklaart buiten hope die niet in Christus gelooven. Dit moeten wij vasthouden: buiten Christus geene zaligheid. Dat heeft Hij zelf betuigd in al zijn leeren. Tot Thomas zeide Hij: ik hen de weg en de waarheid en het leven. Niemand komt tot den Vader dan door mij, Joh. 14:6. Dat predikten de Apostelen. Daarvoor kwam Petrus onverschrokken uit, toen hij met Johannes , na de wonderbare genezing van den meer dan veertigjarigen kreupelgeborene , voor den Joodschen Raad stond.

Hij sprak : door den naam van Jezus Christus den Naza-rener staat deze (de kreupele, anders altijd gedragen, kon nu staan) hier voor u gezond. En de zaligheid is in geen en anderen ; want er is ook onder den hemel geen andere naam, die onder de menschen gegeven is , door welken wij moeten zalig worden , Hand. 4 : 12. Van de lichamelijke heeling maakt Petrus de toepassing op het geestelijke heil: de heeling van den kreupele was dan ook tot een teeken geschied (v. 22), dat daarop heen wees. Gelijk deze kreupele door geen ander dan door Jezus Christus is geheeld geworden, zoo is er ook geen heil voor de ziel dan in en door Hem. Eén naam , één persoon is ons van God gegeven, om onze ziel te redden van den dood; geen ander onder den hemel, voor eenig volk of mensch op de gansche aarde, zoo wjjd de hemel reikt; geen ander onder de menschen, zij mogen oversten en ouderlingen (y. 8) of bedelaars zijn als deze genezene , en niet alleen in het gansche volk Israels (v. 10)gt; maar onder de menschen , want zij zijn altemaal kranke menschen door de zonde, die onder den hemel heerscht en

77

-ocr page 102-

78 § 25. GEEN ZALIGHEID BUITEN CHRISTUS.

hen doodt. Zij hebben redding noodig en deze is in den éénen Middelaar. Zoo is er dan geene zaligheid voor eenig mensch buiten Christus.

Geen menschenkind was ooit geboren

En ook geen Engel uitverkoren ,

Die me uit mijn nooden redden kon :

Toen kwam Gods Zoon

Van zijnen troon,

Die dood en helle overwon.

Ten eenenmale ongegrond is de meening, dat dezelfde Petrus, die Hand. 4: 12 voor den Joodschen Raad zoo beslist en nadrukkelijk had uilgesproken: builen Christus geene zaligheid! daarna, geheel in strijd daarmede , in het huis van den hoofdman Cornelius te Gesarea de gelijkheid der religiën zou hebben verkondigd Hand. 10: 34; 35 : En Petrus, den mond opendoende, zeide: ik verneme in der waarheid , dat God geen aannemer des persoons is. Maar in allen volke , die Hem vreest en gerechtigheid iverkt is Hem aangenaam. Wij moeten den Apostel maar verstaan en letten in welken samenhang hij dit sprak.

Ziet, de hoofdman over honderd Cornelius te Cesarea, Jodengenoot der poort, is zoekende naar waarheid en gerechtigheid , maar hesft nog geenen vrede gevonden. Daar wordt hij in een gezicht door eonen engel Gods vermaand, dat hij Simon Petrus; die te Joppe aan de Middellandsche zee bij den leerlooier Simon te huis ligt, zal ontbieden, zijnde deze de man die hem zeggen zal wat hij doen moet. Zoodra Cornelius deze voor hem zoo gewichtige en verblijdende openbaring heeft ontvangen, zendt hij twee van zijne huisknechten met eenen krijgsknecht, die ook tot de pro-

-ocr page 103-

§ 25. GBEN ZALIGHEID BUITEN CHRISTUS.

79

selieten der poorte behoort, naar Joppe om Petrus te halen. Maar hij zal zijn doel niet bereiken en Petrus zal niet meegaan tot de onbesnedenen, zoo er niet iets bijzonders tusschen beide komt, tot verzekering voor den Apostel dat het eene roeping is van God zeiven. Doch ziet, terwijl de boden van Cornelius Joppe naderen , heeft Petrus onder zijn gebed dat merkwaardige gezicht van een vat met allerhande dieren, als een groot vierhoekig linnen laken, met touwen aan de vier hoeken uit den hemel neergelaten tot voor hem op het platte dak van zijns gast-heers huis , waar hij biddende is. In dat vat ziet hij reine en onreine dieren door elkander. Hij is zeer hongerig. Terwijl hij op het gewemel van al die veelsoortige dieren in het groote vat zijne oogen gevestigd houdt , hoort hij eene stem , die tot hem zegt: sta op , Petrus , slacht en eet! Hij weigert. Misschien ziet hij juist voorop aan den rand van het laken naast bij hem onreine dieren, een konijn , een haas, een zwijn, een arend, een kraai of een pelikaan (Lev. 11) of dergelijke , die de Israëliet niet eten mag. Hij denkt, hij wordt slechts op de proef gesteld, om te nemen van \'t geen verboden was. De stem is van den Heere. Dies antwoordt hij : geenszins, Ileere, ik heb nooit gegeten iets dat gemeen of onrein was, in de heilige wet verboden. Doch dezelfde stem doet zich ten tweede male hooren en zegt: hetgeen God gereinigd heeft, zult gij niet gemeen maken. Hier wordt van Petrus niet gevergd, iets voor rein te houden wat onrein is, maar niet langer voor onrein te houden hetgeen God voor rein verklaard en even daardoor gereinigd heeft. Hij heeft de macht, zyne vroegere verordeningen door nieuwe te vervangen en den mensch betaamt het zich in die orde te voegen.

-ocr page 104-

80 § 25. GEEN ZALIGHEID BUITEN CHRISTUS.

En opdat Petrus niet twijfelde of hij wél gezien en wél gehoord heeft, spreekt de stem nog eenmaal, dus ten dorden male tot hem. Dan wordt het vat weer opgetrokken naar den hemel, ten teekon dat. dit gezicht van God is gegeven. Terwijl Petrus op dit gezicht denkt, komen de drie mannen van Cornelius met hunne boodschap. Door den Geest gedrongen, gaat hij den anderen dag met hen naar Cesarea , verzeld van zes broeders (Hand. 11: 12) uit Joppe. Den volgenden dag , den vierden na de afzending der boden , komen zij te Cesarea aan, waar Cornelius met een gezelschap van gelijkgezinde vrienden wachtende is. Als zij zijn binnengeleid , doet Cornelius een omstandig verhaal van de openbaring, die hem was ten deel geworden en hij sluit met de verklaring: wij zijn dan nu allen hier tegenwoordig voor God, om te hooren al hetgeen u van God bevolen is. Petrus staat verbaasd. Hij ziet hier bij deze Heidenen eene oprechte en vurige begeerte naar de Goddelijke waarheid, hem gaat een licht op, hij erkent ten klaarste Gods leiding in deze gansche zaak. Terwijl hij het vertrek vol menschen aanschouwt, aan wie hij prediken zal, is dit hem een beeld van de heidenwereld en hij weet nu wat dat vat vol dieren beteekent, hetwelk hem is vertoond geweest, en als in verrukking roept hij uit: ik verneme in der waarheid , dat God geen aannemer des persoom is , maar in allen volke , die Hem vreest en gerechtigheid werkt is Hem aangenaam. Daarop gaat de Apostel voor de vergaderden den vrede door Jezus Christus verkondigen. — Petrus is geen syncretist, geen religiemenger , hij verklaart niet de religiën maar de natiën gelijk voor God. Hij zegt niet: „hij iedere religiequot;, maar „in alle volkquot; is Gode aangenaam, aannemelyk, aanneem-

-ocr page 105-

§ 25. GEEN ZALIGHEID BUITEN CHRISTUS.

baar\'), wordt door Hem op- en aangenomen in zijne gemeente een iegelijk, die Hem vreest en gerechtigheid werkt. Dit zegt Petrus met het oog op dezen Cornelius, een man rechtvaardig en vreezendc God (Hand. 10 : 22), doch hij spreekt dit meteen uit als eene algemeen geldende waarheid. Met dit God vreezen en gerechtiyheid werken bedoelt de Apostel intusschen niet zoo iets wat genoeg is tot rechtvaardiging des menschen voor God , maar eene ernstige godsdienstige gezindheid en een daarmee overeenkomend gedrag, een werk van Gods voorbereidende genade, die de zoekenden dan ook tot het geloof in Christus brengt. Bovendien was Cornelius wel van geboorte een Heiden , maar nu een Jodengenoot, wel niet der gerechtigheid, niet in Israël door besnijdenis ingelijfd, maar toch een Joden-genoot der poort, die door middel van de Joden wist van den waren God en van de nietigheid en boosheid der afgoderij ; ook mocht de prediking van Philippus te Cesarea (Hand. 8 : 40) hem meer opmerkzaam en begeerig gemaakt hebben. Petrus wil dan geenszins zeggen, dat in alle volk een ieder , die slechts zijne zedelijke krachten recht aanwendt , daardoor de zaligheid erlangen kan, dat men dus ook zonder het Christendom , zonder Christus, Gode kan behagen en dat het onverschillig is, tot welken Godsdienst men behoort en ivat men gelooft , indien men slechts uitwendig onberispelijk en deugdzaam leeft: want dan had Cornelius maar een Heiden kunnen blijven, dan had Petrus niet behoeven te komen om hem Jezus te verkondigen met de nadrukkelijke verklaring vs. 43 : Dezen geven getuigenis al de Profeten , dat een iegelijk, die in Hem gelooft,

1) StHTOf.

Gravguieijor, Gerei\'. Gol. loer. 0

81

-ocr page 106-

82 § 25. GEEN ZALIGHEID BUITEN CHRISTUS.

vergeving der zonden ontvangen zal door zijnen naam; de Apostel had dan aan Cornelius moeten zeggen : hij zou maar Mj zijne gezindheid volharden. Aan Cornelius en die even als hij gezind waren zou nu juist de weg bekend gemaakt en geopend worden, op welken zij rechtvaardig voor God en zalig worden konden. Men zegge dus niet: alle religiën zijn even goed; zelfs niet: het is onverschillig , tot welke Christelijke partij men behoort en hoe men het Evangelie opvat. Men denke aan het ernstige woord van Paulus Gal. 1:8: al ware het ook, dat wij of een engel uit den hemel u een Evangelie verkondigde huiten hetgeen wij u verkondigd hebben , die zij vervloekt.

Het gezegde van Petrus Hand. 10, 35 is zelfs misbruikt tot de bestrijding van de noodzakelijkheid der Zending, door er uit af te leiden : dat een ieder, ook ieder Heiden op zijne eigen manier zalig kan worden. Zoo zuigt de spin uit de schoone bloem venijn, waar de bij honig uit haalt. „Maar dit blijft eene vaste waarheid : zoo gewis Jezus Christus de weg , de waarheid en het leven is voor allen die in de banden der zonde verstrikt ^ijn , zoo zeker zijn de menigerlei religiën der Heidenen niet óók goede bijwegen, die zoowel als Christus , de rechte weg , ten hemel leiden , maar de verdwaalden moeten hoe eer hoe beter op den rechten weg gewezen wordenquot;«).

§ 26. Afwijkingen binnen het Christendom.

Niet alle belijders van het Christendom hebben zich trouw

\') B. St. Steger, die protestant. Missionen. Hof und Wun-siedel. 1838. S, 146.

-ocr page 107-

§ 26. AFWIJKING.

aan de Heilige Schrift gehouden, velen zijn afgeweken.

Hetgeen Jezus zelf Matth. J 3 gesproken heeft van de verschillende aarde, ia welke het zaad des Woords valt en van de verscheidenheid der vruchten die het voortbrengt^ inzonderheid wat Hij daar geleerd heeft in „de gelijkenis van het onkruid des akkersquot; is een waarachtig beeld van de Kerk , eene teekening , aan welke hare gedaante in de geschiedenis en ondervinding volkomen gelijkt. Reeds vroeg begon het onkruid van velerhande dwaling te woekeren in gemeenten, die door de Aposlelen zeiven geplant waren. De gemeenschappelijke grond der dwalingen was de zonde, de natuurlijke verdorvenheid , die zich dan, gelijk ook naderhand altoos , of als bijgeloof of als ongeloof openbaarde , welke beiden , waar zij niet gestuit werden, hunnen verderfelijken invloed naar alle zijden op het gebied des denkens en des levens met kracht verspreidden. Tot het Christendom overkomende brachten Joden in zich zeiven den Jood, brachten Heidenen den Heiden, beiden hunnen ouden mensch mede en, waar deze niet afgelegd maar weer aangekweekt werd met zijne eigene, ingewortelde meeningen en neigingen, ontstonden leer-en levensvormen strijdig met het Apostolisch leerbegrip der Kerk en waar menige leden der Kerk zich lieten verleiden om dezelfde dwaling te volgen , ontstonden sekten.

Intusschen behield de Apostolische kerk in het algemeen haar oorspronkelijk karakter, zuiverheid van leer en in de bediening der sacramenten getrouwheid aan de instelling van Christus ; en hoezeer vele lahgdurige twisten haar beroerden , bewaarde zij toch over het geheel hare eenheid meer dan vijf eeuwen lang. Zij was wel verdeeld in eene veelheid van lands- en provinciaalkerken met menigerlei

83

-ocr page 108-

§ 26. AFWIJKING.

eigenaardigheden in leerwijs en liturgische gebruiken , in bestuur en zeden in het Oosten en Westen, maar zij waren verbonden door een gemeenschappelijk geloof in alle wezenlijke punten en zochten vreemdsoortige bestanddeelen te weren of weg te doen en juist dit was het voornaamste doel van al den geloofsstrijd dier dagen.

Maar sedert de zesde eeuw verloor de Kerk meer en meer haar oorspronkelijk karakter in 1 eer, leven en bestuur. Leeringen strijdig tegen Gods Woord , bijgeloovige en verderfelijke grondstellingen , zeden en gebruiken in de ooster-sche en westersche landen vonden, hoewel niet zonder weerstand van verlichte leeraren , in den loop der tijden al meer ingang en verbreiding. Daarbij kwam de toenemende wereldschgezindheid der geestelijken, vooral der bisschoppen te Borne en te Konstantinopel, die met elkander om den voorrang streden, hetwelk eindelijk tot eene ge-heele scheiding der Oostersche of Grieksche en Westersche of Latijnsche Kerk leidde , daar de paus Leo IX en de patriarch Michael Cerularius in het jaar 1054 de eene over den anderen en over de kerken, wier hoofden zij waren, den banvloek uitspraken\').

84

Tot de onschriftuurlijke, verderfelijke leeringen en gebruiken, bijzonder door de Pa«lt;se« begunstigd of ingevoerd, behoort vooral de aanroeping van Heiligen, voornamelijk van Maria en de vereering van hunne overblijfsels en beelden, de transubstantiatie en daaronder het misoffer, hetwelk de kern werd van den Katholieken kerkdienst en aan het

\') Dr. Aug. Hahn, das Bekenntnisz der Evangel. Kirche in seinem Verhaltn. zu dem der Rüm. und Griech. Leipz. 1853. S. 15-18.

-ocr page 109-

§ 26. ONSCHRIFTELIJKE LEEU1NGEN EN GEBRUIKEN. 85

priesterdom al hoogeren glans verleende i), in verband met den vond van het vagevuur, bij plechtig decreet aan do vaste goederen van den paus gehecht») met de aflaten ter verzachting of geheele bevrijding der zielen van de pijniging in dien tusschenstaat.

De zaligheid uit genade werd , vooral door den invloed der Pelagiaansche leer al meer verdrongen door iverkhei-ligheid. Er ontstond een stelsel van boetedoeningen , onthoudingen , zelfpijnigingen , afzonderingen : monnikenen kloosterleven, gegrond op de verdienstelijkheid der goede werken , onder welke men uiterlijke daden, wettische verrichtingen verstond, terwijl men het goede buiten en niet binnen het hart des menschen plaatste. De geestelijkheid en de monniken werden de kanalen , door welke men de genade Gods moest ontvangen. De zaliging, aan de hand van God ontnomen , viel in de handen der priesters, die zich stelden in de plaats van Christus. Zielen, die naar schuldvergeving dorstten , moesten van nu aan niet meer opzien naar den hemel, maar naar de Kerk en bovenal naar haar voorgewend hoofd.

De menigte werd blind gehouden, het licht dat alle dingen openbaar maakt, werd haar ontrukt door het Bijbelverbod , daar het lezen der Heilige Schrift in de landstalen of bemoeilijkt en onder het toezicht der kerkelijke overheid gesteld of geheel verboden werd.

Eene voorname bron van allerhande kwaad was het klimmend gezag der Pausen te Rome, Av pauselijke heerschap-

\') Hagenbach , Lelirb. der Dogmengeschichte. S. 464. 2) Merle d\'Aubigné, Gesch. der Hervorming in de zestiende eeuw. Vert, door J. Oudijk v. Putte. 1, bl. 19.

-ocr page 110-

§ 26. PAUSDOM.

pij. Nadat het averochtsche begrip van de noodzakelijkheid eener zichtbare eenheid der Kerk was doordrongen, ontstond ook het denkbeeld van de noodzakelijk eener uitwendige vertegenwoordiging van deze eenheid en in den geest der Roomsche bisschoppen werd de gedachte, dat hun als die de opvolgers van den Apostel Petrus waren , de hoogste leiding der gansche Kerk toekwam , voortgaande al klaarder en bepaalder gevestigd !)•

Eindelijk heeft Gregorius VII de idee van het pausdom volledig ontwikkeld en het naar al deszelfs grondtrekken afgeteekend. En ofschoon hij zelf gedurende zijne regeering (1073—1085) zijn plan niet kon verwezenlijken, zoo was toch vervolgens in den loop der tyden het pausdom eene voortgezette poging om zijn ontwerp uit te voeren, met inachtneming van den wisselenden staat der zaken.

Volgens hem heeft God, ten einde aan den godsdiensti-gen zin als het goede beginsel, met overwinning van het kwade, de alleenheerschappij te verschaften, twee hoogste machten ingesteld, de wereldlijke en de geestelijke; doch verhoudt zich de wereldlijke macht tot de geestelijke slechts als hot ontleende licht der maan tot het licht der zon. De bisschop van Rome is de opvolger van Petrus, den prins der Apostelen, is de plaatsbekleeder van Christus op aarde, de algemeene bisschop, dien alleen de naam Paus (Papa, Vader 2) toekomt. Hij is het representeerende opperhoofd der

\') Neander , Allgem. Gesch. der Ghr. Rel. u K. liter Bd., S. 238.

2) Papa hot eerst door den Roomschen bisschop Siricius (384) als ambtstitel gebruikt; sedert Leo den Gr. (440) ofliciëel; sedert Greg. XII uitsluitend. Augusti, Handb. der Gh. Archüol. I ,

86

-ocr page 111-

§ 26. PAUSDOM.

Roomsch-Katholieke Kerk ; haar hoogste, onfeilbare wetgever en opperste bestuurder. Hij is de hoogste in eere en staat ook boven de wereldlijke regenten. Hij draagt eene drievoudige kroon \'). Als grondstelling, zoo verderfelijk in hare gevolgen, geldt bij de Pausgezinden dit: „de erkenning van den Paus is het kenmerk der gemeenschap met de alleen-zaligmakende Kerk , de afwijking van hem eene scheiding van Christus.

§ 27. Getuigen der waarheid.

Intusschen werd de waarheid nooit geheel verduisterd: God zorgde dat het licht te geenen tijde geheel werd uitgedoofd.

Het ontbrak in geen tijdperk aan troostrijke bewijzen , dat de Heere zijne kerk niet had verlaten en zijn Geest nog in haar werkte ; dat er , gelijk eens in de dagen van Elias die zevenduizend die de profeet niet kende (Rotn. 11:4. 1 Kon. ÏS) •. \\amp;), nog waarachtige aanbidders \\SlI\\GoA waxen die hunne knieën niet bogen voor de afgoden van hunnen tijd. Bij het grootste verval waren er duizenden zielen, die,

S. 188. Men heeft in den naam Papa willen vinden ; ^ater patriae , p. ^atrum, p. ^astorum, vader des vaderlands, v. der vaderen , v. der herders; ook: Petri ^lpostoli Potestatem ^cci-piens, die de macht des Apostels Petrus ontvangt!

\') Tiara tribus coronis ornaia, een diadeem met drie kronen versierd , ziende volgens sommigen op de strijdende , de lijdende en de zegepralende kerk , volgens anderen een teeken van de tvereldlijke en de geestelijke macht over alle geestelijke en wereldlijke overheid. II. F. Jacobson in Herzogs Real-Ene. XI, S. 92.

87

-ocr page 112-

§ 27. GETUIGEN DER WAARHEID.

vergeten en onbekend in de wereld , niettemin deel hadden aan het ware leven in Christus quot;).

Meer vereenigd openbaarden zich als zoodanigen sedert de tweede helft van de twaalfde eeuw de Albigenzen in het zuidelijke Frankrijk en de Waldenzen in Piëmont. Maar dan traden ook uit den kring der Geleerden enkele mannen op als getuigen der waarheid en lieten hun licht te midden van de duisternis helder schijnen en dezen waren de voorloopers van de hervormers, die de oude Apostolisch-katholieke kerk herstelden.

Bijzonder Johannes WicLef, hoogleeraar der Godgeleerdheid te Oxford in Engeland. In de leer streng volgeling van Augustinus, verhief hij de stem tegen de vele misbruiken der toenmalige kerk. Beslist is bij hem opgesteld het grondkenmerk van het meer volledige hervormingsbegrip ; de Heilige Schrift de eenige autoriteit, boven alle Pausen. Hij stierf den 31 Deo. 1384.

Hieronymun van Praag en iets later Johannes Hus 1) waren de eerste verbreiders van Wiclefs leeringen en schriften in Boheme. Hieronymus , trouwe vriend van Hus , geleerder dan deze, had na andere beroemde hoogescho-len ook Oxford bezocht, waar hij Wiclefs leer en werk leerde kennen. Hij verbond zich ten laatste te Praag nauw met Hus, die aldaar hoogleeraar aan de universiteit en prediker in de Bethlehemskerk was. — Hus voorzag dat er eene geheele hervorming der kerk aanstaande was. Toen hij, uit Praag verdreven , in het land rondzwierf en scharen hem volgden en aan zijne lippen hin-

88

1

) Aldus is zijn naam te schrijven naar Th. Pressel inlicv-zog\'s Roal-Enc. V!, S. 324.

-ocr page 113-

§ 27. GETUIGEN DER WAARHEID.

89

gen , sprak hij: de boozen hebben eenen strik gespannen voor de gans {Hus beteekent gans in het Boheemsch). Maar was hij slechts eene gans , die geen hooge vlucht neemt, en toch losgebroken uit hunne netten , or zouden andere vogels, stouter van vlucht en grooter van kracht, arenden en scherpziende valken eerlang worden uitgezonden : eene voorzegging, die door de hervormers vervuld werd \'). — Op de kerkvergadering te Constanz in Baden werd Rus na eenige verhooren ter dood veroordeeld en den 6 Juli 1415 verbrand. — jEfteroraymMs was mede naar Constanz gekomen, om zijnen vriend Hus bij te staan. Gevlucht, gevangen , gemarteld, herriep hy uit menschenvrees zijne leer en moest daarbij zelfs de veroordeeling van Hus goed noemen. Maar wederom aangeklaagd nam hij zijne herroeping terug en kwam onverschrokken voor de waarheid uit. Daarop sprak de vergadering het vonnis over hem uit (30 Mei 1416) en hij onderging met hoogen moed den vuurdood.

In dezelfde eeuw , de vooreeuw der Hervorming , drong in Duitschland Thomas van Kempen , kweekeling van de scholen der Broederen des gemeenen levens, op een leven in de liefde des Heeren aan, ook in het geschrift Van de navolging van Christus, sedert 1415 bekend geworden en alom in allerlei talen verspreid. Johannes van Wesel, 1482 in den kerker omgekomen, verkondigde eene leer, in welke hij even zoo wijd als Wiclef en Hus van de verdorven kerkleer afweek. Maar onder al de voorloopers der Hervorming blonk het meest uit Johannes Wesel Gansfort, bijgenaamd „het licht der- wereld ,quot; leeraar der Godgeleerdheid aan de hoogescholen te Heidelberg, Keulen,

\') M. d\'Aubignê, a. W. I, bl. 48.

-ocr page 114-

§ \'dl. GETUIGEN DER WAARHEID.

Leuven, Parijs en eindelijk in zijne vaderstad Groningen tot 1489. Toon Luther naderhand zijne schriften las, verklaarde deze met verwondering, dat Wessel in alles hetzelfde geleerd had als hij. In zijn voetspoor trad zijn landsman en leerling Rudolf Ayricola , leeraar van Erasmus , gestorven 1485. Inmiddels getuigde in Italië do vurige llieronymus Savonarola van de rechtvaardiging uit genade door het geloof in den Zune Gods, „die alleen onder de menschen geweest is zonder zonde.quot; Pijnbank en brandstapel maakten een einde aan zijn bedrijvig leven 1498.

In Duitschland bereidde ook Johannes Recldin (Gap nio) mode den weg voor de Hervorming door krachtige bevordering en verspreiding van de studiën der Grieksche en Hebreeuwscho talen en door zijn moedig en zegevierend verzet tegen de Dominicanen. Luther achtte hem hoog, wijl hij „in \'s Heeren hand het werktuig wps geweest , dat het licht der Heilige Schrift zou doorbreken in datzelfde Duitschland, waar het gedurende zoovele eeuwen niet slechts onderdrukt maar bijkans uitgebluscht was geweest.quot; Hij stierf 1521.

Een voorlooper van de Hervorming in de Hervorming, meer niet, was Desiderius Erasmus van Rotterdam, een dubbelhartig man, ongestadig in al zijne wegen, die ten laatste niet meer wist, aan welke partij hij zich zou houden. „Het is gevaarlijk te spreken, zeide hij, en het is gevaarlijk te zwijgen i).quot; Hij was geen man vol des geloofs en des Heiligen Geestes , als Luther. Als Gamaliël wilde hij de beweging laten begaan maar bleef er zelf buiten en ver-

\') M. d\'Aubignc , a. W. 1, bl. 77.

90

-ocr page 115-

§ 27. GETUIGEN DEK WAARHEID.

wijderde zich er al verder van: „hij wilde vrede, maar ook ten koste der waarheid. Als er verdrukking kwam of vervolging om des Woords wil , werd hij terstond geërgerd en trok zich terug\').quot; Daarvoor miste hij dan ook den hemelschen troost, welken God uitstort in de harten dergenen ; die zich als goede strijders voor Christus betoonen. Hij leetde tot 1536.

Kerkhervormers.

Luther. Hetgeen in de voorbereidende vonniny van Luther lot Reformator beslissenden invloed oefende was hetzelfde, dat daarna geheel het werken van hem als Reformator bepaald heeft: de religie was hem zaak des harten. Zoo ontwikkelden zich onder Gods leiding uit zijne inwendige ervaring in het eigen zedelijk bewustzijn de twee grondye-dachten van zijn navolgend leven: van het geloof bi Christus en het vertrouwen op diens verdienste als den eenigen grond der zaligheid en het geloof aan de Heilige Schrift als de eenige kenhron der heilswaarheid. Hetgeen hem eerst in den strijd met zich zeiven klaar was geworden, dat drong hem aanstonds om op te komen tegen iedere richting die daarmee in tegenspraak stond. Dat hij het eerst tegen den aflaat zich keerde , hing van uitwendige aanleiding af.

Martinus Luther was de zoon van Johan Luther, een ijverig mijnwerker, en Margaretha Lindemann, eene god-vreezende huismoeder ; geboren \'s avonds voor St. Maarten den 10 November 1483 ; te Eisleben, eene kleine stad in

\') Mr. Groen van Prinsterer, Handb. der Gesch. van het Vaderl., 4de druk, bl. 71.

91

-ocr page 116-

§ 27. KERKHERVORMERS. LUTHER.

Saksen, waar zij zich neergezet hadden om in het zweet des aanschijns hun brood te winnen. Den dag na zijn geboorte, Dinsdag, werd het kind gedoopt en Martijn genoemd naar den naam van dien dag.

Veertien jaren oud kwam hij op de Franciscaner-school te Maagdonburg, waar hij armlijk leven moest; een jaar daarna te Eisenach, waar de jeugdige scholier mot zijne schoolmakkers van huis tot huis moest gaan zingen voor een stuk broods en waar hij in stede van brood vaak harde woorden ontving. Daar nam Ursula, de vrouw van Coenraad Cotta , „de godvruchtige Sunamietischequot; , zich zijner aan.

Op de Hoogeschool te Ert\'urt zag hij, nu twintig jaren oud, voor de eerste maal een geheelen Bijbel (in het Latijn), terwijl hem tot dusver niet dan uittreksels uit de Evangeliën en Brieven, voor den zondagsdienst bestemd, bekend waren. Zijne aandacht werd, opmerkelijk, het eerst bij de geschiedenis van Hanna en den jongen Samuël bepaald (1 Sam. 1 en 2).

Door twee voorvallen werd hij diep getroffen. Zijn vriend Alexis was vermoord. De vraag rees bij hem op en beang stigde hem : wat zou er van mij worden, wierde ik ook eens zoo onverwachts opgeroepen ? — In den zomer van het jaar 1505 bezocht hij, tijdens de vacantie der Hoogeschool, zijne ouders te Mansfeldt. Op de terugreis werd hij overvallen door een hevig onweder. Hij dacht niet anders dan dat zijne laatste ure was gekomen en deed eene gelofte, dat hij, zoo hij nu bewaard bleef, de wereld verzaken en zich geheel aan den dienst van God wijden zou.

Hij werd monnik in het klooster der Augustijnen te Ert\'urt ; vervolgens tot priester gewijd; en eindelijk door den Keurvorst Frederik van Saksen tot professor aan de pas

92

-ocr page 117-

§ 27. LUTHER.

opgerichte Hoogeschool te Wittenberg aangesteld. Daar begon hij te prediken.

In het iaar 1511 werd hij naar Rome afgevaardigd in de belangen van zeven kloosters zyner orde. In het goddelooze spottende Rome schonk God hem licht over het fundamen-teele leerstuk des Christendoms van de rechtvaardiging des zondaars alleen door het geloof in Jezus Christus.

Doctor der Heilige Schriften geworden, had hij met eede gezworen „de Evangelische waarheid met alle macht te verdedigenquot;, eene roeping, die de voorname oorzaak werd van de vernieuwing der Kerk. „Want het eenig en onfeilbaar gezag van het Woord van God was het formeele beginsel der Hervorming. Elke hervorming van ondergeschikten aard, die later werd tot stand gebracht in leer, tucht of bestuur der Kerk en in haren eeredienst, was slechts een gevolg van dit eerste beginsel\'). —

93

De 31slt;e October 1517. Die dag wordt terecht aangemerkt als de geboortedag van het nieuwe leven der Kerk, als het eigenlijke begin der Hervorming. Toen namelijk kwam Luther tot een moedig besluit, om openlgk tegen den verkoop van aflaat op te treden, die voornamelijk door den dominicaan Johan Tetzel onbeschaamd gedreven werd. Op het midden van dien dag, daags voor het feest van Allerheiligen sloeg hij aan de deur van de kerk Allerheiligen te Wittenberg zijne vijfennegentig theses of stellingen aan, met de verklaring dat hij bereid was, ze den volgenden dag tegen allen, die er tegen op mochten komen, in het openbaar te verdedigen. — Niemand, verscheen. Maar met wonderbare snelheid werden de stellingen alom verspreid. En dit

\') M. d\'Aubigné, a. W. I, bl. 134 v.

-ocr page 118-

§ 27. MELANCHTON.

was de geringe aanvang van het groote werk, waarvoor nu en niet eer naar Gods raad de tijd was gekomen en hetwelk zich niet meer stuiten liet.

Waren deze stellingen voornamelijk tegen het misbruik der aflaten gericht, zij behelsden tevens het grondbeginsel, dat eenmaal het gebouw des pausdoms zou omverwerpen: do evangelische leer van de vergeving der zonden bij God door zijne vrije genade in Christus en de noodzakelijkheid van bekeering; geloof en heiliging des menschen was daarin uitgesproken en met nadruk aangedrongen. „Alle dwalingen moesten vallen voor deze waarheid. Door haar was het licht geworden in het gemoed van Luther en evenzeer zou door haar het licht verspreid worden over de kerkquot; \').

94

Een geestverwant en krachtig medestander van Luther was Philippus Melanchton (een grieksche naam, hem door Rechlin gegeven in plaats van zijn eigen naam Schwartzerd, „zwarte aardequot;), geboren 1497 te Bretten, eene kleine stad in de Beneden-Paltz in het Groothertogdom Baden. Reeds in zijn dertiende levensjaar bezocht hij de Hoogeschool te Heidelberg, verkreeg in zijn zeventiende jaar de waardigheid van Magister of Leeraar in de Wijsbegeerte en werd 1518 Hoogleeraar voor het Grieksch te Wittenberg. Tusschen Luther en Melanchton vestigde zich daar al inniger vriendschap. Sedert het twistgesprek tusschen Luther en den Roomschen Doctor Eek op den Pleisseburg te Leipzig 1519, hetwelk Melanchton als toehoorder bijwoonde, werd deze meer beslist voor de Hervorming gewonnen en sinds diende hij haar met zijne uitstekende gaven. Hij was inzonderheid hiertoe geroepen, om op den door Luther gelegden grond het

\') M. d\'Auhignê, a. W. I, bl. 186;

-ocr page 119-

§ 27. ZW1NGLI. CALVIJN.

werk der Reformatie te bevestigen en voort te zetten zoowel door verdediging en ontwikkeling van de Evangelische leer als door handhaving van hel recht dor Evangelische Kerk naar buiten en door organisatie of regelmatige inrichting naar binnen. — In de Heilige Schrift waren zijne lievelingsplaatsen, ook bij zijn einde (1560), Ps. 24. 25. 2G. Jez. 53. Joh. 1. Joh. 17. Rom. 5 quot;).

In Zwitserland trad met groote kracht als Reformator Ulrich Zxvinli op , geboren 1484 te Wildhaus. Priester en prediker te Einsiedeln verhief hij zijne stem, bijzonder sedert den aanvang des jaars 1518 tegen de bijgeloovig-heden en misbruiken in de kerk, vooral tegen den aflaat-handeL Daarop (1519) prediker te Zurich, verklaarde hij aanstonds, niet dan het zuiver Evangelie te willen leeren. Hij stierf, na het ontbranden van den Zwitserschen godsdienst-oorlog , in den slag by Kappel , tot welken hy als veldprediker mede was uitgetogen den llden October 1531, met de woorden : „het lichaam kunnen zij wel dooden, de ziele niet.quot; — In den korten tijd van nog geen dertien jaren had hij in Zurich onder den zvvaarsten tegenstand eene geheele hervorming der kerk, in leer, inzettingen en leven doorgezet en er den stempel zyner eigenaardige persoonlijkheid op gedrukt »).

Het schitterendste licht, dat in die eeuw aan den kerkhemel opging , was Johannes Calvinus , geboren 1509 te Noyon in de Picardie in Frankrijk. Streng van karakter, begaafd met een doordringend verstand en diepzinnigen geest, muntte hij reeds vroeg door zedelijken ernst, door stipte godsdienstigheid naar vaderlyke wijze en door buiten-

\') Landerer in Herzogs Real-Enc. IX, S. 275.

a) Gilder in Herzogs Real-Enc. XVIII, S. 759.

95

-ocr page 120-

§ 27. GALVIJN.

gewone geleerdheid uit. Toen hij , negentien jaren oud , zich ter studie te Parys bevond •) omringd door ijverige vrienden van het Evangelie, te midden eener machtige beweging ter zake van den Godsdienst, werd hij zelf door den Geest Gods aangegrepen. Ofschoon door onderricht in de ware leer, bijzonder door zijnen bloedverwant Oli-vetanus , en door eigen zorgvuldig lezen der Heilige Schriften voorbereid, geschiedde toch zijne verandering plotseling. Althans hij zelf bekent *) : „toen ik aan de bijge-loovigheden van het Pausdom hardnekkiger verslaafd was, dan dat ik lichtelijk uit zoo diepe modder kon worden uitgetrokken, heeft God mijn hart, dat naar mijne jonkheid maar al te zeer verhard was, door plotselinge bekeering bedwongen tot gehoorzaamheid\'\' aan zijn Woord. — Uit Frankrijk geweken, gaf hij te Bazel 1536 zijne iw-stüutio of Onderwijzing in de Christelijke Religie uit s). — Door den ijverigen prediker Farel bezworen om hem in den dienst des Woords bij te staan , trad hij te Genève op i). Doch den burgeren en den Raad te Genève viel het juk der tucht weldra te hard en reeds 1538 werd Galvijn met de beide predikers Farel en Garaud verbannen, werkte te Straatsburg met Bucerus onder de Fransche vluchtelingen, keerde echter 1541 naar Genève terug op de dringende uitnoodi-

\') In dezen tijd wordt zijne bekeering gesteld door M. d\'Au-biyné, Gesch. der Herv. in Eur. ten tijde van Galvijn, I, p. 300; in later tijd door Herzog in de Real.-Ene. II, S. 511. \'2) Comment, in librum Psalmorum ed. Tholuck. Praef. p. IX. :l) Niet 1535 in de Fransche taal, maar 1536 in het Latijn. Herzog in de Real-Enc. XIX, S. 307. Merle d\' Auhigné. Herv. ten tijde van Galv. lil, bl. 116 , 122.

4) Calv, Comment, in Ps Praef. p. X.

96

-ocr page 121-

§ 27. CALVIJN.

ging van de tot inkeer gekomen Genovers, vatte daar met krachtige hand de neergelegde taak weer op en bleef er voortarbeiden standvastig, onbewegelijk, altijd overvloedig in het werk des Heeren tot aan zijn plechtig sterven den 27sten Mei 1504. Zijn arbeid is niet ijdel geweest. Door hem werd Genève de metropole, de moederstad der Gereformeerde Kerk. Wijd en zijd verspreidde zich zijn licht, vooral ook door zijne uitnemende verklaringen van de Heilige Schrift, en de Gereformeerde Symbolen of I3elijdenis-schriften van het midden der lüde eeuwe aan dragon meer of min het merk van zijnen geest \'). — In sommige leerpunten stond Galvijn wijder van Zwingli af dan van Luther1).

§ 28. Protestanten. Scheiding binnen de Hervorming.

Zij, die de Roomsche dwalingen verwierpen en de leer der Hervorming aannamen, zijn helaas niet vereanujd gebleven , maar hebben zich , ofschoon in de hoofdzaak eeniy, in twee kerkgenootschappen gescheiden , het Luthersche en het Gereformeerde, binnen welke beiden vervolgens ook wederom velerlei verschil in gevoelens en richtingen is ontslaan, bevorderd door verslapping van de leertucht, gevolgd door ontevredenheid van velen over den staat en gang der zaken bij een opgewekt streven naar iets beters a).

97

1

) Medner, Lehrb. der Ch\'r. Kirchengesch. S. 695.

:l) Aangaande de Afscheidings-quaestie hier te lande {Christelijke Gereformeerde Kerk) dienl behartigd de verstandige eu bezadigde aanteekening van W. H. Gispen, de Geloofsbelijde-

Gravemoüor . Gcrcf. (iel. loer. 7

-ocr page 122-

§ 28. PROTESTANTEN.

Het was op don (tweeden) rijksdag te Spiers in Rijn-beieren in het jaar 1529 , voorgezeten door don Room-schen koning Ferdinand, broeder van keizer Karei V, dat zicli hot eerst hot bestaan van eene Evangelische Kerk te kennen gaf. Daar gaven de hervormingsgezinde leden van de rijksvergadering een merkwaardig geschrift over , eeno door hen onderteekende akte, oen Protest (tegenspraak , verzet) tegen de tor wering van alle aanvallen op de Roomsche Kerk genomen besluiten. Van dat Protest is de onderscheidende naam Protestanten afkomstig, dien de „onroomschequot; Christenen in het algemeen dragon. In dat Protest i) verklaarden zij plechtig „dat zij in religiezaken zich niet konden onderwerpen aan alles wat maar door meerderheid van stemmen 2) op eenige vroegere of tegenwoordige vergadering was vastgesteld, maar dat zij aan de Heilige Schrift alleen beslissend gezag toekenden en deze voor de eenige bron der waarheid hielden.quot; In dit hoogstgewichtige Protest was nu al het vroegere protesteeren van enkelen (want ook in de duisterste tijden waren er protestanten geweest) als het ware belichaamd; een protest zoowel tegen den invloed van de ivereldlijke macht, wanneer

nis der Ned. Gcref. Kerk toegelicht. 2de druk. bl. 210. v. Ook

dit: In elk geval kan niemand volmaakte kerkelijke toestanden aanwijzen of met volstrekte uitsluiting van anderen zich op het bezit van de alleen zaligmakende waarheid beroepen,

\') Een eigenaardig voorleeken hiervan was, dat op den eer-sten rijksdag te Spiers 1520 allen , die daar in het gevolg dei-Evangelische vorsten waren , op de rechtermouw geborduurd de letters droegen; V. D. M. I. Ae , d. i. Verbum Domini Manet In Aeternum , het Woord des Heeren blijft in eeuwigheid. M. d\'Au-higné, Herv. in de lOe eeuw. IV, bl. 4.

-\') Schenkel in Herzogs Ueal-Enc. XII , S. 2511

98

-ocr page 123-

§ 28. PROTESTANTEN.

99

dio misbruikt wordt, als tegon het gezng der Kerk, indien dit in dwang ontaard. Voor het geweten en het geloof des harten vermag de eene sterveling den andere geene wetten te geven: het Woord van God alleen is regel. Dat werd daar ofliciëel verklaard. Het was een sprekend bewijs, dat deze protesteerenden, die voor Gods- Woord en de vrijheid des gewetens tegenover de Roomschen zoo moedig uitkwamen , door éénen Geest gedreven werden en de ware eenheid des geloofs bezaten, daar zij, bij verschil in bijzaken, innig overeenstemden in de hoofdzaak, „livenzoo hadden de Joden ten tijde des Zaligmakers wel vele synagogen , maar toch slechts éénen gemeenschappelijken tempelquot; i). — Bij den naam „Protestantquot; moet men de oorspronkelijke beteekenis er van, die hij ook naderhand bij alle getrouwen behouden heeft, niet uit het oog verliezen: „verzet tegen, afwijzing van alle gezag in Godsdienstzaken in den naam der Heilige Schrift!quot; Waar men dit laatste, het beroep op de Heilige Schrift, varen laat en aldus maar protesteert, is men geen Evangelisch Protestant, maar slechts „een geest, die steeds ontkent.quot;

De grond van het recht om te protesteeren werd uitgedrukt door de benaming „ Evangelischenquot;. Dit werd bij voorkeur do naam der volgelingen van Luther, door den Landgraaf Philippus van Hessen („Evangelisch Verbondquot; 152G) in gebruik gebracht. — De naam Gereformeerden ontstond in Frankrijk en werd aanvankelijk door de Roomschen aan al „de invoerders der nieuwighedenquot; gegeven. - Persoonlijke benamingen waren de vroegste : Lxdheranen, Zwinglianen, Calvinisten, om aan te duiden dat men hen voor sectarissen

\') ü/. d\'Atihignê, Heiv. in de 16e eeuw. IV, p. 03.

-ocr page 124-

100 § !Ü8. PROTESTANTEN. HOOMSGHEN EN GlUEKSCIIEN.

hield. De Protestanten zeiven hebben deze persoonlijke namen slechts gedeeltelijk aangenomen ; de Zwitsers geheel niet. üe Lutheranen hebben niet zeiven het eerst zich aldus genoemd ; het waren de Roomschen die hun dezen naam gaven, het eerst in het jaar 1519 (in een geschrift van Dr. Eek). Luther verwierp deze benaming reeds in een schrijven tegen Eek uit den Wartburg ; naderhand namen de voorstanders van zijne gevoelens dezen naam als oenen eerenaam over ten gevolge hunner scheiding van de Zwitsers en ter vereering van Luther. —

De Protestanten staan als zoodanig over tegen de/^oomsc/t-Katholieken en de Griekschen. De Grieksche Kerk, die zich noemt de Orthodoxe, is behalve in Griekenland en in eenige ileelen van Turkije, voornamelijk in Rusland gezeteld, waar zij de staatskerk is. Bij de Bussen werd onder hunnen vorst Wladimir den Groote (980—1015) , die eerst een ijverig Heiden was geweest, het Christendom ingevoerd en wel naar de wijs der Grieksche kerk. Toen namelijk door zijne groote veroveringen zijn naam tot verre heen was bekend geworden, kwamen er, dus wordt er verhaald, afgezondenen van verscheiden volken , van de Mohamedaansche Bulgaren aan de Welga, van de Joodsche Chazaren en van de Grieksche en Latijnsche Christenen tot hem, om hem voor hunne religie te gewinnen. Hij besloot gezanten af te vaardigen, om nader naar de verschillende eerediensten te verstaan , ten einde uit dezen eene keus te doen. Toen nu de vier afgevaardigden te Konstantinopel kwamen en de plechtige godsdienstoetening op een hoog feest aldaar bijwoonden, maakte hetgeen zij daar zagen en hoorden op hen een machtigen indruk, nog meer dan wat zij te Home hadden aanschouwd. Het bericht, dat zij hunnen vorst daarover

-ocr page 125-

§ 28. LUTUEHANEN EN GEREFORMEERDEN, 101

gavon ; bepaalde dezen, het Christendom naar de Grieksche wijze aan te nemend-

De Protestanten hebben zich verdeeld in Lutheranen en Gereformeerden. — De eeramp;te aanleiding ter scheiding tus-schen de Saksische en Zwitsersche hervorming werd reeds vroeg door Karlstadt gegeven, een van de leidslieden eener partij , die zich met Luthers hervormingswijze niet vergenoegden , terwijl de Zwitsers tusschen beiden intraden. De diepere grond tot deze scheiding lag in de verschillende opvatting der heilige Schrift: bij Luther al meer leltorlijk , bij Karlstadt mystiek-rationalistisch , bij de Zwitsers prac-tisch, strevende naar klaarheid der gedachten. Het Avondmaal, waarover 1524 do twist uitbrak, was slechts één voorbeeld van deze verschillende zienswijzen. Vruchteloos werd vereeniging beproefd.

Gereformeerden.

Op eigendommelijke grondslagen in de opvatting der leer en in godsdienstige denkwijze, in bestuur en in deneeredienst heeft, nevens de Luthersche zich de Gereformeerde Kerk gevormd ; twee zusters , van ééne moeder geboren, met eenigszins verschillend karakter, doch beiden één in de groote zaak tegenover Rome, beiden vasthoudende en belijdende het formeele Hervormingsbeginsel: „geen traditie , geen Pauselijk geloofsgezag, maar do Heilige Schrift alleen kenbron der zaligmakende waarheidquot; en het materiëele : rechtvaardiging en zaliging alleen uil genade door liet go-loof in Jezus Christus en niet door eenig eigen werk.

\') Neander. Algem. Gesch. derClir. Rel. u. K. IVter Bd. S. 81.

-ocr page 126-

102 § 28. GEREFORMEERDEN. DE BELIJDENIS.

Op dit tweevoudig beginsel werden ook in Nederland Gereformeerde (Hervormde) Kerken, gemeenten gevestigd, innig vereenigd door eenheid des geloofs met de geheele Gereformeerde Gezindte, met de Kerken van Genève , Frankrijk , de Paltz , Engeland en Schotland. Zij hebben zich gekenmerkt in hare Belijdenis, als uitdrukking van hot gemeenschappelijke geloof op grond der Heilige Schrift; Belijdenis des geloofs der Gereformeerde Kerken in Nederland; in 37 artikelen, uitgegeven 1561, opgesteld door Guido de Brez , die , glasschilder van beroep, wegens zijn geloof naar Londen gevlucht, van daar als reizend prediker wederkeerde en in het jaar 1567 den marteldood stierf. „Op hare samenstelling heeft de Geneefsche Reformatie onder Galvijn den moesten invloed gehadquot; i). In deze geloofsleus door de Brez gegeven, vonden de hervormingsgezinden in Nederland hun geloof uitgedrukt en zóó werd zij allengs erkend en aangenomen, bijzonder op de Synode te Antwerpen 1566, doch reeds op de Synode der Gereformeerden te Armentiers 1563 werd bepaald dat do ouderlingen en diakenen de Belijdenis des Geloofs zouden ondertoekonen J).

Bij de Belijdenis des Geloofs komt als kenmerkend leer-schrift dor Gereformeerden de lleidelhergsche Catechismus, vervaardigd op last van den vromen Keurvorst Fredorik III van de Paltz door Zacharias UrsinuH, Iloogleeraar te Hoi-dolberg, die een leerling was van Melanchthon, en Caspar Olevianus, Predikant aldaar, die aan de voeten van Galvijn had gezeten. Beiden leverdon do stof, maar Olevianus was

\') Groen Van Prinster er, Handb. p. 54. 190. 2) J. J. Van Toorenenhergen, de Symbolische Schriften der Ned. lleiv. Kerk, bl. XVI.

-ocr page 127-

§ 28. DE HEIDELBERGSCHE CATECHISMUS. 1U3

de eigenlijke bewerker \') van dit voortrelïelijk gesclirift, hetwelk 1563 in de Hoogduitsche taal werd uitgegeven en in de Paltz als leerboek ingevoerd. In hetzelfde jaar werd de Catechismus te Einden in het Nederduitsch uitgegeven, door een onbekenden vertaler. Maar in het jaar 1566 verscheen de vertaling van F. Dathenus , tegelijk met zijne Psalmen, en deze is het die nu drie eeuwen lang door de Hervormden in Nederland is gebruikt i). Met groote begeerte werd de Catechismus hier ontvangen. Hij werd niet opgedrongen , maar honger naar de woorden des levens, verlangen naar „den eenigen Troostquot; deed de handen naar dit kleinood uitstrekken. De Catechismus was leerboek, maar werd Belijdenisschrift. Als zoodanig werd hij voor de geheele Ne-derlandsche Gereformeerde Kerk erkend op de Synode van Dordrecht in het jaar 1619.

Liturgische s) Schriften, formulieren hij Kerkelijke plecit-tic/heden, bij Doop, Avondmaal, bevestiging van dienaren des Woords enz. Door Johannes a Lasco, een krachtig bevorderaar van de reformatie, was er reeds in het jaar 1554 te Frankfort eene Liturgie uitgegeven ten dienste derWaal-sche en Duitsche Hervormden , met wie hij uit Engeland wegens de vervolgingen door koningin Maria derwaarts was

\') Prof. J. I. Doedes, De Heidelb. Gatech. in zijne eerste levensjaren ; p. 180. J. J. WH Toorenenbergen, Symb. Schriften p. XXI.

2) Doedes, a. W. bl. 92. J. J. Van Toorenenbergen, a. W., p. XXIII en p. 07.

:\') AsiTOupymó?, van Xsirot; , liet volk (Afa?\'} aangaande en spyov, werk. Dus Xtircupyix\'. ieder werk of dienst in openbaar belang. Vervolgens uitsluitend; godsdienstige, priesterlijke handelingen en eindelijk van de handeling overgebracht tot hetgeen bij de handeling gesproken werd, gebeden , zegenspreuken enz. l\'abner in Herzogs Real -Ene. Vlll, S. 430 f.

-ocr page 128-

§ 28. UTUKG1SCHE SCHRIFTEN.

gevlucht. Naderhand bij het toenemen der kerken in de Nederlanden werd er een nieuwe Nederlandsche Liturgie opgesteld, dezelfde , behalve eenige latere veranderingen die nog gebruikt wordt, in welke veel van a Lasco, doch het meeste uit de Paltzsche Liturgie is overgenomen, dio te gelijker tijd met den Heidelbergschen Catechismus was uitgegeven misschien door dezelfde bewerkers, in het Hoog-duitsch en in het Latijn. Tot de Nederduitsche Kerken in Nederland werd deze Liturgie overgebracht door Petrus Dathenus , die ze te gelijk met den Heidelbergschen Catechismus en de Psalmen in het jaar 1566 uitgaf\'). — Do liturgische Schriften , vooral de Formulieren voor de bediening der Sacramenten en voor de bevestiging van Leeraren, Ouderlingen en Diakenen, zijn noodzakelijk: want wordt hier alles aan het vrije woord des bedienaars overgelaten, dan is daarbij de gemeente geheel aan de willekeur en bijzondere gevoelens van dezen prijsgegeven. Zij zijn yewigtig : zij dienen voor de gemeente niet alleen om te hooren, maar om mede te spreken en mede te bidden, daarom moeten het formulieren zijn, aan de gemeente bekend »). Inzonderheid het voorlezen van de formulieren hij Doop en Avondmaal is eene hoogst belangrijke handeling: de gemeente, die ze kent of voor oogen heeft, spreekt bij zich zelve mede en betuigt daar wat zij, aangaande deze instellingen en hetgeen daarmede in verband staat, gelooft. Hot is dus iederen keer een gemeenschappelijk belijden hij monde van den wettigen bedienaar, die door de Kerk is geordend. — Belang-

\') Joh. Ens, Kort hist. Bericht van de publ. Sclirillen p. 170—172. Doedes. a. W. p. 90.

Palmer in Herzogs Real.-Ene. VIII , S. 437. 439.

104

-ocr page 129-

§ 28. LEEHREGELEN.

rijk zijn ook de Vier Proef vragen \') bij de voorbereiding tot het Nachtmaal, in zaak en zin overeenstemmend met do 81ste Vraag van den Heidelbergschen Catechismus.

De Canones of Leerregelen van de Nationale Synode te Dordrecht 1618 en 19 J) zijn een aanhangsel van de Geloofsbelijdenis en den Catechismus, om sommige artikelen, in die beiden wel vervat, maar niet uitvoerig voorgesteld, breeder te verklaren en duidelijker te bepalen s). Op grond enkel van Gods Woord (het formeele beginsel der Hervorming) is daarin het gevoelen der Remonstranten veroordeeld en do leer van vrije genade en van rechtvaardiging alleen om de verdiensten van Christus (het materiëele beginsel) gehandhaafd, toegepast op de vijf toenmalige verschilpunten tusschen de Remonstranten en de Contraremonstranten : 1. de Goddelijke verkiezing en verwerping ; 2. de dood van Christus en de verlossing der menschen door denzelven ; 3. en 4. des raenschen verdorvenheid en hekeering tot God en derzelver manier ; 5, de volharding der heiligen. — De uitspraak der Synode werd als het gevoelen der Gereformeerde Christenheid erkend en de Canones ») behooren tot de Formulieren van eenigheid in de Nederlandsche Hervormde Kerk.

\') Prof. Van Oosterzee, Christel. Dogmat. I, p. 30, wil ze mede tot de Symbolen der N. H. kerk geteld hebben. Doch zie Scholten, L. d. H. K. I. p. 43.

\'2) Groen van Prinsterer, Handb. p. 215 v.v.

■\') ./. ./. Van Toorenenbergen, De Symb. Schriften, p. XXIV.

4) De Canones werden als leer erkend, ook in Friesland, hetwelk immers zelf op de nationale Synode ruim vertegenwoordigd was {Dogerman, pred. te Le\'euwarden , zelfs voorzitter) , maar de Kerkordening (in de Nahandelingen) vond bij de Staten van Friesland tegenstand. Scholten, de Leer der Herv. Kerk 1 , p. 52—55. Het liemonstrantsch beginsel behoort niet als ook Gereformeerd erkend te worden. 1b. p. 56—62.

105

-ocr page 130-

1ÜG § 28. GEWICHT DER FORMULIEREN VAN EENIGHE1D.

Gewicht der Formulieren van eenigheid.

Do Formulieren van eenigheid, Si/mholische Schriften, Belijdenisschriften zijn noodig en dienstig voor de Kerk.

1. Als verklaring van hare opvatting der Heilige Schrift, betuiging niet slechts waarin zij de waarheid heeft gezocht, maar ook welke de uitkomst van haar onderzoek is geweest ; wederwoord aan God op zijn Woord , weerklank van Gods Woord uit het hart zijner belijdende gemeente. Eene Kerk zonder belijdenis is een lichaam zonder mond.

2. Als regel voor hare leeraren en onderwijzers: niet. geloofsregel , maar regel van prediking en onderwijs in Kerk en School, ü. Als onder scheiding steeken van haar tegenover andere Kerken , inzonderheid als Frotestantsche gemeenschappelijk en eenstemmig met de Luthersche tegen de Roomsche Kerk , voorts als iïederlandsche Gereformeerde ter onderscheiding ook van de Luthersche zusterkerk. De Christelijk-Protestantsche belijdenissen zijn verschillende vaandels der onderscheiden afdeelingen van het groote Frotestantsche leger, gelijk de banieren der stammen Israels : zonder veldteekens is er geen orde en loopt alles door elkander. 4, Als band van eenigheid in de Kerk zelve. Dit was van den beginne aan het voorname doeleinde der Belijdenissen. „De leden eener Kerk rokenden zich aan haar belijdenis gebonden; niet uit slaaf-sche ingenomenheid met menschenwerk; niet in tegenspraak met het beginsel der Hervorming , dat de Bijbel , geheel de Bijbel en niets dan de Bijbel de grondslag is van het geloof; maar dewijl zij in de Formulieren van eenigheid de hoofdpunten en groote omtrekken der Evan-

-ocr page 131-

§ 28. FORMULIEREN VAN EENHJHEID.

gelie-leer uitgedrukt vonden , niet naar het goedvinden van rnenschen , maar overeenkomstig Gods Woordquot; i).

a. De Bijbel is en blijft kenbron en regel des geloofs. Maar bij den strijd der partijen kan hij als leertype niet dienen: ieder ketter heeft er zijn letter. — b. Do leer is de ziel \') en hel leven eener Kerk in \'t gemeen. Door eene belijdenis verkrijgt zij haar merk, hare individualiteit. Geen Kerk kan bestaan zonder eene (jemecnschappelijke leer s), dus zonder Symbool , geloofsleus. — c. Formulieren van eenigheid, kerkelijke Belijdenisschriften zijn noodzakelijk als garantie , waarborg , zekerstelling ». voor den Staat: opdat die van de belijders wete wat hij er aan heeft; [3. voor de yemeenten »): om niet omgevoerd te worden met allen wind der leer, maar zelve te kunnen toezien en nagaan of hut schip den rechten koers boude ; y. voor de leeraren : tegen verkeerde eischen van uit hunne gemeente en tegen onrechtvaardig oordeel s).

Behartigenswaardig is wat iemand nopens de Protestant-sche Belijdenissen in het gemeen heelt aangemerkt: Wij moeten ons wachten met de vooruitgangsmannen deze belijdenissen zonder meer voor verouderd en afgedaan te ver-

) Groen van Prinsterer, Handb. p. 53. 190,

-) En de tucht is haar voor zenuwen. Queinadtnodum salvi-fica Ghristi doctrina anima est ecclesiae 7 ila illi disciplina pro nervis est: qua fit ut membra corporis suo quodque loco inter se cohaereant. Calv, Inst. IV. 12. 1.

3) Scholten, Leer der H. K., 1, p. 1(3. Van Gertach zu Matth. 16: 18.

„Geene Kerk roept hare Evangeliedienaren om haar geloof te bestrijden quot; Van Oosterzee, Ghr. Dogin. 1, p. 32.

5) Twist over de wenschelijkheid van Formulieren. Groen v. Prinsterer, Handb. p. 792.

107

-ocr page 132-

lüö g 28. VERBINDENDE KRACHT DER FORMULIEREN.

klaren, veeleer mogen wij eischen , dat men erkenne dat zij getuigenissen van een geloof zijn, hetwelk ook nog het onze is en altoos blijven moet, niet slechts als getuigenissen van den geloofszin en geloofsmoed , krachtens welken de vaderen in haar op den grond van het Evangelie zich geplaatst en op dezen grond hun protest tegen de hiërarchie verheven hebben, maar ook zoover in haar de onveranderlijke innerlijke eenheid van het evangelisch Protestantisme zich uitdrukt. — Waar leervrijheid bestaat , moet deze toch hare regelen en lijnen hebben en aan de leerwillekeur en de leeranarchie moet op eenige wijze paal en perk gesteld zijn gt;). — Do meeste tegenwerpingen van de bestrijders der Formulieren van eenig-heid, die zeer voorzichtig gesteld zijn, treffen eigenlijk den Bijbel zei ven.

Verbindende kracht der Formulieren van eenigheid.

Wat de verbindende kracht der Belijdenis- en Leerschrif-

\') II. Mallet in Hcrzogs Real.-Ene. XV, S. 292. Aangaande de beslaande leervrijheid in de Kerk maakt de altijd belangrijke Memorie van J. J. Van Toorenenhergen e.s. te Rotterd. bij W. Wenk, 1873, bl. 14 de opmerking; dal de leervrijheid nog door niemand en bepaaldelijk door geene Synodale Vergadering als eene mogelijkheid in eene Chrislelijke Kerk en even-min als ivellig beslaande in de Nederlandsche Hervormde Kerk is aangenomen. De Synode heeft in hare Inlichting van den 31 Julij 1861 , omtrent de vraag naar de onberispelijkheid in de belijdenis van de Belijdenisschriften onzer Nederlandsche Hervormde Kerk zelve verklaard, dat zij rechtens nooit zijn afgeschaft. G. Brnna , De Reglementen vooi de N. H. K., 4de druk, p. 177.

-ocr page 133-

§ 28. VEUBINÜENDE KRACHT DEIl FORMULIEREN. 109

ten voor de Nederlandsche Gereformeerde Kerk betreft , zoo kan het volgende Lot eenige inlichting dienen.

De Dordrechter Synode verordende eene onderteekening van deze Schriften door de Bedienaren des Goddelijken Woords en door de Onderwijzers , welke de verklaring behelsde : „dat zij van harte gevoelden en geloofden, dat ai de artikelen en stukken der leer, in de Belijdenis en den Catechismus der Gereformeerde Nederlandsche Kerken begrepen, mitsgaders de Verklaring over eenige punten der voor-zeide leer in de Nationale Synodus anno 16 IS te Dordrecht gedaan, in allesmetdods Woord overeenkwamen.quot; \') Terecht. Anders kwam er geene onderteekening te pas, anders had zij geen waarde noch waarheid. „Die bepaling werd gemaakt met de bewustheid, dat de aangenomene Belijdenisschriften de geloofsovertuiging van do gevestigde Kerk in overeenstemming met de leer der H. Schrift uitdrukten en evenzeer in de onderstelling, dat de Nationale Synode geregeld alle driejaren eens zou gehouden wordenquot; 2). Bovendien moet men hierbij niet uit het oog laten: 1. dat het te doen was om de artikelen en stukken der leer (d. i. de leer der zaligheid in geheel haren omvang) en de Dordsche nadere verklaring nopens sommige punten dezer leer. Werd daardoor de wetenschap aan banden gelegd en voor Gritiek en Exegese een slagboom opgericht ? In geenerlei wijs. Werd b.v. Gomarus, de krachtige rechtzinnige tegenstander van den verkeerdzinnigen Arminius , verhinderd de tegenwoordigheid van Judas bij het Avondmaal te ontkennen? 8). • _____________

\') In de Nahandelingen , de 1 Giste Sessie. Kerkelijk Hand-hoekje, p. 3G4.

\'2) J. J. Van Toorenenhergen , Symb. Schriften p. XXX VII

\') Schuiten, Leer der H. K. I p. 18.

T

4

-ocr page 134-

1 10 § 28. VERBINDENDE KRACHT DER FORMULIEREN.

2. En ook zolfs aangaande de leer, werd vrijheid van onderzoek , werd eigen toetsing der leer aan de Heilige Schrift, reeds in die van Beréa geprezen (Hand. 17: 11), werd hot Protestantsche grondbeginsel door die bepaling afgesneden ? Geenszins ! „Al heeft iemand zulke Formulieren onderteekend , wordt hem niet verboden , zoo hij namaals iets vindt, dat hem dunkt niet genoeg met den Woorde Gods te accordeeren , dit te bedenken te geven daar \'t behoort, om naar den regel van Gods Woord onderzocht te worden. Maar revisie en ontslag van de on-derteekening {loslating van de Formulieren) te willen eer men iets aangewezen heeft, strekt niet dan tot onrust van de Kerken en mettertijd tot schadelijke verandering in de leer quot;)• Revisie a) der Belijdenisschriften behoort voor eene zoodanige algemeene Synode , die de gemeenten te gader wezenlijk vertegenwoordigt.

Op de Synode, door koning Willem I in lel() bijeengeroepen, werd het onderteekeningsformulier van 1G19 veranderd en eene nieuwe formule vaslgesteld, waarbij men ver-

\') Trigland bij Groen van Prinsterer Handb. p. lüü.

5) De revisie van de Belijdenis op de Dordsche Synode slaat Scholten, Leer der H. K. I, p. 31 veigel. bl. 18 niethoog aan. Anders J. J, Van Toorenenhergen, Symbolische Schriften p. XXXV11 en p. 37. De Staten-Generaal ciscliten voorlezing on onderzoek der Ned. Belijdenis des geloofs, gelijk bij dp nationale Synoden gebruikelijk was, in tegenwoordigheid der buitenlandsehe theologen. Acta Syn. ed. Hanov. 1G20 p. 411. Desgelijks van den Heidelb. Catechismus; ib. p. 433. De leden zouden man voor man verklaren , of zij in een of ander iets wat de leer betrof, quae ad dogmata et doctrinae essenliam pertinerent, Acta Syn. p. 412, strijdig met Gods Woord achtten. Allen betuigden de overeenstemming der Belijdenis en van den Catechismus met

-ocr page 135-

§ 28. VERBINDENDE KRACHT DER FORMULIEREN. 11 l

klaarde, „do leer, welke overeenkomstig Gods Heilig Woord in de aangenomen Formulieren van eenigheid der Neder-landsche Hervormde Kerk is vervat, ter goeder trouw aan te nemen en hartelijk te geloovenquot;. Dus: verbindende kracht der Symbolen op grond der schriftuurlijkheid van hun inhoud. Terwijl jaren lang over het geheel de goede trouw bleef bewaard , ontbrandde eindelijk de strijd over de uitdrukking „overeenkomstig Gods Heilig Woord of dit moest betoekenen dat men de leer der Formulieren aanneemt, omdat (quia) of roor ■zooyer (quatenus) zij met Gods Woord overeenkomt. Het eerste , omdat , werd door den Hoog-leeraar J. Heringa verdedigt; het andere, voor zoover, door Donker Curtius \'). Met zulk een „voor zoover het met Gods Woord overeenkomtquot; kan men alles, ook den Koran onderteekenen; maar men handelt dan onwaar reeds hierom, wijl toch bij de onderteekening verondersteld wordt dat men van die overeenkomst bij zich zei ven verzekerd is. „Zulk eene gereserveerde (reserveerende) verklaring van instemming met de kerkleer noemde de Hoogleeraar H. J. Boy aards met reden niets beduidende en, als eene loutere formaliteit, als een holle klank, geenszins voegende in eene plechtige helof-

de leer der Schrift, ib. p. 413.433. Dies kon de noodzakelijkheid eener toekomstige revisie, die tot verandering in de leer zou leiden , bij hen niet opkomen. Gelijk dan ook de vreemde theologen de inlandsche vermaanden, bij deze Belijdenis te volharden en haar ongeschonden aan hef nageslacht na te laten en lot de toekomst onzes Heeren Jezus Christus te bewaren, ib. p. 413. Vergel. Dr. P. S. Van lionkel in De Heraut 1878. No. 41.

\') Scholten, Leer der H. K., 1, p. 33 v.v. Het verschil in de opvatting van „overeenkomstig Gods Woordquot; kan men vergelijken met de verschillende verklaring van ösómewTTO^ 2 Tim. 3: 10.

-ocr page 136-

112 § 28. VEHB1NDENDE KRACHT DER FORMULIEREN.

iequot; i). Het is „eene verklaring waarbij niets verklaard, ecne bololte waarbij niets beloofd, een regel waarbij enkel eigen inzicht en eigen goedvinden ten regel gesteld wordtquot; ^).

De Synode van 1841 liet het omdat (quia) varen, doch nam ook het voor zoover (quatenus) niet aan, maar zij verklaarde nader wat men eigenlijk met de Formulieren van lenigheid aannam. Zij oordeelde dat de sinds 181G geldige formule van onderteekening niet alleenlijk deze of gene waarheid in de Belijdenisschriften vervat, maar in het algemeen de leer die in dezelve voorkomt, gelijk die in haren aard en geest het wezen en de hoofdzaak uitmaakt van do belijdenis der Hervormde Kerk, door den leeraar dier Kerk wil aangenomen hebben. De hoofdzaak en hel wezen bestaan echter in dat alles waarin de aard en de geest, dat zegt het eigenaardig karakter en de grondbeginselen der Hervormde kerkleer gelegen zijn -), waarbij het de bedoeling der Synode niet was mot de woorden aard en geest, wezen en hoofdzaak de deur voor subjectieve willekeur te openen , zoodat het aan ieder zou vrijstaan voor wezen en hoofdzaak te doen gelden wat hem goeddunkt quot;).

Dienvolgens moet de Gandidaat tot den Heiligen Dienst plechtig beloven „den geest en de hoofdzaak der leer, welke in de aangenomen Formulieren van eenigheid der Nederland-sche Hervormde Kerk begrepen is, getrouwelijk te handhavenquot; 5). Desgelijks moet de Godsdienstonderwijzer de

\') Scholten, a. W. I. p. 37.

2) Groen van Prinsterer , Handb. p. 71)2.

:l) Scholten , Leer dor H. K. 1, p. 38.

^1) Schollen, A. W. 1, p. 39.

•quot;\') Regiem, op het Examen ter toelating lot de Evang.-bediening Art. 27.

-ocr page 137-

§ 28. VERBINDENDE KRACHT DER FORMULIEREN. 113

verklaring en belofte ondertcekenen dat hij „des zins en willens is aan den geest en de hoofdzaak dezer leer getrouw te blijvenquot; i). Tevens wordt in beide artikelen de inhoud der leer nader omschreven. - Nu komt dan alles weer op goede trouw aan. „Eene Kerk, die Christelijk en Protestantsch vvenscht te blijven, kan geen andere prediking wenschen dan die den stempel van subjectieve waarheid en volkomen oprechtheid vertoontquot; 1). — Edoch openbare strijd met den geest en de beginselen van de belijdenis der Hervormde Kerk valt onder de termen der Kerkelijke tucht s), waarbij dus hundimvincj der leer door kerkrechterlijke uitspraak mag plaats hebben 4). Overigens zijn niet alleen degenen , die in onderscheiden betrekkingen met het kerkelijk bestuur belast zijn , geroepen om de leer der kerk te handhaven\'-) , maar allen, die tot de Kerk behooren en dienvolgens haren bloei dienen te bevorderen , zijn gerechtigd en verplicht tegen het indi ingea

1

) Ook volgens J. Douw es en Mr. H. O. Feith, Kerkelijk Wetboek. Gron. 1875, p. 8 v.

s) Algem. Regiem, voor de II. K. Art. 11. Dit wordt inlus-schen geheel geneutraliseerd door de jammerlijke 5de Alinea van Art. 38 van hel Regl. op hel Godsdienstonderw. Bezwaren tegen Uravomcijor , Goref. Gol. leer. 8

-ocr page 138-

114 § 28. VERBINDENDE KRACHT DER FORMULIEREN.

van vreemdsoortige beginselen en stellingen te waken en zooveel in hen is ieder andere leer te weren; welke niet overeenkomt met de gezonde woorden van onzen Heere Jezus Christus en met de leer die naar de Godzaligheid is (1 Tim. 6: 3). Doch daar ivij toe gekomen zijn, laat ons daarin naar denzelfden regel wandelen , laat ons hetzelfde gevoelen (Fil. 3 : 16).

de geloofsovertuiging der aannemelingen leveren geen grond tot afwijzing op. Hierdoor word officieel de kerkdeur opengezet voor alle dwaling. Wat nu ? deze Alinea moet weg ; Garthago delenda!

-ocr page 139-

TWEEDE HOOFDSTUK.

GODS WO OUD.

Auf festom Lando kunu ich ^olion, int Wasser kann ich scliwiimncn , aber ini sclilanimi-^en Moore, welches Enle und Wasser mischt , kan ich weder gehen noch schwiinmen.

2 Petr. I : 19. Ad. Wuttkk.

§ 1. De Heilige Schrift.

Er is eon Woord van God. Gelijk do monsch zijne gedachten, gevoelens, gezindheid, zijnon wil, zijne voornemens door de spraak openbaart : zoo heeft God zijnen raad en wil aan de menschen bekend gemaakt: Hij lieoft gesproken tot heilige menschen en dezen door don Heiligen Geest gedreven zijnde hebben gesproken tot anderen. 2 Petr. 1:21.

De Heilige Schrift is het beschreven Woord Gods of de verzameling der gedenkschriften van do Goddelijke openbaringen.

1. Schrift wordt het Woord genoemd, a. Ter onderscheiding en tegenstelling van mondelijke mededeeling. Do openbaringen Gods werden voor en na opgeschreven, h. Omdat er oudtijds , eer hot drukken word uitgevonden, geen andere boekon konden zijn dan die geschreven waren met do hand, mot inkt en pen (3 Joh. 13). Vóór de bookdruk-kimst waren alle boeken schriften.

-ocr page 140-

§ 1. DE HEILIGE SCHRIFT.

De Israëlieten schreven in de oudste tijden op gladgemaakte huiden van geiten en schapen ; later werden deze huiden fijner bewerkt, bijzonder in de stad Pergamus, van waar zij den naam perkament ontvingen. Ook werden do Israëlieten reeds vroeg met het Egyptische papier bekend, hetwelk men uit de vezelen der halmen van het papier-riet bereidde en zij gebruikten dit voornamelijk tot brieven quot;)• Men maakte geen boeken met bladen, maar eene lange strook, die men oprolde : de rol des hoeks Ps. 40 : 8. Jerem. 36: 23. In de eerste eeuwen der Christelijke jaartelling werd het perkament algemeener en bleef van de 4de tot de lldo eeuw bijna uitsluitend in gebruik. Daarna werd er uit boomwol en weldra ook uit linnen papier vervaardigd en in zwang gebracht. Toen verdween ook de vorm der rol en werden boeken met bladen gebruikelijk 1),

Geheele Bijbels waren uiterst zeldzaam en kostbaar 3).

Een groote verandering werd veroorzaakt door de uitvinding der boekdrukkunst, de kunst om losse, zetbare metalen lettervormen saam te voegen en door middel eener pers af te drukkend). Is men over den eigenlijken uitvinder en over plaats en tyd der uitvinding nog in strijd, s) niet te

U(i

1

) K. F- Keil, Hand. der bibl. Archaologie 11 S. 1G4.

-ocr page 141-

§ 1. DE HEILIGE SCHRIFT.

betwijfelen valt het dat deze uitvinding eene der grootste en gevolgenrijkste wereldgebeurtenissen is geweest. De uitoefening dezer kunst was tegen het begin der 16de eeuw reeds tot hooge volkomenheid en wijd en zijd \') in gebruik gebracht.

Joh. Genslleisch (van vaders zij) bijgenaamd Guttenhery (zijn moeders naam) als die 1436 in Straatsburg de losse lettervormen zou hebben uitgevonden, welke dan onder medewerking van twee andere mannen uit Mentz, Joh. Faust en Peter Scholier nog voor het midden der 15de eeuw het eerst in aanwending zouden gebracht zijn. Van de andere zijde wordt de uitvinding toegeschreven aan Laurens Janszoon Koster te Haarlem (1423.) Dit laaatste is heftig bestreden door Dr. A. van der Linde, De Haarlemsche Koster-legende, wetenschappelijk onderzocht. Tweede uitg. 1870. Vergel. Stemmen voor Waarh. en Vrede Nov. en Dec. 1870, De woeste attaque is wel gepersifleerd maar niet afgeslagen door Bushen Huet literar. Fantas. Side serie 40 ; vergel. J. H. Maronier, Bibl. van Mod. Theol. en Letterk. 1876 I. 1. p. 8. Groen van Prinsterer heeft intusschen ook in den laatsten druk van zijn Handb. der Gesch. van het Vaderland , p. 47 de korte notitie herhaald : „1423. De boekdrukkunst door Laurens Koster te Haarlem uitgevonden , door Guttenberg , na het ontvreemden van het gereedschap zijns meesters, tot meer volkomenheid gebracht.quot; Opmerking verdient Het Boek der Uitvindingen. Leiden bij Sijfhoiï 1862, IV. bl. 224 ; „Lang werd de uitvinding der drukkunst zorgvuldig geheim gehouden , omdat de Kloostergeestelijken het verlies van aanmerkelijke inkomsten vreesden , indien het afschrijven ophield. Vandaar de donkerheid , met welke de geïchiedenis dezer onwaardeerbare uitvinding nog veelzijds bedekt is en van daar ook dat men zicii in het eerst zoo zorgvuldig wachtte van de aanduiding van den drukker op het boek.quot;

\') Om 1517 reeds over de meeste beschaafde landen verspreid, in meer dan 130 steden. Niedner, Kirchengesch, S. 557.

117

-ocr page 142-

§ 1. DE HEILIGE SCHRIFT.

Bij de Joden, ook ten tijde van Jezus en de Apostelen werden de boeken des Ouden Testaments genoemd : Schrift (2 Petr. 1 : 20) of de Schriften. (Matth. 22 : 29), wijl zij de uitnemendste en bij het volk welbekend waren. En om den grond voor deze uitnemendheid aan te duiden droegen zij den naam: de heilige Schriften (Rom. 1:2). Zij worden treffend gekenschetst in het woord van Paulus 2 Tim. 3 : 15 ; 1G: En dat gij van kinds af de Heilige Schriften geweten hebt, die u wijs hunnen maken tot zaligheid door het geloof hetwelk in Christus Jezus is. Al de Schrift is van God ingegeven en is nuttig tot leering, tot wederlegging , tot verbetering , tot onderwijzing die in de rechtvaardigheid is.

2. Eier worden ons de redenen genoemd, waarom deze Schriften Heilig heeten. Het is a. wegens haren heiligen, Gotldelijken oorsprong : alle Schrift is van God ingegeven. Alle of iedere \'), namelijk tot de v. 15 genoemde Heilige Schriften behoorende , dus niet alleen de geheele canon der Schrilt maar ook de bijzondere deelen daarvan»). Velen s) vatten het in dezer voege : alle Schrift , die van God is ingegeven, is ook nuttig — zoodat Paulus niet zou zeggen dat iedere van de bedoelde Schriften van God is ingegeven, maar hij zou daardoor slechts nader bepalen hoedanige Schrift nuttig zij, namelijk iedere zoodanige die van God is ingegeven. Maar het woord „van God ingegevenquot; «) is te singulier (het komt in de Heilige Schriften alleen hier voor) dan dat het slechts eene voorwaardelijk bijgestelde eigenschap van het onderwerp

\') Aldus in den grieksehen tekst: ttxux ypx^y.

2) P, v. Mastrichi, Godgel. 1. p. 44.

3) Ook Dr. J. E. Huther a. 1.

4) QsiirvsufTOï.

118

-ocr page 143-

§ 1. DE HEILIGE SCHRIFT.

Schrift zou zijn : het is een nadrukkelijk gezegde (praedi-caat) en wijst ons den grond aan waarom deze Schrift nuttig is. En al wilde men het dan ook als een bepalend , beperkend bijvoegsel nemen, zoo zou men toch daarmee niet kunnen bewijzen dat Paulus hier de Goddelijke ingeving „der Heilige Schriftenquot; (v. 15) niet leert. Want men kon dan met reden vragen : heeft Paulus een eenige dezer Schriften , die bij de Joden als Heilige Schriften erkend waren, er van uitgezonderd ? en welke ?

b. Heilig heeten zij wegens haren heiligen inhoud: zij kunnen ons wijs maken tot zaligheid door het geloof hetwelk in Christus Jezus is. „Uitstekende lofspraak op de Heilige Schrift, roept Galvinus uit, dat de wijsheid die tot de zaligheid voldoende is, niet van elders moet gehaald worden. Is de Schrift door God ingegeven, zoo lijdt het geen tegenspraak dat de menschen haar eerbiedig moeten aannemen. Dit is het beginsel, waardoor onze godsdienst zich van alle andere onderscheidt, dat wij weten: God heeft tot ons gesproken en dat wij vastelijk overtuigd zijn , dat de profeten niet naar eigen goeddunken gesproken hebben maar als werktuigen des Heiligen Geestes alleenlijk hebben voortgebracht wat van den hemel hun was opgedragenquot; \')•

c. Heilig worden deze Schriften genoemd wegens haar heilig doel en nut: nuttig tot leering tegen de onwetendheid, tot wederlegging van dwalingen en vooroordeelen, tot verbetering , rechtmaking van hetgeen verdraaid en verkeerd is, tot onderwijzing of tucht die in rechtvaardigheid is, waardoor zij ten regel voor het godzalig leven dienen, opdat de menschen Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust.

\') Calvin. Comment, in 2 Tim. 3 : 15 , 16.

119

-ocr page 144-

§ 1. DE HEILIGE SCHRIFT.

De naam Bijbel is van het Grieksche bihlia, hetwelk hoeken beteekent. Deze naam werd het eerst tegen het einde der 4de eeuw door den kerkvader Johannes Chryso-tomus , bisschop te Konstantinopel (st. 407) aan de Schriften des Ouden Verbonds gegeven als „de boeken bij uitnemendheidquot; en vervolgens mede overgebracht tot het Nieuwe Testament. De naam Bijhei geeft dan te kennen dat de Schriften des O. en N. Testaments samen het Boek hoven alle hoeken zijn, het voornaamste en gewichtigste , omdat in dit Boek al de bijzondere openbaringen van God naar geschiedenis en leer te lezen staan. Het onderscheidt zich wezenlijk niet alleen van alle wereldsche boeken maar het staat ook boven alle menschelijke voortbrengselen van godsdienstigen en geestelijken aard. Het is niet slechts eon stichtelijk boek nevens andere stichtelijke boeken, veelmeer allo stichtelijke, geestelijke boeken zijn alleen in zoover goed als zij met de Heilige Schrift overeenkomen en staan tot deze in eene verhouding als do afgeleide beken tot do bron •). Het is het Boek des Heer en , Jez. 34 : 1G.

§ 2. De Goddelijke Openbaringen.

God heeft zich geopenbaard. Want Hij is niet slechts „de groote bouwmeester dor wereld , die , na eenmaal de schepping te hebben volbracht, stilzweeg en niets van zich hooren deed , die de wereld niet liefhad en dien men aldus ook niet weder liefhebben kon, ja wiens bestaan zelfs men zoo niet kon van ganscher harte golooven. Want is God, dan moot Hij zich aan zijne arme schepselen openbaren en

\') Hagenbach, Leitfaden zum christl. Rcligionsunterrichte Vierte Anfl. S. 24 i.

120

-ocr page 145-

§ 2. DE GODDELIJKE OPENBARINGEN. 121

had Hij zich niet geopenbaard, door Hem zelven ware dan do grond tot betwijfeiing van zijn aanwezen gelegdquot; quot;). Neen , Hij is de levende en lievende God : Hij lieelt gesproken veelmaal en op velerlei wijze 1).

Hij heeft Zijnen raad en wil hekend gemaakt,

a. Door mondelijke aanspraken , hoorbare stemmen.

God sprak tot Adam en Eva ook voor den val. Want gelijk er in het geheel geen ware deugd en gelukzaligheid zonder vereeniging en levendige gemeenschap met God kan bestaan , zoo kon dan ook de staat der onschuld zonder gemeenschap verkeer met God niet zijn. Twee Goddelijke aanspraken vóór den val worden uitdrukkelijk vermeld , van welke de eerste Gen. 2 ; 16 , 17, van het proefgebod, tot Adam alleen geschiedde, terwijl de andere Gen. 1 : 28—30, de zegening van man en vrouw, hunne installatie, plechtige bevestiging in het beheer over de aarde en hare volheid en de bepaling van hunne en der dieren spijs, tot Adam en Eva saam werd gericht. Zeker zouden die aanspraken voortgegaan en de eerste menschen al nader en uitgebreider daardoor onderwezen zijn, waren zij trouw gebleven. Daarbij vertoonde zich ongetwijfeld de heerlijkheid Gods zichtbaar aan hen. Adam en Eva zagen deze verschijning en hoorden de stem Gods zonder schrik, terwijl zij na den val aanstonds angst en dwaasheid deden blijken 3). Toen sprak God wat Gen. 3 : 9 v.v. geschreven staat : oordeel en genade over de gevallenen.

1

\') Prof. E. W. Hengstenberg, Die Freimaurerei und das Evangelische Pfarramt. Berlin 1854. 1. S. 32.

-ocr page 146-

g 2. DE GODDELIJKE OPENUARINGEN.

God sprak tot Kaïn Gen. 4, Eerst vóór den broedermoord. Als Habel in geloof offerde, zag de Heere hem en zijn offer genadig aan en deed dit door een teeken weten dat ook Kaïn in het oog viel , wellicht door vuur uit den hemel dat het offer verteerde. Kaïn had zoo weinig eerbied voor God dat hij over deze genade , zijnen broeder bewezen , gramstorig werd en dit liet blijken. Toen sprak de Heere tot hem en wees hem terecht, v. 6 en 7. Dan na den moord. Adam en Eva waagden het niet zeiven den vvoesten zoon zijne gruweldaad te verwijten. Toen deed God het. De Heere sprak tot Kaïn en Kaïn sprak lot den Heere. Het was een werkelijk spreken. Zoo werkelijk als Kaïn sprak, sprak ook dc Heere. Kaïn sprak zoo oneerbiedig lot God als zelfs voor overheid of ouders een mensch niet mag doen. God sprak vriendelijk; verschoonend, stelde een verhoor met hem aan, velde een vonnis, waarbij Hij voor den wanhopige het tijdelijke leven verzekerde \').

God sprak tot Noach vóór den vloed en maakte zijn voornemen aangaande de verdelging der menschen en het behoud van Noach met de zijnen aan dezen bekend en beval hem den bouw der ark. Gen. (i : 13—21. De Heere sprak nogmaals tot Noach als deze in de ark moest ingaan, Gen. 7 : 1 — 4.

122

Na den vloed sprak God wederom tol Noach en zeide hem met woorden, dat hij uil de ark zou gaan. Hij liet zich geheel door God leiden en betrad de aarde, schoon droog geworden , niet eer dan toen God hern uitdrukkelijk met woorden beval , de ark met zyne vrouw en zjjne

\') M. F. Roos, Einleit. in dio bibl. Gesch. 1. S. 1!)8 f.

-ocr page 147-

§ 2. DE GODDELIJKE Ol\'ENBAHINGEN.

zonen en de vrouwen zijner zonen en met al de dieren die bij hem waren, te verlaten, Gen. S: 15—1/.

Na Noachs brandofferen maakte de Heere, Gen. 8 : 21, 22, aan hem bekend wat Hy in zijn hart zeide d. i. zijne gedachten des vredes, niet door het aan Noach „inwendig te verstaan te geven, zooals nog ieder geloovig bidder de beantwoording van zijn gebed uit Gods hart innerlijk verneemt ,quot; i) maar buiten twijfel wederom met hoorbare woorden , hetwelk bij de bekendmaking der nieuwe natuur-orde (v. 22) noodzakelijk moet verondersteld worden.

Daarna sprak God nog meer en zeer gewichtigs tot Noach en zijne zonen, hetwelk Gen. 9: 1 — 17 te lezen staat en vijf artikelen bevat. Ten eerste zegenbelofte van vruchtbaarheid en vermenigvuldiging v. 1 en 7. Ten tweede machtver-leening ook over het leven der dieren v. 2. Ten derde vergunning van vleesch tot spijs, doch niet met het bloed , alleen uitgebloed vleesch v. 3 en 4. Ten vierde doodstraf op menschenmoord v. 6. Ten vijfde het verbond der verschooning niet alleen met Noach en zijne nakomelingen maar ook met het gedierte der aarde en het gevogelte : de regenboog, die „gezien zou worden in de wolkenquot; v. 14 , die dus vóór den zondvloed niet was gezien, tot waarteeken dat er geen zondvloed weer zou komen.

Na den zondvloed bleven de menschen een tijd lang bij elkander wonen. Daarna werden zij gescheiden bij den Ba-bylonischen torenbouw en er ontstonden velerlei talen, natiën en volken, doch er was uitwendig geen bijzonder zichtbaar onderscheid onder de menscllen behalve van persoonlijke trouw of ontrouw, waarmede zij het goede pand der van de

\') Dus wordt het verkeerdelijk met Delitzsch verklaard door Lange, Die Genesis S. 1G0.

123

-ocr page 148-

§ 2. DE GODDELIJKE OPENBARINGEN.

vaderen overgeleverde waarheid bewaarden of verloren. Met Abraham ving eene uitwendige onderscheiding aan \').

De Heere sprak tot Abraham van Gen. 12 aan , met wien een nieuw tijdperk, een nieuw geslacht begon, met eene nieuwe reeks van openbaringen. De Heere riep hem, toen hij nog in Ghaldea was , waar zijne vaderen valsche goden dienden Joz. 14 ; 2 , 15. Hem beval de Heore, dat hij uit zijn land en uit zijne maagschap en uit zijn vaders huis zou gaan en zich met geen volk zou vermengen. Uit hem wilde de Heere zich een eigen en afgezonderd volk formeeren. Met hem en zijn zaad maakte de Heere een verbond en bezegelde het door de besnijdenis. Hem gaf de Heere de uitnemendste beloften. Alle geslachten des aardrijks zouden eenmaal gezegend worden in en door Abraham en zijn zaad Gen. 12 : 3; hier zou de welle des zegens ontspringen — Christus , het licht en leven der menschen. Andere geslachten konden inkrimpen of zelfs uitsterven, maar Abrahams zaad zou zoo talrijk worden als het stof der aarde Gen. 13 : 16, talrijk en heerlijk als de sterren des hemels Gen. 15 : 5. Andere geslachten konden in dienstbaarheid geraken, maar Abrahams zaad zou overwinnen en heerschen en de poort zijner vijanden erfelijk bezitten Gen. 22: 17. In de bevelen en beloften, die God aan Abraham gaf, sprak Hij, naar de woorden luidden , van lichamelijke zaken , maar Hij doelde daarmede voornamelijk op geestelijke en hemelsche.

[Iet spreken Gods ging voort bij Izaük en Jakob. En naderhand ving het op nieuw met Mozes aan.

124

Deze bepaalde aanwijzingen, welke God den aartsvaderen

\') Boos a. w, II. S, 4.

-ocr page 149-

§ 2. DE GODDELIJKE OPENBARINGEN.

gaf, naar welke zij zich moesten richten, door welke geheel hun loop en lot bestuurd werd en aan welke geheel hunne verwachting en al hun troost en hope noodzakelijk hing, konden hun niet anders dan met verstaanbare woorden gegeven worden, waardoor alle onzekerheid bij hen werd weggenomen. Bovendien „de mensch verstaat slechts den mensch en de stem van God kan door menschen alleenlijk als eene menschelijke vernomen wordenquot; \').

Aldus maakte de Heere toen en ook daarna zijnen raad en wil bekend. En dit was de hoogste, wijl eigenlijkste wijze van openbaring ; Goddelijke aanspraak tot menschen, met hoorbare stem hetzij onmiddelijk van God of door den mond eens Engels.

h. Door Goddelijke i\'ws/jmaA;, innerlijk, stil, zonder hoorbaar geluid. Zij die eene Goddelijke inspraak ontvingen, wisten deze wel te onderscheiden van hetgeen slechts vrucht, van eigen nadenken was; zij konden van hetgeen aldus in hen opkwam zeiven betuigen, gelijk Mozes Num. 1G ; 28, dat het niet uit hun eigen hart was maar van God. Dwaas, onredelijk is het wanneer men zulks voor het werk van hun eigen gedachten, voor verbeelding, begoocheling wil verklaren : hun eigene bewustheid beslist hier en tegenover deze heeft het oordeel van anderen in later tijd geen recht. Dat hetgeen hun was ingesproken en zij zeiven voor Goddelijke openbaring hielden ook werkelijk van God was; werd bovendien in het vervolg op velerlei wijze door de uitkomst bevestigd »).

\') Heinroth. Zie ^la»lt;eeA:. op Dr. Hoedeniiikers Handb. bl. 14.

a) Schrijvers Aanteek. op Dr. Hoedeuiakers Handb. bl. 27. Calvin in 2 Tim. 3 : 10 : Legem et Prophetias non esse do-ctrinam hominum arbitrio proditam , sed a spirilu sancto dicta-

125

-ocr page 150-

§ 8. DE GODDELIJKE OPENBARINGEN.

c. Door gezichten (visioenen) en verrukking van zinnen (ekstasen) hetzij wakende of in den droom.

Wakende waren Jezaja ö : 1 v. v., Daniël 10 : 7; gelijk onder het Nieuwe Verbond Paulus Hand. 9 en 2 Kor. 18 en Petrus Hand. 10 ; 10 , bij de gezichten die zij hadden i).

Aan slapenden , in den droom openbaarde zich de Heere hetzij door toespraak of door gezicht of door beide te gader ■\').

Dus gebeurde het aan Abraham Gen. 15: 12 v. v. En tegen den morgen van den nieuwen dag aan Jozef Matth. 1 : 20. 2 : 13 , 19 , 22 , en aan de wijzen uit het Oosten Matth. 2 ; 18.

Men moet intusschen van de eigenlijke Goddelijke open-baringsdroomen wel onderscheiden de natuurlijke voortje-voelsdroomen :i) en de gewetensdroomen \'»), die uit den bijzon-

tam. Si quis objiciat, undenam id sciri possit, respondeo, ejus-dam spiritus revelatioue tam discipulis qüam doctoribus Dourn patefiere auctorem.

\') Aanteek. op Dr. Hoederaaker bl. 34.

2) Ibid. bl. 28-32.

:l) Waarvan de grond is eene bijzondere gave aan sommige personen en volken in verschillende mate verleend, die sluimert, wanneer de mensch waakt en die vaak ontwaakt wanneer de mensch sluimert. Eitiïouax yap (ppyv Sft/txriv ?M[/,7rpvviTai, Ev tilAspef. Sf iaa/p a.vrpó\'JMTro\'; (ppswv. Want slapend wordt de geest verlicht van oogen , Maar \'s daags is H \'s geestes deel, niet ver te zien. Aeschijl. Eumen. 104 sq. Delitzsch , bibl. Psycbologie. 1861. S. 281. 283. Aanteek. op Dr. Hoedemakers Handb. bl. 28 v. Scbilderachtig en schoon Prudentius, Garmina ed. Oh-harius p. 23 sq. in Hijmnns ante sompnum.

*) Aanteek, op Dr. Hoedemaker bl. 32. Over de Goddelijke droomen in \'t geheel z. Roos, Einleit. II. S. 109. - Zoowel bij de profeüsche droomgezichten als bij de eigenlijke ekstasen in wakenden toestand rusten de zintuigen en wordt hunne werk-

120

-ocr page 151-

§ 2. DE GODDELIJKE OPENBARINGEN. J 27

deren zielstoestand onder den invloed van de uitwendige omstandigheden zich vormen. Zulk een gewetensdroom was de droom van Abimelech , den koning van Gerar, toen hij Sarah had weggenomen, waardoor God hom waarschuwde Gen. 20: 3 : Maar God kwam tot Abimelech in eenen droom des nachts en Hij zeide tot hem : zie, gij zijt dood om der vrouwe wil, die gij weggenomen hebt, want zij is met eenen man getrouwd. En hierbij bleek hot, opmerkelijk, dat Goddelijke verschijningen en aanspraken toen niets zeldzaams en ongelooflijks waren, want toen Abimelech des morgens aan al zijne knechten verhaalde wat God in den droom tot hem gesproken had, betwijfelden dezen het niet noch spotten er mee, maar die mannen vreesden zeer \\.H.

g 3. Het onbeschreven woord.

Gedurende het tijdperk vóór Mozes, omtrent derdehalf duizend jaren lang, heeft men de Goddelijke openbaringen niet in geschrifte gehad.

Niet dat men niet schrijven kon. De schrijfkunst was vroeg bekend \'), hoewel in de geschiedenis der aartsva-

zaamheid geheel en alleen tot het vertoonde beperkt en van al het andere afgetrokken , voor liet andere gebonden. Maar bij de droomgezichten is die rust der zintuigen de slaap, bij eksta-sen hot gevolg van eene geheel buitengewone werking van God. Aanteek. op Dr. Hoedem. bl. 35.

\') Winer , bibl. Realwörterb. 2te Aull. II. S. 494 f. stemt toe, dat, indien Cadmus, tijdgenoot\'van Mozes, een alphabet (van 16 letters) naar Griekenland heeft overgebracht, er wol niet valt te betwijfelen , dat ook de Egyptiërs in dien tijd met het letterschrift zijn bekend geweest en dat Mozes en de in Egypte gevestigde Israëlieten het desgelijks hebben geleerd. Maar ver-

-ocr page 152-

§ 3. HET ONBESCHREVEN WOORD.

deren geen zekere sporen van het gebruik van schrift , hetwelk de zwervende herdersvolken nog heden gemakkelijk missen, in de boeken van Mozes gevonden worden. Eerst met Mozes zeiven en liem aangaande wordt van liet schrijven bij de Israëlieten gewaagd (Ex 24 : 4 en a pl). Maar bij de oude Egyptiërs was , gelijk de nieuwere getuigenissen uit den voortijd bewijzen, de schrijfkunst in algemeen gebruik \') en onder hunne priesteren bestond er eeno klasse van „heilige schrijversquot; , die de boeken bewaarden , welke hunne hoogere wetenschap bevatten. De Israëlieten begonnen het schrijven zekerlijk mot het optee-kenen van hunne geslachttafelen i).

der, oordeelt Winer , mag men niet gaan. — Daarentegen wordt het door Van der Palm, Bijb\'el Voor de Jeugd I. bl. 113 zeer mogelijk geacht, hetgeen de Joden uil hunne overlevering verhalen , dat de uitvinding van het letterschrift aan Adam moet toegekend worden !

\') Prof. P. J. Veth in het Bijh. Woordenboek I. bl. 300 : de sclirijfkunst was daar op „eene wijze ontwikkeld , die van een langdurig nog veel vroeger bestaan getuigt,quot; III. p. 300; — „dat de Egyptenaren vele eeuwen vóór Mozes geschreven hebben.quot; — K. F. Keil, Handb. der bibl. Arehiiol. II. S. 1G3: „de schrijfkunst was zonder twijfel reeds in Abrahams tijden bekend.quot;

2) Von Gerlach , A. T., 1. S. XII. Volgens hem waren ook de oudste Israëlietische beambten („ambtliedenquot;) naar Ex. 5: 0 „schrijvers,quot; LXX ypxftftzrsTï en aan dezen zou de

zorg voor geslachttafelen opgedragen zijn. Voor dit laatste is er intusschen geen grond en Winer Simonis Lexic. hebr. s. v. lüty p. 971 acht het voor onvereenigbaar met Ex. 5 cna.pl.

~ T

Aannemelijker is wat Vaihinger Herzogs Real-Enc. XI S. 302 van deze schoterim oordeelt: Israëlieten „door de Egyptiërs tot het opschrijven der werkverrichtingen aangesteld.quot; Maar wel

128

-ocr page 153-

§ 3. HET ONBESCHREVEN WOOKD.

Men had de Goddelijke openbaringen , al had men ze niet in schrift. Immers God heeft aanstonds na den val den weg der verlossing bekend gemaakt, beginnende met het eerste Evangelie, door Hem zeiven aan Adam en Eva verkondigd, van het Zaad der vrouw , dat der slang den kop zou vermorzelen , waarbij voortgaande al meer openbaringen kwamen. Dat deze openbaringen voor Mo-zes tijd zouden beschreven en dus schriftelijk overgeleverd zijn, kan men met geen grond van zekerheid beweren. Maar dit is zeker dat Gods volk gedurende dien voortijd, van Adams schepping tot de dagen van Mozes, derde-halfduizend jaren lang, niet zonder Gods Woord , niet zonder voortgeplante kennis van de Goddelijke openbaringen is geweest. En dat Woord Gods, hetwelk men toen had, wordt derhalve het onbeschreven Woord genoemd, wijl het niet blijkt dat het beschreven was.

§ 4. Mondelijke overlevering-

Dé Goddelijke openbaringen die van den beginne aan tot Mozes toe geschied waren, bleven in dien tijd ookbewaard. Door mondelijk verhaal deelden de vaderen wat zij ontvangen

te recht leidt dezelfde X. S. 55 uit de schoterim Ex. 5 : 6 die op den tocht door de woestijn Num. 11 : 1G („ainbtliedenquot;) weder verschijnen en uit de uitdrukkelijke vermeldingen van schrijven (Ex. 39 : 30. Lpv. 19 : 28. Num. 5 : 23. 17 : 2) dit af dat onder de Israëlieten de schrijfkunst al inheemsch en niet eerst in hare beginselen verspreid was. Volgens denzelt-den t. a. pi. en XI. S. 302 ook in Kanaün. Merkwaardig is de naam van eene Kanaiinitische koningsstad Kirjath Sepher, LXX ffé\'Ais ypx/^^xréuv. Idem X. S. 5.

Gravoaieüor, Gerot\'. Gel. leer. 9

129

-ocr page 154-

§ 4. MONDELUKE OVE1U.EVEUING.

hadden aan hunne kinderen en nakomelingen mede, om hen lot geloof en godzaligheid op te leiden. Aldus werd hel goede pand der waarheid van geslacht tot geslacht overgebracht.

Zoo hebben Adam en Eva zekerlijk verhaald wal zij nog van het Paradijs al\' wisten, wat hun voor en na hunnen val was geopenbaard , inzonderheid ook wat God van het lijdende en overwinnende Zaad der vrouw had gesproken, hoe zij met hunne ooren hadden gehoord dat de Heere God tot de slang zeide Gen. 3:15: En ik zal vijandschap zetten tusschen u en deze vrouw en tusschen uw zaad en haar zaad: datzehe zal n den kop vermorzelen en gij zult het de verzenen vermorzelen — eene belofte, te recht de moederbelolte genoemd , het Eerste Evangelie , kiem en grondslag van al de latere heilsvoorspellingen , eenige troost voor alle gevallenen. Hoe vaak zullen Adam en Eva in den strijd huns levens dat genadewoord herhaald en hunne medezondaars, uit hen gesproten , daarmede vertroost hebben ! Immers waarvan het hart vol is, daarvan vloeit de mond over.

Dat er onderlinge mededeeiing van de geopenbaarde waarheid plaats had en vereeniging in deze door gemeenschappelijke erkentenis , aanneming en belijdenis , blijkt uit Gen. 4 : 2ü , waar van de tijden van Enos, den zoon van Seth , gezegd wordt: toen begon men den naam des Heer en aan te roepen i). In het woord aanroepen wordt

\') De vertaling is onberispelijk. D is aanroepen (eigenlijk : roepen aan —). Ewald , Gramm. der Hebr. Spr. der A. T. !; 528. Hengstenberg , Gescli. der R. G. unter dein A. 13. 1. S. :2(jl. Luther niet nauwkeurig ; te dienzelfden tijd ving men aan te prediken van des Heer en naam. LXX en Vuig.: deze (Enos) ving aan den naam van den Heere God aan te roepen. De-zelfde uitdrukking komt lieriiaaldelijk van Abraham voor Gen.

130

-ocr page 155-

J5 4. MONDELMKE OVEHLEVEHING. 131

een deel voor het geheel gesteld: het omvat in het gemeen den ganschen Godsdienst. Zeer voegzaam wordt echter de Godsdienstige vereering naar haar voornaamste deel genoemd. Want God acht dit werk dor vroomheid en des geloofs hooger dan alle offeranden, ja het is de geestelijke Godsdienst die uit het geloof voortkomt.

Hier duiken tevens de eerste omtrekken van kerk en gc-meenteleven onder het volk der vromen op. Calvinus teekont hierbij aan: Zoo algemeen was reeds het verderf dat hier de godsvrucht van een eenige familie wordt geroemd, die God rein en heilig heelt vereerd. Ongetwijfeld zijn Adam en Eva en enkeion uit hunne kinderen vereorders van den waren God geweest, maar Mozes wil te kennen geven dat de vloed der goddeloosheid toen reeds in de wereld zoo hoog was gestegen , dat de Godsdienst bijna ten ondergang neigde, wijl hij slechts nog overig was bij weinige personen , maar niet bloeide in eenig volk. Seth was een vroom en getrouw dienstknecht van God. Nadat hij echter eenen hem gelijken zoon gewonnen en een wel geordend gezin verkregen had , begon eene bepaalde gedaante der kerk zich te vertoonen •) en werd een dienst van God opgericht die tot de nakomelingen zou voortduren.

Men ving in Eno\'s tijden aan , regelmatige, geordende

12: 8. 21 : 33, dan van Izaük Gen. 2G: 25. InUisschcn liet aanroepen was een belijden tevens , het ontleende zijne stof uit het geopenbaarde en was daarop geheel gegrond. Dus was het toch ook een verkondigen.

\') Calvin, in Gen. 4: 20 ed.\' Hengst, p. 82: extare coepit dislineta ecclesiae facies erectusque est Dei cultus (|iü duraret ad posteros. Ook Van der Palm noemt dit het eerste kerkgenootschap , welks leden den eernaam van kinderen Gods verkregen. Bijbel voor de Jeugd i. bl. 97.

-ocr page 156-

§ 4. MONDELIJK OVERLEVERING.

vcrgatleringen ter Gemeenschappelijke Godsdienstoefening tc houden niet gebed en offerande. Daar werd dan echter niet alleen gebeden tot den Heere , maar ook gesproken van Hem , van de schepping , den val en de verlossing. Daar leerden en vermaanden ouders hunne kinderen, dat zij niet aan de goederen dezer wereld zouden hangen, maar naar het eeuwige leven zouden trachten en zoo met God zouden wandelen, dat zij het verkrijgen mochten. En daar, waar men dus aan God gedacht en zijnen naam aanriep, daar was zijn aangezicht, zijne genadige tegenwoordigheid. Daar zullen dan soms ook mannen Gods; als Henoch , profe-lische openbaringen, die zij ontvangen hadden, aan de anderen medegedeeld hebben i). En dit alles in tegenstelling tegen het toenemende verderf onder de Kaïnieten , die van Godsvrucht en van Gods Woord niets wilden weten , hoewel het mogelijk is dat reeds in Enos\' tijden enkele door Gods Geest gedrevene dienstknechten Gods uit de kerk der Sethieten heengingen en ook den Kaïnieten predikten. Innerlijk bestond intusschen „de Gemeentequot; niet alleen uit ware vromen, hoewel zij allen in Gods Woord onderwezen waren en „kinderen Godsquot; genaamd werden. Doch over het algemeen hadden zij wel allen eenen afkeer van de roekeloosheid , die onder de Kaïnieten in zwang ging en waren in zoover andere menschen 2).

I.amech, de negende van Adam, in Seths geslacht, Noachs vader wist hetyeen God in het paradijs had (jesproken. Want toen hij, 182 jaren oud, eenen zoon gewon, noemde hij zijnen naam Noach , zeggende : deze zal ons troosten over ons werk en over de smart onzer handen vanwege het aardrijk

1) Roos , Einleit. I. S. 208.

\'-) Heim , Bibelstunden I. S. 68 ft\'.

132

-ocr page 157-

§ 4. MONDELMKE OVEKLEVERING.

133

dat de Ileere vervloekt heeft Gen. 5 : 29. Buiten twijfel droegen de heilige vaderen kennis van wat God in het paradijs had gevonnisd , van het moeielljke, treurige en kommervolle leven , waartoe Adam was verwezen, terwijl bij de toenemende boosheid dor menschen geen leniging was te hopen , tenzij de Heer onverwachts tusschenbeide kwam i)-Lamechs ontboezeming slaat duidelijk terug op Gen. 3 : 17. In hetgeen hem zoo zwaar drukt, ziet hij de volvoering van het vonnis door God over den gevallen man gesproken : vervloekt zij het aardrijk om uwentwil en met smart zult gij daarvan eten al de dagen uvvs levens

Lamech hoopte voor zich en voor geheel de gemeente der kinderen Gods bijzondoren troost van zijnen zoon tegen hun werk en moeile. En hoe? Niet hierdoor dat Noachden arbeid minder en de veldvruchten meerder zou maken of dat hij de bezwaren van de bebouwing des aardrijks voor zijnen vader door zijnen bijstand of voor allen door uitvinding van werktuigen on akkergereedschappen zou verlichten of zelfs dat hij, gelijk sommigen gedacht hebben, door invoering van het gebruik van den wijn (Gen. Ü: 20) , die het hart des menschen verheugt, den kommer zou verdrijven. In dit alles was nog weinig troost. Maar hierdoor dat hij een prediker der gerechtigheid (2 Petr. i : 5) zou worden, van de hemelscho en eeuwige dingen krachtig zou getuigen en de menschen, die in het zweet huns aanschijns hun brood moesten eten, met grooten nadruk zou wijzen op God als het hoogste, zielverzadigende goed en op de eeuwige rust. Tevens lag bij Lamechs voorzegging de paradijsbelofte Gen. 3: 15 te gronde. Niet als hadde hij gemeend dat zijn zoon

\') Calvin. Comment, in Gen. a. 1.

-ocr page 158-

§ 4. MONDEUJKE OVERLEVERING.

de Verlosser zou zijn. Maar wat Lamech van zijnen zoon Noach („rustquot; en troost) begeerde, wenschte, hoopte voor zich en zijn geslacht: den troost der rust, de rust der vertroosting, dat werd volkomen vervuld in Jezus Christus voor de menschheid. „Het mostaardzaad in de tenten der kinderen Gods heeft altijd de belofte , een boom te worden, onder welks takken de volken der aarde kunnen rustenquot; \').

Bewaring en voorlplanling dor geopenbaarde waarheid werd later in het byzonder Abrahams taak, nnav (jen. 18: 19. Terwijl overal de afgoderij was doorgedrongen, ook in Sems geslacht en de menschen langs zoo meer tot vergoding der natuur waren vervallen , riep God Abraham , openbaarde zich aan hem als den persoonlijken , levenden God , Schepper des hemels en der aarde, Rechter der wereld , maakte een verbond met hem , bezegelde dit door de besnijdenis en verklaarde bij herhaling dat uit hem de zegen zou komen over alle geslachten dei-aarde : in hem en zijn zaad zou het goede pand der waarheid worden bewaard en Christus , de zegensmiddelaar , zou naar don vleesche uit zijn zaad verrijzon.

m

Negenennegentig jaren was Abraham oud, toen verscheen hem do Hoere aan de eikenbosschen van Mamre, als hij in de deur dor tente zat, toon de dag heet werd. Drie mannen ziet hij daar tegenover zijne tente staan. Met oen oog, open voor het bovenaardsche, bemerkt hij dra iets hoogers in hen. Vriendelijk en eerbiedig noodigt hij hen, laat snel oenen maaltijd bereiden en bedient zijne gaston. Zij eten, niet als of zij \'t moeien, maar omdat zij \'t kunnen, gelijk Christus na zijne opstanding. Na den maaltijd spreekt één

\') Schroder, Genes. S. 1:2:2. Roos, Einleit. I. S. 2l(i. 218.

-ocr page 159-

4. MONDEU.IKE OVERLEVERING. 135

van de drie , „de [leeroquot; : over een jaar zal Sarah eenen zoon hebben. De drie mannen staan op en keeren zich naar den kant van Sodom. Abraham gaat mede om hen te go-lelden. Onderweg spreekt de Heere mot Abraham alleen, terwijl de twee anderen, die Gen. 19 : 1 Engelen genoemd worden , naar Sodom gaan. De Heere zegt, aan hem als aan een vertrouwd vriend, wat Hij met Sodom voor hooft. Hij spreekt : zal ik voor Abraham verbergen wat ik doe? Dewijl Abraham gewisselijk tot een groot en machtig volk worden zal en allo volken der aarde in hem gezegend zullen worden. Want ik heb hein gekend , opdat hij zijnen kinderen en zijnen huize na hem zou bevelen en zij den weg des lieer en houden om te doen gerechtigheid en gericht, opdat de lieer oner Abraham brenge hetgeen Hij over hem gesproken heeft Gen. 18 : li).

Dit was nu de taak aan Abraham opgedragen. Hij zou zijnen kinderen en zijnen huize na hem bevelen, loeren: van mond tot mond zou in zijn geslacht voortgeplant worden hetgeen tot dusver on voortaan van Gods wege werd geopenbaard en zijne nakomelingen zouden dienvolgens den-weg des Ileeren houden , het voorschrift van Gods Woord, om te doen gerechtigheid en gerichte, al wat goed en recht is, naar Gods geboden, „in \'t private en in \'t publieke leven.quot; (Kantt.)

Abraham zou de zaligmakende waarheid, beloften en geboden , bewaren. Hiertoe had de Heere hom gekend, uitverkoren , verordend , hem en zijn zaad, te midden van do duisternis dor volken. Het is niet omdat Abraham beter was dan de anderen, maar opdat hij beter zou zijn. Hiertoe had God hem uit Ur geroepen, hiertoe hom voortgaande onder betooningen van zijne macht, genade en trouw ais

-ocr page 160-

§ 4. MONDELIJKE OVERLEVERING.

130

zijnen kweekeling opgetogen, opdat hij de konnis en dienst van den waarachtigen God kon en zou bewaren, ten einde aldus de beloofde zegen van hem over alle geslachten der aarde zich verspreidde.

Abraham met zijne onderwezenen op Hebrons hoogte is eene hartverheffende tegenstelling tegen de goddelooze, voor \'t oordeel rijpende wereld in Sodom en de andere steden van Siddims vlakte, is voorbeeld en eersteling tevens van de gemeente Israels en van die Christelijke kerk , aan welke haar verheerlijkte Koning de getuigenis geeft Openb. 3:10: omdat gij het woord mijner lijdzaamheid bewaard hebt, zoo zal ik ook u heivaren uit de ure der verzoeking, die over de geheele wereld komen zal. Abrahams taak is dan ook de taak van de geloovigen des Nieuwen Verbonds , van geheel do Kerk en van ieder huisgezin in haar.

§ 5. Zekerheid der mondelijke overlevering.

Het Woord Gods en de geschiedenis van zijne werken werd dus van den aanvang af bij monde voortgeplant. Deze mondelijke overlevering was genoegzaam zeker. Reeds wegens de groote sterkte van het geheugen, waardoor altijd en overal het gebrek van letterschrift word vergoed, te meer bij de stilheid en den eenvoud van het herdersleven, waar het geheugen niet met zooveel andere dingen werd bezwaard. Dan ook wegens het groote belang, hetwelk de dragers der overlevering zelven bij deze hadden. Maar vooral wegens het lange leven der menschen. Vóór den zondvloed , bij reiner levenslucht en krachtigere voortbrengselen der aarde, toen „alles wat men tot sp\\]s en drank gebruikte, gezonder

-ocr page 161-

g 5. ZEKERHEID DER MONDELUKE OVERLEVERING. 137

wasquot; lt;), klom de levensduur tot over de negenhonderd jaren. Na den vloed werd door die het naast daarbij geboren waren nog ruim vierhonderd jaar bereikt en van Peleg ») af was de leeftijd eerst ten minste nog over tweehonderd jaar.

Men kon eeuwen lang alles uit den mond der stamvaderen zeiven hooren. Adam , die 930 jaar oud werd, kon, wat hij voor en na den val ervaren had, nog zelf aan La-mcch , den vader van Noach, verhalen. Want Adam stierf in Lamechs 56\'-te jaar. Na den zondvloed had het geheele menschengeslacht tot aan Abrahams tijd Noach bij zicli, den prediker der gerechtigheid, die van den vloed, van deszelfs oorzaken en van de daarop gevolgde nieuwe beloften getuigen kon. Want Noach stierf (200G na de schepping) slechts twee jaar voor Abrahams geboorte. En het derde deel der menschen na den zondvloed , namelijk Sems geslacht, kon uit den mond van dezen oudvader tot in den tijd van haak wient geboorte hij nog 50 jaar overleefde , verstaan wat Methusalach had geloofd, wat Noach had gepredikt, wat m de arko was omgegaan en wat na den zondvloed was gebeurd.

De uitspraak van Mozes Ps. 90 ; 10: Aangaande de dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaren of, zoo wij zeer sterk zijn, tachtig jaren, kan men tegen de hooge getallen der levensjaren voor den zondvloed met geen grond inbren-

\') Luther. Schroder Genes. S. 108.

\'2) In zijne dagen is de aarde verdeeld. Gen. 10; 25. Kurtz, Gesch. des A. B. I. S. 88 , bij wien Peleg foutief de zoon Sems heet i. pl. v. Hehers, stelt het feit tegen het einde der 3de of het begin der 4de eeuw na den zondvloed. De naam Peleg gelijk ook Selah en Heher duiden verhuizingen en verdeeliiigen der volksstammen aan , mogelijk ook scheuring der vaste landen.

-ocr page 162-

138 § 5. ZEKERHEID DEH MONDELIJKE OVERLEVERING.

gon. Doot men liet en betwist men den hoogen ouderdom dor eerste menschen , dan maakt men zich schuldig aan eene onredelijke, ongeschiedkundige miskenning van hot verschil in schier alle toestanden on omstandigheden van toen en thans. „Door koene hand geplant staan deze oude eiken daar op den heiligen bodem der oorkonde, een ieder als oen woud; wie zal naar zijndwergenmaathen meten ?quot; quot;).

De lango levensduur der eerste menschen was in Gods hand een voortreffelijk middel tot bereiking van de verhe-venste doeleinden. Zoo kon de aarde snel bevolkt worden. Zoo de mondelijke overlevering rein bewaard. Adam en Lamech, Lamcch en Som, Sem en Abraham konden alles met elkander bespreken. Zoo waakte de Goddelijke Voorzienigheid voor de noodzakelijke zuivere overbrenging van

\') F. yl. Krummacher , Paragraphen zu der h. Geschichto S. 115. — Sommigen hebben gemeend dat in de enkele namen Gen. 5 vermeld geheele groepen van geslachten samengetrokken zouden zijn. In Gen. 10 geschiedt dal wèl. Maar in Gen. 5 strijdt de opgave van den tijd der geboorten bepaald daartegen. De Heilige Geest beeft ons van Adam al\' doen opteekenen, in wolk jaar ieder uitstekend stamvader , die dat geslacht voortplantte, uit hetwelk Christus ïou voortkomen, dien zoon heelt gewonnen , die desgelijks een belangrijk stamvader in dit geslacht worden zou. Roos , Einleit. I. S- 208. — vbif/eyew hebben de jaren willen verkleinen lot jaren van drie maanden of (tot Noach toe) zelfs van ééne maand. Vergel, (1. Bosch in Herzogs Real-Enc. XVtll. S. 428. Stelt men dit laatste , dan komt men tot de ongerijmdheid , dat b.v. Enos 90 maanden oud eenen zoon gewon , Kenan 70 maanden oud, Henoch 65. Het waren volle jaren van 12 maanden : dat blijkt onweersprekelijk uit de optelling van de dagen en maanden van het jaar des zondvloeds Gen. 7 en 8. —- Ook de tegenwerping, dat in de Grieks die overzetting der LXX en in den Samaritaanschen tekst van den

-ocr page 163-

§ 5, ZEKERHEID DEK MONDELINGE OVERLEVERING. 13!)

do openbaringen Gods en van do eerste geschiedenis dor menschheid. „Door zes op elkander volgende geslachten , toon reeds do faniilio van Setli tol een groot volk was pan-gegrooid , kon dagelijks de stem van Adam weerklinken tot vernieuwing van hot aandenken aan schopping en val en straf, lot betuiging van de hope der verlossing, dio na do tuchtiging was overgelaten en tot verhaal van do oordooien Gods , ter onderwijzing voor allen. Wel konden na zijnen dood de zonen aan de kleinzonen als van hand in hand overleveren wat zij geloerd hadden , maar veel krachtiger was de onderwijzing uit den mond van hem, die ooggetuige van alles was gc.veost. Doch verwonderlijke, ja onnatuurlijke hardnekkigheid, dat zelfs aldus het gezondere deel des menschelijken geslachts niet bij de gehoorzaamheid in de vreeze Gods kon gehouden worden!quot; \').

§ 6. De dragers der waarheid.

De getrouwe God droog zorg dat de waarheid werd voortgeplant.

Fentateuch (de vijf\' Boeken van Mozes) cene andere jaartelling gevonden wordt dan in den Hebreeuwschen tekst, neemt den hoogen ouderdom der eerste vaderen toch niet weg. Want m de opgaaf van hunnen levensduur stemmen alle drie samen bij Adam , Setli , Enos , Kenan, Mehalalel. Alleenlijk bij Jered heeft do Samaritaan minder, namelijk 847 jaren in pi. v. 9G2, desgelijks bij Methusalacli aan wien 720 jaar wordt gegeven in pl. v. 969 en bij Lameeh 653\'in pt. v. 777 (LXX753). Wederom stemmen al de drie saam bij Sem , van wien zij eenen levensduur van 600 jaar vermelden. Kurtz , Geseh. des A. LJ. I. S. 75. 130.

\') Calvin. Comm. Gen. 5; 4.

-ocr page 164-

§ 6. ÜE DHAGERS DEH WAARHEID.

140

a. Het licht der Onddelijke openharingen bleef eerst hij het geslacht van Seth. Seth is de tweede varter van alle thans levende menschen; want uit hem is A\'oac/i , die „zijn achtsterquot; in de ark behouden word , en uit dozen het menschdom na den zonrtvloed gesproton Toen Soih geboren word, was Adam 130 jaar oud (Gen. 5:3), wien hij als een ander zaad werd gezet voor Hahel, dien Kaïn had doodgeslagen (Gen. 4 : 25).

Kaïn , die zekerlijk reeds vooi de vermoording van zijnen broeder getrouwd was lt;) met eene van zijn zusters, ging uit van het aangezicht des Heeren en hij woonde in het land Nod ten oosten van Eden (Gen. 4: 1G). Hij ijlde weg van do plaats waar God zich placht te openbaren, van do oorden waar zijne ouders vervolgens met hunne andere kinderen verbleven en toog hoen waar hij dacht verschoond te zullen blijven van beschamende venvijtingon. Hoewel men Gods alomtegenwoordigheid erkende, openbaarde God zich toch aan bijzondere plaatsen op eeno bijzondere wijze en deze placht mon te recht voor heilig te houden. Daarom zalfde later Jakob den steen , op welken zijn hoofd gerust had , toen hij de homolsladder in den droom zag. God zelf verkoos daarna tabernakel en tempel ouder Israël Lor woning. En nog behoudt dit woord der Goddelijke belofte zijne kracht Ex. ii!ü : 24: aan alle plaats, waar ik mijns naams gedach-

\'} Calvin. Comm. in Gen. 4: 17 , die le recht aanmerkt, dat Mozes anders nu wel iets van Kaïns trouwen zou zeggen , wijl liet vermeldenswaard was dat er ééne van zijne zusters gevonden werd, die niel schrikte van zich aan den man le geven die met broederbloed bevlekt was en , terwijl zij nog vrij was , hem liever in zijn ballingschap wilde volgen dan in het vaderlijk gezin blijven.

-ocr page 165-

§ 6. DE DRAGERS DER WAARHEID,

tenis stichten zal, zal ik tot u komen en zal u zegenen. Maar wij moeten ons tevens houden aan het woord van Christus, Matth. 18: 20: ivaar twee of drie vergaderd zijn in mijnen naam , daar hen ik in het midden van hen.

Kaïns geslacht vermenigvuldigde zich in hel land , dat wegens zijne vlucht en gejaagdheid Nod, „onrustquot; genoemd werd. liet geslacht van Kaïn wordt Gen. 4: 17 v.v. tot in het zesde lid beschreven en dit zesde lid reikte omtrent tot aan den tijd van Henoch; den zevenden van Adam, deze medegerekend. Kaïns nakomelingen gingen al dieper de duisternis in. Door natuurlijke gaven muntten sommigen van hen bijzonder uit. De Kaïniet Lantech, die „zich twee vrouwen namquot; , was dichter, zijn zoon Juhal muzikant, Jahal tentenmaker, Tubalkaïn koper- en ijzersmid. Maar van dezen wordt niet gezegd, dat zij den naam des Heeren aangeroepen en met God gewandeld hebben. Bij al hun vernuft waren zij toch maar kinderen der wereld. Van dit geslacht Kaïns brak het verderf tot die van Seth uit als een stroom, en door den zondvloed werd het geheel verdelgd, hoewel de kundigheden en uitvindingen , in dat geslacht verkregen , door Noach en zijne zonen tot de nieuwe wereld werden overgebracht i).

In Seihs geslacht bleef dan het zaad der kerk i) bewaard. Uitstekende vroomheid wordt beschreven als een wandel met God. Henoch ivandelde met God, Gen. 5 : 22. Noach n as een rechtvaardig, oprecht man in zijne geslachten. Noach wandelde met God, Gen. 6: 9. Zij en alle geloovigen , ook die minder uitblonken, onderscheidden zich van de godvergeten wereld doordat zij in al hun

\') Boos, Einleit. I. 202 ff,

\'■\') Calvin. Comm. in Gen. 5:1.

141

-ocr page 166-

142 § 6. DE DRAGERS DER WAARHEID.

doen aan God gedachten, Hom naar do oogen zagen. Aldus genoten zij Guds goedheid en ofschoon er geen boek voorhanden was, waarin hun regelen waren voorgeschreven , worden zij toch door God zelven geleerd en hunne harten geneigd om het kwade te mijden en het goede te doen quot;)• Henoch en Noach ontvingen daarenboven ook nog buitengewone openbaringen van God en kwamen daardoor in den rang der profeten -)

b. Na den zondvloed bleef de Goddelijke waarheid hij de nakomelingen van Sem bewaard, van wie Japhets en Ghams geslachten zich afscheidden. Som was de eerstgeboren zoon van Noach , Japhet de tweede , Gham do jongste s).

Noach was na don zondvloed met zijne drie zonen en hunne vrouwen van het gebergte Ararat afgedaald en had zich oostwaarts gewond. Want van daar togen de monschen naderhand in het land Sinear , waar de Eufraat vloeit (Gen. 10 : 10).

Gham en ook wel zijn jongste zoon Kanaiin haddon misschien hun ruwen aard reeds vaker getoond. Maar eens, toon Noach na overmatig drinken van don wijn , „zich zelven

\') Roos, Einleit. I. S. 212.

2) De Apostel Judas v. 14, 15 lieeft eene profetie van Henoch opgeteekend, die door mondelijke overlevering tot op zijnen tijd was voortgeplant, gelijk ook onze Kantteek. a. i. aannemen.

:\') Het waren geen drielingen, maar zij waren in verschillende jaren geboren. Onze Kantteek. op Gen. ö ; 32 stellen dat eerst Japhet geboren is , daarna Sem en ten laatste Gham. Naar Calvin Comm. in Gen. 10: 21 was Sem de oudste. In deze plaats: nsr ^ns4 behoort „de grootstequot; (oudste) als bijstelliiig

tot broeder, niet tot Japhet: Sem — a. de vader idler zonen van IIeb er , b. broeder van Japhet, c. de grootste.

-ocr page 167-

g 0. DE DRAGERS DER WAARHEID.

schandelijk vergetende \')naakt in liet midden zijner tente lag, bezondigden zij zich door hunnen vader te bespotten, terwijl Sem en Japhet zedig die kinderlijke eerbiedigheid bewaarden die „ook zonder boek en preek door de natuur geleerd wordt en de moeder is van alle deugden 2).quot; Tot zich zelven gekomen sprak Noach in profetischen geest Gen. 9 : 25 : vervloekt zij Kanaan, een knecht der knechten zij hij zijnen broederen! De vloek raakt het geheele geslacht van Clmin, maar valt bijzonder op dien zoon van hem, wiens nakomelingen, de Kanaunieten door hunne matelooze zonden en door het oordeel dat hen er om trol\'tot een treffend bewijs zouden strekken van de waarheid en de Goddelijkheid dezer zoo vér ziende profetie, bij welke de Geest Gods zijne tong bestierde.

Voorts zeide hij vs. 2ö : yezeyend, geloofd, geprezen zij de lieere, de God van /Sew, waarin al aanstonds wordt aangeduid dat de kennis en dienst van den waren God het langst bij de nakomelingen van Sem zou blijven; en Kanaan zij hem een knecht — duidelijke voorspelling van de overweldiging der Kanaanieten door Israël. Van Japhet sprak Noach v. 27 God breide Japhet uil*) en hij*) wone in Sems

\') Turpem ac pudendum in modutn sui oblitus. Calvin. Comm. in Gen. 9 : i20.

\'2) Calvin. Comment, in Gen. 9 : 212.

:l) Anderen vertalon: God overrede of lokke Japhet dat hij wone in Sems tenten. Maar in deze beteekenis staal Hni, van hetwelk

T T

alhier liet fut. apoc. Hiph. is, nooit met ^ maar altijd met

den accusativus. Reeds LXX hebben terecht vrhxTuvxi, Vuly. dilatet. Nauwkeurig; God make het voor Japhet ruim — door talrijke nakomelingschap en uitgestrekt landbezit. Werkelijk hebben de afstammelingen van Japhet niet alleen geheel Europa ingenomen , maar ook een groot gedeelte van Azië. Gen, 10:2 — 5.

4) Namelijk Japhet. Sommigen nemen God als subject eti

-ocr page 168-

§ 6. DE URAGERS DER WAARHEID.

tenten \') en Kanaiin zij hem een knecht. Hier profeteert Noach wat eerst na tweeduizend en eenige honderde jaren geschieden zou: dat Japhets nakomelingen bij de nazaten van Sem zouden opgenomen worden in de gemeenschap van den waren Godsdienst, en alzoo zouden deelen in den zegen , die over Soms geslacht komen zou. „Met weinig wordt hier de loop van de geschiedenis des menschelijken geslachts geteekend in eene voorzegging, die de zegen en de vloek van een vader over zijne zonen is, terwijl aldus tevens de heiligheid des vaderlijken gezags en der ordeningen Gods onder de menschen met kracht wordt gestaafd 1).quot; De voorzegging is een levend, rusteloos voort-werkend woord dat den gang der gebeurteniseen tot aan het bestemde einde bepaalt. Van daar de overeenkomst der gescliiedenis met haar. Van daar dat zij alleen uit God kan zijn als die de ontwikkeling der tijden en volken niet slechts vooruitziet maar bij zich zeiven vastgesteld heeft.

De waarheid bleef dan bij Sems geslacht. En wel voornamelijk in de linie van zijnen zoon Arphachsad, wiens zoon

dan 1 voor maar; God breide Japhet wel uit maar Hij wone, met zijne bijzondere genadige tegenwoordigheid, in Sems tenten. Doch dit zou eene onvoegzame beperking zijn van den zegen over Japhet, die immers ook over de Ghamieten (Afrikaansche volksstammen) heerschen zou.

\') Anderen, ook Gesen. en Winer: in tenten van name (DIJ\'

heet naam), in uitnemende, vermaarde woonplaatsen. Maar □B\'

in v. 27 anders te verstaan dan v. 20 is geheel willekeurig. Hengstenberg, Ghristol. des A. T. I. 1. ad Gen. 9 : 26, 27. Kurtz, Gesch. des A. B. 1. S. 84. „Japhets nakomelingen zullen lot de gemeenschap van Gods Kerke gebracht worden.quot; Kantteek.

J) Von Cerlach a. 1.

144

-ocr page 169-

G. DE DRAGERS ÜEH WAARHEID.

was Selah en de zoon van dezen was Heber, de stamvader der Arabiërs en der Israëlieten, welke laatsten naar hein Hebreërs genoemd zijn.

Onder Soms afstammelingen bleef daarna het licht der Goddelijke openbaringen schijnen bij Abrahams zaad, het Israëlitische volk.

De verdorvenheid dor menschelijke natuur openbaarde zich na den zondvloed weldra zoo machtig dat ook de heugenis van dat ontzaglijke strafgericht den stroom niet keeren kon; de afgoderij kwam op en drong onweerhoudbaar door. Toen na den Babelschen torenbouw de nakomelingen van Noach zicii over de aarde hadden verspreid, werd wat God aan de vaderen geopenbaard had langs zoo meer vergeten of misvormd. Geheel van het Goddelijke zich los te scheuren vermochten evenwel de menschen niet. Te onverdelgbaar is het gevoel van af te hangen van hooger macht in hel hart geworteld. Maar onbekwaam om boven de natuur op te klimmen, zochten zij God in de natuur en schuw voor een heilig God vormden zij zich eenen zinnelijken God. Zij gingen als Goddelijk vereeren wat in de natuur door schoonheid en nuttigheid, door geweldige of géheimwerkende kracht in het oog viel. — Üe afgoderij verbreidde zich overal en drong ook in Sems geslacht door en besmette Israels voorvaderen. Dat wordt Israël uitdrukkelijk herinnerd Joz. 24 : 2 : over cjene zijde der rivier hebben uwe vaders van onds gewoond, namelijk Ter ah, de vader van Abraham en de vader van Na-hor en zij hebben andere goden gediend. Niet dat zij volslagen heidenen waren geweest, maar waarheid en leugen hadden zich bij hen vermengd \').

\') \'Von Gerlach zu Gen. 12. Hengstenberg, Gesch. desR. G. unter dem A. B. 1. S. 138.

Gravcmeijer, Gorof. Gel. Icor, 10

145

-ocr page 170-

146 § 6. DE DRAGERS DER WAARHEID.

Toen riep God Abram, om zich een eigen volk te bereiden. Niet in een reeds aanwezig volk wilde de Heer zijn rijk vestigen , maar een nieuwen , zuiveren grond wilde hij leggen om daarop te bouwen. Abraham zou de stamvader van dat volk zijn. Dat is het Israëlietische volk, uit Izaak , Jakob en de twaalf patriarchen gesproten, hetwelk de gegevene openbaringen bewaren en nieuwe ontvangen zijn , uit hetwelk Christus naar den vleesche zou voortkomen en dat zich krachtig zou uitzetten en een menigte van valken in zijnen schoot ontvangen en in hetwelk allo geslachten des aardrijks zouden gezegend worden, ingeënt in den stam van het uitverkoren geslacht •)•

§ 7. Mondelijke overlevering op den duur onvoldoende.

De mondelijke overlevering bleef niet voldoende om de zaligmakende waarheid onvervalscht voort te planten. Wat God voor de menschen gedaan en gesproken had, dat moest, zou \'t op den duur zuiver bewaard blijven, onder zijn eigen bijzondere leiding opgeteekend, in schrift gesteld worden.

Gelijk de spraak voor den mensch het middel is om zijne gedachten en gevoelens uit te drukken en aan anderen mede te deelen, zoo is het schrift het middel om, hetgeen men gedacht, erkend, ervaren heeft, ook tot het nageslacht rein en waar over te brengen. De uitvinding en het gebruik van hef letterschrift moest tot bereiking van Gods genaderaad medewerken. Israël was mede daardoor voorbereid en gevormd om aan zijne hooge bestemming te beantwoorden, om

\') Hengstenberg a. W. 1. S. 1G7.

-ocr page 171-

§ 7. MONDELUKE OVEULEVERING 01\' DEN DUUU ONVOLDOENUE, 147

Gods volk on koninkrijk te zijn, ter vervulling van de beloften aan Abraham gedaan. Is in bot gemeen eene boboor-lijke staatsorde en eon geregeld rijksbestuur nauwelijks mogelijk zonder scbrift, boe kon bet Godsrijk bestaan zonder scbrift, zonder zoodanige vaststelling van alle verhoudingen des volks jegens zijnen God en Koning en van de rechten der loden jegens elkander, dat door mcnschelijke eigenwijsheid of onkunde, door eigenbaat en ontrouw niets daaraan kon worden veranderd ? •) Er moest een boek voorbanden zijn, betwolk de door God geopenbaarde waarheid, beloften en geboden, volledig en zuiver bevatte, of de onmiddelijke openbaringen moesten gedurig woer van nieuws beginnen.

Zonder geschreven Woord kon do kerk op den duur niet bestaan. Dit geldt zoowel van de Kerk des Nieuwen als van die des Ouden Testaments. „Ontstaan kon de gemeente des Hoeren zonder geschreven Woord, maar kon zij

niet zonder de altoos even reine en frisscho levensbron 1).quot;

Dat begrepen die bittere, vijandige Heidenen wel, die don Keizer Diocletianus (1303 n. G.) bewogen tot bet besluit „dat alle bandschriften van den Bijbel zouden verbrand worden.quot; Gelukte dat, dan was daarmede de bron zelve weggedaan, uit welke bet ware Christendom en hot leven der Kerk tel-

1

) Von Gerlach, A. T. 1. S. VI. Schleiermacher, Der Glir. Glaube , 3te Ausg. II. S. 323 beweert : „liet gezag der h. Schrift kan de grond niet zijn van het geloof in Christus, veelmeer moet dit geloof reeds verondersteld worden om aan de h. Schrift een bijzonder gezag toe te kennen.quot; \' Maar Christus zelf en de Apostelen beriepen zich op de h. Sclmf\'t des O. T. en geheel hunne leer, voornamelijk aangaande zijnen persoon en zijn werk, was hierop gegrond. Nilzsch , System S. 99. Von Gerlach , N. T. S. IV en VIII. Bretschneider, Dogm. I. S. 275 lï.

-ocr page 172-

148 §7. MONDELIJKE OVERLEVERING OP DEN DUUR ONVOIjDOENDE.

kons op nieuw weer moest opkomen. Al doodde men nog zoo vele predikers en belijders van het Evangelie, hot baatte den vijand niets, zoolang den Ghrislenen dit Boek bleef, dat steeds weer nieuwe leeraars vormen kon. Wel was op zich zelf en naar zijn eigen aard het geloofsleven zoowel onder bet O. als onder het N. V. niet noodzakelijk aan geschreven letters gebonden. Ingeschreven niet in steenen tafelen maar in de levende tafelen der harten kon de Goddelijke leer, eenmaal in de gemoederen aanwezig, in dezen door bare Goddelijke kracht zich onderhouden. Maar in dezen alleen, in wie zij nu was en werkte. Bij de andoren ook, tot wie zij eerst komenmoest of eerst tot eene levenskracht moest worden ? Geenszins. Gelijk de menschelijke natuur thans is , zou ook bet Christendom zonder de bron der Schrift, uit welke het steeds weer in zijne eigene reinheid hersteld kan worden, door vervalsching of bederf weldra onderdrukt en onkenbaar zijn geworden \').

§ 8. Begin der beschrijving.

De eerste der Bijbelschrijvers was Mazes, die ook de eerste wonderdoener in de wereld was. „Vroeger waren er Goddelijke gezichten, voorzeggingen en droomen, nu kwam de gave om wonderen te doen er bij, gelijk ook anders door Mozes veel nieuws in de wereld kwam).quot;

\') Neander , Algem. Gescli. der Ghr. Rel. u. K, I. S. 153 f.

-) Boos , Einleit. II. S. 158. In Gwrnx koml geen cón wonder voor door een niensclt gedaan. Merkwaardig blijk van de geschiedkundige waarheid des hoeks. Bij andere volken is het : hoe ouder de verhalen, des te meer wonderen. Kurtz, Gesch. des A. B. I. S. 348.

-ocr page 173-

§ 8. BEGIN ÜEU BESCHRIJVING.

Mozes was een man Gods met hooge gaven uitgerust, wiens redding uit het water een voorteeken was van de redding des volks uit de wateren der verdrukking en die voor zijne gewichtige, eigenaardige bestemming uitnemend werd gevormd. Op grond van Ex. 2: 10 : hij werd Pha-raos dochter ten zoon, kon Stephanus Hand. 7 : 22 zeggen: en Mozes iverd onderwezen in alle wijsheid der Egijptenaren. Krachtig werkte de Geest Gods in hem dat hij in de weelde en wellusten van het koninklijke hof niet verzonk maar te zijner tijd alle wereldsche heerlijkheid verzaken kon; dat hij niet weggesleept werd door de wijsheid dezer wereld, hoewel die hem daar ruimschoots werd toegediend, maar zich aan de eenvoudige overleveringen zijner vaderen ging houden , ofschoon hij deze bij zijn volk, inzonderheid bij den stam Levi moest opzoeken \'). Voorts schetst Stephanus wat Mozes later werd : machtig in woorden en werken.

Ten aanzien van de profetische gave had hij eenen voorrang boven alle menschen, daar hij den lieer durtde vragen zoo vaak als hij wilde en antwoord ontving waar hij \'t begeerde. Als voorbeeld van Christus (Deut. 18 : 15) stond hij hierin boven allo andere profeten. Tot Mirjam en Aaron sprak de Heer ter hunner beschaming Num. 12: 6—8: zoo er een profeet onder u is, ik de Heero zal door een gezicht mü aan hem bekend maken, door eenen droom zal ik met hem spreken. Alzoo is mijn knecht Mozes niet die in mijn gansche huis getrouw is. Van mond tot mond spreek ijc met hem en door aanzien en niet door duistere woorden en de gelijkenis des Heer en aanschouwt hij: waarom dan hebt gijlieden niet gevreesd

\') Hengstenberg, Gesch. des R. G. unter dem A. B. 11.1. S. 18. 20.

149

-ocr page 174-

§ 8. BEGIN DEU BESCHRIJVING.

tegen mijnen knecht, iegen Mozcs te spreken ? Dus bij hom was het: van mond tot mond. Dat was meer dan droom. Wij lezen dan ook niet dat Mozes Goddelijke droomen gehad heeft. Ja het was meer dan zinsverrukking (ekstase), want ook bij deze is het geopenbaarde nog in zinnebeeld en raadsel gekleed. Kwamen er van do kinderen Israels tot hem, die iets te vragen hadden, hij kon zeggen : hlijft staande, dat ik hoor ivat de 11 eere u gebieden zal en dan sprak de Heero tot hem. Num. 9 : 8, 9. Mozes stond in eeno vertrouwelijkere en innigere betrokking tot God dan ieder ander dienaar Gods onder de bedeeling des Ouden Testaments. Geen profeet stond hom gelijk. De Goddelijke verlichting der gewone Profeten was eeno godeoltelijko, geschiedde bij tusschonpoozen on was met donkerheid bedekt, maar die van Mozes eone voortgaande , met volkomen klaarheid \').

Zulk oen man kon niet dan waarheid schrijven.

Hij beschreef hetgeen tot daartoe geopenbaard was , mot do gewichtigste gebeurtenissen van do schopping aan tot op don dood van Jozef. Hetgeen hij in hot boek Genesis verhaalt, had hij wol niet zelf beloofd maar hij was bij zichzelven van de waarheid er van verzekerd , anders zou hij het niet geschreven hebben naar hij in de vier overige boeken zich zeiven doet kennen en door zijnon hemolschon Zonder gekonrnorkt wordt. Zou deze zelfde man, die in do andere boeken met de schitterendste waarmerken als Gods uitnemende gezant optreedt, in het eerste boek fabelen vertellen en aldus voor do toekomst den grond leggen tot onvormijdolijke dwaling ?

Ook do zedelijke ernst, de reine , heilige, Goddelijke

\') Schrijvers Aanteek. op Dr. Hocdemakers Handb. bl. 34. Hengstenberg, Gesch. des R. G. untcr dein A. B. II. I. S. 1(58.

150

-ocr page 175-

§ 8. BEGIN DER BESCHRIJVING.

zin, welken, gelijk al de Bijbolschriften, zoo ook het boek Genesis ademt, is iets waarmee verdichting onbestaanbaar is.

En allerkrachtigst wordt de waarheid van de berichten des books Genesis bevestigd door de overeenstemming met hetgeen daarvan in de latere Bijbelboeken verhaald ot aangeduid wordt tot de Evangeliën en de Apostolische Zendbrieven toe en door den innerlijken , onlosmakelijken samenhang zelf van hetgeen in Genesis bericht wordt met de gebeurtenissen die daarna worden vermeld, gelijk dan inzonderheid door hetgeen onder Mozes is gebeurd de ge-heele geschiedenis der patriarchen als waar wordt verondersteld en zonder deze niet kan worden verklaard. Israels volksbestaan, gelijk de bezitting van Kanaiin, wordt in de geschiedenis der aartsvaderen beloofd en voorbereid , Israels God is de God van Abraham , Izaiik en Jakob Ex. 3 : 15 , 16. Deut. 9 : 5 gt;).

De leidingen en ondervindingen der eerste vaderen eerst alleenlijk van mond tot mond verhaald en nu door Mozes in schrift gesteld, waren eene troost- en heiligingsbron, waaruit het volk Gods bij de dienstbaarheid in Egypte en gedurende don langen , verzoekingsvollon tocht door de woestijn zich laven kon als met een levend water. En deze bron vloeit voort voor het geestelijke Israël van alle tijden 2).

In zijne vier laatste boeken. Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronorniurn , is Mozes zelf oog- en oorgetuige »). Hier kan van verdichting geheel geen sprake zijn. Hij

\') Hengstenberg, Gesch. des R. G. I. S. 34 lï.

-) Schroder, Genes. S. 2(jü.

:l) Het spreekt bij verstandigen van zelf dat Deut. 34 niet is van de hand van Mozes. Onze Kantteek. merken bij v. ü aan : „uit deze woorden blijkt klaarlijk dat dit kapittel na Mozes dood

151

-ocr page 176-

152 § 8. BEGIN DER BESCHRIJVING,

kqn getrouw mededeelen wat voor zijn oogen was voor-gevallèn en in hetgeen iiijzell\' bijzonder was betrokken geweest. Hij wilde waarheid, niets dan waarheid verhalen: daarvoor staat ons geheel zijn karakter ten waarborg, daar hij er nergens op uit is oin zichzeiven of iemand van zijn volk te verheerlijken maar zijne en hunne gebreken onbewimpeld openlegt. En al had hij ook niet gewild , hij moest wel de waarheid schrijven, daar hij in de eerste plaats voor de medegetuigen van al die groote gebeurtenissen schreef, welke hij mededeelt, wien hij met geen leugens kon of durfde komen, wien hij toch niet zeggen kon dat zij gezien hadden wat zij niet gezien , gehoord wat zij niet gehoord hadden \'). Men zou hem, want men spaarde hem waarlijk niet, in het aangezicht hebben tegengesproken. Maar nooit is er toen noch later iemand in Israël opgestaan, die hem heeft gelogenstraft en de onwaarheid van zijne verhalen heeft beweerd. Wat is er dan te denken van zoodanigen, die hedendaags met ruwen spot durven zeggen: „\'t zijn fabelen, de oude Joden hebben in deze boeken maar zoo wat geschreven ?quot;

8 9. Voltooiing der beschrijving.

Voltooid werd de beschrijving van Gods Woord door den Apostel Johannes. Op onderscheiden tijden heeft God hei-

beschreven is.quot; Volgens Joodsclie overlevering zijn de acht laatste verzen door Jozua geschreven. Oehler in Herz. Real-Enc. VII. S. 246.

\') Calvin. Instil. I. 8. 5 : scilicet — suam doctrinam sub ipsorum conspeclu jactasset sancitam fuisse üs miraculis, quae ipsi nunquam vidissent!

-ocr page 177-

§ 9. VOLTOOÜNö DEK BESCHRIJVING.

lige mannen verwekt en bekwaam gemaakt om in schrift te stellen wat naar zijne bedoeling, hoewel soms zonder dat zij dit wisten , voor de Kerk van al de volgende eeuwen ten nutte zou zijn en als waarheidsbron zou dienen. Onder hef. Oude Verbond Profeten, mannen Gods, door den Heiligen Geest verlicht en gedreven. Onder het Nieuwe Verbond, door denzelfden Geest bezield. Evangelisten en Apostelen : Evangelisten , de schrijvers van de vier canonieke Evangeliën , die de heugelyke geschiedenis bevatten van des Zaligmakers geboorte, leven, prediking, wonderwerken, lijden , dood, opstanding en hemelvaart; Apostelen , do eerste gezanten van Christus, onmiddellijk door Hem zeiven aangesteld om het Evangelie te verkondigen en door zijnen Geest in al do waarheid geleid.

Het laatste boek des Ouden Testaments is door Maleachi geschreven omtrent 430 jaar voor Christus geboorte \')•

Het laatste book des Nieuwen Testaments is, meer dan 1500 jaar na Mozes, door den Apostel Johannes geschreven.

Johannes schreef de Openbaring onder keizer Domi-tianus die 81 —9G na C. over het Romoinsche rijk regeerde , en wel, volgons de oudste en geloofwaardigste berichten, tegen het einde van diens regeering 2).

\') Na het 3v2ste regcei-ingsjaar van Artaxerxes Longimanus. O. R. Hertwig, Tabellen A. T. 2te Aull. S. ()4.

2) Gelijk reeds Irenaeus (st. 202 n. G.) verzekert. Zie bij Hengstenberg , die Giïenbai\'. des h. Joh. I S. 2. S. 43. 11. S. 135 Cf. En bewezen uit Oponb. 1 : 9 ib. 1. S. 19 ff. — De nieuwe, Synodale Bijbelvertaling zegt Inleid, lot de üpenb. bl. 534; „kennelijk is dit boek geschreven vóór de verwoesting van Jeruzalem — onder den keizer Galba , in het jaar ö8.quot; Galba regeerde nauwelijks acht maanden I Met Hengstenberg, Off. Joh. 11. S. 85 moet men het vermakelijk vinden, don tijd van de be-

153

-ocr page 178-

§ 9. VOLTOOIING DER BESCHRIJVING.

154

De Openbaring is werkelijk hot laatst geschreven Bijbelboek. Wichtig is voor de bepaling van clcn tijd, in welken de Openbaring werd geschreven, Johannes eigen verzekering Openb. \\ : ik Johannes , die ook uw broeder hen en medegenoot in de verdrukking en in het koninkrijk en in de lijdzaamheid van Jezus Christus , ivas op het eiland Patmos om het Woord Gods en om de getuigenis van Jezus Christus. Daar verklaart de schrijver dat hij niet de Christenen in Klein-Azië , tot wier bemoediging dit boek het eerst zal dienen , in hunne verdrukking deelt en wel eene zoodanige verdrukking, die het verlangen

sclirijving der Oporib. zoo nauwkeurig bepaald te zien. De Synodale Vertaling heeft de uitlegging van Eivald-Lücke met hunnen iVero aangenomen (waartegen afdoende is opgekomen Hengstenberg , Oiï. Joh. II. S. 85 ff.) : „de zeven hoofden des diers de eerste zeven Romeinsche Keizers ; Nero , die de vijfde Romeinsche keizer was geweest, zou ook de achtste zijn , t. w. als hij, uit het Oosten wedergekeerd, de regeering op nieuw aanvaard had.quot; Synod. Vert. Aanteek, op Openb. 17 : 11. Dus het dier zelf het achtste hoofd des diers ? Zie daartegen Heng-stenb. II. S. 100. In de Aanteekening op Openb. 17 : 10 wordt aan Johannes de „verwachtingquot; toegedicht „dat Nero spoedig wederkomen en zich op nieuw van de regeering meester maken zouquot; (het volksgerucht Tac. Hist. II. 8. 1. Suet. Nero c. 57 bestreed de waarheid van zijnen dood , bij welken slechts weinige getuigen waren geweest — nox et ignotum rus fugam Neronis absconderant Tac. Hist. III. G8. — en beweerde niet dat hij van de dooden zou opstaan. Henystenb. Off. II. S. 105.) en op deze onderstelling wordt eene uitlegging van de Openbaring gebouwd , die uiterst oppervlakkig is en op de laagste gevoelens van de woorden der H. Schrift en bijzonder der Openbaring berust. llengslenb. a. w. II. S. 80. En op zulk eene uitlegging komt de Synode de Ned. Herv. Kerk vergasten !

-ocr page 179-

§ 9. VOLTOOIING DER nESCIlRI.IVING.

naar het koninkrijk van Jezus Christus , het rijk der heerlijkheid doet ontbranden , in hetwelk de wereld en allo vijandsmacht overwonnen zal zijn en tot welks verkrijging de lijdzaamheid van Jezus Christus noodig is , die lijdzaamheid welke Eiij in zijn persoon bewezen heeft en in zijne leden bewijst, eene lijdzaamheid dus die in het go-loof aan Christus zegepraal is geworteld. —

De verdrukking doet aan vervolging denken en wel eene zoodanige die meer of min allen trof of althans allen dreigde. Zulk eene algemeene vervolging heeft echter niet vóór keizer Domitianus plaats gehad, üe vervolging onder Nero bleef binnen Rome beperkt i)-

Verder de schrijver van dit bock komt hier voor als een die wegens zijne moedige belijdenis van Jezus Christus gedeporteerd is : hij is banneling op het eiland Patmos (thans Palmosa) nabij do westkust van Klein-Azië niet ver van Efeze. Zulke verbanningen hebben nevens de terdoodbron-gingen bij de vervolgingen onder Domitianus plaats gehad maar niet onder Nero : bij dezen weet de geschiedenis alleen van marteling en ombrenging van christenen in Rome en gewaagt van doportatiën (wegvoeringen) met geen woord ^).

Eindelijk volgens deze plaats was do ziener op het eiland Patmos toen hij do Openbaring ontving , geheel in overeenstemming met de overlevering, volgens welke Johannes onder Domitianus naar Patmos verbannen is geweest , eene overlevering, welke reeds Clemons van Alexan-

\') Ook Niedner , Lchrb. der Kircliengesch. S. 121 erkent deze beperktheid der vervolging onder Nero, voorts de verergerde positie der Christenen na den ondergang des Joodschen Staats en de scherpte en uitgebreidheid van Domitianus\' resolution.

Hengstenberg, Offenb. I. S. 20.

155

-ocr page 180-

g y. VOLTOOIING DEU UESCHRI.IVINU.

drie (st. omtrent 220) als algemeen bekend veronderstelt •).

Merkwaardig is de beschrijving van dit laatste Bijbelboek , sluitsteen van den wonderbouvv der Heilige Schrift. Hier heeft de Goddelijke ingeving haar hoogste werk volbracht. Het was op den dag des Heeren , den dag van Jezus opstanding , op den eersten dag der week , dat Jo-hannes op Patmos de. Openbaring ontving en wel /.00 , dat niet alleen het eerste gezicht, maar de inhoud van geheel het boek op denzelfden dag door liem werd gezien : want van eenen anderen dag wordt bij de opvolgende gezichten niet gewaagd 2). Hij was in den geest , in geestvervoering, als buiten zichzelven ; zekerlijk na menigvuldige en diepgaande voorbereiding, terwijl het bij hem op dezen Zondag tot „doorbraakquot; kwam 3).

§ 10 Verzameling der Heilige Schriften.

Do verzameling der Schriften beide des Ouden en des Nieuwen Testaments is allengs tot stand gekomen onder de bijzondere voorzienigheid van God , die de Kerk de ware Heilige Schriften deed onderscheiden en als gezaghebbend (canoniek) erkennen.

Het Oude en Nieuwe Testament ■\') pleegt men ook Oud en Nieuw Verhond te noemen. In de taal der Schrift wordt

\') Dezelfde, I. S. 3.

\'-) Dezelfde, 1. S. 117.

\') Dezelfde, 1. S. 118.

4) Van Oosterzee, Clir. Dogni. 1. p. 270 zegt dat ZixÓvw, ma min gelukkig door de Latijnsche Kerkvaders met testa-

inentuin is overgezet en in de beteekenis van foedus moet opgevat worden. Maar hunne gronden hiervoor schijnen hem niet

156

-ocr page 181-

§ iü. VERZAMELING DER HEILIGE SCHRIFTEN.

iedere genadebetrekking, in wé\\k(i God tot menschen treedt, ais een verhond voorgesteld. Dies begrijpt het verhoud Gods in zich de bijzondere openbaringen , verordeningen en instellingen van God voor gevallene menschen ter wederoprichting van de door de zonde verbrokene gemeenschap of verbintenis met Hem. En deze naam kan aan do Heilige Schriften gegeven worden , omdat zij die Goddelijke openbaringen , verordeningen en instellingen behelzen : vóór Christus het Oude , na Christus het Nieuwe Verbond. Het Oude Verhond bevat de handelingen Gods met de eerste uitverkorenen, dan, als de afgoderij de overhand had gekregen , met Abraham en daarna door Mozes met het Israëlietische volk , hetwelk geheel eigenaardige instellingen ontving : het Oude Verbond in nauwe-ren zin d. i. het Sinaïtische, het. Verbond der wet, onduidelijk te zijn geweest. Zelf moet hij dadelijk al toestemmen dat \'Sixóm Hebr. 9 : 16 „ook in den zin van testament gebezigd wordtgelijk ook Lünemann a. 1. verstaat. Naai\' onze Staten-vertaling spreekt Paulus 2 Kor. 3 : 14- van het lezen des Onden Testaments, rys ttxXmxs iïixó\'jwc. Meijer neemt lixfyw ook hier in de beteekenis verbond en herinnert daarbij : „do hoeken den O. T,, gelijk men gewoonlijk aanneemt, beteekent ^ Tra,?.. dixOw\'/i niet.quot; Even zoo de Nieuwe , Syn. Vertaling. Maar ook v. Oosterzee a. W. bl. 271.

De LXX vertolken fVD een paar plaatsen uitgenomen altijd

door dtxöyy.y. In de profane graeciteit beteekent Sixóyxy niet algemeen vaststelling (Winer ad. Gal. 3: 15 neemt lixöyy.y aldaar in den ruimen zin van \'iedere menschelijke vaststelling , wilsbeschikking [aldus ook v. Hoffman, Weiss, u. Erfüll. S. 138 ; daartegen Hengstenberg . Gesch. des R. G. u.itur dem A. B. II. 1. S. 88], dus ook testament, doch niet alle n. Verbond verwerpt hij: promissionis div. comparatio cum Ibedsre ab hoe certe

157

-ocr page 182-

158 § lü. VEllZAMELING DEU HEILIGE SGHUIFTEN.

der hetwelk het genadeverbond bleef voortgaan en hetwelk voor het Nieuwe Verbond d. i. do nieuwe bedoeling van hetzelfde genadeverbond plaats moest maken Jor. 31 : 31. Hebr. 8: 13. Dit Nieuwe Verbond, beginnende met de mensehwording en verschijning van den Zone Gods, breidt zich uit tot alle volk. Het Oude Verbond is gegrond op den beloofden en toekomstigen, het Nieuwe op den verschonen Christus.

De namen Verhond en Testament komen met elkander in het wezenlijke overeen. Want het verbond Gods met schuldige menschen is een genadeoerbond, oene geheel vrije be-

loco aliena). Maar altijd is liet daar óf een testament of een verdrag, verhond.

Deze laatste beteekenis heeft het bij de LXX; verhond. Waarom dozen niet liever vwOiw gebruikten? Ongetwijfeld omdat vwlwy, hun minder passend voorkwam ; wijl zoo

dikmaals van eene slechts eenzijdige verbondsbetrekking gezegd wordt: het verbond Gods, liet verbond des Hoeren , zonder aanstonds de wederkeerige betrekking aan te duiden , hel verbond hetwelk God is ingegaan, hetwelk Hij gemaakt f in hetwelk Hij het volk opgenomen heeft. Om nu deze gedurige ce«-zijdigheid van te kennen te geven, gegrond in de prio

riteit Gods, in dat God de eerste is, diende juist lixöviKy. En hierin ligt de overgang tot het gebiuik van SixQyw bepaaldelijk in den zin van testament. Dus ook bij Philo, bij wien hxOyy.y is testament; erfmaking , niet verbond. In het N. T. wordt dan de oude lixQwy als testament gevat., te meer daar hier de hoofdoorzaak der lixöy\\y.gt;i als in de Goddelijke beloften liggende wordt voorgesteld en het begrip van kindschap op den voorgrond treedt. Ook 2 Kor. 3: 14 doet de oudtestamentische schriftenverzameling aan eene condificeering, dus aan een testament denken. Het is intusschen metonymisch gezegd. Cremer, Bibl.-theol. Wörterb. der Neutest. Griiciüit. S. 555 f.

-ocr page 183-

§ 10. VERZAMELING DER HEILIGE SCHRIFTEN. 159

schikking en wilsverklaring van Hem omtrent de erfgenamen der zaligheid , zijne kinderen : kenschetsing der erfgenamen , belofte en beschrijving van de erfenis , bepaling van weg en wijze hoe deze zal verkregen worden. Alles gaat hierbij van God uit, Hij komt vóór, Hij is de eerste. Hierin is het Verbond Gods aan een Testament gelijk. Dit treedt bijzonder bij de nieuwe bedeeling aan hot licht \'). Het Oude Verbond , onder de bediening van Mozes , mot voorbeelden, schaduwen, allerhande uitwendige ceremoniën , het Nieuwe door den bedienaar des waren tabernakels , den Zoon Gods, die de Middelaar des Nieuwen Testaments genoemd wordt Hebr. 9: 15, omdat Hij a. als Profeet het heeft bekend gemaakt, b. als Hoogepries-ter het heeft bekrachtigd door zijnen dood en c. als Koning het voorgaande ten uitvoer brengt en eenmaal geheel voltrekt wanneer Hij de zijnen het rijk doet beërven.

De Heilige Schrift bevat zes en zestig boeken. Het Oude Testament 39, het Nieuwe Testament 27.

Het zijn geschiedboeken , leerboeken en profetische.

In het O. T. zeventien historische boeken : van Genesis tot Esther mede; vijf leerboeken: van Job tot mede het Hooglied; zeventien (de Klaagliederen mede gerekend) profetische: van Jezaja tot mede Maleachi.

In het N. T. vijf historische boeken : do vier Evangeliën en de Handelingen der Apostelen. God heeft vier mannen verwekt, die het leven zijns Zoons Jezus Christus, zoo als Hij het onder de menschen in nederigheid heeft geleid met

\') Bengel, Gnom. ad. Matth. 20: 28: fVID magis oecono-

miae veteri, quae habet formam foederis; quot;hixó-ixy occonomiae novae, quae habet formam testainenti.

-ocr page 184-

1G0 § 10. VERZAMELING DKll HEILIGE SCHHIt\'TEN.

deszelfs uitgang beschreven hebben: Matthoüs, Marcus, Lucas en Johannes. Zinvol heeft men (Irenaeus in de laatste helft der 2de eeuw) de vier Evangeliën vergeleken met de vier paradijsstroomen , in welke de eéne stroom uitvloeit „in de wereld\')quot; en de vier Evangelisten met de viervoudige cherubsgestalte die den troonwagen van den geopeu-baarden God vormt en de op aarde levende schepselen vertegenwoordigt : het menschengezicht de menschen, de leeuw hot wild gedierte , de stier het tamme vee , de arend de vogelen. Mattheüs heeft daarin het aangezicht van den mensch omdat hij met het geslacht van Jezus Christus ais mensch begint, terwijl Marcus als de leeuw verschijnt omdat hij met de prediking van den Dooper Johannes in do woestijn begint; Lucas als stier of\' kalf, omdat hij mot Zacharias , die in den tempel offert, aanvangt; Johannes als vliegende arend omdat hij met de hooge geboorte dos Zoons Gods uit den persoon des Vaders aanheft »).

Mattheüs schreef in Palestina bijzonder voor de Christenen uit de Joden : met nadruk wijst hij do vervulling aan van hetgeen in de Profeten geschreven stond, ten einde te bevestigen dat Jezus is de Messias. Marcus, te Rome schrijvende , schildert het eerst ten dienste der Romeinsche Christenen in een beknopt en levendig tafereel Jezus\' daden, bij Mattheüs verhaald , met vele merkwaardige bijzonderheden die bij Mattheüs niet waren vermeld. Lucas, voornamelijk voor de geloovigen uil de Heidenen schi ijvende, schetst bijzonder die redenen en daden van Jezus, uit welke zijn zondaarsliefde en de roeping ook der Heidenen bleek; terwijl

\') „Stroomen des levens en zegensquot; Lange, Genesis S. G3. 75.

2) Kantteek, op Openb. 4; ü. Hengstenberg , Gesch. des R. G. 11. 1. S. 128.

-ocr page 185-

§ 10. VERZAMELING DEK HEILIGE SCHRIFTEN. 161

Johannes, de vorigen aanvullende, Jezus vooral inJudea vertoont met nalezingen van den Galileeschen akker en de heerlijkheid van Christus als den Eeniggeborenon van den Vader doet uitblinken.

In de Handelingen der Apostelen beschrijft Lucas de vestiging dor Christelijke Kerk, eerst onder de Joden , dan onder de Heidenen.

Leerboeken heeft het N. T. één en twintig: do 14 Zendbrieven van Panlus , één van Jacohus don kleinen (jongeren) , Alpheüs\' zoon, twee van Petrus, drie van Johannes , één van Judas bijgenaamd Thaddeüs en Lebbeüs („hartevriendquot;) , broeder van Jacobus. — Één profetisch boek : de Openbaring van Johannes.

De geschiedboeken bevatten intusschen niet alleen geschiedenis maar ook leer en profetie ; in de leerboeken is veel profetisch en in de profetische boeken is ook leer en geschiedenis i): zoodat overal in de Heilige Schrift ten nauwste vereenigd en als ineengevlochten is geschiedkundig bericht voor het geloof, loerende aanwijzing voor het leven in de liefde en voorzeggende belofte voor de hope. Dus is geheel de inhoud der Heilige Schrift geschiedenis, leer en voorzegging en als zoodanig grondslag , regel en voorwerp voor geloof, liefde en hope.

Ook kan men den leerinhoud van geheel den Bijbel ver-deelen in Wet en Evangelie d. i. openbaringen van Gods heiligheid en rechtvaardigheid en openbaringen van zijne genade. Wet is al wat God rechtvaardig gebied en vordert; Evangelie al wat God genadig aanbiedt en schenkt. Het eerste is voornamelijk in het Oude Testament vervat, doch

\') Schleiermacher, Der Ghr. Glaube II. S, 327.

Gi-avomoijer, Gercf. Gel. leor. 11

-ocr page 186-

162 g 1Ü. VERZAMELING DER HEILIGE SCHRIFTEN.

ook in het Nieuwe; hel andere voornamelijk in het Nieuwe doch ook in het Oude van het begin af.

De verzameling der Heilige Schriften des Ouden Testaments is vroeg begonnen. Mozes bracht al de groote gebeurtenissen en de wetten in een boek \'), hetwelk in het heiligdom werd neergelegd en wel („om de Arke niet te openen.quot; Kantt.) buiten aan de zijde van de Arke des Verbonds Deut. 31: 26, terwijl m de Verbondsarke alleen de beide tafelen der tien geboden lagen 1 Kon. 8: 9.

Jozua beschreef de plechtige verbondsvernieuwing in het wdboek Gods Joz. 24 : 26 bij de overige in dit boek verhaalde gebeurtenissen zijns levens, als een bijvoegsel omhei, in het archief des heiligdoms neer te leggen.

Bij Samuël wordt wederom het hoek genoemd, daar hij hot rechts des koninkrijks in een boek (Hebr. in het boek) beschreef en het ter bewaring voor het aangezicht des lleeren d. i. in het heiligdom legde 1 Sam. 10: 25 ^).

.lezaja 34 : 16 spreekt van het hoek des lleeren, in hetwelk zijne eigene voorzeggingen te lezen stonden s).

\') Ex. 17 : 14 ontvangt Mozes het bevel van den Heere, dat hij de overwinning op de Amalekieten behaald en den last om Amelck te verdelgen zal schrijven in een boek , eigenlijk in het

hoek 1303. hetwelk dus reeds vroeger begonnen was en telkens -

voortgezet werd. Ex. 24 ; 7 wordt van hel huek des verhonds gesproken , hetwelk Mozes nam en voor de ooren des volks las. Het verbondsboek is daar hoofdst. 20—23.

-) „Dit hoek is niet meer voorhandenquot; Kantl. op I Sain. 10: 25. Immers „het recht des koninkrijksquot; is niet wat 1 Sam 8: 11 — 17 staat, gelijk ook Von O er lach toestemt.

\') Zoo verstaan het ook ome Kanlleekenaars; „het boek de-

-ocr page 187-

tj lü. VERZAMELING DER HEILIGE SCHRIFTEN. 163

Dus werden de wetten , de geschiedenissen en de voorzeggingen , die ais Goddelijk erkend waren , reeds in den ouden tijd in het heiligdom bewaard, gelijk ook andere volken met hunne heilig geachte schriften deden quot;), waar zij vaak lang als een ongebruikte schat verborgen bleven, dan echter weer aan het licht gebracht werden en bij de gemeente des Heeren opwekkend en vernieuwend werkten 2). Onder koning Josia, na een langen tijd van groot verval, werd door den Hoogepriester Hilkia het wetboek 3) in het huis des Heeren gevonden. 2 Kon. 22 : 8. Inlusschen waren er ook afschriften bij het volk aanwezig.

Volgens eene overlevering zou Jeremia bij de verbranding-des tempels de Heilige Schriften geborgen hebben. Doch dit is slechts een Joodsch zeggen, even zoo fabelachtig als wat 2 Makk. 2 ; 4 v.v. van hem verteld wordt , waaruit misschien deze overlevering is ontstaan. Daar wordt verhaald dat de tabernakel, de arke en het reukaltaar den profeet Jeremia wonderbaar op zijn woord zijn gevolgd, dat hij gegaan is naar den berg, op welken Mozes was geklommen, dat hij aldaar eene woning in eene spelonk heeft gevonden en den tabernakel, de arke en het reukaltaar daarin heeft gebracht en de deur toegesloten en dat die plaats onbekend

-ocr page 188-

§ 10. VERZAMELING DEU HEILIGE SCHRIFTEN.

zou zijn tot dat God het volk zou vergaderen en verzoend zou zijn. Strijdig tegen Jerem. 3:16.

De profetische schriften vóór de ballingschap werden vooral in do profetenscholen bewaard en door dezen ook in ruimer kringen bij de vromen verspreid.

De heilige bundel der Goddelijke schriften is allengs aangegroeid en de canon des Ouden Testaments is niet gemaakt maar geworden en heeft onder Gods bestuur zich trapsgewijs gevormd door toevoeging van schriften, die door haren eigen inhoud zich als Goddelijk deden kennen. De verzameling der geschiedboeken, die, omdat zij door Profeten geschreven waren , „de voorste Profetenquot; genoemd zijn, schijnt nog voor het einde der ballingschap gesloten te zijn.

Na de wederkeering der Joden uit de ballingschap deed de behoefte eener nauwkeurige verzameling der geredde Heilige Schriften uit den voortijd zich des te sterker voe len , hoe meer de geest der profetie week en het mon-delijke woord der buitengewone Godsgezanten verstomde en het volk zich alleen aan de in schrift vervatte openbaring houden moest •). Toen hebben de mannen Gods, die het vervallen Sion weder opbouwden, zich ijverig benaarstigd , de Heilige Schriften te verzamelen en onder het volk te brengen. Door Éznt „den priester, den schrift-geleordequot; en door Nehemia , die naar 2 Makk. 2: 13 2) eene bibliotheek in den tempel aanlegde , werd aan de

\') Oehler in Herzogs Real-Enc. Vil. S. 245.

\') Hier wordt van Nehemia uit diens „Aanleekeningenquot; verhaald hoe hij eene bibliotheek aanstellende hijeen heeft vergaderd de [schriften] van de koningen en prof eten en de [schriften] van David en de brieven der koningen aangaande de heilige geschenken. Ongetwijfeld zijn rx vepi rüv fixirihéuv vm) ttpoQvtüv het

104

-ocr page 189-

§ 1U. VERZAMELING DEK HEILIGE SCHRIFTEN. 165

verzameling en schikking der toen aanwezige Heilige Schriften alle zorg besteed, in vereeniging met andere godvruchtige schriftgeleerden, die de Joodsche overlevering later de Groote Synagoye heeft genoemd gt;). In allen gevalle was er in dien tijd bij de oude verbondsgemeente een klaar, bepaald, opgewekt bewustzijn, hetwelk haar het Woord Gods, het door God ingegevene, van alle men-schenwoord , hoezeer het anders ook in godvruchtigen zin mocht geschreven zijn, met zekerheid deed onderscheiden.

Het oudste getuigenis voor de Heilige Schriften des Ouden Testaments als één gesloten geheel vinden wij in de Voorrede van den kleinzoon van Jezus Sirach voor het boek (Ecclesiasticus) van dezen, hetwelk het oudste is der apo-cryphe boeken. In die Voorrede v. 7 ten minste van voor 131 v. G. gt;) wordt van de Heilige Schriften als éénen saam-

ttveede deel des canons (de Tliorah hel eerste) naar zijne beide aldeelingen a. de geschiedboeken van Jozua lot mode Koningen en b. groote en kleine profeten ; en t« taD AseylS de Psalmen, waarmee hel derde deel (Keloubim, Hagiographen) des canons begint, terwijl de sttitto\'/m) (oxtrihéav de in hel boek Ezra voorkomende koninklijke oorkonden zijn. Oehler a. W. S. 248.

\') Een historische kern is zekerlijk in de veelszins versierde overleveringen van de Groote Synagoge te erkennen naar Oehler in Herzogs Real-Enc. VII. S. 247. Leijrer ib XV. S. 298. Ook naar Von G er lach A. T. I. S. VI en Dezelfde zu Pred. 12: !1. Desgelijks naar O. li. Ilertu ig, Tabellen A. T. S. 18. Velen verwijzen haar geheel naar hel rijk der fabelen, ook Hengstenberg , Gesch. des R. G. unler dem A. B. II. 2. S. 356 f.

2) Waarschijnlijk nog vroeger dan 131 v. G. geschreven. Sirach schreef zijn werk in het Hebreeuwsch niet later dan omtrent 200 v. G. Zijn kleinzoon vertaalde het in het Grieksch en schreef de voorrede nadat hij in zijn 38ste Zemjsjaar naar Egypte

-ocr page 190-

166 § 10. VERZAMELING DEU HEILIGE SCHRIFTEN.

behoorenden en erkenden bundel gesproken, met dezelfde verdeeling die nog bij de Joden gebruikelijk is: „de Wet en de Profetieën en de overige Boehenquot; Blijkbaar was toen reeds de scheiding tusschen Goddelijke en menschelijke , tusschen heilige en profane schriften beslist voltrokken. Dat is bijzonder kennelijk uit het eigen bewustzijn der beste en verlichtste mannen uit dien tijd en daarna, waar zij zeiven openhartig verklaren, dat hun tijd (de makkabeeuwsche) bij al de godsdienstige geestdrift en opgewektheid toeii van buitengewone openbaringen was verstoken, dat er toen geen profeet in Israël opstond (1 Makk. 4; 46. 14: 41), gelijk er sinds lang geen profeet onder hen was gezien (1 Makk. 9 : 27) \')• Hieruit blijkt dat zij het wezenlijke onderscheid tusschen de oude Goddelijke Schriften en dat wat in hunnen tijd voortgebracht werd , levendig beseften.

Wat het Nieuwe Testament betreft, de algemeene verbreiding en erkenning van het geheel, van al de daartoe be-hoorende schriften kon , bij de uitgebreidheid der kerk en afgelegenheid harer deelen, slechts langzaam tot stand komen.

Met groote snelheid liep in den apostolischen tijd het Woord Gods door een groot deel der toenmalige beschaafde wereld. Reeds in de Handelingen der Apostelen zien wij hot Evangelie zich wijd en zijd verspreiden buiten de grenzen van het Joodsche land : naar Syrië, naar Ethiopië,

was gekomen onder koning Ptoloniaüs Evergetes 1. omtrent 235 v. G. Winer, Bibl. Realvvörterb. I. S. 053. Vaihinger in Her-zogs Real-Enc. VI. S, Glü f. Hengstenberg, Gesch. des R. G. 11. 2. S. 385. Volgons Winer is het boek geschreven omtrent 280, overgezet door een „naneelquot; c. 130 v. C.

\') Von Gerlach A, T. 1. S. VII. Oehler in Herzogs Real-Ec.n Vil. S. 249. llmgntenberg, Gesch. des R. G. II. 2 S. 392.

-ocr page 191-

§ 10. VERZAMELING DEK HEILIGE SCIIUIFTEN.

naar Klein-Azie, Macetlonië , Illyricum en Griekenland, ja naar Italië. En dan is volgons oude, ontwijfelbare berichten de boodschap van Christus weldra ook naar Egypte, naar het noordelijke Afrika, naar Spanje en Gallic overgebracht.

De gemeenten in deze landen verspreid , waren door ge en en band van gemeenschappelijk, allen omvattend kerkbestuur verbonden. En niet alleen plaatselijk , door verren afstand van elkander, maar ook door verschil van taal waren zij gescheiden.

Vandaar dat èn de verbreiding èn de erkenning van de gezamenlijke schriften des Nieuwen Testaments eerst voor en na algemeen kon worden. Zij werden niet overal lt; gelijktijdig bekend.

Evenwel nog geen honderd Jaren na den dood der Apostelen waren de christelijke gemeenten in Egypte, in Syrië , in Klein-Azië , in Rome en in Noord-Afrika eenstemmig in de aanneming van bijna al de schriften des Nieuwen Testaments \').

1Ü7

Vastgesteld werd do Canon des Nieuwen Testaments in het jaar 393 n. C. op de synode to Hippo , oeno stad in Noord-Afrika, waar 395 Augustinus bisschop word. Daar werden als canoniek erkend : „de vier Evangeliën, do Handelingen dor Apostelen, 13 brieven van Paulus, één brief

\') Von G er lach. N. T. S. V. Belangrijk is de vraag, of de apostolische vaderen (leerlingen van de Apostelen) schriften van het N. T. als heilicje schriften hebben aangehaald. Credner kwam dit ontkennen, doch deze beweerde ook stouteiijk dat ten aanzien van de mededeeling des Heiligen Geestes de eerste Christenen tusschen zich en de Apostelen geen onderscheid hadden gemaakt. Vergel. Tholuck , das A. T. im N. T. S. 3!). En nader Land ever in Herzogs Real-Enc. Vil. 3. 273 f.

-ocr page 192-

g 10, VERZAMELING UElt HEILIGE SCHRIFTEN.

van denzelfden aan de Hebreen, twee brieven van Petrus, drie van Johannes, één van Jacobus, één van Judas en de Openbaring van Johannes.quot; Geheel dezelfde canon werd vervolgens erkend en bevestigd door de kerkvergadering te Karthago 397 n. G.quot;).

TAAI. DER HEILIGE SCHRIFTEN.

§ 11. A. Taal des Ouden Testaments

Het Oude Testament is in de//eimMwsc/te taal geschre-. ven : omdat deze taal yesprolcen werd door dat volk aan hetwelk God zijn Woord gaf, namelijk het zaad Abrahams , de Hebreërs of Israëlieten, het volk der openbaring , hetwelk uit allo volken der aarde hiertoe was uitverkoren , om de kennis van den eenigen waarachtigen God met de door Hem gegevene heilige geboden en de beloften van den Verlosser die komen zou , te bewaren , terwijl al de Heidenen, van dat licht verstoken, in hunne eigene wegen wandelden.

Waar Paulus naar de voorrechten der Joden vraagt, daar antwoordt hij Rom. 3 : 2 ; zy zijn vele in alle manier : want dit is wel het eerste dat hun de ivoorden Gods zijn toebetrouwd. Dat erkende ook het uit de ballingschap wedergekeerde beweldadigde volk in do dagen van Nehernia Ps. 147 : 19. Hij maakt Jacob zijne woorden bekend, Israël zijne inzettingen en zijne rechten. 20. Al-

\') 11. E. F. Guericke, Gesch. van het N. T. vert, door W. Hoevers p. 511 v. Landerer in Herzorgs Real-Enc. Vil. S. 292.

168

-ocr page 193-

§ 11. ÏAAL, DES OUDEN TESTAMENTS. 16tt

zoo heeft Hij geen volk gedaan en zijne redden lt;) die kennen zij niet.

Hebreeuwsch heet de oude taal der Israëlieten, omdat dezen en wel bij vreemden, dat zegt in den mond van of in het gesprek mot vreemden , den naam Hehreërs droegen , van lleber, achterkleinzoon van Sein. Want Sems zoon Arphachsad gewon Selah en Selah gewon Heber Gen. 10 : 24. Van Heber stammen de Arabieren en de Israëlieten at\', genen door zijnen zoon Joktan, dezen door zijnen zoon Peleg , den voorzaat van Abraham , die als afstammeling van Heber Gen. 14: IJj de llebreër J) genoemd wordt.—

\') Het oorspronkelijke zegt nog meer, want er staat niet VüatyD gelijk v. 19, maar dus : en rechten kennen zij

tt:- • T ; •

niet. De Heidenen, wijl zij zonder God zijn, kennen geheel geen rechten. Want wat zij rechten noemen is slechts een schaduw van hetgeen in waarheid dus mag heeten , een troebel mengsel van recht en onrecht. Henystenbery, Gommentar über die Psalmen a. ). Hoe langer voortgevoerd , hoe meer ontwikkeld en uitgebreid, des te kwader. Es er ben sieh Gesetz\' und Rechte Wie eine ew\'ge Krankheit fort; Sie schleppen von Geschlecht sich zum Geslechte Und rücken nacht von Ort zu Ort. Schiller.

Overigens zijn bij zijne inzettingen en zijne rechten de beloften niet uitgesloten , evenals omgekeerd bij Paulus Rom. 3 : 2 ra, KÓyix roü dsoïi, de Godspraken , de heilsbeloften beteekenen, üremer, Wörterb. S. 399 ; doch geenszins gelijk a. 1. verkeerdelijk wil, met bepaalde uitsluiting van de Wet.

\'■0 Velen liouden dezen bijnaam niet voor eenen geslachtsnaam maar voor eenen onbepaalden landsnaam : de overgetrokkene, die van den overkant, van over den Euphraat is gekomen. Luther : „der Ausliinder.quot; LXX ó TrspxTyq. Zoo ook Winer, bibl. Real-wörterb. I. S. 555. s. v Hebraër. Desgelijks Dr. Strieker in hel Bijb. Woordenb. 1. p. 524. En bijzonder Hengstenberg, die Gesch. Bileatns S, 20G; die met kracht voor de beteekenis

-ocr page 194-

§ 11. TAAL DES OUDEN TESTAMENTS,

De naam Hebreërs week bij hot volk zelf voor den naam hinderen Israels (Jakobs) ol\' Israëlieten (later Joden). Hebreërs was dan de wereidsche, Israëlieten de heilige naam.

De naam Hebreeuwsche taal is dus gepast, komt intus-schen in het Oude Testament geheel niet voor, wijl daar over het geheel weinig van taal gesproken wordt. De spraak van Kanaan (waarmee onkundigen spotten) wordt zij Jez. 19; 18 genoemd, waar Kanaan als tewd tegen Egypte over gestold wordt: Te dien dage zidlen er vijf steden in E gyp-teland zijn , sprekende de spraak van Kanaan : „zij zullen van Gods Woords spreken, hetwelk in de sprake Kanaans dat in de Hebreeuwsche sprake beschreven is en zij zullen zich van de geloovige Joden \') laten onderwijzen in den weg der zaligheidquot; (Kantt.).

Eenige stukken van Daniel en Ezra zijn in het Chal-deeuwsch geschreven. Geen wonder : zij leefden in Babel, waar de Chaldeërs woonden en hadden daar de taal van

Trameuphratensis opkomt en met wien Kurtz Gesch. des A. B. I. S. 132 f. instemt. Intusschen men moet niet voorbijzien ,

I. dat men in de oudste tijden gaarne alle belangrijke personen naar hunne afstamming kenmerkte. En 2. dal al de drie mannen Sclah, Heber en Peleg beteekenis hebben. Selah , Arphachsads zoon , beteekent uitgezonden (werpspies of loot), lleher overkant, Peleg verdeeling. In Abraham nu werd de naam van Heber letterlijk vervuld , daar hij van over den Eufraat kwam , terwijl andere afstammelingen van Heber zich geheel niet aan den overkant van den Euphraat hadden gevestigd. Schroder, Gen. S. 231.

\') Jez. 36: 11, 13 beteekent Joodsch het dialect der Hebreeuwsche taal dat in het rijk Juda werd gesproken, hetwelk echter na de verwoesting van Samariü alleen heerschende werd.

II. Ewald, Grammat der Hebr. Spr. § 4. Beriheau in Herzogs Real-Ene. V, S. «0«.

170

-ocr page 195-

§ 11. TAAL DES OUDEN TESTAMENTS. 171

dezen geleerd, Zij verhalen gesprekken en brieven van Chaldeën in liet Ghaldeeuwsch (b. v. Dan. 2: 4 v.v. •) Ezra 4: 7 v.v.) De „spraak der Chaldeënquot; verschilde weinig van de Hebreeuwsche , daar beiden twee takken waren van écner: boom. Want de Chaldeën behoorden evenals de Israëlieten tot het geslacht van Sem ; zij stamden intusschen waarschijnlijk van eenen anderen zoon van Sem, namelijk van Aram 1) af, terwijl de Israëlieten uit Arphachsad waren ontsproten.

§ 12. B. Taal des Nieuwen Tostamonts.

Het Nieuwe Testament is in de Grieksche taal geschre

\') Eigenlijk arameesch, JTQIS- Statenvertaling: Syrisch;

niut nauwkeurig. De Aiameërs (Aram Gen. 10 : 22) woonden in Syrië en in Mesopotamië ; hunne taal verdeelde zich in twee tongvallen , in Syrië Syrisch, in Mesopotamië Ghaldeeuwsch. Von G er lach, zu Gen. 10 : 22.

2) Ook Prof. Valeton in het Hijb. Woordenb. I. p. 175 stemt ten minste toe dat nergens uitdrukkelijk gezegd wordt dat de Chaldeërs van Ghesed , dus van Arphachsad afstammen, hoewel ook hij den band tusschen de Chaldeërs en het geslacht van Sem „in de linie van Arphachsadquot; vindt. Hengstenberg, Gesch. des li. G. unter dem A. B. J. S. 114: „het waarschijnlijkste is dal zij van Arphachsad afstamden.quot; Arnoldi in Herzogs Real-Enc. II. S. 017 vindt den naam der Chaldeërs weder in

de tweede helft van den naam Arpakschad : ook Va-

t : ~

letoti t. a. pl. Toch is hunne afkomst van Aram het waarschijnlijkst: 1. wegens de beteckenis waarin de naam Aram in Genesis voorkomt, z. Roos, Einleitung I. S. 254 f. 2. omdat de spraak der Chaldeërs „Arameeschquot; was, zie de voorgaande aan-teekening.

-ocr page 196-

172 § 12. TAAL DES NIEUWEN TESTAMENTS.

ven , omdat dit de taal was die toenmaals meest algemeen gesproken en verstaan werd. In geheel de beschaafde wereld was door den veroveringstocht van koning Alexander den Groote , die 323 v. G. in Babyion stierf, de Grieksche taal verspreid en zij heerschte zelfs in verscheiden steden van het Joodsche land als Gaza, Gadara, Gésarea. Zelfs was er eene Grieksche synagoge binnen Jeruzalem. Zij was de Bijbel- en schrifttaal van de Egyptische en alle uitheem-sche Joden. In het noordoostelijke Afrika en opwaarts tot Ethiopië, in hot binnenste van Azië tot aan de Indiës grenzen was Grieksche beschaving en taal gedrongen. Het Syrische Antiochië werd een Aziatisch Athene. Klein-Azië we.s sinds lang door vele Grieksche steden aan de oevers van de Middellandsche Zee en van de Zwarte Zee vergriekt en werd het nog meer door de vele kleine hofhoudingen te Pergamus , Sardes enz. Bij de westersche Romeinen was van overlang het Grieksch geëerd en aangenomen.

Dus was het Grieksch de taal der volken. En aan al de volken zou het Evangelie verkondigdquot;worden, naar Christus\' bevel Matth. 28: 19: gaal dan henen, onderwijst (maakt tot discipelen) al de volken, dezelve in den naam

des Vaders en dos Zoons en des Heiligen Geestes, leerende hen onderhouden alles wat ik u geboden heb \'). Zou hot Evan-

\') Volgens velen zou Mattheüs zijn Evangelie niet Grieksch maar Hehreeuwsch (Araraeesch) geschreven en een ander zou het later in liet Grieksch overgezet hebben. Dus ook Gilder in Herzogs Real-Enc. IX. S. 165 f. en Meijer zu Matth. 5te And. Einleit. S. 4—10. De eerste bron van dit gevoelen is een gezegde van Pupias, bisschop te Hierapolis in Klein-Azië in het begin der 2j9 eeuw , opbewaard bjj don kerkgeschiedschrijver Eusebius , die echter zelf over Papias\' nauw keurigheid en ge-

-ocr page 197-

§ 12. TAAL DES NIEUWEN TESTAMENTS. 173

golio tol al de volken komen, het moest zijn in deze taal der volken. Onder de Christenen nu waren reeds vroeg geboren Grieken of Grieksch sprekende Joden , die het Evangelie aan de Griekschen verkondigden. Hand. 11 : 20. Van Antiochië, waar het Grieksche heerschte, gingen de zendingen uit. Barnabas en Paulus, die aan het hoofd dezer zendingen stonden , waren Grieksche Joden.

VERTALINGEN.

De Bijbel is voor en na in andere talen overgebracht. Voor het Oude Testament was het uitsterven der ile-breeuwsche taal bij voortgaande verspreiding van de Grieksche de oorzaak waarom eerst verklaringen van zware woor-

loofwaardigheid ongunstig oordeelt. Zie Niedner, Kirchengesch. S. 94. — Voor het oorspronkelijk Grieksch brengt men terecht deze gronden bij : 1. de aanhalingen uit het O. T. zijn naar de LXX gedaan en grieksch ingekleed ; 2. de Hebreeuwsche woorden als Emmanuel Matth. 1 : 23 en geheele volzinnen als Eli, Eli, lama sabachthani Matth. 27 : 46 worden in het Grieksch vertolkt, hetwelk de schrijver niet zou gedaan hebben indien hij Hebreeuwsch geschreven had ; 3. er zijn Grieksche woordspelingen in dit Evangelie b. v. het oxymoron Matth. G: lü iCpxvifyujiv — tyxvSKTW. De Wette , Einleit. N. T. g 97. 4. De oude Kerk heeft reeds vroeg eenen Griekschen Mattheüs gekend, terwijl 5. het Hebreeuwsch schrift „nergens ooit is gezien geweestquot; (Staten-Bijbel Inl. voor Mt.) , zelfs door Origenes met, gelijk Gilder in Herzogs Real-Enc. IX. S. 1GG toestemt. O. li. Hertwig, Tabellen N. T. S. 20. - Het Grieksch zal den tollenaar wel gelciufig zijn geweest.

-ocr page 198-

55 12. VERTALINGEN.

den en plaatsen en dan geheele vertalingen noodzakelijk werden \').

Onder de overzettingen des Ouden Testaments bekleedt de Grieksche Vertelling der Zeventigen (Septuaginta) de eerste plaats.

Een fabelachtig verhaal zegt: de Egyptische koning Pto-lemaüs Philadelphus had bij den hoogepriester Eleazarus te Jeruzalem om eene vertaling van de Vijf Boeken van Mozes aangezocht. Hierop waren 72 geleerden, uit lederen stam zes, uit Palestina gekomen met een prachtig hebreeuwsch exemplaar van perkament met gouden letteren beschreven; dezen hadden op het eiland Pharos eene vertaling vervaardigd in 72 dagen. Later werd er by verhaald : de 72 hadden in 72 afzonderlijke kamers gelijkluidende vertalingen geleverd en wel niet alleen van de vijf boeken van Mozes (den Pentateuch), maar van geheel het Oude Testament. Vandaar de naam LXX (zelden LXXII) 2).

Het waarschijnlijkste is dat deze Vertaling door verscheiden mannen, ongelijk in kennis en geest, voor en na is bewerkt geworden, begonnen onder Ptolamaüs Philadelphus, die tot het jaar 240 v. G. regeerde, en binnen niet groote tijdruimte voltooid en wel in Egypte, in Alexandrië.

Zeer merkwaardig en wegens haren invloed en haar gezag is de Latijnsche Vertaling der Heilige Schriften.

De Westersche Kerk was reeds tegen het einde der 2de eeuw v. G. in het bezit van eenen Latijnschen Bijbel, bij Augustinus de Italische Overzetting (Itala) genoemd \').

\') Arnold in Herzogs Roal-Encyckl. II. S. 18G.

0. F, Fritzsche in Herzogs Real-Enc. I. S. 227. Hengstenberg , Gesch. des R. G. II. 2. S. 369 ff.

:1) O. F. Fritzsche in Herzogs Real-Enc. XVII, S, 429.

174

-ocr page 199-

§ \\\'2. VEKTALINGEN,

Hieronymus, de geleerdste onder de Westerschen van zijnen tijd (gestorven 420 na C.) herzag en verbeterde de oude Lalijnsche vertaling des Nieuwen Testaments, terwijl hij het Oude Testament op nieuw uit den grondtekst vertaalde\'). Deze latijnsche Vertaling van Hieronymus kwam langzamerhand bij de Latijnsche kerk in algemeen gebruik, zooilat zij den naam Vulgata „Gemeeneof Algemeenequot; vertaling dragen kon.

De Roomsche Kerk, die, uit zorg voor hare eenheid en uit vrees voor de ontdekking barer dwalingen, van de overbrenging der Heilige Schrift in alle volkstaal niet houdt, verklaart het voor genoeg het Woord Gods te hebben in de drie talen , in welke het opschrift aan Christus kruis is geschreven geweest; namelijk in liet Hebreeuwsch , in het Grieksch en in het Latijn Joh. 19 : 20 1). De Roomsche Kerk kent aan hare Vulgata hetzelfde gezag als aan den grondtekst toe\').

\') Omtrent 12 jaren werkte hij aan deze vertaling; om 404 n. G. voltooide hij haar. Hij schreef niet met eigen hand maar gebruikte eenen schrijver propter oculorum et totius corpusculi inlirmitatem ; vandaar vele fouten. Fritzsche in het a. w. S. 434. 436.

-) P. Van Mastricht, Godgel. I. bi. 85.

:|) Hierop komt de bepaling van de Trentsehe Synode 4,ia zitting (ed. Tauchn. p. 17) neer, zooals Winer, Gomparat. Symbollk 4te Aull. S. 57 f. toont, met wien Hagenbach, Lehrb. der Dogm. S. 553 instemt, terwijl O. F. Fritzsche in Herzogs Real-Ene. XVII. S 442 in de bepaling zelve zooveel niet vindt, hoewel hij S. 4i3 toestemt dat de Synode opzettelijk den grondtekst stilzwijgend ter zijde stelde, ten einde in den strijd met de Protestanten , die zich op den grondtekst als alleen gezaghebbend beriepen , zich aan de Vulgata en de in deze gegevene kerkelijke schriftverklaring te houden.

175

-ocr page 200-

§ 12. VERTALINGEN.

Sedert de Kerkhervorming werd de Heilige Schrift in al meer talen overgebracht. Machtigen invloed had do Duitsche Bijbelvertaling van Luther •).

Nog hooger waarde dan Luthers vertaling heeft de JVe-derlandsche Overzetting, op last van de Dordrechter Synode vervaardigd door zeer kundige en bekwame mannen, die ruim mede deelden in den uitnemenden bloei der oude letterkunde toenmaals hier te lande. In het jaar 1637 werd do uitgaaf van deze vertaling door de Staten-Generaal goedgekeurd en aanbevolen: vandaar de naam Staten-Bijbel.

In den geest des geloofs en des gebeds hebben de door de Synode gekozen vertalers te Leiden dit groote werk aanvaard , waarin zij ook dan standvastig voortvoeren, als inmiddels eene pestziekte in deze stad uitbrak waaraan in korten tijd 20000 menschen bezweken ; met heilige opgeruimdheid des gemoeds werkten zij voort en dat in de nabijheid van eene begraafplaats, waar zij dikwijls honderd lijken op éénen dag zagen heenvoeren.

Deze Vertaling met hare treffende Kantteekeningen — schoon altoos een menschelijk werk en dus nooit met don

\') Toen Luther den Wartburg verliet, 7 Maart 1522, had hij het N. T. voltooid , in den herfst van dat jaar uitgegeven : Het Nieuwe Testament in het Duitsch. Voor een daalder kon ieder dit nu hebben, in 1532 was ook de vertaling van het O. T. gereed. De uitwerking was verbazend. De Hervorming bleef nu niet binnen School en Kerk maar ging van huis en haard des volks bezit nemen. Den volke werd hiermede een spiegel in handen gegeven, waarin het Christendom der eerste, oorspronkelijke Kerk aanschouwd werd ; voldoende om de aanvallen te rechtvaardigen die de hervormingsmannen op Rome hadden gedaan. Merle d\' Aubigné, Gesch. der Herv. in de IC118 eeuw 111. bl. 65. O. F. Fritzsche in Herzogs Real-Enc. 111. S. 338.

170

-ocr page 201-

g 12. VERTAUNGEN.

grondtekst gelijk te stellen maar veelmeer, waar zij werkelijk bevonden wordt den grondtekst niet juist weder te geven , naar dezen te verbeteren — munt over het geheel uit. door getrouwheid en nauwkeurigheid.

Een sprekend getuigenis voor de voortrelïelijkheid van deze Vertaling is dat zelfs de Remonstranten haar in gebruik hebben genomen en dat alle Nederlandsche Protestanten , behalve het Luthersche kerkgenootschap , zich van haar bedienen \')•

Bijzonder sedert de oprichting van Genootschappen voor Bijbelverspreiding, van welke het Britsche en Buitenland-sche Bijbelgenootschap, den 7 Maart 1804 in Londen opgericht, het eerste is geweest en die er nu aireede ten getale van 66 bestaan met talrijke hulpgenootschappen -), is de Heilige Schrift hetzij geheel of bij gedeelten in al meer talen overgebracht en verspreid. Reeds wordt Gods Woord thans in 198 verschillende talen en tongvallen geleerd a).

§ 13. Goddelijkheid der Heilige Schrift.

De Bijbelboeken onderscheiden zich van alle andere schriften. Zij ademen een hoogeren Geest dan alle menschelijke

\') Lócman, Gids voor den Bijbellezer bi. 31 v.v. Groen van Prins ter er, Handboek p. 217. G. I. Vos Az., De Nieuwe Synodale Bijbelvertaling onderzocht. Utr. 1870. p. 17. 43. Groen van Prinsterer stelt den aanvang van bet werk der vertalers in hel jaar 1626, Looman in 1G20.

\'2) Cart Schöll in Herzogs Real-Enc. II. S, 217.

1) Looman , G\\As bl. 28. ,Het Britsch en Buitenlandscb Bijbelgenootschap alleen bezit den Bijbel thans in 216 talenquot; volgens verslag van het Agentschap Amsterdam 1876 p. 3.

Gravomeijor. Geref. Gel. leei\'. 12

177

-ocr page 202-

178 § 13. GODDELIJKHEID DER HEILIGE SCHRIFT.

boekon, zelfs dan die geheel godsdiensligen inhoud hebben. Ook waar de Heilige Schrift natuurlijke en wereld-sche zaken, omstandigheden en gebeurtenissen verhaalt, doet zij dit op eene wijze , die haar eigenaardig karakter vertoont en van haren verheven oorsprong getuigt.

Al de Bijbelboeken zijn geschreven onder een hijzonderen invloed van God. De Apostel Paulus bevestigt dit van liet Oude Testament 2 Tim. 3 : 16 : al de (eigenlijk alle) Schrift [is] van God ingegeven en [is] nuttig tot leering, lot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing die in de rechtvaardigheid is gt;). Alle Schrift , namelijk iedere van de v. 15 genoemde Heilige Schriften: dus de Heilige Schrift naar al hare deelen. Van God ingegeven is zij : van God geademd, zoodanig dat Gods adem er in is, dus: door God ingeblazen en van Hem doorademd : niet alleen terwijl zij geschreven werd, toen God door de schrijvers ademde maar ook terwijl zij gelezen wordt, daar God door de Schrift ademt en de Schrift Hem ademt 2). Daarom is zij zoo nuttig.

Nader wordt dit door Petrus verklaard 2 Petr. 1:21: Want de profetie is voortijds niet (eigenlijk: eene profetie is nooit) voortgebracht door den wil eens menschen, maar de heilige menschen Gods van den Heiligen Geest gedreven zijnde hebben [ze] gesproken. Treffende tegenstelling: niet door een bloot mensen , maar door de menschen Gods; niet door dezen uit eigen beweging voortgebracht, maar deze menschen Gods zei ven in beweging gebracht, gedreven, bewogen door den Heiligen Geest gelyk een schip door den wind, lijdelijk

\') Over deze plaats zie boven bl. 118 v.

2) Bengel, Gnomon a. 1. Ook Calvyn heelt deze idee her-liaaldelijk uitgesproken.

-ocr page 203-

§ 13. GODDELIJKHEID DEH HEILIGE SCHRIFT. 179

dus en niet bedrijvend verhielden zij zich daarbij ; zij werkten, maar onder de bewerking van God\'), Het waren heilige menschen Gods over het geheel , naar hunnen stand ; maar wanneer zij door den Heiligen Geest gedreven werden, was dit nóg iets bijzonders, buitengewoons, niet alledaagsch veelmeer iets wat bij hun spreken plaats had : immers het behoort tot zij hebben gesproken. Intus-schen in dit: zoo hebben zij gesproken, ligt noodzakelijk meteen : zoo hebben zij geschreven , naar den samenhang met: wij hebben het profetische ivoord v. 19, hetwelk wij immers niet anders hebben dan geschreven ï),

De bijzondere invloed van God was bij het schrijven van hetgeen Hij had geopenbaard noodig overeenkomstig het doel der Goddelijke openbaring beide des Ouden en des Nieuwen Testaments. Deze zou de bron zijn , uit welke te allen tijde voortaan de zaligmakende waarheid geput moest worden. De vorming en bouw van die waarheidsbron kon aan zondige en dwalende menschen niet zonder meer worden overgelaten. Onder de handen der menschen zou alles verontreinigd en bedorven zijn. Wat baatte het zuivere water, wanneer het in onzuivere bakken werd bewaard en er dus , zou \'t bruikbaar zijn, eerst weer een zuivering noodig was V „Dan had God ons met de eene hand gegeven , met de andere wederom genomen, wat zich zelf weerspreekt. Hadden de Heilige Schriften de zuivering, bijwerking van menschen noodig, zoo zou dat wezen als moest het meerdere door het mindere gezegend , ja als moest de zon door de aarde verlicht wor-

1) \'Hvs%6gt;t-CpipófAevoi. Pulcerrimum antilheton : non ferebant sed ferebantur; passive, non active se habuerunt. Hengel, Gnom. a.1.

2) Stier, Reden Jesu II. S. 482 f. zu Matth. 23.

-ocr page 204-

180 § 13. GODDELIJKHEID DER HEILIGE SCHRIFT.

den En al zijn vele der Heilige Schriften bij golo-genheid ontstaan en het eerst voor zekere kringen van lezers of zelfs voor enkele personen bestemd geweest, de uitwendige onschijnbaarheid kon bij de latere erkentenis van het groote doel de verborgen hand Gods slechts te duidelijker doen zien. Zoo scheen in het werk des Verlossers alles zich als toevallig te voegen, terwijl het daarna bleek geschied te zijn naar den bepaalden raad en de voorkennis Gods. Zoo verbergen zich doorgaans de werkingen Gods onder den gewonen loop der dingen.

§ 14. De Bijbel is Gods Woord.

Vragen we nu: wat is de Heilige Schrift ? waarvoor moeten wij den Bijbel houden ? geen ander antwoord mogen wij toelaten dan dit: de Bijhei is Gods Woord naar inhoud en beschrijving.

Gods Woord dat zegt het Woord van God afkomstig, nameiyk door ingeving. Op deze komt het hier aan. Bij deze begripsbepaling valt al aanstonds de tegenwerping weg dat de Bijbel toch niet enkel uit toespraken van God bestaat maar ook geschiedenissen verhaalt en ons mededeelt wat menschen gezegd hebben. De Bijbel is Gods Woord geeft dus te kennen : dat de heilige schrijvers schreven en dat zij dit en dus schreven, is van God. Gods Woord dus niet dat het al redenen zijn door God gehouden; maar de Heilige Schrift is Gods Woord zegt: zij is van God afkomstig , zoo naar inhoud, ten opzichte van de zaken: niets is er in wat God er niet in wilde hebben, alles is er in wat Hy wilde ; als naar beschrijving.

(i Van Oerlaoh, N. T. S. IV.

-ocr page 205-

§ 14. DE BIJBEL IS GODS WOOIW.

Zeer velen en daaronder anders achtenswaardige Godgeleerden schuwen de uitdrukking: de Heilige Schrift is Gods Woord en stellen daarvoor in plaats: Gods Woord is in de Heilige Schriftquot;). Maar wat mensch vermag ons te zeggen xvat in de Schrift dan wel en wat niet Gods Woord zij? Dan raakt alles op losse schroeven. Want moet men eene keur aanstellen, zoo trekt men den ganschen Godsdienst weder voor den rechterstoel der rede of der wereldwijsheid en maakt de weldaad der Goddelijke openbaring onbruikbaar. En wie zou deze keure doen ? De geleerden ? Maar dezen is zoo veel en zoo groots niet toe te vertrouwen , ook zijn hunne hoofden het met zich zeiven en nog meer met elkander niet ééns. De ongeleerden ? Maar dezen zijn bovendien daartoe niet bekwaam. Geldt niet in alles dit ééne : er staat geschreven! dan ware het men-schelijk geslacht met den Bijbel kwalijk gebaat 2).

Wij dienen vooral in het oog te houden, in welken zin er in de Schrift zelve van de Schrift gesproken en gezegd wordt: er slaat geschreven : wij moeten bedenken hoe in de Schrift zelve naar de Schrift verwezen wordt, naar hetgeen geschreven stond , als afdoende en tegenspraak niet toelatende; wij mogen niet voorbijzien, ja wij hebben in dit gewichtig punt juist hiervan uit te gaan, welk eene hooge beteekenis, heerlijkheid en beslissende autoriteit in de Schrift zelve, aan de Schrift en aan het er staat geschreven stil-

\') L. Egeliny , Weg der zaligheid. 10de druk II. bl. 593. J. H. Scholten, Leer der H. Kerk I. p, 98. J. I. Doedes, De leer der zaligheid, p. 5. 15. J. J. v. Ghr. dogin. i. p. 295 v.

2) Schrijvers Aanteek, op Dr. Hoedemakers Handb. p. 73. iM. Roos, Ghristl. Glaubenslehre S. IS. Dr. A. F. G. Vilmar, Dog-niatik 11. S. iülü.

181

-ocr page 206-

§14, DE BIJBEL IS GODS WOORD.

zwijgend en als van zelf\' sprekend wordt toegekend. Kan dat, mocht dat en zou dat wel gedaan zijn, wanneer de Schrift en Gods Woord niet als één werden beschouwd ? De Schrift heeft afdoend , beslissend gezag. Zij heeft dit door dat zij van God is ingegeven. Is zij van God ingegeven , zoo is zij dus van God afkomstig en is, namelijk door en krachtens de ingeving, Gods Woord quot;).

De Bijbel is Gods Woord naar inhoud en beschrijving.

\') Do onderscheiding tusschen het in de Heilige Schrift behelsde Woord Gods en de Schrift zelve werd het eerst opzettelijk naar allo zijden ontwikkeld en aangedrongen door J. G. Töll-ner, prof. te Frankfort a. d. O., gest. 1774: Der Unterschied der heiligen Schrift und des Wortes Gottes , 17G7. Zïe Hagen-hach, Lehrb. der Dogmengesch. S. 701 f. Tusschen zijne ideeën en de gevoelens van de latere en tegenwoordige voorstanders van dezelfde beschouwingswijs bestaat er eene zonderlinge overeenkomst. a. Töllner wilde uil het spraakgebruik der Heilige Schrift bewijzen, dat de Schrift zelve door het Woord Gods niet de Schrift verstond. Even zoo prof. Doedes L. d. zal. bl. 13 v. en prof. Scholten, L. der H. K. I. p. 103—107. Anders J.J. Van Toorenenbergen, Bijdragen p. 14. Wal Doedes en bij

brengen , beslist niets. Zij hadden van het gebruik van gt;j ypxQli, xl ypxCpx) en ysypxTrTxi moeten uilgaan, zie boven in den tekst, b. Ja Töllner ging nog verder en beweerde , Gods Woord was niet aan de Schrift alleen gebonden , maar er was ook Woord (rods huiten haar: want wie Goddelijke waarheid voordroeg, droeg Gods Woord voor. Dito Doedes a. W. p. 15 ; Gods Woord komt door den Bijbel tot ons , maar ,dit geeft nog geen recht tot de gevolgtrekking , dat, waar de Bijbel niet aanwezig is, daar ook Gods Woord niet aanwezig zou zijnquot; b.v in den mond van getrouwe predikers en zendelingen. Trouwens zulk eene onnoozele gevolgtrekking , denken wij , zal wel niemand maken. Maar wij vragen : vanwaar hebben dan die zendelingen het Woord? is het

182

-ocr page 207-

§ 15. de bijbel is gods woord.

§ 15. a. Naar zijnen inhoud.

Vragen wij waarom wij den Bijbel naar zijnen inhoud Gods Woord noemen, het antwoord kan geen ander zijn

niet uit de Schrift ? Intusschen bedoelt prof. Doedes niet, hetzij verre, wat Töllner zei : Ook in de rede was Gods Woord en in alle godsdienstige partijen der tvereld werd dit gevonden, hoewel de christen het in en met de Heilige Schrift volmaakt had. Dit was ook geenszins het gevoelen van Egeling, die althans a. W. p. 593 wel zegt; niet alles wat in den Bijhei staat is Goddelijke Openharing, maar er bijvoegt: alle Goddelijke Openharing, die wij ter onzer zaligheid noodig te weten hebben, staat in den Bijbel.

Edoch het is merkwaardig dat ook zij die in dezen (bang voor \'t idtra ; maar is hun citra niet ook een ultra, van den anderen kant beschouwd ?) aan den geest dezer eeuwe concession doen, toch zich aan het ware , schriftuurlijke begrip niet ontworstelen kunnen en in éénen adem weer toestaan wat zij pas ontkenden. Dus Egeling. Terwijl hij verzekert 1. c.: de Bijbel bevat in zich de Goddelijke Openbaringen , verklaart hij dadelijk : hij is het beschreven Woord. Dit laatste zeggen wij juist ook. En Scholten moet toestemmen dat naar een ruimer gebruik van de uitdrukking Gods Woord ook in de kerkelijke belijdenisschriften de gansche Schrift Gods Woord heet, in zoover God of de Heilige Geest er van gedacht wordt als auctor primarius. L. d. Herv. K. 1. p. 111. En Van Oosterzee stemt toe dat ook de stelling „de Bijbel is Gods Woord\'\' zich voldoende verdedigen laat „wanneer men daardoor uitspreken wil dat de Schrift als één geheel gedacht eene van God ingegevene is.quot; Tijdschrift De Vereeniging: christelijke Stemmen 1873 bl. 349. Christel. Dogm. I. bl. 294. Dezelfde neemt het beeld van het lichaam over Chr. Dogm. 1. p. 243: de Schrift is als een lichaam, uit vele deels sierlijke deels min sierlijke leden bestaande maar met éénen adem des levens bezieldquot; (dus ook reeds Tholuck, Predigten IV. S. 55 en Ehrard, Dogm. 1. S. 38). Desgelijks het beeld van een houw (vergel.

183

-ocr page 208-

§15. DE BIJBEL IS GODS WOORD.

dan dit: de Bijbel is Gods Woord, omdat hij de Goddelijke openbaringen bevat: de verschijningen, waarin God zijne tegenwoordigheid vertoonde, de ivoorden die Hij heeft gesproken , de buitengewone /iawrfeiiwjrew die God heeft gedaan\').

De heilige mannen hebben immers niet hunne eigene of anderer menschen wijsheid daarin neergelegd, maar die wijsheid, welke de Geest Gods door onmiddelijke verlichting in hunnen geest had voortgebracht, en wel hierom, gelijk Pau-

Thohicks vers voor zijnon Coinmontar übcr die Bergrede), ,een Gothische tempel (maar niet zoo gekunsteld, hoe kunstig ook) waarin ... de kruisvorm overal (toorsimaZi.quot; Is de Schrift dat, is zij bij name aan een levend lichaam gelijk, waarom dan de eenheid niet volgehouden maar het leven weer van deelen dezes lichaams gescheiden ?

Prof. Doedes bevroedt wel , dat, waar hij met kracht aandringt oin onderscheid te maken tusschen de Heilige Schriften waarin Gods Woord is te vinden en Gods Woord dat wij in de Heilige Schriften vinden kunnen , er zijn zullen die het door hem gezegde in den wind slaan, Leer der Zal. bl. 14 en Professors ziel schijnt verdrietig te worden , waar hij zegt bl. lü : „ Wil men nu desniettemin (d. i. trots bl. 13 v.v. , waar veel gezegd maar weinig bewezen is) den Bijbel Gods Woord noemen, dat moet een ieder ten laatste voor zich zeiven weten (vergelijk Ezech. 3 : S27 : wie hoort die hoore en wie het laat die late hel). Bjbelsch zal het nooit zijn.quot; Tegen dit laatste komen wij op, bepaaldelijk op grond van de schriftuurlijke beteekenis van ij y pxcpii, xl ypxCpx), yêypxTTTXi. Hase, Hult. red. p. 299 vertelt; „de oudkerkelijke dogmatici werden door de smadingen der Mystieken legen hel geschrevene Woord lot de gelijkstelling van het Woord Gods en Heilige Schrift genooptwel gedrongen om deze gelijkstelling met nadruk uil te spreken en sterk te acccn-lueeren maar niet lot de gelijkstelling zelve : de Heilige Schrift werd hun niet nu eerst Gods Woord maar was hel.

\') Christlieh, Moderne Zweifel. S. 108,

184

-ocr page 209-

DE BIJBEL IS GODS WOORD.

185

15.

lus zegt 1 Kor. 2:5: opdat uw geloof niet zou zijn (zijn oorzaak of fundament niet zou hebben, Kantt.) in wijsheid der menschen, maar in de kracht Gods. Ten sterkste betuigt Paulus dat hij en zijne medeapostelen niet eeno wijsheid leerden „die door het menschelijke vernuft bedacht, en groot geacht werd,quot; maar eene hoogere wijsheid, welke God hun door zijnen Geest verleende. Deze ontstak in hen hel licht eener kennis , van welke de wereld, en de onverlichte natuurlijke mensch niets wist, een straal van die wijsheid , met welke God zich zelven kent én die hen in staat stelde den zin des Hoeren te verslaan \').

Was het zoo met de Evangelisten in de opvatting en teekening van do openbaring Gods in Christus en met de Apostelen in de ontvouwing en toepassing daarvan »), niet minder met de Profeten des Ouden Testaments. Ja bij dozen moet men zelfs nog eene grootere oorspronkelijkheid der werkingen des Heiligen Geestes erkennen, wijl Christus nog niet was verschonen en zij dus zijn beeld niet uit de werkelijkheid in zich droegen\'}.

Indien nu de Heilige Schrift ook niet meer ware dan alleen eene menschelijke, historische oorkonde , waarin do Goddelijke leidingen en openbaringen zijn beschreven, dan reeds zou zij onze hoogste achting waardig zijn a). Maaide werking van Gods Geest strekte zich tol de beschrijving zelve uit, ja in vele deelon werd de inhoud zelf gelijktijdig met het schrift en in dezen vorm gegeven.

\') Twesten, Vorlesungon i. S. 374.

2) Dezelfde , S. 370.

:\') Dezelfde, S. 381.

4) Dezelfde, S. 371

-ocr page 210-

§ 16. UE BIJBEL IS GODS WOORD.

§ 16. B. Naar de beschrijving-

De geheele Bijbel is Gods Woord omdat hy geheel van Gods ivecje beschreven is.

Men werpt tegen : de geheele Bijbel kan Gods Woord niet zyn , want er komt veel ongoddelijks in voor\').

Het laatste stemmen wij toe, maar do gevolgtrekking wijzen wij af. De zakelijke inhoud van den Bijbel is in het gemeen al wat er tusschen God en menschen is geschied ter uitvoering van Gods raad. Dies vinden wij er l.iets van God. Dit is volstrekt heilig. Dit zijn a. zijne xvegen, die Hij met de menschen, inzonderheid met zijn volk gehouden heeft, zijne leidingen en wel zegeningen en oordee-len. h. Zijne rerfewew, die Hij zelf hetzij onmiddelijk of door een Engel heeft doen hooren en verstaan. Daar intusschen op geheel het bijbelsche tooneel God met de menschen te doen heeft en bij dezen de duivel voor zijn eigen rijk strijdt: zoo vermeldt de Bijbel 2. ook van Gen. 3 aan, waar de zondenval verhaald wordt, de zondige werken en ivoorden van duivel en menschen. Maar ook deze behooren mede tot Gods Woord omdat zij er van Gods wege onbewimpeld en waarachtig in beschreven zijn ; en wel tot een, heilig doel, tot leering en waarschuwing voor ons.

Van den duivel vermeldt de Schrift a. indirecte redenen, influisteringen, ingevingen, en aanporringen tot zonde, afval

\') Naar de onlogische en onhistorische opsomming van Von Amnion zou de Bijbel eene hutspot zijn van ,Semitische , Idu-meesche , Perzische , Ghaldeeuwsche, Arameesche en Grieksche, exoterische en esoterische , populaire en achoolsche , politieke , zedelijke en onzedelijke, Goddelijke menschelijke gedachten.quot; Iluse, Hult. red. § 44. S. 103. S110 Aufl.

18ü

-ocr page 211-

§16. DE BIJBEL IS GODS WOORD.

verraad. Dus 1 Kron. 21 : 1: toen stond de Satan op tegen Israël en hij porde David aan, dat hij Israël telde en Joh. 13: 2 wordt gezegd dat de duivel in het hart van Judas, Simons zoon, Iskariot, gegeven had dat hij Jezus verraden zou. Dus ook zijne redenen in de bezetenen of dae-monischen. Maar er zijn b. ook rechtstreeksche gezegden uit Satans mond en wel negen in getal, die hij voorgesteld wordt gesproken te hebben in het paradijs, in den hemel, op de aarde, daar hij tweemaal tot Eva sprak Gen. 3, viermaal tot God Job 1 en 2, driemaal tot Gods Zoon Matth. 4 \')•

En hoeveel booze woorden uit den mond van menschen staan in den Bijbel geboekt! Wij zullen zoo dwaas niet zijn te zeggen dat deze ook door God zijn gesproken. En toch zijn zij mede Gods Woord door dat God ze heelt doen beschrijven1). Zoo de booze woorden van Kaïn, toen God hem vroeg Gen. 4:9: ivuar is Ilabel uw broeder? dat was Gods Woord; en hij zeide: ik weet het niet („een onbeschaamde leugenquot;), ben ik mijns broeders hoeder? („een vermeten hoogmoedquot; Kantt.) dit waren Kaïns woorden. Dus hooren wij booze woorden ook uit den mond van Koning Saul aangaande David 1 Samuel 18: 2lentegen Jonathan 20: 30; van Achab tegen Elia 1 Kon. 18: 17. 21: 20; van Nebukadnezar Dan. 4 : 30 ijdelo grootspraak over Babel dat hij niet eens gebouwd had en vele andere gezegden van goddelooze menschen.

Ook worden er kwade samensprekingen verhaald, woorden welke vleeschelijke menschen in den mond voeren , die geen opstanding en oordeel gelooven, als : laat ons eten en

\') Beweis des Glauhens, Jan. 187G. S. 37.

2) Vergel. Da Casta, Eenige Opmerk, omtrent de Gron. School, bl. 53 v.

187

-ocr page 212-

§16. DE BIJBEL IS GOUS WOOUD.

188

drinken, want morgen sterven ivij, 1 Kor. 15 : 32 en de taal der „zotte vrouwquot;, der overspeelster, der wederpartijd-ster van de ware Wijsheid. Spr. 9 : 17 : de gestolen wateren zijn zoet en het verborgen brood is lieflijk — verleiding door den prikkel van \'t verbodene en bedekte.

Ja er staan woorden in den Bijbel die God zelf verklaart niet goed te keuren. Dus de woorden van Jobs drie vrienden Job 42: 7 : het geschiedde nu nadat de lleere die woorden tot Job gesproken had, dat de Heere tot Eliphaz den Temanieter zeide: mijn toorn is ontstoken tegen u en tegen uwe twee vrienden: want gijlieden hebt niet recht van mij gesproken gelijk als mijn knecht Job. Tol Eliphaz sprak dit de Heere, omdat deze het was die telkens den grondslag legde en datgene aanvoerde wat Bildad de Suhieter en Zophar de Naamathieter slechts naar hunne eigenaardigheid breeder gingen uitmeten. Dezo vrienden „hebben meest gezondigd door een onverstandig oordeel over Gods straffen en zegeningen , mitsgaders door onmin en wreedheid tegen Job , hem voor een huichelaar veroordeelende en leugenen tegen hem verdichtende in plaats van hem te troosten ; maar Job, wiens lijdzaamheid tegen den last der schrikkelijke zwarigheid zeer wonderbaarlijk als een palmboom zich heeft opgeheven, heeft meest misdaan door menschelijke zwakheid en door de schampere aanspraken zijner vrienden. Zij brengen wel heerlijke spreuken voort, maar die zij kwalijk op den persoon Jobs gepast hebben.quot; lt;). Zij en ook Job waren van gevoelen dat de straffende gerechtigheid Gods alleen de oorzaak van het lijden was. Dies meende Job, als zijnde geen goddelooze, dat hem

\') Staten-Bijbel, Inhoud van hel boek Jobs.

-ocr page 213-

§16. DE BIJBEL IS GODS WOORD.

onrecht geschiedde en zij dachten, Job was oen goddeloos man. „De vrienden Jobs hielden vol, dat groote rampen een bewijs van groote zonden waren, en zij zouden, hadden zij ten tijde der Apostelen geleefd, ook dezen, wegens hunne verdrukkingen, even zoowel voor ondeugende menschen hebben uitgekreten als den lijder Job.quot; quot;) Ook komt in de gesprekken van Eliphaz met Job geen woord van het eeuwige leven2) voor of van de verdoemenis, van de opstanding, van den Verlosser, maar zijne en zijner beide vrienden geheele religie beperkt zich hiertoe, dat men God moet vreezen en het kwade myden, ten einde men het in de wereld wel hebbe en de tijdelijke straffen Gods ontga, terwijl daarentegen Job zijn geloof in den Verlosser en zijne hope des eeuwigen levens vrijmoedig belijdt. Maar behooren hierom nu dan de redenen der drie niet tot Gods Woord ? Evenzeer als zij tot het boek Job behooren en zij representeeren karakters en denkwijzen der hoogste bloot menschelijke wijsheid, welke

\') Ja ook zelfs den Zoon Gods, vergel. Jez. 53; 4. Rook, Einleit. 1. S. 70. Dies behoeft ons niet te bevreemden het oordeel van den rechtzinnigen Joh. a Mark, door Schollen, L. d. H. K. I. p. 110 bijgebracht uit Het Merchg der Christene Gat-Geleerdheid. Rott. 1758. II^ Hoofddeel 5p. 21 : Onder hen die door den Geest spraken (en wier woord derhalve voor Gods Woord is te houden) zijn evenwel Job en zijne vrienden nauwelijks te tellen. In het Compendium Cap. II. 5 spreekt Van Ma rek nog sterker ; daar zegt hij rechtstreeks (zonder nauwelijks) : Quibus tamen non accensendus Jobus ejusve amici. Het Mergch is de Vertaling van het Compendium. Zij is blijkens de Voorrede het werk van Van Marck zeiven en is zelfs meer dan enkele Vertaling.

1) Naar Roos, Einleit. II. S. 131 zouden dc drie vrienden, Jobs zelfs geen eeuwig leven geloofd hebben ; waarmee Richter crklarte Hausbibel A. T. III. S. 10 instemt.

189

-ocr page 214-

§ 16. BE BIJBEL IS (iODS WOORD.

alleen de Geest Gods aldus uit de diepten der harten uithalen en in woorden belichamen kon i).

Zelfs vuile zaken worden in den Bijbel verhaald, als Gen. 19 van Sodom , Gen. 38 van Juda enThamar, Richt. 19 van de mannen te Gibea in Benjamin, 2 Sam. 11 van David , 2 Sam. 13 van Amnon enz. Maar deze zaken worden met een heiligen zin en naar de loutere waarheid beschreven tegelijk met hare schrikkelijke gevolgen, met slaande blijken van Gods toorn over die zonden. Hierop moet men, zulks lozende , tevens letten. Het wordt niet goed geheeten, het wordt afgekeurd , bestraft; het is tot waarschuwing s).

§ 17. De ingeving der Heilige Schrift.

Vragen wij dienvolgens naar den eigenlijken grond van al de uitnemendheid des Bijbels of wat het is dat den Bijbel zulk een boek doet zijn, van meerder waarde en hoo-ger autoriteit dan al de andere boeken saam, zoo moeten wij antwoorden : de uitnemendheid der Heilige Schrift is hierin gelegen , dat zij door den Heiligen Geesl is ingegeven. Dit is de ware grond , waarom zij den naam van Gods Woord draagt en Goddelijk gezag heeft.

Het begrip van Ingeving of Inspiratie der Heilige Schrift heeft men al zeer verflauwd, tot zoover zelfs dat daarbij van de bijzondere Goddelijke werking weinig overbleef en

\') — metrico el longiore illorum sermonc a Spiritu Sancto per Prophetam aliquem postea expolito. March, Comp II. 5. /3.

2) De rationalistische Staudlin verklaarde herhaaldelijk de leer van de Goddelijke ingeving der Heilige Schriften gevaarlijk voor de zedelijkheid l A. Wuttke, Handb. der chr. Sittenlehre 3te Aufl. I. S. 18.

190

-ocr page 215-

§ 17. DE INGEVING DER HEILIGE SCHRIFT.

men de Ingeving niet als eene afzonderlijke daad Gods maar als een gevolg van de Goddelijke openbaring en van de mededeeling des Heiligen Geestes beschouwde, als iels dat hieruit van zelf voortvloeide i).

Ook anders rechtzinnige schrijvers neigen daarheen en buigen voor den tijdgeest en geven aan dezen nog te voel toe, waar zij de ingeving der Schrift „het natuurlijk gevolg van de hoogere bezieling en leiding der schrijversquot; noemen en zich meer beijveren om voor „elke mechanische voorstelling,quot; voor „alle denkbeeld van werktuigelijkheidquot; te waarschuwen dan de ingeving in haren vollen schriftuurlijken zin trots alle wederspraak te handhaven 1).

Desgelijks doet men aan de Ingeving te kort, wanneer men haar te lang maakt, haar te ver uitrekt, tot buiten den Bijbel en haar, schoon minder zelfstandig, ook aan latere voorstellingen der Christelijke heilsleer toekent en dus

\') Vergel. Hase, Hult. rediv. § 44. ed. 3. p. 102.

\'2) Ook prof. Van Oosterzee, Ghr. Dogm. I. p. 278. 28G. En bijna letterlijk evenzoo J. J. Van Toorenenhergen, De Christel. Geloofsleer 1876 p. 29. Ook Delitzsch, bibl. Psychologie S. 307 is bijzonder toegevend. Vaster staat nog Stier, die Reden des H. Jesu II. S. 480 fï. zu Mt. 23. — Mechanisch zou dit zijn : wanneer de stift of pen in de hand des schrijvers zoo door den H. G. bewogen en gedirigeerd ware als de stift eener telegraaf door de electro-magnetische kracht. — \'t Is intusschen ook een mechanische operatie , wanneer men in de H. S. gaat scheiden en deelen tusschen wat al en wat niet geïnspireerd zou zijn , waartegen ook Twesten, Vorle^. I. S. 389 te recht opkomt.

Zoo Schleiermacher , Der ch. Glaube. 3te Ausg. II. S. 330: „Want sinds de Geest is uitgegoten op alle vleesch, is ook geen tijdperk zonder eene eigenaardige oorspronkelijkheid van christelijke gedachten.quot; Intusschen blijft hij de H. Schriften des N. V. als norm erkennen; vergel. ib. S. 327. Eene nieuwe waarheid bui-

191

-ocr page 216-

1!)2 § 17. DE INGEVING UER HEILIGE SCIIRII\'Ï.

tlo scherpe grenslijn tusschen Goddelijke en menscholijko schriften uitwischt.

Dezelfde redenen, waarom onze oude Protestantsche kerkleeraren de Inspiratie streng vasthielden on vervolgens scherp ontwikkelden , bestaan er ook voor ons, namelijk tegenover de Boomsch-Katholieken , die gaarne het onderscheid tusschen het geschreven en ongeschreven Woord, tusschen Schrift en traditie (overlevering) en kerkelijke inzettingen verkleinen ; dan tegen Socinianen en Ar mini-anen en die hun gelgk zijn en in het gemeen tegen allen die ten gevolge van hunne Pelagiaansche richting de tegenstelling van natuur en genade en wat daarbij te gronde ligt niet erkennen \').

Tegen al degenen die de Goddelijke oorzakelijkheid bij het ontstaan der tleilige Schriften of ontkennen of verzwakken , moeten wij ze te nadrukkelijker in hare bijzonderheden vasthouden. Zij bestond in onderscheidene werkingen , van welke men geene kan weglaten zonder aan hot geheel te kort te doen.

8 18 A. Aandrijving.

De werking van den Heiligen Geest was ten eerste eene aandrijving. Dit was eene werking op den wil der heilige schrijvers en geeft te kennen : 1. dat zij niet louter toevallig schreven , zoodat zij het even goed hadden kunnen nalaten ; maar ook 2. dat rn] niet tegen icil en dank schvsvw, zij werden opgewekt om het te willen, om mede te deelen

ten de geopenbaarde heeft geen mensch ontdekt of hot moest dan al eene grove onwaarheid zijn.

\') Twesten, Voiles. I. S. 385.

-ocr page 217-

§ 18. DE INGEVING DEK HEILIGE SCHRIFT, lO!}

wat in hen was, zoodat zij hol niet konden voor zich behouden. Het is op Goddelijke aandrift geweest dat zij gesproken en ook geschreven hebben, terwijl die aandrift soms in een onmiddellijk bevel en overigens onder allerhande uitwendige aanleidingen en gelegenheden hun gewerd.

Niet alsof de Heilige Geest eerst bij het spreken en schrijven tot hen kwam en in hen nu eerst aanving te werken en na het schrijven ophield; zij hadden ook vooraf en daarna den Geest; maar het was van den Heiligen Geest, die in hen woonde , eene bijzondere werking voor dien tijd en tot en bij dat bijzonder werk •).

Deze aandrijving wordt thans schier algemeen als eene verouderde voorstelling ter zijde geschreven en zelfs door anders rechtzinnige!) bijkans bespot1). Dwaas genoeg. Men

1

379 (zu Joh. lü ; 13) : „naar de haast algemeen geliefkoosde manier , de Inspiratie der Schrift geheet slechts in de personen der schrijvers en in hun leven achteruit te verplaatsen, verkrijgen wij geene onfeilbare Schrift.quot;

Uravomei)or , fierof. Gel. loer. 13

-ocr page 218-

§18. DE INGEVING DER HEILIGE SCHBIFT.

stelt dan eene bijzondere soort van werking en werk zonder gelijksoortig begin. Hierbij verdient behartiging het treffend gezegde van een Godgeleerde \')• «Niet wat (le Geest Gods in de heilige mannen (zijne dienstknechten in Israël en dus zeker niet minder in de Apostelen) in het gemeen werkte , is de grond van liet canoniek gezag en den bovennatuurlijken inhoud hunner schriften, maar wat de Geest in het bijzonder hun te schrijven gaf. David was niet altijd zoo in den Geest als wanneer hij profetische psalmen zong. Dat intusschen hunne verhoogde werkzaamheid , hun in den Geest zijn bij het schrijven van deze getuigenissen met geheel hun overig leven in den Geest samenhangt is naar de wijze van de werking des Geestes Gods in \'s menschen geest gewis.quot;

Zonder de aandrijving wordt de samenstelling der Heilige Schrift eene pure toevalligheid en het is deze waartegen de betuiging van de Goddelijke aandrijving juist is gericht.

Hierbij dienen wij echter te onderscheiden de «oorwawm-ste aandrijvende oorzaak , de aandrift of het bevel des Heeren , en de mindere , lagere , ondergeschikte oorzaak , de voorkomende , gegevene gelegenheid 1).

Soms gaf de Heer het uitdrukkelijk bevel om iets op te schrijven. Zoo Exod. 17: 14: Toen zeide de Heere tot Mo-zes : schrijf dit ter gedachtenis in een (in het) hoek 2) en leg het in de ooren van Jozua : dat ik de gedachtenis van Amalek geheel uitdelgen zal van onder den hemel.

Openb. 1:19 sprak Christus tot Johannes: schrijf hetgeen gij gezien hebt (dat is hetgeen in ditzelfde hoofdstuk v» 11

194

1

) Stier, Reden Jesu II. S. 482, zu Malth. 22 : 43.

2

^ Zie hierboven bl, 157.

-ocr page 219-

§ 18. DE INGEVING DER HEILIGE SCHRIKT.

19Ö

tot 18 geschreven staat) en hetgeen is (dat is de innerlijke toestand der zeven engelen of opzieners en der zeven gemeenten) en hetgeen geschieden zal na dezen (aankondigingen van de komst des Heeren, dreigingen voor de trouwe-loozen, beloften voor de overwinnaars). Twaalfmaal kwam tot Johannes het bevel van den verhoogden Zaligmaker om op te schrijven wat hem geopenbaard werd. Namelijk hier Hoofdst. 1 : 19; waar herhaald wordt wat v. 11 bij het begin des gezichts reeds was bevolen : hetgeen gij ziet schrijf dat in een hoek. Dan. 2 : 1 : En schrijf aan den engd der gemeente te Efeze. 2:8. En schrijf aan den engel der gemeente van die van Smyrna. 2: 12. En schrijf aan den engel der gemeente die te Pergamus is. 2: 18: En schrijf aan den engel der gemeente te Thyatire. 3:1: En schrijf aan den engel der gemeente die te Sardes is. 3 : 7 : En schrijf aan den engel der gemeente die te Philadelphia is. 3: 14. En schrijf aan den engel van de gemeente der Lao-dicensen. 14: 13: verhaalt Johannes wat hem, hoe plechtig ! gebeurde: En ik hoorde eenen stem uit den hemel, die tot mij zeide: schrijf: zalig zijn de do oden die in den lleere sterven , van nu aan ; ja , zegt de Geest, opdat zij rusten mogen van hunnen arbeid en hunne werken volgen met hen. lü : 19: En hij (een engel naar v. 10 en wel dezelfde als 17 : 1 want daarna heeft geen ander engel tot Johannes gesproken) zeide tot mij: schrijf, zalig zijn zij die geroepen zijn tot het avondmaal van de bruiloft des Lams. En wederom 21:5: En die op den troon zat, zeide : zie ik maak alle dingen nieuw en Hij zeide tot mij : schrijf, want deze woorden zijn traarachtig en getrouw.

-ocr page 220-

§ 19. DE INGEVING DER HEILIGE SCHRIFT.

§ 19. b. Ingeving.

Do working des Heiligen Goestos was ten tweede de eigenlijke ingeving, een invloed op het verstand der heilige schrijvers, waardoor hun te binnen kwamen niet alleen de gedachten , de zaken die zij schrijven zouden , hetzij hun reeds van vroeger bekend en eigen en in hen liggende maar in dien oogenblik opgewekt en hun voor den geest gebracht of nu eerst hun te verstaan gegeven; maar ook de gepaste ivoorden ter meest geëigende uitdrukking van hetgeen zij dachten \'). Immers woord en gedachte laten zich van elkander niet scheiden. Is niet het woord als \'t ware het lichaam in hetwelk de gedachte zich kleedt? Kan men eene gedachte wel hebben en vasthouden dan in den vorm eens

\') Ook Van Oosterzee, Ghr. Dogm. I. p. 289 stemt dit toe, doch niet zonder beperking. De attestatie aldaar; „de H. Geest is geen taalmeester in den vulgairen zin des woordsquot; zegt te veel en te weinig. Te veel, daar ze bestrijders en spotters in de hand werkt. Te weinig daar de waarheid het bijvoegsel eischt: „maar wel in hoogeren zin,quot; waarmede wij nog iets anders bedoelen dan .eene taal vol Goddelijke majesteit.quot; Immers de heilige menschen Gods hebben wel alles in zulke taal en met zulke woorden , die reeds vroeger bekend waren , gesproken en geschreven, maar, omdat zij nieuwe zaken leerden, hebben in hunne voordracht de woorden vaak eene nieuwe beteekenis verkregen, welke men in menschelijke boeken vergeefs zoekt. Voorts wordt aldaar ten bewijze dat, terwijl de tolk des H. Geestes zich uitdrukte met woorden die de H. Geest had geleerd. (1 Kor. 2: 13), deze woorden niettemin de sporen van\'s schrijvers menschelijke onvolkomenheid droegen , door den hoogleeraar aangehaald 2 Kor. 4: 7 en 10: 10. Verkeerd. Want 2 Kor. 4:7: maar wij hebben dezen schat in aarden vaten , opdat de uitnemendheid der kracht zij Codes en niet uit ons, verheft Paulus

1%

-ocr page 221-

ij 19, UK INGEVING DER HEILIGE SCHRIFT. 197

woords ? En is het niet ook in het gemoene leven aldus, dat de denkende geest in zich zeiven aanstonds voor en met de gedachte haar lichaam schept en het kleed er voor weeft?

De Ingeving strekt zich tot alles uit; maar niet tot alies op dezelfde wijs. Anders waar een Profeet verheven God-spraken of een dichter psalmen of een Apostel verborgenheden van de leer der zaligheid schrijft, anders waar geslachtregisters en geschiedenissen verhaald of tusschen de dingen die het koninkrijk Gods aangaan persoonlijke zaken en omstandigheden worden vermeld lt;),

Door de Ingeving werd niet weggenomen het eigen onderzoek\') en nadenken der heilige schrijvers : zij schreven waarlijk niet gedachteloos. Ook behielden en gebruikten zij een ieder zijne eigenaardige zegswijs. Er is bij de bijbel-sclie schrijvers verscheidenheid van stijl en van manier van voorstelling. De persoonlijkheid des Heiligen Geestes doet

juist de kracht Gods in tegenstelling tegen eigen krachteloosheid, inzonderheid tegen „liet gebrekkige lichaam en tegen de menigerlei nooden die van uit het lichaam komenquot; (Vuu Oerlach). Waarmee men vergelijken kan wat Plato Phaedo p. 04 A. sqq. van het voor de wijsheid hinderlijke lichaam zegt. En 2 Kor. 10- 10 geelt juist het tegendeel van hetgeen het bewijzen zal, daar de tegenstanders van Paulus toestemmen dat zijne brieven wel gewichtig en krachtig zijn , maar de tegenwoordigheid des lichaams is zwak en de rede is verachtelijk , zeiden zij. Van het geschrevene is hier bij v. Oosterzee sprake, van „de taal der H. Schrift.quot; Wij zeggen dus niet met v. Oosterzee: in hel schrijven bij de werking des\' Geestes en bij de majesteit des woords toch menschelijke zwakheid; maar naar l\'aulus : niettegenstaande de menschelijke zwakheid zulk een Schrift!

\') Twesten, Verl. 1. S. 387.

-) Zie hierna § 21.

-ocr page 222-

198 § 19. DE INGEVING DEK HEILIGE SCHRIFT.

de eigenaardigheden der menscheiijke personen, die hij bezielt, niet verdwijnen : een ieder behoudt zijnen aard, zijnen aanleg, zijne manier van denken en van zich uit te drukken , waardoor hij zich van anderen onderscheidt, ten einde aldus ook in dezen zin met „menigerlei talenquot; God verheerlijkt worde. Ook hier geldt wat Paulus van de geestelijke gaven zegt 1 Kor. 12: 11 : Doch deze dingen alle werkt één en dezelfde Geest deelende aan een iegelijk in het byzonder gelijkerwijs Hij wil.

§ 20. c. Besturing.

üe werking des Heiligen Geestes was ten derde oene be-sturing onder het schrijven. Ook deze was noodig, zou het doel , de zuivere bewaring en voortplanting der waarheid, bereikt worden. Zij kan niet ontkend worden of men maakt door den schrijver nu met zijn schat inmiddels aan zich zeiven over te laten, eene gaping in het werk Gods, hetwelk immers niet eer voltooid was dan wanneer het ingegevene op het papier stond. Zij is de waarborg die noodzakelijk vereischt wordt ter onberispelijke uitvoering van de hooge taak. Dit was dan waarlijk en ook alleen dus eene werking Gods Jot op het papier\')quot; Het was hierdoor fai de heilige schrijvers voor dwaling bewaard en de Goddelijke openbaringen onvervalscht beschreven werden. Het gewone verband van zonde en dwaling werd bij hen wel niet eens voor al opgeheven1) maar zekerlijk bij het schrijven van die schril\'.

1

) Zooals v. G er lach N. T. Einl. S. IV. 3te Aufl. zich verkeerdelijk uitdrukt.

-ocr page 223-

§ 21. DK INGEVING DEU HEILIGE SÜHHIFT. ONDERSCHEIDING. 199

ten geschort, die naar Gods bedoeling\') altijd voor de Kerk tot bron en regel der waarheid zouden dienen.

§ 21. Onderscheiding.

Niet alles wat in de Heilige Schrift staat is in dienselfden oogenblik, toen het geschreven werd, of onmiddelijk geopenbaard. Immers wanneer de heilige Profeten en Apostelen bekende geschiedenissen, namen, geslachtregisters en dergelijke schreven, dan hadden zij daarbij geen onmiddellijke openbaring der zaken van noode, hoewel de hoogere invloed ook hierbij niet kon worden gemist, zouden zij dit bekende in het rechte licht beschouwen en voorstellen.

a. Zij schreven ook wat zij gehoord en gezien hadden. Dus zegt Johannes van hetgeen hij mondeling en, in zijn Evangelie, sclniftelijk den Christenen heeft verkondigd 1 Joh. 1:1: Wij verkondigen \\x hetgeen vm den beginne was, hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben met onze oogen, hetgeen wij aanschouwd hebben cn onze handen getast hebben, van het Woord des Levens. Het FFoo/-rf is de Zoon Gods, en wel naar Zijne Godheid. Het Woord des levens noemt Johannes Hem, omdat in hem het leven was (Joh. 1 : 4). Hij was van den beginne : daarin begrijpt Johannes geheel den staat des Woords voor zijne menschwording, daar Hij, de Zoon, bij den Vader was. Hij is in het vleesch verschenen en Johannes en zijne medeapostelen hadden zijne woorden gehoord, hadden Hem zeiven en zijne werken met hunne oogen gezien , hadden gedurende zijne omwandeling op aarde Hem dagelijks aanschouwd en met verlichte

\') Mi. Is, Da Costa, Voorlez. over de Verscheidenheid enz. der vier Evangeliën II. p. 532, 53i.

-ocr page 224-

200 § 21. DE INGEVING DER HEILIGE SCHIUFT. ONDERSCHEIDING.

oogen zijne heerlijkheid als des eeniggeboren Zoons van den Vader erkend. Ja deze discipel, dien Jezus liefhad, verheugt zich nog, terwijl hij dit schrijft, in de zalige herinnering dat zelfs hunne handen Hem getast hebben. Dus betuigt de Apostel, mede in der anderen naam, zoowel de waarheid van Christus menschheid als de Goddelijke heerlijkheid in haar \') op grond van eigen waarneming, terwijl zij er zoo van verzekerd waren als van hun eigen leven.

h. Ook schreven zij wat zij niet zeiven als ooggetuigen waargenomen , maar uit den mond en de berichten van anderen verstaan en en vaarstiglijk onderzocht hadden. Aldus Lucas, do medicijnmeester (Kol. 4 ; 14) uit het Syrische Antiochië, die geen ooggetuige van de daden des Heeren Jezus is geweest. Immers hij onderscheidt zich van degenen die van den beyinne zeiven nanschouwers en dienaren des woords geweest zijn en hij kan dus ook niet onder het getal der zeventig discipelen hebben behoord 1). Daar vele anderen (Mattheüs en Marcus bedoelt hij niet) zondere hoogere roeping de Evangelische geschiedenis hadden beschreven ; Zoo heeft het, zegt hij in zijn Evang. 1:3, ook mij yoedgedacht, hebbende alles van voren aan naarstiglijk onderzocht, vervolgens aan u te schrijven, voortreffelijke Theophilus. Tot dat naarstig onderzoek en tot het beschrijven van het onderzochte en wèl gestaafde heeft Lucas ongetwijfeld die anderhalf jaar -) van Paulus bewaring te Cesarea gebruikt, gedurende welke hij in \'s Apostels nabijheid hetzij in Cesarea of in Jeru-

1

\') Bengel, Gnom. a. 1.

-ocr page 225-

§ 21. DE INOEV.ING DEB HEILIGE SCHRIFT. ONDERSCHEIDING. ÜOl

zalem verbleef, waar schriftelijk berichten en ooggetuigen van de gebeurtenissen der dagen van Jezus in zoo groote menigte ter hand waren.

c. Doch ook aangaande hetgeen de heilige schrijvers zei-ven gehoord en gezien of door naarstig onderzoek verstaan hadden, werden zij door den Heiligen Geest zoo geleid, dat zij niets verkeerd m omvaar en ook niets onnoodigs schreven. „Hun verstand en hun hart gelijk hunne gaven en hun stijl werden dienstbaar gemaakt aan de waarheid en niets dan de waarheid en de geheele waarheid \').

Niets verkeerd en omvaar ? Men brengt hiertegen in, dat in sommige punten de Heilige Schrift zich zelve tegenspreekt. Wij noemen hier slechts een paar voorbeelden.

Terwijl Gen. 15: 13 van Israels verblijf in Egypte staat vierhonderd jaren, lezen wij Exod. 12; W vier honderd en dertig jaren en Gal. 3 : 17 van de belofte tot de wet 430 jaren.

Maar Gen 15: 13 \\s profetie en naar den aard der profetie wordt de duur van \'s volks verdrukking slechts in het algemeen tot liet ronde getal van vierhonderd jaar bepaald. Dat het dertig jaren meer waren doet niets af aan de waarheid der voorzegging van vierhonderd jaar. Zou het in deze voorzegging wel gevoegd hebben tot op het jaor af te rekenen ?

Maar iets anders is het met Exod. 12 : 40. Hier hebben wij i en eigenlijk historisch verhaal van hetgeen gebeierd is : De tijd nu der woning, dien de kinderen Israels in Egypte gewoond hebben, is vierhonderd jaren en dertig jaren. Dit getal staat vast. Hiertegen strijdt ook geenszins Gal. 3 : 17: het verbond dal te voren van God bevestigd is op Christus,

\') Beets, Stichtelijke Uren. 1851. p. \'239.

-ocr page 226-

202 §21. DE 1NGEV1NU DEK HEIUOE SCHRIFT. ONDERSCHEIDING.

wordt door de wet, die na vierhonderd jaren gekomen in, niet krachteloos gemaakt, om de beloftenis te niet te doen. De Apostel wil alleen zeggen, dat het verbond met Abraham zeer lang vóór de wet is gemaakt. Er is geen het minste bewijs, dat men hier aan de eerste verbondsbelofte, die God aan Abraham gaf, denken moet; veel meer is hot aannemelijk dat Paulus het slot van het tijdperk der belofte bedoelt en dit was do intocht van Jakobs huis in Egypte.

Tegen dit getal van jaren heeft men strijdig geacht, dat Exod. 0 niet meer dan vier geslachten geteld worden van Levi lot Mozes; Levi, Kehat, Amram, Aiiron met Mozes. Maar niets hindert hier aan te nemen dat het een afgekort geslachtregister is en er eenige mindere leden ongenoemd in zijn gelaten. Tegen zulk eene verkorting beroept men zich wel op Num. 2G : 59, waar Jociiébed de dochter van Levi genoemd wordt: En de naam der huisvrouw van Am-ram was Jochébed, de dochter ven Levi, welke de huisvrouw van Levi baarde in Egypte \'). Intusschen naar de spreekwijs des Ouden Testaments zegt dit niet noodzakelijk dat Jochébed eene onmiddellijke dochter van Levi was, maar alleenlijk dat Jochébed van Levietische afkomst was; eene Levietin , wier geslacht door eene reeks van tusschenleden tot Levi opklom

Ilebr. II: 21 wordt van Jakob gezegd, dat hij heeft aangebeden leunende op het opperste van zijnen staf. Maar Gen. 47 ; 31 slaat: Israël boog zich ten hoofde van het iet/.

\') Heb!-. Dnïü3 nV? nm mV ibw welke zij aan

• t • ; • •• ; t t : t v

Led haarde in Egypte. Doch zij is natuurlijk Levi\'s vrouw. \'•\') Henystenberg , Gesch. des Rciches Goltes utiter dem A. IJ.

ii. i. s. m f.

-ocr page 227-

§ 21. DE INGEVING DER HEILIGE SCHRIFT. ONDERSCHEIDING. 203

De Apostel volgt de Grieksclie vertaling der LXX,, die staf hebben voor bed\'). En hoe kon hij dit van dezen overnemen ? a. Omdat Jakob , ook zittende op zijn bed, zijnen staf zal hebben ter hand gehad , gelijk het bij zwakke ouden gewoonte is, altijd hunnen stok bij zich te hebben. Ook op zijn bed heeft hij zijne zijde of zijnen arm op den staf kunnen steunen. Dat dit werkelijk was geschied wist de Apostel en hij deelt het hier mede met de woorden der Zeventigen. En dienvolgens kunnen wij ons de zaak aldus voorstellen. De oude, kranke , haast stervende man wilde uit diepen eerbied voor God niet geheel liggende aanbidden maar gaf zich in eene houding tusschen liggen en zitten in of legde zich op zijn leger op de knieën en leunde daarbij op zijnen stok. Zoo vereenigt de Schrift des Ouden en des Nieuwen Testaments beide omstandigheden en beide uitdrukkingen, van bed en staf »). b. Bovendien kon Paulus de lezing der LXX hier met recht behouden, wijl door deze in de hoofdzaak niets veranderd werd. Dat Jakob aangebeden heeft is de hoofdzaak en de Apostel wil ons hiermede nog een bewijs geven van Jakobs vaste verwachting , dat zijn zaad Kanailn bezitten zou. Want het was nadat Jozef hem gezworen had, dat hij niet in Egypte maar in het land dei-belofte zou begraven worden. Daarop aanbad Jakob God dankbaar en verheugd als ware het reeds vervuld. Ook de

\') LXX Gen. 47 ; 31 : lix,] irpotexóv^sv \'irpxya \'sttï to ay.pov rij? pxfthu xutoü. Zij hebben het Hcbr. woord, toen nog zonder klankpunten geschreven , anders gelezen dan het in den later vastgesteiden tekst luidt. Er stond nDDH dit lazen zij riDDH de staf, in pl. van nUDH het bed, matleh, in pl. van inittah.

Vergel. Ed. Bühl, Die alttestam. eitate im N. T. 1878. S. SOt).

2) Menken, Homil. Hebr. 11 ; 21. En Bengel a. 1.

-ocr page 228-

204\' § 21. DE INGEVING DEH HEILIGE SCHRIFT ONDERSCHEIDING,

oude koning Duvid heeft aangebeden op de slaapstede 1 Kon. 1 : 47.

De Apostel Paulus , sprekende van het strafgericht over de kinderen Israels, toen zij zich door Balak en Bileam tot den dienst van Baal-Peor en tot daarmee gepaarde hoererij lieten verleiden, zegt 1 Kor. 10 : 8: er vielen op éénen day drie en twintig duizend. Maar Num. 25 : 9 wordt verhaald dat het vier m twintig duizend waren. Intusschen reeds onze Kawteekenaars op 1 Kor. 10: 8 lossen deze tegenstrijdigheid niet ongeschikt op met te zeggen : „liet kan zijn dat er tusschen drie en vier en twintig duizend gebleven zijn, waarvan de Apostel het minder getal heeft gehouden \').quot;

Overigens mogen wij bij deze in vele andere moeilijkheden niet uit het oog laten, dat de kern der Heilige Schrift, dus de zaak, op welke het voornamelijk aankomt is de/eer. Er is onderscheiding noodig. Veel is er in de Heilige Schrift

\') Aldus ook Bengel, Gnom. a. 1. Anderen nemen aan dat Paulus niet medetelt de naar Mozes bevel opgehangeno hoofden dos volks en de door de rechters gedoode mannen, tot een duizendtal gerekend. Zoo Joh. Thaddaeus, Conciliatorium Bibli-cum Amst. 1648 p. 42. Desgelijk Kurtz, Gesch. d. A. B. II. S. 515. Ten onrechte. Immers Mozes zegt uitdrukkelijk Num. 25 : 9; degenen nu die aan de plaag stierven , waren vier en twintig duizend. — Velen zijn er meer op uit om tegenstrijdigheden in de Schrift op te zoeken en breed uit te meten dan om ze op te lossen. Dit laatste is natuurlijk het moeilijkste. Van de verschillende gevoelens en handolwjjzen in dezen ook onder de Gereformeerden gewaagt Tholuck in Herzogs Real-En-cykl. VI. S. 696 ff. Uit de Evangeliën heeft bijzonder ook Da Costa menig punt toegelicht en vereffend in de Voorlezingen over de Verscheidenheid en overeenstemming der vier Evang. 2 Doelen. 1840. 1842,

-ocr page 229-

§ 21, DE INGEVINO DER HEILIGE SCHRIFT. ONDERSCHEIDING. 205

waarvan men zeggen moet: het eene is er om hot andere. Maar de leer is er om zich zelve. Aan deze heeft dus de Ingeving haar eigenlijk werk, om deze is het te doen ; deze is het juweel, de andere de invatting; deze het schilderbeeld , het andere doek en lijst. En wel niet slechts het Evangelie , maar de leer in den ruimsten zin.

Dit heeft ook Calvinus wel bedacht: ontkende hg niet dat er in de historische stukken bezwaren stonden, de leer was hem de hoofdzaak en deze was van God. En wat was hem de leer? Geenszins alleen het Evangelie. Niet slechts zegt hij: do grondslag der Kerk is de profetische en Apostolische leer»), maar nader: Wet en Profetieën en Evangelie*). Dus ook onze Nederl. Belijdenis des Geloofs art, III. Eerst noemt zij de openbaring: Wij belijden, dat dit woord Gods niet is gezonden noch voortgebracht door menschelijlcen wil, maar de heilige mannen Gods hebben gesproken, gedreven zijnde door den Heiligen Geest, gelijk de Heilige Petrus zegt. Dan de beschrijving: Daarna heeft God door eene zonderlinge zorg, die Hij voor ons en onze zaligheid draagt, Zijnen knechten, den Profeten en Apostelen, geboden, Zijn geopenbaard Woord bij geschrift te stellen en Hij zelf heeft met Zijnen vinger de twee Tafelen der Wet geschreven. Hierom noemen wij zulke schriften: Heilige en Goddelijke Schrifturen.

Met de leer intusschen staat al het andere in een nauw verband.

Dies mogen wij aannemen, dat in den Bijbel ook niets

\') Calvin. Instil. 1. 7. 2\': fundamentum ecclesiae Prophetica et Apostolica doctrina.

2) Idem I. 7. 4; multa posse in medium proferri quae facile evincant, si quis est in coelo Deus, Legem nt Prophetias et Evangelium ab eo manasse.

-ocr page 230-

206 § 21. DE INfiEVING DER HEILIGE SGHHU\'T. ONDERSCHEIDING.

onnoodigs is geschreven. Alles heeft er zijne beteekenis en zijn eigenaardig doel. Ook wat Paulus 2 Tim. 4:13 schrijft: breng den reismantel lt;) mede, dien ik te Troas hij Carpus gelaten heb, als gij komt, en de hoeken, inzonderheid de per-kamenten ^). Vraagt men: is dat ook ingegeven ? Wij doen de wedervraag : was hier de Geest met eenmaal van Paulus geweken s) ? en leeren deze woorden ons niets ? a. Zij geven ons eenen belangrijken wenk tegen valsche geestelijkheid 4): x. men mag de wereld gebruiken, mits haar niet

\') is niet „Felleisenquot; of kofferken, maar mantel of

rok tot aan de voeten reikende. Het kofferken zou Paulus niet afzonderlijk bij de boeken genoemd hebben. Bengel, Gnom. a.1.

J) De hoeken, tx fiifihlx, van papier. De perkamentrollen, x\'i nenPpdcvxt, desgelijks boeken en wel kostbaarder handschriften , van duurzamer materiaal, van gladde huiden. Immers aan onbeschreven perkament, gelijk Da Costa, Paulus 11. p. 232 aanneemt, hebben wel niet te denken.

*) Dr. H. Cr enter, Die Autoritiit dei H. Schrift in Beweis des Glaubens Juli 1874 S. 325 gaat intusschen van den anderen kant wat ver met zijne voorstelling van de inspiratie als blijvenden toestand. Dus komt men wederom al lichtelijk tot de Bretschneidersche stelling , dat voor die steeds in statu in-spirationis waren , eene bijzondere inspiratie bij het schrijven overbodig was. Vergel. m. Aanteekeningen op dr. Hoedemakers Handboek bl. 04 v.

Daar Paulus éénen mantel of warmen overrok had, wilde hij er geen tweeden koopen en , schoon hij zijnen dood nabij achtte, begeerde hij dit gewaad , aan hetwelk hij gewend was, te hebben , te meer wijl Timotheüs op zijne reis van Efeze over Troas naar Rome het gemakkelijk kon medenemen. Wat de hoeken en perkamenten betreft, zoo waren daaronder wellicht mede zijne eigene Zendbrieven , in oorspronkelijk schrift of in afschriften , die hi] dan nog wel nogmaals wilde nazien om ze

-ocr page 231-

§ 21. DE INGEVINU DER HEILIGE SCHRIFT. ONDERSCHEIDING. 207

misbruikende; /3. de christen dient ook in kleine zaken , ook aangaande zijn kleed , zorgvuldig te zijn h. Zij geven ons een gewichtige les van het lozen. Dit is wel opgemerkt door Galvijn. Deze teekent er bij aan : „er blykt uit, dat de Apostel, toen hij zich reeds lot den dood bereidde , nochtans het lezen niet heeft nagelaten x. Waar blijven zij dan die wanen zoover gekomen te zijn, dat zij zich niet meer behoeven te oefenen? Wie mag wagen zich met Paulus te vergelijken ? /3. Nog meer is dit een vonnis over de geestdrijvers die al het lezen veroordeelen en alleen op hunne inblazingen pochen. Maar wij dienen te weten dat in deze plaats allen vromen ter hunner bevordering een aanhoudend lezen wordt aanbevolen.quot;

En wie zal voor onnoodig verklaren wat Paulus, vooral tegenover toenmalige uitersten dorst herinneren. 1 Tim. 5 : 23 : drink niet langer water alleen maar gebruik een weinig wijns om uwe maag en uwe menigvuldige zwakheden ? Timotheüs zou zich zeiven rein bewaren v. 22, maar niet door aan het lichaam het noodige te onthouden. Door waterdrinken reinigt men de ziele niet. Do zwakke mag wijn drinken ; doch niet veel — dit voegt de Apostel er bij , ter voorkoming van den laster der vijanden op zijnen raad. „Maar hoe weinigen zijn er heden, dien het waterdrinken moet verboden worden en de wijn aanbevolen !quot; roept Galvinus hier uit met het oog op zoovele drinkers. Overigens wordt hier de algemoene regel gegeven , in spijs en drank ons zoo te matigen , dat een

door Timotheüs aan de Kerk over te geven. Naar onze Kant-teekenaars waren het boeken „der Heilige Schrifture of andere handelende van Gods Woord.quot;

-ocr page 232-

208 §21. DE INGEVING DER HEIL1 GE SCHRIFT. ONDERSCHEIDING,

ieder met zijnen gezondheidstoestand te rade ga en wel om God te kunnen dienen en den naaste nuttig te zijn.

§ 22. Bewijzen voor de goddelijkheid der Heilige Schrift.

De Heilige Schrift bewijst zelve hare Goddelijkheid. 1. Door de verhevenheid harer leer. En wel : a. door de verborgenheden die zij ontdekt, waarheden, welke de natuur niet openbaart en geen mensch bedenken of\' met zekerheid bepalen kon, ja van welke de natuurlijke mensch zonder bewerking door den Heiligen Geest vele , schoon geopenbaard zijnde , niet eens verstaan kan maar voor dwaas en onergerlijk acht. U is het geyeven, de verborgenheden van het koninkrijk der hemelen te weten sprak Christus tot zijne discipelen Matth. 13 : 13. Hier straalt ons een licht aan dat wij elders vruchteloos zoeken, verklaringen aangaande het wezen en den wil en de raadsbesluiten Gods, over den oorsprong der wereld, over het ontstaan des kwaads in de wereld en de verlossing daarvan en over hetgeen op den dood volgt. Van dit alles en van hetgeen hiermede samenhangt geeft de Heilige Schrift een genoegzaam Gode betamend en voor \'s menschen hart voldoend en bevredigend onderricht. Zou deze leer, die alle menschelijk verstand te boven gaat, van God niet zijn? en zou de Schrift waarin zij vervat is en waardoor zij tot ons moest overgebracht worden, geen Goddelijken oorsprong hebben? Daarvan was de Apostel Paulus zich klaar bewust, wanneer hij verzekert 1 Kor. 2 ; 7. Wij spreken de wijsheid Gods bestaande in verborgenheid, die bedekt was , welke God to voren verordineerd heeft tot onze heerlijkheid eer de wereld

-ocr page 233-

§ 22. BEWIJZEN VOOR DE GODDELIJKHEID DEK II. SCHRIFT. 209

was. 8. welke niemand van de oversten dezer wereld gekend heeft. — 9. Maar, gelijk geschreven is: hetgeen het oog niet heeft gezien en het oor niet heeft gehoord en in het hart des menschen niet is opgeklommen, het gene God bereid heeft dien die Hem liefhebhen. 10. Doch God heeft het ons geopenbaard door zijnen Geest. Want de Geest onderzoekt alle dingen, ook de diepten Gods. De verhevenheid van de leer der Heilige Schrift bestaat

h. in de heiligheid en zuiverheid harer voorschriften. Tevergeefs heeft men getracht te dezen opzichte eene smet op de Fleilige Schrift te werpen gt;). Hare leer is rein, haar gebod rechtvaardig, heilig en goed. Hare zedenleer onderscheidt zich van alle heidensche, bloot natuurlijke zedenleer als de dag van den nacht, als het leven van den dood. De grond der zedelijkheid welke do Schrift leert, namelijk de geopenbaarde heilige wil van God, haar wezen, vrijwillige gehoorzaamheid aan God, haar doel, gelijkvormigheid aan God , uitdrukking van Gods beeld en de beweegredenen die zij geeft, zijn zoo verheven, zoo Goddelijk en schoon , dat al wat daarbuiten geleerd wordt hierbij als ijdel, dwaas en aardsch verschijnt 2).

§ 23. Vervolg.

De Heilige Schrift bewijst zelve liare Goddelijkheid. 2. door hare voorzeggingen, aankondigingen van perso-

\') Vergel. hierboven § Iti. bl. 189.

A. Wuttke, Handb. der Ghristl. Sittenlehre. Dritte Aufl. I. S. 94 van de zedenleer des O. T. en S. 108 van de christelijke zedenleer,

GraToiuoiioi-, Goref, Gel. loer. t.i

-ocr page 234-

210 § quot;23. BEWIJZEN VOOR DE GODDELIJKHEID DER H. SCHRIFT.

nen ot\' zaken, van omstandigheden en gebeurtenissen die daarna , soms eeuwen later komen zouden en werkelijk gekomen zijn. Deze voorzeggingen, die op haar tijd zijn vervuld geworden \'), of wier vervulling nog voortgaat, kunnen niet anders zijn dan het eigen Woord van den Al wetenden en zelf alles bepalenden God , die alles van te voren weet uit zijn eigen voornemen. De voorzeggingen zijn openbaringen van zijne raadsbesluiten. De Heere zelf beroept zich bij Jezaja tegenover de afgoden op zijne voorzegging van hetgeen Hij tot Israels verlossing wilde doen, zoo van de voorbeeldende wereldsche vrijmaking als van de hoogere, geestelijke heilsbeschikking, terwijl Hij zelfs den persoon des bevrijders (Kores 2) ) en dan den waren Verlosser ken-teekent, opdat men, wanneer de vervulling kwam, zou moe-

\') T. M. Looman, Gids voor den Bijbellezer p. 418 v.v. Vervulde voorzeggingen van de Arabieren, de Joden , het Jood-sche land , Idumea , Egypte , Nineve , Babyion.

2) Omtrent ten minste 150 jaren vóór Gyrus (Kores) heeft Jezaja van dezen voorspeld. Stier, Jezaja S. 68. Vergel. Calvin. Instit. 1. 8.8. Dat geheel het boek , \'t welk den naam van Jezaja draagt, door dezen, den tijdgenoot van koning Hiskia , is geschreven , is bij Joden en Christenen gedurende alle eeuwen niet betwijfeld geweest. Eerst de Jood Spinoza (gest. 1077) bestreed de echtheid bijzonder van het zoogenaamde tweede deel, van H. 40 aan. Maar reeds Jeremia en Ezechiël, ja ook, voor Josias tijd , Zefanja hebben deze voorzeggingen gekend en gebruikt ; Jezus Sirach 48 : 25—28 heeft ze in het boek van Jezaja „dien groeten en eerwaardigen Profeetquot; gelezen; het N. T. haalt er uit aan met den naam van Jezaja. Stier , Jesaja S. 82. Hertwig, Tabellen , A. T. S. 40. 43. Wilde men de voorzeggingen van Jezaja na het gebeurde (vaticinia post eventum) stellen , dan moest men aannemen dat veel daarvan, b.v. hoofdst. 53, na Christus\' komst ware geschreven I

-ocr page 235-

§ 23. BEWIJZEN VOOR DE GODDELIJKHEID DER H. SCHRIFT. 211

ten zeggen: het was voorspeld! Jez. 41: 21 : Brengt ul ieder twistzaak voor, zegt de Heere; brengt uwe vaste bewijsredenen bij, zegt de Koning van Jakob. 22. Laat hen voortbrengen en ons verkondigen de dingen die gebeuren zullen; verkondigt de vorige dingen, welke die geweest zijn opdat wij het ter harte nemen en het einde daarvan weten ; of doet ons de toekomende dingen hooren. En Jez. 42 : 9 : Zie , de voorgaande dingen zijn gekomen en nieuwe dingen verkondig Ik , eer dat zij uitspruiten doe Ik ulieden die hooren.

Men denke onder anderen aan Jakobs voorzeggingen van Judas stam , diens opperheerschappij hij beslist verkondigt Gen. 49 : 10 , eeuwen vooruit. Of zou deze voorzegging niet door Jakob uitgesproken, maar van Mozes, den schrijver des boeks, afkomstig zijn ? Maar al ware dit ook, waarvoor men intusschen niet den minsten grond kan bijbrengen, dan bleve het toch onbetwistbaar eene even wonderbare voorspelling die alleen van God kon zijn. Want over vier honderd jaren verliepen er na Mozes zonder dat Juda den schepter voerde. Eerst in David werd dit vervuld en wel op eene wijs, die waarlijk geen mensch vooruit kon weten. Scheen toen niet eerst de stam Benjamin, uit welken Saul was , voor den troon bestemd ? — Men merke op de voorspelling van de aanneming der Heidenen in het verbond Gods, na duizenden jaren vervuld! — En ademt niet het lied van Mozes Deut. 32 den Geest Gods? Is het niet „een heldere spiegel, waarin God zich kennelijk vertoont, de sleutel voor geheel de geschiedenis van Israël, de tekst waarnaar al de Profeten preeken \') ?quot; — De eigenlijke

\') Calvin. Instit. I. 8. 7. Hengstenberg, Gesch. des R. G. II. I. S. 191.

-ocr page 236-

212 § 23. BEWIJZEN VOOR DE GODDELIJKHEID DER 11. SCHRIFT.

Profeten geven voorbeelden ten overvloede in hunne god-spraken , vooral in hunne voorzeggingen van den Messias. En voortgaande wordt, wat in het Oude en in het Nieuwe Testament voorspeld is , langs zoo meer vervuld. Dit hebben wij voor oogen in den staat en loop van wereld en Kerk en bijzonder in de Joden en hun lot gt;).

§ 24. Vervolg.

De Goddelijkheid der Heilige Schrift blijkt ook :

3. uit de eigenaardige kracht en werking van het bijbelwoord en de bijbeltaal op het hart des menschen: het maakt eenen indruk als geen menschenwoord. Zooals de Heilige Schrift kunnen geen menschelijke Schriften, hoe kunstig ook uitgewerkt, ons aandoen. Lees Demosthenes of Cicero, roept Calvinus\'*) uit, lees Plato, Aristoteles of lederen andere uit de keurbende der classieke redenaars of wijs-geeren, wonderlijk, ik beken het, zullen zij u aantrekken, bekoren, bewegen, wegsleepen; maar keert gij van daar tot het lezen der Heilige Schrift, dan zal deze u willens en onwillens zoo levendig aandoen, zoo uw hart doordringen, zoo in het merg gaan, dat voor deze indrukken de kracht dier redenaars en wijsgeeren bijkans vervliegt: zoodat het voor de hand ligt om in te zien dat de Heilige Schriften iets Goddelijks ademen, daar zij alle gaven en bevalligheden van menschelijke kunstvaardigheid zoo ver overtref-

\') Koning Frederik de Groote vraagde eens zijnen predikant naar een kort en bondig bewijs van de waarheid der Heilige Schrift. De leeraar antwoordde : Majesteit, de Joden ! Pressel in Herzogs Real-Encykl. XVII. S. 30G.

\') Instit. I. 8. 1.

-ocr page 237-

§ 24. BEWIJZEN VOOF. PE GODDELIJKHEID DER H. SCHRIFT. 213

fen.quot; Eu deze krachtige werking, deze eigenaardige indruk komt niet van keur der woorden of van kunst en klem van betoog, maar van het gewicht en de verhevenheid en waarde der zaken. Do hooge verborgenheden van het koninkrijk Gods worden ons hier voor een groot gedeelte in een nederig woordenkleed voorgesteld.

De Heilige Schrift spreekt hartinnemend en brengt een wonderbaar licht in de ziel. Zij is het middel, waardoor do grootste veranderingen worden teweeggebracht. Het Woord Gods heeft oene kracht om te dooden en om levend te maken. Het geeft den zoetsten en grondigsten troost in lijden en droefheid en maakt vast en sterk in verzoeking en gevaar, het stort onuitsprekelijke blijdschap uit in de harten der geloovigen zelfs onder verdrukkingen , vervolgingen en martelingen.

Het is een vuur , een hamer , Jerem. 23 : 29 : Is mijn Woord niet alzoo als een vuur ? spreekt de Heere, en als een hamer die eene steenrots te morzel slaat ? liet is een zwaard. Hebr. 4: 12 : Het Woord Gods is levend en krachtig en scherpsnijdender dun eenig tweesnijdend zwaard en gaat door tot verdeeling der ziel en des geestes en der samenvoegselen en des mergs en is een oordeeler der gedachten en der overleggingen des harten. Aldus spreekt Paulus van de kracht en de scherpte des Goddelijken Woords, voelbaar ook in dit eigen woord dat de levende God hier door den mond zijns Apostels spreekt. Het Woord dat uit God is , door Hem gegeven , blijft, waar het komt, niet zonder uitwerking hetzij ter zaligheid of tot verdoemenis, hetzij ten leven of ten doodo. Het woord der Wet is doodend, daar het onze zonde en verdoemelijkheid openbaard. Het Evangelie der genade maakt ons levend. Ook bij hen, in

-ocr page 238-

214 § 24. BEWIJZEN VOOR DE GODDELIJKHEID DER H. SCHRIFT.

wie hel niet met geloof gernengd is en geen nut doet, werkt het toch. Want ook wie een hart heeft als steen, moet toch soms den prikkel der waarheid voelen. Scherper dan een aan beide kanten gescherpt zwaard, snijdt het en dringt tot in het binnenste en verborgenste door. Het gaat in de ziel, in de zinnelijke vermogens, de hartstochten, en raakt die gevoelig aan. Het dringt nog dieper, het gaat in \'s menschen geest, in het redelijke verstand , in wil en geweten, zoodat door de kracht der waarheid de gedachten gevangen geleid worden. Het wil den dood des menschen, het wil het eigen Ik afstooten van den troon, om er een anderen heerscher op te zetten. Zalig wie onder de slagen van het zwaard des Geestes zich zeiven sterft om Gode te leven. — Het dringt door merg en been. Het doorsnijdt dc samenvoegselen, de gewrichten, dat wat den natuurlijken mensch op de beenen, gaande en staande houdt, en het verborgen en wél bewaarde merg dat wat de eigenlijke levenskracht van den natuurlijken mensch uitmaakt\'), het wordt in zijne verborgendste schuilhoeken opgezocht en doorstoken. Want de oude mensch moet sterven, opdat de nieuwe leve. — Het is een oordeeler der gedachten en der overleggingen des harten. Het houdt gericht over den mensch, niet slechts over zijne uitwendige daden maar ook over hetgeen in het hart opkomt en omgaat. — Zal men hiertegen inbrengen dat velen van dit alles toch weinig of niets schijnen te voelen ? Maar de Apostel ziet hier niet op bijzondere personen, hij wil in het algemeen de

\') Dit is de zin der woorden. Delitzsch in zijn Commentar zu Hcbr. 4:12 en ook in zijne Bibl. Psychologie S. 91 f. vat liet te letterlijk op en meent hier mede eenen grond te vinden voor de Tricholomie.

-ocr page 239-

§ 24. HEWIJZEN VOOH l)E «OPDEUJKHEID DER H. SCIHBJFT- 215

kracht en majesteit van het Woord Gods betuigen om ontzag voor dat Woord te verwekken en voor ongeloof en verharding legen hetzelve te waarschuwen : want zich tegen het Woord le verzetten zou toch vruchteloos zijn, daar datzelfde Woord hun, die zoo doen, tot een oordeel zou wezen.

Van deze krachtige werking zijn Woords getuigt de Heere zelf bij Jezaja 55 ; 10 : Want gelijk de regen en de sneeuw van den hemel nederdaalt en derwaarts niet wederkeert, maar doorvochtigt de aarde en maakt dat zij voortbrenge en nit-sprnite en zaad geve den zaaier en brood den eter. 11. Al-zoo zal mijn Woord, dat uit mijnen mond uitgaat, ook zijn: het zal niet ledig tot Alij wederkeeren, maar het zal doen hetgeen Mij behaagt en het zal voorspoedig zijn in hetgeen waartoe Ik het zende. Ook de l\'Jde en 119de Psalm beschrijven de kracht des Goddelijken Woords. En dit wordt bevestigd door al de wel gestaafde geschiedenissen van hart-doordringende roeringen en waarachtige bekeeringen die door middel van het Goddelijke Woord gewerkt zijn geworden.

Ook de algemeene uitwerkingen in de menschheid getuigen er van. Welk een verschil tusschen de volken die Gods Woord hebben en die er van verstoken zijn, in hunnen Godsdienst, in hunne wetten en zeden, in hun maatschappelijk en hun huiselijk leven! Hoe hoog stonden over het geheel beschouwd de Israëlieten boven de Heidenen! Waarvan kwam dit? Gods licht scheen daar, zij hadden zijn Woord. Vandaar hun voorrang en uitnemendheid boven de andere volken, gelijk ook Paulus Rom. 3 : 2 onder de voordeelen van de Joden dit als het eerste stelt, dat hun de woorden Gods waren toevertrouwd. Evenzoo wat thans de Christenheid vooruit heeft boven de andere volken in denkwijs en beginselen, in bestaan en loven, in wetgeving en bestuur, in staat

-ocr page 240-

216 § 25, bewijzen voor de goddelijkheid der «.schrift.

en huis , in beschaafdheid en zachtheid van zeden, dat heeft zij door middel van Gods Woord, hetwelk trots allen tegenstand der goddeloozen toch zijne heilzame werkingen doet en zijnen veredelden invloed oefent. Dat de heilzame werking van Gods Woord bij velen niet is te vinden, is geen bewijs tegen deszelfs Goddelijkheid en waarheid, maar van de lichtzinnigheid en hardigheid der harten, zooals bijzonder bij de toehoorders van Christus zeiven bleek.

§ 25. Vervolg.

Een voornaam bewijs voor de Goddelijkheid der Heilige Schrift is:

f

4. het eigen getuigenis van Christus en de Apostelen, dat is wat Christus en de Aposten van de Goddelijkheid des Ouden Testaments hebben geleerd en wat aan de Apostelen van de leiding des Geestes door Christus beloofd en aan hen is vervuld geworden. — Maar dit weten wij alleenlijk uit de Schrift zelve? Nemen wij dan niet als bewijs aan van de Goddelijkheid der Schrift wat juist eerst zelf moet bewezen werden \'? Geenzins. Wij stellen hier niet vooraf, dat de Heilige Schrift door God is ingegeven om op dezen grond hare getuigenis, dat zij van God is , aan te nemen; neen maar alleenlijk Ae geloofwaardigheid Aamp;r\\ii]he\\-schriften als geschiedkundige bronnen beschouwd nemen wij hierbij aan en voor deze geloofwaardigheid zijn er zulke gronden als van geen ander werk uit de oudheid\').

é

\') Twesten , Voi les. 1. S. 382. Van Oosterzee , Ghr. Dogm. 1. p. 278.

-ocr page 241-

§ u26. BEWIJZEN voon DE GODDELIJKHEID DER H. SCHRIFT. 217

§ 26. Getuigenis voor het Oude Testament.

Vragen wij J. wat Christus en de Apostelen van het Oude Testament getuigen, zoo lijdt dit geen tegenspraak: zij hebben den geheelen Joodschen Canon of bundei der Heilige Schriften, zooals deze in hunnen tijd bestond, als Goddelijk erkend en bevestigd. Joh. 5 : 39. 10 : 35. 2 Tim. 3 : 15, 1G en vele andere plaatsen\') Dezelfde boeken, die wij het Oude Testament noemen, zijn door Christus en de Apostelen voor Goddelijke Schriften gehouden en als zoodanig gebruikt. Want bij hun onderwijs staan en bouwen zij geheel en al op de voorzeggingen, leeringen, voorschriften en uitspraken des Ouden Testaments en halen deze bij de wich-tigste artikelen betreffende de zaligheid des menschen als uitspraken aan van God zelven of van den Heiligen Geest, die men zonder verder bewijs als beslissende en afdoende moet laten gelden. Christus, die anders geboden van menschen ter zake van den Godsdienst voor onnut verklaarde, heeft inzonderheid meermalen betuigd dat Hij zelf alles deed en leed opdat de Schrift vervuld zou worden en dat Hij niet gekomen was om de Wet en de Profeten, d i. het gansche Oude Testament te ontbinden maar te vervullen1). Daarby konil de uitdrukkelijke verzekering van den Goddelijken oorsprong der Oudtestamentische Schriften als 2 Tim. 3 : 16: al de Schrift is van God inyegeven. 2 Petr. 1:21: want de profetie is voortijds niet voortgebracht door den wil eens menschen, maar de heilige mc.nschen Gods, van den Heili-

1

\'2) Hoos, Glaubenslehre S. 18. f.

-ocr page 242-

218 § 27. BEWIJZEN VOOR DE (iODDELIJKHEIÜ DEK H. SCHRIFT.

gen Geest gedreven zijnde hehhen ze gesproken. 1 Pelr. 1 : 11: de Geest van Christus was in /ie» en sprak in en door hen, zoodanig dat zij zolven daaraan hadden te onderzoeken en na te vorschen : zoo min was hot hun eigen voortbrengsel \') !

§ 27 Getuigenis van Christus voor het Nieuwe Testament

Letten wij B. op Christus\' en der Apostelen getuigenis aangaande het Nieuwe Testament.

a. Van Christus zeiven hebben wij voldingend getuigenis voor de Goddelijkheid van het Nieuwe Testament.

«. Christus heeft aan zijne Apostelen den Heiligen Geest beloofd en geschonken. Beloofd veelmaal met aanduiding van verschillende gaven en werkingen , bijzonder in zijne laatste redenen. Hij sprak Joh 16: 13 : Maar wanneer die zal gekomen zijn , namelijk de Geest der waarheid , Hij zal u in al de waarheid leiden: want Hij zal van zich zei-ven niet spreken, maar zoo wat Hij zal gehoord hebben zal Hij spreken en de toekomende dingen zal Hij u verkondigen. Bij zijne hemelvaart herhaalde Hij nogmaals zijne belofte en dan heeft Hij den Heiligen Geest geschonken en zijne toezegging op eene in het oog vallende wijze vervuld op den Pinksterdag , den dag van der Apostelen wedergeboorte , terwijl later Paulus als een nageborene werd toegevoegd. Hand. 2: 4: iïn zij toerden allen vervuld met den Heiligen Geest en begonnen te spreken met andere talen , zooals de Geest hun gaf uit te spreken.

\') Stier, Reilen Jesu 11. S. 485, zu Matth. 23.

-ocr page 243-

§ 27. BEWIJZEN VOOR DE GODDELIJKHEID DER tl. SCHRIFT. 219

/3. De Apostelen ontvingen don Heiligen Geest niet slechts in die mate als alle geloovigen, maar met bijzondere betrekking tot hun ambt als gezanten van Christus, als Apostelen, geroepen niet van rnenschen noch door een mensch, maar door Jezus Christus en God den Vader Gal. 1 : 1. Wat zij dan hetzij mondeling of schriftelijk leerden, dat deden zij niet slechts als menschelijke getuigen maar als boden van Christus onder de bijzondere leiding des Heiligen Geestes, die „aan hunne gedachten en aan derzelver uitdrukking in rede of schrift een hooger karakter gaf en er den stempel der Goddelijkheid op drukte \')•quot;

Christus heeft dan ook de zaligheid verbonden met het geloof , de verdoemenis /(ei om/reZoo/quot; aangaande datgene wat de Apostelen predikten en daarmede overeenkomstig in hunne zendschriften schreven. Mare. 16: 15: iïn hij zei-de tot hen: gaat heen in de geheele wereld, predikt hel evangelie aan alle creaturen. ] 6 Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet geloofd zal hebben, zal verdoemd worden. En Luc. 10 : 16 : Wie u hoort die hoort mij en ivie u verwerpt, die verwerpt mij en wie mij verwerpt, die verwerpt dengenen die mij gezonden heeft. Wat zij dienvolgens krachtens hun ambt mondelijk of schriftelijk leerden, kon uit hen zeiven niet zijn. Was hetgeen zij verkondigden en voorschreven hun eigen werk, dus van menschelijken oorsprong, dan kon Christus van de geloovige of ongeloovige verhouding daaromtrent de zaligheid of de verdoemenis niet afhankelijk .stellen, daar Hij zelf verklaart Matth. 15 : 9 ; tevergeefs eeren zij mij , leerende leeringen die geboden van rnenschen zijn.

\') Twesien, Voi les. I. S. 374.

-ocr page 244-

220 § 28. BEWIJZEN VOOR DE eODDEUJKHEID DER H. S(;HRIFT.

§ 28. Getuigenis der Apostelen voor het Nieuwe Testament.

Voor de Goddelijkheid van het Nieuwe Testament hebben wij bij hetgeen Christus getuigt;

b. ook het getuigenis der Apostelen ; zij verzekeren zeiven dat hunne leer niet is van menschelijken oorsprong. Aldus Paulus Gal. 1:1: Maar ik maak u hekend, broeders, dat het evangelie hetwelk van mij verkondigd is, niet is naar den mensch. 12. Want ik heb ook hetzelve niet van een mem oh ontvangen noch geleerd, maar door de openharing van Jezus Christus. Door het evangelie geeft hij te kennen den ge-heelen inhoud zijner prediking van Christus. Hij doet ons hierdoor dus verstaan, dat hij bij al zijn leeren onder een byzonderen invloed van Jezus Christus stond, die hem ook herhaaldelijk verscheen en tot hem sprak, waardoor bij hem vergoed werd wat van de andere Apostelen hem ontbrak, namelijk de omgang met Jezus op aarde. Het was in deze bewustheid van de Goddelijkheid zijner leer dat hij plechtig verklaarde Gal. 1:9: Indien u iemand een evangelie verkondigt buiten hetgeen gij ontvangen hebt, die zij vervloekt. Het ware godslasterlijke aanmatiging geweest aldus te spreken, had Paulus niet de vaste overtuiging van de Goddelijkheid des Evangelies gehad en ware hij niet bij zich zeiven ten volle verzekerd geweest, dat hij, hetgeen hij van den Heere had ontvangen, onder de leiding des Heiligen Geestes ook zuiver wedergaf. „Alleen een onfeilbaar leer-aar durfde zoo sprekenquot;quot;)- Hetgeen Paulus echter van zich zegt, geldt ook van de overige Apostelen : want hij stolde zich niet boven dezen maar slechts hun gelijk.

1) Von G er lach , zu Ga!. I : 9.

-ocr page 245-

§ 29. BEWIJZEN VOOR DE GODDELIJKHEID DER H. SCHRIFT. 221

§ 29. Geloofwaardigheid der Apostelen

Of zou men , waar de Apostelen zeiven getuigen dat hunne leer is van God , eenigen redelijken grond hebben om hunne eigene verklaringen te betwijfelen ? Zou men ook durven denken aan misleiding of zelfbedrog ? In geenerlei wijs. Het eigen getuigenis der Apostelen is ten volle geloofwaardig en zeker.

Want x. het waren vrome, waarheidlievende, oprechte en onbaatzuchtige menschen, hetwelk zy door geheel hun gedrag hebben bewezen. Zij vreesden God, zij hadden de waarheid zoo lief en waren zoo oprecht, dat zij hunne eigene gebreken en wat hun tot oneer strekte niet verzwegen of bemantelden. Waar zulke menschen zeiven verzekeren , dat zij geen eigen leer verkondigen maar Goddelijke waarheid, hun door Gods Geest geleerd, heeft men waarlijk geen reden om te denken dat dit enkel een voorgeven is. Maar inzonderheid hunne schier weergalooze onbaatzuchtigheid maakt hen in hetgeen zij van zich zeiven getuigen allergeloofwaardigst. Zij leerden niet om geld of goed, het was hun niet te doen om aardsche schatten te vergaderen of om gunst bij de wereld te bejagen , daarnaar was hunne leere niet, maar om het rijk Gods uit te breiden en zielen te winnen. Zij verlieten er alles om, zij droegen er gevangenis en banden voor, geeseling en marteldood. Wat zulke onbaatzuchtige mannen van zich getuigen is waarachtig. En de vergelijking met hetgeen zij vroeger waren, eenvoudige, ongeleerde visschers als Petrus en Johannes, die niets wisten van de verborgenheden des koninkrijks Gods en sinds Pinksteren met eenmaal optraden met eene wijsheid, die de wereld verbaasde, of een eigengerechtigde Farizeër als Paulus, bitter vijand en vervol-

-ocr page 246-

222 § 30. BEWIJZEN VOOR DE GODDELIJKHEID DER H. SCHRIFT.

ger van dezelfde leer die h\\j daarna met kracht verkondigde, strekt tot een ontegenzeggelijk bewijs dal zij hetgeen zij nu op eene samenhangende, harmonische wijze leerden, niet uit hun eigen hadden maar door Goddelijke verlichting\').

§ 30. Geloofwaardigheid der Apostelen.

Vervolg.

Der Apostelen eigen getuigenis is /3. nog des te meer geloofwaardig, omdat zij daarbij zoodanig eene helderheid van verstand en zulk eene verzekerdheid doen blijken, dat hier alle gedachte van zelfbedrog uitgesloten is : zij waren geen dweepers, geen geestdrijvers1), zy wisten wat zij zeiden, zij hadden eene klare bewustheid. Dat blijkt uit hunne Schriften zelve, zoo uit de geregelde beschrijving van zaken^ uit hunne onbenevelde, kalme beschouwing van de omstandigheden des levens en uit hunne voorschriften dienaangaande als uit hun levenskrachtig en practisch voorstel van de leer dor zaligheid. Hierbij komt dat hunne hoogere zending hunne geloofwaardigheid en hun gezag bevestigd en hun getuigenis bekrachtigd is geworden door ivonderwerken. Hebr.

\') Calvin. Instil. 1. 8. 11.

\') De Apostelen verleiders of misleiden ? — eine Annahme, gegen die eben ihre weltgeschichlliche, das Menschengeslecht sittlich wiedergebarende und zu klarcr religiöser Erkentniss führende Wirksamkeit das gewaltigste Zeugniss ablegt. Wem dieses Zeugniss nicht geniigt, für den giebt es überhaupt kei-nen Beweis sowenig für die Inspiration der Apostel, wie für die übernatürliche Olfenbarung überhaupt und deren urkundlich kreue Ueberlieferung in den apostolischen Schriften. Prof. H. Volgt, Fundamentaldogmatik. Gotha. 1874. S. 581.

-ocr page 247-

§ 31. BEWIJZEN VOOR DE GODDELIJKHEID DEH H. SCHRIFT. 223

2 : 4 : God bovendien medegetuigende door teekenen en wonderen en menigerlei krachten en bedeelingen des Heiligen Geestes naar zijnen wil. De Apostelen, meerder dan de Profeten des Ouden Verbonds, waren allen groote wonderdoeners. Hand. 2 : 43 : Kn eene oreeze kivam over alle ziel en vele wonderen en teekenen geschiedden door de Apostelen.

§ 31. Ooddelljkheid der Heilige Schrift. Vervolg.

Mede een blijk van de Goddelijkheid der Heilige Schrift is.

5. de innerlyke eenheid en samenhang van al de Bijbelboeken : ofschoon zij door zoo vele mannen, in zoo verschillende tijden zijn geschreven, heerscht er toch één Geest in allen. Hierby komt de opmerkelijke bewaring.

a. De Heilige Schriften zijn geschreven in een tijdsverloop van meer dan 1500. Want Mozes, die de vijf eerste Bijbelboeken en den 90sten Psalm schreef, stierf 1451 v. C. en Johannes, die de laatste der Heilige Schriften schreef, stierf in het jaar 98 na Christus. En meer dan 30 personen hebben er aan geschreven, verschillend van stand, van aard, van vorming. Zelfs zijn van sommige der Bijbelboeken de schrijvers niet genoemd en toch ademen al deze boeken éénen Geest en er loopt één draad door alle, in sommige aanstonds zichtbaar in ander wat dieper liggende en meer verborgen, die ze saam verbindt. Overal getuigenis van zonde en verlossing, van (Jods rechtvaardigheid en genade ; voren ; midden, aan het einde éénzelfde God; het geheel eene voortgaande ontwikkeling van Gods raad in strai en zegen, bijzonder van den raad der verlossing en van hot koninkrijk Gods, hetwelk zacht in het zondige mensch-

-ocr page 248-

224 § 31. BEWIJZEN VOOR DE GODDELIJKHEID DER H. SCHRIFT.

dom treedt, trapsgewijs voortgaat onder belofte en Wet, onder schaduwen en voorbeelden, met de menschwording van Gods Zoon zich krachtig openbaart, strijdende zich uitbreidt en eindelijk in vollen glans als een rijk der heerlijkheid zal verschijnen. De Heilige Schrift is het werk van éénen Geest.

b. Gods hand is ook kennelijk geweest in de opmerkelijke verzameling en bewaring der verschillende Schriften, die den Bijbel uitmaken eu die uit zoo overoude tijden en verre oorden vereenigd tot ons zijn overgekomen. Hoe licht hadden b. v. de brieven, die Paulus aan enkele gemeenten of personen schreef, schielijk kunnen verdwijnen ! En al de Heilige Schriften waren, bijzonder voordat zij door den druk verduizendvoudigd waren; aan gedurig gevaar van vernietiging blootgesteld. Vervolgers van Gods volk hebben het dikmaals op verdelging van den Bijbel toegelegd.

Reeds Antiochus Epiphanes, koning van Syrië sedert 175 v. C.; liet al de heilige boeken der Joden, die er te vinden waren, verbranden en verbood op straffe des doods ze te hebben. 1 Makk. 1 : 60, 61. Maar toen bleek het, welk eene zonderlinge zorg God voor zijn Woord droeg, daar hij aan vrome priesters en anderen zulk een standvastigheid inboezemde , dat zij niet aarzelden dezen schat op gevaar van hun leven voor hunne nakomelingen te bewaren. Wie moet, roept Calvinus uit, hierin niet een uitnemend en wonderbaar werk Gods erkennen , dat deze heilige gedenkstukken, welke do vijand geheel vernietigd waande, weldra als door een achterdeur weder kwamen en wel hooger gewaardeerd dan te voren. Want er volgde de Grieksche Vertaling op, waardoor zij door de geheele wereld verspreid zouden worden\').quot;

Even vruchteloos waren de pogingen van keizer Diocle-

\') Calvin. Instil. 1. 8. 10,

-ocr page 249-

§ 31. BEWIJZEN VOOH DE GODDELIJKHEID DER H. SCHRIFT. 225

tianus om alle handschriften van den Bijbel te verdoenquot;). Hachelijk stond het in Engeland in de eeuw der Hervorming onder koning Hendrik VUL Toen had men het bijzonder op het Nieuwe Testament als een kettersch boek gemunt. „Men moet er zich meester van maken en het vernietigenspraken de bisschoppen, „en daartoe moeten de schuilhoeken der ketterij zorgvuldig doorzocht worden.quot; En men deed het met gestrengheid en tal van bijbelvrienden moesten er om in kerkerholen zuchten en den marteldood ondergaan«). Maar ook deze vervolgingen tegen het Woord dienden slechts om het des te meer aan te bevelen en te verspreiden. God heeft de hand aan zijn werk gehouden.

§ 32. Goddelijkheid der Heilige Schrift. Vervolg.

Het beste en voor een- ieder noodige bewijs van de Goddelijkheid der Heilige Schrift is

6, de getuigenis des Heiligen Geestes in ons. De andere bewijzen zijn niet onnut of onnoodig. Zij dienen om de Schrift aan te bevelen, haar te doen waardeeren door op het zegel harer Goddelijkheid althans opmerkzaam te maken 3) en zij strekken om bespotters en verachters van Gods heilig woord den mond te stoppen ^). Maar beter dan al de andere bewijzen, dus het beste en; wijl die bewijzen, hoe-

\') Zie boven § 7. bl. 147.

a) Merle d\'Aubigné, Gescli. der Herv. in de IGde cciiw;V. p. 211. 396.

3) Twesten, Vories. I. S. 393.

*) Calvin. Instil. I. 7. 4.

QravemoiJor, Gorof. Gol. lcor.

-ocr page 250-

226 § 32. BEWIJZEN VOOR DE GODDELIJKHEID DER H. SCHRIFT.

zeer zij geschikt zijn om de tegensprekers te wederleggen, toch niet in staat zijn een vast geloof aan de Heilige Schrift in de harten te vestigen, voor elkeen noodige bewijs is de inwendige getuigenis des Heiligen Geestes quot;). Dezelfde Geest die door den mond der heilige mannen heeft gesproken, moet in onze harten dringen om ons te overreden, dat zy getrouw verkondigd en beschreven hebben (want hun spreken en hun schrijven verschillen slechts bijkomstig ^ wat zij van God hadden ontvangen.

Het is een getuigen des Heiligen Geestes in ons: niet door eene stem buiten het Woord, maar uit en door het Woord. Hierop moeten wij nadruk leggen, zoowel bij do ware stelling\'), dat de getuigenis des Heiligen Geestes vrucht is van eene bovennatuurlijke werking, als tegenover de onware stelling\'»), dat zij alleenlyk zou zijn de getuigenis van den menschelijken geest zeiven , van rede en geweten, in de gemeenschap met Christus ontwikkeld, of zelfs s) de macht der waarheid zelve over des menschon aan God verwanten geest.

Dit getuigen des Heiligen Geestes uit en door het Woord geschiedt door dat de Heilige Geest het Woord in ons tot een licht doet worden en tot een kracht des nieuwen levens en het aldus als Goddelijke waarheid in en aan ons bezegelt, ons het als zoodanig doet erkennen, gewaarworden en gevoelen: dus door ondervinding en beleving van de za-

\') Testimonium Spiritus omni ratione praestantius. Calvin. I.e.

2) Trvesten, Vorles. I. S. 392.

\') Van F. Oosterzee , Dogm. 1. p. 220.

4) Van Scholten, L. d. H. K. I. p. 202.

5) Scholten ib. p. 233.

-ocr page 251-

§ 32. BEWIJZEN VOOR DE GODDELIJKHEID DER H, SCHRIFT. 227

UgmaJcende waarheid i). Woord en Geest behooren saam als middel en Werker, gelijk voor geheel het ware Israël beloofd is Jez. 59: 21 : Mij aangaande dit is mijn verbond met hen , zegt de Heere: mijn Geest, die op u is, en mijne woorden, die Ik in uwen mond gelegd heb, die zullen van uiven mond niet wijken noch van den mond utvs zaads noch van den mond des zaads utvs zaads, zegt de Heere, van nu aan tot in eeuwigheid toe.

De weg om deze getuigenis des Heiligen Geestes te vernemen wordt door Jezus aangewezen Joh. 7 : 16, 17 waar Hij tot de Joden, die den wil Gods uit Mozes en de Profeten kenden, spreekt: mijne leer is mijne niet maar desgenen die mij gezonden heeft. Zoo iemand wil deszelfs wil doen, zooals hij dien reeds kent, die zal van deze leer bekennen of zij uit God is dan of ik van mij zelven spreek. Wie doen wil, zal gelooven leeren; wie met de Wet ernste-lijk te doen krijgt, zal het Evangelie verstaan en gaarne aannemen als Goddelijk en waarachtig. Maar dan gaat het ook al verder in geheel de leer, wanneer men haar als Goddelijk erkend en aangenomen heeft 2). Wie zijne religie alleenlijk als eene wetenschap behandelt, die hij wol verstaan maar niet beoefenen wil, zooals velen de meetkunst leeren zonder ooit een land te meten, die zal nimmer terechtkomen. God zal het hem niet laten gelukken. Zijn ijdele zin zal hem telkens op afwegen voeren en indien hij ook iets waars heeft gevat, dan zal hij het toch weldra weder als

\') In de H. S. wordt niet gezegd tvaarheden maar waarheid. Evenwel mogen wij van waarheden spreken als van verschillende stralen van één licht.

s) Stier, Reden Jesu nach Joh. a. 1.

-ocr page 252-

2^8 § 32. BEWIJZEN VOOR DE GODDELIJKHEID DER H. SCHRIFT.

iets ouds en gemeens wegwerpen en naar iets dat nieuw is grijpen, maar aan het einde gewaar worden dat hij op het onzekere geloopen en de lucht geslagen heeft i).

Ieder geloovige heeft deze getuigenis des Heiligen Gees-tes in zich , die hem meer is dan alle bewyzen en waarbij hij voor zich geen andere bewijzen vraagt, daar het Woord als eene Goddelijke kracht in hem werkt, gelijk Paulus spreekt Rom. 1 : 16 : Want ik schaam mij des Evangelies van Christus niet: want het is eene kracht Gods tot zaligheid eenen iegelijk die gelooft, eerst den Jood en ook den Griek.

De getuigenis des Heiligen Geestes draagt den grond van hare zekerheid in zichzelve en waar Hij in het hart het geloof in Jezus als den Zoon Gods en den waren, beloofden Verlosser werkt en bezegelt, daar bevestigt Hij de geheele leer der Schrift. Dat wordt met nadruk herinnerd 1 Joh. 5:6: Deze is het die gekomen is door water en bloed, niet door (gr. in) het water alleen, maar door (in) Jtet water en bloed (d, i. doop en dood). En de Geest is het die getuigt, dat (omdat) de Geest de waarheid is 2).

1) Hoos, Chrisll. Glaubensl. S. 4 f.

4) Kx) to ttvsv^x san to ftxpTvpoüv oti to ttvcvimx svtiv y ahiósix. Men neemt thans meestal oti hier als redengevend , zie Huther a. 1. Ook reeds Calcinus: ([uandoquidem Spiritus est Veritas. En zoo moet het, hoewel aldus de woorden niet recht vloeien , wijl men bij /txpTupovv verwacht cchyOws of dergelijke. Intusschen is het wél wanneer men slechts to pxptu-poüv praegnant val. Water en bloed waren genoemd maar nu noemt Johannes dat wat aan alles eerst rechte zekerheid en vastheid geeft: de gezaghebbende , beslissende getuigenis des Heiligen Geestes , waardoor de leer der Heilige Schrift van Christus , die de kern is van geheel de Schriftleer, bevestigd en be*

-ocr page 253-

§ 32. BEWIJZEN VOOR DE GODDELIJKHEID DER H. SCHRIFT. 229

In overeenstemming hiermede verklaart de Nederlandsche Belijdenis des Geloofs Art. V: Al deze hoeken (des O. en des N. T.) alleen ontvangen wij voor heilig en canoniek, om om-geloof naar dezelve ie reguleeren, daarop te gronden en daarmede te bevestigen. En gelooven zonder eenige twijfeling al-wat in dezelve begrepen is : en dat niet zoozeer omdat ze de Kerk aanneemt en voor zoodanige houdt, maar inzonderheid omdat ons de Heilige Geest getuigenis geeft in onze harten dat ze van God zijn, dewijl i) ze ook het bewijs van dien bij zich zeiven hebben, gemerkt de blinden zelve tasten kun-

zegeld wordt. Wolf, Gurae a. 1. teekent terecht aan: „ttvsü^x heeft hier beidemaal dezelfde betoekenis gelijk steeds in dezen brief, alzoo dat de Heilige Geest gezegd wordt datgene te betuigen wat pas vooraf van Christus gezegd was en wel hierom, wijl de Geesl de waarheid is en dus niet anders kan dan van de waarheid getuigen.quot; Onze Kantteekenaars verklaren het laatste Trvsü\'M: de leere des Evangeliums, dat Jezus is de Christus. Maar beteekent nergens op zich zelf de leer des Evangelies. Verkiest men \'in voor dat en to svtiv ij\' xXyósix als inhoud van ftxprupcw te nemen , dan moet men door het eerste ttvsv/ax, den Geest Gods in het hart, door het tweede denzelfden Geest Gods in de Schrift verstaan.

1) Aldus ook bij J. J. Van Toorenenhergen, Symbol. Schriften , zonder aanteekening. Scholten, L. d. H. K. I. p. 192 en ook Doedes, Nederlandsche Geloofsbelijdenis p. 46. eischt naar de eerste uitgave van 1501 ; en dewijl zij ook —, zoodat hier twee bewijzen zouden genoemd worden: 1. de getuigenis des H. Geestes; 2. het bewijs der waarheid dat de Schrift bij zich zelve heeft. Verge). Calvin. Instit. 1. 7. 5, in. Maneat ergo hoe fixutn, quos Spiritus Sanctus intus docuit, solide acquiescere in Scriptura et banc quidem esse xutÓtthttov neque demonstrationi et rationibus subjici earn fas esse: quam tamen meretur apud nos certitudinem ; Spiritus testimonio consequi.

-ocr page 254-

230 § 32. BEWIJ\'/EN VOOR DE GODDELIJKHEID DER H. SCHRIFT.

nen dat de dingen, die daar voorzegd zijn, geschieden.

„Het gemoed ten volle te overreden is het werk van Gods Geest \')•quot; Heeft men gezegd : „het beste lezen van dit Goddelijk boek is wanneer men het menschelijk leest 2):quot; wij moeten met nadruk daartegenover stellen : de Goddelijkheid der Heilige Schrift wordt door den mensch des te meer erkend en ontwaard, hoe Goddelijker hij zelf wordt. De volle waarheid van het getuigenis der Heilige Schrift van den levenden God kan alleen op den weg des geestelijken levens ervaren worden.quot; „Gelijk het dier het lichaam van een mensch waarneemt, maar zijnen geest niet waarneemt, omdat het zelf geenen geest heeft, zoo de ongeestelijke mensch niet den geest der Schrift 3).quot; Indien wij, zegt Cal-vijn, met reine oogen en gezonde zinnen tot de Schrift naderen , zal aanstonds ons Gods majesteit ontmoeten, die de vermetelheid om tegen te spreken neerslaat en ons dwingt hem te gehoorzamen ^). Reeds Flato zeide : wie niet rein is kan onmogelijk het reine vatten s).

§ 33. Gezag der Heilige Schrift.

Is het de hooge God die in de Schrift tot ons spreekt, is het Woord der Schrift en de Schrift des Woords van God, zoo moeten wij ons er dan ook aan onderwerpen en ons er geheel aan houden en naar richten. Uit de Goddelijkheid

\') Brakel, Red. Godsd. I. p. 25.

s) Vergel. v. Oosterzee, chr. Dogm. I. p. 247.

3) Polanus bij Ebrard, Ghristl. Dogrnatik. I. S. 36.

4) Calvin, Instit. I. 7. 4.

5) Plato, Pliaedo p. 67 B; xxOxpy yxp xxOxpov sCpxTTTSTÓxi

[M) OU ÖSfMTOV

-ocr page 255-

§ 33. GEZAG DER HEILIGE SCHUIFT.

der Heilige Schrift volgt dat zij Goddelijk yezay heeft.

Dit gezag bestaat hierin : a. dat de Bijbel de eenige regel is voor ons geloof en leven.

Voor ons geloof. Dit zegt x. de Heilige Schrift alleen kan bepalen wat ons noodig is om zalig te worden; /3. zij is de eenige kenbron der godsdienstwaarlieid, „het eenige middel, waardoor God het licht van ware godsdienstige kennis in ons ontsteekt

Voor ons leven. Er is geen waar geloof zonder godzalig quot; leven. De Heilige Schrift alleen leert ons de ware heiligheid naar haren grond, naar hare wijze en betooning en naar haar doel; het is uit de Heilige Schrift dat ons hart onder den adem des Geestes de rechte beginselen en de zuiverste en krachtigste beweegredenen trekt tot het doen van het goede.

Wat plaatselijk en tijdelijk is, voor de Israëlieten in hun land geboden, en niet letterlijk voor de omstandigheden van andere volken en landen past, behelst toch eene algemeene leer, zooals het gebod Deut, 25:4: eenen os zult gij niet muilhanden, ah hij dorscht, hetwelk in vele landen naar de letter niet gehouden kan worden, de leer behelst dat een ieder van zijnen arbeid mag leven en dat men den men-schen , die arbeiden, hun voedsel niet onthouden moet 1 Kor. 9: 7 v.v, Vooral dient men dit in het oog te houden bij de Bijbelscho historiën, als welke nooit naar alle omstandigheden kunnen of mogen nagedaan worden.

231

Wat voor de tegenwoordige bedeeling niet meer geldt, wijst de Heilige Schrift zelve ,aan. Zoo is de Christen vrij van de uitwendige gebruiken, die door de Geremoniëele en de Burgerlijke wet aan Israël waren voorgeschreven, als

\') \'Ttceslen, Vorles. 1. S. 282.

-ocr page 256-

§33. GEZAG DER HEILIGE SCHRIFT.

welke alleen voor de kinderjaren des Ouden Verbonds voegden Gal. 4 : 31).

b. De Heilige Schrift is de toets en proefsteen van alle godsdienstleer, is rechter der geschillen over de religie. Naar de Schrift moet over leeringen en leeraars geoordeeld, naar de Schrift moet bij twist over zaken van den Godsdienst beslist en hetgeen tegen do Schrift strijdig is moet als dwaling verworpen worden. „De Schrift is voor de Kerk, voor de Godgeleerdheid en voor iederen mensch het hoogste Wetboek en opperste tribunaalquot; 1), de rechtbank in wier uitspraken men berusten moet.

Nederlandsche Belijdenis des Geloofs Art. VII: Daarom verwerpen wij van ganscher harte al wat met dezen on feilbaren regel niet overeenkomt, gelijk ons de Apostelen geleerd hebben, zeggende : beproeft de geesten of zij uit God zijn. Insgelijks: zoo iemand tot u komt en deze leer niet medebrengt ontvangt hem in uw huis niet. De Bijbel is de Canon, de regel voor geloof en leven : daarom worden de Heilige Schriften genoemd canonieke Schriften.

Dit hoogste en beslissende gezag der Heilige Schrift is het formeele beginsel van het oorspronkelijke Protestantisme, in de eerste plaats in tegenstelling tegen de Roomsch-Ka-tholieken met hunne Vaders en met hunne „Conciliën , Decreten of besluitenquot; s) on met hunne Apocryphen en hunne Overleveringen ; voorts tegenover de Mystieken en vervolgens tegen de Rationalisten en tegen allen die van een gezag in zaken des geloofs niet willen weten 4).

232

1

) 11. l\'arel in Herzogs Real-Enc. II. S. 139.

-ocr page 257-

§33. GEZAG DER HEILIGE SCHRIFT.

De Schrift heeft haar g\'ezag niet van de Kerk, hetwelk eene Eoomsche stelling is, maar van haar eigen Goddelijkheid. Roomsche kerkleeraren beweren dat de Heilige Schrift gezaghebbende regel is omdat de Kerk haar voor gezaghebbend , voor canoniek verklaart. liet omgekeerde is waar. Omdat zij gezaghebbende regel is, wijl zij is Gods Woord, door God ingegeven, daarom moet de Kerk haar voor gezaghebbend verklaren. „De Kerk is de bode, die het schriftelijk bevel van den koning overbrengt; wij eerbiedigen en gehoorzamen dit niet om des bodes wil; door middel van wien wij het ontvangen, maar omdat het van den Koning komt en omdat wij des Konings hand en zegel er aan erkennenquot; «).

Vraagt men intusschen, zegt Calvijn: hoe zullen wij tot de overtuiging komen dat de Schrift van God is, indien wij niet tot de uitspraak der Kerk de toevlucht nemen ? zoo is dit niet anders dan wanneer iemand vraagt: vanwaar

en is in navolging van dezen door de Groningschen aangevochten of ter zijde gesteld (waartegen nog altijd behartiging verdiend Da Costa , Eenige opmerk, omtrent het onderscheidend karakter der Gron. Godgel. School p. 52 v.v.). Desgelijks door prof. J. 11. Schollen , wiens gevoelen is uitgedrukt in deze woorden, Leer d. H. K. I. p. 159: Er bestaat volgens de Schrift een beginsel van gezag. Dit is echter niet eigen aan het standpunt van het Evangelie, maar aan het standpunt van de Wet. En II. p. 17ü: het Protestantisme is in beginsel tegen het autoriteitsgeloof gekant, liet autoriteitsbeginsel is gehandhaafd door J. J. Van Toorenenhergen, Bijdragen p. 25. en Geloofsleer. (187C) vergel. met p. 302 v.v., met de reserve van behoorlijke onderscheiding tusschen Bijbel en Woord van God.

\') Twesten, Voiles. 1. S. 407.

233

-ocr page 258-

§ 33. GEZAU DER HEILIGE SCHRIFT.

zullen wij leeron onderscheiden licht van duisternis, wit van zwart, zoet van bitter ? Want de Schrift brengt van zelf geen onduidelijkeren indruk van hare waarheid mee dan witte en de zwarte dingen van hunne kleur, de zoete en de bittere van hunnen smaak •). Doch dit neemt niet weg, herinnert Galvijn, dat dogenen, die nog niet door den Geest Gods verlicht zijn, eerst door ontzag voor de Kerk er toe gebracht worden om zich uit de Schrift te laten onderwijzen, ten einde zij uit het Evangelie kunnen loeren in Christus te gelooven. En het is op deze wijze dat het gezag der Kerk lot eene voorbereiding dient voor het geloof aan het Evangelie»), zonder dat dit geloof eenigzins van den wil det- Kerk zou afhangen.

§ 34. Apocryphen.

Wij onderscheiden deze Heilige Boeken van de Apocryphen die achter de canonieke Boeken dos Ouden Testaments gevoegd zijn ■\')•

\') Calvin, instil. 1. 7. 2.

\') Id. I. 7. 3.: atque ita hoe modo ecclesiae autoritatem isa-gogen esse qua ad fidem Evangelii praeparamur. Galvyn stelt t. d. pl. in het rechte licht het gezegde van Augustinus tegen de Manicheën, dat eene goeden zin heeft: ik sou aan het Evangelie niet gelooven, indien mij niet het gezag der Kerk bewoog. Terecht Dr. H. Cremer in Beweis de Glaubens, 187\'i.. S. 316: „Zekerlijk ontvangt een ieder de Schrift door middel van de Kerk en in de eerste plaats is het opvoedende gezag der ge-loovende, haar geloof belijdende en hare belijdenis leerende Kerk, aan hetwelk in het rustige, eenvoudige verloop des levens de erkenning van het gezag der Schrift zich aanknoopt.quot; :l) Er zijn ook Apocryphen bij het Nieuwe Testament: ver-

234

-ocr page 259-

§ 34. AI\'OCIRYPHEN.

Apocryphe boeken des Ouden Testaments noemt men een zeker aantal Grieksche schriften, oorspronkelijk Grieksch of in het Grieksch overgebracht, bij de Grieksche Overzetting des Ouden Testaments gevoegd, geschreven door godvruchtige Joden na den tijd van den laatsten Proleet Maleachi voor de komst van Christus, bij name vermeld in het Vl*10 Art. der Nederl. Belijdenis des Geloofs \') en in dezelfde orde als zij daar genoemd zijn voorkomende achter in den Sta-ten-Bijbel.

Het zijn a. Historieboeken. En wel deels fabelachtige ta-fereelen uit vroegere tijden : het derde en vierde boek van Ezra en het bijvoegsel tot de historie van Esther ; deels geschiedenissen van den toenmalic/en tijd : twee boeken der Makkabeën. Van de boeken der Makkabeën is het eerste het belangrijkste. Het beschrijft de verdrukkingen der Joden onder den Syrischen koning Antiochus Epiphanes en de oorlogen onder Mattathias en zijne zonen Judas, Jonattian en Simon.

scheidene Evangeliën, waaronder sommige als het Evangelium van Thomas en het voor een gedeelte zeer laat vervaardigde Ev. van Nicodemus avontuurlijke verhalen opdisschen. O. /i*. Hertwig, Tabellen N. T. S. 8—li. Ook Geschiedenissen der Apostelen ib. S. 45. Maar deze komen hier niet in aanmerking deels omdat er thans van de meeste slechts brokstukken voorhanden zijn, deels wijl zij nooit in ruimen kring gelding en gebruik hebben gehad.

1) Het llld0 en IVtle boek van Ezra, \'t boek Tobias, Judith, \'t boek der Wijsheid, Jezus Sir ach, Baruch, \'t gene bijgevoegd is tot de historie Esthers, \'t gebed der drie mannen in het vuur, de historie van Susanna, van het beeld Bel en van den Draak, het gebed van Manasse en de twee boeken der Makkabeën. Deze lijst der Apocryphen des O. T. is door de Dordtsche Synode bijgevoegd. J. J. Van Toorenenbergen, Symbol. Schriften p. 9.

235

-ocr page 260-

§ 34. APOCRYPIIEN.

b. Verdichte leerzame verhalen : het boek Tobias, Judith, Baruch, in welk laatste boek een Israëliet in de ver-strooing zijne gevoelens, voornamelijk zijnen afschuw van de heidensche afgoderij don Profeet Jeremia en diens schrijver Baruch in den mond legt.

c. Eigenlijke leerschriften: het boek van Jezus Sirach (Ecclesiasticus) en het boek der Wijsheid, het eerste meer naar het oude Testament, het laatste naar de leerwijs der Grieksche Joden.

De Apocryphen zijn geschreven nadat de verzameling der Heilige Schriften, de Canon, reeds gesloten was. En hoe zijn zij bij den Bijbel gekomen ? Met de Grieksche Overzetting des Ouden Testaments, die der LXX, die in Egypte sedert de derde eeuw voor Christus allengs was ontstaan, werden zij eerst later sedert het midden der tweede eeuw na Christus door de Christenen vereenigd en als een aanhangsel bij de LXX gevoegd\').

Apocryph is het tegenovergestelde van canoniek.

Canoniek zegt niet: in het register der kerkelijke boeken begrepen gt;); maar ; gezaghebbende boeken, boeken door God

\') Richter, Hausbibel IV. S. 1145.

2) Dit gevoelen heeft vooral Semler voorgestaan en verspreid, ten einde te toonen dat de Canon slechts eene kerkelijke bepaling was voor publiek gebruik der H. Schriften, niet voor particulier gebruik, zoodat onderzoek en onderscheiding dezer boeken voor alle nadenkende lezers vrij bleef en men bevoegd was Joodsche bestanddeelen er uit te ziften. Intusschen uxvcov be-teekent heel niet register maar maatstaf, regelmaat, voorschrift, richtsnoer en in de Christelijke taal het Goddelijke richtsnoer der waarheid voor geloof en leven. O elder in Herzogs Real-Enc. VII. S. 259 f. O. li. Hertwig, Tabellen A. T. S. 10 f. Gnericke Geschied, des N. T. p. 464.

23G

-ocr page 261-

§ 34. Al\'OCRYPHEN.

ingegeven en de leer behelzende die de canon d.z. do regel is van al wat wij moeten gelooven en doen ter zaligheid.

Apocryph zegt eigenlijk verborgen geheim en wel niet naar oorsprong i) maar naar inhoud en gebruik, dienvolgens geheim gehouden d. z. niet openlijk gebruikt, omdat zij niet als regel voor geloof en leven erkend werden.

§ 35. De Apocryphen. Vervolg.

De Apocryphe boeken zijn Gods Woord niet. Zij zijn niet ingegeven door den Heiligen Geest. Zij dragen de waarmerken hiervan niet, inwendig noch uitwendig.

Want 1. de Apocryphen behelzen dingen die fabelachtig zijn en met het erkende Woord Gods strijden.

237

Bij voorbeeld in het zoogenaamde IVde boek van Ezra 14 : 21 v.v. wordt eene wonderbaarlijke beschrijving verhaald van de Goddelijke openbaringen, die hem gegeven werden, in 204 boeken binnen 40 dagen. De Wet, de H. Schrift, was verbrand. Dies bad Ezra : indien ik dan genade bij U gevon-

\') Aldus Augustinus de Civ. Dei XV. 23 ; scripturae quae iXTrónpuCpoi dictae sunt eo quod earum occulta origo non claruil patribus, a quibus usque ad nos aucloritas veracium Scriptura-rum cerlissima et notissima successione pervenit. Verkeerd: immers dit past niet op alle Apocryphen, gelijk het tegendeel niet op alle Canonieke boeken. \'Amxpuipot; is van \'xTTOKpinmi]/, niet \'iwro tsü npuTTTeiv, gelijk Guericke a. W. p. 406 schijnt te verklaren ; quot;xtto heeft in \'xttohpÓtttsiv en \'xTruxpuQos te kennen de verwijdering van en verberging voor anderen. Geiieel wil lekeurig is Epiphanius\' afleiding quot;xtto rifc npÓTrry^, verwijderd van de geheime bewaarplaats (verbondsarke), daar de tweede tempel zelfs geen, verbondsarke had. .

-ocr page 262-

§ 35. APOGRYPHEN.

838

dan heb, zoo zend in mij den Heiligen Geest en ik zal alles schrijven wat van den aanbeginne in de ivereld geschied is, aangaande de zaken die in mve Wet geschreven waren, opdat de menschen den iveg kunnen vinden, en dat degenen, die in de laatste tijden zullen ivillen leven, ook leven mogenquot; v, 22. Hem wordt een volle beker toegereikt, vol als van water doch van verf als vuur v. 39. Hij drinkt en aanstonds „werd mijn hart, zegt iüj , vervuld met wetenschap en de wijsheid wies in mijne borst en mijn geest werd ver-sterkt in zijne memoriequot; v. 40. Toen werd zijn mond opengedaan en vijf mannen schreven de dingen die in verrukkingen der zinnen door hem gezegd werden. „ Alzoo zijn er in 40 dagen geschreven 204 i) boekenquot; v. 44, waarvan 134 voor allen te lezen waren, voor waardigen en onwaar-digen, maar de laatste 70 aan de Wijzen onder het volk moesten overgeleverd worden. „ Want in deze is de ader des verstands en de fontein der wijsheid en de vloed der wetenschapquot; v. 47. — Men acht met reden dat dit IVde boek van Ezra uit de eerste eeuw na Christus stamt, geschreven door een Palestijnschen Jood of Christen uit de Joden, in de Palestijnsche landtaal; terwijl het bewaard bleef in eene Arabische overzetting.

In het boek van Tobias 3 : 8 wordt verhaald dat Sara, eene dochter van Raguël te Ecbatana in Medië, aan zeven mannen was gegeven en Asmodeüs, de booze geest, een duivel die haar liefhad (h. 6 : 16), dezen had gedood eer zij bij haar waren gekomen, terwijl daarna de Engel Raphael werd uitgezonden om Sara aan den jongen Tobias ter

\') Naar eene andere lezing 94 boeken door 3 mannen. Oehler in Herzogs Real-Enc. VJI. S. 245.

-ocr page 263-

§ 35, APOCRYPIIEN.

vrouw te geven en den boozen geest te binden 3 : 25. En als middel om hem te verdrijven wordt hoofdst. 6 aan den jongen Tobias door den Engel bevolen te nemen asch van bet reukoffer en daarop te leggen en te rooken van het hart en van de lever van den visch, door Tobias in de rivier Tigris gegrepen. „En de duivel zal het rieken en hij zal vluchten en zal in alle eeuwigheid niet wederkomen.quot; 6 : 20.

II. Makk. 12 : 43 v.v. zendt Judas geld naar Jeruzalem om offerande te doen voor de verslagenen en voor de dooden te bidden en voor de gestorvenen verzoening te doen.

II. Makk. 14:37 v.v. wordt meer als loffelijke zelfopoffering dan als wandaad verhaald de zelfmoord van Razis, een ouderling te Jeruzalem, toen Nicanor soldaten op hem afzond om hem te vangen ; met fabelachtige opsiering, daar hij reeds zwaar gewond, nog door de vijanden liep, zijne ingewanden uittrok en deze met beide handen nemende onder de schare wierp.

Zelfs het eerste boek der Makkabeën heeft belangrijke fouten, bijzonder in de opgave van vreemde volken, plaatsen en gebeurtenissen. Zoo hoofdst. 8 van de Romeinen. En hoofdst. 1 : 1 wordt gesteld, dat de Perzen door Alexander den Groote uit het bezit van Griekenland geworpen zijn. En 1 : 6—8 tegen alle historie dat Alexander nog bij zijn leven zijn rijk onder zijne legerhoofden die hij, zijn einde voelende, had tot zich vergaderd, heeft verdeeld. Hoofdst. 6 : 1 wordt het groote landschap Elymaïs tot eene stad i) in Per-zië gemaakt.

\') — on iittiu \'EAypwwi su ry nspvliïi niXiq svtol-ot; ttXoutu k. t. A. De Onzen hebben hier gerectificeerd : dat in ElyraaVs in Perzië eene stad was vermaard door rijkdom enz. Hengstenberg, Gesch. d. R. G. 1. S. 62.

239

-ocr page 264-

§ 35. APOGRYPHEN.

240

In de Apocryphe boeken wordt de leer en hope der verlossing niet (jevonden. Alle heil wordt er van eigen deugden en daden afgeleid. De verwachting van den persoon-lyken Messias schemert nergens door. Noch de naam Christus noch eenig ander naam voor den Verlosser wordt in de Apocryphen aangetroffen\'). Ook I Makk. 4: 46 en 14: 4i is niet de Messias, maar eenig vertrouwbaar profeet bedoeld, van wien men inlichting bij twijfelachtige gevallen wenschte en verwachte2). In de laatste plaats, I. Makk. 14: 41 wordt gezegd : En dat het den Joden en den Priesteren behaagd had,\'dat Simon hun Overste en Hoogepriester zou zijn in eeuwigheid , totdat er een getrouw profeet zou opstaan. Wat was het ? Deze joden voelden, dat de inzetting van den Makkabeër tot vorst en priester in één persoon niet Goddelijk was , gelijk zij dan ook tegen Wet en\' Profeten streed , daar eerst in den persoon van Christus beide ambten zouden vereenigd worden en hierover verwachtten zij opheldering van een of ander getrouw profeet, evenals in het minder gewichtige geval 4: 4G. — Slechts eenigen schijn heeft Sirach 51: 13 : ik riep den He ere, den Vader mijns Heeren aan , dat hij mij niet wilde verlaten in den ^ dag der verdrukking. Doch niet zonder grond denkt men aan eene onnauwkeurige overzetting van het Hebreeuwsch te dezer plaats. - Juist dit is merkwaardig , dat uit die dagen zelve beslist getuigd wordt dat er toen geen Profeet in Israël optrad (in de boven aangehaalde plaatsen van het eerste boek der Makk.) en deze tijd , in welken er (/m? pn?-feet onder hen werd gezien (1 Makk. 9: 27) wordt scherp

\') Richter, Hausbibel IV, S. 1150. ld. IV. S. 1149.

-ocr page 265-

§ 35. APOCfiYPHEN.

gescheiden van de dagen toen God in Israël door den mond zijner profeten sprak. Dus toon geene Goddelijke ingeving !

\'2. De Apocryphen zijn door de Joorfsc/je Kerk, aan welke toch, gelijk Paulus Rom. 3 : 2 spreekt, de woorden Gods waren toevertrouwd, nooit voor Goddelijk gehouden, hetwelk mede een krachtig getuigenis is tegen het gezag dier boeken \'). Toen zij geschreven werden, was bij de Joodsche Kerk, de bewaardster der Woorden Gods, de verzameling der Heilige Schriften reeds gesloten en het getal der Canonieke boeken vastgesteld, gelijk blijkt uit de Voorrede van het oudste der Apocrypha boeken, hot boek van Jezus Sirach ^).

\') Prof. Schollen, L. d. H. K. I. p. 87 noemt zulk een beroep op de getuigenis der Joodsche Kerk bekrompenheid. In-tusschen gaat hij zelf bL 90 toch hierop gewicht leggen ; „dat noch Jezus noch de Apostelen de Apocryplie boeken ergens aanhalen en dus toonen die schriften niet als een zuiver moment van het godsdienstige bewustzijn onder Israël beschouwd te willen hebben.quot; Scholten brengt in p. 87 : a. Hel gezag der Joodsche Kerk doet op zich zelf niets ter zake en b. Paulus bedoelde met de ivoorden Gods Rom. 3:2 niet de Schriften des O. T. maar de Goddelijke Openbaringen, waarmede het Israë-lietische volk verwaardigd was geworden.quot; Maar waar hadden dan die Israëlieten, die toen leefden, deze openbaringen ? waar anders dan in de Schriften des O, T. ? En wijst de uitdrukking „toevertrouwd\'quot; niet duidelijk op de Schriften? En indien dit, is dan de getuigenis van dat volk, hetwelk de bewaarder zou zijn des Goddelijken Woords (Ps. 147 :19. Mal. 4 ; 4) niet van groot gewicht ? Zij nu hebben de Apocryphen niet onder de Canonieke boeken opgonomeil en Christus , hoezeer hunne valsche uitleggingen van de H. Schrift bestraffende, heelt hen nooit beschuldigd van vervalsching der Schrift. Verg. Richter, Hausbibel IV. S. 1145.

2) Zie boven § 10 bl. 165.

Gravcmcyor, Gercf\'. Gel. leer.

241

-ocr page 266-

§ 35. APOCRYPHEN.

In het Nieuwe Teetament, waar anders Christus en de Apostelen zich doorgaans gronden op do Schriften, die bij de Joden als Goddelijk geëerbiedigd werden, worden de Apocryphen niet aangehaald. Sommigen hebben er wel toespelingen op plaatsen van de Apocryphen willen vinden, maar zonder grond. Deels zijn hel gedachten en gezegden die onder de Joden gewoon en gangbaar waren, deels ligt er telkens eene plaats uit het Canonieke Oude Testament bij ten grondslag. Geen éénmaal komt er eene aanhaling-uit de Apocryphe voor met de uitdrukking : de Schrift zegt of: de Heilige Geest zegt of: God heeft gesproken. Eerst na de tweede eeuw na Christus werden de Apocryphen bij de Christenen ook inhunnegodsdienstige vergaderingen gelezenquot;).

De Roomsch-Katholicken rekenen de Apocryphen tot de Heilige Schrift en kennen hun Goddelijk gezag toe. Op hunne kerkvergadering in de stad Trente 1545 tot 1563 bij Lui-schenpoozen gehouden, hebben zij aan al de Schriften, die in hunne Latijnsche Overzetting, de Vulgata, stonden, even-gelijk gezag gegeven en dus feitelijk de Apocryphen mede voor canoniek verklaard4), wijl zij er voor vele van hunne onschriftuurlijke stellingen bewijzen in vonden.

Die dus doen, handelen tegen Openb. ^2:18: Want ik betuig aan eeti iegelijk, die de woorden der profetie dezes boeks hoort; indien iemand tot deze dingen toedoet, God zal

\') liiclder, Hausbibel IV. S. 1146.

^) Vele nieuwere Roomsche Godgeleerden maken nog eenig onderscheid en noemen de Canonieke l)oeken don eersten Canon, de Apocryphen den tweeden Canon. Maar de Rooinschc Kerk weet van deze onderscheiding niet. Winer, Gompar. Darstel-lung. 2le Aufl. S. 40 f. (4te Anfl. S. 59.) Canon, et Deer. Gone. Trid. Soss. IV. ed. Tauchn. p. 10.

242

-ocr page 267-

§ 35. APOCRYPHEN.

243

over hem toedoen de plagen die in dit hoek geschreven zijn. En daarop worden evenzoo bedreigd die er van afdoen.

Maar deze dreiging, zegt men, ziet alleen op den inhoud van dit boek, van de Openbaring van Johannes ? Wij antwoorden met onze KantteeJcenaars : „dit is niet alleen eene verzegeling van dit boek, maar is een slot van de geheele Heilige Schrifture, alzoo Johannes de laatste der Apostelen geweest is en het laatst geschreven heeft, gelijk — ook Mozes in zijn laatste boek dergelijk verbod om iets toe of af te doen, namelijk door eenige menschelijke autoriteit, had gesteld, Deut. 4:2; 12:32.quot; Spreuk. 30:6. Mag men bij den inhoud eens eenigen boeks niets toedoen, hoeveel minder mag men geheele boeken en wel met fabelachtige verhalen en ongoddelijke leeringen bij de Goddelijke Boeken voegen ! Het is niet bij geval dat dezelfde waarschuwing bij Mozes en bij Johannes, bij den eersten en den laatsten bijbelschrijver staat. „De waarschuwing geldt zakelijk ook voor alles, wat tusschen beiden ligtquot;\'). De grond van dit verbod voor het ééne boek is er ook voor ieder boek der Heilige Schrift, namelijk : dat God dit en niets ander heeft ingegeven.

\') E. W. Hengstenberg, Die Olïenbarung des h. Johannes li. 2. S. 80, zu Off. 22 : 18 en I. S. 72 zu c. 1 : 3. Bengel, Gnomon : convenit haec clausula in onmes Scripturae sacrae libros. — Het wordt tegengesproken ook door Van Oosterzee, Chr. Dogm. 1. p, 299 : op geen dier plaatsen wordt van den geheelen Bijbel gesproken. Maar dil is miskenning van den verwanten oorsprong en van den wonderhand des eenigen Geestes; die al de Heilige Schriften tot óüne Heilige Schrift verbindt. Ook hier geldt het woord : Wie de geheele Wet zal houden en in één zal struikelen, die is schuldig geworden aan allen.

-ocr page 268-

§ 35. APOCRYPHEN.

De Protestanten houden dan do Apocryplien niet voor Goddelijk. Deze boeken zijn wel nutlig, omdat zij ons den toestand des Joodschen volks tusschen de laatste Profeten en de verschijning van Christus schetsen en ook vele treffende spreuken behelzen. Dewelke de Kerk wel lezen mag en daaruit ook onderwijzingen nemen, voor zooceel als zij overeen komen niet de Canonieke hoeken; maar zij hebben zulk eene kracht en vermogen niet, dat men door eenige getuigenis van dien eenig stuk des geloofs of der Christelijke L\'eligie moge bevestigen: zoo ver is het vandaar, dat ze de autoriteit van de andere heilige boeken zouden mogen ver-minderen. Nederl. Belijd, des Geloofs Art. VI.

§ 36. Volmaaktheid der Heilige Schrift

Op grond van den Goddelijken oorsprong en de bestemming der Heilige Schrift kunnen wij uitstekende eigenschappen van haar roemen in weerstand tegen hare verachters: hare volmaaktheid en genoegzaamheid, hare klaarheid, hare noodzakelijkheid en haar niet slechts vergund maar verplicht gebruik.

1. De volmaaktheid der Heilige Schrift is eene volmaaktheid des wezens en der deelen.

a. Dos wezens. De Heilige Schrift kenmerkt zich door eene wezenlijke volmaaktheid der leer. Dat zegt: zij bevat al de heilsopenbaringen van God en leert ons alles volledig wat wij moeten kennen, gelooven en betrachten om zalig te worden. Er ontbreekt niets in van hetgeen belangende den Godsdienst voor den mensch in dit leven noodzakelijk en oorbaar is te weten.

De TToiligo Schrift is wel allengs en bij deelen aange-

244

-ocr page 269-

§ 36. VOLMAAKTHEID DEK HEILIGE SCHRIFT.

groeid, maar zoover zij er was, was zij ook volmaakt, dat zegt : voor haar doeleinde en voor dien tijd genoegzaam. De geheele Bijbel behelst nu al wat God heeft bekend gemaakt en is daarom de eenige; veilige en altoosdurend^ regel voor de Kerk.

De Heilige Schrift zelve getuigt van deze hare volmaaktheid, boide van Wet en Evangelie. David spreekt Ps. 19 : 8: Dc icet des Heeren is volmaakt, bekeerenden) de ziel, de getuigenis des Heeren is gewis, den sleciden wijsheid gevende. Paulus schrijft aan Timotheüs van de Schriften des Ouden Testaments 2 Tim. 3:15: En dat gij van kinds af de Heilige Schriften geweten hebt, die u wijs kunnen maken tot zaligheid door het geloof, hehvelk in Christus Jezus is. 16, Al de Schrift is van God ingegeven en is nuttig tot leering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing die in de rechtvaardigheid is. 17. Opdat de mensch Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust. En in de volle bewustheid van de Goddelijkheid en volmaaktheid dos Evangelies, hetwelk hij predikte, roept de Apostel den vloek uit niet alleen over degenen die tegen hetzelve leerden, maar ook over die er iets bijdeden Gal. 1:8: Doch al ware het ook dat wij of een engel nit den hemel

\') De wel des Heeren nirT rnin, \'s niet de leer in het al-

t :

gemeen, maar die loer, die in de geboden staat, de wet. David spreekt van hetgeeen de wet is voor den geloovige in den staat der genade. Bekeerende de ziel, eigenlijk : de

v t - ♦ ;

ziel wederbrengende, zegt hier; de ziel weder oprichtende, verkwikkende, vertroostende. Volmaakt wordt de Wet genoemd, omdat zij is de zuivere uitdrukking van den wil Gods. In v. 8 tol 10 van dezen Psalm vindt men twaalf lofspraken op Gods Wet. Hengstenberg, Gomrnentar a. 1.

245

-ocr page 270-

246 § 3G. VOLMAAKTHEID DE 11 HEILIGE SCHRIFT.

u een evangelie verkondigde buiten het geen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt (van God verstoeten).

„Niets kan oen menschenhart of menschenleven bewegen, dat niet in de Heilige Schrift op het zuiversten krachtigst ware uitgesproken ; de diepste behoeften en hoogste aandoeningen vinden er hare treffendste uitdrukking. Ook tegen allo kwalen van het openbare, maatschappelijke leven liggen de heelmiddelen in bijbelsche waarheden, welke geschikt voor de omstandigheden in het licht te stellen en toe te passen de roeping der schriftgeleerden, bij name dus de taak der geestelijken isquot; •)•

§ 37. Volmaaktheid der Heilige Schrift. Vervolg.

b. Der deelen. De Heilige Schrift is volmaakt in hare doelen. Dat zegt: geen Canoniek boek noch eenig stuk daaruit is verloren gegaan of vervalscht, de Heilige Schrift is nog zoo geheel als zij bij het sluiten van den Canon was.

a. Er is niets van verloren gegaan, namelijk geen zoodanig boek of deel dat Canoniek is geweest.

Er worden in de Schrift wel boeken genoemd die nu niet meer voorhanden zijn. Zoo het Boek des Oprechten Joz. 10:13: En de zon stond stil en de maan bleef staan , totdat zich het volk aan zijne vijanden gewroken had. Is dit niet geschreven in het Boek des Oprechen ? De Oprechte is het volk Gods , Israël. Het Boek des Oprechten was waarschijnlijk hetzelfde als het Boek der Oorlogen des Ilee-ren Num 21: 14, eene verzameling van godvruchtige volksliedoren, krijgsgezangen waaruit hier de volgende woorden

\') -//, Paret in Herzorgs Real-Enc. II. S. 141.

-ocr page 271-

§ 37. VOLMAAKTHEID DKIt HEILIGE SCHRIFT. 247

zijn aangehaald : De zon nu stond stil in het midden des hemels en haastte niet onder te gaan omtrent eenen volkomen dag. 14. En er was geen dag aan dezen gelijk vóór hem noch na hem, dat de lleere de stem eens mans alzoo verhoorde : want de lleere streed voor Israël. En Num. : 14 ; Daarom wordt gezegd in het Boek van de oorlogen des llee-ren; Tegen Waheh in eenen wervelwind en tegen de heken Arnon. 15. En den afloop der beken die zich naar de gelegenheid (zitplaats) van Ar wendt en leent aan de landpalen Moahs. Eene schilderachtige voorstelling van het stor-menderhand voorttrekken van het heir des Moeren. — 1 Kron. 29 : 2{J ; worden genoemd de Geschiedenissen van Samuël, den ziener en de Geschiedenissen van den Profeet Nathan en de Geschiedenissen van Gad den ziener. Maar dit is, ook volgens onze Kantteekenaars wel te verstaan van de twee Rocken Samuëls, welker voornaamste doelen door de Profeten Samuël, Nathan on Gad beschreven zijn.

Ook in het Nieuwe Testament wordt een schrift genoemd dat tot ons niet is overgekomen. Namelijk wanneer Paulus in zijnen eersten brief aan de Korinthiërs 5 : 9 schrijft; ik heb u geschreven in den brief, dat gij u niet zoudt vermengen met de hoeroei dors, zoo kan men redelijker wijs dit niet anders verstaan dan van oenen anderen brief, vóór dezen aan degemeeente van Korinthe door den Apostel geschreven\').

\') Aldus ook Calvin. Comm. i. 1.: Ista epistola, de qua loquitur, hodie non exstat. Nee dubium, quin multae aliae exci-derint; sod satis est quod nobis supersunt quas sufficere Domi-nus piovidit. Desgelijks Bengel, die aanteekent: De Korinthiërs hadden den eersten hriel\' niet genoeg verstaan, daarom geeft Paulus nu eene verklaring. Non est dubium, quin Paulus et ceteri apostoli multa quae hodie non extant, scripserint Onze Kantteekenaars verstaan dezen zelfden brief.

-ocr page 272-

248 § 37. VOLMAAKTHEID PER HEILIGE SCHRIFT.

Maar deze schriften zijn nooit onder de Canonieke boeken opgenomen geweest. Dat zij dus niet meer voorhanden zijn, is „zonder kwetsing of vermindering der Canonieke boe\' kenquot; gt;)•

(3. Er is niets in vervalscht: er is niets wezenlijks door menschen in bedorven. Wel heeft men ontdekt dat er in den Hebreeuwschen tekst des Ouden en in den Griekschen des Nieuwen Testaments voor de boekdrukkunst bij het afschrijven en ook daarna bij het drukken fouten zijn ingeslopen en men zoekt die door vergelijking van oude, opgespoorde handschriften te verbeteren ; doch zeer weinige van deze fouten raken een geloofsartikel maar meestal de meerdere of mindere nauwkeurigheid en gepastheid der uitdrukking of een getal of dergelijke 1).

1

Kantteek. op Num. 21 ; 14.

\') Von Gerlach, N. T. Einleit. S. Vil. In getallen en namen leveren bijzonder de Kronieken nog al bezwaren op. Om maar een voorbeeld te noemen. Naar 2 Kon. 8 ; 2G was Ahazia 22 j. oud toon liij Koning van Juda werd. Maar naar 2 Kron. 22 ; 2, 42 jaar. Aliazia\'s vader Joram werd naar 2 Kron. 21 : 20 slechts 40 j. oud. Dus zou naar de Kron. Ahazia 2 jaren vóór zijnen vader geboren zijn! Sommigen verstaan de 42 j. van den ouderdom van Aliazia\'s moeder Athaiia, die eigenlijk regeerde ; anderen van den duur van Omri\'s geslacht. Volgens onze Kantt. is de vereeniging der beide plaatsen zeer duister, doch zij neigen lot liet gevoelen, dal Ahazia één jaar alleen regeerde, maar ook lang te voren voor Koning zij erkend geweest, terwijl zijn vader tot de regeering onduchtig ivas. Naar Iliero-nginus regeerde Ahazia 20 j. met zijnen vader en daarna één jaar alleen.

Dal .Joram 8 j. regeerde Ie Jeruzalem 2 Kron. 21 ; 20, moet dan zijne eigen regeering beleekeiien, terwijl na die 8 jaren

-ocr page 273-

§ 37. VOLMAAKTHEID DEK HEILIGE SCHRIFT,

Onder Gods bijzondere voorzienigheid zijn al de Canonieke boeken ongeschonden bewaard gebleven door de groolo zorgvuldigheid der Joden voor het Oude Testament, daar zij zelfs de letters telden, en dor Christelijke kerk voor het Nieuwe Testament. Opzettelijke vervalschingen door vijanden van de waarheid werden altijd ras ontdekt. Men had ook in Israël ten tijde van diep bederf vervalschte afschriften van de Wel gemaakt. Door het wedervinden van het echte exemplaar der vijf boeken van Mozes (2 Kon 22 :8), dat nevens de arke des verbonds was neergelegd geweest, in het achttiende jaar van Josia\'s regeering, werd het bedrog aan het licht gebracht en nu kon gezegd worden Jer. 8 : 8 ziet, ivaarüjk tevergeefs werkt de valsche pen der schriftgeleerden. Christus heeft dan ook den Joden niet verweten dat zij een boek te veel of te weinig in hunne H. Schrift hadden of er iets in hadden vervalscht, maar alleen dat zij de Schriften kwalijk uitlegden en er niet naar deden \')•

Ahazia\'s mederegeering aanving; met Joram\'s 40ste levensjaar. Hoe oud toen Ahazia was wordt niet gezegd. Maar toenAliazia alleen Koning werd, was deze 42 jaar. Dat Jorani aanstonds na zijne 8 regeeringsjaren is gestorven, zegt 2 Kron. 21 : 20 niet.

In geen geval mag men zeggen ; hier heeft de Bijbel eene fout. Neen , maar zij is er dan eerst door afschrijvers ingebracht : 33 kh 22 verschreven iiOQ ml 42. De LXX hebben 2 Kron. 22 :2 shoiri, twintig. En dan is er door 2 Kon. 8 ; 20 gezorgd dat wij de waarheid weten konden. Eene schrijffout nemen aan (?. Sösch in Herzogs Real - Knc. XVIII S. 4o/. v. Gerlach A. T. a. 1. Winer, Bibl. Realw. 2te Aull. i. S. 45. Hengstenberg, Geseh. des R. G. unter dem A. B. 1. 2. S. 243. Den Bijbel zeiven d. i. don eersten schrijver der Kronieken zal wel niemand de ongerijmdheid toedichten eenen zoon te stellen twee jaar ouder dan zijn vader.

\') Vergel. hierboven § 35. bl, 241. Richter, Hausb. 1. S. 21.

249

-ocr page 274-

250 § 37. VOLMAAKTHEID DEK HEILIGE SCHRIFT.

Ook op Paulus naam werden er brieven verdicht, gelijk hij aanduidt 2 Thess. 2:2: Dat gij niet haastelijk bewogen wordt van verstand oi\' verschrikt noch door geest (voorgewende openbaring) noch door woord noch door zendbrief als van ons \'jeschreven, alsof de dag van Christus aanstaande ware. Weshalve de Apostel de brieven, die hij dicteerde, mot eigen hand onderteekende ten waarmerk voor de go-meenten. 2 Thess. 3 : 17.

§ 88. Genoegzaamheid der Heilige Schrift. Geen traditie.

Jn de volmaaktheid der Heilige Schrift is eene andere eigenschap begrepen, namelijk :

2. hare genoegzaamheid of toereikendheid : zij is voldoende voor hare bestemming, te weten ; om ons wijs te maken tot zaligheid. Dus moeten wij alle menschelijke bijvoegselen verwerpen.

Nederl. Belijdenis des Geloofs Art. VII : Wij (jelooven dat deze Heilige Schrifture den wil Gods volkomenlijk vervat en dat al hetgene de mensch schuldig is te gelooven om zalig te worden, daarin genoegzaam geleerd, wordt. Want overmits de gehecle wijze des dienstes dien God van ons eischt, aldaar in \'t lange beschreven is, zoo is het den menschen, al waren \'t zelfs Apostelen, niet geoorloofd anders te leeren dan ons nu geleerd is door de Heilige Schrifturen; j a, al ware het ook een Engel uit den hemel gelijk de Apostel Paulus zegt. Want dewijl het verboden is d e n Woorde Gods iets toe ot iets af te Aoer\\, zoo blijkt daaruit wel, dat de leer deszelven zeer volmaakt en in alle manieren volkomen is.

-ocr page 275-

§ 38. GENOEGZAAMHEID DER H. SCHRIFT. GEEN TRADITIE. *\'51

Hier staat de Protestant strak tegen de Roomschen over met hunne traditiën of overleveringen. De Protestanten erkennen geen gezaghebbende overleveringen bij het geschreven Woord en houden vast dat de Heilige Schrift de eenicje en volledige regel is voor de Kerk. Hier geldt de uitspraak van Christus Matth. 15:9; Doch tevergeefs eer en zij mij, leerende leeringen die geboden van menschen zijn. Uit sprak Hij tegen de Schriftgeleerden en Farizeën van Jeruzalem, die Hem verweten dat zijne discipelen de inzettingen der ouden overtraden, daar zij met ongewasschen handen\') aten. Hij verantwoordde dit en gaf dezen geveinsden te verstaan : dat zij bij de menigte van hunne vormen don innerlijken Godsdienst of hot toenaderen des harten tot God verzuimden en dat over het geheel hun Godsdienst naar menschelijke inzettingen vergeefs was, gelijk Jczaja (^9: 13) van hen ge-profeteerd had. Ten top steeg hunne geveinsdheid, wanneer zij or zelfs Goddelijke geboden om achterstelden. Dat deden zij onder anderen met het hei vijfde gebod. Naar hunne leer kon een zoon aan zijne behoeftige ouders een gave weigeren, wanneer hij maar zeide : dat; waarmee ik u helpen

\') Op de menigerlei wasschingen hield men ook toen reeds bijzonder sterk. Later werd dit nog meer overdreven. Een Rabbijnsch gezegde was ; „wie met ongewasschen handen brood eet, zondigt even zwaar als wanneer hij bij eene hoere lig\'.quot; Zeker Rabbi Akiba, die in zijne gevangenis eenmaal zoo weinig water bekwam dat het zelfs om te drinken niet genoeg was, wilde liever van dorst sterven dan, zonder de handen te was-schen, iets eten. Stier, Reden Jezu II. S. 154, zu Matth. 15 ; 2. — De Farizeën vastten regelmatig\'tweemaal per week (Luc. 18 ; 12), Donderdags, waar Mozes den berg Sinaï was opgeklommen, en \'s Maandags, waar hij er was afgeklommen. Men vastte in rouw-kleederen.

-ocr page 276-

252 § 38. GENOEGZAAMHEID DEH II. SCHRIFT. GEEN TRADITIE-.

zou, is korhan dat is : aan God gewijd — dus liever aan den kerkdienst gegeven dan aan arme ouders ! — Hierbij moeten wij dit wél beachten ; wat Ifozes gezegd had, voert de Heiland als een gebod van God in tegenstelling tegen menschelijke geboden aan, gelijk Hij ook de woorden van Jezaja als eene Goddelijke uitspraak aanhaalt en daardoor aan diens boek getuigenis geelt van te zijn een Goddelijk boek i).

Na de ballingschap waren er door do schriftgeleerde Joden voor en na vele bijzondere bepalingen bij de geschrevene wet gevoegd ; de Farizeën beweerden dat deze door God zeiven aan Mozes mondeling gegeven en van zijnen tijd af bij monde voortgeplant waren1.)

De Uoomsche kerk en desgelijks de Grieksche stelt der Heilige Schrift nog eene ongeschre ven bron van Christelijke leer ter zij, namelijk de Apostolische traditie of overlevering: leeringen en voorschriften, die de Apostelen uit Christus\' eigen mond zouden hebben ontvangen on die van de Apostelen af langs hunne door den Heiligen Geest onfeilbare\') opvolgers, do Pausen als van hand in hand zouden zijn overgebracht en daarom evengelijk gezag zouden hebben als het geschreven Woord van God.

Het is eene overlevering van geschiedenissen, van leerstellingen, van schriftverklaringen (de Heilige Schrift zonder onfeilbare uitlegging zou, zei men, een geschenk van

1

) 11. Hottzmann, in Herzogs Real-Enc. XVI. S. 281 f. Winer, Bibl. Realworterb. 2le Aull. li. S. i2(Jl.

-ocr page 277-

§ 33. GENOEGZAAMHEID DEK H. SCHUIFT, GEEN TRADITIE. 253

twijfelachtige waarde zijn) \') en van kerkgebruiken T).

De Roomsche kerkleeraars s) wijzen tot staving van hun gevoelen onder anderen op het eigen woord van Jezus tot zijne Apostelen onmiddelijk voor zijn lijden Joh. 1G;]2: Nofj vele dingen heb ik u te zeggen, doch gij kunt die nu niet dragen. Maar deze vele dingen heeft de Zaligmaker hun in de 40 dagen na zijne opstanding en daarna door zijnen Geest gezegd (zie v. 13) en zij zijn niet in de monde-lijke overleveringen der Roomschen te zoeken, maar zijn geschreven in de Handelingen en Zendbrieven der Apostelen en in de Openbaring van Johannes •»), waartegen, het is waar, de Roomsche spitsvondigheid aanmerkt: Christus heeft niet gezegd dat de Heilige Geest schrijven, maar dat lüj leeren zouquot; 1).

1

r\') Thomas Moius. Holtzmann a. W. S. 293.

-ocr page 278-

254 § 38. GENOEGZAAMHEID DER H. SCHRIFT. GEEN TRADITIE.

Ook beroepen zij zich op het gezegde van Paulus 2 Thes. 2 : 15: Zoodan, broeders, stmt vast en houdt de inzettingen gt;), die u geleerd zijn hetzij door ons woord hetzij door onze zendbrief. Doch dit ziet niet op eene verscheidenheid van zaken maar op de verschillende manier hoe hun dezelfde zaken door den Apostel waren medegedeeld, vroeger mondeling dan schriftelijk. Het zijn de vermaningen en leeringen, die zij van hem hadden ontvangen zoowel de leer als het leven aangaande niet alleen als hij bij hen tegenwoordig was, maar ook die hij nu in deze Zendbrieven heeft voorgesteldquot; (Kantt.).

Nog brengt men bij dat in de Schrift zelve overleveringen vermeld worden, als de namen der twee Egyptische toovonaars 2 Tim .3:8 Jannes en Jambres en de profetie van Enoch Jud. 14. Maar deze zijn juist aldus door de Heilige Schrift als waar en werkelijk gestaafd. Wij moeten de overlevering der Schrift onderscheidon van die welke buiten en behalve de Schrift is; de eerste hebben wij aan te nemen, de laatste moeten wij verwerpen 2).

Al de voorgewende Apostolische overleveringen hetzij van leerstellingen hetzij van kerkelijke gebruiken, als vasten , bedevaarten enz. maken den wijze niet wijzer, den geloovige niet gelooviger, den heilige niet heiliger en zij missen bovendien hel geschiedkundig bewijs dat zij van Apostolischen oorsprong zijn. Niemand is ooit boven dat ontwerp van godzaligheid, hetwelk ia de Heilige Schrift geteekent staat, opgeklommen \'). Wij hebben dus aan den Bijbel genoeg.

\')

ras KxpxlÓTsiq, Vuig, traditiones. F. Van Mastricht, Godgel. I. p. 95. Boos, Christl. Glaubensl. S. 23 f.

1)

-ocr page 279-

§ 38. GENOEGZAAMHKID DER H. SCHRIFT. GEEN TUADITIE. 255

Tevergeefs beroept men zich hiertegen op de Joodsche Kerk, die velerlei vo.n het eene geslacht tot het andere overgeleverde gebruiken onderhield, welke niet uitdrukkelijk in de Schrift waren geboden. In de wet van Mozes was één jaarlijksch, streng vasten verordend, namelijk op den groo-ten verzoendag. Maar na de ballingschap werden verscheiden jaarlijksche vastdayen ingevoerd : in de vijfde maand, wijl toen de tempel te Jeruzalem met de stad was verwoest geworden, in de zevende maand ten aandenken aan de vermoording van Gedalja quot;) en van degenen die met hem waren ook in de vierde maand, in welke de Chaldeën het eerst de stad waren ingebroken en in de tiende maand waar de belegering was begonnen. - Ook werden bij de vroegere, in de Mozaïsche wet voorgeschreven feesten andere feestdagen gevoegd, niet alleen Purim, maar ook het feest der Vernieuwing des Tempels en het HoutdraagfeesP).

Maar dit alles geeft aan de Christelijke Kerk geen recht om nu, nadat de vasten en feestdagen des Ouden Verbonds hebben uitgediend, voor alle volgende tijden nieuwe voor te schrijven. Vasten is goed, particulier dikmaals, ook alge-meene vasten soms, maar naar den eisch en nood der tijden en omstandigheden. Dankdagen desgelijks, na uitreddingen. „Doch de jaarlijksche, achtereenvolgende onderhouding daarvan, door eene instelling van de Kerk voor het toekomende geslacht, herinnert een onzer uitnemendste Godgeleerden s),

\') Winer, Bibl. Realwörterb. 2te Aufl. 1. S. 426 heeft abusievelijk Zedekia.

2) Waar men hout voor het altijd brandend altaarvuur naaiden tempel bracht. Winer, Rcalw. 1. S. 433. O e hl er in Her. zogs Real-Enc. IV, S. 390.

W. n Brakel, Rrdel. Godsd 1. p. 30. De Heidelb. Catec\'1-

-ocr page 280-

256 § 38. GENOEGZAAMHEID DER H. SCHRIFT. GEEN TRADITIE.

heeft geen grond in Gods Woord en is te misprijzen, hoedanig bij ons zijn de gewone Feestdagen, die behoorden weggenomen te worden,quot; natuurlijk uitgezonderd „de dag des Heeren.quot;

Over de Feestdagen is er bij de Gereformeerden, behalve het voortgaand verschil van persoonlijke gevoelens, ook kerkelijk al zeer verschillend geoordeeld. Terwijl op de Provinciale Synode te Dordrecht 1574 art. 53 is besloten dat men met den zondag alleen tevreden zal zijn i) heeft hel dor Nationale Synode te Dordrecht 1619 (Nahandelingen IGSlste zitting) goedgedacht te bepalen: de kerken zullen onderhouden behalve den dag des Heeren, ook den Christ-dag, Paschen, Pinksteren, met den volgenden dag — ook den dag der besnijdenis en der hemelvaart van Christus11).

Hoe moeten wij hierover denken ? Bij de vrijheid van allen ceremoniëndienst kan en mag ongetwijfeld iedere particuliere Kerk hare wijze van bestuur en van dienstorde, hare uitwendige plechtigheden, dus ook hare feestdagen tot onderwijzing en opbouwing voorzichtig bepalen 3), naar den

zegt bij de verklaring van het 4de gebod alleen : dat ik inzonderheid op den Sabbat dat is op den Rustdag tut de gemeente Gods naarstiglijk kome,

\') Doch zal men de gewoonlijke materiën van Christus\' ge-loorte Zondags voor den Christ day in de Kerk behandelen en het volk van de afsehajfing dezes feestdags vermanen en ook van dezelve materie op den Christ dag prediken, indien hij valt op een predikdag. — Op Paschen en Pinksteren zal men van Christus\' verrijzenis en de zending des H. G. prediken mogen, hetwelk in de vrijheid der Dienaren slaan zal. Kerkel, Handboekje. ^.111 v.

■^) Kerkel. Handboekje p. 353.

*) F. Van Mastricht, Godgel 1.. p. 55. Calvin. Inslit. IV.

-ocr page 281-

§ 38. GENOEGZAAMHEID DER H. SCHRIFT. GEEN TRADITIE. 257

algenieenen regel 1 Kor. 14 : 40 : laat alle dingen eerlijk^) en met orde geschieden. Alleenlijk dat er in die bepalingen niets zij wat strijdig is tegen het Evangelie en men er geen verdienstelijk of slaafachtig werk van make tegen Gal. 4: 10 : gij onderhoudt dagen en maanden en tijden en jaren — zwakke en arme beginselen!

§ 39. Klaarheid der Heilige Schrift.

Bij de volledigheid en de genoegzaamheid der Heilige Schrift komt

3. hare klaarheid. Deze eigenschap maakt haar bijzonder bruikbaar als volksboek bij uitnemendheid en wordt door de Protestanten nadrukkelijk beweerd tegen de Roomsch-Katholieken, naar wier gevoelen de Schrift duister en daarom voor algemeen gebruik niet geschikt zou zijn.

Doch wij moeten hierin ook niet te ver gaan en terwyl

10. 27 : ld tantum semper in istis observationibus excipiondum est, ne aut ad salutem credantur necessariae atquo ita conscien-lias religione obstringant aut ad Dei cultum conferantur atque ita illis reponalur pietas. Juist zoo ook M. F. Roos, Lehre und Lebensgesch. J. C. 1. S. 314: lm Reiche Gottes gelten auch nur Gebote Gottes und Menschen-Gebote wenn man sie nicht um der auszerlichen Zucht und Ordnung willen halt, sondern für einen unmittelbaren Gottesdienst ausgibt, sind vergeblich und schiidlich.

\') ewxypcvw;, betamelijk welvoeglijk „zoodat het eene goede gedaante hebbe kxtk rxf-iv naar orde : „zonder verwarring, elk op zijn behoorlijke tijd , beurt, plaats enz.quot; Kantt. Het ziet op de dingen die te doen zijn in de vergaderingen der gemeente. Bengel, Gnomon : honeste quod ad singulos attinel; ce-cundum ordinem invieem.

Gravemcgor , üeref. Gel. leer. It

-ocr page 282-

258 § 39. KLAAIUIEID DER HEILIGE SCHRIïT.

wij de klaarheid der Heilige Schrift bekennen, kunnen wij niet bedoelen eene volkomene duidelijkheid van al de bijzonderheden die in de Schrift staan. Maar klaar is zij in al wat het Goddelijk oogmerk betreft waarom en waartoe zij ons is gegeven : om ons wijs te maken tot zaligheid.

Vele punten in geschiedenis, tijdrekening, voorzeggingen zijn zwaar om te verstaan. Maar de leer der zaligheid blinkt er door alle donkerheid uit in helder licht. Al wat tot de wezenlijke geloofswaarheden behoort, staat in de Heilige Schrift voor ieder opmerkend lezer klaar en verstaanbaar geschreven en wat hiervan aan ééne plaats meer donker en onzeker is gezegd, vindt men aan andere plaatsen des te klaarder en ontwijfelbaarder uitgesproken. De Schrift legt zich zelve uit voor die naar het licht vragen.

Dies is de klaarheid eene eigenschap die aan de Schrift in haar geheel toekomt en binnen dit geheel bij name aan datgene wat ter zaligheid noodig is om gekend, geloofd en betracht te worden \'). En een ieder die er zorgvuldig gebruik van maakt zal er van bekennen met Ps. 119: 105: Uw Woord is eene lamp voor mijnen voet en een licht op mijn pad; zal instemmen met den „roem van de Openbaring des Goddelijken Woordsquot; Deut. 30: 11: Want dit-zelve gebod hetwelk ik u heden gebiede, dat is van u niet verborgen en dat is niet verre. 12. Het is niet in den hemel, om te zeggen : wie^zal voor ons ten hemel varen, dat hij het voor ons hale en ons hetzelve hooren late, dat wij het doen? 13. Het is ook niet aan gene zijde der zee, om te zeggen: wie zal voor ons overvaren aan gene zijde der

\') H, Paret, in Herzogs Real-Enc. II. S. 139. Van Oosterzee, Ghr. Dogm. I. p. 299 v.

-ocr page 283-

§ 39. KLAARHEID DER HEILIGE SCHRIFT.

zee, dat hij het voor ons hale en ons hetzelve hooren late dat wij het doen ? 14. Want dit woord is zeer nabij u , in uwen mond en in uw hart om dat te doen. Dit werd door Mozes in zijn laatste tot Israël gesproken en wordt in het Nieuwe Testament door Paulus Rom. 10 : 5 v.v. weer opgenomen en op het „woord des geloofsquot; gepast.

En dat liet Woord ook des Ouden Testaments aangaande den weg der zaligheid niet donker is, maar nu te meer met het Evangelie des Nieuwen Testaments machtig is om \'t donker op te klaren , wordt schoon en treffend betuigd 2 Petr. 1 : 19 : En wij hebben het profetische woord dat zeer vast\') is en gij doet wel dat gij daarop acht hebt als op een licht schijnende in eene duistere plaats, totdat de dag aanlichte en de morgenster opga in uwe harten — een licht dus voor den geheelcn loop dezes levens totdat wij komen in de stad die zon noch maan behoeft, want de heerlijkheid Gods verlicht haar en het Lam is hare kaars (Openb. 21 : 23).

Wel met reden heeft de Protestantsche Kerk tegen de

\') Eigenlijk: Vaster, fiefixioTipov. Petrus noemde vooraf als grond van zekerheid voor het geloof der Christenen zijn eigen getuigenis en dus in het gemeen het getuigenis der Apostelen en hij vermelde als ten voorbeelde de door hemzelven mede aanschouwde verheerlijking van Christus op den heiligen berg. Nu komt hij op den tweeden grond : het woord der Profeten : En wij hebben het Profetische woord als een vaster woord, nu nog vaster, meer bevestigd dan voorheen, daar door de vervulling van de hoofdzaak aller voorzeggingen, namelijk de komst van Christus, geheel het Profetische woord bekrachtigd en geslaafd en aldus voor ons nog vaster geworden is. — De duistere plaats is het hart en het leven. Het Woord eene lamp, lantaarn of fakkel. Daarna de overgang tot het volle licht.

259

-ocr page 284-

260 § 39. KLAARHEID DER HEILIGE SCHRIFT.

Eoomsche de klaarheid en verklaarbaarheid der Heilige Schrift staande gehouden.

De Roomsche Kerk oordeelt de Schrift duister en onverstaanbaar, het bijbellezen voor leeken (niet-geestelijken) meer schadelijk dan nuttig, bindt dezen geheel aan de onderwijzing der geestelijken zonder eigen onderzoek en schrijft zich zelve (dat is den Paus met de Kerkvergaderingen) onfeilbaarheid in de uitlegging toe , om zich aldus tegen alle aanvallen uit de Schrift te verzekeren.

Onverstaanbaarheid der Schrift zou strijden tegen haar doel, tegen hare bestemming voor de Kerk. Zij is haar leer- en levensboek, zij is het samenstel der Goddelijke openbaringen, zij bevat in verscheidenheid van vormen de wilsverklaringen Gods. Wat ware eene openbaring, die ons wat ons noodig is niet openbaarde? wat een woord dat onverstaanbaar sprak ? Zelfs de openbaring van Johannes is verklaarbaar genoeg voor dat doel, vertroosting in verdrukking, waartoe zij aan de Kerk is gegeven.

Overigens wordt bij de klaarheid en verklaarbaarheid der Heilige Schrift niet onnoodig geacht maar veel meer verondersteld het gebruik van hulpmiddelen, de uitlegging der Godgeleerden , onderwijzing door kerkleeraars en bovenal de verlichting door dienzelfden Geest, door wien de Heilige Schrift is ingegeven. Tot het rechte verstaan komt men niet dan onder het gebed , studie en beproeving \'). Men komt er dan ook niet eensklaps toe maar allengs.

Wel naar waarheid is er gezegd : „Niet alle menschen zijn bekwaam om de Schrift in haren geestelijken zin te verstaan, die nochtans klaar wordt voorgesteld. Gelijk de zon, schoon

\') Oratio, medidatio, tentatio, gelijk Luther zegt.

-ocr page 285-

§ 39. KLAARHEID DER HEILIGE SCHRIFT. 261

zij is een verlichtend licht, door eenen blinde niet gezien kan worden en een bijna blinde maar eenige schemering ziet maar geen dingen onderscheidenlijk kent en de zienden trappen van klaarheid in het zien hebben (zooals de blinde Mare. 8 : 23 v.v. trapsgewijs genezende eerst de menschen als boomen zag wandelen, maar daarna zag hij hen allen ver en klaar), waarvan het gebrek niet is in de zon : zoo is het ook hier met het geestelijk licht. Een natuurlijke kan wel op eene natuurlijke wijze de woorden van de Schrift, de sententiën en den samenhang in vele zien maar den geestelijken zin kan hij niet verstaan, die is hem dwaasheid, hij weet daarvan zoo weinig als een blinde heiden \').quot;

Er zijn verborgenheden in de Schrift, ondoorgrondelijk in zich zelve , waarheden , donker door hare diepte, leerstukken , aangaande God en de Goddelijke personen , de wereld en den mensch, tijd en eeuwigheid die , wat de zaak zelve betreft veelzins onbegrijpelijk zijn , maar toch zoo uitdrukkelijk voorgesteld, dat onweersprekelijk dit blijkt: \'t is bijbelleer. Is dat uitgemaakt, dan wordt het aan het geloof overgegeven.

Gods Woord is als de wolkkolom Exod. 14 : 20, die bij de Roode zee tusschen het leger der Egyptenaren en het leger van Israël kwam : en de wolk was tegelijk duisternis (voor de Egyptenaren die achteraankwamen) en verlichtte den nacht (voor de Israëlieten die voorgingen). Zoo is ook het Woord Gods voor bestrijders en ongeloovigen duister , ja verduisterend, voor die zich gezeggen en zich leiden laten is het een licht. „Zooals de mensch met Gods Woord handelt , handelt God met hem.quot; Ook in dezen geldt wat David

\') Brakel, Redel. Godsd. I. p. 38.

-ocr page 286-

§ 39. KLAARHEID DER HEILIGE SCHRIFT.

tot don Heere sprak Ps. 18; 26: Bij de goedertierene houdt Gij U goedertieren , bij den oprechten man houdt Gij U oprecht. 27. Bij den reine houdt Gij U rein maar hij den verkeerde bewijst Gij V een worstelaar.

Of kan men ten bewijze van de onklaarheid der Heilige Schrtft zich op het eigene gezegde van Petrus beroepen , dat er in de Zendbrieven van Paulus sommige dingen zwaar zijn om te verstaan? 2 Petr. 3: 16. Maar a. Petrus zegt alleen sommige en hij bedoelt de laatste dingen als de wederkomst van Christus ten oordeel, de opstanding der dooden, het vergaan der wereld door vuur, de nieuwe hemelen en de nieuwe aarde, waarvan hij vooraf heeft gesproken, b. En hjj zegt: dingen , zaken ; dus niet dat het voorstel er van duister of twijfelachtig was of dat sommige van de Zendbrieven onverstaanbaar waren, maar de zaken zelve waren zwaar om te begrijpen \'). c. Hij spreekt niet van allo lezers in \'t gemeen maar van ongeleerde (onleerzame) en onvaste menschen , die uit dien hoofde het Woord misverstonden en verdraaiden. „Werkelijk waren het vele plaatsen uit de brieven van Paulus aan welke de oudste sekten , terwijl zij ze uit den samenhang scheurden, hare dwaalleer aanknoopten 2).quot; Dus beschuldigt Petrus niet de Zendbrieven van Paulus , niet de Schrift, maar de menschen die haar kwalijk gebruikten en hij waarschuwt de geloovigen er voor ; v. 14 ; Daarom , geliefden ! verwachtende deze dingen , benaarstigt u dat (jij onbevlekt en onhestraffelijk van Hem bevonden moogt worden in vrede. 15. En acht de lankmoedigheid onzes He er en voor zaligheid, gelijkerwijs ook onze ge-

\') êv bi; s7t) SwrvoyTx tivx , niet b xiq sh) quot;hvwoytoi nveg.

\') Von G er lach, a. 1.

262

-ocr page 287-

§ 39. KLAARHEID DEK HEILIGE SCHRIFT. 263

liefde broeder Paulus naar de wijsheid die hem gegeven is ulieden geschreven heeft. 16. Gelijk ook in alle Zendbrieven daarin van deze dingen sprekende, in welke dingen sommige zwaar zijn om te verstaan, die de ongeleerde en onvaste [menschen | verdraaien gelijk ook de andere Schriften tot hun eigen verderf. 17. Gij dan, Geliefden, [zulks] te voren wetende wacht u dat gij niet door de verleiding der gruwelijke menschen mede afgerukt wordt en uitvalt van uwe vastigheid.

Hierbij moeten wij gedenken aan hetgeen Paulus van het onverstand en het misverstand tegenover het Woord, bij name het Evangelie verklaart 2 Kor. 4 : 3. Doch indien ook ons Evangelie bedekt is , zoo is het bedekt in degenen die verloren gaan. 4. In dewelken de God dezer eeuw de zinnen verblind heeft, namelijk der ongeloovigen , opdat hen niet bestrale de verlichting des Evangelies der heerlijkheid van Christus , die het beeld Gods is. Het is bijgevolg niet de schuld des Woords, inzonderheid des Evangelies, wanneer het velen „duister en vreemd schijnt.quot; Zij zien ook de zon op den middag niet, omdat zij moedwillig hunne oogen sluiten en aan de verblindende werking des Boozen zich overgeven. Het gebrek ligt niet in de Schriit maar in den mensch. David bad niet om grooter klaarheid der Schrift maar om ontdekking zijner oogen, om licht voor zijn verstand, om licht voor zich niet voor de Schrift\')• „Het Evangelie heeft klaarheid genoeg om zulken die begeeren te zien terecht te wijzen , maar ook donkerheid genoeg om degenen die niet willen zien geheel te verwarren. Klaarheid genoeg heeft het om de hulpbehoeftigen te verlichten en donkerheid ge-

\') /\'. Van Maat richt, Godgel. I. p. 80.

-ocr page 288-

264 § 39. KLAARHEID DER HEILIGE SCHRIFT.

noeg om hen ootmoedig te houden. Donkerheid genoeg om degenen die verloren gaan te doen dwalen, klaarheid genoeg om hun voor hun nietgelooven elke verontschuldiging te ontnemen.

Alles dient den uitverkorenen tot heil, ook de donkerheden des Evangelies, welke zij eeren wegens de veelvuldige klaarheid die zij er anders in vinden. Alles strekt den verworpenen ten onheil, ook het klare in de Schrift, die zij lasteren wegens de vele donkerheden welke zij niet verstaan wie ooren heeft om te hooren, diehoorequot;).quot;

§ 40. Noodzakelijkheid der Heilige Schrift.

Is de Heilige Schrift volmaakt, genoegzaam en klaar, ai le rechtzinnigen kennen haar dan ook.

4. noodzakelijkheid, onmisbaarheid toe. De Schrift , het geschreven Woord toch is de bron „waaruit de belijdende gemeente tot aan het einde der dagen , tot dien dag toe op welken alle boeken verbranden, hare kennis van hetgeen God tot hare verlossing gezegd en gedaan heeft, putten moet 2).

De Heilige Schrift is en blijft voor de Kerk op aarde onmisbaar : a. om de geopenbaarde leer in de Kerk on-vervalscht te bewaren; b. om de leer, waar zij door menschen verontreinigd is , telkens weer te zuiveren.

Die de noodzakelijkheid van het geschreven Woord ontkennen, brengen schijnbare redenen bij om hun gevoelen te staven. Zij herinneren : a. „tweeduizend jaren lang, van Adam tot Mozes toe, io de religie bewaard gebleven en heeft

\') F. IP. Krummacher, Elias der Thisbiter 1833. III. S. 402 f, BI. Pascal, Pensees,Paris 1843. p. 292. 293.Partie ll.Art.XlII 2 et 6.

J) Aanteekeningen op Dr. Hoedemakers Handb. bl. 71.

-ocr page 289-

§ 40. NOODZAKELIJKHEID DER HEILIGE SCHRIFT. 265

de Kerk bestaan zonder geschreven Woord.quot; Maar in die tyden was om redenen boven vermeld, (§ 5), het schrift des Woords niet noodzakelijk, te meer wijl de levende stem Gods tot en door de Aartsvaderen nog gedurig sprak en de on -middelijke openbaring nog voortging. Men brengt b. in: „na de komst van Christus is de Kerk. de Christelijke, desgelijks eerst zonder de Schrift gcwcesi.quot; Maar toen bezat zij het Oude Testament en daarbij de prediking der Apostelen, die door den Geest der waarheid werden geleid. Toen de stom der Apostelen verstomde, was de Schrift noodzakelijk. En daarvoor zorgde de Ileere tijdig. Als Petrus zijn tweeden Brief schreef, kort voor zijnen marteldood, waren de Zendbrieven van Paulus reeds geschreven on hem bekend (2 Petr. 3: 15, 16) De Christelijke Kerk was er vóór liet geschreven Nieuwe Testament. De mondelijke verkondiging door de getuigen van Jezus Christus kon haar doen ontstaan.

Maar om te bestaan, om haar karakter te behouden had zij juist dezelfde onvervalschte leer der Apostelen van noode. Toen nu de laatste Apostel, Johannes, had uitgesproken, kon deze leer alleen door geheugen of door schrift bewaard blijven. De bewaring in het geheugen , dus mondelijke overlevering kon bij zoovele natiën en talen, waarin de Kerk zich vestigde en uitbreidde, onmogelyk langen tijd onver-valscht voortgaan. Schrift was noodig. In de Apostolische Schriften bestond nu de zuivere overlevering. „De Kerk echter heeft deze Schriften niet echt gemaakt doordat zij deze als echt en Apostolisch erkende en aannam, maar deze Schriften hebben zich zeiven aan de Kerk als echt en waar betoond en zij maken van toen af de Kerke echt •).

\') Nitzsch, System. 5tc Aud. § 39. S. 90. Van Oosterzee, Chr. Dogm. I. p. 298. P. Van Mast richt, (iodgel. I. p. 95 v.

-ocr page 290-

26G § 40, NOODZAKELIJKHEID DEK HEILIGE SCHRIFT.

En is er dwaalleer en zedenbederf ingedrongen, geen waarachtige reformeering en zuivering kan er geschieden dan door en naar het geschreven Woord.

Hier stellen zich de Protestanten lijnrecht 1. tegen de Eoomschen , die wel de onbeschrevene kerkelijke overlevering maar niet de Heilige Schrift voor de Kerk volstrekt noodig achten en zelfs leeren : „de Kerk kan wel bestaan zonder de Schrift maar zonder de traditie nietquot; i).

2. Tegen cjeestdrijvers, die door particuliere openbaringen buiten het Bijbelwoord willen geleid worden en aannemen dat eene onmiddelbare verlichting door den Heiligen Geest in den mensch de zaligmakende waarheid voortbrengt, terwijl de Heilige Schrift als een bloot getuigenis van deze waarheid aan de innerlijke verlichting is ondergeschikt2). Maar „de kinderen Gods, zegt Calvijn s), welen wel dat zij zonder Gods Geest alle licht der waarheid missen , maar evenzeer is hun niet onbekend dat het Woord het werktuig is, door hetwelk de Heer den geloovigen de verlichting van zijnen Geest mededeelt. Want eenen anderen Geest kennen zij niet dan die in de Apostelen gewoond en gesproken heeft , die hen dus bestendig tot dat Woord terugroept, dat door de Apostelen verkondigd en geschreven is.quot;

3. Tegen alle onyeloovigen , die eigen verstand en rede (ratio, vandaar Rationalisten genoemd) voor de bron houden waaruit zij alle waarheid moeten en kunnen putten en voor den toets waaraan zij wat waar is kunnen kennen en dus

\') Hase, Hutter. rcdiv. 3te Aull. S. 109. Winer, Goniparat. Darstell. 2te Aufl. S. 31. 4.te Aufl. S. 44 f.

2) Zoo de Quakers. Winer, a. W. S. 33. 4te Aufl. S. Mi.

3) Tegen de fanatieken en enthousiasten van zijne dagen. Institut. I. 9. 3. en Comment, in 2 Thirnoth. 4:13.

-ocr page 291-

§ 40. NOODZAKELIJKHEID DER HEILIGE SCHRIFT. 2(i7

den Bijbel gering achten en zijn gezag bestrijden of verduisteren. De waarheid is: „zonder het Woord Gods, dat geschreven staat, geen erkennend geloof, geen zegen van den Godsdienst, geen kracht des Sacraments, geen Heilige Geest in de gemeente ! Zonder Schrift geene Kerk en geen volk Godsquot; lt;)•

§ 41. Gebruik der Heilige Schrift.

Uit al het voorgaande volgt niet alleen de vrijheid, maar ook de noodzakelijkheid van het gebruik der Heilige Schrift. Vrijstaan moet het allen, die lezen kunnen, om zeiven het Woord te lezen en te onderzoeken en die niet lezen of niet zien kunnen om het zich te laten voorlezen. En niet alleen moet het allen toegankelijk gemaakt en vergund worden, maar allen, van wat stand ook, zijn er ten duurste toe verplicht. Rijken en armen, geleerden en ongeleerden, ouden en jongen moeten naarstig lezen in het boek des Heeren.

Hiertoe wordt in het Woord zelf gedurig en krachtig vermaand.

Aangaande de Wet, Deut. 6:0: En deze woorden, die ik u heden yehiede, zullen in uw harte zijn. 7. En gij zult ze uwen kinderen inscherpen en daarvan spreken als gij in uw huis zit en als gij op den weg gaat en als gij nederligt en als gij opstaat. 8. Ook zult gij ze tot een teeken binden op uwe hand en zij zullen u tot voorhoofd-spanselen zijn tusschen uwe oogen. 9. En gij zult ze op de posten uws huizes en aan uwe poorten schrijven.

Aangaande Av profetie,ieï,\'i±:\\(i. Zoekt inliet hoek des Ree-ren en leest, niet één van dezen zal er feilen, het eene noch het

\') Stier, Reden Jezu nach Johann. 1. S. 252, zu Joh. 5: 39.

-ocr page 292-

268 § 41. GEBRUIK DER HEILIGE SCHRIFT.

andere zal men missen, want mijn mond zelfheeft het geboden en zijn Geest zelf zal ze samenbrengen.

Aangaande geheel het Oude Testament vermaant Christus, Joh.5 : (59 : Onderzoekt de Schriften, ivant gij meent in dezelve het eeu wige leven te hebben en die zijn het die van Mij getuigen. Daarom worden Hand. 17:11 de Joden te Berea geprezen als edeler dan die te Thessalonica waren, omdat zij de predikatie des Apostels Paulus mot de Heilige Schrift vergeleken, onderzoekende dagelijks de Schriften of deze dingen alzoo waren. —

Aangaande het Nieuwe Testament: hot is voor allen bestemd zonder uitzondering. De meeste zendbrieven der Apostelen zijn uitdrukkelijk aan do goheele gemeenten, Romeinen, Korinthiërs enz. en niet aan opzieners alleen gericht Paulus vermaant 1 Thess. 5 : 27 : Ik bezweer ulieden bij den Heere dat, deze zendbrief al den heiligen gelezen worde. Wat de Apostel daar met zoo groeten ernst en nadruk van dezen brief aandringt, die de eerste was van al de brieven welke hij geschreven heeft, dat geldt van al de andere tevens. En bezweert hij de voorstanders der gemeente te Thessalonica bij den naam van God om zijnen brief aan de geheele gemeente mede te deelen; hoe verhard moeten dan die zijn die het lezen van de brieven van Paulus en van de geheele Schrifture aan de gemeenten zoeken te onttrekken \') ! En nogmaals wordt het lezen aangedrongen in het laatste Bijbelboek, de Openbaring van Johannes 1:3: Zalig is hij die leest en zijn zij die hoor en de woorden dezer profetie en die bewaren hetgeen geschreven is: want de tijd is nabij.

Ook het Oude Testament moet gelezen worden. Het is

\') Kantt. en Calvin. Comment, in 1 Thess. 5:27.

-ocr page 293-

§ 41. GEBRUIK DEIl HEILIGE SCHRIFT.

bij velen maar al te zeer achter de bank geraakt •), Het Nieuwe Testament alleen is de Bijbel niet, maar het Oude en Nieuwe saam zijn de Bijbel. De Heilige Schrift is één Goddelijk werk in twee deelen : het Oude Testament is het eerste deel, het Nieuwe het tweede.

Het oude Testament behoudt ook voor den Christen onschatbare waarde. Het behelst geschiedenissen, zonder welke men veel in het Nieuwe Testament niet verstaan kan en die ook op zichzelve hoogst belangrijk en leerzaam zijn als afbeeldingen van de wegen die God altijd met zijn volk houdt. Want al wat te voren geschreven is, dat is tot onze leering te voren geschreven, opdat ivij door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften hoop hebben zouden, Rom. 15 ; 4. Het oude Testament behelst Goddelijke leer, geboden, dreigingen, beloften. De wet der heiligheid, daar beschreven, is niet ontbonden. Het schetst de ondervindingen der vromen, de diepten des geestelijken levens, de gewaarwordingen en werkzaamheden der godzaligen in benauwdheden en in ruimte, in strijd en in vrede. Het bevat voorzeggingen

\') In de theologische wereld heeft Schlelermacher hel Oude Testament maar al te zeer versluierd en tot deszelfs achterstelling medegewerkt. Hij laat het eene plaats in den Bijbel, maar achteraan en zegt Der Christelijke Glaube § 132. 3te Ausg. II.

S. 34G : de oudtestamentische schriften deelen niet in de normede digniteit (waardigheid en regel voor geloof en leven) of in de ingeving der niemvtestainentische, S. 351 ; er is niets tegen dat het 0. T. geheel en volledig hij het Nieuwe worde genoemd. Slechts zou H heter strooken, wanneer het O. T. als aanhangsel achter hel Nieuwe stond, daar de tegenwoordige plaatsing aanduidt dat men zich eerst d\'oor geheel het O. T. moet doorwerken, om op rechten weg tot het Nieuwe te geraken. O dwaasheid van een wijs man 1

269

-ocr page 294-

§ 41. GEBRUIK DER HEILIGE SCHRIFT.

die men kennen moet of men kan hare vervulling niet inzien noch staven. In het Oude Testament ligt de voorbereiding tot het Nieuwe. Het eene is de sleutel voor het andere. Christus en Zijne Apostelen bouwen op de oude openbaringen Gods op het feit van de schepping, op de werkelijkheid van den zondeval, op de wet die tegen de zonde getuigt, op de voorzeggingen die vervuld moesten worden. De genade en de waarheid des Nieuwen Verbonds zijn onverstaanbaar zonder de wet en de schaduwen van het Oude. De leer der zaligheid wordt vervalscht en verdraaid , zoodra men den onverbreekbaren samenhang des Ouden en des Nieuwen Verbonds miskent \').

„De leermeesters der Joden hebben gewild dat niemand het eerste, kapittel van Genesis, noch het Hooglied van Salomo noch het begin noch het einde van den Profeet Ezechi\'él (h. 1. en h. 40—48) lezen zou totdat hij 30 jaren oud zou wezen, doch ten onrechte en uit superstitiequot; \').

De Heilige Schrift is voor geheel het volk Gods dat tot aan den jongsten dag zijn zal, geschreven. Geen deel van haar is onnoodig of onnut. Doch gelijk een enkel mensch wel de gansche zon boven zich ziet maar niet al hare stralen omvatten kan: alzoo dient wel voor iederen Christen geheel de Bijbel maar nimmer zal er één al deszelfs deelen even goed begrijpen. Ook zijn zekere gedeelten van den Bijbel voor éénen tijd noodiger en bruikbaarder dan voor den anderen. Immers kan bij voorbeeld niemand zeggen

\') Von Gerlach, A. ï. I. S. IX.

2) Staten-Bijbel. Inleid, op het Hooglied Salomo\'s. Genoemde stukken mochten dan ook in de Synagogen niet voorgelezen worden

270

-ocr page 295-

§ 41. GEBRUIK DEU HEILIGE SCHRIFT. 271

dat de namen der steden en der inenschen, die Joz. 15 —21 en 1 Kron. 1 — 9 genoemd worden, voor ons zoo belangrijk zyn als zij eertijds voor de Israëlieten waren. Doch ofschoon niet alles voor een ieder ter zaligheid noo-dig is en sommige zaken als de volkentafels en de geslachtregisters thans meest dienen tot nauwkeuriger geschiedkundige navorsching voor degenen die hiertoe geroepen zijn : zoo heeft evenwel dit alles zijn nut tot toelichting voor iederen bijbellezer en de naarstige onderzoeker zal nergens ledig uitgaan \').

Bijbelverbod.

Bij de Roomsch-Katholieken is voor de leekcn, dat zegt voor degenen die niet tot den geestelijken stand behooren, het lezen van den Bijbel in hunne landstaal door verscheiden Pausen bemoeilijkt of zelfs verboden, onder voorwendsel dat het een duister, onvolledig en even daarom in de handen der leeken zonder priesterlijke uitlegging schadelijk boek zou zijn. Hierdoor stelde zich de Room-sche Kerk in tegenspraak tegen de praktijk van geheel de oude Kerk , die zonder eenige beperking aan hare leden onder alle natiën vergunde de Heilige Schriften in hunne taal te lezen s).

Gregorius 1, bisschop te Rome 590—604, beval nog allen leeken het lezen van den Bijbel nadrukkelijk aan. Hij vergeleek de Heilige Schrift bij eene rivier, die aan sommige plaatsen zoo weinig diepte van water had, dat er wel een lam door kon waden en. aan andere plaatsen zoo diep

T) Boos, Chr. Glaubenslehre S. 24.

2) Dr. Aug. Hahn, Das Bekenntn. der ev. Kirche S. 81. 87.

-ocr page 296-

§ 41, BIJBELVERBOD.

was dat er een olifant in verdrinken zou: een beek waaruit een schaapje drinkt, een zee waarin een olifant verzinkt i).

Een bepaald verbod van den Bijbel voor niet-geestelijken werd het eerst door Paus Innocentius //71198—1216 gegeven. Dan ging het aan \'t vervolgen. Er waren namelijk in het kerkgebied van Metz vereenigingen van mannen en vrouwen ontstaan, die tot onderlinge stichting met elkander den Bijbel lazen. Dour het lezen der Schrift waren er onder hei; volk reeds menigen tot kennis van vele dwalingen in de kerkleer gebracht. Dat baarde bezorgdheid. Men bevroedde eenen samenhang tusschen deze bijbellezers en de door het kerkelijke doemvonnis getroffene sekte der Waldenzen. Hunne vergaderingen werden uiteengejaagd, hunne Bijbels verbrand. Zoo was het de ijver voor het Kerksys-teem , voor de hierarchie, voor de kerkelijke heerschappij tegen de sekten, die deze bestreden, bij wie de waarheid schuilde, wat tot gewelddadige onderdrukking van het bijbellezen der leeken voerde, ofschoon men dit eerst niet had bedoeld. Innocentius beriep zich op de bepalingen in het Oude Testament (Ex. 19 : 23) dat zelfs het beest hetwelk den berg Sinaï aanraakte, gesteenigd moest worden. De synode te Toulouse in het jaar 1229 verbood strengelijk voor de leeken liet bezit en gebruik van boeken des Ouden en Nieuwen Testaments in de volkstaal. De handhaving van dit verbod werd later de taak der Inquisitie \').

In de Symbolische hoeken der Roomsche Kerk is het bijbellezen den leeken niet verboden. „Over het bijbellezen

\') Herzog in zijne Real-Enc. 11. S. 202.

J) Herzog in zijne Real-Enc. II. S. 203. Neudecker ib. VI. S.

651. Neander, Algem. Gesch. der Ghr. Rel. u. Kirche Vter Band, 2te Abth. S. 623. 628 f.

272

-ocr page 297-

§41. BIJBELVERBOD.

der leeken bepalen de Katholieke Symbolen nietsDe kerkvergadering te Trente verordende het opmaken van eene Lijst van verboden hoeken. De commissie echter droeg het aan den Paus over. Pius IV (1559 — 1565) gaf er een Lijst, waarin onder anderen bepaald werd dat „den leeken met vergunning van den bisschop of van de Inquisitie alleen de goedgekeurde overzettingen toegestaan zouden worden»).quot;

Paus Clemens XI gaf een nieuw verbod. Desgelijks Pius Vil 1816 en ook Paus Pius IX. Doch al dezen hebben aan het volk het bijbellezen geenszins volstrekt verboden: zij wilden voornamelijk de machtige werking der Bijbelgenootschappen weren s). En de bepalingen komen hierop neer, hetgeen ook een Roomsch leerboek \'*) inscherpt: «het is aan gemeene lieden verboden den Bijbel zonder verlof van den bisschop of van andere zielbestierders te lezen in de moederlijke taal.quot;

De Protestantsche Kerk wil geen blind geloof, maar, ter-wyl de leidslieden der Roomsche en ook der Grieksche Kerk den Bijbel aan het volk onttrekken, zegt zij: kom en zie ! gelijk Philippus tot Nathanaël sprak Joh. 1 : 47. Komt en ziet / had de Heere Jezus zelf gezegd tot Andreas en Johannes v. 40. Kom en zie I wordt Openb. 6 viermaal aan Johannes toegeroepen, telkens bij een nieuw gezicht wanneer er een der zegelen geopend werd. Komt en ziet Gods daden ! luidt Ps. 66: 5 de opwekking om de wonderwerken

\') Winer, Gompar, Darst. 2te Aull. S. 40 4te Aufl. S. 58.

2) Neudecker, in Herzogs Real-Enc. VI. S.652 t. art. Inquisition 2e Ed. VI. S. 736 f.

3) llerzog, in zijne Real-Enc. II. S. 206. art. Bibellesen 2e Ed. II S. 375.

4) Mechelsche Catechismus ed. 1843. p. 33, 36.

Gravemeijer, öeref. Gel. loer. 18

273

-ocr page 298-

§ 41. uubelverbod.

des Allerhoogsten met aandacht te beschouwen. Ook de schepping doet er van zien en hooren gt;), maar in de Schrift staan ze beschreven, Komt en ziet ze daar! Alles lokt uit tot eigen onderzoek. — De Waarheid schuwt het onderzoek niet, zij weet dat zij er niet door lijdt maar wint. De Protestantsche Kerk wil het, zij beveelt het aan, zij vraagt het. Ieder mensch mag zijn gevoelen hebben. Men mag, men moet het vrijelijk uiten, al is het eerst twijfel en tegenspraak gelijk bij Nathanaël. Dit eischt de oprechtheid Maar men mag niet stijfzinnig op zijn gevoelen staan, men moet kalm onderzoeken, onpartijdig oordeelen en alles aan de hoogste regelmaat, de Heilige Schrift, nauwkeurig toetsen. Dat is de eisch der eerlijkheid. En dan verdwijnen ook de twijfelingen gelijk de nevelen voor het zonlicht.

§ 42. Het reohte Bijbellezen.

Mogen en moeten allen, die maar lezen of hooren kunnen, tot de Goddelijke, zuivere bron der waarheid gaan , om daaruit licht en troost te ontvangen, dan komt het vooral op de wijze aan ; hoe dit, zal \'t baten, dient te geschieden. Behalve menigen anderen raad en regel, is voornamelijk dit te bedenken.

1. Men moet de Heilige Schrift in de vreeze des Beer en lezen. Want Ps. 111: 10: de vreeze des Heerenis het beginsel der wijsheid. Zoowel ton aanzien van den tijd: met de vreeze des Heeren vangt de ware wijsheid aan : „wie de rechte wijsheid begeert te verkrijgen, die moot vooreerst en

\') 1ste Stuk p. 8. Sde druk p. 14. —

Der grosse Lóbgesang

Tönt auf der Laute der Natur. Schiller.

274

-ocr page 299-

§ 42. HET HECHTE BIJBELLEZEN. 275

vooral God vreezenquot; lt;). Als ten aanzien van de waardigheid : de vreeze des Heeren is „het principaalste,quot; zij is het ABC en tevens de slotsom, fundament en sluitsteen der wijsheid.

Gods Woord in de vreeze des Heeren lezen zegt: niet oneerbiedig lezen maar met eerbied en ontzag voor dien God, die daar tot ons spreekt; gelijk Satnuël toen de Heere hem voor de vierde maal riep, eerbiedig zeide: spreek, want uw knecht hoort 1 Sam. 3 : 10. Het moet zijn met een besef van Gods majesteit en hoogheid en van onze geringheid. De Heere zelf verklaart wie Hem behagen Jez. 66: 2 : Want mijne hand heeft al deze dingen gemaakt en al deze dingen zijn geweest, spreekt de Heere: maar op dezen zal ik zien op den armen en verslagenen van geeste en die voor1) mijn woord beeft.

2. Aandachtig moet men lezen, niet haastig, niet „om \'t maar gedaan te krijgen en maar gauw zijn taks af te doen,quot; terwijl men de gedachten al op iets anders heeft. De gedachten moeten er bij zijn. Van het Oude Testament zeide Christus tot de Joden Joh. 5 : 39 : onderzoekt») de Schrif-

1

) Hebr. Coccejus vertaalt propter, wegens. Ook Stier Jez. a. 1. Dan is quot;nn absoluut sn te verstaan : voor mij in de-

•• T

zen zin : die n egens het woord beeft voor God, die het spreekt,

vergel. Am. 3 : (i, hetwelk te verkiezen is boven Schmieder :

„die mij vreest naar mijn woord (en niet naar zijn eigen goed dunken).quot;

:,) Onze Statenvertalers teekenen aan : „of gij onderzoekt.\'

Maar ipeuvicTs is ongetwijfeld imperativus. — Ook hadden deze Joden nopens de Schrift geenszins „eenc goede meening,quot; gelijk onze Kantt. hun toeschrijven.

-ocr page 300-

§ 42. HET RECHTE BIJBELLEZEN.

276

ten, want gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebben en die zijn het die van mij getuigen. Onder de Joden was sedert de wederkeering uit de Babylonische ballingschap een groote ijver voor de Heilige Schriften ontwaakt. Maar velen berustten in het middel en meenden met het bezit des Woords ook al het eeuwige leven te hebben. Die meening kon Jezus niet goed heeten. De Schrift kan ons het leven niet geven, maar Christus alleen van wien de Schrift getuigt. Intusschen vermaant Hij hen dat zij de Schriften maar recht onderzoeken zouden: dan zouden zij Hem er in vinden die hun alleen het eeuwige leven geven kon. Want van Hem was geschreven in de Wet van Mozes en in de Profeten en de Psalmen. De weg tot Christus, het komen tot Hem, het eerste komen en het dieper indringen in zijne gemeenschap gaat toch eenigerwijs steeds door deze Schriften. „Zoekt en vorscht niet bloot in uw hart, in uwe rede, maar in het Woord Gods dat geschreven staat 0!quot; Een onderzoehen moet het zijn, geen vluchtig over de oppervlakte henenvaren, maar zoeken wat er onder ligt, afdalen in de diepte harer ryke mijnen.

Geldt dit van het Oude Testament, nu te meer\'mede van de toen nog niet geschrevene boeken des Nieuwen Testaments. Immers deze zijn geschreven opdat wij ge-looven dat Jezus is de Christus, de Zone Gods, en opdat wij geloovende hei; leven hebben in zijnen naam (Joh. 20: 31.) Hier hooren wij de stem des Heeren en zien zijne gedaante (Joh. 5 : 37). Hier moeten wij als Maria doen, die zittende aan de voeten van Jezus aandachtig op zijne redenen lette. (Luc. 10 : 39.)

\') Stier, Reden Josu nach Johann. 1. S. 252.

-ocr page 301-

§ 42. HET RECHTE BIJBELLEZEN.

277

3. Men moot lezen met onderwerping aan het Woord, omdat het Gods Woord is. De mensch moet voor God zwichten en al het eigene, hetzij wijsheid of kracht of gerechtigheid verzaken. Zich aan de Goddelijke waarheid niet onderwerpen baat toch niet maar loopt op schande en verderf uit. Zich onderwerpen is de schoonste overwinning. Hiertoe strekte ook Paulus verkondiging 2 Kor. 5 : 10 : dewijl wij de overleggingen ternederwerpen en alle hoogte die zich verheft tegen de hennis van God en alle gedachte gevangen lei-den tot de gehoorzaamheid van Christus, „dat is aan Christus en Zijn Woord onderwerpen. Want derede des men-schen moet geen rechter zijn over het Evangelie maar zich daaronder buigen en gevangen geven \')•quot; Gehoorzaamheid aan zijn Woord, zonder tegenspraak, zonder uitvluchten en krommingen eischt de Heer. Ook bij het hooren of lezen van het Bijbelwoord dient behartigd wat Samuel tot Saul sprak I Sam. 15 : 22 : heeft de He ere lust aan brandoffe-ren en slachtofferen als aan het gehoorzamen van de stem, des Heeren ? Zie gehoorzamen is beter dan slachtoffer, opmerken dan het vette der rammen.

4. Vooral moet men lezen met een biddend hart, met de bede Ps. 119:18; ontdek mijne oogen, dat ik aanschouwe de wonderen van uw wet. Wonderen zijn ook de eenvoudige practische waarheden der wet; de levensregelen: ook zij liggen boven den kring van het natuurlijk verstand en hebben daar hun oorsprong en hun uitlegging niet. Zij gaan hoo-ger: zij teekenon een leven af dat de natuur niet kent. Kan nu de mensch zelfs deze niet verstaan zonder hooger verlichting, van wege zijne aangeboren blindheid en verdorven-

\') Kantteek. a. 1.

-ocr page 302-

§ 42. HET RECHTE BIJBELLEZEN.

278

hoid : hoeveel minder het einde der wet, hetwelk is Christus ! — Een boek wordt het bost door zijn auteur verklaard: zoo is de Heilige Geest de boste uitlegger der Schrift die door Hem is ingegeven. Bidt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en u zal opengedaan worden. Wien het dan om ware, vruchtbare kennis to doen is, die moet bidden, om de zalving van den Heiligen Geest te ontvangen. Bij naarstig onderzoek mag het gedurig gebod om den Heiligen Geest des te minder nagelaten worden, omdat men anders niet verder komt dan tot eene verstandelijke kennis. Maar door deze wordt geen mensch zalig. Bij deze kan men wel een orthodox belijder zijn maar toch helaas een slaaf der zonde blijven, twistziek, trotsch, gierig, vleoschelijk. Dit loopt slechts op eigen schade en schande uit en de Kerk wordt er niet door opgebouwd en God niet verheerlijkt. „Wie de Schrift niet leest met een tot God gekeerd biddend hart: die keert van eene volle tafel ledig weder, mat en mager, hoeveel ook het hoofd mag verzameld hebben.quot; Maar wie biddende komt, dezen doet de deurwachter, de Heilige Geest, open en hij vindt er overal zijne weide, daar h\\j met den Herder in- en uitgaat i).

Hier mag ten slotte de schoone, hartelijke ontboezeming volgen van eenen godzalige uit vroegeren tijd : „Spreek Gij zelf tot mij, o Heere mijn God ! want Gij zijt het licht der Profeten ; Gij hebt hun ingegeven wat zij hebben gesproken ; Gij kondet alleen, zonder hen, mij volkomen onderrichten, maar zij zouden zonder U niets uitrichten. Zij kun-

\') G. Terstegen, Aanwijzing tot het recht verstand enz. der H. S. p. 48.

-ocr page 303-

§ 42. HET RECHTE BIJBELLEZEN.

nen wol den klank der woorden voortbrengen, maar don Geest mede te doelen vermogen zij niet. Zij sproken zeer schoon, maar wanneer Gij zwijgt, kunnen hunne woorden het hart niet ontvonken. Letters kunnen zij geven, maar den zin opent Gij alleen. Verborgenheden stellen zij ons voor oogen, maar Gij sluit het verstand open om zo te verstaan. Geboden verkondigen zij, maar Gij geeft kracht om ze te vervullen. Zij toonen don weg; maar Gij sterkt de zwakke voeten om daarop te wandelen. Zij werken slechts van buiten, maar Gij loert en verlicht de harten. Zij maken uitwendig nat, Gij geeft van binnen den wasdom. Zij roepen slechts in de ooron, Gij geeft vorstand in het hart, dat men het gehoorde versta.

Zoo spreek dan Gij zelf tol mij, o mijn Heere en mijn God, Gij eeuwige waarheid ! opdat ik niet wellicht storve en zonder vruchten blijve, indien ik alleen door het Woord van buiten vermaand en niet inwendig aangedaan wiord en opdat mij niet ton oordeel worde het Woord dat ik bloot uiterlijk gehoord en niet opgevolgd, erkend maar niet bemind, geloofd maar niet gehouden had.

Spreek Gij dan, o Heere tot mij, want Gij hebt woorden des eeuwigen levens.

479

Spreek Gij tot mij opdat mijne ziel getroost, mijne geheele leven gebeterd en Uw naam verheerlijkten eeuwig geprezen worde \')■quot;

\') Thomas von Kempis, Nachfolge Christ!. Von Joh. Goszner S. 70.

-ocr page 304-

DEEDE HOOFDSTUK.

GODS WEZEN , NAMEN , EIGENSCHAPPEN.

- ■ OVTTU (jyiMS sx0^\' dvSpiiTTsw

xa) TrpoOviz-viTsov uyiHs exeiv.

Plato , Phaed. p. 90 E.

1. HET OPPERWEZEN.

§ 1. Onbegrijpelijkheid Gods.

Wanneer wij het Opperwezen noemen, spreken wij van God in het algemeen. Immers op tweeërlei wijs kunnen wij van God denken en spreken : algemeen of in bijzonderheden. Algemeen, wanneer het niet is van de reeks zijner eigenschappen en werken ; in bijzonderheden, wanneer wij bij zijne eigenschappen en werken onderschei-denlyk bepaald zijn.

Hier nemen wij het denkbeeld van GoA algemeen. Met reden. Want vooreerst hebben al de bijzondere eigenschappen Gods iets met elkander gemeen, hetwelk derhalve niet elf als eene van die bijzondere eigenschappen gerekend kan worden. Als zoo iets wat aan de Goddelijke eigenschappen gemeen is, moeten wij voornamelijk dit erkennen

-ocr page 305-

§ 1. ONBEGRIJPELIJKHEID GODS,

dat zij allen oneindig zijn en allervohnaahst. En ten tweede moeten wij bij al de Goddelijke eigenschappen en werken ons noodzakelijk een Onderwerp (Subject) voorstellen, een levend Bezitter en Werker, wiens zij zijn, aan wien zij eigen zijn en toebehooren en die zich door dezelve kennen doet i).

a. God is kenbaar , zoover ons noodig is, uit Zijne openbaringen. Er is in alle menschen , ook zonder hoo-gere openbaring, eene natuurlijke Godskennis 1).

Maar dit licht is ontoereikend om den schuldigen en verdorven zondaar uit zijnen jammerstaat te leiden s).

God heeft zich nader geopenbaard ^). Wij hebben zijn eigen Woord en hierdoor worden onder de werking des Heiligen Geestes de zielen die naar het licht vragen ook voldoend verlicht en leeren in Christus den Waarachtige kennen. De Christen weet dat en wie God is en wat God voor hem is; hij kent den wil zijns Vaders en weet waaraan hij zich te houden heeft; hij weet wat hij vreezen moet en wat hij hopen mag, wat hem bedroeven moet en waarin hij zich mag verblijden; hjj kent en smaakt den „eenigen troostquot; in leven en sterven ; hij weet waarop al de wegen Gods , hoe donker ook, voor hem zullen uitloopen , dat zij hem naar Gods eeuwigen raad „dwars door alle zwarigheden tot de eeuwige zaligheid zullen brengen s).quot;

Doch op aarde blijft er altoos veel duisternis. Want wij

281

1

\') Twesten, Vorles. II. 1. S. 8.

-ocr page 306-

§ 1. ONBEGRIJPELIJKHEID CiODS.

wandelen door geloof en niet door aanschouwen (2 Kor. 5; 7), Dit beide hebben onze Godgeleerden ook steeds beleden en hieraan moeten wij ons houden, zoodat wij eensdeels het geschonken voorrecht niet verkleinen, maar tegenover alle twijfelaars bekennen: God is voor ons, die zijn Woord hebben, niet meer „de onbekende Godquot; van Athene (Hand. 17: 23) maar wij aanbidden wat w\\j weten; dat wij anderdeels echter ook niet denken dat ons of eenig mensch alle diepten Gods reeds volledig ontsloten zijn en dat een schepsel de gronden van Gods wezen kon peilen.

h. Vragen we nu: wat is God? niet slechts: welke zijn Gods eigenschappen ? maar : wat is Hijzelf, aan wien wij al de Goddelijke eigenschappen en werken toeschrijven? zoo kunnen wij eigenlijk alleen maar zeggen : God is God! Want Zijn Wezen kan geen eindig schepsel doorgronden. Wij moeten met Elihu bekennen , Job. 36 : 26 : zie God is groot en wij begrijpen het niet. Dat is daar wel voornamelijk van Gods werken gezegd, maar is Hij daarin onbegrijpelijk, hoeveel meer is Hij het in Zijn Wezen, bijzonder gedurende dit leven waar onze kennis slechts stukwerk is.

Bij het licht des Woords hebben wij dan wel een bepaald en zeker denkbeeld van God, namelyk: dat Hij is; ook wat Hij niet is en welke eigenschappen Hij bezit. Deze vereenigd, geven ons eene voorstelling, eenig begrip van de hoedanigheid des Opperwezens. Maar van het Wezen zelf, wat het in zich zelf noodig zij, hebben wij volstrekt geen begrip. x. En wel wegens zijne oneindigheid. De mensch kan in zijn eindig en beperkt verstand den Oneindige niet bevatten, zoomin als de knaap met zijn schelpje de zee kan over-scheppen in het kuiltje dat hij in het zand op den oever gemaakt heeft, hoe ijverig hij ook heen en weer loopt, ge-

282

-ocr page 307-

§ 1. ONBEGRIJPELIJKHEID GODS.

lijk Augustinus i) leert. Hel is als Zofar spreekt: Zult yij de onderzoeking Gods vinden? zult gij tot de volmaaktheid toe den Almachtige vinden ? Zij is als de hoogten der hemelen, wat kunt gij doen? dieper dan de hel, wat kunt gij weten? Langer dan de aarde is hare\'maat en breeder dan de zee. Job. 11 ; 7 — 9. (3. Omdat God een volstrekt een/^f Wezen is en niets met andere wezens gemeenschappelijk heeft, maar van alle schepselen zoo verschilt; dat Hij in niets met hen overeenkomt. Daarom kan er dan ook geen eigenlijke definitie van God worden gegeven. Want eene definitie vereischt de opgaaf van geslacht of soort waartoe iets behoort en van hetgeen dit van wat anders tot hetzelfde geslacht behoort bijzonderlijk onderscheidt. Maar er is geen soort van wezens, van welke God één zou zijn: want Hij is absoluut eenig. Geene definitie dus of nauwkeurige bepaling kan er door eenig mensch van God gegeven worden, maar eene beschrijving slechts, die ons de idee, het denkbeeld van God verduidelijkt en Hem ons eenigermate vertegenwoordigt j).

Van Hem roemt de Apostel 1 Tim. 6: 16 : Die alleen onsterfelijkheid heeft en een ontoegankelijk licht bewoont, denwelken geen mensch gezien heeft noch zien kan : welken zij eere en eeuwige kracht. Hierbij geeft een godgeleerde het navolgende in overweging. „Het is wonderbaar dat het Oude Testament van de donkerheid gewaagt, waarin God woonde, Paulus daarentegen zegt: God bewoont een ontoegankelijk licht. De donkerheid verbergt: het licht echter is zoodanig, dat geen engel, geen mensch en in het geheel

\') Vergel. J. F. Schimsheimer, Geestelijke Poëzy p. 84 v.v.

2). P. Van Mastricht. Godgel. I. p. 191. 194. Evenzoo Twesten, Vorles. 11. 1. S. 7. ff.

283

-ocr page 308-

§ 1. ONBEGEUPELUKHEID GODS.

284

geen schepsel toegaan kan. Door beide voorstellingen wordt Gods oneindig en onmetelyk Wezen geroemd. God heeft zich aan de menschen ook in het Onde Testament rijkelijk geopenbaard, maar toch is er nog steeds eene donkerheid, die niemand doorzien kan. Niemand doorgrondt de diepten der Godheid dan de eeuwige Geest Gods. Engelen staan voor God en zien Zijn aangezicht. Menschen worden nabij God gebracht door het bloed van Christus. Maar toch kunnen zij, omdat zij schepselen zijn , tot het licht, waarin God woont, niet komen. Er blijft een oneindig onderscheid tusschen God en hen. Vandaar komt het, dat zij God bij alle vreugde, liefde en vertrouwelijkheid ootmoedig aanbidden en Hem alle eer alleen geven •).

Dat God onbegrijpelijk is begrepen ook de Heidenen. Op eene treffende wijs beleed dit Simonides, een van Grieken-lands beroemdste dichters, uit de stad Julis op het eiland Ceos afkomstig, gestorven 496 v. G.v die met andere dichters een tijdlang aan het hof van vorst Hiëro te Syracuse op het eiland Sicilië verbleef. Cicero, van God handelende, wijst ons op hem. „Vraagt gij mij, wat of hoedanig iets God is, ik zal mij op Simonides beroepen. Als aan dezen hetzelfde door vorst Hiëro was gevraagd, verlangde hij éénen dag bedenktijd. Toen de vorst den anderen dag hem wederom vraagde, eischte hij twee dagen. En meermalen verdubbelde hij het getal der dagen. Hiëro verwonderde zich en wilde van hem weten waarom hij aldus deed. Toen antwoordde hij: wijl, hoe langer ik peins, de zaak mij al duisterder voor komti).quot; Cicero hield het er voor, dat bij Simonides,

\') M. F. Boos, Einleit. in die bibl. Gesch. III. S. 53 1. 2) Cicero de Nat. Deor. I. 22.

-ocr page 309-

§ 1. ONBEGRIJPELIJKHEID GODS.

niet alleen bekoorlijk dichter maar ook anders een „geleerd en wijsquot; man, intusschen vele scherpzinnige en diepe gedachten opkwamen en dat hij, onzeker wat wel het meest ware mocht zijn, aan alle waarheid wanhoopte. Calvijn merkt aan, dat Simonides wel verstandig deed, als hy zijn oordeel over een hem donkere zaak opschortte, doch dat er tevens uit blijkt dat de menschen, die alleen natuurlijk onderwezen zijn, niets zeker of vast of klaar van de zaak weten maar slechts verwarde denkbeelden aankleven, zoodat zij eenen onbekenden God aanbidden\').

Men heeft wel eens gezegd: om te weten wat God is, moet men God zelf zijn1). Beter zeggen wij: God is kenbaar zoover als Hij zich te kennen geeft en alsmensche-lijke vatbaarheid reikt»).

§ 2. Het Godsbegrip.

Naar Gods eigen Woord kunnen wij met zekerheid dit zeggen : God is een geestelijk Wezen, oneindig en allervolmaaktst, noodzakelijk en alleen van zich zelf bestaande, van de wereld onderscheiden, oorzaak en grond van alle wezen.

God is een Wezen. Dit zegt a. wij denken ons Hem niet slechts. Hij is niet alleenlijk eene idéé in ons, maar werkelijk buiten ons zijnde, een Wezen, ja het allerwerkelijkste

285

1

\') Calvin. Instit. 1. 5. 12.

-ocr page 310-

§ 2. HET GODSBEGRIP.

Wezen, het eenige Wezen in volle kracht en waarheid. Het geschapene is en is ook niet, het niet-zijn kleeft er aan, uithoofde het den grond van te zijn niet in zich zelf heeft. Bovendien sedert de zonde in de wereld kwam, is alles aan de IJdelheid en vergankelijkheid onderworpen. Maar God is het Wezen bij uitnemendheid, het zuiver en waarachtig Zijn, waarnaar de ziele dorst die de ledigheid en gebrekkigheid aller dingen voelt, het hoogste goed, waarin zij vrede vindt.

Het zegt b. dat Hij niet, gelijk de Pantheïsten willen, de Alheid of het Geheel (het Universum) der dingen en krachten is, maar voor zich, persoonlijk bestaat en wel, naar Hij zich nader geopenbaard heeft, driepersoonlijk, waarin juist de grond ligt èn van zijne absolute zelfstandigheid èn van de mogelijkheid zijner gemeenschap met ons. Waar men van geen persoonlijken God wil weten maar alleen van Natuur, die met eene zekere noodzakelijkheid alles uit zich zelve voortbrengt en wederom verslindt, daar kan ook geen Godsdienst zijni geen gebed, geen leven van waarachtige gemeenschap met God. Loochent men het persoonlijk bestaan van God, dan maakt men meteen het gebedsleven aller vromen tot schijn en brengt godslasterlijk zelfs het verkeer van den heiligen Jezus op aarde met zijnen Vader in de hemelen onder de verdenking van zedelijke onwaarheid \').

28G

God ie een geestelijk Wezen. (Hiervan aanstonds nader § 3.) Met dit geestelijk betuigen wij juist ook zijne persoonlijkheid. Hij is het zuiver en volstrekt geestelijk Wezen, geheel in en voor zich bestaande, niet aan of binnen iets anders gelijk de geschapen geesten die of in een lichaam

\') H. Voigt, Fundaraentaldogmatik. 1874. S. 47.

-ocr page 311-

§ 2. HET GODSBEGRIP.

zijn of althans binnen de schepping. Als geestelijk Wezen is Hy enkel licht en leven.

God is het oneindige en allenolmaakste Wezen. Oneindig : Hij is door tijd noch ruimte noch toeval beperkt. Allervolmaaktst : alle goedheid en voortreffelijkheid is in Hem zonder mate vereenigd : Hij is heerlijk boven alle schepsel, Hy wil al wat Hij zijn kan, Hij heeft al wat Hij hebben kan en in hetgeen Hij is en heeft is geen einde, geen perk.

Hij is het eenig noodzakelijke en alleen van zich zelf bestaande Wezen. Noodzakelijk: Hij is het eenige Wezen, dat niet ook niet zijn kan. Hij alleen bestaat door en van zich zeUen, Hij heeft het leven in zich zeiven. Hij is de eerste maar zonder begin, en de laatste maar zonder einde. In den kring der geschapen dingen is het eene door het andere en dat zou niet zijn zoo dit niet ware en wij kunnen het ook wegdenken, kunnen ons even goed voorstellen dat het ook niet is. Maar God heeft geene oorzaak van Zijn bestaan buiten zich , Zijn bestaan hangt van geen voorwaarden af gt;)•

287

God is een^a» de Wereldonderscheiden Wezen, oorzaak en grond van alle icezen. Wij moeten verwerpen iedere voorstelling waardoor God en de wereld met elkander vereenzelvigd worden maar evenzeer dit dwaalbegrip hetwelk God en de wereld geheel van elkander scheidt en den band tusschen beiden losrukt (Deïsme), Er is eene bestendig werkende betrekking tusschen God en de wereld: de wereld is en blijft in haar geheel en in hare deelen van God afhankelijk (Theïsme). Deze waarheid drukken wij het volledigst uit met te zeggen; het Goddelijke Wezen is oor-

\') Twesten, Vorles. 11, 1. S. iÜ.

-ocr page 312-

§ 2, HET GODSBEGRIP.

zaak en grond van alle wezen. Oorzaak is hetgene waarvan en waardoor iets is; grond, waarin en waaraan iets is. God is ooreaak van alles als Schepper, grond door de onderhouding en regeering: want in Hem leven wij, bewegen we ons en zijn wij. Hand. 17 : 28. Hij is de Alomtegenwoordige, die hemel en aarde vervult. Hij is in de wereld en buiten de wereld die Hij heeft geschapen. Tusschen God en het schepsel is een eeuwig onderscheid, boven de heerlijkste schepselen is Hij oneindig verheven , Hij , uit wien alle dingen zijn en die toch eeuwig dezelfde blijft, die den hemel heeft tot Zijnen troon en de aarde tot een voetbank Zijner voeten.

§ 3. God Geest.

Hierbij moeten wij ons vooral houden aan hetgeen de Heere Jezus tot de Samaritaansche vrouw sprak Joh. 4 : 24: God is een Geest en die hem aanbidden, moeten [Hem] aanbidden in geest en waarheid.

Hij zegt niet: de Vader is een Geest, maar: God is een Geest. Hy spreekt van het Goddelijke Wezen, dus mede van zich zeiven quot;) naar zijne Godheid. Hij legt dit ten grondslag van den zuiveren Godsdienst: God is een Geest, of nauwkeurig naar den Griekschen tekst : geest is God1). Immers het zegt niet: God is een van de Geesten, een van die wezens die geesten heeten, maar: naar zijn wezen is Hij zoo iets als wat wij geest noemen, Hij is in zijn Wezen,

288

1

) IlwD^x \'o öfoV. Het praedicaat met nadruk voorop evenals Joh. 1:1: ^i/ a XÓyot.

-ocr page 313-

§ 3. GODS GEEST.

dat overigens geheel eenig en onvergelijkbaar is, geheel en louter geest.

Wijl Hij geest is, moet Hij in geest en waarheid aangebeden worden. Dit stelt Jezus daar tegen het aanbidden aan ééne bepaalde plaats. Tusschen Joden en Samaritanen werd getwist over de plaats waar men behoorde aan te bidden. De Samaritaansche zeide : op dezen berg (v. 20) , dien zij daar voor oogen had en met den vinger wees. Dat was de berg Garizim. De Joden zeiden : te Jeruzalem. Te recht; maar niet voor altijd. Want Jezus zegt v. 21 : eenmaal noch op dezen berg noch te Jeruzalem , maar in geest en waarheid. Voorts is hier in ruimeren zin geest tegen vleesch gesteld , waarheid tegen schaduw, leugen en schijn. Waar men dit in geest en waarheid uit het oog verloor, bleef men telkens weer in uiterlijkheden hangen en ging „op dezen of genen berg aanbidden en streed er om welke de rechte mocht zijnquot; •).

God wil niet alleen gediend worden op bepaalde tijden en plaatsen, met gezette gebaren en ceremoniën. Bij al onzen Godsdienst, waarvan het aanbidden de ziel en kern is, komt het op den geest en de waarheid aan. De aanbidding van God, die geest is, vordert vooral het inwendige des men-schen ; de aanbidding in den geest is alleen de ware, ieder andere zonder deze niets dan leugen en schijn. God is „een geestelijk, onzienlijk Wezen en wil daarom gediend worden

\') Von G er lach zu.Joh. 4: 24. Met de wegneming van het onderscheid der plaatsen onder het N. T. v. 21 en 23 staat de door velen verwachte verheffing van Jeruzalem tot hoofdplaats van^ het rijk Gods in strijd. Hengstenberg, Ev. Joh. I. S. 266.

Gravcmeijcr, Geref\'. öol. leer. 19

289

-ocr page 314-

§ 3. GOD GEEST.

met eenen dienst die met Zijne natuur overeenkomt, dat is, die inwendig en geestelijk is, voortkomende uit een oprecht en geloovig hartequot; i).

Geest zijnde eet Hij geen stierenvleesch en drinkt geen bokkenbloed (Ps. 50: 13) en wordt van menschenhanden niet gediend (Hand. 17 : 25); maar wil dat de menschin zijnen geest Hem oprechtelijk zoeke (geest moet hier tot geest komen). Hem hartelijk dankoffere. Hem geloften be-tale. Hem in den dag der benauwdheid aanroepe en Hem eere (Ps. 50: 14, 15).

Dit is niet in tegenspraak met de door den Heere gewilde uitwendige en plechtstatige Godsdienstoefeningen; deze behouden hare noodzakelijkheid en haar nut. Voorts brengt de natuur des menschen mee, dat tot dit alles ook het lichaam worde gebruikt, maar de hoofdzaak hierbij is geest en waarheid. Onze geest, die Hem het meest gelykt, moet Hem aanbidden en dat oprecht. De ellendigste zondaar mag komen, maar hij moet niet liegen en veinzen: want God heeft lust tot waarheid in het binnenste (Ps. 51 : 8). — Door den zondenval is de mensch vleeschelijk geworden en de heilige God heeft zooveel gemeenschap met het vleesch „als het vuur met het waterquot; 5). Door wedergeboorte wordt de mensch weer geestelijk, wordt een tempel Gods.

Met dit: God is Gees^ moeien wij vergelijken ééne plaats uit het Oude Testament die dezelfde gedachte behelst, Jer. 31: 3. De Heere bedreigt daar de Joden, die hulp gingen zoeken tn Egypte en Hem niet zochten. Hij zou beiden

\') Kantteek. op Joh. 4: 24. Cremer, Wtirtcrb. der Neutest. Gracit. S. 512,

a) Calvin, in Joh. 4 : 24.

290

-ocr page 315-

§ 3. GOD GEEST.

beschamen. Want de Egyptenaars zijn menschen en geen God en hunne paarden zijn vleesch en geen geest, en de Heere zal zijne hand uitstrekken, dat de helper struikelen zal en die geholpen wordt zal nedervallen en zij zullen al te zamen te niet komen. Daar staan mensch en God, vleesch en geest tegen elkander over en God zijn is geest zijn.

God is Geest dat zegt nader 1. het Goddelijke Wezen is onlichamelijk, onstoffelijk. Het lichamelijke en op zich zelf levenlooze is heigeen w\\j stof (materie) noemen i^. Geest en stof staan tegen elkander over; stof is het tegengestelde van geest1). Een geest heeft geen vleesch en beenen (Luc. 24: 39) en wij kunnen bij ons zeiven opmerken dat onze geest niet het lichaam is. God heeft dan geene gedaante. Daarom is Hij onzienlijk. Niemand heeft met lichaamsoogen ooit God aanschouwd (1 Joh. 4 : 12), denwelken geen mensch gezien heeft noch zien kan (1 Tim. 6: 16). Daarom kan en mag men Hem ook niet afbeelden, naar het tweede gebod. Doch dat God Geest is zegt nog meer dan dat Hij is onlichamelijk. Het zegt 2. dat Hij is een levend God , met bewustheid en wil werkende, in en voor zich zeiven bestaande, persoonlijk. Al wat geest is, heeft leven, verstand , wil; zelfstandigheid. Aan God die Geest is, maar onverge-Igkbaar meerder dan de uitnemendste geschapen geest, komt dit allermeest en in den hoogsten zin toe. Hem Geest noemende schrijven wij Hom een leven toe soortgelijk als het leven van den redelijken geest des menschen, verschillend

291

1

\') Dit erkent ook dr. R. Rothe, theol. Ethik, I. S. 110: An sich selbst ist die Entgegensetsung von Geist und Materie eine durchaus richtige.

-ocr page 316-

§ 3. GOD GEEST.

van het dierlijk leven : met de duidelijkste bewustheid en de volkomenste vrijheid van wil en zelfbepaling werkende, niet als eene blinde kracht, die van hetgeen waarin zij werkt onscheidbaar is en buiten hetzelve niet bestaat, maar zelfstandig, persoonlijk\')

Tegen de persoonlijkheid Gods hebben inzonderheid zul-ken , die pantheïstische gevoelens zijn toegedaan, bezwaren ingebracht. God wordt daardoor, zegt men, tot een eindig wezen verlaagd; het begrip van een persoonlijk en tevens eenig en onafhankelijk wezen is tegen zich zelf strijdig: dies kan een wezen, hetwelk geen andere zijns gelijke buiten zich heeft, geen persoon zijn. Maar deze en dergelijke bezwaren vloeien uit misverstand voort, waardoor men persoon individueel opvat dat is zoodanig als de persoonlijkheid is van beperkte eindige wezens*). God is persoon») maar Hij is geen individu1). Als de Drieëenige God is Hij het allerpersoonlijkste Wezer..

292

1

■gt;) Persoonlijkheid is wat alle menschen gemeenschappelijk

-ocr page 317-

§ 3. GOD GEEST.

Het is noodig dat wij oene zekere voorstelling van God hebben : want hoe zal men Hem anders aanroepen ? Wij mogen dus wel vragen ; hoedanig een begrip is het meest betamelijk? op welke wijs moeten wij, bijzonder in het bidden , aan Hem denken, die Geest is ? a. Wij moeten aan God denkon zoo omtrent als wij denken aan onze eigene ziel, die wij ons niet onder eene lichamelijke gedaante voorstellen. h. Wij moeten daarbij steeds gedenken dat Hij alomtegenwoordig is. c. Onze gedachten moeten niet zoozeer naar zijn onbegrijpelijk Wezen zoeken, maar zich bij Zijne heerlijke eigenschappen en bij de troostrijke betrekkingen bepalen waarin Hij zich door zijn Woord in Christus aan ons voorstelt. Ook aan Mozes gaf Hij zijn Wezen niet te zien, toen deze het begeerde, maar Hij riep zijn eigen Naam voor hem uit: Heere , Heere God, barmhartig en genadig,lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid! Ex. 34: 6. En zoo wil Hij aangebeden worden, als een God die een belooner is dergenen die Hem zoeken (Hebr. 11 : 6) en die zich ontfermt over degenen die Hem vreezen gelijk een vader zich ontfermt over de kinderen (Ps. 103 : 13)\').

hebben , waardoor zij als zelfbewuste en zich zeiven bestemmende subjecten boven plant en dier verheven zijn; individualiteit daarentegen is hetgeen iederen enkelen mensch eigenaardig is, waardoor hij zich van de overige wezens zijner soort onderscheidt. De menschheid is Gods geslacht Hand. 17 : 28, een geheel van individu\'s , die tegelijk personen zijn, gelijk God persoon is. Delitzsch, Bibl. Psych. S. 152. Tevens kan individualiteit (meerder dan individuïteit) alleen bij de persoonlijkheid wezen, llothe a. W. 1. S. 487. 280.

\') i\'. Van Mastricht, Godgel. 1. p. 250.

293

-ocr page 318-

294 § 4. MENSCHV0RMIGHE1D GOPS.

§ 4. Menschvormigheid Gods.

Tntusschen tegen de waarheid dat God 7Aiiver Geest is schijnt de Schrift zelve te strijden, waar zij Hem menschc-lijke lichaamsleden en zintuigen en menschelijke aandoeningen toeschrijft en van Zijne zichtbare verschijningen gewaagt.

1. Naar de Schrift heeft God oogen, ooren, mond, haa-den enz. Spreuk. 15 : 3 : De oogen des Heeren zijn in alle plaatsen, beschouwende de kwaden en de goeden. Jes. 59: 1: Ziet de hand des Heeren is niet verkort, dat zij niet zou kunnen verlossen en Zijn oor is niet zwaar geworden dat het niet zou kunnen hooren. 1 : 20 : Maar indien gij weigert en weerspannig zijt, zoo zult gij van het zwaard gegeten worden : want de mond des Heeren heeft het gesproken.quot; In het gemeen eigent de Schrift aanGodeene menschvormigheid i) toe , eene gedaante als men door de zinnen waarnemen kan naar de vormen van tijd en ruimte.

Desgelijks worden Hem menschelijke passies1), hartstochten, affecten, aandoeningen en gewaarwordingen toegeschre-hreven, als toorn, liefde, berouw, meedoogendheid en dergelijke, hetwelk nog te meer nadruk ontvangt waar van zijn hart en ingeivanden gesproken wordt.

Dit alles wordt bevestigd doordat God onder het Oude Testament meermalen verschenen is en met verstaanbare woorden gesproken heeft 3)

2. Wat moeten wij hiervan denken ? Wij dienen er bij

\') Deze wijs van voorstelling woord Anthropomorphisme. ï) Anthropopathisme. 3) Zie 11de Stuk bl. 9 en bl.

noemt men met een Grieksch 20 v. 2de druk bl. 22 v.


-ocr page 319-

§ 4. MENSCHVORMIGHEID GODS.

295

in het oog te houden, dat deze voorstellingen van God geenszins wezenlooze verbeeldingen of slechts dichterlijke schilderingen zijn. Neen zij hebben grond en doel. Ten eerste spreekt de Heilige Schrift dus menschelijk van God om voor ons menschen verstaanbaar te zijn. Wierd er anders van God gesproken, dan moesten wij eerst boven den kring van menschelijke gedachten en woorden verheven worden of wij zouden er niets van bevatten. Het is ten tweede om ons te toonen dat Hij een levend God is, geen dood gedachten-beeld, geen bloote kracht, ook niet het Al der krachten , maar een God die persoonlijk leeft, die ziet, hoort, werkt, voelt, die eene natuur quot;) heeft; meteen dus een sterk tegen-middel tegen alle pantheïstische voorstellingen van God. Ten derde zijn deze menschvormige voorstollingen geen menschelijke verzinsels, maar hebben eenen historischen grond. Namelijk : God heeft zich werkelijk in zijne openbaringen tot de wijze der menschen neergelaten, om eindelijk in Christus de menschheid aan te nemen.

Er is dan waarheid in die uitdrukkingen. Slechts moeten wij wat menschelijk van God gezegd wordt Gode betame-

\') 2 Petr. 1 : 4. Rathe, Theol. Ethik. 1. S. 127 f. Ongepast is Rothe\'s aanhaling aldaar van Calvin. Inst. I. 5. 5: Fa-teor quidam pie hoc posse dici, modo a pio animo proficiscatur, Naturam esse Deum. Natura is daar subject: dat de Natuur God is. Blijkens den samenhang. Het is natura rerum, of gelijk daar aanstonds verklaard wordt, ordo a Deo praescriptus, inferior operum suorum cursus; daarmee mag men God niet verwarren. Delitzsch, Bibl. Psychol. S. 51. 53 f. Oehler in HerzogsReal-Enc. VI. S.459 2e Ed. S. 501: Da es Jehova, nicht Elo-him est, der in Menschenweise mit Menschenverkehrt so werden auch die Anthropomorphismen fast durchaus auf Jehova übergetragen.

-ocr page 320-

§ 4, MENSCHVORMIGHEJD GODS.

lijk verstaan, niet eigenlijk maar oneigenlijk, zonder alle beperktheid , zonder er de gedachte van eenige stoffelijkheid in te mengen. De levende God heeft geen zintuigen en lichaamsleden als een mensch, maar de volmaaktheid van der-zelver gebruik en werking. Hij heeft geen oogen, geen ooren enz., maar wat wij noemen zien, hooren enz. is Hem op de allervolmaakste wijze eigen. Zou Hij die het oor 2)lant niet hooren? zou Hij die het oog formeert niet aanschouwen ? Ps. 94 : 9. Ons oog ziet, ons oor hoort eigenlijk ook niet. Maar het is onze ziel die door het oog ziet, door het oor hoort. Het zien, het hooren Gods, die geen zintuigelijk lichaam noch eenige soort van lichamelijkheid \') heeft, is eerst het waar, volmaakt zien en hooren, waaraan geen afstand hinder doet, waarvan de mensch slechts een zwakken zweem bezit. Al de zinnelijke uitdrukkingen van God hebben dan ook hare bijzondere, ware beteekenis. De

\') Tertullianus schreef aan God, gelijk aan de ziel, een lichaam toe. Maar geen stoffelijk lichaam. Hij verliep zich niet in een grof anthropomorphisme. Lichaam was hem de noodzakelijke vorm van al wat is. Nihil est incorporate nisi quod non est. God was hem eene substantie: dat wilde hij er met nadruk door betuigen. Hagejihach, Dogmengcsch. S. 80 f.

Maar grove anthropomorphisten waren de Audianen , volgelingen Audaeüs in het begin der 4de eeuw in Mesopotamië. Uagenhach a. W. S. 233.

Augustinus wilde van God liever essentia dan mhstuntia zeggen. Hagenb. a. W. S. 208. En hij vraagde de Civit. Dei Vlll. 5 : si noster animus corpus non est, quomodo Deus creator animi corpus est ? In het volksgeloof der Grieken waren hunne Goden wezens met ziel en lichaam, doch deze onscheidbaar; het lichaam wezenlijk menschachtig. Dr. K. F. Nagelsbach, Nach-homer, Theologie S. I.

296

-ocr page 321-

§ 4. MENSCHVORMIGHEID GODS.

oogen Gods beelden zijn toezicht af en zijne opmerking van al wat er is en gebeurt; de onren zijne kennis van al wat er gesproken wordt; de handen zijne werkende macht; de voeten zyne tegenwoordigheid enz. Eene in God levende ziel draagt, in overeenkomst met de Schrift, dit in zich, dat God een hart heeft en oogen en ooren, handen en voeten, eenen uitgestrekten arm enz. Maar ook bij allen eenvoud van kinderlijke vroomheid weet de verlichte wel, dat het zinnebeelden en vergelijkingen zijn , van de menschelijke natuur ontleend, gelijk dan ook de Schrift zelve de sterkste ontkenningen bevat van alle zinnelijkheid en zintuigelijkheid Gods (Ps. 50: 13; 1 Kon. 8: 27 e. a.). En worden Hem menschelijke aandoeningen en hartstochten i) toegeschreven, ook hierin is waarheid. Slechts moet men het zondige en lijdelijke er van verwijderen. Zoo is de toorn Gods wel geen zondige ontsteking, geen oploopendheid, maar toch iets werkelijks en werkdadigs evenzoowel als zijne liefde.

Wat de Goddelijke verschijningen onder het Oude Testament betreft, veelal werd daarbij geheel geene menschelij-

1) Door den invloed van het Christendom moest het anthro-pomorphisme verdrongen maar het anthropopathisme slechts gezuiverd worden. Niet weggedaan kan worden de neiging des menschen om zich den hoogsten Geest naar de analogie van zijn eigen geest voor te stellen; slechts moet men leeren niet tot God over te brengen wat in de perken en gebreken onzer natuur gegrond is. Het anthropopathisme is van de menschelijke natuur onafscheidenlijk, da diese nie mits Hirer Eigenthitmlichkeit her-austreten und alles, was sie sich aneignet, nur in der Form derselben in sich aufnehmen Icann. Es liegi diesem Anthropo-pathismus auch eine grosze Wahrheit zum Grimde, da der Geist des Menschen das Bild des höchsten Geistes darzustellen bestimmt ist. Neander, Allgem. Gesch. d. chr.R. u.K. 1 ster Band. S.G44,

297

-ocr page 322-

§ 4. MENSGHVORMIGHEID GODS.

ke gedaante gezien maar een zeker heerlijk teeken, waardoor zich de buitengewone tegenwoordigheid Gods openbaarde. Of werd er eene gedaante aanschouwd, zij was slechts voor die oogenblikkon aangenomen. Hierdoor kwam God aan een diepe behoefte van het menschelijke hart i) tegemoet, hetwelk naar Hem zoekt en Hem zien en vatten en voelen wil. Het was de hoogste openbaarder en vertegenwoordiger Gods, de Zoon, de Engel zijns aangezichts2), die onder het Oude Testament zich aldus gedurig heeft vertoond. Het waren voorteekenen van diens menschwording s). In de volheid des tijds is Hij mensch geworden, met oogen, ooren, handen, voeten. Hij nam de menschelijke natuur blijvend aan en legde haar niet weer af: God geopenbaard in het vleesch! Sinds hebben de verschijningen, die er voorloopers en schemeringen van waren, een einde genomen.

§ 5. Één Opperwezen.

Het Wezen, dat de oorzaak en grond van alle wezens is, kan slechts één zijn. Het zuivere denkbeeld van God sluit dit in, dat Hij is de Schepper, de Onderhouder en de Regeerder van alles : waren er meer goden, geen van hen zou dienvolgens waarachtig God zijn. Bij de vereering van meer goden heeft men een verbasterd Godsbegrip, waarbij men aan iedereen iets onttrekt en buiten zijne macht stelt.

\') Hengstenberg, Psalmen I. S. 370.

4) Aanteek. op Dr. Hoedemakers Handb. bl. 48.

3) Calvin. Inst. 1. 11. 3: quod sub lonna hominis Deus in-terdum apparuit, praeludium fuit futurae in Christo revelationis.

298

-ocr page 323-

§ 5. ÉÉN OPPERWEZEN.

Het rechte begrip van God denkt Hem als geheel onafhankelijk, door niets bepaald dan door zich zeiven, zoodat geen ander wezen Hem een perk kan stellen en zeggen: tot hiertoe en niet verder ! Volstrekt onafhankelijk kan er maar één zijn, een meerder aantal van geheel Onafhanke-lijken is ondenkbaar i)- God zijn is onafhankelijk zijn. Bij een meerder aantal van goden moest dan de een den anderen niet kunnen beperken; maar die den anderen niet kon beperken, ware daarmee zelf beperkt: dus zou geen van allen waarachtig God zijn.

Naar de ware voorstelling is God het allerhoogste en allervolmaaktste Wezen. Dit kan maar één zijn. Waren er meer gelijke Wezens , dan ware geen van hen het allerhoogste ; waren er ongelijke, de minderen zouden geen God zijn.

Van vele Goddelijke Wezens kon er geen één eene eenige van die eigenschappen waarlijk bezitten die wij aan God moeten toeschreven. Alle wezenlijke eigenschappen Gods, als overaltegenwoordigheid, alwetendheid enz. kunnen er maar éénmaal zijn en ieder van haar is er in waarheid alleen bij de eenheid des Goddelijken Wezens.

299

De eenheid van het wereldbestuur, de onloochenbare samenwerking ook der verschillendste krachten tot één doel, de onverstoorbare harmonie bij allen strijd, de kennelijke eenzelvigheid van orde en wet alom zoowel voor de stoffelijke als voor de zedelijke wereld, dit alles getuigt van éénen Bestuurder, éénen Wetgever, één Verstand dat alles beraamt, één Wil die alles beheerscht, één God, één Monarch.

\') Rothe, Theol. E^thik. I. S. 76: das Absolute ist ein einzi-ges, numerisch Eins,

-ocr page 324-

§ 5. ÉÉN OPPERWEZEN.

Hoe kon de wereld bestaan bij eene veelheid van regenten»)?

Er is dan maar één God.

Deze eenheid sluit zijne eenigheid in ^). Want het Goddelijke Wezen is niet slechts één in (/etal maar ook eenig in soort\').

God zelf getuigt van zich aldus met nadruk. Jes. 44:6: Zoo zeyt de Heere, de Konhui Israels en zijn Verlosser, de Heere der heir schar en: Ik ben de eerste en Ik hen de laatste en behalve mij is er geen God. Koning en verlosser : majesteit en goedheid, macht en liefde saam. Koning blijft de Heere, ook wanneer het bij zijn volk Israël er soms niet naar geleek : want Hij gebiedt over alle heirscha-ren; beneden en boven. Hij, de Schepper van \'t heelal, is ook de Verlosser van zijn volk. Hij, de eeuwige, is de eerste zonder begin, gelijk Hij de laatste is zonder einde.

\') Er lag toch waarheid in, wanneer men voor de noodzakelijkheid van éénen gezagvoerder op analogieën in de menschenen dierenwereld wees. Hagenbach, Dogmengesch. S. 75. Ma-stricht, Godgel. 1. p. 277.

2) Rothe, Theol. Ethik. I. S. 77 : Diese mmerische Einheit des Absoluten oder Gottes involvirt zugleich seine schlechthinige Einzigkeit, dasz nichts sonst mit ihm unter dasselbe Genus fiillt, also seine Einzigartigkeit und Unvergleichlichkeit, wesentliche Transcendenz über alles Sein und für dasselbe.

•■\') Hase, Hult. red. g 57. — De ouden herinnerden dat de eenheid van het Goddelijke Wezen niet slechts eene mathematische grootheid, eene kale numerieke eenheid beteekende, waarbij men voort kon tellen, zoodat er na het Eén nog meer waren waarmee het kon samengesteld worden. Men gebruikte daarvan zeer überschwangliche uitdrukkingen , als : God is de Boven-al-Eéne. Hagenbach, Dogmengesch. S. 2G9. 3G6. 368. P. Van Mastricht, Godgel. I. p. 278.

300

-ocr page 325-

§ 5. ÉÉN OPPERWEZEN.

301

Mozes scherpt het Israël in Deut. 6:4: hoor, Israël, de Heere onze God is een eenig Heer. En Paulus wijst op de eenheid Gods als den diepsten grond van de eenheid en eenigheid der gemeente Ef. 4:6: Eén God en Vader van allen, die daar is boven allen en door allen en in u allen. Hier geljjk overal w\\jst de Apostel op de eenheid Gods bij nadrukkelijke onderscheiding der drie Personen: één Geest, één Heere Christus, één God en Vader. De Vader wordt God genaamd, niet alsof de Geest en de Heere Christus het niet waren, maar naar de Goddelijke heilsbedeeling, waarin Hij van de Drie die Eén zyn, by uitnemendheid de Godheid vertegenwoordigt: die als Vader boven allen, boven al de leden der gemeente verheven is, gebiedend en beschermend, door allen in den Zoon zjjne woning, zijn bijzondere tegenwoordigheid en regeering uitstrekt, in allen quot;) werkt en leeft door den Heiligen Geest, waarmede Hij hen vervult.

§ 6. Geen andere goden.

De Schrift spreekt van andere goden. De Heere zelf zegt Ex. 20 : 3 : gij zult geen andere (joden voor mijn aangezichte

\') — fVl ttkvtuv — ha. troivtwv — sv ttüviv ü/tlv.. Sommige uitleggers nemen de twee eerste van deze gelijkluidende woorden als neutra , — andere alleen het tweede, nog andere, met weglating van uftTv, alle drie. Aldus ook de Synod. Vertaling; één God en Vader van allen, die over alles en door alles en in alles is. Verkeerd. Want 1. oumes ad unüatem rediguntur. Bengel, Gnom. a. 1. Het zijn die allen die de gemeente uitmaken. 2. Zij worden aanstonds\'v. 7. geïndividualiseerd door elkeen van ons. Zie Meyer a. 1. en Stier. Aldus ook reeds Winer, Gramtn. 4te Aufl. S. 3%.

-ocr page 326-

§ 6, GEEN ANDERE GODEN.

hebben. Dat zijn de goden der Heidenen, geen werkelijk levende wezens, maar alleen bestaande in de gedachten der menschen, door dezen verzonnen en voor goden gehouden.

Dit is beslist de bijbelsche beschouwing: de Heidensche goden als zoodanig existeeren niet •)

Of zou men kunnen denken, dat zij, al waren het dan ook geen goden, toch naar de leer of veronderstelling van het Oude Testament werkelijk bestonden en althans mindere levende wezens, wellicht daemonen waren1)? Deze meening vond mettertijd wel voet bij het Joodsche volk en werd later ook door sommige Christelijke Kerkvaders aangenomen, ook ten opzichte van de Heidensche orakels, waarbij men de booze geesten werkzaam dacht»), maar door de Profeten, dus in het Woord van God werden de Heidensche goden standvastig voor niet verklaard, waarmede het Nieuwe Testament samenstemt. De Apostel Paulus, sprekende van het eten door Christenen van het vleesch, dat bij de offeranden der Heidenen overbleef en door dezen op de vleesch-markt verkocht werd, zegt onbewimpeld 1 Kor. 8:4: Aangaande het eten der dingen die den afgoden geofferd zijn,

302

1

) Deut. 32; 17: Zij, de afvallige Israëlieten , hebben aan de duivelen geofferd, niet aan God. In het Hebr. staat daar schedhn, LXX Hai/tóvix en hiernaar de Onzen duivelen. Luther; Feldteufel. Ook v. Gerlach verstaat er de booze geesten onder. Maar schedim beteekent heeren en drukt de eigen gedachte der Heidenen uit. Dr. G, F. OeJtler, Theologie des Alten Testaments I. S. 159.

-ocr page 327-

§ 6. GEEN ANDEHE GODEN.

wij weten dat een afgod niets is in de wereld en dat er geen ander God is dan één.

De erkentenis van één God (Monotheïsme) is altijd de grondslag der ware religie geweest, inzonderheid der Is-raëlietische in tegenstelling tegen den Heidenschen veelgo-dendienst (Polytheïsme).

Sommige Godgeleerden hebben wel beweerd, dat Jehovah door de Israëlieten zei ven als Nationaal-God werd beschouwd, als de eigen God van hunne natie, in gelijken zin als de andere natiën hare eigen goden hadden. Maar dit was geenszins het gevoelen van het verlichte deel des volks, het eigenlijke Israël. Veelmeer dit is een Heidensche gedachte. De Heidenen namelijk lieten Jehovah den God der Hebreen zijn , terwijl zij voor zich andere goden kozen.

Israël wist, Jehovah was de Heer en Schepper des hemels en der aarde, der gansche wereld. Het wist, dat de veelgoderij slechts een gevolg was van de dwaasheid en boosheid waarin de menschheid was vervallen. Het wist, dat de ware God geen ander was dan Hij, die het heelal en die den eersten mensch had geschapen en die door dezen in den beginne gekend en vereerd werd.

In de grondwet van Gods Koninkrijk is en blijft het eerste gebod : gij zult geen andere goden voor mijn aangelichte hebben Ex. 20 : 3. Voor Zijn aangezicht! voor Zijn alziend oog , dat ook in het verborgenste schouwt en ook in den tempel des harten geenen afgod wil zien. Daar wordt de eenheid van den waren God, die zich in woord en daad heeft geopenbaard, eens vooral vastgesteld, üe Heidensche natuurdienst bracht het nooit en nergens tot deze eenheid. De bede : vereenig mijn hart tot de vreeze uws naams, Ps. 86: 11, was daar vreemd. Daar werd het hart, dat naar

303

-ocr page 328-

§ 6. GEEN ANDERE GODEN.

eenen grond van hope en vertrouwen zocht, van het een tot het andere verwezen en vond de ruste nergens, die alleen in den levenden God verkregen wordt.

De Christelijke Kerk nam met het Oude Testament de leer van de eenheid Gods over en handhaafde deze zoowel tegen het veelgodendom (Polytheïsme) der Heidenen, als tegen het, oorspronkelijk Heidensche\'), ttveeyodendom (Dualisme) der Gnostieken en hunne fantastische voorstelling van uitvloeiingen van Goddelijke geesten (Aeonen)1) waarmede zij den hemel bevolkten; later wederom tegen het Dualisme der Manicheën 3). Eindelijk hadden de rechtzinnigen de eenheid Gods met nadruk te beweren tegen zoodanigen, die van de drie Goddelijke personen drie Goddelijke wezens, van de Drieëenheid een driegodendom (Tritheïsme) schenen te maken of die zelfs, door denkbeeldig boven Vader en Zoon en Heiligen Geest God te stellen, vier goden schenen aan te nemen (Tetratheïsme)»).

Onder de Heidensche wijsgeeren waren er, die de onwaarheid van het veelgodendom erkenden, maar zonder tot de waarheid der wezenlijke eenheid Gods te komen. En in het gemeen deed de Rede zich gelden doordien ook de veelgo-disten doorgaans éénen van hunne goden als den hoogsten vereerden en het Noodlot {Moira bij Homerus) boven den wil der goden stelden 5). Maar geen Heidensch volk heeft alleen éénen God zonder andere goden vereerd e). Vandaar

804

1

\') Zie het Eerste Stuk bl. 41. 2de druk bl. 53.

-ocr page 329-

§ 6. GEEN ANDERE GODEN.

geen rust, geen ware troost voor hef arme hart. Immers de boven de vele goden gedachte eenheid, het Noodlot»), of de alles barende en wederom verslindende Natuur, zelve bewusteloos, kon geen liefde, geen vertrouwen wekken. Dat kon alleen de levende God.

§ 7. Opkomst der afgoderij.

1. Vifór den Zondvloed vertoont zich geen spoor van eigenlijke afgoderij, toen heerschte woest ongeloof.

\') Ook de eenheid Gods bij Plato (R. Hoffmann in Herzogs Real-Enc. 1. S. G1 en 2e od. l.S. 36) iser verre van de ware, bijbelsche eenheid te zijn. Immers naar Plato wordt door het algemeenst begrip van de Godheid een Wezen beteekend, dat in zich de geheelheid der ideeën of den grond aller vormen van het reale bevat, alzoo door zijne existentie de eenheid van het zijnde ook in deszelfs menigvuldigheid bewijst. De Godheid is dus het inbegrip voor alle bestaanswijzen, het zijn in absoluten zin, de volmaaktheid . re ov, to ayxóóv, een Neutrum gelijk het Indische Brahma. Men heeft vele Heidensche schrijvers voorbarig tot Monotheïsten verheven. Ook den dichter Horatius. G. Ludtvig, Horatius Werke. Erstes Biindchen. Stuttg. 1853. S. 33: den heidnischen Grundirrthum — halte er iiherwunden und sith zur Idee der Einheit Gottes erhohen.

Noodlot. Dr. K. Fr. Nagelshach, die nachhomer. Theologie S. 22 : Mag die griechische Vorstellung in Festsetzung des Ver-haltnisses der Gottheit ziun Schicksal noch so sehr schwanken, die Anschauung einer Ahhüngigkeit der Gutter von ihm macht sich jedenfulls mit Entschiedenheit geltend ut ui trilt, ivenn auch hekampft oder gemildert oder umgedeiUet, in allen Entwicklungs-formen der griechischen Menschheit stets von Neuem her oor. Vergel. Denzelfden, Homer. Theologie S. 130.

Gravomoijer, Geiof. öol. leor. 20

305

-ocr page 330-

§ 7. OPKOMST DER AFGODERIJ.

Het geloof en de vereering van den eenigen wuarachtigen God is het eerste geweest en geenszins na of zelfs uit den veelgodendienst geworden\'), gelijk degenen beweren, die het rnenschdom in zijn begin zeer laag plaatsen en het in voortschrijdende ontwikkeling uit de diepte doen opklimmen. De waarheid is: het was geen opklimmen uit een staat van onnoozelheid en dwaasheid, maar een val van boven en dan een voortgaand afzakken uit de nog overgebleven heerlijkheid. Hoe diep de eenheid Gods in de harten was gegrift, blijkt onder anderen ook hieruit, dat zij, die eene menigte van goden vereerden, toch, ioovaak hun natuurlijk gevoel uit hen sprak, eenvoudig den naam „Godquot; hebben gebruikt, alsof zij maar éénen God erkenden. Dus noemen de oude Heidensche schrijvers, b.v. onder de Grieken Plato, onder de Romeinen Cicero niet altijd hunne „godenquot; , maar zeggen gedurig „Godquot;^).

Het eenige boek ter wereld, dat ons van de alleroudste dingen waarachtige berichten geeft, behelst geen het minste blijk van afgoderij der eerste tijden. Eén Schepper van al wat is treedt ons daar voor oogen; één God is het, die daar met de eerste menschen verkeert.

Adam en Eva kenden dan den waren God en bleven ook na den val monotheïsten, vereerders van Hem, die hemel en aarde had geschapen. In Seths geslachten werd het godsdienstig leven betrekkelijk reiner bewaard. Maar ook in Kaïns geslachten, bij wie lang bekend bleef wat in het paradijs was gebeurd en wat Adam had verkondigd, schoon

\') J. G. Milller in Herzogs Real-Enc. XII. S. 35. 2e cd. IX. S. 132. Prof. J. I. Doedes, Leer van God , bl. 13.

2) Vergel Calvin. Instil. 1. 10. 3.

306

-ocr page 331-

§ 7. OPKOMST DER AFGODERIJ.

het daar niet zuiver werd gehouden, doet zich geen vereering van vele goden (Polytheïsme) voor.

Joodsche Rabbijnen hebben wel geleerd, dat de afgoderij zou zijn aangevangen reeds in den tijd van Enos, den zoon van Seth en kleinzoon van Adam. Doch zonderallen grondquot;).

Vóór den zondvloed vertoont zich nergens afgoderij, maar ruwe Godverzaking met teugellooze baldadigheid. Na den zondvloed komt de afgoderij»).

Hetgeen Mozes verhaalt van Kaïn, van den Kaïniet La-mech en van de reuzen 3), welker beruchte naam den men-schen nog lang daarna heugde, leert ons, dat eene geweldige, moorddadige ongerechtigheid, die Noach als prediker der gerechtigheid bestraffen moest en die ongetwijfeld met de gedachte dat er na den dood niets te vreezen noch te hopen stond, gepaard ging, de heerschende gezindheid der Kaïnie-ten en ten laatste bijna aller menschen is geweest \'k).

2. Na den zondvloed brak het bijgeloof uit in vereering van levenlooze, levende of geheel verzonnene schepselen.

Het veelgodendom is niet door wijsgeerig denken ontstaan, doordat men, al denkende, den éénen God als het ware ging verdeelen in vele goden of, door de onderscheiden eigenschappen van den éénen God zich als personen voor te stellen,

307

-ocr page 332-

§ 7. OPKOMST DER AFGODERIJ.

maar doordat men met verstand en hart aan natuurverschijnselen bleef hangen en in natuurkrachten persoonlijke of althans levende wezens zag gt;). De mensch was verzonken in de natuur en vereenzelvigde daarom de Godheid met de natuur en de in haar werkende krachten. Het Heidendom was doorgaans Pantheïsme, algodisterij, natuurdienst, en dus ook geheel een leven in de natuur en voor deze wereld gt;).

De menschen begonnen dus iets voor God te houden wat geen God was») en wel levenlooze schepselen. Zij hieven hunne oogen op naar het uitspansel des hemels en zagen daar de zon, de maan en sterren en wijl dezen, vooral de zon, hun zoo schoon, zoo invloedrijk, zoo wonderbaar voorkwamen , hielden zij ze voor zetelplaatsen van goden en eindelijk aanbad men ze zeiven als goden. Deze soort van afgoderij, de sterrendienst (Sabaeïsme genoemd, vanSabaotli, heirscharen, Jac. 5 : 4) is zeer oud, wellicht de oudste vorm van afgodendienst«). Daarom werd Israël er zoo ernstig

\') Zoo ook te recht Doedes, Leer van God bl. 14. Velen anders. B. v. Lessing, Die Erzichung des Menschengeschlechts. Werke, Leipzig und Teschen. S. 404: Wenn auch der erste Mensch mit einem Begrifïe von einem einigen Gotte sofort aus-gestattet wurde ; so konnte doch dieser mitgetheilte und nicht erworbene Begriff unmöglich lange in seiner Lauterkeit bestehen. Sobald ihn die sich selbst überlassene menschliche Vernunft zu bearbeiten anfing, zeilegte sie den Einzigen Unermeszlichen in mehrere Ermeszlichere und gab jedem dieser Theile ein Merkzei-chen. So entstand natürlicher Weise Vielgötterei und Abgötterei.

2) H. Viriel in Herzogs Real-Enc. XV. S. G90. 2e ed. XIV. S. 321. Kurtz, Gesch. des A. B. 1. S. 93. Van Oosterzee , Dogm. 2de druk I. p.131.

^ Zie Tweede Stuk bl. 30. 2de druk bl. 33.

4) li. Holfmavn in Herzogs Real-Enc. I. S. 59, 2e Ed. S. 65.

308

-ocr page 333-

§ 7. OPKOMST DER AFGODERI,).

309

voor gewaarschuwd door den mond van Mozes Deut, 4: 19: wacht voor uwe zielen, Dat gij ook uive oogen niet opheft naar den hemel en aanziet de zon en de maan en de ster-ren, des hemels gansche heir, en wordt aangedreven, dat gij u voor die buigt en hen dient, deiveU e de lieer uw God aan alle volken onder den ganschen hemel heeft uitgedeeld. Daarom verdedigde ook Job zijne onschuld hiermede, dat hij de zon en de maan niet afgodisch had vereerd, Job. J51; 2G: zoo ik het licht heb aangezien, wanneer het scheen, of de maan heerlijk voortgaande. Ook in het vuur, in het water, in lucht en wind zag men iets Goddelijks cn ging ze als goden eeren. Waarvan het Apocryphe Boek der Wijsheid zegt H. 13: 1 : Voorwaar alle menschen zijn van nature ijdel, bij welken geen kennisse Gods is en hebben uit de zichtbaar lijk e goederen niet vermocht te kennen dengenen die is, noch hebben door de opmerking zijner werken den Werkmeester erkend. 2. Maar hebben gemeend, dat of het vuur of de wind of de snelle lucht of de omloop der sterren of het krachtige water of de lichten des hemels goden waren die de wereld regeerden. Zoo gaf men de eere Gods aan le-venlooze schepselen. —

Voorts aan levende: aan dieren, vooral in Egypte \'), doch later ook bij de Romeinen, want ook te Rome vond de Egyptische dienst ingang: en aan menschen, mannen van name uit den voortijd, die men vergoodde; ja men ging greAeeZ wr-zonnen schepselen en namen vereeren. Al de Heidenen teekent de Apostel Rom. 1 : 25 : Als die de waarheid Gods veranderd hebben in de leugen en het schepsel geëerd en gediend hebben boven den Schepper, die te prijzen is in der eeu-

\') Zie Eerste Stuk bl. 35. 2de druk bl. 4().

-ocr page 334-

g 7. OPKOMST OER AFGODERIJ.

wigheid. Eerst bad men het schepsel zelf aan, dan maakte men er heelden van en vereerde ook deze. Wel mogen wij niet loochenen, dat enkele verstandigen niet de beelden zelve aanbaden, ook niet dachten dat de goden juist de gestalten hunner beelden hadden. Zij zagen de beelden aan als uitdrukking van bijzondere, kenmerkende hoedanigheden der goden. Maar het volk over \'t geheel, het Grieksche met het Romeinsche, hield de standbeelden zelve voor goden, terwijl bij sommige wijsgeeren deze voorstelling opkwam, dat de goden de standbeelden vervulden, bezielden en door dezen als hunne organen werkten \').

Ook Israël bleef niet trouw aan zijnen God, zoo in de woestijn als daarna in Kanaiin. Onder de Richteren en de Koningen heeft het deels den waren God onder een beeld voorgesteld en vereerd; dat was de zonde van Jerobeam, den zoon van Nebat; deels heeft het ook andere goden, dat is goden van vreemde volken gediend. Dit steeg ten top onder koning Aehah, die den Baalsdienst tot staatsreligie verhief. Altijd was er echter een overblijfsel dat getrouw bleef.

Na de Babylonische ballingschap gruwt de Jood van beeld en afgod. Wel heeft ook nog de Jood een afgodisch hart en staat bij uitnemendheid in den dienst van den Mammon. Maar van de grove afgoderij werd het volk door de ballingschap gezuiverd. Vroeger, in het vaderland, kon geen rechtvaardig koning of profeet het er afbrengen. Maar uitgerukt uit het land in den vreemde werd het er van genezen. God deed het 2). Het volk zag nu, dat de goden niets waren. Deze

\') Tholuck, Comment, zu Rom. 1 : 28. Vergel. het Eerste Stuk § 16.

2) Mc\', gelijk velen hebben beweerd, door den invloed van

den Perzischen Godsdienst. Deze, oorspronkelijk natuurdienst.

310

-ocr page 335-

§ 7. OPKOMST DER AFGODERIJ.

zuivering was voor de komst van Christus noodzakelijk. —

Van het Goddelijke Wezen hebben wij hier gehandeld, als grondslag voor het volgende. Immers God moet gekend en erkend worden eerst en vooral in zijn Wezen. Want weten wij van zijn Wezen niet of schrijven wij Hem geen Wezen toe, dan is Hij ons een wezenloos donkbeeld, eene hersenschim. In het gemeen is het „wezenquot; eener zaak juist datgene, in hetwelk al hare eigenschappen en werkingen gegrond zijn en van hetwelk zij haren oorsprong hebben. Het „wezenquot; is als een „eerst zijnquot; hetwelk zich in zijne eigenschappen uitzet en als volmaakt en uit hetwelk al het overige, dat er aan toebehoort of er in mogelijk is, kan worden afgeleid. Het Goddelijke Wezen nu is het allervolstrek-ste Zijn, dat wil zeggen: het alleen door zich zelf Zijnde en al wat anders is veroorzakende en bepalende. Dies zegt ook de Goddelijke Wijsheid Spr. 8: 14: Raad en het Wezen i) zijn mijn, ik ben het verstand, mijn is de sterkte. God is zuiver Zijn : Hij is het Opperwezen.

was weinig beter dan de andere Heidensche religiën. Maar door hetgeen God de Joden van de Heidenen deed lijden deed Hij hunne genegenheden voor het heidendom vergaan. En dan heeft mede de val der Heidensche volken en religiën, voornamelijk de val van Babel , de verbreking van de onverwinnelijk geachte Chaldeeuwsche macht krachtig op het volk gewerkt, te meer daar zulks door zijne profeten was voorspeld. Jes. 46 : 1. Hengstenberg, Gesch. des Reiches Gottes unter dem A. B. II. S. 279 ff.

1) Hebr. toeschijah, hetwelk volgens sommigen kloekheid be-teekent: volgens anderen, ook Umbreit, van Jeesch, zijn, afgeleid, met meerder grond, z. v. a. «w/as, ivezen. Stier, Brief an die Ephes. 1. S. 516 : zusammengefaszte Wesenheit , realer Bestand. en ovtix zijn wellicht verwant. Anders Winer,

T •

Simonis Lexic s. v.

311

-ocr page 336-

§ 7. OPKOMST DER AFGODERIJ.

312

Hy moet gekend worden ten tweede in zijne Namen. Zonder deze kunnen wij niet van Hem noch tot Hem spreken. Ten derde in zijne Eigenschappen. Anders hebben wij geen recht begrip van Hem. Ten vierde in zijne Personen. Anders kunnen wij geene gemeenschap met Hem oefenen. Het eerste zegt ons wat God is. Hoever dit reikt, is boven voorgesteld. Het tweede, waartoe wij nu overgaan , leert ons wie Hij is. Het derde, hoedanig Hij is. Het vierde toont ons allerbijzonderst wat Hij voor ons is.

2. GODS NAMEN.

§ 8. Namen noodig?

In tweeërlei opzicht moeten wij de noodzakelijkheid van een naam voor het Opperwezen ontkennen.

1. God heeft geen eigen naam of toenaam noodig zooals de menschen, om Hom van gelijken te onderscheiden. Verstaan wij door namen die hoorbare merkteekenen, die bijzondere woorden, waardoor men de individu\'s eener wezenssoort van elkander onderscheidt, zoo is er voor God zulk eene onderscheiding niet noodig. Want Hij is niet één van velen : er is maar één God. in het menschelijke geslacht draagt ieder een eigen naam , om hem van anderen, die hem gelijk zijn , die ook mensch zijn , te onderkennen gt;).

\') Het Latijnsche nomen — novimen, substantivum verbale van novisse, kennen. Hel Grieksche ovoftx van vépeiv verdeelen, onderscheiden. Döderlein, Latein. Etym. und. Syn. IV. S. 27 ontkent alle verwantschap van nomen met ovo/tx. Zeker ten on.

-ocr page 337-

§ 8. NAMEN N00D1G ?

Ware er maar één mensch, zoo behoefde deze geen anderen naam dan „mensch\'quot; te dragen, gelijk dan ook werkelijk de naam Adam „menschquot; beteekent, een algemeene naam van het menschelijk geslacht, dat in dien éénen toen vertegenwoordigd was»). Er is geen geslacht van goden. Er is maar één Almachtige, één God die wonderen werkt. God alleen is groot. Zoo kende en noemde Israël Hem te midden van den duisteren nacht der dwaling, die den aardbodem bedekte. Ps. 86: 10: Want Gij zijt groot en doei ivonderwerken, Gij alleen zijt God. Het product zijner daden is zijn naam. Bij Hem mag niemand genoemd worden. Jer. 10: 6: Omdat niemand V gelijk is, o Heere, zoo zijt Gij groot en groot is uw naam in mogendheid. Daarom is er voor Hem geen eigennaam van noode; de naam God alleen ware genoeg.

2. Ook kan geen naam volkomen uitdrukken ivat Hij is. Zal de naam van een wezen of ding de volkomen uitdrukking zijn van hetgeen het is, zoodat het door zijn naam in geheel zijne eigenaardigheid aan ons vertegenwoordigd wordt; zoo past voor het Goddelijke Wezen geheel geen naam, want het is onbegrijpelijk en dus onnoembaar. Daarom spreekt Agur, de zoon van Jake, tot Ithiël en Uchal Spr. 30 : 4: Wie is ten hemel opgeklommen en nedergedaald ? Wie heeft den wind in zijne vuisten verzameld ? Wie heeft de wateren in een kleed gebonden ? Wie heeft al de einden der aarde gesteld? Hoe is zijn naam en hoe is de naam zijns Zoons*)?

rechte. G. Gurtius , Grundzüge der griech. Etymol. 4te Aufl. S. 321 stelt ze saam.

\') Brahel, Redel. Godsd. I. p. 64.

2) Te iveten, Gods des Vaders emijns eeuwigen Zoons, wier naam (dat is eeuwig Goddelijk wezen) geene creatuur kan hegrijpen. Kantteek.

313

-ocr page 338-

§ 8. NAMEN NOODIG V

314

zoo gij het weet. Toen Jakob na zijne worsteling met God bij de beek Jabbok zeide Gen. 32 : 29 : cjeef toch uwen naam te kennen, kreeg hij alleen ten antwoord: waarom is het dut gij naar mijnen naam vraagt? \'t Was immers duidelijk genoeg, met wien Jakob had te doen gehad. En Hij zegende hem aldaar, waardoor nu alle twijfel weggenomen en Jakob ton volle verzekerd werd dat God hem was verschenen. Toen Manoach, Simsons vader , den Engel des Heeren vraagde Richt. 13: 17: ivat is uw naam ? opdat wij u vereeren, wanneer uw woord zal komen, zeide deze tot hem: waarom vraagt gij dus naar mijnen naam ? die is toch wonderlijk.

§ 9. Waarom namen?

God heeft bij de rnenschen, aan wie Hij zich als een persoonlek Wezen openbaarde, namen aangenomen. Voor de menschen was dit noodig. Vooreerst om Hem te onderscheiden zoo van alle schepselen in het gemeen als inzonderheid van de afgoden, van hen die goden genaamd werden (1 Kor. 8 : 5) en aan wie de menschen eigene namen gaven. Geen der Goddelijke namen is tegelijk de naam van een der afgoden. Ten tiveede opdat wij Hem daardoor nader zouden kennen. Een God zonder naam is een onbekende God, gelijk die te Athene; een bewijs dat men in het duister tast. Paulus, op den Areopagus tot de mannen van Athene sprekende, vatte wijs en mild hen hierbij aan om hen uit de duisternis tot het licht te leiden en hun den waren, levenden God te verkondigen Hij zeide Hand. 17 : 23 : want de stad doorgaande en aanschouwende uwe heiligdommen, tempelen, standbeelden, altaren, heb ik ook een altaar gevonden, op hetwelk een op-

-ocr page 339-

§ 9. WAAROM NAMEN ?

schrift stond : den onhekenden God \'). Dezen, dien gij niet kennende dient, verkondig ik tdieden. God benaamt zich niet naar hetgeen Hij voor zich, maar naar hetgeen Hij voor den mensch is^ zoodat zijne bijzondere zelfopenbaringen zich in bijzondere namen uitdrukken en afbeelden. En waar Hij zich met namen noemt, geeft Hij meteen de sterkste verzekering dat Hij is een levend en persoonlijk God2). Denaam Gods in het gemeen is God zelf, zoover Hij zijn onzichtbaar Wezen openbaart. De naam is de brug tusschen zijn en erkennen, tusschen zijn Wezen en ons gelooven aan en be-

\') Nauwkeurig vertaald: aan een onbekenden God, AyvcliaTCfi Qeq. Dat er te Athene werkelijk een altaar met zulk een opschrift was, is uit dit gezegde van Paulus volkomen zeker. Volgens andere berichten waren er van overlang verscheidene altaren met dit opschrift, waarvan een Grieksch schrijver, Diogenes van Laërte in Cilicië uit de 2de eeuw n. G., den oorsprong aldus verhaalt. Er heerschte eens, onitrent 60Ü j. v. C. eene zware pestziekte te Athene. Men vraagde het orakel en dit zeide : de stad moest gezuiverd , ontzondigd worden. Maar het noemde den naam der Godheid niet, tot wier eer deze plechtigheid moest geschieden. Toen liet men den wijzen Epimenides uit Greta komen 596 v. G.), denzelfden van wien Paulus Tit. 1 : 12 eene spreuk over de Kretenzers aanhaalt, die de verzoening aldus bewerkstelligde. Hij bracht eenige zwarte en witte schapen op den gerichtsheuvel, den Areopagus en liet ze van daar los loo-pen. Priesters volgden. Ter plaatse nu waar telkens een van de schapen bleef stilstaan, moesten de priesters een altaar oprichten en het dier er op offeren voor den (ongenoemden) God die de veroorzaker van de pest mocht zijn. Na deze offeranden hield de plaag op. Van daar in Athene altaren zonder naam. Zij vereerden eenen onbekenden ; Paulus verkondigde hun den onbekenden God. Vergel. Meijer en Von Gerlach a. 1.

2) Aanteek. op Dr. Hoedemakers Handb. p. 55.

315

-ocr page 340-

§ 9. WAAROM NAMEN ?

minnen van Hem. In den naam komt Hij tot ons, in ons; in den naam vatten, hebben, houden wij Hem. Vandaar den naam des Heeren liefhebben zooveel als Hem liefhebben, zooals Hij zich heeft geopenbaard. Dus in Ps. 5 : 12 : Maar laat verblijd zijn allen die op Ubetrouwen tot in eeuwigheid, laat hen juichen omdat Gij hen overdekt en laat in U van vreugde opspringen die Uwen naam liefhebben. Een naam-looze God kon geen voorwerp onzer liefde zijn i). Vandaar de doodstraf op lastering van don naam des Heeren. Want zijnen naam lasteren is Hem zolven lasteren. Lev. 24 : 16 : En wie den Naam des Heeren gelasterd zal hebben, zal zekerlijk gedood ivorden, de gansche vergadering zal hem zekerlijk steenigen; alzoo zal de vreemdeling zijn gelijk de inboorling, als hij den Naam zal gelasterd hebben , hij zal gedood worden.

§ 10. Al de namen belangrijk.

De namen , die het Opperwezen in de heilige Schrift draagt, zijn allen belangrijk. Zij hebben allen eene gewichtige beteekenis en zij zijn allen waarheid.

De naam van een ding of wezen zal in het gemeen en naar zijne eigenlijke en oorspronkelijke bestemming geen willekeurige onderscheiding zijn, maar de juiste uitdrukking van de eigenaardigheid des onderwerps dat hem draagt, de uitdrukking van den indruk dien het onderwerp door zijn vertoon, door zijn voorkomen, door zijne bijzonderheden onmiddellijk verwekt of een gedenkteeken van de opmerkelijkheid welke eene zaak of plaats of een persoon heeft of hebben zal.

\') Hengstenberg zu Ps. 5 : 12 en Ghristol. des A. T. III. S. 533. 2de Ausg. II. S. 440.

316

-ocr page 341-

§10. AL DE NAMEN BELANGRIJK.

De eerste naamgever is niet Adam, maar God zelf. God, die bij de schepping sprak, gaf ook namen aan het geschapene : aan het licht (Gen. 1 : 5), aan het uitspansel (v. 8), aan het droge en aan de vergadering der wateren (v. 10), waardoor Hij toonde de Heer van alles te zijn, terwijl Hij aan ieder ding zijne bijzondere bestemming en werking aanwees.

Adam gaf aan de dieren namen. Aan die dieren, die op het land en in de lucht leefden. Van de visschen wordt niet gezegd, dat zij hem toegevoerd zijn en hoe kon dat ook? H\\j noemde de namen van al het vee en van al het gevogelte des hemels en van al het gedierte des velds Gen. 2 : 20, namen die hij daarna zeker ook aan Eva heeft medegedeeld. Door het reine licht, dat in hem was, en nu bij deze dierenparade veerkrachtig opflikkerde, erkende hij de Goddelijke ideeën in de schepselen. De indruk, dien ieder schepsel , dat door den Heere God tot hem gebracht werd en daar statig kwam aangetreden , op hem maakte, werd in hem eene gedachte en de gedachte werd meteen woord, naam. De spraak had hij , maar nu vormde zich de taal, en wel toen hij nog alleen was. Hij heeft het spreken van God geleerd: hij had immers God hooren spreken. — Deze naamgeving diende tot een teeken van de heerschappij dos menschen over de dieren. — De namen, die Adam aan de dieren gaf, drukten ongetwijfeld den eigen aard en het wezen der schepselen uit.

Ten gevolge van de zonde heeft ook de naamgeving onder do menschen hare waarheid verloren. Waar ouders aan hunne kinderen schoone namen gaven, bleken dezen soms het tegendeel te zyn van .hetgeen zij heetten. Wat liefelijken naam droeg Davids derde zoon , Absalom , dat zegt vader des vredes ; maar was hy geen rebel ? Was Salomo\'s

317

-ocr page 342-

§ 10. AL DE NAMEN BELANGRIJK.

zoon Rehabeam genoemd, dat is volksverruimer, rijksvermeerderaar , hij deed er niet naar, hij verbrokkelde het rijk en kortte het in. Zoo gaat het bij kortzichtige, dwalende menschen.

Maar waar God namen geeft, daar zijn zij volle waarheid. Inzonderheid waar Hij zich zeiven met namen noemt: omdat Hij zich zelf volmaakt kent en met voorbedachten raad en om wijze redenen zijne namen kiest. Hij geeft zijnen naam aan de menschen en dan geven de menschen Hem dien naam. Dat wil zeggen: Hij openbaart zich in een bijzonder opzicht en daarnaar noemt Hem demensch. „Van valsche goden kan de mensch namen verzinnen, maar de ware God kan door den mensch alleen benaamd woorden, zoover Hij zich aan den mensch openbaart, zijne verborgenheden voor hem ontsluitquot;\').

God doet zich dan in zijne namen kennen. Het zijn waarachtige uitdrukkingen en vaste merkteekenen van zijne volmaaktheden, van zijne werkzaamheid en van zijne betrekkingen tot al het geschapene en tot zijn volk.

Zij vertoonen zijn Wezen: bijzonder de naam Jehovah. Of zijne hoogheid , macht en heerschappij, als Eloha, de Ontzaglijke, gewoonlijk in het meervoud Elohim1); Ê^Ae

318

1

) De pluralis is geen naklank van het iwhjtheïsme , duidt geenszins een oorspronkelijke verwantschap aan van het Israë-lietische Godsbegrip met het veelgodendom der volken , maar drukt de samenvatting van alle Goddelijke eigenschappen en krachten uit. Tholuck, Komment. zum Br. an die Hebr. S. 140. Het praedicaat staat bij dien naam in het enkelvoud. Vilmar, Dogmatik I. S. 157, vindt nog weer aannemelijk, dat het meervoud zou te verklaren zijn uit eene samenvatting van God met de En-gelenwereld ! Tegen het polytheïstische van den meervoudigen vorm komt te recht ook op Da Costa, Voorl. O. T. I. p. 477.

-ocr page 343-

§10. AL DE NAMEN BELANGRIJK.

Sterke, Schaddaï, de Almachtige; Adonaï, Heer. Dan de Goddelijke Personen: de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.

Zeer oud en opmerkelijk is de naam Eljón, Allerhoogste, die ons reeds in de geschiedenis van Melchizédek ontmoet. Melchizédek, koning van Salem, was een priester des Aller-hoogsten Gods, Êi Eljón gt;) en wij hooren dezen naam niet slechts uit Melchiüödeks mond (Gen. 14 : 19, ^0) maar ook van Abraham, die hem dus overnam, ten teeken dat Mel-chizédeks God ook zijn God was, terwijl de naam Jehovah (Heere) alleen door Abraham gebruikt werd, door Melchizédek niet. De koning van Sodom stond er bij en hoorde beiden aan maar stemde niet mede in in den lof des Aller-hoogsten. Intusschen is dit meer een eeretitel dan een naam van God, niet door den Heere zeiven gegeven maar buiten den kring der bijzondere openbaring opgekomen

Vooral moeten wij het oog op de Goddelijke verbonds-namen vestigen, op die namen in welke zich de Heere bij zijne verbondsmakingen heeft geopenbaard. Deze steken als hooge, sterke torens uit, waar de rechtvaardige zal henen-loopen en niet overweldigd worden.

Vooraan staat de naam Êl Schaddaï, God de Almachtige, waarmede Hij aan Abraham in diens merkwaardig 90te levensjaar verscheen, in hetwelk deze wederom zooveel nieuws ervaren zou. Gen. 17 : 1 : Ik ben God de Almachtige, wandel voor mijn aangezichle en zij oprecht. Deze naam staat in

\') van aW ster\'( gebruikelijk in de algemeene

beteekenis van God. van opklimmen.

2) F. Van Mastricht, Godgol 1. p. 219. Dr. G. F. O elder, Uit Theologie des A.T. Ister Band Tüb 1873. S 135. Hr.A.Kuyper, het Woord Amst. Ie. b. Amst. 1873 p. 24. Bij dePhoeniciërs \'EA/cDi/,

319

-ocr page 344-

§ 10, AL DE NAMEN BELANGRIJK.

het nauwst verband met de verandering van den naam Abram „hooge vaderquot; in Abraham „vader van menigte der volkerenquot; en dit Almachtig behelst en toont den grond aan dat aan Abraham en Sarah, oud en kinderloos, het beloofde zaad nu zou geschonken worden, daar God zich hierdoor als dien kenmerkt, die in dooden leven schept en door zijne machtdaden de weerbarstige natuur aan zijn heilsplan onderwerpt. Deze naam Êl Schaddaï drukt dan het karakteristieke van den patriarchalen openbaringstrap uit en vat de geheele Godskennis in zich, die aan Abraham , Izaak en Jakob ten deele werd , eer de naam Jehovah werd geopenbaard , zooals uit Ex. 6 : 2 blijkt«).

Een nieuw tijdperk begon met de openbaring van den naam Jehovah. Dit werd de Goddelijke verbondsnaam voor Israël Ex. 3: 14; 15. Toen door de oprichting van het gouden kalf het verbond verbroken was , maar God zich door Mozes verbidden liet, openbaarde Hij zich aan dezen nadrukkelijk op nieuw met dien naam Ex. 34 : G : Jehovah, Jehovah God en noemde zich daarbij barmhartig en genadig , lankmoedig en groot van loeldadigheid en waarheid.

Voor het Israël des Nieuwen Verbonds werd de Drieëen-

\') Dr. A. Kuyper a. W. p. 23. 28. 3G. Oehler in Herzogs Real-Enc. X. S. 197. 2e ed. X. S. 414. In Èl SchaddaiYigivizVAehe-teekenis en kracht der tweevoudige belofte Gen. 15: l -.Ik hen u een schild en uw loon zeer groot. Doch wanneer/foos, Einloit. II. S, 33 van den naam Schaddaï zegt: er zeiget an, dasz sich Gott in seiner Liebe den Glaubigen zu ihrer ganzen Sattigung mittheilen tv olie, wie eine Mutter sich ihrem Kinde durch die Briiste mit-theilet, zoo speelt hij met mamma, moederborst. Maar hiermee heeft quot;iet te doen, want dit is niet van -jip (fniP) maar van

320

-ocr page 345-

§ 10. AL DE NAMEN BELANGRIJK.

heidsnaam de Vader en de Zoon en de Heilige Geest de heils-naam, die ten volle de zalige betrekking tusschen God en zijn volk uitdrukt, nadat de eeniggeboren Zoon, in het vleesch gekomen, den naam des Vaders den menschen had geopenbaard, die deze Hem uit de wereld had gegeven (Joh. 17: 6); dezelfde Openbaarder, die de leidsman van het oude Israël op den weg naar Kanaan was geweest en van wien de Heere hun God had gezegd Ex. 23 : 20: Zie, Ik send eenen Engel voor uw aangezichte om u te behoeden op dezen weg en om u te brengen tot de plaats die ik bereid heb. 21. Hoed u voor zijn aangezichte en wees zijne stem gehoorzaam en verbitter Hem niet: want Hij zal ulieder overtredingen niet vergeven, want mijn Naam is in hei binnenste van Hem d. z. mijn Wezen is in Hem, wat gij Hem doet, doet gij Mij. Dit was de drager en bemiddelaar van Gods heilige en genadige tegenwoordigheid. Hij wordt een Engel genoemd, niet als ware Hij een der geschapene Engelen geweest, maar Engel wil zeggen Gezant. Hij, die tot de patriarchen gezonden werd om hen te zegenen en tot de kinderen Israels om hen in het land Kanailns te voeren, wordt vai? deze zijne zending de Engel Gods, zijn Gezant genoemd. Dat is de eeuwige Zoon des Vaders, hot Woord dat bij God was; het afschijnsel Zijner heerlijkheid en het uitgedrukte beeld Zijner zelfstandigheid, in en door hetwelk Hij zich te kennen geeft en met de creaturen handelt. — Met den Vader en den Zoon kende en had Gods volk ook den Heiligen Geest. Dus bij de eenheid van Gods Wezen eene onderscheiding van drie Personen. Tot voile klaarheid kwam deze persoonsonderscheiding met de beloofde komst van den Verlosser en met de beloofde uitstorting des Heiligen Gee-stes. Vandaar nu de naam de Vader en de Zoon en de

Gravoinoijcv , Gorof. Gel. loei\'. 21

321

-ocr page 346-

§11. DE NAMEN GOD EN HEERE.

Eeilige Geest, als samenvatting en toppunt van al de openbaringen Gods\').

§ 11. De namen God en Heere- (Jehovah.)

Waar de heilige Schrift in onze taal God noemt, heeft het Hebreeuwsche Oude Testament doorgaans Elohim, het Grieksche Nieuwe Testament steeds Theos. Waar in ons Oud Testament de Heere\'1) met groote letters staat, leest men in den grondtekst Jehovah of verkort Jah, hetwelk de LXX Grieksche vertalers met Kurios d. i. Heer wedergeven.

Tuschen de namen God (Elohim) en de Eeere (Jehovah) is er in beteeken is en gebruik een opmerkelijk onderscheid. Hierover is onder de Godgeleerden al veel verhandeld en verschillend gedacht. Hoofdzakelijk komt het ongetwijfeld hierop neer: de naam God (Elohim) ziet op het rijk der natuur, de Heere (Jehovah) op het rijk der genade.

God, Elohim, is eigenlijk niet een bijzondere naam van den Allerhoogste, niet één van de vele namen die Hij draagt, zoodat Hij ook zonder dezen naam kon zijn of buiten dezen naam toch alles kon wezen wat zijne andere namen zeggen. Veelmeer Elohim geeft naar zijne oorspronkelijke beteekenis „de Ontzaglijkequot; de Godheid in het algemeen te kennen, het inbegrip van al wat Goddelijk is, het eenig waar Goddelijk Wezen, in onderscheiding van al wat geen God is, van alle valsche, ingebeelde goden; het is God naar zijne

\') Men vergel. de schoons Skizze bij Dr. A. Kuyper a. W. p. G3-65.

2) Zie Dr. A. Kuyper, Bede om een dubbel „Corrigendumquot; Amst. 188f). bi. 6 v.v. Kantteek op Gen. 2: 4.

322

-ocr page 347-

§11. DE NAMEN GOD EN HEERE.

algemeene, cosmische, het heelal betreffende werkzaamheden als Schepper en Heer der wereld, wiens onzienlijke dingen, ook den Heidenen kenbaar, uit de schepselen worden verstaan (Rom. I : 19, 20), terwijl Hij als zoodanig aan de wereld transscendent blijft, in de wereld niet intreedt gt;).

Jehovah is een bijzondere naam, een eigennaam (nomen proprium), is dezelfde ware God in betrekking, in verkeer met menschen, met zijn volk, met Israël en ziet op zijne geschiedkundige openbaring, op zijn verbond met de menschen, op zijne werkingen in en omtrent zijn rijk op aarde.

Elohim is Hij ook voor de Heidenen, Jehovah alleen voor Israël, voor zijn volk. Elohim voor geheel de natuur, Jehovah in zijn genaderijk. Elohim is voor Israël Jehovah en Israëls Jehovah is de Elohim, de ware, levende God. Vandaar zoo gedurig de samenvoeging van beide namen Jehovah Elohim, de Heere God4),

Het onderscheid tusschen Elohim (God) en Jehovah (de Heere) springt dadelijk Gen. 1 en ^ in het oog. Gen. 1 : 1 v.v., waar het werk des Scheppers beschreven wordt, heet Hij Elohim (God), Maar Gen. 2: 4 v.v., waar de geschiedenis begint van den mensch, van de plaats en bestemming, die de Schepper hem tegenover de andere schepselen geeft en van zijne betrekking tot den persoonlijken God, daar is het aanstonds Jehovah Elohim, de Heere God. Waar de slang Hem noemt. Gen. 3 ; 2 v.v., is het God. Desgelijks waar Heidenen van Hem spreken, als Gen. 20: 3, wordt gezegd God •gt;). Scherp komt dit onderscheid onder anderen

\') Oehler in Herzogs Real.-Ene. X. S. 197 2e Ed.X 415. Art : BName.quot;197. Da Costa, Voorlez.\'over het Oude Testament I. p. 476. 2) Hengstenberg, Comment, über die Psalmen IV. 2. S. 254. :i) Heere Gen. 20: 4 in Abimelechs mond is Hebr.-iWoMa*.

323

-ocr page 348-

§11. DE NAMEN GOD EN HEERE.

Ps. 19 uit. Eerst waar van de werken der natuur gesproken wordt, is het God (El v. 2), maar zoodra de Wet wordt genoemd, is het Jehovah, de Heere (v. 8 v.v.)\').

God wordt aanstonds in het eerste Bijbelvers genoemd, Jezus Christus de Ileere in het laatste. Gen. 1 : 1 ; ƒ« den beginne schiep God (Elohim) den hemel en de aarde. Op. 22 : Ü1 : Be genade van onzen Heere (Kurios) Jezus Christus zij met u allen. Dus begint de Heilige Schrift met God en eindigt met den Heere en dezen naam verbindt zij met Jezus Christus, die de Heere (Jehovah) is, in wien wij den Heere erkennen en hebben, hetwelk de slotsom is van al de openbaringen Gods : Opdat in den naam van Jezus zich zou buigen alle knie dergenen die in den hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn en alle tong zou belijden dat Jezus Christus de Heere zij, tot heerlijkheid Gods des Vaders Fil. 2: 10, li2).

De naam Jehovah was vóór Mozes tijd niet geopenbaard, namelijk in zijne volle beteekenis en kracht en tot algemeen, kerkelijk gebruik in Israël en niet meer slechts bij enkelen. Dit is de zin van Ex. 6: 1,2: 7/i; c?e T/eere (Jehovah).

\') Oehler in Hcrzogs Real-Enc. VI. S. 459. 2e Ed. VI S. Art. 504 Jehovah. Kurtz, Gesch.des Alten Bundes I. S. 17.

2) Hiernaar moeten wij zeker aan Hengstenberg gelijk geven, wanneer hij Comment, über die Psalmen IV. 2. S. 254 Je/wwa/t voor het op zich zelf hoogere , Elohim voor het op zich zelf mindere verklaart. Kurtz, Gesch. des A. B. I. S. 19 spreekt dit tegen en wil toegestemd, dass sich nicht nur Elohim haiifig zu Jehovah, sondern dass sich audi ebensosehr Jehovah zu Elohim potenzire ; dass nicht minder Jehovah zu Elohim als Elohim zu Jehovah werden miisse damit die Enlwicklung zum Ziele ge-führt werden könne. En S. 20; Elohim ist der Gott des An-

324

-ocr page 349-

1

§11. DE NAMEN GOD EN HEERE.

En Ik ben Abraham m haak en Jakob verschenen als God de Almachtige, docli met mijnen naam Heere ben ik hun niet bekend cjeiveest. Bij deze plaats, dikwijls misverstaan, dient behartigd wat reeds onze TiawWeeA-ewaars aanmerken: „God de Heere wil hier zeggen dat deze zijn naam Jehovah en hetgene dat die naam beteekent •) tot nog toe hun zóó wel niet bekend was als het hun voortaan zou bekend gemaakt worden, door de dadelijke vervulling zijner beloften, bijzonderlijk van de mirakuleuse verlossing uit Egypte en invoering in \'t land van beloften. Anderszins heeft God zich fangs (Schepper), Jehovah der Gott der Mitte (der Entwicklung), Elohim wiederum Gott des Endes (als Rechter der ongehoorza-men, als eeuwig deel der zaligen). Maar in dit einde, in oordeel en zaligheid, wordt juist Christus, dus Jehovah ten volle geopenbaard. En met Potenzirung en Entwicklung op God over te dragen mogen wij wel voorzichtig zijn. Het is geen ivor-dend maar een toezend God.

\') Dus ook Kurtz, Gesch. des A. B. I. S. 48. S. 345:

emphatisch. Desgelijks Oehler in Horzogs Real-Enc. VI. S. 460, 2e Ed. VI S. 505 Art: „Jehovahquot;

325

en evenzoo in Theologie des A. T. I. S. 148. En Hengstenberg, Gesch. des R. G. unter dem A. B. II. 1. S. 28. Niet anders Joh. Coccejus, Observ. in Ex. c. 6. Opera 1. 2. p. 6 : Nomen hoc. ab initio auditum fuit. Deus illo usus est loquens ad patres, Gen. 18: 14 e. al. Atque ita patres frequenter eo usi sunt. Ergo coguoscere nomen Jehova non est id audire sed veritatem ejus exporiri Dies is \'t onnoodig, gelijk vreemd, hoewel niet

J

tegen de taal (negatieve volzinnen

gend uitgesproken worden, zoodat men een bevestigend antwoord verwacht, nonne ?) hier eene vraag aan te nemen: en aangaande mijnen naam Jehovah, hen ik hun niet hekend geweest) (geworden) ? Zoo, als vraag neemt het zelfs Sehast Schmid in Ev. van der llooijhts Biblia Hebraica. De Vulgata heelt Adonaï, aar het nupiog der LXX.

-ocr page 350-

§ 11. DE NAMEN GOD EN HEERE.

zeiven al lang vóór dezen Jehovah genoemd en bij dezen naam zijne beloften verzekerd.quot; Had Hij zich aan de vaderen in zijne macht geopenbaard daar Hij gedaan had wat onmogelijk scheen, bijzonder door Abraham zaad te geven en door hen samen voorts krachtig te beschermen, wonderbaar te redden en te zegenen: Hij wilde nu aan dit geslacht als Jehovah dat is als de Getrouwe en Waarachtige zich luisterrijk openbaren door de oude beloften van het bezworen verbond (v. 3) nauwkeurig te vervullen. Pharaos weerstand zou tot niets anders dan tot verheerlijking van Jehovah dienen.

De naam Jehovah was dan in den tijd vóór Mozes wel hekend •) maar niet in zyne volle kracht erkend, maar thans en van nu aan alle eeuwen door zou zich het Wezen, waarvan deze naam de uitdrukking was, volkomen aan Israël openbaren en dus de naam zijn sporadisch karakter verliezen en in het gemeen gebruik overgaan.

Mozes gebruikt dien naam aanstonds bij zijne beschrijving van de eerste geschiedenissen Gen. 2: 4 v.v., ten bewijze dat die God; die de wereld geschapen en zich aan de eerste menschen geopenbaard had, geen ander was dan Jehovah, de God van Israël 2).

\') Wanneer Dr. A. Kuyper, Uit liet Woord p. 31 zegt, dai reeds vóór de gewichtige Openharing in het „ liraamhcschquot; Israels geslachten met het gehruik van dien naam vertrouwd waren, zoo is dit wel wat sterk uitgedrukt. Daarentegen is liet to weinig wat Ewald op grond van den naam van Mozes\' moeder Joche-bed toestemde, dat de naam Jehovah ten minste in het huis van Mozes\' voorvaderen van moeders zijde gebruikelijk was geweest. Verge!. Oehler in Herzogs Real-Enc. VI. S. 460. 2e Ed. S. 505.

2) Vergel. J. G. Muller in Herzogs Real-Enc. XII. S. 3(3,— 2e Ed. IX. S. 132. Art. „Magiërquot;

326

-ocr page 351-

§ II. DE NAMEN GOD EN HEERE.

Joodsche christenbestrijders en Socinianen hebben beweerd dat de naam God •) )Elohim, Thees) in den eersten en eigenlijken zin een ambtsnaam zou zijn, die een gezag, eene macht en waardigheid te kennen gaf. Men wilde hierdoor een bewijs voor Christus\' wezenlijke Godheid wegnemen. Naar het Sociniaansch begrip zou, waar Christus God genoemd wordt, dit niet zijne hoogere natuur, zijn eeuwig Wezen in tegen-

Het gebruik van don naam Jehovah in afwisseling met Elohim geheel Genesis door zoowel door den schrijver zeiven in zijn verhaal als in den mond van God en van de vaderen in verband met Ex. 6 : 2 is verschillend verklaard. Mocht men deze plaats vragenderwijs lezen, met Sebast. Schinid : (quod) que {ad) nomen Meum Jehovah (/t. e. qui est et dat esse), non (ne) not us fa-ctus sum illis (dando illis promissiones Meas)? dan viele met eenmaal het 1 ezwaar weg. Maar dit kon, en te recht, geen ingang vinden. Nu stelden sommigen als De Wette e. a., dat Ex. 6 : 2 leert, de naam Jehovah was eerst in Mozes\' tijd opgekomen en zij bestreden van hieruit de eenheid van Genesis. Met grond werd deze stelling tegengesproken door Hengstenberg e. a. , die dan het wisselend gebruik van Jehovah en Elohim ol uit de verschillende beteekenis van beide (zoo Hengstenberg) óf het gebruik van Jehovah in Genesis voor proleptisch (Ebrard) verklaarden. Vergel. Kurtz, Gesch. des A. B. I. S. 346 f.

\') Ons woord God zegt goed. Zie Eerste Stuk § 6. Aldus ook Luther in Catech. maj. Concordia pia. cd. Lips. 1756 p. 409 : nos Germani-Deum {Gott) a bonltatis vocabulo {Gut)-vocamus. — De verwantschap van Ctdq met het Sanskritsche déva\'s en het Latijnsclie detts (Diov-is, divus, glanzend) ontkent G. Curtius, Grundzüge der Griech. Etymologie 4te Aufl. S. 235. S. 81. S. 503 en, terwijl hij natuurlijk de Platonische afleiding van öéu , dus Looper, verwerpt S. 507 , neemt hij als wortel aan Oss, nog voorhanden in öéavaaöxt, zoodal êscs eigenlijk is ■l. v. a. öewxiAMo;, de gesmeekte, aangebedene. S. 509.

327

-ocr page 352-

§11. DE NAMEN GOD EN HEERE.

stelling tegen alle schepsel te kennen geven, maar alleen zijn ambt, zijn gezag , waartoe God, die de oppermacht over alle dingen heeft en die als zoodanig maar een eenig persoon zou zijn, Hom, die van natuur een bloot mensch was , zou hebben verheven \'),

Met reden kwamen de rechtzinnige Godgeleerden hiertegen op en hielden vast dat de naam God in de Heilige Schrift eigenlijk en eerst beteekent Hem die van nature God is. Dit blijkt onder anderen uit Gal. 4:8: toen als gij God niet kendet, diendet gij degenen die van nature geen goden zijn. Daar noemt Paulus de afgoden der Heidenen zulken die van natuur, dat is: in wezen, geen goden zijn en hij stelt er den enkelen naam God tegenover, dat is dus die, die van nature dal is in wezen, wezenlijk God is. Ook blijkt het uit de daarvan afgeleide woorden Goddelijkheid ex\\ Godheid*), die nergens van een ambt gezegd worden, hetwelk toch ook moest plaats hebben , indien de naam God eigenlek en niet slechts overdrachtelijk een ambt beduidde.

Men brengt hiertegen in , dat de naam God ook aan Engelen en overheden wordt gegeven.

Maar Engelen worden niet God genoemd. Ook niet Ps. 8 : 6, waar wij in onze Vertaling wel lezen: gij hebt hem een iveinig minder gemaakt dan de Engelen en hebt hem met eer en heerlijkheid gekroond, maar eigenlijk staat er: minder gemaakt dan God 3).

\') Fr. Spanhemii, Gontroversiarum Elenchus ed. lG94p.l57 sq. Winer, Gomparative Darstell. 2te Aufl. S. 42. 4te Aufl. S. 95.

;i) Goddelijkheid Rom. 1: 20 dat wat Godes is. God

heid Kol. 2:9: ösiryg dat wat God is. Cremer. Wörterb: S. 281. 3) DTlSxD De Grieksche Vertaling heeft daar : engelen, yrxp

328

-ocr page 353-

§11. DE NAMEN GOD EN HEERE.

Aan Israels overheid wordt soms de naam Elohim, goden gegeven. Dus Ex. 22 : 9: over al het verlorene hetwelk iemand zegt dat het zijne is, heider zaak zal voor de goden komen: tvien de goden vertvijzen, die zal het aan zijnen naaste dubbel wedergeven. Maar hiermede dient men te vergelijken Deut. 19: 17 : zoo zullen die ttvee mannen, welke den twist hebben, staan voor het aangezichte des Heeren, voor het aangezichte der priesters en der rechters die in diezelve dagen zijn zullen, dat is het theocratische gericht, het gericht in het rijk Gods, hetwelk in den naam Gods recht sprak. De grond en zin van dien naam is, dat God hun in hunne ambtshoedanigheid iets van zijne Goddelijke majesteit had verleend : zij waren stedehouders van God. In den eigenlijken en vollen zin beteekent dan de naam God alleen Hem , die van nature God, de wezenlijke en eeuwige God is en het is slechts bij overdraging en in een bepaald opzicht dat deze naam aan overheden gegeven wordt en wei niet aan dezen of genen overheidspersoon afzonderlijk maar

txyyeXouq. Calvinus vertaalt Elohim te recht door God en de zin is; de raensch is bij de Schepping Gen. 1 in eenen bijna God-delijken en hemelschen stand geplaatst, daar hij namelijk door Gods genade heerschen zou over de werken van Gods handen v. 7. Daarbij kwam de vergelijking met de Engelen niet te pas. Paulus heeft Hebr. 2:7 uit de LXX de Engelen overgenomen, naar de vrijheid die de Apostelen bij het aanhalen van Schriftuurplaatsen ten aanzien van de woorden met behoud van den hoofdzin gebruikten. Zie Calvin. Comment in Psalmos ed Tho-luck I. p. 48. Weinig minder dan de Engelen sluit in: weinig minder dan God, inzoover zij het zuivere beeld Gods bezitten. Dat de Engelen niet God genoemd worden, is bijzonder aangedrongen door Hengstenberg, Comment, über die Psalmen I. S. 176 (Ps. 8:6). III. S. 425 (Ps. 82 :1). IV. S. 61 (Ps. 97 ; 7).

329

-ocr page 354-

§ 12. JEHOVAH.

aan het college of lichaam der rechteren in het geheel en dat bij uitnemendheid in het rijk Gods, in Israël\').

§ 12. Jehovah.

De naam Jehovah wordt door de Joden niet uitgesproken. Zij beroepen zich op Levit 24 : 10. Maar daar staat: wie den naam des Heeren (Jehovah) gelasterd zal hebben, zal zekerlijk gedood worden. Joodsche schriftgeleerden verstonden dit vroegtijdig aldus: wie den naam Jehovah uitgesproken1) zal hebben. Daarom nam men den naam Jehovah niet op de lippen. Men gaf er in het Hebreeuwsch de klinkers aan van Adonaï of van Elohim. Waar Jehovah stond daar sprak men bij het lezen: Adonaï d. i. Heer of, waar Adonaï er bij stond, Elohim (b.v. Jez. 22 : 12). Volgens de Joodsche overlevering zou de naam Jehovah nog een tijd lang

\') Hengstenberg, Christologie des A. T. I. 1829. 1. S. 118. Stier , Reden Jesu IV. 1. S. 621.

\'2) Uit Lev. 24: 11 : Toen lasterde de zoon der Israëlietischo vrome uitdrukkelijk den Naam en v. 15: een ieder, als hij zijnen God gevloekt zal hebben blijkt dat met v. 16 een lasterend, vloekend uitspreken bedoeld is. Reeds in de Griek-sche Vertaling der LXX is het: wie den naam des Heeren noemt, övoftd^uv to ivo (ax Kupiou. De LXX hebben voor Jehovah geregeld «y/3 (ö9,Luther : der Herr, onze Statenvertalers de HEEUE, hetwelk eene vertaling is van Adonaï, niet van Jehovah ; dezen niet uit bijgeloof, maar omdat die naam niet met één woord gepast vertaald kon worden. Acta Synodi Nat. Dordr. Sess XII. ed Hanoviae 1620 p. 35. Oehler in Herzogs Real-Ene, Vl. S. 455. 2. Ed. S. 502. Dezelfde, Theol. des A. T. I. S. 140. Joh Buxtorf, Lex. Ghald. Bas. 1639. p. 2433.

330

-ocr page 355-

§ 12. JEHOVAH.

door de priesters bij het geven van den zegen (Num. 6 : 24 v.v.) en op den verzoendag door den Hoogepriester uitgesproken, maar sedert den dood van Simon den rechtvaardigen , dus sedert de eerste helft der derde eeuw v. G. met Adonaï verwisseld zijn, terwijl dit buiten den tempel reeds lang was geschied.

De Joodsche leeraars achten, dat de ware uitspraak van dezen hoogheiligen naam sedert de verwoesting van Jeruzalem geheel verloren is geraakt, Sedert de 16de eeuw n. G. kwam de uitspraak Jehovah bij de Christelijke Godgeleerden in gebruik »).

Sommigen willen dat de naam Jehovah van Egyptischen oorsprong, aan de Egyptische mysteriën ontleend zou zijn. Maar dat deze naam aan den Egyptischen Godsdienst geheel vreemd was blijkt reeds afdoende uit Ex. 5 : quot;2 : Maar Pharao zeide: wie is de Heere (Jehovah) wiens stem ik gehoorzamen zou om Israël te laten trekken? Ik ken den Heere (Jehovah) niet en ik zal ook Israël niet lalen trekken. En geheel het verhaal van den uittocht uit Egypte strijdt rechtstreeks tegen iedere afleiding der kennis en vereering van God als Jehovah uit Egyptische of eenige andere vreemde bron2).

\') Tegenwoordig acht men de uitspraak haast algemeen

voor de meest waarschijnlijke. Oehler, Theol. des A. T. S. 141. Ook Hengstenberg, Oftenb. Joh. I. S. 86. Desgelijks Da Casta, Voorlez. over het O. T. II. p. 480. Aan HTlk heeft mij gezonden beantwoordt v. 15 rnrV heeft mij ; derde persoon van het Imperfectum van mn (oudere vorm voor [quot;Vn)

•TT TT

dus is het of niH* of mrv, Javeh of Ja»ah.

v ; - t ;quot;

4) Kurtz , Gesch. des A, B. II, S. 65.

331

-ocr page 356-

§ 12. JEHOVAH.

Het woord Jehovah beteekent: Hij is. Het kenmerkt dus God als dien die is, dat wil zeggen: die werkelijk is, waarachtig is en eeuwig dezelfde is;dus in volstrekten zin de Wezende,

Exod. 3 ; 14 spreekt God zelf den naam verklarende uit: En God zeide tot Mozes: Ik zal zijn die ik zijn zal ! Ook Z\'dde Hij alzoo zult gij tot de kinderen Israels zeggen: Ik zal heeft mij tot ulieden gezonden. Het tweede: Ik zal zijn is slechts bij verkorting gezegd voor het eerste : Ik zal zijn die Ik zijn zal en dit is zooveel als: Ik hen die Ik hen, want de toekomende tijd drukt de bestendige voortduring uit van hetgeen de naam beteekent, alzoo het Wezen.

Dies geeft de naam Jehovah te kennen 1. het Zelf zijn Gods. Jehovah heet hij als „de zelfstandige, zelfwezende, van zich zeiven zijnde van eeuwigheid tot eeuwigheid en de oorsprong of oorzaak van het wezen aller dingenquot; quot;). In ezen naam stelt dus God zich voor als dien wiens Zijn in Hem zeiven iss), terwijl al het geschapene slechts een afgeleid wezen heeft, verleend door Hem die alleen is. In dezen naam eigent dan God zich het zuiver, volstrekt (absoluut) Zijn toe en wel het persoonlijk Zijn. Want de naam is niet Zijn of Wezen in hot algemeen en onbepaald, maar Hij zegt: Ik ben. Hij is de eenige die waarachtig is, alle anderen kunnen alleen door de gemeenschap met Hem in het Zijn deelen, een Zijn hebben; buiten Hem is erslechtsnietzijn, onmacht en dood. In dezen naam ligt dan 2. opgesloten de onveranderlijkheid en de getrouwheid Gods. Er werd aan Israël door verzekerd „dat God, die Mozes zond, eeuwig is

\') Kantteek. op Genes. 2 : 4.

\'2) Veryel. Dr. R. Eothe, Theol. Ethik. I. S. 91.

332

-ocr page 357-

§ 12. JEHOVAH.

in wezen, getrouw in zijne beloften en almogende in derzel-ver uitvoering i).quot; Deze naam was een waarteeken en onderpand voor Israël van de zekerheid der verlossing uit Egypte, van de wonderbare hulp des Heeren in de drukkendste en moeilijkste omstandigheden. Uit den naam Jehovah zouden de Israëlieten erkennen, dat Mozes hun geen nieuwen God verkondigde, maar dien die was en dat zij ook in de toekomst geen anderen God zoeken en aanbidden mochten, omdat dezelfde die ivas ook altijd zijn zou. Rij zal zijn wat Hij is, altijd dezelfde, zichzelven gelijk, onveranderlijk in zijn Wezen en dienvolgens ook onveranderlijk in Zijnen wil en Zijne woorden2). Dus werd dan door dezen naam ook de vastheid van het verbond Gods betuigd: immers Hij die was toen Hij het verbond met Abraham maakte, is ook en zal even dezelfde in eeuwigheid blijven. De Heere (Jehovah) is zijn gedenknaam Hos. 12:6, het is de naam van den getrouwen en almachtigen Verbondsgod.

De woorden Openb. 1:4: die is en die was en die komen zal zijn eene omschrijving van den naam Jehovah. Hg is, ook wanneer de wereld schijnt te triumfeeren en Gods volk machteloos neerligt. Hij was : Hij heeft door daden Zijner almachtige liefde vooral sedert de uitvoering uit het diensthuis van Egypte zich als aanwezig betoond. Hy komt 3), ten gerichte over de wereld enter verlossing van Zijne kerk.—

\') Kantt. op Exod. 3: 14.

2) Hengstenberg, Gesch. des R. G. unter dem A. B. II. 1. S. 29.

1) In den Griekschen tekst 0 spyj^vos, de komende, niet de wordende. Een wordend God is aan de Heilige Schrift vreemd en strijdt tegen Ehjeh ascher Ehjeh en tegen de werkelijke ge-lijkhpid van dit met liet hloole Ehjeh. Hengstenberg, Offrnb. Joh. I. S. 80. Treffend Roos, Einleit. in die bibl. Gesch. des

338

-ocr page 358-

§ 12. JEHOVAH.

Met den naam Jehovah kan niemand genoemd worden dan alleen de waarachtige God. Geen geschapen Wezen kan Jehovah heeten. Dit is gewichtig ten opzichte van de Godheid van Christus. Naar de Sociniaansche bestrijders van Christus\' Godheid wordt deze naam ook aananderen gegeven. Maar het tegendeel is openbaar. 1. Want de naam Jehovah draagt al de kenmerken van een eigen naam : hij komt nooit in het meerder getal voor \')• Ook aan Engelen wordt hq niet gegeven, behalve aan den éenen, ongeschapen Engel (Gezant); van wien God zeide ; mijn naam is in het binnenste van Hem Exod. 23 : 213). 3. God zelf eigent Zich alleen dezen naam toe als zijn bijzonderen naam Jes. 42 : 8 : Ifc hen de Heere (Jehovah), dat is mijn naam en mijne eere zal ik geenen anderen geven noch mijnen lof den gesnedenen beelden. Aan geen anderen dat wil zeggen : aan geen die niet God is , aan geen Engelen, menschen enz., veelmin aan gefabriceerde afgodsbeelden. Men heeft die godspraak tegen de Drieëenheid, bijzonder tegen de Godheid van Christus gebruikt. Maar zij is veel meer een bewijs daarvóór. Namelijk met die woorden bevestigt de Heere wat Hij daar vooraf beloofde, om door zijnen knecht de blinde oogen te openen en de gebondenen uit te voeren uit de gevangenis. Dat wilde Hij doen zoo gewis als zijn naam Jehovah was. En dit alles

A. T. II. S. 157: für das Wortlein : er ivird seijn tvird in der Offenharung Johannis etliche mal Er kommt gesetzt, zwn An-zeigen, dasz es bei dein Namen Jehovah nicht auf metaphysisehe Gedanke.n von der Einheit und Unveranderlichheit Gottes an-komme, sondern dasz auf die Off enharung der Werke und Wege Gottes gezielet werde.

\') Roy, Godgeleerdh. I. p. 161 v.v.

2) P. Van Mastricht, Godgel. I. p. 221.

334

-ocr page 359-

§ 12. JEHOVAH.

335

tot zijne, des Eenigen en Eeuwigen eere, die door zijnen knecht (v. 1) in Israël, in de menschheid, wilde verheerlijkt worden, tot beschaming van allo afgoderg. Hier wordt ten klaarste aangeduid dat de gezondene zelf waarachtig God is. Aan dezen zijnen knecht (v. 1 vergel. Filipp. S! : 7) geeft God zijne eere, deze is Hem geen andere, geen vreemde. 4. De naam Jehovah past ook wegens zijne beteekenis op niemand anders dan die waarachtig God is. Deze naam blijft onmededeelbaar.

Aan Christus komt de naam Jehovah toe, omdat Hij, waar mensch, ook waarachtig God is. Al de drie ambten des Verlossers, noodzakelijk tot onze zaligmaking, vereischen en veronderstellen zijne Godheid. Hij is bedoeld Jerem. 23 : 6: In zijne dagen zal Juda verlost worden en Israël zeker wonen en dit zal zijn naam zijn waarmede men Hem zal noemen : de Heere (Jehovah) onze gerechtigheid. Hetwelk niet beteekent: „die, door wien en onder wien Jehovah onze gerechtigheid zijn zalquot; i), maar de rechtvaardige Spruite uit David, door Israël als Verlosser verwacht, de Koningj die recht en gerechtigheid zou doen op aarde, zou zelf door zijn volk genoemd worden de Heere (Jehovah) onze gerechtigheid, namelijk omdat Hy, als God geopenbaard in het vleesch, de eenige oorzaak en bron der gerechtigheid voor zijn rijk en volk is. En wordt er van Hem getuigd Hebr. 13 : 8 : Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid , zoo wil dat zeggen : Hij is Jehovah.

\') Aldus Hengstenberg, Ghristol. des A. T. III. S. 561. 2le Ausg. 11. S, 466.

-ocr page 360-

336 § 13. BEGRIP VAN GODS EIGENSCHAPPEN.

3. GODS EIGENSCHAPPEN.

§ 13. Begrip.

Tot een klaarder denkbeeld van het Opperwezen komen wij, wanneer wij zijne volmaaktheid bij deelen en van verschillende zijden beschouwen. Deze enkele deelen der hoogste volmaaktheid of de volmaaktheden des allervolmaaktsten Wezens, afzonderlijk bevat, noemen wij de eigenschappen Gods; eigenschappen niet alleen omdat wij ze Hem toeëige-nen, toeschrijven, maar omdat zij Hem werkelijk eigen zijn.

In God zeiven zijn zij niet onderscheiden, noch van zyn Wezen noch van elkander.

Zij zijn niet onderscheiden van het Goddelijke Wezen •). Hierop heeft de rechtzinnige kerk nadruk gelegd, bijzonder tegen Gonr. Vorstius1) (st. 1622) met de Socinianen en ten deele de Arminianen. Deze waarheid is niet zonder belang en wel voor de leer van de Drieëenheid en van de Praedestinatie. Die deze bestreden, stelden dat de Goddelijke eigenschappen zakelijk van het Goddelijk Wezen verschillen. Dit was a. om uit de Goddelijke eigenschappen, die in de Heilige Schrift aan den Zoon en aan den Heiligen Geest toegeschreven worden, niet te moeten besluiten, dat het Goddelijke Wezen

\') Die kirchliche Theologie hat nie zugestanden, dasz die Eigenschaften Gottes etwas Anderes als das Wenen Gottes selhsi seyen. Nitzsch in Herzogs Real-Enc. XV. S. 262. 2e Ed. XIII S. 072 Art Scholast Theologie.

2) Men vindt het oordeel der Provincialen over hem in ce Dord. Syn. Sess. 152 in de Acta Syn. Nat. Dordr. ed. Hanov. 1620 p. 435.

-ocr page 361-

§ 13. BEGRIP VAN GODS EIGENSCHAPPEN.

ook hun Wezen en dat dus God drie in Personen en één in Wezen is, dewijl, indien de eigenschappen zakelijk van het Wezen verschillen, daar, waar Goddelijke eigenschappen zijn, niet ook juist zijn Wezen behoeft te zijn. Het was b. om staande te houden dat de wil van God kon veranderen zonder dat het Goddelijk Wezen; hetwelk ook zij niet konden veranderlijk achten , zelf veranderde.

Wij dienen hierbij dit vast te houden. De Goddelijke eigenschappen zijn wel in ons begrip (onderwerpelijk) onderscheiden van het Goddelijk Wezen, voor zoover wij of het Wezen eenvoudig op zich zelf en als in het afgetrokkene, of datzelfde Wezen in zijne verschillende betrekkingen en werkingen omtrent de schepselen ons voorstellen; maar in God zeiven zijn zij zakelijk (voorwerpelijk) van het Wezen niet onderscheiden. Want noch het Wezen zou zonder de eigenschappen, noch de eigenschappen zouden zonder het Wezen God zijn.

Daarom wordt Hij in de heilige Schrift voorgesteld niet alleen als die licht, leven, waarheid, liefde, heiligheid enz. heeft, maar als die dit alles zelf is. Hij zweert bij zijne heiligheid (Am. 4 : 2) gelijk Hij bij zich zeiven zweert (Hebr. 6 : 13). Al deze uitdrukkingen hebben haren grond hierin en bewijzen dit, dat de Goddelijke eigenschappen niet zoo iets zijn wat bij het Goddelijk Wezen toevallig bijkomt, zoodat het er ook zonder zijn kon, gelijk het bij den mensch is. Bij den mensch zijn de vermogens die zijn wezen uitmaken, van derzelver eigenschappen onderscheiden, ja kunnen ervan afgezonderd en ontbloot zijn. Bij voorbeeld de mensch als zoodanig heeft verstand, maar daarom nog geene wijsheid, heeft eenen wil, maar daarom nog geen deugd; ja het verstand kan zeer onwijs, de wil zeer ondeugend zijn. Anders is het by God. Hem zijn zijne eigenschappen natuur-

Gravemeijer, Gorof. Gol. leer. 2*?

337

-ocr page 362-

338 § 13. BEGRIP TAN GODS EIGENSCHAPPEN.

lijk, wezenlijk; zij zijn zijn Wezen zelf, schoon wij ze er in onze bevatting van onderscheiden.

In God zeiven zijn de eigenschappen ook niet van elkander onderscheiden, in Hem zijn zij ééne oneindige volmaaktheid. Zij verschillen alleen in ons begrip, naar onze wijze van verstaan. Want voor ons verstand, eindig en zwak, is de oneindige volmaaktheid niet dan door verschillende bevat-tingen, als bij deelen, kenbaar, gelijk men den geheelen horizon of gezichteinder, schoon hij slechts een en eenig is, niet in eens kan bezien, maar alleen door verscheiden beschouwingen naar oost en west en zuid en noord •). Deze bevattingen vormen zich naar de verscheidene uitlatingen van Gods volmaaktheid omtrent het geschapene. God keert ons als het ware zijn Wezen van verschillende zijden toe in zijne woorden, in zijne werken en wegen, in al zyne openbaringen : hierdoor ontstaan in ons verschillende indrukken en bevattingen van Hem, ofschoon wij ons daarbij bewust zijn, dat het altijd één en dezelfde God is. Langs dien weg worden niet de Goddelijke eigenschappen zelve, maar onze begrippen van de Goddelijke eigenschappen geboren, die al-zoo de verscheidene betrekkingen van Hem tot de wereld en in het bijzonder tot ons menschen, dus als het ware verscheidene zijden van zijn eenig Wezen uitdrukken.

Hiertegen brengt men in, daterin God tegenstrijdige eigenschappen zijn, bij voorbeeld barmhartigheid en straffende rechtvaardigheid. Maar inGodzelven is niets strijdigs, in Hem is de volmaaktste harmonie. Hij is als het licht in zich zeiven één en onverdeeld, met zich zeiven volkomen overeenstemmende. Het verschil is niet in God, maar in het werk

\') P. Van Mastricht, Godgel. 1. p. 230.

-ocr page 363-

§ 13, BEGRIP VAN GODS EIGENSCHAPPEN. 339

van God en in onze daarnaar gevormde voorstellingen. En zijne werkingen zijn waarlijk verschillend, daar Hij hier bouwt en ginds afbreekt, hier opricht en ginds verstoort; maar tegenstrijdigheid is er niet in dan alleen schijnbaar en naar het ons voorkomt. Zeer gepast brengt men hier de gelijkenis bij van de zon. Wij ontwaren dat de zon verlicht, verwarmt, brandt, dat zij het ééne smelt, het andere verdroogt, verstijft en verhardt; en toch is het eenzelfde zon die dat doet , ja wellicht ook een eenige kracht waardoor zij het doet, die wij echter naar hare onderscheidene werkingen aldus onderscheiden benoemen als eigenschappen der zon. En deze benoemingen zijn niet zonder waarheid, zij drukken iets werkelijks uit. Ook de eigenschappen Gods zijn geen bloote namen, hare waarheid en werkelijkheid wordt door de eenvoudigheid des Goddelijken Wezens en door de daarin gegronde voor-werpelijke eenheid van al de Goddelijke eigenschappen niet weggenomen «)•

§ 14. Verdeeling der Goddelijke eigenschappen.

Men heeft de eigenschappen Gods op verscheiden wijze verdeeld\'^): in rustende (inblijvende) en iverhende (overgaande) ontkennende en stellige, afyetrokkene en betrekkelijke enz., naardat men God beschouwt of in tegenstelling tegen de wereld of in zijne betrekking tot de wereld.

Daarmede komt overeen de onderscheiding in onmededeel-

\') Twesten, Vorles. II. 1. S,\'27. Van Oosterzee, Ghr.Dogm. I. p. 354.

2) Hase, Hutt. rediv. § GO. Doedes, De leei\'van God p. 216 v.

-ocr page 364-

340 § 14. VERDEELING DEU GODDELIJKE EIGENSCHAPPEN.

hare en mededeelbare. Deze is door de Gereformeerde godgeleerden bijzonder voorgestaan, om een vasten grondslag te hebben 1. bij de wederlegging der Luthersche stelling van de alomtegenwoordigheid van Christus\' vleesch; 2. bij de leer van de Godheid des Zoons en des Heiligen Geestes, daar deze bewezen moet worden uit die Goddelijke eigenschappen, in welke een schepsel niet deelen kan. Zij hebben daarbij terecht herinnerd, dat ook de mededeelbare eigenschappen Gods nooit zoo in eenig schepsel kunnen zijn als zij in God zijn, terwijl van de onmededeelbare niet de minste gelijkheid of zweem in een eindig schepsel gevonden wordt \')•

\') Men noemt de Goddelijke eigenschappen attributen (attri-buta divina), behoorende als innerlijke bepalingen tol het Wezen Gods, die in zijne werken zich slechts openbaren; zij heeten noodzakelijke en wezenlijke, omdat zij in het begrip van absolute volkomenheid behelsd zijn en men ze niet loochenen kan of men neemt hel Godsbegrip weg. Daarvan onderscheidt men praedicata divina, benoemingen van God aan zijne werkingen ontleend, als : Schepper, Onderhouder en Regeerder der wereld.

De persoonlijke eigenschappen, bepalingen die niet het Wezen maar de Goddelijke Personen raken,noemde men doorgaans pro-prietates. Ttvesien, Vorles. II. 1. S. 24. Ilase, Hult. red. § 59.

Houdt men de onderscheiding lusschen attributen en praedi-calen vast, dan behoeft men lot die „schiftingquot; niet te komen , die Prof. Doedes, de leer van God p. 211 v.v. noodig acht. Hij erkent p. 216 als eigenschappen, die aan God moeten toegeschreven worden, slechts deze vijf: almacht, wijsheid, goedheid, liefde en heiligheid. Van al hel overige wil hij niet zeggen, dal hel niet aan God moet worden toegeschreven, maar dat men het ten onrechte eigenschappen van God noemt. Dit herinnert aan hel Sociniaansche zestal van Goddelijke eigenschap-

-ocr page 365-

§ 16. GODS ONAFHANKELIJKHEID.

A. ONMEDEDEELBARE EIGENSCHAPPEN. § 15. Hare eigenaardigheid-

onmededeelbare eigenschappen Gods zijn : onafhankelijkheid, eenvoudigheid, eeuwigheid, overaltegemvoordiyheid en onveranderlijkheid.

Hare eigenaardigheid is, dat zij ons God vertoonen in tegenstelling van al wat geschapen is. Zij geven te kennen zijne wezenlijke verscheidenheid van de wereld, zijne verhevenheid boven al het eindige, daar Hij van alle perken en merken der eindigheid vrij is.

Dies heeten zij onmededeelbaar, omdat zij in geen schepsel zijn kunnen, maar alleen Hem eigen zijn, die waarachtig God is. Aan het geschapene, aan de wereld, is het tegendeel er van eigen. Hetgeen geschapen is, is naar zijn eigen aard afhankelijk, samengesteld, tijdelijk, plaatselijk, veranderlijk.

§ 16. Gods onafhankelijkheid.

De onafhankelijkheid \') Gods is, dat Hij van zich zeiven is en door zich zeiven bestaat. Hij is van zich zeiven. Dit wil

pen, die alleen noodzakelijk zouden zijn om te kennen en te ge-looven : 1. dat er een God is \\ 2. dat Hij een eenige is ; 3. eeuwig-, 4. volmaakt rechtvaardig ; 5. volmaakt wijs ; 6. volmaakt machtig. Daar intussehen het isle, het «y», geen eigenschap is, blijven er vijf, Mastricht, Godgel. I. p. 23G. Herzog in zijne Real-Ene. XIV. S. 504, 2e Ed. S. 390.

\') Zie hierboven § 12 bl. 232. Van Oosterzee, Ghr. Dogm. I. p. 258 v.

341

-ocr page 366-

§ 16. GODS ONAFHANKELIJKHEID.

niet zeggen, dat Hij de voortbrengende oorzaak van zich zeiven of van zijn eigen Wezen is : want dit te stellen zou eene tegenstrijdigheid zijn ; maar alleen ontkennender wijze, dat Hij niet is voortgebracht of bestaat of eenigszins bepaald wordt van en door een ander. Op Hem is het begrip van oorzaak geheel niet toepasselijk, omdat alle oorzakelijkheid in Hem wortelt, van Hem eerst begint en in Hem eindigtquot;).

Dit vanzichzelfzijn onderscheidt God wezenlijk van alle schepsel. Geen schepsel heeft het leven van zich zelf, het leven is in en uit God. De Vader heeft het leven in zich zeiven, zegt Jezus Joh. 5 : 26, desgelijks heeft ook de Zoon het leven in zich zeiven. Hij is het Leven zelf en de levengever. Doch het is de Vader die ook den Zoon gegeven heeft het leven te hebben in zich zeiven. Van den Vader heeft het de Zoon als Middelaar om het mede te deelen aan dooden, en ook als Zoon, dus als Persoon, maar niet gelijk een schepsel huiten God, maar in het eenige Goddelijke Wezen, als het eeuwige evenbeeld des Vaders.

342

Omdat God van zich zeiven is, is Hij volkomen vrij, onafhankelijk. Hij is volstrekt onafhankelijk, niet alleen ten opzichte van zijn aanwezen en bestaan, maar ook, en dit is voor de Gereformeerde leer gewichtig, ten aanzien van zijne kennis, zijnen wil en zijn werk. Ook in zijn weten, willen, besluiten en werken wordt Hij door niets buiten Hem bepaald. Wat Hij is, wat Hij weet, wat Hij wil is alleen uit Hem zeiven, terwijl Hij zelf de opperoorzaak is van alle leven, voelen, denken en willen en doen. Wie heeft den Geest des Heeren bestierd en wie heeft Hem als zijn raadsman onderwezen? Jez. 40: 13. Niets wordt Hem van bui-

\') P. Van Mastricht, Godgel. I. p. 200 v.

-ocr page 367-

§17. GODS ONAFHANKELIJKHEID.

ten toegebracht, Hij heeft alles uit zich zelven en wordt ook van menschenhanden niel yediend als iets behoevende, alzoo Hij zelf allen het leven en den adem en alle dingen schenkt, Hand. 17 : 25. Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Uit Hem zijn zij naar hunnen oorsprong, door Hem naar hun beloop, tot Hem naar hun doel; uit Hem als Schepper, door Hem als Regeerder, tot Hem als den eenigen aanbiddelijken God : Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid, amen. Rom. 11 : 36. Het heelal hangt aan Gods wil. Geen schepsel vermag iets buiten Hem. Daarom moeten wij in alles Hem eeren en onze afhankelijkheid nederig bekennen en zeggen: indien de Heere wil en wij leven , zoo zullen wij dit of dat doen Jac. 4: 15.

§ 17. Da eenvoudigheid of enkelheid Gods.

De eenvoudigheid of enkelheid Gods is, dat Hij niets van stoffelijkheid en zinnelijkheid heeft, geen samenstel ling van deelen of zaken , geen uitbreiding noch gedaante: God is één en onkel.

a. In God is goone samenstelling van deele)i. Want uit deelen bestaat alleen wat lichamelijk is en stoffelijk ; maar God is Geest. 2. Desgelijks niet van stof on vorm of gedaante, want ook dit kan alleen zijn bij hetgeen lichamelijk is, in hetwelk wij onderscheiden dat waaruit en de gedaante in welke het bestaat. 3, Ock niet van zelfstandigheid en toevalligheden of bijkomstigheden. Bij geschapene geesten zijn hunne zelfstandigheid of wezen en hunne eigenschappen onderscheiden, daar deze er tot volmakingbij gekomen zijn, maar er ook van verwijderd kunnen zijn. Bij voorbeeld de wijs-

343

-ocr page 368-

344 § 17. DE EENVOUDIGHEID OF ENKELHEID GODS.

heid en de heiligheid des Engels zijn zijne zelfstandigheid niet, zijn de Engel niet zelf, want de afgevallene Engelen hebben ze niet, schoon hunne zelfstandigheid is gebleven. Maar God is in zijn Wezen volmaakt. Al wat in God is, is God zelf1)- Ook de drie Personen zijn geen drie dealen des Wezens. De Godheid van Christus en de Heilige Geest zijn geen drie deelen van één geheel, de drieheid der Personen in samenstel. Dan zou geen van hen waarachtig God zijn : want een deel heeft niet de volmaaktheid van het geheel. Maar het eenige Wezen bestaat als Vader en Zoon en Heilige Geest.

b. Er is in God ook geenerlei samenstelling van zaken, bij voorbeeld geen veelheid van veranderlijke en tegenstrijdige besluiten. Want alle besluiten zijn in Hem ééne eeuwige besluitende daad en slechts de beslotene zaken zijn vele en verschillend. De Socinianen, om eenen God te hebben, die naar de bewegingen van \'s menschen vrijen wil alle uren van besluit kan veranderen zonder zelf veranderd te worden, ontkennen dat God een allereenvoudigst Wezen is; in den grond ook de Remonstranten a).

§ 18. Gods eeuwigheid.

God is de Eeuivige. Op Hem is het denkbeeld van tijd geheel niet toepasselijk : Hij is tijdeloos. Hij is niet in den tijd, maar zonder tijd. Want de tijd is eerst met de wereld geworden en heeft alleen betrekking tot de during der ge-

\') Wilh. ct BraJcel, Redel. Godsd. I. p. 75 v. 3) r. Van Mastricht, Godgel. I. p. 257.

-ocr page 369-

§18. GODS EEUWIGHEID.

schapene dingen. Hij is zonder begin, zonder wissel, zonder einde.

Hij heeft geen hegin gehad. Want van alles wat een begin gehad heeft is Hij de Schepper. De werker is eerder dan het werk. Eerder duidt wel zelf wederom eenen tijd aan, maar wij eindige menschen kunnen niet buiten dezen denkvorm. Het allereerste begin was het ontstaan der wereld : toen deze (dit toen was de aanvang van den tijd) door Hem geschapen werd, was Hij. Dies schrijven wij Hem eene „voorafgaandheidquot; i) voor alles toe.

Bij Hem is geen tvissel, geen tijdsverloop, maar eene bestendige tegenwoordigheid, een eeuwig heden zonder verledenheid of toekomst, eene ondeelbare during, daar Hij ook sedert den aanvang van den tijd met allen tijd onveranderlijk medebestaat.

Hij zal niet ophouden : gelijk Hij de eerste is zonder aanvang, zoo is Hij ook de laatste zonder einde, Jez. 44: 6, en daarom is Hij de vaste grond des vertrouwens, gelijk Mozes, de man Gods, in zijn gebed tegen het einde van den lijdenstocht door de woestijn, bij het wegsterven van bij zijn volk Hem dus aanriep Ps. 90 : Heere, Gij zijt ons geweest een toevlucht van geslachte tot geslachte, Eer de bergen ge-horen uaren en Gij de aarde en de wereld voortgebracht hadt, ja van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God.

§ 19. Gods eeuwigheid. Vervolg.

Ofschoon wij met ons eindig verstand niet klaar kunnen

\') Over dit woord z. Voedes, leer van God p.213. Hij neemt het in bescherming.

345

-ocr page 370-

§19. GODS EEUWIGHEID. VERVOLG.

bevatten wat eigenlijk de eeuwigheid is, zoo moeten wij in-tusschen alles af weren wat onze tijdelijkheid op God zou overbrengen. Inzonderheid moeten wij tegenover ongereformeerde voorstellingen vasthouden, dat, gelijk Hij zonder begin en zonder einde is, er bij Hem ook geen vervolg is van tijd.

Ook in zijn verstand en in zijnen wil, in zijn weten en in zijne besluiten komt niet het eene na hel andere bij tijds-vervolg op. Dit is een gewichtig stuk in de Gereformeerde leer. Naar de Socinianen en die hen natreden zou de eeuwigheid Gods niet zijn eene eeuwige tegenwoordigheid, maar een eeuwige tijd, dat is, een tijd wel zonder aanvang en einde maar niet zonder opvolging van verledenheid, tegenwoordigheid en toekomst, ten einde de vrije handelingen der schepselen van Gods voorkennis uit te sluiten, daar God deze niet eer zou te weten komen dan wanneer zij gedaan worden \'). En dit is het gevoelen van allen die de onveranderlijke voorverordineering ontkennen en eene veranderlijkheid in de Goddelijke besluiten, dus eene achtereenvolging van het eene besluit na het andere stellen. Dienvolgens zou \'God zoo dikwijls van besluit veranderen als de mensch goedvindt zijne wegen te veranderen.

Bij den Eeuwige is er geen vervolg van tijd. De tijd is een menschelijke, zinnelijke voorstellingsvorm3) en op God

1) Herzog in zijno Real-Enc. XiV, S. 504, 2e Ed. S. 390 v.v. Schol-ten, Leer der 11. K. II. p. 190. P. Van Mastricht, Godgel. I. p. 320.

7) Die Zeil ist nicht et was, was fiir sich selbst hestiinde oder den Dingen als objective Bestimmung anhinge, mithin ührig hliebe, wenn man von allen subject iven Bedingungen der Anschauung abstrahirt. Die Zeit ist nichts anders als die Form des innern Sinnes d. i, des Anschauens unserer selbst und unsers mnern Zustandes. Denn die Zeit kann keine Bestimmung auszerer Er-

34G

-ocr page 371-

§19. GODS EEUWIGHEID. VERVOLG.

niet over te brengen. Zoomin als zijn Wezen en aanwezen, zoomin is zijn verstand of zijn wil aan den tijd, aan voortgang en wissel onderhevig.

De eeuwige God heeft dan geen deel aan den tijd dan alleen hierdoor, dat Hij den tijd veroorzaakt en in den tijd zich openbaart en zijne raadsbesluiten uitvoert. Hij is immers zelf de oorzaak en ordineerder van den tijd en het tijdelijke. Waarom Paulus Hem noemt den Koning der eeuwen 1 Tim. 1 : 17. En Hij, de alleen wijze God, doet alles komen op zijn bestemden tijd, niets ontijdig. Maar in Hemzelven is geenerlei opvolging van het eene na het andere

scheinunyen sein, sie gehort weder zu einer Gestuit noch Lage u. s. iv,j dagegen hestimmt sie das Verhaltnisz der Vorslellun-gen in unserem innern Zustande. Vnd eben weil diese innere Anschauung keine Gestalt giebt, suchen wir audi dies en Mangel durch Analogien zu ersetzen und stellen die Zeitfolge durch eine ins Unendliche fortgehende Linie vor, in welcher das Mannigfal-tige tine Iteihe ausmacht, die uur von Einer Dimension ist und schlieszen aus den Eigenschaften dieser Linie auf alle Eigenschaften der Zeit, auszer dein einigen, dasz die Theile der er-stern (dor Linie) zugleich, die der letztern (der Zeit) aber jeder-zeit nach einander sind. Hieraus erhellet auch dasz die Vor-stellung der Zeit selbst Anschauung sei, weil alle ihre Verhalt-nisse sich an einer auszern Anschauung ausdrücken lassen. Kant, Grilik der reinen Vernunfl. Fiinfte Au(l. 1790. S. 49 f.

De gewone formule, dat de eeuwigheid Gods wil zeggen dat Hij is zonder begin en zonder einde, vindt ook Schleiermacher, der Ghr, Glaube 3te Ausg I. S. 271 onvoldoende. Demi indem hier in der zeitlichen Dauer nur die Endpunkte gelaugnet iverden, wird doch zwischen dies en das Sein Gottes dem zeitlichen gleich gesetzt, mithin die Zeitliehksit an sich und die Meszbarkeit des göttlichen Seins und also auch Wirkens durch die Zeit nicht gelaugnet, sondern indirect vielmehr behauptet.

347

-ocr page 372-

§19. GODS EEUWIGHEID. VERVOLG.

Ware dit, Hij zou oen wordend God zijn: maar Hij is geen God die ivordt, schoon wel een God die komt.

Schijnt de Ileere de belofte van zijne toekomst te vertragen, zoo wijst het Woord ons op Gods eeuwigheid. 2 Petr. 3:8: doch deze ééne zaak zij u niet onbekend, geliefden, dat één day hij den Ileere (in zijne oogen Ps. 90 : 4) is (zoolang) als duizend jaren (in onze oogen) en duizend jaren (bij Hem zoo kort) als één dag (bij ons). Duizend jaren leeren Hem zoomin en doen Hem zoomin van besluit veranderen als één dag. God; die boven den tijd is; ziet den tijd gansch anders aan dan wij, die in de tijdelijkheid leven. Wat ons lang schijnt, is bij den Eeuwige een oogenblik. De eeuwigheid is de ontkenning van allen tijd.

Wordt in de Heilige Schrift van Gods jaren gesproken, van zijne dagen, van verleden en toekomenden tijd, zoo is dat menschelijk gezegd, naar de bevatting van ons eindig verstand, hetwelk aan maat en tal gebonden is.

Er is wel eene opvolging in Gods tijdelijke werken, een vóór en na , een eer en later, maar niet in den Werker zeiven. De verhouding van God tot den tijd heeft men niet ongepast vergeleken bij het middelpunt van eenen cirkel en den beschouwer van eenen stroom. Met de wisselingen en verscheidenheden van den loopenden tijd, den verleden , tegenwoordigen en toekomstigen, is de eeuwige God onbewegelijk en onveranderlijk medebestaande, gelijk als het middelpunt van eenen cirkel met de loopende stip, die den omtrek vormt, medebestaat zonder zelf te worden voortbewogen. De tijd is als een vlietende stroom. De beschouwer op den oever ziet alleen dat water, hetwelk tegenwoordig is, maar niet wat reeds is vorloopen of eerst aankomen zal; wierd hij echter hoog boven de aarde opgeheven, geheel de rivier

348

-ocr page 373-

§ 19. GODS EEUWIGHEID. VERVOLG. 349

van haren oorsprong tot haren mond toe, van waar zij ontspringt tot waar zij uitloopt, zou voor hem zichtbaar en tegenwoordig zijn. De eeuwige God, zijnde boven den tijd, is bij en met de verledene, tegenwoordige en toekomende dingen medebestaande, ofschoon de dingen met Hem en onderling met elkander niet medebestaan dan voor zoover zij aanwezig en tegenwoordig zijn. Niets ontvloeit aan zijn oog. Hij omvat geheel den stroom en omloop der dingen, achter, midden, vóór: het verledene, tegenwoordige, toekomstige is Hem evenzeer aanwezig lt;).

§ 20. Gods overaltegenwoordigheid.

God is door geen ruimte beperkt, door haar niet ingesloten noch van haar uitgesloten. Koning Salomo sprak bij de inwijding van den tempel dit groote woord 1 Kon. 8: 27 : Maar waarlijk zou God op de aarde iconen? zie de hemelen , ja de hemel der hemelen zouden u niet begrijpen, hoeveel te min dit huis dat ik gebouwd heb! David getuigt van deze alomtegenwoordigheid Gods Ps. 139 : 7: Waar zou ik heengaan voor uwen Geest (do in de wereld werkende en heerschende kracht Gods ?) en ivaar zou ik heenvlie-den voor wv aangezicht ? (Door de verwijzing op de Goddelijke alomtegenwoordigheid wordt den zondaar iedere uitvlucht ontnomen.) 8. Zoo ik opvoer ten hemel, Gij zijt daar of bedde ik mij in de hel, zie Gij zijt daar. 9. Nam ik vleugelen des dageraads (om de vijanden te ontvlieden) ;

\') 1\'. Van Mastricht, Godgel. I. p. 319.

-ocr page 374-

350 § 20. GODS OVERALTEGENWOORDIGHEID.

woonde ik aan het uiterste der zee, 10. Ook daar zou uwe hand mij geleiden en uwe rechterhand zou mij houden.

Evenals de tijd is ook de ruimte eerst met de schepping geworden lt;). De Schepper is door geen ruimte beperkt, Hij is evenzoo ruimteloos als tijdeloos. Hij is overaltegenwoor-dig. Dat wil zeggen; het Goddelijke wezen is van de geschapene dingen door geen ruimte gescheiden, is van het eene niet verder dan van het andere af en is met allo ruimte, dat is alwaar een schepsel is of zijn kan, medebestaande.

Hoe God overaltegenwoordig is, kan geen mensch begrijpen. Want wij menschen zijn aan den voorstellingsvorm van ruimte zoodanig gebonden, dat, wanneer wij zeggen: God is ook huiten en hoven alle ruimte, wij bij dat buiten en hoven al aanstonds weer aan eene ruimte denken.

1) Der Rami is eine nothwendige Vorstellung, a priori, die allen auszeren Ansehauungen sum Grimde liegt. Man kann sich niemals eine Vorstellung davon mach en dasz kein Ramt sei, oh man sich gleich ganz wohl denken kann, dass keine Gegenstiinde darin angetroffen werden. Er wird also als die Bedingung der Möglichkeit der Erscheinungen und nicht als eine van ihnen ab-hangende Besiimmung angesehen und ist eine Vorstellung a priori, die nothwendiger Weise auszeren Erscheinungen zum Grunde liegt, — Der Raum ist niet its anders als nur die Form aller Erscheinungen auszerer Sinne d. i. die subjective Bedingung der Sinnlichkeit, unter der al lei n uns üuszere Ansehauung möglich ist ; eine nothwendige Bedingung aller Ver halt n isse , darinnen Gegenstiinde als auszer uns angesehaut werden, eine reine Ansehauung. — Der Satz : alle Dinge sind neb en einander int Raum, gilt unter der Einschranknng, wenn diese Dinge als Gegenstiinde unserer sinnlichen Anschauuncj genommen werden. Der Raum ist nicht eine Form der Dinge, die ihnen etiva an sich selhst eigen ware. Kant, Gritik der reinen Vernunft S. 38, 42, 43, 45.

-ocr page 375-

20. SODS OVERALTEGENWOORDIGHEID.

Alleen ontkennender wijze kunnen wij met onzeoude Godgeleerden dit zeggen: God is overaltegenwoordig a. niet door vermenigvuldiging van zichzelven (zooals bij de Roomsch-Ka-tholieken het lichaam van Christus in de misse): want Hij is één. b. Niet door verdeeling van zijn Wezen, zoodat Hij bij voorbeeld ten deele in den hemel, ten deele op de aarde zou zijn: want Hij is eenvoudig, c. Niet omschreven en omgeven door eene ruimte, gelijk een lichaam, hetwelk eene zekere ruimte beslaat en zelf door de ruimte omringd en omgrensd is : want God is Geest. d. Ook niet bepaald gelijk de geschapene geesten, die, omdat zij eindig zijn, altijd slechts aan één plaats en niet tegelijk elders zijn: want Hy is oneindig \')•

De Schrift noemt het een vervullen. Jerem. 23 : 23: Ben Ik een God van nabij, spreekt de Ileere en niet een Ood van verre ? 24. Zou zich iemand in verborgene plaatsen kunnen verbergen, dat Ik hem niet zou zien ? spreekt de Ileere; vervul Ik niet den hemel en de aarde ? spreekt de Ileere. Dies is Hij bij en in alles tegenwoordig doordat Hij alles vervult. Niet door een zekere uitbreiding, alsof in de uitgebreidheid van het heelal de Godheid zelve zich uitbreidde. Niet eene pantheïstische overaltegenwoordigheid, die tot de stelling leidt, dat God ook plaatselijk zich in en door het heelal heen had uitgestort, zoodat men dienvolgens God en wereld in ééne gedachte, in één Wezen kon samenvatten2). Ook niet dat God zoo in de wereld zou zijn als de ziel in haar lichaam: nergens wordt in de Heilige Schrift de we-

\') P. Van Mastricht, Godgel. L p. 300 v. Twesten, Vorles. II. 1. S. 157.

\'2) Vümar, Dogni. I. S. 206. Van Oosterzee, Ghr. Dogm.I. p.361.

351

-ocr page 376-

§ 20. GODS OVERALTEGENWOORDIGHEID.

reld Gods lichaam of God de ziel der wereld genoemd \'). Maar op eene voor ons geheel onbegrijpelijke wijze vervult Hij alles met zijn eenig en onverdeeld Wezen dusdanig, dat Hij medebestaat bij en met de geheele wereld, geheel en met ieder deel van haar geheel.

§ 21. Gods overaltegenwoordigheid. Vervolg.

Immers niet alleen de werkingen Gods zijn alom, maar ook zijn Wezen zelf is overaltegenwoordig. De Socinianen sloten God in den hemel en hun was zijne alomtegenwoordigheid niets meer dan de werkzame betrekking van zijne macht en wijsheid tot de aardsche dingen, eene werking uit de verte ï). Maar zijne krachten en werkingen kunnen van zijn Wezen niet worden afgescheiden, kunnen niet zijn waar zijn Wezen niet is. Hij werkt door zijn Wezen. Treffend is wat Paulus te Athene sprak van dien God, die de wereld gemaakt heeft en alles wat daarin is en die Heer is van hemel en aarde Hand. 17: 27, 28 : Hij is niet verre van een iegelijk van ons, want in Hem leven wij en bewegen wij ons en zijn wij *). Dus niet een God van verre maar van nabij. In Hem, niet alleen door Hem als de werkende oorzaak, maar in Hem als het element waar wij niet buiten

T) Vergel. Bilderdijk, De Mensch naar Pope 2de druk p. 92.

1) Scholten, L. d. H. K 11. p. 186 v.v.

3) Cyprianus: in den Vader zijn wij, in den Zoon leven wij, in den Heiligen Geest bewegen wij ons. Zie Bengel a. 1. Maar dit is gezocht. Beter Calvinus a. 1., die op den Geest Gods wijst door wien alles levendgemaakt en onderhouden wordt.

852

-ocr page 377-

§ 21. GODS OVERALTEGENWOORDIGHEID. 353

kunnen zoomin als de visch buiten het water, zoomin als de vogel buiten de lucht. Dat is de onmiddelijkste nabijheid.

God is huiten de wereld en in de wereld. • Hij is by ieder ding zooals de oorzaak bij haar gewrocht, als Schepper, Onderhouder en Regeerder, die allen het leven en den adem en alle dingen geeft en zoo is Hij de levende drager van alle dingen. Jerem. 10: 10: Maar de Heere God is de tvaarheid, Hij is de levende God en een eeuwig Koning ; van zijne verbolgenheid heeft de aarde en de Heidenen kunnen zijne gramschap niet verdragen. Zijn werken is dan geen werken uit de verte. Waar zijne werkingen zijn, daar is Hij ook zelf, in ons , buiten ons ; boven , onder, overal. Hoewel niet overal op gelijke wijs.

§ 22. Gods overaltegenwoordigheid. Vervolg.

Gods almachtig wezen is in alle schepselen en dingen, in-zoover zij allen in eene natuurlijke volstrekte afhankelijkheid van Hem staan en Hij ze onderhoudt en regeert. Zonder Hem kunnen wij geen hand of voet verroeren. „Zonder Hem zou eenig iets geen iets zijn of blyven. Zelfs geen steen , zelfs de duivel niet i).quot;

Maar behalve deze gemeene tegenwoordigheid is er eene bijzondere tegenwoordigheid Gods bij levende redelijke wezens naar hunnen aard en staat. In Christus is Hij door persoonlijke vereeniging : want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk Kol. 2 : 9. In zijn volk is Hij mot zijne genade en gaven, zij zijn de tempel des levenden Gods,

\') Stier, brief an die Epheser I. S. 2121. öravomefler , (Jeref. Qol. loor.

23

-ocr page 378-

354 § 22. GODS OVERALTEGENWOORDIGHEID.

gelijkcrwijs God gezegd heeft: Ik zal in hen wonen en Ik zal onder hen tvandelen en Ik zal hun God zijn en zij zullen mij een volk zijn, 2 Kor. G : 1(5. Want de gemeente, het lichaam van Christus is de vervulling^) (de plaats die vol wordt of het tooneel is van de openbaring) desgenen (des Vaders) die alles (allo deelen, alle leêgten; geheel het binnenste) in allen (in al de leden van geheel het organisme) vervult (met zich en voor zich*), niet en tot zijne heerlijkheid), Efez. t : 23. — Ook in de helle is God : zij zou niet zijn, niet blijven, ware Hij er niet. Hij openbaart zich daar in zijne straffende rechtvaardigheid, in zijnen toorn s).

Zoo wordt dan God ook in een bijzonderen zin gezegd in den hemel te zijn. Het is, omdat Hij daar zijne heerlijkheid het luisterrijkst vertoont, namelijk aan de heilige Engelen en zalige menschen. Dit is geenszins eene beperking van Gods overaltegenwoordigheid. Immers Jez. 66 : 1 : Alzoo zegt de Heere: de hemel is mijn troon en de aarde is de

\') Verkeerd verstaan sommigen door Ef. 1 •.\'2,3 dat

wat vult en volmaakt, vulsel, zoodat dc gemeente hier zou gezegd worden Christus te vervullen en Christus zonder haar onvolledig zou zijn. Dus zelfs Calvinus a. 1. en onze Kantt.: d. i. waardoor Christus als een volmaakt persoon gesteld wordt, bestaande uit het hoofd en zijn lichaam. Te recht daartegen Stier a. 1. en II. Cremer, Bibl. theol. Wörterb. S. 505.

2) Dit is de zin en kracht van het medium TThypou/trnv.

3) Door dit alles ist wohlverstunden kein Vnterschied in der aUmüchtigen Gegenwart gesetzt, sondern nur in der Empfdng-lichkeit (liever Art) des endlichen Seins, auf dessen verursachende Thatigkeit ehen die göttliche Gegenwart hezogen wird. Schleier macher, Der dir. Glaube 1. S. 274. Twesten, Vorles. II. 1, S. 160. P. Van Mastricht, Godgel. p. 301.

-ocr page 379-

§ 2a. GODS OVERALTEGENWOORDIGHEID,

voetbank mijner voeten; waar zou dat huis zijn, dat gijlieden mij zoudt houwen en waar is de plaats mijner ruste? Zit een koning op een troon, met de voeten op eene voetbank, dan is hij aan beide, in den zetel en op de voetbank tegenwoordig: aizoo is God wezenlijk tegenwoordig beide in den hemel en op de aarde, doch met dit onderscheid, dat de hemel is de troon, de aarde de voetbank. Maar de hemel is dan ook evenzoo gewis een Waar, eene plaats, als de aarde. Hij woont in den hemel niet uitsluitender wijs, maar bij uitnemendheidi). Waar dan de Heilige Schrift van het wonen Gods in den hemel gewaagt, geeft het niet eene beperking te kennen, maar zijne hoogheid boven al het aardsche en zijne macht over alle schepselen, die tegen Hem

\') Hoe vaalc men ook herhaalt, dat de hemel niet als plaats, ■maar alleen als toestand te denken is , toch laat het begrip van plaatselijkheid zich niet geheel uit ome voorstelling (en geheel niet uit de Schrift) bannen. Van Oosterzee, Ghr. Dogm. I. p. 301.

In de aanspraak van het gebed des Heeren staat niet: Onze Vader die in den hemel zijt, maar in de hemelen h èv toIs oupxvcïs, Matlh. 6:9. Treffend de Heidelb. Gatech. vr. 121 : Opdat wij van de hemelsche majesteit Gods niet aardsch gedenken en van zijne almachtigheid alle nooddruft des lijfs en der ziele verwachten. Al de drie hemelen zijn hier bedoeld. Luther heeft hier onnauwkeurig vertaald : in dem Himmel, in den hemel en zoo bidt de Lutherschc Kerk. Maar in de derde bede Matth. 6:lü staat w? ïv cüpxvü, daar heeft onze Statenvertaling te recht: gelijk in den hemel en niet: in de hemelen ; want daar wordt de verblijfplaats der Engelen bedoeld , in tegenstelling tegen de aarde. Tegen de spiritualistische opvatting van den hemel, waarin ook Tholuck, Auslegung der Bergpred. Ghristi 2te Ausg. S. 390 zich verloopt, komt met het Woord Gods beslist op Stier, Brief an die Epheser I. S. 175 ff. En Ehrard in Herzogs Real-Enc. IV. S. 101 , 2e Ed. S. 7C9.

355

-ocr page 380-

356 § 22. GODS OVElULTEGENWOORDIfiHEID.

niets vermogen Ps. 2 : 4) en juist omdat Hij aldus in den hemel is, is Hij niet verre van een iegelijk van ons \')•

Gods bijzondere tegenwoordigheid was altijd de troost zijns volks1). Dit was Jakobs troost toen Hij voor Ezau naar Paddan-Aram vluchten moest. Hij zag in den droom eene ladder, bij welke de Engelen Gods op en nederklommen en op welker spitse de Heere stond. Hij hoorde den Heere spreken. Eerst herhaling en toeeigening van de belofte aan Abraham gedaan. Dan de verzekering van zijne nabijheid en leiding heen en terug. Gen. 28 : 15: En zie , Ik hen met u en Ik zal u behoeden overal waarheen gij trekken zult en Ik zal u wederbrengen in dit land : want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik zal gedaan hebben hetgeen Ik tot u gesproken heb. Hieraan had Jakob genoeg op geheel zijnen weg en bij al wat hem in zijne vreemdelingschap bejegende. Bij wie wil de Heer zijn ? Bij allen die Hem nederig zoeken en Hem weer de eere geven. Want alzoo zegt de Hooge en Verhevene, die in de eeuwigheid woont en wiens naam heilig is: Ik woon in de hoogte en in het heilige (God woont in het licht, in zijne eigene heerlijkheid; wie zal Hem vinden ? en wat is des menschen kind dat Hij het acht? Maar de liefde verbindt den Hoogste met den nederigen. Daarom is het:) en hij dien die eens verbrijzelden en nederigen gees-tes is, opdat Ik levend make den geest der nederigen en opdat Ik levend make het hart der verbrijzelden, Jez. 57 : 15. Want de Heere is nabij allen die Hem aanroepen, allen die Hem aanroepen in der waarheid, Ps. 145 : 18. Daarom kon David zeggen : Ps. 23 ; 4: ging ik ook in een dal

1

) Dr. Cr. F. Oehler, Theol. des A. T. I. S. 169.

-ocr page 381-

§ 22. GODS OVERALTEGENWOOIIDIGHEID.

der schaduwe des doods, ik zou yeen kwaad vreezen, want Gij zijt met mij, uw stok en uw staf die vertroosten mij. In den (luisteren nacht van gevaar, nood en lijden brengt deze gedachte troost en moed in de beklemde ziel, dat de Heere, haar Herder, bij haar is, dat zij onder zijne leiding staat, dat Hij zelf haar hierin geleid heeft tot haar heil, dat Hij haar daarin behoedt en haar er te zijner tijd zal uitvoeren. Een blik op den herdersstaf van haren Heer en zij is getroost. „Deze tegenwoordigheid des Heeren is niet met de vijf zinnen te grijpen, alleen het yeloof ziet ze en houdt heter voor met gewisheid, dat de Heere ons nader is dan wij ons zeiven zijnquot; (Luther.) God is niet verre van den mensch, maar de mensch is verre van God en moet weder-keeren. Jac. 4:8: Naket tot God (door oprechte bekeering, geloof, gehoorzaamheid en gebeden) en Hij zal tot u naken (met zijne genade en weldaden. Kantt.)

Voor de goddeloozen kan Gods alomtegenwoordigheid niet anders dan tot een schrik zijn, daar zij in geene plaats zijne straffende hand kunnen ontgaan. Zoo spreekt de Heere Am. 9:2: Al groeven zij tot in de helle, zoo zal ze mijne hand vandaar halen en al klommen zij in den hemel, zoo zal Ik ze van daar doen nederdalen. 3. En al verstaken zij zich op de hooyte van Karmel, zoo zal Ik ze naspeuren en vandaar halen en al verhoryen zij zich van voor mijne ooyen in den yrond van de zee , zoo zal Ik vandaar eene slany gebieden, die zal ze hijten. 4. Er. al yinyen zij in gevangenis voor het aangezicht hunner vijanden, zoo zal Ik vandaar het zwaard gebieden dat het hen doode; en Ik zal mijn oog tegen hen zetten \'ten kwade en niet ten goede.

357

-ocr page 382-

358 § 23. GODS OVERALTEGENWOORDIGHEID,

§ 23. Gods overaltegenwoordigheid. Vervolg.

Tegen de waarheid, dat God overaltegenwoordig is, strijdt geenszins het komen en gaan, hel nederdalen en opklimmen, dat Hem in het Oude Testament toegeschreven wordt. Het komt maar op den zin aan, in welken wij dit moeten verstaan. Do Heero is nedergedaald en weer opgeklommen. Hij is ergens gekomen en weer weggegaan. Maar op zijne wijze, namelijk zooals een oneindig, alomtegenwoordig Wezen, hetwelk hemel en aarde vervult, nederdalen en opklimmen kan. Hij veranderde zijne wezenlijke tegenwoordigheid niet, maar alleen hare vertooning, daar Hij tot een buitengewoon werk op eene buitengewone wijze , meestal onder eenig zichtbaar teeken, zich openbaarde, in genade of in toorn , om te zegenen of om te straffen.

Aldus Gen. 11:5: Toen Imam de Heere neder om te bezien de stad en den toren, die de kinderen der menschen bouwden. Het nederkomen des Hoeren geeft te kennen den overgang tot straf der overmoedigen; was het om te bezien. Hij toonde door deze daad zelve, dat Hem niet onbekend was wat men in Babel voorhad. Tot dusver had Hij hen laten begaan, als zag Hij het niet. Het nederkomen is al-zoo gezegd meer in betrekking tot de menschen dan tot God i). Ex. 19: 18. En de gansche berg Sinaï rookte, omdat de Heere op denzelven nederkwam in vuur, en zijn rook ging op als de rook van eenen oven en de gansche berg beefde zeer. Hij kwam daar zijne tegenwoordige majesteit onder die ontzaglijke teekonen openbaren. Ex. 34 : 6 ging de Heere voor Mozes aangezicht voorbij: namelijk met een teeken van

\') Calvin. Conunentar. in Genes. U : 5.

-ocr page 383-

§ 23. GODS OVERALTEGENWÜORDIGHEID, 359

zijne heerlijkheid (Ex. 33 : 22,) want Hij was nederwaarts gekomen in eene wolk (Ex. 34: 5), 1 Kon. 19: 11 ging de Heere aan Elia op het gebergte Horeb voorbij: Hij was (voor Elia) in den wind niet, ook in de aardbeving niet, ook in het ouur niet, maar in hel suizen eener zachte stilte, namelijk voor het gevoel van den Profeet en mot de aanspraak tot hem. Dit was om Elia te leeren : a. wat de Heere voor hem was, niet op hem vertoornd, niet hom berispende, maar een genadig God; b, dat hij van zijn profetisch werk, hetwelk als een storm on aardbeving en vuur was geweest, niet moest verwachten wat alleen door de openbaring der genade tot stand kon komen, terwijl het andere slechts eene voorafgaande, noodige voorbereiding daartoe was, die ook nog voortgezet moest worden; c. dat de vrucht ook niet zon uitblijven, daar te zijner tijd het liefelijke Evangelie des vredes de ontroerde harten zou verkwikken. Dit is voor volk en mensch de weg des Heeren , gelijk Hij spreekt Hos. 5: 15: Ik zal henengaan en kceren weder tot mijne plaats totdat zij zich zeiven schuldig hennen en mijn aangezicht zoeken ; als hun bange zal zijn, zullen zij Mij vroeg zoeken. Hier is het gaan en keer en geheel geestelijk te verstaan en de Heere wil zeggen: ik zal hen in ellende laten en niet verlossen, totdat zij zich bekeeren. „Zoolang de onder de tucht Gods genomen mensch ergens nog meent hulp te vinden en zich zijne ellende door troost van schepselen te verzachten, verloopt hij zich al dolende verder van de bron des levenden waters en mocht zich de hoofdveroot-moediging, namelijk do erkentenis en belijdenis van zijne schuld, liefst besparen. Wanneer intusschon God met zijne zware hand over hem aanhoudt en nergens een redder is, dan komt vaak nog een tevoren reeds door Gods goede hand

-ocr page 384-

36Ü § 2S. GODS OVERALTEGENWOORDIGHEID.

in het hart gelegd zaadje op en daarbij gedraagt zich de lieve God gelijk als een mensch, die zaad op zijn land heeft gezaaid: hij gaat heen naar zijne plaats en laat het er op aankomen, wat mettertijd en na den guren winter zich van het zaad zal vertoonen»).quot;

Zoo geeft dan het komen en nederdalen Gods te kennen de openbaring van zijne tegenwoordigheid tot hulpbetoon of strafoefening en het gaan en opklimmen zijne verberging. En het waren voorteekenen van de komst des Zoons Gods in het vleesch en van diens hemelvaart tot zegen en oordeel. Ef. 4:8: Daarom zegt Hij (God, of zij d. i. de Schrift:) Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen en heeft den menschen gaven (des Geestes) gegeven. 9. iVw dit: Hij is opgevaren, wat is het dan dat Hij ook eerst is nedergedaald in de nederste deden der aarde (naar de nedere ruimten, de benedenwereld namelijk naar de aarde)2)? lü. Die nedergedaald is, is dezelf de ook die opgevaren is verre hoven al de hemelen, opdat Hij alle dingen vervullen zoude. De nederdaling is het komen van Gods Zoon in het vleesch.

Neemt men met de Socinianen aan dat het Wezen Gods alleen in den hemel is, zoo volgt, dat het met de mensche-lijke natuur in Christus op aarde niet heeft kunnen ver-eenigd zijn, of het heeft ook kunnen of moeten bewogen worden van de eene plaats naar ceno andere, van den he-

\') C. H. Eieger, Kurze Belrachtungen iiber die 12 kl. Prof. S. 1G.

Of welke de aarde vormt, uitmaakt, rx KxruTspx Tiji; yijs genilivus appositivus. Zeer velen, ook Stier a, 1., verstaan het van den School, de onderwereld,

-ocr page 385-

§ 23. GODS OVERALTEGENWOORDIGHE1D. 361

mei naar de aarde. Maar het Wezen Gods is oneindig, onmetelijk, overaltegenwoordig en daarom kan het niet veranderen van plaats. De tweede Persoon, de Zoon Gods, heeft de menschelijke natuur uit de maagd Maria aangenomen, zonder dat Hij daarom den hemel naar zijne Goddelijke natuur heeft verlaten, gelijk Hij ook na zijne hemelvaart naar zijne Goddelijke natuur bij ons is tot de voleinding der wereld i).

De waarachtige, oneindige God is tegelijk boven de wereld en binnen de wereld. De eigenwijsheid, die naar de Heilige Schrift niet hoort, verdwaalt altijd op een van twee afwegen, daar men God öf geheel buiten de wereld sluit, naar de wijze der Naturalisten, öf Hem geheel in haar neertrekt en met haar vermengt, gelijk de Pantheïsten doen. De Naturalisten zeggen : „alles is natuurquot; en zij maken van de natuur een God; de Pantheïsten zeggen: „het al is Godquot;

en zij maken van God eene natuur 5).

-

§ 24. Gods onveranderlijkheid.

God onderscheidt zich van alle schepsel ook door zijne onveranderlijkheid. Verandering en wissel is alleen mogelijk in den tijd en in het tijdelijke. God is buiten den tijd. Hij is de opperste oorzaak van alle verandering en kan daarom zelf aan geene verandering onderhevig zijn. Hij kan niet anders worden dan Hij van eeuwigheid is. Hij wordt

\') Kantt. op Efez, 4:9 en Joh. 3:13. P. Van Mastricht, Godgel. I. p. 271.

2) Hengstenberg, Gommentar über die Psalmen I. S. 155 zu Ps. 7 :8.

-ocr page 386-

§ 24. GODS ONVERANDERLIJKHEID.

niet meerder en niet minder; niet volmaakter, want Hq is allervolmaaktst, niet minder volmaakt, want ook maar de mogelijkheid om dit te worden zou reeds eene onvolmaaktheid zijn.

God is onveranderlijk 1. in zijn Wezen. Bij Hem is geen toenemen noch afgaan. Hij is de Vader der lichten, bij welken geene verandering is of schaduw van omkeering iamp;c,. 1 : 17, de onverderfelijke God l Tim. 1 : 17. Ook de Heidenen spraken van onsterfelijke goden\'). 2. In zijne kennis. Hij wordt niets gewaar wat Hij niet al wist, gelijk Jacobus op de kerkvergadering te Jeruzalem verklaarde Hand. 15 ; 18 : Gade zijn al zijne werken^) van eeuwigheid hekend. Hij eert niets , Hij verleert niets. Ook wat het vrijwerkend schepsel al of niet zal willen doen, ervaart Hij niet eerst uit de daden zelve, maar Hij weet het van eeuwigheid. Zijne kennis kan zoomin toe- als afnemen. 3. In zijnen wil en zijne raadsbesluiten. Naar de Pelagianen en al de „drijvers van \'s menschen vrijen wilquot; zou Gods wil en besluit wel alle uren kunnen veranderen volgens de veranderingen van den wil des menschen s). Maar zou God van wil en besluit veranderen, het moest zijn uit gebrek van voorwetenschap en wijsheid of uit gebrek van macht. Do Heilige Schrift

\') doxvxtoi kx) xytjpxioi, xlèv ióvrsg. Homerus. Neigelsbach, Homerische Theologie S. 39. Nachhomer-Theol. S. 9 f. Doch zij zijn niet van eeuwigheid; hunne onsterfelijkheid is einde-looze verduring van hunne lichamelijkheid, eene eeuwige jeugd door nectar en ambrosia. Dezelfde, Hom. Th. S. 41. Nach-homer Theol. S. 11.

2) Tischendorf heeft de woorden Gade zijn al zijne werken uitgelaten.

;l) P. Van Mastricht, Godgel. I. p. 2C8,

362

-ocr page 387-

§ 24. GODS ONVERANDERLIJKHEID. 363

spreekt van de onveranderlijkheid Gods juist allermeest ten aanzien van zijnen wil en zijne raadsbesluiten. Aldus ook Mal. 3 : 6 : Ik de lleere word niet veranderd, daarom zijt gij, o kinderen Jakobs, niet verteerd. Waar aan God eene verandering van wil, zin en gevoelen toegeschreven wordt, moet men het zoo verstaan, dat men in Hemzelven geenen wissel stelt. Dus verandert Hij 4. ook niet in zijne woorden , mogen het beloften zijn of bedreigingen. Maar de mensch, de zondaar moet anders worden, teneinde het bedreigde kwaad te ontgaan en het beloofde goed te verkrijgen.

§ 25. Gods onveranderlijkheid. Berouw.

De Heilige Schrift spreekt meermalen van een Beromv Gods. Maar dit berouw is Goddelijk en niet menschelijk. Het wil niet zeggen, dat Hij nu iets anders wil dan te voren. Het veronderstelt niet, als bij den mensch, eene verandering van oordeel, van denkwijze of een misgreep uit dwaling en onbezonnenheid of een gepleegd onrecht met zelfbeschuldiging en afkeuring van de eigene vroegere handeling. Do grond van Gods berouw ligt in het schepsel, in de strijdige handelingen van den mensch. Want in God is zoomin dwaling als zonde. Hem komt niets onvoorzien en onverwacht. Maar zijne verhouding jegens den mensch, die tegen Hem aangaat, wordt eene andere. Gods berouw geeft dan te kennen eene verandering in zijn werk, in zijn doen, niet in zijnen wil en zijn Wezen zelf.

Als de Heere zag, dat de boosheid des menschen menigvuldig was op de aarde en al het gedichtsel zijns harten te allen dage alleenlijk boos was, Gen. 6:6: Toen berouwde het den Heere, dat Hij den mensch op de aarde gemaakt had

-ocr page 388-

364 § 25. GODS ONVERANDERLIJKHEID. BEROUW.

en het smartte Hem aan zijn hart. 7. En de 11 eere zeide : Ik zal den menseh dien Ik geschapen heb, verdelgen van den aardbodem, van den mensch tot het vee, tot het kruipend gedierte en tot het gevogelte des hemels toe ; want het berouwt Mij dat Ik hen gemaakt heb. God was niet anders geworden, maar de mensch. De mensch stond gansch anders tot Hem dan eerst en Hij kon de verbasterde men-schen niet zoo aanzien als de onbedorvene. Dit wordt naar den aard van ons menschelijk gevoel •) dus uitgedrukt: Hij had er smart en berouw van. En hierin ligt waarheid. Het geeft niet alleen te kennen dat Hij toen zijnen heiligen dit gevoel heeft ingedrukt, zoodat bij voorbeeld Noach bij het ondervinden van zoo paallooze goddeloosheid wenschte dat God maar geenen mensch had geschapen. Maar ook in God zeiven was iets van dien aard. Treffend wordt ons hierdoor voor oogen gesteld, dat geen blind, ijzeren Noodlot, maar een persoonlijk, levend en lievend God de wereld regeert. Is de mensch niet zijn schepsel ? oorspronkelijk zoo goed, zoo schoon geschapen en nog met zulke edele vermogens en hoedanigheden uitgerust ? Zondigt de mensch, gaat die roekeloos tegen zijne bestemming aan, het raakt God in het hart, het beleedigt, het vertoornt Hem ; maar Hij heeft daarbij ook medelijden. Hij is niet onverschillig bij den ondergang eener wereld die zich zelve verderft. Hij heeft er smart van. Zoo betaamt het den Schepper, die zijn schepsel als zoodanig liefheeft, maar dien hot nu als afvallig, ondankbaar en geheel verdorven schepsel voor oogen

\') Calvinus, Comm. in Gen. 6:6: Poenitentia, quae tribui-tur Deo, non proprie in ipsum competü, sed ad sensuni nostrum refertur. Anlhropopathie.

-ocr page 389-

§ 25. GODS ONVERANDERLIJKKEID. BEROUW. 365

staat en niet waard is dat het leeft. Zoo zag Hij toen het verwilderde menschdom aan, als schepselen hun aanwezen niet waardig. Dat openbaarde en toonde Hij metterdaad. Zijne wijze van doen, zijn werk veranderde : het kwam tot verdelgen, het tegendeel van scheppen : Ik zal den mensch, dien Ik geschapen heb, verdelgen (door het water) van den aardbodem. Dus: de mensch was anders geworden, dies werd hij anders behandeld.

Tot Juda onder Jojakim sprak de profeet Jeremia 2G : 13 : Nu dan maakt uwe ivegen en uwe handelingen goed en ge-hoorzaamt de stem des lleeren mvs Gods : zoo zal het den Heere herouwen over het kwaad dat Hij tegen u gesproken heeft. God bleef onveranderd. Wierden zij anders, Hij zou hen van het gedreigde kwaad (de verwoesting des lands) verschoonen. Onvervulde beloften of bedreigingen geven juist door de nietvervulling te kennen, dat er eene voorwaarde bij was \')) hetzij uitgedrukt of ingewikkeld, op wier volbrenging of nalating de zaak komen of niet komen zou, hetwelk bij God ook al te voren zonder de minste onzekerheid bekend was.

Zoo wist God vooraf, dat de Ninevieten zich op Jonas prediking bekeeren en het gedreigde oordeel ontgaan zouden. Zij bekeerden zich en ofschoon Jona hun weinig hope had gegeven, zij zeiden Jon. 3:9: Wie iceet, God mocht zich tv en den en berouw hebben en Hij mocht zich wenden van de hittigheid zijns toorns dat tvij niet vergingen /10. En God zag hunne werken, dat zij zich bekeerden van hunnen boozen weg en het berouwde God over het kwaad dat Hij gesproken had hun te zullen doen en Hij deed het niet.

\') Brakel, Redel. Godsd. I. p. 78.

-ocr page 390-

366 § 25. GODS ONVERANDERLIJKHEID. BEROUW.

Wordt in andere plaatsen het berouw van God uitdrukkelijk ontkend, zoo treedt de Heilige Schrift hierdoor geenszins met zichzelve in tegenspraak, maar zij verklaart op die wijs zichzelve en zegt ons, hoe zij ook bij de tegengestelde gezegden wil verstaan zijn. Num. 23 :19 : God is geen man dat Hij liegen zou noch eens menschen kind dat het Hem he-rouwen zou; zou Hij het zeggen en niet doen? afspreken en niet bestendig maken? Woorden van Bileam, waarvan de zin is: Balak, de zoon van Zippor, koning der Moabieten, kon met al zijne raadslagen Gods besluit en belofte en zijn verbond met Israël niet veranderen en de zegening en verlossing des volks niet stremmen.

B. MEDEDEELBARE EIGENSCHAPPEN. § 26- Haar soort-

De mededeelbare eigenschappen Gods behooren tot zijn Verstand, Wil en Macht. Deze drie zijn aan ieder geest eigen, komen dus in den volmaaktsten zin aan God toe, omdat Hij de allervolmaaktste Geest is.

Deze soort van eigenschappen staat onderling in nauwwr-band. Haar grondslag is de geestelijkheid. God is Geest. Geest is Leven. Als Geest is God een levend God. Het Leven van God als Geest is het volmaaktste bewustzijn met de volmaaktste werkzaamheid. Daarin betoonenzich Verstand, Wil en Macht, ieder met bijzondere eigenschappen.

§ 27. Haar naam.

Mededeelbaar worden deze eigenschappen genoemd, niet

-ocr page 391-

§ 27. HAAR NAAM.

als of zij evenzoo in een schepsel konden zijn als in God; in Hem zijn zij oneindig en allervolmaaktst: maar omdat er een verre gelijkheid, eenige afspiegeling van is in schepselen.

De vorige eigenschappen geven ons het Goddelijke Wezen te kennen zoover het tegen het Eindige overstaat en drukken Gods volstrekte verscheidenheid van de wereld uit, het tegendeel van hetgeen aan schepselen eigen is. Daarom werden zij genoemd oamededeelhare, ook rustende, inhlijvende eigenschappen. Maar hier komen wij tot die eigenschappen, welke wij aan God naar zijne betrekking tot de wereld toeschrijven. Hier komt God dus bij uitnemendheid in beschouwing als de Schepper en Regeerder der wereld, der stoffelijke en der geestelijke wereld, die van Hem en door Hem is en waarin iets van zijne heerlijkheid uitstraalt. Vandaar dat deze den naam dragen van mededeelbare, ook werlcende, overgaande eigenschappen.

§ 28. Gods alwetendheid.

Tot de natuur van elk redelijk wezen behoort het verstand. In God i) is het volmaakt: Hij is alwetend.

1. Wat den aard zijner kennis betreft, vragen wij: hoe kent God wel ? wij moeten antwoorden: onafhankelijk van tijd en ruimte. De mensch verkrijgt voor en na kennis van hetgeen buiten hem is door middel van de vijf zintuigen»):

\') De Pantheist heeft slechts een God die gedacht wordt; de Theïst een God die zelf denkt. Van Oosterzee, Chr. Dogm. I. p. 364.

3) T. Roorda, Zielkunde. Tweede druk. p. 111 v.v. Dr. J, Boos. Aanteek. op de Zielkunde van Roorda p. 87.

367

-ocr page 392-

§ 28. GODS ALWETENDHEID.

368

Gods kennis is goon zulk ervaren. De mensch redeneert, oordeelt enbesluit en komt door het eene tot kennis van het andere : Gods kennis is een aanschouwen, een onmiddelijk en door niets buiten Hom gewerkt bewustzijn en Hij weet alles tegelijk, Hij ziet door zijn alomtegenwoordig Wezen als met éénen opslag alle dingen in hun geheel en iedere zaak in het bijzonder, niet slechts uitwendig, maar door en door. Gods wetenschap is derhalve volkomen waar, allerduidelijkst en getvis, zonder dwaling, verwarring of twijfel. Hij kan dan ook niets vergeten, omdat voor Hem, die buiten den tijd is, niets verleden wordt»). David zegt er van Ps. 139: 6: de hennis (de menschelijke kennis van de Goddelijke alwetendheid en alomtegenwoordigheid) is mij te wonderbaar, zij is hoog, ik kan er niet hij: ik kan ze niet bereiken en de levendige gedachte er aan ook zwaarlijk vasthouden, daar men gedurig weer handelt, alsof God niet alles zag.

2. Belangende de voorwerpen en don omvang der Goddelijke wetenschap : God kent al wat kenbaar is. Hij kent zichzelven en alle dingen buiten Hem, werkelijke en mogelijke, verledene, tegenwoordige en toekomende. Hij kont de sterren , Ps. 147 : 4 : Hij telt het getal der sterren , Ilij noemt ze allen hij namen. Hij kent alle menschen en alle dieren. Hij kende ook de varren op den stal van Joas de Abiëzriet, Gideons rader, Richt. 6 : 25 : En het geschiedde in dienzelven nacht, dat de Heere tot hem (tot Gideon) zeide: neem eenen var van de ossen die van uwen vader zijn, te weten den tweeden var van zeven jaren en hreeh af het altaar van Baal, dat van uwen vader is en houw af het bosch

\') P. Van Mastricht, Godgel. I. p. 371. Brakel, Red. Godsd. I. p. 79.

-ocr page 393-

§ 29. GODS ALWETENDHEID.

369

dat daarbij is. Hij weet onze daden, onze woorden, zelfs al onze gedachten.

§ 29. Gods Alwetendheid. Vervolg.

De alwetendheid Gods moet ons verblijden: want zoo kent Hij dan al onze nooden en behoeften. Daarom sprak Jezus tot zijne discipelen Matth. 6:8; ivordt dan hun (den Heidenen in de veelheid der woorden) niet gelijk, want uw Vader weet wat gij van mode hebt, eer gij Hem bidt. Het is opbeurend voor dengene, die onrecht lijdt: want de Heere, de rechtvaardige Rechter, weet het. De verdrukte mag spreken met Ps. 10: 14: Gij ziet het immers: ivant Gij aanschouwt de moeite en het verdriet, opdat men het in uwe hand geve; op u verlaat zich de arme, Gij zvjt geweest een helper van den ivees. Dat God alles weet is overtuigend en afschrikkend van verborgen kwaad. Want indien ons hart ons veroordeelt, God is meerder dan ons hart (machtiger om ons te veroordeelen) en Hij kent alle dingen (beter dan onze eigene conscientie), 1 Joh. 3 : 20. Zoo spreekt de Heere Jer. 17 : 9 : Arglistig is het hart meer dan eenig ding, ja doodelijk is het, wie zal het kennen ? 10. Ik de Heere doorgrond het hart en proef de nieren en dat om eenen iegelijk te geven naar zijne wegen, naar de vrucht zijner handelingen. Toen Achan , de zoon van Charmi uit den stam Juda, van het verbannene genomen bad en niemand het wist, wist de Heere het wèl en Hy sprak tot Jozua 7:11: Israël heeft gezondigd en zij hebben ook mijn verbond, hetwelk ik hun geboden had, overtreden en ook hebben zij van het verbannene genomen en ook gestolen en ook gelogen en hebben Gravcmojjor, Geref. Gol. leer. 24

-ocr page 394-

§ 30. GODS ALWETENDHEID.

het ook onder hun gereedschap gelegd. Hebr. 4 : 13 : En daar is geen schepsel onzichtbaar voor Hem, maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de oogen desgenen met wien wij te doen hebben.

§ 30. Gods Alwetendheid. Vervolg.

God weet ook alle toekomende en toevallige dingen, Hij weet ook de vrijwillige handelingen des menschen, alvorens zij geschieden. Door Pelagianen, Socinianen en vele nieu-weren wordt dit ontkend. Om namelijk hun averechtsch begrip van \'s menschen vrijheid, als eene onafhankelijke onverschilligheid en zwevende onbepaaldheid te handhaven en om de Goddelijke, onveranderlijke voorverordineering en de volharding der heiligen en de zekere bewustheid van de zaligheid om ver te werpen, leeren zij, dat toekomstige gebeurlijke, voor den mensch toevallige dingen, dat is die niet door zulk eene oorzaak ontstaan, welke door hare natuur tot zulk eene werking, als het vuur tot het branden, bepaald is gt;), bij name de vrijwillige handelingen des menschen, zoolang zij nog niet gedaan zijn, tot de voorwerpen van Gods kennis niet behooren1). Zijne voorkennis hiervan zou slechts een gissen zijn.

Maar de Heilige Schrift moet beslissen. En de Schrift

370

1

) P. Van Mastricht, Godgel. I. 361. Twesten, Vorles. II. I. s. 54. Scholten, Leer der H. K. II. p. 190. En tegen Gods vrijwillige beperking van zijn weten, door de Groningers eerst voorgestaan , dan tot eene simplex intuitio teruggebracht. Dezelfde, II. p. 490 v.

-ocr page 395-

§ 30. GODS ALWETENDHEID.

leert, dat God ook van deze dingen de nauwkeurigste wetenschap heeft, zelfs van \'s menschen onverschilligste en wil-lekeurigste handelingen. Wat is toevalliger, wat hangt meer van den vrijen wil des menschen af dan zijn zitten en zijn opstaan, zijne gedachten en zijne woorden ? En ziet, dit alles, zegt ons de Schrift, weet God van te voren. Ps. 139 :2: Gij weet mijn zitten en mijn opstaan, Gij verstaat van verre mijne yedachten. 4. Als er nog geen woord op mijne tong is, zie, Heere, Gij iveet alles. De Heere zegt Ezech, 11: 5: Ik weet elkeen der dingen die in uwen geest opklimmen. Onweersprekelijk blijkt het uit al de Goddelijke voorzeggingen, en dat van dingen, die door den vrijen wil dos menschen uitgevoerd zouden worden: De Heere, de God Israels, stelt Jez. 41: 29 v.v. en elders tegenover de goden der Heidenen zijnen roem hierin, dat Hij de toekomende dingen verkondigen en te zijner tijd werkelijk tot stand brengen kon.

Hiertegen strijdt niet dat God toch gezegd wordt te onderzoeken, verzoeken, beproeven, venvachten. Bij voorbeeld Deut. 13: 3 : Gij zult naar de woorden van dien profeet of naar dien droomendroomer niet hooren, want de Heere uw God verzoekt ulieden om te weten of Gij den Heere uwen God liefhebt met uw garische hart en met uwe gansche ziel. Jez. 5:2: Hij heeft verwacht dat zijn wijngaard goede druiven zou voortbrengen, maar hij heeft stinkende druiven voortgebracht. Dit is de eenige maal dat aan God in de Heilige Schrift een verwachten toegeschreven wordt. Het is men-schelijk en bij gelijkenis van God gezegd, niet als ware Hij onzeker wat de mensch zal doen, maar om den mensch zeiven wakker te maken, op te scherpen, te waarschuwen en hem te leeren, dat God op zijn doen acht geeft. En wordt Hy gezegd het hart te doorgronden vn Ac nieren te proeven,

371

-ocr page 396-

§ 30. GODS ALWETENDHEID.

zoo geeft dit niet alleen zijne alwetendheid, maar zijne alles richtende en vergeldende gerechtigheid te kennen, waardoor Hij aan een iegelijk wil geven naar zijne wegen, naar de vrucht zijner handelingen Jer. 17: 10 i). Zegt de Schrift dat Hij iets ziet of gedenkt, dan verkrijgt Hij geen nieuwe kennis, maar toont, door te helpen of te straffen , dat Hij ze reeds heeft.

Middelkennis. Men heeft do Goddelijke kennis onderscheiden in kennis des gezichts, bevattende het werkelijke, en kennis des enkelen ver stands, begrijpende al het mogelijke. dus genoemd omdat het werkelijke waargenomen, het mogelijke enkel gedacht wordt.

Om nu de zekere voorkennis Gods van \'s menschen vrijwillige handelingen en tevens eene onafhankelijke vrijheid

\') Hengstenberg, Comment, übor die Psalmen I. S. 157, zu Ps. 7:10. — Bij het verwachten Jez. 5:2 moeten wij vooral gedenken aan Israels voorrechten en Gods lankmoedigheid. Zie Camp. Vitringa, Comment, in Jes. a. 1.1. p. 124. Joh. Coccejns, Comment, in proph. Jes. a. 1. (Opp. T. II.) verwerpt terecht de Pelagiaansche verklaring van de verwachting Gods als speculatio eventus utrobique possibilis et in indifj\'erenti hominis potentate positi. En tegen Simon Episcopius houdt hij de noodzakelijkheid der oneigenlijke opvatting vol. N on tantum nescientia eventus Deo non congruit, sed etiam desiderium proprie dictum et ut verisimile sit apud Deum, quod in re hon est verum et, ut confidentiam habeat ejusque non futuri. — Quandoquidem igitur Deo hic non potest tribui expectatio poprie, ut scienti futurum eventum emendationis (neque enim erat futurus)\'multo minus ut dubitanti vel erranti ac nescienti eventum, superest

ut inpropie expectatio per metaphoram scilicet et hut otvQpuTCO-TTtiQeixv aut mixturam alius tropi ei attribuatur.

372

-ocr page 397-

§ 30. GODS ALWETENDHEID,

van den menschelijken wil en de Goddelijke verkiezing uit voorgezien geloof en goede werken te handhaven, is door sommige Godgeleerden (het waren Jezuïeten), als midden tusschen Gods kennis van het werkelijke en zijne kennis van het mogelijke , eene zoogenaamde middellcennis bijgevoegd , wier voorworp zou zijn het voorwaardelijk toekomende , waarnaar God weet wat geschieden zou, wanneer iets, wat niet werkelijk is , gebeurde en wat geschied zou zijn, wanneer iets, dat niet gekomen is, gebeurd ware.

Dienvolgens zou God do toekomstige vrijwillige daden van den mensch wel met zekerheid van te voren weten, doch niet uit kracht van zijn besluit, maar uit veronderstelde omstandigheden, onder welke do wil des menschen zich zelf tot deze of gene daad zou bepalen of bepaald hebben.

Dit zou dan wel eene zekere kennis zijn in God, doch van zaken, aangemerkt niet als vast toekomstig; maar als gt;wo-(jelijk toekomstig, als waarover bij Hem geen besluit is gemaakt : eene middelijke konnis van het ééne door middel van het andere, door veronderstelling slechts van iets wat tusschen beide moet komen, bij voorbeeld wat van oen vroeg stervend kind bij langer leven zou geworden zijn en hoe het zou geleefd hebben\').

\') Men vindt iets daarvan1 reeds bij sommige Kerkvaders. Door de Jezuïtische Godgeleerden Petrus de Fonseca, den „Por-tugeeschen Aristotelesquot; st. 1599, en vooral door diens leerling den Jezuïet Lodewijk Molina st. 1600 werd scientia media, in onderscheiding van de scientia visionis en de se. simplieis in-telligenticB nader bepaald. Molina wilde daardoor èn het gezag van Augustinus èn de semipelagiaatische denkwijs in de Roomsch-Katholieke kerk beide bewaren. Op de vereeniging van \'s menschen wil en Gods genade berustte naar hem de rechtvaardi-

373

-ocr page 398-

§ 30. GODS ALWETENDHEID.

Bij de Gereformeerden vond deze middelkennis heftige tegenspraak •). En zij is a. onnoodig, wanneer wij slechts vasthouden dat God al het werkelijke door de kennis van zijnen wil en al het mogelijke door de bewustheid van zijne almacht weet. Want daaronder is alles bevat wat geweest is, wat is , wat zijn zal, wat zou kunnen zijn. h. Verwerpelijk is de middelkennis, wanneer men daardoor stelt dat eenige uitkomst of daad buiten Gods besluit zou staan.

Hetgeen men daarvoor uit de Schrift bijbrengt behoort of tot de kennis des enkelen verstands van de mogelijkheid eener zaak of het behelst een besluit waardoor God het weet met de zekerheid dat het komen zal.

1 Sam. 23: 10—12. David gehoord hebbende dat Saul naar Kehila zocht te komen, vraagt den Heere: zal Saul afkomen ? De Heere antwoordt: hij zal afkomen. David vraagt : zouden de burgers van Kehila mij en mijne mannen overgeven in de hand van Saul? De Heere antwoordt: zouden u overgeven. Dit, zegt men, had God evenwel niet besloten, het was iets voorwaardelijk toekomstigs; hier was

ging; zij werkten vcreenigd als een paar mannen, die aan één schip trekken. L. Pelt in Herzogs Real-Enc. IX. S. 69G, 2e Ed. X. S. 154. Luthersche Godgeleerden namen de middelkennis gewijzigd over, om de verkiezing uit een voorgezien geloof te staven. Ook Vil-mar, Dogm. I. S. 211—214. Desgelijks vindt It. Stier, Reden des Herrn Jesu 1. S. 493 nog in Mattli. 11 :21—28 de scientia media, de future conditionato sive futuribili en ziet daarin de eenig mogelijke vereffening tusschen Gods raadsbesluit en des mensehen vrijheid.

\') P. Van Mastricht, Godgel. I. p. 363 v. v. Brakel, Red. Godsd. 1. p. 82 v.v. Aemilius, Kort Ontwerp van het licht der waarheid, p. 100.

374

-ocr page 399-

§ 30. GODS ALWETENDHEID.

dan bij God zulk een middelkonnis. Maar God had Davids behoud besloten en daarmede ook het middel, zijne vlucht uit Kehila en tot dat einde openbaarde Hij hem de reeds bestaande bedoeling van Saul en de reeds aanwezige booze gezindheid der Kehilaïeten , hetwelk hem bewegen moest om te vluchten.

Jerem. 38: 17—20. De Heere spreekt door Jeremia tot den koning Zedekia : indien hij zich aan den koning van Babel op genade of ongenade overgaf, zouden lijf en goed behouden blijven; maar deed hij het niet, de stad zou verbrand worden en hij niet ontkomen. Bij God was alles bepaald ; maar Zedekia werd gewaarschuwd, daar het onheil door zijn toedoen kwam. Gods voorwetenschap neemt des menschen vrijheid niet weg. Hij weet de vrije daad des men-schen als vrij van te voren en ofschoon zij noodzakelijk is ten opzichte van zijn alomvattend raadsbesluit, zoo is deze noodzakelykheid, die buiten den mensch ligt, voor den mensch geen dwang. Wat gedwongen is is niet vrijwillig; maar hetgeen noodzakelijk is kan evenwel vrijwillig zijn. Gods bepaling dwingt den mensch niet en \'s menschen vrije wil maakt geene zaak voor God onbepaald.

2 Kon. 13: 18, 19. Joas, de koning van Israël, door Eliza vermaand met de pijlen tegen de aarde te slaan, slaat maar driemaal. Eliza wordt toornig op hem en zegt; gij zoudt vijf of zesmaal geslagen hebben, dan zoudt gij de Sy-riërs tot vcrdelgens toe geslagen hebben, doch nu zult gij de Syriërs driemaal slaan. De verdelging der Syriërs kon van het slaan des kcnings met de pijlen niet afhangen. Niet voor God, maar voor Eliza werd uit dat ijverloos en traag-geloovig doen des konings kennelijk, dat zijne zegepralen over de Syriërs niet beslissend zouden zijn.

375

-ocr page 400-

§ 30. GODS ALWETENDHEID.

Matlh. 11: 21—23. Jezus verklaart, zoo in Tijrus en Sidon de krachtdaden geschied waren die in Chorazin en Bethsaïda door Hem gedaan werden, zij zouden zich eertijds in zak en asch bekeerd hebben; en waren er in Sodom zulke krachtdaden geschied als in Kapernaüm, het zou tot op den huldigen dag gebleven zijn — ook dit is geen bewijs voor de middelkennis. Het is geene voorzegging, maar alleen eene tegenstelling van twee zaken, van welke de eene hoe onmogelijk ook, toch meer waarschijnlijkheid had dan de andere. Het bewijst dat Jezus wist hoe die Heidenen geweest waren en hoe deze Joden bestonden. Hij vergelijkt ze met elkander en Hij verwijt den Joden dat zij verstokter waren dan die goddelooze Heidenen. Evenals Ezech. 3 : 6, 7 , waar de Heere tot den profeet spreekt: gij zijt niet gezonden tol vele volken, diep van spraak en zwaar van tong, wier ivoorden gij niet kunt verstaan: zouden zij niet, zoo Ik u tot hen gezonden had, naar u gehoord hebben? Maar het huis Israels wil naar u niet hoor en. Ook dit was slechts eene vergelijking en een scherp verwijt: barbaar-sche volken zouden gevoelig zijn voor hetgeen op Israël geen indruk maakte •).

§ 31. Gods wijsheid.

De alwetendheid Gods sluit zijne wijsheid in. De wijsheid Gods is zoo te zeggen de practische voortreflelijkheid en deugd van zijn verstand1) en is het besturend beginsel

376

1

) i\'. van Mastricht, Godgel. I. p. 358. Nitzsch, System 5le Aud. S. 103: Weisheit ist die Tngend des Wissenden.

-ocr page 401-

§ 31. GODS WIJSHEID.

van zijn doen i). Zij bestaat hierin dat Hij in alles de beste middelen weet en gebruikt om de beste einden1) te bereiken ; dat Hij weet op welke wijze Hij in de uitvoering van zijne raadsbesluiten zijne heerlijkheid bet luisterrijkst kan betoonen.

Zij openbaart zich in de schepping der wereld en in geheel de voorzienigheid. Ps. 104 : 24 : Hoe groot zijn utve werken, o Heere! Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt; het aardrijk is vol van uwe goederen. Bijzonder ontdekt zich de wijsheid Gods in het werk der verlossing, in hare bewerking en verwerving en in hare toeeigening, in de vestiging en bewaring der Kerk, in den weg van iederen ge-loovige. Alle Gods kinderen zullen aangaande de Goddelijke leidingen moeten instemmen met den Apostel Paulus, waar hij, ziende op het oordeel over Israël en de toebrenging der Heidenen, met verbaasdheid en aanbidding uitroept Rom. 11: 33 : 0 diepte des rijkdoms beide der wijsheid en der kennisse Gods, hoe ondoorzoekelijk zijn zijne oordeelen en onnaspeurlijk zijne wegen !

§ 32- Gods wil.

De wil Gods behoort tot zijne mededeelbare eigenschappen. Het vermogen om hot eene te kiezen, het andere te verwerpen; het eene lief te hebben, het andere te haten; in het eene genoegen, in het andere ongenoegen te hebben en om aldus zichzelf uit redenen tot het eene of andere te

\') Twesten, Vorlcs. II. 1. S. 59.

2) Lange, in Herzogs Real-Enc. XVII. S. 019,2e Ed. XV, S. 329.

377

-ocr page 402-

§ 32. GODS WIL.

bepalen, noemt men wil. Dit vermogen is eene bijzondere volmaaktheid in het redelijke schepsel en daarom op eene oneindige en allervolmaaktste wijze in God \').

God heeft eenen wil, omdat Hij is een persoonlijk, zelfstandig Wezen. Hij werkt niet gelijk eene blinde natnur-kracht, maar met geheele vrije zelfbepaling waarvan de redenen alleen in Hemzelven liggen, die Hij zich allerklaarst bewust is.

§ 38. Onderscheiding.

Gods wil is één en al wat Hij wil heeft Hij van eeuwigheid zoo gewild. Doch voor ons menschen is zijn wil onderscheiden naar de verschillende voorwerpen of soorten van zaken die Hij wil en naar de onderscheidene wijzen hoe Hy ze wil. Het is óf een wil van besluit, van voornemen, van welbehagen, gelijk Christus sprak Matth. 11: 26 : Ja, Vader, want alzoo is geiveest het welbehagen voor V; deze is verborgen, zoolang .hij niet door de uitkomst of door profetie is bekend geworden; of het is een wil van bevel, een wetgevende wil, wil des teekens, hetwelk hem aanwijst in gebod of verbod, dus geopenbaard.

Deze onderscheiding2) is noodig en ook toereikend om het bezwaar op te lossen, hoe iets, dat God wil, evenwel niet geschiedt en daarentegen veel, wat God niet wil, toch

\' Brakel, Red. Godsd. I. p. 89.

\'*) Van zelf verworpen door de tegenstanders van de praedes-tinalie. In de voluntas Signi {— simulata !) in onderscheiding van vol, beneplaciti vindt ook Vilmar, Dogm. I. S. 220 II. 22 Ironie en veinzing aan God toegedicht.

378

-ocr page 403-

§ 33. ONDERSCHEIDING.

werkelijk plaats heeft, hoe aldus God zonder tegenstrijdigheid eenzelfde zaak kan willen en niet willen.

Namelijk de besluitende wil ziet alleen op de uitkomst, op de wording eener zaak, mag deze kwaad zijn of goed, zonder aanmerking of bepaling van hare zedelijke goedheid of kwaadheid. De wetgevende wil bepaalt alleen het recht, de zedelijke goedheid of kwaadheid en stelt van de toekomstige wording der zaak niets vast. Zoo is het dan dat er volgens zijnen besluitenden wil, namelijk om zedelijk kwaad toe te laten, veel, namelijk al dat kwaad , geschiedt wat Hij naar zijn wetgevenden wil niet wil; terwijl veel, wat Hij naar zijnen wetgevenden wil ernstig wil, namelijk het goede, niet gedaan wordt.

379

En dit zonder tegenstrijdigheid in den Goddelijken wil zeiven, omdat do voorwerpen niet dezelfde zijn of omdat Hij hetzelfde niet op een en dezelfde wijze wil gt;). Dus bij voorbeeld in de verzoeking van Abraham. God zeide Gen. 22:2: neem nu uwen zoon, uwen eeniyen dien gij lief hebt, Izaak, en ga heen naar het land Moriah en offer hem aldaar tot een brandoffer op een van de hergen die Ik u zeggen zal. Gods bevel aan Abraham was dat hij Izaak zou offeren ; maar zijn besluit was dat hij het niet zou doen. Maar strijdt dit dan niet tegen elkander ? Geenszins. Strijdig zou het alleen dan zijn, wanneer God eerst had verklaard, dat zijn besluit was dat Izaak zou geofferd worden en wanneer Hij dan het tegengestelde had doen komen. Het gebod Gods aan Abraham en de uitkomst zijn verscheidene zaken. Naar het Goddelijk bevel had Abraham zich te gedragen; de uitkomst, waarvoor God zorgde, zag hij van achteren en Mo-

\') 1\'. van Mastricht, Godgel. I. p. 398 v.

-ocr page 404-

§ 33. ONDERSCHEIDING.

zes geeft er aanstonds licht over wanneer hij het eene verzoeking noemt: En het geschiedde na deze dingen dat God Abraham verzocht Gen. 22: 1. —Zoo beval God aan Pharao Ex. 8 : 1; dat hij Israël zou laten trekken. Dat bevel bepaalde niets van de uitkomst, het was voor Pharao : het streed dan niet tegen Gods besluit, dat Pharao eerst het bevel niet deed, terwijl het later bleek dat het toch moest geschieden.

Zij, die eene algemeene genade leeren en den mensch, een vrijen wil en het vermogen tot het goede toeschrijven, hebben de onderscheiding van den wil Gods in eenen ahso-luten (onvoorwaardelijken) en eenen conditioneelen (voor-waardelijken) wil aangenomen en den eersten genoemd een voorgaanden wil, naar welken God in het gemeen zou willen dat alle menschen zalig worden, den anderen een volgenden wil, naar welken Dy werkelijk zaligmaken wil degenen die in Christus gelooven i). De onbekeerden zouden door hun onbekeerlijkheid en ongeloof veroorzaken dat God zijnen eersten wil, waardoor Hij ook hunne zaligheid wilde, liet varen , terwijl Hij nu, omdat de voorwaarde niet vervuld is, hunne eeuwige verdoemenis besluit.

380

Maar ten eerste moet men niet verwarren den wil zeiven of het willen Gods met de gewilde zaak. Bekeering en geloof zijn wel de voorwaarden van \'s menschen zaligheid, maar de wil Gods zelf kan van eene voorwaarde, die de mensch moet vervullen, niet afhangen. Het is niet aldus: wanneer deze zich bekeert en in Christus gelooft, dan wil

\') Dus reeds Chrysostomus. Ilagenhach, Dogmengesch. § 271 393. Ilase, Hutt. red. § C3. P. van Mastrichi Godgel. I. p. 403.

-ocr page 405-

§ 33. ONDERSCHEIDING.

God zijne zaligheid; maar: God wil zijne zaligheid door bekeering en geloof.

Ten tweede. Al de voorwaardelijke beloften en bedreigingen behooren tot den wetgevenden wil, waardoor van de uitkomst en het gevolg niets bepaald, maar alleen aangetoond en aangedrongen wordt het verband van de beloofde zaak met de bevolen daad en evenzoo het verband van onheil en straf met de ongehoorzaamheid. Dat vaste en onwrikbare verband houdt God den mensch voor, om hem bij onheil van zijne schuld te overtuigen en hem tot zijn plicht te brengen. In dat opzicht wordt aan den mensch gezegd, dat hij zijn ongeluk had kunnen verhoeden, zonder dat God daarom van \'s menschen wil of doen afhing. Zoo zegt de Heere Ps. 81: 14, 15: Och dat mijn volk naar Mij gehoord had! In hort zou Ik hunne vijanden gedempt hebben en mijne hand gewend hebben tegen hunne wederpartijders. En Jez. 48:18: Och dat gij naar mijne geboden geluisterd hadt ! zoo zou u vrede geweest zijn als eene rivier en uwe gerechtigheid als de golven der zee : Zoo kon dan ook Paulus tot de scheepslieden zeggen Hand. 27 : 21 : o mannen, men behoorde mij wel gehoor gegeven te hebben en van Creta niet afgevaren te zijn en dezen hinder en deze schade verhoed te hebben.

Strijdig tegen de Gereformeerde leer misbruikten de Lu-therschen en al de vroegere en nieuwere Remonstranten sommige Bijbelplaatsen voor hunne stelling van een voorgaan-den, gevolgloozen wil of van de algemeene genade Gods.

Bijzonder hetgeen Paulus zegt bij de aanbeveling van de voorbidding der geloovigen.voor alle menschen, hetwelk goed en aangenaam is voor God onzen Zaligmaker. 1 Tim. 2:4: Welke ivil dat alle menschen zalig worden en tot kennis der waarheid komen. En 2 Petr. 3:9: De Heere vertraagt de

381

-ocr page 406-

§ 33. ONDERSCHEIDING.

382

belofte niet gelijk eenigen dat traagheid achten, maar is lankmoedig over ons, niet willende dat eenigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekeering komen\') Deze wil is zijn bevelende wil in zijn Woord aan een ieder tot wien het Woord komt, daar Hij al dezen tot bekeering en geloof vermaant en aan allen, die zich bekeeren en gelooven, de zaligheid belooft en schenkt. Maar het zegt niet dat Hij amp;e-sloten heeft dat allen zullen gelooven en de zaligheid metterdaad verkrijgen. Dan zou de uitslag tegen het besluit strijden. Want tot allen komt niet eens het Woord. Bovendien is hier geen sprake van enkele personen, maar van de geslachten en standen der menschen, ook van koningen en vreemde volken, tot wie ook de leer der Evangelies zal gebracht worden, gelijk Calvinus te recht aanteekent, met verwijzing naar Ps. 2 : 10. En in het Woord zelf is onweersprekelijk geopenbaard, dat niet alle menschen zalig worden : in den dag des oordeels staan er goddeloozen aan de

\') Hierover later bij het Vijfde Hoofdst. § 12. Joh, Coccejus, Comment, in Ep. I. ad. Tim. Gap. II. § 19 (Opera Tom. V:) Sunt quidam qui ex hoe loco putant se demonstrare posse uni-versalein gratiam, quara vocant voluntatem antecedentem Qshyiftx Trpoyiyoufisvov quain dicunt Deuin habere ante provisionem obe-dientiae vel inobedientiae hominum. — Universalis autem ilia gratia sive voluntas antecedens, quam Deo attribuunt, est chimaera. Deus enim non habet decreta suspensa et non peremtoria. — Quod autem dicitur, Deum veile omnes salvari hoe secundum promis-sionem, per quam ea voluntas cognoscitur, est explicandum. De (ilgemeene genade of voorgaande wil is eene hersenschim. Want God heeft geen onzekere hesluiten. Wordt er gezegd: god wil dat alle menschen zalig worden, zoo moet men dit verklaren no,ar de belofte, door welke die wil gekend wordt.

-ocr page 407-

§ 34. DE WIL VAN GODS BESLUIT,

383

linkerhand des Rechters, die in de eeuwige pijn zullen gaan Matth. 25 : 46.

§ 34. De wil van Gods besluit.

De wil des besluits is Gods eeuwig voornemen, naar hetwelk Hij zelf werkt en alles doet in den tijd. Zijne besluiten zijn zelve niet anders dan zijn eeuwige wil. Zoo zegt Paulus Ef. 1; 11 dat alle uitverkorenen tot één zijn vergaderd in Christus, in Hem, in welken wij ook een erfdeel geworden zijn, wij die te voren verordineerd waren naar het voornemen desgenen, die alle dingen werkt naar den raad zijns willens i). Raad , plan , wijze beraming, geeft te kennen dat Hij wél weet wat Hij wil en dat Hij alles gepast voor zijn doel bepaalt: alzoo doelvorming en keus der middelen. En dat geheel vrijmachtig. Want de raad, naar welken Hij alles werkt, is de raad van zijn eigen wil en niet een vreemde raad, dien Hij van een ander zou hebben ontvangen. De eeuwige wil Gods is de eerste en opperste oorzaak van alle dingen; van dien wil kan er geen andere oorzaak zijn dan Hij zelf. Dezen wil voert Hij uit. Want geen schepsel vermag dien te weerstaan en Hij zelf kan z|jnen wil niet tegenwerken. Hij zelf getuigt van zich Jez. 46 : 10 : Die van den beginne aan verkondig het einde en van ouds af die dingen, die nog niet geschied zijn; die zeg: mijn raad zal bestaan en Ik zal al mijn welbehagen doen. Dit doet Hy dus zelf, dit is zijn eigen zaak, hier-

\') KXTX TtfV fiouhtlV TOÏI ÓS^fiXTOC XUTOV.

-ocr page 408-

§ 35. GODS WETGEVENDE WIL.

voor zal Hij zorgen. Hij zal zijn eigen welbehagen uitvoeren. Hiervoor is de mensch niet verantwoordelijk.

§ 35. Gods wetgevende wil.

Gods wetgevende wil of de geopenbaarde wil des bevels is al wat Hij ons in zijn Woord voorschrijft en door ons wil gedaan hebben. Dat is die wil van welken de Heere Jezus spreekt Matth. 7 : 21 : Niet een iegelijk die tot Mij zegt: Heere Heere! zal ingaan in het koninkrijk der hemelen, maar die daar doet den tvil mijns Vaders die in de hemelen is. En de Apostel Paulus Rom. 12:2: wordt dezer wereld niet gelijkvormig, maar wordt veranderd door de ver-niemving uws gemoeds opdat gij moogt beproeven welke de goede en welbehagelijke en volmaakte wille Gods zij. Tegen dezen wil zondigt men en maakt zich daardoor strafbaar.

§ 36. Regel voor ons gedrag.

Wij moeten ons gedragen naar Gods wetgevenden wil, den wil des bevels die ons geopenbaard is en kunnen ons niet richten naar den vermoedelijken wil des besluits, die ons onbekend is. Het besluit is de regel waarnaar God werkt. Tegen dezen kan men niet zondigen. Hoe wij ons echter omtrent zijnen voor ons verborgen wil des besluits met vertrouwen en onderwerping moeten gedragen, behoort tot den geopenbaarden wil. Deze is de regel voor ons , voor ons doen en laten.

Mozes zeide Deut. 29 : 29 : de verborgene dingen zijn

384

-ocr page 409-

§ 36. REGEL VOOR ONS GEDRAG. 385

■voor den Heere onzen God, maar de geopenbaarde zijn voor ons en voor onze kinderen tot in eeuwigheid, om te doen al de ivoorden dezer Wet. De verborgene dingen zijn datgene wal God besloten heeft om te doen of toe te laten, zoover Hij zulks nog niet door de uitkomst of door voorzegging heeft ontdekt. Zooveel Hij daarvan openbaart, verplicht ons aanstonds tot erkentenis en geloof. En de dingen die Hij geboden heeft om te doen of om te mijden , vereischen terstond gehoorzaamheid. Mozes had daar van vele toekomende dingen gesproken. Hij maant Israël af van nieuwsgierig en nutteloos te vorschen naar „hetgeen in Gods raad verborgen is en beveelt den volke te blijven binnen de palen van zijn geopenbaard Woord, om dat te onderzoeken, te gelooven en daarnaar te leven.quot;

Den wil des hevels moeten wij doen , den wil des besluits moeten wij lijden, ondergaan met onderwerping en vertrouwen. Van het bevel geldt Jez. 8 : 20 : Tot de Wet en tot het Getuigenis! zoo zij niet spreken naar dit woord , het zal zijn dat zij geen dageraad zullen hebben. Aangaande het besluit moeten wij zeggen : Hij is de Heere, Hij doe ivat goed is in zijne oogen , 1 Sam. 3: 18 en: niet mijn wil, Vader , maar de uwe geschiede !

§ 37. Eigenschappen van Gods wil.

Gelijk Gods Verstand, zoo is ook zijn Wil allervolmaaktst. De voornaamste eigenschappen van Gods Wil zijn : goedheid , heiligheid en, rechtvaardigheid.

25

Gravomoijor, Goref. Gel. loor.

-ocr page 410-

§ 38. GODS GOEDHEID.

§ 38. Gods goedheid.

God is (joed. God is liefde. Niet slechts heeft Hij liefde, maar Hij is liefde. Het is zijne natuur de men-schen lief te hebben i).

Hij heeft het bewezen in de Schepping en als Schepper heeft Hij liefde of althans harmonie en een trek tot vereeni-ging en tot hulpbetoon in de gansche wereld uitgebreid. Toen zag God alles aan wat Hij gemaakt had en ziet het was zeer goed, omdat geheel de wereld een spiegel der liefde was.

Hij bewijst het ook na den val door al zijn goeddoen aan een zondig, vijandig menschdom in zijne voorzienigheid. De Zoon wees de menschen op dit voorbeeld des Vaders Matth. 5 : 44: hebt uwe vijanden lief, zegent ze die u vervloeken, doet wel dengenen die u haten en bidt voor degenen die u geweld doen en die u vervolgen. 45. Opdat gij moogt kinderen zijn (opdat het mag blijken, dat gij het zijt) uws Vaders die in de hemelen is: want Hij doet zijne zon opgaan over boozen en goeden en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.

38G

Allermeest heeft Hij het bewezen door de zending van zijnen Zoon tot verzoening voor onze zonden. Niet om hier vreugde te hebben, ook niet slechts om de zaligmakende waarheid volkomen te leeren en om een volmaakt voorbeeld van deugd te geven, kwam Hij op aarde, maar om aan de God-

\') Calvinus, Comment, in Ep. I. Joh. 4:7: Sumil Apostolus generale principium quod Deus sit caritas, hoc est, quod ejus nutura sit homines diligere. Hic de essentia Dei non loquitur, sed tantum docet, quails a nobis seniiatur.

-ocr page 411-

§ 38. GODS GOEDHEID.

387

delijke gerechtigheid te voldoen. In Hem als het zoenoffer zijn al de zonden van zijn volk verzoend, geboot, gestraft. De straf die ons den vrede aanbrengt was op Hem. Hiertoe zond Hem de Vader. God offerde geenen Seraf op maar zynen Zoon, zijn eigen, zijn eeniggoborenen, zijnen geliefden Zoon. Dat wordt den geloovigen met nadruk herinnerd 1 Joh. 4:8: die niet liefheeft, die heeft God niet gekend, want God is liefde. 9. Hierin is de liefde Gods jegens ons geopenbaard, dat Hij zijnen eeniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat wij zouden leven door Hem. 10. Hierin is de liefde, niet dat uij God lief gehad hebben,maar dat Hij ons lief heeft gehad en zijnen Zoon gezonden heeft tot eene verzoening voor onze zonden \'.

Ook bewijst Hij het voortgaande in de toeeigening van de door Christus verworven zaligheid aan zondaren. Uit vrije liefde komt Hij den zondaar voor.

§ 39. Onderscheiden liefde.

De liefde Gods spreidt zich als in eene veelheid van stralen uit en draagt naar hare verschillende uitlatingen ook verscheiden namen. Zij is genade, waar Hij schuldigen vergeeft en onwaardigen weldoet; barmhartigheid, waar Hij el-lendigen een warm hart toedraagt en hen helpt; geduld, verdraagzaamheid en lankmoedigheid, wanneer Hij het kwaad niet aanstonds straft, maar den zondaar nog tijd; gelegenheid en middel tot bekeering vergunt.

Gods Woord is vol van de heerlijkste getuigenissen zijner

!) ihxaiaos Trep) tüv iftxpTiav

-ocr page 412-

§ 39. ONDERSCHEIDEN LIEFDE.

goedheid. Mozes spreekt van en tot Hem in zijnen laat-sten zegen over Israël Deut. 33 : 3 : Immers bemint Hij de volken *). Al zijne heiligen zijn in Uwe hand: zij zullen in het midden tusschen Uwe voeten gezet worden (als leerlingen, om hen te onderwijzen,) een ieder zal ontvangen van Uwe woorden. De Heere verkondigde in een plechtig oogen-blik aan Mozes op Sinaï, als hoedanig een God Hij bij zijn volk wilde erkend zyn; Ex. 34 : 6 : Als nu de Heere voor zijn aangezicht voorbijging zoo riep Hij: Heere, Heere, God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid.

Zijne lankmoedigheid bewees de goedertieren God dikmaals op eene gansch bijzondere wijze vóór buitengewone strafge-richten. Zoo heeft Hij den zondvloed 120 jaren van te voren verkondigd, toen Noach 480 jaren oud was. Gen. 6: 3 : Toen zeide de Heere: mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met den mensch, dewijl hij ook vleesch is, doch zijne dagen zullen zijn 120 jaren. Dat was een tijd om zich nog te bezinnen. Aan de Ninevieten gaf Hij veertig dagen Jon. 3 : 4: En Jona begon in de stad te gaan eene dagreis en hij predikte en zeide: nog veertig dagen, dan zal Nineve worden omgekeerd. In de gelijkenis van den onvrucht-baren vygeboom vraagt de wijngaardenier van zijnen heer nog één jaar uitstel Luc. 13 : 8 : Heer, laat hem ook nog dit laar , tot dat ik om hem gegraven en mest gelegd zal hebben1). De Heere gaf aan het Joodsche volk nog een

annnim d. z. de stammen Israels, evenals Deut. 33:

10; en Richt. 5 :14. LXX : Kal iCpsivaro toü Ï.xoïi avroü.

Stier, Reden Jesu III, S. 188 zu Luc. 13:8 verstaat onder den wijngaardenier de leidslieden Israëls (vergel. Matth. 21:

33) : den Seelsorgern des Volkes wird- zugleich ihr Ami vorge-

388

-ocr page 413-

§ 39. ONDERSCHEIDEN LIEFDE.

tijd van omtrent 40 jaren eer de verwoesting kwam. Al de weldaden en verschooningen Gods zijn roepstemmen tot bekeering. Of veracht gij den rijkdom zijner goedertierenheid en verdraagzaamheid en lankmoedigheid, niet wetende dat de goedertierenheid Gods u tot bekeering leidt (tijd en redenen geeft om te bekeeren) ? Rom. 2 : 4.

§ 40. Gods heiligheid

God is heilig. Zegt de Apostel Johannes: God is liefde, met geen minderen nadruk verkondigt hij : God is licht. 1 Joh. 1:5: En dit is de verkondiging die wij van Hem, van Jezus Christus, gehoord hebben en tvij u verkondigen, dat God licht is en gansch geen duisternis in Hem is.

Heiligt) wil zeggen in het Hebreeuwsch, Grieksch, Latijn en in onze taal afgezonderd en wordt God heilig genoemd, zoo geeft dit te kennen de weergalooze innerlijke voortreffelijkheid van het Goddelijke Wezen, zijne verhevene afgezonderdheid van al het eindige en beperkte, van al hetcreatuurlijke J),

halten. — Sucht doch mil ganzem Ernst euch und Andere vor dein Gericht zu reilen! — Endlich: — Jeder sei sein eigner Seelsorger, hitte für sich selbst urn Gediddfrist zu neuem Eifer der Arbeit.

•) tsnnp , sanctus, óiyios. Van de Grieksche synoniemen is het

1 T

woord xyiog, dat bij de profane Grieken het zeldzaamst voorkomt , in de Bijbeltaal opgenomen, dus juist „dat woord, hetwelk, het minst aangedaan van profanen geest, het reinste vat voor den nieuwen inhoud bood,quot; Cremer, bibl. theol. Wörterb. S. 34. Vergel. Döderlein, lat. Syn. III. S. 198 sq.

2) Dit is voornamelijk door J. A. Dengel in ;t licht gesteld en aangedrongen, o.a. in zyne Sechzig Reden über die Offenb.

389

-ocr page 414-

§ 40. GODS HEILIGHEID.

bijzonder van al het zondige en onreine. Vandaar dat Hij in de Schrift dikmaals naamswijze de Heüiye heet. En de Heilige Geest is de Goddelijke Geest , de Geest Gods.

Heiligheid is dan do hoogste lof Gods. Dus bij Jezaja 6 : 3. Namelijk in het jaar, toen de koning Uzzia stierf, zag Jezaja den Heere zittende op eenen hoogen en verheven troon. Serafs, Engelen van uitnemenden rang, vertoonden zich zwevende boven tegen Hem over en in diepen eerbied met bedekte aangezichten riepen zij, de een tot den ander: Heilig, heilig, heilig is de Heere der heir schar en ! De (jan-sche aarde is zijner heerlijkheid vol. Dit is in geheel de Heilige Schrift de verhevenste lofspraak op God, dat Hij ook door die wezens, die Hem zoo nabij zijn, heilig en wel driemaal heilig genoemd wordt en dus is de heiligheid als het ware de somma van allen lof, die den almachtigen Schepper en Regeerder toegebracht wordt. De heerlijkheid is de ontdekte, uitstralende heiligheid. Driemaal heilig ! „Heilig is God in den hemel, op de aarde, in de helle. Heilig in gerechtigheid, in genade, in heerlijkheid. Zijne heiligheid

Joh. 3te Aufl. S. 130 ff. (zu Ollf. 4 :7-11) Ook O elder m Herzogs Real-Enc. XIX S. 622 le Ed.en Thcol. des A. T. I. S. 161 kon dit niet afwijzen. Door Hengstenberg, Comment, iiber die Psalmen 11. S. 21 ft\', (zu Ps. 22:4) wordt hel met nadruk voorgestaan. Bengel 1. c. zegt: God is van al ivat creatuurlijk is, o}} eene onhegrijpelijke wijs onderscheiden en (van zelf behoudens zijne immanentie) afgezonderd: Hij is en werkt van zich zeiven, uit zich zeiven, in zich zeiven, hij zich zeiven, door zich zeiven, voor zich zeiven, om zijn zelfs teil, 1 Tim. 6:15, 16. Herm. Witsius, Miscell. sacr. II. p. 17: sanctitas ceteras Dei virtutes includit vel supponit. Proinde quotiescunque Dei sanctitas laudatur, laudantur etiam reliquae ejus perfectiones, qua-rum illa decus atque ornamentum est.

390

-ocr page 415-

§ 40. GODS HEILIGHEID.

hoeft Hij getoond in de Wet, in Christus en ook in het oordeel zelf over het afvallige Joodsche volk \').quot;

Dus moeten wij bij het noemen van Gods heiligheid niet alleen hieraan denken dat Hij zonder zonde is, gelijk men gewoonlijk verklaart. Doch de gewone verklaring1) behoudt daarbij hare volle waarheid. God haat het kwade. Hij wil het goede. Naar de zuiverheid Zijner natuur heeft Plij geen gemeenschap met de zonde , het zedelijk goede wil Hij noodzakelijk en onveranderlijk.

Het Heidendom, gelijk in het gemeen het natuurlijke bewustzijn, heeft geen zuiver begrip van de Goddelijke heiligheid. Het schept zich eenen God naar \'s menschen beeld ■■). Die in de zoogenaamde Christenheid hedendaags enkel van Gods liefde roemen en van zijne heiligheid niet willen weten, hebben het Woord tegen zich. Nergens hooren wij daar den uitroep van hemelingen : God is liefde, liefde , liefde ! maar: heilig, heilig, heilig is Hij ! (Openb. 4 : 8.)

391

1

) Ook bij Witsius 1. c. en Dezelfde, Oeconomla Foederum Dei p. 24 : Est Dei sanctitas perfectionum Divinarum candidis-sima puritas, juxta quam ut perfectissimae rationi conveniens est semper vidt et operatur.

-ocr page 416-

§ 41. GODS UECHTVAARDIGHEID,

§ 41. Gods rechtvaardigheid.

De zich openbarende, uitschitterende heiligheid Gods in bovengemelden ruimeren zin als verhevenheid boven alle schepsel, is zijne heerlijkheid ; de openbaring van zijne heiligheid in nauweren zin, van de zedelijke zuiverheid zijner natuur , is zijne rechtvaardigheid of gerechtigheid \').

En wel 1 , de wetgevende gerechtigheid Gods, in zoover Hij aan de redelijke schepselen zijn recht voorschrijft. Deels door de wet des gewetens, het zedelijke bewustzijn, allen menschen ingeschapen^ hetwelk eene uitdrukking is van Gods heiligen wil, gelijk Paulus ook van de Heidenen getuigt Rom. 2 ; 15: als die hetoonen het werk der Wet geschreven te hebben in hunne harten, hun geweten mede getuigende en de gedachten onder elkander hen beschuldigde of ook ont-schuldigende. Deels door de Wet des Woords, waarin Hij zijnen wil nader verklaart door geboden en verboden, met beloften en dreigingen. Jac. 4 : 12 : er is een eenig Wet-gever, die behouden kan en verderven.

2. De rechterlijke gerechtigheid, in zoover Hij het recht handhaaft door dat Hij den onschuldige vrijspreekt en alle zondaars veroordeelt. En wij weten dat het oordeel Gods naar waarheid is over degenen die zulke dingen doen. Rom. 2:2.

392

3. Do vergeldende gerechtigheid, daar Hij het goede be-

\') Nitzsch, System. Fiinlte Aufl. S. 173. Vergel. Büderdijlc) Nieuwe Mengelingen, 1835, I. p. 197 : „Er is slechts éóne gerechtigheid, Justitia. Zij is attributrix, toekeurende en distri-butiva, toebedeelende, in straffen en belooningen te stellen : dit is die des Wetgevers en Staatsregelaars. Of expletrix en\'^com-mutaüva, in alle rechtspraak: dit is die des Rechters.quot;

-ocr page 417-

§ 41. GODS UECIITVAARD1GHE1D.

loont, het kwade straft en wreekt. Rem. 2:5: Maar naar uwe hardigheid en onbekeerlijk hart vergadert gij u zeiven toorn als eenen schat in den dag des toorns en der openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods. 6. Welke een iegelijk vergelden zal naar zijne werken.

Gods heiligheid is de regel voor zijnen wil. Zijn wil drukt zich uit in zijne wet. Naar zijne wet oordeelt Hij. Naar zijn oordeel vergeldt Hij.

393

De belooning is ten opzichte van degenen die ze ontvangen enkel goedheid van God, die zich er door belofte vrijwillig toe verbindt: zij is onverdiend. Al deden wij alles, hetgeen echter niemand doet, wij moesten zeggen: wij zijn onnutte dienstknechten, want wij hebben (maar) gedaan hetgeen wij schuldig waren te doen Luc. 17 : 10 i). Toch wordt in de Schrift de zegening en redding van verdrukte rechtvaardigen doorgaans als een rechtdoen van God, als eene Goddelijke rechtsoefening begeerd of met dankzegging geroemd , inzoover daarmede gepaard gaat ontkrachting en straf der vijanden van God en zijn volk. Elke strafoefening is een Goddelijke rechtshandel, eene gerichtszitting. Het gericht wordt begeerd Ps. 7:7: Sta op, Ileere in uwen toorn, verhef U om de verbolgenheden mijner benauwers en ontwaak tot mij: Gij hebt het gericht bevolen. 8. Zoo zal de vergadering der volken u omsingelen; keer dan boven haar weder in de hoogte. 9, De Heere zal den volken recht doen: richt mij, Heere, naar mijne gerechtigheid en naar mijne oprechtigheid [die] bij mij is. 10. Laat toch de boosheid der goddeloozen een einde nerfyen, maar bevestig den rechtvaardige; Gij die harten en nieren beproeft, o rechtvaardige God!

\') 1J. van Mastricht, Godgel. I. p. 474.

-ocr page 418-

§ 41. GODS RECHTVAARDIGHEID.

11. Mijn schild is bij God, die de opredden van harte behoudt. 12. God is een rechtvaardig Rechter en een God die alle dage toomt. En David dankt er voor Ps. 9: 3: /w m zal ik mij verblijden en van vreugde opspringen; ik zal uwen naam psalmzingen, o Allerhoogste. 4. Omdat mijne vijanden achterwaarts gekeerd, gevallen en vergaan zijn van uw aangezicht. 5. Want Gij hebt mijn recht en mijn rechtzaak afgedaan ; Gij hebt gezeten op den troon, o Hechter der gerechtigheid.

§ 42 Gods straffende Gerechtigheid: Toorn.

Do straffende of wrekende Gerechtigheid Gods, waar zij zich vertoont, wordt in de Heilige Schrift de toorn Gods genoemd i).

Toorn is wel eene memchelijke uitdrukking, maar evon-zoo waar als de liefde, lankmoedigheid enz., die do Schrift van God roemt. Joh. 3 : 3G is evenzoo waar als Joh. 3 : 16. Wordt aan God toorn toegeschreven, zoo is dit geene ver-menschelijking van God, maar de noodzakelijke uitdrukking der zedelijke wereldorde zelf, daar deze niet eene mensche-lijke voorstelling en gedachte is, maar in den persoonlijken levenden God waarachtig bestaat.^)

De toorn is een affect, eene uitbrekende aandoening van ongenoegen in gevoel en wil 3). Gods toorn is Goddelijk

\') Irae Dei locus in doctrina theologica de ejus justitia vin-dicandus est, zegt te recht A. Jlitschl, De Ira Dei pag. 22.

2) A. Wuttke, Handb. der Ghristl. Sittenlehre II. S. 22.

3) Lange in Herzogs Real Enc. XV11I. S, C58 le Ed.; R. Kübel, Art. Zorn Gottes 2e Ed. XVII. S. 55ü.

394

-ocr page 419-

§ 42, GODS STRAFFENDE GERECHTIGHEID : TOORN. 395

en daarom van al wat er te vreezen is het allervreeselijk-ste. De toorn Gods geeft den hoogen ernst, de onweerstaanbare werking en dus de ontzaglijkheid van zijnen weerzin tegen de zonde en van zijn mishagen over deze allerna-drukkelijkst te kennen \').

De rechtvaardigheid is den Heer der wereld evenzoo noodzakelijk eigen als de liefde. Het rechte begrip daarvan is voor geheel onze Godsdienstleer van het hoogste gewicht. Want naar dat men de rechtvaardigheid Gods begrijpt,begrijpt men ook de verlossing, verzoening en rechtvaardiging. Zoovelen de genoegdoening van Christus bestreden en eene vergeving van zonden zonder voldoening stelden, hebben dan ook altijd zeer flauwe en oppervlakkige begrippen van Gods rechtvaardigheid gehad. Vele nieuwere Godgeleerden, de oude Sociniaansche dwalingen2) weder opnemende, hebben de straffende gerechtigheid van God ontkend\'). Naar het begrip

\') Tivesten, Vorles II. 1. S. 140. Aangaande vele nieuwe voorstellingen van Gods toorn moet men met A. Ritsclil, Die christl. Lelire von der Rechtfertigung und Versöhnung II. S. 121 zeggen: Es klingt da wieder die Sage an von dem Schmerz der vcrletzten Liebe, von dem Leiden der freien machtigen Liehe durch den Widerstmid der Creatur, verblinden mit der Verst-cherung , dasz Gait in seinem Affect der schlechthin freie sei, Verstandigen zullen echter die hebrüischen Ausdrücke, welche das ZUrnen in den sinnlichen Bildern des Brennens, des lodern-den Feuers , des hörbaren Athmens bezeicJinen, sinnliche An-schauungen, welche inden W arzelwürtern erkennbar heroortre -ten , wenn sie anf geistige Vorgünge bezogen werden , niet direct en absoluut, maar relatief, vergelijkender wijs, in overdrachtelijken zin verstaan,

2) Ritsclil, De Ira Dei p. 4.

3) Bretschneider, Handb. der Dogm. 3te Aufl. 1S.4\'37. De

-ocr page 420-

396 § 42. GODS STRAFFENDE GERECHTIGHEID ; TOORN.

der Socinianen zou het straffen der zoude eene daad van willekeur, van eene niet in Gods natuur liggende, dus toevallige gestrengheid zijn. Dienvolgens zou Hij door de zonde niet te straffen zijne rechtvaardigheid niet te kort doen.

§ 43. Noodzakelijkheid der straf.

Het straffen is bij God geen zaak van willekeur en luim. Neen, m moet de zonde noodzakelijk straffen.

Want 1. alle zonde is strijdig tegen Gods heilige natuur. Naar zijne volmaakt zuivere natuur kan Hij niet anders dan eeuwig afkeer hebben van de zonde. Want in Hem is het booze onmogelijk. En deze zijne heiligheid, omdat zij zijne natuur is, moet zich met eene vanzelfheid openbaren door heiligheid te eischen en door de ongehoorzamen te doen ondervinden, dat de zonde Hem mishaagt en tegen zijn natuar strijdt, gelijk de duisternis tegen het licht. 1 Joh. 1: 5. Beide

Rationalisten wilden van toorn en straffende gerechtigheid Gods niet weten. Met dezen stemt Schleiermacher in. Hij zegt, Der Christ!. Glaube, 3te Ausg. 1. S. 472 : Güttliche Strafen kunnen in diesem Sinne (als riichend oder wiedervergeltend) nur ange-nommen werden auf einer sehr untergeordneten Entwicklungsstufe, tvo die Gotiheit noch reizbar und nicht üher das Gefiihl filr Beleidigung und üher andere leidentliche Zustünde erhahen gedacht wird; und was immer bisweilen mit scheinharem Tiefsinn üher das Geheimniszvolle des güttlichen Zorns und die ursprüng-Uehe Nothwendtgkeit göttlicher Wieder ver geltung vorgetragen worden ist, lüzst sieh aufkein klares Bewusztzein zurüokhringen. Hoevelen hebben hem dit nagezongen! Hij expediëerde trouwens (ib. S. 475) ook de harmhartigheid Gods uit de Dogmatiek.

-ocr page 421-

g 43. NOODZAKELIJKHEID DER STRAF.

397

staan naar eigen aard tegen elkander en sluiten elkander uit. Daarom zegt Paulus ook tot de geloovigen 2 Kor. 6:14: Trekt niet een ander juk aan met de ongeloovigen: want wat mededeel heeft de gerechtigheid met de ongerechtigheid ? en wat gemeenschap heeft het licht met de duisternis ?

Dat God de zonde noodzakelijk moet straffen,, blijkt en volgt 2. uit de betrekking waarin Hij tot de redelijke schepselen staat. Hij is de opperste Wetgever en hoogste Rechter. Hij moet als Rechter en wel als de opperste Rechter en allerhoogste Regeerder, boven wien er geen hoogere is aan welken Hij de zaak onbeslecht kon overlaten, de Justitie handhaven. Want ivij kennen Hem die gezegd heeft: mijne is de wraak, Ik zal het vergelden, spreekt de Ileere. En wederom: de Heere zal zijn volk oordeelen, Hebr. 10: 30. En de mensch zal zeggen; immers er is vrucht voor den rechtvaardige, immers is er een God die op de aarde richt, Ps. 58: 12. Tijd en wijze, plaats en soort van straf kan de Rechter bepalen, maar van de gerechtigheid afstaan kan Hij niet. Zou de Rechter der gansche aarde geen recht doen? Gen. 18: 25.

§ 44. Vervolg.

Dat de zonde gestraft moet worden vloeit 3. uit den aard der Wet. Zonde is overtreding en verbreking van Gods Wet. De Wet der heiligheid is geen enkel raadgeving of bestiering, waarvan de opvolging aan des schepsels believen en goeddunken overgelaten zou zijn, maar zij is de uitdrukking van Gods eeuwigen en onveranderlijken wil onder bedreiging van straf op ongehoorzaamheid. God moest van wil veranderen en onwaardig worden, wanneer HjJ zyne Wet

-ocr page 422-

398 § 44. NOODZAKELIJKHEID DER STRAF.

ongestraft onder de voeten liet treden. Hierbij komt dat de Wet der heiligheid niet alleen eene onderwerpelijke (subjectieve) wet van \'s menschen geweten, maar eene voorwerpe-lijke (objectieve), eeuwig geldende wereld wet\') is. Zij is de Goddelijke orde voor het gansche Al van redelijke schepselen. Die Wet, die orde moet dan ook in het openbaar gehandhaafd, gestaafd worden door gehoorzaamheid óf door straf op hare verbreking, niet slechts innerlijk door straf in het geweten, maar ook uiterlijk en kenbaar. De vloek Gods ligt op den zondaar. Daarom komt er eens een openlijk en algemeen gericht. Eer zou de Heilige God al de schepselen met het heelal vergruizen, dan dat Hij van zijn recht en van zijne orde zou afslaan en de verstoring en verbreking van deze door den eigenwil van een schepsel ongestraft, onvergolden, onvereffend zou laten. God blijft bij zijnen eisch : zijt heilig want Ik hen heilig. 1 Petr. 1 : 16. En omdat alle menschen zondaars zijn, de eigengerechtigen niet het minst, dreigt allen, die buiten Christus zijn, de volvoering van Gods vloek, de wegstooting van zijn aangezicht, want soovelen als uit de werken der Wet zijn, die zijn onder den vloek: want er is geschreven: vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het hoek der Wet om dat te doen, Gal. 3 : 10.

§ 45. Vervolg.

Het noodzakelijk verband tusschen zonde en straf ligt 4. in \'s menschen eigen aangeboren bewustzijn. Het geweten

\') Twesten, Vorles. II. 1. S. 143.

-ocr page 423-

§ 45. NOODZAKELIJKHEID DER STRAF.

399

gelijk de geschiedenis van den mensch getuigt van eene vergeldende gerechtigheid Gods. Zelfs van de verduisterde Heidenen, die in de uiterste verzonkenheid het kwaad niet alleen doen, maar ook een vermaak hierin hebben dat anderen het doen, verzekert Paulus Rom. 1 : 32, dat zij tegen weten en geweten aangaan, daar zij het recht Gods weten, namelijk dat, die zulke dingen doen, des doods waardig zijn, „daar hun van God in de natuur is ingeplant een onderscheid tusschen goed en kwaad en een gevoelen van de straf die God over het kwaad wil oefenen.quot; (Kanlteek.) Gelijk de weg van volken, inzonderheid van het Joodsche volk en van enkele menschen de treffendste voorbeelden van vergelding oplevert, zoo geeft het geweten naar zijn eigen aard getuigenis van eene vergeldende gerechtigheid Gods. Een bewijs dat deze geen willekeur is, maar tot Gods heilige natuur behoort. Want ware de straf op de zonde alleen een willekeurige bepaling van God, dan kon de mensch buiten openbaring, dan kon dus de Heiden er geen kennis van hebben. In alle religiën, bij alle volken is het blijkbaar dat met het besef van eene Godheid ook onafscheidelijk het gevoel van eene vergeldende gerechtigheid diep in het gemoed ligt »). En wie kan ze loochenen ? Want de toorn Gods wordt ge-

\') Nciyelshach, Homer. Theol. S. 227, Dezelfde, Nachhomer-Theol. S. 338 f.: Bas büse Getvissen verobjectivirt sich im Ra-ehegeist. Dieser liachegeist ist nicht nur in den Erinyen zur Person geworden, sondern hat audi eine Art van seïbststandiger Persönlichkeit gewonnen, als der Racher, an den sich der Miss-handelte tvendet, der den Beflechten verfotgt, der die Missethat nicht vergisst, der sie heimsucht, als Mordgeist der den Mürder straft. — Kraanvogels ontdekken den moordenaar van Ibijcus. (Die Kraniche des Ibijcus van Schiller).

-ocr page 424-

400 § 46. NOODZAKELIJKHEID DER STRAF.

openhaard van den hemel over de goddeloosheid en ongerechtigheid der menschen , [als] die de waarheid in ongerechtigheid te onderhouden Rom. 1 : 18.

§ 46. Vervolg.

Dat God de zonde noodzakelijk moet straffen is 5. Bijhelleer. En hiermede is de zaak beslist en deze waarheid onweersprekelijk vastgesteld. Geheel de Heilige Schrift betuigt dit op het allernadrukkelijkst, dat God als de Heilige, die de zonde haat, en als de Waarachtige die zijne dreigingen vervult, het kwaad niet ongestraft kan laten, niet alleen het Oude Testament maar ook het Nieuwe. Ps. 5:5: Want Gij zijt geen God, die lust heeft aan goddeloosheid, de hooze zal hij U niet verkeeren. G. De onzinnigen zuilen voor Uwe oogen niet hestaan; Gij haat alle werkers der ongerechtigheid. 7. Gij zult de leugensprekers verdoen; van den man des hloeds en hedrogs heeft de Heere eenen gruwel. Nah. 1:2: Een ijveriq God en een wreker is de Heere, een ivre-ker is de Heere en zeer grimmig; een wreker is de Heere aan zijne wederpartijders en Hij behoudt (den toorn) zijner vijanden. 3. De Heere is lankmoedig doch van groote kracht en Hij houdt (den schuldige) geenszins onschuldig. Des Hee-ren weg is in wervelwind en in storm en de wolken zijn het stof zijner voeten.

En dit is geene voorstelling die alleen tot het Oude Testament behoort; in het Nieuwe Testament keert zij weder. Het is eene groote dwaling, wanneer men het onderscheid tusschen de Godsidee van het Oude en die van het Nieuwe Testament hierin stelt, dat de God des Ouden Tes-

-ocr page 425-

§ 46. NOODZAKELIJKHEID DER STRAF. 401

laments alleen een streng richtende en verdoemende, de God des Nieuwen Testaments daarentegen slechts een ontfermende, niet een straffende God zou zijn. Dan stond het Oude Testament hooger dan het nieuwe, omdat het aldus de Goddelijke heiligheid, alzoo de eere Gods in hoogere mate bewaarde. De uitnemendheid der nieuwe bedeeling verzwaart veelmeer de schuld van hare verachters !)• Hier is het Matth. 7 : 19 : Een ieder hoorn die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur getvorpen. En de Apostel Paulus verklaart Rom. 2: 5—11, dat God zonder aanzien van personen alle menschen zal oordeelen, niet naar hun uitwendig gelaat of staat, maar naar hunne werken, zoowel inwendige als uitwendige. En Hebr. 10 : 31: Vreeselij/cis het te vallen in de handen des levenden Gods, namelijk voor de afvalligen en weerspannigen, over wie Hij met toorn en wrake komt. God is geen ander onder het Nieuwe Testament dan onder het Oude. Zegt het Oude Testament Deut. 4 : 24 ; de Ileere uw God is een verterend vuur, een ijverig Ood, ook het Nieuwe betuigt Hebr. 12: 29: onze God is een verterend vuur.

§ 47. Vervolg.

Dat God noodzakelijk de zonden moet straffen, sluit niet uit dat Hij het vrijwillig doet. Noodzakelijkheid, in zijn eigen natuur gelegen , is geen dwang van buiten. Hij is aan geene wet onderworpen, die Hem van elders voorge-

\') Hengstenberg, Gommentar iiber die Psalmen IV. 2. S. 300. H. Wuttke, Handb. der Christl. Sittenlehre. I. S. 178. f.

Gravcmcijor Gercf. Gel. Icor. 20

-ocr page 426-

402 § 47. NOODZAKELIJKHEID DER STRAF.

schreven en naar welke Hij gehouden zou zijn zich te richten, gelijk een menschelijke rechter gebonden is aan de wet die buiten hem ligt. Integendeel de zedelijke wereldorde, het in het Heelal geldende heilige Recht is zelf het uitvloeisel en de uitdrukking van de rechtheid van Gods natuur. Dat Recht heeft Hij aan zijne schepselen voorgeschreven en het is naar dat recht dat Hij in het regeeren en oordeelen van hen zich van zelf en vrijwillig richt »). Vrijwillig, zoodat Hij niet altijd aanstonds de zonde straft gelijk het vuur altijd brandt, maar met vrije zelfbepaling op zijn lijd, plaats en wijze : want Hij is een levend God; alleenlijk is daarbij alle onverschilligheid en evengelijkheid, om al of niet te straf-fen; uitgesloten1). Hy straft de zonde zoo vrijwillig , dat het onmogelijk is dat Hij anders zou kunnen willen. De gerechtigheid is zijn eigen heilige wil om te straffen 3).

§ 48. Vervolg.

Men brengt in, dat elk van zijn recht toch kan afstaan, dus ook God van zijn recht om te straffen.

Maar wat bij menschen plaats kan hebben, heeft daarom nog geen plaats bij God»). Een vorst kan ook van zijnen troon afstand doen, maar kan de Heer des hemels en der aarde ooit afstaan van zijne heerschappij ? Gods rechtvaardigheid is God zelf, zij is Hem natuurlijk, zij behoort tot

1

) Brakel, Red. Godsd. I. p. 100.

-ocr page 427-

§ 48. NOODZAKELIJKHEID DER STRAF.

zijn eeuwig wezen en moet zich betoonen waar zondaars zijn. Hij kan ook als Rechter niet onrechtvaardig handelen en het onrecht gedoogen.

Bovendien God is Rechter van allen, die, met zijn eigen recht, ook dat van allen onderling handhaaft. Liet Hij misgt;-dadigen vrij zonder straf, Hij zou niet alleen zijn eigen recht, maar ook het recht zijns rijks bekorten i). Zelfs de duivel moet gean beklag van onrecht kunnen inbrengen5).

Wel weten wij uit hetgeen God zelf verklaard en gedaan heeft dat Hij de straf uitstellen, verzachten, matigen, ja

\') P. Van Mastricht, Godgel. I. p. 485. Von der irrigen Ansicht aus, dasz die Strafe nicht die Siihne der Gerechtigheit, sondern nur die Besserung des Verbrechers zum Zwecke habe, müszte die Todesstrafe aller dings unbedinyt verworfen werden; denn der gebesserte diirfte nicht mehr bestraft und dein un-buszfertigen die Besserung nicht abgeschnitten werden. Dem da-mit verwandien Bedenken ah er, dasz durch die Todesstrafe für den unbekehrten die Bekehrung abqeschnitten toerde, steht das entgegen dasz der Gedanke an den nahen Tod viel mehr ge-eignet ist, den Verbrecher sittlich zu erschüttern als eine blosze Haft, A. Wuttke, Handb. der dir. Sittenlehre II. S. 491. Tegen de meening dat het eigenlijke doel der straf alleen zou kunnen zijn de verbetering van den gestrafte, herinnert Twesten, Vorles. II. 1. S. 145: dazu scheint die Strafe nicht das rechte Mittel. Nitzsch, System S. 333 : die Strafe will die thatsüch-liche Erschoinung des verlet zien und doch unverletzlichen Ge-setses sein. Das blulige Auge van den onder beulshand stervenden schuldige, op hetwelk A. Bitsius, die Todesstrafe vom Standp. der Rel. und der theol. Wiss. Berlin 1870 S. 76 wijst, moet ons niet doen voorbijzien een ander oog en gelaa!, nog roerender en ijselijker. namelijk dat der onschuldigen, die door den boosdoener doodgemarteld werden.

\'2) Von Gerlach zu Rom. 8 ; 3.

403

-ocr page 428-

404 § 48. NOODZAKELIJKHEID DER STRAF.

naar zijne genade op een bevoegden borg en plaatsbekleeder voor schuldigen overbrengen kan, maar dit alles behoort tot de omstandigheden en wijze der straf, die Hij vrijmachtig en met wijsheid bepaalt; het wezenlijke echter van de straf, het straffen zelf, de hetooning van zijne rechtvaardigheid (Rom. 3 : 25) laat Hij ook dus niet na. De betooning van zijne rechtvaardigheid tegenover de zondo kan niet uitblijven ; Hij zou daardoor zich zeiven verloochenen, dat is : metterdaad ontkennen dat Hij God was, zoo handelen als of Hij niet God was, van zich zeiven niet willen weten. Maar ook in dezen geldt wat geschreven staat 2 Tim. 2: 13: flij kan zich zeiven niet verloochenen i). Ook hierin is het zooals Elihu spreekt Job 34:10: verre zij Ood van goddeloosheid en de Almachtige van onrecht: 11. Want [naar] het werk des menschen vergeldt Hij hem en naar eens ieders tveg doel Hij het hem vinden. 12. Ook waarlijk handelt God niet goddelooslijk en de Almachtige verkeert het recht niet. Onwrikbaar vast staat deze waarheid Jez. 5 : 16 : De Heere der heirscharen zal verhoogd worden door het recht en God de Heilige zal geheiligd worden door gerechtigheid1).

Onder de menschen mag en moet wel een ieder particulier, die door een ander beleedigd en verongelijkt is, in vele gevallen van zijn recht, als bevoegdheid om voldoening te eischen, afstaan, maar van de gerechtigheid als deugd nooit. Eene Overheid, een Rechter mag dit als zoodanig geheel niet. God is niet slechts gelijk als eene beleedigde partij, maar is zelf de hoogste Rechter ; het is als zoodanig dat Hij met den zondaar te doen heeft.

\') H. Witsius, De Oecon. Foederum Dei p. 45. 89. 2) Von Gerlach, A. T. Einleit. zu Hiob. c. 34.

-ocr page 429-

§ 49. NOOIJZAKEUJKHEIU DEB STRAF.

§ 49. Vervolg.

Zou men intusschen tegen de Goddelijke noodzakelijkheid om do zonde te straffen niet dit kunnen inbrengen, dat God toch don geloovigen de zondo vergeeft en de straf kwijtscheldt ? Maar hij de vergeving staat Hij van zijne gerechtigheid niet af. Want beide de grond en de wijze, waarop God de zonde vergeeft, zijn zoodanig dat, met de genade, ook zijne rechtvaardigheid uitblinkt.

1. De grond. Hij vergeeft de zonde op grond van Christus\' voldoening : opdat Hij rechtvaardig zij \') en rechtvaardigende dengenen die uit het geloof van Jezus is Rom. 3 : 26.

Voldoening en vergeving strijden niet tegen elkander. Alleen wanneer de zondaar vrij wierd door zelf aan het Goddelijke recht te voldoen, zou vergeving, genadige kwijtschelding geen plaats vinden: maar niet door den zondaar zeiven wordt voldaan, maar Christus heeft alles volbracht. Dus is het voor dengene, die van de straf ontslagen wordt, enkel genade. God rekent den geloovige toe wat Christus deed en leed. Want dien die gecne zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in hem, 2 Kor. 5 : 21. Tot prijs der heerlijkheid zijner genade, door welke Hij ons begenadigd heeft in den Geliefde. In welken wij hebben de verlossing door zijn bloed, namelijk de vergeving der misdaden naar den rijkdom zijner genade, Ef. 1 : 6, 7.

405

Ook is liet geen onrechtvaardigheid, dat do zondolooze leed, opdat zondaars vrij van lijden wierden; dat schuldigen ten koste van den onschuldige ontslagen worden. Want de

\') Als Rechter. De Wette a. 1.

-ocr page 430-

§ 49. NOODZAKELIJKHEID DER STRAF.

Voldoener was niet eenig ander persoon buiten het Goddelijke Wezen, was geen schepsel. Hij was de Zoon Gods; Hij behoorde niet tot de wereld. En Hij leed vrijwillig , naar den wil des Vaders. Hier werd dus geen recht van eenig schepsel verkort\'), maar de Goddelijke genade en de Goddelijke rechtvaardigheid verheerlijkten zich daar in haar hoogsten luister. De verlossing van zondaren in Christus is even zoowel eene betooning der rechtvaardigheid Gods Rom. 3: 25, als eene verschijning van zijne goedertierenheid en liefde tot de menschen Tit. 3, 4.

De voldoening is even zoo genadig als de vergeving rechtvaardig. De verwerving en de toepassing van de zaligheid in Christus zijn beide een werk van genade en van rechtvaardigheid tevens. „Al wat God ter veroordeeling en verwijdering der zonde doet, ook de begenadiging des zondaars, is eene betooning van zijne gerechtigheid»).quot; De zonde, die ongerechtigheid is, kan niet weggedaan worden dan in den weg des rechts.

2. De wijze en teeg. God vergeeft de zonde aldus, dat Hij er een rechtvaardig gericht over houdt. En wel in tweeërlei opzicht.

a. Door heromo en belijdenis, doordat wij met smart, schaamte, spijt onze zonden voor Hem erkennen en bekennen. Want alleen op boetvaardige belijdenis en afbidding

\') Treffend Da Costa, Opmerkingen omtrent het onderscheidend karakter der Groningsehe Godgel. School p. 41—45, tegen de zeer voorbarige sluitredenen van het toenmalige Gron. Compendium § 40,2. Verstandig Van der Palm, Salomo VII, 3de dr. p. 1G3—160, naar aanleiding van Spr. 21 : 18.

2) Nitzsch, System S. 174.

406

-ocr page 431-

§ 49. NOODZAKELIJKHEID DER STRAF. 407

volgt de vergeving. Eenzelfde weg in het Oude en in het Nieuwe Testament. 1 Joh. 1:9: Indien icij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve en ons reinicje van alle ongerechtigheid. Aldus deed David Ps. 3i; 5 Mijne zonde maakte ik U bekend en mijne ongerechtigheid bedekte ik niet, ik zeide: ik zal belijdenis van mijne overtredingen doen voor den Heere en Gij v er gaaft de ongerechtigheid mijner zonde. De vergeving is zelve cene rechterlijke daad van den Getrouwen en Rechtvaardigen. Zij is zoet en zalig en doet zich kennen door den vrede en de blijdschap, die in plaats van do diepe smart en neergeslagenheid over de zonden, het gemoed vervult. Daar verheugt de Heere de beenderen die Hij \\er-brijzeld had, Ps. 51 : 10.

b. Door afstand van de veroordeelde zonde. Die vergeving ontvangt, wordt daardoor van do zonde gescheiden, de zonde is bij hem gelijk bij God veroordeeld, opdat alzoo het recht der Wet vervuld zou ivorden in ons, die niet naar het vleesch wandelen maar naar den Geest, Rom. 8 : 4. Hier begint de ware heiligheid. Want waar de troost der vergeving als een zachte balsem in het verslagen harte daalt, wordt niet alleen alle vijandige argwaan jegens God weggenomen, maar ook een haat en afkeer van alle zonde verwekt. Te recht heeft iemand gezegd : „de zonde wordt zoolang bemind tot zij vergeven is Iedere zondenvergeving is dienvolgens eene crisis, een gericht over de zonde en eene scheiding van de zonde.

\') Hengstenberg, Gesch. des A. Bundes. II. t. S. 103.

-ocr page 432-

§ 49. NOODZAKELIJKHEID DER STRAF.

Voldoener was niet eenig ander persoon buiten het Goddelijke Wezen; was geen schepsel. Hij was de Zoon Gods; Hij behoorde niet tot de wereld. En Hij leed vrijwillig , naar den wil des Vaders. Hier werd dus geen recht van eenig schepsel verkort\'), maar de Goddelijke genade en de Goddelijke rechtvaardigheid verheerlijkten zich daar in haar hoogsten luister. De verlossing van zondaren in Christus is even zoowel eene betooning der rechtvaardigheid Gods Rom. 3: 25, als eene verschijning van zijne goedertierenheid en liefde tot de menschen Tit. 3, 4.

De voldoening is even zoo genadig als de vergeving rechtvaardig. De verwerving en de toepassing van de zaligheid in Christus zijn beide een werk van genade en van rechtvaardigheid tevens. „Al wat God ter veroordeeling en verwijdering der zonde doet, ook de begenadiging des zondaars, is eene betooning van zijne gerechtigheid »).quot; De zonde, die ongerechtigheid is, kan niet weggedaan worden dan in den weg des rechts.

2. De wijze en iveg. God vergeeft de zonde aldus, dat Hij er een rechtvaardig gericht over houdt. En wel in tweeërlei opzicht.

a. Door berouiv en belijdenis, doordat wij mot smart, schaamte, spijt onze zonden voor Hem erkennen en bekennen. Want alleen op boetvaardige belijdenis en afbidding

\') Treffend Da Costa, Opmerkingen omtrent het onderscheidend karakter der Groningsche Godgel. School p. 41—45, tegen de zeer voorbarige sluitredenen van het toenmalige Gion. Compendium § 40,2. Verstandig Van der Palm, Salomo VII. 3de dr. p. 103—1G6, naar aanleiding van Spr. 21 : 18.

\'2) Nitzsch, System S. 174.

406

-ocr page 433-

§ 49. NOODZAKELIJKHEID DER STRAF. 407

volgt de vergeving. Eenzelfde weg in hel Oude en in het Nieuwe Testament. 1 Joh. 1:9: Indien wij ome zonden belijden , Hij is getrouw en rechtvaardig, dut Hij ons de zonden vergeve en ons reinige van alle ongerechtigheid. Aldus deed David Ps. 32 : 5 Mijne zonde maakte ik U bekend en mijne ongerechtigheid bedekte ik niet, ik zeide: ik zal belijdenis van mijne overtredingen doen voor den Heere en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde. De vergeving is zelve eene rechterlijke daad van den Getrouwen en Rechtvaardigen. Zij is zoet en zalig en doet zich kennen door den vrede en de blijdschap, die in plaats van de diepe smart en neergeslagenheid over de zonden, het gemoed vervult. Daar verheugt de Heere de beenderen die Hij ^r-brijzeld had, Ps. 51 : 10.

b. Door afstand van de veroordeelde zonde. Die vergeving ontvangt, wordt daardoor van de zonde gescheiden, de zonde is by hem gelijk bij God veroordeeld, opdat alzoo het recht der Wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vleesch wandelen maar naar den Geest, Rom, 8 : 4. Hier begint de ware heiligheid. Want waar de troost der vergeving als een zachte balsem in het verslagen harte daalt, wordt niet alleen alle vijandige argwaan jegens God weggenomen, maar ook een haat en afkeer van alle zonde verwekt. Te recht heeft iemand gezegd ; „de zonde wordt zoolang bemind tot zij vergeven is Iedere zondenvergeving is dienvolgens eene crisis, een gericht over de zonde en eene scheiding van de zonde.

\') Hengstenberg, Gesch. des A. Bundes. II. 1. S. 103.

-ocr page 434-

§ 50. GODS MACHT.

§ 50. Gods macht.

Gods Macht is Almacht; dat wil zeggen : Hij is door niets buiten Hem beperkt, Hij kan uitwerken al wat Hij wil, zijn wil is alleen de maat van zijn vermogen. Schepselen hebben slechts eene verleende, medegedeelde, afhankelijke macht.

In God zijn vermogen, wil en daad niet afgezonderd en onderscheiden\'), maar alleen in onze bevatting. Door te werken wordt in den Werker geene verandering veroorzaakt, alsof Hij door te werken van „ledigquot; zou worden „bezig.quot; Maar in onze voorstelling kunnen wij onderscheidenlijk denken eerst het vermogen op zich zelf en dan den toil daarbij, waarop de daad volgt. Dat is de sluitreden des geloofs, als bij dien melaatsche Matth. 8:2: Heere indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen. Ik wil, sprak Jezus, word gereinigd! En terstond werd hij van zijne melaatschheid gereinigd.

Wanneer God wilde, Hij kon uit steenen Abraham kinderen verwekken Matth. 3 : 9, dat wil zeggen : menschen for-meeren, gelijk Adam uit de aarde, en deze menschen tot het geloof en leven Abrahams brengen: zoo min had Hij dat vleeschelijke zp.ad Abrahams, de Joden, noodig. Want geen ding zal bij God onmogelijk zijn , sprak de Engel Gabriël tot de gezegende maagd, nadat hij haar de wondergeboorte had aangekondigd , Luc. I : 37.

408

God is Almachtig. Dat is bemoedigend in nood en gevaar. De eerste daad en het bestendig zichtbaarst bewijs van Gods almacht is de schepping en het voortdurend bestaan van de wereld. Daaraan vooral hebben dan ook steeds de geloovi-gen onder alle beroeringen zich vastgehouden. Zoo Jerem.

\') P, van Mastricht, Godgel. I. p. 514.

-ocr page 435-

§ 50. GODS MACHT.

23: 17: Ach There, Ileere, zie, Gij hebt de hemelen en de aarde gemaakt door moe groote kracht en door uwen uitge-strekten arm, geen ding is JJ te ivonderlijk.

Dat is bemoedigend ook by den strijd om in te gaan in het Koninkrijk Gods. God is zoo machtig om te herscheppen als om te scheppen, Als de rijke jongeling bedroefd weggegaan was en Jezus verklaarde dat, wie niet alles wat hij had verzaakte, zoomin in het Koninkrijk Gods kon ingaan als een kemel door het oog van eene naald en de discipelen verslagen uitriepen: wie kan dan zalig worden? is de poort zoo eng, wie kan dan ingaan ? toen sprak Jezus Matth. 19: 26 : hij de menschen is dat onmogelijk maar bij God zijn alle dingen mogelijk — alle dingen die tot het zalig worden behooren, van het eerste arm worden en navolgen tot het volle geloof in Christus en het onderhouden van zijn geboden toe. „God kan het hart der rijken van het vertrouwen op de rijkdommen, van aardsch goed en eigen deugden, aftrekken en met nederigheid en geloof aan zijne genade en met kracht tot het onderhouden van zijne geboden begiftigen.quot;

Door niets buiten Hem is Gods macht beperkt.

Door geen tiveede oorzaken, middelen noch zoogenaamde natuurwetten. Deze allen bepalen de werking van Gods Alvermogen niet: Hij is er niet aan gebonden, zoodat Hij niet anders zou kunnen werken dan door dezen. Zij zyn integendeel zelve geheel van God afhankelijk en door zijne almacht alleen zijn zij. Want met de schepping aller stoffen en krachten des heelals heeft God tegelijk de wetten voor haar bestaan en hare werking geordend, — Deze ordenende almacht Gods, die zich bij de schepping der wereld openbaarde, betoonde zich telkens weer wanneer Hij wonderen werkte. En dit is het ware begrip van wonderen, dat het even zulke

409

-ocr page 436-

§ 50. GODS MACHT.

werkingen van Gods almacht zijn, als waardoor Hij eens de krachten en wetten der natuur heeft doen ontstaan gt;) Ook de vrijheid van redelijke schepselen beperkt Gods A1-\' macht niet, maar bewijst ze veelmeer. Dit immers is zijne hoogste macht, dat Hij ook een rijk der vrijheid doet bestaan. De redelijke schepselen zijn in hunne bewegingen1) of werkingen wel vrij , maar met hunne vrijwilligheid in hunne bewegingen toch afhankelijk. Gelijk iemand op een varend schip. Wie op het dek van een schip, dat in de vaart is, wandelt, van den achtersteven naar den voorsteven, van bakboord naar stuurboord, beweegt zich wel vrij doch met het schip, en het schip weer met den aardbol, en zoo verder het eene met het andere. De wandelende op het varende schip moet toch met het schip wel mede. Wij bewegen ons in God. Vrij, maar geheel afhankelijk. Want in Hem leven wij en bewegen wij ons en zijn wij, Hand. 17 : 28.

§ 51. Vervolg.

God kan alles wat een voorwerp der almacht kan zijn. Dus kan Hij niet 1. wat in zichzelf eene tegenstrijdigheid is. Want dat is een onding, is niets en kan bijgevolg ook geen werk van macht zijn s); bij voorbeeld een alom tegenwoor-

410

1

) Vergelijkbaar met hetgeen de Natuurkunde betrekkelijke en samengestelde bewegingen noemt. Fischer, Mechanische Natur-lehre im Auszuge von Dr. August. S. 14.

-ocr page 437-

§ 51. GODS MACHT.

dig lichaam. Wij beperken dan Gods almacht niet, wanneer wij tegenover Lutheranen de overaltegenwoordigheid van Christus\' lichaam ontkennen. Want een lichaam zonder plaatselijke grenzen is zoo tegenstrijdig als een rond vierkant of als een driehoek zonder drie hoeken i).

2. God kan niet wat tegen zijne natuur en volmaaktheid, tegen zijn wil en besluiten strijdt. Hij kan niet lijden, sterven. Toen Christus stierf, is de Godheid in Hem niet gestorven s). Dit zou geen macht, maar onmacht zijn. God kan niet zondigen. Paulus zegt uitdrukkelijk, dat God niet liegen kan, Tit. 1 : 2. Want dit kan Hij niet willen.

§ 52. Vervolg.

Met de Heilige Schrift noemen wij God den Almachtige ook hierom, omdat alle macht en kracht der schepselen van God is: alle macht*), hoogheid, gezag, alle kracht*), vermo-

\') Vergel. Kant,, Vorles. über die philos. Religionslehre ed. Pölitz, S. 62.

s) Sommigen, die de twee naturen in Christus niet behoorlijk onderscheidden en naar het monophysitisme (ééne natuur) overhelden , zeiden : God had geleden en was gekruisigd: Ósottoktxïtmi. Herzog in zijne Real-Enc. Ie Ed. XVI. S. 16. 2e Ed. XV. S. 535 (Hauck). Theopaschietische strijd in de 6e eeuw. Door de 5e algem. Kerkvergadering 553 werd het theopasehietisme begunstigd. Pressel in Herzogs Real-Enc. IX. S. 750 le Ed. Hagenbach , Dogmengeseh. S. 228. Van Oosterzee, Ghr. Dogm. II. p. 185. Vergel. Scholten, L. der H. K. II. p. 343 v. l\'assihiUsne Deus ? Hiertegen l\'rudentius Apoth. 1 — 176. Carmina, ed. Obbar, 1845. p. 53—58.

3) è^ovjlx, potestas.

*) duvxpis potentia.

411

-ocr page 438-

§ 52. GODS MACHT.

gen, sterkte. Geen schepsel heeft eenig recht over iets noch eenige bekwaamheid van zich zelf, maar alleen van God. Dat erkende de oude David en verkondigde het in die schoone lofspraak (doxologie) 1 Kron. 29: 11: Uwe, o There is de grootheid en de macht en de heerlijkheid en de overwinning en de Majesteit, want alles wat in den hemel en op de aarde is, [is uwe]; uwe, o Heere, is het Koninkrijk en Gij hebt U verhoogd tot een Hoofd hoven alles. 12. En rijkdom en eere zijn voor uw aangezichte en Gij heerscht over alles en in uive hand is kracht en macht, ook staat het in uwe hand, alles groot te maken en sterk te maken.

Hiervan hooren wij eenen nagalm in de lofverheffing Gods, waarmede het gebed des Heeren sluit: Uw is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid in der eeutoigheid, Amen,

412

-ocr page 439-

VIEEDE HOOFDSTUK.

GODS DRIEEENHEID.

§ 1. Een Drieëenig God.

In het vorige Stuk is van Gods eigenschappon gehandeld. Maar terwijl wy deze in onze gedachte samenvatten, komen wij als van zelf tot de vraag: wie is Hij nu dan die deze hoedanigheden bezit ? wat zegt ons de Heilige Schrift nog nader van dien God, aan wien al deze eigenschappen eigen zijn ?

De Heilige Schrift leert ons een eenigen God, die een eenig Wezen is, in hetwelk zijn drie Personen, in der daad en waarheid en van eeuwigheid onderscheiden naar hunne onmededeelbare (persoonlijke) eigenschappen lt;), namelijk de Vader en de

\') J. J. Van 2\'ooreMewier(/e«, Symbol. Schriften p. 12 teekent te recht aan : De Dordtsche Synode heeft eerst het bestaan van de drie Personen m de Godheid doen uitkomen en dan de wezenlijkheid oan het onderscheid uitgesproken, door de aanwijzing dat zij onderscheiden zijn „naar hunne onmededeelbare eigenschappenquot; ; dus niet slechts als onderscheidene vormen der open-

-ocr page 440-

§ 1. EEN DRIEËENIG GOD.

Zoon en de Heilige Geest, Nederlandsche Geloofsbelijdenis, Art. VIII. God heeft zich alzoo in zijn Woord geopenbaard, dat deze drie onderscheidene Personen de eenige, waarachtige en eeuwige God zijn, Heidelb. Gatech. Vr. 25. De Schrift leert ons het eenige Goddelijke wezen vereeren in den Vader en den Zoon en den Heiligen Geest: een drieëenig God.

Dit is eene allergewichtigste waarheid; hoofdsom en kroon van al de Goddelijke openbaringen. Eene waarheid die niet slechts in uitgezochte bijbelteksten is te vinden, maar in geheel de Schrift overal doorstraalt. Zij staat op onwrikbare grondslagen. Men vatte slechts de drie volgende punten te zamen scherp in het oog.

Ten eerste. In de Heilige Schrift wordt al wat uitsluitend Goddelijk is, wat aan geen schepsel maar alleen aan God behoort, geregeld toegeëigend aan Drie, die genoemd worden de Vader en de Zoon en de Heilige Geestquot;); inzonderheid wordt de zaligheid en alle geestelyke zegen voor den schuldigen en verdorven zondaar van deze Drie afgeleid2). Door deze toeëigening aan de Drie van al wat kenmerkend Goddelijk is, worden zij in éénen rang, boven alle schepsel en aan elkander gelijk gesteld.

Ten tweede. Bij alle gelijkheid worden deze Drie evenzeer

haring van het Goddelijke Wezen, maar zoo wezenlijk en eeuwig als het Wezen Gods zelf. — Schleiennacher en llase, die in liet zog van Sehleiermacher vaart, plaatsen de Drieëenheid aan het einde van de dogmatiek. Maar deze leer moet haar verband behouden met de leer van het Wezen en de eigenschappen Gods. Vergel. Nitzsch, System S. 181.

\') P. Van Mastricht, Godgel. I. p. 580. Zie hierna § 28 v.v.

2) Nitzsch, System S. 178.

414

-ocr page 441-

§ 1. EEN DRIEËENIG GOD.

standvastig van elkander onderscheiden: de ééne is niet de ander\').

Ten derde. Nochtans leert geheel de Schrift en zij scherpt dit overal met den meesten nadruk in , dat er maar één God is.

Wanneer men deze drie punten, wier schriftuurlijkheid niemand kan betwisten, samenvoegt en streng vasthoudt, dan komt men noodzakelijk tot eene Drieëenheid.

Immers uit het eerste, uit de gelijkheid, volgt dat de Zoon en de Heilige Geest, evenzoowel als de Vader, niet schepselen, maar van Goddelijk Wezen zijn, want tusschen God en schepsel is er geen midden, maar al wat is is óf schepsel öf God.

Uit het tweede, uit de onderscheiding blijkt, dat de Godheid des Zoons en des Heiligen Geestes niet slechts is de Godheid des Vaders , zoodat er dus toch maar één Goddelijk Persoon zou zijn en de Drieheid alleen eene drieërlei ontvouwing, een drievuldig onderscheid in de openbaring, uitlating en betooning of in de menschelijke bevatting van denzelfden éénpersoonlijken God zou wezen , als of één en dezelfde zich nu eens als Vader, dan als Zoon en wederom in een ander opzicht als Heilige Geest zou voordoen. Integendeel, naar al wat de Schrift leert, is de Zoon onderscheiden van den Vader en van den Heiligen Geest, en de Heilige Geest is een ander dan de Vader en de Zoon.

415

Het derde, de nadrukkelijke schriftleer van Gods eenheid, doet ons hierbij erkennen en ten ernstigste behartigen, dat er, niettegenstaande deze Drieheid, evenwel geen drie onder-

\') Zie hierna § 12.

-ocr page 442-

§ 2. DE NAAM DRIEEËNHEID.

scheidene Goddelijke Wezens zijn , geen drie Goden, maar dat er slechts één God is in getal i).

§ 2. De naam Drieëenheid.

Het woord Drieëenig, Drieëenheid staat niet letterlijk in den Bijbel. Maar dit bewijst niets tegen de waarheid der zaak die er door uitgedrukt wordt. Ook de naam Godmensch wordt er niet gevonden, maar wie zal de gepastheid van dezen ontkennen ? Ook het woord Alomtegenwoordig lezen wij er niet, maar wie mag daarom God niet alomtegenwoordig heeten ? Ja zelfs het woord Voorzienigheid treffen wij in de Heilige Schrift niet aan, maar wat de zaak betreft, wie kan tegenspreken dat de Bijbel er vol van is van het begin tot het einde ?

Intusschen komt zeer dicht bij Drieëenig, Drieëenheid, wat geschreven staat 1 Joh. 5:7: Want drie zijn er, die getuigen , in den hemel, de Vader, het Woord en de Heilige Geest en deze drie zijn één2).

Wat door het woord Drieëenheid wordt beteekend, is leer der Heilige Schrift en dient om de zaak klaar en onbewimpeld uit te drukken en alle dekmantelen en uitvluchten af te snijden. Daarom is deze naam bij de Kerk inge-

\') Twesten , Vorles II. 1 S. 184. — De Heilige Drie

eenheid. Beschouwing der hoofdstellingen over haar in de Gereformeerde Kerkleer, door schrijver dezes , in De Vereeniging: Christelijke Stemmen 1856 April en vervolgens.

^ J. C. Suicerus, Symbol. Niceno—Constant, expositum. Traj. a. Rhenuni 1718. c. HI. II. p. 44 sq.

416

-ocr page 443-

§ 2. DE NAAM DRIEEENHEID .

voerd \'). En al de kerkelijke bepalingen aangaande deze waarheid hebben ten doel de dwalingen te weren , namelijk 1. dat de Zoon en de Heilige Geest niet waarachtig God zouden zijn; 2. dat niet in God zeiven, maar alleen in zijne openbaring eene drieheid zou bestaan; 3. dat er drie Goden zouden wezen. De kerkleer van de Drieëenheid is slechts nadere ontwikkeling van wat de Schrift zelve aanduidt.

Drieëenheid geeft dan te verstaan niet alleen eene drie-vuldige betrekking van God tot de menschen (Openbarings-triniteit), maar eene inwendige betrekking van God tot zich zei ven (Wezenstriniteit). Het wil zeggen : een eenig Goddelijk Wezen bestaande in drie Personen. Geschapen geesten hebben eene enkelvoudige persoonlijkheid, één Ik: de levensvolheid van den Oneindigen God is niet in één Persoon besloten en is toch één.

Degenen die de Godheid des Zoons en des Heiligen Geestes loochenen , kunnen van zelf de namen Drieëenheid en Goddelijke Personen niet gebruiken dan om ze te bestrijden. Maar ook onder dezulken, die overigens de waarheid vasthouden, zijn er niet weinigen die voor deze benamingen huiveren. En wel, wijl ze in het kleven aan deze namen letterdienst zien ; wijl deze namen tegenspraak en twist verwekken; wijl men zich alleen aan den Bijbel moet houden. Intusschen, van den anderen kant is het gemeenzame gebruik dezer benamingen te recht met na-

1) Trinitas het eerst bij Tertullianus, gest. 220 n. G. Het woord rpixg wel reeds bij Tlieopidlus, bisschop van Antiochië 130—180, maar bij dezen nog niet het kerkelijke begrip van de Triniteit. Hagenbach , Dogmengesch ■ S. 98.

Gravemeijor, Gercf. Gel. leer. 27

417

-ocr page 444-

418 § 2. DE NAAM DR1EËENHEID.

druk aanbevolen \')• Reeds op grond der vrijheid zelve, die men er door bekort acht. „Wie is vr\\j en wie is een letterknecht , hij die recht op zijn doel afgaat en de zaak die in de Heilige Schrift wordt geleerd, vrijelijk met gepaste bewoordingen noemt, bij de Christenheid bekend en verstaan, óf hij die zich aan banden legt en angstvallig zekere woorden vermijdt, wijl zij niet letterlyk in den Bijbel staan ? Men wil wel Vader en Zoon en Heiligen Geest, maar geen drie Goddelijke Personen, geen Drieëenheid. Terwijl men zich moeilijk in allerlei bochten wringt, verbergt men daarbij kenlijk een gemoedelijk bezwaar en geheim vooroordeel tegen de Kerkleer zelve en brengt aldus aan de Kerk, tot welke men toch wil behooren , in het verborgen, ware hel niet dikmaals in het openbaar! eenen steek toe,quot;

Wel mogen wij met Calvinus1) zeggen ; „mochten de namen, schoon niet zonder reden opgebracht, maar begraven zijn, indien slechts bij allen dit geloof vaststond, dat de Vader en de Zoon en de Heilige Geest één God zijn en dat evenwel de Zoon niet is de Vader of de Heilige Geest de Zoon, maar dat zij door zekere eigenaardige hoedanigheid onderscheiden zijn.quot; Maar met denzelfden Kerkleeraar moeten wij zeggen; „ 1. Hoe onbillijk is het woorden te wraken, die niets anders verklaren dan wat in de Schriften betuigd en bezegeld is. 2. Daar de Kerk door de hoogste noodzakelijkheid gedrongen is tot het gebruik van de woorden Brie-eenheid en Personen, moet men dan niet oordeelen dat, wie

\') In een lezenswaardig opstel door O. in De Vereeniging; Chr. Stemmen 1848 Dec. bl. 357—374.

2) Calvin Inst. I. 13. 3—5.

-ocr page 445-

§ 2. DE NAAM DRIEEENHEID.

419

evenwel deze namen om hunne nieuwheid verwerpt, het licht der waarheid niet kan verdragen, daar hij alleen dit afkeurt, dat do waarheid duidelijk en helder wordt gemaakt ? 3. Zulke nieuwe namen die de zaak klaar en gepast uitdrukken, zijn dan allermeest noodig en dienstig, wanneer de waarheid moet verdedigd worden tegen hare bestrijders of verdraaiers, om hun alle schuilhoeken te verstoppen. Als gladde slangen ontsluipen zij, wanneer zij niet met forsche hand worden aangegrepen en geknepen. Maar hoe het zij, dit kan niemand ons ontwringen, dat er in de Heilige Schrift Drie genoemd worden , van wie ieder waarachtig God is en dat er evenwel niet meer Goden zijn.

§ 3. De Drieëenheid eene verborgenheid.

De Drieëenheid Gods is niet uit de natuur kenbaar en kan niet uit de rede alleen bewezen worden. Zij is eene verborgenheid, een mysterie. Dat wil zeggen 1. zij isbuitenhet Woord Gods onbekend. En 2. ook nadat zij in het Woord Gods is geopenbaard , blijft zij voor het eindige verstand ondoorgrondelijk. Het natuurlijke menschelijke bewustzijn leert haar niet. Zonder Goddelijke onderwijzing zou niemand haar ontdekt hebben. Geen mensch had er iets van geweten, bad niet God zelf zich in deze Drieheid bij zijne Eenheid in zijn Woord geopenbaard. — Men heeft er wel sporen van willen vinden bij volken , die de Schrift niet hadden , maar ook de grootste wijsgeer der Heidenen, Plato, kwam er niet aan toe i).

\') Hase, Hult. rediv. § 70. 3te Aufl. S. 168. De Trimurti der Indiërs heeft niets van de Christelijke Drieëenheid, maar is

-ocr page 446-

420 § 3. DE DRIEEENHEID EENE VERBORGENHEID.

Dat de Goddelijke Drieëenheid niet bewijsbaar is uit de rede, hebben onze oude Godgeleerden steeds erkend en ingescherpt. Daarbij herinneren sommigen van hen, dat men „alle menschelijke redeneerinyen moet uitsluiten en alle gelijkenissen, van lichamelijke zaken verzonnen, moet mijden, wijl deze de zaak meer verduisteren dan verlichten en meer

slechts eens verzinnelijking der natuur die sc/«e^ (Brahma), ow-derhoudt (Vischnu) en weer verslindt (Schiwa), of naar de oudere leer der Vedas : Indra, Waruna, Agnis. Gelijk bij de Egypti\'érs Phta, Kneph en Neith. Hagenhach, Dogmengesch. S. 85.

Ook bij Plato is er geen zweem van de bijbelsche Drieëenheid. Dit is slechts de vervorming van Plato\'s leer door de Nieuw-Platonici en , ter vermeende staving van de Triniteit, door Kerkvaders. Dezen namen Plato\'s vovg voor Xamp;yos, ipuxv voor Trvsvftx. Maar i/oüt is de Godheid in zich, de Godheid naar hare openbaring. Ook Epist 11 p. 312 E, waar drie hoogste (oorzaken) genoemd worden , een Trpurov, een ÏSsvrspov en een rpkov, heeft niets met de Drieëenheid te doen, maar ziet op de verschillende werkingen in de schepping. Bovendien zijn de Brieven onecht. Zoo min Plato\'s Ideeën substantiën , hoezeer wel realiteiten zijn , evenmin wordt God bij hem als eene suh-stantiëele drieheid voorgesteld. Ook Dr. Fr. Ueberweg, Grund-riss der Gesch. der Philosophic des Altherthums , 4te Aufl. S. 127, schrijft de volledige personificatie der Ideeën niet aan Plato zeiven , maar aan zijne discipelen toe. Het Goede, y toü xyxdoü ISsx is bij Plato de zon in het gebied der Ideeën, De Republ. VI. p. 503 sqq. ed. Tauchn. p. 23G sqq. Dit Goede is de Platonische Godheid. Ook Herhart, Lehrb. zur Einleit. in die Philos. § 123. 3te Ausg. S. 219 stemt dit toe: es istkein Zweifel, dasz darunter die Gottheit verstanden werden viusz. De wereldvorming is bij Plato dualistisch. Zij veronderstelt geene drieheid, maar alleen een ov, het met zich zelf vervulde, het inbegrip van alle mogelijke wijzen van zijn , en een ov, een in zich zelf ledig , eens zijns zoowel behoeftig als vatbaar.

-ocr page 447-

§ 3. DE DRIEEENHEID EENE VERBORGENHEID. 421

af- dan toeleidenquot; lt;). Anderen keuren de vergelijkingen niet afJ), zoo men ze slechts niet als beivijzen wil doen gelden die alleen uit de Schrift kunnen genomen worden, maar om de mogelijkheid en denkbaarheid der zaak eenigszins te doen inlichten. En met recht. Want kan de Drieëenheid uit de natuurlijke rede niet bewezen worden, waarom zullen wij verwerpen wat de door Gods Woord verlichte en voorgelichte rede bijbrengt om de donkere zaak eenigszins op te helderen en ons de heilige geheimenis klaarder te doen aanschouwen?

De rede, door Gods Woord de Drieëenheid kennende, kan hare noodzakelijkheid eenigszins afleiden 1. uit de zelferkente-tenis Gods, zonder welke Hij a. niet zijn en b. zich niet openbaren kon ; 2. uit zijne zelfliefde,

1. Uit de zelf erkentenis Gods, uit zijne persoonlijke bewustheid van zich zei ven.

a. Zondoi deze kon Hij niet zijn. De levende God; die Geest is, heeft als zoodanig noodzakelijk bewustheid van zich zeiven. Van eeuwigheid stelt Hij in zich zich zeiven voor. Deze eeuwige voorstelling van Hemzelven is niet wezenloos, maar is levend, is Hem gelijk , is zijn ander Ik. Dat is de Zoon. In dat ander Ik erkent en aanschouwt Hij zich zeiven en dat ander Ik erkent en aanschouwt ook Hem in zich en zoo zijn beiden wederom één in deze wederkee-rige aanschouwing, in de bewustheid des Vaders van den Zoon en des Zoons van den Vader {„Gij in mij en ik in JJquot;) in een derde Ik. Dat is de Heilige Geest, de Geest des Vaders en des Zoons.

Ook in den menschelijken geest is een zekere drieheid, daar

\') Brakel, Redel. Godsd. I. p. 110. l) P, Van Mastricht, Godgel. I. p. 580.

-ocr page 448-

§ 3. DE DRIEEENHEID EENE VERBORGENHEID.

hij zich aan zich zeiven voorstelt en tot zich zeiven „gijquot; zegt en wederom deze voorstelling van zich als met zich zeiven gelijk en óénwezend erkent {„mijquot; is mijn Ik)\'). Doch hier mogen wij het verschil niet voorbijzien. Bij den mensch is deze drieheid, dit drievoudig ik (het voorstellende, het voorgestelde en het zich zelf in dat voorgestelde erkennende) geene persoonlijke onderscheidenheid (geen drie personen in éénen mensch !) omdat de mensch een eindig wezen is en het leven niet heeft in zich zeiven; het is alleen een onderscheidend denken.

b. Zonder zelfbewustheid kon God zich niet openharen. Wie zich openbaren zal, moet eerst zich zeiven denken. Het grondbeginsel der openbaring Gods is zijne gedachte van zich zeiven, die van eeuwigheid in Hem was, van Hem geboren. Dat is het Woord, de Logos, waarvan Johannes 1: 1 zegt: In den beginne was het Woord en het Woord was hij God en het Woord was God. Dat is de Zoon, in wien God van eeuwigheid zichzelven voorstelde :*) het Woord in Hem, dat Hij als sprak in zich en tot zich zeiven (ook de gedachte in den mensch is een inwendig woord) en in wien Hij van de schepping der wereld af zich naar buiten open-

1) Der Mensch kann sich nicht denhen, ohne zuerst in sich sclher den Unterschied des Subjects (des Denkenden) und des Objects (des Gedachten) anzuerhennen und z ugleich sich der FAnheit seines Seins bewuszt zu werden. Bunsen, Hippolytus und seine Zeit. Leipz. 1852. S. 280. A. Feip, in Herzogs Real Enc. XVI. S. 457. 1 e Ed. Vergel. F. Van Mastricht, Godgel. 1. p. 593. II. Ols-hausen, Bibl. Commentar zum N. T. II. S. 587, zu Matth. 28 :19.

-) Vergel. Catech. ex deer etc Conc. Trid. Qu X. ed. Tauchn. p. 18 : — ut (Pater) se ipsum intuens atqua intelligens parem et aequalem sibi Filium gignat cett.

422

-ocr page 449-

§ 3. DE DRIEËENHEID EENE VERBORGENHEID.

baarde, zich als het ware uitsprak : het Woord buiten Hem, gelijk de denkende mensch door het woord zich openbaart en uitdrukt. — God openbaart zich voor redelijke wezens; maar dezen kunnen Hem in zijne openbaringen niet kennen dan door een de bewustheid van Hem verwekkend , dus hooger en zelflevend beginsel, dat zelf niet tot het geschapene behoort, dat zelf Goddelijk, in Wezen van den verborgen God en diens Openbaarder niet onderscheiden en dat in beiden is : dat is de Goddelijke of Heilige Geest, de Geest des Vaders en des Zoons.

2. God is liefde {1 Joh. 4:16). De liefde veronderstelt een persoonlijk voonverp: zonder een Ik en Gij kan er geen liefde zijn. God heeft de wereld liefgehad (Joh. 3 : 16), Hij bemint de volken (Deut. 33: 3). Maar de wereld is niet van eeuwigheid; vóór haar en onafhankelijk van haar was God liefde en was er een voorwerp dat Hij liefhad: dat is de geliefde Zoon (Matth. 3 : 17), die, in het vleesch gekomen, tot Hem, dien Hij Vader noemde, zeide: Gij hebt mij liefgehad vóór de grondlegging der wereld Joh. 17 : 24. Deze is „de Geliefdequot; bij uitnemendheid (Ef. 1 ; 6). Deze is dan ook de bemiddelaar van alle uitlating en betooning der liefde Gods, dat is van de schepping en de verlossing. — En gelijk de Vader den Zoon liefheeft, zoo heeft de Zoon den Vader lief. Daar is een levende band, een samenleven tusschen beiden, waardoor beiden bewust zijn zoowel van hunne persoonlijke onderscheidenheid als van hunne eenheid, waarin de wederkeerige van beiden uitgaande liefde, de liefde van den Vader tot den Zoon en van den Zoon tot den Vader bestaanlijkheid heeft en waarin de volledigheid der boven alle eindige persoonlijke wezens verhevene persoonlijkheid van den levenden God bestaat: dat is de Hei-

423

-ocr page 450-

424 § 3. DE DRIEEENHEID EENE VERHORGENHEID.

lige Geest, die de Geest is des Vaders en des Zoons •).

Hoe men over deze en soortgelijke voorstellingen ook denke, oen „philosophisch goochelspelquot; behoeft men ze niet te noemen, maar evenmin mag men de waarheid der zaak zelve er afhankelijk van maken. Liever dan op Icarus-vleu-gelen ons hoog te wagen en te willen indringen in dingen die ons te wonderlijk zijn, moeten wij een zedig stilhouden {sTrsxav) beoefenen en belijden dat „deze leer de mensche-lijke verstanden verre te boven gaatquot;1).

Dit dient men dan ook bij alle analogieën of overeenkomsten , die men bijbrengt, in het oog te houden , waarvan sommige geheel onvoegzaam zijn , als wanneer men de Goddelijke Drieëenheid bij eene driehoekige fontein vergelijkt\'). Zinrijker is de herinnering van eene opmerkelijke drieheid waarin klanken en vormen in de natuur hunne volledigheid hebben, als de drieklank in de muziek , de drie afmetingen van den tijd (verleden , tegenwoordig, toekomend) en van de ruimte (hoogte, lengte , breedte), waardoor intusschen voor de Goddelijke

\') E. Sartorius , Die Lehre von der heiligen Liebe. IsteAb-theil. S. 7,—13. J. Muller, Die christl. Lehre von der Sünde. II. S. 180 ff. F. W. /frwj/iwiacAe/-, Scheinheiliger Rationalismus, S. 194. Stier, Reden Jesu , zu Joh. 5: 20. A. Peip in Her-zogs Real-Enc. XVI. S. 4G4. Ie Ed.

\') Nederl. Geloofsbelijdenis Art. IX. Ilic, si quando alias in reccmditis scriptwee mysteriis, sobrie multaque cum moderatione philosophandum, Calvin. Inst. I. 13: 21. Dezelfde stemt toe: esse in homine aliquid quod Putrem et Filium et Spiritum re-ferat, in Genes. 1 : 26.

:l) Hinkende Gleichnisse, gelijk Ebrard , Chr. Dogm. I. S. 189 ze te recht noemt.

-ocr page 451-

§ 3. DE DRIEËENIIEID EENE VERBORGENHEID. 425

Drieëenheid niets bewezen wordt\'). Maar door de Heilige Schrift zelve worden ons aan de hand gegeven de vergelijkingen a. uit de buitenwereld, uit de natuur die buiten ons is , die ons omringt: het lichtgevende licht , de uitstralende glans , de daardoor bewerkte verlichting, naar Hebr. 1 : 3. i. En in den mensch : gedachte , tvoord, bevatte zin, naar Joh. 1:1, zooals boven is voorgesteld.

§ 4. De Drieëenlieid in het Oude Testament.

Wij moeten dus vasthouden: bewezen worden kan de Drieëenheid Gods alleen uit de Heilige Schriften, gelijk dan ook de kerkleer niets anders wil zijn dan de wetenschappelijk geordende en opgebouwde Bijbelleer zelve. En wel beide uit het Oude en uit het Nieuwe Testament. Doch met een aanmerkelijk onderscheid van klaarheid. Het Oude Testament behelst reeds al de kiemen en gronden van deze waarheid. En hoe zou God den ouden geloovigen ook anders een God van volkomen zaligheid hebben kunnen zijn , hadden zij in Hem alleen den Schepper gekend en niet den Verlosser en den Heiligmaker ? Ook zij hebben de werkingen van deze Drie in zich gevoeld J).

Het Otide Testament spreekt niet slechts van God in het

\') Huse, Hutt. rediv. § 72. Dritte Aufl. S. 178. Bretschnei-der, Dogm. Dritte Aufl. I. S. 4-69.

2) Consequent leerden onze oude Godgeleerde^ dat Adam ook voor den val God als drieëenig heeft gekend. Immers hij kende den waren God waarlijk. II. Witsius, Exercit. in Symbolum Apost, Bas. 1739 p. 04 sq.

-ocr page 452-

§ 4. DE DRIEËENHEID IN HET O. T,

algemeen , maar ook van den Zone Gods onder velerlei benamingen en van den Heiligen Geest. Hoe meer de Goddelijke openbaringen voortgingen, des te meer deed zich ook de in het Goddelijke Wezen bestaande persoonlijke (hypostatische) Drieheid kennen : de verborgene, achterste Werker van alles; de verschijnende, verlossende Middelaar; en de levenwekkende, verlichtende, heiligende Geest. De volle openbaring der Drieëenheid geschiedde met de menschwording des Zoons en de uitstorting des Heiligen Geestes. In het Oude Testament trad het onderscheid tusschen den verborgen God en zijnen Openbaarder minder aan het licht, zoodat het meer een onderscheid alleen in de betrekking Gods tot de menschen, dan eene inwendige betrekking der Godheid tot zich zelve scheen te zijn. In het Nieuwe Testament komt de onderscheidenheid desgenen, die openbaarde, van Hem, dien Hij openbaarde, ten volle uit als onderscheidenheid des .Zooms van den Vaderi). „Hetgenedan voorons watduister is in het Oude Testament, dat is zeer klaar in het Nieuwequot;1).

\') Hengstenberg, Christologie des A. T. I. S. 250. 2te Ausg. III. 2. S. 85. Dezelfde, Comment, übcr die Psalmen IV. 2. S. 275.

2) Nederl. Geloofsbelijdenis Art. IX. Zonderling is het wanneer meri beweert, dat het Israëlietische Monotheïsme te midden van polytheïslische volken , bij de eigen neiging des volks tot Polytheïsme, wellicht door eene ontijdige (? kan zij dat zijn?) onthulling dezer waarheid meer geschaad dan gebaat zou zijn geweest. Van Oosterzee, Dogm. I. p. 397. Ook Hengstenberg, Comm. fiber die Psalmen IV. 2. S.275. Immers men herinnert tevens en te recht, dat de verloochening van de ürieheid der Personen in het Goddelijke Wezen tot Polytheïsme en bij meerder consequentie tot Pantheïsme leidt. J. J. Van Toorenenbergen, Bijdragen p. 49. Nitzsch, System. 5te Aufl. S. 182 : einenvoll-kommenen Schutz gegen Atheïsmus, Polytheïsmus, Pantheïsmus

426

-ocr page 453-

§ 4. DE DRIEËENHEID IN HET O. T.

In den aanhef der Heilige Schrift wordt van God in het algemeen gesproken. Gen. 1:1. In den beginne schiep God (Elohim) den hemel en de aarde. Maar v. 2 wordt al aanstonds de Geest genoemd : l)e aarde nu was woest en ledig en duisternis was op den afgrond en de Geest Gods zweefde op de ivateren. Daarna ving het Goddelijke Spreken aan, eene vooraanduiding van dat wezenlijke Woord door hetwelk alle dingen gemaakt zijn (Joh. 1 : 3). Door geheel het Oude Testament gaat de voorstelling van den verborgen God en Zijnen Hem evengelijken Openhaarder, die het meest de Engel des Heer en (Jehovahs) en ook zelf God en Heere (El, Elohim, Adonaï, Jehovah) genoemd wordt, één met Hem dien Hij openbaarde, en toch onderscheiden van Hem»). — Van den Geest gewaagt het Oude Testament gedurig. Heilige Geest heet Hij de eerste maal in den mond van David, toen deze zijn zondig bestaan zoo diep gevoelde Ps. 51: 13 : verwerp mij niet van uw aangezichte en neem uwen Heiligen Geest niet van mij.

De Priesters op aarde en de Serafijnen in den hemel hooren wij plechtig getuigen van dit heilgeheim.

De Priesters in hunne drievoudige zegening Num. 6 : 24 : De Heere (Jehovah) zegene u en behoede u. 25. De Heere (Jehovah) doe zijn aangezicht over u lichten en zij u genadig. 26. De Heere (Jehovah) ver heffe zijn aangezicht over

ader Dualismus kann es nur mit der Trinitatslehre geben. Israël had er dan ook wel wat van noodlg. Ook Van Oosterzee betuigt Dogm I. p. 394 : de zuivere belijdenis van dit hoogste der geopenbaarde mysteriën is het bolwerk van het christelijke Theïsme. Zie Hase, Hutt. red. § 70. 3te Aufl. S. 167.

\') J. J. Van Toorenenbergen, Bijdragen p. 42. Kurtz, Gesch. des A. B. I. p. 157. U. Witsius, Oecon. Feed. Dei p. 476.

427

-ocr page 454-

§ 4. DE DRIEËENHEID IN HET O. T.

428

u en geve u vrede. Is het niet merkwaardig ? Driemaal Jehovah genoemd, de tweede on derde maal met het woord aangezicht, hetwelk op openbaring heenwijst. En van den in de tweede plaats genoemden het licht en de genade, van den derden de gave des vredes afgeleid ! Is het niet eene aanduiding van de Drie-in-Eén ? Lierst de Heere als Opperzegenaar en Behoeder in het algemeen , dan de Heere in het licht der genade, daarna de Heere als Gever van vrede aan die in Zijn licht wandelen. Wie in Israël een oor had om te hooren , die kon het hooren. Deze zegening weerklinkt in den Apostolischen zegenwensch 2 Kor. 13: 13: de genade des Heer en Jezus Christus en de liefde Gods en de gemeenschap des Heiligen Geestes zij met u allen. Aan het eerste van haar beantwoordt hier de liefde Gods , aan het tweede: de genade des Heeren Jezus Christus y aan het derde : de gemeenschap des Heiligen Geestes.

De Serafim , de opperste troondienaren, roepen driemaal Heilig I Jez. 6 : 3. En de een riep tot den ander en zeide: Heilig, heilig, heilig is de Heere der heirscharen ! De garische aarde is van zijne heerlijkheid vol. Dit is wel geen overtuigend bewijsquot;) voor de Drieëenheid, maar de Heere

\') Ook J. Coccejus ad Jes. G: 3 laat het Tp/a-ay/oi/daarvoor liefst niet gelden , doch wijst het niet geheel af. Wij moesten dan aannemen ; zegt hij, dat door Heilig de Personen , door Heere de eenheid des Wezens wierd beteekend. Even zoo Cal-vims, volgens wien het echter toch geene inepta meditalio is. Sed sunt, herinnert Gocc., majora et efficaciora argumenta, qui-bus in certamine contra haereticos uti potius convenit. Vergel. Da Costa , De Apostel Johannes en zijne Schriften. II. p. 256 v. F. W, Krummucher, Scheinheiliger Rationalismus S. 150.

-ocr page 455-

§ 4. DE DRIEËENHEID IN HET O. T.

wordt hier toch genoemd driemaal Heilig, niet tweemaal, niet viermaal. Wie, dithoorende, zich vertegenwoordigt wat. elders de Heilige Schrift en bij name Jezaja zelf van God, van den Verlosser en van den Geest getuigt, denkt bij dit driemaal heilig aan drie Personen in het ééne Wezen.

Evenzoo is het met Ps. 33 : ö : Door het Woord des Uee-ren zijn de hemelen gemaakt en door den Geest (eigenlijk adem) zijns monds al hun heir (zon, maan en sterren Gen. 2: l). Hier zijn drie genoemd: het Woord, de Heereen de Geest. De dichter heeft Gen. 1 voor oogen, waar de schepping als het werk Gods en zijns Geestes en zijns Woords wordt voorgesteld. Het Woord Gods in den Psalm wijst dan meteen hooger op , naar het wezenlijke Woord, door hetwelk alle dingen gemaakt zyn (Joh. 1: 3) en de adem zijns monds is het beeld van den Geest Gods, die Gen. 1: 2 genoemd wordt. Dit is voor een ieder blijkbaar , die deze uitspraak in verband met heel de Schrift beschouwt. De Psalmist wil in dit vers niet zoo zeer Gods almacht schetsen, hoe Hij zonder krachtsinspanning , zonder arbeid, zonder hulpmiddel en werktuig , gelijk de onmachtige mensch bij al wat hij doet moet aanwenden , alleen door een woord , door den adem Zijns monds de hemelen en hun heir heeft geschapen \'); want dit wordt v. 9 ter meer gepaste plaats gezegd: maar hij wil toonen wien de eer en dienst op de gansche aarde

\') Zoo vat ook Hengstenberg het op, Comment, zu Ps. 33; 6. Het oogmerk en uitzicht des dichters wordt hierdoor te nauw beperkt. Desgelijks Calvinus, Comm. i, 1., die hier wel geen bewijs vindt van de Godheid des Geestes, maar tocii des Zoons; vere tarnen et certo hinc colligitur mundum per aeternum Dei sennonem, qui Filius est unigenitus, fabricatum esse.

429

-ocr page 456-

§ 4. DE DRIEËENHEID IN HET O. T.

toekomt, waar de naam van den waren God reeds lang vedruisterd was, namelijk dat de heerschappij des Vaders in den Zoon door den Heiligen Geest in de gansche wereld moest openbaar worden, met vernietiging van des Boozen rijk, dewijl de wereld van den Vader in den Zoon door den Heiligen Geest is gemaakt quot;).

Te recht heeft men ook den meervoudsvorm van den al-ouden Godsnaam Elohim die aanstonds Gen. 1 : 1. voorkomt, beteekenisvol geacht. Wel zal niemand daaruit alleen de Drieëenheid willen bewijzen5). Maar rfiï wordt

\') Aldus Joh Coccejus, Comment, in Ps. 33 : 6 p. 144. Met de Schriften, bijzonder ook Ps. 2, voor oogen kan hij hier niet anders dan bepaald de heilige Trias zien. Het Woord is de Zoon, die Persoon, die, gelijk als het woord van het verstand, zonder leiding van den Vader uitgaat en hel beeld des Vaders is en in wien God spreekt en zijne raadsbesluiten gevormd heeft en die voor ons tot God spreekt en ons God verklaart: de Zoon die genoemd en ten heil voorgesteld is als Sions koning in den tweeden Psalm. Dat de Geest zijns monds hetzelfde zou beteekenen als het Woord des Heeren (naar het gewone parallelisme) ontkent Coccejus beslist. Veelmeer maakt David toespeling op Gen. 1:2: de Geest Gods zweefde op de wateren. Jam Spiritus Dei est, quem spirat Deus, S\'ive igitur spectes subsistendi modum, nimirum processionem, sive effusionem h. e. communicationem virtutis, ali-quo modo similitudine hominis ex ore halantis utrumque adum-bratur, ubi tarnen caute attendas et esse Jiijpostaticum eum spiri-turn et procedento aut effusione non exire extra Deunt. Aan het slot van zijn leerzaam betoog geeft hij een wichtig notabene: Ilaec eo redeunt ut discamus aenigmata sacra collatis Scripturis intelligere cett.

2) Dat wilde ook Calvijn niet, gelijk wij Scholten, Leer der H. K. II, p. 237 toestemmen. Parum solida mihi videtur tan-tae rei probatio, zegt hij Comment, in Gen. 1 ; !• Naar hem geeft het meervoud te verstaan de menigvuldige krach-

430

-ocr page 457-

§ 4. DE DRISËENHEID IN HET O. T.

door het meervoud toch aangeduid, dat Gods eenheid geen eenzaamheid is lt;).

Desgelijks is het met Gen. 1 : 26 , waar God voorkomt als zich met zich zeiven beradende om het hoogste en heerlijkste aller aardsche wezens, den mensch, te scheppen. „En God zeide : laat ons menschen maken naar ons beeld, naar onze gelijkenis , en dat zij heerschappij hebben over de vis-schen der zee en over het gevogelte des hemels en over het vee en over de geheele aarde en over al het kruipend gedierte dat op de aarde kruipt.quot; Dit is niet slechts eene dichterlijke inkleeding. Immers het scheppingsverhaal is geene verdichting: Wet en Evangelie drukken het zegel op zijne waarheid en werkelijkheid. Ook is het niet naar den stijl der Groeten, der koningen en vorsten gesproken, die „Wijquot; zeggen in plaats van „Ik.quot; Want dit was in de oudste tijden

ten Gods waarmee Hij in het scheppen der wereld werkte. Maar, voegt Galvinus er bij , ofschoon de Schrift vele krachten Gods vermeldt, roept zij ons toch altijd tot den Vader en zijn Woord en den Geest terug.

\') Zie Derde Stuk § 10. p. 36. 2de druk p. 41. Tholuck, Kommentar zum Briefe an die Hebrüer (1830) S, 140 neemt aan dat de pluralis hel abstractum uitdrukt: Godheid. Ewald, Gramm. der Hebr. Sprache § 461 leidt den meerheid svorm af van dat de oudheid zich de Godheid in oneindige menigle en deelbaarheid en toch wederom samenhangende dacht. Bij dit woord Elohim staan de praedicatieve werkwoorden in het enkelvoud, waardoor alle polytheïsme uitgesloten wordt. Waarschijnlijk geeft de pluralis van dit woord, van den éénen God gebruikt, te kennen : dat Hij, de eenige en Waarachtige die de God Israels (Jehovah) is, de gansche volheid van al wat Goddelijk is in zich bevat; dienvolgens eene aanduiding „dat de eenheid Gods geen eenheid van armoede of leegte maar van rijkdom en volheid is.quot; Hengsten-

431

-ocr page 458-

§ 4. DE DR1EËENHE1D IN HET O. T.

niet eens gebruikelijk. Ook spreekt God daar de Engelen niet aan , gelijk Joodsche uitleggers stellen. Immers met de Engelen heeft Hij geen raad gehouden (Jez. 40 : 14) en Hy kon dezen, zeiven schepselen, tot eene gemeenschap des scheppens niet roepen. Ook zou dit niets beteekenen, daar Hij v. 27 het werk alleen uitvoert en bovendien den mensch niet mede naar der Engelen beeld schiep, maar naar het heeld Gods schiep Hij hem. Het wijst heen op een meervoud van Personen in God i). En welke ? Was niet Gen. 1: 2 uitdrukkelijk reeds de Geest Gods genoemd ? Dus God zeide het tot Zijnen Geest. Dit past ook bij Gen. 2 : 7. En in verhand hiermede beschouwd moeten wij dit ook erkennen in Gen 3 : 22 : Toen zeide de Heere God: zie, de mensch is

herg, Gonmit. über die Psalmen IV. 2. S. 276. Dus een intensieve pluralis, gelijk men hem genoemd heeft en alzoo toch een soort van majesteitspluralis. Dr. G. Fr. Theol. des

A. T. I. S. 134. Dit meervoud van den Eénen is altoos opmerkelijk en strookt eigenaardig met de later ontwikkelde leer van de Drieëenheid. Vergel. Dr. Th. Christlieh, Moderne Zweifel am christl. Glauben. 2te Aufl. 1870. S. 288 f.

\') Van Gerlach, A. T. en F. W. J. Schroder, Das erste Buch Mose. Berlin. 1844. S. 17. Joh. Coccejiis, Commentar. in Gen. p. 9 sqq., die ook hier wederom te recht op het verband der Schriften aandringt. Si velimus opCoTO/tdv tov xiyov tov Ösoü , debemus considerare, quomodo Deus de semetipso loqiiatur per totam Scripiuram et secundum analogiam et conformitatem per-petuam omnia sunt expLicanda.

Ook Calvinus erkende hier de aanduiding van een meervoud van Personen in God. Comment, in Gen. a, 1. ed. Hengstenb. p. 17 : Christiani apposite plures snbesse in deo personas ex hoe testimonio eontendunt. Neminem extraneum advocat Deus; hinc colligimus, intus eum aliquid distinctum invenire: ut certe aeter-

432

-ocr page 459-

§ 4. DE DRIEËENHEID IN HET O. T.

geworden als onzer één, kennende het goed en het kwaad, i).

Bij het onafwijsbare vereischte, om Schrift uit Schrift te verklaren, blijft de regel tevens te behartigen die tot onze Kerkleer behoort, uitgedrukt in de Nederl. Belijd, des Geloof s Art. IX : De getuigenissen der Heilige Schrifture, die ons leeren deze heilige Drievuldigheid (trinitas) te gelooven, zijn in vele plaatsen des Ouden Testaments beschreven :

na ejus sapientia et virtus in ipso resident. Bij dit laatste dient vergeleken Instit. I. 13. 18: Filio sapientia, Spiritui virtus as-signatur. Nog nader Instit. I. 13. 24 ed. Tholuck p. 106. Bij de revue van Prof. Scholten, Leer der H. K. II. p. 237 wordt Calvijn op Gen. 1 : 26 wijselijk niet geciteerd. Luther op Gen. 1 : 26: Darum zeigt uns Mozes klarlich und gewaltig an, dasz in dem einigen göttlichen Wesen, welches Alles geschaffen hat, gleichwol sei eine unzertrennliche und ewige Pluralitas , welches uns auch die Pforten der Holle nicht nehmen sollen. — God zeide is TwyKarxIdxrtucig (Coccejus), menschelijker wijze gesproken (Kanteek.) Trahs sunt haec verba in oculis ehraeorum. H. Witsius, Judaeus christianizans p, 92.

\') Onze Kantteekenaars die Gen. 1 : 26 wel de aanwijzing der Goddelijke Drieëenheid erkennen , maken hiervan bij Gen. 3 : 22 geene melding. Calvinus in zijn Comment, komt er bij de laatste plaats bepaald tegen op en houdt deze voor ongelijk aan de eerstgenoemde. Waarover Joh. Coccejus, Comment, in Gen. § 190 hem bestraft. Een Theoloog uit Bengels school , M. F. Roos, Einleit. in die bibl. Geschichten I. S. 184 zegt: Hat Adam, wie es sehr glauhlich ist, die Worte gehort: siehe Adam ist worden als unser einer , so ist ihm dadurch lelar genug hedeutet worden, dasz in der Gottheit bei der Einheit auch etwas sei, trovon man in der mehrern Zahl reden kunne. Hier tvurde er also in die Erkenntnisz der heiligen Dreieinigkeit ein-geleitet, welche hernach hei denen, so die gute Heilage der Wahr-heit bewahrten, fortgepflanzt wurde.

Graveiuejjci\' i Geref. Gol. loor. 28

433

-ocr page 460-

§ 4, de drieeenheid in het o. t.

welk niet noodig is te tellen, maar alleen met onderscheid of oordeel uit te kiezen i). Immers „de erkentenis van de Drieëenheid hangt niet af van deze of die Bijbelplaats. Wij vinden God als Vader en Zoon en Heilige Geest in de Heilige Schrift, gelijk wij aan de voetstappen, die ons naderen, de aanwezigheid van een of meer personen vernemen; gelijk de kleuren in den regenboog zich aan ons oog voordoen: met andere woorden, de sporen van de Godheid des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes vinden wij telkens op het gebied der Openbaring wederquot; ï).

§ 5. De Drieëenheid in het O. T. (Vervolg.)

In het Oude Testament worden de drie Personen het kennelijkst aangeduid in al die plaatsen , waar de verlossing het duidelijkst wordt beloofd. Dus Jez. 48 : 1G , waar de knecht Gods , de Messias spreekt tot het verdrukte volk, dat Hy wil vrijmaken : Nadert gijlieden tot mij , hoort dit: ik heb van den beginne niet in het verborgene gesproken , maar van dien tijd af dat het geschied is, ben ik daar en nu de Heere Heere en zijn Geest heeft mij gezonden. Dit spreekt niet de Profeet Jezaja van zich zeiven, maar het is de groote Toekomstige , die hier sprekende wordt ingevoerd, de ware knecht Gods, de Verlosser, zelf God en van God gezonden ; die, toen Hij gekomen was, ook verklaarde Joh, 18; 20; in het verborgene heb ik niets gesproken. Het is dezelfde die hier bij Jezaja v. 12 en 13 zich kenteekent als den waar-

1) Quae non tam numeranda quam seligenda discernendaque sunt.

\') J. J. Van Toorenenhergen, De Ghristl. Geloofsleer p. 60.

434

-ocr page 461-

§ 5. de dfieëenheid in het o. t.

achtigen God, dio de eerste is en ook de laatste, de Schepper aller dingen gt;). De beide beloften : God kowt en de Verlosser komt loopen in de profetie nevens elkander, zoo na, dat zij gedurig elkander raken en samenvloeien : God zelf komt in den toekomstige dien Hij zendt. De geheel ontsluierde waarheid : het Woord dat hij God was en God was, is vleesch geworden en God is geopenbaard in het vleesch, bleef voor het Nieuwe Testament gespaard. Doch in deze plaats bij Jezaja : de Heere Heere en zijn Geest heeft mij gezonden, worden ontegensprekelijk drie Personen onder-

435

-ocr page 462-

§ 5. de drieeenheid in het o. t.

scheiden : de Heere Heere (Adonaï Jehovah) en zijn Geest\') en Hij die dit spreekt. Deze samenvoeging en onderscheiding tevens van den zendende en den gezondene en den de zending bemiddelenden Geest is dan eene aanduiding van de Drieëenheid overeenkomstig den aard en het licht des Ouden Testaments. Opmerkelijk is het, dat ook de Geest gezegd wordt den grooten gezant (den Orator tri-nitatis, den woordvoerder der Drieëenheid) te zenden, waaruit openbaar blijkt zoowel de Goddelijke persoonlijkheid des Geestes als de geestelijkheid des Verlossers, die, hoogverheven boven zyn voorbeeld Kores, gezonden wordt om van zonde, dood en verderf te verlossen en in de kracht des Geestes geestelijk leven aan te brengen.

Onmiskenbaar voor wie niet stijfzinnig de oogen sluit wordt de Drieëenheid ook aangeduid Jez. 61 : 1 : De Geest des Heeren Heeren (Adonaï Jehovah) is op mij omdat1)

4 v.v. op den sprekenden Profeet betrekken kan, inzoover deze uit eigen levenservaring het beeld des knechts zou voorstellen. Aher durcham unrichtig ist es, unter dem Knechte geradezu den Pfophetenstcmd zu vevstehen, Wie sollte diesev deu Hei uf emp* fang en hahen, dem iviedergehr achten Volke die verwüsteten Erh-theile auszutheilen u. s. w. ?

\') C. Vitringa, J. Coccejus volgende, neemt mill als object:

Dominus Jehovah misit me et spiritum suum. Maar 1. dan zou men verwachten •jnlTTlKquot;! en 2. de eenheid van den hier zoo

uitstekend optredenden sprekenden Persoon zou er door verdonkerd en verbroken worden, wanneer met en nevens Hem ook de Geest gezegd wierd gezonden te zijn.

2) lt;i is wijl, omdat. Etv aid, Grammat, der Hebr. Spr.

§ 599. LXX oy s\'ivsxcv. Ook Luc. 4; 18 heeft ou eïvetceu, het-

436

-ocr page 463-

§ 5. DE DRIEEENIIEID IN HET O. T.

de Heere (Jehovah) mij gezalfd heeft, om een blijde boodschap te brengen den zachtmoedigen ; Hij heeft mij gezonden om te verbinden de gebrokenen van harte, om den gevangenen vrijheid uit te roepen en den gebondenen opening der gevangenis. Nieuwere uitleggers nemen ook hier aan dat de Proleet van zich zeiven spreekt. Maar het is de Messias, Christus, die hier sprekende wordt ingevoerd. Want ten eerste voegen de woorden zelve alleen voor dezen en niet voor een mensch. Immers Hij, die hier optreedt, verkondigt aan de ware gemeente des Heeren onder de Israëlieten, dat de Heere hem gelast en gemachtigd heeft, haar de verlossing uit hare ellenden, gerechtigheid en blijdschap niet slechts aan te kondigen , maar ook mede te deelen. Ten andere blijkt het uit hetgeen elders bij den Profeet soortgelijks bepaald van don Messias gezegd wordt, b. v. Jez. 42 : t v.v. Ten derde wordt alle tegenspraak weggenomen door Jezus\' eigene verklaring in de synagoge te Nazaret Luc, 4:21 : heden is deze Schrift in uwe ooren vervuld. Er worden hier, evenals Jez, 48: 16, drie Goddelijke Personen onderscheiden : de Heere (Jehovah), zijn Geest en de Gezalfde en Gezondene, die de volheid des Geestes in zich draagt en

welk onze Staten-vertalers met cZaaryw hebben overgezet: daar-om heeft Hij mij gezalfd. Maar ou sïvsxev beteekent^ro/^erea quod, dewijl gelijk ook Meijer a. 1. erkent. Uit ov svskx is ouveux ontstaan, hetwelk ook wijl beteekent en aan hetwelk als demonstrativum beantwoord tovvsxx deswege. Aug. Matthiae, Ausführl. gr. gramm. 2te Aufl. S. 1137. Dr. ÜW.-öo\'/iZ, Die Alt-testam. Gltate im N. T. Wien 1878 S. 93 houdt aan de betee-kenis daarom of derhalve hij Lucas vast en neemt ou sivsKev gelijk svsksv toÓtoj. Volgens Bühl zou Jezus den ,Volksbijbel in Palestijnsehen landstaalquot; gelezen hebben, eene Overzetting die zich nauw aan de LXX aansloot.

437

-ocr page 464-

§ 5. DE DRIEEENIIEID IN HET O. T,

daardoor in staat is het Evangelie in volle kracht te brengen en de wonden van ons hart ook werkelijk te verbinden

en te heelen\').

Tegen degenen die staande houden, dat men onder het Oude Testament nog niets van de Drieëenheid Gods geweten heeft, dient bijzonder nog ééne merkwaardige Schriftuurplaats. Het is Jez. 63 : 9 : In al hunne benauwdheid was Hij benauwd en de Engel zijns aangezichts heeft hen behouden: door zijne liefde en door zijne genade heeft Hy hen verlost en Hij nam hen op en Hij droeg hen al de dagen vanouds. 10. Maar zij zijn weerspannig geworden en zij hebben zijnen Heiligen Geest smarten aangedaan : daarom is Hij hun in eenen vijand verkeerd. Hij zelf heeft tegen hen gestreden. Daar wordt vooraf (v. 7) de Ueere (Jehovah) genoemd en dan de Engel zijns aangezichts en zijn Heilige Geest. Kan het duidelijker ?

438

De Profeet verplaatst zich met zijne gedachten in den tijd, in welken Israels volk, wegens zijne zonden door den Heere verstooten, in de Babylonische ballingschap zuchtte. Weemoedig herinnert hij zich de groote weldaden en liefdeblijken, die de Heere vroeger door den Engel zijns aangezichts en door zijnen Heiligen Geest, dien Hij in hun midden stelde, had bewezen en hij bekent dat het volk door eigen

\') Stier, Jesaias, niclit Pseudo-Jesaias S. 713. 715. Hengsten-herg, Ghristol. des A. T. I. 2. S. 227 f. Böhl a. VV. S. 95: Nuchdem dev Htrv Jesus diese Worte voi\'lesen , setzte cv sich nach der jildischen Gewohnheit , uih liher die Stelle zu lehreu. Das Thema seiner Rede ist der Nachweis, dass heute diese Schrift vor ihreii Ohren erfiillt ist, in dem sie die Stinune Hessen vsr-nehmen, von welchem Jesaia dort geweissagt hat. Gewiss eine direct messianische Fassnng der l\'rophetenworte Jesaia\'s!

-ocr page 465-

§ 5. DE DRIEEENHEID IN HET O. T.

schuld, door moedwilligen afval de groote voorrechten had verbeurd.

De Engel zijns aangezichts i) is, gelijk onze Kantteelce-naars te recht verklaren, Christus. Doch de uitdrukking zegt niet alleen, zooals de Kantteekenaars stellen : de Engel die voor Gods aangezicht is , die voor \'s volks zaligheid zorg draagt; ook niet: As YungeXAia Gods aangezicht ziet: maar de Engel die Gods aangezichts is, waarmee God in de schepping ziet, zich openbaart en waarin Hij gezien, gekend wordt, zich vertoont en met zijne schepselen handelt. Wanneer de onzichtbare God , dien geen mensch gezien heeft noch zien kan, door iets wat gehoord en gezien werd, aan menschen zijne kracht en tegenwoordigheid te kennen gaf, zoo geschiedde dit van den beginne af door zijnen Openbaardrr , den Middelaar, die, één met Hem in Wezen en toch een ander Persoon, in de volheid des tijds mensch is geworden, het aangezicht des onzienlijken Gods.

Bij den Engel of Gezant zijns aangezichts wordt zijn Heilige Geest, eigenlijk de Geest zijner heiligheid gevoegd, die hier duidelijk als Persoon gekenmerkt wordt. Want van Hem wordt gezegd dat het volk door weerspannigheid Hem smarten heeft aangedaan, gelijk Efez. 4 : 30 het nieuwe

Gesenius vertaalt; een Engel. — Maar er is

in geheel liel O. T. niet meer dan één Engel des Heeren, geene nlIT Over den Engel des Heeren blijft altijd hoogst be

langrijk de verhandeling van Hengstenberg , Christel, des A. T. 1. S. 219 ff., waar o. a. wederlegd wordt 1. dat de Engel Je-hovahs een geschapen Engel, 2. dat hij slechts een natuurverschijnsel , een zichtbaar teeken van Gods tegenwoordigheid en 3. dat hel de Heere zelf en niet een van Hem onderscheiden Persoon zou zijn. Vergel. O elder, Theol. des A. T. 1. S. 193 f.

439

-ocr page 466-

§ 6. DE DRIEEENHEID IN HET N. T.

Israël voor het bedroeven van den Heiligen Geest Gods wordt gewaarschuwd.

§6. De Drieëenheid in het Nieuwe Testament.

Het klaarst is de Heilige Drieëenheid geopenbaard in het Nieuwe Testament. Inzonderheid bij den doop van Jezus in de Jordaan Matth. 3 : 16: ,En Jezus, gedoopt zijnde, is terstond opgeklommen uit het water en zie, de hemelen werden Hem geopend en Hij gt;) zag den Geest Gods nederdalen gelijk eene duit en op Hem komen. 17. En zie, eene stem uit de hemelen zeggende : deze is mijn „Zoon, mijn Geliefde, in denwelken ik mijn welbehagen heb.quot; , Hier is een klaar getuigenis van de drie onderscheidene personen in het eeni-ge Goddelijke Wezen : de Vader, die spreekt uit den hemel, de Zoon van wien») Hij spreekt en de Heilige Geest

\') Namelijk Johannes de Dooper. Velen nemen Jezus als subject. Ook Meijer a. 1. wegens Mare. 1:10. Van zelf zag ook Jezus het. Doch 1. daar ook de stem hier bij Matth. vermeld wordt zooals de Doojier die hoorde en 2. wegens des Doopers eigen getuigenis Joh. 1 :32 moeten wij hier aan den Dooper denken met Calvijn en de Kantte ekenaars. M. F. Hoos, Die Lehre und Lebensgesch. J. G. Tiibingen 1848. II. S. 54: Johannes sah den H. Geist als eine Taube auf Jesum herahfahren und iiher Ihm bleiben. Das gesieht wahrte also eine Zeit lang. dasz Johannes aueh das Bleiben bemerken konnte. Er sah aher auch den Geist nicht tvegweiehen als das Gesieht auf harte und darans schlosz er dasz Jesus immer voll Geistes sein toerde.

2) Naar Matth, was de slem : deze is —. Naar Mare. 1:11 en Luc. 3:22 gij zijt —. Marcus en Lucas geven de stem weer

440

-ocr page 467-

§ 6. DE DRIEEENHEID IN HET N. T.

die nederdaald.quot; (Kantteek.) Dat was een luisterrijke, majestueuze openbaring van God; met een een heugelijk voorteeken van al dat groote en buitengewone, dat men van toen af in Immanuëls land zou hoeren en aanschouwen. Op het onbetwistbaarst komt hier in den morgenstond van den nieuwen dag de Goddelijke Drieëenheid uit. Iriimers Hij, die daar de stem uit den hemel doet hooren en dezen gedoopte voor Zijnen geliefden Zoon verklaart, betuigt daardoor zijn Vader te zijn, Hem plechtig bevestigende en inwijdende tot dat groote werk, waartoe Hij hem in de wereld heeft gezonden. De gedoopte is de Zoon die het werk aanvaardt, om alle gerechtigheid te vervullen (Matth. 3: 15), En Hij die onder het neerzweven van de lichamelijke gestalte eener duif, als teeken van louterheid en liefde, op den Zoon afdaalt •), is de Geest (Marc. 1 : 10), de Geest Gods (Matth. 3: 16), de Heilige Geest (Luc. 3: 22), in Wiens kracht Hij van nu aan leeren, wonderen doen en zich zeiven Gode onbestraffelijk opofleren zou. Dus betoont zich daar aanstonds bij den aanvang der Evangelische huishouding de bijzondere tegenwoordigheid, overeenstemming en samenwerking van den Vader enden Zoon en den Heiligen Geest.

zooals zij werkelijk had geluid, gesproken tot Jezus ten aanlioo-ren van den Dooper. Mattheüs geeft ze naar den zin en naar het geen zij voor den Dooper was en aan dezen van Jezus betuigde.

\') M. F, Hoos, 1. c. Der Herr Jesus fiihlle es ohne Zweifel auf die allerdeutlichste und wonnesamste Weise in seiner mensch-lichen Natur als der H. G. über Ihn kam. Er filhlte, wie seme Seelenkrdfte von diesem göttlichen Geist durchdrungen, erleuehtet und gesidrkt wurden. Er empfing den II. O, ohne Mass, dam it Er auch Andere mit demselben t auf en könnte.

441

-ocr page 468-

§ 6. DE DRIEËENIIEID IN HET N. T.

En houden wij hierbij in het oog wat boven\') van Gods zelfbewustheid en liefde werd herinnerd, zoo mogen wij zeggen : in den nederdalenden Geest, gevolgd en verklaard door de hemelstem, openbaarde zich en drukte zich ten sterkste uit Gods heivustheid van zich zeiven (als Vader) in Jezus („deze is mijn Zoon!quot;) en daarmede de Zee/rfe Gocüs tot Jezus (des Vaders tot den Zoon: „mjjn Geliefde in wien Ik mijn welbehagen heb !quot;) en werd opgewekt tot volle kracht en levendigheid Jezus bewustheid van God in Hem, den in de menschheid staanden Zoon, en de liefde van Jezus tot God (van den Zoon tot den Vader). Was het niet in de kracht van die bewustheid en van deze liefde dat Jezus van nu aan alle gerechtigheid ging vervullen , Hij rechtvaardig voor onrechtvaardigen, opdat Hij ons lot God zou brengen1?)

\') § 3 bl. 11 v.v.

1!) Dr. B. Weisz, Lehrbuch der Biljl. Theol. des N. T. 2te Aufl. S. 58 ziet op zijn Sociniaanscli in den naam Zoon Gods slechts den idealen llieocralischen Koning, den Messias, in liet O. T. voorzegd en als Zoon Gods gevierd, in de hemelstem bij doop en verheerlijking de Goddelijke getuigenis van Jezus als den Messias met de verklaring van den naam Zoon Gods als voorwerp der Goddelijke liefde , op wien het welbehagen Gods rust. Weisz wil bij dien naam de bedoeling van wezensgelijkheid met den Vader zoolang mogelijk verre houden en acht die voor lediglich dogmatisirende Eintragung S. 57. Maar laat men de wezensgelijkheid (wezenseenheid) weg, dan zweeft „het eminente voorwerp van Gods liefdequot; in de lucht. Men denkt er to mm bij, wanneer men niet als grondslag erkent „eeneaan gind-sche zijde van Jezus menschheid liggende Zoonsbetrekking tot God, die zijn Messianiteit eerst mogelijk maakt.quot; H. Cremer, Bibl. Theol. Wörterb. S. 5ü5. i\'.

442

-ocr page 469-

§ 7. \' DE DRIEEENHEID IN HET N. T.

443

§ 7. De Drieöenheid ia het N. T. (Vervolg.)

De Zoon Gods heeft zelf getuigd van de Drie die Eén zijn Immers men komt noodzakelijk tot deze waarheid en vindt ze nader verklaard en bevestigd, wanneer men samenvat al wat Hij gesproken heeft van den Vader en van zich zeiven als den Zoon en van don Heiligen Geest, waarop Hij eindelijk het zegel drukte door de verordening van den doop in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes , Matth. 28 : 19.

Een geestrijk uitlegger teckent hierbij aan : „Opmerkelijk is hier dat de Verlosser als het voorwerp , aan hetwelk de doopeling wordt gewijd , niet eenvoudiglijk God noemt, maar den Vader en den Zoon en den Heiligen Geest, Dit is de eenige plaats in de Evangeliën, wanr de Heer zelf de drie Personen bij elkander noemt. Afzonderlijk spreekt de Verlosser wel in vele plaatsen zoowel van den Zoon als van den Heiligen Geest als Goddelijke persoonlijkheden, maar hier verschijnen zij ook bij elkander en worden zij gemeenschappelijk het verheven voorwerp genoemd aan hetwelk de doopeling wordt ovorgegevenquot;i). Dezeplaatsbewijstl.dat

\') Olshausen, Comment. II. 3te Aud. § 586. Hii voegt er bij ; die Element e der Lehre der Trias sind dak er in Christi eignen Worten gegeben, ah er das Dogma tritthier ganz uneni-wichelt auf, die Entfaltung des Mijsteriums ist der wissenschaft-lichen Thatigkeit der Kirche überlassen. Die fixirle Kirch en-lehre ist im Wesenlichen auch die biblisehe. Prol. Scholten, Leer der H. K. 11. p. 237 v. doet Calvijn bepaald te kort, wanneer hij beweert, dat deze in het doopsbevel alleen eene openbarings-triniteit vindt. Immers Calvijn zegt in zijn Comment, in Matth. 28: 19 uitdrukkelijk, wal Scholten voorbijgaat, ook dit: dus

-ocr page 470-

444 § 7. DE DR1EËENHEID IN HET N. T.

ook de H. Geest een Persoon is. Want a. Hij staat als een derde bij iwee die Personen zijn. quot;b. Er zal gedoopt worden in Zijnen Naam even als in den Naam des Vaders en des Zoons. Waar is in de Heilige Schrift een voorbeeld vandateene handeling gedaan wordt in den naam van iets wat geen persoon is ? Allerminst kan dit de Doop, die eene toewijding en gehecle overgeving is aan Hem, in wiens naamsgemeen-schap de doopeling wordt ingebracht. Zoo gewis als de Vader en de Zoon Personen zijn, is het dan ook de Heilige Geest. 2. Dat de Zoon en de Heilige Geest met

den Vader zijn. Want hun wordt hier éénzelfde rang, eer en waardigheid gegeven. Wat men er ook tegen inbrenge en hoe men het poge te ontkrachten, de Drie staan daar onderscheiden en gelijkgesteld\')!

zien wij dat God niet recht erkend wordt, wanneer niet ons geloof onderscheidenlijk drie Personen in één Wezen zich voorstelt, nisi distincte üdes nostra tres in una essentia personas concipiat. — Eene oeconomische Triniteit zonder de metaphische is onzin.

1) Welk een groot getuigenis van de heilige Drieënheid ! De Vader die de alleen ware God is, en de Zoon en de Hei- , lige Geest hebben éénen naam en op (in) den naam dezer Drie zal men, zonder dat er een onderscheid werd gemaakt, gedoopt worden, dat men namelijk dezen naam wil belijden, eeren, aanbidden en verheerlijken. — Nu is de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes de sterke toren, gelijk Salomo spreekt, en de grond des vertrouwens enhet doel der aanbidding voor alle gedoopte Christenen en wanneer zij de heilige Drieëen-heid loochenen, herroepen zij hunnen doop. M. F. Hoos, Lehre und Lebensgesch. J. G. 11. S. 207. Hier hebben wij den oor-ilt;2)ronkelijken, eenvoudigsten, door de hoogste autoriteit gegeven grondslag van de geloofsbelgdenis der gemeente ! hier het punt.

-ocr page 471-

§ 8. DE DRIEËENIIEID IN HET N. T.

§ 8. De Drieëenheid in het N. T. (Vervolg.)

Na Christus hemelvaart verspreidt zich over deze verborgenheid ai meer licht: de verhouding der Drie Goddelijke Personen tot elkander en tot de geloovigen komt al duidelijker uit. Overal in hunne zendbrieven voegen de Apostelen de heilige Drie samen , hetzij uitdrukkelijk of aanduidender wijze. Zij leiden alle heil, alles wat de zaligmaking van zondaren betreft , van deze Drie af die Eén zijn , van den Vader en den Zoon en den Heiligen Geest i).

Bij voorbeeld Efez. 1. Daar betuigt Paulus a. vs. 4—6: de Vader heeft ons in zijne eeuwige liefde uitverkoren tot heiligheid, verordineerd ter aanneming tot kinderen, begenadigd in den Geliefde, b. v. 7—12: in den Zoo» hebben wij de verlossing, met de overvloedige mededeeling der kennis van den wil Gods en de bijeen vergadering van allen die tot Gods erfdeel verordineerd zijn. c. vs. 13 : door den Heiligen Geest de verzegeling.

1 Kor. 12:4: En daar is verscheidenheid der gaven, doch het is dezelfde Geest, die al deze gaven werkt en uitdeelt. 5. En daar is verscheidenheid der bedieningen en het is de-

vanwaar iedere geloofsleer uitgaan of waarin zij eindigen moet. Stier, Roden Jesu VI S. 897.

Men kan met recht zeggen dat de oude Symbolen des christelijk en geloofs eene omschrijving of uitbreiding van de doopsfor-mule zijn. — Wijl de belijdenis der Heilige Drieënheid zoo nauw is verbonden met den doop, daarom is het geen wonder dat zij in de Schrift des N. T. niet \'vaak zoo uitdrukkelijk voorkomt. Bengel, Gnomon in Matth. 28 : 19.

\') Slier, Auslegung des Briefes an die Eplieser I. S. 59. GO.

445

-ocr page 472-

§ 8. DE DRIEËENHEID IN HET N. T.

zelfde Heere, namelijk Jezus Christus, clie ze heeft ingesteld, en die den eenen roept tot dezen en den anderen tot een anderen dienst. 6. FJn daar is verscheidenheid der werkingen, doch het is dezelfde God, die alles in allen werkt, namelijk do Vader door zijnen Zoon en den Heiligen Geest i)-

Do Drieëenhoids-botrekking spreekt zich ook in de gaven uit en dus zijn er als het ware gaven des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestos, of nader gaven, ambten en krachten, Gaven dos Geestos, ambten van Christus, alle kracht in gave en ambt van God den Vader; van wien de eeuwige Zoon en uit wien de H. Geest is, in wien beiden één zyn.

2 Kor. 13: 13 sluit Paulus zijnen brief met de plechtige woorden : De genade des Heeren Jezus Christus en de liefde Gods en de gemeenschap des Heiligen Geestes zij met u allen. Een klaar getuigenis van de Heilige Drioëenheid ! De volle zogenwensch van den Drieëenigen God. Alle zegen voor den mensch, die niets dan vloek verdiend hooft, vloeit uit de Middelaarsgenade des Heeren Jezus Christus. Daarom staat deze hier vooraan. Door deze komt men tot de konnis en genieting van de liefde des Vaders, die den Zoon heeft ge-

\') Dus onze die hier beter koers houden dan

Calvijn. Deze vindt het al te gedwongen door den Heere Christus te verstaan en acht deze plaats een zwak bewijs voor de triniteit der Personen tegen de Arianen. Maar Christus den Heere (der Kerk, Koning in het Godsrijk) te noemen is bijzonder den Apostel Paulus eigen. Cremer, Bibl.-theol. Wörterb. S. 385. Zoo zelfs pas vooraf v. 3 : niemand kan zeggen Jezus den Heere te zijn dun door den Heiligen Geest. Ook Meyer a. 1. verstaat er Christus door en erkent hier de Goddelijke Trias, en stemt toe, dat men met recht van ouds af dezen tekst tegen de antitrinitarische dwaling heeft gesteld.

446

-ocr page 473-

§ 8, DE DR1EËENHE1D IN HET N. T. 447

geven en in Hem vrijmoedigen toegang tol zich verleent. En beiden openbaren zich en komen en werken in den Heiligen Geest, die in de geloovigen woont en door wiens inwoning en bezit zij allen tot tempelen Gods worden geheiligd en ook onderling verbonden.

Ook Petrus getuigt aanstonds in zijnen groet aan do gemeenten van do Drie die Eén zijn, en van hunne heilsbe-deeling 1 Petr. 1 : 2 Den uitverkorenen naar de voorkennisse Gods des Vaders, in de heiligmaking des Geestes, tot gehoorzaamheid en besprenging des bloeds van Jezus Christus: genade en vrede zij u vermenigvuldigd. De Vader is door zijne vrije liefde en eeuwige verkiezing do bron van alle heil; de Zoon door zijne offerande de bewerker der rei-nigmaking van de zonden; de Heilige Geest de overbrenger, toepasser en mededeeler hiervan en de voortbrenger van het nieuwe leven in heiligheid voor God.

De Apostel Johannes geeft desgelijks getuigenis van de Drieëenheid Op, 1 : 4, 5, waar hij aan de zeven gemeenten in Azië genade en vrede wensohivan Hem die is en die was en die komen zal, dat is Jehovah God, en van de zeven Geesten die voor Zijnen troon zijn, dat is de Heilige Geest en wel in zijne werking naar buiten, in de volheid zijner krachten, tegenover de vijandelijke machten, die aan de Kerk verderf dreigen, ook met betrekking tot het zevental der gemeenten, ter verzekering dat er voor haar allen kracht bij Hem was\'). En van Jezus Christus, die de getrouwe getuige is, de eerstgeborene uit de dooden en de Overste der koningen der aarde. Men moet hier niet voorbijzien, dat de Geest zoowel als God de Vader en Christus, als bron van genade

\') Hengstenberg, Die Offenbarung des h. Joh. I. S. 89.

-ocr page 474-

448 § 8. DE DRIEEENHEID IN HET N. T.

en vrede wordt erkend. En hoe zou Johannes mede van de zeven Geesten en van Christus (met nadruk is het driemaal van) genade en vrede voor de gemeenten afsmeeken, wanneer hem Christus niet God en de zeven Geesten Engelen, geschapene geesten waren ? Ook dient men te letten op de orde in welke hier do Personen gesteld worden, afwijkend, even als ook 2 Kor. 13 : 13 en 1 Petr. 1 : 2, van de Matth. 28: 19 gegevene. Deze verandering in de volgorde veronderstelt de wezenseenheid der Personen. De Personen konden niet zoo van plaats verwisselen en de tweede vóór den eersten (2 Kor. 13: 13) en de derde vóór den tweeden (1 Petr. 1 : 2 en hier in de Openb.) geplaatst worden , ware de tweede minder dan de eerste en de derde minder dan de tweede.

§ 9. De Drieëenheid in het N. T, (Vervolg.)

Wij behoeven niet al de teksten te noemen en na te gaan waar de trinitarische betrekking, de drieheid in God en in zijne heilsbedeeling meer kenbaar aan den dag komt. Slechts vermelden wij nog eene opmerkelijke, doch zeer betwiste plaats 1 Joh. 5:7: Want drie zijn er, die getuigen, in den hemel, de Vader, het Woord en de Heilige Geest en deze drie zijn één; Zij zijn in den hemel, vandaar getuigen zij op aarde, bevestigen dat Jezus is de Zoon Gods, de Christus, de Messias. De Vader getuigde van Christus ook door stemmen uit den hemel (Matth. 3 : 17. 17 : 5. Joh. 12 . 28).

De Zoon, het zelfstandige Woord getuigt zelf van zich (Joh. 8; 18) en aangaande den Heiligen Geest zeide Hij : die zal van mij getuigen (Joh. 14 : 26). En deze Drie zyn één Wezen,

-ocr page 475-

§ 9. DE DRIEEENHEID IN HET N. T.

één God en daarom is ook hun getuigenis één, is Goddelijk (1 Joh. 5: 9) zoodat er niet aan getwijfeld mag worden.

De woorden v. 7 : in den hemel, de Vader, het Woord en de Heilige Geest en deze drie zijn één. v. 8; En drie zijn er die getuigen op de aarde worden in meest al de oude (tot nu toe bekende) Grieksche handschriften niet gelezen. Siechts in drie, en wel zulke, die men oordeelt eerst uit do zestiende eeuw te zijn. Luther heeft ze zelf in zijne Overzettingen niet opgenomen; doch wel in zijne tweede uitlegging van dezen brief van Johannes, waarbij hij de latere Bijbeluitgaaf van Erasmus volgde i). Cahijn verklaart ze niet voor onecht maar is geneigd ze aan te nemen „omdat zij, zegt hij, zeer goed in het verband passen en betrouwbare handschriften (zoo ver hij die kende) ze hebbenquot; 1).

Hierbij is nog op te merken 1. De Latijnsche Overzetting, de Vulgata, heeft deze woorden. Doch eerst sedert de achtste eeuw. Het oudste handschrift van de Vulgata (de codex amiatinus, uit het midden der 6de eeuw) heeft ze niet.

Grieksche Kerkvaders halen ze niet aan, hoezeer dit anders bij de Ariaansche twisten ter hand lag. Maar een belangrijk tegenwicht wordt in de schaal gelegd door Latijnsche Kerkvaders. Al kan men ook niet bewijzen, dat Tertullianus (st. 220 n. C.) er bepaald op toespeelt s), niet te loochenen valt dit van Cyprianus (st. 258). De Unitate Ecclesiae c.

449

1

) Calvin. Comment. I. Ep. Joh. 5 : Sed quum ne Graeci quidem codices inter se consentiant, vix quicquam asserere au-deo Quia tarnen optime fluit conlextus, si hoe membrum ad-dalur et video in optimis ac probatissimce fidei codicibus haberi, ego quoque libenter amplector.

Tertullian. c. Prax. 25 .• oeterum de mee sumet, inquit Gravemoijer, Gerof. Gol. leer. 29

-ocr page 476-

§ 9. de drieëenheid in het n. t.

5 : de Heere zegt: ik en de Vader zijn één en wederom is van den Vader en den Zoon en den Heiligen Geest geschreven : en üe drie zijn één i). Willekeurig is het wanneer men ^ hier tegen werpt, dat deze laatste woorden van Gyprianus niet zijn eene aanhaling uit Johannes Brief, maar zijne eigene woorden, terwijl hij hier de woorden van Johannes : de Geest, het water en het bloed symbolisch zou verklaren van de Drieëenheid. Als eene eigenlijke , uitdrukkelijke aanhaling komen de aangevochten woorden voor bij Vigilius , bisschop van Tapsus in Afrika 484 n. G. Dit wordt ook door de bestrijders toegestemd. En in datzelfde jaar werd den Ariaansch gezinden Van-dalen-koning Hunnericus eene door meer dan 300 recht-geloovige Bisschoppen en onder dezen ook door Vigilius geteekende geloofsbelijdenis overgegeven, waarin men zich onder anderen ook op deze bestreden woorden van Johannes beriep , zonder daarover een verwijt van de Ari-anen te beloopen a). 3. De inlassching dezer woorden in een erkend Apostolisch Schrift door later hand is onbegrijpelijker en bevreemdender dan het weglaten door de afschrijvers. Galvijn ») vermeldt als het gevoelen van Hieronymus, dat de weglating meer door boos opzet

sicut ipse de Patris. Ita connexus Palris in Filio et Filii in Paracleto tres efficit cohaerentes alterum ex altero : qui tres unum sunt, non unus.

\') Dicit dominus: Ego et Pater unum sumus, et iterum de Patre et Filio et Spiiitu Sancto sciiptum est: Et tres unum sunt

\') Ook Tischendorf, Novum Test. graece. Ed. septima critica minor II. p. 159 en Huther S. 221.

3) Wolf) Gurae V. p. 205. Richter, Hausbibel VI. S. 910.

4) Comment i. 1.

450

-ocr page 477-

§ 9. DE DRIEËENHEID IN HET N. T. 451

dan bij vergissing is geschied. 4. Do samenhang pleit er niet tegen , maar vóór. Johannes wil, gelijk uit v. 9 blijkt, de hoogheid en waarheid doen uitkomen van de getuigenis des Geestes, waarvan hij v. G had gesproken. Men lette er op, dat hij den Geest 6 het laatst, na het water en het bloed, maar v. 8 het eerst vermeldt. Namelijk de Apostel verzekert v. 5 dat het geloot in Jezus als den Zoon Gods en den Messias tot allen strijd met de wereld kracht geeft en hij voegt er bij v. 0 : Je-zus is die , die door water d. i. door den waterdoop dien Hij ontving, en door hetgeen daarbij voorviel (Mt. 3: 16, 17) en door bloed d. i. door zijn verzoenend sterven, dus door zijn doop en dood zich als den Messias geopenbaard heeft, en de Geest is het die , krachtens hetgeen Hij door Jezus gedaan heeft en nog doet, getuigt dat Jezus de Christus , de Zaligmaker waarlijk is , omdat de Geest de waarheid is. Om nu aan te dringen en te bevestigen dat de Geest, die in de gemeente op aarde woont en werkt, waarheid getuigt, ja zelf de waarheid is, daartoe strekt het 7de vers: want drie zijn er (in den hemel) die (op aarde) getuigen , de Vader, het Woord en de Heilige Geest en deze drie zijn één: dus de Geekt is één in natuur gt;) en getuigenis met den Vader en het Woord, Hij is de Heilige Geest , de Goddelijke , de hemelscho. En deze zelfde Geest is het, die in de gemeente op de

\') Naar Scholten, L. d. H. K. I. p. 19 zou volgens Calvijn de plaats, ook wanneer hare echtheid vaststaat, niets voor de (wezens—)drieëenheid bewijzen. Maar Calvijn stelt deze duidelijk genoeg als grondslag voorop. Nam sicuti fides nostra in una Dei essentia tres personas agnoscit, ita totidem modis ad Christum vocatur, ut se in eo sistat.

-ocr page 478-

452 § 9. DE DRIEEENHEID IN HET N. T.

aarde woont en werkt, en hier getuigt met het water en het bloed v. 8 tot éénerlei getuigenis , tot bekrachtiging van ééne zaak , namelijk dat Jezus is de Zaligmaker en de Zone Gods. Dies is het geen menschtlijke getuigenis, maar eene getuigenis van God v. 9 die men niet verwerpen kan of men maakt den waarachtigen God tot een leugenaar. — Overigens al waren de betwijfelde woorden ook niet door Johannes zeiven geschreven\') maar eerst later, hoe dan ook , door een afschrijver ingevoegd, al waren het dienvolgens geene Bijbelwoorden, de Christelijke leer der Drieëenheid blijft er onverkort en vast om staan. Want a. al wat deze woorden zeggen kan ook uit andere geheel onbetwiste Schriftuurplaatsen gekend enaf geleid worden en b. de leer der Drieëenheid is zoo geheel grondleer des N. ï. , dat zij niet behoeft op enkele spreuken te worden gebouwd, maar zelve het wezen van het gansche Christendom behelst 2).

§ 10. Één Wezen.

Er is dan naar de Heilige Schrift eene Drieheid in God bij zijne Éénheid. Hier wordt de denkende geest onwillekeu-

\') Lezenswaardig is wat vóór de cdillieid der betwiste plaats wordt bijgebracht door J. A. Bengel , Gnomon, a. I. Wolf, Curac V. p. 293—313. Curteniiis, Hcidelb. Catech. I. p. 404 — 408. Richter, Erklarte Hausbibel VI. S. 910. Molenaar, Handleiding 1. p. 81. Dezelfde, Praktikale Bijbelbeschouwing !3de Jaargang, p. 28G. Voor echt houdt de plaats ook Stier, Reden Jesu 1. S. 221.

Neonder, Aligem. Gesch. d. Glir. Rel. u. K.182G I. Bd. S.057.

-ocr page 479-

§ 10. ÉÉN WEZEN.

rig gedrongen, zicli de betrekking van de Drie tot het ééne Wezen en lot elkander eenigzins nader voor te stellen. De ontwikkeling en voortgaande omschrijving van de leer der Drieëenheid in de Kerk is zelve eene getuigenis en voorbeeld van die ijehoefte ; en is do geschiedenis van de leer der Drieeenheid hare eigene critiek, zij is evenzeer hare bevestiging.

De drie Personen zijn één in Wezen en alzoo is er maar één God, Het Wezen is dat waardoor God God is en van alle schepsel verschilt, de volheid (het complex) der Goddelijke eigenschappen en krachten. Dat de Vader en de Zoon en de Heilige Geest een in Wezen zijn, leert de rechtzinnige Kerk met nadruk, om do gedachte, alsof zij met hare belijdenis van drie Personen aan de eenheid Gods te kort deed en om de dwaling dergenen die dat doen, beslist af te wijzen. En er wordt het navolgende door te verstaan gegeven : 1. De Zoon en de Heilige Geest zijn geen ««(/ere Wezens dan do Vader. Waren zij dat, dan zouden zij een tweede en derde God nevens en buiten den Vader zijn.

2. Hot Wezen is niet vermenigvuldigd, verdrievoudigd, alzoo dat het Wezen van den Vader en den Zoon en den Heiligen Geest slechts éénsoortig zou zijn. Het is één Wezen niet in soor^, maar in getal, het is er maar éénmaal. 3. Het Wezen is ook niet in drie deelen gedeeld. Al de Goddelijke eigenschappen zijn ongedeeld aan de drie Personen gemeen. Want deelen laat zich geene Goddelijke eigenschap ; bij voorbeeld eene onder twee verdeelde almacht zou geen almacht meer, maar halfmacht en hare bezitters zouden slechts halfgoden zijn : er is maar éeno almacht, maar hare bezitters zijn drie. Ongeschapen, onmetelijk, eeuivig, almachtig is de Vader, is de Zoon, is de Heilige Geest. Nochtans zijn het niet drie o)ujeschai)ene)i, noch drie onmetelijken, noch drie

•453

-ocr page 480-

§10. ÉÉN WEZEN.

454

eeuwigen, noch drie almachtig en, maar zij zijn eén ongeschapene, één onmetelijke, één eeuwige, één almachtige. Alzoo is ook de Vader God, de Zoon God, de Heilige Geest God. En nochtans niet drie Goden, maar het is één God. Want gelijk wij door de christelijke waarheid genoodzaakt worden eenen iegelijken Persoon als God of Heere te belijden, alzoo is ons ook door het algemeen geloof verboden drie Goden of Hee-ren te noemen, (Geloofsvorm, genoemd van Athanasius).

Wil men tegen deze éénheid van Wezen inbrengen, dat liet toch in het begrip van een persoon ligt, een eigen, bijzonder wezen te hebben en dat dienvolgens ook aan de drie Goddelijke Personen niet hetzelfde Wezen in getal gemeen kan zijn, zoo ziet men hot verschil voorbij, dat er bestaat tusschen het eindige wezen van redelijke schepselen en het oneindige Wezen Gods. Het wezen der menschheid, aan alle menschen gemeen, is voor verscheiden bepalingen en wijzigingen vatbaar en doet zich in de werkelijkheid in verscheidene individu\'s verschillend voor, in ieder persoon eeniger-mate anders. Want al wat eindig is, splitst zich naar zijnen aard ook in bijzonderheden. Maar het Goddelijke Wezen is oneindig. En het is niet zulk eene afgetrokkeno (abstracte), denkbeeldige algemeenheid als hot wezen der menschheid, maar het Goddelijke Wezen heeft een zelfstandig bestaan in den Vader en don Zoon en don Heiligen Geest; en de drie Personen, schoon onderscheiden, zijn niet in Wezen verscheiden, maar bestaan krachtens deze eenheid des Wezens in elkander als de eene eenvoudige Gotl, de Vader in Jen Zoon , de Zoon in den Vader , de Heilige Geest in den Vader en in den Zoon \')•

\') Brakel, Red. Godsd. I. p. 114. Aemilius, Kort Ontwerp

-ocr page 481-

§ 11. DRIE PERSONEN.

§ 11. Drie Personen.

Het Goddelijke Wezen is één , maar de Personen zijn drie, Galvijn vat de hoofdzaak van de leer der Drieëen-heid kort en practikaal aldus te zaam : Wanneer wij belijden in eenen God te (/elooren , moet onder den naam Gods verstaan worden het eeni(je en eenvoudige Wezen, in hetwelk wij hegrijpen drie -personen of hypostasen. Wanneer dan de naam Gods onbepaald gesteld wordt, zijn niet minder de Zoon en de Geest dan de Vader bedoeld. Maar wordt de Zoon bij den Vader gevoegd, dan komt de onderlinge betrekking in aanmerking en alzoo onderscheiden wij de Personen \').

De Personen zijn van het Wezen niet zakelijk onderscheiden, maar zij zijn do vorm en wijze van deszelfs ies^aaw*); het Goddelijke Wezen is en bestaat van eeuwigheid in drie Personen , drie zelfstandigheden. Het Wezen is een, de Personen zyn drie. Het Wezen is niet de eene of andere Persoon. Het Wezen hebben wij aan te merken als absoluut , zonder betrekking; de Personen staan in relatie of betrekking tot elkander.

p. 112. F. van Mastricht, Godgel. I. p. 581. 588. Twesien, Vorles. II. 1. S. 221.

\') Calvin. Instil. I. 13. 20.

2) Brak el, Red. Godsd. 1. p. 115. P. van Mastricht, Godgel. I. p. 582. 591. Wij moeten er nadruk op leggen, dat de drie Personen zijn de manier hoe het Goddelijke VVezen bestaat en niet alleen hoe het werkt. Brengt men het alleen tot de werkingen en openbaringen, dan heeft men het Sabelliaansche modalisme. Ilagenbach, Lohrb. der Dogmengesch. 3te Aufl. S. 199. Scholten, L. d. H. K. II. p. 210. Ebrard, Dogm. I. S. 174.

455

-ocr page 482-

§ 11. DRIE PERSONEN.

Persoon is een Ik «), een onderwerp dat zelf geen gezegde van een ander onderwerp zijn kan. Men kan van Johannes niet zeggen : hij is Paulus. De eene is niet de andere. Voorts : persoon is niet iets, maar iemand, met redelijken geest begaafd, waarin de grond der persoonlijkheid ligt, van zich zeiven bewust, zichzelf bepalend en voor zichzelven eene bestemming hebbende. Intusschen zijn de drie Goddelijke Personen niet gelijk drie menschen. Immers de mensch is niet slechts persoon, door zijnen redelijken geest, maar tevens individu, door zijnen samenhang met en door zijn deelgenootschap aan de natuur. Men moet persoonlijkheid niet met individualiteit verwarren. Persoonlijkheid is dat, wat allen menschen als zoodanig gemeenschappelijk is, waardoor zij boven plant en dier onderscheiden zijn. Want ook tus-schen voorstelling, gevoel en instinct van het dier en de zelfbewuste en zich zelve bepalende subjectiviteit des menschen, ligt er eene groote kloof. Individualiteit daarentegen is hetgeen den enkelen mensch eigenaardig is en waardoor hij zich van de overige wezens zijner soort, van de andere menschen, onderscheidt. De menschen zijn dan personen, maar tevens een geheel van individu\'s1). De Vader en de Zoon en de Heilige Geest zijn Personen, maar geen individu\'s. Want er is geen soort of geslacht van goden, maar een God, één Goddelijk Wezen, hetwelk in de drie Personen bestaat.

Deze waarheid is wol 60ye» de rede. De rede bereikt haar niet. Want hoe zal het menschelijk verstand naar zijne kleine maat de onmetelijke wezenheid des onzienlijken Gods bepalen, daar het nog niet eens heeft kunnen vaststellen, hoe-

456

1

) Delitzsch, 1. c. Ebrard, Dogni. I. S. 7.

-ocr page 483-

§ 11. DRIE PERSONEN.

danig het lichaam der zon is, die wij toch dagelijks met onze oogen zien \') ? Maar tegen de rede is deze waarheid niet. Strijdig tegen de rede, dus onredelijk en ongegrond zou \'t zijn, wanneer men stelde: het ééne Wezen is drie Wezens, of: de drie Personen zijn één Persoon. Dan kon men tegenwerpen : 1 is toch niet \'ó en 3 is niet 1. Maar het Wezen is één , de Personen zijn drie ; het zijn alzoo in een ander opzicht drie, dan waarin zij één zijn»).

§ 12. Drie onderscheidene Personen.

De drie Personen zijn geen persoonsverbeeldingen (per-sonificatiën) en geen drieërlei benoemingen slechts van een eenig Persoon naar zijne verschillende openbaringen en werkingen. Tegenover alle voorstellingen van het verleidelijke Sabellianisme, tegen alle ontzenuwing en bewimpeling van de waarheid, moeten wij met den meesten nadruk het werkelijk bestaan van drie onderscheiden Goddelijke Personen vasthouden.

De drieheid is geen drievoudigheid alleen der vertooning

\') Calvin. Instil. I. 13. 21.

,2) Dat 3 niet = 1 en 1 «/ei =: 3 is, rekent TSA/wrf, Dogtn. I. S. 189 te recht tot de kinderachtige tegenwerpingen a/ie/vie würfe) tegen de Triniteit. Het leerstuk van de Drieëeniieid is geen rekenpensum vooi1 kinderen op de schoolbank, maar eene hoogheilige verborgenheid voor het geloof. Ook Schleiermacher, Der Chr. Glaube, 3te Ausg. II. S. 533 ff. kan de 1 en 3 niet vereenigen. Volgens hem raakt altijd, hoe men liet wende, óf de eenheid óf de drieheid te kort, en is men in het em/e geval in gevaar van tot een driegodendom te komen, S. 530. Er blijft volgens hem een zweven tusschen de eenheid en de drieheid, S. 537.

457

-ocr page 484-

458 § 12. DRIE ONDERSCHEIDENE PERSONEN.

en dienvolgens der benoeming van één en hetzelfde Subject. Neen, het zijn werkelijk drie onderscheiden Personen. Dit geeft de Heilige Schrift duidelijk te verstaan en daaraan moeten wij ons houden. Immers, dat het werkelijk drie van elkander onderscheidene personen zijn, blijkt allerklaarst hieruit, dat nergens gezegd wordt; de Vader is in de wereld gekomen en dat de Gekomene nooit zich zelf met den Vader verwisselt of aanduidt dat Hij de Vader zelf is; integendeel de Zender en de Gezondene worden standvastig van elkander onderscheiden; de ééne is de Vader, de andere is de Zoon, de Vader herft gezonden, de Zoon is gezonden. En wederom onderscheidt de Heilige Schrift van beiden den Heiligen Geest. De ééne is niet de andere : de Vader is niet de Zoon , de Zoon is niet de Heilige Geest.

Met de loochening van de drie Goddelijke Personen vervalt geheel het Christendom. Want ontkent men dat deze drie Personen werkelijk bestaan, wat blijft er dan van de waarheid dat God zijnen Zoon heeft uitgezonden, geworden uit eene vrouw, geworden onder de wet? Wie is dan deze Gezondene, wie zijn Zender? Wat is er dan van dezen Zoon en van zijnen Vader ? En waar blijft dus de grond voor het geloof in den Zoon ?

Do loochening van het werkelijk bestaan der drie onderscheidene Personen, met behoud van de namen en kerkelijke uitdrukkingen, is de eigenlijke dwaling van Sabellius, die omtrent het midden der derde eeuw n. G. te Ptolemaïs in het land van Gyrene in Noord Afrika leerde. Volgens hem is er maar één eeuwig Persoon, die echter naar de onderscheidene wijzen van zijne openbaringen en werkingen nu Vader, dan Zoon, dan Heilige Geest genoemd wordt. Naar hein zijn het niet van eeuwigheid drie, maar deEéneen

-ocr page 485-

§ 12, DRIE ONDERSCHEIDENE PERSONEN.

459

eenige wordt tot drieën. Vóór de schepping was de in zijn Wezen verborgene God eene zuivere Eenheid. Bij de scliep-ping der wereld en het werk der verlossing heeft deze Eenheid (Monas zich tot eene tweeheid en drieheid ontvouwd en uitgebreid, door de uitvloeiing van den Logos in de men-schelijke natuur en de inwoning van den Heiligen Geest in de gemeente — maar slechts als stralen uit do eene zon gevloeid en in haar terugkeerende. Want ook aan den Verlosser kende Sabellius geene eeuwigdurende persoonlijkheid toe. Hij gebruikte, even als zoo velen in onze dagen, de kerkelijke uitdrukkingen en zeide dat één God in drie Personen moest erkend worden. Maar onder „personenquot; verstond hij niets anders dan verschillende rollen, personiflca-tiën, onder welke hot ééne Goddelijke subject op het tooneel trad, zich vertoonde en sprak, nu als Vader, dan als Zoon, dan als Heilige Geest. Eene drieheid dus niet in het Goddelijke Wezen, maar slechts in de Goddelijke huishouding (oeconomie), in de openbaringen Gods aan de iiienschheid. Dus heet volgens Sabellius God in betrekking tot de wetgeving Vader, ten opzichte van de verlossing Zoon en wegens de inspiratie der Apostelen en de bezieling der geloovigen Heilige Geest. Eene vertooning alzoo door God van iets, wat in God zeiven niet is , een gebouw zonder fundament\').

\') Neander. Allgem. Gesch. dor Gin-. Rel. v. K. 1820. 1 Bd. S. C79 fi\'. Hagenbach, Dogtnengesch. S. 200. Naar Schleier-macher, Chr. Glaubo II. S, 540 is de oorspronkolijke strekking der leer van de Drieëenheid om duidelijk te maken dat het yeen overdreven uitdrukking is van ons bewustzijn aangaande Christus en den gemeentefeest der Christelijke Kerk, wanneer wij be-

-ocr page 486-

§ 13. EEN EEUWIGE DR1EHEID.

§ 13. Een eeuwige Drieheid.

De noodzakelijkheid om eene eeuwige drieheid van Personen in het Goddelijke Wezen le stellen, ligt ook in hetgeen de Heilige Schrift van het Woord leert, dat vóór de wereld bij God was en God was en wel met uitdrukkelijke onderscheiding van den Geest Gods, die de diepten Gods kont, gelijk de geest des menschen den mensch kent.

Joh. 1 : \\ : In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. Het Woord, de Logos, is de Zoon Gods naar zijne eeuwige Godheid, want v. 14 wordt gezegd : het Woord is vleesch geworden. Christus wordt zoo genoemd naar hetgeen Hij reeds sedert het begin der wereld voor deze was , en ook nog steeds voor haar is, en als hoedanig Hij in de gemeente des Nieuwen Testaments erkend en beleden wordt: een naam die Hem kenmerkt als vertegenwoordiger en openbaarder van al wat God aan de wereld heeft te zeggen en van al zijne bedoelingen met de wereld \')• In het begin, namelijk van al wat een begin gehad heeft, dus in den aanvang der wereld tvas de Logos, werd niet eerst, maar was. Dus is Hy zelf zonder begin, alzoo van eeuwigheid en Hij behoort niet tot het geschapene. — Hierop treedt Johannes als binnen het Goddelijke wezen en spreekt van eene innerlijke onderscheidenheid en tevens een

lijden dat God in heiden is. Dus komt alles neer op het zijn van God in Cliristus en in de Kerk en als eerste vraag doet zich op, hoe dat zijn Gods in deze beiden te denken zij in zijne verhouding, zoowel tot het zijn Gods in zich zelf, als tot het zijn Gods in het heelal.

\') Cremer, Wörterbuch. 2te Aufl. S. 397 1\'.

460

-ocr page 487-

§ 13. EEN EEUWIGE DRIEHEIO.

heid in God. Onderscheidenheid : en het Woord, de Logos, was bij God1). Dit is bijzonder gewichtig. Want hierdoor wordt klaar en nadrukkelijk de persoonlijk onderscheidenheid des Logos van God den Vader te kennen gegeven. Immers wie bij iemand is, moet onderscheiden zijn van dier; bij wien hij is. Daarbij tevens de eenheid : en//e^ Woord, de Logos, was God : de Vader God, de Zoon God, beiden één in Wezen »).

Van den Zoon die van eeuwigheid God bij God was, een ander dan de Vader en toch één met dezen, en als openbaarder Gods aan en in de wereld het Woord Gods heet, wordt in de Heilige Schrift onderscheiden de Geest Gods, die in God is, gelijk de geest des menschen in den mensch. Leerzaam en zeer opmerkelijk is in dezen het gezegde van

\') Trpog- tov ösiv, niet geheel gelijk vrxpx lt;roi ioh. 17 : 5. npo9 drukt niet enkel gelijk irupx het zijn hij iemand uit, maar tevens het verkeer met hem. Overigens zijn de woorden van Johannes hier zoo beslist en zoo krachtig, dat ook rationalistische uitleggers als Meijer er onder buigen moeten. Deze stemt dan ook in zijnen Komment. S. 65 toe dat door dit: het ivoord was hij God alle modalistische opvatting uitgesloten wordt. Vergel. Spr. 8 :30, alwaar LXX ; Tra:/)\'

\'2) Johannes heeft de leer van het Woord niet van menschen ; het is niet de overgenomen Logosleer van den Alexandrijnschen Jood Piiilo (geb. omtrent 20 v. C.), maarnaam en zaak berusten bij hem op grondslagen in het Oude Testament gelegd. Met den Logos van Philo staat de Logos van Johannes alleen in zóóver in verband, als de troebele Logosleer van Philo desgelijks op het Oude Testament gegrond is. Met hetgeen Philo echter van Plato of van de Stoïcijnen daarbij ontleende, heeft de Logos leer van Johannes niets gemeen. Hengstenberg, Evang. Joh. I S. 17. Reeds Bengel, Gnomon ed. Berol. 1S55 p. 197: Johan-

461

-ocr page 488-

13. EEN EEUWIGE DRIEHE1D.

4G2

Paulus, waar hij van de verborgenheid der verlossing spreekt, 1 Kor. 2: lü: Doch God heeft het ons geopenhaard door zijnen Geest: want de Geest onderzoekt alle dingen, ook de diepten Gods. 11. Want wie van de menschen weet hetgeen des menschen is dan de geest des menschen die in hem is? alzoo iveet ook niemand hetgeen Gods is dan de Geest Gods. Paulus vergelijkt hier de verhouding des Heiligen Geestes tot God niet de betrekking, in welke de menschelijke geest tot den mensch staat\'). De mensch heeft van hetgeen hij is en wil, bewustheid in zijn eigen geest; voor andere menschen is het verborgen. Wat in God is, bij name ook zijne raadsbesluiten, kent geen schepsel, maar alleen de eigen Geest Gods. Deze is het dus ook alleen die, wat in God verborgen is, openbaart en door wiens getuigenis het Evangelie alleen kan worden begrepen; maar wat de Geest getuigt, inzonder-eid aangaande de verborgenheid der verlossing, is dan ook vast en zeker, niet minder dan wanneer men het met handen tastte. Maar het licht schijnt in de duisternis totdat de Geest der blinden oogen opent ^). Paulus heeft hier dan wel het oog op de huishoudelijke werkingen des Geestes in de

nes noemt Christus Logos, niet in navolging van Fhilo laat staan van Plain, maar door denzelfden Geest die de I\'ropheten des O. T. aldus heeft leeren spreken. Gen- 1 : 3. Ps. 33 : G. Bijzonder komt in aanmerking hetgeen Spreuken 8 :22—31 van de voorwereldlijke en wereldvormende persoonlijke Wijsheid Gods geschreven staat. Ook Dr. B. Weisz, Bibl. Theol des N. T.S. 018. 620. acht dat de grondslag van Jo hannes\'Logosleer in het O. T. is te zoeken. Desgelijks Meijer Komment. S. 59. \') Dus vat het ook Twesten, Vorles. II. 1. S. 184. 2) Calvin. Comment, in Ep. ad. Corinth. I. c, Weisz, Bibl. Theol. des N. T. S. 245 f.

-ocr page 489-

§ 13. EEN EEUWIGE DRIEHEID.

menschheid, daar geen schepsel iets van het Wezen en den wil des Vaders en des Zoons kan weten, dan door den Geest die van beiden uitgaat: maar deze uitwendige werking .?n uillating des Geestes is juist het gevolg van zijne innerlijko betrekking tot God en beantwoordt daaraan i)-

Ook zegt Paulus immers niet slechts : niemand weet hetgeen Gods is dan door den Geest Gods, maar: niemand weet hetgeen Gods is dan de Geest Gods. „Hetgeen in den mensch in één persoon vereenigd en toch onderscheiden zicli vertoont, is in God persoonlijk, als de Geest des Vaders en des Zoons, onderscheiden en toch in één Wezen vereenigdquot;1).

§ 14. De onderscheidenheid der Personen.

Het onderscheid der drie Goddelijke Personen is niet hierin gelegen, dat zij van elkander in of Wezen verschil

len : want het is één oneindig Wezen dat aan de drie Personen gemeen is en in deze drieheid bestaat. Ook niet in tijd: want in God is alles even eeuwig.

In deze Drieheid is niets eerst of laatst (naar den tijd), niets meest of minst (naar de natuur) maar de gansche drie Personen hebben onderling gelijke eeuwigheid. (Belijd, van Athanasius). Maar zij onderscheiden zich door de orde, in

463

1

) Von Gerlach, N. T. zu 1 Kor. 2:11. Te recht teekent Bengel, Gnomon a. 1. aan: A spiritu Dei non potest sejungi deitas; sicut nee ah hominis spiritu humanitas: den Geest Gods is de Godheid wezenlijk eigen, gelijk ook den geest des men-schen de menschelijkheid.

-ocr page 490-

464 § 14. DE ONDERSCHEIDENHEID DER PERSONEN.

ivelke zij als Personen bestaan, daar de tweede Persoon in den eersten, de derde in den eersten on den tweeden den grond van zijn persoonlijk bestaan heeft, uit krachte van twee aan God eigene innerlijke (inblijvende) daden, door welke de Vader den Zoon en de Vader èn de Zoon den Heiligen Geest als Persoon van eeuwigheid doen bestaan, en uit welke de persoonlijke eigenschappen voortvloeien , die de betrekking der drie Personen tot elkander klaar aanduiden en alle verwarring van dezen beslist uitsluiten i). In deze orde is de Vader de eerste, de Zoon de tweede, de Heilige Geest de derde Persoon.

De persoonlijke eigenschappen zijn juist de eigenlijke grond van de onderscheidenheid der drie Personen. En dit is geen scholastieke spitsvondigheid. Wanneer men maar met de Heilige Schrift aanneemt dat er een Vader is en een Zoon en een Heilige Geest, dan komt men noodzakelijk tot wat de rechtzinnige Kerk persoonlijke eigenschappen noemt, of men weigert dóór te denken.

§ 15. Persoonlijke eigenschap des Vaders.

De persoonlijke eigenschap des Vaders is^ dat Hij als Vader is van zich zeiven. Dit is van den Persoon gezegd, niet van het Wezen. Ten aanzien van het Wezen moeten ook de Zoon en de Heilige Geest gezegd worden van zich zeiven te zijn. Maar als Persoon, als Vader is deze van zich

T) Ttvesten, Voiles. 11. 1. S. 234. 255. P, van Mastricht, Godgel. 1. p. 583. 589, Aemilius, Kort ontwerp, p. 110. Brakel, Red. Godsd. I. p. 115.

-ocr page 491-

§ 15. PERSOONLIJKE EIGENSCHAP DES VADERS. 465

zeiven, wijl Hij niet gegenereerd is gelijk de Zoon en niet uitgaat gelijk de Heilige Geest. Ook in dezen zin sprak Jezus Joh. 5: 26: de Vader heeft het leven in zich zeiven. Terwijl het personeel bestaan des Zoons in den Vader, en des Heiligen Geestes in den Vader en den Zoon zijnen grond heeft, is de Vader zelf de grond van zijne personaliteit of van dat Hij Vader is; namelijk door dat Hij den Zoon genereert. En daarom is Hij in orde de eerste Persoon i)-

§ 16. Persoonlijke eigenschap des Zoons.

De persoonlijke eigenschap des Zoons, waardoor Hij zich van den Vader en van den Heiligen Geest eigenaardig onderscheidt, niet als God van God, maar als Persoon van Persoon in de Godheid, is deze: dat Hij cj eg ener eer d is van den Vader. Met reden brengen wij hiertoe hetgeen gesproken is door Jezus Joh. 5 : 26 : want gelijk de Vader [het] leven heeft in zich zeiven, alzoo heeft Hij ook den Zoon gegeven [het] leven te hebben in zich zeiven1). Dit zegt wel, dat de Vader aan doode zondaren leven geeft door den Zoon of, gelijk Calvinus aanteekent, dat God, bij wien de fontein des levens is (Ps. 36 : 10), dit leven niet hij zich verborgen heeft willen houden en het daarom overgestort heeft in den Zoon, opdat het tot ons zou vloeien s); het sluit dus wel in de macht om vrij over het leven te beschikken en het ande-

1

\') Twesten, Vorles. II. 1. S. 252.

-ocr page 492-

406 § 16. PERSOONLIJKE EIGENSCHAP DES ZOONS.

ren mede te deelen*). Maar dit niet alleen. Veel meer het wijst er juist den dieperen grond van aan, gelegen in de innerlijke betrekking, die er van eeuwigheid tusschen den Vader en den Zoon bestaat 2). Immers de macht om Goddelijk leven mede te deelen is hierin gegrond, dat de Zoon leven in zich zeiven heeft, zelfstandig even als de Vader. Nochtans heeft Hij als Zoon het leven niet zich zeiven gelijk de Vader, maar van den Vader, want de Vader heeft het hem gegeven, van eeuwigheid door genereering3), maar om het te hebben zelfstandig in zich zeiven, in onderscheiding van alle schepsel, hetwelk immers in dezen zin nooit het leven in zich zelf bobben kan (Hand. 17 :28); en Hij heeft hot bij zijne menschwording medegebracht. De schijn-tegenstrijdigheid tusschen bet geven en het in zich zeiven hebben heeft haren grond in de onnaspeurlijke verborgenheid van den Vader en den Zoon lt;). Het is met Joh. 5 : 26 aangaande den Zoon in zijne betrekking tot den Vader soortgelijk als met Joh. 15 : 26 aangaande den Heiligen Geest in zijne betrekking tot den Vader en den Zoon. — Omdat de Zoon alleen van den Vader bestaat, is Hij de tweede Persoon.

\') Dr. J. J. Doedes, Drie Brieven aan Dr. Meijboom p. 43. T) Te recht wordt dit herinnerd door J. J. Van Toorenen-hergen, Bijdragen p. Gl. Er wordl niet gezegd: st-ouaiav eSaiKs, maar u!ci eSuxs en wel £%f;v ii/ sxutü.

:l) Kantteek.: door de eeuwige gehoorte uit den Vader. Coc-cejus, Comment, in Ev. Joh. Opp. IV. p. 119: Eo ipso, quod Filius est et genitus est ex Patre, accepit vitam habere, non adventitiam et novam ac dependentem, sed in seipso. Generatie qua Pater generat Filium , hic vocatur datio vitae.

4) Stier, Reden des Herrn Jesu. IV. S. 229, zu Joh. 5:26,

-ocr page 493-

§ 17. PERSOONLIJKE EIGENSCHAP DES HEILIGEN GEESTES. 467

§ 17. Persoonlijke eigenschap des Heiligen Geestes.

De persoonlijke eigenschap des Heiligen Geestes is, dat Hij uitgaat van den Vader en den Zoon : de grond van zijn persoonlijk bestaan ligt in den Vader en den Zoon, wier Geest Hij is. Uit dien hoofde is Hij do derde Persoon.

1. Ve Geest heet Hij, niet alleen wegens zijn geestelijk , onstoffelijk Wezen, want ook het Wezen des Vaders en des Zoons is onstoffelijk ; want de Drie zijn in Wezen één , God is Geest, Joh. 4 : 24. Maar wegens de wijze van zijn persoonlijk bestaan lt;) als de adem , de levensadem Gods, naar de eigenlijke beteekenis van die namen, die Hij in de grondtalen der Heilige Schrift draagt i). Hierdoor wordt ons de manier van zijn bestaan in het Goddelijke Wezen en meteen van zijne werking aanschouwelijk gemaakt, daar Hij als door ademing van den Vader en den Zoon uitgaat. Jezus gaf daarvan een zinnebeeld , toen Hij op den avond van den dag Zijner opstanding zijne tien discipelen aanblies en daarbij tot hen zeide: ontvangt den Heiligen Geest: eene mededeeling

Weisz, Eibl. Theo), des N. T. S. 608. TI. Witsius, Exerc. in Symb. Apostel, p. 73.

\') P. van Mastricht , Godgeleerdh. I. p. 040.

2) In het O. T. nlquot;quot;!, inhetN. T. ttvsii^x, welke beide, gelijk ook zijn Latijnsche naam Spiritus, adem beduiden. Spiritus is recht eigenlijk de ademtocht van levende wezens. Cic. N. D. II. 55 : Spiritu in p uiman es anima ducitur, onderscheiden van flatus, het blazen, hetwelk uitsluitender wijze aan de uitwendige natuur, aan den wind behoort. Doederlein, Lat. Synon. u. Etymol. V. S. 93 sq.

-ocr page 494-

4G8 § 17. PERSOONLIJKE EIGENSCHAP DES HEILIGEN GEESTES.

van zijnen geestelijken levensadem, van den Heiligen Geest die in Hem was lt;), want men ademt uit wat men in zich heeft, evenals bij de schepping de Heere God den mensch den adem des levens inblies Gen. 2 : 7, uit Hem zeiven gevloeid. — Gelijk de adem des menschen tot zijn natuurlijk leven behoort, zoo behoort het bestaan des Geestes noodzakelijk tot Gods natuur. En gelijk des menschen adem, ofschoon bestendig van hem uitgaande, toch ook, zoolang de mensch leeft, in hem blijft: zoo blijft de Heilige Geest, hoewel uitgaande van den Vader en den Zoon, toch in het eeuwig levende Goddelijke Wezen.

2. De Heilige Geest wordt Hij genoemd zoo ter onderscheiding van alle geschapene geesten : de Heilige Geest is zooveel als de Goddelijke Geest, de Geest Gods ; als ook wegens het werk der heiligmaking, 2 (Thess. 2: 1.3). In de Heilige Schrift komt hij onder dezen naam de eerste maal voor Ps. 51 : 13, juist daar waar David, overspeler en moordenaar, in het diep gevoel van zijn onheilig, zondig bestaan verzinkt en tot God roept: verwerp mij niet van uw aangezicht en neem uwen Heiligen Geest (eigenlijk : den Geest uwer heiligheid) niet van mij.

§ 18. Waarom Persoonlijke eigenschappen genoemd P

De reden, waarom wij deze eigenschappen persoon/yfce noemen, in onderscheiding van de wezenlijke eigenschappen Gods, is: wijl zij niet aan het Wezen, maar iedere van haar

\') Delitzsch , Bibl. Psychologie S. 77.

-ocr page 495-

§ 18. WAAROM PERSOONLIJKE EIGENSCHAPPEN GENOEMD ? 469

alleen aan éénen der drie Personen eigen zijn, en juist de innerlijke betrekking en verhouding van iederen Persoon tot de beide andoren te kennen geven.

Ten opzichte van het Wezen, dat immers in de drie één is, zijn ook de Zoon en de Heilige Geest van zich zeiven\').

Het Wezen is niet de Vader, maar het Wezen bestaat in de drie Personen, in persoonlijke Drieheiii. Het Wezen genereert niet, is niet gegenereerd, gaat niet uit, maar de ge-nereerende is de Vader , de gegenereerde is de Zoon, de van beiden uitgaande is de Heilige Geest1).

Dit is eene waarheid, die men, hoe men zich keert, niet kan wegnemen, maar bij ernstig nadenken moet erkennen. Immers 1. er worden in de Heilige Schrift ontegenzeglijk drie Personen in het Goddelijke Wezen onderscheiden. 2. In God kan echter niet zijn wat niet uit Hem zeiven is. Al wat Hij is, is Hij uit en door zich zeiven en, omdat Hij zuiver Geest is, is Hij erkennend, willend, werkend, is in zich zeiven louter daad en leven. 3. Dies moeten dan ook die persoonlijke onderscheidenheden van Vader en Zoon en II. Geest, die in Uem beslaan, o\\)£enQ Rem eigene activiteit ol innerlijke werkzaamheid of levensbeweging berusten en dot zijn wat men noemt Ae inhlijvende daden Aev gene-reeringen spiratic(adorning), inblijvende werkingen genoemd, cmdat God zelf, en niet iets buiten Hem, haar voorwerp is. God zelf is do oorzaak en grond van de wijze zijns bestaans als Vader en Zoon en Heilige Geest, zoo eeuwig en noodzakelijk als zijn bestaan zelf: Hij is door zich als Vader,

1

) F. van Mast richt, Godgel. 1. p. 583. Twesten, Vorles. 11. 1. S. 236.

-ocr page 496-

470 §18. WAAROM PERSOONLIJKE EIGENSCHAPPEN GENOEMD ?

voor zich in den Zoon, en in zich door den Heiligen Geest. Hierbij moeten wij intusschen ons wachten vleeschelijk te denken van hetgeen zuiver geestelijk en Goddelijk is en voor oogen houden, dat de persoonlijke daden van genereeren en van doen uilgaan innerlijk samenhangen met de wezenlijke inblijvende werkzaamheden des kennens en willens van Hem zeiven, daar Hij is doordat Hij wil zijn, en zich kent en aanschouwt omdat Hij is, werkzaamheden die aan God als hoogste bewustheid en oorspronkelijk leven onloochenbaar eigen zijn en tot zijne absolute natuur, zijne onafhankelijkheid en algenoegzaamheid behooren.

De genoemde persoonlijke eigenschappen kan men niet loochenen of men verwerpt de gansche Drieëenheid. AVant dan stelt men óf eene Drieheid zonder Eenheid, of eene Eenheid zonder Drieheid. Immers stelt men drie Personen, zonder de gezegde innerlijke betrekking tot elkander, dan stelt men daarmede drie goden en is Driegodist Of men neemt door deze loochening der persoonlijke eigenschappen de onderscheidenheid der Personen weg, en vervalt in de Sabellianislerij i).

§ 19. De eeuwige generatie des Zoons.

De betrekking tusschen den tweeden en den eersten Persoon in God is die van Zoon en Vader. De Zoon is dooiden Vader gegenereerd. Die onder de menschen genereert is vader, die gegenereerd wordt is zoon. Zoo ook hier. Maar geestelijk en Godewaardig. De generatie des Zoons kan men

\') 1\'. van Mastricht, Godgeloerdh. I. p. 582.

-ocr page 497-

§ 19. DE GENERATIE DES ZOONS, 471

niet loochenen of men loochent ook hot bestaan des Zoons zelf. Want is er geen generatie, dan is er ook geen Zoon. Maar wij moeten de zaak zelve en hare bijkomstigheden wèl onderscheiden. Wij moeten er aftrekken wat op God niet past, wij moeten alle zinnelijke, vleeschelijke gedachte er van verwijderen, om alleen het wezenlijke en zakelijke er van vast te houden. En dan blijft er tweeërlei door genereeren aangeduid: 1. uit zich een ander Ik, een zelfstandig persoonlijk leven te doen bestaan en dientengevolge 2. de eenheid van Wezen in beiden. De Zoonis door den Vader gegenereerd wil dan dit zeggen : Hij is uit Hem en Hij is ééns Wezens met Hem. Dit beide. Want ware hij wel van één Wezen met God , maar niet uit Hem, dan kon men nog voorgeven dat Hij wel de Broeder maar niet de Zoon van God mocht heeten. Genereeren verschilt van scheppen. Scheppen is voortbrengen uit niet. De Zoon is geen schepsel. Om dit met nadruk te betuigen, heeft de rechtzinnige Kerk de benaming ge-neratie, genereering, streng vastgehouden. Het geschapene is voortgebracht uit niet en is van zijne oorzaak en zijnen werker, van God, wezenlijk onderscheiden. Maar de Zoon Gods is geboren uit den Vader vóór alle eeutven, licht uit licht, waarachtig God uit ivaarachtig God, geboren en niet gemaakt, van hetzelfde Wezen met den Vader (Belijdenis van de Kerkvergadering te Niceën 325 na Ghr.),

\') Dit herinnert ook reeds Van der Heidelb. Gatoch.

p. 268. Vergel. P. van Mastricht, Godgel. I. p. 628. Hiernaar is te beoordeelen wat het Compendium Dogm. Gron. 1845. p. 67 zegt: had Jezus zich Gode gelijkgesteld, Hij zou dezen zijn broeder, niet zijn Vader hebben genoemd. Soortgelijk Meij-boom, Hoofdzaken der Ghr. W. p. 151.

-ocr page 498-

472 § 19, DE GENERATIE DES ZOONS.

niet gemaald , noch geschapen maar gegenereerd (Belijdenis van Alhanasius 21 Nederl. Goloofsbel. Art. X).

De generatie des Zoons is dan niet de voortbrenging van een tweede Goddelijk Wezen, maar geeft te kennen, dat de Vader uit zich den Zoon doet bestaan als Persoon, Hem het leven geeft\'), om het in zich zeiven te hebben. Joh. 5:2G.

Vragen wij, wanneer de Zoon door den Vader gegenereerd is, dan treden wij al binnen den tijd. Want het «0«««eer? duidt eenen tijd aan. Nauw genomen kunnen wij derhalve aldus geheel niet vragen. Do generatie des Zoons is eene lijdelooze, eeuwige daad Gods2). Dat wil zeggen; van eeuwigheid doet do Vader uit zich den Zoon als Persoon bestaan. Dewelke is het afschijnsel zijner heerlijkheid en het uitgedrukte beeld zijner zelfstandigheid en alle dingen draagt door het woord zijner kracht Hebr. 1 : 3.

\') Hierop grondt zich de bij onze oude Godgeleerden gewone verklaring van de generatie als eene mededeelimj van het Wezen, met het beeld van don Modedeeler, hetgeen echter licht tot verkeerde voorstellingen leidt. Ook de nauwkeurige H. Witsius, Exercit. in Symbol. Apost. p. 73 zegt: per generahonetn Filii intelligimus earn Dei actionem qua eandem numero essentiam quam ipse haljet comrnunicavit Filio, ut Filius earn pariter haheat. Daartegen Twesten, Vorles. 11. 1. S. 238.

) Het dogmatisch hegrip eener eeuwige genereering in God is recht eigenlijk transcendentaal: het gaat de perken der mensche-lijke en daarom ook der Bijbelsche taal te hoven. Gbnereeren duidt eenen aanvang aan en vereischt dus een heden : in de aan-vangslooze eeuwigheid is echter geen heden noch morgen. De Heilige Schrift voert ons niet hoor/er in de verhor genheid terug dan tot deze getuigenis: In den heginne was het Woord hij God en tvas God. Stier, Die Reden der Apost. 1829. I. S. 369. In-tusschen blijft de waarheid der zaak zelve staan. Want hoewel

-ocr page 499-

§19. DE GENERATIE DES ZOONS.

Dit zegt de Apostel van Christus naar zijne Goddelijke natuur. Zij die, de Sociniaansche dwaalleer volgende, de Godheid van Christus loochenen, pogen vruchteloos deze hooge getuigenis van den eeuwigen Zoon te ontkrachten, door te stollen, dat de Apostel hier zou afteekenen der; mensch Jezus in zijne verkregene Goddelijkheid , zooals Hij die in zijne omwandeling op aarde vertoonde : Goddelijk in wijsheid, in heiligheid en macht, maar eeno wijsheid door Gods openbaring, eene heiligheid door heiligmaking , eene macht door verleeniug.

Maar dat de Apostel hier spreekt van de eeuwige Godheid •) des Zoons, blijkt ontegenzeglijk 1. uit het verband a. met het voorafgaande : door welken God ook de wereld ye-maakt heeft, waarvan deze woorden ; dewelke, alzoo Hij is het afschijnsel zijner heerlijkheid en het uiUjedrukte beeld zijner zelfstandigheid enz. eene voortzetting zijn. Gemerkt dat deze titels hier den Zone Gods worden gegeven als iSchep-

de Schrift heide des Ouden en des Nieuwen Testaments leert, dat God Geest is, zoo openbaart zij ons toch eenen eeuwigen (jene-reerings- en geboorteact in de Godheid zelve (a en a u/a?-)

eu eene eeuwige emanatie Gods des Heiligen Geestes van God den genereerenden en God den geborenen. Helitzsch, Oibl, Psychol. S 114.

De kerkelijke leer van de generatie des Zoons heeft een schriftuurlijken grond — en geeft te kennen dat de Zoon oorspronkelijk en voortdurend den grond van zijn bestaan heeft in de substantie eu wezenheid Gods des Vaders. Van Oosterzee, Ghr. Dogmat. I. p. 384 v.

\') Ook Dr. G. Lilnemann , Hebraërbrief a. 1. stemt dit toe en erkent dat de participia praesenlis üv . . . Cpépuvrs op Christus als den Aóyog xtTxpnoq zien, terwijl liet participium aoristi sraoj-(jK^evoq het verlossingswerk van den As\'/ot mxpMg beschrijft.

473

-ocr page 500-

§19. DE GENERATIE DES ZOONS.

per en Onderhouder aller dingen, hetwelk Hem naar zijne Goddelijke natuur alleen toekomt, zoo moeten deze twee titels van Christus verstaan worden voor zooveel Hij de eeuwige Zoon Gods is en een licht van het eeuwige licht, van één Wezen en heerlijkheid met den Vader, nochtans van de zelfstandigheid des Vaders onderscheiden, door welken de Vader zijne werkingen uitvoert en zijne eigenschappen betoont, ge. lijk de zon door haar licht de hare. (Kantteek.) b. Ook blijkt het uit het verband met hetgeen in dit vers volgt, waar de Apostel eerst van de vernedering des Zoons ter reinigmaking van onze zonden en dan van de verhooging des vernederden spreekt.

2. De beteekenis der verhevene woorden zelve bewijst het. Immers wordt de Zoon genoemd het afschijnsel van Gods heerlijkheid gt;) zoo wil dit zeggen : de Zoon is God van God, gelijk de lichtglans van het licht. Het licht (de Vader) is niet van het afschijnsel, maar het afschijnsel (de Zoon) is van het licht, liet afschijnsel is niet vóór het licht, maar het licht ook niet zonder de uitstraling: de Zoon niet vóór den Vader, maar de Vader ook niet zonder den Zoon. Beiden zijn onderscheiden: het eene is het licht, het andere het afschijnsel: de ééne is de Vader, de andere de Zoon. Toch draagt het afschijnsel geheel de natuur van het licht: de Zoon is in Wezen wat de Vader is, de heerlijkheid des Vaders is in Hem. Hij is de afspiegeling Gods, en wel geen wezenloos beeld, maar het uitgedrukte beeld, het afdruksel van Gods zelfstandigheid*). Dal is Hij juist door-

\') dTrxuyxTfix rfa , uitstraling zijner heerlijkheid. Dus ook Cremer , Bibl. Theol. Wörterb. S. 118.

2) XxpxKTvip rijv inroaTXTeus tnï/TOÜ. XxpxKTyjp is meer dan

474

-ocr page 501-

§ 19. DE GENERATIE DES ZOONS.

dat Hij de Zoon is. Is de Vader een Persoon, een Ik, zoo is het dan ook de Zoon. Is de Vader God, de Zoon is het desgelijks. Anders was Hij niet het uitgedrukte beeld van Gods zelfstandigheid. Ilij is eeuwig, gelijk de Vader. Joh. 1:1: In den beginne was het Woord en het Woord ivtn bij God en het Woord was God. Gelijk Johannes van het Woord spreekt, zoo getuigt Spreuk. 8 : 22 v.v. de Wijsheid

(miavkm, sikcÓu , xtreikóvtitfax. Het is afdruksel. Do Onzen hebben te recht vertaald : uitgedrukt beeld. Omdat de persoon des Zoons den Persoon des Vaders volkomenlijk afbeeldt gelijk een afdruk van het zegel. Kantteek. Vcrgel. Cremer, Wörterb. S. 582.

\'YnliiTmiq beteekent eigenlijk dat, wat aan eene zaak ten gronde ligt. Wij moeten toestemmen dat het rechtstreeksche gebruik van dit woord in de beteekenis van persoon eerst later voorkomt. Het beteekent op zich zelf niet de van zich zelve wetende, maar de aan de verschijning ten grondslag liggende substantie. De-Utzsch, Bibl. Psychol. S. 152; het aan de zelfopenbaring Gods ten grondslag liggende Wezen. Cremer, Wörterb. S. 315. Doch hier, waar van den Zoon als evenbeeld des Vaders gesproken wordt , sluit het dan van zelf de persoonlijkheid mede in ; anders ware de Zoon zijn evenbeeld niet. Luther heeft vertaald : das Ebenbild seines Wesens ; de Wette: der Abdruck seines We-sens. Maar Von Gerlach: der Abdruck seiner Person. Calvi-nus, character substantiae ejus (even als de Vulgata: figura substantiae ejus) en hij teekent er bij aan : nomen vTrovTxesus — non esse vel Essentiam Patris denotat, sed personam. En Instit I. 13. 2: niet essentia (Wezen in \'t gemeen) nmar Subsistentia (bestaanswijze). — Overigens moet men hier niet voorbijzien, dat de Apostel met deze woorden de messiaansche macht en heerschappij van Jezus wil motiveeren, door te verklaren , wie en hoedanig Hij was en zijn moest, die tot zulke macht en heerschappij kon verhoogd worden : waarachtig God en toch zonder bekorting van hel monotheïsme. Weisz, Bibl. Theol. des N. T. S 495.

475

-ocr page 502-

476 § 19. de generatie des zoons.

van zich zelve, boe zij vóór de schepping der wereld bij God was. En do monsch geworden Zoon verklaart niet alleen Joh. 8 : 58 : Voorwaar, voorwaar zey ik u : eer Abraham was, ben ik, maar hij spreekt ook Joh. 17:5 van de heerlijkheid, die Hij bij den Vader had eer de wereld was. De Zoon Gods is dan van eeuwigheid geboren. Hij is Gods Zoon niet alleen van dien tijd af dat Hij onze natuur heeft aangenomen, maar van alle eeuwigheid. (Nederl. Belijd, des Gel. art. X.)

§ 20. De eeuwige generatie des Zoons- (Verv )

Dat de Zoon Gods van eeuwigheid is wordt nog bijzonder klaar en nadrukkelijk geleerd Kol. 1:15—17: Dewelke ■is het beeld des onzienlijken Gods\') de eerstgeborene aller creature a). De Apostel zegt niet de eerstgesghapene, muur

\') fJxwi/ toD deoü toïi aopxrou. Meijer a. 1.: Dass nach dcm ganzen Gontexte ehïbv toïi Ösoü im eminenten Sinne gemeint ist, namlich vora adaquaten, also audi wesonsgleichen Ebenbilde Gottes , nicht wie der Mensch Gottes Bild ist, liaben schon die Viiter gogen die Arianer richtig betont.

-) TrpwTÓroxi? xt/o-sw?. Volgens de Arianen zou Pau

las liier Christus voor het eerste schepsel verklaren. Dus ook Vsteri, Entwickel. des Paulin. Lehrbegriffes, 5te Ausg. S. 315: Christus heisst der Erstgeschaffene aller Creaturen. — Christus ist also selbst eene KTivis Gottes, aber die erste vo; allen. Geheel willekeurig en strijdig tegen de taal. Immers de Apostel zegt niet, wat hij dan zeggen moest , TrpcoTÓKTKTTOc of Trpuró-trxxrrcs, maar ttputótokoi;. Christus is niet jcwöf/?, geschapen, noch de creatuur rexösïtrx geboren (uit God). Hij is nietnom-

-ocr page 503-

§ 20. de eeuwige generatie des zoons. (Vervolg.) 477

eerstgeborene , hetwelk verstaan moet worden van zijne Goddelijke natuur en eeuwige geboorte van den Vader voor alle schepselen. Te meer omdat Hij hier gezegd wordt de eerstgeborene niet onder vele broederen gelijk Rom. 8: 29, maar aller creature, ivaardoor Hij werkelijk van alle schepselen wordt onderscheiden en volgens dien niet als een

mer één in de ry der schepselen . maar vóór alle schepsel en zelf de Schepper der schepselen naar v. 1G. Meijer, Komment. zu Kol. 4te Aufl. S. 244. f. Cremer, Wörterb. S. 559.

Te recht hebben onze Kantteek. (zie boven) in den naam eerstgeborene hier erkend zijne eeuwige geboorte van den Vader vóór alle schepselen en zijne tvaardigheid boven allo schepselen. De eerstgeboorte beteekent bijzonder de waardigheid en macht, die iemand in zijn geslacht verkreeg. Ezau kon den tijd zijner geboorte niet verkoopen, maar wel zijne waardigheid en macht in het vaderlijke huis en in dezen zin verkocht hij zijne eerstgeboorte. Een Israëliet kon den tijd der geboorte zijner zonen niet veranderen ; toch kon hij er aan denken de eerstgeboorte te geven aan den zoon eener beminde vrouw, schoon hij niet het eerst was geboren (hetwelk niet mocht) — oppergezag en dubbel erfdeel, Deut. 21: 16, 17. Onder Jakobs zonen verbeurde Ruben zijne eerstgeboorte en Juda verkreeg de macht onder zijne broederen, maar Jozef de eerstgeboorte , die in nauweren zin in een dubbel erfdeel bestond, 1 Kron. 5 : 2. M. F. Roos, dir. Glaubens-Lehre S. 119.

Christus , geboren voor alle schepsel, heeft het recht en de macht van eerstgeborene over alles, is er erfgenaam en Heer van , omdat alles door Hem geschapen is. Geheel gelijk Hebr. 1:2; Welken Hij {de Vader) gesteld heeft tot een erfgenaam van alles, door welken Hij ook de wereld gemaakt heeft. Tevens ligt in eerstgeborene eene aanduiding van zijne betrekking tot Gods kinderen, die Hij zich niet schaamt broeders te noemen. Weisz, Lohrb. der bibl. Theol. des N. T. S. 424.

-ocr page 504-

478 § 20. DE EEUWIGE GENERATIE DES ZOONS. (Vervolg.)

schepsel maar als de Schepper va.n alles wordt ingevoerd (Kantteek.). 16. Want door Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zienlijk en die onzienlijk zijn, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij Overheden, hetzij Machten : alle dingen zijn door Hem en tot Bern geschapen. 17. En Hij is vóór alle dingen en alle dingen bestaan te zamen door Hem.

Ook door de benaming het Begin der scheppinge Gods wordt Hij geenszins zelf als een schepsel gekenmerkt. Hij zelf, de verhoogde Zaligmaker, zegt tot Johannes Openb. 3:14: Schrijf aan den Engel van de gemeente der Laodi eens en : dit zegt\' de Amen, de trouwe en waarachtige getuige, het begin der scheppinge Gods. Zij, die het aanvangsloos bestaan ven den Zone Gods loochenen, verstaan onder het begin der scheppinge Gods het eerste schepsel: God zou eerst den Zoon geschapen hebben en dan door dezen de overige schepselen. Dit is de Ariaansche uitlegging, wier ongerijmdheid in het oog springt door hare volslagen tegenstrijdigheid tegen de nadrukkelijke getuigenissen die in de Openbaring van den aanvang af van de volkomenste wezenseenheid des Vaders en des Zoons geschreven staan. Ook in dezen eigen brief aan de Laodicensen. Kon Hij zuik eenen brief doen schrijven, wanneer Hij zelf slechts een schepsel was ? Bovendien zoo als Hij hier, wordt God desgelijks het Begin genoemd Op. 1: 18 •) namelijk in betrekking tot de schepselen. Christus is dan het begin der scheppinge Gods niet in een lydenden zin, als ware Hij zelf begonnen, maar in een werkenden zin : het begin makende

\') Volgens de rechte lezing xupios b dei;. Dus ook Diister-dieck en Hengstenberg.

-ocr page 505-

§ 20. joe eeuwige generatie des zoons (Vervolg). 479

begin quot;). Hij is het levende begin van het geschapene, Hij is er de oorzaak van, in Hem wortelt het. Hemelenaarde, de voor ons zichtbare en de onzichtbare dingen ziin samen een eenig werk, hetwelk de Almachtige God heeft voortgebracht en dit wordt genoemd de scheppinge Gods. Christus is geen deel van dat werk, maar is er zelf de werker van, krachtens zijne wezenseenheid met den Vader.

Opmerkelijk is Psalm 2 : 7, waar uitdrukkelijk van gene-reeren gesproken wordt. Met deze schriftuurplaats heeft men de eeuwige generatie zoowel bestreden als verdedigd. Men dwaalt intusschen, wanneer men dit genereeren alleen in den zin van koning maken verstaat en wel van David of Salomo. De verheven Psalm past in volle kracht alleen op Hem, die ook Davids Heere was. Maar men gaat ook niet ver genoeg wanneer men hier alleen de eeuwige generatie des Zoons vindt en op den historischen grondslag niet let. David had 2 Sam. 7 de heerlijke belofte ontvangen van het eeuwig Koninkrijk. Tn het licht dezer belofte, die door den Messias, naar den vleesche uit zijnen zade, zou vervuld worden, zag David de toekomst. De Geest van Christus was in hem en sprak van strijd en zegepraal. In dezen Geest verkondigt de door God op zijnen heiligen berg Sion jngezette koning den verklaarden wil, het mandaat Jeho-vahs, dat Hij heerschen zal over de gansche aarde en het recht en de macht zal hebben om de tegenstanders te straften. Ik zal van het besluit vei halen, spreekt Hij, de Heere

\') Zoo te recht ook Cremer, Wörterb. S. 114: $ ixpxgt;i rijs uriasus toü ósoü bezeichnet das ursilchlioho Verhaltnisz Ghristi zu der Schöpfung Gottes. Anders Weisz, Bibl. Theol. des N. T, S. 566.

-ocr page 506-

480 § 20. DE EEUWIGE GENERATIE DES ZOONS. (Vervolg.)

(JehovaVjee/ï tot mij gezegd: (jij zijt mijn Zoon, heden heb ik u gegenereerd. Het heden is de tijd toen God dit tot den Koning gezegd en Hem op Sion gezalfd of ingezet heeft. Maar het zegt toch nog iets anders dan : heden heb ik u gezalfd i). Volgens den brief aan de Hebreën wordt hier de Messias aangekondigd als datgene, wat Hij niet alleen naar zijn ambt, maar naar zijn Wezen is, hetwelk juist de grond is van zijn ambt en waardigheid, als Zoon Gods, verheven boven alle schepsel, een naam die dezen Koning juist krachtens de genereering ook vóór en buiten zyne koninklijke waardigheid toekomt. Hebr. 1:5: Want tot wien van de Engelen heeft Hij ooit gezegd: gij zijt mijn Zoon, heden heb ik u gegenereerd ? En wederom; ik zal Hem tot Vader zijn en Hij zal mij tot een Zoon zijn ? En Hebr. 5:5: Alzoo ook Christus heeft zich zeiven niet verheerlijkt om Iloogepriester te worden, maar die tot Hem gesproken heeft: gij zijt mijn Zoon , heden heb ik u gegenereerd. Wel ziet dit op zijne inzetting in zijne waardigheid als Middelaar door zijne verbooging, daar God Hem nu in volle machtsbetooning Koning en Hoogepriester maakte »)

\') Ed. Böhl, Die alttestamentl. Citate im N.T.Wien, 1878.

S. 143 f. Hij betuigt: die einzig richtige Auslegung erscheint

uns die kirchliche.

2) Eenzijdig blijft hierbij staan Calvinus, Comment in Psalm 2: 7 en in Epist. ad Hebr. 1:5. De Socinianen brengen het alleen tot de opstanding. Beter onzeop Hand. 13 : 33 : DU wordt verstaan van de eeuwige geboorte des Zoons uit den Vader en van de openbaarmaking deszelven in de volheid des tijds. Van de eigenlijke opvatting der woorden : heden heb ik u gegenereerd zegt Coceejus, Comment in Psalm II. § 29 : De eeuwige generatie wordt tol het heden gebracht inzoover èn ieder tijd

-ocr page 507-

§ 20. DE EEUWIGE GENERATIE DES ZOONS. (Vervolg). 481

Hetgeen ook Paulus voor oogen had toen hij in de synagoge te Antiochië in Pisidië sprak Hand. 13: 32: En wij

verkondigen u de belofte die tot de vaderen geschied is, dat namelijk God dezelve vervidd heeft aan ons, hunne kinderen, als Hij Jezus verwekt heeft. 33. Gelijk ook in den tweeden Psalm geschreven staat: Gij zijt mijn Zoon, heden heb ik u gegenereerd. 34. En dat Hij Hem uit de dooden heeft opgewekt\'), alzoo dat Hij niet meer zal tot verderving keer en, heeft Hij aldus gezegd: Ik zal vlieden de weldadigheden Davids geven die getrouw zijn. Maar dat Hij met die hooge waardigheid door God wordt bekleed en geïnstalleerd , geschiedt uit hoofde zijner allerinnigste betrekking tot dezen, en de oneigenlijke en tijdelijke genereering (het maken tot Koning en Hoogepriester) heeft de eigenlijke en eeuwige generatie tot haren grondslag en veronderstelt deze.

met de eeuwigheid medebestaat èn hetgeen bij het vloeien des tijds uit gisteren in heden hetzelfde blijft, als eeuwig verstaan wordt. Vergal. P. van Mast richt, Godgel. I. p. 616. Weisz, Bibl. Tbeol. des N. T. S. 284 denkt bij Zoon Ps. 2 : 7 wederom alleen aan zijne Messiaswaardigheid en aan zijne inzetting in de volle wereldheerschappij door zijne verhooging.

\') Christus opstanding was het zegel op zijn verlossingswerk en Hij is daardoor krachtelijk bewezen te zijn de Zoon Gods en Koning en Rechter der wereld Rom. 1 : 4. Hand. 17 :31. Zegt men echter dat toen zijne menschheid tot volle Godsheerlijkheid als htt ware uitgeboren werd (Von Gerlach N. T. zu Hebr. 1 : 5 en Stier, Reden der Apost. 1. S. 368) zoo luidt dat ietwat Luthersch. Hierbij dient men nog op te merken, dat Hand. 13: 32 alleen staat ccvxvTvivxq „als hij Jezus verwekt heeftquot; (d. i. in de wereld gezonden om het werk der verlossing te volbrengen. Hand. 3 : 22. Kantteek.)-, v. 34 wordt uitdrukkelijk zijne opwekking uit de dooden genoemd , xvhryïtv ocxjtov sk vsxpüv.

Gravemeijer, Goi\'of. Gel. leor. 31

-ocr page 508-

§21. DE NAAM ZOON GODS.

482

Want alleen die uit God was en zelf God, kon almachtig Koning zijn en zaligmaken allen die op Hem betrouwen.

§ 21. De naam Zoon Gods.

Dat Christus den naam Zoon Gods in een eigenlijken zin draagt, als de van eeuwigheid uit God geborene, wordt ontkend door allen, die zijne eeuwige Godheid loochenen.

Het sterkst is dit uitgesproken in hot Sociniaansche leerbegrip, volgens hetwelk Christus vóór zijne geboorte uit Maria geheel niet had bestaan en „Zoon Godsquot; zou heeten oneigenlijk, figuurlijk en wel alleen naar zijne menschelijke natuur. 1. Wegens zijne bovennatuurlijke geboorte uit de maagd, door de werking van Gods Geest. 2. Wegens de bijzondere liefde des Vaders jegens Hem, zoodat eenigge-borene hetzelfde zou zijn als eenig geliefde. 3. Wegen\'s zijne gelijkheid met God, die Hem is medegedeeld a. in zijne heiliging tot het Middelaarswerk, daar Hij met Goddelijke wijsheid, heiligheid en ook reeds op aarde rr eteenige Goddelpe macht en heerschappij bedeeld werd; h. in zijne opwekking uit de dooden, daar Hij onsterfelijkheid ontving; c. in zijne verhooging ter rechterhand Gods, waar God Hem volkomene macht en heerlijkheid mededeelde. Bij de Socinianen is Christus niet van nature God; al wat Hij Goddelijks bezit, hoeft Hij als een geschenk van God ontvangen : By is een tot Goddelijke majesteit verhoogd mensch, een geworden God. \').

\') F. Spanheim , GontroversiarElenchus p. 167. Winer, Comparative Darstellung 2te Aufl. S. 42 f. — H. A. Roëll, die de

-ocr page 509-

§21, DE NAAM ZÜON GODS.

Het Sociniaansche leerstelsel is afkomstig van twee Juristen en theologen uit Italië, Laelius Socinus, die 1562 n.G. te Zurich stierf, en diens neef Faustus Socinus, gestorven 1604 in de nabijheid van Krakau, toenmaals hoofdstad van het koninkrijk Polen, Door Laelius Socinus was hel stelsel uitgebroed, door Faustus kreeg de verstrooide partij der Unitariërs (Eenheidsdrijvers, bestrijders van de Drieëenheid) naam en verband. Hun leerstelsel is vol van innerlijke tegenstrijdigheden, Terwijl zij de Goddelijke ingeving der Heilige Schrift erkennen, stellen zij de menschelijke (gezonde) rede boven haar, Gods Woord is hun geen rechter, maar slechts vorm, regel voor het oordeel der rede. En de rede is de uitlegster. De Drieëenheid, de Godheid van Christus, de erfzonde, de genoegdoening door Christus dood enz, verwerpen zij, als zijnde geen leer der Heilige Schrift, maar traditie, menschelijke overlevering. Zij en hunne volgelingen, de Socinianen, vooral in Polen en Zevenbergen gezeteld, waren de voorgangers der latere Rationalisten i).

Ariaansch is de dwaalleer, dat de Zoon Gods wel vóór zijne menschelijke geboorte bestond, maar toch eens een begin heeft gehad en uit dien hoofde, hoe verheven Hij ook zij, toch maar een schepsel is; eene dwaling, die in onze dagen door tal van Protestanten, hier te lande bijzonder door de zoogenaamde Groningschen of Evangelischen, weer opgenomen is en voorgestaan wordt.

eeuwige generatie des Zoons, als strijdig met zijne Godheid, ontkende, beweerde dat de naam Zoon Gods alleen den Messias en Koning Israels aanduidde. Scholten, Leer der H, K, 11. p. 624.

\') Hagenlach , Dogmengesch. S. 539 ff. llerzog in zijne Real-Enc. XIV. S. 502 f. 2e Ed. S. 37ö ff.

483

-ocr page 510-

§21. DE NAAM ZOON GODS.

Arius, presbyter of Oudste en leeraar aan eene wijkkerk („Baukalisquot; geheeten) te Alexandria gestorven 336 n. C., bestreed de eeuwige generatic des Zoons en zijne Wezenseenheid met den Vader, God zijn en Zoon zijn achtte hij tegenstrijdig : wie God is , is niet Zoon en wie Zoon is, is niet God gt;). Naar hem heeft dan de Zoon een begin gehad en is een schepsel. Hij is wel vóór de wereld geworden, dus „voor tijden en eeuwenquot; : want de tijd begon eerst met de wereld; maar do Zoon is na en onder den Vader, Hij was niet vóórdat hij geboren werd2). De afstand tusschen God en de schepselen, leerde Arius, is te groot dan dat God ze onmiddelijk kon voortbrengen. Als God dan besloot de wereld te scheppen, schiep Hij eerst een Wezen dat Hem in volmaaktheden zoo gelijk was als een schepsel zijn kan, om door dit Wezen geheel de schepping te volbrengen.

Arius, door den bisschop Alexander afgezet, zocht ijverig zijne leer te verspreiden door geschrift. Hij schreef een boek, getiteld Thalia, gedeeltelijk in dicht en ondicht, en liederen voor schippers, molenaars en wandelaars*).

Als de Ariaansche kerktwist zich al wijder uitbreidde, en

\') Niedner, Kirchengeschichte S. 333.

Het zeggen van Arius: yv óVf oux ijf o uwV (er was een tijd toen de Zoon niet was), of xpiv yswydy oüx fa gaf niet slechts eenen Uj\'d te kennen, die er immers vóór de wereld niet was, maar veelmeer de voorwaarde van het bestaan des Zoons, z. v. a. èxu (jM yswyóy ohx. fa.

3) Ein altes Mitte.l, urn Religionsmeinungen unter dem Volke zu^verbreiten, Neander, Kirchengesch. II. Bd. 2te Abth. S. 525. Dus was het ook met het kerkgezang. Sektenstifter und hare-tische Fartheien gebrauchten oft Kirchenlieder, um dadurch ihre eigenthümlichen Religionsmeinungen in Umlaaf zu bringen. Dezelfde in a. w. S. 457.

484

-ocr page 511-

§21, DE NAAM ZOON GODS.

het tevens bleek, dat hij den grond en het wezen van het christengeloof raakte, werd op last van Keizer Constantijn den Groote de eerste algemeene Kerkvergadering gehouden, te Nicéa in Bithynië 325 n. C., waar 318 bisschoppen en mindere kerkdienaren samenkwamen i). Bijzonder ijverde daar voor de waarheid de jeugdige, vurige archidiaken van Alexandrië Athanasius (gestorven 373), die zijnen bisschop Alexander verzelde. Het rechtzinnige gevoelen zegevierde en werd uitgedrukt in de NiceenscheBelijdenis des geloofs, waarin Jezus Christus beleden werd als de eeniggehoren Zoon Gods, geboren uit den Vader voor alle eeuwen , licht uit licht, waarachtig God , geboren en niet gemaakt, van het zelfde Wezen met den Vader71).

1) Over het getal der bisschoppen zijn de berichten strijdig. Naar Eusehius van Gaesarea, die er zelf ook was, waren er 250. Naar Eustathius van Antiochië , mede tegenwoordig, omtrent 270. Volgens Dorotheiis was het getal der bisschoppen, diakenen en monniken samen 318. En hiervoor verklaarde zich eindelijk het algemeene gevoelen, ook door Athanasius bevestigd. En men vond in dat getal eene merkwaardige overeenkomst met Abrahams 318 krijgsmannen, waarmede deze zooveel duizenden vijanden door het geloof versloeg. De Synode duurde twee maanden en 6 dagen, tot den 25sten Augustus. Guil, Cave, Scriptorum ecclesiasticorum historia litteraria. Geneva! 169!). Pars II. p. 65 sq.

s) ópoouaios rij) nxrpi. Zeventien Ariaanschgezinde bisschoppen weigerden eerst hunne toestemming, doch werden door keizerlijk gezag genoodzaakt het Symbool aan te nemen. Twee Egyptische bisschoppen, ïheonas en Secundus, onderteekenden niet, Euscbius van Nicomedië en Theognis van Nicea slechts met voorbehoud. Neander, Kirchengesch. 11. Bd. 2te Abth. S. 541. Niedner, Kirchengesch. S. 335.

485

-ocr page 512-

§ 22. DE NAAM ZOON GODS.

§ 22- De naam Zoon Gods. (Vervolg.)

Christus draagt den naam Zoon Gods \'J wel in verscheiden opzicht, ook als Koning, als Messias, maar ook dan juist naar zijne betrekking tot God1); als lieveling en vertrouweling van God; ook naar zijne menschheid, naar welke Hij geenen mensch tot Vader had, Luc. 1 : 35: Eet heiliye dat uit u (Maria) geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden, vergeleken met Luc. 3 : 38 : Adam. de Zoon Gods , dus genaamd, omdat hij niet is voortgekomen van andere menschen, maar van God zeiven, naar zijn evenbeeld geschapen, gelijk ook de Engelen daarom zonen Gods genaamd worden, Job.. 1: 6. (Kantteek). Maar de wezenlijke en eerste grond van Christus\' naam Zoon Gods is zijne eeuwige geboorte uit God en zijne Wezenseenheid met den Vader naar zijne Godheid, om wiens wil en in wien God uit genade zondaren tot kinderen aanneemt. En daardoor alleen kon Hij de Middelaar zijn: de hoogste Profeet boven alle menschelijke leeraren, verzoenend Hoogepriester en eeuwig Koning. Zoo alleen kon Hij geenen menschelijken vader hebben, daar Hij van eeuwigheid als Persoon bestond en deze Persoon, de eeuwige Zoon, de menschelijke natuur aannam.

Hij is de Zoon Gods niet slechts in een oneigenlijken.

\') In onze Statenvertaling wordt Jezus Gods kind genoemd Hand. 3: 13, 26. 4: 27, 30. Doch daar staat in het Gr. niet réwov of uiog, maar ttocïs en men moet vertalen : knecht Gods. Onze Staten-overzetters hebben er dan ook telkens bij aange-teekend : of knecht, dienaar.

2) Cremer, Wörterb. S. 565. Ebrard in Herzogs Real-Enc. VI. S. 598. 2e. Ed. S. 675.

486

-ocr page 513-

§ 22, DE NAAM ZOON GODS.

figuurlijken zin of door aanneming, maar de eigen en natuurlijke Zoon gt;). Daarom is de gave Gods zoo groot: Die ook zijnen eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle diijgen schenken ? Rom. 8 : 32. Daarom zochten dan de Joden te meer Hem te dooden, omdat Hij niet alleen den sabbat brak, maar ook zeide dat God zijn eigen Vader was, zichzelven Gode evengelijk makende, Joh. 5 : 18. De uitdrukking eigen bewijst onwedersprekelijk dat Hij de Zoon Gods iamp; in eenen zin, die alle oneigenlijkheid uitsluit en dusdanig als er geen ander Zoon Gods zijn kan. Daarom wordt Hij de eeniggeboren Zoon Gods genoemd, Joh. 1 : 18 ; „Niemand heeft ooit God gezien, de eeniggeboren Zoon, die in den schoot des Vaders is (was)1), die heeft Hem ons verklaard.quot; En waar de Heilige Schrift van het zenden des Zoons door den Vader spreekt, kan dit zenden dan alleen een waar, werkelijk en eigenlijk zenden zijn, wanneer deze Zoon werkelijk en eigenlijk de Zoon des Vaders is. Dus Gal. 4 : 4: „Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God zijnen Zoon uitgezonden*), gewor-

\') Brakel, Redel. Godsd. I. p. 117.

2) D. i. die ééns ivezens met den Vader is, van Hem geliefd en dien derhalve al de secrete (geheime) wijsheid des Vaders bekend is. Kantteek. In de lendenen worden gezegd te zijn men-schen die geboren zullen worden; in den schoot zijn, die geboren zijn. In den schoot des Vaders was de Zoon, wijl hij nooit was nietgeboren. Er wordt te verstaan gegeven de hoogste eenheid en de innerlijleste kennis, uit het allernaaste aanschouwen. Bengel, Gnomon, a. 1. Daarom kon hij ons God verklaren.

2) èt;ixirélt;7T£itev, Het èl; en «jra verklaart Bengel treffend; ex coelo, a sese, ut promiserat. En hij voegt er hij : Ergo

487

-ocr page 514-

§ 22. DE NAAM ZOON GODS.

488

den uit eene vrouw, geworden onder de wet, „Wie nog niet bestaat, kan niet uitgezonden worden. Hij was reeds. Hij werd niet eerst Gods Zoon door de geboorte uit de maagd, maar was het en God zond Hem, door Hem uit eene vrouw te doen geboren worden naar zijne mensch-heid. Tevens was het eene eigene vrijwillige daad van Hem zei ven, Filipp. 2: 7: „Hij heeft zich zei ven vernietigd , de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende en is den menschen gelijk geworden.quot; De naam Zoon Gods drukt juist zijne hoogheid uit in tegenstelling van zijne aardsche nederigheid, die hierin lag, dat Hij uit eene vrouw en onder de ivet werd. Als de Zoon Gods was Hij uit God geboren, als mensch werd Hij geboren uit Maria.

§ 23. De uitgang des Heiligen Oeestes.

De Heilige Geest gaat uit van den Vader en den Zoon. Nederlandsche Belijdenis des Geloofs, Art. XI; Wij gelooven en belijden ook, dat de Heilige Geest van eeuwigheid van den Vader en den Zoon uitgaat, niet zijnde gemaakt noch geschapen noch ook geboren, maar alleen van beiden uitgaande, welke in orde is de derde Persoon der drievuldigheid (Drie-

Christus ipse non ideo demum est Filius Dei, quia a Patro missus et unctus esl. Olshausen, Comment, zu Luc. 1 : 35 (Dritte Aufl. S. 104) stemt mede toe : gewöhnlich bezeichnet der Ausdruck (Sohn Gottes) in metaphysischem Sinn die ewige Exist enz Christi, die er hei dein Vat er halt; sein VerhiiUnisz als Gott zu Galt, als die Manifestation des verborgenen Gottes.

-ocr page 515-

§ 23. DE UITGANG DES HEILIGEN GEESTES. 489

eenheid)\') eenszelvigen Wezens, Majesteit en Heerlijkheid met den Vader en den Zoon, zijnde waarachtig en eeuwig God, gelijk ons de Heilige Schriften leeren.

De Grieksche Kerk leert dat de Heilige Geest alleen van den Vader uitgaat, de Roomsche en met haar de Protestant-sche (ook de Mennonieten en de Remonstranten): van den Vader en den Zoon, niet door twee afzonderlijke werkingen des Vaders en des Zoons, maar door een eenige werking van beiden.

De stelling der Grieken vloeide voort deels uit hun streven, om bij de Drieheid der Personen bijzonder de Eenheid (monarchie) Gods te doen uitkomen : de Vader is het beginsel, de wortel en welle der Godheid 2) zeiden zij ; deels uit hun verzet tegen de Geestbestrijders (Pneumatomachen), die den Heiligen Geest voor een schepsel van den Zoon en aan dezen ondergeschikt verklaarden »). Reeds hieruit blijkt, dat de strijd hierover tusschen de Grieken en de Latijnen geen enkel woordenstrijd was.

Het is een geschilpunt niet zonder gewicht. Want 1. De stelling der Grieksche Kerk verstoort de ware leer der Drieëenheid»). Immers, gaat de Heilige Geest niet van den Zoon uit, maar alleen van den Vader, a. dan is de Zoon minder dan de Vader, en de Heilige Geest als

\') Lat. tekst: qui ordine tertla in Trinitate persona est.

2) to 7rvcüf/,x to xyiov èxtopsóstxi ia /aovou tov irxtpo?, üt; Tryiyys kou xpxv? ósóryroz. Confess, orthod. Winer, Com-par. Darstell. 2te Aufl. S. 44.

3) Neander , Allg. Gesch. der Ghristl. Kirche 11. Bd. S. 601 f. De strijd over Filioque is kort geschetst bij Hagenbach, Lehrb. der Dogmengesch. S. 212. 374.

4) P. van Mastricht, Godgel. I. p. 655.

-ocr page 516-

490 § 23. DE UITGANG DES HE1LIGGN GEESTES.

nevens gt;) den Zoon staande. Daardoor wordt de wezenlijke eenheid des Zoons met den Vader en de eenheid des Heiligen Geestes met den Zoon verbroken, h. Dan zijn de geboorte des Zoons en de uitgang des Heiligen Geestes niet meer van elkander te onderscheiden en de orde, dat de Zoon is de tweede, de Heilige Geest de derde Persoon, wordt daardoor opgeheven, c. Ook wordt daardoor aan de waarheid, dat Jezus Christus de bron is van het geestelijke en eeuwige leven, de eigenlijke grond ontrukt1\').

2. Te ontkennen dat de Zoon den Heiligen Geest mede doet uitgaan , is strijdig tegen de leer der Heilige Schrift. De Grieksche Kerk beroept zich voornamelijk op Joh. 15: 26: „Maar wanneer de Trooster zal gekomen zijn, dien ik u zenden zal van den Vader, namelijk de Geest der waarheid, die van den Vader uitgaat*), die zal van mij getuigen.quot; Maar door zijnen hier vermelden uitgang van den Vader, waarmede Jezus ontegenzeglijk den eeuwigen uitgang, het persoonlijk bestaan des Heiligen Geestes bedoelt, wordt geenszins zijn uilgaan van den Zoon buitengesloten. Immers de Zoon wil Hem zenden. Hoe kon deze den Heiligen Geest zenden, wanneer die niet van Hem uitging? Jezus spreekt hier zoo, om met nadruk te verklaren dat de Geest, dien

1

\') Slier, Die Reden des Herm Jesu nach Johannes II. S. 380, zu Joh. 1G : 13.

-ocr page 517-

§ 23. DE UITGANG DES HEILIGEN GEESTES.

Hij wil zenden, de eigen Geest des Vaders, de waarachtige en almachtige Geest Gods is, sterker dan alle vijanden. Htt uitgaan des Heiligen Geestes is zoo gewis niet alleen van den Vader, maar ook van den Zoon\'), als de zending des Heiligen Geestes, die de Zoon zich hier toeeigent, niet alleen is van den Zoon, maar ook van den Vader. De Zoon zendt Hem van den Vader en de Vader zendt Hem in den naam des Zoons. Joh. 14: 2G : „Maar de Trooster, do Heilige Geest, welken de Vader zenden zal in mijnen naam, die zal u alles loeren en zal u indachtig maken wat ik u gezegd heb.quot; In mijnen naam, dat wil zeggen: de Vader zal den Heiligen Geest zenden op de voorbidding, door bemiddeling des Zoons, wanneer er in diens naam om gebeden wordt en de Heilige Geest zal dan de plaatsbekleeder des Zoons op aarde zijn en in diens naam de geloovigen leiden. Dies mogen wij zeggen, dat de Heilige Geest van den Vader uitgaat door den Zoon en er is geene mededeeling des levendmakenden Geestes voor ons denkbaar, dan door den Middelaar Gods en der menschen. Dit ziet wel op de zending en huishoudelijke werking des Heiligen Geestes in den tijd, maar in deze openbaart zich het eeuwige uitgaan, want de wijze van zijn werken beantwoordt aan de wijze van zijn bestaan1).

\') Es ware falsche Subordination des Solmes in der Trinitat, irenn der Geist nicht auch seines Wesens ivare. Stier, Reden des Herin Jesu nach Johannes II. S. 334. zu Joli. 15 : 20.

2) Relationes eniin personarum divinarum oeconomicae speculum sunt et demonstratio relationum naturaiium. In de huishoudelijke betrekkingen der Goddelijke personen spiegelen zich af en vertoonen zich hunne natuurlijke (wezenlijke) betrekkingen. Fr. Ad. Lampe, Mysterium processionis Spiritus Sancti. Disser-tat. Vol. II. Amstelod, 1787 p. 2Ü0.

491

-ocr page 518-

492 § 23. DE UITGANG DES HEILIGEN GEESTES.

Ook nog Openb. 22: 1 komt de rivier van het water des levens voort uit den troon Gods en des Lams.

De overeenkomst en eenheid van het wezenlijke en het huishoudelijke uitgaan des Heiligen Geestes mede van den Zoon is klaarlijk uitgesproken Joh. 16: 15, waar Christus zelf betuigt: Al wat de Vader heeft is mijn (dus ook de Geest, die Hem verheerlijken zou, en van dezen sprak Hij) daarom heb ik gezegd, dat Hij het uit het mijne zal nemen en u verkondigen. En Joh. 5: •, zoo wat de Vader doet, hetzelfde doet ook de Zoon desgelijks. Hiervan is niets uitgezonderd dan dit eenige, dat de eerste alleen Vader is en den Zoon genereert.

Eindelijk ten volle beslissend is dit, dat de Heilige Geest genoemd wordt de Geest van Christus, de Geest des Zoons en wel niet alleen na de menschwording en verheerlijking des Zoons (Rom. 8: 9. Gal. 4: 6) maar ook vóór diens komst in de wereld : l Petr. 1:11: de Geest van Christus was in de Profeten.

§ 24. Persoonlijkheid des Heiligen Geestes.

De Heilige Geest is niet slechts een naam om de kracht of de heilige natuur Gods aan te duiden; er wordt niet alleen door te kennen gegeven de geaardheid en zin van den Vader en van den Zoon en door dezen van de Gemeente: maar Hij is naar de leer der Schrift een Persoon, een Ik, een Zelf, een levende Zelfstandigheid met zelfbewustheid. Hij is geen bewustelooze kracht Gods, maar zelf met bewustheid en wil Uitdeeler der krachten en gaven. Deze zijn onderscheiden. Doch deze dingen alle werkt een en dezelfde

-ocr page 519-

§ 24, PERSOONLIJKHEID DES HEILIGEN GEESTES. 493

Geest, deelende eenen iegelijk in het bijzonder gelijkerwijs Bij wil, 1 Kor. 12: 11. Door dit werken en uitdeelen, en wel naar zijnen teil, wordt de Heilige Geest op het nadrukkelijkst als Persoon gekenmerkt.

Door zeer velen wordt deze gewichtige waarheid ontkend. Wie haar verwerpt, verloochent de Goddelijke Drieëenheid. Voor de Socinianen^) bestaat er geen persoonlijke Heilige Geest. Hun is de Heilige Geest niet meer dan eene rheto-rische benoeming der verlichtende kracht Gods. Ook binnen de Hervormde Kerk wordt tegenwoordig luide verkondigd dat de Heilige Geest geen persoon is.

Men geeft er hedendaags onder anderen deze voorstelling van. „Ieder redelijk wezen, zegt men, heeft eenen geest en wel zijnen eigen geest. Dat wil zeggen : elk heeft zoo zijne geaardheid, eigenheid, bijzondere richting, die hij in zijn denken, gevoelen en werken volgt, een eigen beginsel van handel en wandel, een eigen karakter, goed of kwaad, hetwelk hij in zijn doen en laten betoont, dat hij echter ook aan anderen kan mededeelen. Dus heeft ook God, leert men, zijnen eigenen geest, eene bijzondere richting van denken en willen, een eigen beginsel van leven en werken. God nu, verzekert men, heeft eenen heiligen geest, dat wil zeggen : in al Gods denken, gevoelen en handelen heerscht heiligheid, al wat Hij doet, doet Hij in dien geest, in eenen heiligen, alleen het goede beoogenden zin. Dien heiligen geest, leert men, heeft Hij in de hoogste mate gegeven aan zijnen Zoon Jezus Christus. En het hoofddoel van de komst des Zoons in de wereld was geen ander dan om denzelfden

\') Winer, Gomparat. Darstell. 2te Aufl. S. 43. Scholten, Leer dor Herv. Kerk II. p. 249.

-ocr page 520-

494 § 24. PERSOONLIJKHEID DES HEILIGEN GEESTES.

geest aan de menschen naar mate hunner vatbaarheid mede te deelen. Daartoe moest alles dienen wat Hij in de mensch-heid leerde, deed en leed, ten einde de menschen Hem in aard en zin gelijkvormig zouden worden. En die één van geest worden met Hem, zijn dan ook met den Vadervol-komen verzoend en ook onderling door éénzelfden geest vereenigd als rechtgeaarde kinderenquot; •).

Het behoort tot de verbasteringen van het Christendom in onze dagen, wanneer men dit voor Christelijke leer uitgeeft, ais ware de Heilige Geest, dien Christus den menschen mededeelt, niets anders dan de in de Christelijke gemeente levende geest van gemeenschap, zonder persoonlijkheid, waarby dan ook de eigen persoonlijkheid des menschen in het algemeene leven vervloeit en iedere persoonlijke ge-

\') A. 11. van der Loeff, Godsdienst. Oefeningen. 1847 p. 101 —105. Zegt men: de U. Geest is het Goddelijk levensbeginsel, hetwelk de Vader door Christus aan de menschen mededeelt en dat in dezen zelfstandig leeft, Meijhoom, Hoofdzaken p, 156, vergel. Compendium. Gron. ed. 2. p. 78 : het is wél, wanneer men dit niet als definitie, maar enkel als eenpraedicaat van den H. Geest wil doen gelden. De invloed van Schleiermacher is in dezen merkbaar. Hij stelde: Der Heilige Geist ist die Vereini-gung des giittlichen Wes ens mit der menschlicher Natur in der Form des das Gesammtlehen der Glilubigen heseelenden Geniein-geistes. Der Christl. Glaube, 3te Ausg. II. S. 293. Hij ging uit van de verklaring ; der Heilige Geist sei die innerste Lehens kraft der christliehen Kirche als eines Ganzen. S. 288 Onder Gemeingeist verstond hij ganz dasselhige wie im weltlichen Regiment, nwnlich in Allen die zusammen eine moralische Person lilden, die ihnen gemeinsame Riehtung auf die Förderung dieses Ganzen, welche zugleieh in Jedem die eigenthümliche Liehe zu Jedem Einzelnen ist, ib. S. 283.

-ocr page 521-

§ 24, PERSOONLIJKHEID DES HEILIGEN GEESTES. 495

meenschap met God vervalt. Bij deze pantheïstische beschouwing wordt do mensch met plant en dier gelijkgesteld, die als enkelen opgaan in het algemeene leven hunner soorten, wier enkelleven in het leven der soort verdwijnt\').

Die de persoonlijkheid des Heiligen Geestes bestrijden, beroepen zich onder anderen voornamelijk ook hierop dat Hij eene kracht Gods genoemd wordt, b. v. Luc. 1 : 35, waar de Engel tot Maria zegt: „De Heilige Geest zal over u komen en de kracht des Allerhoogsfen zal u overschaduwen.quot; Maar ook van Christus zegt de Apostel Paulus 1 Kor. 1 : 24 : „wij prediken Christus, de kracht Gods en de ivijs-heid Gods.,\' De Heilige Geest is niet eene levenlooze, van God uitvloeiende kracht, maar Hij is de kracht bij uitnemendheid, de Bezitter en Gever van kracht, met bewustheid werkend, levenwekkend, bekwaammakend. Die kracht heeft en geeft en door zich zeiven krachtig werkt, bewust en willend , die is een Persoon »).

Als zoodanig, namelijk als Persoon en tegelijk in de volheid van kracht, wordt Hij ook voorgesteld Openb. 1 ; 4, waar wij lezen: „Johannes aan de zeven gemeenten die in Azië zijn: genade zij u en vrede van Hem Die is en Die ivas en Die komen zal (eene omschrijving van den naam Jehovah , die te kennen geeft wal God voor zijn volk is)

1) Von G er lach , zu Rom. 8 • 16 en 26.

2) De Nederl. Belijdenis des Geloofs Art. VIII. noemt den Heiligen Geest de eeuwige Kracht en Mogendheid, uitgaande van den Vader en den Zoon. Maar dit is geene definitie, veelmeer eene praedicatieve omschrijving, gelijk ten klaarste blijkt uit hetgeen daar gelijkerwijs van den Vader en den Zoon vooraf gezegd wordt. Men moet Art. XI er bij voor oogen houden. Vergel. Van Oosterzee, Christel. Dogmat. I. 390 v.

-ocr page 522-

496 § 24. PERSOONLIJKHEID DES HEILIGEN GEESTES.

en van de zeven Geesten die voor zijnen troon zijn. 5. En van Jezus Christus, die de getrouwe getuige is, de eerstgeborene uit de dooden en de Overste der Koningen der aarde.quot; Vele uitleggers, inzonderheid Katholieken, houden deze zeven Geesten voor geschapene Engelen, voor dezelfden die Openb. 8 : 2 voorkomen, waar Johannes zegt: „ik zag de zeven Engelen die voor God stonden.quot; Maar de zeven Geesten voor Engelen te verklaren is tegen het taalgebrnik der Openbaring, in welke de Engelen nergens Geesten genoemd worden. Ook wordt van de zeven Engelen gezegd dat zij voor God stonden, namelijk als de uitnemendste onder zijne dienaren, maar dan toch slechts als dienaren , terwijl dit staan voor God niet gezegd wordt van de zeven Geesten. Daar nu Johannes openbaar vooraf van den Vader spreekt en hierna van Christus, dien hij het laatst noemt omdat hij van dezen aanstonds meer te zeggen had, zoo doet dit ons bij de zeven Geesten noodzakelijk denken aan den Heiligen Geest. En daar de Apostel even zoowel van de zeven Geesten als van den Vader en van Christus genade en vrede toebidt, zoo kan daarmede niets anders bedoeld zijn dan de persoonlijke Heilige Geest. Zijne persoonlijkheid en zyne gelijkstelling met den Vader en den Zoon is hier klaarblijkelijk i). En waarom gezegd: de zeven Geesten, daar het toch één Geest is ? Het is om aan

\') Ook Fr. Diisterdieck, Kommentar. über die Offenb. Joh. 2te Aufl, S. 111 zegt: lm Wesentlichen kamt unter den siehen Geistern vor dem Throne Gottes nicht Anderes verstanden sein, als „der Geistquot;, welcher zu den Gemeinden redet und als Geist Christi die Menschen zu Pr ophelen macht. Vergel. Hengstenberg, Die Offenb. des h. Joh. zu. 1 : 4.

-ocr page 523-

§ 25. PERSOONLIJKHEID DES HEILIGEN GEESTES 497

te duiden de volheid der krachten (want zeven is het getal der volledigheid) die de eenige Geest heeft, in tegenstelling tegen de veelheid dor vijandige machten, die de Kerk bedreigen, ook bijzonder met opzicht tot de zeven Gemeenten van Klein-Azië. Voor Gods troon zijn de zeven Geesten, dat wil zeggen : gereed om de Kerk in haar lijden en strijden te helpen. In dezen Geest met de volheid zijner krachten heeft de Kerk eenen onverwinbaren borstweer tegen alle aanvallen des vijands.

§ 25. Persoonlijkheid des Heiligen Geestes. (Vervolg).

De Heilige Schrift geeft ons voldingende bewijzen voor de persoonlükheid des Heiligen Geestes.

1. De Heilige Geest wordt bij de Twee, die zonder tegenspraak Personen zijn, als een c/errfe gesteld. Zoo gewis als de Vader en de Zoon Personen zijn, moet dan ook de Heilige Geest voor een Persoon gehouden worden. Dus in Christus bevel Matth. 28: 19, om te doopen in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes \'). En in

\') Zie boven § 7. Ad. Lampe , Dissertat. II. p. 110—112. Het Compendium Dogm. Gron. 1845. p. 78 wilde het bewijs uit Matth. 28: 19 ontkrachten door verwijzing naar Openb. 3: 12 , waar beloofd wordt, dat op den overwinnaar geschreven zal worden de naam Gods en de naam der stad Gods en de nieuwe naam van Christus. Maar den naam op iemand schrijven is iets anders dan iemand doopen in een naam. Het is eene zinnebeeldige belofte, dat de overwinnaars, de Christenen open-Gravomeijev, Gorof. Gel. leer. 82

-ocr page 524-

498 § 25. PERSOONLIJKHEID DES HEILIGEN GEEETES.

den apostolischon zegenwensch 2 Kor. 13 : 13; De genade des Heer en Jezus Christus en de liefde Gods en de gemeenschap des Heiligen Geestes zij met u allen •).

2. De Heilige Geest heeft zich onderscheidenlijk en zelfstandig geopenbaard. In menschelijke gedaante is Hij wel nooit verschenen , maar zijne bijzondere tegenwoordigheid heeft Hij door teekenen vertoond2), die de hoedanigheid van zijne werking te kennen gaven. Bij den doop van Jezus daalde de Heilige Geest op Hem neder in lichamelijke gedaante gelijk eene duif Luc. 3 : 22 3) en was van den sprekenden Vader en van den gedoopten Jezus , op wien Hij bleef (Joh. 1 : 33), onderscheiden. Onmogelijk, dat daar, naar den zin en het doel van het bericht zelf, de Heilige Geest slechts eene eigenschap Gods zou beteekenen. Door dien Geest werd Jezus naar de woestijn gedreven tot den strijd met den Satan, door dien Geest dreef Hij de duivelen uit. Die Geest wees Hem voortgaande aan wat Hij als Messias had te doen«).

haar zullen worden als des Vaders dierbaar eigendom en gun-stcllingen, als burgers van het nieuwe Jeruzalem en als deelde-nooten van Christus\' heerlijk rijk. Er wordt niet gezegd , dat de overwinnaar zal gedoopt worden in den naam der stad.

\') Zie boven § 8. bl. 36. Ook ücihne, Entwickelung des Paulin, Lehrbegriff. S. 120 erkent, dat 2 Kor. 13: 13 de H.G. als een zelfstandig Ens en Agens voorgesteld wordt.

J) Lampe, Dissertat, II. p. 117. sq. Brakel, Redel. Godsd. I. p. 133 merkt aan: eene substantie (zelfstandigheid) vertoont zich door toevallen, maar toevallen kunnen zich niet vertoonen door suhstantiën.

\') Zie boven § 6.

•\') Weisz , Bibl. ïheol. des N. T. S 61.

-ocr page 525-

§ 25. PERSOONLIJKHEID DES HEILIGEN GEESTES. 499

Voorts op den Pinksterdag Hand. 2:1 —4. Daar openbaarde zich de Heilige Geest ten volle in zijne persoonlijkheid. Niet alleen werd door een suizend geluid van boven zijne komst aangekondigd en door stralende lichtvlammen zijne tegenwoordigheid vertoond, maar, wat alleen een Persoon kon. Hij gaf te spreken met andere talen. Die dat deed kon toch waarlijk geen eigenschap of slechts eene van God uitvloeiende kracht zijn , zonder eigen leven en eigene bewustheid.

§ 26. Persoonlijkheid des Heiligen Geestes. (Vervolg).

Dat de Heilige Geest een Persoon is, blijkt 3. nog nader hieruit, dat de Schrift van Hem zulke hoedanigheden , eigenschappen en werkingen vermeldt als alleen aan een Persoon eigen zijn.

Daar komt Hij voor als Een die hoort en spreekt. Van eene onpersoonlijke kracht of van een bezielend beginsel of van eene denkwijs en richting, dergelijke bij de volgelingen van een uitnemend leermeester wel eens na zijnen dood zich eerst recht krachtig vertoont, die hem na zijn heengaan soms eerste ten volle verstaan , kon Jezus niet zeggen wat Hij zegt van den Heiligen Geest Joh. 16: 13 : Maar wanneer die i) zal gekomen zijn, namelijk de Geest der waarheid, Hij zal u in al de waarheid leiden, want Hij zal van zich zeiven niet spreken, maar zoo wat Hij zal hebben, zal

\') êxehos, evenzoo v. 14. Hierdoor kenmerkt Jezus zelf den H. G. al aanstonds als eenen Persoon.

-ocr page 526-

500 § 26. PERSOONLIJKHEID DES HEILIGEN GEESTES.

Hij spreken en de toekomende dingen zal Hij u verkondigen.

Van Hem wordt gezegd 1 Kor. 2: 10—13, dat Hij alle dingen onderzoekt, ook de diepten Gods; dat Hij hetgeen Gods is, gelijk de geest des menschen weet hetgeen des menschen is; dat Hij leert geestelijke zaken /net geestelijke woorden. Niet alleen geeft Hij aan Philippus het bevel Hand. 8 : 29 : (jfa toe en voeg u hij dezen wagen, maar Hij betuigt ook zelf zijne persoonlijkheid, Hij zegt: Ik, Hand. 10: 20 tot Petrus: „Zie, drie mannen zoeken u. Daarom sta op, ga af en reis met hen, niet twijfelende : want Ik heb hen gezondenquot; i). En Hand. 13:2; „En als zij (te An-tiochië) den Heere dienden en vastten , zeide de Heilige Geest : zondert mij af beiden Barnabas en Saulus tot het werk waartoe IA hen geroepen heb.quot; — De Heilige Geest heeft eenen wil, 1 Kor. 12: 11: deelende eenen iegelijk in het bijzonder gelijkerwijs Hij ivil. Men kan Hem smarten aandoen, gelijk Israël deed, Jez. 63 : lü : „Maar zij zijn weerspannig geworden en zij hebben zijnen Heiligen Geest smarten aangedaan, daarom is Hij (God) hun in eenen vijand verkeerd, Hij zelf heeft tegen hen gestreden2).quot; Men kan Hem bedroeven, waarvoor Paulus de geloovigen waarschuwt Efez. 4: 30 : „bedroeft den Heiligen Geest Gods niet, door welken gij verzegeld zijt tot den dag der verlossing.quot; Hier wordt de Heilige Geest zoo klaar mogelijk als Persoon voorgesteld. Want het bedroeven evenals het aandoen van smarten bij Jezaja, waarop Paulus toespeelt, past alleen op een persoon. Gelijk de Zoon Gods bedroefd en smartelijk aangedaan werd door de zonden zijner discipelen en der men-

\') syi) iX7rhrxgt;Mamp; olvtov:, \') Zie boven § 5. bl. 438.

-ocr page 527-

26. PERSOONLIJKHEID DES HEILIGEN GEESTES. 501

schen, onder welken Hij woonde , zoo wordt het ook de Heilige Geest, die in de geloovigen woont. „Waardoor te kennen gegeven wordt, dat de Geest Gods, die in ons woont, door de zonden , waarvan Hij eenen afkeer heeft, zijne vriendelijke werking in ons verduistert en in plaats van zijne liefde ons zijne gramschap laat gevoelen, gelijk een vader een droevig aangezicht aantrekt over zijne kinderen, wanneer zij in zijne tegenwoordigheid kwaad doen en in plaats van vriendschap te bewijzen hen, hoewel ongaarne, moet straffen ; waaruit ook een bedroefd gemoed rijst in de geloovigen en de zekerheid hunner zaligheid wordt verduisterdquot; gt;). Er wordt in de Schrift van lieijen tegen den Heiligen Geest gesproken, hetwelk geenen zin zou hebben, indien deze Heilige Geest geen persoon ware. Hand. 5:3: En Petrus zeide : „Ananias, waarom heeft de Satan uw hart vervuld, dat gij den Heiligen Geestlieyen zoudt en ouiixek-ken van den prijs des lands?quot; liegen, niet als kon de man werkelijk den Heiligen Geest beliegen of bedriegen, maar het was zijn oogmerk dit te doen en hij onderstond eene onwaarheid te zeggen en te veinzen, denkende dat de Heilige Geest, die in do Apostelen was, zulks niet wist en hun het niet zou openbaren. — Het kan geen enkel kracht en invloed van Jezus zijn, wat deze bedoelde, toen Hij beloofde , dat, wanneer Hij niet meer zichtbaar met de zijnen wandelde, de Geest zijn Plaatsvervanger bij hen op aarde zou zijn, de Trooster, Pleitbezorger, Helper en Bestuurder der geloovigen^). Ook kon de Kerkvergadering te Jeruza-

\') Kanlteekening van den Statcn-Bijbel op Efez. 4 : 30.

2) Ook Weisz, Bibl. ïheol. des N. T. S. 672 bekent: Als der Stellvertreter Christi ist der Geisl in den Christusreden des Evangeliims durchweg persönlich gedacht, wie Christus selbst.

-ocr page 528-

502 § 26. PERSOONLIJKHEID DES HEILIGEN GEESTES.

lem van een onpersoonlijk, levenloos en bewusteloos Iets niet zeggen Hand. 15 : 28 : „het heeft den Heiligen Geest en ons goedgedacht,,\'). Die iets goed acht, is geene zaak maar een persoon. Dus werd daar door de Kerkvergadering- zelve de Persoonlijkheid des Heiligen Geestes uitgesproken. Zoo kon ook de Apostel Paulus onmogelijk aan een onpersoonlijk Iets denken, waar hij zegt: de Geest zelf bidt voor ons , Rom. 8 : 26.

Kan men tegenwerpen : dat alles is slechts persoons^er-

/

beelding (personificatie), zooals men dikmaals van dingen spreekt, die geen personen zijn, bij voorbeeld: het vuur wil niet branden, of wat Jezus zelf eens zeide : de wind blaast waarheen hij wil Joh. 3 : 8 {wil, niet tegenover God maar tegenover den mensch, die den wind niet draaien kan) en dergelijke meer ? Maar zoovaak iets wat geen persoon is, als een persoon wordt verbeeld , dan is het, alleen in eenig bijzonder opzicht, het is slechts een of andere persoonlijke eigenschap of werking, die er op overgedragen en er aan toegeëigend wordt en het is dan telkens kennelijk genoeg uit geheel den vonn van voorstel, dat men figuurlijk spreekt. . Maar hetgeen waaraan , en dat buiten dicht , alle persoonlyke eigenschappen toegeschreven worden, moet een persoon zijn2).

Of kan men inbrengen, dat de Schrift veel van den Heiligen Geest zegt, wat op een persoon niet past? Bil voorbeeld, dat Hij aan menschen wordt gegeven ? Maar cok een persoon kan immers aan personen gegeven worden, als een

\') edol-sv, Vergel. Hand. 16: 4; tk iïóyftXTX tx Ksxpiftévx.

2) Lampe, Disseitat. 11. p. 115 sq. iJ. van Mast richt, Godgel. I. p. (349.

-ocr page 529-

§ 26. PERSOONLIJKHEID DES HEILIGEN GEESTES. 503

advocaat, een zaakbezorger, leermeester, leidsman enz. Ook Christus wordt gezegd door den Vader gegeven te zijn. — Ook strijdt het tegen zijne persoonlijkheid niet, dat Hij uitgestort, dat men met Wem gedoopt, gezalfd, vervuld wovAi. Bij deze uitdrukkingen ligt eene vergelijking ten gronde met olie en met water, die een schriftuurlijk beeld zijn van den Heiligen Geest in zijne zegenrijke werkingen.

§ 27. Persoonlijkheid des H. Geestes. (Slot.)

De Heilige Geest is dan een Persoon. En zijne persoonlijkheid is niet die des Vaders of des Zoons. Hij wordt uitdrukkelijk een ander genoemd en van den Vader en den Zoon onderscheiden. Christus sprak Joh. 14 ; 16 : „/A:zal den Vader bidden en Hij zal u eenen anderen Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid.quot; Trooster gt;), of Advocaat of Voorspraak: namelijk den Heiligen Geest, die u niet alleen zal troosten en sterken, maar ook ingeven, hoe gij u verantwoorden zult in tijd van benauwdheid en vervolging en hoe gij den Vader zult aanroepen in uwen

\') WxpomXiitos , advocatus, bijstand, voorspreker, pleitbezorger voor iemand in rechtsgedingen. Hetzelfde woord staat 1 Joh. 2 : 1 van Christus, alwaar het door Voorspraak vertaald is. Stier, Reden Jesu, Joh. 14: 16. Cremer, Worterb. S. 338 f. Hengstenberg , Das Evang. Joh. ill. S. 39 : Es ist hier nicht von der Sendung des H. G. im Allgemeinen die Rede, sondern in einer ganz bestimmten Beziehung, als Paraklet, als Beistand in dem gioszen Processe, den die Kirche gegen (die üdische und heidnisehe) Welt zu führen hat.

-ocr page 530-

504 § 27. PERSOONLIJKHEID DES HEILIGEN GEESTES.

nood, die hier een ander\') genoemd wordt, niet omdat Hij een ander Wezen heeft dan de Vader en de Zoon, maar omdat Hij een ander Persoon isquot; (Knntteeh.) Christus zelf is de eene Trooster, Voorspraak en Verdediger. Hij mw het toen op aarde in zichtbare tegenwoordigheid voor zijne discipelen; Hij is het sinds zijne hemelvaart nu nog eigenlijke!\' bij den Vader. De andere, die, wanneer de Zoon tot, den Vader ging , in de plaats van dezen die taak zou vervullen , is de Heilige Geest, even persoonlijk als Hij en toch niet Hij zelf. Christus neemt de belangen zijner geloovigen hij God waar, de Heilige Geest bepleit en handhaaft Gods zaak 2), zijne waarheid en zijne eer hij de geloovigen op aarde , in hen en voor hen tegen de wereld en tegen alle macht der duisternis. Op den Pinksterdag begon dit reeds. Maar het is niet alleen aan de Apostelen als zoodanig dat Jezus dezen Geest belooft , het is aan hen als vertegenwoordigers van alle geloovigen. Want Jezus voegt er bij : opdat Hij hij u blijve in der eeuwigheid , eene belofte dat, zoolang de wereld duurt, ook de Parakleet zijn ambt in de Kerk zal uitrichten en dat alzoo de Kerk in haren strijd met de wereld niet mag versagen, ook wanneer deze in tal , aanzien en krachten haar te boven gaat.

De persoonlijke onderscheidenheid des Heiligen Geestes van den Vader en den Zoon komt ook zeer duidelijk uit in hetgeen Christus verklaart Joh. 1G : 13. Gelijk de Zoon

\') aXKos , niet er epos, dus niet als ware de H. G. een ander Wezen dan de Vader en de Zoon. Waar dan deze Parakleet komt, komen tegelijk de Vader en de Zoon, Joh, 14: 18. 23. 2) P. van Mastricht, Godgel. I. p. 646.

-ocr page 531-

§ 27. PERSOONLIJKHEID DES HEILIGEN GEESTES. 505

niet uit zich zeiven sprak maar uit den Vader, zoo betuigt Hij hier van zijnen plaatsvervanger, den persoonlijken Heiligen Geest: Hij zal van zich zei ven niet spreken, zooals een schepsel tot zijn verderf van zich zelf spreken en handelen kan on zoo als de vader der leugen uit zijn eigen spreekt, maar zoo wat Hij zal gehoord hebben, r\\ü.me\\\\\\k WlW den Vader en den Zoon, zal Hij spreken. Daar blijkt meteen dat Hij ook in zijne werkingen onderscheiden is van den Vader en den Zoon. De Vader werkt vatt zich zeiven doch door twee anderen, de Zoon van eenen anderen en door eenen anderen , de Heilige Geest van twee anderen doch door zich zeiven, daar Hij van den Vader en den Zoon hoorende spreekt en van Hen uitgaande en gezonden zijnde werkt i). Door of in den Heiligen Geest werken dan de Vader en de Zoon in de wereld en in de Kerk, in natuur en in genade ; Personen werken door een Persoon , die van hen beiden uitgaat, die zelf kracht en bewustheid heeft en krachtdadig den Goddelijken wil uitvoert.

§ 28. Godheid des Zoons en des Heiligen Geestes.

De Zoon en de Heilige Geest zijn met den Vader het ééne Goddelijke Wezen. De Zoon is God en de Heilige Geest is God zoowel als de Vader. Het hoofdpunt, ook het meest bestreden, is de Godheid van Christus, den in de wereld gekomen Zoon, met welke geheel de leer der Drieëenheid staat of valt. De Godheid van Christus kan op tweeërlei wijs bewezen worden. 1. Uit geheel den samenhang der Heilige Schriften , waar zij als een gulden draad is inge-

1 1\\ van Mastricht, Godgel. I. p. 645.

-ocr page 532-

306 § 28. GODHKID DES ZOONS EN DES HEILIGEN GEESTES.

weven, uit den eigen aard en de strekking van al de Goddelijke openbaringen van de eerste tijden af. Een Verlosser wordt daar aangekondigd en na zijne komst beschreven, wiens Rijk het Koninkrijk Gods heet, die vergeving van zonden , een nieuw hart en eenen nieuwen geest en eeuwig zalig loven schenkt; hoedanigheden worden Hem toegekend, die aan geen ander dan een Goddelijk Persoon eigen konden zijn. „Men kan naar waarheid zeggen, dat de verschyning van zulk een Persoon de ziel is der gansche Goddelijke openbaring en wanneer men die daaruit wegneemt, dat zij dan niet slechts hare ware bestemming en beduidenis , maar ook haar gewicht en hare waarde verliest\'). Overal in de Schrift wordt de Godheid des Verlossers ondersteld. Een zaligmaker buiten , beneden God , is aan den Bijbel vreemd. Een schepsel, zelfs het hoogste der schepselen , kon die verzoening en vereeniging met God niet bemiddelen, waarop onze zaligheid berust. 2. Uit stellige gezegden. Aan den Zoon en desgelijks aan den Heiligen Geest worden Goddelijke namen , eigenschappen, werken en eer toege-eigend. Aan wien deze samen toekomen, die moet God zijn. Want al wat Goddelijk is en God van schepsel onderscheidt , is daarin begrepen.

§ 29. Goddelijke Namen dos Zoons.

De Zoon draagt Goddelijke namen. Hij wordt lleere (Jehovah) en God genoemd.

\') Van der Palm, Bijbel voor de Jeugd. i2de druk. IX. bl. 136 v.v. Tweaten, Voiles. li. 1. S. 286. Da Costa, Rekensch. v. gevoelens p. 23 v. F, van Mastricht, Godgel. 1. p. 621.

-ocr page 533-

§ 29. GODDELIJKE NAMEN DES ZOONS. 507

t. Heere, Jehovah, Dus Jer. 23 ; 6 : „In zijne dagen zal Juda verlost worden en Israël zeker wonen en dit zal zijn naam zijn, daarmede men Hem zal noemen : ch Heere onze gerechtigheidquot; \')• Joodsche uitleggers verklaren dit dusdanig, dat niet de Messias zelf „de Heeren {iahoyAh) an „onze gerechtigheidquot; zou genoemd worden, maar de Heere onze gerechtigheid zou bij verkorting gezegd zijn en dezen zin hebben : onder en door den Messias zal de Hoere (Jehovah) onze gerechtigheid, ons heil zijn, zal zijne zegeningen over ons uitstorten.quot; Dit zou kort aldus zijn uitgedrukt: men zal den Messias noemen : de Heere onze Gerechtigheid. Deze opvatting wordt door sommige Christelijke uitleggers gevolgd2). Maar door de rechtzinnigen is altijd vastgehouden, dat de Messias zelf hier Jehovah genoemd wordt en alzoo waarachtig God moet zijn»). Terecht. Immers de Profeet spreekt van de rechtvaardige Spruite uit David, door Israël als Ver-

\') npnv nin\\ Zie Berde Stuk %n. bl. 51. 2de dr. bi. 58.

iquot; : • t :

2) Zell\'s ook dooi\' Henystenherg, Ghristol. des A. T. 111. S. 5G0 ff., die zich voornamelijk beroept op Jer. 33: lli^docli zonder grond, zie Schmieder m Jer. 23 : G. Intusschen wordt door Hengstenherg a. W. S. 562 f., de Godheid van Christus met nadruk beaamd. — Umbreit, Prakt. Gommentar. über den Jeremia S. 151 geeft en neemt. Hij stemt toe: Er (der kommende Ge-salbte des Herrn) ist der ivahre Heiland Judas und Israels und der Name, den er filhret, ist; „Jehovuh unsere Gerechtigkeit.quot; Maar waarop loopt het uit ? Deun durch ihn erkennen und erfahren sie dasz nur Jehova ihre heilbringende Gerechtigkeit sei. Zoo ook Oehler, Theol. des A. T. II. S. 203.

^ Dus ook Calvinus , van wien Hengstenberg^ a. W. S. 559 oordeelt, dat hij sonst manchmal aus übertriebener Seheu vor dogmatischer Befangenheit irrt.

-ocr page 534-

508 § 29. GODDELIJKE KAMEN DES ZOONS.

losser verwacht, die recht en gerechtigheid zou doen op aarde (v. 5) : deze zou zelf door zijn volk genoemd worden Jehovah onze, gerechtigheid\'), omdat Hij, als God geopenbaard in het vleesch, de eenige oorzaak en bron der gerechtigheid voor de zijnen werkelijk is.

2. De Zoon wordt in de Heilige Schrift God genoemd. Beslissend en boven alle tegenspraak verheven is in dezen Joh. 1: 1: „In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God,quot; dat is : was des eenigen en eeuwigen Goddelijken Wezens deelachtig met den Vader en den Heiligen Geest, gelijk onze Kantteekenaars te recht verklaren. Johannes wil niet zeggen, dat God het Woord, maar dat het Woord God was. Want in geheel dit voorstel is het hierom te doen, wie het Woord, de Logos, en niet wie God is. Is God de Logos, dan valt de zelfstandigheid van den Logos weg. Maar Johannes stelt het gezegde God voorop: en God was het Woord*), ten bewijze dat hierop de nadruk ligta). —Het Woord, de Logos, was niet slechts Goddelijk maar God. Dat is des Christens troost, een vabte burg des geloofs, waartegen alle verzoekingen moeten afdeinzen. Men heeft hier aan den naam God eene flauwere be-

1 Van der Palm, Aanteek. op Jer. 23: 6 vergelijkt hiermede den naam hnmanuël bij Jezaja.

2) xx) êios yjv ó hóyos. Onze Staten-vertaling heeft dit te recht overgebracht: en het tooord was God. God is gelegde. Het Woord is onderwerp; want dat is het ook in de beide vorige zinsneden en desgelijks in het 2de vers. Het Woord hier als praedicaat te nemen : en God ivas het Woord, zou in tegenspraak staan tegen het voorafgaande; het Woord ivas bij God.

3) Het praedicaat staat nadrukshalve voorop evenals Joh. 4 : 24 : smD/aas ó ósés.

-ocr page 535-

§ 29. GODDELIJKE NAMEN DES ZOONS.

509

teekonis willen geven , als van een lager Goddelijk Wezen •), in dien zin als ook de Alexandrijnsche Jood Philo den Logos God noemt. Maar daarmede heeft Johannes niets te doen : bij Johannes is God God. Overigens wordt de Godheid des Verlossers eerst recht gekend door ondervinding in het hart.

Uitdrukkelijk noemt Thomas, een der twaalven, Jezus zijnen Heere en God. Joh. 20: 28: En Thomas antwoordde en zeide tot Hem: mijn Heere en mijn God! De bestrijders van Christus\' Godheid zoeken ook hier uitvluchten. a. Naar sommigen zou het wel een uitroep van aanbiddende verwondering zijn geweest, doch niet tot Jezus maar tot God gericht: Thomas zou daarmede den Vader aanbiddende geprezen hebben, omdat Hij Jezus had opgewekt. Dit ware trouwens nog aannemelijker dan dat het slechts een uitroep van verbazing zou zijn , een misbruik van Gods naam, waarvoor ieder god-vreezend Israëliet gruwde. Maar alle onzekerheid wordt hierdoor weggenomen dat er uitdrukkelijk staat: Thomas

\') Bestrijders van Christus\' Godheid brengen in; dat Johannes , in de zinsnede en het Woord was God niet zegt ó óeos maar alleen tffsV zonder lidwoord. Doch dit bewijst niets. In dit zelfde hoofdstuk v. G en v. 13 en v. 18 wordt God^faV genoemd zonder het artikel. Ook Meijer , Kommentar. 5te Aufl. S. 65 merkt te recht aan ; het lidwoord kon hier niet staan, want daardoor zou de Logos voor denzelfden persoon verklaard zijn, hij wien Hij was. Door Trpo/; tov (sóv was de verscheidenheid des persoons vastgesteld : op deze persoonlijke verscheidenheid volgt nu de eenheid des Wezens en der natuur van beiden. Vergel. Dr. J. I. Doedes, Drie Brieven p. 65 v.v. Mr. 1 Da Costa, Rekenschap van Gevoelens p. 24 v.v.

-ocr page 536-

§ 29. GODDELIJKE NAMEN DES ZOONS.

zeide tot Hem, tot Jezus: „mijn Heere en mijn God!quot; \') h. Anderen geven aan „Heere en Godquot; een flauweren zin Maar in den mond van een Israëliet konden deze twee namen bijeengevoegd geen minderen beteekenen dan Hem die Jehovah, waarachtig God was1). Tot wien der Engelen of der menschen heeft ooit een zoon Israels gezegd: mijn Heere en mijn God? Het heeft in den mond van den Israëliet denzelfden verheven zin als de oudtestamentische aanroeping: o mijn Koning en mijn God! (Ps. 5: 3). c. Ook wendt men voor dat dit gezegde, in een oogenblik niet slechts van verrukking maar van overspanning uitgestort, toch voor ons geen bewijs kan zijn van Christus\' eeuwige Godheid. Maar hier moet men niet voorbijzien, dat Jezus aan deze betuiging van zijnen discipel zelf heirijskracht heeft gegeven doordat hij haar aannam en goedkeurde 3). Het was eene geloofsbelijdenis, Jezus zelf noemt het v. 29 geloof en Hij spreekt zalig die dat geloof zouden hebben, al hadden zij Hem met lichaamsoogen niet gezien. Thomas noemt Jezus niet alleen Heere, gelijk Maria Magdalena an de jongeren Hem ook al noemden, maar God noemt hij Hem. Hij spreekt hier uit wat Jezus zelf gedurig had geleerd, b.v. wat Hij tot Philippus had gesproken Joh. 14: 9 : l)ie mij gezien heeft, die heeft den Vader gezien en v. 11: Gelooft mij, dat ik in den Vader ben en de Vader in mij is. Ja nog meer: Thomas zegt tot Jezus : Mijn Heere en

510

1

) Da Casta, Rekensch. van gevoelens p. 27.

-ocr page 537-

§ 29. goddelijke namen des zoons.

mijn God! met een toeëigenend en overgevend geloof.

Leest men onbevooroordeeld, men zal moeten toestemmen dat Christus ook door Paulus God genoemd wordt Rom. 9 : 5: „Welker (der Israëlieten) zijn de vaders en uit welken Christus is zooveel het vleesch aangaat, dewelke is God boven allen te prijzen in der eeuwigheidquot; \')• Men heeft deze woorden anders willen afdeelen, zoodanig dat de laatste zinsnede eene lofverheffing van God den Vader zou zijn en niet eene getuigenis aangaande Christus. Men scheidt ze dan van de vorige woorden af1), in dezer voege : uit welken Christus is zooveel het vleesch aangaat. God die boven allen is, is te prijzen in der eeuwigheid. Maar dan is er geen verband : de vooraf vermelde afstamming des Verlossers uit de Israëlieten zooveel het vleesch aangaat mist dan de onmisbare tegenstelling van zijn hooger Wezen. Anderen, die dit gezegde te recht van Christus verstaan, ver-

511

1

) Zelfs Tischendorf doet dit in zijn Novum Testamentum Graece. Maar ook De Wette, Kurze Erklar. des Br. an die Romer. S. 161 moet bekennen : Die gewöhnliche Erklarung, nach welcher alles dieses auf Christum zu bezieJie/i, ist gewiss in gram-tnatischer Hinsicht die natürlichste, indem é uv — aV sjtiv und das to kxtx rrupKoc eine entgegengesetzte 1 where Aussage von Christo erwarten lasse. Terwijl intusschen De Wette hierbij vreemd opziet, verklaart Dr. B. Weisz , Bibl. Theol. des N. T. S. 280 : Us kann — nicht hefremden , wenn Christus liihn. 9 :5 gradezu als öscs sw) ttccvtuv gepriesen wird. — Meijer , Kom-mentar 5te Aufl. S. 416 brengt de doxologie tot God den Vader en beweert S. 415: dass uur der Vater, dem der Sohn dnrch-aus untergeordnet ist , niemals aher Christus von den Aposteln (Joh. 1 : 1 und den Ausruf) des Thomas Joh. 20 : 28 ausgenoin-men) wirklich Gott genannt wird.

-ocr page 538-

§ 29. GODDELIJKE NAMEN DES ZOONS.

zwakken wederom ten onrechte den naam God tot de betee-kenis van Goddelijk, der Goddelijke natuur deelachtig, zooals ook von de geloovigen gezegd wordt (2 Petr. 1:4)) hoewel in hoogeren trap. Maar ook dan gaat de tegenstelling tegen de afkomst naar den vleesche mank. Dat de naam God, hier in den vollen en eigenlijken zin te nemen is : van nature God, blijkt uit de bijgevoegde aanbidding : hoven allen te prijzen in der eeuwigheid, eene lofzegging „van geen wezen buiten God in den mond eens Apostels denkbaarquot; i).

Ook 1 Timoth. 3 : 16 draagt Christus den naam God, althans naar de gewone lezing : En buiten allen twijfel de verborgenheid der godzaligheid is groot: God is geopenbaard in het vleesch1). Men beweert, dat de Apostel geschreven heeft niet God, maar dewelke*) is geopenbaard in het vleesch. Maar ook dan wijst de uitdrukking geopenbaard in het vleeech duidelijk de Godheid van Christus aan. Immers die in het vleesch geopenbaard, verschenen is, moet vooraf geweest zijn zonder vleesch. Alle mensch is vleesch: bij gevolg was deze een bovenmenschelijk Wezen*). En daar Hij ook geen

512

1

\') Da Costa, Rekensch. van Gevoelens p. 28.

-ocr page 539-

§ 29. GODDELIJKE NAMEN DES ZOONS.

geschapen Engel was, kan de in vleesch geopenbaarde geen ander dan God zijn, zoo als de Schrift ook duidelijk leert Joh. 1 : 14 vergeleken met v. 1 : „het Woord was God en het Woord is vleesch geworden.quot;

Hier komt ook in aanmerking 1 Joh. 5:120; „Doch wij weten (in tegenstelling tegen de wereld, die in het booze ligt v. 19) dat de Zoon Gods gekomen is en heeft ons het verstand gegeven, dat wij den Waarachtigen kennen; en wij zijn in den waarachtigen, namelijk in zijnen Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God en het eeuwige levenquot;i). Deze. Hieronder verstonden de Arianen God»), den Vader van Jezus Christus. Maar dan zou Johannes zeggen wat reeds gezegd was , terwijl er toch kennelijk eene opklimming in zijne woorden is. Het zou zijn : deze waarachtige God is de waarachtige God en het eeuwige leven. Zonder twijfel slaat deze op het onmiddelijk voorafgaande zijn Zoon Jezus Christus »). Dus noemt Johannes hier eerst den Vader den Waarachtigen: dat wij den Waarachtigen kennen; dan noemt hü ook den Zoon den Waarachtigen : wij zijn in den Waarachtigen, namelijk in zijnen Zoon Jezus Christus*) en hij voegt er als eene verklaring van den Zoon Gods bij:

\') sttiv b lt;x/.y,öivo^ öeog km aluvios.

2) Huther, Kommentar. Dritte Aufl. S. 256.

3) Beslist verklaart zich hiervoor Weisz, Bibl. Theol. des N. T. S. 618. Ook Stier, Reden des H. Jesu nach Johannes II. S. 464 en Hengstenberg , Ev. Johannes III. S. 150. Anders wederom Dr. J. I. Poerfes, DeNederl. Geloofsbelijdenis. Utrecht 1880. p. 107 , die ook hier het tegen opzoekt, het vóór niet aanmerkt.

\'\') £i/ ajTOÜ als appositie tot sv rij) txhySivcji. Weisz

a. VV. S. 641.

Gravemc.ijer, Goref. Gel. leer. 33

513

-ocr page 540-

§ 29. GODDELIJKE NAMEN DES ZOONS.

deze is de waarachtige God en het eeuwige leven, waarby wij dienen op te merken dat Johannes nooit God op zich zelf en rechtstreeks het eeuwige leven noemt i).

De Schrift wordt door de Schrift bevestigd. Zoo drukt Hebr. 1 : 8 en 9 het zegel op Ps. 45 : 7 en 8. Daar hebben wij „een uitnemend profetisch bruiloftslied, bijgelegenheid van het huwelijk Salomons met Pharao\'s dochter, gedicht over het geestelijk huwelijk des Bruidegoms Jezus Christus met zijne lieve Bruid, de algemeene kerke der Joden en Heidenenquot; (Staten-Bijbel)2). Daar wordt de gezalfde Koning tweemaal aangesproken; o God! \\. 7 en 8. En ziet, de Brief aan de Hebreen zegt uitdrukkelijk, dat het is tot den Zoon: „uw troon, o Gods), is in alle eeuwigheid; de schepter uws koninkrijks is een rechte schepter. Gij hebt rechtvaardigheid liefgehad en ongerechtigheid gehaat: daarom heeft u, o God, uw God gezalfd«) met olie der vreugde boven uwe medegenooten.quot;

\') Weisz a. W. S. 627. Vergel. iïoos, Ghristl. Glaubenslehre S. 108. De Zoon Gods wordt hier aan \'t einde van den Brief het eeuwige leven genoemd. Zoo stemmen aanhef en slot des Briefs samen. Bengel, Gnomon.

s) Vergel. Oehler, Bibl. Theol. des A. T. II. S. 258 f.

wordt door sommigen overgezet: Uw Gods-

troon. Tegen de Hebr. taal, zie Hengstenberg, Gommentamp;r. über die Psalmen II. S. 416. Böhl, Die alttestamentl. Gitate im N. T. S. 267 f.

4) Hengstenberg zu Ps. 45 : 8 stemt toe dat

vertaald kan worden : daarom heeft u God, uw

God gezalfd, maai\' wegens v. 7, waar Eloliim in den vocativus slaat en wegens de plaatsing dezes wourds voorop in aanslui-

514

-ocr page 541-

§ 29. GODDELIJKE NAMEN DES ZOONS.

515

Het moet. ons niet bevreemden dat de naam God in de Heilige Schrift doorgaans aan den Vader wordt gegeven. Het is omdat de Zoon de Middelaar is geworden. Al de blijken van minderheid en ondergeschiktheid des Zoons bewijzen slechts de waarheid van zijne menschwording en vrijwillige vernedering en geheel ten onrechte heeft men daarvan gebruik gemaakt om de waarachtige Godheid van Christus te bestrijden. Daar komt men onder anderen met de aanmerking, dat Christus zelf zich van den eenigen waar-achtigen God onderscheidt Joh. 17:3, waar Hij tot den Vader zegt: Dit is het eeuwige leven, dat zij u kennen, den eenigen waarachtigen God en Jezus Christus dien gij gezonden hebt. Maar de eenige waarachtige God is hier genoemd niet in tegenstelling tegen den Zoon als ware deze er buiten, maar tegen de wereld en tegen de afgoden, welke zij verzint, en zich zeiven noemt de Zaligmaker daarbij, en wel met na

ting aan het voorafgaande Eloliim acht hij te recht noodzakelijk te vertalen : daarom heeft u, o God, uw God gezalfd. Evenzoo is het met Hebr. 1:9; \'Six toüto exfivt ce o 6sóg b öeó? aou. Dit kan vertaald worden : daarom heeft God, uw God, u gezalfd. Maar dit strijdt openbaar met v. 8. Böhl a. W. S. 268 : Wir denken, die Analogie von V. 8 nöthigt jeden vorurtheilslosen Exegeten, auch hier den Voeativ und die Bezeichnung des Messias als Gott im höchsten Sinne des Wortes zu statuiren. Die Kunst der Exegese soil uns nicht hefahigen mil der Wahrheit Versteek zu spielen. Ook Dr. G. Lilnemann in Meijers Handb. z. d. St. neemt aan, dat de nominativus ó Osei; in den zin des vocativus is geschreven, en desgelijks v. 9. Bühne, Entwiekel. des Paulin. Lehrbegr. S. 110 verklaart: Gesteld, Paulus had Christus niet werkelijk God genoemd, dan had hij het toch kunnen doen , zonder daardoor iets tneerders te zeggen dan hij met andere uitdrukkingen reeds had gezegd.

-ocr page 542-

516 § 29, GODDELIJKE NAMEN DES ZOONS.

druk Jezus Christus, als Middelaar die ons den Waarachtigen kennen en bezitten doet. Jezus Christus, dat waren de namen die de Zoon Gods op aarde droeg, in den staat der vernedering, gelijk Paulus Hem als den Middelaar Gods en der menschen noemt den mensch Christus Jezus 1 Tim. 2 :5. Treffend maakt een Godgeleerdequot;) de aanmerking: Dat Jezus hier niet in dezer voege nevens God wordt gesteld als de Mohammedanen zeggen; Er is geen God huiten God en Mohammed is zijn profeet, maar als deelgenoot des Wezens en der eere des eenigen Gods, blijkt hieruit dat de (volle) kennis van Christus hier in het eeuwige leven verplaatst wordt, hetwelk veronderstelt, dat Hij eene heerlijkheid bezit die de perken der eindigheid te boven gaat; ook hieruit, dat in deze kennis, niet minder dan in die des eenigen waarachtigen Gods, het eeuwige leven gelegen is. Op. 3 : 7 wordt Christus zelf de Heilige, de Waarachtige gmoamA. Bovendien, en dit is beslissend, de woorden Joh. 17: 3 moeten toch in hunnen samenhang met geheel het hoogepriestsrliike gebed2) opgevat worden en alleen die uitlegging kan de ware zijn, die niet strijdt tegen al de verhevene getuigenissen van de hoogheid des Zoons en van zijne eenheid met den Vader, welke in dit gebed uitgesproken of aangeduid zijn. Men vergelijke hiermede wat Paulus zegt 1 Kor. 8: 6 : „Hoewel er ook zijn die Goden genaamd worden, nochtans hebben wij maar éénen God, den Vader, uit welken alle dingen zyn en wy tot Hem: en maar éénen Heere, Jezus

\') Hengstenberg, Das Ev. des h. Johannes III. S. 150. iïoos, Ghristl. Glaubenslehre S. 125.

i) Hierop wijst terecht met nadruk Stier, Roden des Herrn Jesu nach Johannes II S. 4C4.

-ocr page 543-

§ 29, GODDELIJKE NAMEN DES ZOONS.

Christus, door welken alle dingen zijn en wij door Hem. quot; Wil de Apostel daarmede te kennen geven : de Zoon is niet God ? zoo min als : de Vader is niet Heere gt;)!

Men zegt: Christus kan niet God zijn, want God word zijn God genoemd. Dit geschiedt meermalen, zelfs door Jezus\' eigen mond Joh. ÜO : 17 : „Ik vare op tot mijnen Vader en uwen Vader en tot mijnen God en uwen God.quot; Maar bij het licht van geheel de Schrift moet men onderscheiden: God is zijn Vader naar de Goddelijke natuur , zijn God naar de menschelijke natuur1).

Zal men, ten bewijze dat Christus niet God is, dan nog inbrengen: dat Hij den Vader aangebeden, zijnen wil aan den wil des Vaders onderworpen en in vele woorden en gedragingen werkelijk eene ondergeschiktheid onder den Vader betoond heeft? en dat Hij zich zelf nooit God heeft genoemd? Maar dit alles kwam overeen met het doel, waartoe Hij op aarde was, en het bewijst alleen, dat Hij in waarheid de menschelijke natuur had aangenomen, en des te nadrukkelijker staan daar tegenover zijne eigene getuigenissen van zijne Godheid, als: Joh. 10: 30: Ik en de Vader zijn één. Hij zeide niet en kon niet zeggen : Ik bon de Vader. Maar Hij zeide ook niet: Ik ben God. Dat zou niet gevoegd hebben in den staat der vernedering, in de gestaltenis des dienstknechts; dat zou toen nog slechts tot lasterlijk misverstand hebben geleid, als ware Hij een tweede God nevens God ; dat zou zelfs niet gestrookt hebben met de waarheid, dat alleen de Vader van zich zei ven is, maar

517

1

) Stier, Bnef an die Epheser 1. S. 52. God is Ssèg ph vxpnulsvTOi;, ttxtijp cis ü? ósoü Koyou, Theophylact,

-ocr page 544-

§ 29. GODDELIJKE NAMEN DES ZOONS.

518

de Zoon uit en van den Vader, namelijk als Persoon, gelijk onze Gereformeerde Vaderen ook wel erkend hebben; want de Gereformeerden maken onderscheid tusschen eene icezen-lijke en eene persoonlijke vanzelfheid; de wezenlijke siakn zij toe, maar de personeele ontkennen zij \').

Ook Joh. 14: 28: Mijn Vader is meerder rfan «A: heeft men geheel ten onrechte als een bewijs tegen Christus\' waarachtige Godheid ingebracht. Ten onrechte, omdat men daarbij het verband der woorden voorbijziet. Immers Jezus zegt tot zijne discipelen : Indien gij mij liej hadt, zoo zoudt gij u verblijden, om dut ik gezegd heb : Ik ga henen tot den Vader: want mijn Vader is meerder dan ik. Zou ïly, die één was met den Vader, hier willen zeggen dat de Vader in wezen hooger en grooter was dan Hij ? Onmogelijk. Men neme toch in aanmerking, dat Hij met de woorden: Mijn Vader is meerder dan ik zoo iets wil zeggen , waar-

2) F. Van Mastricht, Godgel. I. p. 633. Stier, Reden des Herrn Jesu nach Joh. 1. S. 535, zu Joh. 8 : 58. De Zoon is naar zijn Wezen xutÓOioï. Hetgeen Lactantius, Institut, IV. 14. ed. Buneman p. 483 zegt: docuit (Jesus) quod unus Deus sit eumque solum eoli oportere nee unquam se ipse Deum dixit, eett. kan ons niet bevreemden bij zijne eigenaardige, onschriftuurlijke Theologie, die denn auch van je im Geruche der Heterodoxie stand. Hagenhach , Dogmengesch. S. 496. De abt Peter van Clugny (si. 1156 n. G.), verstaande dat ■jommige monniken twijfel hadden geopperd wijl Christus in de Evangeliën zich nergens zelf God noemde, vervaardigde een geschrift, in hetwelk hij trachtte te bewijzen, dat Christus zelf door de manier waarop Hij van zich had gesproken, zijne Godheid duidelijk genoeg had betuigd. Neander, Kirchengcsch. V. Band. 1ste Abtheil. S. 636. C. Schmidt in Herzogs Real.-Enc. XI. S. 446, 2e Ed. S. 540. Roos, Lehre und Leb. J. G. I. S. 76.

-ocr page 545-

§ 29. GODDELIJKE NAMEN DES ZOONS.

over de discipelen zich verblijden zouden. Maar eene meerderheid des Vaders ten aanzien van zijn Goddelijk wezen zou op zich zelf voor hen geene oorzaak van blijdschap zijn geweest. Een verstandig Godgeleerde teekent hierbij wel met reden aan : Welk onderdaan zal tot zijne vrienden zeggen : haddei gij mij lief, gij zoudt u verblijden dat ik tot den vorst ga ; want de vorst is voornamer dan Ik ? Christus zag hier de hoogheid des Vaders aan in tegenstelling tegen zijne vrijwillige vernedering. Hij was op aarde zelfs minder, nederiger dan de Engelen (Hebr. 2:9). Nu Hij echter tot den Vader ging die meerder dan Hij, dat is die niet vernederd was als Hij, werd Hij ook verhoogd en dit was het, wat Hem zijne jongeren uit liefde met blijdschap gunnen zouden. Te meer, daar dit tot hunne zaligheid zou strekken. Kortom, Jezus spreekt hier niet van het Wezen en de waardigheid, maar van den nederigen staat, in welken Hij zelf toenmaals was en die met zijn heengaan tot den Vader eindigen zou \').

Ook in Joh. 17 : 11 vinden de bestrijders van Christus\' Godheid geen voet. Men wijst hierop, dat daar de eenheid der geloovigen gelijkgesteld wordt met de eenheid des Vaders en des Zoons. Maar men bezie slechts nauwkeurig wat daar staat. Christus spreekt: „tleilige Vader, bewaar hen in uwen naam , die gij mij gegeven hebt, opdat zij één zijn gelijk als toij1).quot; 1. Jezus bidt niet dat Hij zelf met den Vader één moge zijn, maar dat de uitverkorenen mogen één zijn, onder elkander en met den Vader en den Zoon.

\') Boos, Ghristl. Glaubenslehre S. 125.

2) Ivo, uviv êv kxóu7 Zie Bengel, Gnomon a, 1. Weisz,

Bibl. ïheol. des N. T. S. 676.

519

-ocr page 546-

520 § 29. GODDELIJKE NAMEN DES ZOONS.

De Vader en de Zoon zijn één xmn natuur (Joh. 10:30): om deze eenheid bidt Jezus dan ook niet. Degeloovigen zijn één met den Vader en met den Zoon als Middelaar en zullen het dienvolgens ook onder elkander zijn in den Heiligen Geest, dus uit genade. Gelijk als wij duidt derhalve geene evengelijkheid aan, maar eene overeenkomst, eene gelijkvormigheid. De eenheid der geloovigen met God is bemiddeld door den Zoon, in wien de Naam, de heerlijkheid Gods is (Ex. 23: 21). 2. Ook zegt Jezus niet: opdat zij en wij één zijn, hetwelk eene gelijkstelling der geloovigen met Hem en den Vader zou zijn, maar hij stelt de geloovigen samen tegen zich en den Vader over : opdat .sy zijn gelijk als wij. Maar één onder elkander in Hem en door Hem in den Vader, naar v, 21: „Opdat zij allen één zijn, ge-lijkerwijs Gij Vader in mij en ik in U, dat ook zij in ons één zijn , opdat de wereld geloove dat gij mij gezonden hebt.quot; 3. Nog dient men op te merken, dat Hij zich en den Vader in het woord Wij samenvat en daardoor tegen de geloovigen over stelt. Hij zegt tot den Vader: Wij. Dat kon , dat mocht geen schepsel. Dat kon zelfs Mozes niet, wanneer hij tot God of wanneer hij tot het volk in den naam Gods sprak. En daarbij onderscheidt de Zoon zich tevens weer persoonlijk van den Vader, daar Hij zegt: Ik, U en Gij, Mij.

§ 30. De Heilige Geest God genoemd.

De naam God wordt ook gegeven aan den Heiligen Geest. Onloochenbaar Hand. 5 : 3, 4. Een echtpaar in de gemeente te Jeruzalem handelde bedriegelijk. Annanias en Sapphira

-ocr page 547-

§ 30. DE HEILIGE GEEST GOD GENOEMD. 521

verkochten hun land, gelijk ook de andere geloovigen deden, die er vast goed hadden, om bij het uitbreken der vervolging reisvaardig te zijn. Maar zij deden het niet in geloof gelijk de anderen ; zij vertrouwden de nieuwe orde van zaken niet geheel. Ook waren zij te gierig om zich van alle eigen geld te ontblooten. Bij hun ongeloof en hunne gierigheid kwam de hoogmoed. Zij wilden ook weldadigen heeten en den schijn hebben als hadden ook zij alles over in liefde voor de arme broederen. Maar Ananias, in overeenstemming met zijne vrouw, bracht tot de vergaderde Apostelen slechts een zeker deel, wellicht het geringere van den koopschat, onbeschaamd veinzende alsof het de gansche koopprijs was, hetgeen hij zekerlijk met woorden zeide. Toen sprak Petrus, de voorzitter, tot hem: „Ananias, waarom heeft de Satan uw hart dat gij den Heiligen Geest

liegen zoudt en onttrekken van den prijs des lands? Zoo het gebleven ware, bleef het niet het uwe? en verkocht zijnde, was het niet in uwe macht? Wat is het dat gij deze daad in uw hart hebt voorgenomen? Gij hebt den menschen niet gelogen, maar Gode.n

Hier wordt de Heilige Geest met God gelijk gesteld \'). Maar is hier de Heilige Geest misschien slechts een andere naam voor God? is het God zelf? Dat niet. Want de Hei-

\' Hiertegen doet niets af, dat de eene maal de accusativus staat: ■■psvTctTÓxl ere to to xyiov, do andere maal de

dativus : ouy, s^svtw xvópcliTroi? a.\'KXx tq ósy. Het eerste wil zeggen; dat gij den Heiligen Geest beliegen, bedriegen „dat is onderstaan zoudt te bedriegen, als denkende dat de H. Geest zulks niet wist en ons zulks niet zou openbaren.quot; (Kantteek.). Het andere beteekent: gij hebt gelogen niet tegen (of voor) menschen, maar legen God,

-ocr page 548-

522 § 30. de heilige: geest god genoeud.

lige Geest is naar de leer der Schrift een onderscheiden Persoon. Daar Hij nu niet God-zelf, niet slechts een andere naam voor God is en evenwel zijn naam met den naam van God afwisselt: zoo blijft niets anders overig dan dat Hij-zelf God moet zijn. Petrus noemt dan niet God „den Heiligen Geestmaar den Heiligen Geest noemt hij „Godquot; \').

Zoo noemt Paulus 1 Kor. 3:16 degeloovigen Gods tempel en 1 Kor. 6: 19 noemt hij hun lichaam eenen tempel des Heiligen Geestes, dien hij tevens van hen en van God persoonlijk onderscheidt; die in u is, dien gij van God hebt. „Een tempel is tot dienst van God. God woonde in den tempel te Jeruzalem. Die in den tempel woont is God. Zijn dan de geloovigen tempelen des Heiligen Geestes, zoo is bijgevolg de Heilige Geest Godquot;2).

Onmogelijk kon de Heilige Schrift op zulke wijze van • den Heiligen Geest spreken , indien Hij niet van Goddelijk Wezen, dus niet wezenlijk God ware.

§ 31- Goddelijke eigenschappen des Zoons.

Dat de Zoon waarachtig God is , blijkt ook onbetwistbaar uit de Goddelijke eigenschappen die Hem worden toegeschreven.

\') Meijer a. 1. ontkent dat de Heilige Geest hier God genoemd wordt, maar hij fnoet toch bekennen: hier ist das gotlliche We-sen des Geistes und seine Persönlichkeit ausgedrückt. Bengel, Gnomon : firmissimum argumentum, quo probatur, Spiritum S. esse Personam et Personam Deitatis. H. Witsius, Exercitat. Sacrae in Symbol. Apostol. p. 333 sq. Fr. Ad. Larnpe, Dis-sertat. Vol. 11. p. 155 sq.

J) Brakel, Redel. Godsd. I. p. 134. Ook Calvin. Instit. I, 13. 15 legt hierop bijzonderen nadruk.

-ocr page 549-

§ 31, GODDELIJKE EIGENSCHAPPEN DES ZOONS. 523

De Schrift eigent den Zoon toe een eeuwig zijn. Ook in hetgeen de Heere spreekt Mich. 5:1: „Gij Bethlehem Ephra-tha, zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda ? uit u zal mij voortkomen die een Heerscher zal zijn in Israël en wiens uitgangen i) zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid. Hier is gezegd dat Hij met zijne menschdijke natuur van Bethlehem zou uitgaan. Maar tegen dit uitgaan van Bethlehem stelt deze Godspraak over zijne uitgangen van ouds, van de dagen der eeuwigheid. Hier is eene opklimming: uitgangen van ouds, waardoor zijn bestaan vóór zijne tijdelijke geboorte te Bethlehem en vóór deze profetie wordt betuigd, om degenen, die op Hem wachtende waren, te vertroosten met de verzekering dat Hij reeds was; ja uitgangen van de dagen der eeuwigheid, waardoor zijn bestaan in tegenstelling tegen allen tijd als eeuwig gekenmerkt wordt.

Gekomen in de wereld sprak. Hij zelf Joh. 8 : 58 : Eer Abraham was, hen ik, of, nauwkeuriger vertaald: eer

\') vntfïio. Velen verstaan dit van de verschijningen, waar-

T T

door de Verlosser zich reeds aan zijn volk openbaarde, eeuwen voor zijne komst in het vleesch. Zoo wordt het ook verklaard in De Prophetiën van Hosea en Micha. Utrecht , Kemink en Zoon 1844 p. 110. Wel deed de wezenlijke Wijsheid uitgangen tot de menschen, verscheen in eene menschelijke gedaante, als gezant van Jehovah, terwijl Hij ook zelf Jehovah heette , Roos y Ghristl. Glaubenslehre S. 117. Maar het Hebr. woord beteekent uitgang niet als daad maar als plaats en tijd: uitgangsoord , uitgangspunt. Zie Hengstenberg, Ghristol. des A. T. UI. S. 300. Ook van der Palm merkt aan : ttitgangen — of oorsprong, eigen-lijk de bronnen waaruit Hij geteeld is. Umhreit, Die kleinen Propheten I. 230 stemt metin en teekent, aan : Der Plural soil den höheren Ausgangsort des Herrschers aus den Tagen der Ewigkeit dein niederen in Bethlehem entgegensetzen.

-ocr page 550-

524 § 31. GODDELIJKE EIGENSCHAPPEN DES ZOONS.

Abraham werd lt;), bon ik, alwaar het worden Abrahams en het zijn des Zoons Gods scherp tegen elkander overslaat.

Abraham en alle menschen zijn geworden, de Zoon Gods heeft een boven alle worden verheven zijn, aan geen wissel en geen verandering onderhevig, uitsluitend kenmerk der Godheid. Velen willen ook hier alleen van een ideaal, denkbeeldig voorbestaan van Christus weten, namelijk een bestaan in het raadsbesluit Gods, gelijk ook de Socinianen het verstonden. Maar dan past Christus\' uitspraak geheel niet op de vraag der Joden , of Hij dan Abraham had gezien. En in de voorbestemming Gods hebben allo menschen van eeuwigheid bestaan. Het is een reaal en persoonlijk voorbestaan dat Christus hier van zich betuigt, een voorbestaan van dit levend , bewust en willend Ik zelf, dat hier tot do Joden sprak1). De verste blik achterwaarts is deze : eer de wereld was. En ziet, toen was Hij. Hij zelf spreekt Joh. 17 ; 5 van de heerlijkheid, die Hij bij den Vader had oor de wereld was. Daarom kon en moest van Hem gezegd worden Joh. 1 : 1; In den beginne was het Woord: was, niet werd. Bij gevolg zonder begin alzoo volstrekt eeuwigs). Dat eeuwig zijn, hetwelk Hem toegeschreven wordt , is geen mededeelbare eigenschap : de eeuwige en dus gohool onafhankolyke is waarachtig God.

Van zijne Godheid getuigt inzonderheid ook zyne alwetendheid on zyne almacht, waarvan do Heilige Schrift

1

) Doedes , Drie Brieven p, 68,

-ocr page 551-

§ 31. GODDELIJKE EIGENSCHAPPEN DES ZOONS. 525

zoo vele bewijzen geeft i). Zijne discipelen wier gedaohten Hij , als zij Hem wilden vragen , met zijne antwoorden voorkwam, bekenden Joh. 16 : 30 : Nu iveten tvij dat gij alle dingen weet en gij hebt niet van noode dat u iemand vrage. Hierom gelooven wij dat gij van God uitgegaan zijt. En Hij zelf verklaarde Matth. 11 : 27 : Alle dingen zijn mij overgegeven van mijnen Vader en niemand kent den Zoon dan de Vader noch iemand kent den Vader dan de Zoon en dien het de Zoon wil openbaren.

Maar ontkent Hij niet zelf van zich de alwetendheid, waar Hij verklaart dat Hij het tijdstip niet weet , wanneer de wereld zal vergaan? Mare. 13: 32: „Van dien dag en die ure weet niemand , noch de Engelen , die in den hemel zijn, noch de Zoon dan de Vader.quot; Intusschen onmogelijk kan dit in eenen zin gezegd zijn , strijdig tegen zoovele getuigenissen in de Schrift van zijne alwetendheid. Waar Hij in de dagen zijns vleesches iets niet wist»), was het ten gevolge van vrijwillige zelfbeperking, daar Hij dan den sluier niet wegsloeg, hetwelk Hij had kunnen doen, en geenszins bewijst het dat Hij als het eeuwige Woord niet alwetend zou zijn geweest s). Het is dus te verklaren uit Fil. 2: 9, 7: „Die in de gestaltenis Gods zijnde, geenen roof geacht heeft Gode evengelijk te zijn, maar heeft zichzelven vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende en is den menschen ge-

\') De betooningen van Christus\'zijn opgeteld bij Bengel, Gnomon ad. Joh. 21 : 17. Van zijne almacht bij Denzelfden ad. Joh. 20: 3.

\') Vergel. van Oosterzee, Leven van Jezus II. 1. p. 26 v. Tholuck, Komment. zum Eriefe an die Hebraer S. 87 f.

3) Ebrard , Christl. Dogmat. I. S. 150 f.

-ocr page 552-

526 § 31. GODDELIJKE EIGENSCHAPPEN DES ZOONS.

lijk geworden.quot; Hij kon ook ten opzichte van de wetenschap zeggen: Al wat de Vader heeft is mijn, Joh. 16 v. 15. Voor zijne discipelen\') was het niet noodig te weten hoeveel jaren of eeuwen tusschen de verwoesting des tempels en het einde der wereld verloopen zouden. Overigens voorzeide Hij juist daar ook zooveel, dat het genoeg bleek, hoe de toekomst voor Hem open lag.

§ 32. Goddelijke eigenschappen des Heiligen Geestes.

Ook aan den Heiligen Geest worden Goddelijke eigenschappen toegekend. Reeds dit, dat Hij door geene grenzen omschreven, dat Hij onmetelijk, overaltegenwoordig is, bewijst zijn Goddelijk Wezen. Waar zou ik henengaan voor uwen Geest ? roept David uit, en waar zou ik henenvlieden voor uw aangezicht? Ps. 139 : 7. Zijn naam zelf, de Heilige Geest, kenmerkt zijne Godheid; heilig wil zeggen Goddelijk.

Al de Goddelijke eigenschappen vereenigen zich in de idee van het allervolmaaktste leven. Die dat bezit, is God. Het volmaaktste leven is begrepen in de volmaaktste bewustheid en den volmaaktsten wil»). Beide komen den Heiligen Geest

T) Melanchthon verklaarde : voor ons wist Hij het niet. Bengel, Gnomon ad Mare. 13 : 32 ; non habuit in mandatis, ut diceret diem illum. Calvinus, Harmon. Evang. II. p. 281 ed. Tholuck: Dat Christus tiaar den mensche den jangsten dag niet wist, doet aan zijne Goddelijke natuur zoomin te kort als dat Hij sterfelijk was. Stier, Reden Jesu II. S. 572 spreekt zich zeiven tegen.

\'2) F. A, Lampe, Dissertat. Vol. II. p. 157 sqq.

-ocr page 553-

§ 32. GODDELIJKE EIGENSCHAPPEN DES H. GEESTES. 527

toe : Hij is naar de Schrift alwetend en almachtig. Alwetend: want de Geest onderzoekt (doorgrondt) alle dingen, ook de diepten Gods. Want wie van de menschen tveet hetgeen des menschen is dan de geest des menschen die in hem is ? alzoo weet ook niemand hetgeen Gods is dan de Geest Gods. 1 Kor. 2: 10, 11. Almachtig: blijkbaar uit zijne werkingen ook in het hart des menschen , niet met eene verleende macht maar door zich zeiven, gelijk Paulus ook van de wondergaven betuigt 1 Kor. 12: 11: Doch deze dingen allen werkt één en dezelfde Geest deelende een\' iegelijk in het bijzonder gelijkerwijs Hij wil i).

Het is in den Heiligen Geest dat God alles vervult en doordringt1) sedert Gen. 1 : 2. Zonder Hem zou alles verwelken , gelijk Elihu spreekt Job. 34: 14: Indien Hij (God) zijn hart tegen hem (den mensch) zette, zijnen (des menschen) geest en zijnen adem zou Hij tot zich vergaderen. 15. Alle vleesch zou tegelijk den geest geven en de mensch zou tot stof wederkeeren. Door dezen Geest, die niet slechts eene uitvloeiing a) is van kracht uit God, maar zelf met bewustheid werkt, is God in blijvende gemeenschap mee het geschapene , is immanent in de wereld.

\') Zie boven § 13. bl. 52.

2) J. J. van Toorenenhergen, Bijdragen p. 79. Calvin. Instil. I. 13. 14. Vergel. J. H, Scholten, Leer der Herv. Kerk II. p. 212.

^ Wie demi nach Ps. 139: 7 die göttliche Allgegenwart in der Welt eben durch den sie durchdringenden Gottesgeist ver-mittelt wird. Oehler , Theol. A. T. I. S. 180,

-ocr page 554-

528 § 33. GODDEL. WERKEN DES ZOONS EN DES H. GEESTES.

§ 33. Goddelijke Werken des Zoons en des Heiligen Geestes.

Van den Zoon en den Heiligen Geest worden werken verkondigd , die alleen Goddelijke almacht doen kan. In gemeenschap met den Vader komen beiden voor als werkende in schepping en herschepping , in onderhouding en regeering der wereld.

1. Van den Zoon zegt de Schrift Joh. \\ :\'d : Alle dingen zijn door hetzelve (Woord) yemaakt en zonder hetzelve is geen ding gemaakt dat gemaakt is •). En Kol. I : 1.6 : Want door Hem1) zijn alle dingen geschapen, die m de hemelen en die op de aarde zijn , die zienlijk en die onzienlijk zijn , hetzij tronen , hetzij heerschappijen , hetzij Overheden, hetzij machten: alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen.

Met de schepping wordt aan den Zoon de herschepping toegeschreven. Hij is het, die in plaats van deze oude wereld eene nieuwe zal maken , zelf echter onveranderlijk en eeuwig is. Dat was van Hem gezegd in den I02den Psalm , naar de getuigenis van Hebr. 1: 10 v. v., al-

\') Naar Dr. J, iïoos, Aanteek. op de Zielkunde van T. Roorda p. 155 v. zou de Logos hier beteekenen de wereldidee in God, in de schepping verwerkelijkt, uitgesproken. Desgelijks J. H. Scholten , Leer der H. K. II. p. 218. De woorden der Heilige Schrift getuigen luide tegen deze idealiseering.

5) Hier staat eigenlijk : in Hem, iv xut^i d. i. door de kracht en wijsheid die in Hem was en zoo, dat het geschapene nu ook in Hem bestond, in betrekking tot Hem bleef. Dit in Hem zegt dus in ééns hetzelfde wat de beide volgende uitdrukkingen door Hem en tot Hem, SI cvjtcÏ) kx) el? xvróv, samen te kennen geven.

-ocr page 555-

§ 33. GODDEL. WERKEN DES ZOONS EN DES II. GEESTES. 529

waar hetgeen de Psalm van God verkondigde, rechtstreeks tot den Zoon overgebracht wordt gt;) , den Openbaarder van het verborgene Goddelijk Wezen , den uitvoerder van Gods wil en raad.

Ook do onderhouding en reyeeriny der wereld is mede het werk des Zoons. Van Hem , die het afschijnsel is van Gods heerlijkheid en het uitgedrukte beeld zijner zelfstandigheid , wordt gezegd dat Hij alle dingen draagt door het ivoord zijner eigene kracht *) Hebr. 1:3. En Kol. 1:17: Alle dingen bestaan te zamen door (in) Hem 3). In Hem , de zelfstandige Wijsheid, hangt al het geschapene samen en maakt een wél geordend samenstel (systeem) uit, in hetwelk hemelsche en aardsche, onzichtbare en zichtbare dingen zijn , schepselen , die anderen beheerschen en daarom tronen , heerschappijen, overheden en machten heeten, en schepselen die beheerscht worden.

2. Ook de Heilige Geest wordt in de Schrift met nadruk aangewezen als werkende in de schepping en onderhouding der wereld. Gen. \\ : Q : De Geest Gods zweefde op de wateren, beweging en leven verwekkende : „eene gelijkenis genomen van de vogelen, die de eieren broeden om de jongs-kens daaruit te doen voortkomen, en daarna met hunne vleugelen over dezelve zweven, om die te koesteren en op te

\') E. Bühl, Die Alttestam. Citate im N. T. S. 270.

2) tcjgt; pyj^xti «fc syi/iijctfwsquot; wjtov. Das gottliche Machtwort pyj/AX ist die Fassung des aitf die Welt bezilglichen göttlichen Willens und das Mittel der schalenden und erhalienden Tha-tigkeit Gottes durch seinen Logos. Delitzsch, Bibl. Psychol. S. 73.

3) tx ttmtx èv xutio (tvvsgtwm.

Gravomeijer , Geref. Gd. leer. 34

-ocr page 556-

530 § 33. GODDEL. WERKEN DES ZOONS EN DES H. GEESTES.

kvveekenquot;\') Job 26: 13: Door zijnen Geest heeft Hij de hemelen versierd, En Job 33 : 4 spreekt Elihu : De Geest Gods heeft mij gemaakt en de adem des Almachtig en heeft mij levend gemaakt. De Geest werkt leven en herleven , natuurlijk en geestelijk, geboorte en wedergeboorte der schepselen. Zendt Gij uwen Geest uit, zoo worden zij geschapen en Gij vernieuwt het gelaat des aardrijks, Ps. 104: 30, gelijk Hij bijzonder na den verwoestenden zondvloed deed en nog in iedere lente doet, voorbeeld en waarborg van de toekomstige wedergeboorte der wereld.

3. Deze werkingen doen de Zoon en de Heilige Geest niet werktuiglijk, niet als ondergeschikte werktuigen van den Vader buiten en beneden Hem. Want het is één God die alles werkt. Het Goddelijk Wezen met al de volheid zijner krachten is niet alleen aan de drie Personen gemeen, maar het is één eenig Wezen, dat in eene drieheid van Personen bestaat. Dienvolgens is ook alle werking Gods naar buiten ééne eenige werking en geen der drie Personen werkt afgezonderd van de andere. Er is dan geen Goddelijk werk naar buiten, waarvan de eene of andere Persoon zcu zijn uitgesloten. Het is ééne eenige werking, maar op drievoudige wijze bepaald naar de orde en het onderscheid der drie Personen ; ééne eenige kracht van den Vader uitgaande, door den Zoon naar buiten tredende, in den Heiligen Geest uitvoerende2), beide in natuur en in genade.

\') Kantteek. Pih. van zwevende, de spiritu

divino aquis incubante, Winer, Lex. Simonis p. 906. Gesenius, Handwörterb. 81e Aufl-: brüten. Oehler, Bibl. Theol. A. T. I. p. 180 komt toch ook op hetzelfde neer.

i!) Twesten , Vorles. II. 1. S. 264. P, van Mastricht, Godgel. I. p. 583. Brakel, Redel. Godsd. I. p. 140,

-ocr page 557-

§84, GODDELIJKE EERE DES ZOONS EN DES H. GEESTES. 531

§ 34. Goddelijke eere des Zoons en des Heiligen

Oeestes.

Naar de Schrift komt den Zoon en den Heiligen Geest met den Vader godsdienstige xevcenngioe. Maar naar dezelfde Heilige Schrift mag geen ander, dan die waarachtig God is, op godsdienstige wijze geëerd worden. Dies wordt daardoor ten sterkste betuigd dat de Zoon en de Heilige Geest waarachtig God zijn.

1. Daar is de doop in hunnen naam, Matth. 28 : 19. Dit is een godsdienstige zeïhewiis\'. de doopeling wordt aan den Vader en den Zoon en den Heiligen Geest gewijd. Eene overgeving en verbintenis aan Hen, waarin zij te zamen erkend en beleden worden de algenoegzame bron te zijn van al wat ons tot zaligheid voor tijd en eeuwigheid van noode is, en het voorwerp van gehoorzaamheid en dienst als onze Schepper en Verlosser en Heiligmaker. Daarom mag er niet gedoopt worden in eens menschen naam, 1 Kor. 1 : 13, 15.

Deze eere mag alleen gegeven worden aan wie God is. Doopen in eens menschen naam zou menschenvergoding, zou godslastering zijn. Het eigen bevel des Heeren: Doopt in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes is dus een onweersprekelijk bewijs van het Goddelijk Wezen des Zoons en des Heiligen Geestes, als zijnde daarin evengelijk en één met den Vader. Geen spoor van minderheid of ongelijkheid is hier. Ware de Zoon of de Heilige Geest niet God, zij mochten zoo bij den Vader niet eens worden genoemd !

2. Ook het geloof in Hen veronderstelt hunne Godheid, a. Van het geloof in Christus hangt naar de Schrift onze zaligheid af. Dit geloof is echter niet alleen hierin gelegen,

-ocr page 558-

532 § 34. GODDELIJKE EERE DES ZOONS EN DES H. GEKSTES.

dat wij zijne getuigenis aannemen (Joh. 3:11), zijne woorden voor waarachtig houden, dus dat wij Hem gelooven, maar het is een gelooven in Hem (Joh. 3 : 15), eene inlijving in Hem, alzoo dat wij al ons heil in Hem stellen, van Hem onze zaligheid verwachten. Die eere komt aan geen schepsel toe. Ware Christus een schepsel, hoe verheven anders ook, dan zou op een ieder, die aldus in Hem gelooft, toepasselijk zijn Jer. 17 : 5 : Vervloekt is de man die op eenen mensch vertrouwt en vleesch tot zijnen arm stelt. b. Wat het geloof in den Heiligen Geest betreft, zoo legt ons de Heilige Schrift wel niet de uitdrukkelijke belijdenis op de lippen : ik geloof in den Heiligen Geest, maar de overgeving aan zijn Persoon en zijne werkingen met vertrouwen en onderwerping, dus het geloof in Hem en de geloofsgehoorzaamheid jegens Hem is in den doop mede in zijnen naam begrepen: Hij is met den Vader en den Zoon de eenige waarachtige God, die in den doop het zegel geeft van zijn genadeverbond en jegens wien de doopeling zich tot gehoorzaamheid verbindt. Ook zijn er bijzondere zonden tegen den Heiligen Geest. Paulus vermaant de geloovigen Ef. 4 : 30 : bedroeft den Heiligen Geest Gods niet. En Christus waarschuwt voor de lastering tegen den Heiligen Geest en verklaart dat dit eene onvergeeflijke zonde is, Matth. 12 : 31. 32.

3. Aanbidding, eene eer, die wij alleen aan den waarach-tigen God mogen bewijzen, wordt in de Heilige Schrift zelve den Zoon en den Heiligen Geest met den Vader toegebracht. Aldus 2 Kor. 13: 13, waar Paulus den zegen over de geloovigen van den Vader en den Zoon en den Heiligen Geest afbidt, „een gebed voor hen tot God den Vader en den Zoon en den Heiligen Geestquot; : De genade des Heeren Jezus Christus aide lief de Gods en de gemeenschap des Hei-

-ocr page 559-

§ 34\'. GODDELIJKE EERE DES ZOONS EN DES H. GEESTES. 533

ligen Geestes zij met u allen. Eerst de genade des Heeren Jezus Christus, namelijk als Verlosser en Heere, door wien men tot den Vader komt. Dan de liefde Gods, die liefde, niet van welwillendheid slechts, maar van welbehagen, die men, door Christus met God verzoend zijnde, in den vrij-moedigen, kinderlijken toegang tot den Vader geniet. En daarmede ten derde de gemeenschap des Heiligen Geestes, die ons door heiligmaking en vertroosting de genade van Christus en de liefde des Vaders toeëigent en ze ons genieten doet, door wien wij alzoo vereenlgd worden met den Zoon en den Vader, omdat het de Geest is des Vaders en des Zoons, en ook onderling onder elkander worden verbonden, omdat dezelfde Geest in al de geloovigen woont\'). En Johannes bidt Openb. 1 : 4, 5 aan de zeven gemeenten in Klein-Azië genade en vrede toe van den Vader en van de zeven Geesten die voor Gods troon zijn, dat is van den Heiligen Geest, aangemerkt in zijne menigerlei gaven en krachtsbetooningen en wel met bijzondere betrekking tot de zeven gemeenten, en van Jezus Christus, dien de Apostel daar het laatst noemt, omdat hü van dezen aanstonds meer zeggen wil2).

Van den Zoon is het Hebr. 1:6: Dat alle Engelen Gods Hem aanbidden ! De aanbidding van Christus is van de eerste tijden af bij do geloovigen in gebruik geweest, zoodanig dat zij, die den naam onzes Heeren Jezus Christus aanriepen, even daardoor van de ongeloovigen onderscheiden werden (Hand. 9: 14, 1 Kor. 1:2). De stervende Stephanus bad: Hand. 7: 59: Heere Jezus ontvang mijnen geest! gelijk Jezus tot den Vader had gebeden Luc. 23 : 46 : Vader in

\') Zie boven § 8. bl. 440. a) Zie boven § 8. bl. 447.

-ocr page 560-

,534 § 34\'. GODDELIJKE EERE DES ZOONS EN DES H GEESTES.

uwe handen beveel ik mijnen geest, Stephanus deed alzoo in waarheid naar Jezus woord Joh. 5 : 23 ; Ojidat zij allen den Zoon eer en gelijk zij den Vader eeren.

Ook naar de Socinianen\') komt Christus aanbidding toe, doch niet als ware Hij van nature God, maar wegens zyn middelaarswerk en wegens de aan Hem medegedeelde Goddelijke heerlijkheid. Maar is Christus niet waarachtig God, dan is de aanbidding van Hem afgoderij. De Heilige Schrift zegt: Den He ere uwen God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen, Matth. 4: 10; maar naar dezelfde Schrift moet Christus aangebeden worden : alzoo is Hij God ! De grond der aanbidding van Hem is alléén zijne Godheid,

Van eene aanbidding des Heiligen Geestes willen velen geheel met weten, hetzij wijl zij met de Socinianen Uem niet eens voor een Persoon achten, of met de Remonstranten Hem onder God stellen, of omdat volgens hunne meening de aanbidding des Heiligen Geestes in de Heilige Schrift althans niet wordt geleerd. Het is waar, eene afzonderlijke aanbidding van den Heiligen Geest kan zich minder voordoen, daar Hij het geloovig gebed veel meer geeft dan ontvangt, en veel meer den bidder bidden doet dan zelf gebeden wordt. Naar Rom. 8 ; 26 : En desgelijks komt ook de Geest onze zwakheden te hul}); want wij weten niet wal wij hidden zullen gelijk het behoort, maar de Geest zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen. Evenwel, reeds de doop in zijnen naam sluit eene aanbidding in van Hem met den Vader en den Zoon om zijne genade en gaven.

Naar de Goddelijke huishouding en heilsorde hebben wij wel den Vader als het eigenlijke voorwerp onzer aanbid-

\') Winer, Gomparat. Darstellung. 2lc Aufl. S. 42 f.

-ocr page 561-

34. UODDELIJKE EEltE DES ZOONS EN DES II. GEESTES. öti5

ding aan te merken. De vaderen onzer Kerk, gezond in het geloof, hebben dit ook standvastig in het oog gehouden , gelijk onze oude Liturgieën getuigen. En het vxhte bidden is dat wij in den Heiligen Geest, zonder wien wij Christus onzen Heere niet kunnen noemen , door den Zoon, in den naam van Hem , zonder wien niemand tot den Vader komt (Joh. 14: 6) in ons bidden, belijden, smeeken, dankzeggen lot den Vader naderen. Maar in dezen weg is ons hart dan juist ook biddende tot den Heiligen Geest en tot Christus. Door Chrialus hebben wij beiden (Jood en Heiden) den toegang door (in) éénen Geest tot den Vader, Ef. 2; 18.

§ 35. Noodzakelijkheid van de leer der Drieëenheid.

De leer van de Goddelijke Drieëenheid is noodig en onmisbaar tot onze zaligheid. Immers de openbaring van den Vader en den Zoon en den Heiligen Geest als onzen Schepper en Verlosser en Heiligmaker is de grondslag van het zaligmakend geloof en van het Christelijke leven\').

1. God moet zóó gekend en vereerd worden gelijk Hij werkelijk is. Dit lijdt geen tegenspraak. Even zoo gewis is het, dat God zelf zich het best kent en zich openbaren kan. Hij nu heeft zich in zijn Woord geopenbaard als drie-ëenig Schepper en Verlosser en Heiligmaker, als een eenig

\') IJ. Witsius, Exerc. in Symbol. Apostol. p. 66 verklaart:

Die de leer van de Drieëenheid loochenen, bestrijden, lasteren als de hedendaagsche Socinianen, kunnen wij niet voor Christenen en broeders erkennen.

-ocr page 562-

53G § 35. NOODZAKEUJKIIKID VAN DE IjEEB DEIl DPIEËENHEID.

onverdeeld Wezen, bestaande en werkende en huishoudende in drie Personen: Vader, Zoon en Heilige Geest. Bij gevolg moet Hij ook als zoodanig gekend en geëerd worden. Wie den Zoon niet eert, eert den Vader niet die Hem gezonden heeft, zegt Jezus zelf Joh. 5 : 23. En Een iegelijk die den Zoon loochent, heeft ook den Vader niet, zegt 1 Joh. 2 : 23 , en Niemand kan zeggen Jezus den 11eere te zijn dan door den Heiligen Geest, betuigt Pau-lus 1 Kor. 12: 3.

Wanneer men zich God anders voorstelt dan Hij zich in zijn Woord heeft geopenbaard, dan aanbidt men wat men niet weet, gelijk de Samaritanen Joh. 4 : 22 en dient men eenen onbekenden God als de Atheners, Hand. 17 :23. En men verkeert dan niet alleen in eene gevaarlijke dwaling, maar, bij het bezit der Heilige Schrift, maakt men zich ook schuldig aan wrevel en hoogmoed tegen den heiligen en waarachtigen God, door te verwerpen wat Hij gesproken heeft. Moest men niets gelooven dan wat men begrijpen kan, dan moest men niets van God gelooven, omdat geen eene van Zijne volmaaktheden geheel begrepen kan worden. Ja dan moesten wij ook niet gelooven, dat wij menschen uit ziel en lichaam bestaan, wijl het onbegrijpelijk is, hoe ziel en lichaam met elkander verbonden zijn en op elkander werken. Het is onredelijk wanneer men geene verborgenheid gelooven wil, daar toch ook de natuur rondom ons vol van verborgenheden is. De ware wijsheid is, dat wij ons voor die zwakke, kortzichtige schepselen houden, die wij wérkelijk zijn, dat wij, onzer zwakheid gedachtig, den getrouwen God op zijn Woord gelooven en naar aanwijzing van dat Woord daarheen trachten te komen, waar geen nacht meer zijn zal, waar wij in het volle licht kennen zullen wat

-ocr page 563-

§ 35. NOODZAKELIJKHEID VAN DE LEEB DER DRIEËENHEID. 537

wij hier op aarde slechts ten deele verstaan, waar wij zien zullen aangezicht tot aangezicht.

2. Het gewicht en de noodzakelijkheid dezer leer blijkt ook uit de doopformule Matth. 28 : 19, daar Christus zijnen Apostelen beval, de volken te doopen in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, en uit den apos-tolischen zegenwensch 2 Kor. 13: 13, waar Paulus allen geestelijken zegen samenvat in de genade, des Heeren Jezus Christus en de liefde Gods en de gemeenschap des Heiligen Geestes. Hierdoor wordt ten sterkste betuigd dat deze waarheid de grondslag en kern des Christendoms en de bron des waarachtigen troostes in leven en sterven is. Hoe kon God anders ook de God eens armen zondaars zijn, ware Hij niet drieëenig? Die God is ons een God van volkomen zaligheid, Ps. 68: 21.

3. Immers de gemeenschap met den Vader kan niet anders verkregen en geoefend worden dan door den Zoon in den Heiligen Geest; dus leert men den waren, drieeenigen God ondervindelijk kennen.

Wie aan zich zeiven ontdekt wordt, ziet in, dat hij door zijne zonden van God gescheiden is en dat de heilige en rechtvaardige God niet anders dan hem verdoemen kan, omdat hij Gods wet alleszins verbroken en geschonden en zich als Gods vijand gedragen heeft. Nu heeft hij met den Rechter te doen. Hij vreest. En al doet hij zijn best om nu voor God te leven, het is vruchteloos, hij vindt geenen vrede. God is hem een verterend vuur.

Daar komt het liefelijke Evangelie van den Zoon, den Middelaar en Zaligmaker. De Heilige Geest brengt dit tot het verbroken hart. De Vader trekt daardoor den schuldigen, armen zondaar tot den Zoon en verzoent

-ocr page 564-

538 §35. NOODZAKELIJKHEID VAN DE LEER DER DRIEËENHEID.

den vijand met zich in Christus door het geloof in Hem.

Met Christus kan hij tot den Vader gaan in een kinderlijk vertrouwen en hij wordt gewaar dat God zijn Vader en hij Gods kind is. Hjj heeft gemeenschap met God dooiden Zoon en met den Zoon door den Heiligen Geest. Door den Geest maken de Vader en de Zoon woning in hem. In den Geest komt alle Goddelijke genade en gave tot den geloovige. Deze Geest is het levend water, dat uit den troon Gods en des Lams vloeit, hetwelk Gods volk gedurig moet drenken in de woestijn, totdat het in Kanaiin ter volle verzadiging komt.

De Drieëenheid is den Heidenen onbekend. De Mohammedanen willen van haar niet weten. Mohammed verwierp de Christelijke leer van de Drieëenheid met afschuw \').

De hedendaagsche Joden zijn desgelijks tegen deze leer gekant. Zij brengen er altoos tegen in Deut. 6:4: Hoor Israël, de Heere onze God is eenig Heere, hetwelk volgens hen een meervoud van Personen uitsluit1).

De Eoomsch-Katholieke Kerk belijdt getrouw en nadrukkelijk de Goddelijke Drieëenheid^). De Orieksche Kerk

1

\') Hij meende dat naar de voorstelling der Christenen de drie Personen waren : God en Maria als diens echtgenoote en Jezus als hun gemeenschappelijke Zoon. Den Heiligen Geest hield hij voor eenen Engel. Neander, Allgem. Gesch. der Ghr. Rel. und Kirche III. Bd. S. 120. Nöldeke in Herzogs Real-Enc. XVIII. S. 810. Ie. Ed.

-ocr page 565-

§ 35. NOODZAKELIJKHEID VAN DE LEER DEK DRIEËENHE1D. 539

desgelijks, behalve dat volgens deze de Heilige Geest alleen van den Vader uitgaat.

De Socinianen bestrijden de Drieëenheid. Naar de Soci-niaansche leer is God, die één in Wezen is , ook één in Persoon. De Arminianen of Remonstranten belijden wel de Goddelijke natuur van den Zoon en den Heiligen Geest, doch zij leeren, dat zij deze niet van zich zeiven maar van den Vader hebben, en zij stellen dienvolgens den Zoon en den Heiligen Geest in eene ondergeschiktheid (subordinatie) onder den Vader \')• Maar eene ondergeschikte en onlvangene Godheid kan geen ware Godheid zijn: want God zijn is van zich zeiven zijn1). Als God, ten aanzien van het Wezen, is de Zoon van zich zeiven en de Heilige Geest van zich zeiven : één eenig Wezen. Als Persoon is de Vader van zich zeiven , de Zoon van den Vader, de Heilige Geest van den Vader en den Zoon. In het gemeen wordt de Drieëenheid verzaakt door alle Rationalisten 2), die niets aannemen dan wat voor hunne rede, dat wil zeggen naar hunne bijzondere ideeën, aannemelyk is.

De afwijker is den Heere een gruwel, maar zijne ver-borgenheid is met den oprechte, Spreuk. 3 : 32.

1

de Drieëenheid aan de Roomsche Belijdenis eere gegeven in de Vereeniging: Christelijke Stemmen 1848. Dec. p. 305. 371 v.v.

\') Winer, Compar. Darstellung. 2te Aufl. S. Hagen-

lach, Dogmengesch. S. 632.

2

) De naam Itationalistae reeds bij Fr. Spanhemius, Gontrov. Elench. 1694. p. 632 sqq.

-ocr page 566-

VIJFDE HOOFDSTUK.

GODS BESLUITEN. PEAEDESTINATIE (VOORVERORD1NEERING).

§ 1. Noodzakelijkheid en begrip-

Na de beschouwing van God in zijn Wezen, zijne Namen, Eigenschappen en Personen dient te volgen de leer van zijne Besluiten. Deze is de gepaste en noodzakelijke overgang tot de leer van zijne Werken. Want zijne Werken naar buiten veronderstellen een plan , een voornemen in Hem. Want de levende , alwijze God werkt niet toevallig, als eene blinde natuurkracht gelijk het levenlooze in de schepping ; niet zonder reden , door instinct , door natuurdrift, gelijk het redelooze dier, hetwelk „doelmatig handelt zonder bewustheid van het doel of met bewustheid het middel kiest tot een onbewust doelquot; i): maar Hij werkt, als de hoogste Rede, met vrije

1) Dr. J. H. A. Ebrard, Apologotik I. S. 140.

-ocr page 567-

§ 1. NOODZAKELIJKHEID EN BEGRIP.

zelfbepaling, met voorbedachten vrij willigen raad. „God wil iets en Hij weet dat en waarom Hij het wilquot; gt;). Hij werkt alle dingen naar den raad zijns willens, Ef. 1 : II1).

Gods besluit als één 3) beschouwd is de eeuwige voorstelling in zijn verstand en bepaling in zijnen wil van al wat ooit worden en geschieden zou ; worden , door zijn scheppen; geschieden, door zijne voorzienigheid.

Dit besluit, deze raad Gods laat zich niet scheiden van zijn Wezen, zoomin als zijn verstand en zijn wil van zijn Wezen kunnen worden afgescheiden. Het is de besluitende God zelf, zooals Hij met zijn verstand en wil in zich werkzaam is tot het bepalen der dingen buiten Hem.

Hierop hebben onze Gereformeerde godgeleerden nadruk gelegd, tegenover de Pelagiaansche, Sociniaansche en Re-monstrantsche dwaling, die ten deele ook bij de Lutheranen wordt gevonden, dat God aangaande den mensch zijn besluit zou vormen naar \'s menschen gedrag, dus afhankelijk van den mensch, dus toevallig en bij gevolg veranderlijk. Door het besluit aan te merken als iets toevalligs in God en niet als één met zijn Wezen, wil men aanstonds den grondslag wegnemen voor de Gereformeerde leer van de eeuwige, onafhankelijke en onveranderlijke bepaling Gods aangaande den eeuwigen staat der menschen«).

Wij moeten in het besluit Gods onderscheiden 1. de besluitende daad Gods ; 2. de beslotene zaak en 3. de

541

1

-) Zie Derde Hoofdstuk § 34, bl. 383 v. P. Van Mastricht, Godgel. I. p. 670.

-ocr page 568-

§ 1. NOODZAKELIJKHEID EN BEGRIP.

neiging, overhelling of bepaaldheid tot die zaak, om deze in den tijd te volbrengen.

De besluitende daad is in God ééne eeuwige levensdaad en in dezen zin is er maar één Goddelijk besluit. Zij is Hem wezenlijk, is noodzakelijk: Hij kan zonder haar niet zijn. Zij is het Goddelijke Wezen zelf, namelijk voor zoover het in zich werkzaam is omtrent de wording van al de toekomende dingen , gebeurtenissen en omstandigheden : zij is zijn beramend verstand en zijn willende wil,

De beslotene zaken zijn vele en in dit opzicht mogen wij van Goddelijke besluiten in het meervoud spreken. Zij zijn van het Goddelijke Wezen en van elkander onderscheiden.

542

De neiging tot het voorwerp, hetwelk in den tijd beschikt zal worden, de intentie, behoort noodzakelijk tot het besluit, Anders ware dit niet meer dan eene idee, een besluit dat niets besloot. Evenwel die neiging of overhelling is niet God zelf, maar eene betrekking van God tot de zaak. Zij is vrij en is menigerlei, doch nooit onderling strydig. Deze eenheiden onderscheidenheid kan men vergeleken bij een cirkel\'), die een eenig middelpunt heeft, maar welks omtrek uit eene veelheid van stippen bestaat, terwijl tot iedere van deze eene rechte linie van uit het middelpunt loopt, liniën die wel onderscheiden zijn, maar elkander niet snijden. De beslotene zaken zyn als de stippen in de peripheric ; de overhelling of neiging tot iedere van haar gelijk de stralen of liniën van uit het middelpunt, onderscheiden doch in geenen deele strijdig onderling; de besluitende daad of het beramend verstand on de alles bepalende wil öods is het middelpunt.

\') P. Van Mastricht, Godgel. I. p. 671.

-ocr page 569-

§ 2. EEUWIGE BESLUITEN.

§ 2. Eeuwige besluiten.

Gods besluiten zijn eeuwig. Hij neemt zijne besluiten niet voor en na, het eene na het andere, bij gevolg, naar aanleiding van omstandigheden, gelijk de in den tijd levende mensch. Bij God is het ééne eeuwige werkzaamheid, eene inblyvende daad van zijn verstand en zijnen wil buiten en boven allen tijd; niet alleen van zijn verstand, maar ook van zynen wil, dus ook ten aanzien van de neiging en overhelling of bepaaldheid om de toekomstige zaak te beschikken, zoodat daarbij alle verandering van Hem is uitgesloten.

Dit wordt ontkend door allen, die den mensch eene onafhankelijke wilsvrijheid toeschrijven, welke door de eeuwigheid der Goddelijke besluiten zou weggenomen worden. Men stemt dan wel toe dat er bij God eenige algemeene besluiten geweest zijn voor de grondlegging der wereld, dus vóór allen tijd, alzoo van eeuwigheid. Van dien aard zou zijn het besluit om de wereld, inzonderheid de menschen te scheppen, te onderhouden en te regeeren; ook om den Zaligmaker te zenden en, gansch algemeen, om de zaligheid te geven aan zulken, die in Hem gelooven en Hem gehoorzamen en dergelijke meer, zooveel zich met den vryen wil des menschen laat vereenigen. Maar dat alle Goddelijke besluiten eeuwig zijn, of dat in het eeuwige Godsplan volstrekt alles, ook het allergeringste van \'s menschen doen en lot begrepen is, wordt door de drijvers van den vrijen wil ontkend , terwijl zij stellen , dat God nog dagelijks bijzondere besluiten maakt en tot aan het einde der wereld maken zal, aangaande de bijzondere personen om ze te

543

-ocr page 570-

§ 2. EEUWIGE BESLUITEN.

544

zaligen of te verdoemen naar dat God ze ziet handelen»). Maar neemt God sommige besluiten eerst in den tijd, dan was Hij tot daartoe onwetende en onzeker over vele dingen. Onzekerheid kan er echter bij Hem niet zijn. Immers Hij heeft een doel. Hoe zou Hij dat doel bereiken, hoe de wereld regeeren, wanneer er iets kon gebeuren of door een schepsel gedaan worden zonder zijne voorkennis? Zoo verklaarde Jacobus op de Kerkvergadering te Jeruzalem de toebrenging der Heidenen voor een werk Gods en sprak Hand. 15: 18: Gode zijn al zijne tverken van eeuwigheid hekend. God weet van eeuwigheid wat Hij doen wil tot aan het einde der dagen. Alle dingen zijn Hem bekend eer zij geschieden. En van waar kent Hij ze? Uit zich zei ven, door dat zij bij Hem besloten zijn, anders niet. Waarom ook onze Kantteekenaars Jacobus\' woorden te recht verklaren : „al wat God in den tijd doet, dat heeft Hij van eeuwigheid besloten alzoo te doen.quot; Dat leert de heilige Schrift overal en allernadrukkelijkst met velerlei bewoordingen. Inzonderheid aangaande de zaliging der geloovigen. Zoo is de uitverkiezing geschied vóór de grondlegging der wereld naar Efez. 1 : 4, vóór de tijden der eeuwen naar 2 Tim. 1 : 9. Opvolgende besluiten, het eene eerder het andere later, kunnen er in den eeuwigen en onveranderlijken God niet zijn, maar alleen in onze bevatting en ten aanzien van de beslotene zaken en hare orde, daar naar den tijd bij de uitvoering uit elkander treedt, wat in God eeuwig één is. Bij Hem is het eene niet eer en niet later besloten dan het andere, in Hem is het eene eeuwige, eenige en aller-

\') P. Van Mastricht, Godgel. I. p. 676 v. Fr. Spanhemius, Controvers. Elenchus p. 274.

-ocr page 571-

§ 2. EEUWIGE BESLUITEN.

eenvoudigste daad i). Wat men uit de Schrift aanvoert om te bewijzen, dat God sommige besluiten eerst in den üjd vormt naar gelang van het gedrag der menschen, zijn slechts beloften en dreigingen voor den mensch, bij voorbeeld Jerem. 18 : 6—17, waar geheel geen sprake is van een nieuw en ander besluit, maar waar de Heere door de gelijkenis van het werk eens pottenbakkers den volke zijne macht voorstelt om te maken en te behouden of te verbreken, hen tot bekeering vermaant, over hunne weerspannigheid en ondankbaarheid klaagt, waarin zij het erger maakten dan de Heidenen en hun aanzegt, dat Hij hen zal moeten straffen.

§ 3. Vrije besluiten.

De Heer des hemels en der aarde is in zijn Wezen, dus ook in zijne besluiten volstrekt onafhankelijk van al wat buiten Hem bestaat. Integendeel al wat is hangt af van Hem. Zyne besluiten zijn vrije besluiten. Niet dat Hij ten opzichte van eenige zaak of daad ook zonder besluit, besluiteloos kon zijn. Dat ware: zonder verstand en wil. Maar Hij is vrij en het stond bij Hem om dus of anders te willen; Hjj wordt niet door eenige oorzaak, die buiten Hem, in het schepsel, ligt, maar alleen door zich zeiven, door zijne eigene redenen bepaald. Vrij is Hij. Doch niet op zgn Sociniaansch1), als kon Hij wat Hij wil evenzeer niet willen. Zijne vrjjheid is niet een luimige willekeur. Hij

545

1

) Scholten, Leer der H. K. II. p. 193.

Gravemoijor, Qeref. Gel. loer. 35

-ocr page 572-

§ 3. VRIJE BESLUITEN.

kan niet alles willen, maar alleen datgene wat met zijne volmaakte natuur overeenkomt. Zijn wil staat niet boven zijne natuur •). Wat niet goed is kan Hij niet willen, en iets is niet hierom goed, omdat Hij het wil, maar Hij wil het, omdat het goed is. Aan niets is Hij gebonden dan aan zich zeiven, aan zijne eigene zuivere natuur, die de regel is voor zijnen wil, het tegendeel van willekeur. Daarom noemt de Schrift het: zijn ?^6e/ia(/ew. Zoo sprak Jezus zelf Matth. 11 : 25: „ik dank (prijs) u, Vader, Heer des hemels en der aarde (Hij noemt den Vader niet zijnen Heer, maar Heer des hemels en der aarde), dat gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt en hebt dezelve den kinderkens geopenbaard. 26. Ja, Vader, want alzoo is geweest het welbehagen voor U.quot; Welbehagen, dat wil zeggen : goeddunken, vrijmachtige wilsbepaling van den sou-vereinen Heer des heelals; onafhankelijk raadsbesluit2) des Allerhoogsten. Het is de heilige wil des Vaders, die zich als goed en genadig aan de gezaligden , als rechtvaardig aan de door hunne schuld verlorenen betoont. Voor u, deit wil zeggen: die bestelling staat Hem voor als juist beantwoordende aan zijn oogmerk, de verheerlijking van zijne genade en van zijne rechtvaardigheid: het is zoo goed in zijne oogen. Dus ook Ef. 1 : 9, waar Paulus God prijst, in Christus ons bekend gemaakt hebbende de verborgenheid van zijnen wil naar zijn welbehagen, hetwelk Hij voorgenomen had in

\') Scholtan, a. W. 11. p. 197. En vooral Witsius, Oecon. Poed. Bas. 1739. p. 23 sq.

2) Zoo te recht ook Stier, Brief an die Ephes. 1. S. 78. Vergel. Cremer, bibl. theol. Wörterb. S. 214, die bij suhonix, althans ook op het vrije nadruk legt, hoewel hij meer bepaald aan den genndigen wil Gods denkt.

546

-ocr page 573-

§ 3. VRIJE BESLUITEN. 547

zich zeiven. Ook hier is het welbehagen, naar hetwelk Hij de verborgenheid van zijnen wil heeft bekend gemaakt, zijn vrij en onafhankelijk besluit, zoodat aldus de bekendmaking in eenen tyd en op eene wijze geschied is, als Hem van eeuwigheid welgevallig was en aan zijn alwijs vrij besluit beantwoordde, „zonder daartoe door iets buiten Hem bewogen te zijn of iets in de menschen te hebben voorzien, dat Hem daartoe zou hebben kunnen bewegen.quot;

§ 4. Wijze besluiten.

Van Gods besluiten moeten wij gelooven en roemen, dat zij by hunne vrijheid ook zijn. Dat wil zeggen : l.Gods vrijmacht is geen redelooze willekeur ; Hij heeft bij al wat Hij wil zijne eigene redenen, waarom Hij het wil, al zijn zij voor ons verborgen. 2. Met de voorstelling en het willen van het doel kiest en beraamt Hij tevens die middelen, welke tot bereiking van het einde meest geschikt zijn. Dit Goddelijke wonderbare beramen en ordineeren van middel en doel wordt door ons menschen eerst van achteren ingezien. Waarvan ook de Apostel Paulus met verbazing uitroept Rom. 11: 33: o diepte des rijk doms heide der wijsheid en der kennisse Gods! hoe ondoorzoekelijk zijn zijne oordeelen en onnaspeurlijk zijne wegen ! Er is eene diepte, eene ondoorgrondelijkheid en onuitputtelijkheid in God. Eene diepte van rijkdom: ivant wie heeft Rem eerst gegevm en het zal hem. weder vergolden worden (v. 35) ? Een rijkdom van wysheid en kennis. Wegens zijnen rpdom (Fil. 4 :19) zijn alle dingen uit Hem; wegens zijne wijsheid, die alles tot het beste doel leidt en zijne kennis, die de middelen weet, welke Hij daarbij zal gebruiken en de wegen, welke

-ocr page 574-

§ 4. WIJZE BESLUITEN.

Hij daarbij heeft in te slaan, zijn alle dingen door Hem; en omdat alle dingen uit Hem en door Hem zijn, zoo zijn zij ook alle tot Hem, tot zijn dienst en eere, tot bereiking van zijne hooge, heilige en genadige oogmerken. Wel mocht de Apostel Gods oordeelen ondoorzoekelijk en zijne wegen onnaspeurlijk noemen, „dat is, zijne wijze die Hij houdt in het beschikken en besturen van der menschen verkiezing en verwerpingquot; (Kantteek.) Paulus heeft bijzonder het oog op de oordeelen Gods over zijn bevoorrecht volk Israël en op de wegen langs welke Hij de Heidenen, en te zijner tijd ook nog het dan levende Israël, toebrengt. Ondoorzoekelijk en onnaspeurlijk, niet volstrekt en voor altoos, maar zonder het licht der openbaring en der geschiedenis ; doch ook dan nog onpeilbaar en niet te doorgronden. Door ongedachte, onnagaanbare wegen volbrengt Hij zijnen raad en die alle heeft de Alwijze van eeuwigheid beraamd. Hoe dikmaals is dit tot beschaming van ons menschen! Hoe vaak moeten wg zeggen ; dat had ik nooit gedacht, dat scheen onmogelijk en toch geschiedde het. Dus is het in tijdelijke omstandigheden en nog moer in de betooningen der rijke en vrije genade») Gods. , Want mijne gedachten zijn niet ulie-

\') Hiervan bijzonder moet men Jes. 55: 8, 9 verstaan, gelijk Stier z. d. S. in overeenstemming met de oude uitleggers te recht weer aandringt. Treffend onze Kantteek.; Hier spreekt God de Heere wederom en het is zooveel alsof Hij zeide: gij menschen zijt van zulken aard, dat gij het niet lichtelijk vergeeft noch vergeet als u iemand vertoornd heeft, inzonderheid als hij \'t te grof maakt. Maar ik vergeef haast allen dengenen, die het leed is dat zij mij vertoornd hebben en mij om vergeving bidden. Ik ben ook niet wankelmoedig noch ongetrouw gelijk de menschen, maar al wat ik beloof, dat doe ik gewisselijk. Het verband met v. 7 eischt en rechtvaardigt deze verklaring.

548

-ocr page 575-

§ 4. WIJZE ÜESLUITEN.

der gedachten en uwe wegen zijn niet mijne wegen, spreekt de Heere. Want gelijk de hemelen hooger zijn dan de aarde, alzoo zijn mijne wegen hooger dan uwe wegen en mijne gedachten dan ulieder gedachten Jes. 55 : 8. 9. De mensch wil altoos zich zelf helpen. Maar alle gedachten en wegen van eigen kracht en gerechtigheid zijn dwaasheid. De wijsheid Gods heeft het anders bepaald. Zijn wijze raad en weg is, door de dwaasheid des kruises zalig te maken allen die gelooven.

§ 5. Onveranderlijke besluiten.

God kan nooit van besluit veranderen. Eene veranderlijkheid van Gods besluit wordt geleerd of verondersteld door al degenen, die hot doen afhangen van \'smenschen vrijen wil; inzonderheid door hen, die eene algemeene voorwaardelijke verkiezing stellen, welke, wanneer hare voorwaarde, bekeering en geloof, bij den mensch niet volbracht wordt, naar hun gevoelen in verwerping verandert. Zoo de Socinianen , Arminianen en ook, in strijd met hun eigene leer van \'s menschen onmacht, de Lutheranen.

Maar reeds uit het zuivere Godsbegrip volgt noodzakelijk, en de heilige Schrift betuigt nadrukkelijk, dat Gods besluit onveranderlijk is.

1. Immers a. God is eeuwig, buiten den tijd. Dus ook zijn besluit. Verandering behoort tot het tijdelijke. Kon Hij ooit van besluit veranderen , Hij moest dan een ander God worden, in verstand en wil bewogen, wisselende, van het eene (ot het andere Overgaande, b. Verandering van besluit zou strijden tegen zijne alomvattende voorkennis en tegen zijne onweerstaanbare almacht. Tegen zijne

549

-ocr page 576-

§ 5. ONVEBANDEPLUKE PESLUiTEN.

voorkennis. Want zou Hij voor één besluit een ander nemen, het moest dan zijn , omdat het eerste niet goed was en Hij er nu een beter vond. Tegen zijne almacht. Want een nieuw besluit zou veronderstellen dat Hij verhinderd was, het eerste uit te voeren.

2. De heilige Schrift leert niet alleen in het algemeen de onveranderlijkheid Gods, maar verzekert ook in het bijzondere, dat zijn besluit onveranderlijk is. Zoo spreekt de Heere Jes. 46; 10: „Die van den beginne aan verkondige liet einde en van ouds af de dingen, die nog niet geschied zijn ; die zegt; mijn raad zal bestaan en ik zal al mijn wel-lehagen doen.quot; Hieraan weten de geloovigen wat zij aan nunnen God hebben, hierin ligt hun steun en sterkte tegen eene vijandige wereld. De Almachtige kan met een wenk de trotscbe raadslagen der volkeren vernietigen, terwijl Hem niemand hinderen kan in de uitvoering van zijnen raad. Ps. 33: 10: „De Heere vernietigt den raad der Heidenen, Hij breekt de gedachten der volkeren. 11. Maar de raad des Heer en bestaat in eeuwigheid, de gedachten zijns harten van geslachte tot geslachte.quot; Voornamelijk wordt van Zijnen heilsraad de onveranderlijkheid verkondigd. Hebr. 6:17: „waarin God, willende den erfgenamen (Abraham en geheel zijn geestelijk zaad, dus allen geloovigen) der beloftenis (d. i. het beloofde goed zelf, het geestelijke en eeuwige heil in Christus) overvloedelijker bewijzen de onveranderlijkheid zijns raads (d. i. zijn besluit dat en hoe Hij de uitverkorenen in zijnen Zoon wilde zaligmaken) , is met eenen eed daartusschen gekomenquot; (tusschen zichzelven als een belovene God en de erfgenamen der beloftenis , aan wie Hij de belofte heeft gedaan).

De Bijbelplaatsen, die men hiertegen inbrengt, bevatten

550

-ocr page 577-

§ 5, ONVERANDERLIJKE BESLUITEN.

551

voor een gedeelte voorwaardelijke beloften en bedreigingen, welke men niet met „besluiten moet verwarren, hoewe! ook zij eigenlijk niet veranderd worden, daar zij immers voorwaardelijk zijn, b. v. Luc. 13:5: „indien gij u niet bekeert, zoo zult gij allen insgelijks vergaan.quot; En wat overigens eene verandering van Gods besluit vertoont, schijnt slechts zoo en wordt door het einde in het rechte licht gesteld. Het vindt zijne verklaring hierin, dat God om wijze redenen, voornamelijk om den mensch aan te vatten en tot behoorlijke werkzaamheid te brengen, niet op eenmaal geheel zijn besluit openbaarde, maar bij deelen, trapsgewijze, en wel om juist tot dat einddoel te leiden, hetwelk Hij van den beginne beoogde en waartoe al het voorafgaande dienen moest. Dus was het met de aankondiging des Heeren aan Mozes over Israël, Num. 14: 12: „ik zal het met pestilentie slaan en ik zal het verstooten.quot; Dit moest tot verootmoediging leiden en het moest Mozes tot een vurig voorbidder en pleitbezorger maken en het was bij den Heer besloten hierop kwijtschelding te verleenen, gelyk Hij aan Mozes verklaarde v. 20 : „ik heb hun vergeven naar uw woord.quot; Zoo was het ook met Hizkia, dien;eerst aangezegd werd, 2 Kon. 20 : 1 : „geef hevel aan uw huis, want gij zult sterven en niet levenquot;, terwijl weldra, na zijn ootmoedig bidden, de Hee-re hem dit woord gaf v. 6 : „ik zal nog vijftien jaar tot uwe dagen toedoenquot; Dit was „het voornemen Gods, die besloten had door zijn almogende kracht de ziekte te genezen en den koning nog vijftien jaren in het leven te behouden.quot; (Kantteek.) Evenzoo was het met Nineve in de dagen van Jona. Gods besluit werd niet veranderd, maar bij deelen bekend gemaakt. De bekeering des volks was er mede in begrepen, maar om het daartoe te brengen, kon niet aan-

-ocr page 578-

§ 5. ONVERANDEPLUKE PESLUITEN.

voorkennis. Want zou Hij voor één besluit een ander nemen, het moest dan zijn , omdat het eerste niet goed was en Hij er nu een beter vond. Tegen zijne almacht. Want een nieuw besluit zou veronderstellen dat Hy verhinderd was , het eerste uit te voeren.

2. De heilige Schrift leert niet alleen in het algemeen de onveranderlijkheid Gods, maar verzekert ook in het bijzondere, dat zijn besluit onveranderlijk is. Zoo spreekt de Heere Jes. 46; 10: „Die van den beginne aan verkondige het einde en van ouds af de dingen, die nog niet geschied zijn ; die zegt: mijn raad zal bestaan en ik zal al mijn tvel-lehagen doenquot; Hieraan weten de geloovigen wat zij aan nunnen God hebben, hierin ligt hun steun en sterkte tegen eene vijandige wereld. De Almachtige kan met een wenk de trotsche raadslagen der volkeren vernietigen, terwijl Hem niemand hinderen kan in de uitvoering van zijnen raad. Ps, 33: 10: „De Heere vernietigt den raad der Heidenen, Hij breekt de gedachten der volkeren. 11. Maar de raad des Heeren bestaat in eeuwigheid, de gedachten zijns harten van geslachte tot geslachte.quot; Voornamelijk wordt van Zgnen heilsraad de onveranderlijkheid verkondigd. Hebr. 6:17: „waarin God, willende den erf genanten (Abraham en geheel zijn geestelijk zaad, dus allen geloovigen) der heloftenis (d. i. het beloofde goed zelf, het geestelijke en eeuwige heil in Christus) overvloedelijker bewijzen de onveranderlijkheid zijns raads (d. i. zijn besluit dat en hoe Hij de uitverkorenen in zijnen Zoon wilde zaligmaken) , is met eenen eed daartusschen gekomenquot; (tusschen zichzelven als een belovene God en de erfgenamen der beloftenis , aan wie Hij de belofte heeft gedaan).

De Bijbelplaatsen, die men hiertegen inbrengt, bevatten

550

-ocr page 579-

§ 5. ONVEBANDEHLUKE BESLUITEN.

501

voor een gedeelte voorwaardelijke beloften en bedreigingen, welke men niet met „besluiten moet verwarren, hoewel ook zij eigenlijk niet veranderd worden, daar zij immers voorwaardelijk zijn, b. v. Luc. 13:5: „indien gij u niet bekeert, zoo zult gij allen insgelijks vergaan.quot; En wat overigens eene verandering van Gods besluit vertoont, schijnt slechts zoo en wordt door het einde in het rechte licht gesteld. Het vindt zijne verklaring hierin, dat God om wijze redenen, voornamelijk om den mensch aan te vatten en tot behoorlijke werkzaamheid te brengen, niet op eenmaal geheel zijn besluit openbaarde, maar bij deelen, trapsgewijze, en wel om juist tot dat einddoel te leiden, hetwelk Hij van den beginne beoogde en waartoe al het voorafgaande dienen moest. Dus was het met de aankondiging des Heeren aan Mozes over Israël, Num. 14: 12: „ik zal het met pestilentie slaan en ik zal het verstooten.quot; Dit moest tot verootmoediging leiden en het moest Mozes tot een vurig voorbidder en pleitbezorger maken en het was bij den Heer besloten hierop kwijtschelding te verleenen, gelyk Hij aan Mozes verklaarde v. 20 : „ik heb hun vergeven naar uw woord.quot; Zoo was het ook met Hizkia, dien\'eerst aangezegd werd, 2 Kon. 20 : 1 : „geef bevel aan uw huis, tvant gij zult sterven en niet levenquot;, terwijl weldra, na zijn ootmoedig bidden, de Hee-re hem dit woord gaf v. 6 : „ik zal nog vijftien jaar tot uwe dagen toedoenquot; Dit was „het voornemen Gods, die besloten had door zijn almogende kracht de ziekte te genezen en den koning nog vijftien jaren in het leven te behouden.quot; (Kantteek.) Evenzoo was het met Nineve in de dagen van Jona. Gods besluit werd niet veranderd, maar bij deelen bekend gemaakt. De bekeering des volks was er mede in begrepen, maar om het daartoe te brengen, kon niet aan-

-ocr page 580-

§ 5. ONVERANDERLIJKE BESLUITEN.

stonds gezegd worden, dat de stad gespaard zou worden. Het einde maakt openbaar, wat bij God besloten was.

Niet anders was het in het geval van Abraham Gen. 22. Eerst, v. 2, beveelt God hem, dat hij Izaak zal offeren tot een brandoffer. Dan, v. 12, verbiedt Hij het hem. Veranderde God daar van besluit ? Geenszins. Het was eene verzoeking. Dat staat niet te vergeefs aan het hoofd des verbaals geschreven. Gen. 22: 1 : „En het geschiedde na deze dingen dat God Abraham wrsoc/j;.quot; Dat is de sleutel. Zou het in waarheid eene verzoeking voor Abraham zijn tot beproevingy zou hij door de verzoeking beproefd worden, zoo kon God hom niet aanstonds vooraf alles op éénmaal zeggen. Anders was het geene verzoeking. Ook een krijgsoverste zal soms aan zijn strijdend volk niet geheel zijn plan vooraf zeggen. Heeft hij iets heel bijzonders voor, hij zal soms zelfs zijn eigenlijk einddoel onder openbaarlijk daartegen strijdige voorbevelen en schikkingen verbergen, niet slechts om des vijands wil, maar ook ter oorzaak van zijn eigen volk, om deszelfs trouw te beproeven en te versterken. — In Gods plan stond alles vast. Maar voor Abraham was het geheel onbekend, behalve zooveel de Heere er voortgaande bij deelen van openbaarde. Bevel en tegenbevel duiden hier dan geene verandering in God aan. Dat zou ziyn, wanneer eerst Gods besluit ware geweest, dat Abraham Izaak zou slachten en verbranden en Hij daarna, ziende Abrahams gewilligheid, het tegengestelde besluit had genomen, namelijk, dat Abraham het niet zou doen. Maar van besluit is hier geen sprake. Wij lezen niet, dat God he-slolm had de dooding van Izaak door Abraham ; dan zou \'t ook gebeurd zijn, al ware de wereld er mee om vergaan. De Heere zegt tot Abraham niet: ik heb besloten, dat gy

552

-ocr page 581-

§ 5. ONVERANDERLIJKE BESLUITEN.

Izaak tot een brandoffer zult offeren. Maar Hij geeft aan Abraham eene taak, een werk, eenen last, een hevel: neem— ga — offer ! Nu moest Abraham weten, wat hij te doen had. „Het gebod en de uitkomst zijn onderscheidene zaken i). Het bevel was de geopenbaarde wil Gods, de wil des hevels of des teekens. Daarnaar had Abraham zich te gedragen en alles te doen wat tot de offering zijns zoons ten brandoffer diende, gelijk hij ook deed. De uitkomst, dat op het werk van Abraham de dood niet zou volgen, was eene andere zaak en behoort tot den verborgen wil des be-sluits, welken Abraham van achteren zag, toen hij verhinderd werd door de stemme Godsquot; 1). God verzocht hem, stelde zijn geloof en zijne gehoorzaamheid op de zwaarste proef. Niet als of de alwetende God Abraham hierdoor recht grondig wilde leeren kennen, zooals de Socinianen stelden, volgens wie God eerst van Abrahams godsvrucht overtuigd zou geworden zijn, doordat en nadat Hij zijne gehoorzaamheid aanschouwd had, wijl Hij namelijk \'s men-schen vrijwillige handelingen niet zou met zekerheid vooruitweten, waardoor den groeten God de schepter uit de handen wordt gewrongen en waartegen iemand treffend betuigt: het vrije en contingente (toevallige) builen Gods tvetenschap te stellen, is Sociniaamche waanzin en eene stoutheid, waarvoor zelfs de Heidenen zijn teruggedeinsd s) Naar waarheid teekenen onze Statenvertalers aan op Gen. 22 : 1: „Wat Abraham aangaat. God kende hem volkomenlijk, maar wilde zijn sterk geloof en zijne ongeveinsde gehoorzaamheid

553

1

) Brakel, lied. Godsd. I. p. 88. P. Van Mastricht I. p. 399.

-ocr page 582-

§ 5. ONVEUANDERLUKE BESLUITEN.

op eene bijzondere wijze tot zyne eer, mitsgaders tot Abrahams en zijner ganscbe kerken beste openbaren.quot; Zou dat, zoo kon de Heere niet anders met Abraham handelen dan Hij deed. Om zijn doeleinde te bereiken, juist daarom kon Hij zijn doel niet vooraf aan Abraham te kennen geven. Hetgeen echter voor ons menschen uit elkander ligt, ja tegen elkander schijnt te strijden, is één in God.

§ 6. Geen voorwaardelijke besluiten.

Er zijn bij God geene besluiten onder eene voorwaarde, die van des menschen vrijen wil zou afhangen.

Zulke voorwaardelijke (conditioneele) besluiten stellen allen, die het gevoelen van Pelagius, aangaande den vrijen wil des menschen geheel of gewijzigd omhelzen, namelijk dat de mensch ieder oogenblik evenzeer vermag goede of kwade, heilige of onheilige voornemens te vatten en uit te voeren \'). Doch niet slechts dezen, maar ook de Lutheranen, die, hoezeer zij de volstrekte souvereiniteit en vrije genade Gods en \'s menschen onmacht bleven leeren, toch de absolute praedestinatie (onvoorwaardelijke voorbeschikking) varen lieten en eene van het geloof, als de voorwaarde, afhankelijke bestemming ter zaligheid daarvoor in plaats stelden1). Waarin de 3) hen volgden, dezen

met terugkeer tot het Pelagiaansch begrip van vrijheid , in strijd met de leer der Gereformeerde Kerk.

554

1

Scholten, a. W. II. p. 542,

-ocr page 583-

§ G. GEEN VOORWAARDELIJKE BESLUITEN. 555

Zoo zou God in een zoogenaamd voorafgaand of algemeen besluit besloten hebben alle menschen zalig te maken, onder deze voorwaarde, wanneer zij zich wilden bekeeren en gelooven, terwijl Hij door een volgend of bijzonder besluit zou hebben bepaald aan dezen en dien de zaligheid metterdaad te schenken, wijl zij zich bekeerden en in Christus geloofden.

Maar deze voorwaarde, bekeering en geloof, heeft God mede besloten en het besluit hangt van haar niet af. Zij behoort zelve mede tot het besluit, want hel besluit bevat met het einde, ook de middelen en wegen, die lot dit einde leiden zullen. In de beslotene zaak kan dus eene voorwaarde zijn, die God dan ook zelf in den tijd werkt, overmits Hij zijn doel niet kan missen; maar het Goddelijke besluit zelf, de besluitende daad kan van schepsels wil of werk niet afhangen; zoodat, wanneer de mensch dus of anders handelde. God hiernaar dan besluiten zou, hoe Hij zou handelen met den mensch. Door zulk eene stelling vernietigt men de idee der Godheid, daar men hierdoor God onder het schepsel plaatst. Het besluit Gods is eeuwig, gelijk Hij zelf, en kan daarom in geenerlei wijze zich eerst vormen naar iets wat eerst in den tijd ontstaat.

Stelt men met de Pelagianen en Remonstranten de vrijheid van den menschelijken wil in eene onafhankelijke onverschilligheid of onbepaaldheid tusschen het goede en het kwade, dan kan men geen volstrekt vaststellend besluit van God over den mensch aannemen. Maar in waarheid is zij het vermogen des menschen, om als redelijk wezen met verstand en overleg, met een redelijk welbehagen het eene te willen, het andere niet te willen; dus om zich uit bewuste redenen tot het eene of hel andere te bepalen, niet

-ocr page 584-

556 § 6. GEEN VOORWAARDELIJKE BESLUITEN.

gedwongen door een onweerstaanbare inwendige of uitwendige aandrift van instinct of buitenwereld i). Het is alleen in dezen zin, dat de mensch eenen vrijen wil heeft. Deze wilsvrijheid is in de redelijkheid gegrond en wordt door het volstrekte besluit Gods niet weggenomen of gekwetst, zoomin als de redelijk-zedelijke natuur zelve, door welke de mensch zich van het dier onderscheidt. Want het Goddelijke besluit omvat wel alle dingen, is echter niet de werkende oorzaak der dingen zelve, maar eene bepaling van hunne wording en de vrijwillige daden van den mensch heeft God vastgesteld juist als vrijwillig zullende geschieden. En was dit de wil van God, dat er vrij-willende wezens zouden zijn, zoo lag daarin meteen ook de mogelijkheid der zonde. Van tweeën één : of er moesten geen vrijwillige wezens zijn of meteen was de mogelijkheid der zonde gegeven , terwyl wegens deze vrijwilligheid, zonder eenigen voelbaren dwang om dus of zoo te doen, de mensch voor al zijne daden verantwoordelijk bleef.

Ten opzichte van het geestelijk goede, om godzalig te leven is sedert den zondenval de mensch niet vrij, maar

1) Vrijheid te noemen het vermogen van den wil, om zonder allen grond tusschen hetgeen tegen elkander gesteld is, te kiezen, is ongerijmd (libertas indifferontiae, aequilibrii). Want zoo ware de wil iets geheel nietigs en ledigs, zonder inhoud en doel. Het tegendeel is waar en ligt zelfs in heb gemeene bewustzijn der menachen zoozeer, dat de motiviteit (bestembaarheid en bepaling van den wil door motieven) juist datgene is wat men in het gewone leven door vrijheid verstaat. Herhart, Lehrb. zur Einleit. in die Philosophie. 3to Ausg. S. 172. !.83. Scholten , Leer der H. K. 11. p. 541. P. Van Mastricht, Godgel. I. p. 680. Bunsen, Hippolijtus und seine Zeit. Leipz. 1352. 1 Bd. S. 285 f.

-ocr page 585-

§ 6. GEEN VOORWAARDELIJKE flESLUlïEN. 557

gebonden; hij wil het goede niet en kan het niet willen; slaafs volgt hij zijne zondige neigingen en hartstochten , die hem onophoudelijk tot wilsdaden en handelingen verleiden , welke met de beoordeeling daarvan in disharmonie zijn en tegen Gods geboden strijden. En liij is willens zoo , hij wil niet anders ; \'t zijn immers zijne eigme begeerlijkheden en driften , die hij gehoorzaamt. Hij moet eerst vrij worden. De vrijheid des wils is iets wat eerst verkregen moet worden. Dat leert reeds eene gezonde Wijsbegeerte •). En nader zegt ons de heilige Schrift, dat de ware zedelijke vrijheid is de vrijheid van den dienst der zonde ; deze vrijheid wordt men alleen door den Zoon deelachtig (Joh. 8 : 31 v. v.)

Welke tegenstrijdigheid er overigens schijnt te zijn tus-schen Gods onfaalbare voorkennis en onveranderlijke bepaling van den eenen, en de menschelijke vrijheid van den anderen kant, zij bestaat niet voorwerpelijk (objectief), maar alleen onderwerpelijk (subjectief), alleen in het redekavelend verstand des menschen, hetwelk beide niet vereenigen kan, omdat het de Goddelijke kennis en wilsbepaling niet begrijpt: want deze is tijdeloos en omvat het tegenwoordige , toekomende en verledene gelijkmatig; dit tydelooze is voor den mensch onbegrijpelijk.

Do Gereformeerden hebben zich beslist verklaard voor de onomstoofelijke waarheid, dat bij God alles aangaande iederen mensch in het bijzonder nauwkeurig en volzeker is vastgesteld. Zij s\'eidon zich hiermede vlak tegen dege-

1) Vergel. Ilerhart, Lehrb. zur Einlelt. in die Philos. 3to Ausg. S. 272. Hom volgt Roorda, Zielkunde p. 193. Scholten, Leer der H. K. II. p. 534 v. v.

-ocr page 586-

§ 6. GEEN VOORWAARDELIJKE BESLUITEN.

nen, die een voorgaand en algemeen besluit aannamen, waardoor God niets aangaande de bijzondere personen, maar alleen den weg der zaligheid voor allen zou hebben bepaald, namelijk geheel in het algemeen: dat een iegelijk die geloofd zal hebben, zalig zal worden(hetwelk, zegt men, de mensch kan, indien hg maar wil), terwijl dan aangaande de bijzondere personen, die gelooven, bij God een bepaald besluit zou volgen , dat dezen zalig zullen worden.

De onhoudbaarheid van zulk eene stelling is openbaar. Immers 1. God zou dan zelf in onzekerheid verkeeren aangaande ieder bijzonderen persoon, totdat deze geloofde of in zijn ongeloof stierf. 2. God zou dus afhankelijk gesteld worden van den wil en de keus des menschen, terwijl daar bij den mensch eene kracht wordt toegeschreven, die hij niet bezit. Naar de Schrift zijn alle menschen dood door de zonden en misdaden, dus allen even gelijk onbekwaam tot alle geestelijk goed. 3. Door het zoogenaamd volgend of bijzonder besluit zou het eerste of algemeene overbodig en nietig zijn. 4. Zulk een algemeen besluit zou geen werkelijk voorwerp hebben , zou slechts een denkbeeldig menschdom raken, \'t zou dus een besluit zijn dat niets besloot. 5. Het strijdt rechtstreeks tegen de oneindige volmaaktheid Gods om door een voorafgaand besluit voor allen de zaligheid te beramen, welke Hij reeds van te voren wist, dat nooit aan allen zou te beurt vallen. — Men heeft zulk een algemeen besluit willen vinden in Joh. 3 : 16 : — „opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve maar het eeuwige leven hehhe.quot; En v. 36 : „die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven, maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem.quot; En Hand. 10:43: — een iegelijk, die

558

-ocr page 587-

§ 6. GEEN VOORWAARDELIJKE BESLUITEN. 559

in Hem gelooft, vergeving der zonden ontvangen zal door zijnen naam.quot; Maar in deze en dergelijke plaatsen wordt niet van een verborgen besluit, maar van den geopenbaar-den wil Gods gesproken: den mensch wordt daar de weg des behouds voorgesteld ; \'t is de verkondiging van belofte en dreiging, van leven en dood; \'t is dat, wat de gezanten Gods aan alle creaturen moeten prediken. En hoe zou de prediking ook anders kunnen zijn dan aldus quot;) ? Al de bijbelteksten, die men voor een algemeen, voorwaardelijk besluit inbrengt, behelzen voorwaardelijke bedreigingen en beloften, welke men niet met besluiten moet verwarren, hoewel ook zelfs deze bedreigingen en beloften, overmits zij voorwaardelijk zijn, niet veranderd worden.

§ 7. De voorwerpen van Gods besluit.

Gods besluit gaat over alle dingen. „Hij werkt alle dingen naar den raad zijns willensquot; Efez. 1 : 11J). Deze raad is zijn eigen richtsnoer, naar hetwelk Hij alles doet en beschikt door schepping en voorzienigheid, in natuur en genade; raad genoemd, niet als hadde er bij Hem eene beraadslaging, een overleg plaats, hetwelk eene voorafgaande onwetendheid of onzekerheid zou veronderstellen, maar om te kennen te geven dat bij God alle willekeur en toevalligheid is uitgesloten; dat Hij voor alles zijne wijze redenen heelt, die echter geheel in Hemzelven liggen, waarom gezegd wordt: raad zijns willens, „een allervolmaaktst oor-

1) I\'. Van Mastricht, Godgol. I. p. 681. Joh. a March, Het Merch der Chr. Godtgeleertheid. Eotterd. 1730. p. 100 v. Vergel. het Derde Hoojdstuk van dit Leesboek bl. 368.

a) Zie Derde Hoofdstuk bl. 369.

-ocr page 588-

560 § 7. DE VOORWERPEN VAN GODS BESLUIT.

deel hoedanig bij redelijke schepselen op eene nauwkeurige beraadslaging pleegt fe volgen \')quot;; meteen om aan te duiden , dat bij Hem met het doel tegelijk ook de middelen zijn beraamd.

Gods besluit bepaalt de toekomstige wording van alle en iedere zaak en daad. Niets gebeurt er of het is naar zijn eeuwig besluit. Al wat er van het begin des tijds af zijn of gebeuren zou, is bij God vóór allen tijd vastgesteld, maar met een gewichtig onderscheid: het eene om het te doen en uit te voeren, namelijk het goede, het andere om het toelatende te besturen, namelyk het kwade2). Ware er iets van Gods besluit uitgesloten; ware niet alles, ook des men-schen doen in den raad van Gods wil bepaald, dan zou er niets anders overblijven dan öf een stoïcijnsch noodlot of eene chaotische mengeling van louter toevalligheden zonder een wijs plan en heilig doel van een levend, regeerend God. — Het Goddelijke besluit raakt dan de toekomstige wording van alle zaken, \'t zij goede of kwade. Maar het besluit is niet de werkende oorzaak der toekomstige zaken zelve. Dus ten aanzien van de zonde. Het Goddelijk besluit is wel de grond en reden van de toekomstige wording der zonde, maar niet de werkende oorzaak van de zonde zelve ; de werkende oorzaak van de zonde zelve is de eigen wil van hem , die zondigt. Ware echter de wording der zonde bij den heiligen God, tot betooning van zyne genade en rechtvaardigheid, niet besloten, dan zou er geen zonde zijn. Ware het Goddelijk besluit de werkende oorzaak van de zonde, dan ware de mensch buiten schuld, niet verantwoordelijk voor zyne daden, dus onstrafbaar. Maar de raad

\') P. Van Mastricht, I. p. 672.

s) Brdkel, Eed. Godsd. I. p. 161.

-ocr page 589-

§7. DE VOORWERPEN VAN GODS BESLUIT. 561

Gods bestaat in eeuwigheid en de mensch blijft schuldig. Waar bleek dit treffender dan in hetgeen de Joden met Jezus deden ? Beide , Gods raad en hunne schuld hield Petrus hun voor, Hand. 2 : 23 : „Dezen, door den èe^aa?-den raad en de voorkennis Gods overgegeven zijnde, hebt jij genomen en door de handen der onrechtvaardigen aan het kruis gehecht en gedood.quot; Desgelijks Paulus te Lystre , Hand. 14: 16, waar bij tot Heidensche hoorders sprak. Hij verkondigt hun Gods raad, maar ook hunne schuld. Van waar was het dat zij den levenden God niet kenden, die alles gemaakt had ? van waar die ijdele goden, die zij gelijk hunne voorouders tot daartoe hadden gediend ? De Apostel verklaart het: „God heeft in de vededene tijden al de Heidenen laten lt;) wandelen in hunne wegen.quot; Ziet daar Gods raadsbesluit, naar hetwelk Hij hun geene onmiddellijke en bijzondere openbaring, geen kennis van den weg der zaligheid had gegeven. Maar daarbij ook aanstonds weer hunne schuld: zij waren niet te verontschuldigen. God had hen immers niet zonder alle getuigenis van Hemzelven gelaten, want de eeuwige kracht en Goddelijkheid des Scheppers stond ook den Heidenen voor oogen, daar Hij „zich niet onbetuigd yelaten heeft, goeddoende van den hemelquot; (v. 17), terwijl zij de waarheid in ongerechtigheid te onder hielden.

PRAEDESTINATIE. § 8. Des menschen eeuwig lot vastgesteld.

Gods besluit gaat ook over den eeimigen staat der rede-lyke schepselen, in het bijzonder der menschen. Kan het

\') S\'IXTS.

Gravemoijer , Goref. Gol. leci\'. 3C

-ocr page 590-

562 § 8. DES MENSCHEN EEUWIG LOT VASTGESTELD.

anders ? Immers de Schrift leert, dat zelfs geen haar van ons hoofd, geen musch op de aarde valt zonder Gods wil, hoe veel te meer raakt zijn raadsbesluit ons eeuwig lot! Christus heeft gezegd Matth. 10 : 29 : „Worden niet twee musch-jes voor een penningske verkocht ?quot; (een jaar later, Luc. 12: 6, zeide Hij zelfs: „vijf muschjes voor twee penningskens)? „En niet één van deze zal op aarde vallen zonder uwen Vader. 30, En ook uwe haren des hoofds zyn alle geteld.quot; Er valt soms wel een vogeltje, door honger of geweld gedood, op aarde, maar niet buiten Gods weten en wil. Er sterven wel getrouwe gezanten en kinderen Gods door de hand dergenen, die het lichaam dooden, maar niet zonder hunnen Vader. Buiten of tegen zijnen raad en wil zal zelfs „geen haar uit uw hoofd verloren gaanquot; (Luc. 21: 18), zal niemand u zelfs een haar krommen, spreekwoordelijk gezegd voor: men zal u aan lijf en leden niet het minste letsel kunnen aandoen, evenals 1 Sam. 14 : 45 het volk zeide tot Saul : „zou Jonathan sterven, die deze groote verlossing in Israël gedaan heeft ? dat zij verre! Zoo waarachtig als de Heere leeft, zoo er een haar van zijn hoofd op aarde vallen zal ! want hij heeft dit heden met God gedaan. Al-zoo verloste het volk Jonathan, dat hij niet stierf.quot; Geschiedt nu het geringste zelfs aan eonig redeloos schepsel niet buiten Gods weten en willen, zou dan eene zaak van zoo groot, van het allergrootst gewicht, de eeuwige staat der redelijke schepselen buiten zijn raadsbesluit liggen?

Bij God is van eeuwigheid besloten, wie zalig zal worden en wie niet. Er zijn voldingende redenen, die ons noodzaken dit aan te nemen.

Immers 1. God het einde van alles zonder eenige

onzekerheid. Hy heeft voorkennis ook van de daden van

-ocr page 591-

§ 8. DES MENSCHEN EEUWI8 LOT VASTGESTELD. 563

ieder mensch en van al derzelver gevolgen\'). Er kan bij Hem geene onzekerheid bestaan over den geheelen loop en uitgang van het menschdom in het gemeen en van iederen mensch in het bijzonder. 2. De grond van deze gewisse, nooit falende voorkennis kan alleen hierin liggen, dat alles vast bepaald is. Anders ware het geen weten, maar slechts een onzeker gissen. 3. Deze bepaling kan door geen ander gemaakt of Hem medegedeeld, kan alleen van Hemzel-ven zijn, overeenkomstig zijn doel met de schepping. Dus voorziet Hij het einde van alles, juist omdat het verwezenlijkt zal worden, omdat het vaststaat dat het zóó zal komen en niet anders. Het kan dan met zijne schepselen niet anders afloopen dan naar zijnen eeuwigen en onveran-derlijken wil, of het moest zijn , dat Hij geen doel had met de schepping, of dat Hij het wel had, maar niet bereikte. Het doel echter van al zijne werken kan geen ander zijn dan de openbaring en verheerlijking van Hemzelven in al z^jne volmaaktheden. „ Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid.quot; Rom. 11 : 36.

§ 9. Verkiezing en verwerping.

Dit besluit, dat het lot des menschen na dit leven en de grondlegging daartoe in dit leven raakt, wordt genoemd Praedestinatie, d. w. z. voorverordineering of voorbepaling, waardoor wy Gereformeerden verstaan niet alleen de bestemming tot zaligheid, maar den ganschen raad Gods, aangaande den eeuwigen staat aller menschen, beide van zalig-

\') Zie Derde Hoofdstuk bi. 358 v.

-ocr page 592-

§ 9. VERKIEZING EN VERWERPING.

heid voor één deel en van rampzaligheid voor het andere deel.

Het is eene ordineering (destinatie), omdat het is eene vaste bepaling van de orde der middelen en wegen , die tot het bij God vastgestelde einde leiden; het is eene worverordineering ^jro«destinatie), omdat zij vóór het aanwezen der personen gemaakt is.

Het einde van dit besluit is ; de verheerlijking van God, en wel in het bijzonder 1. van zijne genade, Efez. 1 : 6: „die ons verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen — tot prijs der heerlijkheid zijner genadequot; ; en 2. van zijne macht en straffende rechtvaardigheid, eene macht als van den pottenbakker over zijn leem, Rom. 9: 21, eene strafoefening tegen de vaten des toorns v. 22, nadat Hij ze met vele lankmoedigheid in hunne verdorvenheid en weerspannigheid heeft verdragen, in tegenstelling van de vaten der barmhartigheid v. 23, over welke Hij zich heeft willen ontfermen, om ze door Christus van het verderf te verlossen.

Bij de beschouwing van den staat en weg der mensch-heid worden wij als van zelfs noodzakelijk gebracht tot de aanneming van zulk een Goddelijk besluit. Immers vast staat deze waarheid: geen zaligheid voor eenigmensch dan in Jezus Christus (Hand. 4:12). „Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem,quot; Joh. 3 : 36. Maar hoe vele volken hebben niet eens van Jezus gehoord ! Van waar dit ? God liet ze wandelen in hunne wegen. Maar ook afgezien van dezen en alleen gelet op zoodanigen, die het Evangelie van Christus hooren, waarom gelooven en gehoorzamen dezen niet allen? Aan duizenden wordt Christus verkondigd, duizenden vernemen één en hetzelfde Evangelie. Maar een groot

564

-ocr page 593-

§ 9. VERKIEZING EN VERWERPING. 565

I

getal blijft mot hart en leven verre van Christus, blijft on-geloovig- en ongehoorzaam en gaat verloren. Zoo vreoselijk dit is, zoo waarachtig is het, of Gods Woord moest niet waar zijn. Maar van waar komt dit ? Zien wij op den mensch, wij moeten zeggen : het komt van zijn eigen verkeerdheid, boosheid en blindheid. Maar diezelfde verkeerdheid was vroeger immers ook in degenen, die nu gelooven. Want al wat uit het vleesch geboren is, is vleesch; het bedenken des vleeschen echter is vijandschap tegen God. Wij moeten dus hooger opklimmen en wij worden gedrongen om te bekennen : dezen is God genadig geweest en Hij heeft door eene inwendige, verborgene werking hunne ongevoeligheid en weerstrevigheid overwonnen; in de anderen heeft Hij niet alzoo gewerkt. Maar waarom doet God dat dan zoo aan één deel, waarom gaat Hij do anderen met zijne genade voorbij? God kon allen door de enge poort van bekeering en geloof in zijn koninkrijk overbrengen; Hij kon dit, omdat Hij almachtig is. Waarom doet Hij het niet? Omdat het Hom niet behaagt. Waarom behaagt het Hem niet? Hier zijn wij aan het einde, hier staan wij voor een vrijmachtig, ondoorgrondelijk raadsbesluit des Allerhoogston, in hetwelk Hem van eeuwigheid, dus ook bij Adams val on ook bij don verzoeningsdood zijns Zoons hot gansche menschdom voor oogon stond als in twee gescheiden: in die, die Hij uit hunne ellendigheid wilde verlossen en die, die Hij er in wilde laten blijven: uitverkorenen en verworpenen. Allen haddon do helle verdiend, allen stonden schuldig voor Hem, allen zag Hij in opstand togen Hom: aan oen deel wilde Hij naar de verkiezing zijner genade barmhartigheid bewyzen, terwijl de anderen naar zijn rechtvaardig oordeel bestemd zijn, om aan hen door hunne welver-

-ocr page 594-

§ 9. VERKIEZING EN VERWERPING.

diende verdoemenis zijne macht en gerechtigheid, die zij nu niet ontzien, als een heilig en onkreukbaar Rechter in al de majesteit van zijn hoog gezag te openbaren. Daarbij zal geen schepsel beschuldiging kunnen inbrengen tegen zy-nen Schepper, als of Hij zyne oppermacht willekeurig en wreed gebruikte. Want voor het gerichte Gods komen allen zoo geheel schuldig uit, dat zy op duizend niet één kunnen beantwoorden (Job. 9 : 3) en daarom lijden de verworpenen niets of zij hebben het duizendmaal verdiend.

Uit zulk eene beschouwing in het licht van Schrift en ervaring is ook het XVIdo Artikel van de Nederlandsche Belijdenis des Geloofs gevloeid; IVi?\' gelooven, dat het ge-heele geslacht Adams door de zonde des eersten menschen in verderfenis en ondergang zijnde, God zich zeiven zoodanig bewezen heeft als Hij is, te iveten: barmhartig en rechtvaardig. Barmhartig: doordien dat Hij uit deze verderfenis trekt en verlost degenen, die Hij in zijnen eeuwigen en onver anderlijken raad uit enkele goedertierenheid uitverkoren heeft in Jezus Christus onzen Heere, zonder eenige aanmerking hunner werken. Rechtvaardig: doordien Hij de anderen laat in hunnen val en verderf, daar zij zich zeiven in geworpen hebben •).

\') In don oorspronkelijken Walschen tekst van 1561 volgden op dezo woorden nog eenige volzinnen ter toelichting ea rechtvaardiging van hot leerstuk dor Praedestinatio. Daarin wordt met nadruk betuigd; «dat het enkel barmhartigheid is wat God doet aan degenen , die Hij verlost, daar Hij hun niets schuldig was , terwijl Hij aan do andoren als rechtvaardig Rechter zijno rechtvaardige gestrengheid betoont; dat Hij dezen geen onrecht doet , daar allen even diep gevallen zijn, terwijl Hij er sommigen uit verlost naar zijn eeuwig en onvergankelijk besluit, gegrond in Jezus Christus eor de wereld werd geschapen; dat dus

566

-ocr page 595-

§ 9. VERKIEZING EN VERWERPING.

In de Praedestinatie of Voorverordineering moet men dan twee deelen , twee daden Gods onderscheiden: 1. verkiezing , 2. verwerping.

Dordrechtsche Leerregelen Hoofdst. 1:6; Dat God sommigen in den tijd met het geloof hegaaft, sommigen niet he-gaaft, komt voort van zijn eeuwig besluit, Want alle zijne werken zijn Hem van eeuwigheid aan hekend (Hand. 15 : 18) en Hij doet alle dingen naar den raad zijns willens (Ef. 1: 11). Naar welk besluit Hij de harten der uitverkorenen, hoewel zij hard zijn, genadiglijk vermurwt en buigt om te gelooven; maar degenen, die niet zijn verkoren, naar zijn rechtvaardig oordeel in hunne hoosheid en hardigheid laat. En hier is het, dat zich ons voornamelijk opdoet die diepe, barmhartige en samen rechtvaardige onderscheiding der menschen , zijnde in even gelijken staat des verderfs , of het besluit van verkiezing en verwerping , in het woord Gods geopenbaard.

Wanneer wij de verwerping tot de Voorverordineering, Praedestinatie1), rekenen als een deel van haar, zoo wil

niemand door zich zolvon tot de zaligheid kan komon, daar wij uit ons zolvon niet in staat zijn iots goeds te donken , wanneer niet God door zijne genade en loutere goedheid ons voorkomt.quot; De Synode te Antwerpen 1566 hooft dit nit de belijdenis weggenomen. Waarom? Prof. Doedes, do Nederl. Geloofsbelijdenis, Utrecht 1880 , p. 195, verklaart het niot to weten. J. J. Van Toorenenbergen, Symbol. Schriften bl. 29 vermoedt dat het eene poging kan zijn geweest, om zooveel mogelijk den aanstoot weg te nemen , welken de politieke vrienden der ongedrukte Hervormden in do door do Luthorsgezinden veroordeelde leerstellingen vonden.

2) Naar do Vulgata, dio het grieksche irpoepi^siv doorgaans door praedestinare vertaalt. Men herinnert dat Trpoopi^civ in do

567

-ocr page 596-

§ 9. VERKIEZING EN VERWERPING.

568

dat zeggen: er is bij (tod eene evenzoo volstrekte en onvoorwaardelijke vaststelling van het eeuwige lot dergenen , die niet zalig worden als van hen die zalig worden.

Ook de verwerping is eene voorver or dineering, een eeuwig, onveranderlijk raadsbesluit Gods. Dit is Gereformeerde leer, eene waarheid gegrond op Gods Woord, hetwelk niets , wat het ook zij, buiten God stelt. Het wordt ontkend door al wat ongereformeerd is, door hen, die het onvermogen van den mensch tot het geestelijk goede geheel of ten deele loochenen en algemeene genade stellen. Zij beweren dat de verwerping niet is eene voorverordineering, een besluit. Want

Schrift gezegd wordt van de voorbestemming tot zaligheid en van middel, wijze en weg, waardoor de uitverkorenen tot de zaligheid geleid worden. Dus ook Stier, Brief an die Epheser I. S. 74, zu Ef. 1: 5. Dienvolgens zon praedestinatte alleen verkiezing te kennen geven on de Gereformeerde Kerk zou verkeerd doen, wanneer zij dat woord van geheel hot raadsbesluit Gods over alle menschen, dus ook van de venverping gebruikt? Geenszins. Want Trpoopi^eiv praedestinare, beteekent op zich zelf niet: ter zaligheid verordineeren, verkiezen, maar algemeen: te voren bestemmen, te voren vaststellen of verordineeren. Hot is »eon enkel formeel, niet oen zelfstandig, door zich zelf reeds volledig begripquot;, Cremer, bibl.-theol. Worterbuch 2te Aufl. S. 465. Eerst door bijgevoegde bepalingen wordt het tot de verkiezing ter zaligheid gebracht. AldusRom. 8: 29 : ou? KpoéyvM, kx) trpompiae (praedestinavit, Vuig.) a-vftftoptpous rijs smóvos toïi v\'ioü ocvtov. Ef. 1; 5: irpoophas $//,amp;lt;; (qui praedestinavit nos) f(9 v\'ioóeaixv. Vs. 11: èv « kx) tkhvipuqyitsv Trpoopaósvre^ (praedestinati), waar men , stondo or niets meer, zich roods van zelf als nadere bepaling zou denken : elq tov K/.fjpoii, maar v. 12 wordt uitdrukkelijk toegevoegd: slg to ehxi ypixs els sttxivov k.t.X. Schijnt het Kom. 8 : 30 bij den eersten opslag zelfstandig te staan: cyg- Sf Trpoupias, tovtovs xxl sKxtetrsv in den zin van verkiezen, hot is slechts schijn. Want men

-ocr page 597-

§ 9. VERKIEZING EN VERWERPING.

op dat pelagiaansch standpunt zag men altijd in zulk een besluit eenen nooddwang voor den mensch, zoodat de verworpenen niet vrijwillig, maar noodzakelijk zouden zondigen en verloren gaan. Daar kan men dan geen vast besluit bij God in de verwerping toestaan, maar eene voorkennis slechts van het verderf der ongeloovige zondaren, niet veel zekerder dan de voorkennis bij een geneesheer van den dood eens zieken. Daarop komt de leer uit van de Uoomsch-Katholieke en van de Grielcsche Kerk en evenzoo van de Mennonieten en de Remonstranten.

Ook de Luthersche Kerk, hoe sterk zij anders des menschen onvermogen tot het goede betuigt, gaat, tegen zichzelve strijdig, een volstrekt besluit van verwerping ontkennen en brengt de voorverordineering alleen tot de verkiezing en stelt ook deze zelfs voorwaardelijk gt;). Zij leert

moot hier als doolsbepaling woder opnomon wat v. 29 gozogd was: dio Hij te voren verordineerd heeft, namelijk tot hetgeen genoemd was, om den heelde zijns Zoons gelijkvormig te zijn. Anders is het mot yivutrxeiv en Trpoyivutrnsn, hetwelk niet algemeen zeggen wil, besluiten over iemand, maar oen zelfstandig en volledig begrip is, welks inhoud niet eerst behoeft genoemd te worden : een kennen, to voren kennen Gods van zijn volk; een kennen, hetwelk verbintenis, gemeenschap insluit. In geheel algemeenon zin komt Trpoopl^siv voor Hand. 4: 28 : Horodus on Pontius Pilatus met de Heidenen en de volken Israöls deden al wat Gods hand en raad te voren bepaald had {jvpoupKre Vuig. decrevorunt) dat geschieden zou. Hot simplex ópi^siv is gansch algemeen en wordt in het N. T. van allerhande bepaling gezegd.

\') Het laatst, met de verste afwijking van het gevoelen van Luther zeiven, in. hot 11de Artikel dor Formula Concordiae (uit-gegoven 1850) bestaande uit eene Epitome en Sohda Declaratio, ed. liechenberg, Lips. 1756. p. C18. 799, zelfs door Luthersche theologen voor min grondig verklaard. Vergol, Scholten, Leer

569

-ocr page 598-

§ 9. VERKIEZING EN VERWEIiPlNG.

570

1. God wil dat alle menschen zalig worden, In dezen zin: Hij heeft, naar zijnen voorgaanden ivil, alle menschen tot eeuwige zaligheid bestemd en dat is de Praedestinatie ruim genomen, in welke dus geene verwerping plaats heeft. Hiermede wordt alzoo eene algemeene genade verkondigd en verzekerd, dat de verlossing in Christus is voor alle menschen. De volvoering echter van deze algemeene praedestinatie tot zaligheid hangt af van het geloovig aannemen der allen roepende Goddelijke genade. 2. Daar nu niet allen gelooven, zoo splitst zich, ten aanzien van de werkelijkheid, det besluit in verkiezing der geloovigen, naar den navolgenden ivil Gods, hetwelk is de Praedestinatie nauw genomen, en verwerping der ongeloovigen. De verlossing is dan naar Gods oogmerk voor allen, maar bij de uitkomst is zij particulier. Ook de verworpene was dus volgens de leer der Lutheranen in het algemeen besluit Gods, naar zijnen voorgaanden wil, ter zaligheid gepraedestineerd; maar deze praedestinatie, die ook hem gelijk de anderen omvatte, wordt voor hem in de werkelijkheid van wege zijn ongeloof verwerping (roprobatie).

dor H. K. II. p. 412. Ook Delitzsch, bibl. Psychol S. 40 mot zijnon algsmeenen on bijzonderen liefdewil Gods, verheft zich niot bovon do inconsequontio der Lutheranen. Stemt hij toe, dat do Verkiezing oone niet-verkiezing tor keerzijde heeft, hij laat niot na to verzekeren, dat dit niot is im Sinn einor rein willkürUchen praedestinatio duplex (verkiezing en verwerping), sondern in dem Sinne, dass Gott die Mensehen in dem ganzen Thatljostande ihrtr Selbstentscheidung ewig vor sinh hut. Dus kwam ook L. Tlutterus, Compond. locor. thoolog. od. 1021 p. 147 als strong Lutheraan togen hot gevoelen op van eono keur of uitkipping, quasi Dous militarem quendam delectum instituerit atquo dixorit : hic sal-vandns est, illo vero damnandus ; hic ad finem usque in fide constans porseverabit, illo voro nou porsovorabit.

-ocr page 599-

§ 9. VERKIEZING EN VERWERPING.

waarvan de oorzaak niet is de wil van God, maar het nietwillen , de onwil van den mensch \').

By de nieuwere Hervormde Godgeleerden heersiht zeer algemeen eene voorstelling, die meest op de Luthersche gelijkt. De dusgenoemde Groningsche theologie, of dis der Evangelischen met hare Ethische volgelingen, laat voor de verwerping geene plaats1). Haar is de Praedestinatie het plan van God om de menschen en wel alle tot de hoogste zaligheid te brengen en de verwerping is haar niets anders dan een tijdelijk achterstellen s). De zwarigheid dat, wanneer men daarbij niet de werkelijke zaligheid aller men-

571

1

) BreUchneider, Handbuch der Dogmatik. 3te Aufl. 11. S. 115. 122. f. Hase, Hutt. rediv. § 90 , 91.

-ocr page 600-

§ 9. VERKIEZING EN VERWERPING.

schen stelt, ten slotte niet volbracht wordt hetgeen God had gepraedestineerd, neemt men dan niet in aanmerking«). Maar te recht herinnert een onzer oude Godgeleerden2): „Die iets beoogende en besluitende wil, die wordt bedrogen als niet komt hetgene hij wil. Wil dan God aller menschen zaligheid in zijn besluit en beoogt Hij zoodanige algemeene zaligheid, zoo wordt God in zijn voornemen bedrogen en Hij krijgt niet dat Hij willende besloot en besluitende wilde. Dewijl dan deze dingen ongerijmd zijn, zoo is het dan ook ongerijmd eenen algemeenen besluitenden wil in God te stellen om alle menschen zalig temaken.quot; Maar men gaat verder en dwaalt al voort tot de gansch onbijbelsche stelling , dat werkelijk eenmaal alle menschen zalig worden , het oude gevoelen van Origenes van de wederbrenging (apokatastasis) van aliens).

Calvims daarentegen ging , evenals Zwingli, van de schriftuurlijke waarheid uit, dat God Souverein, vrij-

ot electionis et rcprobationis, sod unice do Diviui amoris prae-dostinationo ad salutom, juncta cum liujns consilii Diviui exso-cutiouo sensim progredieiito. Geheel naar bchletermachev. Zie llagenbach, Lehrb. der Dogmongescli. S. 736. Ook Scholten, Loer der H. K. 3do uitg. II. p. 410 v. v. stelt togen verkiezen alleen een tijdelijk wtó-vorklozen over. Verg. 4de uitg. p. 583 v.

^ Zie Da Costa, Eonigo Opmerkingen enz. 1847 p. 40.

gt;) Brakel, Rodel. Godsd. I. p. 180.

3) Wederom op het spoor van Schleiermacher, Dor christl. Glaube, 3te Ausg. § 118 S. 251: Wenn sich das christliche Mitgefühl über dia frühere und spatere Aufnahme der Einen und Andern in die Gemeinschaft der Erlösung beruhigt; so bleibt dagegen ein unaujlöslicher Miszklang zurück , wenn ivir uns unter Vor-aussetzung einer Fortdauer nach dem \'lode einen 1 heil des mensch-lichen Geschlechtes van dieser Gemeinschaft günzlich ausgeslossen denken sollen. Als of iu dezen het gevoel en niet hot Woord

572

-ocr page 601-

§ 9. VERKIEZING EN VERWERPING.

machtig Opperheer is en de monsch niet slechts door zijne ongehoorzaamheid in afhankelijkheid van God is geraakt, maar als schepsel in al zijn doen en in geheel zijn lot afhankelijk van God is quot;); dat de mensch in geenerlei opzicht heer van zich zeiven is , maar dat Gods wil, alleen door zijn eigene beweegredenen geleid , vrij en wijs, rechtvaardig en genadig alles bepaalt. Dies kan de eeuwige rampzaligheid van menschen niet zijn eene verijdeling door hen van een ander voornemen Gods met hen. De uitkomst moet aan zijn eeuwig plan volkomen beantwoorden en de verwerping is zoowel een besluit als de verkiezing het is.

De verkiezing aan te nemen , en de verwerping niet, is ongerijmd en strijdig tegen de heilige Schrift 2).

Ongerijmd. Want de verwerping is de noodzakelijke keerzijde van de verkiezing, zoo onafscheidelijk van deze als de andere kant van een boekblad. Zonder de verwerping zou de verkiezing geene verkiezing zijn. Wie

Gods boslisto ! Vergol. S. 277. En § 163 S. 505, hior met beroep op wenken in de b. S., 1 Kor. 15 ; 26, 55 , kont hij althans gelijk recht toe aan dit mildere gevoelen: dat door de kracht der verlossing eenmaal eene algemeenc herstelling aller menschelijke zielen zal plaats hebben. Niet anders vele nieuw eren, ook Scholten, Leer der H. K. II. p. 418, 485, 487 ; naar hem zou dit de leer bjj name van Paulus zijn ! ib. p. 100. 112. Behartiging verdient hiertegen Van Oosterzee in de Jaarboeken, VIII. 4. p. 771. v. v.

\') Vergel. Scholten, Leer der H. K. II. p. 9. 150.

2) Calvin. Instit. III. 23. 1. P. Van Mastricht I. p. 739 h. Vergol. de aanhalingen bij Ebrard, Cbr. Dogm. II. S. 715, die intusschen zelf de verkiezing vasthoudt maar haar correlaat, de verwerping, vallen laat.

573

-ocr page 602-

§ 9. VERKIEZING EN VERWERPING.

574

uitkiest, neemt niet alles; wat hy niet kiest, wordt hij noodzakelijk gezegd te verworpen. Wien God niet aanneemt , niet verkiest maar voorbijgaat, dien, het kan naar waarheid niet anders uitgesproken worden, verwerpt Hij. Valt de verwerping weg, dan vervalt ook de verkiezing, die haar tegendeel is.

Strijdig tegen de heilige Schrift. Deze voegt beide saam , met onderscheiden bewoordingen. Christus wijst er niet onduidelijk op heen, waar Hij van het laatste oordeel spreekt Matth. 25: 34: Alsdan zal de Koning zeggen tot degenen die tot zijne rechterhand zijn : „Komt, gij gezegenden mijns Vaders, beërft dat koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereldquot;, „namelijk van God door en naar zijne eeuwige verkiezingquot; (Kantteek.) Vs. 41 : „Dan zal Hij zeggen ook tot degenen die ter linkerhand zijn : gaat weg van mij, gij vervloekten in het eeuwige vuur, hetwelk den duivel en zijnen engelen bereid isquot; \'). Niets buiten God. Hij be-

1) to tiroi/txtrfiévov. Door wien ? Door henzelven buiton God om ? Het vuur zoomin als v. 34 het koninkrijk, waarbij ook niet gezegd is wie het bereid heeft. Ongetwijfeld moet men bij ytoiftxe/asvov verstaan vtto toïi trarpó^, gelijk ook Olshauseu a. 1. bekent. Dit is uitgedrukt in de variante o yTolfixesv o TraTyp /tov, zelfs door Grieshach aanbevolen. Zie Tischendorj. — Overigens is het opmerkelijk, hoe de Luthersehe uitleggers, ook de Unionisten , ook hier tegen de Gereformeerde leer ijveren en allamp;s ver-lutheren. Zoo Stier. Terwijl hij Reden des Hernn Jesu II. S. 610 Matth. 25 : 34 xtto )cxTx(3o\\iji; yJcr/MU verklaart voor z. v. a. vrpo kxt x3c Koa\'piou, beweert hij ib. S. 613 bij v. 41: gt; zelf den duivel is de helle bereid van den aanvang zijner zonde af , niet van de schepping af. Veel minder voor da menschen. Voor dezen, zegt hij, is er geen besluit van verwerping, geen boek des doods ,

-ocr page 603-

§ 9. VERKIEZING EN VERWERPING.

stuurt alles. Maar dan is ook alles by Hem vooraf bepaald, of zijn bestuur ware toevallig. Spr. 16 : 4 : „de Heere heeft alles gewrocht om zijns zelfs wil\'), ja ook dm goddelooze tot den dag des kwaads.\'quot;

Rom. 9 : 22, 23 staan tegen elkander over vaten des toorns d. i. voorwerpen van Gods toorn en vaten der barmhartigheid, aan welke Hij zijne barmhartigheid wilde verheerlijken. De Apostel zegt v. 22: „Êw o/(eigenlijk: d. w.

z.: hoe? zult gij nog tegenspreken, indien) God willende zijnen toorn bewijzen en zijne macht bekend maken , met veel lankmoedigheid verdragen heeft de vaten des toorns tot [het]

geen eigene helle, ivijl het bloed van Jezus hen allen verzoend heeft; alleen die des duivels wilden worden, krijgen eindelijk zijn deel.quot; Dus toch eono eeuwige verdoemenis. Olshausen zu Matth. 25 : 46 vindt zelfs deze niet positief in de Schrift geloerd eu ook hem is er wol eono praedostinatio sanctorum (hoewel zonder gratia irresistibilis), maar geeno reprobatio impiorum. — Ook Va?i Oosterzee, Dogm. II. p. 88 neemt aan dat naar Matth. 25; 41 hot vuur oorspronkelijk niet huu (den goddeloozen) maar ■»den duivel en zijnen engelenquot; bereid is. Maar daar wordt het bezwaar (tegen de verwerping) toch slechts verplaatst en het doel der goddeloozen in het vuur toevallig.

\') Dit is door de Onzen niet nauwkeurig vertaald. Hethebr. beteekent: tot zijn dool of voor zijn oogmerk. Zie

Winer, Lexic. Simonis p. 735. Gesenius, Handwörterb. Achte Aufl. S. 494. Het is van hetwelk beduidt: 1. antwoord.

2. doel. Doch do zaak komt toch neer op hetgeen do gewono vertaling zegt. Alles moot aan Gods bedoeling beantwoorden, moet zijn oogmerk dienen. Zelfs do Luthersche Richter , Haus-bibel Z. d. St. merkt aan : So hat auch das Böse seine Bestim-viung zu seiner endliehen Bestrafung und zur Verherrlichung Oottes. Anders Van Oosterzee, Dogmat. II. p. 89, naar Van der Palm : om aan zijn eigen aanleg te beantwoorden.

575

-ocr page 604-

§ 9. VERKIEZING EN VKEUVERPING.

verderf toebereid 23. En opdat Hij zoude bekend maken den rijkdom zijner heerlijkheid over de vaten der barmhartigheid, die Hij te voren bereid heeft tot heerlijkheidquot;. Zij, die van geen verwerping willen weten, beroepen zich op het onderscheid in de uitdrukkingen, daar de Apostel van de vaten des toorns zegt: „zij zijn tot verderf toebereidquot; \')» maar van de vaten der barmhartigheid: „God heeft ze ie voren bereid tot heerlijkheidquot;1), als zou dit te kennen geven, dat de vaten des toorns niet door God, maar alleen door zichzelven tot het verderf toebereid en daarvoor rijp geworden zijn s). Dus laat men God er buiten. Maar dit strijdt openbaar tegen geheel het betoog des Apostels en men verscheurt willekeurig het verband van zijn vast ineengevlochten redebeleid. Want hij heeft pas te voren zelf gezegd, dat God Pharao verwekt heeft v. 17 en dat Hij verhardt dien Hij wil v. 18. Hierin openbaart zich alzoo een wil Gods, een raadsbesluit. En vs. 21 wees de Apostel nog op Gods vrijmacht: „Of heeft een pottenbakher geene macht ovw het leem, om uit denzelfden klomp te maken het ééne vat ter eere en het andere ter oneere ?quot; In verband met dit alles kunnen wij bij de vaten des toorns tot verderf toebereid onmogelijk iets anders denken dan : door God zelven^), door

576

1

i) Ty.siiy ópyfa rnxTvpTivftévx sh XTruhsixv.

-ocr page 605-

§ 9. VERKIEZING EN VERWERPING.

zijn ondoorgrondelijk oordeel. Immers God had hen aan het verderf kunnen ontrukken, hadde Hij dit gewild. In-tusschen zegt Paulus : tot verderf toebereid, niet: tot verderf geschapen, zoomin als hij van de vaten der barmhartigheid zegt, dat zij door de schepping tot heerlijkiieid zijn gemaakt. Want de schepping maakt het onderscheid niet, maar de krachtige roeping of niet-roeping, v. 24. Hierin ligt het bereiden, en juist dit is de volvoering van den eeuwigen wille Gods, van zijn besluit. Waarom onze Kantteekenaars bij de vaten des toorns te recht aanmerken, dat dit die zijn over welken God zijn rechtvaardigen toorn voorgenomen heeft ie bewijzen. Dit vooropgesteld, konden zij bij tot verderf toebereid aanteekenen : namelijk ten deele door henzelven , daar zij in hunne verdorvenheid en weerspan nigheid een vermaak hebben; en ten deele door Gods rechtvaardig oordeel, die hen daarin heeft willen verlaten en tot de verdiende straf brengen, gelijk aan Pharao is geschied. Niet als waren het twee zaken tusschen God en de godde-loozen gedeeld, maar het is ééne zaak beschouwd van \'s men-schen kant en van Gods kant. De vaten des toorns zijn Pharao en de Egyptenaren, door God in de Roode zee verdelgd, voorbeelden van alle ongeloovigen; do vaten der barmhartigheid do Israëlieten, die Hij verloste, voorbeelden van al de geloovigen uit de Joden en de Heidenen.

Dezelfde tegenstelling vinden wij Rom. 11:7: Wat dan? hetgeen Israël zoekt, dat heeft het niet verkregen, maar de

Icnnstelnd. Desgelijks zeer beslist Meyer S. 443 : alles Clamu-liren, wodurch der passive Sinn verwischt oder ans dem passiven Ausdruck herauskommen soil, dass sie sich selbst zum Verderhen zugerichtet oder dasselbe verdient hdtten, ist wort-und context-widrig. Vergal. Calvin. Instit. III. 23. 1.

GravcmoUor, Gcref. Gel. loer. 37

577

-ocr page 606-

§ 9. VERKIEZING EN VERWERPING.

uitverkorenen hebben het verkregen en de anderen zijn verhard geworden «). Het volk Israël valt in twee dee-len: het ware Israël, hetwelk dit is naar de verkiezing der genade (v. 11) en de verstokten, die onder het rechtvaardig oordeel Gods liggen.

Er is bij God een stellen tot toorn en een stellen tot verkrijging der zaligheid, 1 Thess. 5:9, waar de Apostel in der geloovigen naam zegt; „God heeft ons niet gesteld tot toorn; maar tot verkrijging der zaligheid door onzen Heer Jezus Christus.quot; Stellen2) wil zeggen : bestemmen , ordi-neeren ; tot toorn d. i. om den toorn Gods te ondervinden ; vergelijk v. 5 : „zij zullen het geenszins ontvlieden.quot; Hierin ligt openbaar, dat God sommigen gesteld heeft tot toorn, dat is om te zijn vaten des toorns of om eene rechtvaardige straf en verderf over hen te brengen (Kantteek.)

1 Petr. 2 : 8 wordt gesproken van degenen, die zich aan het woord stooten, ongehoorzaam zynde, waartoe zij ook gezel zijnquot;, en tegenover dezen staan, als op den overkant, de uitverkorenen v. 9. Wie heeft de ongehoorzamen daartoe gezet om zich aan het woord Gods te stooten ? Iemand heeft gezegd: dat heeft de duivel gedaan^). Maar dal zegt de Apostel niet. Integendeel, God heeft het gedaan, dezelfde die de uitverkorenen uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht v. 9. Niet dat God iemand zou zetten of

STupüQyvxv, eigenlijk zijn vereelt geworden. De Vulgata onnauwkeurig ; excaecati sunt, zij zijn verblind geworden. Meyer z. d. St.: Das verhilrtonde subject ist Gott.

-) Tióèvxi of tiÓstöxI tivx slg t( , iemand tot iets bestemmen. Dus ook Lünemann in Meyers Komment. z. d. St. Do uitdrukking is zoo stellig als mogelijk. Evenzoo 1 Petr. 2: 8.

:!) Aretius. Zie lluther in Meyers Komment. z. d. St.

578

-ocr page 607-

§ 9. VERKIEZING EN VERWERPING.

579

ordineeren om zijn ivoord ongehoorzaam te zijn voor zooveel dat zonde is. Want zulks zou strijden tegen Gods natuur; maar omdat God door zijn rechtvaardig oordeel deze halsstarrige menschen in hunne halsstarrigheid heeft overgegeven, om deze hunne ongehoorzaamheid tegen Christus meer en meer te ontdekken en zich zeiven alzoo de verdiende straf en toorn Gods met hunne ongehoorzaamheid meer en meer over den hals te halen. (Kantteek.)

De Brief van Judas v. 4 gewaagt van opgeschrevenen ten oordeele: „Want daar zijn sommige menschen ingeslopen , die eertijds tot ditzelve oordeel tevoren opgeschreven zijn •), goddeloozen, die de genade onzes Gods veranderen in ontuchtigheid en den eenigen Heerscher God en onzen Heere Jezus Christus verloochenen.quot;

1) ol ttxXxi trpoycypxftftsvoi el? rovro to npi^x, Luther: van welken voor tijden geschreven is. Andorou: die al van overlang aangeschreven, gekanteekend zijn voor dit oordeel — namelijk in do veelvuldige voorzeggingen der Schrift van de kerkverdervors. Zoo inzonderheid de Luthersche uitleggers. Dus Bengel, Gnom. a. 1.: non innuitur praedeatiuatio, de qua tarnen locutio exstat similis, o\'t ypxCpivTSV sh; ^wyv Jes, 4 ; 3, sed Scripturae praedictio. Doch ook onze Joh. Coccejus, Commentar. in Epist. S. Jndae § 57, naar wien dus deze goddeloozen hun eigen oordeel in de voorzeggingen der Schrift lezen. Maar 1. xpoysypx^^svot geeft ongetwijfeld nog iets meer te kounon. Zelfs Bretschneider, Loxic. s. v. Trpoypxtyu acht het hier van God gezegd in don zin : bestemmen , ordineeren (destinare, ordinare) met vergelijking van Appian. bell. civ. 4 init.: Sulla tov; sxépouq ek öxvxtov 7rpoypx-pxlt;;. Onzo Kantteekenaars windon er geen doeken om en verklaren , met. Calvijn, te voren opgeschreven: namelijk van God in het register van de verworpene menschen. Eene gelijkenis van de menschen genomen, dia hunne registers hebben, in welke zij de namen opteekenen dergenen , met welken zij te doen hebben, elk

-ocr page 608-

§ 9. VERKIEZING EN VERWERPING.

Verwerping en verkiezing worden, men kan dit bij eenig nadenken niet loochenen, ook aangeduid Matth. 11: quot;25 , 26 , waar Christus van verbergen en openharen spreekt en beide tot het ivelbehagen des Vaders brengt. In dienzelven tijd, toen Hij het zware oordeel verkondigde over Galilea\'s steden, in welke zijne krachten meest geschied waren en die zich niet bekeerd hadden, antwoordde Jezus daarop zich zeiven en zeide: „ik dank u, Vader, Heere des hemels en der aarde, dat gij deze dingen (namelijk de dingen van het koninkrijk Gods , grond, middel, weg en doel der genadige verlossing) voor wijzen en verstandigen verborgen hebt en hebt dezelve aan kinderkens geopenbaard. Ja, Vader, want alzoo is geweest het ivelbehagen voor u.quot; 1. Hier betuigt Jezus bet hooge recht Gods: Hij is de Heere van hemel en aarde en kan met het maaksel zijner handen doen wat Hem behaagt. 2. Dat niet allen het Evangelie gehoorzaam zijn komt niet uil gebrek van macht bij God, als kon Hij de weerstrevigen niet buigen : als Heere van alles kan Hij ook gemakkelijk alle schepselen aan zijnen wil onderwerpen. 3. Dat sommigen tot geloof komen, terwijl anderen blind en verhard blijven, geschiedt door zijne genadige verkiezing, daar Hij alleen het is, die onder de menschen, welke immers allen van natuur in evengelijken staat van onbekwaamheid verkeeren, deze onderscheiding maakt, den eenen trekkende , den anderen voorbijgaande. 4. Dat Hij echter kinderkens boven wijzen en verstandigen kiest, is tot meer-

in zijne orde. Pil. 4:3. En hot oordeel is dat, waardoor God hen rechtvaardiylijh in eenen verkeerden zin heeft overgeleverd en namaals straffen zal mot de eeuwige verdoemenis. 2. Bovendien De voorzeggingen zijn toch niot anders dan openbaringen van Gods raad, wil , besluit.

580

-ocr page 609-

§ 9. VERKIEZING EN VERWERPING.

der verheerlijking van zijne genade ; opdat Hij de wijzen en het sterke zou beschamen , opdat Hij hetgeen iets is te niet zou maken, opdat geen vleesch zou roemen voor Hem 1 Kor. 1: 25-29 O-

Van verbergen en openbaren spreekt Jezus. Dit ziet niet op de uitwendige prediking, die immers ook door Farizeën gehoord werd; \'t is niet het gemis van woord en onderwijs. Doch ook niet eene stellige daad van verblinding: God werkt het kwade niet. Maar eene ontkennende daad van onthouding dier genadige verlichting (openbaring) door den Heiligen Geest, welke Hij naar zijne vrijmacht aan anderen verleent, eene overlating van hen aan henzelven, zoodanig dat zij zelfs uit datgene, wat anders tot hunne terechtwijzing dienen moest, voedsel voor hun ongeloof en hunne dwaling trekken.

En van waar dit ? Jezus wijst ons op het welbehagen des Vaders en Hij zelf berust daarin. De onthouding, het niet-geven van het hooger licht2) geschiedt dus naar een vrij besluit des Vaders. De Vader heeft alzoo besloten , het hun niet te geven. Wat is dit anders dan hetgeen de Gereformeerde Kerk ver we tying 3) noemt ?

\') Calvin. Comruontar. in Matth. 11; 25.

2) Zelfs Stier, Rodon des Herrn Jesu I. S. 496 zu Matth. 11: 25, 20 moet bekonnou; »Es ist zwar nicht ansdrücklich vom Gebon oder Entziehon des Heiles die Rede, doch meint das Offenharen uud Verbergen wirklich nicht Anders, insofern von der Erkenntnisz dos Heilsrathes und dor Heilsordnung Alles cntseheidond abhiingt.quot; Merkt hij daarentegen ib. S. 499 op v. 27 aan: »dor Sohn aber stehet da nnd rufet Alle!quot; zoomoeten wij er bij voegen uit Jezus eigen mond: »die vermoeid en heiast zijn.quot;

*) Prof. lt;/. I. Doedes, Nedorl. Geloofsbelijd. p, 205 wil hier-

581

-ocr page 610-

§ 10. VERWERPING.

§ 10. Verwerping.

Tegen de Gereformeerde leer, dat de verwerping een deel uitmaakt van de voorver ordineering , brengt men velerlei bezwaren in. Men herinnert: „voorverordineering is niet een enkele vaststelling van een einde : maar mede eene bepaling van de middelen tot het einde : derhalve kan de verwerping, zegt men, geen voorverordineering zijn, dewijl er dan bij God eene beraming zou wezen van middelen en einde, die beide niet goed, die dus met het Wezen Gods strijdig zouden zijn: de verdoemenis kan bij den goeden God het vastgestelde einde niet zijn, noch de het daartoe.quot;

Maar dat is het ook niet. Het beoogde einda bij de verwerping is niet de verdoemenis, als hadde God een gedeelte der menschen slechts hiertoe willen scheppen, om dezen te kunnen verdoemen gt;)\' En het beraamde middel is niet de zonde: het besluit der verwerping maakt God geenszins

voor gozegd hebben voorbijgang. Deze nitdrnkking is ook bij do Gereformeerden gangbaar. Maar Lij zelf moet daar toch vooraf toestemmen : voorbijgang of verwerping moge, wat de zaak betreft, op hetzelfde neerkomen terwijl hij dan in de qualificatie van die zaak een werkelijk onderscheid stelt. Hij maakt namelijk de uitverkorenen eerst mode tot verworpenen. Van het verworpen menschengeslacht » verlost God, leert hjj, sommigen, namelijk die Hij daartoe uitverkoren hoeft ; de anderen gaat Hij voorbij en laat Hij alzoo in hun val en verderf. Derhalve : verkiezing en voorbijgang\'quot;. Deze voorbijgang zal dan zakelijk naerkomen op de Gereformeerde verwerping. Dat zijne voorstelling geheel in-fralapsarisch is , dit althans lijdt geen twijfel. Maar zijn gebruik van hot woord verworpenen is ongereformeerd ea onbijbelsch.

\') lirakei, Eed. Godsd. I. p. 172: het is een vuige laster te zeggen dat de Kerke leert, dat de eene mensch tot de zaligheid en de andere mensch tot de verdoemenis is geschapen.

582

-ocr page 611-

§ 10. VERWERPING.

tot eenen Auteur van de zonde, hetwelk Godslasterlijk is te denken, maar stelt Hem tot eenen vreeselijken , onhe-rispelijlcen en rechtvaardigen Rechter en Wreker van dezelve i). Maar het einde van de verwerping is de betooning van Gods macht en rechtvaardigheid en het middel hiertoe is de rechtvaardige verdoemenis der zondaren om hunne zonden. Hierin is eene orde, eene ordineering, schikking1). Men stelt dan de zaak verkeerd voor of spreekt te kort en ziet niet op het ware einde, wanneer men zonder meer zegt, dat de verworpenen tot de zonde en tot de verdoemenis bestemd en geschapen zijn. In een besluit, dat men neemt, is altoos het einde het eerste. Dat einde is in dit Goddelijke besluit niet de verdoemenis, maar de betooning van Gods rechtvaardigheid. Het middel is niet de zonde , maar de rechtvaardige verdoemenis der verworpenen wegens hunne zonden.

„Maarquot; , brengt men in, „dan behoort de zonde toch ook tot het besluit van God?quot; Zeker, zij ligt er niet buiten, zij is niet bij toeval in de wereld. Dat leert de Schrift, dat kan men niet loochenen , wanneer men erkent dat God waarlijk de wereld regeert\').

„Maarzoo zondigt dan de verworpene niet vrijwillig,quot; zegt men, „en het is niet rechtvaardig dat hij verdoemd wordt.quot; Dat is eene Godslasterlijke gevolgtrekking, waartegen beide, de Schrift en de werkelijkheid, getuigen. De mensch doet de zonde zonder bewusten dwang, het Goddelijke besluit beneemt hem den wil niet; hij is een zondaar en wie het blijft, blijft het willens en , nadat en omdat hij vrijwil-

583

1

\') Dordr. Leorrog. H. I. 15.

-ocr page 612-

§ 10. VERWERPING.

lig gezondigd heeft, wordt hij rechtvaardiglijk en noodzakelijk gestraft\').

Door het besluit der verwerping te loochenen neemt men de bezwaren niet weg, die men wil ontgaan. Immers 1. staat dit vast: niet alle menschen worden zalig. Dat dit de leer is der heilige Schrift wordt door de uitnemendste uitleggers erkend. Of hun eigen gevoelen daarvan verschilt, doet er niets aan af. Het gezag van Gods Woord gaat boven alles. Reeds Matth. 25 : 46 is beslissend, waar van degenen, die ter linkerhand des Rechters zijn, gezegd wordt: „dezen zullen gaan in [de] eeuwige pijn, maar de rechtvaardigen in [het] eeuwige leven.quot; De eeuwigheid der pijn staat tegen de eeuwigheid des levens over. Zoo eeuwig dit leven is, zoo eeuwig ook die pijn: beide zijn eindeloos^). 2. God hadde het kwaad, zoowel de zonde als het lijden, kunnen verhoeden, ware dit zijn wil geweest. Maar het kwaad der zonde is er en het kwaad der straf met haar. 3. Dienvolgens blijft er niets over dan dit: bij God een ondoorgrondelijk besluit 3) , bij den mensch eigen schuld van zijn verderf. Wij moeten dus bekennen : dit alles heeft den alw^jzen God zoo behaagd en is Hem voorgekomen de beste weg te zijn, om zich in al zijne eigenschappen, bijzonder in zijne vrije

\') Vergel. Schollen, Leor der H. K. II. 554 v. v.

2) Ook Meyer, zu Mt. 25: 46 verklaart tegen hen die ccimvic; verzwakken : der absolute Begriff der Ewigkeit iu Betroff der Höllenstrafen steht hier exegetisch fest.

Calvin. Instit. III. 23. 7 zegt hiervan : Wel esn vreeselijk besluit (decretum horrihile), ik leken het; toch zal niemand kunnen loochenen , dat God vooruitgewcteti heeft, welk een einde de mensch zou hebben , alvorens Hij hem schiep en het daarom vooruit geweten heeft, wijl Hij het in zijn besluit aldus had bepaald. Decretum horribile wil niet zeggen : oen afschuwelijk besluit, gelijk

584

-ocr page 613-

-

§ 10. VERWERPÏNG. 585

genade en in zijne rechtvaardigheid, dus in zijne souverei-niteit als Heere der schepselen te verheerlijken. Maar de mensch, die verdoemd wordt, draagt zelf de schuld van zijne rampzaligheid. Dat leert de Schrift. Dat is onder anderen ook Hand. 13: 46 onbewimpeld en nadrukkelijk betuigd, daar Paulus en Barnabas vrijmoedigheid gebruikende tot de wedersprekende en lasterende Joden te Antiochië in Pisidië zeiden : „het was noodig, dat eerst tot u het woord Gods zoude gesproken worden, doch nademaal gij hetzelve verstoot en uzelven des eeuwigen levens niet ivaardig oordeelt (d. i. onwaardig en hardnekkig verklaart en betoont te zijn), ziet zoo keeren wij ons tot de Heidenen.quot; Hier dient behartigd wat een onzer uitnemendste Godgeleerden i) zegt: „ De verwerping is de oorzaak niet, dat iemand zondigt, maar hij zelf; noch dat iemand verdoemd wordt, maar de zonde. Het is waar, die niet verkoren is , die zal niet zalig worden. Maar \'t is ook waar, dat niemand dan zondaren verdoemd zullen worden. Dit is ook waar, dat als iemand zich bekeert, in Christus gelooft en heilig leeft, deze niet verdoemd maar zalig zal worden en dat het des menschen eigen schuld is, als hij dat niet doet en dat het Gods vrije genade is,

als Hij iemand bekeert, tot Christus brengt en heiligt.quot; -

Dr. G. P. De Groot in Wylic\'s Protestantisme overzet, zijn eigen gevoel vau afschuw in Calvijn overbrengende, in strijd mot allo psychologie en tegen de beteekenis van C\'alvijn\'s eigen woorden. Het besluit Gods horribile noemende logt Calvijn mot 1\'aulns onder een heilig beven on met diep ontzag de hand op don mond. l1 Calvijn noemt het ter aangehaalde plaats kort te voreu een

admirabile Del consilium. Schrijver dezes heeft Dr. De Groot wederlegd in het Kerkelijk Weekblad 1878, No. 30.

\') Brnkel, Rodel, üodsd. I. p. 172.

-ocr page 614-

§ 11. EEUWIGE VERKIEZING.

586

§ 11. Eeuwige Verkiezing.

Geen besluit komt bij God in den tijd eerst op. Zoo is dan ook de Praedestinatie, verkiezing en verwerping, een eeuwig besluit. Dit is inzonderheid de steun en sterkte voor de geloovigen, dat zij vóór allen tijd, van eeuwigheid zijn uitverkoren. Dit hebben de Gereformeerden met nadruk geleerd tegenover de Socinianen en Remonstranten, die de beslissende, doorgaande verkiezing (buiten welke er echter in waarheid geene andere is) doen afhangen van het dadelijke geloof der menschen en van hunne standvastige volharding \'). De verkiezing is Gods eeuwige wil.

Waar Paulus den God en Vader onzes Heeren Jezus Christus in den naam aller geloovigen dankzeggende prijst wegens zyne genadeweldaden, voegt hij deze en de eeuwige verkiezing saam als vrucht en wortel, als beek en bron: „die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus, gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem (in Christus) voor de grondlegging der wereld , opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde,quot; Ef. 1 : 3, 4. De Apostel wijst de geloovigen op hunne eeuwige verkiezing in Christus 1. als de eenige oorzaak van alle geestelijke zegening; 2. als den vasten grond van hun troost en hope : want de vervulling van het eeuwige raadsbesluit Gods kan door niets, wat hen in dit leven treft, verhinderd worden, maar alles moet haar bevorderen; 3. als een bewijs, dat het Christendom niet tegen de Israëlietische bedeeling strijdt noch bij deze achterstaat, maar dat de ver-

1) Joh. a March , Morch der Chr. Grot-geloorthoid. Rottord. 1730. p. 171 v.

-ocr page 615-

§ 11. EEUWIGE VERKlEZINfi,

lossing, de verwerkelijking van het oorspronkelijke beeld der menschheid door en uit Christus in het raadsbesluit Gods voor de schepping der wereld zelf begrepen was, zoodat al het overige slechts voorbereiding tot dat hoogste doel is\'). Daarom noemt de Apostel de schepping der wereld grondlegging, deels om aan te duiden, dat de wereld naar eenen voorbedachten raad en, gelijk een gebouw naar een vooraf gemaakt bestek, wijs aangelegd is, deels wijl de schepping hare trapsgewijze ontwikkeling heeft4).

Dat de verkiezing voortijdelijk, dat de uitverkorene verkoren is éér hjj was, daarin ligt hare vastheid en hare vrijheid. Paulus toont dit in Rebekka\'s tweelingen, Jakob en Ezau, kinderen van éénzelfden vader, Izaak, Rom. 9: 11, 12: „Want als de kinderen nog niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, opdat het voornemen Gods dat naar de verkiezing is a) vastbleve, niet uit de werken, maar uit den roepende: Zoo werd tot haar gezegd: de meerdere zal den minderen dienen.quot; Ook 2 Tim. 1 : 9 wijst de Apostel op de eeuwigheid der Goddelyke verkiezing ten blijke van hare geheele onafhankelijkheid van \'s men-schen doen. Toen nog niets was, was alles bij God bepaald : „Die ons heeft zalig gemaakt, en geroepen met eene heilige roeping: niet naar onze werken, maar naar zijn eigen voornemen en genade die ons (in zijn besluit) gegeven is in Christus Jezus vóór de tijden der eeutven (die met de schepping begonnen, dus z. v. a. voor de grondlegging der wereld).quot;

\') Neander, Gesch. der Pflanzung der Chr. Kirche. 1832. S. 443. Calvin. iDstit. III. 22. 2.

\') Stier, Brief an die Ephes. I. S. 67.

3) jcjüt èa/.oyyiv TrpéösTis het besluit aangaande eene uitverkiezing, dus z. v. a. het uitverkiezende besluit. Meijer a. 1.

587

-ocr page 616-

§ 11. eeuwige verkiezing.

Ofschoon echter de verkiezing van eeuwigheid is, maakt zij toch by de menschen geen onderscheid vóór de roeping en wedergeboorte: door deze eerste openbaart zij zich. Want ook de uitverkorenen zijn geboren zondaars , vleesch uit vleesch, dood door de misdaden en de zonden, beiden Heidenen en Joden : Onder dewelke ook wij allen eertijds verkeerd hebben in de begeerlijkheden onzes vleesches, doende den wil des vleesches en der gedachten en wij waren van nature kinderen des toorns gelijk ook de anderen, Efez. 2 : 3.

§ 12. Geen algemeene Verkiezing.

De verkiezing is niet algemeen, niet alle menschen zijn uitverkoren. Immers ten eerste ware dat, dan zou het geene verkiezing zijn. Want verkiezen, uitverkiezen zegt één of meer uit velen nemen, den éénen aannemen en den anderen laten liggen, dat is verwerpen; gelijk de Heere van Eliab, Izaïs zoon , dien Hij niet verkoren had tot koning , aan Samuël verklaarde: ik heb hem verworpen 1 Sam. 16:7. In het begrip van uitverkiezing zelf ligt dat zij niet algemeen is \'). Ten tweede, waren alle menschen uitverkoren, dan moesten ook allen bekeerd, geloovig en zalig worden of het zou een krachteloos besluit zijn.

De Kerkvader Origenes2) stelde dat alle menschen tor

\') P. Van Mastricht, Godgoleordh. T. p. 720: de algemeene verkiezing is trihypé^uXov, een ijzerhout , eene volstrekt tegenstrijdige zaak. Zie hioiboveu § 9 , bl. 565.

\'2) To Alexandria in Egypte , gcst. 254 u. C. Deze is de vader dor »woderbreugorsquot;. Op grond van do vrijheid on veran-derlijkhoid van den wil aller redelijke scbepsolon stelde bij ook in bot namaals eonon gostadigen, bourtelingscbon wissel van afval

588

-ocr page 617-

§ 12. GEEN ALGEMEENE VERKIEZING.

zaligheid zijn uitverkoren, ja ook de duivelen, die volgens hem eindelijk nog in den heme] zullen overgebracht worden. Velen deelen in zijn gevoelen, ongetwijfeld meer dan die het uitspreken. Anderen nemen wel geene alge-meene zaligheid aan , maar toch eene algemeene verkiezing , die op niets uitloopt i).

Christus betuigt Matth. 20: 16b : velen zijn geroepen maar weinigen uitverkoren. Deze woorden zijn het slot van de gelijkenis van arbeiders in den wijngaard op verschillende uren gehuurd. Des avonds ontvangen zij, die het laatst gekomen zijn het eerst hun loon en wel een vol dagloon. Dan worden de in vroeger uur gekomenen met den bedongen penning (denarius) afgeloond en weggezonden, v. 14: neem het uwe en (/a/iewew / ontevreden over de gunst van den landheer jegens de laatstgekome-nen. Jezus nu had hoofdst. 19: 29, 30 gezegd, wie om zijns naams wil alles verliet, zou honderdvoud ontvangen en het eeuwige leven beërven. Maar, voegde Hij er bij , vele eersten zullen laatsten zijn en [vele] laat-sten eersten. Hoe Hij dit meent, zegt de gelijkenis, Matth. 20: 1 v.v. Dan vat Hij dat woord weer op v. 1G: Alzoo , namelijk zóó als in de gelijkenis was voorgesteld, zullen de laatsten eersten zijn en de eersten laat-

on verlossing , eon eimloloos wisselend streven zonder stilstand der zaligheid of verdoemenis, eeu veranderlijken staat. En toch, in tegenspraak tegeu zichzelven , koesterde hij de hope, dat eenmaal de helle niet meer wezen zoa en de straffen zouden opbonden. P. Van Mastricht, Godgel. I. p. 719. Hagenbach, Lehrb. der Dogmengesch. § 78. S. 180. Neander, Allgem. Gesch. der Chr. Kei. u. K. I. Bd. S. 732.

1) Zie hierboven § 9 , bl. 563 v.

589

-ocr page 618-

§ 12. GEEN ALGEMEENE VERKIEZING.

590

sten i). Dat wil zeggen; die naar hun eigen en ook wel naar anderer oordeel de voorsten en uitnemendsten schijnen, zullen achterstaan ja buiten blijven (ga heen! v. 14): zulke huurlingen, die het geheel niet om de zaak des Heeren te doen is, zulke naders kan de Heere in zijn huis en wijngaard niet gebruiken; en die achterstaan en niets van zich, maar alles van de genade des Heeren verwachten, worden voorgetrokken. Want velen zijn geroepen, maar weinigen uit\' verkoren. Velen hooren en volgen uitwendig de roeping, treden uitwendig in het verbond (hetwelk hun slechts als een contract is), blijven daarvoor ook niet onbeloond, ontvangen hunnen penning, dat is tijdelijken (niet juist alleen stoff\'elijken) zegen; maar weinigen zijn uitverkoren, weinigen blijken uitverkoren te zijn, weinigen z^n ware deelgenoo-ten van Gods genade, weinigen worden erfgenamen des eeuwigen levens. De loonzuchtigen en afgunstigen (te ver-\' gelijken met den oudsten zoon Luc. 15) hebben, met dat zij hunnen penning ontvangen, hunnen loon weg en blijven buiten het heerlijke rijk Gods , als hebbende innerlijk nooit daartoe behoord. Want dit verkrijgt men door geen contract noch door uitwendig werk, maar de uitverkorenen verkrijgen het Rom. 11: 7 , opdat het voornemen Gods, dat naar de verkiezing is, vast blijve, niet uit de werken, maar uit den roependen Rom. 9 : 11. De uitverkorenen zijn rfe laatsten, de achtersten, die de eersten, de voorsten worden.

\') Calvin. Comment, a. 1.: Christus handelt niet van de gelijkheid der hemelsche heerlijkheid noch van den toekomenden staat der vromen , maar waarschuwt voor zelfverheffing boven anderen en vermaant om te werken en wel overeenkomstig Gods bevel en roeping. De bijzonderheden der gelijkenis to pressen acht Calv. niet oorbaar.

-ocr page 619-

§ 12. GEEN ALGEMEENE VERKIEZING.

Men vergelijke hiermede wat Jezus Matth. 21; 31 tot de Overpriesters en Ouderlingen des volks sprak, die ook eersten dachten te zijn : Voorwaar ik zeg u, dat de tollenaars en de hoeren u voorgaan in het koninkrijk Gods. De bevoorrechting der laatslen is door dezen niet verdiend door meerderen ijver en vlijtiger arbeid, door harder werken, maar is genade, vrije gunst van den Heere die hen riep (vs. 15 : is het mij niet geoorloofd te doen met het mijne wat ik wil ?). en wordt uit dien hoofde tot eene verkiezing teruggebracht. De uitlegging: uitverkorenen zijn, die zich zoo gedragen, dat zij uitverkorenen en geliefden heeten kunnen i) ot: die zich van hunne roeping alzoo kwijten, dat zij den naam van uitgelezenen verdienen te dragen*) verdonkert het klare hoofddoel van de gelijkenis , door dan toch in de geroepenen, en niet in de genade en vrijmacht alleen des roependen, v. 15) den grond van hunne onderscheiding te stellen.— Volgens sommigen zou de wijngaard beteekenen de kerk, de laatgehuurden de Heidenen , de vroeggehuurden, eigengerechtigen , de Israëlieten ; en deze eerstgehuurden zouden in het rijk Gods de laatsten zijn, dat wil zeggen : zij zouden als volk eerst laat tot het Christendom zich bekeeren: want velen zijn geroepen maar weinigen uitverkoren , d. i. aan alle Israëlieten was de genade aangeboden, maar slechts weinigen zijn werkelyk in het rijk van Christus overgegaan 3). Maar dan ziet men voorbij, dat degenen , van wie hier de uitverkorenen onderscheiden worden , zulken zijn , die ook (uitwendig) de roeping volgden en in den wijngaard kwamen. Bovendien

\') Van der Palm.

2) Van Oosterzee, Lovon van Jozus 1848. II. Dool. p. 818.

,) Ebrard, Christl. Dogmatik II. S. 695.

591

-ocr page 620-

§ 12. GEEN ALGEMEENE VERKIEZING.

„eene uitlegging, waarnaar de arbeiders geheele volken en gemeenten en niet enkele personen zouden beduiden, is strijdig met geheel de zedelijke strekking van de gelijkenisquot; •).

Nog eenmaal vernemen wij uit Jezus\' mond deze woorden : velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren Matth. 22: 14. Velen worden tot de bruiloft van den Koningszoon geroepen. Een deel blijft uit volslagen onverschilligheid achter, anderen toonen vijandschap; onder degenen die eindelijk, van straten en wegen geroepen, komen, verschijnt er een ongekleede gast, die uitgeworpen wordt.

Paulus en Barnabas prediken te Antiochië in Pisidië. Eenigen van de Joden gelooven en anderen weerspreken en lasteren. De Godsgezanten keeren zich met het woord tot de Heidenen. Als nu de Heidenen [dit] hoorden, verblijdden zij zich en prezen het woord des Yleexensn daar\'geloof den zoo velen als er geordineerd waren tot het eeuwige levenquot;1), dat is „die van God verkoren en van Hem tot het

\') Stier, Reden des Herrn Jesu 11. S. 345.

2) KXl «r/oTfUffiXl/ 0701 V\\7XV TSTKy/ASVOl sh xluviov.

Ehrard, Chr. Dogm. II. S. 703 meent dat de zin is ; de Heidenen in Antiochië, zoovelen hunner tot den ingang in de Iccrh verordend {wijl rijp geacht) waren, werden ook werhelijk in vollen getale geloovig en oordeelden zich niet onwaardig des eeuwigen levens; van de Joden daarentegen werd niet het volle getal, dat God tot de intrede in de herh bestemd had, geloovig, maar velen onder hen stieten de genade van zich. Do Heere God kreeg dns zijnen wil niet, wat Hjj bestemd had , gebeurde niet! Ten overvloede voegt Ehrard er nog bij : van eene absolute praedes\'.inatie is alzoo hier geene sprake , wel echter van eene gratia resistibüis (weder-staanbare genade)! Beter Meyer a. 1.: Lucas betrachtet, Pau-linischer Vorstellung gemilss, das Glüubigwerden jener Heiden

592

-ocr page 621-

§ 12. GEEN ALGEMEENE VERKIEZING.

eeuwige leven geschikt warenquot; (Kantt.). Hier moet men letten op deze bepaling, die Lucas geheel in Paulus geest er bij voegt, namelijk dat daar geloofden niet allen, maar zoovelen als er tot het eeuwige leven geordineerd waren. Dit geordineerd zegt niet in Remonstrantschen zin ; dat zij voor het geloof gedisponeerd , bekwaam gemaakt , er 10e voorbereid waren , maar het ziet op het eeuwige raadsbesluit Gods. Lucas zegt immers niet dat zij tot het geloof geordineerd waren, maar tot het eeuwige leven. Het geloof is een gevolg van de verkiezing, deze is de bron waaruit het vloeit. De overige Heidenen aldaar evenals die Joden, die niet geloofden , waren alzoo niet geordineerd tot het eeuwige leven.

De tegenstanders van particuliere genade brengen vele plaatsen bij om de algemeenheid der verkiezing te bewijzen \'). Zoo l Tim. 2 : 4. Maar men dient op den samenhang te letten. De Apostel vermaant daar de Christenen dat zij zullen bidden voor alle menschen v. 1, ook voor nog

als erfolgt in GomUsshoit ihrer von Gott beroits (lUlmllch schon vorzeitlich) geordnot gewosonen Bostimmung zur ïheilnahmo am owigon Lobon. Nicht Alle überhaupt wurden gliiubig, son-dern alle diejenigen, wolcho zu dioser göttlich bestimmt ■waren , dio Uobrigen nicht. Richtig Chrysost.: aQupirftévoi rui Oscj). — Aus dem Glanben der Betreffenden wird ihro göttliclio rai;!? offenhar und erkannt. Aldus Meyer als onpartijdig Exegeet. Als Lutheraan brengt hij echter weer het voorgezien go-loof er in. Coccejus, Comment, a. 1.: met deze plaats zijn do Remonstrnnten in het nautv. Want zij bewijst dat het geloof is uit de voorverordineering.

\') P. Van Mastrieht, Godgel. I. p. 720. Vergel. I)r. A. Kuyper in De Heraut 1879. N». 73 over I Joh. 2: 2. No. 74 over 1 Tim. 2: 4. N«. 75 over 2 Petr. 3 : 9.

Gravomofler , Gorof. Gel. leor. 88

593

-ocr page 622-

§ 12. GEEN ALGEMEENE VERKIEZING.

heidensche overheden v. 2. Bedoelt hij daar al de individu\'s van het menschelijke geslacht, al de personen, man voor man ? Onmogelijk. Slechts wil hij dat men niemand uit-sluite, dat men van geen één, al ware \'t een vijand, zegge: voor dien niet! Tot dat bidden dringt hij aan v. 2 : «Want dat is goed en aangenaam voor God onzen Zaligmaker, 4. Welke wil dat alle menschen \') zalig worden en tot kennis der waarheid komen.quot; Dit kan in dezen samenhang niet be-teekenen: God heeft besloten het gansche menschdom, persoon voor persoon zalig te maken. Neen, maar op stand en staat had de Apostel vooraf het oog en aldus ook hier. Tot alle soorten en standen van menschen strekt Gods weldoende liefde zich uit, ook tot zijne vijanden, gelijk de hemelen zich uitbreiden over allen ; de kinderen Gods zullen Hem hierin navolgen. Wij moeten hierbij gedenken aan hetgeen door Christus zeiven is bevolen Matth. 5 : 44 :■ „bidt voor degenen die u geweld aandoen en die u vervolgen, 15. Opdat gij moogt kinderen zijn uws Vaders, die in de hemelen is: want Flij doet zijne zon opgaan over boozen en

\') Er staat ttxvtxs , zonder het bepalend lidwoord.

Naar het Grieksche taaleigen zegt men 1. ttxvts^ avópuTroi, alle menschen, wanneer tnon gansch algemeen , zonder tegenstelling spreekt. 2. ttwtss o\'i avöpcoTroi cd de menschen óf terugwijzend, dus door het verband der rede bepaald; of in tegenstelling tegen andere wezenssoorten, b. v. tegen redelooze dieren, tegelijk met nadrukkelijke aanduiding van de geheullieid (totaliteit) dezer wezenssoort (namelijk der menschen). Evenzoo al xvópumi ttxvtsi: , doch met distinctie moer van de soort (in tegenstelling tegen andere) dan van de totaliteit. 3. cl ttxvtsi; x\'/jpxtrot of xvöpuTroi ot ttxïts; de gezamenlijke menschen óf in tegenstelling tegen éénen (een genoemd individu) óf als ontkenning van iedere uitzondering van dezen of genen xvópuirog.

594

-ocr page 623-

§ 12. GEEN ALGEMEENE VERKIEZING.

595

goeden en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. 48: Weest dan gijlieden daarin volmaakt, gelijk uw Vader, die in de hemelen is, volmaakt is.quot; Zoo is ook het hevel, aan allen het Evangelie te verkondigen, ja er wordt gezegd Hand. 17 : 30 : „God dan, de tijden der onwetendheid overgezien hebbende verkondigt nu allen menschen alom dat zij zich bekeeren.quot; Waar wij eenen mensch, een volk ontmoeten, mogen wij niet denken: voor dien is het niet: dat zou zijn als wat Priester en Leviet Luc. 10 jegens den ellendige deden. Ware het de wil des besluits van God, dat allen zalig zouden worden, zij wierden het ook; maar niet allen worden zalig. Hadde God besloten dat allen tot kennis der waarheid zullen komen, zij kwamen er ook toe; maar hoevele volken zelfs waren er vroeger en zijn er nog van verstoken»)! hoevelen blijven onder het licht des Evangelies blind!

Met geen meerderen grond beroepen zich de voorstanders van eene algemeene verkiezing op 2 Petr. 3 : 9 : „De Heere vertraagt de belofte niet (gelijk eenigen [dat] traagheid achten), maar is lankmoedig over ons, niet willende dat eenigen verloren gaan maar dat [zij] allen tot bekeering komen.quot; Ook hier is allen geheel algemeen gezegd, zonder bepaling. Immers er staat in den griekschen tekst niet zij allen, maar slechts allen. Zij allen zouden de uitverkorenen moeten zijn (gelijk de Kantteekenaars in den Nederlandschen Sta-ten-Bijbel verklaren), die allen nog moeten toegebracht worden eer de wereld vergaat en aan wie overzulks tijd daartoe gegeven wordt. Dit is op zich zelf waar, maar wordt hier niet gezegd. Het is niet zij allen, maar allen. Maar

\') Calvin. lustit. III. 24. 16. Zie Derde Hoofdstuk bl. 368. v.

-ocr page 624-

§ 12. GEEN ALGEMEENE VERKIEZING

wordt hier dan eene algetneene verkiezing geleerd? Geenszins : want er staat onbepaald allen») en niet: de gezamenlij-ken of allen te zamen\'1). Het wil dus niet zeggen: ieder persoon, man voor man. „Want alzoo God al wat Hij wil doen kan en ook doet, zoo kan dit niet verstaan worden van alle en een ieder mensch, dewijl de Schriftuur en de ervaring zelve getuigen, dat niet alle nienschen zalig worden, maar vele verloren gaan.quot; Dus te recht onze Kant-teekenaars. Slechts dient men te onderscheiden, hoe God iets wil. Wat Hij wil in den zin dat Hij het besloten heeft, voert Hij ook uit, maar wat Hij wil naar zijn gebod wordt op verre na niet gedaan 3). In verband met geheel de leer der Schrift kan men hier het willen Gods onmogelijk in dien zin verstaan, dat Hij niet heeft besloten dat eenigen verloren gaan, maar allen tot bekeering komen. Veelmeer het is de wil van zijn hevel in het Evangelie 4), aankondigende en bevelende allen, die het hooren, om zich te be-keeren, met betuiging van het genoegen, dat God heeft in de bekeering en van zijn ongenoegen over onbekeerlijkheid. Men vergelijke slechts wat Hij zoo nadrukkelijk verklaart Ezech. 33 : 11: Zeg tot hen: [zoo waarachtig als ik] leef spreekt de Heere There, zoo ik lust heb in den dood des god-deloozen I Maar daarin [heb ik lust] dat de goddelooze zich

\') TVXVTXe.

2) Dan moest er staan rcy? ttixvtxc.

:1) Zie Berde Hoofdstuk bl. 3G6.

•) Calvin. Commentar. in Epist. II. Petr. 3 ; 9 : Hier is alleen sprake van den wil in het Evang. geopenbaard. Allen reikt God daar zonder onderscheid de hand toe, maar Hij grijpt alleen degenen aan, om hen tot zich te leiden , die Hij voor de grondlegging der wereld heeft uitverkoren.

596

-ocr page 625-

§ 12. GEEN ALGEMEENE VERKIEZING.

hekeere van zijnen weg en leve. Beheert u, bekeert u van uwe hooze ivegen: ivant ivaarom zoudt gij sterven, o huis Iraëls ? „Als of God zeide: hoe blijft gij zoo dwaas, dat gij uw eigen verderf u op den hals haalt door uwe onbe-keerlijkheid ? zoo gij dus wilt voortgaan, kan u toch niets anders overkomen dan dat gij in uwe verkeerdheid moet sterven en verderven. Bedenkt dit toch eens ter dege, tot uw eigen beste.quot; (Kantteek.)

Zouden de Universalisten, de algemeenheid-drijvers nog steun vinden in Rom. 11 : 32: „Want God heeft Aeji onder | de| ongehoorzaamheid besloten, opdat Hy/«mm öZZew zoude barmhartig zijn?quot; „Mier,quot; zegt men, „is duidelijker uitgesproken, dat er ten slotte eene algemeene begenadiging zal plaats hebben, waarmede het volstrekte besluit van verwerping onbestaanbaar is.quot; Maar hen allen kan men, wil men niet het verband van \'s Apostels betoog verscheuren, onmogelijk van al de individu\'s der Heidenen en Joden, hoofd voor hoofd , verstaan, a. Diit zou lijnrecht strijden tegen Rom. 9: G—8, waar Paulus leert dat Gods beloften niet eens al de Israëlieten raken : ivant die zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn. Noch omdat zij Abrahams zaad zijn, zijn zij allen kinderen, maar: in Izaak zal u het zaad genoemd worden. Dat is, niet de kinderen des vleesches die zijn kinderen Gods, maar dekinderender beloftenis worden voor het zaad gerekend, b. De uitdrukking is bepaald, hen allen i)

\') rob? TrxvTxe. Anders Joh. 12: 32, waar mot reden onbepaald vrciVTXi staat. Ook Scholten, Leur dor H. K. II. p. 96 racet toestemmen dat Paulus Rom. 11: 32 moer aau do Jodon on Heidenen als volken gedacht heeft dan aau de individu\'s hoofd voor hoofd. Niet de individu\'s , maar de volken worden hier saam gevat. Coccejus a. 1.: distributio fit pro gcneribus sin-gvlorum, non pro singulis generum.

597

-ocr page 626-

§ 12. GEEN ALGEMEENE VERKIEZING.

(eigenlijk: de gezamenlijken) en wijst naar het voorafgaande terug, is derhalve te verklaren uit den samenhang. Hetgeen de Apostel mei hen allen bedoelt, is: de gezamenlijke menigte van uitverkorenen onder Joden en Heidenen, in het voorafgaande omschreven. Vergel. Gal. 3: 22: „Maar de Schrift heeft het alles onder de zonde besloten (eene gelijkenis, genomen van misdadigers, die in den kerker gesloten zijn om bewaard te worden tot de straf. Rantteelc.), opdat de belofte uit het geloof van Jezus Christus den geloovigen zoude gegeven worden.quot; Paulus wil zeggen: zij die zalig worden, om het even of zij uit de Joden of uit de Heidenen zijn, worden allen door Gods barmhartigheid zalig, want beiden zijn bewezen ongehoorzamen en zondaars te zijn. „God heeft beiden als in ééne gevangenis wegens gelijke schuld besloten, om voor beiden éénzelfde deur van behoud, namelijk de deur der barmhartigheid, der vrije genade, open te zetten.quot;

Hier sta nog het woord van een verlicht Godgeleerde onzer Kerk: God haat geen schepsel dan om de zonde en Hij heeft eene gemeene toegenegenheid tot zijne schepselen, als schepselen aangemerkt, ieder in zijne soort; die onderhoudende en bestierende ook z oo, dat Hij zich zeiven aan de zondaren niet onbetuigd laat, hun goed doende en hunne harten met spijs en vroolijkheid vervullende Hand. 14: 17. En Hij heeft behagen in de hekeering des menschen, in hun geloove in Christus, in hunne gebeden, aalmoezen en heiligmaking, dewijl het beginselen zijn van de herstelling des beelds Gods in den mensch. Maar wij ontkennen zoodanige nlgemeene genade of voornemen om zich over alle menschm te ontfermen en om Christus te geven tot een algemeenen Zaligmaker voor alle menschen en om Christus allen menschen voor te stellen gt;),

\') W. a Brakd, Kedel. Godsd. I p. 179.

598

-ocr page 627-

§ 12. GEEN ALGEMEENE VERKIEZING.

hetwelk de uitkomst wederlegt, daar het in de Schrift aangekondigde eindlot van een deel der menschen dit openbaar weerspreekt.

§ 13. Persoonlijke Verkiezing.

De verkiezing is persoonlijk en zij is niet, gelijk de Remonstranten willen, alleen de bepaling van voorwaarde, middel en weg tot zaligheid. Zij bestaat niet hierin, dat God eenige hoedanigheden of werken der menschen uit alle mogelijke voorwaarden tot eene voorwaarde der zaligheid heeft uitgekozen, maar hierin, dat Hij eenige zekere personen uit de gemeene menigte der zondaren zich tot een eigendom heeft aangenomen \').

Naar de Remonstranten bestond het Goddelijke besluit ter verlossing alleen in het vaststellen der voorwaarde, waaronder de mensch door Jezus Christus kon behouden worden: God had, leerden zij, gansch in het algemeen besloten, hen die gelooven en in het geloove volharden, zalig te maken, zonder hiertoe bepaalde personen uit te kippen, terwijl Hij door zijne middelkennis zou weten wie al, wie niet zal gelooven en hieruit wie zalig zal worden. Het besluit der praedestinatie lot de zaligheid is volgens hen aldus te for-muleeren; God heeft besloten de geloovigen zalig te maken, niet als of den praedestineerenden God de bepaalde voorwerpen reeds voor oogen staan, maar om klaar aan te duiden ivat in degenen, omtrent welken God bezig is te praedes-tineeren, vereischt wordt1). Dus hangt dan de zaligheid af van den eigen wil des menschen.

599

1

) Winer , Comparat. Darstoll. 2to Aufl. S. 92. Scholten, Leor dor H. K. II/p. 460.

-ocr page 628-

§ 13. PERSOONLIJKE VERKIEZING.

600

De Synode te Dordrecht, op den vasten grond der Schrift staande, kon niet anders dan beslist verworpen „de dwaling dergenen, die leeren dat de wille Gods van zalig te maken degenen, die zouden gelooven en in het geloof en de gehoorzaamheid des geloofs volharden, is het gansche en ge-heele besluit van de Verkiezing ter zaligheid en dat er niets anders van dit besluit in het Woord Gods is geopenbaard. Want deze bedriegen de eenvoudigen en wederspreken klaar-lijk de Heilige Schriftuur, die getuigt, dat God niet alleen degenen die gelooven zullen, wil zalig maken, maar dat Hij ook eenige zekere menschen van eeuwigheid heeft uitverkoren, welke Hij in den tijd vóór anderen met het geloof in Christus en met volstandigheid zoude begaven, gelijk geschreven is: Ik heb uiven naam de menschen geopenbaard, die gij mij uit de wereld gegeven hebt Joh. 17 : G, en : Daar geloofden zoo velen als er ten eeuwigen leven verordineerd waren Hand, 13: 48 en: Hij heeft ons uitverkoren vóór de grondlegging der wereld , opdat wij zouden heilig wezen em. Efez. 1 : 4quot; i).

De Schrift brengt de verkiezing uitdrukkelijk tot bijzondere personen: b. v. Abraham, Gen. 18: 19 : ik heb hem gekend; de zeventig discipelen, Luc. 10: 20: verblijdt u dat uwe namen geschreven zijn in de hemelen; Paulus, Hand. 9 : 15 : deze is mij een uitverkoren vat; Jakob in tegenstelling tegen Ezau, Rom. 9:13: Jakob heb ik liefgehad en Ezau heb ik (jehaat. Deze Godspraak haalt Paulus aan uit Mal. 1:2,3. Daar wordt tegen de misnoegden en murmureerenden in Israël als bewijs van Gods liefde aangevoerd, dat God Israël in zijn land had wedergebracht,

\') Dordr. Lcerreg. H. I. Verwerping dor dwalingen 1.

-ocr page 629-

§ 13. PERSOONLIJKE VERKIEZING.

terwijl het land van zijn broedervolk nog woest lag \'). Dit wordt afgeleid uit de verkiezing van Israels stamvader Jakob en de verwerping van Edoms stamvader Ezau: Jacob bleef ook in zijn zaad de begunstigde en gezegende, Ezau de verworpene. Ezau heb ik gehaat, kan hier niet beteekenen ; minder liefgehad*), gelijk velen het verflauwen. Want few eerste Mal. 1 : 4 wordt Edom genoemd een volk, op hetwelk de Ueere vergramd is tot in der eeuwigheid. Ten tweede, zoo alleen, wanneer men de uitdrukking in hare volle scherpfe vat. heeft de daarop volgende vraag bij Paulus Rom. 9 : 14 eenen zin, de vraag : wat ztillen wij dan zeggen ? is er onrechtvaardigheid hij God ? Anders kwam deze vraag niet te pas, want, ware hier slechts sprake van wat minder liefde jegens den eenen dan jegens den anderen, dan was er zelfs

\') Hengstenberg, Christologie dos A. T. III. S. 379.

\'2) Dit wordt ook door Olshausen en zelfs door De Wette z. d. St. toegestemd. Haten is haton en kan nooit beteekenen minder liefhebben. Meyer zu Matth. 6 ; 24: /mtsJv nnd (xyxTrxv stehen so wenig wie nnd hier oder sonstwo (Gen.

.. T quot; T

29: 31. Mal. 1:2,3. Lmc. 14:26. IC: 13. Joh. 12: 25. Eom. 9: 13) im schwilchorn Sinne, so dass sio posthabere und praeferre ansdrückon sollen. Dezelfde verklaart bij Kom. 9:13: dom sfthqerx ist nicht oin blos privativer Sinn zu gobon : nicht liebc.n oder iveniger lieben, sondern es drückt das Gegentheil dos positivon aus , den positiven Hass. — — Beides lodig-

lich iin den freien Wahlschluss Gottes bogrümlet, bei welchem im nothwondigen Zusammenhange seines über den Entwicke-lungsgang der Theokratie frei gefassten Planes das Hassen nnd Verwerfen Esau\'s durch das Gegentheil, u\'imlioh dnrch die freie Liebe nnd Erwithlung Jakob\'s zmn TrUger der Theokratie nnd ihrer Gnaden , als die auch durch die Geschiuhte Edom\'s that-silchllcb horvorgetrotoue Kehrsoite dieser Liebe und Erwithlung

G01

-ocr page 630-

§ 13. PERSOONLIJKE VERKIEZING.

geen schijnbare reden om God van onrechtvaardigheid in dezen te verdenken.

Dat de Goddelijke verkiezing niet slechts de bepaling is van vereischte hoedanigheden en werkingen, van voorwaarde, middel en weg tot zaligheid, maar de personen raakt, blijkt ook uit al de plaatsen, waar tot of van zekere menschen als uitverkorenen gesproken wordt; Ef. 1: 4. 1 ïhess. 5: 9. Joh. 17 : 6 en vooral Rom. 8 : 29 , 30\'),

Overigens moeien wij niet voorbijzien, dat de heilige Schrift verschillende betooningen en trappen van Goddelijke verkiezing vermeldt, waarop Calvinus met nadruk opmerkzaam maakt. Vooreerst treedt ons daar voor oogen de verkiezing van één volk, van Abrahams zaad, met verwerping van al de andere volken, ten bewijze dat Gods raadsbesluit den weg en het lot van ieder volk bepaalt1). Dit is eene verkiezing tot het uitwendige deelgenootschap aan de verbonds-voorrechten, niet eene persoonlijke verkiezing tot de zalig-

gosetzt war. Scholten, Loor dor H. K. II. p. 92 verklaart het haten Rom. 9: 13 uit Rotn. 11: 28, waar do Jodon heeteu: vijanden aangaande hot Evangelie om der Heidenen wil , maar beminden aangaande de verkiezing om dor Vaderen wil. ïo rocht verklaart hij ixöpoi, vijanden: voorwerpen van Gods haat, wegens do tegenstelling met het daarop volgende xynnrviToi, voorworpen van Gods liefde. Daar dit oehtor volgens hom van dezelfde personen gezegd wordt, denkt hij dat bij da woorden: Jakob heb ik liefgehad en Ezau heb ik gehaat de meeniug des Apostels geeno andero is dan deze »dat God aan Jakob ou zijn nakroost de zegeningen van den waren godsdienst geschonken , maar aan Ezau en zijne nakomelingen tijdelijk onthouden had.quot; Maar wat is er dau van al die personen , aan wie bij hun leven de genade onthouden bleef?

\') Brakel, Redel. Godsd. I. p. 186.

2) Calvin. Instit. III. 21 5.

G02

-ocr page 631-

§ 13. PERSOONLIJKE VERKIEZING.

heid. Ten tweede ontmoeten wij binnen dat zaad Abrahams wederom eene verkiezing van sommigen en verwerping van anderen. Dus werd aan Izaük en zijne nakomelingen de erfenis der beloften toegewezen, in hem zou het zaad genoemd worden, met uitsluiting van Ismaël, schoon ook deze besneden was: dan aan Jakob en zijn geslacht, in onderscheiding van Ezau i). Maar ten derde zien wij de genadige verkiezing tot bijzondere personen gebracht, zooals beven is aangetoond, aan wie God de zaligheid niet slechts aanbiedt, maar zóó toedeelt, dat de uitkomst niet in hei minst twijfelachtig of onzeker is1). In de eerste en tweede, in de volks- en de geslachtsverkiezing spiegelt zich af de personeele verkiezing van een iegelijk, die door de genade zalig wordt.

§ 14. Beweegreden.

Vragen wij naar de reden, waarom God den eenen heeft uitverkoren en den anderen niet: zoo geeft ons de heilige Schrift hierop een antwoord waarin wy berusten moeten.

1. Die uitverkoren zijn , zijn het niei om iets , waardoor zij zich boven anderen onderscheiden; \'t is niet om eenige waardigheid, daad of eigenschap ; \'t is inzonderheid niet wegens meerdere mogelijkheid om ter zaligheid gebracht te worden. De beweegreden ligt alleen en geheel in God zeiven. Het is zijne vrije genade, zijn welbehagen. Het is eene rerkieziny der genade. „En indien het f/oor is,

603

zoo is het niet meer uit de werken; anderszins is de genade geene genade meer; en indien het is uit de werken, zoo is het

1

) Dezelfde Instit. III. 21. 7.

-ocr page 632-

§ 14. BEWEEGREDEN.

geeno genade meer; anderszins is het werk geen werk meer. Wat clan ? Hetgeen Israël zoekt, dat heeft het niet verkregen ; maar de uitverkorenen hebben het verkregen en de anderen zijn verhard geworden.quot; Rom. 11:5—7. Waarom alle geloovigen ook vermaand worden tot nederigheid en „tot een matig gevoelen van zich zeivenquot; 1 Kor. 4:7: „Want wie onderscheidt u ? en wat hebt gij dat gij niet hebt ontvangen ? en zoo gij het ook ontvangen hebt, wat roemt gij als of gij het niet ontvangen hadt ?quot;

2. Aangaande degenen die niet uitverkoren zijn en alzoo niet zalig worden, leert ons de Schrift dat dit niet is wijl het voor God onmogelijk ware geweest hen te buigen, te bekeeren en zalig te maken. Dat Hij dezen niet uitverkoren heeft en alzoo niet ter zaligheid leidt, is niet uit gebrek van macht bij God, als kon Hij het niet, omdat zij niet wilden. Integendeel de eenige reden is de eigene heilige wil van God zeiven. Dit is bijzonder, tot een voorbeeld voor allen, bij Pharao gebleken, tot wien de Schrift God doot zeggen: „Tot ditzelve heb Ik u verwekt, opdat Ik in u mijne kracht bewijzen zoude, en opdat mijn naam verkondigd worde op de gansche aarde,quot; Rom. 9: 17.

Er blijft dus niets anders over dan te zeggen met don Apostel Rom. 9:18: „Zoo ontfermt Hij zich dan diens llij wil en verhardt dien Hij wilquot; \'). Hij verhardt. Dit is gezegd

\') quot;Apx ovv ov ósXst, sXesï, ov öéXsi, TKkypvvsi. Verharden, iTK,\\yjpuv£iv boteekent niot: hard behandelen. Ook is bot oeuo jjdelo uitvlucht, wannoor mon het alloon vau toelating verklaart: Hij laat hard zijn; want wat zal clan v. 19? Meijer is bior in do woordverklaring getrouw. Hot betookont ook niet: »voor oenen ongoboorzame, voor een verharde verklaren of als zoodanig doen uitkomenquot;, gelijk Ddhne, Pauliu. Lehrbegriff S. 81 het opvat: want daarbij zou dien Hij wil niot passou.

604

-ocr page 633-

§ 14. liEWEEfiREDEiV.

in tegenstelling tegen : Hij ontfermt zich; en wel niet slechts ontkennender wijze, zoodat het alleen zou zijn : Hij ontfermt zich niet, maar stellig ; Hij verhardt. Alle pogingen om de scherpte van dit woord hier af te stompen, zijn vruchteloos. Do Kantteekening in den Nederlandcchen Staten-Bijbel omschrijft het te recht aldus : Hij neemt de hardigheid des harten , die zij van zich zeiven hebben, niet weg, maar geeft hen over tot dezelve. Hg verhardt dien Hij wil. „Het woord willen,quot; herinneren onzeKantteekenaars, „wordt hier niet genomen voor een wil, die geen reden zou hebben van zijn doen. Want de wil Gods is een regel van alle rechtvaardigheid , Deut. 32: 4 en is nimmermeer gescheiden van zijne wijsheid en rechtvaardigheid , al is het dat de redenen daarvan ons niet zijn geopenbaard of ons verstand te boven gaan, Rom. 11 : 33, 34, waarmede wij ons ook altijd moeten tevreden houden.quot;

§ 15. Niet wegens voorgezien geloof.

Die God uitverkoren heeft, heeft Hij niet hierom uitverkoren, wijl Hij vooruit zag dat zij zich zouden bekeeren, in Christus gelooven en goede werken doen.

605

In geenerlei wijze. Immers de zaligheid wordt verkregen enkel door Gods genade en al het goede, van de eerste beweging en begeerte aan, is zelf reeds Gods iverk en gave, gelijk Paulus zoo krachtig uitspreekt Ef. 2 : 8: Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof en dat*) niet

\') \'/mi tcvto slaat natuurlijk niet alken op rifc ttittsms, zoo-als Calvinus, Commontar. i. 1. to rocht horinuort, maar medo op £5T£ tTstruv/tévoi, doch ook on bijzonder hierop dat dit za-

-ocr page 634-

606 § 15. niet wegens voorgezien geloof,

uit u, het is Gods gave. „Niet alleen de zaligheid zelve, maar ook het geloof is eene gave Gods.quot; (Kantteek.). Al wat goed is in den mensch, is uit God, is van den Vader der lichten, terwijl het booze voorkomt uit het eigen hart. „Want uit het hart komen voort booze bedenkingen, doodslagen , overspelen , hoererijen , dieverijen , valsche getuigenissen , lasteringen,quot; Matth. 15: 19.

De Luthersche Kerkleer maakt de verkiezing afhankelijk van een vooruitgezien geloof quot;)• Ook de Remonstranten verwierpen de onvoorwaardelijke verkiezingen stelden het Gods-bealuit ter verlossing hierin, dat God zou hebben besloten, om hen, die gelooven en in het geloove volharden, zalig te maken, een geloof hetwelk volgens hen de vrucht is van ieders vrijen wilgt;). Dus zou het in ieders eigen keuze staan om zalig te worden en alzoo zou dan eigenlijk de mensch zich zelf verkiezen! Naar de Remonstranten is het dan niet eene verkiezing tot, maar uit aanmerking van, en dus wegens het geloof, de gehoorzaamheid en trouw, welke God vooruitzag.

Vlak daartegen staan onze Dordrechtsche Leerregelen Hoofdst. 1:9: Deze zelfde verkiezing is geschied niet uit het voorgezien geloof en gehoorzaamheid des geloofs/heiligheid of eenige andere goede hoedanigheid of geschiktheid, als eene oorzaak of voorwaarde, te voren vereischt in den mensch die verkoren zou worden; maar tot het geloof en de gehoorzaam-

ligworden door het geloove is, dus op §/# tsJt ttIvtsus. Met reden sluit Scholten, L. d. H. K. II. p. 86: »Is het vtrsMVfttvw sJvxi eene gave Gods, dan geldt dit ook van hot geloof.quot;

\') Scholten, L. d. H. K. II. p. 417. Bretschneider Handb. d. Dogmat. 3te Ausg. II. S. 123. L. Hutterus, Compend. locor theologicor. Wittenb. 1621 p. 162.

2) Scholten a. w. II. p. 461.

-ocr page 635-

§ 15. NIET WEGENS VOORGEZIEN GELOOF. 607

heid des geloofs, tot heiligheid enz. en dus is de verkiezing de fontein van alle zaligmakend goed, waaruit het geloof, de heiligheid en andere zaligmakende gaven en eindelijk het eeuwige leven zelf als vruchten voortvloeien, naar het getuigenis van den Apostel: „Hij heeft ons uitverkoren (niet omdat wij waren, maarj opdat wij zouden zijn heilig en onberispelijk voor Hem in de liefde,quot; Ef. 1 : 4. En Rora. 8 : 29: „die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordineerd den heelde zijns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat Hij de eerstgeborene zij onder vele broederen.quot; God heeft besloten, hun, die Hij ter zaligheid heeft uitverkoren, op zijnen tijd alles te schenken: bekeering, geloof, heiligmaking, volharding gt;). De Schrift stelt de genadige verkiezing Gods tegen de werken des menschen over en sluit alle eigen werk en verdienste uit. Rom. 9: 11: niet uit de werken, maar uit den roepende, „dat is, uit de onverdiende genade en gunst van God, die degenen, die Hij uitverkoren heeft, ook krachtiglijk roept en tot het geloof en de godzaligheid brengt. Zoo is het dan niet wegens het geloof, want dit is niet in den roependen God, maar in den geroepen menschquot; (Kantteek.). Het is naar de verkiezing (for (/ewacZe, in tegenstelling en met volstrekte uitsluiting van de werken, Rom. 11: 5, 6. „Het onedele der wereld en het verachte heeft God uitverkoren en hetgeen niets is, opdat Hij hetgeen iets is te niet zoude maken, opdat geen vleesch zoude roemen voor Hem,quot; 1 Kor. 1 : 28, 29. Dat de zaligheid verkregen wordt naar de verkiezing Gods , zegt juist dit, dat het uit vrije genade is. Ware het om het geloof, dan ware het weer als om een werk.

\') P. Van Mastricht, Godgoleordh. I. p. 721 v. v.

-ocr page 636-

§ 15. NIET WEGENS VOORGEZIEN GELOOF.

008

Men brengt hiertegen in a. dat de uitverkorenen gezegd worden bij God voorlekend te zijn. Rom. 8 : 29 : die Hij te voren gekend heeft. De oude Luthersche Godgeleerden verklaarden dit aldus : die Hij te voren gekend heeft als zulken die zich bekeeren en in Christus gelooven zouden. Maar dit zegt de Apostel niet i). Het kennen is een kennen van vrienden , een kennen in liefde , liefhebben. Te voren gekend is te voren liefgehad, is dus zooveel als te voren uitverkoren tot de zaligheid. Hetgeen daar volgt, bepaalt dan deze uitverkiezing nader in bijzondere opzichten : de uitverkorenen zijn hiertoe bestemd, den beelde des Zoons gelijkvormig te zijn.

b. Men beroept zich hierop, dat de Schrift spreekt van uitverkorenen in Christus Ef, 1 ; 4. Maar dit wil zeggen : uitverkoren als reeds in Hem zijnde, maar zullende in Hem zijn ; niet: voorgezien als in Hem geloovende en daarom uitverkoren, maar opdat wij zouden zijn in Christus door het geloove. — Het is ook niet om Christus, maarm Christus. Christus is niet de verdienende oorzaak van de verkiezing, maar Hij is de uitvoerder van haar, daar God door Hem alleen de door de verkiezing vastgestelde zaligheid bedeelt. Want Christus met zijne verdiensten wordt niet in de eerste, maar in de tweede plaats gesteld ; Joh. 3 : 16. Rom. 8 : 29, 32; en de verkiezing wordt niet van Christus\' verdiensten, maar van Gods genade en barmhartigheid afgeleid,

1) Ook volgens De We.tte , Kurzo Erklftr des Br. an die Rö-mor a. 1. Anders wederom Meyer, Kommentar Z. d. St. Xlpoyixuweiv is een zelfstandig , op zich zelf volledig begrip on heeft goeno aanvulling van noode. Cremer, Wörterb. S. 161 : »Het is mot nadruk gezegd. Verg. wat de Heere van Abraham zegt Gen. 18: 19; Ik heb hem geleend, opdat hij enz.quot;

-ocr page 637-

§15. NIET WEGENS VOORGEZIEN GELOOF.

Ef. 1 : 3, 4. 1 Petr. 1 : 2. Dit hebben de Gereformeerden tegen Lutheranen en Remonstranten met nadruk betuigd •).

Naar dit alles moeten wij met Paulus besluiten Rom. 9: 16: Zoo is het dan niet desgenen die wil, noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods. Zoo hangt de zaligheid dan niet af van iets wal in den mensch is, of van hetgeen hij werkt, van zijn willen en loopen, van zijn voornemen en bemoeien, maar alleen van Gods ontfermen 11). Al het goede, ook het geringste in den mensch, is een werk van God die alleen goed is, is genade, terwijl het booze des menschen eigene, natuurlijke vrucht is uit zijn boos hart.

§ 16. Onrechtvaardig?

Ook aangaande de Goddelijke voorverordineering komen er uit het booze hart booze bedenkingen op. Is dit niet willekeurig en hard gehandeld, vraagt men, is dit geene schreeuwende onrechtvaardigheid, wanneer God voor even-gelijke personen zoo ongelijke dingen bepaalt, voor dezen het leven, voor genen den dood ? Is God zoo doende dan niet partijdig en een aannemer van personen ?

Dat zou zijn, wanneer Hij een gelijk deel schuldig ware aan allen en dan ongelijk bedeelde. Maar 1. God is aan geen schepsel iets verschuldigd. „Of wie heeft Hem eerst gegeven, dat het hem weder vergolden moest worden ?quot; Rom.

\') P. Van Mastricht, Godgeloordh. I. p. 709. 722 v. Scholten , Leer der H. K. II. p. 433 v.

2) Meijer , Kommentar z. d. St.: Nicht vom Lanfonden selbst hiingt die Preiserringung ab, sondern wen Gott zur Preiserlan-gnng erkoren hat, der liluft nun seinerseits so, dass er ihn erlangt.

öravemoyor, Goref. Gel. loer. 39

609

-ocr page 638-

§ 16. ONRECHTVAARDIG?

11: 35. 2. Allen hebben tegen Hem gezondigd, Rom. 5 : 12 , de geheole wereld is verdoemelijk voor God. Allen zijn schuldig , strafwaardig. Is het dan onrecht, wanneer Hij aan sommigen genade bewijst en onverdiende gunst betoont, waardoor Hij de anderen niet bekort, hun niets onttrekt ? Verre zij God van goddeloosheid en de Almachtige van onrecht!

Immers het voorwerp van de verkiezing en verwerping is de gevallene menschheid.

Hierover hebben intusschen de Gereformeerden niet even-gelijk gedacht en er bestaat bij hen eene tweevoudige opvatting: die der zoogenaamde bovenvaldrijvers (supra-lapsariërs) en der benedenvaldrijvers (infralapsariërs)\').

Aangaande dit punt dienen wij wel het navolgende op te merken.

a. Men kan niet vragen, of het besluit der Praedesünatie bij God zij gemaakt vóór of eerst na den val des menschen: want dat besluit is van voor de grondlegging der wereld, voor de schepping, van eeuwigheid bij God. Maar alleen staat te vragen , als hoedanig het voorwerp , de mensch, bij dat besluit voorkomt: of het zij de mensch als reeds gevallen zijnde (benedenvaldrijvers), of als nog niet geschapen noch gevallen (bovenvaldrijvers).

61Ü

b. De waarheid ligt in het midden en het verschil komt voort uit eene onderscheiden beschouwing van hetgeen in God één is.

\') P. Van Mastricht, Godgeloordh. I. p. 694. Ebrard, Dogmat. II. S. 712 ff. Scholten, Loor der H. K. II. p. 600 v. v. Do voorstanders en de bestrijders vau de eene on van de andere opvatting zijn bij name genoemd in Camp. Vüringa, Doctrina Christianae religionis, curante Mart. Vilr. II. p. 41—45.

-ocr page 639-

§ 16. ONRECHTVAARDIG?

x. Beschouwen wij de voorverordineering in het afgotrok-kene, op zich zelve, nameliik als het voornemen Gods cm in redelijke, verstandige, zelfwillende schepselen zich als Schepper en Heer, alzoo bijzonder in zijne genade en in zijne rechtvaardigheid te verheerlijken (want door deze beiden vooral is het dat Hij zich als God van redelijke schepselen kan en moet betoonen), dan zullen wij moeten zeggen : van Aevoorverordineeriny als zoodanig is het voorwerp de mensch. heid, als noch zullende geschapen worden en als zullende door eigen schuld vallen in een eerst en algemeen beginsel.

13. Wanneer wij echter de voorverordineering in hare bijzonderheden aanmerken , de verkiezing en de verwerping , dan moeten wij zeggen : van de verkiezing en verwerping als zoodanig is het voorwerp de geschapene en gevallene menschheid.

Voorstanders van algemeene genade maken tot voorwerp der verkiezing en verwerping ; den verlosten en geroepenen mensch ; Pelagianen stellen als voorwerp : den reeds geloo-venden en den niet-geloovenden mensch.

Dit staat vast, de heilige God doet zijn schepsel geen onrecht. Hij is zoo rechtvaardig in al zijn weg en werk, dat men zijne regeering wel eene zedelijke mathesis kan noemen, Maar wil de mensch van Gods beschikkingen deredenen ramen, dan gaat hij den troon opklimmen, in plaats van nederig op de voetbank te blijven. Er is ongelijke bedeeling ook in het tijdelyke. Waarom is deze arm, gene rijk ? Waarom de een gezond , de andere ziekelijk en al sukkelende ? Waarom deze wel by verstand, gene krankzinnig! Wie kan de oordeelen Gods doorzoeken en zijne wegen naspeuren ? „Wij zijn van gisteren en weten niet, dewijl onze dagen op aarde eene schaduw zijn,quot; Job. 8:9.

Oil

-ocr page 640-

§ 16. ONRECHTVAARDIG?

612

Allen die God liefhebben, keuren ook goed wat Hij doet, al doorgronden zij hot niet, en mogen en moeten zich voor uitverkoren houden en zijne genade prijzen, die hen, eertijds vreemd en afkeerig, met zich heeft verzoend. Wat zullen wij dan zeggen ? Is er onrechtvaardigheid bij God ? dat zij verre! daar „Hij dengenen dien Hij verkiest, uit genade verkiest en dengenen dien Hij verwerpt , rechtvaardiglijk verwerptquot; (Kantteek.). Want Hij zegt tot Mozes: Ik zal mij ontfermen diens ik mij ontferm en zal barmhartig zijn dien ik barmhartig ben, Rom. 9 : 14 : 15. „Is het dan ontferming, zoo is het geene ongerechtigheid, want ontferming ziet op de ellende des menschen en is eene weldaad die onverdiend is en uit enkele goedwilligheid voortkomt en van geene onrechtvaardigheid kan beschuldigd worden, zoo zij met niemands ongelijk wordt gevoegdquot; (Kantteek.). Het is eene verkiezing uit genade, het is ontferming over ellendigen, eene weldaad Gods, waarop niemand aanspraak heeft, waar-by dus, terwyl Hy ze aan den eenen bewijst, den anderen geen ongelijk geschiedt, geen onrecht gedaan wordt, omdat hij tegenover God geenerlei recht heeft. Dat bevestigde de Apostel met het woord des Heeren tot Mozes gesproken, v. 15. En dien Hij verwerpt, verwerpt Hij rechtvaardiglijk : hem in zijne zonden verlatende, tot handhaving en openbaring van de eere zijns naams, daar Hij den verharde eindelijk om zijne zonde straft en alzoo zijne door het weerspannige schepsel gehoonde macht betoont, hetwelk Paulus met het voorbeeld van Pharao bewijst v. 17. En men moet het hooge recht Gods erkennen, waarvoor de mensch, die van zynen Maker geheel afhangt, zwichten en zwijgen moet, gelijk de Apostel spreekt Rom. 9 : 20: „Maar toch, o mensch, wie zyt gy die tegen God antwoordt? zal ook het maaksel

-ocr page 641-

§ 16. ONRECHTVAAHDIG ?

tot dengenen die het gemaakt heeft zeggen : waarom hebt gij mij alzoo gemaakt? 21. Of heeft de pottenbakker geene macht over het leem, om uit denzeliden klomp te maken het eene vat ter eere en het andere ter oneere ?quot;

Zou een goddelooze zich kunnen beklagen, dat God hem niet heeft uitverkoren en dat hij daarom wel in de zonde moet blijven ? In geenerlei wijze ! De mensch wordt door God niet verhinderd om goed te doen, veelmeer door natuurwet en Woord wordt hij tot het goede vermaand en hij zondigt vrijwillig, onkundig van Gods besluit en dus waarlijk niet met den toeleg om Gods besluit te volbrengen : hij volgt zijne eigene begeerlijkheid tegen rede, geweten en Gods Woord.

Gods voorwetenschap en besluit veroorzaken de zonde niet, noch zyn voor den mensch de beweegreden waarom hij zondigen wil. „Zoo hebben Adam en Eva niet gezondigd , dewijl God wist dat zij zondigen zoudenquot; lt;). He-rodes en Pontius Pilatus met de Heidenen en de volken Israels, zij hebben aan Jezus gedaan „al wat Gods hand en raad te voren bepaald had dat geschieden zouquot;. Hand. 4 ; 27 , 28 , maar zij hebben dat waarlijk niet hierom gedaan, wyl het Gods raad was , veelmeer zij wilden daardoor slechts hun eigenen raad uitvoeren.

Zal dan nog iemand inbrengen, dat wij, de bijzondere voorverordineering aannemende, Gode onrechtvaardigheid toeschrijven, daar Hij de verworpenen straft om hetgeen zij wegens zijn besluit, niet hebben kunnen nalaten te doen ? Wij antwoorden : God straft hen rechtvaardig omdat zij tegen Hem gezondigd hebben vrijwillig, zonder dwang van

\') Dr. J. /. Doedes, Maandschrift Ernst en Vrede. 1, Jaarg Vdo Stuk p, 339.

613

-ocr page 642-

§ 1G. ONRECHTVAARDIG ?

zijnen kant, onkundig van zijn besluit, zonder oogmerk om naar Gods besluit te handelen , maar gedreven door de eigene booze neigingen \') Dit moeten wij vast in het oog houden, hierbij moeten wij blijven staan, zonder te willen indringen in hetgeen voor ons verborgen is. Want anders plaatsen wij ons opeen geheel verkeerd standpunt. Waarvoor ook Calvijn met nadruk waarschuwt. „De eerste mensch is gevallen, omdat God dit dienstig achtte; waarom Hij dit achtte, is ons verborgen. Dit nochtans is gewis, dat Hij het zoo gewild heeft, wijl Hij zag dat de heerlijkheid zijns naams hierdoor naar verdienste werd aan het licht gebracht. Waar men echter van de heerlijkheid Gods hoort gewagen, daar moet men ook aan de rechtvaardigheid denken. Want rechtvaardig moet zijn, wat lof verdient. Dies valt de mensch, naar het bestuur der voorzienigheid Gods; maar hij valt door eigen schuld. Hij was goed geschapen. Door zijne moedwillige ongehoorzaamheid heeft hij de reine natuur, die hij van God had ontvangen, zelf verdorven en heeft in zijnen val zijne gansche nakomelingschap meegesleept. Laat ons daarom liever in de verdorven natuur des menschelijken geslachts de oorzaak der verdoemenis, die klaarblijkelijk is en dicht voor ons ligt, gadeslaan, dan eene verborgene en gansch onbegrijpelijke opzoeken in de Praedestinatie Godsquot;11).

De tegenstanders van de Gereformeerde leer der praedestinatie vinden in deze nog meer ongerechtigheid. Zij zeggen, dat God daardoor voorgesteld wordt als tegenstrijdig handelende, ja als veinzende en met zijn schepsel spottende, daar Hij door het Woord allen zonder onderscheid roept om zalig

\') P. Van Mastrlcht, Godgol. I. p. 701. v. Calvin , Instit. III. 23. 9.

-) Calvin , tuamp;tit. III. 23. 8.

614

-ocr page 643-

§ 1G. ONRECHTVAARDIG ?

te worden, tenvyl Hij nochtans door een onveranderliik besluit heeft vastgesteld, dat verre het grootste gedeelte der menschen nooit zalig worden zal, daar Hij allen tot zich noodigt, maar alleen de uitverkorenen toelaat en aanneemt.

Intusschen ten eerste zulk eene algemeene roeping is er nog nooit geweest. Tal van volken zijn heengegaan, zonder iets van het Woord Gods te hebben gehoord en hoe vele zijn er nog van verstoken ! God geeft zijn goed, ook zijn Woord, naar eigen keus. Terwijl Hij regen geeft over de eene stad, straft Hij de andere met dorheid Am. 4 : 7. Hij dreigt eenen honger naar het Woord in het land te zenden Am. 8:11. Hij verhindert Paulus voor een tijd het woord in Azië te spreken , keert hem van Bithynië af en trekt hem naar Macedonie , Hand. 1G : 6 v.v. Hij zendt zijn Woord waar Hij wil. Het is niet alom. Er is geen algemeene roeping in dezen zin \').

Ten tweede. Waar het Evangelie verkondigd wordt, gaat het zonder onderscheid allen aan die het hooren, voorzoover aan allen één weg van zaligheid voorgesteld en allen hunne dure verplichting hieromtrent aangezegd wordt. Maar zoo-velen daaronder naar het ondoorgrondelijk doch rechtvaardig raadsbesluit Gods niet zalig zullen worden, die roept Hij niet hiertoe om zalig te worden1); dat zou tegenstrijdig en bedriegelijk zijn; maar om hun alle verontschuldiging te be-neinen, om aan den dag te brengen dat zij door hun eigen schuld, om hunne onverschilligheid, wereldliefde, zonden-dienst en vrijwillige verharding verloren gaan, terwijl het Gode niet behaagt hun te geven wat Hij hun niet verschuldigd is, namelijk den Heiligen Geest, die ook in hen de

615

1

-) P. Van Mastvicht, Godgel. I. p. 702. 746.

-ocr page 644-

§ 16. ONRECHTVAARDIG?

bekeering en het geloove onweerstaanbaar konde uitwerken. Wij kunnen niet anders dan ten volle beamen het woord van een uitnemend Godgeleerde i) onzer Kerk; „Dat er eene particuliere verkiezing is, is onwedersprekelijk bewezen; dat er een onbepaalde aanbieding des Evangeliums met belofte van zaligheid onder conditie van bekeering en geloove is, is ook waarheid. Hier is geen tegenstrijdigheid. Het eene is absoluut, het andere onder conditie; het eene is een besluit, het andere een bevel; iets anders is het oogmerk des werkers, iets anders is het einde des werks. Het is Gods goedheid den onbekeerlijken het Evangelium met eene conditioneele belofte voor te stellen en het is des men-schen plicht dat Evangelium te gehoorzamen. De verkiezing verhindert hen niet, maar hun eigene boosheid en daardoor wordt God verheerlijkt als Hij hen om hunne ongehoorzaamheid veroordeelt,quot;

§ 17. Onveranderlijk.

De verkiezing is onveranderlijk : een uitverkorene kan nooit een verworpene worden, het getal der uitverkorenen kan niet verminderen1).

De Remonstranten, die eenen afval der heiligen sieWen, leeren eene veranderlijke verkiezing, hetwelk zij bewimpelen met de onderscheiding van eene volkomene (beslissende) en eene onvolkomene (niet beslissende, voorwaardelijke) verkiezing: „een gedichtsel van \'s menschen hersenen, buiten de Schrift verzonnen, waardoor de leer van do verkiezing verdorven en deze gulden keten van onze zaligheid verbroken

616

1

Dordr. Leerreg. Hoofdst. I. art. 11.

-ocr page 645-

§17. ONVERANDERLIJK.

wordt: Die Hij te voren verordineerd heeft, dezen heeft Bij ook geroepen en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt, Rom. 8: 30quot;\').

Het voornemen Gods blijft vast, want het is niet uit de werken des menschen, maar uit den roependen God, Rom. 9: 11. Ligt de grond van Gods bepaling niet in den mensch maar geheel en alleen in God zeiven, zoo kan er dan ook nooit een beweegreden voor Hem zijn, waarom Hij bij zyn besluit niet zou blijven, of Hij moest zelf veranderen. Om eigen waardigheid is niemand uitverkoren, om zijne gebreken zal God dan ook geenen uitverkorene verwerpen. Wat Hij aan onwaardigen gaf, zal Hij hun om hunne onwaardigheid niet ontnemen. „Want de genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwel^k\' , Rom. 11 : 29.

Er is geen afval der heiligen*). „Uit oorzaak van de overblijfselen der inwonende zonde en ook van wege de aanvechtingen der wereld en des Satans zouden de bekeerden in de genade niet kunnen volstandig blijven, zoo zij aan hunne eigene krachten overgelaten wierden. Maar God is getrouw, die hen in de genade, hun eenmaal gegeven, barm-hartiglijk bevestigt en ten einde toe krachtig bewaartquot; s). De opperste Herder kent en bewaart zijne schapen. En ik geef hun het eeuwige leven, belooft Hij Joh. 10 : 28 : en niemand zal dezelve uit mijne hand rukken.

Tegen deze onveranderlijkheid der verkiezing brengt men intusschen velerlei in, voornamelijk uit het 9de en 1 lde hoofdstuk van den Brief aan de Romeinen, waar Paulus van afge-

617

-ocr page 646-

§17. ONVERANDERLIJK.

brokene en van wederingeënte takken des olijfbooms spreekt, van de afsnijding Israels en de aanneming der Heidenen, terwijl hij de aangenomene Heidenen met afsnijding dreigt en de wederaanneming van Israël voorspelt (Rom. 11 : 22 v.v.)

Maar ten eerste Israël is niet geheel verworpen en was niet geheel verkoren. De afsnijding van het gros des volks bewijst derhalve geenszins, dat de verkiezing in verwerping veranderde, veelmeer de uitverkorenen uit dit volk, een overblijfsel naar de verkiezing der genade, zijn en worden voortgaande toegebracht en behouden, Rom. 11:1 -7. „Want die zijn niet allen Israël die uit Israël zijnquot;, Rom. 9: 6. Ten tweede. Ook ligt er geene verandering van Gods besluit in de dreiging jegens de aangenomene Heidenen Rom. 11 : 21 : Want is het dat God de natuurlijke takken (Israël) niet gespaard heeft, zie toe dat Hij ook mogelijk u niet spare en v. 22 : „Zie dan de goedertierenheid en de strengheid Gods : de strengheid wel over degenen die gevallen zijn, maar de goedertierenheid over u, indien gij in de goedertierenheid blijft: anderszins zult ook gij afgehouwen worden.quot; Deze dreiging zegt niet, dat de uitverkorene personen verworpen, dat de uitverkorenen verleid (Matth. 24 : 24), dat er schapen uit do hand des Almachtigen gerukt kunnen worden (Joh. 10 : 28). Maar do dreiging is voorwaardelijk en zou tot waarschuwing voor ondankbaarheid en ongehoorzaamheid dienen, juist om deze te verhoeden. Het wil zeggen: a. dat God met de aangenomene Heidenen, als volk \'), wanneer zij zich zoo gedragen als het Joodsche volk. evenzoo zou

\') Ook Calvin. Commont. in Rom. 11: 32 herinuort, dat Pau-lus hior tot de Heidon-christonou iu \'t gemeen , tot liet geheele lichaam spreekt, waariu veleu slechts iu uaam geloovigen en leden van Christus waren.

618

-ocr page 647-

§17. ONVERANDERLIJK.

handelen als met dezen, wegnemende van hen zijn koninkrijk, ja Hij zou de voorrechten, die van de Joden tot de Heidenen waren overgebracht, dezen nog veeleer ontnemen dan genen. b. Wel ging deze dreiging ook iederen heiden-christen in het bijzondere en persoonlijk aan, maar evenzoo voorwaardelijk als Ezech. 18 : 24 en dergelijke, en de Apostel wil hiermede des te sterker zijne vermaning aandringen: „wees niet hooggevoelende, maar vrees!quot; Rom. 11 : 20. Ten derde. Wat de voorspelde wederaanneming der Joden betreft Rom. 11:23 v.v., zoo zegt Paulus daarmede niet dat dezelfde persojiew, die verworpen waren, zouden worden uitverkoren, maar dat God de Joden over het geheel, de Jood-sche natie, niet heeft verstooten. De Apostel zet hier wijder en nadrukkelijker deze waarheid uiteen aangaande de toekomst, die hij in den aanhef van dit hoofdstuk al had in het licht gesteld door hetgeen de toenmalige tijd vertoonde, namelijk : God laat Israël niet varen. Over hoe groot een gedeelte van Israël de verharding ook is gekomen, toch is het volk als zoodanig niet verworpen. Niet in zijn geheel en niet voor altijd is Israël verstooten. Er blijft een Israël en, hoevelen inmiddels in hunne verharding ook zijn verloren gegaan, eenmaal, wanneer het voltal der Heidenen zal zijn ingegaan, wordt ook Israël, namelijk dat alsdan leeft, bewogen en toegebracht en wordt geopenbaard als Gods uitverkoren volk \'), saamgevoegd bij degenen uit Israël, die in de tusschenliggende eeuwen bekeerd zijn geworden. En alzoo zal geheel Israël1) zalig worden, Rom. 11: 26.

619

1

p. 724. v.

rrxg quot;IvpxvjK. Soiumigeu bogrijpuu hieronder alle individu\'s, ook uit vroegoreu lijd, die ooit tot hot lichamelijke Israël behoor-

-ocr page 648-

§17. ONVERANDERLIJK.

Ook waar de Schrift spreekt van uitdelging uit het boek des Heeren of uit het hoek des levens, wordt geenszins geleerd dat de verkiezing in verwerping zou kunnen veranderen. Mozes sprak eens (vergelijk Paulus Rom. 9 : 3) in het vuur zijns ijvers voor Israël na de zonde met het gouden kalf tot den Heere Exod. 32 : 32 : Nu dan, indien gij hunne zonden vergeven zult (zoo is het wél), doch zoo niet, zoo delg mij nu uit uw boek, hetwelk gij geschreven hebt. Dit kan den zin niet hebben : verdoem mij \'). Maar Mozes biedt zich voor het volk aan als bereid om alles, ook het uiterste te ondergaan, wanneer God slechts in het volk, hoe dan ook, wierd verheerlijkt. Toen zeide de Heere tot

den. Maar, wierden nog eens al de Israëlieten van afkomst zalig, ook Judas, ook Kajafas, van waar dan die groote droefheid en gedurige smart des Apostels (Rom. 9:2)? Zie Ols-hausen, Commentar zum Br. an die Romer S. 383. Ook Scholten, Leer der H. K. éde uitg. II. p. 96 verklaart zich er niet meer voor. Geheel Israël is 1. niet het nieuwe Israöl uit Joden en Heidenen. Het zijn Joden. 2. Het zijn niet al de personen , die door lichamelijke afstamming tot Israül behoorden, 3. Maar het is het ware Israël uit Israül (Rom. 9 : 6. 2 : 28, 29) , hetwelk voortgaande behouden wordt van het verkeerd geslacht (Hand. 2: 40). Eenmaal zal eene groote menigte van Joden bekeerd worden , zoo velen dat hot zijn zal «gelijk als do gan-sche Joodsche natiequot; (Kantteek.). Het laatstlevend geslacht der Joden is niet alleen, maar hij uitnemendheid bedoeld.

\') Joh. Coccejus , Observat. in Exod. p. 26 sq. Volgens hem botoekent het hoek niot hot boek der verkiezing (liber eloctionis), hetwelk is het book des Lams, maar het boek des geslachts dor kinderen Israels. Omdat de geboorte en afkomst alleen van God afhing (met het gehoele deelgenootschap aau de voorrechten van het verbondsvolk) , daarom wordt , zegt Coccojua, dit boek der kinderen Israüls gezegd door God geschreven te zijn.

620

-ocr page 649-

§ 17. ONVERANDERLIJK.

Mozes : dien zoude (zal) ik uit mijn hoek delgen, die aan mij zondigt, v. 33 , dat wil zoggen : wiide de Heere deze zonde niet vergeven , de schuldigen zeiven zou dan de straf treffen , namelijk de dood en deze als blijk van Gods toorn. Evenzoo is te verstaan de bede van den lijdenden rechtvaardige tegen de verdrukkers Ps. 69: 29 : laat ze uitgedelgd worden uit het boek des levens en met de rechtvaardigen niet aangeschreven worden — uitdelging der vijanden uit het boek der levenden op aarde, wegneming van hen, die hun leven en hunne macht alleen tot vervolging der kerk misbruiken , wegneming uit het leven door een oordeel Gods. Er wordt door te kennen gegeven een plotselijke en ontijdige dood.

Intusschen er wordt ook bepaald van het boek des eeuwigen levens gesproken. Openb. 3:5: die overwint, die zal hekleed worden met witte kleederen en Ik zal zijnen naam geenszins uitdoen uit het boek des levens en Ik zal zijnen naam belijden voor mijnen Vader en voor zijne engelen. Dus doet de verhoogde Zaligmaker den Apostel Johannes aan Sardis schrijven. Zou Hij daarmede willen zeggen, dat uitverkorenen ooit konden ver worpen worden? Integendeel, hun wordt hierdoor beloofd eene vaste en zekere zaligheid na hunne overwinning, geheel in overeenstemming met hetgeen de Heiland, toen Hij op aarde was, gezegd heeft Matth. 24 : 13 : Maar wie volharden zal tot den einde, die zal zalig worden. Openb. 22:19: En indien iemand af doet van de woorden des boeks dezer profetie, God zal zijn deel afdoen uit het boek des levens en uit de heilige stad en uit hetgeen in dit hoek geschreven is. Hiermede is niet gezegd dat een uitverkorene ooit daartoe zal vervallen- Het is eene voorwaardelijke dreiging gelyk Ezech. 18: 24: „Maar als de recht-

621

-ocr page 650-

§ 17. ONVERANDERLIJK.

vaardige zich afkeert van zijne gerechtigheid en onrecht doet doende naar al de gruwelen, die de goddelooze doet, zou die leven ? al zijne gerechtigheden , die hij gedaan heeft, zullen niet gedacht worden ; in zijne overtreding waardoor hij overtreden heeft en in zijne zonde , die hij gezondigd heeft, in die zal hij sterven.quot;

§ 18. Niet tot zorgeloosheid.

Men heeft de Gereformeerde leer van de onveranderlijke Voorverordineering gelasterd, als of zij tot traagheid en vleeschelijke gerustheid of ook in tegendeel tot wanhoop leidde, als of er uit voortvloeide, dat het evenveel is hoe men leve en wat men doe, als of iemand nu met reden aldus mocht denken: ben ik uitverkoren, dan word ik ook zalig, hoe ik mij ook gedrage; ben ik een verworpene quot;), dan is al mijn pogen, bidden en worstelen toch vruchteloos.

Maar dus doende richt men zich naar iets wat men niet kent, naar den verborgen raad Gods in plaats van naar zijnen in het Woord geopenbaarden wilJ), waardoor men zich verderft of noodeloos zijne ziele ophoudt en even dwaas handelt als wanneer iemand die een huis gaat bouwen met het

\') Er is wel oono verzekerdheid van de verkiezing, maar geene verzekerdheid op aarde van do verwerping. Dit hebben onze rechtzinnige Godgeleerden met nadrnk betuigd. P. Van Mastnchl, Godgel. 1. p. 755 : Dewijl niemand zeker kan lijn , dat hij nooit door God bekeerd zal worden, zoo kan ook niemand zeker zijn , dat hy verworpen is. \' Brakel, Eedel. Godsd. I. p. 199 : Geen mensch kan weten dat hij een verworpeling is.

2) Zie Hoofdstuk III § 36. bl. 370 v.

622

-ocr page 651-

§ 18. NIET TOT ZORGELOOSHEID.

dak wilde beginnen. De Onzen hebben dan ook steeds ernstig tegen alzulks gewaarschuwd en telkens aangedrongen : dat God met het einde ook de middelen heeft besloten; dat Hij met de zaligheid tegelijk ook heeft vastgesteld de middelen en den weg, zonder welke zij niet verkregen wordt, namelijk bekeering, geloof, heiligheid, het welk do Schrift overal betuigt (Ef. 1:4. 2 Thess. 2: 13 — 15. 1 Petr. 1 : 2)\'). Het middel, voornamelijk het Woord, moet gebruikt, de weg moet bewandeld worden,\' afhankelijk, biddende om kracht en zegen en daaronder wordt eerst de verzekering van de verkiezing verkregen. De middelen klein te achten en te verwaarloozen, zou even dwaas zijn als wanneer iemand spijs en drank weigerde, al zeggende dat toch zijn levenseind bij God was vastgesteld en dit immers niet kon worden veranderd : „heeft God besloten dat ik leven zal, zoo is \'t om \'t even of ik ete en drinke dan niet.quot;

Maar wie honger heeft eet, die dorst heeft drinkt, waar hem spijs en drank worden geboden. Uitverkorenen weigeren niet de middelen te gebruiken en de zonde te verzaken: God geeft hun er hart en lust toe om het te willen. De Verkiezing leidt niet tot een slordig leven. „Uit het gevoel en de verzekerdheid van deze verkiezing nemen de kinderen Gods dagelijks meerder oorzaak om zich zeiven voor God te verootmoedigen, de diepte van zijne barmhartigheden te aanbidden, zichzelven te reinigen en Hem, die hen eerst zoo uitnemend heeft liefgehad, wederom vurig te beminnen. Zóó verre is het van daar, dat zy door deze leer van de verkiezing en door de overlegging van dezelve in het onder-

1) P. Van Mastricht, Godgel. I. p. 707. 734. Brakel, Red. Godsd. 1. p. 198 v. v. Verg. Scholten , Leer der H. K. II. p. 528. v. v.

623

-ocr page 652-

§ 19. KENTEEKENEN.

houden van Gods geboden vertragen of vleeschelijk zorgeloos zouden worden ; hetwelk door Gods rechtvaardig oordeel dengenen pleegt te gebeuren, die of zichzelven van de genade der verkiezing lichtvaardiglijk vermetende, ofijdel en dartel daarvan klappende, in de wegen der uitverkorenen niet begeeren te wandelenquot; quot;).

§ 19. Kenteekenen.

„Van deze hunne eeuwige en onveranderlijke verkiezing ter zaligheid worden de uitverkorenen te zijnen tijd, hoewel bij verscheidene trappen en met ongelijke mate, verzekerd (2 Kor. 13: 5). Niet als zij de verborgenheden en diepten Gods nieuwsgierig doorzoeken, maar als zij de onfeilbare vruchten der verkiezing, in het Woord van Grod aangewezen (als daar zijn : het waar geloof in Christus , kinderlijke vreeze Gods, droefheid die naar God is over de zonde, honger en dorst naar de gerechtigheid enz.) in zichzelven met eene geestelijke blijdschap en heilige vermaking waarnemenquot;1).

Een waar geloovige kan en mag van zijne verkiezing onfeilbaar verzekerd zijn. De Pelagianen, Roomschen, Socinianen, Remonstranten spreken dit ronduit tegen, omdat zij de volstrekte souvereiniteit Gods niet erkennen en \'s men-schen zaligheid van zijnen eigen, veranderlijken wil afhankelijk maken. De Lutheranen stemmen het wel toe, doch moesten het bij consequentie ontkennen, omdat zy de mogelijkheid van geheelen afval stellen, waarbij zij wel een

1

) Dordr. Leerreg. Hoofdst. I. 12. Schollen, Leer der H. K. II. p. 511.

-ocr page 653-

§ 19. KENTEEKENEN.

herstel ten slotte, maar inmiddels toch onzekerheid aannemen.

De heilige Schrift leert de verzekering. Petrus vermaant de broeders, hunne roeping en verkiezing vast te maken, niet bij God, maar in en by zich zeiven, 2 Petr. 1 : 10. Paulas was verzekerd, Rom. 8 : 38 en al de heiligen des O. en des N. T. waren het.

Maar men komt tot deze verzekering niet onmiddelijk en buiten den samenhang des geestelijken levens, niet door afzonderlijk op de verkiezing te denken, niet door in den hemel op te klimmen om als het ware het Boek van Gods raadsbesluiten op te slaan en daarboven na te vorschen of onze naam in het Boek des levens sta; maar door het Woord, waar men klaar genoeg de beschrijving aantreft van zulken die uitverkoren zijn en waaraan men zijn eigen hart en leven toetsen moet. Een iegelijk, die de hoedanigheden der uitverkorenen, in de Schrift geteekend, in zich zeiven in meerdere of mindere mate bevindt, mag en moet zich tot de uitverkorenen rekenen •).

Er zijn teekenen van de verkiezing. En wel tweeledig: van God die ons verzekert en van ons die verzekerd worden dat wij uitverkoren zijn.

God maakt de verkiezing openbaar en geeft er metterdaad blijk van door zijn genadewerk in den mensch : wanneer Hij den zondaar krachtig roept, trekt, tot Christus overbrengt, hem door het geloof in Christus rechtvaardigt, den geloovige heiligt en hem voorts onder voorspoed en kruis bewaart en vaderlijk leidt.

En hiermede overeenkomende doen zich bij den uitverkorene de onfeilbare blijken van zijne verkiezing op. Het

t) P. Van Mastricht, Godgel. I. p. 733. BraJcel, Redel. Godsd. I. p. 200.

Gravcmcijei\' , Geref. Gol. loor. 40

625

-ocr page 654-

§19. KENTEEKENEN.

626

eerste is overtuiging en smart van de zonde, levendig besef van hetgeen men wezen moest en van hetgeen men helaas is, zoodat men een arme van geeste wordt en daaronder treurt met die droefheid, die naar God is en eene onberou-welijke bekeering tot zaligheid werkt. Men wordt eerst gewaar wat men mist en daaruit ontstaat de begeerte naar het ware goed. Dit is het tiveede : honger en dorst, een dringend verlangen, om die gerechtigheid deelachtig te worden, waarin men alleen voor God kan bestaan. De behoefte door Gods Geest verwekt, wordt ook bevredigd, door dat de Middelaar en Zaligmaker met de volheid en kracht zijner verdiensten aan den vermoeide en belaste geopenbaard wordt. Dit is het derde: waar geloof in Christus, losmaking en uitrukking uit den eigen levensgrond, overplanting en inlijving in den tweeden Adam. En hieruit vloeit het vierde: kinderlijke vreeze Gods, een leven voor God in gemeenschap met en navolging van Christus; want dit is het doeleinde der verkiezing Gods: „Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Christus vóór de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde,quot; Ef. 1 : 4. Dat zijn vruchten, waaruit voortgaande de goede boom al meer gekend wordt. Gelijk dan ook de Apostel Paulus aan de Thessalonicensen schrijven kon : „ Wij danken God altijd over u allen, uwer gedachtig zijnde in onze gebeden, zonder ophouden gedenkende het werk des geloofs en den arbeid der liefde en de verdraagzaamheid der hope op onzen Heere Jezus Christus, voor onzen God en Vader, wetende, geliefde Broeders uwe verkiezing van Godquot; 1 Thess. 1 : 2—4. En hoemeer de geloovige hierin vordert en in godzaligheid toeneemt en zich beyvert in alle goede werk, des te meer zal hy verzekerd worden van zjjne verkiezing

-ocr page 655-

§ 19. KENTEEKENEN.

627

en van zyn ingang in het koninkrijk van Christus, hetwelk bij een ondeugend leven niet kan. Hiertoe dienen de krachtige waarschuwingen en vermaningen, die overal in de Schrift gegeven worden. Daarom, broeders, beuaar-stigt u te meer om moe roeping en verkiezing vast te maken: want dat doende zult gij nimmermeer struikelen en vallen in de loopbaan , aldus dat gij het wit niet zoudt bereiken en den prys uwer roeping niet verkrijgen, tvant alzoo zal u rijkelijk toegevoegd worden de ingang in het eeuwige koninkrijk onzes Heer en en Zaligmakers Jezus Christus, 2 Petr. 1 : 10, 11.

§ 20. Belang en nut.

1. De uitverkiezing is waarlijk geen lederen leerstuk zonder levenssap, zonder belang en nut. Het is geen losse steen in het Godsgebouw, dien men er konde invoegen of ook uitrukken zonder voordeel of schade voor het geheel. Integendeel het is eene waarheid die met geheel de leer der zaligheid uit enkel genade in onlosmakelijk verhand staat\'). De ééne kan zonder de andere niet ongeschonden bestaan. Dat de zaligheid van een in zich zelf schuldig en machteloos volk in hare voorbereiding en toepassing, aanvang, middel en einde geheel en alleen het werk is van God, van zijne vrije genade, roept de Schrift luide uit en ieder bekeerde moet het naar eigen bevinding betuigen. Maar is z\\j dat, dan moet zij het gevolg zijn van een vrij wilsbesluit Gods. Men heeft de leer der genade niet zuiver, waar men de praedestinatie verduistert. Om de genade is het

\') Calvin. Instit, III. 21. 1.

-ocr page 656-

§ 20. BELANG EN NUT.

te doen. God alles, het schepsel niets ! Hierom kwam ook de Dordrechter Synode 1618 en 19 zoo ijverig voor de prae-destinatie op, om Gode alleen de eere te geven en de leer der genade zuiver te bewaren, tegenover de Remonstranten die iets in het schepsel stelden en \'s menschen wil en werk verheerlijkten. Op dat verband tusschen verkiezing en genade wijst ook Paulus Rom. 9: 11, waar hij spreekt van het voornemen Gods dat naar de verkiezing is en betuigt: niet uit de werken maar uit den roepende. En Rom. 11 : 6, 7 waar hij genade en werk tegen elkander stelt en zegt, dat Israël hetgeen het met zijn werk zocht niet hee/t verkregen, maar de uitverkorenen hebben het verkregen en de anderen zijn verhard geworden.

2. De leer der verkiezing verspreidt licht over de wegen der menschheid. Dat het ééne volk het Woord der zaligheid heeft, het andere niet, dat onder die het hebben de één bekeerd en geloovig wordt en zijn naaste niet, de oplossing hiervan vinden wij eeniglijk in hetgeen de Schrift van de Goddelijke voorbestemming leert: God doet het, \'t is naar zijn plan. En al de verschillende lotsbedeelingen zijn bepalingen van zijnen wil. Daar ligt de knoop, van waar al de draden uitgaan, langs welke volken en personen zich bewegen, daar het vaste punt van eenheid en orde voor alle gebeurtenissen. — Inzonderheid staaft deze waarheid Gods macht en regeering hij de schijnbaar onoverwinnelijkheid der iveerspannigen. Waar de mensch zich tegen God aankant en zijnen eigen wil doorzet, daar leert en betuigt ons de waarheid der Goddelijke voorverordineering., dat dit niet geschiedt omdat God het niet kon voorkomen of dat het buiten zyn bestuur gebeurt. Want de Schrift zegt tot Pharao: tot ditzelve heb Ik u verwekt, opdat Ik in u mijne kracht

628

-ocr page 657-

§ 21. BELANG EN NUT.

bewijzen zoude en opdat mijn naam verkondigd worde op de gansche aarde, Rom. 9 : 17.

§ 21. Belang en nut. Vervolg en slot.

De Verkiezing is dan geene onvruchtbare leer. Zij heeft een uitnemend practisch nut.

Immers 3. Zij dient tot onze vernedering voor God, als van wien wij geheel afhangen en aan wien wij alles verschuldigd zijn. Men kan de hoogheid en het recht Gods over alle schepsel nooit in waarheid erkennen en eerbiedigen, wanneer men de Praedestinatie loochent. Door haar wordt den mensch alles uit de handen genomen en God ontvangt de eere. Hier is het: niet uit ons, maar alleen door zijn vrijmachtig welbehagen! uitverkoren boven zoovele duizenden, die Hij voorbijging; uitverkoren schoon niet beter, niet waardiger dan de anderen, gevallene, verdorvene, strafwaardige zondaren, ja vijanden gelijk die anderen, ja minder, nietiger danzoovelen! „Want gij ziet uwe roeping, broeders, dat gij niet vele wijzen zijt naar het vleesch, niet vele machtigen, niet vele edelen. Maar het dwaze der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij de wijzen beschamen zoude en het zwakke der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij het sterke zoude beschamen. En het onedele der wereld en bet verachte heeft God uitverkoren en hetgeen niets is, opdat Hij hetgeen iets is te niet zoude maken. Opdat geen vleesch zoude roemen voor Hem.quot; 1 Kor. 1 : 26—29. De uitverkorene is nederig, ootmoedig. Hij weet, dat hij door zich zeiven nooit tot bekeering en tot geloof in Christus zou zijn gekomen of daarin zou kannen blijven. Het is hem gegeven. „Want wie onderscheidt u ? en wat

629

-ocr page 658-

630 § 21. BELANG EN NUT. VERVOLG EN SLOT.

hebt gij dat gij niet hebt ontvangen ? en zoo gij het ook ontvangen hebt, wat roemt gij als of gij het niet ontvangen hadt ?quot; 1 Kor. 4:7.

4, De verkiezing is niet voor het ongeloof, maar voor het geloof. Zij is de troost der geloovigen bij verzoeking en gevaar, hunne sterkte onder aanvechtingen; de grond waarop zij vast en onbeweeglijk staan tegen alle vijandsmacht; balsem op hunne wonden; hun vrede onder kruis en lijden, steunsel bij hunne gebeden, zekerheid van hunne overwinning. Dat stelt Paulus treffend voor in die heerlijke geloofstaal Rom. 8: 28—31, waar uitgesproken is hoe de geloovige de zoete vrucht van zijne verkiezing smaakt. Wij weten dat dengenen, die God lief heiben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk dengenen die naar zijn voornemen geroepen zijn. Maar ook hun alleen, die God liefhebben, dient alles ter zaligheid en wederom zij alleen hebben God lief, die door Hem geroepen zijn, geroepen niet nadat en omdat zij God liefhebben, maar opdat zij Hem zouden liefhebben. De mensch begint dan eerst God lief te hebben, wanneer God met zijne vrijwillige liefde hem voorkomt. De rekening tusschen God en mensch staat dusdanig, dat God de Gever is en de mensch in alles schuldenaar blijft. Alle eigene bijdrage van den mensch wordt hier uitgesloten door de verzekering, dat het voornemen Gods de eerste grond is van alle heil. En in dat voornemen, in dat eeuwige raadsbesluit Gods, zijn de verdrukkingen mede bestemd, namelijk om de geloovigen aan Christus gelijkvormig xe maken; zoodat dienvolgens onze zaligheid met het verdragen van het kruis in een noodzakelijk verband staat. Want die Hij te voren gekend heeft, niet met eene naakte voorkennis, maar gekend in liefde, gekend als zijne kinderen omdat Hij ze

-ocr page 659-

§ 21. BELANG EN NUT. VEIIVOLG EN SLOT. 631

daartoe heeft uitverkoren, die hee/t Hij ook te voren verordineerd, den heelde zijns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat Hij de eerstgeborene zij onder vele broederen. Niets anders bedoelen de verdrukkingen der geloovigen, dan om hen met Christus gelijk te maken, in lijden en in heerlijkheid. Zij worden nu met Hem gekruisigd, om daarna met Hem verheerlijkt te worden. En die Hij te voren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen, gelijk Hij spreekt Jer. 31 :3: „Ik heb u liefgehad met eene eeuwige liefde, daarom heb ik u getrokken met goedertierenheidquot;, en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd en die Hij gerechtvaardigd hee/t, dezen heeft Hij ook verheerlijkt. Dit alles is zoo zeker als ware het reeds volbracht. Dit is als een koperen muur tegen alle aanvallen van den vijand. Wat zullen wij dan tot deze dingen zeggen ? Zoo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn ? Niet dat wij het hier op aarde ooit zoo zullen hebben, dal er niets tegen ons is. Tegenstand en tegenheid altijd volop. Maar wij overwinnen, met God, die zijn volk beschermt en wiens arm niet verkort is en die spreekt; „mijn raad zal bestaan en ik zal al mijn welbehagen doenquot; (Jez. 46: 10.) Om dus den moed der geloovigen onder hun lijden en strijden op te beuren, worden zij niet op hun eigene, zwakke krachten gewezen, maar hun wordt de onwrikbaar vaste grond van vertrouwen getoond in het eeuwige raadsbesluit der Goddelijke liefde van hunne zaligheid , en in hetgene de getrouwe God dientengevolge in Christus voor hen gedaan en bereid heeft. Dat beide drukt de geloofstaal der Schrift uit in dit ééne: uitverkoren in Christus vóór de grondlegging der wereld (Ef. 1 : 4). Hier mag de geloovige sluiten : heeft God aan mij gedacht en zich om mij bekommerd, toen er nog geen

-ocr page 660-

632 § 21, BELANG EN NUT. VERVOLG EN SLOT.

stofje van mij en mijne voorouderen was, zou Hij nu dan voor mij niet zorgen, nadat Hij mij ziel en lichaam gegeven en Christus zijn bloed voor mij vergoten heeft en bij God voor mij en al de zijnen opkomt? Het Goddelijke raadsbesluit moet vervuld worden, niets kan de volvoering van het onveranderlijke voornemen Gods stuiten, geen Satan, geen vleesch, geene wereld. De zwarigheden dezes levens kunnen de zaligheid der geloovigen zóómin verhinderen , dat zij integendeel middelen zijn tot hare bevordering. „Want ik ben verzekerd, dat noch dood noch leven , noch Engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige , noch toekomende dingen. Noch hoogte, noch diepte, noch eenig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus onzen Heere.quot; Rom. 8 : 38, 39.

-ocr page 661-

ZESDE HOOEDSTUK.

SCHEPPING.

Satis est Christiano, rerum croatarum caussam, sivc coelestium sivo terrestrium sivo visibilium sivo invisibilium non nisi bouitatom credere creatoris, qui est Deus amis et vonis nullamquo esse naturam , quae nou aut ipso sit ant ab ipso; eique esso triuitatem , pati-em scilicet et filium apatre genitum et spiritnm sanctum ab eodein patro [et filio] jn\'ocedontom, sed unum eumdemque spiritum patris et filii.

Ab hac summe et aequaliter et immutabiliter bono tri-nitate creata sunt omnia , et nee summe uoc aequaliter nee immutabiliter bona , sed tarnen bona etiam singula ; simul vero universa valde bona, quia ex omnibus consistit univorsitatis admirabilis pulchritudo. Amjimtin, Enchirid. ad Laur. c. IX. X.

§ 1. Gods Werken.

1. Al wat God bij zich zeiven besloten heeft, brengt Hij ook ten uitvoer. Hij kan het en Hij ivil het. a. Hij kan het wegens zijne almacht. Niets is in staat, de volvoering van zijne voornemens te stuiten, b. Hij wil het wegens zijne onveranderlijkheid \'). Hij kan nimmer besluiten, zijn besluit niet uit te voeren. Onveranderlijk in zijn Wezen, dus ook in zijn Verstand en zijnen Wil kan Hij tot in alle eeuwigheid niets anders willen dan wat Hij van eeuwigheid heeft gewild en Hi] zal niets onuitgevoerd laten van hetgeen Hij heeft beraamd , gelijk Hij zelf verklaart Jez. 46 : 10 : „Mijn raad zal bestaan en Ik zal al mijn welbehagen doen.quot;

2. Hij doet het door zijne werken in den tijd. Niet ongepast pleegt men deze te noemen uitwendige werkingen

\') Zio Vijfde Hoofdstuk § 5. bl. 549 v.v.

-ocr page 662-

§ 1. GODS WEKKEN.

634

Gods of werkingen naar huiten, in onderscheiding van de inwendige of werkingen naar binnen \'). De werkingen Gods naar huiten zijn die, door welke iets buiten God wordt voortgebracht, of, nauwkeuriger gezegd, iets dat niet God, dat van God onderscheiden is, want huiten God is eigenlijk niets, Hand. 17 : 28. Haar voorwerp is dus de wereld metal wat in haar gebeurt. De werkingen naar hinnen zijn die, door welke niets buiten God wordt voortgebracht, niets wat van God onderscheiden is. Haar voorwerp is God zelf. Deze inblijvende werkingen zijn personeele werkingen, waardoor de drie Personen zich van elkander onderscheiden, namelijk de eeuwige generatie des Zoons door den Vader en het uitgaan des Heiligen Geestes als adem van den Vader en den Zoon, of dat de Vader den Zoon uit zich, en de Vader en de Zoon den Heiligen Geest uit en in hen beiden, als Persoon, als een zelfbewust en willend Ik doen bestaan; waartoe mede behooren de daaruit vloeiende en daaraan beantwoordende werkingen van den eenen Persoon op den anderen. Bij de persoonlijke werkingen Gods naar binnen zijn Hem ook wezenlijke inblijvende werkingen eigen. Immers Verstand en Wil behooren tot zijn Wezen. Voor zooverre nu Hij zelf het voorwerp is van zijn Verstand en Wil en zijn denken of bewustzijn en zijn willen op Henizelven is gericht, zijn ook deze wezenlijke werkingen inblijvend, werkingen naar binnen. Stellen wij ons echter voor dat zijn Verstand en Wil bepaald zijn op hetgeen buiten Hem wezen of gebeuren zal, dan rijst voor ons het denkbeeld van zijne

\') P. Van Mastricht, Godgoleerdh. I. p. 667. Camp. Vitringa, Doctrina Ghristl. roligiouis cur. Martiuo Vitringa. II. p. 13. Twesten , Voricsuugou II. 1. S. 63. 235. Jlase, Huttor. rediv. § 71.

-ocr page 663-

§ 1. GODS WERKEN.

hesluiten op. De besluiten Gods zijn dan ook inwendige, eeuwige werkingen, doch zij zien en strekken als het ware naar buiten. Zij hebben de wereld ten voorwerp. Doch zij veroorzaken de wereld niet; zij brengen niets voort. Maar zij openharen zich in de uitwendige of naar buiten gaande, tijdelijke werkingen Gods. Deze zijn de uitvoering van de eerste. — Uit dit alles blijkt al aanstonds hoe ongegrond het is, wanneer men denkt, dat God, eer Hij de wereld schiep, in eenen staat van werkeloosheid, van beweginglooze, doodelijke stilte zou hebben verkeerd. Neen, de driepersoon-l^ke, de bewuste, denkende en willende God, die het volmaaktste leven is, is van eeuwigheid als het ware vol werks geweest in zich zeiven. — Ook volgt hieruit, dat zijne werkingen naar buiten voor Hemzelven niets nieuws aanbrengen en bij Hem geene verandering veroorzaken noch eenigen wissel van wil uf toestand veronderalellen.

§ 2. Gods Werken. Vervolg.

Al de uitwendige, naar buiten gaande, tijdelijke werken Gods laten zich in twee groote soorlen onderscheiden. Het zijn oi\' werken in de natuur ot werken van gmade.

De natuurwerken Gods bevatten alle schepselen en gebeurtenissen. Het zijn die daden of werkingen Gods, waardoor Hij de wereld en al het natuurlijke leven in haar veroorzaakt, al de bij Hem beslotene wezens en zaken doet ontstaan en bestaan en alle omstandigheden naar zijn eeuwig plan beschikt.

De genadewerken Gods hebben betrekking tot het van God afgevallen menschdom. Zij behelzen alles wat God uit ge-

635

-ocr page 664-

§ 2. GODS WERKEN.

nade gedaan heeft en doet tot zaligmaking van zondaren, ter verwerving en toepassing van de zaligheid aan de uitverkorenen : des Vaders belofte en zending van zijnen Zoon ; de komst des Zoons in de wereld en zijne volbrenging van de verlossing ; het werk des Heiligen Geestes in de harten der uitverkorenen: bekeering en geloof, herschepping en heiligmaking, dus verwekking en volmaking van alle geestelijk leven.

Dies onderscheiden zich de natuurwerken Gods van zijne genadewerken in omvang, aard en doel. In omvang. De werkingen Gods in de natuur hebben grooter uitgebreidheid , haar voorwerp is het ontzaglijke heelal; binnen dezen grooten kring is de kleinere werkkring der genade, rakende alleen één deel der schepselen, de menschen. In wijze. De natuurwerken zijn werken des Goddelijken Wezens; in de genadewerken treden de drie Goddelijke Personen op. In doel. De werken der natuur strekken tot verheerlijking van God in het gemeen, tot openbaring van al zijne wezenlijke eigenschappen; de werken der genade tot betooning van zijne ontferming over ellendige zondaren, tot uitvoering van zijnen genadoraad in de zaligmaking der uitverkorenen. Hiertoe zijn ook zijne werkingen in de natuur dienstbaar.

63G

Beide werkingen, in natuur en in genade, betuigen en staven samen de volstrekte afhankelijkheid aller dingen en wezens van God en zijne absolute souvereiniteit.

§ 3. Gods Werken, vervolg.

Wij handelen hier van de werken Gods in de natuur. Deze behooren aan het Goddelijke Wezen toe, in onderschei-

-ocr page 665-

§ 3. GODS WERKEN.

ding van die werken, die aan ieder der drie Goddelijke Personen afzonderlijk eigen zijn.

De natuurwerken van het Goddelijke Wezen zijn twee: schepping en voorzienigheid gt;); niet meer, niet minder.

De schepping is die werking Gods, waardoor het schepsel voortgebracht wordt. De voorzienigheid bevat ai die werkingen Gods , waardoor het voortgebrachte schepsel onderhouden, verzorgd, gaande gemaakt en in geheel zijnen loop bestuurd wordt.

De schepping ziet op den aanvang en het ontstaan der dingen. De voorzienigheid raakt het bestaan , de voortduring en al de veranderingen, die het geschapene onder de werking Gods voorbrengt en ondergaat.

Hierin zijn al de werkingen Gods naar buiten volledig begrepen. Want bij al wat is komt tweeërlei in aanmerking : worden en zijn. Het eerste, het ivorden is door de schepping, het tweede, het zijn en blijven van het gewor-dene met al wat er aan en door geschiedt is het werk der voorzienigheid, die zich als onderhouding, medewerking en regeering kennen doet.

637

Maar beide , schepping en voorzienigheid, moeten ook samengevoegd worden, om de geheele afhankelijkheid der wereld van God zuiver uit te drukken; beide, onderscheiden maar noodzakelijk aan elkander gepaard, hebben gelijk gewicht voor het geloof. Want de heilige Schrift legt op beide gelijken nadruk. Dies mag men niet zeggen , wat sommigen gezegd hebben, dat de onderhouding en de schepping één zijn voor de wetenschap; dit is niet de wetenschap der heilige Schrift. Veelmin, dat er in de geloofsleer een

1) P. Van Mastrichl, Godgel. I. p. 757.

-ocr page 666-

§ 3. GODS WERKEN.

bijzonder leerstuk over de schepping onnoodig zou zijn en dat het godsdienstig gevoel zijne eigenlijke en volledige uitdrukking reeds zou vinden in de bekentenis , „dat de geheelheid van het „eindige zijnquot; alleenlijk in de afhankelijkheid van God bestaat\');quot; maar niet het godsdienstig gevoel, integendeel de heilige Schrift moet beslissen en deze spreekt afzonderlijk en nadrukkelijk van de schepping. En hierdoor wordt alles tot God gebracht, uit wien en door wien alle dingen zijn , hierdoor ten sterkste betuigd, dat de wereld in alle opzichten van God afhangt. God is haar Schepper, Hij heeft haar het aanwezen gegeven. Zij zou niet volstrekt afhankelijk zijn, wanneer zij het niet ook ten opzichte van haren oorsprong ware. En het geschapene bestaat en werkt doordat God het onderhoudt en medewerkt, en vervult zijne bestemming doordat Hij het regeert. En zoo werkt Hij voort ook in zijne ruste na de schepping. „Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werke ookquot; , sprak de Zoon, Joh. 5 : 17.

§ 4. Gods eerste werk.

Het eerste werk Gods naar buiten tot uitvoering van zijne besluiten is geweest de schepping van hemel en aarde. Gen. 1:1: „In den beginne schiep God den hemel en de aarde quot; Dit is de verhevene aanhef van het geschrevene Woord Gods»),

\') Schleienmcher, der chr. Glaubo. 3te Ausg. I. S. 182. Daartegen Twesten, Vorles. II. 1. S. 65.

2) Was als unausgesprochenes und für den Griechen unaus-sprechliches Resulted einer mehr als zwcitausendjnhrigen Dctik-arbeit der Menschheit errungen , ahcr nicht erkaknt ist; was der höchste Gulminationspunkt ist, his zu welchem heidnisches

G38

-ocr page 667-

§ 4. gods eerste werk.

eene waarheid waarop geheel de godsdienst is gebouwd en waarvan wij den weerklank hooren Joh. 1 :1 : „In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God.quot;

Dat hegin is het begin van alle dingen en van den tijd zeiven. In den loop der tijden is één punt het eerste geweest , waar hemel en aarde, dat wil zeggen ; alles wat er buiten God is en dus ook de tijd en ruimte zelf begonnen.

De hemel is daar niet alleen ons zonnestelsel. De uitdrukking hemel en aarde beteekent in de Schrift altoos de gansche wereld, het heelal. De Schrift zegt nergens dat God behalve den hemel en de aarde en hetgeen in beide is, nog iets anders heeft geschapen, hetwelk zij, indien dit zoo ware, niet onvermeld kon laten, daar de eere Gods dit vorderde\').

Velen nemen aan, dat tusschen Gen. 1:1; „Indenhe-ginne schiep God den hemel en de aardequot; en v. 3 : „En God zeide : daar zij licht! en daar werd lichtquot; een lange tijd ver-loopen zou zijn, als of v. 1 van eene schepping vóór die

Denken sich er/iebt, mü welchem es seine gawaltige Arbeit resigni-rend und schiveigend heschlieszt — damit beginnï Jahrtausende früher ein anderes Volk, ivelches nicht eingetreten ist in diese weltgeschkhtliche Arbeit und Entwickelung, welches abgeschieden blieb von allen den Gedanken und Ideen, die von Stuf a zu Stufe die Erkenntnisz weiter drangten; — der Gedanke, vou dem die heidnische Geistesarbeit schlieszt, — ist ausoespkochen am An/ange des Geisteslebens eines anderen Volkes , welches am diesem Gedanken noch nicht gearbeilet hatte, — der Gedanke, für den das Heidenthum hein Wort hat, — ist das erste Wort der Genesis; »Am An fang schuf Gott Hirnmel und Er de.quot; A. Wuttke, Uobor die Cosmog. der heidn. Völker. S. 99 f.

\') M. F. Roos, Einleit. I. S. 2.

G39

-ocr page 668-

§ 4. GODS EERSTE WERK.

in zes dagen (v. 3 v. v.) zou gezegd zijn. Van zulk eene schepping lang vóór de zesdaagsche weet de Schrift niet en Ex. 20: 11 : „in zes dagen heeft de Heere den hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin isquot; strijdt er bepaald tegen.

Veelmin zegt Gen. 1 : 2 wat sommigen er in leggen : de aarde werd woest en ledig, in dezen zin, dat de aarde reeds vroeger zou zijn bewoond geweest en er eene omkeering had plaats gehad, waardoor zij was verwoest en ledig (/e-worden\'). Maar op grond van de aangehaalde woorden Ex. 20: 11 en Gen. 2:1: „ Alzoo zijn volbracht de hemel en de aarde en al hun heirquot; moet men Gen. 1 : 1 met het daarop volgende verhaal van het zesdaagsche werk nauw verbinden, in dezen zin : Als in den beginne God den hemel en de aarde schiep1), toen was de aarde eerst woest en

640

1

) Summarischa Bezeichnung der ganzen Schopfung. Twestm, Yorles. II. 1. S. 7S. Evnnzoo Calvin, Commentar. in Genos. 1:1: Eenvoudig wil Mo zes dit: dat de wereld niet aanstonds van den beginne zoo sierlijk bewerkt is geweest, als zij heden gezien wordt, maar dat er een ledige chaos van hemel en aarde is geschapen geweest. Itaque sic resolvi posset oratio: Quum Deus principio caelum et terram creavit, erat terra inanis et vacua.

-ocr page 669-

§ 5. SCHEPPEN.

ledig. Dan wordt beschreven de voortbrenging, vorming en plaatsing van al wat tot de aarde betrekking heeft.

§ 5. Scheppen.

Schoon de werkingen Gods in zich zelve voor ons onbegrijpelijk zijn, moeten wij toch met de woorden, waardoor wij ze te kennen geven, een bepaald begrip verbinden, moeten wij weten wat wij met de Kerk daardoor willen uitdrukken.

Wat bedoelen wij dan, wanneer wij van het Goddelijke Scheppen spreken ? Scheppen wil zeggen : iets , wat niet was, voortbrengen zonder middel en werktuig door een enkelen alvermogenden wil.

Scheppen is dan het doen ontstaan van eene nieuwe\') zaak , van welke tot op dien oogenblik niets bestond, het is het in aanwezen doen komen van hetgeen niet was. Het is niet de bewerking van den overgang van éénen toestand in eenen anderen , want wat overgaat is reeds en met het geschapen-zijn begint eerst een toestand. Het is een doen verschijnen van niet-zijn tot zijn. Alle zelfwerkzaamheid is hierbij ten eenenmale uitgesloten.

Het is een voortbrengen zonder middel en werktuig. Zoo min als het is een doen ontstaan uit iets anders, evenmin door iets anders. Geboorten en formeeringen in het eindige geschieden middellijk en door werktuigen; scheppen is eene onmiddelyke daad en laat geen werktuig toe. Want een werktuig veronderstelt en vereischt vooraf al iets, waarop

\') Dit is de eigenaardige beteekenis van hot hebr. in

T T

Kal. Zie Gesemus, Hebr. Handworterb. Acble Aufl. s. v. Dr. G. F. Oehler, Theol. des Alten Test. I. S. 178.

Gravomoijcr, Gerof. Gel. leer. 41

(J41

-ocr page 670-

§ 5. SCHEPPEN.

het kan werken en zou door het werktuig zelf iets wat niet was voortgebracht worden, zoo moest het zelf scheppende kracht bezitten en dan ware het geen werktuig.

Scheppen in den eigenlijken en vollen zin des woords is dan een voortbrengen door een enkelen aloermogenden wil. a. Het is dus geen werk van inspanning, vermoeiing en langen duur; het is een enkel willen dat er iets zij en het is er, het is een daad van een oogenblik. h. Het geschiedt dan ook niet door eene zoodanig van God uitgaande scheppende kracht, die van God onderscheiden zou zijn. Immers dit kon geen eindige noch oneindige kracht zijn. Niet eindig, want om te scheppen, om dus den grootsten tusschenstand , die er wezen kan, namelijk tusschen niet-zijn en zijn, tusschen niets en iets te doen ophouden, daartoe wordt oneindige macht vereischt. Niet oneindig, want dat ware God buiten God. Dus niet door eene van God zich afzonderende kracht geschiedt het scheppen; öit zou strijden tegen de eenvoudigheid en onveranderlijkheid Gods: maar God zelf schept, het is het werk van het Goddelijk Wezen. c. Eindelijk moeten wij het scheppen Gods ons ook niet voorstellen als een uitvloeien of uitstralen uit het Goddelijk Wezen , zoodat de wereld iets ware dat uit God zou voortgevloeid, dat door emanatie (uitvloeiing) uit God voortgekomen, dat in Gods Wezen van eeuwigheid voorhanden , van God zou uitgestroomd zijn i). Het scheppen Gods is een enkel krachtdadig willen dat

\') Zio hiertegen Prof. J. I. Boedes, Do Leer van God. BI. 158 v. Ook de uitdrukking £? flu tx ttiXvtx , uil wien alle dingen zijn 1 Kor. 8: 6 geeft goene emanatie maar absolute oorzakelijkheid te kennen. Nitzsah, System. 5to Aufl. S. 195. Vm Oosterzee, Dogmat I. p. 422.

642

-ocr page 671-

§ 5. SCHEPPEN.

er iets zij, een willen , hetwelk zich uit als een spreken, roepen , bevelen , naar de eigene , levendige voorstelling der heilige Schrift. „ Hij spreekt en het is er ; Hij gebiedt en het staat erPs. 33 : 9. „ Hij roept de dingen die niet zijn, als of zij tv ar en Rorn. 4: 17.

Scheppen is dan ook alleen Gods werk •). God alleen en niemand anders heeft geschapen. De Engelen zijn geen medescheppers geweest, gelijk de oude Gnostieken en vele Joodsche leeraren voorstelden. Ook kan de scheppende kracht aan niemand medegedeeld worden, hetwelk Roomsch-gezinden wel willen beweren, om eenen grond te hebben voor hunne transsubstantiatie, waarbij „de mispaap zou worden de schepper van zijnen Schepperquot; en hetwelk ook bestrijders van de Drieëenheid hebben voorgewend , ten einde vol te houden , dat uit de Goddelijke werken des Zoons en des Heiligen Geestes hunne waarachtige Godheid niet zou blijken1).

De schepping is een groot geheim, eene diepe verborgenheid, een wonder. Nooit kunnen wij begrijpen, hoe God de oorzaak zijn kan van wezens en dingen die niet God zelf zijn, die uit en in Hem hunnen oorsprong en geheel den grond van hun bestaan hebben en toch van Hem onderscheiden zijn. God is groot en wij begrijpen het niet.

643

§ 6. Schepping der wereld.

Is in het voorgaande van scheppen in het algemeen gesproken, wij vragen nu, wat het dan zegt dat God

1

) P. Van Mastrichl, Godgol. I. p. 769. v.

-ocr page 672-

§ 6. SCHEPPING DER WERELD.

de wereld heeft geschapen. Wij wagen hiermede niet de zaak zelve te verklaren, dit kan geen schepsel en dit is voor ons ook niet noodig : maar het hegrip dat wij daarmede verbinden en daardoor uitdrukken, dienen wij te bepalen. En dan zal het meest overeenkomstig de waarheid zijn, wanneer wij zeggen : de schepping der wereld is die daad van den almachtigen wil Gods, waardoor de wereld naar stof en vorm begonnen heeft te zijn.

Om ons bewust te kunnen zijn, dat wij met recht en naar waarheid God als Schepper belijden, moeten wy inzonderheid twee punten in het oog houden, namelijk ten eerste dat het voorwerp der schepping is de wereld en ten tweede dat door de schepping een eerst hegin wordt aangeduid.

Is scheppen „overbrengen van absoluut niet tot iets, van absoluut onhebbelijk tot zulken vormquot;\'), in dezen zin mogen wij van de wereld zeggen: zij is door God geschapen. Namelijk de wereld als een geheel beschouwd, het heelal, het Al der dingen die niet God zijn, al het bestaande te zaam, hoe ontelbare verscheidenheden van stoffen en vormen het ook bevat en hoezeer binnen hetzelve het eene door middel van het andere ontstaat, alle wezens en zaken, elementen, krachten en gedaanten saamgevat als eene eenheid en geheelheid, die wij de wereld noemen, brengen wij daarmede naar Schrift en rede tot God als eerste oorzaak terug. De wereld Is niet zelve de oorzaak en grond van haar aanwezen : zij heeft met al wat in haar is haren oorsprong van God, zij is geschapen door Hem , uit wien en door wien alle dingen zijn.

644

Geschapen zijn geeft een begin te kennen. Zeggen wij:

\') Drakei, liodol. Godsd. I. p. 218.

-ocr page 673-

§ 6. SCHEPPING DER WERELD.

de wereld is geschapen, wij geven daardoor te verstaan dat zij een begin heeft gehad. En hierop moeten wij nadrukleggen. Want zoo alleen blijft de waarheid onverkort, dat het zijn der wereld volstrekt door God veroorzaakt is en van Hem afhangt, zoo alleen is hare schepping waarlijk eene schepping en zoo alleen laat zich de schepping van de onderhouding behoorlijk onderscheiden. De wereld naar stof en vorm , met al hare krachten en middeloorzaken die nu in haar werken, heeft door de almachtige wilsdaad Gods begonnen te zijn. Want ook al deze krachten en werkingen hebben haar begin en haren grond in eene oorspronkelijke , beginmakende daad des Almachtigen Gods die ze voortbracht en ordende \').

Het scheppen is eene vrije daad van God, het is een enkel willen dat er iets zij en dat het zóó zij. Het brengt dienvolgens voor God geene verandering aan. Het geschapene immers is geen deel van zijn Wezen; ook ontvangt Hij er niets door : slechts blijft Hij in betrekking tot zijn werk en verwijdert zich er niet van. De schepping is het begin en de grondslag van alle weldaden Gods, waarom ook in de heilige Schrift telkens, tot verlevendiging van het vertrouwen op God en tot zijne verheerlijking op deze eerste uitlating zijner gadelooze almacht teruggewezen wordt. Dus ook Openb. 4 : 11: „ Gij , Ifeere, zijt waardig ie ontvangen de heerlijkheid en de eere en de kracht: want gij hebt alle dingen geschapen en door uwen wil1) zijn zij en zijn zij

645

1

) Gr. to (is\'A\'/ijJM .wegenswil. A/a; met don acous. beteokent niet door (dan staat het met den genit.) ter aanduiding van bot middel, maar wegens, ter verklaring vau

-ocr page 674-

§ 6. SCHEPPING DEU WERELD.

geschapenquot;i). Dus hoorde Johannes de 24 ouderlingen, 2 maal 12, vertegenwoordigers van de Kerk des O. en N. Testaments te zaam. Hem verheerlijken, die op den troon zat, die in alle eeuwigheid leeft, als weerslag op den lofzang der schepping door de vier dieren, vertegenwoordigers der aardsche schepselen, aangeheven. Omdat het werk der schepping vóór het werk der verlossing is, hoorde Johannes ook eerst dezen lofzang op de schepping en daarna het Lied des Lams. De verloste zaligen, wetende dat alle schepselen alleen wegens Gods wil zijn, erkennen dat God hen ook had kunnen ongeschapen laten. Nu Hij hen echter uit vrije goedheid, naar het welbehagen zijns wils als redelijke schepselen geschapen en hen in Christus herschapen heeft, opdat zij Hem als hunnen Schepper en Vader erkennen en verheerlijken zouden, voe-en zij zich ook het eerst tot dank voor hun aanwezen gedrongen en prijzen met lofverheffing hunnen Maker.

§ 7. De Schepping liet werk der Drieëenheid.

De schepping komt aan al de drie Goddelijke Personen toe. Want de drie Personen zijn de ééne God. Hun wil

don grond\' Dit is uog kracbtigor dan dooi\\ Gods wil iillccn is de groud van al wat bestaat.

i) elri [faxv] kx) ènTiTÖyirxv. Dit is geen pleonasme. Ook ziet t\'/,Tniet, gelijk Bengel wilde, op de onderhouding (condita sunt, id est, maneut), maar, wijl de scheppoude werkzaamheid Gods alleen in een spreken of bevelen bestond, wordt dit: en zijn zij geschapen er bijgevoegd, om nog uitdrukkelijk bot gevolg en de dadelijke uitwerking van het willeu Gods te doen uitkomen. Evenals Gen. 1 vermeld wordt: God zeido : daar zij een uitspansel — on God maakte dat uitspansel, en het was alzoo. Vergel. Ps. 148:.5: ah Hij het beval, zoo werden zij geschapen,

646

-ocr page 675-

§ 7. DE SCHEPPING HET WERK DER DRIEEENHË1D, P47

is oen en hunne kracht is ééne. Dies zeiden onze oude Godgeleerden te recht naar den stelregel van Augustinus: alle werken Gods naar huiten zijn den drie Personen gemeen. Het zijn werken van den drieëenigen God i). Zoo nochtans, dat bij de onderscheiden werken de eene of de andere Persoon voornamelijk in aanmerking komt, wijl Hij zich daarin bijzonder openbaart. Dienvolgens wordt aan iedereen der Goddelijke Personen een werk bij uitnemendheid toegeëigend van wege de bijzondere betrekking die Hij tot dat werk heeft: den Vader het werk der schepping en voorzienigheid, den Zoon het werk der verlossing, den Heiligen Geest het werk der heiligmaking.

Dus is het reeds uitgedrukt in de Xll Geloofsartikelen en daarmede ook in de Gereformeerde kerkleer opgenomen. Heidelb. Catech. vr. 24.

En er is grond voor deze verdeeling. Immers de Goddelijke natuurwerken, schepping en voorzienigheid, konden op zich

\') Dr. J. I. Doedes, Do Nederl. Geloofsbelijdenis ou de Heidelb. Catechismus I. Utrecht 1880 p. 112 verzekert: Door den geheelen Bijbel heen is »Godquot; niemand anders dan de Schepper, de Vader onzes Heeren Jezus Christus, en niot de Drieëenige God. Maar reeds Geu. 1: 1 in verband met Gen. 1: 26 getuigt daartegen , en zie Calvin. Inst. I. 13, 20 , aangehaald in hot Vierde Hoofdstuk van dit Leesboek p. 432. Dat iutusschen iu de H. S. do naam God doorgaans aan den Vader wordt gegeven, heeft zijn reden in de Goddelijke huishouding. Zie hot Vierde Hoofdstuk van dit Leesboek p. 483 v.

Dezelfde hoogleeraar beweert, dat do schepping aller dingen niet is hot werk van den Drieëenigen God, maar alleen van God den Vader, zoowel volgens de Nedorl. Belijdenis des geloofs en den Heidelb. Cateuh. , a. w. p. 95 als volgens de Schriften des O. en des N. V., ib. p. 121. En in het Hde Deel, Utrecht 1881, p. 137 v. meent hij dat men heel geen aanwijzing no a dig

-ocr page 676-

648 § 7. DE SCHEPPING HET WERK DER DRIEËENHEID.

zeiven zonder nadere openbaring ons er niet toe brengen, om in het ééne Goddelyke Wezen drie Personen te onderscheiden, Uit het werk der verlossing wordt de Zoon, uit het werk der heiligmaking de Heilige Geest gekend , namelijk bij het licht van Gods Woord. En hiernaar wordt met reden de schepping met de voorzienigheid aan den Vader toegeschreven. Niet ten aanzien van de scheppende kracht: want deze behoort tot het Goddelijke Wezen en de drie Personen zijn één Wezen. Maar ten opzichte van de orde: naar deze komt de eerste werking omtrent de schepselen , en dat is hunne schepping, aan den eersten Persoon toe. Dit onderscheid in de orde en wijze van het werken der drie Personen komt overeen met het onderscheid in de orde en wijze van hun bestaan. Schepping, verlossing en heiligmaking zijn een eerste en een tweede en een derde werk. De Vader nu bestaat als Vader van zich zeiven en is uit dien hoofde

heeft ovi te zien, dat de Heidelh. Catech,, even als de Nederl. Geloofsbelijdenis, de schepping van alles niet aan de Drieëenheid toeschrijft, maar aan God, den Vader onzes Heer en Jezus Christus , geheel in overeenstemming met de Heilige Schriften, waarin eene schepping van alles uit niets door de Drieëenheid ten eenen-male onbekend is. Maar de Nederl. Geloofsbelijdenis Artik. IX erkent in dien God, die Gon. 1 : 26 zegt: laat ons menschen maken, de Heilige Driovuldigboid (Drieüeuheid). En in denzelfden zin zegt do Heid. Catechismus in het Antw. op de Ode vraag : God heeft den mensch geschapen. En dat en hoe iu de II. Schrift het scheppingswerk mede aan den Zoon en den H. Geest wordt toegekend, is aangetoond in hot Vierde Hoofdstuk van dit Leesboek p. 510 v.v. Tegen Doedes\' beweren is opgekomen de Hoogleeraar Dr. A. Kuyper in do Heraut 1881 , 1882. No. 209. v.v., wiens belangrijke artikelen mede opgenomen zijn in Ex. ungue Leonem ofte Dr. Doede.s\' Methode enz. door Dr. A. Knijper, Amsterd. 1882

-ocr page 677-

§ 7. DE SCHEPPING HET WERK DER DRIEËENHEID. 649

de eerste Persoon: daarom moeten wij hel eerste werk naar buiten ook bij uitnemendheid Hem toeëigenen. De Zoon is van den Vader, dus is Hij de tweede : Hem is dienovereenkomstig het tweede werk eigen. De Heilige Geest bestaat van den Vader en den Zoon, Hij is de derrfe; dies behoort Hem ook bij uitnemendheid het derde werk toe.

Doch geen één Goddelijk werk naar buiten is er, waarvan men den eenen of anderen der drie Goddelijke Personen mocht uitgesloten denken. Het werk der verlossing gaat immers niet buiten den Vader en den Heiligen Geest om ; het werk der vernieuwing en heiligmaking niet buiten den Vader en den Zoon. En zoo hebben ook de Zoon en de Heilige Geest deel aan het werk der schepping. Het is de Vader, uit wien, de Zoon door wien en de Heilige Geest in wien alle dingen zijn, beide de natuur en het genaderijk, het natuurlijke en het goeslelijke leven i). Dus spreekt Paulus 1 Kor. 8:6: — „hoewel daar ook zijn die goden genaamd worden — nochtans hebben wij maar éénen God, den Vader, uit welken alle dingen zijn en wij tot Hem en maar éénen Heere , Jezus Christus, door welken alle dingen zijn en wy door Hems). En Ef. 2 : 18 : „door Hem hebben wij beiden (Joden en Heidenen) toegang door (eigenlijk in) éénen Geest tot den Vader.quot;

Van den Zoon, het zelfstandige Woord, zegt Joh. 1:3: „alle dingen zijn door hetzelve gemaakt en zonder hetzelve is geen ding gemaakt dat gemaakt is.quot; En wederom zegt Paulus Ef. 3 : 9 dat God alle dingen geschapen heeft door Jezus Christus. Van de werking des Geestes bij de schep-

\') Zie Vierde Hoofdstuk § 33.

a) \'£§ oy — §/\' OJ. Efez. 2: 18: b sv) Trvev/txTi.

-ocr page 678-

G50 § 7. DE SCHEPPING HET WERK DEK DRIEËENIIEID.

ping wordt aanstonds Gen. 1: 2 betuigd: „de Geest Gods zweefde op de wateren.quot; En Job 26: 13: „door zijnen Geest i) heeft Hij de hemelen versierd.quot;

Drie worden genoemd Ps. 33 : G : „door het Woord des Heeren zijn de hemelen gemaakt en door den Geest zijns monds al hun heir.quot; Het Woord, de Heere en de Geest2).

De schepping is dan het werk van het drieëenig Goddelijk Wezen, waarbij wij echter, gelijk de oude Godgeleerden te recht herinnerd hebben, de drie Personen niet mogen aanmerken als nevengeschikte of bondgenootschappelijke oorzaken, die het werk onder elkander verdeeld zouden hebben. Want het is het werk des Wezens, het Wezen ecliter is één. Nog minder mogen wij den Zoon en den Heiligen Geest, om reden dat den Vader de schepping wordt toegeschreven, als; ondergeschikte oorzaken beschouwen. Maar het onderscheid raakt de orde van werken, die overeenkomt met de wijze van bestaan en met de betrekking der drie Personen tot elkander, dusdanig, dal de Vader, als werkende van zich zeiven, het werk begint, de Zoon, werkende van den Vader door den Heiligen Geest, het achtervolgt; en de Heilige Geest, werkende van den Vader en den Zoon, het voltrekt. Dienvolgens heeft men, wel wat oneigenlijk maar toch niet zonder waarheid, den Vader de eerste bewegende oorzaak van de schepping genoemd, den Zoon de makende oorzaak, den Heiligen Geest de volmakende oorzaak»).

\') im-D Luthor ; Am Hirnrnel wird es schön durch seinen

Wind. Audero Duitscheu vertalen : durch seinen Odcm. Doch De Wette; durch seinen Geist. Hot bijgevoegde zijn beslist. Gesen. Handwörterb. 8te Aufl. S. 779.

\'2) Zie biervau hot Vierde Hoofdstuk § 4 bl. 426 v.

:l) Aldus sommige Kerkvaders: de Vader causa ereatiouis

-ocr page 679-

§ 8. DE WERELD NIET VAN EEUWIGHEID. G51

§ 8. De wereld niet van eeuwigheid.

De wereld heeft niet van eeuwigheid bestaan. Zij heeft in den meest strikten zin een begin gehad. Vóór dat begin is er van deze wereld niets voorhanden geweest. Dit heeft de rechtzinnige kerk altoos vastgehouden tegenover de stelling bij Heidensche wijsgeeren en Christelijke ketters van eene eeuwiye stoffe, die niet door God maar nevens Hem, onafhankelijk van Hem, zonder eenen aanvang zou hebben bestaan, in welke Hij leven verwekt, aan welke Hij eenen vorm gegeven en uit welke Hij alles gemaakt zou hebben •). Desgelijks kwam de Kerk daarmede op tegen het gevoelen van eene eeuwige schepping, door Origenes1)

1

) Origenes, loeraar in Alexandria in Egypte, dan in Cosarea in Palestina, gostorvon 254 n. C., leerde, dat wol iedere aanwezige worold oenen aanvang en een einde hooft, maar dat or eene oneindige reeks van op elkander volgende werelden moot aangonomon worden, dus dat God nooit zonder wereld is go-woest. Alzoo wol oen aanvang van iodore geschapene worold,

-ocr page 680-

652 § 8. DE WERELD NIET IN EEUWIGHEID.

en met menigerlei wijziging ook door nieuwere Godgeleerden voorgestaan.

De wereld kan niet van eeuwigheid geweest zijn. Want ware zij dat, dan zou zij oneindig in wezen zijn en of zij moest dan God zelf zgn öf er zouden twee oneindige wezens zijn gt;). Hetwelk .tegen zich zelf strijdt, want die twee oneindige wezens moesten dan öf in elkander of buiten elkander zijn en in beide gevallen zou geen der twee oneindig zijn.

Ook de eigene hoedanigheid der wereld die haar in alles kenmerkt, namelijk hare veranderlijicheid getuigt er tegen dat zij van eeuwigheid zou hebben bestaan. Dit hebben ook de ouden2) te recht opgemerkt. Immers veranderlijkheid onderstelt eenen aanvang. Er kan geen aanvangslooze verandering zijn. Iedere verandering is een eindigen van een vroeger bestaan, behoort dus in den tijd. Het veranderlijke is als zoodanig tijdelijk. Eene veranderlijke wereld vüór en buiten den tijd stellen, staat geheel in tegenspraak tegen het begrip van beide, èn van wereld èn van tijd. Is dus de wereld veranderlijk, bij gevolg tijdelijk: dan iszij niet van eeuwigheid.

maar geen aanvang van het Goddelijke schoppen. Do in Gods Wozon liggende eigenschappen , de almacht en goedheid , moeten , leerde hij, eenwig werkzaam zijn geweest. Een overgang van niet-scheppen tot scheppen is volgens hom niet te denkon zonder verandering en verandering kan bij het Wezen Gods niet zijn. Neander, Kirchongesch. (1828) I. 3. Ö. 654. Doedes, De Leer van God p. 156. Ilagenbach, Dogmengesch. S. 102. 104. Volgens hot nieuwere, monistische Theïsme is hot Heolal even als God eeuwig. God en Heelal eeuwig ééu. Zie daarvan en daartegen Doedes, Inleid, tot de Leer van God p. 92 v.v.

1) P. Van Mastricht, Godgel. I. p. 771.

\'-) Zie bij Doedes, Inleid, tot de Leer van God. p. 127,

-ocr page 681-

§ 8. DE WERELD NIET IN EEUWIGHEID.

Door eene eeuwige schepping te stellen doet men aan Gods volmaaktheid te kort, aan zijne absolute onafhankelijkheid en algenoegzaamheid. God, algenoegzaam en volzalig in zich zeiven, had de wereld voor zich niet noodig, geheel vrijwillig, uit volstrekt vrij welbehagen schiep Hij haar. Iedere miskenning of verduistering van deze waarheid is vernederend voor God. Beslist verwerpen moeten wij elke zoodanige voorstelling, naar welke God voor zich behoefte zou gehad hebben aan schepselen, als ware Hij zonder de wereld niet volmaakt, niet volzalig geweest, als hing zijne volmaaktheid van het aanwezen der wereld af. De in zich zeiven volmaakte God kon door de wereld niet volmaakter worden. Door de schepping kon Hem niets worden toegebracht. Zyn scheppen was geen ontvangen, maar geven. Hand. 17 : 25. Evenzeer moeten wij verre houden het denkbeeld als of het ten gevolge eener natuurlijke noodzakelijkheid was dat Hij schiep •). Het was een werk der hoogste wijsheid, gegrond in zijnen eigenen, door Hem zeiven alleen bepaalden wil. (Openb. 4: 11).

Hiermede is dan ook de curieuze vraag af te wijzen , waarom God niet eer schiep , waarom Hij, die van alle eeuwigheid zonderJbegin is, de wereld eerst voor eenige duizend jaren en niet veel vroeger heeft voortgebracht. Het is omdat God het dus heeft geivild. In dit willen Gods moeten wij berusten, naar Openb. 4: 11.

653

Men kon vragen: waar is God dan geweest en wat heeft Hij gedaan voordat Hij hemel en aarde schiep ? Hierop heeft men te recht geantwoord: God is in het zijne geweest,

\') Twesten, Vorlos. 11. 1. S. 87. P. Van Mastricht, Godgcl. T. p. 767. B. De Moor, Coramentar. II. § XI et XII.

-ocr page 682-

654 § 8. DE WERELD NIET IN EEUWIGHEID.

Hij is geweest in zijn Wezen. De Zoon was bij den Vader, het Woord was bij God, de Geest was in beiden. God was in zijne eigene heerlijkheid. Wat deed Hij ? Zijne werken naar binnen, zoo de personeele werkingen, als de wezenlijke, de raadsbesluiten. Hij is een levend God. Het Goddelijke leven is zelf het eigen voorwerp zijner eeuwige werkzaamheid •).

Met de schepping der wereld is eerst de tijd begonnen. De tijd is niet iets dat op zich zelf bestaat of voorwerpelijk, ook buiten onze voorstelling aan de dingen kleeft1). Het is slechts het na-elkander zijn. Het is een menschelijke, in onze zinnelijke natuur gegronde denkvorm, zonder welken wij ons geene verandering, geen geschieden kunnen voorstellen. In al wat verandert en wat geschiedt, is een vóór en een na en, midden tusschen beiden, een nu. Dies is de tijd de mate der during, der beweging; dus een verloop en daarin is één moment het eerste, dat is het begin s).

De tijd ving dienvolgens eerst aan met dat er iets werd.

1

) Over deu tijd zio hot Derde Hoofdstuk § 18 en 19 bl. 345. Augustinus, Confess, lib. XI, c. 14. ed. Neander p. 307 antwoordt op de vraag; wat is de tijd? Si nemo ox mequaevat, scio; si quaoronti explicare velim, nescio. Vergel. Pascal, Pensees. Paris 1843. Partie I. Article II. p. 65. s.s.

^ Dclitzsch, bibl. Psychol. S. 33 ; Die Zeit ist die nach gesotz-lichom Maasse iu gesetzliehen Schritton sich abwickelnde vind das in ihr lebonde Wesen wider Willen beschrtlnkendo Seins-weise , die Ewigkoit dagegen ist keine stetigo Linie, sondern ein steter dimensionsloser Punkt, ein immergleiches Centrum aliso-luten Inhalts . ein schlechthin gogenwSrtiges Nun, welches keinen Abbruch durch Vergangenheit und Zukunft erleidet. Donnoch

-ocr page 683-

§ 8. de Wereld niet in eeuwigheid.

iets was, iets geschiedde, zich bewoog en veranderde. Strikt genomen kunnen wij derhalve zelfs niet zeggen : er is eens van deze wereld niets voorhanden geweest , want dat eens duidt reeds eenen tijd aan \').

Men heeft ook gevraagd, in welk jaargetij de schepping zij begonnen , en wel bijzonder; of in de lente of in den herfst. De verstandigste Godgeleerden hebben hierbij herinnerd1), dat men ten aanzien van de geheele aarde dus niet vragen kan, wijl immers op haar al de jaargetijden , naar de verscheidene wereldstreken, tegelijk bestaan en het b. v. in de eene streek winter is, terwijl men in denzelfden tijd elders zomer heeft. Men zou derhalve de vraag zoo moeten stellen : welke jaargetij is het daar geweest, waar Adam werd geschapen ? En dan denken w\\j al eerst aan den herfst, omdat in het paradijs de boomen met vruchten beladen stonden. Of veelmeer wij moeten vragen : in welk deel van den zonneweg (ecliptica) , in welk teeken van den dierenriem (zodiak) is de zon het eerst verschenen ? En dit heeft nog niemand met zekerheid kunnen kunnen bepalen. Velen, ook beroemde

llisst sich vou einer Ewigkeit a parte ante und a parte post sprechen , inwieforn die Ewigkeit das vor dor Zeit Goweamp;ene und das die Zeit iibordauernde is. Aber nicht alsob die da-zwischen liegende Zeit ein Theil der Ewigkeit wiire. Es gehort zum Wesen der Ewigkeit, dass sie untheilbar is. Sie vvai\' nicht allein, oho die Zeit ward, und wird nicht alloin noch sein , wenn die Zeit nicht mehr ist , sondern sie ist auch das mitten im Worden der Zeit unveriinderlich Seiende.

\') Augustin , Confess. XI. c. 13. p. 306 : Nou euim erat tune, ubi non erat tempus.

2) P. Van Mastricht, Godgel. I. p. 767. B. de Moor, Com-mentar. II. c. 8. § 21.

655

-ocr page 684-

§ 8. DE WERELD NIKT IN EEUWIGHEID.

sterrenkundigen hebben zich voor het punt der herfstnachtevening verklaard, waartoe zij zijn gekomen door narekening van den stand der zon tot voor omtrent vierduizend jaren voor Christus, waar dan de aarde zoo tot de zon stond , dat beurtelings hare beide halfronden (hemis-pheren), dus al de deelen barer oppervlakte in gelijke maat door het licht der zon getroffen werden. „Het is derhalve , zegt een deskundige, dubbel merkwaardig, dat de volken der oude wereld bijna eenstemmig de schepping des menschen, die naar al zijne krachten en naar geheel zynen aanleg, gelijk de zon in den tijd der nachteveningen , niet slechts aan een enkel deel, maar aan de gezamenlijke oppervlakte der aarde zou aanbehooren, in den herfst (den tijd, waar van ouds het jaar begon) en vierduizend jaren voor Christus stellenquot;\').

§ 9. Uit niet.

656

Scheppen geeft te kennen: iets doen ontstaan uit niet. Dies ware het genoeg te zeggen: God heeft de wereld geschapen. Maar de Kerk heeft, om alle dwaalbegrippen af te snijden, er nog uitdrukkelijk bijgevoegd: uit niet. De wereld in haar geheel is door God uit niet geschapen, terwijl Hij vervolgens voortgaande binnen haar het eene uit het andere deed voortkomen. Uit niet dat wil zeggen : niet uit

\') Dr. G. 11. von Schubert, Lohrb. der Stemkunde. 3te Axifl. 1847. S. 233 f. Dezelfde verzokert, ten aanzien van het voortrukken dor nachteveningen ib. S. 253 : In den jeugdtijd van ons geslacht, bij het begin zijner geschiedenis {voor 6000 jaren) trof het punt der herfstnachtevening in het sterrenbeeld des Steenbohs met de nabijheid der zon aan de aarde saam. Tegenwoordig valt deze nachtevening m het sterrenbeeld der Maagd.

-ocr page 685-

§ 9. UIT NIET.

iets. Niet uit zijn eigen Wezen : dan ware het eene genereering en dan zou de wereld van Goddelijk wezen zijn; maar de wereld is even zoo volstrekt van God onderscheiden als zij afhankelyk van Hem is. Niet uil iets anders, uit iets dat buiten God reeds bestond , uit eene eeuwige stoffe: dan ware Hij niet de Schepper der wereld maar slechts haar bouwmeester en vormer\').

God sprah en het was er; Hij gebood en het stond er, Ps. 33 : 9. De schepping der wereld is eene zaak des ge-loofs, gelijk de Apostel Paulus leert Hebr. 11:3: „Door het geloof verstaan wij, dat de ivereld door het woord Gods is toebereid, alzoo dat de dingen, die men ziet, niet geworden zijn uit dingen die gezien worden. De wereld, eigenlijk de eeuwen1), dus al het tijdelijke, zooals het bij voortduring in den loop der eeuwen bestaat. Deze wereld is toebereid, geschapen en in orde gebracht door het ivoord Gods, door zijn bevel. En wel zoo , dat») de dingen, die men

657

1

) o\'i x\'iwvss, bepaaldelijk in den brief aan de Hebr. in de be-teekenis: de wereld. Cremer, Bibl.-theol. Wörterb. S. 76. Lii-nemann in Meyer\'s Handb. zu Hebr. 1 : 3. S. 66.

-ocr page 686-

§ 9. UIT NIET.

ziet, niet geworden zijn uit dingen die gezien worden. De dingen die men ziet zijn hetzelfde, wat de Apostel vooraf de wereld noemde. Hij begrypt daaronder alles, wat door ons menschen op een of andere wijze nabij of van verre zinnelijk waargenomen wordt. Waartoe, gelijk van zelt spreekt, veel meer behoort dan hetgeen op aarde gezien wordt, \'t Bevat alles wat geschapen is, ook hetgeen wy nu niet zien (want welk een klein deel van de schepping zien wij!), maar dat toch van dien aard is, dat het gezien kan worden, ja door anderen gezien wordt, al is het voor ons kortzichtige aardbewoners nog onzienlijk. Weshalve Paulus Kol. 1 : 16 de geschapene dingen ïoo •. die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zienlijk en die onzienlijk zijn : onzienlijk, namelijk voor ons hier op aarde ofschoon daar, waar zij zijn, voor anderen zichtbaar, of althans, gelijk de geestenwereld, op eenigerlei wyze waarneembaar. - Al deze dingen nu zijn geworden: zij hebben een begin gehad. Waaruit zijn zij geworden ? Niet uit dingen die gezien worden : dus de zichtbare wereld is niet uit iets anders, zichtbaars, stoffelijks ontstaan, zij is uit niet geworden, alleen door het woord t), het krachtig bevel van God. — Niemand heeft gezien, hoe de wereld geworden is. Door het geloof verstaan wij het. De zinnelijke waarneming van hetgene nu wordt en geschiedt in de zichtbare wereld, vertoont aan den mensch eene onafgebrokene, samenhangende schakel van oorzaken en gewrochten. Het bloot aan

zoodat, f/z/i sy, Cpxivoftsvav zou gezogd zijn in plaats van fV- ^ Cpxivo/tévuv. Dus ook Mr. Is. Da Costa, Voorloz. over hot O. T. I. p. 155. en II. p. 355.

1) Gr. óti^xTt ótoïi, door een woord Gods.

658

-ocr page 687-

§ 9. UIT NiET.

het zichtbare zich houdende verstand neemt derhalve aan, dat het ééne zichtbare\'telkens weer uit iets anders zichtbaars is ontstaan, als plant uit plant, dier uit dier. Maar het geloof gaat verder en omvat het geheele Al der dingen en houdt zich aan de Goddelijke openbaring, welke zegt, dat al het zichtbare , de geheele wereld, niet uit iets zichtbaars is geworden , maar eene onzichtbare oorzaak heeft, namelijk den onzienlijken God. Ook Adam moest dat ge-looven , naar Gods openbaring , en kon het evenals wij alleen door het geloof verstaan. En had hij ook reeds op den eersten dag geleefd, toch had hij niet kunnen zien , waaruit de hemel en de aarde zijn geworden. Niets ziet men niet en de oorsprong van niet tot iets gaat niet alleen onze zinnen , maar ook ons verstand te boven. Alles berust hier op Gods openbaring.

Rom. 4: 17 roemt de Apostel God als dien, die de doo-den levend maakt, en roept de dingen die niet zijn als of zij waren i). Zoo deed God aan Abraham. Toen deze nog kinderloos was, leidde de Heere hem in een laten avondstond uit zyne tente naar buiten en zeide : „zie nu op naar den hemel en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt en Hij zeide tot Hem : zoo zal uw zaad zijnquot;. Gen. 15: 5. Daai stelde de alwetende eri almachtige God den man, die nog geen zaad had, tot een vader van vele volken, die nog niet waren, zóó als of zy reeds bestonden. Voor God stonden zij reeds zoo waarlijk, als Abraham daar voor God stond. Want het was die God, die zich juist hierdoor kenmerkt en als God betoont dat Hij roept, op zijn com-

i) Tcv--Koihovvros rx ^ cvTOt, uï Hvtx. De Onzen hebben nauwkeurig vertaald. Luther onnauwkeurig: und rufet dem , das nicht ist, dasz es sei.

659

-ocr page 688-

§ 9. UIT NIET.

660

mando doet verschijnen de dingen, die niet zijn, als of zij reeds waren. In den volsten zin deed Hij zoo bij de schepping der wereld, toen Hij telkens sprak, bevelend riep: daar zij , en het werd, Gen. 1 : 3 v. v. Het roepen is een scheppend quot;) roepen en wordt dit gezegd van dingen die niet zijn, zoo is het ontegenzeglijk een voortbrengen uit niet, van niet-zijn tot zijn.

De uitdrukking schepping uit niets is ontleend uit het apocryphe boek 2 Makkab. 7 : 28 naar de Gemeene Overzetting (Vulgata) en is kerkelijk geworden. Daar sprak, onder het woeden van den Syrlschen koning Antiochus Epi-phanes tegen de Joden, de heldhaftige moeder, die zes zonen voor hare oogen jammerlijk had zien ombrengen, tot haren zevenden, jongsten zoon : „Ik bid u, mijn zoon, sla \'t oog op den hemel en de aarde en zie alles wat daarin is en er-

1) In dezen zin komt xx\'/.eh dikmaals voor , hetwelk ook Meyer zu liom. 4 : 17 toestemt. Te recht teekent deze aan: in plaats van toc w ovtx had de Ap. ook kunnen zeggen : rx oi/z cvtx , das Existenzlose, in reohtstreeksche tegenstelling tegen toc ovtx, het existeerende ; maar is subjectief, gezegd van het \'standpunt des roependen: de dingen , die Hij weet niet te zijn, roept Hij als of zij waren. Anders Delitzsch, bibl. Psychol. S. 37 f., volgens wien Paulus opzettelijk ra w ovtx en niet rx ovu ovtx zou zeggen , om aan te duiden dat dasjenige was in cieschichtliches Dasein tritt nicht vorher ein schlechthini-r/es Nichts ist. Abraham , zum Vater von Vólkern geworden, ist ein ewiger Gegenstand göttlichen Wissens und da ist ein fty ov 5 in Bereitschaft stehend, urn wenn das schöpferische y,x).eh ergeht so fort sich zu verwirklichen. Vergel. P. Van Mastricht, Godgel. I. p. 769: «Zekerlijk onderstelt de schepping iets, doch niet als aanwezig zijnde, maar als zullende zijn , en indien aanwezig zijnde, dan niet in zich zelf, maar in het versland en in de macht van God.quot;

-ocr page 689-

§ 9. UIT NIET,

ken, dat God het uit niets (letterlijk: uit niet zijnds) gemaakt heeft i), ook het geslacht der menschen is alzoo geworden. Vrees dezen beul niet maar wordt uwen broederen waardig en onderga willig den dood, opdat ik door de barmhartigheid (Gods) u met uwe broederen (in de opstanding der dooden) weder verkrijge.quot; Intusschen vergist men zich, wanneer men hier eene klaardere en beslistere uitspraak van de schepping der wereld uit niet meent te vinden dan de canonieke schriften bieden. De heilige Schrift zegt het nog beter, krachtiger, wanneer zij betuigt: God sprak en het was er!

Ofschoon God bij de schepping en formeering der wereld het eene uit het andere deed voortkomen, b.v. de planten uit de aarde, de visschen uit het water, zoo zeggen wij toch met reden: alles is uit niet geworden. Want 1. de stoffen en eenvoudige grondbestanddeelen, waaruit iets werd, zijn uit niet geschapen. En 2. deze stoffen konden uit zich zelve die gewrochten, gedaanten en saamgestelde dingen niet voortbrengen, die er uit ontstaan zijn1). Gods almacht schiep het wezen en den vorm van ieder schepsel.

Intusschen men zegt: uit niets wordt niets. Deze stelling behelst waarheid, maar strijdt niet tegen de schepping uit niet, veelmeer bevestigt zij deze. Zij is waar in dezen zin : niets wordt zonder werkende oorzaak; voorts: het niets kan niet zelf de werkende, voortbrengende oorzaak van iets zijn; eindelijk: het niets kan, ook bij eene werkende oorzaak, geenszins de stoffe zijn, uit welke de werker iets vormt.

\') A^/w ts--yvavxi ort èt; ovx. ovruv STroiwev xurcc 5

©foV. Vulgata : ox nihilo illa focit Deus. Dus goon Platonisch f/,y cv, geon ongoschapeno Hyle.

■■!) P. Van Mastricht, Godgol. I. p. 763. Ticesten, Vorlos. II. 1. S. 80.

661

-ocr page 690-

§ 9. UIT NIET.

662

Maar even hierdoor bevestigt deze stelling de schepping der wereld door God uit niet. Immers zegt zij; niets kon de wereld niet voortbrengen, dies moet er eene werkende oorzaak zijn geweest: dat is de almachtige God; en het niets kan niet de stoffe zijn geweest, waaruit God de wereld vormde : want uit niets wil juist zeggen: niet uit iets. Het niets geeft dus geene stoffe\') te kennen, maar sluit de aanwezigheid van alle stoffe buiten. Het beteekent niet iets waaruit de wereld gemaakt is, maar het einde van niet-zijn en het begin van zijn, en uit niets is dus zooveel als: na niets.

Alleen Gods Woord leert de schepping uit niet. Zij is vreemd aan al de zoogenaamde natuurreligien. Zij wordt

\') P. Van Mastricht, Godgel. I. p. 763. Twesten, Vorles. • II. 1. S. 75. 86. Van Oosterzee, Dogmat. I. p. 417. Ook do Gnostieken brachten tegen de leer van de schepping uit niets de oude stelling in : uit niets wordt niets, \'t Was misverstand. Want do leer van de schepping uit niets hatte ja nur eine antithetische Bedeutung gegen die Annahme eines die Schopfung bedingenden Stoffes und es eollte durch dieselbe nicht das Nichts, sondern das höchtste absolute Seyn — Gott als Grund alles Daseijns behauptet werden. Freüich hatte diese Bestimmung zugleioh die Ahsicht, eine Ansicht auszuschlieszen, welche alles Daseijn als Naturentwickelung aus Gott erklarte, Gott einer Naturnothwmdig-Tceit unterwarf und den Begriff der absotuten Abhangigkeit des Geschöpfes vom Schopf er gefahrdete. JVeander, Kirchengoschichto I. Bd. 3. Abth. S. 649. Dit geldt ook van het Darwinisme. Zie Ebrard, Apologetik I. S. 355 , die het onschriftuurlijke in Darwin\'s afstammingsleer juist hierin vindt, dat volgens deze de ontwikkeling van het meerdere uit het mindere , van het hoogere uit het lagere alleen door natuurlijke, in do natuur zelve liggende oorzaken geschiedt. Eene leer, die ons tot het standpunt der vroegste uatuurphilosophie terugvoert, gelijk Van Oosterzee, Dogm. I. p. 423, vergel. p. 493, te recht herinnert.

-ocr page 691-

§ 9. UIT NIET.

slechts erkend bij Joden, Christenen en Mohammedanen. De verhalen bij andere volken van het ontstaan der wereld zijn alle fabelachtig en behelzen voor een gedeelte slechts een zwakken naklank van de oorspronkelijke waarheid •)• Zij dragen alle dit kenmerk, dat zij zich vermeten, den oorsprong der wereld, dus het bovennatuurlijke en wat voor de natuur was, uit het natuurlijke te willen verklaren. De Heilige Schrift geeft ons de waarheid. „Zoodra het verstand meer wil dan het gegevene ordenen, hoeden en bewaren, overklimt het zijne grenzen en zijne wereldsche wijsheid wordt onverstand en dwaasheid. Zoo was het in het Heidendom ; dat bewijzen zijne cosmogonieënquot;1) (zijne voorstellingen van de wording der wereld).

§ 10. Het bericht van de Schepping.

Hoe de schepping der wereld geschied is, weten wij alleen uit het verhaal van Mozes Gen. 1 en 2, die er kennis van had door de overlevering van Adam af en het beschreef naar eene nadere openbaring van God.

Het eerste Bijbelboek draagt den Griekschen naam Genesis d. i. oorsprong, wegens de scheppingsgeschiedenis,

663

1

Fr. A. Krummacher, Paragraphon zu der heil Geschichto. S. 21. De grondstolliug: uit niets wordt niets, bijzonder door Epicurus voorgestaan (cySw yiverxi h tsD [jM ovtos) nam ook Lucretius over , doch aldus : nullam rem c nilo gigni divinitus unquam — ton eindo mon niet aan Goden zou toeschrijven wat de natuur deed. Zie hot doorwrochte werk van Dr. J. Woltjer, Lucretii Philosophia. Gron. 1877. p. 12 sqq.

-ocr page 692-

§10. HET SCHEPPINGSBERIGHT.

waarmede het begint. En in nog ruimer zin mag het wel het Boek des oorsprongs heeten. Want het bericht ons niet alleen den oorsprong der wereld, der aarde, der menschen , maar ook de eerste geschiedenis der zonde en der Goddelijke genade en de wording der volken, bijzonder des uitverkorenen volks Israels. Het is het fundament van geheel den wonderbouw der Heilige Schrift, het behelst de grondslagen en de beginselen van al de latere openbaringen Gods. Het is geenszins, wat velen hebben beweerd, eene aaneenvoeging van losse, zelfs tegenstrijdige brokstukken , maar een samenhangend geheel , met een vast plan, in éénen Geest geschreven.

Zoo zijn de heide eerste hoofdstukken van Genesis geen twee verschillende, elkander weersprekende scheppings-berichten «), gelijk men het heeft willen doen voorkomen; ook is het tweede geene herhaling van het eerste. Maar het tweede is eene nadere beschrijving van de schepping des menschen en staat in nauw verhand met hetgeen reeds Gen. 1 : 26 , 27 van den mensch gezegd was. Met de schepping des menschen vermeldt het de eerste geschiedkundige openbaring Gods aan den mensch in zijnen oor-spronkelijken staat, en dit wederom als voorbereiding tot de geschiedenis van den val.

Vandaar de wisseling der namen Gods. Gen. 1 wordt alleen God (Elohim) genoemd ; Gen. 2 en 3 rfe Heere God (Jehovah Elohim). In deze wisseling der Godsnamen vooral meende men eenen grond te vinden voor de stelling van twee ver-

1) Zie Oehler , Theologie des A. ï. I. S. 76. Over de verschillende hypothesen van de samenstelling des Pentatouchs O. R. Her twig\'s Tabellen zur Einl. A. T. S. 28. 30. Kurtz, Gesch. des A. 13. I, S. 46 ff.

664

-ocr page 693-

§ 10. het schepp1ngsbericht.

schillende scheppingsoorkonden. Maar Mozes wist wel wat hij schreef en waarom hij zóó schreef. Met opzet gebruikt hij Gen. 1, waar hij van de schepping der wereld handelt, den meer algemeenen naam God (Elohim), een naam, die het almachtige Opperwezen als Schepper en Regeerder van het heelal aanduidt, ook den Heidenen kennelijk. Maar Jehovah is de naam van God als Verbondsgod zooals Hij zich aan Israël openbaarde. Beide namen , Jehova Elohim, de Heere God, voegt Mozes Gen. 2 en 3 saam, om te leeren, dat de Schepper van hemel en aarde geen andere God was dan de God Israels\'). En juist hier het eerst wordt God Jehova genoemd, waar de geschiedenis van den mensch begint, en God door bijzondere openbaringen in eene persoonlijke verbondsbetrekking tot den mensch treedt.

Daar geen schepsel getuige van de schepping was, kon daarna ook niemand met zekerheid er iets van weten, tenzij God zelf er licht over gaf. „Kennis aangaande den oorsprong der dingen was, als grondslag van allen godsdienst, onmisbaar en zij kon niet verkregen worden, indien zij niet door of van wege Hem zeiven verstrekt werdquot;2). God nu heeft aanstonds van den beginne tot Adam gesproken 3) en heeft dezen, doordat Hij hem woorden hooren deed, het spreken zelf geleerd «). Hij onderwees Adam. Ongetwijfeld

\') Zie Derde Hoofdstuk van dit Leesboek p. 323 v.

2) Van Oosterzee, Dogm. I. p. 443.

:l) Tweede Hoofdstuk van dit Leesboek, bl. 121.

4) Anders Ebrard, Apologet. I. S. 72 f., die van een spreken leereu door God aan Adam, niet wil weten. Vanzelf moeten wg daarbij aannemen, dat do aanleg hiertoe, mot de redelijkheid, den mensch was ingeschapen. Zoodat wij Ebrard dit moeten toestemmen: Das Reden Gottes zum Mcnschen wirkte weckend auf jene im Menschen schon vorhandene geniale Produktionskraft.

665

-ocr page 694-

§10. HET SCHEPPINGSBERIGHT.

heeft Hij hem ook gezegd, hoe door Hem al deze dingen, die de nog onbedorven mensch met een bewonderend oog aanschouwde, geworden waren.

Mozes droeg er kennis van door de overlevering van Adam af\'). En deze overlevering van mond tot mond voortgaande was genoegzaam zeker1). Mozes heeft in zijne eerste veertig jaren „overvloedige gelegenheid en zeker even groote begeerte gehad om met de overleveringen van het aartsvaderlijke tijdperk en van vroeger bekend te wordenquot; 3). Dat er van de vroegere openbaringen reeds vóór Mozes geschrevene gedenkstukken bestonden, laat zich niet bewijzen. Wel was de schrijfkunst vroeg bekend, bij name in Egypte. Doch in de geschiedenis der aartsvaders vinden wij geen zeker blijk van het gebruik van schrift ♦).

De scheppingsgeschiedenis was mede, wat de hoofdxaak betreft, in de mondelijke overlevering bewaard. Mozes beschreef ze in hare bijzonderheden naar eene nadere openbaring van God — een geschiedkundig gedenkstuk, dat onder al wat ooit uit de pen van een historieschrijver gevloeid is, geen weerga heeft en welks waarheid van alle zijden is bevestigds).

Het is geschiedenis. Het is geen voortbrengsel van eigen nadenken, geen wijsgeerig verzinsel, geen zinnebeeld, geen dichtstuk, waarvoor velen het hebben verklaard, maar een verhaal van hetgeen werkelijk aldus is gebeurd»), geschreven onder eenen gansch bijzonderen invloed van Gods Gsest.

666

1

) Tiveede Hoofdstuk bl. 127 v.

-ocr page 695-

§10. HET SCHEPPINGSBEHICHT.

667

De Heilige Geest deed Mozes het ware in de overlevering kennen en stelde hem in staat, het aan ztjn volk en voor geheel de menschheid trouw en onvervalscht mede te deelen. Onmiddelijke openbaring van God leidde hem daarbij en leerde hem niet alleen wat hij zou schrijven, maar opende hem ook een helderen blik in hetgeen hij wist en gaf hem stoffe en vorm in, om op zoo uitnemende wijze, evenzoo Gode-waardig als voor de menschelijke bevatting geschikt, te beschrijven wat noch hijzelf noch een ander gezien of gehoord had. Wij mogen veronderstellen, dat aan Mozes in eenen tijd van buitengewone Goddelijke verlichting de schepping in een gezicht vertoond werd, soortgelijk als aan de Profeten de toekomst, en dat hij haar daarnaar beschreef. Hiertoe leidt ons de levendigheid, de aanschouwelijkheid, de onmiddelijkheid van het tafereel. Wat geen oor gehoord, geen oog gezien had, hoort hij en ziet hij. Hjj hoort God spreken, hij ziet op ieder scheppingswoord des Almachligen achtereenvolgens de dingen komen. En wat hij aldus in den geest verneemt en aanschouwt, gaat hij in schrift teekenen — een grootsch tooneel, dat zyns gelijke niet heeft lt;).

\') Zooveel schijnt to moeten worden aangenomen van de pro-phetische Anschauung of visionaire voorstelling naar Kurtz , Bibol and Astronomie Kap. 4 en Gesch. des A. Cundes. I. S. 45, ook door Lange, Bibelwerk, Genesis. S. 13 en 42 voorgestaan, uitvoerig geschilderd door [high Miller, Het getuigenis der Gesteenten. Vertaald uit het Eng. Haarlem , 1858. bl. 154—163, doch door anderen , ook door Van Oosterzee, Dogmat. I. p. 440 v., weersproken. Ten aanzien van de geloofwaardigheid des verbaals vergelijkt ook Calvinus, do openbaring aan Mozes van gene zoolang verledone , door niemand bijgewoonde gebeurtenis

-ocr page 696-

§11. IN ZES DAGEN.

§ 11. In zes dagen.

De almachtige God had de geheele wereld met al hare deelen en in al hare pracht wel in één oogenblik kunnen voortbrengen. Maar het heeft Hem behaagd, het trapsgewijze te doen in zes dagen. Men heeft van deze dagen groote tijdperken gemaakt, lange ontwikkelingsperioden. Maar in het scheppingsverhaal Gen. 1 wordt ontegenzeglijk van eigenlijke dagen \') gesproken.

Want 1° er staat telkens: Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de eerste dag, de tweede dag, de derde, de vierde, de vijfde, de zesde dag. Klaarblijke-

met doszelfs voorzeggingen van hotgoon oorst volo oeuwon na zijnon tijd geschieden zou, b. v. de roeping der Heidenen, Cotn-mentar in Genesin , ed. Eengstonb. Argumenlum p. 1.

Dus is do gedachte van Kurtz c. s. niet nieuw. Calvinus J\'.ogt 1. c.: Qui (Moses) rem lougo post futuram ot tunc ab homiuum sensu absconditam spiritu praevidit, annon potuit, utrum inun-dus a Deo creatus osset, intelligere , praesertim coelesti magi-sterio edoctus ? Neque enim suas divinationes hie profert: sod organum est Spiritus ad ea publicanda quae ab omnibus cognosci operae pretium fuit. Daarbij handhaaft Calv. p. 2. op treffende wijze het bestaan en voortgaan der overlevering van Adam af.

1) Dit wordt ook toegestemd door Van Oosterzee, Dogmat. I. p. 438 , doch met de concessie, evenals Kurtz, Uesch. des A. Bundes I. S. 57 , dat hier de gewone maatstaf ontbreekt, daar, althans zoolang nog de hemellichten niet in geregelde betrekking tot onze aarde geplaatst waren, aan geen juist afgebakende tijdsver-deeling te denken valt. Waarom niet? Zie daartegen hier boven. Vergel. M. F. Roos , Einleit in die bibl. Gesch. I. 8. 7 f. Fr. W. J. Schroder , Das orsto Buch Moso. Berlin. 1844. S. 10. Von Gerlach , zu Gen. 1; 3, 5. Da Costa, Voorlez. over de waarheid enz. van het O. ï. 1. p. 159 v. II. p. 359. Volgens al dozen bedoelt Mozes eigenlijke dagen.

668

-ocr page 697-

§11, IN ZES DAGEN.

lijk bedoelt de heilige Schrijver hiermede geen tijdvakken van honderden of duizenden van jaren, maar dagen. Inde eerste drie dagen waren wel zon en maan en sterren nog niet. Toch was er sedert de schepping des lichts eene bepaalde scheiding en regelmatige wisseling tusschen licht en duisternis voor de aarde, door hare beweging en omloop of door periodieke uitbreiding of samentrekking van den lichtaether, alvorens deze op den vierden dag tot lichtende lichamen werd geconcentreerd. Die gezette afwisseling van duisternis en licht vormde dan ook reeds de eerste scheppingsdagen. De avond\') wordt het eerst genoemd, omdat de nacht, die met den avond aanvangt , vóór den morgen, den bode des dags, voorafging. Het eerste was de nacht, de duisternis: want duisternis was op den afgrond Gen. 1:1. En uit de duisternis heeft God het licht doen schijnen , 2 Kor. 4:6. De eerste scheppingsdag bestond dus uit den nacht, die vóór het licht was voorafgegaan, en den dag die door de schep-

\') Sommigen vinden hier eone andere dagrekeniug en nemen den morgen als begin en einde van iederen dag. Dus ook Oehler in Herzogs Roal-Enc. XV S. 410 le Ed.: Die Schopfangsurhundesetzt eine mit der babylonischen übereinstimmende Begrdnzung des Ta-ges ven Morgen zu Morgen voraus. Lange, Genesis S. 35 spreekt dit te recht tegen. Ook Dr. G. H. Von Schubert, Lehrb. der Stemkunde S. 194 zegt: Sc hou die ülteste Vrkunde unsers Ge-schlechts rechnet den Lauf der Tage vom Abend zum Morgen, so wie die jetzigen Juden den An fang des Tages in ihrer Fest-rechnung auf Abens 6 Uhr, die Mohammedaner auf die Zeit des Sonnenunterganges setzen. Winer, bibl. Eealwörterb. u. d. W. Tag ovenzoo: Auch in der mosaischen Kosmogonie Gin. 1 : 5 ist dieser Tagesanfang vorausgesetzt. Uitvoerig bespreekt en verdedigt den nacht vooraf de geleerde B. De Moor, Commentar. II. cap. VUT. § XXTT. p. 201 sqq.

669

-ocr page 698-

§11. IN ZES DAGEN.

ping des lichts en door de geregelde scheiding des lichts van de duisternis was ingetreden. Vandaar , dat Israël, zich aansluitende en vasthoudende aan de scheppingsgeschiedenis , zijnen dag met den avond begon.

2° De vijfde en de zesde dag werden reeds door de zon geregeerd. Dit waren dus gewone dagen. En toch worden zij met de eerste vier tot zes gelijke dagen samengeteld. Zouden nu de vier eerste groote tijdvakken zijn geweest, hoe konden deze dan met de twee laatste dagen tot ééne som gebracht en alle saam zes dagen genoemd worden, zooals Ex. 20: 11 geschiedt, waar de scheppingsgeschiedenis in een kort begrip is saamgevat ? In zes dagen heeft de Heere den hemel en de aarde gemaakt, de zee en alles wat daarin is en Hij rustte ten zevenden dage. Dat werd bij de wetgeving gezegd en daar heeft de Heere zeker niet dichterlijk, niet figuurlijk, maar met eigenlijke woorden gesproken. Waaruit meteen blijkt, dat niet alleen de aarde, maar ook de hemel binnen de zes dagen gemaakt is en aldus naar de Schrift het zesdaagsche scheppingswerk het heelal omvat.

God zegende en heiligde den zevenden dag, die op de zes eerste volgde. Maar God heeft bij de wetgeving toch waarlijk geenen zulken dag tot rustdag gewijd, die op zes onbepaalde tijdvakken volgde, maar eenen dag, die na zes gewone dagen intrad : den eigenlijken zevenden dag van iedere week verordende Hij ter viering, omdat deze daartoe na de schepping geheiligd en gezegend was. En in het scheppingsverhaal wordt hij reeds de zevende dag genoemd, omdat zes zulke dagen waren voorafgegaan. Men doet de klare woorden der Schrift geweld aan, wanneer men deze dagen geene gewone dagen laat zijn.

Heft de natuurkunde hiertegen hare stem op uit de

670

-ocr page 699-

§ 11. IN ZES DAGEN.

hoogte en uit de diepte en roept zij: niet dagen waren het, maar eeuwenlange tijdperken \') ; komt zij inzonderheid verzekeren, dat de vorming der aarde niet in eenige dagen volbracht kan zijn1) , wijst zij op den inhoud der verschillende lagen en beddingen \') in de aarde, als merk-

671

A

1

) Prof. Miquel in J. A. Uilkens, Volmaakth. des Scheppers V. p. 168 vermeldt, dat naar Buffon meer dan 76000 woo-dig zijn geweest, om de aarde van den gloeienden toestand tot de tegenwoordige temperatuur te doen bekoelen. Zoo spreekt do Vul-kanist of Plutomst, naar wien de vorming uit en door vuur zou zijn geschied. Maar de aarde is naar den Bijbel geen pyrogeen product, de bijbelsche voorstelling is neptunistisch of hydroge-nistisch. Zie O. Zöckler, Die TJrgeschichte, in Beweis des Glau-bens 1808 S. 521 ff. De Schrift spreekt van wateren die de aarde bedekten en op welke de Geest Gods zweefde. Ook natuurkundigen van name hebben in nieuweren tijd zich voor het water verklaard, als het »algemeene ontbindings-en verbindingsmiddel, hetwelk allo stoffen met elkander in aanraking en wisselwerking brengtquot; en geheel de ons bekende aarde doordringt, Zöckler, A. w. S. 523.

Prof. Miquel a. w. p. 172 ; Neemt men de geschiedenis der

-ocr page 700-

§11. IN ZES DAGEN.

teekenen van „reusachtige perioden der aardformatiequot;: dan is daarmede toch haar pleit niet voldongen en de weg voor hooger beroep niet gesloten.

In allen gevalle dienen wij wel dit in het oog te houden: 1. De almachtige God kan zoowel schielyk als langzaam werken. 2. Waar hoogere, buitengewone krachten in beweging komen, wordt ook bij de menschen snel gedaan wat anders langen tijd vereischte. Getuige de stoom en de telegraphie. Wie zal dan de werking bepalen der kracht Gods bij de schepping der wereld ? Zou het niet dwaas zyn haar te willen binden aan de regelen van lateren gewonen natuurloop ? i). 3. Eindelijk moeten wij hierbij deze ééne zaak niet voorbijzien, dat één dag hij den Heere zoo lang is als duizend jaren bij ons en duizend

verschillende geologische tijdvakken in aanmerking, let men op de machtige beddingen die door langzame hezinkingen afgezet, werden , op de ontelbare geslachten van planten en dieren, die, na gedurende eeuwen de aarde bevolkt te hebben, verdwenen en voor opvolgende scheppingen plaats maakten , dan staat de tijd der aarde als eene onmetelijke lengte voor onzen geest en onze bevatting is te zwak om de voorstelling in haar geheel te omvatten.

\') Zoo hoort men vermelden dat de steenkolen-vorming negen millioen jaren van ons verwijderd is, en dat een enkele boomstam uit het dorde tijdvak 5000 jaarringen bevat en dus 5000 jaren tot zijnen groei vereischt werden, terwijl die eene boom dan nog slechts één is van de veelvuldige individuün van dezelfde soort van boomen die elkander in die éëne afdeeling der tertiaire tijdvakken opvolgden! Miquel, a. W. p. 173. Maar hiertegen hoort men ook andere stemmen. B. v. Dr. O. Zockler, Urstand des Menschen S. 305: Was fur etliche Jahrzehnte Gesetz gewcsen, wird durch diese oder jene plötzlich eintretende Storing durch-brochen und über den llaufen geworfen. Es gibt keinen unabün-derhch festen Zeitmesser, weder für die Tropfstemhildungen in Hulden, noch fur Kalksinter-Ablagerungen auszerhalb soldier;

672

-ocr page 701-

§ 11. IN ZES DAGEN.

Ü73

jaren bij den Heere zoo kort als één dag bij ons, 2 Petr. 3: 8. Dies zijn zes dagen bij den Heere niet minder dan zesduizend jaren , en zesduizend jaren zijn bij Hem niet meer dan zes dagen. Maar bij óns wel. Voor óns zijn dagen geen jaren.

Gelijk met de schepping de tijd begon en het scheppingswerk in tijdsorde voortging: zoo heeft God ook van den

weder für das Ansetzen von Jahresringen der Büume, noch für Torf-, Braunkohlen- ader Stelnkohlenbildnngen, Scheint die Verwandlung ahgestorhener und versunkener VegetahiUen in Kolde dermalen getvissse langere Zeitrdume zu erfordern, so musz hei einigem Nachdenken es sich doch als ganz und gar unthun-lich h er ausst ellen, von solchen V or gangen der Gegenwart aus irgendwelche chronologische BücksehlAsse auf die Kohlenhildungs-processe der Urzeii zu ntachen. — — Die Ergebnisse der Ver-sitche Göpperts in Breslau, der durch Wasserdampfe und hoch-gradig erhitztes Wasser verschiedne vegetahilische Sloffe binnen zwei Jahren in Braunkohle tend binnen seeks Jahren in glanzend schwarze Steinkohle verwandelte u. s. w., zeigen unwiderleglich, dasz die klimatischen Na turbedingungen der Jetztzeit keinerlei Maaszstab für Vorgdnge der IJ r ze it trie die in Bede stehenden abgeben können. Met nadruk wijst hierop Dezelfde, [Jrgescbichte in Beweis des Glaubens 1868. S. 527. En Lange, Genesis. S. LXVII: Die neuere Naturforschung scheint noch ziemlieh utt-besonnen mit ihren Millionen um sich su werf en; nicht im Geiste der Natur und ihrer Bïldungen. Der Vertreter des bi-blischen Textes durf sich als Naturfreund wol das Wort erlau-ben: tvir geben euch willig eure Jahrtausende für die Ent-stehung der Er de und der Welt. Aber besinnt euch wohl. Nach den Gesetzen der diesseitigen Natur entwiekelt sich die Natur in allen ihren er sten Lebensergüssen und Stadiën sehr rasch , ïhr dagegen verlangt für die er sten glühenden Lebens-saaten und Lebensbildungen eine endlus schleichende Zeit. In der Natur sehen wir alles Untergeordnete schnell eutstehen und vergehen, thr verlangt für die ersten rohesten Grundformen der Gravcmoijcr, Gcrof. Gol. leor. 43

-ocr page 702-

§11. IN ZES DACiEM.

aanvang af alles geordend naar mate, tal en gewicht«), in bepaalde grootte, hoeveelheid en zwaarte. Hierin moeten wij de wijsheid Gods bewonderen en, schoon ons oog slechts een zeer klein deel van de zichtbare wereld omvat, wij kunnen uit het weinige, dat wij er van zien, duidelijk genoeg waarnemen dat God een God van orde is. „ Hij heeft de rekenkunst en meetkunst bij de levenlooze dingen op het nauwkeurigst geappliceerd. Hoedanig moet dan zijne regeering over redelijke schepselen zijn ? Zij moet louter gerechtigheid , louter orde zijn; eene zedelijke mathesis , naar welke alles berekend, geteld en afgemeten is , die echter geen mensch kan doorgronden. Want Gods rechten zijn te hoog , zijne oogmerken te diep; ook kent de mensch zich zeiven naar zijne zedelijke hoedanigheid, naar zijnen samenhang met andere dingen en naar zijne bestemming te weinig, zoodat hij God slechts aanbidden en niet oordeelen , prijzen en niet laken, en maar wachten en niet voorbarig praten zal2).quot;

Schüpfung Aeonen. ~ Dat het bij de schepping dor wereld buitengewoon is toegegaan, blijkt vooral ook uit het ontstaan van den mensch, hetwelk immers niet In oen lang tijdsverloop, maar op een bepaalden dag, den zesdon, in óón oogenblik is geschied. Immers do almachtige Formeerder zal toch wol niet lang aan de klei gekneed of aan de ribbe goworkt hebben. En van eone langzame ontwikkeling der menschon uit onorganische stoiïen weten de Schrift en de geschiedenis niet.

\') Wijsheid Salom. 11 : 21 : tvwtoi. [/.stpqi xx) otpiQ^ y.xi (TTXdfAw ZinTXi;#.?. Omnia in mensura et numero ot pondore disposuisti. Augustin , Confess. Lib. V. cap. 4. ed. Noandor p. 93. Pascal, Pensees Partie I. Art II. p. 69.

Hoos, Einleit. I. S. 85 f.

674

-ocr page 703-

§ 12. WAAROM IN ZES DAGEN?

§ 12. Waarom in zes dagen ?

Trapsgewijze heeft God het werk der schepping uitgevoerd. Er is immers een ordelijke voortgang en eene geregelde opklimming niet slechts in het verhaal van Mozes maar in het werk van God zeiven gt;). Het is vermetel , te zeggen : God heeft alles in één oogenblik tegelijk1) voortgebracht en de verdeeling des werks in zes dagen is alleenlijk door Mozes leerenshalve gemaakt 3). Maar dit strijdt rechtstreeks tegen het verhaal zelf en tegen de eigene verklaring van God bij de wetgeving Ex. 20: 11. God zelf heeft zes dagen tot het werk gebruikt. Vragen wij : waarom ? Wij kunnen antwoorden : het heeft Hem aldus behaagd, zekerlijk ook nog om bijzondere ons onbekende redenen , doch wel voornamelijk om der men-schen wil*) , op wie Hij immers bij de schepping bijzonder het oog had , ten einde zij zijne werken beter konden nagaan en Hem er over verheerlijken. Het is dan niet om Mozes te prijzen wegens zyne beschrijving,

67ü

1

) Zonder grond heeft men deze meening willen toeschrijven aan Jesus Sirach , Wijsh. 18 : 1 ; ó %üv su tov xlavx sktiits tx TrdvTX KOtvyi. Want is niet simul, ziet niot op den tijd, maar op de dingen, de schepselen, die alle van God oorspronkelijk zijn, terwijl Hij alleen de Eeuwige is. B. De Moor, Commentar. II. p. 212.

-ocr page 704-

Ü7(j § 12. WAAROM IN ZES DAGEN ?

maar God wegens zjjn werk. Mozes heeft zoo geschreven omdat God zoo gewerkt heeft. En in deze beschrijving door Mozes hebben wij het werk Gods zelf. Het werd voor Israël, het wordt voor ons hier aanschouwelijk vertoond.

En waartoe dit ? lo Om Israël en ons nadrukkelijk te leeren, dat er maar één God is, één Schepper i) van al de deelen des heelals. Want al de schepselen worden hier ten tooneele gevoerd, wat boven en wat beneden, wat rondom ons op aarde en wat in de wateren is en van alles wat er is in de onderscheiden afdeelingen der gansche natuur, zichtbaar voor ons of onzichtbaar, wordt hier gezegd, wie het geschapen heeft. Eén God schiep het al, zegt de Schrift, die eenige en waarachtige God, dien het verlichte Israël als zijnen Bondsgod kende en die zich van tijd tot tijd in de eenheid zijns Wezens en de drieheid van Personen al klaarder heeft geopenbaard, de eeuwig levende, zelfbewuste, persoonlijke oorzaak van alle leven, die vóór alles was en die door zijn woord, door zijnen uitgesproken wil hemel en aarde en alles wat daarin is heeft voortgebracht. Gewichtige waarheid, waarop geheel de godsdienst rust. Hierdoor werd al aanstonds aan de vereering van vele goden de grond ontrukt en dit scheppingstafereel, in den aanhef der Heilige Schrift geplaatst, was de krachtigste getuigenis tegen al hetgeen in de overleveringen by de Heidenen of door de wijzen dezer wereld van den oorsprong aller dingen werd geleerd. Bij de Heidenen had ieder deel der wereld en ieder kring en soort van schepselen zijn bijzonderen God. Het scheppingsverhaal brengt juist door de opnoeming van de verschillende deelen en soorten en door de afteekening van der-

\') Calvin, lustil. I. 14. 2.

-ocr page 705-

§ 12. WAAROM IN ZES DAGEN ?

zeiver onderscheidene voortbrenging door öénzelfden God alles tot dezen éénen terug. Waarheen men dan ook de oogen sla en wat er dan ook zich vertoone aan het uitspansel , in de lucht, op het land, in de zeeën en rivieren : op de vraag: van waar is dit ? geeft het alles omvattende scheppingsbericht het afdoende antwoord: het is het werk van den éénigen God.

Het scheppingswerk is zoo in zijne trappen beschreven 2° om ons in de beschouwing er van des te langer op te houden \') en ons zijne macht, wijsheid en goedheid klaarder te toonen. Want Hij wilde wegens zijne werkendoorden mensch verheerlijkt worden. Zijne heerlijkheid openbaart zich echter des te kennelijker en boeit te meer onze opmerking, waar zij zich in hare veelvuldigheid bij deelen ontvouwt en wij Hem niet alles op eenmaal, maar als stuk voor stuk zien scheppen. Wij menschen zijn anders zoo stomp in de erkentenis van Gods grootheid en zoo vluchtig en ijl in hare beschouwing, maar hier wordt onze aandacht onwillekeurig bij het groote tooneel vastgehouden, doordien ons de geheele wereld, zooals zij onder de handen van den Schepper is geworden en zooals hare bijzondere deelen in volgorde zijn voortgebracht, voor oogen wordt gesteld.

Eindelijk 3« God wilde den mensch in arbeid en rust een voorbeeld geven. Zes dagen heeft hij gearbeid en op den zevenden dag gerust, opdat wij naar Gods voorbeeld zes dagen zouden arbeiden en op den zevenden dag rusten. God

\') Calvin, in Goues. 1:5: Dous in cortos gradus distinxit raundi croationem , ut nostram attentionem retineat ot qnasi subsistere injucta manu cogat. Idem, in Gen. 2:3: non quod Deus temporis succossu opus habuorit, sod ut nos retineret iu operuiu suorum considerationo.

G77

-ocr page 706-

§ 12. waarom in zes dagen?

678

heeft na de schepping der menschen gerust op den zevenden dag van al zijn werk dat Hij gemaakt had. Hij heeft gerust in dezen zin, dat Hij op dezen dag geen nieuwe schepselen voortbracht, geen nieuw deel aan de wereld ging toevoegen, hoewel zijne werkingen in de onderhouding en regeering der nu aanwezige wereld geen oogenblik ophielden. Doch niet alleen dit zegt het, dat Hy ophield te scheppen, maar ook dat Hij berustte met een heilig welbehagen\') in het volbrachte werk blijkens Ex. 31 : 17, waar gezegd wordt, dat Hij op den zevenden dag gerust en zich verkwikt heeft. De groote God hield vierdag na zijn volbracht werk. Niet als ware Hg vermoeid geweest of zijne kracht uitgeput; „de Schepper van de einden der aarde wordt niet moede noch matquot; Jes. 40: 28: maar Hij had rust en lust in zijn werk, het doel was bereikt. Smaakt niet ook een menschelijlce kunstenaar en bouwmeester genoegen en vreugd, wanneer hy zijn kunstwerk niet alleen afgewerkt maar ook geheel naar zijn zin voltooid heeft, zoodat hij zijn plan en gedachte nauwkeurig en volledig daarin ziel uitgedrukt ? Aldus God op Goddelijke wijs. Is de voorstelling van het rusten Gods zeer menschvormig, wij moeten niet vergeten dat H\\j naar de Schrift bij geheel de schepping gansch bijzonder het oog op den mensch heeft gehad. Ook de sabbat is gemaakt om den mensch Mark. 2: 27, en de Goddelijke rust is grond en voorbeeld van de menschelijke. God heeft den zevenden dag voor den mensch gezegend en dien geheiligd, omdat Hij op denzelven gerust heeft van al zijn werk Gen. 2:3; Hij rustte ten zevenden dage: vxxkom zegende de Heere den sabbatdag en heiligde denzelven Ex. 20 : 11. Wij moeten hier

1) U. Witsias, Cocon. Foodorum, Lib. I. cap. VIL p. 65,

-ocr page 707-

§12. waarom in zes dagen ?

de hooge beteekenis en achtbaarheid opmerken, die den sabbat hierdoor wordt gegeven , dat God hem reeds bij de schepping der wereld in het oog had , en dat er al terstond vooraan in de Schrift op gewezen wordt •). Wel gaf de Heere hier nog geen strenge sabbatswet, maar juist daaruit is kennelijk dat hier iets blijvends is gegeven, iets dat voor alle tijden geldta): een wekelijks na zesdaagschen arbeid wederkeerende rustdag voor Gods volk, welke dag dan ook; en het ware, innerlijke wezen en doel van den sabbat is hier aangeduid : Gods rust in het schepsel en des schepsels rust in God, voorbeeld en voorsmaak van de eeuwige ruste na dit leven, afbeelding tevens en uitdrukking van de rust der ziel in de genade Gods door Jezus Christus ook onder den dagelijkschen arbeid. Want voor zondaren is de weg tot rust weer door Christus geopend. Hoe meer de geloovige in de genade bevestigd is, des te volkomener geniet hij den vrede Gods en deelt in diens zalige rust ; en hoe meer hij den vrede Gods geniet, destemeer is zijn leven ook op de werkdagen een bestendige innerlijke sabbat, die ook door de uitwendige werken en moeiten niet verstoord

\') Prof, E. W. Hengstenberg, üeber den Tag des Herrn. Berlin 1852. S. 8. Brdkel, Redel. Godsdienst. II. p. 124 (7ao druk). Opmerkelijk is de verklaring van den Lntherschen Fr. W. J. Schroder , Das erste Buch Mose. Berlin 1844. S. 24 f.:

De zegen en de heiliging van den zevenden dag, die de scheppingsweek besloot, duidde zinnebeeldig eene verbondsbetrekking Gods aan. Grond en sleutel van deze verbondsbetrekking Gods liggen in den persoon des menschen, die naar Gods beeld geschapen en met de waardigheid van heerscher over de natuur bekleed, teqelijk de scheppinn waardig vertegenwoordigde,

\'2) Calvin , Instit. II. 8. 30.

679

-ocr page 708-

§ 12. WAAROM IN ZES DAGEN ?

zal worden , aldus dat ik al de dagen mijns levens van mijne hooze werken vieve, den Heere door zijnen Geest in mij werken late en alzoo den eeuwigen sabbat in dit leven aanvange (Heidelb. Gat. vr. 103. Hebr. 4 : 9, 10). De Heere God zag alles vooruit. Hij wist wat de mensch door den val worden zou. En ongetwijfeld had Hij hierop het oog ook bij hetgeen hij voor den val aan Adam openbaarde en verordende. Immers de voorgestelde rust veronderstelt moeilijken , drukkenden arbeid i).

De zes scheppingsdagen vormen twee drietallen, die tot elkander in zeer opmerkelijke betrekking staan J). Het werk van iederen der drie laatste dagen stemt treffend tot het werk van iederen der drie eerste. In de drie laatste verkrijgen de eerste drie onderscheidenlijk hunne volmaking. Want werd op den eersten dag s) het

\') Dit erkont ook Hengstenberg, Tag des Horrn, S. 13: Da

was van der lluhe Gottes gesagt wird, in einem Buche steht, das für solche gesehriehen ist, die demi SUndenfall langst hint er sich Jiahen, was hindert wol anzunehmen, da^z Gottruhete, segnete, heiligte in Beziehung auf den von ihm vorausgesehenen traurigen SUndenfall, dnsz das eirige Erbarmen für die Gefallenen sorgte noch eJie sie gefallen waren ? De sabbat is niot voor Engelen noch voor do volmaakte rechtvaardigen (Openb. 7 ; 15), hetwelk men moest stellen, wanneer men den Zusammenhang mit der menschlichen Schwaehe laugnet.

\'2) Van Oosterzee, Dogmat. I. p. 438. Von Gerlach, A. Test. I. S. 1. Lange, Genesis. S. 49. Oehler, Theol. des A. T. I. S. 76.

\') De eerste dag der schepping is onze Zondag, op welken God nog roept: daar zij licht! Op den Zondag plaatsen do Ouden, behalve do schepping van het licht, den doortocht der kinderen Israëls door do Eoode Zee, het eerste manna in de woestijn, den doop van Jezus, het wonder te Kana, de spijziging der vijfduizend, de opstanding des Hoeren , de uitstorting des

680

-ocr page 709-

12. WAAROM IN ZES DAGEN ?

licht •) geschapen, daaraan beantwoordde de vierde op welken God de bestemde geleiders van het licht, de hemellichten (luchters) maakte. Op den tweeden dag het uitspansel, scheiding tusschen de wateren beneden en de wateren boven (lucht , wolken); op den vijfden de bewoners van beide, in de benedenwateren de visschen, in de lucht het gevogelte. Op den derden dag het vaste land met gras, kruiden en geboomte ; op den zesden dag landdieren en mensch. Op de drie eerste dagen ontstond het onbezielde (anorganische), op de drie laatste traden de levende schepselen te voorschijn. In de plantenwereld kwam de droge aarde, in den mensch de dierenwereld en aldus geheel de aardsche schepping tot hare volmaking.

Heiligen Geostes en de wederkomst van Christus eenmaal ten oordeel. Fr. W. J. Schroder, Das eramp;te Bnch Moso. Berlin. 1844. S. 11.

1) Ofschoon volgens de nieuwere Natuurkunde sinds Huijgens het licht geene zelfstandige stof is, maar eene (unduleerende, golvende) beweging in eene middel stof, den zoogenaamden aether, veel fijner dan de lucht {J. A. Uilkens, Do Volmaakthed. van den Schepper , Ilde Deel, door Prof. C. J. Matt hes, 1856. p. 128 v.), zoo is het licht toch iets en wij mogen met M. Fr. Roos , Ein-leit. in die bibl. Gesch. I. S. 5 zeggen: Laat ons hier cle (joed-heid, wijsheid en almacht Gods bewonderen. Hij schiep aanstonds 0}) den eersten dag iets, hetwelk zoo schoon en voortreffelijk, was dat Hij zich niet schaamt zelf den naam er van te dragen. Hij schiep het licht en Johannes schrijft; god xs een licht (1 Joh. 1: 5). Hij zegt, deze weinige woorden waren de hoofdsom van al hetgeen de Apostelen van Jezus gehoord hadden. Opmerkelijk en In het oog vallend is de verwantschap van het Hebr. UK eu -OK. Licht (Oor) und Feuer [Our) sind inein-ander, zeido Comenius, Dolitzsch, biblische Psychol. S. 31».

681

-ocr page 710-

§13. DE VOORNAAMSTE SCHEPSELEN.

§ 13. De voornaamste Schepselen.

De schepping heeft haar toppunt en doel in het persoonlijke , redelijke schepsel. „In geheel het scheppingswerk zien wij een kennelijk voortstreven naar de Persoonlijkheid, het bewuste en vrije leven, dat de kroon der scheppingswonderen spant\').quot; Zonder dit zou God zelfs geene eere uit de schepping ontvangen. Ja de schepping zou geene openbaring Gods zijn, waren er geen redelijke schepselen, aan wie Hij zich er in openbaren kon, vatbaar en bestemd om Hem er in te erkennen en te verheerlijken, om het geschapene tot zijne eere te gebruiken en Hem en elkander daarmede te dienen. Het redelijke, God-kennende schepsel, om welks wil al het andere bestaat, is daardoor dan ook het vereenigingspunt aller schepselen en de grond der mogelijkheid van een levensband tusschen de schepping en God, door het inwonen van zijnen Geest, waarvoor immers alleen een redelijke geest vatbaar is s).

Boven alle andere schepselen staan dienvolgens de soonlijke 3), met rede begaafde , zelfbewuste, zelfwillende, zelfwerkende wezens. Dat zijn Engel en mensch. Behalve dezen worden in de heilige Schrift geen andere redelijke schepselen genoemd. Van meer bewoonde wereldbollen bui\' ten de aarde maakt de Heilige Geest in de Schrift geen melding, hetwelk anders, indien zij er waren, tot meerderen lof des Scheppers wel zou zijn geschied. Johannes zag in de Openbaring den geopenden hemel en den troon Gods,

\') Van Oosterzee, Dogmat. I. p. 428.

\'l) Vergel. Nitzsch, System der Chr. Lehre § 89,

3) Zie het Vierde Hoofdstuk van dit Leesboek p. 456.

682

-ocr page 711-

§13. DE VOOnNAAMSTE SCHEPSELEN.

maar hij zag geene andere aanbidders van God dan Engelen en menschen i)-

Men spreekt van sterrenbewoners, maar het zijn slechf.s gissingen. Wat sommigen daarvan beweren, als ware het eene uitgemaakte zaak, wordt door anderen tegengesproken»). De stelling, dat in de Schrift de Engelen juist als de be-

\') M. F. Roos, Einleit. in die bibl. Gosch. I. S. 268.

2) Aangaande de planeten verklaart Dr. J. H. A. Ebrard, Apologetik I. S. 317 als uitkomst zijner onderzoekingen: die Erde ist nicht ein Planet, zondern ist der Planet. In ihr ist Zweck und Bestimmung der Planeiennatur: Wohnsitz niederen und höheren organischen Lebens zu sein, vebwirklicht ; alle andern Planeten streben nur diezem Ziele zu. — En van de Zon; Dasz die Sonne bewohnt und bewohnhar sei, nimmt jetzt ivol niemand mehr an ; ein in einem unaufhorlichen Verhren-nungsprocess begrijfenener Körper kann nicht die Statte organischen Lebens sein. Toch wordt dit ook bij de aanneming van de Fayesche gashypothese voor mogeljjk gehouden door Prof. O. Zöckler, die Urgeschichte, in Beweis des Glaubens 1868. S. 503. — Van de vaste sterren zegt Ebrard a. w. S. 318 : Der Satz: jedeu Fixstern habe sein Planetensijstem um sich her, ist NOTORiscH falsch. Intusschen stemt hij toe, dasz es in der Fixsternwelt persnnliche /Creaturen geben könne, doch van hoo-goren aard en hij brengt daarmede dan weer de Bijbelleer van de Engelen in verband. — Dr. Thomas Chalmers , die in zijne Reden über die christliche Offenbarung, ans dem Engl, übers. von Reinecke, mit Vorwort von Prof. Tholuck, Rinteln und Loipz. 1841 bijzonder over de belangrijkheid onzer aardo (als schouwplaats van de hoogere openbaring der Goddelijke genade) bij hare betrekkelijke kleinheid veel voortreffelijks leert, zegt van do vaste sterren S. 14: Iedere van deze sterren moeten wij als een systeem beschouwen, hetwelk even groot en heerlijk is als het onze. Werelden wentelen zich in gindsche afgelegen ruimten en deze werelden moeten die woningen van levende en redelijke wezens zijn. Ieder lichtend punt eene zon en iedere zon een

683

-ocr page 712-

§ 13. DE VOORNAAMSTE SCHEPSELEN.

woners der sterren \') zouden zijn aangeduid, heeft geenen grond. „Geen enkele schriftuurplaats stelt de Engelen tot de sterren in eene nadere betrekking, dan dat beiden saam de hetnelsche heirmacht Gods uitmaken , de Engelen de geestelijke , de sterren de stoffelijke heirscharen1).quot; Ey uitnemendheid en doorgaans worden de laatste bedoeld , in tegenstelling tegen den sterrendienst (Sabeïs-me) s). Zoo bijzonder ook in den naam Jehovah, Sebaoth, de Heere (God) der heirscharen *). Daarop ziet ook het heir in Ps. 33 : 6 : „Door het Woord des Heeren zijn de hemelen gemaakt en door den Geest zijns monds al hun heir amp;),quot; Het heir der hemelen zijn zon , maan en sterren. Aan de Engelen valt hier niet te denken. Want het is gezegd naar Gen. 2 : 1 : „Alzoo zijn volbracht

G84

1

) Prof. E. IV. Hengstenberg, Commentar ttber die Psalmen. II. S. 89, zu Ps. 24: 10.

-ocr page 713-

§13. DE VOORNAAMSTE SCIUEPSELEN.

de hemel en de aarde en al hun heirquot; Het moet dus hier in den Psalm in denzelfden zin worden verstaan als Gen. 2 : 1. Daar echter was in geheel het voorafgaande hoofdstuk van de schepping der Engelen met geen woord uitdrukkelyk gesproken , maar wel van de schepping der hemellichamen. Bovendien was het David hier in den Psalm alleen om een handtastelijk bewijs vun Gods almacht te doen \').

Mozes vermeldt niets van de schepping der Engelen noch van bewoners der sterren. Hij , onderwezen in alle wijsheid der Egyptenaren, wist wel dat de aarde slechts een klein deel van de wereld was. Maar de Geest Gods, die in hem was, deed hem de geschiedenis der schepping voor de menschen schrijven , die op de aarde zijn , en voor dezen is de aarde , zoo lang zij hier wonen, het belangrijkst en de ver verwijderde sterrenhemel gaat hen minder aan , behalve voor zoover h\\j tot de aarde in betrekking staat»). Aangaande den hemel, de hemel is des

\') Hengstenherg, Comment, zu Ps. 33. 6.

2) M. Fr. Roos, Einleit. in die bibl. Geschichtcn I. S. 270 f. AnLang § 1 geeft, den liefhebber des Goddehjken Woords het volgende in overweging: Wal de sterrenlcimdigen door juiste waarnemingen en berekeningen vaststellen, mag geen redelijk metisch onder ten geestelijk of naluurljk voorwendsel in twijfel trekken. De Heilige Schrift bepaalt niets van de grootte der hemelbollen en van hunne afstanden van elkander, IVat ons veel en groot, ja ontelbaar en onmetelijk voorkomt, is het slechts voor ons. Bij God is het groole niet groot en het kleine niet klein. Ook komt het ten aanzien van de belangrijkheid eener maak niet op hare lichamelijke grootte aan. Een olifant is yrouter dan een mensch, een huis is yrooter dan degene die er in woont. — De aarde kan dus een zeer belangrijk deel der groote wereld zijn , ofschoon de zon , de meeste planeten

685

-ocr page 714-

§13. DE VOORNAAMSTE SCHEPSELEN.

686

Heeren , maar de aarde heeft hij der menschen kinderen gegeven. Ps, 115: 16\').

Onder de aardsche schepselen staat de mensch bovenaan. Zijne uitnemendheid blijkt reeds hieruit, dat met zijne schepping het werk der zes dagen sloot en onmid-delijk daarop de Goddelijke sabbat volgde. Geschapen aan \'t einde van het zesdaagsche werk bleek de mensch

en de vaste sterren, die haar lichten, haar in grootte overtreffen. Dat de aarde zich om de zon beweegt, kan mijnent-halve waar zijn, zonder dat ik de eerbiedigheid jegens den Bijbel daardoor verlies. — Er zijn optische spreekwijzen in de Heilige Schrift. Zij drukken de zaak naar de voorstelling, die men door de oogen bekomt, naar waarheid uit (evenals Hand. 27: 27 : de scheepslieden vermoedden dat hun eenig land naderde) en de geleerden spreken zeiven in de sferische astronomie aldus. Doch kan ook de leer van den omloop der aarde om de zon haar periodiek krediet hebben , gelijk zij dan niet volledig bewezen is. Daarbij beroept zich de auteur op Prof. Kraft te Tubingen, die een beroemd mathematicus en sterrenkundige was en in zijne Triga Orationum Academicaruna de Astronomia Tüb. 1847 , Or. III. p. 36 verklaarde: Nondum extra omnem dubii j actum posita est Copernici hypothesis, neque for san unquatn in terra hac erit ponenda. — Later heeft men echter een wetenschappelijk bewijs voor do jaarlijksche beweging dei-aarde om de zou willen vinden in de aberratie (afdwaling) der vaste sterren. Geen wonder, dat de Berlijnsche predikant G. Knak (1868) mot zijne openbare bewering, dat de zon om de aarde loopt, veel spot beliep. Vergel. ook O. ZöcUer, Die Urgeschichte, in Beweis des Glaubens 1868. S. 499. en Van Oosterzee, Chr. Dogmat. I. p. 305. Intusschen teekent Dr. Th. Christlieb, Moderne Zweifel. 2te Aufi. 1870. S. 871 aan : dasz das von der Welt meist ohne nahere Prüfung als unumstöszliche Wahrheit anye-nommem Copernikanische System eben doch nur eine scharfsinnig

\') M. Fr. Roos, Einleit. I. S. 1.

-ocr page 715-

§ 14. de engelen. wat ztj zijn. Ö87

het einde en de voleinding der schepping, en doordien op zijne schepping aanstonds de sabbat volgde, de ruste Gods en des schepsels in God, zoo bleek even daardoor de mensch , de beelddrager Gods , aan het hoofd aller aardsche schepselen gesteld als hun voorganger en aanvoerder , ja als hun eenig bekwaam vertegenwoordiger in de verheerlijking van God \').

§ 14. De Engelen. Wat zij zijn en wat zij doen.

Dat er Engelen zijn, leert de rede niet. Wij kennen ze alleen uit de Heilige Schrift. Sprak de Schrift er niet van, wij zouden er niets van weten. Wel is het denkbeeld van Engelen niet onredelijk. Integendeel wegens de volmaakt-

durchgefiihrte Hypothese ist, für die es wohl Walirscheinlich-keitsgrilnde, ober noch keinen zwing enden Beweis gib t, ja gegen die in alter und neuerer Zeit (z. B. auch von Göthe) Bedenken erhoben ivurden, da verschiedene Thatsachen ruit ihr nicht zu vereinigen sind. Audi grosze Forscher (A. v. Humboldt, K. v. Jtaumer, Gausz, Brandes u. A.) sollen ernste Zweifel über sie gehegt haben, wenn sie dieselben auch a us Furcht oor der öjfentlichen Meiuung selten zu auszern wagten. Nftheres s. Schöppfer , die Widerspruche in der Astronomie. 1869. S. 3 ff.). De beroemde astronoom Dr. J. II. Madler Leitfaden der mathem. u. algem. phijsischen Geographie § 15 geeft althans zooveel toe, dat sjaargetijdon en dagleugten zich evenzoo zouden vormen, indien de aarde in rust bleef en de zon met allo andere gesternten de waargenomene bewegingen werkelijk maakte en ook de maans-en zonsverduisteringen zouden op dezelfde wijze plaats hebben.quot; Intusschcu alles is in beweging, ook do vaste sterren staan niet stil (Dr. G. II. v. Schubert, Lehrb. der Stemkunde, ote Aufl. S. 53) , ook Madlers centraal-zon niet.

1) Dditsch, Bibl. Psychol. S. 58 f.

-ocr page 716-

§14. DE ENGELEN. WAT ZIJ ZIJN.

heid van het heelal is het aannemelijk, dat er niet alleen enkel stoffelyke schepselen bestaan en zulke die ten deele stoffelijk en ten deele onstoffelijk zijn, maar ook enkel onstoffelijke. En „de trapsgewijze opklimming, die wij in rij en rang der wezens ontdekken, maakt het waarschijnlijk , dat er niet slechts beneden, maar ook boven den mensch onderscheiden schakels in deze keten bestaan i).quot; Ook met de geestelijkheid Gods komt de voorstelling overeen, dat Hij geestelijke dienaars heeft, die in hun dienst en werk door geen stoffelijkheid belemmerd worden. Eindelijk wijst men ook op de ervaring, op werkingen en verschijnselen, die noch van God (onmiddellijk), noch van stoffelijke oorzaken konden komen2).

Maar dit alles geeft ons geene zekerheid. Zonder hooger licht kan de rede zuiver geestelijke wezens alleen denkbaar vinden. Meer niet. Door zich zeiven kon geen mensch er toe komen, het bestaan van Engelen te erkennen. — En wat de trapsgewijze opklimming betreft, zoo moeten wij voorzichtig zijn, om niet te hoog te klimmen. De ladder der schepselen moet toch een laatste sport hebben. Wij mogen niet toegeven aan den eisch: al hooger! Immers er moet toch een einde aan zijn. Want tusschen het schepsel, hoe verheven ook, en God blijft er een onmetelijke afstand. — Ook het denkbeeld van zuiver geestelijke dienaren Gods overeenkomstig zijne geestelijke natuur ligt niet in de rede op zich zelve en is geene noodzakelijke gevolgtrekking uit de natuur Gods. God kan er evengoed zonder gedacht wor-

\') Van Oosterzee, Dogmat. I. p. 428.

\'l) P. Van Mastricht, Godgol. II. p. 5. B. De Moor, Com-moutar. II. p. 299. Twesten, Vorles. II. 1. S. 306 , vergel. met S. 363.

688

-ocr page 717-

§14. DE ENGELEN. WAT ZIJ ZIJN.

den en er wordt aan het allervolmaaktste Wezen niets door toegebracht. En wat de werkingen en buitengewone verschijnselen betreft, zoo wordt ook daardoor de rede, aan zich zelve gelaten, geenszins tot de idee en de erkentenis van Engelen gedrongen , als moest men bij de werking Gods en de natuurlijke oorzaken nog een derde soort van oorzaken te hulp roepen. Wat er ooit op aarde boven-aardsch verscheen, dat het Engelen waren kon niemand uitdenken. Alleen Goddelijke openbaring leerde het. Wat er ooit buitengewoons gebeurde, niets noodzaakt ons, de tusschenkomst van hoogere wezens daarbij aantenemen, waardoor God slechts meer voor het oog verwijderd zou worden , niets hindert ons aan eene onmiddelijke werking Gods te denken.

Dus is in geenerlei wijze de rede, maar alleen Gods Woord de bron, waaruit de leer van de Engelen is gevloeid. Wie het gezag van Gods Woord eerbiedigt, neemt ook het bestaan der Engelen als onbetwistbare waarheid aan. De Profeten, Christus zelf en de apostelen getuigen er van, niet slechts beeldsprakig, maar met eigenlijke woorden. Het behoort tot de leer , die zij geleerd hebben en die men niet kan verwerpen noch vervormen of men vergrijpt zich aan de Goddelijke waarheid.

Wat zijn de Engelen ? Hooren wij de Heilige Schrift. Zijn zij niet allen gedienstige geesten, die tot dienst uitgezonden worden om dergenen wil, die de zaligheid beërven zullen? Hebr. 1: 14. De vraag is eene nadrukkelijke bevestiging. De Apostel bewijst de hoogheid van Christus boven de Engelen. Christus is Gods Zoon en troongenoot; de Engelen zijn zijne dienaren. Wat zijn de Engelen bij Hem? Doch terwijl de Apostel de minderheid der Engelen betuigt,

Gravemeijor, Gorof. Gol. leor. H

689

-ocr page 718-

090 § 14. DE ENGELEN. WAT ZIJ ZIJN.

geeft hij er meieen eene merkwaardige verklaring van en leert ons hoe wij ze beschouwen moeten.

Het zijn geesten. Hierin ligt, dat het niet slechts krachten dor hoogere wereld zijn , maar levende , redelijke zelfstandigheden , met verstand en wil begaafd, personen. Of zij een lichaam hebben ? Onder de vroegste Kerkleeraren hebben velen hun eene fijnere, aethe-rische lichamelijkheid toegeschreven i). Ook nieuweren zijn van dat gevoelen1). Maar de naam geesten sluit alle lichamelijkheid uit: want een geest heeft geen vleesch en heenen , Luc. 24 : 39 , \'t zij lijner of grover. Geesten zijn het, onstoffelijke , eenvoudige wezens , zonder lichaam volledig, dus verschillend van den mensch in zijn samenstel met lichaam en ziel en ook van de ziel , die gescheiden van haar lichaam, haar betrekking tot dat lichaam behoudt en naar haren aard bestemd is om in het lichaam te wonen s).

Er zijn naar het ontwijfelbaar bericht der Heilige Schrift Engelen op aarde verschenen en door menschen met oogen gezien. Soms in een werkelijk menschelijk lichaam, voor die oogeblikken , en tot hetgeen zij hier te verrichten hadden hun door Gods almacht gegeven en daarna wederom vernietigd. Aldus zeker in de merk-

1

) Bijzonder Leibnitz on zijne volgelingen. Doch ook Stier, Reden des Herrn Jesu II. S. 4G0, zu Matth. 22 : 30, on O. Zöckler, Urgoschichte, in Beweis des Glaubens 1868. S. 506. Vergol. Tivesten, Vorles. II. 1. S. 309. Tegen de lichamelijkheid der Engelen komt bijzonder op Delitzsch, bibl. Psychol. S. 65. f.

:i) P. Van Mastricht, Godgol. TI. p. 8. 15. v.v.

-ocr page 719-

§ 14. DE ENGELEN. WAT ZIJ DOEN.

601

waardige verschijning aan Abraham Gen. 181). Soms ook wel alleen in de aangenomen gedaante van een men-schelijk lichaam. Aldus b.v. Zach. 2 : 3 en in do Openbaring overal. Zij zijn niet alomtegenwoordig , maar telkens tot ééne plaats bepaald , zoodat zij gezegd moeten worden in deze plaats te wezen en niet in hetzelfde tijdstip ergens elders.

Het zijn gedienstige of dienstbare geesten, geen geringe,

\') Zie het Ttwacfc Hoofdstuk van dit Leesboek p. 134. Gen. 6 ; 2 wordt verhaald : Dat Gods zonen de dochteren der menschen aanzagen, dat zij schoon waren en zij namen zich vrouwen uit allen die zij verkoren hadden. Eu vs. 4: In die dagen waren er reuzen op de aarde en ook daarna, als Gods zonen tot de dochteren der menschen ingegaan waren en zich [kinderen] ge-wonnen hadden: dezen zijn de geweldigen, die van ouds geweest zijn mannen van name. De Joodsche Cabbalisten hebben onder Gods zonen engelen verstaan, bij name Asa en Asacl. J. A. Eisenmenger, Entdeektes Judenthum 1711. II. S. 430. (Geheel het 8ste Cap. p. 408—468 bericht was die Juden van den hósen Engeln ader Teufeln lehren.) Met do Joden stommen eenige Kerkvaders in en houden do zonen Gods voor Engelen, die uit de menschen vrouwen namen en men wil daarin dan den val der Engelen vinden. Vorgel. Twesten, Vorles. II. 1 S. 332. Maar geheel do Heilige Schrift vermeldt noch veronderstelt ook maar als mogelijk oeno vloescbolijke vermenging van Engolon en menschen; ja Luc. 20: 35 leert het hot tegendeel. Ook is do samenhang in Gen. 6 tegen die verklaring. Immers daar wordt aanstonds alleen gesproken van een onder de mcnschen ingebroken verderf, niet van oen verderf door de Engelen veroorzaakt, en de menschen, niet do Engolon, worden er mot straf bedreigd. De oudjoodscbo opvatting is voornamelijk weer voorgestaan door J. II. Kurtz, Die Ehen dor Söhno Gottes mit den Töchtorn dor Menschen. 1857. Hem volgen velen, ook Delitzsch, bibl. Psychol. S. 117. Maar wij mogen met Ebrard, Chr. Dogmatik I. § 231. S. 278 zeggen; Nach richtiger Erklarung ist dort (Gen. 6)

-ocr page 720-

§ 14. nr; kngetrn. wat zij doen.

maar, gelijk het Woord in den grondtekst Hebr. 1 : 14») aanduidt, zulke dienaren Gods, die eene plechtige en statelijke bediening bekleeden. Zij dienen hunnen God en Christus, dien immers de Engelen en machten en krachten onderdanig gemaakt zijn , 1 Petr. 3 : 32. Deels door aanbidding. Daarvan heeft eens Jesaja iets gezien, Jes. 6 ; maar nog moer Johannes Op. 5:11, waar zij voorkomen aanbiddende den Heere Jezus, die op den troon zit, terwijl zij rondom den troon zijn en Op. 7 : 11 , waar zij voor den troon nedervallen en God aanbidden. Deels door bijzondere dienstverrichting voor

nicht von einer geschlechtlichen Vermischung der Enyel and menschlichen Weiher , sondern der Sefhiten und Kainiten die Rede. Van dit gevoelen is ook Dr. G. F. Oehler, Theol. dos A. T. I. S. 205 f. Calvin, Coimneutar. in Gen. 6:1: Vetus illud commentum de Angelorum concuhitu cum mulieribus sua dbsurMate ahunde refellitur ac mirum est, dovtos viros tam crassis et prodigiosis deliriis fuisse olim fascinatos, Int isschon Robert Kühel in Herzogs Eoal-Encycl. 2te Aufl. 1878, onder hot woord Engel, IV. S. 222 vindt het wederom zeer waarschijnlijk, dat in Gen. G sprake is van Engelen. — Hot blijft ongetwijfeld staan wat Ebrard zegt, Christl. Dogm. I. 285; Geschlechtlieh-keit findet bei den Engeln nach offenbarer Schriftlehre nicht statt. — Men gaat dan wel wat ver, wanneer men met H. Witsius Exercit. I. in Jes. 6: 2 (Miscellan. Sacra Tom. II. p. 16) zegt: Wanneer Engelen in menschelijke gedaante verschenen, muet men ze zich voorstellen als begaafd met al- de deelen die tot de volledigheid van het menschelijke lichaam behoortn: ook met die welke bijna, alle volken het natuurlijk schaamtegevoel leert bedekken. Witsius, verstaat Jez. 6:2: ieder Seraf bedekte met twee vleugelen zijne voeten, onder deze voeten met Grotius: ea quae velari jubet pudor. Desgelijks C. Vitringa, Commentar. in Jes. a. 1. I. p. 173.

\') \'/.sirovpyiy.x 7rvsvy.XTX. Vuig.: administratorii spiritus.

C)92

-ocr page 721-

§ 14. DE KNüULEN, WAT £1J DOEM.

God \') op aarde, waartoe zü van den hemel uitgezonden worden (vandaar hun naam Engelen d. z. gezanten, boden) om dergenen wil, die de zaligheid beërven zullen. Hun dienst is altijd ten nutte van Gods volk, indien niet onmiddellijk, dan toch in de bedoeling en uitwerking. Deze beschouw ng van het werk der Engelen op aarde gaat door geheel de Heilige Schrift2) , en daaruit blijkt hunne nauwe betrekking tot het genadewerk Gods in de menschheid. Zij kunnen intusschen niet werken dan naar den wil van God, als dienaren zijner voorzienigheid. Reeds in het boek Job wordt beslist geleerd en treffend vertoond, dat de goede en de kwade Engelen bij al hunne verrichtingen voor of tegen de menschen volstrekt afhankelijk zijn van den wil Gods ; van Hem ontvangen zij bevelen (Job. 1 : 6) en ook de Satan kan niet meer dan God hem toelaat (Job 1 : 12 v. v.). Hierdoor verviel alle grond van vreeze voor de Engelen en van Godsdienstige eerbewijzing jegens hen.

God is de souvereine Heer ook der Engelen. Ps. 104 : 4: Hij maakt zijne Engelen geesten , zijne dienaars tot een vlammend vuur 3). Paulus haalt Hebr. 1 : 7 deze woor-

\') Uit is bij fi? quot;biXKOvixv vast te lioudou, golijk Dr. G. Lü-netnann zu Hebr. 2 : 14 to roobt herinnert. Do Engelen dienen geen menschen maar Grod. Br staat niet, toïs ^sKXavri of tmv ftshhóvruv maar tous (AsKkavrxq y.fypovo//,sïy euryplxv. -) /ƒ. Cremer, Bibl.-theol. Wörterb. S. 20.

3) üri1\' KW vrma nimn rïtw LXX : ó ttoiüv

t ; t : t t : - v ^

toïn; ^xyye\'aous xvtoïi ttvsu/axtx xx) tovs xsnovpyohq xvtoü irupis (pkiyx (Vaticaansche tekst: irvp cpxsyov). Bvouzoo Hebr. 1; 7. De meeste uitleggers vertalen: Hij maakt winden tot zijne boden en vimrvlammen tot zijne dienaren. Waarvan Vort Gerlach

093

-ocr page 722-

§ 14. DE ENGELEN. WAT ZIJ DOEN.

694

den aan , waar hij van Christus\' meerderheid boven de Engelen spreekt. Hier en in den Psalm zijn Engelen en dienaars één en dezelfden en voor geesten is te vertalen winden. Het maken ziet niet uitsluitend (hoewel zeker met toespeling) op de schepping der Engelen : want er wordt niet gezegd : Hij heeft ze zoo gemaakt, maar Hij maakt ze als winden en vuurvlammen, hetwelk beteekent, dat God aan deze wezens voortdurend zulke hoedanigheden en bekwaamheden verleent en dat Hij ze ook zoo gebruikt en zij Hem als zoodanig dienen. God geeft aan deze zijne boden en dienaren de snelheid der winden en de kracht van vlammend vuur. Gelijk storm en bliksemvlam, zoo snel voortschietend en zoo krachtig werkend zijn de Engelen; verhevene, machtige wezens dus, maar toch slechts dienaren.

Zij bewaren de vromen. Ps. 91: 11: Want Hij zal-zijne Engelen van u (u aangaande) bevelen, dat zij u betvaren in al mve wegen. Dit spreekt de Psalmist in den name des Heeren tot een ieder geloovige, waaruit de ongegrondheid blijkt der stelling dat elk zijn eigen beschermengel

zu Hebr. 1 : 7, 3te Ausg. zegt: »doze vertaling is hior gelijk in don Psalm verkeerd.quot; Anders Dezelfde zu Ps. 104 ; 4. Prof. E. Böhl, diu alttestam. Citate im N. T. S. 206, vindt do vermelding dor Engelen in Ps. 104: 4 heel passend: God, de Jco-niny des heelals, verschijnt in de hcmelsclie gewesten niet zonder zijne trawanten , van ivie bericht icordt, op hoedanicje wijs zij op aarde werlc$n. En hij herinnert hierbij aan do Seraphim (Joz. 6): vlammende gestalten , beeld van vurigen dienstijver , mot drie paar vlougeleii, beeld van snelheid. — Do volgorde der woorden pleit er voor in Ps. on Hebr. Engelen en dienaars als object, geesten (winden) en vlaiumond vuur als praodicaat bij maken to nemen. Dus oordeelt ook Tholuck, Kommentar zum Briofe au dio Ilobrilor S. 124.

-ocr page 723-

§ 14. DE ENGELEN. WAT ZIJ UÜEN.

zou hebben i). Immers de bevelen des Heeren gaan uit tot de gansche Engelenschaar en raken geheel de gemeente Gods en ieder lid van haar. En hel is gelijk Galvijn hierbij aanteekent: „God werkt door Engelen op verschillende wijze, nu eens door eénen Engel voor meer volken, dan voor éenen mensch door meer Engelen.quot; Wat Jakob in den droom zag Gen. quot;28: 12: Ziet eene ladder was gesteld op de aarde, welker opperste aan den hemel raakte en ziet de Engelen Gods klommen daarbij op eti neder, daarin werd reeds atgebeeld hetgeen aan geheel het uitverkoren geslacht en aan deszelfs enkele leden in allo tijden geschieden zou. „Wie eenen genadigen God en Vader in Jezus Christus , den Heiligen Geest in het hart en een goed gebed in voorraad, ook een ordelijk beroep in (en met vrede voor) zijn geweten heeft en daarby blijft, die heeft een sterk geleide s).quot;

\') Calvinus komt mot rodonon op togou do Roomscho voorstelling van bijzondere boschermcngolen voor plaatsen en personen. Instit. I. 14. 7. Beslister Commontar. in Psalm. 91: 11. Idem in Act. Apostol. 12 : 15. Evenzoo Hengstenberg , Com-mentar über die Psalmen zn Ps. 91: 11. en IV. S. 278. Andoren verklaren de bijzondere Boscbonuengelen voor Schriftleer. Dus ook Dr. Böhmar in het (ietwat chaotisch) artikel Engel in Herzogs lleal-Enc. IV. S. 25 le Ed. Anders U. Kilbel in hetzelfde werk 2te Aufl. IV. S. 226: Die Annahme von sog. speciellen Schutzengeln der Einzchien, die aller dings die alexandrimschen Juilen sehr gepjlegt haben, ist durch Stellen wie Mt. 18 ; 10 (wo freilich selbst Exegeten ivie Meyer diese Er age nach Schutzengeln bejahen) nicht erwiesen. Volgens do leer van soinmigo Rabbijnen zou iedor mensch oenen Engel iu don hemel hebben die voor hom bidt ou zijn voorspraak is. Eisenmenger, Entdecktes Ju-denthum II. S. 380.

\'2) G. H. Rieger, kurzo Botrachtungen über die Psalmen. S. 151. Do Olsto Psalm ia oen troostrijk antwoord op Psalm. 90,

(105

-ocr page 724-

§ 14. DE ENGELEN. WAT ZIJ DOEN.

Als dienaren der Goddelijke voorzienigheid verschijnen Engelen tot bescherming der rechtvaardigen. Gen. 19:16 wordt Lot met de zijnen door Engelen uit Sodom gered. Matth. 2: 13 wordt Joze/1 bij dreigend gevaar door een Engel des Heeren gewaarschuwd. Luc. 16 : 22 wordt Lazarus door de Engelen gedragen in den schoot Abrahams. Naar Matth. 24; 31 zullen voor het oordeel de Engelen de uitverkorenen bijeenvergaderen uit de vier winden. De bewaring en redding van Gods volk geschiedt soms ook door plotselijke verdelging der vijanden. 1 Kon. 19 : 35 slaat een Engel (wellicht door pest) in éénen nacht 185000 man uit het heir van den Assyrischen koning Sanherib, hetwelk Jeruzalem onderkoning Hizkiabelegerde\'). Handel. 12 : 23 slaat een Engel des Heeren den koning Herodes Agrippa, den vervolger der gemeente, daarom dat Hij Gode de eere niet gaf en hij werd bij levenden lijve van de ivormen gegeten, en gaf (op den vijfden dag daarna) den geest. Het was een Engel des Heeren, dus een goede Engel. Door

waarom velo Ouden dachten, dat bij door Mazes was geschreven, gelijk Ps. 90. Door Ps. 91 werd, zegt men, de Eussische keizer Alexander I gewekt. De Gravin Tolstoi bad hem dezen Psalm in schrift gegeven des avonds voor zijne afreis tegen Napoleon, in bet jaar 1812. In don Cholera-tijd werd deze Psalm, zelfs door geneesheeren, aanbevolen als middel om het vertrouwen op God te verlevendigen in doodsgevaren. Richter , Er-kliirte Hausbibel zu Ps. 91.

\') Für .leden , dem die Plattheit unserer Tage noch Fakigkeit far die lebendige Anschauumj der Vergangenheit aus dei. einfa-chen und kurzen Worten der alten Krzühlungen gelassen hat, gibt es nichts Ergreifendtres als die Schildernng des Alten Tes-tamente.s, wie Sanherib im vollsten Uebermuthe des Eroherers, int Wahne übermenschlicher Gewalt durch einenplötzlichen Schlag

696

-ocr page 725-

§ 14. DE ENGELEN. WAT ZIJ DOEN.

goede Engelen strafte God meermalen booze menschen, gelijk Hij de rechtvaardigen beproefde en tuchtigde door booze Engelen. Het waren goede Engelen, die de Heere uitgezonden had om Sodom te verderven (Gen. 19:13). Het was een Engel des Heeren , die het, leger der Assyriërs sloeg. Daarentegen de booze Satan plaagde Job en een Engel des Satans Paulus (2 Kor. 12 : 7).

De Engel, die Herodes sloeg, was onzichtbaar. Hem zag geen mensch. Alleen de geloovigen werden het gewaar. Vandaar, dat Jozefusi), die deze gebeurtenis anders uitvoerig beschrijft en over het geheel met Lucas overeenstemt, niet van eenen Engel gewaagt. Maar Jozefus spreekt van eene uil, die Herodes dadelijk na de vergodende vleitaal des volks boven zijn hoofd op een touw (een van die touwen, waaraan de dekkleeden tegen de zon hingen) zou hebben zien zitten. Van dat bijgeloovig toevoegsel vinden wij bij Lucas niets. Zoo onderscheidt zich de heilige schrijver van den ongewijden. Goddelijke geschiedenis van mensche-lijke. Velen hebben in hetgeen Herodes trof slechts een natuurlijk toeval willen zien2). Maar de Bijbelsche historie gaat dieper ; zij meldt de ware, geheime oorzaken, waarvan

unmittelhar aus der Hand Gottes niedergeschmettert wird Es ist ein Gericht, wie dus in Moskau, ober noch plötzlicher und darum noch furchtbarer. Und in der That yiht es wenige gröszere Wendepuncte in der Geschichte. Die Herrschafl der Semiten neigt sich von mm an unaufhaltsam ihrem Endc zu. Niehuhr. Ilengstenlerg, Gesch. des Reiches Gottes unter dem A.U. Zwoite Periode. Zweite Hiilfto S. 257 f.

\' J Zie bij Meijer,. Kommentar zur Apostelgosch. 12; 21 ff. en Bengel, Gnomon a. 1.

J) B. v. phthiriasis , luizenziokte, ja zelfa (Eichhorn) plotso-lijke verhouding !

697

-ocr page 726-

§ 14. de engelen. wat ZIJ üoen.

intusschen degenen, die slechts aannemen wat zij met oogen zien en met hun verstand bevatten, niet weten willen.

Geen wonder dat zoovelen hot aanwezen van Engelen go-heel ontkenden. „In alle tijden, bijzonder onderdo nieuwste verlichting, heeft het verstand aan het bovenzinnelijke getwijfeld, daarom ook de geestenwereld geloochend. Bijgevolg kunnen de Rationalisten de Engelenleer voor eene heilige Sago (volksoverlevering) houden, daar de Rede slechts de mogelijkheid der Engelen bewijzen kan. Ons rust hot geloof aan hun werkelijk bestaan op de Heilige SchriftVan de Sadduceëu wordt bericht Hand. 23 : 8 : zij zeggen dat er geene opstanding is, noch Engel, noch geest, maar de Fa-rize\'èn belijden het beide. Wanneer do Sadduceën den Pentateuch (de vijf boekon van Mozes) nog aannamen, waarin immers Engelen voorkomen , dan hebben zij die Engelen wellicht voor enkel figuren en zinnebeeldige uitdrukkingen verklaard, gelijk ook nog vele uitleggers en Godgeleerden doen. Dat zij werkelijk het bestaan van Engelen loochen-deu i) blijkt ook Matth. 22 : 30 hieruit, dat Jezus in zijn

\') Hase, Hutter rodiv. § 77 Sage. Dus ook Schleiermacher, Dor christl. Glaubo. 3to Ausg. I. S. 202 : Die Erzahlungm von Abraham , Loth, Jacob, von der Berufung das Moses unci Gideon, der Verkündigung des Simson , tragen das Geprage dessen, was ivir Sage zu nennen pflegen, sehr deutlioh an sich. — Tegen de ongegronde , onhistorische meening, dat de Engelenleer dor Israülieten haren oorsprong van de Perzen zou hebben, komt te recht ook Ebrard op, Christl. I Dogm. § 231 ff. en Wissensch. Kritiek, der evangel. Gosch. 3te Aufl. S. 265.

a) Ed. Reusz in Herzogs Real-Enc. XIII. S. 294 le Ed. ontkent dit en vat de twistvraag tusschen Farizeün en Sadduceën dus op: of thans nog aan iemand onmiddelijk en innerlijk (Trvev^x) of middellijk en uiterlijk {ayyeKoz) eene Goddelijke openbaring ten,

G98

-ocr page 727-

§ 14. DE ENGELEN. WAT ZIJ DOEN.

twistgesprek met hen ook van de Engelen uitdrukkelijk en bevestigend gewaagt.

Tegenover degenen, die of het bestaan van Engelen volstrekt loochenen, gelijk de materialistische Sadduceën, of hun allen invloed op ons menschen ontzeggen •), staan op het ander uiterste de Roomschen en Grieken, die de En-len vereeren en aanroepen4). Tegen de heilige Schrift: Openb. 19: 10. 22 : 9. Kol. 2 : 18. Wij hebben ons aan Hem te houden, wiens dienaren zij zijn.

§ 15. De Engelen. Wanneer geschapen ?

De Engelen zijn schepselen. Zij zijn niet eeuwig gelijk God, wel zonder einde maar niet zonder hegin. Hun

deele kon vallen. De Farizeën zeiden: ja, de Sadduceën; neen. Geheel willekourig. Reuse ontkent ook dat de Saddnceün alleen deu Pentateuch voor canoniek hielden. Ibid. S. 295 f.

\') Schleiermacher, Der chr. Grlaubo I. § 43. Balthasar Bakker nam Engelen aan, maar ontkende hunne onmiddollijke werking op geost en lichaam des menschen. Ilagenbach, Dogmengesch. 8to Anfl. S. 640.

-) Catechismus ex Decreto Concil. ïrid. Pars III. c. II. qu. IX. ed, Tanchn. p. 301, waar voor de voreeritig dor Engelen zooi-zwakke gronden bijgebracht worden : do oer aan ouders on ouden te bowijzeu; do eerbewijzing jegens koningen; voorts hunne liefdevolle voorbidding, voorzorg en wacht, hot overbrengen van onze gebeden eu tranen voor God (nostras enim proces Deo offorunt ot lacrymas). Doch wordt ib. qu. VIII. herinnerd: Ofschoon de Christtnen gezegd worden de Engelen te aanbidden (adorare), naar het voorbeeld van de heiligen des Ouden Testaments, vereeren zij hen echter niet als God (non oam tarnen illis venora-tionern adhibent, quarn Deo tribuunt). Lezen tvij dat soms En-

099

-ocr page 728-

700 § 15. DE ENGELEN. WANNEER GEbUUAPEN?

leven verwelkt niet, zij zijn onsterfelijk, zij zullen in alle eeuwigheid zijn, maar zij zijn niet van eeuwigheid geweest. Want van eeuwigheid is alleen de Drieëenige God, en al wat buiten Hem bestaat, heeft een begin gehad.

De Engelen zijn geschapen. Het zijn geen uitvloeisels uit het Wezen Gods. Zij zijn niet gegenereerd van den Vader gelijk de Zoon en niet uitgaande van den Vader en den Zoon gelijk de Heilige Geest. Geschapen zijn zij , voortgebracht uit niet door eene naar buiten gaande werking Gods.

Mozes meldt niet uitdrukkelijk van de schepping der Engelen. Hij noemt in de geschiedenis der schepping alleen die werken Gods , die voor ons zichtbaar zijn, en bepaalt zich bij hetgeen de aarde en haren beheerscher, den mensch , raakt. Doch daar Mozes vervolgens de Engelen als dienaren Gods invoert , legt hij de sluitrede in de hand , dat Hij dien zij dienen hun Schepper is\'). En wordt Gen. 1 : 1 in het algemeen gezegd wat God in den beginne schiep : den hemel en de aarde , zoo zijn daarin de Engelen mede begrepen.

Hetgeen wij vooral dienen vast te houden en waarop wij

gelen de vereering door mensehen geweigerd hebben, zij deden het wijl zij deselfde eer niet wilden ontvangen die alleen Gade behoorde. Do Cat. bowoort daar vooraf, dat do voreering dor Engelen enz. niet strijdig is tegen liet eerste gebod: Want kondigt een koning af, dat niemand zich (buiten hem) als koning gedrage of zich koninklijke eer late aandoen, wie is zoo onzinnig aanstonds te gelooven : de koning wil niet dat aan zijne overheidspersonen eere worde bewezen ? — Du Katholieke Theologen onderscheiden Kxrpsix, Godsdienstige vereoring (cultus religio-sus) die alleen Gode toekomt , en quot;hovXsix jegens de Engelen ; in de practijk niet licht te scheiden. Vergui. Twesten, Vorles. II. 1 S. 344.

1) Calvin. Inst. I. 14. 3. Oehler, Theol. dos A. \'1\'. I. S. 204.

-ocr page 729-

§ 15. de engelen wanneer geschapen?

bijzonder gewicht moeten leggen is dit: De Engelen zijn niet vótr het begin en ook niet na de zes dagen

Vele Grieksche Kerkvaders\') hebben geleerd en ook nieuwere Godgeleerden^) stellen, dat de Engelen vóór deze wereld zijn geschapen. De Socw/awew») hebben dit gretig opgenomen, dezen met het booze oogmerk, om het bewijs voor de Godheid van den Zoon en den Heiligen Geest, door de recht-zinnigen uit hunne in de Schrift geleerde eeuwigheid ontleend, te ontkrachten. Maar dit gevoelen mist allen schriftuurlijken grond. Immers vóór het begin, van hetwelk de Schrift spreekt, is er geen ander begin geweest, of het eerste was het begin niet. Zoomin als vóór, evenmin kan men na de zes dagen de schepping der Engelen plaatsen. Want al wordt ook Gen. 2:1: Alzoo zijn volbracht de hemel en de aarde en al hun heir door dit heir niet bepaald het Engelenheir bedoeld , zoo wordt toch al wat schepsel is samengevat in de woorden van het vierde gebod Ex. \' 20 : 11 : In zes dagen heeft de JJeere den hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is en Hij rustte ten zevenden dage.

Op welken der zes scheppingsdagen de Engelen hun bestaan hebben ontvangen, is niet met zekerheid te zeggen. Dat zij er intusschen vóór het werk van den derden reeds waren, heeft men niet zonder reden afgeleid uit Job 38 : 6, 7, waar de Heere tot Job spreekt: Waar waart gij, toen

Ik de aarde grondde?--Waarop zijn hare grondvesten *

%

nedergezonhen ? of wie heeft haren hoeksteen gelegd ? Toen

\') Hagenbach, Dogmongosch. S. 277.

2) Ook Kurtz, Storrenkundo on Bijbol p. 44.

:l) Hagenbach a. W. S, 639. F. Van Mastricht, Godgel. II. p. 13.

4) Zio bovon bl. 684 v.

701

-ocr page 730-

702 § 15. UE ENGELEN. WANNEER GESCHAPEN.

de morgensterren te zamen vroolijk zongen en al de hinderen Gods juichten. Met dezen zijn zeker de Engelen bedoeld. Immers menschen waren er nog niet. De Engelen worden morgensterren genoemd wegens hun licht en glans en wegens de zuiverheid van hun wezen; kinderen Gods, omdat zij naar Gods beeld zijn gemaakt. Wordt daar nu het ontstaan van het vaste land geteekend, deszelfs scheiding uit de wateren (dat het droge gezien worde!quot; En God noemde het droge aarde, Gen. 1:9, 10), dan worden wij verplaatst op den derden dag, en de Engelen bestonden dan reeds op dien dag en verheerlijkten met elkander den Schepper.

Hiermede komt overeen Ps. 104, waar op de vermelding der Engelen v. 4 : Hij maakt zijne Engelen geesten, zijne dienaars tot een vlammend «wwr\'), onmiddellijk volgt v. 5 : Hij heeft de aarde gegrond op hare grondvesten. Deze Psalm behelst wel geen eigenlijke beschrijving van het scheppingswerk, maar eene schildering en lofverheffing van de groot-heid Gods in zijne voorzorg voor de levende schepselen, tot bemoediging der gemeente in eenen tijd van benauwing docr Heidensche macht. Doch het schoone tafereel sluit zich nauw aan Gen. I aan, en houdt in het algemeen de volgorde der scheppingsdagen5). Het eindigt met Hallelujah, hetwelk hier de eerste maal in den Bijbel voorkomt. Eerst

\') Zie boven bl. 62.

\'-) Um so tceniger soil man iie leur zen Deschreibungen Mosis als verhlümte Reden unsehen und entkriiften, ueil der Heilige Geist auch lange Zeit hernaeh andere Manner Gottes immer «uf dies er Spur der seeks Tagwerle fortgeleitet hat, wie jetzt auch dies er Psalm meist darnaeh eingerichtet ist. C. H. Rieger, kurzo Botrachtungen über die Psalmen. S. 170.

-ocr page 731-

§ 15. DE ENGELEN. WANNEER GESCHAPEN? 703

wordt het licht genoemd, v. 2a, het werk van den eersten dag. Dan v. S1quot; en v. 3 het uicspansel en de wolken, het werk van den tweeden dag. Daarbij worden de Engelen vermeld v. 4, terwijl v. 3 de grondvesting der aarde volgt, hetwelk op het werk van den derden dag schijnt te zien. Hieruit hebben sommigen besloten , dat de Engelen tus-schen gt;) het tweede en het derde dagwerk zijn geschapen; anderen: op den tweeden dag1).

Onder de oude Gereformeerden nemen de meesten aan, dat de schepping der Engelen geschied is op den eersten dag, „met den derden hemel, hunne woonplaatsquot; s). Aucjus-tinus 4) begreep de Engelen onder het licht. Gen. 1 ; 3.

Het getal der Engelen is wel eindig, maar zoo groot

1

S. 9. 15. Dr. Böhmer in Herzogs lleal-Enc. IV. S. 26 le Ed. merkt aau : Die Erde war festgegründet, indem Gottessöhne jauchzten (Job 38 : 7) — also schon am driften Tage gab es deren und es ist unrichtig, dasz die Engel erst am filnften Tage oder gar nehst einigen andern sonst nicht unterzuhringenden Geqenstünden in der Abenddammerung des sechsten geschaff\'en seyen. Aher aucJi nicht am zweiten, sondern im Masze des Fortschreitens des Schop-fungswerks. Naar Böhmer dus niet op éénmaal. Intusschen zijn bij bom Schrift, Alexandrinisme en Rabbinismo wonderlijk dooreen gemengd. Hij vertelt ook t. a. pl.: Die Dienstengel verstehen kein Aramaisch (daher die Judegt;: uur hebraisch beten sollen) auszer Gabriel, der den Joseph die 70 Sprachen lehrte. Men vindt ditzelfde nader bii Eisenmenqcr, entdecktes Judenth.

-ocr page 732-

704 § 15. DE ENGKLEN. WANNEER GESCHAPEN?

dat zij voor ons niet te tellen zijn. God heeft in den beginne maar éénen mensch geschapen en uit dien éénen eenen tweeden en uit deze twee is geheel de lange en breede reeks der menschen voortgeteeld. Maar de Engelen heeft Hij allen tegelijk geschapen en wel in eene onbedenkelijke menigte\'). Daniël 7 : 10 zegt van het gerichte Gods dat hij zag: duizendmaal duizenden dienden Hem en tienduizendmaal tienduizenden stonden voor Hem.

Bij de Engelen is geen onderscheid van geslacht en geene vermeerdering. Zij huwen niet, er worden geen Engelen geboren, er sterven geen Engelen en daarin, niet in lichamelijkheid1), zullen de uit de dooden opgestane menschen hun gelijk zijn , naar Matth. 22 : 30 en Luc. 20: 35, 36.

Doch de Schrift leert niet onduidelijk dat er wel bij de Engelen verscheidenheid van rang bestaat 3). Zij spreekt niet alleen van Cherubs en Serafs*), maar ook van Ar

1

de overige scheppiugsdagon in zich en hij neemt de dagen niet in eigenlijken zin. Vergel. Civ. D. L. XI c. VI. Calvinus, Inst. I. 14. 4 STrsxei.

\') Brakel, Rod. Grodsd. I. p. 233.

-ocr page 733-

§ 15. DE ENGELEN. WANNEER GESCÜAfEN ? 70ü

changel of Aartsengel Jud. 9. 1 Thess. 4 : 16 \') en van Overheden en Machten in den Hemel Ef. 3: 10, Tronen, Heerschappijen, Overheden, Machtenquot;1) Kol. 1 : 16, hetwelk op de Engelen ziet en ons zooveel althans doet verstaan, dat er bij hen verschillende trappen zijn van heerlijkheid en dienst. Want God is geen God van verwarring maar van orde. Daarom is er in dm Hemel , waar alles heilig is , geen wanorde. Maar hoedanig die orde is en in hoedanigen rang ieder gesteld is weten

Zoo , naar Bühr, ook Hengstenberg, Commontar über die Psalmen, zu Ps. 18: 11. Overigens verschilt men ook bij do symbolische opvatting in do verklaring, gelijk te zien is bij K. F, Keil, Handb. der bibl. Archeologie I. S. 86 f. (eerste uitgaaf) en Gelder, Theol. des A. ï. I. S. 404 ff. Wat het woord betreft, zoo vindt het Hebr. Handworterbuch van W.

Oesenius, achte Aufl. 1878 s. v. in het O. T. den meesten grond voor do botoekenis gevaarte, wagen, terwijl door eene om

zetting uit zou zijn ontstaan. Zoo ook Oehler a. W. f. 406.

De Seraphim, gt; Jen. 6, houdt ook Oehler a. W. II.

S. 140 voor Engel höherer Ordnung und hesondern Berufs. De naam beteekent naar de vroeger gewone opvatting brandend, naar de nieuweron : hoog, voornaam, edel (volgons het Arabisch), als die erhabensten unter den himmlischen Geistern, gelijk de Engelvorsten bij Dani(il 10 ; 13. Zoo Oehler a. W. II. S. 141 en Gesen. Handwört. s. v.

\') Is ook Michaël de Aartsengel {dcxxyys/.og) bij uitnemendheid, (Hengstenberg, die Offenbarung des h. Johannes I. S. 615, zu 12: 7—9.) en geen ander dan de Logos, het Woord, onder wien al de heilige Engelen staan , zoo wordt toch 1 Thess. 4 ; 16 de aartsengel, daar genoemd, duideljjk van Christus onderscheiden.

J) Dr. B. Weisz, Lehrb. der bibl. Theol. des N. T. 2te Aufl. S. 430 verzekert, dat de vermelding van deze verscheidene ordeningen der hemelsche en aardsche wezens alleen geschiedt,

Gravomeijor, Gorof. Gol. leer. 45

-ocr page 734-

7Of) Éj 15. DE ENOSLEN. WANNEER GESCHAPEN?

wij niet. De koren of rangen die sommigen stellen (de Katholieke kerk stelt negen Engelenkoren) , zijn enkel versieringen i). Paulus vermaant Kol, 2: 18: „Dat niemand u overheersche naar zijnen wil in nederigheid en dienst der Engelen, intredende in hetgeen hij niet gezien heeft, te vergeefs opgeblazen zijnde door het verstand zijns vleesches.

§ 16. De Engelen. Goed geschapen.

De Schrift leert ons , dat er goede en kwade geesten zijn. In den beginne is het niet alzoo geweest. In zijnen eersten oorsprong was alles goed. Het booze kan als zoodanig niet door God geschapen zijn. Want Hij is heilig en in zich zeiven volmaakt goed , Hij is een licht en duisternis is in Hem niet, dus ook niet uit Hem.. Het

um im Gegensatz zu den Irrlchrern , welche sich wol viel mit den verschiedenen Engelclassen heschaftigten, hervorzidieben, dasz leeine von ihnen von der Zugehörigkeit zur Creatur ausgeschlos-sen ist. Maar lichtvaardig neemt hij (1. c. Anm. 2) aan, dat do Apostel do benoemingen dezer ordeningen uit do scholen der llabbijnen of uit do theosophomon zij nor tegenstanders kan hebben ontleend. Te recht E. Stier, Brief an die Ephesor I. S. 181 zu 1 : 21: wir leugnen im Namen der Würde der heiligen Schrift jede solcjiie Aufnahme heterogener Elemente. Ook Calvin. Comm. in Ep. ad Ephos. 1 : 21 besluit uit do namen dat er verschillende ordeningen onder do Engelon zijn , maar acht nadere bepaling vermetelheid.

\') Brahel, Rodel. Godsd. I. p. 240. B. De Moor, Common-tar. 11. p. 380. Va?i Oosterzee, Chr. Dogmat. 1. p. 431. — Do zeven geesten Openb. 1: 4 worden door Katholieken voor Engelen gehouden. Bedoeld is de Heilige Geest. Zie Vierde IloofdstuJr van dit Leosb. p. 496. v.

-ocr page 735-

§ IG. DE ENGELEN. GOED GESCHAPEN.

booze is niet geschapen maar geworden, door vrijvvilligen afval van Hem , door afkeering van het licht.

En wij hebben hierover eene eigene getuigenis van God zeiven in hetgeen Hij van al de werken zijner schepping, dus mede van de Engelen , op het einde van den zesden dag heeft geoordeeld en verklaard Gen. 1 : 31 : En God zag al wat Hij gemaakt had en ziet het was zeer goed. Dat Hij al wat Hij gemaakt had , zag aanzag , bezag , is naar menschelijke wijze en voor den mensch gezegd. God wilde zijne eigene goedkeuring ons tot een regel en voorbeeld stellen, hoe wij over zijne werken moeten oordeelen. Wat Hij zelf heeft goedgekeurd, raag geen mensch afkeuren. Reeds zesmaal heeft Hij ditzelfde ingescherpt, ten einde aan al onze vermetelheid en waanwijsheid eenen toom aan te leggen. Want zoo vaak God iets geschapen had, zag Hij , dat het goed was. Alleen van het tweede dagwerk , het uitspansel, wordt dit niet gezegd, omdat dit slechts een scheiding was tusschen de wateren boven en beneden, weshalve de Geest Gods niet noodig achtte het hierbij te vermelden. Dus waren ui de bijzondere schepselen goed. Dan zag God na de schepping van den mensch alles te zamen aan en Hij oordeelde naar de zevende uitspraak nu van het gansche wereldgebouw , dat het zeer goed was. Met welgevallen zag Hij het aan. Ieder schepsel was geschikt voor zijne bestemming en in zijnen aard goed en de Schepper had er behagen in. Van de Engelen was er nog geen gevallen , de mensch had nog niet gezondigd. Alles stond in de schoonste harmonie \').

\') Calvin. Commeutar. in Genes. 1: 31. Roos, Eiuloit. in die bibl. Gesch. I. S. 48.

707

-ocr page 736-

708 § 1G. Dt: ENGELEN. HOED GESCHAPEN.

Nader , de Engelen zijn geschapen natuurlijk goed en zedelijk goed. Natuurlijk (physisch) goed: daardoor bekwaam voor die einden , tot welke zij gehruikt zouden worden , voorzien met al de daartoe noodige vermogens en hoedanigheden. Zedelijk goed : daardoor bekwaam voor hunne plichten zonder eenige tegenstrijdige neiging.

Tol de natuurlijke goedheid behoort hunne uitnemendheid in verstand, waarin zij ons menschen verre te boven gaan. Hoe men in Israël daarover dacht blijkt uit 2 Sam. 14 : 20, waar de vrouw van Thekoa ter zake van Absalom, waarin Joab zijne hand had, tot David sprak : „Dat ik de gestalte dezer zaak alzoo omwenden zou , zulks heeft uw knecht Joab gedaan; doch mijn heer is \\vi]s naar de wijsheid van eenen Engel Gods.quot; Ook de Heere Jezus stelt hen hoog in kennis Matth. 24: 36, waar Hij zegt: „Van dien dagen ure weet niemand, ook niet de Engelen der hemelen, dan mijn Vader alleen.quot; Hierdoor wordt intusschen meteen aangeduid, dat zij niet alwetend zijn. Hunne kennis is eindig. Uit zich zeiven en onmiddellijk kennen zij het hart, den wil en de gedachten des menschen niet. Want Gij alleen kent het hart van de kinderen der menschen, sprak Salomo tot den Heere 2 Kron. 6 : 30. Veel is voor hen verborgen. God openbaart hun zooveel als Hij wil. Wordt van hen gezegd , Matth. 18 : 10 dat zij altijd het aangezicht Gods zien, zoo is daarmede niet gezégd dat zij ook inzage hebben in de raadsbesluiten Gods, en de Katholieken dwalen, wanneer zij daaruit afleiden dat zij alles zien, dewijl zij altijd Hem zien die alles ziet. „Immers wie de alles verlichtende zon ziet, ziet daarom zelf nog niet aanstonds alles. Wie van de marktplaats eenen mensch boven op den toren ziet staan, zi et evondaardoor nog niet alles wat voor het oog van dezen

-ocr page 737-

§ l(j. 1)E ENGELEN GUEÜ GESCHAPEN. 7U9

open ligt. Wie een geleerden man kenl, kent niet dadelijk al zijne geleerdheid \').quot; Wat overigens do wijze betreft, hoe zij kennen en ook hoe zij werken , wie zal \'t bepalen ? Slechts dit mogen wij aannemen : zij zien, hooren, werken niet op zulk eene wijze als een mensch, maar op eene wijze die met hunne natuur overeenkomt\').

Tot hunne natuurlijke goedheid behoort ook hunne uitnemendheid in kracht. Naar de Schrift, die ze noemt de Engelen, in sterkte en kracht meerder zijnde 2 Petr. 2: 11, meerder niet alleen dan de menschen in het gemeen, maar meerder dan de heerlijkheden (\\A0). Hunne groote kracht blijkt uit hunne daden, in de Oeilige Schrift vermeld. Het zijn krachtige helden, Ps. 103 : 20. Dies dwaalt men, wanneer men ze Engeltjes noemt of ze als kleine jongs-kens, als gevleugelde kinderen afschildert.

Bij de natuurlijke goedheid moeten wij aan de Engelen in hunnen oorspronkelijken staat ook zedelijke goedheid toekennen. Zij zijn niet alleen natuurlijk, maar, als bewuste en willende wezens, ook zedelijk goed geschapen. En wel allen. Want van een bij de schepping gemaakt onderscheid tusschen goede en kwade Engelen gewaagt de Schrift nergens. Zij waren oorspronkelijk allen goed en heilig, allen op ovengelijkc wijze overeenkomstig de goedheid en heiligheid Gods geschapen, „naar Gods beeld en gelijkenis^)quot;. Niet zwevende tusschen goed en kwaad, want een slaat van geheele onbepaaldheid en onverschilligheid is bij redelijke,

\') B. Bc Moor, Commentar. TI. p. 825.

\') Brdkel, Redel. Godsd. I. p. 237. Vcrgel. Hmjenhach, Dog-meugesch. S. 394.

,) Kantteek. van don Nederl. Staton-Bijbel ■ op Job 1 ; 6. Calvin. lustit. I. 15. 3. fin.

-ocr page 738-

710 §1^ de engelen, goed geschapen.

willende wezens zelfs ondenkbaar. Veelmin met eenige kwaadheid, noch met een aanleg of zelfs met eene neiging tot kwaad. Er is geen geest kwaad geschapen. Wordt er 1 Joh. 3 : 8 gezegd : de duivel zondigt van den beginne, zoo leert daar het verband zelf, dat dit niet beteekent: van zijne schepping af, maar : hij heeft eer dan de menschen gezondigd \'). En al moet men Joh. 8 : 44 ook niet vertalen : hij is in de waarheid niet staande gebleven, maar: hij staat\'1) in de waarheid niet; zoo veronderstelt dit toch zijnen vals) en er ligt in opgesloten, dat hij oorspronkelijk niet alleen het vermogen bezat om de waarheid te erkennen, maar in het bezit was der waarheid zelve of, naar de ruimere be-teekenis van het woord waarheid, in het bezit eener ingeschapen rechtvaardigheid 4).

Doch hoewel al de Engelen volkomen goed zijn geschapen, zoo was hunne goedheid toch niet on verliesbaar. God schiep hen niet onveranderlijk goed, niet met de onmogelijkheid om te zondigen =). Hij schiep hen met een vrijen wil, met het vermogen om te kiezen en dus om, by eene gegeven proef, af te wijken , gelijk met een tal van hen is gebeurd.

1

i) Dr. Weisz, Lehrb. dor Uibl. ïhool. des N. T. S. 663.

-ocr page 739-

§ 17. UE ENGELEN. MET ALLEN ÜOEL» OEBLKVEN. 711

§ 17. De Engelen. Niet allen goed gebleven.

In hun begin waren zij allen goed, maar zij bleven het niet allen. Sommigen hunner zijn van die uitnemendheid, in welke God hen geschapen had, in het eeuwig verderf vervallen en de anderen zijn door de genade Gods in hunnen eersten staat volhardig en staande gebleven. De eersten, die wij Duivelen en hooze geesten noemen, zijn alzoo verdorven, dat zij vijanden Gods en alles goeds zijn; naar al hun vermogen als moordenaars loerende op de kerk en een ieder lidmaat van die, om alles te verderven en te verwoesten door hunne bedriegerijen; en zijn daarom door hunne eigene boosheid veroordeeld tot de eeuwige verdoemenis, dagelijks verwachtende hunne schrikkelijke pijnigingen \').

Een opperste Engel, daarna bij uitnemendheid de Duivel en Satan geheeten, is in de waarheid niet staande gebleven en de vader der leugen en aller zonde geworden en heeft vele Engelen mede doen afvallen, van welken hij het hoofd is.

Wij hebben uit Jezus\' eigen mond dit ontdekkend woord over den duivel, gesproken tot de Joden die Hem dooden wilden en de waarheid niet konden hooren. Joh. 8 : 44 : Gij zijt uit den vader den duivel en wilt de begeerten uws vaders doen ; die ivas een menschenmoorder van den beginne en is in de waarheid niet staande gebleven (staat niet in de waarheid)2) want geene waarheid is in hem. Wanneer hij de leugen spreekt, zoo spreekt hij uit zijn eigen, want hij is een leugenaar en de vader derzelve [leugen], Ge-

!) Isodurl. Belijclouis dos Gcloofs art. XII. -) Zie vorige bliuhijdu.

-ocr page 740-

712 § 17. DE ENGELEN NIET ALLEN GOED GEBLEVEN.

wichtige uitspraak! Ten duidelijkste geeft Jezus te verstaan dat Hij den duivel niet voor een bloot gedachtenbeeld of slechts voor een kwaad beginsel, maar voor een persoonlijk wezen erkent, daar hem tegen Abraham en tegen God zeiven stelt en hem liegen en moorden toeschrijft. Voorts geeft de getrouwe Getuige ons hier een bepaald, ondubbelzinnig begrip van den duivel: hij is de representant en de voorganger en bewerker der in de menschheid heerschende zelfzuchtige, van God zich losscheurende en daardoor aan de duisternis en de leugen overgegevene richting \'). Vijandschap tegen God en tegen al wat waar en goed is, is zijne natuur geworden.

Het Godlijk licht dat eeuwig is,

Dat is des duivels duisternis,

Daar kan zijn wezen niet in wonen.

De liefde Gods (waaruit hij viel)

Die haat hij met geheel do ziel En kon hij, hij zou God onttronen.

Ja, elke daad, in God gedaan,

Moet hij , naar zijn natuur , weerstaan. Hij moot aanhoudend God bestrijden;

Want heel de hel ligt in zijn hart:

Hij vindt alleen zijn vreugd in smart,

Zijn wellust in het wreedste lijden1).

De Joden zeiden dat Abraham hun vader was (Joh. 8: 39); ook zeiden zij: God was hun Vader (v. 41). Jezus zegt hun: gij zijt uit den vader den duivel. Dit gezegde heeft nadruk. Het beteekent niet alleen gelijkheid van gezind-

1

) J. F. Schimshoimer, Geestelijke Poözy hl. 65.

-ocr page 741-

§17. DE ENGELEN, NIET ALLEN GOED GEULEVEN. 713

heid en wil: „gij aardt naar den duivelquot; (Kantteek.); dit is eerst een gevolg van het zijn uit hem. Het duidt eenen werkenden, voortbrengenden en leidenden invloed van den duivel aan, niet lichamelijk, maar geestelijk. Immers het onkruid zijn de kinderen des boozen Matth. 13 : 38. De duivel is hun vader. Hij heeft een vaderschap, er is een zaad der slang Gen. 3: 15. Die de zonde doet, is uit den duivel 1 Joh. 3 : 8, waar tegen overstaat v. 9 : een iegelijk die uit God geboren is, die doet de zonde niet, Er gaat werkelijk iets van den duivel uit. Johannes zag er iets van Op. 16: 13: „En ik zag uit den mond des draaks en uit den mond van het beest en uit den mond des valschen profeets drie onreine geesten [gaan], den vorschen gelijk. 14. Want het zijn geesten der duivelen en doen teekenen , welke uitgaan tot de koningen der aarde en der geheele wereld, om die te vergaderen tot den krijg van dien groeten dag des Almachtigen Gods.quot;

Het gevolg van het vaderschap is de gemeenschap en overeenkomst van zin. Het kind aardt naar zijnen vader. Dies zegt Jezus, die de menschen kent: yij wilt de begeerten uws vaders doen, namelijk moorden en liegen en lasteren. De duivel tv as een menschenmoorder van den beginne, van dat er menschen waren en voortaan, daar hij den mensch tot de zonde, tot den geestelijken dood, en daardoor tot den tijdelijken en eeuwigen dood gebracht heeft {Kantteek.). Kaïns schrikkelijke daad was een gevolg en uitbarsting van het ingedrongen kwaad. Door des duivels leugen: gijlieden zult den dood niet sterven Gen. 3 : 4 is de dood in de wereld gekomen. Zegt Jezus van den duivel in het algemeen : hij staat niet in de waarheid, dit heeft zich het eerst getoond in deze bijzondere leugen, die van hem in de geschie-

-ocr page 742-

714 § 17. de engelen. niet allen üoeü gebleven.

denis van den zondeval bericht wordt en ongetwijfeld is het met het oog op deze leugen gezegd. By „menschen-moorderquot; hebben wij dus wel mede , doch niet alleen \') aan Kaïn te denken , maar aan hetgeen de duivel aan de eerste menschen heeft gedaan en voortdurend doet, waarvan Kaïns doodslag al aanstonds een vrucht is geweest. Hiermede komt overeen 1 Joh. 3:8: „Die de zonde doet, is uit den duivel: want de duivel zondigt van den beginne. Hiertoe is de Zoon Gods geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zoude.quot; Ook dit zondigen dis duivels van den beginne is met betrekking tot Adam gezegd en duidt aan dat de duivel het is die de zonde in de menschheid heeft gebracht, waar-

\') Der Kaïnitisohe Mord, wie vorwdrts als Vorbild alles ein zelnen Hassens und wirklichen Mardons, ebenso auch itückwüiits als erstell gelungeneii Eri\'olo und schauerltch bald nachfol-gende Offknüarüng des salanischen Gelüstens ïi\'Piscii au fff e-faszt — des Gelüstens nehmlich, den menschen geistig bis da-hin zu tódten und verderben, dasz er wie Satan durch Morden semen eigenen in neren Tod erweise und verfestige. R. Stier , Dio roden dos. Herrn Josu nach Johannes I. S. 490 zu Joh. 8 : 44. Luther ; De wereld is eene moordspelonk , den duivel onderworpen. Willen wij op aarde leven, dan moeten wij ons laten gevallen , dat wij er gasten zijn en in eene herberg liggen, waar de waard een schelm is, wiens huis het schild boven de dour voert; »in den moord en de leugen.quot; Want zulk een teeken en wapen heeft hem Christus zelj boven zijne deur en aan zijn huis gehangen, terwijl Hij spreekt: hij is een moordenaar en leugenaar. Een moordenaar om het lichaam te worgen, een leugenaar om de ziel te verleiden; dat is zijn werk, zoo houdt hij huis, zoo gaat het in zijn herberg toe. Zio bij Stier a. W. S. 501 , die iutusschon te recht aanmerkt, dat Luther hier niet streng exegetisch spreekt, wanneer hij het moorden tol het lichuam, hot liegen tot de ziele brengt,

-ocr page 743-

§ 17. DE ENGELEN. NIET ALLEN COEl» GEBLEVEN. 715

van bijzonder Kaïns moord, die v. 12 wordt vermeld, het bewijs gaf. Geenszins ligt hierin, dat Johannes den duivel voor een oorspronkelijk boos wezen heeft gehouden , zooals later de dualistische Manicheërs , volgelingen van Mani»), die twee eeuwige wezens stelde, een goed, namelijk God , koning van het lichtrijk en een kwaad, heer-scher van het rijk der duisternis (de Perzische Ahriman). Johannes geeft hier alleen zóóveel te verstaan, dat in het zondigen de duivel de eerste is, de beginner , de aanvoerder , de verleider. Zijn eigen val is hierbij niet genoemd , maar noodzakelijk verondersteld.

Meer zegt ons de Apostel Judas in zijnen brief, waar hij ter waarschuwing leert, dat God de afvalligen zeker straft, hetwelk hij met voorbeelden staaft: van de Israëlieten in de woestyn, van de afgevallene Engelen, van Sodom en Gomorra. Van de Engelen schrijft hij v. 6 ; En de Engelen, die hun beginsel niet bewaard hebben maar hunne eigene woonstede verlaten hebben, heeft Hij {As Wecre) tot het oordeel des grooten dags met eeuwige handen onder de duisternis beu-aard. Hier is duidelijk uitgesproken, dut er Engelen zijn afgevallen. Evenals 2 Petr. 2:4, waar gezegd wordt, dat God de Engelen , die gezondigd hebben , niet gespaard heeft maar, ze in de helle geworpen hebbende, overgegeven heeft aan de ketenen der duisternis, om tot het oordeel bewaard te worden.

\') llagenbach , Dogmcugcsch. S. 111.193. Neunder, Kiichuu-gosch. 1826. Iste Baud S. 549. Do Perzische kouiug Varanes Hot Maui met do magiërs diaputeereu. Mani word, daar hij uiot herroepou wilde, lovend gevild, zijn vel opgestopt ou tou schrik voor zijne aanhangers buiten do poort dor stad Djondischapur opgehangen 277 u. C. NWider. S. 548,

-ocr page 744-

71() § 17. UE ENGELEN NIET ALLEN GOED GEBLEVEN.

Zij hebben hun beginsel gt;) d. i. hunnen oorspronkelijker! heerlijken staat, waarin zij geschapen waren, niet bewaard, daar zij, gelijk de Apostel aanstonds verklaart, hunne eigene woonstede , hunne standplaats moedwillig hebben verlaten, gelijk trouwelooze soldaten doen die van hunnen post loopen1), Strenge straf trof hen. De beschrijving van deze straf is beeldsprakig en niet letterlijk te verslaan. De Apostel vergelijkt de gevallene Engelen met misdadigers, die in eenen kerker voorloopig zijn opgesloten, tot zij ten dage des oordeels ter volle straffe worden overgegeven. Dit is de hoofdgedachte. Al de gevallene booze geesten , ook die nu nog een tijdlang macht hebben op de aarde , waar zij door middel van de zonde der menschen heerschen, zijn uit. den hemel verstooton , gelijk daarna de gevallene menschen uit het paradijs; zij voelen hunne verdoemenis en , waar zij ook zijn, gebonden zijn zij met ketenen der duisternis tot het oordeel, tot de laatste straf, die hun nog te wachten staat en die zij als eene nog toekomende met schrik te gemoet zien (Luc. 8: 31)»). Treffend schildert de Apostel hunne strenge straf, gelijk Galvijn ons doet opmerken. Niet alleen waren zij vrije geesten, maar hemelscbe heerschappen : nu worden zij in eeuwige handen gehouden. Niet alleen genoten zij het heerlijke licht Gods, maar deszelfs glans straalde ook van hen uit: nu zijn zij in duisternis

1

2) Calvin. Commoutar. i. 1. ; non secus ac fieri solet a mili-tibus transfugis, statio, in quo collocati orant, ab illis desorta fnit. 2) Von Gerlach z. d. St. Twesten, Vorles. 11. 1 S. 340.

2

) rifv éavTÜv \'xpxyv. Vulgata: suum piincipatum. Luther; ihr Fürsteuthum. Calvinus viudt boido gepast: begin (origo, initium) en heerschappij (principatus).

-ocr page 745-

§ n. DF. ENGELEN. NIET ALLEN GOEÏ) GEBLEVEN. 7t7

verzonken. Voorts moet men, herinnert Calvijn, zich niet eene plaats verbeelden, waar de duivelen zijn ingesloten. Want de Apostel heeft eenvoudig willen leeren, hoe naar hun toestand is , sedert zij wegens den afval van hunne waardigheid beroofd zijn. Want waarheen zij ook gaan, zij sleepen hunne ketenen met zich en blijven in hunne duisternis bedolven. Intusamp;chen wordt tot den grooten dag hunne uiterste pijniging uitgesteld. gt;).

Deze Engelen dan hebben gezondigd (2 Petr. 2 : 4). Hoe zij daartoe zijn gekomen, zegt de Schrift ons niet. Voor ons was het genoeg, zooveel te weten : „dat zij, zooals zij eerst geschapen werden, Engelen Gods zijn geweest, maar door ontaarding zichzelven verdorven hebben en voor anderen tot werktuigen des verderfs zijn gewordenquot; J).

Intusschen mogen wij aannemen, dat hun Schepper en Heer hen op eene proef heeft gesteld. Want bij redelijke schepselen, met vrijen wil begaafd, kon eene gehoor-zaamheidsproef niet uitblijven 3). De Engelen werden echter door geen boomvrucht verzocht, omdat zij geesten waren , maar op eene wijze, die met hunne natuur overeenkwam en waarbij het moest blijken, of zij onderdanig

\') Dr. Ilulhcr in Meyers Kommentar zu Jud. G beweert: dat hetgeen Judas hier van de Engelen zegt uit de in het boek Henoch vervatte Engelenleer ontleend is, vergel. Jud. 14. Het pseudepigraphische hoek Ilenochs was bij de oude Kerkvaders als voorhauduu bekend eu is in uieuweron tijd bij de EthiopiOrs weer gevonden en gedrukt. Waarschijnlijk heeft dit bock echter slecht uit dezelfde bron geput als Judas ; of uit oen oud boek of uit mondelijke overlevering, wie zal \'t zeggen ? Zie Kant-teek. op Jud. 9 en 14. Voor ons is Judas autoriteit.

-) Calvin. Inatit. I. 14. 16.

:;) Roos, Einleit. in die bibl. Gesch. I. S. 114. 120.

-ocr page 746-

718 § 17. DE ENGELEN. NIET ALLEN GOED GEBLEVEN.

binnen die ordening bleven , waarin Gotl hen had geplaatst. Een voorname Engel keerde zich af van God en vele Engelen niet hem. Hij. werd door niemand verleid. Daarom was zijn val zwaarder dan de val des menschen. Het was eene innerlijke, vrijwillige afkeering van God , waardoor hij er toe kwam dat hij zondigde, dat hij eene werkelijke daad van ongehoorzaamheid en verzet beging. Zijn vrije wil werd eigenwil. Hij wilde zelf iets zijn tegenover God, zelfstandig, onafhankelijk. Dies mogen wij zeggen: hij viel door eigenliefde , zelfverheffing , hoogmoed,

Hiervan geeft de Schrift zelve eene aanduiding. Bijzonder 1 Tim. 3:6: (Een opziener moet zijn) Geen nieuweling (pas bekeerde, eerst voor kort in de gemeente opgenomen), opdat hij niet opgeblazen worde en in het oordeel des duivels valle*). „Dat is, in zulk oordeel waar de duivel ingevallen is, wanneer hij zich over z\\jne wijsheid, nu eerst ge-

\') tvx [/M rutpuösh sU xpl/zx êftTrsfy toü liixftiXov. Hier is o ^ixfSoXoi;, met hot bepalend lidwoord, golijk overal in hut N. 1. waar het als substantief staat, da duivel en niet zooals volen willen de lastermond. Dr. Lünemann in Meyers Kommen-tar a. 1. Cremer, Wörterb. der Nentest. Grüc. S. 121. KpifiX is eene strafrechtelijke beslissing, waarvan het gevolg de straf is. Cremer, S. 374. Het oordeel des duivels is niet actief, het oordeel dat de duivel velt, maar jjassief: het oordeel (do ver-oordeoling) over of tegen den duivel door God geveld. Zoo te recht Calvm. a. 1. Vers 7 is niet daartegen, li. De Moor, Commentar. in J. Marckii Compend. II. p. 403 sq. Calvin. Coinmentar. i. 1. teokont hierbij aan: Hetgeen Paulus zegt, ondervinden wij : want de nieuwelingen zijn niet alleen vurig om alles te wagen, maar opgezwollen van dwaas zelfvertrouwen als honden zij de wolken voorbijvliegen.

-ocr page 747-

§ 17. DE ENfiELEN. NIET ALLEN GOED GEBLEVKN. 719

schapen zijnde, tegen God heeft willen verheffen quot; (Kantteek.)

Ook is het blijkbaar uit zijne voorspiegelingen, waardoor hij den mensch tot ongehoorzaamheid jegens God verleid en Christus verzocht heeft. Tot Eva sprak hij Gen. 3:5: „Gijlieden zult den dood niet sterven. Maar God weet dat ten dage als gij daarvan eet, zoo zullen uwe ooym geopend worden en gij zult als god wezen, kennende het goed en het kwaadquot;. Daar openbaarde zich kennelijk genoeg wat in hem was : verheffing, hooge gedachten, vijandigheid tegen God, hij kon niet verdragen dat God alleen God was; dus nijd tegen God en nijd tegen de menschen, wien hij hunne voorrechten en hunnen gelukstaat niet gunde. Tot den tweeden Adam, tot Christus kwam hij met de verzoeking: „help u zelf! zijt gij Gods Zoon, zeg dat deze steenen broaden worden Mt. 4:3; werp u zeiven nederwaarts, spring van boven af, van de tinne des tempels, opdat het verbaasde volk u toejuiche v. 6; en eindelijk zelfs : aanbid mij, zoo zult gij heerschen v. 9: verzoekingen tot trotsch en willekeurig misbruik der eigen macht buiten de ordening Gods, tot vermetelheid, tot heerschzucht, met de onbeschaamdste aanmatiging. Ook daar bleek des duivels hoogmoed en nijd.

Deze overste der booze geesten wordt in de Schrift doorgaans genoemd de Satan i), dat wil zoggen de wederpartijder,

\') quot;Zxtx-jxs. Van den boozon geost gezegd heoft

dit woord altijd (uitgonomen alloon 1 Krou. 21 : 1) hot bepalend lidwoord, jUttTI waardoor bij als de tvederparlijder hij

uitnemendheid gekenmerkt en dezo naam tot een eigennaam gemaakt wordt. Gesenius, Hobr. Handwörterb. 8te Aufl. s. v. Bij de Rabbijnen geldt als getal 364, om aan to duiden

dat de Satan 364 dagen macht heeft om tcgon de Joden op to treden , terwijl hij op don grooton verzoendag hen niet durft

-ocr page 748-

7^0 § 17. DE ENGELEN. NIET ALLEN GOED GEBLEVEN.

de vijand van God en zijn volk; en de duivel, dat wil zeggen : de lasteraar , verklager der vromen en verleider der men-schen. Hij de vreeselijke vijand van het menschelijke geslacht, die de geheele wereld verleidt, draagt als overste dezer wereld Op. 12 : 9 vier namen tegelijk (vier het getalmerk der we-reld) : de groote draak, de oude slang, duivel en de satanas: draak als vervolger der gemeente, die hij wil verslinden, slang als listige bedrieger, duivel als verklager der geloovi-gen, satan als wederpartijder, die de wereld opstookt om tegen Gods rijk te strijden. Daarbij worden zijne engelen genoemd. Johannes zag hem volledig overwonnen door Christus.

Er is een rijk des Satans. Dat heeft Jezus zelf uitgesproken Matth. 12 : 26 : „indien de Satan den Satan uitwerpt, zoo is hij tegen zich zeiven verdeeld : hoe zal dan zijn rijk beslaan ?quot; De booze geesten en alle machten en werktuigen der duisternis maken een rijk uit onder eenen overste, die ze regeert. En hoe oneenig anders ook, zij zijn vereenigd in gemeenschappelijken tegenstand en strijd tegen het koninkrijk Gods. Deze schrikkelijke eendracht openbaart zich, zoodra het tegen het rijk Gods en zijns Gezalfden gaat. Dan trekt alles vereenigd op. Dan worden vrienden en bond-genooten zij die anders elkander haatten, Farizeën en Sadduceën, Herodes en Pilatus, want de Satan gebruikt ze als zijne werktuigen en wapenen om uit te richten wat hij wil en hij weet wel wat hij wil. De booze wil en be-

vorklagou. Joh. Buxtorf, Lexic. Chald. Basil 1639. p. 1464. Duivel komt van iïiixpolos. Dat hij Satan zou genoemd worden alleen als wederpartijder tegen de menschen, niet tegenover God, laat zich niet bewijzen. Vergel. Cremer, Wörterbuch. S. 120. Hij is een rustelooze Störenfried, vroeverstoorder, kwaadstoker tusscheu God en zijn volk.

-ocr page 749-

§ 17. DE ENGELEN. NIET ALLEN GOED GEBLEVEN. 721

do.eling is in den overste en in ai zijne geesten één en dezelfde en dat is hunne eenigheid \')•

Bestrijders der waarheid hebben beweerd, dat de leer van den duivel van Perzischen oorsprong zou zijn en bij de Israëlieten eerst Len tijde hunner ballingschap opgekomen. Maar te recht heeft men herinnerd, dat alleen reeds het oude boek van Job, waar de Satan zoo kennelijk optreedt, deze dwaling genoegzaam wederlegt1).

De duivel en zijne mede afgevallene engelen zijn onherstelbaar. Nergens geeft de Heilige Schrift ook maar den minsten wenk, dat er voor hen eenige hope en mogelijkheid van herstel bestaat. Voor hen is er geen Verlosser (Hebr. 2 : 16), geen middel en weg van redding , geen genade. „Mag de oorzaak daarvan voor ons verborgen zijn , onrechtvaardig kan zij niet zijnquot; 3). Men heeft wel velerlei redenen daarvoor bijgebracht, zoo uit de natuur der Engelen als uit de hoedanigheid van hunnen val , maar ten slotte kunnen wij tot niets anders komen dan, met onze oJde Gereformeerden, tot het vrije welbehagen Gods»).

1

) Ebrard, Wissonsch. Kritik der ovangcl. Gcsch. S. 334 f. vergel. S. 265. Oehler , Theologie dos A. T. II. S. t49.

-ocr page 750-

l\'iÈ § 17. DE ENGELEN. NIET ALLEN GOED GEBLEVEN.

Het mecrdertal der Engelen is bij de proef, die God hun stelde , getrouw gebleven, en dezen zijn onafvalbaar in het goede en in hunnen gelukstaat bevestigd. Niet door tus-schenkornst van Christus als Middelaar: want Christus is de Middelaar Gods en der menschen (1 Tim. 2 : 5) ; maar naar Gods eeuwige verkiezing en uit kracht van deze ten gevolge van hunne vrijwillige gehoorzaamheid en onderwerping aan die wet of ordening, welke God hun tot zekeren ons onbekenden tijd ter hunner beproeving had voorgeschreven en die zij onder Gods medewerking hebben onderhouden •).

Dat intusschen door het verlossingswerk van Christus ook iets voor de heilige Engelen is uitgewerkt , valt niet te ontkennen ; namelijk de vereeniging van hen met de verloste menschen onder Hem als gemeenschappelijk Hoofd van allen. Naar Ef. 1 : 10, waar Paulus spreekt van de bekendmaking nu in het Evangelie der verborgenheid van Gods wil naar zijn welbehagen, hetwelk Hij voorgenomen had in zich zeiven, om in de bedeeling van de* volheid der tijden wederom alles tot één te vergaderenquot;1) in Christus , ■ beide dat in den hemel is en dat op de aarde is.quot; Door dat in den hemel (in de hemelen) is verstaat de

\') Joh. A. March, Morch p. 237. De Moor, Comm. II. p. 853. sqq.

^ ^a.voMsQxXxiuviX\'jOxi. Onze Staton-Overzotters he\'obon dit zeor nauwkeurig vertaald : wederom tot één te vergadere.i. Niet zoo accuraat Luther: auf dasz alle Dinge zmammen unter Ein llaupt verfasset würden. Dus ook Cremer, bibl. theol. Wörterb. S. 350. Hel voorvoegsel \'xv x beteekent wederom (iterum) en heeft hier zijn bijzonderen nadruk: het wijst terug op eenen oorspronkelijken goeden toestand, waar nog geen storing en scheiding bestond.

-ocr page 751-

§17. DE ENGELEN. NIET ALLEN GOED GEDLEVEN. 723

Apostel buiten allen twijfel bijzonder de persoonlijke wezens , die daar zijn , de goede Engelen , door dat op de aarde is de verloste gemeente in deze wereld quot;). Calvijn val dit dus op : dat de goede Engelen door de genade van Christus in hunnen heiligen en zaligen staat zijn bevestigd geworden. „Want, zegt hij, de menschen waren verloren, maar de Engelen waren niet buiten gevaar. Beiden heeft Christus, door hen in zijn lichaam te vereenigen , met God den Vader verbonden , opdat er eene ware harmonie in den hernel en op aarde zou bestaanquot;1). Maar ongetwijfeld zijn de heilige, uitverkorene Engelen niet eerst door Christus bevestigd en beveiligd tegen afval, en wij kunnen niet aannemen , dat zij na de beproeving, die zij als redelijke en vrijwillende wezens moesten ondergaan , nog altijd lot Christus zoen-

1

) Calvin. Commentar. in Eph. 1 : 10. Calvijns opvatting heeft bij de Gereformeerden met reden weinig indruk gevonden. Velen hunner verstaan door dat in den hemel is niet do Engelen , maar de geloovigen die aireede in den hemel ziju ou door dat op de aarde is de geloovigon die nog op de aarde zijn. Dus ook B. De Moor, Commentar. in Marck. II. p. 355, dio echter mot hot oog op Kol. 1 : 16 , 20 toestemt , dat ook Ef. 1: 10 de Engelen kunnen bedoeld zjjn.

-ocr page 752-

724 §17. DE ENGELEN. NIET ALLEN GOED GEBLEVEN.

dood loe in ecnon onzekeren stant zoodon hebben verkeerd. Dal duidt ook de Heilige Schrift nergens aan. Neen , zij zijn eenig gebleven in de aanbidding en verheerlijking van den driemaal Heilige , van den Vader en zijnen eeuwigen Zoon, die ook hun Vorst en Heer is, en den Heiligen Geest. Maar Engelen en menschen, vóór den zondenval eenig en samenstemmende in den lof en dienst des Allerhoogsten , dan door de zonde der menschen van elkander als afgescheurd, zijn en worden voortgaande in Christus wederom tot één vergaderd, hereenigd. Engelen en verloste menschen verheerlijken nu met elkander het Lam dat geslacht is\', Openb. 5 : 11 , 12.

Daartegenover staat het rijk der duisternis, waarvan de Satan het hoofd is, waarvan de overige, hem onderhoorige booze geesten de leden zijn, waarvan onze aarde de schouwplaats is en welks werktuigen de menschen zijn, die zich aan hem hebben overgegeven. En al wat er in de wereld tegen Gods heiligheid en goedheid strijdig is, zonde en dood, boosheid en ellende, hangt volgens de Schrift met dit rijk der duisternis samen en wordt daar in verband gebracht met de werkzaamheid des duivels. Den hoogsten graad bereikt zijn invloed bij enkelen in de lichamelijke en geestelijke bezetenheid. — Tegen Christus en het Christendom komt de werking des duivels volledig te voorschijn in den Antichrist, eene bepaalde persoonlykheid, dusgenoemd èn als wederpartijder tegen Christus bij uitnemendheid èn inzonderheid omdat hij zich in Christus stede stelt, zich als den waren Christus voordoet, juist om onder dezen bedrieglijken schijn Christus\' werk te verstoren, voorafgegaan door vele voorloopers, wegbereiders en proefnemers i). „Maar ook anders oefent de Satan zijne \') 1 Joh. 2:18:5 xvrlxpivros spxsrxi nx) vvv xvtIxpittoi zo/./.o)

-ocr page 753-

§ 17. DE ENGELEN. NIET ALLEN GOED GEBLEVEN. 720

verderfelijke invloeden uit. Wei is de Zoon Gods gekomen om de werken en macht des duivels te verbreken en Hij heeft dat gedaan (Kol. 2:15), maar dit houdt niet in, dat er geen strijd meer zou zijn, het wil zeggen dat den geloovigen door Christus de overwinning verworven en verzekerd is: „die uit God gehoren is, bewaart zich zeiven en de Booze vat hem niet,quot; 1 Joh. 5 : 18. „Dat daarmede alle werkzaamheid des duivels geëindigd en deze vijand tot volslagen werkeloosheid is gebracht, leert de Schrift nietquot;).quot;

De duivel werkt. Hij werkt in de ongeloovigen , hij werkt tegen de geloovigen.

In de ongeloovigen heeft hij recht eigenlijk en ongestoord zijn werk en gebied. Dat betuigt de Schrift gedurig. Zeer nadrukkelijk verklaart Paulus het Efez. 1 : 2, waar hij van de bekeerde Heidenen zegt even als daarna van de bekeerde Joden: dood waart gij door de misdaden en de zonden, in welke gij eertijds gewandeld hebt naar de eeuwe dezer wereld, naar den overste van d,e macht der lucht, van den geest, die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid\'1). De geloovigen hebben een leven uit God door Christus ontvangen, de kinderen des ongehoorzamen ongeloofs zijn nog de dooden. Zoo waren alle bekeerden eertijds. Hoe ellendig, hoe akelig! Le vende dood , geestelijk dood, wandelende dooden ! in hunne misdaden en zonden wandelende naar de

ysyóvxTi\'j. Vorgel. Cremer, Wörterb. S. 585. Lachm. on Tischend. laton hot bopalendo lidwoord o voor wog, togen volo

autoritoiton.

\') Twesten, Vorlos. TI. 1 S. o4S—350.

2) êv Ms ttots TTspisTTXTyi\'TX.rs zxtx rov xImvx toj kot[/,ou

TOVTOV, XXTX TOV XPXOVTX T\'/js è\'^ovi\'ixq TOV xépos, TOÜ TTVSV^X-

tog toü vüv ivepyoiiutos èv roïg ulofc rijs xireiOsixi;.

-ocr page 754-

7^6 § 17. UE ENGELEN. NIET AU.EN GOED GEBLEVEN.

eeuwe dezer wereld, naar den loop , in de zondige en verderfelijke richting, in welke de wereld, de natuurlijke, van God vervreemde menschheid van de wieg tot het graf, van het eene geslacht tot het andere zich beweegt , dus „naar de algemeene wijze van leven der wereldsche men-schenquot; (Kantt.J

En wie heheerschte hen ? De overste van de macht der lucht. Waarbij de Nederlandsche Staten-Overzeitinfj deze merkwaardige kantteekening geeft: Dat is de Satan, die zou genaamd wordt, omdat hij een geestelijk (als het ware luchtachtig) wezen heeft en nog groote macht in hel bewegen der lucht heeft behouden, gelijk uit de historie van Job blijkt en die uit de lucht den yeloovigen nog gedurigen strijd aandoet. Doch hierbij dient iets aangemerkt. Vooreerst, dat wij deze macht des Satans in het bewegen der lucht niet te ver mogen uitstrekken en vooral vasthouden, dat hij met al de booze Geesten niets zonder God vermag i). Hij is wel de grootste beroerder en windmaker, maar in de menschheid. Onweder en storm en al de bewegingen der lucht zijn van

\') Vooral do zalige dooden kan do daivol of wie in zijnen dienst staat niet verontrusten. Hij beeft geen macht over de lichamen van gestorvene godvruohtigon (Jud. 9), veel min over hunne zielen. Katholieken nemen dit aan on brengen tot een voorbeeld Samuöl bij , opgeroepen door de tooveres te Eudor 1 Sain. 28; 14, waarvan do Katholieken gebruik maken om hun verzinsel van den Voorburg der vaderen en van hot vagevuur te steunen. Ook llengstenhcrij, Geschichte des Ueiches Gottes unter dem A. B. 11. 2. S. Ill vat hot dus op, dat de eigenlijke Samuel werkelijk aan Saul is verschenen. Evenals Odder iu Herzogs Real.-Encycl. XXI. S. 414 f. Ie Ed. En Dezelfde in do Theologie des A. T. I. S. 2G3. Desgelijks üelitzsch, bibl. Psychol. S. 422. Daartegen do Kantteekenaars van de Nederl. Statou-bijbul te recht: Het was noch in des duivels noch in der

-ocr page 755-

17. DE ENGELEN. NIET ALLEN GOEI) GEBLEVEN. 727

God, gelijk de Schrift overal en ook het boek Jobs (men zie slechts h. 37) zelf leert. Ten tweede: wij moeten den Apostel niet grofzinnelijk verstaan, als ware hij een Joodsch rabbijn of een Christelijke gnostiek, als of hij aan het heir der booze geesten do lucht, den dampkring, als woon- en werkplaats toeschreef •) Dat bedoelt hij waarlijk niet met de uitdrukking: overste van de macht der lucht, gelijk onweersprekelijk blijkt uit hetgeen hij er op laat volgen, ver-klarender wijze : van den geest die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid. De overste van de macht der lucht is de overste van den geest, die nu in de geloovigen werkt. Deze beide gezegden: de macht der lucht en de geest zijn parallel; beide zijn één. Door de macht der lucht wordt de hoedanigheid en natuur zijner macht gekenmerkt, naar en

teoveressc macht, den waren Samuél op te wekken, en daar te doen verschijnen. Het is niet dan enkele bedriegerij des duivels geweest, denwelken God somtijds eenige werkingen toelaat, tot verderf dergenen die daaraan gelooven. Tal van bewijsrodonen voor dit gnvoolen onzer oudo Gereformeerdon , uit do Schrift zolvo genomen , vindt mon bij P. Van Mastricht, Godgoloerdh. II. p. 56 v.

\') Van dit gevoelen is met zeer volon ook Meijer, Handbuch. zu Ef. 2 : 2, die onder e^owrlx collectief de demonen verstaat. Dicse s^owrix hat ihren Sitz in der zivischen Himmel und Erde befindlichen Luft (r o ü d s p o lt;?, maar do Apostel zegt niet sv oispi\\); die Atmosphiire, im Gegensatz gegen den höheren rei-nen xlö -Ji p noch in den phi/sikalischen Bereich der irdischen Dinge gehorend ist der Sitz, das Territorium der Demonenmacht. Daartegen Coccejus, Commentar. in Epist. ad. Ephes. p. 85. § 20 : quidam Veteres bic habent speculationes do daemouiis , quod sint svxspix, quae piget legere et recitare (abgestandene und verlaufene PfüUen der Wahrheit. Ilarless.) Totus mundus est Dei. Locus daemoDutn non magis aör est quam terra.

-ocr page 756-

728 § 17. DE ENGELEN. NIET ALLEN GOED GEBLEVEN.

door welke hij werkt: want gelijk zijne macht is zoodanig is ook zijn werken. Onbelichaamd is hij en onzichtbaar als de lucht; overal\') heerschende in de verdorven wereld en haar als beademende en door haar ingeademd gelijk de lucht die de aarde omvangt. Hij is de overste van den geest, die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid. De Geest is hier niet weer de Satan zelf, want hij wordt de overste van dezen geest genoemd. Veelmeer de geest staat hier gelijk met de macht, vooraf gemeld. De geest is hier de satanische invloed1), van Satans persoon, van dezen overste uitgaande, „dat inwendig beginsel, uit hetwelk do handelingen der ongeloovigen voortkomenquot; 3). De wereld is van hem als geïnspireerd, van hem gaat die geest uit, die zich in alle zonden der wereld openbaart, voornamelijk nu in de ongehoorzaamheid tegen het Evangelie, in het ongeloof, waardoor de Booze zijn rijk, hetwelk hij in gevaa,? ziet, wil handhaven. De duivel Icomi en neemt het ivoord uit hun hart weg, opdat zij niet zouden gelooven en zalig worden, Luc. 8: 12. Geen wonder dat de wereld hem niet kent: zij is het eens met hem. Die niets van den duivel weten willen , die heeft hij het zekerst 4).

De geloovigen, in welken hij de heerschappij heeft ver-

1

) Vergel. Luc. 4: 33; in de synagoge was een mousch

TTVSV^X èxifAOvloil XZXÖXPTOU.

*) Bengel, Gnomon ad Eph. 2: 2.

\') Den Teufcl spurt das Völkchen nie

Und wenn er sie beim Kragen hdtte. Mephistop\'ieles in Auerbachs kolder in Göthes Faust.

-ocr page 757-

§17. de engelen. niet allen goed gebleven. 729

loren, valt hij aan met listige omleidingen. Hij is en blijft hun biltere vijand en wie in den hemel wil, heeft de gansche helle tegen zich. Want wij hebben den strijd niet tegen vleesch en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten , tegen de geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuwe, tegen de geestelijke boosheden in de lucht, Ef. 6: 12. In de lucht. Hierdoor wordt evenmin als Ef. 2 : 2 gezegd dat de booze geesten in de lucht wonen en van daar werken. In den grondtekst staat niet; in de lucht, maar: in het hemelsche •), dus het bovenaard-sche, boven de aarde verhevene. Het geeft te kennen de hoogheid, de macht, de gevaarlijkheid dezer vijanden. Calvijn teekent hierbij aan ; Niet den minsten steun vinden in deze woorden degenen, die gedroomd hebben dat de middelste luchtstreek (tusschen aarde en hemel) door den duivel zou zijn geschapen en in bezit gehouden : want Paulus trijst den hoozen geesten geen bepaald district toe11).

\') êv Tdlg STroupxvlois. Naar Meyer, Handbuch, zn Ef. 6:12 zon tx sttovpxyix hior niots anders betoekenon dan ó xyp Ef. 2:2; das Gebiet des teujlischen Reiehs. Luther vorkoord: un-ter dcm Himmel. Dan moost er staan: cv reus vTrovpxvloi?; — J. Coccejus , Commont. in Epist. ad. Ephos. p. 157. § 64 verstaat ra, êvrovpiivtx van do homelscho gooderon on gaven dorgoloovi-gon op aard: vrede, vrijheid, gerechtigheid, blijdschap, hope, gemeenschap mot de geesten dor volmaakte rechtvaardigen, don Heiligen Geest, hot Woord Gods , in welk alles do Satan zich listig mougt, door zijuo listige omleidingen (methoden) d. i. boo/.e streken , spitavondighcdon , bedriegeljjke redonoeringen , vermetele gozogden en allorlei bedrog en verleiding.

2) Hengstenberg , die Offenbarnng des h. Johannes I. S. 619, zu c. 12: 7—9: Die bösen Geister sind rüumlioh so wenig im Himmkl wie in der Lu rr , Ef. 2:2, xuie sclwu daraus erhellt, das: dus eine das andere aafhebt. Anders Van Oosterzee, Chr.

-ocr page 758-

730 § 17. DE ENGELEN. NIET ALLEN GOED GEBLKVEN,

waarover zij heerschen , maar alleen toont hij aan , dat zij in den strijd ook in plaats hoven zijn; te lastiger en gevaarlijker, daar zij uit de hoogte op ons aanvallen en ons op den hals zitten. Dit wordt gezegd , opdat wij ons des te zorgvuldiger hoeden \'). Dat het geestelijk verstaan moet worden blijkt uit des Apostels eigen woorden: \'t zijn geestelijke boosheden waartegen de strijd is , \'t is niet tegen vleesch en hloed.

Dus de duivel werkt. Doch niet onweerstaanbaar. Het zijn geen oprechte vromen die hunne zonden en ongetrouwheden op den duivel schuiven en zeggen : die heeft hel gedaan. De duivel kan ons verleiden, maar niet tegen onzen wil. Wie hem met God weerstaat, voor dien vliedt hij. Vandaar de vermaning Jac. 4:7: Zoo onderwerpt u dan Gode, wederstaat den duivel en hij zal van u vlieden. Treffende, gezonde leer , die de practicale Apostel hier en vooraf den Christenen toedient: bescheidenheid jegens de mcnschcn, onderwerping aan God, maar verzet, oppositie tegen den

Dogmat. II. p. 38, dio do Schrift (Ef. 6 : 12) laat zoggoa dat zjj ook de lucht bevolken.

\') Calvin. Commoutar in Epist. ad. Eph. 1. c. Dezelfde, Institat. I. 14. 13: Wordt de Satan genoemd de God dezer eeuwe , de overste dezer wereld, de sterk gewapende, de overste van de macht der lucht, zoo hebben deze beschrijvingen geen ander doel, dan om ons voorzichtiger en waakzamer en tot den strijd bereidvaardiger te maken. — Als goed uitlegger van don Apostel kan waarlijk niet gelden do dichter Prudcntius , Hamartigenia 505 sqq. (Carmina ed. Obbarius p. 97) die aan do booze geesten de vochtige, nevelige lucht toeiiigont. Scilicet hoc medium, caelum inter et infima terrae Quod patet et vacuo nub es suspendit hiatu , Frena potestatum variarum sustinet ac sub Principe Belia rectoribus hor ret iniquis.

-ocr page 759-

§17. DE ENGELEN. NIET ALLEN GOED GEBLEVEN. 731

duivel, den vijand, met de belofte verzoet: bij zal voor u op de vlucbt gaan, telkenmale, hoe vaak bij ook zijne aanvallen herbaalt\').

§ 18. De eerste menschen.

De eerste menschen waren Adam en Eva. Vóór dezen zijn er geen menschen geweest. Ook zijn er niet gelijktijdig met hen meer menschen ontstaan. Alle menschen, waar zij ook zijn, stammen af van dit ééne paar en, omdat Eva uit Adam was, is Adam de eenige stamvader van allen. Geen Praeadamieten en geen Coadamieten. Deze waarheid, zoo belangrijk voor de erkenning van de gelijkheid aller menschen, waarin de grond ligt van dat ieder mensch zich als naaste moet kennen van eiken anderen mensch, als zijnde oorspronkelijk en zullende zijn één geslacht, broederlijk verbonden ; deze waarheid, zoo gewichtig tevens voor en zoo nauw samenhangend met de leer van den val en van de verlossing, kennen wij alleen uit Gods Woord.

De uitnemendste wijzen onder de Heidenen hebben er niet van geweten. Van het licht der Goddelijke openbaring verstoken, konden zij niets anders dan fabelen voortbrengen. Democritus1) leerde, dat de menschen als wormkens uit de

1

) Democritus, boroeiud Grieksch wijsgeer vati Abdéra, gestorven 3G1 v. C., ijverig onderzoeker der natuur, waarbij hij hot gezicht verloor of, volgens anderen, zich zelf de oogen uitstak , om geen afleiding te hebben. Bij zijne diepzinnige be-spicgelingtin bewaarde hij eene zonderlinge opgeruimdheid van geest, van daar yeXXTlvos, de lachende philosoof genoemd. — Van Epicurus, zie Eerste Hoofdstuk van dit Leesboek, p. 50 v.

-ocr page 760-

TVl § 18. DE EERSTE MENSGHEN.

aarde waren voorlgekropen. Zijn naprater Epicurus meende, dat de menschen door toevallige samenvloeiing van ondeelbare deeltjes (atomen) als paddestoelen uit den grond waren opgerezen quot;). De meeste stamvolken der oudheid, inzonderheid de Grieken en bij name de Atheners beweerden, dat hunne voorvaderen uit do aarde van hun land waren ontsproten en noemden zich Autochthonen wysms, aborigines). Hiertoe werden zij gebracht deels door een trotsch gevoel hunner onafhankelijkheid van andere volkeren , deels ook wel door de ervaring, dat de mensch stervende tot aarde wederkeert2).

Deze stelling der oudheid van Autochthonen is met verschillende wijzigingen weer opgehaald door nieuwere natuurkundigen , volgens welken de menschheid in eene veelheid van oorspronkelijke paren zou zijn geschapen ; van daar de verschillende natiën. Even als de boo men wouds-gewijs zijn geschapen, de grassoorten en kruiden bij beemden , de dieren bij kudden, zoo zouden de menschen bij natiën zijn voortgebracht 3).

Anderen, desgelijks buiten de Schrift staande , hebben verkondigd dat alle organismen, van planten en dieren uit ééne eenige stamsoort of uit zeer weinige oorspronkelijke

\') Naar Lucretius, Dichterlijk bewerker van Epicurus, is do aarde do moedor van ai wat op haar is, merito malernum nomen adept a. Doch deze moeder heeft nu opgehouden te baren , at muiier spatio defessa vetusto. Belangrijks hierover is te vinden in do doctorale Dissertatie vun •/. Woltjar, Lucrotii Phiioso-phia. Gron. 1877. p. 1B7 sqq.

2) Bret Schneider, Handb. der Dogmat. 3te Aufi. I. S. 739.

:l) Aldus Affassiz, Burmeister e. a., bij O. Zöckler , Die Ur-geschichte der Erde und des Menschen , in Beweis dos Glaubens 1868. S. 574, 590.

-ocr page 761-

§18. DE EERSTE MENSCHEN.

733

soorten door voortgaande ontwikkeling of verandering van aard zouden zijn voortgekomen. Geheel in strijd tegen Gods Woord, hetwelk ons zegt dat kruiden, hoornen, dieren geschapen zijn een ieder naar zijnen aard Gen. 1 : 12, 21 , 25 , en dat God daarop den mensch schiep, man en vrouw. Dus de veelheid van soorten is niet door opvolgende ontwikkelingen uit ééne of weinige oorspronkelijke soorten ontstaan \'), maar door de schepping gezet, hetwelk intusschen een menigvuldig afaarden niet uitsluit. Na de schepping der landdieren op den zesden dag trad er eerst als het ware een Selah in, eene plechtige pauze ; dan werd , op denzelfden dag , de mensch geschapen naar Gods beeld. Dies is liet vlak in tegenspraak tegen de Schrift, wanneer eene valschelijk genaamde wetenschap in onze dagen de menschen voorstelt als langzaam ontwikkelde dieren, als veredelde apen2). Het is hier onze taak niet, op dit lievelingsdenkbeeld van het moderne Materialisme nader in te gaan. Uitnemende

\') Darwin\'s transmutatio-thoorio. Zöcklcr, a. W. S. 541. -) lieichenhach; A ks dein Geschiedde d( r Affen entsproszte der erste Mensch; an der Brust der Aelfin saugte er die erste Muttermilch. Zakelijk ook Darwin, schoon deze de vorandering van een aap of apen-embryo in den eersten mensch niet rond uitspreekt. Zöcklcr, a. W. S. 571. 554. Simla quam similis turpissima bestia nobis! Ennius bij Cicero, do Nat. Deor. I. 35. Tegen do apentheorie en over het verschil tusschen mensch on aap (bijzonder : opgerichte gang; spraak) zie kort en afdoende Prof. •/. Van der Hoeven in Vilkens, Volmaaktheden .dos Scheppers III. p. 594 v. v. Treilend p. 596: De mensch is mensch, om het dus uit te drukken , van het hoofd tot de voelen , even als de chimpansé en de orang apen zijn van den kop tot de hielen.

-ocr page 762-

§ 18. DE EERSTE MENSCUEN.

mannen hebben het, met gronden uit de natuurkunde zelve , zegevierend wederlegd i).

Iets anders is het, wanneer men op kerkelijk gebied zulke gissingen voor de waarheid in plaats stelt en met de Heilige Schrift zelve komt om zijn gevoelen te bewijzen.

Dus ook Isaac Peyrerius (de la Peyrère), een Fransch-man, van Bordeaux, die eerst tot de Hugenooten1) of Gereformeerden behoorde maar later, om vrij te zijn, tot de Roomsch-Katholieke kerk overging 3). Hij gaf in het jaar 1G55 te Amsterdam twee geschriften uit: één onder den

734

1

) Zoo worden de Gereformeerden bijzonder in het zuidalijko Frankrijk genoemd. Volgens sommigen een spotnaam, hun gegeven wegens hunne bijeenkomsten dos nachts aan afgelegene en verborgene plaatsen uit vrees voor do Koomschen. G. H. KUppel in Herzogs Roal-Enc. XIX.S.674. Ie Ed. Meer waarschijnlijk is hot eeno verfranschte uitspraak (Eignots of Eidgenots) van het Hoogduitsche Eidgenossen (van Zwitserland overgenomen; daar, in togonstolling tegon do Mamolukken, naam van do vrienden dor onafhankelijkheid, waarvan Besanqon Hugues het hoofd was , van daar de spoiling Huguenots) d. i. Eodgenooten , verbondenen. Von Polcaz in Herzogs Real-Encycl. IV. S. 530. Van Dale, Niouw Woordenb. der Noderl. taal s. v. Merle d\'Aubigné, Gesch. dor Herv. in Eur. ton tijde van Calvijn. Rotterd. 1863 I. p. 68.

:1) — ein Mann, der überhaupt wenig geglaubt haben soil. Mr. C. O, Jöcher, Gelohrten.—Lexicon. Loipz. 1726. 11. S. 538.

-ocr page 763-

§18. DE EERSTE MENSGHEN.

titel: Praeadamitae (Voor-Adamieten) of Oefeningen over Rom. 5: 15—14 en een (onvoltooici) Godgeleerd systeem. Rechtzinnige Theologen uit de Gereformeerde en de Luther-sche Kerk kwamen met ijver daartegen op.

Hij beweerde \') : Adam en Eva waren niet de allereerste menschen, maar alleen de stamouders der Joden, terwijl al de Heidensche volken van andere, talrijke menschenparen afstamden, die lang voor Adam waren geschapen. De schepping van deze vóóradamietische menschen zou Gen. 1 : 27 bedoeld zijn : God schiep den mensch, collectief genomen: in menigte even als de dieren ; man en vrouw schiep Hy ze, paarsgewijs , evenals de landdieren; op den zesden dag; buiten het paradijs. Daarentegen zou Gen. 2 : 7 v.v. berichten de schepping van de stamvaders der Joodsche menschheid , van Adam en Eva, en wel na de scheppingssabbat, in hot Paradijs. Gen G: 1 , 2 2) zouden Gods zonen Adams nakomelingen zijn , de dochteren der menschen dochteren van die menschen die vóór Adam waren geschapen en de zondvloed zou alleen getroffen en weggenomen hebben de voorgeslachten der Joodsche , niet de overige menschheid , zoodat No-ach de tweede stamvader werd alleen van het Joodsche volk en niet van het geheele menschdom. Peyrerius beriep zich ook bijzonder op Rom. 5: 13 : tot de wet ivas de zonde in de wereld, terwijl hij geheel willekeurig door

\') üitvoorig handelt daarover: Henry, Bijbelverklaring, Gen. I. p. 253 v.v. Vergel. Bretschneider, Dogmat. I. S. 745. P. Van Mastricht, Godgeleerdh. II. p. 78 v.v. Zöckler in Herzogs Ueal-Enc. XX. S. 408. ff. Dezelfde iu Beweis des Glaubens 1868. S. 575 f.

Hierover zie boven bl. 691, aanteekening 1.

735

-ocr page 764-

§18. DE EERSTE MENSC.HEN.

doze wet\') verstond het proefgebod aan Adam gegeven: vóór dat proefgebod was do zonde roods in do wereld, dat zouden zijn natuurlijke zonden, zonden togen het natuur-licht, niet zonden tegen de wet; in de wereld, namelijk bij de Heidenen van de Voor-Adamioton afkomstig, een bewijs, naar hij meende , dat er reeds voor Adam in alle werelddoelon menschen waren.

Intusschon dat Gen. 1 : 27 geen andere menschen bedoeld zijn dan Gen. 2 : 7, 22, namelijk Adam en Eva, blijkt ten klaarste uit Gen. 2 : 5, waar gezegd wordt, dat er voor Adam geen mensch is geweest om den aardbodem te houwen.

73G

Maar geeft Gen. 4 : 14 niet te kennen dat er nog andere menschen waren dan Adam ? Daar immers zegt Kaïn, als hij nu zal zwerven op aarde : al wie mij vindt zal mij doodslaan. Ook hiermede zocht Poyrerius zijn gevoelen te staven. Zonder grond. Vooreerst kan het geheel niet bevreemden dat de broedermoorder voor zijn leven vreesi: het is de wanhopige taal van een kwaad geweten , hetwelk zich allerhande schrikbeelden voormaalt. De god-deloozon vlieden , waar geen vervolger is , Spreuk. 28 ; 1. Ten tweede; indien er bij dat gezegde aan werkelijk bestaande menschen is gedacht, dan zijn daarmede toch geen anderen dan afstammelingen van Adam bedoeld , want dezen alleen konden overeenkomstig do grondstelling van de bloedwrake Kaïn naar het leven staan. Ten derde : het geslacht van Adam was reeds zeer vermenigvuldigt : want hij had met Eva roods meer dan oeno eeuw geleefd. Immers toon Seth geboren werd, zeker niet lang na Abels

-ocr page 765-

§18. DE EERSTE MENSGHEN.

dood, was Adam 130 jaren oud. Gen. 4 : 25. 5; 3. Kaïns huisvrouw was eene dochter van Adam, zeker reeds voor het vergieten van zijns broeders bloed met hem gehuwd \').

De Heilige Schrift kent maar éénen eersten Adam en leidt van dezen alleen het algemeene verderf der menschheid af, Rom. 5: 12. En Paulus noemt Adam uitdrukkelijk den eersten mensch 1 Kor. 15 : 45.

De rede leidt tot eerste ouders : al opklimmende rugwaarts van geslacht tot geslacht komen wij noodzakelijk tot een begin, tot eerste menschen. Maar dat deze eersten niet meer waren dan één paar, leert ons alleen1) de Heilige Schrift. Door Paulus mond verklaart zij Hand. 17 : 26 : „God heeft uit éénen bloede het gansche geslacht der menschen gemaakt, om op den geheelen aardbodem te wonen, bescheiden hebbende de tijden te voren geordineerd en de bepalingen van hunne woning.quot; Dus sprak Paulus in het heidensch Athene 3) met plechtigen nadruk zoowel in tegenstelling tegen de na-tuurreligiën in het gemeen, die van don éénigen Schepper en daarom ook van de eenheid des menschelijken geslachts niet wisten, als inzonderheid tegenover het hoogmoedig volksgeloof der Atheners, dat zij afstamden van voorouders, uit hun eigen land ontsproten. Uit éénen bloede! Dat was geheel wat nieuws voor de Atheners en voor hunne philo-sofen. Allen uit eönen bloede ! zegt de Apostel, in plaats van: uit één zaad, van éénen stamvader, om de innige ver-

737

1

) Ook Joh\'. Midler bolood: Oh die gegehenen Menschenracen mis Einein odcr mehreren abstammen, kann nicht aus dek Ek-I\'aiihung eumittelt werden. Tholuck in Hcrzogs lleal-Eucykl. I. S. 87. lo Ed.

\') li. Stier, Die Reden der Apostel. 1830. II. S. 145 f.

Gravemejjer, Gcref. Gol. Icor. 47

-ocr page 766-

§ 18. DE EERSTE MENSCHEN.

wantschap van het menschengeslachl te treffender af te teekenen, om op de samenhangende volgreeks der telingen en geboorten sedert den eersten mensch heen te wijzen en om den geheimnisvollen zetel des Zewws aan te duiden (want in het bloed is het leven), hetwelk de levende God in den veelvoudig zich vertakkenden menschenstam heeft ingeblazen en voortdurend door den adem voedt, dien Ilij geeft (v. 25). Wij menschen zijn allen één volk 1 dus ook één in schuld en verderf en langs éénzelfden weg te verlossen. Dit is de groote waarheid die het Woord Gods aan do dwalende volkeren verkondigt: zonde en dood door don éénen aardschen Adam, gerechtigheid en leven door den éénen hemelschen Adam. Rom. 5: 12 v.v. 1 Kor. 15: 47 v.v. Even streng monogenistisch (voor de afstamming van één menschenpaar) als het Nieuwe Testament is ook het Oude : want in zijne aloude geslachtsregisters en volkentafelen leidt het de stamvaders aller natiën van Adam af. Gen. 5 : 1 v.v. 10 : 1 v.v.

Ook de Natuurkunde weet hiertegen niets van overwegend gewicht in te brengen. „Nog nergens hoeft zij zoo geheel verschillende menschensoorten ontdekt, dat hot volstrekt ónmogelijk ware, ze als loten van éénen stam te beschouwen. Wellicht mag men aannemen, dot reods in het eerste menschenpaar gepraeformeerd (by voorbaat en ingewikkeld ingeschapen) de kiemen der verschillende rassen aanwezig waren, die zich onder den invloed van klimaat, levenswijze enz. in zooveel rijkdom van vormen ontplooiden gt;).quot; Immers

\') Van Oosterzee, Dogmat. T. p. 495. v. Nader gestaafd door Hengstenberg, Gosch. des Reiches Gottes uuter dom A. B. I. S. 106—108. Vergol. Prof. J. Van der Hoeven iu Uilkens Vol-raaakth. van deu Schepper III. p. 603 v.v. Ook hij houdt, vast, p. 008 : dat alle verscheidenheden slechts afwijkingen zijn van een

738

-ocr page 767-

§18. DE EERSTE MENSCHEN.

geheel de menschheid is niet anders dan eene vermenigvuldiging van hare beide eerstelingen, naar het Woord van God tot hen Gen. 1 ; 28 : iveest vruchtbaar en vermenigvuldigt en vervult de aarde, waardoor meteen is aangeduid dat, waar in toekomst ook op aarde menschen zouden wonen, dezen geen anderen zouden zijn dan afstammelingen van dit ééne paar. „God heeft zelf wel onmiddellijk de aarde met een hoop van menschen kunnen bedekken, maar Hij wilde uit ééne bron ons allen doen voortkomen, opdat de neiging voor onderlinge eendracht te grooter ware en de een den anderen des te williger gelijk als zijn eigen vleesch zou omvattenquot;\').

oorspronkelijk hroedergeslacht. En : hij het menschelijlc geslacht zien wij niet tegenstaande de tallooze verscheidenheden der volken slechts eene enkele menschensoort. Aldus ook G. 11. Von Schubert, Lehrbuch der Naturgescli. 12te Aufl. 1840. S. 368 ; Selbst ven dem menschenahnlichsten A/f\'en unterscheidet den Menschen auszerlich schon der zum Stehen geschickte Fusz und der (janze , blos zum aufrechten Gauge eingerichtete ilau des Körpers. Alle schwarze, rnthe, gelbe, grosz- und klelnnazige, grosz- und kleinüugige Menschen , gehören doch nur zu Einer Gattung, stnd aus Ernein gemeinschaftlichen Htamme entsprun-gen, dessen Zweige sich nach und nach ilber die ganze Er de ausgebreüet haben, deun dies geht aus allen den Gründen her-vor , ivelche die Gelehrten sonst in der Nalur filr ein sicheres Zeichen halten , dasz verschieden aussehende Thiere und 1\'flan-zen von einerlei Stammart waren, so wie aus den gemeinschaftlichen Sagen, Religionsbegriff\'en und Aehnlichkeiten der Sprachen, hei vielen , attch noch so rveit van einunder entfernten Vólkern.

1) Calvin. Commentar. in Gen. 1: 28. Zegt Van Oosterzee, Chr. Dogmat. I. p. 497 , dat door de oorspronkelijke eenhaid des menacholijkon goslachts ook hat uitzicht ivordl gewaarborgd dat het Godsrijk tot allen zal komen, zoo luidt dit wel iets apokx;-

739

-ocr page 768-

g 19, HET MENSCHELIJKE WEZEN.

§ 19. Het menschelijke wezen.

Aan het hoofd der aardscho schepselen staat de mensch, verheven boven allen doordat hij het eenige persoonlijke wezen is op aarde. De mensch is een persoonlijk wezen, een levende geest of redelijke ziel met een lichaam als woning en werktuig.

De mensch is persoon \'), een wezen, niet alleen met bewustheid maar met zelfbewustheid , vrij willend , vrij werkend , zichzelf bepalend, met eene eigene, eindelooze bestemming\'*), terwijl de andere aardsche schepselen slechts voor den mensch en slechts tijdelijk bestaan.

Door het zelfbewustzijn is het dat een ieder tot zichzel-

tastatisch, docb dat doze Hooglcoraar, zich bnigondo voor Let beschrovon Woord, gocn volstrekt algemoene zaligheid durft stellen betuigt bij zelf a. W. II. p. 568.

1) Zie Inorbovon bl. 682 ou Eerste Hoofdstuk van dit Leesboek, 2do druk, p. 8 (tsto dr. p. 3 v.) on Vierde Hoofdstuk p. 456. Vergol. J. T. Doedes, Inleid, tot de leer van God. p. 74. v.

-) Juist bierin , dat de monscb persoon is, hetwelk wil zeggen, dat hij eene oigone bestemming heeft, ligt wel hot voornaamste van do philosophischo bewijzen voor de onsterfelijkheid. Immers eene bestemming voor zich zclven to bobben on evenwel eens op te houden persoonlijk te bestaan is eene tegenstrijdigheid. Do zoogenaamde philosophischo bewijzen voor do onstorfolijkböid der ziol, ook zooals G. H. v. Sehuhert, Lebrbuch der Monschen-und Seelenkunde § 25 die geeft (naar C. F. GöscheT) zijn wel tot dat éeno punt terug te brengen, namelijk de persoonlijkheid on daarmede do eigene bestemming. Hot dier heeft geono bestemming voor zich zelvon. — In do H. Schrift wordt de on-storfehjkhoid der ziel niet bewezen, maar als eene gemoene waarheid verondersteld.

740

-ocr page 769-

§19, HET MENSC1IELIJKE WEZEN.

ven Ik zegt\'). Het Ik is het concrete zelfbewustzijn. Het Ik behoort niet uitsluitend tot één der gewoonlijk aangeno-mene menschelijke vermogens van voorstellen, voelen en begeeren, maar is de eenheid en drager van hot innerlijke leven en beschouwt zich zelf in al zijne menigvuldige , wisselende toestanden als één en hetzelfde subject. En dit is de persoonlijkheid in den psychologischen zin des woords. Als concreet zelfbewustzijn is het Ik, naar phi-losophisch begrip , de identiteit van subject en object, van onderwerp en voorwerp.

De mensch is persoon door dat hij een levende geest, eene redelijke ziel is. Hij heeft niet slechts een levenden geest, maar hij is een levende geest. Zijn persoon, zijn Ik is niet iets of iemand boven of buiten den geest, maar is juist in den geest gelegen. De geest in zijne betrekking tot het lichaam is ziel en wel, juist van wege den geest , die in haar is, redelijke ziel. De persoonlijkheid ligt niet in het lichaam: want ook van het lichaam ontdaan blijft de mensch persoon. Het lichaam is woning en werktuig2) der ziel, is slechts het orgaan waardoor de ziel zich uit. De ziel is niet slechts de eenheid der menschelijke vermogens. Verklaart men haar voor niet meer, dan doet men haar afdalen tot een bloot gedachtending, een denkbeeldig iets zonder realiteit. Veelmeer, een reëel wezen, zelfstandig bestaande en onderscheidbaar van hare vermogens, openbaart en betoont zij zich in dezen als in zooveel verschillende richtingen harer werkzaamheid. Dies bestaat de mensch uit ziel en lichaam, naar het eigen woord des Heeren Matth. 10 : 28 : „vreest u niet

\') Vergel. Imman. Kant\'s MoDSchonkundu , horausgeg. von Fr. Ch. Starke. Loipz. 1831. S. 9. f.f.

J) Calvin. Instit. I. 15. 2.

74-1

-ocr page 770-

§19. het menscheluke wezen.

voor degenen die het lichaam dooden en de ziel niet kunnen dooden, maar vreest veelmeer Hem\'), die beide ziel en lichaam kan verderven in de helle.quot;

Zoo spreekt de Schrift doorgaans van ziel en lichaam of geest en lichaam en geeft daardoor te kennen het geestelijke in den mensch over het geheel en het zinnelijke aan hem. Waar zij geest en ziel onderscheidt, daar beteekent geest het hoogere, redelijke wezen des menschen, waardoor hy van de redelooze dieren verschilt.

Aldus 1 Thess. 5 : 23 ; De God des vredes zelf heilige u geheel en al en uw geheel oprechte geest en ziel en lichaam worde onberispelijk bewaard in de toekomst onzes Heeren Jezus Christusquot;1). De geest is hier niet de Goddelijke Geest, maar de menschelijke geest, want de Apostel zegt: mv geest , in denzelfden zin als hij Rom. 8 : 16 zegt: onze geest, onderscheiden van den Geest Gods, dien de geloovigen hadden ontvangen. Dezelve Geest getuigt onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn. Zoo is het dan niet te ontken-

742

1

) Dat is niot do duivel, maar God. Want daar is een eenig Wetgever, die hehouden kan en verderven, Jac. 4; 12. Meyer, zu Matth. 10 ; 28 noemt verkeerdelijk Olshauscn als voorstan-dor van hot gevoelen, dat Jozus don duivol bedoelde. Immers Olshausen , Bibl. Comment. 3te Aufl. I. S. 34é neomt zelf dio opvatting terug mot do bekentenis , Entsciieidend dürfte ober doch hiergegen seyn, dasz der Teufel nie in der Schrift als der in die Holle Ver dammende erscheint; seine ganze Wirksamkeit steht unter Gottes Walton, waarbij Olsh. zelf Jac. 4: 12 aannaait. Maar Stier, Roden dos Horrn Jesu I. S. 427—482 verklaart zich bepaald en mot voel schijn van rodonen voor don duivol.

2) Xutos Is \'o óeos rvn slpvjvyg ayixvxi vpx; oXoreXeic nxi ÓXÓKXVIPOV UftUV TO TTVêVftX y.x) •// Wvxy KM TO lt;rcif6X XftSflTTTUi; êv rij Trxpowricf. rou xuphu \'Utoü XpivTOÜ rypylsiy.

-ocr page 771-

§ 19. HET MENSGHELIJKE WEZEN.

non dat Paulus ter aangehaalde plaats drieërlei in den mensch onderscheidt: geest, ziel en lichaam. En hierop vooral heeft men de leer van de driedeeligheid (trichotomie) des menschen gegrond\'). Hierin ligt wel iets waars, maar men dwaalt wanneer men het dus opvat, dat geest en ziel twee verschillende zelfstandigheden zouden zijn , waarbij

\') In nicuweron tijd is do iuvloodrijkste voorganger in dezen geweest Dr. If. Olshausen, De humanae naturae trichotomia. Koningsb. 1825. Voorts in zijn Biblisch. Commcntar aan velo plaatsen. Ook L. (Jsteri, Entwickelung des Paulin. Lehrbe-griffes, 5te Ausg. S. 415 f. erkent de Paulinische trilogie, doch verstaat door den geest niet bloot den meuscliolijkon geest, maar den Goddclijken Geest in den Christen. Aldus ook vele Godgeleerden van vroeger, b.v. reeds Irenaeus, zie llagenbach, Dog-mengesch. S. 116. Anm. 2. Zoo ook Gnomon op 1 Thess.

5: 23 mot verwijzing naar Gal. C: 18 en op Hebr. 4:12: de mensch naar zijne natuur besnhonivd bestaat uit ziel (anima) en lichaam Matth. 10 ; 28: maar zooals hij de werking des Woords Gods in zich heeft, bestaat hij uit geest (spiritus), ziel (anima) en lichaam. Togen deze opvatting verklaart zich te recht Van Oosterzee, Dogmat. I. p. 491). — Dahne, Entwickelung dos Paulin. Lehrbog. S. 61 : Paulus leannte und billigte die Trichotomie des Menschen , die auch sonst in der griechischen Philosophic der alexandrinischen Ju den vorherrschend gewesen war.

C. Vitringa, Observation, sacr. Lib, TIL p. 550 sqq. gaat, tor toelichting van Paulus\' »drio doelen des menschen, spiritus, anima eu corpus,quot; de gevoelens na der Joodsche Kabbalisten (kabbala d. i. overlevering, en wel wijsgoerige schooltraditie) ou der Platonische en Aristotelische philosofen. Plato is bepaald trichotomisch. Niet alleen onderscheidt hij vov?, quot;Vvxh en (tco[/,x, maar ook aan de éóne monschenziel eigent hij drie zijnsvormen, s\'iïy, toe. Tplx rpiXYi \' \'u%vf-? w tirfv fi\'S»? KxrciyjTTXi (namelijk : ï-dymév, xloyov, (tupis). Plato, Timacus p. 90. a. od. Tauchn. p. 102,

Ook do llomeiuscho diehtor-philosoof, de materialistische Lu-

743

-ocr page 772-

§ 19. HET MENSCIIELIJKE WEZEN.

dan als een derde het lichaam zou komen. Want geest en ziel kunnen geen twee zelfstandigheden zijn : daartegen getuigt de eenheid van het menschelijke zelfbewustzijn (in gezonden staat.) Zonder den geest, alleen met eene ziel, ware de mensch een dier. Door den geest in de ziel is hij persoon, zelfbewust, redelijk, met eigen bestemming, onsterfelijk. Geest en ziel in één zijn het menschelijke Ik , zijne persoonlijkheid.

cretins onderscheidt anima en animus , Vitringa a. W. p. 554, waarvan men meer vindt in do doctorale Dissertatie van J, Woltjer, Lucretii Philosophia p. 59 sqq. Naar Lucret. bestaat de ziol uit allerkleinste lichaampjes; hoo fijn deze zijn, blijkt hem hieruit, dat het lichaam vau een dood mensch niets lichter is dan van een levenden, ib. p. 60.

De Kabbalisten onderscheiden: niquot;! Spiritus, anima en

r\\r2p: anima rationalis. Aldus bericht Vitringa a. W. p. 550.

Daarentegen leert Delitzsch, Bibl. Psychol. S. 154: nach gang-barer rabbinischer Terminologie ist die vemiinftige, unsterb-

liche, nOKO dagegen die animalische nut dem Leibe vergehende Seele. En wederom verzekert Ohhausen, Commentar zu 1 Thess. 5; 23: Nur scheinbar nahmen die Kabbalisten auszer rvn und

noch als verschieden von beiden nDE\'J an, also dreigeistige

Potenzen und mit der Leiblichlceit vier Theile der menschlic/ten Natur. Volgons Olshausen zou namelijk bij hen hetzelfde

zijn als Trvsüfta Siyiov in het N. T., hetwelk Paulus Hom. 8: 16 van het menschelijke Trveü/^x onderscheidt, zoodat in dor. wedergeborenen ook drei geistige Potenzen zijn aan te nomon, In-tusschon herinnert Olshausen hierbij to recht: aber das ttjsvijix ovyiov ist hein mtegnrender Theil der menschlichen Natur, son-derti eine dieselbe fiber sic/t selbst erhöhende Wivlcung Gottes in ihm. Tegendeel eu wederpartijder hiervan is Wij heb

ben hier echter physiologisch met do natuurlijke bestauddeelen des monschcn te doen.

744

-ocr page 773-

§ 19. HET MENSCIHELUKE WEZEN.

Zelfs degenen die de driedeeligheid voorstaan en beweren, dat Paulus drie wezensbestanddeelen des menschen onderscheidt, op ieder van welke eigenaardig zich het werk der heiligende genade uitstrekt, laten tevens blijken dat, hunne stelling zweeft. Want wij vernemen daar de bekentenis: dat de drie wezensbestanddeelen, welke de Apostel onderscheidt, in geenen gevalle drie verschillenden van wezen zijn en dat of geest en ziel, of ziel en lichaam, als gelijk van wezen saam-behooren en dat dus de voorstelling des Apostels in den laatsten grond werkelijk tweedeelig (dichotomisch) is •).

Ongetwijfeld bedoelt de Apostel met den geest het redelijke verstand, met de ziel den wil en al de genegenheden1), terwijl het lichaam het werktuig is, waardoor hetgeen het verstand beraamt en de wil besluit, eindelijk wordt uitgevoerd. De Apostel nu bidt voor de geloovigen, dat de God des vredes hen in allen dezen heilige en beware, opdat zij, wanneer de Heere in rechterlijke heerlijkheid verschijnt, als waarlijk geheiligden openbaar mogen worden. „Want hoewel de mensch maar ééne ziel heeft, zoo zijn in dezelve nochtans verscheidene krachten, die, overmits zij alld in den natuurlijken mensch zijn bedorven, alzoo alle door den Geest Gods moeten vernieuwd en geheiligd worden; welke heiligmaking van al onze krachten eerst in de toekomst des Heeren Jezus Christus ten volle zal geschieden, hoewel wij daarin dagelijks meer en meer moeten toenemen 3).quot;

745

1

) Hierop komt ook C. Vitringa uoer , tl. w. p. 559.

-ocr page 774-

§ 19. HET MENSCHELIJKE WEZEN.

Ook Hebr. 4: 12 worden ziel en geest bij elkander genoemd : „het woord Gods gaat door tot verdeeling ww en geest,quot; Het wil zeggen: tot de binnenste bewegingen van den wil en het verstand des menschen. Ook hier wordt geenszins geleerd, dat ziel en geest twee deelen, twee stukken van den mensch zijn. De ziel maakt zijne individualiteit uit, de geest zijne persoonlijkheid. Beide bestaan niet afzonderlijk, maar zij zijn in één. Door den geest in de ziel is deze eene redelijke ziel. En in dezen zin zeggen wij : de mensch , naar zijn natuurlijk wezen beschouwd (want daarvan wordt hier gehandeld) bestaat uit ziel en lichaam.

§ 20. Oorsprong van het lichaam der eerste menschen.

Bij de schepping der eerste menschen is er veel bijzonders omgegaan, wat hen van de andere creaturen onderscheidde.

uitvoert dan tuat Gode behagelijk is. Vorgol. Dezelfde, lustit. I. 15. 2. on Coccejus, Commentar. in Epist. I. ad Thoss. c. V. § 133. Tegen do trichotomio is Ebrard, Dogmat. I. S. 2G1 ff. Oehler , Thoologio dos A. ï. I. S. 229 bokont: dasz das A. T. nicht eine Tmchotomie des menschlichen Wesens in df.m Simie lehrt, als ob Lki ii , Seele und Gteist ursprünglich drei kourdi-nirte Bestandtheile des Menschen waren. J. P. Lange , liibol-work, Gonosis S. 72 merkt, aan : dat do eenvoudig gehoudene dicliotomie heel niot strijdt tegen do trichotomio (ziel on geest in óón gevat). — Over de dichotomie en trichotomio van Angns-tinus handelt leerzaam K. Von Raumer , S. Augustini Confess. Lib. VIT. c. XIX. Anm. 6 (Gtttorsloh. 1876. p. 176 sq.). Hij komt tot het resultaat: dass Augustinus die wesentliche Ilaupt-scheidung in vüpx und anerkannte , zugleich aber anch

als NQTinvENDiGE Jeincre Unterabtheilung die Annahme ciner ahoyos und hoyiKy.

746

-ocr page 775-

§ 20. OORSPRONG VAN HET LICHAAM DER EERSTE MENSCIIEN. 747

Hier sprak God niet gelijk bij de vorige werken; daar zij! of; de aarde brencje voort! De Schepper had ook den mensch wel door een bloot spreken, door een enkel bevehvoord kunnen scheppen, maar „Hij had zooveel lust tot dit werk, dat Hij het met eene grootere nedorlating van zich zeiven dan de vorige maaktequot;quot;). Wel ontstond de mensch even ais de andere schepselen door de Goddelijke almacht, die onzichtbaar werkte en alleen in hare uitwerkingen waarneembaar werd. Maar hierdoor onderscheidt zich de schepping des menschen, dat al de andere creaturen, waarvan Gen. 1 gewaagt, door Goddelijke bevelwoorden in het aanzijn worden geroepen, terwijl bij de schepping des menschen geen zoodanig machtwoord wordt vermeld, maar een plechtig woord van beraad en besluitneming voorafgaat4). God zeide: laat ons menschen maken , naar onzen heelde, naar onze, gelijkenis. En God schiep den mensch naar zijnen heelde, naar den heelde Gods schiep Hij hem, man en vrouw schiep Hij ze. Gen. 1 : 2G, 27. Na dit bericht van de schepping der eerste menschen naar Gods beeld wordt Gen. 2 de wijze en toedracht van hunne schepping nader beschreven.

En wel eerst van het lichaam des mans. De Heere God heeft den mensch geformeerd uit het stof der aarde, Gen. 2: 7. Geformeerd „of geheeld oi gefatsoeneerd*) geWfr cqïï pottenbakker uit leem wat formeert; verstaat dit ten aanzien van \'s menschen lichaam,quot; teekenen te recht onze Sta-ten-Vertalers aan. Het lichaam des menschen komt hier als

\') M. Fr. Roos, Einleitung in dio bibl. Gosch. I. S. 38. 2) Delilzsch, Bibl. Psychol. S. 72.

:l) Dat is do betookenis van het Hobrouuwsclio woord quot;lï* »

\' T

hotwelk Mozes hier gebruikt.

-ocr page 776-

748 § 20. OORSPRONG VAN HET LICHAAM DER EERSTE MENSCHEN.

een uitstekend kunstwerk uit Gods handen voort. Intusschen moeten wij ook hierbij „van de hemelsche majesteit Gods niet aardsch gedenkenquot; en onze „grovigheidquot; niet overbrengen tot Hem, die Geest is. God werkt niet schepselachtig maar Goddelijk, niet evenals menschelijke werkmeesters en kunstenaars met hunne handen eene stoiïe bearbeiden, leem, hout of metaal om daaruit iets te vormen. Dies mogen wij het ons niet zoo grof-zinnelijk voorstellen, als had God een klompje aarde met handen bewerkt en gevormd tot een menschenbeeld en dan daarbij staande den adem des levens daarin geblazen \'). Immers God heeft geen eigenlijke handen. „De hand Gods is de macht Gods, die ook het zichtbare onzichtbaar werkt1).quot; Des te grooter wonder , des te onbegrijpelijker.

Want het blijft toch waarheid: de Heere God heeft des menschen lichaam geformeerd uit het stof der aarde. De dieren kwamen in een oogenblik volschapen en levend uit de aarde voort; de mensch niet: deze ontstond allengs en ook hierin bleek zijne meerdere waardigheid a). Het lichaam des menschen is eer geweest dan zijne ziel. De vorming des lichaams en het ontstaan der ziel waren niet eene eenige in één onverdeeld oogenblik volbrachte scheppingsdaad ^).

1

) Augustin. De Civit. Dei Lib. X1L Cap. XXIII. od. Tanchn. Tom. I. p. 381. Hij voegt or bij : Foor die de kracht en wijsheid Gods niet kennen schijnt dit (do voortbrenging van don man on do vrouw uit de aarde en uit eono rib) meer fabelachtig dan waar. Quasi non haec ipsa quae noverunt de humanis conceptibus atque partubus, si inexpertis narrarentur, incredibiliora viderentur.

-ocr page 777-

§ 20. oorsprong van het lichaam der eerste menschen. 749

Hier bij den mensch zou daardoor al aanstonds zijn onderscheid van de dieren zich vertoonen, hoe hij naar een deel wel met de aarde samenhing, maar naar de ziel van boven-aardschen oorsprong was. Immers voor den mensch. zeiven geschiedde het zoo : hij zou het weten en zijne bestemming er uit erkennen. Daarom werd het dan ook door Goddelijke openbaring aan Adam bekend gemaakt.

Gen. 2 : 7 luidt nauwkeurig naar den grondtekst vertaald aldus: „En de Heere God had (heeft) geformeerd den mensch stof uit hef, aardrijk i).quot; Intusschen dit beteekent niet, dat God hem tot stof of als stof, dat zou zijn : tot een vergankelijk wezen maakte, /naar de zin is: van stof uit het aardrijk. Wel was hij nu stof, gelijk de Heere God Gen. 3 : 19 tot hem zeide: gij zijt stof, maar dit was hij, omdat hij van stof geformeerd was: zoo alleen past daarbij dit woord: „gij zult tot stof wederkeeren.

\') Gelijk ook onze uituemond taalkundige Stateu-Overzottors hierbij aantookonen. Van de gewone , welgegronde opvatting wijkt af Dr. J. II. A. Ebrard, Apologetik I. S. 355 f.: nicht avokaus , sondern wozu Gott den Menschenleih machte, hesagen die Worte, namlich »su HinfalUgem, das von der Erde her, rmS\'n (« terra, terrenus) ist.quot; Ebrard meent hierdoor te

T T T

ontkrachten do tegenwerping van hooggeleerde natuurvorschers, dat het menschelijke lichaam niet of slechts voor het minste deel uit »aarden hestauddeelen,quot; maar veelmeer ten grootsten deelo uit water en uit kool bestaat, daar deze bedenking niet die schriftuurplaats maar slechts eene (naar zijn oordeel) verkeerde verklaring van haar treft. Intusschen Ebrard dwaalt. In de woorden : noquot;iN4n-fD quot;iay D\'-wrrnx D\'nbx mrr Gen.

T T T I • T x T T T v • v; T ; v • -

2: 7 wordt door quot;13V het materiaal aangeduid, naar bet He-

T T

breouwsche taaleigen bij de werkwoorden maken, vervaardigen , houwen enz. met twee accusatieven, en wol bijzonder, wan-

-ocr page 778-

750 § 20. OORSPRONG VAN MKT LICHAAM DER EERSTE MENSCHEN.

Mensch heet in het Hebreeuwsch Adam, algemeene naam des menschelijken geslachts; de Mensch, ha-Adam wordt bij uitnemendheid gezegd van den eersten en nog eenigen mensch en dan als zijn eigennaam, Adam, gebruikt (in de Staten-overzetting van Gen. 2 : 19 aan).

Het woord adam hangt saam met adamah , aarde, en kan in het Hebreeuwsch roodachtig beteekenen. Doch niet als of de mensch uit roode aarde ware gemaakt en daarvan Adam genoemd, waarvan Gen. 2 ; 7 niets zegt, maar dan wordt daardoor aangeduid zijne frissche kracht en schitterende schoonheid. Rood op wit is immers de kleur van den gezonden mensch, de eigenaardige kleur der menschelijke schoonheid in haren bloei. Ook de aarde droeg haren naam adamah wegens hare pracht en schoonheid. Op deze aarde is de mensch het schoonste schepsel.

Het was vochtig aardstof, waaruit de Heere God het lichaam des menschen formeerde. Want eew damp ivas opgegaan uit de aarde en bevochtigde den ganschen aardbodem. Gen. 2 : 6. Uit de fijnste deelen van het aardrijk werd des menschen lichaam toebereid. Al de bestanddeelen ,

neer zooals bior »het work het nuaste object is, de stoffe of do uitvoeriug echter als het tweede en zonder artikel staat,quot; H. Ewald, Grammatik der Hebr. Sprache. 2te Aufl. § 510. S. 315.

Aldus ook Exod. 37: 25: Hl\'tapH rQTDTlK ITjn

hij maakte het reukaltaar van sittimhout. Zal hier wel iemand overzetten; hij maakte hot reukaltaar tot sittimhout? Die, Materie woraus etivas verfertigt wird, steht im Accusaliv. Gesenius, Handwörtorb. 8te Aufl. 1878. S. 066 s. v. HCV. Vergol. S. 13.

T quot;X

Overigens wil Ebrard met zijno verklaring geenszins de natuurlijke noodzakelijkheid des doods beweren, blijkens zijno Christl, Dogmat. I. S. 259.

-ocr page 779-

§ 20. OORSPRONG VAN HET LICHAAM DER EERSTE MENSCHEN. 751

waaruit het lichaam bestaat , behooren tot de aarde lt;).

Niet minder wonderbaar ging het toe met de schepping der vrouw, die aldus wordt beschreven Gen. 2 : 21 : Toen deed de Heere God eenen diepen slaap op Adam vallen en hij sliep ; en Hij nam ééne van zijne ribben en sloot der-zelver plaatse toe met vleesch. 22. En de Heere God houivde de rib, die Hij van Adam genomen had, tot eene vrouw; en Hij bracht ze tot Adam.

\') Adam heeft zijnou naam uorgons anders van dan van du aarde, adamah. De afleiding van Dl in de beteekenis van ge-

T

lijkheid (Ezech. 19: 10 , naar uwe gelijkheid; anderen,

ook do Onzen , vertalen: in mve stilheid of in uwe rust) zoodat daardoor de schepping dos meuschou naar Gods beeld zou worden te kennen gogevon , wordt door Delitzsch, bibl. Psychol. S. 67 te recht voor cvonzoo willekeurig geacht, als do afleiding des woords pK, aarde, van ^1quot;! loopen, tor wille van Copernicus.

— Adam is hot, Latijnsche homo, hetwelk van humus komt. G. Curtius , Grundzüge dor Griech. Etymologie. 4te Aufl. 1873. S. 197. Ook naar Dooderloin , latein. Synou. und. Etymol. I. S. 179 hangt homo mot humus samon. Maar in wolken zin? Hij zegt VI. S. 159 f.: homo Personalsubstantiv van humus, aber nicht weit die menschcn xai^0l-gt; humo lutove ficti ader nach Cic. JV. D. II. 56 humo excitati, erecti, celsi siiul, sondern im Ge-gensatze gegen Coelites, ovpxvlcovsi;; Homines soms=^elt;;töes, in tegenstelling van equites. V. S. 130 : homo bildet wie wQpvTros den Gegensatz von deus und von bellua und hegreift Mann und Weib in sich. — De Gricksche naam voor den mousch , ó xvópaxos, woi\'dt gewoonlijk verklaard : b xvu xOpüy der Em-porschauende, do opwaartsziende , terwijl daarentegen Curtius a. W. S. 308 zegt: MÓp-UTTO-^ scheint mir am uaturlichsten als * Mannsgesichtquot; gefasst zu iverden. Dus van xv/tp en amp;\'•¥. — Den indogermaanschen naam mensch , sanscrit. manu , milnüsa leidt men af van man (mna), denken. Delitzsch a. \\V. S. 67. Lange , Genesis S. 04.

-ocr page 780-

752 § 20. OORSPIiONG VAN HET LICHAAM DER EERSTE MENSGHEN.

Deze slaap\') Adams was buitengewoon en bovennatuurlijk , want hij wordt als eene bijzondere werking Gods gekenmerkt. Waarom echter werd Adam in zoo diepen slaap gedoken? Was het „opdat hij onder dit werk Gods geen smart zoude gevoelenquot;5)? Zeker niet. Immers al waakte hij, God kon hem ook zonder pijn eene rib ontnemen. Maar de betamelijkheid eischte het: Adam zou het zelf niet zien, daarom werden zijne oogen dicht gesloten. Hoeveel minder kunnen wij het doorzien. Onzichtbaar voor schepselsoogen wrocht de Schepper dit werk zijner almacht. En is niet ieder begin van een leven, van natuurlijk en van geestelijk leven , eene mysterie , eene verborgenheid , in nachtelijk duister gehuld? Maar daarna wist Adam, wat er aan hem was geschied. En wij weten het nu met zekerheid uit de Heilige Schrift,

De Heere God nam iets van Adam, een stuk van zijn lichaam, een been uit zijne zijde, opdat hij met des te groo-ter liefde , hetgeen een deel van hemzelven was, zou omvangen. Eene ribbe verloor hij, maar daarvoor verkreeg hij eene trouwe levensgezellin, ja in de vrouw, zijn wederhelft, zag hij zich eerst volledig, terwijl hij vooraf maar half was. Ook werd zijn lichaam daardoor niet mank, want God sloot de plaats, waaruit het harde been was genomen, weder toe met vast vleesch. Was het menschelijk geslacht tot dusver aan een nog onvolledig gebouw gelijk, nu, door de schepping der vrouw , werd de bouw voltooid 3).

-ocr page 781-

§ 20. OORSPRONG VAN HET LICHAAM DER EKRSTE MENSrUIEN. 753

De oorsprong van \'s menschen lichaam uit stof (ook de ribbe van Adam, waaruit God Eva bouwde, was uit het stof) leert ons nederigheid. Was er vooraf gezegd: God schiep den mensch naar zijn beeld en was daardoor de

Fr. Ad. Krummacher, Paragraphen zu der heiligen Geschichte S. 40 f. : Man machte (die alte Urkunde von der Scliöpfung des Weibes) entweder zu einem Marchen, wurüher zu lacheln man sich herechtiyet glaubt, oder zu einer chirurgischen Operation , mit andern IVorteu: man leugnete entweder dus Ereignisz, weil man nicht dalei gewesen, oder man beurtheilte es, als oh man dabei gewesen und es mit menschlichen Augen geschaut und mit Handen betastet hatte. — Philosophischer Mythus ? der My thus bliebe eben so geheimniszvoll als die Sache selhst, in welcher die sechstausendjahrige Philosophie selbsi nicht Idiiger geworden ist. Soil es ah er so viel heiszen als: es sei Darstel-lung einer göttlichen Handluug in menschlicher Sprache und Form , so laszt sich schwerlich gegen diese Ansicht etwas ein-wenden: im Grunde jedoch wilre es nichts weiter als ein Ge-standnisz, dasz wir die Morgenröthe nicht riechen und den Nachtigidlengesang nicht sehen Icönnen. — — Kommt doch die Rose aus einem Dornstrauch , der Nachtigallgesang aus der fleischernen Kehle eines Vogels — warum nicht auch das erste Weib aus dein ersten Mann ?

Van de ribbe geeft Lange, Bibelwerk, Genes. S. 77 de aanmerking: Daar thans nog de mensch in iedere zijde twaalf ribben heeft, zoo me en en sommigen, Adam moest eerst in de eene zijde dertien hebben gehad. Het is echter meer waarschijnlijk, dat God hem voor de ribbe, tvelk hij hem had genomen , eene andere heeft gegeven. Ook onder de Gereformeerden is hierover verschil van gevoolen. B. De Moor, Commontar. in Marck. II. p. 1011. sq. Calvin. Comment, in Gen. 2: 21 acht eene buitengewone rib niet omuinneinelijk. Si dicamus praeparatam fuisse a mundi Opifice costam ex qua alterum corpus formaret, nihil in hoc response non consentaneum divinae providentiao reperio. Maar oene gewone rib acht hij meer waarschijnlijk. Zie hierboven in don tekst.

Gravemoijor , Geref. Gel. leer. 48

-ocr page 782-

7r)4 § 20. OORSPRONG VAN HET LICHAAM DER EERSTE MENSCHEN.

monsch hoog verheven boven al de aardsche schepselen: zoo wordt nu alle roem hem ontnomen door deze verklaring dnt hij in den heginne stol\' der aarde is geweest i). Onze grondslag is in het stof. Dat stemt tot ootmoed. Dat gevoelen was in Abraham toen hij tot den Heere sprak Gen. 18 : 27 : Zie toch, ik heb mij onderwonden te spreken tot den Heere, hoewel ik stof en asch ben. En het weerklinkt in de taal der diep gevoelde afhankelijkheid van Gods volk Jez. G4 : 8 : Doch nu Heere, gij zijt ome Vader (niet alleen Schepper aller menschen, maar Formeerder van Israël tot zijn volk): wij zijn leem en gij zijt onze pottenbakker en wij allen zijn uwer handen werk1).

De schepping Eva\'s uit Adam was overeenkomstig Gods oogmerk , dat het gansche menschelijke geslacht, dus ook Eva van eenen eenigen, van Adam zou voortkomen. Dus allen uit éénen bloede.

Hare schepping uit zijne ribbe toont de nauwe betrekking en de rechte verhouding tusschen den man en zijne vrouw. Niet van het hoofd , maar ook niet van de voeten des mans nam God de vrouw: zij zou over den man niet heerschen , maar hij zou haar ook niet trappen. Uit zijne zijde, van nabij zijn hart is zij gekomen : aan \'s mans zijde is hare plaats, hem tot eene

1

) In den dingen, so Gott angehen und iiher mis sind, hat der Mensch keinen freien Willen, sondern ist gewiszlich wie ein Leimklosz in der Hand des Töpfers, in welchen allein gewirleet wird, er selhst aher wirket niehts. Denn daselbst erwahlen wir uns nicht, thun auch niehts, sondern teerden erwahlet, teerden zugerichf, werden wiedergeboren. Wie Jesaias sagt: Du bist der Töpfer und uns er Vat er, ivir sind dein Thon. [Luther.J

-ocr page 783-

§ 20. OORSPRONG VAN HET LICHAAM DER EERSTE MKNSCITEN. 755

hulpe als tegenover hem, door hartelijke liefde verbonden.

Toen Adam uit zijnen slaap was ontwaakt en met verbazing en verrukking Eva zag, toen riep hij uit Gen. 2 : 23 ; „ Deze is ditmaal (hij dacht nog aan de dieren, die hij gezien, maar onder welke hij zijns gelijke niet gevonden had: hetgeen ik ditmaal zie, is) heen van mijne heenen en v leesch van mijnen vleesche,quot; en schoon hij geslapen had toen Eva uit hem geschapen werd, kon hij ten gevolge eener Goddelijke verlichting er bij voegen: „men zal ze manninne \') heeten om dat zij uit den man genomen is.quot; Door dezelfde verlichting, waardoor hij dit kon zeggen, kon hij ook do volgende woorden spreken v. 24 : „öaarow de man zijnen vader en zijne moeder verlaten en zijner vrouw aankleven en zij zullen tot één vleesch zijn.quot; Hier hebben wij de instelling en heiliging van don echtstaat. Het zijn woorden, niet door Mozes ingevoegd, maar door Adam gesproken. Door Christus worden Matth, 19:5 deze woorden „aan God toegeschreven, omdat Adam dezelve door Gods ingeven gesproken heeftquot;»). Dus heeft God ze door Adam

\') Mannin Hebr. Ischah, man Hebr. isch. Die Fabel Plato\'s und der Rahhinen van dam gethedten Androgyn (Mannweib) roar mchts als dies Wort in Dic.htung. Fr. W. J. Schroder, Das ersto Bucb Mose. S. 39. Plato\'s verdicbtsol (bij monde van Aristophanes ! staat in zijn Symposion p. 189 sqq. Wordt daar p. 191. D. gezegd : Ieder onzer is dus een stuk van

een mensch , overmits hij gesneden is gelijk als schollen , twee uit één (i\'i: svos Sys), niet boter luidt hot Eabbijnsch zeggen , dat Eva, voor de zonde, van Adam is afgezaagd, Eisenmenger, Entdecktes Judenthum. II. S. 15.

2) Kantteelcen. op Matth. 19: 5. Anders Calvin. Commcntar. in Genos. 2 : 24, volgens vvion dit gezegde eone leering is, welke Mozes pro doctoris officio in sua persona nit het voorafgaande heeft getrokken en bijgevoegd.

-ocr page 784-

756 § 20. OORSPRONG VAN UET LICHAAM DER EERSTE MENSCHEN.

gesproken en wel in den beginne, toen Hij de menschen gemaakt heeft, man en vrouw. Want Christus gaf den Parizeer te verstaan, dat er aangaande den echtstaat nog eene andere uitspraak Gods bestond dan de verordening van den scheidbrief, die door Mozes was gegeven. Hij verwees hem naar de woorden, die God door Adam had gesproken.

Eva werd geschapen nadat God het proefgebod gaf Gen. 2: 16, 17 en na de dierenmonstering v. 19. Want juist door dat God al het gedierte des velds en al het gevogelte des hemels paarsgewijze tot Adam deed komen, werd de gedachte en behoefte van eene vereeniging met zijns gelijke bij dezen verwekt. En doordien hij onder al de schepselen geen gelijke voor zich vond en zag dat hij alleen was, moest hij eerst recht levendig gevoelen wat hem nog ontbrak, ten einde hij haar des te hooger mocht schatten en te vuriger beminnen, die God hem tot eene hulpe, tot eene wederhelft scheppen wilde. Zij werd echter nog op den zesden dag geschapen, blijkens Gen. 1 : 27, waar de schepping van man en vrouw beiden tot den zesden dag wordt gebracht, en naar Gen. 2 : 2, waar God op den zevenden dag rustte. Het rusten Gods van al zijn werk dat Hij gemaakt had , laat niet toe, dat de vrouw na den zevenden dag zou zijn geschapen. — De man werd buiten het paradijs, de vrouw in het paradijs geschapen i), Het eerste blijkt uit Gen. 2 : 8,

1) F. W. J. Schroder, das erste Buch Mose. S. 38. Zoo ook J. a Marde, Compondium ed. 1690. p. 237 eu Merch 1730 p. 372. B. De Moor, Commentar. in Marck. Pars II. p. 1011. 1012. Anders W. a Brahel, Redol. Godsd. I. Cap. X, 2 ; deze laat het onbepaald. Delitzsch, Bibl. Psychol. S. 75 stelt, dat do eerste mensch uit de aarde Edens is geschapen , en dan , ook naar Lange Genesis. S. 64 , in het Centrum van Eden, het pa-radjjs, verplaatst.

-ocr page 785-

§ 20. OOUSPRONG VAN HET LICHAAM DER EERSTE MENSÜHEN. 757

waar van Adam, nadat hij geschapen was, gezegd wordt; de Heere God stelde hem aldaar, namelijk in het Paradijs : tot eene herinnering voor Adam , dat hij het van God had , een gegeven goed. Ook wordt Genes. 3 : 23 de hof van Eden, waaruit na den zondenval de Heere God den mensch verzond , onderscheiden van den aardbodem , daar hij uit genomen was en dien hij nu zou bouwen. Tot het tweede , de schepping van Eva binnen het paradijs, leidt ons de draad van Mozes\' verhaal, van Gen. 2 : 8 af. Want van daar af was Adam nu in het paradijs. Daar ontving hij het proefgebod, daar zag en benoemde hij de dieren, daar verzonk hij in een diepen slaap , daar nam de Heere God eene van zijne ribben en formeerde daaruit de vrouw.

§ 21. Vanwaar de ziel?

De ziel is door God in den mensch onmiddellijk geschapen. Van Adam wordt gezegd Gen. 2 : 7 : als rfe Heere God den mensch geformeerd had uit het stof der aarde , heeft Hij in zijne neusgaten geblazen [den] adem (of geest) des levens: alzoo werd de mensch tot eene levende ziel\'). Hierbij teekent onze Staten-Overzetting aan : „Dit is menschelijker wijze van God gesproken en wijst ons aan dat de ziele des menschen niet is geschapen uit eenige voorgaande materie (stoffe) gelijk de zielen der beesten Gon. 1 : 20, 21, 24, maar uit niet, door Godes Geest, en van buiten den mensche ingestort.quot; intusschen dit „van buitenquot; moeten wij niet zoo verstaan alsof de ziel buiten het

\') rrn onxn D^n nnm vskc.

t - vv ; t t t • ;- - quot; : • t - ;

-ocr page 786-

§ 21. VANWAAB DE ZIEL?

lichaam ware geschapen en daarna in het lichaam ingebracht; de ziel des eersten menschen is in het lichaam geschapen en dat uit niet gt;), gelijk nog telkens bij de wording van een mensch geschiedt . hetwelk ook aangeduid wordt Zach. 12: 1: „De Heere spreekt, die den hemel uitbreidt en de aarde grondvest en des menschen geest in zijn binnenste formeert\'*)quot; , hoewel er nu iets bijkomt doordien het thans geen enkele schepping maar eene geboorte is, waardoor de mensch ontstaat.

Nadat de Heere God het lichaam Adams had toebereid, heeft Hij (niet ingegoten maar) in zijne neusgaten*) geblazen eenen adem des levens, hetwelk niet uiterlijk is geschied, als hadde God hiertoe een lichaam aangenomen en daarin voor het menschenbeeld gestaan en met zijnen mond in diensneus geblazen, maar „Gode-betamelijk moet verstaan worden van. Gods bijzondere en onmiddellijke krachtquot; en werking 4),

\') Dit herinnert mot nadruk Brdkel, Red. Godsd. I. Cap. X. 9. 2) Pred. 12: 7 : Eu dat het stof wederom tot aarde keero, als bet geweest is, en do geest weder tot God koere, die hem gegeven heelt — is tegen het traducianisme of de stelling dat do ziel haren oorsprong zon hebben van de meuschelijke ouders, on getuigt voor het creatianisme, volgens hetwelk iedere men-schenziel onmiddellijk uit God haren oorsprong heeft. Dit wordt ook toegestemd door Hengstenberg, Dor Prediger Salomo. S. 258. En dit is hot gevoelen der Gereformeerden. P. Van Mastricht, Godgel. TI. p. 89.

:l) In zijne neusgaten, in nares ejus, nauwkeurige overzetting van V3K3. Verkeerdelijk is 0*3^ in de meer algeineeuo be-

teekenis van aangezicht, gelaat genomon door do LXX: hs-(pór/jTsv sh to rpóvccTToy xüroïi ttvow en door do Vulgata:

inspiravit in faciem ejus spiraculum vitae.

4) Zoo te recht a March, Merch. XIII. Hoofdd. VUL 7.

758

-ocr page 787-

§21. VANWAAR DE ZIEL?

waardoor de mensch levendgemaakt en bezield werd. Dadelijk begon nu bij den mensch do adem, die een teeken en gevolg van leven is, door zijnen neus uit- en in te gaan. Met dat God hem den adem des levens inblies, gat\'Hij hem ook de ziel. De adem was van het eerste oogenblik af een teeken en bewijs van de aanwezigheid der ziel. En juist hierdoor dat God den mensch met den adem eene ziele gaf, werd hij een levende persoonlijkheid. Het was eene andere werking Gods, waardoor Hij het lichaam uit stof formeerde, en eene andere, waardoor Hij den adem en do ziele gaf\'). In het schoone, met de grootste wijsheid ingerichte lichaam deed God de ziel ontslaan : de ziel is dus onmiddelbaar van Goddolijken oorsprong. „Zoo maakte God den eersten mensch on toen Hij hem gemaakt had, liet Hij hem de oogen open doen en met deze en met al de andere zintuigen de schoone wereld zien en gevvaarwonlen, die Hij vooraf had bereidquot;1).

Ook Eva\'s ziel is onmiddellijk door God geschapen. Men heeft dit willen ontkennen, wijl van haar niet gezegd wordt dat God haar den levensadem heeft ingeblazen. Dies zou zij hare ziel ontvangen hebben uit Adam en men heeft hierin eenen grond meenen te vinden voor de voortteling der zielen. Maar het stilzwijgen van Mozes bewijst veelmeer hel tegendeel Want doordien hij van geen verschil gewaagt toont hij aan dal er in de voortbrenging der ziel geen onderscheid tusschen de schepping van Adam en Eva is geweest 3).

\') Delitzsch, Bibl. Psychol. S. 82 f.

-) Roos, Eiulüit. iu die bibl. Goscb. I. § 25. S. 39.

:i) Joh. a March, Compendium. Cap. XIII. 10 p. 238. Lange, Bibolwerk, Gonos. S. 74 toekent aan : Adam ist der Tiipus der Erschujfuny des Menschenwesens auch in Bezuy auf die Eva. Vnd no hleiben wir dabei. Der Leib des Mensch en yeht aus der Fortpflanzung her oor (Traducianismus), die Seele tvird ge-

759

-ocr page 788-

§ 21. VANWAAR DE ZIEL?

De ziel is eene geestelijke, onlichamelijke, onzienlijke, on-tastelijke, onsterfelijke zelfstandigheid, met redelijk verstand en tvil begaafd, met haar ■lichaam vereenigd eenen mensch uitmakende en door hare inwendige natuur geneigd om met hetzelve vereenigd te zijn en te blijven •), wordende in den dood van het lichaam gescheiden en in de opstanding weer met hetzelve vereenigd.

Ziel veronderstelt een lichaam. Nergens spreekt de Schrift van zielen der Engelen: want dezen zijn geesten, zonder lichaam. Waar zij van de ziele Gods gewaagt (Matth. 12 : 18 en dikmaals), is dit oneigenlijk, mensch-vormig (anthropomorphisch) gezegd. Telkens zijn het wezens die in licliamen leven aan wie de Schrift eene ziel toekent1). De mensch heeft eene ziel en het dier heeft

schaffen (Kreatianismus), der Geist ist als Gottesgedanke praexistent. (Maar dat is de monsch ook naar het lichaam.). B. De Moor, Commentar. in Marck II. p. 1013 wijst nog bijzondor op Gen. 2 : 23 , waar Adam de vrouw noemt been van zijne heenen en vleesch van zijnen vleesche , maar er niet bijvoegt: geest van mijnen geest. Intusschen wordt de bewijskracht hiervan ontkend door Delitzsch , bibl. Psychologie S. 110 , die zeer sterk voor het traducianisme (een naam ontleend van de wijnrank, die geplant wordt) opkomt op grond van de schepping der vrouw, den Squot;hep-pingssabbat, de erfzonde en de incarnatie (menschwording des Zoons). Van Oosterzee, Dogmat. I. p. 500 oordeelt, »dat dergelijke problemen niet bobooien tot het gebied, waarop het woord dor Openbaring mot beslissend gezag zich doet \'hooren.quot; Intusschen de Schrift doet ons den mensch beschouwen niet slechts uit bet oogpunt der genade en verlossing, maar ook der natuur en schepping en in alles getuigt zij duidelijk genoeg van dit ééne : schrijf niet aan het schepsel toe, wat alleen Gods werk is !

\') Brakel, Redol. Godsd. I. Cap. X. 5.

2) Delitzsch , Bibl. Psychol. S. 218.

760

-ocr page 789-

§ 21. VANWAAR DE ZIEL?

eene ziel. Daardoor leven zij. Maar in het dier is de ziel met het lichaam zoo vereenzelvigd , dat zij met den dood des lichaams ophoudt te bestaan ; zij is ziel zonder geest, niet redelijk, niet persoonlijk. Maar in de ziel des menschen is geest door eene onmiddelijke inademing Gods, en daardoor is zij redelijk , persoonlijk.

Door den geest in het lichaam, door de ziel, is de mensch levend; groeiend, gevoelend, redelijk. Alle leven heeft de mensch door de ééne redelijke ziel en door hare vereeniging met het lichaam. Hoedanig deze vereeniging zij en hoe zij wederzijds op elkander werken, zoo ook waar in het lichaam de ziel haar eigenlijken zetel hebhe, is voor ons verborgen. Vruchteloos heeft men het plaatsje gezocht, waar de ziel zou zitten als in het middelpunt harer stralen , gelijk de spin in het midden der draden van haar web. „Men moet toezien , dat men door het bepalen van de ziel in zoo eene plaats de nauwe vereeniging niet los makequot; lt;). Dit moeten wij vasthouden: de ziel is zoo in het lichaam , „dat zij al deszelfs deelen bezielt en tot organen maakt geschikt en nuttig voor hare werkingenquot;4). Zij is in geheel het lichaam, „eenigs-zins gelijk als God is in de geheele wereldquot; \'), onmiddellijk maar onvermengd , met ieder deel medebestaande, terwijl intusschen hare werkingen in de verschillende leden naar den aard dezer organen verschillen en men ten opzichte van deze werkingen en uitingen haar eene

\') Brakel, Rod. Godsd. I. Cap. 10. 3. p. 261.

2) Calvin. Instit. I. 15. 6.

:l) Joh. a Marde. Merch p. 382. Hot Compendium p. 243 hooft oonvoudig: sicutl Deus in mundo. Vorgol. T. Roorda, zielkunde p. 54.

761

-ocr page 790-

§ 21. VANWAAR L)E ZIEL V

voorname zitplaats in liet hart en in de hersenen i) kan toeeigenen. — Do vereeniging der ziel mot hot lichaam is door sommige Godgeicerdon vergeleken bij do vereeniging van hot licht met de lucht1).

Door zijnen geest is ieder monsch één van Gods geslacht , gelijk Paulus met het woord van den dichter Aratus zegt van alle menschen : want wij zijn ook zijn geslacht Hand. 17 : 28. Wel wordt alle leven in de natuur door den Geest, den adem Gods verwekt, naar

763

1

) P. Van Mastricht, Godgol. II. p. 76. De voorstelling van oen bepaalden zetel of zitplaats der ziel acht T. Eoorda, Zielkunde p. 78, ton eenon male verwerpelijk. Hij oordeelt: »Men kan alleen sproken van bopaalde sferen of werkkringen in bepaalde organen of werktuigen vau moor bijzondere, hoogor ont-wikkoldo vermogens dor ziel. Zoo is hot zenuwgestel het bepaalde orgaan en zoo ook de bepaalde werkkring van het gevoelen zinnelijk gewaarwordingsvermogen ; en het bepaalde orgaan van het zelfbewuste denkvermogen is in do hersens : maar als levenskracht met bet vermogen om te vegotoeron ou de stof tot vorming en instandhouding van haar levensorgaan te bezielen , is de ziol door hot gehoele lichaam heen in al haar organen werkzaam en dus werkelijk en metterdaad tegenwoordig of aanwezig.quot;

-ocr page 791-

§ 21, VANWAAR DE ZIEL V

Ps. 104: 30: „Zendt gij uwen Geest uit, zoo worden zij geschapen en gij vernieuwt het gelaat des aardrijks.quot; Maar het bijzondere inblazen van zijnen adem in den eersten mensch Gen. 2 : 7 gaf te kennen, dat het persoonlijke leven des nienschen uit God stamde en dat de mensch juist hierin dat hij een persoon is , met God verwant is.

Door zijn lichaam , uit het stof der aarde genomen, is de mensch van den aanvang af een van de aardsche wezens, uit de aarde aardsch 1 Kor. 15: 47. De aardsche schepselen zouden beheerscht worden door een wezen, dat eensdeels huns gelijke was, maar anderdeels tot eene hoogere orde behoorde, gelijk de verloste menschheid door eenen Godmensch, den Heere uit den hemel i).

703

De mensch is het wonderbaarste schepsel, eene wereld in het klein (microcosmos). „Hij existeert met de stee-nen, leeft (groeit) mot de planten , voelt met de dieren , erkent met de Engelen. In zijne organisatie zijn de wezenlijke levensbestanddeelen der hem onderworpene aardsche schepping saamgevatquot;2).

22 Doel der Schepping.

Vragen wij naar het doel der schepping, zoo moeten wij vooral dit vasthouden , wat boven \') reeds is aangedrongen , dat de algenoegzame en volzalige God voor zich geen wereld noodig had, maar haar naar zijn vrij-

\') Von Gerlach, A. ï, zu Gon. 2: 7. \'-) Schroder, Das ersto üueh Moso S. 19. ■\') § 8. bl. C53.

-ocr page 792-

§ 22. DOEL DEU SCHEPPING.

machtig welbehagen schiep. Dus niet om als in eene eigene behoefte te voorzien , schiep Hij de wereld. Doch ook niet zonder doel schiep Hij haar. Zijn einddoel echter bij de schepping , dus het eerste in zijn besluit om te scheppen, kon niets anders zijn dan Hij zelf. Want anders ware er nog iets hoogers dan Hij zelf is. Hij zelf nu kon het doel zijner schepping niet anders zijn dan hierdoor, dat Hij er in verheerlijkt wierd.

Men tast mis, wanneer men het geluk der schepselen en wel inzonderheid van den mensch voor het Goddelijke einddoel der schepping verklaart. In deze voorstelling schuilt een hoogmoed, die door eiken blik op het Heelal op nieuw wordt beschaamd en vernederd (in zijne dwaasheid ten toon gesteld) en zij is daarbij volstrekt builen staat om van een ontelbaar aantal feiten eene dragelijke verklaring te geven gt;). Want waarheen dan met al het lijden op aarde en met de eeuwige pijn der goddeloozen naar de Schrift ?

Gods Woord laat ons ook hier niet in het onzekere. Het stelt ons bij al ons doen en streven niet het eigen welzijn, maar de verheerlijking Gods als het einddoel voor: „Hetzij dan dat gijlieden eet, hetzij dat gij drinkt, hetzij dat gij iets [anders] doet, doet het al ter eere Gods,quot; 1 Kor. 10:31; gelijk dan ook bij de vermelding van de Goddelijke raadsbesluiten en genadewerken op dit ééne doel wordt gewezen: tot prijs zijner heerlijkheid, Ef. 1 : G, 12, 14. Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid*), Rom. 11: 36. Uit

\') Aldus te recht Van Oosterzee, Chr. Dogm. I. p. 411 togen het eudaemonismo.

2) quot;Or/ !£ ixutov xx) SI kutov ka) el? xiiriv rx ttxvtx xurcj} y Sót-x eh robg x\'iüvxt.

764

-ocr page 793-

§ 22, DOEL DER SCHEPPING.

Hem als den oorsprong, door Hem als den werkmeester, tot Hem als het doelquot;)- Wil men eene verre vergelijking? Wie tot den bouw van een huis plan en kosten leent, kan in zekere mate zeggen dat het gebouw uit hem, uit zijn voornemen en vermogen ontstaan is. Indien hij echter zelf ook de hand aanlegt en, in plaats van kunstenaars te bestellen, zelf de bouwmeester wordt, kan hij zeggen dat het huis door hem geworden is. En zoo hij eindelijk het huis tot zijn nut en zijne eere bouwt, dan heeft hü het tot zich zeiven gebouwd11). In den verhevensten zin geldt dit van den Heer der wereld. Ook kunnen wy zoggen ; alle dingen zijn uit Hem in de schepping, door Hem in de onderhouding, tot Hem in de regeering. Hij heeft dan de wereld voortgebracht en doet haar bestaan en bestuurt haar om er zijne heerlijkheid in te openharen, niet alleen zijne macht, wijsheid en goedheid, niet alleen zijne liefde maar ook evenzeer zijne heiligheid en rechtvaardigheid. „Ook in de rampzaligheid dergenen, die buiten Gods gemeenschap blijven, wordt de heerlijkheid van God openbaar 3).quot;

Treffend verklaart de Nederlandsche Geloofsbelijdenis art. XII: Wij gelooven dat de Vader door zijn Woord dat is door zijnen Zoon den hemel, de aarde en alle schepselen uit niet heeft, geschapen als het Hem heeft goed gedacht, een

\') Zoo wordt f\'s, óix on sit ook opgevat door Meyer, Kom-mentar. z. d. St., en wel eh xutov für Gott (causa finalisj, in soforn Alles den Zwecken Gottes (doch hij voegt er bij ; uicht blos: der Ehre Gottes wie Viele wollen) diout. Alles dient ihm als dem letzten Zwecke. Bengel, Gnomon : Denotatur Origo et Cursus et Terminus rerum omnium.

2) M. Fr. Roos , Einloit in die bibl. Gesch. I. § 65. S. 105 f. :l) Zoo te recht J.J Van Tooremnbergin, Bijdragen p. 83. 87.

7G5

-ocr page 794-

§ 22. DOEL DER SCHEPPING.

iegelijk schepsel zijn wezen, gestalte en gedaante en verscheidene ambten gevende, om zijnen Schepper te dienen. Dat Hij ze nu ook alle onderhoudt en regeert naar zijne eeuwige voorzienigheid en door zijne oneindelijke kracht om den mensch te dienen, ten einde dat de mensch zijnen God diene.

Dus alles voor den mensch, maar de mensch met alles voor God! Dat het Gode om den mensch is te doen geweest, dat Hij bij alles, wat Hij binnen de zes dagen heeft geschapen, zijn oogmerk heeft gehad op den mensch en heel de wereld zijns aardrijks (Spr. 8 ; 31) om don mensch heeft toebereid, dat blijkt reeds uit de volgorde der scheppingswerken zelve i): de mensch het laatst geschapen, de kroon der schepping, de sluitsteen van \'t gebouw, het hoofdstuk van al Gods werken. En wel hierom, wijl de mensch onder al de aardsche schepselen het eenige redelijke en persoonlijke wezen is, geschapen met bekwaamheid om God in zijne werken te kennen, lief te hebben en met bewustheid te dienen en te verheerlijken. Zoo heeft dan God don mensch gelijk als tot zijnen rentmeester in de wereld gestold, in wiens schoot al de overige schepselen hunne gaven hetzij onmiddellijk of door verscheidene omwegen zouden overleveren, ten einde de mensch ze met dankzegging en verheerlijking wederom tot den Opperheer zou brengen : „zoodat al de schepselen er vruchteloos en tevergeefs zouden geweest zijn, buiten en zonder den mensch1).quot; Door do zonde is helaas de rechte verhouding tüsschen natuur en mensch verstoord. Toch blijft de bestemde orde vast: alles uit God voor den mensch en alles wederom door den mensch

\') Calvin. Instit. I. 14. 24. I. 1G. 6.

2) J\'. Van Mastricht, Godgel. I. p. 786. II. p. 70. v.

7GG

-ocr page 795-

§ 22 DOEL nsn SCHEPPING. 707

tot. God. En waar hot verbond hersteld wordt, daar wordt vervuld hetgeen de Profeet Hozea 2: 20 zegt: „Het zal te dien dage geschieden dat ik verhooren zal, spreekt do Heere : Ik zal den hemel verhooren en die zal de narde verhooren. En de aarde zal het koorn verhooren mitsgaders den most en de olie en die zullen Jizreël verhooren.quot; Dus alle gave en zogen van God, ook hot voedsel. God zegent van uit den hemel do aarde, teneinde deze haar gfhvas geve en hare schatten schenko aan Gods volk. — Maar allo schepselen en alle dingen , den mensch dienstbaar, mooten dezen dan ook aansporen om den Schepper te verheerlijken en in allen nood op Hom te vertrouwen. Waartoe ook de Godspraak bij Jezaja 40 : 26 zoo nadrukkelijk opwekt, loerende, hoe een bekommerd volk of een verlegen mensch, in plaats van mismoedig do oogon neer te slaan, moet opzien naar boven en zon en maan en sterren aanschouwen, waardoor men oenen indruk bekomt van de grootheid en kracht Gods en uit de moedeloosheid opgericht en gesterkt wordt om getroost voort te wandelen. Heft uwe oogen op omhoog en ziet wie deze dingen geschapen heeft, die in getale hun heir voortbrengt, die ze alle bij name roept, oanwege de grootheid zijner krachten en omdat hij sterk van vermogen is: daar wordt er niet één gemist.

De hemelen vertollen Gods eero (Ps. 19 : 1) ook hun, die geen sterrenkundigen zijn \') en ook uit de weinige van de werkon Gods , die men op aarde ziet, is zijne eeuwige kracht en Goddelijkheid kennelijk (Rom. 1 : 20). Toen de Heere tot Job h. 38 uit een onwoder sprak ,

1) Calvin. Instit. T. 5. 2.

-ocr page 796-

§ 22. DOEL DER SCHEPPING.

768

wees Hij hem niet op eene oneindige wereld, maar op zekere schepselen en verschijnselen in de wereld den menschen bekend en dit was genoeg om den beproefden lijder van Gods majesteit te onderwijzen. Gelijk de zon zich ook in een klein water geheel kan spiegelen en daartoe geen oneindig groote zee van noode heeft: zoo vertoont zich ook reeds in het kleinste deel der schepping en in het geringste schepsel de almacht en wijsheid Gods en daarin ligt een grond en aandrang om op Hem te vertrouwen en Hem te verheerlijken. Wie in het gevoel van zijne zonden diep neergedrukt en verslagen is, zie zich maar eerst als een schepsel Gods aan en vatte , wijl hij toch zijn schepsel is , een vertrouwen tot zijnen Schepper en roepe met de jonge raven Hem in zijne nooden aan. Dat is het begin van de verheerlijking Gods. Dan zal het gaan naar het woord van Christus : «wie heeft, dien zal gegeven worden, opdat hij overvloedig hebbe.quot; Dan zal door de Goddelijke genade voortgaande ook licht en kracht in de ziele dringen , om den Schepper als Vader door zijnen Zoon Jezus Christus in den Geest der aanneming tot kinderen te erkennen en te pryzen \').

\') Roos, Einleit in die bibl. Gesch. I. S. 276 en S. 63.

-ocr page 797-

ZEVENDE HOOFDSTUK.

VOORZIENIGHEID.

Klegantcr Aristotclcs dicit cos, qui vivis rationibus sibi pro-biir; oupiunt Providontiam aliquam csso , vorberibus, nou verbis , carniflcis non 1\'liilosophi (addo uec ïheolugi) responso dignos csso. Et rcvcra si iguis calor, quoin tactu , si meridiani temporis lux , quam visu peicipimus , domonstratione nou iudigct , muite minus demonstratione indigobit Providentia Diviua, qua quum Christiauis homi-nibus ox Vorbo Dei turn Etbuicis ipsisquo creaturis mutis ox naturali rationis luco et praostautissima rornm omnium dispositione , ordiue atquo conservatiouo nihil magis per-suasuiu est vel esse debet. Franc. Junius.

§ 1. Wat zij is.

De Goddelijke Voorzienigheid is de zorg van God voor de schepselen , zijne bestendige werking omtrent het geschapene van de schepping aan.

Voorzienigheid wil niet slechts zeggen dat God alles van te voren ziet, vooruit ziet, maar \'t is de werkelijke voorzorg, bezorging en beschikking van alles. „Zij behoort niet minder tot de handen dan lot de oogenquot; i), is dus ook geen werkeloos toezien uit de verte van hetgeen in de wereld gebeurt, maar eene krachtdadige werking Gods, waardoor Hij als het ware het roer houdende alle zaken, gebeurtenissen en bewegingen bestuurt en inzonderheid uit verlegenheden redt, uit gevaarlijke engten en bochten in de ruimte voert. In dien zin sprak Abraham, Gen, 22 : 14 : rfe Heere zal

1) \'Calvin, Instit. I. 16. 4.

Gravcmeijor , Gcrof. Öel. loer.

49

-ocr page 798-

§ 1. VOORZIENIGHEID : WAT ZIJ IS.

het voorzien*), waarin hij samenvat en uitdrukt geheel de leiding Gods met hem in verzoeking en uitkomst bij de bevolen doch voorkomen opoffering van Izaük, tot wien Abraham had gezegd, Gen. 22 ; 8 : God zal zich zeiven een lam ten brandoffer voorzien , mijn zoon. En dit is de grondslag van den naam Voorzienigheid en van zijne ware beteekenis.

De Voorzienigheid bestaat dan ook niet hierin dat God alles besloten heeft, maar zij is de uitvoering van het besluit , „de verwerkelijking van Gods doel met de wereld in de wereldquot;11). Zij is gelijk als de verzorging en besturing van een volk of huis door vorst en hoofd : God is koning en huisvader.

De Voorzienigheid is evenzoo als de schepping het werk van den Drieëenigen God, doch wordt bijzonder den Vader toegeëigend, die de Godheid bij uitnemendheid vertegenwoordigt s). Zij is het tweede werk Gods naar buiten en aanstonds met de schepping begonnen. Vóór de schepping was er geene Voorzienigheid : want er was niets te onderhouden en te besturen. Maar zoodra er iets bestond , moest het ook onderhouden en geregeerd worden. Dies hebben ook onze Godgeleerden de Voorzienigheid, bij name de onderhouding, niet ten onrechte eene voort-

■) rwv mrr lxx : Kiipiog flSfv. Vuig.: Dominus videt.

V T quot; T ;

Doch v. 8 LXX: o\\psTXi. Vuig.: Deus providchit sibi victimam holocaust!, fill mi.

2) Ebrard, Chr. Dogm. I. S. 356.

:l) Zie het Zesde Hoofdstuk van dit Leesboek hl. 647. En Viérde Hoofdstuk bl. 432. Heidclb. Cateck. vr. 26 : Dat du eeuwige Vader ons es Hoeren Jezus Christus, die hemel en aarde met al wat er in is, uit niet geschapen heeft, die ook dezelve nog door zijnen eeuwigen raad en voorzienigheid onderhoudt en regeert enz.

770

-ocr page 799-

§ 1. voorzienigheid: wat zij is.

gezette schepping of vervolg van de schepping i) genoemd, doch daarbij herinnerd dat men haar niet moet aanmerken als eene voortdurende schepping1), als eene gestadige herhaling van de eerste scheppingsdaad, als eene in ieder oogenblik vernieuwde voortbrenging, zooals Cartesius en zijne volgelingen leerden. Want stelt men met dezen, dat de wereld in ieder oogenblik met al hare wisselingen en hoedanigheden nieuw wordt voortgebracht, dan neemt men den oorzakelijken samenhang, de onderlinge werking der eindige dingen zelve weg»). En deze wederkeerige werking der geschapene dingen en wezens met de eigenaardige krachten, die de Schepper er in gelegd en naar de ordonnantiën die Hij er voor vastgesteld heeft, hoewel altijd volstrekt afhankelijk van Hem, mogen wij geenszins voor niets achten: anders wordt van heel de Voorzienigheid slechts een gelegenheidsspel (Occasionalisme).

Wij moeten dan de Voorzienigheid, inzonderheid de onderhouding, onderscheiden van de schepping. Door de schepping ontstaat hetgene dat niet was, door de Voorzienigheid wordt het geschapene bewaard en bestuurd. De Voorzienigheid is dus wel een vervolg op de schepping , eene voortgezette schepping, maar, terwijl de schepping onmiddellijk geschiedt , zijn bij de Voorzienigheid de middelen , de in het geschapene werkende krachten niet uitgesloten *).

771

1

\') Continuata creatio, creationis corollarium.

-ocr page 800-

772 § 1- VOORZIENIGHEID : WAT ZIJ IS.

De Schrift zelve leert ons het werk der schepping van de Voorzienigheid onderscheiden. De schepping werd in zes dagen volbracht en God heeft gerust op den zevenden dag, Gen. 2: 2. Maar aangaande de Voorzienigheid heeft Jezus gezegd Joh. 5: 17: Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk ook, betuigende „dat, hoewel God heeft gerust van de werken der schepping, Hij evenwel nog werkt, ook op sabbatdagen , in het onderhouden en regeeren van alle creaturenquot; (Kantteek.).

Dit stemde ook de Jood toe en daarin was hij het met Christus eens. De dwaling als of God sedert de schepping niets deed, de voorstelling dus van eene zelfstandig nevens God staande natuur, was den Israëliet, bij name den Farizeër vreemd. Dat is het dus niet waartegen Jezus opkomt. Van het begin der wereld tot nu toe (Matth, 24: 21) werkt God onafgebroken voort, op den sabbat niet minder dan op de overige dagen. De pas geschiede genezing van den kranke in Bethesda bewees juist deze voortdurende werkzaamheid Gods, Maar waarop hier de nadruk ligt en wat de Joden stiet is dit, dat Hij God zijnen Vader noemt en op grond daarvan zegt: Ik werke ook, waardoor Hij krachtig van zijne Godheid getuigt en zich het werk der voorzienig-

hegonnen hat, laszt sich nicht ohne eigene Kraft oder Ursdch-lichkeit denken; mithin wird, wenn es auf einen göttlichen Act als Grund bezagen wird, die eigne Causalitüt dort ausgeschlossen, hier einbegriffen. Die göttliche Causalitüt stelt sich in dem Grade mehr als eine ausschlieszliche ader doch über 10legende dar, ■ als wir uns zu der Vorstellung des Ganzen erheben; dagegen, je mehr wir bei der Vorstellung des Einzelnen slehen bleiben, um so mehr macht sich der Gedanke an die eigne Causaliteit des Endlichen geltend. Vergel. ibid. S. 90. f.

-ocr page 801-

§ 1. VOORZIENIGHEID : WAT ZIJ IS.

heid mede toeeigent. De Vader en de Zoon persoonlijk onderscheiden: want het is de Vader en Ik; maar één in werk (v. 17) en in eere (v. 23), dus één in Wezen. De Zoon , door wien God de ivereld gemaakt heeft, is het ook die alle dingen draagt door het woord gt;) zijner kracht, Hebr. t : 2 , 3 , en alle dingen bestaan te zamen door (in) Hem Kol. 1 : 17.

De levende God gaat van zijn werk niet af en laat het niet aan de schepselen tot eigen beheer over. Hij doet niet als de scheepsbouwmeester, die, wanneer hij zijn schip klaar heeft, er af is en het aan de varenden overgeeft. De wereld is ook geen uurwerk, dat nu en dan maar behoefde opgewonden en gereguleerd en overigens van zelf en zonder eene bestendige inwerking kon loopen. Zelfs in de stoffelijke wereld geschieden er voortgaande veranderingen, wier grond openbaar niet in de kracht der wereld zelve ligt. Hoeveel meer op geestelijk en zedelijk gebied! De Schepper is geen uurwerkmaker.

773

Eene betere en meer betamelijke gelijkenis dan van den uurwerkmaker geeft ons de Schrift: Hij is Heer en Vader. „Een heer behoudt zich bij zijne knechten en een vader bij zijne kinderen altoos het recht voor, dagelijks te geven of te nemen , te minderen of te meerderen en deze of gene nieuwe inrichting te maken, om hen naar hunne verhouding zijne liefde of zijn ongenoegen te laten merken. Zoo leert ons de Schrift van God denken. Zoo handelt Hij ook. Weet gij het niet? hebt gij het niet ge-

i) TM pypxTi. Hot subject is r.iot God (zooals volon dozon tekst aanhalen, ook Van Oosterzee, Dogm. I. p. 453), maar de Zoon.

-ocr page 802-

774 § 1. VOORZIENIGHEID WAT ZIJ IS.

hoord dat de eeuwige Ood, de Heere, de Schepper der einden der aarde noch moede noch mat wordt ? er is geen doorgrondinge van zijn verstand. Zoo spreekt Jez. 40: 28 de Geest Gods tot een kleinmoedig volk, ten bewijze dat God de wereld niet alleen geschapen heeft en in stand houdt, maar ook ten beste zijns volks telkens iets nieuws werkt. liet heil van Gods volk is niet zoo van voren aan in den samenhang en loop der wereld ingevlochten, dat het zich van zelf daaruit ontwikkelen moet. Integendeel , hier wordt gewezen op zijne groote, onvermoeide kracht ook na de schepping en daarmede aangetoond dat Hij, sterk van vermogen, ook na de schepping onophoudelijk werkt, veranderingen maakt, uitkomsten geeft en alzoo gedurig wat nieuws voortbrengt i).

§ 2. Driedeelig.

De Voorzienigheid Gods betoont zich in drie daden: in onderhouding, medewerking en regeering. Deze drie zijn we] te onderscheiden, maar niet te scheiden. In God zijn zij één en in elkander, niet achtereenvolgend, maar een eenige daad. Voor ons zijn het drie. Niet minder. Nieuwe Godgeleerden hebben de medewerking laten varen1), sommige

1

quot; 2) Gelijk ook Twesten, Vorles. 11. 1. S. 65, aanmerkt, terwijl door hemzelven de medewerking met kracht van redenen wordt voorgestaan. Vergel. J. Köstlin in Herzogs lleal-Encycl. XIX. Ie Ed. S. 350. Bij Schleiermacher, Der Chr. Glaube I. 846, vervloeit de medewerking in het algemeene begrip der volstrekte afhankelijkheid aller schepselen en werkingen van God.

-ocr page 803-

§ 2. D1UEDEELIG.

omdat zij ze overbodig achtten, als zijnde reeds in onderhouding en regeering begrepen i), andere met min eerbiedwaardige bedoeling , namelijk om voor den mensch de Pelagiaansche wilsvrijheid te behouden.

Het is eene grondwaarheid, in het woord der Schrift overal luide uitgeroepen en door leer en voorbeeld met nadruk betuigd, dat het geschapene in alles geheel afhankelijk is van God. Is het geheel afhankelijk, dan moet het dit zijn in wezen, werk en einde. Om deze geheele afhankelijkheid des schepsels van God volledig uit te drukken, dient de samenvoeging van Gods onderhouding, medewerking en regeering. De onderhouding ziet op het wezen der schepselen, de medewerking op het werk, en de regeering op het einde. Sluit men de medewerking uit, men verdonkert dan Gods souvereiniteit.

Wel kan men ook zonder den naam medewerking de volle waarheid beamen en zakelijk met andere bewoordingen belijden; men kan de drie daden tot twee brengen, onderfow-ding en regeering, maar alleen dan wanneer men deze mede tot de werkingen en bewegingen der schepselen uitstrekt. Zoo doet de Heidelb. Catechismus, die Vr. 26 en 27 alleen de onderhouding en regeering noemt, maar Vr. 28 zakelijk de medewerking met nadruk belijdt: aangezien dat alle creaturen alzoo in zijne hand zijn, dat zij tegen zijnen ivil zich nog roeren noch bewegen kunnen. In navolging van Calvinus, die ook, zonder de medewerking met name te

\') Aldus ook Van Oosterzee, Dogm. I. p. 455 , dio suiots togon do zaak hoeft, maar to moor togon do mothodo om haar als afzonderlijk onderdoe! te besproken van de leor dor Voor-zienighoidzelfs zooveel, dat hij haar wol met Strauss wil noomon die Ausgeburt einer barlarischeu Metaphysik.

775

-ocr page 804-

770 § 2. DRIEDEELIG.

no\'imen, hare waarheid met de sterkste uitdrukkingen betuigt zoo ten aanzien van de levenlooze dingen als van .de levende schepselen»).

Doch indien men toegeeft dat de medewerking er in begrepen is, dan kan men deze immers ook afzonderlijk noemen, om de waarheid klaarder te bevatten. En men moet het tegenover degenen, die met dit doel alleen van onderhouding en regeering spreken om evenals de Socinianen, Roomschen en Remonstranten2) de medewerking uit te sluiten. Dat hebben dan ook onze oude rechtzinnige Godgeleerden wél bedacht, wanneer zij in de Voorzienigheid Gods, uitdrukkelijk deze drie daden stelden : onderhouding.

\') Calvin. Instil. I. 16. 2: De levenlooze dingen hebbemvel -door de schepping ieder zijn eigenaardig vermogen , maar zij kunnen hunne kracht niet uiten dan voorzoover zij door de tegenwoordige hand Gods worden bestuurd. Zij zijn dus niets anders dan instrumenten, in welke God bestendig zooveel icerkzaam-heid verwekt als Hij wil en die Hij naar zijn tvelhehagen tot deze of gene werking buigt en stuurt, ad hanc vel iilam actionem flectit ac convertit. En ibid. 3; De almacht Gods verkeert in bestendige werking en wij mogen haar ons niet voorstellen als een algemeen beginsel van eene ongeregelde beweging, gelijk het vloeien eener rivier langs eenmaal afgestokene beddingen, maar als gericht op ieder enkele en bijzondere beweging, ad siugulos ot particulares motus iutenta. Daarna ibid. 6 loert en staaft Calvinus dit mot nadrnk inzonderheid van don mensch.

-) Twesten , Vorlos. II. 1. S. 162. Fr. Spanhem. Controver. siar. Elonchus. 1694. p. 43. 280. Do Eoomschon stommen in-tusschon too dat God, bohoudons do werking dor tweede oorzaken , bij alle bowogingon der schopsolon werkzaam is. Catech, Rom. P. I. C. II. Qn. 23: Non solum autem Deus universa, quae sunt, providentia sua tuetur (onderhouding) atque admi-nistrat (regeering) : veruin etiam quae moventur el agmit aliquid, intima virtute ad nwtum atque actionem ita impellit, ut, quamvis

-ocr page 805-

§ 2. DRIEDEELIG.

medewerking en regeeringquot;). En juist daar , waar men in de Goddelijke medewerking de meeste bezwaren vindt, namelijk bij de zonde , bij de vrije en altoos verantwoordelijke handelingen van den mensch, blijkt vooral de noodzakelijkheid van bet begrip der medewerking God wijl zonder deze de afhankelijkheid des menschen in het allergewichtigste punt verdonkerd en de alomtegenwoordige kracht Gods, die toch in ieder oogenblik en in het gansche schepsel werkzaam zijn moet, aan eene stremming en opschorting onderworpen of in de verte gesteld wordt. God heeft in ieder schepsel bijzondere krachten gelegd en aan het redelijk schepsel heeft Hij het vermogen gegeven om zich zelf te bepalen tot het gebruik daarvan en om dus of zoo te werken; maar wanneer men die werkingen van Gods werking afscheidt en

secundarum cansarum efficientiam non impediat, praeveniat tarnen, qmm ejus occultissima vis ad singula pertineat — met aanhaling van Handel. 17; 27 , 28. Overspanning was het wanneer Claude Pajon (gest. 1G85) de onmiddelijke werking Gods met on benevens do werkzaamheid van hot geschapene bostroed en al wat er thans gebeurt slechts wilde beschouwen als de noodzakelijke nawerking der eerste scheppingsdaad, der oor-spronkeliiko inrichting aller dingen en schepselen, in natuur en genade. Dus geen. Goddelijke concursus, maar daarvoor eeu deïstisch begrip vau een werkeloos God. Scholten, Leer der Herv. Kerk II. p. 620 v.v. Al. Schweizer in Herzogs Real-Enc. X. S. 776. Ie Ed.

\') P. Van Mastricht, Godgel. II. p. 128.139 v.v. Joh. March. Compend. X. 9. p. 173. B. Be Moor, Commentar. II. p. 441. 448. Brakel, Eed. Godsd. I. p. 271 v.v. Verg. Ease, Huttor. rediv. § 67. 68. En bijzonder Ebrard, Dogmat. I. S. 384 tegen de bewering van Schweizer, dat er naar do Gereformeerde loer goen concursus zou zijn.

777

-ocr page 806-

§ 2. DRIEDEELIG.

zich God niet voorstelt als door en in dezelve werkende, dan maakt men het schepsel los van God. De Goddelijke medewerking is een noodzakelijk middellid tusschen de onderhouding en regeering.

§ 3- Onderhouding.

De onderhouding is die almachtige en overal tegenwoordige werking Gods , waardoor Hij alles doet voortbestaan zoodanig en zoolang als Hem behaagt.

De onderhouding volgt noodzakelijk uit de schepping. Het bestaan der wereld beantwoordt aan haar ontstaan. Zij ontstond door dat God haar schiep, zij bestaat doordat Hij haar onderhoudt. Haar zijn kan het merk barer wording niet afleggen. Dat zou zij echter, indien zij door zich zelve bestond. God alleen is door zich zeiven. De wereld is een samenstel van eindige onveranderlijke dingen: dies kan do grond van hare voortduring niet in haar zelve gelegen zijn , maar alleen in God, die het eenige onafhankelijke wezen is. Ook is de wereld niet noodzakelijk: zij kon ook niet zijn. De onderhouding is dus de volstrekte afhankelijkheid aller geschapene dingen van den wil en de almachtige werking des Scheppers in ieder oogenblik des tyds. Hield deze onderhoudende werking Gods maar een oogenblik op, het schepsel zou dadelijk verdwijnen tot zijn niet. gt;).

778

God onderhoudt alles zoodanig, in hoedanigheden, gestalte, vorm, onderlinge verbinding en werking en

\') Brakel, Rcdel. Godsd. I. p. 271. Bretschneider, Handb. dor Dogmat. I. S. 602.

-ocr page 807-

§ 3. ONDERHOUDING.

779

zoolang als Hem behaagt. Immers de onderhouding is evenals de schepping eene vrije daad Gods en wat schepsel is heeft geene noodzakelijkheid van zijn: anders ware het nooit niet geweest, maar moest van eeuwigheid zijn. Denken wij alleen aan Gods algenoegzaamheid en absolute macht, dan mogen wij niet twijfelen of Hij zou al wat Hij geschapen heeft tot niet kunnen doen wederkeeren , ware zijn wil en besluit niet anders; eene vernietiging niet door een stellige daad van God, want dit zou veronderstellen dat het schepsel eene onafhankelijke zelfstandigheid bezat, maar door een enkel onttrekken van zijnen onderhoudenden invloed. Tegen zijne onveranderlijkheid strijdt de vernietiging zoo min als de schepping •). De grond van het voortbestaan der wereld in het geheel en van ieder geschapen ding en wezen in het bijzonder is eeniglijk Gods wil en besluit.

Hoe God de wereld onderhoudt, hoe dit eigenlijk toegaat, kan geen mensch verklaren. Al de werkingen Gods zijn eene verborgenheid, wie kan ze nagaan ? God is groot en wij begrijpen het niet. Slechts moeten wij alle zoodanige voorstellingen afweren, door welke de volstrekte afhankelijkheid des schepsels wordt bekort. Verwerpen moeten wij inzonderheid de oude en in onze tyden met menigerlei wijziging vernieuwde dwaling, dat God aan het geschapene zelt door en met de schepping eens vooral de kracht om voort te duren zou hebben medegedeeld, zoodat de wereld nu door hare eigene kracht zou bestaan.1) Daar-

1

Intusschen komt hiertegen zelfs Bretschneider, Dogm. I. S. 605 op en bekent dasz es zweifelhaft erscheint, ob auch den erschaffenen Dingen die Kraft sich selbst tu erhalten mityethaüt werden könne.

-ocr page 808-

§ 3. ONDERHOUDING.

door maakt men de wereld tot een mechanisme en den Schepper tot een mechanicus, die, nadat het kunstwerk was voltooid, zich terug trok en het, als met onveranderlijke wetten en krachten voorzien, aan zich zelf overliet.

Onze oude rechtzinnige Godgeleerden hebben ook in dit stuk tusschen waarheid en dwaling scherp en leerzaam onderscheiden. Volgens hen is te recht de onderhouding eene bestendige werking van Gods wil en kracht, eene stellige daad, een voortgaande reëele invloed, die voor het schepsel om te bestaan geen oogenblik gemist kan worden. De Heidelbergsche Catechismus Vr. 26 noemt het dan ook treffend de almachtige en alomtegenwoordige kracht Gods, door welke Hij hemel en aarde mitsgaders alle creaturen gelijk als met zijne hand nog onderhoudt enz.

Naar de Pelagiaansche voorstelling, door de Remonstranten niet onaannemelijk geacht, zou de onderhouding hierop neerkomen, dat God het schepsel laat bestaan , niet dat Hij het door bestendigen invloed doet bestaan. De onderhouding zou dus slechts eene ontkennende daad van Gods wil zijn, waarnaar Hij, zoolang het hem behaagt de geschapene dingen niet wil ontbinden of vernietigen, terwijl de vernietiging eene stellige daad zou wezen.

Aan dit gevoelen ligt ten grondslag het streven om aan het schepsel, aan den mensch onafhankelijkheid te verzekeren, hetwelk in geheel het Pelagiaansch Remonstrantsche stelsel van de Voorzienigheid doorschijnt, i) hoezeer en hoe schoon men dautbij ook de afhankelijkheid betuigt en met een vernis van waarheid de leugen bedekt.

Onze Goilgeleerden hebben niet nagelaten dit door te halen

\') Vorgel. Scholten, Loer dor H. K. II. p. 485. De Moor, Comment. II. p. 440.

780

-ocr page 809-

§ 3. ONDERHOUDING.

en daartegen in te scherpen : Vooreerst dat de onderhoading geenszins is eene enkele niet-vernietiging, maar een positieve act, een werkende invloed: „eveneens als de zon den dag, zoo lang hij duurt, onderhoudt, geenszins hierdoor alleen dat zij het daglicht slechts niet vernietigt, maar door eene meest positieve werking, niet minder krachtdadig dan waardoor zij den eersten dageraad voortbracht.quot; Ten andere dat de vernietiging reeds geschiedt door een enkel ophouden van de onderhouding, door een intrekken van den invloed der eerste oorzaak; „eveneens als het is met de verdonkering onzer lucht in den nachttijd, die waarlijk niet bewijst, dat het daglicht, hetwelk vooraf bestond, nu vernietigd is door eene positieve werking van de zon, integendeel daartoe is reeds genoeg een enkel ophouden van den invloed der zon op ons halfrond\').quot; Laat God Zijne hand los, verbergt Hij zijn aangezicht, zoo is dit reeds voldoende om aan het schepsel een einde temaken. Job G: 9. Ps. 104:29.

De onderhouding geschiedt onmiddellijk of door middelen. Bij God zeiven is er nauw bezien geen onderscheid tus-schen middelbare en onmiddelbare werking, maar alleen bij eindige wezens, bij wier werkingen het eene in nadere, het andere in verdere betrekking tot den werker staat1). God is niet verre van iemand of van iets in heel de wereld, niets is van Hem onafhankelijk, alles wat is en werkt, is en werkt alleen door Hem. De zoogenaamde tweede oorzaken, de middelen en alle natuurkrachten zouden niet werken , indien Hij ze niet in werking bracht en hield.

Het is dan ook een heerlijk blijk van de Goddelijkheid der

781

1

) Tuiesten, Vorles. II. 1. S. 96.

-ocr page 810-

§ 3. 0NDERH0ÜD1NG.

Heilige Schrift, dat deze alles tot God brengt en Hem alleen de eere geeft. Zij leert wel, dat de Schepper aan de geschapene dingen en wezens allerhande krachten heeft medegedeeld, aan de zon om te lichten, aan het water om te bevochtigen en te drenken, aan de aarde om vrucht voort te brengen, aan de dieren een eigenaardig instinct en verwonderlijk kunstvermogen en inzonderheid dat Hij den redelijken mensch begaafd heeft met verstand, wil en met eenen rijkdom van krachten des lichaams en der ziel tot allerlei werk. Maar omdat de van zijnen Schepper vervreemde mensch bij zich zeiven en bij de natuur blyft staan, wijst ons dezelfde Schrift met nadruk op de onmiddelijke werking Gods in alles. De mensch zegt: het regent, het dondert, het sneeuwt, maar de Schrift toont ons den werker. Matth. 6: 45 zegt Jezus van den Vader die in de hemelen is: Hij doet zijne zon opgaan over boozen en goeden en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Het is Zijne zon. Hij heeft haar geschapen. Hij onderhoudt haar. Hij heeft ze alleen in Zijne macht. Hij doet haar lichten. De Schrift zegt: God trekt de droppelen der wateren op, die den regen na zijnen damp uitgieten, Job. 36:27. De Schrift zegt: de Ood der eer en dondert, Ps. 29 : 3. De Schrift zegt: Hij geeft sneeuw als wolle, Hij strooit den rijm als asch. Hij werpt zijn ijs henen als stukken: wie zou bestaan voor zijne koude? Ps. 147: 16, 17.

Intusschen hoewel bij God geen onderscheid bestaat tus-schen onmiddellijke en middellijke onderhouding, daar Hij door het middel, hetwelk Hij gebruikt, niet het minst verwijderd is van hetgeen Hij daardoor onderhoudt, maar met Zijne alomtegenwoordige kracht evenzeer aanwezig is bij en in hetgeen Hy onderhoudt als in het middel door hetwelk

782

-ocr page 811-

§ 3. ONDERHOUDING. MIDDELLIJK.

Hij dit doet\'): zoo is toch voor ons menschen de Goddelijke onderhouding te onderscheiden in eene onmiddellijke, waar God het eene niet door het andere onderhoudt, althans voor zooveel wij kunnen nagaan, en eene middellijke waar door Gods werking het eene tot het bestaan van het andere dient.

Onmiddellijk , immers zoover wij weten, onderhoudt Hij de zon, maan en sterren , den aardbol, de Engelen, de zielen der menschen. Middellijk de ondermaansche, stoffelijke dingen en wezens, „tusschen welke is een ons begrip te bovengaande samenschakeling der onderoorzaken, waarin de onderste telkens zijn middelen, die van de bovenste gebruikt worden en wederom zyn ze oorzaken van die beneden haar zijnquot;4).

Voor de levende schepselen op aarde heeft God spijs en drank tot hun onderhoud verordend en Hij zelf beschikt ze hun. Hij had de middelen niet van noode, maar Hij gebruikt ze om zijne wijsheid, macht en goedheid te betoo-nen, „opdat verstandige schepselen zijne hand beter zouden zien, zich daarin verblijden en God daarover verheerlijken.quot; Daarom doet H\\j den mensch zoo behoeftig, gebrekkig, naakt, hongerig en dorstig geboren worden om hem door Zijne tal-looze weldaden en gaven tot zich te trekken en zijne kinderen ia alle giften zijne liefde te doen smaken. Hij is de bron van alle leven, Hij onderhoudt het. De middelen op zich zelve doen het niet. God doet het door de middelen\').

T) P. Van Mastricht, Godgel. II. p. 135.

2) Brakel, Red. Godsd. I. p. 271.

:l) Treffend wijst Calvin. Inst. I. 16. 2 dit aan van de zon.

Hoe machtig is hare werking, om te verlichten en te verwar-

783

-ocr page 812-

§ 3. ONDERHOUDING. BUITENGEWOON.

De geringste middelen kunnen door zijnen zegen krachtig werken; zonder zijnen zegen zijn de krachtigste middelen krachteloos en vruchteloos. Hij doet het gras uitspruiten voor de heesten en het kruid tot dienst des menschen, doende het brood uit de aarde voortkomen. Ps. 104: 14.

Aldus werkt Hij door de (jfewwwe middelen voort van jaar tot jaar en iederen dag en oogenblik tot onderhouding van hetgeen op aarde leeft; maar soms ook wonderbaar zonder middel, door onmiddellijke tusschenkomst of door buitengewone middelen.

Zoo Mozes, die op den berg Sinaï in de gemeenschap met God aan de behoeften en voorwaarden des aardschen levens geheel werd ontrukt, Exod. 34; 28 : En Hij was aldaar met den Heere veertig dagen en veertig nachten, hij at geen brood en dronk geen water. Buitengewoon onderhield God Israël in de woestijn, hetwelk Mozes in zijne laatste redenen den volke herinnert Deut. 8 : 3 : En Hij verootmoedigde u en liet u hongeren en spijsde u met het man, dat gij niet ken-det, opdat Hij u bekend maakte dat de memch niet alleen van den broode leeft, maar dat de mensch leeft van alles dat uit des Ileeren mond uitgaat, (wat de mond, het bevelwoord des Almachtigen, voortbrengt). 4. Uwe kleeding is aan u niet veroud en uw voet is niet gezwollen deze veertig jaar.

784

De Israëlieten hadden in de woestijn ook wel natuurlijke

mon, om to doon groeien ou rijpen ! Maar ton blijke dat de zon het niet doet, heeft de Heere het licht doen ontstaan on de aarde uaet alle soort van kruiden en vruchten vervuld vóór dat Hij do zon schiep — instrumentum dumtaxat, quo utitur. Deus, quia ita vult, quum possit, eo praeterito, per se ipsum nihil dificüius agere. Met even weinig moeite kon Hij het zonder haar.

-ocr page 813-

§ 3. ONDERHOUDING. BUITENGEWOON.

voedingsmiddelen\'). Immers zij hadden hun vee uit Egypte medegebracht, klein vee en runderen Ex. 34: 3 en ook aan het einde van hunne omzwerving hadden de kinderen Rubens veel vee en de kinderen Gads hadden er machtig veel Num. 32 : 1, waarvan zij melk en vleesch tot voeding, haar, wol en huiden tot kleeding konden gebruiken. Maar dit en ai wat soms de Arabische woestijn hun bood was niet toereikend tot onderhouding van zulk eene groote menigte van menschen. Daar gaf God hun het manna, eene wonderspijs, van het natuurlijke manna geheel onderscheiden1) in oorsprong, in hoeveelheid, in hoedanigheid, in gebruik en in uitwerking. Hij regende op hen het man om te eten en gaf hun des hemels hoorn. Een iegelijk at het brood der machtigen, Hij zond hun teerkost tot verzadiging. Ps. 78 : 24, 25. Dat deed de Heere, om Israël los te maken van den Egyptischen natuurdienst, om het te verzoeken en te louteren, om het voor zich op te voeden en het met banden der liefde, des vertrouwens en der dankbaarheid aan zich te verbinden en het zijne geheele afhankelijkheid te doen voelen, levende uit Gods hand. Doch het hardhoorige Israël heeft het min verstaan en er nog minder naar gedaan. Hetgeen echter Israël door honger en dagelijksche wonderspijs niet wilde leeren, bekende en deed Christus volkomen Matth. 4 : 4.

Wat de kleeding aangaat, de in de woestijn opgroeiende Israëlieten konden wel de kleederen gebruiken van de vele honderdduizenden, die door het oordeel Gods wegstierven.

785

1

) Kurtz a. W. S. 227—237. JÖ beteekont gave.

Gravomoüor , Goref. Gol. loor. 60

-ocr page 814-

§ 3. ONDERHOUDING. BUITENGEWOON.

bovendien de kleinen de vroegere kleederen van de volwassenen ; ook konden zij nieuwe vervaardigen. De kleederen behoefden dus niet wonderdadig met de lichamen te wassen. Maar uit het verband van Mozes\' woorden blijkt ontegenzeglijk, dat door eene wonderbare onderhouding hunne kleederen niet versleten. Er is een buitengewone zegen, maar door onttrekking van den zegen ook eene buitengewone kwijning, gelijk de Heere der heirscharen eens tot Israël sprak Hagg. 1:6: Gij zaait veel en (jij brengt weinig in ; gij eet, maar niet tot verzading, gij drinkt , maar niet tot dronken wordens toe, gij kleedt n, maar niet tot uwe verwarming en die loon ontvangt, die ontvangt dien loon in eenen doorgehoorden huidel.

Buitengewoon onderhield de Heere den Proleet Klia, 1 Kon. 19 : 5—8. De Profeet, vluchtende voor Izebel, wordt gedreven het land uit te gaan naar het zuiden, naar de vrije, stille Arabische woestijn, het vroegere tooneel van Gods groote daden, van de luisterrijkste openbaring Jehovahs aan de vaderen. Nadat hij van Berséba de eerste dagreis in de woestijn heeft volbracht, legt hij zich neder onder eenen jeneverboom\')• Oud en moe, mistroostig over den staat zijns volks, verdrietig wegens zooveel teleurstelling, wenscht hij te sterven. Uitgeput door overmaat van droefheid en kommer valt hij in slaap. Als hij ontwaakt, door eene hand getikt, staat daar een Engel, die tot hem zegt: sta op en eet. Hij slaat de oogen op en ziet over zijn hoofd-

!) Juniperus. Dus verklaren de Kabbijnon hot Hebr. DHI,

Volgens nieuweren is het do genista (monosporma), nog door do Arabieren raétem geheeten, eene bremstruik, welker wortels de uitnemendste houtskolen leveren. Ps. 120 : 4 : gloeiende jeneverkolen (rotemkolenj. Zie Winer, Real worterb. u. d. . Gutstev.

786

-ocr page 815-

§ 3. OMDERIIOUDING. NATUURORDE. 787

einde eenen koek, die op kolen is gebakken, en ecne flesch met water. Hij eet en drinkt en legt zich wederom neder. Ten anderen male komt de Engel des Heeren en roert Lom wederom aan en zegt; sta op, eet, want de weg zou voor u te veel zijn. En hij staat op en eet en drinkt op nieuw en ziet, door de kracht derzelver spijs gaat hij veertig dagen en veertig nachten, zonder inmiddels weer te eten, tot aan den berg Oods Horeh.

In zulke buitengewone tusschenkomsten vertoont zich de hand des Heeren zichtbaar, ten einde wij ook in den gewonen loop der dingen Hem zullen kennen. Immers alle schepselen ontvangen alleen door God hun voedsel, vergaan en ontstaan naar zijnen wil. Ps. 104 : 27 : Zij alle wachten op U, dat Gij hun hunne spijze geeft te zijner tijd. 28. Geeft Gij ze hun, zij vergaderen ze ; doet Gij Uwe hand open, zij worden met goed verzadigd. 29. Verbergt Gij Uw aangezicht, zij worden verschrikt; neemt Gij hunnen adem weg, zij sterven en zij keer en weder tot hun stof. 30. Zendt Gij Uwen Geest uit, zoo worden zij geschapen en Gij vernieuwt het gelaat des aardrijks.

Er is eene natuurorde. Doch volstrekt en in ieder oogen-blik afhankelijk van Hem, die ze heeft gevestigd, toen Hij de wereld schiep Gen. 1. Machtige en hoogst wijze ordeningen heeft de Schepper gemaakt tot instandhouding van het groote geheel der wereld en van hare deelen en tot onderhouding van de schepselen in hunne soorten en individu\'s. Ordeningen (naar Ps. 148) in de hoogste gewesten voor zonne en maan en voor alle de lichtende sterren en nederwaarts voor de wateren die boven de (lagere) hemelen zijn, de wolken : dat zij den naam des Heeren loven : want als Hij het beval, zoo werden zij geschapen. Eu Hij heeft ze

-ocr page 816-

§ 3. ONDERHOUDING. NATUUROllüE.

bevestigd voor altoos in eeuwigheid, zoodat in het geschapene geene de minste verandering kan geschieden tegen den wil des Scheppers, van wien geen deel der schepping zich ooit kan losmaken; Hij heeft hun eene orde gegeven, die geen van hen zal overtreden v. G, eene wet\') , eene plaats en wijze van zijn en werken, voor ieder deel der schepping vastgesteld , waarin het door Gods almacht wordt gehouden. Daardoor is het dat h.v. de sterren in hare banen moeten loopen en dat de bovenwateren van de wateren

beneden gescheiden blijven.

Ordeningen heeft Hij gemaakt voor de aarde, bewonderenswaardige inrichtingen, waardoor Hij er voor zorgt, dat al wat op aarde leeft, de gepaste en toereikende middelen tot voeding en voortplanting vinde en dat alles zijnen.aard behoude en in zijn soort blijve.

Al voortgaande werkt nog het woord zijner almacht, hetwelk Hij bij de schepping sprak: Bat de aarde uitschiete grasscheutkens, kruid zaad zaaiende, vruchtbaar geboomte, dragende vrucht naar zijnen aard, welks zaad daarin zij op de aarde Gen. 1:11. Standvastig brengen de vruchtboomen

788

vruchten voort ieder telkens zijn eigen soort: de vijgeboom vijgen, de appelboom appelen, zure, zoete , gele, roode. De bloemen komen te voorschijn een iedere telkens met hare eigenaardigheid in blad en bloesem, in kleur en geur. De granen behouden hunnen aard. Zaai verschillende zaden door elkander, zy hebben eénen grond die ze voedt, een zelfde lucht, zonneschijn en regen: toch wordt haver geen

t) ph Zoo ook Job 28: 26 Hebr. Do uitdrukking natuur, wetten is\' dus niet tegen de H. Schrift, namelijk in dezen zin : wetten voor de natuur door God gegeven en onderhouden.

-ocr page 817-

§ 3. ONDEIUIOUDING. WONDEUKN.

789

rogge en van boonen komt geen gerst. En hoe wijs is alles berekend en geordend tot onderhouding van het mensche-lijke geslacht, in zoo verschillende deelen der aarde, onder zoo verschillend klimaat en bij de wisseling der jaargetijden ! De Heere zorgt. Hij doet naar het woord, dat Hij na den zondvloed heeft gesproken : Voortaan al de dagen der aarde zullen zaaiing en oogst en koude en hitte en zomer en winter en dag en nacht niet ophouden. Gen. 8 : 22. God doet dit en openbaart daarin zijne vaderlijke goedheid. „Niets is meer natuurlijk dan dat op den winter de lente, op de lente de zomer, op den zomer de herfst beurtelings volgt. Maar in deze volgreeks vertoont zich zoo groot eene ongelijkmatigheid en verscheidenheid (in het eene jaar bij het andere) dat men daaruit lichtelijk kan opmaken : ieder jaar, maand en dag wordt door Gods bijzondere Voorzienigheid aldus geregeld i).quot;

God werkt als de hoogste Factor en Rector, Maker en Leider, aan, in, door en met alles. Maar er is ook eene rechtstreeksche, onmiddellijke w erking Gods : er zijn wonderen. De wonderen te loochenen, to zeggen: er zijn geen wonderen geschied, baat niets. Zij staan in de geschiedenis. De wonderen ontkennen is de geschiedenis ontkennen. Door ze te ontkennen worden zij niet weggenomen, ze ontkennen is zich zeiven de oogen uitsteken. — Alleen Goddelijke kracht kan wonderen werken. Looft den Eleere der heeren. Dien die alleen grootere wonderen doet Ps. 13G:4. Hij doet ze soms zoo, dat Hij iets nieuws schept, soms dus, dat Hij wel geen nieuwe krachten schopt, maar èf door wel aanwezige doch ons onbekende natuurkrachten of door eene nieuwe ons

\') Calvin. Instit. I. 1G. 2.

-ocr page 818-

§ 3. ONDERHOUDING. WONDEREN.

onbekende vereeniging en voeging van bekende natuurkrachten werkt. Dus telkens wat nieuws. In allen gevalle zijn het onmiddellijk ingrijpende daden Gods en ook waar Hij zich daarbij van de aanwezige stoffen en krachten bedient, zijn deze nimmer de werkende oorzaak. Wonderen geschieden niet alleen door de kracht der natuur alleen en op zich zelve, maar door het bevelwoord en de uitschietende en intastende kracht Gods.

Geen mensch kan wonderen doen, zoomin als scheppen. Het eigenlijke wonder is naar zijn wezen een „nieuw scheppenquot; i). Wonderen zijn scheppende daden van Gods almacht, werkingen Gods soortgelijk als bij de schepping der wereld. Terwijl zij de Goddelijke openbaring in hare onderscheiden stadiën verzeilen, zijn het teekenen {rwsïx). van iets hoogers, waarteekenen van de bijzondere tegenwoordigheid des levenden Gods en hebben een heilig doel in genade en oordeel: in genade, tot onderhouding en bewaring van zijn volk ; in oordeel, tot straf voor de vij-

\') Ook J. P, Lange, die Genesis S. 48 zegt: Das Schaffen des Neuen ist der allgemeinste Begriff des Wanders, wie das Verhündigen des Neuen der allgemeinste Begriff der Weissagung. Vergel. Oehlev, Theol. des A. T, I, S. 211. Chvistlieb, Moderne Zweifel S. 327. Schrijvers Aanteekeningen op Dr. Hoedemakers Handboek p. 37 v.v. Ji. Bathe\'s woord tegen Schleiermachers wondorloochening ; Herzogs Real-Enc. X. S. 225 le Ed.: der Welt-verlauf kcin Rechen exempel mit unverlindorlichan Gröszen , die göttliche Weltregieruug ulcht das Abdrehen dos Walzvverkes einer Spieluhr — —. leb ehre das Naturgesetz — : (iott selbst bat ibm ja die Naturkviifte unterworfen; aber siob selbst, seine Prei-heit, seinen allmtiehtigen Willen bat er ibm nicht unterworfen und nicht unterthilnig gemacht; auch in der von ibm geschaffe-neu Welt bat or sich seiuo unbedingte Preiheit und Oberbcrr-lichkcit unverkümmert verbohalten.

790

-ocr page 819-

§ 3, ONDEKHOUDING, WONDEUEN.

anden (strafwonderen), dus steeds tot instandhouding en bevordering van zijn rijk.

En dit is een voornaam kenmerk van de ware wonderen, De wonderen staan in nauw verband met de ieere, met het Woord. Ware wonderen geschieden alleen binnen het gebied der waarheid en tot bevestiging van deze. Bij leugenleer zijn ook de wonderen leugen. Die leuge-nen leeren en Gods rijk bestrijden, al doen die onder Gods toelating de zonderlingste dingen, wat zij doen zijn geen ware wonderen. Zoo die, van wie de Heere Jezus voorzegd heeft Matt. 24 : 24 : „daar zullen valsche Christussen en valsche profeten opstaan en zullen groote teekenen en wonderheden doen, alzoo dat zij, indien het mogelijk ware, ook de uitverkorenen zouden verleiden.quot; Zoo is het ook met de gewaande wonderen der Roomsche kerk, die dienen zullen om leeringen en instellingen te steunen en te staven, welke strijden legen Gods Woord\').

Het ware wonder is dan eene onmiddellijke werking Gods als bij de schepping der wereld. Het wordt in de Schrift genoemd wat nieuws scheppen Jerem. 31 : 22. Dus ook het strafwonder over Korah en zijnen aanhang. Mozes sprak Num. 16: 29: „Indien dezen zullen sterven gelijk alle menschen sterven en over hen eene bezoeking zal gedaan worden naar aller menschen bezoeking, zoo heeft de Heere mij niet gezonden. 30. Maar indien de Heere rvat nieuws zal scheppen\'1) en het aardrijk zijnen mond zal opdoen en

791

1

) Twcsten, Vorlos. II. 1 S. 118. Calvin. Commontar. in Acta Apost. 14: 3.

-ocr page 820-

§ 4. MEDEWERKING,

verslinden ze met alles wat hunner is en zij levend ter helle zullen nedervaren, alsdan zult gij bekennen, dat deze mannen den Heere getergd hebben. 32. En de aarde opende haren mond en verslond ze met hunne huizen en alle men-schen die Korah toebehoorden en al de havequot; — zij allen zijn op eenmaal uit het zondige leven in de verdoemenis gestort, waarvan dat, wat daar voor oogen geschiedde, namelijk dat de levende lichamen onder de aarde voeren, het teeken en zinnebeeld was, het tegengestelde van Henoch eertijds en later Elias, die levend naar den hemel werden opgenomen.

§ 4. Medewerking.

De medewericing i) Gods is zijn bestendige invloed bij alle bewegingen en werkingen van die schepselen, die Hi] tot zelfwerkzaamheid schiep. Hiermede is bedoeld een bijzondere invloed van de almachtige en alomtegenwoordige kracht Gods op de levende krachten van al wat adem heeft, inzonderheid van den mensch, in al hare uitingen en verrichtingen. Een invloed, die zoowel de natuurlijke (physieke) als de geestelijke levenskrachten raakt.

De natuurlijke: want in Hem leven wc en bewegen wij ons en zijn ivij*). Hand. 17 ; 28, een schoon, diepzinnig woord, hetwelk Paulus te Athene sprak. Wij, menschen, leven, bewegen ons en zijn in Hem, niet in ons zeiven maar in Hem, in dien God, die de wereld gemaakt heeft en alles wat daarin is v. 24. Een woord, dat ons waarlijk geen pantheïsme (alvergoding) leert, maar onze volstrekte afhanke-

1) Concursus ,

2) Zio Derde Hoofdstuk bl. 352.

792

-ocr page 821-

§ 4. MEDEWERKING.

lijkheid verkondigt: want het onderscheidt duidelijk en beslist Hem in wien wij zijn en ons die in Hem zijn. De Apostel geeft te verstaan „dat wij zoo te zeggen in God besloten zijn, wijl Hij met zijne kracht in ons woont. En daarom zondert God zelf zich van alle schepselen af door den naam Jehovah (de Wezende en de Wezenaar), om ons te doen weten dat Hij zelf eigenlijk alleen is, wij echter in Hem bestaan, voor zoover Hij ons door zijnen Geest leven doet en draagt.quot; •)

De drie uitdrukkingen leven, ons bewegen en zijn slaan terug op de drie in het 25ste vers genoemd: leven, adem en alle dingen. In Hem leven wij doordat Hy ons leven geeft. In Hem bewegen wij ons, daar Hij ons adem geeft, de voorwaarde van alle beweging en van de voortduring des levens. „In dit oogenblik ademe ik, het volgende oogen-blik is niet in mijne machtquot;1). In Hem zijn wij al wat wij zijn, met geheel onze existentie, doordien Hij ons alle dingen geeft, terwijl wij zonder Hem niets zouden wezen. Zinvolle drieheid ! waarvan reeds een oud kerkvader heeft aangemerkt: In den Vader (van wien alle dingen zijn) zijn wij, in den Zoon (die het Leven is) leven wij en in *den Geest (die de adem alles vleesches is) bewegen wij ons s). Wel is door den zondeval de liefdeband tusschen God en mensch verbroken en de mensch is van nature vervreemd van het leven Gods, zoodat in dezen zin de mensch buiten God en God buiten den mensch is. Maar toch is het zijn des menschen ook na den val een zijn in Ood en God

793

1

) Bengel, Gnomon in Act. Ap. 17: 25.

-ocr page 822-

§ 4, MEDEWERKING.

de Alomtegenwoordige is in den mensch ook na den val\'). Immers Paulus spreekt te dezer plaats van de menschen in het gemeen en van hunne natuurlijke krachten en werkingen. Deze staan geheel onder den invloed van God.

Nog veelmeer de geestelijke. Daar is verscheidenheid der werkingen , doch het is dezelfde God, die alles in allen werkt 1 Kor. 12: 6. Kan \'t sterker uitgedrukt?

De levende schepselen hebben van God een eigen bestaan ontvangen en alzoo eene eigene beweging; zij bewegen zich. Inzonderheid het persoonlijke, zelfbewuste schepsel, de mensch, is tot zelfwerkzaamheid geschapen: „hij gaat, spreekt, werkt, hij doet het zelf. Maar gelijk ieder schepsel door de invloeiende onderhoudende kracht Gods bestaat en zonder deze niet zou zijn, zoo iverkt ook ieder schepsel door den invloed van de medewerkende kracht Gods, zonder welke het zich niet bewegen zouquot;1). Want het werken volgt het zijn. In het zijn is de mensch geheel afhankelijk, dus ook in de beweging of werking.

Door de Goddelijke medewerking hebben wij clan niet alleen dit te verstaan: dat God door zijne almachtige en alomtegenwoordige kracht alles in zijn wezen, bekwaamheden en vermogens bewaart, om te kunnen werken r immers dat is de eerste daad der Goddelijke voorzienigheid, namelijk de onderhouding, die wij niet moeten verwarren met de medewerking.

Ook is het niet eene bijkomende, begeleidende, terzijde meegaande werking Gods bij en nevens de werking des

794

1

) Brahel , Kodel. Godsd. I. p. 272. De Moor , Commontar li. p. 454.

-ocr page 823-

§ 4. MEDEWERKING.

schepsels , gelijk twee menschen elkander in het doen van eenig werk, als in het sleepen en dragen van eenen last helpen , of gelijk twee paarden saamgespannen eenen wagen voorttrekken. Want ten eerste dit zijn wel vereenigde, gepaarde, maar toch twee verschillende werkingen: maar de werking Gods is van de werking des schepsels niet zakelijk onderscheiden, het is ééne werking. En ten tweede, bij de schepselen is het geen invloed van den eenen in den anderen werker, maar alleen in de werking: maar Gods invloed gaat niet alleen in de werking, maar in het werkend schepsel zelf i).

Het Gereformeerde begrip van de medewerking Gods is dienvolgens ; dat God met eene bijzondere onmiddellijk aanrakende werking ieder schepsel bij iedere beweging en werkzaamheid eer het zich beweegt voorkomt, bepaalt, gaande maakt, in die beweging houdt en in alle onderoorzaken en derzelver bewegingen en werkingen als de eerste oorzaak doordringt tot het laatste uitwerksel toe»). Zoo alleen wordt, tegenover alle Pelagiaansche en Remonstrantsche bekortingen van Gods souvereiniteit, de volle waarheid en kracht erkend en geëerbiedigd van dit Apostolische woord Eland. 17 : 28 : In Hem leven wij en hetvegen we ons en zijn wij. Aldus leert ook onze Heidelb. Catechismus Vr. 28 zoo schoon en treffend; dat alle creaturen alzoo in zijne hand zijn , dat zij tegen zijnen wil zich noch roeren noch bewegen kunnen 3).

Maar is het schepsel, is bij name de redelijke mensch dan

\') March, Merch p. 253.

*) Brakel, Rodel. Godsd. I. p. 273.

:l) Do Romonstranton vondon dit gozogde bedonkelijk. Scholten, Leor dor H. Kerk II. p. 485.

795

-ocr page 824-

§ 4. MEDEWERKING.

bloot lijdelijk, en terwijl hij zondigt niet hij maar God de schuldige oorzaak en hij dus eigenlijk onstrafbaar? Geenszins. Want het is aldus en elks eigen geweten roept, dat de zonde is zijn eigen werk en dat hij uit zich zeiven zijne daden als de zijne voortbrengt. Gods werking neemt zijne werking niet wog en bij zijne volslagen afhankelijkheid van God is hij toch zelf de werkende oorzaak van zijne handelingen. Dies is en blijft hij verantwoordelijk voor al zijn doen: hij is strafbaar zoo vaak hij kwaad doet, want dit is misbruik van die goede kracht die God hem verleent, is eigenwillige afwijking van de heilige wet, onder welke God hem gesteld heeft.

De mensch is dan de principale oorzaak van zijn doen ten aanzien van het werk en van andere schepselen,-die hem ondergeschikt zijn. Maar in betrekking tot God is hij slechts werktuig. Dies is alle roem des schepsels tegenover God ydele hoogmoed. Treffend stelt Jezaja de dwaasheid van alle zelfverheffing ten toon in het beeld van den veroveraar Sanherib, den trotschen koning van Assyrië. Deze god-delooze Heidenkoning roemde Jez. 10 : 13: „door de kracht mijner hand heb ik het gedaan en door mijne wijsheid: want ik ben verstandig; en ik heb de landpalen der volkeren weggenomen en heb hunnen voorraad geroofd en heb als een geweldige de inwoners doen nederdalen.quot; Maar wat zegt de Profeet ? Die dwingeland met zijne Assyriërs was niet meer dan een instrument in de hand des Heeren, die hem gebruikt heeft als eene bijl, zaag en stok, om zijne oor-deelen uit te voeren en hem dan verbrak. Vers 15: Zal eene bijle zich beroemen tegen dien die daarmede houwt? zal eene zage pochen tegen dien die ze trekt? als of een staf bewoog degenen , die hem opheffen ? als of men eenen stok

796

-ocr page 825-

§ 4, MEDEWERKING.

opheft en is \'t geen hout ? (Als of de houten stok dien ophief, die geen hout is.) Bijl, zaag, stok, bewegen zij zich zelf, of doet de mensch het? In gelijke verhouding staat ieder schepsel, ieder mensch tot de opperste oorzaak God. Deze beweegt ze overeenkomstig hunne natuur door zijnen medewerkenden invloed. Zonder zijne medewerking kunnen wij geen hand of voet bewegen. Wij zijn diep afhankelijke schepselen en wij weten niet wat morgen geschieden zal. Daarom mogen wij niets eigenmachtig voornemen als of de toekomst in onze hand stonde. In plaats dat gij zoudt zeggen: indien de lieere tvil en tvij leven zullen, zoo zullen wij dit of dat doen. Die echter bij eenig voornemen alleen aan hun eigenen wil gedenken en niet aan den wil des Heeren, tot dezen is het: Maar nu roemt gij in uwen hoogmoed ; alle zoodanige roem is boos. Jac. 4: 15, 16. „Die roemt, roeme in den Heere!quot; 1 Kor. 1 : 31.

§ 5. Regeering.

De derde daad in de Goddelijke Voorzienigheid is de regeering. De regeering Gods bestaat hierin dat Hij de wereld en al wat er in is door zijne almachtige en alomtegenwoordige kracht beheerscht en met wonderbare wijsheid naar zijnen wil tot zijn doel bestuurt, gelijk een koning zijn rijk , gelijk een stuurman zijn schip.

De regeering is beheersching en besturing.

Beheersching. God is Heer over het heelal en over al wat er in is. Want omdat Hij alleen door zich zeiven is en alle dingen van Hem zijn, is Hij de eigenaar van alles, weshalve reeds Abraham den Heere den Allerhoogsten God treffend kenmerkte als dien „die hemel en aarde bezit.

797

-ocr page 826-

§ 5. REGËERING.

Gen. 14: 22. De grond van zijne heerschappij is dat Hij alles heeft geschapen. Daarom heeft Hij een uitsluitend recht op alles. Hij is Souverein over alle schepselen en zaken in al de deelen van zijn ontzaglijk rijk.

Besturing. Deze ziet op het einde. Het is die werkzaamheid Gods, waardoor Hij alle veranderingen in de wereld naar zijn doel leidt. Immers de Schepper heeft een plan met de schepping. Zal dit tot stand komen en het vastgestelde einde bereikt worden, dan moet Hij de hand aan het roer houden en den loop der wereld met al wat er in is naar zijn oogmerk sturen. Hij zelf zorgt en werkt voor de stiptste uitvoering van zijn voornemen. En daarin faalt Hij nooit. Deze besturing veronderstelt eenen samenhang der dingen onderling en sluit in een Wijze schikking van middel en doel. God heeft tot bereiking van zijne oogmerken wel geen middelen noodig en niets is ook alleen middel. Ieder ding heeft zijne bijzondere bestemming in het groot geheel en het geringste van Gods werken is tegelijk ook doel. Maar het doel van ieder ding stemt harmonisch saam met het groote doeleinde van het heelal. Dies zijn er ondergeschikte en hoo-gere doeleinden, die samen een systeem, een samenhangend, wèl geordend plan uitmaken en allen uitloopenop het hoogste einddoel: de openbaring en verheerlyking Gods in al zijne eigenschappen.

Dit alomvattend bestuur van een levend God staat lijnrecht over tegen het blinde Noodlot (Fatum), hetwelk de oude Heidenen leerden en nieuwere Pantheïsten wederom gewy-zigd hebben opgenomen, een louter verzinsel, een ondenkbaar, levenloos iels, dat boven Godheid en menschen zweeft, eene verstandelooze noodzakelijkheid, koud als ys, hard als

798

-ocr page 827-

§ 5. REGEËRING.

ijzer, die de volgreeks van oorzaken en uitkomsten als schakels van eene metalen keten aan elkander smeedt. Dit gevoelen (Fatalisme) maakt het al der schepselen tot eene machine (Mechanisme) en is, waar het alleen van natuurkrachten weten wil (Materialisme) volslagen ongodisterij (Atheïsme)\').

Niet minder dan het Noodlot is deszelfs tegendeel, het Toeval, in strijd tegen de waarheid. Waar men zegt; „het Toeval regeert de wereld,quot; daar rukt men het verband der dingen los en vernietigt hiermede zelf het denkbeeld van eene regeering.

Schriftleer is, dat niets bij geval, niets naar eene blinde noodzakelijkheid geschiedt, dat alles door God naar wijze, goede, heilige oogmerken geordend en geleid wordt.

Tegenstanders van de Gereformeerde praedestlnatieleer hebben deze voor Fatalisme, voor eene Stoïsche Noodlots-loere uitgekreten4). Maar daartegen herinnert Galvijn : „wij denken niet met de Stoïcijnen aan eene noodzakelijkheid voortvloeiende uit eene onafgebroken voortgaande reeks van oorzaken, die in de natuur zou liggen, maar wy stellen God tot vrijmachtig Heer en Bestuurder van alles, die naar zijne wijsheid van eeuwigheid besloten heeft wat Hij doen zou , en nu door zijne macht zijne raadsbesluiten uitvoert. Daarom houden wij staande, dat door zgne Voorzienigheid niet alleen hemel en aarde en de onbezielde schepping, maar ook der menschen raadslagen en wilsbe-wegingen zoo bestuurd worden , dat zij rechtuit tot het door Hem vastgestelde doeleinde uitloopen s).

\'\') Twesten, Vorlos. II. 1. S. 100 f. Hase, Hutt. rediv. § 68. Dritte Aufl. S. 160. Derde Hoofdstuk van dit Leesboek bl. 303 v.

l) Zio Scholten, Leer der Herv. Kerk II. p. 516.

3) Calvin. Instit. I. 16. 8.

799

-ocr page 828-

§ 5. tlËGEERlNG.

800

De levenlooze en de redelooze schepselen bestiert Hij zonder hun weten; de menschen voor een gedeelte tegen hunnen wil, als Pharao omtrent Israels volk, Herodes, Pontius Pilatus en de Joodsche Oversten in hunnen handel tegen Jezus, en aldus al de goddeloozen; anderen wetende en gewillig, namelijk de ware vromen, die gelooven dat alles van Gods bestuur afhangt, waarin zij ook bij zwarigheden met goedkeuring berusten, ofschoon zij van hetgeen hen treft niet aanstonds het bijzondere einde inzien, terwijl zij den geopenbaarden wil Gods gehoorzamen \').

De H. Schrift stelt alles onder Gods bestuur. Inzonderheid de Psalmen zijn vol van den lof der Goddelijke regeering. Zoo de 938te Psalm, waar aanstonds in den aanhef tegen allen twijfel de afdoende waarheid wordt uitgesproken: de Heere regeert. Een Psalm tot bemoediging van Gods volk in bange dagen, gemaakt en gezongen misschien bij het eerste aanstormen der Assyrische wereldmacht, waardoor Juda bedreigd en het rijk der Tien stammen verwoest werd. Al komt de vijand als een vloed, de Heere, Jehovah, de getrouwe Verbondsgod, is boven de wateren en Hij houdt zijn werk in stand. Al verheft zich de macht des Boozen en zijner dienaren als bruisende wateren, er is meer klanks en geraas dan wezen in, gelijk het met Pharao was, over wien men roepen kon: Pharao, de koning van Egypte, is maar een gedruisch, Jerem. 46 : 17. En „met eene tegenstelling tegen de ijdelheid der afgoden en dergenen die ze maken en er op vertrouwenquot;, roemt uit de schepping en uit de geschiedenis des volks Israël Ps. 135:6: Al wat den Heere behaagt, doet Hij in de hemelen en op de aarde, in de

\') Joh. Marcis, Compend. p. 175.

-ocr page 829-

§ 5. REGEERING.

zeeën en alle afgronden. 7. Hij doet dampen opklimmen van het einde der aarde, Hij maakt de bliksemen met den regen, Hij brengt den ivind uit zijne schatkameren voort. S. Die de eerstgeborenen van Egypte sloeg, van den mensche aan tot het vee toe. 9. Hij zond teekenen en tvonderen in het midden van u, o Egypte, tegen I\'harao en tegen al zijne knechten.

§ 6. Voorwerpen der Voorzienigheid.

Voorwerp van doze drievoudige Voorzienigheid Gods is alles, niets uitgezonderd, omdat er immers niets zijn of gebeuren kan, wat niet door Hem geschapen, niet tot een bepaald doel verordend en niet van Hem afhankelijk ware. Gelijk de verlossing in Christus de uitvoering is van Gods raadsbesluit en het middelpunt is van geheel de Goddelijke Voorzienigheid, zoo moeten wij, vandaar het oog slaande op den grooten omtrek van al het bestaande, erkennen dat er niets aanwezig is, niets zich beweegt, niets afloopt of het is naar het voornemen Desgenen, die alle dingen werkt naar den raad zijns willens Efez. 1:11\'), waardoor Paulus met veel nadruk God beteekent, zonder Hem te noemen.

Men onderscheidt eene algemeene, bijzondere en allerbijzonderste Voorzienigheid. De eerste ziet op al het geschapene in het geheel, de tweede op de redelijke schepselen, inzonderheid de menschen, de derde op Gods volk of de huishoudelijke bestiering der Kerk2). Intusschen zijn deze drie niet te scheiden. Het zijn drie kringen der voorzienige werkzaamheid Gods, die in elkander vloeien. Want de al-

\') Zie Derde Hoofdstuk p. 378 v.

-) P. Van Mastricht, Godgol. II. p. 129 v. Tmsten, Voiles. II. 1. S. 107.

öi\'avomcycr Gcrof. Gol. looi\'. 61

801

-ocr page 830-

802 § 6. VOORWERPEN DER VOORZIENIGHEID.

lerbijzondersle Voorzienigheid is in de bijzondere en beiden zijn in de algemeene begrepen. De voorwerpen voor de allerbijzonderste zijn hel ook voor de bijzondere en do algemeene. Evenwel is deze onderscheiding gegrond en noodig, voorzoover de Goddelijke werking verschillend is naar dat do voorwerpen zijn. Zij is anders omtrent het levenlooze dan omtrent het levende, anders aan het redelooze dan aan het redelijke, anders bij de goddeloozen dan bij de vromen.

Verwerpelijk is de stelling, dat God alleen voor het algemeene en niet voor het bijzondere, voor de soorten en niet voor ieder enkele, voor het groote en niet voor het kleine zou zorgen en alleen bij gewichtige gebeurtenissen zou werkzaam zijn , maar niet om alle kleinigheden zich zou bekommeren. Een gevoelen door wijsgeoren der Heiden-sche oudheid\') en ook wederom door vele nieuweren voorgestaan ; tegenstrijdig in zich zelf, geheel in weerspraak tegen de Heilige Schrift, God-onteerend.

Immers het algemeene bestaat niet dan in bijzonderheden , als deelen van het geheel. Daalt Gods Voorzienigheid niet tot de bijzonderheden af, wat is er dan van zijne zorg voor het geheel ? Loochent men de bijzondere Voorzienigheid, men neemt dan meteen de algemeene weg1). En was het Gode niet onwaardig het kleine te scheppen, het kan Hem dan ook niet onwaardig zijn , het te onderhouden en te besturen, Eu de zorg voor het kleine trekt Hem niet af van het groote.

1

) Hetgoon Twesten, Vorles. II. 1. S. 106 Nota, hiertegen inbrengt, loopt op Deïsmo uit.

-ocr page 831-

§ 6. VOORWERPEN DER VOORZIENIGHEID. 803

Bovendien worden door het kleine vaak groote dingen gedaan en eene geringe omstandigheid heeft soms verbazende uitwerkingen en verregaande gevolgen i). Dat de koning Ashasveros in eenen nacht niet slapen kon en zich uit de rijks-kronieken liet voorlezen en hem daardoor de naam en trouwe daad van Mordechaï herinnerd werd, vloeide daaruit niet Mordechaïs verhooging en de redding der Joden voort, wier verdelging was besloten ? (Esther 6 : 1 v.v.). Het snateren en kleppen van ganzen had eens de verlossing van het oude Rome ten gevolge, toen de Galliërs het kapitool dreigden in te nemen, waar alles sliep en zelfs geen hond zich roerde, maar het geraas dier dieren de sla-penden wekte. Hoe geheel anders zou de loop der dingen geworden zijn, hadden de Galliërs toen Rome bemachtigd1).

De Heilige Schrift toont ons in alles Gods oog en hand. —

De loochening der bijzondere Voorzienigheid is God-ont-eerend. Want men bekort Hem daardoor in zijn gezag en werk. In alles, ook in onze geringste dagelijksche aangelegenheden wil en moet Hij gekend worden. Anders hebben wij geene levensgemeenschap met Hem. Waar men aan geene Voorzienigheid gelooft, daar is geen waar gebed mogelijk. Er is dus wel eene algemeene 3) Voorzienigheid,

1

) 390 v. C. Livius V. 47. Ebrard , Dogm. I. S. 322: Die game Weltgeschichte ware oinc andere geworden, wenn Rom in seiner Kindlmt untergegangen wcire.

-ocr page 832-

804 § 0. VOORWERPEN DER VOORZIENIGHEID.

maar alleen in dezen zin, dat zij zich uitstrekt over alles wat is , dat wil zeggen over alle hij zonderheden. Vraagt Paulus 1 Kor. 9:9: zorgt ook God voor de ossen ? dan wil hij dit waarlijk niet ontkennen, maar slechts leeren dat Gods goede wet veel meer den arbeidenden mensch, inzonderheid zijne rijksdienaren , dan don dorschenden os beoogt. Hij zorgt voor de raaf, Hij geeft haren jongen voeder als zij roepen \') Ps. 147 : 9. Hij zorgt voor de musch, hoe veel te meer voor zijne kinderen! Matth. 10: 29: Worden niet twee muschhens om een penningsken verkocht? (een jaar • later zeide Jezus zolf: vijf musch-Jcens voor twee penningskens Luc. 12 : G) en niet één van dezen zal (dood) op de aarde vallen zonder (weten en wil van) onzen (niet der musschen) Vader. 33. En ook uwe haren des hoofds zijn alle geteld (hoeveel meer bewaakt Hij het hoofd zelf!). Niets, ook het allergeringste niet, is aan den dwang des Noodlots of aan het spel des Toevals overgelaten.

§ 7, Toeval.

Gods Voorzienigheid is ook werkzaam in hetgeen voor ons bijgeval gebeurt. Ook de schijnbaar toevalligste omstandig-

\') Dat de jongo ravon, omdat zij mot wit haar worden ge-boron on daarom do oudon zo niet willon kennen, door dozen worden verlaten, totdat zij zwart zijn en dat zij inmiddels door God gespijsd wordon met zekere wormkens, dio in liet nest uit haren drek groeien, hetwelk ook onzo Kanttookenaars Job 39: 3 verhalen, is volgens latere natuurkundigen een oud fabeltje. De waarheid is, dat de raven haar jongen, zoodia zij vliegen kunnen, verjagen. Zie De Moor, Commentar. in Marck. 11. p. 465. en Winer, Roalwörtorb. u. d. W. Rale.

-ocr page 833-

§ 7. TOEVAL.

heden worden door God beschikt. Wat is zoo toevallig als het lol ? Maar wat zegt de Schrift ? Het lot • gt; tvordt in den schoot1) geworden, maar het yeheele beleid daarvan is van den Heere, Spr. 16: 33.

Dat is niet gezegd, om de heiligheid des lots te betuigen en te prijzen. Ook niet, om het gebruik dos lots aan te bevolen. Het is waar, het lot, „is inderdaad eene zeer schrandere uitvindingquot; s) en kan soms dienstig zijn om een geschil te slechten. Het lot doet de geschillen ophouden en maakt eene (vredige) scheiding tusschen machtigen, Spr. 18: 18. Zoo bij verdeeling van goederen en tot toewijzing eener onverdeelbare zaak, op welke twee of meer dezelfde aanspraak hebben. Dus ook ter keusbepaling tuschen personen voor eenig burgerlijk of kerkelijk ambt, waar de herhaaldelijk uitgebrachte stemmen geene beslissing gaven. Maar men mag niet te ras met het lot ter hand zijn. Waar minnelijke schikking mogelijk is, behoeft men geen lot. Abraham en Lot hebben bij hunne scheiding niet geloot over de landstreken , waar zij wonen en weiden zouden, maar de vriend Gods was tevreden met hetgeen zijn neef niet begeerde. In allerlei aangelegenheden des levens tot het lot de toevlucht nemen als tot een orakel om de Godheid te bevragen, dat is God verzoeken, dat is onredelijk,

\') Hot Hebr. boteekont eorst on eigenlijk lotstoen, go-

T

lijk \'VyjCpos. Men gobraikto gemerkte steontjos in den vorm van dobbels; niet staafjes gelijk Van dar Palm. Salomo IV. p. 384 zogt. dio iutusschen V. p. 334 zich zelf corrigeert.

\'-) p*n is sinus vestis, boezem van hot wijde opperkleed, hetwelk saamgebonden geschikt was om de lotsteentjes te ontvangen. 3) Van der Palm , Sal. V. p. 335.

805

-ocr page 834-

§ 7. TOEVAL.

is traagheid en verzaking van eigen verstandsgebruik, is minachting van Gods Woord, hetwelk ons den goeden en welbehagelijken wil Gods in alles genoegzaam aanwijst, is verzuim van het gebed tot Hem, die, zoo iemand wijsheid ontbreekt en hij ze van Hem begeert, mildellijk geeft en niet verwijt. De Heilige Geest en het Woord Gods zijn de rechte Urim en Thummim van Gods volk, bij name onder het Nieuwe Verbond.

Matthias werd Hand. 1: 26 in Judas\'plaats door het lot tot Apostel gekozen. Dat betaamde : de Apostel moest onmiddellijk door den Heere zeiven gekozen zijn. Bovendien geschiedde dit v6ór de uitstorting des Heiligen Geestes. Daarna [wordt van gebruik des lots niet meer gewaagd , maar de gemeente kiest Hand. 6 : 5 diakenen en Hand. 13: 2 ze(jt de Heilige Geest: „zondert my af beide Barnabas en Saulus tot het werk waartoe Ik hen geroepen heb.quot; Ook bij de verkiezing van ouderlingen geen lot, maar stemming door opsteken der handen, Hand. 14 : 23. — Geldloterij is „een onchristelijk spelen met de Voorzienigheid en eene kweekster van heillooze hebzuchtquot; •). Zij is met Spr. 16: 33 niet goed te maken.

806

Niet om het lot te verheffen en aan te prijzen, maar als een voorbeeld van hetgeen bij uitnemendheid toevallig is, noemt Salomo het; als iels, dat geheel buiten \'s menschen beleid staat en waaraan de mensch niets doet, ja waarbij geheel geen bestuur schijnt plaats te hebben en de uitslag, die even goed anders had kunnen zijn, een louter blind geval schijnt te wezen. Maar ook dat lot, verzekert Salomo, staat onder Godi bestuur : van Hem is het dat dit lot met

\') Dr. A. Wultke, Hundb. dor chr. Sittou\'.ohro 11. S. 119. 550.

-ocr page 835-

§ 7. TOEVAL.

dezen naam en niet een ander er uit komt. Is nu zelfs het beleid des lots van den Hoere, dan geschiedt er in het menschelijk leven niets buiten zijn bestuur, niets voor Hem bij geval.

Toevallig, geval is wat naar ons oordeel even mogelijk niet of anders had kunnen zijn en niet naar een vasten regel werkt of afloopt. Het is het tegengestelde van wat noodza-kelijk is , wat uit een natuurlijk verband met zijne oorzaak vloeit, die door haren aard tot zoodanig eene werking bepaald is en wat hiernaar niet niet-gescheiden en niet anders zijn kon, tenzij God het door een wonder keerde. Dus is het eene noodzakelijkheid dat de zon schijnt, dat het vuur brandt, dat het zware naar beneden zinkt\'). Doch ook dit onder Gods Voorzienigheid en zonder noodzakelijkheid voor Hem , die alles vrijmachtig bestuurt en telkens, zoo Hij \'t wilde ook het tegendeel kon doen plaats hebben.

§ 8. Toeval. Vervolg.

Of er dan niets bijgeval gebeurt ? Voor ons menschen wél, voor God niet. ToevaP) is geen Godheid noch eene onpersoonlijke macht nevens God, den Hoere des hemels en der aarde. Neen, het is geen woord dat wij gebruiken, waar

\') P. Van Mastricht, Godgel. II. p. 143. Brakel, Kod. Godsd. I. p. 281 v.

2) Tvx\'^l dor Grieken. Homerus kent zo nog niet. Zij paste in do goloofsbolijdonis (o»goloofsboli]donis) vau oenen na den ondergang dor Griokscho vrijheid religieus ou zedelijk dood on geestelijk ledig geworden tijd; eono schim, eon Niets, dat voor geest en gemoed oven woiuig gehalte biedt. Nügelslach, Nach-homor. Thoologio S. 153. 156.

807

-ocr page 836-

§ 8. TOEVAL. VEHVOLG.

onze wijsheid vastraakt, waar iets ons verrast, waar ons het gezicht in den samenhang van oorzaak en werking hapert. Het is een naam meer voor iets dat in ons is, dan voor iets wat in de dingen is •). Voor ons is veel toevallig, maar niets voor God. In eene wereld, die zijn werk is en die Flij beheerscht, kan niets toevallig zijn voor Hem, die alles geordend heeft naar mate, tal en gewicht (Wijsh. Sal. 11 : 21), die alles heeft afgemeten , geteld en gewogen.

Wij noemen toevallig wat buiten ons iveten en vermoeden, zonder ons willen en bedoelen , of buiten ons toedoen geschiedt, terwijl intusschen God het wist, wilde en bewerkte.

Zoo was het voor Pharao\'s dochter toevallig, dat zij juist daar in de rivier zich ging baden, waar zij het kistje te zien kreeg, in hetwelk het kind Mozes lag (Ex. 2 : 5), maar onder die schijnbare toevalligheid waren groote oogmerken Gods verborgen.

Dus ook 1 Kon. 22 : 34 in den veldslag tusschen Israël en de Syriërs : Toen spande een man , een van de Syrische krijgsknechten , den hoog in zijne eenvoudigheid en schoot den honing Israels tusschen de gespen en het pantsier. In zijne eenvoudigheid2), dat wil zeggen: „zonder eenig voornemen of\' gedachte te hebben van den koning Achab met zijn schot te treffenquot; (Kantt.) Want hij kende den koning niet, die zich immers had verkleed, hij schoot zijnen pijl maar in het wilde op de Israëlieten af en trof juist den koning en wel tusschen de voegen van het harnas. Maar de Heere God had gemikt en Hij

\') Tholuck, Stnudon cbristlicher Andacht S. 139.

■gt;) lan1? in zijnu onschuld, buitou bijzonder doel op iemand,

LXX oiQe/.itiq simpel. Vulgata , in incortum, op hut ongewisse.

808

-ocr page 837-

§ 8. TOEVAL. VERVOLG.

volvoordo het oordeel, dat den koning was aangekondigd.

Zoo wordt van den moedwilligen doodsiager, die gestraft moet worden, degene onderscheiden, die zijnen naaste zal geslagen hebben door onwetendheid, dien hij toch van gisteren en eergisteren niet haatte. Is hij b.v. met dezen in het hosch gegaan om hout af te houwen en het ijzer schiet af van den steel en treft zijnen naaste dat hij sterve, hij zal vluchten in eene der vrijsteden en leven, overmits er geen oordeel des doods aan hem is , Dout. 19:4—6. God wist het vooruit en het was bij Hem aldus bepaald, maar voor den mensch was het bij ongeluk , door een noodlottig toeval.

Toevalligheid voor don mensch on Goddelijke beschikking vertoonen zich allerklaarst in de verzoeking van Abraham. Deze heeft reeds het mes in zijne hand en staat op het punt om Izailk den doodsteek te geven. Daar hoort hij in dienzelfden oogenblik , niet eer en niet later, achter zich de stemme van den Engel des Heeren, die hem tweemaal bij zijnen naam roept. Abraham slaat de oogen op en zie achter hem is een ram in de verwarde struiken vast met zijne hoornen, en Abraham gaat en neemt dien ram en offert hem ten brandoffer in zijns zoons plaats. Gen. 22: 13. De ram kan wel een van Abrahams eigene kudde zijn geweest. Maar voor Abraham was hij daar geheel toevallig : zonder zijn voorweten, willen en toedoen. Immers Abraham had er geheel geene gedachte aan , om een dier te offeren: hij wilde Izailk slachten en had deze gedachte : dat God machtig was , hem ook uit de dooden te verwekken, Ilebr. 11 : 18. Maar God had den ram beschikt en de toestand waarin Abraham het dier zag, vast in de doornen, toonde dezen

809

-ocr page 838-

§ 8. TOEVAL. VERVOLG.

duidelijk aan , dat het hem werd aangeboden en dat hij het nemen zou, Do Heere had voorzien.

In de Schrift zelve komt de uitdrukking voor dat iets bijgeval gebeurde. In de gelijkenis van den man, die tusschen Jeruzalem en Jericho onder do moordenaars was gevallen, hooren wij uit Jezus\' eigen mond Luc. 10:31: „En bijgeval gt;) kwam een priester denzelven weg af en hem ziende ging hij tegenover hem voorbij.quot; Bijgeval „dat is : zonder voorbedachtheid , namelijk ten aanzien van de menschen. Want anderszins ten aanzien van de Voorzienigheid Gods geschiedt er niets bij geval.quot; (Kantteek.) Dit gezegde bijgeval past juist bij deze gelijkenis. De priester, naar Jeruzalem gaande, wist niet vooraf dat die man daar lag ; had hij \'t geweten , hij zou wél eenen omweg gemaakt hebben. Voor hem was het dus toeval, tegendeel van noodzakelijkheid , dat hij hem daar aldus aantrof. Op den mensch gezien, mogen wij dus van .toeval spreken. Voor God geschiedt er niets bijgeval2). De treden des mans zijn van den Heere; hoe zou dan een mensch zijnen weg verstaan ? Spr. 20: quot;24.

§ 9. Leven en sterven.

Strekt de Voorzienigheid Gods zich zelfs totdemusch-kens uit, veelmeer moeten wij haar dan erkennen in alles wat den mensch raakt, om wiens wil voornamelijk de wereld is geschapen s). De Goddelijke Voorzienigheid gaat

\') kxtx (TuyKvplxv, casu. Opponitur uoccssitudiui. Bengel. \') Calvin. Instit. I. 16. 8.

^) Calvin. Instit. I. 16. 6 init.

810

-ocr page 839-

§ 9. LEVEN EN STERVEN.

over ons leven en sterven en beschikt alles wat tusschen beiden gebeurt. De tijd en de plaats van elks geboorte en dood , elks weg en werk , genot en gemis , vreugde en leed, voorspoed en tegenspoed, alles is bij God in zijn eeuwig raadsbesluit onveranderlijk bepaald en tlij voert het uit door zijne Voorzienigheid. Een ieder, die zijnen levensloop nagaat en zijne lotgevallen en ontmoetingen herdenkt, zal moeten bekennen, dat niet hijzelf maar hooger macht het aldus heeft gevoegd.

„Wie weet niet uit alle dezen, dat de Hand des Heeren dit doet ? In wiens hand de ziel is van al wat leeft en de geest van alle vleesch des menschen,quot; Job. 12:9, 10, De hand is de macht. De ziel van al wat leeft is gezegd van de dieren : de beesten, het gevogelte des hemels en de vis-schen der zee (v, 7 en 8). De gevoelende ziel, die in alle diere,n is en waardoor zij leven, dus hun leven zelf, is in Gods hand. En evenzoo de geest van alle vleesch des menschen : het leven des lichaams dat de mensch heeft door den geest •), de redelijke ziel die in het lichaam woont. Ieder mensch heeft een bestemden tijd om te leven.

En zoo schikt en regelt God ook de tijden en wegen der volken, gelijk Paulus de Atheners leerde Hand. 17 : 26: „God heeft uit éénen bloede het gansche geslacht der menschen gemaakt, om op den geheelen aardbodem te wonen2) , bescheiden hebbende de tijden te voren geordineerd en de bepalingen van hunne woningquot; Do alwijze God heeft voor iedere natie hare tijden van bestaan en ont-

\') Van ziel on geest is gehandeld in hot Zesde Hoofdstuk van dit Leesboek bl. 744. v.v.

-) Zie het Zesde Hoofstuk bl. 740 v.

811

-ocr page 840-

§ 9. LEVEN EN STERVEN.

812

wikkeling en ook de plaatsen , waar zij zullen wonen, op het nauwkeurigst vastgesteld. Er heerscht dus geen toeval in de verbreiding der volken over de gansclie aarde. Hij geeft aan ieder volk een oord , dat voor deszelfs karakter en natuurlijken aanleg past. En schoon zij dik-niaals door eigen keus de grenzen , die hun door bergen, rivieren en ook door de talen gesteld zijn, overschrijden en ook te dezen opzichte in hunne wegen wandelen (Hand. 14 : 16), toch geschiedt dit niet buiten Gods wil en bestuur , maar naar het groote alomvattende plan , dat Hij met de menschheid heeft. Het opkomen en verdwijnen, het rijzen en dalen van volken en koninkrijken is Gods werk. Hij vermenigvuldigt de volken en verderft ze ; Hij breidt de volken uit en leidt ze, Job. 12: 23. \'

§ 10. Leven en sterven. Vervolg.

Of de mensch zijn leven niet verlengen of verkorten kan ? Of voor ieder mensch de mate zijns levens onveranderlijk vast staat ? De Pelagianen, Arminianen, Lutheranen en allen die den vrijen wil des menschen tot eene zekere onafhankelijkheid opvijzelen, beweren dat de Goddelijke Voorzienigheid geen onbeweeglijken eindpaal stelt van ieders leven. De Gereformeerden erkennen wel dat de eindpaal van het menschelijke leven , welken de natuur zet of denken doet, veranderd kan worden, maar zij ontkennen beslist, dat de eindpaal, welken Goo! zet, veranderlijk zou zijn\').

\') P. Van Mastricht, Godgel. II. p. 150. Vergel. Tiuesten, Vorles. 11. 1. S. 110. Luthardt, Kompend. der Dogm. § 30,4. Uase, Huttor. rodiv. § 68. N. 4.

-ocr page 841-

§ 10. LEVEN EN STERVEN. VERVOLG.

Want Gods besluit is onveranderlijk i) en de Voorzienigheid is de uitvoering van dat besluit.

Geen mensch kan zijn leven langer of korter maken dan God bepaald heeft. „Eerder zal hij niet sterven, langer zal hij niet leven, op zulk eene plaats, op zulke manier zal hij sterven als God besloten heeft; zoolang zal God voedsel en deksel geven, zoolang zal God zijn lichaam in staat bewaren als zijn uurtje gekomen is en dan zullen alle Doctoren van de wereld zijnen leeftijd niet één uurtje kunnen verlengen , Dewijl zijne dagen bestemd zijn, het getal zijner maanden hij U is en gij zijne bepalingen gemaakt hebt, die hij niet overgaan zalquot;2) zegt Job 14 : 5 tot zijnen God.

813

Maar door onmatigheid en losbandigheid of door gewelddadig de handen aan zich zelf te slaan of door van anderen geweld te lijden leeft menigeen korter dan hij volgens de natuur kon leven. Dit zegt Gods eigen woord. Spr. 10: 27 : De vreeze des Heeren vermeerdert de dagen, maar de jaren der goddeloozen worden verkort. Het eerste willen onze Gereformeerde Kantteekenaars verstaan hebben van zulke godvreezenden, die teer van lichaam en zwak door ziekte en door tegenspoed nedergestort zijnde, evenwel door Gods vertroostinge langer leven, dan de kracht hunner natuur zoude kunnen uitgeven (volhouden), zoo God niet voorgenomen had, hen langer in het leven te behouden. Het andere : de jaren der goddeloozen verkort, wil zeggen dat zij naar de kracht en de gesteldheid hunner natuur langer

\') Vijfde Hoofdstuk van dit Leesb. bl. 552. Do Griok dacht aan eon trpo pslpxg tsXsvtxv oon sterven vóór de door het Noodlot bestemde ure. Nagelsbach, Die naclihoruer. TheologieS. 152, \'2) Bralccl, Rodel. Oodsd. I. p. 283.

-ocr page 842-

§ 10. LEVEN EN STERVEN. VERVOLG.

hadden kunnen leven, terwijl zij door Gods rechtvaardig oordeel geweldiglijk van hier worden weggerukt, niet alle (zie Pred. 7 : 15) maar met zoovelen het Gode belieft naar zijne onbegrijpelijke wijsheid alzoo te handelen.

Evenzoo Ps. 55 : 24: de mannen des hloeds en bedrogs zullen hunne dagen niet ter helft brengen: zij zullen eenen ontijdigen dood sterven, zij zullen de helft niet bereiken van den tijd welken zij zeiven zich beloofd en anderen gedacht hadden dat zij beleven zouden.

814

Bevreemdend is bij den eersten opslag Pred. 7:17: Wees niet al te goddeloos en wees niet [al te] dwaas: waarom zoudt gij sterven huiten uwen tijd ? Mag men dan wel met mate goddeloos en iets dwaas zijn ? Wil de Prediker zeggen; een weinig goddeloosheid en een weinig dwaasheid kan niet schaden? Dat zij verrei). De waarschuwing heeft eenvoudig dezen zin : wacht u van u over te geven tot grove zonden : want dan zijt gij op weg om tot misdaden te vervallen, die u zelfs van de Overheid of anderszins door Gods oordeel een ontijdigen dood berokkenen. Er is helaas goddeloosheid en dwaasheid niet weinig in den mensch, die in ongerechtigheid geboren en in zonde ontvangen is en wiens gedichtsel boos is van de jeugd af. Er is (v. 20) geen mensch rechtvaardig op aarde, die goed doet en niet zondigt. Des te meer moet men op zijne hoede zijn om niet

\') Er ziju handelingen on gezindheden, bij welke het begrip van te voel of te weinig geheel niet toepasselijk is , als vreugd over het ongeluk van anderen , nijd, moord, echtbreuk. Het onderscheid tusschen goed en kwaad is niet qnantitatief en graduSel eu aldus vervloeiend, maar qualitalief en togenstellig. Wuttke , Handb. der Chr. Sittenlehre 1. S. 61 (tegen do Aris-totolische »middelmaatquot;).

-ocr page 843-

§ 10. LEVEN EN STERVEN. VERVOLG.

uit te spatten en zich te voegen bij dat gezelschap van zondaren, dat Ps. 1 geschilderd en aan hetwelk daar Gocls oordeel verkondigd wordt. Even opmerkelijk is de voorafgaande vermaning Pred. 7 : 16 : ivees niet al te rechtvaardig en houd uzelven niet al te wijs : waarom zoudt (jij venvoesting over u brengen ? Kan men ook al te rechtvaardig zgn ? Hoe dit gemeend is, blijkt uit het bijgevoegde:

ven niet al te wijs. Men is al te rechtvaardig, wanneer men vergeet een zondaar te zijn. Achter het „te veelquot; bij zulk eene schijnbare, farizeeuwsche gerechtigheid is een treurig „te weinigquot; verborgen. En de eigenwijsheid der „curieuze geestenquot;, die alles weten en richten wil, is dwaasheid. Van beide komt geen zegen, geen leven, maar vloek, verwoesting door Gods oordeel, gelijk de Ileere Jezus Matth. 23 over de Farizeën heeft uitgeroepen, aan wie Hij ten slotte aankondigde: „ziet, uw huis wordt u ivoest gelaten.quot;

Wanneer men naar het boven gezegde de onderscheiding van Gods kant en van \'s menschen kant behoorlijk vasthoudt, dan vallen de bezwaren weg, die men tegen de onveranderlijke bepaling en beschikking Gods van leven en sterven inbrengt. Men werpt tegen dat de verlenging of verkorting des levens aan voorwaarden wordt vastgemaakt. Dus in de hier boven beschouwde teksten. En zelfs in de Wet Ex. 20 : 12 : „Eert uwen vader en uwe moeder, oi}dat uwe dagen verlengd worden in den lande dat u de Heere uw God geeft.quot; Maar deze en soortgelijke uitspraken behelzen beloften en bedreigingen, die langlevendheid of vroegen dood aan eene voorwaarde verbinden; zij bevatten den geopen-baarden wil Gods, die de vaste regel is voor den mensch, waaraan hij zich heeft te houden en waarnaar hij ook verwachten moet dat hef hem gaan zal, terwijl bij God geene

815

-ocr page 844-

§ 10. LEVEN EN STERVEN. VERVOLG.

onzekerheid of afhankelijkheid lt;) van het al- of niet-ver-vullen der voorwaarde door den mensch bestaat, maar alles van te voren bepaald is in zijn eeuwig raadsbesluit.

Intusschen men zegt: er zijn voorbeelden van in de Heilige Schrift dat het levensperk van menschen werkelijk is veranderd. Dus, behalve van anderen2), van Hizkia, dien de dood werd aangekondigd, maar die nog vijftien jaren levens kreeg Jez. 38 : 5 en van de Ninevieten , tot wie Jona 3 : 4 sprak : nocj veertig dagen, dan zal Nineve wor-den omgekeerd, terwijl zij toch bewaard bleven. Maar ook dit stoot de waarheid niet omver. Want bij Jona\'s prediking : na veertig dagen zal God deze stad uitroeien en verderven ! was „voorbehouden in Gods raad de conditie van bekeering, als de uitkomst heeft geleerd en dit prediken van Jona mitsgaders het respijt (uitstel) van den voorgezetten tijd bedektolijk gaven te verstaan en Gods Woord overal betuigtquot; (Kantteek.). Bij God werd dus niets veranderd. De uitkomst maakte openbaar wat bij God was besloten geweest s).

§ 11. Middelen.

Wanneer, waar en hoe een iegelijk mensch sterven zal, is bij God besloten. En dat besluit voert Hij onveranderlijk

\') Zelfs do Luthorsclie Twesten, Vorlos. II. 1. S. 112 moot bekonnon: einc hedingtc Vorherhestimmunc/, wenn das Eintvetcn der Bedingung in suspenso gelassen wird, ist heine, wenigstens Tccine solc/ie , ivio wir die göttliche Vorherhestimmung denken müszen. Vergel. het Vijfde Hoofdstuk van dit Leesboek bl. 557. \'-) P. Van Mastrieht, Godgel. II. p. 151.

:\') Zie Vijfde Hoofdstuk bl. 554.

816

-ocr page 845-

§11. MIDDELEN.

uit: niemand sterft voor zijnen tijd, niemand overleeft zijnen tijd. Geen mensch kan er ook maar het minste aan toe- of afdoen. Dit staat vast. Maar volgt daaruit nu, dat het onverschillig is of wij de middelen voor ons leven en bestaan gebruiken of niet, daar immers toch alles bij God is bepaald ? Neen : want God heeft de middelen tot het einde verordend en wij zijn verantwoordelijk hiervoor of en hoe wij de middelen gebruiken , niet of de middelen al dan niet de gewenschte uitwerking hebben.

Uitnemend leerzaam nopens dit punt is de houding en toespraak van Paulus op het schip, dat hem naar Rome zou brengen, Hand. 27. Door de profetische gave, die zich op geheel dezen tocht zoo bijzonder in hem openbaarde, heeft hij de gevaren vooruitgezien, die er in zoo laat een jaargetij (\'t was na de Joodsche verzoenings-vasten) en bij dreigende voorteekenen van herfststormen op zee waren te wachten. Bij Greta aangeland heeft hij den raad gegeven, daar te overwinteren. Hij heeft tot het scheepsvolk gesproken : „Mannen, ik zie dat de vaart zal geschieden met hinder en groote schade, niet alleen voor de lading en voor het schip, maar ook voor ons levenquot;, v. 10. Maar men geeft hem geen gehoor. Door storm en onweer geraken zij in grooten nood, zoodat alle hope van behouden te worden hun wordt benomen. Daar openbaart zich te midden in het noodweer de getrouwe God aan Paulus en zendt in den nacht zijnen Engel tot zijnen dienaar en belooft hem redding uit de kaken des doods. De Apostel staat op in het midden van het scheepsvolk, als het door vermoeienis wat stil is geworden , en vermaant allen goedsmoeds te zijn. Maar hij begint, opmerkelijk, met een verwijt: 0 mannen, men behoorde mij wel gehoor gegeven te hebben en van Creta

Gravemeijor , Gercf. Gol. loer. 52

817

-ocr page 846-

§ 11. MIDDELEN.

818

niet afgevaren te zijn en dezen hinder en deze schade verhoed te hebben, v. 21. Maar hoe? hadden zij hun onheil dan kunnen voorkomen ? Zooveel hen betrof, van hunnen kant beschouwd en naar de orde der tweede oorzaken, ja; hoewel naar Gods bepaling niet. Op hun doen ziende, moest de Apostel hen bestraffen. Zoo is het dan niet tegen de Schrift en niet ongereformeerd, wanneer dengenen, die goeden raad verwerpen en daardoor zich zeiven schade berokkenen, zulks verweten en hun voorgehouden wordt, dat zij het hadden kunnen voorkomenquot;). Hier was het dienstig om bij deze lieden ontzag en het vertrouwen te verwekken, dat zijne woorden uitkwamen en om hen aldus voor zijne bemoediging voor te bereiden. „Wreed is een verwijt, dat geheel geenen troost geeft, maar wordt het met een bijgevoegd hulpmiddel gekruid, dan is het zelf reeds een deel van de medicijnquot;1).

Nu verklaart de man Gods met volle verzekerdheid des geloofs v. 22: „Doch alsnu vermaan ik ulieden goedsmoeds te zijn : want daar zal geen verlies geschieden van [iemands] leven onder u , maar alleen van het schip.quot; Dit staat bij Paulus vast. En toch als daarna de matrozen met de boot willen vluchten en het schip aan het geval overlaten, roept dezelfde man den hoofdman en den krijgslieden toe v. 31: Indien dezen in het schip niet blijven, om er hunnen dienst te doen, gij kunt niet behouden worden. Hier zien wij : Gods beloften (niet zijne beshiiton) hebben ook hare voorwaarde; het gebruik der ordelijke middelen tot op het laatste toe en de trouwe volharding naar ambt en plicht is er

1

j Calvin. Commentar. in Act. Apost. a.1.

-ocr page 847-

§ 11. MIDDELEN.

niet buiten- maar ingesloten en is juist de weg tot uitvoering van Gods besluit en belofte. „En die daarin nalatig is , die gelooft God niet, maar verzoekt Godquot; (Kant-teek.) Calvijn teekent hierbij aan : „God bad aan Hizkia de bevrijding der belegerde stad beloofd ; hadde nu eens de koning de poorten voor de vijanden geopend, zoude niet Jezaja aanstonds bem hebben toegeroepen: gij richt uzelven en de stad te gronde ?quot;

Wederom hooren wij den Apostel v. 34: ik vermaan u spijze ie nemen, want dat dient tot uwe hehouding. Zal dat zeggen dat hunne behoudenis, die iiun was beloofd, nu nog weer van het eten afhangt ? Voor God niet, die aan geen middel is gebonden, maar voor deze menschen wél. Die hebben in veertien dagen wel niet alle voedsel ontbeerd („want een gezond mensch kan, gelijk de medicijns getuigen, over de zeven dagen niet wel vasten zonder te sterven,quot; Kantteek.) maar toch geen ordelijk, behoorlijk maal gehad. Spijs is hun noodig om sterkte te hebben in het regeeren van het vaartuig en vooral bij de aanstaande schipbreuk , welke Paulus vooruitzag.

Dus wordt hier wederom met nadruk geleerd dat het gebruik der gewone middelen er toebehoort, wanneer men Gods hulp wil verwachten. Zich door honger verzwakken en evenwel hopen zich van een brekend schip te zullen redden gaat niet saam. Paulus wil dan zeggen : God heeft besloten u te behouden, niemand van u (er waren in alles 27G zielen in het schip v. 37) zal een haar van het hoofd vallen: dit mag u moed geven en u aanzetten om vol-vaardig het uwe te doen. Calvijn zegt ergens: „Degenen die de middelen, welke God aan de hand geeft, niet gebruiken en aldus op zijne almacht wachten en de uitkomst

819

-ocr page 848-

§ 11. MIDDELEN.

daarvan vragen , handelen evenzoo als wanneer iemand eenen inensch de armen en handen afsneed en hem dan beval: werk!quot;»).

De geoorloofde natuurlijke middelen niet gebruiken, is God verzoeken, de ongeoorloofde gebruiken is God lasteren, terwijl men Hem niet vertrouwt dat Hij wil en kan helpen1).

Zoo is het met de geneesmiddelen. Het apocriefe boek De Wijsheid van Jezus Sirach 38 : 1 v.v. vermaant zeer, den medicijnmeester te eeren onder gebed tot den Heere: Want de Heere heeft hem geschapen en de genezing komt van den Allerhoogste. En de Heere Jezus zelf, waar hij van zich als geneesheer voor geestelijke zieken spreekt Matth. 9: 12, veronderstelt als erkende waarheid dat de lichamelijke zieken den menschelijken madicijnmeester van noode hebben.

Toen de koning Hizkia krank was tot stervens toe, zeide Jezaja : „laat men nemen eenen klomp vijgen en tot eenepleister op het gezwel maken en hij zal genezen, Jez. 38:21. En zij namen ze en leiden ze op de zweer en hij werd genezen,quot; 2 Kon. 20: 7. Het is waar, de vijgenpleister was niet de oorzaak van de genezing : immers de genezing was reeds beloofd en stond vast te verwachten. Het was veelmeer een Goddelijk waarteeken, een hulpmiddel eu hand-vatsel voor het geloof, beide voor den koning en voor den

820

1

) Hengstenberg, Geach. des Eeiches Gottes unter detn A. B. II. 2. S. 171.

-ocr page 849-

§ ii. MIDDELEN.

Profeet. Dus was het ook, wanneer Jezus bij enkele won-dergenezingen speeksel en aarde nam (Mare. 7:33. 8 : 23. Joh, 9:6: dat waren niet middels tot genezing noch geleiders van zijne kracht, maar teekenen voor de lijders om de zwakheid van hun geloof te hulp te komen en hun vertrouwen op te wekken en te versterken. Bij Hizkia intus-schen waren de vijgen ongetwijfeld ook een gepast geneesmiddel i). Immers de ouden maakten van vijgen als uitwendig geneesmiddel voor zweren en builen veel gebruik.

Wanneer van Juda\'s koning Aza 2 Kron. 1G : 12 gezegd wordt, dat hij, krank geworden aan zijne voeten, den Heere niet zocht in zijne krankheid, maar de medicijnmeesters, dan wordt daarmede niet het (/eina\'A; der medicijnmeesters in het gemeen, maar hun gebruik huiten Ood gewraakt. De koning „steunde op den Heere niet en riep Hem niet aan naar behooren, maar hij verliet zich slechts op de medicijns en menschelijke hulpequot; (Kantteek.)

Eene merkwaardige aanwijzing voor kranken wordt gegeven Jac. 5: 14: „Is iemand krank onder u ? dat hij tot zich roepe de Ouderlingen dor gemeente en dat zij over hem hidden hem zalvende met olie in den naam des Heeren.quot; De Apostel verklaart hierdoor geenszins den medicijnmeester voor overbodig, waarlijk evenzoo min als het eigen gebed. Maar de arts alleen kan niet genezen, de Heere doet het door of zonder hem. En het eigen gebed wil bij den zwakke en daarbij wellicht ook innerlijk aangevochtene soms niet

\') Togun ontstoking. CV Vitringa, Commontar. in Jes. I.e. II. p. 403 (togou Grotius): ficus oa vidontur esse, ut censentur , vi nativa, ut quod noxlum est iu inilammutionilms ad so attrahant. Zio ook Bijbdsch Woordenboek III. p. 567 ondor gt;Vijg.quot;

821

-ocr page 850-

§ 11. MIDDELEN.

voort. Daar dient zijn lijden de zaak der gemeente te worden door het ontbieden van hare door God gegevene vertegenwoordigers i). — Het zalven van gewonde lichaamsleden met olie was van ouds in Israël gebruikelijk. Wonden des lichaams worden door olie verzacht (Jez. 1 : 6. Luc. 10: 34), tegelijk beeld en teeken van troost en sterkte voor de kranke ziel door den Heiligen Geest. Olie zegt voor ons: gepaste middelen2). Dus: artsenij gebruiken met gebed !

En zoo moet ieder mensch , die werken kan , getrouw en naarstig voor zijn tijdelijk bestaan en veelmeer voor zijne ziel de middelen en krachten gebruiken, die God hem geeft. Gods Woord waarschuwt voor luiheid en vermaant tot vlijt. De luiaard wordt tot waarschuwing ten toon gesteld Spr. 24: 30 : Ik ging voorbij den aklcer eens luiaards en voorbij den wijngaard van een verstandeloos mensch. 31. En zie hij was gansch opgeschoten van distelen; zijne gedaante was met netelen bedekt en zijn steenen scheidsmuur was afgebroken, 32. Als ik dat aanschouwde, nam ik het ter harte, ik zag het en nam onderwijzing aan. 33. Een weinig slapens, een weinig sluimer ens, een weinig handvouwens, al neder lig gende: 34. Zoo zal mve armoede u overkomen als een wandelaar en uw velerlei gebrek als een gewapend man. Tot vlijt wordt vermaand Spr. 6:6: Ga tot de mier, gij luiaard, zie hare ■wegen en wordt wijs. 7. Dewelke geenen overste, ambtman

\') Bengel, Gnomon in Jac. 1. c.: Hier hebbon wij Av Medische Faculteit in do kork gelijk l Kor. 6: 1 v.v. do Juridische. Boata simplieitas! intormissa vol amissa por ccttijtIxv.

-) Vitringa Comment, in Jes. I. 6: — do wonderen niet met ohe verzacht hoc ost, remediis , quae illis sanandia faciunt, non-dum allatis. P. Van Mastricht, Godgol. II. p. 151.

822

-ocr page 851-

§ .12. VIUJWILLUiE HANDELINGEN. 823

noch heerscher hebbende, 8. Haar brood ï) bereidt in den zomer, hare spijs vergadert in den oogst. Bid en werk !

§ 12. Vrijwillige handelingen.

Ook over onze vrijwillige, handelingen gaat Gods Voorzienigheid. Zelfs over onze godachten en woorden , Spr. 16 : 1 : De rnensch heeft schikkingen des harten, maar het antwoord der tong is van den Heere. Schikkingen : overleggingen , beramingen , ontwerpen , die de mensch bij zich zeiven als het ware in slagorde schiktquot;1) entegen elkander over stelt. Doch ook hierbij is „de krachtige

1

) Onze Staten- Vertalers teokeuen hierbij aan : Versta Icoorn-graanhens, welke de mier beknabbelt en met bijten doorsnijdt, opdat zij niet uitschieten zouden, ten einde zij tegen den tvinter daarvan hare provisie hebben mochte. Intusschon dat de mieren levensvoorraad zouden verzamelen voor den winter, vindt veel tegenspraak, daar zij dien in oen staat van vordooving doorbrengen en dus geen voedsel behoeven. Dus ook Van Dale, Nieuw Woordonb. »Mier.quot; Sommigen ontwijken het bezwaar door te herinneren , dat Salomo door hot bereiden van het brood enz. niet wil zoggen : Zij leggen het voor den winter op. Zoo Ilenrij, Bijbelverklar. a. 1. Dan zegt hot alleen: zij halen spijs wanneer er wat is , zij gebruiken haren tijd. Een voorbeeld dus van tijdige arbeidzaamheid. Zie F. d. Palm, Salome VIII. p. 205. v. Doch men moet onderscheid maken tusschen koude en warme gewesten. Hot Bijb. Woordenb. onder »Mior\', zegt dan ook alleen van onze inhecmsche mieren bepaald, dat zij geen wintervoorraad verzamelen. Richter , Hausbibel a. 1. »In warme landen , als in het Oosten , verzamelen zij voorraad voordon winter.quot;

-) V. d. Palm, nnax Sc huilens. Do Onzen hebben

dus zeer gepast vertaald : schihhngen dos harten.

-ocr page 852-

§ 12. VRIJWILLIGE HANDELINGEN.

regoering Gods niet uitgesloten.quot; Niet alleen wat hij doen zal, maar zelfs wat hij zal spreken is van den Heere, zonder wien hij niet kan uitspreken wat hij bedacht heeft, noch uitrichten hetgeen hij gesproken heeft (Kantteek.) Bileam wilde Israël vloeken , maar hij moest het zegenen. De Spreuke leert, hoe Gods Voorzienigheid zich over alles, zelfs over ons denken en willen, over onze gedachten en voornemens evenals over onze woorden en daden uitstrekt, die daarom dikwijls gansch anders vallen dan wij zeiven beraamd hadden. De Pelagianen dwalen , wanneer zij meenen in dezen tekst eenen steun te vinden voor hun gevoelen dat de eerste goede bewegingen onzer harten door en uit ons zeiven zouden ontstaan, doch hare volvoering van God zou komen \'). Gods Voorzienigheid gaat juist ook over de schikkingen des harten, vooral bij gewichtige aangelegenheden. Indien niet, dan ware ook het antwoord der tong niet van den Heere. Want de tong moet uitbrengen wat met overwicht in het hart geschikt is en is het antwoord der tong van den Heere, dan moet ook die schikking van den Heere zijn.

En hetgeen de Profeet Jeremia 10 : 23 ten aanzien van den koning van Babel zegt, die Juda dreigde te vertrappen , maar dien de Heere perk en mate kon stellen: Ik weet, o Heere, dat hij den mensche zijn weg niet is en het is niet bij eenen man, die wandelt, dat hij zijnen gang richte, dat treffende woord geldt van ieder mensch: „met al zijn voornemen en doen is hij order Gods regeering besloten.quot; Want is zelfs het hart van een koning

\') Waarvoor men eenigen stoun vond in do vertaling der Vul/jata , Hominis est animain praeparare et Domini gubernare linguam.

824

-ocr page 853-

§ 12. VRIJWILLIGE HANDELINGEN. 825

in Gods hand , hoeveel meer van ieder gewoon mensch! Spr. 21 : 1 : Des koning s hart is in de hand des Heer en [als] waterheken, Hij neigt het tot al wat Hij ivil. Tot een overtuigend voorbeeld hiervan strekt koning Rehabe-am , die toen het volk verlichting van de opgelegde lasten van hem verzocht, naar den raad zijner jonge vrienden hardelijk antwoordde. 1 Kon. 12 : 15 : Alzoo hoorde de koning naar het volk niet : ivant deze omwending ivas van den Heere, opdat Hij zijn woord bevestigde, hetwelk de Heere door den dienst van Ahia den Siloniet gesproken had tot Jerobeam, den zoon Nebats, namelijk van den afval der tien stammen. Van Kores (Cyrus), koning van Perzië wordt gezegd dat de Heere zijnen geest verwekte (ook wel door middel van Daniël), om aan al het volk der Joden , dat in de ballingschap was , vrijheid te geven tot terugkeer naar hun land, 2 Kon. 36 : 22 , 23. En de keizer Augustus! Luc. 2: 1. Naar zijn eigen, vrij besluit beveelt hij dat al de inwoners van zijn rijk zullen worden opgeschreven. Juist nu, niet eer niet later. Zonder zijn weten en willen volbrengt hij Gods raad. Jozef en Maria moeten van Nazaret naar Bethlehem komen , waaraan zij anders wel niet zouden gedacht hebben, en daar wordt de Zaligmaker geboren en aldus de Goddelijke voorzegging vervuld.

§ 18, De menscli vrij ?

Indien nu God alles bestuurt, is do mensch dan wel vrij? Wordt hierdoor niet alle vrijheid van het schepsel weggenomen ? Wij mogen niet ontkennen , het is zwaar om te verstaan, hoe God alles in zijn eeuwig besluit

-ocr page 854-

§ 12. VRIJWILLIGE HANDELINGEN.

regeering Gods niet uitgesloten.quot; Niet alleen wat hij doen zal, maar zelfs wat hij zal spreken is van den Heere, zonder wien hij niet kan uitspreken wat hij bedacht heeft, noch uitrichten hetgeen hij gesproken heeft (Kantteek.) Bileam wilde Israël vloeken , maar hij moest het zegenen. De Spreuke leert, hoe Gods Voorzienigheid zich over alles , zelfs over ons denken en willen, over onze gedachten en voornemens evenals over onze woorden en daden uitstrekt, die daarom dikwijls gansch anders vallen dan wij zeiven beraamd hadden. De Pelagianen dwalen , wanneer zij meenen in dezen tekst eenen steun te vinden voor hun gevoelen dat de eerste goede bewegingen onzer harten door en uit ons zei ven zouden ontstaan, doch hare volvoering van God zou komen i). Gods Voorzienigheid gaat juist ook over do schikkingen des harten, vooral bij gewichtige aangelegenheden. Indien niet, dan ware ook het antwoord der tong niet van den Heere. Want de tong moet uitbrengen wat met overwicht in het hart geschikt is en is het antwoord der tong van den Heere, cfan moet ook die schikking van den Heere zijn.

En hetgeen de Profeet Jeremia 10: 23 ten aanzien van den koning van Babel zegt, die Juda dreigde te vertrappen , maar dien de Heere perk en mate kon stellen: Ik weet, o Heere, dat hij den mensdie zijn weg niet is en het is niet hij eenen man, die wandelt, dat hij zijnen gang riekte, dat treffende woord geldt van ieder mensch: „met al zijn voornemen en doen is hij onder Gods regeering besloten.quot; Want is zelfs het hart van een koning

\') Waarvoor mon eenigon steun vond in de vertaling der Vulgata , Hominis est animam praeparare et Domini gubernare linguam.

824

-ocr page 855-

§ 12. VRIJWILLIGE HANDELINGEN. 825

in Gods hand , hoeveel meer van ieder gewoon mensch ! Spr. 21 : 1 : Des honing s hart is in de hand des Heer en [als] waterheken, Hij neigt het tot al wat Hij wil. Tot een overtuigend voorbeeld hiervan strekt koning Rehabe-am, die toen het volk verlichting van de opgelegde lasten van hem verzocht, naar den raad zijner jonge vrienden hardelijk antwoordde. 1 Kon. 12:15: ^4/200 hoorde de koning naar het volk niet : want deze omwending was van den Heere, opdat Hij zijn ivoord bevestigde, hetwelk de Heere door den dienst van Ahia den Siloniet gesproken had tot Jerobeam, den zoon Nebats , namelijk van den afval der tien stammen. Van Kores (Cyrus), koning van Perzië wordt gezegd dat de Heere zijnen geest verwekte (ook wel door middel van Daniël), om aan al het volk der Joden , dat in de ballingschap was , vrijheid te geven tot terugkeer naar hun land, 2 Kon. 36 : 22 , 23. En de keizer Augustus! Luc. 2 : 1. Naar zijn eigen , vrij besluit beveelt hij dat al de inwoners van zijn rijk zullen worden opgeschreven. Juist nu, niet eer niet later. Zonder zijn weten en willen volbrengt hij Gods raad. Jozef en Maria moeten van Nazaret naar Bethlehem komen , waaraan zij anders wel niet zouden gedacht hebben, en daar wordt de Zaligmaker geboren en aldus do Goddelijke voorzegging vervuld.

§ 18, De mensch vrij ?

Indien nu God alles bestuurt, is de mensch dan wel vrij ? Wordt hierdoor niet alle vrijheid van het schepsel weggenomen ? Wij mogen niet ontkennen , het is zwaar om te verstaan, hoe God alles in zyn eeuwig besluit

-ocr page 856-

13. DE MENSCH VRIJ ?

heeft vastgesteld en wat Hij besloten heeft ook door zijne Voorzienigheid onveranderlijk uitvoert en evenwel de mensch zijne vrijheid behoudt. Hoe dat te vereenigen , is een vraagstuk hetwelk de grootste Philosofen nog niet hebben kunnen oplossen. Zich niet houdende aan de getuigenissen Gods , heeft men slechts den raad verduisterd met woorden zonder wetenschap (Job 38 : 2).

Het komt hierbij vooral op een recht begrip aan zoowel van Gods bestuur als van \'s menschen vrijheid. De Goddelijke besturing is geen voelbare dwang en \'s menschen vrijheid is geen onafhankelijklieid , maar is het vermogen om zich uit bewuste redenen tot het eene of andere te bepalen en niet redelijk overleg te handelen.

God werkt naar den aard der schepselen : met vrije op eene vrije , mot redelijke op eene redelijke wijze , zonder eene zoodanige voorkomende persing van den wil , als of de mensch een blok ware : maar zoo , dat men vrijwillig en met eigen keuze en genoegen werkt, hoewel geheel onder Gods wil en beleid. Door Schrift, rede en bevinding wordt ontwijfelbaar dit geleerd : ten eerste dat wij van ons zeiven niet bestaan maar in alles van God afhangen en ten tweede dat wij vrij werken zonder gevoel van drang en dwang , die ons tegen onzen wil noodzaakte. Deze twee waarheden moet men vasthouden «)•

BrakeP) zegt: „God regeert ook alle handelingen, die door den vrijen wil der menschen geschieden. God neemt

\') Zie nader het Vijfde Hoofdstuk van dit Loosb. § G. En Derde Hoofdstuk § 50 bl. 402.

-) Eedel, Godsd. I. Cap. XI. § XX. 3. Vorgel. P. Van Mastricht, Godgel. I. p. 131. v. en p. 143. v.

826

-ocr page 857-

§13. DE MENSCH VRIJ ?

de vrijheid van den wille niet weg, dwingt den mensche niet iets tegen wille en dank te doen ; maar hij ueigt en bestiert dien , \'t zij door eene inwendige buiging \'t zij door uitwendige omstandigheden en occasion (gelegenheden) , zoodat de mensch die zaken , welke God besloten heeft, uit zijn eigen willekeur en genegenheid uitwerkt.quot;

De vrijheid is eene vanzelfheid \'), zelfbepaling van het persoonlijke wezen om dus of zoo te doen, inzonderheid tegenover ondergeschikte , geschapene oorzaken. En God heeft de vrijwillige daden van het redelijk schepsel juist zoodanig bepaald, dat zij vrijwillig zouden geschieden. Aldus kunnen wij , zooveel voor ons noodig en genoeg is , wel bevatten, op wat wijze de vrijheid van onzen wil met de Goddelijke bepaliny samenbesta en dat de mensch voor al zijne daden verantwoordelijk blijft.

827

Slechts moeten wij ons de vrijheid niet denken als onafhankelijkheid of als onverschilligheid zonder motivi-teit, zonder bestembaarheid en bepaling van den wil door motieven , maar als het vermogen van het vrijwerkend subject, waardoor het werkt naar voorbedachten rade en met een redelijk genoegen en welbehagen , waarom het onder God zich zelf bepaalt en zelf kiest om dus te werken. Dit vastgehouden blijkt dat door den bepalenden invloed Gods de vrijheid des menschen niet wordt weggenomen of benadeeld. Het bezwaar te willen oplossen door Gode alleen eene kale voorkennis van \'s menschen vrijwillige handelingen of eene bloote toelating of slechts een algerneenen invloed toe te schrijven , is Pelagiaansch,

\') Hot xvrst-ovinov dor monsohelijko ziol bij do Griokscho Korkvadors. Ilagenbach, Dogmeugesch. § 57.

-ocr page 858-

§13. DE MENSCH VUU ?

onschriftuurlijk en ijdel. Ons moet dit genoog zijn : Gods bepaling en alomvattende Voorzienigheid belet niet, dat de mensch werke met een voorafgaand beleid, overleg en redematig welbehagen en daardoor zich zelf bepale •).

In dezen zin spreekt de Heilige Schrift zelve van \'s men-schen vrijen wil. Aldus 1 Petr. 5: 2 tot de ouderlingen: „Weidt de kudde Gods die onder u is, hebbende opzicht [daarover] niet uit bedwang maar gewilliglijk1), noch om vuil gewin maar met een volvaardig gemoed.quot; Waar gewillig de eigene innerlijke aandrift tot en den lust en het genoegen in het werk te kennen geeft, in tegenstelling van uitwendige bewegende oorzaken , b.v. om maar hun post en plaats niet te verliezen. Zoo wordt Philem. 14 de goeddadigheid onderscheiden als naar bedwang of naar vrijwilligheid\').

En de Apostel spreekt met bijzonderen nadruk van een willens zondigen Hebr. 10 : 2G : „Want zoo wij willens *) zondigen, nadat wij de kennisse der waarheid ontvangen hebben, zoo blijft daar geen slachtoffer moer over voor de zonden.quot; Willens dat wil zeggen moedwillig, tegen beter weten en geweten , niet uit onkunde of zwakheid. Wel is bij alle zonde ook de wil mede werkzaam. Zelfs bij de erfzonde is \'s menschen wil niet uitgesloten: want juist in den wil heeft zij hare zitplaats en van onze verdorven-

828

1

) March, Compeud. Cap. X. § XVII. De Moor, Commcu-tar. II. p. 473.

-ocr page 859-

§13. DE MENSCH VRIJ ?

heid moeten wij bij dieper inzicht met Augustinus helaas bekennen : wij zijn niet tegen onzen wille zoo. Derhalve is de Apostel niet dus te verstaan, alsof alle zonde, met wil gedaan, onvergeeflijk ware. Neen, dan ware er, streng genomen, voor geene zonde vergeving, daar er toch zelfs voor Davids overspel en moord en voor Petrus\' verloochening vergeving is geweest. De Apostel bedoelt met dit willens zondigen de geheele .verwerping van het christendom, van de gansche heilsbedeeling des Nieuwen Testaments door die er eerst belijders van waren. — Een voorbeeld van zelfberaad , eigen overleg en vrijwillig besluit vinden wij in de alleenspraak des onrechtvaardigen rentmeesters Luc. 16: 3: En de rentmeester zeide hij zich zeiven: wat zal ik doen, dewijl mijn heer dit rentmeesterschap van mij neemt? Graven kan ik niet, te bedelen schaam ik mij. 4. Ik weet wat ik doen zal, opdat, wanneer ik van het rentmeesterschap afgezet zal ivezen , zij, de schuldenaars mijns hee-ren, mij in hunne huizen ontvangen.

Deze vrijwilligheid en zelfbepaling des menschen bij hetgeen hij voorneemt en doet blijkt ten klaarste uit het oordeel des gewetens, uit de eigene bewustheid van goed of kwaad te hebben gedaan , gelijk Paulus van de Heidenen spreekt Rom. 2: 15: „Als die betoonen het werk der wet geschreven in hunne harten , hunne oonscientie mede getuigende en de gedachten onder elkander hen beschuldigende of ook ontschuldigendequot; i).

829

Deze vrijwillendheid, die den redelijken mensch als persoonlijk wezen eigen is ook na den val, moeten wij wel onderscheiden van de ware zedelijke vrijheid, die de mensch

1) Zio hierover hot Eerste Hoofdstuk § 12.

-ocr page 860-

§ t3. DE MENSCH VRIJ?

verloren heeft, daar hij zich een dienstknecht des Boozen heeft gemaakt. De ware zedelijke vrijheid is de vrijheid van den dienst der zonde, des vleesches, der wereld, des Satans. Deze geestelijke vrijheid wordt men alleen weer door en in Christus deelachtig\'). Joh. 8 : 34 : Jezus antwoordde hun, die zeiden : wij hebben nooit iemand gediend: Voorwaar, voorwaar zeg ik u: een iegelijk die de zonde doet is een dienstknecht der zonde. 36. Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zoo zult gij waarlijk vrij zijn. Alleen de wedergeborene kan het goede werkelijk willen.

§ 14. Goddeloozen en duivelen

Ook de goddelooze menschen en de booze geesten staan geheel onder Gods Voorzienigheid. Dit is zeer geruststellend. God heeft ze in zijne macht en alle schepselen zijn alzoo in zijne hand, dat zij tegen zijnen wil zich noch roeren noch bewegen kunnen , zelfs geen hond zijne tong , Exod. 11: 7. Treffend bleek dit in Pharao Rom. 9:17. En in Sanherib den Assyrischen koning , wiens plannen tegen Juda ten tijde van Hizkia de Heero verijdelde, naar zijn Woord 2 Kon. 19: 27 : Maar Ik weet uw zitten en uw uitgaan en uw inkomen en uw woeden tegen mij. 28. Om uw woeden tegen mij en dat uwe woeling voor mijne oor en opgekomen is, zoo zal Ik mijnen haak in uwen neus leggen en mijn gebit in uwe lippen en Ik zal u doen we-derkeeren door dien weg, door tv eiken gij gekomen zijt.

\') Zie Vijfde Tloojdstulc § 6. Augustia. do Civ. Doi lib. XIV. cap. XI: Arbitrium voluntatis tunc est vere libernin, quum vitiis peccatisque non servit. Tale datum est a Deo: quod amissum proprio vitio, nisi a quo dari potuit, reddi non potest.

830

-ocr page 861-

§ 14. GODDELOOZEN EN DUIVELEN.

God is machtig om ook „de razende tirannen te bedwingen.quot; Al zijn ze ook beren en buffels , met eenen ring door hunnen neus moeten ook dezen zich wel laten leiden ; of als een wild paard, de Heere doet als een berijder die het onhandige beest door een scherpen breidel regeert en het doet keeren naar den kant welken hij wil Aangaande de booze geesten, den Satan en zijne engelen, blijft die vloek in werking , welken de Heere God Gen. 3 : 14 heeft uitgesproken en een oordeel des groeten dags wacht op hen. Hun is in hunne ketenen wel de macht gelaten\') om te verklagen , te verzoeken en te kwellen. Maar slechts tol op zekeren tijd en onder die beperkingen welke God hun stelt. Dat wordt ons aanschouwelijk vertoond in de historie van Job. De Satan kon hem niets aandoen dan zooveel de Heere hem toestond2). Job. 1 : 12: „En de Heere zeide tot den Satan: zie al wat hij heeft z\\j in uwe hand ; alleen aan hem strek uwe hand niet uit.quot; En wederom Job 2 : G : „de Heere zeide tot den Satan : zie, hij zij in uwe hand, doch verschoon zijn leven.quot; De duivel is niet in staat iets kwaads te doen zonder Gods toelating. God stelt hem mate, tijd en paal. Waarop wij ons verlaten , ivetende, dat Hij de duivelen in den toom houdt en alle onze vijanden, die ons zonder zijn toelating en wil niet heschadigen kunnen. Belijdenis dos Geloofs, Art. XIII.

§ 15. De zonde.

Gods Voorzienigheid is ook werkzaam omtrent de «onrfe.

\') Zio het Zesde Hoofdstuk § 17. bl. 716 v. en bl. 725. -) Calvin. lustit. I. 18. 1.

881

-ocr page 862-

§ 15. t)E ZONDÉ.

De zonde is er niet zonder Gods Voorzienigheid, ja geene enkele zonde wordt er buiten haar gedaan. Stonde het zedelijke kwaad buiten de Voorzienigheid Gods, dan „ware het geheele menschelijke geslacht aan de regeering Gods onttrokken,; omdat het zondig is in al zijne dadenquot; gt;). En hoe is Hij omtrent het kwaad der zonde werkzaam ? Aldus, dat Hij het öf niet toelaat maar verhindert, öf het heilig-lijk toelaat, terwijl Hij het dan bestuurt tot een heilig einde.

De heilige God verhindert nog veel meer kwaad dan er gedaan wordt. Abimelech, den koning van Gerar, heeft Hij niet toegelaten Sarah aan te roeren. Gen. 20 : 6. Jakob kon tot Rachel en Lea zeggen Gen. 31 : 7 : „uw vader (Laban) heeft bedriegelijk met mij gehandeld en heeft mijn loon tien malen (het getal der volledigheid : zoodat er nauwelyks nog eene verandering mogelijk was, dus op het volkomenst) veranderd , doch God heeft hem niet toegelaten om aan mij kwaad te doen.quot; Vertoornd zet Laban den vluchtenden Jakob na en deze heeft het ergste van hem te vreezen. Doch God kwam tot Laban den Syriër in eenen droom des nachts en zeide tot hem : „wacht u dat gij met Jakob spreekt noch goed noch kwaad,quot; v. 24. Noch met goede noch met kwade woorden zou hij Jakob van zijn voornemen afbrengen, maar hem in zijnen tocht laten voortgaan. Zoo sprak de Heere tot Paulus te Korinthe Hand. 18 : 9, 10 door een gezicht in den nacht: „zij niet bevreesd, maar spreek en zwijg niet. Want ik ben met u en niemand zal [de handj aan n leggen om u kwaad te doen, want ik heb veel volks in deze stad.quot; Wat zou er niet al gebeuren zoo God het niet verhoedde !

Het kwaad dat er gedaan wordt, geschiedt onder Gods

\') Brakel, Red. Godsd. I. p. 278.

-ocr page 863-

§ 15. DE ZONDE.

toelating. Het Gereformeerde begrip quot;) van de Goddelijke toelating stelt zich tegen de meening\' dat God het kwaad duldt omdat Hij het niet verhinderen kon. Hij kon hot verhinderen, Hij kon den zondaar in het oogenblik, waar deze zijne misdaad wilde volbrengen, dood doen neervallen. Het kwaad is er niet buiten Gods wil en besluit2). Do toelating is dan ook niet een ledig toezien, gelijk do Pelagianen en Remonstranten stellen, dus dat God den zondaar maar liet begaan, maar hot is eene toelating die werkzaam is door het verleenen der kracht tot iedere daad, door schikking der omstandi\'jheden en gelegenheden ») en door rechtvaardige onttrekking van zijnon weerhoudenden invloed.

God bestuurt het kwaad tot een heilig einde. Tot botoo-ning van zijne rechtvaardigheid. „God gebruikt de zondaren als beulen, leeuwen en beren, om door derzolver woeden zijne oordoelen uit te voeren en slaat alzoo met een krommen stok rechte slagen ^).quot; Of tot openbaring van zijne genade en ton nutte en zegen voor zijn volk. Zoo kon Jozef in Egypte tot zijne broeders zeggen Gen. 50 : 20 : «Gijlieden wol hebt kwaad tegen my gedacht, doch God hooft dat ten goede gedacht, opdat Hij dode gelijk het te dezen dage is om oen groot volk in het leven te behouden.quot; Maar allermeest bleek dit in den meerderen Jozef, bij zijnen Vader geliefd, bij zijne broederen gehaat, door wiens overlevering de genaderaad Gods tot behoud van oen groot volk volvoerd werd , waarvan de biddende gemeente tot God

\') Schollen, Loor der Horv. Kerk II. p. 581. De Moor, Comm. in Marck. II. p. 496.

2) Calvin. Iustit. I. 18. 1.

:1) De Moor, Comment, iu Marck. II. p. 497.

Brakel, Eed. Grodsd. I. p. 281.

Gravcmoiier , Gcrof. Gol. loor. 53

833

-ocr page 864-

834 § 15. DE ZONDE.

sprak Hand, 4 : 27 : „Want in der waarheid zijn vergaderd tegen uw heilig kind (uwen heiligen knecht) Jezus, welken Gij gezalfd hebt, beide Herodes en Pontius Pilatus mot de Heidenen en de volken Israels; 28. Om te doen al wat uwe hand en uw raad te voren bepaald had dat geschieden zoude.quot; Hand en raad, dat is de kracht en wijsheid Gods, die door dezen dood het leven bracht. Waarmede niet gezegd wordt dat God doet wat de menschen doen, eene voorstelling die de vryheid en zedelijkheid zou wegnemen. Maar tusschen doen en geschieden wordt hier behoorlijk onderscheiden : zij deden, met eigene zonde en goddeloos oogmerk, wat naar Gods heilig en genadig raadsbesluit geschieden zou. — Het goede einde vloeit niet uit de natuur der zonde voort, maar God trekt döor zijn wonderbaar bestuur uit de zonde goede uitkomsten en maakt van het gif een artsenij. En daartoe besluit Hij niet eerst nadat de zonde begaan is, maar Hij had dit van eeuwigheid aldus voorgenomen in zich zeiven.

§ 16. De zonde niet Gods werk.

Het zedelijk kwaad, ofschoon het er is onder Gods Voorzienigheid, wordt evenwel niet door God zeiven veroorzaakt. Dat is Gereformeerde leer. Het was misverstand wanneer men de Gereformeerden beschuldigde, dat zij eenen zoodani-gen invloed der Goddelijke Voorzienigheid leerden, waarbij God met eene verborgene kracht den mensch tot zondigen bewoog; waardoor God tegelijk met ons, ja zelfs meer dan wij de zonde wrocht, zoodat Hij de voorname oorzaak en werker der zonde zou zijn en wtf ze slechts als werktuige-

-ocr page 865-

§16. DE ZONDE NIET GODS WERK.

lijke oorzaken deden. Deze schandvlek hebben vele tegenstanders op de Gereformeerde Kerk geworpen in verband met hare Praedestinatie, die hun een doorn in het oog was en zij hebben zeer lasterlijk gesproken van „den God der Calvinisten.quot; Dat hebben strenge Lutheranen gedaan en inzonderheid ook de Remonstranten , de voorname we-derpartijders der Gereformeerden i).

Daartegenover staat de heerlijke verklaring onzer Belijdenis Art. XIII: Wij gelooven dat die goede God , nadat Hij alle dingen geschapen had, dezelve niet heeft laten varen noch den gevalle of fortuine overgegeven, waar sliert en regeert ze alzoo naar zijnen heiligen wil, dat in deze wereld niets geschiedt zonder zijne ordonnantie, hoewel nochtans God noch auteur is noch schuld heeft van de zonde die daar geschiedt. Want zijne macht en goedheid is zoo groot en onbegrijpelijk, dat Hij zeer wel en rechtvaardiglijk zijn werk beschikt en doet, wanneer ook de duivelen en god-deloozen onrechtvaardiglijk handelen.

De heilige God kan geen oorzaak van de zonde zijn : Hij haat , verbiedt en straft haar. God is een licht en er is gansch geene duisternis in Hem, 1 Joh. 1 : 5, dus ook niet uit Hem. Hoofdtekst hiervoor is Jac. 1:13: Kiemand als hij verzocht wordt, zegge: ik word van God verzocht: want God kan niet verzocht worden met het ktvade en Hij zelf verzoekt niemand. 14. Maar een iegelijk wordt verzocht, als hij door zijne eigene begeerlijkheid afgetrokken en verlokt wordt. Jakobus sprak voora/quot; van de uitwendige verzoekin-

1) B. De Moor, Comiuontar. in Marck. II. p. 487 sq. Hoo God hot kwaad ivü en niet wil, zio Derde Hoofdstuk, § 33. bl. 379. En hoo hot zich tot Gods besluit verhoudt, zio Vijfde Uoofdstuh § 7. bl. 560.

835

-ocr page 866-

886 § 16. IJE ZONDE NIET GODS WERK

gen, welke God tot beproeving des geloofs beschikt. Hier handelt hij van de inwendige verzoekingen, die niets anders zijn dan de ongeregelde begeerlijkheden, welke uit ons verdorven vleesch voortkomen en ons tot zonde prikkelen. Dat God van deze de auteur zou zijn, ontkent hij beslist, tegenover degenen die de schuld hunner misdaden van zich afdraaien en daarbij zelfs achter gezegden der Heilige Schrift schuilen. „Maar hier moet men , herinnert Gal-vijn quot;), tweeërlei wél opmerken. Wanneer de Schrift de verblinding en verstokking des harten , als van Pharao , aan God toeschrijft Exod. 9:12, dan wijst zij Hem noch het begin toe, noch maakt zij Hem auteur van het kwade, zoodat Hij de schuld moest dragen. Dit beide alleen wil ook Jacobus staande houden.

De Schrift verklaart, dat God de Heidenen heeft overgegeven tot oneerlijke bewegingen Rom 1: 26; was het, wijl de Heere hun hart verkeerde of bedierf ? Geenszins : want hierom werd het aan de schandelijke begeerlijkheden overgegeven, omdat het reeds bedorven en ondeugend was. Wanneer God verblindt of verhardt, is Flij dan misschien auteur of dienaar van de zonde ? Neen veeleer wreekt Hij op deze wijs de zonden en betaalt den goddeloozen, die geweigerd hebben zich door zijnen Geest te laten regeeren, den verdienden loon. Waaruit volgt, dat noch de oorsprong der zonde in God is, noch de schuld Hem kan worden aangerekend, alsof Hij in hot kwade genoegen had. Vruchteloos werpt men dus de schuld op God. Al het kwade komt voort uit de eigene booze begeerlijkheid desmenschen.quot; Ook de duivel en de wereld vermogen niets op ons zonder

\'J Calvin. Comment, in Epist. Jacob! 1 : 13.

-ocr page 867-

§16. DE ZONDE NIET GODS WERK.

deze eigene begeerlijkheid, die de verzoeking van buiten naar binnen laat, inwilligt en gewild maakt.

Van Pharao zeide de Heere tot Mozes Ex. 4:21 : «zie toe, dat gij al de wonderen doet voor Pharao, die ik in uwe hand gesteld heb, doelt Ik zal zijn hart verstokken, dat hij het volk niet zal laten gaan.quot; De gezonde. Gereformeerde verklaring van dit verstokken is deze: „Ik zal hem mijne genade onthouden en hem aan zijnen boozen wil en affecten overgeven, zoodat hij door zijn eigene boosheid \') en door des duivels ingeven en uit zulke wonderheden oorzaak en aanleiding nemen zal, des te meer mijne geboden tegen te staanquot; (Kantteek.J

Pharao\'s eigene boosheid openbaarde zich duidelijk en in zijne verharding is een trapsgewijze voortgang op te merken. Terstond in den aanvang wilde hij geen oor leenen aan de Godsgezanten Mozes en Aaron, Ex. 5 : 2. Hij hield zich hard en God gaf hem in deze verharding over, zoodat hij al minder neiging toonde naar de voorstellen van Gods die-

1 j Dr. O. Fr. 0elder, Theologio dos A. T. I. S. 186: An

dem, der mit Vorsatz Sünde in sich hegt und wissentlich Gott widerstrebt, bcthatigt sich die göttliehe Kausalitdt in der Dahin-gabe in die Simde, vermoge welcher nun das Sündiqen für dtesen Mensehen zur Nothwendigkeit wird und er durch das Gericht, dem er verruilt, Gott verherrlichen muss. — Id. S. 187: Aiif ein bloss negatives Verhalten zum Bösen können die für die Ver-stockung gebruuchten Ausdrücke nicht bezagen toerden ; doch wird dadurch, dass in der Verstockung eine positive göttliehe Thatigkeit ivattet, die menschliche Schuld nicht aufgehoben. Vergel. Calvin. Commeutar. in Exod. IV. 21: (God auteur dor zondo ?) Ees-poudoo , Deum longissimo romovori a culpa , ubi judicia sua oxorcero dicitur. Ergo si oxcaecatio judicium ost Doi , poonam infligondo in crimon vocari non debet.

837

-ocr page 868-

§16. DE ZONDE NIET GODS WERK.

naren te hooren. Nu wordt er nog gezegd: Pharao\'s hart verstokte Ex. 7 : 13, 22, en: hij zette zijn hart daar ook niet op v. 23 , toen het water in bloed was veranderd. En : hij verzwaarde zijn hart Ex. 8 : 15 en : Pharao\'s hart verstijfde v. 19, en wederom v. 32: Pharao verzwaarde zijn hart. Maar dan Ex. 9:7: het hart Pharao\'s werd verzwaard en v. 12 : de Heere verstokte Pharao\'s hart. Ongeloovig en bijgeloovig verlangde hij in den nood telkens slechts voorbidding, zonder zelf te bidden. Een nieuwe trap van moedwillige zelfverharding wordt kennelijk aangeduid Ex. 9: 34 : „Toen Pharao zag dat de regen en hagel en de donder ophielden , zoo verzondigde hij zich verder en hij verzwaarde zijn hart, hij en zijne, knecht en.quot; Bij dat alles werd hij niet eerder weggeraapt dan nadat zijne boosheid onder de lankmoedigheid Gods geheel rijp was geworden voor het strafgericht.

Toen Simei David vloekte, sprak deze tot Abisaï: „laat hem vloeken , want de Heere toch tot hem gezegd heeft: vloek David: wie zou dan zeggen: waarom hebt gij alzoo gedaan?quot; 2 Sam. 16: 10. Ook dit wordt door onze Gereformeerde Vertalers in het rechte licht gesteld, daar zij aan-teekenen : „Verstaat dit niet eigenlijk, alsof God óf uitwendig door een woord óf inwendig door zijnen Heiligen Geest zulks zou hebben bevolen ; maar door gelijkenis, van de heimelijke regeering en voorzienigheid Gods, door welke Hij dezen Simeï aan den Satan en zijne eigene booze lusten heeft overgegeven en zijne boosheid, die hij van zichzelven had, alzoo geregeerd, dat hij zo nu tegen David aanwendt; om denzelven vaderlijk te kastijden en te vernederen en de boosheid van Simeï daarna rechtvaardiglyk te bestraffen.quot;

Aangaande de zonde moeten wij dan twee zaken naar de

838

-ocr page 869-

§ 10. DE ZONDE NIET GODS WERK.

Heilige Schrift streng vasthouden. Ten eerste , dat de Goddelijke Voorzienigheid bij de zonde krachtdadig werkt. Ten andere, dat God niet is do oorzaak van de zonde. Om dit te vereenigen moeten wij onderscheiden de na-tuurlyke beweging en de verkeerdheid in haar, de daad in welke de zonde is , en de zonde die in deze daad is\'). De natuurlijke beweging geschiedt door Gods medewerking : want zonder deze zou het schepsel zich niet kunnen bewegen. De verkeerdheid in die beweging komt uit den eigen wil en het booze doel van het vrywerkend schepsel en ligt geheel voor diens rekening. De daad, in welke de zonde is en die iets is wat geschiedt, is een werk van Gods Voorzienigheid. De zonde, die in de daad is, de onwettelijkheid der daad, behoort geheel en al den mensch toe; want God kan de wet niet overtreden. De zonde is niet iets zelfstandigs2), gelijk de Manicheërs stelden, noch iets materieels, maar is de onwettelijkheid3) en kwaadheid eener hebbelijkheid , bestaanswijze of daad van een persoonlijk wezen en heeft haren zetel in den wil des menschen.

17. God de werker van het goede.

De zonde, het zedelijk kwade is naar het vorenstaande niet uit God, maar uit het schepsel en de Schrift beneemt

\') P. Van Mastricht, Godgül. II. p. 132 v. 145 v.v. lirakei, Rod. Godsd. I. p. 279.

-) Schollen, Loer der Horv. Kerk II. p. 422, March, (Jom-pond. Cap. XV, 4. De Moor, Coiumoutar, in Marck, III. p. 117 sqq,

;1) 1 Joh, 3 : 4: gt;5 xftxprlx èrriv y

839

-ocr page 870-

840 § 17. GOD HE WERKER VAN HET GOEDE.

den zondigenden mensch alle verontschuldiging. Daarentegen is het zedelijk en geestelijk goede van God : van Hem komt niets dan wat goed is, en al wat goed is, is van Hem gegeven. God werkt het goede in den mensch. Doch op eene wijze, die met de natuur van het redelijke, vrijwerkende schepsel overeenkomt.

Hij leert ons wat goed is, door de stem des gewetens en nader door zijn heilig Woord, waarin Hij ons zijnen goeden en welbehagelijken wil bekend maakt. Hij zegt het niet alleen, maar Hij gebiedt het ons ook en dringt het aan door beloften en dreigingen en met aanradingen, waardoor Hij de billijkheid, voortreffelijkheid, nuttigheid en noodzakelijkheid er van inscherpt, waarvan zijne bevelen de natuur van eenen goeden raad ontvangen en raadgevingen genoemd worden. Hij geeft tijd, gelegenheid en middelen niet alleen, maar ook wijsheid, wil en kracht om het goede te doen. Hij bewerkt don mensch daartoe dat die het werke, door verlichting van het verstand om het goede te kennen en de betamelijkheid van het gebod in te zien en door innerlijke, krachtige neiging en buiging van den wil tot gehoorzaamheid \'), dus door bekwaammaking van den geheelen mensch om het goede te doen. En dit niet door eenen algemeenen invloed der Goddelijke Voorzienigheid, die door den mensch naar zijnen vrijen wil zou bepaald en gewijzigd worden, gelijk do Pelagianen en Remonstranten st Hen, maar door een bijzonderen invloed in de bijzonderen, naar het Gereformeerde gevoelen. Want de Gereformeerden , gelijk zij geen algemeen besluit Gods erkennen (hetwelk immers niels beslool),

\') March, Compond. Cap. X. 18 p. 177. P. Van Mastricht, Godgol. XL p. 170.

-ocr page 871-

§ 17. GOD DE WERKER VAN HET GOEDE. 841

alzoo achten zij dat men Gode tekort doet, wanneer men bloot een algemeenen (generalen) Invloed der Voorzienigheid stelt i) en niet een zoodanigen, die wel (universeel) alle dingen, doch niet ieder in het bijzondere aandoet en bepaalt, maar zelf door niemand bepaald wordt. Intusschen wordt hierdoor de vrijheid van \'s menschen wil niet weggenomen , overmits God zoo invloeit en bepaalt dat de mensch met eigen beleid , keus en welbehagen werkt.

Inzonderheid is de ware bekeering Gods werk. Niet alleen doet Hij het Evangelie uiterlijk prediken en verlicht het verstand kraehtiglijk door den Heiligen Geest , maar Hij dringt ook in tot de binnenste deelen des menschen met de krachtige werking dezes wederbarenden Geestes. Hij opent het hart, dat gesloten is; Hij vermurwt dat hard is; Hij besnijdt dat onbesneden is. In den tvil stort Hij nieuwe hoedanigheden en maakt dat dezelfde wil, die dood was, levend wordt; die hoos was, goed wordt; die niet trilde, nu dadelijk wil; die wederspannig tvus, gehoorzaam wordt; Hij beweegt en sterkt dien tvil alzoo dat hij als een goede boom vruchten van goede werken kan voortbrengen. — Van God bewogen zijnde, werkt hij nu ook zelf; waarom ook te recht gezegd wordt dat de mensch door de genade die hij ontvangen heeft, gelooft en zich bekeert. — Deze Goddelijke genade der wedergeboorte iverkt in de menschen niet als in stokken en blokken noch vernietigt den wil en zijne eigenschappen noch dwingt hen met geweld tegen hunnen dank, maar maakt hen geestelijk levend, heelt, verbetert en buigt hen te gelijk liefelijk en kraehtiglijk: alzoo dat ivaar de wederspannig-heid en tegenstand des vleesches te voren ten eenenmale de

1) Zio bovon § 6. bl. 802. P. Van Mastricht II. p. 148.

-ocr page 872-

84:2 § !?■ goü de werker van het goede.

overhand had , daar begint nu eene gewillige en oprechte gehoorzaamheid des geestes de overhand te krijgen, waarin de waarachtige en geestelijke wederoprichting en vrijheid van onzen wil gelegen is i).

Van God is hot goede. Hij is de fontein van licht en leven. Jac. 1: 17: Alle goede gave en alle volmaakte gif Ie*) is van boven, van den Vader der lichten afkomende , bij welken geene verandering is of schaduw van omkeering s). Bij uitnemendheid is dit de goede gave en volmaakte gifte van den Vader der lichten, wanneer Hij don in duisternis en dood verzonkenen mensch geestelijk licht en leven geeft door de wedergeboorte. In dwaling en zonde kon het goede schepsel alleen hierdoor vervallen, dat het zich eigenwillig van het licht, van God afkeerde. Het booze, de duisternis kan nooit uit Hem zijn, die louter licht is. Het goede, het licht kan van nergens anders zijn dan van Hem, die de Vader der lichten is. Dus betuigt ook Paulus 2 Kor. 3:5: Niet dat wij van ons zelven bekwaam zijn iets te denken als uit ons zelven, maar onze bekwaamheid is uit God. Fil. 2:13: Want het is God, die in u werkt heide het willen en het iverken naar zijn welbehagen: „niet alleen het kunnen willen maar het willen zelf: den wil krachtiglijk neigende en bui-

\') Dordrecht. Leerreg. Hoofdst. Ill on IV. 11. 12. 16.

\'2) In hot Grioksch oon hexameter: txtx SaV;? üyxóy kx) ttkv \'Sccpyy.x tsxeiov. Winer , Grammat. § 68.

:l) TrxpxXhxyy y rpoTryj? XTTOTtcIxTfcx verandering, afwissolingquot; van licht on duisternis; schaduiv, beschaduwing, vordonkoring ten gevolge van omkeering, omdraaiing, omwenteling. Op aarde is or een wissel van dag en nacht on nu i\'ens zijn de dagen dan weer do nachten langer. In God is niets van zulk oon wissel, in Verstand noch Wil. Sommigen vinden hier do omwenteling der hemellichamen aangeduid. Zoo Stier.

-ocr page 873-

§ 17. GOD DE WERKER VAN HET GOEDE. 843

gende om het goede te verkiezen en alzoo van onwilligen gewilligen makende door de kracht des Heiligen Goestes, Hij werkt dan ook het werken , het doen en volbrengen van liet goede dat men wil.quot; {Kantteek.) En Christus zelf verklaart Joh. 6 : 44 Niemand kan tot mij komen tenzij dat de Vader, die mij gezonden heeft, hem trekke; en ik zal hem opwekken ten uitersten dage. 45. Laar is geschreven in de Profeten: En zij zullen allen van God geleerd zijn. Een iegelijk dan die het van den Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot mij. Zijt gij nog niet getrokken ? bid dat gij getrokken wordet (Augustinus). Trek mij, wij zullen u naloopen, Hoogl. 1 : 4.

§ 18. Vrucht.

De geloovige erkenning en bepeinzing van Gods Voorzienigheid is onuitsprekelijk nuttig en vertroostend. Zij dient hiertoe en werkt dit uit , dat wij, wanneer wij in Gods wegen wandelen , gemoedigd zijn mogen onder de rampen des levens , Hem danken bij allen zegen en voor de donkere toekomst op Hem vertrouwen.

Let op de voorwaarden. Dan alleen kunnen wij vrucht en voordeel genieten van deze heerlijke waarheid, dat alles onder Gods Voorzienigheid staat, wanneer wij in zijne wegen wandelen , wanneer wij Hem door het geloof in Christus tot onzen God en Vader hebben verkregen en Hem liefhebben omdat Hij ons het eerst heeft liefgehad. Zoo God vóór ons is, wie zal dan tegen ons zijn ? Maar wie in de zonde leeft, heeft den Almachtige met zijn gansche Voorzienigheid tegen zich. Rom. 8: 28: Wij weten , dat dengenen die God liefhehhen , alle dingen me-

-ocr page 874-

§ 18, VRUCHT.

dewerken ten goede , [namelijk] dengenen die naar zijn voornemen geroepen zijn. Alle dingen , goede en kwade. Zelfs de duivel moet onze dokter zijn, zeggen wij met Calvinus ; bijzonder dient hij ons zijn vergif toe, om ons van hot vergif des hoogmoeds te genezenquot;). Dus met het oog op Gods vaderlijke Voorzienigheid mogen wij gemoedigd zijn onder de drukkende of dreigende rampen des levens en onder al de gevaren die ons overal omringen2).

De erkenning van Gods Voorzienigheid maakt dankbaar hij allen zegen, daar zij ons bij al het goede, dat wij voor ziel en lichaam ontvangen , op den Heere doet zien als den eenigen gever. Zoo moet het , naar de vermaning des Apostels 1 Thess. 5: 18 : * Dankt [God] in alles: wat dit is de wille Gods in Christus Jezus over u. Zoo is het eenigermate bij Gods volk. Zoo zag Jakob in den schat, waarmee hij van Paddam Aram naar Kanailn terugkeerde , de hand des Hoeren , toen hij, de Jordaan reeds van verre weer aanschouwende, ootmoedig tot zijnen Weldoenor sprak Gen. 32 : 10 : Ik hen geringer dan al deze weldadigheden en dan alle deze trouwe, die Gij aan uwen knecht gedaan heht: want ik ben met mijnen staf over deze Jordaan gegaan en nu hen ik tot twee heir en

\') Calvin. Commentar. in 11. Corinth. 12; 7: Scd quid sibi vult, quod Satau, qui homicida fuit ab initio, Pauli fuit modieus? uoquo mode in curando corporo, sod quod majus est, in anima sananda ? Rospondoo, Satanam pro ingouio morequo suo non aliud quam nooandi pordundiquo consilium agitasso ut aeu-loum cujus meminit Paulus, lotali vonono fuisso tinctum : sod hoo singularo fuisso bouoficium Domini, quod uatura oxitialo erat, in medioinam vortero. Vorgii\' tot modicijn!

-) Calvin. Instit. I. 17. 10 voort or eono lango rooks van aan on loert dan dou troost dor Voorzienigheid daartegen.

844

-ocr page 875-

§ 18. VRUCHT.

845

geworden. Intusschen mogen wij, gelijk ook Galvijn noo-dig acht te herinneren , onze menschelijke weldoeners geenszins voor niets achten. Maar de vrome zal in de ontvangene weldaden God verheerlijken ais den voornamen auteur , doch de menschen zal hij eeren als dienaars en werktuigen in Gods hand en zich hun verplicht achten , door wie God hem heeft welgedaan \').

De geloovige overdenking der Voorzienigheid Gods leert ons ook voor de donkere toekomst op Hem vertrouwen. 1 Petr. 5 : 7 : Werpt al uwe bekommernissen op Hem , want Hij zorgt voor u. Zoo deed Jakob, toen zijn broeder Ezau tegen hem kwam Gen. 32 , zoo koning Hizkia, toen Sanherib hem bedreigde 2 Kon. 19: 15, zoo de vergaderde Christenen, toen de Joodsche raadsh eeren de prediking van Christus hadden verboden Hand. 4: 24. Zoo hebben alle de heiligen gedaan. Dat geeft moed. Wordt het hart met het licht der albestu-

\')» Calvin. Instit. I. 17. 9. Aan dankbaarheid jegens God en menschen hapert hot ook bij \'s Hoeren volk maar al te vaak. Tot beschaming wijst de Schrift op den os die zijnun bezitter en op don ezel die do krib zijns heeren kont, Jez. 1 : 3. Niet op don hond. 01\' dan do hond niet het dankbaarste schepsel zij ? (Kohlbrugge, Heidelb. Catechismus. 1859. p. 159). Dat »hij juist dan het moest naar zijnen meester toekruipt, wanneer hij slagen van hem krijgtdat hij dan streelt, lekt, kwispelstaart: zou dat waarlijk uit dank zijn? Neon! \'t is uit angst, \'t is om meerder slagen af te koeren. Iets andors is het wanneer hij oen lokker beetje krijgt. Ook de werkos en do ezel zijn niet dankbaar, wanneer hun meester hen beknort en slaat , maar wanneer hij zo voedert cn hun wat in de kribbe geeft. Ook het kind, dat bij tuchtiging mot zijn handjes koost en aait, doet het niet uit dankbaarheid , noen, hot arm schepseltje doet het uit benauwdheid.

-ocr page 876-

§ 18. vrucht.

rende Goddelijke Voorzienigheid bestraald, dan is het niet als eene onstuimige zee door driften , angsten en zorgen bewogen, doch ook niet als een stilstaande , vervuilende poel, maar als een helder en effen water, waarin het beeld Gods zich spiegelt.

Veze leering geeft ons eenen onuitsprekelijk en troost, als wij door dezelve geleerd worden, dat ons niets hij geval overkomen kan, maar door de beschikking omes goedertieren hemelschen Vaders, die voor ons waakt met eene vaderlijke zorge, houdende alle schepselen onderzijn geweld, alzoo dat niet een haar van onzen hoofde (want

die alle geteld zijn) , ook niet één vogelken op de aarde vallen kan zonder den wil onzes vaders. Waarop ivij ons verlaten , wetende dat Hij de duivelen in den toom houdt en alle onze vijanden , die ons zonder zijne toelating en wille niet beschadigen kunnen. Belijd, des Gel. Art. XIII.

Kort en bondig verklaart de Heidelb. Catechismus Vr. 28 , Waartoe het ons dient dat wij weten , dat Ood alles geschapen heeft, en nog door zijne Voorzienigheid onderhoudt. Namelijk : Dat wij in allen tegenspoed geduldig , in voorspoed dankbaar zijn mogen en in alles dat ons nog toekomen kan, een goed toevoorzicht hebben op onzen getrouwen God en Vader, dat ons geene creature van zijne liefde scheiden zal, aangezien dat alle creaturen alzoo in zijne hand zijn , dat zij tegen zijnen wil zich noch roeren noch bewegen kunnen.

84G

-ocr page 877-

ACHTSTE HOOFDSTUK.

DE MENSCH IN DEN STAAT DER RECHTHEID.

§ 1. De mensch goed geschapan.

Hoogst gewichtig en noodzakelijk is de vraag, in hoeda-nigen staat God den mensch heeft geschapen, om uit te maken of de Schepper hem ook te veel en te zware taak hebbe opgelegd en of dus onze ellendigheid onrechtvaardig zij en de schuld op den Schepper zelve kunne worden geworpen i). Is de mensch zondig geschapen en was de zonde als aanleg aanstonds in den eersten mensch voorhanden, als behoorende tot en gegrond in het wezen der menschelijke natuur ? Was de eerste staat der menschen een staat van doode, onbewuste zondigheid2), die niet eerst door de

\') Calvin. Inatit. I. 15. 1.

\') Zoo L. Usteri, Entwiokelung des Paulinischou Lohrbogrif-fes. Pünfto Ausgabo 1834. S. 32 39. 886. Usteri was hierin niet alleen Schleierraacheriaan, maar hij »hegelclequot; ook. Hij had in dezon zijne volgelingen, bijzonder Baw on Holsten. Dr.

-ocr page 878-

§ 1. DE MENSGII GOED GESCHAPEN.

verzoeking in hen kwam , maar slechts uitbrak in de begeerte om de verboden vrucht van den boom der kennis te eten ? Droeg hij van den beginne eene kiem der zonde in zich , zooals velen hebben geleerd ?

Neen , zegt beslist de Gereformeerde naar de Heilige Schrift, God heeft den mensch goed geschapen, zonder eenig gebrek aan lichaam of geest, bekwaam tot zijne bestemming.

Wij hebben hier Gods eigene verklaring Gen. \\ :?A : En God zag al ivat Hij gemaald had en zie het n as zeer goed. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest, de zesde dag \'). Daar nu alles wat God gemaakt had zeer goed was, naar zijn eigene getuigenis, zoo is het zeker dat ook de beide menschen, die Hij op den zesden dag had geschapen, zeer goed waren. Hunne lichamen en hunne zielen waren zonder feil. Hoe ver hunne vermogens reikten en hoe wijd hunne bekwaamheid ging, is wel moeielijk te bepalen. Maar zooveel is gewis : al wat God met hen sprak, geloofden zij; alles wat hun voorkwam, hebben zij recht

B. Wetsz, Lehrb. der Bibl. ïheol. des N. T. § 67. b. S. 23G, komt te recht met deu Apostel Paulus daartegen op. Desgelijks Dr. O. PJleiderer, Der Paulinismus 1873. S. 44 f. Ook Dr, Oehler, Theol. des A. T. I. S. 238 , verwerpt bet gevoelen , volgons betwelk de oorspronkelijke staat zou zijn geweest èf een staat van pure indifferentie óf oen staat, in weikon het booze bereids latónt zou zijn geweest, zoodat het als aanleg roods in den monsoh ware voorhanden geweest on in den zon-denval voor den dag gekomen. En hij merkt te recht aan ; Gorado solchen Lehron, wornach das Böse als nothwendigos Moment der menschlichen Bntwicklung betrachtet werden soil, ist die Darstellung der Hamartogenie (Gen. 3) von vorn heroin entgegengesetzt.

1) Zie het Zesde Hoofdstuk van dit Leesboek bl. 709.

848

-ocr page 879-

§ 1. DE MEMSOH GOED GESCHAPEN. 849

erkend en jegens God hadden zij eene zuivere eerbiedigheid en liefde, jegens alle schepselen eene rechtvaardige gezindheidquot;). In hunne zielen was geene dwaling en geen booze lust en in hunne lichamen geen aanleg of stoffe tot den dood.

Niet blind en lam stelde God den mensch in \'t perk en toen hij verzocht werd, werd hij waarlijk niet boven zijn vermogen verzocht. Met alle noodige krachten was hij uitgerust om zijne bestemming te vervullen en aan bet doel, waartoe hij geschapen was, te beantwoorden, even als al de andere schepselen en dingen naar hunnen aard. Niet met hem, met dat hij geschapen werd, kwam de zonde in de wereld, maar door hem (Rom. 5: 12), door zijn toedoen, daar hij de poortier was, die de in de verzoeking op hem aankomende zonde binnen liet. Goed was hij en rein als het licht, wonderwerk van den Vader der lichten. Maar iets was hem niet gegeven : de gave van noodzakelijke volharding en onveranderlijkheid.

Dat de mensch, zooals hij in den beginne was geschapen, aan zijne bestemming kon beantwoorden , wordt door onze Kerk, bij hare onbewimpelde leer van de Praedesti-natie, nadrukkelijk beleden. Belijdenis des geloofs Art. XIV : „wij gelooven dat God den mensch geschapen heeft van het stof der aarde en heeft hem gemaakt en geformeerd naar Zijn beeld en gelijkenis, goed, rechtvaardig en heilig, kunnende met zijnen wil in alles overeenkomen met den wille Gods.quot; En wat we.s zijne bestemming ? Heidelb. Catech. vr. 6, opdat hij God zijnen Schepper recht kennen, Hem van harte liefhebhen en met Hem in de eeuwige zaJiy-heid leven zoude, om Hem te loven en te prijzen.

IU

\') Roos, Einleitung I. S. 44.

Gvavemotjoi\', öorof. Gel. looi\'.

-ocr page 880-

§ 2. BEPAALD GOED.

§ 2. Bepaald goed.

Aanlokkelijker dan de stelling, dat Adam met een zondig beginsel zou zijn geschapen, doet zich een ander gevoelen voor , namelijk dat de mensch eerst zou geweest zijn in een onhepaalden staat, tusschen goed en kwaad. Hij had dan wel al die vermogens en krachten, die tot het natuurlijke wezen van den mensch behooren: een lichaam, maar sterfelijk, eene ziel met verstand, geheugen, wil en genegenheden, maar zonder eenige daaraan eigene goedheid of kwaadheid. Hij was dus in een indifferenten (onhepaalden) staat, noch wijs noch dwaas, noch goed noch kwaad, maar alleen bekwaam om beide te worden. Dit was de leer der Pelagianen en der Socinianen en ten deele ook, met eene onklare voorstelling van den kinderstaat der eerste men-schen, de stelling der Remonstranten i).

850

En waartoe dit ? Hel was om de erfzonde te bestrijden. Volgens Pelagius bevindt zich ieder mensch bij zijne geboorte in den toestand van Adam : de zonde is hem zoomin als de deugd aangeboren, maar beide ontwikkelen zich met het gebruik der vrijheid en wel alleen op rekening van hem die ze doet. De kinderen worden dus nog in den zelfden staat geboren als de eerste mensch werd geschapen, even gereed tot het ontvangen van de zaden der deugd als der ongerechtigheid, naar dat zij hunnen wil, opwassende , buigen. Het was dienvolgens om den vrijen wil

i) B. De Moor, Commentar. in Marck. [II. p. 33. Fr. Span-hem. Controversial\'. Elenclms. 1694. p. 177. Ebrard, Dogm. I. S. 269. 332. Scholten, Leer der Herv. Kerk II. p. 261. Dr. W Hoffmann in Herzogs Real-Enc. I. S. 119 le Ed. u. d. W. Adam u. s. Söhne.

-ocr page 881-

§ 2. nEPAALD GOED.

op den troon te zetten, waardoor de mensch het f,e allen tijde in zijne macht zou hebben, het goede te willen en te doen; het was eindelijk om staande te houden, dat er tot \'s menschen wedergeboorte of bekeering en geloof aiet meer noodig zij dan de prediking des Woords en moreele (zedelijke) aanrading.

De Gereformeerden verwerpen met beslistheid deze dwaalleer, als geheel strijdig tegen Schrift en rede en houden vol, dat de mensch geschapen is niet alleen onnoozel en onschuldig\'), maar in een werkelijke zedelijke rechtheid.

De Prediker, geen ander dan de zoon Davids , koning te Jeruzalem, spreekt van den staat der rechtheid , waar hij zegt: Alleenlijk zie, dit heb ik gevonden, dat God den mensch recht gemaakt heeft2), maar zij hebben vele vonden gezocht, Pred. 7 : 29. Dat is de slotsom van het onderzoek naar de oorzaak , waarom het in de mensch-heid aan de ware wijsheid hapert. De schuld ligt niet aan God, maar aan den mensch, die van zijne oorspronkelijke hoedanigheid ontaard is. God heeft den mensch

1) Ook Dr. Fr. Ad. Krummacher, Paragraphon zu dor heiligen Geschiohto. S. 48 ff. gaat niet verder. Hij kent aan do eerste menschen slechts kinderlijke onschuld toe, zonder volle bownsthoid en daarom ook zonder gelukzaligheid. S. 50 : Die heilige Urhunde erwdhnt auch mit leinem Worte, dasz die ersten Menschen sich in dein Zustande der Glüelcseeliglceif befunden hutten. S. 48 : Gerechtigkeit, Güte und Wahrheit, die Früehte des Geistes, legt ihnen die Gesehichte nicht bei, konnte es auch nicht. Evonzoo schreven de Remonstranten hun onwetendheid toe, Winer, Corn-par. Darstell., 2te Aufl. S. 52, zijnde blijkbaar uit dat zij niet wisten van hunne naaktheid en van dat de slang een stom beest was.

2) D-iKrrnK D^VNTI nm.

TT T T T V • V T T T

851

-ocr page 882-

§ 2. BEPAALD GOED.

recht gemaakt: recht, niet slechts rechtschapen •), maar recht, normaal, zonder gebrek, stellig goed. Maar zij hebben vele vonden gezocht , waarmede Salomo hier niet zoozeer kwade praktijken en slimme treken bedoelt, maar in tegenstelling tegen de ware wijsheid al het verkeerde denken, al de schoonschijnende redeneeringen van het natuurlijke verstand die het gemoed begoochelen en verwarren, de speculatiën van het van God vervreemde hart, de stelsels der wereldsche wijsheid1). Van dat alles was er eerst niets in den mensch: hij was recht en had niets verkeerds aan of in zich , niets wat van de ingeschapene wet Gods afweek of daar tegen streed.

Adam en Eva werden volwassen geschapen. Maar een zwevende middelstaat tusschen goed en kwaad, eene kind-sche onnoozelheid strijdt tegen de redelijke natuur van volwassene menschen , die of goed of kwaad is en die ook in hen geen oogenblik onwerkzaam zijn kon. Kinderlijk waren zij , maar niet kindsch.

Nog ongerijmder is de stelling, dat de menschen eerst als wilden in dierlijken toestand\') zouden geweest zijn en dat de menschheid zich langzamerhand uit dezen lagen staat zou hebben opgewerkt en ontwikkeld en dus eerst

1) Aldus Luthcr.

2) Hengstenberg, Dor Prediker Salomo a. 1. Anders VanOos-tereee, Dogmat. I. p. 516 , volgens wien Pred. 7 : 29 niet op »don zoogenaamden staat dor rechtheidquot; zou zien, naar Van der Palm, die geheel willekeurig vertaald: dat God met de menschen recht handelt.

Daar/e^cre bijzonder Dr. J. 11. A. Ebrard, Apologotik TI. S. 6 ff. Vorgel. Van Oosterzee, Dogmat. I. p. 193. 517. Dr. G. II. Von Schubert, Lehrbuch dor Naturgesch. 12to Aufl. S. 368.

852

-ocr page 883-

§ 2. UEPAALL) (iUEU.

in den loop der tijden menschelijk zou zijn geworden. Een gevoelen geheel in strijd tegen de oudste geschiedenis, die geen klimmen maar vallen, geen vooruitgang maar verachtering en afzakking vertoont, waarop ook zelfs de overleveringen der oude volken van een verdwenen gouden tijdvak i) terugwijzen. En de Heilige Schrift staat vlak tegen dit dwaalbegrip over met hare verhevene leer van het Goddelijke evenbeeld.

§ 3. Naar Gods beeld.

De Heilige Schrift zegt ons, hetgeen anders niemand kon weten, waarin de uitnemendheid des menschen boven al de andere aardsche schepselen bestond: God schiep den mensch, beide man en vrouw, naar zijn beeld. Gen. 1 : 2G; En God zeide: laat ons menschen1) maken naar onzen heelde, naar onze gelijkenisse ; en dat zij heerschappij hebben over de visschen der zee en over het gevogelte des hemels en over het vee en over de geheels aarde en over al het kruipende gedierte dat op de aarde kruipt. 27. En God schiep den mensch naar zijnen heelde, naar den heelde Gods schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij ze.

Voor de schepping der menschen gaat de Drieëenige God met zich zeiven te rade 3), ten teeken dat Hij nu het allergewichtigste en volmaaktste werk stond te volbrengen.

853

1

s) lu hot Hebr. staat DIS4 in hot oukolvoud : mensch, als

T T

naam van deze wezoussoort on wol man on vrouw naar v. 27 , dus naar don zin : mensohou. Vergol. Zesde Hoofdstuk van dit Loosb. bl. 751.

-ocr page 884-

§ 3. NAAR GODS BEELD.

Hij wilde persoonlijke wezens scheppen, met wie Hij door nauwer band zou verbonden zijn dan met al wat anders de aarde droeg, menschen, die Hij kon liefhebben en die Hem kennen en liefhebben konden, heerlijk boven al het geschapene rondom hen. Hier, bij de schepping der menschen, weergalmt niet meer het slechts naar buiten gaande scheppende bevelwoord als te voren, noch een onmiddelbaar machtwoord: daar zij ! noch middelbaar: dat de aarde voortbrenge! maar hier gaat vooraf een monoloog (alleenspraak) des Drieëenigen laat ons of: wij willen menschen maken ! uitdrukking van bedachtzaam overleg en van een allerbijzonderst besluit.

Naar onzen heelde, naar onzen yelijlcenisse. •) Beeld en gelijkenis zijn hier niet twee verscheidene zaken, gelijk de Roomschen willen, maar ééne en dezelfde zaak2) en het laatste, de gelijkenis dient slechts om het eerste, het heeld, nader te verklaren en te versterken, hetwelk hieruit blijkt, „dat somtijds één van beide woorden in de plaats van beide gesteld wordtquot; (Kantteeh J Zoo wordt v. 27 de gelykenis niet herhaald, maar alleen het heeld genoemd en Gen. 5:1, gewaagt alleen van de gelijkenis. Beide woorden samen beteekenen: een zeer gelijkend beeld , evenbeeld.

De Roomsche Godgeleerden begrijpen onder het beeld1)

854-

1

■nnvrp liüVp in onzon beelde, naar of als ouzo go-

lijkonis. De LXX voegen or x a,) tusschen in: mr\' shim ytitsTspxv xx) y.yJf ó/Aoimiv, evenals de Vulgata et; ad imagi-nem et similitudinem nostrum, waaraan do Eoomschen zich houden.

\'2) Calvin. Commentar. in Gen. 1: 26. lastit. I. 15. 3. P. Van Mastricht, Godg. II. p. 98. March, Compend. c. XIV. 3. p. 246. De Moor, Comment. III. p. 20.

3) D?ï emuv, imago.

-ocr page 885-

§ 3. NAAR GODS BEELD.

Gods de bloote natuurlijke gaven en krachten, die den mensch zijn ingeschapen en waardoor hij boven de andere aardsche schepselen uitmunt, namelijk rede en vrije wil, doch enkel als vermogens zonder eenige goedheid of verkeerdheid daarin, zqnde ook na den zondenval gebleven, hoewel verzwakt. Door de gelijkenis ,\') des menschen gelijkheid met God , verstaan zij eene bovennatuurlijke, boven zijne natuur na de schepping toegevoegde gave, de Gode behagende zedelijke goedheid, de door de Goddelijke genade bewerkte overeenstemming zijner krachten met den Goddelijken wil: dat is hun het „bewonderenswaardige geschenk der oorspronkelijke gerechtigheidquot;2) waardoor het lagere deel , vleesch en zinnelijkheid, aan het hoogere, geest en rede en dit hoogere aan God onderworpen werd gehouden. Deze oorspronkelijke gerechtigheid , zeggen Roomsche kerkleeraren , was als een feestgewaad; ook is zij te vergelijken met het hoofdhaar van Simsom. Door den zondenval is zij verloren en van toen af begon de strijd in de men-schelijke natuur, s).

0 nion o/mIuitis , similitudo.

J) Deus originalis jnstitiao admirabile domim addidit. Catech. Eom. I. 2. 19.

3) Schöberlein in Herzogs Real-Encybl. lo Ed. III. 2e Bd. IV. S. 4. u. d. W. Ebenhild Gottes. Bral:el, Rodel. Godsd. I. p. 263. Hageiihach, Dogmengesch. § 245. S. 569. Winer, Comparative Darstell. § 4. 2to Aufl. S. 50. Hase, Hutter. rediv. § 80. Scholten, Leer der H. K. I. p. 317.

niet slechts afbeeld, maar ook hot patroon, het model, het monsterbceld , het origineel. Cremer , Wörterb. S. 236.

Dc Moor III. p. 20 : de gelijkenis iets moer algemeens , /iet beeld iets meer bijzonders. Is een oi aan het andore gelijk, het eone is echter niet het beeld van het andere. Tot de gelijkenis

855

-ocr page 886-

§ 3. NAAR GODS BEELD.

Daartegen leeren de Protestanten te recht, dat al wat de mensch was en wat hij bezat, hij dit dadelijk door de schepping werd en verkreeg en dat hem niet na zijne schepping nog eene bijzondere bovennatuurlijke gave is toegevoegd. Want de Schrift zegt: God schiep den mensch naar (in) zijnen beelde, naar (in) het beeld Gods schiep Hij hem. Hij is in en met dat gelijkend beeld geschapen i). Het was hem natuurlijk zooals de gezondheid\'). Het was niet een bestanddeel van zijn wezen, maar eene hoedanigheid zijns wezens, de welgesteldheid van geheel zijne natuur, zoodat hij dit beeld verliezende zijn wezen, zijne natuur als mensch niet verloor, maar in geheel zijne natuur verdorven werd , terwijl hij volledig mensch bleef.

Wij moeten onderscheiden het beeld Gods in ruimeren zin en in nauwer en zin;2) ontkennen intusschen, tegenover de

wordt vorciseht do overeenkomst van twee of drie in éóu derde; tot het beeld, dat het eene uit hot andere, hol afbeeld uit zijn voorbeeld of origineel, uitgedrukt on naar dit gevormd worde, gelijk door den stempel het beold op de munt. — God schiep dus den mensch naar (in) zijn beeld, naar (als) zijne gelijkenis, zoodat Hij in hem als in eene munt zijn beeld en gelijkenis geplaatst heeft, gelijk als het beeld des keizers was in hot geldstuk der schatting. Mt. 22: 19—21. Wij monschcn zijn gold uit de muuto Gods. Gelijk keizers en vorston op het gold, dat zij munten, hun ieeld en opschrift stollen, zoo heeft God in het begin don mensch mot zijn boold , naar zijne gelijkenis geschapen. Schrijvers Leerrede over don Verloren penning. In hot Zestal over Luc. 15. 2do druk. Groningen 1879. bl. 13.

\') Brakel, Eed. Godsd, I. p. 2C4. Calvin. Comment, in Gen. 1 : 26: hac voce (imagine Dei) designatur totius naturae in-tegritas. Evenals Instit. I. 15. 3. 4.

\'2) Van Ooslerzee, Dogmat. I. p. 512 acht deze ondorschoi-ding »tamelijk willekeurig en uit voiiegenheid geboren.quot; Ook

850

-ocr page 887-

§ 3. NAAR GODS UEELÜ.

Roomsche Godgeleerden, dat in de Heilige Schrift het eene door beeld (zelem) het andere door gelijkenis (d\' müt) wordt uitgedrukt.

Hot beeld Gods in ruimer zin is al datgene , wat den mensch als redelijk , persoonlijk schepsel boven de dieren onderscheidt, ook genoemd het wezenlijke (essentiéele) beeld, omdat hierin juist het wezen van den mensch bestaat en hij zonder dit geen mensch zou zijn. Het beeld Gods in nauwer zin is de oorspronkelijke rechtheid en goedheid , waarin hij ongenaakbaar was voor lijden en dood. Dit heeft men te recht genoemd hot bijkomstige (accidenteele) beeld en dat is hetgene de mensch verloren heeft, zonder op te houden mensch te zijn. Wijselijk leert dan ook de Heidelb. Catechismus vr. 7 , dat „onze natuur is verdorven (Hoogduitsche uitgave: vergiftigd) gewordenniet weggenomen.

857

Het eerste, het beeld Gods breed genomen, is de grond, het tweede, het beeld Gods in nauwer zin, is de vorm. „Een schilder kan in water of zand niemands beeld malen, maar hij moet een bekwamen grond, een gepast paneel hebben. Alzoo kon het beeld Gods niet uitgedrukt worden in hout, steen of in een onredelijk dier, maar daartoe werd vereischt eene verstandige, willende, redelijke, God erkennende ziel; maar het beeld Gods drong door alles heen en bezielde alles ; wij trekken het maar met de

Dehtzsch, bibl. Psychol. S. 69 houdt zo uiot voor schriftuurlijk. Maar zio Von Gerlach zu Gen. 1 : 26. Brakel, lied. Godsd. I. p. 13. Ehrard, Dogm. I. S. 312. f. Ook Ilaso, Hutt. rodiv, § 81. fin. Vergol. Schrijvors Aanteek. op Dr. Hoedernalcers Handb. d. 17. Desgelijks is voor do ouderscheiding Dr. O. Zöckler, Dio Lehre vom Urstand dos Menschen 1879. S. 69 f.

-ocr page 888-

858 § 4. HET BEELD GODS.

gedachten alleen af\'). Dus ook Calvijn Hoewel de voorname zetel van het Goddelijke beeld geweest is in het verstand en hart of in de ziel en hare vermogens, zoo is er nochtans geen deel geweest zelfs tot het lichaam toe, in hetwelk er niet eenige vonken van blonken2).quot;

§ 4. Het beeld Gods.

Wij hebben het hier te doen met het beeld Gods in namveren zin, dat beeld hetwelk verloren is door den zondenval en alleen door wedergeboorte hersteld wordt.

De mensch was dat beeld niet, maar het was in den mensch, hij was er mee geschapen. Zijn geestelijk wezen, zijne redelijke ziel met hare vermogens, verstand, wil, genegenheden, was zoo te zeggen de grond, het paneel, het tafereel, waarin het beeld was uitgedrukt; de uitnemende hoedanigheid van al de vermogens, hunne zuiverheid, deugdelijkheid , kracht, volmaaktheid was de vorm en daarin bestond het eigenlijke beeld zelf. „De geestelijkheid en de mogendheden der ziele behooren zoo tot het beeld Gods als het tafereel tot de schilderij; dit kan zijn en blijven, al is het beeld, dat daarop was, zoo uitgewischt, dat men er geen gelijkenis meer in vinden kan , al kan men nog zien dal er iets op geweest is»).quot;

\'} Bralcel, llodol. Godsd. I. Cap. I. 12. b. pag. 14, En wederom Cap. X. 25. p. 262. Delitzsch, bibl. Psychol. 1861. S. 69 zogt te recht: Persönlichkeit ist nur die Basis des Inhalts der Gottesbildlichkeit, aber nicht diesor selber.

i) Calvin. Tnstit. T. 15. 3.

3) Aldus Bralcel, Redel. Godsd. 1. p. 262, (naar Cooccjus, zie Ba Moor, Comment. III. p. 27), die do zaak bijzonder klaar

-ocr page 889-

§ 4. HET BEELD GODS.

De vorm, het ware wezen van het beeld Gods was dus gelegen in de hoedanigheid van de vermogens der ziel, van verstand, wil en hartstochten en bestond in kennis, gerechtigheid en heiligheid. Het gevolg was de ontzaglijkheid des menschen, zijne heerschappij over het gedierte en ovtr de geheele aarde en de onsterfelijkheid ook des lichaams.

Uit de vernieuwing des menschen in Christus naar het evenbeeld Gods is te besluiten wat de niensch verloren heeft en waarin het beeld heeft bestaan. En dat is naar Koloss. 3: 10 hennis en naar Efez. Uk ware rechtvaardigheid en heiligheid. Waaruit volgt, dat oorspronkelijk in het licht des verstands, in de rechtheid van het hart en in de gezondheid van alle doelen het beeld Gods is zichtbaar geweest •)•

De nieuwere , philosophische Godgeleerden houden hot beeld Gods alleen voor de bekwaamheid en den aanleg tot het goede , wijl eene aangeschapene heiligheid ondenkbaar zij ; zij zien in het beeld Gods dus niet meer dan \'s menschen bestemming1). Maar de Schrift zegt niet dat de mensch tot, maar dat hij naar (in) het beeld Gods is geschapen.

§ 5. Het beeld Gods niet lichamelijk.

Het beeld Gods bestond niet in de uitwendige vorhe-

859

1

) Voorganger ook in dezen was bijzonder Sohleiermacher,

-ocr page 890-

§ 5. NIET LICHAMELIJK.

vene gestalte, welgemaaktheid en heerlijkheid des lichaams. Want God is een geestelijk Wezen, naar hetwelk geen lichaam gelijken kan i).

Reeds vroeg werd bij sommigen in de Christenkerk de waarheid, dat het beeld Gods vooral de geestelijke vermogens des menschen raakte, misvormd door de dwaling, voortvloeiende uit een verkeerd begrip van de eenheid des lichaams en der ziel, dat ook het lichaam naar het beeld Gods was geschapen. Eene voorstelling, gepaard met deze: dat God een lichaam had, of met deze: dat het lichaam van Christus het zou geweest zijn naar welk reeds voorhanden voorbeeld het lichaam des menschen zou zijn geschapen1). Meer geestelijk stelden sommigen dit dus voor: dat des menschen zieleleven , van het Goddelijke doordrongen, in het lichamelijke organisme uitblonk en bijzonder op het gelaat des menschen , in den blik der oogen enz. zich afspiegelde »).

Men heeft gezegd: God is in den beginne den menschen in eene zichtbare gedaante verschenen en naar deze is de mensch geschapen«).

SCO

1

) Zio daarovor Schrijvors Aautoekeningou op Hocdemaker bl. 46 v.

:l) Ilagenhach, Dogmongosch. § 56. Roods do Clementinen (uit do 2do oou wj stollou hot boold Gods voornamelijk iu hot lichaam. Voorts al do zoogonaamdo bijzoudor

do Audianen iu hot begiu dor 4do oouw. Ilagenhach, a. W. § 106. Neander, Kirchougosch. II. Bd. 3to Abth. 1831. 8. 965. 986.

•\') Kort on mot oudorschoiding bohandolt dit punt Ebrard, Dogm. § 211. S. 252 f.

-ocr page 891-

§ 5. NIET LICHAMELIJK,

Het is waar, cle Schrift getuigt, dat Giod gesproken hoeft tot Adam en Eva, zoo voor als na den val. En daarbij heeft zeker eene zichtbare vertooning plaats gehad van de heerlijkheid Gods. Adam en Eva zagen deze verschijning en hoorden de stemme Gods. Zonder twijfel aanschouwden zij eene gedaante. Maar hoedanig ? Dat zegt de Schrift ons niet. Doch wij mogen aannemen, dat hij zich in menschelijken vorm vertoonde. Omdat hij tot hen sprak en hen onderwees. Immers de mensch verstaat alleen den mensch en de stemme Gods kan door menschen slechts als eene menschelijke vernomen worden \').

Maar God schiep den mensch niet naar de gedaante, in welke Hij zich vertoonde, maar Hij voegde zich in Zijne verschijningen naar den mensch. Want zou de mensch naar de verschijningsgedaanto Gods geschapen zijn , dan moet God deze gedaante reeds vóór de schepping hebben aangenomen, of wij moeten Hem (anthropomorphistisch) eene eigene lichamelijke gedaante toeschrijven. En wien dan ? Is de Schepper niet de drieëenige God ? Kan een begrensd lichaam aan drie Personen gemeen zijn1)? — Overigens blijkt uit de Schrift, dat, waar eene gedaante werd gezien, wij moeten denken aan den Zone Gods, den Openbaarder en Vertegenwoordiger des Verborgenen van den beginne af s).

Hierbij zijn anderen verder gegaan en hebben het beeld Gods, zooveel het lichaam aangaat, gesteld in eene gelijkheid aan Christus\' lichaam : namelijk dat lichaam, hetwelk

8G1

1

) B. De Moor. Commout. in Marck. III. p. 25.

-ocr page 892-

§ 5. NIET LICHAMELIJK.

voor den Zone Gods bestemd was, zou de type, het model geweest zijn, naar hetwelk het lichaam Adams werd geschapen. Waarmede men het dwaalgevoelen huldigde, dat de Zone Gods ook dan mensch zou zijn geworden, indien Adam niet ware gevallen \'), eene dwaling , ook thans wederom zeer verspreid , op velerlei manier ingekleed.

Zelfs zijn er die aan Christus een menschelijk voorbestaan , eene hemelsche menschheid toekennen , zoodat Hij voor zijne komst in de wereld reeds in den hemel als mensch zou hebben bestaan2). Anderen, die wel zóóverre niet gaan, spreken toch met beslistheid uit, dat de Zone Gods, de Logos, het beeld Gods is, naar hetwelk de mensch is geschapen, hel ideaal der menschheid, de ideale mensch 3).

Maar naar de Schrift is het omgekeerd. De Schrift leert niet dat de mensch eene copie van Christus is, niét dat de menschen aan Christus , ook niet zooals deze in den vleesche zijn zou , bij de schepping zijn gelijk gemaakt, maar integendeel dat Christus door zijne invleesching den menschen is gelijk geworden Fil. 2:7., in gelijkheid des zondigen vleesches Rom. 8:3., des vleesches en hloeds deelachtig, in alles den broederen gelijk geworden Hebr. 2: 14, 17, doch zonder zonde Hebr. 4: 15 ^).

\') B. De Moor, Comment, in Marck III. p. 25. C. XIV, § IV. 3. Scherp komt ook Calvin. Instit. I. 15. 3. tegen deze dwaling op , bijzonder tegen Andr. Osiander.

-) Aldus Beysnhlag, Christol. p. 226. en PJleidorcv, Der Pau-linisnms S. 140.

1) De Logos b hxt\' xXvjöetxv xvöpuTroc. Zie daarvan nader Schrijvers Aanteekeningen op Iloedemakers Handb. p. 46. 47.

4) Marck, Compend. p. 247. De Moor, Comment. III. p. 25. P. Van Mastricht, Godgol. II. p. 99.

862

-ocr page 893-

§ (). NIET ALLEEN HEERSCHAPPIJ.

§ 6 Niet alleen heerschappij.

Sommigen hebben den staat des menschen zeer laag gesteld en van het beeld Gods geringe gedachten gehad. Het was, om de diepte van den val te bedekken er; het algeheele bederf\' des menschen te verduisteren.

Zoo voornamelijk de Socinianen , die het beeld Gods bloot uiterlijk verstonden van de heerschappij over de dieren en over de redelooze aardsche schepping in het gemeen i). Desgelijks hunne natreders , de Remonstranten , die het er wel niet alleen, maar toch hoofdzakelijk in stelden1).

Men meende dit te kunnen bewijzen uit Gen. 1 : 26 : „God zeide : laat ons menschen maken naar onzen beelde, naar onze gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over de visschen der zee en over het gevogelte des hemels en over het vee en over de geheele aarde en over al het kruipende gedierte dat op de aarde kruipt.quot;

Maar daar wordt niet gezegd, dat het beeld Gods in de heerschappij bestond. Integendeel , uit dezen tekst blijkt juist dat het er niet in bestond, doch er wel toe behoorde. En hetgeen v. 26 als Goddelijk besluit wordt vermeld, zien wij gedaan v. 27 en 28 : Fin God schiep den mensch naar zijnen heelde, naar den heelde Gods schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij ze. Dit was de schepping naar Gods beeld. Deze was hiermede volbracht. Het beeld was er. Daarop volgde de zegening en dan de leenhuldiging,

8G3

1

2) De Moor, Commontar. III. p. 38.

-ocr page 894-

§ 6. NIET ALLEEN nEERSCHAPPIJ.

de investituur. En God zeyende ze en God zeide tot hen: weest vruchtbaar en vermenigvuldigt en vervult de aarde en onderwerpt ze en hebt heerschappij over de visschen der zee en over het gevogelte des hemels en over al het gedierte dat op de aarde kruipt. Klaarblijkelijk wordt dus het beeld Gods van de heerschappij onderscheiden , hoewel daaraan verbonden •).

De heerschappij over de aarde was een noodzakelijk gevolg van het beeld Gods en was de weg om het te oefenen en te openbaren.

Als beelddrager Gods, des Albeheerschers, was de mcnsch heer over do aarde. Doch onder God1). De heerschappij bestond niet in een recht van willekeur noch was zij eene allerhoogste, absolute, onafhankelijke oppermacht, maar zoodanig als voor den leenman en rentmeester der aarrische huishouding Gods voegde. De Schepper zelf had in de dieren het instinct van gehoorzaamheid gelegd on naar deze ingeschapen neiging, die Hij ook kon stremmen of keeren, respecteerden alle dieren de stralen des Goddelijken even-beelds aan den mensch en waren hem onderdanig. Ware de mensch niet gevallen, „geen leeuw, beer of tijger hadde zich tegen hem verzet of hem de minste schade gedaan, maar zij zouden evenzeer als een hond en een schaap hem op zijne wenken hebben gediend, terwijl nu daarentegen ook de kleinste worm of vlieg de bevelen van den mach-tigsten monarch niet eerbiedigt.quot; (Rambach)^). En „was

\') Hot Sociniaanscli gevoelen wederlege! dcor Oederus in Catech. Eacov. 1739. p. 57,

2) P. Van Maslricht, Godgel. IT. p. 103.

■■\') Naar Luther, die OTerigens de heerlijkheden dor protoplasten phantastisch afschilderde: hunne oogen konden mijlen ver

864

-ocr page 895-

§ G. NIET AtjLREN HEERSCHAPPIJ.

des menschen gezag zoo groot, wat moeten wij dan zeggen van die heerschappij, welke hem wanneer hij vernieuwd en geheel vrij gemaakt zal zijn, het Goddelijke Woord belooft ?quot; (Augustinus.) Gelijk ook onzo Kerk belijdt Heidelb. Catech. vr. 32 : dat ik namaals in eeuwigheid met Christus o»er alle creaturen regeere.\')

Door het verleenen van de heerschappij had de Schepper den mensch op den weg gesteld om het beeld Gods te openbaren en zijne vermogens in werking te brengen : zijne ivijsheid, om de geheimen en, grootheden der natuur te ontdekken en op te merken en zich van hare verborgene krachten en van de schepselen te bedienen; zijne gerechtigheid en heiligheid in het rechte gebruik tot het rechte oogmerk , ter verheerlijking Gods.

§ 7. Eennis.

God heeft de eerste menschen gelijk met een gezond en zuiver lichaam alzoo ook met eene reine en verlichte ziel geschapen. Geen duisternis, geen dwaling, geen onwaarheid was in hen. \'t Was licht in hun binnenste. Zij hadden een helder en wijs verstand , bijzonder eene zuivere kennis van God.

Zonder kennis zouden zij onbekwaam zijn geweest om de heerschappij over de aarde en hare schepselen te voeren en God daarin te dienen en te verheerlijken.

op het scherpst zien, hunne ooren allerfijnst hooron enz. O. Zöchler, die Lehre vom Urstand des Menschen. 1879. S. 20.

\') Marck, Merch Hoofdst. XIV § IX. Eti De Moor, Commen-tar. III. p. 39 (togen Cocoejus). Hengstenberg, Commontar. über die Psalmen I. S. 168 f., za Ps. 8. Oehler, Theol. des. A. T. I. S. 221.

Gravomoyor , Gerof. Gol. loor. vb

8G5

-ocr page 896-

§ 7. KENNIS.

Intusschen hebben bestrijders van de waarheid, om de diepte van den val te verkleinen , de ingeschapen kennis der eerste rnenschen niet hoog gesteld. Zoo ook de Remonstranten. Ziet, zeggen zij , de eerstgeschapen rnenschen „wisten niet dat zij naakt waren of veel meer dat de naaktheid onbetamelijk was ; zij schijnen niet geweten te hebben, dat de slang een stom dier was , anders hadden zij wel bedrog gevreesdquot; \') en bevroed dat er wat achter zat: dies waren zij in kennis als kinderen.

Maar de Schrift zegt niet: zij wisten niet dat zij naakt waren: dat zou een gebrek van hunne oogen en niet van hun verstand geweest zijn; dat zij naakt waren, zagen zij wel, immers zy waren niet blind.2) De Schrift zegt Gen. 2 : 25 : „En zij waren beiden naakt, Adam en zijne vrouw, en zij schaamden zich niet.quot; Dus eene kennis zonder schaamte, wijl zonder boozen lust. Gelukzalige onwetendheid. Het tegendeel zien wij na den val Gen. 3:7; Toen werden hun beider oogen geopend en zij werden gewaar dat zij naakt waren. En v. 11, waar de Heere God spreekt: wie heeft u te kennen gegeven, dat gij naakt zijt ? Toen, van hunne onschuld ontkleed, konden zij elkander niet meer zonder boozon lust aanzien. Zij schaamden zich voor zichzelven.

En dat Eva het bedrog der slang niet heeft ingezien, kwam niet voort uit eene natuurlijke onwetendheid en on-noozelheid, maar was reeds het begin van haren val door den invloed des Boozen voor welken zij zich open stelde s).

\') Limborch bij Winer, Comparat. Darstell. 1837. S. 52.

2) Dat herinnert ook reeds August in. De Civ. Dei L. XIV. Cap. XVII: non quod eis sua nuditas asset incognita , sed tur-pis nuditas nondum erat.

3) March, Merch Hoofdst. XIV. § VII. De Moor, Comment. III. p. 33. sq. P. Vari Mastricht, Godgol. II. p, 109.

8GÜ

-ocr page 897-

§ 7. KENNIS.

Eon afdoend bewijs dat tot hot beeld Gods als oen wezenlijk deel kennis behoorde, geeft ons Paulus Kol. 3 : 10, waar hij tot de wedergeborenen spreekt: „Liegt niet tegen alkander, dewijl gij uitgedaan hebt den ouden mensch met zijne werken. En aangedaan hebt den nieuwen [mensch], die vernieuwd wordt tot kennis tiaar het evenbeeld desgenen die hem geschapen heeft.quot; a. Zooveel is hier aanstonds duidelijk : Paulus verbindt hennis met het beeld Gods, hij stelt in het beeld Gods ook kennis, b. Voorts hij spreekt van verniemving des menschen tot kennis naar het beeld Gods. Vernieuwing duidt de herstelling aan van iets wat de mensch eerst bezeten, maar dan verloren heeft. De Apostel spreekt dus van eene kennis, welke de mensch eerst met en in het beeld Gods heeft gehad, maar die door den zondenval in duisternis is verkeerd en die de natuurlijke mensch mist. In de wedergeboorte wordt zy op nieuw ontvangen, door dat de mensch God en zichzelven en zijne bestemming en den weg daartoe door de verlossing in Christus kennen leert. Het is dus de kennis , of nog sterker gelijk de Apostel eigenlijk zegt, erkentenis der waarheid, in tegenstelling tegen de leugen (v. 9). Waarheid is de levenslucht van den nieuwen mensch, leugen van den ouden. c. Eindelijk de vernieuwing is eene herschepping en de herschepping wijst naar de schepping terug : de woorden : naar het evenbeeld desgenen die hem geschapen heeft slaan kennelijk op

\') xx) èvÜvtr.ixftevot rov vsov ,tov xvxkxivov^svov sU STriyvuGiv jcdit\' smovx roü ktItxvtoï xvriv. \'Avxxxivóco, alleen bij Paulus. Das Wort bezeichuet die der Schöpfung des Menschen entsprechende ErlösungstMtigkeit Gottes, welche, dom bisheri-gon verderbten Zustande des Menschen ein Endo macbond, einen neuen Anfang setzt. H. Cremer, Bibl. theol, Worterb. S. 324.

8G7

-ocr page 898-

§ 7. KENNIS»

Gen. 1 : 27 : En God schiep den mensch naar zijnen heelde, naar den heelde Gods schiep Hij hem.

Adams wijsheid blijkt uit zijne naamgeving aan de dieren. Adam heeft genoemd de namen van al het vee en van het gevogelte des hemels en van al het gedierte des velds Gen. 2 : 20 en hij heeft ze daarna zeker aan Eva gezegd. De Heere God, die Adam tot heerscher gesteld had over de dieren, zette hem nu metterdaad als zoodanig in en verwekte door eenen bijzonderen, krachtdadigen invloed in de dieren de drift om tot Adam te komen en wel paarsgewijze, als om hunnen koning te huldigen. Eene plechtige installatie ! Dit wordt levendig en schilderachtig alzoo beschreven : de Heere bracht ze tot Adam, om te zien, hoe hij ze noemen zoude. De naastbijzijnde dieren, als deputaten (afgevaardigden en vertegenwoordigers) van geheel het dierenrijk, naderen tot hunnen heer en vorst, om hunne onderdanigheid te betoonen. Niet alle dieren. De visschen worden niet genoemd. Vogels en landdieren verschijnen als vertegenwoordigers en afgezanten van hemei en aarde. De naamgeving zegt, dat Adam het eigenaardige van ieder dier met onderscheiding erkende. De indruk, welken de verschillende dieren op hem maakten, werd gedachte en de gedachte werd woord , naam , uitdrukking der idee , luide door hem uitgesproken.

Ook kende hij de uit hem geschapene vrouw. Gen. 2 : 23: Toen zeide Adam : deze is ditmaal been ran mijne hemen en vleesch van mijnen vleesche: men zal ze manninne heeten, omdat zij uit den man genomen isi). Bij zou nauwen omgang als hij met God had, stond hij in het licht en dat licht ontsloot hem het raadsel van de schepping der vrouw en de ver-

1) Zie hierover hot Zesde Hoofdstuk van dit Leesboek, bl. 755 v.

868

-ocr page 899-

§ 7. KENNIS.

borgenheid haars wezens en hare eigenaardige bestemming.

Adam en Eva kenden beiden God als hunnen Schepper, weldoener en Heer, gelijk uit Gen. 2 en 3 ten duidelijkste blijkt. Zij wisten door Goddelijke openbaring, hoe de wereld was ontstaan en van wien zij zeiven het leven en alle dingen hadden. Zij kenden den wille Gods. Adam wist wat hij doen zou: den hof van Eden bouwen en dien bewaren Gen. 2: 15; hij wist, wat hij wel en wai hij niet genieten mocht en ook Eva was, blijkens Gen. 3 : 2, 3 bekend met hetgeen God vergund en verboden had.

Doch hunne kennis van God en van de natuur was vatbaar voor ontwikkeling en uitbreiding. „Al had Adam dien trap van gezichte niet, dien de verheerlijkten in den hemel genieten, welke hem voorgesteld en beloofd was zoo hij gehoorzaamde : zoo was nochtans zijne kennis van God volmaakt en genoegzaam om zich in dien God te verblijden en meerder dan wij ons nu verbeelden kunnen

§ 8. Heiligheid en rechtvaardigheid.

Adam en Eva waren heilig en rechtvaardig. Dat is de leer onzer Kerk, het scherpst en sterkst uitgesproken, tegenover de dwaling der Remonstranten, in de Dordtsche Leerregelen III. en IV, Iloofdst. art. 1 : De mensch is van

\') Brakel, Kedol. Godsd. I. Hoofdst. X. § XXVI. Vergel. Vierde Hoofdstuk bl. 425. Van eu togen overdreven voorstellingen van Adams kennis en gaven handelt uitvoerig Dr. O. ZocHer, Die Lehre vom Urstaud des Menschen. 1879. S. 15 ff. Doch to roclit Hase, Hntt. rediv. § 81: wor sein Regiment ilber die Natur mit NamoDgobung der Thieve begann uud wer vertrau-lich mit Gott vuuging, dom Icounto ein hohos Natur- und Got-tosbowustsoin nicht fehlen.

869

-ocr page 900-

§ 8. HEILIGHEID EN RECHTVAARDIGHEID.

den beginne naar het beeld Gods geschapen, versierd in zijn verstand met ware en zalige kennis zijns Scheppers en met andere geestelijke dingen; in zijnen wil en zijn hart met gerechtigheid; in alle zijne genegenheden met zuiverheid; en is over zulks geheel heilig geweest. En daarop Verwerping der dwaling dergenen die leeren : „dat de geestelijke gaven of de goede hoedanigheden en deugden , als daar zijn : goedheid, heiligheid , rechtvaardigheid, in den wil des menschen, als hij eerst geschapen werd, niet konden zijn en dat zij dienvolgens in zijnen val niet hebben hunnen gescheiden worden.quot; Want zulks strijdt tegen de beschrijving van het evenbeeld Oods, ivelke de Apostel stelt Efez. 4; 24 , alwaar hij getuigt, dat het bestaat in gerechtigheid en heiligheid, welke heide ongetwijfeld in den wil hare plaats hebben.

Faustus Socinus beweerde ronduit: Adam is, ook vóór hij het gebod Gods overtrad , niet rechtvaardig geweest, daar hij geene gelegenheid had om te zondigen en hij kan niet rechtvaardig genoemd worden wijl het geenszins blijkt dat hij eenigerwijze zich van zonde heeft onthouden \').

En zoo willen velen van eene rechtvaardigheid en heiligheid der eerste menschen niet weten, wijl dit hoedanigheden zijn, zegt men, die eerst door oefening, door daden onder verzoeking en strijd verkregen worden1). Maar dan

870

1

) Zio daartegen De Moor, Commentar. UI. p. 34. Eon gelukzalige rechtstaat als bogin dor menschhoid vindt van zelf goou plaats bij do monistische Philosofen, dio goeno grens tus-schon dier en monsch meer erkennon. Do schoppingsgeschiodo-nis is hun eene logende. Het resultaat van hun onderzoek is : dat do monsch niot in oeno oorspronkolijko volkonjonhoid is go-

-ocr page 901-

§ 8. HEILIGHEID EN HEGHTVAARDIGHEI.O. 871

heeft ook God zelf geene heiligheid en rechtvaardigheid: want Hij is nooit verzocht.

Geen oogenblik kon de mensch, de volwassene, bestaan of hij deed iets, inwendig en uitwendig ; geen oogenblik of hij, met zijn denkenden geest, met zijn voelend gemoed, met zijne aandoeningen en neigingen, was, dacht, voelde, deed of goed of kwaad. Zijn eerste kwaad nu, zegt ons de Schrift, was het eten van den verboden boom. Tot, daartoe was hij dus goed , alzoo heilig en rechtvaardig. Hij kende geen anderen wil dan den wille Gods; die was hem ingedrukt, was zijne natuur.

schapen , dio hij zou hebben verloren, »maar hij verschijnt ons al ruwer en dierlijker hoe wijder terugwaarts wij zijn beeld nagaan.quot; Schaqff\'hausen in eene vergadering te Kiel 1878.

Ook meer gematigde mannen dor verlichting oordeelen minachtend over de kerkelijko leer van don staat dor rechtheid en erkennen in het bijbelsche bericht nauwelijks oene kern van historische waarheid.

De vrijzinnige Godgeleerden van nieuweren tijd laten er ook al weinig van over. Schleievmacher voorop, die du oorspronkelijke volkomenheid des menschen alleen stelde in de richting van het geestesleven op het Godsbewustzijn , terwijl de nadere geschiedenis vau do ontwikkeling der eerste menschen in dien veronderstelden staat ons ontbreekt. Eu daarna op vorschil-lendo mauior al de voorvechters van het theologische Liberalisme. Zoo IIuse. Ook Rothe, »der Heilige des Protestantenvereins.quot; Lipsius laat als de «Urgestalt der ethischen Religionquot; eeno zekere onmiddelbare maar onbewuste , in allen govalle slechts betrekkelijke Godsgemeenschap golden , die van uit de bewustheid van hot tegendeel als verloren paradijs verschijnt. O. PUtiderer verklaart zonder meer: »watdekcrk sinds Augustinus van do zoudoloozo onschuld dos menschengoslaohts voor den val had geloerd, was niets dan matelooze verbeelding, »zügellose Phantasie.quot; Dr. O. Zöclcler, Die Lohro vom ürstand des Menschen S. 1—6.

-ocr page 902-

872 § 8. HEIUGHUU KM tlKCiHTVAARDIGHEID.

De Heilige Schrift laat ons niet in het onzekere. Dit blijkt: Adam en Eva waren met God gemeenzaam \'). Ook na den val komt Hij voor als wandelende in den hof Gen. 3 : 8. Zij hadden God en elkander lieP). Hun hart, hun ivil was heilig en recht en zij waren zuiver in al hunne aandoeningen , zonder eenige verkeerde drift. Dat zegt de Schrift treffend en nadrukkelijk, waar zij betuigt: zij waren beiden naakt, Adam en zijne vrouw en zij schaamden zich niet Gen. 2: 25 3). „De reden was hunne volmaaktheid en onnoozelheid, waardoor zij niet oneerlijks zagen aan hunne lichamen noch iets onreins gevoelden aan hunne zielen.quot; (Kantteek.)

Dat door de schepping naar Gods beeld niet slechts de bestemming des menschen tot heiligheid wordt te kennen gegeven , maar een werkelijke goede zedelijke toestand«), blijkt ten klaarste uit den gewichtigen tekst Efez. 4 : 24 s), waar de Apostel de geloovigen waarschuwt dat zij alzoo niet wandelen , gelijk zij plachten toen zij nog heidenen waren , maar dat zij den ouden mensch afleggen en den nieuwen mensch aandoen die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid. Naar God geschapen, dat zegt de Apostel van den nieuwen mensch, van het nieuwe, geestelijke leven, hetwelk hij den nieuwen mensch noemt, omdat het den gauschen mensch omvangt en zich

\') Zio, hierboven bl. 860.

a) Zio boven bl. 848.

3) Zie boven bl. 866.

^) Dit erkent ook Ehrard, Dogmat. I. S. 267.

s) y.xi évlucxTÖxi toquot; xxivov xvOpwirov tov kxtx êsov xtiïÓsvtx su Sixjucrvyy y.xi ÓTiÓTyrt rifc xhyfaixs.

-ocr page 903-

§ 8. IimUGlIElU EN RECHTVAARDIGHEID»

meer en meer in, door en over geheel den mensch moet uitbreiden. Geschapen naar God, als het voorbeeld. Geschapen in (bezit van, aangedaan met) ivare rechtvaardigheid en heiligheid, nauwkeuriger naar den grondtekst : in rechtvaardigheid en heiligheid der waarheid, i) dat wil zeggen: die aan de erkende waarheid, de Goddelijke zaligmakende waarheid welke in Christus is, eigen zijn en er uit voortvloeien. Door de uitdrukking naar God geschapen stelt de Apostel deze schepping van den nieuwen mensch gelijk aan de schepping der eerste men-schen Gen, 1 : 27 : dus waren ook dezen , voordat de zonde in de wereld kwam, als zondeloozen in rechtvaardigheid en heiligheid der waarheid1); der waarheid hun ingeschapen, tegendeel van dwaling en leugen en van enkel vertoon en schijn zonder werkelijkheid. Rechtvaardigheid beteekent hier de rechte verhouding in hot algemeen ook jegens elkander ; deze wordt door de heiligheid in betrekking tot God gesteld, als Gode gewijd en op zuivere liefde Gods gegrond s).

Deze staat der rechtheid sloot niet in de onmogelijkheid om te zondigen ; het was tegelijk een staat van beproeving.

Socinus maakt de tegenwerping: ware de mensch werkelijk van nature door zijne schepping wijs, heilig en recht-

\') De bijgovoegdo gonitivus rifa drukt niet alleen do

hoedanigheid der rechtvaardigheid uu heiligheid uit, maar tevens hare bron; is niet slechts als adjectief {\'xh\'/iósï) op te vatten. 2) Dit erkent ook Meijer , Kommentar. zu Bph. 4. 24. :l) De Moor, Commentar. III. p. 32 : sanctitas ad Doum, justitia ad homines ; sanctitas ad internum uuimi decus , justitia ad conformitatem cum loge; vel sanctitas ad constitutionem animi, justitia ad opera externa referri potest.

873

-ocr page 904-

874 § 8. HEILIGHEID EN UËCUTVAARDIGHEID.

vaardig geweest on aldus aan geene dwaling en aan geene weerspannigheid des vleesches onderhevig, dan hadde hij niet kunnen zondigen. Maar deze sluitrede is voorbarig. Immers dit alleen ligt er in: hij hadde kunnen niet zondigen, „kunnende met zijnen wil in alles overeenkomen met den wille Gods,quot; i) maar geenszins Aaihi] niet hadde kunnen zondigen, wijl geen schepsel onveranderlijk kan geschapen worden en dus de wil en het vermogen om niet te zondigen door een tweede werking Gods, door zijnen voort-gaanden invloed moet onderhouden en onderschraagd worden om niet metterdaad te zondigen. De mensch voor den val was niet als de verheerlijkte in den hemel, maar in eenen staat, waar hij naar Gods wijzen raad op een beslissende proef zou worden gesteld, hetwelk niets beteekende, wanneer God hem niet de vrijheid verleende om te kiezen. Dat de geheiligden in Christus niet geheel kunnen afvallen is nieuwe genade1). Adam was in eenen veranderlijken staat.

§ 9. Onsterfelijkheid.

Geen zonde, geen dood. In den staat der rechtheid was de mensch aan geen ziekte of dood onderworpen. Hadde hij niet gezondigd, hij zou „niet gestorven zijn, maar te zijner tijd met lichaam en ziel ten hemel zijn gevaren,quot; 2)

1

\'2) Zie hiorbovon bl. 849. P. Van Mastricht, Godgel. II. p. 108. H. De Moor , Commcntar. in Marok. III. p. 34.

2

) Brakel, Kedol. Godsd. I. Cap. X. § XXXIII. P. Van Mastricht, Godgel. II. p. 193. Calvin. (Jommeutar. iu Gen. 2 : 16 sq. : Adam totus (naar ziel en lichaam) a movte erat im-munis. Teirona quidem vita illi fuisset temporalis : in coclum

-ocr page 905-

§ 9. ONSTEIIFKLUKHEID,

eene scheiding der ziele van haar lichaam hadde geen plaats gevonden.

Dit lijdt geene tegenspraak. De Schrift leert het. Want op dtó zonde alleen was door God de dood als straf gedreigd Gen. 2: 17 en werd daarna door Hem over de gevallenen bij vonnis uitgesproken Gen. 3 : 19. En de dood wordt Rom. 5: 12 gezegd door mxAAeX van de zonde in de wereld te zijn gekomen en wordt Rom. 6 : 23 genoemd de bezolding der zonde, haar vrucht en haar loon.

De Pelagianen beschouwden den lichamelijken dood niet als straf der eerste zonde, maar als natuurlijke noodzakelijkheid i).

De Socinianen leerden : de mensch heeft van natuur niets gemeen met de onsterfelijkheid ; uit stof geformeerd, is hij sterfelijk geschapen. Niet, dat hij noodzakelijk sterven moest, maar door zijne natuur was hij den dood onderworpen en kon van den dood niet altoos vrij blijven dan alleen door de Goddelijke genade, die hem in en met de schepping zelve niet was geschonken2). Waarbij zij zich beroepen op 1 Kor. 15 : 22 en 2 Tim. 1 : 10, dienende om Christus als den eigenlijken veroorzaker van het leven en als den eersten verkondiger van de onsterfelijkheid s) te doen kennen, waarmede dan weer de dwaling is verbonden dat Hij, ook indien er niet gezondigd ware, in de wereld zou zijn gekomen.

Ook de Remonstranten verzekerden : „Het is onwaar ,

tamon sine intevitu ot illaosus migrasset. De Moor, Comment. 111. p. 82. H. Witsius, Do Ooconom. Poeder. L. I. Cap. IV. § 9.

\') Hagenhach, Dogmeugosch. Dritte Aufl. S. 245.

\'2) Catechesis Racov. ed Oederus. 1739. p. 47. 53.

3) Ila/jenbach , üogmongosch. S. 572.

873

-ocr page 906-

§ 9. ONSTERFELIJKHEID.

dat Adams lichaam onsterfelijk, d. i. onverderfelijk is geweest: „dat ieder dierlijk lichaam verderfelijk is , leert de rechte redequot;\'). Vlak tegen Rom. 8: 20 , 21.

Onze rechtzinnige Godgeleerden hebben niet nagelaten den grond van deze dwaalleer bloot te zeggen. Want waarom leerde men zoo ? Het was om de kinderen van de erfzonde vrij te pleiten, om niet te moeten erkennen dat de dood van kleine kinderen hunne erfschuld bewees. Ook was het om niet te moeten toestemmen, dat Christus den dood heeft ondergaan als straf voor de zonde. Want , zeicle men, Christus heeft al de gevolgen der zonde weggenomen ; maar den dood heeft Hij niet weggenomen: dies was de dood niet een gevolg van de zonde maar van de natuur: De waarheid is : Christus heeft voor zijn volk den dood weggenomen als straf, als vloek, en hem tot eene weldaad gemaakt, tot een zegen, tot een doorgang ten eeuwigen leven. Joh. 11 : 25, 26.

Tevergeefs beroept men zich op Gen. 3 : 1£ : gij zijt stof en gij zult tot stof wederlceeren. Maar dit houdt geenszins2) in dat de mensch naar zijne natuurlijke gesteldheid onvoorwaardelijk sterven moest; veelmeer hot wijst hem, nadat hij aan den dood was vervallen, de manier van zijn uiteinde aan wat het lichaam betreft: hel zou tot stof vergaan. Dit kwam overeen met den oorsprong en aard des lichaams en \'t was eene verootmoedigende herinnering daaraan : hot was immers ook uit de aarde genomen ; maar geenszins was het een noodzakelijk gevolg hiervan: want

\') Apolog. Confess. Kemonstr. bij Winer, Compar. Darstoll. p. 52. Da Moor, Commentar. III. p. 44.

-) Gelijk ook wordt toegestemd door Oehler, Theol. d. A. T. I. S. 239. § 72.

876

-ocr page 907-

§ 9. ONSTERPEU,IKHEID.

eerst na de zonde werd over dit aardsche wezen het vonnis des doods uitgesproken. Tn zondeloozen staat \'kon de mensch onmogelijk sterven , vanwege de Goddelijke bepaling , dat hij sterven zou wanneer hij zondigde, dus leven wanneer hij gehoorzaam bleef.

Nog brengt men ijdellijk in, dat de mensch ook voor den val toch voedsel genieten moest en genoot, tot onderhouding van het lichaam. Maar dit diende juist als het door God verordende en gezegende middel om den dood af te weren en niet als bewijs van een aanstaanden dood. God kon door middelen en zonder middel hot lichaam sterken dat het niet verviel.

Het was intusschen geene onafhankelijke en onvoonvaar-delijke onsterfelijkheid. Die is alleen aan God eigen, omdat Hij van en door zich zeiven bestaat, waarom Hij geroemd wordt als die alleen onsterfelijkheid heeft I. Tim. 6: 16. Des menschen onsterfelijkheid was geheel a/7tan-kelijk van God en stond onder de voorwaarde van gehoorzaamheid. Zoolang hij dus aan het Goddelijke gebod gehoorzaam bleef, was het leven hem verzekerd , was niet alleen de dood voor hem geene noodzakelijkheid maar zelfs onmogelijk. Dies mogen wij zeggen, de mensch had kunnen niet sterven en: hij zou niet gestorven zijn indien hij niet gezondigd had\'). Zonder zonde geen dood , geene

1) March , Meroh p. 396. P. Van Mastricht, Godgol. 11. p. 102. 109 v. De Moor, Commontar. III. p. 41. Sten hoeft hierbij onderscheiden ; non posse mori , jwsse non mort, non posse non mori. Het oersto: non posse mori, do onmogelijkheid om to sterven, is voor de zaligen ; het tweedo , posse non mori, do mogelijkheid om niet te sterven, had Adam voor den val, (doch zie hierboven) ; hot derde , non posse non mori, de noodzakelijkheid om te sterven , ligt op alle zondaren.

877

-ocr page 908-

878 g 10. LEVENSREGEL.

ziekte, geen lijden: want God is goed. Maar op ongehoorzaamheid verstoring en smart: wan t Hij is rechtvaardig.

§ 10. Levensregel.

De algemeene regel voor den mensch was de ivet der liefde , die hem door God was ingeschapen.

Als redelijk schepsel moest de mensch eene wet van God hebben, eenen regel door God gesteld, met gezag en verbindend voor zijn leven en voor al zijn doen, inwendig en uitwendig , uitdrukking van den heiligen wille Gods. Want hij zou zijnen Schepper en Heere dienen en verheerlijken : dat kon hij niet, zoo hij diens wil niet kende. Hij kende Gods wil en hij was er mede vereenigd. Daar was eerst niets wat eene scheiding maakte. In geheel zijn bestaan afhankelijk van God „had hij in zijne volmaaktheid eenen band en regel, waarnaar zijne natuur en daden bestierd moesten worden, dat is eene wel. Deze wet was in Adams natuur, zoodat hij niet als een onwetende behoefde na te speuren, wat hij doen en laten moest of als een zwakke bekommerd moest zijn dat hij niet elders door zijne begeerlijkheden afgetrokken werd: want èn kennis van èn gelijkvormigheid met de wet was in zijne natuur ingedrukt.quot; \')

Wat was Adams wet in zijne volmaaktheid ? Ongetwijfeld de volmaaktste en dat is de wet der liefde. Liefde is de hoogste wet, is de hoofdsom, inhoud, kern en ziel van alle geboden. Gelijk de één bij alle getallen ten gronde ligt en hoeveel en hoever men ook telle toch ieder tal slechts eene vermenigvuldiging en uitbreiding is van de één : zoo

\') Brdkel, Redel. Godsd. I. n. 289. Marei:, Meroh p. 403.

-ocr page 909-

§ 10. LEVENSREGEL,

is liefde de fuudatnenlale eenheid van al de bevelen Gods.

Dat heeft Jezus met nadruk verklaard Matth. 22: 37—40. De Joden telden 613 voorschriften van Mozes en wel 305 verboden, 248 geboden. Een wetgeleerde vraagt den Heere: welk is daarvan het allervoornaamste ? Jezus antwoordt v. 37 : Gij zult liefhebben den Heere uiren God met geheel uw hart en met geheel uwe ziel en met geheel uw verstand. 38. Dit is het eerste en groote gebod, hoofdsom van al de geboden der eerste wetstafel. 39. En het tweede, dezen hierin gelijk dat het evenzoo de tweede tafel samen bevat, is: gij zult uwen naaste liefhebben als u zeiven. 40. Aan deze twee geboden hangt de gansche wet en de Profeten. Dus twee geboden die echter wederom één zijn doordat zij beiden liefde eischen: liefde jegens God en den naaste; jegens God (niet slechts boven alles en allen maar) met het gansche hart, geheel en alleen; jegens den naaste, niet om ons zeiven, dat is slechts bedekte eigenliefde, maar aZs ons-zelven, om Gods wille en door de liefde Gods geleid. Waar die liefde woont, daar is geen doodslag, geen echtbreuk, geen diefstal, geen leugen, geen gierige begeerte. Gelijk de Apostel spreekt Rom. 13 : 10 : De liefde doet den naaste geen kwaad. Zoo is dan de liefde de vervulling der ivet. Dat leert het Oude Testament\') zoowel als het Nieuwe. In de Tien geboden zelve betuigt de Heere, dat Hij barmhartigheid wil doen aan degenen die Hem liefhebben.

87(J

Dienvolgens is door veie onzer oude Godgeleerden beweerd en aangedrongen : dat Adam gehad heeft de wet der Tien geboden, zooveel den inhoud aangaat, voor den val bij hem in kracht, na den val krachteloos geworden (Rom. 8 : 3),

\') Dr. Ad. Wnttke, Handb. dor Christl. Sittonlehro 1. S. 102 f.

-ocr page 910-

§10. LEVENSREGEL.

880

op Sinaï luisterrijk afgekondigd , waarvan het wezenlijke nog in de redelijke natuur des menschen is gelegen. Want wanneer de Heidenen, die de wet niet hebben, van nature de dingen doen die der wet zijn, dezen, de iret niet hebbende, zijn zich zeiven eene wet, als die betoonen het werk der wet geschreven in hunne harten, hunne conscientie medegHuigende en de gedachten onder elkander hen beschuldigende of ook ontschuldigende. Rom. 2 : 14, 15 lt;). Wat de Apostel daar van den bedorven mensch zegt, dat moet in volle kracht geweest zijn in den reinen mensch. Door bijzondere openbaring wist Adam voor den val ook van den zevenden dag als gezegenden en geheiligden rustdag. Bovendien ontving Adam eene stellige wet aangaande den boom der kennisae des goeds en des kwaads.

§ 11. Het proefgebod.

Behalve de ingeschapene natuurwet gaf God dan nog een bijzonder gebod. Hij nam den mensch en zette hem in den hof Eden, om dien te bouwen en dien te bewaren. Toen, voor de schepping der vrouw, stelde Hij aldaar den mensche eene wet en verkondigde ze aan Adam, in wien geheel de menschheid was begrepen, om hem te beproeven. Gen. 2: 16: En de Heere God gebood den mensche zeggende: Van allen hoorn dezes hofs zult gij vrijelijk eten ; 17. Maar van d*n boom der kennisse des goeds en des kwaads, daarvan zult gij niet eten : want ten dage als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven.

\') Marde, Merch p. 403. Brakel, Redcl. Godsd. I. p. 291. De Moor, Comraentar. III. p. 69. Eerste Hoofdstuk van dit Leesb. § 12.

-ocr page 911-

§ 11. HET PROEFGEBOD.

Het is de Heere God , Jehovah Elohim, die hier spreekt. Deze naam heeft nadruk en gewicht. God wordt daardoor gekenmerkt als Verbondsgod. Van den beginne af handelt Hij met den mensch verbondsgewijs. Een verbond eischt en veronderstelt wederkeerigheid en regelt de verhouding wederzijds, van beide kanten, van beide partijen, in-tusschen bij het verbond Gods met de menschen gaat alle bepaling alleen van God uit, gelijk van Hem alleen ook alle kracht is en de wil des menschen moet zich naar Hem voegen. De mensch heeft dus daarbij niet mee te spreken, heeft niets te zeggen. God spreekt, de mensch moet hooren. God contracteert niet met den mensch, zijn verbond is geen contract.

De Heere God sprak tot Adam. Gelijk een Vader bezocht de Schepper zijn kind en leidde en leerde diens buigzamen geest met het woord zijns monds. God sprak, Adam hoorde, hoorde God spreken en leerde daardoor zelf spreken. Spraak door gehoor. Tusschen beiden is een nauw verband. Geen spraak zonder gehoor. God sprak tot den mensch en de mensch sprak. Van het geluid der dieren kon de mensch geen spreken leeren \')•

Wat sprak de Heere God ? Eerst geeft Hij, dan eischt Hij op grond van zijne gaven. Eerst eene vergunning, dan een verbod.

881

Eene vergunning: om van allen boom des hofs vrijelijk te eten. En niet slechts vergunde Hij dit, maar zelfs gebood Hij het. Gewichtig! De Heere zegt: Ik geef u dit alles, neem, eet van al deze volheid. Hij gebood het. Eigenwillige onthouding van geoorloofd genot verwekt neiging tot

5C

1) Vergui. Schroder zu Gen. 2. 16. G^•ayemeij»l, , Gerof. Gel. leer.

-ocr page 912-

§ 11. HET I\'ROEFGEGOft.

verboden genot. Het was tevens voor Adam eene herinnering dat hij wat hem verboden werd niet noodig had gt;)•

Dan het verbod. Niet tot inkrimping en bekorting van \'s menschen genoegen en genot, maar als heilzaam perk voor zijne vrijheid, om hem te beproeven. Maar van den boom der Tcennisse des goeds en des kwaads1) , daarvan zult gij niet eten.

Zeker heeft de Heere Adam dezen boom aangewezen, zeggende : Hiervan zult gij niet eten! en heeft zelf dezen boom den naam gegeven, aan Adam verklarende: dit is voor u do boom dor kennisse des goeds en des kwaads. Dus genoemd, niet als of de vrucht dezes booms de natuurlijke kracht had om des menschen kennis te vermeerderen en het gebruik der rede en des vrijen wils te bespoedigen, naar de ket-lerscho leer van sommigen reeds in vroeger tijd 3).: dat de mensch alleen door het eten van dezen boom tot zelfbewuste vrije ontwikkeling heeft kunnen komen. Even dwaas als de stelling van nieuweren : dat de zonde een noodwendig doorgangspunt tot het goede was. — Ook gaf God er dezen naam niet aan bij vooruitneming s) wegens de leugenbelofte van alwetendheid, waardoor de slang daarna Eva heeft verleid Gen. 3:5. Maar alleen omdat het een proef-boom was, waaraan de mensch zich oefenen zou en waaraan hij ondervindelijke kennis van goed en kwaad zou ver-

882

1

) 3112 njnn LXX : awrs tov tcü yivurxsiv

-ocr page 913-

§ 11. llET PROKFGEBOD. OE BOOM.

krijgen. Het goede zou hy er aan leeren doen door er niet van te eten ; het kwade, hetwelk hem hier voor het eerst als van verre word getoond , namelijk om zich er voor te wachten, zou hij er helaas aan leeren, wanneer en doordat hij er van aM).

Het heeft den groeten Schepper goed gedacht, zijne redelijke schepselen op eene proef te stellen. Bij de Engelen geschiedde dit op eene ons onbekende wijze ; slechts eenige wenken geeft ons de Schrift daarvan1). Bij de menschen deed Hij het door oenen boom , door dezen éónen boom , welken Hij zelf den boom der kennisse des goeds en des kwaads noemde.

Langs dezen weg kon de Schepper daarna zijne rechtvaardigheid openbaren en zijne genade. Hadde Hij de redelijke schepselen aanstonds in eenen vasten en onverander-lijken staat geplaatst, zonder beproeving en zonder de mp-gelijkheid van feil en val, dan hadde Hij alleen zijne goedheid geopenbaard, maar niet zijne rechtvaardTgheid en genade. Deze echter werden openbaar, zijne rechtvaardigheid, wanneer het schepsel eene verzoeking was doorgegaan en alsdan of zijne trouw gekroond of zijne ontrouw gestraft werd 3); zijne genade wanneer Hij schuldigen kwijtschold en door eigen schuld ellendig gewordenen verloste.

De verboden boom diende dus voor onze eerste ouders tot beproeving van hunne gehoorzaamheid, die bestaan moest in vrijwillige, lievende onderwerping aan den uitgedrukten wille Gods, en van hun vertrouwen dat hetgeen Hij bepaalde

883

1

) Zio Zesde Hoofdstuk van dit Loesb. bl. 717.

-ocr page 914-

§11. HET I\'ROEFGEROl).

verboden genot. Het was tevens voor Adam eene herinnering dat hij wat hem verboden werd niet noodig had gt;).

Dan het verbod. Niet tot inkrimping en bekorting van \'s menschen genoegen en genot, maar als heilzaam perk voor zijne vrijheid, om hem te beproeven. Maar van den boom der kennisse des goeds en des kwaads*), daarvan zult gij niet eten.

Zeker heeft de Heere Adam dezen boom aangewezen, zeggende : Hiervan zult gij niet eten! en heeft zelf dezen boom den naam gegeven, aan Adam verklarende : dit is voor u de boom dor kennisse des goeds en des kwaads. Dus genoemd, niet als of de vrucht dezes booms de natuurlijke kracht had om des menschen kennis te vermeerderen en het gebruik der rede en des vrijen wils te bespoedigen, naar do ket-tersche loer van sommigen reeds in vroeger tijd 3).: dat de mensch alleen door het eten van dezen boom tot zelfbewuste vrije ontwikkeling heeft kunnen komen. Even dwaas als de stelling van nieuweren \'i): dat de zonde een noodwendig doorgangspunt tot het goede was. — Ook gaf God er dezen naam niet aan bij vooruitneming\') wegens de leugenbelofte van alwetendheid, waardoor de slang daarna Eva heeft verleid Gen. 3:5. Maar alleen omdat het een proef-boom was, waaraan de mensch zich oefenen zou en waaraan hij ondervindelijke kennis van goed en kwaad zou ver-

882

-ocr page 915-

§ 11. lt;1ET PROKFGEBOD. bE BOOM.

krijgen. Het goede zou hij er aan loeren doen door er niet van te eten ; het kwade, hetwelk hem hier voor het eerst als van verre werd getoond , namelijk om zich er voor te wachten, zou hij er helaas aan leeren, wanneer en doordat hij er van at\').

Het heeft den grooten Schepper goed gedacht, zijne redelijke schepselen op eene proef te stellen. Bij de Engelen geschiedde dit op eene ons onbekende wijze; slechts eenige wenken geeft ons de Schrift daarvan1). Bij de menschen deed Hij het door eenen boom, door dezen éénen boom , welken Hij zelf den boom der kennisse des goeds en des kwaads noemde.

Langs dezen weg kon de Schepper daarna zijne rechtvaardigheid openbaren en zijne genade. Hadde Hij de redelijke schepselen aanstonds in eenen vasten en onverander-lijken staat geplaatst, zonder beproeving en zonder de mogelijkheid van feil en val, dan hadde Hij alleen zijne goedheid geopenbaard, maar niet zijne rechtvaardTgheid en genade. Deze echter werden openbaar, zijne rechtvaardigheid, wanneer het schepsel eene verzoeking was doorgegaan en alsdan of zijne trouw gekroond of zijne ontrouw gestraft werd 3); zijne genade wanneer Hij schuldigen kwijtschold en door eigen schuld ellendig gewordenen verloste.

De verboden boom diende dus voor onze eerste ouders tot beproeving van hunne gehoorzaamheid, die bestaan moest in vrijwillige, lievende onderwerping aan den uitgedrukten wille Gods, en van hun vertrouwen dat hetgeen Hij bepaalde

883

1

) Zio Zesde Hoofdstuk vau dit Loesb. bl. 717.

Roos, Einloit. ia dio bibl. Gesch. I. § 71.

-ocr page 916-

884 § 11. HET PROEFfiEHOD. DE DOOD GEDREIGD.

goed voor hen was. Tot betooning van hunne afhankelijkheid. Door niet te nemen van den verboden boom, hoe schoon zijne vrucht ook mocht zijn, toonden zij dat zij onderschikt waren en hunne verplichting jegens Hem erkenden van wien zij alles hadden. Eindelijk tot dienstbewijs ook in het uitwendige. De Heere wil ook uitwendig gediend worden ; niet als wierd Hem daardoor iets toegebracht , maar om uit te drukken wat in het harte is.

Hij had ook een ander voorschrift kunnen geven. Maar hetgeen Hij gaf was gepast. Want het raakte do eerste behoeften des menschen, het onderhoud en genot voor het lichaam. En het was niet te zwaar. God had den mensch zooveel gegeven: veel kon Hij van hem eischen ; maar Hij eischte weinig: onthouding van een eenigen boom. Een verbod, niet een gebod van een of andere daad gaf Hij, wijl een verbod het meest geschikt is tot beproeving en voor den reinen mensch het eenige middel was om hem een denkbeeld van kwaad te geven en hem goed en kwaad te doen onderscheiden.

De Opperheer en Wetgever heeft het proefgebod aangebonden en ingescherpt met bedreiging van de straf des doods op ongebquot; zaamheid : Want ten dage als gij daarvan eet, zuu yij den dood sterven \').

Socin- .uen, die leeren dat de mensch gestorven zou zijn al hadde hij niet gezondigd, verstaan door den gedreigden dood niet den dood zeiven, maar de eeuwigheid van den

«)■ mon nlü DVaa In LXX is het pln-

ralls: ^ «v \'WtsVf Cpccy^rs onv\' «ütcD, QxvxTy SnroCoivsluös. Den dood sterven wil zoggen naar het Hobr. taiileigou ; zeker, onvurmijdoljjk sterven. Ewald, Hebr. Gr. § 54. 1.

-ocr page 917-

§ 11. HET PU0EFGE130U. UE UOOD GEDREIGD. 885

dood , zoodnt de zin zou zijn : indien gij van den boom eet, zult gg , natuurlijk gestorven zijnde , altijd in dien dood moeten blijven. Deze eeuwige dood is hun echter een eeuwig niet zijn, evenals van de beesten •).

Met den dood is hier eerst en eigenlijk de lichamelijke dood bedoeld. Dat blijkt uit het vonnis Gen. 3 : 19. „In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, tot dat gij tot de aarde wederkeert waaruit gij genomen zijt: ivavt gij zijt stof en gij zult tot stof wederkeeren.quot; Hier wordt duidelijk de dood, het vergaan van het lichaam, als doel en toppunt der straf op de zonde aangekondigd ; hier zegt de Heere , waarop de straf zou uitloopen, waarin de straf zich zou voltooien.

Wel heeft Adam 930 jaren geleefd. Maar dit strijdt niet tegen de woorden : ten dage als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven. Want deze uitdrukking is niet zoozeer eene tijdsbepaling, maar geeft met kracht te kennen het onmiddelijke en onafscheidelijke verband tusschen eten en sterven 2), even als aan het uitgaan van Simeï uit Jeruzalem zijn dood onafscheidelijk was verbonden, naar Salomo\'s woord 1 Kon. 3 : 37 : „Want het zal geschieden uws uitgaans als gij over de beke Kidron zult gaan, weet voorzeker dat gij den dood sterven zult, uw bloed zal op uwen kop zijn.quot; Van stonden aan was hij een man des doods. Zoo Adam. Tenzelfden dage toen hij de verboden vrucht at, ja in hetzelfde oogenblik werd hij (en hij niet

\') Fr. Ridderus, Apollos. 1665. I. p. 26. Cateches Racov. cd. Oederus p. 54 sq.

-) Odder, Theologie dos A. T. I. S. 253. Fr. Ridderus, Schriftuurlijk Licht. 1675. 1. p. 33. Dc Moor, CommuDtar. lil. p. 89. sq. P. Vein Mastricht, Godgcl, II. p. 194i

-ocr page 918-

884 § 11. HET 1\'ROEPGEBOD. DE DOOD GEDREIGD.

goed voor hon was. Tot betooning van hunne afhankelijkheid. Door niet ie nemen van den verboden boom, hoe schoon zijne vrucht ook mocht zijn, toonden zij dat zij onderschikt waren en hunne verplichting jegens Hem erkenden van wien zij alles hadden. Eindelijk tot dienstbewijs ook in het uitwendige. De Heere wil ook uitwendig gediend worden ; niet als wierd Hem daardoor iets toegebracht , maar om uit te drukken wat in het harte is.

Hij had ook een ander voorschrift kunnen geven. Maar hetgeen Hij gaf was gepast. Want het raakte de eerste behoeften des menschen, het onderhoud en genot voor het lichaam. En het was niet te zwaar. God had den mensch zooveel gegeven: veel kon Hij van hem eischen ; maar Hij eischte weinig; onthouding van een eenigen boom. Een verbod, niet een gebod van een of andere daad gaf Hij, wijl een verbod het meest geschikt is tot beproeving en voor den reinen mensch het eenige middel was om hem een denkbeeld van kwaad te geven en hem goed en kwaad te doen onderscheiden.

De Opperheer en Wetgever heeft het proefgebod aangebonden en ingescherpt met bedreiging van de straf des doods op ongehoorzaamheid: Want ten dage als gij daarvan eet, suit gij den dood sterven \').

Socinianen, die leeren dat de mensch gestorven zou zijn al hadde hij niet gezondigd, verstaan door den gedreigden dood niet den dood zeiven, maar de eeuwigheid van den

0 ■ ni!3n ma ISISD DVaS In LXX is het pin-

t v . i ; t ; •

rails; 57 §\' «v \'mtepcf. Cpiy/js «tt\' ocutcü, dxva.tcfi xiroOmslads. Den dood sterven wil zoggon naar hot Hobr. taaleigen : zeker, onvurmjjdcljjk sterven. Ewald, Hobr. Gr. § 54. 1.

-ocr page 919-

11. HET PUOEFGEBOD. DE DOOO GEDUEIGU. 885

dood , zoodat de zin zou zijn: indien gij van den boom eet, zult gy , natuurlijk gestorven zijnde, altijd in dien dood moeten blijven. Deze eeuwige dood is hun echter een eeuwig niet zijn , evenals van de beesten i).

Met den dood is hier eerst en eigenlijk de lichamelijke dood bedoeld. Dat blijkt uit het vonnis Gen. 3 : 19. „In hot zweet uws aanschijns zult gij brood eten, tot dat (jij tot de aarde wederkeert waaruit gij genomen zijt: ivant gij zijt stof en gij zidt tot stof wederkeeren.quot; Hier wordt duidelijk de dood, het vergaan van het lichaam, als doel en toppunt der straf op de zonde aangekondigd ; hier zegt de Heere , waarop de straf zou uitloopen, waarin de straf zich zou voltooien.

Wel heeft Adam 930 jaren geleefd. Maar dit strijdt niet tegen de woorden : ten dage als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven. Want deze uitdrukking is niet zoozeer eene tijdsbepaling, maar geeft met kracht te kennen het onmiddelijke en onafscheidelijke verband tusschen eten en sterven 2), even als aan het uitgaan van Simei uit Jeruzalem zijn dood onafscheidelijk was verbonden, naar Salomo\'s woord 1 Kon. 2 : 37 : „Want liet zal geschieden (fou/e uws uitgaans als gij over de beke Kidron zult gaan, weet voorzeker dat gij den dood sterven zult, uw bloed zal op uwen kop zijn.quot; Van stonden aan was hij een man des doods. Zoo Adam. Tenzelfden dage toen hij de verboden vrucht at, ja in hetzelfde oogenblik werd hij (en hij niet

\') Fr. Ridderus, Apollos. 1G65. I. p. 26. Cateches Racov. ed. Oederus p. 54 sq.

2) Oehler, Theologie dos A. T. I. S. 253. Fr. Ridderus, Schriftuurlijk Licht. 1675. 1. p. 33. Dc Moor, Commoutar. III. p. 89. sq. P. Van Mastricht, Godgol. II. p. 104.

-ocr page 920-

8S6 § 11. het proefgebou. de dood gediieigd.

alleen gelijk de Remonstranten leerden, maar in hem mede al zijne nakomelingen) aan den dood als straffe onderworpen en zijn leven was van toen af een gestadige dood.

De kracht om te dooden lag niet in de vrucht des booms, gelijk sommigen hebben gedacht, die den boom vooreen giftboom gehouden of aan zijne vrucht althans eene kracht hebben toegeschreven om de zielsstemming des menschen te verstoren , gelijk de wijn by den tweeden stamvader Noach. \') Men heeft zulks uit de tegenstelling van den boom des levens Gen. 3 : 22 willen afleiden. Geheel verkeerd.2) Immers de proefboom draagt niet in tegenstelling tegen den boom des levens den naam boom des doods, maar boom der kennisse des goeds en des kwaads. De dood is niet als eene werking van de vrucht des booms, maar als straffe op het, eten gedreigd. „De boom des levens maakt levend uit kracht des woords, hetwelk dit alzoo toezegt en ordineert. De boom echter der kennisse des kwaads en goeds doodt ook uit kracht des woords, door hetwelk verboden wordt daarvan te eten.quot; (Luther.J

De gedreigde dood is dan in de eerste plaats de lichamelijke dood. Doch niet alleen en afzonderlijk, maar met al zijne voorboden en zijnen nasleep, dus mede het ver-

\') Ook Itoos , Einleit. § 74. I. S. 119. En Lange, lübohvcrk Genos. S. 67.

■•!) Zio De Moor, Commentar. III. p. 88: Nitzsch, Systom. § 117. Calvin. Commentar. in Gen. 2: 16 sq.; Men moet bezien wat de oorzaak des doods is, namelijk de vervreemding van God. Hieruit volgt dat in den naam dood samengevat worden al die ellenden, in welke Adam door zijnen afval van God, de fontein des levens , zich verwikkeld heeft. Belangrijk is wat hierover geleerd wordt door August in. Do Civ. Dei Lib. XIII. Cap. XII. P. Van Mast richt, Godgel. II. p. 193.

-ocr page 921-

§ 11. HET PROEFGEBOD. DE DOOD CiEUliEiGD, 887

deri\' der ziel. Onze Staten-vertalers teekenen op Gen. 2: 17 te recht aan: „Verstaat hiermede drieërlei dood:

1. den lichatnelijken met al zijne voorgaande ellenden.

2. Den geestelijken dood der ziel. 3. Den eeuwigen dood, die tegelijk is lichamelijk en geestelijk.quot;

§ 12. Het leven beloofd.

In de dreiging was eene belofte begrepen. Want bleef do monsch gedurende den proeftijd gehoorzaam, dan trof hem de gedreigde straffe niet, maar het tegendeel viel hem dan te beurt. Hoewel dan God niet met uitgedrukte woorden eene belofte gaf, mogen wij toch met zekerheid zeggen : Was ongehoorzaamheid met den dood bedreigd, zoo stond op gehoorzaamheid het leven en wel in even dien uitgestrekten zin als deszelfs tegendeel, de dood: lichamelijk leven , geen scheiding ooit tusschen ziel en lichaam, geen verderving des lichaams , geestelijk, het leven Gods in de ziel en eenwig in de volmaaktste genieting van den volzaligen God zonder einde.

Reeds het natuurlijke geweten leert dat God niet vergeefs wil gediend zijn i). Het is en blijft den mensch ingedrukt dat er belooning is voor het goede, gelijk straf voor het kwade. Hoe veel duidelijker en krachtiger moet deze bewustheid geweest zijn in den reinen mensch !

Voorts, op de wet der Tien geboden is de belofte het leven. Want Mozes beschrijft de rechtvaardigheid die uit de wet is, zeggende: De mensch die deze dingen doet, zal door dezelve leven. Rom. 10 : 5. En Jezus sprak tot den

1) II. Witsius , Do Oocon. Foodor. L. I. Cap. IV. § 2.

-ocr page 922-

§ 12. HET LEVEN BELOOFD.

rijken jongeling Matth. 19: 17: Wilt gij in het leven in-yaan, onderhoud de cjehoden. En Paulus zegt Rom. 7 :10 van het gebod, dat het ten leven was, terwijl nu het helaas, krachteloos door het vleesch, ten doode werd bevonden. De wet der Tien geboden echter was, wat den hoofdinhoud betreft, Adams wet, gelijk boven is aangetoond. Deze wet was als geconcentreerd, samengetrokken in het proefgebod en in het gehoorzamen van dit moest juist hare onderhouding blijken. En daaraan hing het leven.

Het leven was dus de voorgestelde belooning op gehoorzaamheid. Doch , gelijk onze oude Godgeleerden te recht herinneren , niet eene belooning of verdienste naar waardigheid. Want wat kon de mensch verdienen , daar hij al zijne krachten van God had en het werk , de gehoorzaamheid geheel niet was te waardeeren bij het beloofde goed , hot eeuwige zalig en heerlijk leven ? Maar het was eene belooning volgens verbond, vrljgunstig toegezegd en met de goedheid Gods en des menschen geluks-begeerte overeenkomende en die Adam verkregen zou hebben , „indien hij in betrachting van zijnen plicht volstandig ware gebleven\').quot;

Onze Staten-vertalers, die anders niet van een „werkverbondquot; met Adam spreken, gewagen toch in den Inhoud van het Nieuwe Testament van het Oude Verhond1), „hetwelk

\') Marck, Merch p. 405. Idem, Compond p. 256: — mo-ritum ex oondigno nullum, sod tautum ex pacto : qaam maximo Deo ot roi congruo , quale Adamo, si porstitisset, audactor tri-buimus. De Moor, Comiuenlar. III. p. 83.

2) Intusschen overwego men hierbij wat in het Tweede Hoofdstuk van dit Leesboek § 10 van de schriftuurlijke beteekenis des woords Verhoud eu van Oud eu Nieuw Verbond is gezegd, waar-

888

-ocr page 923-

§ 12. HET LEVER BELOOFU.

God gemaakt heeft met den eersten mensch voor den val, waarin het eeuwige leven beloofd wordt onder conditie van eene gansch volkomene gehoorzaamheid en onderhouding der wet en daarom genaamd wordt het Verhond der wet, hetwelk God den Israëlieten wederom voorgehouden l.-eett, opdat zij daaruit zouden leeren verstaan, dewijl deze conditie bij alle menschen overtreden is en nu van geen mensch volbracht kan worden, dat zij hunne zaligheid moeten zoeken in een ander Verbond, hetwelk het Nieuwe genaamd wordt en daarin bestaat, dat God zijnen Zoon tot eenen Middelaar verordineerd heeft en het eeuwige leven belooft onder conditie dat wij in Hem gelooven, en wordt genaamd het Verhond der Genade.\'quot;

§ 13. De boom des levens.

De belofte van het leven werd nader bevestigd door den hoorn des levens, die vdor den mensch, ware hij onder de beproeving staande gebleven, een Goddelijk pand van leven en zegen zou zijn geweest.

De boom des levens stond in het midden des hofs. Daar stond ook de proefboom (Gen. 3: 3). Wij lezen Gen. 2: 9: „En de Heere God had alle geboomte uit het aardrijk doen spruiten , begeerlijk voor het gezicht en goed ter spijze , en den hoorn des levens i) in het midden van den hof en den boom der kennisse des goeds en des kwaads.quot;

uit men kau nagaan mot wolk rooht do Staton-vortalors don naam Oud Vorb. hobbon overgedragen op het verbond met Adam voor den val.

\') lxx : to rijs Vulgata; lignum

vitae.

889

-ocr page 924-

§13. DE BOOM DES LEVENS.

De naam hoorn des levens zegt niet dat in de vrucht dezes booms de natuurlijke , medicinale kracht lag om den mensch voor alle krankheden te bewaren en hem levend te houden. Dat is het gevoelen van Roomschen \'), volgens welken Adam, hadde hy na den val maar eens wederom van den boom gesmaakt, volmaakte onsterfelijkheid zou hebben verkregen. Dat stellen desgelijks vele Lutheranen1). Ook de Socinianen schreven aan de vrucht dezes booms de kracht toe om het tijdelijke leven te onderhouden , en daarom verbood God ze aan Adam, want Adam moest sterven, leerden zij.

Men beroept zich voor dit gevoelen bijzonder op hetgeen de Heere na den val sprak Gen. 3 : 22—24. „Toen zeide

890

1

\') Vovgol. Fr. Ridderus, Apollos I. p. 4G.

-ocr page 925-

§13. DE BOOM DES LEVENS.

de Heere God : zie, de mensch is geworden als onzer één, kennende het goede en het kwade : nu dan dat hij zijne hand niet uitsteke en neme ook van den hoorn des levens en ete en leve in eeuwigheid: 23. Zoo verzond Hem de Heere God uit den hof van Eden , om den aardbodem te bouwen, waaruit hij genomen was. 24. En Hij dreef den mensch uit en stelde Cherubim tegen het Oosten dos hofs Eden en een vlammig lemmer eens zwaards, dat zich omkeerde , om te bewaren den weg van den hoorn des levens.quot;

Uit v. 22 blijkt duidelijk, dat Adam den boom des levens nog niet aangeraakt en er nog niet van genomen en gegeten had i). De boom was teeken en zegel van het leven, van het lichamelijke, geestelijke en eeuwige leven, van bestendig en ongestoord paradljsgeluk. Daarvan te eten voegde niet gedurende den tijd der beproeving. Het was voor den overwinnenden Openb. 2 : 7. En na den val was \'t verbeurd.

Sedert den val is de boom des levens een beeld van Gods Zoon, den Levengever. Ook hierin wijst het laatste bock der Heilige Schrift naar het eerste terug. De verhoogde Zaligmaker deed Johannes naar Efeze schrijven Openb. 2:7: „Die ooren (een oor) hoeft die hoore wat de Geest tot de gemeenten zegt. Die overwint, ik zal hem geven le eten van

\') Zoo te recht P. Van Mastricht, Godgel. TI. p. 103 en bijzonder p. 197. Sommige Gereformeerden beweerden het tegendeel; ook March, March p. 408 en De Moor, Commentar. III. p. 101. sq. , in navolging van Calvin. Comment, in Genos. 2:9, 3 : 22. Calvijn zegt op Gen. 2.9: God wilde den mensch, zoovaak hij de vrucht van den boom smaakte , daardoor herinneren, van rvaar hij het leven had, ten einde hij zoude erkennen dat hij niet door eigen kracht maar alleen door Gods weldaad leefde. Deze boom stond daar als een zichtbaar getuigenis van de waarheid , dat ivij in God zijn en leven en ons bewegen.

891

-ocr page 926-

§13. DE BOOM DES LEVENS.

den hoorn des levens*) die in het midden van het paradijs Gods is.quot; Waarbij onze Staten-vertalers aanteekenen; „Het aardsche paradijs wordt genomen als een voorbeeld en schaduw van den hemel of de woonstede der uitverkorenen in den hemel. — De boom des levens is eene schaduw van Christus den auteur des levens, aan hetwelk eeuwige gemeenschap zullen hebben die in het geloof volstandig blijven.quot;

Calvijn keurt het gevoelen van Augustinus en van andere vaderen niet af, dat de boom des levens een beeld van Christus is geweest voorzoover Hij het eeuwige Woord Gods is ; ja, dat de boom niet anders dan door Hem af te beelden een teeken des levens heeft kunnen zijn: wijl in het Woord het leven aller dingen, bijzonder echter der met rede en kenvermogen begaafde menschen besloten was , naar Joh. 1: 41). Vóór den val, zegt Calvijn, had Adam eene levendmakende gemeenschap met God; sedert hij daarvan vervreemd is , heeft hij het leven moeten weder gewinnen in den door de offeranden voorgebeelden dood van Christus, door wiens leven hij vroeger leefde\').

Intusschen dat de boom des levens een beeld was van den Zone Gods, moeten wij niet zoo verstaan als of vóór den val de Zoon Gods meer dan de Vader in dit zinnebeeld werd vertoond en als of de Zoon daardoor als Christus en Middelaar werd afgebeeld.

892

1

) Calvin, Commentar. iu Gen. 2 : 9.

-ocr page 927-

§ 13. DE nOOM DES LEVENS.

893

Veelmeer Adam had met den Drieëenigen God te doen en de Zoon was in zoover voor den val zijne levensbron als Hij is ééns wezens met den Vader en den Heiligen Geest en Hem het leven met beiden gemeen is, maar niet als Middelaar. Na den val is Hij , volgens de belofte Gen. 3; 15 de Middelaar, die alle uitverkorenen uit krachte van zijne verdienste door zijnen Geest volkomen kvend maakt. Eerst na den val gt;) is dus in dezen zin de boom een beeld van Gods Zoon , als den verwerver en gever van het eeuwige leven voor die in Hem gelooven, gelijk ook Spreuk. 3: 18 van de Wijsheid gezegd wordt: Zij is een boom des levens voor allen die ze aangrijpen.quot; En in Christus zijn alle beloften Gods, ook de eerste en oudste die aan Adam gedaan is, ja en amen (2. Kor. 1 : 20).

\') Zoo to rocht P. Van Mastricht, Godgol. II. p. 197. Vor-gol. March, Compend. en Morch. Cap. XIV. § 22. 4. (3. 11. Witsius, Do Oocon. Pooder. p. GO.

-ocr page 928-
-ocr page 929-
-ocr page 930-

\' «1

vjf;

-

m

■ 1/

:

_X

_

I

-ocr page 931-
-ocr page 932-