-ocr page 1-

Henricus EskelliofF Grravemeijer, (jch. 13 April 1813 — overl 5 Dcc. 1890.

Tweede druk.

Op nieuw hevzien en uitgegeven

1gt;R. K. C. ii it ï J-\' it

pred. Utrecht.

DERDE DEEL.

-OOC\'

U T R E C H T ,

H. TEN HOOVJ.

LEESBOEK

-ocr page 2-

Kast 212 i\'l. □ N0.10

-ocr page 3-

v\' ~ \'

-ocr page 4-
-ocr page 5-

LEESBOEK.

OVER DE

GEREFORMEERDE GELOOFSLEER.

in.

-ocr page 6-

RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT

1295 7357

-ocr page 7-

I //1, /amp;. 1.0

LEESBOEK

OVER Dli

BEBEFORMEEBM GELOOFSLEER

DOOK

Henrious EskelliofF Grraveraeijer,

geb. 13 April 1813 — overl. 5 Dec. 1890,

Tweede druk.

.

Op nieuw herzien en uitgegeven

DOOIl

lgt;ii. E. C. MEIJER,

jjred. te Utrecht.

H.

DERDE DEEL.

UTRECHT,

TEN HOOVE.

-ocr page 8-

■ \' ■ I

. : .. ., ■

quot;

....

r - . -

.........

^iii - V

-

.

....

■ ■quot; -----.... \'■ gt;■ • : . . -;i ...... • ■. ■■ \' .

\'

........

•■■.: ...

-ocr page 9-

Inhoud van het Derde Deel.

Hoofdstuk XVII. bl. 1-107.

Wet.

bladz.

1.

Goddelijk richtsnoer.......

1-

- 5

2.

De geopenbaarde wet......

5-

7

3.

Burgerlijke en Ceremonieele wetten .

7-

- 11

4.

Wet der zeden.......

11-

- 13

5.

Tien geboden .........

- 17

6.

Berg der wetgeving.......

17-

- 20

7.

Dag der wetgeving.......

20-

• 21

8.

Twee tafelen.........

21-

■ 25

9.

Eerste wettafel........

25 —

• 49

10.

Tweede wettafel........

49-

■ 77

11.

Hoofdsom..........

78-

84

12.

Christus is de wet.......

84-

■ 89

13.

De geloovige en de wet.....

89—

95

14.

Verschillende verhoudingen tot de wet

95-

107

Hoofdstuk XVIIL bl. 109-174.

Gebed.

1.

Wet en gebed.........

log

110

2.

Bidden ........

in -

117

-ocr page 10-

vm

bladz.

§ 3. Noodig...........117—125

, 4. God alleen aanbiddelijk......125—127

, 5. Aanbidding van den Heere Jezus . . 127—130

„ 6. Het gebed tot den Vader.....130—134

„ 7. Aanroeping der heiligen.....134 — 140

„ 8. Bidgestalte..........140 — 150

„ 9. Zaken...........151—153

n 10. Ter heiligmaking........153—155

„ 11. Het gebed des Heeren......155—162

„ 12. Inhoud . . . ........162—174

Hoofdstuk XiX- bl. 175 267.

Kerk.

§ 1. Naam............175—183

„ 2. Deelen...........183—185

„ 3. Triomfeerende Kerk.......185—189

„ 4. Strijdende Kerk........189—191

„ 5. Leden der strijdende Kerk .... 192 — 193

„ 6. Onzichtbare Kerk........ 193— 201

„ 7. Hare eigenschappen....... 201—203

„ 8. Haar Hoofd.......... 204-216

„ 9. Zichtbare Kerk........216—222

„ 10. Door Christus gesticht......222—227

M 11, Deelen en verdeeldheid...... 227—234

, 12. Oorzaak der Verdeeldheid..... 234 -239

„ 13. Omvang des naams Christelijke Kerk . 239—242

„ 14. Gemeenschap met de Kerk .... 243 — 247

„ 15. Waarom Gereformeerd...... 247—251

„ 16. Verplichting......... 251—254

-ocr page 11-

IX

Mndz.

Geen Zaligmakende Kerk ..... 254—25C Geen Zaligheid uit Kerkelijke gemeenschap 256—260 Persoonlijke taak........ 260—267

Hoofdstuk XX. bl. 269—579.

Sacramenten.

Geordende verscheidenheid ....

269-

-281

Woord en Sacrament......

281-

-288

Beteekenis en doel van Sacrament . .

288-

-296

„ Vervolg

296

-299

Kenmerken der ware Sacramenten . .

300-

-306

Twee Sacramenten.......

306

GO CO 1

Voldoende.......

328-

-329

I. De Heilige Doop.

Instelling der Besnijdenis ....

330-

-334

Beteekenis der Besnijdenis.....

334-

-337

Instelling des Doops.....

337-

-350

Uitvoering..........

350-

-353

Teeken van Kerkgemeenschap . . .

353-

-357

Water...........

357-

-360

Beteekenis van het Doopwater . . .

360-

-361

Besprenging.........

361-

-365

Beteekenis van de Besprenging . .

365-

-367

Doopsverplichting........

367-

-369

Het water doet het niet ....

-378

Noodzakelijkheid van den Doop . . .

378-

-383

Bedienaars..........

383

-389

Het Woord bij het Water.....

390-

-396

Kinderen te doopen .......

398-

-414

-ocr page 12-

X

bladz.

§

23.

Verwerping van den Kinderdoop . .

414-

-426

24.

Hoofdgrond voor den Kinderdoop . .

426-

-434

»

25.

Geen wederdoop........

434-

-446

u

26.

Eens voor \'t leven.......

446 -

-450

11. Het Heilige Avondmaal.

n

27.

Instelling van het Pascha.....

450-

-454

n

28.

Het Paaschlam een offer.....

454-

-458

»

29.

Het Lam Gods Christus.....

458-

-462

»

30.

Doel van het Paaschfeest.....

462-

-466

»

31.

Instelling van het Heilig Avondmaal .

467-

-474

n

32.

Teekens ...........

474-

-480

n

33.

480-

-488

»

34.

De Drinkbeker.........

489-

-492

35.

Ook de Drinkbeker.......

493-

-498

30.

Betrekking tusschen teeken en betee-

498-

-524

»

37.

Ghristus tegenwoordigheid.....

525

-530

38.

Het Avondmaal noodig......

530-

- 535

39.

Door wie en voor wie......

535-

-542

»

40.

542-

-550

41.

Zwakgeloovigen........

551

-555

42.

555-

-558

43.

558-

-569

44.

569

-572

»

45.

Voorbereiding. Vervolg.....

572-

-579

Hoofdstuk XXI. bi. 582quot;--805.

De Laatste Dingen,

»

1.

582-

-591

-ocr page 13-

XI

bladz.

§

2.

Onsterfelijkheid der Ziel . . . .

592-

-601

3.

De aflijvige Ziel.......

601-

-607

n

4.

Geen onbepaalden tusschenstaat .

007

-635

V

5.

Het aardsche leven beslissend .

635-

-638

6.

Het ontzielde lichaam.....

638-

-647

7.

Gelijktijdige opstanding.....

647-

-656

8.

Algemeene opstanding.....

657-

-662

9.

De levende veranderd.....

662

-666

ff

10.

Door de Almacht Gods in Christus

667-

-674

11.

Aan ieder Ziel weer haar eigen lichaam

674

-684

12.

Geen ander, maar anders ....

684-

-696

n

13.

Ongelijkheid........

097-

-706

»

14.

Het laatste oordeel......

707

-730

w

15.

Voleinding der wereld.....

731

-754

16.

De Hel.........

754

-767

17.

Eeuwige straf.......

767-

-782

»»

18.

De Zaligen........

782-

-786

19.

De Zaligheid.......

786-

-805

REGISTER.

T. Plaatsen uit de Heilige Schrift.

II. Aanhalingen uit den Heidelbergschen Catechismus ,

de Nederlandsche Geloofsbelijdenis en de Dordsche Leerregelen.

III. Zaken.

-ocr page 14-
-ocr page 15-

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

W E T.

1. Goddelijk Richtsnoer.

Er is een vast richtsnoer voor den wandel van Gods volk, een onkreukbare regel voor de gerechtvaardigden en aanvankelijk gehelligden in iedere betrekking en verhouding luins levens, jegens God in alles en dienvolgens jegens hen zeiven en jegens hunnen naaste, in hun doen en laten , in spreken en zwijgen, in hun peinzen en bidden , in hun geven en nemen , in hunne blijdschap en droefheid , in hun lijden én mijden.

Dat richtsnoer, die opperste, gezag hebbende regel is de Wet Gods, en de taiik zijns \\o\\ks is gehoorzaamheid. Aan dien hoogsteu regel moeten alle eigene bepalingen en alle verordeningen of aanbevelingen van menschen ondergeschikt en getoetst wenden: alleen wal daarmede overeenkomt kan den lleere behagen, wat daarvan afwijkt, al schijnt het goed , is c en gruwel in zijne oogen. De wil van den huisheer is de regel voor lieel het huis, daar heeft men niet

Gvavemcijcr , Gorof. Gel. loer. 111. 1

-ocr page 16-

§ 1. GODDELIJK RICHTSNOER.

te vragen wat anderen willen en hoe anderen doen. Gods Wet Is de regel, waarnaar allen zich hebben te richten. Hij wil gediend worden wel vrijwillig , maar niet willekeurig , niet naar eigen goeddunken of naar menschelijke vonden en eigenmachtige inzettingen, waartoe de natuurlijke , zelfzuchtige aard des menschen altijd geneigd is, waardoor men zich echter aan de souvereine rechten der Majesteit Gods vergriipt \').

Want de TI eer e is onze Hechter , de lleere is onze Wetgever , de Heere is onze Koning, Hij zal ons behouden, Jez. 33: 22. Daar is een eenig Wetgever, die behouden kan en verderven, Jac. 4: 121).

Omdat I]ij , do eeuwige God die alleen door zich zeiven is , alles geschapen heeft en onderhoudt, is Hij ook de Eigenaar en oppermachtig en souverein Heer van alles , de Albeheerscher, de Alleen-koning van \'t heelal. En omdat inzonderheid wij menschen in Hem leven , ons bewegen en zijn, en met geheel ons bestaan en lot naar ziel en lichaam volstrekt van Hem afhangen en in zijne hand zijn , heeft Hij ook het hoogste recht om ons de Wet te stellen, niet slechts voor het uitwendig gedrag, maar ook voor ons hart en geweten. En Hij is de Fontein van alle goed : ook de volmaakte Wet kan alleen van Hem afkomen. Hij is de heilige , de alleen-wijze God en daarbij de liefderijkste Vader : daarom is ook zijn gebod heilig, rechtvaardig en goed voor zijne kinderen.

2

1

-) Calvin. lustit. IV. 10. 7. sqq.

-ocr page 17-

§ I. GODDELIJK RICHTSNOER.

Gods Wet is de verklaring van zijnen heiligen wil. Dit is de vraag, waarop het in alles aankomt, welke de goede en uelbehagende en volmaakte wille Gods zij (Hom. 12 : 2). Anders verzinkt men in duisternis en jammer , gelijk de dienaars en bevragcrs der doode afgoden. Zul niet een volk zijnen God vragen ? zal men voor de levenden de dooden [vragen] ? De Profeet roept : Tot de Wet en tot het Getuigenis ! zoo zij niet spreken naar dezen woorde, \'t zal zijn dat zij geenen dageraad zullen hebben, Jez. 8: 19, 20. Hij heeft u bekend gemaakt, o mensch, wat goed is: en wat eischt de Heere van u, dan recht te doen en weldadigheid lief te hebben en ootmoediglijk te wandelen met uwen God ? Mich. 6 ; 8.

De Wet Gods, die het onveranderlijke richtsnoer is voor den wandel, is de geopenbaarde, geschrevene, aan Israël gegevene Wet. Het is de Wet der woorden, waarin God door stellige, uitgedrukte bevelen zijnen wil heeft bekend gemaakt en bepaalde levensregelen voorschrijft, bijgekomen bij de zoogenaamde natuurlijke wet of wet des gewetens , welke alle menschen hebben.

Want ook die zonder de geschrevene Wet zijn, zyn niet zonder wet. Ook de gevallene mensch is mensch; hoe diep ook gezonken, hij heeft rede en geweten, een onderscheidend gevoel van goed en kwaad, en voor de toenemende verstomping daarvan is hij verantwoordelijk.

Rom. 2: 14: Want wanneer de Heidenen, die de Wet niet hebben, van nature de dingen doen die der Wet zijn, dezen de Wet niet hebbende, zijn zich zeiven eene wet. 15» [Als] die betoonen het werk der Wet geschreven in hunne harten, hunne conscientie wede getuigende, en de gedachten onder elkander [hen] beschuldigende of ook ontschuldigende.

3

-ocr page 18-

§ 1. GODPFLIJK BICHTSNOER.

4

De Wet is den Apostel geene andere dan de Wet dor woorden Gods, aan Israël gegeven; aan deze kent hij onbepaald gezag toe : in deze immers is de wille Gods als belichaamd en gestereotypeerd. Eene natuurlijke wet noemt hij eigenlijk niet, hoewel hij niet ontkent dat in uitwendige dingen de natuur zelve den mensch leert wat betamelijk is. 1 Kor. 11: 14. Hij zegt ook niet dat in de harten der Heidenen do Wet geschreven is, maar«üerfc der Wet, dat wat de Wet eischt. De grondtrekken van de geopenbaarde Wet Gods liggen, hoe verdonkerd ook, in \'s menschen rede en geweten; aan deze sluit zich de Wet Gods , bij deze vat zij den mensch aan. — De Apostel had vooraf gezegd: Zoovelen als er zonder Wet yezondiyd hebben, zullen ook zonder Wet verloren gaan (v. 12), namelijk do Heidenen. Dat kon onrechtvaardig schijnen, daarom voegt hij er aanstonds bij : zij hebben een geweten , en hun geweten is hun in plaats van de Wet en geeft voldoenden grond tot hunne rechtvaardige veroordeeling \'). Dus kunnen zij zich niet onlschuldigen met onwetendheid, ook zij worden geoordeeld rechtvaardiglijk, naar \'t geen zij wisten en konden en moesten weten.

Doch de dusgenaamde natuurwet, het zedelijk gevoel, het geweten , leert op zich zelf de ware heiligheid niet, ook de uitnemendite wijzen en wetgevers onder de geciviliseerde Heidenen raakten daar niet toe; bovendien

\') Ovor het geweten en over Rom. 2: 14, 15 zie nader ükr-ste Hoofdstuk § 10 en 12. Calvin, lustit. II. 2. 22. sqq. II. 8. 1. Idem, Commentav. lu Hom. 2; 14. 15. March, Morch XI. 24. lt;7. Weizsücker in Hurzogs Real-Encykl. Ie Ed. V. S. 123 if. u. d. W. Gesetz {Das natürliche Siltengesetz),

-ocr page 19-

§ 1. GODDELIJK RICHTSNOER.

wordt de „natuunvelquot; gaandeweg naar , om en door de zondige neigingen gebogen en kun zicli deswege niet ongeschonden en zuiver uilen \').

Maar De H\'et des Heer en is volmaakt, bekeerende de ziel: de getuigenis des lieer en is gewis, den slechten wijsheid gevende. De hevelen des Heer en zijn recht, verblijdende het hart: het ejehod des Heer en is zuiver, verlichtende de oogen, Ps. 19 : 8,9. Dij .maakt Jukoh zijne woorden bekend, Israël zijne inzettingen en zijne rechten. Alzoo heeft Hij geen en volke gedaan , en [zijne] rechten die kennen zij niet, Ps. 147: 19, 20. De „natuurwetquot; is eene flauwe nachtkaars , de Wel des Heeren als de zon, met gloed en stralen5).

§ 2. De geopenbaarde Wet.

Uit Egypteland had de Fleere zijn volk uitgeleid , in Kanaan wilde Hij hol inbrengen ; lusschen beide , in de woestijn , geschiedde de Wetgeving , de bijzondere , bepaalde en alleen gezaghebbende wilsverklaring van Jehovah , den souvereinen Koning, de vaste grondlegging, nauwkeurige afbakening en regelmaat voor het leven, den dienst en de regeering des volks.

Het is eene eenige Wet, al hare onderscheidene voorschriften maken één geheel uit en slaan samen in nauw verband 3), zij alle zijn de uildiukking van den eenigen wille

\') Zie Eerste Hoofdstuk § 21. bl. 50.

\'i) Tweede Hoofdstuk § 11. bl. 168.

3) Von Oer lach , A. T. Elnloit. zu Exod. 20. Oe/der, Theol. des A. T. I. S. 277.

5

-ocr page 20-

§ 2. DE GEOPENBAARDE WET.

6

Gods, welke is: heiligheid ! bij alle is het eenzelfde Gebieder , die met onvoorwaardelijk gezag spreekt, die in alles en bij allen gehoorzaamheid eischt en geenen eigenwil en eigendunk gedoogt. Niet alleen in de zedelijke, maar ook in de burgerlijke geboden, die immers samen gegrond zijn op de verbondsbetrekking des volks tot Jehovah , zijnen Koning; desgelijks in de ceremoniëele of ritueele verordeningen. Beiden bevestigden de zedelijke Wet en dienden om het volk in alle levensbetrekkingen afhankelijk van God te stollen en het in alle genot, werk en verkeer God te doen dienen \') , zoodat ook het burgerlijke godsdienstige beteekenis verkreeg. Staat en Kerk vloeiden in één en doordrongen elkander. Ook van de ceremoniëele voorschriften kon geen één worden waargenomen , of de zedelijke Wet kwam daarbij te pas : want deze wees aan , hoe men daarbij gezind en gesteld moest zijn. In het boek Deuteronomium is door Mozes uitvoerig geleerd, met welke gezindheden en gevoelens van liefde , eerbied en dankbaarheid jegens God alle ceremoniën betracht moesten worden, en Deul. 26 is zelfs een formulier voorgeschreven om bij de offering van de eerstelingen aller vruchten zulke gezindheden uit te drukken.

\') Calvin, Praefat. iu Commontar. in V Libros Mosis Vol. II. p. 7 (Corpus Reform. Vol. LIL Brunsv. 1882) boschonwt, ze als appendicos, aanhaugsols, bijlagen bij do Tien geboden, en wel de caeremoniae en externa pietatis exercitia bij do Eerste tafel, de loges politicae bij do Tweede tafel : om reden dat, beide deolen geen andere strekking hebben dan om do onderhouding van do zedenwet te bevorderen (ut legis moralis observationeiu adjuvent), als adminicula, quae ad Deum rite colendum , et ad justitiam onm homimbus colendam nos quasi manu duoant.

-ocr page 21-

§ 2. de geopenbaarde wet. 7

Evenwel is de gewone verdeeling der geheele van God door Mozes gegevene Wet in de Wet der zeden, de H\'et der ceremoniën en de Burgerlijke JFet of Wet dor Rechten of Justitie, dienstig en gepast tot overzicht van de onderscheidene verordeningen in de Godsregeering (Theocratie). De Schrift zelve gaat ons daarin voor. Mozes zeide Deut. 6 : 1 : Dit zijn dan de geboden , de inzettingen en de rechten i), die de Heere uw God geboden heeft om u te leeren : opdat gij ze doet in den lande, vaar hetwelk gij henen trekt, om dat erfelijk te (Vergel. Deut. 5 ; 31).

3. Burgerlijke en ceremoniëele Wetten.

De burgerlijke of politieke Wet, de Wet des volks, de Staatswet behelst nauwkeurige voorschriften voor alle we-reldsche aangelegenheden, dergelijke anders door men-schelijke wetgevers, door koningen en overheden worden verordend , maar die aan Israël werden gegeven door God zeiven , den Koning en Heere van volk en land. Want Hij , die Hemel en aarde bezit, had zich dit volk ten eigendom en dienst uitverkoren.

Dies gaf Hij bijzondere geboden en regelen over personen, zaken en handelingen en verklaarde hoe Hij het onder zijne regeering wilde hebben en wat men had in acht

\\)

t

\') De geboden niXSH (elgonlijk het gebod), de inzettingen

D^nn , de rechten Van doze drie acbterccnvol-

gondo woorden boteekeut het eerste (naar \'t meeste gevoelen) do wet der zeden, het tweede de ceremoniale wetten, hot derde de politieke of burgerlijke wetten of rechten.quot; Kantteek. Calvin. Instit. IV. 20. 14: mores, ceremoniae, judicia.

é

-ocr page 22-

8 § 3. BURGERLIJKE EN CËREMONIËELE WETTEN.

te nemen aangaande erfdeel en eigendom der burgers, aangaande oorlog en vrede mei andere volken; voorts belangende de noodige ambten en bedieningen , reclitshandel , straf op misdaden (waarbij tot grondbeginsel werd gesteld het recht der wedervergelding, jus talionis); verder over echt-staat en huisgezin, he eren en knechten en dergelijke meer.

De ceremoniëele Wet, de Wet des heiligdoins bevat voorschriften van al wat geheel den uitwendigen Godsdienst, de openbare en bijzondere vereering Gods betreft: van de heilige plaatsen (tabernakel , daarna tempel), van de heilige gereedschappen in het heiligdom, van de heilige personen (Hoogepriester, Priesters , Levieten), van de iieilige tijden (sabbat , feesten) , van de heilige verrichtingen (offeranden , geloften , wasschingen), van reine en onreine spijzen , en zoo meer.

De burgerlijke rechten en de ceremoniëele inzettingen hebben onder het Nieuwe Verbond geene kracht van wet meer. Zij raakten alleen de Joden in hun land en tot de komst van Christus, het lichaam der schaduwen. De Joden zeiven kunnen de burgerlijke Wet niet meer onderhouden, sinds zij geen zelfstandig volksbestaan meer hebben en onder alle volken verstrooid en aan de staatswetten van dezen onderworpen zijn. Evenmin de ceremoniëele (kerkelijke) Wet, daar zij geen tempel noch priesters meer hebben en dus geene offeranden kunnen doen en geen feest naar de oude Wet kunnen vieren.

Door de verwoesting van Jeruzalem en door de verstrooiing des volks heeft God zelf metterdaad verklaard dat deze wetten hadden uitgediend. Het waren schaduwen der toekomende dingen, maar het lichaam (het wezen, de vervulling) is van Christus (Kol. 2: 17. Hebr. 10: 1), schaduwen,

-ocr page 23-

§ 3. BUHGERLIJKE EN OEREMONIËELE WETTEN. 9

die wel eenige gelijkheid met het lichaam hebben en des-zelfs gestalte eonigermale aanduiden en afbeelden , maar toch niet het lichaam zelf zyn.

De ceremoniën waren een aanschouwelijk onderwijs. Geheel de ceremoniëele Wet had eene voorbeeldende bctee-kenis : zoo was het heiligdom een beeld van don hemel, de Hoogepriester voorbeeld van Christus, de offers voorbeelden van zijne offerande (Hebr. 8: 1—5). En ook do burgerlijke Wet heeft in al hare bijzonderheden eenen dieperen zin, behelst onder do uitwendige schors gewichtige leeringen en wijst ook voor allo Christelijke wetgeving de rechte grondbeginselen aan gt;).

De ffet der yeboden in inzettingen [bestaande] Efez. 2 : 15 was eene omtuining om Israël, die het verbondsvolk afzonderde en gescheiden hield van alle Heidenen. Het volk was onder de Wet in bewaring gesteld (Gal. 3 : 23) , als kinderen, dio onder opzieners, verzorgers en tuchtmeesters staan en wegens de beperktheid hunner vrijheid in het gebruik van hun erfgoed naar dienstknechten gelijken. Wol hadden de geloovigen en oprechten in Israël vertrouwen en liefde tot God , waarvan zij dikmaals groote proeven en uitstekende bewijzen gaven , maar toch wordt hun m het algemeen een Geest der dienstbaarheid tot vreeze toegeschreven , die voor de deelgenooten des Nieuwen Ver-bonds niet meer voegt. (Rom. 8: 15).

De menigerlei, omslachtige inzettingen, die groote zorg-

\') Du voortreffelijkheid en uitnomoiule doelmatigheid der Mozaïsche Wet ia door Geleerden van allerlei richting erkend on geroemd. Zie o. a. Winer, Bibl. Eealwörterb. u. a. W. Arme I. S. 100.

-ocr page 24-

10 § 3. BURGERLIJKE EN CEREMONIEELE WETTEN.

vuldigheid on nauwlettendheid vereischten en veel moeite veroorzaakten , saam genomen en altijd in verband met den hoogen eisch der zedenwet, die daarbij ook eene heilige gezindheid vorderde, waren een drukkend juk, waarvan Petrus op de Kerkvergadering te Jeruzalem verklaarde , dat men daarmede de geloovigen uit de Heidenen niet moest bezwaren. Tegen de geloovigen uit de Farizeën, die zeiden dat men hen moest besnijden , en daardoor hen verbinden om de Wet van Mozes te onderhouden Hand. 15 : 5 , sprak de Apostel v. 10: Wat verzoekt gij God, om een juk op den hals der discipelen te leggen , hetu-elh noch onze vaders noch ivij hebben kunnen dragen ?

De Heere Jezus zelf had den weg reeds aangewezen in de verhevene uitspraak Joh. 4 : 23 : De ure komt en is nu, wanneer de ware aanbidders den Vader aanbidden zullen in geest en waarheid: ivant de Vader zoekt ook alzulken, die Hem [alzoo] aanbidden. 24. God is een Geest en die Hem aanbidden, moeten [Hem] aanbidden in geest en waarheid\').

Die uit den Geest geboren zijn (Joh. 3:6), dienen God in geest en waarheid: een geestelijke offerdienst, door Paulus genoemd de redelijke Godsdienst der geloovigen. Rom. 14: 1 : Ik bid u dan, broeders, door de ontfermingen Gods, dat gij uwe lichamen stelt tot eene levende, heilige [en] Gode welbehagelijke offerande, [welke is] uw redelijke Godsdienst1).

Nederl. Belijdenis des Gel, Art. XXV : IVij gelooven dat

\') Zie Derde Hoofdstak § 3. \'2) if hoymyt ^xrpsix.

-ocr page 25-

§ 3. BURGERLIJKE EN CEREMONIËELE WETTEN. 1 1

de ceremoniën en figuren der Wet opgehouden hebben mei de komste van Christus en dat alle schaduwen een einde genomen hebben ; alzoo dat het gebruik van dien onder de Christenen weggenomen moet worden; nochtans blijft ons de waarheid en substantie van dien in Christus Jezus, in denivelken zij hare vervulling hebben. Ilierentusschen gebruiken wij nog de getuigenissen , genomen uit de Wet en de Profeten, om ons in het Evangelie te bevestigen , en ook om ons leven te reguleeren, in alle eerbaarheid tot Gods eere, achtervolgende zijnen ivil.

§ 4. Wet der zeden.

Van altoosdurende kracht is de Wet der zeden lt;) of de Wet der heiligheid. Deze is en blijft verplichtend voor alle menschen , in alle plaatsen en te allen tijde. Want zij is de onveranderlijke uitdrukking van den wille Gods voor \'s menschen doen en laten , voor bestaan en leven, inwendig en uitwendig.

\') De naam Wet der zeden (evenals Ethiek, Moraal) is eigenlijk minder gepast, en is niet bijbelsch maar uit Heidensch spraakgebruik overgenomen. Want zeden (f^, jonisch ^, moros) zijn iets uiterlijks. Do uitdrukking voegde wel in den mond dor Joodscho Schriftgeleerden, die in bet uitwendige bleven hangen , en die Stephanus beschuldigden , hij had gezegd dat Jezus dc Nazarencr de zeden (tx sóy) veranderen zou, die Mozes hun had overgeleverd, Hand. 6: 14; maar in plaats daarvan zegt Stephanus Hand. 7 : 38: de levende woorden, welke Mozes ontving om die aan het volk te geven. Stier, Die Reden der Apostel. t829. I. S. 231 (Hand. 7 : 38). Dezelfde , Die Reden des Herrn Jesu 1843. I. S. 129 (zu Matth. 5 : 20). — Wuttke, Handb. der Christl. Sittenlehre, Ste Aufl. I. S. 3 (vergel. S.

-ocr page 26-

10 § 3, BURGERLIJKE EN CEREMONIËELE WETTEN.

vuldigheid en nauwlettendheid vereischten en veel moeite veroorzaakten , saam genomen en altijd in verband met den hoogen eisch der zedenwet, die daarbij ook eene heilige gezindheid vorderde, waren een drukkend juk, waarvan Petrus op de Kerkvergadering te Jeruzalem verklaarde , dat men daarmede de geloovigen uit de Heidenen niet moest bezwaren. Tegen de geloovigen uit de Farizeën , die zeiden dat men hen moest besnijden, en daardoor hen verbinden om de Wet van Mozes te onderhouden Hand. 15: 5, sprak de Apostel v. 10: Wat verzoekt gij God, om een juk op den hals der discipelen te leggen , hetwelk noch onze vaders noch wij hebben kunnen dragen ?

De Heere Jezus zelf had den weg reeds aangewezen in de verhevene uitspraak Joh. 4 : 23 : De ure komt en is nu, wanneer de ware aanbidders den Vader aanbidden zullen in geest en waarheid; want de Vader zoekt ook alzulken, die Rem [alzoo] aanbidden. 24. God is een Geest en die Hem aanbidden, moeten [Hem] aanbidden in geest en umarheid»).

Die uit den Geest geboren zijn (Joh. 3:0), dienen God in geest en waarheid: een geestelijke offerdienst, door Paulus genoemd de redelijke Godsdienst der geloovigen. Rorn. 12: \\ : Ik bid u dan, broeders, door de ontfermingen Gods, dat gij uwe lichamen stelt tot eene levende, heilige [en] Gode welbehagelijke offerande, [welke is] uw redelijke Godsdienst1).

Nederl. Belijdenis des Gel. Art. XXV : IVij gelooven dat

\') Zio Derde Hoofdstuk § 3. 2) •/! XoyMv) hxrpelx.

-ocr page 27-

§ 3. BURGERLIJKE EN CEREMONIËELE WETTEN. 1 1

de ceremoniën en figuren der Wet opgehouden hebben met de Icomste van Christus en dat alle schaduwen een einde cieno-men hebben ; alzoo dat het gebruik van dien onder de Christenen weggenomen moet worden; nochtans blijft ons de waarheid en substantie van dien in Christus Jezus, in denwelken zij hare vervulling hebben. Hierentusschen gebruiken wij nog de getuigenissen , genomen uit de Wet en de Profeten, om ons in het Evangelie te bevestigen , en ook om ons leven te reguleeren , in alle eerbaarheid tot Gods eere, achtervolgende zijnen wil.

§ 4. Wet der zeden.

Van altoosduronde kracht is de Wet der zeden lt;) of de Wet der heiligheid. Deze is en blijft verplichtend voor alle menschen , in alle plaatsen en te allen tijde. Want zij is de onveranderlijke uitdrukking van den wille Gods voor \'s menschen doen en laten , voor bestaan en leven, inwendig en uitwendig.

\') De naam Wet der zeden (evenals Ethiek, Moraal) is eigenlijk minder gepast, on is niet bijbelsch maar uit Heidensch spraakgebruik overgenomen. Want zeden {tÖy, jonisch yöy, mores) zijn iets uiterlijks. De uitdrukking voegde wel in den mond dor Joodsoho Schriftgeleerden, die in het uitwendige bleven hangen , en die Stephanus beschuldigden , hij had gezegd dat Jezus de Nazarener de zeden (ra. sóït) veranderen zou, die Mozes hun had overgeleverd, Hand. 6: 14; maar in plaats daarvan zegt Stephanus Hand. 7 : 38 : de Levende woorden , welke Mozes ontving om die aan bet volk te geven. Stier, Die Eeden der Apostel. 1829. I, S. 231 (Hand. 7: 38). Dezelfde, Die Eeden des Herrn Jesu 1843. I. S. 129 (zu Matth. 5 : 20). — Wnttke, Handb. der Christl. Sittenlehre, 3te Aufl. I. S. 3 (vergel. S.

-ocr page 28-

§ 4. wet der zeden.

Zij wordt dan ook door het geloof niet tenietgedaan, maar bevestigd. Tegen die anders meenen zegt Paulus Rom. 3; 31 : Doen wij dan de Wet te niet door het geloof? Vat zij verre; maar wij bevestigen de Wet. „Niet otn daardoor voor God gerechtvaardigd te wordenquot; (want de Apostel had vooraf uitdrukkelijk verklaard , dat de Wet en de Profeten van de rechtvaardigheid door het geloove getuigden, v. 21), „maar om God voor deze zijne weldaad behoorlijke dankbaarheid te bewijzen , zijnen naaste te stichten en van zijne eigen rechtvaardiging voor God meer en meer verzekerd te wordenquot; (Kantteek.)

De heilige God wil heiligheid, Hij haat de zonde. Daarin verandert Hy niet. Moord , echtbreuk , diefstal , valsch

462) vindt ook do Hoogduitsche , sedert Mosheim gebruikelijke uitdrukking »sitteulohrequot; dubbulzinuig, waut dozo»könute auch als Lehre von den Sit,ten verstanden werden , statt als Lehre von dor Sitte, d. h. dom Sittlicbon ; bestimmter wilro Sittlich-Iceitslehre.quot; Waarom niot Ueiligkeitslehre ?

Wat de etymologie betreft, zoo ligt bij söss, Sitte , zede de godachte nabij aan Zet, zotten (gezette , gelijkvormige betrachting oener zaak). Naar Kulin bij Curtius , Grundzüge der Griecb. Etymologie. 4to Aufl. S. 251 ; Sdbstsetzung. Doch naar Curtius zeiven (volgons hot Sanskrit): eigen doen. Wie h\'innte die Sitte treffender bozeichnet werden , denn als eigenes Thun, eigenes Halten eines Volkes ?

Het Latijnscbe mos leidt men af van modus. Döderlein, Lat. Syn. u. Etym. V. S. 74: Mos ist die Befolgung iiigend eines modus, sowie modostia die Befolgung des modus y.XTquot;

oder dos absoluï hechten Maasses, Naar Döderlein is «mos een product van de rede en van don zelfbewusten wil en hoeft zijnen gi-ond in de moroole en aosthotischo begrippen en gevoelens van recht, deugd of betamelijkheid.quot; Dus ook hier een zetten, en wel eono Selbstsetzung.

13

-ocr page 29-

§ 4. WET DER ZEDEN.

getuigenis en boozen lust verfoeit Hij bij een Christen niet minder dan bij eenen Israëliet. Dat men Hem met onverdeelden harte zal lielhebben , en dat men in [leni liefhebbo den naaste als zich zeiven , in \'t gemeen dat men heilig zal zijn wijl Hü heilig is , heeft Hij door den mond der Profeten en Apostelen den Israëlieten en den Christenen even nadrukkelijk aangekondigd. De uitspraken der zedelijke Wet worden met dezelfde woorden in het Nieuwe Testament herhaald, en de verachters der geboden niet minder bedreigd dan in het Oude Testament. (Zie voorts hierna § 13).

§ 5. Tien geboden.

De algemeene , altoos geldende zedelijke Wet, de Wet der heiligheid is begrepen in de Tien geboden, die bij uitnemendheid genoemd worden de Tien woorden \'). Tien, het getal van een gesloten , volkomen geheel (ook het getal der vingeren) duidt het alomvattende, de volledigheid en volmaaktheid dezer Wet aan. De Tienge-boden-wet is voor geheel het veelledige samenstel der Mozaïsche Wet wat de ziel is voor het lichaam ; zij is de Grondwet voor het Verbond Gods met het volk, weshalve zij ook hot Verbond zelf genoemd wordt, Deut. 4: 13, waar Mozes tot het volk zegt: Toen verkondigde Hij u zijn Verhond, dat Hij u gebood te doen,

LXX Cf iïsxx Koyoi, van daar Decalogus

(so. liber, Gr. IsyMKoyo; se. ftifikoc). Verschillende meenin-gen over de beteekenis van de Tien vindt men o. a. bij Kurtz, Gesch. des A. B. 2to Autt. II. S. 288 f.

13

-ocr page 30-

§ 5. TIEN GEBODEN.

de tien woorden en schreef ze op twee steen en tafelen.

De Wet der Tien geboden is heerlijk gemaakt en uitstekend boven ai de andere.

1. In het bijzonder hierdoor, dat God zelf ze plechtig, onder ontzaglijke vertooningen van zijne heilige Majesteit, onmiddellijk met eigene stem van den berg afkondigde, met eigenlijke woorden en zoo luide, dat het gansche vergaderde volk beneden het kon verstaan. De Schrift zegt het, Exod. 20 : 1 : Toen sprak God al deze ivoorden. Weshalve Cal vims , waar hij zich tot de verklaring der Tien geboden wil begeven, den overgang daartoe maakt met deze nadrukkelijke opwekking tot eerbiedige aandacht: Am laut ons God zeiven met zijne noorden hooren spreken \').

Niemand zag God (Deut. 4: 12), maar de teekenen van zijne Majesteit zagen de duizenden, de stemme zijner woorden hoorden zij ; God sprak al deze woorden.

14

De Heere had te voren wel tot enkele mannen gesproken, inzonderheid ook tot Mozes, maar nooit zóó, nooit tot een geheel volk; een openbaringswonder dat zich, hoewel op andere wijze, herhaalde in het wonder van den Pinksterdag, de vestiging en afkondiging van het Nieuwe Verbond. Misleiding, begoocheling van zinnen kon hier, by zoovele getuigen niet plaats hebben. Alle gedachte, dat het geen eigenlijk, woordelijk spreken was, wordt afgesneden doordat Mozes later bij het volk zelf zich op de heugenis van dit ongehoorde wonder beriep, Deut. 4 : 32 : Vraag toch naar de vorige dagen, die voor u geweest zijn, van dien dag af,

\') Calvin. Instit. II. 8. 12 oxtr. : Nunc Deum ipsum audia-nius loquentem suis verbis. Treffend ook Calech. Roman. Pars III. Cap. 1. Qu. 3.

-ocr page 31-

§ 5. TIEN GEBODEN.

dat God den mensch op de aarde geschapen heeft, van het \\eene] einde des hemels tot aan het \\anlt;ler \\ einde des hemels; of alzulk een groot ding geschied of gehoord zij als dit. 33. Of een volk gehoord hehbe de stemme Gods, sprekende uit het midden des vuurs, gelijk als gij gehoord hebt, en zij levend gebleven. Mozes zou niet hebben onderstaan, het volk zelf tot getuige er van op te roepen, ware het wonder niet werkelijk geschied. Maar noch toen noch ooit daarna werd het door eenig Israëliet ontkendof weersproken»). — Toen God de Tien woorden sprak, stond Mozes beneden bij het volk : de andere wetten werden door den Heere aan Mozes alleen, bij diens verblijf op den berg, geopenbaard en door Mozes daarna den volke bekend gemaakt,

2, Eene andere onderscheiding der Tien geboden was, dat zij door God zeiven op steenen tafelen of platen werden gegraveerd. De overige wetten liet God door Mozes in een boek schrijven, maar de Tien geboden schreef Hij zelt op twee steenen tafelen, die Hij de eerste maal zelf van het berggesteente had geformeerd, de tweede maal echter door Mozes liet bereiden, nadat deze de eerste bij den aanblik van de afgoderij met het gouden kalf had verbrijzeld1).

Maar is dit werkelijk geschied? Kan God scluijven , in steen graveeren ? Zeker. Hij , wiens Geest Bezaliël en Aholiab met wijsheid vervulde, om te werken in kun-

\') Zie Tweede Hoofdstuk § 8.

2) Ook do mouwe tafelen beschreef de Heere zelf, niet Mozes. Dit wordt door velen ontkend. Ten onrechte. Zie schrijvers »Aanteeken. op do lui. van Dr. Hoodemakers Handbookquot; op § XVIII. Niouwo druk, Snoek bij J. Campon 1887. bl. Gö v.v.

15

-ocr page 32-

§ 5. TIKN GEUODEN.

stige steensnijding en in alle vernuftig handwerk (Exod. 35: 31 v.v.), verstond dat zelf ook wel. Heeft Hij niet ook voor de oogen van Belsazar op de kalk van de wand in het koninklijke paleis geschreven ? (Dan. 5 : 5). Hoe beschreef Hij de steenen tafelen ? Hij sprak en het was er , Hij gebood en het stond er. Bovendien heeft Hij zijne Engelen , die Hij ook bij geheel de wetgeving als getuigen en dienaars gebruikte \'), terwijl het de Engel zijns Aangezichts , de Logos , was , in en door wien de Verborgene versclieen en zich openbaarde1).

In steen werd de der Tien geboden gegraveerd, ten teeken van hare duurzaamheid en van baar blijvend gezag, maar tegelijk eene aanduiding dat zij als het onveranderlijke getuigenis van den heiligen wille Gods hard tegen den mensch overslaat, totdat de Geest haar in het harte schrijR.

Als een heilig kleinood, als Getuigenis van het Verbond , werden de beide Tafelen in het heiligdom neergelegd en bewaard , en wel in de allerheiligste plaats, in de Arke des Verbonds.

De Schrift zelve geelt ons hiervan een volzeker en onbetwistbaar verhaal. Vaa de eerste Tafelen zegt zij Exod. 31 : 18: Kn Hij (de Heere) yaf aan Mozes, als Hij met hem op den hery Sinaï (de eerste 40 dagen en nachten) spreken geëindigd had, de twee Tafelen der getuigenis*),

16

1

) Zie Vierde Hoofdstuk § 5.

:l) Camp. Vitringa. Observat. sacr. Lib. Ut. Cap. I. § 7 verstaat mny, in den zin van contestatio , betuiging, liever dan

testimonium , getuigenis. In Decalogo proprie est contestatio Dei de oificio homiuis ab ipso invitati ad suam comiiuiniouem.

-ocr page 33-

§ 5. TIEN GEBODEN.

tafelen van steen , beschreven met den vinger Gods. 32 ; 16: En diezelve tafelen waren Gods werk; het geschrift was ook Gods geschrift zelf, in de tafelen gegraveerd.

En van de nieuwe Tafelen verhaalt Mozes later in de velden van Moab aan het volk Deut. 10: 1: Terzelver tijd (Exod. 34: 1) zeide de lieere tot mij: Houw u twee steenen tafelen, als d\'i eerste, en klim tot mij op dezen berg, daarna zult gij u eene kist van hout maken. 2. En Ik zal op die tafelen schrijven de woorden, die geweest zijn op de eerste tafelen, die gij gebroken hebt, en gij zuil ze leggen in die kist. 3. Alzoo maakte ik (vergel. Exod. 37: 1) eene kist van Sittimhout en hieuw twee steenen tafelen als de eerste; en ik klom op den berg , en de tivee tafelen waren in mijne hand. 4. Toen schreef Hij op de tafelen, naar het eerste schri/t, de tien n oorden , die de lieere, ten dage der verzameling, op den berg uit het midden des vuurs tot ulieden gesproken had; en de lieere gaf ze mij. 5. En ik keerde mij en ging af van den berg en leide de tafelen in de kist, die ik gemaakt had; e7i aldaar zijn zij, gelijk als de lieere mij geboden heeft.

§ 6. Berg der wetgeving.

De gedenkwaardige plaats, voor de groote gebeurtenis door God bestemd en daartoe uitnemend geschikt, was de berg Sinaï, door Paulus (naar de LXX) genoemd Sina , een berg in Arahiè Gal. 4 : 25 , namelijk in het Steenachtig (Petraeisch) Arabië (Arabia Petraea), met de hoofdstad Petra i). Het is de herg Gods (Ex. 24 : 13),

\') Winer , Bibl. Realworterb. 2te Aufl. I. S. 38. u. d. W. Awibim. li. Von liaumer , Palacstiua. 2te Aufl. S. 268.

Gravomojjor, Gorof, Gol. Icor. 111. 2

17

-ocr page 34-

§ 6. BERG PER WETGEVING,

IS

heilig en geducht aan Israël , zelfs tot bijgeloovigheid toe, daar thans nog geen streng Jood het waagt dezen berg te beklimmen en deszelfs einde aan te roeren \') ; heilig gehouden ook bij de Mohammedanen ; met eerbied genoemd bij de Christenen , als tooneel en blijvend godenk-teeken van de luisterrijkste openbaring Gods , waar Hij die Wet gaf, van welke geen jota of tittel zal voorbij gaan, totdat het alles zal zijn geschied.

Dit was eene bij uitstek bekwame plaats\'2) voor de geheimmsvolle onderhandeling van God met zijn volk. Hier , bij den Sinaï, gelegen in het midden van een groo-ton kring van granietbergen , was men in eene stille eenzaamheid , van de wereld afgezonderd. God wilde met de Israëlieten alleen zijn , Hij had met hen te sproken. En hier, bij dezen berg (den Dschebcl Musa, Mozes-borg , die naar de waarnemingen van bezoekers en hare vergelijking met de Schrift voor den berg der Wetgeving is te houden) juist hier en hier alleen in heel dit bergland was genoegzame ruimte voor de legering van het talrijke volk en mogelijkheid tevens voor al de scharen om don top des bergs te zien. Want aan den noordkant van den berg Sinaï ligt een ruime vallei (er-Rahah) en desgelijks eene langs zijnon zuidelijken wand (es-Sehajeh genoemd). De steil opgaande berg (tot eene hoogte van meer dan 7000 voet boven de zee) was voor het volk van uit die dalen in zijn geheel, van den voet tot de

\') G. 11. Von Schubert, Rei se in das Morgeulaud. IT. S. 312 f. ■) Kurtz , Goschiehtü des A. Bundes. 2te Aufl. IJ. S. 272. Ilen\'jstenberg , Gesch. dos Roiclies Gottes uutor dom A. B. 11. 1. S. 87. 116. Arnold in Herzogs Iloal-Encykl. Ie Ed. XIV. S. 424.

-ocr page 35-

1

T

I

§ 6. BERG DER WETGEVING. J9

kruin zichtbaar, zoodat het met eigen oogen de teekenen zag , die zich daar vertoonden.

^ Met den naam Sinaï wisselt in de Schrift Horeb af.

Met reden onderscheidt men beide aldus, dat Horeb in ruimer zin liet gebergte beteekent , in hetwelk Sinai als een afzonderlijke berg zich verhief. In Mozes\' laatste aanspraken (in Deuteronomium) wordt doorgaans Horeb genoemd , toen het volk Arabic reeds had verlaten en den berg niet meer zag, weshalve hij met den algemoenen naam het gebergte noemde , tot hetwelk de berg Sinaï als een deel behoorde quot;). —

Paulus zegt ons Gal. 4: 25 , dat in zijnen tijd de berg Sinaï bij de Arabiërs genoemd werd Agar (Hagar), hetwelk beteekent rots, s/eewberg. Uij was zelf in Arabië geweest (Gal. 1 : 17). Dit was ook de naam van Abrahams dienstmaagd , moeder van Ismaël, wederpartij van Abrahams echte vrouw Sarah, moeder van Izaak. De Apostel ziet daarin door de wijsheid Gods voorgebeeld ^ de twee verbonden. De dienstbare Hagar met Ismaël een

beeld van het verbond der Wet , naar hetwelk degene zal leven , die de wet volkomen onderhoudt; de vrije Sahra met den zoon der belofte Izaak , beeld van het verbond des Evangelies, waarin hot eeuwige leven beloofd wordt den zondaren die in Christus gelooven. Ismaël beeld van de natuurlijke, werkgerechtige menschen; Izaak van de ware kinderen Gods ; twee soorten , die er onder | verschillende vormen altijd zijn geweest.

Bij de wetgeving op Sinaï had God vooraf uitgeroepen

\'gt; -----------

\') Kurtz i Gesch. des A. B. II. S. 2G1 f. Arnold in Herzogs Real-Euc. lo Ed. XIV. S. 421 f.

\\

m

1

-ocr page 36-

§ G. BERG DER WETGEVING.

dit woord van genade : Ik hen de Tleere uw God , die u uit Egypt eland, uit den diensthnize uitgeleid heb. Maar het volk over \'t geheel, dienstbaar en slaafachtig , verstond zijne vrijheid niet, terwijl het, wispelturig, nu sidderde voor Gods majesteit en dan aanstonds weer moedwillig zondigde en om het gouden kalf danste. En zoo was het steeds met de kinderen der dienstbare : angstvallige wettischheid en wrevelig zondigen beurtelings met elkander afwisselende ; bovenal te Jeruzalem, do moeder, de voorname kweekplaats en zetel der dienstbaren , bijzonder in Paulus\' dagen. Maar het oordeel Gods bleef niet uit. Het dienstbare Israël, dat slaafs aan het Oude Verbond der Wet hing en het Nieuwe Verbond des Evangelies versmaadde , werd uitgeworpen uit het huis Gods en moest dolen , maar het nieuwe , ware volk Gods uit alle volken , ontving den zegen der belofte.

§ 7. Dag der Wetgeving.

De Wet der Tien geboden gaf God op den vijftigsten dag na den uittocht der kinderen Israels uit Egypte.

20

Zij togen uit van Rahmeses •), de hoofdstad van het land Gosen , de verzamelplaats des volks, waar ook Mozes en Aaron waren. Num. : 3 : Zij reisden dan van Rahmeses; in de eerste maand (Abib , arenmaand, Exod. 13:4, later Nisan genoemd) , op den vijftienden dag der eerste

\') Dezelfde stad , dio later den Grielischea aaam lleroöpolis droeg. Von Getiach zu Geu. 47: 11. Hengstenberg, Gesch. des Eeiches Gottes uutur dom A. B. 11. 1. S. 65 f. Auders Kurtz, Goscb. des A. B. 11. S. 165 f.

-ocr page 37-

§ 7. DAG DER WETGEVING.

maand: den anderen daags van het pascha, togen de kinderen Israels uit door eene hooge hand, voor de ooyen aller Egjpfenaren.

Naar de Joodsche overlevering geschiedde de doorgang door de Roode zee op den zevenden dag na liet eten van het paaschlam \').

21

Num. 19: 1 : In de derde maand (naderhand Sivan geheeten) na het uittrekken der kinderen Israels uit Egyp-teland , ten zeiven (te dezen) dage (den dag der nieuwe maan , den eersten dag dezer derde maand , want met de nieuwe maan begon iedere maand en telde 30 dagen, dus na 15 en 30 dagen , alzoo 4ö dagen na den uittocht uit Egypte) kwamen zij (uit Raphidim) in de woestijn Sinaï. Op den zesden dag dezer maand2), ook naar de overlevering der Joden , had de plechtige wetgeving plaats : de pinksterdag des Ouden Verbonds, zeven weken na paschen.

§ 8. Twee tafelen.

Floe vele geboden er op iedere tafel hebben gestaan , zegt de Schrift ons niet. Maar wel zegt zij Exod. 32 : 15: Deze tafelen waren op hare beide zijden beschreven, zij ivaren op de eene en op de andere zijde beschreven. Dus op al de vier zijden der twee tafelen geen opene plaats , waar niets stond, zoodat er door menschenhand geen woord kon worden bijgevoegd noch ook ongemerkt afgedaan (vergel. Deut. 4 ; 2). Zij waren van eene zoodanige grootte, dat zij in de voor haar bestemde bewaarplaats

\') Kurtz, Geach. des A. B. II. S. 157. -) Dezelfde, II. S. 247 f.

-ocr page 38-

§ 8. TWEE TAFELEN.

(Deut. 10: 1—5), namelijk in de Arke des Verbonds konden liggen , die twee ellen en eene halve lang was en anderhalf ellen breed (Exod. 37 : 1. De elle tot l1^ voel).

Naar de in de Gereformeerde Kerk aangenomene verdeeling bevat de eerste tafel vier , de tweede zes geboden.

Zoo Calvijn \')• In de thans gebruikelijke uitgaven van den lleidelb. Galechismus Vr. 93, naar de vertaling van Datheen , wordt de verdeeling in vier en zes niet vermeld, maar alleen; In twee tafelen: ivaarnan de eerste leert, hoe wij ons jegens God zullen houden. De andere, wat wij onzen naaste schuldig zijn. Maar wel in den oorspronkelijken (Hoogduitschen, en zoo ook in den Latijnschen) tekst, waar het is: waarvan de eerste in vier geboden leert. — — De andere in zes geboden2). In het Kort Begrip Vr. 5. 6. zijn de vier en de zes uitdrukkelijk genoemd.

Joodsche geleerden telden vijf op iedere tafel 3), waarin thans velen hen navolgen. Men rekent dan het vijfde gebod tot de eerste tafel, en voert als reden aan , dat de ouders hier niet als naasten der kinderen voorkomen, maar als hunne oversten , als plaatsvervangers en stedehouders van God , en wel als vertegenwoordigers van alle overheden en machten in \'t gemeen, en dat daarom dit gebod niet van liefhebben maar var, eeren spreekt , door

\') Calvin. lustit. II. 8. 12: praecopta pritnae quatuor , so-cundae tabulae sex.

2) J. J. Van Toorenenhergen, Symbol. Schriften p. 103. n. Dr. Doedes , De Held. Cat. 1881. p. 425.

Blijkens PI ulo eu Josephus. Omstaudig handelt over dit punt De Moor, Comraentar in Marck. Pars II. p. 677 sq. Vergel. ook Von G er lach, A. T. Einleit. zu Exod. 20. Oehler, Theol. des A. T. I. S. 282 ff.

22

-ocr page 39-

§ 8. TWEE TAFELEN,

de kinderen aan hunne ouders , door alle onderhoorigen aan hunne meerderen te bewijzen. Maar maakt men daarvan eene soort van Goddelijke eerbewijzing , dan zondigt men tegen het eerste gebod. Vader en moeder , en alle machthebbenden zijn menschen , en kunnen niet op de eerste tafel Gode worden bijgevoegd, maar behoo-ren op de tweede tafel bij hunne evenrnenschen , hunne naasten, waar ook do Heere Jezus zelf ze plaatst Matth. 19: 19i). Daar echter staan zij bovenaan, in het vijfde gebod, hetwelk het eerste gebod is met eene (bijzondere) belofte , Efez. G : 2.

De Roomschen maken van de twee eerste geboden één, „versteken het tweede onder het eerste2)quot; , terwijl zij het verkorten , ten behoeve van hunnen beeldendienst. Bij hen heeft dan de eerste tafel drie geboden. Maar op de tweede tafel tollen zij zeven geboden, daar zij het laatste gebod in twee splitsen. Gij zult niet hegeeren uws naasten huis is hun het negende gebod , Gij

) Calvin, (Joramontar. iu IMatth. 19: 19 legt er gowicht op dat Christus daar het grbod van het ceren der ouders achter de andere geboden stelt, daar hot Hem op de volgorde niet aankwam. Interim notatu dignum , praeceptum do colcndis parontibus se-cundae tabulae ascribi, ne quern decipiat Josephi error, qui ad priorem tabulam putavit. spectare. — Dat het vijfde gebod tot de eerste tafel behoorde , zoekt ook Stier (Luthersch) , Brief an die Eph. II. S. 397 vruchteloos tu bewijzen.

-) Brakel, Red. Godsd. II. p. 72. Calvin. Instit. II. 8. 12: Praeceptum de amaginibns numero expungunt, vol certe sub primo occultant, quum maudati loco haud dubio a Domino distiucte positum sit.

Catech. Rom. Pars Hf. Cap. II. Qu. 16. Verklaring van den Mechelschen Catechismus. 1843. p. 155.

33

-ocr page 40-

§ 8. TWEE TAFELEN.

zult niet hegeeren uws naasten vrouw enz. het tiende \').

Luther nam de Roomsche verdeeling over. [ietgeen bij ons Gereformeerden het tweede gebod is, verstond hij alleen van den eigenlijken afgodendienst, hield het slechts voor nadere omschrijving en uitbreidend aanhangsel tot het eerste , en oordeelde dat liet de Ghristenhei l letterlijk niet meer raakte. Dies liet hij het weg , als ook het Voorwoord voor de Wet: — uit Egypteland — uitgeleid. Het laatste gedeelte van het tweede gebod echter, de Goddelijke dreiging en belofte , want ik de lleere uw God ben een ijverig God enz. voegde hij achter de Wet5).

Anders de Gereformeerden, die erkenden dat in het gebod : Gij zult u geen gesneden beeld noch eenige gelijkenis maken enz. nog iets anders werd verboden dan in het eerste, nameUik alle beeldendienst, niet alleen ter eere van afgoden maar ook van den waren God , terwijl het eerste de afgoderij verbood 3). De nieuwere Lutheranen stemmen in dezen meestal met de Gereformeerden in.

Het tiende gebod verdeelde Luther gelijk de Roomschen in twee, zoodat hij evenals dezen tot de eerste tafel drie, tot de tweede zeven geboden rekende. Het negende gebod zou dan zijn : Gij zult niet hegeeren uw naasten huis , het tiende : Gij zult niet begeeren uws naasten vrouw enz. Maar tusschen het eerste hegeeren en het tweede

\') Gatech. Roman. Pars III. Cap. X. Qu. 2.

\') Zoo in Luthers Cateohisrnon , don Kleinen on clou Groote-ron. Latynsch in do Concordia Pia cd. lieohenberci 1756, Ca-teeh. minor. p. 366 sqq. Cat. Major. p. 399 sqq.

■■\') Calvin. Instit. II. 8. 17, Idem, Commontar. in Socnndum praoceptum , in het Corpus Reformator. Vol. LIL p. 367. Hei-delh. Cateck. Vr. 69—98.

24

-ocr page 41-

§ 8. TWEE TAFELEN.

bestaat geen onderscheid •), en de herhaling van Gij zult niet hecjeeren duidt niet aan dat bij het tweede beyeeren een nieuw gebod aanvangt. Veelmeer de herhaling dient tot meerder nadruk en inscherping, en tot nader vermelding van hetgcne in huis is begrepen, beginnende met de vrouwquot;1). Dat het maar één gebod is, blijkt ook uit de plaatsverwisseling van huis en vrouw in de wederha-ling der tien geboden, Deut. 5: 21 : Gij zult niet hegeeren uws naasten vrouw, en zult n niet laten gelusten uws naasten huis enz. Maar Exod. 20: 17 waar beschreven wordt zooals het op de steenen tafelen stond, „wordt liet huis des naasten voor zijne vrouw gestold : tot een klaar bewijs, dat dit maar één gebod isquot; (Kantteek.J s).

§ 9. Eerste Wettafel.

Vóór de geboden zelve sprak God: Ik hen de Ileere uw

25

1

) Naar de Ronmschen wél. Catech. Rom. Pars UT. Cap. X. Qu. 2 , met boi-oop op Augustlnus. Zoo ook de Verklar. van den Mechelschen Catech. p. 222: »Dio eens anders goed be»eort, tracht alleen naar voordeel, en dio oons anders vrouw begeert, tracht niet naar voordeel , maar naar wellusten des vleesohes.quot;

Exod. 20 : 17 staat in hot Hobr. beide malen voor hegeeren hetzelfde woord , lonn, maar Deut. 5 : 21 do tweede maal

niKnn gij zult u niet laten gelusten. Do zin is één.

-) Calvin. lustit. II. 8. 50. fin.

:l) Da Moor, Comraentar. in Marck P. II. p. 683. Andera Kurtz, Gesch. dos A, B. II. S. 294 ff. die ten onrechte do volgorde van Deuteron, voor de oorspronkelijke houdt. Opmerkelijk is dat do (ounauwkourigo) LXX Exod. 20 : 17 de vrouw vooraan stellen

-ocr page 42-

§ 9. EERSTE WETTAFEL.

God, die u uit Egypteland, uit den diensthuize, uitgeleid heb (Exod. 20: 2).

Hetzij men deze woorden bij het eerste gebod voegt of ze afzonderlijk als hoofd boven de Tien geboden plaatst, in allen gevalle zijn zij eene Inleiding tot geheel de Wet gt;). Hier gebiedt noch verbiedt God iets, maar Hij treedt op met de verklaring van zijn souverein gezag, waarop zijne wetgeving berust. Hij noemt den eigenlijken grond van \'s volks verplichting tot gehoorzaamheid, gelegen in zijn Wezen en in de weldaad der verlossing en in zijn verbond met hen. Doch juist hierom staan deze woorden, schoon zij de geheele Wet raken, in nauw verband met het eerste gebod : Geen andere Goden !

Deze woorden waren voor Israël en zijn ook nog voor ons van hoog gewicht. Zij zijn een evangelische ingang tot de Wet, ook ten bewijze dat eerst de verlossing en de verbonds-genade Gods moet gekend worden, eer er eene vervulling der wet, welke de liefde is , geschieden kan.

De Heere stelt het volk eerst in het rechte gezichtspunt, waaruit de gansche Wet beschouwd moet worden, daar Hij op die bijzondere, genadige betrekking wijst waarin Hij tot dit volk was getreden en op dat wondervolle werk van uitleiding en verlossing hetwelk Hij aan dat volk had begonnen.

\') Zeer nadrukkelijk komt hiervoor op Calvin. lustit. II. 8. 13, eu iu zijuen Commentar. ovei\' de Praefatio iu Legem. Corpus Reformator. Vol. LIL p. 209 : Non dubito quin generalis sit praefatio, quae prueparat populi animos ad obsequium.

Iu de eerste uitgaven vau don Ileidelb. Caiec/i. zijn deze woorden met het eerste gebod saaiugevoegd , later en iu de tegen-yyoordige uitgaven afzonderlijk bovenaan gestold. Dr. J. I. Doedes, Do Heidelb. Catech. 1881. p. 424.

2G

-ocr page 43-

§ 9. EERSTE WETTAFEL.

27

Aan het hoofd der Wet, nog eer Hij een v/oord des gebods heeft gesproken, stolt Hij zijnen beloftevollen naam Heere, Jehovah , zooals IJ ij zich aan Mozes had bekend gemaakt: Jehovah, Hij die is, de Wezende en de Wezenaar, de onveranderlijke, waarachtige en getrouwe Ver-bonds-God: Ik de Heere uw God. In het licht en den glans van den verbondsnaam Jehovah moest het oude en moet het nieuwe Israël erkennen, dat do Wet do belofte niet zou wegnemen maar als middel zou dienen voorden Heere om de verlossing zijns volks voort te zetten ; en altijd strekt zij om hen, die Hij van de slaafsche banden vrijgemaakt, uit de macht des Satans uitgeleid heeft, nu ook verder te leiden op den weg der gerechtigheid naar het hemelsche Kanaan.

Het is geen nieuwe , maar eene vernieuwde Wet. De algemeene zedelijke verplichtingen, welke de Israëlieten met alle andere menschen gemeen hadden, werden daardoor niet veranderd ; veelmeer die onveranderlijke verplichtingen, in de natuur des menschen gegrond, werden nu ten sterkste weer bevestigd en bekrachtigd, werden van onder de asch der vergetelheid , waaronder zij bij het menschdom , ook bij Abrahams verbasterd zaad bedolven lagen, weer in hare volle kracht, klaarheid en scherpte aan hot licht gebracht en aangedrongen in deze Wet der Tien geboden \'). En de sterkste drangreden tot vrijwillige gehoorzaamheid uit dankbaarheid gaf de Heere aanstonds in de eerste woorden , in de herinnering van do verlossing uit Egypteland, waarvan het aandenken ook door het jaarlijksche pascha bij het volk zou bewaard en verlevendigd worden en het-

\') Calvin. lust,it. II. 8. 1.

-ocr page 44-

§ 9. EERSTE WETTAFEL.

welk hen moest aanzetten om door gehoorzaamheid hunne dankbaarheid jegens Hem te bewijzen.

Beide tafelen verplichten ons eigenlijk alleen tot den dienst van God, slechts met dit onderscheid, dat de eerste ons leert Hem onmiddellijk, de tweede, Hem middellijk, namelijk in en aan onze medemenschen te dienen. Iedere plicht is zonder meer eene wilsbepaling van God, een uitvloeisel van zijn gezag en van onze afhankelijke betrekking tot Hem, zonder eenige bedreiging van straf door de wereldlijke Overheid bij overtreding, maar ook zonder om tijdelijk voordeel tot gehoorzaamheid te bewegen.

De eerste tafel is de grondslag van de tweede. Houdt men zich alleen aan de tweede , dan bouwt men zonder fundament. Al des menschen gedrag jegens zijnen naaste, hoe goed het ook schijne , is ijdel , wanneer daarbij geen Godsdienst, geen liefde tot God ten gronde ligt.

En omdat God Geest is , is ook zijne Wet geestelijk. Zijne geboden en verboden hebben een veel dieperen en omvattenderen zin , dan de voorschriften van menschelijke wetgevers. f3e heilige God, die hart en nieren proeft, ziet nooit alleen op het uitwendige , de daad , maar ook op het inwendige, de gezindheid, begeerte, neiging, bedoeling, beginselen en beweegredenen, gelijk ook aan een ieder het eigen geweten zegt, wanneer het door den Heiligen Geest wordt verlicht.

In zulken zin is de heiligheidswet der Tien geboden dan ook op uitnemende wijze door Luther gt;) en door Calvijn\'1)

\') In zijnon Grooteron Catechismus, od. Rochenb, Concordia Pia p. 403 sqq.

2) Instil. II. 8. 13 sqq. Eu in zijn Commontar. in Legem.

-ocr page 45-

§ 9. eerste wettafel.

uitvoerig , on naar dezen zoo bondig als volledig en schoon in den Heidelb. Catechismus uitgelegd Vr. 94. v.v. — Wij geven hier geene volledige verklaring, maar stuan bij enkele punten stil.

De eerste tafel verbiedt afgoderij, leeldendienst, misbruik van Gods naam, en gebiedt heiliging van den dag des Heer en.

Het eerste gebod verbiedt alle afgoderij, gebiedt daarmede de erkentenis , belijdenis , vereering en dienst van den eenen, waren, levenden God (Monotheïsme), in tegenstelling tegen den Veelgodcndienst (Polytheïsme) der IJei-denon en tegen alles wat de natuurlijke mensch tot zijnen God maakt. Heidelb, Gut. Vr. 94 en 95 lt;).

De Wet spreekt verbiedende. Dit is wel opmerkelijk. Wanneer men iemand iets verbiedt, dan laat men daardoor de veronderstelling blijken , dat hij geneigd is om het te bedrijven. Ieder verbod is eene aanklacht, eene beschuldiging. Er ligt iets verootmoedigends en beschamends in, het houdt ons de vernederende waarheid voor, dat wij van nature geneigd zijn tot alle kwaad. Maar het verbod van het kwade is tevens een gebod van het tegendeel, van het goede.

liet tweede gebod verbiedt den beeldendienst. Het zegt uiet hetzelfde als het eerste (zie hierboven bl. ^4), hoewel de afgoderij, die in het eerste wordt verboden, en de beeldendienst, welken het tweede verbiedt, nauw verwant zijn en in elkander vloeien. ïegen het eerste gebod zondigt men, wanneer de eere van God aan valsche, ingebeelde ge-

Corpus Roformator. Vol. LU. p. 2(il sqr. Veel bisvuttoiul eu zorgvuldig is de Verhandeling over de Wet iu Ch. IJodgc, Systematic theology Vol. 111. C\'hiipt. XIX. p. 259 — 405.

\') Vergel. Eerste Hoofdstuk g 15. Derde Hoofdstuk § 5 en 6.

29

-ocr page 46-

§ 9. EERSTE WETTAFEL.

den geeft, tegen hot, tweede, wanneer men den waren God eon valschen dienst opdraagt; tegen het eerste, wanneer men schepselen als God, tegen hot tweede (blijkens Dout. 4: 12, 15), wanneer men God als schepsel vereert. Bij het Joodsche volk vertoonden zich in vervolg van tijd voortgaande deze twee trappen des afvals: eerst nog de vereering van den waren God onder een beeld : zoo de kalver- of stierendienst in de woestijn en sedert Jerobeam, den zone Nebats, in het rijk Israël ; en dan de dienst van valsche goden , als Baal, Astoret enz.

Afgodische beeldendienst was openbare verzaking van den waren God , was verbreking van den Israëlitischen Godsdienst. Van daar in do Wet strenge dreiging op deze misdaad: Want Ik, de Ueere uw God hen een ijverig God, die de misdaad der vaderen hezoeke aan de kinderen , aan het derde en aan het vierde [Z/rf] \') dergenen die mij haten. Exod. 20: 5.

Dit zegt niet, dat God in \'t gemeen alle zonde der ouders aan hunne kinderen wil straffen, ook wanneer dezen daarin niot mededoen. Integendeel, de zoon zal niet dragen de ongerechtigheid des vaders, Ezech. 18 : 20. Zoo kwamen wel de goddelooze zonen van Dathan en Abiram om, maar de kinderen van Koraeh stierven niet, Num. 2G : 11, omdat zij de muiterij niet mede bedreven. Hoe goddeloos koning Achaz in Juda was, zijn rechtvaardige zoon Hiskia werd van God gezegend. Ook Amons zonde werd niet aan Jozia gestraft.

30

Maar hetgeen de Ileere in het tweede gebod dreigt, is dat hij de misdaad van den afgodischen beeldendienst ze-

1) lu hot Hebr. staat: aan de derde en aan de vierde, na-niülijk kinderen (mtkomelingei]) ; aan , Hebr. telkens

-ocr page 47-

§ 9. EERSTE WETTAFEL.

kerlijk wilde straffen aan de kinderen, die hunner vaderen voetstappen navolgden, althans aan het dorde en aan het vierde lid, en niet langer geduld wilde hebhen quot;). Zoo heeft Hij op eene in het oog loopende wijze gedaan aan de afgodische en beeldendienende koningsfamiliën in het rijk der tien stammen, waarvan geene langer bestond dan tot het derde of vierde geslachtslid. Jerobeam had maar éénen zoon ten\'opvolger, Nadab. Hem doodde Baësa , die het gansche huis van Jerobeam sloeg en daarvan niets overliet. Van Baësa wederom maar één zoon koning, Ela, gedood door Zimri. Zimri verbrand. Uit Omri\'s geslacht drie koningen na hem ; alleen van Jehu vier. En na dezen verhaasting van Gods oordeelen , snelle verdelging van don eenen door den anderen: iedermaal eene nieuwe bevestiging en Goddelijke handhaving van het tweede gebod, hetwelk zij hadden geschonden. — Eindelijk verdreef God geheel het volk uit het land. Door de ballingschap werd hun de beeldendienst en (grove) afgoderij afgeleerd2).

De beelden zijn uitingen van denkbeelden. Naardat iemands denkbeeld van God is , is ook zijn Godsdienst. Wij mogen ons God niet anders denken , noch op eene andere wijze vereeren dan Hij in zijn Woord geopenbaard en bevolen heeft.

Wij moeten een zekere voorstelling, eenig begrip van God hebben. Daartoe leiden ons ook reeds zijne namen. En hoe

\') Gottfr. Menken, Predigton. Bremen 1825. S. 42. ff. Verg. Gou. 15 : 16. Dus bet oordeel Gods over de iifgodische Kana-anicten in het vierde geslacht voor Israël tot een waarschuwend voorbeeld gestold.

\'2) Derde Hoofdstuk § 7. bl. 310.

31

-ocr page 48-

§ 9, EERSTE WETTAFEL.

zullen wij Hem anders aanbidden\')? Wij mogen en moeten van een Godsbegrip1) spreken, gevormd uit en naar Gods eigen Woord; waarmede wij intusschen geenszins zeggen dat wij God kunnen begrijpen , absoluut, dat wij eindige schepselen een geheel adaequaat begrip van Hem kunnen hebben : Hij is de Oneindige , en wij bekennen de onbegrijpelijkheid Gods \').

Maar „de Gereformeerden, alhoewel zij met beide hunne armen omhelzen, dat het geoorloofd is, oen begrip te hebben van God, ja dat zulks ten hoogste noodzakelijk is, zoo wij geene Atheïsten zijn willen, zeggen evenwel, dat oen begrip van God, onder de gedaante van een mensch of van eenig ander lichamelijk ding volstrekt ongeoorloofd is»).quot; In tegenstelling ook tegen de h\'ooinschen, die goedvinden God den Vader af te beelden als een oud man (de Oude van dagen) , zittende op eenen troon , met geopende boeken voor Hem (naar Dan. 7:9, 10), ter afschetsing van zijne eeuwigheid, alwetendheid en gerichte amp;).

Intusschen bekennen de Roomschen met ons, dat God, de Onzienlijke, naar zijn Wezen niet kan worden afgebeelde).

De bijgeloovige vereering der beelden van Christus en van de heiligen werd in de westersche of Roomsche Kerk sedert de tiende eeuw algemeen \').

32

1

) Zie Derde Hoofdstuk § 3. bl. 293.

-ocr page 49-

§ 9. EERSTE WETTAFEL.

Daar is eindelijk vastgesteld ; „Dat men beelden van Christus, van de Moeder Gods en van andere heiligen voornamelijk in de kerken moet behouden en aan dezelve behoorlijke eer en vereering bewijzen. Niet dat men mag gelooven, er zij iets Goddelijks of eenige kracht in, waarom men ze moest eeren, of dat men van dezelve iets moet bidden, of dat men zijn vertrouwen op de beelden moet stellen, zooals eertijds de Heidenen deden. Maar omdat de eere, aan de beelden bewezen, gericht wordt tot hen, die er door worden voorgesteld, zoodat men door de beelden, die men kust en voor welke men het hoofd ontbloot en knielt, Gliristus aanbidt en de heiligen vereert, die door de beelden worden vertoond \').

In de oostersche of Grieksche Kerk is er meer dan honderd jaren lang hevig over getwist, terwijl nu eens de beeldbegtryders (soms beeldstormers), dan de beeldenvereerders ï) de overhand hadden. De laatste beslissing, op de synode te Konstantinopel S4i onder Theodora, was aoor de beelden. Doch verschilt de Grieksche Kerk van de Roomsche hierin, dat de eerste geen gesnedene of gehou-wene beelden van heiligen duldt, maar alleen geschilderde s), als die minder lot afgoderij verleiden.

Lutherschen en Gereformeerden verwerpen beiden de godsdienstige vereering van beelden, en verschillen alleen over de versiering der kerken met beelden (en altaren).

1) Conoil. Trident. Soas. XXV, De iDvocatiouo sauctorum cott. ed. Tauchn. p. 174. Cateoh. Roman. Pars 111. Cap. 11. Qu. 18.

\'O slxovoftxxoi (soms ehovoxhixtrTixi) en

rj Wmer, Compar. Darstell. 1882. S. 70.

Gravomoüer , Gerof. Gol. loor. XIJ. 3

33

-ocr page 50-

§ 9. eerste wettafel.

De Luterschen acliten deze geoorloofd, hoewel onverschillig, de Gereformeerden keuren ze af •)•

Het derde gebod is tegen het ijdel gebruik van Gods naam , van al die namen, onder welke Hij als de Schepper en Heere des hemels en der aarde en inzonderheid als Verbondsgod zich aan Israël had bekend gemaakt, waarbij nu voor ons ook de gezegende naam van Jezus komt.

Wat dit gebod al verbiedt en wat daardoor bij gevolg geboden is, leert kort en treffend onze Heidelb. Catech. Vr. 99.

De lastering zijns naams heeft de Heere met den dood te straffen bevolen (Vr. 100). Niet iedere lastering, niet eene Godslastering bij enkele gevolgtrekking, niet ieder kettersche leer , maar de uitdrukkelijke en eigenlijke lastering van den naam des Heeren, een verguizen, verachtelijk hoonen van Israels God , een vervloeken van Jehovah ^ Levit. 24 : 16: Wie den Naam des Heeren (Jehovah) r/e-lasterd 3) zal hebben, zal zekerlijh gedood worden, — ds vreemdeling gelijk de inboorling, —

Verscheidene oude en nieuwere kerkleeraren en sekten lt;)

\') Dezelfde, S. 258.

2) Vergel. J. D. Michaëlis, Mozaïsch Tïoclit. Ncderdnitscho Vertal. 1776. V, p, 189. Nitzsch, System 5t,o Aufl. S. 287.

:i) Zie Derde Hoofdstuk § 12. bl. 330. Calvin. Coramcntar. i. 1. (Corpus Eeformator. 1882. Vol. LH. p. 574), die dit bevel onder de Appendices tertii praecepti politicae aanvoert , gelijk hij wijselijk achter ieder gebod do daartoe behoo-ronde nadere bepalingen bijeenbrengt.

^) Belangrijk is het geschiedkundig verslag vau Tholuck, Auslegung der Bergpredigt Christi. 2to Ausg. S. 182 ff. Wutthe, Handb. der Christi. Sittenlehrc. 3te Aufl. II. § 244, en de An-merkung, S. 559 f.

34

-ocr page 51-

§ 9. EERSTE WETTAFEL.

35

oordeelen het eedzweren onder het Nieuwe Verbond ongeoorloofd, op grond van Matth. 5: 34—37 en Jac. 5:12, Voornaanilijk ook do Pelagianen. Maar de algemeene Christelijke Kerk acht den eed geoorloofd en noodzakelijk (Hobr. (5 : 16). Zoo handhaaft dan ook inzonderheid onze Gereformeerde Kerk den eed, als eene heilige, godsdienstige handeling, doch niet nadrukkelijke bepaling, op welke wijze , in wolk geval en tot welk einde een eed mag en moet gedaan worden. Ileidelb. Cat. Vr. 101. 102.

Alleen hij den name Gods mag men eonen eed zweren, gelijk ook van de laatste dagen is verkondigd door Jezaja G5 : 10 : Wie zweren zal op aarde, die zal zweren hij den God der waarheid. Niet bij geschapene dingen of wezens, als bij den hemel, bij de aarde en dergelijke. Dat is het wat Christus verbiedt Matlh. 5 : 34, waar Hij bedoelt: Zóó zweert ganschelijk niet, noch waar noch valsch! en Jacobus 5 : 12 : noeh eenujen anderen eed, namelijk van dien aard. Zulke eeden golden niet eens voor de Joodsche rechtbanken , maar werden bij de Joden in het gemeene leven onderling gebezigd om den naam Gods te ontwijken. Noch de Heere Jezus, die immers Matth. 5 : 17 de Wet of de Profeten niet ontbond, noch zijn dienstknecht Jacobus spreken tegen den rechten, heiligen eed bij den name Gods. — Inzonderheid komen de Protestantsche Kerken tegen hot zweren bij do heiligen op, door de lioomsche kerk goed-geheeten en beglimpt \'),

Do Geroformcordcu liamlhavcn den ocd inzonderheid tegen de Mennonieten, die, overeeukomstig huu droombeeld van eene ideale Kerk , den eed ook voor het gericht als eeu onchristelijk bedrijf verwerpen. Scholten , Leer der Uerv. Kerk. 11. p. 292 v.v. \') Cotech. lioviun. Pars 111. Cap. III. Qu. 8, alwaar geleerd

-ocr page 52-

§ 9. EERSTE WETTAFEL.

Voorts , Godzaliglijk: in de vreeze des Heeren , met levendig besef van zijn alwetendheid, overaltegenwoordigheid, almacht, heiligheid en rechtvaardigheid en aldus met een oprecht en eerlijk hart, dat Gods gunst boven alles schat en bereid is om liever alles te ondergaan dan door valschen eed zich of eenen ander uit verlegenheid te redden of er een betwist tijdelijk goed en voordeel door tot zich te halen. Wat baat het eenen mensch, zoo hij de geheele wereld gewint en lijdt schade zijner ziele ? De Heere gebiedt Jer. 4:2 te zweren in waarheid, in recht („of oordeelquot; Kantteek.) en in gerechtigheid1).

Als het de Overheid van hare onderdanen of anderszins ook de nood vordert. Zoo de burgereed, de krijgsmanseed, de eed bij het aanvaarden van een burgerlijken post, van den hoogsten staats-ambtenaar tot den voogd der onmon-digen toe. Of anderszins, b.v. de eed bij verbonden.

Daar is het om de trouw te bevestigen; men zweert

wordt: Wie bij hot Evangelio zweert, die zweert bij God zeiven , wiens waarheid in het Evangelie is vervat; gelijkerwijs ook bij de heiligen , die tempelen Gods zijn en die aan do evangelische waarheid geloofd en haar geëerd en verbreid hebben.

Bij welke voorwerpen men oudtijds al zwoer , in en buiten Israël , meldt Winer, Bibl. Realwörterb. 1. u. d. W. Eld. Tho-luch, Bergpredigt Christi S. 279 f.

\') Hiernaar de eanonische regel van de voreischten eens eeds, van hetgeen er bij oenen eed zijn moet, comités juramenti : Veritas in mente (waarheid, oprechtheid in gezindheid en bedoeling) , judicium in jurante (juist oordeel . behoorlijke ouderscheiding, bedachtzaamheid) , jastitia in objecto (gerechte zaak). G. F. Göichal in Herzogs Real-Euoykl. III. S. 717. u. d. W. Eid. Van deze drie voorname eereischten handelt leerzaam de Catechism. Roman. Pars III. Cap. III. Qu. 11 —14.

36

-ocr page 53-

§ 9. EEnSTE wettafel.

bij God Almachtig dat men de verplichtingen , die men op zich neemt, en de beloften, die men doet, getrouw wil vervullen.

Of het is om de waarheid te bevestigen. Zoo inzonderheid de eed van getuigen. De aardsche rechter stelt hen voor het gerichte Gods, die de waarheid weet en de leugen straft i).

Het rechte eedzweren geschiedt dan tot Gods eere en des naasten zaligheid, dat zegt, ten beste, ten nutte, ter hulp van onzen naaste. Het is een Godsdionstwerk, eerbiedige erkentenis en plechtige belijdenis, dat het gericht Godes is , dat Hij is de Rechter der gansche aarde, en dat Hij de waarheid en het recht zal handhaven en leugen en bedrog zal straffen. — En het is een verschuldigde naastendienst, een liefdedienst voor den evenmensch, die eene rechtvaardige doch betwiste zake heeft, om hem tot zijn recht en tot vrede te verhelpen. Men bevestigt de waarheid en eindigt het ge?chil.

Christus zelf heeft Matth. 26, 63, 64 een gerechtelijken eed afgelegd, en dat nog wel voor zulk eene Overheid, voor den Joodschen raad1)!

37

1

) Dat hot wettig oodzweren den Christenen geoorloofd is , wordt togen do Wederdoopers op voldoende gronden gestaafd ook in Ursinus\' Schatboek over don Heidelb. Cat. bij Vr, 101. ed. Gorinchom 1736. II. p. 218 v.v.

Het Program § 67 zegt: Jezus\' verbod om te tweren raakt den burgerlijken eed niet in het minst. Dat verbod toch werd ge-

-ocr page 54-

§ 9. EERSTE WETTAFEL.

Het vierde gebod gebiedt de heiliging van den dag des Heeren. Een rustdag was reeds in het paradijs ingesteld voor den naar het beeld Gods geschapen mensch, die hot voorbeeld Gods zou navolgen. Toen immers is geschied wat het vierde gebod als den eersten grond der sabbatsviering met nadruk herinnert, toen zegende de Heere den sabbatdag en heiligde denzelven, Exod. 20 : 11. Want dit heeft de Heere niet eerst bij de wetgeving op den berg Sinaï gedaan, maar toen Hij de schepping had volbracht en van al zijn ivevk, dat Hij gemaakt had, heeft gei ust. Gen. 2 :2, waarop dan onmiddellijk volgt v. 3 : En God heeft den zevenden dag gezegend en dien geheiligd, omdat Hij op denzelven gerust heeft van al zijn werk, hetwelk God geschapen had om te volmaken \').

Men heeft dit 3de vers voor een voorverhaal van Mozes verklaard, voor eene vooruitneming (prolepsis) van hetgeen eigenlijk eerst in zijnen tijd was geschied : hij, schrijvende

geven aan den engen kring van zijn volgelingen en geldt dus voor de Keuk , op wier terrein dan ook nooit de eedzwenng mag worden toegelaten. (Doch zie hiorboven bl. 31). Maar niet voor de burgerlijke saamleving tegenover de overheid, gelijk Jezus dan ook zelf den eed voor Cajaphas heeft afgelegd. Immers de Kerk is in de wereld ou heeft met do wereld te doou. Iholuek, Beig-pred. S. 288: 1st es wohl glauhtich, dasz der Erlöser hier (Matth. 5: 34:. v.v.) hlosz für den Verkehr wahrer Christen unter tieh und im Hinhlick auf die Zeit einer Verwiirkliehung der (ixTtXslx ein Gebot geben wolle? gewisz nicht; gewisz denkt er sich hier ebensowohl als auch v. 39-37 seine Janger zugleich im Verkehre mit der Welt. Iets auders G. F. Goschel, in Herzoga Real-Ene. III. S. 716, die den eed ook biiinen do Kerk (onder do Christenen ondeiiiug) brengt. Eu waarom niet ? 2 Korinth. 1 : lt;i3.

\') Hioiovei zie Zesde Hoofdstuk § 12. bl. 675 v.v.

38

-ocr page 55-

§ 9. EERSTE WETTAFEL.

als Israëliet voor de Israëlieten, zou, om de viering van den zevenden dag dor week des te nadrukkelijker te staven en aan te dringen, hot zegenen en heiligen van dien dag door God hebben vooruit genomen en aanstonds bij het scheppingsverhaal gevoegd. Maar daarmee komt men èn de Goddelijke ingeving der Heilige Schrift èn de waarheids-Helde van Mozes te na. Mozes zou van dit zegenen en heiligen Gen. 2 : 3 gewisselijk niet hebben geschreven, ware het hem niet eene geschiedkundige waarheid geweest, aan hem, op dezelfde wijze als de schepping, bekend geworden \').

Op den berg Sinaï gaf God aangaande den zevenden dag een streng gebod Exod. 20 : 9, 10, hetwelk vervolgens nog nader werd uitgebreid en gescherpt 1). En Hij zelf vestigde en hechte het op den in den beginne gelegden grond, Exod. 20 : 11 : Want in zes dagen heeft de Ileere den hemel en de aarde gemaakt, de zee, en alles wat daarin is en Hij rustte ten zevenden dage: daarom zegende de Heere den sabbatdag, en heiligde denzelven 2).

39

1

) De nadere bepalingen vindt men bijoon in Calvin. Commentar. (Corp. Reformator. Voll. LII. p. 582 sqq.)

2

) Anders Dout. 5 : 15 , waar op do verlossing uit Eypte wordt teruggewezen. Dies heeft de nieuwere critiek èn Exod.

-ocr page 56-

§ 9. EERSTE WETTAfEL.

Openbaarlijk wijzen deze woorden terug op hetgeen aanstonds na dc volbrachte schepping is geschied. Op den berg Sinaï heeft God niet uitdrukkelijk eenen zegen op den zevenden dag gelegd ; maar terstond na de schepping deed Hij het. En toen heiligde Hij dien dag ook. Dit heiligen was tevens een instellen \'). Want dit was eene keur en afzondering van de andere dagen. Dezen dag eigende de Heere zicli in het bijzondere too, dit was zijn dag, bij uitnemendheid Hem toebehoorende en aan Hem gewijd, de dag des Heeren. Dit wordt dan ook Exod. 20 : 10 als eene oude en bekende waarheid verondersteld: de zevende dag is de sabbat des Heeren uws Gods; weshalve Mozes vóór de wetgeving op eenen Vrijdag tot de Israëlieten zeggen kon Exod. 16 : 23: Morgen is de ruste, de heilige sabbat des Heeren, En v. 26 : Zes dagen zult gij het manna verzamelen : doch op den zevenden dag is het sabbat, op denzeloen zal het niet zijn.

Calvijn zegt; „Uit Exod. 20 :11 leidt men de aanneme-

20 ; 11 èn Dout. 5 : 15 uit den oorspronkelijken decalogus van Mozes geschrapt. Vergel. Scholten , Loer der Herv. Kerk I. p. 376. Deut. 5; 6 v.v. is eene vnjo wederhallng der Tien geboden door Mozes , niet do wetgeving zelve door God: vandaar juist onder de leiding des Geestes in een en ander verschillend van Exod. 20. Het opmerkelijkste verschil is Deut. 5 ; 15, waar niet op de ruste Gods na de Schepping wordt teruggewezen , maar op de uitleiding des volks uit Egypte , wijl deze nu haar einde stond te vorkrijgen , daar do ingang in het land der belofte, als eene rust na de moeite: aanstaande was. Te eer kon Mozes alzoo doen, daar de Goddelijke voorafspraak vóór de Wet er toe leidde. Vergel. Brahel, Bed. Godsd. II. p. 122.

1) Dit wordt ontkend en bestreden o. a. ook door Hengstenberg , üeber den Tag dos Herrn. 1852. S. 16. 134.

40

-ocr page 57-

§ 9. EERSTE WETTAFEL.

lijke veronderstelling af, dal de heiligheid van den sabbat eerder is geweest dan de Wet. En zeker wat Mozes vooraf (Exod. 16 : 26) heeft verhaald, dat den Israëlieten verboden werd op den zevenden dag manna te zamelen schijnt genomen te zijn uit overgeleverde kennis en gebruik. En daar God den heiligen het gebruik des of\'ferens heeft gegeven, is het niet geloofelijk, dat het onderhouden van den sabbat zou zijn achterwege gelaten. Maar naar de verkeerdheid van den menschelijken geest was het bij do wereldsche volken geheel te niet gedaan, in Abrahams nageslacht echter bijna in onbruik geraakt. God nu vernieuwde het in zijne Wet, teneinde de sabbat heilig en ongeschonden wierde onderhouden lt;).quot;

Al de nadere Goddelijke verklaringen door Mozes en de Profeten geven te verstaan, dat de sabbat geheel anders moet worden aangezien en gebruikt dan de werkdagen. Het is de dag des Heeren, voor bijzonderen dienst van Hem bestemd. Hij wil alle dagen gediend worden, maar op den sabbat met staking van het dagelijksche werk. Doch het rusten van den arbeid is niet hoofdzaak of doel, maar slechts middel tot hooger doel: het is dienstig en noodig, om te bekwamen tot hooger, tot geestelijk werk, en om al datgene verre te houden, wat de ziel daarin stoort. Het is geen dag om te luieren en de zinnen te vermaken, geen dag voor wereldsch pleizier en geen ezelsdag, gelijk onze Brakelquot;1) waarschuwt.

Reeds de vermeerdering van het dagelijksche offer (op

•) Calvin. Commentar. ia Exod. XX: 11. (Corpus Reform. Vol. LIL p. 580. sq.)

\'-) Redel. Godsd. 11. Cap. VI. § 10.

41

-ocr page 58-

9. EERSTE WETTAFEL.

den sabbat telkens twee lammeren, Num. 28 : 9) gaf te kennen, dat het op dien dag niet om rusten te doen was, maar om meerderen, bijzonderen dienst van God.

Het was een dag voor heilige samenroeping (Levit. 23 : 3), voor godsdienstige vergadering, niet alleen bij het nationale heiligdom (waar alleen de offeranden mochten geschieden), maar ook overal in den lande. In het rijk der Tien stammen hielden de godvruchtigen hunne samenkomsten bij de Profeten, die aldaar de plaats van de verdrevene wettige Priesters vervingen en „vergadering hielden tot bewaring van de rechte leere en den zuiveren Godsdienstquot; (Kantteek. 2 Kon. 4 : 23). In die bijeenkomsten, later geregeld in de synagogen, werd de naam des Heeren aangeroepen in gebed en heiligen zang. Ps. 92 was uitdrukkelijk voor den sabbatdag bestemd. Daar werd Gods Woord voorgelezen, en bij gevolg ook uitgelegd en toegepast, dus gepredikt. Dies kon Jacobus Hand. 15: 21 zeggen ; Mozes heeft er van oxide tijden in elke stad, die hem prediken, en hij ivordi op eiken sabbat in de synagogen geleren. En de Priesters hadden den kinderen Israels te leeren al de inzettingen, die de Heere door den dienst van Mozes tot hen gesproken heeft, Levit. 10 : 11; en de Levieten zouden Jakob de rechten des Heeren leeren en Israël zijne }Vet, Deut. 33 : 10. Tot uilrichting van deze hunne taak, om liet volk in de Goddelijke leer te onderwijzen, gaf hun de rustdag, waar de aardsche bezigheden stilstonden, uitnemende gelegenheid.

Daarbij echter riep de rustdag eenen iegelijk in het bijzonder tot overdenking van de Wet des Heeren, tot bepoinzing van zijn Woord en zijne werken en wegen , in schepping en verlossing, tot stillen inkeer, tot ver-

42

-ocr page 59-

§ 9. EERSTE WETTAFEL.

ootmoediging wegens het verledene, tol bemoediging voor het toekomende tot het zoeken van ruste voor de ziel in God hij liet licht zijner genadige beloften, tot geheele overgeving en toewijding aan Hem, om van de zonden , maar ook van werkdienst af te staan en met zelfverloochening en verzaking van al het eigene God te dienen alle dagen (vergel. Jes 58 : 13). Dus een heilige ruste , geheel iets anders dan hetgeen waarin de werkheilige en muggeziftende Farizeën den sabbat stolden , die bij al hunne angstvallige nauwgezetheid om geen werk te doen toch verre van de ware ruste bleven.

Uil dit alles blijkt reeds, dat de schoone uillegging en uitureiding van het Vierde gebod in den Heidelh. Catech. Vr. 103 op bijbelsche gronden steunt en uit den Woorde Gods is gelrokken en bij wettige gevolgtrekking daaruit afgeleid. Ook wal de Scholen betreft, waarmede van zelf in de eerste plaats bedoeld zijn de Hooge. Scholen •), als noodzakelijk voor den Kerkendiensi, „nademaal zonder de geleerdheid en wetenschap van spraken en konslen de menschen niet bekwaam worden om te leeren, noch de reinheid der leere zonder dezelve kan onderhouden of legen de ketters verdedigd worden. Uit de scholen moeten voorkomen en genomen worden degenen die de gemeenten zullen regeeren, lot Gods eere en zaligheid der ge-loovigen Waaruil vanzelf volgt, dat hel geen kweekplaatsen mogen zijn voor ongeloof en kerkbederf. Maar ook de Lagere Scholen zijn, in noodzakelijk verband

\') Of Sumuuuiëu, zamp;aierijen om harders en leeraars aan te fokken (Hooft).

2) Ursiuus\' Sahatboek over den Heidelb. Catech. 1736.11. p. 359.

-ocr page 60-

§ 0. ËliRSTE WETtAPEL.

daarmede , naar Gereformeerde grondstelling zaak van de Kerk. Gereformeerde schoolmeesters moet de Gereformeerde Kerk hebben, om hare kinderen naar Gods Woord te leeren en op te leiden •). Ontrouw wordt gestraft ook met verdrukkende wetten , waaronder het land zucht en waarop past wat de Heere zegt Ezech. 20 : 25 : Daarom gaf Ik hun ook hesluitingen die niet goed waren, en rechten, waarhij zij niet leven zouden.

De dag is veranderd met het einde des Ouden Verbonds: do eerste dag der week is de Sabbat , de rustdag der Christenen geworden.

De gemeente der geloovigen, uit Israël overgebracht, droeg van den beginne het besef in zich van de nood-zakelpheid eens wekelijken vierdags. Zij had dit uit de Heilige Schriften des Ouden Verbonds, uit de Wet des Heeren, en bleef gedachtig aan den zegen, dien het oude volk van de onderhouding dezer Goddelijke instelling, niettegenstaande al het daarbij ingedrongen bederf, genoten had.

Maar de geloovigen verstonden weldra, dat zij niet aan den laatsten weekdag waren verbonden en dat het wezen des God del ij ken gebods niet hierin was gelegen, juist dezen dag, maar in \'t gemeen éénen dag wekelijks te vieren en tot gemeenschappelijke en openbare Godsdienstoefening af te zonderen en geheel dien dag heilig te houden naar het gebod.

44

Doch welke dag moest dit zijn? De Heere gaf hiervan geen uitdrukkelijk bevel. Maar de noodzakelijkheid om do vermenging van Joodsch en Christelijk te ontwijken en

\') Dordrechter Kerkenordening Artik. 21.

-ocr page 61-

§ 9. EERSTE WETTAFEL.

tegen te gaan, bracht er van zelf toe om voor den laatslen weekdag eenen anderen te kiezen \'). En daar wees de Geest van Christus, die de gemeente bezielde, haar den eersten dag der weke aan , dien dag zoo gedenkwaardig wegens de opstanding des Heeren, hot luisterrijk bewijs dat Hij het groote werk der verlossing had volbracht, wegens de herhaalde verschijning van den herrezene in den kring der zijnen, en eindelijk wegens de uitstorting des Heiligen Geestes op den eersten dag der weke geschied. Deze wordt reeds Openb. 1 : 10 de dag des Heeren 2) genoemd.

De Gereformeerde Kerk erkent in het vierde gebod een blijvend, voor alle tijden geldend voorschrift, om wekelijks ^eenen bepaalden dag af te zonderen tot plechtige , gemeenschappelijke Godsdienstoefeningen met staking van het dagelijksche werk.

45

Door sommige Puriteinen, uit Engeland naar Zeeland uitgeweken, was hier geijverd voor strenge onderhouding van de Mozaïsche Sabbatswet. De gevoelens der Neder-landsche leeraren waren verdeeld en men begon er over te twisten (sedert 101:2). De Synode te Dordrecht 1619 benoemde eene commissie van vier Godgeleerden , die , met toestemming van de broederen uit Zeeland, zes

\') Neander, Pflanzung dor Chv. Kirohe. 1832. S, 137. Dezelfde, Allgora. Gosoh. der Chr. Hol. u. K. 1829. 11. Band. S. 430 ff. Augusti, Handb. der Christl. Archïiol. 183G. I. S. 512 ff. Neander botvvijfelt do viering van den Zondag in du tijdeu dei-Apostelen ; Augusti aebt haar van apostolischeu oorsprong. Hengstenberg , Tag dos Herrn S. 160 ff. stelt buiten twijfel, dat de Zondag tijdens de Apostelen roods algemeen werd gevierd. \'■O ^ xvpiixuii yiftépx, dies dominica.

-ocr page 62-

§ 9. EERSTE WETTAFEL.

Artikelen ontwierpen, welke inde 164ste Zitting (Nahande-lingenquot;) werden voorgelezen en geapprobeerd. Het zijn deze :

I. in het vierde gebod der Goddelijke Wet is iets ceremoniëels en iets moreels.

II. Ceremonieel is geweest de ruste van den zevenden dog na de schepping en de strenge onderhouding van denzelven dag , hel Joodsche volk bijzonder opgelegd.

III. Moreel, dat een zekere en gezette dag den Godsdienst zij toegeeigend, en daartoe zooveel rusie als tot den Godsdienst en tot deszelfs heilige overdenking van noode is.

IV. De sabbat der Joden afgeschaft zijnde, moet de dag des lieer en van de Christenen solemneljk geheiligd ivordrn.

V. Deze drnj is sedert de tijden der Apostelen in de eerste Katholieke Kerk altijd onderhouden.

VI. Dezelve dag moet alzoo den Godsdienst toegeeigend worden, dat men op denzelven ruste van alle slaafachtige werken, uilgenomen die de liefde en tegenwoordige noodzakelijkheid vereischen, mitsgaders van alle zoodanige recreatiën, die den Godsdienst verhinderen.

Deze wijze en bemiddelende verklaring was echter niet in staat, het gescliil eensvooral te beslechten. De strijd ontbrandde weldra op nieuw op de Hooge Scholen en onder de voorgangers der genieenten en bleef met tusschen-poozen lang voortgaan. En wel tusschen de volgelingen

\') De Nahandelingen , Post-acta , zijn lang vermist gewocst. (Doch »clit moet buiten allen twijfel van het origineele Schrift zelf verstaan wordenquot; .1. Bns. kort hls. Berigt enz. 1733 pag. 170 aanm.) maar , bij eene visitatie der Nationale Schriften, gevonden 1GG8; geschreven in het Latijn mut de hand vau Feslus Homtnius , Scriba der Synode , in hetzelfde jaar IGGS gedrukt on voorts in do Nederlandsche taal overgezet. Jac. Leydekker, Eero van do Nat. Syn. vau Uordr. 1785. I. p. 90. v.

46

-ocr page 63-

§ 9. EEKSTE WETTAFEL.

van G. Voetins ex\\ A\\e\\a.\\\\ Joh. Coccejus *). Beiden achtten den rustdag nuttig en noodig. Maar naar do Voetiancn was de viering ook voor de Christenen naar de Coccejanen vrijwillig gebruik. Voor de Voetianen was in het vierde gebod niets ceremoniëels, maar behoorde het tot den onveranderlijken regel van heiligheid des levens, reeds voor den val gegeven en verbindende alle menschen van alle tijden ; terwijl na Christus\' komst de dag is verzet „blijvende het wezen van den sabbat in zijn volle kracht en na zes werkdagen telkens omkomende.quot; Voorde Cocce-janen was het gebod van den rustdag ceremoniël , aan Israël geboden en alleen voor Israël verbindend, in Christus vervuld en tenietgedaan en voor den Christen geen wet meer maar een werk van vrijheid.

Wij hebben ons vooral te houden aan hetgeen Christus heeft gezegd Mare. 2:27: De sabbat is gemaakt om den mensch, niet de mensch om den sabbat, (lemaald, niet door Mozes gegeven , maar, reeds in den beginne door God gemaakt, geworden, nadat de mensch geschapen was. Om den mensch: dus is de mensch te meer verplicht en verschuldigd hem te onderhouden. Niet de mensch om den sabbat: do sabbat zal den mensch ten heil dienen, tot

\') Ilenystenbery, Tag dos Hurrn S. 120 ff. Schollen , Loer dor Herv. Kerk 1. p. 376. v. Eouo uitvoorigo lijst van de verhandelingen ovor don Sabbat vindt men bij Campeg. Vitringa , Doctrina Cbr. Kolig., cur. Mart. Vitringa 1768. Pars IV. Cap. XX. p. 360. sqq. (Coecejaan). Zakelijk ou klaar is do breede uitoenzotting van Brafiel, lied. Godsd. II. p. 121. v.v. — De velorloi bijzondere gevoelens van Coccejus on do goscbiedonis daarvan vindt men iu een kort overzicht bijeen in Fr. Span-heim, lutroductio ad Histor. eccles. ed. C. Van Volzon. 17-10. p. 634—039.

47

-ocr page 64-

§ 9. EERSTE WETTAFEL.

zijne verkwikking en versterking naar ziel en lichaam, de mensch zal geen slaafsch dienstknecht van den sabbat zijn, zoodat hij door angstvallige nauwgezetheid zich en anderen er om zou mogen kwellen, beschadigen en laten omkomen (v. 25 en 3 : 4). Is de mensch meerder dan de sabbat: Zoo is dun de Zoon des menschen, de tweede Adam, de heilige Zoon Gods, die om den mensch mensch is geworden, het Hoofd dor nieuwe menschheid, — Heere ook van den sabbat, v. 28, Om hem af te schaffen? Dat zij verre ! Maar om hem nieuw te maken, opnieuw te zegenen en te heiligen in den rustdag zijner geloovigen, den eersten weekdag, den „dag dos ileeren,quot; die zijn licht zal spreiden over al de volgende dagen dor weke \'). De

\') Wat thaus do Christen billijkerwijze van de Overheid kan eischon , is omschroven in Het Program , door Dr. A. Kuyper § 71, terwijl § 70 herinnerd wordt aan ons recht, om de Zondagsheiliging af te leiden uit de * natuurlijke Godskennisquot; , op welker basis ook de Overheid staat. {Vergel. Jirakel, Red. Godsd. 11. p. 135. Calvin. Gommentar. in Exod. 20: 12 : Principibus esso obediendum sensus ipse naturae dictat).

In eene belangrijke Aanteekening op Wuttke, Handb. der Christl. Sittenlehre. 3te Anfl. II. S. 563 wordt gezegd: [Vel kan noch de Kerk noch de Staat eene waarlijk geestelijke Zondagsviering door dwang bewerken; dat is de zaak van het Christelijke geweten. De Staat kan — de burgerlijke viering ordenen; niet bloot tot bescherming van de kerkelijke Godsdienstoefeningen tegen storingen , maar tot bescherming zijner leden ; en daarin heeft hij bijzonder in Duitschland (enz.) veel verzuimd en niet Engeland en Amerika genoeg tot model genomen. De Staat heeft een recht, ja een plicht om tusschenbeide te konen , dat de inwoners niet tot bloote machines verlaagd en door het egoïsme der menschen verbruikt worden. Spoordienst — posterij enz. —

Van de algomeene Christelijke feestdagen zie Tweede Hoofdstuk § 38. bl. 25G.

48

-ocr page 65-

§ lü. tweede wettafel.

rustdag is behoefte \') en weldaad, tot aan den ingang in die ruste die er overblijft voor het volk Gods (Hebr. 4 : 9).

§ 10. Tweede Wettafel.

De tweede tafel schrijft ons de plichten voor eerst jegens ouders en jegens allen die over ons gesteld zijn, daarop jegens al onze medemenschen aangaande leven, echtstaat, eigendom, goeden naam, en verbiedt ten slotte allen boezen lust.

Met de tweede tafel daalt de Wet af in de onderlinge, maatschappelijke samenleving naar hare verschillende betrekkingen en standen. En daar heeft de Goddelijke wijsheid bovenaan gesteld het gebod: Eer uwen vader en uwe moeder. Reeds de natuur leert het, gelijk dan de Tien geboden slechts opnieuw sanctioneeren en bekrachtigen wat bereids in de natuurwet ligt. Dit vijfde gebod is in de tweede tafel het eerste, naar orde en gewicht. Hieraan is verbonden de vrede , de welvaart, de bloei van het huisgezin en bijgevolg van geheel de maatschappij. Want in het huisgezin schuilen de wellen , vanwaar de beekjes van heil of onheil langs allerhande wegen in Staat en Kerk uitvlieten.

\') Dat deze hehoefte alleen onder het Oude Verhond plaatshad en dat voor den Christen teder dag een sabbat is , zal geivis niet degene beweren, die in waarheid in het geestelijke leven gevorderd is , maar alleen wie bij zijn gedroomd Zelf (ingebooklo volmaaktheid) zijn werkelijk Zelf (zijn zondig bestaan) heeft vergeten. Het vulseiw spriritaalisme , waaruit zulke beweringen voortkomen, is een ivorm , die veel verderfelijker aan ons leven knaagt dan de wettisch-heid het ooit konde doen. Hengstenberg , Tag des Herrn. S. 156.

Cinivomeijor, Gorof. Gel. loer. 111. ■!

49

-ocr page 66-

§ 10. tweede wettafel.

Do ouders staan voor de kinderen boven alle naasten : de God van orde heeft hen met hoog gezag bekleed. God wil het zoo. Op denzeltden grond berust de eerbieding der Overheid en van al degenen die over iemand door de Goddelijke Voorzienigheid gesteld zijn. Het ouderlijke gezag over de kinderen, de vaderlijke macht is ook de eerste bron geweest, uit welke alle andere regeerings-macht is voortgekomen lt;). Zullen echter vader en moeder geëerd worden, zoo is dit bij gevolgtrekking meteen ook een gebod voor de ouders zei ven, om zich eerwaardig te gedragen , eu voor iedere Overheid, om hare onderhoorigen vaderlijk te behandelen. Ouders en Overheden beiden zijn dit niet door zich zeiven maar bij de gratie Gods en^ hebben te regeeren in zijnen naam en naar zijn Woord.

Al de plichten der kinderen jegens hunne ouders drukt de Heere uit door het ééne woord eeren, hetwelk echter naar den wijden en geestelijken zin der Wet veel inhoudt. Heidelb. Caleclt. Vr. 104.

Hij het vijfde gebod is opmerkelijk dat het eene belofte heeft. De Ueere dringt het aan door den kinderen, die hun vader en moeder eeren, het vooruitzicht te toonen op een lang eu gelukkig leven in hun land, ook als tegendeel van moeilijk omzwerven, hetwelk Israël lang bleef heugen : Opdal uwe dayen verleujd wovden in den lunde dat u de Ueere uw God geeft. Dat was voor de Israëlietische kinderen Kanaan. Dit ging den Israëlieten boven allo

\') Wuttke, Haudb. der Chr. Sittonl. 3to Auü. I. S. 44G: JJe

ouders zijn de eerste vorsten , en de rechte vorsten zijn vaderen des volts; Patres was een eernaam der Romeinsche senatoren; Oudsten heeten in gelifce beteekenis de leiders der zedelijke maatschappij in bijna alle vrije organisatiën der oude wereld en der Kerk.

50

-ocr page 67-

§ 10. tweede wettafel. 51

landen, deels omdat de Heere dit land aan hunne vaderen had beloofd on zij derhalve, het bewonende, zich in de ^ de vervulling dezer Goddelijke belofte konden verheugen,

hetwelk hun dan een pand en waarteeken moest zijn van Gods gunst en van de verdere vervulling zijner beloften, inzonderheid van de zending des Verlossers ; deels omdat God zich dat land geheiligd had tot plaats en zetel van zijnen dienst, waar het licht der waarheid zou schijnen, terwijl duisternis de overige aarde bedekte; deels eindelijk, omdat het door ongemeene vruchtbaarheid en schoonheid uitmuntte. Thans behoeft niemand te wenschen daar te wonen en oud te worden, nademaal er nog een vloek op licht en de Turk er heerscht. \'t Is derlialve voor ons troostrijk, dat de Apostel Paulus, onder leiding des ^ Geestes, Efez. 6 : 3 de belofte nu aldus stelt: Opdat hei

u welya (Deut. 5 : 16) en [dat] gij lang leeft op de aarde, waarbij onze Kantteekenaars te recht aanmerken :

zeyt in het algemeen op de aarde; omdat de Heere onder het Nieuwe \'Testament alle landen der yansche aarde nu heelt geheiligd, en zijnen zegen beloofd aan degenen die Hem gehoorzamen, in welk land zij ook zijn. Want de godzaligheid heeft de belofte des teyemcoordiyen en des toekomenden levens, 1 Tim. 4 : 8.

Dat er gehoorzame en godvreezendc kinderen vroeg sterven, maakt deze belofte Gods geenszins te niete. Voor dezen zou het gewis ge^n zegen zijn geweest, hadden zij langer geleefd. God had voor dezen dan iets beters voorzien. Zooals voor Abia, Jerobeams zoon, in wien wat goeds voor den Heere yevonden werd ( 1 Kon. 14 : 13). Daar „vervult de Heere zijne belofte niet minder dan wanneer Hij iemand, dien Hij maar één bunder lands

-ocr page 68-

§ 10. TWEEDE WETTAFEL,

had beloofd, honderd bunders schonk •).quot; Dus by de uitzonderingen moeten wij Gods vrijmacht en wijsheid erkennen. Overigens houdt de belofte haren vasten gang in den weg der Voorzienigheid Gods. Het is daarmede als met hetgeen de Schrift ook zegt : De hand der vlijtig en maakt rijk (Spreuk. 10 : 4) : dat is de algemeene regel in Gods bestuur , die niet vernietigd wordt, als hier en daar een vlijtig mensch arm blijft 2).

Paul us zegt Efez. 6:2: Eer uwen vader en uwe moeder, hetwelk het eerste gebod is met eene belofte. Maar heeft niet reeds het tweede gebod eene belofte ? Die belofte van barmhartigheid, roemende tegen het oordeel, over de duizenden Israels in de lengte en in de breedte, zag op al de geboden („die mijne geboden onderhoudenquot;); daarentegen het vijfde gebod heeft eene bijzondere belofte voor zich zelf. Het is dus het eerste gebod met eene speciale belofte.

Intusschen eerste duidt op meer zulke, die volgen, er volgt echter in de Tien geboden geen ander met eene bepaalde belofte. Hieruit blijkt dat Paulus bij eerste niet alleen op do Tien geboden ziet, maar op geheel de reeks der gezamenlijke geboden, welke God door en sinds Mozes heeft gegeven : onder al deze geboden is dit : lier uwen vader en uwe moeder \\\\q\\. eerste met eene WxyLonAevebelofte, waaruit deszelfs groot gewicht blijkt. Het is dan ook het eerste in tijd voor den mensch : ontzag en gehoorzaamheid jegens vader en moeder is de eerste plicht en zegensbron voor het kind, naar CJods ordonnantie. Het is het kiem-

\') Calvin. Instit. II. 8. 37.

\'J) Ch. Uodga, Systematic Thool. III. p. 352.

52

-ocr page 69-

§ 10. TWEEDE WETTAFEL

rijke grondgebed voor al do daarna volgende plichten der samenleving. Verstoring hiervan verwoest de maatschappijquot; Dit gebod legt den grond tot de rechte verhouding der standen onderling: hiertoe namelijk, dat elk mindere zijne meerderen zoo zal eeren als overeenkomt met hun stand , rang, ambt en macht, waarin God hen gesteld heeft, in huis, Staat en Kerk. In het huis, een koninkrijk in \'t klein : God wil dat de hoofden der huisgezinnen door de dienstbaren worden geëerbiedigd en gehoorzaamd, Efez. G : 5. 1 Petr. 2 : 18. In den Buryerstaat de Koning en verdere Overheden, Rom. 13: 1 v.v., namelijk in alle dingen die niet strijden tegen Gods Woord (Neder). Belijd, des Gel. Art. XXXVI). In de Kerk de voorgangeren en opzieners, Hebr. 13 : 17. 1 Tim. 5 : 17. De Kerk kent binnen zich geen overheden in dien zin als de Burgerstaat •). Zij houdt Jezus Christus voor haar eenig Hoofd (Nederl. Belijd, des Gel. Art. XXIX). En aangaande de Dienaars des Woords, in wat plaats dat zij zijn, zoo hebben zij ééne zelfde macht en autoriteit, zijnde allegader Dienaars van Jezus Christus, des eenig en alge-meenen Bisschops en des eenigen Hoofds der Kerke 2). Maar, opdat de heilige ordinantie Gods niet geschonden worde of in verachting koine, zoo zeggen wij, dat een ieder de Dienaars des Woords en de Ouderlingen der Kerk in zonderlinge achting behoort te hebben om des werks wille dat zij doen, en in vrede met hen te zijn zonder murmureering , twist of tweedracht, zooveel mogelijk is (Art.

\') Vergel. Dr. A. Kuiper, Tractaat van do Reformatio dor Kerken § 18. Volksuitgave pag. 42.

,2) Zie Elfde Hoofdstuk § 35. bl. 283. v.

-ocr page 70-

§ 10. tweede wettafel.

XXXI) Hierentusschen yelooven wij, hoewel het nuitelijk en goed is dat die Regeerders der Kerke zijn (Herders, Ouderlingen en Diakenen) onder zich zekere ordinantie instellen en bevestigen tot onderhouding van het lichaam der Kerk, dat zij nochtans zich wêl moeten wachten af te wijken van hetgene ons Christus, onze eenige Meester, geordineerd heeft (Art. XXXII).

Na den plicht van de kinderen jegens hunne ouders, daarmede van alle minderen jegens hunne meerderen in huis, Staat en Kerk, kondigt de heilige Wet ons aan wat wij jegens alle menschen, die samen onze naasten zijn, te betrachten hebben, en wel eerst, in het zesde gebod, ten opzichte van hun leven, hetwelk God hun gaf.

Door de zonde zijn\' wij wel allen des doods schuldig. Maar God zelf wil de voltrekker van dit vonnis zijn. Hij wil niet dat de een den anderen eigenmachtig het leven neme of krenke ; Gij zult niet doodslaan!

De uitdrukking is significant, kenmerkend. Het is niet: Gij zult niet dooden, maar niet doodslaan, of nog nauwkeuriger naar de eigenlijke beteekenis van het Hebreeuwsch : gij zult niet moorde)i. Waaruit al dadelijk blijkt, wat hier al of niet wordt verboden. Want moorden is een dooden met boos opzet en wreedheid, en het oorspronkelijke woord i) in de Wet beduidt juist het vermoorden van een mensch en drukt tegelijk het afgrijselijke van de daad uit.

Al het moorden verbiedt God, niet alle dooden. Het

\') Hebr. HVI ) oigeulijk verbrijzelen. Hot is hot Latijnsche

quot; T

Irucidave.

54

-ocr page 71-

§ 10. TWEEDE WETfAPEI,.

schadelijke gedierte mag men dooden, gelijk Paulus de adder Hand. 28 : 5. Dieren, tot voedsel dienstig, mag men slachten, doch niet kwellen, niet moorden. God gaf ze, in zijne verordening aan Noach, den mensch tot spijze. Maar het bloed verbood Hij hem (Gen 9 : 3, 4), om hem des te meer het bloed des menschen te doen ontzien (v. 6) en van alle wreedheid af te schrikken \') ; hot bloed in het lichaam is de zetel van de ziel des vloesches, de Heere wilde het op het altaar geven (Levit. 17 : 11), Hij eigende het zich toe en stelde hot tot heilig voorteeken van het bloed dos Lams; dat bloed moet gedronken worden (Joh. G ; 53) door het geloove.

Het verbod ziet op het ombrengen van menschen. Doch met uitzonderingen, a. De Overheid mag en moet den doodslager dooden. Zij draagt ltd zwaard en moet dit dreigende omhoog houden, om den doodslag te toeren {Heidelb. Cat. Vr. 105). Hot ovorhoerschende liberalisme ook onder de volksvertegenwoordigers zoekt op het standpunt van eene kwalijk begrepene humaniteit thans overal de doodstraf af te schaffen, lijnrecht tegen Gods Woord \')) Gen. 9 : 6. Exod. 21 : 14. Rora. 13 : 4.

b. De Overheid draagt het zwaard ook tegen \'s lands

\') Calvin. Gominentar. in Levit. 19 : 2G (Corp. Reform. Vol. LIL p. 618). Wuttlce , Handb. dor Chr. Sittenlehro. IT. S. 284f.

\') Aangaande de doodstraf wordt door Palmer in Herzogs Real-Enc. XXI. S. 342 f. aan do beslissende uitspraken der Schrift te weinig gezag toegekend. Een beknopt overzicht van do geschiedenis dor doodstraf geeft Sohulze in Wuttlce, Handb. der Chr. Sittenl. II. 8. 587 f. De positief Geroformeordo blijft vanzelf de onderhouding van Gods ordinantie oischeu; Program , door L)r. A. Kuyper § 184. Zie ook dit Leesboek Derde Hoofdstuk § 48. bl. 403.

65

-ocr page 72-

§ 10. TWEEDE WETTAFEL.

vijanden van buiten : het dooden van den vijand in den krijg is geen strafbare moord. Ook het Nieuwe Testament veroordeelt den krijgsmansstand niet, zooals de volgelingen van Socinus en van Menno Simons doen. Maar voor onrechtvaardige oorlogen, uit enkel veroveringszucht, of uit overmoed en eerbejag blijven de regeeringen verantwoordelijk.

c. Ook anders kan de noodweer tot een onschuldig dooden drijven, nameliik wanneer er geen uitweg meer is om het eigen leven tegen eenen aanvaller te beveiligen. Buitendien niet. Wie van iemand eenen slag ontvangt, mag hem daarom nog niet weer slaan maar moet, liever dan dit, zich nog eens laten slaan, doch zonder hiertoe (dat zou zijn tot nieuwe zonde) uit te lokken, Matth. 5 : 39. Vergel, Joh. 18 : 23).

d. Eindelijk zondert de Schrift ook uit het dooden van iemand bij ongeval, bij voorbeeld door eenen houthakker Deut. 19:5. Geen doodstraf stond hierop, maar toch eene straf (want er was een mensch gedood!), een burgerlijke dood, het verblijf in eene der zes vrijsteden tot aan den dood des Hoogepriesters (Num 35 : 11,25).

Overigens geldt het Woord Gen. 9:6; JFie des men-schen bloed vergiet, zijn bloed zal door den mensch ver-(joten worden: want God heeft den mensch naar zijn beeld gemaakt\'), waarmede het 5de vers is te verbinden ; van de hand eens iegelijken zijns broeders zal ik de ziele des menschen eischen. Dus de grond is deze: onze naaste is een mensch, die (als persoonlijk wezen) Gods beeld nog draagt (bet beeld in ruimer zin), en : onze naaste is onze broeder, wij zijn kinderen van éénen vader (Adam).

\') Hoo dit te verstuau is, zio Negende Hoo/dstnlc § 13. bl. 40.

50

-ocr page 73-

§ 10. twkede wettafel.

De wijde geestelijke zin van het zesde gebod was reeds in het Oude Testament klaar genoeg opengelegd en ook daar werd op dzw wortel des doochlags gewe\'/.an. Zoo Levi;. 19 : 17 ; Gij zult uwen broeder in uw hart niet haten. Christus heeft het nog nader verklaard (Matth. 5:21 v.v, en daarna in velerlei uitspraken en leeringen), waarin de Apostelen Hem zijn gevolgd (zooals 1 Joh. 3 : 14 — 16). Geheel op de Schrift gegrond is de uitlegging van dit gebod in onzen Heidelb. Cathechismus Vr. 105—107, waar de verbodene moordzonden en de gebodene levensplichten jegens onzen naaste en jegens ons zeiven staan aangetoond.

Met het zesde gebod, het leven aangaande, staat zakelijk in nauw verband het zevende, van den echt, zijnde deze naar Gods ordinantie de middelbare bron, waaruit het leven wordt verkregen, de eerbare weg ter voortplanting van het menschelijke geslacht. Het zevende gebod trekt eenen muur om don echtstaat, ten einde dezen tegen alle aanranding en schending te beschutten.

57

Het huwelijk behoort wel tot de gedaante dezer wereld en gaat met. haar voorbij (1 Kor. 7 : 29, 31. Matth. 22: 30). Toch is hot een heilige staat, naar oorsprong, doel en aard. Want hot is door God in hot paradijs voor den val ingesteld\') (Gen. 1 : 28. 2 : 18 v.v.) en na den val, doch met bijvoeging van do vrucht der zonde, bevestigd (Gen. 3 : 1G). Het zou dienen om de oogmerken Gods bij het geslachtsondorschoid op eene Hem verheerlijkende wijze te verwezenlijken, door wederzijdscho zelfovergoving aan elkander in den Hoore, door vereeniging van man en

\') Zio Zesde Hoofdstuk § 20. bl. 122. 124. v.

-ocr page 74-

§10. TWEfcDE WETTAFEL.

vrouw in wil en zin met ziel en lichaam. Het is eene afbeelding van de gemeenschap Gods met zijn volk, van Christus met zijne gemeente (Efez. 5 : 32). Ook heeft op de bruiloft te Kana de allerheiligste gast, de Heere Jezus Christus zelf den huwelijken staat hoog vereerd door zijne tegenwoordigheid, giften en wonderteekenen (Joh. 2).

Het is de nauwste verbintenis, waarin twee menschen op aarde kunnen komen. Er kunnen vrienden zijn, zoo innig als David en Jonathan verbonden ; de gemeente der geioovigen te Jeruzalem was één hart en ééne ziel (Hand. 4 : 32): maar van echtgenooten alleen is gezegd: Die twee zullen tot één vleesch zijn, Alzoo dat zij niet meer twee zijn, maar één vleesch (Matth. 19:5, 6.)

Maar de zonde heeft alles bedorven \'). De wereld zet God er geheel buiten en er wordt wel geene verbintenis zoo ijdel behandeld, zoo lichtvaardig ingegaan, zoo onrein en trouweloos gehouden en zoo jammerlijk verstoord en verscheurd als het trouwverbond. De Kerk daarentegen

\') Horat. Od. III. 6: Feeunda culpao saocnla nuptias

Prirnum inquinavero et gonus ot domos; Hoe fonto derivata clades In patriara populumque fluxit. Vruchtbaar iu zondou hobbou de tijden eerst deu echt vervuild eu het geslacht en do huisgezinnen ; uit deze brou afgeleid is onheil in vaderland en volk gevloeid.

Ongetougelde vrijzinnigheid (doordravend liberalisme) heeft wederom Communisme en Socialisme gebaard, en leidt tot gemeenschap ook der vrouwen: »vrije liefde,quot; mot opheffing van den echt. Wutthe, Christl. Sittenlehre II. S. 88. Uitspattend kwam de veelwijverij, doch niet ongestraft, zich vertoonen in Amerika bij de Mormomen, op mohammedaansche wijze, zelfs op grond van voorgewende openbaring. Dezelfde, I. S. 505. 11. S. 570.

58

-ocr page 75-

§ 10. TWEËDE WETTAFEi,.

eerbiedigt Gods ordinantie en terwijl zij naar de Schrift gelooft dat God de 11 eere voor Adam zijne huisvrouw geschapen, zelfs toegebracht en hem gegeven heeft, belijdt zvj dat God nog hedendaags eenen iegelijk zijne huisvrouw gelijk als met zijne hand toebrengt (F ormul. om AenhuwcX. staat voor de Gemeente van Christus te bevestigen).

Want staan de geringste handelingen aller menschen onder Gods regeering \'); en ware dat niet, hoe zou de Schepper zijn doel bereiken? zouden het dan niet de huwelijken, deze gewichtigste en gevolgen rijkste aller verbintenissen? Ongetwijfeld, beide de kwade en de goede, tot oordeel of zegen.

In dezen zin is het zeggen waar „dat de huwelijken in den Hemel gesloten worden 1).quot; Dezelfde God die aan

59

1

) Zie Zevende Hoofdstuk § 6. bl. 804.

J) Bilderdijk, Vaa de Algeineene en Bijzondere Voomenig-hoid. In zijue Nieuwe Mongolingou. 2de dr. 1. Deel bl. 249 v.v. Hij verhaalt, !gt;dat in Londen op oen maaltijd bij jonggehuwden door iemand word geopperd, dat het in Holland oen spreekwoord was : de huwelijken wierden in den Hemel gesloten. Do gaston plooiden het gezicht tot lachen en men vroeg Bilderdijk als Hollander, of hij dit ook geloofde. Zoo afkeorig hij was van de Leerstukken dos Christendoms noodeloos in gezelschappen uit te kramen, zoo had hij altijd gegruwd van zijue erkentenis er van te vorbloemen. Hij achtte het eene niet onschuldige onvoorzichtigheid, wanneer men ze aan don smaad der bespotting van lichtzinnigen blootstelde, maar hot was hem eene verloochening van hot Kruis van Jezus, wanneer mon ze zich toonde te schamen. Hij antwoordde dus eenvoudig en met ernst; Ik geloof aan eene Bijzondere Voorzienigheid in alles. Men zweeg ettelijke oogenblikkon, en hot gesprok veranderde. Maar een oud man van de andore zijde der tafel, dien hij naderhand verstond een Kerkelijke te zijn, stond op, verhaalt hij, drukte mij

-ocr page 76-

§ 10. TWEEDE WETTAFEL.

Abraham Sarah, aan kaak Rebekka gaf, heeft ook aan Job zijne trotsche üina (indien zij dus heette), aan Elkana de verdrietige Peninna en aan de kloeke Abigail den dwazen Nabal toegevoerd : samenvoegingen, vergelijkbaar met den toestand van den gevangenen Paulus te Piome, toen hij met een keten aan eenen krijgsknecht was gebonden (Hand. 28 : 1G, 20).

Maar deze waarheid, dat de huwelijken in don hemel worden gesloten, kan alleen daar tot levendige bewustheid komen en hare hoogst bemoedigende kracht uitoefenen, waar het trouwen in dm Heere geschiedt (1 Kor. 7 : 39), waar het is als Paulus in een ander opzicht van die in Macedonië zegt 2 Kor.8 : 5 : Zij gaven zich zeiven eerst aan den Heere en [daarna] aan elkander, door den iville Gods. Daar kan men zeggen, wat in Bethuëls huis bij Eliëzers aanzoek om Rebekka voor Izailk eenstemmig werd betuigd Gen. 24 : 50 : Van den Ileere is deze zaak voortgekomen.

Hetgeen dan God samengevoegd heeft, scheide de mrnsch niet, zegt onze Heere Jezus Christus Matth. 19 : 6. God scheidt eenmaal wat Hij heeft saamgevoegd. Hij scheidt door den dood. Maar de mensch scheide niet. \'tls eene verbintenis voor het leven, voor eene „ tijdelijke eeuwigheid,quot; eene ondervindingsrijke oefen- en voorbereidingsschool voor het hemelleven.

GO

Eene eenige reden is er, naar de uitspraak des Heeren (Matth. 5 : 32), waarom de echtscheiding is toegelaten,

do hand, waarop hij eon bowooglijkon traan vallon liet on zei mij half fluisterende ; Gij hebt {/olijk, Mijnheer, en ik dank u; want eene algemeene Voorzienigheid is zoo goed als geen.quot;

-ocr page 77-

§ 10. TWEEDE WETTAFEL.

namelijk uit oorzaak van hoererij. Maar tegen deze eenige oorzaak van scheiding is dan ook Mot zevende gebed vooral gericht: Gij zult niet echtbreken. In de herhaling der Wet is door de Onzen vertaald : Gij zult geen over-spel doen; doch in den grondtekst slaat daar hetzelfde woord i) Exod. ;20 : 14.

Wil de Wet do eenige oorzaak van scheiding weren, zoo is zij daarmede togen alle scheiding gekeerd. Men heeft dus een goeden grond, dat de Kerk de echtscheiding niet verricht in don name Gods en mot zogenspraak, gelijk het haar toekomt den echt aldus te bevestigen, den band vast te maken, te irowwew a), maar dat, wegens de aardsche belangen, de wereldlijke Overheid dit doet.

Gij zult niet echtbreken. Daarmede is alles verboden wat rechtstreeks of middelbaar tegen de door God gestelde orde dos huwelijks strijdt, wat op zich zelf den echtband losmaakt en breekt en al wat daartoe voorbereidt en er toe leidt, lleiclelb. Catech. Vr. 108. 109. Bovenaan overspel en trouwelooze verlating ; veelwijverij a); bloedschan-

0 nwn *6

t ; •

!) Verhol. Program, door Dr. A. Kuypor § Slü. Wuttke, Haudb. dor Christl, Sittoiiluhro. 3te Aufl. II. S. 571. 583 f. Goschiodkundig: Gösehen, iu Herzogs Koal-Encykl. III. S. C86 f. u. d. W. E/te. S. van Velzen, De Huwelijks-bovostigiug. Kaïnpon 1886 (Afdruk uit do Vrijo Kerk) p. 30.

Bogouuou vuu Lamech, don Kaïuiot, dio twoe vrouwon nam, Gon. 4 : 19 «rogolreoht togou Gods ordinantiequot; {Kantteek).— Niomaud hooft iu het Oude Teatamont zooveel van deu echtstaat goschrovou als Salomo eu niomaud hoeft dieu zoo onbehoorlijk gehouden als hij. — De (Westersche) Joden hebben do polygamie oorst in hot jaar 1070 n. (J. op ooue vergadering vauhou-

G1

-ocr page 78-

§ 10. TWEEDE WETTAFEL.

de \'), waar do band des bloeds door den daartoe komenden echtband overmocht en dus geschonden wordt. Voorts alle ontucht en vleeschelijke onreinheid in het gemeen, in daden, houding, woorden uitwendig, en in gedachten en lusten inwendig. De heilige Jezus heeft betuigd Matth^ 5 : 28 : IK zeg u, dat zoo wie eene vrouw [aan]ziet om dezelve te hegieren (zooals Eva Gen. 3 : 6 den verboden boom aanzag), die heeft aireede overspel in zijn hart met haar gedaan. De zonde zit dieper dan de Parizeen meenden, zij komt van binnen (Matth. 15 : 19). Zij ligt als tondel in het hart, en wordt door een invallende

dord Rabbijnen te Wonus afgeschaft. Bijbelsch Woordenboek I. p. (323. o. h. w. Huwelijk. — Wuttlce, Chr. Sittonlehro I. S. 441 : V ielweiberei ht nur eine rechtlich geordnete Bulder ei, macht wirkliche persönliche Liebeshingebung, also die Ehe, unmüglich.

De ondo Homerus veronderstelt en oert nog bij zijne holden de monogamie. De eenige echtvrouw alleen kou tot haren man zeggen wat Andromache iu don glood harer liefde tot Hector sprak Jl. VI. 429. 430:

quot;Ey.rop, iZTxp lt;70 /tol htji vrxr^p kx) ttotvix y^t^p, ipf KXviywiToq, tri/ Sé yoi (txXspoq xxpxzoir^g.

Hector, (vader en moeder en brooders zijn mij ontnomen) maar gij zijt mij vader en vereerde moeder en broeder, maar gij mij een bloeiende gade. Von Nagelsbach, Homer. ïheol. 2to Aufl. S. 259. Dezelfde zegt S. 249 ; Der dchte Homer ist einer der unsclmldigsteu Dichter aller Zeiten.

\') Uit Levit. 18 blijkt, dat veel wat vroeger door do noodzakelijkheid was vereischt of door God toegelaten , onder do Wet tot zonde werd gemaakt.

Lovit. 18 : 18: ziet op do polygamie. Gij zult geene vrouw tot hare zuster nemen — in haar leven, dus gelijktijdig, simultaan. Beperking dor polygamie: geen huwelijk met twee zusters tegelijk, zooals van Jakob met Loa en llachel. Van do jaloerschheid, hot verdriet en krakeel, tusschen meer vrouwen gewoon, zouden

62

-ocr page 79-

§ 10. TWEEDE WETTAFEL.

vonk lichtelijk ontstoken. Dies is het eene wettige gevolgtrekking uit het gebod, dat gemeden en gevloden moet worden niet alleen allo oukuische daad zelve maar ook wat den mensch daartoe trekken kan [Ileiddh. Cat.) als verleidend gezelschap, brasserlj en dronkenschap, slechte boeken en dergelijke ; en evenzoo, dat door ongehuwden en gehuwden gedaan moet worden het tegendeel van het verbodene, zooals geheel naar de Schrift treffend wordt geleerd en vermaand in het schoone/\'quot;omonzer Kerk,

althans zusters verschoond worden. Calvin. Commontar. i. 1. (Corpus Reform. Vol. LIL p. G64. sqq.).

Uit Levit. 18 : 16: Gij zult niet tot vrouw nemen de huis-vrouw (weduwe) uivs (overleden) broeders, heeft men willen besluiten : dus mag ook eene jongodochter niet gehuwd worden aan den man (weduwnaar) van hare (overleden) zuster. Zoo ook Calvin. 1. c.

Hiertegen brengt men in Deut. 25 : 5 : Wanneer van twee samenwonende broeders de eene gehuwd is on kiuderloos sterft, dan zal de overlevende, ongehuwde broeder de weduwe zijns verstorven broeders huwen. Deze exceptie van Lev. 18 ; 1G zou meu dan ook, zegt men, op de zuster eener overleden vrouw moeten toepassen, zoodat, was er van eene kinderloos overleden huisvrouw eene (ongehuwde) zuster, deze aan den weduwnaar mo/\'.st gehuwd worden. Dit bezwaar ontwijkt Calvijn door te zeggen : Levit. 18 : 16 is door broeder te verstaan een lijfelijke. broeder (frater germanus), maar Deut. 25 : 5 in ruimer zin, naar Hebreeuwsohe spreekwijs, bloedverwant, eu wel alleen zoodanig een bloedverwant voor wien anderszins zulk een huwelijk door de Wet niet was verboden: want, om den naam des doodeu te bewaren, kon God toch geen bloedschendige huwelijken toelaten die Hij elders had verboden. Weshalve deze twee voorschriften (Lev. 18 : 16 en Deut. 25 : 5) wël mot elkander overeenkomen : dat de lijfelijke broeder niet mag huwen de weduwe zijns broeders, en nochtans naastbestaauden door het recht van bloedverwantschap verplicht worden om voor overledenen zaad

63

-ocr page 80-

§ 10. tweede wettafel.

Om den Huwelijken*) staat (niet civiel, burgerlijk, voor de wereld, maar, gelijk het Opschrift zegt) voor de Gemeente van Christus te bevestigen.

*) Vader Cats, Bruid: Huwelijk schijnt den naam te hebben van tiw-gelijk.

Op de bescherming van \'s naasten leven in het zesde gebod, en van den echt, waaruit het leven zal worden ontvangen, in het zevende, volgt geleidelijk in het achtste de handhaving van ieders eigendom, van zijne aardsche goederen, als zijnde noodig tot zijns levens onderhouding

to vorvvokkeu, waar namelijk anders naar do Wot dit huwelijk vrij staat. Zoo trouwde Boaz Kuth, die met zijnon bloedverwant was gehuwd goweost. Aldus Calvinus a. W. p. 664 en p. 712. Hij verstaat dan ook onder de broeden Matth. 22 : 24 v.v. bloedvenvanteii, cognati gradu sanguinis proximi. Com-mentar. in Matth. 1. c.

Anders Luther, Sttmmtl. Worke. Erlangen 1829. XXster lid. S. 63. u. S 88. Verboten zn ehelicheu slnd: — — 6, Weibs Sekwester, so das Weib lebt. Daraus folget, dasz ieh meines Weibes oder meiner Bruut Sekwester, naak ihrem \'Tada, ekelichen mag, dazu auch des Bruders Weib, nach seinem Tode, im Geseiz befoklen war tu nelmen, Matth. 22 : 24.

Desgelijks J. D. Michaëlis, Mozaïsch lleoht. Vertaald. Haarlem 1773. Ilde Deel. § 116. bl. 288—-290, die ten sterkste ontkent, dat hot huwelijk uous mans mot de zuster zijner overleden vrouw door Mozes zou zijn verboden. En zoo de meosto nieu-weren, doch niet zonder tegenspraak. In Engeland sedert 1849 dikmaals ook in hot Parlement behandeld. Adhuc sub judice lis est. Ch. llodge, Systematic Theol. III. pag. 417. 420, oordeelt dat onder de verbodene huwelijken medo begrepen is het huwelijk eens weduwnaars met oeuo zuster van zijne gestorvene vrouw. „Immers zij is zijne zuster geworden, en haro zusterlijke betrokking tot hom blijft dezelfde als voor haar zus-

64

-ocr page 81-

§ 10. TWEEDE WETTAFEL.

en welvaren. God, de souvereino lieer en Oppereigenaar van alles, stelt ook hierin vaste palen, Hij wil dat elkeen des anderen bezitting eerbiedige, en verklaart, dat Hij alle aantasting en schending van \'s naasten eigendom voor dielstal houdt: Gij zult niet stelen ! Gelijk ieder blad twee zijden heeft, zoo ligt ook hier wederom achter het verbod het stellig gebod van het tegendeel.

\'t Is dienstig hierbij den grond wat dieper te delven.

Er bestaat eene lichamelijke gelijkheid aller menschen : allen komen naakt in de wereld, en gaan er naakt weer uit. Er is ook eene geestelijke gelijkheid onder allen: allen zijn zondaars en derven de heerlijkheid Gods en hebben alle rechten verbeurd.

Want aan Adam, aan den mensch, doch altijd slechts als leenman, gaf God de aarde en hare volheid te bezitten quot;), en ware de zondenval niet gebeurd, al het aardsche ware gemeenschappelijk goed gebleven. Geen eigenbaat of gierigheid, ja geen uitsluitend eigendom ware er opgekomen, want allen hadden dan immers een Goddelijk recht tot alles gehad.

Maar Adam, de mensch, heeft toen hij zijn eigen heer en als God wilde zijn, het recht van heerschappij over het aardsche verloren. De mensch is een afgezette koning. Geen graankorrel kunnen wij nu naar Goddelijk recht als ons eigendom beschouwen, of wy moeten weten dat wij

tors dood.quot; — Aaugaando do gronden vau do strengheid dor Wot in hot verbod vau liet huwelijk tussehen magou is belangrijk de vorhaudeling vau 11. Ewakl, Die Altherthümer dos Volkes Israül-Gött. 1848. S. 221 ft\'. Hij telt 14 vorbodeu graden. Betrekkelijk het twistpunt acht hij alleen verbodou die lleirat\'i ruil der ISchwester der noch LEüendkn Frau.

1) Achtste Hoofdstuk, § ö. bl. 863.

Uiavcmoijor , (jurof. öol. leor. IJl. 5

-ocr page 82-

§ 10. TWEEDE WETTAFEL.

met Abraham (Rom. 4 : 13, 14) erfgenamen der wereld zullen zijn. Om echter erfgenamen te wezen, moeten wij kinderen Gods zijn en God tot onzen Vader hebben, alzoo leden zijn in het lichaam zijns Zoons. Allen die door Gods genade Christus worden ingelijfd, welken God gesteld heeft tot een erfgenaam van alles (Hebr. 1 : 2), worden daarmede weder in de heersrechten ingezet, en zullen ook eenmaal de aarde erfelijk bezitten, waarom Paulus zegt (1 Kor. 3 : 21) alles is uw.

Doch hoewel voor God alleen de begenadigden in den Zoon zijner liefde een hergeven recht hebben tot de goederen der aarde, zoo is er echter voor en tegenover de menschen onderling een recht van eigendom door Gods ordinantie gevestigd, waarin bij den tegenvvóordigen ge-mengden staat allen deelen. Wat iemand door gifte, door erfenis, door arbeid, door koop en verdrag of anderszins langs eerlijken weg heeft verkregen, daarop heeft hij een bijzonder recht. Dit is Gods wil, God heeft dif Recht gesteld. God blijft wel de Eigenaar van alles, maar Gods Voorzienigheid wees hem het aan en schikte het hem toe, en tegenover andere menschen kan zoodanig bezitter zeggen: „Het is mijn.quot; Anderen hebben derhalve geen vrijheid om het aan te tasten of er over te beschikken.

En het is noodzakelijk voor de rust der maatschappij, dat elk zijn eigen goed hebbe en dat hem zulks worde gehandhaafd. Anders heerschte er vanwege de algemeene verdorvenheid de grootste wanorde overal; en wierd het ook eens ondernomen eene gelijkheid van bezit in te voeren, binnen weinig tijds zou weer de ongelijkheid daar zijn. De Engelen in den hemel hebben denkelijk geen eigen, en onder hen zal er wel geen zeggen : Dit is mijn, dat

66

-ocr page 83-

§ 10. TWEEDE WETTAFEL.

is uw. Maar bij de menschon op aarde is dit zoo noodzakelijk, dat, te recht heeft men dit aangemerkt, zelfs jonge kinderen elkander niet verdragen, wanneer hun iets gemeenschappelijk zal behooren.

Gemeenschap van goederen i) is een droom- en drogbeeld ; vruchteloos aangeprezen of zelfs beproefd in oude tijden door Pythayorische en Platonische s/) wijsgeeren en door de Joodsche sekte der Esseners a) ; daarna ook door sommige partijen binnen de Christelijke Kerk, inzonderheid door het monnikendom in de middeleeuwen, door de Wederdoopers en Libertijnen in de hervormingseeuw, en hedendaags niet alleen voorgestaan en gewild door sommige luie buiken, maar ook geleerd, stelselmatig verkondigd en met felheid geëischt door alom verspreide revolutiemannen, woelige Communisten en Socialisten.

Men beroept zich zelfs op de Schrift, als Matth. 19 : 21: Zoo gij wilt volmaakt zijn, ga henen, verkoop wat gij hebt en geef het den armen. Maar dit was iets bijzonders voor

1 j Hundeshagen, Communismus uud Socialismus, in Herzogs Eeal-Euc. III. S. 21 fi\'.

u) Intusschen hot bij do volgoliugou van Pythagoras (f 504 v. C.) gangbaro spreekwoord to, twv (plxcov ncivtx. Omnia ami-corum comraunia, Onder vrienden is alles gemeen sloot nog niet hot recht van eigendom uit.

Plato (f 348 v. 0.) stolt in zijne theorie Van den Staat geene gemeenschap van goedoren onder allen, maar alleen de twee heerschondo klassen : de archonton en do krijgslieden onderwerpt hij volstrekt aan communistischen dwang. Doch zijn Staat is hem niet hot doel zelf (eene philosophischo theocratie), maar het middel tot het dool, »het louterondo strafgericht der ver-toorndo philosophiequot; (Niedner).

:l) Hundeshagen a. W. S. 25 Bijbelsch Woordenboek III. p. 316, onder het artikel Sekte.

07

-ocr page 84-

§10. TWEEDE WETTAFEL.

den rijken jongeling en zou dienen tot zijne zelfontdekking : hij moest arm van geest worden. Door den uit-wendigen eisch nam de Ileere Jezus het eigendomsrecht niet weg, zoomin als Luc. 12:14; integendeel hij staafde het: want iïij kende dezen jongen overste het recht toe over zijn goed, om het te verkoopen, en dan over den koopschat, om dien met overleg uit te deelen, of om het niet te doen.

Voornamelijk echter meende men grond en voorbeeld van gemeenschap der goederen te vinden in de eerste gemeente te Jeruzalem, Hand. 2 : 44 : En allen die geloof den, waren bijeen en hadden alle dingen gemeen. 4 : 32 : En niemand zeide dat iets van hetgeen hij had zijn eigen was, maar alle dingen waren hun gemeen.

Maar dit was geen afschaffen van alle eigendom, geene gemeenschap van bezit, maar van gebruik ; niet geboden, maar geheel vrijwillig; alleen in Jeruzalem, maar naderhand in geene Christengemeente ingevoerd. Die goederen hadden, verkochten hunne vastigheden en uit de opbrengst werd onder toezicht der Apostelen eene algemeene kas opgericht tot ondersteuning der armen ; noodzakelijk, omdat de gemeente meest uit geringeren bestond, en velen om des geloofs willo hunne broodwinning verloren; te williger gedaan, bij de gedachte aan den voorspelden, nakenden ondergang der stad. Dat het geene vernietiging was van het eigendomsrecht, blijkt klaarlijk uit hetgeen Petrus zelf tot Ananias sprak van diens verkocht land, Hand. 5:4: Zoó het gebleven ware, bleef het niet uw ? en verkocht zijnde was het niet in uwe macht ? De Apostelen hebben vervolgens nergens op afstand van alle goederen aangedrongen, maar tot milddadigheid vermaand, naardat

68

-ocr page 85-

§ 10. tweede wettafel. G9

een ieder welvaren liad verkregen, hetwelk eenen eigendom veronderstelt.

Communisme en ook Socialisme in hunne ruwe vormen zijn eene gewelddadige verstoring van natuurlijke rechten, en daarom iets onnatuurlijks. Immers de onderscheiding, de erkenning, het gevoel en de eerbiediging van „het mijn en het dijnquot; aangaande goederen en betrekkingen ligt in de natuur der menschen. Elk mensch hoeft eene natuurlijke, bijzondere betrekking tot het zijne, en een ingeplant rechtsgevoel, dat tegen iedere schending daarvan onwillekeurig opkomt.

God zelf is het die door zijne voorzienige beschikking de aardsche goederen ongelijk uitdeelt, vrijmachtig, wijs en goed. Hij doet rijken en armen nevens elkander wonen, om de menschen samen te houden en aan elkander te verbinden, overmits nu de een den andere wel moet helpen en dienen ; en zijn geroepen volk stelt Hij daardoor in den weg om in hebben en missen, in genieten en derven zich zelf te verloochenen, liefde en gerechtigheid te oefenen en in geven en ontvangen Christus te verheerlijken.

Hoe onze Kerk volgens de nadere verklaringen •) der Schrift dit gebod verstaat, en wat God daarin al verbiedt en in tegendeel gebiedt, is saamgevat in den Heidelh. Cat. Vr. 110. 111.

Ook het negende gebod in wijd van strekking, ruim van

\') Hot was oouo uUnemoncle gedachte van Calvijn, in zijnen Commentar. bij ieder der Tien geboden do verdere bepalingen en bijvoegselen harmonisch saam te stellen. Zoo bij het achtste gebod, Corpus Reformator. Vol. LH. p. 670—712.

-ocr page 86-

§ 10. TWEEDE WETTAFEL.

omvang en inhoud. Gij zult geen valsche getuigenis spreken tegen uwen naaste.

Het ziet wel eerst en eigenlijk op valsche getuigenis voor gerichte i), hetzij dat men zelf iemand zonder grond gaat aanklagen of dat men valsche beschuldigingen van anderen, en wel met eede, bevestigt, waardoor men zich tegelijk tegen het derde gebod bezondigt. Maar God verbiedende ééne hoofdzonde, verbiedt daarmede alle daaronder begrepene of daaraan verwante zonden. Terwijl Hij den top van den giftboom aanpakt, heeft Hij het op geheel den boom gemunt, om dien met tak en wortel uit te roeien. Op den wortel vooral : dat is valschheid, onoprechtheid, leugenachtigheid. Daarentegen wil Hij waarheid en oprechtheid in zijn rijk planten. Hij gebiedt: Gij zult het liegen laten (Efez. 4 : 25), Gij zult onder elkander niet meer veinzen, maar waarheid spreken en ongeveinsd handelen.

Gelijk het dooden, echtbreken, stelen veel bevat, zoo ook dit negende gebod. Men bekrimpt en beperkt deszelfs zin en strekking veel te nauw, wanneer men het aldus opvat, als wierd daarmede alleen bedoeld de eerbiediging en handhaving van \'s naasten goeden naam. Veelmeer, iedere beschadiging des naasten door leugen, veinzing en onoprechtheid verbiedt God hier, zij het kwetsing en bekladding van naam en eere, of krenking en berokkening van nadeel in eenig recht en bezit, en in \'t gemeen alle

\') Dit wordt aangeduid door hot Hebr. woord hetwelk

eigenlijk beteekent antwoorden. Het is hot antwoorden van den getuige aan den vragenden rechter. Seb. Schmid vertaalt : Non rcspondebis contra proximum tnum (ita ut sis) testis falsns.

70

-ocr page 87-

§ 10. TWEEDE WETTAFEL.

opzettelijke misleiding van een ander door woord, houding en daad. Het is Gods geopenbaarde en verklaarde wil, dat ieder mensch wederom oprecht, getrouw, waarachtig worde jegens zijne medemenschen, in zijn spieken en in geheel zijn gedragquot;). In dezen ruimen zin is dit negende gebod ook uitgelegd in Aen Heidelh. Catech. Vr. 112, waar eerst ten slotte het voorstaan en bevorderen van \'s naasten eere en goed geruchte wordt genoemd.

De waarheid gaat vóór den vrede. Hebt dan de waarheid en den vrede lief, zegt de Heere der heirscharen Zach. 8 ; 19. En de wijsheid die van hoven is, die is ten eerste zuiver, daarna vreedzaam, Jac. 3 : 17.

God is waarheid, Deut. 32 : 4. God is waarachtig Hij is de waarheid zelve. Hij kan niet liegen, niet misleiden en bedriegen noch misleid en bedrogen worden. Deze waarheid is de grondslag van al ons geloof in God en aan al zijne woorden, beloften en bedreigingen. Het is eene wezenlijke eigenschap Gods, waaraan wij in onzen deele gelijkvormig moeten worden : door de waarachtigheid. Hij heeft lust tot ivaarheid in het binnenste, Ps. 51 : 8. De waarheid is in zich zelve schoon en liefwaardig ; zij is een voorname trek van het beeld Gods, naar hetwelk de mensch is geschapen en in Christus wordt vernieuwd, Efez. 4 : 22—25. Zij kenmerkt den burger van Sion, Ps. 15 : 1—4.

Liegen en bedriegen, kwaadspreken en lasteren zijn eigene werken des duivels. Want de duivel is een leuge-

1) Calvin. Instit. II. 8. 47 : Finis «jus (praocepti): Quouiam meudacium Deus (qui vovitas est) exseoratur, veritatem sine fuco esse inter nos colendam. Evenzoo Ch. Hodge, Syst. Theol. III. p. 437.

71

-ocr page 88-

§ 10. TWEEDE WETTAFEL.

naar en \'s leugenaars vader (Joh. 8 : 44). Door leugen, valsche beloften en voorspiegelingen heefl hij Eva om den tuin geleid. Wie liegt en bedriegt, doet duivelswerk, maar laadt ook den zwaren toorn Gods op zich. Die leugenaars blijven, hun deel zal zijn in den poel die daar brandt van vuur en sulfer, Openb. ïJl ; 8.

De God der waarheid haat en verbiedt het liegen. Men liegt, wanneer men tegen beter weten onwaarheid zegt, of de waarheid verbloemt, bemantelt, verminkt en bekort of er iets bij doet, door ellipse of pleonasme. Alle leugens zijn zonden en strafbaar voor God. Hoewel niet in gelijke mate. Het zwaarst die welke gedaan worden met vijandig opzet om den naaste te schaden. Maar zonde is het ook, te liegen om best wil, om den naaste te baten en om toorn en ergernis te vermijden. Dat is de ware liefde niet : de liefde verblijdt zich niet in de ongerechtigheid, maar zij verblijdt zich in de waarheid, 1 Kor. 13 : 6.

72

Velen hebben de noodleugen •) voor geen kwaad geacht, zich beroepende op Abraham, Sarah, Rebekka, Jakob, David en andere heiligen. Maar de Bijbelheiligen waren geen Engelen en niet zondeloos, en Gods Woord, hetwelk de waarheid is (Joh. 17 : 17), vermeldt hunne fouten, maar ontschuldigt ze niet, en stelt ze niet tot navolging, maar tot waarschuwing en tot leering. Hun liegen uit verlegenheid toont ons dat zij menschen waren en dat het

\') Vau de diinstleugen (lengon, dioustig om oon goed doel l;o bereiken) en de noodleugen (om zich of anderen uit oene verlegenheid of uit oen gevaar te reddon), handelt De Moor, Com-montar. in Marck. P. II. p. 950 sqq. Palmer in Herzogs Real. Kmc. XVII. S. 468 tl. u. d. W. Wahrhaftiglceit. Wutkke, Chr. Sittenlchre II. S. 325. S. 567 f. Nitzsch, System. § 172.

-ocr page 89-

§ 10. tweede wettafel.

hun soms bij hunne wijsheid aan liefde en vertrouwen haperde, of dat het hunner liefde aan wijsheid ontbrak. Eon noodleugen, indien er anders waarlijk nood was, is eene noodzonde, is dus zonde, evenals liet stelen van brood uit nood zonde is (Spreuk. 30 : 9); er is vergeving voor noodig.

In dit gebod verbiedt dan God in het algemeen en buiten eenige uitzondering iedere krenking en afwijking van de waarheid, en gebiedt ons volle, ongeveinsde, ondubbelzinnige waarachtigheid in geheel onze verhouding, in al onze handelingen en in elke betrekking tot onzen naaste. Deze waarachtigheid, en eerbiediging en het betrachten der waarheid, is de onmisbare grondvest der menschelijke maatschappij : zonder haar geen veiligheid van eer en goeden naam, van goederen, van leven, geen rechtvaardigheid in het gericht, geene zekerheid en betrouwbaarheid van verbonden en beloften, geen mogelijkheid van koophandel en in het gemeen van menschelijke samenleving en onderling verkeer\'). En over het geheel, alle huichelarij voor God en menschen wordt door dit gebod veroordeeld en oprechtheid en eerlijkheid geboden: wij moeten waarlijk wezen hetgene wij willen schijnen. God wil gediend worden in geest en waarheid.

73

In het tzende gebod verbiedt God het begeeren. Exod.

1) P. Van Mastricht, Godgol. IV. p. 661. Merkwaardig en uitnemend is het Besluit van het Hof van Holland 1731, bij De Moor, Commontar. in Marck. P. II. p. 948 sq., tegon een lasterlijk en gevaarlijk boek van Fr. de Bruys, op aanleiding van hot geschrift over de Gedienstige lengen door den trouwen waarheidsvriend Saurin.

-ocr page 90-

§ 10, TWEEDE WETTAFEL.

20 : 17 : Gij zult niet hegeeren uws naasten huis: gij zult niet hegeeren uws naasten vrouw enz. Deut. 5:21: En gij zult niet hegeeren uws naasten vrouw: en zult u niet laten gelasten uws naasten huis enz.\').

In de eerste plaats ziet dit gebod bepaaldelijk op de begeerte naar \'s naasten goed. Want de naaste met zijn goed wordt uitdrukkelijk genoemd. Huis, vrouw, akker (Deut. 5 : 21), dienstknecht, dienstmaagd, os, zijn niet alleen bedoeld, maar worden slechts bij voorbeeld vermeld, als bijzondere voorwerpen en deelen van \'s naasten bezitting, en het verbod van begeeren raakt alles wat ons niet toekomt en hom behoort, gelijk God zegt: noch iets dat uws naasten is.

lutusschen niet alle begeerte naar goederen van onzen naaste is hiermede verboden, niet de zoodanige, waarbij men \'s naasten recht erkent en eerbiedigt, niet de begeerte om op rechtvaardige wijze, door koop of andere wettelijke middelen, zonder krenking van \'s naasten recht en zonder zijn nadeel en met zijnen wil een gewenscht goed van hem te verkrijgen; maar alle onrechtvaardige, kwaadwillige begeerte, uit afgunst en hebzucht, die ook reeds in de vorige geboden, bijzonder in het zevende en achtste, ingewikkeld in de verbodene daden als haar wortel was begrepen, maar hier nu in het bijzondere met nadruk als zonde voor God wordt verboden ï).

De heilige God, de vrijmachtige uitdeeler van alle goederen, verbiedt hier alle onvergenoegdheid, al het gretig

\') Over hot onderscheid iu beide teksten zie hiervoreu § 8. bl. 25 v.

2) MarcJc, Compeud. XII. 33. Vergel. Catech. Roman. Pars III. Cap. X. Qu. 18.

74

-ocr page 91-

g 10. TWEEDE WETTAFEL.

haken naar hetgeen men niet heeft. Het vertoornt Hem, wanneer men in zijn hart den naaste eenig voorrecht of goed, dat deze heeft, niet gunt, hem er om benijdt en zichzelven in \'s naasten plaats, huis, stand of bezitting wenscht. God wil, dat een ieder met zijn deel en lot tevreden zij, hetwelk alleen dan mogelijk is, wanneer de afgodische liefde tot de dingen dezer wereld uit het hart is uitgedreven en vervangen door de liefde Gods en Ps. 73 : 25 waarheid is geworden : Wien heb ik [nevens U] in den hemel ? Nevens U lust mij ook niets op de aarde.

Doch het is niet alleen de zondige, baatzuchtige begeerte naar hetgeen een ander bezit of in \'t gemeen naar tijdelijke, wereldsche dingen, wat God verbiedt, maar iedere begeerte, welke het ook zij, die niet overeenkomt met den geopenbaarden wil van God, die afwijkt van Gods Woord, dus alle van God afgaande lust, elke belustheid op het verbodene.

De diepe zin van dit gebod is uitgedrukt in den Ileidelh. Cat. Vr. 113: Dat ook de minste lust of gedachte tegen eenig gebod Gods in ons hart nimmermeer kome, maar dat wij ten allen tijde van ganscher harte aller zonden vijand zijn en lust tot alle gerechtigheid hebben.

In de Schrift zelve wordt deze ruime beteekenis er aan gegeven. Paulus zegt Rom. 7 : 1 -. Ik kende de zonde niet dan door de Wet: want ook had ik de heg eerlijkheid niet geweten [zonde te zijn], indien de Wet niet zeide: Gij zult niet hegeeren. Wel te letten, de Apostel haalt het gebod aan zonder vermelding van de daarin genoemde zaken, hij noemt geheel geene bijzondere voorwerpen der begeerte die verbodenquot; zijn, maar het hegeeren als zoodanig op zich zelf: Gij zult niet hegeeren.

-ocr page 92-

§ 10. TWEEDE WETTAFEL.

Het is oponbaar, dal Paulus hier niet spreekt van die booze begeerte, met welke de wil instemt en die zich daardoor al tot een besluit en voornemen vormt, hetgeen reeds een eerste stap is tot de uitvoerende daad. Dat zulk eene begeerte zonde is voor God, wist Paulus, die aan de voeten van Gamaliel had gezeten, ook vóór zijne hoogere verlichting wel. Dat wisten en leerden zelfs de Heidenen. Maar nadat hij een gezicht gekregen had in de geestelijkheid der wet, erkende hij, wat de Farizeën, tot wie hij had behoord, niet verstonden en wat ook nog de Room-schen\') van de wedergeborenen niet willen weten, dat de begeerlijkheid op zich zelve, ieder tegen eenig gebod Gods strijdige gedachte en lust ook reeds in het eerste opwellen, ook zonder dat men er zijne goedkeuring aan geeft of er in bewilligt 2), zonde is en ons in de oogen van God, die op het harte ziet strafbaar maakt.

Dienvolgens is dan dit gebod niet zoo op te vatten, als wierde hier geen andere booze lust verboden dan die zich uitstrekt naar hetgeen des naasten is. Het gebod verbiedt alle zondige begeerte en gedachte, zij moge uit ongeloof, onvergenoegdheid, hebzucht, of uit wellust, of uit hoogmoed, of uit haat, nijd en wraakzucht voortvloeien, en meteen veroordeelt het deze onreine beginselen zelve, waaruit de kwade begeerten ontstaan. Al is men niet willens ze in te volgen en door ongeoorloofde middelen

\') Zio Zestiende Hoofdstuk § 7. bl. 29. Intusschon leert de Room-sche Kerk wel uitdrukkelijk, dat de Wet Gods, in onderscliei-diug vau meuschelijke wetten, roinhoid van harte oisoht. Cat. Roman. Hars HI. Cap. X. Qu. 5.

5) Calvin. Commentar. in Rom. 7:7. Deus hoe praecepto ad concupiscentiam usque penetrat, quae voluntate oceultior est.

76

-ocr page 93-

§ 10. TWEEDE WETTAFEL.

en wegen uit te voeren, toch zijn ze zondig in Gods oogen: men moest en mocht zulke begeerlijkheid niet hebben, hetzij begeerlijkheid der oogen of begeerlijkheid des vleesches of grootschhcid des levens (1 Joh. 2 : i6). Elke onvergenoegde, gierige en hebzuchtige ; wellustige; hoogmoedige, eigenlievende, nijdige, toornige en wraakgierige gedachte is verdoemelijk, God verbiedt die alle.

Het gebod is eene lamp en de Wet is een licht (Spreuk. 6:23). Hier treedt het Woord der Wet op ais een oor-deeler der gedachten en der overleggingen des harten (Hebr. 4: 12). Hier raakt het de eerste aanritselingen en vonken van het kwaad, de diep verholene, in onzen boezem schuilende vuile bron, de verborgen zaden en alsemwortelen in den onzuiveren grond onzer natuur, geheel het booze gedichtsel der gedachten onzes harten (Gen. G : 5).

God verlangt een hart, zuiver als goud, rein als het licht, van heilige liefde alleen doordrongen, van geen anderen lust ontstoken dan van den lust tot allo gerechtigheid, bloot door Goddelijke driften bewogen, door hemelsche begeerten ontvonkt.

Dat werpt nu wel alle denkbeeld van eene eigene gerechtigheid omver, doch vo.)r allen die uit den Geest Gods zijn wedergeboren is het ook een machtige aandrang om de kwade begeerlijkheden te dooden, waartoe de Apostelen gedurig vermanen en hetwelk zij tol kenmerk stellen van het ware Christendom. Gal. 5 :24 : Die van Christus zijn, hebben het vleesch gekruisigd met de bewegingen en begeerlijkheden.

77

-ocr page 94-

§ 11. HOOFDSOM.

78

§ 11. Hoofdsom.

De hoofdsom van al de geboden is liefde. Liefde is de ziel van alle plichtsbetrachting, niet alleen naar het Nieuwe Testament, maar, hetgeen sommigen in openbare tegenspraak tegen de Schrift ontkennen, niet minder naar de leer des Ouden Testaments. Men dwaalt, wanneer men meent dat in het Oude Testament de vreeze, in het Nieuwe de liefde tot grondbeginsel der gehoorzaamheid wierd gesteld, waardoor de zedenleer des Ouden Testaments in haar wezen eene geheel andere zou zijn dan die van het Nieuwe. Men heeft zich daarbij ten onrechte beroepen op Christus\' uitspraak tot zijne discipelen Joh. 13 : 34: Een nieuw gebod geef ik u, dat gij elkander liefhebt; maar hetgeen Hij er bijvoegt : Gelijk ik n liefgeluid heb, dat ook gij elkander liefhebt, geeft al aanstonds te verstaan, dat „het een nieuw gebod wordt genoemd niet ten aanzien van de substantie, maar ten opzichte van de omstandigheden. Dit was wat nieuws dat zij Jezus\' voorbeeld en manier der liefde hadden en volgen moesten De zaligmakende en vernieuwende genade Gods, in Christus verschenen, maakt ook het oude gebod der liefde tot een nieuw gebod en maakt het levenskrachtig (1 Joh. 2:7 — 11).

Bij al wat Gods Wet ons voorschrijft van werken en woorden, is niet alleen de uiterlijke daad bedoeld, maar tevens en vooral de gezindheid : zij eischt liefde in hot

1) Fr. Ridder us, Scbriftuurl. Licht. IV. p. 5138. Dezelfde, Apollos 11. p. 835. Do versctiillondo opviittiugeu van Joh. 13 : 34 windt men kortehjk vermeld bij Meyer, Koimuuut. z. d. St. en uitvoerig besproken by Stier, lieden Jesu uach Johannes.

-ocr page 95-

§ 11. HOOFDSOM.

hart en verbiedt en veroordeelt alles wat tegen de liefde strijdt. In de Tien geboden zelve is de liefde genoemd. In het tweede gebod zegt de Heere : Ik doe barmhartigheid aan duizenden dergenen die mij liefhebben en mijne geboden onderhouden. Liefhebben, dat is het oude en nieuwe gebod, liefhebben eerst God en dan om Gods wille en in God den naaste, den broeder. Hel Nieuwe Testament kon geen hoogeren eisch in dezen doen dan in het Oude reeds was uitgesproken,

Deut. 6:4: Hoor, Israël, de Heere onze God is een eenig Heere. 5. Zoo zult (jij den Heere uwen God liefhebben : met uw gansche hart en met uiv gansche ziel en mei al uw vermogen. De liefde tot God wordt in deze verheven uitspraak op Gods eenheid en eenigheid gegrond. Omdat Hij de eenige levende God is, de volheid en bron van alle leven en zaligheid, die zich als do Verbondsgod zijns volks met voorkomende liefde heeft geopenbaard, daarom zal nu ook zijn volk Hem onverdeeld liefhebben; en omdat Hij niet slechts „eene zeer overvloedige fontein aller goedenquot; is, maar alleen goed is, want niemand is goed dan één, [namelijk] God (Malth. 19: 17), zoomoet Hij het eenige voorwerp onzer liefde zijn en wat wij anders liefhebben moet uit die liefde vloeien. Weshalve de Schrift ook niet zegt: heb God boven alles lief, maar heb Hem lief met al wat gij zijt : met uw gansche hart en met uwe gansche ziel en met al uw vermogen. Liefde is toeneiging, is gevoel van welbehagen in en welwillendheid jegens haar voorwerp, is drang naar vereeniging. De liefde geeft zich zelve: zoo wil de Heere geheele overgegevenheid zijns volks aan Hem, zonder achterhouding, zonder voorbehoud.

79

-ocr page 96-

§ 11- HOOFDSOM.

Geheel ten onrechte leert men gewoonlijk, dat de leden des Ouden Verbonds alleen door slaatsche vreeze\') tot onderhouding der geboden werden gedreven. Maar zoo was het slechts bij den grooten hoop, bij het vleeschelijke deel des volks. „Vooral de Psalmen zgn vol uitdrukkingen van de innigste, kinderlijkste liefde tot God, van het hartelijkste in de liefde wortelende vertrouwen, van de uit de liefde voortkomende overgegevenheid, van blijdschap in God en zijne werken, en zoolang de Kerke Gods op aarde duurt, zal zij aan dit vuur der liefde Gods zich verwarmenquot; (Uenysteiibery).

Ook van de liefde des naasten spreekt het Oude Testament nadrukkelijk, krachtig, teeder, roerend. Zoo Levit. 19 : 18: Gij zult niet wreken, noch [toorn] behouden teyen de kinderen uwn volks; maar gij zuil uwen naaste liefhebben als ti zeiven: Ik hen de Heere, Ü4. De vreemdeling die als vreemdeling hij u verkeert, zal onder u zijn als een inboorling van ulieden : gij zuil hem liefhebben als uzelven ; want gij zijl vreemdelingen geweest in Egypte-land: Ik ben de Heere, uw God.

Christus heeft hierop het zegel gedrukt. Hij zelf heeft de liefde voor den hoofdinhoud van geheel de Wet verklaard. Iets hoogers had ook Hij niet te eischen.

Matth. \'ii : 37—4U. Een wetgeleerde komt tot Jezus met de vraag, welk het voornaamste gebod in de Wet zij, op hetwelk hij zich dan wel bijzonder wil toeleggen. Dit was eene twistvraag onder de Joodsche Schriftgeleerden, die zich aan de buitenzijde der Wet hielden en niet naar binnen zagen. De Rabbijnen telden in de Mozaïsche Wet

\') Te recht komt daartogon op o. a. ook Hengstenberg, Com-moutar über die Fsalmeu IV. 2. S. 2t)5 f.

80

-ocr page 97-

§ 11. HOOFDSOM.

365 verboden, 248 geboden\'), samen G13 onderscheiden voorschriften.

Jezus antwoordt: Gij zult liefhebben den Heere uwen God, met geheel uw hart en mei geheel uwe ziel en met geheel uw verstand. Dus God de lust en het verlangen voor ons hart, alzoo dat ons hart geenen lust hebbe dan in Hem (Ps. 73 : 25), Hij het leven voor onze ziel, Hij het licht voor ons verstand, zoodat onze ziel haar leven in Hem hebbe, en ons verstand geen licht begeere noch volge buiten het licht van God en zijne waarheid, naar het woord van den psalmist: Bij ü is de fontein des levens, in uw licht zien wij het licht, Ps. 3G : 10.

Dit is het eerste en het groote gebod. Om twee redenen. Vooreerst, omdat het in de Wet voorop staat, bovenaan in de eerste tafel, ten teeken, dat God altijd en in alles moet voorgaan, do nuaste moet volgen en achteraan komen. Waar de wille Gods en de wil eens menschen, al was \'t onze eigen wil, tegen elkander staan, gaat God voor: Men moet Gode meer gehoorzaam zijn dan den menschen (Hand. 5 ; 29). Ten tweede, omdat in de liefde tot Gocl al de geboden der eerste wettafel begrepen zijn.

En het tweede, aan dit gelijk, [is] : Gij zult uwen naaste liefhebhen als u zeioen, v. 39. Gelyk het eerste al de geboden der Eerste tafel behelst, zoo dit tweede al de geboden der Tweede tafel. Daarin zijn beide elkander gelijk. En beide eischen liefde. Doch met onderscheiding.

\') Met opzicht tot de 365 dagen dos jaars en do (dus gore-licudo) 248 loden van hot menschelijke lichaam. Oehler, Theologie des A. T. I. § 84. S. 279 f. Daarbij maakten zij een onderscheid tusschen groote eu kleinere geboden on strodon daarover, wolke dit waren.

Gravomoijor , Gorof. Gel. leer. 111. ^

81

-ocr page 98-

§ 11. HOOFDSOM.

Hot is ; Gij zult uwen naaste liefhebhen, niet afgodisch , niet als God, maar ah n zeiven, als uws gelijke, als uwen evenmensch. Den naaste liefhebben is hem wél willen en wél doen, Naar den gulden regel Matth. 7:12; Alle [dingen] dan, die gij rvilt dat v de menschen zouden doen, doet gij hun ook alzoo : want dat is de Wet en de Profeten.

Aan deze twee geboden hangt de gansche Wet en de Profeten, v. 40, Toespeling wellicht op de twee toppen, hangende aan het opperkleed, door den lleere verordend (Num. 15 : 38 v.v.), ter afbeelding en herinnering der geboden\')- Gelijk van die twee toppen ieder wel uit vele draden bestond, maar met een hemelsblauw snoer was saamgebonden en aan dat koord hing : zoo zijn de vele geboden saamgebonden door de hemelsche Wet der liefde en hangen aan dien band. Gepast, daar de Heere Jezus hier met eenen van de Farizeën te doen had, die deze franjeloppen bijzonder groot droegen (Matth. 23 : 5).

Deze twee geboden zijn dan hierin gelijk, dat zij beide hoofdgeboden zijn en beide samenstemmen in den eisch: Gij suil liefhehben ; waarin de eenheid der geheele Wet ligt en waardoor de liefde tot eenigen grondslag wordt gelegd van alle heiligheid en zedelijkheid; waaruit tevens dit volgt: Wie tegen één gebod zondigt, maakt zich schuldig aan alle (Jac. 2 : 10), aan de gansche Wet, omdat hij tegen de liefde zondigt.

82

Wie God liefheeft zoekt geen andere goden, dient Hen\', in Geest en waarheid, heiligt zijnen naam, onderhoudt den dag des Heeren. En do liefde doet den naaste geen kwaad maar goed, eeit de ouders, krenkt het leven van

\') Stier, Boden des Herru Jesu II. S. 473. zu Matth. 22 : 39, 4(.

-ocr page 99-

§ 11. HOOFDSOM.

zijnen ovenmensch niet, eerbiedigt den echtstaat, raakt \'s naasten eigendom, naam en eere niet aan, is niet afgunstig en denkt geen kwaad. Zoo is dan de liefde de vervulling der Wet, Rom. 13:8—10. Zij is de band der volmaaktheid, Kol. 3 : 14.

Zij was Adams wet\'). Zij wordt in liet hart des uitverkorenen wederom geboren uit het goloove door den Heiligen Geest. Daarom zegt Paulus 1 Tim. 1:5: Het einde des gebods is liefde uit een rein hart en [uit] eene goede conscientie en [uit] een ongeveinsd geloof. — —

L)o Ileidelhergsche Catechismus heeft de hoofdsom der Wet Gods in het Eerste deel. Van des menschen ellendigheid, geplaatst (Vr. 4), maar de ontwikkeling en verklaring der bijzondere geboden in het Üerde deel, Van de dankbaarheid. Deze schikking wordt door sommigen zeer afgekeurd 2). Geheel ten onrechte.

De opstellers van den Catechismus hebben recht gedaan\'), dat zij de uitvoerige ontvouwing van Gods Wet voor liet Derde deel, van het dankbaar leven des geloovigen, spaarden, ten bewijze, dat de Wel door het geloof niet wordt te niet gedaan, dat zij verre! maar wij bevestigen de Wet, zegt de Apostel Rom. 3 ; 31 ; dat zij echter daar, waar zij willen toonen, hoe wij uit de Wet Gods

\') Zie Achtste Hoofdstuk § 10.

-) Zoo door Da Costa, Paulus II. p. 325 v. En vooral door I)i\'. I. Doedes, Do Heidelb, Cateoh. 1881. p. 54. p. 60—65.

Hot Kort Begrip noemt, in het Eerste deel de Tien gebodeu op, met hunne hoofdsom, verklaart ;\',e euhter niet in hot bijzondere ; maar het Derde deel bevestigt zo wel degelijk voor den geloovige , Vr. 64—69.

:\') Dit wordt toegestemd ook door Dr. Ed. Böhl, Dogmatik. 1887. S. 516.

83

-ocr page 100-

§ 11. HOOFDSOM.

onze ellendigheid loeren, niet de enkele geboden afzonderlijk voorstellen, maar ons bij de hoofdsom der Wet, de liefde, bepalen. Want bij de afzonderlijke beschouwing der enkele geboden denkt . men nog lichtelijk in vele stukken te kunnen bestaan: daar heeft men van het verboden kwaad dit of dat toch niet bedreven, en van het geboden goede nog al merkelijk wat gedaan. Maar wie den samenhang en de innerlijke eenheid van alle geboden erkent, doordat bij alle ten gronde ligt de eiscli der liefde tot God en der daaruit voortvloeiende liefde tot den naaste, die weet dat hij met iedere overtreding van eenig gebod tegen alle misdoet, wijl hij de liefde verzaakt.

ïe recht blijft dan de Catechismus in zijn overtuigend Deel niet bij bijzonderheden staan, maar graaft dieper in den grond. Hij wil niet slechts \'s menschon verdorvenheid in zijne daden, maar de verdorvenheid zijner natuur bewijzen, waaruit de daden voortkomen, en daartoe diende juist allermeest het grondgebod der liefde, waarvan de natuur het volslagen tegendeel is (Vr. 5).

Maar voor den ivedergeborene is de uitlegging dor Wet in hare bijzonderheden behoefte ; wie veranderd is door de vernieuwing zijns gemoeds begeert te weten, hoe hij zich in alle omstandigheden en betrekkingen heeft te houden, en welke de goede en welbehageiijlce en vohnaakle wille Gods zij (Hom. 12 : 2).

§ 12 Christus en de Wet.

Heeft Christus de oude Wet veranderd, verbeterd en vermeerderd en haar, als tijdelijk en onvolkomen, door eene nieuwe volmaakte vervangen ?

84

-ocr page 101-

§ 13. CHRISTUS EN DE WET.

Tegen degenen, die met dergelijke, voor het leven invloedrijke en diepingrijpende stellingen optraden, hebben de rechtzinnige Protestanten zich met kracht verzet.

Zoo tegen de onstuimige Anabaptisten, de Wederdoopers, die in het denkbeeld van een onafhankelijk Godsrijk onder Koning Jezus een geheel nieuwen slaat van zaken met geweld wilden invoeren en al meer verwilderden. En tegen de edeler Doopsgezinden, volgelingen van Menno Simons, die wel de woeste gewelddadigheid der Wederdoopers verfoeiden, maar toch het gronddenkbeeld van eene van de wereld afgezonderde heilige Kerk als apart Godsrijk onder Christus op aarde, vasthielden, en (ontijdig, anachronistisch, voorbarig) wilden verwezenlijken. Naar hen zou de Kerk eene vergadering zijn van enkel wedergeborenen. Vandaar bij hen de verwerping van den Kinder-. doop, van het bekleeden van Overheidsambten, van den eed (als zijnde onder het Oude Testament, toegelaten, maar door de nieuwe Wet, door Christus verboden), van het voeren van oorlog; daarbij de strenge kerkelijke ban en de gebodene „mijdingquot; van omgang met gebannenen en onbekeerden ; allen broeders, allen gelijk, felle weerzin tegen hierarchie, afkeuring zelfs van eenen bijzonderen leeraarstand \')•

Voorts tegen de Socinianen, die in het Jodendom en in het Christendom beide slechts eene door Goddelijke beloften ondersteunde wetgeving, in Christus een nieuwen Wetgever zagen, die de Wet van Mozes aanvulde, verbeterde, vergeestelijkte, volmaakte 1). Waarin Arminianen en Rationalisten hen volgden.

85

1

) Catechesis Racov. Qu. 199. od. üedcr p. 404. Ju dezen

-ocr page 102-

§ 13. cnnisTus en de wet.

Vragen wij nu : in welke verlionriiiig heeft dan Christus zich tot do Wet gesteld ? zoo moeten wij vasthouden : Hij is gekomen om zijn volk zalig te maken van hunne zonden, en niet om de Wet Gods te verbeteren: want de Wet des lleeren is volmaakt, Ps. 19 : 8, zijnde de zuivere uitdrukking van den wille Gods ; veelmin om alle Wet als zoodanig af te schaffen, naar de meening der Antinomianen.

Maar ten eerde, Hij heeft de Wel als onkreukbaar en blijvend bevestigd. Toen die jongeling Matth. 19 : 1G v.v. van Jezus wilde weten, wat goeds hij doen moest om het eeuwige leven te hebben, kreeg hij het antwoord : Onderhoud de gehoden. En terwijl hij daarop vraagt : welke? zegt de Heere Jezus hem woordelijk eenige van de Tien geboden voor, met de hoofdsom dor Tweede tafel (v. 18, 19). Dus geen nieuw gebod, zooals de jongeling wol had bedoeld en verwacht, maar verwijzing naaide oude Wet. En eischte de Heere (v. 21) van hem het offer zijner aardsche goederen, zoo was dit een voorhouden aan hem van hot eerste gebod, om hom te overtuigen dat de mammon nog zijn God was. Dus bevestigt Christus do Wet. En beslist on plechtig heeft Hij betuigd Matth. ö : 18; Voorwaar zeg ik u: Totdat de hemel en de aarde

Sociniaanscheu Cateohiinus worden du Tiou gebodou uitvoerig behandeld en bij ieder gebod Christus\' vermeende bijvoogselen aangegeven, (Ja. 209—311. p. 422—48i. Daarna Christus\'eigene en bijzondere geboden. Drie zedelijke (naar Luc. 9 ; 23) : Verloochening van onx zeiven, opnemen en dragen ean hel kruis, navolging van Christus Qu. 313 sqq. p. 385 sqq. — Eóu cere-uioniüel : hut Avondmaal, Qu. 333. p. 491. (De Doop slechts tijdelijk verordend, Qu. 345 p. 530 sqq.; du kinderdoop geheel niet geboden, Qu. 346. p. 575).

80

-ocr page 103-

§12. flllniSÏUS EN DE WET.

vcorbijgaan, zal er niet één jota noch één tittel van de Jfet voorbijgaan, totdat het alles zal zijn geschied: alles, namelijk wat de Wel vordert, hetwelk geschieden zal door volkomen volbrenging van den wille Gods (Matth. G: 10), wanneer naar zijne belofte nieuwe hemelen komen en eene nieuwe \'aarde, in dewelke gerechtigheid woont (2 Petr. 3 : 13). — Dies spreken dan ook de Apostelen van geen nieuwe Wet, maar zij bevestigen de oude (Rom. 13 : 9. 3 : 31).

Ten tweede^ Christus heeft de Wet in haren geestelijken zin uitgelegd. Niet, dat Christus do Wet heeft vergeestelijkt, tot eene geestelijke Wet gemaakt, naar de leer der Socinianen. Neen, de Wet is geestelijk (Rom. 7 : 14) naar hare eigen natuur en bedoeling, en het is moedwillige miskenning van de waarheid, wanneer men beweert, dat de Wet alleen uitwendige gehoorzaamheid en eerst het Evangelie, als nieuwe Wet, de inwendige gezindheid der liefde tot God en den naaste zou eischen. Christus zelf leerde anders, Matth. 22 : 37, en reeds Mozes en de Profeten hadden steeds op het hart aangedrongen. Maar door de Joodsche Schriftgeleerden was de geestelijke zin der Wet bezwalkt, overdekt met allerhande bijgevoegde inzettingen en onkenbaar gemaakt door hunne letterlijke verklaring der geboden als ziende slechts op uiterlijke werken, waarin zij bij hun eigengerechtig streven al meer verliepen. Zoo dachten zij bij het verbod van doodslag en overspel alleen aan de uitwendige daden. Tegenover deze uiterlijkheid getuigde de Heere Jezus en legde den diepen, wijden geestelijken zin der geboden aan eenige voorbeelden open (Matth. 5 : 21 v.v.) ter beschaming der Parizeen en aller zelfgerechten. Hij stelt zijn zeggen niet

87

-ocr page 104-

§ 12. CHRISTUS EN DE WET.

tegen liet zeggen van Mozes, niet tegen oenig Goddelijk gebod, maar tegen de van ouds overgeleverde verklaringen der Schriftgeleerden, der Ouden.

Ten derde, Christus heeft de Wet in zijn leven en sterven vervuld. Namelijk door zijne dadelijke en lijdende gehoorzaamheid, zooals naar de Schrift is voorgesteld in het Twaalfde Hoofdstuk § 37 en 38. Daartoe was Hij gekomen, naar zijne eigene uitspraak Matth. 5 : 17 : Meent niet dal ik (jekomen ben om de Wet of de Profeten te ontbinden : ik ben niet (jekomen om [die] te ontbinden, maar te vervullen \').

Wat is dat vervullen, hetwelk de Heere tegen het ontbinden stelt? De oude Kerkvaders en de Reformatoren hebben het wél verstaan, maar door de Socinianen 2) en hunne rationalistische navolgers is er eene uitlegging op de baan gebracht, die Christus verdienste kleiner maakt, waarnaar het vervullen zou zijn een aanvullen, verbeteren en dus alleen op leeren zou nederkomen.

Maar vervullen, gesteld tegen ontbinden, afbreken, verbreken, zegt hier niet alleen leeren en inscherpen, maar volkomen doen, volbrengen (vergel. Matth. 3 : 15. Rom.

\') oï/y. y\'/.öov mTatórxi, xK/.x nyv^rnxi. Zie hierover Elfde Hoofdstuk § 13.

-) Zie hiervoren bl. 85. Tholuck, Bergpredigt Christi zu Matth. 5 : 17. 2te Ausg. S. 137 ff.

Onder de Gereformeerden hoeft zelfs C. Vitringa de uitspraak des Hoeren verdund door TTÏ.vpoüv, naar hot Chaldeeuwsche (goiui\'ir, docere en discere) te nomen in de boteekenis van

leeren, insohorpon, terwijl dau ontbinden niets anders zou zoggen dan niet leeren. Obsorvat. Sacr. Lib. I. Cap. § 3. ed. 1712. Tom. I. p. 207 sq. on Lib. VI. Cap. XVIII. § 3. Tom. III. p. 457. Niet weinige Gereformeerden zijn hem hierin gevolgd.

88

-ocr page 105-

§ 12. CHRISTUS EN DË WET.

13 : 8). Wel hoeft Ghvistas, die Leeraar ter (/erechtigheid Joël 2 : 23, de Wet in haren waren geestelijken zin geleerd; doch hiertoe alleen had Hij niet behoeven te komen, dit hadde ook een van God buitengewoon begaafd tnensch kunnen doen : maar Hij, de Zoon Gods, kwam om zelf de Wet in al hare eischen als plaatsbekleedend Borg en Middelaar te volbrengen, eerst in zich voor de zijnen en dan door zijnen Geest ook in zijn volk.

De zedenwet (de Wet der heiligheid) heeft Hij vervuld in zijn volmaakt heilig menschelijk leven door onafgebroken gehoorzaamheid aan zijnen Vader, en tegelijk de Ceremoniëele Wet (de Wet des heiligdoms) door voltooiing van zijne zelfopoffering in den dood, den dood des kruises. Dit wordt den geloovigen toegerekend : Christus is hunne rechtvaardigheid voor God; maar Hij wordt dan ook hunne heiligmaking (1 Kor. 1 : 30): zijn Geest werkt in hen tot vervulling van de zedelijke Wet (Rom. 8:3, 4) en ook van het wezen der Ceremoniëele Wet die geestelijk in hen vervuld wordt doordat zij zich zeiven stellen tot eene \'levende, heilige [en] Gode welbehagelijke offerande, [welke is] hun redelijke Godsdienst (Rom. 12 : 1).

Daarmede vervult Hij ook de Burgerlijke Wet, die aan Israël als voorbeeldend Godsrijk was gegeven, daar Hij haar pit en wezen voortgaande gaat verwerkelijken in zijn geestelijk Koninkrijk, do gemeente. En zoo bevestigt Hij metterdaad wederom de Wet, want geen koninkrijk kan zonder geboden bestaan.

89

§ J3. De geloovige en de Wet.

Christus heeft, gelyk wy voren aantoonden, de Wet

-ocr page 106-

§ 13. DE GELOOVIGE EN DE WET.

bevestigd. Maar heeft Hij ons dan niet vrijgemaakt van de Wet? Haakt de Wet den geloovige nog? Hier komt het op behoorlijke onderscheiding en op een vast standpunt aan om koers te houden en bewaard te blijven voor verderfelijke afdwalingen, waarin, gelijk de Kerkgeschiedenis leert, niet weinigen zijn vervallen en schipbreuk hebben geleden. Er dreigt tweeërlei gevaar, eenerzijds van de harde rots Scylla, versteende wettischheid uit eigengerechtigheid, aan den anderen kant van den wilden draaikolk Gharybdis, wetteloosheid uit wanbegrip van evangelische vrijheid bij lichtzinnigheid en goddeloosheid des harten.

Tegen beide hadden reeds de Apostelen te strijden , niet alleen tegen Joodsche wetdrijvers (Brief aan de Galat), maar ook tegen loszinnige wetverachters (J2 Petr. en Brief van Judas). En voor!gaande openbaarde zich in de Christelijke Kerk een belangrijk verschil nopens de verhouding tusschen Oud en Nieuw Testament, tusschen Wet en Evangelie. Mardon (in het midden der 2de eeuw) en de Marcionieten, bitter tegen al wat naar Joodsch geleek, waren vijandig tegen het Oude Testament, inzonderheid tegen de Wet gekant en wilden alleen van het Evangelie welen, doch onderscheiden zich door eenen ingetogen wandel\') Maar andere Gnostieken, volslagen Antinomisten, hoonden alle zedenwet en riepen bandelooze vrijheid uit ïj.

1) Neander, Allgem. Goscb, dor Chr. Rel. u. K. 1820. II. Baud. S. 533. Mardon was do zoon oeus bisscbops van Siuopo aan do Zwarte Zee ; in de jaren 140 tot 150 was bij te Rome, dan wederom in bot noordelijk Kloin-Aziü. Eenc georganiseerde Maroioniotiscbe Separaat-Kerk beeft in Kloin-Aziü lang bestaan.

2) Neander a. W. I. S. 435.

\'.(O

-ocr page 107-

g 18. DE GELOOVIGE EN DE WET.

Antinomistische dwalingen hebben in de Protestantsche Kerken zich gedurig vertoond, ook ten tijde der Hervorming, doch zijn ook telkens door de rechtzinnigen niet kracht afgeweerd. Zoo in Duitschland de dwalingen van den eigenzinnigen Johannes Agricola \'), die wilde dat de Wet niet meer zou gepredikt worden aan de Christenen. Voorts aldaar en in de Nederlanden en in Zwitserland de uilspattingen der Anabaptisten en Libertijnen 1). En in Engeland, in de 17de eeuw, de dwalingen der ook daar zich voordoende wetbestrijders, Antinomi, door wie de Wet-verdedigers Neonomi (Nieuw-wettischeu, Wet-nieuwers) werden genoemd, en die leerden dat onder het Nieuwe Testament de Wet tot geenerlei gebruik meer dient, waartegen mannen als Samuel Rhetorfort hunne stem verhieven 3). Antinomisten waren in ons land, in Zeeland, ook de Hattemisten, volgelingen van Pontianus van Ilattem, predikant te Filipsland, en de Schoristen,

91

1

) Spanheim, a. W. p. 564. sq.

-ocr page 108-

§13. DE GELOOVIGE EN DE WET.

(Hehreën) dus genoemd naar Jacohus Verschoor van Vlissingen, in de laatste helft der 17de eeuwi).

üe geloovige is vrij van de Wet, en niet vrij, al naar dat men vrijheid en Wet verstaat.

Vrij : de Wet verdoemt den geloovige niet meer ; niet vrij : maar zij blijft zijn levensregel. Christus heeft ons verlost van den vloek der Wet, maar Hjj geeft geen vrijheid tot eenige zonde2).

Wij weten dat al wat de Wet zegt, zij dat spreekt tot degenen die onder de Wet zijn ; opdat alle mond gestopt worde, en de geheele wereld [voo)-] God verdoemelijk zij, Rom. 3 : 19. En de Schrift heeft het al onder de zonde besloten, opdat de belofte uit het geloof in Jezus Christus den geloovigen zoude gegeven worden. Gal. 3 : 22. Allen zitten van nature in de gevangenis der zonde en des doods, en kunnen er niet uit, totdat de sterkere, Christus, komt met zijne gerechtigheid en zijnen Geest, en den sterke zijnen buit ontneemt. Christus heeft als plaatsbekleedend Borg de Wet in volmaakte gehoorzaamheid vervuld en haren vloek gedragen, Hij heeft ons verlost van den vloek der Wet, een vloek geworden zijnde voor ons (Gal. 3:13). Aan het recht der Wet is door Hein in allen deele voor zijn volk voldaan. Wie nu niet meer in zich zeiven, in zijn eigen, maar door het geloof in Christus is, op dien heeft de Wet geen recht meer om hem te veroordeelen

\') Spanheim, a. W. p. 734. 745. P. Van Hattem word afgezet 1683. J. Verschoor, Studout iu de Godgeleerdheid maar nergens kerkelijk toegelaten, werkte bijzonder in Leiden, dan weer in Zeeland. Zijne volgelingen noemden zich Hebreün en ver-emilgden zich eindelijk met do Hattemisten. Hij stierf 1700.

\'2) Zie Zestiende Hoofdstuk § 12 : Noodzakelijkheid der heiligmaking.

92

-ocr page 109-

§13. DE GELOOVIGE EN DE WET.

en in den eeuwigen dood te storten. Want in Christus heeft hij eene volkomene, eeuwig geldende gerechtigheid. Wie in Hom gelooft, die is rechtvaardig voor God; niet; hij is als het ware of zoo te zeggen rechtvaardig, maar hij is rechtvaardig. Het is eene werkelijke, waarachtige rechtvaardigheid, die hein onverkort is toegerekend, en in welke hij vrijmoedig voor Gods aangezicht verschijnen kan en niet behoeft te vreezen beschaamd te zullen worden. In dat sieraad, in dat genadekleed gevonden te worden schatte Paulus zijn hoogst geluk, en daarvoor achtte hij alle dingen schade ; in geen ander kon of wilde hij Gode welbehagen. M\'ie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods ? God is het die rechtvaardig maakt. Wie is het die verdoemt ? Christus is daar, die gestorven is ja wat meer is, die ook opgewekt is (uit den angst en uit het gerichte weggenomen Jez. 53 ; 8), die ook ter rechter\\hand\\ Gods is, die ook voor ons bidt, Hom. 8: 33, 34.

Maar de gerechtvaardigde is niet wetteloos, de Wet Gods blijft zijn levensregel. De geloovige heeft met de Wet niet te doen om er door te worden gorechtvaardigd; daartoe is nu de Wet ook niet gegeven: maar om er naar geheiligd te worden. Zij is de uitdrukking van den heiligen, onveranderlijken wille Gods. Heiligheid blijft ook bij de genade zijn wil, zijn gebod. Geen Evangelie zonder Wet; geen genade of zij werkt ook heiligheid, geen geloof of het leidt door liefde tot gehoorzaamheid.

Is dan Christus een dienaar der zonde ? Dat zij verre (Gal. 2 : 17). Wat mededeel heeft de gerechtigheid met de ongerechtigheid ? en wat gemeenschap heeft het licht met de duisternis? En wat samenstemming heeft Christus met Belial? 2 Kor. 6 : 14, 15). De Christen is vrij, maar

93

-ocr page 110-

§ 13. DE GELOOVIUE EN DE WET,

niet om to zondigen en zich van de Wet des Heeren te ontslaan. Gij zijt tot vrijheid geroepen, broeders, alleenlijk \\gebruikt\\ de vrijheid niet tot eene oorzaak voor het vleesch, als een dekmantel der hoosheid, vermanen de Apostelen (Gal. 5 : 13. 1 Petr. 2 : 1G).

Om hier wél te onderscheiden en niet alles dooreen te warren en tevens niet te scheiden wat God hooft saamge-voogd, zijn verlichte oogen noodig.

God legt aan de Wet geen volslagen stilzwijgen jegens don geloovige op. Maar ten eerste mag zij niet meer den geloovige als een drijver den slaaf met de zweep tot werken jagen om tichelsteenen te strijken voor den bouw van eigene gerechtigheid ; ten tweede mag zij niet meer als oen schukleisclier den geloovige bij de keel grijpen en hem toesnauwen: Betaal mij wat gij schuldig zijt, of ik worg u (Matth. 18 : 28). De schuldbrief is aan hot kruis genageld, Kol 2 : 14). Integendeel, zij spreekt liefelijk tot Gods kind, dat haar bemint, dat haar zoet vindt en zegt: „Geen honing kan \'L goliemelt beter smaken zij onderwijst den geloovige en stiert zijne gangen, zeggende : Dit is de tveg, wandelt in denzelven (Jez. 30 : 21).

De Apostel Paul us vat beide stukken, dus de gansche waarheid saam in de volheerlijke uitspraak Rom. 8:1: Zoo is er dan nu geene verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn, die niet naar den vleesche wandelen, maar naar den Geest. Vooreerst, hen treft geen doem-vonnis, nademaal door Christus hunne schuld is gedelgd. Ten tweede, zij wandelen naar den Geest, hetwelk uit het zijn in Christus volgt en bewijs en merkteeken is van waarachtige gemeenschap met Hem. En Rom. ü : 14 : Want de zonde zal over u niet heerschen, want gij zijt niet

94

-ocr page 111-

§ 14. VERSCHILLENDE VERHOUDINGEN TOT DE WET. 95

onder de Wet, maar onder de genade. Wat do Wet oischt, geeft de genade, waardoor het recht der Wet in hen wordt vervuld (Rom. 8 : 4).

§ 14- Verschillende verhoudingen tot de Wet.

Uit het verhandelde blijkt reeds, dat de Goddelijke Wet diep ingrijpt in de geestelijke levenservaringen van don mensch. Wie ter zaligheid geleid wordt, heeft voortgaande van het begin lot het einde niet de Wet te doen. Doch onder zeer verschillende verhoudingen. Zonder alle aanraking met de Wet wordt niemand zalig. En bij allo onderscheid en menigvuldigheid van weg en leiding werkt de Heilige Geest met de Wet in al de uitverkorenen lot éénzelfde heerlijk einde.

Wat moet er dan met den mensch ton aanzien van de Wet gebeuren? De hoofdzaak komt hierop neer. De zondige mensch moet eerst onder de Wet komen, die hem doodt; daarop door het geloof in Christus levend en vrij worden van den dienst der Wet ; terwijl hij haar dan in zijn hart ontvangt tot vrijwillige gehoorzaamheid.

1. Ieder mensch is gehouden om God in liefde lo dienen en te gehoorzamen. Aangaande zijne verplichting behoeft hij niet eerst onder de Wel te komen, hij is er onder. Maar naar zijne verdorven natuur leeft de gevallene mensch zonder de Kei1 (Rom. 7 : 9), ja in vijandschap daartegen, (Rom. 8 : 7), de Heiden tegen de hem inge-schapene wet, zij die Gods Woord hebben, daarenboven togen de geopenbaarde Wet. Een staat van wetteloosheid, waarin men nog wel eenig besef hoeft van hot gebod, maar dit niet erkent en eerbiedigt als een heilig gebod

-ocr page 112-

90 § 14. VERSCHILLENDE VEIillOUDINGEN TOT DE WET.

9

des almachtigen Gods, en daarom er geen acht op slaat en er geen werking van voelt.

In dezen staat van Qod-vervreemdlieid, hetzij daarbij in het uitwendige zedig gewandeld wordt of teugelloos doorgedraafd, is de mensch levend ; doch slechts schijnbaar : hij ontwaart en bevroedt niet de macht des doods, waaronder hij toch gevangen is, heeft geen gevoel van de tijdelijke en eeuwige ellende, die de zonde hern baart: hij stelt zich gerust met ingebeelde eigen deugd en goedheid, of met zijnen voorspoed en zijn tijdelijk welvaren in de zonde, zoolang het duurt.

Anders wordt het, wanneer de Overluiger, de Heilige Geest (Joh. 16 : 8), met de Wet op verstand en hart aandringt en hare eischen verstaan en voelen doet, en in dezen zin de mensch onder de Wet komt. Dan wordt de zonde levend, wakker, de verdorvenheden en zondige neigingen komen uit en verzetten zich tegen het heilig gebod en aldus leert de mensch én zijne schuld én zijne onmacht ondervindelijk kennen.

De Wet doodt hem. Zij is hem nu geen doode letter, maar doodend \') : zij neemt hem het leven uit zijne eigene hand, zij spreekt den vloek en het doodvonnis over hem uit. Kn zoo is het gebod, hetwelk, wierde het volkomen gehoorzaamd en ware de natuur rein ten leven was, hem door de zonde ten dood bevonden (Hom. 7 : 10). Want de kracht der zonde is de Wet (1 Kor. 15 : 56).

Aldus wordt de behoefte aan den Verlosser en het verlangen naar Hem in den zondaar verwekt die onder het oordeel der Wet en midden in den dood ligt, hij wordt

\') Zio Kantteek. op 2 Kor. 3 : 6.

-ocr page 113-

§ 14. VERSCHILLENDE VERHOUDINGEN TOT DE WET. 97

gedrongen, willig en begeerig gemaakt, om gerechtigheid, leven en zaligheid uit genade te ontvangen door het geloof in den Zone Gods, dien het Evangelie hem verkondigt en de Heilige Geest hem deelachtig maakt. Dan is het als Paulus zegt Gal. 3 : 24 : fle Wet is onze tuchtmeester \') geweest tot Christus, opdat wij uit het geloof zouden gerechtvaardigd worden.

2. In de rechtvaardiging door het geloof in Christus wordt het recht ten leven verkregen door toerekening ; maar krachtens de vereeniging met Christus wordt in den geloovige ook het leven gewrocht door den levendmakenden Geest: de zondaar wordt levend1). En hij wordt vrij van de Wet: vrij van haren vloek en van haren uiterlijken druk en dwang, vrij van slaafachtigen, om loon werkenden wetdienst waaronder hij te voren zich vruchteloos vermoeide ; vrij gemaakt door den Zone Gods op zijn vriendelijk lokken en noodigen, dat als het suizen eener zachte stilte na storm en aardbeving en vuur de matte zie verkwikt, daar Hij, de Schiloh Jakobs, spreekt: i£bmlt; Aer-waarts tot mij, allen die vermoeid ») en belast zijt, en ik zal u ruste geven (Matth. 11 : 28).

3. Het Christendom is geene ongebondenheid. Is de begenadigde van den vloek der Wet en van hare harde heerschappij door Christus verlost, dan ontvangt hij door den Geest de Wet in zijn hart, om haar vrijwillig te

1

) /Ao Zestiende JJoofdstulc § 1.

\') -MTriMTs:, eigenlijk arbeidenden, hot zelfde woord als Lnc. 5 : 5, waar bot door arbeiden is vertaald: Wij hebben den ge-heden nacht over gearbeid {y.OTTUXTXVTS?) en niets gevangen. Gravomoijor, Gorof. tiol. leer. 111. \'

-ocr page 114-

98 § 14. VERSCHILLENDE VEIUIOUDINGEN TOT DE WET.

gehoorzamen i). Naar de verbondsbelofte des Heeren: Ik zal mijne Wet in hun binnenste geven en zal die in hun hart schrijven (Jer. 31 : 33). En ik zal mijnen Geest geven in het binnenste van u, en ik zal maken, dat gij in mijne inzettingen zult wandelen en mijne rechten zult bewaren en doen (Ezech. 36 : 27).

Dus dezelfde Wet, die eerst den zondaar veroordeelt, vervloekt en doodt, totdat het Evangelie der genade hem aanstraalt en Christus over hem komt lichten en hij door het geloof in Christus vrij wordt van de Wet: diezelfde Wet (want de verbondsbelofte spreekt van geen andere Wet), wordt hem vannieuws gegeven, niet uitwendig „in steenen tafelen of perkamenten 2),quot; maar door den Heiligen Geest binnen in het hart, waardoor de wille Gods, in de Wet begrepen, in den wil des menschen inzinkt en dezen met zich vereenigt; dezelfde Wet, maar nu als eene Wet die der vrijheid is (Jac. 1 : 25), die niet uit dwang of dienst om loon, maar in vrijheid, in nieuwe, kinderlijks gehoorzaamheid, uit liefde wordt gedaan.

Het is een dienst, maar liefdedienst 3). De liefde maakt alles licht. Wat doen lievenden niet voor elkander! Jakob moest zeven jaren om Rachel dienen, en nog wel eenen harden heer, maar die jaren waren in zijne oog en als eenige dagen, omdat hij Rachel liefhad (Gen. 29 : 20). Wat doen en dragen lievende ouders en kinderen niet voor eikander! Nu echter is geen aardsche liefde aan die

\') Vergel. Zestiende Hoofdstuh g 8.

-) Kantteek. op Hebr. 8 : 10. Vergel. Zestiende Hoofdstuk § 6.

\') Vergel. Zestiende Hoofdstuh § 6. bi. 806.

-ocr page 115-

§ 14. VEKSGHILIiENDE VERHOUDINGEN TOT DE WET. 99

liefde gelijk, die eene verloste en begenadigde ziel voor haren God en Zaligmaker gevoelt.

Het is een dienst mei lust. Een werk, dat met iemands neiging strookt, valt niet zwaar. Ezau zou voor zijnen vader Izailk ook wel voel anders hebben gedaan om \'s vaders zegen te ontvangen, maar geen gebod kon hem zoo welkom zijn als dit: Ga uit in het veld en jaag mij een wildbraad (Gen. 27 : 3), want dat was een werk naar zijnen zin, want Ezau was een man verstandig op den jacht, een veldman (Gen. 25 : 27). De wedergeborene nu heeft eene nieuwe natuur ontvangen, heeft een vermaak in de Wet Gods, tiaar den inwendigen mensch (Hom. 7 : 22), en het smart hem, dat het overblijfsel van zijne oude natuur, zijn vleesch, daartegen strijdt, en dat hij zijnen Ueere niet beter dienen kan. Maar zijn lust is in den lleeren Wet en hij overdenkt zijne Wet dag en nacht, Ps. I : 2. En hij ondervindt, wat zijn Verlosser en Koning verzekert: Mijn juk is zacht en mijn last is licht, Matth. 11 : 30.—

liet is een dienst, waartoe de Heere zelfs de noodige kracht verleent. [Toe zwaar een last zij, de zwaarte komt niet in aanmerking wanneer men genoegzame kracht bezit. Wat een kind niot dragen kan, lilt een man gemakkelijk. Hetgeen hard is en zwaar voor vleesch en bloed, valt licht voor bet genade vermogen des geloofs. De natuur staat verlegen voor kleine steenen, het geloof verzet bergen. Men moet wel vreezen en wanhopen, wanneer men alleen op zich zelvon ziet, op de eigene zwakheid, en op de macht der zonde, op de kracht der gewoonte, op de verzoekingen der wereld en op de werkingen van den Vorst der duisternis. Dan is het als met de versaagde verspieders van het

-ocr page 116-

100 § 14. VEnSCHILLENDE VERHOUDIHGEN TOT DE WET.

land Kanaan, die zeiden : Wij hehhen daar reuzen gezien, hinderen Sn aks, en ivij waren als sprinkhanen tegen hen (Num. 13:33). Maar het geloof gaat van het eigene at en steunt op den Heere en grijpt zijne sterkte aan. Paulus kon zeggen : Ik vermag alle dingen door Christus, die mij kracht geeft, Fil, 4 : 13.

Het is een dienst, die zich zelf loont. Gelijk Jacobus 1 : 25 zegt; De dader des werks zal gelukzalig zijn in dit zijn doen; niet: wegens, of voor, of om of door, maar in dit zijn doen: in het doen zelf smaakt hij gelukzaligheid. David zegt tot den Heere Ps. 19 : 12 : Door uwe geboden wordt uw knecht klaarlijk vermaand : in het houden van die is groote loon, een genadeloon, welken God genadiglijk aan zijnen dienst verbindt. Reeds de getuigenis van een goed geweten is een loon van getrouwen dienst. Maar bovenal de bewustheid van Gods welbehagen, daar zijne kinderen zich kunnen verzekerd houden, dat Hij hunnen dienst, hoe gering, hoe gebrekkig ook, met genadig welgevallen aanneemt. Wanneer men niet weet, of hetgeen men voor iemand doet, ook wel goed wordt opgenomen, moet men zelfs twijfelen, of de dienst dien men aan anderen bewijst, hun aangenaam zij, men wordt traag en onverschillig. Maar die den Heere dienen, mogen er voor houden, dat Hij zelfs het geringste, wat zij voor zijnen naam doen, met welgevallen gadeslaat, zelfs eenen beker ivaters in zijnen naam te drinken gegeven (Mare. 9 : 41), en dat Hij het minste leed, hetwelk iemand om zijnentwil voor recht en waarheid moet dragen, niet voorbij ziet.

Uit al het gezegde blijkt, in welke verschillende verhoudingen de mensch en Gods Wet onder de werkingen des

-ocr page 117-

§ 14. VERSCHILLENDE VERHOUDINGEN! TOT DE WET. 101

Geestes tot elkander komen te staan. Eerst gaat de Wet als een heraut voor Christus aan, om Hem baan te maken, den weg voor Hem te bereiden, om den rnensch tot Christus te leiden, Daarop verdwijnt de Wet, door het geloove in Christus. Want het einde der Wet is Christus, tot rechtvaardigheid eenen iegelijk die gelooft, Rom. 10 : 4. Maar dan komt zij weer te voorschijn, doch in eene andere gedaante, nieuw en toch dezelfde Wet, niet meev nevens den mensch gaande, niet meer op hem liggende als een last op den pakdrager, maar in hem, door Gods Geest met hot schrift der liefde in \'s harten grond geschreven en weer uitblinkende in hare schoonheid en liefelijkheid door het genadelicht en de heerlijkheid van Christus. (2 Kor. 3 ; 7—11).

Opmerkelijk is hetgeen Paulus Rom. 7 : I—6 van de verhoudingen tot de Wet bij gelijkenis leert. 1. De Wet, den mensch gegeven, verliest hare heerschappij over hem niet eer dan wanneer hij sterft; zoolang hij quot;) in leven is, blijft hij aan haar onderworpen. 2. Aldus bij voorbeeld in de huwelijkswet. Zoolang de man leeft, heerscht de wet des mans over de vrouw, zij is door de Wet aan haren gemaal verbonden ; maar is de man gestorven, dan is zij vrij, de dood des mans ontslaat haar van den band. Dit voorbeeld kiest de Apostel, wijl zgn oogmerk is, de ver-

\') £0\' sarov xpwov namelijk S möpcoTros. Onzo Stateu-Overzottors hebben het recht gevat. Sommigen nemen verkeerdelijk o vó/tos als subject. Tegen v. 2 en 3, waar geleerd wordt, niet, dat de dood der Wet, maar de dood des menschen do verbindende kracht der Wet over hem doet ophouden.

-ocr page 118-

102 § 14. VERSCmiJ.ENDE VERHOUDINGEN TOT DE WET.

bintenis dor van de Wet vrij gemaakte ziel met Christus als een nieuw huwelijk af te beelden, znoals hij v. 4. doet. 3. Zoolang de man leeft, kan zij de vrouw niet worden van een anderen man, of zij bedrijft overspel ; maar is de man dood, dan is zij van de wet, die de vrouw aan den man verbindt, ontheven, en zij zondigt niet tegen de wet, wanneer zij nu met eenen anderen man trouwt. De wet staat haar niet meer in den weg.

4. Dit brengt nu de Apostel tijpisch over tot de Christenen. Zoo dan, mijne broeders, gij zijt ook der Wet gedood. Hij zegt niet: de Wel is u gedood, maar gij zijt der Wet gedood.

Wij hebben hier niet met velen eene verwisseling van subject aan te nemen. De Apostel blijft zich gelijk. Immers ook bij de vrouw v. 2 en 3 heeft hij niet gezegd: de wet dos mans is gedood, maar: doordat de man gestorven is, is de vrouw vrij gemaakt van de wet, hetwelk zegt: door den dood des mans is de vrouw zelve voor de (huwelijks-) wet eene doode geworden, de wet heerscht over haar zoo min als over een doode.

Gelijk nu de vrouw door den dood des mans voor de huwelijkswet een doode is geworden, zoo zijn ook de geloovigen door Christus\' dood voor geheel de Wet gedood. Want zijn dood was hun dood, krachtens hunne geestel^ko gemeenschap met Hem (Rom. 6 : 8). Gelijk de vrouw door den dood haars mans der wet, die haar aan den man verbond, is ontstorven, zoo zijt ook gij, geloovigen, der gansche Wet dood gemaakt, haar ontstorven, van haar ontbonden, en wel ook door den dood van eenen, die zich daartoe heeft overgegeven, namelijk (en dit is het groote gonadewonder) door het lichaam van Christus, doordat

-ocr page 119-

§ 14. VERSCHILLENDE VERHOUDINGEN TOT DE WET. 103

Christus\' lichaam gedood werd, waarin uwe eigene dooding is begrepen.

En waartoe dit? Opdat gij eens anderen zoudt worden. Dit is het doel der vrijmaking, dit de hoofdzaak : opdat gij in eene andere verbintenis zoudet komen, aan eenen anderen eigen zoudet worden, namelijk aan Hem, die van de dooden is opgewekt. De geloovigen zijn door Christus\' dood en door hun sterven in Hem vrijgemaakt van de Wet, maar het is, om nu toe te behooren aan hunnen Bevrijder, als hunnen Heere en Eigenaar, die uit de dooden opstond en leeft en heerscht. De betrekking tusschen Christus en de gemeente der geloovigen is als een echtverbond. De Wet verbiedt en verhindert dit nieuwe huwelijk niet, omdat de vrijmaking van hare heerschappij is geschied.

Deze echtverbintenis strekt hiertoe: opdat wij Gode vruchten dragen zouden, „namelijk de vruchten van dit geestelijk huwelijk met Christus, welke zijn de vruchten van heiligheid en rechtvaardigheid, waardoor God van ons wordt geeerd en geprezen. Joh. 15:8quot; fKant teek.J

De Apostel teekent dan v. 5 en G den verschillenden toestand onder de Wet en onder de genade. Hij spreekt van zich en alle geloovigen.

5, Vóór onze vrijmaking (door de toeëigening van Christus\' dood), toen wij .in het vleesch waren, \\n fan Aiensi onzer verdorven natuur, werkten in ons de bewegingen der zonden, de neigingen en driften, die de zonden voortbrengen en die door de Wet zijn; door de Wet opgewekt en gaande gemaakt worden, uil hoofde van het natuurlijke haken naar het verbodene, „gelijk door de zon de kwade dampen ontdekt en opgewekt worden, die in het aardrijk

-ocr page 120-

104 § 14. VERSCHILLENDE VERHOUDINGEN TOT DE WET.

verborgen zijnquot; (Kantteek.) ; zij waren werkzaam in ome leden, om den dood vruchten te dragen, om oen leven te leiden, dat al meerder doodschuld op ons bracht.

6. Maar nu zijn wij vrijgemaakt van de IVet, overmits wij dien (aan datgene) gestorven zijn \'), onder welken (in hetwelk) wij (als in hechtenis) gehouden werden, namelijk het dominium, de heerschende macht der Wet en der zonde : alzoo dat wij God dienen in nieuwigheid des geestes, van harte, gewillig, tengevolge van de werking des levendmakenden Heiligen Geestes, en niet [in] de oudheid der letter, der uitwendige Wet, die „eene doodslaande letterquot; (Kanlteek) is, en, ongeestelijk opgevat, misbruikt wordt tot een bolwerk van uiterlijke eigengerechtigheid en van inwendige, geheime zonde, maar de kracht niet medebrengt om de zonde te overwinnen en den mensch in zijn ouden, natuurlijken staat van bederf en schuld laat liggen. Maar tot de geloovigen is het: Gijlieden, houdt het daarvoor dat gij wel der zonde dood zijt, maar Gode levende zijt in Christus Jezus, onzen Heere, Rom. 6 : 11. —

De strijd tusschen Godgeleerden over gebruik of onbruik der Wet onder het Nieuwe Testament heeft de rechtzinnige Protestantsche geloofsleeraars tot nadere, duidelijke verklaringen geleid, waartoe de Wet dient.

a. Tot een burgerlijk gebruik 2): tot handhaving van orde en veiligheid in de menschelijke samenleving, tot een toom en teugel voor de goddeloozen, om hen in bedwang te houden en hen althans van grove uitspattingen af te

\') XTTodxvivTe;. Do lezing xxaduvévm; heeft goone genoegzame autoriteit.

\'2) Usus politicus sive uivilis. Calvin. Inst. II. 7. 10. Dr. FaI. Böhl, Uogmatik. 1887. § 49.

-ocr page 121-

§ 14. VERSCHILLENDE VERHOUDINGEN TOT DE WET. 105

schrikken. In welk opzicht Paulus zegt: Dat den rechtvaardigen de Wet niet is gezet, maar den ongerechtigen en den halstarrigen, den goddeloozen en den zondaren enz., 1 Tim. 1 : 9, 10.

b. Tot overtuiging des zondaars van zijne ellendigheid cn om hem daardoor tot Christus op te leiden en uit te drijven i). (Zie hiervoren hl. 9G.)

c. Ten regel voor de wedergeborenen I), waaruit zij voortgaande hebben te leer en wat in ieder omstandigheid de wille Gods zij, gepaard met krachtige vermaningen, om er naarstig naar te doen. Hetwelk noodig is, want de heiligen zijn nog met vleesch bezwaard. Voor dit vleesch, hetwelk, naar Galvijn in den trant van Luther zich uitdrukt, gelijk als een loome, luie ezel is, is de Wet eene zweep; voor den gewilligen geest zijn de geboden en vermaningen sporen, die hem prikkelen en niet toelaten in den loop te vertragen.

\') ügus olenohticus sivo paodagogicas. Calvin, last. 11. 7. 6-8. Dr. Böhl a. W. § 50 S. 270 flf. § 70. S. 403 f.

2) üsus didacticus, uormativus sive tertius. Calvin. lust. II. 7. 12. Do Luthersche Kerk heeft zich over dit artikel, togen do Autinomisten , klaar en krachtig uitgesproken in do Formula Concordiae, Do tertio usu legis, on wol in do Epitome, cd. llechenb. p. sqq. on in do Solida Declaratio p. 717 sqq-Sommigen onzer oude dogmatici goven oeue nadere formulee-ring van do verhoudingen der Wet tot den mensch in zijnen drievoudigon staat, status institutus, destitutus, restitutus, in den staat dor rechtheid (oorspronkolijko normaliteit), na den val (abnormaliteit), in de nieuwigheid des levens. Zoo H. Witsius, Oeconomia. Lib. IV. Cap. IV. 40 sqq. Zakelijk eveuzoo als in de Luthersche Form. Cone 1.1. c.c. uitvoerig is beschreven.

De tertius usus wordt aangewezen in den Heidelb. Cat. Vr. 115. Dr. Ed. lliild, Dogmat. § 73. S. 515 f.

-ocr page 122-

106 § 14. VERSCHILLENDE VEUIIOUDINGEN TOT DE WET.

Welk is nu het doel der wetprediking ? Dit leert en belijdt onze Kerk in dm Heidelb. Catech.Yr. 115. Waarom laat ons dan God alzoo scherpelijk de Tien geboden prediken, zoo ze toch niemand in dit leven houden kan ?

Den onbekeorden wordt de Wet met hare strenge eischen gepredikt, om hen van hunne zonden te overtuigen en tot Christus uit te drijven. Maar de scherpe prediking van Gods Wet gaat ook de bekeerden aan, zooals immers ook do Apostelen hunne Zendbrieven aan de geloovigen gewoonlijk besluiten met scherpe vermaningen en voorschriften, uit de Wet getrokken en op deze gegrond. En waartoe ?

Eersielijk, a. opdat wij ons leven lang onzen zondelijken aard hoe langer hoe meer leer en kennen. Dit is noodig, om ons ootmoedig en klein te houden, om van ons zeiven gering te donken, en zachtmoedigheid, medelijden en geduid jegens anderen te bewijzen. De Wet, in hare goheele uitgebreidheid over allo zonden en over alle plichten voorgesteld, toont den bekeerden, welke volmaakt heilige en godzalige menschen zij behoorden te zijn. Daaraan heeft een ieder zijn hart en wandel gedurig te toetsen. In den helderen spiegel der Wet bij geesteslicht inziende, verliest de geloovige zijne jammerlijke, genadebehoeftige gedaante niet uit de oogen ; dat brengt hem tot boete en vernedering voor den hoogen God en tot een innig mishagen aan zich zeiven waarin de grondslag ligt van alle ware heiligheid.

b. En opdat wij dies te begeeriger zijn, de vergeving der zonden en de gerechtigheid in Christus te zoeken \').

\') Dat dit uiet strijdt tegou do rrchtvaardigiug eeus vooral, zie Vijftiende Hoofdstuk § 11.

-ocr page 123-

§ 14. VKRSCHlLLENDE VERHOUDINGEN TOT DE WET. 107

In het dagelijksche gebed van Gods kinderen behoort ook de bede; Vergeef ons onze schulden, onze zonden! Hoe zal er in waarheid om vergeving worden gebeden, wanneer men zijne zonden niet erkent ? Door de Wet is de kennis der zonde (Rom. 3 : 20). Daar ziet de geloovige, dat hij met zijn wezen en doen in geenen deele en in geen oogen-blik voor den heiligen God kan bestaan, en dat hij in alles en altijd den Borg en Middelaar noodig heeft ; dies hij met Paulus begeert, in Hem gevonden te worden, niei hebbende eene eigene rechtvaardigheid die uit de Wet is, maar die door het geloof in Christus is, [namelijk] de rechtvaardigheid die uit God is door het geloof, Fil. 3 : 9.

Daarna, dat wij zonder onderlaten ons benaarstigen en God bidden om de genade des Heiligen Geestes, opdat wij langs zoo meer naar het evenbeeld Gods vernieuwd ivorden, totdat wij tot deze voorgestelde volkomenheid na dit leven geraken. Na dit leven ; niet eer: maar dan gewisselijk. Dan volmaakt in kennis, in liefle, in heiligheid, dan heerlijk in de verheerlijking van den Drieëenigen God.

-ocr page 124-

_______

-ocr page 125-

ACHTTIENDE HOOFDSTUK,

GEBED.

§ 1. Wet en Gebed-

In de Wel heeft God zijnen heiligen wil geopenbaard, tot regel en richtsnoer voor de verlosten, om in dankbare liefde daarnaar te leven. Maar allen vinden zich daartoe in zich zeiven geheel onbekwaam. Vanwaar dan de kracht en bekwaamheid? Van God, die „eene zeer overvloedige fontein aller goedenquot; is. En hoe te zoeken en te halen ? Door gebed. Dus leidt de Wet tol gebed. Waar de Heilige Geest lust en begeerte naar heiligen wandel in den weg der geboden heeft ontstoken, maar daarbij een levendig gevoel van onvermogen verwekt, daar dringt Hij ook tol bidden. Dat zien wij treffend voorgeteekend in den 119den Psalm, die niet ten onrechte „een A B dei-godzaligheidquot; is genoemd, v. 4 en 5 : eerst de bekentenis des godvruchtigen: \\Heevé\\ gij hebl geboden, dat men uwe hevelen zeer bewaren zal, en dan aanstonds de bede ; Och

-ocr page 126-

§ 1. WET EN GEBED.

dat mijne weyen gericht wierden, om uwe inzettingen te bewaren.

Dat in de onderhouding van Gods geboden met \'s men-schen kracht niets wordt uitgericht, dat God het is die daarbij het willen en liet werken werken moet, daarvan heeft alle Gods volk van den beginne af een diep besef gehad. Abraham is de eerste, wiens gebeden in de Heilige Schrift uitdrukkelijk vermeld en beschreven worden ; maar hij was de eerste bidder niet: wie als Abel offerde, bad ook, en de gevallene maar begenadigde Adam zelf zal wel hebben leeren bidden. Nergens wordt God meer in verheerlijkt dan in het gebed, „die noodzakelijke, die profijtelijke, die heilige en heiligmakende plicht \')quot; van iederen vrome.

Het gebed is het middel, oin al wat waarlijk goed is, van den goeden God te verkrijgen, van den Vader dei-lichten, van wien alle goede gave en alle volmaakte gifte is afkomende (Jac. 1 : 17), van den eenigen Heere, rijk zijnde over allen die Hem aanroepen (Rom. 10 ; li2). Bij Hem klopt men niet te vergeefs aan. Jac. 1:5: Indien iemand van u wijsheid (bijzonder onder beproevingen) ontbreekt, dat hij ze van God beyeere, die eenen iegelijk mildelijk geeft en niet verwijt, en zal zij hem gegeven worden. Augustinns zei de in zijn Bekentenissen tot God : Gc.ef wat gij gebiedt, en (dan) gebied wat gij wilt 2).

\') Brakel, Red. Godsd. II. p. 360.

:) Contmentiam jubcs ; da quod jubes, et jube quodvis. Auyustin. Confess. Lib. X. Cap. 29 en wederom Cap, 37. Deze woorden van Augustinns worden doov Pelagius to Homo hom kwalijk

110

-ocr page 127-

§ 2. BIDDEN.

§ 2. Bidden.

Bidden is geloovig met Gjd spreken, ais van een begunstigd onderdaan met zijn genadigen Koning, van een lievend vriend met den vertrouwde zijner ziel, van een kind met zijnen vader : het uitnemendst voorrecht, waartoe een nietig mensch kan worden verwaardigd, maar ook de innigste uiting van godsdienstig gevoel en geestelijk leven, erkentenis en verheerlijking van God in al zyne volmaaktheden.

In zijn Woord spreekt God tot ons; in het gebed spreken ivij tot Hem, en wel op zijn Woord, hetwelk ons leert, wat en hoe wij zeggen moeten. De biddende David sprak tot den Heere Ps. 27:8: Mijn hart zecjt lot u : \\Oij zegt Zoekt, mijn aangezicht (Deut. 4:29): ik zoek uw aangezicht, o lleere. En Ps. 19: 15: Laat de redenen mijns monds en de overdenking mijns harten welhehagelijk zijn voor uw aangezicht, o lleere, mijn Rotssteen\' en mijn Verlosser.

Bidden veronderstelt geloof. Hebr. 11 : G : Want die tot God komt moet gelooven dat Hij is (ofschoon Hij niet gezien wordt: het geloof\' betoont zich daar als een bewijs der zaken die men niet ziet v. 1), en dat Hij een belooner is dergenen die Hem zoeken (waarbij het geloof is een vaste grond der dingen die men hoopt).

Ill

De Atheïst kan niet bidden: want voor Hern is er geen God. De moderne Pantheïst evenmin : want hij erkent

genomcu en betwist (ed. K. Von Raumer, Gütersloh. 1876. p, 270). Vursoheideue andere treffende gezegden deszelfdeu Kerkvaders nopens Wet en gebed haalt Calvinus aan, Instit. II. 7. 9.

-ocr page 128-

§ 2. BIDDEN.

geen persoonlijken en transcendenten God, geen Koning der eeuwen, geen God die, terwijl Hij overaltegenwoordig is, toch van alles onderscheiden blijft en boven het heelal oneindig verheven staat; bidt hij, dan aanbidt hij zich zeiven, als deel der Godheid of wel als God. Niet beter de Naturalist, voor wien er niets boven de Natuur bestaat, die God tot Natuur maakt, gelijk de Pantheïst de Natuur maakt tot God; bidt hij, hij aanbidt de Natuur. Ook het bidden van den Deïst is een ijdel ding: want hij zet God buiten de wereld en laat deze op hare schijven loopen ; deïsme is wegbereider voor atheïsme. Geen meerder wezen en waarde heeft het bidden van den Fatalist, oud en nieuw : zijn bidden is schijn, of hij al bidt, hij zegt zich zelf, het baat hem niet, want alles zit toch vast geklemd in de ijzeren handen van het onbeweeglijke, duistere Noodlot. — Van deze of soortgelijke wangevoelens is ook de oprechte bidder nog niet altijd geheel vrij, en waar een of ander daarvan bij hem in het bidden insluipt, bederft hot zijn gebed.

Onder alle oefeningen van den redelijken Godsdienst is er geene zoo gewichtig als het bidden, maar ook geen waartoe de mensch uit zich zeiven minder bekwaam is. Bidden is het nederigste en het hoogste. Godsdienst-werk. Geen ander is er waarbij de mensch tot zoo nederbuigende bewustheid van zijne en aller schepselen volslagen afhankelijkheid komt en in zijn niet verzinkt en God hem in waarheid Een en Alles blijkt. Maar ook geen hooger werk kan er zijn. Want bidden is verheffing van hart en gemoed mot gedachten, gevoelens en begeerten boven al het geschapene, een opklimmen der ziel, boven het stolïe-lijke, een naderen tot den Onzienlijke alsof men Hom zag,

112

-ocr page 129-

§ 2. BIDDEN.

de innigste gemeenschapsoefening met Hem, den Hoogen en verhevenen, die in de eeuwigheid woont en wiens naam heilig is (Jez. 57 : 15) en die zegt : De hemel is mijn troon en de aarde is de voetbank mijner voeten (Jez. G6 : 1). Bidden is geloofswerk, ja de hoogste geloofshandeling, waarin al de God verheerlijkende uitingen en werkingen van het geestelijke leven, van het geloof zelf, van de liefde en de hope geconcentreerd zijn, ver-eenigd samengaan en zich openbaren, hetzij dat ook de mond of alleen het hart woorden spreekt.

Gelijk de Heilige Geest het geloof en geheel het geestelijke leven werkt en onderhoudt, zoo is Hij ook de Werker van het gebed. En wel door eene bijzondere werking in de geloovigen, in wie Hij woont. Hij zet tot bidden aan, Hij geeft het reukwerk en ontsteekt het en doet de offervlam naar boven gaan De wedergeborene is, waar zijn vleesch macht oefent, traag, lusteloos, hard, ongevoelig, verward, verdonkerd, omneveld, verstrooid in wereldsche dingen, zoodat de gedachten zich niet willen laten zamelen op het eene waarop alles aankomt. De Heilige Geest geeft licht en vrijmoedigheid, verwekt gedachten, gevoelens en tochten naar God, en terwijl Christus in den hemel de Voorbidder is voor de geloovigen, bidt de Heilige Geest in hen op aarde voor hen. Zoo, zegt Paulus Rom. 8 : 26, Komt de Geest onze zwakheden mede te hulp : want wij weten niet wat wij bidden zullen gelijk het behoort, maar de Geest zelf bidt (in ons) voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen. 27. En die de harten doorzoekt, weet, welke de meening des Geestes zij, dewijl Hij naar God voor de heiligen in henbidt. Naar de verbonds-belofte Zach. 12: 10: Ooer het huis Davids en over de

Gravemcgor , Gorof. Gel. loer. 111. 8

113

-ocr page 130-

§ 2. BIDDEN.

inwoners van Jeruzalem zal ik uitstorten den Geest der genade en der gebeden.

Bidden is vooral aanbidden: diepe buiging voor het eeuwige Wezen, de werkende oorzaak van al het wezende ; erkentenis en belijdenis van God als den alwetenden , almachtigen en souvereinen Heere des hemels en der aarde, die de wereld regeert en wiens Voorzienigheid over alles gaat; dus vereering en huldiging van Hem en onderwerping en toewijding aan Hem. Het is een aanroepen van Hem, die een levend God is en hooren kan. Want de oogen des Heeren zijn op de rechtvaardigen, en zijne ooren tot hun geroep, Ps. 34 : 16. Het is eene vertrouwelijke ontboezeming en uitstorting des harten voor Hem : \'t is dankgebed met opzicht tot het verledene en tegenwoordige, bij herdenking des bidders van hetgeen de Heere tot hiertoe voor hem is geweest; bidgebed en, met aandrang, smeekgebed, bij tegenwoordige of aankomende behoeften en nooden, voornamelijk om kracht tot gehoorzaamheid, tot het doen en lijden van den wille Gods. En de liefde voelt en bidt niet alleen voor zich zelve en voor het eigene, maar mede voor anderen: het gebed van Gods kind is steeds ook voorbidding.

Volmaakt bidder was Christus, de Gezalfde met den Geest zonder mate. Daar geheel zijn leven op aarde eene samenhangende gehoorzaamheid en volbrenging van den wil zijns Vaders was, zoo heeft Hij bij alles wat Hij deed cn leed, het oog gehad op den Vader en op diens wil en onafgebroken gemeenschap met Hem geoefend. Zijn leven was een gebedsleven, een bestendig verkeer met zijnen Vader. Dat bleek reeds toen Hij twaalf jaren oud was (Luc. 2 : 49), en werd al kennelijker na zijn openlijk

114

-ocr page 131-

§ 2. BIDDEN.

optreden. De grond en kracht van geheel zijn openbaar leven en werken was een gedurig bidden tot zijnen Vader, waartoe Hij zich dikmaals afzonderde. Hij ging uit naaiden berg om te bidden, en Hij bleef den nacht over in het gebed tol God, zeggen de Evangelisten meermalen van Hem (Luc. G : VI. Matth. 14 : 23).

Nog sterker brak dit uit tegen het einde zijns levens. Waarvan gezegd wordt Hebr. 5:7: Die in de dagen zijns vleesches (in den staat zijner vernedering, vooral in de laatste dagen, en wel bijzonder in Gethsemané) gebeden en smeekingen tot dengenen, die Hem uit den dood konde verlossen, met sterke roeping en tranen geofferd hebbende, en verhoord zijnde uit de vreeze l), 8. Hoewel Hij de Zoon was, [nochtansj gehoorzaamheid geleerd heeft uit hetgeen Hij heeft geleden. Niet slechts één gebed of smeeking heeft Hij gedaan, maar herhaalde en aanhoudende gebeden en smeekingen ; niet slechts gebeden, gelijk Hij Joh. 17 verheven bad, toen Hij zeide: Vader, ik wil, maar ook smeekingen, hetwelk een nederig, klagend, dringend aanspreken om hulpe beteekent van een zwaar gedrukte, geperste en diep ellendige ; Ootmoedig en in eene houding die ons verbazen moet heeft in Gethsemané do groote Hoogepriester gesmeekt; op zijn aangezicht heeft daar de Zoon voor den Vader gelegen, als mensch in den naam en onder don last van die menschheid die Hij verlossen zou.

115

Bij Hem was \'t een offer. Hij offerde wel zich zeiven geheel en al, maar daartoe behoorden ook zijne gebeden en smeekingen: want in deze offerde Hij zich zeiven, zich overgevende aan den wil zyns Vaders. Dat was de wel-

\') Zio Twaalfde Hoofdstuk § 1(3. § 20.

-ocr page 132-

§ 2. BIDDEN.

riekende reuk aan zijne offerande (Efez. 5 : 2), voorgebeeid door het reukwerk van welriekende specerijen (Lev. 1G : 12), door den Hoogepiiesler voor hel sprengen des bloeds in het heiligdom gebracht.

Eu Hij heeft in zijn bidden geroepen, gekermd: met sterke roeping en tranen, vanwege zijne hooggaande nooden en benauwdheden, terwijl intusschen uit den mond van dezen heiligen Bidder niet één woord is gekomen, dat ook maar het minste van eigen zonde en verdoemelijkheid deed blijken.

Hij wist ook nu. God was zijn Vader : tot zijnen Vader bad Hij, die Hem uit den dood konde verlossen, bad niet om verscbooning van den dood, maar om kracht tot overwinning des doods, om verlossing uit den dood, die volgens zijne eigene duidelijke verklaringen naar den eeuwigen raad voor Hem en bij Hem vaststond.

116

En Hij is verhoord (en door de verhooring verlost) van de vreeze quot;) (Luc. 22 : 43). Gesterkt is Hij opgestaan in hoogeprieslerlijke hoogheid van de aarde, op welke Hij met zijn aangezicht was neergevallen, en beeft zich willig en stil laten leiden als een lam ter slachting. En aldus heeft Hij, hoewel Hij de Zoon was, [nochtans] (jehoorzaam-heid geleerd uit hetgeen Hij heeft geleden. De gehoorzame wil woonde van den aanvang af hemelrein in Hem;

1) sitx\'mvróas xtto tïjï sv^xfisixs. Anderen verstaan dit: verhoord van luege zijne godvruchtigheid. Luther: darum dasz er Gott in Ehren hat te. En aldus velen, ook Lilnemann, desgelijks Cremer, Wörterb. S. 389 u. d. W. EvÏMpsix. Ongepast wegens xtto, en niet vereischt door suXxftsM, hetwelk de vreezo als eeno heilige vreeze keuteekeut ; onvoldoonde bij verhoord; niet voegend vóór v. 8, Zie onze Kantteek., die Galvyu volgen.

-ocr page 133-

§. 3. NOODIG,

maar het bewijzen van de gehoorzaamheid door de daad, door een onschuldig, allerbitterst, schandelijk en evenwel vrijwillig en gewillig lijden, heeft Hij geleerd, in al hooger gaande beproeving en al zwaardere oefening, tot den dood, den dood des kruises. In Christus vertoonde zich op de volmaaktste en allerkrachtigste wijze het innige verband en de wederkeerige werking van gebed en gehoorzaamheid.

§ 3. Noodig.

Bidden is gunst en plicht. De mensch mag bidden, en hij moet bidden.

Het is eene nederbuigende goedheid van den grooten, algenoegzamen God, dat Hy den mensch, die alles verbeurd heeft, nog tot zich toelaat. Versmading van dit voorrecht is hoon voor God, toppunt van ondankbaarheid en goddeloosheid. Die de vreeze vernietigen en het gebed voor het aangezicht Gods wegnemen (Job 15:4), toonen dat zij ook de laatste banden hebben verscheurd, — schoon God hen nog niet loslaat,

En het is stoutmoedig verzet tegen Gods geopenbaarden wil. Want het bidden is niet slechts vergunning maar ilitdrukkelijk bevel van God, en wel met aanmoedigende beloften, waardoor alle uitvluchten worden afgesneden. God wil aangebeden, aangeroepen worden, en Hij heeft beloofd, dat het niet vergeefsch zal zijn. Christus heeft gezegd Matth. 7:7: Bidt, en u zal gegeven ivorden ; zoekt, en gij zult vinden; klopt,\'en u zal opengedaan worden. 8. fFant een iegelijk die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, dien zal opengedaan ivorden. De God der goden, de Heere spreekt Ps. 50:15: Roept mij

117

-ocr page 134-

§ 3. NOODIG.

aan in den dag der benauwdheid, ik zal u er uithelpen, en gij zult mij eeren. Hij is een levend God, die gebeden verhoort. David zegt tot Hem Ps. 65 : 3 : Gij hoort hei gebed, tot u zal alle vleesch komen, al wat mensch is, met zijne zwakheid en nooddruft. Zelfs van het redeloos gedierte wordt gezegd Ps. 104: 27 : Zij allen wachten op God, dat Hij hun spijze geeft te zijner tijd. En Ps. 147 : 9 : Hij geeft het vee zijn voeder, den jongen raven als zij roepen. Hij hoorde ook de stem van den niet eens biddenden maar huilenden Ismaël (Gen. 21:17).

Zoo God acht geeft op het onbewust verlangen en uitzien van redelooze schepselen en op het schreeuwen van een dorstig kind, mogen wij dan met Kant zeggen: „het zijn onwijsgeerige dwepers, die meenen dat God hoort en antwoordt op een gebed i)quot; ?

Maar mag en kan een onbekeerde bidden De Schrift zegt Spreuk 15 : 29 : .De Heere is verre van de goddeloozen ; maar het gebed der rechtvaardigen zal Hij verhooren. En 28 : 9 : Die zijn oor afwendt van de Wet te hooren, diens gebed zelfs zal een gruwel zijn. Ook de snuggere blindgeborene wist (hij had dit wel van zijne ouders uit de Schrift gehoord) Joh. 9:31 : Dat God [de] zondaars niet hoort; maar zoo iemand godvruchtig is en zijnen wil doet, dien hoort Hij.

Onbekeerde zondaren mogen en moeten bidden ; om althans nog hunne afhankeliikheid van God te doen blijken ; omdat God het heeft bevolen en in het bidden behagen

\') Ch. Hodge, Systcmaüc Theology TIL q. G95. C. Beck in Herzogs Keal-Enc. IV. S. 678.

2) Vergel. Brak el, lied. Godsd. II. p. 368.

118

-ocr page 135-

§ 3. NOODIG.

heeft, al is het niet in de wijze hoe zij bidden, zoo toch in deze daad dat zij bidden ; eindelek wyl voornamelijk het gebed middel en weg is om tot bekeering en geloot te komen. Niet dat onbekeerden bidden mishaagt den Heere, maar dat zij zich niet bekeeren, alschoon zg bidden, maar wetens en willens in hunne zonden voort-loopen, zoodat hun bidden een ijdel gebruik is van den naam des Heeren. Kunnen zy zich niet bekeeren, zy moeten juist hierom bidden ; kunnen zij niet bidden, zy moeten het al doende leeren ; beginnen zij behoefte te voelen aan hooger kracht, dan is het hun reeds gegeven te bidden.

Simon de toovenaar was onbekeerd, zat in eene gansch hittere gal en samenknooping van ongerechtigheid, maar mocht, moest hij niet bidden ? Ja, maar met bekeering ! Petrus zeide tot hem: Uw hart is niet recht voor God, Bekeer u dan van deze uwe hoosheid en bid God of misschien u deze overlegging uws harten vergeven wierd, Hand. 8 : 22.

Al wat door het natuurlijk verstand tegen de noodzakelijkheid en nuttigheid des biddens wordt ingebracht, berust op verkeerde voorstelling van het gebed.

Zoo inzonderheid betreffende de uitwendige verzorging, wanneer men voorwendt: God doet zijne zon opgaan over boozen en goeden, en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen, Hij voedt menschen en vee, ook onge-beden, ja aau die niet bidden geeft Hij het vaak beter dan hun die bidden. Maar ons gebed zal God ook niet eerst bewegen om de wereld te onderhouden en te regeeren, om Hem dus aan het werk brengen, maar dient juist om Hem te eeren als dien God, die door zijnen eeuwigen raad

119

-ocr page 136-

§ 3. NOOD1G.

en voorzienigheid alles onderhoudt en regeert; als dien die het voedsel voor zijne schepselen bereidt door zijne onnagaanbare werkingen, en door ontelbare middelen en het langs velerlei wegen den mensch toeschikt ; als dien die de Heere en Eigenaar is van alles en zijne goederen vrijmachtig en wijs in verschillende mate uitdeelt, wiens gaven wij, onderscheiden van het redeloos gedierte, met dankzegging als uit zijne hand behooren te ontvangen en wiens bijzondere zegen nog bovendien van noode is, zal hetgeen Hij geeft, ons wel gedijen.

Aangaande de geestelijke verzorging kan er geen sprake zijn of men bidden moet. Wie zijne zielsbehoetten voelt, dien leert van zelf de nood bidden, en de verlossing danken.

Desgelijks denkt men verkeerd van het gebed, wanneer men het wegens Gods alwetendheid onnoodig acht : „Hij weet onze nooden en begeerten ook zonder ons bidden.quot; Maar dit is juist een voorname troostgrond en steun voor den bidder, dat hij eenen God aanbidt, tot wien hij met David zeggen kan : Heere, gij doorgrondt mij en kent mij. Gij verstaat van verre mijne gedachten. Als er [nog] geen woord op mijne tong is, zie, Heere, gij iveet het alles (Ps. 139: 1 v.v.). Beter dan wij zeiven kent de Heere onze nooden en begeerten; maar Hij wil, wij zullen toonen dat wij ze ook kennen en waarlijk voelen, en dat wij Hem ais den eenigen en machtigen Helper erkennen. En biddende tot den Alwetende leeren wij in zijn licht ons zeiven grondiger verstaan. Zoo is Hij door zijne overaltegenvvoordigheid ook altijd bij ons, al bidden wij niet, maar biddende zijn ook wij bij Hem. De Heere Jezus zeide tot zyne discipelen Matth. 6:8: Uw Vader weet, wat gij van noode heht, eer gij Hem bidt, en juist

120

-ocr page 137-

§ 3. NOODIG.

terstond daarop leerde hij hun, hoe zij bidden moesten.

Eene averechtsche gedachte van het bidden ligt ook ten gronde bij het bezwaar wegens Gods raadsbesluit: „God heeft bij zich zclven vastgesteld, wat wij al of niet zullen ontvangen, en het gebed kan daarin niets veranderen : dies is \'t onverschillig, of men al dan niet bidde.quot;

Maar God beveelt: bidt ! En wij zullen niet bidden, dat Flij zijn besluit verandere, niet donken dat zijn wil zich door ons gebed zou laten omzetten. Veelmeer de rechte bevatting en strekking van het gebed is, dat wij onzen wil geheel onder zijnen wil buigen, ons aan Hem onderwerpen en overgeven, naar hot volmaakte voorbeeld van den Bidder in den Olijvenhof: Niet mijn wil, Vader, maar uw wil geschiede! vertrouwende op Gods beloften, en van Hem, die zoo goed is, alle goeds verwachtende.

En vraagt men twijfelmoedig, ol God op ons gebed, om ons te believen, een ingreep zal doen in zijn wereldplan: zoo ligt het afdoend antwoord juist in hetgeen Christus zeide : üw Vader weet, wat gij van noode hebt, eer gij Hem bidt. Hij weet het vooraf; sinds wanneer ? van voor allen tijd. Vanwaar weet Hij het ? Van zich zeiven. En waardoor ? Omdat Hij \'t besloten hoeft. Dus behoeft Hij bij de verhooring van een gebed zijn plan niet te wijzigen : gebed en vorhooring waren in den raad des Eeuwigen verordineerd.

De vrijgeest J. J. Rousseau achtte het gebed niet alleen onnoodig, maar bestreed het zelfs, om reden dat de wereldorde niet door de bijzondere wenschen van enkele menschen konde worden veranderd. De wijsgeer Kant gaf ook geone plaats aan hot gebed, maar eischte daarvoor het voornemen van een goeden levenswandel en oordeelde dat

121

-ocr page 138-

§ 3. NOODIG.

dit zelfs in het gebed des Heeren duidelijk werd geleerd i).

De beschaafde oude Heidenen waren ijverige bidders. Uitgezonderd de materialistische Epicureërs, die van geene Goddelijke Voorzienigheid wilden weten, baden Grieken 1) en Romeinen bij alle belangrijke handelingen, particulier en openbaar, tot hunne goden. Maar al hun bidden miste den rechten grond: zij kenden niet den waarachtigen God. -

Het gebed is de ziel van het christelijk leven. De Christen is priester, geroepen om geestelijke offeranden op te offeren, die Gode aangenaam zijn door Jezus Christus (1 Petr. 2 : 5). „Geheel het leven van dén Christen behoort een samenhangend groot gebed te zijn, waarvan ieder bijzonder gebed of uitstorting des harten een deel uitmaaktquot; {Origenes)\'). Want dankbaarheid jegens God voor zijne genade in Christus, kinderlijke aankleving aan Hem, het gevoel der nooddruftigheid en de bewustheid van in zich zei ven niets te zijn en niets te vermogen zonder Hem, moet het gansche christelijke leven bezielen. Zoo wordt

122

1

) Wutthe, Handb. der Christl. Sittenlehro I. S. 387. Vorgel. Vlrici in Herzogs-Encykl. VII. S. 347 u. d. W. Kant. Doch in zijne Vorlesnngen tiber die philos. Religionslehre. Herausgeg. durch Politz. 2te Aufl. Leipz. 1830. S. 212 laat Kant het gebed wél toe, ook wanneer het lichatnelijko voordeeion betreft, met vertrouwen maar ook met onderwerping aan den wijzen God. Der gröszte Nntzon davon bleibt doch unstreitig der moralische, weil dadurch Dankbarkeit und Ergebung gegen Gott in una gewirkt wird.

-ocr page 139-

§ 3. N00D1G.

het leven een voortgaand dankgebed voor de genade der verlossing, een voortdurend gebed van verlangen naar volkomener heiligmaking in de gemeenschap met God en den Zaligmaker,

Zoo moest het zijn. Maar zoo is het volmaaktelijk bij geen Christen. Het vleesch staat hem in den weg en maakt hem traag. En hij heeft zelfs de vermaning noodig om het bidden niet te verwaarloozen.

Dies bindt ook onze Heidelb. Catech. Vr. 116 den geloovigen de noodzakelijkheid van het bidden met drangredenen op het hart. Waarom is het gebed den Christenen van noode ? Daarom dat het het voornaamste stuk der dankbaarheid is, hetwelk God van ons vordert, en dat God zijne genade en den Heiligen Geest alleen dien geven wil, die Hem met hartelijke zuchten zonder ophouden daarom bidden en daarvoor danken.

123

Geheel het godzalig leven van een bekeerd mensch draagt, ten blijke dat het geen verdienstelijk werk is, in den Catechismus den naam van dankbaarheid •)• Het is eene geestelijke offerande des danks (Ps. 50 : 14. Rom. 12 : 1), daar de verloste en duur gekochte met ziel en lichaam zich aan zijnen Verbondsgod voortdurend opdraagt, overgeeft en verbindt, om voor Hem te leven naar den regel zijns Woords. Dat kan hij niet zonder bidden, zonder gedurig te spreken tot en met God. En wel met bepaalde en uitdrukkelijke dankzeggingen, om zijne erkentelijkheid te betuigen in bijzonderheden voor genotene weldaden. Bidden en dankzeggen behooren bij elkander. Fil. 4:6: Weest in geen ding bezorgd, maar laat uwe

\') Zestiende Hoofdstuk § 13.

-ocr page 140-

§ 3. NOODIG.

begeerten in alles door bidden en smeeken met dankzegging bekend worden bij God.

Lichamelijke en aardsclie gaven geeft God ook aan velen die niet bidden, maar geestelijke en hemelsche niet zonder, maar juist in en door het gebed. Zou Hij ze geven aan die ze niet eens waardig achten om er om te bidden? Te meer, zulken zijn er onvatbaar voor.

Het is aldus. Waar God zijne genade en den Heiligen Geest wil geven, maakt Hij zelf den mensch ook biddende. Maar voor den mensch is dit de geopenbaarde wille Gods, waaraan hij zich heeft te houden : bid, zoek, klop aan! Zoo belooft de Heere Ezech. 36 aan Israël eerst groote, geestelijke en lichamelijke weldaden, maar dan zegt Hij (v. 36): Daarenboven zal ik hierom van het huis Israels verzocht worden, dat ik liet hun doe. Toen Israël in Egypte was, zag de Heere wel al hun harden dienst, maar als zij tot Hem riepen, kwam Hij neder om hen te verlossen, zeggende : Ik heb hun geschrei gehoord (Ex. 3 : 7).

Zonder bidden geene heiligheid. Het bidden zelf, het naderen tot een heilig God, heeft grooten, heiligenden invloed op den zedelijken toestand des menschen. Wie nooit bidt, wordt al zinlijker en zondiger. Zielen, die niet bidden, blijven leeg en laag. Die ijverig in het gebed zijn, leeren veel van God kennen wat anderen verborgen blijft; genieten menig verkwikkend bewijs van zijne liefde en vriendelijkheid, waarvan anderen niets gewaar worden. Nimmer nadert men met eene oprechte begeerte zonder iets te ontvangen. Ja, het bidden en ontvangen zijn van elkander geheel niet te scheiden : hot bidden zelf is een genot; het trekt licht, kracht en troost uit God. De ver-lichtste en heiligste mannen, als Abraham, Mozes, David,

124

-ocr page 141-

4. GOD ALLEEN AANBIDDELIJK.

Elias, Daniël, Luther, waren ook de vurigste bidders. En gelijk het bidden een werk is des geloofs, 7.00 voedt en sterkt, onderhoudt en bewaart het ook wederom het geloof. „Het gebed is een muur des goloofs,quot; zeide Tertullianus 1). Overdenking van Gods Woord en oefening des gcbeds zijn de voornaamste middelen, om water te schoppen uit de fontein des hails en vervuld te worden tot al de volheid Gods (Kf. 3 : 19). Hetgeen de ademhaling is voor het lichamelijke leven, is hot gebed voor hot geestelijke : beide én blijk én middel van \'t leven.

§ 4. God alleen aanbiddelijk.

Bidden is eene godsdienstige daad, ja het hoogste godsdienstwork; eene eere die alleen aan God, don Ongeschapene, en aan geen schepsel mag worden bewezen. Dit is het eerste en voornaamste veroisch, dat wij alleen den eenigen waren God, die zich in zijn Woord ons geopenbaard heeft, om al hetgene dat Hij ons geboden heeft te bidden, van harte aanroepen. {Heidelb. Cat. Vr. 117), overeenkomstig het Eerste gebod.

125

Do Heere Jezus zelf hooft dit den duivel voorgehouden, toen deze, als overste dezer wereld van hom aanbidding vergde, Matth. 4 : 10: Ga weg, Satan, want daar staat geschreven: Den Heere uwen God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen. Hij, die zelf geworden was onder do Wet, wijst den verzoeker op het gebod Deut. 6: 13: Gij zult den Heere uwen God vreezen en Hem dienen. Het woord alleen stond daar wel niet, doch met grond

) Ncandev, a. W. I. S. 323.

-ocr page 142-

§ 4. GOD ALLEEN AANBIDDELIJK.

voegt Jezus \'t er bij, naar den zin van v. 14: Gij zult andere goden niet navolgen, van de goden der volken die rondom u zijn; een verheven gebod, gericht tegen alle afgoderij en schepselendienst, in wat vorm en maniere ook.

De God der Schrift •) alleen bezit die eigenschappen en volmaaktheden, welke het voorwerp van aanbidding hebben moet. \'t Is de Eeuwige en Ontzaglijke vol majesteit en heerlijkheid, en toch toegankelijk, één Wezen, maar in drie Personen : Vader, Zoon en H. Geest; \'t is die, uit wien, door wien en tot vvien alle dingen zijn, schepping, verlossing en heiligmaking, en daarom de alleen Aanbiddelijke; alwetend, alomtegenwoordig, almachtig, genadig en barmhartig, getrouw Verbondsgod zijns volks, open Toevlucht voor verlegenen, volvaardig Helper in allen nood. Die de hemelen en de aarde heeft gemaakt door zijne groote kracht en door zijnen uilgeslrekten arm, wien geen ding te wonderlijk is. Groot van raad en machtig van daad (Jer. 3:2 : 17, 19).

126

De Heidenen dienen en aanbidden degenen die van nature geene goden zijn (Gal. 4 : 8). De oude Grieken en Romeinen verbeeldden zich eene heele wereld van goden, eenen goden-staat, met bepaalde rangorde en machtsverdeeling, en zij aanbaden niet slechts alle goden en godinnen in het gemeen, maar hadden ook voor alle betrekkingen, vakken, toestanden en werkzaamheden in huis en raadzaal, te lande en ter zee, in vrede en oorlog

\') Vierde Hoofdstuk § 35. Van de aanbidding dos Drieëenigen Gods bandelt geschiedkundig Augusti, Handb. der Chr. Archüol. II. S. 14 ff.

-ocr page 143-

§ 5. AANBIDDING VAN DEN 1IEERE JEZUS. 127

bijzondere godheden\'), die zij naar hunne aangelegenheden en omstandigheden om hulp en zegen of tot lof en dank geregeld en nauwgezet aanriepen: niets bij hen zonder gebed 2). Beschamen zij daardoor menig Christen, toch ontbrak bij al hun bidden datgene, wat aan het gebed eerst grond en wezen geeft en het eerste en onmisbare vereischte is, de erkentenis van den waren^God.

§ 5. Aanbidding van den Heere Jezus-

Aanbiddelijk is alleen de eeuwige, ware God. Hij zegt Jez. 42 ; 8 : Ik hen de Heere (Jehovah), dat is mijn naam, en mijne eere zal ik geen anderen geven. Mag men dan tot den Zaligmaker bidden ? Zeker, want Hij is God, geopenbaard in het vleesch. Jezus Christus mag en moet

\') Fora Nagelsbach, Horaor. Thool, S. 216 f. Zoo roept Ho-ratius, Sat. II. 6. 4 Mercurius aan, den gever van ieder ongedacht gewin en den beschermer der dichteren, met het oog op de rustige Sabinische villa vau Maecenas ontvangen ; en v. 20 bidt hij tot Janus, den Italisohon God aller ingangen en uitgangen, aan wien het begin van jaar en dag was gewijd, ten opzichte van zijne drukke bezigheden in Rome, die daar voor hom telkens als met den dag begonnen. Heindorf z. d. St. En in het Carmen Seculare bidt de dichter om allerlei zegeningen van onderscheiden godheden en houdt zich ten slotte verzekerd, dat Juppiter en al de goden hem verhooren.

\'2) Von Nagelsbach, Nachhomemcho Theologie S. 217 : Keine religiose Lehre steht für das öJfentUche und hanstliche Leben (des griechischen Volkes) fester, als dass Alles ruit der Gottheid, das ist mit Gebet und Opfern begonnen werden müsse. C. Plinius, Panegyr. init. zegt het ons: Bene et sapienter-majores instituerunt, ut rerum agondarum ita dicendi initium a precationibus capere: quod nihil rite nihllque providenter homines sine deorum immor-talium ope, consilio, honoro auspicareutur.

-ocr page 144-

128 § 5. AANBIDDING VAN DEN 1IEERE JEZUS.

aangebeden worden. Doch niet op Sociniaansche gronden : niet wegens zijn Middelaarsambt en wegens zijne Hem van God verleende uitnemende waardigheid en macht, zoodat Hij buiten deze niet aanbiddelijk zou zijn. Maar wegens zijn Persoon: omdat Hij waarachtig God is, ééns Wezens met den Vader en den Heiligen Geest, het afschijnsel van \'s Vaders heerlijkheid en het uitgedrukte beeld zijner zelfstandigheid. Dus alleen op grond van zijne eeuwige Godheid\'), daar Hij is de ware, eeuwige God, die Almachtige, denwelken wij aanroepen, aanbidden en dienen (Ned. Belijd. Art. X).

Christus zelf heeft in de dagen zijns vleesches Goddelijke oere aangenomen. Waar men Hem aanbad, Hij wraakte het niet. Hij die toch zelf het grondgebed verkondigde : Den Heere uwen God zult gij aanbidden (Matth. 4 : 10). 1 :ij nam het ook van Thomas aan, toen deze aanbiddende tot Hein uitriep: Mijn Heere en mijn öoc?/ (Joh. 20 : 28). En beslist eischt Hij die eere voor zich, als Hem toekomende terwijl Hij betuigt dat Hij den Vader gelijk is in al zijne werkingen, in levendmaken en oordeelen, Joh. 5 : 23 : Opdat [zij] allen den Zoon eeren gelijk zij den Vader eeren. Die den Zoon niet eert, eert den Vader niet, die Hem gezonden heeft. Niet slechts zooals een gevolmachtigd gezant geëerd wordt gelijk zijn Vorst die hem

\') H. Witsius, Exercit. in Oratiouem Dominicam I. § 21. § 22. § 29—37. Zio ook dit Leoaboek Tiendo Stuk § 13. g 21. Dertiende Stuk § 18.

Uit hot bovougezogdo volgt ook, dat hot uiot past, Christus aanbiddoudo »Broederquot; te noemen. Hij verklaart wel de zijnen voor zijne broederen, maar 1. Hij spreekt niemand rechtstreeks aan: «Mijn Broeder;quot; 2. nergens vinden wij dat oen discipel Hem «Broederquot; hoeft genoemd. Von Gerlach, zu Matth. 12 : 50.

-ocr page 145-

§ 5. AANBIDDING VAN DEN HEERE JEZUS.

zendt, maar als Zoon, één met den Vader, die in Hem en niet buiten Hem geëerd wil worden. Ook niet, gelijk men het rationalistisch heeft verflauwd, als of Christus alleen bedoelde het eeren van zijne zaak, als zijnde ook de zaak des Vaders, maar het is het eeren van zijn Persoon. Allen zullen eenmaal moeten bekennen, dut Hij de Heere is, tot heerlijkheid des Vaders, hetzij met blijdschap als hun Zaligmaker en levengever of met verschrikking als hun Rechter.

De Christenen hebben van den beginne af den Zaligmaker aangebeden. Stephanus beval stervende zijnen verlosten geest in de handen des Zoons, zooals de Zoon zijnen geest in de handen des Vaders had bevolen, aanroepende en zeggende: Heere Jezus, ontvang mijnen geest, Hand. 7 : 59. Het aanroepen van zijnen naam is kenmerk der Christenen, is uitdrukking dos geloofs in Hem. Paulus noemt de geloovigen 1 Kor. 1:2: allen die den naam omes Heeren Jezus Christus aanroepen in alle plaats, heide hunnen en onzen [Heere]. (Hand. 9 : 14. Rom. 10 : 13. Vergel. Rom. 9 : 5). Dat de aanroeping van Christus bij de eerste Christenen gebruikelijk was, wordt ook bevestigd door hetgeen een Heidensch staatsambtenaar uit de vroegste tijden, de jongere Plinius, Stadhouder in Bithynië, van de Christenen aldaar aan zijnen Keizer Trajanus meldt: dat zij op bestemden dag voor lichten vergaderden en Christus met lofzang als God verheerlijkten i). Hierin lag aanbidding van Christus.

\') Plinii Epist. Lib. X. 97 (omtrent hot jaar 110 na Ohristns goboorte): Do Christonon, rechterlijk onderzocht, verklaarden onder anderen, dat zij gewoon waren stato die ante lucem convenire, carmenque Christo quasi Deo dicere secum invicem. — Over het

Gravomcyor, Goref. Gol. loer. 111. 9

m

-ocr page 146-

§ 6. HET GEBED TOT DEN VADER.

Doch ook liet gebed hoeft zijne eigene orde en onderscheiden trappen.

§ 6. Het gebed tot den Vader.

De aanbidding van den waren God is een aanbidden van den Vader en den Zoon en den Heiligen Geest. Want het is een eenuje God, een eenig Wezen, in hetwelk zijn drie Personen, — — alle drie van gelijke eeuwigheid in éénzelfde Wezen, — — alle drie één in waarheid, in mogendheid, in goedheid en barmhartigheid (Nederl. Belijd, des Gel,, Art. VIII).

Gelijk men op tweeërlei wijze van God kan spreken, óf algemeen óf bijzonder\'), zoo ook tot Hem. Algemeen, wanneer men gedachte en woord tot het Opperwezen richt, tot dat eenig en eenvoudig geestelijk Wezen, hetivelk wij God noemen (Nederl. Belijd. Art. 1). Bijzonder wanneer men in hetgeen Hij van zich in zijn Woord hoeft geopenbaard, nader ingeleid en volgens do gevoelde zielsbehooften bepaald wordt bij de drie onderscheidenlijke Personen {Heidelh. Cat. Vr. 25), den Vader en den Zoon en den Heiligen Geost, in wie het eenig en onverdeeld Wezen bestaat en werkt, in wie God de God van volkomen zaligheid voor zondaren is, on in wie de bidder God alleenlijk en in waarheid vatten en hebben kan. De Vader komt tot ons door don Zoon als Middelaar in den Heiligen Geest als Werker der gemeenschap, en zoo komen wij

gebed tot Christus in de oude Christenkerk is belangrijk hot historisch verslag van Angusti, Handb. der Chr. Archiiol. II. S. 23 ff,

l) Vergel. Derde Hoofdstuk § 1 iu hot bogin.

130

-ocr page 147-

§ 6. het gebed tot den vader.

biddende in den Heiligen Geest door den Zoon tot den Vader: door Christus hebben wij beide (geloovige Jood en Heiden) den toegang door (in) éênen Geest tot den Vader, Ef. 2 : 18.

Dat en op welken grond Christus mag en moet aangebeden worden, is hiervoren {§ 5) getoond.

Ook de Heilige Geest is aanbiddelijk \'): omdat Hij te zamen met den Vader en den Zoon waarachtig en eeuwig God is (Heidelb. Gat. Vr. 53).

Doch naar de Schrift en naar de leere onzer Kerk en overeenkomstig de Goddelijke huishouding en heilsorde is de Vader a) het eigenlijke voorwerp der aanbidding.

Want in do Goddelijke huishouding (Oeconomie) is het de Vader, die de Godheid vertegenwoordigt, die niet gelijk de Zoon is gezonden en niet als de Heilige Geest uitgaat, die bij uitnemendheid God wordt genoemd, de eeuwige Vader des eeuwigen Zoons. Zoo ook in de XII Geloofs-arlikelen: Christus „Zittende ter rechterhand Gods des almachtigen Vaders.quot; Dies zegt ook de tleidelb. Cat. Vr. 120 : dat god onze Vader door Christus geworden is. Het, gebed des geloovigen is dan tot den Vader, naar de orde, die ook in de Nederl. Belijd, des Gel. Art. XXVI wordt aangewezen : Aangezien het God beliefd heeft, ons zijnen Zoon tot Voorspreker te geven — —, Daarom, achtervolgende het bevel van Christus, zoo roepen wij den hemelschen

\') Van do aanbidding do^ Hoiligon Geustos is gohandold Vierde Hoofdstuk § 34. H. Witsius, Exoroit. in Symbol. Apostol. XXIII. 29, 30.

\') Zie Dertiende Hoofdstuk § 18. (togen de Herrnhultersche achtovstolling van don Vader).

131

-ocr page 148-

132 § 6. HET GEBED TOT DEN VADER.

Vader aan door Christus, onzen eenigen Middelaar, gelijk wij in het Gebed des Heer en geleerd zijn.

Het rechte christelijke g-ebed is dienvolgens een bidden tot den heineischen Vader, in den naam van Jezus Christus en dat is bidden in den Heiligen Geest, want niemand kan Christus erkennen en belijden dan door (in) den Heiligen Geest, 1 Kor. 12 : 3f

Christus heeft tot zijne discipelen gezegd Joh. 14: 13: Zoo wat gij hegeeren zult in mijnen naam quot;), dat zal ik doen, opdat de Vader in den Zoon verheerlijkt worde. En Joh. 1G:23: Voorwaar, voorwaar ik zeg u, al tvat gij den Vader zult bidden in mijnen naam [dat] zal Hij u geven.

Wat is het bidden in den naam van Jezus Christus 3) ? Het is het tegendeel van het bidden in onzen eigen of eenigen anderen naam (Hand. 4 ; 12). Het is bidden in geloofs- en liefdegemeenschap met Christus : op het geloof wees Hij Joh. 14 : 12: die in mij gelooft, op de liefde v. 15: Indien gij mij liefhebt. De naam van Jezus Christus is het onderscheidende kenmerk van zijn Persoon, de samenvattende uitdrukking van geheel de openbaring en werkzaamheid des Zoons Gods als Middelaars. De naam herinnert aan zijne groote daden. Hij heeft zich eenen heerlijken naam gemaakt (vergel. Jez. 63 : 14), eenen naam ontvangen boven allen naam, opdat in den naam

\') èv Tm ovó^xri [tov.

2) Verschillond opgovat blijkens de uitleggers op Joh. 14: 13. Vergol. Schleiermacher, Dor Chrisll. Glanbo II. § 147. Wuttke, Sittoulehre II. S. 248. 556. Van Oosterzee, Dogm. II. p. 465. Brakel, Red. Godsd. II, p. 366. Ehrard in Herzogs Real-Eno. IV. S. 692 ff. u. d. A. Gebet in uamen Jesu.

-ocr page 149-

§ 6. HET GEBED TOT DEN VADER.

van Jezus zich zoude buigen alle knie (Fil. 2:9, 10). Toen Hij daar tot de jongeren sprak, moest er nog eerst veel gebeuren : door zijnen dood aan het kruis en door zijne verhooging en daarna volgende machtsbetooning werd hun de volle beteekenis van zijnen naam ontsloten. Daarom zeide Hij tot de discipelen Joh. 16:24: tot nog toe hebt gij niet gebeden in mijnen naam. Het bidden in zijnen naam veronderstelt zijne lichamelijke afwezigheid en zijn heengaan tot den Vader ; nu was hij nog in den lichame bij hen.

Eerst nadat Christus het verlossingswerk had volbracht en verheerlijkt was, konden zij bidden in zijnen naam, als naar Hem genoemd, door Hem verzoend en gekocht en -Hem toebehoorende, steunende en zich beroepende op Hem en op zijne genoegdoening, en daardoor vervrij • moedigd.

Ook de geloovigen des Ouden Testaments hebben in hunne gebeden op den Verlosser en Middelaar gezien, maar in den spiegel der belofte, als dien die komen zou; nu echter was Hij bij name bekend, zijn Persoon en werk, zijne vernedering en verhooging waren geschiedkundige werkelijkheden, en dat alles was begrepen in zijnen naam, aan dit alles deed zijn naam gedenken.

133

In den naam van Jezus Christus*) bidden geeft dan te kennen, dat de bidder den Persoon en geheel het werk des Verlossers levendig voor oogen heeft en zich verdiept in en zich vestigt op hetgeen Christus voor zijn volk gedaan en geleden heeft op aarde en nu als Koning en Hoogepriester, als de machtige Voorspraak doet bij den

-ocr page 150-

§ 7. AANROEPING DER HEILIGEN.

Vader in den hemel ; alzoo dat de bidder alleen op Christus verdienste en voorspreking de hope van verhooring grondt, wetende dat hij in zich zelven een onwaardig en onver-hoorlijk zondaar is en tot den Vader niet kan komen dan door den Zoon (Joh. 14 : G. Hebr. 10 : 19—22).

Van zelf sluit het ook dit in, dat het aangaande bedoeling en inhoud een bidden zij naar den zin van Christus. Wie in Christus\' naam bidt, bidt om niets wat tegen zijnen wil, tegen zijn Woord en gebod en tegen het belang van zijn Koninkrijk is, en stelt ook niets buiten verband met Hem maar alles, ook de tijdelijke aangelegenheden, in betrekking tot Hem en lot de eere zijns naams.

§ 7. Aanroeping der heiligen.

Dat de eere der aanbidding alleen don waren, drieëenigen God toekomt, den Vader en den Zoon en den Heiligen Geest, wordt over het geheel door alle Christelijke Kerken beleden ; en het kan niet anders : want waar deze fundamen-teele waarheid verzaakt wordt, verliest men het merk en recht van Kerk. Doch de Roomsche Kerk, alsook de Grieksche, verbindt daarmede eene aanroeping van goede Engelen en van hare afgestorvene heiligen. Hiervan is reeds nader gehandeld in het Elfde Hoofdstuk, § 29 : Een eenifj Middelaar.

De Engelen zyn gedienstige geesten (Hebr. 1 : 14), door God geschapen, om zijne zendhoden te zijn, en zijne uitverkorenen te dienen quot;) {Nederl. Belijd, des Gel. Art. XII). Godsdienstige vereering van hen is strijdig tegen

\') Zie Zesde Hoofdstuk § 14.

134

-ocr page 151-

§ 7. AANROEPING DER HEILIGEN.

Gods Woord, hetwelk voor den dienst der Engelen waarschuwt (Kol. 2 : 18). Als Johannes eenen Engel wil aanbidden, zegt deze tot hem : Zie dat gij dat niet [doet], ik hen uw mededienstknecht, aanbid God (Openb. 19 : 10. 22 : 8, 9).

In de Roomsche Kerk wordt de aanroeping van Engelen aanbevolen, „wijl ze bestendig God aanschouwen, en de bescherming onzer zaligheid, hun opgedragen, zeer gaarne op zich nemen i).quot; Lulherschen geven toe dat de Engelen voor ons hidden en beroepen zich daarvoor onder anderen op Zach. 1 : 12 (ten onrechte: want de Engel des Heeren die daar voor de Kerk bidt, is geen geschapen Engel maar de Middelaar Christus), doch willen daaruit niet afleiden dat men hen moet aanroepen i).

Naar de Luthersche leer bidden ook de Heiligen in den hemel voor geheel de Kerk \'), doch is de aanroeping der heilgen een antichristisch misbruik«).

\') Catechism. Roman. Pars III. Cap. II. Qu. 10 ; Invocandi sunt (angoli), qnod et porpotuo Domn intuont.ur ot patrocinium salutis nostrao sibi delatum libentisaimo suscipiunt.

-) Melanchthon, Apologia Confessionis IX. ed. Rechenb. p. 224 : Hoe largimur, qnod Augeli orent pro nobis. Exstat euim testimonium Zaohar. 1 : 12, ubi Angelus orat: Domine oxor-cituum cett. Luther, Articnli Smalcald. ed. Rocb. p. 311 ; Etsi Angoli iu ooelo pro nobis orent — — tarnen inde non sequitur. Angelos et sanctos a nobis ease invocandos, adorandos cett. Vergel. Bretschneider, Handb. der Dogm. I. S. 669 f.

:\') Apologia Confess. IX. ed. Recb. p. 224: De sanctis con-cedimus, quod sicut vivi orant pro Ecclesia universa in genere, ita in coelis orent pro Ecclesia in genere.

■\') Ar lie. Smalc. Rechenb. p. 310: Invocatio sanctorum est etiam pars abusuum et errorum Antichristi, pugnans cum primo prineipali articulo et delens agnitionem Christi.

135

-ocr page 152-

136 § 7. AANROEPING DER HEILIGEN.

De Roomschen roepen hen aan als voorsprekers en middelaars bij God. Waartegen onze Gereformeerde Kerk met kracht van redenen zich heeft verklaard in de Nederl. Belijd, des Gel. Art. XXVI \'). En wie kan en mag zonder een getuigenis der Heilige Schrift gelooven, dat de Heiligen in den hemel de aanroepingen en begeerten van tallooze bidders aan de verschillende plaatsen der aarde hooren en verstaan J) ? Hen aanroepen is nutteloos, godonteerend, Christus\' Middelaarschap verdonkerend, en in de Heilige Schrift is er geen voorbeeld dat iemand eenen gestorvenen heilige heeft aangeroepen dan de rijke man in de helle Luc. 10 ; 24, een Jood in de rampzaligheid, die daar in zijne pijn en desperaatheid niet tot God maar tot vader Abraham roept.

De Protestantsche Kerken belijden naar de Schrift: Wij hebben eenen Voorspraak bij den Vader, Jezus Christus den rechtvaardige, 1 Joh. 2:1, die een onovergankelijk priesterschap heeft, IVaarom Hij ook volkomenlijk kan zaligrnaken degenen die door Hem tot God gaan, alzoo Hij altijd leeft om voor hen te bidden, Hebr. 7 : 25.

\') Zie Dertiende Hoofdstuk § 19.

-) Dit werd den heiligen-aanbidders ook voorgehouden door Vigüantius, Presbyter in Barcelona, tegen het einde der 4de eeuw, wakker strijder tegen het heidendom in den eeredienst der Christenen, bij do Roomschen als ketter gebrandmerkt (zie Verklar. van don Mechelsch. Catech. p. 171). Daartegen behielp zich Hieronymus (f 420), die voor de heiligen-vereering ijverde, met een beroep op Openb. 14 : 4, dat do verheerlijkte heiligen het Lam volgen waar het ook henen gaat: is het Lam overal meende hij, dan moet men gelooven, dat ook zij, die met hot Liim zijn, overal zijn; dus mot Christus de zalige geesten overal trgoE woordig ! Neander, Kirchengesch. liter Band (1830) 8.437.

-ocr page 153-

§ 7. AANROEPING DER HEILIGEN.

Aangaande de Roomsche en Grieksche Kerken is tweeërlei wél op te merken. Vooreerst, in hare leer, hoewel niet in de practijk des volks, wordt een bepaald onderscheid gemaakt tusschen aanbidding en aanroeping. Eigenlijke aanbidding kennen zij alleen aan God toe, de aanroeping der heiligen noemen zy wel bidden doch bedoelen en rekenen dit niet als Goddelijke eer\'). Zij verzekeren: „Niet op gelijke wijze roepen wij God en de heiligen aan. Want God bidden wij, dat Hij zelf ons of het goede geve of van het kwaad bevrijde ; maar van de heiligen, wijl zij in hooge genade bij God staan, vragen wij, dat zij voorspraak voor ons doen, om voor ons datgene van God te verkrijgen wat wy behoeven 1),quot; daar zij, als bijzondere vrienden en gunstelingen Gods door hun in Christus\' naam tot God gericht gf.hed ons de begeerde weldaden kunnen bezorgen. Want Christus is en blijft de eenige Middelaar der verzoening «).

Ten tweede, in de Besluiten der Roor.sche Kerkvergadering te Trente is de aanroeping der heiligen niet als godsdienstige plicht geboden, maar als goed en nuttig aanbevolen.

\') Voor God XxTpeix, voor de hoiligon louXeix, voor Maria inrspouhslx. Zie het aangehaalde Elfde Hoofdstuk g 29. Ver-klariug van den Mechelschen Catechismus XXIIste Les p. 165. Hagenbach, Dogmengesoh. § 188.

Het woord adorare, aanbidden, gebruikt de Roomsche Kerk niet alleen en uitsluitend van God, maar ook in ruimeren, minderen zin, b.v. Cat. Rom. P. III. Cap. II. Qu. 9 van koningen: Sancti viri, qui Deum unum colebant, »llego3 adorabantquot; id est, supplices venerabantur.

2) Catech. Roman. Pars IV. Cap. VI. Qu. 3.

:i) Cat. Rom. P. III. Cap. II. Qu. 14. Mech. Cat, p. 170.

\') iiouum atque utile. Concil. Trid. Sess. XXV : De invocatione

137

-ocr page 154-

1^8 § 7, AANROEPING DER HEILIGEN.

De aanroeping van Engelen en heiligen, met ontblooting des lioofds, buiging der knieën of nedervallen des lichaams en andere teekenen van godsdienstige vereoring, \\s afgoderij, daar zij niet kunnen worden aangeroepen zonder hun Goddelijke eigenschappen toe te schrijven en de kenmerken van heidensche denkwijs vertoonen zich er in, namelijk vergoding van het menschelijke en verzinnelijking van het geestelijke ; ingedrongen en verbreid van toen af dat groote menigten en gansche volken zonder voorafgaande grondige onderwijzing in de Kerk werden opgenomen. Overgekomen uit het Heidendom en bezet met overgeleverde voorstellingen van huis-, familie-, en nationaal- goden, stond hun de eenige God te hoog en te verre, en toen dan sommige leeraren (sedert de 4de eeuw) hen wezen op de heilige Engelen als beschermgeesten, en op de verheerlijkte Apostelen en bovenal op de moeder des Heeren, de gezegende onder de vrouwen, vond dit gereeden ingang. — Het getal van aangeroepene heiligen •) werd hoe langer

sanctorum, ed. Tan oh n. p. 174.

Indes wird der Protestant aber doch immer den hiblischen Grund solcher invocatio vermissen, und — — sich an der Fürhitte Christi genügen lassen, und es hedauern, dass die römische Kirche oder der römische Klerus nicht ernstlicher dem so leicht möglichen und wirklich auch weit verhreitden Aharglauhen und Missbvauche steuern. Winer, Com par. Darst. 1882. S. C7.

\') Aan do gocanonisoorde heiligen wordt oponbai-e verooring bewezen : hun ter eere worden feesten gevierd, missen gehouden, kerken gebouwd enz.; de niet gecanoniseerden worden slechts particulier vereerd. — Het, recht der canonisatie, opneming in den canon fhet register) der heiligen berustte in de Rooinsche Kerk oerst bij de bisschoppen, thans bij den Paus. Winer Compar. Darst. 1882. S. 67. llagenbaoh, Dogmengesch. § 188.

-ocr page 155-

§ 7, AANROEPING DER HEILIGEN.

hoe grooter, en in de middeleeuwen maakte de uitsporige verbeelding ze lot een soort van eigenlijke beschermgoden, naar heidensche manier, en men ging hulp en zegen bij hen zoeken in alle gevaren, in ziekten en bij alle wichtige ondernemingen gt;)•

Daaraan paarde het bijgeloof de vereering hunner heelden ^), in welke men de heiligen vertegenwoordigd dacht en ze aldus als nabij zich had; en van hunne reliquieën 3), hun gebeente, asch, kleederen en andere overblijfselen van heiligen, waaraan men wonderbare werkingen toeschreef, zelfs met ongepast beroep op Gods Woord, als Matth. 9 : 20 v.v. (genezing door het aanraken van Christus\' kleed; maar de kracht ging van Hem uit Luc. 8 : 46); Hand. 5 : 15 (door de schaduw van Petrus), Hand. 19 : 12 (door de zweetdoeken van Paulus) en 2 Kon. 13 :21 (een doode levend door aanroering van Eliza\'s gebeente)») — waarachtige wonderen in de kracht des Heeren (zie Hand. 3 : 12—16) door zijne dienaren geschied ten bewijze dat zij van Hem gezonden waren. ~ Het bidden voor dooden, bij de Roomschen amp;), vooral

\') Neander, Kircliengesch. Illter Band. 183-1. S. 182 f. Dr. Aug. Hahn, Das Bekountnisz dor evangel. Kirche. S. 33 ff. \'2) Van den beeldendienst zie Zeventiende Hoofdstuk § 9. :l) Winer, Compar. Darst. S. 68 ff. Hayenhach, Dogmenge-schichte § 257. Herzog in de Real-Euo. XII. S. 725 ff. u. d. W. Reliquien.

4) De Confessie Helvet. Secunda verklaart Cap, 5 (ed. Tiguri 1566. p. 6): De oudo godvruchtigen oordeelden, dat de alleredelste overblijfselen der voorvaderen \'waren hunne deugden, leere en geloof. Omnium nobilissimas reliqaias majoruin aestimabant esse virtutes, doctrinam et fidem. Namelijk, tor navolging.

*) Tridentin, Sess. XXII. Cap. 2. ed. Tauchn. p. 118. Canon

139

-ocr page 156-

§ 8. BIDGESTALTE.

in de zielmissen gebruikelijk, is door de Protestanten verworpen, wijl in de canonieke Heilige Schriften daarvan geen bevel of voorbeeld is gegeven, en nergens aangeduid wordt, dat het iets baat, hetzy ter hulpe voor de rampzaligen of tot voordeel voor de zaligen, wegens de onveranderlijkheid van beider staat i).

§ 8. Bidgestalte.

Na het allereerste en noodzakelijkste vereisch bij het bidden, namelijk dat alleen de eeniye ware God worde

3. p. 121. Verldar. van dm Mechelschen Cat. p. 298. —Augustin. Enchirid. ad Laur. Cap. CX : Neque mgandum est, defunctorum animas pietate suonwi viventium relevari, cum pro illis sacri/lciuin mediatoris offertur vel eleemosynae in ecclesia fiunt. Hij voegt er 9chter bij : Sed eis haec prosunt, qui, cum viverent, ut haec sibi postea possent prodesse, meruerunt. Het gebed van Augustinus voor zijne verstorven moeder Monica: Confess. Lib. IX. Cap. 13. — Het eenvoudige bidden voor dooden achten sommigen strijdig met de leer der Roomsche Kerk zelve van het vagevuur. K. Von Raumer in Angustini Confess. Lib. IX. Cap. 12. nota 13. Ook Ch. Hodge, System. Tbeol. III. p. 252 gewaagt daarvan.

\') ür. Augusti, Handb. der Christl. Archiiol 1837. III. S. 282 f. De Moor, Comment, in Marck. Pars V. p. 30. sq.

Door Dr. Ad. Wuttke, Handb. der Christl. Sittenlehre 3te Aull. II. S. 338 wordt de voorbidding voor de gestorvenen in bescherming genomen, als Liebesband zwisehen den lebenden und den Todten. Desgelijks door zijn laatsten uitgever Dr. L. Schulze, ibid. S. 5G7, naar wien echter eone kerkelijke voorbidding voor de dooden niet is toe te laten.

Luther, Sermon auf das Evangelium Luc. 16 : 19—31. In de Vermischte Predigten, Erlangen 1828. Illter Band. S. 263, laat de particuliere voorbidding voor dooden toe, doch slechts voor eenige keeren. Ich kann \'s nicht abschlagen, dasz man für sie bitten soli, sondern ich mag selber für meine Freunde bitten und

140

-ocr page 157-

§ 8. BIDGESTALTE.

aangebeden (§ 4), de hemelsche Vader in den naam zijns Zoons (§ 6), komt het voorts op de rechte gesteldheid en verhouding des bidders, op de betamelijke bidgestalte aan. En diesaangaande zijn alle vereischten saambegrepen in hetgeen de Heere Jezus heeft gezegd Joh. 4 : 24: God is [een] geest, en die Hem aanbidden, moeten [Hem] aanbidden in geest en waarheid.

Dus vooral aandachtig: dat wij er wél aan denken wat wij zijn en wat God is; waaruit voortvloeit dat wij ootmoedig en met vertrouwen bidden.

1. Het is een voornaam vereisch, dat wij omen nood en ellendigheid recht en grondig \') kennen, o^dat wij ons voor het aangezicht zijner majesteit verootmoedigen. [Heidtlb. Cat. Vr. 117).

Wie aan zich zei ven ontdekt is en de les van den ouden wijze, Ken u zeiven, van den Heiligen Geest heeft geleerd, is in zijne eigen oogen een arm en diep ellendig schepsel. Zoo voegt het inzonderheid bij het gebed, en wel een kennen niet slechts van onze en aller menschen ellende-staat in het algemeen, maar aldus dat wij onze bijzondere ellendigheden en nooden klaar en onderscheiden zien en

sprechen: tgt; O alhndchtiger Gott! ich erJcenne deine Gcwalt, ich hitte dich für diese Seele; may sie schlafen oder leiden. 1st sie im Leiden, so hitte ich dich, ist es dein göttlicher Wille, dasz du sie erledigest.quot; Bas ware recht gebetet. Aher dasz man Mesz und Vigiliën will singen und immer Jahrtag halten, das ist Narrenwerk, es ist hein Nutz. Einmal oder zwei magst du hitten, und damit aufgehort, und keine Stiftunq aufgerichtet, es hat \'s der Teufel er dacht, in der Schrift findet \'man Holle und Himmel, und keine Mittelstatt dabei; es kann aher wohl ein Mittel seyn. {?)

) Zoo Dathenus; de oorspronkülijko lezing is : recht grondig. Dr. J. 1. Doedes, Heidelb. Calech. 1881. pag. 473.

141

-ocr page 158-

§ 8. BIDGESTALTE.

voelen en onder het drukken van den last tot God roepen om hulpe en verlossing. De Meere zegt zelf tloz. 5 : 15: Ik zal henengaan en keeren weder tot mijne -plaats, totdat zij zich zeiven schuldig kennen en mijn aangezicht zoeken; als hun hang zal zijn, zullen zij mij vroeg zoeken,

De arme spreekt smeekingen (Spreuk. 18 : 23). Hoogmoedig bidden is een gruwel. Ootmoed betaamt den bidder. Een gering onderdaan nadert tot den grooten Koning, tot den allerhoogste Majesteit, een nietig schepsel tot zijnen Schepper, een machtelooze creatuur tot den almachtigen God, een zondaar tot den Heilige, een schuldige en alleszins doemwaardige tot den Rechter der gansche aarde. Abraham, schoon een vriend Gods genaamd, zeide: Ik heb mij onderwonden te spreken tot den Heere, hoewel ik stof en asch hen •), Gen. 18 : 27. De tollenaar Luc. 18 ; 13 durfde zelfs de oog en niet opheffen naar den hemel, maar sloeg op zijne borst (op zijn hart waar hem de pijne zat) 2), zeggende: O God wees mij zondaar a) genadig! hetwelk de grondtoon in alle gebed moet zijn. De offeranden Gods zijn een gebroken geest: een gebroken en verslagen hart zult gij, o God, niet verachten, zegt David Ps. 51 : 19. En de Heere spreekt Zefanj. 3 : 12: Ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk; die zullen op den naam des Beeren betrouwen.

\') Iloratius, Carm. IV. 7. 15: Pulvis et umbra sumus.

\'2) stutttsv, percutiebat, prae dolore auimi. Ubi dolor, ibi manus. Bengel, Gnomou.

3) Eigenlijk: mij, den zondaar: \'OMvêvrl ftoi hij is de zondaar, hij vergelijkt zich niet, •els de Farizeör, met anderen.

142

-ocr page 159-

§ 8. BIDGESTA.LTE.

2. Bij den ootmoed, waarin de bidder het met zich zeiven opgeeft en in den wille Gods neerzinkt, is er behoefte en plaats voor het geloof, voor het vertrouwen, dat Hij nadert tot eenen God, die zich verbidden laat (2 Kron. 33 : 13), die niet alleen machtig maar ook gewillig is om te helpen. Dit behoort tot het rechte bidden, dat wij dezen vasten grond hebben, dat God ons gebed, niettegenstaande dat wij zulks onwaardig zijn, om des Heer en Christus wille\') zekerlijk wil verhooren, gelijk [lij ons in zijn Woord beloofd heeft flleidelb. Gat. Vr. 117).

a. De vaste grond des vertrouwens ligt buiten den bidder, is gelegen in Christus met zijne verdiensten en voorspreking by den Vader, en in Gods beloften, die alle in Christus ja en amen zijn. In en door Christus alleen kunnen wij tot den Vader gaan, biddende in zijnen naam (§ 6), alzoo dat wij Hem als onzen Borg Gode voorhouden, op zijne aangebrachte gerechtigheid pleiten, dat wij biddende niet meer in ons zeiven maar als in Christus staan, en nief meer onzen naam, maar den naam des Zoons voor den Vader brengen. —

143

b. En gelijk de Vader den Zoon altijd hoort, zoo wil

1) Dit zegt, dat wij onze gebeden — — zullen voordragen alleen op de uitnemendheid en waardigheid onzes Heeren Jezus Christus, wiens rechtvaardigheid de onze is door het geloove. Nederl. Belijd, des Gel. Art. XXVI. Om Christus wille, niot iu Romonstrautschcu zin, als wierd God oerst door Christus tot genade bewogen. Zie Vijfde Hoofdstuk § 15. Scholten, Leer der H. K. I. p. 20. — Do hedondaagsche Remonstrau,ten onthouden zich van do uitdrukking Om Jezus\'\' wil. Scholten, a. W. II. p. 435. — God zelf is het, dien het beliefd heeft, ons zijnen Zoon tot Voorspraak te geven. En als God Hem ons gegeven heeft, zoo wist Hij wel dat wij zondaars waren. Nederl. Belijd, a. Art.

-ocr page 160-

§ 8. BIDGESTALTE.

144

Hij ook eenen iegelijk die in den naam zijns geliefden Zoons bidt, zekerlijk verhooren (Joh. 1G : 23). Hieraan mogen wij niet twijfelen. Want God is getrouw. Wie dan wijsheid of eenige andere gave begeert, Dat hij ze begeere in geloof, niet twijfelende: want die twijfelt is eene baar der zee gelijk, die van den wind gedreven en op en neder geworpen wordt, opklimt maar telkens weer terug zinkt. Want die mensch meene niet dat hij iets ontvangen zal van den Heere, Jac. 1 : 6, 7, De twijfelaar is als iemand die eene gifte vraagt doch de hand niet stil houdt maar haar telkens weer terugtrekt.

c. Intusschen blijven niet ook vele oprechte gebeden onverhoord ? Job klaagde eens: Ik schrei tot u, maar gij antwoordt niet; ik sta, maar gij acht [niet] op mij (30 . 20). Maar verleent de Heere soms het gebedene niet, Hij geeft er wel iels anders. Iets meerders voor in plaats. Werd Paulus niet van den scherpen doorn in het vleesch bevrijd op zijn herhaald bidden, hij kreeg daarvoor dit heerlijke Woord van den Heere : Mijne genade is u genoeg : want mijne kracht wordt in zwakheid volbracht, 2 Kor. 12 ; 7—9. Uit wijze liefde weigert wel de Vader zijnen kinderen iets, namelijk hetgeen hun niet noodig of niet nuttig is •)• Ook laat Hij den bidder wachten, opdat deze aanhoude en, eer hij ontvangt, eerst recht leere, dat hij het nu niet van zich zeiven heeft. En de Heere heeft zijnen tijd. Wat Hij eenmaal weigert, geeft Hij vaak op een anderen tijd, opdat Hij te meer geëerd worde. Want hetgeen men lang zoekt en eindelijk verkrijgt, haart des

\') Quaodain oniin negat propitius Deus, qaao concedit iratns. Augustinus. Vergel. Catechism. Roman. Pars IV. Cap. II. Qu. 4.

-ocr page 161-

§ 8. BIDGESTALTE.

te hooger vreugd en dankbaarheid en wordt te meer in waarde gehouden, gelijk de Bruid in het Hooglied (3 : 1—4) den Geliefde harer ziel te vaster hield toen zij Hem na veel zoekens vond. —

3. Hoogst wichtig is hetgeen de Heere Jezus tegenover het farizeesch en heidensch bidden heeft geleerd Matth. 6 : 5—8. a. Hij waarschuwt v. 5 en 6 voor farizeesche geveinsdheid, waarbij men van het gebed een vertoon maakt en er mede praalt voor de menschen. Men mag en moet ook in het openbaar bidden, waar \'t behoort; maar dan ook oprecht, zonder sier en zwier. Doch voor het bijzondere, persoonlijke gebed wijst de Ileere Jezus de eenzaamheid aan. Naar zijnen aard, ais gemeenschapsoefening der ziele met God, eischt het gebed stille afzondering, om althans van buiten alle verstrooiing en storing te weren : eenzaam, met God gemeenzaam.

b. \\\'oorls waarschuwt de Heere, ook den bidder in de binnenkamer, voor ijdel verhaal gt;) en veelheid van woorden (v. 7 en 8). Hij keurt het niet af, dat het volle hart ook in eene volheid van woorden zich uitstorte en lang aanhoude in het smeeken en worstelen met God. Maar het dodderig en gedachteloos opdreunen van formulier-gebeilen, het gedurig herhalen van dezelfde woorden, of ook van uitroepingen met gemaakten ijver, en daarvan iets verwachten, dat, zegt de Heere Jezus, is heidensch. Eén oprechte zucht uit het hart is meerder gebeds en Gode

1) (SxTTOhoysIv. Luther; plapporn. Uitvoerig handelt daarover, philologisch eu historisch, Tkoluck, Borgpredigt Christi zu Matth. 6 ; 7.

Gravomegor, Gorof, Gol. ieer. 111. 10

145

-ocr page 162-

§ 8. BIDGESTALTE.

aangenamer clan veel woorden zonder gevoel. Geheel strydig tegen deze waarschuwing des Heeren handelen de Roomschen mei hun hidden naar den rozenkrans quot;)•

4. Aangaande de lichaamsgestalte bij liet bidden mogen wij met lirakei \') zeggen : De yesltn of cjeharen yeven geen tvaardiyheid of kracht aan het gebed; de heiligen hebben in verscheiden posturen des lichaams gebeden^ nedervallende op het aangezicht, zittende, staande; mam-doorgaans hebben zij het gedaan knielende, zijnde een teeken van de grootste verootmoediging.

Vanzelf is hierin bij het eenzame bidden meerder vrijheid dan in de tegenwoordigheid van anderen»). Wie alleen bidt, mag vrijelijk de bewegingen zijns harten volgen ook in de houding des lichaams, terwijl wederkeorig de beweging des lichaams ook op het harte werkt. Maar in liet bijzijn van anderen, in vergaderingen, moet men in dezen allen altij l zien op het gebruik van verscheidene lijden en landen, en ivat daarin eerlijk en stichtelijk is (Kantteek. 1 Kor. 1 I ; 4).

De Jood bidt overal met gedekten/(oo/v^-, op Oostcrsche wijs : want de hoed is zijn tulband ook onder Westerschen hemel. In de Westersche landen echter bewijst overigens de man zijnen eerbied door ontblooting van het hoofd.

\') Rosarium. Do tjewone rozenkrans bovat 55 koralen, dio dusdanig aan elkander zijn geregen, dat op 10 kleine Ave Maria-koralen eono groot,e Paternoster koraal volgt. Steitz in Herzogs Real-Enc. XIII. S. 126. u. d. W. Rozenkrant.

) lied el. Godsd. II. p. 380. Ue verschillende manieren bij do oude Hcbreön vermeldt o. a. Pressel in Herzogs Real-Eue. IV. S. 67\',). li. d. Artikel Gebet hai den llebrüern.

H. Witsias Exoreit. in Orat. Domin. IV. 46.

14G

-ocr page 163-

§ 8. B1DGESTALTE.

Waarbij komtquot;) het byzondere voorschrift van den Apostel Paulus 1 Kor. 11 : 4 v v., waaraan de oude Christenkerk zicli streng liectt gehouden : dat de mannen met ontdekten hoofden zouden bidden, maar do vrouwen gedekt, als betamelijk wegens hare ondergeschiktheid en naar den eisch der zedigheid.

De oogen dichl, ook in het kamerke, te meer in kerk of bidzaal. Van de deuren der zinnen dient deze vooral gesloten, opdat de ziel tot zich zelve iukeere, afgekeerd van het zichtbare; \'t zegt: zij wil niets zien, haar uitzien is naar haren God en Vader.

De handen gevouwen. In de oudste tijden was dit wel niet gebruikelijk, maar opheffing der handen en uitbreiding der armen, teeken van vertrouwen en van uitgestrekt, sterk verlangen. Thans is het vouwen algemeen (behalve bij de Engelschen), ook bij de Roomschen, bij wie alleen nog in de Misse do verheffing en uitstrekking der handen plaats heeft. Wat beteekent het ? Een Paus verklaarde niet ten onrechte hot gebed met saamgevoegde handen en ineengesloten vingeren a) voor een teeken dat wij ons voor dienstknechten onzes floeren, voor gevangenen en gebondenen van Christus bekennen.

Doch er ligt moer in. Do handen uitstoken is werken, do handen vouwen is rusten. Do hauden samenleggen bij het bidden duidt aan, dat men onderwijl niets anders

\') Vergol. Augusti, Handb. der Chr. Archiiol. II. S. 155 f., diü intusschen dwaalt wauneer hij iu Paulus\' zeggen verheffing der vrouw en niet onderschikking vindt.

) Junctis manibus, digitis co vipressis, compositia palmis. Paus Nikolaas I. (t 807). Auyusli, Handb. der Chr. Archtlol. II. S. 155.

147

-ocr page 164-

148 § 8. B1DGESTALTE.

doet en alle ander werk laat liggen om dit ééne. En het vereenigen en samensluiten der vingeren is daarbij eene herinnering, om alzoo ook de gedachten saam te hechten en als in één gesloten te bepalen bij het ééne noodige en ze niet verstrooid heen en weer te laten fladderen. Dat is de vereeniging van het verdeelde en zwerfzieke hart, altijd noodig maar vooral in het gebed ; eene genade, om welke David den Heere bad Ps, 86 : 11 : Vereenig mijn hart tot de vreeze uwe naams. En is het niet alzoo, dat men biddende de handen des te inniger samendrukt en de vingeren te vaster klemt, hoe meer de drang des harten stijgt, als had men daarin iets gevat wat men gaarne wilde vasthouden (vergel. Gen. 32 : 26) i)?

Op de knieën.

Den Oosterlingen is in het algemeen eigen, staande te bidden, het staan voor den meerdere aangemerkt als teeken van eerbied, gehoorzaamheid en dienstvaardigheid ; ook in de Heilige Schrift aangeduid (Gen. 18:22. 19:27.

1) Mr. Christian Scriver (f 1693), Erbaulicho Parabeln. Barmen. 1840. 2te Aufi. S. 181 f. merkt van het vouwen dor handen aan: De duimen liggen kruiswij\'/.e over elkander en leeren, dat men niet anders, dan wegens den gekruisigden Heere Jezus, verhooring hopen en verwachten zal. — En nog: De gevouwen handen leiden ook tot ootmoed in het gebed, wijl wij ons gelijk als kwaaddoeners aan den rechtvaardigen God vertoonen, erkennende, dat wij met onze veelvuldige zonden verdiend hebben aan handen en voeten gebonden en in de duisternis uitgeworpen te worden, weshalve wij dan alleen genade en geen recht hegeeren.

Bij do oude Heidenen, althans bij de Grieken vouwde men de handen niet. De Griek strekte ze uit naar do streek, waar hij du Godheid vermoedde, dus doorgaans naar den hemel of naar do zee. Von Ndgelsbach, Nachhomor-ïheol. S. 214-

-ocr page 165-

§ 8. BIDGESTALTE.

Jer 15 : 1. Luc. 18 : 13. Marc. 11 : 25). De Christenen behielden deze Oostersche gewoonte, terwijl men aan het staan verschillende, geheimzinnige beteekenissen gaf. Het staande bidden was in de Christelijke Kerk geene uitzondering, maar regel; het was de ordinaire, gewone houding, in dezen zin, dat men, om bij het gebed eerbied te toonen, het ten minste staande moest doen quot;).

Dieper gaat het knielen. Nog dieper het vallen op het aangezicht, dikmaals in de Schrift vermeld, van Gen. 17 : 3 aan. De ceremonie der kniebuiging hebben de heiligen in het bidden gebruikt tot een teeken van ootmoedigheid des harten, met dewelke wij voor God verschijnen moeten (Kantteek. 1 Kon. 8 : 54). David vermaant er toe Ps. 95 : 6 : Komt, laat ons aanbidden en nederbukken, laat ons knielen voor den Heere, die ons gemaakt heeft. Daniël (6 : 11) knielde drie tijden \'s daags op zijn knieën en hij bad en deed belijdenis voor zijnen God. In de vergadering der geloovigen bij Paulus te Milete heeft hij nederknielende met hen allen gebeden, Hand. 20 : 36.

Het knielen 2) is symbool van ootmoed. Op de knieën vallende maken wij ons kleiner, klein voor God (voor

\') Augusti, Handb. der Chr. Archiiol. II. S. 149 ff. H. Wit-sius, Exercit. ia Orat. Dotniu. IV. 12. sqq. — Ook de oude Griek bad staande tenzij hij de knieën van een godenbeeld omvatte. Von Ndcheïsbach, Nachhomer. Tbeol. S. 214.

\'2) Das Knien beim Gebet — — istzwar nicht etwas schlecht-hin wesentliches nnd nothwendiges, aber als ein Zeichen der selbstverleugnenden Demut vor Gott eine schone und sinnige Sitte, deren Verachtung nicht ebea ein Beweis von lebendiger Fröminigkoit ist. Wuttke, Haadb. der Christl. Sittenlehre. II. S. 258. Kant, geen voorstander van het bidden, oordeelde het knielen en zich neerwerpen ter aarde strijdig tegen de men-

149

-ocr page 166-

§ 8. BIDGESTALTE.

geen mensch moet men knielen, Hand. 10 : 25, 26) en bekennen diuirmede onze geringheid voor den Allerhoogste. Knielende bidden past wol bijzonder, doch niet alleen, in de binnenkamer, maar ook, waar \'t naar de gelegenheid der plaatse kan, in kerk en vergaderingen. Ten tijde der Reformatie was het bijzonder in gebruik ook in onze landen: in hunne bijeenkomsten op veld en berg, in woestijn en woud baden de geloovigen op hunne knieën. Ton tijde dor Nationale Synode te Dordrecht 1619 werd in do Kerk aldaar nog standvastig knielende gebeden. Dus mag men, zegt Witsius, dogenen niet van nieuwig-heidszucht beschuldigen, die het knielen, als voor biddenden passend ook in Kerkelijke gebeden, waar het bekwamelijk geschieden kon, hebben aanbevolen \'). Daar de heiligen in Oude en het Nieuwe Testament dus hebben gedaan, Hoe kunnen wij dan anders dan mede in zulke nederige lt;iesta\'te des lichaams tot God komen, om God te verheerlijken, zoowel in onze lichamen als zielen \').

schenwaardo on noemde hot oon slaafsoh orifintalisme. Wuttke ii. W. II, S. 559. Stier, Brief au dio Eplios., zu Kap. 3 : 14.

Dat. het knieion bij do oude Christenen ook in vergaderingen in gebruik was, toont Augusli a. W. U. liet blijkt uit Pruden.tins, Cathomerinon II. v. 50 sqq. To meute pura et simpliei, Te voco te cantu pio Rogaro curvato genu Flendo ot canondo, diseimus. En do aantookoning van Obbarins aldaar. Desgelijks uit Augmtin. Do Civ. Dei Lib. XXIF. Cap. 8, ed. Tauchn. Tom. II. p. 381 : Ad oratiouom ingrossi sumu», nobis ox more genua figentibus atque inoumbonlibus torrae.

\' I Witsius, Exercit. in Orat. Domin. IV. 3. l)e Moor, Com-mentar. in Marck. Pars V. p. 43.

\') Brakcl, Red. Godsd. IT. p. 380. Calvin. Cotnmentar. op Hand. 20 : 36. Idem, Instit. III. 20. 33.

150

-ocr page 167-

§ 9. ZAKEN.

§ 9. Zaken.

Tot het rechte, Gode behugelijke gebed behoort ook dat men om de rechte zaken bidde. Niet om alles waar-loc maar de begeerte in ons opstijgt, niet om iets wat togen Gods Woord, tegen zijnen geopenbaarden wille strijdt. Maar overigens om al wat wij van noode hebben voor ziel en lichaam {Heidelb. Gat. Vr. 118). Naar de Schrift, Fil. 4 : ü : ireest in yeen ding bezorgd, maar laat uwe heyeerlen in alles door hidden en smeeken met dankzegging hekend worden hij God. Doch niet alles past in een openbaar gebed, menschen mogen niet alles hooren, maar Gode mogen wij alles zeggen : Vertrouwt op Hem, o gij volk, stort idieder harte uit voor zijn aangezicht: God is ons eene toenlucht, Ps. 0:2 : 9.

Te denken, dat men alleen om geestelijke goederen mag bidden en niet om lichamelijke, is tegen Schrift en rede, is verloochening van die Voorzienigheid Gods, die over alle, ook over de geringste dingen gaat. In alles zijn wij van God afhankelijk, wij moeten geheel uit zijne hand loven, lichamelijk en geestelijk.

Dies mogen en moeten wij ook alle lichamolijke nooddruft van Hem bidden en Hem er om danken zoo wij ze hebben : om gezondheid des lichaams, om voedsel en deksel, om zegen op land en vee, op werk en ambacht, op eerlijke hanteering en kostwinning. Mits 1. mot naarstige aanwending der middelen : men moet de handen reppen. Ora et lahóra, bid en werk. 2. Niet mot de begeerte om rijk te worden. Om rijkdom mag men niet bidden (1

151

-ocr page 168-

§ 9. ZAKEN,

Tim. 6 : 9), Maar om het dagelijksche brood «), naar het Gebed des Heeren en naar de bode van Agur, den zoon van Jake, Spreuk. 30 : 7 : Twee dingen heb ik van u begeerd, onthoud ze mij niet aleer ik sterve: 8. IJdelheid en leugentaal doe verre van mij; armoede noch rijkdom geeft mij niet: voed mij met het brood mijns bescheiden deels; 9, Opdat ik zat zijnde [u] dan niet verloochene en zegge: ÏVie is de Heere ? of dat ik verarmd zijnde, dan niet stele en den naam mijns Gods aantaste. En 3. met geheele onderwerping *) aan Gods wil en met de heilige begeerte om Hom te verheerlijken, „om Gods genade, goedheid, hulp en macht daarin te zien, te erkennen en te prijzen en zich daarin te vermaken \') quot;

Maar hoofdzaak is onze geestelijke nooddruft : alles wat wij tot ons zedelijk en geestelijk leven en welleven behoeven, al die geestelijke gaven, die ons noodig zijn, om God met blijdschap en ijver te kunnen dienen en verheerlijken. In het Gebed des Heeren is maar eene eenïge bede, namelijk de vierde, om lichamelijke nooddruft, terwijl al de overige op geestelijke zaken gaan, geheel overeenkomstig zijne groote les Matth. 6 : 33 : Zoekt eerst

\') In Psalm 67 : 1 berjjmd staat wel: cV algoede God zij ons gsnadig En zegen\' ons met overvloed. Zoo ook in do berijming van P. Datbenus. Maar niet in den bijbeltekst, in dozen is het alleen: God zij ons genadig en zegene ons. — Do Catechism, hoinun. P. IV. Cap. IV. handelt in bijzonderheden Z)e its qucie petenda sunt.

!) Psalm 33 : 11 berijmd heeft: Weer steeds alle smart, hetwelk in do Schrift niet staat, ook niet bij Dathenus. Doch

vergel. de bede van Jabez 1 Kron. 4 : 10 : Indien gij--met

het kwade [alzoo\\ maket, dat het mij niet smarte.

:l) Brakel, Red. Godsd. II. p. 865.

152

-ocr page 169-

§ 10. TER HEILIGMAKING.

het Koninkrijk Gods en zijne gerechtigheid, en al deze (lagere) dingen zullen u toegeworpen ivorden \') De goede Koning zorgt voor zijn volk.

§ 10. Ter heiligmaking.

Door het gebed wordt de heiligmaking bevorderd. Vooreerst, omdat het gebed het van God verordende middel is, om van Hem alle noodige gave en bekwaamheid tot aflegging van de zonde en tot het doen van het goede te ontvangen. (Zie hiervoren § 1 en § 3). Het is het middel, om tnet kracht versterkt te ivorden door zijnen Geest in den inwendigen mensch (Ef. 3 : 16). David zegt Ps. 138 : 3 : Ten dage [ «/«] ik riep, zoo hebt gij mij verhoord: gij hebt mij versterkt [met] kracht in mijne ziel.

Ten tweede, naar zijn eigen aard werkt het bidden heiligend. Want a. het gebed is het voornaamste middel en de eenige weg tot vereeniging van onzen wil met den wille Gods. Naar het voorbeeld van Christus zeiven, die biddende zich overgaf aan den wil des Vaders, Vader, of gij wildet dezen drinkbeker van mij wegnemen I doch, niet mijn wil, maar de uwe geschiede, Luc. 22 : 42 1). Biddende

\') Zio hierover Eerste Hoofdstuk § 1, waar ook gezegd is, wat door het Koninkrijk Gods en zijne (Gods) gerechtigheid wordt beteekend. Mr. M. F. Roos, Die Lehro u. Lebensgesch. Jesu Christi. Tübing. 1847. T. S. 270 herinnert: Dat een mensch, die het Rijk Gods erlangen wil, eene gerechtigheid niet zelf maken, maar door een aanhoudend hongeren en dorsten (Matth. 5 : 6) zoeken moet, bij welke hem niet alleen het Raadhuis zijner woonplaats, maar God zelf, als zijn Koning, voor eenen rechtvaardige houden kan.

2) Zie boven § 2.

153

-ocr page 170-

§ 10. TER IIEir.IGMAKING.

leerde Paulus den eigen wil verzaken en word gewillig om zijn zwaar kruis te dragen, op hel woord des Heeren: Mijne genade is u yenoey : want mijne kracht irordt in zwakheid volbracht, 2 Kor. 12 : 8, 9 \'). Voor de allerhoogste Majesteit zinkt al liet eigene, en het gebod is naar zijnen aard onderwerping aan Gods wil.

b. Het gebed dient ook bijzonder tot toetsing van alle werk en genot: want al hetgene, waarbij wij om Gods bijstand en zegen niet mogen bidden, is uit den Booze. Dit geldt van ieder bedrijf dat men oefent, van ieder voornemen dat men wil uitvoeren, van ieder vermaak dat men wil genieten. Fn al wat gij doet met woorden of hiet werken, [cloef\\ hel alles in den naam des Heeren Jezus, dankende Ood en den Vader door Hem, Kol. 3 : 15.

154

c. Het gebed werkt mede ter heiligmaking ook reeds door den stillen inkeer tot ons zeiven, door de tijdelijke afzondering buiten het gedruis en gewoel der wereld. Die zich afzondert, tracht naar wat hegeerlijks; hij vermengt zich in alle bestendige wijsheid, Spreuk. 18 : 1 (naar de Staten overzetting, zie de Kantteek,). En daarvan blijft doorgaans iets na : weer afdalende van de hoogte en terugkeerende tot het aardsche werk en tot den slrijd des levens, blijft bet hart naar God kloppen en in die biddende, naar God gekeerde stemming, die al ons doen vervullen moet en zonder welke men den goeden strijd niet strijden kan. Daarom wordt Ef. G : 18 de geestelijke wapenrusting met het gebed samengevoegd : Mei alle bidding en smeeking, biddende te allen tijde in den Geest: het gebed, niet slechts als een afzonderlijk gedeelte van de

\') Zie hlervoron § 8.

-ocr page 171-

§ 11. HET GEliEl) DES IIEEREN.

wapenrusting, niet als nog een wapen bij de andere, maar als de rechte stemming, in welke wij al de wapenen moeten hanteeren, ais middel en wijze om geheel de wapenrusting aan te doen en goed te gebruiken, om to kunnen weerstaan in den hoozeti day en alles (trouw en met volharding) verrichtende, staande te blijven. (Et\', ü : 13). En wel met alle bidding en smeeking, in allerlei maniere, geen van de onderscheiden soorten en wijzen ties biddens verzuimende, openbaar of bijzonder, inondelljk of zonder woorden, op gezette tijden (\'s morgens, \'s middags, \'s avonds) of bij bijzondere gelegenheden \'), maar altijd in den Heiligen Geest, die aan geen tijd gebonden is.

§ 11. Hot Gebed des Heeren.

Wij hebben een volmaakt voorschrift voor het bidden. Dat is het Onze Vader, het Gebed des Heeren. Niet dat de tleere Jezus zelf het bad. Hij, de zondelooze en volmaakte kon niet bidden : Vergeef ons onze schulden. Gebed des Heeren zegt: door den Heeie Jezus gegeven, voor zijne gemeente, voor allen die zijne discipelen waren of worden zouden, zooals Hij zelf daarbij zeide : Gij dan bidt aldus. Het is een bewonderenswaardig, weergaloos werk der opperste Wijsheid, beknopt en eenvoudig, klaar zelfs voor kleinen en zwakken, en daarbij onuitputtelijk diep en rijk van zaken, zoodat alles wat ooit een bidder op aarde bidden kan en al wat God ons bevolen heeft

\') Publioko gebeden of particuliere, orale of mentale, ordinaire of occasionuole. Daarbenevens: uitsuliietondo geboden (ook onder hot werken), proces ejaculatoriae. Witsius, Exercit. in Orat. Uomin. IV. 43. Brakel, Eod. Godsd. II. p. 361.

155

-ocr page 172-

§ 11. HET GEBED DES HEEREN.

van Hem te bidden, alle geestelijke en lichamelijke nooddruft als in eene hoofdsom begrepen is in dit Gebed hetwelk de Heere Christus ons zelf geleerd heeft {Heidelb. Cat. Vr, 118).

Hij heeft het gegeven voornamelijk tot een richtsnoer bij ons bidden, maar ook tot gebruik met dezelfde woorden. Het is het grondgebed voor de deeigenooten van het Koninkrijk der genade, gelijk de Tien geboden er de grondwet voor zijn. En gelijk de rijkswet tweemaal beschreven staat (Exnd. 20 en Deut. 5), zoo ook dit rijksgebed.

Eerst Matth. 6 : 9 v.v., in de bergpreJikatie, na de waarschuwing voor het heidensch woordgeprevel: Gij dan bidt aldus. „Niet dat wy aan deze woorden alleen of altjjd zouden gebonden zijnquot; (Kantteek.J; maar evenmin dat dit gebed geheel niet woordelijk zoo zoude gebeden worden. Gij dan bidt aldus, dat zegt niet alleen : bidt om deze zaken en op deze wijze\'), maar meteen ook: bidt met deze woorden: want anders zou het slechts eene zijdelingsche en geen rechtstreeksche tegenstelling zijn tegen de battologie en polylogie, tegen het ijdel verhaal en de veelheid van woorden ; de tegenstelling eischte, dat de Heere ook woorden gaf.

Dat Christus het aldus bedoelde en ook zijnen discipelen bepaalde woorden wilde opgeven, zonder hen echter slaafs aan iedere syllabe te binden 5), blijkt nog ontwijfel-

\') Aldus wordt in navolging van Grotius outco? Matth. 6 ; 9 door velen verstaan. Te recht komt daartegen op Tholuck, Bergpredigt Christi. 2te Ausg. 8. 374.

J) Witsiu», Exercit. de Orat. Dom. VI. 23.

15G

-ocr page 173-

§ 11. HET GEBED DES HEEREN.

baarder uit Luc. 11:2. Daar zeide Hij hun voor de tweede maal hetzelfde gebed voor, met dezelfde woorden. En wel op verzoek van een discipel, die uitdrukkelijk begeerde, Jezus zou hen leeren bidden, gelijk ook Johannes zijne discipelen geleerd had. Daarop zeide Hij tot al de aanwezige discipelen: Wanneer gij bidt, 200 zegt: Onze Vader enz., hetzelfde gebed als hetwelk Hij in de bergrede had opgegeven. Dit zouden zij zeggen, verklaart Hij hier bepaaldelijk.

Intusschen ontbreekt bij Lucas •) het slot, de doxologie, de lofverheffing Gods ; doch ook het Amen, hetwelk toch bij een gebed behoort (1 Kor. 14 : 16). Ook staan bij Lucas eenige andere uitdrukkingen dan bij de eerste mededeeling op den berg (in de 4de en de 5de bede),

\') Ook bij Matthoüs is het God-verheerlijkend slot zeer betwist, en de nieuwere uitgevers van het Grioksche N. T. laten het weg. Men zie de Commentaren op Matth. 6 : 13, inzonderheid Tholuck, Bergpredigt Christi. 2te Ansg S. 43G if. Hot bestaat geheel uit woorden der Schrift. Men houdt er voor, dat het bij het gebruik van het gebed in de Kerk is bijgevoegd. Ook Dr. J. 1. Doedes, Heidelb. Cat. p. 4S8 acht hot te recht gt; van zeer ouden kerkelijken oorsprongquot; genoemd. Vóór de ocht-heid wordt echtor te recht gewezen op de Syrische Overzetting, Peschito genaamd, die volgens sommigen roeds in de 2de oeuw zou zijn vervaardigd (z. Tischendorf, Nov. Testam. Graece. ed. 7. crit. minor. Prolog, p. GXIV). Deze heeft de betwiste woorden. Doch de critische waarde dier Overzetting wordt ook weer betwijfeld. Vergel. Arnold, in Herzogs Ileal-Ene. XV. S. 442. u. d. Art. Syrische Bibelübersetzuny. Uit innerlijke gronden handhaaft de echtheid Stier, Reden des Herrn Jesu Ister Theil. 1843. S. 221 f. Apte, apposite quadrat, zegt Calvinus Comment, i.l-, en Instit. III. 20. 47, dien het vreemd voorkomt, dat de Latijnsche Overzetting (de Vulgata) dit slot van \'t gebed hoeft weggelaten. Claus Harms, Das Vaterunser. S. 156: lm betenden

157

-ocr page 174-

158 § ^1\' n^\'1quot; gebed des heeren.

docli in denzelfden zin, evenals de herhaling dor Wet, (Deut. 5) eenigszins verschilt van de eerste afkondiging.

Het Onze Vader is dan én model, ideaal voor ons bidden, én formulier. Weten wij niet wat wij zullen bidden, de Heere komt ons te hulp en geeft ons de woorden in den mond \'), waarmede wij tot Hem zullen komen, als Hoz. 14 : 3; Neem [deze] woorden met n, en bekeer u tot den Uecre, zey tot Hem: Neem weg alle ongerechtijheid en yeef het goed\'\', zoo zullen wij betalen de varren onzer lippen.

Aangaande het gebruik 2) van het Onze Vader brengt men in: Wij lezen niet dat de Apostelen en eerste Christenen hel woordelijk hebben gebezigd. Maar was er oorzaak en noodzakelijkheid om dit uitdrukkelijk te vermelden? liet stilzwijgen der Schrift bewijst geenszins «),

Horzen liegt ein soldier Schlusz, und mit seinen Worten hat der Herr diese Worte hervorgernfen, er selber, und hat sie erhalten seit so vielen Jahrhunderlen.

\') Verba nobis in os suggerit, quae mentem nostram oinni haesitationo expediant. Calvin. Instit. III. 20. 34.

Aangaande het bidden van het Onze Vader door gcloovigen, bjjzondor oud-r zware verzoekingen en aanvechtingen, zegt Claus Harms, Das Vaternnser. In eilf l\'redigt.on 1838. S. l-i : Toevlucht ivas \'t, wapen teas \'t, hemelsladder teas het, vleugelen waren deze xvoorden, waardoor de ziel tot God zich verhief, ivoorden ter hand nog, wanneer alle geestelijke schat afhandig was, en in dorre tijden, waar de geest ook niets kon voortbrengen,] zijn eenig houvast en zijne eenige verkwikking/.

Het gesch\'edkundige over het kerkelijke gebruik van het Gebed des Heeren vindt men o. a. bij Augusti, Handb. dor Chrlstl. Arehiiol. II. S. 60—79. Tholuak, Bergpred. Christi. 2to Ausg. S. 375 ff.

:\') Witsius, a. W. VI. 24.

-ocr page 175-

§ 11. IIKT GEBED l)KS UKKKIi.N\'.

dat zij het niet hebben gebruikt. De Schrift zegt ook niet, dat do Apostelen gedoopt hebben in don naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes. Wij mogen echter aannemen dat door hen niet is nagelaten, heigeen hun door den Heere was bevolen.

Vlak tegen hot doel, waartoe do tleere Jezus dit Gebed gaf, loopt het in, wanneer men liet gedachteloos on harteloos gaat opzeggen, zooals inzonderheid bij de Roomschen geschiedt, waar men het naar een voorgeschreven getal vele malen achtereen bidt, naar den rozenkrans gt;), en zulks voor een verdienstelijk en genoegdoend werk rekent.

Hot zeer gedurig bidden van dit gebed dagelijks, en het altijd, gezel bidden van hetzelve in de godsdienstige vergaderingen, waarop de Lulherscho Kerk bijzonder gesteld is, wordt al licht een ijdel verbaal der woorden.

Maar het is ook niet gegeven, om het ongebruikt te laten5). Wie zal dit kleinood naar waarde schatten! liet

\') Augusti, Haudb. der Christl. Archilol. II. S. 79. Vergel. hiervoren § 8. bl. 40.

2) Ook Brakel, lied. Godsd. ft. p. 393 (Gap. XXIV. 2) is niet tegen het woordelijk gebruik. Hij /.ugl, wel : De Heere Jezus heeft dit gebed gegeven tot een, voorschrift of voorbeeld, waarnaar ivij onze gebeden moeten richten, zoo ten opzichte van zaken als orde, maar niet dat wij het gebed van woord tot woord zouden verhalen (waarin hij overeenstemt met Calvin. Instit. III. 20. 49. en Coiumontar. in Matth. 6 : 9). Maar hij voegt er bij: Wij mogen diX gebed, \'t zij in openbare vergade\' lagen, V zij alleen zijnde, wel bidden, maar wij zijn er niet aan verbonden.

Scholten, Leer der Herv. Kerk i. p. 26 wijst op liralcel als zijnde in strijd met den llelde\'b. Catechism. Vr. 118 — 120. Doedes, Heidelb. Cat. 1881. p. 475 : Hot gebed bij Lucas zou als een formulier kunnen beschouwd tquot;\'. gebruikt worden, maar hetgeen bij Mattheüs staat, niet.

150

-ocr page 176-

§ II. HET GEBED DES HËEUEN,

is gegeven door Hem, die beide, den Vader en den niensch kende, die wist wat de Vader in den hemel gaarne hoort en wat voor ons menschen te bidden noodig, oorbaar en heilzaam is.

En het dient uitnemend tot versterking des geloofs en der hope op verhooring. Immers wanneer de eigen zoon eens konings voor den in nood verkeerenden, hulpe vragenden onderaan een smeekschrift stelt en in de hand geeft, dan is er te meerder grond, om verhooring te verwachten.

Ook verlevendigt het de bewustheid van de gemeenschap der heiligen. Dit gebed biddende kan het kind Gods de verheffende gedachte koesteren, dat tegelyk duizenden kinderen Gods op aarde voor zich en voor elkander met dezelfde woorden den Vader aanroepen.

Het is een gebed, voor alle tijden, landen en volken gepast. De eerste zondaar, Adam, zou het even goed hebben kunnen gebruiken als wij, en voor de laatst levende menschen zal het niet minder voegen dan voor ons geslacht.

Doedes, a. W. p. 488 oordeult: Het Onze Vader in zijn geheel is niet bestemd, om in onze gebeden opgenomen te worden, nog veel minder bestemd, om gebruikt te worden als het slot of einde van onze gebeden. Onze vaders hebben er anders over gedacht, blijkens de Formuliergebeden, zonder de Lntherseho overdrijving, die bij iedere godsdienstige handeling het Onzo Vader eischte, „wie Salz und Würze zu allem geistlichen Werk hinzugothanquot; (Claus Harms Das Vaterunser. S. 11.)

Bengel, Gnomon in 1 Petr. 1 : 3 wijst op eene singuliere overeenkomst van heel den Eersten Brief van Petrus met het Gebed des Heeren.

160

-ocr page 177-

§ 11. HET GEBED DES HEEREN.

Doch men herinnert: „Christus\' Middelaarsschap en verzoeningsdood zijn er niet in genoemd.quot; Maar met wijsheid, zich schikkende naar zijne toenmalige discipelen, voegde Hij de uitdrukkelijke vermelding daarvan er niet in ; naderhand zouden zij en alle geloovigen de verzoening door Hem er wel in aangeduid vinden, reeds in de aanspraak, in den Vadernaam, en vooral in de vijfde bede om vergeving der zonden.

Maar is dan het Onze Vader tot algemeen gebruik gegeven, voor bekeerd en onbekeerd, en ook voor de jonge jeugd, die er niet rijp voor is om het te verstaan en om het waardiglijk te bidden ?

Hel is waar, zijne volle beduidenis en kracht heeft dit gebod eerst in den mond van den wedergeboren Christen. Deze alleen kan de Aanspraak en het Slot, deze alleen iedere der zes Beden met klare bewustheid en hartelijke begeerte in waarheid uitspreken.

Edocli het is daarmede als met geheel de Bergrede, in welke de lleore Jezus het Gebed voor de eerste maal gaf. Deze veronderstelt en eischt een gemoed, in hetwelk de zaligsprekingen, waarmee de Heere aanhief en waarop de gansche Bergpredikatie is gebouwd, bevindelyke waarheid zijn geworden. — Wat men nog niet is, moet men dan trachten te worden. En het volmaakte Gebed moet de begeerte ontsteken en hiertoe aandringen, om die kinderlijke en heilige gezindheden te erlangen, die bij dit gebed ten gronde liggen. — Aan dit gebed moet men bidden leeren.

161

En, maakt men bezwaar tegen het algemeen gebruik van het Gebed des Heeren, dan geldt dit evenzeer tegen

11

Graïomeyor, Geref. Ooi. loer. III.

-ocr page 178-

§ 12. INHOUD.

de Psalmen i), ja geheel het Evangelie, van hetwelk het Onze Vader een deel is.

Ook kinderen mag men het niet onthouden, zoomin als het Evangelie. Slechts worde er gezorgd dat zij \'t eerbiedig bidden.

§ 12. Inhoud.

Het Onze Vader behelst eerst eene Aanspraak tot God als Vader voor zijne kinderen door Jezus Christus, daarna zes Beden en ten slotte eene Lofzegging.

De Lutherschen tellen met de Eoomschen, in navolging van Augustinus, meestal zeven beden, daar zij de woorden Alaar verlos ons van den Booze als eene afzonderlijke bede aanmerken. De Gereformeerden, hierin Chrysostomus volgende, rekenen zes, en aldus ook de Socinianen en Arminianen *).

162

-ocr page 179-

§12. INHOUD.

De Roomschen lateu het sluL weg, naar Lucas»). „De Papisten verhalen het Gebed uit Lucas zonder \'t Besluit, wij uit Mattheüs met het Besluit 1).quot;

Allervoortreffelijkst is de uitlegging en uitbreiding van dit Gebed in onzen Heidelb. Catechismus Vr. 120, v.v. Ook Luther heeft het in zijne Gatechismen verklaard, vol van zalving des Heiligen Geestes.

Gelijk de Wet der Tien geboden in twee tafelen bestaat, zoo scheiden zich kennelijk de zes Beden van het Gebed des Heeren in twee deelen 3). Alle bedoelen wel de verheerlijking Gods, maar de drie eerste met uitsluiting van al het andere, de daarop volgende drie met opzicht tot ons en onze naasten.

In het eerste drietal is het driemaal Uw: Uw naam, Uw Koninkrijk,-Uw wil; in het tweede telkens o«sGeef ons enz.

Slaan wij het oog op den rijken inhoud van het Gebed des Hoeren, wij zullen hoe langer hoe meer bevinden,

de tegonstelling: »mot — maarquot; zijne goedkonring aan de yereeniging, dus aan de onderscheiding niet van zeven, maar van zes beden zooals de Catechismus heeft.

Zegt de bidder : En leid ons niet in verzoeking, \'t is blijkbaar dat hij dan nog niet uit heeft en dus dit geen afzonderlijke bede is, maar dat er in éénen adem nog iets stelligs volgen mout en dat zonder dit deze bede onvolledig zou zijn.

\') Do Vulgata heeft ook bij Mattheüs 6 het Godverheerlijkend slot niet. En in haar ontbreken bij Lucas zelfs ook de woorden : Maar verlos ons van de booze, waarin sommige uitgevers vau den Griekschen tekst haar navolgen. Vergel. ook Dotdes, Heidelb. Cat. p. 475. Zie nog hierboven bl. 157. n. 2.

2) Brakel, Eed. Godsd. 11. p. 393. Vergel. Vcrklaring van den Mechelschen Catechismus, p. 125.

3) Calvin. Instit. III. 20. 35. Comment, in Matth. 6 : 9.

163

-ocr page 180-

§12. INHOUD

dat elk deeltje daarin zijn gewicht heeft, ieder woord is een pond.

A. Zoo in de Aanspraak: Onze Vader, die in de hemelen zijt.

a. De Zoon leert ons den Vader aanbidden. De naam Vader beteekent in de Schrift standvastig den eersten Persoon in het drieëenige Goddelijke Wezen. De Vader is niet in de wereld gekomen ; Christus zeide niet dat Hij de Vader was, maar dat de Vader in Hem was en Hij in den Vader (Joh. 10 : 38), en de Heilige Geest is de Geest des Vaders en des Zoons. Deze drie zijn één in Wezen, één aanbiddelijk God. Wie den Zoon niet eert, die eert den Vader niet, en niemand kan Jezus in waarheid Heere noemen dan door den Heiligen Geest. Wij kunnen tot den Vader niet genaken dan door den Zoon, den Middelaar, in den Heiligen Geest. (Ef. 2: 18). In de huishouding der genade in het de eerste Persoon, de Vader, die de majesteit der Godheid vertegenwoordigt (1 Kor. 8 : 6). Tot Hem is het gebed \')•

God is niet de Vader van alle menschen, niet alle menschen zijn kinderen Gods. Hij is de Vader der geloovigen door en in Christus geworden (Heidelb. Cat. Vr. 120), de geloovigen zijn niet als kinderen Gods geboren, maar zijn daartoe aangenomen en wedergeboren.

164

De velerlei betrekkingen tusschen vader en kind hebben haren diepsten grond in den samenhang van het wezen des kinds met zijn vader. Tusschen menschen en God heeft dit dan alleen daar in waarheid plaats, waar geestelijke eenheid tusschen beiden bestaat. In den volsten zin

\') Zie hiervoren § 6 bi. 131.

-ocr page 181-

§12. INHOUD.

165

daar, waar deze eenheid van geest en wezen volkomen is. In de hoogste beteekenis is God dus maar de Vader van eeaen, die bij uitnemendheid de Zoon Gods wordt genoemd en die zelf van zich betuigt : Ik en de Vader zijn één (Joh. 10 : 30). In dien zin als Christus kunnen menschen nimmer God hunnen Vader noemen, daarom dat Christus alleen de eeuwige natuurlijke Zoon Gods is, het uitgedrukte beeld der zelfstandigheid des Vaders en de glans zijner heerlijkheid, Hem in alles gelijk zijnde, maar de geloovigen rijn om zijnentwil uit genade tot kinderen Gods aangenomen {Heidelh. Cat. Vr. 33. Nederl. Belijd, des Gel. Art. X.)

In de Schrift wordt God Vader van menschen genoemd in eenen anderen, meerderen zin dan bij de oude Heidenen •). Bij dezen zag de naam alleen op de schepping en onderhouding. De Perzen noemden hunnen God Mithras „Vaderquot;; bij de Grieken heette Zeus, bij de Romeinen Juppiter „Vader der goden en der menschen.quot; Zij spraken van God als „den maker en vader der wereld.quot; Vader der wereld noemt de Schrift God nooit: de wereld is niet van Goddelijk wezen. De ware geestelijke betrekking tusschen God en menschen als tusschen Vader en kinderen was den Heidenen onbekend. Deze bestond alleen daar, waar men onder het licht der openbaring, onder de bedeeling van Gods Woord leefde.

\') Tholuck, Bergpredigt Christi S. 386. Augusti, Handb. der Chr. Archttol. II. S. 67 zegt: Darin stimmen fast alle Erlddrer aus den ersten fünf Jahrhunderten überein, dass die Worte ■rrxTsp yf/.cóv ó sv toïi; oupxvols in einem pragncmten und geheimniss-vollen, nur dem Christenthume eigenthümlicheii Sinne zu nehmen seyen.

-ocr page 182-

§12. INHOUD.

Zoo noemt God zich den Vader des Iraëlietischen volks, en hen saam zijne kinderen, zijnen zoon, zijnen eerstgeborene, Exod. 4:22: Mijn zoon, mijn eerstgeborene is Israël (— geheel het verbondsvolk als één mensch beschouwd, evenals bij Paulus Ef. 2 : 15 al de geloovigen uit Joden en Heidenen door de geestelijke schepping eenen nieuwen mensch uitmaken). Het is, omdat Hij hen uit al de volkeren had uitverkoren en tot zijn volk gemaakt (Deut. 32 : 6), hetwelk Hij wonderbaar leidde, leerde, opvoedde, in hetwelk Hij zijn huis en haardstede had (Ps. 147 : 19, 20). In dien zin is ook Mal. 2 : 10 te verstaan : Hebben wij niet allen éénen Vader ? heeft niet één God ons geschapen ? Waarom handelen wij [dan] trouwelooslijk, de een legen den ander, ontheiligende het verbond onzer vaderen ? Niet dat God daar wierd genoemd de Vader van alle menschen uit oorzaak hunner lichamelijke schepping, maar de Vader van Israël wegens het verbond, als drangreden voor hen om zich aan zijne Wet te houden. Ook Hebr. 12 : 9 zegt Vader der geesten mei alleen Schepper, voortbrenger der geesten, maar blijkens het verband vooral opvoeder der geesten, waarbij de kastijding niet ontbreekt. (Vergel. Mal. 1 : 6. Jer. 3 : 4. Ps. 100 : 3).

Ook onder het Oude Verbond waren alle geloovigen in waarheid kinderen Gods, maar zij genoten nog niet in volle ruimte al de rechten en vrijheden van het kindschap. Met de menschwording van Gods Zoon, door de volbrenging van het werk der verlossing en door de zending des Heiligen Ueestes ging daarover een nieuw licht op, gelyk dan ook Paulus het onderscheid in dezen tusschen de

166

-ocr page 183-

12. INHOUD.

oude en de nieuwe bedeeling klaarlijk teekent Gal. 4: 4—6. Rom. 5 : 15.

Onze Vader I dat zeggen wg dus in volle kracht, wanneer wij tot God bidden met de bewustheid, dat Hij onze Vader door Christus geworden is. Want dit kindschap is eene macht, een voorrecht, hetwelk alle geloovigen hebben verkregen door middel van Hem, die in den hoogsten, absoluten zin de Zoon Gods is. Zoo velen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, [namelijk] die in zijnen naam gelooven; Welke niet uit den bloede, noch uit den wil des vleesches, noch uit den wil des mans, maar uit God geboren zijn, Joh. 1 : 12, 13. Hier is dus gemeenschap des Geestes, nog wel onvolkomen, weshalve de geloovigen ook nog de aanneming tot kinderen verwachten (Rom, 8 : 23), doch eens, wanneer ook het lichaam, in de opstanding, zal verlost zijn, zoo volmaakt, dat de verlosten den heelde des Zoons Gods gelijkvormig zullen zijn, opdat Hij de eerstgeborene zij onder vele broederen (Rom. 8 : 29).

God de Vader der geloovigen. Hier bestaan en werken al de betrekkingen tusschen vader en kind. Met vaderlijke liefde bemint God zijne kinderen (Ps. 103 : 13. Jez. 49 : 15), en de kinderen hebben den Vader lief, met kinderlijke vreeze en grootachting; zij zijn zijne erfgenamen, medeerfgenamen van Gods eeuwigen Zoon ; zijn der Goddelijke natuur deelachtig (2 Petr. 1 : 4), zijn navolgers Gods in goeddoen, leven in gemeenschap met Hem en staan onder zijne allerbijzonderste leiding, verzorging en bescherming.

Het is Onze Vader. Dat is eene uitdrukking van geloof, die de Heere Jezus den vaak twijfelmoedigen en bestreden bidder in den mond geeft om hem te vervrymoedigen.

167

-ocr page 184-

§12. INHOUD.

Evenals Jez. 6?; : 16 Israël tot God spreekt: Gij zijt toch ome Vadtr, — — onze Verlosser van ouds af is uw naam. — En wel, niet alleen mijn, maar onze Vader. Daardoor leidt de Heere den bidder in de gemeenschap der heiligen : hij zal in liefde ook der broederen gedenken, biddende voor allen die tot Gods rijk en huis behooren. „Want wie ennen huisvader hartelijk lief heeft, omvat ook met liefde en welwillendheid diens gansche huis •)quot; De Boden zelve breiden zich uit tot „alle menschenquot; (Heidelb. Gat. Vr. 124).

b. Die in de hemelen zijt. Luther heeft vertaald : in den hemel, en zoo bidt de Luthersche Kerk. De Onzen nauwkeuriger: in de hemelen*). Deze meervoudige, dus algemeener uitdrukking zegt, dat wij niet zoo aan eene bepaalde plaats moeten denken, als of God daarin dusdanig woonde, gelijk de Engelen en zalige geesten, dat Hij niet tegelijk overal zoude zijn.

Het is, vooreerst Opdat wij van de hemelsche majesteit Gods niet aardsch gedenken (Heidelb. Gat. Vr. 121), inzonderheid geen menschelyke zwakheden en onvolmaaktheden van aardsche vaders in God stellen. De hemelen spiegelen Gods grootheid af, zijne onbevlekkelijke reinheid en zalige rust, zijne onveranderlijkheid, zijne oneindigheid, zijne verhevenheid boven al het aardsche. De aanspraak

\') Calvin. Instit. III. 20. 38. Do Luthersche Cl. Harms, Das Vatevunser S. 23 vorzokurt mot don moesten nadruk, dat naar Christus\' bedoeling God do Vader aller monschen is. Vergel. daartegou Calvin 1. c. en Commentar. in Matth. 6 : 9, en Brakel, Rod. Godad. II. p. 397.

a) Hiervan is nader gehandeld in het Derde Hoofdstuk ë 22.

168

-ocr page 185-

§12. INHOUD.

dient, om ons hiervan aanstonds een diepen indruk te geven.

Ten tweede, opdat wij van zijne almachtigheid alle nooddruft des lijfs en der ziele verwachten. Des lichaams. Want de hemelen zijn Zijn tuighuis en schatkamer (Deut. 28 : 12. Hand. 14 : 17). Die in de hemelen is, dat stelt ons Hem voor als dien, die zon, maan en als de sterren beheerscht en dus voortgaande de tijden ordineert; en die ook de lucht en de wolken regeert en de gever is van licht en warmte of koude, van regen en droogte ; als dien van wien alle zegen komen moet. - Inzonderheid voor de ziel. Hij is de Vader der lichten, die zijne zaligmakende gaven en alle geestelijke zegening van boven tot zijne nooddruftige kinderen doet afkomen door Jezus Christus (Jac. 1 : 17. Ef. 1 : 3), die verhoogd is in de hoogste hemelen, in den hemel der hemelen, waar de troon Gods is en zijne majesteit en heerlijkheid in vollen luister uitblinkt. — Christus heeft dan naar zijne Goddelijke wijsheid geleerd met deze woorden God aan te spreken, om in de biddende ziel kinderlijk ontzag en vertrouwen te verwekken, die de grondslag zijn van de rechte bidgestalte.

B, Nu volgen de zes Beden, die zakelijk in een nauw verband met elkander staan.

a. In de drie eerste beden wordt ééne groote zaak begeerd: de verheerlijking Gods. Deze ééne voorstelling en hoofdgedachte wordt ontwikkeld en gaat uit in drie trappen. 1. Dat God moge erkend worden als die, die Hij is, als de Heilige : de eerste bede. Utv naam worde geheiligd. 2. Zal Hij als de Heilige erkend worden ; zoo moet Hij zich in de harten der menschen openbaren door oprichting en uitbreiding van zijn geestelijk en hemelsch ryk in hen

1G9

-ocr page 186-

170 § 12. INHOUD.

de tweede bede : dat Hij als de Heilige moge heerschen over alle menschen: Vw Koninkrijk kome. 3. Komt het Koninkrijk Gods tot de menschen, zoo moeten dezen ook als ware onderdanen Gode gehoorzaam zijn en den wil des Konings doen; en wanneer allen willig en trouw zijne bevelen doen, komt de hemel op aarde: de derde bede: Uw wille geschiede gelijk in den hemel alzoo ook op de aarde.

De eere Gods vooraan ; daarna mogen wy met onze belangen komen, naar het tweede drietal, nauw verbonden met het vorige. 4. Zullen wij namelijk bekwaam zijn om den wille Gods te doen, zoo moeten wij levenskrachten bezitten. Om te leven, hebben wij onderhoud noodig. Hij alleen kan het geven, uit zijne hand moeten wij het ontvangen : de vierde bede, de eerste der tweede tafel : Ons dagelijks brood geef ons heden i). 5. Doch ons dagelijks brood en allen anderen tijdelyken zegen kunnen

\') tov xprav yfiuv tov sttioufiov Sa? yif^ïv v/ifMpov, Matth. 6 ; 11. Volon vertalen : het brood voor den aankomenden dag. Anderen : het bovennatuurlijke hrooA. I e Vulgata: panera nostrum super-substantialem da nobis hodio. Dr, Doedes, Heidelb. Catech. p. 481 acht beter vertaald : toereikend of genoegzaam brood ; goed naar den zin, maar niet naar de beteekenis. Het woord sttioutios, hetwelk in al de 1200 werken der oude Grieksche letterkunde niet voorkomt, is naar de meeste waarschijnlijkheid samengesteld uit sV) en oï/plx, tot en wezen, en beteeken t: het brood dat tot ons wezen, aanwezen, bestaan dient, of dat wij tot ons tijdelijk bestaan behoeven. Onder de Commentaren is vooral belangrijk de verhandeling van Tholuck, Bergpredigt Christi S. 400 tf. Voorts Cremer, Wörterbuch der neutest. Grüc. S. 239 ff. u. d. W. 67rioult;7ios. Vergel. ook Augusti, Handb. der Chr. Archttol. II. S. 69 f.

-ocr page 187-

§ 12. INHOUD.

wij niet in rust en vrede noch met waar genoegen genieten, of wij moeten met God en onze medemenschen verzoend zijn : de vijfde bede : En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren. 6. En zoo noodig als dagelijks de bede is om vergeving der weer gemaakte schuld, zoo noodig is \'t meteen te bidden om bewaring voor nieuwe bezondiging, waarin wij door de verzoekingen zouden geraken ; waarbij de gedachte, dat in den staat dezes levens altijd nog de Booze werkt en de zonde woelt, het verlangen opwekt naar volkomen verlossing : de zesde bede: En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den Booze \').

b. Dus tweemaal drie Beden behelst het Gebed des Heeren. Zou dat toevallig zijn ? Letten wy op de zaken, in ieder drietal vermeld, zoo kunnen wij niet miskennen, dat ieder drietal beantwoordt aan de drievoudige huishouding van den Vader en den Zoon en den Heiligen Geest\').

Want 1. De erkentenis van God als den Heilige ziet voornamelijk op den Heiligen Vader. 2. Zijn Koninkrijk, zijne genadeheerschappij in de menschheid wordt bemiddeld

\') Matth. 6 : 13; pvrxi wxs xtto toü Trovypov. Luther; erlöse uns von dem Uehel. — De vertaling «de boozequot; (behoed ons voor den booze) oordeelt ook Dr. Doedes, Held. Cat. p. 485 verkieslijk boven » het booze.quot; Zoo ook Meyer z. d. St. Hiertoe leidt ook dat or xtto staat en niet èy,. ivetrdxi is echter meer dan behoeden.

\') TholucJc, Bergpredigt Christi. 2te Aasg. S. 384 f. Ebrard in Herzogs Real-Enc. IV. S. 098 u. d. W. Gebet des Herrn, Stier, Reden des Herrn Jesu. 1843. Ister Theil. S. 200. Ook Von Oerlach zu Matth. 6 : 9.

171

-ocr page 188-

§ 12. INHOUD.

door den Zoon, dien Hij tot Koning heeft gezalfd. En 3. Het is door de bekeerende en heiligmakende werking des Geestes, dat de wille Gods op aarde gedaan wordt gelijk als den hemel.

Evenzoo is het met de tweede tafel. I. De onderhouding van het lichamelijk leven raakt schepping en voorzienigheid, bij uitnemendheid het werk des Vaders. 2. De wegneming der zondenschuld is gegrond op de verzoening door den Zoon. 3. De bewaring voor de macht der verzoeking en de eindelijke overwinning en vrijmaking van den Booze behoort tot de heiligmakende werkingen des Heiligen Geestes.

G. Na de beden volgt het majestueuze, Godverheerlijkende slot: Want Vw is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid in der eeuwigheid.

Hiermede wordt den bidder een vaste grond gegeven voor zijne vrijmoedigheid en voor de hope op verhooring : namelijk door de verlevendigde bewustheid van Gods macht, goedheid en eere. Want die al deze goederen, in het gebed begrepen, geven zal, moet een onbeperkt vermogen en oneindige goedheid bezitten. Daarom doet Christus bij het einde des gebeds nog eerst eenen straal van Gods heerlijkheid in de biddende ziele vallen en doet haar afzien van zich zelve en zien op dien God, die dat alles geven kan en wil.

In ons zeiven hebben wij geen recht of grond, waarop wij het durfden wagen zoo tot God te bidden en zooveel van Heoi te vragen. In ons is niets dan ellendigheid, niets wat ons waardig maakt en ons bij Hem aanbeveelt om ons te verhooren. Maar daarom zullen wij denken : Hy is almachtig en goed. „Hy kan en wil en zal in nood,

172

-ocr page 189-

§ 12. INHOUD.

zelfs bij het nad\'ren van den dood, Volkomen uitkomst geven. (Vergel. 1 Kron. 29: 11, 12).

God Is Koning: de Vader is het, die door Christus in den Heiligen Geest alle ding regeert. Menig huisvader kan zijne noodlijdende kinderen niet helpen; menig koning kan of wil het zijne onderdanen niet. God kan het en wil het. Riep in den hongersnood te Samaria die vrouw 2 Kon. 6 : 26 : Help mij, heer Koning! Koning Joram kon slechts antwoorden : De Heere helpt u niet, waarvan zou ik u helpen? Maar bij den Heere is fcracM, Hij is machtig meer dan overvloediglijk te doen boven al wat wij bidden of denken, Ef. 3 : 20. Is de Booze, is de wereld en do zonde machtig, God is boven allen. Hij kan den sterken de kracht benemen en den zwakken kracht geven. — Hij hoort en helpt den oprechten bidder gewisselijk. Hij heett er immers heerlijkheid in, wanneer Hij geeft hetgeen tot zijne eer gebeden wordt. Hij zal er in alle eeuwigheid de eere van hebben, dat Hij de gebeden der ellendigen verhoort. En wanneer alles vervuld zal zijn wat gebeden wordt in het Gebed des Heeren, zullen al de gezaligden Hem de eere er van geven en zijnen heiligen naam eeuwiglijk met dankzegging prijzen. En daartoe doet Hij het eenmaal komen. Want Hij is onveranderlijk, ook in de volvoering van zijne raadsbesluiten en beloften. Niets kan Hem zijn Koninkrijk, zijne kracht en zijne heerlijkheid ontrukken. Hij blijft wat Hij is in alle eeuwigheid.

Hierop kan dan de bidder geloovig Amen zeggen, hetwelk uitdrukt de zekerheid der verhooring, en wel inzonderheid van dit Gebed des Heeren, maar voorts ook van al die gebeden, die overeenkomstig dit Gebed naar den wille Gods gebeden worden; eene verhooring, die

173

-ocr page 190-

§12. INHOUD.

174

zelfs van het gevoel en de gevoeligheid des biddenden niet afhangt: Want mijn geheel veel zekerder van God verhoord is dan ik in mijn hart gevoele, dat ik zulks van Hem begeere (Heidelb. Gat. Vr. 129). Zelfs heeft de Heere beloofd Jez. 65 : 24 : En het zal geschieden, eer zij roepew zoo zal Ik antwoorden; terwijl zij nog spreken, zoo zal Ik hooren.

-ocr page 191-

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

K E R K.

§ 1. Naam-

Wij komen thans tot de Kerk, een onderwerp, dat hedendaags schier in aller mond den boventoon voert, zoodanig zelfs, dat een bedachtzame op het gevaar wijst „de Kerk te prediken in plaats van Christus •)quot;, of ten minste, Christus om de Kerk, in plaats van de Kerk om Christus,

Om hier koers te houden en niet af te dwalen, komt het op het rechte gezichtspunt aan, hetwelk de Heilige Schrift ons klaar genoeg en onfeilbaar toont. En naar de Schrift hebben wij hier bij den ingang dan wel aanstonds en voorop dit tweeërlei vast te houden.

Vooreerst. De mensch wordt persoonlijk ter zaligheid bewerkt. De Heilige Geest brengt iederen uitverkorene

\') Gispen, in de Bazuin. 1887. No. 39.

-ocr page 192-

§ 1. NAAM.

bijzonderlijk, door zijne werking in diens hart, tot het geloof in Christus. Niet door eene gemeene beweging, niet bij hoopen of Iroepsgewijs, maar persoonlijk. Het geloof eener genieenschap geeft geen zaligheid, ieder moet voor zich zeiven het geloove in Christus hebben. Het is: Opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. Joh. 3 : 16. Het is : De rechtvaardige zal door zijn geloof leven, Hab. 2 : 4.

Ten tweede. Wie Christus door een waarachtig geloof wordt ingelijfd, komt daardoor dadelijk in geestelijke gemeenschap met alle geloovigen. Dit heeft zijnen grond ook in het Koninklijk Ambt gt;) des Middelaars, onder wien al de verlosten tot één volk worden vereenigd. En aldus en in dezen zin is Hij de Zaligmaker niet slechts van ieder enkelen geloovige afzonderlijk, maar van een volk, naar het woord des Engels tot Jozef: Gij zult zijnen naam heeten Jezus : want Hij zal zijn volk, zalig maken van hunne zonden, Matth. 1 : 21, een eigen volk, hetwelk Hij zich zeiven zou reinigen. Tit. 2 : 14.

De waar geloovige is dus niet alleen staande, op zich zeiven, maar deelgenoot van Christus is hij medegenoot van allen die mede in Christus zijn, is lid van een groot, eerwaardig genootschap, bij ons de Kerk genoemd. \'k Geloof één Kerk, een algemeen genootschap, Geheiligd en vergaard door \'s Hemels boodschap, (Kerste Berijm, van de Xll Art. des Gel.)

In onzen Bijbel komt het woord Kerk 1) geheel niet voor.

176

1

) Niedner, Kirchengesch. S. 1 zegt vau Kirche: Ein uicht urchristlicher und nicht urkirchlicher Name, vou ungewisser und unbokaanter sprachlicher Abkunft wie sachlichor Bodouting.

-ocr page 193-

§ 1. NAAM.

Daar wordt de vereeniging en geestelijke maatschappij der geloovigen genoemd de Gemeente Gods. Dat is haar eigenlijke naam. Naar haar geheimzinnig wezen en verband met Christus, heet zij het lichaam van Christus en draagt in de Schrift nog velerlei andere, zinnebeeldige en beteeke-nisvolle namen.

De Stadsschrijver of Secretaris te Efeze noemt Hand. 19 : 35 Efeze de Kerkbewaarster \') van de groote godin Diana, maar het oorspronkelijke beteakent Tempelbewaarster ; en v. 37 zegt hij, dat Paulus en zijne metgezellen geen Kerkroovers 1) waren, hetwelk beduidt beroovers van het heilige van den tempel.

1. Het woord Kerke, zooals het in het Middelneder-landsch luidde, waarvoor later Kerk gebruikelijk werd, is al zeer verschillend afgeleid 3). Zeker is het niet afkomstig, wat sommigen wilden, van karen, (bekeeren), noch van kuren (keuren, kiezen, verkiezen); maar naar de meeste waarschijnlijkheid van het Grieksche (onzijdige) Kyriakon «), hetwelk reeds sedert de vierde eeuw voorkomt in de beteekenis huis des Heeren (den Heere, Kyrios, eigen, toebehoorende) waarvoor later in gebruik kwam Kyriake b)

177

1

*) ispóvuhot. Vergel. Rom. 2 ; 22.

-ocr page 194-

§ 1. NAAM.

de vrouwelijke vorm van het bijvoegelijk naamwoord, te verstaan oikia of oikodomé (naar Efez. 2:21), maar dan als zelfstandig naamwoord gebezigd.

Naar deze meest aannemelijke afleiding beteekent dan Kevk oorspronkelijk quot;s Heeren huis. En wel, om aan te duiden niet slechts de vergaderp/aa/s, maar bij overdracht de vergadering zelve der geloovigen.

Kerk is dus huis, gebouw, het huis des Heeren. Maar in geestelijken zin. Christus zelf noemde do vestiging zijner gemeente een houwen, Matth. IG : 18 : Op deze Petra zal ik mijne gemeente bouwen, waarmede Hij immers geen lokaal bedoelde maar een volk, en wel met inbegrip van alle voor de groote huishouding noodige instellingen en ordeningen ; dus in gelijken zin als er in de oude bedeeling van het huis Israels wordt gesproken, van de Israëlietische

ipsis Graecis kyrch a xupios ot multa alia accepunus; aicut domus Dei basilica i. o. rogia a rego, sic etiam kyrika seu kyriaka i. ü. dominica a domino nuncupatur, quia domino do-iniuantium ot rogi regum in illa servitur.

Anderen gaven de voorkeur aan do afleiding van hot Latijn-sehe curia. Ook Luther, Cat. major in de Concordia ed, Eechen-borg p. 498. Niedner 1. e. acht niet onwaarschijnlijk : die Benennung (Kirche) soi ausgegangen bei don Slawen, im Oston, von Ki/pios alloin ; boi der Gonnanen-Mehrheit, nahor dom Westen, von xvpiog und curia ncbeneinauder. (wegens het verkeer met Homo en Italië). De algemeouo beteekeuis van het woord curia laat deze afleiding wel toe. Vorgel. Glossarium mammie mediae et infimao Latinitatis. od. Adolung. Halae 1773. Tom. II, p. 844. De uitspraak wijzigde zich dan verschillend naar de ger-maanscho dialecten. Franck 1. c. oordeelt, dat het woord Kerk van de Westgormaneu, bij wie het reeds zeer vroeg aanwezig was, door middel van Gotische stammen tot de andere Germanen ia gekomen.

178

-ocr page 195-

§ 1. NAAM.

volksgemeonte, door don ITeere zeiven zijn huis genoemd Num. 12 : 7 : mijn kneclit Mozes, die in mijn qansche huis getrouw is (vergel. Hebr. 3 : 2—6). De Kerk is alzoo niet dat doode gebouw van hout en steen, waarin men samenkomt, maar eene zekere, vereenigde menigte van menschen ; doch niet van doode menschen met hun oude steenen harten, integendeel het is een geestelijk huis, uit levende steenen gebouwd, gelijk Petrus het beschrijft (1 Petr. 2 : 5), die daarbij nog wel wederom zal hebben gedacht aan het woord van de Petra, uit \'s Meeren mond gehoord. Van Christus zegt de Schrift, dat de gemeente is zijn eigen huis, van de gemeente der heilige broeders, die der hemelsche roeping deelachtig zijn, wordt in hunnen naam gezegd : re ij zijn zijn huis, Hebr. 3 : 6.

Eene heerlijke teekening geeft de Apostel er van Efez. 2 : 19. Zoo zijt gij dan niet meer vreemdelingen (als de Heidenen) en bijwnners (als de jodengenoten der poorte, de proselieten zonder geheele inlijving en rechtsbevoegdheid, hebbende in den tempel geenen toegang dan tot in het voorhof der Heidenen, en in de synagogen achteruitgezet aan een afgezonderde plaats; dat alles is nu afgedaanquot;), maar medeburgers der (met gelijken toegang, v. 18)

179

en huisgenooten Gods ; 20. Gebouwd op het fundament der Apostelen en Profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste hoeksteen^)-, 21. Op welken het geheele gebouw, bekwamelijk te zamen qevoegd zijnde, opwast tot eenen heiligen tempel in den Heere; 22. Op welken ook gij mede gebouwd wordt tot eene woonstede Gods in den Geest. Als

\') Hierover zie Eerste Hoofdstuk § 24. bl. 60.

-ocr page 196-

§ 1. NAAM.

huisgenooten Gods zijn de geloovigen samen zeiven een huis.

2. De bijbelsche naam is Gemeente, die in de Schritt gewoonlijk voorkomt, waar zij zonder beeld spreekt. In dezen naam is niets oneigenlijks, figuurlijks, zinnebeeldigs, overdrachtigs. Hier hebben wij den eigenlijken naam voor het vereenigde volk des Heeren.

Maar wat is de beteekenis ? Onze Nederlandsche Statenoverzetting zegt Gemeente voor het Hebreeuwsche kahal (soms eedah) en voor het Grieksche ehkleesla \')• Bij beide woorden ligt het begrip van roepen, samenroepen ten gronde. Het Hebreeuwsche kahal stamt zelfs van kol, stemme, en in het Grieksch is kalein roepen, kleesis roeping, kleeioi zijn geroepenen a). Het Grieksche ek beteekent uit. Bij de oude Grieken was ekkleesla de gebruikelijke naam voor de vergadering der vrije burgers in de belangen van het gemeenebest, door eenen heraut daartoe van Overheidswege uit het volk en uit hunne woningen opgeroepen.

Dit woord ekkleesla, overeenkomende met het Hebreeuwsche kahal, geeft dan tweeërlei te kennen. Vooreerst, eene eenheid, gemeenschap, eene door gemeenschappelijk doel verbondene menigte, verzameling van burgers, burgerij,

\') Cremer, Wörterb. der noutest. Grïic. 2te Aufi. S. 333 ff. u. d. W. \'ExKhyrlx.

*) Hebr. verzameling. roepon, samenroepen.

stem. vergadering.)

Grieksch: roepen, icMja-ii roeping, x^rot geroepenen.

En merkwaardig, het roepen is een xypvrirsiv, roepen door eenen heraut (nijpv^).

180

-ocr page 197-

§ 1. NAAM. 181

zoodat de vertaling door Gemeente treffend past. En ten tweede eene roeping als het middel ter verzameling en toebrenging ; maar meteen ook als begrenzing der eenheid en gemeenschap, aanduidende wie er toebehooren, namelijk de geroepenen, en op welken grond, te weten uit hoofde der roeping.

Zoo is het volk Gods eene verzameling van geroepenen, geroepen door God en van zijnentwege en als zoodanig zijn zij samen Gods gemeente. De roeping is geestelijk, doch niet oneigenlijk maar aliereigenlijkst. Zij is het geestelijke middel ter verzameling, ter vorming der gemeente. Bij deze roeping heeft ook het uit (het Grieksche ek) zijne beteekenis en kracht: het is eene roeping uit de wereld, uit de dolende volken, eene afzondering naar de vrije verkiezing Gods. Dus heet Israël zijn geroepene, ^ Jez. 48 : 12: floor naar mij, o Jakob ! en gij Israël, mijn

geroepene! Ps. 149 •. \\ : de gemeente [zijner] gunstge-nooten. Mich. 2:5: de gemeente des Heeren. En het nieuwe Israël, de gemeente Gods onder de nieuwe bedeeling zijn de geloovigen in Christus, de ware Ghrist-geloovigen (Nederl. Belijd, des Gel. Art. XXVII), door God geroejwn tot de gemeenschap zijns Zoons Jezus Christus omes Heeren 1 Kor. 1 : 9, geroepen met eene heilige roeping, naar zijn eigen voornemen en genade 2 Tim. 1 : 9, heilige broeders die der hemelsche roeping deelachtig zijn Hebr. 3:1.

Ket Grieksche ekkleesfa is overgegaan in het Latijn: ecclesia \'). Ook de oude Laüjnsche Overzetting (Vulgata) gebruikt dit woord. Waar- in het Nieuwe Testament in het

lt;\' 1) Over het gebruik eu de verschillende beteekenissen van

dit woord handelt uitvoerig het reeds aangehaalde Glossarium manuale Tom. III. p. 256 sqq. o. h. w. Ecclesia.

«

-ocr page 198-

§ 1. NAAM.

Grieksch ekkleesia staat en in Onze Staten-Overzetting gemeente, zegt de Latijnsche ecclesia (b.v. Matth. 16 : 18. 18:17. Ef. 5:25). Dit woord nu, ecclesia, is algemeen in gebruik gekomen in de beteekenis van Kerk. Waar men Kerk iatynsch wil uitdrukken, zegt men ecclésia en het Latijnsche ecclésia vertaalt men Kerk. — Intusschen onze Nederlandsche Bijbel weet van geen „Kerk,quot; maar alleen van Gemeente, en waar men nu van ZiTerA: spreekt, heeft men wél toe te zien of op die Kerk datgene past wat de Schrift van de Gemeente zegt en wat zij behalve dezen eigenlijken naam met hare andere benoemingen bedoelt en uitdrukt.

3. Beteekenisvol is de henoemmg lichaam van Christus, waarmede de Apostel Paulus de gemeente omschrijft. Efez. 1 : 22, 23 : God, de Vader der heerlijkheid, heett Christus der gemeente gegeven tot een Hoofd hoven alle dingen, Welke zijn lichaam is, [en] de vervulling desgenen die alles in allen vervult.

Het lichaam van Christus. Dat is een hooge naam, die aan de gemeente in het Oude Testament nog niet werd gegeven, maar dien zij heeft ontvangen nadat de Zoon Gods mensch was geworden, ons vleesch en bloed deelachtig geworden (Hebr. 2 : 14).

Onder al de titelen, die de gemeente draagt, is er wel geen zoo veelzeggend en vol van verborgenheden, en toch zoo bepaald en klaar als deze : het lichaam van Christus. Eene omschrijving van de gemeente, nauw en ruim. Nauw, uitsluitend, afperkend : want dit ligt er in: wie Christus niet is ingelijfd, behoort niet tot de gemeente. Ruim: want allen die Christus waarlijk zyn ingelijfd, behooren er toe, hoe nederig, hoe bedekt ook, en waar

182

-ocr page 199-

§ 1. NAAM.

zij ook zitten. De Heere kent degenen die de zijnen zijn, en al dezen, hoezeer plaatselijk en tijdelijk van elkander verwijderd en in vormen verschillend, zijn samen zijn lichaam.

Het is maar één lichaam, van éénen Geest bezield. Hoezeer verschilden in vele opzichten de Christenen uit de Joden van die uit de Heidenen! Maar toch verklaart Paulus ze voor één lichaam, 1 Kor. 12 : 13 ; Want ook ivij allen zegt hij, zijn door éénen Geest tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienstknechten, hetzij vrijen, en tvij zijn allen tot éénen Geest gedrenkt. En v. 20: Er zijn wel vele leden, doch [inaar ] één lichaam.

Alleen de gansche gemeente der geloovigen kan Christus\' lichaam heeten, gelijk ook, de geheele gemeente zijne Bruid is. Één geloovige is het lichaam niet, maar is lid van dit geestelijk lichaam. 1 Kor. 12 : 27 : Gijlieden zijt het lichaam oan Christus en leden in het bijzonder. Ieder lid in dit groote lichaam heeft zijne eigenaardige plaats, bestemming, gave en werking, bewust of onbewust ten dienste voor elkander en alzoo voor het geheel. —

183

De naam Kerk is nu eenmaal in algemeen gebruik, waaraan wij ons dan ook hebben te houden. Wij handelen hier dus van de Kerk, met dien verstande, dat zij ons is wat de Schrift Gemeente noemt.

§ 2. Deelen.

De Kerk bestaat in twee deelen. Een gedeelte van haar is op aarde, de eenige plaats harer vorming ; het andere reeds in den hemel, de woningen der zaligheid. Meer

-ocr page 200-

§ 2. DEELEN.

deelen zijn er niet. Nergens anders is er iets van de Kerk dan op de aarde en in den hemel.

Dit te erkennen eischt de Schrift. En het is noodig, er nadruk op te leggen, tegenover verschillende dwalingen.

1. Tegen de Ruomsche Kerkleer. De Roomschen stellen ééne Kerk, maar drie deelen ; een deel op aarde, een in het vagevuur, een in den hemel. Wel onderscheiden zij de Kerk voornamelijk gt;) in twee deelen : de strijdende Kerk op aarde en de zegepralende in het hemelsche vaderland. Maar wijl volgens hen alleen geloovigen ^ in het vagevuur komen, namelijk zoodanigen, die hunne „dagelijksche, vergefelijke zonden\')quot; hier op aarde niet geheel hebben afgeboet, en wier zielen daar door het vuur en andere pijnen gezuiverd en bekwaam en waardig gemaakt worden „om naar de hemelsche glorie te gaan, waar niets dal besmet is zal binnenkomenquot;, waartoe zij allen dan ook op bestemden tijd geraken ; wijl dus de zielen in dit overgangsverblijf samen tot de (Roomsche) Kerk behooren: zoo is naar de Roomsche voorstelling een deel van de Kerk in het vagevuur. Dus drie afdeelingen der eenige Kerk : de strijdende op aarde, de lijdende in het vagevuur, de zegepralende in den hemel.

2. Tegen de onschriftuurlijke stelling van eenen witóei-staat in den zin van Luthersche en vele andere universalisten (voorstanders van eene algemeene verzoening), volgens

\') praectpue; Catech. Roman. Cap. I. Pars X Qu. 5, alwaar de duae ecclesiae partes, triumphans una, militans altera, wel treffend omschreven worden.

2) Cat. Rom. P. I. Cap. VI. Qu. 3. Verklar. van den Meohelschen Cat. p. 105.

3) Zie Negende Hoofdstuk § 23. bl. 74. Twaalfde Hoofdstuk § 4ö. bl. 475.

184

-ocr page 201-

§ 2. DEELEN.

welken tot aan den jongsten dag toe de prediking des Evangelies ook onder de dooden, namelijk zoovelen het bij hun leven niet hadden gehoord, zou voortgaan, uit wie dan de zich bekeerenden en in Christus geloovenden nog zouden worden gered en toegebracht \')• Dies zou er een deel van de Kerk nog in de helie schuilen. Immers wat men ook van den Hades, in onderscheiding van de helle, zegge, de Schrift spreekt slechts van twee verblijfplaatsen der gestorvenen, van helle en hemel, van zalig en rampzalig. De Schrift duidt nergens aan, dat de Heere ook onbekeerd gestorvenen uit de helle tot zijne Kerk, zijne Gemeente, toebrengt: op aarde vergadert Hij haar, in de helle is geen deel van de Kerk.

§ 3. Triomfeerende Kerk.

De vereeniging der zaligen in den hemel noemt men de triomfeerende, zegepralende Kerk \'x), hetwelk zijn de geesten der volmaakte rechtvaardigen, al de gestorvene geloovigen, van het begin der wereld, van Abel af, wier getal voortgaande tot aan de voleinding der eeuwen aangroeit door zoovelen er in den Heere sterven. Het is de „heerlijke en gelukzalige verzameling dergenen, die de overwinning over de wereld, het vleesch en den Satan hebben behaald en die ontslagen zijnde van de moeilijkheden dezes levens de eeuwige gelukzaligheid genietenquot;, zooals ook de Roomsche Kerk erkent en belijdt 3). De

\') Zio Twaalfde Hoofdstuk § 30. bl. 426. v.v.

2) P. Van Mastrieht, Godgol. p. 412. Pictet. Grodgeleerdh. 11. p. 333.

3) Catech. Roman. Cap. I. Pars X. Qu. 5.

185

-ocr page 202-

§ 3. TRIOMFEERENDE KERK.

zalige dooden hebben niet meer te strijden, met dit leven is de strijd ten einde; de hemel is eene plaats van zegepraal.

De geloovigen op aarde en de zaligen in den hemel maken eene eenige Kerke uit. Van de gemeenschap tusschen beiden getuigt Hebr. 12 : 22, 23, waar tot de geloovigen in Christus wordt gezegd : Gij zijt gekomen, niet tot den tastelijken berg Sinaï, gelijk het oude Israël bij de wetgeving, maar tot den geestelijken berg Sion en de stad des levenden Gods, namelijk tot het hemelsche Jeruzalem en de vele duizenden (myriaden) der Engelen, de oudste bewoners van den hemel — niet als of de Engelen mede de Kerk uitmaakten, de Kerk (de Gemeente) bestaat uit menschen, uit zul ken die door Christus\' bloed zijn gekocht, hetgeen van de heilige, niet gevallene Engelen niet geldt\'), maar inzoover „zij ook dienaars van Christus en mededienstknechten der geloovigen zijnquot; (Kantteek.).

Tol de algemeene vergadering 2) (naar het oorspronkelijke eene feestvierende vergadering. Vreugde heerscht onder de heiligen en zaligen in den hemel. Hun dienen van God, hun volbrengen van zijnen wil, hun verheerlijken van zynen naam in zalige gehoorzaamheid is als eene bestendige, blijde feestviering,) en de gemeente*) der eerstgeborenen (naar Calvijn de aartsvaderen en de overige voorname leden der oude Kerk, de tvolke der getuigen Hebr. 12:1), die in de hemelen opgeschreven zijn (in het levensboek

1) Pidet, Godgel. II. p. 327» Zie Zesde Hoofdstuk § 17. bl. 707. v.v. (Efez. 1 : 10). Twaalfde Hoofdstuk § 41. bl. 478.

Trxv/iyvpK;, hier alleen in hot N. T., de LXX gebruiken het van de feest- en vierdagen Israels.

3) éxMWU.

186

-ocr page 203-

§ 3. TRIOMFEERENDE KERK.

des Lams van te voren, en dienvolgens nu als werkelijk ingezetene burgers van het hemelsche Jeruzalem, de stad des grooten Konings), en tot den Kuning en Opperheer zei ven van dezen hemelschen, heiligen burgerstaai, natne-Ip tot God den Rechter over allen of: tot den Rechter, den God van allen*) (van al de gezaligden uit den ouden dag, van Henoch en Noach, van Abraham en Izaak en Jakob, van David en zoo voort hun aller God ; maar een God die Rechter is, noodige herinnering voor de Hebreen, gepast bij de waarschuwingen voor afval v. 25 en u29) ; en tot de geesten der volmaakte rechtvaardigen ^).

Dit laatste zegt niet: die hunnen loop voleindigd hebben : want dat kon van al de zaligen gezegd worden. Het is te verstaan naar Hebr. 10 : 14: Met ééne offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt s) degenen die geheiligd worden. De geesten der volmaakte rechtvaardigen zijn de zalige zielen van die geloovigen, die eerst in den tijd na Christus\' offerande aflijvig waren geworden. Ook de oude geloovigen zijn op grond van Christus\' zoenofferande zalig geworden, maar de offerande was toen nog niet volbracht, hunne schuld was dus nog niet metterdaad voldaan. Eerst toen Christus stierf, geschiedde do verzoening der overtredingen die onder het eerste Testament waren. In dezen zin waren dan de geloovigen in den voortijd geen volmaakte rechtvaardigen.

1) naar don Griokschen Tekst; kx) Kpirij qsy itxvtuv,

2) Men moet niet vertalen 1 volmaakt rechtvaardigen, maar volmaakte rechtvaardigen; er staat iu hot Grioksch: ^txxiuv

TeTStelUftSVUV.

:l) TSTSteiuKSV.

187

-ocr page 204-

§ 3. TRIOMFEERENDE KERK.

De geloovigen in den voortijd, de hemelsche stad binnenkomende, vonden daar dan ook Jezus niet, zij zagen Hem daar eerst na zijne hemelvaart. Hij was naar zijne eeuwige Godheid, als Zoon Gods, als God den Vader gelijk; de menschheid had Hjj nog niet aangenomen. Daarom noemde de Apostel bij de gemeente der eerstgeborenen ook niet Jezus, maar God. Nu hij echter van de (leesten, van de zalige zielen der volmaakte rechtvaardigen spreekt, noemt, hy ook aanstonds (v. 24) den Middelaar des Nieuwen Testaments Jezus, en het bloed der besprenging, dat betere dingen spreekt dan Abel.

Inzonderheid de Openbaring van Johannes doet ons meermalen door eene opening in den hemel gluren en geeft ons een gezicht van de triomfeerende Kerk. Zoo Openb. 7 : 9. Nadat den verdrukten Christen hunne bewaring onder de oordeelen over de wereld is verzekerd, door het gezicht van de verzegeling, wordt hun tot nog meerderen troost de gemeente in hare hemelsche heerlijkheid en vreugde vertoond, die ook hun te wachten stond : Na dezen zag ik, zegt Johannes, en zie, een groote schare, die niemand tellen kon, uit alle natie en geslachten en volken en talen, staande voor den troon en voor het Lam, bekleed zijnde mei lange witte kleederen (beeld van heiligheid en heerlijkheid) en [palmtakken waren] in hunne handen (zinnebeeld van overwinning en feestelijke blijdschap, van zalige ruste na allen strijd).

In de zegepralende Kerk komt er geen of hij is lid van de strijdende geweest; en zoovelen er ware leden van de strijdende zijn, dezen komen allen in de zegepralende, geen één van hen blijft er buiten. De tweeërlei staat der

188

-ocr page 205-

§ 3. thiomfeerende kerk.

Kerk komt overeen met de twee Staten van haar Hoofd, vernedering en verhooging.

De Socinianen loochenen het tegenwoordig bestaan eener triomfeerende Kerk, overeenkomstig hunne (verwarde) denkbeelden van den staat der geloovige zielen na hare scheiding van het lichaam, zijnde als niet-zijnde, als niet-aanwezig tot aan den jongsten dag, waar zij nieuwe lichamen ontvangen. Volgens hen zal er eerst na Christus\' wederkomst eene triomfeerende Kerk zijn \'). — De nieuwere loochenaars van de onsterfelijkheid der ziel, van het voortbestaan der persoonlijkheid met individueel bewustzijn en gevoel, willen vanzelf niet weten van eene triomfeerende Kerk il).

§ 4. Strijdende Kerk.

Bij de innerlijke gemeenschap tusschen de Kerk in deze benedenwereld en in den hemel verschilt grootelijks beider staat. In den hemel wordt de wille Gods zonder zwarigheid en tegenstand volkomen gedaan. Op aarde is het

\' -FV. Spanhem. Controvorsiar. Elenchus od. 1694. p. 231 sq. P. Von Mastricht, Godgel. II. p. 737. III. p. 465. De Moor, Comment, in Marck XXXIV. 7, Pars VI. p. 602. Vergel. Schleiermacher, Der Christl. Glaube § 157. 1 ; De Kerk neemt telkens weer wereld in zich op, slaat derhalve ook steeds in het conjlict met do wereld en do zonde, en is dus nimmer volmaakt. In dezen toestand nu pleegt zij genoemd te worden de strijdende Kerk, wijl zij deels zich tegen de wereld he/tfi te verdedigen, deels de wereld moet zoeken te veroveren ; terwijl zij even daarom in den toestand der voleinding gedacht de triomfeerende heet, wijl dan wat wereld was gansch in haar verslonden en niet meer als hare tegenstelling daar is.

\'-) Hase, Hutt. rediv. § 129. 3te Aufl. S. 339.

189

-ocr page 206-

§ 4. STRIJDENDE KERK,

pene strijdende en bestredene Kerk. Niet onrecht is de Roomsche omschrijving: „De strijdende Kerk is de vergadering van alle geloovigen, die nog op aarde leven ; die hierom de strijdende wordt genoemd, omdat zij voortdurend krijg heeft te voeren legen zeer vreeselijke vijanden, de wereld, het vlecsch, den Satan.quot; Waarbij nog weer uitdrukkelijk wordt herinnerd : „Men moet niet denken, dat de triomfeerende en de strijdende twee Kerken zijn, maar het zijn twee deelen van eenzelfde Kerk, waarvan het eene deel het andere is voorgegaan en het hemelsche vaderland reeds bezit, terwijl het andere dagelijks navolgt, totdat zij eenmaal geheel met onzen Zaligmaker vereenigd in altoosdurende gelukzaligheid rust O-quot;

De rust is elders, is boven. Het leven op aarde is een gestadig strijden, voor de Kerk in \'t gemeen en voor iederen geloovige in het bijzonder, daar „onze doodvijanden, de duivel, do wereld en ons eigen vleesch, niet ophouden ons aan te vechtenquot; {Heidelb. Cat. Vr. 127).

190

De grondslagen der strijdende Kerk zijn reeds in het paradijs gelegd, Gen. 3 : 15 s). Daar heeft God zelf in genade en gerichte de heilzame vijandschap gezet tusschen de slang en de vrouw en tusschen beider zaad. De duivel is daar voor vijand verklaard. Hij is de aartsvijand, die niet ophoudt kwaad te stoken. In alle leugen en ongerechtigheid heeft hij de hand ; al vermomt en verschuilt hij zich, hij zit er achter. Tegen hem en legen al zijne antichristische werktuigen heeft de Kerk en heeft ieder

1) Catech. Roman. Cap. I. Pars X. Qu. 5. -) Zie hierover Tiende Hoofdstuk § 2. bl. 100.

-ocr page 207-

§ 4. STRIJDENDE KERK.

geloovige op aarde tot aan het einde toe te strijden, met geestelijke wapenen, Efez. 6 : 12 gt;).

En tegen de wereld, de goddelooze, Christus-vijandige menschenwereld, wier Overste (Efez. 2 : 2) hij is, en die, waar zij kan, do Kerk vervolgt, „tiranniseert, verdrukt en kweltquot; {Nederl. Belijd, des Gel. Art. XXXVII). Gelijk zij gedaan heeft aan het Hoofd, doet zij ook aan de leden. Christus heeft hot gezegd Joh. 15 : 19 ; Omdat gij van de wereld niet zijt, maar ik u uit de wereld heb uitverkoren, daarom haat u de wereld. 20. Een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer. Indien zij mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen. — Bij do vervolgingen door de wereld komen hare verleidingen, begoochelingen, bekoringen, waardoor deze Delila al monigen Simson heeft verstrikt.

Al het kwaad van buiten zou weinig vermogen, ware het binnen slechts zuiver. Maar daar liggen de wortelen van alle hoosbeid, en de vijand van buiten heeft eenen verraderlijken bondgenoot van binnen, die voor lederen geloovige den moeielijksten strijd veroorzaakt.

Dat is het vleesch : de (niet ingeschapen maar) aangeboren verdorven natuur en onaard, waarmede ieder wedergeborene tot aan zijnen dood moet worstelen. Gal. 5:17: Want het vleesch begeert tegen den Geest en de Geest tegen het vleesch; en deze staan tegen elkander, alzoo dat gij niet doet hetgeen gij wilt s)

\') Zio Zesde Hoofdstuk § 17. bl. 712 v. Zestiende Hoofdstuk § 8 bl. 824.

2) Zestiende Hoofdstuk § 8 bl. 824.

191

-ocr page 208-

§ 5. LEDEN DER STRIJDENDE KERK.

§ 5. Leden der strijdende Kerk-

Wie maken eigenlijk, dat zegt, in waarheid en werkelijkheid, de strijdende Kerk uit ? Degenen die strijden. ITaar naam reeds leert dit en teekent zelf bepaaldelijk haren omvang. Die den goeden strijd strijden, waarvan hierboven (§ 4) is gesproken, zijn de strijdende Kerk, en dezen alleen.

Het zijn dus de waar geloovigen, die uit de wereld, uit het rijk des Satans tot den geestelijken strijd geroepen gt;) zijn met eene hemelsche roeping. Ondubbelzinnig en beslist is dit uitgedrukt in onze Nederlandsche Belijdenis Art. XXVII: De eenige Katholieke of algemeene Kerk is eene heilige vergadering der tv are Ghristgeloovigen, al 1) hunne zaligheid verwachtende in Jezus Christus, gewasschen zijnde door zijn bloed, geheiligd en verzegeld door den Heiligen Geest.

Het zijn uitverkorenen en dienvolgens geroepenen s). De Heidelb, Catech. Vr. 54 verklaart: Dat de Zoon Gods uit het gansche menschelijke geslacht zich eene gemeente, die tot het eeuwige leven is uitverkoren, door zijnen Geest en Woord in eenigheid des waren geloofs van den beginne der wereld tot aan het einde vergadert, beschermt en onderhoudt, en dal ik van haar een levend lidmaat ben en eeuwig zal biljoen. Het zijn naar 1 Petr. 1 : 2 uitverkorenen naar den voorkennis Gods des Vaders, in de

192

1

- ) Latijnsche tokst: qui totam sviam salutem ia uno Jesu Christo exspoctaut. Do uitgave van H. P. Scholte heoft ioutiof: allen (omnes).

-ocr page 209-

§ 5. LEDEN DER STRIJDENDE KERK.

heiligmaking des Geestes, tot gehoorzaamheid en besprenging des Uoeds van Jezus Christus. En naar 1. Petr, 2 : 9 een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk, om te verkondigen de deugden desgenen die hen uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht.

Hoe vast dit staat, toch moet men zich wachten voor liefdeloos oordeelen. Kantteek, op Rom. 14 : 14 : Anderszins (te weten waar niet de wandel het tegendeel openbaarlijk toont) moet men al degenen, die het geloof van Christus belijden, naar het oordeel der liefde, houden voor zoodanig, die van Christus door zijnen dood verlost zijn (Vorgel. Twaalfde Hoofdstuk § 43). Uordr. Leerreg. Hoofdst. Ill en IV. De leero 15 : Voorts, van diegenen,

die hun geloof uiterlijk belijden en hun leven beteren, moet

\'

men naar het voorbeeld der Apostelen het beste oordeelen en spreken: want het binnenste des harten is onbekend.

§ 6. Onzichtbare Eerk.

Onzichtbaar is voor ons in deze benedenwereld de triomfeerende Kerk in den hemel, met het verheerlijkte Iloofd. Alleen het geloof neemt haar bestaan met volle verzekerdheid aan, op grond van Gods Woord.

Hier echter hebben wij te doen met de strijdende Kerk op aarde. Kan men deze met oogen zien ?

Er is in dezen behoorlijke onderscheiding noodig. 1. Onzichtbaar is de strijdende Kerk ten eerste, in haar geheel, in hare totaliteit: geen sterveling ziet met zijne oogen de gansche Kerk. Ten tweede, aangaande hare werkelijke deelgenooten, met gewisse onderkenning en

Giavcmoijor , Gorcf. Gol. leer. III. 13

193

-ocr page 210-

§ 6. ONZICHTBARE KERK.

uitzondering van de schijnbare. Bij God alleen zijn hare ware leden onfeilbaar bekend : Hij alleen kent zijne Kerk, ter oorzaak van hare verkiezing lt;). De kortzichtige mensch dwaalt en faalt in zijn oordeel. Oe Heere kent degenen die de zijnen zijn, 2 Tim. 2 ; 19. Jen derde, in haar innerlijk wezen. Zij leeft een verborgen leven. Kol. 3:3: haar leven is met Christus verborgen in God. Rom. 2 : 28, 29 : Want die is niet een Jood, die het in het openhaar is, noch die is de besnijdenis, die het in het vleesch is ; Maar die is een Jood, die het in het verborgen is, en de besnijdenis des harten in den geest, niet [in de] letter, [is de besnijdenis], wiens lof niet is uit de menschen, maar uit God.

In deze opzichten is de Kerk een voorwerp des geloofs en niet des gezichts. In de Twaalf geloofsartihelen wordt dan ook niet gezegd: Ik zie, maar: „ik geloof heilige, algemeene, Christelijke Kerk, de gemeenschap der heiligenquot;. Desgelijks in de Nederl. Belijdenis Art. XXVII: „Wij gelooven en belijden eene eenige Katholieke of algemeene Kerk.quot;

\') Calvin. Instit. IV. 1. 2: Soli Deo permittenda est cognitio suae ecclesiae, cujus fundamentum est arcana illius oloctio. Confess. Helvet. II. Cap. XVII. od. Tiguri 1566. fol27b Weshalve ook de Kerk onzichtbaar (ecclesia iuvisibilis) kan genoemd worden, niet dat de menschen onzichtbaar zijn, uit welke zij verzameld wordt, maar omdat zij voor onze oogen verborgen, Gode echter alleen bekend is en het menschelijke oordeel dikmaals ontgaat.

Over do onderscheiding van zichtbare en onzichtbare, uitwendige en inwendige Kerk handelt uitvoerig C. Vitringa, Doetrina Chiistianae Iloligionis, cur. Martin. Vitringa. Pars IX. Tom. 1. ed. 1789. p. 62—79, waar meii de gevoelens der voornaamste vaa onze oude Godgeleerden bijeen vindt.

194

-ocr page 211-

§ 6. onzichtbare kerk.

2. Intusschen is de Kerk niet alleen iets inwendigs en iets volstrekt onzichtbaars, zoodat zij alleenlijk in hare onzichtbaarheid de ware Kerk zou zijn. Integendeel haar leven wil zich uiten, heeft naar zijnen eigen aard den aanleg en trek om naar buiten te treden en zich te openbaren, in belijdenis, gemeenschapsoefening en door werking en invloed op de wereld \').

a. De Reformatoren hebben zich diesaangaande in den Locus de Ecclesia, in het Leerstuk van de Kerk, duidelijk genoeg verklaard, zijn echter veelszins misverstaan niet slechts door hunne wederpartijders maar ook door vrienden tot nu toe.

Op voorgang der Reformatoren mogen en moeten wij van de Kerk spreken in tweeërlei zin : ot in een nauweren, eigenlijken, óf in een ruimeren zin. Deze onderscheiding is schriftuurlijk, is wezenlijk gegrond op hetgeen de Schrift zelve van de Gemeente en de gemeenten leert.

Melanchion verklaart: Naar de Schriften is cte eigenlijk gezegde Kerk 1) de vergadering der heiligen, die waarlijk aan het Evangelie van Christus gelooven en den Heiligen Geest hebben. Evenwel bekennen wij, dat er onder hen vele huichelaren en boozen in dit leven gemengd zijn en gemeenschap hebben aan de uitwendige teekenen. Deswege en te dezen opzichte gelden zij als leden der Kerk en bekleeden zelfs ambten in haar»). Dus onderscheiding van hetgeen de Kerk is en hetgeen zich als Kerk voordoet.

1

) Ecclesia proprie dicta.

ï) Apologia Coafessiouis. IV, od. Rocheub. p. 150.

-ocr page 212-

§ 6. ONZICHTBARK KERK,

Calvijn \') leert: Op tweeërlei wijze spreken de Heilige Schriften van de Kerk. Soms wanneer zij de Kerk (de Gemeente) noemen, verstaan zij daardoor die, die het indei daad voor God is, tot ivelke geen anderen hehooren dan die door de genade der aanneming kinderen Gods, en door de heiligmaking des Geestes ware leden van Christus zijn, — Vaak echter benoemt de Schrift met den naam Kerk (Gemeente) de geheele menigte dergenen die belijden dat zij den eenigen God en Christus vereeren en die Doop, Avondmaal en prediking onderhouden. In deze zijn zeer vele huichelaren ondermenyd, die niets van Christus hebben dan den naam en schijn. Dus onderscheiding van hetgeen de Kerk is in do oogen Gods en hetgeen naar het aanzien der rnenschen Kerk wordt genoemd, In het eerste opzicht moeten wij haar, de voor ons onzichtbare en alleen bij God gekende, gelooven ; de zichtbare moeten wij onderkennen en gemeenschap met haar oefenen.

Het geloovig vasthouden der onzichtbare Kerk, was voor de Reformatoren van het grootst gewicht. Zoo konden zij van een uitwendig en zichtbaar kerkgenootschap scheiden, zonder te scheiden van de Kerk. Want om gemeenschap te hebben met de Kerk, is het niet noodig, haar zelve met de oogen te zien of met de handen te tasten*). Ja zonder de verzekerdheid huns geloofs van de onzichtbare Kerk zouden zij de uitwendige bestaande Kerk, die bij de menschen voor Kerk werd geacht, niet hebben kunnen verlaten, terwijl zij nu daarentegen wisten, dat zii, uitgaande, bij de ware Kerk bleven, ja dat zij juist

1) Calvin. Instit. IV. 1. 7.

2) Calvin. Instit. IV. 1. 3.

19G

-ocr page 213-

g 6. ONZICHTBARE KERK.

om gemeenschap met de ware Kerk te hebben, uit de gewaande, Roomsche Kerk moesten uitgaan, ook al wierden zjj er niet uit gebannen, wijl deze op onschriftuurlijke, valsche fundamenten stond i).

Deze waarheid van de onzichtbare Kerk is uitnemend bemoedigend en verheffend. Hoe donker het er soms voor het uitwendige mag uitzien en wat er voor de toekomst moge dreigen, vertroostend en moedgevend is het, te mogen golooven : de ware Kerk is er toch en blijft bestaan. En zielverheffend en iets groots is de gedachte en gevestigde bewustheid van lot die Kerk mede te behooren, die is geweest van den beginne der wereld af, alle eeuwen door en zal zijn tot aan het einde foe (Nederl. Belijd. Art. XXVII.)

b. De Roomschen willen van geen onzichtbare Kerk weten. Zij beschouwen de Kerk alleen als eene uitwendige zichtbare vergadering en verdeelen hare leden in vrome en onvrome. Naar de Protestantsche, schriftuurlijke leer (zie hierboven § 5) heeft de ware, onzichtbare Kerk geen ongeheiligde leden en maken zoodanigen, die Christus niet zijn ingelijfd, geen deel van die Kerk uit, die het lichaam van Christus is 2) (§ 1).

\') Calvin Inst.it. IV. 2. 2. — nullum pericnlum est, ne ab oxitiali tot flagitiorum participatione desclseendo, ab ecclesia Christi divellaraus.

2) Winer, Compar. Darstell. XIX. 4te Aufl. S. 230: Die ver-schiedem Ansicht von dem Verhdltnis der Unfromwen zur Kir-che — — hangt notwendig mit der Auffasmng der Kirche dis ausserliche oder innerliche {geistigé) Gemeinschaft zusammen; als dusserliche, sichtbare Gemeinschaft muss aber der Kafholicismus die Kirche betrachten, wenn er die komische Kirche in ihrem empirischen Bestehen als identisch mit der Kirche Christi erweisan will, sowie der Protestantismus sich selbst vernichtcte, wenn er die Kirche Christi ihrem Wesen nach als ausserliche Anstalt anerlccnnen wollte.

197

-ocr page 214-

§ G. ONZICHTBARE KERK.

Volgens het Protestantsche leerbegrip is de band, die de leden dor Kerk als zoodanig verbindt en samenhoudt, de gemeenschap mot Christus, hot levend geloof. Naar de Roomschen maakt geheel de menigte van gedoopte, uitwendige belijders, goede en kwade, die zich gezamenlijk aan den Roomschen Paus (den Opperpriester) onderwerpen, de Kerke uit, en is deze altijd zichtbaar op aarde.

De Roomschen leeren uitdrukkelijk: In de strijdende Kerk zijn twee soorten van menschen, goeden en god-deloozenquot;). Geheel in tegenspraak togen hun eigen begrip van do strijdende Kerk (zie hiervorens § 4 daar immers de goddoloozon niet strijden tegen wereld, vleesch en Satan. Buiten de Kerk zijn volgens hen alleen: de ongeloovigen (Heidenen), Kotters, Scheurmakers en die onder don Kerkban zijn gedaan \') ; terwijl van de overigen, al zijn het goddelooze en misdadige menschen, niet mug getwijfeld worden dat zij nog tot de Kerk hehooren.

De definitie der Reformatoren, van do ware, eigenlijke, in haar wezen onzichtbare Kork word door do Roomschen verworpen, als zijnde dezelfde ketterij dio door Hus was geleerd en door de Kerkvergadering te Konstanz 1415 veroordeeld. Men spotte met die onzichtbare Kerk, als zijnde oen utopie, een hersenschim, een Platonische Staat, die nergens was te vinden. Daartegen verzekerden de

\') Cat. Itom. Cap. I. Pars X. Qu. 6; In ecclesia militanti duo sunt homininum genera, bouoruui et improborum.

-) Infideles (ethnici), baeretici et schismatici, excommuni-cati. — De ceteris autem, quamvis iiuprobis et sceleratis homi-nibus, adbuc cos iu ecclesia persevorare dubitandum non est. Cat. Rom. P. I. Cap. X Qu. 8.

198

-ocr page 215-

§ 6. onzichtbare kerk.

Reformatoren: Wij droomen geen Platonischen Staat, zooals sommigen goddelooslijk spotten. Maar wij zeggen dat deze Kerk bestaat, zijnde de waar geloovigen en rechtvaardigen verstrooid door de geheele wereld gt;).

Deze Kerk is in en onder de zichtbare en uitwendige Kerk dat zegt onder hetgeen bij de menschen als Kerk wordt aangezien, verspreid en daaronder verborgen, en dus ook daarom onzichtbaar.

Niet als of dit twee Kerken waren, nevens elkander bestaande, ook niet dat de eenige Kerk in twee deelen verdeeld zou zijn, van elkander afgezonderd. Het zijn geen twee Kerken, noch afzonderlijke deelen der eenige Kerk, maar het is Kerk in tweeërlei zin genomen, óf in ruimer óf in nauweren en eigenlijken zin \').

Dies kan men zeggen, dat dezelfde Kerk in sommige opzichten zichtbaar en in sommige opzichten onzichtbaar is: maar men mag de Kerk daarom ntet deelen in eene zichtbare en eene onzichtbare Kerk. Dezelfde mensch is onzichtbaar ten opzichte van de ziel, verstand, wil, genegenheden, en hij is zichtbaar ten opzichte van hel lichaam en deszelfs bewegingen ; nochtans mag men daarom dienzelfden mensch niet afdeelen in een onzichtbaar en een zichtbaar mensch. Zoo ook kan men de kerk gemelde opzichten niet deelen in een zichtbare en eene onzichtbare Kerk: dat

\') Melanchton. Apolog. IV. ed. Roohenb. p. 148: Noque vero somniamus nos Platouicam civitatom, ut quidam impie cavil-lantur. Sed dicimus existero hano Ecolesiam, videlicet, vere credentes et justos sparsoa por totum orbem.

*) lila vero est proprie Ecclesia, quae habet Spirltum sanctum. Apol. IV. p. 149.

199

-ocr page 216-

§ 6. ONZICHTIURE KERK,

luidt als of er waren twee Kerken, en alsof iedere eene andere Kerke ivas i).

Hieruit is klaar, in welken zin wij van uitwendige en inwendige Kerk mogen spreken 1).

Ziel en lichaam saam zijn één mensch. Hetgeen de ziel voor het lichaam is, is de inwendige Kerk voor de uitwendige. Zonder de inwendige is de uitwendige een lijk. Zij mag op een Kerk lijken, zij is het niet. Eene of de uitwendige Kerk voor de ware houden, is zooveel als te zeggen : het lichaam is de mensch. Maar de ziel blijft leven ook zonder het lichaam. De inwendige Kerk is zoozeer de hoofdzaak en het wezenlijke, dat zij ook zonder de uitwendige blijft bestaan, evenals de mensch mensch blijft ook bij aflijvigheid. Vermolmt de uitwendige Kerk — en het is de weg des Heeren, de eene na de andere in hare vergankelijkheid ten toon te stellen\') —, de ware, wezenlijke Kerk, dat is de Kerk zelve blijft bestaan en ontvangt eens haar volkomen passend, heerlijk lichaam. In dezen zin is „lichamelijkheid het einde der wegen Gods;quot; niet pantheïstisch, als wier de geest zelf lichaam.

\') Bralcel, Eed, Godsd. I. p. 548.

2) Dat som mi go Protestantscho geloofsleeraars van eene onzichtbare Kerk nier, willen weten, heeft zij11011 grond deels in hun begrip van Kei\'k, deels hierin dat zij de tegenstelling van inwendig en nitwondig in absoluten, volstrekten en niet, zoo als het moet, in betrekkelijkeu zin neraon. Nttzsch, System. § 188. Anm. 2. Vergel. Ebrard, Dogmat. II. § 481, die aldaar en § 461 Anm. de uitdrukking» onzichtbare Kerkquot; bepaald verwerpt.

:\') Want ivij hebben hier geene blijvende stad (niet alleen wij\' zijn voorbijgaande, maar er is hier voor ons geen stad die bhjft, geene f/,évov7X ttcA/t), maar wij zoeken de toekomende, Hebr. 13 : 14.

200

-ocr page 217-

§ 6. ONZICHTBARE KERK.

In deze ware Kerk is hot Koninkrijk Gods, het Koninkrijk der hemelen. In de strijdende Kerk het Rijk der genade, in de zegepralende het Rijk der heerlijkheid. Wie waarlijk lid is van de strijdende Kerk, is burger in hot Genaderijk en wordt eens lid van de zegepralende Kerk en deeigo-noot van het Rijk der heerlijkheid. Het Rijk der genade is niet buiten de Kerk: dies is er buiten haar geene zaligheid Nederl. Belijd. Art. XXVUI). Van geene uitwendige Kerk mag dit worden gezegd.

§ 7. Hare eigenschappen.

Deze ware, onzichtbare Kerk (Gemeente) is heilig, eene heilige vergadering. Dat is zy doordat zij gewasschen is door Christus\' bloed en geheiligd en verzegeld door den Heiligen Geest (Nederl. Belijd. Art. XXVII), die in haar woont en werkt.

Zij is béne in getal. Er zijn geen twee of meer zulke Kerken. God heeft maar ééne gemeente, één verbondsvolk, Christus heeft maar één lichaam. Eén lichaam is het en één Geest; al de leden zijn tot ééne hope geroepen; Eén Heere, één geloof, één doop, Eén God en Vader van allen. Efez. 4 : 4. (1 Kor. 12 : 20). Eén fundament is er gelegd, hetwelk is Jezus Christus (l Kor. 3 : 11), het kan^dan ook maar één huis zijn, dat daarop is gebouwd, een geestelijk huis van levende steenen (1 Pelr. 2 : 5). Christus heeft maar ééne Bruid (Joh. 3 : 29. Openb. 19:7,8); Hij, de meerdere Salomo, betuigt dat ook in het zinnebeeldig Hooglied, hetwelk het verlichte Israël geestelijk verstond en Josephus zonder meer tot de profetische Schriften rekent en waarin (gelijk ook in den 45sten Psalm)

201

-ocr page 218-

§ 7. HARE EIGENSCHAPPEN.

de betrekking des Heeren tot de Gemeente onder het beeld van Bruidegom en Bruid wordt voorgesteld \'). Hij zegt Hoogl. 6:9: Eene eenige is mijne duive, mijne volmaakte, de eenige harer moeder (Gal. 4 : 26), zij is de zuivere dergene die haar gebaard heeft.

Zij is algemem, katholiek. Dit goede woord katholiek, sedert de 2de helft der 2de eeuw van de Kerk gebruikelijk, beteekende oorspronkelijk niet eene innerlijke, onderscheidende eigenschap der Kerk, maar hare plaatselijke uitgestrektheid 4).

Te recht verklaart onze Nederl. Belijd. Art. XXVII: Deze Heilige Kerk is niet gelegen, gebonden of bepaald in eene zekere plaats of aan zekere personen, maar zij is

\') Hengstenberg, Commentar zu Ps. 45. Idem zn Joh. 3:29; zu Oflenbar. 19 : 7.

Bij Hoogl. 6 : 8 teekeuon onzo Kantteekenaren aan : Het schijnt dat door de 60 Koninginnen en de 80 bijwijven verstaan worden die kerken, die zich voor ware kerken uitgeven, maar geene inwendige geestelijke gemeenschap met den Bruidegom Christus hebben, hoewel zij door Gods genade daartoe kunnen gebracht worden. Door de maagden zonder getal {dienstmaagden of staatjonkvrouwen der Koninginnen) wordt verstaan het volk, dat van de grooten dependeert en zich van dezen laat leiden, \'t welk verre de grootste hoop in de wereld is. Hierin ligt waarheid : onderscheiding tusschen schijngemeenschap en ware vereeniging. De Bruiflegom heeft maar ééne ware Bruid, waartegen de genoemde veelheid in het zinnebeeld niet strijdt, da es noch nie Sitte ge-gewesen, mehr als eine Fran zuhleicii zu nehmen. Hengstenberg, Commentar über dio Psalmen II S. 400. zu Ps. 45.

J) «cxAijo-/# xxQohixy d. i. $ kxO\' tyv yijv of ^ kxöóXcv sxKXsvix. Die in «As? angezeigte Ganzheit bezog sich nicht auf sx.y.\'/.yTix; sie ist auch blos spdtere Ausdeutung. Niedner, Kir-chongesch. S. 211. Joh. Cas. Suicer. Symbolum Nicaeno-Constantinop. 1718. p. 337,

202

-ocr page 219-

§ 7. HARE EIGENSCHAPPEN.

verspreid en verstrooid door de geheele wereld: nochtans te samen gevoegd en vereenigd zijnde met hart en wille in eenen zelfden Geest, door de kracht des geloofs.

Later werd deze benaming, katholiek, gebezigd in den zin van rechtzinnig, in tegenstelling tegen de ketters en scheurmakers, zoodat men sprak van de katholieke Kerk in Smyrna, in Alexandria, in Konstantinopel •) enz.

Ten onrechte matigt zich de Roomsche Kerk den schoonen naam Katholiek alleen aan en leert dat er buiten haar geene zaligheid is. In waarheid zyn al de geloovigen te aller plaatse, maar dezen ook alleen, te zamen de Katholieke Kerk. Haar vergadert de Heere uit de geheele wereld (Mare. 16 : 15. Matth. 28 : lü), uit alle natie en geslachten en volken en talen (Openb. 7 : 9).

Eti deze heilige Kerk wordt van God bewaard en staande gehouden tegen het woeden der geheele wereld : hoewel zij somwijlen een tijd lang zeer klein en als tot niet schijnt gekomen te zijn in de oogen der menschen. Gelijk zich de Heere gedurende den gevuarlijhen tijd onder Achab (1 Kon. 19 : 18J zeven duizend menschen behouden heeft, die hunne knieën voor Baal niet gebogen hadden. (Nederl. Belijd. Art. XXV11). Al is het dan ook dat de droeve verwoesting die ons van alle kanten tegenkomt, uitschreeuwt: er is niets van de Kerk overig: wij zullen toeten dat Christus\' dood vrucht draagt en dat God zijne Kerk als in schuilhoeken bewaart J).

\') Suicer. o. W. p. 338. Witsius, Exercitat. iu iSymbol. Apost. XXIV. § 20.

2) Calvin. Instit. IV. I, 2. extr.

203

-ocr page 220-

§ 8, HAAR HOOFD.

§ 8. Haar Hoofd.

1. Gelijk ons lichaam wel vele leden doch maar één hoofd hoeft, zoo ook de Kerk, de Gemeente. Christus is haar Hoofd, Hij alleen.

a. Hij is haar Opperhoofd. Hij zgM sprak tot de. scharen en tot zijne discipelen: Eén is uw Meester, [namelijk] Christus; en gij zijt allen broeders, Matth. 23 : 1, 8.

Hij haar echtelijk Hoofd. Paulus, de vrouwen tot onderdanigheid vermanende, zegt Efez. 5 : 23 : Want de man is het hoofd der vrouw (omdat zij oorspronkelijk uit den man is, been van zijne beenen en vleesch van zijnen vleesche Gen. 2 : 23 ; de man is dan ook in betrekkelijken zin haar onderhouder, verzorger en beschermer), gelijk ook Christus hef Hoofd der Gemeente is (der leden zijns lichaams, van zijnen vleesche en van zijne beenen Ef. 5 : 30) ; en Hij is (in hoogeren, volmaakten zin) de Behouder des lichaams. Uit Hem, in wien naar het welbehagen des Vaders al de volheid woont, ontvangt de gemeente Geest en leven, licht en waarheid, wijsheid, gerechtigheid en sterkte. Alle geestelijke levenskracht en heilige beweging gaat van Hem uit, gelijk Hij gezegd heeft: Zonder mij kunt gij niets doen (Joh. 15:5). Wat is een lichaam zonder Hoofd ? Wat is de mensch zonder Christus? Levenloos, dood door de misdaden en zonden. Kon de gemeente ooit dit Hoofd verliezen, het ware met haar gedaan. Ja, zonder Hem zou zij niet eens bestaan.

b. Daar de Gemeente zijn lichaam wordt genoemd, zoo is Hij dan ook in meer eigenlijken, hoewel altijd in geestelijken zin, haar Hoofd. Hij is voor de gemeente wat

204

-ocr page 221-

§ 8. HAAK HOOFD.

ons hoofd voor ons lichaam is. Efez. 1 : 22, 23 \'): De

God onzes Heeren Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, heeft alle dingen zijnen voelen onderworpen en heeft Hem der gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen, Welke zijn lichaam is [en] de vervulling (met de geestelijke gaven) desgenen (des Vaders, die Hem tot een Hoofd heeft gegeven) die alles (al de vaten, al hunne deelen en vermogens, verstand, oordeel, wil, geweten) in allen (in al de leden des lichaams, in al de personen die de gemeente uitmaken) vervult (met zijne heerlijkheid, zoodat aan de gemeente wordt verwezenlijkt wat aan haar voorbeeld, den Tabernakel Gods eens gebeurde Exod. 40 : 34: De heerlijkheid des Heeren vervulde den Tabernakel).

Ook hieruit blijkt dat geen uitwendige Kerk in haar geheel, zoo te zeggen met huid en haar, het lichaam van Christus is.

Ook staat het vast dat de Kerk, zelfs in hare hoogste volmaaktheid, altijd maar het lichaam blijft: zij zelve kan het Hoofd niet zijn.

Ook is er geen plaats voor een ander Hoofd, voor een zichtbaar vertegenwoordiger van het onzichtbare Hoofd. Want Christus alleen heet en is en blijft het Floofd, het eenige, hetwelk God der gemeente heeft gegeven.

c. Dat erkent en belijdt de ware Gemeente, houdende Jezus Christus voor het eenige Hoofd (Nederl. Belijd. Art. XXIX), en leerende. Dat Christus daarom ten hemel gevaren is, opdat Hij zich zeiven daar (op aarde onzichtbaar) bewijze als Hoofd zijner Christelijke Kerke, door hetwelk de Vader alle ding regeert fHeidelb. Cat. Vr. 50).

\') Zio Elfde Hoofdstuk § 31. § 32. Ennader, Dertiende Hootd-stuk § 19.

205

-ocr page 222-

§ 8. HAAR HOOFD.

Treffend verklaart de Tweede Zwitsersche Belijdenis \'): Hoofd is het gene in het lichaam de hoogste plaats bekleedt, en waaruit het lichaam het leven haalt, door welks geest het in al de leden geregeerd wordt, vanwaar het zijnen wasdom en zijne groeikracht heeft. Desgelijks is het Hoofd des lie ha cans maar één en heeft overeenkomst met het lichaam. Dies kan de Kerk geenerlei ander Hoofd hebben dan Christus. Want gelijk de Kerk een geestelijk lichaam is, zoo moet zij noodzakelijk een geestelijk Hoofd hebben, dat alleen voor haar past. En zij kan niet geregeerd worden door een anderen Geest dan door den Geest van Christus. Ook Paulus zegt: Hij is het Hoofd des lichaams [namelijk] der gemeente, Hij die Het Begin is, de eerstgeborene uit de dooden, opdat Hij in allen de eerste zoude zijn, Kol. 1 : 18. — — Dies verwerpen wij de leer der Roomsche Geestelijkheid, die haren Priester te Rome maakt tot algemeenen herder en tot opperhoofd der katholieke strijdende Kerk op aarde, ja tot waren plaatsbekleeder van Christus, met volle macht en opperheerschappij in de Kerk. Want wij leer en dat Christus de lieer e is en de eenige algemeene Herder blijft, desgelijks de Hoogepriester voor God den Vader, en dat in de Kerk Hij zelf al de ambtswerken van Friester of Herder waarneemt, tot aan het einde der eeuwe, en derhalve geenen plaatsbekleeder noodig heeft, die immers alleen voor eenen afwezende te pas komt. Christus echter is bij en in de Kerk tegenwoordig, en is het levendmakend Hoofd.

\') Confessio Helvetica II. Cap. XVII. od. Tiguri (Zürich) 1566. fol. 25 : Caput ust quod in corpore omimmtiam habet, et unde corpus vitam haurit, cajus Splritu regitur in omnibus, uude et iucremonta et ut crescat habot. cett.

206

-ocr page 223-

§ 8. HAAR HOOFD.

Dit is Protestmtsche leer. „De Kerk op aarde heeft alleen een onzichtbaar Opperhoofd, Jezus Christus.quot; Ook de Grieksche\') Kerk verklaart in hare Belijdenis: „Wij leeren, dat alleen Christus het Hoofd is der Kerke, naar de leere des Apostels Efez. 5 : 23.quot; Van eenen Paus willen de Grieken niet weten, zij betuigen: „Het is iets ongehoords bij de katholieke (rechtzinnige) Kerk een sterfelijk mensch, aan tallooze zonden schuldig, Hoofd der Kerk te noemen.quot; Intusschen erkennen de Grieken vier Patriarchen2), van Konstantinopel, Alexandrië, Antiochië en Jeruzalem, doch schrijven hun een evenge-lijken rang toe.

2. Naar de Roomsche leer daarentegen „heeft de Kerk op aarde ook een zichtbaar Hoofd, hetwelk is de bisschop te Rome, de Paus, zijnde de opvolger van Petrus, die door Christus zei ven tot Opperbisschop en tot plaats-bekleeder of Stedehouder was aangesteld.quot; Eene leer, die eerst in de 8ste tot de 11de eeuw is opgekomen en gevestigd \').

Volgens de Roomsche Kerkleer heeft de Paus, zijnde onfeilbaar, in geloofs- en gewetenszaken te gebieden en moet als Christus\' plaatsbekleeder door alle Christenen vereerd worden.

Intusschen is de onfeilbaarheid en onbeperkte macht van den Paus alleen en als zoodanig, zonder vereeniging met de algemeene Kerkvergaderingen (Conciliën), door

\') Winer, Compar. Darstell. 1882. S. 239.

Hoo over dozen do Roomsche Kerk oordeelt, blijkt uit den Catechism. Itoman. Pars II, Cap. VII. Qu. 25.

3) Van den Paus ou zijne macht zie Eerste Hoofdstuk § 26. Elfde Hoofdstuk §37.

207

-ocr page 224-

§ 8. HAAR HOOFD.

velen in de Katholieke Kerk bestreden en verworpen, bijzonder in Frankrijk \'). Maar op het Vaticaansch Concilie in den jare 1870 2) is de onfeilbaarheid des Pausen als dogma, als kerkelijk leerstuk, vastgesteld en daarmede op nieuw het volstrekt oppergezag van den Paus bevestigd. Bij is hiernaar ordelijke en onmiddelbare Opperbisschop ; hij heeft zijn gezag niet eerst van de Kerk, de Kerk heeft het hem niet opgedragen, maar hij heeft het naar Goddelijk recht, door Christus\' eigen bestel, die het rechtstreeks aan Petrus gaf, wiens geregelde en wettelijke opvolgers de Pausen te Rome zijn. De Paus heeft volle rechtsmacht (jurisdictie) over de gansche Kerk, ook ten aanzien van de leer (potestas magisterii). Het is niet geoorloofd, zijne uitspraak (judicium) te critiseeren of zich van hem op een algemeen concilie, als eene hoogere autoriteit, te beroepen \').

De Roomschen achten Petrus in het Primaat over geheel de Kerk op aarde door Christus ingezet Matth. 16 : 18. De Apostel had daar de schoone belijdenis gedaan: Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods. Toen zeide Jezus lot hem : Zalig zijt gij, Simon Bar-Jona, want vleesch en bloed heeft u [dat] niet geopenbaard, maar mijn Vader, die in de hemelen is. En ik zeg u ook, dat gij zijt Petrus en op deze Petra zal ik mijne gemeente bomven en de poorten der helle zullen dezelve niet overweldigen, En ik zal u geven de sleutels van het Koninkrijk der hemelen.

1) Strijd over do Gallicaansche Vrijheden, Libertatos ecclesiae gallicauae, geheel do 17do eeuw door. Niedner, Kirchengesch. S. 740 f.

\'2) Winer, Compar. Darst. 1882. S. 10 f.

j) Winer a. W. S. 238, waar deze Vaticaausclie Besluiten aangehaald ziju. Vergel. Cat. Rom. P. II. Cap. VII. Qn. 25.

208

-ocr page 225-

§ 8. HAAR HOOFD.

Het Grieksche woord Petros (evenals Petra, beide bij de Grieken gebruikelijk ; Arameesch Kephn) belcekent steen, steenrots.

Wij mogen niet denken, dat Jezus bij het zeggen op deze Petra met den vinger op zich wees; hadde Hij daarmede zich bedoeld, dan hadde Hij niet den Apostel, maar\' zich zeiven Petrus moeten noemen, en dan lag er in geheel deze uitspraak niets bijzonders voor den Apostel, tot wien zij toch was gericht. En tot hem zegt immers de Heere: Gij zijt Petrus, gij zijt een rotsman, en op deze petra *), op deze rots zal ik mijne gemeente bouwen.

Hiermede deed Jesus noch zich noch den anderen Apostelen tekort. Immers Hij eigent zich het bouwen toe : Ik zal bouwen, en de gemeente is zijn gebouw, zijn werk : mijne gemeente. Ook zegt Hij niet: op deze petra zal ik mijne gemeente gronden, maar bouwen *), optrekken, opvoeren. De diepste, eigenlijke grond, het ware en eenige fundament is Christus zelf, naar zijn eigene verklaring Matth. 21 : 42, zooals Paulus gedurig inscherpt (Efez. 2 : 20 e. a. pl.) en ook Petrus zelf leert (l Petr. 2 : 6). De ware steenrots is Christus.

Toch ziet en erkent de Heiland in Petrus eene steenrots, en dat is zijn steenvast geloof en zijn manmoedig belijden der waarheid. Dit duidt Jezus zelf aan, doordat Hij eerst zegt: Gij zijt Petrus, maar dan zakelijk, van hetgeen Hij in Petrus erkende: Op deze steenrots, op dit geloof en belijden, zal ik mijne gemeente bouwen. Twee jaren

\') Eensluidend zijn beide woorden in de Fransche vertaling; Tu es Pierre, et sur cètte pierre fédiferai mon Eglise.

2) Niot ÖsimXimtm, maar

öravomogor, Gcrof, Gol. leer. 111. 14

209

-ocr page 226-

§ 8. HAAR HOOFD.

tevoren had de Heere tot hem gezegd; Gij zult genaamd worden Kephas, Petrus. Nu, na zijne heerlijke belijdenis is het: Gij zijt Petrus. Zijn geloof zou nog wel zwaar beproefd worden, doch het zou niet ophouden, maar onder alle stormen onbeweeglijk staan als eene rots, tot het op den Pinksterdag in volle sterkte en kracht uitkwam. Van toen begon de Heere op deze steenrots zijne gemeente te bouwen, in Israël (Hand. 2 ; 14, 41) en onder de Heidenen (Hand. 10 : 44).

Staat Petrus ontegenzeglijk in rang\') voorop onder de Apostelen, als woordvoerder, voorganger en eerste leider der gemeente, hij is - evenwel niet gesteld tot hoofd, vorst en heerscher over de anderen of over geheel de gemeente. Hij is dienaar des Heeren, gelijk de anderen. Ook van hem geldt hetgeen Paulus zegt 1 Kor. 3 : 5 : Wie is dan Paulus en wie is Apolios, anders dan dienaars, (bouwlieden onder den bouwmeester) door ivelke gij geloofd hebt, en [dat] gelijk de Heere eenen iegelijk gegeven heeft? Petrus zelf verklaart zich tegen alle hecrschappijvoering over het erfdeel des Heeren (1 Petr. 5:3). — En zegt Christus hier bij Matth. 16 : 19 de sleutelen des hemel-rijks aan Petrus toe, Ilij geeft ze Joh. 20 : 23 aan de Apostelen gezamenlijk, ja aan de gemeente Matth. 18 : 18, en wel aan iedere particuliere gemeente, waar twee of drie in den naam des Heeren Jezus vergaderd zijn.

210

Dat Petrus het bisschopsambt te Rome zou hebben

\') Calvin. Inst. IV. 6. 5: Priores sane habeat Petrus: multam ta nen interest inter honorem ordinos et potestatem. Vide-mus Apostoles hoe fure Petro detulisse, ut in oootu verba faueret et quodam modo praeiret, referendo, hortando, monendo; sed de potestato nihil omnino logimus.

-ocr page 227-

§ 8. HAAR HOOFD. 211

bekleed, is eene fabel. Al is hij in Rome geweest en daar als martelaar ter dood gebracht\'), bisschop was hij er niet, maar Apostel. „De gemeente, te Rome bestaande, bezat hare ordinaire dienaren ; dezen hadden in den loop der tijden weer hunne opvolgers, die naderhand, ontaardende, heeren en pausen zijn geworden J).quot; Ha Apostel had als zoodanig geen opvolger.

Apostelen kent de Schrift niet meer dan twaalf en onder dezen heeft er geen de macht over de anderen. Van twaalf tronen spreekt Christus, Matth. 19 : 28. En van het Nieuwe Jeruzalem, hetwelk Johannes zag, wordt gezegd Openb. 21 : 14: De muur der stad had twaalf fundamenten en in dezelve de namen der twaalf Apostelen des Lams. De muur bestond uit 12 afdeelingen. In ieder deel, van de eene der 12 poorten tot de andere, lag een evenzoo lange fundamentsteen, zichtbaar, dus boven den grond (het eigenlijke fundament lag alzoo dieper). Op iederen van deze 12 steenen, Johannes zag het, stond de naam van eenen der 12 Apostelen. Het fundament en Hoofd is Christus, en wel als het Lam, daar in zijn bloed de gemeente is gegrond. De twaalven zijn slechts Apostelen, gezanten des Lams. Maar zij zijn de eenige Apostelen voor altijd, hunne leer blijft als fundamenteel gelden al de eeuwen door. Twaal\' Apostelen, geen dertien. Matthias

v

is verdwenen, in zijne plaats is Paulus gezet s) (1 Kor. 9 : 1. 1. Gal. 1 ; 1.

3. De Protestant verzet zich tegen alles wat de heer-

\') Niedner, Kirchengesch. S. 11G. f.

2) Bengel, Gnomou in Mattb. 16 : 18.

a) Hengstenberg, Offoubarung dos heil. Joh. 21 : 14.

-ocr page 228-

§ 8 HAAB HOOFD.

lijkheid en souvereiniteit van het. eenige Hoofd Christus bekort, en verwerpt zulks te recht als antichristisch. En het valt niet te miskennen, dat er in het Pausdom, alleen reeds is het stellen van een tweede, een aardsch Hoofd nevens het eenige, hemelsche, een antichristische trek schuilt.

Maar te ver gaat men, wanneer men zegt: De Paus is de Antichrist.

Tot dit beweren kwam men in bange dagen, waar de geloovigen bitter van het Pausdom te lijden hadden. Aldus in de latere tijden der middeleeuwen, waar onder den druk der pauselijke tirannij getrouwe leeraren of partijen, de Waldenzen en daarna de Wiclefieten en Husieten op den Paus, of nauwkeuriger op het Pausdom toepasten hetgeen Paulus profeteert 2 Thess. 2:3, 4 van den mensch der zonde, den zoon des ver derfs, Die zich teg en-stelt en verheft hoven al wat God genaamd of [als God] geëerd wordt, alzoo dat hij in den tempel Gods als een God zal zitten, zich zeiven vertoonende dat hij God is. Dat dit, wel niet op een enkelen Paus maar collectief, op al de Pausen gezamenlijk, dus op het Pausdom zag, was in de tijden der Kerkhervorming het heerschend gevoelen onder de Protestanten.

In de Belijdenisschriften i) onzer Nederl. Geref. Kerk is

\') Doch spreekt de Voorrede voor de Dordsche Leerregeleu van tyrcinuiG des lioomschen Antichrists, Moor uitdrukkelijk verklaren zich Luthersche Symbolen. In de Apologia Confesst-ont\'s (van Melanchthon) ed. Rechenb. p. 208 nog minder bepaald. Daar wordt gezegd, togen de Roomsche leer van rechtvaar-digmaking uit de werken : Dus zal het Pausdom ook een deel zijn van het rijk des Antichrists (pars regni Antichristi), wanneer

212

-ocr page 229-

§ 8. HAAR HOOFD.

dit niet stellig uitgesproken. Alleenlijk wordt in de Nederl, Belijd, des Gel. Art. XXXVI, ongetwijfeld met het oog op de pauselijke heerschappij in de Roomsche Kerk, het rijk des Antichrists genoemd, in tegenstelling tegen het Koninkrijk van Jezus Christus. Maar bij onze oude Gereformeerde Godgeleerden \'), evenals bij de Luthersche,

het de menschelijlce diensten zóó voorstaat, omdat zij zouden rechtvaardig maken.

Beslister do Artie. Smalcald. (van Lut-hor) ed. Rechonb. p. 314: De Roomsche leer bewijst, dat de Paus is de ware Antichrist zelf (Papain esse ipsum verum Anti-Christum), die zich hoven en tegen Christus heeft verheven, nademaal hij de Christenen niet wil zalig doen zijn zonder zijne macht. Dat is, om het eigenlijk te zeggen, zich verheffen boven en tegen God, gelijk Par dus 2 Thess. 2 spreekt. Ook in de Solida Declaratio od. Rech. p. 795 wordt de Paus rechtstreeks de Antichrist genoemd, dien wij niet voor Hoofd of Heer erkennen kunnen. Want liegen, onschuldig bloed vergieten, lichamen en zielen in H eeuwig verderf storten, dat is de eigen aard van \'t pauselijke rijk.

Met do Artic. Smalcald. komt overeen in beslistheid de Gereformeerde Schotsche Belijdenis (Scoticana Confessio, uegativa van 1581, In H. A. Niomeyer\'s Oollectio Confession, p. 369).

\') Calvin. Instit. IV. 2. 12 en IV. 7. 25 noemt don Paus dux et antesignanus van het goddolooze en afschuwelijke rijk des Antichrists. Dezelfde, Commontar. in 2 Thess. 2 : 3 verzekert : Hetgeen Paulus zegt, zien wij vervuld in het Pausdom, videmus impletum in Papata. En ibid, op v. 4 meent hij : een tienjarige jongen zal zonder veel moeite in den Paus den Antichrist erkennen.

Onze Kantteekenaren beweren bij 2 Thess. 2:6: IVie nu deze Antichrist is, die deze macht in het Christendom vele honderden jaren heeft geüsurpeerd, wordt klaarlijk aangewezen Openb. 13 : 17, 18 (de zevenhoofdige ]3ostie uit de zoo der volken).- - Ouder de voorstanders van dit gevoelen bekleedt j,\'een geringe plaats Brakel, Red. Godsd. I. p. 581. v.v. III. p.2I5. v.v. (Verklaring van de Openbar. Joh.), met Camp. Vitringa, ondor de Lutheranen Joh. Alb. Bengel.

213

-ocr page 230-

§ 8. HAAR HOOFD.

werd het als zeker aangenomen en gold haast als een geloofsartikel.

Intusschon het komt op waarheid aan. Want de waarheid is bovenal (Nederl. Belijd. Art. VII. 2 Kor. 13 : 8).

Hoe zeer nu in het Pausdom, vooral tegen het einde der middeleeuwen, onmiskenbaar eene antichristische macht zich openbaarde, gedoogt toch de waarheid niet, den Paus voor den Antichrist te verklaren en de teekening des Apostels 2 Thess. 2 zonder meer op den Paus of het Pausdom toe te passen i).

Want do Paus heeft zich nooit verheven hoven al wat God genaamd of als God geëerd wordt, maar heeft al zijne macht nog steeds van Christus afgeleid en zich als leenman, Christus als zijnen leenheer voorgesteld. Zegt men : „dit was slechts een voorgeven, was huichelarij,quot; dan past hem nog des te minder het kleed, hetwelk do Apostel ons vertoont. Want die zich verheft hoven al wat God genaamd of als God geëerd wordt, is geen huichelende, schijnbare vriend, geen veinzende, bedekte, vermomde tegenstander, maar openbaar, beslist vijand.

Hiertegen strijdt niet hetgeen Paulus profeteert, dat deze wederpartijder in den tempel Gods zal zitten. De tempel is ongetwijfeld de gemeente, de Kork. Maar hoe zal hij daar zitten ? Onder den schijn van vriendschap ? als huichelend vootstander ? Neen, maar als een God, zich zeiven vertoonende dat hij God is. Hij treedt niet op in den naam van God of van Christus (zooals de Paus

\') Do verschillende opvattingen van 2 Thess. 2 vindt men o.a. bij Lünemann in Meyers Handbnch, 8te Aufi. S. 214—230. Bijzonder belangrijk is do verklaring van Olshausen, in zijn Commentar z. d. St. en van Van Qtrlach, Eiuleit, zu 2 Thess. 2,

214

-ocr page 231-

§ 8. HAAR HOOFD. 215

wel doet), maar stout neemt hij de plaats, die aan God toekomt, in beslag en verklaart openlijk dat hij God is en als God wil geëerd worden. En zoo verheft hij zich bovoi al wal God heet en wil geenen God boven zich noch nevens zich dulden. Hij wil God en Christus, dus al wat in de Kerk God genaamd of als God geëerd wordt, uit de Kerk verdringen. Dat wil de Paus niet.

En wat ai leeringen en gebruiken, strijdig tegen Gods Woord, door het Pausdom ook zijn ingevoerd, toch liet het vele allergewichtigste, fundamenteele waarheden niet alleen onaangetast, maar handhaafde en verdedigde ze tegen het ongeloof, getrouwer dan soms Protestantsche Kerken. Zoo de grondleer des Christendoms : de Goddelijke Drieëenheid; met hetgeen daaraan hangt, inzonderheid Christus\' eeuwige Godheid, de persoonlijkheid des Heiligen Geestes, de menschwording van Gods Zoon, zijn plaats-bekleedend, verzoenend lijden en sterven enz. Op den Paus of de volgreeks van Pausen, hiervoor met kracht uitkomende, past de figuur niet door Paulus geteekend.

Bovendien het is bij den Apostel niet eene volgreeks van personen, maar een bepaald individu : de mensch der zonde, de zoon des verderfs. Al heeft hij zijne voorloopers en wegbereiders, hij zal geopenbaard worden in zijn eigen (hem bestemden) tijd (2 Thess. 2 : G, 8). Wie er achter zit, zegt Paulus v. 7 : de Satan.

Men dient hierbij te onderscheiden : zaak (antichristendom) en persoon (Antichrist).

Een Antichristendom openbaarde zich, zoodra het Christendom openbaar werd, 2 Thess. 2:7quot;: want de verborgenheid der ongerechtigheid wordt aireede gewrocht

?

-ocr page 232-

§ 9. ZICHTBARE KERK.

(komt repds in werking), 1 Joh. 2 : 18, 22. 4 ; 3«). Vergel. Matth. 13 : 26. Maar de eigenlijke Antichrist, de mensch dor zonde, do zoon dos verderfs, is geen onpersoonlijk beginsel, geen denkbeeldig persoon, geen geper-soniüseerde vijand, ook geen ambt (pauselijke macht, geen orde of reeks van personen (Pausen) maar één mensch, een bijzonder persoon l). Een individu dus, met satanische krachten begaafd, het machtigste werktuig van den Satan in zijn laatsten, heftigsten stryd, welken hij, wanneer de slagboom valt die hem nog weerhoudt, togen Christus waagt.

§ 9 Zichtbare Kerk-

1. Wij komen nu tot hetgeen in ruimer zin (§ 6.) Kerk wordt genoemd : de uitwendige Kerk. Wie maken deze uit ?

a. Vast staat dat alleen degenen in waarheid Christenen

kunnen genaamd worden, die door het geloove lidmaten

\') lu do Brieven van Johannes komt alleen do naam xvrixpiaros voor, en deze beleekent niet een die in vlaaïs van Christus optreedt, zich zijne waardigheid aanmatigt; dit ligt veelmeer in het woord ; maar hot beduidt do vijandelijke

tegenstelling, dien die vol haat tegen Christus is. Olshausen, Cooimentar. IVter Band S. 515. zu 2 Thess. 2 : 7.

-) Van Oosterzee, Dogm. II. p. 552 deukt aan eene persoon-lijkhr.id. Daarentegeu verzekerd wederom Ed. Bold, Dogmatik 1887. S. 577: Der Antichrist ist nicht eine Eimelpersönlichkeit, die einmal (tin Ende der Zeiten erscheinen luird, sondern ein Collektivbegriff. — Overigens is het ons hier niet te doen om hot TrcXuÖpUA/.yTO)/, wie de Antichrist zij, maar alleen om bevestiging der waarheid dat do Paus het niet is.

216

-ocr page 233-

§ 9. ZICHTBARE KERK.

van Christus en alzoo zijner zalving deelachtig zijn {Heidelb. Cat. Vr. 32).

Doch daar hot alleen een prerogatief dos Heeren is, te kennen degenen die de zijnen zijn (\'2 Tim. 2 : 19) on de verzekering van anderer geloof voor ons onzeker gaat en ook niet noodzakelijk was, heeft Hij in plaats daarvan het oordeel der liefde gesteld: waarnaar wij voor leden der Kerk mogen erkennen zoovelen én door belijdenis des geloofs én door overeenkomstig leven én door gebruik der Sacramenten met ons (rod en Christus bekennen. Maar de onderkenning van h\'t lichaam zelf. hoe meer Hij die voor onze zaligheid noodig achtte, heeft Hij met aanwijzing van des te zekerder meikteekenen aanbevolen.

b. En van hier gaat ons op en verrijst (als de maan) zichtbaar voor onze oogen de gestalte der Kerk. Want overal waar wij zien dat Gods Woord zuiver wordt gepredikt en gehoord, dat de Sacramenten naar Christus\' instelling worden bediend, daar mag men volstrekt niet betwijfelen dat er eenige Kerke Gods (een deel der Kerke) is. Daar is de Heere aan \'t verzamelen. Nademaal zijne belofte niet kan falen Matth. 18 : 20; Waar twee of drie vergaderd zijn in mijnen naam, daar ben ik in het midden van hen \').

217

Nader, tot de uitwendige Christelijke Kerk behooren al degenen, die den drieëenigen God, den Vader en don Zoon en don Heiligen Geest belijden. Dio hiervan niet willen weten, liggen buiten do Kerk 1). Voorts die in het bijzonder toestemmen en -botuigon, dat Jezus, Maria\'s

1

) Zio Vierde Hoofdstuk § 35.

-ocr page 234-

§ 9. ZICHTBARE KERK.

Zoon, uit den Heiligen Geest ontvangen, de Christus is, de ware, lang beloofde Messias, de in het vleesch gekomen Zoon Gods en Zaligmaker der wereld. Dit te loochenen is antichristendom (1 Joh. 4 : 3). Eindelijk, die de instellingen van Christus, prediking des Evangelies, Doop en Avondmaal onderhouden. Zonder prediking en Sacramenten is er geen Kerkelijke gemeenschap. — En dit alles op grond en uit eerbiediging van de Heiliye Schrift, van het Oude en Nieuwe Testament, als Gods Woord, de blijvende bron der zaligmakende waarheid, de vaste regelmaat des geloofs.

Geheel de menigte dezer belijders, uit allerlei volk en in verschillende oorden vergaderd, maakt, samengenomen, de algemeene Christelijke Kerk uit.

De bijzondere gemeenten in steden en dorpen zijn deelen van de algemeene Kerk, en aan iedere van dezen komt de naam en geldigheid van Kerk naar recht toe.

De enkele . particuliere belijders, individu\'s, zijn er toe te rekenen, zoolang zij niet bij vonnis van de gemeente zijn uitgesloten.

Maar de menigte zelve, indien zij den dienst des Woords heeft en de bediening der Sacramenten eerbiedigt, is zonder twijfel als Kerk te achten : wijl het zeker is dat Woord en Sacramenten niet zonder vrucht zijn. Zoo bewaren wij én voor de algemeene Kerk hare eenheid én voor de wettige, plaatselijke vergaderingen de aan deze toekomende autoriteit\').

\') Aldus Calvin. Instit. [V. 1. 9, wmar hij liandelt onderschoi-donlijk 1. Van do Ecclesia tmiveraalis. 2. Van do siugnlae occlosiae. 3. Van de singuli homines. 4. Do ipsa multitudino. P. Van Mastricht, Godgel. III. p. 490: Volstrekt aan geent

218

-ocr page 235-

§ 9. ZICHTBARE KERK.

2. Eene vereeniging, die deze beide kenteekenen (n.i. bediening des Woords en der Sacramenten) heeft, moet men als Kerk (gemeente) erkennen, en zoolang zij daarin standhoudt mag men haar niet verwerpen, ai is het dat zij anders van vele gebreken wemelt \')• Zelfs in de bediening der leer (in ondergeschikte punten) en der Sacramenten kan iets verkeerds insluipen, wat ons evenwel van haar niet mag vervreemden. Daar is het plicht voor ieder lid der Kerk, er naar te trachten om het verkeerde te verbeteren ^), naar de mate zijner genade en gave, alleenlijk eerlijk (niet ongeschikt) en met orde (1 Kor. 14 : 40), dat is, ons wachtende zoowel om de gemeenschap met de Kerk te verbreken, als in haar blijvende den vrede en de regelmatige tuchtorde te verstoren s).

Veel bedachtzamer nog dient men te oordeelen, waar het aan heiligheid des levens hapert. Wanneer men bij degenen onder wie het Evangelie wordt verkondigd, geen vrucht, geen leven naar de leere ziet, mag men dan aanstonds oordeelen: daar is geen Kerk \'t\' Met alle recht verwekt het kwaad aanstoot bij de oprechten, en de Heere laat het niet ongestraft, maar komt te zijner tijd met harde tuchtroeden over de slapheid. Intusschen eischt Hij zachtmoedigheid en geduld. Daartegen zondigt men,

Vergadering moet. da naam van Kerke geweigerd worden, welke hel Hoofd en fundament behoudt.

\') etiamsi multis alioqui, vitiis scatoat. Calvin. Instit. IV. 1.12.

2) Hut guldon woord van Calvyu I.e.: Interim si nitimur oruoudaro quod displicot, faoimus id ux officio uostro, — — modo decenter ot secundum ordiuem.

3) Vergol. Belijd. Art. XXXII.

219

-ocr page 236-

22Ö § 9. ZICHTBARE KERK.

wanneer men, hetzij in hoogmoedige verbeelding van eigene heiligheid of uit onbedachten ijver, den weg van onmatige strengheid opgaat en, wijl men geene Kerk zonder reinheid des levens gelooft, de wettige Kerk, als eene partij van goddeloozen, verlaat \').

Men voert daartegen aan: Christus\' Kerk is heilig Maar, verstaat men daaronder niet slechts uitwendige, Verhondsheiligheid, dan stelt men de inwendige Kerk voor als één met de uitwendige, de onzichtbare, eigenlijke Kerk met hare vertooning, met hetgeen in ruimer zin Kerk wordt genoemd, een verwisseling en ineenvloeiïng van voorstellingen, die zoo lichtelijk en ongemerkt geschiedt en dikmaals voorkomt.

En niet zonder reden. Dé Schrift zelve gaat daarin voor. Het uitwendige wordt saamgedacht met het inwendige, de idee met de verschijning, en de uitwendige vergadering der belijders het lichaam van Christus genoemd. In die veronderstelling, dat mot het uitwendige het inwendige en wezenlijke gepaard gaat, spreekt de Apostel Paulus dikmaals tot de bijzondere gemeenten ï). Doch met behoorlijke onderscheiding, zoo, waar hij van het groote huis spreekt 2 Tim. 2 : 19--21, gei^k ook Johannes eene

\') Calvin InstH. IV. 1, 13.

2) Vorgol. Neander, Pflanzung liter Band. 1833. S. 412 f. Stier, Brief an die Ephesov. I. Einleit. S. 30. Wordt de menigte van belijders te Korinthe enz. saam als gemeente van geroepene heiligen, en do massa van al de Christus-belijders te gader als hot lichaam van Christus aangesproken, dan is dit tevens eene benoeming naar \'t voornaamste deel (a potiore parte). Wij zeggen ook ziel voor mensch, en wederom ook hoppen voor heelo menscheu. b. v. Deze plaats bevat zooveel zielen, dit schip is bemand met zooveel koppen.

-ocr page 237-

§ 9. ZICHTBARE KERK.

innerlijke en eene bloot inwendige, slechts tijdelijke gemeenschap onderscheidt, 1 Joh. 2 : 19.

En om te verstaan dat de (zichtbare) Kerk uit goeden en kwaden samen is gemengd, hoore men het, roept Calvijn \'), uit Christus\' eigen mond Matth. 13 : 47 in de gelijkenis van het net, waarin allerlei soorten van visschen worden vergaard, goede en kwade, die eerst op den oever uit elkander worden gelezen ; in de gelijkenis van den akker, die tarwe en onkruid draagt, kinderen des Koninkrijks en kinderen des Boozen, die eerst bij den oogst worden geschift; gelijk ook de Dooper Johannes (Matth. 3:12) van den dorschvloer sprak, met tarwe en kaf, welke de Heere, wiens wan in zijne en niet in eens menschen hand is, zal scheiden, en Hij zal zijne tanve in zijne schuur samenbrengen en zal het kaf met onuit-blusschelijk vuur verbranden.

De Galatiërs waren afgeweken en door verleiders overgebracht tot een ander Evangelie (Gal. 1 : 6), maar toch erkent Paulus bij hen gemeenten : hij schrijft „aan de gemeenten van Galatiëquot; (v. 2).

Bij de Korinthiërs was groot bederf niet alleen der zeden maar ook in de leer, niet alleen bij eenige weinige leden maar bijna geheel het lichaam was aangestoken 1). Daar was nijd en twist en tweedracht (l Kor. 3:3); grove zonde (1 Kor. 5:1); Paulus door sommigen verworpen (1 Kor. 9 : 1); de opstanding der dooden bespot (1 Kor. 15 : 12); in het gebruik des heiligen A vondmaals schandelijke wanorde (1 Kor. 11 : 20): en toch erkent

221

1

) Calvin. Instit. IV. 1. 13.

-ocr page 238-

§ 10. DOOR GHHISTÜS GRSTICHT.

de Apostel er „de gemeente Gods, geheiligden in Christus Jezus, geroepene heiligenquot; (1 Kor. 1:1). Indien bij de Korinthiërs eene gemeente (Kerk) blijft, en wel deswege blijft, omdat de bediening des Woords en der Sacramenten er niet wordt versmaad (hoe ook gesmaad): wie zal dan, vraagt Galvijn, den eernaam van gemeente (Kerk) dengenen ontnemen, die men niet van het tiende deel dier ondeugden beschuldigen kan \') ?

§ 10. Door Christus gesticht.

1. Als Gereformeerden kunnen wij niet van zoodanig eene stichting der Kerk spreken, die eerst na de komst van Gods Zoon in het vleesch door Hem zou zijn geschied, als ware er vroeger niets van aanwezig geweest, of als ware zij er wel geweest, maar alleen onzichtbaar en verborgen als een eikel in den grond terwijl zij eerst met de uitstorting des Heiligen Geestes naar buiten zou zijn getreden in de wereld. Er was eene zichtbare Kerk, binnen welke de onzichtbare (het ware volk Gods) was begrepen, en zij openbaarde zich ook, soms heerlijk en schoon, zooals in de dagen van Mozes en van David.

a. Ieder Gereformeerde stemt dan ook in met onze Nederl. Belijd. Art. XXVII: Deze Kerk is geweest van den beginne der ivereld af en zal zijn tot het einde toe.

1) Si inter Coriuthios manet ecclesia, — — et ideo manet quod ministorium verbi et sacrameutorum illic non rupudiatur: quis audeat ecclesiae titulum eripere iis, qnibus decima pars istorum orimiuum impiugi nequoat. ? Calvin. Inst. IV. 1. 14.

2) Ebrard, Dogmatik 11. § 4(58. S. 396. Dr. Kwjper, Heraut 1884. No, 337.

222

-ocr page 239-

§ 10. DOOR CHRISTUS GESTICHT.

En haar Stichter, Vergaarder en haar eenige Bouwheer, is de Zoon Gods: die doet het, naar den wil des Vaders, door zijn Geest en Woord, van den beginne der wereld tot aan het einde, daar Hij haar vergadert, beschermt en onderhoudt. Heidelb. Cat. Vr. 54. Hetgeen daar de Catechismus in de Vraag noemt de heilige algemeene Christelijke Kerk, noemt hij in het Antwoord met den bijbelschen naam gemeente, en met het bijvoegsel: die tot het eeuwige leven is uitverkoren, om aan te duiden wat het geloof (en naar het geloof was de vraag) er in ziet, de kern binnen de schil, het levende hout en pit onder de schors, de inwendige Kerk in de uitwendige.

b. Maar terwijl de Kerk, wier eenheid wij immers moeten vasthouden, van het paradijs af (Gen. 3 : 15) geweest en van daar in onafgebroken lijn voortgegaan is, verschillen hare tijdelijke bedeelingen. En waar wij tot die bedeelingen komen, opent zich aanstonds voor ons het gebied der zichtbaarheid, en wij onderscheiden de eenige Kerk in eene patriarchale (aartsvaderlijke), Israëlie-tische. Christelijke. En hel is ten opzichte van die onderscheiden bedeelingen, dat wij met reden van stichtingen spreken en zeggen : De Christelijke Kerk is door den menschgeworden Zoon Gods, door den gekomen Christus gesticht.

De verschillende bedeelingen of huishoudingen zijn tevens verschillende regeeringswijzen : anders bij de aartsvaderen, anders in den Israëljetischen Kerk-Staat, wederom anders in de Christenheid. Zoo wilde het de Heere.

2. Christus dan wilde eene uitwendige Kerk slichten

223

-ocr page 240-

§ 10. DOOR C1HR1STUS GESTICHT.

224

en heeft het gedaan \')• Dat bewijzen zijne verordeningen van prediking en gemeenschappelijk gebed, van Doop en Avondmaal, van onderling verband en bestuur. Deze veronderstellen zonder tegenspraak eene uitwendige gemeenschap : voor eene zoodanige zijn zij gegeven. En zij veronderstellen niet alleen zulke gemeenschap, maar zelve stellen zij haar : door die verordeningen heeft Christus de Christelijke Kerk (de nieuwe bedeeling der ééne Kerk) gesticht, terwijl de volledige uitvoering en onderhouding dezer instellingen van zelfs eerst na Christus\' zoendood en verhooging met de uitstorting des Heiligen Geestes kon beginnen.

a. De drang om zich naar buiten te openbaren ligt eigenaardig in de Gemeente Gods, vooral onder de bedeeling des Nieuwen Verbonds, in de Christelijke Kerk. Naar het eigen woord des Heeren Matth. 5 ; 14 : Gij zijt het licht der wereld; eene stad, hoven op eenen berg liggende, kan niet verborgen zijn. Sprak Christus dit voor het naast tot de Apostelen, het raakt tevens al de zijnen. Zij hebben het licht niet uit zich zeiven, maar van Hem die het Licht der wereld is (Joh. 8 : 12); zij waren eertijds duisternis, maar zijn nu licht in den Heere (Efez. 5 :8), schijnende als lichten (lichtdragers, luchters) in de wereld (Fil. 2 : 15). En al zijn zij verstrooid bij enkelen en bij hoopjes (Matth. 18 : 20) onder een krom en verdraaid

\') Schrijver dezes heoft hiervan nader gehandeld in zijne Aanteekeningen op do Inleiding van Dr. Iloedemukers llaiidb. voor Godsdienstonderwijs. 2de druk. Sneek, bij J. Campen 1887. bl. 76—81, alwaar ook de schoeve stolling is besproken: »dat Christus geen Kerk, maar oen Koninkrijk heeft willen stichten.quot; Vergel. ook van dit Leesboek het Elfde Hoofdstuk § 32. 33.

-ocr page 241-

§ 10. DOOR CHRISTUS GESTICHT. 425

geslacht, en al wordt er menigerlei korenmaat op het licht gedekt, toch breekt er iets van door, en het zal meer en meer doorbreken en in al ruimeren kring zal vervuld worden de voorzegging van Jezaja 9:1. Het volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien. Het kan zoomin verborgen blijven als eene stad op een berg, tenzij voor de blinden. Hiermede duidt de Heere Jezus profetisch aan wat de gemeente vervolgens worden zou, en wat hare en harer leden aanleg, roeping en bestemming is. Het licht is gemaakt en bestemd om te lichten. Zoo de gemeente des Heeren en hare leden: \'t is hun aard en roeping, om te lichten, dat zegt, om met hunne leer, door belijden en getuigen van de waarheid, anderen te verlichten en • ook met hun voorbeeldig leven hen voor te lichten (Kantteek.).

b. Bepaald heeft Christus Matth. 18 : 15—20 eene uitwendige Kerk in het oog, waar Hij leert hoe de liefde jegens den zondigen broeder zal handelen, om ergernissen te weren en weg te doen. Eerst vermaning onder vier oogen. Dan, zoo \'t niet baat, onder getuigen. Daarna, bij blijvende verharding, overgeving aan het oordeel dor gemeente, en, bij voortgaande onbekeerlijkheid, uitsluiting van den schuldige.

Hier stelt Christus het rechte beginsel en de grondtrekken vast van alle kerktucht, die vervolgens onder de leiding zijns Geestes nader ontwikkeld en geordend zouden worden, met aansluiting aan hetgeen reeds bij de Israëlietische Kerk ingesteld en gebruikelijk was.

Christus spreekt van de gemeente als eene plaatselijk saamgevoegde eenheid en door Hem met macht bekleed,

15

Gravemcijer , Gorol\'. Gel. looi\'. 111.

-ocr page 242-

§10. DOOR CHRISTUS GESTICHT.

dus als zichtbare, uitwendige Kerk»), die het recht\'heeft om den weerbarstige eindelijk uit hare gemeenschap uit te sluiten, en wel met het hoofddoel, om hare eenigheid en reinheid te bewaren.

Dit kan alleen bij eene werkelijke, uitwendige vereeniging geschieden, waar men in Christus naam is vergaderd \'t zij met velen of weinigen. Het wijst tevens op een onderling verband en bestuur, en zulks vereischt eene uitwendige Kerk. Naar Christus\' wil en leer is de Kerk niet slechts eene idee (hoezeer gedurende hare onvolmaaktheid haar ideaal dit wél is), maar ook geen ongeordende hoop. Zij is de kudde des goeden Herders, die ze door zijne onderherders weidt en leidt, gelijk Hij reeds tot Petrus sprak : Weid mijne lammeren, hoed, weid mijne schapen (Joh. 21 : 15 v.v.).

Dit alles maakt eene zichtbaarheid noodzakelijk. En iedere onzekerheid in dezen wordt weggenomen door \'s Heeren instelling van het predikambt, met Doop en Avondmaal. Dit was zelf, gelijk hiervoren reeds werd herinnerd, eene instelling van eene zichtbare Kerk.

c. Hiermede is geenszins in strijd Joh. 4 : 21—24 Christus verkondigt daar niet, dat voortaan alle uiterlijke, gemeenschappelijke Godsvereering weg zou vallen, maar

\') Olshausen, Commentai\' zu Matth. 18 : 15 if.; Dioso Stollo zeigt wiederum doutlich, dasz der Erlöser beabsichtigte, eino auszere Kircho zu grüudon, in dor sich das ideale Reich üottes als ein Kern in der Scbalo entwickoln soil.

G. Voetius, Tractatas sel. do Politica occlesiast. Series Prima, ed. Dr. F. L. Rutgors 1885 p. 101: Ecclesia externa, visibüis et inslituta, qua talis, in collectione sua considerata bezit, deze macht (clavis rogni coelorum), bodieuendor wijze. cf. p. 103.111.

■•*) Zio hierover Derde Hoofdstuk § 3.

226

-ocr page 243-

§ 11. DEELEN EN VERDEELDHEID.

dat zij niot gebonden zou zijn aan zekere plaats. Doch ook de Joden, schoon de offeranden alleen te Jeruzalem mochten geschieden, waren met de gemeenschappelijke aanbidding Gods niet aan Jeruzalem gebonden en hadden alom synagogen. Dus stelt Hij tegen alle bloot uiterlijke oefening de aanbidding Gods in geest en waarheid, waartoe Hij zijne volgelingen wilde vormen en waardoor de uitwendige verrichting eerst leven en wezen verkrijgt.

§ 11. Deelen en verdeeldheid-

1. De Christelijke Kerk trad te Jeruzalen in zichtbare eenheid op. Zij wordt genoemd de cjemeente i), tot welke de Heere dagelijks toedeed die zalig werden Hand. 2 :47. Hot lichaam van Christus wies en won aan leden.

a. De vergadering der Christ-geloovigen te Jeruzalem, de moedergemeente, draagt van zelf een tijdlang bij uitnemendheid dezen naam: de yemeente (Hand. 5 : 11. 8 : 1, 3). Maar na do uitbreiding en vestiging des Evangelies in andere oorden wordt van gemeenten gesproken. Zoo (naar de gewone lezing) Hand. 9 : 31 : De gemeenten dan door geheel Judea en Gcdilea en Samarië hadden vrede en werden gesticht ^). En sinds wordt de naam gemeenten

\') sxKXyrix, oeclosia. Do Onzou hobbuu hior ou stoods gemeente, do Engolschen Church. Luther ; die Gemeine.

2) Nuar andere lozing; De gemeente — had vrede en werd gesticht. Zoo reeds de Vulgata. Aldus ook Bengel en onder de nlouworen Lachmann en Tischendorf o. a. Dan worden allo goloovigen iu die gewesten als óóue goraoento saamgovat. — Van do botoekonis dos woovds gemeenten in het meervoud in hot N. T. vindt men oeno zoor bovattolijko verklaring in J. 1. Ie Hoy, Aan al mijne Hervormde Landgonootou p. 41 v.v.

227

-ocr page 244-

§ 11. DEELEN EN VERDEELDHEID.

gegeven aan de bijzondere plaatselijk onderscheidene ver-eenigingen van geloovigen. Dus wordt van Antiochië vermeld Hand. 13:1: de gemeente die daar was. En Hand. 13 : 23 wordt gezegd, dat Paulus en Barnabas in Klein-Azië in elke gemeente, met opsteken der handen door de leden, Ouderlingen hebben verkoren. Paulus schrijft aan de gemeenten van Galatië, Gal. 1:2; aan de gemeente Gods te Korinthe 1 Kor. 1 : 2 ; hij noemt de gemeente der Laodicensen, Kol. 4 :16. In dezen specialen en localen, bijzonderen en plaatselijken zin komt de naam gemeente (èm^lx) gefegeld voor in de Openbar, van Joh.: de gemeente van Efeze, van Smyrna enz., Openb. 2 : 1 v.v., en gezamenlijk worden zij genoemd al de gemeenten, Op. 2 ; 23. Het zijn deelen en verschijningen van de eenige gemeente, zelfstandig ten opzichte van elkander, zonder ondergeschiktheid van de eene onder de andere. Christus alleen is Hoofd en Heere, en bij hare veelheid zijn zij één, voor zooveel zij in Christus zijn.

Zelfs van huisgemeenten wordt er gewaagd. Zoo groet Paulus Kol. 4 : 15 Nymphas (te Laodicea) m de gemeente die in zijn huis is. En 1 Kor. 16 : 19 groet hij de Korinthiërs van Aquila en Priscilla (die toen met hem te Efeze waren) en van de gemeente die te hunnen huize is. Later groet hij van uit Korinthe Rom. 16 : 3, 5 Aquila en Priscilla (toen te Rome) en de gemeente in hun huis\') — zeker echter geen eigenlijke separaat-

\') Onze Kantteelcenaren op Rom. 16 : 5 en Kol. 4 ; 15 laten in het midden of daardoor te verstaan zijn de geloovigen die tot hun huisgezin behoorden (onder de werklieden van den tenten-fabrikant Aquila kunnen wel verscheiden Christenen zijn geweest), of die in hun huis vergaderden. Noemt men dit laatste

228

-ocr page 245-

§ 11. DEELKN EN VERDEELDHEID.

gemeente, maar in verband met en als deel altoos van de plaatselijke gemeente.

b. De bijzondere gemeenten of particuliere Kerken, in den loop der tijden al meer vermenigvuldigd, zijn, mits het Hoofd behoudende, aan te merken als gelijksoortige deelen van de Algemeene Kerk. Deze is dus „uit verscheidene bijzondere gemeenten samengroeiende,quot; welke „bijzondere Kerkgenootschappenquot; vormen. Deze bijzondere Kerken en gemeenten worden gemeenlijk onderscheiden en benaamd naar de bijzondere plaatsen en landen in welke zij bestaan\'). Door eenen bijzonderen band (kerkelijke verhondmaking) wordt formeel gevestigd, ondeuhouden en vermeerderd het „bijzondere Kerkgenootschap.quot;

Deze kerkelijke verbondmaking geschiedt in en door den Doop op belijdenis: want de Kerk stelt aan den doopeling, dien zij in haren schoot zal ontvangen den verbondseisch (1 Petr. 3 : 21), en de doopeling (of deszelfs tijdelijke plaatsbekleeder) stemt dien eisch toe en verbindt zich er aan. Voorts, en nog uitdrukkelijker, wanneer een

aan, dan blijft evonwol van kracht hotgoon Calvmus, Commont. in 1 Kor. 16 ; 19 zogt: De bijzondere huis\'/azinnen der {/od-vruchtigen behooren zoo ingericht te zijn, dat zij als zoovele kleine gemeenten (Korkon) zijn,, ut fcotidom sint Bcclesiolao (Kerkjes).

O. Voetius, aangeh. Tract, p. 21. 67. 68 acht hot niet geloofo-lijk, dat Rom. 16 : 5 bedoeld zou zijn »oene eigenlijk gezegde gemeente (Kerk), met eigen Ministeriurn en Presbyterium ; veelmeer was daze Ecclesia domostica oen doel van de geinoeuto der stad, hetwelk daar tot gewono Godsdienstoefeningen samen kwam.quot; Eon of ander bedienaar dos Woords uit do stadge-moente kon daar dan wol voorga m. doch ook Aquila zelf, die naar Hand. 18 : 26 er wel bekwaam toe was.

\') F. Van Mastricht, Godgel. II[. p. 486. Pictet, Godgel. Ilde Deel p. 326.

229

-ocr page 246-

§ 11. DEELEN EN VERDEELDHEID.

gedoopte tot het Heilige Avondmaal wordt toegelaten, daar de zoodanige, na het afleggen der belijdenis zijns geloofs, plechtelijk door den dienaar uit naam der Kerk gevraagd zijnde, belooft: dat hij in en by die belijdenis standvastig zal volharden; dat hij overeenkomstig zijne gedane belijdenis zal leven en wandelen ; en dat hij zich, bij voorkomende gevallen, aan de kerkelijke tucht zal onderwerpen. Aldus volgens de loffelijke gewoonte in de Nederlandsche Kerken. En ook wordt niemand tot de gemeenschap eener bijzondere (particuliere) Kerk toegelaten dan door eene zoodanige verbondmaking i).

c. Het blijft dan onbetwistbaar, dat men moet onderscheiden de Gemeente en de gemeenten: de Gemeente (b.v. Matth. 1G : 18) als eenheid, als één geheel, de gemeenten (b.v. Hand. 13 : 41) als plaatselijke vereenigingen of „genootschappen.quot; Maar terwijl de Schrift van gemeenten spreekt, verliest zij toch nimmer de eenheid uit het oog, te weten de Gemeente, die het Lichaam van Christus is (Ef. 1 : 22, 23).

Aangaande de onderlinge verhouding der plaatselijke gemeenten wordt in het Nieuwe Testament geen uitdrukkelijk voorschrift gegeven van eene „kerkelijke organisatie 2).quot; De nadere bepaling en inrichting naar plaats en omstandigheden bleef overgelaten aan de vrijheid der gemeenten onder de leiding des Heiligen Geestes. Het onmisbare was verordend door \'s Heeren instelling van de prediking des Woords en de bediening der sacramenten, met de daartoe vereischte ambten (Efez. 4 : II). Voorts

\') Aldus Mastricht III. p. 488 489.

\'-) Vergui. Stior, Urief au die Epheser I. Einleitung S. 31.

230

-ocr page 247-

§ 11. DEELEN EN VERDEELDHEID. 231

gold, en dit sprak van zelf, van den aanvang af als regel en grondgebod : onderlinge liefde en hulpbetoon, en in het gemeen, zooveel mogelijk, samenwerking tot het groote doel: opbouwing des lichaams van Christus, „heilige gemeenschap met God en onder elkander —

2. De uitwendige Christelijke Kerk of Gemeente bestaat niet alleen uit eene veelheid van deelen, plaatselijke gemeenten, maar binnen haar vertoont zich ook voortgaande menigerlei verdeeldheid en scheuring. Van de dagen der Apostelen af. Zoo in de gemeenten van Galatië. En vooral in de gemeente van Korinthe. Hetgeen daar omging, biedt ons al een voorbeeld van die verschijnselen en bewegingen, die zich in de latere geschiedenis der Kerk dikwijls in grooteren maatstaf herhaalden. Zoolang de Apostelen leefden, konden dezen daartegen opkomen en door de macht des woords den storm bezweren.

Aldus Paulus bij de Korinthiërs. 1 Kor. 1:10. Maar ik bid u, broeders, door den naam onzes Heeren Jezus Christus (het ware vereenigingspunt, tot wiens gemeenschap gij door den getrouwen God geroepen zijt, v. 9) dat gij allen hetzelfde spreekt, en [dat] er onder u gee.ne scheuringen 2) zijn, maar [dat] gij te zamen gevoegd zijt in een en zelfden zin en in een zelfde gevoelen. 11. Want mij is van u bekend gemaakt, mijne broeders, door die van Chloes [huisgezin zijn], dat er twisten*) onder u zijn. 12. En dit zeg ik (met het bestaan van twisten onder u bedoel

\') P. Von Mastricht, Godgo],. III, p. 489.

■0 PXifftiXTX, dissidia. Luther: Spaltungen.

:\') spihes. ]Alther: Zank. Een kort overzicht van do vovachil-lende opvattingon aangaande do partijen geeft o. a. Meyer, Kommentar. zu 1 Kor. 1 : 12, en in de Einleitung S. 3 ff.

-ocr page 248-

§11. DEELEN EN VERDEELDHEID.

232

ik dit:) dat een iegelijk van u zegt: Ik hen van Faulus ; en ik van Apollos en ik van Cefas; en ik van Christus.

Dus vier partijen. De talrijkste: partijdige aanhangers van Faulus, die zich bijzonder lieten voorstaan op meerdere kennis en op hunne voorgewend evangelische vrijheid, en, tegen alles gekant wat naar joodsch leek, de geloovigen uit de Joden ook ergerden door, tegen Paulus voorschrift, van het offervleesch der Heidenen te genieten, wijl immers een afgod niets was. Eene andere partij, hoewel meest met Paulus overeenstemmende, droeg roem op Apollos wegens zijne welsprekendheid en redekunstige, wijsgeerige voordracht. Eene derde partij, joodschgezind, noemde zich naar Petrus, achtte zich getrouw aan het zuivere Evangelie zooals het door de Apostelen in Palestina was verkondigd, en verkleinde, bestreed en belaagde den Apostel Paulus. Van al dezen onderscheidden zich degenen die zeiden: Wij zijn van Christus\'). Volgens sommigen waren dit de eenvoudige en oprechte Christenen, die geen factieuze namen van Leeraars wilden aannemen, en daaraan welgedaan hebben (Kantteek.). Maar de Apostel stelt hen voor als eene vierde partij bg de drie die hij berispt. Dies moeten wij wel aannemen, dat deze vierden niet in dien goeden zin alleen van Christus wilden wezen, in welken de Apostel 1 Kor. 3 : 23 aan allen saam dit als het rechte standpunt voorhoudt: van Christus te zijn. Integendeel, met hun zeggen : wij zijn van Christus, stelden zij Christus tegen Paulus, Petrus en Apollos over, daar toch Christus zelf

\') Belangrijk blijft altoos do voorzichtige verhandeling hierover door den vader der nieuwere Kerkgeschiedenis, A. Neander, Pflaunnug. 1832. S. 202. ff.

-ocr page 249-

§ 11. DEELEN EN VERDEELDHEID.

tot de Apostelen had gezegd : Wie u hoort die hoort mij, en wie u verwerpt die verwerpt mij (Luc. 10 ; 16). Van Christus te zijn en zijne Apostelen te verwerpen, kan niet samengaan : want door de leer der Apostelen alleen wordt Hij gekend En al de dienaren des Heeren zijn en dienen voor allen die des Heeren zijn. Tot wie dus in waarheid kan gezegd worden, zooals liet ook behoort te zijn : Gij zijt van Christus (1 Kor. 3 : 23), tot die is hot ook (v. 22) : Hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Cefas — alles is uw.

Die echter in Korinthe als partij optraden en zich bij uitnemendheid aanmatigden van Christus te zijn, verwierpen het gezag van Paulus, van Apollos, van Petrus, en wilden dus wei onafhankelijk van de Apostelen, het zuivere Christendom vertegenwoordigen terwijl zij daaruit al wat tegen hunne philosophische ideeën streed, als vreemdsoortig bgvoegsel, wegdeden, en even daardoor in velerlei dwalingen vervielen. Schuw voor alle zinnelijke opvatting gaven zij zich over uan eene averechtsche vergeestelijking der Evangelieleer, waarin zij in de 2de eeuw vele navolgers kregen, en wilden door hunne wijsgeerige critiek uit de overgeleverde stof de reine leer van Christus uitbrengen. Zij waren het dan ook wel die de opstanding des lichaams loochenden en ze als eene grofzinnelljke leer bespotten (1 Kor. 15 : 35), daar zij alleen van eene geestelijke, inwendige opstanding wilden weten.

Paulus veroordeelt alle verdeeldheid en scheuring, waarbij iedere partij meent het rechte Christendom te bezitten en iedere haren eigenen Christus wil hebben en dus den éénen Christus in meerdere deelt. Niet alzoo ! zegt de Apostel; er is maar één Christus voor allen, Hij die

233

-ocr page 250-

§ 12. OORZAAK DER VERDEELDHEID.

voor u is gekruisigd en in wiens naam gij gedoopt zijt (1 Kor. 1 : 13). — Aan getrouwe leeraren moet de eere worden bewezen die hun toekomt, maar als dienaren van Christus ; Christus alleen is Heer en Moester in de Kerk, en geen naam van eenig mensch mag daartegen worden gesteld i).

§ 12. Oorzaak der verdeeldheid.

1. Evenals het geestelijk leven, het nieuwe deel, de nieuwe mensch des wedergeborenen naar buiten wil treden en zich in woord en werk wil openbaren, maar alles onrein te voorschijn brengt wegens de aanklevende verdorvenheid : zoo is het ook met de Kerk. De inwendige Kerk wil zich uitwendig vertoonen, maar verschijnt nergens zuiver wegens de inwonende sonde en den samenhang met de ivereld. Vandaar ook scheuringen, door den Heere toegelaten, opdat het onderscheid tusschen waarheid en leugen te meer openbaar zou worden.

234

De algemeene oorzaak der dwalingen en scheuringen is de zonde, de natuurlijke, niet uitgeroeide verdorvenheid, die, waar zy niet gestuit wordt, haren verderfelijken invloed naar alle zijden op het gebied des denkens en des levens met kracht verspreidt. Zoo brachten Joden, tot het Christendom overkomende, nog veel van hun Joodschen, en Heidenen van hun Heidenschen aard, beiden hunnen

1) Vult (l\'aulus) uni Christo magisterium ita assororo in Ecclesia, ut ab eo pondoamus omnes : ut uuus inter uos Dominus ac magister nominetur, uo ullum contra hominis nomou oppo-uatur. — — Solus enim Christus reguare in Ecclesia debet. Calvin. Commentar. in 1 Kor. 1 ; 12, 13.

-ocr page 251-

§12. OORZAAK DER VERDEELDHEID.

ouden mensch mede, en waar deze voorts niet afgelegd maar weer aangekweekt werd met zijne eigene, ingewortelde meeningen en neigingen, ontstonden leer- en levensvormen strijdig met het oorspronkelijke, apostolische leerbegrip der Kerk, en waar tal van leden der Kerk zich lieten verleiden om dezelfde dwaling te volgen, ontstonden sekten \'). De oude mensch is een ketter en scheurmaker.

Te Korinthe in liet bijzonder waren velen door den machtigen indruk van Paulus\' prediking en van de buitengewone wondergaven schielijk tot het Christendom overgebracht, naar den beweeglijken aard des volks ; maar bij velen had het geenen wortel en was het slechts eene oppervlakkige bekeering. Daarbij kwam, dat er na Paulus andere verkondigers volgden, eigenaardig en vreemdsoortig in vorm of inhoud hunner leer, hetwelk te eer tot verdeeldheid leidde, daar de Hellenen altijd tot partijschap en twisten bij uitnemendheid geneigd waren.

2. De verdeeldheden in de uitwendige Kerk staan niet buiten het beleid des Heeren. De Heere laat ze toe, tot een wijs en heilig doel. Paulus geeft ons er licht over. Hij zegt 1 Kor. 11 : 18 : Ik hoor dat er scheuringen (schisrnata) zijn onder u; en ik geloof het ten deele. 19. Want daar moeten ook ketterijen (haireseis, heresieën) onder u zijn, op dal degenen, die oprecht zijn, openhaar mogen worden onder u. Niet bloot scheuringen, tweespalt in het gemeen, vijandelijke gezindheid, verwijdering der gemoederen van elkander, maar ook ketterijen, openbare verdeeldheid in sekten 2).

1) Eerste Hoofdstuk § 20.

2) To recht, vertaalt Luther txit\'-lxtx door Spaltungen, xlpévsii door Rotten. Overigens wordt het oudersehoid tusscheu beide

235

-ocr page 252-

§ 12. OORZAAK DER VERDEELDHEID.

236

En zoo moet het, leert de Apostel tot geruststelling der waar geloovigen. Het moeten geeft te kennen, dat het niet bij geval geschiedt, maar door de bijzondere voorzienigheid Gods, die de zijnen wil beproeven gelijk goud in den smeltoven. Bij opkomende scheuringen en sekten komt het er op aan, daartegen stand te houden en pal te staan. Naar de ordening Gods moet dit kwaad, dat in de menschen broeit, soms uitbreken : dan hebben de goede en echte leden gelegenheid om hunne standvastigheid en oprechtheid te bewijzen.

Het moeten is dan geen noodlot. Caloyn teekent hierbij aan: „In iederen tijd zullen er vele verworpenen zijn, die de geest des Satans beheerscht en tot kwaad drijft, en de Satan is er altijd op uit om de eenheid der Kerk te verscheuren. Vandaar dat moeten, waarvan Paulus gewaagt, en niet van een noodlot. Ook keert de Heere naar zijne wonderbare wijsheid de verderfelijke kunstgrepen des Satans ten heil voor zijne geloovigen. Vandaar dat doeleinde, door den Apostel aangewezen : opdat degenen, die oprecht zijn, openhaar mogen worden onder u, en te beter aan \'t licht komen. Want dit goede einde is niet te danken aan de ketterijen. Deze zijn iets kwaads en kunnen dus naar haren aard niets dan kwaad voortbrengen; maar aan God, die naar zijne goedheid den aard der dingen

vorschillond opgevat. Gatvinus, Comineatar. i. 1. stemt met Luther overeen: Schismata sunt vel obscurae simnltates — — vel studia inter se pugnantia. Haereses sunt, dum eousque malum prorumpit, ut appareat tnanifestum bellum, et ex profosso dividant se hoiniues in contrarias sectas. Zoo ook Winer, Annotatio perpetua in Epist. ad Gal. 5 : 20: xipéirsis seclae, quae a dissidiis oriuniur.

-ocr page 253-

§12. OORZAAK DER VERDEELDHEID.

verandert, len einde voor de uitverkorenen ten zegen zij, hetgeen de Satan tot hun verderf had uitgedacht. God stiert naar zijnen verborgen raad het kwaad tot een goed einde. Ook weten wij dat do Satan de goddeloozen op zulk eene wijze tot het kwade aanzet, dat zij tevens met vrije wilsbeweging daartoe gedreven worden en het vrijwillig bedrijven, waardoor alle ontschuldiging hun is benomen.quot;

De uitwendige Christelijke Kerk staat van den aanvang af te iederen tijde aan allerhande verontreinigingen bloot. Menschelijke verkeerdheid breekt er gestadig weer in door, het vleesch begeert er tegen den Geest en voert tot verval in leer, in kerkelijke tucht, in leven. Vervalsching der leer, afwijking van de Heilige Schrift en daardoor van het eenige Hoofd Christus, is steeds het begin en de grond tot alle verder bederf.

3. Maar aan het kwaad mag geen vrije loop worden gelaten. Het moet geweerd, gekeerd, bestreden en, zoo mogelijk, uitgedreven worden. Daarom is er gedurige reformatie noodig, waartoe allen die het betere kennen en willen en er voor bekwaam en begaafd zijn, een ieder in zjjnen deele en zooverre zijn invloed reikt, eendrachtig en met geduld en volharding moeten samenwerken.

De ware reformatie is terugkeer tot den rechten, apostolischen grond, dat zegt, tot de Heilige Schrift en dienvolgens tot het eenige fundament dat gelegd is, hetwelk is Jezus Christus (1 Kor. 3 : 11).

Tot een blijvend, hoewel ook niet volmaakt voorbeeld voor iedere particuliere Christelijke Kerk dient de eerste gemeente der Christenen te Jeruzalem, Hand. 2 ; 42: Zij waren volhardende a. in de leere der Apostelen. Dit

237

-ocr page 254-

§ 12. OORZAAK üEll VERDEELDHEID.

zegt, wel voor hot naast : in do onderwijzing door de Apostelen. Zij, de gedooplon (v. 41), maakten gezet gebruik van het onderricht dor Apostelen, maar meteen ligt er van zelf in, want anders zou het weinig betookenen : zij hielden zich aan hetgeen de Apostelen leerden, b. En in de gemeenschap, in nauwe onderlinge vereeniging, in broederlijk liefdebetoon en verkeer, als ééne familie ; ten gevolge van hunne eenigheid in de leer. De menigte van degenen dio geloofden was één hart en [ééne] ziel. Hand. 4 : 32. c. En in de breking des broods. Gelijk het toedoen tot de gemeente bezegeld werd door den doop (v. 41), zoo hunne nu bestaande gemeenschap door het Heilig Avondmaal, d. En in de gebeden, niet alleen afzonderlijk in hunne huizen, maar voornamelijk in de openbare, gemeenschappelijke gebeden, in welke zij God prezen (v. 47) en hun geloof beleden.

„Vier kenmerken dus, vier vereischten, waarnaar iedere particuliere Kerk zich heeft te richten. En wel vooraan de leer, die als het ware de ziel der Kerke is quot;). En dat niet allerlei leer, maar de leer der Apostelen, dat wil zeggen, die de Zoon Gods door de hand der Apostelen heeft overgegeven (1 Kor. 11 : 23). De leer is ds band dor. broederlijke gemeenschap onder elkander. De leer wordt bevestigd door hot Avondmaal, hetwelk er\' als een zegel bij komt en zij opent ons de deur ter ware aanroeping Gods.quot;

\') Calvin. Commentar. i. 1.: Uoetrina, quae voluti Ecolesiau

anima ost.--Non toraero haec quatuor resonset Lucas, quutn

doscriboro vult nobis rito coustitutum Ecclesiao statuin. Et nos ad hunc ordiuom oniti convonit, si cupiraus vero censori Ecclesia coram Deo et Angolis, nou inane tantum ejus nomen apud homines jactare.

238

-ocr page 255-

§ 13. OAIVANG DES NA4MS CHRISTELIJKE KEUK, 239

Deze vier stukken zijn dan ook de voorname voorwerpen voor de reformatie, die alle particuliere Kerken wegens het steeds inbrekend bedert gedurig van noode hebben ; reformatie, hervorming naar de Heilige Schrift, uitzuivering van vreemde, ingedrongen leermgen en daarmede wegruiming van do bron van tweedracht en sekten (l Tim. 6 : 3—5), doortastend verzet tegen verwaarloozing en tegen misbruik der Sacramenten en dit alles ter wederoprichting van ware eendrachtige aanbidding en verheerlijking Gods (Vergel. Meid. Gat. Vr. 103), dien wij op geene andere wijze mogen vereeren dan Plij in zijn Woord bevolen heeft.

Terugkeer tot de Schrift is wederkeer tot Ghristus, is verwijdering, verwerping van al wat het gezag van dit eenige Hoofd bekort, van al wat niet gevestigd is op Hem, den eenigen realen, wezenlijken en levenskrachtigen grond der Kerk, die gebouwd is op het fundament der Apostelen en Profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste hoeksteen, Efez. 2 : 20\'). Op welken het gehecle gebouw, bekwamelijk te zamen gevoegd zijnde, opwast tot eenen heiligen tempel in den Heere, waar God wordt aangebeden in geest en waarheid.

§ 13. Omvang des naams Christelijke Kerk.

Bij do veelheid der doelen en bij alle verdeeldheid is er toch iets, wat de bijzondere Kerken nog samenbindt. Een band van vereeniging zijn do \'J\'tvaalf Geloofsartikelen

\') Hierover zie Eerste Hoofdstuk § 24.

\'l) Zio Twaal/ile Hoofdstuk § 4. g 29.

Hierop moeteu wij vooral nadruk loggen, tegenover de stelling,

-ocr page 256-

240 § 13. omvang des naams christelijke kekk.

een kort summier der grondwaarheden naar de Schrift, met Doop en Avondmaal (vergelijk hiervoren § 9). Ai die partiien, die deze aannemen en gebruiken, moeten nog lot de uitwendige Christelijke Kerk worden gerekend. Want deze Artikelen zijn juist de kenmerkende hoofdpunten van het Christelijk geloof: erkenning en belijdenis van don Vader en den Zoon on don Heiligen Geest, van Schepping, verlossing en eeuwig leven, inzonderheid van Jezus Christus, don Zone Gods, den Verlosser, naar al de

dat al wie gedoopt is in don naam dos Vaders on des Zoons en dos Heiligen üoestos (want van een doop mot vorloochening der Drioöenhoid kan geheel geen sprake zijn, dat is immers geen doop) tot de Kerk behoort. Eeno stelling vooral door Ebrard aangenomen en thans door velen gevolgd.

Ebrard, Dogmat. II. g 467. S. 394 zegt: Dik Kihciie ist

eine einzigk sichtbare gremeinsciiaft, die der getaui\'ïen (und die Tanfe ist doch ivohl ein sichtbarer Aht /) von Christo constituirt. En § 473. S. 405 ; Die Grenze der Kirche bildet die u. Tauee. IVer nach Christi Einsetzung mit Wasser auf (sic!) den Namen des Vuiers, (und) des Solmes und des h. Geistes getauft ist, delist ein Glied der christliohen Kirche solange, als er nicht durch förmliehen iebertritt zum ■luden-, Heidenthum oder Muhammeda-nismus seinen \'Tanfbund sichtbar und notorisc/i gebrochen hat. Evenzoo § 406.

Alsof niet belijdenis voorop moest gaan, alsof zonder bolijdonis (op zijn Roomsch) de doop ware. Zolfs de kinderen wordon gedoopt, op de belijdenis hunner ouders. Juist ook hetgeen Ebrard § 478. S. 421 uit Calvin. Instit. IV. 1. 7 aanhaalt, alwaar hij op baptismo bijzonder drukt, getuigt togen hem. Want Calvyn stolt daar de belijdenis vooraan: Do Kerk (in ruimer zin) is do gezaineulijko in de worold verstrooide menigte, quae (1.) unum se Deum et Christum colere pro/itetur; (2.) Baptismo ini-tlatur in ejus Hdem (3.) Coenae participatione unitatem in vera doctrina ut caritatem testatur cett. Woord en Sacrament zijn onscheidbaar.

-ocr page 257-

§13. OMVANG DES NAAMS CHRISTELIJKE KERK. 241

trappen zijner twee Staten, met betuiging zelfs van het geloof eener heilige, algomeene, Christelijke Kerk. En de Sacramenten drukken er het zegel op.

Dies behooren bij name de Grieksche (zich noemende de Orthodoxe) en de Roomsche \') Kerken tot de uitwendige Christelijke Kerk, gelijk dan ook onze vaderen den Doop, in de Roomsche Kerk toegediend, naar zijn wezen geldig achtten, wijl bediend in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, hoezeer zij de Roomsche ceremoniën daarbij verwierpen.

Wy spreken hier niet van enkele personen a), maar van Kerken. Verborgene kinderen Gods, die den Vader aanbidden in geest en waarheid, zyn er alom, ook onder de Nestorianen bij den Eufraat, onder de Armeniërs en hunne kolonisten in het voorste Azië, onder de Kopten in het afrikaansche Egypte en Ethiopië, Abessynië en onder de veelkleurige partijen in het land der sekten, Amerika.

Maar volken en partijen, die van de grondartikelen des Christelijken geloofs, dus inzonderheid van Jezus Christus, Gods eeniggeboren Zoon, den Zaligmaker der wereld, niet weten of niet willen weten, staan evendaardoor buiten en tegenover de Christelijke Kerk. Zoo de heden-

\') Calvin. lustit. IV. 2. 12.

2) Want velen worden wel zalig, schoon ze niet gedoopt zijn, noch ten heiligen Avondmaal gaan, ja die zelfs in de Paapsche Kerk nog zijn. Bralcel, Hod. Godsd. I. p. 552. od. 1717. En Groen v. Prinsterer, Handboek 4de dr. p. 53, waar hij van de grondgebroken dor Roomsche Kerk gewaagt, stemt toe: Ook in de Roomsche Kerk kan de geloovige het oog enkel op Gods genade in Christus gericht houden [Protestant in beginsel, die den aard en do strekking van het Roomsch bijgeloof niet doorziet).

Gravomojjor, Gtorof. Gel. loor. III. 10

-ocr page 258-

242 § 13. OMVANG DES NAAMS CHRISTELIJKE KERK.

daagsche Joden, de Mohammedanen en de Heidenen\'). De Christelijke geloofartikelen sluiten hen al aanstonds uit door te verklaren; tegen de Heidenen met het veelgodendom : Er is maar een eonig waarachtig God; tegen de Mohammedanen; God heeft eenen Zoon; tegen de Joden : Deze Zoon is mensch geworden, \'t is Jezus Christus, ontvangen van den Heiligen Geest, geboren uit de maagd Maria, de ware Messias.

Religieuze vereenigingen, Godsdienstige genootschappen zonder dit specifiek Christelijke zijn zelfs geen „Kerkenquot; te noemen. Of men moest met sommigen den naam „Kerkquot; zoo algemeen vatten, dat daarin slechts twee kenmerken begrepen waren : religie en gemeenschap, dus: vereeniging en inrichting voor religie 1). Maar het woord „Kerkquot; getuigt zelf daartegen. Want „ Kerkquot; is van Kyrios (xupw?), is: huis des Heeren, en de Heere is Jezus Christus 3). Waar deze niet is, niet erkend en beleden wordt, is geheel geen „Kerkquot;. Dies kan men niet spreken van eene heden-daagsche Joodsche Kerk (in plaats van Synagoge), zoomin als van eene Mohammedaansche kerk of van Heidensche kerken, zelfs van Boeddhistische kerk, daar de Boeddhisten niet eens aan eenen God gelooven.

1

) Zoo Niedaer, Kirchungeschiuhto S. 3 f. Het attribuut Kerk in vollen zin kent hij wel alleen aan de Christelijke Godsdienst-gemeenschap toe, wijl deze alleen door hare stichting den aanlog ter voliuaaktheid in zich draagt. Maar in ruimeren zin, als Gattungs-\\tegv\\ft. meent hjj, kommt dieses Attribut den Anstalten und Gemeinaohaften der nicht-chrlstlichen Weltreligionen folgerecht-nothwendig ebenso zu, wie ihrou lleligionen Begrifi\' und Name «Religionquot; zugestanden ist.

-ocr page 259-

§ 14. GEMEENSCHAP MET DE KERK.

§ 14. Gemeenschap met de Kerk.

Onder de particuliere Kerken, die de Artikelen des algemeenen Christelijken geloofs aannemen, bestaat er echter geen gering verschil in de opvatting der byzondere Artikelen : dies dringt zich vanzelf de vraag op : tot welke uitwendige Kerk moet moet men zich dan houden?

1. Naar het gezond gevoelen onzer Gereformeerde vaderen is ieder Christen verplicht zich te voegen en te houden bij eene bepaalde, bijzondere Kerk; tenzij de omstandigheden het hem onmogelijk maken, wanneer namelijk een algemeen bederf alles zoodanig overstroomt of buitengewone wreede vervolging de belijdende Kerk zoo onderdrukt en schuilen doet, dat er nauwelijks eenige vergadering kan worden aangewezen, met wélke de geloovige zich uitwendig zou kunnen vereenigen gt;).

Maar waar \'t kan, moet het; alzoo dat niemand, van wat staat of kwaliteit hij zij, zich behoort op zich zeiven te houden, om op zijn eigen persoon te staan 2). Want op allen ligt de verplichting, de onderlinge bijeenkomst, tot het gehoor van Gods Woord, tot algemeene gebeden en gebruik der Sacramenten, niet na te laten, Hebr, 10: 25. En de door den Heere ingezette bedieningen en derzelver doeleinde, volmaking der heiligen, opbouwing des lichaams van Christus (Efez. 4:11) veronderstellen en eischen noodzakelijk kerkelijke vergaderingen 3).

2. Inlusschen nu staan wij voor de vraag : Bij welke uitwendige Kerk moet men zich voegen en houden ?

\') P. Van Mastricht, Godgol. III. p. 497.

) Nederl. Belijd, des Gel. Art. XXVIII.

^ Mastricht III. p. 499. Brakel, Ked. Godsd. I. p. 590.

243

-ocr page 260-

§ 14. GEMEENSCHAP MET DE KERK.

a. Allen die waarlijk in Christus gelooven, zijn ook in waarheid leden van Christus\' lichaam, van de ware onzichtbare Kerk, van die gemeente die Christus door zijn bloed gekocht hoeft; en in Hem die het Hoofd is, hebben allen, in wie Hij door zijnen Geest woont, ook innerlijke gemeenschap met elkander, terwijl buiten deze gemeente geene zaligheid is en degenen, die zalig worden, door den Heere ook tot deze gemeente worden toegedaan (Hand. 2 : 47). Maar dan kan het ook niet evengelijk zijn, tot welke van de uitwendige Kerken men zich voegt of houdt, die er nu op aarde bestaan.

Dat er eene uiterlijke vergadering lt;) zou zijn, hetwelk uitsluitend en alleen de ware Kerk zou wezen, daaraan valt niet te denken. Eene uitwendige Kerk, die zich al de eigenschappen der inwendige Kerk wilden toeeigenen en in dien zin zich de eenige ware Kerk wilde noemen, zou goed-roomsch daardoor eene jammerlijke zelfbegoocheling en aanmatiging, die altoos ras genoeg zich zelve logenstraft, en daarmede de onwaarheid van haar zelve aan den dag leggen, terwijl zy aldus ook de algemeenheid (katholiciteit) der ware heilige Kerk zoude verloochenen.

b. Maar de vraag kan alleenlijk zijn: Tot welke uitwendige, zichtbare Kerk kunnen wij ons houden, dusdanig dat wij daardoor onze gemeenschap met Christus\' ware onzichtbare Kerk niet verzaken, maar die veelmeer daardoor betuigen a)? En dan kunnen wij wel niet anders

1) Societas.

2) Dit is ook bedoeld, schoou niet zoo uitgeaprokou iu de Ned. Bulijd. Art. XX VIII, overmits meu niet moet denken aan een# verwarring aldaar van zichtbare mot onzichtbare Kerk,

244

-ocr page 261-

§ 14. GEMEENSCHAP MET DE KERK,

en niet zekerder antwoorden dan: Tot die Kerk, wier erkende Belijdenis, op welke zij gegrond is, het nauwkeurigst, met Gods Woord oveieenkomt.

„Eene Kerk moet beoordeeld worden volgons haar leer; niet naar het gedrag der belijders, dan inzoover dit met de leer overeenstemt i).quot;

Onze Nederl. Belijd, des Gel. Art. XXIX zegt: De merkteehenen om de ware Kerk te kennen zijn deze: zoo de Kerk de reine predikatie des Eoangeliums oefent; indien zij gebruikt de reine bediening der Sacramenten, gelijk ze Christus ingesteld heeft; zoo de kerkelijke tucht gebruikt wordt om de zonden te straffen. Kortelijk, zoo men zich aanstelt naar het zuivere Woord Gods, verwerpende alle dingen, die daartegen zijn, houdende Jezus Christus voor het eenige Hoofd. Dit is ook wel gericht tegen alle sekten, welke zeggen dat zij de Kerk zijn, maar blijkbaar voornamelijk tegen de Eoomsche Kerk met hare misvorming van het Evangelie en de Sacramenten en met het zichtbaar Hoofd, hetwelk zij zich opzet.

c. Sommige Roomsche Godgeleerden brengen de ken-teekenen der ware Kerk zelfs tot vijftien en passen die op hunne Kerk toe ,).

Deze kriteriën zijn 1. Haar naam zelf van Katholieke Kerk. 2. Hare ontwijfelbare oudheid. 3. Hare bestendige, nooit afgebrokene during. 4. Hare uitgebreidheid of menigte van geloovigen. 5. De opvolging harer bisschoppen.

1) Groen van Prinsterer, Handb. p. 52. 52. § 82. P. Van Mastricht, Godgel. III. p. 500 v.

2) Naar den spitsvondigen Roomscben dogmaticus liob. Bel-larmin (f 1621). Fr. Spanhemius, Elenchus Controversiav. 1694. p. 83. P. Van Mastricht, Godgel. TIT. p. 501 v.v.

245

-ocr page 262-

246 § 14. GEMEENSCHAP MET DE KERK.

6. Hare overeenstemming in de leer met de oude Kerk en de kerkvaderen. 7. De uitwendige vereeniging harer leden met hun Hoofd en onder elkander. 8. De heiligheid harer leere. 9. De krachtdadigheid (efficacia) harer leer. 10. Do heiligheid des levens harer eerste auteuren. 11. De roem harer wonderwerken. 12. Haar profetisch licht. 13. De bekentenis harer tegenpartijen (confessio adver-soriorum). 14. Het ongelukkig uiteinde harer vijanden. 15. Haar uitwendig geluk en tydelpe voorspoed. —

De leer is de hoofdzaak. 2 Joh. 10. 1 Joh. 4 : 1—3. Christus1 zaligmakende leer is de ziel der Kerk, de tucht dient haar voor zenuwen, waardoor de leden des lichaams aan elkander elk op zijn plaats verknocht zijn \')•

De leer, die gemeenschappelijk is aangenomen, op welke dus in dien zin eene zichtbare, particuliere Kerk als zoodanig is gegrond, kenschetst allermeest de hoedanigheid dezer Kerk. Zij is het leidend beginsel, het bindend richtsnoer voor haar in al hare verrichtingen.

Hoe de leer in de verschillende plaatselijke Kerken van eenige Kerkengroep onderhouden, beoefend en nageleefd wordt, is eene tweede vraag die ter beoordeeling der meerdere vergaderingen staat. Maar de eerste en hoofdzakelijke vraag is en moet wezen : hoedanig is de leer die voor haar als belijdende Kerken tot grondslag is gelegd en dus hare eigenlijke, kenmerkende Belijdenis uitmaakt ? Zij moet wezen: overeenkomende met Gods Woord *). Is zij dat, dan leert en eischt deze leer ook

\') Calvin. Instit. IV. 12. 1. Vergel. Elfde Hoofdstuk § 35. -) Tegenover de 15 Roomsche kenmerken stelt ook Spanheim l.c. kort en recht als JS/ota omnium certissima: Consensio cnm

-ocr page 263-

§15. waarom gerëformeend ?

vanzelf zuivere prediking, behoorlijke bediening en gebruik der Sacramenten, en tot dat einde geregelde tucht — alles naar de Heilige Schrift.

§ 15. Waarom Gereformeerd?

1, Door de Hervorming in de 16e eeuw iverd het licht van onder de korenmaat weder op den kandelaar gesteld. Intusschen de Roomsche Kerk, hoezeer door zijdelingschen invloed der Hervorming tot afschaffing of wijziging van velerlei misbruik gedrongen, bleef hoofdzakelijk, naar de bepalingen der kerkvergadering van 2Vewlt;e (1545 —1563), volharden in anti-evangdischen afval; tegenover haar werden Christelijke Kerken gevormd, die in één zin en geest belijdenis bleven afleggen van het geloof der Algemeene Apostolische Kerk. — — Ook in Nederland werden de Gereformeerde Kerken gevestigd op de belijdenis van den Drie-einicen God, op de belijdenis waarop Christus zijne Gemeente gebouwd heeft. Broederlijk vereenigd met allen (in Genève, in Frankrijk, in de Platz, in Engeland en Schotland) door wie Gods Woord als de eenige ken-bron en toetssteen der waarheid, — Gods Zoon, God geopenbaard in het vleesch, als de weg, de waarheid en het leven, — en de Heilige Geest als leeraar, trooster en herschepper wordt erkend •).

De Protestantsche Kerken, bij name de Luthersche en de Gereformeerde of Hervormde (twee woorden 1) in

247

1

) Gereformeerde Kerk is, zoo te zeggen, de dogmatiaoh-his-

-ocr page 264-

§15. WAAROM GEREFORMEERD V

beteekenis één, hoewel in gebruik onderscheiden), staan gemeenschappelijk en eenstemmig over tegen de lioomsche Kerk, doch verschillen in bijzondere punten der leer van elkander en van bijgekomene, afzonderlijke afdeelingen binnen het groote Protestantsche leger\'). Iedere heeft haar eigen vaandel, dat is hare Belijdenis J), de uitdrukking harer kenmerkende geloofsleer. Het zuiver schriftuurlijke licht drong niet overal en op alle punten even helder door. Maar onmiskenbaar is het, dat de Gereformeerde gezindte in hare voorstelling en ontwikkeling der leer, byzonder sedert en onder den invloed van Galvyn»), boven allen uitblinkt door hare klaarheid en waarheid, door hare uitstekende schriftmatigheid, voornamelijk in het vooropstellen en consequent vasthouden der Souve-reiniteit Gods. En dit bij name in de Nederlandsche Gereformeerde Kerken.

2. Vraagt men dan, waarom wij ons tot de Gereformeerde Kerk hebben te houden : het is, het moet zijn, omdat hare leer, beleden in hare Formulieren van eenigheid, de zuiverste uitdrukking is van de leer der Heilige Schrift zelve.

Met dankbaarheid jegens God voor zyne goedheid over deze landen moeten wij erkennen dat onze Nederlandsche

torische naam, met bijgogrip van oud-rechtzinnig; Hervormde Kerk de officieele, staatsrechtelijke naam, met de nevenbeteekenis van liberaal.

\') Zie het Eerste Hoofdstuk § 28.

\'2) Men vindt ze opgegeven o.a. bij Winer, Compar. Darstell. 1882. S. 9 ff.: Symbolische Urkundenlehre oder literarische Ueborsichtder öffentlichenBekenntnissschriftenjeder Kirchenpartei. 3) Winer, Compar. Darstel). S. 27 if.

248

-ocr page 265-

§ 15. WAAROM GEREFORMEERD \'i

Gereformeerde Kerk een belangrijk deel bevat van de ééne, heilige, algemeene Christelijke Kerk. Want hare vestiging, hare opkomst, hare bewaring, geheel hare geschiedenis draagt de onmiskenbaarste zegels van de hooge hand haars Heeren ; en hare leer; uitgedrukt in de Belijdenis des Geloofs der Gereformeerde Kerken in Nederland en in den Heidelhergschen Catechismus en in de Dordrechtsche Leerregelen (canones) is geheel op Gods Woord gegrond \'). Die deze leer aannemen, vasthouden, beoefenen, zijn Gereformeerd. De gezamelijke Gereformeerden in Nederland maken de Nederlandsche Gereformeerde Kerk uit, eene aanmerkelijke afdeeling van de ééne heilige, algemeene Kerk en als zoodanig ware Kerk.

De Nederl. Belijd, des Gel. Art. XXVIII leert: Dat een iegelijk schuldig is zich bij de ware Kerk te voegen : Dit is het ambt (de schuldige plicht) aller geloovigen, achtervolgende het JVoord Gods, zich af te scheiden van degenen, die niet van de Kerk zijn, om\') zich te voegen tot deze Vergadering, hetzij op wat plaats dat ze God (alwaar God haar ook) gesteld heeft ♦).

\') Ovfir de Formulieren van eenigheid is gehandeld Eerste Hoofdstuk § 28. Hun gewicht en noodzakelijkheid: bl. 10G. Hunne verbindende kracht: bl. 108.

-) De Pransche tekst heeft le devoir, de plicht, de Latijnsche officium in dezelfde beteekenis, de Nederduitsche van 1582 het officie, waarvoor in de latere vertalingen geplaatst is het ambt, (vergel. Ursinus, Schatboek 11 pag. 153, uitgave N. Goetzee, Gorinchem 1736,: — ambt dergenen die het Avondmaal gebruiken. — Belijd. Art. XII — verscheiden ambten. —). J. J. Va7i Toorenenbergen, Symbol. Schriften p. 46. Dr. J. 1. Doedes, Nederl. Geloofsbelijd. 1880. p. 386.

\') Lat tekst : ut huic se congregationi adjungant.

4) UbicnnquB illam Deus constituerit. Van iedere zoodanige

249

-ocr page 266-

§ 15. WAAROM GEREFORMEERD?

Art. XXIX vermeldt dan vooreerst de merkteekenen a. om de ware Kerk te kennen (zie hiervoren § 14): e» het staat niemand toe zich daarvan le scheiden, b. Om te kennen hare ware leden, degenen die van de Kerk zijn. Die kan men kennen uit de merkteekenen der Christenen, te weten uit het geloof, en wanneer zij aangenomen hebben den eenigen Zaligmaker Jezus Christus \'), de zonde vlieden en de gerechtigheid najagen, den waren God en hunne naastenquot;1) liefhebben; niet afwijken, noch ter rechter noch ter linker hand, en hun vleesch kruisigende mei zijne werken. Alzoo nochtans niet, alsof daar nog geene groote zwakheid in hen zij, maar zij strijden daartegen door den Geest alle de dagen huns levens; nemende gestadiglijk hunne toevlucht tot het bloed, den dood, het lijden en de gehoorzaamheid des Heeren Jezus, in (door) denwelken 3) zij vergeving hunner zonden door 7 geloove in Hem. Treffend en schoon gezegd door onze vaderen, samenvatting van het wezenlijke en noodige en tevens helder als kristal, uit zuivere bron geput! / w.\'{ ^

Ten andere wordt in dit XXIXste artikel de valsche Kerk gekenmerkt. Deze is hieraan kenbaar.

• a. Zij schrijft zich en aan hare ordonnantiën meer macht en autoriteit ■*) toe dan den Woorde Gods, en wil zich aan het juk van Christus niet onderwerpen.

plaats kan meu dus zeggen : daar is dc Kerk. En daarvan mag men niet afgaan. Te recht is biorop gewezen o. a. ook \'door V. (Dr. G. I. Fos Az.) in het Kerkelijk Weekblad 1873, 10 Octob., No. 15.

\') Lat. tekst: Jesu Christo, ut unico Servatore, recepto. \'2) proximos suos.

\'\') per quem.

Bjjv. Trident. Sec XXI. Cap. II.

250

-ocr page 267-

§ 16. VERPLICHTING. 251

b. Zij bedient de Sacramenten niet gelijk Christus in zijn Woord verordend heeft, maar zij doet daar af en toe, gelijk het haar goeddunkt \').

c. Zij grondt zich meer op menschen dan op Christus.

d. Zij vervolgt degenen die heiliglijk leven naar het Woord Gods en die haar bestraffen van hare gebreken, gierigheid en afgoderijen.

Hieraan zijn deze twee Kerken, de ware en de valsche, lichtelijk te kennen en van elkander te onderscheiden.

Dat met de valsche Kerk, welke dit Artikel beschrijft, de Roomsche Kerk bedoeld wordt, valt niet te betwijfelen, en wel zooals deze Kerk bestond en zich gedroeg in dien tijd, toen deze Belijdenis uitkwam. Juist werd in die dagen de Roomsche Kerkvergadering te Trente gehouden. „Niemand behoefde bij het lezen van dit Artikel lang te zoeken naar de antipode der ware Kerk

§ 16. Verplichting.

Is de leer der zaligtieid, zooals die door de Nedeiiandsche Gereformeerde Kerk in hare Formulieren van eenigheid wordt beleden, de zuiverste uitdrukking van de leere der Schrift zelve (§ 15), wij zijn dan als Gereformeerden verplicht, aan deze leer, omdat zij naar Gods Woord is, vast te houden en ons er naar te richten.

1. Dit kan echter niet zonder kennis, Dies heeft ieder Gereformeerde, ook de ongeletterde, er naar te staan om de Gereformeerde leer recht te kennen. En wel uit de

\') Held. Cat. Vr. 80.

2) Dr. J. I, üoedes, Nederl. Geloofsbelijd. 1880, p. 403,

-ocr page 268-

§ 16. VERPLICHTING.

authentieke documenten of oorkonden zelve, thans voor een iegelyk licht verkrijgbaar en toegankelijk, hetwelk zijn: de Nederlandsche Belijdenis des Geloofs in 37 Artikelen, de Heidelhergsche Catechismus en de Oordsche Leerregelen, mitsgaders de Liturgische stukken, die gewoonlijk achter de Psalmen zijn gevoegd. Bovenaan staat vanzelf Gods Woord, de Schrift des Ouden en Nieuwen Testaments, de reine en oorspronkelijke bron, waaruit deze beekjes zijn gevloeid. Het dagelijksch onderzoek der Heilige Schriften, naar het edele voorbeeld van die te Berea (Hand. 17 : It) mag geen Gereformeerde nalaten, en wie kan gebruike daarbij vooral de uitnemende Kantteekeningen van onzen Staten-bijbel, die nu reeds 250 jaren voor zoo menigen goede diensten hebben gedaan. Hoe meer iemand in de kennis der Schrift vordert, des te meer zal hjj ook bevestigd worden in de overtuiging, dat de Gereformeerde leer met Gods Woord stemt.

2. En daaraan moeten wij vasthouden, moeten verwerpen, als doodelijk vergift, alle andere leer die niet overeenkomt met de gezonde woorden onzes Heeren Jezus Christus en met de leer die naar de godzaligheid is (1 Tim. 6 : 3). De vermaning van Paulus aan Timotheüs geldt een iegelijk onzer: Houd het voorbeeld der gezonde woorden, die gij van mij (den Apostel) gehoord hebt, in geloof en liefde, die in Christus Jezus is. Het goede pand dat [u] toevertrouwd is, bewaar door den Heiligen Oeest, die in ons woont, 2 Tim. 1 : 13, 14. En aan Titus (2: 8). Het woord gezond [en] onverwerpelijk I

Op de Synode te Dordrecht\') hebben al de Godgeleerden,

\') 1619. léöste Zitting. Acta Synodi Nat. Dordr. ed. Hanoviae 1620. p. 413.

252

-ocr page 269-

§ 16. VERPLICHTING.

zoo uit den vreemde als uit de Provinciën, eenstemmig verklaard, dat de Nederlandsche Belijdenis des Geloofs geen leerstuk (dogma) behelsde, hetwelk met de waarheid, in de Heilige Schriften uitgedrukt, stroed, en de buiten-landsche afgevaardigden hebben de onzen wel ernstig vermaand: dat zij hij deze rechtzinnige, godvruchtige en eenvoudige Geloofsbelijdenis standvastig zouden volharden, haar aan de nakomelingen ongeschonden nalaten, en tot de toekomst onzes Heer en Jezus Christus bewaren. Eendrachtig hebben ook de Deputaten uit de Provinciën betuigd, dat het bij hen vast besloten stond, deze rechtzinnige leer onwankelbaar te bekennen, haar in deze Nederlandsche provinciën rein te leeren, ijverig te verdedigen en onverdorven door Gods goedheid verder te bewaren. — Dat is de verplichting, de keus en het streven van iederen Gereformeerde, van den leeraar in de eerste plaats, maar dan ook van ieder lid in zijnen deele.

3. Het is echter niet genoeg de gezonde „leer van der zielen zaligheidquot; te kennen en vast te houden ; wij moeten ons er ook naar richten. De leeraar moet haar prediken en catechiseeren. En hij is verplicht, om hare leer te handhaven, en om te betuigen aan allen, waar zijn werkkring hem is aangewezen, de bekeering tot God en het geloof in onzen Heere Jezus Christus, en om te verkondigen al den raad Gods (Hand. 20 : 21, 27).

En de leer der Gereformeerde Kerk is practicaal. Zij zelve eischt van allen, van de bedienaren des Woords en van de gemeenteleden, haar te beleven, de zonde te vlieden en de gerechtigheid na te jagen, den waren God en hunne naasten lief te hebben, niet af te wijken noch ter rechter-noch ter linkerhand, en hun vleesch te kruisigen met zijne.

253

-ocr page 270-

§ 17. GEËN ZALIGMAKENDE KERK.

tverken, hetwelk onze Nederl. Belijdenis des Geloofs Art. XXIX als kenteeken stelt van degenen die van de ware Kerk zijn.

§ 17. Oeen zaligmakende Kerk.

1. Is er een zaligmakende Kerk? Ware dat, onze zaligheid zou dan ten slotte het werk van menschen zijn : want de Kerk bestaat uit menschen. Geen Kerk maakt zalig, maar de Kerk wordt zalig gemaakt en is het op aarde reeds in hope. Zij geeft de zaligheid niet, zij ontvangt ze. Jezus Christus is onze eenige, algenoegzame, volkomene Zaligmaker. En de zaligheid is in geenen anderen: want daar is ook and er den hemel geen andere naam, die onder de menschen gegeven is, door welken wij moeten zalig worden, Hand. 4 : 12 i). Er is maar één Jezus, één Zaligmaker. Hij maakt ons zalig, Hij alleen en Hij geheel, doordat Hij de Christus is, onze hoogste Profeet en Leeraar, onze eenige Hoogepriester en onze eeuwige Koning J).

2. Wel wordt door de Protestanten 3) en inzonderheid door de Gereformeerden erkend en betuigd van de ware Kerk : dat huiten dezelve geene zaligheid is, hederl. Belijd.

\') Heidelb. Calech. Vr. 29, 30. Zie Eerste Hoofdstuk § 25. Elfde Hoofdstuk § 1.

2) Ileidelh. Cat. Vr. 31. Elfde Hoofdstuk § 9.

3) Winer, Corapar. Darstell. 1882. S. 235. XIX. 2. a. Extra ecclesiam nulla salus. Luther, Cat. Major (Rechoub. p. 500): Extra Christianitatem, ubi Evaugolio locus non est, noque ulla est poccatorum romissio, quemadmodum noc ulla sanctificatio adosse potest.

254

-ocr page 271-

§ 17. GEEN ZAL1GMAKEDNE KERK.

des Gel. Art. XXVIII i), maar niet, dat zij zalig maakt. De ware Kerk is eene heilige vergadering der Christ-geloovigen, al hunne zaligheid verwachtende in Jezus Christus, getvasschen zijnde door zijn bloed, geheiligd en verzegeld door den Heiligen Geest; deze heilige vergadering is eene verzameling dergenen die zalig worden: die dan daarmede geene gemeenschap willen hebben *) maar zich er buiten houden, behooren niet tot degenen die zalig worden. De geloovigen verwachten echter hunne zaligheid niet van de Kerk maar naar deze eigene Belijdenis alleen en geheel in Jezus Christus. Wie Christus heeft, heeft de Kerk, met al hare voorrechten en zegeningen.

3. De Eoomschen verkeeren de schriftuurlijke waarheid: Buiten Christus geene zaligheid! in de leugen, Geene zaligheid huiten de Boomsch-Katholieke Kerk. Van eene onzichtbare Kerk op aarde willen zij niet weten, maar alleen van eene zichtbare Kerk met een zichtbaar Hoofd»)

\') Confessio Helvetica seecunda, ed. Tiguri 1566. Cap. XVII. fol. 26b : De gemeenschap met de ware Kerk van Christus stellen wij op zulken prijs, dat wij ontkennen dat degenen voor God kunnen leven, die met de ware Kerke Gods geene gemeenschap houden maar van haar zich afscheiden (ab oa so separant). Want gelijk er buiten de arlce van Noach geen behoud was (voor hot licbamolijkeleven), daar de wereld door den zondvloed verging, zoo gelooven wij dat er buiten, Christus, die zich in de Kerk den uitverkorenen te genieten geeft, geen zeker behoud is (voor het eeuwige leven): en dienvolgens leeren wij dat degenen die leven willen zich niet moeten afscheiden van Christus\' ware Kerk.

Ook de Roomschen wijzen op do ark van Noach, doch mot hun bijzonder begrip van Kerk. Catech. Roman. Pars I. Cap. X. Qu 11. 14. 17.

2) Vergel. hiervoren § 14.

^) Cateeh. Roman. Pars. 1. Cap. X. Qu. 11.

255

-ocr page 272-

256 § 18. geen zaligheid uit kerkelijke gemeenschap.

en dat is naar hunne leer de Roomsche Kerk met den Paus gt;).

§ 18. Geen zaligheid uit kerkelijke gemeenschap.

1. Er is geen zaligmakende Kerk (§ 17). Maar hangt onze zaligheid dan niet af van eenige uitwendige kerkelijke gemeenschap ? Oorzakelijk in geenen deele. De gemeenschap ook met de meest zuivere uitwendige Kerk en met hare genademiddelen, het Woord en de Sacramenten, is niet de oorzaak onzer zaligheid. De werkende oorzaak is de Drieëenige God, en Hij alleen, die in en door de genademiddelen werkt. En als Middelaar is de Zoon allen die

:i) Geloofsbelijdenis van Trente iu de Canones et Decreta Con-cilii Tridentini ed. Tauchn. p. 228 en in de Verklaring van den Mechelsehen Catechism. 1843 p. 415 : Ik beken dat de heilige katholieke en apostolische Roomsche Kerk de moeder en meesteres van alle Kerken is, en ik beloof en zweer den lioomschen, Priester, opvolger van den zaligen Petrus, den prins der Apostelen, en plaatsvervanger van Jezus Christus, waarachtige gehoorzaamheid. Ik neem ook vastelijk aan en belijde alle andere stukken door de heilige kerk-regels en door de algemeene Kerkvergaderingen en voornamelijk door de allerheiligste Synode van Trente geleerd, vastgesteld en verklaard: en tegelijk alles wat daartegen is en alle ketterijen door de Kerk veroordeeld, verworpen en vervloekt, veroordeel en vervloek is insgelijks.

Dit waarachtig katholiek geloof, buiten hetwelk niemand kan zalig worden (catholicam fidem extra quam nemo salvus esse potest) — — beloof en zweer ik — — te bewaren en te belijden enz, Catech. Roman. Pars I. Cap. X. Qu. 14 zegt van de zichtbare Kerk, zoo zichtbaar als Noachs arke: dat allen, die de ehuwige zaligheid begeehen te verkrijgen, haar moeten vasthouden en omhelzen, niet anders dun zij, die, om in den zondvloed niet om te komen, in de arke zijn ingegaan.

-ocr page 273-

§ 18. GEEN ZALIGHEID UIT KERKELIJKE GEMEENSCHAP. 257

Hem gehoorzaam zijn, oorzaak i) der eeuwige zaligheid geworden, Hebr. 5 ; 9 (1 Kor. 1 : 30).

Zalig wordt alleen wie in Christus gelooft, en wel persoonlijk1) een iegelijk voor zich zei ven (Joh. 3 : 16), met een waar geloof s), dus door wezenlijke, innerlijke gemeenschap met den Zaligmaker.

En door gemeenschap met het Hoofd is men lid van het lichaam ^), van die ware Kerk aan welke al de beloften toekomen. Eene uitwendige, zichtbare vergadering is er niet, geen eéne, aan welke in haar geheel de beloften Gods, die immers in Christus Jezus ja en amen zijn, kunnen worden toegeeigend. Zoo de beloften van vergeving der zonden, van zalige wederopstanding des vleesches en van eeuwig leven. De Schrift hecht ze allen vast aan het geloove.

2. Roomsch is het, de gemeenschap met Christus afhankelijk te stellen van de gemeenschap met de (zichtbare, Roomsch-Katholieke) Kerk. Naar de Roomsche leer is de Kerk, en wel de Roomsch-Katholieke, de middelares tusschen Christus en den mensch, en wel door hare priesterschap; heeft te beschikken over de verdiensten van Christus en de Heiligen en deelt in Doop, biechtstoel en misoffer de Goddelijke genadeweldaden toe. Eens iegelijks verhouding tot Christus wordt daar dus geheel bepaald door zijne verhouding tot de Kerk en niet door den staat van het eigen hart: daar is het: wie de Kerk heeft, heeft Christus en is veilig. „Wie door den Doop

1

) Zie biervoren § 1.

-ocr page 274-

258 § 18. GEEN ZALIGHEID UIT KERKELIJKE GEMEKNSCHAP.

in de Kerk is ingegaan, kan verzekerd zijn tegen alle gevaar van den eeuwigen dood; maar die buiten haar zijn, worden door hunne misdaden verzwolgen, gelijk hun is overkomen, die in de arke niet zijn opgenomen. Aldus heeft God van de Kerk vastgesteld \').quot;

En juist hierom is voor de Roomschen de Kerk een geloofsartikel. Want, leeren zij, dit Artikel : Ik geloof eene heilige, algemeene, Christelijke Kerk ziet niet op het bestaan der Kerk: want dat zij op aarde bestaat, neemt ieder door rede en zinnen waar, en daartoe is geen geloof van noode, zij is zichtbaar, zoodat ook Joden en Turken haar bestaan niet betwijfelen ; maar het ziet op de mysteriën in de Kerk, op hare verborgenheden, op hare geheimnis-volle gaven, krachten en werkingen, die ons verstand te boven gaan. En daarom, herinneren zij, is zij een geloofsartikel 2).

Evenwel luidt dit artikel bij de Roomschen niet: Ik geloof in éene heilige, maar Ik geloof ééne, heilige, algemeene (katholieke) en apostolische Kerk 3). Ter onderscheiding van het gelooven in den Vader en in den Zoon

\') Catech. Roman. Pars I. (Jap. X. Qn. 17.

-) Ibid. Qu. 18.

:\') JJquot; treloofsbelijdenis van Nicaea (325 n. C.), vernieuwd te Koustantinopol (381) hooft: (Wij goloovon) in éóne, heilige, algomeoiie eu apostolische Kerk (sis [tlxv, xylxv, xxóoXiy.^v xxt \'Ktzotto\'KIWI\'J \'ExKhyjrixv).

Do iioomseho Kerkvergadering te Tronte Sess. III. liet in wog ; (Credo) unam, sanctam, catholicam et apostolicam ecolesiam. Canou. ot docreta Concil. Trid. et Tauchn. p. 14. En dit werd vastgesteld in den Catech. Rom. Pars I. Cap. X: Credo sanctam licclosiam Catholicam. ./oh. Casp. Suicer, Symbolum Nicaono-(Joustantiuopolitanum. 1718. Cap. XV. p. 324—327.

-ocr page 275-

§ 18. geen zaligheid uit kerkelijke gemeenschap. 259

en in don Heiligen Geest, eon zoodanig goloovei), dat wij op hen ons geloove gronden; ter aanduiding, dat de drieëenige God als de Worker van alles boven het geschapene staat, en dat men al die uitnemende weldaden, die in de Kerk zijn overgebracht, aan de Goddelijke goedheid heeft te danken gt;).

Zij volgen daarin, en te recht, den Kerkvader Augus-tinus *), die het onderscheid tusschen Jk geloof in eene Kerk en Ik geloof eene Kerk behoorlijk in het licht gesteld en de eerste uitdrukking verworpen had.

De Protestant, bij name de Gereformeerde, kan niet zeggen : Ik geloof in eene Kerk. Want dit zou zijn, zoo op de Kerk, dus op eene gemeenschap met menschen, het vertrouwen stellen, dat men van haar do zaligheid verwacht, geheel strijdig tegen het geloof der ware Christenen, die al hunne zaligheid vencachtende zijn in Jezus Christus (Nod. Belijd. Art. XXVII). Maar het kan alleen zijn: Ik geloof eene Kerk, en wel in dien zin, als de Heidelb. Catechismus Vr. 54 ») verklaart,

3. Dat de zaligheid in geenen dooie is uit eenige kerkelijke gemeenschap met menschen, maar alleen in en uit Jezus Christus, wordt niet zelden uit hot oog verloren bij afgezonderde partijen, waar men slechts goed wil

\') Aldus do Catechism, Roman. Pars I. Cap. X. Qa. 20.

2) Suicer, a. W. p. 326.

J) Gohool ia overoonstemming mot Luther, Cat. Maj. in do Concordia van Rochonborg p. 499.

Calvin. Instit. IV. 1. 2 vorvvorpt do uitdrukking; »Ik goloof in eene Kerk.quot; niet volutrokt, doch onderscheidt zo wél van geloovon in God, en, om misverstand te vermijden, geoft hij de voorkeur aan: »Ik goloof oeno Kerk.quot;

-ocr page 276-

§ 19. persoonlijke taak.

heeten wat tot haar behoort en weleens tegen een anders onberispelijk Christen, die zich aan haar niet aansluit, als een bedenkelijk bezwaar inbrengt : „maar hij volgt ons niet;quot; dergelijke Mare. 9 : 38 ook eens bij Jezus\'jongeren opkwam. Wel zeide de zachtmoedige Heiland daar minzaam : Wie tegen ons niet is die is voor ons •) Mare. 9 ; 40, maar dat het in het wezen der zaak alleen op de besliste gemeenschap met Hem aankomt, heeft Hij zelf elders nadrukkelijk uitgesproken, Matth. 12 : 30: Wie met Mu niet is, die is tegen Mij; en die met Mu niet vergadert, die verstrooit.

§ 19. Persoonlijke taak.

Onder de bemoeienissen over de dingen, die de Kerk aangaan, is het wel noodig te herinneren, wat hierbij een iegelijk voor zich zeioen heeft te betrachten. In zake der zaligheid komt het persoonlijk op elk zeiven aan. De

\') Naar «ene andore lezing hier en Lnc. 9 : 50 : Wie tegen u niet ia, die is voor u, xxQ\' vftüv, vzep v/smv.

Stier, Reden des Herrn .lesu zu Matth. 12 : 30 : Die ciuszer-lich erscheinende Gomeinschaft der Nachfolge darf nicht den Grand unseres Urtheils geben, als ob nioht dennoch init dein Herrn wilre. wer wirklich in seinora Namen Teufel anstreibt ; die Demuth und Liebo soli sogar .leden als Freund gelten lassen, der nicht als Peind sich offonbaret. Wer nicht mit euch ist, delist wider ouch ; dasz dies auch hieszo, wider Mich — das kann nnd will der Herr zu koiner siebtbaren Kirche Seiner Glliubigen und Nachfolger sagen, er bat\'s nicht oinmal don Apostoln oingcriiumt. — — Sobald aber wirklich Er selber, an dessen Person und Gomeinschaft das grosze Entweder-Odcr sich schoidet, eintritt, da kann er wioderuin durebaus nicht etwa sagen ;»Wer nicht wider Mich ist, dor ist schou für mich !quot;

2(50

-ocr page 277-

§ 19. PERSOONLIJKE TAAK.

rechtvaardige zal door zijn geloof leven (Hab. 2 : 4). En een iegelijk van ons zal voor zich zeiven Gode rekenschap geven (Rom. 14 : 12).

1. Vooral dient men in hel oog te houden, dal het niet genoeg is uitwendig tot de Kerk te behoor en en daarin te berusten. Men kan uiterlijk in de ware zichtbare Kerk zijn, zonder evenwel van de Kerk te wezen en zonder deel te hebben aan de Goddelijke genadeweldaden in haar. Wee den genisten te Sion en den zekeren op den berg van Samaria ! (Am. G : 1).

Tusschen degenen die alleen uitwendig in de Kerk zijn en hen die tevens ook zijn van de Kerk, haalt de Schrift een scherpe lijn. Rom. 9 : G: Die zijn niet allen Israël, die uit Israël (van Jacob afkomstig) zijn. Rom. 2 : 28, 29 wordt tegen Jood en besnijdenis in het openbaar, in het vleesch gesteld de Jood in het verborgen en de besnijdenis des harten, in den geest.

Dat uitwendige gemeenschap met de Kerk bij innerlijke vervreemdheid van God tegen zijn oordeel niet beveiligt maar het veel meer verzwaart, is ook in het Oude Testament op velerlei wijze met nadruk betuigd. De goddelooze leden der Israëlietische Kerk, die zich op hunne uitwendige gemeenschap met haar veel lieten voorstaan, worden ten toon gesteld als Heidenen en onbesnedenen, worden Kanaiinieten of met namen van andere heidensche volken benoemd. Hunne besnijdenis baatte zulken niets, maar veroordeelde hen. Zij worden voor onbesnedenen gerekend. Ezechiel 44 : 7 teekent de goddelooze priesters en Levieten niet bloot als onbesneden van hart, maar ook als onbesneden van vleesch, als vreemden \'). Gelijk ook

\') ])ü Profeet bedoelt immers mtt deze onbesnedenen un vream-

2GI

-ocr page 278-

262 § 19. PERSOONLIJKE TAAK.

Paulus zegt Rom. 2 : 25 : De hesnijdenis is wel nut, indien gij de Wet doet; maar indien gij een overtreder der Wet zijt, zoo is uwe besnijdenis voorhuid geworden. Hetzelfde geldt van den Doop.

Degenen, wier hart vervreemd is van God en die niet innerlijk maar alleen uitwendig tot zijne Kerk zich houden, worden te zijner iijd door zijn rechtvaardig oordeel ook uitwendig van haar gescheiden. Want de ware Kerk, de gemeente Gods bestaat naar hare idee en bestemming en naar haar wezen uit enkel rechtvaardigen. De tarwe wordt eens van al het onkruid gereinigd, volledig in den tijd des oogstes (Matth. 13 : 30). Ps. 1:5: (wijl het den rechtvaardigen wél moet gaan, den goddeloozen kwalijk), Daarom zullen de goddeloozen niet bestaan in het gericht, noch de zondaars in de vergadering der rechtvaardigen. (De vermenging houdt eens op). 6. Want de Heere kent (en zegent) den iveg der rechtvaardigen ; maar de tveg der goddeloozen zal vergaan (al meenden dezen ook wel mede te zullen binnen komen).

2. Wij moeten Christus\' eigen zijn, in dien vollen zin als het in onzen Heidelb. Catechismus Vr. 1 treffend en waar staat uitgedrukt. Bloot uitwendige gemeenschap ook met Hem behoudt ons niet. Hij zelf heeft ter waarschuwing beslist uitgesproken, dat van die Hem uitwendig volgen velen niet zalig worden, ook die zich uiterlijk veel voordeden. Hij zeide Luc. 13 : 24: Strijdt om in te gaan door de enge poort, want velen, zeg ik u, zullen zoeken in ie gaan en zullen niet kunnen — wijl zij niet recht

den niet oigonlijko Hoidonon. Hengstenberg, Christol. des A. T. 2to Ausg. III. Bd. 1 Abth. S. 579, za Sacbarjah 14 : 21.

-ocr page 279-

§ 19. PERSOONLIJKE TAAK.

strijden (2 Tim. 2 : 5) maar zoeken in te gaan door eigen werk, eigenwillig loepen en eigen kracht, tot den strijd der zelfverloochening niet komen, ni^t klein en arm worden, om door de enge genadepoort te kunnen ingaan, zich den ingang tot het leven ruimer en gemakkelijker voorstellen en hunne vleeschelijke en werekische neigingen bot vieren, — totdat het te laat is.

De Heere Jezus heeft dit nader verklaard Luc. 13:25— 27 in een zinnebeeldig voorstel, waar hij de gedachte en gezindheid der menschen in bewoordingen kleedt, terwijl tevens zaak en beeld in elkander vloeien.

Een heer heeft voor zijne huisgenooten en vrienden een feest bereid. Des avonds, als al zijne genooden bijeen zijn en nu het feestmaal zal aangaan, staat hij van zijne zitplaats op en sluit zelf de huisdeur om alle ongenooden en vreemden buiten te houden. Daar komen er nu nog die hunnen tijd verzuimd en zich elders bij allerlei hebben opgehouden, en beginnen aan de deur te kloppen, zeggende: Heere, Heere, doe ons open. Maar de huisheer erkent ze niet voor zijne vrienden en de deur blijft gesloten. Zij zoeken hunne vriendschap met hem te bewijzen, maar weten daarvoor alleenlijk uiterlijke dingen bij te brengen, eenige blijken van uitwendige gemeenschap, die zij met hem hebben gehad, en geen konteeken van ware vereering en liefde. Hij kent zo wel: zij willen wel mee aan den maaltijd, maar met en van hem houden zij niet: \'t zijn werkers der ongerechtigheid. Zij blijven buiten.

Ongemerkt is de wijze Heiland van beeldspraak tot eigenlijke rede overgegaan en geeft duidelijk te kennen, dat Hij zelf de huisheer — en tevens Rechter is. Reeds het „Heere, Heere,quot; dat Hij den schijn vrienden in den

263

-ocr page 280-

§ 10. PERSOONLIJKE TAAK.

mond legt, herinnert aan hetgeen Hij elders van de Heere Heere-zeggers heeft uitgesproken (Matth, 7 : 21).

En doet Hij do geveinsden zeggen: Wij hebben in uwe tegenwoordigheid\') gegeten en gedronken en Gij hebt in onze straten geleerd (v. 26): zoo gold dit letterlijk van de toenmalige Joden, die niet alleen aan zijne wonderdadige spijzigingen, maar ook aan maaltijden met Hem hadden deelgenomen en die Hem in het openbaar hadden hooren prediken. Het baatte hun niet, het veroordeelde hen slechts te meer. Ook nog echter en ten allen tijde worden degenen teleurgesteld, die in eene uitwendige deelneming aan de instellingen des Heeren, aan prediking, Doop en Avondmaal berusten en daarop iets verwachten, terwijl zij met hun hart verre van Hem zijn (l .Kor. 10; 1—G). Zij laten de gelegene tijden voorbijgaan en zien zich eindelijk als werkers der ongerechtigheid uitgesloten van de erve der heiligen (v. 28).

Wij moeten dus Christus\' eigen z^n. Op de gemeenschap met den Persoon komt het aan, het deelgenootschap aan zijne goederen volgt daaruit. Alleen door Hem, den onmisbaren Middelaar, kunnen de Goddelijke, geestelijke, hemelsche goederen en gaven tot ons komen. Daarom heeft iedere geloovige voor zich zeiven gedurige en gezette gemeenschap te oefenen met den Persoon Jezus Christus 2) en zorgvuldig waar te nemen te nemen al wat hiervoor bevorderlijk is.

\') svuttiov gov. Luther; vor dir, natnolijk aan de tafel, voor zijn aangezicht. Bloot uiterlijk sainouzijn, zonder innerlijke ge-nioeuschap.

2 J Met reden vermaant hiertoe Brdkel, lied. Godsd. I. p. 620.

204

-ocr page 281-

§ 19. PERSOONLIJKE TAAK.

Voornamelijk het Woord en de Sacramenten, welke beide genademiddelen wij recht moeten gebruiken, om tevens daarnaar ook te wandelen.

Beide zijn noodig tot onderhouding, bevestiging, verlevendiging en vruehtbaarmaking onzer gemeenschap met den Heere. Heidelb. Cat. Vr. 67.

a. Het Woord is onmisbaar. Zonder het Woord is er geen gezond geloof. In mystieke gevoelens en hoogzwevende, fantastische verbeeldingen te zwelgen is geen geloof. Het moet op de Heilige Schrift gegrond zijn. Geen geestelijke en waarachtige gemeenschapsoefening met Christus zonder het middel des Woords •). Indien gijlieden in mijn Woord blijft, zoo zijt gij tv aar lijk mijne discipelen, heeft Hij gezegd Joh. 8 : 31. En wij moeten „ons tevreden houden dat wij leerjongens van Christus zijn, om alleen te leeren \'t gene Hij ons aanwijst in zijn Woord, zonder deze palen te overtreden i).quot; De Schriften moeten onderzocht, naarstig gelezen, het Woord, de stem des Heeren moet gehoord worden met alle ootmoedigheid en eerbiediging, en gezindheid en wandel moeten zich er naar richten 3),

b. Bij het Woord behooren de Sacramenten, de heilige Bondzegelen, Doop en Avondmaal. Hoe anderen daaromtrent ook handelen, (want er zullen bij den zuiversten Kerkvorm en getrouwe tucht hypocrieten en heimelijke zondaren blijven), een iegelijk heeft voor zich zeiven toe te zien, om het rechte gebruik er van te maken. De

\') Zio Veertiende Hoofdstuk § 10.

-) Noderl. Boljjd. dos Gol. Art. XIII. Calvin. Instit. IV. 1. 4: Noque ouiui patitur nostra infirmitas a schola uos dimltti, douec toto vitao cursu diecipuli fuoriiuus.

3) Zeventiende Hoofdstuk ij 11.

265

-ocr page 282-

§ 19. PERSOONLIJKE TAAK.

geloovige moet voortgaande gedurig aan zijnen Doop gedenken, die eens aan hem is bediend maar voor heel het leven geldt ; ieder Doopsbediening, die hij bijwoont, moet voor hem als eene vernieuwing zijn van zijnen Doop, en dagelijks moet hij veel met zijnen Doop werkzaam zijn tot zijne vertroosting en opwekking, door herinnering aan de Goddelijke beloften, die door den Doop aan hem zijn bezegeld, en aan de verplichtingen die hem daardoor zijn opgelegd.

En het Heilige Avondmaal, ieder geloovig lidmaat behoort het zooveel mogelijk geregeld te gebruiken. Het is immers door den Heere ingesteld niet om nagelaten maar om waargenomen te worden, naar zijn bevel : Doet dat tol mijne gedachtenis\'). Het is telkens eene openbare en dadelijke belijdenis van Jezus Christus als onzen gekruisigden en verheerlijkten Zaligmaker. Het is de innigste en allerbijzonderste gemeenschapsoefening met Hem, geestelijke maar wezenlijke en waarachtige genieting van zijn vleesch en bloed. Het is vernieuwde inleiding en bevestiging in het Verbond met God op het offer zijns Zoons. Het is spijs en drank voor de ziel tot voeding en sterking baars levens, om voorts verkwikt en bekrachtigd met meerder ijver en trouw in dankbaarheid haren God en Zaligmaker te dienen en te verheerlijken naar den eisch des Verbonds.

266

c. Maar in dezen plicht zij ieder getrouw. Het inwendig leven des geloofs moet zich in werk en «yawrfe? openbaren. Het mag en moet niet bij den wortel blijven staan ; de

\') Krachtig vormaant daartoe lirakei, Rod. Godsd. I. p. 599. v.v.„ togou do vertalers on do wegblijvers.

-ocr page 283-

§ 19. PERSOONLIJKE TAAK.

goede boom moet le voorschyn komen, met stam, twijgen, bladeren, bloesems en vruchten (Ps. 1 : 3).

Dat is het doel; dat heeft een ieder voor zich zeiven te betrachten. Levende in de wereld mag de Christen evenwel niet met de wereld leven, maar moet zich van de wereld onderscheiden door godzaligen wandel overeenkomstig zijne belijdenis. En daar valt eiken dag voor een ieder onzer veel te mijden en te doen, naar de vermaning des Apostels Rom. 12:2: Wordt dezer wereld niet gelijkvormig, maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds, opdat gij moogt beproeven melke de goede en welbehagelijke en volmaakte tville Gods zij, dien Hij in zijn Woord ons volkomenlijk heeft geopenbaard, om daarnaar ons leven aan te stellen, om af te leggen en te mijden al wat daartegen strijdt, om na te jagen en te doen hetgeen Hij heeft bevolen.

207

-ocr page 284-

ü . • , . |M|

...... ..........

■ -

.. . ■ ■■ •

■ \'

p^ap-. ■ •*amp;; \' \'AW \'\' ■

quot;M

• -.....\'• \'■ •■\' v

■ ■

- i quot;

! :

!

-ocr page 285-

TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

SACRAMENTEN.

§ 1. Geordende verscheidenheid.

Voor het leven en den wasdom der Kerk is bijzonder bevorderlijk en noodig de verscheidenheid van leden en gaven en bedieningen, die de Heere met wijsheid heeft geordend.

1. Er is verscheidenheid van leden. Het lichaam is niet één lid, maar een samenstel van vele en veelsoortige leden. De verscheidenheid der leden is dienstig, is onmisbaar voor \'t welzijn van \'t geheel.

Doch ook hier moeten wij Christus vóór de Kerk stellen. Alle groei en bloei der Kerk hangt alleen af van Hem» die de bedienaar is des Heiligdoms en des waren Tabernakels (Hebr. 8 : 2). Hij is de bron, waaruit alle geestelijke levenskracht vloeit. Hij de eenige oorspronkelijke Gever van alle begaafdheid der geloovigen. Dat voorop. Maar ddn ook dit: de geloovigen zyn als leden zyns lichaams

-ocr page 286-

§ 1. GEORDENDE VERSCHEIDENHEID.

bestemd en geroepen, om mot en voor elkander te werken en met hunne onderscheidene, van Hem ontvangene gaven eikander te dienen. Dit is de rechte orde, ook in onzen Heidelh. Cater.h. Vr. 55 zorgvuldig bewaard, en daaraan moeten wij ons houden, Het ziet verder dan men bij den eersten opslag bespeurt: het is gericht tegen iedere poging om in plaats van Christus de Kerk zelve tot bron te stellen.

De onmiddelbare gemeenschap met Christus van een iegelijk voor zich zeiven door het geloof is en blijft het eerste, principiëele: de vereeniging met de andere ge-loovigen, dus de Kerk, is een tweede, uit het eerste afgeleid begrip, een gevolg van het eerste. Door het geloof komt een ieder voor zich in de gemeenschap met den Verlosser. Daaruit volgt dan echter de bewustheid van eene vereeniging met alle geloovigen, eene vereeniging, die de grootste anderszins bestaande tegenstellingen vereffent en de gescheidenen tot ééne levensgemeenschap en samenwerking met en voor elkander verbindt. Waar de nieuwe mensch is aangedaan, daar is niet (geciviliseerd) Griek en Jood, besnijdenis en voorhuid, Barbaat [en] Scijth (anders de wildste geacht uit de Barbaren of ongeciviliseerden), dienstknecht [en] vrije; maar Christus is alles en in allen, Kol. 3 : 11.

Eén Heere over allen, één Geest in allen, één gemeenschappelijk hooger levensbeginsel, hetwelk krachtiger dan iets anders de zielen verbindt, bij menigvuldigheid en verschil van aanleg en eigenaardigheden, die niet worden te niet gedaan maar gelouterd, geheiligd en voor elkander dienstbaar gemaakt, gelijk de leden in het menschelijke lichaam. 1 Kor. 12 : 17 : Jfarè het geheele lichaam het

270

-ocr page 287-

§ 1. GEORDENDE VERSCHEIDENHEID.

oog, waar [zoude] het gehoor [zijn] ? Ware het geheele [lichaam] gehoor, waar [zoude\\ de reuk [zijn]? \\è. Maar nu heeft God de leden gezet, een iegelijk van dezelve in het lichaam, gelijk Hij gewild heeft. 19.\' Waren zij allen [maar] één lid, waar [zoude] het lichaam [zijn] ? 20. Maar nu zijn er wel vele leden, doch [maar] één lichaam. 21. En het eene kan niet zeggen tot het andere: Ik heb u niet van noode.

De leden in een lichaam hebben ieder zijne eigene met zijne natuur overeenkomende plaats, bestemming, bekwaamheid en werking. Het eene kan niet doen wat des anderen is. Zoo heeft ook in het geestelijke lichaam van Christus ieder lid zijne eigenaardige en gepaste plaats en taak. En hoe naarstiger en getrouwer elk lid zijn werk doet, des te beter voor het lichaam, voor geheel het organisme.

2. Gelijk er verscheidenheid van leden is, zoo is er dan ook verscheidenheid van gaven, doch het is dezelfde Geest. En daar is verscheidenheid van werkingen, doch het is dezelfde God, die alles in allen tv er kt, 1 Kor. 12 ; 4-, 6.

a. De verscheidenheid der gaven is dienstig voor de ontwikkeling en den bloei der Kerk. In den tyd der Apostelen werkten zij krachtig. Deze gaven, charisrnen •), zijn wèl te onderscheiden van de zaligmakende gaven waarin ieder geloovige deelt. Het zijn bijzondere begaafdheden van enkelen, eigenaardige talenten, uitstekende bekwaamheden, door den Heiligen Geest hetzij onmiddellijk

\') xxplTftoiTx, dotes. Ondor de verhandelingen daarover behoudt steeds eeno uitnemende plaats die van Ncandev, Pflanzung 1832. S. 114 ff. Vergel. Ed. Bühmer in Herzogs Keal-Enc. IV. S. 735 ff. u. W. Geistesgaben. En l)r. Knijper, Heraut 1884. No. 338.

271

-ocr page 288-

§ 1. GEORDENDE VERSCHEIDENHEID.

hetzij door bovennatuurlijke verhooging en heiliging van natuurlijken aanleg gegeven.

Niet, dat het twee soorten van gaven zouden zijn, de eene buitengewoon en bovennatuurlijk, de andere gewoon en natuurlijk: want de Apostel leert, dat dezelfde Geest en dezelfde God ze allen werkt, en samen worden zij en moeten zij worden beheerscht en geleid door het hoogere, geestelijke, bovennatuurlijke levensbeginsel. Juist daardoor onderscheiden zij zich van alle natuurlijke begaafdheden en talenten. Er is iets bovennatuurlijks in, en daardoor worden het charismen (genadegaven).

Hierbij komt het voorname doel dezer gaven. Zij zullen dienen voor de Kerk: tot stichting \'), tot opbouwing en versiering van den geestelijken tempel Gods op het eenige fandament Jezus Christus (1 Kor. 3 : 11), gelijk Paulus zegt 1 Kor. 12:7: Renen iegelijk wordt de openharing des Geestes (die bekwaamheid, waarin de kracht en werking des Heiligen Geestes in hem zich betoont) gegeven tot hetgeen dat oorhaar (nuttig) is \'). „Namelijk tot stichting der gemeente (1 Kor. 14 : 12) en tot algemeenen dienst van allenquot; {Kantteek.). Alzoo „dat elk zich moet schuldig weten, zijne gaven ten nutte en ter zaligheid der andere lidmaten gewilliglijk en met vreugde aan te leggenquot; (Heidelb. Gat. Vr. 55). Het eigenaardige der gaven (charismen) in de Apostolische Kerk is dan ook dit, dat zij niet zoo zeer bestemd waren ten dienste voor degenen zeiven, die ze ontvingen, als veelmeer bepaaldelijk ten nutte voor anderen, b.v. de gave der gezondmaking, in

\') olnoSo^.

-) TT pot TTS (TUfl^épOV.

272

-ocr page 289-

§ 1. geordende verscheidenheid.

\'t gemeen tot krachtige werking op anderen en tot getuigenis naar buiten, begonnen met het spreken in vreemde talen\'), van den Pinksterdag af en daarna een tijdlang nog weer.

b. De bovennatuurlijke gaven of begaafdheden (charismen) . in de eerste tijden van het Christendom en aan deszelfs bevordering dienstbaar, waren deels bijzondere bekwaamheden betrekkelijk de leer, deels andere vermogens en werkingen.

lt;*. Van de leer- of spreekgaven zegt de Apostel 1. Kor. 12:8: Dezen wordt door den Geest gegeven het woord der wijsheid {coCpioi, practisch, onmiddellijke, vaardige, toepasselijke inlichting en aanwijzing uit de Goddelijke leer aangaande het leven en voorkomende omstandigheden) en eenen anderen het woord der kennis yvwtri^, theoretisch, beschouwend, diep inzicht in en lichtvol voorstel van de Christelijke leer en hare verborgenheden) door denzelfden Geest.

Voerde bij deze beiden het verstand den boventoon, het gevoel bij een ander, die de gave der profetie ontving (v. 10) waarmede niet bijzonderlijk is bedoeld voorzegging, maar gemoedelijke, bezielde, vurige aanspraak, voornamelijk tot onbekeerden (1 Kor. 14 : 24).

273

Bij een ander vertoonde zich de gave der talen \').

\') Vergol. Ebrard, Dogmat. 11. § 461. S. 376. \'2) De verschillende meeningen over de glossolalie, hot spreken in vreemde talen vindt men kortelijk vermeld bij Meyer op Hand. 2 en 1 Kor. 12 v.v. en bij Th. Keim in Herzogs Keal-Enc. XVIII. S. 676 fi. u. d. W. Zungenreden. Een uiterst in willekeur is het gevoelen van Billroth, volgens wien de glossolalie zou geweest zijn het spreken eener mengtaal, die de oor-Gravomeijei-, Geref. Gel. leer. 111. 18

-ocr page 290-

§ 1. GEORDENDE VERSCHEIDENHEID.

Eene wonderbare gave ; hierin bestaande, dat een geloovige in den geest opgetogen en als buiten zichzelven zijne gewaarwordingen en gevoelens uitte in andere dan zijne moedertaal, naardat de Heilige Geest hem woorden daarvoor gaf. Het was geen enkel uitstooten van losse klanken, maar een Godverheerlijkend spreken (1 Kor. 12 : 30, 14 ; 2, v.v.) en wel met samenhang, want met den geest spreekt de zoodanige verhorgenhcden en sticht zichzelven, zegt Paulus (1 Kor. 14 : 2, 4). En het waren menigerlei talen (1 Kor. 12 : 10), en wel talen der menschen, verschillende, vreemde talen, bij menschen gebruikelijk (1 Kor. 13 : 1, waar Paulus ongetwijfeld op de wondergave doelt en tegen hare overschatting getuigt, daar hij haar, ja al ware het Engelentaal, zonder de liefde voor wezenloos verklaart).

De Heere maakte deze gave nuttig en vruchtbaar voor de hoorenden door een andere gave, namelijk de uitlegging der talen \'). Op den Pinksterdag was deze gave niet noodig

spronkelijke (jrondbestanddeelen der verschillendste werkelijk historische talen bevatte (dus oen soort van Volapnk). Bedachtzaam en getrouw is bijzonder Von Gerlach, Einleit. zu 1 Kor. 14, in ondersoheidiüg ook van vele nieuwere Gereformeerden (ook van Dr. A. Kuyper, Het werk des Heiligen Gees tos 1ste Deel. 1888. p. 179), die hierin althans verre vau Calvyn ai\'gaan (blijkens zijn Commentar. op Hand. 2 : 4, G en op 1 Kor. 12 : 10, 28), en het wonder ontwonderen of er ten minste eene verklaring en zinduiding van bieden, openbaar strijdig met de letter der Schrift, gelijk zelfs Meyer erkent.

\') Twee verschillende gaven, zegt Calvin. Commentar. in 1 Korinth. 12 : 10 en 28. De uitleggers brachten de vreemde talen in de landstaal over. Deze (javen verkregen zij toen niet door arbeid en studie, maar van den Heiligen Geest. Interpretea inguas extraueas vernaoulo idiomate reddebaut. Has dotes non

274

-ocr page 291-

§ 1. GEORDENDK VERSCHEIDENHEID.

geweest, daar het juist de talen der aanwezige vreemdelingen waren, in welke tot dezen beurtelings gesproken werd, gelijk zij zeiven hoorden en verstonden (Hand. 2 : 8), Hierbij kwam de gave van onderscheiding der geesten (1 Kor. 12 : 10), het vermogen om te onderkennen, wie waarlijk door den Geest Gods sprak of door onzuivere aandrift; tot waarschuwing voor de gemeente (voor de gemeente (vergel. 1 Kor. 12 : 3) tegen misleiding.

/3. Behalve deze gaven, die samen betrekking hebben tot het Woord en de leere, gewaagt de Schrift ook van andere gaven, zich openbarende in bijzondere handelingen in het belang van het Koninkrijk Gods, uitnemende vermogens van werkenden en administratieven aard.

En wel deels op den wortel van natuurlijken aanleg, doch door den Heiligen Geest verhoogd en geheiligd en even daardoor gave (Charisma). Zoo de gave der Kerk-regeering, „om de gemeente in goede orde te houden en te bestieren.quot; {Kantteek. 1 Kor. 12 : 28), en der menigerlei dienstverrichtingen in de aangelegenheden der gemeente. behulpsels om „de armen en kranken te bezorgen en te helpen.quot;

Deels de gave om wonderen te doen, inzonderheid de gaven der gezondmakingen, „niet door ordinaire middelen van medicijnen, maar met een woord, met aanraken of anderzins bij mirakel.quot; {Kantt. I Kor. 12 : 9,) door een onmiddellijke werking Gods.

275

3. Met de gaven (charismen) staat in nauw verband de verscheidenheid van bedieningen, als bijzonder noodig

labore aoc studio sibi tune comparabant, sed habobant mirifica Spiritus revolationo.

-ocr page 292-

§ 1. geordende verscheidenheid.

en heilzaam voor de Kerk. Het zijn slechts diensten, geen heerschappijen; slechts dienaars, geen gezagvoerders. Toen Christus ten hemel voer, heeft Hij tot de Apostelen gezegd : Mu is gegeven alle macht in hemel en op aarde (Matth. 28 : 18), Hij zeide tot hen niet; Nu draag ik deze macht aan u over ; het is en blijft Zijne macht alleen, en wel alle macht. Alles hangt af van Hem die het Hoofd is [namelijk] Christus, Uit welken het geheele lichaam, hekwamelijk te zamen gevoegd en te zamen vast gemaakt zijnde, door alle voegselen der toebrenging, naar de werking van een iegelijk deel iu [zijne] mate, den wasdom des lichaams bekomt, tot zijns zelfs opbouwing in de liefde, Efez. 4 : 15, 16.

a. Doch de Heere bedient zich bij de menschen ook van menschen als werktuigen en maakt hen door zijne gaven tot hun ambt\') bekwaam. Als eerste bekleeders van een ambt in de Christelijke Kerk treden de zeven Diakenen op; recht eigenlijk „dienarenquot;, gelijk hun naam zegt (Hand. 6 ; 1—G). Zij zouden de taf el en dienen, „aan welke het geld en de spijs tot onderhoud der armen gebracht en uitgedeeld werd of ook de vriendelijke maaltijden na (?) het Avondmaal onder de Christenen gehouden werdenquot; {Kantteek.); met alle verdere zorg voor behoeftigen en lijdenden, naardat de nood vorderde en waartoe de barmhartigheid der gegoede geloovigen hen in staat stelde. Gekozen door de gemeente, door de Apostelen aangesteld en bevestigd met gebed en handoplegging.

276

Bij het Diakenschap komt het Opzienersambt en de

\') Eoue uitvoerige verhandeling Van het Kerkdijk ambt is gegeven door Dr. A. Knijper in do Herdut 1887. No. 505 on v.v.

-ocr page 293-

§ 1. GEORDENDE VERSCHEIDENHEID.

Bediening des Woords en der Sacramenten, ambten, zonder welke er geene Kerk, geen gemeenteleven zijn kan, en door welke de Hoere in hare menigerlei behoeften, uitwendige en geestelijke, voorziet. Hij heeft gegeven sommigen tot Apostelen en sommigen tot Profeten en sommigen tot Profeten en sommigen tot Evangelisten en sommigen tot Herders en Leeraars. Tot volmaking der heiligen, tot het werk der bediening, tot opbouwing des lichaams van Christus, Efez. 4 : 11, 12 ■)•

b. Onze Belijdenis Art. XXX erkent drie \') kerkelijke

\') Over dozen tekst en de daar genoemde kerkelijke waardig-heidsbekloeders zie Elfde Hoofdstuk § 18.

2) De Dordtscha Synode vier. Kerkenordening van 1G19. Hoofdst. 1. Art. 2: De diensten zijn vierderlei: dor Dienaren des Woords, der Doctoren, der Ouderlingen en der Diahenen.

Men meent de Doctoren te vindon in do Stixfnxhoi, Leeraars Efez. 4 : 11 (1 Kor. 12 : 28, 29, alwaar de Vulgata vertaalt doctores, terwijl zij Efez. 4 : 11 het. woord geheel hoeft weggelaten). Men stelt dan oen onderscheid tusschon Herders en Leeraars (pastores en doctores), en men verstaat door deze Leeraars (in onderscheiding van de Herders) bepaaldelijk Schriftgeleerden, Theologen, geleerde Schriftverklaarders ter opleiding van Herders en tor bewanng der zuivere leer, vergelijkbaar met do Godgeleerde Hoogleeraren aan de Hooge Scholen. Zoo Calvin. Inst. IV. 3. 4 : (Zij bekleedon niet het Predikambt in oone gemeente, maar) Scripturae tantum intorprotationi praosunt. Dezelfde, Com-mentar in Ephes. 4 : 11: tam formandis Pastoribus quam eru-diondao toti Ecclesiae praosunt. (Vergol. Denselfden, Comm. in 1 Cor. 12 : 28). Zoo ook Pictet, Godgoloerdh. II. Deel p. 404 (die echter bezwaarlijk acht de zaak te bepalen). Nog nader handelt hierover Ebrard, Dogm. II. § 488).

Intusschen Paulus voegt Efez. 4 : 11 Herders en Leeraars openbaar als ééno klasse saam, anders zou hij sommigen hebben horhaald zooals bij do vooraf gonoomdon. Zio ook Elfde Hoofdstuk § 11.

277

-ocr page 294-

§ 1. GEORDENDE VERSCHEIDENHEID.

ambten: Wij gelooven dat de ware Kerk geregeerd moet worden naar de geestelijke politie, die ons onze Heere heeft geleerd in zijn Woord namelijk dat er Dienaars •) of Herders 1) moeten zijn om Gods Woord te prediken en de Sacramenten te bedienen; dat er ook Opzieners 2) en Diakenen zijn, om met de Herders te zijn als de Raad der Kerk») en door dit middel de ware religie te onderhouden en te doen dat de ware leer haren loop hebbe; dat ook de overtreders op geestelijke wijze gestraft worden en in den toom gehouden; dat ook de armen en bedrukten geholpen en getroost worden, naardat zij van noode hebben. Een nadere omschrijving dezer ambten bieden de voortreffelijke Formulieren ter Bevestiging van de Dienaren des Goddelijken Woords, en van de Ouderlingen en Diakenen.

Dus wel eene Kerkregeering, maar geene heerschappij van geestelijken, geen eigenmachtige handelingen der ambtsdragers. Daartegen komt de Nederlandsche Gereformeerde Kerk ten sterkste op. Volgens haar, overeenkomstig de Schrift, moet de Gemeente in alles worden gekend en mag er in kerkelijke aangelegenheden niets worden beslist buiten de gemeente om.

Zoo bij de verkiezing: Nederl. Belijd, des Gel. Art. XXXI: Wij gelooven dat de Dienaars des Woords Gods, Ouderlingen en Diakenen lot hunne ambten behooren verkozen te worden door wettelijke verkiezing der Kerk, met

278

1

\') Latijnscho tekst: Ministri. (Act. XXXI; vorbi divini Ministri).

2

^ Seniores, Oudsten, Ouderlingen, TrpsTpiiTspci; opzieners, skItkottoi. (bisschoppon) Vergel. Ebrard, Dogmat. II. § 481.

-ocr page 295-

§ 1. GEORDENDE VERSCHEIDENHEID.

aanroeping des naams Gods en goede orde, gelijk het woord Gods leert\'). Zoo moet zich dan een iegelijk wel ivachten door onbehoorlijke middelen zich in te dringen, maar is schuldig den tijd te verwachten dat hij van God (door dc Gemeente) beroepen worde, opdat hij getuigenis hebbe van zijne beroeping, om van dezelve verzekerd en gewis te zijn, dat zij van den lieere is.

En aangaande de Dienaars des Woords, in wat plaats dat zij zijn, zoo hebben zij ééne zelfde macht en autoriteit (geen Roomsche Bisschoppen en Aartsbisschoppen, geen Luthersche Superintendenten en Generaal-Superintendenten en dergelijke), zijnde allegader Dienaars (Minister!) van Jezus Christus, des e enig en algemeen en Bisschops en des eenigen Hoofds der Kerk.

De apostolische Kerk geeft ons het voorbeeld van de rechte verhouding der kerkelijke ambtsbekleeders tot elkander en tot de gemeenten. Geen eigene, eerzuchtige verheffing van den eenen boven den anderen J); en geenü

1) Latijnscho toxt: eoquo ordino qui vorbo Doi docotur, en in die orde welke in het Woord Gods geleerd ruord.

2) Neander, Pflanzung dor Chr. Kircho 1832. S. 123 zegt: Bit is zeker, dat iedere Gemeente door een Kollegie van Opzieners uit haar eigen midden geregeerd loerd, zonder dat een enkele uit hen, die als primus inter pares (als eerste ondor gelijken) zou hebben voorgezeten, bij uitnemendheid den onderscheidenden naam tTriiTKOTTOs zou hebben ontvangen. Dit kwam waarschijnlijk eerst op na den tijd der Apostelen.

Hoe het in het Apostolisch tijdvak met de voorzitting in de Pre.sbyteriën iverd gehouden, daarover hebben ivij geen bericht. Maar hetzij, dat de voorzitting in de vergaderingen naar een zekeren turnus (rooster, toerbeurt) omging, of dat zij naar de levensjaren voortliep, of dat persoonlijke en ambtelijke uitnemendheid den een of anderen op den vooreittersstoel bracht, hetgeen

279

-ocr page 296-

§ 1. GEORDENDE VERSCHEIDENHEID.

behandeling eener kerkelijke zaak zonder de gemeente. Wel was het de eigenlijke taak der opzieners in iedere gemeente, om er over de algemeene orde te waken, voor zuiverheid van leer en leven te zorgen, misbruiken te keeren, afgewekenen te recht te wijzen en de gemeenschappelijke beraadslagingen te leiden. Maar hunne regeering sloot de deelneming der gemeente niet uit. Zoo werd de verhouding der Christenen uit de Joden en uit de Heidenen tot elkander niet door de Apostelen en Opzieners alleen afgehandeld, maar met de geheele gemeente te Jeruzalem, en de Brief daarover werd geschreven in den naam der Apostelen en der Ouderlingen en der broederen en gericht niet tot de opzieners, maar tot de broederen uit de Heidenen (Hand. 15 : 22, 23). En waar Paulus in zijne Zendbrieven (b.v. aan de Korinthiers) over kerkelijke

wij wegens gebrek aan berichten onbeslist moeten laten: zoo blijft toch dit gewis, dat zulk een, die het voorzitterschap waarnam, nog door geen bijzonderen naam onderscheiden werd. Dns na en buiten de vergadering telkens was de voorzitter niets meer dan de anderen.

De Dordtsche Kerkorde van 1619 Hoofdst. II. Art. 35 bepaalt aangaande het ambt van den Praeses in al de Kerkelijke Samenkomsten uitdrukkelijk: Zijn ambt zal uitgaan, wanneer de samenkomst scheidt. Dit gold zoowel meerdere als mindere vergaderingen.

Dr. A. Knijper, Van het Kerkelijk Ambt. Artikel XIII. Heraut 1887. No. 519 herinnert: De oude Gereformeerde dassen waren vergaderingen van genabuurde kerken, die slechts even saamkwamen en voor elke samenkomst een moderamen kozen, maar zoodra ze heur zaken hadden afgehandeld huiswaarts keerden, zonder dat er eenig moderamen of bestuur overbleef. En nog nader tegen permanente, opklimmende Kerkbesturen Dezelfde, Artikel XVI, Heraut 1888. No. 524.

280

-ocr page 297-

§ 2. IVOORD EN SACRAMENT.

aangelegenheden handelt, brengt hij de zaak tot de gansche gemeente.

§ 2. Woord en Sacrament.

De voornaamste instellingen, die de Heere aan de Kerk heeft gegeven, zijn de prediking des Woords en de bediening der Sacramenten.

1. Het Woord is liet middel\'), waardoor Gods Geest den mensch op eene redelijke wijze overeenkomstig diens redelijke natuur ter zaligheid bewerkt en waardoor dus de Heere zijne Kerk vergadert, voortplant en samenhoudt.

Hij kon het zonder middel, door zijnen Geest alleen; Hij wil het door het Woord. De kracht om zalig te maken is toch alleen bij God (Rom. 1 ; 16), maar in de prediking des Evangelies openbaart en betoont zich de kracht Gods tot zaligheid; en dat Woord is immers ook zelf van God. God blaast den levensadem des geloofs ons in, maar door het instrument Zyns Evangelies J). Rom. 10 : 17 : Het geloof is uit het gehoor en het gehoor door het Woord Gods.

Hij kon lederen uitverkorene onmiddellijk, in een oogen-blik volmaken, maar Hij wil ze allen trapsgewijs doen opwassen (Ef. 4 : 13) onder de opvoeding door de Kerk, die hun eene Moeder 3) is, wier kinderen zij zijn, die hen

\') Veertiende Hoofdstuk § 5 on § 17. Ovor «Gods Woordquot; zie mou Tweede Hoofdstuk, bijzonder § 15 en § 33.

J) Calvin. Instit. TV. 1.5: Fidem nobis Dous inspirat, sod Evangelii sui organo.

:l) De zichtbare Kork als Moeder geschetst bij Calvin. Instit IV. 1. 4.

281

-ocr page 298-

§ 2. WOORD EN SACRAMENT.

in haar lichaam ontvangen en hen gebaard heeft, en die hen aan hare borsten moet voeden en hen voorts onder hare bewaking en bestiering moet houden, totdat zij, van het stoffelijke vleesch ontdaan, zullen zijn als Engelen Gods in den hemel (Matth. 22 : 30),

Daar de Heere niet in zichtbare tegenwoordigheid onder ons woont, om met eigen mond Zijnen heiligen en genadigen wil te verkondigen, behaagt het Hem, den dienst van menschen daartoe te gebruiken. Hij kon het door Engelen, maar Hij wil hot bij de menschen door hunne gelijken, door natuurgenooten, die jegens de anderen bekennen : Wij zijn ook menschen van gelijke bewegingen als gij (Hand. 14 : 15). Aan den moorman (Hand. 8) wordt niet door den Engel het Evangelie verkondigd, maar deze moet Philippus ontbieden om het te doen. Tot Saulus in Damascus wordt Ananias (Hand. 9), tot Cornelius in Cesarea Petrus gezonden (Hand. 10).

Van den beginne aan heeft de Heere met menschen willen handelen door menschen, om hen te leeren en hen Zijnen wil te doen verstaan. In Israël beval Hij, als Koning des volks, aan de Priesteren uit Levi de studie en verklaring der Wet, en om zich daaraan te kunnen toewijden, ontlastte hij hen van de zorgen voor hunnen leeftocht: Om den kinderen Israels te leeren al de inzettingen, die de Heere door den dienst van Mazes tot hen gesproken heeft, Levit. 10 : 11. Want de lippen des Priesters zullen de wetenschap bewaren, en men zal uit zijnen mond de wet zoeken: want hij is een engel (gezant) des Heer en der heirscharen. Mal. 2:7.

En in tijden van verval, wanneer de Goddelijke waarheid werd verdonkerd en de gewone dienaren aan hunne

282

-ocr page 299-

§ 2. WOORD EN SACRAMENT.

roeping niet voldeden, verwekte de Heere steeds buitengewone werktuigen, die in de kracht des Geestes en begaafd met onbedriegelijke kennis van zijnen wil het licht weer op den kandelaar plaatsten en voor zijnen naam en dienst yverden \').

De gemeente des Nieuwen Verbonds heeft nu de gansche Heilige Schrift als de zuivere bron der kennis van Gods raad en wil. Zij heeft desgelijks een door den Heere ingesteld Leerambt, om de kennis der waarheid voort te planten en de gemeente daarin op te bouwen. Luc. 24: 47. Matth. 28 :19. En dit ambt der prediking met de bediening der Sacramenten zal voortduren lot aan het einde der dagen (Mare. 13 : 10. 1 Kor. 11 : 26).

Nietige, gebrekkige menschen; die dezen schat in aarden vaten dragen, wil de Heere tot dit groote, voortreffelijke werk vervaardigen, ten blijke dat de kracht zij Godes en niet uit ons (2 Kor. 4:7). Ook is het een uitmuntend en heilzaam middel om ons in nederigheid te oefenen, doordat Hij ons gewent zijn Woord te eerbiedigen en te gehoorzamen, niettegenstaande het door menschen gepredikt wordt die onze gelijken, ja soms in rang en aanzien zelfs onze minderen zijn. Bovendien, Nademaal in de tvijsheid Gods de wereld God niet heeft gekend door de wijsheid, zoo heeft het Gode behaagd, door de dwaasheid der prediking (van den gekruisigden Christus) zalig te maken die gelooven, 1 Kor. 1 : 21 J).

\') Hengstenberg, Gcsch. dos\' Reichos Gottos nnter dom A. B. II. 1. S. 95 f.

2) August in. Do dootrina ohrist. Lib. I. c. 14 : Quia por su-porbiam homo lapsus est, humilitatem adhibuit ad sanandum. Sorpontls sapioutia decopti sumus, Dol stultitia liboramur.

283

-ocr page 300-

§ 2. WOORD EN SACRAMENT.

284

Ook was er niets geschikter, om liefde en vereeniging te kweeken; dan de aanstelling van Herders, om de anderen gezamenlijk te onderwijzen en uit éénen mond de gemeenschappelijke leer te doen ontvangen. Ook daarom vooral deed God Israël tot het heiligdom samenvloeien, opdat de leer, door den mond des priesters verkondigd, de eenigheid des geloofs bevorderde.

Tegen allen, die de openbare samenkomsten minachten en de prediking overbodig rekenen, hebben wij met Calvyn vast te houden, dat de Kerk niet anders wordt opgebouwd dan door de uitwendige prediking, en de heiligen door geen anderen band onderling worden saamgehouden dan wanneer zij gemeenschappelijk voortgaande zich laten leeren en alzoo de orde bewaren, door God voorgeschreven (Efez. 4 : 11, 12). Zich daaraan onttrekken is voor God de ooren sluiten; anderen daarvan weerhouden, is de schapen van de kooi verdrijven en in den muil der wolven jagen\'). Er wordt vermaand Flebr. 10 : 25: Laai ons onze onderlinge hijeenkomsl niel nalaten, gelijk sommigen de gewoonte hebben, maar [elkander] vermanen, «n dat zooveel te meer als gij ziet dat de dag nadert. Onze Heidelb. Catech. Vr. 103 verklaart dan ook uitdrukkelijk als in het Vierde gebod begrepen: Dat de Kerkendienst of het predikambt en (tot dat einde) de scholen (ter behoorlijke opleiding der leeraren) onderhouden worden, en dat ik, inzonderheid op den Sabbat, dat it op den Rustdag, tot de gemeente Gods naarstigiijk kome om Gods Woord te hoor en, de Sacramenten te gebruiken enz.

\') Calvin, tiastit. IV. 1. 5. IV. 3. 1. P. van, Maslricht, Godgül. III. p. 525.

-ocr page 301-

§ 2. WOORD EN SACRAMENT.

2. By het Woord heeft de Heere de Sacramenten gevoegd. Van dezen handelt het nu volgende in bijzonderheden. Hier wijzen wij echter in het algemeen op de plaats, welke de Gereformeerde Kerk aan de Sacramenten toekent, waarin zij niet alleen van enkele sekten en partijen, maar wezenlijk en principieel van de Roomsche en ten deele ook van de Luthersche Kerk verschilt.

Bij de Roomschen gelden de Sacramenten meer dan het Woord, bij hen gaat het Sacrament vóór, het Woord staat bij hen in de tweede plaats. Het Sacrament is hun het eigenlijke genademiddel, overeenkomstig hunne opvatting van het geestelijke ambt als priesterschap (sacerdotium), door hetwelk bij hen alle genade wordt bedeeld, terwijl de Protestanten het ambt slechts als bediening (ministerium) van Woord en Sacrament beschouwen, niet als kanaal der genade zelve •).

Doch ook tusschen Lutherschen en Gereformeerden is er een merkelijk verschil.

285

De Lutherschen voegen Woord en Sacrament zoodanig bijeen, dat beide hun, hoewel niet in Roomschen zin, genademiddelen zijn en de Sacramenten dienvolgens voor

1) Do Roomsche Kerk spreekt het anathema uit over degenen die leeren, sacramenta — — non continere gratiam — — aut gratiam ipsam — — non conferre, Goncil. Trident. Sess. VII. Do Saoramontis, Canon VI. Ibidem, Prooomium : Per sacramenta omnis vera justitia vol incipit vol coepta augetur vol amissa reparatur. Catech. Ho man. Pars II. Cap. I Qu. 26 leert: (sacramenta) admirabili et certa curandarum animarum virtute prao-dita esse, turn per oa immensas illas dominicae passlonis divi-tias ad nos dorivari. Wol wordt daar do praedicatio verbi Dei daarbij genoemd, maar juist als dienende tot verklaring en vor-heerlijking dor Sacramenten.

-ocr page 302-

§ 2. WOORD EN SACRAMENT.

den Heiligen Geest niet slechts tot middelen strekken om de Goddelijke beloften te bezegelen en het geloof te sterken, maar ook om het geloof te werken. Intusschen laten zij daarbij niet na het Woord op den voorgrond te stellen lt;).

Onze Gereformeerde Kerk bewaart zorgvuldiger de rechte orde. Zij onderscheidt nauwkeuriger de werkingen des Geestes door Woord van die door Sacrament. Zij houdt zich hieraan, dat het Woord het gezette middel is, door hetwelk de Heilige Geest het geloof en het nieuwe leven werkt, teweegbrengt, en dat de Sacramenten middelen zijn, door welke Hij het Woord bezegelt en het geloove sterkt, en wel ook dit dan niet afgezonderd van het Woord maar mede door het Woord1). Wil men Woord en

28G

1

) Dat het Woord het regelmatige middel is tot werking des geloofs en dat de Sacramenten dit niet zijn, werd reeds bij de Roeping herinnerd, Veertiende Hoofdstuk § 5.

Dit erkent ook Van Oosterzee, waar hij van de »genadomid-delenquot; handelt, Dogmat. 11. p. 469. v. 476.

Do verhouding tusschen Sacrament en Woord Gods wordt ook besproken door G. E. Steitz in Herzogs Real-Encykl. XIII. S. 283 f. u. d. W. Sacramente. Hij bekent: Es louchtet ein, dasz die Sacramento die vorgilngige I\'redigt: dos Wortes und

don darch sie gewekten Glaubon voraussetzen ;--sic haben

nicht die Bestimmnng, den Glaubon erst zu wecken und zu

-ocr page 303-

§ 2. WOORD EN SACRAMENT.

Sacramenten genademiddelen noemen, voor den Gereformeerde \') is dan het Woord in een gansch anderen zin genademiddel dan de Sacramenten het zijn.

Nederl. Belijd. Art. XXIV : Wij gelooven dat het waarachtig geloof in den mensch gewrocht wordt door het gehoor des Woords Gods en de werking des Heiligen Geestes, Heidelh. Catech. Vr. 21 : Een oprecht geloof is niet alleen een zeker weten — — maar ook een zeker vertrouwen^

bogründon, sondern don boreits vorhandenen — — zu vorgo-wissern nnd zu bokrilftigen.

De overeenkomst en het onderscheid tusschen het Woord en de Sacramenten wordt nader in het licht gesteld door P. van Mastricht, Godgel. ITI. p. 581.

1) Ebrard, Dogmat. II. § 525. S. 579. Lange in Herzogs Real-Enc. v. 200. u. d. W. Onadenmittel. En vooral Winer, Compar. Darstoll. Herausgeg. von Dr. Paul Ewald S. 169.

Onze Nederl. Belijd. Art. XXXIII noemt de Sacramonten ook wel middelen: per quae, ceu media, Deus virtuto Spiritus Sancti in nobis operatur (do Nedorduitscho tekst hoeft: door \'t middel derwelke God in ons werkt door do kracht dos Heiligen Geestes), maar niet als middelen tor roeping en eerste toebrenging, integendeel, bondig en vast makende in ons de zaligheid, die Hij ons mededeelt.

Iets anders schijnt het, wanneer Van March Compond. on Merch XXIII. 4 bij do Roeping ook de Sacramenten noomt: Do roeping is eene weldaad des Genade- Verbonds, in welke God door den gewoonlijk tusschenkomenden dienst van zijn Woord en Bond-zegelen en tegelijk door de onoverwinnelijke Genade van Zijnen Geest de uitverkorenen — — overbrengt. En aldaar ^ 8 : De uitverkorenen roept God zoo door de innerlijk Verlichtende Aanrading en Trekkende Genade van Zijnen Gees^, dal Hij zich evenwel van het wooiid en de hondzegei.en gewoonlijk bedient. Edoch dat ook naar Van March do Sacramonton eigenlijk ingesteld zijn om do genade to bezogolen on hot geloof te bevestigen, en niet om dit oorst to werken, loert hij zelf XXIX, 3

287

-ocr page 304-

288 § 3. beteekenis en doel van sachament.

hetwelk de Heilige Geest door het Evangelie in mijn harte \') werkt. Dordr. Leerreg. Hoofdst. Ill en IV. De Leere. 6: Heigene noch het licht der natuur noch de Wet doen kan, dat doet God door de kracht de* Heiligen Geestes en door het Woord of de bediening der verzoening, welke in het Evangelie ran den Messias, waardoor het God behaagd heeft de geloovige menschen zoo in het Oude als Nieuwe Testament zalig te maken.

Daarentegen de Sacramenten heeft onze goede God ons verordend, om aan (in) ons zijne beloften te verzegelen, en om panden te zijn der goedwilligheid en genade Gods tot onswaart, en ook om ons geloof te voeden en te onderhouden, dewelke Hij gevoegd heeft hij het Woord des Evangeliums.

Allerduidelijkst is met korte woorden de rechte verhouding tusschen Woord en Sacrament uitgesproken in den Heidelb. Gat. Vr. 65 : Vanwaar het geloof, dat ons Christus en al zijner weldaden deelachtig maakt ? Van den Heiligen Geest, die het geloof in ome harten werkt door de verkondiging des Heiligen Evangeliums en het sterkt door het gebruiken van de Sacramenten.

§ 3. Beteekenis en doel van Sacrament.

De naam Sacrament, bij de westersche Kerken gebruikelijk, is uit de Latijnsche taal genomen en ingevoerd waar het Latijn Kerktaal was. De Grieksche Kerk gebruikt dan

IV, Cap. XXII § 13 p. 329 on Cap. XXIII § 8 p. 464 toont ten overvloode hoe men zijuen Autoui- in dezen moet verstaan.

\') Naar de togonwoordige lezing. Zie daarover Veertiende Hoofdstuk § 10.

-ocr page 305-

§ 3. DETEEKENIS EN DOEL VAN SACRAMENT.

ook vanzelf dezen naam niet, maar bezigt daarvoor een woord uit hare eigene taal, namelijk iWysiteno» (verborgenheid). Terwijl men nu in de Latijnsche kerktaal door Sacramentum dezelfde instellingen des Heeren ging benoemen als in de Grieksche door Mysterion, nam men de veelbevattende eigenlijke beteekenis van Mysterion (verborgenheid) mede in Sacramentum over, en gebruikte dit woord in denzelfden uitgestrekten zin als de Grieken Mysterion, van allerhande verborgenheden: Van de bovennatuurlijke leer, van geheimzinnige gebruiken en handelingen, van zinnebeeldige voorwerpen (symbolen).

In het oud, classiek Latijn beteekent Sacramentum in het gemeen eene geheiligde, gewijde zaak (res sacrata) en eene religieuze handeling. Zoo werd bij de Romeinen sacramentum genoemd de geldsom of geldswaarde, welke bij een proces door iedere der twee pleitende partijen bij den Opperpriester (Pontifex Maximus) tot pand werd gelegd om den goden, dat zegt, tot godsdienstige einden gewijd te zyn in geval van ongelijk.

Vooral beteekent bij de Romeinen sacramentum den eed, en wel den krijgseed •), den eed waardoor de soldaat zich

1) Daarentogon jusjurandum oon burgerlijke ood. Zegt Hannibal tot koning Antiochus bij Liviua XXXV v. 19 : Pater Amil-car me — — altaribus admoium jurejurando adegit, nunquam (imicimi foro populi Romani. Sub hoc Sacramento sex ot trigmta annos militavi: zoo beschouwt hjj dezen eod, die eigenlijk slechts een jusjurandum, eeno particuliere eodelijko belofte was, nu van achteren, met het oog op zijn gevoerden strijd als oon sacramentum. Döderlein, Lat. Synon. u. Etym. VI. S. 183.

In de middeleouwon sprak men ook van een sacramentum evangelicum, hetwelk zegt: een eed mot de handen op de Evangeliën.

Gravcmoijcr, Gorcf. Gol. loer. III. 19

289

-ocr page 306-

§ 3. BETEEKEN1S EN DOEL VAN SACRAMENT.

aan zijn veldteeken, zijn vaandel verplicht en wijdt, met welken soldateneed Tertullianus, die den Christen bij voorkeur als krijgsknecht van Christus beschouwt, de geheele toewijding aan den Heere in den doop vergelijkt, waarop ook onze Nederl. Belijd, des Gel. Art. XXXIV toespeelt: Om geheel Hem toeyeeigend te zijn, zijn merken veldteeken dragende.

In den ruimen zin van het Grieksche mysterion, als boven vermeld, van allerhande verborgenheden en heime-lijkheden, werd bij de Latijnsche Kerkvaders het woord sacramentum gebruikt\'). Daartoe werkte ook de oude Latijnsche Bijbel-Overzetting, de Vulgata, mede, die het Grieksche mysterion meermalen door sacramentum vertaalt, waar wij verhorgenheid lezen. Zoo Efez. 1 : 9 : de verborgenheid zijns willens (de heimelijke raad Gods van onze verlossing 3 : 3, 9. Kol. 1 : 27). 1 Tim. 3 : 16 : De verhorgenheid der godzaligheid is groot (den Persoon van Christus en zijn ambt aangaande), Efez. 5: 32: man en vrouw tot één vleesch: Deze verhorgenheid is groot (ziende op Christus en op de gemeente). Openb. 1 : Ü0 : De verhorgenheid der zeven stenen 17 : 1 : de verborgenheid der vrouw (der groote hoer). In al deze plaatsen heeft de Grieksche tekst mysterion, de Latijnsche Overzetting sacramentum 1). In dezen ruimen, veelvoudigen

290

1

) Dr. Aug. Halm, Das Bokeuutnisz der evangol. Kirche. 1853. 8. 115 f. G. E. Steitz in Hurzogs Roal-Enc. XIII. S. 229 ff. u. (1. W. Sacramente. Over het latere gebruik van Sacramentum in verschillemlen zin vindt men velerlei in het Glossarium Manuale mediae et infimae Latinitatis (cd. Adelung). Halae 1784. Tom. VI p. 13 sq.

-) Calvin. lustit. IV. 14, 2.

-ocr page 307-

§ 3. BKTEEKENIS EN DOEL VAN SACRAMENT. 291

zin bleef het woord sacramentum bij de kerkelijke schrijvers tot aan de 12de eeuw in gebruik.

Doch reeds vroeg werd dit woord ook in een nauweren zin genomen en werden de twee heilige instellingen des Heeren, Doop en Avondmaal, bij uitnemendheid Sacramenten genoemd , „Sacramenten van Christus, eigenlijke Sacramenten der Goddelijke genade.quot; Dit begrip van Sacrament in nauweren zin werd door Tertullianus (f omtrent 220 n. G.) in kerkelijk gebruik gebracht, werd door Augustinus (f 430) nader bepaald, hoewel niet consequent alleen voor Doop en Avondmaal vastgehouden, en werd vervolgens door de Algemeene Kerk aangenomen.

In de Heilige Schrift worden Doop en Avondmaal nergens Sacramenten genoemd. De Socinianen lt;) willen ze liever slechts ceremoniën heeten, terwijl zij den naam Sacrament als onbijbelsch verwerpen envenals de uitdrukkingen Drieëenheid, Goddelijke Personen, Voldoening en andere, overeenkomstig hun stelsel. En vele geloofsleeraren van verschillend standpunt achten den naam Sacrament min gepast1). Doch deze naam is nu eenmaal in de kerktaal gevestigd a) en heeft in voortgaande ontwikkeling der leer bij de onderscheidene gezindten zijne bepaalde beteekenis verkregen. Het komt er nu slechts op aan wat men er door verstaat en welk begrip men er mee verbindt.

\') Winer, Compar. üavst. 1882. S. 166. 170.

2) Ook Zwingli, zio Steitz in Herzogs Real-Enc. XIII. S. 268. Vooral SMeiermacher Chr. Glanbe II. S. 416 wonscht don naam Sacramenten weg en wil (en verwacht \'m toekomst) den naau Geheimniesen (Verborgouhedon), Mysteriën, in aansluiting aan de Oostersche Kerk.

\') P. Van Mastricht, Godgel. III. p. 588.

-ocr page 308-

202 § 3. BETEEKENIS EN DOEL VAN SAflRAMF.NT.

In klaarheid en diepte, in bevrediging voor verstand en hart, in schriftuurlijke gegrondheid naar de meening des Geestes blinkt de Sacramentsleer van Calvinus boven allen uit, zoodanig dat ook in nieuweren tijd de uitnemenste geloofsleeraren van verschillende gezindten hot hoofd er voor buigen en zich aan den invloed er van althans niet geheel hebben kunnen onttrekken •).

Calvyns Sacramentsleer is de erkende leer onzer Neder-landsche Gereformeerde Kerk, aangenomen en uitgedrukt in de Nederl. Belijdenis des Geloofs, in den Heidelhergschen Catechismus en in de Formulieren van Doop en Nachtmaal,

Dit Gereformeerd Sacramentsbegrip doet het Sacrament in volle kracht en waarheid Sacrament blijven : doordat liet, geheel naar het grondbeginsel der Gereformeerde Kerk, Gods doen daarin voorop stelt en den mensch laat

\') Ook Schleiermacher (vergol. Sleitz, a. W. S. 279), schoou do zei overigens zijnen eigenen weg gaat. Zoo zegt hij, Chrietl. Glanbe IT. S. 405 aangaande het Avondmaal, dat Luthers leer dem römischen Typus zu nahe steht, als dasz sie nicht sollte dts Herilhernehmen mancher aherglauhischen Vorstellungen begunstigt hahen. Daarentegen: Die Calvinische entgeht manchen-Schtvierig-heiten dadurch, dasz sie sick nicht uur von der überverstandigen Diivftigkeit der Zwinglischen Ansicht sondern zugleich auch von der geheimniszvollen Sinnlichkeit der Lutherschen entfernt halt.

Ook Dr. Biedermann, Christ). Dogm. II. 13d. 1885. S. 633. § 920 wil niet alleen het openbaar magische Sacramentsbegrip der Eootnschon, maar ook het hyperphysischc der Lutheranan, hetwelk het magische slechts bewimpelt, in do Gereformeerde vatting, rationeel ontwikkeld, doen opgaan.

Bij die Lutheranen, die dor Unie, der vereeniging van de Luthersche en do Gerefonnoorde Kerken (sodort 1817), toegedaan zijn, is vanzelf de Gereformeerde invloed in de Sacramentenleer algemeen merkbaar.

-ocr page 309-

§ 3. BETEEKENIS EN DOEL VAN SACRAMENT. 293

achteraankomen ; doordat het daarin het uitwendige en stoffelijke met het inwendige en geestelijke niet Roomsch vermengt en verwart, of Luthersch samenkoppelt, maar behoorlijk onderscheidt, zonder echter te scheiden wat en zooals het God heeft samengevoegd, en het eigenlijk sacramenteele uit de Sacramenten weg te nemen ; doordat het eindelijk aldus zich zuiver houdt zoowel van het Teveel dat het overgeloof er in legt als van het Temin, \'t welk degenen er in laten, voor wie het enkel mensche-lijke zinnebeeldige verrichtingen zijn.

Wij hebben de Sacramenten van twee zijden te beschouwen : van Gods kant en van \'s menschen kant. Eerst komt in aanmerking wat God er mee doet en er mee wil; dit kan men bij de Sacramenten niet genoeg in het oog houden, wil men hunne heilvolle kracht niet ontzenuwen. Dan, wat de mensch er meê moet.

1. Wat Gods wil en oogmerk met de Sacramenten is, wordt klaar en bondig geleerd in den Heidelh. Catech. Vr. 66 : De Sacramenten zijn heilige zichtbare waarteekenen en zegelen\'), van God ingezet, opdat Hij ons door het gebruik daarvan de belofte des Evanyelimns des te beter te verstaan geve en verzegele: namelijk, dat Hij ons van wege des eenigen slachtoffers van Christus, aan het kruis volbracht, vergeving der zonden en het eeuwige leven uit genade schenkt.

Hier hebben wij ons kerkelijk Sacramentsbegrip, hetwelk zich aanstonds bijzonder door het navolgende kenmerkt.

\') Zoo ook do Nedorl. Belijd, dos Gel. Art. XXXIII: Zichtbare waafteeJceiien en zegelen. Latijuseho tekst: Symbola et sigilla vlsibilia. Zienlijk, uiet juist blijvend ziclitbaar (uitgeuomen do besuijdouis), maar zichtbaar iu de bodieuiug, zichtbaar bediend.

-ocr page 310-

§ 3. BETEEKENIS EN DOEL VAN SACRAMENT.

a. De menschelijke verrichting treedt hier op den achtergrond. God komt in het Sacrament; Hij komt don mensch voor; van Hem gaat alles uit. Van Hem is de inzetting; Hij is het die er wat door te verstaan geeft en verzegelt; Hij, die de beteekende en verzegelde zaak zelve schenkt.

b. Het zijn niet alleen teekenen maar ook zegelen. Hierop legt onze Kerk nadruk. Zegel zegt meer dan teeken. Teeken is slechts afbeelding, schets, vertoon van een goed ; zegel zegt, dat het mij behoort. Teekenen zijn de Sacramenten, zoover God ons daardoor de belofte des Evange-liums te beter te verstaan geeft, daar Hij, acht hebbende op onze grovigheid\') en zwakheid, aan onze uiterlijke zinnen voorstelt, zoowel hetgene Hij ons betuigt door zijn Woord, als hetgene Hij inwendig doet in onze harten (namelijk reinigen en voeden). Zegelen zijn het, zoover God daardoor aan (in) ons zijne beloften wil verzegelen plechtig bevestigen, de zekerheid der bezitting van het beloofde en beteekende goed staven, en wel voor een iegelijk geloovige bijzonderlijk in gemeenschap met de gansche Kerk, met de geheele gemeente des Heeren. Het zijn dan panden (pignora) der goedwilligheid en genade Gods onswaart, — — bondig en vastmakende in ons

\') Calvin Instit. IV. 14. Soet. 3 ou 6. Vergel. Horat. Epist. Lib. II. Ep. III. (ad Pisoues) 180 —182 : Sognius irritant auimos demissa per aurem, Quain quae sunt oculis subjecta fidelibus et qnae Ipso sibi tradii spectator. Niet zoo levendig treft de ziel wat door het oor ivordt binnengebracht als wat de trouwe oogen zien en de aanschouwer nu zelf zich zeggen kan. (Horatius spreekt eigenlijk vau verhaal on vertooning op bol. toonool, van hot ouderscheid tusscheu het epische en het dramatische element; doch er ligt eene algomeene waarheid in).

294

-ocr page 311-

§ 3. BETEEKENIS EN DOEL VAN SACRAMENT. 295

de zaligheid, die Hij ons mededeelt. — — Zoo zijn dan de teekenen niet ijdel noch ledig om ons te bedriegen: want Jezus Christus is de waarheid van dien, zonder wien zij niet met allen zijn zouden. Nederl. Belijd, des Gel. Art. XXXIII. Hoedanig de verhouding zij tusschen liet uitwendige en de zaak, komt bij ieder Sacrament afzonderlijk in overweging.

c. In de leer der Protestantsche Kerken, inzonderheid der Gereformeerde, wordt het onafscheidelijke verband der Sacramenten met het Woord streng vastgehouden, in tegenstelling tegen de Rooinschen en Griekschen, voor wie de Sacramenten op zich zelve de eigenlijke genademiddelen zijn.

Geen Sacrament zonder Woord. God heeft, zegt Calvyn \'), de Sacramenten „als eene toegift bij het Woord gevoegd, niet zoo zeer om zijn heilig Woord te bevestigen als om ons in het geloof er aan vast te gronden. Want de waarheid Gods is door zich zelve vast en gewis en kan niet van elders eene betere bevestiging ontvangen dan van zich zelve. Gelijk een gebouw wel op zijn fundament staat, maar door pijlers wordt geschraagd, zoo rust het geloof op het Woord Gods al zijnen grondslag, maar door de bijgevoegde Sacramenten wordt het geloof vaster gemaakt; de Sacramenten zijn steunpilaren voor het geloof. Zij komen der zwakheid des geloofs door de zinnen te hulp en onderstutten het, daar zij de belofte in het Woord gegeven, zinnebeeldig, plastisch, in aanschouwelijken vorm voor oogen stellen, waarom Augustinus het Sacrament

\') Calvin, lust. J V, 14. Sect. 3, 5,0. Vergui. P. Van Mastrlclu, Godgel. 111. p. 381.

-ocr page 312-

29G § 3. BETEEKENIS EN DOEL VAN SACUAMENT.

noemde een zienlijk Woord, bij het hoorbare. Het zijn spiegels, in welke wij den rijkdom dor genade Gods jegens ons kunnen aanschouwen. — — De Sacramenten leeren en bevestigen niets buiten en boven het Woord ; zonder verband met het Woord hebben zij geene kracht. Zegels die men aan diploma\'s hangt en bij andere publieke akten pleegt te voegen, beteekenen op zich zelve en afzonderlijk niets en ijdel zou \'t zijn ze te hechten aan een perkament zonder woorden ; maar op stukken met woorden beschreven dienen zij tot bezegeling.quot;

Onze oude Godgeleerden zeiden kort en goed: de Sacramenten zijn teekenen en zegelen van het Verbond der genade \'). Zoo is het, en dit is de hoofdzaak waartoe zij dienen : van Gods kant beteekenen en bezegelen zij het Genadeverbond en deszelfs weldaden.

Van Gods kant zijn de Sacramenten belovend, toeeigenend, bevestigend; maar dan ook verbindend, verplichtend voor den mensch. En dit niet alleen : de mensch is er bij ook zelf doende, handelende. God geeft, de mensch neemt en hij geeft daardoor iets te kennen. En zoo volgt het andere einde der Sacramenten, hunne noodzakelijke keerzijde, namelijk wat de mensch daar doet en daardoor van zijnen kant betuigt.

§ 4. Beteekenis en doel van Sacrament. Vervolg.

2. Van onzen kant is het aannemenen en gebruiken van de Bondzegelen eene bevestiging van onze belijdenis,

1) P. Van Mastricht, Godgol. III. p. 577. Bralcel, lied. Godsd. I. p. 940.

-ocr page 313-

§ 4. BETEEKEN1S EN DOEL VAN SACRAMENT. VERVOLG. 297

gelofte van gehoorzaamheid en betuiging van kerkelijke gemeenschap.

a. Wie de Sacramenten aanneemt, bevestigt en bezegelt van zijnen kant zijne belijdenis der Goddelijke waarheid. En wel vanwege het onafscheidelijk verband tusschen Woord en Sacrament. Het is telkens een dadelijk aannemen van Gods Woord, een zinnebeeldig uitgedrukt ja en amen op de ware leer, inzonderheid van hare hoofdzaak en kern, dat onze volkomene zaligheid in de eenige offerande van Christus staat, die voor ons aan het kruis is geschied. (Heidelh. Cat. Vr. 67). Aldus is het Heilig Avondmaal, eene verkondiging van den dood des Heeren, 1 Kor. 11 : 26. Zoo volgde de doop, als bezegeling, op de belijdenis van Christus bij de drie duizend op den Pinksterdag, Hand. 2 : 41; bij Saulus Hand. 9 : 18 ; bij Cornelius en de zijnen. Hand. 10 : 48; bij Lydia, Hand. 16 : 14, 15; by den stokwaarder, Hand. 16 : 32. — Dies zijn de Sacramenten meteen kenteekenen en merken van den waren Godsdienst, feitelijke verklaringen dat men aan de geopenbaarde waarheid vasthoudt\') waardoor men zich van „ongeloovige en kettersche menschenquot; onderscheidt.

b. Het ontvangen en genieten der Bondzegelen sluit mede in de gelofte *) van gehoorzaamheid. Zoo de Doop,

\') Calvin. Instit. IV. 14. Setio 19: Gelijk de Sacramenten van den kant des Heeren getuigenissen zijn van genade en zaligheid: zoo zijn liet van onzen kant luederom merkteekenen van onze belijdenis, professiunis notae. — — Zij dienen, dat ook wij van onzen kant zoo voor God en de Engelen als bij de menschen getuigenis geven van ons geloof on onze Godsvrucht, ad testaudam apud hoiuinos rellgiouom, Soot. 1 ; i)iotatoin.

2) Calvin, hist. IV. 14. 19: De Sacramouteu zijn profession^

-ocr page 314-

298 § 4. BETEEKEN1S EN ÜOEL VAN SACRAMENT. VERVOLG.

1 Petr. 3 : 21. Eu het Heilig Avondmaal roepl de duur gekochten tot dankbare verheerlijking van God. 1 Kor. 10 : 1(5. G : 20, met lichaam en geest, met hart en mond en daden. Want de verheerlijking Gods is het hoogste einde van alles en zoo ook van de Sacramenten.

De gelofte van gehoorzaamheid, om met ziel en lichaam God in Christus te dienen, is in de Sacramenten naar hunnen aard als verbondshandelingen opgesloten. De Sacramenten nu bezegelen het Genadeverbond. Dit Verbond gaat wel geheel van God uit en is in dit opzicht eenzijdig. Evenwel zijn gelijk in alle verbonden, zoo ook in dit twee deelen begrepen (Formulier van den Heiligen Doop der Kinderen), twee partijen, twee factoren. De eene is God, de andere de mensch. En zoo is het tweeledig. God stipuleert, bepaalt alles, de mensch willigt in en zegt er ja op. God zegt: Ik geef Mij aan u, maar dan tevens : Nu moet gij u ook geven aan Mij en den duivel niet langer dienen maar Mij. God zegt: Ik zal u tot een God zijn, — maar dan ook: gij zult Mij tot een volk zijn (Jer. 31 : 1) en voor Mij leven. En dit is keus en gelofte van het volk des Heeren. God verbindt zich aan ons en wij worden tot reinheid en heiligheid dos levens verbonden : dus een verdrag, eene overeenkomst van weerskanten \').

notae, quibus palam in Dol nomen juramus, fidom illi visissiin nostram obstringoutos. P. Van Mastricht, Godgel. III. p. 578.

\') Calvin Instit. IV. 14. 19; Scito Chrysostomus ipsa (Sacra-menta) alicubi pactionos nuncupat, quibus et Deus nos sibi cou-foodorat et uos in vitae puritatem ot sanctimoniam obstringimur : quia bic mutua inter Doum ot uos intorponitnv stipulatlo. Want God belooft daar, onze schuld door to halen en te delgen en verzoent ons mot zich in don oeniggoboron Zoon, on wij verbin-

-ocr page 315-

§ 4. BETEEKENIS EN UOEL VAN SACRAMENT. VERVOLG. 299

c. Van onzen kant is het Sacrament dan ook eene aanvaarding, betuig ing en betooning van kerkelijke gemeenschap, van de gemeenschap der heiligen, van onze ver-eeniging met allen die door het tvaarachiig geloof Christus ingelijfd zijn, als zijnde allen door één en Geest tot één lichaam gedoopt en tot éénen geest gedrenkt 1 Kor. 12 : 13, en allen ééns broods deelachtig 1 Kor. 10 : 17. Door éénzelfden Geest bezield en eenerlei zegelteokenen ontvangende, vereenigen zich de geloovigen in den Geest onderling als tot een eedgenootschap, tot een liefdeverbond, en zullen dit niet alleen met woorden, maar met de daad ■jegens elkander bewijzen, gelijk het Formulier van het Heilig Nachtmaal\') zoo schoon en treffend leert en aandringt.

don ons wedorkoorig aan Hora (illi nos vicissim obligamus) tot een heilig leven.

Steitz, Herzoga Iteal-Enc. XIII. S. 271 : Also oin zvveifachos Zougnisz ist das Sacrament, sowohl der Griiade Gottos gogen die glilubigo Gromoindo, als des Glaubons dor Gemoindo gogen Gott; in einem gemeinsamen ïhun beider Paktoren, dos göttlichen und des meusthlichon, erst kommt der Begriff dos Sacramentes nach seinen beiden Sciton hin znr vollstlludigou Roalisiruug.

Nitzsch, System § 191 noemt Doop en Nachtmaal unterpfand-liche Bundeszeichen, zegels en onderpanden, waardoor deels do voreeniglug der geroepenen met den Hoore, deols hunne ondor-scheiding van de wereld wordt gestaafd en betoond.

1) » Want gelijk uit vele koornkens één meel gemalen en één brood gebakken wordt, en uit vele beziën te zamen geperst zijnde één wijn en drank vliet en zich ondereen vermengt; alzoo znllon wij allen, dio door hot waarachtig goloof Christus ingelijfd zijn, door bvouderlijke liefde — — te zamon één lichaam ziju.quot; De Symboliok van korrels on bessen is naar Augastinus {Steitz a. W. S. 236, vorgel. S. 233). Augustinus legt or nadruk op,

T

t

;

-ocr page 316-

300 § 5. KENMERKEN DER WARE SACRAMENTEN.

§ 5. Kenmerken der ware Sacramenten.

De Protestantsche, inzonderheid de Gereformeerde Kerk houdt, in tegenstelling tegen de Roomsche, alleen die heilige kerkplechtigheden voor Sacramenten, bij welke is vooreerst een uitwendig teeken, ten tweede eene geestelijke zaak, en ten derde een Woord Gods, en wel een Woord van instelling en belofte, door hetwelk het zichtbare teeken en de onzichtbare zaak in eene bepaalde betrekking tot elkander worden gebracht. Waar deze drie stukken niet bij elkander zijn, daar is ook geen zoodanig waar Sacrament als onze Kerk met dezen naam bedoelt.

I. Teeken i) is iets wat zich zelf waarneembaar aan de uiterlijke zinnen vertoont, maar tevens op iets anders wijst, aan iets anders, en wel standvastig aan één en hetzelfde denken doet. Men onderscheidt natuurlijke teekens, verschijnsels die onwillekeurig de voorstelling verwekken van iets anders wat men niet ziet, van wege een natuurlijk verband tusschen beide. Zoo is de rook, dien men ergens ziet opstijgen, een teeken dat daar vuur aanwezig is, al ziet men geen vuur; zoo brengen de ingedrukte sporen van een dier onze gedachte van zelf hierop dat er een

dat Doop on Avondmaal verbindingsmiddelen voor de Kerkelijke gemeenschap zijn. Zondor uitwendige teekenen, leert hij, kan er geen godsdienstige gemoenschap bestaan, \'t zij ware of val-sche {Neander, Küchengosch. II. Bd. 3to Abth. 1831. S. 927J, waarmee Calvin. Instit. IV. 14. 19 instemt. Vergol, ook P. Van Mastricht, Godgel. III. p. 578.

\') Augustinus, De Doctrina Christ. Lib. II. Cap. 1, Do Signis, dien onze oude geloofsleers hierin meest volgen, als P. Van Mastricht, Godgel. III. p. 577. Braicel, Rodel. Godsd. I. p. 942. Vergol. De Moor, Comment, iu Marok Pars V. p. 2t}3.

-ocr page 317-

§ 5. KENMERKEN DER WARE SACRAMENTEN. 301

dier is lan^s gegaan. Of gekozene en ingestelde teekenen, hetzij door menschen, als gedenkteekenen van personen of gebeurtenissen ; of, voor den dienst van God, door God zeiven verordend. Zoo de Sacramenten, die ook zelve den naam van teekenen dragen. De aard van een Sacrament eischt, dat er eene zichtbare en tastolijke substantie zij en eene uitwendige, waarneembare handeling geschiede, anders heeft er geen beteekenen en bezegelen plaats. Het Woord alleen is geen Sacrament. Het teeken noemt men de uitwendige materie (de stoffe) of het element des Sacraments; daarbij komt de zienlijke handeling zoo van den bedienaar als van dengene die het ontvangt, hetwelk de uitwendige vorm wordt genoemd. Want de Sacramenten, herinnert Calvyn, bestaan niet uit enkele teekenen, als de regenboog en de boom des levens, maar het zijn heilige, plechtstatige handelingen \')•

2. Het teeken veronderstelt en eischt eene zaak, die daardoor wordt aangeduid. Welke bijzonderheden deze behelst, is bij ieder Sacrament onderscheidenlijk na te gaan. In het algemeen is de heteekende zaak het Verbond der genade met dezelfs goederen, dus Christus met zijne verdiensten en weldaden, in wien het Genadeverbond gegrond is *). Het teeken is stoffelijk, lichamelijk, zichtbaar en raakt het lichaam ; de heteekende zaak is geestelijk,

\') Calvin Instit. IV. 14. 19: Constant non simplicibus signis, qualia erant arcus et arbor, sed ceremoniis : aut (si mavis) signa, quae hie dantur, ceremoniae sunt.

\') Idem, Instit. IV. 14. 16 ; Christum Sacramontorum omnium maleriam, vol (si mavis) substantiam esse dico, quando in ipso to tam habent suam soliditatom, noc quicquam extra ipsum promitinnt.

-ocr page 318-

302 § 5. KENMERKEN DER WARE SACRAMENTEN.

onzichtbaar en gaat lot de ziel \'). Het teeken is de zaak niet, maar is teeken en zegel van de zaak.

3. De sacramenteele teekenen, de lichamelijke stoffe en uitwendige handeling, hebben beteekenis en zegelkracht alleen door een Goddelijk Woord, waardoor zij hiertoe uitdrukkelijk zijn ingesteld en verordend en waarin beloofd en verklaard is dat zij onderpanden zijn van bepaalde weldaden der Goddelijke genade.

Geen mensch, geen vergadering van menschen, geen Kerk heeft recht en macht Sacramenten te maken. En wel omdat over \'t geheel in al wat den Godsdienst betreft. God alleen de Wetgever is, waarbij geen menschelijke inzettingen gelden (Matth. 15:9). En omdat de Sacramenten in het bijzonder verzekeringen en panden zijn van Gods goedwilligheid t\' onswaarts en van zijne beloften aangaande onze zaligheid, zoo kunnen zij ook alleen van Hem zijn. Want wat schepsel zou eigenmachtig, zonder uitdrukkelijke openbaring, machtiging en lastgeving, bericht en bevestiging ons kunnen opdringen van Gods wil en zin (Rom. 11: 33), van hetgeen Hij ons al of niet wil schenken ? En Hij zelf is het immers alleen die de beteekende zaak geeft. Hij geeft het Verbond, Hij geeft Christus, Hij de bijzondere zaligmakende weldaden in den Middelaar. Dies is Hij zelf ook de cenige, die door een gegeven teeken van zich aan ons getuigen kan. „ Al de menschen te gader kunnen uit zich zeiven ons niets aangaande onze zaligheid beloven : dies kunnen zy op eigen gezag ook geen

\') F. Van Mastricht, Godgel. III. p. 578. Pictet, Godgol. II. p. 479,

-ocr page 319-

§ 5. KENMERKEN DER WARE SACRAMENTEN.

Sacrament instcllan,quot; door hetwelk de belofte wordt bestempeld \').

Door het Woord des Heeren worden teeken en be-teekende zaak vereenigd. Niet zakelijk, maar betrekkelijk. Niet als wierd het teeken veranderd in de zaak of de zaligmakende kracht der beteekende zaak in het teeken gelegd of met het teeken versmolten. „Maar het is eene vereeniging van opzichtdijkheid, die alleen bestaat in het met het verstand en geloove brengen van het teeken tot de beteekende zaak, en van de beteekende zaak tot het teeken, en dat in die opzichten die God in Zijn Woord voorgesteld heeft, en niet in die, welke men door een bloote beschouwing zelf maken en zich verbeelden mochte J).quot;

Gangbaar is de kernspreuk van den kerkvader Auyusdnits : Komt het Woord tot het element, dan wordt het een Sacrament a); eene formule intusschen, die wij niet zonder nader bepaling mogen overnemen. Immers het Woord der instelling raakt niet slechts het element (water, brood, wijn) als zoodanig en alleen op zich zelf aangemerkt, maar bepaaldelijk ten opzichte van en in verband met hetgenen in de plechtigheid er mee gedaan wordt. Het verandert de natuur van het element niet, het brengt in dit geen geheime krachten over; maar het wijdt geheel de handeling en belichaamt zich als het ware in deze en maakt zich daarin zichtbaar.

\') Calvin, [nstit. IV. Cap. 18. Sect. 19 on Cap. 19. Sect. 2.

-) Brakel, Eed. Godad. I. p. 943.

:\') Accedit verbnm ad olementum et fit sacvamontum, etiam ipsum tanqnam visibilo vorbum. Op doze herhaalde sonteutie des Kerkvaders wijst mot nadruk ook Calvin. Instit. IV. 14. 4. Met oenig voorbehoud Steitz in htevzogs Eeal-Enc. XflI. S. 235. 240. 282.

303

-ocr page 320-

304 § 5. KENMERKEN DER WARE SACRAMENTEN.

Het element is derhalve ook geen teeken dan in do plechtigheid, bij de bediening en het gebruik ; buiten dezen is het niets sacramenteels meer.

Ook volgt er uit wat onze Gereformeerde Kerk met Augustinus leert, tegenover Roomschen en Lutherschen, dat iemand het teeken kan ontvangen zonder de beteekende zaak. Want het teeken is niet de zaak, gelijk de Roomschen stellen, noch is de zaak in, met en onder het teeken onscheidbaar aanwezig, zooals de Lutherschen leeren \'). Naar de Gereformeerde Kerkleer ontvangt alleen de geloovige de zaak en is het geloof, hetwelk de Heilige Geest werkt en gaande maakt, het orgaan om den zegen der Sacramenten te verkrijgen 1).

Naar de Roomschen doen de Sacramenten hunne werking onvoorwaardelijk, wordt de genade medegedeeld door de Sacramenten op zichzelve, ex opere operato, krachtens het gedane werk, namelijk het werk der bediening, dat zegt: met en doordat het Sacrament wordt bediend, brengt dit, omdat het eens voor al daartoe door den Heere is ingesteld, de rechtvaardigende en heiligmakende genade tot dengene over die het ontvangt (tenzij deze eene

1

) Calvin. IV. 14. 7, die met instemming de spreuk van Augustinus aanhaalt: Het Woord doet in het Sacrament zijne werking non quia dicitur, sed quia creditur, niet door zich zolf, door het zeggen dor bedienaars, maar door hot geloof, hotwolk do Heilige Geest verwekt.

-ocr page 321-

Jj 5. KENMERKEN DER WARE SACRAMENTEN. 305

hindernis en stoornis, namelijk eene doodzonde in den weg stelle •). Doch eischt de Roomsche Kerk, dat de priester, die het Sacrament bedient, daarbij de intentie, do bewuste en besliste bedoeling hebbe, om het to bedienen naar en in den zin der Kerk 1). — De Grieksche Kerk heeft deze leerbepalingen van eene werking der Sacramenten ex opere operato niet ; doch eischt zij wel de intentie des priesters en geloof van den communicant 3).

De Luthersche Kerk sluit het geloof niet uit, maar houdt toch vast aan eene objectieve kracht en werking der Sacramenten, die van den Insteller uitvloeit en door het Woord der inzetting daaraan is verbonden.

Naar de Calvynsche leer onzer Gereformeerde Kerk worden beide, Woord en Sacrament eerst krachtdadig en vruchtbaar door de werking des Heiligen Geestes, die beide doet verstaan en in geloove ontvangen. Zonder geloof heeft men er niets van *).

Die dit betwisten, brengen hier aanstonds tweeërlei in.

Vooreerst: „Dan moet de Doop van kleine kinderen niet worden toegelaten, want die zijn onvatbaar voor geloof 5).quot; Maar deze tegenwerping en gevolgtrekking

1

) Tridentin. l:c. Can. XI.

-ocr page 322-

§ 6. TWEE SACRAMENTEN.

vervalt, wanneer anderszins de kinderdoop op goede gronden blijkt te staan (waarvan hierna § 22—24).

Ten tiveede: „Het geëischte geloof maakt het Sacrament overbodig en onnut. Want ons geloof kan niet beter worden, wanneer het goed is; goed is het echter niet dan wanneer het onwrikbaar op Gods barmhartigheid vertrouwt.quot; Maar de waar geloovige blijft levenslang een arm zondaar en kent en ondervindt voortgaande de zwakheden van zijn geloof en behoefte aan bevestiging en versterking. En daartoe dienen de Sacramenten: God komt den geloovige daar met teekens voor, met bepaalde, zichtbare merken en panden van zijne genade, om den twijfel en schroom te doen zwichten en het geloof te steunen en vaster te maken.

306

Intusschen, wordt het geloof versterkt door de Sacramenten, is dan niet de Heilige Geest tevergeefs gegeven, wiens kracht en werk het toch is het geloof aan te vangen, te bewaren, te volmaken ? Geenszins; hier is geene tegenstrijdigheid. Want het is de Heilige Geest, die, gelijk Hij door het Woord het geloof werkt, het ook sterkt door de Sacramenten. Hij alleen maakt voor het Woord en de Sacramenten den toegang tot onze harten open ; Hij bewerkt, dat het woord niet alleen ons oor, het Sacrament niet alleen ons oog treffe, maar dat ons ons binnenste er door worde aangedaan •).

§ 6. Twee Sacramenten.

1. Het woord Sacrament, in den ruimen zin van ver-

\') Calvin. lustit. Lib, IV. Cap. 14. Sect. 5, 7, 8.

-ocr page 323-

/

§ 6. TWEE SACRAMENTEN. 307

borgenheid genomen \'), omvat in het gemeen al die teekenen, welke God ooit den menschen gaf, om hen van de waarheid zijner beloften te vergewissen. Hetzij door natuurlijke dingen, zoo door den Boom des levens, dien Hij voor Adam en Eva tot een onderpand van onsterfelijkheid stelde s), en door den Regenboog, een blijvend waarteeken, dat de aarde niet weer door water zal vergaan. Of door wonderbare verschijnselen voor enkele keeren, als de rookende oven en vurige fakkel voor Abram (Gen. 15 : 17), het wollen vlies voor Gideon (Richt. 6 : 37), de zonnewijzer voor Achaz (2 Kon. 20 : 17) en meer andere. Daar zulks voor hen diende om hun geloof te versterken, waren het ook Sacramenten, zegt Galvyn 3}.

Doch wij hebben hier niet te doen met de buitengewone teekenen, maar met de gewone Sacramenten, die de Heere geregeld in zijne Kerk bediend wil weten, om zijne vereerders in één geloof te bevestigen en tot belijdenis van éénzelfde geloof te verbinden. Dat zijn de plechtigheden, bij welke zich gelijkelijk die eigenschappen voordoen, die de ware Sacramenten kenmerken (§ 5) en die dan, juist van deze afgeleid»), tot vereischten gesteld zijn om eene ceremonie Sacrament te mogen noemen. Het zijn gewaar-

\') Idem, IV. 14. 2.

\'2) Doch niet om er van te eten reeds gedurende den tijd dei-beproeving. Anders Calyn. Zie Achtste Hoofdstuk § 13.

■\') Haec quando fiobant ad sublevandam ac stabilieudam fidei illorum imbecillitatem, Sacrameutia quoque erant. Calvin. Instit. IV. 14. 18.

4) Eu niet a priore vastgesteld. Vergel. Ebrard Dogm. II. § 554. S. 685, en do herinnering vau Van Oosterzee, Dogm. 11. p. 483.

-ocr page 324-

§ 6. TWEE SACRAMENTEN.

merkte Verbondszegelen, met een teeken, eene beteekende zaak en Goddeiyke instelling en belofte.

Het Verbond der genade, in het paradijs opgericht, werd in de eerste tijden, van Adam tot Abraham verzegeld door de offeranden. Aan Abraham en zijn zaad gaf de Heere daarbij de Besnijdenis, hot teeken in het vleesch, tot een teeken des Verbonds (Gen. 17 : 11), tot een zegel der rechtvaardigheid des goloofs (Rom. 4 : 11); en daarna aan het volk Israels, bij de uitleiding uit Egypte, het Pascha, met het lam, als teeken, instellingen, naar haren tegelijk ook voorbeeldenden aard bestemd om met de offeranden niet langer te blijven dan tot de komst van Christus 1).

Door Christus hebben wij nu in de nieuwe bedeeling van het onveranderde Genadeverbond iwee Sacramenten, den Heiligen Doop en het heilige Avondmaal, die zuilen voortduren totdat Hij wederkomt 1).

2. Deze twee heeft de Protestantsche Kerk als de eenige ware en eigenlijke Sacramenten erkend en zich daaraan gehouden tegenover zoodanigen, die dit tweetal nog te veel of die het integendeel niet genoeg rekenden.

a. De Mennonieten s), volgelingen van Menno Simons, verwierpen den kinderdoop als eene schadelijke bijgeloovig-heid, voegden echter (doch bleven niet onderhouden) bij het Avondmaal de voetwassching als een door Christus (Joh. 13) voorgeschreven heilig gebruik. Do doop der volwassenen, dien zij lieten bestaan, bevestigt de afgelegde belijdenis. Doch worden de Sacramenten bij de Doops-

\') Bralel, Red. Godsd. I. p. 949.

\'2) Calvin. lustit. IV. 18. 19.

:,) Winer, Compar. üarat. 1882. S. 171. 173.

308

-ocr page 325-

6. TWEE SACRAMENTEN.

gezinden niet slechts ais teekenen van de Christelijke belijdenis, maar tegelijk van de duor God beloofde genade aangemerkt.

b. De Socinianen \') erkenden geen eigenlijke Sacramenten. Schoon door den Ileere ingesteld, waren het hun slechts menschelijke verrichtingen, ceremoniëele handelingen, van geenerlei kracht om het geloof te versterken, niets dan leuzen, parolen of merkteekenen van kerkelijke belijdenis. Daarom verwierpen zij den kinderdoop ; eerst zelfs den Doop over \'t geheel, daar volgens F. Socinus Christus maar één ceremonieel gebod J) had gegeven, namelijk van het Heilig Avondmaal, terwijl zij later den Doop als tweede lieten gelden, doch alleen voor volwassene Joden of Heidenen, tot de Christelijke religie overkomende 3), En het Avondmaal was hun alleen eene openbare en plechtige dankzegging aan Christus voor zijne liefde in zijn lijden en sterven bewezen en voor de weldaden door Hem geschonken, maar het was niet om daar iets te ontvangen ^). Dit was ook het gevoelen van Zwingli, dien meerendeels de Arminianen volgen. Zwingli leerde : De Sacramenten zijn teekenen of ceremoniën, door welke men aan de Kerk bewijst, dat men is of een aankomend of reeds dienend krijgsknecht van Christus en zij verzekeren meer geheel de Kerk van uw geloof dan u 1).

309

1

!) Sunt sacramenta signa vel caeremoniae, quibus se homo ecclesiae probat aut candidatum aut militem esse Christi, red-

-ocr page 326-

§ fi. TWEE SAGRAMENTErt.

c. Beide Sacramenten als uiterlijke handelingen, Water-doop en Avondmaal zijn afgeschaft bij de Quakers •) („Sidderaarsquot;), eene mystieke sekte in Engeland in de 17de eeuw opgekomen, gesticht door George Fox (geboren 1624), opnieuw gevestigd door William Penn (geb. 1G44), gesystematiseerd door Robert Barclay, haren eigenlijken, gezaghebbenden theoloog (geb. 1648).

Den Waterdoop en het uitwendige Avondmaal verwerpen zij als ledige, ijdele schaduwen, terwijl zijn als het wezen daarvan erkennen en vasthouden den doop met den Heiligen Geest en de geestelijke genieting van Christus\' vleesch en bloed. De Waterdoop was hun de Doop van Johannes, de Doop met den Heiligen Geest de Doop van Christus, naar Matth. 3 : 11. De Apostelen hadden wel met water gedoopt, maar uit misverstand van Jezus\' woorden en uit inschikkelijkheid jegens het volk dat aan ceremoniën was gewend. Zelfs Matth. 28 ; 19 had Jezus den Apostelen niet bevolen te doopen met water, maar bedoeld, dat zij door hunne prediking het levenswater des Evangelies zouden uitgieten.

Het uitwendige Avondmaal had Christus met zijne discipelen gehouden alleen om de geestelyke genieting van zijn vleesch en bloed (Joh. 6 : 32 vv.) af te beelden, en werd het een tijdlang onderhouden, het was om der zwakken wil, maar het zou niet voortduren (Rom. 14 : 17. Kol. 2 : 16 v.v,), zoomin als de voetwassching, meenden zij.

dnntque occleaiam totam certiorem de tua fido quam to. Ease, Hutt. rodiv. § 121. 3to Aufl. S. 308.

1) Winer, Compar. Darst. S. 167. Herzog, Real-Enc. XII. S. 419 n. (1. A. Quaker.

-ocr page 327-

§ 6. TWEE SACKAMENTEN.

d. De lioomsche Kerk telt met de Grieksche zeven Sacramenten. De Grieksche is daarin voorgegaan.

De Roomsche Kerkvergadering te Trente heeft afgekondigd : Indien iemand zegt, dat de Sacramenten der nieuwe Wet (des Nieuwen Verbonds) niet alle door Jezus Christus onzen Heere zijn ingesteld, of dat er meer of dat er minder zijn dan zeven, te iveten: Doop, Vormsel, Avondmaal, Biecht, Laatst Oliesel, Priesterwijding en Huwelijk; of dat er een van deze zeven niet waarlijk en eigenlijk een Sacrament zou zijn: die zij vervloekt1).

De vijf eerstgenoemden, gerangschikt naar de tijdsorde, in welke men ze achtereenvolgens ontvangt, zijn voor allen, de twee laatsten niet voor allen.

Voorts onderscheidt de Roomsche Kerk de Sacramenten ook naar rang en waardigheid. Doop en Avondmaal acht zij volstrekt noodzakelijk voor allen die door Christus zalig willen worden en gelegenheid hebben of bekwaam zijn om deze Sacramenten te ontvangen. En aan drie van de zeven kent zij eene bijzondere waardigheid toe 1), namelijk aan Doop, Vormsel en Priesterwijding : door deze wordt der ziel een blijvend merk ingedrukt, een geestelijk en onverdelgbaar teeken, weshalve zij in geen geval mogen herhaald worden 3). Ook de rechtzinnige Protestanten

311

1

\') Concil Trident. Soss. VIL Do Sacramentis. Canon 1. Baptis-mus, Confinnatio, Eucharistia, Poeuitentia, Extroma unctio, Ordo, Matrimonium.

-ocr page 328-

§ 6. TWEE SACRAMENTEN.

verwerpen de herhaling van den Doop, doch hebben nooit met de Roomschen geleerd dat de Doop een onuitwisch-baar merk (character indelebilis) in den gedoopte zou achterlaten \').

x. Het Vormsel ot de Confirmatie 1) der gedoopt en, is een Sacrament, hetwelk bij de Roomschen door den bisschop wordt bediend en hierin bestaat, dat hij den vroeger gedoopte de handen oplegt, zijn voorhoofd kruiswijze met gewijde balsemolie bestrijkt en daarbij de plechtige woorden spreekt: Ik teelcen u met het teeken des kruises en sterke u met de balsemolie der zaligheid in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes 2).

Door den Doop, leeren de Roomschen, wordt men wedergeboren, door het Vormsel of de Confirmatie tot krijgsknecht van Jezus gewijd ; door den Doop afgewasschen, door de Confirmatie met nieuwe kracht aangedaan en gewapend en gesterkt tot den strijd tegen de aanvechtingen der wereld.

Bij de Grieken volgt dit Sacrament onmiddellijk na den doop, bij de Roomschen in den regel met het twaalfde levensjaar, althans buiten noodzaak niet voor het zevende »).

Bij de Grieken is het alleen zalving, geen oplegging

HI 2

1

) Winer, Compar. Darot. S. 222 ff. Weizsaker in Herzogs Rcal-Enc. III. S. 110 ff. n. d, W. Confirmation. Verklaring van den Mechelschen Gatech. p. 261 v.v. De Moor, Comm. V. p. 334.

•\') Gatech. liomaa. Pars II. Cap. III. Qu. 2 : Siguo to signo cracis et coufirmo te chrismate salatis in nomine Patris et Filii et Spiritus Saucti.

•gt;) Hid. Qu. 17.

-ocr page 329-

§ 6. TWEE SACRAMENTEN.

der handen ; zij zalven echter behalve het voorhoofd ook oogen, neus, ooren en voeten. Bij hen kan ieder priester dit Sacrament bedienen; bij de Roomschen alleen de bisschop i), eene bepaling dienstig en belangrijk voor hun systeem van hierarchie, van bisschoppelijke heerschappij.

Zij achten dit Sacrament in de Schrift gegrond, daar deze gewaagt Hebr. 6 : 2 van de leer der doopen en van de oplegging der handen, en 2 Kor. 1 : 21, 22 van de zalving en de gave des geestes, en Hand. 8 : 17 en 19 : G van de oplegging der handen door de Apostelen, waarbij de Heilige Geest werd ontvangen. Intusschen hiervan is dit Sacrament slechts eene menschelijke nabeelding; niet door den Heere daartoe ingesteld of tot een blijvend gebruik geboden \').

De Protestanten hebben dan ook dit Sacrament beslist verworpen, doch zijn van den beginne aan tevens er op bedacht geweest, iets anders, maar zonder alle sacramenteel karakter, daarvoor in plaats te stellen. En dat is de plechtige bevestiging (Confirmatie) der lidmaten na behoorlijk catechetisch onderwijs en afgelegde belijdenis\'), in de Luthersche Kerk sedert het midden der 17de eeuw (vooral door den invloed van Spencr) overal ingevoerd ^n tot een publiek kerkelijk (doch niet sacramenteel) gebruik verheven. Bij de Gereformeerden eerst in Genève en aan den Neder-Rijn, later meer algemeen ; thans kerkregel en

1) Concil. Trident. Sess. VIT. Do Coufirmatione. Canon IIL Angusti, Haudb. dor Christl. Archaol. 1837. II. 13d. S. 498 f.

2) Calvin. Instit. IV, 19. 6 sqq.

:i) Winer, Compar. Darstoll. S. 224. Weizsaker iu Horzogs Roal-Enc. III. S. 112.

313

-ocr page 330-

314 § 6. TWEE SACRAMENTEN.

vereisch ter toelating tot het Heilig Avondmaal, waartoe het recht echter in den Doop ligt.

Door de Reformatoren en eerste theologen der Protes-tantsche Kerk werd reeds met kracht aangedrongen op catechiseering en belijdenis des geloofs. Aangrijpend is inzonderheid de forsche Voorrede van Luther voor zijnen kleinen Catechismus, waar hij klaagt over zulken, die de Sacramenten gebruiken en echter het Gebed des Heeren, Twaalf Geloofsartikelen en de Tien Geboden \') niet alleen niet verstaan maar niet eens de woorden kunnen opzeggen, en van wie hij verklaart: zij onderscheiden zich niets van het vee Desgelijks Galvyn, die inzonderheid den ouders hunnen plicht jegens hunne kinderen op het harte bindt, die zelfs wenschelijk acht dat kinderen van tien jaren zich aan de Kerk verbinden om belijdenis van het geloof te doen s).

Men beschouwt de belijdenis en Confirmatie verkeerd, wanneer men ze voor de volmaking van den Doop, voor het tweede gedeelte daarvan houdt, als ginge de Doop

\') Dat zijn de drio Gr\'s, dio mon tou minste kennen moet: hot Gebod, hot troloof, bet Gebed.

2) Nihil omnino a bostiis diffevunt. Luther, Cat. Minor* Praofat. ed. Rocbonb. p. 359.

:\') Calvin. Instit. IV. 19. 13. Do Roomsche Confinnatio noemt hij abortiva Sacramonti larva, eono misboortige mom van een Sacrament, en hij wonscht hot gebruik der oudheid terug: dan zou namelijk de confirmatie niot zijn wat do Roomschon er van maken, waardoor aan den Doop wordt te kort gedaan, maar eeno ondervraging van do ondorwezono jeugd, waarin dezo rekenschap van haar geloof voor do Kerk zou gevon, eatochosis, qua pueri aut adolescentiae proximi fidei suae rationom coram ecclesia exponoront. Hij wilde, dat puor deconnis occlosiao se offorrot ad edondam fidei confessionora.

-ocr page 331-

§ 6. TWEE SACRAMENTEN.

mank tot hij door de Confirmatie vasten voet verkreeg. Deze averechtsche voorstelling is bijzonder door Schleier-macher \') op de baan gebracht.

Maar de belijdenis met Confirmatie komt niet tot den Doop als Sacrament iets wat daaraan nog gebrak nabrengen ; het Sacrament is volledig: maar zij is een gevolg van den Doop, zij is de vrijwillige bewuste en openbbare toetreding tot de Kerk door bekentenis van hare leer en op dien grond toelating van den belyder door de Kerk tot het Heilige Avondmaal 1). Komt de

315

1

) Fr. Turretinua (Hoogleeraar te Geneve t 1687), Theol. Elenct. Loc. XIX. Quaest. XXXI. § 4 keurt goed, dat naar do gewoonte der oude Kerk do gedoopten, tot redegebruik en jaren des onderschoids gekomen, zorgvuldig catechetisch worden onderwezen ; daarna oen Opziener of Herder (Episcopo vol Pastori) voorgesteld, om bewijs te geven van huuno vordering on do beloften, bij hunnen Doop in hunnen naam door de ouders en doopgetuigen gedaan, als hen verbindend over to nomen ; hierop

-ocr page 332-

§ 6. TWEE SACRAMENTEN.

naar de instelling des Hoeren gedoopte voor de Confirmatie te sterven, de Doop, dien Hij ontving, was desniettemin een ware, volledige Doop.

Het Vormsel is naar de Roomsche leer niet zoo volstrekt noodig als de Doop, men kan wel zalig worden zonder het Vormsel \').

3. Maar hoognoodig wordt geacht het Sacrament der Boete of Biecht voor de opwassende gedoopten, wegens de zonden die zij na hunnen Doop bedreven hebben; voor dezen niet minder noodzakelijk dan de Doop voor de ongedoopten 2).

De hoofdzaak in dit Sacrament is de Absolutie 3), de vrijspraak door den priester, die, krachtens zijn sleutelambt (Matth. 18 : 18. Joh. 20 : 23), in den naam Gods den boeteling de zonden vergeeft.

door don Opziener of Herder mot gebod en zegening ontlaten (demittantnr) en bevoogd verklaard om het Avondmaal mot de overige volwassene geloovigen te gebruiken. Sed hoe quidquid est ceremoniau, voegt ïurretinus er bij, Sacramentum esse nega-mus, multo minus histrionicam Pontiüciorum Confirmationem, Aldus ook Fora Limborch, Theol. Christ. V. 77. 3. p. 686, doch met uitdrukkelijke aanprijzing van publica quaedam professio coram Ecclesia.

Op het gebruik der oude Kerk wijst ook Calvin. Instit. IV. 19. 4. Ook Van March, Merch. XXIX. 31 y. wil het herhaalde voorstellen en zegenen der gedoopte kinderen niet qeheel afkeuren, dat in latere tijden bij sommige reehtzinnigen gebruikelijk is geweest. Dat de oude Geroformeerdon hierop niet stellig aandrongen, herinnert ook Ebrard, Dogm. II. § 537. Amn. 2.

\') Catechism, lioman. Pars. II. Cap. III. Qu. 17.

2) Tridentin Sess. VI. De Justificat. Cap. XIV. Sess. XIV. Cap. I. Do necessitate et institutiono Sacramenti poenitentiae. Verklar. van den Mechelschen Cat. p. 306.

\') Absolvo te. Zie daarover Vijftiende Hoofdstuk § 2.

316

-ocr page 333-

§ 6. TWEE SACRAMENTEN.

Van den boeteling wordt daarbij geëischt berouw des harten, belijdenis des monds, voldoening des werks

Het Berouw of de Verbrijzeling moet zijn eene gevoelige smart der ziel en verfoeiing van de bedreven zonden, met het voornemen om in het vervolg niet meer te zondigen J).

De belijdenis of Biecht\') moet wezen een oprecht bekennen van alle zware zonden (doodzonden ») die men na een naarstig onderzoek van zich indachtig is, voor den priester, als geestelijken rechter, aan wiens voeten de boeteling geknield ligt, met vermelding van al de bijzondere omstandigheden, onder welke de zonden zijn begaan.

De boeteling mag in de biecht niemand beschuldigen dan zichzelven. En de priester mag nooit een woord uit de biecht spreken aan anderen, zelfs al moest hij het leven er om laten s).

Wanneer moet de Roomsche biechten? De Kerk acht het raadzaam: terstond als men eene doodzonde heeft

\') Do Absolutie is sacrameuti poenitentiae forma, in qua prnecipue ipsins vis sita est. Do contritio (verbrijzeling des har-ton), coufossio et satisfactio, ipsius poenitontis actus, sunt quasi materia hujus sacramenti. Trident. Soss. XIV. Do Poenit. Cap. III.

2) Tridentin. Sess. XIV. Do Foenitentia. Cap, IV. Do con-tritiono. Als middel om daartoe te geraken, geeft de Verklaring van den Mechelsch. Catech. p. 312 een paar schoono, innigo geboden aan do hand.

:l) Tridentin. Sess. XIV. Ce Poenit. Cap. V. De confessiono. Hot is eono Oorbiecht (in \'t oor dos priesters), coufossio auri-cularis,

4) Van do doodzonden zie Negende Hoofdstuk § 23.

5) Verklar. van den Mec/i. Gat. p. 316. 319.

317

-ocr page 334-

§ 6. TWEE SACRAMENTEN.

begaan; noodzakelijk: ten minste eenmaal \'sjaars \'), en altijd wanneer men een Sacrament staat te ontvangen of te bedienen, wijl daartoe de staat van gratie (genade) noodig is.

Jacobus 5 : 16 raadt den geloovigen aan: Belijdt elkander de misdaden. De Apostel zegt elkander, van een priester spreekt hij niet. Hebt gij iets tegen uwen naaste misdaan, belijd schuld voor hem. Zijt gij anderszins bezwaard over bijzondere zonden en, vooral bij ziekte, in nood en aanvechting, openbaar u aan een broeder, «hetzij kerkdienaar of eenig ander goed vriendquot;, om door hem bestierd en getroost te worden uit Gods Woord

Na de Belijdenis voor den priester en de Vrijspraak door dezen volgt de Genoegdoening s): die gebiecht heeft, moet daarna volbrengen de penitentie, de boete die hom wordt opgelegd. Want vrijgesproken wordt hij alleen van de eeuwige straf, die hij in de helle stond te lijden, maar niet van de tijdelijke straffen i) zijner zonden, die hij hier of in het vagevuur moet ondergaan, tenzij hij ze afboet.

318

-ocr page 335-

§ 6, TWEE SACRAMENTEN.

inzonderheid door gebeden, vasten en aalmoezen \'), maar ook door geduldig dragen der tijdelijke rampen als kastijdingen Gods.

y. Het Huwelijk is naar de Roomsche leer wel door God ingesteld, doch was onder het Oude Testament geen Sacrament, maar alleen een contract van man en vrouw om onafscheidelijk met elkander te leven. Christus heeft door zijne vereeniging met de Gemeente en door zijn lijden voor haar aan de vereeniging van den man met de vrouw eene hoogere wijding medegedeeld, heeft het Huwelijk tot de waardigheid van een Sacrament verheven 1). „Zegt iemand : het huwelijk is niet waarlijk en eigenlijk een van de zeven Sacramenten der evangelische Wet door Christus den Heere ingesteld, maar door menschen in de Kerk uitgevonden, en deelt geene genade mede: die zij vervloektquot; a).

De Roomschen beroepen zich op Efez. 5 : 32: Dit is een groot Sacrament i). Dus lezen zij voor hetgeen in onze

319

1

Calvin. Instit. IV. 19- 34. Dezelfde. Commeutar. in Bph. 5 : 32. Augusti, Handb. der Christl. Archüol. 1837. III. S. 122 if.

-ocr page 336-

§ (i. TWEE SACRAMENTEN.

Overzetting getrouw naar den grondtekst staat : Deze verhorgenheid is groot, hetwelk de Apostel niet zegt van het lichamelijke huwelijk, maar van het geestelijke, namelijk de vereeniging tusschen Christus en zijne gemeente, gelijk hij zelf verklaart: doch ik zeg [dit, ziende] op Christus en op de gemeente. Daarvan is de echtstaat een geheimzinnig beeld: God heeft ons in het eerste echtpaar een beeld gegeven van den tweeden Adam en zijne bruid de Kerk.

De Eoomsche Kerk laat geen eigenlijke echtscheiding (divortium) toe, geen geheele losmaking en vernietiging van den huwelijksband, zelfs niet in het geval van echtbreuk. De dood alleen ontbindt gt;).

Het Sacrament des Huwelijks is bij de Roomschen niet voor allen: het is niet voor de gewijde priesters noch voor de leden van eene geestelijke orde, die de plechtige gelofte van kuischheid hebben gedaan 1). Paus Gregorius VII (Hildebrand) heeft het streng gebod van de echteloosheid (het celibaat) der geestelijken met kracht doorgezet (1074 3).

320

1

) Tridentin. Sess. XXIV. Canen IX : Si quis dixerit, cloricos in sacris ordinibus constitutes, vel rogulares castitatem solen-nitor professos posse matrimonium contrahere — — anathema sit. Do Roomsche Kerk stelt over het geheel den ongehuwden staat hoog boven deu echt. Hid. Canon X.

;l) H. F. Jacobson in Herzogs Real-Enc. II. u. d. W. Cölibat S. 773 f. Hot was ten. behoeve van de hiürachie, van de heerschappij der geestelijken : du echt ^erbindt aan familie en Staat, daarvan zou do Kerk geheel onafhankelijk zijn, naar (Iregorius gedachte.

-ocr page 337-

§ 6. TWEE SACRAMENTEN.

De Orieksche Kerk Iaat hare priesters trouwen, doch veroorlooft hun na den dood der vrouw geen tweede huwelijk. Hare hoogere geestelijken, van den bisschop af tot de Patriarchen toe moeten in het celibaat, in onge-huwden staat leven gt;).

De Protestanten eerbiedigen het huwelijk als een Goddelijke instelling, naar het is hun geen Sacrament *).

Hoe onze Gereformeerde Kerk het huwelijk opvat, blijkt uit haar Formulier om den Huwelijken staat voor de Gemeente van Christus te bevestigen 3).

\') Winer, Compar. Darst. S. 249, waar do betrekkelijke bepaling uit do Confessie (iftOMylx) van Metrophanes Kritopnios is medegedeeld. Augusti, Handb. der Chr. Archiiologie III. S. 143.

Het tweede huwelijk van leekon wordt door de Roomsche Kerk wel toegelaten, doch niot voorgestaan. Treedt eene weduwe In den echt, dan blijft de priesterlijke zegening (benedictio sacer-dotis) weg. Göschen In Ilerzogs Real-Bnc. (1855) III. S. 688. In de Oostersche (Grieksche) Kerk besloot de Vergadering te Laodicea, dat Christnnen, die een tweede huwelijk aangingen, boete moesten doen met gebed en vasten, wilden zij in de kerkgemeenschap blijven. Georg Rapp, Die Bekenntnisse dos h. Augcistinus. 5te Aufl. Gotha 1868. S. 214 (9de Boek aan \'t einde). Gregorius van Naziam (f 391) zeide : Primum matrimonium lex est, secundum permissio, tertium iniquitas, quartum vita porcina. Een ander: hot eerste huwelijk is propter opus, het tweede propter opes, het derdo propter opem. Cl. Harms, Pastoral-theologie 1837. III. S. 186 : Het tweede wordt vaak reeds wegens het eerste noodig, in sommige gevallen ook een derde, maar een vierde doet wellust of hebzucht vermoeden. In de Grieksche Kerk is het vierde huwelijk verboden, wordt als echtbreuk beschouwd en met excommunicatie gestraft. Augusti, Handb. der Chr. Arch. III. S. 166.

i\') Apologia Confessionls ed. Eechenb. p. 202. Calvin. Instlt. IV. 19. 34. Confessio Helvetica II. Cap. 19. ed. 1566. fol. 33h.

;l) Joh. Ens, van de Publieke Schriften 1733. p. 229 v.v.

Uravemoijcr , Gorof, (Jol. leov. 111. 21

321

-ocr page 338-

§ 6. TWEE SACRAMENTEN.

De Christelijke Kerk heeft zich vroeg behoorlijk met den echt bemoeid. „Het lijdt geen tegenspraak, dat reeds in de tweede eeuw eene heiliging of wijding van het echtverbond door de Kerk was ingevoerd gt;).quot;

Bij de Protestanten is van den beginne aan de kerkelijke inzegening des huwelijks (de copulatie), dat is bevestiging voor de Gemeente., gebruikelijk geweest, doch bij de Gereformeerden in Nederland met uitzonderingen ^).

De geloovige Christen, die alles uit een hooger oogpunt beschouwt, kan zich niet bevredigen met het bloot burgerlijke huwelijk (den civiel en echt 3), zonder kerkelijke vormen gesloten. Dat velen zich daarmede vergenoegen is geen wonder in eenen tijd waar men den Beere God buiten alles zet en waar velen ook eten en drinken zonder bidden en danken. Onze Heidelb. Catechism. Vr. 108

322

-ocr page 339-

6. TWEE SACRAMENTEN.

spreekt van den heiligen huwelijken staat, en dat is hij naar oorsprong, aard en doel \').

Het huwelijk heeft twee zijden: eene politieke, burgerlijke, en eene Goddelijke. Ook hier moet de regel gelden door Christus gesteld: Geeft den keizer dat des keizers is, en Gode dat Gods is, Matth. 22 : 21. Hieraan wordt dan wel het best beantwoord, wanneer de sluiting des huwelijks, de Copulatie, door de Kerk geschiedt, doch niet dan na vooraf ingewonnen zekerheid, „dat door bruidegom en bruid aan alle burgerlijke verplichtingen ten dezen, tot genoegen der Overheid is voldaanquot; enquot; dat van den kant der Overheid tegen de voltrekking des huwelijks niets in den weg staat, terwijl „de Overheid zelve zich daarbij van alle godsdienstige handeling onthoudtquot; en niet doet wat der Kerke is, „maar hiertoe eenen ieder naar zijne Kerk (of wat hem als Kerke geldf) verwijst 1).quot;

5. Het Roomsche (en Grieksche) Sacrament der Pries-tenvijding of Ordening (Ordinatio) tot het priesterschap wordt alleen door den bisschop verricht s). Het verleent „de macht om het lichaam en bloed des Heeren voort te brengen en te offeren en om de zonden te vergeven, eene macht die rede en verstand te boven gaat en baars gelijke niet heeft op aardequot;«); en tevens om uit Gods naam

328

1

) Ons Program, door Dr. A. Kuyper § 310.

-ocr page 340-

§ 6. twek sacramenten.

den mensch de Goddelijke wet en zedenregels te leeren. Eene tweevoudige macht: de macht der wijding om als priester te offeren: deze ziet op het ware lichaam des Heeren in het Avondmaal en op de voorbereiding van de zielen der menschen tot het ontvangen daarvan; en de rechtsmacht die het mystieke lichaam van Christus, zijne gemeente (dat is de Roomsche Kerk) raakt, bestaande in de roeping en de bevoegdheid om het christenvolk te regeeren en ter eeuwige en hemelsche zaligheid te voeren \').

Hierdoor is de priesterheerschappij (de hiërarchie) gevestigd, de ontzaglijke macht van den priesterstand J), die wel onderscheiden graden teil tot den Paus toe maar toch één is»). Er hebben dan wel verschillende wijdingen

1) Catech. Rom. Pars. II. Cap. VII. Qq. 6 : Ordinis potostas ad verurn Christi Domini corpus in sacrosancta eucharistia refertur. Jurisdictionis vero potestas tota in Christi cnrporo mystico versatur. Ad earn euim spectat, Christianum populum gubernare et moderari ed ad aeternam coelestemque beatitudinem dirigere,

2) Ecclesiastica hiorarchia, quae est ut castrorum aoies ordi-nata, Trident. Sess. XYIII. De Sacramento Ordinis Cap. IV. En in dezelfde Zitting Canon VI: Si quia dixerit, in ecclesia catholica non esse hierarchiatn divina ordinatione institutam, quae constat ex episcopis, presbyteris et ministris : anathema sit.

a) Catech. Rom. Pars II. Cap. Vil. Qu. 25: 1. Eenvoudig genoemde priesters (sacerdotes). 2. Bisschoppen (episcopi), over zekere districten. 3. Aartsbisschoppen (archiepiscopi), over meer bisschoppen. 4. Vroeger in de Algemeene Kerk en nog in de Grieksche, patriarchen (patriarcbae). Behalve al dezen heeft de Katholieke Kerk den Koomschen Opperpriester (Romanus Pontifex Maxi mus), den Paus, vader en regeerder van alle geloo-vigen, bisschoppen en overige waardigheidbokleeders, hoofd der geheele Kerk, opvolger van Petrus, waar en wettig plaatsbe-kleeder van Christus.

324.

-ocr page 341-

§ 6. TWEE SACRAMENTEN,

tot hoogere trappen plaats, maar niet sacramenteel; tot priester wordt men maar éénmaal gewijd en alleen de priesterwijding is Sacrament.

Wie tot priester gewyd wordt, is vooraf zes mindere trappen van dienst doorgegaan, met de telkens overeenkomstige kruinschering gt;).

De bisschop legt hem, dien hij tot priester wijdt, eerst de handen op, hetwelk mede de aanwezige priesters doen, dan hangt hij hem het priesterkleed (de stola) over de schouders en legt het van voren over de borst kruiswijs saam, hetwelk aanduidt, dat de priester met kracht uit de hoogte wordt aangedaan, om het kruis des Heeren Christus en het zachte juk der Goddelijke wet te kunnen dragen en zulks door het voorbeeld van een hoogst heilig en eerbaar leven te kunnen leeren. Daarna zalft hy de handen met de heilige olie en dan overreikt hij hem den beker met den wijn en de offerschaal met de hostie (het offerbrood), terwijl hij spreekt: Ontvang de macht om Gr ode het offer op te offeren en missen te vieren zoo voor levenden als voor dooden. Door deze ceremoniën en woorden wordt hij tot tolk en middelaar tusschen God en de menschen aangesteld, hetwelk voor het voornaamste werk des priesters is te houden. Ten laatste legt de bisschop

Alles zit in de Roomsche Kerkregeering hecht en stevig in elkander.

\') Tonsura, Let afsnijden van het hoofdhaar bij wijze van eene kroon. Tot gedachtenis van de doornenkroon des Zaligmakers, om aldus de smaadheid te dragen die Christus is aangedaan ; doch motoeu tor aanduiding van koninklijke waardigheid. Cat. Rom. Pars II. Cap. VII. Qu. 14. Verkl. van den Mech. Gat. p. 331. Augusti, Handb. der Chr. Archüol. III. S. 221. Calvin. Inst. IV. 19. 25 sqq.

325

-ocr page 342-

§ 6. TWEE SACRAMENTEN.

hem andermaal de handen op het hoofd en spreekt: Ontvang den Heiligen Geest: Zoo gij iemands zonden vergeeft, dien tvorden zij vergeven ; zoo gij iemands [zonden] houdt, [dien] zijn zij gehouden (Joh. 20 : 22 v.); en aldus deelt hij hem die hemelsche macht mede, om de zonden te behouden en te vergeven, welke de Heere aan zijne discipelen gegeven heeft. Dat is de leer der Roomsche Kerk\')- Gereformeerd is het, te verwerpen al wat naar hiërarchie, naar priesterheerschappij zweemt, en de dienaren des Woords eenvoudig te ordineeren met gebed en oplegging der handen J).

f. Het Laatste Oliesel, het Sacrament der stervenden 3), wordt aan zieke geloovigen, in gevaar van sterven, toegediend, indien zij het begeeren, en wel door eenen geordenden priester i).

Gebruikt wordt daartoe olie van olyven t), door den bisschop gewijd. Olie, zinnebeeld des Heiligen Geestes, en dienende om licht en vroolijkheid, genezing en versterking te geven «).

Gezalfd worden die deelen des lichaams\'), die de

\') Catech. Roman. Pars II. Cap. VII. Qn. 24. Daartegen Calvin. Instit. IV. 19. 28 sqq.

\'-) Calvin Instit. IV. 3. 16. Confess. Helvet. II. Cap. XVIII. od. 1566 lol. 30 : Qui electi sunt (ministri ecclesiae), ordinentur a sonioribus cum orationibus pubiicis et impositione manuum. :gt;) Extrema unctio, Sacramentum exeuntium.

4) Tridentin. Sess. XIV. Do extr. Unct. Cap. III. Catech. Roman. Pars. II. Cap. VI. Qu. 13. Augusti, Handb. der Chr. Archftol. Ill S. 262 f.

5) Augusti, a. W. S. 264 f.

f\') Catech. Rom. Pars II. Cap. VI. Qu. 5.

■) Cat. Rom. P. II. Cap. VI. Qu. 10. Augusti a. W. S. 266.

326

-ocr page 343-

§ G. TWEE SACRAMENTEN.

voornaamste werktuigen der zinnen zijn, terwijl de priester bidt en deze woorden spreekt: Door deze heilige zalving vergeve u God al wat gij met oogen of neus enz. mitsdaan hebt \'). Het brengt 2) vergeving der dagelijksche, lichtere zonden, verzachting der smarten, soms ook genezing des lichaams.

Dit Sacrament wordt bediend alleen aan zieken en wel die tot jaren van verstand gekomen en die bij verstande zijn; niet aan gezonden, al dreigt hun de dood, als die zich tot eene gevaarlijke zeevaart of in eenen veldslag begeven of ter dood veroordeeld zijn\'); in eene ziekte maar eenmaal, doch na herstelling in iedere nieuwe ziekte opnieuw 4),

De Roomschen beroepen zich op Mare. 6 : 13; waar van de Twaalven, die Christus uitzond om te prediken en wonderen te doen, gezegd wordt: Zij wierpen vele duivelen uit en zalfden vele kranken met olie en maakten hen gezond. Hier wordt echter niet gesproken van eene sacramenteele handeling als de Roomsche Kerk met de Grieksche het Laatste Oliesel verstaat, maar in het algemeen van de genezing van zieken door de Apostelen, die daarbij het bij den volke gewone heelmiddel, de olie, zinnebeeldig gebruikten, ook ten teeken voor den zieke en tot verwekking van zijn vertrouwen, dat zij hem wilden genezen.

Bijzonder steunen de Roomschen op Jac. 5 : 14: is iemand krank onder u ? dat hij tot zich roepe de Ouder-

\') Cat. Rom. P. II. C. VI. Qn. 6.

0 Cat. Rom. P. II. C. VI. Qa. 14.

:l) Cat. Rom. Pars II. Gap. VI. Qu. 2. Q. E. Steitz in Her-zogs Real-Eno. X. S. 557. u. d. W. Oolung.

4) Idem, Qu. II.

337

-ocr page 344-

328 § 7. VOLDOENDE.

lingen der gemeente, en dat zij over hem hidden, hem zalvende met olie in den naam des Ueeren \'). Intusschen Jacobus spreekt niet van eene sacramenteele toebereiding eens zieken tot het sterven, maar van hulpbetoon tot genezing, waarbij hij de vanouds in Israël gebruikelijke, beteekenisvolle olie noemt. En de Apostel gewaagt niet van priesters, maar van de Ouderlingen. Ongetwijfeld doelt hij op lichamelijke en wel voornamelijk bovennatuurlijke genezing. De olie is de hoofdzaak niet, maar het gebed, Jac. 5 : 15 ; Eet gebed des geloofs zal den zieke behouden. Hierin ligt tevens de blyvende eisch voor de Christelijke gemeenten, dat bij zieken Opzieners worden geroepen, die hen met al hunne nooden, lichamelijke en geestelijke aan den Heere opdragen en overgeven, onder aanwending der door Gods Voorzienigheid beschikte geneesmiddelen. Dus gebruik van artsenij met gebed en voorbidding. Nog geldt het Woord door den Heere tot Israël gesproken Exod. 15 : 26: Ik hen de Heere, uw heelmeester!

§ 7. Voldoende.

Wij zijn tevreden met het getal der Sacramenten, die Christus, onze Meester, ons heeft verordend, welke niet meer dan twee zijn, te weten : het Sacrament des Doops

\') Tridentin. Söss. XIV. De Extr. ünct. Cap. I. Zij vinden bij Jacobus »stof, vorm, eigen bedienaar en werking van dit heilzame Sacrament.quot; Calvinus heeft ook dit Sacrament aan eene scherpe critiek onderworpen, Instit IV. 19. 18 sqq. en heeft het gelijk do andere bijvoegselen der Roomschen zuiver nitgeboend.

-ocr page 345-

§ 7. VOLDOENDE.

en des Heiligen Avondinaals van Jezus Christus. Nederl. Belijd, des Gel. Art. XXXIII i).

Deze twee zijn gepast en voldoende. Beide raken het geestelijke leven, het leven als burger in het Koninkrijk Gods, door en in de gemeenschap met Christus. Het leven heeft eenen aanvang, de geboorte; en het heeft zijne voortgangen, groei en ontwikkeling. De beide Sacramenten nu omvatten geheel het geestelijke leven: want de eenige Doop is het Sacrament van wedergeboorte en ingang in het Koninkrijk der genade, en het gedurig Avondmaal daarna het Sacrament van voortgaande onderhouding en bevestiging der gemeenschap met Christus.

De gemeenschap met Christus is het doel der Sacramenten. Op Hem wezen ook de Sacramenten des Ouden Verbonds. Want door de Sacramenten bezegelt God Zijne beloften, maar geene belofte heeft God den menschen ooit gegeven dan in Christus ; dies wordt in al de Sacramenten Christus den geloovigen voorgehouden en vertoond \'), onder het Oude Testament Hy die komen zou, onder het Nieuwe de gekomene. De oude Sacramenten hadden dus evengelijken inhoud als de nieuwe; Christus immers is de waarheid van alle; en de geloovige Israëlieten hadden van Besnijdenis en Pascha denzelfden zegen, wat het wezen betreft (Rom, 4 : 11. 1 Kor. 10 : 3), als de geloovige Christenen genieten van Doop en Avondmaal3).

\') Naar Calvin. Inst. IV. 18. 20: His duobns contenta sit

Christiana ecclesia: nee modo nullum aliud--admittat aut

agnoscat, sed ne appetat quidem aut exspectet ad consum-mationem usque saeculi.

2) Calvin. Instit. IV* 14. 20.

■\') Calvin. Instit. IV. 14. 23.

3^9

-ocr page 346-

330 § 8. INSTELLING DER BESNIJDENIS.

1. DE HEILIGE DOOP.

§ 8. Instelling der Besnijdenis-

De Doop onder het Nieuwe Testament is het vervolg van de Besnijdenis onder het Oude en onderscheidt zich van deze niet in het wezenlijke, maar alleenlijk formeel.

1. De Besnijdenis is eene goddelijke instelling. Dit is een voornaam punt, hetwelk wij hebben vast te houden tegenover het beweren van velen, dat de besnijdenis reeds vroeger bij andere volken, bij name onder de Egyptiërs, gebruikelijk was en van dezen door de Hebreen werd aangenomen.

a. Wij hebben hier een afdoend getuigenis in het verhaal van Mozes, die de besnijdenis niet van de Egyptiërs maar van Goddelijke inzetting afleidt. En zijn getuigenis, ook bloot menschelijk beschouwd, staat ontegenzeglijk hoog boven al wat de ongewijde schrijveren der oudheid berichten. Want de eerste en vroegste van dezen, die zeggen dat de Israëlieten de besnijdenis hebben ontvangen van de Egyptiërs, leefde eerst duizend jaren na Mozes, namelijk de Griek Herodotus. Mozes echter leert ons, dat God de besnijdenis heeft bevolen aan Abraham. Dus treedt de besnijdenis hier op als eene Goddelijke instelling, tot een bepaald eigenaardig doel, tot bezegeling van het verbond Gods met Abraham. En dit is de allereerste vermelding van de besnijdenis uit geheel de oudheid. Gen. 17 : 10: God zeide tot Abraham: Dit is mijn verhond, dat gijlieden houden zult tusschen Mij en tusschen u en tusschen uw zaad na u: dat al wat mannelijk is, u besneden worde. (11). En gij zult het vleesch uwer voor-

-ocr page 347-

§ 8. INSTELLING DEU BESNIJDENIS.

huid besnijden; en [dat] zal tot een teeken zijn van het verhond tusschen Mij en tusschen En de Apostel Paulus zegt Rom. 4:11: Abraham heeft het teeken der besnijdenis ontvangen [tot] een zegel der rechtvaardigheid des geloofs. Dit sluit de ontleening van menschen beslist uit. Aan Abraham, werd de besnijdenis uitdrukkelijk door God verordend : immers anders kon zij voor hem zulk een Goddelijk teeken niet zijn.

b. Wel moet worden toegestemd, dat bij de Egyptiers reeds vroeg de besnijdenis in gebruik is geweest; ook, dat zij ze niet van de Israëlieten hebben aangenomen, vanwege hunne hoogmoedige afzondering en afkeerigheid van het vreemde herdersvolk: maar bij hen werden alleen de priesters besneden en de besnijdenis was bij hen een uitvloeisel van hunnen geheimzinnigen natuurdienst. — Kanaanieten hadden de besnijdenis niet. — Bij alle Muhammedaansche volkeren is zij gebruikelijk ; bij dezen ongetwijfeld door den invloed en in navolging van de Joden i)- Doch bij welke volkeren de besnijdenis ook wordt aangetroffen; buiten Israël, bij geen is zij dat, wat zij naar Gods verklaring voor Abraham en zijn zaad zou zijn: teeken des Verbonds, Sacrament. De Heidensche besnijdenis staat tot de Israëlietische in gelijke verhouding

\') Vóór de afleiding van Egypte o. a. Winer, Roal-Wörterb. 1. S. 186. Vaihinger in Horzogs Real-Enc. II. S. 109. Daartegen Hengstenberg, Gesch. des Reiches Gottes unter dein A. B. I. S. 249 ff. Anderen: de besnijdenis in Egypte reeds in gebruik, voor Abraham aanknoopingspunt bij Gods bevel aan hem. Zoo v. Gerlach zu Gen. 17 : 14. Do bepaald Goddelijke inzetting wordt verdonkerd door Kurtz, Gesch. des A. B. I. S. 185. Ook door Oehler, Theol. dos A. T. I. S. 291 ff.

331

-ocr page 348-

§ 8. INSTELLING DER BESNIJDENIS.

als de godsdienstige wasschingen der Heidenen tot den Christelijken Doop.

2. Abraham had de belofte ontvangen van land, zaad en verlossing. En hjj geloofde in den Heere, en de Heere rekende het hem [tot] gerechtigheid, Gen. 15 : 6. Alzoo maakte de Heere een verbond met Abram, Gen. 15 :18. Dat verbond werd vervolgens plechtig door eene nieuwe verschijning en belofte bevestigd, met verandering z\\jns naams Ab-ram (hooge vader) in Ab-raham (vader van eene menigte). Gen. 17 : 1—9. Daarop werd hem tot bezegeling daarvan door den Heere de besnijdenis bevolen, (Gen. 17 : 10 v.v.)

Het is eenzelfde verbond, waarvan in Gen. 15 en 17 wordt gesproken, daar door eone offerande, hier door de besnijdenis verzegeld.

Het verbond met Abraham is niet het genadeverbond in \'t algemeen. Het genadeverbond had reeds van het paradijs af bestaan en is zakelijk, wat zija wezenlijken inhoud betreft, al de tjjden door één en hutzelfde, terwijl alleen de bedeelingen verschillen\'). Maar het verbond met Abraham was het genadeverbond met eene bijzondere bepaling, een Verhond des eigendoms, waardoor het genadeverbond bepaald werd tot Abrahams zaad *) tot op de geboorte van den Reinen. den waren Izaak, den Zoon

\') Calvin. Instit. II. 10. 2: Patrum omnium foedus adeo substantia et re ipsa nihil a nostro differt, ut unum prorsas atque idem sit: administratie tarnen variat. C. Olevianus, Genadeverbond. Gron. 1739. p. 190. R. Witsius, Oeconomia. Lib. III. Cap. 2.

\'2) Calvin. Commentar. in Gen. 17 : 7; Peculiariter a Deo snsceptum Abrabae genus ab eo genitum.

332

-ocr page 349-

§ 8. instelling der besnijdenis.

des meerderen Abrahams, den Messias, na wiens komst in het vleesch door eene wonderbare, reine genereering het genadeverbond tot alle volken zou worden uitgebreid.

3. De besnijdenis diende dan tevens, om Abraham en zyne nakomelingen merkbaar af te zonderen van alle andere volken. Daartoe moesten ook al zijne aanhoorigen, dienstbaren in zijn huis het teeken in het vleesch ontvangen. Een zoonken dm van acht dagen zal u besneden worden, al wat mannelijk is in uwe geslachten, de ingehorene des huizes eh de gekochte met geld van allen vreemde, dewelke niet is van uwen zade, sprak de Heere. (Gen. 17 : 12.) Eene aanduiding, dat het Verbond zijnen eigenlijken grond niet heeft in de vleeschelijke afstamming van Abraham, maar in Gods genade; voorts dat het teeken nog de zaak niet is, want ook die door Abraham zeiven werden besneden zijn daardoor geen ware, innerlijke bondgenooten geworden\'); maar ook een drangreden voor Abraham, om zich zyner onderhoorigen liefderijk aan te nemen, en meteen een blijvend voorschrift voor alle godvreezenden, dat zij zich beijveren om zoovelen er onder hen gesteld zijn tot de gemeenschap van hetzelfde geloof op te leiden. Ieder huisgezin eene Kerk *).

4. Abraham was 99 jaren oud, toen hij besneden werd; Ismaël 13, gelijk ook nog de Arabieren hunne zoontjes met het 13de levensjaar besnijden. Overigens

\') H. F. Scholte, De Heilige Doop. Arast. 1845. p. 22: Eene besnijdenis die alleen in het vleesch plaats grijpt, al is het ook bij Israëlieten, laat hem gelijk aan de Heidenen, wat het wezen betreft.

\') Calvin. Commentar. in Gen. 17 : 12 : Singulae enira pio-i rum familiao totidoin Ecclesiae oase debent.

333

-ocr page 350-

334 § 8. JNSTELL1NG DER HESNUDENIS,

gold voor Israël als regel: op den achtsten dag na de geboorte (Lev. 12 : 3). Niet aanstonds, om het teere leven des kinds te sparen •). Maar waarom juist op den achtsten dag ? Omdat de moeder, die een knechtken gebaard had, zeven dagen onrein was en het niet voegde, het kind, dat zij zoogde, van haar in hare onreinheid in handen te nemen om er de besnijdenis aan te verrichten. Op den achtsten dag was zij vrij van deze eerste en principale onreinheid, en „om die oorzaak mocht de besnijdenis vóór dozen dag niet geschieden, zijnde de moeder en het kind beiden onreinquot; 2). Ook de eerstgeborene offerdieren moesten zeven dagen hij hunne moeder zijn, op den achtsten dag zult gij ze mij geven, sprak de Hoere Exod. 22 : 30.

§ 9. Beteekenis der Besnijdenis.

De Besnijdenis was het teeken en zegel van het Verbond

\') Hierop legt Calvin. 1. c. bijzonderen nadruk.

J) Aldus te recht onze Kantteek. op Levit. 12 : 3. Zoo ook Oehler, Theol. des A. ï. S. 291 f. Het verband tusschen v. 2 en 3 geeft deze opvatting aan do hand. Andere, allegorische verklaringen hebben geenen grond. Men vindt er van bij Calvin. Comment, in Gen. 17 ; 12. Schroder, Dus erste Buch Mose S. 332 f. Kurtz, Gesch. des A. B. I. S. 187. Velen (vooral Luther, ook eenigszins Calvjn): »de 7 dagen beeld van het tegenwoordige loven, waarin de onreinheid blijft, de 8ste dag met de besnijdenis het begin dos nieuwen levens, aanduidende dat wel geheel de levensweek door de dooding des vleesches is te bedenken en te bugeeren, maar niet dan na hot oinde des levens volledig wordt verkregen.quot; Dit laat zich nog eer hoeren dan de ongepaste toespeling op Christus\' opstanding, te recht, afgewezen door II. Witsius, Oeconomia Lib. IV. Cap. VIII. 15, die daarbij herinnert: Cavendum est, ne in alogoriis nimii sirnus.

-ocr page 351-

§ 9. heteekenis der besnijdenis.

Gods met Abraham (Gen. 17 : 11). Daarin bestond hare algemeene en hoofdzakelijke beteekenis. In het bijzondere gaf zij tevens te kennen:

1. De natuurlijke onreinheid en doemwaardigheid des menschen. De Besnijdenis was eene verootmoedigende, beschamende getuigenis Gods van het door de genereering voortgeplante verderf, van de aangeborene, natuurlijke, dus geheele verdorvenheid des menschen, en alzoo van de onreinheid van alles wat uit den mensch geboren wordt. „Al wat de menschen van hunne genereering af eigens hebben, is door God in de besnijdenis veroordeeld, opdat het getoonde verderf hen tot dooding des vleesches mocht leiden. Waaruit ook blijkt, dat de Besnijdenis een symbool, een zinnebeeld van de bekeering was gt;)•quot;

\') Calvin. Comment, in Gen. 17 : 11. Instit. IV. 14. 21.

De geestelijke beteekenis van de Besnijdenis is in bijzonderheden beknopt opgegeven door P. Van Mastrioht, Godgel. III. p. 600 v.v. H. Witsius, Oecon. Lib. IV. Cap. VIII. 17—20. Brakel, Red. Godsd. III. p. 24.

De Nieuweren geven verschillende verklaringen. Dr. A. Ebrard, Das Dogma vom heil. Abendmahl. Ister Band. S. 29 vat zijne denkbeelden aldus saam. De Besnijdenis is naar hare objectieve {eerst voor ons ten volle verstaanbare) beduidenis een teeken en voorbeeld geweest, dat eens een nieuw levensbegin in het door de zonde verdorven leven des menschengeslachts zou intreden. Voor de leden des Ouden Verbonds had zij het hoog gewicht, voor den besnedene een zegel te zijn, dat het beloofde objectieve heil ook hem tuas aangeboden, en daarmede een eiscii om daaraan te gelooven ; van den kant desgenen, die de Besnijdenis aan zijne kinderen liet doen, was zij eene belijdenis van de erkende heilsbehoefte en van het bereids aanwezig geloof aan het heil. Soortgelijk Kurtz, Gesch. dos A. B. I. S. 186 f. vorgel. K. F. Keil, Handb. der bibl. Archilol. 1. S. 309. 311. § 63. Oehler, Theol. des A. T. I. S. 295 ff. § 88.

333

-ocr page 352-

§ 9. BETEEKENIS DER BESNIJDENIS.

De aangeborene verdorven natuur wordt in Gods Woord het vleesch genoemd. Die natuur moet weggedaan, dat vleesch moet afgesneden en weggeworpen worden. Dit werd vertoond door de afsnijding van een deeltje des lichamelijken vleesches, en wel, om reeds aangeduide reden, juist van dat deel. De geestelijke besnijdenis, door de lichamelyke verzinnebeeld, raakt de door de geboorte voortgeplante verdorven natuur, dus den ganschen mensch in al zijne deelen. De Schrift spreekt van een onbesneden hart (Levit. 26 : 41), van besnijden der voorhuid des harten (Deut. 10 : 16), van onbesnedenen van hart en ooren (Hand. 7 : 51).

2. Het bondzegel der Besnijdenis was echter tegelijk ook een teeken en pand van de reinigmdking door het Zaad des zegens. Het diende tot een merk en gedenkteeken voor de geloovigen, om hen te bevestigen in de Goddelijke belofte aan Abraham gegeven van het gezegende Zaad, in hetwelk alle geslachten der aarde zouden gezegend worden, van hetwelk ook zij zeiven de zegening hadden te verwachten. Dat Zaad was Christus (Gal. 3 : 16), in wien ook zij de reinigmaking hunner zonden hadden, door het geloof in Hem, die komen zou. Dies was de besnijdenis voor de geloovige Israëlieten, hetgeen zij voor Abraham was, namelijk een zegel der rechtvaardigheid des geloofs (Rom. 4 : 11) en onderpand der voortgaande eïi eens volkomene heiligmaking.

336

3. Zij was dan ook een kenmerk en bewijs van het burgerrecht\') in Israëls Kerk en Staat. Onbesnedenen stonden buiten het burgerschap Israëls. Jakobs zonen zeiden:

1) Vorgel. Twaalfde Hoofdstuk § 11.

-ocr page 353-

§10. INSTELLING DES DOOPS.

Wtj kunnen onze zuster aan geenen man geven, die de voorhuid heeft: want dat ware ons eene schande, Gen. 34 : 14. Al de vreemdelingen, de Niet-Israëlieten, werden onbesnedenen genoemd; de Besnijdenis kenmerkte de Israëlieten en de in Israël ingeiijfden als deelgenooten des Verbonds met zijne rechten en verplichtingen. Vandaar dat op moedwillige ongehoorzaamheid tegen deze ordinantie des Heeren de straf der uitroeiing werd gesteld. Een vol-waesene, die of zijne eigene Besnijdenis of de besnijdenis der zijnen uit verachting naliet en halstarrig weigerde, dezelve ziel, sprak de Heere, zal uit hare volken uitgeroeid worden i) (gelijk een boom uit de aarde) : hij heeft mijn verhond gebroken, Gen. 17 : 14. Want dit was wrevelig verzet, opstand tegen God, den Koning des volks ; het was een hoon, den God Abrahams aangedaan, een stoute, feitelijke verklaring: „Ik wil met het Verbond niets te doen hebben.quot; Dus werd door een zoodanige, zooveel in hem was, het Verbond gebroken. En naar hij deed, zou met hem gedaan worden: uitgesloten van het Verbond stond hy nu bloot aan al dat onheil, voor hetwelk anders het Verbond hem beschermde, hij was daardoor als vogelvrij verklaard, en werd hij bij de Overheid aangebracht, dan wachtte hem de doodstraf.

§ 10. Instelling des Doops.

1. Het Verbond Gods met Abraham, gevestigd op het Zaad des zegens, op Christus die komen zou, beteekend

\') xinn nn-pjv Deze formule botoekont,

in den Peutateuch overal do doodstraf naar Winer, Lexic s. v.

Gravemoijer, Gorof. Oei. loer. UI. »2

337

-ocr page 354-

§ 10. instelling des doops.

en bezegeld door de Besnijdenis, is gekenmerkt als een eeuwig Verbond (Gen. 17 ; 7, 13). Met de komst van het reine en reinmakende Zaad eindigde het Verbond niet, maar het werd daardoor ten volle bekrachtigd : de grond, waarop het was gevestigd, werd nu openbaar. Het Verbond bleef in zijn wezen, maar het teeken veranderde, overeenkomstig het onderscheid der oude en der nieuwe bedeeling : in plaats van de bloedige Besnijdenis nu de onbloedige Waterdoop. Een bepaald verbod van de Besnijdenis was niet noodig : de Doop verving haar vanzelf het oude Goddelijke teeken moest vanzelf wijken i) met dat het nienwe kwam. De twee verschillende teekens voegden immers niet bij elkander, daar het eene, de Doop, betuigt en verzekert dat Christus is gekomen, het andere, dat Hij nog komen moet. Een tijdlang liet de Heere dit bij joodschgezinde Christenen toe, totdat zij meerder licht kregen over de vrijheid door Christus verworven.

Nederl. Belijd, des Gel. Art. XXXIV: Wij gelooven en belijden, dat Jezus Christus, die het einde der wet is, door zijn vergoten bloed een einde gemaakt heeft aan alle andere bloedstortingen, die men zoude kunnen of willen doen tot verzoening en voldoening der zonden; en dat Hij, afgedaan hebbende de Besnijdenis, die met bloed geschiedde, in de plaats derzelve heeft verordend het

miD Desgelijks naar Gcsenius, Handwörterb. u. d. W. Eveuzoo

quot; T

Vaihinger in Herzoga Raal-Enc. VILI. S. 264. u. d. Art. Lebens-sirafen. Vergel. Von Gerlach zn Greu. 17 : 14. Ook Ebrard, Dogmat. II. S. 582.

\') Calvin. Instit. L. IV. Cap. 16. Sect. 3, 4. idem, Comment, in Gen. 17 : 13.

338

-ocr page 355-

§ 10. INSTELLING DES DOOPS.

Sacrament des Doops, door hetwelk wij in de Kerke Gods ontvangen en van alle andere volken en vreemde religiën afgezonderd worden.

2. Er is door velen beweerd, dat de Doop, door Johannes en Christus\' discipelen bediend, eene navolging was van den proselieten-doop bij de Joden, die toen reeds in gebruik zou zijn geweest, te ondergaan door de Heidenen die tot den Joodschen Godsdienst overkwamen. Te recht is dit door anderen weersproken •).

Plechtige, zinnebeeldige wasschingen hadden er bij het volk Gods te allen tijde plaats (reeds Exod. 19 : 10), De Israëliet moest ze voor iedere offerande ondergaan, Werd een Heidensch man Jodengenoot der gerechtigheid, hij moest niet alleen besneden worden maar ook een offer jn den tempel brengen, en vóór deze offerande moest hij de gezette reiniging ondergaan. Deze reiniging was echter geene afzonderlijke, op zich zelf staande ceremonie, maar slechts eene voorbereiding tot de offerande. Eerst in later tijd hebben de Joden er eenen doop van gemaakt. Namelijk toen de tempel door de Romeinen verwoest was en dus de offeranden ophielden, bleven zij ter gedachtenis daaraan de reiniging bijbehouden: hunne proselieten ondergingen een plechtige wassching. Doch ook nu was dit geen eigenlijke doop, reeds hierom, wijl deze reiniging (lustratie) niet door een ander aan den jodengenoot bediend maar door hemzelven verricht werd.

Vóór Johannes was er geen Doop. Zijn Doop was iets

\') Eon overzicht van do vorhandolingon hierover vóór en togen goeft Leyrer in Horzogs Roal-Enc. XIl. S. \'245 ff. u. d. W.

Prosehjten.

339

-ocr page 356-

§ 10. INSTELLING DKS D00PS.

nieuws en baarde opzien in het land. \'t Was het teeken van een aanbrekenden nieuwen tijd, eene zichtbare afbeelding van de geestelijke besprenging en reiniging des volks, bij de Profeten voorspeld (Ezech. 36 : 25. 37 : 23. Zach. 13 ; 1).

3. Nadat eerst Johannes de Dooper en vervolgens ook de discipelen van Jezus voorhereidender wijze in Israël hadden gedoopt, heeft de Heere Jezus Christus den Doop tot een eigenlijk en algemeen Sacrament des Nieuwen Verbonds ingezet, toen Hij ten hemel voer.

a. Wij moeten eene voorloopige of beperkte en eene finale of uitgebreide instelling des Doops onderscheiden. Immers het bevel om te doopen werd niet eerst bij Christus\' hemelvaart gegeven, maar met de zending van Johanes, den Dooper. Want Johannes* Doop was niet uit hem-zelven of uit de menschen, maar uit den hemel (Matth. 21 : 25), hij kon zich er op beroepen, dat God hem had gezonden om te doopen met water (Joh. 1 : 33). Dertig jaren oud ontving hij van God het uitdrukkelijk bevel om zijne bediening als wegbereider des Heeren te aanvaarden. Toen geschiedde het woord Gods tot Johannes in de woestijn, En hij kwam in al het omliggende land der Jordaan, predikende den doop der bekeering tot vergeving der zonden Luc. 3 : 2, 3.

Dit was een signaal voor het volk van de nadering des grooten Konings. Het was van Gods kant een teeken, dat nu eene nieuwe bedeeling zijner genade zou beginnen, dat Hij zijn Verbond, hetwelk Hij te voren met Abraham op Christus had bevestigd, nu in Christus wilde vervullen : voor degenen, die hunne zonden beleden en gedoopt werden, was, deze Doop eene verzekering van de vergeving

340

-ocr page 357-

§ 10. INSTELLING DES DOOPS.

hunner zonden en van hunne aanstaande dooping met der; Heiligen Geest, dien zij door den Gezalfde, den Messias, zouden ontvangen. En van hunne zijde was het oene getuigenis, dat zij op den naderenden Verlosser nu ook al hunne hope stelden en dat zij willens waren om van hunne zonden af te staan en als gewijden voor het Godsrijk rechtvaaardig te leven.

De Apostel Paulus verklaart aangaande den Doop van Johannes Hand. 19:4: Johannes heeft wel gedoopt den doop der bekeering, zeggende tot het volk, dat zij gelooven zouden in dengene, die na hem kwam, dat is, in Christus Jezus. 5. En die \\hem, namelijk Johannes], hoorden, werden gedoopt in den naam des Heeren Jezus (woorden, niet van Lucas maar van Paulus, verhalende hoe Johannes zijne discipelen doopte. Overmits Johannes hen leerde, dat zij in Christus Jezus gelooven zouden, verkondigende het Lam Gods dat de zonde der wereld wegneemt (Joh. 1 : 29), zoo doopte hij hen dan ook in diens naam).

341

b. Johannes doopte dus op denzelfden grond en tot hetzelfde doel als de Apostelen na de uitstorting des Fleiligen Geestes. Met reden hebben daarom Luther en Calvijn en met hen vele uitstekende Luthersche en algemeen de oude Gereformeerde Godgeleerden de identiteit, de evengelijkheid van den Doop van Johannes met den Christelijken Doop vastgehouden, in tegenstelling tegen de Roomschen i),

\') In do Kerkvergadering te Trente werd het Roomsche go-voolon nogmaals uitgesproken, Sess. VII. üe Baptismo. Canon I: Si quis dixerit, bapfcismum Joannis habuisse eandem vim cum baptismo Christi: anathema sit. Hetwelk nader gestipuleerd werd door Béllarminus, zie bij G. E. Steitz in Herzogs Roal-Enc. XV. S. 467 u. d. W. Taufe.

-ocr page 358-

§ 10. INSTELLING DES DOOPS.

die Johannes\' Doop verkleinden en voor geen Sacrament des Nieuwen Testaments maar alleen als een voorbeeld van den Ghristelijken Doop, als een zinnebeeld van zedelijke reiniging erkennen wilden.

De Socinianen en later de liemonstranten hielden zich weer tot het Roomsche gevoelen, dat Johannes\' Doop van den Ghristelyken Doop wezenlijk verschilt. En evenzoo tal van nieuwere Protestantsche Godgeleerden, met beroep op de eigene bekentenis des Doopers Matth. 3 : 11, en op de verklaring van Ghristus over Johannes\' standpunt en verhouding tot het koninkrijk der hemelen Malth. 11 : 11, terwijl men aldus besluit: Ghristus heeft der mensch-heid eenen nieuwen Geest gegeven, deze Geest woont in de Ghristelijke Gemeente, en het doel van den (Ghristelijken) Doop is de opneming in de gemeenschap dezes Geestes: dies kan Johannes\' Doop niet evengelijk gesteld worden met den Ghristelijken Doop \').

\') Schleiermacher, Dor Christl. Glaubo II. S. 364 f. § 136. 2. Desgelijks Ebrard, Das Dogma vom heiligen Abendmahl. S. 40, waar hij Johannes\' Doop minder stelt dan do Sacramenten des Ouden Testaments, en hem niet erkent als zegel on onderpand Gods van de verbondsgenade, maar alloen voor zinnoboeld van don eisch der zondonbolijdenis en van de noodzakelijkheid der vergeving eu vernioowing, dus wezonlijk verschillend van don Ghristelijken doop, aan welken Ebrard de objootievo genade verbindt.

En Dezelfde bevestigt zijn gevoelen In do Christel. Dogmat. II. § 527 op de gewone gronden zonder grond, alwaar hij dan ook verzekert dat Hand. 19 : 3 — 5 do door Johannes godoopten nogmaals zijn gedoopt. Ebrard stemt aldaar toe, dat de moeste oude Gereformeerdo Theologen tegenover do Roomschon en Socinianen den Doop van Johannes voor wezenlijk gelijk mot don Ghristelijken Doop verklaren. Den oonigen Witsius oohter

342

-ocr page 359-

§ 10. INSTELLING DES DOOPS.

Calvyn \') acht het uitgomaukt dat de bediening van Johannes geheol gelijk was met die naderhand aan de Apostelen werd opgedragen. De andere handen der bedienaars maakten den Doop geen ander, maar de eenzelvigheid der leer bewijst de eenzelvigheid van den Doop. In de leer stemden Johannes en de Apostelen overeen : beiden doopten tot bekeering, beiden tot vergeving der zonden, beiden in den naam van Christus, als van wien de bekeering en zondenvergiffenis kwam, dien ook Johannes voor het Lam Gods verklaarde, de zonde der wereld wegnemende (Joh. 1 : 29), het Offerlam, den Vader wei-behagend, den Verzoener der gerechtigheid, den bewerker der zaligheid. En wel niet aldus alsof door Johannes\' Doop de vergeving slechts in hope, door den Ghristelijken Doop echter metterdaad zou zijn verleend. Het eenige onderscheid tusschen den Doop van Johannes en van de Apostelen bestond hierin, dat Johannes doopte op den komenden, doch zich reeds openbarenden Christus, de Apostelen op den verheerlijkten; voorts dat vóór de verheerlijking van Christus geene oplegging der handen

zondert hij daarvan uit. Intusschen II. Witsius, Oecouom. Lib. IV. üap. XVI. 11 zegt uitdrukkelijk, dat Johanuos\' Doop van don door Christus\' discipelen bedienden Doop niet in wezen, maar alleen in omstandigheden verschilde, differebat non in essentia sed in circumstantiis duntaxat, evenals P. Van Mastricht, Godgel. III, p. 608. Van March, Merch XXX. 4. De Moor, Comment. V. p. 396 sqq.

Tot het gevoelen van Schloiermacher helt ook over Steitz in Herzogs Real-Enc. XV. S. 468.

\') Calvin. Instit. Lib. IV. Cap. XV. Sect. 7, 8. Idem, Com-mentar. in Matth. 3 : 11. Anders Stier, Redun des Herrn Jesu. Vlter Theil 1848. S. 894 f. Ook deze volgt Schleiermacher.

343

-ocr page 360-

§ 10. INSTELLING DES DOOPS.

volgde, waardoor de Heilige Geest werd medegedeeld Maar stelt men, dat Johannes\' Doop krachteloos was, daarentegen de Doop na Jezus\' verheerlijking des Heiligen Geest mededeelde, zoo is dit een nieuwerwetsch dwaalbegrip, waarbij men wederom teeken en zegel met de beteekende zaak verwart of althans de genade aan het Sacrament bindt. De Samaritanen waren in den naam des Heeren Jezus gedoopt, zoovelen er op de prediking van Philippus geloofden, maar eerst toen Petrus en Johannes de handen op hen legden, ontvingen zij den Heiligen Geest (Hand. 8 : 12—17).

En wanneer Johannes zegt (Matth. 3 : 11): Ik doop u wel met water, maar die na mij komt \'); Christus, die zal u met den Heiligen Geest en met vuur doopen, zoo wil hij daarmede niet zijnen Doop van den Doop der Apostelen onderscheiden, maar zijnen persoon en waterdoop stelt hij onder Christus\' Persoon en diens dooping met den Geest. Hij beteekent zich als den bedienaar des waters, daarentegen Christus als den gever des Geestes. En even-gelijk als Johannes, zoo waren ook de Apostelen, en zoo zijn ook heden de bedienaars van den Doop, zelfs de allergeestelijkste, slechts uitdeelers van het uitwendige teeken, terwijl Christus de schenker is der inwendige genade\').

\') H. P. Scholte, Do Heilige Doop. p. 35: Johannes predikte even stellig de vergiffenis der zonden door het geloof in den Christus als de Apostelen na het zenden des Heiligen Geestes.

J) Sunt onim extorioris duntaxat signi miuistri, Christus interiors gratiao auctor. Calvin. Inst. IV. 15. 8. Evouzoo do Nederl. Belijd, des Gel. Art. XXXiV : Alzoo geven ons de Dienaars van hunne zijde het Sacrament en het gene dat zichtbaar is, maar onze Heere geeft hetgene door het Sacrament beduid wordt, te weten

344

-ocr page 361-

§ 10. INSTELLING DES DOOPS.

/3. De Roomschon brongen voor hun gevoelen, dat de Doop van Johannes niet de kracht en waardigheid had van een Sacrament des Nieuwen Testaments, ook dit bij: zijn Doop was geene instelling van Christus maar van God (Joh. 1 : 33). Dit is bepaald de vader. Maar zoo past het in de Goddelijke huishouding. De Vader zond den Zoon, den Koning, en desgelijks diens wegbereider voorop, predikende en doopende. En do wil des Vaders was ook de wil des Zoons, blijkbaar zoowel hieruit dat deze zich zeiven naar zijne menschheid door Johannes liet doopen, als dat Hij na de aanvaarding van zijn predikambt ook deed doopen.

Zelf, met eigen hand doopte de Heero Jezus wel niet, maar zijne discipelen (Joh. 4 : 2) deden het op zijn bevel. Niet alleen om te voorkomen dat de uitwendig door Hem gedoopten zich boven de anderen verhieven, maar wel voornamelijk om voor alle eeuwen te betuigen dat de Doop niets van zijne kracht verliest, terwijl hij door een sterfelijk mensch wordt bediend, daar zijne kracht niet van den bedienaar maar geheel van Christus afhangt, in wiens naam en op wiens bevel hij wordt toegediend. Christus doopt niet alleen met zijnen Geest, maar ook het teeken, van eens menschen hand ontvangen, is aan te merken als door Hem zeiven met eigener hand uit den hemel gegeven. Daarom wordt Joh. 4 : 22 ook gezegd : Hij doopte. (Calvin., Commentar in Joh. 4 : 2. Evenzoo Luther, Cat. Maj. ed. Rechenb. p. 536). Naar eene overlevering, door Roomschen gretig opgenomen \'), zou Petrus

de gaven en onzienlijke genaden.

\') Augusti, Handb. dor Christl. Archiiol. II. Bd. S. 357.

345

-ocr page 362-

§10. INSTELLING DES DOOPS.

en ook Maria, door Jezus eigenhandig gedoopt zijn, en Petrus zou voorts Andreas, Jakobus en den Apostel Johannes en dezen de overigen hebben gedoopt. Maar zij waren ongetwijfeld door Johannes gedoopt, en allen die den doop van Johannes hadden ontvangen, werden, tot Christus komende, geenszins nogmaals gedoopt, (gelijk de Roomschen aannemen), hetgeen eene verloochening zou geweest zyn van Johannes\' Goddelijke zending.

y. Nog herinnert men dat Johannes niet gedoopt heeft in den naam der Drieëenheid. Maar al heeft hij het niet formeel gedaan, dan toch zakelijk. Hij doopte immers niet stom, maar predikende, en hij wist en getuigde van den Vader en den Zoon en den Heiligen Geest (Joh. 1 : 33, 34). Ook na Christus verhooging wordt niet uitdrukkelijk vermeld dat de Apostelen toen hebben gedoopt in den naam des Drieëenigen, hetwelk zij, gehoorzaam aan Christus\' bevel, toch zekerlijk niet hebben nagelaten.

Zoo is dan de Doop niet eerst bij Christus\' hemelvaart ingezet, maar met de zending van Johannes, en is bediend door dezen wegbereider des Heeren en ten vervolge daarvan door Christus\' discipelen naar diens bevel tijdens zijne omwandeling op aarde.

4. Was er nu dan nog eene nadere inzetting noodig? Zeker, er moest nog iets bijkomen, a. Namelijk de Heere had nog niet gezegd, of en hoe er gedoopt zou worden na zijne verhooging. Dat heeft hy gedaan in de laatste groote vergadering op den berg in Galilea, waar Hij plechtig verklaarde: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde, en dan tot de Apostelen inzonderheid sprak Matth. 28 : 19: Gaat dan henen, onderwijst al de volkeren, dezelve doopende in den naam des Vaders en des Zoons

346

-ocr page 363-

§ 10. INSTELLING DES DOOPS.

en des Heiligen Geestes, leerende hen onderhouden alles wat ik u geboden heb. Daar stelde de Heere den Doop in tot een blijvend en algemeen Sacrament des Nieuwen Verbonds, onafscheidelijk van het predikambt. Nu wist men wat de wil des Heeren was, waaraan men zich voortaan had te houden.

Het is eene verordening, die voortdurend voor de Kerk geldt. Slechts moedwillige zelfverblinding kan dit met de Socinianen en Quakers miskennen. De Socinianen 1) willen er alleen eene tijdelijke en beperkte instelling in zien, namelijk voor Joden en Heidenen bij hunne overkomst tot den Christelijken Godsdienst ten teeken dat zij Christus voor hunnen Heer erkenden ; zelfs zijn zij geneigd om te beweren, dat de Heere Jezus hier geheel niet van den waterdoop spreekt, maar van een indompelen in de leer. Ook de Quakers i) verstaan door het doopen een inwendig, geestelijk doopen, naar hen is er maar één Doop van Christus (Ef. 4 : 5), en dat is hun niet de doop met water, die met den Doop van Johannes is afgedaan, maar de doop met den Geest.

347

Christus noeml hier wel het water niet, maar dat Hij met het genoegzaam bekende en gebruikelijke woord Doopen den Doop met water bedoelde, sprak van zelf, en zoo hebben het de Apostelen verstaan, want tot opvolging van dit gebod des Heeren hebben zij zoowel met water gedoopt als het Evangelie gepredikt. — De voortdurende

\') Zie in dit Hoofdtuk § 6. Uitvoerig wordt het gevoolon van Socimis uit diens geschriften voorgesteld door Oeder, (Jatech. Racov. p. 531 sqq. Vergel. Marde, Compend. en March. XXX. 6. 2) Zie in dit Hoofdstuk § 6.

-ocr page 364-

348 § 10. INSTELLING DES DOOPS.

noodzakelijkheid van dit doopen wordt boven alle tegenspraak verheven door Marc. 1G : 1G,

b. Voorts onderscheidt zich dit gebod door zijne algemeenheid. Het is nu niet als voorheen : alleen tot de verloren schapen des huizes Israels, met onthouding van Heidenen en Samaritanen (Matth. 10 : 5, 6). Deze beperking neemt de Heere nu weg en Hij stelt daarvoor : al de volkeren. Dat zijn voor het naast de Heidenen, doch niet met uitsluiting van Israël. Immers de prediking zou beginnen van Jeruzalem (Luc. 24 : 47), en de Apostelen zouden Christus\' getuigen zijn zoo te Jeruzalem als in geheel Judea en Samarië en van daar tot aan het uiterste der aarde (Hand. 1 : 8). Dus in al de volkeren is Israël mede begrepen : Maakt ze discipelen, doopende, leerende!

c. Bijzonder echter kenmerkt zich dit doopsbevel door de nadere bepaling, om te in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes.

Het gewicht van deze woorden voor de leer der Drieëenheid is reeds vroeger aangetoond (Vierde Hoofdstuk § 7). Hunne beteekenis bij den Doop komt vervolgens in overweging (in dit Hoofdstuk § 21).

In deze woorden \') is het wezen van het Christelijke theïsme kortelijk uitgesproken: de erkentenis en belijdenis van den waren, levenden God, die ons een God is van volkomene zaligheid (Ps. 68 : 21), zooals Hij zich in zijn

l) Prof. J. H. Scholten, De doopsformule. 1869. bl. 9 bewoort: Het spraakgebruik van Matth. 28 : 19 ademt een later tijd, dan waarin Jezus leefde. Scholten heoft de twijfelingon van do Duitschors, van Teller, De Wette e. a. overgenomen en ontkent zelfs do echtheid van al do verhalen van het tweede aardsch leven van Jezus. Alleen zou echt zijn Mare. 16 ; 1 — 8.

-ocr page 365-

10. INSTELLING DES DOOPS.

Woord heeft geopenbaard, ten laatste en allerklaarst door den Zoon zeiven, voornamelijk in zijne laatste redenen (Joh. 14- 16), als Vader en Zoon en Pleilige Geest, Drie en toch Een, evengelyk en toch onderscheiden.

Men heeft er over getwist, of de Heere Jezus in de voorzegde woorden een bepaalde formule voor het doopen heeft willen geven, of niet«). Staat het echter vast, gelijk te twijfelen vast, dat deze woorden werkelijk zoo door Christus tot de Apostelen ten aanhoore der schare zijn gesproken, dan hebben wij hier eene uitdrukkelijke verklaring uit zijnen eigen mond, dat bij den Doop de Drieëenheid behoort, dat, welke bewoordingen men overigens naar de vrijheid des Geestes er bij gebruike,de Doop bediend moet worden in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, en dat geen andere Doop een ware Doop is dan die in den naam der Drieëenigen geschiedt. En in tijden en plaatsen, waar het ongeloof van geen Drieëenig God meer weten wil, heeft men des te letterlijker zich aan Christus\' woorden te houden.

349

Terecht herinnert een Godgeleerde: Gelijk bij de instelling des Heiligen Avondmaals. zoo zal ook bij de verordening van den Doop de Verlosser ongetwijfeld zulke woorden hebben gebruikt, die het meest gepast waren om het geestelijk karakter der handeling te beteekenen, waarin dan de verplichting voor de Kerk ligt, om ze als formule bij de bediening des Sacraments vast tft houden 1).

1

) Olshausen, (Jommentar. Diitto Avifl. IItor l!d. S. 589, zu Matth. 28 : 16-20.

-ocr page 366-

§ 11. UITVOERING.

Bij de vermelding van doopsbedieningen in den aposto-lischen tijd wordt wel niet gezegd dat men deze zeilde woorden heeft gebruikt, maar toch ook niet dat men ze niet gebruikt heeft. Immers het was geen vereischte, de manier van bediening te beschrijven; het was genoeg den Doop alleen te noemen, of ook hem te kenmerken als een Doop in den naam van Jezus Christus. Den Zoon kon men echter niet belijden zonder den Vader en den Heiligen Geest, maar telkens was dit eene noodzakelijke betuiging van de groote waarheid : gemeenschap met den Vader door den Zoon in den Heiligen Geest. Welke woorden bij de Doopsbedieningen ten tiide der Apostelen werden gebezigd, wie zal \'t zeggen ? Maar zooveel is zeker, er werd bij gesproken, gepredikt ; en evenzeker dat men Christus\' woorden, Math. 28 : 19 zoo plechtig en nadrukkelijk verkondigd, daarbij niet heeft veronachtzaamd, maar getuigd van den Vader en den Zoon en den Heiligen Geest, terwijl men in het bijzonder den historischen Persoon Jezus, uit Maria geboren, als den mensch geworden Zoon Gods en den waren Messias deed uitkomen.

§ 11. Uitvoering.

De verordening des Heeren werd uitgevoerd. Al degenen, aan wie het Evangelie was gepredikt en die hnn geloof in den Zoon Gods en daarmede in den Vader en den Heiligen Geest beleden, werden door den Doop tot de Gemeente toegedaan.

1. Dat begon reeds tien dagen na Christus\' hemelvaart, op den Pinksterdag, den dag op welken Israël den Heere de eerstelingen van den tarweoogst bracht en gedenkdag

350

-ocr page 367-

§ 11. UITVOERING,

tevens van de Wetgeving op Sinaï, maar nu geheiligd en heerlijk gemaakt door het groote wonder, de uitstorting des Heiligen Geestes en de toebrenging van duizenden zielen als eerstelingen van den geestelijken oogst onder het Nieuwe Verbond, door den Heiligen Geest snel bereid. De Geest werkte buitengewoon, wonderbaar, maar toch ordelijk, door zijn gewoon middel, de prediking des Woords. Petrus predikt. Nu zelf ten volle tot licht gekomen, stelt hij de verbazende verschijnselen den volke in het rechte licht, leert dat hier eene vervulling plaats heeft der voorzegging van de uitstorting des Heiligen Geestes, betuigt dat dit het werk is van dien Jezus, dien zg hadden gekruisigd maar die verhoogd was ter rechterhand Gods en nu als Koning heerschte, „De gekruisigde Jezus is de Messiasquot;! Dat was een pijl in de harten.

Nu was er behoefte aan den balsem der vertroosting. De Apostel spreekt tot de verslagenen Hand. 2 : 38 : Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt in den 7iaam van Jezus Christus, tot vergeving der zonden; en gij zidt de gave des Heiligen Geestes ontvangen, naar Gods belofte. 41. Die dan zijn woord gaarne aannamen werden gedoopt, en daar werden op dien dag [tot hen, tot de gemeenschap der belijders van Jezus Christus] toegedaan omtrent drie duizend zielen,

2. En in deze orde ging het voort. Zoo in Samarië Hand. 8 : 12: Philippus verkondigde het Evangelie van het Koninkrijk Gods en [van] den naam van Jezus Christus, waarop zij die geloofden gedoopt toerden, beide mannen en wouwen; ook Simon (v. 13), wijl hg, hoewel niet met een oprecht geloof, mede de waarheid des Evangelies bekende. Desgelijks de kamerling uit Moorenland,

351

-ocr page 368-

§ 11. UITVOERING.

Hand. 8 : 35—38. Philippus verkondigt hem Jezus, toont hem aan dat Jezus die Verlosser is van wien Jezaja en de andere Profeten des Ouden Testaments hebben gesproken. Voor den kamerling gaat een licht op ; Gods Geest opent hem de oogen: hij erkent en bekent dat Jezus is de beloofde Verlosser, hij gelooft dat deze ook zjjn Verlosser is, en zijne ziel vindt vrede in Hem.

Philippus heeft tot den man zekerlijk ook van den waterdoop gesproken, door den Heere verordend als teeken en zegel van den overgang en de opneming en inlijving in zijne gemeenschap. Op den Doop legt het Nieuwe Testament groot gewicht. De kamerling begeert dan ook gedoopt te worden. En zie, daar zijn zij juist bij water gekomen (een beekje of plas nog heden bij het vlek Bethsoron); beiden gaan uit den wagen gt;), en Philippus doopt den Moor, den man uit Ghams geslacht.

3. Deze orde werd voortgaande gehouden, gelijk het ook naar den aard der zaak niet anders kon: prediking van het Evangelie, geloof. Doop. Aldus ook bij Paulus Hand. 22 : 16, bij Cornelius Hand. 10, bij Lydia Hand. 16 : 14, 15, en den stokwaarder Hand. 16 ; 32, 33. En zoo al voort.

352

Vandaar dat Hebr. 6 : 2 onder de beginselen der leere van Christus, onder de eerste gronden der Christelijke

\') Het 37ste vers wordt in vele handschriften niet gevonden. Doch zoker is er zoo iets tusschen beiden gesproken ; de zaak zelve bracht dit mede. Bij van ganscher harte dacht Philippus wel terug aan het ergerlijke voorval met Simon, dit maakte hom voorzichtig. Do verklaring dos kamerlings : Ik yeloof dat Jezus Christus de Zoon Gods is boholst den grondslag der kerkelijke doopsbolijdenis. Do Geest gaf hem dit geloof.

-ocr page 369-

§ 12. TEEKEN VAN KERKGEMEENSCHAP. , 353

leer, die de Apostel er zes optelt, na de bekeering en het (/eioo/\'genoemtl wordt de leer der Doopen of der wasschingen. Daarover moest inzonderheid de Hebreër, die van het Jodendom tot het Christendom overkwam, behoorlijk worden ingelicht. Want de Israëliet was aan gedurige plechtige wasschingen gewend ; tot het Christendom overkomende trof hij daar ook eene wassching aan, doch die niet herhaald, maar aan een ieder slechts eenmaal bediend werd. Daar was dus leering noodig meteen over die oudtestamentische wettische wasschingen, als zijnde slechts voorbeeldige en schaduwachtige instellingen, die nu hadden uitgediend; en in tegenstelling en onderscheiding daarvan was er onderwijs noodig aangaande den Doop, door Christus ingesteld, en wat die beteekende.

Geheel de praktijk der Apostelen toont, dat, wanneer iemand door bekeering en belijdenis des geloofs in de uitwendige kerk intrad, de zoodanige en geen andere als teeken en zegel daarvan den Doop ontving»).

§ 12. Teeken van Kerkgemeenschap.

1. Terwijl de zinvolle beteekenis en de verschillende doeleinden van den Heiligen Doop vervolgens nader ter beschouwing komen, kunnen wij op grond van hetgeen hierboven (§ 11) is voorgesteld zooveel al aanstonds zonder tegenspraak zeggen; De doop is het teeken en «egel van de inlijving in de Kerk; mits men dit niet aanmerke als eene volledige definitie van deze instelling.

Aldus luidt het in de Nederl. Belijd, des Oeloofs Art.

\') Calvin. lustit. IV. 16. 23.

Gruvomoijoi , Gorof. Gul. lour. 111.

-ocr page 370-

§ 12. TEEKEN VAN KERKGEMEENSCHAP.

XXXIV: Wij gelooven en belijden, dat Jezus Christus — afgedaan hebbende de Besnijdenis, die met bloed geschiedde, in de plaats derzelve heeft verordend het Sacrament des Doops, door hetwelk wij in de Kerke Gods ontvangen \') en van alle andere volken en vreemde religiën afgezonderd worden, om geheel Hem toegeeigend te zijn, zijn merk- en veldteeken dragende 2) ; en dient ons tot een getuigenis, dat Hij in eeuwigheid onze God zijn zal, ons zijnde een genadig Vader s).

2. Het is noodig wél in het oog te houden dat hier gesproken wordt van den Doop der volwassenen, die gelooven en het geloof belijden. Eerst daarna komt in aanmerking of de Doop ook aan kleine kinderen, en aan welke, bediend mag worden, gelijk ook de Belijdenis eerst vervolgens in gemeld Artikel spreekt van den doop der kinderkens der geloovigen, dewelke tvij gelooven dat men behoort te doopen en met het merkteeken des Verhonds te verzegelen, gelijk de kinderkens in Israël besneden werden op dezelfde beloften, die onzen kinderen gedaan zijn. — Wij hebben hier dan te doen met den doop der bejaarden.

In waarheid en voor God komt de Doop alleen den uitverkorenen toe«) omdat hun alleen de beteekende

\') Latijnsclio tekst: quo in Dei Ecclesiam recipimur.

\'2) Ut illi toti couaecronmr, cujus ohavacterem ot insignia gostamus.

Calvin. Instil. IV. 15. 1: Baptismus signum est initiationis, quo in ecclesiae cooptamur societatem, ut Christo insiti inter filios Dei censeamur. Be Doop is het teeken der inwijding, door hetwelk wij in de gemeenschap der Kerk worden opgenomen, om, als zijnde Christus ingeplant, onder de kinderen Gods gerekend te worden .

4) II. Witsius, Miscell. Sacr. Tom. II. p. 485. Exerc. XIX. 6. Pictet, Godgol. II. p. 510. XVde B. Xllde Hoofdst. § 7,

354

-ocr page 371-

§ 12. TEEKEN VAN KERKGEMEENSCHAP.

zaak toebehoort, ware gemeenschap met de Kerk en deelgenootschap aan al de weldaden, die God aan deze gemeente doet {Kort Begrip Vr. 42), terwijl degenen, die geen recht tot de goederen hebben, het ook niet hebben tot het zegel. Intusschen het staat niet aan de Dienaren, de uitverkorenen te schiften, en voor hen kan de grond om te doopen niet zijn de verkiezing, maar alleen de belijdenis, naar het voren gezegde. Het kerkelijk Formulier om den Heiligen Doop te bedienen aan bejaarde personen verklaart dan ook : Hoewel de kinderen der Christenen (onaangezien zij dit niet verstaan) uit kracht des Verbonds moeten gedoopt worden, is het nochtans niet geoorloofd bejaarden te doopen, tenzij die te voren hunne zonden gevoelende belijdenis doen van hunne boete en geloof in Christus. En vervolgens wordt de doopeling aldus aangesproken : Aangezien gij begeert met het Heilig Doopsel gedoopt te worden, ten einde het u zij een zegel der inlijving in de Kerke Gods; en dat blijlce, dat gij niet alleen de Christelijke Religie aanneemt, in dewelke gij privatelijk van ons zijt onderwezen, waarvan gij mede voor ons belijdenis gedaan hebt, maar ook uw leven naar dezelve door Gods genade wilt aanstellen: zoo zult gij voor God en zijne gemeente ongeveinsdelijk antivoorden (op de Vragen, die dan volgen).

Degenen, die het ware geloof blijven missen, hebben in den Doop alleenlijk het teeken van uitwendige gemeenschap \') met de Kerk, de bekeerden en geloovigen van wezenlijke deelgenootschap aan de Kerk en aan al hare goederen en voorrechten.

\') Vergel. D. Molenaar, Du Formulieren van Doop en Avondmaal. 1838. p. 14.

355

-ocr page 372-

§ 12. tëeken van kerkgemeenschap.

3. Dit brengt ons tot de nieuwelings nog al besprokene vraag gt;), of de Doop eene inlijving is in de uitwendige, zichtbare Kerk, of in de inwendige, onzichtbare.

Bij de Eoomschen is dit schielijk beslist. Dezen willen van geene onzichtbare Kerk op aarde weten: hun is de ware Kerk, buiten welke er geen zaligheid is, zichtbaar» en dat is dan naar hun begrip de Roomsch-katholieke Kerk. De Waterdoop is hun de inlijving in deze zaligmakende Kerk.

De Lutherschen, wijl zij met den uitwendigen Doop de genade der wedergeboorte verbonden achten, merken hem dienvolgens aan als inlijving in de onzichtbare Kerk 1).

Onze oude Gereformeerde Geloofsleeraren erkennen wel in den Doop eene inlijving in de Kerk, doch meestal zonder te verklaren, of dit de uitwendige en zichtbare dan wel de inwendige en onzichtbare Kerke zij. Doorgaans noemen zij slechts in het algemeen de Kerk. Doch met enkele uitzonderingen 3).

350

1

\') Vergel. Dr. Kuyper, Heraut 1887. No. 520, 522. 1888. No. 530.

-ocr page 373-

§ 13. WATER.

Intusschon de zaak ligt niet, in hot fluister. Wij mogen zeggen: door den uitwencligen Doop, als zienlijk toeken, wordt men (de volwassenen op hun eigene belijdenis, de kinderkens op de belijdenis hunner ouders) in de uitwendige, zichtbare, en door den inwendigen, geestelijken Doop in de inwendige, onzichtbare Kerk des Nieuwen Verbonds ingelijfd, evenals men oudtijds door do uitwendige Besnijdenis (die in het openhaar in het vleesch is) in de uitwendige, en door de inwendige Besnijdenis (de Besnijdenis des harten in den geest, Rom. ^ : 28, 29) in do inwendige Kerk des Ouden Testaments werd ingelijfd \').

Wél te verstaan, de geloovige belijder wordt niet eerst door den Waterdoop in de onzichtbare Kerk, of, wat zakelijk hetzelfde is, in het Gonadeverbond ingelijfd, maar omdat hij er toe behoort, wordt hij gedoopt. Als (waar) belijder is hij deelgenoot van de onzichtbare Kerk, van de Gemeente Gods of van het Verbond, en dienvolgons wordt hü door het zienlijk toeken, den Doop met water in den Naam van don Drieëenigen Verbondsgod in de zichtbare Kerk ingelijfd en ontvangt tot zijn grooten troost het sacramenteele, boteekenisvolle Goddelijke zegel van zijne kerkgemeenschap.

§ 13. Water.

Hot uitwendige toeken, het element des Doops is rein water. Dit alleen dient er toe naar instelling, gebruik en gepastheid.

Joan van den Honert, in do Voorrede voor Ursinus\' Schatboek ovor den Heidulb. Catech. Gorinch. 1736. I. p. 153—156. 1) J- varl den Honert in do aangohaaldo Voorrode p. 153.

357

-ocr page 374-

§ 13. WATER.

1. De instelling zelve bracht dit mede. De Dooper Johannes zegt uitdx-ukkelijk, dat God hem gezonden heeft om te doopen met water (Joh. 1 : 33) en Christus heeft niets anders verordend. — Gebruikt is dan ook van den aanvang af gewoon, natuurlijk en zuiver water ; daarmede heeft Johannes, daarmee hebben Jezus\' discipelen gedoopt, en de Doop wordt genoemd het bad des waters Ef, 5 : 26. — Met wijsheid heeft de Heere dit element gekozen, als bij uitnemendheid gepast: zoo omdat het overal gevonden wordt en lichtelijk te bekomen is, daar de hemel het ons uitstort van boven en de aarde het ons opgeeft van beneden gt;); als voornamelijk wegens de overeenkomst met de beteekende zaak, de geestelijke reiniging, daar het water het voorname reinigingsmiddel is, hetwelk de onzuiverheid des lichaams pleegt iceg te nemen (Heidelb. Cat. Vr. 69).

2. Aan het gebruik des waters bij den Doop heeft de Christelijke Kerk zich te allen tijde eenstemmig gehouden. Slechts enkele sekten J) en zonderlingen verwierpen den waterdoop, doch toonden zeiven onzeker te zijn, wat zij voor het water in de plaats zouden stellen.

\') Pictet, Godgeleerdh. II. p. 507. Ook de Catech. Roman. Pars II. Cap. II. Qu. 10 vermeldt do redenon voor het water. — Eigenaardige bespiegelingen over het water van Tertullianus (het water antiqua substantia, wegens do geschiedenis der schepping ; diviui Spiritus sedes et dignum veclaculum), en van Cyrillus Hierosolymitamus (bisschop te Jeruzalem t 386) e. a. refereert Dr. Augusti, Handb. der Christl. Archaologie liter Band, S. 392 f.

2) Gnostieken en Manicheërs. Augusti, Handb. II. S. 394. De Moor, Comment, in Marck. Pars V. 408 sqq. Vau de Car-pocratianen en de Horacleanen wordt gezegd, dat zij voor water vuur gebruikten (naar Matth. 3 : 11), daar zij hunne medeleden niet doopten, maar hun een zegelteeken op do ooren brandden.

358

-ocr page 375-

§ 13. WATER.

Intusschen na het opkomen der leere van den Nooddoop kwam onder de Scholastieken, schoolsche wijsgeerige Godgeleerden, de vraag in behandeling, of het een Doop was, wanneer men in noodgeval, aan een ziek kind, terwijl men geen water bij de hand had, eenige andere vloeistof toediende, als melk, wijn, brandewijn, mede, bier of dergelijke gt;). Doch dit was meest een twistpunt onder enkele spitsvondige schoolgeleerden, en over het algemeen bleef men in de Westersche en ook in de Oostersche Kerk van gevoelen: het water en wel enkel water *) is het door den Heere verordende en gewilde element des Doops. Dat wordt ook verondersteld en betuigd Hebr. 10 : 22 : Zoo laat ons toegaan met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs, [onze] harten gereinigd zijnde van de kwade consciëntie, en het lichaam gewasschen zijnde met rein water (vergel. Ezech. 36 : 25).

\') Augusti, Haudb. II. S. 396. De Moor, Comment, in Marck V. p. 411.

2) Aqua para, fontana, marina, fluvialis, plnviatilis, \'t zij koud of warm gemaakt.

Gelijk Luther, zoo was ook do Gereformeerde Theod. Beza van gevoelen, dat wanneer de Doop van iemand niet moer zonder ontstichting kon en moest worden uitgestold, bij gemis van water eenig ander zuiver en reinigend vocht mocht worden gebruikt. Waarvan sommigen onzer Godgeleerden mede niet vreemd waren, ais Polyander. Ahr. Heydanus, Van March (Compend. en Merch XXX : 8), doch zonder daarmede de volstrekte noodzakelijkheid des Doops en het volkomen gemis van water voor meer dan eene ijdele veronderstelling te erkennen.

Anderen verklaarden zich dan ook beslist daartegen, als J. Vossms, Ant. Walaeus, Sam. Maresius, Gijsb. Voetius en anderen, wier uitspraken te vinden zijn bij C. Vitringa, Doctrina Chr. Rel. Cur. Mart. Vitringa Pars VII. p. 14 sq. Vergel. De Moor, Comm. in Marck V. p. 411 sq.

350

-ocr page 376-

§ 14. BETEEKENIS VAN HET DOOPWATER.

Ook de Roomsche Kerk is gesteld op natuurlijk, zuiver water\'). Doch zij eischt, dat men, tenzij in geval van nood, gewijd water gebruikte. Het doopwater wordt gewijd, gezegend alleen op den avond van Paschen en Pinkster, door bijvoeging van de heilige zalfolie J).

§ 14- Beteekenis van het Doopwater.

t. Het water is eene kostbare gave van den Schepper. Is het niet het algemeene, geheimnisvolle, aldoordringende middel tot ontbinding en verbinding van allerlei aardsche stoffen, die het (b.v. bij de spijsbereiding) met elkander in wederkeerige werking brengt»). Eene veelheid van heilzame krachten heeft God in dit bewonderenswaardige vocht gelegd. Om maar eenige bijzonderheden te noemen : het lescht den dorst; het maakt het aardrijk vruchtbaar, ja het is het beginsel en vereisch voor alle leven en groei op aarde, en, hetgeen hier voornamelijk in aanmerking komt, \'t is het algemeene uitnemende reinigingsmiddel, dienstig en krachtig om de vuiligheden van het lichaam weg te nemen.

2. In den Doop stelt het datgene voor wat den mensch geestelijk rein maakt. Het Doopwater, niet alle water, noch ook hetzelfde water buiten den Doop, maar het

\') Catech. Roman. Pars II. Cap. II. Qu. 11 : aqua simplex, quae nihil aliud adraixtum habot — — aquao naturalis liquor.

2) Verklaring van don Mechelschen Catech. 1843. p. 253. 258. Catech. Rom. Para. II. Qu. 60: Cousocratur baptisrai fous, addito mysticao nnctionis oloo. Augusti, Handbuch II. S. 396.

:\') Vergol. Zesde Hoofdstuk § 11. II. Witsius, Ooconouiia. Lib. IV. Cap. XVI. § 24. De Moor, Coramont,. in Marok. V. p. 408.

360

-ocr page 377-

§15. BESPRENGlNG.

water hetwelk on terwijl het in den naam des Drieëenigen Gods den doopeling wordt toegediend, beteekent en vertegenwoordigt het hloed van Jezus Christus en den Heiligen Geest: het bloed, dat de Verlosser vergoten heeft tot betaling voor de zonde, hetwelk ons reinigt van de schuld, en den Heiligen Geest wiens mededeeling en inwoning Hij verworven on beloofd hoeft, die ons wederbaart en heiligt en ons zuivert van de smet. Want het bloed van Jezus Christus, den Zone Gods, reinigt ons van alle zonde, 1 Joh. 1:7, en van den Geest is de heiligmaking, 2 Thess. 2 : 13. 1 Petr. 1 : 2. Beide komen in de Heilige Schrift gedurig onder het beeld des waters voor. Zoo zegt de Heere Jez. 12 : 3: Gijlieden zult water scheppen met vreugde uit de fonteinen des heils. En 44 : 3 : Want Ik zal water gieten op de dorstigen en stroomen op het droge, Ik zal mijnen Geest op uw zaad gieten en mijnen zegen op uwe nakomelingen. 4. En zij zullen uitspruiten tusschen in het gras als de wilgen aan de waterheken.

§ 15. Besprenging.

Op welke manier de bediening des Doops ook geschiede, hetzij door indompeling of door begieting of besprenging, het water moet aan den doopeling gebracht worden, alzoo dat het op zijn lichaam wordt gezien.

1. De oorspronkelijke vorm was naar het gemeene en meest aannemelijke gevoelen indooping, indompeling in en onder het water \'), zoodat door de onderduiking der

\') C. Vitringa, Doctrina Christ. Kei. Cnr. M. Vitringa Pars VII. p. 16 sqq. Dr. Augusti, Hanclb. dor. Chr. Archiiologio liter Band S. 397 ff.: Vom Ritus des Untortauchens.

361

-ocr page 378-

§ 15. BB6PRENGING.

doopelingen hunne gemeenschap aan Christus\' dood en begraving en het sterven van den ouden mensch, en door het wederopkomen uit het water hunne opstanding in Christus tot een nieuw leven zeer beteekenisvol werd afgebeeld, waarop de Apostel Paulus onmiskenbaar zinspeelt Rom. 6 : 4. Kol. 2 : 12.

Bij de uitbreiding des Christendoms in het koudere Westen kwam daar meer en meer de begieting of be-sprenging gt;) op, doch bleef ook daar tot in de dertiende en veertiende eeuw de indooping of onderdompeling mede in gebruik. Ook de Reformatoren keurden dezen vorm niet af, zy beschouwden de wijze van bediening als iets onwezenlijks, naar de omstandigheden vrijgelaten. Zoo ook Calvyn: „Of de doopeling met geheel zijn lichaam en wel of hij driemaal of éénmaal ingedompeld, dan of hij alleen met opgegoten water besprenkeld wordt, is van geenerlei belangmaar hierin moeten de Kerken naar verschil der landstreken vrij zijn, hoewel èn zelf het woord doopen (baptizare) indompelen beteekent èn het zeker is dat de indompeling bij de oude Kerk gebruikelijk is geweest\').quot;

Ongetwijfeld is ook in den eersten tijd de Doop niet steeds door geheele indompeling en wel van het gansch ontkleede lichaam, maar door ruime begieting van het hoofd bediend»).

1) Augusti a. W II. S. 404 fl.: Dor Ritus des Begiessens oder Bosprengens.

2) Calvin. Instit. IV. 15. 19.

3) Sommigen nemen aan, dat de doopeling tor indompeling oudtijds geheel ontkleed werd. Zoo ook nog Augusti a. W. S. 402. Ouder onze oude Godgeleerden is dit vooral tegengesproken

362

-ocr page 379-

§15. BESPRENGING.

Zoo wanneer meer personen, van beiderlei sekse, bij elkander gedoopt werden, als Cornelius en de zijnen (Hand. 10 : 47, 48), Lydia en haar huis (Hand. 16 ; 15), de stok waarder en al de zijnen (Hand. 16 : 33), en vooral bij de groote doopsbediening Hand. 2 : 41, waar omtrent 3000 gedoopt werden op éénen dag. Dezen werden gewisselijk niet met het naakte lichaam onder het water gedompeld, maar veelmeer alleen met het hoofd ingedoopt of op het neergebogen hoofd ruim met water begoten.

2. Doch ook of de Doop met rijkelijke begieting geschiedt of met enkele besprenging bij droppelen, raakt het wezen niet.

a. Immers de kracht van het Sacrament zit niet in het stoffelijke water. Dies komt het op de quantiteit, op het veel of weinig niet aan; noodig is alleen dat het water aan den doopeling en met hem in verband komt. En de besprenging van het hoofd, en wel van het voorhoofd, is zoo veel als besprenging van het geheele lichaam, evenals in het oude Israël de besprenging van de deurposten, dat is van den ingang des huizes met het bloed des Paaschlams het gansche huis gold met hetgeen er in was \').

b. Bovendien wordt de beteekende zaak, de geestelijke reiniging, door het beeld eener besprenging met water uitgedrukt, zooals Ezech. 36 : 25, waar de Heere spreekt:

door Gijshert Voet on II. Witsius, Oecon. od. 1739. p. 721. De Moor, Commeut. V. p. 413.

\') J. II. Kurtz, Der Alttestamentl. Opfereultus. 1862. S. 318. Vergel. Ezech. 9 ; 4. Openb. 7 : 3.

363

-ocr page 380-

§ 15. HESPRENGING.

Ik zal rein water op u sprengen en gij zult rein worden. En terugziende op de voorbeeldende ontzondiging en wijding door bloedsprenging onder het Oude Verbond noemt de Schrift Christus\' bloed het bloed der besprenging (Hebr. 12 : 24) en spreekt van de besprenging des bloeds van Jezus Christus (l Petr. 1 : 2).

c. Eindelijk het hoofddenkbeeld waar de Schrift van den Doop spreekt in wassching, reiniging \'). En zoo heeft het ook onze Kerk gevat en den meesten nadruk daarop gelegd. Wassching, reiniging is de hoofdgedachte. Dit doet de Nederl. Belijd, des Geloofs bijzonder uitkomen, Art.

XXXIV: De Heere heeft bevolen te doopen---met rein

water ; ons daarmede te verstaan gevende, gelijk het toater de vuiligheid des lichaams afwascht, tvanneer wij daarmede begoten worden, hetwelk op het lichaam desgenen, die den Doop ontvangt, gezien wordt en besprengt hem, dat alzoo

1) Het woord In het Nieuwe Testament gebruikt,

was toen de gewone uitdrukking voor de plechtige, godsdienstige wasschingen en reinigingen. Terwijl Matth. 15 ; 2 van hot zich wasschen vóór den eten viirTsirlloii gebruikt, zegt Mare. 7 : 4 (in den grondtekst) (sxtttI^wQou. En Joh. 3 : 25 v.v. wordt zoowel het doopen door Jezus als door Johannes gedaan bij de discipelen onder het algemeene begrip der reiniging gesteld, waarover geschil was gerezen. Vergel. Cremer, Wörtenbuch u. d. W.

Het woord jdxTTTi^co [(Sxtttu) hangt saam met l3xöug diep, (3kÓos diepte. O. Cartius, Grundzüge dor Grioch. Etymol. 1873. S. 466. Doopen heeft tot wortel diep. Dr. ./. Franck, Etymol. Woordenboek. 1884. p. 194, o. h. W. Doopen. Het boogduitsche taufen (eigenlijk teufen, tiefen) komt af van tief.

J. J. Van Toorenenbergen, Bijdragen p. 238 zegt: In het toeken des Doops is de besprenging en niet de indompeling de hoofdzaak. En hij staaft deze stelling nader p. 245.

364

-ocr page 381-

§ 16. DKÏEEKENIS VAN DE BESPKENG1NG. ÜGS

het bloed van Christus hetzelfde van binnen in de zielen doet door den Heiligen Geest, dezelve hesprengende en zuiverende van hare zonden en ons wederharende uit kinderen des toorns tot kinderen Gods. Desgelijks de Heidelb. Catechismus Vr. 69—73, waar voortgaande van waterbad, wassching, afwassching, reiniging gesproken wordt. —

3. In de Westersche Kerken is de indompeling over het algemeen door de besprenging vervangen. Alleen de Kerk van Milaan heeft de indompeling behouden, zonder deswege door Rome te worden bemoeilijkt.

Maar de Oostersche Kerk, de Grieksche of zoogenaamd Orthodoxe1), wil geen anderen Doop dan met drietnalige onderdompeling en erkent de „besprengde Christenenquot; niet voor gedoopt, weshalve zij degenen die tot haar overkomen, naar hare manier gaat doopen.

Ook de Baptisten 1), die geen anderen tot den Doop toelaten dan die toonen wedergeboren en geloovigen te zijn, achten den Doop der besprenging voor geen Doop, als zijnde strijdig tegen de Schrift en het oud gebruik.

§ 16. Beteekenis van de Besprenging.

Beteekent hot water in den Doop Christus\' bloed en den Heiligen Geest, zoo wordt door het gieten of sprengen van het water op het lichaam des doopelings verzinne-

\') kxtxSujii;, kxtxHusitQm rp)? sv rcji v\'Sxti, Augusti, a. W. II. S. 404. Winer, Compiir. Darst. S. 185.

-) J. II. Brauer iu Horzogs lleal-Euc. I. S. 683. u. d. W. Baptisten.

-ocr page 382-

§ 16. BETEEKENIS VAN DE BESPRENGING.

beeld de toeeigening van dat bloed en dien Geest tot wegneming van de schuld en smet der zonde.

De uitwendige wassching, bij verkorting door de be-sprenging vervangen en vertoond, is eene aflegging der vuiligheid des lichaams (1 Petr. 3 : 21). Zij beteekent het reinmaken van de zonde, hetwelk een geestelijk wasschen is. Zoo zeide Ananias tot Paulus Hand. 22 : 16 : Sta op en laat u doopen en uwe zonden aftvasschen, aanroepende de naam des Heeren.

De zonde is een vuil, in tweeërlei opzicht: als schuld, verbintenis tot straf, gelijk men ook in het dagelijksche leven van eenen schuldige zegt: hij is niet zuiver; en als smet, daar de zondaar in geheel zijn bestaan en in al zijn doen onrein en bemorst is, ontaard van het beeld Gods quot;).

Van de schuld wordt de zondaar bevrijd door kwijtschelding, vergeving, die een deel is van de rechtvaardiging, van de smet door vernieuwing en voortgaande heiligmaking. Van beide is de Doop zinnebeeld en zegel. In beide opzichten neemt de Doop het vuil der zonde weg, maar sacramenteel, afbeeldenden bezegelend ; de rechtvaardigende en heiligmakende genade doet het reëel, werkelijk en waarlijk. Door de rechtvaardigende genade Gods wordt van ons de schuld der zonden en wel geheel weggedaan, zoodat zij ons niet ter straffe worden toegerekend maar kwijtgescholden ; de heiligmakende genade neemt de zonde weg ten aanzien van de smet, tot zoover dat zij niet meer in ons heersche, maar allengs \') ten onder gebracht

\') //. Witsms, Ooconomia Lib. IV. Cap. XVI. 31. De Moor, Commentar. V. p. 538 sq,

2) Calvin. Instit. IV. 8. 12.

366

-ocr page 383-

§17. DOOPSVERPLIGHTING.

367

worde. Heidelb, Cat. Vr. 70 : Met het Hoed en den Geest van Christus gewasschen te zijn, is: vergeving der zonden van God uit genade te hebben om des bloeds van Christus wille, hetwelk Hij in zijne offerande aan het kruis voor ons uitgestort heeft; daarna ook door den Heiligen Geest vernieuwd en tot lidmaten van Christus te zijn, opdat wij hoe langer hoe meer der zonde afsterven en in een godzalig, onstraffelijk leven wandelen.

Van beide genadeweldaden is de Doop teeken en zegel. Hand. 2 : 38 : Petrus zeide tot hen : Bekeert u en een iegelijk van u worde gedoopt in den naam van Jezus Christus, tot vergeving der zonden; en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen. Efez. 5 : 25 : Christus heeft de gemeente liefgehad en zich zeiven voor haar overgegeven. 26. Opdat Hij haar heiligen zoude, [haarj gereinigd hebbende met het bad des waters doorliet Woord \') (der inzetting en belofte), verwezenlijking van hetgeen de Heere had verkondigd Ezech. 36 : 25 : Dan zal ik rein water op u sprengen en gij zult rein worden: van al uwe onreinigheden en van al uwe drekgoden zal ik u reinigen.

§ 17. Doopsverplichting.

De Sacramenten sluiten overeenkomstig hunne beteekenis en bedoeling voor de deelgenooten de plechtige verbintenis tot gehoorzaamheid in zich, zooals boven is voorgesteld (§ 4).

\') Eigonlijk : in het woord, èv pyftxri. Voonverpelrjk bestaat do Doop uit het water en het Woord te zaam, water in verbinding mot het [gouadowoord.

-ocr page 384-

§ 17. DOOPSBESPRENGING.

De grondslag van alle heiliging Gods in zijn volk is de vergeving der zonden (Ps. 119 : 32), de wegneming en ontlasting van de schuld. Daarmede gaat gepaard de gave des Heiligen Geestes tot vernieuwing en heiligmaking des begenadigden. Het wegnemen gaat voor het geven aan. Van beide is de Doop teeken en zegel.

Aan vvien God dat doet, die doet ook daarnaar. Dit wordt met den Doop den doopeling opgelegd. Die den Doop ontvangt, belooft met een goed geweten voor zijnen God te leven en te onderhouden wat Christus geboden heeft, en alzoo is de Doop eene bevestiging van het Verhond tusschen God en den mensch.

Formulier — voor den Doop van de kleine kinderen der geloovigen (Ten derde): Overmits dat in alle verhonien twee deden begrepen zijn, zoo worden wij ook wederom van God door den Doop vermaand en verplicht tot eene nieuwe gehoorzaamheid, namelijk dat wij dezen eenigen God, Vader, Zoon en Heiligen Geest aanhangen, betrouwen en liefhebben van ganscher harte, van ganscher ziele, van ganschen gemoede en met alle krachten, de wereld verlaten, onze oude natuur dooden en in een nieuw godzalig leven wandelen.

Formulier voor den Doop van bejaarde personen (Vijfde Vraag) : Of gij u van harte voorgezet hebt, altijd Christelijk te wandelen, de tvereld en hare kwade begeerlijkheden te verzaken als dat den lidmaten van Christus en zijne gemeente betaamt. Dat is ook de vraag») eener goede

\') êirspdiTiiftx. Het is do vraag aan hem, die don Doop begeert, on op welker toostemmende beantwoording hij don Doop ontvangt; oeno vraag als bij het imikeu van een verdrag, bij hot sluiten vim oen verbond, Lulwclk door vraag en antwoord

368

-ocr page 385-

§ 18. HET WATER DOET HET NIET.

consciëntie tot God door de opstanding van Jezus Christus, waarvan 1 Petr. 3:21 bij den Doop gewaagt; en door Christus zeiven was in de inzetting des Doops de eisch der gehoorzaamheid gesteld, in het bevel aan de Apostelen Matth. 28 : 19: — leerende hen (de gedoopten) onderhouden alles wat ik u geboden heb.

§ 18. Het Water doet het niet.

1. Onze Gereformeerde Kerk, wars van alle schepsel-vergoding en gekant tegen iedere verwisseling of vermenging van uitwendige, menschelijke verrichtingen met het werk van den souvereinen God, blijft ook in den Doop het uitwendige, de bediening des waters, van het inwendige, de geestelijke reiniging, behoorlijk onderscheiden, zonder evenwel beide van elkander te scheiden en uit hunne wederzijdsche betrekking tot elkaar los te rukken, met andere woorden, zonder de vaststaande beteekenis van het uitwendige weg te nemen.

Naar de leer onzer Kerk heeft de uitwendige Doop door zich zeiven de kracht niet om eenen mensch van de zonde te reinigen. Plet Sacrament is niet de genade zelve, maar is teeken en zegel van de genade.

geschiedt. Luther hoeft wol niot taalkundig nauwkeurig (want STTspuTyjiAX boteekent niet het verdrag zelf noch ook gelofte, maar do vraag, dio or toe leidt) maar toch zakelijk niet ton onrechte vertolkt; der Bund eines guten Gewissens mit Gott.

Velen nemen het voor eeuo (vrijmoedige) aanspraak des ge-ruinigden gewetens tot God. Zoo bijzonder ook Stier, Eeden des Herrn Jesu. VIter Theil. 1848. S. 938 ff, zu Matth. 28: 19, die echter ten slotte daarin toch in der That etwas Bundge-masziges erkennt.

Gravomojjor, Gorof. Gel. loor. III. 24

369

-ocr page 386-

§ 18. HET WATER DOET HET NIET.

370

Nederl. Belijdenis des Geloofs Art. XXXIV ; Niet dat zulks (de zuivering en wederbaring) door het uiterlijke ivater geschiedt, maar door de hesprenging des dierbaren bloeds des Zoons Gods, die onze Roode Zee is gt;), door welke wij moeUn doorgaan, om te ontgaan de tirannieën, van Pharao, welke is de duivel, en in te gaan in het geestelijk land Kanaan. Alzoo geven ons de Dienaars van hunne zijde het Sacrament en hetgene dat zichibaar is, maar onze Heere geeft hetgene door het Sacrament beduid wordt, te weten de gaven en onzienlijke genaden, wasschende, zuiverende en reinigende onze zielen van alle vuiligheden en ongerechtigheden, en onze harten vernieuwende en dezelve vervullende met alle vertroosting, ons gevende eene ware verzekerdheid zijner vaderlijke goedheid, ons den nieuwen mensch aandoende en den ouden uittrekkende met al zijne werken. Heidelb. Cat. Vr. 72 : Is het uiterlijke waterbad de afwassching der zonden zelve (zooals de Roomschen leeren) ? Neen het: want alleen hel bloed van Jezus Christus en de Heilige Geest reinigt ons van alle tonden.

a. Van het bloed zegt dit de Schrift met even zooveel woorden 1 Joh. 1:7: Het bloed van Jezus Christus, den Zone Gods, reinigt ons van alle zonde. En waarom juist het bloed ? Als losprijs voor de zonde, ter genoegdoening aan de rechtvaardigheid Gods. De zonde is opstand tegen God, is eene poging om God weg te doen : in elke zonde ligt dit, men wilde liefst dat er geheel geen heilig God God ware ; men staat God naar \'t leven. Daardoor heeft de zondaar het leven verbeurd en don dood verdiend,

1) Zio hot Gebed vóór don Doop van do kloino kindoren dor goloovigon 1 Kor. 10 : 1, 2.

-ocr page 387-

§18. HET WATER DOET HET NIET.

geestelijk, lichamelijk, eeuwig. De bezolding der zonde is de dood (Rom. 6 : 23). Daarom moest de schuldbetalendo Borg den dood ondergaan, ook den dood des lichaams. Hij moest zijn leven prijsgeven, ter voldoening aan de rechterlijke gerechtigheid Gods, Overmits nu naar Levit. 17 ; 11 de ziel des vleesches, het leven des lichaams, in het bloed is, zoo beteekent Christus\' vergoten bloed zijn uitgestort en geofferd leven, en juist daarom is dat bloed de genoegdoening voor de zonde \')•

De besprenging of wassching met dat bloed is de genadige toerekening en toeeigening van dat bloed aan den schuldigen zondaar, alzoo dat God hem uit genade om dezes bloeds wille al zijne zonden vergeeft {Heidelb^ Catech. Vr. 70) en hem zoo aanziet en eert als had hij nooit eenige zonde gedaan. Het doopwater doet tot deze zuivering van de schuld niets, Christus\' bloed doet het al; maar de Doop is het troostelijke teekenen zegel er van.

371

b. Met het reinigende bloed gaat de vernieuwende Geeet gepaard. Ja, het is alzoo dat het bloed van Christus de reiniging van binnen in de zielen doet door den Heiligen Geest .{Nederl. Belijd. Art. XXXIV). Het is de Geest, die het bloed tot hart en geweten brengt, Hij is de toepassende oorzaak (caussa applicans) bij deze reiniging en begint daarmede dadelijk ook zijne heiligmakende werking. De-waterdoop neemt de zondensmet niet weg en brengt geen geestelijk leven aan, de Heilige Geest doet het. De uitstorting des Heiligen Geestes is het rechte bad, dat reinheid en leven werkt, waarvan de Doop het Goddelijke pand en waarteeken is {Heidelb. Cat. Vr. 73). Paulus

1) Vergel. Twaalfde Hoofdstuk § 17.

-ocr page 388-

§18. HET WATER DOET HET NIET.

voegt teeken en zaak te zaam, waar hij van het bad (dat is het teeken) der wedergeboorte en verniemving des Heiligen Geestes (dat is de zaak) gewaagt. Tit. 3:5: God heeft ons zalig gemaakt, niet uit de werken der rechtvaardigheid die wij gedaan hadden, maar naar zijne barmhartigheid, door het bad der wedergeboorte en vernieuwing des Heiligen Geestes\'); 6. Denwelken Hij over ons rijkelijk heeft uitgegoten door Jezus Christus onzen Zaligmaker ; 7. Opdat wij, gerechtvaardigd zijnde door zijne genade, erfgenamen zouden worden naar de hoop des eeuwigen levens.

2. De Doop met water is dan niet de zaak zelve, maar teeken en zegel van de zaak. Deze beteekenis is van den Doop onscheidbaar. De Doop, naar de instelling des Heeren bediend, heeft altijd dezelfde beteekenis 1) Er bestaat eene sacramenteele vereeniging 3) tusschen het teeken en de beteekende zaak door de inzetting. Dit verband is niet, dat het teeken wierde omgezet in de beteekende zaak zelve; dan ware het geen teeken meer; noch ook dat de kracht van de beteekende zaak, van Christus\' bloed en den Heiligen Geest, aan het teeken, aan het doopwater, onafscheidelijk verknocht of daarin uitgestort zou zijn, zoodat met het teeken altoos en aan iederen doopeling ook de beteekende zaak wierde medegedeeld, waartegen alleen reeds Rom. 2 ; 28, 29 afdoende getuigt*).

\') quot;hix Xourpov ttxhiyysvsirlixs kx) xvommivugsus trvsvpoiroi;. Calvin. Commontar. in Rom. 6 : 4.

-) Zie ook in dit Hoofdstuk § 5.

:!) ünio sacvamentalis. Confessio Hel vit. II. Cap. XIX. ed. 1566. fol. 35b.

») Vergel. H. F. amp;cholte, De Heilige Doop p. 64—69.

372

-ocr page 389-

§ 18. HET WATER DOET HËT NIET.

Veelmeer het is eene betrekkelijke, opzichtelijke ver-eeniging, hierin bestaande, dat door het Goddelijk Woord de waterdoop Juist tot een teeken en zegel van die zaak is gemaakt. Waaruit dan vanzelf volgt, dat men den zegen van het Sacrament niet kan ondervinden, wanneer men alleen bij het uitwendige staan blijft, wanneer men het niet geloovig i) als een van God gegeven teeken en zegel beschouwt en niet het teeken brengt tot de beteekende zaak en wederom de beteekende zaak tot het teeken, en wel in die opzichten, welke de Heere zelf in het Woord, in de inzetting en belofte heeft aangewezen. Aldus is het met het Heilig Avondmaal, aldus met den Doop.

Het geloof maakt het Sacrament niet *), maar het ontvangene Sacrament zal dienen tot bevestiging des geloofs, doordat wij er behoorlijk overeenkomstig het doel der instelling mede werkzaam zijn. Het ongeloof maakt het Sacrament zelf niet te niete, maar maakt het voor den mensch ijdel en wezenloos, tot verzwaring van zijn oordeel. Zoo is het ook met het Evangelie: het is eene kracht Gods tot zaligheid, maar voor een iegelijk die gelooft (Rom. 1 : 16). Het Woord der prediking deed hun geen nut, dewijl het met het geloof niet gemengd was in degenen die het gehoord hebben, Hebr. 4 : 2.

3. a. Naar de Roomschen is het uiterlijk waterbad de

\') Calvin. Instit. IV. 15 : 15 : Ex hoe saoramonto, qnema\'1-modum ox uliis omnibus, nihil assequimur nisi quantum fido accipimus. Si fides desit, erit in testimonium ingratitudinis noatrao, quo rei coram Deo peragamur, quia promissioni illic datao inereduli fueriraus

-) Luther, Catech. Maj ed. llechonb. p. 545 : Neque enim fides mea facit Uaptismum, aed llaptismum percipit et apprebondit.

373

-ocr page 390-

§18. HET WATER DOET HET NIET.

afwassching der zonden zeiven. Zij leeren, dat de Doop in zich zeiven de kracht heeft om alle zonde weg te nemen en den mensch te wederbaren. Naar hunne kerkleer wordt den doopeling, hoe oud die zij, vergeving van al zijne zonden, die hij vóór den Doop gedaan heeft, door den Doop toegeeigend en eene hebbelijke heiligheid wordt hem er door ingestort, „als een glans en een licht, hetwelk alle vlekken der ziel uitdelgt en de ziel schoon en blinkend maakt •).quot; De erfzonde wordt te niet gedaan. Wel blijft in den gedoopte de zinnelijke begeerlijkheid (concupiscentia) overig, maar deze is, naar Roomsch leerbegrip, op zichzelve indifferent, onverschillig, is geen zonde s), hoewel zij (als tondel, fomes peccati) tot zonde leidt; doch de getrouwe strijd daartegen brengt tot meerder heerlijkheid. De zonden echter, na den Doop begaan, worden weggenomen door berouw, biecht en boete (Sacramentum Poenitentiae»).

De vergeving der zonden en de wedergeboorte, leert de Roomsche Kerk, wordt door den Doop te weeggebracht uit kracht van het gedaan iverk (ex opere operato»), dat zegt, door de uitwendige daad van toediening des waters aan den doopeling: zoodra het doopen maar gedaan

\') C\'atech. Roman. Pars 11. Cap. II. Qu. 2.

*) /rfem, P. III. C. X. Qu. C

3) Vijftiende Hoofdstuk § 10.

4) Tridentin. Sosa. VIL Do Sacramentis. Canou VIII. Over opus operatum handelt goschiodkuudig G. E. Steitz in Horzogs Real-Enc. XIII. S. 249 If. u. d. W. Sacramente. Möhler wil dit goud makon door bij operatum tu denkeu a Ghristo (in plaats van ab Ecclesia), geheel strijdig tegen het Iloomsch beginsel (S. 253),

374

-ocr page 391-

§18. HET WATER DOET HET NIET.

wordt, ligt in den Doop als sacramenteele handeling zulk eene Goddelijke kracht.

b. De Lutersche Kerk neemt wel geen zulke magische werking van den Doop aan als de Roomsche, doch zij bindt de genade aan het Sacrament door de kracht des Woords Gods, ten zegen voor het geloove, en de Doop is haar een beginnende oorzaak van de wedergeboorte : zij stelt eene doopgenade. Naar Luther ligt het wezen des Doops in de verbinding van het Woord met het water. Dit is hem eene voorvverpelijke, reëele vereeniging, zoodat hij zegt: „de Doop is niet alleen eenvoudig water; maar hij is het water in Gods gebod vervat en met Gods Woord verbonden \')•quot; En „het Water wordt daardoor geheiligd, zoodat het niets anders is dan Gods of Goddelijk water, niet dat dit water door zich zelf voortreffelijker zou zijn dan elk ander, maar omdat tot dit het Woord en Gebod Gods is bijgekomen ; de Naam Gods is er in 1).quot;

\') Luthers Kloinor Catechismus (1529): Die Taufe ist nicht allein schlechl Wasser, soiulern sie ist das Wasser in Gottes Oebot ver [as net und mit Gottes Wort verbonden. Do (onbokencto) vertaler in het Latijn heeft daarvoor gezet; et verbo Dei obsignata. Luther ging velen zijner eerste goloofsgeuooten hierin te ver, bijzonder Molanchthou.

a) Luthers Grooter Catech., od. Eechenb. p. 537.

Ia de Articuli Smalcaldici van Luther (1536) heeft de oorspronkelijke hoogduitsche tekst: Die Taufe ist nichts Anderes denn Gottes Wort IM Wasser, durch seine Einsetzung befohlen. Maar do Latijnsche Overzetting (van Pt. Generanus) heeft er de spits weer afgebroken : Baptismus nihil aliud est quam verbum Dei cum mersione in aquam, secundum ipsms institutionem. ed. Rechenb. p. 329.

Bijzonder sterk hoeft Luther zich uitgesproken in zijne Doop-predikatiOn juist omtrent dien tijd gedaan. Zoo in do Prodigt

375

-ocr page 392-

§ 18. HET WATER DOET HET NIET.

Deze voorstelling vond bij Luthers tijdgenooten weinig ingang, meer die van Melanchthon, volgens wien do Doop, niet door het water maar door geheel de bediening, een voortdurend feitelijk getuigenis is van Gods genade gt;) en van het bijzondere werkelijke aandeel des doopelings aan de belofte des Evangelies, namelijk, de vergeving der zonden en de vernieuwing door den Heiligen Geest.

Maar latere Luthersche Godgeleerden, in de 17de eeuw, namen met beslistheid Luthers gedachte weer op

von der hoiligon Taufe, übev Matth. 3 ; 13—17. Anno 1535. Ei\'langer Ansg. von Luthers sSimmtl. Werken Bd. XVI. S. 43 ff. Hij zegt S. 63 f.: Wenn du solohcs ansiehest, ivie diesz Wasser mit Gottes Wort und Namen verblinden ist, weil er selbst solehe Wor/e hefiehlet driiber zu sprechen: [ch taufe dich im Namen des F. \'tors. Solmes und heiligen Geistes — —, so kannst du nicht sagen, dasz es ein schlechl wasserig oder irdisch Wasser sey — —. sondern musset sagen, dasz es sey ein Wasser der göttlichen Majestat selbst, als damit nicht wir Menschen, sondern Gott selbst (durch unsere Hand) taufet, und seinen Name» dar ein gestecM und gejlochten hnt, dasz es mit demselben durchmenget ist, und mag wold ein durchgöttet Wasser heiszen.

En daarop vorgolijkt hij het met gloeiend ijzer, hetwelk niet moer alleen ijzer is, maar ijzer en vuur, en mot gesuikerd water.

\') Augustana Con!essio Art. IX, vau Melanchthon zegt, alleen : De Baptismo docent (Ecclesiae) quod sit necessarius ad salutom, quodquo per Baptismum offeratur gratia Dei. Luthers gevoelen van hot water is behalve in zijne beide Catechismen in geen der Luthersche Symbolen uitgedrukt dan alleen in de Articuli Smalcaldici, en wel slechts in de oorspronkelijke Duitsche uitgave (zie bovenj. Vergel. G. E. Steitz in Herzogs Roal-Enc. XV. S. 452 a. d W. Taufe.

\'-) Bijzonder ook Leonh. Hutter, wiens Compendium locorum theologicorum van grooton invloed was. Opgesteld op last van keurvorst Christiaan II van Saksen 1610, door de theologische Faculteiten to Leipzig en te Wittenberg goedgekeurd en als

370

-ocr page 393-

§ 18. HET WATER DOET HET NIET. 377

Desgelijks in niomveren tijd de streng-Lutherschen, philo-sophisch getint. En over het geheel beschouwen de hedendaagsche Lutheranen, zoovelen zij kerkelijk zijn, den doop niet bloot als teeken en zegel van Gods genade maar als toebrengend middel, als hand en voertuig Gods, waardoor Hij zijne genade den doopeling werkelijk aanvankelijk mededeelt (doopgenade gt;).

c. De leer der Gereformeerde Kerk van den Doop in de Nederl. Belijdenis en den Heidelh. Catechismus is de uitdrukking van Calvyns gevoelen, tegengesteld tegen den Roomschen, maar ook onderscheiden van den Lutherschen leervorm. Galvyn stemt in zoover met Zwingli overeen, dat hij in tegenstelling tegen de Roomsche en Luthersche leer de collatieve werking, de mededeelende, genade-gevende kracht van het Sacrament ontkent i). Maar hij

leerboek ingevoerd. Locua Vicosimns: De Baptismo (ed. 1621. p. 238 sqq).

\') Hagenhach, Lehrb. dor Dogmeugesch, § 803. Een zaakrijk overzicht van de voornaamste verschillende gevoelens bij de nieuwere Protestantsche Godgeleerden geeft G. E. Steitz in Her-zogs Real-Enc. XV. § 458—461 u. d. W. Tanfe. Het Luthersohc gevoelen is bijzonder voorgestaan door Hnjling, Das Sacrament der Taufe Erlangen 1846. Ister Band S. 26 : Die Hauptsache ist und bleibt immer die. dass Gotten Gnade, Gottes Geist, Gott selhst als in, MIT und unïer dem Wasser der Taufe mit uns handelnd, und zwar als mittelst dieser Ila.ndlung unsre Wiedergeburt, unsre thatsdchliche Aufnalme und Vcrsntzung in die Heils- und Leb ens-gemeinschaft mit Christo, unsre Rechtlertignng und Seltgiceif wirkend, anerlcannt tvird.

\'2) Dat Calvyn het in dit, gewichtig punt met Zwingli eens is, gelijk ook onze Belijdenis en Catechismus niet anders loeren, staat vast. Velen loochenen dit, door misverstand van sommige uitdrukkingen zoowel van Zwingli als van Calvyn. Naar waar-

-ocr page 394-

378 § 19. NOODZAKELIJKHEID VAN DEN DOOP.

gaat verder dan Zwingli. Voor Zwingli is het alleen een teeken, voor Galvyn teeken en zegel. Naar Zwingli lt;) is de Doop alleen het teeken van de zichtbare kerkgemeenschap, waardoor de mensch zich verplicht, Christus na te volgen ; naar Galvyn J) een Goddelijk pand en waar-teeken van de genade in Ghristus en van onze gemeenschap met Ghristus en met al zijne goederen. „Daarom heeft Hij, zegt Galvyn, den Doop in zijn lichaam gewijd en geheiligd om dien met ons gemeen te hebben, als vasten band van die vereeniging en gemeenschap, welke Hij zich verwaardigd heeft met ons in te gaan\').

§ 19. Noodzakelijkheid van den Doop.

1. Naar de verschillende begrippen van den Doop verschillen ook de gedachten over deszelfs noodzakelijkheid. Onze Gereformeerde Kerk acht naar hare schrift-getrouwe leer den Doop wel noodzakelijk : want hij is door den Heere ingesteld en geboden met het predikambt en evenmin aan de willekeur en het believen der menschen overgelaten als de prediking van het Evangelie. Maar onze Kerk, vasthoudende (tegen de Roomschen) dut het Sacrament niet is de genade zelve, en (tegen de Luther-

heid is de zaak voorgesteld en toegelicht door Df. P. Ewahlitx zijne uitgave van Winers Compur. Darstel). 1882. S. 169.

\')£.£. Steitz in Herzogs Real-Euo. XV. S. 453 f. u. d. W. Taufe. Vergel. XV. S. 268 f. u. d. W. Sacramente.

gt;) G. E. Sleitz a. W. XV. S. 455 f. XtIL S. 270 f.

3) Calvin. Instit. IV. 15. 6.

De verschillende gevoelens onzer oude Godgeleerden over de doeleinden en de uitwerkingen van den Doop ziju bijeengobracht. door C. Vritringa, Doctrina cur. M. Vitriaga. Pars VII. p. 68—74.

-ocr page 395-

§ 19. NOODZAKELIJKHEID VAN DEN DOOP. 379

schen) dat de genade ook niet gebonden is aan het Sacrament, erkent geene absolute, volstrekte, maar eene betrekkelijke, voorwaardelijke noodzakelijkheid des Doops \').

a. De zaligheid hangt van den Doop niet af. üe gedoopte wordt niet zalig zonder geloof en de geloovige niet rampzalig zonder Doop, maar verachting van het Sacrament is stratbaar. Mare. 16 : 16 : Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig ivorden ; maar die niet geloofd zal hebben, zal verdoemd worden. De geloovigen en gedoopten spreekt de Heere zalig. Nu zou men in de tegenstelling verwachten het doemvonnis over de ongeloovigen en ongedoopten. Maar neen, niet gedoopt laat Hij hier weg. Hij spreekt den doem alleen over dien die niet zal geloofd hebben. De ongeloovige, die het Evangelie verwerpt en niet in Christus gelooft, wordt verdoemd, al was hij gedoopt. Daarin ligt bij gevolg : de geloovige wordt zalig, al is hij, buiten eigen schuld, niet gedoopt.

In deze uitspraak van Christus hebben wij eene duidelijke verklaring en vaststelling van de betrekking en verhouding tusschen geloof en doop. Voegt Hij in het eerste lid geloof en doop te zaam, het kon schijnen, alsof Hij den Doop met hot geloof onscheidbaar tol voorwaarde der zaligheid stelde. Tegen dergelijk misverstand dient het tweede lid : alleen de ongeloovige wordt verdoemd.

De geloovige, die in de mogelijkheid is om den Doop te ontvangen, is er toe verplicht uit gehoorzaamheid aan de instelling des Heeren en uit besef van de gewichtige, God verheerlijkende en troostelijke einden dezes Sacraments. Maar voorwaarde van de zaligheid is de Doop in geenen

\') P. Van Mastrioht, Godgol. III. p. (506. 614 v.

-ocr page 396-

§ 19. NOODZAKELIJKHEID VAN DEN DOOP,

380

deele. Christus zegt ook niet: die gedoopt zal zijn, zal zalig worden, maar die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn. Hij stelt hier niet eene tweedeelige oorzaak van de zaligheid, zoodat het geloof de eene helft, de Doop de andere helft ware, maar de zaligheid hangt aan het geloof en de Doop dient tot een getuigenis i).

b. Geloovigen, al zijn zij, door omstandigheden zonder hun toedoen, ongedoopt gebleven, worden om het gemis van den Doop niet veroordeeld ; maar moedwillige verachting en versmading van het Sacrament uit boos ongeloof, hoogmoed, eigenzin is tot een oordeel voor de ongehoor-zamen, door hunne verwerping van het teeken en getuigenis der Goddelijke genade veroordeelen zij zich zeiven. Zoo deden de meeste Farizeën met den Doop van Johannes. Luc. 7 : 30: Al het volk — — en de tollenaars, die met den Doop van Johannes gedoopt waren, rechtvaardigden God. Maar de Farizeën en de Wetgeleerden hebben den raad Gods tegen zich zeiven (tot hun eigen schade en verderf) verworpen, van hem niet gedoopt zijnde. De Heere wil, dat wij ons ootmoedig onder ordinantie buigen en bij den Doop met den Geest den waterdoop niet gering achten, naar zijn Woord, tot den Farizeër Nicodemus gesproken Joh. 3:5: Voorwaar, voonvaar zeg ik u, zoo

1) Calvin. Commontar. in Mare. 16 : 16 : Tenendum est, non ita necessario (Baptismura) roquiri ad salntem, ut periro nocosse sit quicunque oum adepti non faorint : nequo enim hio fidoi adjungitnr tanquam dimidia salutis canssa, sed ut testimonium. Dat zonder hot geloof hot Sacrament niot baat, leert Calvyn zeer nadrukkelijk, Tustit. IV. 15. 15. Vergel. hiervoren bi. 37ii.

-ocr page 397-

§ 19. NOODZAKELIJKHEID VAN DEN DOOP.

iemand niet geboren wordt uit water 1) en Geest, hij kan in het Koninkrijk Gods, niet ingaan.

2. De Uoomsche Kerk stelt, dat om zalig te worden de Doop volstrekt noodig is. Zij leert i): De overbrenging uit dien staat, in welken de mensch geboren wordt als kind van den eersten Adam, in den staat der genade en der aanneming onder de kinderen Gods door den tweeden Adam Jezus Christus, onzen Zaligmaker kan na de openbare verkondiging van het Evangelie (bij name sedert den Pinksterdag) niet geschieden zonder het bad der wedergeboorte of (althans) de gelofte (en het voornemen) er van 3) : Joh. 3:5. De Kerk spreekt i) den vloek uit over wie zegt: de Doop staat vrij naar verkiezen en is niet noodzakelijk tot de zaligheid.

Ernstig wordt door haar gewaarschuwd voor het uitstellen van den Doop der kinderen, „nademaal voor de kleine kinderen geen andere wijze ter verkrijging van de zaligheid is overgelaten dan door de bediening des Doops amp;),quot; en voor de kinderen der geloovigen en ongeloovigen is de Doop noodzakelijk als middel ter zaligheid.

Kinderen, die ongedoopt sterven, worden naar de Roomsche leer niet zalig«); zij komen wel niet in de helle,

381

1

) Catcch. Roman. Pars II. Cap. II. Qu. 33.

-ocr page 398-

382 § 19. NOODZAKELIJKHEID VAN DEN DOOP.

maar, besmet met de erfzonde, blijven zij van de zaligheid beroofd, missen het zalig aanschouwen Gods en worden in eene afzonderlijke plaats i) bewaard, waarvan wel de Roomsche Schoolgeleerden (Scholastieken), maar niet de Belijdenisschriften der Roomsche Kerk eene nadere beschrijving geven.

De Luthersche Kerk leert wel naar haar begrip van den Doop als eigenlijk genademiddel met meerderen aandrang dan de Gereformeerden de noodzakelijkheid van den Doop \'), doch niet in zulken zin als de Roomschen. By de Lutherschen heeft zich over het algemeen deze

dat zij, indien zij niet door de genade dos Doops Gode worden wedergeboren, tot altoosdurende ellende en verderfenis worden voortgebracht van hunne ouders, mogen dezen geloovigen zijn of ongeloovigen.

Terwijl Bellarmin {G. Vitringa, Doctrina cur. Mart. Vitringa. VII. ]gt;• 245 en Winer, Compar. Darstell. S. 183) de noodzakelijkheid des Doops bewijst uit hot Woord Gods, on nit de Overlevering der Kerk ou der Vaderen, zondigt hij wederom, gelijk hij in zoo menige zijner stellige uitspraken dcet, tegen de historische waarheid door de bewering: Semper onim Ecclesia credidit, infantes perire, si absque baptismo de hac vita docodant.

1) Limbus infantum, of imerorum. Naar do Scholastieken en Bsllarmin oeno plaats in de onderwereld hooger dan de helle, zoodat het vuur daar niet aan toekomt; buiten om de holle en deze omgevende, van daar UmbiLS, zoom, gordel, genoemd ; gewoonlijk goheoten Voorburg der kinderen. Dezen lijden daar volgons de Scholastieken wel geen uitwendige of inwendige pijn, maar eene poena damni, straf van gemis der zalige gemeenschap Gods, »altoosdurendo verbanning en duisternis.quot; C. Vitringa, Doctrina. VII. p. 246. Winer, Compar. Darstoll. S. 218. Verklaring van don Mechelschen Catechism, p. 251.

l) Augustana Confess. IX : — necossarius ad salutem. Apologia Confessionis od. Rechenb. p. 156 : Monus articulus approbates

-ocr page 399-

§ 20. BEDIENAARS.

stelling gevestigd : Niet het gemis maar de verachting van het Sacrament verdoemt \').

§ 20. Bedienaars.

1. Naar het doorgaand gevoelen der Gereformeerden mag niet een ieder doopen, maar alleen de wettig geroepen en aangestelde dienaar des Woords. Geen anderen mogen de Sacramenten bedienen dan die geordend en gezonden zijn om te prediken. Christus heeft Matth. 28 : 19 het doopen en het leeren (Marc. 1G : 15 : de prediking van het Evangelie) saamgevoegd en aan dezelfde personen opgedragen. Waarom de Apostel Paulus zegt l Kor. 4:1: Alzoo houde ons een [ieder] mensch als dienaars van Christus en uitdeelers der verborgenheden Gods, in Woord en Sacrament.

Hieraan houdt zich dan ook onze Nederl. Belijd, des Gel. Art. XXX: dat er dienaars of Herders moeten zijn om Gods Woord te prediken en de Sacramenten te bedienen i).

est, in quo coufitemur, quod Baptismus sit necossarins ad salutom, et quod pueri sint baptizandi, et quod Baptismus puerorum non sit irritus, sed necessarius et efficax ad salutem.

\') Winer, Compar. Dart S. 182. De Moor, Commentar. in Marck. Pars V. p. 517. cl. p. 434. Non privatio, sed contemtus Sacramenti condemnat.

2) De vrouwen worden van de bevoegdheid om te doopen nitdrukkelijk buiten gesloten door de Confess. Helvet. II. ed. Tiguri 1556 fol. 37a: Doeemus baptismum in Ecclesia non administrari debere a mulierculis vel ab obstetricibus. l\'aulus onim removit mulierculas ab officiis ecclesiasticis. Baptismus autem pertinet ad officia ecclesiastica. Evenals Calvin. Instit. IV.

383

-ocr page 400-

§ 20. BEDIENAARS.

2. Bij de Roomschen, gelijk bij de Griekschen is de Doop het officie van de Priesters, doch mag in nood een iegelijk doopen. Alleen de Priesters hebben de macht om ambtshalve en in het openbaar en met al de voorge-schrevene ceremoniën den Doop te bedienen. Ligt echter een kind in levensgevaar en is er oogenblikkelijk geen geestelijke te bekomen en moet men dus vreezen dat het kind anders zonder Doopsel zal sterven, dan mag, ja moet ieder leek, ieder niet-geestelijke het kind doopen. Zelfs een Onroomsche, van welke secte ook, ja een Niet-Ghristen: \'t zij man of vrouw. „Want ook aan Joden en ongeloovigen en Ketters is, wanneer de nood dwingt, dit werk geoorloofd.quot; Doch met deze bepaling: vooreerst dat daarbij niet al de gewone ceremoniën worden waargenomen ; ten tweede dat de nood-doooer doope in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Oeestes; ten derde dat hij het doe met de bedoeling om daardoor te doen wat de Katholieke Kerk met het doopen doet\').

Luther 1) en de streng Luthersche Godgeleerden houden

15. 20: Est enim (Baptismi administratie) pars ecclesiastici ministerii, tam hujus quam Coenao dispensatio.

\') Aldus de Catech. Roman. Pars II. Cap. 11. Qu. 23. Met beroep op de Kerkvergadering te Trente, waar Sess. VII. De Baptismo. Canon IV was uitgesproken : Si quis dixerit, bapcis-mum, qni etiam datur ab haereticis in nomiue Patris et Pilii et Spiritus sancti, cum intentione faciendi quod facit, ecclesia, non esse verum baptismum : anathema sit.

De punctuëele ontwikkeling der Roomsche stelling door Bel-larmim deelt mede De Moor, Commentar. iu Marck. XXX. 12. Pars V. p. 433.

\'2) G. E. Steitz in Herzogs Real-Enc. XV. S. 469 f. Luthers Tiscbreden. Stuttgart en Leipzig 1836. later Band. S. 504 ff. De Moor, Commentar. V. p. 434.

384

-ocr page 401-

§ 20. BEDIENAARS.

wel de ongedoopt verstorven kinderen niet daarom voor verloren, overtuigd dat God \'ze ook zonder Doop kan zalig maken, doch daar de Doop hun een eigenlijk genademiddel is, billijken zij den nooddoop, door leeken, ook door vrouwen, (vroedvrouwen, bakers, minnemoeders) bediend. De moderne Godgeleerden verklaren allen nooddoop voor pure superstitie, voor louter bijgeloof \').

3. Beslist verwerpt Galvyn ^ don nooddoop. Hij legt er nadruk op, dat de bediening des Doops even zoowel als des Avondmaals een deel is van het werk der kerkdienaars, dat Christus dezelfde personen heeft gesteld tot verkondigcis van het Evangelie en tot bedienaars van den Doop, en dat een ieder, die zonder wettige roeping doopt, in vreemd werk valt.

Inzonderheid verklaart h\\j zich met kracht en klem tegen den doop door vrouwen en toont de ongepastheid en ongegrondheid aan van het beroep daarvoor op Zippora»),

\') Dr. A. E. Biidermann, Clir. üogmat. 2tü Aufi. II. S. 633: Jüdo Art. von Nothtcuife iat iu ihrem Grund eine Superstition, und kanu uur iu pathologisohea Herzousbodürfnisseu iu soweit oiue Eutschuldiguug fiudou, als diesolbuu iu dou speciellen Um-stiludou, untor donou das Vuriaugou daruach eutstuht, einon meuschlicb natürlicheu Grund habou.

*) Instit. IV. 15. 20-22.

3) Instit. IV. 15. 22. Uitvoerig handelt Calvyu hierover in zijneu Commeutar. in Exod. 4 : 24—26 (Corpus Reformator. Vol. Lil. p. 64 sqq). Naar sommigen was de oubesnedene Mozes\' eerstgeborene, ook naar Oehler, Tbeol. des A. T. I. S. 296, volgens wien Mozes diens besnijdenis bad uagolateu, wahrschcin-Uch weil die Mutter Zippora ijecjan die geführliche Operation sick atrciubte. Aaunoinelijker oordeelt Galvyn, dat Mozes zijnen eersten Zoon (iersoui wél bad besneden, maar deswege baiselijk ongenoegen bad geleden, en dat hij den tweedon zoon EliGzer niet trravoinsijor, Gorof, Gol. leer. 111. 25

385

-ocr page 402-

§ 20. BEDIENAARS.

die haren zoon besneed, (Exod. 4 : 25), als reeds hierom niets afdoende, wijl Doop en Besnijdenis te dezen opzichte verschillen, daar wij nergens lezen, dat de Besnijdenis alleen aan Priesteren is opgedragen geweest, zoodat de vrouw Zippora, doende wat verzuimd was, niet iets deed wat haar verboden was. Het dreigend gevaar werd daardoor van Mozes afgewend, maar hare daad wordt niet geprezen noch ter navolging gesteld, zoomin als hare ontsteltenis, verbolgenheid en bitterheid.

Wel met reden klaagt Galvyn: Weinigen nemen in aanmerking, hoe verderfelijk de averechtsche leerstelling van de noodzakelijkheid des Doops ter zaligheid gewerkt heeft. Hij waarschuwt voor zorgeloosheid, verachting en nalatigheid aangaande het bondzegel. Maar hij wijst met nadruk op het verbond Gods, welks kracht en gelding

had bosnodon, om nieuwe ontevredenheid en verwijten van schoonvader en vrouw te voorkomen. Nu openbaarde do Heure zijnen toorn over Mozes en tegelijk de reden daarvan, hot vor-znira der besnijdenis. Mozes lag door schrik verslagen, denkende dat hij sterven zon. Toon greep Zippora het kind en besneed het, zij zelve, maar mot weerzin. Bloedbruidegorn! snauwt zij haren man toe, wiens loven zij gelost had door hot bloed van haar kind. Calvyn noemt haar doen oenen actus confusus et turbulentus, waarmode zich de doop door vrouwen niet laat verdedigen. Bovondion de besnijdenis kwam hier niet eens het kind te baat maar den vader.

Paul us zegt 1 Kor. 14 : 34: Het staat leelijk (onbetamelijk) voor tie vrouwen, dat zij in de gemeente spreken, lim 1 Tim.. 2 : 12: Ik laat de vrouw niet toe dat zij leere (namelijk in de openbare vorgadoriugon). Wordt do vrouw niot toegelaten tot de openbare verkondiging des Woords, veelmin tot de bediening der Sacramenten. De Moor, Commontar. in Marck Pars V. p. 437.

386

-ocr page 403-

§ 20. BEDIENAARS.

niet afhangt van den Doop noch van eenig büvoegsel-En hij verklaart: Niet hierom worden de kinderen der geloovigen gedoopt, opdat zij dan eerst kinderen Gods worden die vooraf vreemd van de Kerk zijn geweest, maar veelmeer door het plechtig teeken worden zij deswege in de (zichtbare) Kerk opgenomen, wijl zij door de weldaad der belofte reeds van te voren tot het lichaam van Christus behoorden.

Onze oude Gereformeerde Godgeleerden \') stemmen over \'t algemeen met Calvyn in 011 houden het door Christus gelegde verband tusschen leeren en doopen vast, waarnaar alleen degenen bevoegd zijn om te doopen, die gezonden zijn om te prediken.

4. Men brengt daartegen wel in: „Er is geen spoor van dat in den apostolischen tijd het recht om te doopen alleen aan een bepaald ambt zou zijn verbonden geweest ; integendeel ook particulieren hebben gedoopt ^).quot;

Intusschen nader bezien blijkt daaruit geenszins de geoorloofdheid van den leekendoop.

Philippus doopte. Hand. 8 : 38. Maar hij was een van de zeven diakenen, mannen vol des Heiligen Geestes en der wijsheid (Hand. G : 3, 5), Evangelist (Hand. 21 : 8), verkondiger van het Evangelie, hij predikte (Hand. 8 : 5,

\') Namen on Verklaringen van schrijvers voor en togen citeert in grooten getale C. Vitringal Doctrina cur. Mart. Vitringa Pars VII. p. 75 sq. Ook over de geschillen iu do Engelschu Kerk in weerwil van haro verklaring in de Westminster-Confessie (1G48): Geen van de tweo Sacramenten mag door een, ander worden bediend dan door eenen dienaar des Woords, wettelijk geordend. Vergol. Ch. I lodge, Systematic Theology. III. p. 514.

2) Steitz in Herzogs Real-line. XVI. S. 468.

387

-ocr page 404-

§ 20. BEDIENAARS.

35), bovendien tot den kamerling buitengewoon geroepen en gezonden.

Ananias heeft Paulus gedoopt (Hand. 9 : 18. 22 : 16). Maar de Heere had hem tot den boeteling gezonden, en hij was een voornaam discipel, volgens sommigen zelfs een van de zeventigen, ongetwijfeld een erkend getuige van Christus en verkondiger des Evangelies, hetzij als Evangelist of zelfs als gewoon leeraar der gemeente te Damascus »).

Petrus beval dat Cornelius en de zijnen zouden gedoopt worden, Hand. 10 : 48. Door wien dit geschiedde, wordt niet gezegd. Petrus, die eenige dagen bij hen bleef, kan het zelf hebben gedaan; of deed het een van de zes broederen (Hand. 11 : 12) uit Joppe, zoo deed die het op bevel des Apostels, had dus zending. En die broederen waren zeiven ook wel leeraren, dienaren van het Evangelie, gelijk de Apostelen meest altijd bij zich hadden, en die door hen gelast den doop bedienden 1).

Bovendien mogen wij niet voorbijzien het onderscheid tusschen de eerste tijden des Christendoms, waar zooveel buitengewoons plaats had, en de latere, waar alles meer geregeld ging 3).

388

1

) Kanteek. op Hand. 10 ; 48 en 1 Kor. 1 : 17.

:!) G. B. SteiU in Herzoga Real-Enc. XV. S. 468 zegt: Wahr-scheinlich taufton die Sendboten die ersten Bekehrten einer Stadt selbst und lieszen dann durch diese die Uebrigen taufen. Doch mag schon in der apostolischen Zeit, sobald die Gemeinden sich xu bestimmter Weise organisirt hatten, auch die Tanfe in der Regel von den Vorstohern derselbon ertheilt worden seyu, we-nigstena macht dies das Bedtirfaisz dor Orduung wahrscbeinlich.

-ocr page 405-

§ 20. BEDIENAARS.

Dit echter staat vast: onze Gereformeerde Kerk bindt de bevoegdheid om te doopen aan het predikambt. Maar, wél te merken, niet als of het ambt den Doop eerst krachtig maakte en alsof de persoonlijke waardigheid des ambtsdragers den Doop waarde toebracht gt;). Integendeel de grond is alleen de ordinantie van Christus, die Doop en prediking heeft samengevoegd, waaraan men zich heeft te houden. Het is dus zaak van orde. Want God is geen [God] van verwarring. En ook in dezen is het: Laat alle dingen eerlijk en met orde geschieden (1 Kor. 14 : 33, 40).

Naar de Gereformeerde, schriftuurlijke opvatting van den Doop, als zijnde niet een eigenlijk en onmisbaar genademiddel maar slechts teeken en zegel van de genade, kan er van een Nooddoop geheel geen sprake zijn. Want daar de zaligheid van den Doop niet afhangt, kan er nimmer nood zijn om te doopen 1).

389

1

) Ook Stier. Reden des Herrn Jesn Vlter Thoil. 1848. S. 972 bekent: Es ist kaum nothig, ein Wort über sogenannto Nothtaufe zu sagen — wahrlich, wenn man Taufe recht ver-steht, eine sinnlose Zusammenfügung.

Maar Ebrard, Christl. Dogmat. II. § 529. Anm. 2 zegt: De Christelijke Kerk voltrekt den heiligen Doop door hare geordende dienaren, waarmede echter niet is uitgesloten de mogelijkheid der plaatsvervanging van dezen door ieder Christelijk gemeentelid in werkelijke gevallen van nood. En als voorbeeld voert hij aan : Een niet geordend Christen in eene Zendingsstandplaats mag hij afwezigheid van den geordenden Zendeling eenen op sterven liggenden hekeerden Heiden doopen. Maar hier is geen noodzaak: do reeds stervende bekeerde heeft den Doop niet noodig, daar

-ocr page 406-

§ 21. het woord bij het water.

§ 21. Bet Woord bij het Water.

Hot Woord Gods komt in den Doop tot hot water door dat do bodionaar doopt in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, zooals Christus verordond heoft Matth. 28 : 19.

1. Hot groot on onbegrijpoiijk gohoim der Goddolijko Drioëonheid wordt hior als fundamonteole waarheid voor het geloof in het licht des Nieuwen Testaments klaarlijk betuigd. Do drie Personen worden hier uitdrukkelijk genoemd en saamgevoogd, onderscheiden en tevens gelijk gestold \'). Dus is de Doop noodzakelijk naar deze verordening des Hoeren eene bekentenis van de Drioëenheid, getuigenis van de in Christus voltooide openbaring Gods, kort begrip van de specifiek Christelijke leer. Zonder leer, zonder het Woord geen Doop, geen Sacrament. Daarom zijn dan ook „geen anderen wettige bedienaars van den Doop dan die zelven tevens de loer bedienen 5),quot; die hiertoe althans uitwendig door de Kerk naar orde geroepen en aangesteld zyn, terwijl van hunne inwendige roeping

hij al op vertrok staat naar do triomfeoreude Kerk iu don hemol.

.Daarentogon den Doop van kleine kinderen door vroedvrouwen verwerpt ook Ebrard mot de Gereformeerde Kerk, die volgens hem in \'t gomeeu don kinderdoop niet noodzakelijk maar alleen geoorloofd acht en daaraan alleen voor hot in loven blijvende kind eene beteekeuis toekent, terwijl zij de leer van eene auso-lute noodzakelijkheid des KWDTAidoops ter zaligheid als bijgeloovig moet afwijzen. Dit laatste is waar. Vergel. J. II. Scholten, Leor der Herv. Kerk II. p. 341 v.

\') Zie Vierde Hoofdstuk g 7.

2) Calvin. Commentar. in Matth. 28 : 19.

390

-ocr page 407-

§ 21. HET WOORD BIJ HET WATER.

voor God niet de Kerk maar alleen hun eigen geweien getuigen kan \'). De bedienaar vertegenwoordigt dan daarbij de geloovige en belijdende Kerk, van welke hij de zending heeft.

2. De dienaren zullen de doopclingen doopen in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Qeestes l).

In den naam. Dit zegt niet: op bevel, of last, of in opdracht en in de plaats (bij vervanging en met het gezag) van den Vader en den Zoon en den Heiligen Geest. Dan ware dit alleen iets voor de doopenden en er ware niets gezegd voor de doopelingen. En de grondtekst laat deze opvatting niet toe s). Het Grieksch duidt eene overbrenging aan, eene overzetting in den Naam, in de levensgemeen-

\') Idem, Instit. IV. 3 : 11.

2) ftxTTTl^OAreq XUTOUC sh to hvoftx TOÏI TTXrpOS xx) tov ÏIIOV xx) toïi xyiou irvsuftxtos. Matth. 28 : 19.

;l) Want anders moest er staan h toi ivó^xti (of alleen tw óvoftXTi) maar er staat sw to ovo^x. Beide nitdrukkingou be-tookenen niet hetzelfde, gelijk reeds aangemerkt is door C. Vitringa, Observation. Sacr. Lib. III. Cap. XXtl: De germano sensu dictionis Baptizari in rem cett. p. 827 : Baptizari in nomine sive potius nomine Jesu est baptizari jussu, imperio et auctoritate Christi, baptismo ab ipso mandato atque instituto, Zoo is het Hand. 10 : 48 : Petrus beval, dat zij zouden

gedoopt worden (als daartoe gerechtigd) in den naam des Heer en, sv tco ivófiXTi toïi Kvpiou, naar het bevel en do instelling dos Hoeren, zoo godoopt als de Hoero verordend had. Maar su to ovoftx, zegt moor: dit duidt aan het dool van den Doop.

Matth. 28 : 19 hooft do Vulgata: in nominrf, en daarnaar Luther: im Namen; ook Calvyn vertaalt: in nomine (doch Inst. IV. 15. 6 zegt hij ook: in nomen), onnauwkeurig. De verbeterde (?) Luthorsche Overzetting hooft: auf den Namen.

391

-ocr page 408-

§21. het woord bij het water.

schap met den drieëenigen God. Het is eene indooping niet bloot tot maar in den Naam des Drieëenigen, niet als of God in het water ware naar Luthersche voorstelling, maar zinnebeeldig, afbeeldend en verzegelend.

De naam vertegenwoordigt dengene die hem draagt en dient niet voor hem zeiven, maar voor anderen, om hem bij anderen te doen kennen. De naam Gods zegt, wat Hij voor ons is, bepaaldelijk bij den Doop, wat Hij nu en voortaan voor den doopeling is en wezen wil, en wel naar zijnen Naam, naar hetgeen Hij zich genoemd, zich geopenbaard heeft in zijn Woord en groote daden : de God van volkomen zaligheid, de Vader met zijne zegenende liefde, en de Zoon met zijne Middelaarsgenade als Profeet, Iloogepriester en Koning, en de Heilige Geest met zijne heiligmakende werkingen. Meteen zegt dit, wat wederkeerig de gedoopte voor God zal wezen. Hem geëigend en gewijd, om als kind des Vaders en als verloste des Zoons en als geheiligde des Geestes niet meer zich zeiven maar Gode te leven. Treffend en vol zalving is de verklaring en uitbreiding van de woorden der inzetting in het Formulier onzer Kerk om den heiligen Doop te bedienen aan de kleine kinderen der geloovigen gt;).

3. Van het letterlijk gebruik 1) der Inzettingswoorden vinden wij in de Handelingen der Apostelen en in de

392

1

) Vergel. hetgeen daarvan reeds gezegd is hiervoren in dit Hoofdstuk § 10.

-ocr page 409-

§ 21. HET WOORD BIJ HET WATER.

Brieven van Paulus geen voorbeeld, terwijl daar alleen van doopen in den naam van Christus wordt gewaagd. Doch een beroemd Kerkgeschiedschrijver herinnert te recht: „Dit bewijst nog niet, dat in het apostolische tydvak alleen deze kortere formule zou zijn gebruikelijk geweest. Want in de plaatsen, waar zulke vermelding van den Doop voorkomt, is het niet te doen om mede te deelen met welke woorden de Doop werd bediend, maar slechts om het karakteristieke doel van den Doop, de uitdrukking der erkenning van Jezus als den Messias en de verplichting tot geloovige gehoorzaamheid jegens Hem te doen uitkomen — Justinus de Martelaar (f 165) voert de volledige formule reeds als de algemeen geldende aan i),quot;

Ook is Christus „het eigenlijke voorwerp des Doops. Daarom is het geen wonder, wanneer de Apostelen gezegd worden gedoopt te hebben in zijnen naam (Hand. 8 :16. 19 : 5), daar hun toch geboden was ook in den naam des Vaders en des Heiligen Geestes te doopen. Want al wat van Gods genadegiften in den Doop wordt voorgesteld, wordt in Christus alleen gevonden. Doch wie in Christus doopt, kan niet anders dan tegelijk den naam des Vaders en des Heiligen Geestes aanroepen :!).quot;

1) Dr. Aug. Neander, Allgom. Gosch. der Chr. Rol. u. K. Istor Band. 182G. S. 360 f. Dezelfde, Goach, dor Pflanzung. 1832. S. 18 f. Dezelfde, Leben Josn 1837. S, 654. Hot merkwaardig getuigenis van Justinus Martyr kon ook door Prof. J. II. Schollen, Do Doopsformule p. 36 v. niet worden ontkracht. Nader is hiervan gehandeld in schrijvors Opstel over De Doopsformule in hot Kerkelijk Weekblad (Leeuwarden) 1870. No. 52.

\'-) Aldus Calvin. Instit. IV. 15. 6. Hij houdt de orde vast: De barmhartige Vader vooraan, de Middelaar in \'t midden, de Heilige Geest do werker des nieuwen levens. Quamobrem uos-

393

-ocr page 410-

§ 21. HET WOORD BIJ HET WATER.

De noodzakelijkheid der Doopsformule \') is door velen bestreden, natuurlijk door alle loochenaars van de Goddelijke Drieëenheid, die er zelfs wel iets anders voor in plaats wildon stellen. Des te noodiger is het, daaraan vast te houden. Deze formule is de wortel der Twaalf Geloofsartikelen.

Wel zijn er ook onder onze oude rechtzinnige Godgeleerden, die toestemmen, dat Christus ons niet geboden heeft deze woorden bepaaldelijk te gebruiken a)quot; :/A: doo;;

trae cum purgationis turn regonerationis in Patre canssam, in Filio materiam, in Spirilu effectura consequimur ot quodam modo distincto cernimus.

Eu in zijn Commontar. in Matth. 18 : 19 extr. herinnert Calvyn ; Niet zonder reden geschiedt hier de uitdrukkelijke vermelding van den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest, wijl anders de kracht des Doops niet kan worden bevat, dan wanneer het begin gemaakt wordt van de vrijgunstige barmhartigheid des Vaders, die ons door zijn eeniggeboren Zoon met zich verzoent, en voorts Christus in \'t midden treedt met het offer zijns doods en eindelijk ook de Heilige Geest er bijkomt, door welken Hij ons afwascht en wederbaart en ons alzoo al zijner goederen deelachtig maakt. ■

Sommigen hebben gemeend, dat voor Joden zou zijn de Doop in den naam van Jezus Christus, voor de Heidenen echter in den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes. Aldus ook H. Witsius, Oecon. Lib. IV. Cap. XIV. 1G. Desgelijks J. A. Bengel, Gnomon in Matth. 28 : 19. Zij verstonden onder Uvy uitsluitend Heidenen.

\') Geschiedkundig handelt daarover G. E. Steitz in Horzogs Real-Enc. XV. S. 471—474.

\'2) Marck, Merch XXX. 11. Voor hetzelfde gevoelen haalt tal van getuigen aan Prof. J. H. Scholten, De Doopsformule. p. 50—59. Doch wanneer hij p. 56 v. Brakel citeert, Eed. Godsd. I. Cap. XXXIX. 11. p. 935, zoo stapt hij de zeven redenen over, die Brakel bijbrengt voor het uitspreken der woorden ; Ik doop u in den naam des V. en des Z. en des H. G.. waarna

394

-ocr page 411-

§ 21. het woord bij het water.

u in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, alsof de bedienaar alleen aan die woorden ware gebonden, maar zij allen dringen ten sterkste aan, dat bij den Doop de Drieëenheid uitdrukkelijk beleden en klaarlijk betuigd moet worden. En hoe zal dat beter, korter en ondubbelzinniger geschieden dan juist met die woorden ? Geen Doop zonder de Drieëenheid, zooals ook Galvyn (boven aangehaald) inscherpte. Nederl. Belijdenis des Gel. Art. XXXIV; De Heere heeft bevolen te doopen al degenen, die de zijnen zijn, in den naam des Vaders

hij besluit: Zoo moet men de uitsprahe der ivoorden behouden.

Hij stelt daarop het geval : Als de Kerk de leer der Tl. Drieëenheid hekent en belijdt en de volwassene doopelinc/ ook zoo doet, zou zoude ik dien doop niet onwettig, niet voor nul en geener Wücirde houden, wanneer die woorden vitdvuhkelijk niet genoemd waren bij zijnen Doop, want ik achte het uitspreken van die woorden niet ingaan, m het wezen, tn de eigenlijke natuur des Doops en den Doop Doop maken. Maar hij voogt or bij: Doch ik weet niet dat zulk een ocrasie (geval) ooit voorkomt, want der Ketteren Doop is geen Doop of ze de Drieëenheid noemen of niet (Voor Ketteren staat iu do uitgave vau 1717 abusievelijk Kerken).

Schleiermacher, Dor Christl. Glaube. 3te Ausg. § 137. S. 375 oordeelt aldus : Von dein Ausspreehen der ühlichen F or mei kann man uur reden als von einer uralten kirchliehen Ueherlieferung; als allgemeine Regel ober ist nur diese auszusprechen, dasz wie Jeder die Taufr nur vermöge einer kirchliehen Voil macht verrichtet, er sic auch so verrichten soil wie es dieser gemiisz ist.

Eu Scholten, Do Doopsformule p. 64, No. 4 stemt toe ; Dat het der Kerk vrijstaat, om — — het gebruik der genoemde woorden als doopsformule uit een liturgisch oogpunt te verordenen, in tvelk geval de dienaars der Kerk gehouden zijn zich van die formule te bedienen.

Belangrijk zijn do vcrklaringeu van do Synode der Nederl. Hoiv. Kerk van 1870, aangehaald in het Kerkelijk Wetboek van Douwes en Feith p. 58. 2do dr. p. 62.

395

-ocr page 412-

§ 22. kinderen te doopen.

en des Zoons en des Heiligen Geestes. (Vergel. Heidelb. Gat. Vr. 71). En in onze beide Formulieren, van den kinder- en den bejaarden-doop is het telkens: Daarna in het Do op en spreekt de Dienaar des Goddelijken Woords aldus : Ik doop u in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes.

§ 22. Kinderen te Doopen.

De Kinderdoop (Paedobaptismus) staat niet los en afgezonderd op zich zeiven, maar in nauw verband met geheel het systeem der Christelijke leer. Bij de verwerping of minachting van den Kinderdoop liggen dan ook altijd dwalingen nopens gewichtige waarheden ten gronde. Bij sommigen is het omdat zij de erfzonde loochenen of haar althans slechts voor een klein gebrek houden dat licht te verhelpen is, en vooral omdat zij van eene exïschuld niet willen weten. De Doop veronderstelt schuld en bederf, en daartegenover verlossing in Christus ook voor kinderen.

Bij anderen is het wegens een averechtsch begrip van het Sacrament, in hetwelk zij niet meer zien dan eene belijdenis des geloofs en gelofte van gehoorzaambeid; als waartoe kleine kinderen onbekwaam zijn.

396

Bij nog anderen, is de oorzaak een onklaar denkbeeld van de Kerk, in welke de doopeling door den Doop wordt ontvangen. De zichtbare Kerk in haar gemengden slaat, — en van de gemeenschap met deze is de Doop het zienlijk teeken \'), —- wordt verward met de onzichtbare Kerk

1) Zie voren § 12. Vergel. Hodge, Systematic Theology III. p. 547.

-ocr page 413-

§ 22. KINDEREN TE DOOPEN.

der waar geloovigen en geheiligden en de Doop beschouwd als een inlijven in deze, voor hetwelk kinderen niet voegen en waarin men dus niets kan zien dan een onwaarachtig, ijdel vertoon.

De Gereformeerde Kerk is hierin beslist. jMet alle rechtzinnige Protestanten leert zij de erfzonde, schuld en smet, en dienvolgens de noodzakelijkheid ook voor kinderen van de verzoening door Christus\' bloed en de wedergeboorte door den Heiligen Geest, waarvan de Doop teeken en zegel is.

Zij leert, dat het Sacrament wel met de belijdenis des geloofs en de gelofte van God te dienen is verbonden en op die belijdenis en gelofte (voor de kinderen door hunne ouders) geschiedt, maar dat het eigenlijk sacramenteele van het Sacrament is teekening en bezegeling door God naar de beloften zijns Woords.

Zij leert, dat, niet alleen wegens den natuurband die tusschen kinderen en hunne ouders bestaat, maar naar Gods uitdrukkelijke verklaringen de kinderen van ouders, die tot het Verbond behooren en zeiven geteekende leden zijn der zichtbare Kerk, mede daartoe behooren en het

Ook Ccdvyn zelf spreekt zich hierover duidelijk uit, Instit. Lib. IV. Cap. I. Sect. 7, waar hij, in ouderscheiding van de eigenlijk genaamde, onzichtbare Kerk, van do zichtbare zegt : Met uen naam Kerk duidt de Schrift vaak aan die geheele menigte van menschen op aarde verspreid, die belijdt den éénen God en Christus te vereeren, die Baptismo imtiatur in ejus fidem, die door den, Doop (in het oponbaar, plechtig) in de geloofsgehoorzaamheid jegens Hem, dus in zijnen dioust wordt ingewijd, eu voorts door deelneniinq van het Avondmaal hare eenheid in, de ware leer en hare liefde betuigt enz. Vorgel. Dr. A. Kwjper, Heraut 1888. No. 530.

397

-ocr page 414-

§ 22. KINDEREN TE DOOPEN.

zichtbaar teeken en zegel daarvan dienen te ontvangen Het zal niet te veel noch te weinig zijn, wanneer wij zeggen ; de kleine kinderen van gedoopte ouders mogen en moeten gedoopt worden. Doch met onderscheiding.

Nederl. Belijdenis des Gel. Art. XXXIV : Wij verwerpen de dwaling der Wederdoopers, die — — verdoemen den Doop der kinderkens der geloovigen, dewelke uvj gelooven dat men behoort te doopen en met het merkteeken des Verhonds te verzegelen, gelijk de kinderkens in Israël besneden werden op dezelfde beloften die onzen kinderen gedaan zijn. En voorwaar, Christus heeft zijn bloed niet min vergoten om de kinderkens der geloovigen te wasschen, dan Hij gedaan heeft om de volwassenen. En daarom behooren zij het teeken te ontvangen en het Sacrament van hetgene dat Christus voor hen gedaan heeft.--Daarenboven hetgene de Besnijdenis deed aan het Joodsche volk, hetzelfde doet de Doop aan onze kinderen, waarom de heilige Paulus den Doop noemt de Besnijdenis van Christus (Kol. 2 : 11).

Op dezelfde gronden bouwt onze Heidelb. Catechismus Vr. 74, waar geleerd wordt, dat en waarom men niet alleen de volwassenen, die tot de Christenkerk overkomen, maar ook de jonge kindereti der geloovigen mag en moet doopen.

1. De kinderkens van bondgenooten en gemeenteleden zijn mede in het verbond Gods en zijne gemeente begrepen.

God heeft zijn Verbond opgericht met Abraham en met diens zaad, Gen. 17 : 7, en heeft de Besnijdenis tot een teeken des verbonds gesteld.

Het zaad is niet het geestelijke zaad Abrahams uit allen volke, maar zijn natuurlijk nageslacht, en wel hetgene

398

-ocr page 415-

§ 22. KINDEHEN TE DOOPEN.

door Izaak en Jakob van hem afstamde, dus geheel hel Israölietische volk (met de Ingelijfde vreemden) hetwelk God van alle andere volken wilde afzonderen en tot zijn bijzonder volk benoemde. Wel waren uit dat volk alleen degenen Gods eigenlijke bondgenooten, die niet slechts uitwendig, maar met hun hart onder den band des ver-bonds kwamen; maar dat allen te zamen ten minste uiterlijk tot het verbond behoorden, blijkt hieruit dat allen het honAszegel ontvingen. Want alle vleesch in Israël werd besneden (de dochteren \') in hare vaders gerekend), en wel naar den regel in de eerste kindsheid : een zoonken dan van acht day en zal u besneden ivorden, Gen. 17 : 12.

Het Verhond is hetzelfde als waarvan nu de Doop het teeken en zegel is. Met het Evangelie breidde het zich tot alle volken uit, Opdat de zegening Abrahams tol de Heidenen komen zou in Christus Jezus, Gal. 3 : 14. Dat hooren wij Petrus aanstonds op den Pinksterdag aan Israël verkondigen Hand. 2 : 39 : V komt (behoort) de belofte toe en uwen kinderen en allen die daar verre zijn, zoo velen als er de Heere onze God toe roepen zal, namelijk door de prediking van het Evangelie.

De Mennonieten verstaan daar onder de kinderen (.en evenzoo Gen. 17:7 onder Abrahams zaad) alleen het geestelijke zaad, de wedergeborenen. Maar duidelijk genoeg bedoelt de Apostel, gelijk ook Calvijn ^) verklaart, eigenlijke

\') Jakobs zonen zoideu Gun. 3-i : 14: Wij kunnen ome zuster met aan een,en man (jeven die de voorhuid heeft. Zij stollen togun olkandor hunne zuster ou oonou onbesuodone ; zij wordt gerekend tot do besnedenon. Christus noomt de vrouw die Hij had genezen eene dochter Abrahams, Luu. 13 ; 1G.

2) Calvin. Commontar. op Hand. 2 : 39, en vooral op Gou. 17 : 7.

309

-ocr page 416-

§ 22. KINDEKEN TE DOOPEN.

kinderen: want hij zegt : uwe kinderen. Niet alsof hij daarbij bloot aan eenige uitverkorene kinderen dacht: neen, dat zou voor hem een verborgen, onkenbare dus onzekere grond zijn geweest; maar hij dacht aan het Verbond, dat God met Abraham en diens zaad had opgericht, en daarom spreekt hij vrijmoedig : u en uwen kinderen komt de belofte toe.

Dat beoogt ook Paulus, wanneer hij 1 Kor. 7 : 14 leert, dat van zulke ouders, van wie ook maar één geloovig is, de kinderen niet onrein maar heilig zijn. Niet alsof zij daardoor zedelijk en inwendig geheiligd waren ; want ook van de twee echtgenooten, van wie de één ongeloovig is, zegt de Apostel: de ongeloovige is heilig door de geloovige wederhelft, hetwelk geen inwendige heiligheid kan zijn, want dan ware het geen ongeloovige meer ; en ook de kinderen der waar geloovigen zijn van nature kinderen des toorns, gelijk ook de anderen (Ef. 2 : 3). Maar zij zijn heilig door het Verbond, waardoor de ouders heilig zijn, heilig, niet als menschen naar hunnen personeelen staat, maar als echtgenooten, als man of als vrouw. Hot zegt: zulk een huwelijk is heilig en de kinderkens, uit zulk een huwelijk gewonnen, zijn niet onrein, maar heilig, zijn niet aan te merken als Heiden-kinderen maar als Christenkinderen. Want door één van beide echtgenooten in Christus te heiligen, heeft God de Heere zijne heiligende hand op het huwelijk gelegd en wat uit zulk een huwelijk voortkomt, is zijn, en geen menscli heeft recht om zulke kinderen van het Verbond uit te sluiten, dus ook geen recht, om hun het teeken en zegel daarvan te weigeren, hetwelk, onder de nieuwe bedeeling des onveranderlijken genadeverbonds de Doop is, een teeken voegende en

400

-ocr page 417-

§ 22. KINDEKEN TE DOOPEN.

verordend voor beide geslachten, gelijk wij dan ook lezen dat gedoopt werden beide mannen en vrouwen (Hand. 8 : 12). Want de gansche gemeente behoort gedoopt te zijn, naar het bevel van Christus Matth. 28 : 19: Gaat dan henen, onderwijst (maakt discipelen) al de volken, dezelven doopende.

De kinderen der bondgenooten worden Gode gegenereerd, zij komen Hem toe uit kracht van het Verbond. Zelfs toen Israels volk zoo diep was gezonken, dat het kinderen aan Moloch offerde, noemt de Heere dezen Zyne kinderen, wijl Hij het verbond nog niet van het volk had weggenomen, Ezech. 1G : 20, 21 : Uwe zonen en uwe dochte-ren, die gij mij gehaard hadt, hebt gij genomen en hebt ze den afgoden geofferd, mijne kinderen hebt gij geslacht.

Dies zijn de kinderen der bondgenooten mede in de Gemeente begrepen. Zoo sprak Mozes tot het volk Deut. 29 : 10 vv.: Gij staat heden allen voor het aangezicht

des Hoeren uws Gods,--alle man van Israël, Uwe

kinderkens, uwe vrouwen enz., om over te gaan in het verbond des Heeren uws Gods. En Joël 2 : 16 wordt een plechtige verbodsdag aldus uitgeroepen: Verzamelt het volk, heiligt de gemeente, vergadert de oudsten, verzamelt de kinderkens en die de horsten zuigen. Zijn de kinderkens in de gemeente begrepen, zoo komt hun ook het teeken der inlijving toe, hetwelk in de huishouding des Nieuwen Testaments de Doop is.

De Ghristen-kinderkens zijn heilig, niet eerst door dat zij gedoopt zijn, maar wijl zij heilig zijn, komt hun de Doop toe. Paulus noemt 1 Kor. 7 : 14 geheel den Doop niet, zonder moer zegt hij tot do Ghristen-ouders : uwe

üravomeyor, Gurof. Gol. loei\'. III. 26

401

-ocr page 418-

§ 22. KINDEREN TE DOOPEN.

kinderen zijn heilig. Waren zij nog niet gedoopt, zij dienden dan gedoopt te worden, wijl zij heilig waren. Ook hier geldt wat Paulus in ander opzicht zegt Rom. 11 ; 16 : Indien de wortel heilig is, zoo zijn ooit de lakken heilig.

De Doop verandert het kind niet, maar bezegelt aan hetzelve het Verbond. Christelijke ouders mogen niet met gedachten des ongeloofs over het mogelijke gedrag en lot des kinds vooruitloopen, maar moeten zich houden aan het Verbond, dat de kinderen mede insluit. De grond, waarom de kinderkens mogen en moeten gedoopt worden is niet dat zij misschien uitverkoren zijn, ook niet dat er vermoedelijk in hen een beginsel van genade en wedergeboorte ligt, maar het Verbond Gods in Christus tot hetwelk zij behooren en door hetwelk zg geheiligd zijn.

(Doopsformulier).

Dordr. Leerreg, Hoofdst. I. Leer. 17; Gods V^oord getuigt, dat de kinderen der geloovigen heilig zijn, niet van nature, maar uit kracht van het genadeverbond, in hetwelk zij met hunne ouderen begrepen zijn. Waaruit dan de gevolgtrekking gemaakt wordt: Zoo moeten de godzalige ouders niet twijfelen aan de verkiezing en zaligheid hunner kinderen, welke God in hunne kindsheid uit dit leven wegneemt. Ja, maar godzalige. Terecht. Immers godzalige ouders hebben deze hunne kinderkens tot Christus gebracht, gedoopt of ongedoopt, hebben ze aan den Drieëenigen Verbondsgod overgegeven en mogen hunne genadige aanneming niet betwijfelen. Dat is wat anders dan de overspannen stelling van sommigen dat alle kleinen „die in hunne kindsheid sterven, krachtens de verlossing door Christus zalig worden, gedoopt of ongedoopt, geboren in

402

-ocr page 419-

§ 22. KINDEKEN TE DOOPEN.

Christen- of in Ileidenlanden, van geloovige of ongeloovige ouders

2. De tweede grond voor den Doop der kinderen volgens onzen kerkelijken Catechismus is, dat de beteekende zaa/c des Doops ook voor hen is, dat hun de verlossing van de zonden door (in 2) Christus bloed en de Heilige Geest, die het geloof werkt, niet weiniger dan den volwassenen bondgenooten toegezegd wordt.

Waar is die toezegging ? Zij ligt vooreerst reeds in de verbondsbelofte, die ook de kinderen van het verbondsvolk aangaat, Gen. 17 : 7 en Hand. 2 : 39. Want de reinig-making van de zonde in Christus bloed en de vernieuwing doos den Heiligen Geest zyn verbondsgoederen.

\') Aldus Ch. Hodge, Systematic Theology I. p. 26 v., mot beroep op Kom. 5 : 12—21, zelfs op Joh. 10 : 28! Geheel in deu trant van Limboroh, Theol. Christ. Lib. III. Cap. V. 2 Omues infantes, sicut per Adamum tnorioudi necessitati subji-ciuutur, ita, nostro judicio, ex morte liberantur per Christum, sivo baptizati sint sive uon. Hodge onderscheidt niet behoorlijk het natuurlijke zaad van Adam, hetwelk, alle menschen zijn, en het geestelijke zaad van Christus, waartoe alleen de uitverkorenen behooreu naar geheel de loer des Apostels. Naar Hodge zijn dus alle kinderen, die in hunne kindsheid sterven uitverkorenen, eene stelling die wel iets hoeft van Schleiormachors overspannen praudestinatioloer.

Pelagius zeide van ongedoopt stervende kinderen: Quo non eant scio, quo oant nescio. Neander, Allgem. Gesch. dor Chr. Rel. u. K, liter Bd. 3to Abtheil. 1831. S. 936. Pelagius wilde van geen erfsehuld bij kindoren weten, dies oordeelde hij dit als gewis, dat zij niet tor straffe gingen, die in hunne onschuld stierven; doch wat er van hen wierd bekende hij niet te weten.

2) In deu oorspronkelijken, Hoogduitscheu tokst staat: und (dioweil) ihnen in dom Blut Christi dio Erlüsung von fciüu-don--zugesugt wird.

403

-ocr page 420-

§ 22. KINDEREN TE DOOPEN.

404

Ten andere is die toezegging behelsd in de uitspraak van den Heere Jezus Mare. 10 : 14: Laat de kinderkens tot mij komen en verhindert ze niet: want derzulken is het Koninkrijk Gods. Ook hierin is de toezegging opgesloten, nademaal niemand deelgenoot van het Koninkrijk Gods kan zijn, of hij moet vergeving en reiniging van de zonden ontvangen en door den Geest wedergeboren worden. De kinderen daar waren eigenlijke, natuurlijke kinderen, en wel zeer jonge kinderen\'), nog niet zoo groot als dat kind was, hetwelk de Heere Matth. 18:2 tot zich riep en in het midden van zijne discipelen stelde, kinderkens, die men tot hem bracht, op de armen droeg, met de bescheiden bede dat hij ze mocht aanraken. Dat wilden de discipelen verhinderen: zou Hij zich met kinderen bemoeien ? Maar hij zegt: derzulken is het Koninkrijk Gods. Niet wegens hunne betrekkelijke onschuld: want zij zijn vleesch uit vleesch geboren (Joh. 3 : 6), van nature kinderen des toorns (Ef. 2:3); maar uit kracht van Gods Verbond, hetwelk Hij vertegenwoordigde, en door de verlossende genade die Hij kwam brengen. Hij was ook voor kinderen in de wereld gekomen. En Hij voegt er bij : Voorwaar zeg ik u, zoo wie het Koninkrijk Gods niet ontvangt gelijk een kindeken, die zal in hetzelve geenszins ingaan, Mare. 10 : 15. Hieruit blijkt dat de Heiland met dit: derzulken is het Koninkrijk Gods niet bedoelt kinderlijk onschuldigen. Wat zou dit zyn: Wie niet onschuldig wordt als een kind, kan niet ingaan? Integendeel, Hij wil hiermede de grooten klein maken en zegt tot de volwassene berispers : Niet moeten de kinderkens

\') Lucas 18 : 15 noomt zo (opsQy, pasgoborcuo, zuigolingou.

-ocr page 421-

§ 22. KINDEREN TE DOOPEN.

eerst volwassen worden gelijk gij, maar gij, groote menschen moet klein worden als een kindeken!

Of kan de beloofde zaak, genade en Geest niet aan kinderen ten deele worden ? Maar Jezus zelf was waarlijk kind geweest, en, ontvangen van den Heiligen Geest, was Hij naar zijne menschheid van den beginne af en bleef voortgaande onafgebroken onder den invloed des Geestes •). En dat de Heilige Geest ook in de in zich zeiven onreine kinderen van zondaren kan werken en den wortel en het zaad van geloof (de dispositie tot geloof) en van geestelijk leven, hetwelk zich dan vervolgens ontwikkelt, in hunne harten kan leggen, daarvan biedt ons de Schrift zelve voorbeelden in zoodanigen, die al vroeg bleken te staan onder de leiding des Geestes, als Samuël, David, Jeremias, Daniël, en vooral Johannes de Dooper, van wien de Engel tot Zacharias zeide Luc. 1 : 15 : Hij zal met den Heiligen Geest vervuld worden, ook van zijn moeders lijve aan. Wie zal tegenover dat Woord nog zeggen: het kan niet ?

405

Alle onzekerheid wordt eindelijk weggenomen door hetgeen de Heiland Mare. 10 : 16 aan de kinderkens deed. Hij omving ze met zijne armen, erkende en betoonde ze daardoor als de zijnen, en Hij legde hun zijne handen op en zegende ze. De oplegging der handen was ook naderhand in den apostolischen tijd het teeken van den Doop met den Heiligen Geest. Dat opleggen zijner handen en dat zegenen was niet slechts een vertoon; wat Jezus uiterlijk deed, was altijd gepaard met wezen en kracht: het was een werkelijk bedeelen, Hij nam die kinderkens daar op in zijne gemeenschap en zegende hunne zielen

\') Zie Twaalfde Hoofdstuk § 13.

-ocr page 422-

§ 22. KINDEREN TE DOOPEN.

met zijne genade, hetwelk dan bij hun opwassen ook aan hen openbaai\' zou worden. De handeling van Jezus met deze kinderen heeft men terecht als eenen gewichtigen grond voor den kinderdoop aangezien, te meer wijl al wat Hij in de dagen zijns vleesches op aarde heeft gedaan eene afbeelding is van hetgeen Hij altijd in zijne gemeente doet. Het is dus zeker, dat de Heere ook aan kinderen genade bewijst. En daar Ghristen-ouders geen reden hebben om te twijfelen, of de Heere dat nu nog wil doen, zoo hebben zij op te volgen zijn vriendelijk bevel: laat de kinderkens tot mij komen ; de ouders behooren ze Hem toe te brengen, te presenteeren, op te dragen met vertrouwen op zijn Woord: ook hunner is het Koninkrijk Gods.

3. Bij dit alles komt de analogie, de overeenkomst van den Doop met de Besnijdenis als Verbonds- en Kerkteeken. Naar den Catechismus : Nademaal de kinderen van bond-genooten en kerkleden mede deelgenooten van Verbond en Kerk en van de belofte der verbondsgoederen zijn: zoo moeten zij ook door den Doop als door het teeken des Verhonds, der Christelijke Kerk ingelijfd en van de kinderen der ongeloovigen, dergenen die Christus niet erkennen, onderscheiden worden, gelijk in het Oude Verhond of Testament door de Besnijdenis geschied is, voor dewelke in hel Nieuwe Verhond de Doop ingezet is. Vergel. Nederl. Belijd, des Gel. Art. XXXIV.

Doop en Besnijdenis hebben eenzelfde bedoeling. De beteekende zaak is één, het teeken veranderd. Door de inzetting des Doops was meteen het einde aan de Besnijdenis gezet. De Doop moest van zelf de Besnijdenis vervangen en, wat men ook inbrenge, het is geschiedkundig niet te

400

-ocr page 423-

§ 22. KINDEREN TE DOOPEN.

betwisten, het is gebeurd : de Doop is feitelijk in de plaats der Besnijdenis getreden lt;). Aan de Christenen te Kolosse, die lichamelijlc meestal niet besneden waren, schrijft Paulus Kol. 2 : l\\ : In Christus zijt gij ook besneden, geestelijk, zijnde met Hem hegraven in den Doop.

Op deze gronden leert onze Kerk in de Belijdenis Art. XXXIV en in den Catechismus Vr. 74 de geoorloofdheid en noodzakelijkheid van don Kinderdoop, waarin zij Calvyn \'*) volgt. Deze gronden zijn ook voldoende, hetwelk hierna te meer zat blijken uit de ongegrondheid der tegenwerpingen.

Uit de beteekenis en bedoeling van den Doop volgt vanzelf, dat niet alle jonge kinderen mogen gedoopt worden, a. Geen kinderkens van Joden, die immers Christus verwerpen ; van Mohammedanen, die van een Drieëenig God niet willen weten ; van Heidenen, die God niet kennen en vreemdelingen zyn van de verbonden der belofte1). Dit is het gemeen gevoelen der Gereformeerden, in tegenstelling tegen de Lutherschen die met den Doop als „genademiddelquot; vrijgeviger zijn, en inzonderheid tegen de

407

1

) Eerste Hoofdstuk § 24.

-ocr page 424-

§ 22. KINDEREN TE DOOPEN.

Roomschen, die zelfs wel kinderen buiten weten en tegen wil van hunne ouders willen doopen, om ze zalig te maken •).

De Synode te Dordrecht 1618, 19de Zitting heeft, des gevraagd, zich verklaard aangaande den Doop van Heiden-sche kinderen in Indië, die om als slaven te dienen in Christelijke gezinnen waren overgebracht. De Synode oordeelde te recht (tegen het gevoelen der Britsche Godgeleerden) dat de kinderen van Heidenen niet moesten worden gedoopt, alvorens zij tot dien leeftijd waren gekomen dat zij naar hunne vatbaarheid in de eerste beginselen der Christelijke religie konden onderwezen worden en metterdaad onderwezen werden. En dan nog niet zonder bevoegde doopborgen, die beloven moesten dat zij voor de verdere leering en tegen wederaftrekking der doopelingen zorgen en waken wilden1). De Britten beriepen zich op de besnijdenis van Abrahams dienstbaren, Gen. 17 : 12, waarop G. Foetius ter snede antwoordde, het was niet bewezen dat door Abraham eenige kinderen zijn besneden, wier vaders niet tevens zyn besneden geweest.

b. Iets anders schijnt het te zijn met eigenlijke adoptiefkinderen, met zulken, die door bondgenooten tot kinderen, met volle burgerlijke kindsrechten, zijn aangenomen (geadopteerd). Zijn dit nagelatene of door nood verlatene kinderkens van bekende gedoopte ouders, zij dienen ongetwijfeld zonder uitstel gedoopt te worden. Zijn \'t kinderkens van onbekende ouders, zijn \'t vondelingen,

408

1

) Ada Synodi. ed. Hanov. 1620. p. 67. De Moor, Commont. in Marck P. V. p. 501. C. Vitringa, Doctrina Chr. Rei. Pars VII. p. 14G sq.

-ocr page 425-

§ 22. KINDEREN TE DOOPEH.

zonder eenig zeker blijk van hunne afkomst, dezen, al is het ook in eene plaats waar enkel Christen-belijders wonen, dezen zijn wel niet te doopen voor de jaren van onderscheid maar na onderwijzing en belijdenis, waarvoor degenen die hen adopteeren, hebben te zorgen. Want uit de burgerlijke (civiele) rechten volgt nog geen recht in geestelijke dingen of ia hetgeen tot het Verbond der genade behoort. De eigenlijke Gereformeerde grond voor den Doop, de verbondsgemeenschap, wordt bij die kinderkens gemist •).

c. Aangaande onwettige kinderen ï) oordeelen onze Gereformeerde Godgeleerden vrij eenparig, dat zij dienen gedoopt te worden, doch onder voorwaarden. Het kind van bekende, gedoopte, dus tot de Christenkerk behoorende ouders, dat vóór hunne huwelgksvoltrekking is geboren, mits bij berouw en belijdenis van hunne zonde; ook het kind, waarvan de vader niet is bewezen, maar wiens moeder gedoopt en dus lid is der Christelijke Kerk, bij berouw en schuldbelijdenis en met doopborgen. Waartegen niet kan worden ingebracht Deut. 23 : 2 : Geen bastaard zal in de vergadering des Heeren komen, of dit moest zeggen: hij zal niet besneden worden; maar het zegt: hij zal geene stem hebben in ■publieke vergaderingen noch plaats in den raad der Regenten enz. (Kantteek.)

d. Kinderen van Scheurmakers en Ketters ? Ouders, die zich geheel van de Kerk en kerkleer vervreemden, zullen ook wel geen Doop voor hunne kinderen begeeren. Maar

\') Verschillende gevoelens hierover vermeldt G. Vüringa, Doctrina VII p. 148 sq. Over de vondelingen p. 154 sp. De Moor, Comment, iu Marok. P. V. p. 500 — 502.

\'-) De Moor, Comment. V. p. 502 sqq. C. Vüringa a. W. VII. u. 144 sqq.

409

-ocr page 426-

§ 22. KINDEREN TE DOOPEN.

bij anderen, die, hoewel praatzuchtig (als in Korinthe) en in menig punt dwalende, toch den Vader en den Zoon en den Heiligen Geest belijden, is, ook naar het oordeel onzer oude Godgeleerden, de toelating raadzaam, wanneer zij den Doop voor hunne kinderen verlangen, mits zij, vooraf behoorlijk daarover onderhouden en vermaand, de Doopvragen beantwoorden, de doopsverplichting op zich nemen en „zich aan de gestelde orde der Kerk onderwerpen lt;).quot;

e. Maar kinderen dan van zulke ouders, die wel gedoopt zijn, echter geen belijdenis des geloofs hebben afgelegd en dus aan hei Heilig Avondmaal geen deel nemen *) ? Het getal van zoodanigen is groot en het geval moeilijk. De Brownisten, eene sekte in Amsterdam, Middelburg en Leiden (genoemd naar haren stichter, den Engelander Robert Browne, f 16S0) maakten er den Gereformeerden een verwijt van, dat dezen kinderen ten Doope toelieten van ouders, van wie geen van beiden belijdenis had gedaan, om reden dat de voorouders dier kinderen, de grootvader of grootmoeder enz. toch belijders waren geweest. Onze oude Godgeleerden achten de toelating geraden, wanneer de ouders zeiven door den Doop in hunne kindsheid der Kerk zijn ingelijfd, en nu voorts door het waarnemen der godsdienstoefeningen en onderwijzingen toonen, dat zij der Gereformeerde Kerk en barer leere zijn toegedaan. Te recht; te meer, omdat de beantwoording

\') Marck, Compond. XXX. 19. De Moor, Commentar. P. V. p. 506 sqq. C. Vitringa, Doctrina VII. p. 150 sq.

\'2) De Moor, Commontar. P. V. p. 476 sq. Vitringa, Doctrina P. VIL p, 157.

410

-ocr page 427-

§ 22. KINDEREN TE DOOPEN.

der Doopvragen eene belijdenis insluit, en de onthouding van het Avondmaal veelal haren grond heeft in gemoedelijke bezwaren. Doch vooral niet, om de ouders daarin te doen berusten, alsof dezen alleen reeds wegens hunnen eens ontvangen Doop bondgenooten waren lt;): daartoe is bij volwassenen meer van noode; bovendien de beide Sacramenten behooren saam. (Vergel. Dordsche Kerkordening LIX). Dat hebben de dienaren des Woords en de Opzieners zulken ouders wel ernstig en met aandrang voor te houden en in te scherpen.

f. Kinderen, wier ouders de orthodoxe leer belijden en uitwendige gemeenschap met de Kerk hebben, maar door hun gedrag toonen, dat zij geen ware leden van de Kerk zijn 1) ? Onze Gereformeerde geloofsleeraars neigen over \'t geheel tot toelating, »gelijk ook de kinderen van godde-looze Israëlieten besneden werden-quot; Daar echter is voor Leeraar en Opzieners gelegenheid en noodzaak tot vermaan en verplichting van de ongeregelden om hun leven te beteren. Onder dat beding doopte ook de Reformator Farel het kind van eenen landlooper, met verbintenis der doopheffers, om geheel de taak des vaders op zich te nemen, wanneer deze aan zijne gelofte niet voldeed 3). Intusschen heeft daar de Kerkelijke Tucht haar werk te doen.

g. Maar hoe dan te handelen met kinderen, wier ouders geëxcommuniceerd zijn, en „onder zware tucht liggenquot; *) ? De Nationale Synode te Middelburg 1581 heeft

411

1

p. 157 sqq.

-ocr page 428-

§ 22. KINDEREN TE DOOPEN.

op de 91ste der Particuliere Vragen aldus geoordeeld: Of de kinderen dergenen, die ordelijk en naar den regel van Christus geëxcommuniceerd zijn, en gedurende de excommunicatie gewonnen zijn, ook huiten het verbond zijn ? Antw. Neen.

Intusschen hier is onderscheiding noodig. Want de gevallen verschillen.

Bij mindere censuur der beide ouders wegens eene bijzondere, openbare, grove zonde zal nitstel van den Doop huns kinds raadzaam zijn, ook als middel, om aan de vermaningen tot berouw, schuldbelijdenis en beterschap kracht en drang bij te zetten.

Maar hoe bij afsnijding, waarvan hier sprake is ? Deze is uitsluiting van de gemeenschap der Kerke (Dordsche Kerkordening LXXVII), is hierin gelegen, dat lidmaten, die van hunne dwalingen of schandelijk leven na alle vermaningen niet willen afstaan, door de Opzieners vanwege de Kerk door het verbieden van de Sacramenten uit de Christelijke gemeente, en van God zeiven uit het rijk van Christus gesloten worden (Heidelb. Cat. Vr. 85. En Formulier des Bans).

P, Van Mastricht, Godgel. Boek VIL Hoofdst. IV; 13 oordeelt: Niet te doopen zijn de kleine kinderen van ketters en uitgebannenen (liberi haereticorum et excommuni-catorum) uit de Gemeente, tenzij één van beide ouders een bondgenoot (foederatus) zij 1 Kor. 7 : 14; dus niet toe te laten, wanneer beiden geëxcommuniceerd zijn. W, a Brakel, Red. Godsd. I. Gap. XXXIX. 23 : Geen kinderen te doopen van ouders die beide geëxcommuniceerd zijn, na de excommunicatiën geteeld, dewijl die voor Heidenen moeten gehouden worden, Matth. 18 : 17.

412

-ocr page 429-

§ 22. KINDEREN TE DOOPEN.

Anderen verklaren zich voor toelating. Zoo b. v. Sam. Maresius, Joh. Henr. Heidegger, ook Joh. a March, terwijl G. Voetius herinnert, dat men vooral den graad dei verwijdering dient in aanmerking te nemen, en aangaande degenen die in volslagen afval van de waarheid en in goddeloos leven hardnekkig voortgaan betuigt hij niet te kunnen zien, hoe zoodanigen gezegd kunnen worden in het Verbond te zijn»).

Een kindeke van geëxcommuniceerde ouders te doopen tegen hunnen wil of buiten hun weten, is bij de Gereformeerden met reden niet oorbaar geacht, als strijdig tegen de wet der natuur, die den ouderen recht geeft op hunne kinderen, waarop ook de Kerk heen inbreuk mag maken.

Wenschen en begeeren de geëxcommuniceerden zeiven hun kind gedoopt, welnu de weg daartoe staat dan voor hen open, de deur der Kerk is voor hen niet blijvend gesloten. Het staat aan hen zich wederom te verzoenen met de Gemeente door boetvaardigheid (Dordsche Kerkordening (LXXVIII), en zij worden wederom als lidmaten van Christus en zijner gemeente aangenomen, zoo wanneer zij waarachtige betering beloven en bewijzen (Heidelb. Cat. Vr. 85): dan kunnen zij hun kindeke ten Doope presenteeren.

413

Zoo is de afsnijding eene remedie, en wel de uiterste remedie; het doel is genezing (Dordsche Kerkordening LXXVI. Formulieren des Bans en der Wederopneming). De afgesnedene zelf wordt bij zijne ivederopneming in de gemeente van Christus niet opnieuw gedoopt. Zijn eens

quot;) De gevoelens van deze en nog verscheiden andere Gereformeerde Godgeleerden vindt men bijeen bjj Da Moor en C. Vitringa 11. cc.

-ocr page 430-

414 § 23. VERWERPING VAN OEN KINDERDOOP.

ontvangen Doop komt bij hem nu weer tot kracht en gelding. Maar die Doop alleen is geen grond om hem, die afgesneden wordt; ook gedurende en niettegenstaande den Ban toch nog voor eenen bondgenoot te houden. Want wie afgesneden wordt, wordt uitgesloten huiten de Gemeente des Heeren en vreemd van de gemeenschap van Christus, der heilige Sacramenten en van alle geestelijke zegeningen en weldaden Gods, die Hij zijner Gemeente belooft en bewijst, zoolang hij hardnekkig of onboetvaardig blijft in zijne zonde (Formulier des Bans).

§ 23. Verwerping van den Kinderdoop.

Door de Reformatoren, Duitsche zoowel als Zwitsersche, is de leer van den Doop omstandig ontwikkeld en de Kinderdoop gehandhaafd tegen de wilde Weder do op er s (Anabaptisten). Deze leer is neergelegd in de Belijdenisschriften der Lutherschen en der Gereformeerden naar hunne bijzondere opvatting en daaraan hebben beide Protestantsche Kerken over het geheel vastgehouden, in tegenstelling tegen de Doopsgezinden of Mennonieten en de Baptisten, die geen kleine kinderen ten Doope toelaten. Behalve deze twee partijen traden er onder verschillende gezindten dikmaals tot heden toe enkele mannen op, die den Kinderdoop afkeurden.

De moderne Theologen veroordeelen den Kinderdoop niet volstrekt, maar volgen meestal het aanvuüingssysteem van Schleiermacher, volgens wien de kinderdoop geen volledige Doop is, maar dit eerst wordt door de geloofsbelijdenis des gedoopten na voleind onderwijs \')•

\') Schleiermacher, Dor chr. Glaubo. II. § 138. — Biedennann,

-ocr page 431-

§ 23. VKRWERP1NG VAN DEN KINDERDOOP.

Bij de verwerping van den kinderdoop liggen velerlei dwalingen ten gronde, zooals vooraf § 22 bl. 3G9) reods is aangeduid. Voornamelijk eene éénzijdige opvatting van den Doop. Men beschouwt dan den Doop niet als een eigenlijk Sacrament en ziet meer op hetgeen de mensch moet doen dan op hetgene God geeft. Men ziet dan alleen op de Doopsverplichtingen, die den doopeling worden opgelegd, en niet, gelijk men moet\'), in de eerste plaats op Gods belofte, die Hij door den Doop beteekent en bezegelt. Wijl het kindeke niets kan doen, niet gelooven, niet belijden, niet gehoorzamen, acht men het ook onbekwaam om den Doop te ontvangen. Maar Galvyn vindt het te recht bespottelijk, wanneer men wat de bejaarden geldt, zonder meer tot de kinderen overbrengt. Wanneer Paulus zegt 2 Thess. 3:10: dat zoo iemand niet wil werken, hij ook niet ete, zal men dan den kinderkens niet te eten geven, wijl zij niet werken, daar toch de Apostel openbaar van volwassenen spreekt ,) ? By pas geboren kinderen kan immers geen sprake zijn van te willen of niet te willen werken. Intusschen eten kunnen zij.

Onder de bestrijders van den kinderdoop staan vooraan de Doopsgezinden (een naam eigenlijk meer gepast voor

Chr. Dogmatik. liter Band S 633. § 923 oordeelt, dat de eisch om don Doop te bedienen eerst na de geloofsbelijdenis des doopelings, steeds tot Sectirerei, tot scheurmakerij leidt, en dat de redelijke plaats voor den Doop is alleen aan den ingang der ethische opneming in de christelijke gemeenschap, maar met do natuurlijke vervollediging (Ergtlnzung) door do Confirmatie aan deu drempel der mondigheid.

\') Zie hiervoren in dit Hoofdstuk g 3.

2) Calvin Instit. IV. 16. 28.

415

-ocr page 432-

416 § 23. VERWERPING VAN DEN KINDERDOOP.

doopgrage Roomschen dan voor eene dooptrage gezindte gt;) of Mennonieten, volgelingen van Menno Simons (f 1561). Deze was een invloedrijk Reformator van het Anabaptisme (de Wederdooperij) en van een groot gedeelte der Anabaptisten (der woeste Wederdoopers), zoo in Friesland waar hij, priester te Witmarsum, den Roomschen kerkdienst verliet en tegen en onder de oproerige Wederdoopers in dat gewest met kracht optrad en hen tot orde bracht (1537), als in andere gewesten, ook in het buitenland, in Keulen, ja geheel Nederduitschland door tot Lijfland toe, waar hij onvermoeid als reizend prediker omtoog en kleine gemeenten stichtte en regelde 1).

Bet oproerige fanatisme en de wilde geestdrijverij der Wederdoopers verfoeide en bestreed Menno Simons, maar hun gronddenkbeeld nam hij over en hield hij vol, namelijk de vestiging eener van de wereld afgezonderde heilige Kerk op aarde. En vandaar ook dat hij den kinderdoop verwierp s); het vloeide voort met noodzakelijkheid uit zijne idee van Kerk. Hij wilde eene Kerk van enkel wedergeborenen, zulken alleen mochten als leden opgenomen en erkend worden : voor dezen alleen was de Doop, en de Doop was hem niets meer dan eene leus, eene bevestiging van de belijdenis des Ghristelijken geloofs. Den Doop van onnoozele kinderen noemde hij „een menschelijk verzinsel, waarvan geen jota of tittel in Gods Woord wierd gevonden, eene vervalsching der ordinantie

1

) J. J. Van Oosterzee in Herzogs Roal-Enc. IX. S. 339 ff. u. d. A. Menno und die Mennoniten,

a) J. H. Soholten, Leor dor Herv. Kerk II. p. 280. 283.

-ocr page 433-

§ 23. VERWERPING VAN DEN KINDERDOOP. 417

van Christus, een werk van bijgeloof en afgoderij, een openbare gruwel, een Sacrament der kerken van den Antichrist, zoo ongerijmd als de doop der torenklokken in het pausdomquot; i).

Hebben de latere Doopsgezinden hunnen voorganger wel niet in zijne uitdrukkingen gevolgd, ook niet al zijne bijzondere stellingen vastgehouden, maar in leer en gebruiken zich onderscheiden als ruimeren en strengeren, intusschen in de verwerping van den kinderdoop stemmen zij overeen, en dit is een blijvend kenmerk van hun genootschap.

Als besliste tegenstanders van den Kinderdoop staan ook de Baptisten bekend, oorspronkelijk uit de Gereformeerde gezindte, reeds 1535 in Engeland, waar Koning Hendrik VIII er 14 (Nederlanders als Wederdoopers aangeklaagd) liet ombrengen, voor en na wijd verspreid en thans bijzonder talrijk in Engeland en Schotland en vooral in Noord-Amerika; subjectieve en practische Christenen, ijverig bij uitnemendheid in het werk der zending. Hoezeer onderling verdeeld en in vele partijen gesplitst, komen zij hierin overeen, dat zij geenen Doop erkennen dan met geheele onderdompeling des doopelings onder het water, gelijk dan ook in hunne Bijbels de woorden baptizein en baptismos in het Nieuwe Testament door onderdompelen vertaald zijn J). En voorts hierin, dat de Doop alleen aan

\') Do plaatsen uit hot Fmdamentboek on andere geschriften zijn in haar geheel aangehaald bij De Moor, Comment, in Marek P. V. p. 492 sqq. en G. Vitrpiga, Doctrina VII. p. 344 sqq.

2) J. H. Brauer in Herzogs lieal-Euc. I. S. 683 ff. u. d. W. Baptisten.

Uravumcijer , Gcruf, Gol. loer. 111, 87

-ocr page 434-

§ 23. VERWERPING VAN DEN KINDERDOOP.

zoodanigen is toe te dienen die zich als geloovigen hebben bewezen, dus aan geen onmondig kind.

De bezwaren, die tegen den kinderdoop worden ingebracht, zijn hoofdzakelijk deze.

1. „Er is geen hevel van den Heere om kinderen te doopen.quot; Intusschen waarvoor anders gronden genoeg bestonden, daar was geen bijzonder bevel van noode. Maar daar de Besnijdenis bepaaldelijk voor kinderen was, zoo was er wél een verbod of althans eenige genoegzame aanduiding noodig, wanneer het inlijvingsteeken des Nieuwen Verbonds niet aan kinderen zou gegeven worden.

Echter er is meer. De kinderdoop is niet alleen niet verboden, dus niet slechts geoorloofd, maar geboden, wijl ontegenzeglyk mede begrepen in de Instelling des Heeren Matth. 28 ; 19; Gaat dan henen, onderwijst (maakt discipelen) al de volkeren, dezelven») doopende--leerende.

Wel te recht herinnert hierbij Calvijn, dat niet van kinderen wordt geëischt hetgeen waarvoor alleen volwassenen vatbaar zijn (zie hiervoren bl. 415), ten einde de gevolgtrekking af te snijden dat kinderen niet mogen worden gedoopt: maar wanneer hij vraagt: staat daar wel e\'éne syllabe van de kinderen *) ? dan mogen wij de wedervraag doen : zijn er geen kinderen in al de volkeren ? en zou Christus hier waar Hij op de uitbreiding zijner gemeente het oog heeft en daarvoor zijne laatste bevelen

\') Eorst ttxvtx tx sóvy, tot wio het Evangelie gebracht zal worden, dan, bij doopen en leoren, xvtoiii;, individueel (niet dezelye, dit ware x\'jïx, maar dezelue/t, hen). Vergel. 2 Kor. 5 : 19 waar eerst xiirftog, dan xóto) staat.

l) Calvin. lustit. IV. 16. 28 : A.u do infantibus toto Ulo sor-rnone vel una est syllabaV

418

-ocr page 435-

§ 23. VERWERPING VAN DEN KINDERDOOP.

en beloften geeft, de kinderkens geheel niet hebben bedacht, tegen Mare. 10 : 13, 14. waar Hij zich hunner zoo liefderijk aannam ? (Zie boven § 22 bl. 404). In al de volkeren zijn hunne kinderen mede begrepen, en zijn zij dat, dan is ook de doop der kinderen hiermede bevolen. De ordinantie is dus : het Evangelie door prediking tot de volken te brengen, en waar dat is begonnen en dus aan een volk, als een geheel beschouwd, het Evangelie is gegeven (vergel. Hand. 11 : 18), daar dan nader en bijzonderlijk de enkelen te bewerken en toe te brengen, hen doopende en daarbij en daarna leerende de leere van Christus, van zelf eerst de volwassenen, maar met hunne kinderen in het gevolg.

2. „Er is geen voordeel van dat in den allereersten tijd des Christendoms kinderen gedoopt zijn.quot; Maar er zijn geheele huisgezinnen gedoopt: Lydia en haar huis (Hand. 16 : 15), de stok waarder, hij en al de zijnen (vs. 33), het huisgezin van Stephanus (1 Kor. 1 : 1G). Wel wordt daar niet uitdrukkelijk van kinderen gewaagd, maar er is ook geen grond om aan te nemen, dat deze huisgezinnen uit enkel volwassenen bestonden.

Dat er uit den eersten tijd des Christendoms geen stellig bericht voorhanden is van den Doop der kinderen, is nog geen bewijs dat deze niet plaats had i).

Intusschen vindt men er reeds eene aanduiding van bij Irenaeus *) (sedert 177 bisschop te Lyon, f 202), die

\') Dit bekoiit ook Nemder, Allgom. Gosch. dor Chr. Rul. u. Kirche Istor Band. 1836. S. 362 : Bei dem Mangel an geschicht-lichen ürkunden aus dar ersten Half te dieser (ersten) Periode, hann freilich audi der Mangel einer besondern Erwahnung noch nicht gegen das Aller der Kindertaufe zeugen.

■) Neander, n. W. S. 363. Irenaeus zugt, dat ook onmoudigo

419

-ocr page 436-

§ lt;53. VfiRWERPING VAN DEN K1NDEKDOOP.

onderwezen was door Polycarpus, eenen leerling van den Apostel Johannes. Stelliger getuigenis geeft Tertullianus (f 220). Deze was een tegenstander van den kinderdoop, doch geenszins dat hij dien volstrekt verwierp en voor eene nieuwigheid, voor onapostolisch hield, dat zegt hij nergens; maar wegens zijn bijzonder doopsbegrip keurde hij al het haasten met den Doop af en hield voor nuttiger daarmede te wachten i). Zijne waarschuwingen bewijzen, dat de kinderdoop toen reeds zeer in gebruik was.

Nog meer blijkt dit uit de verklaringen van Cyprianus (f 258). De vraag was gedaan, of men i^iet. den doop des kinds niet ten minste tot den achtsten dag moest wachten, gelijk bij de Besnijdenis. Neen, antwoordde Cyprianus met 66 bisschoppen, (in het jaar 252)\'). Ook in Egypte was de kinderdoop vroeg in gebruik. De Kerkvader Origenes (f 254) zegt: Naar de gewoonte der Kerk wordt ook den kleinen de Doop gegeven. En: De Kerk heeft de wijze om de kinderen te doopen, van de Apostelen ontvangen.

In de 5de eeuw was de Kinderdoop algemeen. Augusti-nus (f 430) zegt: Dat de kinderen (infantes) gedoopt

kindorkons, infantes, door Christus zaliggemaakt, wedergeboren en geheiligd worden, waarbij hij ongetwijfeld het oog op den Doop heeft.

\') De hoofdplaats is Tertullian. De Baptismo Cap. 48, in haar geheel aangehaald o. a. bij Neander a. W. S. 365 en August!, Handb. der Christ. Archiiologio, liter Band. 329. Alwaar bij zegt : Cunctatio baptismi utilior est, praecipue tarnen circa parvulos. Indien men het gewicht des Doops (pondus baptismi) kent, zal men meer het ontvangen dan het uitstel van dien vreezen (magis timebuut consecutionem quam dilationem).

a) Neander, a. W. S. 366. Augusti, a. W. S. 332.

420

-ocr page 437-

§ 23. VERWERPING VAN DEN KINDERDOOP. 421

moeten worden, houdt geheel de kerk vast, an wel niet als door kerkvergaderingen ingesteld, maar als altijd onderhouden en alleenlijk op apostolisch geeag overgeleverd*).

Zoo is het. Van eene eigenlijke invoering van den Kinderdoop zegt de kerkgeschiedenis niets. En het vroeg en mettertijd algemeen gebruik van den Doop der kinderkens is onverklaarbaar, wanneer niet de apostolische practljk zelve daartoe den grond had gelegd en wanneer men niet overtuigd ware geweest dat het naar den wil van Christus was en in zijne Instelling begrepen J).

3. De Doop is voor jonge kinderen nutteloos, wijl zij er niets van verstaan.quot; a. Maar kan dat alleen nutten wat men verstaat? Hoe menige weldaad, hoeveel goeds en nuttigs doet God ook anderzins aan de kinderkens zonder dat zij het verstaan! b. Men verwart nut en grond van den kinderdoop. Het nut echter is niet de grond, zoodat met het nut ook de grond wegviel; de grond van den kinderdoop is het Verbond Gods. c. Ook geldt zulke bedenking evenzeer tegen de Besnijdenis, en deze moest toch naar Gods uitdrukkelijk bevel aan het jongsken reeds op den achtsten dag na zijne geboorte worden bediend ; en niet minder tegen het zegenen der kinderkens door Jezus Mare. 10 : 16, hetwelk Hij toch metterdaad, en

\') Augusti, a. W. S. 339. Stier, Redon dos Herrn Jesn, VItor Thoil. 1848. S. 931. — Nog meer aanhalingen vindt men o. a. bij De Moor, Comment, in Marck. P. V. p. 486 sq. C. Vitringa, Doctrina car. M. Vitringa P. VII. p. 140 sq.

,2) Overigens spreekt de Kinderdoop voor zich zelvnn, gelijk ook erkend wordt door Niedner, Kirchengeschichte S. 297 : Andererseits sind Grimde für den Pddobaptismus selbstredende, namentlich audi wie er so gam dem in Christi Religion auf\'s ludividuum als solches gelegten Gewichte entspriaht.

-ocr page 438-

422 § 23. VERWERPING VAN DÉN KINDERDOOP.

zeker niet nutteloos deed. d. Deze tegenwerping berust op geheele miskenning van den aard dos bondzegels. Namelijk de Doop moet, gelijk te voren reeds was herinnerd 1)5 van twee zijden worden beschouwd. Van Gods kant is het een teeken en zegel van zijne genade in Christus ; van den kant des doopelings komen de daaraan beantwoordende verplichtingen en werkzaamheden in aanmerking. Die nu den kinderdoop voor nutteloos verklaren, zien alleen op het laatste. Evenwel is het eerste de hoofdzaak. Houden wij dat voor oogen, dan valt de tegenwerping weg. Want God kan aan kinderen even zoowel als aan volwassenen zijne genade bezegelen en door het teeken verklaren: Ik zal uw God zijn. De zaligheid is uit genade, naar Gods belofte, niet eerst uit eenig werk des menschen : daarvan geeft juist de kinderdoop een uitnemend, treffend getuigenis.

Bovendien de Doop der kleinen is niet nutteloos, maar nuttig zoo voor de ouders als voor de kinderen \'). Voor de ouders door zijne vertroosting en verplichting. De ouders kunnen voor hun kind niet instaan, zelfs niet voor hun lichamelijk veelmin voor hun geestelijk welvaren. Daar zegt de Heere: Geeft het aan mij, Ik zal er voor zorgen, Ik zal zijn God zijn, en Hij teekent het. Maar nu zijn dan ook de ouders ten duurste verplicht, het gedoopte kroost voor den Heere op te voeden. En de kinderen, openbaar in de Kerk ingelijfd, komen onder de leiding, tucht, leer en voorbidding der Kerk. Op de kinderen, die gedoopt worden, mag men toepassen hetgeen Jezus

•) § 23. bl. 415. § 3. bl. 293.

2) H. Witsius, Miscollan. Sacr. Tom. II. p. 510 sq.

-ocr page 439-

§ 23. verwerping van den kinderdoop, 4i2b

tot zijne discipelen zeide, toen Hij hun de voeten wiesch, Joh, 13:7: Wat ik doe, weet gij nu niet, maar gij zult het na dezen verstaan. En wie het daarna heeft leeren verstaan, zal den Heere er over loven en zeggen: Op u hen ik geworpen van de baarmoeder af, van den huik mijner moeder aan zijt gij mijn God, Ps. 22 : 11.

4. Met beroep op Matth. 28 : 19 en Mare. 16 : 16 beweert men: Er moet onderwijzing, hekeering en geloof voor den Doop voorafgaan.quot; Zeker, een kind niet uit Christen-ouders geboren, mag niet gedoopt worden i). Evenmin een tot zijne jaren gekomen Heiden of Mohammedaan of Jood. Zij behooren niet tot het Verbond en hun komt dus het verbondsteeken niet toe. Zij moeten eerst onderwezen worden en belijdenis van het Christelijke geloof doen. De aard des bondzegels eischt dit. God kon van zijnen kant aan zulken wel het teeken en zegel van zijne genade geven, maar de doopsbelijdenis en doops-belofte kan voor eenen volwassene geen ander doen, voor eenen volwassene kan in dezen geen ander als plaats-bekleeder handelen en de doopsverplichtingen op zich nemen; de poopeling zelf moet het doen, hetwelk hy echter zonder voorafgaande onderwijzing niet kan. Dede hij het niet, het zou geen volledige Doop zijn.

Anders is het met den Doop der kinderkens, namelijk van bondgenooten. Daar treden de ouders of de doopheffers voor het kroost op, en de Doop is een ware, volledige Doop. God doet daar wat Godes is. Hij geeft het teeken en zegel van zijn Verbond ; hetgeen der kinderen is, doen de ouders, namelijk de doopsbelijdenis

\') Zie voren § 22. bl. 407.

-ocr page 440-

424 § 23. VERWERPING VAN DEN KINDERDOOP.

en doopsbelofte, zij nemen de doopsverplichting voor hunne kinderen tijdelijk op zich, tot dezen rgpen.

Men wijst op Mare. 16 : 16 : Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn\'), zal zalig worden. Men zegt: zie, eerst geiooven, dan gedoopt, en men besluit daaruit: dus geene kleine kinderen te doopen, wijl dezen niet kunnen geiooven. Maar deze sluitrede is voorbarig, ook afgezien van de vraag of er niet in kinderkens een geloofsbeginsel kan zijn. (Zie § 22 bl. 405). Immers het was Christus hier niet te doen om de tijdsorde aan te wijzen: eerst het geloof, dan de Doop. Maar nadat Hij onmiddellijk vooraf gezegd heeft: Predikt het Evangelie aan alle creature, betuigt Hij de noodzakelijkheid des geloofs. Dat is het doel, daarop komt het aan, dat is de hoofdzaak. Daarom staat het geloof vooraan, en daarom voegt Hij er bij : Maar niet zal geloofd hebben, (al is hij gedoopt), zal verdoemd worden. Niet de bloot gedoopte, maar die geloofd zal hebben, gelijk hy gedoopt is, zal zalig worden. Overigens spreekt het vanzelf, dat de prediking des Evangelies onder de volken tot volwassenen geschiedde en dezen niet gedoopt werden dan na en op belijdenis van hun geloof; maar werden vader en moeder in de Kerk ontvangen, bleven hunne kinderen, zoo zij er hadden, dan buiten ? Gewisselijk niet: met de ouders werd hun kroost opgenomen.

Bijzonderen steun meenen de bestrijders van den kinderdoop te vinden in Matth. 28 ; 19: Gaat dan henen, onderwijst al de volkeren, dezelven doopende. „Dus eerst ondervezen, dan gedoopt; kleine kinderen echter zijn voor geen onderwijs vatbaar: bijgevolg geen kinderdoop,quot;

2) o TTia-Tevrus xx) fixTTTKrêslg.

-ocr page 441-

§ 23. VERWERPING VAN DEN KINDERDOOP. 425

zegt men. Zoo oordeelde Menno Simons: De kleine kinderen zijn onvernuftig en onleerlijk, daarom kan hun geen Doop toegediend worden, of wij moeten des Heeren ordening verkeeren, zijnen hoogen Naam misbruiken en zijn heilig Woord geweld doen.

Maar voor onderwijst staat in den Griekschen grondtekst een woord (matheteusatej hetwelk beteekent: maakt tot discipelen. Dit drukt de apostolische werkzaamheid in het algemeen uit, en deze wordt dan nader als tweeledig bepaald : doopende — leerende: Maakt tot discipelen al de volkeren, hen (de menschen) doopende, voorts hen leerende onderhouden alles wat ik u geboden heb lt;). Waarmede te vergelijken is Joh. 4:1, waar gezegd wordt, dat Jezus meer discipelen maakte 1) en doopte dan Johannes.

Hierin ligt niets tegen den Kinderdoop. Maar de gewone, ordelijke weg ter uitbreiding der Kerk is hier aangewezen. En zoo hebben de Apostelen gedaan. Eerst vanzelf, waar zij tot een volk kwamen, het Evangelie gepredikt; dan degenen die het Woord aannamen en hun geloof beleden, gedoopt (evenals Hand. 2 : 41); daarna de verdere, uitgebreidere, voortgaande leering van al hetgeen Christus heeft geboden. Want de gedoopten waren nog geen volmaakte Christenen, maar ingetreden in de Christelijke

\') itxoytsutrxts ttuvtx tx £0i/)), (sxttti^ovts^ xutous__

hlxjHOVTsi; xwTOuq mpstv ttxvtx. Het woord /txöyrsusiv bovat moor dan liihxTKSiv, het eerste is genus, het andere species. Oude overzetters en dogmatici gebruiken daarvoor het (nieuw) Latijnsch discipulare: Discipulate omues gentes. J. C. Wolf, Curae in Matth. 29 : 19.

■) on \'Iva-oü? irtelov»? y-xóvrx? voieï kx) % luxwys-.

-ocr page 442-

426 § 24. HOOFDGROND VOOR DEN KINDERDOOP.

gemeenschap, moesten zij daar onder den invloed des Geestes, die het lichaam bezielde eerst rechte Christenen worden, voortgaande in kennis, in geloof, in godzaligheid. Waren echter ouders, die kinderkens hadden, gedoopt en daarmede als deelgenooten van Christus, als bondgenooten Gods erkend, dan waren zij naar de belofte en den eisch des Verbonds (uw God en uws zaads God) gerechtigd en verplicht om ook hun zaad, hunne kinderkens te laten doopen, wyl dezen nu mede tot de gemeenschap van Christus, tot het Verbond Gods behoorden, zooals vroeger is aangetoond (§ 22 bl. 398 vv.). Hoe Matth. 28 : 19 niet tegen, maar vóór den kinderdoop getuigt, is hiervoren (bl. 418) reeds herinnerd.

De kinderen, die Paulus Ef. 6 : 1—3 leert, nog wel bij hun ouders te huis, waren zeker gedoopt. Want zij worden hier in den aan de gemeente gerichten Brief aangesproken als tot de gemeente behoorende, en zij worden vermaand, dat zij hunnen ouders gehoorzaam zullen zijn in den Heere, in Christus, op grond en om reden van hunne gemeenschap met Christus, en in wijze en gezindheid naar den wil des Heeren, dus met eene gehoorzaamheid zooals voor een Christelijk kind betaamt.

§ 24. Hoofdgrond voor den Kinderdoop.

1. Aan de kinderen van bondgenooten komt het ver-bondsteeken, de Doop, toe, omdat zij mede tot het Verbond behooren, zooals in het voorafgaande is aangetoond. En dit is de voornaamste grond voor den kinderdoop.

Maar wij moeten wél verstaan, welk Verbond hier wordt bedoeld. Is het een Verbond dat opgehouden heeft, dan

-ocr page 443-

§ 24. HOOFDGROND VOOR DEN KINDERDOOP. 427

valt de grond weg, want dan kan het niet meer bezegeld worden. Het is echter een Verbond dat nog geldt en voortdurend van kracht blijft. Namelijk het Verbond, dat door den Doop wordt bezegeld, is hetzelfde Genadeverbond, hetwelk God aan Abraham op Christus heeft bevestigd en in hetwelk de kinderen uitdrukkelijk mede zijn begrepen, zoo als voren ia aangewezen (§ 22 bl. 398 vv.). Daarvan stelde de Heere de Besnijdenis tot een teeken.

Wij moeten onderscheiden het onveranderlijke Verbond met Ahranam en het Oude of Sinaïetische Verbond, het Oude genoemd wijl het verouderd is en wijken moest voor het Nieuwe Verbond. Dit Nieuwe Verbond echter is slechts eene nieuwe bedeeling juist van dat Verbond met Abraham, hetwelk God te voren op Christus heeft bevestigd. En met Christus verschijning, kwam het eerste recht in kracht en werking: want nu viel de scheidsmuur weg tusschen het natuurlijke zaad Abrahams, Israël, en de Heidenen, van nu aan begon het met de prediking des Evangelies tot alle volken te komen.

De Besnijdenis bezegelde niet het Verbond van Sinaï, maar het Verbond met Abraham. De Besnijdenis is niet uit Mozes maar uit de vaderen, Joh. 7 :22 ; aan Abraham gaf God het Verbond der Besnijdenis, Hand, 7:8. Het Verbond met\' Abraham, te voren door God op Christus bevestigd, werd door de Wet, door het Sinaïetische Verbond (Gal. 4 : 25 lt;), hetwelk 430 jaren later kwam, niet krachteloos gemaakt, om de beloftenis te niet te doen, Gal. 3:17, maar het duurde onder het Oude of Sinaïetische Verbond onveranderd voort. Vandaar, dat dan ook de

\') Hierover zie Zeventiende Hoofdstuk § 6.

-ocr page 444-

428 § 24. HOOFDGROND VOOR DEN KINDERDOOP.

Besnijdenis, het teeken en zegel van het Verbond met Abraham, daaronder voortging.

Dat verbond duurt nog zonder verandering voort. De Heere gedenkt zijns Verbonds tot in der eeuwigheid, Hij heeft het ingesteld tot in duizend geslachten, Ps. 105 : 8. Maar het teeken des Verbonds is veranderd. Het oude, Sinaïetische Verbond heeft een einde genomen, maar het Verbond met Abraham begon zich na Christus\' offerande uit te breiden tot alle volken, Gal. 3 : 14; daarom kwam er nu in de plaats van de Besnijdenis een ander teeken van hetzelfde Verbond, en dat is de Heilige Doop »)•

2. Zoo is dan de voornaamste grond voor den Doop der Christen-kinderen gelegen in hunne door God geordende en verklaarde betrekking tot het Verbond, en niet in iets wat zij in zich zelve hebben of doen of wat men in hen vermoedt en veronderstelt. Hun Doop is een zegel van Gods Verbond, en niet van hun geloof en wedergeboorte. De kinderen van bondgenooten worden gedoopt, niet wijl er geloof in hen is en zij wedergeboren zijn, maar omdat zij tot het Verbond behooren.

\') Calvin. Comment, in Genes. 17 : 13. H. P. Scholte, De Heilige Doop p. 11 v. Een belangrijk geschrift, 1845 door hem uitgegeven tegen het Stukje van J. De Liefde, Niet de Kinderdoop, maar de doop der bejaarden is het bondzegel des Nieuwen Verbonds. Zutphen 1844. De Liefde is daarna van gevoelen veranderd. — Scholte hangt intusschen te zeer aan de letter der Verbondsbelofte, wanneer hij in tegenspraak tegen de Gereformeerde opvatting, inzonderheid tegen de Kantteekeningen van den Staten-Bijbel, meent, dat God de herstelling van het volk Israels in hun eigen land belooft, bl.45. Een gevoelen, door velen voorgestaan. Vergel. Derde Hoofdstuk § 3. Elfde Hoofdstuk § 37. § 38.

-ocr page 445-

§ 24, HOOFDGROND VOOR DEN KINDERDOOP. 429

Houdt men dit vast in het oog, dan valt hij den Doop der kinderen de moeielijke vraag weg, of de kinderen geloof hebben en kunnen hebben, of zij wedergeboren zijn en kunnen zijn. De Doop is van het antwoord op deze vraag niet afhankelijk. Want de Doop bezegelt het Verbond Gods.

a. Maar wél komt deze vraag te pas ten opzichte van de zaligheid der kinderen. Geen zaligheid voor geboren zondaars zonder geloof en wedergeboorte (Joh. 3 : 3 vv.).

Dies zeggen wij met Caloyn\'), is het klaarblijkelijk, dat de kinderkens, die behouden zullen worden (en er worden immers uit dien leeftijd in allen gevalle sommigen behouden) vooraf van den Heere wedergeboren worden. Het is niet te loochenen, dat door Gods kracht kinderkens kunnen Wedergeboren worden, het is voor Hem zoo licht en gemakkelijk als voor ons onbegrijpelijk en wonderbaar 1).

Geen wedergeboorte zonder geloof. Maar, zegt men, het geloof is uit het gehoor, en tot het geloof behoort ook kennis; kleine kinderen echter zijn onbekwaam om het Woord te hooren en God te kennen, daar zij naar de Schrift zelve noch goed noch kwaad weten (Deut. 1 : 39).

Daarentegen vragen wij : Is God dan aan het gewone middel gebonden? En kunnen kinderkens nn niet een deel van die genade ontvangen, wier volheid zij kort daarna

\') Calvin. Insti.. L. IV. Cap. 16. Sect. 17. P. Van Mastricht, Godgel. B. VII. H. IV. § 25 noemt het een zadelijk geloof. (Do Nederd. Vertaling heeft door drukfout zedelijk, de oorspronkelijke Latijnsche uitgave se min alia; Baptismus praereqnirit in adultis quidem fidem actualom, in infantibus autem seminali contentus non magis actualem requirit quam circumcisio).

2) Calvin, a. W. Sect. 18. Vergel. dit Hoofdstuk § 22.

-ocr page 446-

430 § 24. HOOFDGROND VOOR DEN KINDERDOOP.

zullen gemeten ? Want de volheid des levens is in de volmaakte kennis Gods geleyen ; daar nu van hen sommigen, die de dood terstond in de eerste kindsheid van hier wegneemt, in het e tuige leven overgaan, worden dezen immers tot het aanschouwen van Gods allertegenwoordigst aangezicht toegelaten. Die dus de Heere met den vollen glans zijns lichts staat te omschijnen, waarom zou Hij dezen niet ook voor het tegenwoordige, indien Hij wil, met kleine vonkskens aanstralen \') ?

Alzoo niet dat de kinderkens met zulk een kennis en geloof begaafd wierden als volwassenen, niet dat zij met zulke bewustheid en ondervindingen als dezen den weg van bekeering en geloof snel en als bij verkorting wierden doorgeleid; maar dusdanig, dat het wezen en de wortel der zaak in hen wordt gevonden : geen formeele bekeering en actueel heloof, maar In dezer voege, dat nochtans door eene geheime werking des Geestes beider zaad in hen schuiti). Zij hebben dan dan den Geest des geloofs.

\') Idem. Sect. 19.

s) Idem, Soct. 20 : Etsi (poonitenti ot fidos) nondum In illis fonnatao sunt, arcana tarnen Spiritus operatione utriusque semen in illis latet.

Met do kinderen zijn niet op ééne lijn te stellen zoodanige volwassenen, die uiterst kloin van verstand, beperkt van begrip, onwetende zijn en toch waarlijk bekeerde en geloovige menschen kunnen zijn. Want hoe onkundig ook, zij kennen dan toch de hoofdzaak van ellende, verlossing, dankbaarheid. En zender alle kennis van de geopenbaarde waarheid kan, mag en moet do Kerk hen immers ook niet als lidmaten tot het Heilig Avondmaal toelaten. Zij mooteu ton minste naar ouden oIhoIi de drie G\'s kennen : Het Geloof, het Gebod, hot Gebed (do Twaalf Geloofsartikelen, de Wet der tien Geboden, het Onze Vader). Vergel. De Moor, Commentar. V. p. 474,

-ocr page 447-

§ 24. HOOFDGROND VOOR DEN KINDERDOOP. 431

Het uilverkoren vroeg stervend kindeke is een bloempje in \'s Heeren gaard, met het hartje naar de zon gekeerd, door deze aangetrokken en hare stralen inzuigende; niet van natuur, maar door genade aldus gesteld, gedisponeerd; dan overgebracht naar den hemelhof, tot het volle licht.

b. Aangaande het besproken punt, het genadewerk en geleef in kinderen, geven de Protestantsche Belijdenisschriften (Symbolen) geen bepaalde verklaring, uitgezonderd alleen eene aanduiding in den Grooteren Catechismus van Luther\'). Onze onde Gereformeerde Godgeleerden echter volgen voor het grootst gedeelte de voorstelling van Galvyn, met allerlei wijzigingen in de bewoordingen, die intusschen over de donkere zaak geen meerder licht verspreiden 1). Sommigen achten het bedenkelijk of zelf niet oorbaar van een geloof in kinderen te spreken 2). — De stelling van

1

\') Catoch. Major, De Baptismo ed. Rochenborg p. 546 sqq. Winer, Compar. Darstell. S. 183. A.nm. 2.

2

:\') Vitringa a. W. p 137: Musculus, Maresius, Van Marck, liodolphi, Hictet. Togen een actueel geloof in kinderen koml ook op Brakel, Rod. Godsd. I. Cap. XXXII. § 8 v., on togen oen zaad dis geloofs of een geloof in zijn zaad g 10. Daaroutogen werd weer door andoren, als Joh. Van den Ilonert, oon geloot mot bowusthoid in do kinderen beweerd op philosophische gronden

-ocr page 448-

432 § 24. HOOPDGHOND VOOR DEN KINDERDOOP.

(Theod. Beza) dat de kinderen der geloovigen als geloovigen wierden gedoopt wegens en op grond van het geloof der ouders vond geen bijval, maar verwekte tegenspraak, namelijk voor zoover daarin de gedachte lag van een plaatsbekleedend geloof \') en niet slechts van het ver-bondsrecht der ouders (zie hiervoren bl. 428).

-ocr page 449-

§ 24. HOOFDGROND VOOR DEN KINDKRDOOP. 433

Maar waarin al de Gereformeerden overeenstemmen en wat zij hierbij gezamenlijk bedoelen, is dit, dat zij verwerpen en afweren de leer der Roomschen : De Doop verandert het kind \'), en der Lutherschen : God doet het door middel van den Doop 2).

Het Schatboek van Ursinus II. p.162 zegt: „Men moet niet toestaan, dat de kinderen ganschelijk niet gelooven. Want hoewel de kleine kinderen der geloovigen niet kunnen gezegd worden zoodanig een daadwerkelijk en ontwikkeld geloof te hebben als de volwassenen, met kennis en vertrouwen van de belofte der genade, zoo moet men nochtans vaststellen, dat zij gelooven op zulk eene wijze als mot hunne jonkheid overeenkomt, namelijk door geneigdheid om te gelooven, welke geneigdheid voorwaar of een geloof of een deel en beginsel daarvan is\').

opzicht, door de hoogere levenskrachten der geestelijke moedor, der Kerk. Neander, Kirchongesch. liter Band. 3te Abth. 1831. S. 937. Over plaatsbekleedend geloof vorgel. ook Olshausen, Com-mentar. (1837) I. S. 535, zu Mare. 9 : 20 if.

\') Dit Hoofdstuk § 18.

\'J) Zie voren § 18. Luther, Catech. Maj. ed. Rechenb. p. 549 zegt dat de Doop het nieuwe leven niet alleen beteelcent, maar ook werkt, aanvangt en oefent. Want in den. Doop wordt den doopelingen gegeven genade en de Geest en kracht om den ouden mensch te bedwingen, opdat de nieuwe voorttorne en. bevestigd worde. Tot dit gevoelen van Lather zijn nieuwere Lutheranen wedergekeerd. Zoo wordt, op de vraag, ol kinderen ook geloof kunnen hebben, door Stier, Redeu des Herrn Jesu VItor Theil 1848. S. 911 met Helm (üeber Taufe und Konfirmation 1141) geantwoord: dasz eben durch die Taufe der Kern, aus dem der Bami des Glaubens erwachsen soil, in die Kmderseele gelegt, der Same des hebeni aus Gott in d.eselbe eingesenkt werde.

•\') Vergel. ook dit Leesboek Veertiende Hoofdstuk § 10.

Gravcmoüci\', Gerof. Gol. loer. 111. 28

-ocr page 450-

§ 25. GEEN WEDEUDOOP.

En gelijk niemand de kindoren uit het getal der redelijke en verstandige menschen sluiten kan, omdat zij van wege hunne jonkheid hun verstand nog niet doen blijken, alzoo mag men hen ook voor geen ongeloovigen houden, hoewel zij het geloof niet kunnen openbaren. En gelijk men de kleine boomkens die eerst geplant zijn en ter bekwamer tijd vruchten voortbrengen, niet mag noemen onvruchtbare boomen, hoewel zij nog geen vruchten dragen: alzoo moet men ook de kinderen niet stellen onder het getal der ongeloovigen, omdat zij nog metterdaad (actu) niet gelooven, maar onder de geloovigen, omdat zij geneigdheid (inclinatio) en bekwaamheid (vermogen, potentia) hebben tot het geloove. Welke geneigdheid zij niet hebben van het vleesch of van nature, maar van den Heiligen Geest en van de genade die hun beloofd is. — — Deze werkt dan in hen de wedergeboorte, genegenheden, nieuwe bewegingen en andere hoedanigheden hun ter zaligheid noodig; of ten minste Hij alleen vervult de plaats van al deze dingen.quot;

§ 25. Geen Wederdoop.

1. Gedoopten mag men niet doopen. Wie waarlijk gedoopt is, namelijk zoo dat zijn Doop werkelijk een Doop was, aan dien kan en mag niet andermaal de Doop worden toegediend. En wel wegens de Installing cn de analogie met de Besnijdenis en de beteekende zaak.

In de Instelling des Doops wordt geene herhaling aangeduid. Wel bij hot Avondmaal: daar is het : Zoo dikwijls als gij dit brood zult eten ; maar niet bij den Doop.

De Besnijdenis, in wier plaats naar den wil des Heeren

434

-ocr page 451-

§ 25. GEEN WEDERDOOP.

feitelijk de Doop is gekomen, liet naar haren aard geene herhaling toe. Zyn de besneden Joden goddeloos en den onbesnedenen gelijk, de Heere beveelt hun geeno herhaling van de lichamelijke besnijdenis, maar vermaant hen tot bekeering, tot besnijdenis, des harten «). Gedoopten, die in leer en leven hunnen Doop verzaken, worden niet geroepen om zich opnieuw te laten doopen, maar om zich te bekeeren tot dien God in wiens naam zij eens gedoopt zijn.

De Doop is het Sacrament der wedergeboorte en het teeken der inlijving in de Christelijke Kerk (Heidelb. Gat. Vr. 74. Zie hiervoren § 12); deze kan naar haren aard maar ééns geschieden : dus ook de Doop. Want het teeken moet overeenkomen met de heteekende zaak.

Wanneer Paulus zijne vermaning aan de Christenen tot vrede en eenigheid onderling aandringt met de herinnering Ef. 4 : 5: Eén Heere, één geloof, één doop, zoo is dit vanzelf voor het naast niet eene waarschuwing voor herhaling des Doops J), maar eene betuiging dat alle Christenen, uit wat natie of stand ook, een en hetzelfde bondzegel deelachtig en daardoor in het ééne lichaam van Christus ingelijfd zijn, en dat de Doop dit voor hen allen gelijkelijk heteekende en niet voor den eenen dit

\') Calvin. Instit. IV. 15. 17.

2) Calvin. Commontar. op Efoz. 4 ; 5 zegt: Verkeerdelijk leiden sommigen uit deze plaats af, dat de Doop onder de Christenen niet moet herhaald worden. Ook Van Marck, Compond. ou Morch XXX. 24 zondert deze plaats uit van de bewijzen tugen wederdoop. Anders F. Van Mastricht, Godgel. III. p. 619.

Voorstanders van don Ketterdodp beriepen zich ook op dezen tekst, waartegou echter Tertullianus opkwam. Neauder, Kirchen-gesch. Is Der 13d. 2te Abth. 1828. S. 373.

435

-ocr page 452-

§ 25. GEEN ^DEUDOOP.

voor den andere wat anders; dus geen velerlei soorten van Doop. Maar noodzakelijk volgt er toch uit, dat aan één en denzelfden mensch de Doop niet meer dan éénmaal kan en mag bediend worden : want dat zou te kennen geven tweeërlei of meer soorten van Doop, en dan ook wel verscheidenheid van Heeren en lichamen. Wordt iemand eerst dus, dan weer anders gedoopt, dan is het immers niet één Doop.

Nederl. Belijdenis des gdoofs Art. XXXIV : Wij gelooven, dat, zoo wiens voornemen is \') in het eeuwige leven te komen, die moet maar eens gedoopt worden met den eenigen Doop, zonder denzelven immermeer te herhalen: want wij ook niet tweemaal kunnen geboren worden. — Hierom verwerpen wij de dwaling der Wed, er do op er en, die niet tevreden zijn met een eenig Doopsel, dat zij eens ontvangen hebben, en daarenboven verdoemen den doop der kinderkens der géloovigen.

2. Herhaling van den Doop heeft men willen vinden Hand. 19 : 1—7, eene plaats die alle verdedigers van den wederdoop Cyprianus tot de Anabaptisten en Mennonieten tot staving van hun gevoelen aanvoerden ï). Namelijk eenige mannen die den Doop van Johannes hadden ontvangen, zouden door Paulus vannieuws gedoopt zijn.

Ware het dus, dan zou dit het eenigste voorbeeld a) in het gansche Nieuwe Testament zijn voor den herdoop

\') Latijnscho t.oksi : qui id satagit, ut vitam aeternam cnn sequatur.

\'l) Olihausen, Commentar. zur Apostolgesch. S. 862.

:l) Dit stomt zolfs Mei/er too, Kommentar zu v. 5.

-ocr page 453-

§ 25. GEEN WEDEKDOOP.

eens gedooplen van Johannes bii den overgang tot Christus. Reeds dit verwekt bezwaar. Bovendien steunt deze meening op ongegronde veronderstelling, dat de Doop van Johannes wezenlijk verschilt van den Ghristelijken Doop i).

En de woorden zeggen het niet. Immers die twaalf mannen, die Paulus daar te Efeze aantreft, worden erkend als discipelen, dat zegt als Christenen\'), en als zul ken die geloofd hebben. Dies kwam bij hen geen Doop meer te pas.

Zij waren hetzij in Palestina zelf nog door Johannes of in andere streken door discipelen van Johannes onderwezen aangaande den Persoon en de leer van Christus, den Messias, die immers de hoofdinhoud en het doel was van Johannes\' geheele verkondiging; zij hadden dat geloovig aangenomen en daarop den Doop ontvangen.

Doch, van Palestina verwijderd, waren zij onkundig gebleven van de verheerlijking des Verlossers en van de uitstorting en wonderwerkingen des Heiligen Geestes, Op Paulus\' vraag belijden zij niet meer te weten dan hetgeen Johannes had geleerd, en dat zij daarop waren gedoopt (v. 2, 3).

Maar nu legt Paulus hun de volle beteekenis en strekking van Johannes\' Doop open (v. 4): Johannes heeft wel gedoopt den Doop der bekeering, zeggende tot het volk, dat zij gelooven zouden in dengenen, die na hem

\') Zie daartegen hiorvoren § 10.

2) Hand. 19 : 1; ftxöyrxi. Ook Neander, Pflanzung 1832. S. 112 bekent: De naam [txOvrxl, zonder verdere bepaling, lean zekerlijk alleen van discipelen van Jems verstaan worden en de wijze, waarop Paulus met hen spreekt, veronderstelt immers ook, dat zij voor Christenen werden gehouden, v. 2 : TTHTTS\'jxvTe^.

-ocr page 454-

§ 25. GEEN WEDERDOOP.

kwam, dat is, in Christus Jezus. Hij echter, die komen zou, was Jezus: Op dezen wees Johannes\' leer en Doop. V. 5 : [liem, namelijk Johannes] dan hoorden en geloofden, werden door hem, door Johannes, gedoopt in den naam des Heeren Jezus, wijl zij gedoopt werden in dengenen die komende was. Bij gevolg: Gij die den Doop van Johannes ontvangen hebt, zijt in den naam van Jezus gedoopt \').

Vers 4 en 5 behooren bij elkander, hetgeen uit den grondtekst blijkt *), en behelzen wat Paulus zeide van Johannes en niet wat Paulus deed maar wat Johannes had gedaan.

Daarop (v. 6) vervolgt Lucas zijn verhaal waar hij uitdrukkelijk Paulus noemt: En als Paulus hun de handen opgelegd had, kwam de Heilige Geest op hen met zijne wondergaven. Dus door Johannes gedoopt, door Paulus met oplegging der handen bevestigd en den Heiligen Geest ontvangende 3).

\') Aldus J. ü. Van der Palm, Aanteek. op v. 5.

2) Het éde en hot 5do vers zijn in dou Grieksohon tekst door de woorden (iev — §£ verbonden. Lachmann on anderen laten naar sommige handschriften yJv weg.

Men heeft zich veel moeite gegeven om v. 5 van de mannen te Bfeze te doen verstaan, aldus; Dezen Paulus gehoord hebbende werden (door den Apostel zeiven of door anderen op ziinen last) gedoopt. Aldus ook Stier, Redeu des Herrn Jesu VIter Theil (1848) S. 195 f

•\') Onze Kantteekenaars geven de rechte verklaring. Vergel. De Moor, Commeutar. in Marck P. V. p. 400 sqq.

Calvin. Inst. IV. 15. 18 ontkent wel den herdoop dor Johan-nisdiscipelun {rehaptizatos nego, maar verstaat Hand. 19 ; 5 verkeerdelijk van den Doop met don Heiligen Geest en neemt v. 6 voor eene nadere beschrijving daarvan.

438

-ocr page 455-

§25. GEEN VVEDEUDOOB.

3. De Protestansche Kerken verwerpen den wederdoop, evenals de Roomsche i). De Grieken houden het doopen met besprenging voor geen Doop, en de besprengden, die tot hen overkomen, worden bij hen met indompeling gedoopt, evenals Ae Baptisten. De eigenlijke Wederdoopers, Anabaptisten, ten tijde der Hervorming, die het Koninkrijk der hemelen met geweld wilden nemen en eene Kerk van enkel wedergeborene heiligen wilden vestigen, konden het teeken der kerkgemeenschap aan geen onmondige kinderen geven : die in hunne kindsheid gedoopt waren, beschouwden zij als ongedoopten, en dezen, tot hen zich voegende, doopten zij. Desgelyks nog de Baptisten en Mennonieten. Zij zeiven achten dit geen wederdoop en zich geen wederdoopers, maar noemen zich Baptisten, Doopsgezinde Christenen, als zulken die den rechten Doop hebben, aangaande den Doop recht gezind zyn. Maar naar het inzien van al degenen, die het Goddelijk recht van den kinderdoop erkennen, is het doopen van degenen, die in hunne kindsheid gedoopt waren, een wederdoop en zijn zij, die zulks doen, wederdoopers.

Bij de Mennonieten werden vroeger ook degenen van-nieuws gedoopt, die een tijdlang geëxcommuniceerd waren geweest; thans niet meer. Ook de wederdoop van hen, die als Christenkinderen reeds gedoopt waren maar als volwassenen tot hunne gezindte overkwamen, bleet niet in algemeen gebruik, maar werd bij hen aan vele plaatsen afgeschaft1). Nieuwelings verklaarden zelfs sommige Doops-

439

1

) Winer, Compar. Darstell. 1882. S. 185. Uitvoerig: G. Vüringa, Doctriua, cur. M. Vitriuga Pars VIL p. 333—364: De Baptismo Meuuonitarnm. Aldaar p. 360 sqq. van de iteratio

-ocr page 456-

§ 25. GEEN WEDERDOOP.

gezinden, hunnen naam verzakende, dat over het geheel het ondergaan van den Doop bij do toetreding tot de gemeente niet langer diende verplicht te zijn, maar alleen belydenis, met plechtige aanneming lt;).

3. Is de Doop door ketteren goed ? Dit werd kort na het midden der derde eeuw eene twistvraag, die veel beweging verwekte *). Ten gronde lag hierbij voornamelijk het verschillend begrip van Kerk en de vraag, of en in hoever de kracht des Doops afhing van des bedienaars verhouding tot de Kerk.

De handelwijs was tot daartoe niet overal gelijk. In Klein-Aziè en de aangrenzende landen oordeelde men, alleen die Doop was geldig, die in de rechtzinnige Kerk werd bediend, de Doop door ketters, nietig, weshalve degene, die van eene sekte tot de rechtgeloovige Kerk overkwam, hier eerst, evenals de Heiden, den waren Doop moest ontvangen, wijl alle godsdienstige verrichtingen alleen in de Kerk hare ware beteekenis en kracht hadden.

In de Roomsche Kerk daarentegen handelde men ruimer. Daar hield men zich meer aan het objectieve, het voor-werpelijke bij den Doop en ging van de grondstelling uit, dat de Doop door de objectieve, van geen individuëele hoedanigheid en positie des bedienaars afhankelijke beteekenis dos Naams van Christus of van de Drieëenheid, daarbij aangeroepen, steeds volle geldigheid had, door

Baptismi, mot aanhalingen uit de geschriften van Menno Simons on anderen.

\') Geloof en Vrijheid, 1872. 3do Aflevering, p. 284 v. 2) Neander, Kirchongosch. Istor Bd. 2te Abth. 1828. S. 372 fl. G. E. Steitz in Herzogs Roal-Enc. Vil. Ö. 534 fl\'. De Moor, Commontar. in Marok P V. p. 443 sqq.

440

-ocr page 457-

§ 25, GEEN WEDERDOOP.

wion on in welke godsdienstige gezindte hij ook was bediend. Aldus gedoopte ketters hield men voor werkelijk gedoopt, en tot de Kerk overkomende werden zij niet vannienw gedoopt maar alleenlijk door den bisschop met oplegging der handen bevestigd (Vormsel). — De westersche gemeenten volgden daarin stilzwijgend meestal het voorbeeld van Rome.

Tegen het einde der tweede eeuw begonnen echter daarover nadere verhandelingen. Eerst in Klein-Azië, dan ook in Afrika, waar Tertullianus zich tegen het Roomsche kerkgebruik verklaarde en beweerde, de ketters hadden niet den waren God en Christus, dies was hun Doop zoo goed als geen Doop. Verscheiden Provinciaal-Synoden verwierpen den ketterdoop : te Karthago om het jaar 200, iets later, te Ikonium en Synada in Klein-Azië.

Strijd daarover ontstond door Stephanus I., 253—257 bisschop te Rome, die de verwerpers van den ketterdoop Wederdoopers, Anabaptisten, noemde en veroordeelde. Tegen hem verzette zich Cypricmus, bisschop te Karthago, onder wiens invloed twee synoden (255 en 251)), de eene van 18, de andere van 71 bisschoppen, uitspraken, dat de door ketters toegediende Doop niet voor geldig was te houden. Nog eene derde synode onder Gyprianus verklaarde zich tegen de geldigheid van den Doop door ketteren. Uit Klein-Azië ontving Gyprianus getuigenis van instemming met zijn gevoelen. De Kerk van Rome bleef echter bij hare oude gewoonte.

De strijd bedaarde, onder andere beroeringen der Kerk. Intussciien ia de vierde en vijfde eeuw, ofschoon nog enkelen als do twee Kappadociërs Basilius de Groote (f 370) en Greyorim van Nazianz tegen den Doop door

441

-ocr page 458-

§ 25. GEEN WEDERDOOP.

ketters hunne stem verhieven, kreeg het Roomsche gevoelen en gebruik algemeen de overhand; vooral door den machtigen invloed van Augustinus (f 430), die daarbij deze toelichting voegde: De Doop buiten de Kerk, doch naar Christus\' instelling bediend, is wel een ware Doop, maar strekt den gedoopten ketter of schismatieker niet ten heil maar tot verderf, indien hij buiten de Kerk blijft, en begint dan eerst voor hem nuttig te zijn en tot zegen te werken, wanneer hij zich bij de Kerke voegt. Gedoopte ketters, geteekend met het onuitwischbaar merk der Kerke, behooren dan aan de Kerke toe en moeten dienvolgens op alle wijze tot haar worden teruggebracht\'),

Bij de Eoomschen is dan de ketterdoop kerkelijk erkend, mits bediend zijnde in den naam der Drieëenheid en met de bedoeling (intentie) om te doen wat de Kerk doet1 ). Ook de Griekschen, niettegenstaande hun vasthouden aan de indompeling, dringen niet aan op wederdoop van die by andere gezindten in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes gedoopt zijn.

Daar de Roomsche Kerk de geldigheid van den ketter-

342

1

) Tridentin. Sess. VIL De Baptismo. Cauon IV: Si quis dixerit, baptismum, qui etiam datur ab haere\'ticis in nomine Patris et Filii et Spiritus Sancti, cum intentione faciendi quod facit eocksia, nou esse verum baptismum : anathema sit.

-ocr page 459-

§ 26. GEEN WEDERDOOP.

doop erkende, kon zij ook den Doop door Protestanten niet verwerpen. En wederkeerig hebben de Protestanten van den beginne aan den Roomschen Doop als Christelijken Doop geëerbiedigd en hebben het niet bij zich laten opkomen de tot hunne gezindte overkomende Roomschen vannieuws te doopen\'). Het kwam Luther, Zwingli, Galvyn niet in gedachten zich nogmaals te laten doopen.

De Nationale Synode te Middelburg 1581 heeft op de 74ste der Particuliere Vragen: Waarvoor men den Doop van de vagebonden (omzwervende) Priesleren (sacerdotum circumvagantium) houden zal, geantwoord : Dewijl zij macht hebben om te doopen, volgens de orde der Roomsche Kerk, zoo zal de Doop door hen bediend (hoewel zij uit hunne plaats verdreven zijn) niet herhaald worden. Maar de Doop van monniken en dergelijke, die geene macht hebben om te doopen, volgens dezelve orde, zal van geene waarde gehouden worden.

Synode te Dordrecht 1619. Nahandelingen. Sessie 162. II: Men zal den Doop der papen (Sacerdotum Romanen-sium), die in deze landen omzwerven, en der Mennisten niet zonder merkelijke (gewichtige) reden (non absque ratione sontica) herhalen, maar naarstelijk onderstaan (onderzoeken) of de vorm en de substantiëele dingen des Doops (namelijk het gebruik des waters en de woorden der Instelling) zijn onderhouden ; hetwelk bevonden zijnde, zoo zal men den Doop geenszins herhalen.

:\') Hagenbach, Dogmongosch. § 270. Calvin. Instit. IV. 2:11: Do Heero heeft bij de Koomschen het getuigenis zijns Verhonds, den Doop bewaard, die door zijnen mond geheiligd, in weerwil der menschelijke goddeloosheid, van kracht blijft (vim suam re-tinet). — Evenzoo Luther. G. E. Steitz in Herzogs Real-Enc. VII. S. 538.

443

-ocr page 460-

§ 25. GEEN WEDERDOOP.

Hebben de Gereformeerden den Doop door Roomschen, die immers de Drieëenheid standvastig belijden, niet voor ongeldig verklaard, veelmin den Doop der Lutherschen.

Het is dus ongereformeerd alleen den Doop door Gereformeerden als waren Doop te willen doen gelden.

Doch niet alsof iedere Doop, door Ongereformeerden bediend, voor goed ware te achten. Hier zijn bepaalde grenzen, die men niet mag overschrijden, waarvoor onze vaders, behoorlijk onderscheid makende, ook hebben gewaarschuwd \').

Immers, is de Doop het werk van den dienaar der Kerk (zie voren § 20) en doopt de doopende niet voor zich zeiven, maar voor de gemeenschap waartoe hij behoort, zoo volgt, dat de doopende, hoe hij persoonlijk ook denke en geloove, niet mag behooren tot eene gemeenschap, die de fundamenteele waarheden, als de menschwording des Zoons Gods en de Goddelijke Drieëenheid openbaar loochent en geen deel meer is van de Christelijke Kerk maar buiten haar staat a). Want hoe verschillend men anders over de beteekenis en kracht des Doops ook denke, dit staat toch vast: de Doop is eene handeling der Ghristelijke Kerk en kan dienvolgens alleen in zulk eene gemeenschap door zoodanige personen bediend worden, die krachtens hunne belijdenis tot de Christelijke Kerk behooren. Dit wordt geheel miskend door de Roomschen bij hunne stelling, dat ook nietgedoopten, zelfs Heidenen en Joden geldig doopen kunnen 3).

\') De Moor, Commentar. in Marck. P. V. p. 448 sqq. C. Vitringa, Doctrina. P. Vil. 83 sq.

-) Negentiende Hoofdstuk § 9. § 13.

3) G. E. Steitz in Herzogs Eoal-Euc. VII. S. 539. Ebrard

-ocr page 461-

§ 25. geen wederdoop.

Brakel gt;) zegt: 1. De Doop moet geschieden in de ware kerk van Jezus Christus: want door den Doop wordt de doopeling der Kerke, in uelke de Doop geschiedt, ingelijfd —

2. Indien iemand gedoopt wordt in eene vergadering die keüersch is in de leer en wier leeraars dienvolgens geen wettige zending hehhen, die gedoopte, komende tot het geloove, moet gedoopt worden, \'t welk niet is herdoopen, want het eerste was geen Doop.

Hierbij is wél iets aan te merken. Bij het eerste dit: de ware Kerk is niet de Gereformeerde alleen 1). De Gereformeerde Kerk is eene ware Kerk, eene, en wel uitnemende, afdeeling van de Algemeene Christelijke Kerk \'), die in de verschillende afdeeiingen, welke zichtbaar bestaan, verspreid is. De inlijving door het zienlijk teeken des Doops is wel voor net naast eene inlijving in die bijzondere Kerk in welke de doopeling wordt gedoopt, maar in deze Kerk als af deeling der Algemeene: het is dus eene inlijving in de Christelijke Kerk, waardoor de gedoopte onderscheiden wordt van alle niet-christenen {lïeidelh. Gat. Vr. 74i).

En bij het tweede moeten wij niet voorbijzien wat Brakel er op laat volgen, waar hij zelf toestemt: Eene particuliere Kerk kan wel in vele punten dwalen; maar zoolang het fundament zuiver behouden wordt, blijft zij eene ware Kerk, en de waarheid van den Doop wordt door

445

1

) Negentiende Hoofdstuk § 14.

-ocr page 462-

44G § 26. ééns voor \'t leven.

de onzuiverheid niet weggenomen, gelijk ook niet, als de gezondene leeraar bij zich zeiven onbekeerd in leven en heimelijk kettersch in gevoelen ivas: want de kracht des Doops hangt niet aan den bedienaar.

§ 26. Ééns voor \'t leven.

1. De Doop ziet niet alleen op het verleden, is niet alleen het zegelteeken der reiniging van de erfzonde en van de vóór den Doop begane dadi lijke zonden, gelijk de Roomschen stellen.

Door deze dwaalmeening werden, sedert men het uitwendige en het inwendige, teeken en beteekende zaak, begon te verwaaren en te vereenzelvigen en het uiterlijke waterbad voor de afwassching der zonden zelve te houden, velen verleid om hunnen Doop zoolang mogelijk uit te stellen, ten einde aldus, naar zij dachten, met éénmaal van alle zonde gereinigd te worden. Velen bleven wachten tot zij door zware ziekte of door eenig ander plotseling gevaar tot de gedachte kwamen dat zij nu sterven zouden. Vandaar dat bij openbare rampen, bij aardbevingen, bij \'t dreigen van oorlog tal van menschen den Doop begeerde en er nauwelijks geestelijken genoeg waren om allen te bedienen \').

Maar de Doop is voor den geloovige teeken en zegel van de afwassching in Christus\' bloed van al hunne zonden vóór en na den Doop begaan, is niet de afwassching zelve, maar teeken en zegel daarvan, een Goddelijk waar-

\') Neander, Kirohougosch. lltor lid. 2to AbtL. 1830. S. -160.

-ocr page 463-

§ 26. ééns voor \'t leven.

teeken dat voor het gansche leven geldt, op wat tijd ook ontvangen. Dus niet voor het verleden alleen.

Nog minder is de Doop alleen voor die oogenblikken van nut en kracht, in welke hij wordt toegediend. Nederl. Belijd, des Gel. Art. XXXIV : De Doop is niet alleen nut zoolang het water op ons is \\en dat wij het ivater ontvangen, maar ook al den tijd onzes levens •).

2. Wij moeten gedurig aan onzen Doop gedenken. De eens ontvangene Doop is eene voortgaande herinnering van het Goddelijk Verbond en vermaant ons de zonde af te leggen en voor God te leven.

Onze Doop maakt ons indachtig de troostvolle, alle heil bevattende Verbondsbelofte Gods; Ik zal uw God zijn, de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. Dat bemoedigt en troost het hart, waar het anders dreigt te bezwijken onder zwarigheden en nooden dezes levens en vooral onder onder het drukkend gevoel van onze wel bestredene maar niet uitgeroeide, altijd nog aanklevende verdorvenheden en onder de beschuldigingen van ons geweten wegens de dadelyke overtredingen met gedachten, woorden en werken, wie zal ze tellen ? en vooral wegens bijzondere, zware bezondigingen, waartoe ook de meest geheiligde kan vervallen.

447

Maar als wij somtijds uit zwakheid in zonden vallen, zoo moeten wij aan Gods genade niet twijfelen noch in de zonde blijven liggen, overmits de Doop een zegel en ongetwijfeld getuigenis is, dat wij een eeuwig Verbond der

\') Hierachter heeft eerst nog gestaan, hetgeen 1566 is weggelaten : Anders moesten wij altijd hel hoofd in het water hebben. J. J. Van Toorenenbergen, Symbol. Schriften p. 54 u. 3.

-ocr page 464-

§ 26. ééns voor \'t leven.

genade met God hehhen. {Formulier van den Kinderdoop). Want hergen zullen u-ijken en heuvelen wankelen, maar mijne goedertierenheid zal van u niet wijken en het verhond mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere, uw Ontfermer Jez. 54 : 10.

3. Door den Doop wordt onze voortgaande heiligmaking verzekerd en aangedrongen. Want afe wij gedoopt tcorden in den naam des Heiligen Geestes, zoo verzekert ons de Heilige Geest door dit Heilig Sacranent, dat Hij hij ons wonen en ons tot lidmaten vnn Christus heiligen wil, ons toeeigenende het gene wij in Christus hehhen, namelijk de afwassching onzer zonden en de dagelijksche vernieuwing onzes levens, totdat wij eindelijk onder de gemeente der uitverkorenen in het eeuwige leven onbevlekt zullen gesteld worden {Formulier van den Kinderdoop).

Dit is treffend, diep gevat. Eerst de Goddelijke verzekering van onze heiligmaking. Daarop gegrond en daaruit volgende de aandrang tot heiligheid i), de vermaning en verplichting om den eenigen God, Vader, Zoon en Heiligen

Geest aan te hangen, te betrouwen en lief te hehhen,--

de wereld te verlaten, onze oude natuur te dooden en in een nieuw Godzalig leven te wandelen (Formulier).

a. De Heilige Geest eigent ons toe hetgene wij voor-werpelijk in Christus hehhen, dat wil zeggen, hetgeen Christus door zijn dood en opstanding voor ons heeft verworven1). Daarvan is de Doop eene sacramenteeie verzekering.

448

Aldus leert Paulus Rom. 6:3: Zoo velen ais wij in

1

Calvin. Instit. IV. 15. 5. Vergel. dit Twintigste Hoofdstuk § 4. \') J. A. Wonnser, De Kinderdoop, 2de dr. 1864 p. 71.

-ocr page 465-

§ $6. ÉÉNS VOOR \'T LEVEN.

Christus Jezus gedoopt zijn, gijn wij in zijnen dood gedoopt. 4. Wij zijn dan met Hem hegraven door den Doop in den dood, opdat, gelijkerwijze Christus uit de dooden opgewekt is tot (door) de heerlijkheid des Vaders, alzoo ook wij in nieuwigheid des levens wandelen zouden.

Christus is gestorven en tot bevestiging daarvan begraven en is uit de dooden opgewekt niet voor zich maar als Piaatsbekleeder voor zijn volk, het Hoofd voor| geheel het lichaam. Hetgeen voorwerpelijk in Christus is volbracht, wordt onderwerpelijk door het geloof het eigendom der zijnen. Het is het werk des Heiligen Geestes, hun het sterven en het herleven des Verlossers met de vruchten van beide door het geloof, door hunne geestelijke, geheimzinnige vereeniging met Hem toe te eigenen : zijnen dood als en tot hunnen dood, zoodat zij, die voorwerpelijk in Hem gestorven zijn, nu ook onderwerpelijk met Hem sterven aangaande alles wat zij eigens hebben en van nature zijn, dat is naar hunnen ouden mensch ; en zijne opstanding tot hunne opstanding, tot verwekking in hen van een nieuw leven, zoodat zij, die voorwerpelijk in en met Christus zijn opgewekt, nu ook onderwerpelijk tot nieuwigheid des levens met Hem opstaan, daar Christus in hen komt loven (Gal. 2 : 20), en dat is de nieuwe mensch in hen i).

Dit geestelijk sterven en opstaan gaat voort geheel het leven des geioovigen door tot aan zijne verhuizing uit deze wereld. Maar de Doop verzekert het. „Want zoolang wij in dezen kerker onzes lichaams opgesloten leven, zullen er in ons overblijfselen der zonde huisvesten ; maar wanneer

449

29

-ocr page 466-

450 § 27. INSTELLING VAN HET PASCHA.

wij de belofte in den Doop ons van God gegeven door het geloof vasthouden, zullen zij geene heerschappij voeren «).quot;

b. Nadat de Apostel dit fundament gelegd en vastgesteld heeft tot v. 11 toe, komt hij v. 12 tot de daaruit voortvloeiende verplichting der Christenen. Daar eerst gaat hij over tot vermaning, hun voorhoudende hoe zij dan ook als gedoopten aan hunne roeping behooren te beantwoorden. Hij trekt uit het voorgestelde eene algemeene vermaning : dat de zonde dan over ons niet moet heerschen maar wij over de zonde, hetwelk hij voorts nader uitbreidt en met vele beweegredenen aanbindt. Dus is de Doop ook eene wijding tot den strijd tegen de zonde en waar-teeken van overwinning. Ten einde daarin te volharden en wegens de „vele gebreken en ellendigheid, die wij nog in ons bevinden,quot; niet kleinmoedig te worden, hebben wij gedurige versterking noodig en moeten dus ook begeerig zijn naar het Heilig Avondmaal, het Sacrament der voeding.

II. HET HEILIG AVONDMAAL.

§ 27. Instelling van het Pascha.

Op den Doop, het Sacrament der wedergeboorte en der inlijving in de zichtbare Kerk, volgt het Avondmaal, het Sacrament der voeding tot versterking der gemeenschap. Het tweede is niet zonder het eerste: het Avondmaal is alleen voor gedoopten. Ook hierin vertoont zich eene

\') Calvin. Instit. IV. 15. 11.

-ocr page 467-

g 27. INSTELLING VAN HET PASCHA.

merkwaardige overeenkomst van de Nieuwe Verbonds-bedeeling met de Oude. Want tusschen Doop en A vondmaal bestaat dezelfde verhouding als tusschen Besnijdenis en Pascha. Het Pascha veronderstelt de Besnijdenis. De Heere heeft uitdrukkelijk gezegd: Geen onhesnedene zal daarvan eten, Exod. 12 : 48. Sedert bij Israël in de woestijn de Besnijdenis nableef, werd dan ook het Pascha niet gevierd, dit begon eerst weder nadat onder Jozua de Besnijdenis was hervat \').

Het Pascha is door den Heere ingesteld kort voor den uittocht der kinderen Israels uit Egypte, toen eene nieuwe tijd voor het volk aanbrak.

De laatste en ontzaglijkste der tien plagen was door Mozes aangekondigd. Alle eerstgeborenen in Egypteland zouden sterven, maar voor Israël weid door het Pascha leven en vrijheid verzekerd. Het zou nu blijken, dat de Heere tusschen de Egyptenaren en de Israëlieten eene afzondering, eene besliste scheiding maakte (Ex. 11 : 4—7).

De volledige wet van het Pascha is begrepen in Exod. 12 : 1—20, zooals zij door den Heere aan Mozes en Aaron in Egypte is bekend gemaakt (naar v. 1), terwijl v. 21 vv de latere afkondiging dezer wet door Mozes aan het volk behelst a).

De Heere gebood aan Mozes en Aaron, de Israëlieten zouden in den schemeravond voor den nacht, in welken Hij al de eerstgeborenen der Egyptenaren wilde slaan, een lam slachten, een manneken, een jaar oud, volkomen

\') Joz. 5 : 7, 10. Hengstenberg, Gesoh. des Roiches Gottes unter dom A. B. II. 1. S. 53 208. Kurtz, G-osch. dos A. B. II. § 80. S. 424 f.

») Oehler, Thool. des A. T. I. S. 544.

451

-ocr page 468-

§ 27. INSTELLING VAN HET PASCHA.

on zonder gebrek, een schaaplam of ook een geitenbokje. Van het blood des geslachten diers zouden zij strijken aan de beide zijposten en aan den bovendorpel van de huisdeur. (Daar was het den voorbijganger zichtbaar en viel dadelijk in het oog ; daarom niet aan den onderdorpel of drempel, ook opdat men er niet op tiad. De deur bestreken was zooveel als heel het huis). De huizen, aan welke de Heere het bloed zag, wilde Hij verschoonen, wanneer Hij Egypteland sloeg. Zij zouden het lam [n zijn geheel, met hoofd en schenkelen en ingewand aan den vure braden en het vleesch in dienzelfden nacht eten met ongezuurde brooden en met bittere saus, de lendenen opgeschort, schoenen aan de voeten, d^n staf in de hand,

reisvaardig, met haast.

Te middernacht sloeg de Heere al de eerstgeborenen in Egypteland. Geen huis of er was een doode. Door smart en angst gedreven gaf Pharaö aan Israël vrijheid, ja dringend bevel om uit te trekken, en het volk des Heeren toog wél geordend als in zegepiaal uit.

Tot gedachtenis hiervan zou Israël voortaan jaarlijks het Paaschfeest vieren, het feest der verschooning.

Pascha i) beteekent eigenlijk overspringing voorbijgang,

i) Hobr. nDÖ Pusach, waaruit later iv. het Arameenscha dialect KHpÖ Pascha werd, en vandaar het Grieksche ttxtX* biJ de LXX. Do Vulgata hoeft (in het O, T.) daarvoor Phase en voegt or Exod. 12 : 11 bij: id est transitus.

Souuuige uitleggers oordeoleu dat hot woord Pascha (Hobr. Pesach) niet beteekent voorbijgang, verschooning, maar vrijmaking, bescherming, beveiliging. Aldus ook Van der Palm, Aanteek. op Exod. 12 ; 13 on Bijbel voor de Jeugd, quot;de Dool, 2do druk, p. 73. Hij volgt daarin Vriemoet eu (golijk doorgaans) Schultens;

452

-ocr page 469-

§ 27. INSTELLING VAN HET PASCHA.

een gepaste treffende n\'tdrukking voor de verschoonende, sparende uitzondering, die de Heere aan Israël bewees, daar Hij voor der kinderen Israels huizen voorbijging in Egypte en hunne huizen bevrijdde, toen Hij de Egyptenaars sloeg (Exod. 12 : 27).

Ook de Israëlieten waren zoowel als de Egyptiërs strafwaardige, zondaren. Naar streng recht moest het vreeselijke strafgericht ook Israël treffen. Maar uit vrije gunst wilde God dit zaad Abrahams sparen, en door zijne verschoonende en vrijmakende genade zou het een volk, zijn volk worden (Ps. 100 : 3), terwijl intusschen ook bleek, dat het bloed der verzoening moest tusschenbeide komen, namelijk tusschen de schuld des volks en de zegening des Heeren.

Er begon nu een nieuwe tijd. Dit werd aangeduid doordat de Heere de maand van den uittocht aan het hoofd der maanden stelde. De maand Abib, de Arenmaand. na de ballingschap Nisan genoemd, in welke Israël door de sterke hand des Heeren uit Egypte werd uitgevoerd (Exod. 13 : 4), zou van nu aan de eerste maand van \'t jaar zijn\')) namelijk van het kerkelijk jaar, terwijl het

Pascha beteekent hem bevrijdings- en heveilif/inf/sfeest. Do beteekonis voorbijgang, verschooning staaft met de redenen De Moor, Com-mentar. in Marck P. V. p. 291 sp. Winer, Lexic. Hebr. stelt als eerste en eigenlijke beteekenis van HDS (pasach) transiit,

~ T

voorbijgaan Gesenius, Handwörterb.: HDiD (Exod. 12 ; 13) vorüber-

- T

gehen, verschonen; HDÖ eigentlich schonmdes Vorübergehen,

Verschonung. Zoo ook Joh. Buxlorf, Lex. Chald. 1G39. p. 1765: transitus.

1) God gebiedt den Israëlieten het jaar te beginnen van de maand, in welke zij waren uitgegaan uit Kgypte, niet anders dan alsof dit

453

-ocr page 470-

§ 28. HET PAASCHLAM EEN OFFER.

burgerlijke jaar gerekend bleef te beginnen met do maand dio na de ballingschap Tisri heette en met onzen October overeenkomt.

Op den veertienden dag des avonds, ter vollemaan van de maand Abib (Nisan), die met de nieuwemaan van onzen Maart aanvangt, zou Israël voortaan het Pascha houden (Num. 9 : 3), dat zegt: het Lam slachten en eten ; de 15de en de volgende feestdagen heeten het Feest der ongezuurde brooden (Levit. 23 : 6), doch niet als een tweede feest, maar alleen ter onderscheiding van het eten van het Pascha, hetwelk het begin en hoofdbestanddeel der feestviering was en voor hetwelk reeds alle zuurdeesem moest zijn weggedaan; het Feest der ongezuurde brooden begrijpt in zich de geheele viering, al de zeven dagen met insluiting van den paaschmaaltijd\') blijkens Exod. 12 : 18.

§ 28. Het Faasciilam een offer.

De hoofdzaak van het Israëlietische Paaschfoest was het lam, dat geslacht en welks bloed gesprengd werd tot een zondoffer, en welks vleesch gegeten werd als een offermaal en Sacrament.

1. Het Paaschlam is aan te merken als een offer 1).

454

1

) Zoo te recht (tegen Keil en Ewald), met Hengstenberg, Kurtz, Gesch. des A. B. 11. S. 12C f. ou Z)ex;eZ/rfe, Der Alttestam. Opfercultus 1862. S. 311 f.

-ocr page 471-

§ 28. HET PAASGHLAM EEN OFFER.

Dit hebben sommigen onder de oude Protestantsche Godgeleerden \') ontkend, bij hunne bestrijding van deRoomsche opvatting des Heiligen Avondmaals als offerande, als onbloedige herhaling van Christus\' bloedige offerande aan het kruis. Maar a. de Schrift noemt liet uitdrukkelijk een offer, reeds Exod. 12 : 27: Dit is den Heere een Paasch-offer. b. En het moest geslacht worden ter heilige die de Heere zou verkiezen, Deut. 1G : 5, G, de plaats der offeranden, c. En het bloed werd na de oprichting des heiligdoms aan het altaar gesprengd en het vet op het altaar verbrand, 2 Kron. 30 : 16. 35 : 11; dus was het een offer. De huisvaders slachtten het lam in den tempel, de Priesters sprengden het bloed. d. De Joden hebben het te allen tijde voor een offer gehouden en ook Paulus kenmerkt het als zoodanig 1 Kor. 5 : 7.

2. Het Paaschlam was dus een offer, het eerste van de wettische offers die de Heere voor Israël verordende. Het vereen igde in zich de eigenaardigheid van zondoffer en dankoffer.

a. Het was een zond- of zoenoffer. De besprenging des hloeds, die wezenlijk tot het Pascha behoort (Hebr. 11 : 28), wordt inzonderheid nog door het gebruik van de hysop (Gen. 12 : 22. Vergel. Ps. 51 : 9) als ontzondigend gekenmerkt. Dat het een eigenlijk zoenoffer was, blijkt

Opfovcultns § 182. Hengstenberg, Gosch. des Reiches Got tos unter dem A. B. II, 1. S. 51. Stier, Redon des Herrn Josu VIter Theil. 2858. S. 85. Von Oerlach, Einloit. zu Exod. 12. Olshausen, Commeutar. II. Bd. 1838. S. 411. zu Matth. 25:17.

:!) Bij name Luherschen. Onder do nieuworen wil Van llofmann het Pascha niet voor een offer erkennen. Oehler, Thool. des A. T. I. S. 548 f.

455

-ocr page 472-

§ 38. HET PAASCHI-AM EEN OFFER.

ten klaarste uit de eerste instelling, daar het bloed des lams aan de deuren het volk zeker stelde voor het verderf, naar het Woord des Heeren Exod. 12 : 13 : Dat bloed zal ulieden tot een feeken zijn aan de huizen daar gij in zijt: wanneer ik bloed zie, zal ik ulieden voorbijgaan, en daar zal geen plage onder ulieden ten verderve zijn, wanneer ik Egypteland slaan zal. Israël zou bij het strafgericht dat over Egypte kwam, de dooding der eerstgeborenen, verschoond blijven. Maar het volk zou ook weten dat het deze verschooning niet aan eigene waardigheid mocht toeschrijven, integendeel dat het evenmin als de Egyptenaren bestaan kon, wanneer God als Rechter optrad. Daarom verordende de Heere een plaatsbekleedend zoenoffer. i). Wie toenmaals en in al de volgende tijden het

\') Terwijl A. Ritschl, Reohtfertigung und Versöhnung liter Band 1874 S. 175 verzekert, dat het Paaschoffer, nicht den Ckarakter des Sündopfers, sondern den des Heilsopfers an sich tragt, bekent zelfs O. PJleiderer, Der Paulinisraus S. 98 : Die stellver-tretende Sühnung ist unleuqbar der Grundgedanke dieses uraltcn Ritus, dieses semitischen Ver sacrum, in welchem die der Gottheit verfallene menschliche Erstgchurt durch das stellvertretend geslachtete Lamm ausgelöst und damit Hire Verschonung erlcauft wird.

Verschonungquot; bedeutet ja der hebraische, gt; Lósungquot; der arabische Name dieses Ritus).

Ook Ebrard, Das Dogma vom Heil. Abendmahl I. S. 34 neemt de beteekenis verschooning aan. Voorts zegt bij S. 31: Het lichamelijk volkomen lam was (op zich zelf niet schulddelgend maar) alleen een voorbeeld van het geestelijke, zondelooze, Nieuw-testamentelijke Lam Gods ; do dood van dat lam slechts een voorbeeld van hetgeen op Golgotha geschiedde; dat het lam gegoten moest worden, een voorbeeld hiervan, dat alleen degene aan de verzoening door Christus\' dood deel hoeft, in wien Christus ingeboren, wie een levend lid van Christus\' lichaam

45fi

-ocr page 473-

§ 28. HET PAASCHLAM EEN OFFER.

Paaschlam slachtte, deed daardoor zinnebeeldig belijdenis, dat ook hij verdiend had door Gods toorn te worden getroffen, en dat hij alleen van Gods genade, die het plaatsbekleedend offer aannam, de verschooning en behoudenis verwachtte. De Israëlieten moesten God op zijn woord gelooven : het bloed des lams in de plaats van hun bloed.

b. Maar het was tegelijk ook een dankoffer. Namelijk het als offer geslachte lam werd gemeenschappelijk door het huisgezin gegeten, door een getal gasten voor welke het lam niet te veel noch te weinig was (Exod. 12 : 4), volgens de latere Joden niet beneden tien, niet boven twintig \'). Was het Paaschlam een offer, zoo volgt dat dezejaarlijkschemaaltijddebeduidenis had van een offer maal, in denzelfden zin als ieder offermaaltijd, als betooningen bevestiging der op de verzoenende offerande gegronde gemeenschap met God, als persoonlijke toeeigening aan de genietenden van den zegen en de vrucht der offerande. Dit eten van het offervleesch geschiedde anders alleen bij dank- of vredeoffers, nooit bij zoen- en zondoffers. Dies was het Pascha zoen- en dankoffer tegelijk.

De bittere kruiden daarbij waren niet alleen eene herinnering aan het bitter lijden des volks in Egypte, hetwelk hun de verlossing begeerlijk maakte, maar ook eene gevoelige getuigenis van de bitterheid der zonde (Jerem,

wordt. Ja gehoel do redding van de toonmaals dreigende bijzondere straf der zondigheid was slechts een voorbeeld voor do verlossing van den vloek der zonde over \'t geheel.

\') P. Van Mastricht, Godgel. Ill p. 631. Kurtz, Gesch. des A. B. If. S. 128. Dezelfde, Der Alttestam. Opfercultus. § 186.

457

-ocr page 474-

§ 29. HET LAM GODS CHRISTUS.

2 : 19), waardoor het offer der verzoening zoet en smakelijk wordt gelijk het vleesch door het toekruid. De ongezuurde hrooden zijn een beeld van de oprechtheid en tvaarheid (1 Kor. 5 : 7, 8), die de bondgenooten zullen betrachten. De staf in de hand, de ophindiny van het lange kleed om de lendenen, de schoenen aan de voeten, waarmede de kinderen Israels het Pascha moesten eten, toen zij haastende uit Egypte stonden te gaan, zijn een zinrijke aanduiding van de bereidheid en volvaardigheid, die den verlosten betaamt, om in de wegen Gods te wandelen, begeerig naar het hemelsche vaderland (Hebr. 11 : 16).

§ 29. Het Lam Gods Christus.

Het Paaschlam was een voorbeeld van het Lam Gods Christus, wiens bloed al de zijnen van het verderf bevrijdt en het eeuwige leven deelachtig maakt.

1. Door geen Profeet des Ouden Testaments is de Messias uitdrukkelijk het Lam Gods genoemd. Alleenlijk heeft Jezaja 53 : 7, waar hij het plaatsbekleedend lijden van den Knecht Gods teekent, Hem wegens zijn stil geduld met een lam vergeleken: Als een lam werd Hij ter slachting geleid en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, alzoo deed Hij zijnen mond niet open (vergel. Jerem. 11 : 19). Dat de Profeet dit van Jezus zegt, weten wij uit de verklaring van Philippus aan den kamerling (Hand. 8 : 34, 35).

2. Door den Heiligen Geest verlicht sprak de Dooper Johannes: Zie, het Lam Gods dat de zonde der wereld wegneemt. Joh. 1 : 29. Dit zeide hij met den vinger op Jezus wijzende die daar tot] hem kwam, en wel bij

458

-ocr page 475-

§ 29. HET LAM GODS CHRISTUS.

459

Bethabara, hel: Jordaanveer, waar inzonderheid tegen het Paaschfeest (hetwelk nabij was, Joh. 2:13) scharen van lammeren uit het Overjordaansche de rivier overbracht werden om naar Jeruzalem te gaan ter offerande. Maar al de uiterlijke offers, waaraan het vleeschelijke Israël bleef hangen, konden de zonde niet waarlijk verzoenen. Daar roept nu de Dooper den volke toe ; Ziet hier het ware offerlam, het Lam Gods (Gods eigen Zoon, v. 34), dat de zonde der wereld wegneemt: Deze is het, die de zonde, de schuld en straf, op zich neemt, draagt, afdraagt, en alzoo wegneemt \'), door zijne zelfopoffering, een zoenoffer van altoosdurende kracht, en niet voor Israël slechts maar voor alle volk. Hieruit blijkt dat Christus Lam genoemd wordt, niet bloot wegens zijne lijdzaamheid en zachtmoedigheid; maar wegens zijne sfferande; het lam is een offerlam. Dat bewijzen vooral ook die plaatsen in Openbaring van Johannes, waar Christus heet het Lam dat geslacht is (Openb. 5 : 6, 12, 13 : 8) en van het bloed des Lams gesproken wordt (Openb. 7 : 14. 12 : 11).

3. Ook Petrus noemt Hem een onbestraffelijk en onhe-

\') Dit is de zin van hpeiv, ovonals Uoh. 3 : 5. Hot plaats-boldoodond, borgtochtelijk lijden van Chriatus is hier duidelijk uitgesproken. A. Ritschl, Die Christl. Lehre von der Rechtfert. u. Versöhnuug liter Bd. 1874. S. 68 oordeelt, dat door de woorden o alp cm rijy téfixprixv toïi KÓrrfiov in verband met Jez. 53 wordt aangeduid, dasz Jezus unschuldig in eine Leidenslage eintritt, tuelche eigentlich von der sündigen Menschhoit getmgen werden sollte, und dasz diese in Folge des Eindruks seines unschul-digen Leidens zu Gott zurüclcgeführt werden wird, geheel ethisch. Bovendien stemt Ritschl hot dwaalgeyoelen toe, dat do Dooper deze woorden niet gesproken hoeft, maar dat zij hom eerst latei-in den mond zijn gelegd.

-ocr page 476-

§ 29. HET LAM GODS CHRISTUS.

vlekt \'Lam, voorgekend, tot zoenoffer verordineerd voor de grondlegging der wereld, door wiens bloed wij verlost zijn, 1 Petr. 1 : 19, 20. En Paulus zegt 1 Kor. 5:7: Ook ons Pascha is voor ons geslacht [namelijk] Christus.

4. Christus zelf heeft zich quot;als het Paaschlam gekenmerkt en vertoond door dat Hij niet eer en niet later wilde sterven dan juist op het Paaschfeest. Ook door dat Hij het Avondmaal instelde bij gelegenheid van het Paaschmaal.

5. En allerklaarst doet ons de Evangelist Johannes 19: 32 v.v. Christus als het tegenbeeld van het Paaschlam kennen uit de merkwaardige Goddelijke voeging, dat Hem geen been gebroken werd, waarin de Evangelist vervuld ziet wat voorbeduidender wijze van het Paaschlam aan Israël was geboden \') Exod. 12 : 46 ; Gij zult geen been daaraan breken.

1) Dr. B. Weisz, Lehrb. der Bibl. Theol. des N. T. 2te Aufl. S. 633 neemt met sommigen aan, dat Joh. 19 : 86 Christus niet als het ware Paaschlam wordt voorgesteld, wijl do Schrif-tuurplaats door Johannes bedoeld, niet Exod. 12 : 46 zou zijn maar Ps. 34 : 21 : Hij (de Heere) bewaart al zijne (dus rechtvaardigen) beenderen; niet één van die wordt gebroken. Ten onrechte: want de Psalm spreekt daar van de beenderen des levenden rechtvaardigen, van de bewaring zjjns levens, vergel. Matth. 10 : 30: Ooh de haren uws hoofds zijn alle geteld. Dit erkent ook Meyer zu Joh. 19 : 36. Bij C. Vitringa, Observation. Sacr. L. II. Cap. X. 11 sqq. en H. Witsius, Oeconom. L. IV. Cap. IX. 36 sq. zijn de overeenkomsten tnsschen het Paaschlam en Christus in vele bijzonderheden aangewezen.

Zelfs in de wijze op welke het Paaschlam gebraden werd, heeft men, ook Vitringa I.e., op voorgang van Justinus den Martelaar een voorafbeelding gezien van Christus kruisiging. Te weten naar Joodsche overlevering en gewoonte zou het (houten) braadspit den vorm van een kruis hebben gehad, daar één staak door het, Lam in de lengte en één dwars bij de

460

-ocr page 477-

§ 29. HET LAM GODS CHRISTUS,

461

a. Aan het Paaschlam mochten geen beenderen gebroken, het mocht niet in stukken gedeeld en gekookt, maar moest in zijn gehee] gebraden en zoo op de tafel gebracht worden, opdat het daar nog kenbaar de gedaante van een lam vertoonde en de gasten het ziende, aanstonds deu indruk kregen : het is een lam. - Ook was het eerbiedshalve : het heilige offerlam des Heeren zou niet behandeld worden als een gemeen slachtbeest, alle onnoodige verminking zou worden vermeden, zoover dit met het vergieten zijns bloeds en met het eten van zijn vleesch geschieden kon.

b. In beiderlei opzicht was deze verordening eene voorafschaduwing en voorbeelding van de opmerkelijke omstandigheid bij Christus\' offerdood, dat geen been aan Hem gebroken werd. Zijn gedood lichaam zou niet verpletterd, verminkt en onkenbaar gemaakt worden, het zou zijne gestalte behouden en kenbaar blijven, tot meerdere verzekering voor de zijnen na zijne opstanding, dat de opgestane werkelijk Jezus zelf was met zijn eigen lichaam. Ook eischte de Goddelijke betamelijkheid, dat bij al de mishandeling van den lijdenden Verlosser toch aan de menschelijke ruwheid en woestheid paal en perk wierd gesteld, ter eerbiedige onderscheiding dezes Lijders, die om

schouderen wierd gestoken, zoodat het lam als het ware wierd gekruisigd. Vaihinger in Herzogs Real-Enc. XL S. 145 u. d. W. Pascha. Dezelfde zogt S. 148 van do talmudische Joden: Tot het braden van. het met granaathout kruiswijs gespitte lam had men bijzondere ovens, in welke het zonder ergens aan te stooten ingeschoven en gaargebraden werd; wie het halfgebraden at, werd gegeeseld. Friedlieb, Archaeologie der Lijdensgeschied. van Onzen Heer J. C. Uit het Hoogd. vertaald. Deventer 1844 : p. 56.

-ocr page 478-

462 § 30. DOEL VAN HET PAASCHPEEST.

overgenomen schuld leed, van degenen die om hun eigene misdaden leden. Gelijk door het niet-breken der beenderen het Paaschlam eerbiedig onderscheiden werd van de gemeene slachtbeesten, zoo Christus van de beide met Hem gekruisigde kwaaddoeners. De krijgsknechten deden onwetende zoo met het tegenbeeldige Paaschlam als de Heere aangaande het voorbeeldende had verordend: Geen been daarvan zal gebroken worden.

§ 30. Doel van het Paaschfeest.

Het gewichtigste van het Feest was dan naar het voren gezegde het Paaschoffer: verzoening is het begin en de grondslag van alle Gods weldaden. Doch er Hepen bij het Feest meer doeleinden saam.

1. Geheel het zevendaagsche Israëlietische Paaschfeest was eene gedachtenis van de verlossing door de genade en almacht des Heeren, waaraan het volk zijn bestaan te danken had\'). Israël zou er feestelijk aan gedenken, hoe de Heere hen door een sterke hand uit Egypte, uit het diensthuis had uitgevoerd. De huisvader moest aan zijn kinderen de geschiedenis der verlossing verhalen en de beteekenis der feestgebruiken uitleggen, welke schoone gewoonte ook bij de latere Joden is onderhouden, naar de verordening des Heeren Exod. 12 : 26, 27. Deut. 6 : 20 —23, hetwelk zij noemen de Verkondiging (haggadah), waarop Paulus schijnt toe te spelenjjl Kor. 11 : 26, sprekende van het Pascha des Nieuwen Testaments : Verkondigt den dood des Heeren, totdat Hij komt.

\') Vergel. hiorvoron § 27.

-ocr page 479-

§ 30. DOÈL VAN HET PAASCHFEEST.

Dus strekte het jaarlijksche Paaschfeest hiertoe om bij het volk het besef op te wekken en levendig te houden, dat het al wat het was en wat het had boven de andere volken, geheel en alleen verschuldigd was aan de yenade des Heeren, aan zijne vrijgunstige verkiezing, en aan zijne almacht, aan zijne groote daden, door Hem voor de machteloozen ter hunner verlossing en vorming gedaan. Op eene indrukkelijke wijze herinnerde hun het Paaschfeest, hetgene Mozes hun voorhield Deut. 7 ; 6 : f7 heeft de Heere uw Ood verkoren, dat gij Hem ten volke des eigendoms zoudt zijn uit alle volken, die op den aardbodem zijn. 7. De Heere heeft geenen lust tot u gehad noch u verkoren om uwe veelheid hoven alle andere volken; want gij waart het weinigste van alle volken. 8. Maar omdat de Heere ulieden liefhad, en opdat Hij hield den eed, dien Hij uwen vaderen gezworen had, heeft u de Heere met sterke hand uitgevoerd en heeft u verlost uit het diensthuis, uit de hand van Pharaö, koning van Egypte. (Vergel. Deut. 9 : 5).

2. Het Paaschfeest was een krachtig drangmiddel voor het verbondsvolk tot aflegging van de zonde.

Het volk dat de verlossing heeft door het bloed des Lams, namelijk de vergeving der misdaden naar den rijkdom der genade Gods (Efez. 1 : 7), kan niet meer in den dienst der zonde en der wereld leven. Het bloed der verzoening maakt een scheiding tusschen het volk Gods en de wereld. Israël zou niet enkel uit het plaatselijk Egypte, maar uit de de dienstbaarheid en gemeenschap der wereld uitgeleid en tot de waardigheid van een vrij en zelfstandig, van de Heidenen afgezonderd volk Gods

463

-ocr page 480-

§ 30. DOEL VAN HET PAASCHFEEST.

verheven en gevormd worden \'). Van deze bestemming moest het bewust blijven. Het volk dat vergeving heeft, zal in dankbaarheid en liefde zijnen God dienen en verheerlijken. Geheel het Paaschfeest scherpte dat in en drong daartoe.

a. Reeds door de afzondering des lams vier dagen te voren. Want op den tienden der maand Abib moest er voor ieder huisgezin een bekwaam lam uitgezocht en apart gezet worden, afgezonderd van de kudde tot den veertienden dag (Exod. 12 : 3, 6); naar later bepaling werd dit lam formeel gewijd en aan al de huisgenooten bevolen het heilig te houden J). Dit diende om al vooraf de gemoederen feestelijk te stemmen; door het aanschouwen en de zorgvuldige bewaring van het uitverkoren offerlam vier dagen lang moesten bij het volk aireede hoogere gedachten en ernstige gevoelens worden verwekt: eene voorbereiding tot waardige, Godverheerlijkende feestviering.

b. Maar inzonderheid maande het feest tot aflegging van de zonde door de strenge verplichting om alien zuurdeesem weg te doen. Zeven dagen lang zou het volk ongezuurde broeden eten, ja er zou geen zuurdeesem in hunne huizen gevonden worden (Exod. 12 : 18- 20). De zuurdeesem veroorzaakt gisting, opzetting en alteratie van het zuivere deeg, en gisting is dus met vervuiling, bederving verwant: in dit opzicht komt de zuurdeesem voor als beeld van het zedelijk onreine en bederf werkende (Luc.

\') Hengstenberg, Grosch. des Reiches Gottes unter dem A. B. II. 1. S. 52.

2) Oehler, ïheol. des A. T. I. S. 544. Kurtz, Goach. dos A. B. II. S. 120 f. Dezelfde, Dor Alttestam. Opforcultus (I8tj2) S. 317.

464

-ocr page 481-

§ 30. DOEL VAN HET PAASCHFEEST.

12 : 1. 1 Kor. 5 : 6—8). Ongezuurd is dan beeld van reinheid, louterheid\'). Gedurende geheel het feest zouden geen andere brooden dan ongezuurde {mazzootj gegeten worden; reine, zoele brooden.

Wordt het ongezuurde brood Deut. 16 : 3 een brood der ellende genoemd, het is om te herinneren aan de haast waarmede het volk uit Egypte was getogen, daar het geen tijd had om „het naar gewoonlijke wijze ten volle te bereiden en aangenaam of smakelijk te makenquot; (Kantteek,). Wel was dit toen ook een voorteeken van de ontbering en ellende die Israels volk nog onderweg te wachten stond1) en daaraan zou het nageslacht in Kanaan altijd blijven gedenken. Maar het zegt niet dat de Israëlieten in Kanaan op de zeven Paaschdagen een smakeloos brood aten. Integendeel de zoete, zuivere paaschbrooden werden met bijzondere zorgvuldigheid toebereid\'). — De ongezuurde brooden waren dan voor de Israëlieten eene nadrukkelijke herinnering aan hunne roeping om; gezuiverd en vrijgemaakt van den Egyptischen zuurdeesem, van afgoderij en natuurdienst, in oprechtheid en waarheid voor hunnen God te leven. (Vergel. Hoz.

13 ; 4).

c. Hiertoe strekte ook op het feest de plechtige wijding van den aanstaanden oogst. Vóór de viering van het Pascha mocht de oogst niet worden aangeraakt. Op den tweeden feestdag moest naar Levit. 2;5 : 10 v.v. de eerste garf tot een beweegoffer voor den Heere worden gebracht,

465

1

) Stier, Beden des Horrn Jesn 1848. VI. S. 88.

\') Vaihinger iu Horzogs Roal-Euo. XI. S. 148. u. d. W. Pascha.

Qravomeitor, Gorof, Gel. leor. III. 30

-ocr page 482-

466 § 30. DOEL VAN HET PAASGHFEEST.

ter bekentenis dat de oogst van den Heere was en dat ook het dagelijksche brood van Hem kwam; waarbij brandoffers en spijsoffers werden gevoegd, ter aanduiding van de verplichting der beweldadigden, om ook met de krachten uit het lichamelijke voedsel verkregen, den Heere te dienen, naar zijn Woord : Zijt heilig, want ik ben heilig quot;)!

3. Het Paaschfeest was tegelijk een band van onderlinge gemeenschap, door do openlijke samenkomsten en vergaderingen. Op den eersten feestdag was er eene heilige verzameling en wederom op don zevenden dag (Exod. 12 : 16), op welke het volk door het blazen der priesters met de zilveren trompetten (Num. 10 : 10) in het voorhof des heiligdoms, eerst des tabernakels, daarna des tempels werd saamgeroepen. Op deze dagen mocht er geen werk worden gedaan, deze waren geheel gewijd aan heilige oefeningen en gemeenschappelijke Godsverheerlijking,door plechtige gebeden en lofzangen en door verscheiden offeranden en daaropvolgende offermaaltijden. Ook in de tusschendagen, op welke handel en arbeid waren geoorloofd, hadden offeranden en gemeenschappelijke maaltijden plaats.

Dit alles diende, om de gemeenschap der kinderen Israels met hunnen Verbondsgod en daarin met elkander te bevorderen en te betuigen. Uit verschillende oorden, van alle plaatsen saamgekomen en vereenigd bij het gemeenschappelijke heiligdom tot eenzelfden dienst, moesten zij zich daar als één volk voelen, als één verbondsvolk, ééne gemeente des Heeren, één in geloof, liefde en hope.

\') Keil, Handb. dor bibl. Archiiol, I. S. 396. Vaihinger iu Herzogs Real-Enc. XI. S. 14G u. d. W. Pascha.

-ocr page 483-

§ 31. INSTELLING VAN HET HEILIG AVONDMAAL, 467

§ 31. Instelling van het Heilig Avondmaal.

In plaats van het Pascha is voor de Gemeente des Nieuwen Verbonds het Heilig Avondmaal verordend, hetwelk de Heere Jezus Christus in den nacht voor zijnen dood heeft ingesteld.

1. Eerst de Doop, dan het Avondmaal, gelijk eerst de Besnijdenis en daarop het Pascha. Hoewel de Doop, namelijk als algemeen Sacrament des Nieuwen Verbonds \'), door Christus eerst bij zijne hemelvaart, en het Avondmaal reeds voor zijnen dood was ingesteld, begon toch de bediening des Avondmaals niet eer dan nadat Hij ten hemel gevaren en de Heilige Geest uitgestort was en de menigte dergenen die het Woord aannamen, den Doop had ontvangen (Hand. 2 : 41, 46),

Deze volgorde is ook in den aard der beide Sacramenten gegrond. De Doop moet voorafgaan, geen ongedoopte mag het Avondmaal eten, gelijk geen onbesnedene het Pascha. Want de Doop is het Sacrament der inlijving in de Kerk; het Avondmaal dient tot onderhouding en bevestiging van de gemeenschap met den Heere. De Doop is het Sacrament, teeken en zegel van de geestelijke geboorte, het Avondmaal van de voeding, door den Heere verordend om te voeden en te onderhoudeti degenen, die Hij aireede wedergeboren en in zijn huisgezin, welke is zijne Kerke, ingelijfd heeft, gelijk in haar schoonen eenvoud de Nederl. Belijd, des Gel. Art. XXXV spreekt, die dan aldus vervolgt: Nu hebben degenen, die wedergeboren zijn, in zich tweeërlei leven: het ée\'ne lichamelijk en tijdelijk, hetwelk zij

\') Hiorvorou § 10.

-ocr page 484-

46S § 31. instelling van het heilig avondmaal.

van hunne eerste geboorte medegebracht hebben, en is allen menschen gemeen; het andere is geestelijk en hemelsgh, hetwelk hun gegeven wordt in de tweede geboorte, welke geschiedt door het Woord des Evangelhuns, in de gemeenschap des lichnams van Christus; en dit leven is niet gemeen dan alleen den uitverkorenen Gods. Alzoo heeft ons God tot onderhouding des lichamelijken en aardschen levens aardsch en gemeen brood verordend, hetwelk daartoe dienstelijk is, en is allen gemeen zoowel als het leven. Maar om het geestelijk en hemelsch leven te onderhouden, hetwelk de geloovigen hebben, heeft Hij hun gezonden een levend brood, dat van den hemel nedergedaald is, te weten Jezus Christus, dewelke het geestelijk leven der geloovigen voedt en onderhoudt, als Hij gegeten, dat is toegeeigend en ontvangen wordt door het geloove in den geest •). Om ons dit geestelijk en hemelsch brood af te beelden heeft Christus verordend een aardsch en zienlijk brood, hetwelk een Sacrament is van zijn lichaam, en den wijn tot een Sacrament zijns hloeds. Of gelijk Calvgn i) zegt: Het is om ons te verzekeren dat het lichaam des Heeren in dier voege voor ons eenmaal is geofferd, opdat wij het nu sullen eten en door het eten de werking van dat eenige offer in ons voelen; dat zijn bloed aldus voor ons eenmaal is vergoten, om ons een voortdurende drank te zijn.

2. Christus heeft het Avondmaal tot zijne gedachtenis

\') Op de toooigemng legt ook Ebrard, Das Dogma von h. Abendm. I. S. 104 don nadruk.

Instit. L. IV. Cap. 17. Sect. 1. In dezo uitnemunde Sectio is aanstonds kort on klaar hot wezen van hot Avondmaal voorgesteld ; het aangehaalde Artikel der Belijdenis is er eeno navolging van.

-ocr page 485-

3 31. instelling van het heilig avondmaal. 469

ingesteld in den nacht in welken Hij verraden werd. 1. Kor. 11 : 23. Ter zijner gedachtenis veronderstelt zijne lichamelijke afwezigheid en het gemis van zijn uitwendig verkeer. Zoolang Hij met zijne discipelen omging, was er voor zulk eene gedachtenisviering geen plaats. Daarom stelde Hij het Heilig Avondmaal niet eer in, dan in den nacht in welken Hij verraden werd: want het verraad brak zijn verkeer met de discipelen af en voerde tot zijnen dood. Ook niet later wilde Hij het instellen, niet in de veertig dagen tusschen zijne opstanding en hemelvaart: zoo omdat het bij uitnemendheid de gedachtenis van zünen dood betreft, als omdat het Avondmaal ons Christus in den hemel vertoont en ons tot Hem zooals Hij daar is zal verheffen en niet is een samenspijzen met Hem als lichamelijk op aarde zijnde. Na zijne opstanding heeft Hij niet gegeten en gedronken met de discipelen, maar alleen gegeten, en slechts tot dit einde om hen te overtuigen van de waarheid zijner opstanding en tegenwoordigheid \').

De Heere Jezus, wetende alles wat over Hem komen zou (Joh, 18 : 4), wilde het Heilig Avondmaal juist in dien nacht instellen, in welken de Joden het Paaschlam aten. Hij kenmerkt zich daardoor als het tegenbeeldige Paaschlam, als het Lam Gods dat de zonde der wereld zou wegnemen. Hij stelt het in na het eten van het Pascha, om aan te duiden, dat dit nieuwe maal in de plaats zou treden van het Joodsche Paaschmaal. Hij betuigde en bevestigde daardoor den innigen samenhang van de voorbereidende bedeeling des Ouden Verbonds met de vervullende bedeeling des Nieuwen Verbonds en den overgang van het eerste tot het tweede.

\') Bengel. Gnomon in 1 Kor. 11 : 26.

-ocr page 486-

470 § 31. INSTELLING VAN HET HEILIG AVONDMAAL.

3. Op welken dag Christus liet laatste Pascha heeft gehouden, is eene twistvraag onder de geleerden •). Naar velen: eenen dag eerder dan de Joden. Naar de drie eerste, zoogenaamde Synoptische Evangeliën ongetwijfeld op den zelfden dag, op welken al de Joden het Paaschlam aten, namelijk in den laten avond of nacht van den vijfden dag der week (Donderdag), den veertienden dag der maand Nisan. Op Dinsdag zeide Jezus tot zijne discipelen Matth. 26 : 2 : Gij weet dat na twee dagen het Pascha is. Mare. 14 : 12 : Op den eersten dag der ongehevelde [brooden], op Donderdag, ivanneer de Joden het Pascha slachtten, zeiden zijne discipelen tot Hem: Waar wilt gij dat wij henengaan en bereiden dat gij het Pascha eet ? Luc. : 7 ; En de dag der ongehevelde [brooden] kwam, op weiken het Pascha moest geslacht worden. Hier wordt dus uitdrukkelijk gezegd dat de Joden dien keer het Paaschlam op den zelfden dag hebben gegeten als Jezus met zijne discipelen.

Hiermede achten velen Johannes in strijd 2). Voorname-

\') Winer, Bibl. Real-Wörtorb. 2to Aufl. II. 1. S. 238 ff. Meyer, Kommentar zu Joh. 18 : 28. Ebrard, Wissonschaftl. Kritik dor ovaugul. Goschichte. 3to Auflago 1868. § 102. S. 615 ff. De verschillende gevoelens vau vroegere Crodgeleerden vermeldt M. Vitringa, Aunotat. in O. Vitringa, Doctrina Christ. Relig. cd. sexta. Pars VIII. Tom. I. p. 12 sqq. Vergcl. Van Oosterzee, Het leven van Jezus (1851) III. bl. 15. vv.

!) Vroeger ook Ebrard, maar anders in de derde uitgave van bovengenoemd werk S. 619 ff., waar hij verklaart en bevestigt aangaande Job. 13 : 1 ; 18 : 28; 19 : 14, 31, dat de Evangelist, schrijvende voor lezers die de drie eerste Evangelitin konden, deze plaatsen geschreven heeft in dein Bewusstsein, dass die chronologischen Angaben der Synoptiker dadurch in leeiner Weise alterirt würden.

-ocr page 487-

§ 31. INSTELLING VAN HET HEILIG AVONDMAAL. 471

lijkj Joh. 18 : 28, waar de Joden weigeren in het huis van den Heiden Pilalus, waarin wel zuurdesem kon zijn, in het Rechthuis te gaan, opdat zij niet verontreinigd zouden worden, maar opdat zij het Pascha eten mochten. Dit was Vrijdags, in den ochtend. Hieruit besluit men dat de Joden toen het Paaschlam nog niet hadden gegeten maar het eerst stonden te eten. Ten onrechte. Of wilde Johannes hierdoor de opgaaf der Synoptischen verbeteren ? Dat zij verre. Hij, schrijvende onder het bestuur van denzelfden Geest der waarheid als zijne drie voorgangers, had aan dezen niets te verbeteren ; van tegenspraak tegen dezen is er bij hem dan ook niet het geringste blijk : maar hij deelt gelijk dikmaals eene door hen niet vermelde bijzonderheid mede. Hij schreef dit in de bewustheid dat hij daarmede niet in het allerminst tegen hunne tijdsbepaling aanstiet.

Hoe dan ? Het Pascha eten is hier gezegd niet van het Paaschlam; dat was reeds in den nacht te voren gegeten : maar van den offermaaltijd, dergelijke met groote blijdschap (2 Kron. 30 : 21) op iederen dezer feestdagen gehouden werd en ook Pascha heette, bestaande uit schapen en runderen. Naar de verordening Deut. 16:2: Dan zult gij den Heere uwen God het Pascha slachten, schapen en runderen (vergel. 2 Kron. 35 : 7, 8). Bij Johannes is dus bedoeld het feestoffermaal (Ghagigah) van den Vrijdag, den 15den Nisan. Dat het zoo en niet anders is te verstaan, blijkt ontegenzeglijk hieruit, dat zulk eene verontreiniging als de Joden hier schuwden alleen tot zonsondergang duurde (Num. 19 : 22) en hen derhalve niet kon verhinderen om het Paaschlam, hadden zij dit nog niet genoten, in den aanstaanden nacht te

-ocr page 488-

472 § 31, INSTELLING VAN HET HEILIG AVONDMAAL.

eton. Dies kan de bezorgheid der Joden alleen op eenen maaltijd zien, dien zij nog in den loop der dag zouden houden, den middagmaaltijd voor zonsondergang, het hoogfeestelijke maal \') van den eersten Paaschdag.

Intusschen hoezeer de geleerden verschillen over den dag, zoo erkennen toch allen — en dit is ons de hoofdzaak 1) naar het voren gezegde — dat Christus het Avondmaal 3) heeft ingesteld na het eten van het Paasch-lam (na eenigen tusschentijd van toespraak of gebed) en in plaats van het Pascha.

4. De instelling des Heiligen Avondmaals is beschreven door Mattheüs 26 : 26—28, door Marcus 14 : 22—24, door Lucas 22 : 19, 20 en door Paulus 1 Kor. 11 : 23—25,

Johannes verhaalt de instelling niet. Hij veronderstelt dat zijne lezers bekend waren met hetgeen de drie eerste, voorlang geschreven Evangeliën behelsden. Hem is bette doen om de geestelijke beteekenis daarvan. Hij gewaagt niet van de instelling des Doops, maar geeft daarvoor Christus\' getuigenis van de wedergeboorte (Joh. 3), van welke de Doop het Sacrrament is. Zoo zegt hij ook niets van de instelling des Avondsmaals, maar daarvoor doelt hij \'s Heilands rede mede van het geestelijk genieten zijns vleesches en bloeds. (Joh. 6.)

Johannes vervolledigt echter de drie eerste Evangeliën doordat hij bericht geeft van de voetwassching (Joh. 13)

1

) Dus oordeelt, ook P. Van Mastricht, Godoel. III. p. (139.

\') Do oud-gereformoerdo naam is Nachtmaal, naar Zniddnitscb taalgobrnik.

-ocr page 489-

g 31. INSTELLING VAN HET HEILIG AVONDMAAL. 473

voor het Paaschmaal\') en van de laatste roerende redenen des Hoeren tol zijne discipelen na de Instelling van het Heilig Avondmaal (Joh. 14—16) en van het hoogepriester-lijk Gebed (Joh. 17), waarmede Hij, nog in de Paaschzaal, plechtig sloot.

Paulus gaf wegens verregaande misbruiken in Rorinthe eene nieuwe vaststelling van hel Sacrament naar onmiddellijke openbaring van den Heere. Hij zegt 1 Kor. 11:23: Ik heh van den Heere ontvangen, hetgeen ik u ook overgegeven heb. Het was hem niet door eenen monsch,door Ananias of anderen medegedeeld, het was hem niet langs dien weg bekend geworden als al den anderen Christenen, die bij de Instelling niet tegenwoordig waren geweest, door menschelijke overlevering, maar hem bijzonderlijk, hem persoonlijk geopenbaard van den Heere ^ : want hij

\') Joh. 13:1: Trpo rfc sopTfa mü ttxtx* zegt: onmiddellijk vóór het begin van den paaschraaaltijd, dienzelfden maaltijd, bij welken het Avondmaal werd ingesteld. Het voetwasschen, bij iederen groeten maaltijd gebruikelijk, ging altijd vooraan. Hot bevreemdende was hier dat Jezus het deed.

In onzen Nederlandschen Bijbel lozen wij wel Joh. 13 : 2 : Als hel Avondmaal gedaan was; Luther; Nach dem Abendessen. Maar het Grioksche laat eene andore opvatting toe en de samenhang eischt die. Er staat: Is\'mvou ysvofjAvou {Tisschendorf heeft zelfa naar sommige handschriften yivo/tèvoj) d. i. als de maaltijd werd, aanging. Men was aangezeten, maar spijsde nog niet. Eorst had nu nog de vootwassching plaats. Winer, Grammat. §18. Als die Mahlzeit {die Festmahlzeit) hereitet war. Meyer (die ywofjjivo\'j leest, naar Tiscbondorf): Wdhrend man im Begriffe ist Abendmahlzeit zu halten. Do rechte opvatting is ook door Da Costa aangewezen, in zijne Voorlez. over de Verscheid, der vier Evang. 11de Dool p. 275. 547. Vorgol. Ebrard, Kritik des ev. Gosch. S. G25.

\'2) Er staat in den Griekschcn tekst: \'Eyco TrcipiXoifiov ktto

-ocr page 490-

§ 32. ÏEEKENS.

zegt niet: wij hebben, maar ik heb ontvangen. En hetgeen hij dan vermeldt, stemt nagenoeg woordelijk overeen met hetgeen de drie Evangeliën van de Instelling berichten. Dus roept hij met het gezag en in den naam des Heeren, de Korinthiërs van hunne schromelijke afwijkingen tot do oorspronkelijke Instelling terug.

§ 32. Teekens

Teekens in het Heilig Avondmaal heeft Christus twee verordend, brood en ivijn, zinnebeelden van voeding en verkwikking, onbloedige teekenen naar den aard des Nieuwen Verbonds\').

1. Waarom hier twee, en in den Doop maar één? Om de reinigmaking van de zonde te verzinnebeelden was het water alleen genoeg en voegzaam, als het gewone en algemeene reinigingsmiddel. Maar het Sacrament der

toü avplou, on niot Trxpa. Naar gewoon taalgebruik zou Trxpx hier eon meer rechtstreeksch ontvangen uit den eigen mond des Hoeren aanduiden. Sommige codices lozen bier werkelijk Kxpx, bctwolk Winer, Gratnm. § 51. 4to Aufl. S. 354 voor eene correctie sleclits houdt. Intusscben acht ook Meyer z. d. Öt. toch alle monscholijke tusschenkomst hier uiigosloten, naar Paulus\' besliste verklaring Gal. 2 : 12 aangaande zijne ker.nis van hot Evangelie. Slochts was Christus er niet om tot hom van den hemel afgekomen, maar had don Apostol door den Geest geleerd. Dus toch onmiddellijk. Vergol. J. Muller in Herzogs Real-Enc. I. p. 23. u. d. W. Abendmahl.

\') Pictet. Godgoloordh. B. XV. H. XXI. Ildo Doel p. 540 vv. Witsius, Oecon. L. IV. Cap. XVII. 5. C. Vitringa, Doctrinacur. M. Vitringa P. VIII. Tom. I. p. 42 sqq. Ebrard, Das Dogma vom. h. Abendm. I. S. 101.

474

-ocr page 491-

§ 32, ÏEEKENS.

voeding cischt spijs en drank. Hel is een maaitijd. Alles wordt er gevonden wat tot een maaltijd behoort. Een wondere maaltijd. Daar is eene rijke en milde Gastheer, de Zoon des levenden Gods. Daar zijn genoodigde gasten, hongerigen, dorstigen, armen. Daar zijn dienaars door welke Hij noodigt en toedient. Daar wordt gemeenschappelijk gegeten en gedronken, koren en most uit de schatkameren van Gods genade. Twee teekenen dus, spijs en drank, ten blijke dat in Christus alles is wat tot onderhouding en versterking van het geestelijk leven zijner schapen dient, opdat zij het leven hebben en overvloed hebben. (Joh. 10 : 10). — twee teekens stelde Christus ook om zijn gekruisigd lichaam en zijn vergoten bloed onderscheidenlijk af te beelden, tot een te indrukkelij ker vertoon tevens van zijn werkelijk sterven.

2. En waarom nam Hij juist deze teekenen, brood en wijn ? Hij deed dit wegens het verband met het Paasch-maal. Het lam was gegeten. Daarop, nog aan dezelfde tafel, doch na eenige tusschenpoozing, ging de Heiland over tot de instelling des Avondmaals en bediende zich daartoe van dezelfde stoffen, waarvan bij het voorafgegaan Paaschmaal gebruikt was, namelijk het brood en den wijn, nog op de tafel voorhanden. Maar Hij wilde hierdoor ook het Avondmaal van het Paaschmaal onderscheiden en daarentegen stellen. Het eigenlijke Paaschmaal bestond in het eten des lams ; het brood was wel verordend maar toch iets bijkomstigs ; het gebruik van wijn daarbij was zelfs eerst in latere tijden opgekomen. In tegenstellingen in plaats van het Pascha, het lam, stelde Christus nu het brood en den wijn tot teekenen.

Eenvoudige, doch zinryke, en, hetgeen vooral in aan-

475

-ocr page 492-

§ 32. TEEKENS.

merking komt, onbloedige teekenen, kenmerkend en gepast voor liet Nieuwe Verbond. Nu geen spijsgerecht meer van geslachte offerdieren, nadat het Lam Gods is geslacht, maar brood, het voornaamste leefmiddel, het inbegrip van alle voedsel, en wijn, die het hart des tnenschen verheugt (Ps. 104 : 15), treffend voegende voor het feestmaal des Nieuwen Verbonds, om ons al aanstonds te leeren, dat het Avondmaal ons zal voor oogen stellen niet alleen Christus\' dood als eens geschied, maar veelmeer de kracht en vrucht van zijnen dood en de wijze op welke wij deze deelachtig gemaakt worden en ze voortgaande genieten als het ware zielevoedsel. Want zijn vleesch is waarlijk spijs en zijn bloed is waarlijk drank (Joh. 6 : 55). — Bovendien voor het Verbondsmaal konden geene teekenen ook hierom beter, bekwamer en aannemelijker zijn dan brood en wijn, wijl deze zelve gebruikelijk waren bij verscheiden natiën als zinnebeelden om verbonden te bevestigen \').

3. Het Brood in het Avondmaal, a. Gezuurd of ongezuurd?quot;1) De Roomsche en de Frotestansche Kerken gebruiken ongezuurd:, naar het voorbeeld van Christus ; de Grieksche Kerk gezuurd, terwijl zij het ongezuurde voor Joodsch verklaart en beweert dat Christus het Paaschmaal gehouden en het Avondmaal ingesteld heeft vóórdat de andere Joden hun Pascha aten, dus vóór de verwijdering van den zuurdeesem. Maar Christus heeft met de discipelen op denzelfden dag het Paaschlam gegeten

\') Pictet, Godgel. II. p. 541.

2) Witsius, Oecon. h. IV. Cap. XVII. 6. C. Vitringa Doctrina P. VIII. Tom. I. p. 59. sqq. Marde Coinpond. XXXI. 5. Le Moor, Comment. P. V. p. 575. sqq. Auguamp;ti, Handb. dorChristl. Archttol. liter Band. S. 662. ff.

476

-ocr page 493-

32. TEEKENS.

als de Joden, het was de dag der ongehevelde hroodtn (§ 31). Er was derhalve geen gezuurd brood aanwezig, en Christus heeft bij de instelling des Avondmaals ongezuurd brood gebruikt.

De Roomschen oordeelen ongezuurd noodzakelijk gelijk de Griekschen gezuurd. De Lutherschen houden ongezuurd verkieslp, doch niet noodzakelijk •). De Gereformeerden desgelijks. Gezuurd of ongezuurd, beslissen onze oude Godgeleerden niet, „als het maar waar brood is en er van weerskanten alle bijgeloovigheid af isquot; J). Gezuurd of ongezuurd raakt het wezen van het Sacrament niet. In de Handel, der Apostelen 2 : 42, 22 : 7 en bij Paulus 1 Kor. 10 : 16 vv. en 11 : 26 vv. wordt in het algemeen van brood gewag gemaakt zonder nadere bepaling.

b. Daarentegen keuren de Gereformeerden de ouwels (oblaten) af, bij de Roomschen en ook nog bij de meeste Lutherschen gebruikelijk : ongezuurde, kleine, ronde, dunne schijfjes, uit water en meel, hebbende de gestalte meer van eene kroon of munt dan van een brood. Den gewijden ouwel, de gezegende oblaat\') noemen de Roomschen

\') Augusti, a. W- II. S. 674. f.

2) P. Van Mastricht, Godgol. III. p. 641. Calvin. Instit. IV. 17. 43. Pania sit fermentatus an azymus — nihil rofert. Bovendien herinnert Augusti a. W. II. S. 668 dat iu tanvohvood gewoonlijk geen zuurdeesom maar gist wordt gedaan.

:\') Oblaat (ouwel) komt van off ere, opbrengen, oorspronkolijk wel dus genoemd van dat de Christenen de kosten voor het Heilig Avondmaal droegen, zoodat obluta zou beteekenon: het ter Eucharistie (Avondmaalsviering) bos\'emde brood, bereid uit de daartoe opgebrachte gaven (oblationes, TrporCpopxl). Glossarium mamale — mediae et infimae Latinitatis ed. Aclélung 1778. Tom V. p. 6. s. v. Ohlata: pauis ad sacrificium oblatus, hostia

677

-ocr page 494-

§ 32. TEKKENS.

hostie i), slachtoffer. De Gereformeerden 2) verwerpen de ouwels, zoo omdat zij geen waar, voedzaam brood zijn en nauwelijks den naam van brood kunnen dragen, ongepast om de geestelijke voeding af te schetsen, als wijl zij wegens hunne kleinheid niet bekwamelijk kunnen worden gebroken, gelijk dan ook bij het gebruik der ouwels de zoo beteekenisvolle breking geen plaats heeft.

4. De Wijn in het Avondmaal, a. Welke ? De Schrift zegt het niet; Christus noemt alleen de vrucht des wijnstoks (Matth. 26 : 29). Waarschijnlijk gebruikte Hij bij de Instelling rooden wijn. Reeds omdat in Palestina meestal roode of donkergekleurde wijn groeide ; voorts wijl, gelijk van oudsher over hot geheel in het Oosten, alzoo ook bij de Joden de roode wijn voor uitnemender dan de witte geschat en bij voorkeur bij het Paaschfeest vereischt werd 3). Enkelen hebben de roode kleur gepaster geoordeeld

uonduiu consocrata. Augusti, a. W. II. S. 676. 11. Witsius, Oecou. L. IV. Cap. XVII. 7.

\') Ter boteekenis vau hot Avondmaal als offerando. Sedert de 13de eeuw was doorgaans een crucifix op de eeuo zijne des ouwels afgebeeld met do letters I. N. R. I. (Jezus de Nazarener, Koning der Joden). Augusti, a. W. II. S. 681.

\'-) Marde, Compend. en Merch. XXXI. 5. De Moor P. V. p. 578. sq. C. Vitrinya, Doctrina P. VIII. Tom. I p. 56.

De Kerken der Unie (vereenigde Lutherschen en Gereformeerden) hebben langwerpige broodjes met eene insuede in het midden ingevoerd die door do geestelijken worden gebroken en telkens aan twee communicanten gegeven. .De ouwels dor Koomschen en der niet güilniüorde Luthei\'anen zijn thans meestal met een kruis of een lam getoekend. Grüneisen in Herzogs lleal-Eno. VI. S. 287 u. d. \\V. Hostiën.

^ Augusti, Handbuuh II. S. 560. 687. tf. Vitringa, Doctrina VIII. I. p. 80. sqq.

478

-ocr page 495-

§ 32. TEEKENS.

wegens de overeenkomst met het bloed \')• Doch zoowel in de Grieksche als in de Latijnsche Kerk is de kleur van den Avondinaalswijn voor onverschillig 1) verklaard ; in-tusschen is in de Grieksche en de Protestantsche Kerken het gebruik van den witten wijn het algemeenst.

b. Enkel wijn, of met water ? De Griekschen \') en de Roomschen vermengen den wijn in den Avondmaalsbeker met water, de Griekschen met warm, de Roomschen met koud. Door do Roomsche Kerk is dit aan hare priesteren uitdrukkelijk geboden, en wel») omdat, gelijk zij gelooft, Christus zelf aldus heeft gedaan, voorts tot herinnering aan het uitvloeien van bloed en water uit Christus door-stokene zijde (Joh. 19:34), en eindelijk zelfs ter afschetsing van de vereeniging des geloovigen volks met het Hoofd Christus, waarbij Roomsche Godgeleerden nog andere verborgenheden voegen.

Of de Hebreen gewoonlijk den wijn met water vermengd gedronken hebben, zooals de Grieken en de Romeinen, is onzeker. De hedendaagsche Oosterlingen drinken water niet in maar bij den wijn amp;). In het Nieuwe Testament komt

\') H. Witsius, Oecon. L. IV. C. XVIT. 8, Ook eonige Synoden in do 13do eouw. Auyusti a. W. II. S. 688.

3) Aldus ook Calvin. Instit. IV. 17. 43: Viuuin rnbrum an album, nihil refert.

3) Vitrine/a, Doctrina Vllf. I. p. 426. sq. Daar wordt uitvoerig gehandeld De S. Coena Graecorum. p. 422—634. Bij do Oostersche Christenen is do monging met water algemeen, mot uitzondering der monophysiotischo Armeniërs, Augusti a. W. 11. S. 692. f.

\'\') TriderUin. Sess. XXII. Cap. VII. Verlclar. vuu den Mechol-schon Catech. 1843. p. 269.

s) Winer, Bibl. Realwörtorb. 2te Aufl. II. S. 795. u. d. W.

479

-ocr page 496-

§ 33. HET BROOD,

van vermenging met water geen spoor voor. Bij het Paasch-feest werd doorgaans zuivere, onvermengde wijn gebruikt\'). Zoo ook zekerlijk door Christus, gelijk de meeste Gereformeerden aannemen, die dan ook de vermenging van den Avondmaalswijn met water afkeuren 2).

§ 33. Het Brood.

In de [nstelling des Avondsmaals is iedere bijzonderheid gewichtig en beteekenisvol. Wij dienen onderscheidenlijk te letten op hetgeen Christus met brood en beker deed en daarbij sprak. In onzen Heidelb, Galechismus Vr. 77 en in het Formulier om het heilig Nachtmaal te houden wordt de inzetting medegedeeld zooals de heilige Apostel Paulus ons die beschrijft.

Van het brood zegt hy 1 Kor. 11 : 23, 24 : Dat de li eer e Jezus in den nacht, in welken Hij verraden werd, het brood nam; En als Hij gedankt had, brak Hij het en zeide: Neemt, eet, dat is mijn lichaam, dat voor n gebroken wordt, doet dat tot mijne gedachtenis.

Wein, Van der Palm, Aantook. op Jez. 1 : 22 stolt dat hot vormongon van don wijn mot wator ook bij do Israölieton in gebruik was. Docb bot daar gozugdo : Uw wijn is vermengd met water verklaart bij to rocbt: versnaden, botookonondo »zulk oone verlenging, waardoor allo geur on kracht verloren gaat.quot; Winer, a. W.: Jez. 1 ; 22 »is spraak van vervalsching.quot; Waar van gemengden wijn wordt gesproken (Jez. 5 : 22. Ps. 75: 9 on op andere plaatsen), is to verstaan gekmide wijn, door kruiderijen versterkt. TI, J. van Hoorn, in Van Oostorzce\'s Jaarboek. VI. 4. p. 646.

\') Augusti, Handb. II. S. 566.

-) Vitringa, üoctrina VIII. I. p. 82.

480

-ocr page 497-

§ 33. HET BROOD.

1. Het eerste wat Christus deed is dat Hij het brood\') nam, namelijk hetwelk ter hand was, paaschbrood, hetwelk van den gehouden paaschmaaltijd was overgebleven en nog op de tafel lag, zoodanig als toen bij do Joden gebruikelijk en door den huisheer, in wiens woning Christus het Paaschmaal hield, toebereid en opgezet was. Het waren geen kleine, dunne, schuitnachtige schijfjes, zooals de Roomsche en Luthersche ouwels, maar grootere koeken, geschikt om gebroken en onder de gasten uitgedeeld te worden, ongezuurd, van tarwe gemaakt, voedzaam ï).

Christus nam hel brood. Dit was het begin van de instelling des Avondmaals. Hij nam dit brood van het andere af tot een bijzonder gebruik, evenals vervolgens den drinkbeker. Hij nam het van de tafel in zijne handen; waarin men eene aanduiding heeft opgemerkt van zijne bereidwilligheid om te sterven 3). Met reden echter heeft

\') Het brood met hot bopalend lidwoord, staat in den grondtekst alleen b|j Matth. 2G : 26: Kxfiiiv tov aprov [Lachmann en Tisnhendorf laten bot weg). Mare. 14 : 22, Lucas 22 :19 : hx(3uv xprov, Paulus 4 Kor. 11 ; 23: \'sKxpsv xprov: Hij nam brood, of nam een brood, namely k eon van de op de tafol liggende brooden. Volgens Stier, Redou des Herrn Jesu VIter Theil 1848. S. 100 zou door do onbepaaldheid al aangeduid worden, dat het bij do Avondmaalsvioriug voortaan, als zullende niet aan den paaschtijd gebonden, niet slechts tot Israül beperkt zijn, in het algemeen maar op brood aankwam, op gewoon, aardsch brood, door don Hoore »zoo wonderbaar geheiligd.quot; Doch dit is maar eene gedachte van Stier en het laatste Luthersch.

2) Buxtorf bij C. Vilringa, üootrina VIII. I. p. 48.

:\') Zoo Anton Thysius, Synops. Pur. ïheol. Disput. XLV. 17. od. Dr. Jl. Bavinck p. 507. Naar do Hebroouwsche spreekwijs: zijne ziel in zijne hand stollen, Richt. 12 : 3 c. a. pl.

Gravomoyor , Goi\'cf. Gol, looi\'. UI. 31

481

-ocr page 498-

§ 33. HBT BROOD.

een oud Gereformeerd Godgeleerde\') hierbij tegen Roomschen en Lutherschen dit herinnerd: Christus „heeft het brood van de tafel genomen met zijne lichamelijke handen. Zoo heeft Hij dan niet zijn lichaam zelf genomen, hetzij alleen, \'t zij met of in en onder het brood, tenzij sacramentelijker wijze: want zijn lichaam lag niet op de tafel, maar was bij de tafel.quot;

Het tweede is de dankzegging en zegening. Toen Jezus het brood in de handen had genomen, dankte i) Hij, gelijk Paulus en Lucas vermelden ; Hij zegende s), zeggen Mattheüs en Marcus. Hij dankte den Vader en door deze dankzegging zegende en wijdde Hij het brood. Bij den drinkbeker noemen Mattheüs en Marcus uitdrukkelijk het danken. Door zijn dankzeggend zegenen wijdde hij dit brood en dezen wijn, en daarmede alle Avondmaalsbrood en Avondmaalswijn bij zulk gebruik als Hij thans ging verordenen, tot bepaalde teekenen van zijn lichaam en bloed. Hadden de Joden hunne bidformulieren, zijn bidden was eene vrije uitstorting zijns harten in lof en dank jegens zijnen Vader, die, gelijk Hij het lichaam des menschen spijst en sterkt, alzoo ook de hongerige en dorstende zielen met hemelsch brood en hetnelschen drank voeden en laven wilde, naar wiens wil en raad Hij nu zelf bereid stond om zijn lichaam en bloed over te geven voor het leven der wereld.

\') Rud. Hospiniams (te Zurich, f 1626), bij C. Vitringa, Doctrina. VIII. I. u. 134. Ook woordelijk aangehaald (doch zonder venneldiug de3 naams) in het Schatboek van Ursinns over den Heidoib. Cat. ed. 1736. II. p. 85 op Vr. 77.

-) suxxpiTT\'JiTxg. Vandaar is van oudsher hot Avondmaal ook de Eucharissie genaamd,

3) svXoyvitTxs.

482

-ocr page 499-

§ 33. HET BROOD.

Het derde is de breking des broods, door a! de vier berichtgevers vermeld. De Heere Jezus brak i) na de dankzegging en zegening het brood dat Hij in de handen hield.

Hij brak hel. in brokken, als zoo vele beten, waartoe het paaschbrood geschikt was, daar het groot was van omvang en niet van dikte, bovendien met strepen of voren kruiselings ingekorven, waardoor het bekwamelijk in vierkante stukjes met de hand kon worden gebroken ^).

Wat beteekende dat breken ? a. Met dat Christus begon het brood te breken, toonde Hij dat Hij willens was om het aan de discipelen te geven; eene uitdrukking van zijne mededeelzaamheid, van zijne bereidwilligheid over het geheel om aan de zijnen al die goederen te schenken en hen ze deelachtig te maken die Hij door zijnen dood ging verwerven, b. Maar bijzonderlijk schetste Hij daardoor de aanstaande breking zijns lichaams af, zooals uit zijn eigen woorden blijkt: Dai is mijn lichaam dat voor u gebroken wordt. Dit bewijst dat Hij het brood niet alleen hierom brak, wijl Hij het anders niet kon uitdeelen, maar om zinnebeeldig de breking zijns lichaams te vertoonen. Het was dus eene verrichting met bijzondere beleekenis, die dan ook als sacramenteele ceremonie») voortaan bij vieringen des Avondmaals herhaald zou worden. Paulus legt er nadruk op, 1 Kor. 10 : 16: Het brood dat wij breken. Christus\' lichaam werd wel niet verbrokkeld (Joh. 19 : 33), maar toch met wonden gebroken door de

\') \'èxhxtrs.

\'-) G. J. Vossius bij C. Vitringa, Doctrina VIII. I. p. 147.

•■\') A. Thysius Disput. XLV. 28, iu do Synopsis cd. Dr, H. üavinck p. 511.

483

-ocr page 500-

§ 33. HET BROOD.

geeseling, door de dorenkroon, door de doornageling van handen en voeten, door de doorsteking zijner zijde.

Te recht heeft onze Gereformeerde Kerk het aloud gebruik der breking des broods aangenomen. De Nationale Synode te Middelburg 1581 heeft in hare Particuliere Vragen, 77, uitdrukkellijk bepaald : De breking zal in de tegenwoordigheid der gemeenten geschieden. En het Formulier van het Heilig Nachtmaal zegt, dat een\' iegelijk dit brood voor zijne oogen gebroken wordt. Onze Godgeleerden erkenden wel niet allen dc breking als voor het wezen des Sacraments noodzakelijk, doch de meesten oordeelden, en met reden, dat zij tot de formeele volledigheid van het Sacrament noodzakelijk behoorde i)-

Bij de Roomschen wordt in de Mis een groote ouwel (hostie) gebruikt; deze wordt door den priester in drie deelen gebroken, doch niet om aan het volk uit te deelen. Deze breking der groote hostie heeft derhalve niets gemeen met de breking des broods naar de instelling van Christus. De gewone, kleine ouwels, die aan de gemeente worden toegediend, worden niet gebroken, „wijl door het breken wel een kruimken van het getranssubstantieërde brood, van Christus\' lichaam zou kunnen op de aarde vallen.quot;

Ook de Lutherschm breken hunne ouwels niet J), Doch

\') P. Van Mastricht, Godgel. III. p. 642. Verschilleude go-voolens onzer oude Godgeleerden vermeldt C. Vitringa, Uoctrina VIII. I. p. 144-140.

■!) Strenge Lutheranen, b.v. Rudelbach, verklaren zich nog beslist tegen hot breken, als zijnde eene actio mere praeparatoria distributioni inserviens, niets meer. Andere oordeelen milder, ook zelfs de Lutherscbe Vilmar, Dogmatik II. § 67. S. 268. f., en vanzelf do voorstanders dor Unie. Stier, lieden des Herrn

484

-ocr page 501-

§ 33. HET BROOD.

niet uit bijgeloovige vrees als de Roomschen, maar omdat zij in Christus\' brekinge des broods niet meer zien dan voorbereiding en begin der uitdeeling, terwijl toch de Schrift bij de dankzegging en zegening met nadruk de breking voegt.

Het vierde is de uitdeeling. Christus brak het brood en gaf het den discipelen. De drie Evangelisten vermelden dit uitdrukkelijk, Paulus 1 Kor. 11 : 24 niet, wijl het woord Neemt, bij de breking gevoegd, het geven insluit. Hij gaf het hun in de hand, of legde het hun voor om het in de hand te nemen. Maar zeker gaf Hij het hun niet in den mond. Dus wordt bij de Roomschen gedaan, een gebruik door het bijgeloof eerst sedert de zesde eeuw opgebracht en in de 13de eeuw algemeen geworden\').

Josn VIter Theil 1848. S. 106. Augusti, Handb. der Chr. ArchUol. II. S. 750 f.

Naar Ebrard, Das Dogma vom h. Abendm. S. 116, beantwoordt het breken des broods aan hot slachten des paaschlams, het eten des broods aan het eten van \'t lam. en was de breking des broods eene zinnebeeldige handeling, waardoor Christus\' gewelddadige dood, de breking zijns lichaams d. i. zijns levens voor alle tijden zinnebeeldig vertoond zou worden.

\') Calvin. Instit. IV. 17. 43 acht het onverschillig of do goloovigen het brood in de hand ontvangen of niet, on of ieder wat hem gegeven is alleen oet of met andere tafolgenooten deelt. Het gebruik der oude Kerk was, gelijk ook Calvyn toestemt, dat allen het in do hand ontvingen.

Bij do Griekschen wordt brood en wijn in één gegoven {h:c(nq) in oenen bijzonder daartoe dienenden lepel (Xxfii:, opyxvov /.eiTOupyr/Jy). Augusti Handb. II. S. 764, f.

Ueidelb. Cat. Vr, 75: — als ik het brood en den drinkbeker--

uit des dienaars hand ontvang en mondelijk geniet.

Volo bijzonderheden nopens do uitdoeliog behandelt C. Vitringa,

485

-ocr page 502-

§ 33. HET BROOD.

2. Bij het ronddeelen van het brood sprak Christus : Neemt, eet: dat is mijn lichaam, dat voor u gebroken •) wordt: doet dat tot mijne gedachtenis.

Neemt, eet! Een vriendelijk bevel, eene minzame nooding, geen dwang. De liefderijke Heiland dringt zich met zijne gaven aan niemand tegen zin en wil op. Ook zijn juk bindt Hij niemand dwangswijze op, maar Hij zegt : Neemt mijn juk op u. Zoo hier : Neemt, eet. En wie begeerte heeft naar hetgeen Hij geeft, die neemt ook. Dit woord der nooding : Neemt, eet, drinkt! veronderstelt dus honger en dorst, verlangen naar de gemeenschap en genieting van Jezus. Dit nemen uit begeerte, dit aannemen is zoo noodig, dat de Heere er uitdrukkelijk toe aanzet. Want zoo waar het is dat een mensch niets nemen kan tenzg dat het hem van boven gegeven worde, zoo gewis is het ook dat niets iemands eigendom wordt tenzij dat hij het neme, aanneme. Door het voorhouden en aanbieden zfjner gave wekt de Heere zelf de begeerte er naar op en door zijn vriendelijk uitnoodigend woord geeft Hij de vrijmoedigheid om te nemen.

Neemt, eet, spreekt de Heere. Dus is dit brood om gegeten te worden. Hetgeen men er in de Roomsche Kerk nog buitendien mede doet, is tegen de ordinantie des

Doctrina VIII. I. p. 147. sqq. Do distributiono panis. Dat Christus den discipelen het brood niet in den mond stak wordt door M. Vitringa p. 156 met redenen gestaafd.

\') Lucas 22 : 19: gerjeven, namelijk in den dood, Paulus, naar de eigene verklaring des Heeron aan hem 1 Kor. 11 : 24 : gebroken, Khuftsvov, hetwelk sommigen als onecht uitlaten, ook Lachmann en Tischendorf, andoren met D. Schulz voor echt houden, en met reden.

486

-ocr page 503-

§ 33. HET BROOD.

Heeren. Dat behoort waarlijk niet tot het Avondmaal des Hoeren, wanneer men hetgeen er van overgebleven is zorgvuldig opbewaart en bijgeloovig vereert, of het gewijde brood, de hostie, in processiën, in plechtstatige omgangen ronddraagt als ware het Christus zelf, en het volk er aanbiddende voor op de knieën valt. Het Avondmaal is voor het geloof, niet voor het bijgeloof. Het brood en de wijn zijn alleen voor de genietenden sacramenteel en buiten het gebruik, waartoe de Heere ze heeft ingesteld, zijn zij geen Sacrament, gelijk onze Ouden te recht leerden.

Van het gezegende en gebrokene brood zeide de Heere : Dat is mijn lichaam •), naar het eenstemmig verhaal der vier heilige schrijvers.

Het woord is heeft Jezus, zich van de Joodsche taal bedienende, waarschijnlijk geheel niet uitgesproken. Hij heeft naar den aard dier taal bij de omdeeling van het brood en den drinkbeker wel alleen gezegd: Dat mijn lichaam, Dat mijn bloed. Zoodat wij op het woordeken is, waarover men zooveel heeft gestreden, geheel geen bijzonderen nadruk hebben te leggen. Het is hier eenvoudig koppelwoord (copula), hetwelk onderwerp (subject) en gezegde (praedicaat) verbindt en in de taal der Joden niet werd gebezigd.

Het onderwerp is Dat {toütc), het gezegde mijn lichaam. Maar wat bedoelt Jezus met dit Dat J) ? Ongetwijfeld

\') tolito sitti rh crwjtws ftou. Alloonlijk bij Paulus 1 Kor, 11 : 24 ia wat andere orde; touto (xou stt) to a-u/zx.

2) Koomsche en Luthersche uitleggers zoeken in toüto, wijl er niet staat ootch; (ter aanwijzing van tiptos), meer of min hunne trans- of consubstantiale ideeën in te leggen. Zonder grond. Het Grieksche taaleigen eischt hier het neutrum wegens

487

-ocr page 504-

g 33. HET BROOD.

hetgeen Hij daar geeft en toedeelt aan de discipelen en zij nemen en eten zouden : dus het gebroken brood.

Intusschen ofschoon op is geen nadruk ligt, mogen wij niet voorbijzien, dat Christus dan toch het brood zijn lichaam en evenzoo daarna den wijn zijn bloed noemt. Daar echter de discipelen zijn lichaam voor hunne oogen hadden en Hij zelf bij monde tot hen sprak, zoo kan Hij onmogelijk dit hebben willen zeggen, dat Hij hun hiermede zijn lichaam lichamelijk te eten gaf.

Wat bedoelde Hij dan ? Om Hem wél te verstaan dienen wij slechts in aanmerking te nemen dat Hij het Avondmaal voor de toekomst instelde, daar deszelfs viering en genieting in zijne gemeente eerst beginnen zou, nadat Hij met zijn lichaam van de aarde gescheiden en door zijn bloed in het hemelsche heiligdom ingegaan was. Dat duidde Hij zelf aan door de woorden : Doet dat, namelijk dit eten en drinken, tot mijne gedachtenis, dus toekomstig, wanneer Hy niet meer zoo als nu by de zijnen zou wezen. En zoo is het dan duidelijk dat Hy wilde zeggen : „Dit brood (niet meer een lam) zal mijn lichaam vertegenwoordigenquot;, zoodat het Avondmaalsbrood niet bloot het gekruisigde lichaam van Christus beteekent, maar ook een pand is van de gemeenschap daaraan : het is volgens de gezaghebbende verklaring van Paulus eene gemeenschap des lichaams van Christus \').

het volgende v£fj.x. Het is do gewone attractie, waaraan wij ook bij Efez. 2 : 8 in hot Veertiende Hoofdstuk § 15 herinnerden. \') Een oud vors.

Sninit unus, sumunt mille,

Quantum iste, tautum illo

488

-ocr page 505-

§ 34. DE DRINKBEKER.

§ 34. De Drinkbeker.

Gelijk met het brood, desgelijks, deed de Heere Jezus met den drinkbeker. Ook hierbij wordt vermeldt zijn nemen, danken (Matth. 26 : 27. Mare. 14 : 23) en daardoor zegenen en wijden tot hooger gebruik, en het geven, wederom met gewichtige woorden. Dus bestaat naar de instelling zelve het Avondmaal (anders dan de Roomschen het houden) uit twee onderscheiden deelen, die echter onafscheidelijk bij elkander behooren: één Sacrament, maar tweeledig, met twee teekenen. Paulus zegt 1 Kor. 11 : 25: Desgelijks*) [nam] Hij ook den drinkbeker, na het eten des Avondmaals, en zeide: Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in mijnen bloede. Doet dat, zoo dikwijls als gij [dien] zult drinken, tot mijne gedachtenis.

1. Jezus nam den drinkbeker, namelijk dien beker, die reeds bij het voorafgegaan paaschmaal was gebruikt. Dezen beker, nadat er weer wijn was ingegoten, nam Hij van de tafel op en gedankt hebbende gaf Hij hem den discipelen, deed hem in hunnen kring rondgaan, waarbij Hij volgens Mattheüs 26 : 27 uitdrukkelijk sprak : Drinkt allen daaruit (hetwelk zij ook deden naar Mare.

Sumunt boni, sumnnt mali,

Sorte tamen inaequali.

O qnam sanctns panis iste!

Tn solns es Jera Christe Caro, öibns, Sacramentnm,

Quo non majus est invontnm.

\') coqxuTwq. Luther vertaalt nadrukkelijk: Desselbtgen gleichen. Bengel, Gnomon in Luc. 22 : 23 wijst hot gewicht van dit woordoko aan.

489

-ocr page 506-

§ 34. DE DRINKBEKER,

14 : 23 : en zij dronken allen uit denzelven): Want dat is mijn hloed, het [bloed] des Nieuwen lestaments, hetwelk voor velen (Lucas 22 : 20: voor u) vergoten wordt tot vergeving der zonden (naar Matth. en Mare.).

Het bloed des Nieuwen Testaments. Het Grieksche woord •), waarvoor wij hier Testament lezen, hebben onze Overzetters aan andere plaatsen door Verhond vertaald ; vele uitleggers vertalen het ook hier aldus. Het Grieksche woord beteekent beide, verhond en testament. Dies past het treffend voor de zaak, voor het Goddelijk Verbond. Want waar God een verbond met menschen maakt, komt dit geheel van Hem, alle bepalingen, voorschriften en beloften daarin komen alleen van de zijde Gods die zich genadig zoo neerlaat, en niet van den mensch. Dat verbond is dus aan een testament gelijk, waarin iemand onafhankelijk, geheel naar zijnen vrijen wil bepalingen maakt en over zijne goederen beschikt. Het verbond Gods met schuldige menschen is een verbond der genade en als zoodanig heeft het de hoedanigheid en den naam van een testament, Oud Testament de oude schaduwachtige bedeeling, Nieuw Testament de nieuwe bedeeling van eenzelfde genadeverbond.

490

Voorts, een testament veronderstelt en vereischt eenen dood en eene erfenis. Daarom is het Goddelijk genade-verhond te meer als een testament, omdat het eenen dood veronderstelt die tusschenbeide moest komen, zouden de beloofde goederen door de bepaalde erfgenamen verkregen worden. Deze dood was schaduwachtig en voorbeeldende

\') (rvvüwy. Over de betoekenis en het gebruik van dit woord is gehandeld in het Tweede Hoofdstuk § 10.

-ocr page 507-

§ 34. DE DRINKBEKER. 491

de dood der offerdieren, in waarheid de dood van Christus op welken die offeranden heenwezen.

Daarom werd het Oude Verbond door het bloed van gedoode offerdieren ingewijd, Exod. 24 :8, en het Nieuwe Verbond trad in kracht met den bloedigen dood des Middelaars, dat Verbond hetwelk Jerern. 31 : 31 vv. zoo duidelijk was beloofd en zoó heerlijk aangekondigd.

Terugziende zoowel op Exod. 24 als op Jerem. 31 sprak derhalve de Heere Jezus Christus: Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in mijn bloed. Dat zegt: Deze beker met de vrucht des wijnstoks, met druivenbloed, dien ik u geef is het kenmerk en hewijsteeken van het Nieuwe Verbond, hetwelk ik door mijn bloed tusschen God en menschen bemiddel, is voor u een zegel en onderpand, dat gij tot dit Verbond behoort, dat mijn bloed uwe zonden verzoent en dat gij aan de vergeving der zonden en aan al de verdere Verbonds- of Testamentsgoederen deel hebt.

Daarmede sprak de Heere nu dan ook meteen plechtig uit, dat het Oude Verbond was ten einde geloopen. Want Als Hij zegt: Een nieuw [Verbond], zoo heeft Bij het eerste oud gemaakt; dat nu oud gemaakt is en verouderd, is nabij de verdwijning, Hebr. 8 : 13.

2. Op dat alles behooren de gedachten te gaan der dischgenooten bij iedere viering des Heiligen Avondmaals, naar het Woord des Heeren bij de omdeeling van het brood : Doet dat tot mijne gedachtenis, en wederom toen Hij den drinkbeker deed rondgaan : Doet dat, zoo dikwijls als gij dien zult drinken, tot mijne gedachtenis.

Hoe wij zyns daarbij zullen gedenken,, leert treffend ons Formulier om het Heilig Nachtmaal te houden.

-ocr page 508-

§ 34. DE DRINKBEKER.

492

Deze gedachtenis is niet bloot eene verstandelijke herinnering, niet een enkel geschiedkundig gedenken quot;) aan Hem en aan zijn eens volbracht werk, maar eene gemoedelijke, gevoelige, levendige vertegenwoordiging, eene geestelijke bijzondere gemeenschapsoefening met Hem in hartelijke dankbaarheid. Gedachtenis voorwerpelijk (objectief), als gedenkteeken voor de geloovigen en vermaanteeken voor de wereld, en onderwerpelijk (subjectief) als een gedenken der geloovigen. In dienzelfden hoogen zin als God de Heere Exod. 20 : 24 van de gedachtenis zijns naams spreekt, zeggende : Aan alle plaats, waar ik mijns mams gedachtenis stichten zal, zal ik tot u komen en zal u zegenen. En des naams Gods gtdenken beteekent in de Schrift: Hem loven, met dankzegging prijzen. Zoo Jez. 2G : 13 : Heere, onze God! [andere] heeren behalve gij hebben over ons geheerscht, [doch] door u alleen gedenken wij uws naams. Tot zulk eene innige en hartelijke lovende en dankende gedachtenis en verheerlijking van den Heere Jezus moet het Heilig Avondmaal dienen. Dat dit de bedoeling is, blijkt uit de verklaring, die de Apostel Paulus van deze gedachtenis geeft 1 Kor. 11 ; 26 : Want zoo dikwijls als gij dit brood zult eten en dezen drinkbeker zult drinken, zoo verkondigt den dood des Heeren totdat Hij komt.

\') Ook het Oudtostamentischo Pascha is meor dan dat, is niot eine blosze Gedüchtnissfeier, die in der w ah ren Religion, ivelche einen lehendigen Gott hat, und somit nichts ahsolut Vergangenes kennt, gar nicht vorhommen kann. Hengstenberg, Christol. deö A. T. 1835. III. S. 60.

-ocr page 509-

§ 35. OOK DE DRINKBEKER.

§ 35. Ook de Drinkbeker.

In het Heilig Avondmaal behooren brood en wijn te zamen. De dischgenooten moeten niet slechts het brood, maar allen ook den drinkbeker ontvangen. Hieraan houden zich de Grieksche en de Protestantsche Kerken, in tegenstelling tegen de Roomsche, die den drinkbeker bloot aan den bedienenden priester toelaat en aan de gemeente alleen het brood geeft, bewerende dat het aldus evenwel een volledig Sacrament is.

De Gereformeerde geloofsbelijder zegt Heidelb. Catech. Vr. 75: Dat Christus mij en allen geloovigen tot zijne gedachtenis van dit gebroken hrood te eten en van dezen drinJcbeker te drinken bevolen heeft.

De Heere heeft het bevolen Matth. 26 : 27 zeggende tot de discipelen: Drinkt allen daaruit. Bij het brood zeide Hij alleen: Neemt, eet, maar bij den beker noemt Hij uitdrukkelijk allen: Drinkt allen daaruit. Men kon dit zoo verstaan, dat het slechts de onderscheiden wijze van uitdeeling aanduidde, dat, terwijl Hij het brood eenen iegelijk in het bijzonder reikte. Hij den beker aan éénen, aan den naast aanliggenden gaf en met dit zeggen: Drinkt allen daaruit, alleenlijk wilde te kennen geven ; de eene zou den beker aan den anderen langen. Maar dan blijft het toch vaststaan : allen zouden er uit drinken. Dat dit allen gewicht heeft, blijkt ook uit Mare. 14 : 23, die, wel opmerkelijk, vermeldt: En zij dronken allen uit denzelven. Hetgeen echter Christus daar tot die discipelen sprak, dat zeide en verordende Hij meteen voordienen waarvan Hij aanstonds daarop Matth. 20 : 28 gewaagde, voor die allen voor wie Hij zijn bloed vergoot. — De

493

-ocr page 510-

§ 35. OOK DE DRINKBEKER.

gansche Christus is ons noodig voor het geestelijk leven, gelijk spijs en drank voor het leven des lichaams. Ën alle kracht des levens, al de volheid is in Hem, zoodat w\\j niets buiten Hem hebben te zoeken i)- Hij is spijs en drank. Dat betuigt Hij hier. \'t Is als of Hij *), de verminking zijner instelling vooruitziende, er hier al bij voorbaat voor waarschuwt, opdat wij zijnen Woorde gehoorzaam het Heilige Verbondsmaal ongeschonden onderhouden. Het brood niet te eten staat vrij voor wie \'t niet wil, niemand wordt er toe gedwongen ; wie echter het brood niet eet mag ook den beker niet ontvangen. Maar wie het brood eet, moet ook uit den beker drinken. Onthouding van één der twee elementen en vermenging van beide tot één zijn evenzeer strijdig met de instelling van Christus, zooals dan ook Paulus leert 1 Kor. 11:28 : De mensch beproeve zichzelven en ete alzoo van het brood en drinke van den drinkbeker.

Het gebruik van het brood alleen kwam bij enkelen al vroeg op. Reeds in de vierde eeuw waren er, die bij-geloovig van het sacramenteele brood iets mede naar huis namen (van den wijn waagde men niet mede te nemen) en opbewaarden, om zich aldaar dagelijks voor liet aardsche werk door het lichaam des Eleeren te heiligen en te sterken. Zelfs op zeereizen nam men er van mede om onderweg Avondmaal te kunnen houden: dus van hel, gewijde brood alleen, zonder^ den drinkbeker. Doch de Kerk hield over het algemeen het volledig gebruik des Avondmaals „onder beide gestaltenquot; (sub utraque specie)

\') Calvin. Commentar. iu Malth. 26 : 27.

2) Calvin. Instit. IV. 17.50. Grnomou iu MattU. 26 : 27.

494

-ocr page 511-

§ 35. OOK DE DRINKBEKER. 495

voor noodzakelijk en veroordeelde het gebruik van het brood alleen als manicheesch, daar de Manicheën er voor schuwden den wijn bij het Avondmaal te genieten •).

Maar sedert de 12de eeuw tengevolge van de Transsubstantiatieleer werd het in de Roomsche Kerk gewoonte den drinkbeker aan het volk te onthouden, uit vreeze dat er iets van Christus\' bloed door onvoorzichtigheid op aarde gestort wierd en teloorging. Kerkwet werd de kelkonthouding op de Synode te Gonstanz 1415, waar tegenover de evangelisch gezinde Bohemen, die den drinkbeker voor de leeken terugeischten, wel werd toegestemd dat de oude Kerk (primitiva ecclesia) het Avondmaal naar Christus\' instelling had gehouden met brood en drinkbeker, maar desniettegenstaande (hoe non obstante) werd besloten, aan het verlangen der Bohemers niet te voldoen. De kerkvergadering te Trente bevestigde dit besluit en verklaarde de bediening „onder ééne gestaltequot; voor wet \'), terwijl zij zich beriep op het recht der Kerk om in de bediening der Sacramenten veranderingen te maken.

Ten gronde lag hierbij de stelling: Christus is onder iedere van beide gestalten geheel tegenwoordig, het lichaam is niet zonder het bloed en het bloed niet zonder het

\') Neandw, Kirchongesch. liter Bd. Erste A.bth. 1829. S. 473 f.

2) Dr. Aug. Hahn, Das Bekonufcn. der evang. Kirche. 1853. S. 100. i S. 131. Augusti, Haudbuch der christl. Archüol. Iltor Band. S. 755.

Do Trentscho Synode verklaart uitdrukkelijk Soss. XXI. Cap. II: De heilige moeder, de Kerk — — heeft de mettertijd wijd verspreide gewoonte om het Sacrament onder ééne gestalte le genieten, goedgekeurd en besloten dat dit voor wet moest worden gehouden, hanc consuetudinem sub altera specie communicandi approbavit et pro lege habendam deerevit.

-ocr page 512-

§ 35. OOK DE DRINKBEKER.

lichaam, want beide zijn in het Avondmaal zoo, gelijk zij in den hemel zijn, niet gescheiden maar tot een organisch leven vereenigd. Dus wordt de gemeente niet bekort, want in het gegeven brood is Christus\' bloed mede voorbanden, en met het brood ontvangt de gemeente den ganschen Christus en het ware Sacrament •). En ontbreekt dan wel het eene uiterlijke teeken, dit gemis, leeren de lloomschen, wordt volledig goed gemaakt door dat de bedienende priester den wijn geniet, want de priester vertegenwoordigt de Kerk s). Ook priesters mogen alleen het brood en niet den drinkbeker ontvangen, wanneer het Sacrament niet door hen maar door een anderen priester wordt bediend.

De Roomschen zoeken hunne leer te staven door de stelling van de Concomitantie s), vergezelling, vereeniging,

\') Totum atque integrum Christum verumque sacramentum. Trident in. Sess. XXI. Cap. III. Soss. XIII. De Euoharistia. Canou III.

De voornaamste redenen voor do kelkonthouding waren naar Catech. Roman. Pars II. Cap. IV. Qu. 64 vooreerst do vrees voor het gevaar dat iets van hot bloed des Heeren ter aavde wierd uitgestort: caveadum orat, ne sanguis Domini in terrain funderetur; ten tweeds en allermeest zou de toediening van het brood alleen een openbaar getuigenis zijn tegen de ketterij der-genen, dio de aanwezigheid van den ganschen Christus onder iedere der beide gestalten loochenden, en beweerden dat alteen het bloedlooze lichaam onder do gestalte des broods, het bloed echter onder de gestalte des wijns was behelsd.

l) Dr. Eek verklaarde: sacerdos in persona populi offert et sumit sub utraque specie, in cujus persona totus populus qua-dam spirituali sumptiono se sanguinem Christi bibero gaudentor debet credere. Zie bi] Winer, Compar. Darstel. S. 202.

Concomitantia. Trident. Siws. XIII. De Eucharistia Cap. III. G. E. Steitz, in Herzoga Rual-Enc. XVI. S. 325 u. d. W.

496

-ocr page 513-

§ 35. OOK DE DRINKBEKER.

onscheidbaar bijolkanderzijn van het bloed en het lichaam des Heeren, daar het eene niet zonder het andere is, ,krachtens die natuurlijke samenhechting, door welke al de deelen des Heeren Christus onder elkander worden verbonden: lichaam, bloed, ziel, Godheid, ook de Godheid wegens de wonderbare personeele (hypostatische) ver-eeniging van deze met het lichaam en de ziel.quot;

De gebodene onthouding van den drinkbeker in het Avondmaal vond ook bij Roomschen dikmaals afkeuring en tegenspraak i). Natuurlijk vruchteloos.

De Hervorming gaf der gemeente den ontstolen beker weder ï). Sinds is het bij de Protestanten vaste regel en

Transsubstantiation. Ebrard, Das Dogma vom h. Abendm. I. S. 497.

1) Ook de beroemde Dr. J. A. Möhler sprak or in zijn eersten tijd krachtig tegen, mot verontwaardiging over de sophiaterij van do verdedigers der kelkonttrekking. Later in zijne Symbolik anders ; doch ook daar betuigt hij: Gleichwohl würden wir uns freuen, wetm es einem Jeden freigestellt würde, ob er aus dem (jesegneten Kelch trinhen wolle, oder nicht; was auch zuverlassig geschehen wird, tuonn sich der allgemeine Wunsch in Liehe und Eintracht eben so für den Genusz desselben aussprechen wird, als er sich vom 12. Jahrhundert an dagegen ausgesprochen hat. Kling, in Herzogs Real-Enc. IX. S. 664. u. d. A. Möhler.

2) Scherp komt ook Calvin. Instit. IV. 17. 47. sqq. tegen de Roomsche verminking vau het Sacrament op.

De Protestanten verklaarden zich reeds beslist in de Confessio Augustana van 1530. Art. I: Do utra.quo specie, ed. Rechenb. p. 21. En zoo vervolgens in verscheiden Publieke Schriften. Zie bij Winer, Compar. Darstel. S. 202 ff. Uitdrukkelijk betuigt ook de Gereformeerde Confessie Helvetica II. Cap. XXI. ed. Tiguri 1566 fol. 40i : Wij keuren af degenen, die de eene van beide gestallen (alteram speciomj, namelijk den drinkbeker des Heeren, den geloovigen hebben onttrokken. Want. dezen bezondigen zich zwaar

Gvavemoijei\', Gorcf. üol. loor. III. S2

497

-ocr page 514-

§ 36. TEEKEN EN ZAAK.

gewoonte, dat al de dischgenooten in het Heilig Avondmaal niet alleen het brood maar ook den drinkbeker ontvangen, in overeenstemming met de Grieksche Kerk die het Sacrament „naar de beide gestalten, des broods en des wijns gt;)quot; bediende.

§ 36. Betrekking tussohen te eken en beteekende zaak.

Wij hebben nu nader te letten op het innerlijke wezen van het Heilig Avondmaal. Wij dienen te overwegen, hoe eigenlijk de teekens en de beteekende zaken tot elkander staan, welk verband er tusschen beiden zij, dus: wat wij moeten gelooven van de betrekking des broods en wijns in het Avondmaal tot het lichaam en bloed van Christus. Dit is van het grootst gewicht: want hierdoor wordt de ware zin en bedoeling van het Sacrament bepaald.

De gevoelens daarover loopen verre uiteen. Er is lang en heftig over getwist. En het Avondmaal des Heeren, dat een band van vereeniging moest zijn, is door de verkeerdheid der menschen een middel geweest om de Christenheid al meer te verdoelen. Het is noodig, op

tegen de instelling des Heeren, die zegt; Drinkt allen daakuiï, iets wat Hij hij (liet otou van) het brood niet zoo uitdrukkelijk gezegd heeft.

\') kxtm rx Syo f/cfy toü xprou xx) toü o\'ivov. Coufessio ortho-doxa. Bij Winer a. W. S. 202.

De uitdrukking „onder beide gostaltonquot; is bij de Gerefor-meerdon niet zoo in gebruik; zy luidt ook ietwat Roomscb en Luthersoh. De Heidelb. Cat. legt Vr. 80 gestalte don Eoomschen in den^mond.

498

-ocr page 515-

§ 36. ÏEEKEN EN ZAAK.

voorgang van onze Belijdenis des Geloofs Art. XXXV en onzen Heidelb. Catechismus Vr. 75—82, wel niet al de geschillen hierover, maar althans de voornaamste in het oog te vatten, ten einde ons in de waarheid te bevestigen, tegen verderfelijke dwalingen te beveiligen en ons in deze overtuiging te versterken, dat de leer onzer Gereformeerde Kerk ook in dit gewichtig stuk allermeest schriftmatig is, en om ons te beter in staat te stellen tot een waardig en vruchtbaar gebruik van het Sacrament. Want ofschoon de liefde hooger waarde heeft dan de wetenschap, en de Heere eenvoudige dischgenooten, die Hem liefhebben, om eene gebrekkige kennis niet veroordeelt: zoo valt toch niet te loochenen, dat gebrek van verlichte bevatting, dat donkerheid en verwardheid van denkbeelden over het Heilig Avondmaal bij rnenigen zoowel de betamelyke voorbereiding, als het rechte genot en de behoorlijke nabetrachting grootelijks verhindert en aldus ook den oprechte belemmert den vollen zegen van het Sacrament te smaken.

De Gereformeerde Kerk leert: 1. Brood en wijn veranderen niet. 2. Ook is Christus\' lichaam en bloed er niet in, met en onder. 3. Doch het zijn ook niet enkel teekenen en beelden, maar 4. teekenen en zegelen van de gemeenschap aan Christus\' gekruisigd lichaam en vergoten bloed.

Het eerste is eene tegenstelling tegen de Roomsche en Grieksche transsubstantiatie. Het tweede tegen de Luthersche consubstantiatie. Hel derde tegen Zwingli\'s en veler Hervormden figuratie.

I. De leer der Roomsche Kerk is deze: Zoodra do priester, die hot Sacrament bedient, de woorden der

499

-ocr page 516-

§ 36. TEEKEN EN ZAAK,

wijding (consecratie) uitspreekt: Dat is mijn lichaam, en : Dat is mijn bloed : zoo wordt door de Goddelijke almacht, die deze woorden krachtens de inzetting vergezelt, de substantie, het wezen des broods en wijns veranderd in de ware substantie van Christus\' eigen lichaam en bloed.

Dat wonder noemen zij met een barbaarsch Latijnsch woord transsubstantiatie i), hetwelk beteekent wezensverandering en hun gevoelen gepast uitdrukt, te weten dat brood en wijn van wezen veranderen, maar het voorkomen van brood en wijn behouden.

1. Dat dit een wonder is, bekennen zij zei ven. Maar het is, zeggen zij, een noodzakelijk wonder. Want daar Christus het gewijde Avondmaalsbrood zijn lichaam en den wijn zijn bloed noemt, zoo moet immers zijn waar lichaam met zijn bloed daar onder de gestalte des broods en wijns werkelijk aanwezig zijn. Is nu zijn lichaam daar waar het te voren niet was, dan moet het er gekomen zijn of door plaatsverwisseling of door schepping of door verandering en omzetting der stofie in het lichaam zelf. Door plaatsverwisseling kan het niet, wijl hetgeen ergens komt, de plaats, waar het was, verlaat: dus zou Christus dan uit den hemel afwezig zijn. Nog minder is er aan eene schepping te denken : want wierde Christus\' lichaam en bloed daar uit niet geschapen, buiten het brood] en den wijn, dan zou het brood brood zijn en de wijn wijn en daarbij en daarnevens zou Christus\' lichaam en bloed zijn, tegen het Woord van het brood: Dat is mijn lichaam,

1) Catech. Roman. Pars II. Cap. IV. Qu. 40, met hot opschrift: Stupendao huic oonvorsioni commode nomen impositum ost »transsubstantiatioquot;. Het woord komt eurst voor in hot begin der 12de eeuw. Vitringa, Doctrina p. VIII. Tom. I. p. 435.

500

-ocr page 517-

§ 36. TEEKEN EN ÜAAK.

en van den wijn : Dat is mijn hloed. Wijl dat nu Christus\' lichaam en bloed is en echter voor de zintuigen zich niets dan brood en wijn vertoont, zoo is er geen uitweg, loeren zij, dan te gelooven; dat het ivezen van brood en wijn in het wezen van Christus\' lichaam en bloed veranderd wordt, dusdanig dat dan van het wezen (de substantie) des broods en wijns niets meer voorhanden is \'), terwijl alleen de uiterlijke hoedanigheden (accidentiën, toevalligheden) overig blijven, namelijk zwaarte, gedaante, kleur en smaak. In werkelijkheid is het dus geen brood en wjjn meer, maar alleen naar het uiterlijk voorkomen.

2. Deze leer is na herhaalden, langdurigen strijd 2) als Roomsche kerkleer vastgesteld in het jaar 1215 op eene Kerkvergadering te Rome (het vierde Lateraansche Concilie) onder den machtigen Paus Innocentius III.

Na de Hervorming bevestigde de Roomsche Kerk dit leerstuk streng en scherp op de Kerkvergadering te ïrente 1551 in de 13de zitting in den 2den Canon : «mawrf: In het hoogheilige Sacrament der Eucharistie blijft de substantie des broods en wijns tegelijk met het lichaam en bloed omes lieer en Jezus Christus, en loochent hij de wonderbare en bijzondere omkeering der geheele substantie des broods in het lichaam en der geheele substantie des wijns in het bloed, terwijl alleen de gestallen des broods en wijns blijven, welke omkeering de Katholieke Kerk zeer gepast transsubstantiatie noemt: die zij vervloekt.

Ook bij de Griekschen is de transsubstantiatie als kerk-

\') Catech. Roman. Pars II. Cap. jV. Qu. 35.

\'2) G. E. Stelt: in Herzogs Roal-Enc. XVI. S. 314 ff. n. d. W Transsubstantiation. Ebrard, Das Dogma vom h. Abendm I S. 407. ff.

501

-ocr page 518-

§ 36, TEEKEN EN ZAAK.

leer aangenomen, doch zij stellen eene nederdaling des plechtig aangoroepenen Heiligen Geestes, die de verandering van het wezen des broods en wijns in het wezen van Christus\' lichaam en bloed bewerkt\'), terwijl de Roomsche Kerk de Goddelijke kracht aan de wij woorden dos priesters bindt.

3. Dat geen mensch de transsubstantiatie begrijpen kan, wordt gaaf toegestemd. Wel wordt dagelijks brood en wijn door de kracht der natuur in menschelijk vleesch en bloed veranderd 2), maar hoe die verandering geschiedt, krachtens welke het lichaam des Heeren zelfs in het kleinste deeltje van het gezegende brood is behelsd, dat, bekennen de Roomschen, is niet te verklaren maar te gelooven, naar het Woord : Geen ding zal hij God onmogelijk zijn (Luc. 1 ; 37 3). En wijl het lichaam bestaat uit vleesch en bloed, de menschelijke natuur uit lichaam en ziel, de Godmensch uit menschelijke en Goddelijke natuur : zoo volgt, leeren zij, uit deze onscheidbare verbintenis (concomitantia), dat dit alles ook in het Sacrament aanwezig is. Dus is in ieder van beide elementen, in de gestalte des broods en des wijns, en in ieder deeltje daarvan de gansche Christus tegenwoordig«).

\') [MTOvrlmris. Confossio orthodoxa van 1G43. Wi\'ner, Cornpar. Darst. S. 199. De aanroeping, des Heiiigon Geostos ;

Vitringa, Doetrina Pars VItl. Tom. I. p. 428. Daarop do verandering dor olomoutou : p. 430.

Catech. Roman. Pars II. Cap. IV. Qu. 18 : Panom et vinrnn iu humanam carnem ot sanguiuom quotidio vi naturae imimitari animadvertimus.

:\') Gat. Rom. P. II. C. [V. Qu. 41.

4) Cat. Rom. P. II. C. IV. Qu. 32. Biedermann, Christ. Dog-matik liter Theil S. 362 § 545 merkt daarbij aan : Das katho-

502

-ocr page 519-

§ 36. TEEKEN EN ZAAK.

Doch niet met plaatselijke uitgebreidheid, maar ny.ar zijne substantie, zijne vvezenheid. De substantie kan evenzoowel in eene kleine als in eene groote ruimte bevat worden. De substantie en geheel het wezen der lucht is even zoo in een klein als in een groot luchtdeel; desgelijks is het gansche wezen des waters niet minder in een kruikje dan in eenen stroom. Daar nu het lichaam onzes Heeren, leert de Roomsche Kerk, de substantie des broods vervangt en opvolgt, zoo moet het klaarblijkelijk op dezelfde wijze in het Sacrament zijn als de substantie des broods voor de inzegening (consecratie) ; of deze echter onder eene groote of onder eene kleine hoeveelheid was, deed volstrekt niets ter zaak \').

Maar wanneer de substantie van brood en wijn er niet meer is, de eigenschappen van beide er echter wél zijn, bestaan dan deze eigenschappen (accidentiën) zonder haar subject (onderwerp) op zich zelve alleen ? De Roomsche Kerk zegt: ja. Want daar het lichaam en bloed des Heeren waarlijk in het Sacrament zijn, zoodat er goene substantie van het brood en den wijn meer bij aanwezig is ; en daar de hoedanigheden (accidentiën) van brood en

lischc Dogma spricht soinen dnrohaftngigen floisohlichen nnd darum magischen Supranaturalismus hier am offenkundigsten aus. Dö bijzondere Scholastiekquot;} bepalingen over do tegenwoordigheid van den ganschen Christus in het Avondmaal vermeldt O. E. Steitz, in Herzogs Re^l-Enc. XVI. S. 325. f. u. d. W. Trans-substantiation. G. Vitringa, Doctrina Christ. Rol. Pars VIII. Tom. II. p. 654. sq. Uitvoerig wordt daar gehandeld De Sacra Coena Pontificiornm p. 635 — 784.

\') Aldus de Cat. Rom. P, II. C. IV. Qu. 42. Mot het opschrift : Christi corpus in euoharistia non est ut in loco.

503

-ocr page 520-

§ 36. TEEKEN EN ZAAK.

wijn niet kunnen eigen zijn aan Christus\' lichaam en bloed en deze niet kunnen hebben tot haar subject : zoo volgt dat de accidentiën op geheel bovennatuurlijke wijze zich zelve dragen, door niets anders gesteund \').

4. De wanstaltige leer der transsubstantiatie bij de Roomschen en Grieken heeft tot eene geheele misvorming van het Sacrament en tot godslasterlijke misbruiken geleid, verzonnen buiten allen schriftuurlijken grond tot verheerlijking van priesterschap en Kerk.

a. Het Avondmaal is hun niet alleen Sacrament, maar tegelp ook offerande: Sacrament, aan de menschen gegeven, offerande aan God opgedragen 2).

De Roomsche Kerk dient alleen het brood toe, waarin naar hare leer van de concomitantie Christus\' bloed mede aanwezig is (§ 35).

In het brood, den gewijden ouwel, de hostie wordt het wezenlijk lichaam en bloed van Christus den Avondmaals-gasten en ook den kranken te genieten gegeven. In dit opzicht is het Avondmaal Sacrament.

Maar daar geschiedt nog meer, het is ook eene offerande.

\') — quoniam ea accidenti Christi corpori et sangnini inhaerere non possunt, relinquitur, ut super omnem naturae ordinem ipsa se, nulla alia re nisa, sustentet. Catech. Rom. P. 11. C. IV. Qu 43 met het opschrift: In hoc Sacramento nulla est substantia, cui accidentia panis et vini inhaereant. G. E. Steitz, in Herzogs Ileal-Ene. XVI. S. 327. Ebrard, Das Dogma vom h. Ab. I. S. 451. Tegen hot logische on motaphysische ending van »occidentiën zondor substantiequot; richtte reeds Wiclef zijne critiok. G. Lechler, in Herzogs Real-Enc. XVIII. S. 101. u. d. A. Wiclif Onze Godgoleerdon hebben dit dan ook niet nagelaten. De Moor, Comment, in Marck. Pars V. p. 705 sq.

2) Catech. Hom. P. II. C. IV. Qu. 68, 69.

504

-ocr page 521-

§ 36. TEfiKEN EN ZAAK.

De in hot brood en den wijn aanwezige Christus wordt door do hand des priesters Gode ten offer gebracht. Dat noemon zij misoffer, hetwelk zegt: Avondmaalsoffer. Het is, loeren zij, eono onbloedige herhaling der bloedige offerande van Christus aan hot kruis\').

Want toen Christus hot Avondmaal instelde, heeft Hij, zeggen zij, tweeërlei gedaan. Vooreerst hooft Hij zich daar onder de gedaante van brood on wijn bij dorzelver opheffing Gode gewijd ten offer, on ten andere heeft Hij zich dan den Apostelen te genieten gegeven. Dat beide geschiedt ook nu door don dienst dos priesters. Want toen Christus zoide : Doet dat tot mijne gedachtenis, zoo meende Hij niet bloot het eten en drinken, maar deze ganscho tweevoudige handeling, de offerande en do nuttiging zou zoo gedaan worden.

Door liet misoffer wordt do vrucht en zegen van Christus\' dood tot dogenen overgebracht, voor wie de priester het verricht, namelijk vergeving van zonden, ook van zware bezondigingen 2). Doch geschiedt dat bidwijze, zoodat

\') Tridentin. Sess, XXII. Cap. I. In het lido Gap. wordt gezegd : In divino hoc sacrificio quod in missa peragitur, idem ille Ghristns continetnr et incraente immolatur, qui In ara crucis somel se ipsum cruente obtnlifc. En de heilige Synode leert, sacrificium istud vere propitiatorium esse, per ipsumque fieri. Ghristus zelf brengt er zich ten offer door den dienst der priesteren. Verklaring van den Mechelschen Gatech. p. 296.

Do verhouding van hot offer der misse tot de offerande aan hot krnis is spitsvondig, uiteengezet door Bellarminus, bij Winer, Gompar. Darstell. S. 206. f.

De Grielcsche Gonfessie noemt het Avondmaal dyxi/xxKTOS ÓutIx. Winer u. W. S. 207. C. Vitringa, Doctrina Ghr. Eel. Pars VIII. Tom. I. p. 422-634.

-) Trident. Sess. XXII. Gap. II: Hujus quippo oblatione

505

-ocr page 522-

§ 36. TEEKEN EN ZAAK.

God door de gebeden des priesters op grond van dit offer zich bewegen laat. Deze misgebeden moeten in de Latijnsche taal 1) geschieden, wijl zij alleen voor God bestemd zijn.

De missen zijn deels openlijke, algemeene missen, namelijk wanneer tegelijk de gemeenteleden het Avondmaal ontvangen, deels privaatmissen, wanneer de priester alleen het gebruikt\'), hetwelk geheel en al strijdt tegen de instelling van Christus.

De privaatmissen geschieden tegen betaling voor bijzondere personen, niet alleen voor levenden, bezwaarden, zieken, reizenden, tot verkrijging van allerhande weldaden, maar ook voor dooden, die in het vagevuur zijn, tot verzachting of verkorting hunner smarten, zielmissen 3).

b. Uit de transsubstantiatie volgt de Goddelijke eerbe-wijzing aan het Sacrament. Want omdat Christus lichamelijk onder de gestalte des broods en wijns is, moet Hij ook daarin aangeheden worden. De Heidelb. Cat. Vr. 80 stelt dit als Roomsche leere voor. En werkelijk leert en gebiedt dit de Roomsche Kerk. In hare Trentsche Besluiten eischt zij voor de hostie niet slechts zulk eene eerbewijzing als ook aan schepselen mag worden gedaan (doulia) en als aan Maria toekomt (hyperdoulia), maar eene zoodanige aanbidding (adoratio) als alleen aan God behoort (latria). En wel hierom omdat Christus onder de uitwendige

placatus Dominus gratiam et donum poenitontiao concedons, crimina ot peccata etiam ingeutia dimittit.

\') Trident. Soss. XXII. Cap. VEIL \'2) Trident. Sess. XXII. Cap. VI.

■■\') Trident. Sess. XXII. Cap. II. en Canon III. Catcch. Hom. P. 11. C. IV. Qu. 77. Verklaring van den Mechelschon Catech. p. 297. v.v.

506

-ocr page 523-

§ 36. TEEKEN EN ZAAK.

gedaanten schuilt en Hij, waarachtig God daarin tegenwoordig is, van wien de Vader gezegd heeft: Dat alle Engelen Gods Hem aanbidden (Hebr. 1 : 6 lt;).

Houdt de priester in de mis het gewijde in don monstrans (het Sacramentshuisje, de heilige vaas) omhoog, dan valt de vergadering er voor op de knieën en bidt het aan. Dezelfde eer moet het volk er aan bewijzen, wanneer het in het openbaar in plechtige omgangen (processiën) wordt omgedragen, bijzonder op den feestelijken Sacramentsdag ï). door paus Urbanus IV. 1264 ingesteld — tot beschaming der ketters en tot bevestiging van het ware geloof s).

Door de leer der transsubstantiatie en het misoffer met den aankleve van dien had de Roomsche Kerk dat bereikt waarom het haar eigenlijk te doen was : zij had zich, of nader hare priesterschap die haar vertegenwoordigde, tot

\') Trident. Sess. XIII. Do Eucharistia. Cap. V.: Nullus du-bitandi loons relinquitur, quin omnos Christ! fideles — — latriae cultnm, qui vero Deo debetur, huic sanctissimo sacramonto in voneratione exhibeaut. — — Nam illnm enndem Deum prao-sentum in eo adesse credimus, quem Pator aetornus introducens in orbem terrarum dicit: Et adorent cum omnes angeli Dei. Verklaring van don Mocholschon Catecb. p. 279 v. G. E. Steitz, in Horzogs Real-Enc. XVI. S. 343. f.

!) Do Dondordag in do Trinitatisweok. Grüneisen, in Herzogs Roal-Ene. IV, S. 615 f. u. d. A. Fronleichnamsfest (Fron is hoor). Vorgol. hiervoson § 33.

3) Ac sio quidom oportuit victricom veritatom do mondacio ot haerosi triumphum agoro, ut ejus advorsarii in conspoctu tanti splendoris ot in tanta univorsao ecclesiae laetitia positi vel debilitati ot fracti taboscant ot pudore affecti ot confusi ■ aliquanto rosipiscant. Trident, 1. c.

507

-ocr page 524-

508 § 36. TEEKEN EN ZAAK.

middelares i) verheven tusschen Christus en het volk, alzoo dat nu de loden der Kerk de vergeving der zonden en al de woldaden van Christus niet door eigen geloof konden deelachtig worden, maar alleen door middel van het Sacrament des altaars, door dat Christus daar voor hen wierd geofferd. De priesterheerschappij was hierdoor gevestigd. —

Met kracht hebben de Reformatoren zich tegen deze leer verzet, en in de Belijdenisschriften van beide Protestantsche Kerken wordt de Mis met de sterkste uitdrukkingen, ja mot afschuw verworpen. Luther noemt de Mis den Staart van den Draak 4). En onze Heidelh. Catechismus Vr. 80 zegt: De Mis is in den grond anders niet dan eene verloochening der eenige offerande en des lijdens vaa Jezus Christus en eene vervloekte afgoderij a).

II. Eenstemmig leoren de Protestanten : Brood en wijn blijven in het Heilig Avondmaal onveranderd. Intusschen bij de nadere bepaling, wat zij dan voor den dischgenoot zijn, openbaart zich een aanmerkelijk verschil van denkbeelden.

\') Vergal. Ebrard, Das Dogma vom h. Abondm. I. S. 463 f. Dezelfde, Ohristliche Dogmatik II. § 547. S. 662.

a) Artie. Smalcald. II. ed. Rechoub. p. 307 ; Caeterum Dra-conis cauda ista (Missam intolligopeperit mul tiplices abomination es et idololatrias.

■\') De Moor, Commontar. in Marck. Pars V. p. 768 sqq. Merkwaardig is het Epitaphium Missae, bij Dr. J. I. Doedes, De Heidelb. Catech. in zjjne eerste levensjaren. 1867. p. 150. A. Hahn, Das Bekenntnisz der Evang. Kircbe. S. 132: In der

feier der Messe--ist das Opfenvezen dor jüdisch-heidui-

schen Welt in chrisüanisirten Formen restaurirt worden.

-ocr page 525-

§ 36. TEEKEN EN ZAAK.

1. Het verst van de Roomschen staat Zwingli. Hem zijn brood en wijn bloot teekenen, geen panden, enkel afbeeldingen van Christus\' gekruisigd lichaam en vergoten bloed. Dat is mijn lichaam enz. zegt volgens hem : Dat heteekeni mijn lichaam. Niets meer. Iedere voorstelling van eene lichamelijk reale, zij het natuurlijke (physische) of bovennatuurlijke (hyperphysische) tegenwoordigheid en werking van Christus in het Avondmaal is volgens hem een achteromzien naar de vleeschpotten van Egypte. De teekenen dienen om als door eene zinnebeeldige schilderij het aandenken der geloovigen aan Christus\' dood te ondersteunen en te verlevendigen: het Avondmaal is een gedacUenismaal, zegt Zwingli gt;). Wie zal ontkennen dat hierin waarheid is? Maar het is niet de volle waarheid. Want zoo is het Avondmaal geen eigenlijk Sacrament, geen bondzegel, is niet waarvoor Paulus het verklaart, eene gemeenschap des lichaams en bloeds van Christus. Naar Zwingli haalt men er niets dan wat men er brengt. Men betuigt daardoor de aireede ontvangene genade, dat men door Christus\' dood met God verzoend, met Christus gestorven en opgestaan is en tot de leden zijns lichaams behoort, die nu ook naar zijne geboden moeten leven. Naar Zwingli is Christus wel in het Avondmaal tegenwoordig, maar alleen voor het oog des geloofs; zijn natuurlijk lichaam is er niet en wordt niet gegeten J).

\') Reods 1523. Do betrekkolijko plaatsen bij Winer, Oompar. Darst. S. 190. Niedner\', Kirchengosch. S. 691. Ebrard, Das Dogma vom h. Abendm. 11. S. 94. IIquot;.

2) Zwinglius, Fidei ratio (1530) Credo, in eucharistia omnem rem per Christum gestam agnosceutibus fidei contemplatione velut praosontem fieri. Sed quod Christi corpus por essontiam

509

-ocr page 526-

§ 36. TEEKEN EN ZAAK.

Wel leert Zwingli een eten van Christus\' lichaam, maar hij onderscheidt geestelijk en sacramenteel eten. Christus\' lichaam geestelijk eten is volgens hem de geloovige toe-eigening der verzoening met God door zijnen Zoon en do verzekering van de vreugde der eeuwige zaligheid ; sacramenteel eten is hetzelfde met bijvoeging van het Sacrament. Wanneer men, zegt hij, tot het Avondmaal des Heeren met dit geestelijk eten komt en het zinnebeeldig lichaam van Christus ontvangt, dan eet men sacramenteel, als men namelijk inwendig hetzelfde doet wat men daar uitwendig verricht. Het uitwendig eten is zinnebeeld en getuigenis van het inwendige •). Zwingli had het vooral op het misoffer gemunt, om van dat vuil het heilig offer van Christus aan het kruis te zuiveren en zijnen dood te verheerlijken, dien hij zoo schoon vitalis mors, den levendmakenden dood noemt, terwijl de Roomschen het leven van hun misoffer verwachten. Degenen die hiertoe samenkomen om feestelijk den dood des Heeren te gedenken, betoonen daardoor tevens hunne onderlinge gemeenschap, betuigen door deze daad zelve, dat zij leden van één lichaam, dat zij één brood zijn

et realiter, hoc est corpus ipsurn naturale, iu coena aut adsit aut ore maudueetur, id uegamus. (bij Niedner, Kirchengeseh. S. 691).

\') Fidei expositio (1531); Spiritualiter edere corpus Christi est: inconcuasa fide certum esse, deum peccatorum veniam et aeternae beatitudinis gaudium donaturum esse propter filiuin suum. Cum ad coenam Domini cum hac spirituali manducatione venis ac symbolicuin Christi corpus participas, jam sacrameuta-liter edis, cum scilicet intua idem agis quod foris operaris, cum mens reficitur hac fide, quam symbolis testaris {Niedner ib.). Ebrard, Das Dogma vom h. Abendm. II. S. 10i. f.

•!) De vera et falsa religioiie; Est — — Coeua dominica nihil

510

-ocr page 527-

§ 36. TEEKEN EN ZAAK.

2. Luther hield streng aan de letter der Schrift. Hij leerde: Het brood blijft wel brood en de wijn blijft wijn, maar, omdat Christus zegt: Dai is mijn lichaam, dat is mijn bloed, zoo moet zijn lichaam en bloed daar toch waarlijk en wezenlijk tegenwoordig zijn, hoewel onzichtbaar en ontastbaar. Krachtens de mededeeling zijner Goddelijke eigenschappen \') aan zijne menschelijke natuur kan Hij, leert Luther, met zijne menschheid overal wezen waar Hij wezen wil; dat Hij echter in het Avondmaal lichamelijk zijn wil volgt uit zijne woorden, en dat Hij er werkelijk is, waarborgt ons zijne waarachtigheid.

Christus\' menschheid is naar Luther zoodanig verheerlijkt en vergoddelijkt, dat zij boven alle plaatselijkheid (localiteit) is verheven. Plaatselijk omschreven was Hij alleen gedurende zijnen wandel op aarde in den vleesche en zal het ook zijn bij zijne wederkomst ten oordeel; maar thans aan des Vaders rechterhand die overal is, is Hij tot geene plaats beperkt, en met zijn verheerlijkt lichaam kan Hij alle creaturen doordringen, zonder dat Hij door deze of zij door Hem worden verdeeld. Bij deze voorstelling worden aan het lichaam eigenschappen toegeschreven, die het onstoffelijk (immaterieel) maken, zoodat het geen

aliud quam commemoratio, qua ii, qui so Christi morto et saugnino fir mi tor credunt patri roconciliatoa esse, hanc vitalem mortem aunuuciant, hoc est, iaudant, gratulautur et praedicant. lam ergo sequitur quod qui ad hunc usum aut festivitatem conveniunt, mortem domini commemoraturi, hoc est, aununci-aturi, sese uuius corporis esse membra, sese unum panem esse, ipso facto testentur. Winer, Compar. Darst. S. 190.

\') Communicatio idiomatum. Zie Tiende Hoofdstuk ij 20. Eu vooral Dertiende Hoofdstuk. § 18. (übiquiteit).

511

-ocr page 528-

§ 36. TEEKEN EN ZAAK.

lichaam meer, maar een in zich zelf strijdig ondenkbaar onding is.

Volgens Luther is dan Christus in het Avondmaal lichamelijk tegenwoordig en met en onder het brood en den wijn geeft Hij zijn vleesch en bloed aan de disch-genooten, die dit genieten niet bloot geestelijk door hot geloof, maar ook lichamelijk door het geloof, maar ook lichamelijk door den mond doch niet kapernaïetisch (zooals de Joden te Kapernaüm Jezus\' zeggen van het eten zijns vleesches opvatten Joh. 6 : 52), niet zinnelijk vleeschelijk maar op eene bovennatuurlijke en hemelsche wijze \'). En alle dischgenooten, beweert Luther, ontvangen

\') Dit leerbegrip, zooals het door Luther in zijnen strijd met de Zwitsers (sedert 1525) voortgaande is ontwikkeld, is later streng geformuleerd in do Formula Concordiae (1580), en wel in haar eersto Deel, de Epitome VIL ed. Eochenb. p. 599 sqq. en in haar tweede Deel, de Solida Declaratio p. 724 sqq. Voorop de christologische grondslag : do persoonlijke vereuniging der Godheid en menschheid in Christus zoodanig, dat waar de eene is, aldaar ook de andere is, dus dat ook Zijne menschheid is waar zijne Godheid is. Dan de beteekenis van do Eechterhand Gods: Dextra Dei ubique est. Voorts: Gods Woord liegt niet. Eindelijk: God kan op verschillende wijzen ergens tegenwoordig zijn; Hij is niet gebonden aan die oenige wijze, welke de Philosofen de lokale of omschreveno plegen te noemen.

Slotsom: Credimus, docemus et confitemur, corpus et san-guinem Christi non tantum spiritualiter per fidem, sed etiam ore, non tamon Capernaitice sed supernatural! et coelesti modo, ratione Sacramentalis unionis, cum pane et vino sumi. — — Qui hunc panem edit, corpus Christi edit.

Ook de indigni en infideles ontvangen het ware lichaam en bloed van Christus, maar dat zij hot nemen, is hun ton oordeel en ter verdoemenis, wanneer zij zich niet bekeoron ou booto doen. Aldus de Epitome p. 600.

512

-ocr page 529-

§ 36. TEEKEN EN ZAAK.

het lichaam en bloed des Heeren, niet alleen de geloovigen maar ook de ongeloovigen en onwaardigen: want anders kon Paulus niet zeggen dat zij het lichaam des Heeren niet onderscheiden en dat zij zich schuldig maken aan het lichaam en bloed des Heeren, 1 Kor. 11 : 29, 27; edoch is het voor de onwaardigen niet ten leven maar ten oordeel.

3. Calvijn ijvert evenals Zwingli en Luther tegen de Roomsche transsubstantiatie en wederlegt ze met kracht van redenen\'). Maar hij neemt Zwingli\'s figuratie niet over, evenmin Luthers consubstuntiatie. Zwingli heeft hem te weinig, Luther iets te veel. Hij nadert Luther en verschilt van dezen alleen in de voorstelling van de wijze hoe Christus in het Avondmaal tegenwoordig is en genoten wordt, maar hij stelt zich tegen Zwingli ter handhaving en bewaring van het sacramenteel karakter des Bondzegels.

tegenover Zwingli leert Calvgn: Het brood en de wijn in het Heilig Avondmaal zijn geen bloote ledige teekenen, geen enkel afbeeldsels van Christus\' lichaam en bloed, maar ook panden en zegels van de gemeenschap daaraan ; het Avondmaal is niet alleen een plechtig gebruik en feestelijke handeling der gemeente tot gedachtenis slechts van Christus\' lijden en sterven, maar Christus\' lichaam en bloed wordt daar wezenlijk ontvangen.

Tegen Luther11) echter dringt hij aan dat men niet moet denken als of Christus\' lichaam zich dusdanig met

O. Vitnnga, Doctriua Christl. Eel, Pars VUL Tom. II. p. /85 1014: Do Sacra Couua Lutherauoruru.

\') Calvin. Instit. Lib. IV. Cap. 17. Sect. 12—15.

-) Ibid. Sect. 16—19.

Gravcmoijor, Gcref. Ool. leer. III. 33

513

-ocr page 530-

§ 36. TEEKEN EN ZAAK.

de elementen, met brood en wijn vereenigde, dat het met den mond ook van de ongeloovigen genoten wierd. Veelmeer, terwijl de geloovige dischgenoot het brood en den wijn in het Avondmaal ontvangt, ontvangt hij in zijnen geest op geestelijke wijze het gekruisigde lichaam en vergoten bloed van Christus, ofschoon Christus lichamelijk in den Hemel blyft.

Zoo behoudt de uitspraak van Christus hare volle kracht: Dat [is] mijn lichaam, Dat mijn bloed, zoo de verklaring van den Apostel Paulus; het is eene gemeenschap des lichaams en bloeds van Christus, 1 Kor. 10 : 16.

a. Getrouwer dan al de andere Reformatoren heeft Calvyn zich aan het Woord der Schrift gehouden, en hem volgt onze Nederlandsche Belijdenis des Geloofs Art. XXXV, waar de hoofdzaak kort en klaar aldus wordt uitgesproken : Wij feilen viel, als wij zeggen, dat hetgene van ons gegeten en gedronken wordt hel eigenlijk en natuurlijk lichaam en hel eigen bloed van Christus is ; maar de wijze, op welke wij dezelve nuttigen, is niet de mond, maar de geest door \'t geloove.

514

Christus voedt en verkwikt onze zielen door de mede-deeling van zijn vleesch en bloed, waardoor Hij met ons tot één leven samengroeit, zijn leven in ons overstort, alzoo dat het in merg en been dringt. Dat betuigt en bezegelt Hij ook in het Avondmaal. Hij is substantieel wel niet op aarde, maar in den hemel. Doch de plaatselijke afstand verhindert deze vereeniging niet. Door de werking des Geestes geeft Hij de beteekende zaak en vervult hetgene Hy belooft. Aldus Calvyn gt;). Zoo werkt

\') Calvin. Instit. IV. 17. 10.

-ocr page 531-

§ 36. TEEKEN EN ZAAK.

Hij dan in ons al wat Hij door deze heilige teekenen ons voor oogen stelt: hoewel de wijze ons verstand te boven gaat en ons onbegrijpelijk is, gelijk over het geheel de u er king des Heiligen Gcestes verborgen en onbegrijpelijk is (Nederl. Belijd, des Gel. Art. XXXV). Het is: Door den Heiligen Geest, die te zamen in Christus en in ons tvoont, alzoo met zijn heilig lichaam hoe langer hoe meer vereenigd worden, dut wij, al is het dat Christus in den hemel is en wij op de aarde zijn, nochtans vleesch van zijn vleesch en been van zijne beenen zijn, en dat wij van éénen Geest (als leden eens lichaams van ééne ziel) eeuwig-lijk leven en geregeerd worden (Heidelb. Cat. Vr. 76).

b. Men heeti intusschen Galvyn kwalijk begrepen, wanneer men hem de meening toedichtte, een verheerlijkt lichaam ware onstoffelijk en enkel kracht, Christus verheerlijkt lichaam ware niets dan kracht (virtus) en het wierde medegedeeld nietals materieële (stoffelijke) substantie, maar als psychische substantie, als kracht, rakende niet slechts onzen geest^ maar geheel ons ziels- en lichaamsleven aandoende en doorwerkende. En alleen op deze wijze zou, terwijl Christus\' lichaam in den hemel is en wij op aarde zijn, eene reale (werkelijke) vereeniging tusschen Hem en ons geschieden, geene locale, plaatselijke, maar zakelijke (virtueele) vereeniging van het leven zijns verheerlijkten lichaams met ons \').

;) Aldus Ebrard. Das Dogma vom h. Aboudai. II. S. 413 If. ou 8. 572. Ebrard loopt hoog met de door hem aau Calvyu toegosohroven Auffassung der verkiarten Lcibhchkeit als reiner Kraft (S. 572), door wollce opvatting van hot begrip der licha-molijbheid de Reformator de reale vereeniging vau Christus\' lichaam met ons met de leer van do omschrevenheid zijus lichaams

515

-ocr page 532-

§ 36. TEEKEN EN ZAAK.

Wat is er van de zaak ? Wat is Galvyns eigene, ware gedachte ? Vooreerst: Calvyn is er verre van, Christus\' verheerlijkt lichaam voor enkel kracht te houden. Hij ijvert tegen degenen die uit het vleesch van Christus geest maken \'). Hij leert dat Christus van het verheerlijkte lichaam1) spreekt, waar Hij het tastelijk en zienlijk verklaart (Luc. 24 : 39); neem dat beide weg, \'t zal geen vleesch meer zijn s); zoo maakt men de lichamelijke substantie te niet lt;), verzwolgen door de Godheid en men laat niet eenig onderscheid over van Godheid en mensche-lijke natuur, op de wijze van Servet. — „Wat leert heel de Schrift klaarder dan dit, dat Christus, gelijk Hij ons waar vleesch heeft aangedaan, toen hij uit de Maagd is geboren, en gelijk Hij in ons waar vleesch heeft geleden, toen Hij voor ons heeft genoeggedaan, alzoo ditzelfde ware vleesch uit de opstanding weder aangenomen en ten hemel verheven heeft ? — Dit echter is het eigenaardige van

516

1

in den hemel had weten te paren; hetwelk door den eersten Christelijken Philosoof van Dnitschland, G. W. Leibnitz (t 1716) werd erkend eu overgenomen (quo Ia substance du corps consiste dans la puissance primitive, active et passive, et que c\'est dans l\'application immódiate do cette puissance que consiste la presence de la substance, même sans dimensions). — Dat deze voorstelling van hot verheerlijkte lichaam dos Hollands ten onrechte aan Gaivyn wordt toegeschreven en strijdig is tegen diens stellige uitspraken over de genieting van Christus eigen vleesch en bloed en tegen \'s Reformators geheele Christologie, is ook aangemerkt door Dr. //. Baüink, Vrije Kerk 1887, Octob. p. 474.

\') — ex carne Christi spirituin facinut.

-ocr page 533-

§ 36. TEEKEN EN ZAAK.

een lichaam, zonder hetwelk het geen waar lichaam is, dat het eene plaats beslaat, dat hel zijne afmetingen en zijne gestalte heeft \') quot;

Dus Christus\' lichaam, zijne verheerlijkte menschheid is naar Calvyn geenszins enkel kracht.

Maar ten andere: er gaat kracht van uit. Dit beide staat bij Calvyn vast: Christus\' verheerlijkt lichaam is geen bloote kracht, dit is het eerste ; maar het heeft en geeft kracht, levenskracht, dit is het andere. En hier brengt Calvyn 2) Joh. 6 bij, waar Christus zich het brood des levens noemt (v. 48) en verklaart: Mijn vleesch is waarlijk spijs, en mijn bloed is waarlijk drank (v. 55), en Die mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, die heeft het eeuwig leven en ik zal hem opwekken ten uiterste dage (v. 54),

Christus spreekt hier wel niet rechtstreeks van het Heilig Avondmaal, niet van het sacramenteele, maar van het geestelijk eten en drinken, dat altijd geschieden moet; edoch dit geestelijke is in het sacramenteele gesymboliseerd, verzinnebeeld en geconcentreerd.

De Zoon Gods heeft het leven in zich zeiven (Joh. 5 :

\') Calvin. Instit. L. IV. Cap. 17. Sect. 29. Vergel. Sect. 26 : Corpus Christi, ex quo resurrexit, non Aristoteles, sed Spiritus sanctus tradit finitum esse ac coelo comprehendi usque ad ulti-num diem. Vergel. Nederl. Belijd, des Gel. Art. XIX: Christus menschelijke natuur heelt hare eigenschappen niet verloren, zijnde een eindige natuur en behoudende al \'t gene dat een waar lichaam toebehoort. En hoewel Hij derzelve door zijne verrijzenis onsterfelijkheid gegeven heeft, nochtans heeft Hij de waarheid zijner menschelijke natuur niet veranderd, dewijl onze zaligheid en verrijzenis mede hangen aan de waarheid zijns lichaams.

2) Calvin. Instit. IV. 17. 8.

517

-ocr page 534-

§ 36. TEEKEN EN ZAAK.

26 i). Om aan dooden het leven te geven kwam Hij en stierf Hij. Hij zegt Joh. 6 : 51 ; Ik ben dal levende brood, dat uit den hemel nedergedaald is. Dit ziet op zijne menschwording, waardoor Hij onze Middelaar is (Heidelb. Caiech. Vr. 3fi). Hij, het leven zelf, kwam in het vleesch wonen, om zich aan ons mede te deelen. En het brood, dus vervolgt Hij, dat ik geven zal, is mijn vleesch, hetwelk ik geven zal voor het leven der wereld. Dat geven is het overgeven van Hem zeiven in den dood aan het kruis 5) .tot een zoenoffer voor de zonden der uitverkorenen van de geheele wereld, opdat zij daardoor de vergeving der zonden en het eeuwige leven verkrijgen (Kantteek).

Maar wie nu door het geloof zijn vleesch eet en zyn bloed drinkt, in zich opneemt, die hooft het eeuwige leven, in de ziel reeds nu en eens ook in het opgewekte, verheerlijkte lichaam (Joh. 6 : 54). De vereeniging met zijne menschheid is noodzakelijk om het leven deelachtig te worden. Immers in zijne menschheid woont de volheid des levens, krachtens zijne Godheid ; van daar vloeit het in ons over leert Calvyn. Met reden : want zoo is Hij onze Middelaar.

Calvyn heldert dit op door de vergelijking met eene waterbron. Uit eene bron drinkt men of schept men of leidt men het water naar de akkers om deze te bevochtigen ; evenwel de bron geeft dit water niet van zich zelve op tot zoo velerlei diensten, maar ontvangt het van

\') Zio hiervan Vierde Hoofdstuk § 16.

2) Aldus ook Ebrard, Dus Dogma vom h. Aboudm. I. S. 78. Sommlgon houden het van bot Avondmaal gezegd. Zio Meijer zu Joh. 6 : 51.

518

-ocr page 535-

§ 36. TEEKEN EN ZAAK.

de weile, die hel haar bestendig toevoert : zoo is Christus\' vleesch als eene rijke en onuitputtelijke springbron ; uit en door middel van dat vleesch ontvangen wij het leven ; maar het vleesch heeft het van de Godheid: Christus\' vleesch (menschheid) is de fontein, maar zijne Godheid de welle i).

De mededeeling van dat leven geschiedt door de werking des Heiligen Geestes. De Geest is de band, die ons met Christus vereenigt, is als \'t ware het kanaal, waardoor al wat Christus zelt is en heeft tot ons wordt overgeleid en waardoor wij zijn vleesch en bloed deelachtig worden a). Daarvan is het Avondmaal een symbool, eene verzinnebeelding ; maar dit niet alleen, het zienlijk teeken is een zegel en pand van de mededeeling der onzichtbare zaak. Het teeken des lichaams ontvangende, mogen wij vastelijk vertrouwen dat ons even zoo waarlijk het lichaam zelf wordt gegeven»).

Deze maaltijd is eene geestelijke tafel, aan dewelke Christus zich zeiven ons mededeelt met al zijne goederen, en doet ons aan dezelve genieten zoowel zich zeiven als de verdiensten zijns lijdens en stervens ; voedende, sterkende en vertroostende onze arme troostelooze ziel door het eten zijns vleesches en dezelve verkwikkende en vermakende door den drank zijns hloeds (Nederl. Belijd. Art. XXXV),

1) Calvin. Instit. IV. 17. 9. Caro vivifica dicitur, quao vitae

plonitudine perfusa est, quam ad nos transmitterot.---Christi

caro instar fontls est divitis et inexhausti, quae (caro) vitam a divinitate in se ipsatu scaturiontem ad nos trausfundit.

-) Calvin. Instit. IV. 17. 12.

Idem, Instit. IV. 17. 10.

519

-ocr page 536-

§ 36. TEEKEN EN ZAAK. VOOR CHRISTUS ?

VOOR CHRISTUS?

Bij de bepaling der betrekking tusschen de teekenen en de beteekende zaak is de vraag niet onbelangrijk, of Christus zelf bij de instelling des Avondmaals van het brood en den wijn heeft medegenoten.

Voorstanders van de Roomsche transsubstantiatie of van de Luthersche consubstantiatie konden bezwaarlijk hierop bevestigend antwoorden: want dan hadde Christus zijn eigen vleesch gegeten en zijn bloed gedronken. Doch de gezaghebbende Roomsche kerkleeraar Thomas van Aquino (f 1274) schroomde niet het uit te spreken : Eerst heeft Christus zijn lichaam en bloed genomen en dan heeft Hij het den discipelen gegeven om het te nemen. Hij heeft Sacramenteel gegeten »).

Luther wilde niet beslissen. Wel beweerde hij, Christus had na het eten van het pascha en vóór de instelling van het Avondmaal gezegd: Hij zou van de vrucht des wijnstoks niet meer drinken (Luc. 22 : 18); en daaruit wilde de Reformator bewijzen, dat de drinkbeker des Avondmaals waaruit Christus vervolgens dronk, geen wijn meer bevatte maar bloed: maar bemerkende dat hij hiermede tot de transsubstantiatie afdwaalde, betuigde hij niet te willen twisten, of de wijn in het Avondmaal wijn bleef of niet, maar alleen dit vast te houden, dat Christus\' bloed er was. Ook stemt hij toe dat het niet zeker is, of Jezus zelf heeft gedronken a).

1) Primo Christus corpus suum et sanguiuem sumsit, ot postea discipulis sumendum tradidit. Manducavitsacramimtalitor. Amjusti, Handb. dor Christ). Arcbilol. liter Band. S. 555.

O I-ntker in ziju Bekeantniaz vom Abendmuhl, 1528 vorsohuuen.

520

-ocr page 537-

§ 36. TEEKEN EN ZAAK. VOOR CHRISTUS?

Onder de Lnthersche Godgeleerden werd het meestal ontkend, en wel als onbijbelsch, daar de Schrift niet zegt dat Christus het gezegende brood des Avondmaals zelf heeft, gegeten, maar alleen dat Hij het aan de discipelen heeft gegeven \').

De Gereformeerden daarentegen waren over het algemeen, met enkele uitzonderingen, van gevoelen dat Christus niet alleen het pascha had genoten, naar zijn eigen zeggen Luc. 22 : 15: Ik heb grootelijks begeerd dit pascha met a te eten, eer dat ik lijde, maar dat Hij ook van het brood en den wijn des Avondmaals heeft genuttigd s).

Scholten, Leer der Herv. Kerk II. 322. Ebrard, Das Dogma vom h. Abeudm. II. S. 284.

\') Togen Christus\' deelneming schreef de geleerde Lutherscho Theoloog Joh. Faes, Christus incoenatus (1G93). Hij word heftig bestreden door Ph. Jo. Schenk (1695).

Olshausen, Commentar liter Band. 3te Aufl. S. 456. f. zu Matth. 26 : 29 oordeelt: De woorden (jci/y.x ftou, aï/tx ftou laten niet toe dat de Heere zelf hot Avondmaal zou hebben modegonoten. Ook Stier, Leben des Horrn Jesu VItor Theil. 1848. ö. 107 (vergel. S. 46) moont, dat de Heere zelf van hetgene Hij, indien ook slechts voor komstig, zijn lichaam en zijn bloed noemde, reeds uit welvoegelijkheid niet mode eten en drinken kon.

Meyer, Kommentar zu Matth. 26 : 26 en 29, 5to Aufl. S. 548 en S. 555 f. neemt aan, dat Christus heeft medogenoton. Dezelfde zu Luc. 22 : 17. S. 561 Anmork., waar hij het nader staaft on toelicht. Desgelijks Von Gerlach zu Matth. 26 : 29.

-) Aldus o. a. G. Bucanus, bij C. Vitringa, Doctrina Pars VIII. Tom. I. p. 151. A. Thysius in de Synopsis Purioris Theol. Disput. XLV. 85. ed. Dr. H. Bavink p. 528 sq. 1\'. Van Mastricht, lt;iodgel. III. p. 634. 635. 647. Onze Kantteékenaars op Hoogl. 8 : 1. Pictet. Godgel. II. p. 540. Joh. a Alarck, Compend. en Merch XXXI 4. Vooral /7. Witsius, Oeconom. Lib. II. Cap. X.

521

-ocr page 538-

522 § 3G. TEEKEN EN ZAAK. VOOR CHRISTUS ?

Onze Gereformeerde Kantteekenaars veronderstellen het, waar zij Hoogl. 8 : 1 verklaren ; „Christus heeft dezelfde borsten (der moeder, der Kerk) gezogen, die wij gezogen hebben, als Hij de Sacramenten des Ouden en des Nieuwen Testaments heeft genoten, de Besnijdenis, het Paaschlam, den Doop en het Heilig Avondmaal, om alzoo alle gerechtigheid te volbrengen, Matth. 3 : 15.quot;

Wat de Heere Jezus gezegd heeft van het niet meer te zullen eten en drinken, heeft Hij ongetwijfeld gezegd nadat Hij gegeten en gedronken had, gelijk bij het Paaschmaal alzoo bij het Avondmaal.

Lucas 22 : 15—18 handelt van het Pascha, v. 19 en 20 van het Avondmaal. Bij het Paaschlam sprak Hij, v. 16: Ik zeg m, dat ik niet meer daarvan eten zal, totdat het vervuld zal zijn in het Koninkrijk Gods. En bij den Paaschbeker v. 18 : Ik zeg u, dat ik niet \') drinken zal

2 sqq. Ook De Moor, Coinmentar. in Marck. Pars V. p. 565. Desgelijks Ursimis, Schatboek over den Heidelb. Catech. ed. 1736. II. p. 107. En Van der Kemp, Heidelb. Catech p. 560 en Curtenius III. p. 24:. Onbeslist is Brakel, Red. Godsd. I. p. 211: Christus heejt de Sacramenten gebruikt, zoo besnijdenis als pascha en ook den heiligen Doop; van het heilig Avondmaal is het zoo klaar niet.

\') ov pvi, absoluut; v. 16: ouxsti ov fty, relatief. Meyer verstaat dit verkeerdelijk aldus, dat volgens Lucas hiermede de Heiland verklaard zou hebben, van den paaschbeker niet te zullen drinken, daar deze alleen voor de discipelen zou zijn (SixfAepltrXTS exuTOÏ;). Wijl echter deze onthouding dos gastheers tegen alle Israölietisch gebruik streed en Jezus zekerlijk uit den paaschbeker heeft gedronken, oordeelt Meyer zu Luc. 22 : 17 f. Anm. dat de oorspronkelijke woorden des Heeren na het Avondmaal (Matth. 26 : 29) door Lucas naar eene overlevering zijn

-ocr page 539-

§ 36. TEEKEN EN ZAAK. VOOR CHRISTUS? 5i23

van de vrucht des icijnstohs, totdat het Koninkrijk Gods zal gekomen zijn. Het eerste zeide Hij nadat Hij gegeten (vergel, v. 15), hot tweede nadat Hij gedronken had. De discipelen, Israëlieten, zouden niet hebben durven eten of drinken, wanneer niet Hij, die hier als gastheer en huisvader handelde, daarin was voorgegaan \'). En wei niet alleen bij het Paaschtnaal, maar desgelijks bij den na eenigon tusschentijd daarop volgenden nieuwen maaltijd, het Avondmaal.

Daar sprak Hy na het brood en den drinkbeker volgens Matth. 26 : 29 en Mare. 14 : 25 wederom: Ik zeg u, dat ik van nu 2) aan niet (Marcus: dat ik niet meer ») zal drinken van deze vrucht des wijnstoks, tot op dien dag wanneer ik met u dezelve nievw (dat zegt anders) zal drinken in het Koninkrijk mijns Vaders (in den staat der heerlijkheid, Luc. 22 : 29, 30). Uit het zeggen : Van nu aan niet meer blijkt dat Christus er van gedronken had, maar dat dit was de laatste maal.

De Kerkvaders hebben dit punt meestal onaangeraakt gelaten; doch worden Chrgsostomus, Hieromjmus en Augnstinus aangevoerd als getuigen voor Christus\' deelneming aan hel Avondmaal1).

1

ouyJrt oö jCMj.

4) Bij 11. Witsius, Oocon. L. II. Cap. X. 7. Vergel. Augusti, Haudb. der Chr. Archclol. 11. S. 554. Merkwaardig is hot zeggen van Ilieronymus: Nee Moyses dedit nobis pan om verum, sed Dominus Jesus: ipse con viva et convivinm, ipse comedens et

-ocr page 540-

§ 36. TEEKEN EN ZAAK. VOOR CHRISTUS ?

Maar wat beteekende dit voor Hem ? Waartoe diende Hem de genieting i) ? Vanzelf was het voor Hem, den zondeloozen Heilige, den Middelaar en Verlosser iets anders dan voor zijne geloovigen, voor de arme zondaren, die Hij ging verlossen.

Christus wilde het Sacrament des Avondmaals, evenals te voren den Doop, in zijnen Persoon voor de zijnen inwijden en heiligen.

Maar daaronder ging in die plechtige oogenblikken voor Hem zeiven tusschen Hem en den Vader iets om. Het Sacrament was voor Hem eene bezegeling van de beloften des Vaders, inzonderheid aangaande de oprichting en vestiging des Nieuwen Verbonds; en Hij, de Middelaar, betuigde en loonde daardoor van zynen kant zijne bereidwilligheid en zijn voornemen, om zijn lichaam te laten breken en zijn bloed te vergieten en alzoo den lijdensbeker te drinken, waarvan Hij dikmaals sprak (Matth. 20 : 22. 2G : 39. Joh. 18 ; 11).

qui comoditur, zolf gast en gastmaal, zelf etend en gegetiM.

Van Augustinus is het zoo zeker niet. Hij zegt De Doctrina Christiana Lib. II. Cap. 3, waar hij van de signa handelt, naar de gewone lezii.g: Dominus Sacramento corporis et sanguinis sui pracgustato significavit quod voluit, de Heere heeft door het voorgeproefde (door Hom zeiven eerst genuttigde) Sacrament zijns lichaams en bloeds beteekend wat Hij wilde. Maar de uitgave van G. II. Bruder (Lipsiae 1870) heeft per yustatum, naar de beste Mss, door den smaak (namelijk der discipelen), en dit past in den samenhang, want vooraf sprak Augustinus van den reuk (odor unguenti).

\') Witsius, Oecon. L. II. Cap. X. 8 — 21: Quomodo Christus ^

524

usus sit Sacramentis. En § 27: De beteekenis van het Avondmaal voor Hem.

-ocr page 541-

§ 37. CHRISTUS\' TEGENWOORDIGHEID.

§ 37. Christus\' tegenwoordigheid-

1. Ook de Gereformeerde gelooft en belijdt de tegenwoordigheid van Christus in het Heilig Avondmaal. Maar niet in den zin der Roomschen (§ 36 bl. 499, 501) en der Lutherschen (§ 36, bl. 511), wier Avondmaalsleer in strijd is met alle ware, schriftuurlijke Christologie, bij name met de zuivere opvatting der Twee Naturen in Christus bij de eenheid des Persoons, ja die daarbij niet, zooals het moet, van de Christologie uitgaan, maar deze zelfs om en naar hunne vooraf vastgestelde idee van het Avondmaal vervormen. De Gereformeerde Kerk houdt zich in dezen getrouw aan de juiste leerbepaling van Chalcedon \').

Nederl. Belijd, des Oei, Art. XXXV: Zoo feilen wij niet, als wij zeggen, dat helgene van ons gegeten en gedronken wordt het eigenlijk en natuurlijk lichaam en het eigen bloed van Christus is; maar de wijze, op welke wij dezelve nuttigen, is niet de mond, maar de geest, door \'t geloove. Alzoo dan blijft Jezus Christus altijd zittende ter rechterhand Gods zijns Vaders in de hemelen, en laat toch daarom niet, ons zijns deelachtig te maken door het geloove.

Heidelb. Catech. Vr. 76 : — dat Christus in den hemel

\') G. E. Steitz in Horzogs Real-Euo. XVI. S. 612. u. d. A. Ubiquitat.

Tiende Hoofdstuk § 19. Nederl. Belijdenis des Gd. Art. XIX: Christus\' menschelijke natuur heeft hare eigenschappen niet verloren — — zijnde eene eindige natuur en behoudende al \'t gene V dat een waar lichaam toebehoort. En hoewel Hij derzelve door

zijne verrijzenis onster lelijkheid gegeven heeft, nochtans heeft Hij de waarheid zijner menschelijke natuur niet veranderd.

525

-ocr page 542-

52C) § 37. CHRISTUS* TEGENWOOH DIG HEID.

is en wij op de aarde zijn. Vr. 80: — — dat ivij door den Heiligen Geest Christus worden ingelijfd, die nu naar zijne menschelijke natuur niet op de aarde maar in den hemel is, ter rechterhand Gods zijns Vaders en daar wil van ons aangebeden zijn. (Vergel. Vr, 46—49).

Naar zijne Godheid is Cliristus wel bij allen, bij ge-loovigen en ongeloovigen, en met zijne genade bij de geloovigen, maar naar zijne menschheid is Hij in het Avondmaal bij niemand tegenwoordig\').

Wij moeten vasthouden de blijvende onderscheidenheid der Twee Naturen in Christus en de eenheid des Persoons. De eene natuur deelt hare eigenschappen niet aan de andere natuur mede, maar van beide naturen behoort alles aan den éénen Persoon, zooals vroeger te zijner plaats is aangetoond 1). De Persoon is Gods Zoon. Hij is alom tegenwoordig doordat Hij God is. Hij zelf, de Persoon ; maar daarom is zijne menschheid niet overal, noch aan vele plaatsen tegelijk.

2. Wij hebben dus wei te onderscheiden de geestelijke en de lichamelijke tegenwoordigheid.

a. Beloofde Christus Matth. 18 : 20: Waar twee of drie vergaderd zijn in mijnen naam, daar ben ik in het midden van hen, x. zoo blijven de Socinianen beneden de waarheid, leerende dat Christus hier niet van zijne wezenlijke, persoonlijke tegenwoordigheid spreekt, maar van de tegenwoordigheid zijner gunst en hulp, zooals koningen door hunne dienaren gunst en hulp verleenen waar zij zeiven niet tegenwoordig zijn. De Heere zegt meer.

1

) Tiende Hoofdstuk § 21.

-ocr page 543-

§ 37. CHRISTUS\' TEGENWOORDIGHEID. 527

Immers Hij zegt hier niet slechts : Ik zal met de vergaderden zijn, maar in het midden van hen 1). Dit beteekenl de tegenwoordigheid van den Persoon zeiven. „Een koning kan gezegd worden hulp te bieden waar hij zelf niet ia, maar hij wordt niet gezegd in het midden van zijn leger te zijn, wanneer hij in zijn paleis is 2).quot;

[3. Boven en buiten de waarheid echter gaan de Lutherschen, wanneer zij beweren: „Christus is zijner Kerk niet half ter hand maar gansch; dies hebben wij Hem tegenwoordig niet alleen naar zijne Goddelijke natuur maar ook naar zijne aangenomen nienschelijke natuur. En juist tot bevestiging hiervan heeft Hij zijn Heilig Avondmaal ingesteld om te betuigen dat Hij ook naar die natuur, in welke Hij vieesch en bloed heeft, met ons zijn, in ons wonen en werken wil

y. L)e waarheid is: Christus belooft hier de tegenwoordigheid van zijn Persoon, doch naar zijne Goddelijke natuur, te aller plaatse waar geloovigen zijn en samenkomen, hoe weinigen ook; dus niet eene lichamelijke, maar eene geestelijke en wel bijzondere genadige tegenwoordigheid, daar Hij als Voorzitter in de vergadering der geloovigen wil zijn, die de verhooring hunner gebeden bewerkt en hunne overleggingen en beraadslagingen leidt en tot een goed einde stiert.

Alleen op grond van Christus\' Godheid en wezenseenheid met den Vader en den Heiligen Geest kon Paulus der gemeente toebidden 2 Kor. 13 : 1:3; De genade des

\') ws7 slfi) èv (tétry xurüv. Vergel. Matth. 18 : 2. 14 : 6.

V a. a. pl,

2) Fr. Ridder us, Apollos II. p. 342,

\') Formula Concordiae. Solida Declar. od. Koehonb. q. 783.

é

I

-ocr page 544-

§ 37. CHRISTUS\' TEGENWOORDIGHEID.

Heeren Jezus Christus en de liefde Gods en de. (jemeenschap des Heiligen Geestes zij met u allen \').

b. Van deze geestelijke tegenwoordigheid moeten wij wél onderscheiden de lichamelijke. Met zijne menschheid komt Christus voor den jongsten dag niet weer op aarde, maar blijft in den hemel, zooals Petrus verkondigde Hand. 3 : 21: Welken den hemel (niet: welke den hemel) moet (naar Gods raadsbesluit. Hand. 2 ; \'ób) ontvangen *) tot de tijden der wederoprichting aller dingen, die God gesproken heeft door de mond van al zijne heilige Profeten van [alle] eeuwen, dat is tot de voleinding der wereld.

Hieraan houdt de Gereformeerde Kerkleer vast. Waar Christus\' menschheid is, is ook zijne Godheid ; maar zijne menschheid is niet overal waar zijne Godheid is. Galvyn heeft met instemming de Schoolsche spreuke overgenomen : De geheele Christus is overal tegenwoordig, maarniet alles wat aan Hem is is overal*), namelijk zijne menschheid niet. Zoo heett ook de geheele Christus geleden, maar niet Zijne Godheid. Waaruit Calvyn het gevolg trekt : Zoo is dan onze Middelaar, omdat Hij overal geheel

\') Zie daarover Viarde Hoofdstuk § 34.

\'2) Tegen de Luthersche opvatting hiervan zie Dertiende Hoofdstuk § 15. Fr. Ridderus, Apollos II. p. 620. Overdo Luthersche Ubiquiteit: Dertiende Hoofdstuk § 15. en § 18.

3) Calvin. Instit. IV. 17. 30 : Trita est in scholis distinctio, quam me referre non pudet: Quamvis totus Christus ubique sit, non tarnen totum, quod in eo est, ubique esse. Naar Petrus Lomhardus Thomas Aquinas. Realismus: lichaam blijft ook iu het Sacrament oen quantum. Daarentegen naar den Nominalist Occam zou Christus\' lichaam, zonder uitgebreidheid, du» slechts als een mathematisch punt iu hot Avondmaal tegenwoordig zijn. G. E. Steitz in Horzogs Real-Enc. XVI. S. 5(34 u. d. A. Ubiquitat.

328

-ocr page 545-

§ 37. CHRISTUS\' TEGENWOORDIGHEII).

totus) is, altijd bij de zijnen en in het Avondmaal betoont Hij zich op eene bijzondere wijze tegenwoordig, zoo evsnwel dat Hij geheel (totus, als Persoon) daar is, niet zijn geheel (totum), wijl Hij, gelijk gezegd, in zijn vleesch binnen den hemel blijft totdat Hij ten oordeel verschijnt.

3. Aangaande dan de tegenwoordigheid van Christus in het Heilig Avondmaal, zoo verwerpen de Gereformeerden de Roomsche leer, dat Christus substantieel onder de gedaanten van brood en wijn, en de Luthersche, dat Hij onder waar brood en wijn tegenwoordig zij, en houden daarvoor dat het brood en de wijn Christus\' lichaam en bloed vertegenwoordigen, hetwelk de geloovigen ontvangen door de werking des Heiligen Geestes \'), in welken Christus daar op bijzondere wijze tegenwoordig is.

Daar inlusschen de Lutherschen de Roomsche transsubstantiatie en de aanbidding en opoffering van het gewijde met heel den gruwel der Misse beslist verwerpen : zoo rekenen de Gereformeerden de dwaling der Lutherschen, schoon niet gering en onverschillig te achten, evenwel niet voor fundamenteel, dus niet voor zoodanig, dat zij de kerkelijke gemeenschap tusschen Gereformeerden en Lutherschen, samen Protestanten tegen de gedrochtelijke, heidensche Roomsche leer, moet beletten, „vermits van weerszijden erkend wordt, dat allen, die naar het voorschrift van Christus\' communiceeren (Avondmaal houden).

\') Calvin. lustit. IV. 17. 12. Confess. Helvet. II. ed. Tigurl 15(36. fol. 40 ; SoUibsuus a nobis in eoelo, nihilominus officaciter praesens est nobis : quanto magis sol justitiao Christus, oorpore in coolis absens nobis, praesens est nobis, non corporaliter quidom sod spiritualiter por vivificam operationem.

CU\'avomoijor, Gerot\'. Gel. lour. 111. 3\'!

529

-ocr page 546-

§ 38. HET AVONDMAAL NOODIG.

eene geestelijke gemeenschap ontvangen aan en met den geheelen Christus \')•quot;

§ 38. Het Avondmaal noodig.

1. Men oordeelt verkeerd, wanneer men meent dat m het Heilig Avondmaal niets anders wordt ontvangen dan hetgeen de geloovige ook huiten het Avondmaal geniet. Immers in het Avondmaal ontvangt de geloovige die bijzondere panden en zegelen van zijn aandeel aan Christus\' zoenoffer die deze zelf daartoe uitdrukkelijk verordend heeft en die men buiten het Avondmaal niet hebben kan. Want niet zoo dikwijls als wij maar brood eten en wijn drinken, kan en zal dit ons een sacramenteel getuigenis en zegel zijn van onze gemeenschap aan Christus\' offerande

1) P. Van Mastncht, Godgel. III. p. 655. üitvoorig C. Vit,•inga, Dootrina Pars VUL Tom. II. p. 957—969: de govoelon\'! viin Goreformeordo Godgeleerden ovor de verhouding tusschon Gorcfor-meerden en Luthersohen : Parous, Hoornbeek, Maresius, Heidogger, Werenfels, Joaun. Jacob Zimmerman ; daartegen p. 9G9—973 van Lutherscbo Theologen.

Boproofde vereeniging, ünie, der Lutberschen en Gereformeerden in Duitschland sodort 1817 onder koning Prederik Wilhelm III., mot oene nieuwe Liturgie of Agende, die hot verschil tusschen Luthersohen en Gereformeerden trachtte te verstoppen (vertuschen), maar heftigen, dogmat,isohen on kerkrechtolijkon strijd verwekte. Dr. K. Tl. Sack, in Herzog? Roal-Enc. XVI. S. 708. f. u. d. A. Union der beiden evangel. Parteien in Preuszen.

Hot Gereformeerde leerbegrip wordt gewaardeerd door G. E. Steitz, in Horzogs Real-Enc. XVI. S. 358. u. d. A. Tmnssub-stantiation. En S. 614 u. UbiquitM. Do ideeën der nieuwere philosophische dogmatici S. 609. tf. Eu Hase, Huttor. Itodiv. § 123. 3to Aufl. S. 318.

530

-ocr page 547-

§ 38. HET AVONDMAAL NOODIG.

en lovengevenden dood, maar alleen in het Avondmaal, in de vergadering der gemeente, der geloofsbelijders met den Dienaar des Woords, waar het brood gebroken en de wijn in den drinkbeker overgegoten wordt en beide met de plechtige Inzettingswoorden des Heeren aan de dischgenooten toegediend en door dezen uit des Dienaars hand ontvangen en mondelijk genoten worden. De Schrift zegt niet: Zoo dikwijls als gij brood zult eten, maar: Zoo dikwijls als gij dit brood zult eten en dezen drinkbeker zult drinken, zoo verkondigt den dood des Heeren, totdat Hij komt, 1 Kor. 11 : 26.

Wel is er ook buiten het Avondmaal een eten van Christus\' vleesch en drinken van zijn bloed, Joh. 6 : 53 v.v., maar geestelijk door het geloof: want Christus spreekt daar niet van het Avondmaal, maar van de bestendige gemeenschapsoefening met Hem\'). Van dit geestelijk eten en drinken onderscheidt zich het sacramenteele in het Avondmaal. Het sacramenteele is niet zonder het geestelijke, ofschoon het geestelijke wel zonder het sacramenteele. In het sacramenteele uit zich en werkt gansch bijzonder het geestelijke. Het geestelijk eten en drinken (hetwelk niet is gelooven, maar geschiedt door het geloof) wordt door het sacramenteele niet alleen verzinnebeeld maar verlevendigd, versterkt, verhoogd en plechtig bezegeld.

531

2. Wij ontvangen dan in het Heilig Avondmaal iets wat wij buiten het Avondmaal niet hebben, te weten de bijzondere, door Christus zeiven ingestelde en geheiligde

\') Calvin. CoramenUr. in Joh. 6 : 53: Nequo enim de Coona habotur coucio, sod da perpetua coiniuuuiuatione, quao o.vtra (Joeuao usum uobis constat. Vergel. hiervoreu § 36,

-ocr page 548-

§ 38. HET AVONDMAAL NOODIG.

vvaarteekenen en panden tot bezegeling van ons persoonlijk aandeel aan zyne offerande en aan al hare vruchten gemeenschappelijk met alle geloovigen; ter toeeigening aan iederen geloovigen dischgenoot van zijn deelhebben aan het zoenoffer voor hem zeiven in het bijzonder, doordat tot hem overgebracht wordt dit woord van den Heere Jezus: Voor u, tegelijk met de zielverheffende bewustheid dat hij het met velen, met de Kerk heeft, naar het woord des Heeren : Voor velen.

Wat wij hoofdzakelijk aan het Heilig Avondmaal hebben, verklaart treffend onze Heidelb, Catech. Vr. 75 : Het is eene vermaning en verzekering dat wij aan de eenige offerande van Christus, aan het kruis volbracht, en aan al zijn goed gemeenschap hebben. Nader, Hij bezegelt daar de belofte : Eerstelijk dat zijn lichaam zoo zekerlijk voor mij aagt;i het kruis geofferd en gebroken en zijn bloed voor mij vergoten is, als ik met oogen zie, dat brood des Heeren mij gebroken en de drinkbeker mij medegedeeld wordt; en ten andere, dat Hij zelf mijne ziel met zijn gekruist lichaam en vergoten bloed zoo zekerlijk tot het eeuwige leven spijst en laaft, als ik het brood en den drinkbeker des Heeren (als zekere waarteekenen des lichaams en bloeds van Christus) uit des dienaars hand ontvang en monde lijk geniet. Vergel. Vr. 79.

Dus blijkt het groot gewicht van het Heilig Avondmaal Christus is daar op eene bijzondere wijze tegenwoordig en bij de zijnen, als de Gastheer, die zijn volk onthaalt, die voor de armen en ellendigen, welke naar Hem vragen en naar Hem hongeren en dorsten, in do verdiensten en vruchten van zijn lijden een heerlijk, zielverzadigend maal heeft bereid, ja zich zeiven aan de zielen tot spijze geeft.

332

-ocr page 549-

§ 38. HET AVONDMAAL NOODIG.

Christus\' gekruisigd lichaam en vergoten bloed is daar, doch niet voor de zintuigen on/,es lichaams, maar voor het geloof des harten. Zijn lichaam wordt daar gegeten en zijn bloed \') gedronken, doch niet zinnelijk, muar geestelijk^ sacramenteel; de wijze, op welke wij dezelve HHttigen. is niet de mond, maar de geest, door het geloof (Nederl. Belijd, Art. XXXV). De mond des lichaams smaakt en geniet alleen de uiterlijke teekenen, brood en wijn, maar de beteekende zaak, Christus\' lichaam en bloed, wordt onder de werking des Heiligen Geestes door de geloovende ziel genoten tot hare verkwikking en sterking, daar haar door de verordende toediening, aanneming en nuttiging der zienlijke en tastelijke genadepanden geheel de verdienste en vrucht van Christus\' sterven de vergeving aller zonden en het eeuwige leven, do nauwe en zalige vereeniging met den gekruisigden en verheerlijkten Verlosser en in 3em met geheel zijne gemeente toegeeigend en plechtig van \'s Heeren wege verzekerd en bezegeld wordt.

3. Dienvolgens leeren de Gereformeerden dan ook eene noodzakelijkheid des Avondmaals.

533

Niet eene absolute, volstrekte, alsof zonder het Avondmaal niemand zalig konde worden, gelijk met sommige Kerkvaders de Roomschen stellen, die meestal hetgene Christus Joh. 0 : 51 v.v. aangaande de noodzakelijkheid van het eten zijns vleesches en drinken zijns bloeds betuigt van het Heilig Avondmaal verstaan. Waarvan de

\') Dat het materiüele blood van Christus nog aanwezig zou zijn, is hot dwaalgovoelon van sommige Lutheranen, bijzonder van Bengel, zie Dertiende Hoofdstuk § 16,