-ocr page 1-

Henricas Eskel I lofF G l avemei jer geh. 13 April 181.3 — overl, 5 Drr. 1890.

T w e e cl e d r u lc.

Op nieuw herzien en uitgfgeven

Pux

igt;n. •lt;:. lt; . «; \\t \\ \\ i:gt;r i

pred. te Ulrecht.

TWEEDE DEEL.

lt;3 CC

II T RECHT,

H. TEN HOOVE.

L E E S B O E K

-ocr page 2-

Kast \'li\'! PI. D N0. 9

-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

leesboek:

OVER DE

GEREFORMEERDE GELOOFSLEER.

ii

-ocr page 6-

RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT

g:

1782 5864

-ocr page 7-

Z/J.A.v

LEESBOEK

OVER DE

GEREFORMEERDE GELOOFSLEER

DOOR

Henrious EskelliofF Grravemeijer,

cjéb. 13 April 1813 — overl. 5 Dec. 1890,

Tweede druk.

Op nieuw herzien en uitgegeven

DOOR

Jgt;n. E. C- OR,MEIJER,

pred. te Utrecht.

TWEEDE DEEL.

-occc-

UTRECHT,

11. TEN HOOVE.

-ocr page 8-
-ocr page 9-

Inhoud van het Tweede Deel.

Inhoud van Hoofdstuk IX. bl. 1-86.

Zonde.

liladz.

I. Zondenval......... 1—35

§ 1. De mensch gevallen....... 1—5

B 2. De eerste zonde........5— 8

„ 3. De Verleider .........8—13

, 4. Begin der Verleiding.......13 — 15

p 5. Voortgang der Verleiding.....16

, 6. De rechte vrijheid .......16—17

„ 7. De verleiding voltooid......17—19

ff 8. Strekking der daad.......19—20

, 9. Het wezen der zonde......20—23

, 10. Eerste blijken van den val.....24—28

,11. Verdere gevolgen voor de gevallenen . 29—32

, 12. Historisch zeker........32- 35

JI. Kr]zonde en dadelijke zoude:

Ellendigheid des menschen .... 06 — 96

, 13. Verdorvenheid.........36—42

„ 14. Allen zondaars.........42—43

„ 15. Erfzonde...........43—49

ff 16. De erfzonde in alle menschen . . . 49—55

jf 17. Ook de straf op allen......55—58

jf 18. Grond ...........58—60

-ocr page 10-

VI

bladz.

19. Toerekening..........6U—62

20. Erfschuld ..........62 — 67

21. Dadelijke zonden........67—69

22. (niet 16) Daadzonden; Voorwerpen . . 69—71

23. Daadzonden: Soorten . . . 71—76

24. Onmacht ..........76—78

25. Onwil ...........78—84

26. Verschoonlijk?.........85 —87

27. Dat de Wet niet redt ...... 87—88

28. Straf............89—90

29. Ellendigheid des menschen .... 91—96

Inhoud van Hoofdstuk X. bl. 97—178,

Des Verlossers Persoon.

1. Vanwaar verlossing......97—100

2. De eerste belofte.......100—103

3. Voortgang der heilsbelofte .... 103—108

4. Geheel het O. T. getuigt van Christus 109 — 110

5. Voorbeeldingen........110--120

6. Ook de tijd voorspeld ..... 120—126

7. Jezus de Messias.......126—130

8. God en rnensch........130—132

9. Waarom geen schepsel.....132—135

10. Waarom geen schepsel. Vervolg. . . 135—137

11. Niet liet Goddelijke Wezen .... 137 —139

12. De Verlosser God.......139— 146

13. De Verlosser God. Vervolg .... 146—151 14 De Verlosser God. Vervolg . . . . 151 —154

15. Waarom mensch.......154—157

16. Volledig mensch.......157—164

-ocr page 11-

VII

bladz.

§17. Geen twee Personen.....164—165

„18. De Persoon de Zoon.....165—168

,19. De vereeniging.......168 — 172

„ 20. De vereeniging. Vervolg .... 172—173 , 21. Gewicht van de eenheid des Persoons 174—178

Inhoud van Hoofdstuk XI. bl. 179—318.

Des Verlossers Namen en Ambten.

§ 1. Eigennaam Jezus......179—183

, 2. Ambtsnaam Christus.....183— 186

„ 3. Begrip van den naam Christus . . 186— 187

, 4. Waarom Gezalfde genoemd . . . 187—191

„ 5. Beteekenis der zalving .... 191 — 193

, 6. Verordineering.......193-196

, 7. Bekwaammaking......197—198

„ 8. Het drievoudig ambt voor den Middelaar noodig ..............199— 202

, 9. Gepast voor onze ellenden . . . 203—206

1. Christus\' Profetisch Ambt.

„ 10. Christus als Profeet beloofd . . . 200—210

,11, De Profeten.......210—214

, 12. Christus de beloofde Profeet . . . 214—216

, 13. Wat Hij leerde......216—220

14. Voorzegging..............220—221

, 15. Wonderwerken ............222—224

, 16. Duur zijns leerens............224—226

„ 17. Omvang van Christus\' leer . . , 226—230

, 18. Christus werkt nog als Profeet. Middelijk 230—233 , 19. Christus blijft ais Profeet voortwerken.

Onmiddelijk..............233—235

-ocr page 12-

VIII

bladz.

2. Christus\'\' Hoogepriesteramht.

20. Noodzakelijk..............235 -236

21. Onderscheiden..............237—238

22. Als Priester beloofd..... 238 — 242

23. De Priesterlijke dienst .... 242—245

24. De Offerande..............246—251

25. Voldoening................251—256

26. In leven en dood............256—258

27. Staatsbekleedend............258—264

28. Voorbidding..............265—269

29. Eén eenig Middelaar..........270—273

30. Zegening........273—275

3. Christus\' Koninklijk Ambt,

31. Onderscheiding..............275—278

32. Noodzakelijk..............278—279

33. Ook in de vernedering Koning . . 279—280

34. Des Konings werk ..........280—282

35. Regeering................282—290

36. Bescherming.......290—292

37. Een geestelijk Koninkrijk .... 292 — 305

38. Zegevierende voortgang .... 305 —308

39. De Profeet gehoord..... 308 — 313

40. De Hoogepriester gebruikt . . . 313 — 316

41. De Koning gediend.....316—318

Inhoud van Hoofdstuk XII. bl. 319-499.

Des Verlossers Staten. Vernedering.

1. Twee Staten .......319—325

2. Wat de Vernedering beteekent . . 325 — 383

3. Wat de Verhooging is , . . . . 333—336

-ocr page 13-

IX

blaJz.

§ 4. Trappen der Vernedering .... 337—838

, 5. Trappen der Verhooging .... 338—339

1. Ontvangenis en Geboorte . . . 339—363

„ 6. Menschwording...... 339—350

„ 7. Voorspeld........ 350—356

, 8. Geboorteplaats....... 356—358

, 9. Nederige omstandigheden .... 358—361

„ 10. Waarom zoo arm .....3C1—363

2. Lijden........ 363—386

„ 11. Besnijdenis........363—366

„ 12. Vervolging door Herodes .... 367—369

„ 13. Verborgen leven...... 369—373

„ 14. Openbaar leven...... 373 -377

„ 15. Lijden door medelijden .... 377—379

„ 16. Het laatste l^den...... 379—386

3. Dood........ 387—412

„ 17. Noodzakelijk....... 387—389

„ 18. Niet om leere en voorbeeld . . . 389 —392

„ 19. Niet alleen ten goede, maar in plaats 3^2 —396

„ ÜO. Vrijwillig........ 396—399

„ 21. Drangredenen....... 399 —402

, 22. Opperoorzaak.......40quot;^—404

„ 23. Hoedanige dood...... 404—406

„ 24. Kruisdood........4.06—412

4. Begrafenis ......413—421

„ 25. Laatste vernedering.....413—414

„ i\'ö. Plechtige lijkstaatsie van den Vorst dos

levens.........414—417

„ 27. Voorzegd........417—419

B 28. Belang.........419—421

5. Nederdaling ter helle . . . 421—499

„ 29. Het Geloofsartikel...... 421—424

-ocr page 14-

X

bladz.

§

30.

Plaatselijk ? .......

424

-438

V

31.

Gereformeerd gebruik van het Artikel

438

-440

32.

De twee tooneelen van het zielslijden

440

-44.1

33.

Oorzaak ........

441

-443

34.

Doeleinde van de Vernedering

443

-450

35.

Goddelijke eisch......

451-

-452

36.

Plaatsbekleeder......

452-

-453

»

37.

I. Dadelijke gehoorzaamheid

453

-461

»

38.

II. Lijdende gehoorzaamheid .

461-

-471

»

39.

Geen onzekere Verlossing

471-

-474

»

40.

Waarde van Christus\' offerande .

474

-476

»

41.

Voor allen ?.......

477-

-485

42.

» „ Vervolg......

485-

-491

»

43.

491

-494

44.

Geen algemeene noodiging ? . . .

494-

-496

45.

Niet ontmoedigend.....

49ö-

-497

46.

Geene verontschuldiging ....

497-

-499

Inhoud van Hoofdstuk XIIÏ. bl. 500-603.

Des Verlossers Staten: Verhooging.

1, Opstanding....... 500—534

§ 1. Beging der Verhooging .... 500—507

» 2. Tijd ......... 507—511

„ 3. Werkende oorzaak. Waarlijk opgestaan 511—519

a 4. De Herleefde.......519—524

» 5. Gewicht ........525-529

» 6. „ Vervolg......5^9—532

»7. „ „ ......5:12-533

„ 8, Voor wie?........ 533 — 534

2. Hemelvaart....... 535—564

-ocr page 15-

XI

bladz.

§ 9. Tweede trap..............535—536

„ 10. Waarheid................536—540

, Jl. Getuigen........540—544

„ 12. Wanneer................544—547

„ 18. Vanwaar................547 — 549

, 14. Waarheen................550-551

, 15. Wijze.........552-557

, 16. Doel en vrucht............557—564

5. Zitting aan Gods rechterhand . 565—587

„ 17. Derde trap................565—572

„ 18. Beteekenis................572—581

„ 19. Christus\' heerschappij..........581 — 587

4. Wederkomst ten Oordeel . . . 587—603

„ ^0. Vierde trap. Wederkomst . . . 587—590

„ 21. De dag..................590—594

„ 22. Opwekking der dooden .... 594—59t)

„ 23. Het Oordeel..............596—597

„ 24. Het Vonnis........598

„ 25. Het einde................599 — 603

Inhoud van Hoofdstuk XIV. bl. 604- 687.

Heilsorde. 1. Boeping (Bekeering.

Geloof.)

§

1.

Eene orde des heils . . . .

. 604-

610

2.

De voornaamste genadewerkingen

. 610—

-611

3.

Wat er in den inensch moet omgaan 612—

618

4.

Eerst de roeping.....

621

5.

Dour Woord en Geest

. 621-

■625

»

6.

A. Koeping tot bokeering

625 —

627

»

7.

■629

8.

Het wezenlijke van de Bekeering

. 629-

-633

-ocr page 16-

XII

bladz.

§ 9. B. Roeping tot Christus en tot geloof

in Hem......... 633—635

„ 10. Zaligmakend Geloof..... 635—650

„ 11. Verzekerdheid....... 650—653

„ 12. Historisch Geloof...... 653—655

, 13. Tijdgeloof........ 655-657

„ 14. Wondergeloof....... 658—660

„ 15. Bekeering en Geloof Gods werk . , 660—673

„ 16. Onwederstaanbaar ..... 673—677

„17. De Goddelijke werking .... 677—682 „ 18. De mensch verantwoordelijk . . . 682—687

Iphoud van Hoofdstuk XV. bl. 689-772.

Heilsorde. II. Rechtvaardiging.

§ 1. Eeuwig en tijdelijk..........689--696

, 2. Algemeen begrip............696—699

, 3. Nader bepaald ............699—704

„ 4. De rechtvaardiging geen Roomsche heiligmaking ................704 — 708

„ 5. Rechtvaardiging eene rechtspraak . 709—711

„ 6. Waar gerechtvaardigd . . . .712

„ 7. Wie is het?.......713—714

„ 8. Verzekering.......714--719

„ 9. Verzekering zoeken.....719—721

„ 10. Geheele vrijspraak......7ül — 723

„ 11. Eens voor al?.......723—727

, 12. Onvergeeflijke zonde..........727—728

„ 13. Oorzaak en grond der rechtvaardiging 739 — 740

„ 14. Niet uit de werken..........740—743

„ 15. Waarom niet uit de werken . . . 743—745

-ocr page 17-

XIII

/

bla\'lü.

§ 16. Jacobus ........\'?46—751

„ 17. Toerekening..............752—756

„ 18. Niet om het geloof..........756—759

„ 19. Waarom niet om het geloof . . . 759—761

„ 20. Het geloof gerekend tot rechtvaardigheid 761—764

„ 21. Wat het geloof daarbij doet . . . 764—767

a 22. Geloof als deugd? ..........767—771

Inhoud van Hoofdstuk XVI. bl. 773 -870.

Heilsorde. III. Heiligmaking.

§ 1. Verandering door geloof .... 773—778

B 2. Wedergeboorte..............778—792

„ 3. Na wedergeboorte heiligmaking . . 793—795

„ 4. Begrip der heiligmaking .... 795—802

„ 5. Geen eigen werk............802—805

v 6. Toch de mensch werkende . . . 805—808

, 7. Onvolmaaktheid............808—823

, 8. Gesteldheid des wedergeborenen . . 823—826

„ 9. Volharding........826—828

„ 10. Geen afval der heiligen .... 828—850

, 11. Voortgang................850—853

„ 12. Noodzakelijkheid............853—859

„ 13. Kenteeken van geloof .... 859—862

„ 14. Goede werken..............862—870

-ocr page 18-
-ocr page 19-

,-;,v

m

im

.

■ ■ • \' •

,

■ -■ .-■ ■

-ocr page 20-
-ocr page 21-

NEGENDE HOOFDSTUK.

ZONDE.

I. ZONDENVAL.

§ 1. De mensch gevallen.

De mensch is niet staande gebleven. De staat der rechtheid is plotselijk afgebroken door de misdnad waartoe onze eerste stamouders vervielen, de zondenval genoemd, omdat zij zoo snel en zoo diep in de zonde geraakten.

De zonde is niet met den mensch in de wereld gekomen, maar door hem ; hij is er niet mede geschapen, maar hij heeft ze ingelaten , ingehaald. Hij was goed en ge • lukkig. Maar als hij in eere was , zoo heeft hij het niet verstaan \'), noch zijne uitnemendheid erkend, waar

\') Naar Psalm 49: 13. LXX en Vulgata. Intusschon is het in do Belijdenis geen verklaring der Psalmwoorden van Adam ) maar gebruikmaking van do gepaste uitdrukking. De Moor, Comment, in Mtirck. III. p. 167,

GraTDmeijor, Geref. Gol. leer. U. 1

-ocr page 22-

§ 1. DE MENSCII GeVALLfeN.

heeft zich zeiven willens der zonde onderworpen en over zulks den dood en der vervloeking, de core biedende den ivoorde des duivels. Want het gebod des levens, dat hij ontvangen had, heeft hij overtreden en heeft zich van God, die zijn waar leven was, door de zonde afgescheiden, hebbende zijne geheele natuur verdorven, waardoor hij zich schuldig gemaakt heeft des lichamelijken en geestelijken doods. En in alle zijne wegen goddeloos, verkeerd en verdorven geworden zijnde, heeft hij verloren al zijne uitnemende gaven die hij van God ontvangen had. Nederl. Belijd. Art. XIV,

Boor het ingeven des duivels en zijnen vrijen wil van God afwijkende, heeft hij zich zeiven van deze uitnemende gaven beroofd en heeft daarentegen in de plaats van dien over zich gehaald blindheid, schrikkelijke duisternis, ijdelheid en verkeerdheid des oordeels in zijn verstand; hoosheid, weder-spannigheid en hardigheid in zijnen wil en zijn hart; mitsgaders ook onzuiverheid in alle zijne genegenheden.

Zoodanig als nu de mensch geweest is na de val, zoodanige kinderen heeft hij ook voortgebracht, namelijk hij, verdorven zijnde, verdorvene. Dordr. Leerreg. ÏIIde en IVquot; Hoofdst. Art. 1. 2.

Zij zijn allemaal verdorven. Dat is, zeide Luther treffend , het hoofdstuk en de middelplaats van de gansche Schrift, inzonderheid van den Brief aan de Romeinen.

Want zij hebben allen gezondigd en derven, missen, de heerlijkheid Gods Rom. 3 : 23 i), de eere of prijs van Cod, i) vvTspovvrcu rfc sdamp;ï tcü Ósov. De is niet het hwld Gods, ook niet gelijk onze Kantteekenaars verklaren het eeuwige leven maar erkenning, goedkeuring door God, waaruit het eeuwige leven volgt. Blijkbaar uit de tegenstelling v. 24 : Meyer, Kom-mentar z. d. St. Cramer, Wörterbuch S. 207. Luther: nnd miingeln des Rnlimes, den sie an Gott habon sollon.

i

-ocr page 23-

§ 1. DE MENSGII GEVALLEN.

zijne goedkeuring en zijn welgevallen, aan hetwelk hel eeuwige leven hangt en hetwelk zij van God zouden genieten , hadden zij niet gezondigd.

De zonde, eenmaal in de wereld gekomen, groeide met het menschdom op en steeg weldra ten top , zoodat de Heere het goddeloos geslacht door den watervloed verdelgen moest. Gen. 6:5: En de Heere zag, dat de hoosheid des menschen menigvuldig was op de aarde en al het gedichtsel der gedachten zijns harten te allen dage alleenlijk hoos was.

De zonde heeft alles doordrongen. De wereld ligt in het booze. Wat de wereld nu is, heeft en geeft, zegt ons 1 Joh. 2 : 16: Want al wat in de wereld is, [namelijk] de heg eerlijkheid des vleesches en de begeerlijkheid der oogen en de grootschheid des levens , is niet uit den Vader maar in uit de wereld. Wij moeten niet denken dat, wijl de wereld door God geschapen is, daarom ook alles in de tegenwoordige wereld uit God zou zijn. Veelmeer deze wereld, de menschenwereld, is eene tegen haren Schepper oproerige wereld en alles wat zij in zich bevat, zooveel nog niet vernieuwd en geheiligd is geworden door Christus , is niet uit God i).

Onze Kerk legt er nadruk op dat de mensch, bij het ingeven des duivels, zich zeiven willens der zonde heeft onderworpen en door zijnen vrijen wil van God is afgeweken.

De zondenval was bij God besloten. Maar het Goddelijke besluit was niet de werkende oorzaak2) van den val, veel minder een drangreden voor den mensch, als zijnde hem onbekend en dus voor hem geheel niet bestaande.

\') Von Gerlach , N. T. zu 1 Joh. 2: 16.

\'2) Zie Vij/de Hoofdstuk van dit Leesboek § 7. bl. 560.

3

-ocr page 24-

§ 1. DE MENSCH GEVALLEN.

De schuld ligt alleen op den mensch. De Schrift zelve duidt dit aan. Want vooreerst: onze stamouders waren met zedelijke kracht tegen alle verzoeking genoegzaam uitgerust, geschapen naar Gods beeld, dus bij machte om de proef te bestaan i). Ten andere: hun eigen geweten stelt dit buiten alle tegenspraak. Terstond na den val vertoont zich bij hen op menigerlei wijze een beschuldigend geweten, een ontegenzeglijk bewijs , dat zij zeiven de schuldigen waren.

Maar hoe was het toch mogelijk dat een volmaakt mensch, die geen kiem noch het minste beginsel van zonde in zich had, tot de zonde kon vervallen ? Wij kunnen met Brakel antwoorden: «zeg mij eerst, hoe de Engelen, die een hooge-ren trap van volmaaktheid hadden, hebben kunnen zondigen. Zegt gij: ik weet dat zij gezondigd hebben, maar niet hoe, zoo hebt gij uwe eigen vraag van Adam beantwoord. Dat Adam gezondigd heeft, is zeker. Dat hij de allerminste geneigdheid tot zonde, hem ingeschapen, niet had, is ook zeker1).quot;

Maar vooral moeten wij in het oog houden, dat Adam met een vrijen wil en veranderlijk s) was geschapen. Zonder de mogelijkheid van ongehoorzaamheid had de beproeving geenen zin. Op een vrywillige keus kwam het bij hem aan. Onveranderlijkheid van staat en onmogelijkheid van afval is nieuwe genadegifte.

Velen hebben , lijnrecht strijdig tegen Gods Woord, den

4

1

) Brakel, Kedel. Godsd. 1717. I. p. 303.

-ocr page 25-

§ 1. DE MENSCH GEVALLEN.

zondenval voor eene heilzame voortschrcde des menscher; in zijne natuurlijke ontwikkeling verklaard. Schiller,ivow-wens ook als wysgeer dichter : noemde in dien zin den zondenval eenen reuzenstap gt;) der menschheid. Ja , een reuzenstap was het, doch niet vooruit maar achterwaarts, niet omhoog maar naar onderen. Dat het een vooruitgang was , is de verklaring van den duivel (Gen. 3 : 5).

§ 2. De eerste zonde.

De eerste zonde, op aarde gedaan , was dat Adam en Eva gegeten hebben van de vrucht des booms, welke God hun had verboden. Het was de overtreding van het proefgebod.

5

Uitwendig en oppervlakkig beschouwd een gering vergrijp. Maar wij moeten de zonde niet wegen naar den

\') Etwas über dio ersto Menschengoaellschaft nach dem Loit-faden der ruosaischen ürkundo. In Schillers silmmtl. Worko. Leipz. Zehnter Baud. S. 214: Der Philosoph hat Recht, es oinen Riesensehritt der Menschheit zu nennen, denn der Mensch wurde dadurch aus eiDem Sklaven des Naturtriebs ein freihandelndes Geschopt, aus oinem Automat ein sittliches Wesen undmitdie-sem Schritt trat er zuerst auf die Leiter, die ihn nach Verlauf von vielen Jahrtausenden zur Selbstherrschaft führen wird. — Ein Abfall von seinem lustinkte, also erste Aeuszerung seiner Selbstthiltigkeit, erstes Wagesttick seiner Vernunft, erster An-fang seines moralischen Daseins. ■ Die glückliohste und gröszte Begebenheit in der Menschengeschichte! — Niet anders Hegel, Daub enz. Vergel. daartegen Wutthe , Handb. der Christl. Sit-tonlehre II. S. 3. Eenen Vooruitgang, intellectuollen Portschritt, ziet in den val ook nog wederom li. Riietschli, Geschicbte nnd Kritik der Lehre von der ursprüngl. Vollkommenh. und vom Süadonfall. 1881.

-ocr page 26-

§ 2. DE EERSTE ZONDE.

uitwendigen schijn. Ook koning Sauls ongeduldig toetasten, zijn voorbarig offeren 1 Sam. 13 schijnt geen groot kwaad \') en toch was dit beslissend voor zijne toekomst. Zeven dagen zou hij te Gilgal wachten totdat Samuël kwam, om, na offerande , hem bekend te maken wat hij doen zou 1 Sam. 10: 8. Dit gebod was uitdrukkelijk bestemd om Saul te beproeven. Zijn overtreden was niets geringers dan een woest doorbreken van het perk hem als koning gesteld , van onvoorwaardelijke ondergeschiktheid onder den Goddelijken wil. Ook hier hebben wij eenen koning. Adam was koning in het paradijs , maar verloor schepter en kroon.

Eene zware zonde1) was het die onze eerste ouders daar begingen. Juist omdat dit de overtreding was van het proefgebod. Aan dezen boom wilde de Heere God den mensch op de proef stellen. Hier zou hij kiezen en dit zou voor geheel het menschelijk geslacht beslissen s).

Voorts: zij zondigden tegen eenen God , wiens macht zij uit de groote en verbazende werken der schepping en wiens goedheid zij uit de gaven en weldaden kenden, waarmede Hij hen had overladen.

Zij deden het zonder noodzaak. Geen honger of gebrek dreef hen. Het schoone paradijs bood hun eenen overvloed van de heerlijkste vruchten. Zonder moeite hadden zij zich van dien éénen boom kunnen onderhouden.

Zij begingen de ongehoorzaamheid in weerwil van de

\') Vorgel. Hcngstenhcrg, Gosch. dos Roichcs Gottes nnter dem A. 13. II. 2. S. 90 f.

2) March, Compend. p. 26G. De Moor, Commoutar. III. p. 163. sq. P. Van Mastricht, Godgol. II. p. 230.

■\') Zio hiorbovou Hoofdst. VUL § 11. bl. 877.

6

-ocr page 27-

2. DE EERSTE ZONUE.

nadrukkelijke , ontzaglijke dreiging, waardoor God hen ten ernstigste had gewaarschuwd.

Wel te recht hebben vele Ouden in de eerste zonde eer;e overtreding tegen al de Tien geboden gezien\'). Immers tegen het eerste gebod zondigde daar de mensch doordien hij zelf God wilde zijn. Tegen het tweede door verlagende verbeelding van God als ware Hij afgunstig. Tegen het derde door ijdel gebruik van Gods naam in het gesprek met de slang en na de misdaad. Tegen het vierde door versmading van de ruste in God en van zijn woord en dienst. Tegen het vijfde, daar hij den hoogsten Vader onteerde. Tegen het zesde, daar hij zich en geheel zijn geslacht doodsloeg , in den dood stortte. Tegen het zevende, daar hij met het schepsel ging hoereeren. Tegen het achtste, door diefstal aan zijns Heeren goed. Tegen het negende, door valsche ontschuldiging van zich zeiven en beschuldiging van zijnen naaste en van God zeiven. Tegen het tiende, daar hij zich de verbodene vrucht liet gelusten.

Eindelijk blijkt de zwaarte der eerste zonde uit haar straf en uit al hare verschrikkelijke gevolgen voor heel de mensch-heid. Wij staan hier bij de kleine welle van een grooten stroom , die van daar in al breeder beddingen zich over geheel het menschelijke geslacht heeft uitgebreid.

7

Van welke boomsoort de proefboom was, zegt de Schrift niet. Men heeft beproefd het te bepalen, doch zonder vrucht. Velen, inzonderheid Rabbijnen, hebben hem voor eenen vij-gehoom gehouden, wegens Gen. 3 : 7, waar de gevallenen zich schorten maken van vijgebladeren. Dan hebben zij met hunne eigene schande hunne naaktheid willen bedekken en hebben

\') Vorgol, Augustin. Euchiridion ud Laurent, cap. XLV.

-ocr page 28-

§ 2. DE EERSTE ZONDE.

daardoor reeds hunne zonde verraden. Volgens anderen zou \'t een appelboom zijn geweest, waarvoor men eenen grond meende te vinden in Hoogl. 8:5: Onder den appelboom heb ik u opgewekt, daar heeft uwe moeder u met smarte voortgebracht. Welke tekst intusschen met den zondenval niets te doen heeft. Nog anderen hebben aan eenen wijnstok gedacht en hebben het verbod van wijn voor de priesters bij het ingaan in het heiligdom Lev. 10: 9 en voor de Na-zireërs Num. 6: 3 er mede in verband gebracht gt;). — Intusschen wegens de eigenaardige en geheel eenige bestemming van dezen boom moeten wij wel aannemen, dat het een gansch bijzondere, en wel uitnemend schoone boom is geweest, verschillend van al de andere boomen in het paradijs en van al de thans bekende boomsoorten.

§ 3. De Verleider.

Vragen wij : hoe zijn de beide eerste menschen, die niet de minste kwade begeerte in zich droegen en die alleen op de aarde waren, ten val gebracht ? Uit de Schrift ontvangen wij het antwoord : de duivel heeft Eva verleid door eene slang en Adam door middel van de vrouw.

Mozes noemt Gen. 3 den duivel niet, maar duidt hem toch aan. Met reden. Hij beschrijft de gebeurtenis zoo als de beide eerste menschen ze beleefden en daarna verhaalden. Zij zagen niets dan de slang: een dier, maar een sprekend dier, een kwaadsprekend dier!

Het was een werkelijk dier, een eigenlijke slang, naar Gen. 3 : 1 en 14.

\') B. de Moor, Commeutar. in Marck. III. p. 75 sq. Hehry, Bijbelverklaring op Gen. 2; 17.

8

-ocr page 29-

3. DE VKULEIÜEU.

De slang sprak, evenzoo werkelijk als Bileams ezelin (2 • Pelr. 1G). Eva heeft niet bij zich zelve gesproken, maar de slang was het die tot de vrouwe sprak.

Maar zij sprak booze taal, verleidende en leugenachtige woorden. Dat was niet uit haar: want ook zij was „zeer goed.quot; Daaruit en vooral uit het Goddelijk vonnis Gen. 3: 15, hetwelk onmogelijk alleen het dier raakt, is reeds blijkbaar, dat de slang , onder Gods toelating, slechts het werktuig was van een ander, van eenen kwaadstoker. Dit was de duivel, gelijk naderhand onder het klimmende licht der Goddelijke openbaringen ten klaarste is aan den dag gekomen.

Beslissend is het eigen woord uit Jezus\' mond Joh. 8: 44 en het woord van zijnen Apostel 1 Joh. 3 : 81). En duidelijk wijst op hetgeen in het paradijs voorviel de zinnebeeldige naam terug, waarmee de Booze beteekend wordt Openb. 12: 9: de oude slang, ivelke genoemd wordt duivel en satanas, die de geheele wereld verleidt eu Openh. 20: % : En hij greep den draak, de oude slang, welke is de duivel en satanas en bond hem duizend jaren. Het was dezelfde hoogmoedige en nijdige geest, die den tweeden Adam , Christus, doch vruchteloos, verzocht Matth. 4: 1 v.v.1).

De Schrift leert ons dat vóór den zondenval der aardbewoners een afval was geschied in de onzichtbare wereld der geesten. 2 Petr. 2 : 4. Jud. 6. Dus was het booze er eer Adam viel. En zij zegt ons hoe het in den mensch is gekomen.

9

1

) Zie Zesde Hoofdstuk § 17. bl. 721,

-ocr page 30-

§ 3. DE VEULE1ÜER.

. De vermomde verzoeker viel op Eva, niet op Adam aan. Waarom? Niet als ware de vrouw minder goed en dus • naar hare natuur meer verleidbaar geweest dan de man. De vrouw wordt wel in vergelijking met de mannelijke sekse een zwakker vat \') genoemd 1 Petr. 3:7, maar Eva was zoowel als Adam naar Gods beeld geschapen Gen. 1: 272). Maar haar viel de verzoeker aan, wijl zij het gebod niet onmiddellijk uit Gods mond had gehoord, maar door middel van Adam ontvangen. Had de verzoeker haar maar eerst gewonnen, zoo kon hij hopen met haar behulp den man te overwinnen.

Adam is de schuldige bij uitnemendheid. Want hij had het verbod uit Gods eigen mond vernomen en hij was het hoofd der vrouw en der menschheid, met hetwelk God het verbond had gemaakt. Daarom wordt hij als de bondbre-ker geteekend Hoz. 6:7, waar de ileere van het afvallige Israël klaagt: „Ik heb lust tot weldadigheid en niet tot offer, en tot de kennisse Gods , meer dan tot brandoffe-ren. Maar zij hebben het verhond overtreden als Adam*):

\') tksvoc xtósyévtspcv. Naar March, Compend. p. 2G5 cu De Moor, Commont.ar. III. p. 151 zou ook iu dou staat der rechtheid de vrouw minder dan de man aan krachton der ziel en dos lichaams zijn geweest.

Van man en vrouw wordt hier geheel op gelijke wijze gesproken. Strijdig hiertegen is wat beweerd wordt door Dditzsch, Bibl. Psychol. S. 106 : Sie (Eva) ist auch nicht ohne dou got-tesbildlichon Geist, abor sie bat ihn nicht unmittelbar aus Gott, sondern mittelbar durch Gott vom Manne. En S. 123: üas Weib war nur mittolbargottosbildlich, sio war vcrhültnissmSssig wonigor goistig als soelisch und eben deshalb empftlugUcher für die Einwirkungen dos Natürlichen an ihr und um sie her.

3) rVquot;D D1X3 nDm. LXX xvOpum?. Doch do

10

-ocr page 31-

§ 3. DE VERLEIDER.

daar (aan die en die plaatse) hebben zij trouwelooslijk tegen mij gehandeld.quot; Daarom spreekt de Schrift van den éénen zondaar Adam en zegt Rom. 5 : 12 : „door éénen mensch is de zonde in de wereld gekomen.quot; Door hem kwam zij tot zijne nakomelingen. Om hem was hot den verzoeker te doen. Hij zondigde niet uit onwetendheid , niet bij verrassing, maar na het aanhooren van de rede der vrouw, dus met opzet, met moedwillige ongehoorzaamheid.

Huishoudelijker wijze •) is het één zondaar Adam (Rom. 5), maar waar historisch van den val wordt gesproken, is Eva de eerste zondares. Zoo 1 Tim. 2:14: En Adam is niet verleid geworden, maar de vrouw verleid zijnde is in overtreding getoeest. De vrouw heelt hem overreed, hij heeft geluisterd naar hare stem Gen. 3:17. De Apostel geeft redenen, waarom de vrouw onderdanig en stil moet zijn : vooreerst Adam is eerst gemaakt, daarna Eva en

Vulgata: sicul. Adam. Het is to verwondoron dat ook onze Staten-Vortalurs niet beslist verwerpen de vertaling: als men-schen (»als lichtvaardige lieden plegen te doenquot;), of: als eens menschen (verbond). Zoo ook De Wette en ook Hengstenberg, Comm. über die Psalmen I. S. 353 , zu Ps. 17 : 4. Het moot zijn: als Adam. Aldus te recht hot Bijbelsch Woordenboek I. p. 23. Kurtz, Gesc.h. des A. B I. S. 69. Oehler, Theol. des A. ï. I. S. 243. De menschen, die niet tot Israël behoorden, konden het verbond niet wetens en willens overtreden, daar zij geheel niet in hot verbond met God stonden. Wanneer Israël het verbond slechts als andere menschen overtrad , wiorde daardoor zijno schuld verkleind. Maar juist het overtreden der Goddelijke wet met willen wordt hier den volke voorgohoudeu. Schmieder z. d. St.

\') F. Van Mastncht, Godgel. II. p. 230,

11

-ocr page 32-

§ 3. UE VEHLE1DKR.

ten tweede Eva heeft eerst gezondigd en zij heeft Adam overreed. Dat moet de vrouw nooit vergeten.

Wat den tijd betreft , wanneer onze eerste ouders het proefgebod hebben overtreden, daarover loepen de gevoelens zeer uiteen. Intusschen mogen wij met de meesten en uit-nemendsten onzer Godgeleerden aannemen, dat de val is geschied niet reeds op den zesden dag, op denzelfden dag, op welken Adam en Eva waren geschapen, ook niet op den zevenden dag, doch ook niet lang na de schepping.

Niet op den zesden dag i). Want bij het einde van den zesden dag was alles nog zeer goed Gen. 1:31.

Niet op den zevenden dag. Want toen heeft God gerust en zich verkwikt (Exod. 31 : 17) in zijne werken. Daarbij past de zondenval niet, noch het gericht hetwelk Hij hield. Integendeel. Toen berouwde het den Heere , dat Hij den mensch op de aarde gemaakt had en het smartte Hem aan zijn hart Gen. 6: 6. 1) was evenwel zeer voor den

zevenden dag , den sabbat. Toen had God, meende hij, \'s morgens vroeg tot Adam gesproken en hem het gebod gegeven ; om de middagure wellicht werd Eva door den duivel aangesproken en verleid en Adam door haar; tegen den avond kwam de Heere en sprak het vonnis. Aldus Luther. Maar dit is niet te vereenigen met de Goddelijke zegening en heiliging van dien dag.

Anderen hebben geheel willekeurig den staat der rechtheid tot 30, Ja tot 100 jaren verlengd.

Wel mogen wij dezen niet al te kort stellen. Want „het

12

1

) Luther, zus Genesis. Ook aangehaald bij Schroder , Das erste Buch Mose. S. 24.

-ocr page 33-

§ 3. DE VERLE1DEK.

is niet te denken, dat do mensch geen tijd zoude gehad hebben om door ondervinding zijnen gelukzaligen staat te kennen en na den val te kunnen bedenkenquot; quot;),

Maar ook niet te lang, gelijk uit het verhaal zelf Wijkt. Want Mozes, nadat hij gezegd heeft hoe de menschen geschapen werden, gaat dadelijk, zonder iets anders tusschen beide te vermelden, tot den val over. En hadde Adam, herinnert Calvijn}), geruimen tijd met zijne vrouw samen gewoond, dan zou Gods zegening !er voortplanting van zijn geslacht niet zonder vrucht zijn geweest, maar nog daarvóór teekent Mozes hen als beroofd van Gods weldaden. En anders hadde Eva eene onzondige vrucht ontvangen»).

§ 4. Begin der verleiding.

De verleiding begon hiermede, dat de verzoeker ongeloof zaaide in \'s menschenhart, daar hij het Goddelijke verbod betwistte en de waarheid der dreiging loochende. Gen. 3 : 1—4.

1. Terwijl Eva alleen is, in de nabijheid van denverboden boom , spreekt de slang tot haar: Is het ook ,

1) Bralcel, Eedcl. Godsd. I. Cap. XIII. p. 300 : de mensch na den zevenden darj eerst gevallen ; maar na hoevele dagen, weken of maanden, is onbekend.

4) Calvin. Commentar. in Gen. 3: 6. ad. Hengstenberg p. 48.

P. Van Mastricht, Godgel. II. p. 229. Hij houdt voor hot waarschijnlijkst, dat do eerstgeschapone monschon noch jaren , noch maanden, noch weken , maar toch ten minste eenige dagen, ja gedurende óéne week volhard hebben in den staat der rechtheid. Marck , Compend. p. 267 : Dei bonitas-mansionis felicis aliquam moram et memoriam utique homini non nogasse videtur. De Moor, Commentar. III. p. 1G5 ; ettelijke dagen, aliquot dierum spatium.

13

-ocr page 34-

§ 4. BEGIN DKU VERLEIDING.

dat God gezegd heeft: gijlieden zult niet eten van allen hoorn dezes hofs ? De verzoeker speelt den onwetende. Maar reeds het vragen was een strik. Eva moest met stil geloof zich aan het Goddelijke woord houden. Daarvan wil hij haar aftrekken. Hij trekt het in twyfel. — Daarbij verdraait hij het, als had God alle boomvrucht verboden. Want dat de woorden der slang dit willen aanduiden blijkt èn uit den grondtekst •) èn uit het antwoord der vrouw in het 2de vers, waar\'zij het tegenspreekt. Sommigen1) hebben gedacht, dat Eva juist voedsel zocht van hetgeen in of lager bij den grond wies, en daarom gevraagd werd of zij geene boomvrucht gebruiken mocht.

2. De vrouw moest haastelijk van deze plaats zijn weg-geloopen naar haren man. Maar zij blijft, zij staat den verleider te woorde. Doch zij komt nog voor haren Schepper op. Zij antwoordt: Van de vrucht der boomen dezes hofs zullen wij eten: bij zoo groote keur van boomen was dan de uitzondering van eenen enkelen boom niet hard.

3. Dan zegt zij de wet op : Maar van de vrucht des hoorns, die in het midden des hofs is, heeft God gezegd: Gij zult van die niet eten noch die aanroeren , opdat gij niet stervet. Het aanroeren had God niet verboden. Doch Eva duidt hiermede den rechten zin des verbods aan; als zich uitstrekkende ook tot alle aanraking en betasting der

14

1

) S. Van Emdre, Geschiedenis dor tijden voor den zondvloed. 1796. p. 62.

-ocr page 35-

4, BEGIN DER VERLEIDING.

verbodene vrucht om er aan te rieken of om ze te smaken en zij toont hoe nauw zij zelve het met dat Goddelijke verbod neemt. Evenwel het slot van haar antwoord , de Goddelijke dreiging, heeft in Eva\'s mond niet meer de oorspronkelijke scherpte. God had gezegd : Ten dage als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven I Eva heeft dat dus omgebogen: gij zult daarvan niet eten, opdat gij niet stervet, hetgeen volgens den grondtekst ook kan aanduiden een bloot waarschijnlijk gevolg, hetwelk zij met haren man te duchten had, zoo zij aten. \'T is alsof die dreiging voor Eva\'s oog in eenen ongewissen nevel verdwijnt. Nu heeft de verzoeker nog maar een stouten stap te doen, om hare volledig te overwinnen.

4. Het masker werpt hij af. Openbaar treedt hij op als Gods tegenpartijder en het ontzaglijk oogenblik is daar, hetwelk beslissen zal of Eva het nog met God wil houden, of met diens vijand. Toen zeide de slang tot de vrouw ; Gijlieden zult den dood niet sterven. Ziet hier de eerste leugen op aarde. De zin kan zijn : „vrouw, g\\j dwaalt, dit heeft God niet gemeend, dit kan Hij niet gezegd hebben, dat gij sterven zult, wanneer gij van dezen boom eet: gij hebt God niet begrepen.quot; Doch met de snoode woorden, die de verzoeker er op laat volgen , komt het meer overeen, dat hij hier God zeiven tot eenen leugenaar maakt, in dezen zin ; „dat wordt zoo niet , Eva, denk niet (al heeft God dit gezegd), dat het eten van deze vrucht u den dood aanbrengt.quot; Genoeg , de verzoeker neemt Gods woord van Eva\'s harte weg en stelt zijn woord daarvoor in plaats. Gods woord was: eet gij daarvan , gij zult sterven ! Satans woord is: gij zult niet sterven !

15

-ocr page 36-

§ 5. VOORTGANG DER VERLEIDING.

§ 5. Voortgang der verleiding.

Niet alleen loochent de verzoeker de waarheid van Gods dreiging, maar, veinzende der menschen belangstellend vriend te zijn, maakt hij hun God verdacht en zoekt hen tegen God en vóór zich in te nemen door hun eene nog ongekende heerlijkheid voor te spiegelen, die God hun niet gunde.

Niet sterven, sprak de slang tot de vrouw, maar God weet, dat, ten dage als gij daarvan eet, zoo zullen uwe oogen geopend worden en gij zult als God wezen , kennende het goed en het kwaad , Gen. 3 : 5. „Het kwaad, dat gij vreest,quot; wil de verzoeker zeggen, „zal u niet overkomen. Eet vrij van dezen heerlijken boom. Heet hij de boom der kennisse des goeds en des kwaads , dit is de uitlegging en gij moet het dus verstaan : eet gij er van, gij zult zoo wijs worden dat het u zijn zal als waart gij tot daartoe stekeblind geweest, gij zult die hooge wondere kennis erlangen, welke God dusver voor zich alleen heeft behouden. Dat weet God wel, daarom heeft Hij u er van willen afschrikken. Nu dan, neem , eet van deze vrucht en gij zult wezen als God !quot; Zoo prikkelt de Booze den mensch tot zelfverheffing door hem voor te spiegelen , dat hij van een afhankelijk schepsel zelfstandig en vrij kon worden als God, met Goddelijke wetenschap, wetende zooals God weet. Bewuste Godegelijkheid belooft de duivel.

§ 6. De rechte vrijheid.

De vrijheid, die de Satan den mensch voorspiegelt, een vrij zijn van God , is de ware vrijheid niet. Vrij van God

16

-ocr page 37-

§ G. DE RECHTE VRIJHEID.

is schepsels slaaf. Alleen in en met Gud is men vrij. Slechts God is vrij, slechts God bestemt zich zeiven. En vrijheid is vereening met dien God. \')

God dienen is vrijheid, zeide Augustinus. De ware vrijheid is het vrij zijn van de leugenstrikken der gewaande wetenschap en schijnwijsheid, van den dienst der zonde, des vleesches, der wereld, des Satans.

Tot de ware vrijheid komt de mensch, wanneer hij zich uit vrije keus aan God en zijn Woord onderwerpt. Deze zedelijke, geestelijke vrijheid kan de gevallene mensch alleen weer door en in Christus verkrijgen. Joh. 8:31:Je-zus zeide tot de Joden, die [in] Hem geloofden: Indien gijlieden in mijn woord blijft, zoo zijt gij waarlijk mijne discipelen. 32. En zult de waarheid verstaan en de waarheid zal u vrijmaken. 36. Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zoo zult gij waarlijk vrij zijnquot;1) — als kinderen des hemelschen Vaders.

§ 7. De verleiding voltooid.

De vijand heeft door zijne verleidende taal een zaad van ijdele en onreine gedachten in Eva\'s reine ziel geworpen. Zinnelijke begeerte komt in het begoochelde hart op, het verbodene wordt meest aantrekkelijk.

Gen. 3 : G. Zij ziet den boom aan. Vroeger mag zij hem wel meermalen in alle onschuld hebben beschouwd. Want dat zij dezen boom tot daartoe nog nooit had ge-

17

1

) Bildcrdijk, Do voet in \'t Graf.

-ocr page 38-

§ 7. \' DE VEIILEIDING VOLTOOID.

zien, is niet te denken : zy kende immers „den verboden boom.quot; Maar nu ziet zij hem aan met eene ontwakende begeerte om or van te eten. De vrucht dezes booms komt haar nu zoo schoon, zoo keurig en geurig voor, zoo goed tot spijze, een lust voor de oogen. En te meer wijl er de zeldzame eigenschap in zal liggen om verstandig te maken, om haar alzoo geheel nieuwe , hoogere vermogens te geven , ja om er door te worden als God. Geen boom rondom kwam haar nu zoo schoon en begeerlijk voor als juist de verbodene.

En zij nam van zijne vrucht en at. Wat bracht haar daartoe ? De boom op zichzelf deed het niet. Mochten z\\]-ne liefelijke vruchten nog zoo heerlijk pronken tusschen de groene twijgen, dat alleen kon Eva niet tot het verboden genot bewegen, zoolang zij te midden onder de voorrechten en bekoorlijkheden van het paradijs geen zaliger genot kende dan de gemeenschap met haren Schepper en de ondervinding van zijne liefde. Maar de inwerking van den boo-zen geest en diens voorspiegeling van grooter heerlijkheid was het waardoor de boom haar ten valstrik werd. Hel. is geschied ! Zij nam van zijne vrucht en at.

En zij gaf ook haren man met haar en hij at. Waar was Adam , toen Eva door de slang aangesproken en verleid word en hare hand naar de verboden vrucht uitstrekte ? De Heilige Schrift zegt het ons niet. Doch zeker was hij bij den aanvang niet tegenwoordig. Want tot Eva alleen was de vraag des verzoekers gericht. Maar lang zal hij zijne geliefde wederhelft niet alleen hebben gelaten en niet verre zullen beiden van elkander verwijderd zijn geweest.

Misschien kwam hij terwijl zij was etende en zij bood hem van de vrucht. Zonder allo bedenking zal hij er niet van

18

-ocr page 39-

§7. DE VEULEIDING VOLTOOID.

hebben gegoten, Hij moot geweten hebben dal illt do ver-bodene vrucht was. Maar do vrouw overreedde hem en hij hoorde naar hare stom. Wat de slang haar gezegd had zogt zij nu tegen haren man en zij dringt het aan met beweeglijke taal. Zij wordt de slang voor Adam. De eerste zondares wordt naar Satans beeld verleidster. Met gelukt haar den man over te halen: „en zij gaf ook haren man met haar en hij at.quot; Het deed het niet sléchts om zijner vrouw te behagen en haar te wille te zijn, maar, tot dezelfde hoogvliegende gedachten en zinnelijke begeerten vervoerd als zij, wierp hij den teugel af en overtrad het gebod \').

§ 8. Strekking der daad.

De eerste zonde sloot reeds in zich de drie grondzonden der menschheid : begeerlijkheid des vleesches , begeerlijkheid der oogen en grootschheid des levens, onrechtvaardig trachten naar genot, bezit en macht. Er lag in deze daad eene strekking, die zeer verre zag en geheel de verhouding tusschen den mensch en God verkeerde, de strekking om zich van God los te rukken. Door het slangenwoord vervoerd wilde de mensch iets op zich zeiven wezen, wilde heerlijk en gelukkig zijn huiten God: hij werd zijn eigen, hij scheidde zich van God af — hetwelk de oorzaak is van alle ellende.

19

Treffend zien wij dit afgebeeld in de Gelijkenis van den

\') Calvin. Common\'tar. in Genes. 3:6: Non tantum ut mo-rem gororot uxor!, legem sibi positam transgressus est, sed ab ca in exitialem ambitionera pertractus ejusdom defectionis socius fuit.

-ocr page 40-

au § 8. STREKKING DER DAAD.

Verloren zoon\') Luc. 15: 13: alles bijeen vergaderd heb-hende is hij weggereisd in een ver [gelegen] land en heeft aldaar zijn goed doorgebracht, levende overdadiglijk. De zoon legt den grond tot al zijne navolgende ellende door dat hij vrij en onafhankelijk zijn wil en met zijn goed gaat reizen. Ziet daar des menschen val. De mensch wilde wezen gelijk God, vrij en onafhankelijk. Hij begon iets te zoeken langs eigen weg, een eigenwil vestigde zich in hem tegenover den wille Gods: hij scheidde zich van God af, hij werd zijn eigen: grond en oorsprong van alle jammeren. Geen troost, geen redding of hij moet aan zich zeiven onteigend en aan God in Christus weer worden , naar het schoone Antwoord op de 1ste Vraag van onzen Heidelb. Catechismus.

§ 9. Het wezen der zonde.

Het wezen of het eigenlijke kwaad van de eerste en van alle zonde des menschen is ongeloof dat Gods Woord verwerpt , zelfzucht die het eigen Ik in de plaatse van God stelt en zinnelijkheid die zich aan het geschapene hecht.

Men heeft veel gezocht naar het eerste zaad en beginsel waaruit de zonde wordt geboren en naar den verborgen grond waaruit zij opschiet. De gevoelens daarover van Godgeleerden en Wijsgeeren, zoowel vroeger als heden , loopen zeer uiteen.

Velen zien in \'s menschen zinnelijke natuur eenen toereikenden verklaringsgrond voor de zonde. De zonde is

\') Behandeld in schrijvers Zestal Leerredenen over Luk. 15. Tweede druk. Groningen. 1879.

-ocr page 41-

§ 9. HET WEZEN DEH ZONDE.

hun eene vrucht van de overmogende zinnelijkheid , die zich eerder en krachtiger dan de rede ontwikkelt en een overwicht heeft over rede en Godsbesef: de zinnelijke neiging volgende zondigt de mensch.

Dit gevoelen heeft voornamelijk bij de Rationalisten ingang gevonden. Het is naturalistisch. De rechtzinni-gen hebben op goede gronden zich hiertegen steeds mei kracht verzet. Reeds Augustinus i).

1. Immers, leidt men de zonde alleen af uit de zinnelijke natuur des menschen , dan werpt men ten slotte de schuld van alle zonde op God den Schepper. Dat de zinnelijkheid op zich zelve vijandig tegen den redelijken geest overslaat , is een louter verzinsel en bij den mensch, zoolang hij nog onverdorven was, geheel niet denkbaar.

2. En naar die stelling moest het kind veel zondiger zijn dan de volwassen mensch en wederom in den af-geleefden grijsaard moest met het verstompen der zinnen de zonde als van zelf afnemen.

3. Ook wordt door die stelling slechts een klein deel der zonden verklaard, terwijl zy over de geestelijke en diepst ingrijpende zonden geen licht geeft, zonden die met de zinnelijkheid weinig of niets gemeens hebben, ja zich soms tegen de zinnelijke neigingen overstellen, als nijd, wraakzucht, ijverzucht, kwaadspreken, hoogmoed, eerzucht en dergelyke. Vit het hart, niet uit de zinnelijkheid, komen voort de hooze bedenkingen yWaXih, 15: 19.

21

4. Prikkelt de zinnelijkheid tot vele zonden, zij spoort ook tot veel goeds aan on weerhoudt van veel kwaad. Zoo drijft

\') Awjustin. Dc Civit. Doi Lib. XIV. Cap. II. III. Calvin. Commcntar. in Gonos. 3: 6. Nitzsch, System § 106. S. 221.

-ocr page 42-

9. HET WEZEN DEIl ZONDE.

de honger en het verlangen naar zinnelijk genot, tot arbeid en vlijt en in \'t gemoeai dringen de zlnnelijlo behoeften tot bezigheid. Dus kan de zinnelijkheid op zich zelve onmogelijk als de eenige grond van het booze beschouwd worden.

5. Ook is dat gevoelen onvereenigbaar niet Christus\' zondeloosheid bij het bezit der volledige menschelijke natuur.

G. Eindelijk, en dit is beslissend, de Heilige Schrift zelve laat de zonde niet uit de zinnelijkheid ontspringen maar stelt haren oorsprong in den geest, die verdorven zijnde, alles verderft. Waar de Schrift spreekt van het ®Zeesc/t in tegenstelling tegen den Geest, daar is het vleesch niet de oorspronkelijke zinnelijke natuur desmenschen, maar de door de zonde aireede ontaarde natuur en de Geest niet de natuurlijke rede maar de Heilige Geest, namelijk als wonende in den mensch en dus de door Hem herschapene, geheiligde geest des menschen.

Niet alleen ot eerst of voornamelijk heeft de zinnelijke prikkel om de bekoorlijke vrucht van den verboden boom te smaken\') Eva ten val gebracht, maar de door de voorspiegeling des Satans in haar ontstokene begeerte naar hoo-ger verstand, naar gelijkheid met God2). En evenzoo was het met Adam. Zat het hun dan in de keel of in den geest ?

Bij de eerste en bij iedere zonde ligt te gronde ongeloof tegen Gods Woord. Daarmede begon s) de Verzoeker dat

\') Dit govoolon, dooi- sommigen dor Ouden voorgestaan, noemt Calvin, in Genes. 3: G te recht kinderachtig, puerile.

!) Ad. Wuttke , Hundb. der Chr. Sittenlehrn 3te Aufl. TI. S. 7. ff. Delitzsch , Bibl. Psychol. S. 123 ff. Vergel. Van Oosterzee, Chr. Dogmat. II. p. 13. Gelder, Theologie des A. T. I. S. 242.

3) Zie boven § 4. March, Compend. Cap. XV. 15. De Moor, Commeutar. III. p. lül.

22

-ocr page 43-

§ 0. het wezen der zonde.

hij Eva van het Goddelijke Woord poogde af te trekken: door twijfel, door verdenking en mistrouwen jegens God, als ware Hij een nijdig wezen, dat den mensch op eenen lagen trap wilde houden. De waarheid wijkt, de leugen komt.

Daarbij door het goochelbeeld van hooger heerlijkheid verwekking der zelfzucht\'): zelfbedoeling met achterstelling van God , eigenliefde de liefde Gods verdringende, eigen wil , zich verheffende boven den Goddelijken wil , afkeering van God. De val was inwendig reeds gedaan toen de uitwendige misdaad geschiedde.

Dat het tot die daad kwam , daartoe werkte van zelf de in het oog vallende voortreffelijkheid der vrucht mede: zinnelijke lusl1) prikkelde nu mede aan tot lichamelijk genot 3) en van den Schepper afgaande hecht de begeerte zich aan het geschapene.

23

1

) Zie boven § 7.

-ocr page 44-

§ 10. EERSTE ÜLIJKEN VAN DEN VAL.

§ 10. Eerste blijken van den val.

Terstond openbaarde zich het bederf der eerste men-schen. Hunne schaamte en hun schrik voor God en voor zichzelven bewees dat hun geweten bevlekt was; hunne poging om zich voor God te verbergen toonde dat de zoude hun verstand verblindde; hunne ontschuldigingen getuigden van onrechtvaardigheid en verkeerdheid van hart en wil. Gen. 3: 7—13,

1. Schaamte. Gen. 3:7: Toen werden hun beider oogen geopend en zij toerden getvaar, dat zij naakt waren en zij hechten vijgeboombladeren samen en maakten zich schorten.

Hun geweten ontwaakte. Zij begonnen in te zien dat zij kwaad gedaan hadden. Hetgeen de Verzoeker hun had voorgespiegeld dat zij in kennis Gode gelijk zouden zijn , werd hun eeniger mate ten deel. Want wat vroeger alleen God, in zijn wys en heilig raadsbesluit, wist, dat begonnen zij van nu aan ook trapsgewijs te kennen, namelijk hunnen val. Hij had gedachten des vredes en wilde zich in zijne genade verheerlijken. Daarom deed Hij hun dé oogen opengaan, nu eerst nog maar ten deele, daarna door de stemme Zijns Woords volledig.

24

Zij werden gewaar dat zij naakt waren. Dit kan onmo gelijk zeggen, dat zij nu voor de eerste maal zagen dat zij geen kleederen droegen. Dan moesten zij vroeger blind zijn geweest gt;). Het is een gewaarworden met schaamte, met een gevoel van armoede en verlegenheid. Opmerkelijk verschil van vroeger. Gen. 2 : 25 : zij waren heiden naakt,

\') Zio Achtste Iloofdstu\'c bl. 868 § 7.

-ocr page 45-

§ 10. EERSTE BLIJKEN VAN DEN VAL. 25

Adam en zijne vrouw en zij schaamden zich niet. Niemand verhoovaardige zich op zijne kleederen. Onze kleederen herinneren ons onzen val en naaktheid is nu schande, terwijl zij voor den val een teeken van eer en heerlijkheid der menschen boven de dieren was.

Een neerdrukkend gevoel van schamelheid en blootheid viel hen aan, zij voelden zij hadden iets verloren.

Want er was met hen eene groote verandering omgegaan, ook in hun lichaam. Want met dat zij hunne misdaad begingen, wierp de dood zijne donkere schaduwen op hen. Op hun lichaam had een glans van Gods evenbeeld gelegen , een waas van heerlijkheid had als een aetherisch kleed hun lichaam omgeven gt;). Dit was nu verdwenen. Immers , dat het met hun lichaam voor den val anders is gesteld geweest , mogen wij hieruit besluiten, wijl het voor den val tot onsterfelijkheid was ingericht en ook hieruit wijl tot de verloren voorrechten , die door Christus aan zijn volk hersteld zullen worden, ook naar de Schrift de heerlijkheid des lichaams behoort.

En zij hechtten vijgeboombladeren saam en maalden zich schorten. Een bewijs dat de opening hunner oogen nog geen volledig gezicht van hunnen staat beteekent1). Want dat hun schamen en blozen eigenlijk niet door de naaktheid des lichaams veroorzaakt word, maar door de naaktheid hunner ziel, door het verlies van Gods beeld, dat begrepen zij nog niot. Dit kwam van dat God hen nog niet voor zijne vierschaar had geroepen.

1

) Dit wordt troffond aangetoond door Calvin. Commontar. in Genos. 3: 7.

-ocr page 46-

§10. EERSTE BLIJKEN VAN DEN VAL.

Onze stamouders, vroeger met den glans van Gods beeld omstraald, waren nu met bladeren bekleed gt;). Schrale, ontoereikende , zwakke bedekking! Vijgebladeren, tot een spreekwoord geworden, als beeld van alle nietige verontschuldigingen, die men opzoekt en voorhoudt om zijne zonde te bemantelen en van de eigengerechtigheid, waarin men meent voor God te bestaan (Jez. 59: 5 , 6. 64 : 6).

ü. Een tweede gevoel, hetwelk, vroeger niet gekend, nu de gevallenen aangreep, was vrees voor God. Gen. 3 : 8. Niet onaannemelijk is de gedachte van Calvijn, dat er tus-schen den zondenval en de verschijning Gods een nacht is verloopen2). Met het rijzen der zon hooren zij de stem des Heeren Gods, nog geene stem van woorden, ook niet het suizen eener zachte stilte, maar een vervaarlijk geluid,

\') Calvinus 1. c. toekent aan: Adam en Eva bedekken niot hun gelaat of borst, sed tantum pudenda qnao vocamua. Hac ocoasione factum esso arbitror, ut vulgo non aliam naturae cor-ruptelam agnoscerent quam in libidine venerea. Atqui expor-dere debebant, non minorom fuisso in oculis ot auribus verc-cundiae causam, quam in parte genetali quae peccato nondum foedata erat, quum aures et oculos inquinassent et diabolo quasi arma praobuissent.

\'2) Calvin. Common tar. in Genos. 3:8.

») Di^n rvn1? aan den wind des dags wordt verschillend verklaard. Onze Kanttoekonaars onbeslist: aan de koelte of wind van den morgen of avondtijd of bij het waaien van eenigen wind op zekeren tijd des daags, waardoor de stemme des Heeren tot Adam iverd overgebracht LXX eenvoudig : to quot;óst/.tviv, des avonds. Vulgata: ad auram post meridiem. Luther, da dor ïag kllhlo geworden war, dus bij de avondkoelto. Zoo do moesten. Ook Winer , Simonis Lox. s. v. rvn en Gesenius, Handwörterb. 1878.

Maar te rocht teekont Calvin, a.1. aan : don awo/irfwind zoude Mozos onoigonlijk don wind dos dags noemen.

26

-ocr page 47-

§ 10. EERSTE BLIJKEN VAN DEN VAL.

dat voor den Heere uitging, storm en donder, voortoeken en aankondiging van de nadering des Rechters. Zij loopen weg en kruipen van benauwdheid onder het dichtste geboomte des hofs , als kondon zij zich voor God verbergen; een bewijs dat. de zonde dadelijk hun verstand heeft verblind.

God moest roepen. De stem des Heeren werd nu eene verstaanbare stem. V. 9 : En de Heere God riep Adam en zeide tot hem: waar zijt gij ? Het is de dagvaarding van den misdadiger voor de vierschaar. Maar het is meteen het eerste wonder van genade. Of is het niet genade, dat de Heer der wereld naar een gevallen mensch omziet, naar Adam vraagt en nog een woord met den zondaar spreken wil? Uit zichzelven had de schuldige niet kunnen of durven komen. Maar de Heere riep zoo, dat Adam hooren en komen moest,

3. Daar komt hij aan, niet blij en vroolijk als een trouw kind tot zijnen vader, maar verlegen en beschaamd en ook al dadelijk naar ontschuldiging zoekende. V. 10 : En hij zeide: ik hoorde uwe slem in den hof en ik vreesde, want ik hen naakt; daarom verborg ik mij. De oorzaak van zijne vrees en beschaamdheid stelt hij niet in zijne zonde, maar in de naaktheid zijns lichaams; een voorwendsel en nog geene belijdenis van schuld.

Maar de Heere God laat hom niet los. Hij wil hem aan zich zeiven ontdekken. V. 11 : En hij zeide: wie heeft u te kennen gegeven dat gij naakt zijt? Hoe fijn, hoe scherp, hoe treffend! Het zegt: gij voelt u naakt en schaamt u, gij ziet wel dat gij iets mist, dat u iets scheelt. Hoe komt het dat gij zoo zijt, dat gij zoo schrikt? Wat hebt gij gedaan ? Hebt gij van dien boom gegeten, van welken ik ti gebood , dat gij daarvan niet eten zoudt ?

27

-ocr page 48-

§ 10. EERSTE BLIJKEN VAN DEN VAL.

V, 12 : Toen zeide Adam: de vrouw die gij hij mij gegeven hebt, die heeft mij van dien hoorn gegeven en ik heb gegeten. Dat is : ik ben onschuldig, Eva heeft de schuld. Hij zegt niet eens : mijne vrouw, maar liefdeloos en koud : de vrouw. Ja, hij werpt de schuld op God zeiven, als had God zelf het kwaad veroorzaakt door hem die vrouw te geven, die hem de verboden vrucht had aangepraat.

Opdat nu Adam niet nog dieper in leugen en veinzing zich verstrikte en verhardde, liet God voorloopig van hem af, liet nu zijn eigen geweten in hem spreken en wendde zich tot Eva. V. 13; En de Heere God zeide tot de vrouw: wat is dit dat gij gedaan hebt. Als met verbaasdheid wijst de Heere haar op eene zware misdaad. En de vrouw zeide: die slang heeft mij bedrogen en ik heb gegeten. Dwaze en onbeschaamde uitvlucht: „ik heb, gehoor gevende aan die slang, genomen wat gij hadt verboden.quot; De slang had haar bedrogen , maar wie had haar gedwongen, aan het listige beest meer geloof te geven, dan aan het woord Gods ? Vrijwillig liet zij zich verleiden, met wil zondigde zij. En nu wilde zij evenals haar man zich vrijpleiten en de schuld op een ander schuiven.

Aldus heeft de eerste zonde aanstonds nieuwe zonden gebaard. In de ontschuldigingen der gevallenen vertoonde zich dadelijk in hooge mate onrechtvaardigheid, liefdeloosheid en het bleek dat hun hart en wil verdorven waren. Zoo is nu des menschen aard. Hij zoekt vonden. De zondaar poogt de schuld van zich af op anderen te wentelen, op verleiders, en dan op de omstandigheden, die immers door God gevoegd zijn, dus op den heiligen God zeiven.

28

-ocr page 49-

§11. VEhDERE GEVOLüEN VOOR DE GEVALLENEN. 29

§ 11. quot;Verdere gevolgen voor de gevallenen.

Met de rechtheid verdween ook de gelukstaat. Inwendig verdorven moesten Adam en Eva ook uitwendig de droeve gevolgen van hunne misdaad aanstonds ondervinden. Zij werden van stonden aan onderworpen aan moeite en smart en aan den dood en uit het paradijs verdreven.

Een streng gericht wordt daar gehouden. De Heere God velt een vonnis. Eerst over het werktuig der verleiding, de slang, en over den verborgen verleider zeiven, den Satan. Adam en Eva zijn nog eerst ordelijk verhoord : opdat zij zich bezinnen en de waarheid bekennen zouden. Maar de slang wordt geheel niet ondervraagd, „omdat do duivo^ geen excuse hadquot; (Kantteek.) De Heere zet een weldadige vijandschap tusschen de slang en de vrouw en tusschen het zaad der slang en het zaad der vrouw en belooft den grooten Aanvoerder en Overwinnaar in dezen strijd. Gen. 3: 14, 15.

Dan ontvangt de vrouw haar vonnis: smart voor , in en na het baren en , tot straf voor haar haken naar hoogheid , lijdelijke onderdanigheid onder den man. Gen. 3 : 16.

Daarna wordt de man, Adam, veroordeeld tot drukkenden kommervollen arbeid, tot moeiten en nooden , en het sombere , droeve slot van het vonnis is de aankondiging van den dood. Gen. 3: 19; In het zweet uivs aanschijns zidt gij brood eten, totdat gij tot de aarde wederkeert, dewijl gij daaruit genomen zijt: want gij zijt stof en gij zult tot stof wederkeeren.

Dit zegt niet, dat de dood een gevolg was van de oorspronkelijke inrichting der menschelijke natuur\'). Neen,

\') Zm Achtste Hoofdstuk § 9.

-ocr page 50-

30 § 11. verdebe gevolgen voor de gevallenen.

zonder schuld zou geen schepsel in het heelal iets hebben geloden: want God is goed en rechtvaardig. Adam had niet behoeven te sterven , zijn ziel en lichaam zouden nooit van elkander zijn gescheiden, ware hij gehoorzaam gebleven. Dus God spreekt van wederkeer des menschen tot aarde, waaruit hij genomen was, tot stof wijl hij stof was, niet om aan te duiden, gelijk velen dit hebben opgevat, dat hij toch ook aanstonds sterfelijk was geschapen, maar om het vonnis zachter en dragelijker voor te stellen en het onnatuurlijke, het vreemde, het verschrikkelijke van het denkbeeld des doods weg te nemen en te matigen. Daarom noemt de Heere hier het woord dood niet eens. Ook was door de genadige belofte der verlossing v. 15 voor Adam en Eva de prikkel er uit genomen.

Ten slotte geschiedde de verdrijving uit het paradijs. Dit was om grooter kwaad te verhoeden : opdat de mensch niet ook zijne hand uitstak naar den boom des levens en daarvan at en alzoo in eeuwigheid leefde.

Het woord: Gij zijt stof en gij zult tot stof wederkeeren » moest eenmaal aan de gevallenen vervuld worden. Daarom kon hun niet vergund worden van dien boom te eten, welks vrucht tot een waarborg en onderpand van een onafgebroken leven diende. Het voorrecht van eeuwig, onafgebroken in den lichame te leven, zonder den dood te smaken, een voorrecht hetwelk met het recht en de macht des etens van den boom des levens was verbonden, moest hun worden ontzegd.

Dit was eene weldaad. Zij zouden die verdorven natuur, welke zij nu hadden, niet eeuwig behouden. Door den dood zouden zij tot het volmaakte leven geraken en in de opstanding zouden zij ook een onsterfelijk lichaam weder ontvangen.

-ocr page 51-

§ 11. VERDERE GEVOLGEN VOOR DE GEVALLENEN. 31

Bovendien met het genot van den boom des levens was van zelf ook het bezit van het paradijs verbonden. En dat voegde niet voor de verdorvenen. Hun paste een weg van beproevingen , ter voorbereiding van het toekomende leven.

Gen. 3 : 23: Zoo verzond dan de Heere God den mensch uit den kof van Eden , om den aardbodem te bouwen, ivaar-uit hij genomen was. 24a. En Hij dreef den mensch uit.

Eerst is het: Hij verzond, maar dan: Hij dreef den mensch uit, den man en de vrouw. Een bloot bevel was niet genoeg. Het was eene executie. Uitgedreven werden zij door Engel of onweder. Het aardsche paradijs moet de mensch verlaten om te komen tot het hemelsche. Hij zal van nu aan eenen strijd op aarde hebben en zijne dagen zullen zijn als de dagen eens daglooners.

Terugkeer was onmogelijk. V. 24b: £n de Heere God stelde Cherubim tegen het oosten des hofs Eden en een vlammig lemmer eens zwaards dat zich omkeerde, om te he-warenden weg van den hoorn des levens.

Oostwaarts togen de ballingen. Keken zij om naar de streek van het paradijs, daar was iets wat hun dadelijk schrik aanjoeg en hen deed voortspoeden: eene hooge spits opgaande vlam quot;), flikkerende als een machtig zwaard — uit een aardbrand wellicht, veroorzaakt door den dienst van Engelen, die Mozes met den bij Israël bekenden naam Cherubim1) noemt. Hetwelk zal geduurd hebben totdat het paradijs geheel was verwoest.

1

) Van de Cherubim zie Zesde Hoofdstuk § 15. bi. 706. v.//.

-ocr page 52-

§ 12. HISTORISCH ZEKER.

Op aarde was dan ten eenen male het paradijs voor den mensch verloren en het is nu: dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het koninkrijk Gods.

§ 12. Historisch zeker.

De zonden val, Gen. 3 verhaald , behoort tot de „dingen die volkomene zekerheid hebben.quot; Daarbij is het niet genoeg te belijden : „wij houden het verhaal van den oorsprong der zonde wel voor ware, maar niet voor werkelijke geschiedenis.quot; \'). Dan tast men toch het gezag der Heilige Schrift aan , die door God is ingegeven en zet de deur open voor allerhande eigendunkelijke bespiegelingen. Veelmeer wij moeten vasthouden: waar en werkelijk. Dat wil zeggen : Mozes heeft den val der eerste menschen , zooals die tverkelijk gebeurd is , naar waarheid beschreven. En in het Nieuwe Testament is dit nader verklaard en bevestigd.

Het is geen verdicht verhaal, geene vrucht der fantasie, geen verzonnen vertelsel, geen mythus. Mozes verhaalt ons geen fabelen ^).

Het is geene allegorie , geen zinnebeeldige voorstelling van den oorsprong der zonde en van hetgeen nog altijd in

rubim goon blooto symbolische gedachtenbocldon zijn maar bo-venaardsche geesten , Engelen , oordeelt ook Kurtz , Gesch. des A. B. I. § 22. S. 64.

\') Aldus Nitzsch , System. § 106. S. 220. Vergel. Vorrede S. XI.

2) Zie Tweede Hoofdstuk § 8. bl. 150.

32

-ocr page 53-

§ 12. HISTORISCH ZEKER.

den mensch omgaat, zooals inzonderheid Oriyenes het verslond en velen na hem i).

Hierbij komt het eerst en voornamelijk aan op het gesprek van Eva met de slang.

De meest innemende en verleidelijkste vorm, onder welken de allegorische verklaring optreedt, is deze : de slang zou genoeglijk van de vrucht des booms hebben gegeten zonder dat het haar schade deed en dit zóu bij Eva, die het zag, menigerlei bedenkingen aangaande het verbod hebben verwekt en deze in haar opkomende twijfelingen en begeerten zouden vervolgens naar oostersche wijze ingekleed, voorgesteld en verhaald zijn als een gesprek der slang met Eva.\').

Dit gevoelen is volstrekt verwerpelijk. Want aldus brengt men op een slecht historisch verhaal zoo iets over, wat alleen in de poëzie, in een dichtstuk plaats hebben kan, waar men redelooze schepselen, zelfs levenlooze dingen (b.v. Richt. 9 : 8 vv.) als personen voorstelt en sprekende invoert. Voorts, het is geheel willekeurig, daar men tegen alle regelen eener gezonde uitlegging een deel van het verhaal eigenlijk en wederom een ander deel oneigenlijk verstaat. Ook kan men zich op geen soortgelijk geval in de Schriften des Ouden

\') Hagenbach, Dogmongosch. § 61. S. 128. Vorschillondo govoolens vermeldt Bretschneider , Dogm. II. S. 59 ff., on Dör-tenbach in Herzogs Ileal-Enc. Ie Ed. XV. S. 209 u. d. W. Simde.

s) Aldus, in navolging van Aharhanel, Clericus en dan vele Duitschers, bijzonder Gafrlev. Hier te lande heeft na Muntinghe vooral Van der Palm dit gevoelen verspreid in zijn Bijbel voor de Jeugd, I. Deel. Iste Stuk. 2o druk. bl. 41 v.v. Te recht verworpen door Van Oosterzee, Dogmat. II. p. 22, die intusschen ook niet alles in het verhaal letterlijk opvat.

üi-avomojjoi\', Gerof. Gel. loor. II. Ü

S3

-ocr page 54-

S 12. HISTORISCH ZEKEK.

Testaments beroepen, ook niet op Bilearas sprekende ezelin, daar het vast staat dat het stomme dier met menschenstem heeft gesproken (2 Petr. 2: 16. Eindelijk dit gevoelen is alleen hier op gegrond, dat het onredelijk zou zijn een eigenlijk gesprek der slang met Eva aan te nemen, een grond die van zelf wegvalt, wanneer men daarbij de medewerking dos boozen geestes, des Satans, erkent, waartoe het verhaal zelf leidt en de latere openbaringen en getuigenissen der Schrift noodzakelijk dringen i).

Er zijn stellige gronden om Gen. 3 voor werkelijke geschiedenis te houden. Want 1, dit verhaal van den zon-denval staat tusschen louter geschiedkundige berichten, zonder de minste aanduiding, die anders niet ontbreken mocht, dat de heilige Schrijver hier slechts een verbloemd en zinnebeeldig tafereel wilde schilderen en niet eene werkelijke gebeurtenis beschrijven. Vooraf gaat het bericht van de schepping der wereld en der monschen en van hunnen eersten staat, met eene geographisch nauwkeurige teekening der ligging van het paradijs. En daarna, Gen, 4 en vervolgens, wordt de geschiedenis van datzelfde menschenpaar voortgezet, hetwelk hier, Gen. 3, in zijn doen en lot op hot tooneel treedt. En hetgeen hier den menschen als straf aangekondigd en opgelegd wordt, is immers een werfceft/fce toestand, waarin wij allen deelen.

2. Het Nieuwe Testament wijst er op terug als iets dat werkelijk gebeurd is en grondt er leerstellingen op. Joh. 8: 44. Openb. 12; 9. Rom. 5; 12 vv. 1 Kor. 15:21 vv. 2 Kor. 11:3. 1 Tim. 2: 14 a),

\') Hengstenberg , Christologie des A. T. 1829. I. 1. S. 28 f.

2) Bezeilde, S. 26 f. Zie hierboven § o. bl. 8. v. Roos, Chr. (llau-beus-Lohre. 1845. S. 25, Ebrard, Dogmat. T. S. 250 f. 441.

B4

-ocr page 55-

§12, HISTORISCH ZËKKR.

Op den zondenval ziet ook Job 31 : 33, waar de lijder het verre van zich werpt dat hij onoprecht zijne gebreken hadde ontveinsd en betnandeld: Zoo ik gelijk Adam \') mijne overtredingen bedekt heb, door eigen liefde mijne misdaad verbergende !

En Hoz. 6:7: Maar zij hebben het verbond overtreden als Adam a): daar hebben zij trouwelooslijk tegen mij gehandeld.

Ook Jez. 43 : 27 : Uw eerste vader s) heeft gezondigd en uwe uitleggers hebben tegen mij overtreden.

\') DTSD. Vulgata: quasi homo. Luther: vvio oiuMeusch.

Onze Staten-Vertalers teekenen er bij aan: «Anderen : gelijk oen mensch d. i. gelijk de menschon plegen te doen.quot; En zoo vele uitleggers, in den zin : »gelijk oen gewoon mensch, gelijk de wereld doet.quot; Maar dan is het eeno matte, flauwe vergelijking. Van Adam verklaart het beslist Kurtz, Gesch. des A. T. I. S. 69. Ook Oehler, Theol. dos A. T. I. S. 243 is er vóór.

-) Zie hierover in dit Stuk § 3. bl. 10.

Dit verstaan onzo Staten-Vertalers bepaald van Adam, volgens hunne kantteokening; »ïe weten Adam, van wolken ulieden de zonde is aangeürfd.quot; Mot nadruk echter komt hiertegen op Stier, Jeaaias z. d. St., volgens wien deze eerste vader Israöls geen andor is dan Abraham. Ook Oehler a. W. 1. c. oordeelt dat dit: uw eerste vader heeft gezondigd zeker »niet op den val Adams ziet, eerder op Abraham, waarschijnlijk echter op Jakob, don eigenlijken stamvader des volks.quot; Daarentegen is Kurtz a. W. 1. e. beslist voor de opvatting van Adam. En hiertoe leidt do tekst zelf. Immers: uw eerste vader heeft gezondigd zegt ongetwijfeld niet alleen : uw eerste vader was trouwens ook al een zondaar , maar hot wijst openbaar terug op cene bijzondere daad van ontrouw , van afval. En wat zou dit dan zijn bij A-braham of bij Jakob ?

35

-ocr page 56-

§13. VERDORVENHEID.

II, ERFZONDE EN DADELIJKE ZONDE: ELLENDIGHEID DES MENSGHEN.

§ 13. Verdorvenheid.

Door Adams val is het beeld Gods verloren en geheel de natuur des menschen verdorven. Verloren zegt, dat men het eens, namelijk in Adam, heeft bezeten en het is kwijt geraakt en nu mist.

Verloren is het beeld Gods en wel het heeld in nauweren zin*), de oorspronkelijke rechtheid en goedheid, bestaande in ware kennis, gerechtigheid en heiligheid.

Dat blijkt vooreerst uit den tegenwoordigen natuurlijken toestand des menschen, zooals die in de werkelijkheid zich op de treurigste wijze vertoont en in de Schrift des Ouden en des Nieuwen Testaments geteekend wordt. Ervaring en Gods Woord schreeuwen het uit en Paulus inzonderheid verklaart heel de wereld verdoemelijk voor God en beschuldigt beiden Joden en Grieken, dat zij allen onder de zonde zijn. Rom. 3 : 10 : Gelijk geschreven is; daar is niemand rechtvaardig, ook niet één. 11. Daar is niemand die verstandig is; daar is niemand die God zoekt. 12. Allen zijn zij afgeweken , te zanien zijn zij onnut geworden; daar is niemand die goed doet, daar is [ooA:] niet tot een toe.

Het blijkt ten tweede uit de noodzakelijkheid der wedergeboorte , door welke het beeld Gods hersteld wordt. Naar het woord van Jezus tot Nicodemus Joh. 3:3: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u , tenzij dat iemand wederom 1) geboren

36

1

) xvccösv. Dit wordt dooi- velon, ook door Meyer, Kommont, Z. d. St., vertaald: van boven. Dan zou het zeggen; door eone

-ocr page 57-

§ 13. VEUDCmVENHEID.

worde, hij kan het koninkrijk Gods niet zien ; hij heeft er ook van verre geen deel aan, zoomin als iemand, die niet geboren is, eenig deel heeft in de maatschappij der levenden op aarde.

Wederom geboren! Niet slechts verbeterd, maar tot een geheel nieuw bestaan overgebracht, \'tls niet alleen: anders geleefd , maar anders geboren! hetwelk op den grond des levens ziet. Dit is een allersterkst getuigenis tegen het Pelagianisme, tegen ieder zoodanig gevoelen volgens hetwelk er nog wat goeds in den mensch zou zijn, tegen iedere gedachte, dat er slechts op den grond der natuur behoeft te worden voortgebouwd. Niet in zijne daden alleen, maar in geheel zijne natuur is de mensch verdorven, onbekxvaam tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad (Heidelb. Catech. vr. 8). Er moeten van voren aan een geheel nieuw begin worden gemaakt. Al wat iemand anders goeds meende te hebben krimpt voor het scherpe licht dezer waarheid weg: hij moet wederom geboren worden en hij is voor het koninkrijk Gods en voor alle waar goed en geestelijk levenswerk zoo min bekwaam alsof hij nog geheel niet ware geboren.

De wedergeboorte is eene vernieuwing naar het beeld Gods en bewijst dus dat dit verloren is. Kol. 3: 10 i). Efez. 4 : 23, 24 2).

van boven , van God , afkomondo working. Doch do opvatting van do ïoec/ergoboorto is do oudste; wordt door quot;hsvrspov andermaal v. 4 gestaafd en door al do gelijkluidende tokstou, dio van dezelfde /.aak spreken , goüischt, waar iminors telkens van wedergeboorte wordt gewaagd! Zoo Stier , Reden Jesu nach Joh. I. S. 26 f. Hengstenberg, Z. d. St. Gremer, Wörterb. S. 105.

\') Zie hierover hot Achtste Hoofdstuk § 7. bl. 868.

\'•\') Achtste Hoofdstuk § 8. bl. 874.

37

-ocr page 58-

13. VERDOKVENHEID.

Het beeld Gods in ruimeren zin is gebleven. Dat zijn „de kleine overblijfselenquot; Ned. Belijd. Art. XIV.

Deze uitdrukking wordt veelal verkeerd begrepen en misbruikt. Doch men overwege het navolgende.

1. Men moet het verband niet voorbijzien, in hetwelk deze kleine overblijfselen daar staan. De Belijdenis spreekt aldus waarlijk niet om iets in den mensch te stellen, maar juist om de diepte van den val en de grootte van het verlies te betuigen : \'t is om te leeren, niet hoeveel de mensch behouden , maar hoe veel hij verloren heeft. In al zijne tvegen goddeloos , verkeerd en verdorven geworden zijnde , heeft hij verloren alle zijne u itnemende gaven, die hij van God ontvangen had en heeft niet anders overig behouden dan kleine overblijfselen \') derzelve , welke genoegzaam zijn om den mensch alle onschuld te benemen: overmits al het licht dat in ons is , is in duisternis veranderd.

2. Er is gezegd: de Belijdenis staat in dit Artikel met zich zelve in tegenspraak 1). Maar dit is slechts schijn. Het komt er van dat de Belijdenis evenals ook Calvijn zelf niet onderscheidt hel beeld Gods in ruimer en in nauwe-ren zin.

Spreekt men van het beeld Gods zonder deze onderscheiding , dan zijn de kleine overblijfselen volle waarheid en

38

1

) Latijnscho tekst: Adoo ut ipsi tantum oxigua quaedam illorum (donorum) voatigia remanserint.

-ocr page 59-

§13. VERDORVENHEID. 39

de Belijdenis kon en moest ze bekennen in navolging van Galvijn \'). In dien zin, waarin Galvijn en de Belijdenis den naam heeld Gods gebruiken, is liet niet geheel verloren en heeft het nog kleine overblijfselen nagelaten.

3. Maar daar de kennisse Gods en gerechtigheid en heiligheid, die Kol. 3: 10 en Ef. 4 : 24 duidelijk als het beeld Gods worden gekenmerkt, waarmede de mensch is geschapen geweest, want uit het herstel blijkt het verlies J); daar deze, gelijk de Schrift leert, totaal verloren zijn, gelijk ook Galvijn ») en de Belijdenis ten sterkste betuigen, terwijl we-wederom in de Schrift (Gen. 9 : 6. Jac. 3 : 9) de mensch wordt voorgesteld als nog Gods beeld dragende ; zoo noodzaakt dit ons, met Gysbert Voet en Brakel en andere Ge-

\') Calvin. Instit. I. 15: 4 goeft too dat het beeld Gods m Adam niet geheel en al is vernietigd en verdelgd, non proruus exiuanitam ac doletam in oo fuisse Dei imaginom. Dezelfde, Commentai\'. in Gencs. 9: G: manoro adhuc aliquid residuum, ut praestet non parva dignitate homo. Dezelfde , in Epist. Ja-cobi 3: 9 : fatendnin quidem est, fuisse misere deformatam , sed ita ut linoamenta adhuc qaaedam apparoant.

2) Calvin. Instit. I. 15: 4: Waarin de uitnemendheid des monschen bestond , dat kan nergens heter uit erkend worden dan uit de herstelling der verdorven natuur.

:lt;) Calvin. Instit. 1. c. Door den afval is Adam van God vervreemd. Hoewel wij dan toegeven dat het beeld Gods in hem met geheel en al is vernietigd en verdelgd, is het toch dusdanig verdorven dat al wat er van overig is, eene schrikkelijke ivanstaltig-heid is — — zoo verdorven en bijna verdelgd (prope delata) dat er uil den val niets overig is of het is verward, verminkt en met smet doortrokken. Dezelfde, Comment, in Genos. 3; 7: tota natura poccati sordibus infocta. En nog nador beschrijft hij do verdorvenheid Instit. II. 3. 1 sq.

-ocr page 60-

§13. VERDORVENHEID.

reformeerden tweeërlei zin te onderscheiden bij den naam heeld Gods. In den eenen zin is het totaal verloren, in den anderen is het nog aanwezig en onverliesbaar. Het eerste is het beeld Gods in namveren, het andere in ruimeren zin i). Wij spreken juist in den geest onzer Belijdenis, wanneer wij dezelfde zaak, die de Belijdenis openbaarlijk beoogt, aldus onderscheidenlijk benoemen.

De Meine overblijfselen in het XlVde Art. onzer Belijdenis 1) zijn dan juist datgene wat wij noemen het beeld Gods in ruimeren zin, wat het wezen van den mensch uitmaakt hem van de dieren onderscheidt en zonder hetwelk hij geen mensch zou zijn.

Dit wordt ook bedoeld en beleden in de Dordrechter leerregelen Hoofdst. Ill en IV. 16: dat de mensch door den val niet heeft opgehouden een mensch te zijn, begaafd met verstand en wil en dat de zonde, die het gansche mensche-lijke geslacht heeft doordrongen, de natuur des menschen niet heeft weggenomen , maar verdorven en geestelijker wijze gedood.

Als persoonlijk wezen, door zijnen redelijken geest gelijkt nog de mensch op God en staat hoog boven de onpersoonlijke redelooze dieren. Op dat beeld Gods in ruimeren zin ziet Gen. 9:6: Wie des menschen bloed vergiet, zijn bloed zal door den mensch vergoten worden; want God heeft den mensch naar zijn heeld gemaakt. En Jac. 3 : 9 : „De tong is een onbedwingel\\jk kwaad, vol van doodelijk venijn.

40

1

) Desgelijks bij do Kantteek. in onzen Staton-bijbel op Genos. 9: 6.

-ocr page 61-

§ 13. VERDORVENHEID.

Door haar loven wij God en den Vader en door haar vervloeken tv ij de menschen, die naar de gelijkenis Gods gemaakt zijn. Dit moet alzoo niet geschieden.quot;

Men zegt: „deze teksten zien op de schepping der eerste menschen.quot; Maar de drangreden om geenen mensch te vermoorden of te vervloeken, kan en moet niet genomen worden van eene vroegere, voor geheel het menschelijke geslacht lang verlorene heerlijkheid, maar van eene uitnemendheid die de mensch nog tegenwoordig heeft en wel ieder mensch zonder onderscheid i), hetzij man en vrouw.

Wel leert Paulus 1 Kor. 11 : 7 : „de man moet het hoofd niet dekken, overmits hij het beeld en de heerlijkheid Gods is, maar de vrouw is de heerlijkheid des mans.quot; Echter wil de Apostel hiermede geenszins de vrouw van het beeld Gods (in ruimeren zin) uitsluiten. Veelmeer, hij ziet op den echtstaat2), in welken den man de meerderheid en heerschappij over de vrouw is verleend, een beeld van „de heerlijkheid en het gebied , dat God heeft over zijne schepselenquot; (Rantt.) De man is de zon , de vrouw de maan s). Deze meerderheid, dit prerogatief des mans boven de vrouw ontneemt haar zoomin hare heerlijkheid boven alle aardsche schepselen als de meerderheid der vorsten boven hunne onderdanen en der hee-

\') Dit erkent ook Marck, Compond. XIV. 5. en bewijst en staaft De Moor, Commentar. III. p. 26 sq. Calvin. Comment, in Epist. Jac. 3:9: Justitia et rectitudo bouique appetcndi li-bertas sublata (hot beeld Gods in nauweren zin): sed manent praeclarae multao dotes, quibus bestias praecellimus (het beeld in ruimer zinj.

\'2) Dus ook Meyer, zu 1 Kor. 11 : 7.

3) Grotius.

41

-ocr page 62-

§ 14. ALLEN ZONDAARS.

ron boven hunne dienaren en der ouders boven hunne kinderen dezen allen er van uitsluit i).

§ 14. Allen zondaars.

Dwalen en zondigen is allen menschen eigen. Allen zijn zondaren, overtreders van Gods wet met gedachten, woorden en werken, één eenige uitgezonderd , Jezus Christus.

Dat leert en betuigt geheel de Heilige Schrift. Ook Salomo bekent het in zijn plechtig gebed bij de inwijding des tempels 1 Kon. 8 ; 4G : Geen mensch is er die niet zondigt. Daartegenover staat Joh. 8 : 4G in den tweeden tempel Hij die meerder is dan Salomo en vraagt: Wie van u overtuigt Mij van zonde? Beslist zegt Paulus Rom. 3: 23: Zij hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods1).

Ook die nog geene daadzonden met bewustheid hebben begaan , zijn toch zondaren , van woge de zondigheid , de natuurlijke geneigdheid tot het kwade (Jac. 1 : 14), die in hen is.

Dit is ook zonder de Schrift onder de Heidenen door nadenkende en oplettende mannen erkend en beleden 3). De Romeinsche dichter Terentius spreekt van eene ondeugd allen aangeboren 2). Horatius zegt: zonder fouten wordt nie-

42

1

\') De Moor, Commontar. III. p. 47.

2

Terentius, Hecyr. IV. 1. 28: id (vitiuiu) omnibus innatum est.

-ocr page 63-

§ 14. ALLKN ZONDAARS.

mand geboren ; die is de beste, die met de minste bezwaard is \'). Dezelfde dichter, hoezeer rationalist, is op den weg der eigen ervaring en door beschouwing van zijn volk en van de sociale toestanden der menschelijke maatschappij tot een zoo levendig besef gekomen van de ingebroken verkeerdheid in denken en willen en van het daaruit ontspringende toenemende zedenbederf, dat, hij klagende uitroept:

Wat heeft de tijd niet schendend verzivakt ?

\'lt; Leven der vad\'ren , slechter dan H voorgeslacht Bracht ons veel slechter voort, die weldra Geven een nog verdorvener nakroost ï).

§ 15. Erfzonde.

De droeve waarheid dat alle menschen zondaars zijn, lijdt dan geen tegenspraak. Schrift en ervaring beiden getuigen er luide en nadrukkelijk van.

Van waar die algemeenheid der zonde? Is het, dat de een by zijn opwassen de zonde eerst van den anderen leert en nadoet wat hij anderen ziet doen ? Geenszins : want kleine kinderen toonen reeds eigenzinnigheid, koppigheid en ander kwaad. Wordt de mensch dan eerst mettertijd een zondaar? Komt eerst bij den voortgang zijns levens door invloeden van buiten de zonde in hem ? Wordt zij hem van de we-

\') Hor at. Sat. I. 3. 68: Nam vitiis uomo sine nascltur, op-timus illo est, Qui minimis urgetur.

2) Horat. Od. III. 6. 45 sqq.

Damuosa quid non imminuit dius ?

Adas parentum , pojor avis , tulit Nos ncquioros, mox daturos Frogeniem vitiosiorom.

43

-ocr page 64-

§ 15. ERFZONDE.

44

reld aangewaaid? Onmogelijk. Want dan zou onder zoo velen deze of gene er toch wel vrij van blijven. Wat zoo volstrekt algemeen is en zonder uitzondering bij al wat mensch is zich voordoet, dat moet in de natuur des men-schen liggen en tot zijnen aard behooren. Zoo alleen laat zich de algemeenheid der zonde verklaren. En de Schrift leert het. Door haar voorgelicht moeten wij erkennen, dat de mensch niet eerst in zijn leven zondaar wordt, maar zondaar geboren is, en wel wegens Adams misdaad, die de grond is der natuurlijke verdorvenheid. Door voortplanting der verdorven natuur van Adam is de zonde erfzonde geworden : de verdorven vader bracht verdorvene kinderen voort.

Zoo wordt van Adam gezegd Gen. 5:3: Adam leefde honderd en dertig jaren en gewon [eenen zoon] naar (in) zijne gelijkenis, naar (of als) zijn evenbeeld en noemde zijnen naam Seth. Waarbij onze Staten-vertalers treffend aan-teekenen : „Tegen Godes hedd en gelijkenis, naar dewelke Adam geschapen was , wordt hier nu gesteld Adams beeld en gelijkenis , naar dewelke Seth geboren is. Godes beeld was volmaakt, maar na den val was Adams beeld gansch verdorven : waardoor nu alle menschen die natuurlijk uit Adam geboren worden, zondig, ellendig en den dood onderworpen zijn.quot; i) Ware Adam onverdorven gebleven, hij zou al zijnen kinderen medegedeeld hebben wat hij had ontvangen ; nu echter lezen wij dut zelfs Seth met de anderen niet was naar Gods beeld, omdat Adam, die van zijnen oorsprong was afgevallen, niet anders kon dan zijns gelijke vo\'utbren-

\') Von Gerlach, Das Alte Tostam. zu Gen. 5: 3 wil hior gohool goono aanduiding van den «ondenval erkennen.

-ocr page 65-

§ 15. ERFZÜNDK.

gen. Maar was Seth niet beter dan de anderen ? Naar den vleesche was hij zondaar geboren uit zondaren; daarna vernieuwd door de genade des Geestes •). Niemand kan aan een ander geven hetgeen hij zelf niet heeft.

Nog altijd en overal geldt de vraag en klacht, van Job J 4 : 4 : Wie zal eenen reine geven uit eenen onreine ? niet één.

En Christus slaat alle hoogmoedige gedachten des men-schen van eigen deugd en waardigheid^ ook des nauwgezette n Farizeërs, ten eenen male neder door dit woord, hetwelk Hij iot Nicodemus sprak Joh. 3:6: Hetgeen uit het vleesch geboren is, [dat] is vleesch en hetgeen uit den Geest geboren is, [dat] is Geest. In het algemeen, wat eeniger-wijze geboren, uit iets anders voortgekomen is, is van gelijke soort als hetgeen waaruit het ontsproot. Van de aarde komt alleen wat aardsch is, slechts van den hemel komt wat hemelsch is, van den verdorven mensch komt niet dan wat verdorven en menschelijk is, van den heiligen God alleen het Goddelijke en heilige; van het vleesch kan niet dan vleesch komen en alleen van den Geest komt Geest. En al kon een mensch andermaal natuurlijk geboren worden, hij zou toch wederom vleesch zijn, zondig in geheel zijn bestaana). Met het vleesch is hier niet alleen de zinnelijkheid*) bedoeld, doch wel mede. De zonde heeft haren oorsprong en zetel in \'s menschen geest en doet van daar ook zijn zinnelijk, stoffelijk deel aan en ontvangt hiervan ook wederom

\') Calvin: Commentar. in Gen. 5 : 3,

2) Stier, Die Reden des Horrn Jesu nach Joh. 1. S. 44. zu Joh. 3: 6.

3) Zio in dit Hoofdstuk § 9.

45

-ocr page 66-

§ 15. erfzonde.

voedsel en prikkeling. Van daar de noodzakelijkheid der vernieuwing in den geest des gemoeds Ef. 4 : 23.

De zonde is de richting en de weg van het natuurlijk leven des menschen; hij leeft van nature in de zonde, die van Adam is overgeërfd.

Wij gelooven dat door de ongehoorzaamheid Adams de erfzonde uitgebreid is geworden over het gansche menschelijke geslacht, welke is eene verdorvenheid der geheele natuur en een erfelijk gebrek, waarmede de kleine kinderen zelfs besmet zijn in hun moeders lichaam en die in den mensch allerlei zonden voortbrengt, zijnde in hem als een wortel der-zelve: is daarom zoo leelijk en gruwelijk voor God, dat zij

genoegzaam is het menschelijke geslacht te verdoemen,---

En hierover •) verwerpen wij de dwalingen der Pelagianen, die zeggen dat deze zonde niet anders is dan uit navolging. Nederl. Belijd, des Geloofs Art. XV.

Het natuurlijke redeneerende verstand wil van geene erfzonde weten. Al de Rationalisten in allerlei schakeering verwerpen haar als een «duisteren waan.quot; Voorvechter in de rij harer bestrijders was Pelagius, in het begin der 5de eeuw na G. Volgens hem is er tusschen de zonde Adams en de zonde zijner nakomelingen geen ander verband dan tusschen het gegeven voorbeeld des eenen en het vrijwillige nadoen des anderen. „De eerste zonde, zeide hij, heeft het menschelijke geslacht niet geschaad door voortplanting maar door het voorbeeld. De zonde wordt ons niet aatigeboren maar door ons nagedaan.quot;5).

1) Hierom. Voor En hierover staat in dou Latijnschen tekst: Qnapropter, waarom.

2) Hagenbaoh, Dogmongosch. S. 244. Luthardt, Kompoudium der Dogm. 1866. S. 112. Vergui. Achtste HoojdsUtk § 2. bi. 852.

46

-ocr page 67-

§15. ERFZONDE.

Desgelijks de Mennonieten \'), die wel eene verdorvenheid in den natuurlijken mensch erkennen, maar deze eerst dan zonde noemen, wanneer zij in daden uitbreekt. Vandaar ook hunne verwerping van den kinderdoop.

De Socinianen laten het denkbeeld van erfzonde in gee-nen deele toe. Zij is hun niets. Daar Adams val, leeren zij, één enkele daad is geweest, kon die de kracht niet hebben om zijne, veel minder om zijner nakomelingen natuur te verderven1).

Met de Socinianen stemmen de Remonstranten in. Ter-wyl zij van eene erfschuld geheel niet willen weten en zelfs den dood niet als straf der zonde beschouwen, ontkennen zij wel niet eene aangeboren neiging tot zonde , doch de kinderen, meenen zy, hebben deze niet van Adam, maar van hunne aan zonde gewende en daardoor verdorven ouders, tot wier zonden zij dan ook bijzonder geneigd zijn 3).

De waarheid is: Adams verdorven naluur plant zich bij overerving voort. De wortel bedorven zijnde brengt het bederf in al de takken over; is de bron onrein , zij kan niet anders dan onzuiver water opgeven: Adam, bedorven zijnde, is geworden een bederver van zijne gansche nakomelingschap 4).

Maar hoe geschiedt deze voortplanting i* Niet door hot lichaam s) alleen. Immers de zonde is niet iets stoffelijks

47

1

) Catech. Racov. Qu. 423. od. Oeder p. 8G5,

-ocr page 68-

48 § 15. ERFZONDE.

en het lichaam op zich zelf, zonder de ziel, is levenloos en redeloos , voor goed en kwaad ten eenenmale onvatbaar. Ook niet door overbrenging der ziel uit de ouders tot de kinderen. Immers het kind heeft zijne ziel niet van zijne ouders, maar van God , die des memchen geest in zijn binnenste formeert, Zach. 12: 1 \').

Intusschen dienen wij hierbij wel te letten op het onderscheid tusschen schepping en geboorte. Het is geen enkele schepping maar geboorte, ontspruiting uit ouders, waardoor thans de mensch ontstaat. Hier komt vooral de Goddelijke medewerking te pas. God werkt in den weg zijner wijze en rechtvaardige voorzienigheid tot voortbrenging van Adams nakomelingen aldus mede, dat Hij, de ziel in haar lichaam scheppende, aan haar, wegens Adams eerste zonde, de oorspronkelijke rechtheid onthoudt, namelijk wijsheid aan het verstand, gerechtigheid en heiligheid aan den wil, regelmatigheid en orde aan de hartstochten. Vandaar dat zij bloot staat voor allerlei dwaling en kwade begeerlijkheden en zulks onder de invloeden van hare nauwe vereeniging met hot verdorven lichaam , buiten hetwelk zij geen oogenblik is. Vandaar, dat ook van geheiligde ouders niet dan onreine kinderen voortkomen, gelijk als koren, hetwelk van alle stroo en kaf gezuiverd en dus gezaaid zijnde, evenwel weer koren met kaf voortbrengt.2).

Blüft hierbij veel raadselachtig, kan men hier meer vragen dan antwoorden, wij zullen dan wel doen wanneer wij de vermaning van Augustinus behartigen : dat wij meer

\') Ziu Zesde Hoofdstuk § 21. bl. 760—762. En Calvin. Comment, in Psalm. 51: 7.

2) March, Merch p. 440 v. F. Van Mastricht, öodgol. II. p. 262.

\'

♦ A

-ocr page 69-

§ 15. DE ERFZONDE.

moeten toezien hoe wij van het kwaad door Christus bevrijd worden dan hoe wij van hot Adam hebben ontvangen; evenals iemand die in eenen kuil is gestort zich daar niet zoo zeer moet bekommeren om te weten op welke wijze hij er toch wel zij ingeraakt als veelmeer hoe hij er uit ktm komen. •)

§ 16. De erfzonde in alle menschen.

Geen Adamskind is er vrij van. Een koning Israels belijdt in zijn boetgebed voor God Ps. 51 : 7 : Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren en in zonde heeft mij mijne moeder ontvangen. In diep berouw wegens zijn overspel met Bath-séba en het vermoorden van haren man Uria blijft David bij deze uitwendige misdaden niet staan, maar hij daalt at tot de vuile bron zijner wanbedrijven. Hem wordt zijn aangeboren kwaad ontdekt en hij bekent „dat hij van zijn moeders lijve aan niets anders heeft medegebracht dan zonde en dat hij van nature gansch en al verdorven is en als met zonden besmeerdquot;1). Hij bekent dat de zonde niet van buiten en door verleidende omstandigheid in hem is gekomen, maar dat ze hem in de natuur zit, hetwelk zijne schuld niet vermindert maar verzwaart, daar hierdoor zijne misdaden blijken geheel zijn eigen werk te zijn. De belijdenis der erfzonde is dus geene verontschuldiging maar eene volle bekentenis der schuld.

David wil hier ook niet zijne ouders beschuldigen. Neen, de ongerechtigheid èn zonde was in het ontvangene en ge-

49

1

) Calvin. Commentar. in Psalm 51 : 7 ; — naturaliter se totem corruptum esse et quasi vitiis delibutum.

Gi\'ftvomoller , Geref. Uel. loor. 11, 4

-ocr page 70-

§ 1G. DE ERFZONDE IN ALLE MENSGIIEN.

borene kind zelf, zoodat deze tekst „rechtstreeks uitspreekt, dat het booze met den mensch van hot eerste oogonbhk zijner wording af is saamgegroeidquot; \')• En nademaal David niet anders geteeld en geboren was dan andere menschen, zoo beteekent hij daarmede de algemeene verdorvenheid des menschelijken geslachts, die een ieder met zich in do wereld brengt.

Van deze verdorvenheid zegt onze Neclerl. Belijdenis des Geloofs Art. XV: Zij is ook zelfs door den Doop niet gan-schelijk te niet gedaan noch geheel uitgeroeid, aangezien de zonde daaruit altijd als opwellend ivaier uitspringt gelijk uit eene onzalige fontein: hoewel zij nochtans den kinderen Gods tot verdoemenis niel toegerekend, maar door zijne genade en barmhartigheid vergeven wordt; niet om in de zonde gerust te slapen, maar opdat hei gevoelen dezer verdorvenheid dfi geloovigen dikwijls zoude doen zuchten, verlangen om van dit lichaam des doods verlost ie worden.

Zegt daar de belijdenis van de erfzonde:

Zij is ook zelfs door den Doop niet ganschelijk te niet gedaan noch geheel uitgeroeid ,

dit schijnt bij den eersten oogopslag hoogst bevreemdend en strijdig togen Art. XXXIV, waar immers aan den Doop geenerlei kracht van wegneming of vernietiging der erfzonde ioegeschreven wordt.

In den oorspronkelijkon Walschen tekst van lóGl stond alleen; en wordt zeljs door den doop nteiiveggenomcn\'1). En

\') Oehler, Theol. dos A. T. I. S. 247. In ongerechtigheid ligt altijd hot donkboold van schuld, het wordt nooit anders gezegd dan van oen delictum imputabüle. Hengstenberg , zu Ps. 51 : 7,

-) Et n\'est pas aboli mesine par Ie Baptosme.

50

-ocr page 71-

§ 1G. DK ERFZONDE IN ALLE MEN3CI1EN. 51

zoo ook in de eerste Nederduitsche uitgaven \'). Deze oude uitdrukking acht men onberispelijk en volstrekt niet in strijd met art. XXXIV.

Maar de Synode van 1566 voogdo er bij: noch geheel uitgeroeid: En wordt zelfs door den Doop niet weggenomen noch geheel uitgeroeid1).

Nog sterker is het in de ofücieele Nederduitsche vertaling, uitgegeven te Middelburg 1G11. Deze heeft het eerst zooals het nu in de Belijdenis staat en door de Dordrechter Synode (in de 146ste Zitting) is goedgekeurd : Zij is 3) ook zelfs door den Doop niel ganschelijk te niet gedaan noch geheel uitgeroeid i).

Dit nu vindt men vreemd en strijdig mot de Gereformeerde leer van den Doop. Want „niet ganschelijk te niet gedaan noch geheel uitgeroeidquot; duidt immers aan, zegt men, dat door den Doop de erfzonde althans voor een gedeelte te niet gedaan en dat er ten minste iets van uitgeroeid wordt 5).

1

\') Endo on wort ook door do Doopo niot wochgbouomon.

-ocr page 72-

§ 1G. DE ERFZONDE IN ALLE MENSCHEN.

Maar 1. De Gereformeerde Synode te Dordrecht zelve heelt er niets vreemds en strijdigs in gezien.

2. En waarom sedert 15G\') die nadere bepaling bijgevoegd? De Roomsche Kerkvergadering ie Trente was gehouden, geëindigd in Decembermaand 1563, Daar was de leer dier kerk streng en scherp geformuleerd, ook van de kracht des Doops gt;) en de besluiten en leerbepalingen dier Synode waren 1564 in druk uitgegeven.

Naar deze Roomsche leer wordt door den Doop de mensch gerechtvaardigd en geheiligd, de erfzonde wordt er volkomen door te niet gedaan en de Gode behagende gerechtigheid hersteld ; wel blijft er in den gedoopte de booze begeerlijkheid, als een tondel van zonde2), maar deze begeerlijk-lijkheid is alleen een natuurgebrek, schaadt hun niet die ze niet inwilligen en is hun geen zonde. Van de dadelijke zonden, na den doop gedaan, wordt vergeving en dus de verlorene genade weder ontvangen in het sacrament der boete (biecht) s).

Tegen deze Roomsche leer nu is de besprokene zinsnede in ons XVde Artikel gericht. Dienvolgens handelen wij geheel historisch en zullen hier aan geen hinderpaal ons stooten, wanneer wij ze dus verstaan :

\') Canones et Dccreta Concil. Trident. Sess. V. 5. ed, Tauchn. p. 20. Sess. VI. Cap. 7. p. 28. sq. Soss. XIV. Do poenitontia Cap. 2. p. 72 : Por Baptismum Christum induontes nova pror-sus in illo eftïcimur croatnra.

2) Ponies peccati.

;1) Daarom wordt de Poenitontia (Poete) genoemd laboriosus quidam baptismus. Trident. Soss. XIV. Cap. 2. p. 72 on socunda post naufragium deporditae gratiae tabula, Sess. VI. Cap. 14. p. 32. Soss. XIV. Poon. Cap. 2. p. 82.

52

-ocr page 73-

16. DE ERFZONDE IN ALLE MENSGHEN.

De erfzonde is ook zelfs door den Doop niet gelijk de Roomschen leeren „ganschelijk te niet gedaauquot; noch „geheel uitgeroeid.quot;

3. Het is dan eene onnoodige en ijdele uitvlucht, wanneer men zegt: de Doop doet in zóóver de erfzonde te niet als zij de verzekering geeft, dat do schuld der erfzonde den kinderen Gods niet wordt toegekendi). Integendeel de Doop, gelijk alles wat de verlossende genade betreft, raakt beide, schalde en smet 2).

4. De Sacramenten zijn naar de Gereformeerde leer niet de genade zelve, maar teekenen en zegelen van de genade 1).

De kracht van den Doop bestaat dan geheel en al in de verzegeling van de wegneming, zoo der schuld door vergeving vóór of onder of na den Doop, als der smet door allengs vorderende heiligmaking. In allen blijft de zonde nog overig, zoolang zij in de onvolmaaktheid van dit leven ver-keeren 4); dat hebben de Gereformeerden altijd geleerd naaide Schrift tegen de dwaling van Roomsche en van andere volmaaktheiddrijvers 5),

Christus alleen heeft geene erfzonde gehad en geene zonde gedaan. Hij alleen is rein geboren en te midden in de booze wereld rein gebleven, een licht zonder smet. Want Hij is niet in Adam gerekend geweest. Hij is de tweede Adam,

53

1

) Nederl. Belijden, des Gel. Art. XXXIII. Heidelb. Catech. vr. GG.

-ocr page 74-

§ H5. de erfzonde in alle menschen.

wel natuurlijk geboren, maar bovennatuurlijk gegenereerd, zonder vader, ontvangen uit den Heiligen Geest Luc. 1: 35. Zoodanig een Iloogepriester betaamde ons \')•

De Roomschen zonderen ook Maria uit en kennen haar met haren Zoon Jezus het voorrecht toe van zondeloos daar te staan in de geschiedenis. Vruchteloos verhieven velen in de Roomsche Kerk hunne stem daartegen, inzonderheid de Dominicanen, eene monnikenorde gesticht door den Spanjaard Dominicus (in het begin der 13de eeuw1). Door Paus Pius IX is in den jare 1854 de „Onbevlekte ontvangenis der gelukzalige Maagdquot; voor Roomsche kerkleer verklaard2). Van dadelijke zonde was zij al lang vrijgesproken.

54

1

\') March, Merch. p. 436. De Moor , Comraont. III. p. 250. P. Van Mast riekt, II. p. 260.

2

Heeds de Kerkvergad. to ïronte 1546 verklaart bij de Erfzonde: dat zij daarin niet mode begrijpt »de gelukzalige en onbevlekte Maagd Maria, do moedor Gods. Concil. Trid. Sess. V. Do pecc. orig. 5. od. Tauchu. p. 20.

Mechelsche Catechism., Nieuwe druk 1843, De XVIIIde Les § 2. p. 140 zegt van de Heiligo Maagd; dat zij nooit met eoni-go zondo , hetzij erfelijke hetzij dadelijke, is bevlekt geweest; dat zij vol is geweest vau de gratie des Heiligen Geestes , dewelke zij meer heeft gehad dan alle enkele schepselen te \'/amen; dut zij gohad heeft alle duugdeu.

-ocr page 75-

§ 10. DE ERFZONDE IN ALLE MfiNSCHEN. 55

Men redeneerde bij de Roomschon aldus: Gelijkerwijs de eerste Adam uit eene aarde is geschapen die nog niet vervloekt was, alzoo betaamde het ook dal de tweede Adam uit eene moeder werd geboren die niet onder den vloek lag. En op Maria paste men toe wat in het Hooglied 4 : 1 door Salomo tot zijne bruid (dat is door Christus tot zijne gemeente) gezegd wordt : zie gij zijt schoon mijne vriendin, zie gij zijt schoon.

Maar zij zelve heeft, doordat zij haar reinigingsoffer (Luc, 2 : 22—24) naar do wet gaf, beleden onrein te zijn en haar geest verheugde zich in God haren Zaligmaker (Luc. 1 : 47). De Schrift zondert geenen inensch uit dan Christus, den in het vleesch gekomen Zoon Gods quot;).

§ 17. Ook de straf op allen.

Niet bloot de zonde erft van Aam op zijn nageslacht over, maar ook hare straf, geheel haar nasleep. Al die rampen en ellenden, die door Gods rechterlijk oordeel over Adam en Eva kwamen, treffen hunne nakomelingen mede. Zij gaan al voort, de bijzondere plagen van de vrouw (Gen. 3: 1G), de bijzondere straffen van den man (Gen. 3 : 17 — 19) en de gemeene strat zoo voor man als vrouw, do dood 2) Dit alles leidt de Schrift van Adam af.

Rom. 5: 12. Door één en mensch is de zonde in de wereld ingekomen en door de zonde de dood en alzoo is de dood tot alle menschen doorgegaan in welken allen gezondigd hebben.

De eene mensch is gelijk uit v. 14 blijkt „Adam, waaronder ook Eva begrepen is, alzoo deze twee één vleesch

■) P. Van Mastricht, Godgel. II. p. 27G v.

,2) Brakel, Bodel. Godsd, I. p. 307.

-ocr page 76-

§ 17. OOK DE STRAF OP ALLEN.

waren en een algemeene stam van het geheele menschelijk geslachtquot; (Kantteek.) Adam wordt genoemd als het hoofd ook der vrouw.

Door hem is de zonde in de wereld ingekomen. De zonde is wel geene zelfstandigheid, maar zij is naar de Schrift toch ook geen bloote ontkenning, geen enkele afwezigheid van het goede maar aanwezigheid van het tegendeel, een roerig beginsel, eene heerschende macht.

Als zoodanig is zij in de wereld ingekomen. Zij was reeds in de afgevallene Engelen. Nu kwam zij de menschen-wereld binnen.

Door Adam. Dit kan niet slechts zeggen : Adam opende de rij der zondige daden,quot; naar het Pelagiaansch gevoelen, volgens hetwelk een ieder zelf de oorzaak van zijne zondigheid zou zijn door persoonlijk misbruik van zijnen vrijen wil. Daartegen strijdt dit „door éénen mensch.quot;

De moderne stelling, dat Adam eene ingeschapen kiem van zonde in zich droeg, die in zijne eerste overtreding tot werkelijke zonde uitbrak, is strijdig tegen het „f^oor eenen menschquot; en tegen „ingekomenquot; Niet met en in Adam, van dat hij geschapen werd, was de zonde reeds daar, maar zij is eerst door hem ingekomen, nadat hij was geschapen, door en met zijne overtreding.

En door de zonde de dood. Dat is de lichamelijke dood, blijkens v. 14: de dood heeft geheerscht van Adam tot Mazes toe. Doch gepaard met den geestelijken en, zonder tus-schenkomende genade, achtervolgd van den eeuwigen dood. Van den lichamelijken dood inzonderheid spreekt de Apostel hier, „omdat die voor allen blijkelijk wasquot; (Kantteek.)

En alzoo is de dood tot alle menschen doorgegaan. Alzoo, in dezer voege, namelijk door éénen mensch, doordat die

56

-ocr page 77-

§17. OOK DE STRAF OP ALLEN,

èéne de zonde en daardoor den dood, die hare bezolding is , in de wereld bracht en met zich zeiven al wat in en uit hem was onder de macht des doods deed komen.

In welken allen (jezondigd hebben i). In welken : dit zou dan zijn in Adam. Deze vertaling is in de Roomscbe Kerk overgeleverd en van haar tot ons overgekomen. Zij is verkeerd. Het oorspronkelijke zegt: op grond hiervan dat, hierom dat. Onze Statenoverzetting teekent er dan ook bij aan : Of „voor zooveel, of, omdat zij allen gezondigd hebben.quot; Edoch ofschoon de Apostel niet zegt : in welken , maar: omdat allen gezondigd hebben, zoo blijft evenwel do waarheid staan, dat allen gezondigd hebben in Adam2). Dit

\') ^ V ij^xprov. De bij do Kooraschen gezagheh-

bendo Latjjcsche Ovorzotting (Vulgata) vertaalt: in quo omuos peccavorunt. Ongetwijfeld is fCjD\' $ hier cenjunctie, niet relatief. Evenals 2 Kor. 5 ; 4: w ou ösgt;.0(/,sy sxSurxróxi, waar de Onzen overzetten: nademaal wij niet willen ontkleed worden. Luther: dieweil sie alle gesündigot haben. Ook onze Galvijn is hier taalgetrouw ; quandoquidem (nadomral) omues poccaverunt. Anders velen onzer oude Godgeleerden , die zich moeite geven om do vertaling in welken te handhavon. Zoo Ma rek, Merch p. 437 v. De Moor , Commontar. III. p. 256. Eu Spicileg. ad Partem III. p. 237. 3. Brakel, Rod. Godsd. I. p. 813. Maar 1. dan moest er staan sv y ou niet w- 2. Zou w relatief zijn , dan behoorde hot tot het naast voorafgaande de dood ou niet tot hot verwijderde oenen mensch, Winer, Grammat. § 52. c. weil, darum dass. Meijer, Kommentar zu Kom. 5: 12; auf Grund dessen das, proptorca quod. Vorgel. Viycrus, ed. Hermann. p. 30. Geheel ongepast is hior do vertaling : quapropter, waarom, weshalve , voorgestaan door Dr. A. T. Reitsma in de Studiën, thool. Tijdschrift, red. Dr. P. D. Chantopio de la Saussayo. IVdo Ijool.

2) Dit orkont on staaft ook De Moor, Commontar. III. p. 25G. Rosp. 5. Vorgel. Dr. E. G. Gravemeijer, do Pauliuischo loer dor verzoening. 1874 p. 28—41.

57

-ocr page 78-

§ 17. OOK DE STRAIi\' OP ALLEN.

volgt uit geheel het redebeleid. „Want alle menschen, die sterven, hebben in zich zelven geen dadelijke zonden begaan, gelijk blijkt in de onmondige kinderen , van welke velen sterven in hunne onmondigheid en derhalve moeten gezondigd hebben in dezen éénen mensch, in wiens lendenen zij waren , gelijk geheel de stam Levi gezegd wordt tienden gegeven te hebben, zijnde in de lendenen van Abraham, Hebr. 7 : 9, 10.quot; (Kantteek). En 1 Kor. 15: 2:2 zegt de Apostel uitdrukkelijk, dat allen in Adam sterven.

Omdat in Adam allen , geen een uitgenomen behalve Christus, gezondigd hebben, daarom is ook de dood, de soldij der zonde , tot allen doorgedrongen.

IJdel en nietig is de Peiagiaans-rationalistische uitvlucht: Paulus zou met de woorden ; dat allen gezondigd hebben willen herinneren dat niet lt;4^ams misdaad, maar de zonden der menschen de oorzaak van hunne zondigheid en van hunnen dood zouden zijn. Integendeel dat allen zondigen is voor den Apostel het gevolg van Adams zonde fdoor hein in de wereld gekomen): deze is de moederzonde , die de kiem van al de navolgende zonden in zich droeg. Dus al voortgaande zonde uit zonde en met de zonde hare straf. Ja, de zonde is alzoo zelve straf der zonde , het zondigen aller nakomelingen Adams juist de droefste nasleep zijner eerste zonde •).

§ 18. Grond.

De grond der lotsgemeenschap tusschen Adam en zijne nakomelingen is deze: Adam iertegenwoordigde in zijn staan en in zijn vallen geheel de menschheid.

\') Olshausen, Bibl. Commentar. zu Röm 5; 12.

58

-ocr page 79-

§ 18. GROND.

Adam wordt in de Schrift niet slechts voorgesteld als een mensch maar als de mensch. Hij is de kiem waaruit geheel het menschelijke geslacht zich ontwikkelt. Hij droeg geheel de menschheid in zich. Ware hij na zijnen val aanstonds weggenomen, geheel de menschheid ware daarmede verdwenen. Door het verderf dat in den wortel kwam werd heel de boom met al zijne loten aangestoken. Uit Adam zijn alle menschen. Dus waren allen in hem. Alle menschen zijn slechts de vermenigvuldiging (Gen. i: 28) van den eersten mensch.

Doch niet alleen wegens dit natuurlijk verband was Adam de vertegenwoordiger van geheel zijn geslacht, maar bovendien door Gods bijzondere bepaling. Als zoodanig handelde God met hem. Immers de geschiedenis van den eersten mensch toont blijkbaar, dat alles wat hem verordend en toegebracht werd , goed en kwaad , niet alleen hem raakte maar den mensch in \'t gemeen. Zoo voor den val ; do uitnemende gaven , de heerschappij over de schepselen , het huwelijk, de zegening ; als na den val: al de \'ellenden en rampen, die immers niet hem alleen troffen, maar ook al zijne nakomelingen \').

Hierbij dient behartigd wat Calvijn verklaart, «werpt iemand tegen: het is onbillijk, dat onschuldigen boeten voor de zonde van oen ander, ik antwoord: al wat God ons in Adams persoon had gegeven, kon Hij met het volkomenste recht nemen toen deze goddelooslijk afviel. En wij hebben hierbij niet noodig de toevlucht te nemen tot het oud verdichtsel van de voortplanting der zielen2). Want niet na-

\') F, Van Mastricht, Godgol. II. p. 259.

-) Vetus illud quorundam figmentum, quüd animao ex tracluco oriantur.

59

-ocr page 80-

§18, GROND.

tuurlijker wijze uit hunne afstamming van Adam hebben zijne nakomelingen het verderf getrokken ; veelmeer dit is aldus door de bijzondere ordening Gods, die, gelijk Hij de gansche natuur des mensehelijken geslachts in éénen mensch met de voortreffelijkste gaven had versierd, zoo ook in even denzelfden haar heeft ontbloot. Voorts : nadat wij in Adam verdorven zijn, dragen wij niet de straf van eene vreemde misdaad, maar zijn door eigen schuld strafbaar gt;).quot;

§ 19. Toerekening.

In Adam gezondigd, in Adam ellendig geworden. Deze waarheid wordt in de Heilige Schrift nog nader in het licht gesteld. Namelijk de Schrift leert: dat wij op dezelfde wijze door de eéne gehoorzaamheid van Christus gerechtvaardigd worden als wij door de ééne misdaad van Adam onder het oordeel des doods gebracht zijn, dat is: door toerekening. Rom. 5: 19 : Want gelijk door de ongehoorzaamheid van dien éénen mensch velen [tot] zondaars gesteld zijn geworden, alzoo zullen ook dooide gehoorzaamheid van éénen velen [tot] rechtvaardigen gesteld worden1). Dies moeten wij ook omgekeerd zeggen : wij zijn zijn op dezelfde wijze veroordeeld in Adam als wij gerechtvaardigd worden in Christus ; nu echter worden wij niet anders gerechtvaardigd in Christus dan doordat God ons de gerechtigheid van Christus toerekent:

\') Calvin. Commontar. iu Gen. 3 : C. od. Hongstonb. p. 48. Instit. II. 1. 7.

2) quot;ilgTrep yxp lïixrSji; Trxpxmijs toü èvoi; di/öpumu xpupTuho) KXTsiTTixdyilt;rxv ol ttoXï.oI , o\'jtco y.x) §/« Ty? iiTrxxoijs tov heg \'SIkxioi kxtx7txl)yilt;rovTXi ol ttoï.KoL

GO

-ocr page 81-

§19. TOEREKENING.

bijgevolg zijn wij ook in Adam veroordeeld door dat zijne ongehoorzaamheid ons is toegerekend.

De ongehoorzaamheid van dien éénen mensch is Adams overtreding van het proefgebod. Daartegenover staat de gehoorzaamheid van éénen , de gehoorzame zelfovergifte van Christus in den dood. Velen (eigenlijk de velen) tot zondaars : allen die van Adam stammen; dit zijn velen. Velen tot rechtvaardigen : allen die in Christus uitverkoren zijn. Genen tot zondaars , dezen tot rechtvaardigen gesteld.

G1

Tot zondaars gesteld. Dit zegt niet: als zondaars behandeld , ook niet: voor zondaars verklaard , ook niet: als zondaars openbaar geworden i), Dat alles is wel een gevolg van dit stellen. Maar tot of als zondaars gesteld zegt hier; in den zondaarsstand verplaatst , in den staat van zondaars gebracht , in de categorie of orde en rang van zondaren gezet, namelijk doordat zij in en met Adam gezondigd hebben. Het drukt de positie , den staat uit, in welken zij als zondaars werkelijk te staan zijn gekomen in Adam, omdat zijne zonde hunne zonde was , door toerekening. Het tegendeel

\') Zoo verstaan het vele bestrijders van do kerkelijke leer der erfzonde. Schleiermacher voorop. Aldus ook zijn discipel L. Usteri, Entwickol. des Paulinischen Lehrbegriffes Ister Theil. 2tor Abschn. 5te Ausg. S. 27: Kom. V, 19 bcsagt weitor uichts, als dass Büliou in dor Siindhaftigkeit Adams , die sicb in der Uobertretung einos positiven Gebotes zuerst als wirklicho , be-wussto Sündo kund gab , die Siindhaftigkeit dor ganzen monsch-liohen Natur zum Vorschoin gekouunen sei. Hierbij ligt do grove dwaling te gronde, dat do zondigheid tot den natuurlij kon aard des schepsels zou bohooron, als hem aangeschapon. . Geheel tegen do Schrift, inzonderheid tegon dit: dooi- de ongehoorzaamheid van dion éénen mensch.

-ocr page 82-

§ 19. TOEREKENING.

daarvan is de stelling als rechtvaardigen voor God in Christus»).

Hier spreekt do Apostel 7.00 scherp en nadrukkelijk als het maar kon, deze waarheid uit2): niet de persoonlijke overtredingen der enkelen, maar de ongehoorzaamheid Adams alleen is de grond van dat allen zondaars zijn en evenzoo omgekeerd : niet hel persoonlijke streven en trachten der enkelen kan hen tot rechtvaardigen , tot welge-valllgen voor God maken, maar alleen de gehoorzaamheid van den tweeden Adam , Christus.

§ 20. Erf schuld.

Vragen wij nu , wat uit het vooraf gezegde volgt, wat het is dat wij van Adam hebben geërfd, dan moeten wij antwoorden: het is niet alleen een erfelijk gebrek , eene erfsmet, maar vooraan erf schuld. Niet alleen erft de verdorvenheid tot allen over, maar op allen ligt eene schuld, allen zijn strafbaar, verdoemelijk voor God.

En deze schuld moeten wij beschouwen als «ooraa» gaande en niet als eerst uit de inklevende verdorvenheid volgende. Het is niet eene middellijke schuld, door tusschenkomst en ter oorzaak van onze verdorven natuur, dus op grond van onze eigene onreinigheid. Want van waar en waarom is deze dan in ons ? Maar eene schuld door onmiddellijke toerekening, alleen wegens Adams eerste zonde, zoodat de grond van ons natuurbederf juist gelegen is in de toereke-

\') Meyer, zu liom. 5: 19. Crerner, Wortorb. u. d. W. KXÓlsTyfit.

\') Olshuuscn , Comment, zu Rom. 5: 19.

69.

-ocr page 83-

§ 20. ERFSCUIH.D.

ning aan ons van Adams overtreding des proefsge-bods •).

Alle oude en nieuwe Rationalisten verwerpen zulk eene erfschuld. Zoo de Pelagianen, de Socinianen en de Remonstranten1).

Maar de waarheid er van laat zich niet wegcijferen. Zij blijkt bijzonder hieruit, dat, daar toch de dood de bezoldiging der zonde is (Rom. 6 : 23), evenwel ook de kleine kinderen, die in zich zeiven niet gezondigd hebben, aan den dood onderworpen zijn, aan de straf die op de zonde was gedreigd en wel bepaald op het eten van den verboden boom. Door de heerschappij des doods over alle menschen, ook over jonge kinderen, worden derhalve allen metterdaad als strafschuldigen bewezen en wel als zulken die gezamenlijk

\') Marck. Compeucl. Cap. XV. 31. 32.

2) Do stellingon der Socinianen vn Arminicmen\'/..hij De Moov, Commont. III. p. 260 sqq. en bij Winer , Compar. Darstell. S. 59 f. (ed. 1882 S. 84) en S. 63 (S. 90). Ook Prof. Doedes, De Nodorl. Geloofsbelijd. p. 170 v. verwerpt de erfschuld, terwijl hij do erf smet aanneemt. Hij wijst op de uitspraak: igt;de ziel, die zondigt, zal stervenquot; ; in strijd davrmede zou, meent hij , de erfschuld zijn , cds eene strafwaardigheid, die men overerft, maar die men niet op zich laadt door zelf te zondigen. Met hem eerbiedigen wij dat Schriftwoord, maar besluiten or dan juist ook uit: de ziel (de persoon) die sterft heeft gezondigd. Het kind dat sterft moet derhalve gezondigd hebben. In zich zolf heeft hot niet gezondigd. Dus in Adam. Ezech. 18: 30: de ziel, die zondigt, die zal sterven (Num. 26 : 11: de hinderen Korachs stierven niet) is door onze oude Godgeleerden genoegzaam toegelicht. Vergel. March, Mereh p. 439. P. Van Mastricht, Godgcl. II. q 267, waar «ok andere tegenwerpingen wederlegd worden.

Van de middelbare en de onmiddelbare toerekening (imputatio mediata et immediata) handelt historisch Be Moor, Commentar. III. p. 263. sp.

G3

-ocr page 84-

§ 20. ERFSGIIULD,

gegeten hebben van den verboden boom, Adams misdaad was niet eene daad van hem als enkel, voor zich staand persoon (individu), maar als hoofd en representant van geheel het menschdom, zijne overtreding van het proefgebod was naar Gods oordeel de daad van het gansche mensche-lijke geslacht en allen werden daardoor strafschuldig.

Paulus zegt het Rom. 5: 18 door ééne misdaad [is de schuld gekomen] over alle menschen tot verdoemenis. Het woord schuld staat daar in den grondtekst wel niet \')gt; maar ligt toch in den zin. Want verdoemenis is een strafrechtelijk vonnis, veroordeeling, doemvonnis, schuldigverklaring. Evenals v. 16: de schuld (nauwkeurig naar het oorspronkelijke ; het oordeel, het rechterlijke vonnis) is uit ééne [misdaad] tot verdoemenis, tot een doemvonnis, tot veroordeeling. Veroordeeling is een rechterlijk uitwijzen van schuld, Geen schuld echter zonder misdaad. De misdaad is die van den éénen mensch, Adam. Allen zijn veroordeeld omdat Adams misdaad was de daad van allen. Zoo heeft God de misdaad Adams aangezien, daarvoor heeft Hij haar gerekend.

G4

De algemeene verdorvenheid is zelve een bewijs van de toerekening der schuld Adams aan geheel zijn geslacht. Want al zegt men, en te recht: het is nu eenmaal de wet der natuur, dat ieder zijns gelijke voortbrengt, de verdorvene mensch verdorvene menschen naar zijnen aard, zoo moeten wij toch dieper gaan en bekennen: die wet, die ordening is van God, maar zulk eene wet te maken of te volgen betaamde

\') Paulus zogt alleen; §( hog 7rxpx7rTc!iy.xT0g as TTiivra.\'; wdpuTTOVi sk KXTXKPIPX: door ééne misdaad (is hot gekomen, uitgeloopenj voor alle menschen tot veroordeuling. Res cossit, abiit in eett. Winer, Gramm. § 66. 2.

-ocr page 85-

§ 20, ERFSCHULD.

den heiligen, rechtvaardigen en goeden God niet anders dan als straffend Rechter.

Alleen als Schepper beschouwd kon Hij deze verdorvenheid niet over het menschdom doen komen, maar als Rechter i) ten gevolge eener voorafgegane schuldmakende zonde, om welke Hij iederen mensch van zijne ontvangenis af aan zoo groote ellende overgeeft. De oorzaak der verdorvenheid kan dan nergens anders in gelegen zijn dan inde eerste zonde Adams, zijnen nakomelingen toegerekend. Adam zelf werd wegens die zonde overeenkomstig de Goddelijke dreiging dadelijk aan de macht des geestelijken doods overgegeven en heeft van stonden aan de verdorvenheid ondervonden.

Ons geschiedt geen onrecht. God handelt niet onbillijk. Immers Adams zonde tegen het proefgebod moeten wij naar Rom. 5; 12 vv. aanmerken niet als eens anderen, eens vreemden zonde, maar als onze eigen daad. Wij waren in Adam.

In hem stelde God den mensch in het algemeen, de menschheid, op de proef. Hij voorzag dat iedereen van Adams nakomelingen, aan dezelfde verzoeking blootgesteld zijnde, dezelfde ongehoorzaamheid zou hebben begaan, en dus heeft Hij hetgene dat zekerlijk geschieden zou gerekend als metterdaad geschied en bedreven te zijn. Dit was Gods bepaling, waartoe de bijzondere voorafgaande toestemming van iederen nakomeling Adams, zooals de Remonstranten eischten, geenszins van noode was1).

G5

1

Gravomijer, Goref. Gol. loor. 11. o

-ocr page 86-

§ 20. ERFSCIIULD.

G6

Hierbg ligt te gronde de beschouwing der menschheid als één geheel. En zoo alleen is de Schriftleer van eene erf-schuld verstaanbaar. De Pelagiaan erkent deze eenheid niet. Naar het Pelagiaansch begrip , (individualisme), oud en nieuw, bestaan de menschen vrij en afgezonderd nevens elkander, zonder levendige gemeenschap (solidariteit): „in deugd gelijk in zonde staat en valt ieder mensch voor zich alleen.quot; Wel naar waarheid heeft een diepdenkend man gezegd: „Hoe oppervlakkiger de mensch is, des te meer zal hem alles geïsoleerd, .afgezonderd voorkomen, want op de oppervlakte ligt alles uit elkander. Hij zal in de menschheid, in de natie, ja in de familie bloot individu\'s zien, waarbij de daad des eenen met die des anderen geenen samenhang heeft. Hoe dieper de mensch is, des te meer dringen zich hem de innerlijke uit het middelpunt komende betrekkingen der eenheid opquot; \').

Hooren wij nog de verklaring van een buitengewoon man, dichter, wijsgeer, Godgeleerde, Schriftgeloovige, hoe „het hem toeschijnt met den mensch te zijn. Afzetsel van zijnen stamvader heeft hij in hem gewild toen hij één met hem was; heeft hij in hem gezondigd en overtreden en is in hem gestraft en den tijdelyken en eeuwigen dood onderworpen. De ontwikkeling der voortteling is eene vermenigvuldiging van den straflijdende maar ook van den schuldige, \'t Geen in Adam rechtvaardig gestraft werd, wordt het in ons. Ieder van ons is zoo strafbaar als hij; ieder van ons heelt in hem gezondigd: ieder van ons zich des Duivels verleidingen overgegeven: ieder van ons het proefgebod over-

1) Prof. Slahl, aangehaald in Ohhansea Comment,ar zn Eom. 5; 12.

-ocr page 87-

§ 21. DADELIJKE ZONDEN.

treden, Gode de gehoorzaamheid opgezegd en zich \'t oordeel Gods ter verdoemenisse op den hals gehaald. En \'t is dus dat wij de straf en de zonde gelijkelijk, het is dus dat wij de verdorvenheid en den vloek, met de schuld tevens, op ons nageslacht overbrengen \').

§ 21. Dadelijke zouden.

De erfzonde is de oorzaak van de dadelijke zonden. De mensch is niet daarom zondig wijl hij zonden doet, maar hij doet zonden omdat hij zondig is2). De aangeboren verdorvenheid der natuur „brengt in den mensche allerlei zonden voort, zijnde in hem als een tvortel derzelve

\') Bihlordijh, Botracbting ovor do Erfzonde. Achter zijne Nieuwe Mengelingen. 1. p. 228, Hij poogt do zaak duidelijk te maken door de gelijkenis van de Poliep. Wanneer men dat dier doorsnijdt, groeit ieder deel tot oen volkomen dier aan. P. 227 : »Stel deze Poliep voor eene zedelijke sohüld vatbaar. Stol ze aan strafbaar vergrijp werkelijk schuldig. En laat zc na dit vergrijp doorsneden en dus vortalrijkt worden. Zal nu een van do stukkon onstraffelijk zijn?quot; Bilderdijk neemt zijne toevlucht tot het traducianisme p. 224: »En waarom ook zou do ziel dos vaders zich niet in hot nageslacht door ontwikkeling mededeolon?quot; Zie daartegen hierboven § 15 en §18.P. Van Masiricht, Godgel. II. p. 258 ondor zegt oqk wel »dat do kinderen gerekend worden te zijn gedeelten van de ouderen.quot; Maar hij komt IT. p. 89 v. beslist uit voor hot gevoelen der meeste Gereformeerden , dat God do zielen onmiddellijk uit niet schopt. Het bezwaar dat men aldus God zou stollen ton uitvoerder van \'s men-schon lust, blijft ook bij het traducianisme bestaan. Er ontstaat immers toch geen menschshjk loven zonder Gods werking ?

2) Wuttke , Handb. der Christl. Sittenlehre II. S. 101. Erfzonde peccatum habituale. Daad zonden peccata actualia.

07

-ocr page 88-

§ 21. DADELIJKE ZONDEN.

en gelijk eene onzalige fontein, waaruit de zonde altijd als opwellend water ontspringtquot; IX Een kwade boom kan geen goede vruchten voortbrengen (Matth. 7: 18), eene ziltige fontein geen zoet water (Jac. 3 : 11). Gelijk de moeder, zoo het kind. De erfzonde is de moeder, de dadelijke zonde is hare dochter, door haar gebaard. Jac. 1 : 14: (God verzoekt niemand tot kwaad.) Maar een iegelijk wordt verzocht als hij door zijne eiyene beyeerlijkheid1) afgetrokken wordt. 15. Daarna de heg eerlijkheid ontvangen hebbende haart zonde en de zonde voleindigd zijnde baart den dood.

De bijzondere zonden ontspringen uit de eigene zondigheid. Deze is niet slechts afwezigheid van het goede, gemis van kracht tot goed, maar zij is aanwezigheid van het tegendeel, zij is eene macht des kwaads in den mensch, evenals eene lichamelijke krankheid niet slechts is atwezig-heid van de gezondheid maar een verdervend gebrek, dat, zoo het zijnen loop houdt, het lichaam verwoest. De erfzonde breekt uit en openbaart zich in de dadelijke zonden.

Dadelijke zonden worden zij genoemd. Niet alsof zij al-

\') Nedorl. Bolijdcn. des Geloots Art. XV.

2) Deze STTiÓvyJx is de togen Gods wet strijdige lust en neiging ; grondslag en kiem dos kwaads in het eigen binnenste des mensehen. Zij kan niet plaats hebben bij zedelijke volmaaktheid ; Jezus kon er dus niet door verzocht worden , f.an zulk eene verzoeking van binneii uit stond Hij niet bloot. Ullmann, Süudlosigkeit Jesu. 3te Auti. S. 104.

Opmerkelijk is de zucht naar \'lt; verhodene; een eigenaardige trek uit het Paradijs, die zich reeds bij kleine kindoren soms in \'t oog loopend voordoet; een haken en hunkeren juist naai \'t güüii zy niot zullen hebbon. Nitiwiuv zn vGtituïïi sGiiipcr pc-tiniusque negata. Oviü. Amor. III. 4.

G8

-ocr page 89-

§ 22. DAAÜZONDEN : VOORWERPEN. 69

leen metterdaad en werkelijk zonde zijn : want dat is ook de erfzonde, die zelfs alle zonde in zich behelst. Maar omdat zij zijn eene afwijking onzer daden van de wet Gods, niet slechts uitwendig maar ook inwendig, in onderscheiding van de erfzonde , die eene hebbelijke afwijking en afdwaling is onzer geheele natuur. De dadelijke zonde raakt onze daden, de erfzonde ons wezen, onze natuur. •)

§ 16. Daadzonden: voorwerpen.

Dadelijke zonde is iedere bijzondere afwyking van een Goddelijk gebod aangaande God of ons zeiven of onzen naaste.

Alle zonde is wel zonde tegen God. Want met iedere zonde overtreedt en verbreekt men Gods wet, stelt den eigen wil of den wil eens schepsels in de plaats van den wille Gods, die ons ten regel en richtsnoer is gegeven voor geheel ons bestaan en gedrag. Iedere zonde is een vijandig verzet tegen God en maakt ons strafschuldig voor Hem, onzen Wetgever en Rechter.

Intusschen de wet zelve leert ons onderscheidenlijk, hoe wij ons jegens God zullen houden en wat wij omen naaste schuldig zijn (Heidelb. Gat. v.v. 9B). Dies er is grond om ook te onderscheiden bijzondere zonden tegen God door overtreding dor eex\'ste Wettafel, en tegen den naaste door

\') P. Van. Mastricht, Godgoloerdh. II. p. 296. Marde, Merch p. 413. VorgcK Bilderdijh in de aaugohaaldo Betrachting p. 218, die bot wraakt, wauucer mon uit do onderscheiding dor zondo in Erfzonde cn Dadelijke Zonde wil afleiden , dat de Erfzonde meer iets lijdelijks dan dadelijks zou zjjn.

-ocr page 90-

§ 22. UAADZONDEN : VOORWERPEN.

overtreding van de Tweede tafel. Tegen geen van beiden echter kunnen wij zondigen of wij zondigen tegelijk tegen ons zeiven; mot ieder zonde begaan wij ook een onrecht tegen onszelven en doen onszelven kwaad. Wie zich in zijne zondige driften toegeeft, woedt tegen tegen zichzelven. Zoo de brasser, zwelger, doorbrenger, dronkaard. En vooral de ontuchtige: die hoererij bedrijft, die zondigt tegen zijn eigen lichaam 1 Kor. 6 : 18 \').

Christus alleen, die geene erfzonde had, zonder schuld en smet geboren1), is ook vrij gebleven van al de dadelijke zonde : die geene zonde gedaan heeft en daar is geen bedrog in zijnen mond gevonden 1 Petr. 2 ; 22, Vrijmaken van de zonde en van de macht des boozen kon immers ook alleen Hij die zelf vrij daarvan was; iedere andere hadde zelf eene verlossing en verzoening en met God noodig gehad»). Dadelijke zonden worden door den mensch niet begaan en zijn hem niet toerekenbaar, wanneer hij niet in staat is goed en kwaad te onderscheiden. Zoo die kinderen te Ni-neve Jon. 4; 11, meer dan 120 duizend, die geen OH^er-scheid wisten tusschen hunne rechterhand en hunne linkerhand, d. i. „kleine, jonge, onmondige kinderen, die nog tot de jaren des onderscheids niet gekomenquot; waren (Kant-teek.) , nog niet rede-machtig.

De Socinianen ontkennen niet alleen de dadelijke zonde van kinderen, maar ook de erfzonde, om aldus vol te houden, dat kleine kinderen zonder Christus, zonder zijne genoegdoening zalig worden. De Gereformeerden bekennen de

70

1

) Zio bovou § 16. bl.

:l) Ullmann, Süudlosigk. Josu. 1836. S. 34.

-ocr page 91-

§ 22. DAADZONDEN : VOORWERPEN. 71

verdorvenheid ook in het kleine kind als metterdaad aanwezig , waardoor het van nature geneigd is tot allerlei dadelijke zonden en dus de zaden daarvan in zich draagt; maar zij ontkennen dat het voor het gebruik der rede aan dadelijke zonden schuldig zou zijn. De kinderen behoo-ren tot diegenen die niet gezondigd hebben in de gelijkheid der overtreding Adams Rom. 5: 14. Zij kennen geene wet, kunnen derhalve geene wet gehoorzamen of overtreden en iets onwettelijks doen. Op welk tijdstip hunner kindsheid het gebruik der rede bij hen begint, is bezwaarlijk te bepalen. Reeds voordat zij kunnen spreken schijnt zich bij hen iets van redegebruik voor te doen ; in eigenzin , koppigheid , zucht naar \'t verbodene, toorn , wraakzucht en dergelijke meer, „vermits de boosheid en kwaadaardigheid in velen hot gebrek van hunne jaren vervultquot; •).

§ 23. Daadzonden: soorten.

Men zondigt zoowel door nalating van het verboden goede als door bedrijf van het verboden kwaad , zoowel inwendig met gedachten en begeerten als uitwendig door woorden en werken.

De zonden van nalating worden tot de dadelijke zonden gerekend, omdat zij „nooit zijn zonder eenige doening.quot; Zij zijn slechts naar buiten een niet-doen maar hebben ten grondslag eene inwendige zondige daad een verzet tegen wet en geweten door zondigen onwil. In iedere nalating, wanneer men niet doet wat men moest doen ,

\') P. Van Mvstricht, Godgeloerdh. II. p. 297. 314. v. Da Moor, Commont. III. p. 301.

-ocr page 92-

§ 23. DAADZONDEN ; SOORTEN.

doet men aan Gods wet te kort en trekt men er iets af, gelijk men in het bedrijf er iets bijdoet. Dus is in het verzuim zoowel eene afwijking van de wet als in het bedrijf. Ook loopen in alle zonden nalating en bedrijf samen en zijn onder elkander gemengd. Wanneer men doet wat men moest nalaten, dan doet men niet hetgeen gedaan moest worden lt;). Dit beide is strafbaar. Jac. 4: 17 : Wie dan weet goed te doen en niet doet, dien is het zonde, het wordt hem als zonde toegerekend. Het niet-doen van wat goed en schoon is, is een doen van het kwade. Niet alleen de boom die kwade vruchten voortbrengt , maar Een ieder boom die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen, Matth, 7 : 19. Zoo zal de Rechter ten genen dage doen, zeggende tot die ter linkerhand: Gaat weg van mij in het eeuwige vuur! Want ik ben hongerig geweest en gij Jicht mij niet te eten gegeven; Ik hen dorstig geweest en gij hebt mij niet te drinken gegeven. Ik icas een vreemdeling en gij hebt mij niet geherbergd; naakt en gij hebt mij niet gekleed; krank en in de gevangenis en gij hebt mij niet bezocht, Matlh. 25 : 42 , 43.

De zonden des bedrijfs van het verboden kwaad zijn zwaarder dan der nalating van het geboden goed. Niet als stond het verbod boven het gebod; de verplichting tot beide is evengel ijk: maar omdat bij het bedrijf doorgaans meerder wilsbeweging, grooter inspanning en werking plaats heeft.

Inwendig zondigt de mensch met booze gedachten en begeerten. God weet alles en Hij maakt het eenmad open-

\') Wutik», Handbuch dor Christl. Sittonlohrc II. S. 101 f. P. Van Mastricht, Godgeleerdh. II. p. 298. Markt, Morch p. 447. De Moor, Comment. III. p. 313.

72

-ocr page 93-

§ 23. daadzonden: soorten.

baar en straft het aan een ieder die er hier geen vergeving van zoekt in het bloed van Christus. Onder de dingen die de Heere haat en die zijner ziele een gruwel zijn, telt Salomo Spr. 6 ; 1811 ook het hart dat ondeuxjd-zame gedachten smeedt.

Uitwendig wordt er gezondigd door kwade woorden en werken. Door ivoorden. Woorden zijn daden. Een enkel boos woord heeft soms de vreeselijkste uitwerkingen. De tong is een klein lid maar richt groote dingen uit (Jac. 3 : 5). Zij is een klein vuur: maar wordt zij niet bedwongen, dan ontsteekt zij dikwijls „een grooten brand, waardoor kerken , landen en steden verwoest wordenquot; (Kantteek.) De Twee Wettafelen hebben iedere een uitdrukkelijk gebod voor de tong; het derde en het negende. Maar de tong zondigt tegen al de geboden : met woorden ven hoogmoed, van toorn en bitterheid tegen God en menschen, met vuile redenen, met liegen en lasteren tot Gods-lastering toe ; eene tong ontstoken van de hel. Maar ook alle onnutte woorden maken den mensch strafbaar en geen woord dat ooit een mensch sprak is bij God vergeten. Jezus waarschuwt Matth. 13: 36; Maar ik zeg u, dat van elk ijdel woord hetwelk de menschen zullen gesproken hebben, zij van hetzelve zullen rekenschap geven in den dag des oordeels. En Hij vat gedachten, woorden en werken sailm en wijst op hun vuile bron Matth. 15: 19: uit het hart komen voort booze bedenkingen, doodslagen, overspelen, hoererijen, dieverijen, val-sche getuigenissen, lasteringen, dus niet dan kwaad. Overtuigend bewijs voor de erfzonde! Waar er iets goeds uit voort komt is dit er eerst door genade in geplant.

Zondigen mot werken heeft doorgaans meer kwaad in dan met gedachten of woorden, omdat bij de werken ook de ge-

73

-ocr page 94-

§ 23. DAAÜZONDEN : SOOIITEN.

dachten en ook nog wel woorden zijn. Het woord is erger dan de gedachte, het werk erger dan het woord; in het werk deelt de geheel e mensch \').

De Roomsche Kerk leert dat sommige zonden niet den eeuwigen dood verdienen en (niet alleen door de genade Gods in Christus maar) door hare natuur, naar haren eigen aard vergeeflijk zijn. Daarover stelt zij doodelijke zonden.

De vergeeflijke zonden zijn bij haar de zon

den „in welke men zeer lichtelijk, ja dagelijks valt.quot; Bij voorbeeld eene kleine ongehoorzaamheid, een weinig verstoordheid , een kleine leugen, een hard woord, onmatig lachen, te veel eten en drinken, ijdele woorden enz. s).

De doodzonden zijn naar de Roomsche leer handelingen rechtstreeks strijdig tegen de liefde Gods en des naasten. Bij de doodzonde is de liefde geheel uitgebluscht, bij de dagelijksche alleen verflauwd. De doodzonde verdient do eeuwige straffen, de dagelijksche alleen tijdelijke. De doodzonden worden na dit leven niet vergeven, de dagelijksche wel 4).

Onder de doodelijke zonden noemen de Roomschen eenige Aoo/cfaonden, die gelijk oorsprongen en bronwellen zijn van vele andere, zeven in getal: hoovaardigheid (hoogmoed), gierigheid, onkuischheid, nijd, gulzigheid (zwelgerij) grum-

\') WuttJce, Haudb. der Chr. Sittenl. II, S. 547.

s) Concill. ïridont. Soss. VI. Cap. 11: levia et quotidiaua, quao otiam vonialia dicuntur.

■\') Verklaring van de Mechelschen Catechismus. 1843. p. 353. ■•) Hetzelfde Werk p. 356. Winer, Comparative Darstoll. 1882. S. 159.

74

-ocr page 95-

§ 23. DAAIWONUEN : SOORTEN.

schap, traagheid (luiheid, zorgeloosheid)\'). Voor de gevaarlijkste gulzigheid rekenen zij de dronkenschap. Intus-schen is deze hun niet altijd doodzonde: „als de overdaad klein is en zoo dat men zijn verstand niet verliest, dan is het dagelijksche zondequot;

Deze verderfelijke leer dient hun tot steun voor vagevuur en aflaat»). Want het vagevuur is de straf voor dagelijksche zonde, waarvoor men in dit leven vergeving krijgt „door leedwezen, gebeden aflaten en allerlei goede werken, maar het zekerst door het Heilige Sacrament van de Biechtquot; ^).

Ook stijven zij daarmede hunne stelling van de volmaaktheid en overtollige goede werken. Wanneer men de begeerlijkheden, zoo maar de wil er niet mede instemt en zij maar niet ter daad worden, voor geen zonde acht en de dagelijksche zonden weinig rekent, dan kan men met de Roomschen en met al de verwaande perfectionisten (volmaaktheid-drijvers) van volmaaktheid droomen.

De Protestanten houden naar de Schrift wel niet met de Stoïcijnen c) alle zonden voor gelijk. De een heeft grooter zonde dan de andere. Joh. 19: 11. Maar iedere zonde, tegen de allerhoogste majesteit Gods gedaan, verdient door hare natuur den eeuwigen dood. Want wie de geheele wet

\') Mechdschc Catech. p. 361. Vroogor acht. Isidorus His-palensis maakte er zeven van. Wuttke, Handb. I. S. 471. Dr. E. Laurillard, De Zeven Hoofdzonden, 1873.

a) Mech. Cat. p. 364.

3) P. Van Mastricht, Godgel. II. p. 310. De Moor, Com-mentar. p. 309. Calvin. Instit. III. 4. 28.

4) Mech. Cat. p. 354.

5) Zie Eerste Hoofdstuk § 19. bl. 47.

75

-ocr page 96-

§ 24. ONMACHT.

zal houden en in één zal struikelen, die is schuldig geworden aan allen, Jac. 2 : 10 i).

§ 24. Onmacht.

Of nu dan de mensch geheel geen goed kan doen ? Uitwendig kan een ieder voor velerlei kwaad zich wachten en zijnen plicht doen, maar tot het geestelijke goede tot een leven in ware liefde voor God, zijn wij van nature ganschelijk onbekwaam.

Heidelb. Catechismus Vr. 5 : Kunt gij dit alles, wat de Wet der liefde eischt , volkomen lijk houden ? Neen ik : want ik hen van nature geneigd God en mijnen naaste te haten. En Vr. 8 : Maar zijn wij alzoo verdorven, dat wij ganschelijk onbekwaam zijn tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad ? Ja wij, tenzij dan dat wij door den Geest Gods wedergeboren wordenquot;1).

En waarom ? Rom. 8:7: Daarom dat het bedenken des vleesches vijandschap is tegen God: want het onderwerpt zich der wet Gods niet, want het kan ook niet. „Niet dat de vleeschelijke mensch altijd voor heeft, God te haten als eenen vijand , maar omdat hetgeen, waar hij een behagen in heeft Gode vijand en hatelijk is») en

76

1

) March , Morch p. 446.

-ocr page 97-

§ 24. ONMACHT.

hij zichzelven daardoor hatelijk maakt voor God.quot; (Kant-teek.) De natuurlijke mensch wil niet wat God wil, zijn wil is verkeerd. Daarom gehoorzaamt hij de wet Gods niet en hij kan dat ook niet of hij moet in plaats van zijnen zondigen eigenwil een anderen wil ontvangen. Het vleesch is niet te verbeteren ; sterven moet het onder den adem van Gods Geest.

Om nader te bepalen wat de mensch al dan niet goeds kan doen, hebben onze Godgeleerden onderscheiden vierderlei goed en vierderlei staat.

Natuurlijk goed , als eten , drinken , spreken, werken , slapen , en dergel. Burgerlijk goed : beleefd, bescheiden, eerlyk en rechtvaardig handelen. Godsdienstig en zedelijk goed : lezen , hooren , bidden , de kerkplichten waarnemen ; daarbij goede zeden bewaren, zich onthouden van grove misdaden. Geestelijk goed : godzaligheid.

Vierderlei staat. De staat der rechtheid voor den val. Toen kon de mensch allo goeds doen; „kunnende met zijnen wil in alles overeenkomen met den wille Gods maar hij kon ook kwaad doen , gelijk hij immers gedaan heeft, want hij was veranderlijk geschapen en had de gave der volharding niet. De staat der zonde, na den val De on wedergeborene kan wel natuurlijk goed doen, maar niet eenig geestelijk goed. De staat der genade. Hierin is goed doen , door de kracht des Geestes en kwaad doen van wege het vleesch. De staal der heer-

N. T. S. 306 eii S. 245 to cppóv/ntx ry? rxprng van hot voor-werp dos bedoukens of bogeorons eu dan als ab

stractum pro concroto van al het Gode-vijandige in tegonstolling tcgon hot Godc-bohagende, hot,wolk in do wol is bogropon.

77

-ocr page 98-

§ 24, ONMACHT.

lijkheid: de verheerlijkten kunnen alleen het goede doen i).

Hier nu , waar wij vragen , of de mensch geen goed kan doen, is bedoeld de mensch in den staat der zonde, onherboren. En zeggen wij van dezen : hij kan natuurlijk , burgerlijk en uitwendig godsdienstig en zedelijk goed doen, zoo moeten wij er eene tweevoudige beperking bijvoegen. Ten eerste: hij kan ook dit niet onafhankelijk , maar alleen uit krachte van Gods voorzienigheid , van zyne onderhouding, medewerking en regeering1). Ten tweede: hij kan dit goede niet op eene geestelijke Gode behagende wijze verrichten.

Tot het waarlijk goede wordt vereischt een goede grond, een goede regel, een goed doel. Het moet geschieden uit waar geloof, naar de wet Gods en niet naar eigen goeddunken of naar dat van anderen. Hem ter eere en niet om eigen eere of voordeel. Heidelb. Catech. Vr. 91. Dat deed ook de beste Heiden niet s), dat doet geen onbekeerd mensch.

Dies kunnen twee menschen uitwendig éénzelfde werk doen, terwijl het van den éénen goed is, van den anderen kwaad. Abel en Kaïn offeren; Tollenaar en Farizeër Lidden. Maar welk verschil! Hebr. 11:4. Luc. 18 :10 v.v. ^).

§ 25. Onwil.

De onbekwaamheid van den natuurlijken mensch tot geestelijk goed is niet alleen in zijne onmacht gelegen, in gemis

78

1

) Zevende Hoofdstnlc van dit Leesb. p. 777. 797.

3) Eerste Hoofdstuk § 21. p. 50.

*) Da Moor, Comment,ar. III. p. 235,

-ocr page 99-

§ 25. ONWIL.

van kracht, maar ook en vooral in verkeerdheid van zin en keus, in onwil. De wil is van het goede afgekeerd en tegen den wille Gods gekant.

Wilsvrijheid heeft de mensch en deze wordt, gelijk de Gerefowneerden altijd hebben vastgehouden, niet weggenomen door het onveranderlijke besluit •) Gods noch door Gods alomvattende Voorzienigheid2). Dies blijft naar de rechtzinnige leer de mensch verantwoordelijk voor al zijn doen,

Nieuweren knellen den mensch binnen zoodanige palen, dat er van de vrijheid niet veel overig blijft (Determinisme). In al de pantheïstische leerstelsels van Spinoza af vindt de vrijheid geen plaats om te rusten , ook waar men haar roemt s). De wil is daar evenzoo bepaald, gedetermineerd als de natuurdrift van het dier , ja het schijnbaar zedelijk leven is daar een evenzoo onmiddellijke en noodzakelijke verschijningsvorm van het Al-leven als de wasdom der planten. Daar kan ten slotte van persoonlijke verantwoordelijkheid geen sprake meer zijn.

Vrijwillig werkt de mensch , als redelijk schepsel. Maar hoe ? Niet onafhankelijk, maar geheel onder God. Doch , en dit is de zin : zonder voelbaren dwang noch door instinct , maar met het vermogen om uit bewuste redenen zich zelf te bepalen en zelf te kiezen om dus of anders te doen of niet te doen ■»).

Maar bij al de vrijwilligheid zijns doens is toch de mensch niet in staat om zich zelf voor het wezenlijk goede te be-

\') Vijfde IlooJdstulc van dit Loosb. § 6. bl. 557.

2) Zevende Hoofdstuk § 13. p. 826. v.v.

3) Wuttko, Handb. dor Christl. Sitteulobro T. § 61. S. 272 f. 507.

quot;\') P. Van Mastricht, Godgol. II. p. 329 v.

79

-ocr page 100-

§ 25. ONWIL.

palen. Want ook de ivil is bedorven, door het vlecsch be-heerscht, slaaf der zonde, hoe langer zoo meer. Alleen door Christus wordt men daarvan vrij. Joh. 8 : 34: „Jezus antwoordde hun, (die zeiden : wij hebben nooit iemand gediend) : Voorwaar, voorwaar zeg ik u : een iegelijk die de zonde doet is een dienstknecht der zonde.quot; En Paulus vraagt Rom. G : 16 : „ Weet gij niet dat wien gij u zeiven stelt tot dienstknechten ter gehoorzaamheid, gij dienstknechten zijt desgenen dien gij gehoorzaamt, of der zonde tot den dood of der gehoorzaamheid tot gerechtigheid ?quot; En 2 Petr. 2 : 19 worden de christenen gewaarschuwd voor verleiders , belovende hun vrijheid, daar zij zeiven dienstknechten zijn der verdorvenheid; „want van wien iemand overwonnen is, dien is hij ook tot een dienstknecht gemaaktquot; *).

Men kan niet tegenwerpen, dat Paulus Rom. 7 : 15 v.v. den wil als tegen de zonde gekant voorstelt. Want hij schetst den strijd niet vóór maar na de bekeering , don geestelijken worstelstrijd niet van een onbekeerde, maar van eenen hekeerde, een strijd niet slechts tusschen zinnelijkheid en rede, maar tusschen vleesch en Geest.

De meening dat de Apostel Rom. 7 : 14—23 spreekt van zijnen en \'s menschen staat vóór de wedergeboorte, hoort te huis bij de Pelagiaansche Socinianen, is gretig aangenomen door de Rationalisten, wordt voorgestaan door allen die iets goeds in den mensch stellen en ijverig verdedigd bijzonder door de Perfectionisten (volmaaktheiddrijvers), die beweren, dat zoo iets als Paulus hier klaagt: verkocht onder de zonde, het kwade dat ik niet wil doe ik, gevangen genomen onder de wet der zonde niet meer kan worden gezegd van een

\') Vergel. Vitfde Hoofdstuk § 6.558. Zevende Hoofdstuh § 13. bl. 830,

80

-ocr page 101-

§ 25. ONWIL.

wedergeboren mensch. En ook vele anderen zijn met meerder of mindere beslistheid hetzelfde gevoelen toegedaan i).

De rechtzinnige Gereformeerden verwerpen deze opvatting1). Kort en bondig verklaren zich daarover onze A\'aw^-teekenaars op Rom. 7 : 14. Tot hiertoe heeft de Apostel gesproken van de macht der wet en der zonde in den verdorven en omcedergehoren mensch gelijk hij ook zelf eertijds ervaren had, toen hij nog in zulken stand was v. 9: maar nu komt hij en spreekt van zichzelven gelijk hij toen was en verklaart welke macht de overblijfselen des zondigen vleesches nog in hem hadden, nadat hij nu van de heerschappij der zonde was verlost, gelijk al zijne redenen, die volgen, van den tegenwoordigen tijd spreken en niet van den verleden.quot;

Dat Paulus van v. 15 aan van den wedergeboren mensch spreekt, blijkt vooral uit v. 16: indien ik het gene doe dat ik niet wil, het kwaad, zoo stem ik de ivet toe dat zij goed is. En vs. 22 : ik heb een vermaak in de wet Gods naar den inwendigen mensch.

Want van een onwedergoborene kan niet gezegd worden dat hij het kwade niet wil; hij wil het wel, Rom. 8; 7.

81

1

Gravomoijor , Goref. Gol. loor. II. 6

-ocr page 102-

§ 25. ONWIL.

Noch dat hij met de ivet instemt en er vermaak in heeft; hij haat de wet der heiligheid, die hem veroordeelt en zijne lusten wraakt. Van den rechtvaardige alleen kan gezegd worden : zijn lust is in des lieeren wet, Ps. 1 : 2. Maar ook deze heeft nog steeds tegen zondigen lust te strijden.

Luther heeft, evenals Calvijn lt;), Rom. 7: 15 v.v. te recht verstaan van den wedergeborene. De Lutheranen daarentegen meestal van den onwedergeborene, tot v. 24 toe. Daarna stelt men dan den overgang in den staat der genade. Men zegt: „Op de vraag v. 24: wie zal mij verlossen ? antwoordt de Apostel met een diep, maar welsprekend zwijgen. Hij duidt namelijk daardoor aan het verborgen en onuitsprekelijke feit der wedergeboorte, waar de mensch den hemel openziet en het suizen des Geestes en in hetzelve de tegenwoordigheid Gods verneemt. Om echter aan te duiden, dat hier de ondervinding van de-verlossing aan het eigen hart als geschied verondersteld moet worden , spreekt hij v. 25 den dank voor deze genade uit, aan den werker der verlossing, God den Vader, door Christus, dien hij van nu aan //eere noemen kanquot;J).

Maar deze opvatting wordt door den Apostel zeiven dadelijk wederlegd. Want na v. 25, na zijnen dank voor de verlossing zegt hij v. 2G: Zoo dan, ik zelf dien wel met het gemoed de wel Gods, maar met het vleesch de wet der zonde. Dat is de slotsom van al wat hij vooraf had gezegd van den geestelijken strijd, den strijd tusschen vleesch en Geest, een strijd die niet dan bij wedergeborenen plaats heeft.

\') Luther zu Ps. 1. Calvin. Commontar. in Ep. ad. Eom. 7 : 15, Idem. Instit. II. 2. 27.

2) Olshansen, Commentar. zum 7: 25.

82

-ocr page 103-

§ 25. ONWIL.

want de onwedergeborene is alleen vleesch (Joh. 3 ; G), terwijl do wedergeborene vleesch en Geest in zich zeiven onderscheidt, gelijk de Apostel ook v. 18, waar hij betuigt dat in hem geen goed woonl , er bij verklaart: dat is, in mijn vleesch. Het vleesch is niet het lichaam , ook niet de zinnelijkheid tegenover de rede, maar de verdorven natuur , die in den wedergeborene nog overig is, en waartegen hij zijn leven lang te strijden heeft. Gal. 5: 17: Want het vleesch heyeert tegen den Geest en de Oeest tegen het vleesch en deze staan tegen elkander , alzoo dat gij niet doet, hetgeen gij wilt.

De dwaalleer, die de erfzonde loochent en den mensch een vrijen wil voor het goede toeschrijft, heet Pelagianisme door onze ouden te recht genoemd „de hoogmoedige ketterij van Pelagius.quot;

Deze Pelagius, bijgenaamd Br ito, de Brit, naar zijn vaderland Brittanje, monnik, streng wettisch zedenprediker, kwam zijne dwaalleer verspreiden te Rome, waar hij lang verbleef en de nog meer begaafde Caelistius zich met hem verbond, ging dan naar Karthago en voorts naar Palestina \')•

Te gronde lag1) bij zijne dwalingen een verkeerd begrip van de menschelijke wilsvrijheid. De vryheid was hem willekeur ; het vermogen om in ieder oogenblik zich zelf óf voor het goede of voor het kwaad te bepalen. Dat vermo -gen, zeide hij, is „de vruchtdrijvende wortel die verschillende vruchten voorbrengt naar dat de mensch wil en die

83

1

) Neander, a. w. S. 845 lï. Scholten, Lear dor Horv. Kork TT. p, 115. v.v.

-ocr page 104-

§ 25. ONWIL.

zoowel prijken kan in een bloei van deugden als bezet zijn met doornen van ondeugden, naar het believen des kweekers.quot; De mensch kan het goede doen, wanneer hij maar wil en hij kan het willen , leerde Pelagius.

Dit averechtsch begrip van de vrijheid des menschelijken wils leidde hem tot ontkenning van de erfzonde, van de geheele verdorvenheid der menschelijke natuur door Adams val. En daaruit vloeide voort dat hij schier al de fun-damenteele waarheden van de leer der vrije genade verwierp of verduisterde.

Tegen hem trad voornamelyk de hoogbegenadigde en begaafde kerkleeraar Aurelius Augustinus \') op, bisschop te Hippo regius (tegenwoordig Bona) in Noord-Afrika, van 395 n. G. tot zijnen dood, 28 Aug. 430. Met kracht en zegevierend verdedigde deze verlichte geest de waarheid.

De leer van Pelagius en Gaelistius werd veroordeeld op de Kerkvergadering te Karthago 418 door afgevaardigde leeraren en opzieners uit de gezamenlijke Afrikaansche provinciën en ook uit Spanje1). Maar daarmede was het Pelagianisme, heel of half«), niet uitgeroeid: het is de leer van den natuurlijken mensch.

84

1

) Möller ibid. S. 277. 2o Ed. S. 41G. Er waren 217 bisschoppen vergaderd volgens Cave, Scriptorum eccles. Historia literaria. 1699. II. p. 92.

-ocr page 105-

§ 2G. VEHSGIIOONLIJK ?

85

§ 26. Verselioonlijk ?

Kan men zich met de aangeboren verdorvenheid ont-schuldigen ?

Neen! Want ten eerste de mensch is zelf de oorzaak van zijne onmacht. God had hem in Adam kracht gegeven, hij heeft ze in Adam verloren. Wat met Adam gebeurde raakte immers geheel de menschheid, die in hem was begrepen en die hij vertegenwoordigde. Dit is vooraf aangetoond bij den Slaat der rechtheid en bij den Zondenval. Dit belijdt onze Kerk tegenover alle bestrijders van de erfzonde. Heidelh. Catech. Vr. 9: Doet dan God den mensch geen onrecht, dat Hij in zijne Wet van hem eischt wat hij niet doen kan ? Neen Hij: ivant God heeft den mensch alzoo geschapen , dat hij dat koude doen; maar de mensch heeft zich zeiven en al zijne nakomelingen door het ingeven (aanstoken) des duivels en door moedwillige ongehoorzaamheid van deze gaven beroofd

\') Doedes , Uo Heidolb. Catueh. 1881 p. 77 v. stoot hier op »oone cui\'iouso verwarringquot; ou vimlt do redenoering van onzon HoiJelborgor geheel mank. Namelijk wegens den verschillenden zin van mensch in vraag en antwoord. »Doet God den mensch (dat is don verdorven nakomeling van Adam) niet onrecht.. . V Noen. . . want God heeft den mensch (dat is den verdorven nakomeling vau Adam) alzoo geschapen dat hij dat doen kon, namelijk goed; maar de mensch (dat is nu niet do verdorven nakomeling van Adam, maar : Adam zelf) heeft zich en allo zijne nakomelingen . . . beroofd,quot; Hinkt do Heidolberger aldus gelijk Doedes hom laat. doen ? Neen , maar hij beweegt zich vrij binnen den cirkel der waarheid. Hoe dan ? De mensch in de vraag is , dat lijdt geen tegenspraak , do mensch zooals hij nu is, do verdorven nakomeling van Adam. Nu zegt in het antwoord do

-ocr page 106-

§ 26. VEKSGHOONUJK ?

Het doen van Gods wil is voor den mensch niet altijd onmogelijk geweest. Met zijn val en verval verviel het recht Gods niet om gehoorzaamheid van hem te eischen, zoomin als het recht van een heer op zijnen knecht, wanneer deze zich door dronkenschap onbekwaam gemaakt heeft om zijn werk te doen; zoomin als het recht van een schuldeischer op zijnen schuldenaar wanneer deze zijn goed heeft doorgebracht\').

Ten andere: wat men nog kon wordt niet gedaan en ook tegen het licht van rede en geweten wordt er in allerlei wijze gezondigd , hetwelk den mensch geheel on-verschoonlijk maakt voor God.

Zoo is het zelfs bij de Heidenen, gelijk Paulus ze schetst die „het licht der natuur onderdrukken en de kennis die zij van God hebben , misbruiken tot afgoderij die zich zeiven al meer onbekwaam maken, om de stem der waar-

Catochismus niot: dezen mensch, maar den mensch, collootiof, namolijk in Adam, in wiou geheel de monsohheid was. Want hier wordt van de schepping gewaagd: God heeft den monsch alzoo geschapen dat hij dat kon doen. Dit geschapen (niet : go-boron) ziet op Adam. Maar de mensch, namolijk Adam , die niet geboren maar geschapen werd on in wien allo menschon begrepen on vertegenwoordigd waren, hcejt zich zeiven en al zijne nakomelingen, die in hem waren , van deze gaven beroofd. God is ook ouzo Schepper, maar niot zooals van Adam. Ik bon goed geschapen, namelijk in Adam , maar niot goed ge,horen. I\'s. 51 : 7. Joh. 3 : 6. Dies blijft vast staan wat hot Kort Begrip op vr. 8 leert : God heeft mij goed en naar zijn evenbeeld geschapen. Waaraan Boedes , Heid. Cat. p. 71 v. zich erg stoot, als wiorde daar gezpgd : ik ben vrij van de erfzonde !

\') Calvin. lustit. II. 5. 1. March, Morch p. 432. De Moor, Commontar. III. p. 23(5. Brakel, Redel. Godsd. I. Cap. XXX. § 33. p. 72G v.

86

-ocr page 107-

§ 26. VEUSCUOONLIJK ?

heid en des rechts die ook in lien spreekt te vernemen , terwijl zij openbaarlijk zich zeiven tot straf in allo gruwelen storten. Rom. 1 : 18 : Want de toorn i) Gods wordt in zijne strafgerichten geopenbaard van den hemel over alle goddeloosheid (tegen de Eerste Tafel v. 21 — 28) en ongerechtigheid (tegen de Tweede Tafel v. 29 v.v.) der menschen als die de waarheid in ongerechtigheid te onderhouden11). 19. Overmits hetgeen van God kennelijk: is in hen openbaar is ; want God heeft het hun geopenbaard 3).

Dordrechter Leerreg. Ill en IV Hoofdst. art. 4: Wel is waar dal na den val in den mensch eenig licht der natuur nog overgebleven is, waardoor hij behoudt eenige kennis van God, van de natuurlijke dingen, van het onderscheid tusschen hetgeen eerlijk en oneerlijk is en ook betoont eenige betrachting tot de deugd en uiterlijke tucht; maar zót ver is het van daar dat de mensch door het licht der natuur .zoude kunnen komen tot de zaligmakende kennis van God en zich tot Hem hekeeren, dat hij ook in natuurlijke en burgerlijke zaken dit licht niet recht gebruikt, ja veelmeer hetzelve , hoedanig het ook zij, geheel op verscheidene wijze bezoedelt en in ongehoorzaamheid te onder houdt, hetwelk dewijl hij doet, zoo wordt hem alle onschuld voor God benomen.

§ 27. Dat de Wet niet redt.

Bij de natuurwet hebben wij nu ook de geschrevene Wet, door God zei ven plechtig afgekondigd en voorts

\') Derde Hoofdstuk § 42. bl. 394 v.v.

2) Derde Iloojdstuk § 45. bl. 398 v.v.

:l) Eerste Hoofdstuk §11. bl. 19 v.v.

87

-ocr page 108-

§ 27. DAT DE WET NIET REDT.

door Mozes aan Israël overgegeven. Kan deze geopenbaarde Wet Gods den zondaar niet herstellen en tot heiligheid bewegen? Zij kan het niet. De Wet ontdekt wel de zonde, maar ten eerste zij wijst geen middel daartegen aan en ten tweede zij is zelve geen geneesmiddel, maar door het vleesch krachteloos geworden, laat zij den overtreder onder den vloek, gelijk aan Israël overtuigend is gebleken, Rom. 3 : 19 : „Wij weten nu dat al wat de wet zegt, zij dat spreekt tot degenen die onder de wet zyn : opdat alle mond gestopt worde en de geheele wereld [voor] God verdoemelijk zij. 20. Daarom zal uit de werken der wet geen vleesch gerechtvaardigd worden voor Hem; want door de wet is de kennis der zonde.quot; — Heidelh. Catech. Vr. 115. —

Dordr. Leerreg. Hoofdst. III. en IV, art. 5 : Gelijk het met hel licht der natuur toegaat, zoo gaat het ook in dezen toe met de Wet der Tien geboden, van God door Mozes den Joden bijzonderlijk gegeven : want nademaul zij de grootheid der zonde wel ontdekt en den mensoh meer en meer van zijne schuld overtuigt, doch het middel daartegen niet aanwijst noch eenige krachten toebrengt om uit deze ellendigheid te kunnen geraken en dat zij alzoo door het woord krank geworden zijnde, den overtreder onder den vloek blijven laat, zoo kan de mensch daardoor de zaligmakende genade niet verkrijgen.

De Wet zegt ons niet wat wij kunnen, maar wat wij moeten. De vermaningen zijn niet vergeefsch, al kan en wil de mensch, omdat hij zoo boos is, het gebod niet doen. Want het overtuigt hem van zijn plicht en van Gods rechtvaardigheid , als Mij hem om zijne zonde straft\').

\') Brakel, liud. Godsd. I. p. 727.

88

-ocr page 109-

§ 28. STRAP.

§ 28 Straf.

Op de zonde volgt straf. De mensch kan in zijne scheiding van God niet gelukkig zijn, maar moet er voor lijden, op de zonde staat, volgens hare natuur en volgens het recht Gods, straf*), welke voor degenen die in hunne zonden sterven op eene eindelooze rampzaligheid uitloopt.

Want de bezolding\'1) (soldij, loon) der zonde is de dood (niet alleen de tijdelijke maar ook de eeuwige dood, gelijk blijkt uit de tegenstelling :) maar de genadegift Gods is het eeuwige leven door Jezus Christus onzen Heere, Rom. 6 : 23.

Op dit onscheidbaar verband tusschen de zonde en den dood als hare straf ziet ook 1 Kor. 15 : 5G : De prikkel*) nu des doods is de zonde en de kracht der zonde is de wet.

Zij die het Sociniaansch dwaalspoor volgen en leeren dat de mensch ook al hadde hij niet gezondigd toch gestorven zou zijn, verstaan deze teksten aldus; dat zonder de zonde wel de dood zou zijn ondergaan, maar niet als ramp, als een kwaad zou zijn gevoeld en dat de dood niet door de zonde is veroorzaakt, maar van deze alleen zijne bitterheid heeft ontvangen 4). Maar de bezolding is vergelding, slraf; en de prikkel is niet slechts bitterheid, maar het scherpe wa-

89

1

) Hiervan is uitvoerig gehandeld in hot Derde Hoofdstuk § 42—49.

-ocr page 110-

§ 28. STRAF.

pon waardoor de dood als eene macht dun mensch het leven neemt, Jac. 1 : 15. De zonde geeft den dood dien prikkel en wel uil krachte der Wet, naar het Goddelijke Recht (Rom. 1 : 32).

Met iedere „zondequot; begaat men een onrecht, dat „zoenquot; verzoening door genoegdoening eischt \'). De Goddelijke orde kan niet in het allerminste ongestraft verbroken worden.

Ueidelb. Catech. Vr. 10. Wil God zulke onyehoorzaaiu-heid en af ral ongestraft luien? Neen Hij, geenszins, maar Hij vertoornt zich schrikkelijk heide over de aangeboren en werkelijke zonden en wil die door een rechtvaardig oordeel tijdelijk en eeuwiglijk straffen, alzoo Hij gesproken heeft: Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgene geschreven is in het boek der Wet, om dat te doen. Vr. 11. Is dan God niet ook barmhartig ? God is wel barmhartig, maar Hij is ook rechtvaardig: daarom zoo eischt zijne gerechtigheid, dut de zonde, welke tegen de allerhoogste majesteit Gods gedaan is, ook met de hoogste, dal is met de eeuwige straffe aan lichaam en ziel gestraft worde1).

90

1

) Nitzsch , System 5te Aufl. S. 218 : In dom deutschon Sünde bczcugt sich dio Nothwondigkoit dei- Satisfaction. Hot woord Sünde, zonde vau hot oudhnogdultsche suona, Sühno (zoon). Vorgol. Dörtenbac/i in Ilerzogs lieal-Enc. lo. Ed. XV. S. 207. u. d. W. Sünde.

-ocr page 111-

§ 29. ELLENIJIGHKII) DES MENSCHEN.

§ 29. Ellendigheid des menschen.

Het menschdom is dan door de zonde diep ellendig. Do geheele wereld is voor God verdoemelijk, allen zijn van nature kinderen des loorns, dood door de zonden en misdaden , onmachtig om zich zeiven te redden.

De Apostel Paulus heeft dit bewezen met kracht van redenen in de drie eerste Hoofdstukken van zijnen brief aan de Romeinen. Hij treedt daar als advocaat voor de Goddelijke gerechtigheid op en heeft als „in rechten beschuldigd en met goed bewijs overtuigdquot; heiden, Joden en Grieken, dat zij allen onder de zonde zijn, onder de tirannij der zonde gebracht\'), Rom. 3 : 9. Niet alleen de Heidenen, maar ook de Joden. Want staan

ook oeno slang. Eu onmiddellijk vooraf stemt do Hoogleeraar

als waarheid toe, dat God, als de heilige, den onreine van hart niet in zijne gemeenschap kan dulden en er hem daarom buiten sluit. Maar is dat niet dulden cm dat huiten sluiten dau wat anders dan toorn , rechtvaardig oordeel, vloek ?

Do ontzaglijke waarheid van eeuwige straf staat ook bij Doc-des p. 83 buiten bedenking. De Catechismus geeft er reden voor. Niet bloot, waarom de zonde wordt gestraft, maar waarom met do hoogste dat is met do eeuwige straf. Do mate dor strafbaarheid bepaalt zich naar den persoon tegen wien mon misdoet. Zich vergrijpen aan vader of moeder is strafbaarder dan aan een ander ; do misdaad tegen don koning brengt zwaarder schuld dan wanneer iemand dezelfde misdaad tegen zijns gelijke begaat. God nu is de Allerhoogste; tegen Hom wordt gezondigd: daarom eischt do gerechtigheid op de zondo de hoogste straf en dat is de eeuwige. De straf moet beantwoorden aan de schuld. Hot is de Oneindige , tegen wien men zondigt; oneindig do schuld : eindeloos do straf.

\') Dat is do zin van den accusativus: x/txpriKv.

91

-ocr page 112-

§ 29. ELLENDIGHEID DES MENSCIIEN.

de Heidenen schuldig tegenover het licht der natuur, de Joden te meer tegenover de geschrevene Wet: Opdat alle mond, ook der Joden, gestopt worde en de geheele wereld voor God verdoemelijk, strafschuldig zij. Rom. 3 : 19.

Desgelijks Efez. 2, waar hij eerst den bekeerden uit de Heidenen hunnen vroegeren ellendestaat voorhoudt, v. 1 : zij waren levende dood geweest, dood door de misdaden en de zonden. 2. In ivclke gij, zegt hij, eertijds gewandeld hebt naar de eeuw dezer wereld, naar den overste van de macht der lucht, van den geest die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid \'). En dan verklaart de Apostel dat het niet beter stond met de Joden. Ook dezen behoorden tol de kinderen der ongehoorzaamheid: v. 3 : Onder de welken ï) ook wij allen, bekeerde Joden, eertijds verkeerd hebben in de \'begeerlijkheden onzes vleesches, doende den wil des vleesches en der gedachten en wij waren van nature kinderen des toorns s) gelijk ook de anderen,

\') Ef. 2 : 2 is bohandold in hot Zesde Hoofdstuk § 17. bl. 725—28.

-) êv oh. Te recht hebben de Onzen vertaald Onder dcivel-ken , slaande op hot naast voorafgaande toIs uklg t^c dTrsiSsixs. Zoo ook Olshausen en Meyer. Anders Stier , Brief an die Ephe-ser I. p. 252 , die h oh tot het verwijderde rolg 7rxpx7rTdf/,xlt;ri v. 1. brengt, terwijl hij willekeurig do tx/^xprlxi meer den Heidenen , de ttxpxTTTCCfAXTx meer don Joden toeüigent.

■\') tskvx (pvvsi ópyijg. Zoo ongetwijfeld te lozou en niet met Laehmann naar sommige Mss. (p\'JTsi réy.vx opyïjg. Het saam-behooren vau tswx en opxyg naar dun zin heeft zeker tot deze verplaatsing verleid. Meyer , Kommentar. S. 81. De plaatsing van Cpiivsi na tsxvx en vóór opyijs »ist von groszer Eeinhoit und sagt uns otwas.quot; Stier, Eph. I. S. 25(5. Men moet dit dus lezen: kinderen, van nature, des toorns.

92

-ocr page 113-

§ 29. ELLENDIGHEID DES MENSGHEN.

Kinderen, van nature, des toorns. Dit gezegde is dogmatisch hoogst wichtig voor de leer van de erfzonde. Bijzonder door het tusschen gevoegde van nature, gelijk een geestvol uitlegger quot;) te recht hier op aanteekent. S\'onde hier namelijk alleen : wij waren kinderen des toorns, dan konde men denken dat ieder enkele alleen door zijne in-dividueele zonden zich schuldig en tot een voorwerp des Goddelijken toorns hadde gemaakt, zooals het Pelagiaansch-rationalistische gevoelen van velen onder alle partijen beweert. Deze stelling nu dat de zondigheid in lederen mensch door persoonlijke schuld wierd voortgebracht, wordt wederlegd door: van nature.

Natuur beteekent het oorspronkelijke , aangeborene, in tegenstelling tegen hetgeen door oefening verkregen is. Wel kan door gewoonte iets ter natuur worden, maar de aanwenning staat allijd over tegen hetgeen wïw is. Van nature zegt door de natuurlijke geboorte, van den buik af1). Zoo spreekt de Heere ook tot het huis Jakobs Jez. 48 : 8: „ik heb geweten , dat gij gansch trouwelooslijk handelen zoudt en dat gij van den buik af een overtreder genaamd zijt.quot;

Als zondaren geboren, zijn de menschen voorwerpen des Goddelijken toorns : kinderen des toorns. Deze uitdrukking kinderen heeft men al zeer verschillend verklaard a), doorgaans als eene Hebreeuwsche spreekwijs (hebraïsme), waarnaar kind van iets aanduidt wat iemand eigen is of waarvan hij afhangt en waartoe hij naar zijnen aard behoort.

93

1

) Calvin. Comment, i. 1.; natura id est ipsa origine et ab utero matris.

-ocr page 114-

§ 29. ELLENDIGHEID DES MENSCHEN.

Intusschen ziet mon oen denkbeeld voorbij dat in kinderen ligt en hier wel voornamelijk beoogd is, dit is erven: kinderen des toorns, die met de zonde den toorn overgeërfd bobben.

Ook icij, Joden, waren kinderen, van nature, des toorns gelijk ook de anderen, namelijk die niet, althans nog niet bekeerd zijn. Paulus zegt dat met een zijdelingschen blik op der Joden roem : hunne afstamming van Abraham , hunne „aanneming tot kinderenquot; (Rom. 9 : 4). Ook zij waren bij al hunne uitnemendheid geen geboren heiligen maar van nature kinderen des toorns. Ook de Jood had geen andere natuur. Geboren Joden waren zondaren uit de Joden , gelijk geboren Heidenen zondaren uit de Heidenen.

In allen gevalle moeten wij bij van nature de gedachte aan do geboorte vasthouden en ons door geen schijnredenen , die men er tegen inbrengt , laten begoochelen.

94

Men zegt b.v. : „Do Apostel schrijft niet: wij zijn van nature (namelijk bij onze geboorte door de erfzonde) kinderen des toorns evenals de overigen ; maar: wij waren (namelijk vóórdat wij in den Heere Jezus Christus geloofden) kinderen des toorns van nature, dat is hier, naar onzen natuurlijken toestand, daar wij in de zonde leefden evenals de kinderen der ongehoorzaamheid nog heden doen ; wjj waren (niet; wij zijn) — maar dat is nu \'t geval niet meer. Aan een reeds bij de geboorte wegens de erfzonde onder den toorn Gods zijn denkt de Apostel hier geen oogenblikquot; \'). Dies verzekert men : „Efez. 2 : 3 bewast in het minst niet dat de erfzonde den mensch schuldig doet zijn , maar leert wat trouwens niemand zal bestreden.

\') Prof. Doedes, Do Nodoii. Geloofsbolijdonis p. 178.

-ocr page 115-

§ 29. ELLENDIGHEID DES MENSCHEN.

allen voordat wij in den Heere Jezus Christus geloofden, wegens ons leven in den dienst der zonde onder den toorn Gods warenquot; quot;)•

Juist zoo redeneerde ook de Remonstrant5), bewerende: de tekst ziet niet op eene erfzonde , want Paulus zegt niet; wij zijn, maar wij waren; hadde hij op de erfzonde gezien, dan moest hij gezegd hebben; wij zijn van nature kinderen des toorns.quot;

Maar Paulus zegt: wij waren en niet: wij zijn, omdat hij spreekt van geloovigen, begenadigden, door God levend gemaakt met Christus, v. 4 v.v., uit genade zalig geworden door het geloof, zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, in wie nog wel de overblijfselen der erfzonde zijn, maar die toch geen kinderen des toorns meer zijn , daar zij vergeving van alle schuld en vrijmaking van de heerschappij der zonde hebben verkregen. Tegen de natuur staat de yenade over v. 5 en do nieuwe Schepping in Christus Jezus v. 10 wijst ontegenzeggelijk op de zondige geboorte terug.

Treffend onze Calvijn: „Dit is eene hoofdplaats togen de Pelagianen en tegen allen die de erfzonde loochenen. Want wat van nature in allen is, dat is zeker aangeërfd ; nu leert echter Paulus: wij zijn allen der verdoemenis onderworpen: bijgevolg kleeft er zonde in ons, want God verdoemt geen onschuldigen. De Pelagianen maakten de uitvlucht, dat van

\') Dezelfde, a. W, p. 210. Ook Meyer, Kommontar zu Eph. 2: 3. S. O-I ff. ijvert rationalistisch togou do Angnstijnschü kerkleer.

2) Voor do »Lcere dor Goroformeerdo Korckequot; komt ook in dozon krachtig op Fr. Ridderus, Apollos. 1670. III. p. G94 v.v. Stier, Eph. I. S. 257 f.

95

-ocr page 116-

§ 29. ELLENDIGHEID DES MENSCIIEN.

Adam de zonde in het gansche menschelijke geslacht was voortgeplant niet door de afkomst maar door navolging ; maar Paulus betuigt dat wij met de zonde geteeld worden , gelijk de slangen met haar venijn. Anderen , terwijl zij beweren, dat de erfzonde niet waarlijk zonde zij, strijden niet minder tegen de woorden van Paulus: want waar verdoemenis is , daar moet zeker zonde zijn, wijl God niet op schuldelooze menschen maar op de zonde toornt. Ook is het niet te verwonderen , dat de verdorvenheid , die ons van onze ouderen is aangeteeld, voor God als zonde gerekend wordt , wijl Hij het zaad, dat nog in het verborgen schuilt , ziet en oordeelt.

Alleenlijk staat hier nog te vragen , waarom Paulus de Joden onder Gods toorn en vloek stelt gelijk de anderen, daar zij toch het gezegende zaad waren. Wij antwoorden: de natuur is allen één.

Voorts , God is de maker onzer natuur, hoe kan Hij dan buiten schuld zijn, indien wij van natuur verdorven zijn?

9G

Antwoord : er is tweeërlei natuur, de eerste is door God geschapen, de andere is het verderf van deze. De oorzaak des toorns, der verdoemenis ligt dus geenszins in God, maar in \'s menschen verdorven natuur, wyl wij nu niet geboren worden gelijk als Adam in den beginne is geschapen geweest, maar als een overspelig zaad uit een ontaard en verdorven menschquot; \').

\') Calvin. Commontar. iu Epist. ad Ephos. 2: 3.

-ocr page 117-

TIENDE HOOFDSTUK.

DES VERLOSSERS PERSOON.

§ 1. Vanwaar verlossing.

De mensch is door de zonde ellendig. En hij weet niet dat hij het is. Dit maakt zijnen toestand nog hachelijker. Hij is een blindgeborene, als een die geen oogen heeft. De redding moet beginnen met genezing van de blindheid. God moet sproken : daar zij licht! waarmee Hij ook de schepping begon. En Hij moet voor den blinde niet alleen licht ontsteken , maar hem ook de oogen openen , ja hem oogen geven om het te zien. De mensch is een hardslapende in het schip dat zóó dreigt te vergaan; hij waakt niet van zelf op, hij moet wakker gemaakt worden. Hij is eon doode, God moet hem levend maken.

Vanwaar komt er dus verlossing voor den ellendige ? Van God alleen en geheel.

Hot licht der natuur laat den mensch in het duister. Door eigen inspanning kan hij zich aan zijne jammoren niet ontworstelen. Aan zichzelven gelaten kan hij zijne ellenden,

Gravemojjor , Goref. Gol. loer. II. 7

-ocr page 118-

§ 1. VANWAAR VERLOSSING?

zijne schuld, zijn verderf, zijne straf slechts vermeerderen.

Ook de geopenbaarde Wet helpt hem er niet uit. Do wet verdoemt , zij doodt, zij rechtvaardigt hem niet, zij geeft geen leven.

Dordrechter Leerregelen Hoofdst. III. en VI. Art. G : Het-yene dan noch het licht der natuur noch de Wet doen kan, dal doet God door de kracht des Heiligen Geestes en door het Woord of de bediening der verzoening , welke is het Evangelie van den Messias, waardoor het God behaagd heeft de geloovige menschen zoo in het Oude als Nieuwe Testament zalig te maken.

Zoo leert Paulus Rom. 8:3: Y{q\\. was der Wet i) onmogelijk om ons vrij te maken van de macht der zonde en des doods, om ons rechtvaardig en heilig te maken en ons tot het geestelijke en eeuwige leven te brengen. Dewijl zij door het vleesch krachteloos was. Zij had met menschen te doen die vleesch zijn, die niet alleen onder eene zware schuld liggen maar in verstand, wil en alle neigingen verdorven zijn. De Wet is wel heilig en het gebod is heilig en rechtvaardig en goed (Rom. 7 : 12). Maar al het gebieden van het goede en verbieden van het kwade maakt don mensch niet goed. Veelmeer hij overtreedt de wet al voort en dan spreekt do Wet hot schuldig ! over hem uit. En zoo is het gebod, dat ten leven ivas, mij ten dood bevonden (Rom. 7 : 10).

Maar , terwijl bij de Wet geen redding mogelijk was ,

1) Do Socinianen boknibboldon do hier door den Apostel uitgesproken onmacht door do willokourigo bewering, dat Paulus hier spreekt alleen van de Wet der ceremoniën, welke don mensch niet kon rechtvaardigen. To recht komt daartegen op Fr. Rid-derus , Apollos III. p. 230 v.

98

-ocr page 119-

§ 1. VANWAAR VERLOSSING?

heeft God zijnen Zoon zendende in gelijkheid des zondigen vleesches en \'[dat] voor de zonde, de zonde veroordeeld in het vleesch.

Niet: in zondig vleesch, maar: in gelijkheid van zondig vleesch of eigenlijk in gelijkheid van een vleesch van zonde \'). Niet in eenen schijn van mensch, maar in volkomen men-schelijkheid, in alles den broederen gelijk, uitgenomen de zonde, die intusschen ook oorspronkelijk niet tot het wezen des menschen behoort, maar eerst door den val en de ongehoorzaamheid onzer eerste voorouderen bijgekomen is. Zonder zonde is Hij ontvangen en geboren, en , schoon te midden in de verdorven menschheid wandelende , rein en onbevlekt gebleven.

En wel voor de zonde, om de zonde, harenthalve, namelijk om haar weg te doen, zoowel door zoening en voldoening als door verbreking harer macht. Er kon niet maar zoo eene mededeeling van geestelijk leven geschieden; er was eene schuld te delgen.

\') èv cftoiciftXTi trxpjihg tx^xprlxs. Op zondig ligt do nadruk. Panlus zegt niet; do Zoon Gods is gekomen in gelijkheid van vleesch, maar in gelijkheid van zondig vleesch. Immers de Zoon Gods nam de ware, volledige menschohjke natuur aan , met al hare deelen , eigenschappen , aandoeningen en werkingen. Fr, liulderus , Apollos III. p. 232 v. Maar zonder zonde. Niet het minste beginsel van zonde was in hem. Van zondig vleesch had Hij alleenlijk eene gelijkheid. Door: in gelijkheid wordt juist de zondigheid zijns vleesches ontkend. De dwaalleer dergenen , van vroeger en thans, die, met verschillende wijzigingen , in Christus een zondig beginsel stellen, dat intusschen niet tot eene zondige daad werd, wordt ook door Olshausen a. 1. en bijzonder door Meijer, Kommentar zu Rom. 8: 3. S. 349 , met redenen weersproken. Desgelijks door Stier, dio Heden dos Herin Jesu IVter Theil. S. 92 f. zu Joh. 3: 14, 15.

99

-ocr page 120-

§ 1. VANWAAH VERLOSSING V

In Ghristuc heeft God de zonde veroordeeld in het vleesch, hetwelk Hij had aangenomen. In Christus\' Persoon heeft God een rechtvaardig gericht over de zonde gehouden, met dezen uitslag, dat do zonde veroordeeld is, hiertoe, om hare heerschappij te verliezen. En wel vooreerst doordien in Christus de menschelijke natuur zich vrij van zonde hield; ten andere doordat Hij voor zijn volk de straf der zonde droeg. Zijn zoendood was het voornaamste doel van zijne menschwording en de verlossing en vrijmaking zijns volks van de zonde vloeit voort uit zijne offerande. V. 4. Opdat het recht der wet vervuld zoude worden in ons, die niet naar het vleesch wandelen, maar naar den Geest.

§ 2. De eerste belofte.

God is den mensch aanstonds na den val met zijne genade voorgekomen. Hij heeft den mensch gezocht, toen deze al bevende voor Hem vlood en heeft Hem getroost door de belofte van het zaad der vrouw , hetwelk des duivels macht en werk in Adams kinderen verbreken zou.

Dat is de moeder-belofte Gen. 3 : 15, kiem en grondslag van alle verdere beloften Gods, het eerste Evangelie.

Jehovah God heeft vooraf den vloek gesproken over de slang hoven al het andere gedierte des velds, v. 14. Dan zegt hij v 15: En ik zal vijandschap zetten tusschen u en deze vrouw en lusschen uw zaad en haar zaad; dxtzelve zal u den kop vermorzelen en gij zult het de verzenen vermorzelen. „ Haar zaad zal u, slang, den voet op uwen kop zetten en bijt gij het dan ook in de verzenen, in den hiel, in het onderste achterdeel van den voet, het zal toetrappen ea a den kop vcrmcrzelon.quot; (Eene slang is niet te dooden

100

-ocr page 121-

§ 2. DE EERSTE BELOFTE.

dan door verbrijzeling van haren kop). Deze woorden zijn niet meer alleen tot de zichtbare slang gericht , want de vermorzeling van deze kon Eva weinig troost geven, maar tot den onzichtbaren verleider zeiven, tot den boozen geest, door wien de slang was misbruikt, tot dien die Openb. 12 : 9 geteekend staat als de oude slang, welke genoemd wordt duivel en Satanas , die de cjeheele wereld verleidt.

Terwijl God nu daar zijnen toorn en vloek op den verleider stort, openbaart zich daarin zijne genade voor de ge vallene menschen. Namelijk: de Heere God verbreekt hier de onheilbrengende gemeenschap , in welke zij met den Booze gekomen waren en zet in plaats daarvan een heilzame vijandschap en strijd.

De slang is dan de Booze zelf, die juist van de gebeurtenis in het paradijs de oude slang wordt genoemd. Het zaad der slang zijn de kinderen des duivels, in tegenstelling tegen de kinderen Gods , in welke twee ook 1 Joh. 3: 10 de menschheid wordt verdeeld.

De vrouw is Eva. Haar saad z\\jn Eva\'s nakomelingen.

Intusschen deze Eva en haar geslacht, in hunne afgevallenheid en scheiding van God beschouwd, zijn hunnen overwinnaar onderworpen, hebben gemeenschap en vriendschap met den Booze. In dien staat zijn zij derhalve niet gemeend.

Maar God zegt eerst: ik zal vijandschap zetten tusschen beiden en daarmede was de vriendschap met God hersteld. Alzoo van dit oogenblik af, dat de Heere deze vijandschap zet hebben wij niet meer eene van God vervreemde Eva en een goddeloos zaad voor oogen, maar eene begenadigde moeder aller levenden en een Goddelijk zaad, over welke duivel en helle geene macht hebben om diens wille die als vriend op hunne zijde is getreden.

101

-ocr page 122-

§ 2. DE EERSTE BELOFTE.

Do vrouw met haar zaad, tegenover den Satan en al zijn gebroedsel en in strijd met hem begrepen, is de bruid en de vrouw des Lams, de gemeente Gods, het volk des Heeren , geroepen uit de duisternis tot zijn wonderbaar licht, aangedaan met de wapenrusting Gods , strijdende den goeden strijd des geloofs.

Maar aan hunne spits staat er Eén , die ook geboren is van eene vrouw , doch de eerstgeborene is aller creature (Kol. 1 : 15), die ook behoort tot het geslacht der menschen , maar tevens God is boven allen te prijzen in der eeuwigheid (Rom, 9 : 5.)

Deze is het, gelijk wij uit de nadere openbaringen nu weten, die dat groote woord vervult, hetwelk immers ook niet van de vrouw, maar juist van haar zaad gezegd is tot de slang : datzelve i) zal u den kop vermorzelen en gij zult

•) Kin. Do Vulgata hoeft hier naar do bij do Boomschon aangonomeno lozing: ipsa , zij , de vrouw , conteret caput tuum (Eene andore lezing is ipse , hij, evenals de LXX : xu r ó q tcu rypyvei y.e^px/.^.) En zij verstaan daaronder Maria.

JOH küD W01 vertaald worden: ipsa, zij. Want in don Pentateuch is Kin generis communis en staat ook in plaats van hot fem. XTI. Gesenius, Handwörtorh. 1878. s.v. «in. Maar hier kan het niet. Want het daarbij bohoorendo praedicaat zal vermorzelen is ode pers. mascul. en slaat op hot

onmiddellijk voorafgaande haar zaad; en wederom blijkt

dit uit 1 gjj zult het vormorcolen , met Suffix. 3 Sing.

mascul. — Uitvoerig wordt Gen. 3 : 15 behandeld bij De Moor, Comment, in Marck. III. p. 190 sqq.

Overigens moeten wij vasthouden , dat de belofte niet slechts van beginselen spreekt, gelijk ook Oehler, Thool. dos A. T. I. S. 80 mot volou beweert. Zaad duidt persoonlijkheden aan on

102

-ocr page 123-

§ 2, DE EEUSTE BELOFTE.

het de verzenen vermorzelen. Dat zaad is Jezus Christus !

Juist door hetgeen de Satan en zijn zaad den Heilige aandeden, werd Satans recht en macht verbroken ; de slang heeft eenen vermorzelden kop. Er is en blijft nog strijd. Maar Christus voert al voort zijne vrijgekochteu ter overwinning totdat het laatste oordeel den Satan en al zijn zaad naar den poel des vuure verwijst.

Dat wordt ingewikkeld in deze belofte verzekerd. Daar wordt dus reeds de grondsteen tot de strijdende Kerk voor de poorten der helle gelegd met uitzicht op overwinning door Hem, die hiertoe geopenbaard is, opdat Hij de werken des duivels verbreken zoude, namelijk rfe» ^00« Gods, 1 Joh. 3 : 8.

Eene toespeling op Gen. 3:15 vinden wij bij Paulus Rom. lö : 20: de God des vredes zal den Satan haast onder uwe voeten verpletteren quot;).

§ 3. Voortgang der heilsbelofte.

De belofte van heil, van heeling der wonden, van leven en zaliglicid en daarmede van den Persoon zeiven die de Heiland (d. i. heelend) zou zijn, ging al voort. De Verlosser, die komen zou, werd van lijd lot tijd klaarder aan-

daavonder staat in du verto eou porsooulijke slangvertreder. CalvivMs, Commont. i. 1. herinnert: mot bot zaad (een collectief-naam) is Christus wel niet rechtstreeks genoemd, maar daar de ervaring leert, dat niet alle kinderen Adams den Dooze overwinnen , moet men noodzakelijk lot het e\'ene Hoofd komen, om te weten aan tvie de overwinning behoort.

!) Hengstenberg, Christologie des A. ï, I. 1. Das Protevan-gelium. S. 44.

103

-ocr page 124-

§ 3. VOORTGANG DEK IIEILSUELOFTK.

gekondigd , met al nader bepaling tot Abrahams zaad , Juda\'s stam en Davids yeslacht.

1. Na de eerste belofte heeft God ongetwijfeld van de zaligmakende waarheid al meer aan de vaderen geopenbaard : aan Enos (Gen. 4 : 26) , aan Henoch (Gen. 5 : 22. Jud. 14), aan Lamech (Gen. 5: 29), aan Noach (Gen. 6: 9. Hebr. 11 : 7).

Maar iets nieuws was voor Abraham bewaard. Tot hem sprak God zoo als Hij met geen anderen der vaderen gesproken had. Tot Abraham , toen nog Abram, voordat hij uit zijn vaderland naar Kanaan toog, heeft de Heere gezegd Gen. 12 : 3 : a. Ik zal zegenen die u zegenen en vervloeken die u vloekt b. en in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden,

a. Het eerste beleekent een volmaakt bondgenootschap. Abrams vrienden zullen Gods vrienden, zijne vijanden Gods vijanden zijn; ja God wil beloonen wie Abram wéldoet en wreken wie hem beleedigt. Dat verbond maakt de Heere met Abram vóórdat deze zijne gehoorzaamheid betoonde. Dus geheel uit genade.

b. Het tweede knoopt de zegensbelofte vast aan Abraham. Wederom Gen. 18 : 18. En aan zijn zaad Gen. 22: 18 : ïw uwen zade zullen gezegend worden alle volken der aarde. Gen. 26 : 4 wordt dezelfde belofte aan Izaak bevestigt en Gen. 28 : 14 tot Jakob overgebracht.

Op tweeërlei wijze berooft men deze belofte van haren waren zin. Vooreerst door te vertalen ; in u zullen alle geslachten des aardrijks zich zegenen, zoodat het niet meer zou zeggen dan dit: Abraham zou een voorbeeld van zegen zijn , wie zich (en anderen) zegen wenschte, zou den wensch doen van Abrahams lot.

104

-ocr page 125-

§ 3. VOORTGANG DEK HEILSBELOFTE.

Deze opvatting is strijdig tegen de taal •) on zij maakt de belofte geheel onbeduidend en nietig2), terwijl daarentegen hare gedurige herhaling en plechtige vernieuwing van haar groot gewicht getuigt.

Ten andere door met de Socinianen den zegen te verklaren van slechts tijdelijke en lichamelijke voorrechten en weldaden 3), die de heidensche bewoners van Kanaiin door Abrahams nageslacht zouden ontvangen. Maar juist het tegendeel , uitroeiing, stond hun van Abrahams nakomelingen te wachten, naar Gen. 15: 16, 18.

Zag de zegensbelofte op een bijzonderen persoon uit Abrahams nageslacht, die den zegen zou aanbrengen ? Ongetwijfeld, üeze belofte luidde wel algemeen. Maar Abraham wist er meer van door nadere openbaring. Dit mogen en moeten wij afleiden uit de nauwe, vriendschappelijke gemeenzaamheid waarin hij met God stond; vergelijk Gen. 18: 17: En de Heere zeide: zal ik voor Abraham verbercjen wat ik doe? En het wordt boven alle tegenspraak verheven door de eigen uitspraak van Christus Joh. 8: 5G dat Abraham zijnen day, zijne toekomende verschijning gezien heeft en is verblijd geweest.

In het licht des Nieuwen Testaments komt, wat onder

\') Gen. 12: 3 on 18; 18 en 28: 14 staat 1D1D3 , Niphal

(passivum) van TO- uiot zich zegenen , maar gezegend worden.

Wel staiit Gen. 22: 18 en 26: 4 1Dquot;]3rin Hithpaöl, maar dit

beteekont nergens: zich of elkander zogen wouschou , maar: zich voor gezegend houden, zich gelukkig achten. Naar den zin komen beidu uitdrukkingen met elkander overeen. Hengstenberg, Christol. dos A. T. 1829. I. 1. S. 54.

\'-) Dit stemt ook Oehler toe, Thool. des A. T. 1. S. 93.

^ Zie daartegen Fr. Riddarus, Apollos. 1. p. 74.

103

-ocr page 126-

§ 3. VOORTGANG UER HEILSBELOFTE.

het Oude donker was, tot volle klaarheid. Sprak God tot Abraham: in u en in uwen zade zullen alle geslachten der aarde gezegend worden, zoo verklaart Paulus Gal. 3 : 16 : dal zaad is Christus. Alzoo wordt de bron des zegens bij Abrahams zaad gesteld, omdat Christus daaronder is. Het beloofde heil zou tot de Heidenen komen niet van Abrahams nakomelingsschap in het geheel, maar van éénen uit deze , van Christus. De oude geloovigen zijn op geen andere wijze zalig geworden dan wij, niet door een volk maar door éénen uil het volk , Christus \').

2. Aan den slam Juda werd de belofte vastgemaakt door de profetische woorden , die Jakob op zyn sterfbed sprak Gen 49: 8—12. Lang mag hij er wel over hebben gepeinsd wie toch wel van zijne zonen de uitverkorene stamvader van den Verlosser zou zijn. Nu staan zijne twaalf zonen voor hem en door den Geest Gods die over hem komt wordt zijn geloofsoog op Juda gericht en verre in de toekomst ziende spreekt iiij plechtig tot dezen zijnen vierden

1) Hengstenberg, Christol. dos A. T. I. 1. S. 57 f. Roos, Einleit. iu dio bibi. Gosch. 11. S. 6. Bengel, Guomou Gal. 3: 16. Calvin. Commentur in Gon. 12: 3: God verkondigt, oordeel ik, dat gezegend zullen worden alle volken in zijnen knecht Abraham , omdat in de lendenen van dezen Christus was besloten. Op deze wijze zou hij niet alleen een voorbeeld, maar de oorzaak des zegens zijn , zoodat hier eene stilzwijgende tegenstelling is tus-schen Adam , van wion do vloek kwam, en Christus van wiou do zegon komt.

Velen stollen, dat de Aartsvaderen van eonen persoonlijken Mosaias nog niet hebben geweten. Zoo bijzonder ook Kurtz, Gosch. des A. 13. I. S. 162. 321 ff. Hij verzekert S. 322 : Erst mit Mosc, Joiua und David konnte die Erwartung eines person-lichen Messias au/kommen und Gestal/ung gewinnen.

106

-ocr page 127-

§ 3. VOÜRTüANG DER IIEILSBFI.OFTE.

zoon: Juda, gij zijt het —• evonals Samuël onder Izaïs zonen op David werd bepaald, ook toen was hot: deze is het (1 Sam. 16 : 12.).

Het Hebreeuwsche Juda \') beteekent lof, prijs, en kenmerkt hem als den gevierden, geprezenen. Juda, gij zijt het, dat zegt dan voor het naast: gij zijt ivat gij heet, de geprezene boven de broederen. En waarin zijne heerlijkheid zou bestaan, schildert de profeteerende aartsvader zeer levendig af. De stam Juda zou den voorrang hebbon boven al de andere stammen — tot dat de Schiloh2) kwam, die groote nakomeling van Juda, die dus genoemd is naar den zegen, welke van hem zou uitgaan, rust, vrede, waarmede Christus is bedoeld. Want Hij is onze vrede, Efez. 2 : 14.

In deze merkwaardige voorzegging s) Jakobs wordt dus de zegen, die van Abraham op alle volken zou komen, nader bepaald; onder Jakobs nakomelingen is het Juda, uit wiens stam de vervulling der zegensbelofte zou voortkomen.

3. Eindelijk werd ook het geslacht, de familie genoemd, waaruit naar den vleesche de Verlosser zou ontspruiten : van David zou Hij zijn. Dit werd aan David plechtig verkondigt in het woord des Heoren, hetwelk Nathan tot hem bracht, toen de koning na overwinning van al zijne vijanden voornam den Heere in plaats van den beweeglijken tabernakel eenen tempel te bouwen, Ü Sain. 7; 14v.v.»).

\') TlirT Verge], Gon. 29 : 35.

t ;

2) Zie hieronder § 6.

■■\') Tegen de • bestrijders van hare echtheid behoudt de verdediging door Hcngslenbercj, Christol. des A. T. 1. 1. S. 59 ff. nog altijd hare waarde.

Hmgslenberg, Christol. des A. T. I. S. 91 ff.

107

-ocr page 128-

§ 3. VOORTGANü DER HEILSBELOFTE.

Deze merkwaardige voorzegging ziet niet alleen op Christus, maar ook op Salomo en diens aardsche troonopvolgers. Er is iets in wat alleen op Salomo en zijne opvolgers ziet: zoo het misdoen en de (gematigde en vaderlijke) tuchtiging; iets wat in minderen zin op Salomo en zijne opvolgers en in hoogeren zin op Christus doelt i): zoo de verzekering des Heeren : Ik zal hem zijn tot eenen vader en hij zal mij zijn tot eenen zoon v. 14. Maar ook iets, wat alleen op den Messias past. Zoo v. 16: Doch uw huis zal bestendig zijn en uw koninkrijk in der eeuwiyheid voor uw aangezichte: uw stoel zul vast zijn tot in eeuwigheid. Hier is openbaarlijk een meerdere aangeduid dan Salomo en al zijne opvolgers : want dezen heerschten toch maar tijdelijk en zouden gelijk al het aardsche en sterfelijke eenmaal een einde nemen. Hier is Christus beteekend , een eeuwig Koning , uit David2). Deze voorzegging werd voor David en andere geestvolle dichters in Israël de grondslag en kiem der Messiaansche Psalmen.

\') Treffend toont dit Augustiu De Civ. Dei XVII. 8. od. Tanchn. Tom, II. p. I*t7 sq. En Cap. 9 beschouwt hij in verband daarmede Ps. 89.

2) Oehler, Theol. des A. T. II. S, 256 f. : Für dio bostimm-tero Gostaltung der raessianischen Idee bildet 2 Sam. 7 den Ausgangspunkt in zweifacher Bozieliung. Fürs Erste dadurch, dass die Volleudung des göttlichen Reichszweeks, für deuIsraël erwilhlt ist , vou jetzt au gekntipft ist an einen König , dor als der Sohn Gottes d. h. dor zum Trager der Gottesherrschaft aus-gerüstete (? maar Hij kon dit alleen zijn krachtens zijne Godheid!) Steilvei\'treter .lehova\'s auf Erdeu im Verhiiltniss der in-nigsten Angehürigkeit zu Gott steht. Uud ebenso stcht zwei-Urn für allo Zeiteu fest, dass diezer König oin Davidide ist.

108

-ocr page 129-

Jl 4. GEHEEL HET O. T. GETUIGT VAN CliniSTUS. 109

§ 4. Geheel het O. T. getuigt van Christus.

Door het gansche Oude Testament zijn heilsorde verspreid , dus rechtstreeksche of ingewikkelde voorzeggingen van Hem , buiten wien er geen heil is : zij zijn schei ing en inslag , het is or mee doorvlochten. Christus is het pit en merg der Schriften.

Dezen geven getuigenis al de Profeten, dat een iegelijk, die in Bern gelooft, vergeving der zonden ontvangen zal door zijnen naam. Zoo sprak Petrus Hand. 10: 43 in het huis van den hoofdman Cornelius te Cesarea, gelijk dezelfde Apostel dit den Joden Hand. 3: 21—24 tot hunne beschaming voorhield. Eén weg van zaligheid te allen tijde; het ^r^oo/\'w Christus. Vergeving der zonden voor een ieder die in Hem gelooft, voor Jood en Heiden, zonder aanzien des persoons; het eersie en voornaamste heilsgoed, waaraan de andere genadeweldaden verknocht zijn. Door zijnen naam, doov ge-loovige erkentenis van Hem als dien die Hij is, dien alle macht is gegeven en die van God verordineerd is tot een Rechter van levenden en dooden (v. 42). Door Hem kreeg ook Cornelius vergeving en niet door de aalmoezen (v. 2).

Christus zelt spreekt Joh. 5 : 39 : Onderzoekt de Schriften, want gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebben, en die zijn het die van mij getuigen. Dachten de Joden dat zij in hunne heilige Schriften het eeuwige leven hadden, Jezus spreekt dat niet tegen, namelijk in dezen zin „dat de weg om het eeuwige leven te verkrijgen, in dezelve geleerd en aangewezen wordt, \'t welk eene goede meenhig was\'1 (Kantteek \'.J Maar zooals zij de Schriften was het hun ten oordeel, wijl zij Hem er niet in erkenden en tot quot;em niet wildon komen, om het in de Schrift beloofde

-ocr page 130-

110 § 4. GEHEEL 1IET O. T. GETUIGT VAN GI1RISTÜS.

eeuwige leven van Hem te ontvangen (v. 40). Daarom vermaant •) Hij hen maar eens beter toe te zien en grondig onderzoek te doen. Gingen zij op de rechte wijze met de Schriften om, dan moesten zij Hem er in vinden, want die die zijn het die van mij getuigen, spreekt Hij. He Schriften zijn de canonieke Schriften des O. T , die de Joden hadden. Ook hier, gelyk zoo vaak, erkent en bezegelt Jezus deze Schriften als Goddelijk en gezag hebbende. En van deze Schriften in haar geheel zegt Hij dat zij van Hem getuigen , van het eerste boek van Mozes aan tot Maleachi toe (Luc. 24 : 44), van Hem die nu gekomen was en van wien de Apostel schrijft: het leven is geopenbaard, 1 Joh. 1 ; 2.

§ 5. Voorbeeldingen.

Niet alleen door profetische Godspraken werd Christus voortijds aangekondigd, maar ook anderszins werd er op Fiom heen gewezen. Namelijk behalve de voorzeggingen heeft God ook bijzondere personen en gebeurtenissen tot zinnebeeldige voorteekenen (typen) gesteld van den Verlosser , van zijn werk , weg en rijk en al de inzettingen des Ouden Verbonds , voornamelijk de offeranden, waren eene schaduw der toekomende dingen.

Personen. Zoo bijzonder Melchizédek, een schitterende

1) éptuvxTS wordt door volen als indicativus opgevat: gij on-denoekt. Ook onze Staten-Vortalera stellen dit in keur. Maar het is ongetwijfeld imperatief : onderzoekt , gaat maar eens wat dieper dan de oppervlakte, zoekt wat er onder ligt, als mijnwerkers , gouddelvers. \'YLpsuvxv komt in het N. T. alleen in goeden zin voor en dit kon Jezus van de Joden niet roomen. Zie ook Stier on Hengstenberg Z. d. St.

-ocr page 131-

§ 5. VOORBEELD1NGEN.

ster in donkeren tijd, een lichtend meteoor, plotseling verschijnende en verdwijnende. Onverwachts treedt hij op het tooneel, doch ook maar eenmaal, Gen. !4: 18-20, een wonder te midden van eene afgodische en verdorvene wereld. Kort en raadselachtig is hel bericht dat Mozes van hom moest opteekenen. Maar 500 jaren na Mozes spreekt wederom de Geest van hem door Davids mond in den profetischen 110de11 Psalm , waar de Ileere zegt tot Davids Heere, de Vader tot den Zoon: zit tot mijne rechterhand t En : Gij zijt Priester in eeuwigheid, naar de ordening Mel-chizédeks I En meer dan 1000 jaren na David komt de hoogverlichte Apostel Paulus in den brief aan de Hebreen H. 7 deze Goddelijke uitspraak uit den Psalm ophalen , opent ons hare verborgenheden, brengt daarmede het Mozaïsche verhaal in verband en maakt er gebruik van om de gewichtigste van al de waarheden des Nieuwen Testaments op te helderen en te bevestigen.

Melchizédeck is koning en priester, priester niet alleen in zijn huis maar openbaar priester voor het volk, oen priester, wiens zegen de uitverkorene en door den Heere zoo hoog gezegende Abraham met zulke onderwerping ontvangt, dat deze hem onderdanig het Tiende van zijnen buit geeft.

Ill

Koning en priester in één persoon, waarteeken van een ander, meerder priesterschap dan later in Israël bestond, waar geen koning priester mocht zijn \') en geon ander dan uit het geslacht Aürons, terwijl die deze ordening wilden verbreken de straf niet ontgingen, zooals Korah met zijn aanhang (Num. 1G) en koning Uzzia (2 Kron. 2G : IGv.v.).

\') O elder , Thool. des A. T. 11. S. 260. § 230. 8. Hengstenberg, Christol. dos A. T. I. 1. S. 145.

-ocr page 132-

§ 5. VOORnEEf.DINGEH.

De Apostel verklaart nader in welk opzicht deze man eene gelijkenis is geweest van den Zone Gods.

Reeds de namen zeggen iets. Melchizédek is: honing der gerechtigheid en koning van Salem •) is: koning des vredes — voorbeeld van Christus, den verwerver, gever en werker der ware gerechtigheid , den Vredevorst.

Voorts leert de Apostel Hebr. 7:3: Deze Melchizédek, Zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsrekening, noch beginsel der dagen, noch einde des levens hebbende, maar den Zone Gods gelijk geworden zijnde blijft een priester in eeuwigheid.

Hoe dit zonder vader, zonder moeder te verstaan is , blijkt uit het bijgevoegde zonder geslachtsrekening , hetwelk dient om misverstand te verhoeden.

Melchizédek is zonder twijfel een mensch1) geweest en heeft vader en moeder gehad gelijk een ander. Maar in de Schrift „wordt hij ingevoerd als een mensch , om zoo te spreken , uit den hemel gevallenquot; (Kantteek.) De Schrift laat hem zonder vader en zonder moeder, zegt niet uit welk

112

1

) Salem is Jeruzalem, hetzij dat Salem verkorting is van Jeruzalem of Jeruzalem verlenging van Salem. Kurtz, Geseh. Sos A. B. I. S. 172. Hengstenberg, Commentar zu Ps. 76; 3.

-ocr page 133-

§ 5. V00RBEELD1NGEN.

geslacht hij was, vermeldt zijne geboorte en ook zijn einde niet.

Terwijl bij Israels priesters hunne afstamming van Aïiron moest bewezen worden (Neh. 7 : 64), wordt bij Melchlzcdek Gen. 14 niets daarvan vermeld en toch is en heet hij priester \'), een naam die ook zelfs aan Abraham niet wordt gegeven en die, opmerkelijk, daar voor de eerste maal in de Heilige Schrift wordt gelezen.

Zoo staat dan deze priester daar, namelijk in de Schrift, als aanvangsloos en eindeloos. En daarin is hij den Zone Gods gelijk geworden11), gelijk gemaakt namelijk in en door de Schrift.

De Apostel zegt niet: de Zoon Oods is hem daarin gelijk geworden of: is met hem te vergelijken; maar hij is den Zone Gods daardoor gelijk geworden, gelijk gemaakt. Want Christus, de eeuwige Zoon, ten eeuwigen priester verordineerd, is immers eer geweest dan Abraham en Melchizédek waren. Bijgevolg heeft de Heilige Geest door Mozes\' hand de figuur of beeltenis Melchizédeks naar het beeld van Christus geteekend, gelijk (Hebr. 8: 5) de tabernakel naar het beeld des hemelschen heiligdoms is gemaakt.

Zegt nu de Apostel van Melchizédek: hij blijft priester in eeuwigheid, zoo wordt daarmede niet aan den eigenlijken Melchizédek een eeuwig priesterschap of eeuwige Godheid

0 rrn.

2) dQuftoiu/tsvos. Vulgata: assimilatus. Namelijk door hetgeen do Schrift van Melchizédek zegt en door hetgeen zij niet zegt. De Apostel allegoriseert hier niet; de typologische be-teekenis van Melchizédek was hem door Ps. 110: 4 aan do hand gegevou. Wcisz, Lehrb. dor bib!. Theol. N. T. § 116. c. S. 487.

öraTomejjer , Gerof. Gol. leer. II. 8

113

-ocr page 134-

§ 5. VOORBEELDINGEN.

toogeschreven, maar het zegt: hij komt in de Schrift voor als priester zonder begin en einde, dus als beeld en vertegenwoordiger van een eeuwig priester, hij wordt als do eenige in die hoedanigheid daar zoo geheimnisvol vermeld en is even daardoor gelijk gemaakt den Zone Gods, dien eeuwigen, die zonder vader op aarde en zonder moeder in den hemel, ja naar zijne Godheid zonder alle geslachtsrekening, zonder begin en zonder einde is. Want Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in dor eeuwigheid, Hebr. 13: 8,

David en Salomo i). Niet in alle opzichten waren zij voorbeelden van Christus , maar in hunne hoedanigheid als koningen over Gods volk. En wel David als krijgs-voerend koning, strijdend en overwinnend; Salomoals vredevorst (Ps. 72) en tempelbouwer en als wijsheidsleeraar en regeerder in heerlijkheid.

Jonas. Jezus zelf heeft gesproken Luc. 11: 29; Dit is een boos geslacht, het verzoekt een teeken en hetzelve zal geen teeken gegeven worden dan het teeken van Jonas den Profeet. 30. Want gelijk Jonas den Ninevieten een teeken geweest is, alzoo zal ook de Zoon des mens oh en zijn

\') Hengstenberg, Christol. dos A. T. I. l.S. 93. 129. Waarin David oen voorbeeld van Christus is geweest, schetst uitvoerig Itoos, Einleitung in die bibl. Gesch. II. § 3C7. En waarin niet Dezelfde, § 405 fl\'. Zelfs wordt Christus David genoemd, Je-rem. 30 : 9.

5) Hengstenberg, Commentar iiber dio Psalmen III. S. 271 zu Ps. 72. Stier, Reden des Herrn Jesu II. S. 55 , zu Matth. 12 : 42 : die Vorgleichung mit Salomo setzt eine typische I3e-ziehung der Person, Herrschaft, Weisheit und Horrlichkeit Sa-lomonis, alles dessen was ihn als Salomo cbarakterisirt, auf Christum voraus.

114

-ocr page 135-

§ 5. VOOUDEELDINGEN,

dit geslacht. Namelijk door zijne opstanding ten derde dage. Matth. 12 : 40 : Want gelijk Jonas drie dagen en drie nachten was in den buik van den walvisch, alzoo zal de Zoon des menschen drie dagen en drie nachten wezen in het hart der aarde. Do buik van den „grooten vischquot; (Jon. 1 : 17) was Jor a\'s graf. Dat hij daarin was, was voor anderen nog geen teehen van zijne Goddelijke zending, evenmin als Jezus\' dood en begraving. Maar dat Jonas er niet in bleef, dat hij er alleenlijk drie dagen en drie nachten in was en er levend uitkwam, dat was een teeken. Zoo zou het ook met Jezus zijn. Dat hij slechts drie dagen en drie nachten in het graf was en er dan levend uit opkwam, dit was het eenige teeken hetwelk na alle vorige teekenen nog aan het boos en overspelig geslacht zou worden gegeven. Uit dat teeken moest de waarheid zijner leere blijken, inzonderheid dat Hij de Messias en de eeniggeboren Zone Gods was. Aan zijnen kruisdood twijfelden ook Kajafas en Pilatus niet. Maar op zijne opstanding kwam het aan: Indien gij met uwen mond zult belijden den Heer Jezus en met uw hart gelooven dat God hem uit de dooden opgewekt heeft, zoo zult gij zalig worden , Rom. 10 : 9 gt;).

Gebeurtenissen. Abrahams opoffering van Izaük, Gen.

\') M. F. Roos, Die Lohro tmd Lebonsgeschiehto dos Sohnos Gottes. Tubing. 1847. I. § 247.

Voor volon is het boek Jona geen historie maar verdicht verhaal , schipporsvertelsel, mythus, fabel, of allegorie, zinnebeeld. Maar Christus zelf beschouwt en bezegelt het herhaaldelijk als ware en werkelijke geschiedenis, even zoo werkelijk als het komen dor koningin van het Zuiden tot Salomo, hetwelk Hij er op óéne lijn bij stelt. Zoo te recht E. Nügclshach iu Herzogs Real- Encykl. VI. p. 792, u, d. W. Jona, Prophet. Richter, Erklttrte Hansbibol IV. Einleit. zn Jona, S, 934 f. Reeds door

115

-ocr page 136-

§ 5. VOORBEELDINGKN.

22 : 1 vv. wees van verre heen op de overgeving van Gods Zoon. Hetgeen van Abraham geëischt werd en wat deze ook wilde, maar toch niet zou doen (geen menschenoffer; God eischte het om \'t met nadruk te weigeren), dat wilde God zelf doen en Hij heeft het gedaan : die ook zijnen eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft hem voor ons allen overgegeven, Rom. 8 : 32 , waarbij de Apostel ongetwijfeld gedacht heeft aan hetgeen de Heere tot Abraham sprak Gen. 22: 16: dat gij uwen Zoon, uwen eenige , niet onthouden hehti). En Hebr. 11: 19 noemt de Apostel het eene gelijkenis: Door het geloof heeft Abraham — zijnen eeniggeborenen geofferd — overleggende dat God machtig was [hem] ook uit de dooden te verwekken, waaruit (namelijk uit de dooden) hij hem ook hij gelijkenisquot;1) wedergekregen heeft. Niet alleen dat Abraham Izaiik wederkreeg, maar do nadruk ligt hierop dat hij hem hij gelijkenis weer ontving. Niet slechts dat dit gelijksoortig was met eene herleving, een soort

dat Jezus zegt Matth. 12 : 40 : « ?■ tt f p yv (Lnc. 11: 30 : kxOcos éysvsTo) \'lavxi;, otirw? s v t a i \'o vios tov xvópcoTrou is do aan do waarachtige geschiedonis dos Hoeren beantwoordende even-zoo werkelijke waarachtigheid van hot aangaande den Profoet verhaalde bewezen. Stier, Roden Josu II. S. 55, zu Matt.h. 12 : 41, 42.

\') Rom. 8; 32: toü (§/ou ukïi oüx. êCpsitrxTO. Gon. 22: 16 LXX : ovy, êtpeiva toïi ulcü kvtov.

2) sv Trxpxfio/.y. Dit wordt zoer verschillend verklaard, gelijk mon zien kan bij Lünemann, Kommentar Z. d. St. Ongetwijfeld is het op te vatton in denzelfden zin als Hebr. 9: 9. Cremer, Bibl.-thcol. Wörtorb. S. 124 f. En aangaande hot typische: Heim, Bibelstunden I. S. 291. Stier, Brief an die Hebraür II. S. 165.

116

-ocr page 137-

§ 5. VOORBEELDINGEN.

van opstanding uit de dooden. Dat is te weinig bij dat hoog geloof, dat de Apostel vooraf van Abraham roomt. Abraham zag er meer in: het zeide hem meer, het was hem eene gelijkenis en voorteeken van iets hooyers, een onderpand van zijne inessiaansche hope, die hij uitdrukte in dit geloofswoord: de Heere zal het voorzien, Gen. 22 : 14 en die de Heere hem aanstonds daarop op nieuw bevestigde, Gen. 22 : 16 — 18, Hier zag Abraham met het oog des geloofs klaarlijk den Verlosser van verre, zag afgebeeld zijn sterven en opstaan, om den zegen tot de volken te brengen. Hier heeft Hij zijnen dag gezien en is verblijd geweest, Joh. 8 : 56. En hierin erkennen wij de ware, diepe bron van Abrahams geestkracht en vastheid.

De verhooging der slang in de woestijn. Num. 21:9; En Mazes maakte eene koperen slang en stelde ze op eene steng; en het geschiedde, als eene slang iemand beet, zoo zag hij de koperen slang aan en hij bleef levend. Hiervan sprak Jezus tot Nicodemus Joh. 3 : 14: Gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzoo moet de Zoon des mensehen verhoogd worden: 15. Opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. De opgehangene slang eene voor-beelding van den gekruisigden Zaligmaker; door het zien op do slang lichamelijke genezing der gebetenen, door het geloof in Christus het eeuwige leven. Een gene-zene kon nog weer op nieuw worden gebeten, maar van iedere nieuwe vQrwonding werd ook op nieuw heeling verkregen door op nieuw op de koperen slang te zien. Er wordt immers niet gezegd, dat de vurige slangen aanstonds zijn verdelgd geworden, maar dat aan haren

117

-ocr page 138-

§ 5. VOORBEELDINGEN.

beet de doodelijke kracht is ontnomen. „Ook hierin ligt eene voorbeeldende beteekenisquot;\') namelijk hoe het bij Gods volk hier steeds zijn zal: nog gedurig nieuwe aanvallen en wonden door de zonde, maar ook wederoprichting door het zien op Christus, die aan het kruis den vloek der zonde droeg.

Instellingen des Ouden Verbonds , inzonderheid offeranden. Het waren schaduwen, die op Christus en op zijn werk en weldaden vooruit wezen, door wiens komst zij ook een einde hebben.

Aldus de voorschriften van spijzen en tijden. Kol. 2 : 16: Dat u dan niemand oordeele in spijs of in drank of in het stuk des feest [dag s] of der nieuwe maan of der sah-balen. 17. Welke zijn eene schaduw der toekomende dingen, maar het lichaam is van Christus. De Apostel zegt niet: het lichaam is Christus, maar het lichaam is van Ghrisius*)\'. het ware wezen van deze instellingen, van de jaar-, maanden weekfeesten des O. V. is het werk van Christus : \'tis de dienst van God in Geest en waarheid in het waarachtige Godsrijk hetwelk Hij zou vestigen.

Offeranden. Al de offeranden des O. V. zouden ijdelhe-den geweest zijn en schijnvertooningen zonder hare betrek-

\') Von Gerlach zu Num. 21; 9. Stier, lieden dos Herrn Jesu , zu Joh. 3 ; 14, 15 : — der Herr bestlltigt mit seiner Deu-tung abermals, dasz die Typologie und Typik einen wohlbe-rechtigten Grund hat. Denn dios xizöw? Joh. 3: 14 wie das Matth. 12 : 40 und alles Aohnliche in Chrlsti wie dei-Apostel Mund ist koine willklihrliche, weise benutzende Verglei-chung nur , sondern gibt wirkliche Deutung und Autschlioszung dor Schrift. Gelder, Thool. dos A. T, I. S. 118 f. erkent toch ook hot typische.

*) OC STTI 7Kiy TUV l/,SM.ÓVTUV , TO Ss 7C0[jCX TOU^XfiiTTOU.

118

-ocr page 139-

§ 5. VOORBEELDINGKN,

king tot het offer van Christus. Hierdoor waren zij krachtig lt;)• Hobr- 10: 1: Want de wet (het Oude Verbond), hebbende eene schaduw (als de schaduwteekening van een schilder, het eerste ruwe ontwerp , bestaande in enkele liniën en trekken) der toekomende goederen (der geestelijke weldaden, vergeving der zonden en heiligmaking door de offerande van Christus aan het kruis en door zijnen ingang in den hemel aangebracht), niet het beeld zelf (de ware gedaante en volledige openbaring) der zaken (dezer toekomende goederen) , kan met dezelfde offeranden die zij (de Hoogepriester en de mededienende priesters en door dezen het volk Israël) alle jaar (op den verzoendag en ook dagelijks) geduriglijk opofferen, nimmermeer heiligen (uit den ellendigen zondenstaat uitbrengen tot den staat van reinheid en zaligheid) degenen die daar toegaan (namelijk tot God in het heiligdom: de Hoogepriester, de priesters en door deze middelaars het volk). Al de offeranden waren voorteekenen van het offer des Zoons Gods,

Inzonderheid het Pascha. Christus is het ware, tegen-beeldige paaschlam, Joh. 19: 36: geen been van Hem verbroken. Paulus houdt dit den Christenen voor en grondt er de vermaning op om zich te reinigen , 1 Kor. 5:7; Zuivert dan den ouden zuurdeesem uit, opdat gij een nieuw deeg zijn moogt, gelijk gij ongezuurd zijt. Want ook ons Pascha is voor ons geslacht, [namelijk] Christus. Gewichtig! Het Pascha was een offer1). Men heeft ge-

119

1

Kurtz, Gescb. des A. B. II. S. 119. Dezelfde, Dor alt-testamentl. Opforcultus 1862. S. 382 lï.

-ocr page 140-

§ 5. VOOHBEEI^DINGEN.

vraagd, tot welke soort van de offeranden het moet gerekend worden \'). Men moet hierbij wel opmerken, dat het reeds in Egypte ingesteld werd, toen de Heere het volk opnam , de eerste der door God voor Israël verordende offeranden , de kiem van alle overige, hare eigenaardigheden saam in zich behelzende: plaatsbekleedend zoenoffer en dankoffer te gader, door alle Israëlieten, ook den geringsten, gebracht en genoten1).

§ 6. Ook de tijd voorspeld-

Ook de tijd van \'s Verlossers verschijning werd van te voren kennelijk aangeduid. Hij zou komen:

1. wanneer de schetter nog bij Juda was. NaarJakobs voorzegging 3) Gen. 49: 10: De schepter zal van Judo, niet wijken noch de Wetgever van tusschen zijne voeten, totdat Silo komt en denzelven zullen de volken gehoorzaam zijn. De schepter was het teeken van den wetgevenden en regeerenden bevelhebber. Tusschen zijne voeten bevindt zich de lange heerschersstaf, wanneer de vorst in plechtige vergadering daarstaat of gezeten is.

Silo (Schiloh) beteekent rust, vrede *). Jakob spreekt

120

1

S. 549.

\'2) Olshausen, Bibl. Commontar II. S. 411 zu Matth. 26; 17. Stier, Eoden dos Hornn Josu VI. S. 86. (Einsetzung des Abond-mahles).

^ Zio bovon § 3 bl. 107 v.

4) wordt zoor veischillond verklaard. SommigeD ver

2

klaren het : zijn zoon , hotwolk ook Calvijn en onze Kantteeke-naars niet afkeuren , volgens welken het eigenlijk zou botee-keuon: uiombrana foetum obvolvens en dan gezegd zou zijn

-ocr page 141-

§ 6. OOK DE TIJD VOOKSi\'ELD.

hier openbaarlijk van een Persoon, want hij zegt: denzel-ven zullen de volken gehoorzaam zijn. Er wordt dan een Persoon aangeduid , die de rust en vrede zelve is en die hetgeen Hij zelf heeft en geniet ook aan anderen schenkt. Dat is de zegengever, aan Abraham beloofd, de Messias, van wien ook Micha 5 : 4 profeteert: deze zal vrede zijn.

Hier wordt dus voorspeld : de stam Juda zou tot in den tijd van de komst des Verlossers zijne nationale zelfstandigheid niet (wel soms tusschenbeide, maar althans niet duurzaam) verliezen. De geschiedenis bevestigt deze voorzegging op eene in het oog vallende wijze. Terwijl de Tien stammen na hunne wegvoering in de ballingschap hunne zelfstandigheid niet weer verkregen, keerde de stam Juda weder, gaf aan alle wedergekeerden ook uit de andere stammen zijnen naam „Jodenquot; (Judeërs) en bestond met Hoogen Raad en tempel, in de wettige hoofdstad Jeruzalem, nog in den tijd toen Christus kwam. Het kon dan ook bewezen worden (Matth. 1 : 1 —16), dat onze Heere uit Juda is gesproten.

2. Wanneer de Zeventig weken Daniels ten einde liepen.

pro ipso foetu. Genoegzaam wederlegd door Hengstenbenj, Christol. des A. T. 1829 I. S. 64 f.

beteekent ongetwijfeld rust, vrede en is afgeleid van

qaievit, rustiff, zeker zijn. Hier van een Persoon, den

T T

Messias, abstr. pro conoreto. Aldus ook De Moor, Commentar. in Marck. III. p. 467. Ook de nieuwere uitgevers van Gesenius, Hebr. Wörterb. (1878) u. d. W. en plVt!\' houden dit

T T

Schiloh bepaald voor een eigennaam, lateu echter onbeslist of het de naam van de stad (eerst in volgende tijden bekend) in het midden van .Kanaiin, lang sUndplaats van den Tabernakel , of wel persoonsnaam van den Messias, in dezen zin: dass Juda das Regiment führen werde bis dass der Euhobringer er-scheiue, welchem der Gehorsam der Volker zufallen werde. Ook

121

-ocr page 142-

§ 6. OOK Uii TIJD VOOUSPELD.

De Engel Gabriel brengt uit den hemel den Profeet op diens gebed deze blijde boodschap Dan. 9: 24 : Zeventiy weken zijn bestemd over uw volk en over uwe heilige stad, om de overtreding te sluiten en om de zonden te verzegelen en om de ongerechtigheid te verzoenen en om eene eeuwige gerechtigheid aan te brengen en om hel gezichte en den Profeet te verzegelen en om de heiligheid der heiligheden te zalven. 25. Weet dan en versta: van den uitgang des woords om te doen wederkeeren en om Jeruzalem te bouwen tot op Messias den Vorst zijn zeven weken en tweeënzestiy weken: de straten en de grachten zullen wederom gebouwd worden , doch in benauwdheid der tijden. 26. En na die tweeënzestig weken zal de Messias uitgeroeid worden , maar het zal niet voor Hemzelven zijn en een volk des Vorsten , \'t welk komen zal, zal de stad en het heiligdom verderven.

De weken zijn jaarweken, iedere van zeven jaren (Lev. 25 : 8. Tot vergoeding voor de 70 jaren , in welke het volk balling was en stad en tempel verwoest lagen, wilde

Winer , Lex. Simonis s. v. zogt , bij vormolding van vorschil-lendo opvattiiigon: sed magis placet eovum intorpretatio, qui de tranquillitatis aurea auctore i. o. do Mossia dictum

pntant. Hengstenberg , Christol. der A. T. I. 1. S. 67 ff.: dor Boruhigur, dor Friedebringer , Dieso Erklürung hat durchaus Nichts gogen sich und Alles füi sich. Hetwelk hij aldaar uitvoerig bewijst, zoowel taalkundig wat don vorm dezes woords als zakelijk wat do boteekenis betreft.

Anders Kurtz, (jesch. dos A. B. I. S. 321—333, die er beslist togon opkomt, dass Jakob bei soinem Segonsspruche boroits an einon persünlichen Messias gedacht habo, S. 329 en uitlegt; bis er (Judah) gelangt zur lluhe. Zoo ook Gelder, ïhool. des A. T. 11. S. 255. Vorgol. hierboven bl, lOö.

122

-ocr page 143-

§ 6. OOK DE TIJD VOOUSPELU. 123

dc Heere hun een nieuw bestaan geven gedurende 70 jaarweken, 70 maal 7 dus 490 jaren, het zevenvoudige van de 70 ballingsjaren. Met het einde van dat tijdperk zou Gods goedheid aan hen nog niet eindigen , veelmeer dan zou het groote werk der verlossing en de aanbrenging van al die heilsgoederen geschieden, die de Profeten tevoren hadden verkondigd.

Maar waar is de aanvang, waar het einde der 490 jaren ? Naar de grondigste onderzoekers i) beginnen zij met het bevel om Jeruzalem te herbouwen , dus met de overkomst van Nehemia in het 20ste jaar des Konings Artaxerxes (Neh. 2:1), 455 v. G.

Vandaar tot op den Messias eerst 7 weken , 49 jaren, tot op den voltooiden herbouw van Jeruzalem, 406 v. G. en dan nog 62 weken, 434 jaren. Te zamen 483 jaren. Dit brengt ons tot in het 28ste jaar na Christus\' geboorte, dus , ook bij erkenning dat de gewone jaartelling Ghristus\' geboorte een paar jaren te laat stelt, in allen gevalle zoo na mogelijk aan den tgd in welken de Verlosser gezalfd is „met den Heiligen Geesi (bij zijnen doop) om Hem als in te wijden en te bereiden tot in zijn zaligmakend

ambtquot; (Kantteek,)

Na die (7 jaarweken en) 62 jaarweken volgt de uitroeiing, de gewelddadige terdoodbrenging van den Messias. En daarna komt het volk des Vorsten, de Romei-

\') Bovoual Heiifislenberg, Dio siobenzig Wochcu Daaiüls. In üijno Christol. dos A. T. 1832. III. S. 401 ff. Van Dditzsch iu Horzogs Eeal-Euuykl. III. S. 284 u. d. W. Daniel nomen wij gaarno althans dit woord ovor: Das Zougnisz des Hoiin Matth. 2-1: 15 gilt auch uns als hoiligo Gowühr fttr den pro-photisuhon Karakter dos Baches Daniol,

-ocr page 144-

§ 6. OOK DE TIJD VOOnSPELD.

nen met Titus, om eindelijk Jeruzalem te verwoesten.

Dus een profetie van den wederopbouw dor muren Je-ruzalems tot op den laatsten ondergang der stad; eene allermerkwaardigste voorzegging van Christus\' komst, van zijn verzoeningswerk, van zijne verwerping door de Joden en van het Goddelijke strafgericht over hen, zoo duidelijk dat het ons moet verbazen.

3. Terwijl de tweede tempel nog stond. De eerste tempel was die , „welken Salomo getimmerd heeftquot; fKant-teek. Hagg. 2 : 4) , de tweede die na de wederkeering uit de ballingschap werd gebouwd en later wel door Herodes voor en na geheel werd vernieuwd maar toch de tweede was en genoemd werd i) In het jaar 70 n. G. werd deze door de Romeinen verwoest en sinds hebben de Joden geenen tempel meer. IJdel is dus hunne verwachting dat de Messias nog komen zal. Want 11 ij moest komen tot zijnen tempel.

Naar de voorzegging Hagg. 2: 8 : Ja ik zal al de Heidenen doen beven en zij zullen komen tot den wensch aller Heidenen1) en ik zal dit huis met heerlijkheid vervullen ,

m

1

) mon isai. Onze Staten-Over zetters ver-

- T - : V T

meldou en laten ook toe eene andere vertaling; dan zullen komen de gewensnhte aller Heidenen, »d. i. mijne uitverkorene, miine lieve en aangename kinderen uit allo volkeren en natiën zullen tot mij komen en in mij gelooven.quot; Dit kan. Namelijk komen: zij met hunne schatten, om zich en al het hunne Gode ten offer te brengen. Zoo ook Calvijn. Letterlijk: komen zullen ze , de kostelijkheid aller Heidenen. LXX; \'fêet tx êxhsiitx ttixvtuv tüv èóvüv. Hengstenberg, vertaalt: und es kommt die Schone (d. i. schoonheid) aller Heidenen en hij staaft dit uitvoerig, Christol. des A. T. III. S. 352 if.

-ocr page 145-

§ 6. OOK OE TIJD VOORSPELD.

zegt de Heere der heirscharen. 9. Mijn is het zilver en mijn is het goud; spreekt de Heere der heirscharen. \\Q. De heerlijkheid dezes laatsten huizes zal grooter worden dan des eersten, zegt de Heere der heirscharen en in dezen plaatse zal ik vrede geven , spreekt de Heere der heirscharen.

Be heerlijkheid des huizes is de genadevolle tegenwoordigheid en inwoning Gods met hare gezegende werkingen. Daardoor wordt het huis eene plaats der aanbidding voor alle volken. Al ziet deze profetie niet alleen op het uitwendige steenen gebouw, maar vandaar verder uit op do Kerke Gods1), zoo gaat zij toch uit van dat eigenlijke huis, hetwelk men toen bouwde. En werkelijk is de heerlijkheid van dezen tweeden tempel grooter geworden dan die des eersten doordat de Zone Gods, in wien al de volheid der Godheid lichamelijk woont (Kol. 2: 9), in dezen is verschonen. Toen was het: meer dan Salomo is hier , Matth. 12 : 45.

Nog duidelijker Mal. 3:1: Zie, ik zend mijnen Engel, die voor mijn aangezichte den weg bereiden zal, en snellijk zal tot zijnen tempel komen die Heere dien gijlieden zoekt, te weten , de Engel des verhonds, aan denwelken gij hist hebt; zie Hij komt, zegt de Heere der Heirscharen (Jehovah Sebaoth).

De wegbereidende Engel is de Dooper Johannes, naar Jezus\' eigene verklaring Matth. 11: 10. Dan komt de Heere (A.dón), de Verhondsengel. Do naam Heere2) botoo-

125

1

) Adon met het artikel, ïr God. Zie Hengsten

berg , Ohristol. dos A. T. III. S. 405 , tegen Socinus.

-ocr page 146-

126 § G. OOK DE TIJD VOORSPKLD.

kent zijne Godheid, de naam Verhondsengel zijn ambt. De tempel Jehovahs (waar de Priesters en de Levieten zijn , v. 3) is zijn tempel. Deze Verhondsengel is Jezus Christus. Hij kwam tot zijnen tempel eerst nederig als kind , op de armen gedragen , dan , twaalf jaren oud , in het midden der leeraren gezeten, allen verbazende door zijn verstand en antwoorden\'), daarna herhaaldelijk als Profeet, door priesters en schriftgeleerden weersproken. Doch reeds uit Simeons voorzegging (Luc. 2) en vervolgens uit al zijne woorden en daden (Joh 2 : 15 enz.) bleek dat Hij de Heer des tempels was en zijne komst in nederigheid was de voorbereiding van zyne komst in heerlijkheid. Maleachi\'s voorzegging werd dus vervuld door de verschijning van Christus , in wien de Engel des Heeren, de Logos , vleesch werd, doch in onafscheidelijk verband met de daarop volgende en nog voortgaande openbaring zijner heerlijkheid. Want „de verschijning van Christus in nederigheid sluit als kiem alles in zich, wat Hij in den staat der verhooging zegenende en straffende volbracht en nog volbrengtquot;1).

§ 7. Jezus de Messias.

Vragen wij : wie is de ware Messias en Verlosser die alles vervulde ? De Jood zegt: niemand, hij moet nog komen. Maar de Christen antwoordt: Dat is Jezus, van Maria uit den zade Davids te Bethlehem geboren, de in hol vleesch

1

) Hengtcnhevg, Christologie dos A. T. (1835). IIT. S. 408.

-ocr page 147-

§ 7. JEZUS DE MESSIAS.

geopenbaarde Zoon Gods, in wien al de beloften Gocls ja en amen zijn.

En waaruit weten wij dat ? Vit het heilig Evangelie, hetwelk God zelf eerstelijk in het paradijs geopenbaard heeft en namaals door de heilige Patriarchen en Profeten laten verkondigen en door de offeranden en andere ceremoniën der Wet laten voorheelden en ten laatste door zijnen eenig-gehoren Zoon vervuld. Heidelh. Catech. Vr. 19.

Evangelie is de verblijdende getuigenis Gods van zijne genade, de heilsleer, de aankondiging van den Verlosser. De vier eerste boeken des Nieuwen Testaments worden bij uitnemendheid de Evangeliën genoemd , omdat zij de berichten van \'s Verlossers geboorte, leven, redenen, werken , lijden , sterven, opstanding en hemelvaart behelzen. Maar het Evangelie, de Goddelijke openbaring van den Verlosser is als een gouden draad door geheel de Heilige Schrift verspreid.

Reeds in het paradijs deed God het hooren. Aan en door de aartsvaderen, de eerste vaderen en hoofden der heilige geslachten werd het verkondigd.

Onder de bedeeling der Wet had het zijnen voortgang. De Wet kon de belofte niet wegnemen maar zag en wees zelve op den Verlosser als haar einde. De offeranden en de reinigmakingen des vleesches , door de Mozaïsche Wet voorgeschreven beeldden de waarachtige reinigmaking van de zonde af.

En onder die bedeeling werd het Evangelie , de belofte van den Verlossey al duidelijker verkondigd door de Profeten , menschen Gods welke gedreven zynde door den Heiligen Geest gesproken bobben.

De Profeet Mozos zelf verkondigde Hom als den grooten

127

-ocr page 148-

§ 7. JEZUS DE MESSIAS.

Profeet. Koning David bezong Hem als Koning, maar ook als den Hoogepriestor naar de ordening Melchizédeks. En al de Profeten getuigden van Hem.

Zij zeiden, Hij zou de Heere ome gerechtigheid genoemd worden en na zijne verschijning onder de menschen zou men tot de steden van Juda kunnen zeggen: ziet hier is uw God. — Zijne geboorte te Bethlehem uit eene maagd zou nederig zijn, zijne gedaante geringschijnend , zijne leer en wijze van doen voor velen aanstootelijk, zijn lijden zwaar en zijn dood smadelijk. — Na zijnen dood zou zijne ziel niet in de helle worden gelaten en zijn heilig lichaam zou geene verderving zien. Hij zou weder leven, triom-feerende ten hemel varen, ter rechterhand Gods zitten en eeuwig Priester en Koning zijn op zijnen troon.

Dit was het goede pand der leere van\'den Verlosser, hetwelk den volke Israels toebetrouwd doch niet bij alle Israëlieten getrouw bewaard werd. De allermeesten bleven aan den naam Koning hangen en verwachtten Hem in een wereldschen zin. De getuigenissen van zijne Goddelijke natuur, van zijn priesterschap en geestelijk koninkrijk zagen zij voorbij en vormden zich een denkbeeld van den Messias geheel strijdig tegen de Schrift, waarom zij Hem, toen Hij kwam, niet voor den beloofden konden erkennen.

Hij kwam, de Zoon Gods kwam in de wereld. Hij behoorde niet tot de wereld maar Hij kwam in de wereld.

Hij verscheen nauwkeurig zoo als Hem de Profeten beschreven hadden. De profetische aanduidingen van plaats, wijze en tijd zijner geboorte, en de voorzeggingen van zijn leven , lijden , dood , opstanding en hemelvaart zyn in Hem zoo kennelijk vervuld geworden dat de te-

128

-ocr page 149-

§ 7. JEZUS DE MESSIAS.

genspraak der Joden slechts van hunne verblinding getuigt i).

2 Kor. 1 : 20 ; Want zoo vele beloften Gods als er zijn, die zijn in Hem ja en zijn in Hem amen, Gode tot heerlijkheid door onsquot;1). Christus heeft alle beloften Gods deels zelf in zich vervuld deels, is Hij borg voor hare vervulling in zijn volk. Hij is het volle Ja van al wat God ooit heeft beloofd, zonder voorbehoud van eenig Neen. En alle geloovigen zeggen er ook amen op.

Hij zelf verklaarde na zijne opstanding aan zijne discipelen Luc. 24 : 44: dit zijn do woorden, die ik tot u sprak , als ik nog met u was, [namelijk] dat hot alles

\') M. F. Roos Christl. Glanbons-Lohvo. S. 107 f. P. Van Mastricht, Godgel. II. p. 425 v. Joh. March, Compend. Cap. XVIII. § 8 sqq. De Moor, Commoutar. III. p. 465. Frid. Spanhem. Controversial-. Elcnchus. 1094. p. 566 sbq. Campeg. Vitringa, Doctrina Christianao Relig. Ed. Soxta. Pars. V. p. 17 sqq. Wol naar waarheid zegt Hengstenherg, Christol. dos A. T. III. S. 369 : Der moderne Unglauhe unter den Juden ist nur eine Offenharung des schon früher unbewnsst vorhandenen. — Athcismus ist das Ziel, dom das neuere Judenthum rasch entge-geneilt. Dit schreef deze Godgeleerde ao. 1835; sedert heeft het zich maar al to zeer bevestigd.

2) In plaats van : en zijn in Hem amen, Gode tot heerlijkheid door ons schijnt eene andere lezing naar uitnemende handschriften do voorkeur te verdienen , namelijk: y.x) oi\' xvtoü to xiaw tSgt; (sq yrphs §/\' yftüv, daarom (is hot) ook door

Hem (door Christus , ten gevolge van zijn werk en verdienste , dat op do verkondiging dor beloften Gods) het amen (gezegd wordt) Gode tot heerlijkheid door ons. Hetwelk ziet op het amen-zeggon dor vergaderde gemeente na prediking en gebed dos voorgangers ten bewijze van hare toestemming en van haar geloof.

öravemeüer , Gorof. Gol. loor. II. 0

129

-ocr page 150-

130 § 8. GOD EN MENSOH.

moest vervuld ivorden icat van mij geschreven is in de Wet van Mazes en Profeten en Psalmen.

§ 8. God en mensoh.

Vragen wij, hoedanig een Persoon de Verlosser is, zoo geeft de Heilige Sclirilt ons een antwoord dat ons verbazen moet. Naar de Schrift is Christus 1 , God en 2, mensch, 3, in één Persoon. Hoe onbegrijpelijk het ook zij, de Schrift leert het duidelijk. Zij doet dat, waar zij de cjroote ver-borgenheid der godzaligheid uitroept: God \') is geopenbaard in het vleesch ! 1 Tim. 3 : 16. Daar hebben wij immers drieërlei: vooreerst God, ten tweede vleesch (mensch-heid), ten derde de vereeniging: God in het vleesch.

Dat spreekt ook Paulus uit, waar hij voor nietig verklaart alle leering der menschen , die niet is naar Christus : Want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk , Kol. 2:9. 1 , De Godheid, niet slechts Goddelijkheid maar de Godheidquot;1) , en wel al de volheid der Godheid , d. i. de heerlijkheid Gods met al zijne wezenlijke eigenschappen en krachten , „namelijk de Godheid des Zoonsquot; (Kantteek.) 2 , De menschheid. Deze is aangeduid door lichamelijkquot; »), op lichamelijke wijze. Het lichaam is het middel voor de verschijning en betooning

1

\') Dit blijft do zin ook bij do lozing 09 in plaats van (tsis. Zio Vierde Hoofdstuk § 29. bl. 525.

-ocr page 151-

§ 8. GOD EN MENSCH.

cles menschelijken levens en is met zijne leden het werktuig der ziel. Het zegt dus: dat in Christus de volheid der Godheid zich in eene menschelijke lichamelijkheid vertoont. 3 , En wel door persoonlijke vereeniging niet door voorbijgaande invloeden en inwerkingen, maar door altoos durende inwoning , in een bezield lichaam, dat aan geen anderen persoon behoort maar zijn eigen is.

Als God en mensch in één Persoon wordt de Verlosser, om van de vele getuigenissen nog maar één te noemen , ook bijzonder geteekend Rom. 9:5: welker (der Israëlieten) zijn de vaders en uit welken Christus (één Persoon) is zooveel het vleesch (zijne menschheid) aangaat, dewelke is God boven allen te prijzen in der eeuwigheid i).

Dit heilgeheim behelst alle ware wijsheid in zich. Wel blijft het voor degenen , die hun eigene wijsheid volgen , gesloten , hoe openbaar het ook door het Evangelie is , gelijk voor het blinde oog de zon op den middag niet schijnt. Maar wie dit groote Boek, Jezus Christus, God geopenbaard in het vleesch weet te bestudeeren, die vindt alle kennis daarin. De ootmoed doet dit boek open, het geloof leest het en de liefde verstaat liet. Alle menschenwijsheid , iedere philosophie , die niet „de verborgenheid van den Godmenschquot; ten grondslag barer navorschingen legt, was en is steeds „ijdele verleidingquot; (Kol. 2: 8)2).

De Verlosser is dan God en mensch in één Persoon» Godmensch3). En dat moest Hij zijn , geen ander kon

\') Ovov Rom. 9: 5 zie Vierde Hoofdstuk § 29 bl. 525.

2) Von Gerlach zn Kol. 2 : 3, 8.

3) QsxvQpuTTOS. De Moor , Commcntar. III. p. 453.

131

-ocr page 152-

§ 9. WAAROM GEEN SCHEPSEL.

de Verlosser wezen. Ileidelb. Catech. Vr. 15—17 i). En waartoe dit herinnerd ? Om alle eigene wegen af te snijden , opdat Christus alles en in allen zij (Kol. 3: 11.)

§ 9. Waarom geen schepsel.

Een schepsel kon de Verlosser niet zijn.

1. Geen mensch of Engel kon voor anderen en dat voor zoo velen de Goddelijke Wet vervullen, de schuld betalen en de eeuwige zaligheid verwerven en mededeelen.

God tvil, dat zijner gerechtigheid genoeg geschiede. Hei-delb. Cat. Vr. 12.

Hij eischt volkomene gehoorzaamheid aan zijne Wel. De heilige God blijft deze gehoorzaamheid eischen, schoon de mensch onmachtig is en zondig in al zijne wegen.

Aangaande den overtreder eischt het Recht, dat hij den vloek, den dood , de straf onderga, bij de Wet gedreigd.

132

Hieraan moet voldaan worden. Do noodzakelijkheid van deze voldoening is gegrond in het Wezen Gods: Hy is heilig en rechtvaardig; in den aard der Wet: deze is niet slechts een goede raad, maar uitdrukking van Gods eeuwigen wil; in de hooge betrekking, waarin God tol den mensch staal: Hij is onze Schepper, Onderhouder; Regeerder en als zoodanig de opperste Wetgever en hoogste Rechter.

\') Prof. Doedes, Do Heidelb. Catooh. p. 89 hoeft bezwaar togen dit voorstel vau den Catechismus als die schijnbaar a priori on in ahstracto , buiten do Schriften om, vooraf vaststelt, wat voor oon Middelaar en Verlosser wij moeten zoeken. Intusschen 1. do verlossing heeft hare noodzakelijke premissen. 2. A. priore zyn ook de voorzeggingen. 3. Het schijnbaar abstracte is gebaseerd op do werkelijkheid: zooals de Verlosser w, Hjj zjj a

-ocr page 153-

§ 9. WAAROM GEEN SCHEPSEL. 133

Als menschen, als redelijke schepselen Gods zijn wij gehoorzaamheid schuldig, als afgevallene menschen , als zondaren hebben wij de straf verdiend. Dat is het Recht Gods aan hetwelk voldaan, dat is de schuld die betaald worden moet.

Niet gelijk als wanneer een mensch door een ander be-lofidigd of verongelijkt is: die kan van zijn recht afstaan, want hij heeft eenen meerdere, aan wien hij het kan overgeven. Ook niet gelijk als bij geldschulden: de mensche-lijke schuldheer kan de schuld kwijtschelden, zoo hij wil, of voor eene groote som een klein deel aannemen.

Maar God is Rechter en de schulden zijn crimineele schulden. De Rechter moet het Recht, de justitie handhaven. Op welke wijze, dit staat bij hem. Maar het recht niet handhaven , dat zou zijn van den troon aftreden , dan zou Hij zich zeiven verloochenen, hetwelk Hij niet kan, (2 Tim. 2: 13.) quot;)•

Het was de taak des Verlossers, als Middelaar en plaats-bekleeder voor den zondigen en strafschuldigen mensch te voldoen.

Dat kon geen schepsel\'1),

a. Een mensch kon niet voor anderen voldoen. Want hij kan het niet eens voor zich zeiven. Noch door gehoorzaamheid noch door lijden.

x. Niet voor zich zeiven. Door gehoorzaamheid niet. Want wij zijn zondaars geboren, en maken ook de schuld nog dagelijks meerder. Ook niet door lijden. Want wat

1

) Zio Derde Hbofdstvk § 48.

-ocr page 154-

§ 9. WAAROM GEEN SCHEPSEL.

iemand in dit leven ook lijde, hij draagt er de straf niet mede af die hij verdiend heeft door zijne zonden begaan tegen de Allerhoogste Majesteit Gods. En ook lijdende zondigt hij voort en maakt zich nieuwe straffen waardig.

/3. Dus veelmin voor anderen. Hierop mogen wij toepassen wat Ps. 49 : 8, 9 gezegd wordt eigenlijk „vanhet ijdel vertrouwen der wereldsche menschen op hunnen rijkdom,quot; die daarmede zich een eeuwig leven niet kunnen verzekeren en er noch eenen anderen noch zich zeiven mee van den dood kunnen loskoopen, van den dood, de hoogste lichamelijke straf, maar waarin dan meteen dit ligt : niet loskoopen van het eeuwige verderf des lichaams en der ziel. Niemand van hen zal [zijnen] broeder immermeer hunnen verlossen: hij zal Gode zijn rantsoen (zoengeld) niet kunnen geven. Want de verlossing hunner ziele is te kostelijk en zal in eeuwigheid ophouden, achterblijven. Aldus duidt de Heere Jezus zelf dit Psalmwoord, waar Hij vraagt: zcii een mensch geven tot lossing van zijne ziel? Matth. 16: 26,

b. Geen Engel kon het. Al ware een heilige Engel des vleesches en bloeds deelachtig geworden, hij konde niet goedmaken wat de mensch verbroken heeft. Want alle schepsel, ook de hoogste Engel is voor zich zelf volkomen gehoorzaamheid verschuldigd en kan niets overtolligs doen. Wie zelf dienst moet doen, kan niet dienen voor een ander. Een mensch geworden Engel ware ook geen heer over zijn leven en konde en mocht het niet voor anderen afleggen, kon over zich zeiven niet beschikken. Vrijwillig kon hij den last niet overnemen. Gedwongen nog minder: dan geschiedde hem zeiven onrecht\'). Die plaatsbekleeder zijn

\') Da Costo, Eonigo Opmorkiugou omtrent het onderschoidond karakter dor Grron. Godgol. school 1847. bl. 41.

134

-ocr page 155-

§ 9. WAAROM GEEN SCHEPSEL,

zou, moest, kunnen zeggen, wat Jezus kon: Niemand neemt het leven van mij, maar ik leg het van mij zeiven af; ik heh macht hetzelve af te leggen en heh macht hetzelve wederom te nemen. Dit gebod heh ik van den Vader ontvangen, Joh. 10: 18.

Een eindig persoon, uit de menschen of uit de Engelen, kon zelfs niet voor één enkel zondaar voldoen, omdat de verdiende straf eene eeuwige is. Er was een Persoon noo-dig van oneindige waardigheid en machtig om zonde, dood en duivel te overwinnen, waarachtig God en waarachtig mensch.

Zoo alleen was alles wat Hij deed en leed iets waartoe Hij zelf geene de minste verplichting had. Zoo alleen kon het voor anderen zijn. Zoo kon Hij eene schuldige mensch-heid reeds in zijne geboorte, dan in zijn gehoorzaam en heilig leven en eindelijk in zijn plechtig sterven borgtochte-lijk vertegenwoordigen bij God en eene eeuwige gerechtigheid aanbrengen en mededeelen.

Ook mededeelen, teeëigenen moest Hij wat Hij verwierf. Hij moest de vrijgekochten op grond van zijne voldoening kunnen uithalen uit het huis van den sterkgewapenden, hen metterdaad vrijmaken van de macht des Satans en den dienst der zonde en hen ter zaligheid opleiden.

§ 10, Waarom geen schepsel. Vervolg.

Er is nog een gewichtige reden, waarom een geschapen wezen de Verlosser niet kon zijn. Namelijk:

De Verlossser moest voor de verlosten in alle volk, aan alle plaatsen bok het voorwerp kunnen zijn van geloof, gehoorzaamheid en aanbidding — godsdienstige eere, die aan geen schepsel, hoe hoog het zij, mag worden bewezen.

135

-ocr page 156-

13G § 14. WAAROM GEEN SCHEPSEL. VERVOLG.

Die den mensch verloste, in diens macht kwam deze. God nu had wel een reinen Engel mensch kunnen doen worden; ook had Hij een zondeloozen mensch , zonder ouders, kunnen scheppen gelijk als Hij Adam schiep; maar, indien deze had kunnen voldoen en verlossing bewerken, dan ware de verloste mensch in de macht eens Engels of eens menschen gekomen i).

Immers de verlossing kon niet zoo geschieden dat de verlosten niets meer met hunnen Verlosser na volbrenging van zijn werk te doen hadden. Hij moest voor hen overste Leidsman en voleinder des geloofs zijn, hun Herder, die niet alleen zijn leven stelde voor de schapen, maar hun ook het eeuwige leven kon geven. Hij moest de macht hebben om zijne vrijgekochten in de gemeenschap zijns levens op te nemen en hen tot diezelfde volmaaktheid op te voeren, die Hij in zijne menschelijke natuur ontvouwd heeft, om zijnen beelde gelijkvormig te worden. Hij moest het Hoofd zijn , waaruit het leven in de leden vloeit, bestuurder en behouder van geheel het groote, veelledige lichaam. Als de hoogste Profeet moest Iiy voortdurend zijn volk lee-ren, als eenig Hoogepriester haar ontzondigen en reinigen, als Koning haar beschermen en eeuwiglijk regeeren.

De verlosten moesten zijn eigendom zijn, in Hem geloo-ven, op Hem vertrouwen, in Hem roemen. Kon een schepsel waardig zijn om die eer te ontvangen ? Hij moest God zijn. Niet een Sociniaansch, geworden God; ook niet een Ariaansch-Groningsche verheven hemeling ,

1) Servus ossot ejus qui dons non osset. Ansehn. Cur Dons homo. Lib. I. cop. 5 od. Fritzsche pug. 6. Da Moor, Common-tar. III. p. 452.

-ocr page 157-

§ 10. WAAROM GEEN SCHEPSEL. VERVOLG. 137

maar wezenlijk en van nature God en op dien grond aanbiddelijk. Zooals in waarheid onze Jezus is : God ye-openhaard in het vleesch 1 Tim. 3: 1(5; diep vernederd maar daarna met zijne menschheid als Middelaar verhoogd. Opdat in den naam van Jezus zich zoude huigen alle knie der-genen die in den hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn \'). En alle tong zoude belijden dat Jezus Christus de Heere zij tot heerlijkheid Gods des Vaders, Fil. 2 : 10,, 11.

§ 11. Niet het Goddelijke Wezen.

Christus is niet het Goddelijke Wezen zelf. Niet het

1) STrovpxvioi on STriysioi on y.XTXXÖivioi, hemollingon on aard-bowonors on oncloraardschen. Meyer: do Engelen on do men-schen op aarde en do gestorvenen in den (gowaandon) Ilades. Onze Kanttookonaron ; de heilige Engelen en zalige zielen on allo menschen op de aarde levende on alle monschon die gestorven en in de graven zijn , of ook alle hooze geesten on vordoomdo monschon die in de helle zijn , want ook dezon moeten tegen hunnen dank Hem als den Heer en Rechter over allen onderworpen zijn. Onze Kantteekenaars treffen wol den rechten zin, wanneer zij die de Apostel hior noemt in hot ulgomoon verstaan van allo rede-gebruikende schepselen , in welke plaats der geschapene wereld dezelve ook zouden mogen zijn. Calvinus, Commentar. i. 1. : a coolis usque ad inferos omnia Christo subjicit Paulus.

Meyer, Kommentar. z. d. St., die door die onder de aarde zijn do gestorven monschon in don Hadcs (niet do booze Geesten) verstaat, voegt er eeno twoodo dwaling bij : Das Anboten soi-tons der Lotzteren setzt don Desccncus Christi ad inferos (plaatselijke nederdaling van Christus in hot doodenrijk) voraus.

Roomschen verklaren die onder de aarde zijn van die in het vagevuur zijn. Waartegen met redenen opkomt Fr. Ridder us, Apollos. III. p. 758.

-ocr page 158-

§ 11. NIET HET GODDELIJKE WEZEN.

Goddelijke Wezen is in de menschheid verschenen, maar één van de drie Goddelijke Personen, de Zoon , gelijk de Schrift overal leert. Zoo Gal. 4:4: Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is , heeft God zijnen Zoon uitgezonden \'), geworden uit eene vrouw , geworden onder de wet. De Zoon veronderstelt eenen Vader. Is de gezondene de Zoon , dan is God, die Hem zond, de Vader. Dus een Persoon zendt eenen Persoon.

De Gereformeerden1) hebben het ook hier met de waarheid nauw genomen. Tegen de dwaling der Eutychianen, die eene samensmelting der twee naturen tot eene derde in Christus stelden. En tegen de bewering van Lutheranen, dat men beter en richtiger zou zeggen: de Goddelijke natuur dan de Persoon is in het vleesch gekomen; hetwelk samenhangt met hun dwaalbegrip van de Mededeeling der Goddelijke eigenschappen aan de menschehjke natuur des Verlossers.

De rechtzinnigen leeren : de Persoon des Zoons is Hem alleen eigen , de Goddelijke natuur of hel Goddelijke Wezen heeft Hij gemeen met den Vader en den Heiligen Geest: derhalve is, nauw gesproken, de Persoon des Zoons en niet de Goddelijke natuur met het vleesch vereenigd. Wél is de Goddelijke natuur des Zoons in het vleesch gekomen en dus zeggen wij met de Schrift: God is geopenbaard in het vleesch. Doch „niet de Goddelijke natuur in hare ruimte aangemerkt maar in hare persoonlijke bepaling in den Zoon.quot;

Anders zoude niet de Zoon alleen, maar ook de Vader

138

1

) P. Van Mastricht, Godgoloordh. II. p. 481. March, Moroh p. 512. De Moor, Commontar. III. p. G79 sq.

-ocr page 159-

§ 11. NIET HET GODDELIJKE WEZEN 139

en de Heilige Geest vleesch geworden zijn, wijl dezen dezelfde Goddelijke natuur toekomt.

Zelfs zoude aldus de Middelaar geen Persoon\'din-, want noch de Goddelijke natuur als zoodanig noch de men-schelijke heeft personaliteit. Uit twee naturen komt geen Persoon voort.

Dies moest het een Persoon zijn en wel e\'én Persoon , één van de drie. Want zoomin één Goddelijk Persoon twee menscholijke naturen kon aannemen , wijl dus één Persoon zou worden meer menschen, zoomin konden meer Personen ééne menschelijke natuur aannemen , wijl dan meer Personen zouden worden één mensch. Dus een Persoon en wel e\'én Persoon , de Zoon is in het vleesch gekomen. Ten klaarste blijkt dit ook uit de noodzakelijke persoonlyke onderscheidenheid des Middelaars, die voldoen moest, van God, dien Hij moest bevredigen, als Hoogepriesler in de dingen die hij God [Ie doen waren] om de zonden des volks te verzoenen, Hebr. 2:17. Valt deze onderscheiding weg, dan spat geheel het werk der verzoening in duigen.

§ 12. De Verlosser God.

Van de Godheid des Zoons is gehandeld bij de leer der Drieëenheid i). Daar is uit de Schriften bewezen het eeuwig bestaan van een Persoon , die de Zoon Gods heet, ééns Wezens met den Vader en den Heiligen Geest, ook genoemd het iVoord, de Logos, door welken naam meteen alle gedachte van een vleeschelijk zoonschap wordt weg-

\') Vierde Hoofdstuk § 11. § 28 y.v.

-ocr page 160-

§ 12. DE VEULOSSER GOD.

genomen. Joh. 1:1: In den beyinne was het Woord en het Woord tvas hij God en het Woord was God \').

Maar hier hebben wij te doen met de waarheid, dat in Jezus de Godheid des eeuwigen Woords is verschenen, dus dat Hij , dien wij als onzen Verlosser eerbiedigen, waarachtig God is.

De Godheid des Verlossers nu wordt bevestigd

1. Door voorzeggingen in het Oude Testament en door de getuigenis van den Dooper Johannes.

a. In do beloften des Ouden Testaments wordt een Verlosser aangekondigd met hoedanigheden die aan geen schepsel maar alleen aan God eigen kunnen zijn1).

In de oudere Kerk werd dit algemeen erkend. Nieu-weren , al de Rationalisten, betwisten het en verzekeren, dat de voorzeggingen des Ouden Verbonds de leer van de Godheid des Messias niet behelzen a).

Maar dat het Oude Testament deze waarheid leert en dat wij haar daaruit mogen en moeten bevestigen, blijkt reeds onweersprekelijk hieruit dat Christus zelf dit doet. Zoo Matth. 22: 41 v.v. Daar bewijst Hij tegen de Fa-rizeën , die cenen bloot menschelijken Messias verwachtten , zijne Godheid uit Ps. 110. En zij verstomden.

Tal van teksten konden wij hier uit het Oude Testament bijbrengen , die bewijzen, dat de heilige menschen Gods, door den Heiligen Geest gedreven zijnde de vcr-

140

1

) Vierde Hoofdstuk § 29. bl. 507.

-ocr page 161-

§12. DE VEHLOSSER GOD.

wachting gehad en gesproken hebben van eenen Messias, in wien met de menschelijke natuur de Godheid zich had verbonden , daar Hem zoodanige namen en eigenschappen en werken worden toegeschreven als alleen den waar-achtigen God toekomen, soms met bepaalde tegenstelling van het Goddelijke en het menschelijke in Hem \'). Enkele daarvan zijn reeds vroeger bij de Drieëenhoid besproken1). Hier noemen wij slechts een paar die bijzonder duidelijk de Godheid des Verlossers betuigen.

Jez. 9:5; Want een kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven en de heerschappij is op zijnen schouder, en men noemt zijnen naam Wonderlijk , Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid , Vredevorst.

Bij deze en de daarop volgende woorden mogen wij wel uitroepen : hoe Goddelijk en schoon luidt deze hemeltoon 3)! Do teekenen van de Goddelijke natuur des Messias zijn hier opeengestapeld , zoodat blind zijn moet wie ze niet ziet.

Intusschen is hierbij de hoofdvraag : van tvien zegt dit de Profeet ? Men heeft geantwoord: „geheel de samenhang eischt dat men denke aan een toen reeds aanwezig niet aan een toekomstig persoon en al wat de Profeet hier zegt moet men verstaan van een toen reeds geboren prins uit de koninklijke familie.quot;

141

1

2) Ps. 2:7, Vierde Hoofdstuk § 20 bl. 479 v. Ps. 45 ; 7, 8. ld. § 29.-bl. 514. Jez. 63 : 9 , 10, ld. § 5. bl. 438 v. Jerem. 23 : 6 , ld. § 29. bl. 507.

-ocr page 162-

§12. DE VERLOSSER GOD.

De oudere uitleggers, ook de Joodsche verklaarden deze Godspraak eenstemmig van den Messias. Anders de latere Joodsche Schriftverklaarders. Dezen, van de waarheid afgeweken en niet willende weten van een Messias die God zou zijn, was het aanstootelijk dat Hij hier als God werd geschilderd en zij zochten dezen tekst toe te passen op Hizkia. Onder de Christenen kregen zij vele rationalistische uitleggers tot medegenootenquot;).

Het verband dezer profetie leidt noodzakelijk tot den Messias. Immers Jezaja heeft 8 : 23 en 9 : 1 naar de getuigenis des Nieuwen Testaments Matth. 4: 14—16 van de verheerlijking en de zegeningen gesproken, die over het verachte Galilea door den Messias zouden komen. En nu wordt 9 : 5 en 6 de veroorzaker van deze verheerlijking en van deze zegeningen geschilderd. Kan dit dan een ander zijn dan de Messias ? Althans Hizkia, koning van Juda, had op Galilea, tot het rijk der Tien stammen behoorende , geen den minsten invloed.

Voorts en vooral , op Hizkia en op iederen aardschen koning zijn de hooge en heerlijke eigenschappen niet toepasselijk , die hier den grooten koning worden toegekend. Van Hizkia , toen omtrent tien jaren oud , kon waarlijk niet gezegd worden, dat de grootheid zijner heerschappij en des vredes geen einde zou zijn op den troon van David.

142

Van een zwak, sterfelijk mensch konden onmogelijk zoo groote Goddelijke dingen als hier verkondigd worden of het was Godslastering.

\') Ondor do Christelijko uitloggors was Grotius de oorsto die do Messiaanscho verklaring verliet. Hcngstonherg, Christel, dos A. T. 1829. I. 2. S. 123,

-ocr page 163-

§12. DE VERLOSSER GOD.

De Profeet spreekt van den Messias, den Zone Gotls , geboren in de volheid des tijds uit de maagd Marifi , Jezus Christus onzen Zaligmaker \').

Jezaja ziet Hem reeds als gekomen en het is alsof hij met Israël kerstfeest viert over den geboren Koning.

Een Kind — een Zoon, geboren gegeven, niet als andere kinderen voor zijne ouders , maar ons. Kind naar zijne menschelijke, Zoon naar zijne Goddelijke natuur. Als kind geboren uit de Maagd Jez. 7 : 14 : als Zoon gegeven van den Vader. In allen gevalle is Zoon hier met nadruk gezegd : het is de Zoon Desgenen die Hem gegeven heeft.

En (het teeken , insigne van) de heerschappij (de koninklijke mantel of ook de hoogepriesterlijke ephod)1) is op zijnen schouder.

En men noemt zijnen naam Wonder, wonderlijk, „zoowel ten aanzien zijns Persoons, dewijl flü God en mensch is in één Persoon als ten aanzien zijner wonderlijke werken en dadenquot; (Kantteeh.) Baad : Hij is de hoogste, zelfstandige Wijsheid. Sterke God s). Onmogelijk kon de Profeet eenen aardschen koning God, Sterke Gorf noemen of hij vergreep zich onwaardiglijk aan de majesteit zijns Zenders.

Vader der eeuwigheid. Dit kan zeggen : eeuwige Vader, om aan te duiden , dat de Messias niet als een voortreffelijk wereldsch koning na korte heerschappij zijn volk moet verlaten , maar het in alle eeuwigheid zal regeeren

143

1

) Von Gerlach zu Exod. 28 : 12.

:\') -1133 ^ Luther vorkoerd : Kraft, Held.

-ocr page 164-

144 § 12. DE VERLOSSER GOD.

en gelukkig maken. Ik zal u geen weezen laten, Joh. 14: 181). Of Vader der eeuwigheid 7egt: bezitter der eeuwigheid, dus zooveel als de Kmwige\'1). Naar beide verklaringen wordt hier de Messias eene Goddelijke eigenschap toegekend.

Vredevorst: „die ons met God verzoentquot; (Kantteelc.): de Schiloh, de volmaakte Salomo , die zijn volk waren en eeuwigen vrede doet genieten.

Een voldingend bewijs van de Godheid des Verlossers wordt ons ook gegeven in de Godspraak bij Jezaja\'s tijdgenoot Micha 5 : 1 : En gij Bethlehem Ephrata, zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda? uituzalMi] voortkomen die een Heerscher zal zijn in Israël en wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuivigheid.

Dat deze voorzegging op den Messias ziet, stond bij de oude Joden vast, blijkens de verklaring die de Hooge Raad na Jezus\' geboorte , van ambtswege daarover gevraagd , zelf daarvan gaf Matth. 2 : 5 , G. (Joh. 7 : 42). De latere Rabbijnsche uitleggers zochten zich in hun ongeloof tegen de Christenen te handhaven door gekunstelde , willekeurige verklaringen 3).

Onder de genaamde Christenen is in nieuweren tijd de rationalistische van den zoogenoemden idealen (denkbeel-

1

) Von Gerlach-Schmieder: Ewigvater, oiu vateiiicher Kc-nig, dor uio stirbt, dom fort uud fort Kinder geboren werden, wie dor Thau aus dor Morgenröthe (I\'s. 110: 3. Joh. 1 : 12).

-ocr page 165-

§ r2. DE VERLOSSRR GOD.

digen) Messias bij velen heerschende geworden\'). Maar de Messias , van wien het Oude Testament spreekt, is geene idee , maar een Persoon. En reeds de hier vermelde geboorte te Bethlehem , die men niet kan wegcijferen , noodzaakt ons te denken aan den historischen Christus. En aan dezen wordt hier een eeuwig bestaan, dus de Godheid toegeschreven : wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid\'1).

b. Nadat de Profeten lang hebben gezwegen cn Hij, die komen zou, gekomen is, verheft de Dooper Johannes zijne stem en geeft bepaaldelijk aangaande Jezus van Nazaret de krachtigste getuigenissen dat deze is de Christus de Zone Gods, te eeren boven alle schepsel. Tot de afgezondenen uit de Farizeën zegt hij Joh. 1: 27 : Dezelve is het, die na mij komt, welke vóór mij geworden is 2); wien ik niet waardig hen dat ik zijnen schoenriem zoude ontbinden. En des anderen daags als Jezus daar aankomt bij hot veer, terwijl juist paaschlammeren over de Jordaan worden gebracht voor het aanstaande feest te Jeruzalem, roept de Dooper, op Jezus wijzende den volke toe v. 29 : zie het Lam Gods (het ware Paaschlam) dat de zonde der tvereld wegneemt. 30, Deze is het van welken ik gezegd heb : na mij komt een man, die vóór mij geworden is, want Hij was eer dan ik*).

145

1

\') Dezelfde, a. W. S. 312.

2

:l) De woorden iV \'é/ATrporróéy ftcv yéyovev laat Tischendorf weg. lutusschen door de aanhaling v. 30 worden zij hier ge-(iischt. Zie /Jcngstenhenj z. d. S.

-ocr page 166-

§12. DE VERLOSSER GOD.

Voor geenen sterveling zou de Dooper zich zoo diep hebben gebogen, hij die ook veel meer was dan een Profeet , zoo groot, dat onder degenen , die van gt;vrouwen ge-horen zijn, niemand is opgestaan meerder dan Johannes de Dooper (Matth. 11 : 9 , 11).

In deze getuigenissen bekent, de Dooper openbaarlijk Christus\' Godheid. En wij leeren hieruit, dat men een streng onderscheid moet maken tusschen de eere, die Jezus Christus toekomt en de eere die men aan heiligen, ook zelfs die men aan de moeder van den Heilige der Heiligen bewijstquot;). „De Dooper werpt.zich zoo laag hij maar kan terneder, opdat in geenen deele de eere, welke men hem verkeerdelijk bewees , de uitnemendheid van Christus verdonkerde1).quot;

§ 13. De Verlosser God. Vervolg.

De Godheid des Verlossers is te bewijzen.

2. Uit Jezus\' eigene gezegden over zich zeiven. A.ls Joh. 8 : 58. Hij heeft daar aan de Joden verklaard, dat Abraham zijnen dag heeft gezien en is verblijd geweest. De Joden maken de ongeschikte tegenwerping : gij zijt nog geen halve eeuw oud en geeft voor dat gij Abraham gezien en hij alzoo ook u gezien heeft ? Daarop spreekt Hij : Voorwaar , voorwaar zeg Ik u: eer Abraham was hen Ik 3).

Verheven woord i)! Geheel willekeurig heeft men het

146

1

) Calvin. Commoutar. in Joh. 1 : 56.

-ocr page 167-

§13. DE VEULOSSEK fiOD. VERVOLG.

■willen verzwakken door het te brengen alleen tot des Verlossers voorbestemming, als zoude het slechts zeggen, dat Christus voor Abraham geweest is in het raadsbesluit Gods i). Da\' ware niets bijzonders: immers dat kan en moet gezegd worden van iederen mensch. Niet van oen denkbeeldig zijn in Gods raad spreekt Jezus , niet, zoo als ook nieuwere uitleggers het idealistisch opvatten, wil Hij dit zeggen : „wezenlijk was ik toen reeds, wijl bij God voorbedacht en besloten.quot; Maar van een reëel en persoonlijk voorbestaan spreekt Hij, evenzoo werkelijk als Abraham bestond. Wel was toen de mensch Jezus nog niet, maar dit Ik in hem , dat hier spreekt in en uit zyne nu aangenomene menschheid , dus Hij als Persoon was vóór Abraham, was voor alle schepsel.

Eer Abraham was. Nauwkeurig vertaald: eer Abraham werd. Hier is eene tegenstelling. Op Abraham past slechts een worden , aan Christus komt het zijn toe, boven alle worden verheven.

Ook heeft het iets te beduiden , dat de Heiland niet

\') Aldus de Socinianen en vele nienweren. Faustus Socinus, Catoches. Racov. Qu. 106 ed. Oeder. p. 114 sq. beweert, dat in dezen tekst niet alleen de eeuwigheid van Christus niet is uitgesproken , maar zelfs dit niet, dat Hij vóór de maagd Mavia is geweest. Eer Abraham werd vat hij tegen de taal: eer Abraham wordt, hetwelk dan zou zeggen: oor het Evangelie u, Joden , wordt ontnomen en tot de Heidenen wordt gebracht , waardoor dan Abram Abraham, de vader van menigte der volken wordt, daarom gelooft in het Licht terwijl hot bij u is, Ih ben het! Oeder wederlegt het gevoelen van Socinus uitvoerig p. 146—153. —

Waarom Jezus zelf zich niet God noemde? Zie Vierde Hoofdstuk § 29. bl. 517 v.

147

-ocr page 168-

148 §1^- DE VERLOSSER GOD. VERVOLG.

zegt: was Ik, maar hen Ik: een zijn dat aan geenen wissel, aan geeno verandering onderhevig is, hetwelk alleen aan God eigen is. Ps. 90: 2 : Eer de hergen geboren waren en Gij de aarde en de wereld voortgebracht hadt, ja van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God !

Jezus speelt hier kennelijk toe op den naam Jehovah, den naam van den zich openbarenden God, Exod. 3 : 14: Ik zal zijn die Ik zijn zal.

Hij spreekt hier dus luide zijne eeuwige Godhéid uit. Doch meteen ook dit , gelijk Calryn •) herinnert, dat de kracht en genade van Hem als Verlosser in alle tijden zich heeft uitgelaten en Hij als zoodanig is erkend geweest. Dat dit echter kon , vloeide uit zijne eeuwige Godheid voort. Hebr. 13 : 8.

Dit was de belijdenis die de Heiland daar van zijne Goddelijke heerlijkheid deed , door niets omver te stoo-ten. Waarbij een oud Godgeleerde aanmerkt: „Hoe ongerijmd zijn alle tegenwerpingen die men daartegen inbrengt ! De Joden raapten steenen om Hem er mee te werpen en tegenwoordig gooit men met woorden en boeken naar Hem , welke Hem echter evenmin schaden als die steenen. Hy zal richten1).quot;

Want de Vader heeft al het oordeel den Zoon gegeven. Opdat zij allen den Zoon eeren gelijk zij den Vader eer en. Die den Zoon niet eert, eert den Vader niet, die Hem gezonden heeft , Joh. 5 : 23. Openbaar stelt de Zoon zich hier den Vader gelijk. Immers het eeren is een Godsdien-

1

) M. F. Roos, Üio Luhre mul Lcbousgesohichte Josu Chrlsti. I. S. 135.

-ocr page 169-

§ 3. I)E VERLOSSEli GOD. VERVOLG.

stig eeren, is aanbidding, die alleen don waarachtigen God toekomt. De eere des Vaders is niet te scheiden van de eere des Zoons: de Vader kan en wil niet anders geëerd worden dan in den Zoon. De Zoon zal zoo regeeren en oor-deelen dat allen Hem moeten eeren en belijden dat Hij de Heere is , tot heerlijkheid des Vaders, ook die het niet wilden. Doen zij het niet tijdig en vrijwillig, dan wordt Hij in hunnen ondergang verheerlijkt. „Willen zij zijnen lof niet zingen, zoo moeten zij zijnen lof huilen lt;).quot;

Dat in Jezus de Godheid tics Zoons is verschenen wordt bevestigd.

3, door de getuigenis des Vaders uit den hemel. Waarop Hij zelf met nadruk wijst Joh. 5 : 36 : Maar Ik heb eene getuigenis meerder dan [die] van Johannes: ivant de werken, die Mij de Vader gegeven heeft om die te volbrengen , dezelve tv erken die Ik doe getuigen van Mij dat de Vader mij gezonden heeft, 37. En de Vader die Mij gezonden heeft die heeft zelf van Mij getuigd\'1). Gij hebt noch zijne stem ooit gehoord noch zijne gedaante gezien.

Jezus wilde daar de Joden doen verstaan, dat in de getuigenis des Doopers, der werken en der Schrift de Vader zelf van Hem getuigt. En wel het krachtigst en allermeest onmiddelbaar in de werken s), in zijne Messias-werken in woord en daad, in geheel zijn groot verlossingswerk door

\') Hengstenberg zu Ev. Joh. 5: 23.

\'2) »Tu de.u verleden tijd, om aau te duiden dat Hij niet als een oubukomle optrad , nademaal God Hom voorlang in Wet en Profeten had afgeschetst, ten einde Hij zijne merkteekencu aan zich droego, waaraan man Hem kondo kennen.quot; Calvin, Comm. in Joh. 5: 37.

Hengstenberg , Evang. Johaun. HI. S. 862 t.

149

-ocr page 170-

§13. DE VERLOSSER GOD. VERVOLG.

wonderwerken begeleid, waarin nu de Zoon de stem des Vaders deed hooren en zijne gedaante deed zien, als nooit te voren. Maar de Joden waren doof en blind.

Dit alles werd, nadat de Heilige Geest was uitgestort, nader in het licht gesteld en gestaafd.

4. door de getuigenis der heilige Apostelen. Deze kunnen wij samenvatten in den schoonen aanhef van Johannes\' Eersten Brief, waarin hij van Christus zoo verheven getuigt en diens heerlijkheid en de door hem voor zijn volk aangebrachte zaligheid zoo treffend schildert.

1 Joh. 1:1: Hetgeen van den beginne was, hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben met onze oogen, hetgeen wij aanschouwd hebben en onze handen getast hebben, van het Woord des levens. 2. Want het leven is ge-openhaard en wij hebben het gezien en wij getuigen en verkondigen ulieden dat eeuwige leven, hetwelk bij den Vader tvas en ons is geopenbaard. 3. Hetgeen wij [dan] gezien en gehoord hebben, dat verkondigen wij u, opdat ook gij met ons gemeenschap zoudt hebben en deze onze gemeenschap ook [zij] met den Vader en met zijnen Zoon Jezus Christus.

Het Woord is de Zoon Gods, evenals Joh, 1: 1. Het Woord des levens genoemd, omdat in Hem van den beginne af het (ware) leven was. Joh. 1 : 4. „Het is den Apostel hierom te doen, juist dit den geloovigen recht nadrukkelijk in te prenten, dat de mensch Jezus, met wien hij en zijne broederen zoo nauvven en vertrouwelijken omgang hadden gehad, niet slechts was Gods hoogste gezant, met Hem innig vereenigd, maar zelf waarachtig God, als God en mensch één Persoon. — Het eeuwige leven zelf, de eeuwige. Goddelijke oorzaak aller dingen was van eeuwigheid als een Goddelijk Persoon bij den Vader en is ons in den vleesche

150

-ocr page 171-

§ 14. DE VERLOSSER GOD. VERVOLG. 151

verschenen , weshalve wij nu , verzekert de Apostel, van Hem getuigen en Hem verkondigenquot; •).

§ 14. De Verlosser. God.

Een nog steeds voortgaand sprekend bewijs van de volheid der Godheid in Christus is:

5. de getuigenis des Heiligen Geestes in de werking van het Christendom op de wereld on in de ondervinding aller geloovigen.

Van den Geest der waarheid heeft Jezus gezegd Joh. 16: 14; Die zal Mij verheerlijken (door zijne getuigenis, gaven en wonderwerken, (Kantt.): icant Hij zal het uit het mijne nemen en zal het u verkondigen, namelijk de leer der zaligheid (Kantt.), inzonderheid de voorzegging van toekomende dingen (v. 13), die later het luisterrijkst in de Openbaring aan Johannes geschieden zou , maar dan ook alle geestelijke gave1).

De Heilige Geest verheerlijkt Christus. Hij openbaart, hoe Jezus in de gestaltenis eens dienstknechts op aarde de

1

) »Want wat gooft ons do Geest? Dat wij gewasschcn worden in Christus\' bloed , dat door zijnen dood do zonde in ons teniet gedaan, dat onze oude monsch gekruisigd worde, dat Christus\' opstanding kracht oefeno om ons tot nieuwigheid des levens te hervormen ,■ eindelijk dat wij zijne goederen deelachtig zijn. Dus brengt ons de Geest niets too buiten Christus om , maar Hij neemt het van Christus om het in ons over te gieten. Kortom de Geest verrijkt ons alleen mot de schatten Tan Christus , om zijuo heerlijkhoid door alles te doon uitschit-toren.quot; Calvin. Commentar. in Joh. lö : 14.

-ocr page 172-

§14. DE VERLOSSEU GOD. VERVOLG.

eeuwige Zoon Gods was ; Hij toont hoe juist uit de nederigheid des Zoons zijne Goddelijke heerlijkheid uitblinkt en onderwerpt daardoor de nienschen in het geloof aan Hem en richt in do harte zijne koninklijke heerschappij op. Al wat de Heilige Geest doet, is eene verheerlijking des Zoons Gods, wijl al wat de Heilige Geest openbaart en alle kracht, welke Hij schenkt, genomen is uit de volheid des Zoons Gods •). Deze verheerlijking des Zoons heeft ten doel de uitbreiding van zijn koninkrijk op aarde.

De Geest getuigt van Christus in de, al is hot geen zaligmakende, dan toch gezegende werking des Christendoms op de wereld. Hoe zuiverder het Christendom optreedt, des te machtiger is zijne vernieuwende werking, als oen zuur-deesem in de drie maten meels. Maar ook bij al zijne gebreken en onreinheden oefent het eenen krachtigen invloed niet slechts op het leven des individu\'s, des enkelen en der familie, maar ook op volk en staat. Zoover het kwam, heeft het niet alleen de afgoden vernietigd maar geheel de maatschappelijke en zedelijke gedaante der wereld veranderd. Het nam wel de zonde niet weg en kon tegen misdaden niet vrijwaren , maar het wekte en scherpte het geweten des volks , ook waar men van het geloof nog verre stond. Het bracht en brengt humaniteit in wetgeving en rechtspleging, aangaande leven, eerbaarheid, huwelijk, verhouding en rechten tusschen meerderen en minderen. Ruwheden, wreedheden en onzedelijkheden buiten het Christendom schaamteloos gepleegd, werden overal binnen het Christendom, zoo niet geweerd, toch wettelijk verboden en strafbaar gesteld\'1).

152

1

Ebrard, Apologotik. II. § 314. ïe rucht kon hij zoggon

-ocr page 173-

§14. DE VERLOSSER GOD. VERVOLG.

Groot en verbazend is in alles het verschil tusschen een Heidenvolk en een Christenvolk. En ook al deze tweede, middellijke uitwerkingen en vruchten van het Christendom geven getuigenis van Hem die het geplant heeft.

üe ondervinding aller geloovigen bevestigt het. Dat er op aarde eene gemeente bestaat van geroepene heiligen, die door Christus eenen verzoenden God hebben, die de vergeving hunner zonden door zijn bloed gelooven, in wie de Heilige Geest woont en werkt en die uit den dood tot het leven zijn overgebracht, wien Christus het leven is geworden en die in Hem zich zalig voelen in hope, dat is het beste bewijs dat Hij wien zij toebehooren, van wien zij dit alles hebben en op wien zij voor tijd en eeuwigheid vertrouwen, geen schepsel is, maar de waarachtige God en het eeuwige Leven. Alle geloovigen kennen Hem door ondervinding als dien die levend water geeft en den dorst des harten stilt, als dien die hen door de waarheid vrijmaakt en hen uit den dienst der zonde en der wereld verlost, die hun geeft ver-hoorlijk te bidden, hun vrede en zielsverkwikking schenkt en hen van de verschrikkingen des doods bevrijdt. Hij die zoo hooge en langs anderen weg volstrekt onverkrijgbare goederen den zijnen toebrengt, is hun groot en dierbaar en die er van genieten kunnen niet anders dan met Thomas aanbiddende uitroepen : mijn Heer en mijn God i) !

ibid, S. 559 : Das Evangclium hat den Heiden mit dan ewigen Heilo auch die Kultur .gebracht (Mrtth. 6 : 33). Was abor hat denu dio Kultur ohne Christontbum dou Heiden gebracht? Schuaps und Opium. Vergel. Tweede Hoofdstuk § 24. 2do dr. bl. 103. eu § 32.

\') Hengstenberg, Evang. Johaun. III. S. 369 f. Ebrard, Apologctik II. § 313.

153

-ocr page 174-

154 § 14. DE VERLOSSEU CiOU. VEHVOLG.

Mijn Zaligmaker is mijn God:

Goon ander kan mij zalig makon,

Geen ander geeft mij \'t hoogst genot, Beslist in oonwigheid mijn lot,

Noch kan den band dor zonde slaken.

O , loer ons door den Heil\'gen Geest, U (net ons harte lleere noemen ;

Uw volk zijt Ge altijd God geweest, En \'t was voor hel noch dood bevreesd, Want spreekt God vrij, wie zal verdoemen\').

§ 15. Waarom mensch.

De Verlosser moest waar mensch zijn om als plaatsbe-kleeder voor zijn volk de wet te vervullen die den men-schen was gegeven en om te lijden en te sterven1).

Waarachtig mensch: geen schijn van mensch, geen schim , maar mensch uit de menschen. Elij moest alles bezitten wat tot het wezen van een mensch behoort, alleen de zonde uitgenomen.

De inhoud der wet vorderde hel. Van den mensch wordt geëischt, God in alles en onverdeeld en den naaste als zich zeiven lief te hebben. De eisch stond onvervuld. De Borg en Middelaar moest het voor zijn volk doen. Dies moest Hij mensch zijn.

De dreiging der Wet maakte het noodzakelijk. De zonde moest gestraft worden in die nature die ze had gedaan. Tot

\' ) J. F. Schimsheirnev, Geestelijke Poözy. bl. 49 v.

2) Calvin. Instit. II. 12. 1 sqq. De Moor, Commeutar. III. p. 451 sq.

-ocr page 175-

§ 15. WAAROM MENSCH.

den mensch was gezegd Gen. 2:17: Ten dage als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven. De Verlosser moest eene natuur hebben die vatbaar was voor lijden. De mensch heeft gezondigd met lichaam en ziel. Hij, die in \'s menschen plaats de straf der zonde zou dragen, moest dus lichaam en ziel hebben om in beiden te leiden. Om onzen last op zich te nemen, te dragen en af te dragen, moest Hij tot ons afdalen en met ons in gemeenschap komen, om als Gocl ons te lossen , moest Hij onze naastbestaande worden. Als God kon Hij niet lijden, als mensch alleen kon Hij niet voldoende lijden. „Waarachtig mensch , waarachtig God en daardoor ware schuldvoldoener!quot;

Dat de Zoon Gods niet is de Verlosser van Engelen, maar van Abrahams zaad, dus van menschen, dat was, leert de Schrift, de reden waarom Hij juist de menschelijke natuur moest aannemen. Hebr. 2 : 17 : Waarom Hij in alles den broederen moest gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en een getrouw Hougepriester zoude zijn in de dingen die bij God [te doen waren], om de zonden des volks te verzoenen.

De broederen zijn de kinderen Gods, het geestelijke zaad Abrahams , de geloovigen , die in Christus geheiligd worden , die Hij zich niet schaamt broeders te noemen die Hij als hun overste Leidsman tot de heerlijkheid leidt.

De Zoon Gods moet hun gelijk worden, moest zoo worden als zij zijn , moest mensch worden gelijk zij menschen zijn , moest dezelfde menschelijke natuur aannemen welke zij hebben.

En niet alleen in sommige opzichten moest Hij hun gelijk worden, maar in alles. Eene volledige menschelijke natuur met al hare eigenaardigheden moest Hij aannemen. Doch met dit onderscheid dat er in Hem geen zonde nog eenige

155

-ocr page 176-

§ 15. WAAROM MENSCH.

de minste kiem van zonde was en dat derhalver ook al het leed en lijden hetwelk Hij droeg geen ander verband niet de zonde hadde dan hierdoor dat Hij de plaatsbekleedende Borg voor zondaren was, heilig in zich zeiven, maar door eene Goddelijke toerekening en door zijne vrijwillige overneming beladen met de schuld van alle uitverkorenen.

Opdat Hij een barmhartig en getrouw Uoogepriester zoude zijn of, naar den grondtekst, zoude worden •). Niet als of Hij voor zijne menschwording minder barmhartig was dan daarna. Want dat Hij mensch werd, was immers zelf eene daad van enkel barmhartigheid. Maar in zijne menschheid zoude , wilde, kon en moest Hij onder zijn menschelijk lijden en strijden zijne barmhartigheid en onder alle verzoekingen zijne getrouwheid betoenen.

In de dingen die bij God [te doen waren]11J. Dat is een dogmatisch gewichtig woord. Er was iets bij God te doen, niet slechts bij de menschen. Hier is al aanstonds ten klaarste uitgesproken, dat de verlossing niet, gelijk zoo velen leeren, hierin bestond, dat \'s menschen vijandschap tegen God in liefde wierd veranderd ; dit is eerst het gevolg en de vrucht van het groote werk: maar bij en voor God moest er iets geschieden. Er was iets in God, dat bevredigd , voldaan moest worden : dat was de eisch zijner gerechtigheid , dat was het stillen van zijn toorn.

Daarom moest de Zoon Gods mensch worden, om in de menschheid het werk van Uoogepriester te verrichten, namelijk om de zonden rfes des zaads Abrahams (v. 16) te verzoenen a). De zonden verzoenen, namelijk bij God ,

\') ïv/x—yévyTOii.

2) tx irpos tov êsóv.

3) l/.my.svdxi, hot Hebroeuwscho quot;133. Cremer, Bibl.-thool.

156

-ocr page 177-

§ 15. WAAROM MENSGH.

zegt de zonden van voor zijne oogen wegschaffen, zoodat Hij ze niet meer ziet, het is de schuld delgen door plaats-bekieedend lijden der straf, dus door genoegdoening.

Mensch moest Hij zijn als de tweede Adam. Was Adam het hoofd des menschelijken geslaclits, zoo moest Jezus, de tweede Adam, als het Hoofd van zijn volk optreden. Immers Adam was een voorbeeld desgenen die komen zou Rom. 5 : 14.

Als mensch was Hij beloofd : als een zaad der vrouw, zaad Abrahams , van het zaad uit Davids lijve 2 Sam. 7 : 12 , zoon der maagd Jez. 7 : 14. Zoo was Hij af geschaduwd, inzonderheid door de Lossers, de Goëls. Zoo kende Job Flem , 19: 25 : «A: iveet mijn Verlosser (Goël) leeft.

Mensch moest Hij zijn ook wegens zijne drie ambten. Als Profeet: uit het midden van u, uit uwe broederen, sprak Mozes Deut. 18: 15 tot Israël. Als Hoogepriester moest Hij uit de menschen genomen worden, gesteld voor de menschen, om onze zaken God goed te maken Ilebr. 5: 1. Als Koning moest Hij de Zoon Davids zijn om den troon Davids te beklimmen Luc. 1 : 32.

§ 16. Volledig mensch.

De Zoon Gods , waarachtig God. heeft de menschheid aangenomen met al wat wezenlijk tot deze behoorde: lichaam en ziel, de volledige menschelijke natuur , gelijk zij ten gevolge van de zonde geworden is, met al hare zwakheden , doch zonder zonde.

Wörtorbuch a.v. S. 303: Es handelt sich entachieclon

nm Abwonduug dos götllichou Zoruos. Bij do LXX doorgaans èt-ihxtrxsiróxi.

157

-ocr page 178-

§ 1G. VOLLEDIG MENSCIII.

Er is ook eene menschelijke natuur, die met de natuur der Engelen vergeleken wordt, Luc. 20: 36, waar Jezus van de hinderen der opstanding zegt: zij kunnen niet meer sterven, want zij zijn den Engelen gelijk. Zulk eene natuur heeft de Zoon Gods niet aangenomen.

Ook niet de oorspronkelijke, van zwakheid vrije natuur Adams voor den val, doch ook niet de zondige natuur van den gevallen mensch, maar, zooals Paulus leert Rom. 8 : 3, eene gelijkheid des zondigen vleesches \'), niet een zondig vleesch, als de andere menschen hebben, maar toch gelijkheid des zondigen vleesches, dus wezenlijk verwant met

\') Zie hierover in dit Hoofdstuk § 1 bl. 99. De woorden fV ó/toidfAXTi Txpy.oq Rom. 8 : 3 zeggen niet: »in gelijkheid van zondig vleesch (met ons).quot; Zoo verklaarde Eduard Irving (t 1835) , die even als Menken en anderen na hen leerde dat aan de nienschelijke natuur van Christus evenals aan de onze do erfzonde eigen is geweest, maar dat deze door de kracht der Goddelijke natuur was overwonnen en uitgedelgd. Hagenbach , Dogmengesch. § 299. S. 726. H. Weisz in Herzogs Real-Enc. XXI. S. 212. Maar daardoor zou de Middel aars waard ij des Hoi-lands te loor gaan en het strijdt tegen de Schrift, die zegt, dat Hij, heilig, onnoozel, onbevlekt, afgescheiden van de zondaren , niet noodig had voor do eigene zonden te offeren. Integendeel do Apostel bedoelt; »in gelijkheid aan \'t zondig vleesch (van ons)quot;: wij hebben zondig vleesch, dat had Christus niet maar eone gelijkheid daarvan. Vleesch had hij waarlijk, maar geen zonde daarin. Daarom slechts gelijkheid. De nadruk ligt niet, gelijk Ullmann, Sündlosigk. Jesu. 3te Aufl. S. 104 stelt, op Txpxó: maar op Vergel. J. J. v. Toorenenbergen,

Bijdragen bl. 159 v. —

Wat het veelbesproken gevoelen van Br. Kohlhrugge betreft, dient men in aanmerking te nemen do Aantoekening van Ds. J. J. Gobius Dusart in Kohlhrugge\'s Betrachting over het Eerste Kapittel van het Evang, van Matthetis. 1860. bl. 102 v.v.

158

-ocr page 179-

§16. VOLLEDIG MENSCH.

het menschdom en uit dezelfde bestanddeelen bestaande.

Nederlandsclie Belijdenis des Geloofs Art. XVIII: Hij is den mensche gelijk geworden , waarachtig aannemende eene ware menschelijke natuur, met alle hare zwakheden (uitgenomen de sonde) , ontvangen zijnde in het lichaam der gelukzalige maagd Maria, door de kracht des H. Geestes, zonder mans toedoen. En Hij heeft niet alleen de menschelijke natuur aangenomen zooveel het lichaam aangaat , maar ook eene ware menschelijke ziel. Want aangezien de ziel zoowel verloren was als het lichaam , zoo was \'t van noode dat Hij ze beide aanname, om dezelve heide zalig te maken.

Met de menschheid moest Hij de volle menschelijkheid aannemen : al dp hoedanigheden en eigenschappen, die tol het wezen van den mensch behooren ; zielsvermogens, gemoedsbewegingen , aandoeningen en gevoeligheden van het hart; lichaamszwakheden , behoeften en wisselingen: honger , dorst, vermoeidheid , slaap , sterfelijkheid.

Hij is zelf met eene menschelijke natuur en met een men-schelijk hart in lijden geweest en verzocht geworden en niet alleen door zijne Goddelijke alwetendheid, maar uit eigen ondervinding weet Hij wat lyden en verzoeking is. Want wij hehhen geenen Hoogepriester die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar die in alle dingen gelijk als wij is verzocht geiveest [doch] zotider zonde, Hebr. 4: 15.

Kon Christus zondige nt^). De Remon-

1) C. Ullmann , Süncllosigkeit Jesu S. 18: Man pflegt dreior-loi zu untcrscheidon: dio Uumüglichkeit dos Sündigons (das non posse poccare), das Vormögon von der Sünde froi zn bloibou (das posse non peccare) und das wirklicho Frcibloibeu vou der Sünde, das thatslichliche Nichtgesüudigthabeu (das non peccare

159

-ocr page 180-

§16. VOLLEDIG MËNSCH,

strant i), de Rationalist zegt: ja. De Gereformeerde : neen2).

Men brengt onder anderen in 1. „Anders was zijne gehoorzaamheid niet vrijwillig.quot; Maar gehoorzaamheid was juist zijn wil , zoo standvastig en onveranderlijk, dat Hij niet anders kon willen. Vrijheid van wil is geen onverschilligheid , geen slingering, geen onbepaaldheid, maar sluit dwang uit: Christus\' wil was onverwrikt op het goede, den Wil des Vaders bepaald, zonder dwang en dat Hij dus wilde was juist zijne volmaaktheid. Ook de Engelen en zaligen in den hemel kunnen niet zondigen; toch doen zij den wille Gods vrijwillig.

Men zegt 2. „Kon Jezus niet zondigen, dan waren zijne verzoekingen maar schijn en ijdele vertooning.quot; Maar a. men moet niet voorbijzien dat deze verzoekingen alle^aw huiten op Hem afkwamen en niet uit eenige eigene aanrit-seling en prikkeling van binnen in Hem om af te wijken

odor non peccasse). Das erstero nonnon wir absolute Hoiligkoit, das zwoito Unstindlichkoit, das dritto Silndlosigkoit. Het eerste kont Ullmann aan Jezus niet toe.

\') Fr. Span hem. Controversiarum Elonchus, 1694. p. 296 sqq. Philippus a Umborch, ïlioologia Christiana. 1686. p. 375 doet do verbazende uitspraak : Het Tcan niet bewezen worden dat Christus in de dagen zijns vleesches, ten aanzien van zijne menschelijke natuur, verstoken is geweest van het vermogen om het Goddelijke gebod van de verlossing des menschelijken geslachts door zijnen dood niet te gehoorzamen. Dus bestond naar Van Limborch de mogelijkheid dat Christus terugtrad. Evonzoo Ebrard, Dogmat. II. § 355. S. 22. Maar dan hadden al de gozaligden uit den voortijd don hemol mooton verlaten en er ware niemand meer binnengekomen.

2) March, Compend. en Meroh Cap. XIX. 10. De Moor, Commentar. III. p. 692 sqq.

IGO

-ocr page 181-

§ 16. VOLLEDIG MENSGH.

van zijne baan. En b. deze verzoekingen dienden juist om tot zijne verheerlijking en tot onzen troost openbaar te maken en te doen blijken, dat Hij niet kon zondigen.

De stelling dat Christus kon zondigen strijdt 1. tegen de Praedestinatie en tegen geheel het Goddelijke verlossingsplan i). De verlossing ware dan tot aan Christus dood, de laatste en hoogste daad zijner gehoorzaamheid, onzeker geweest. En op grond van eene onzekere voldoening hadde er uit geheel den voortijd geen mensch zalig kunnen worden dan met gevaar van de zaligheid nog weer te verliezen.

2. Tegen Christus\' hoedanigheid als Godmensch, tegen de personeele vereeniging der twee naturen2) in Hem en tegen de overvloedige zalving zijner menschheid met den Heiligen Geest. Hij was een Licht en wat ook op Hem aanviel, het Licht kon niet besmet worden. „Het water in een vat, op welks bodem niet het minste vuil ligt, blijft

\') Ulmann , Sündlos. Jesu S. 19: Dor von Gott goorduoto Erlüsungsplan , der durch Jahrtanscnde vorbcreitot war und auf Jahrtausonde hinaus wirkon sollto, kouuto soiuos Erfolgos uicht crmangolu , und dies würde gescheheu seijn , wenu wir denken, dor zum Erlöser Bestimrate wiire durch die Süudo selbst von Gott abgefallen. — In diesom Sinne zeigt es sich als ein ganz unzulüssiger, ja furchtbaror Godanko , dasz Jesus wirklich ge-sündigt haben könnto ; es wiiro dadurch der Plan Gottes ver-niehtet, der reine Licht,punct in der Weltgoschichte ausgolöseht; os orscheint als eine inner© und in dio sittlicho Weltordnung aufgenommene Nothwendigkeit, dasz Jesus nicht slindigte. Zoover gaat ook Nitzsch, System § 131. 5te Aufl. S. 259: In Jesu ist nicht die blosze Sündlosigkeit des erssten Adams, wie er vor dom Falie beschaffen war, sondern dio bestimmte (vorherver-sehne 1 Petr. 1 : 20) dos Eingebornen , in welchem der Vater sich als in dem Sohne erlösond effenbaren will. -) re xxcipiVTSV unionis hypostaticae,

Qravamoyor, Gerof. Gel. loer. 11. 11

161

-ocr page 182-

§16. VOLLEDIG MENSCH.

rein en klaar hoe men het ook schudtquot; •)• Zoo was het bij Jezus. Anders bij ons menschen: daar ligt modder op den bodem en bij iedere schudding stijgt uit den drabbigen grond des harten allerlei onreinheid en troebelheid op. —

Aangaande des Verlossers Persoon verdient opmerking de bekentenis en de historische wenk van een der nieuwere Godgeleerden2): „De volkomene Godheid en de volkomene menschheid van Christus was in het Nieuwe Testament feitelijk uitgesproken en geloovig erkend , de bepaalde manier dezer vereeniging echter niet nader verklaard. Intusschen is zulk eene vereeniging ook zoo verheven boven onze gewone voorstellingen , dat het geloof eerst tot nadenkend verwerken moest overgaan en menigerlei tegenstellingen moesten opkomen, alvorens tot derzelver verwijdering deze vereeniging in bepaalde begrippen als dogma (leerstelling) opgevat werd. Tegenstellingen waren , dat óf eene van beide Naturen niet volledig erkend óf hare waarachtige vereeniging geloochend werd.quot;

De Godheid des Verlossers werd reeds vroeg geloochend door de joodsch-gezinde Ebionieten, zijne menschheid door de heidensch-philosopheerende Gnostieken^). De Gnostieken

\') De Moor, Commontar. ill. p. 691. Vergel. Origenes bij Hagenbach, Dogmengesch. § 67. 3te Anfi. S. 143.

2) A\'. Hase , Hutter. rediviv. § 94. Ebionitisme en Docotismo rekent Schleiermacher, Dor chrlstl. Glaubo I. § 22, 3to Ausg. S. 124 tot do natuurlijke ketterijen tegen het Christendom.

3) Hagenbach, Dogmengesch. § 23. Aangaande do oudste Ebionieten (van het Hebr. Ebjon , arm , nederig) zegt Ne-

ander, Allgcm, Gesch. der Chr. Hel. und Kirche I. Band. 2t0 Abth. 182G S. 406 : Viele uulor dieser judaisircnden Christen

162

-ocr page 183-

§16. VOLLEDIG MENSCH. 163

waren allen meer of min Doceten , daar zij stelden óf: Hij had een schijnlichaam of; Hij had wel een waar lichaam maar het was niet zijn. De oudere Kerkvaders streden tegen beide uitersten.

Apollinaris: bisschop te Laodicea, leerde dat Jezus geen redelijke ziel had, maar dat zijne Godheid, de Logos, hare plaats had ingenomen i). De tweede algemeene Kerkvergadering te Konstantinopel, 381 n. G,1) (die te Nicea was de eerste) verwierp onder anderen ook het Apollinarisme als kettersch en constateerde de volledigheid van Christus\' menschelijke natuur , met ziel en lichaam. Zonder ziel had de Zoon Gods zich ook niet met lichaam kunnen

1

) Cave , Scriptor, occlosiasticor. historia literaria. Pars 11. 1699. p. 75 eqq. Van de Katholieken waren er 150 bisschoppen , van de Macedonian en 36 , die daar zij van hun gevoelen over het ï/Mioiiirlou niet wilden afstaan , de stad verlieten.

-ocr page 184-

§ 16. VOLLEDIG MENSGH.

vereenigen: de ziel, een geestelijk wezen, was juist het middel waardoor de Zoon Gods, die Geest is, met het lichaam in gemeenschap kon treden.

§ 17. Geen twee Personen.

De Godheid en de menschheid in Christus zijn geen twee Personen. 1. Gods Zoon was, als Persoon, van eeuwigheid. 2. Hij bleef Persoon, verloor niet zijne personaliteit bij de menschwording. 3. Hij vereenigde zich niet met een men-schelijk Persoon, maar nam eene menschelijke natuur aan, bestaande uit ziel en lichaam. Deze menschelijke natuur had geen eigen bestaan, was niet een oogenblik op zich zelve. Anders zouden er in Hem twee Personen geweest zijn. Van het eerste oogenblik harer formeering af heeft zij haar bestaan gehad in den Persoon dat is in de levende , zelfbewuste, zelfwillende , zelfwerkende zelfstandigheid des Zoons Gods \')•

De eenheid zijns Persoons wordt evenzoo nadrukkelijk als de tweeheid zijner naturen in de Heilige Schrift geleerd. Goddelijke en menschelijke eigenschappen en werkingen worden aan één en denzelfden Christus toegeschreven. Hij staat in de Schrift voor onze oogen als één Persoon met twee naturen. Hij , die daar op aarde wandelde , was dezelfde Persoon , die voor Abraham en voor de grondlegging der wereld was. Jezus zeide tot de Joden : Voorwaar , voorwaar zeg Ik u: eer Abraham ivas, hen Ik, Joh. 8: 581). Hij bad Joh. 17 : 5 : En nu verheerlijk

1G4

1

*) Over dozen tokst zie boven § 13. bl. 147 v.

-ocr page 185-

§ 17. GEEN TWEE PERSONEN. 1(55

Mij, Gij u zeiven met de heerlijkheid die Ik hij u had eer de wereld was. Dus éénzelfde Ik, nu als voor tweeduizend jaren , ja als voor de schepping. Hij was zich bewust , dat Hij dezelfde Persoon was nu als voor zijne menschwording. Dit sprak Hij ook uit in zijn woord tot Nicodemus Joh. 3: 13; Niemand is opgevaren in den hemeU) dan die uit den hemel neder gekomen is, [name-lijk/ de Zoon des menschen die in den hemel is1J Dus één Ik, één en dezelfde Persoon in de verledenheid , in de tegenwoordigheid en in de toekomst. Dat zegt Hij van zich , die daar als een mensch voor Nicodemus stond. Deze identiteit, eenheid en eenzelvigheid van zijn Persoon betuigt ook Paulus Efez. 4:10: Die nedergedaald is, is dezelfde ook die opgevaren is verre boven al de hemelen , opdat Hij alle dingen vervullen zoude.

§ 18. De Persoon de Zoon.

Vragen wij nu : tvie is dan eigenlijk de Persoon, dion wij in Jezus hebben te eerbiedigen, wij moeten antwoorden : de Persoon is de Zoon, de tweede van de Goddelijke Drie-in-één.

De verwerver des eeuwigen levens, de oorzaak en aanbrenger onzer zaligheid is naar de Schrift de Zoon, bij uit-

1

) Niet: was, maar: is. Zoo vertalen do Onzon te recht a wv êv ovpxvM. Het drukt zijne Godheid uit, zijno vorho-venhoid boven alle creatuur. Kantteek.: dio in don hemel is,

namelijk ten aanzien van zijne Goddelijke nattiur, naar welke Hij hemel en aarde vervult.

-ocr page 186-

§18. de persoon de zoon.

nemendheid en in den hoogsten zin dus genoemd, de Zoon, niet een Zoon, een kind Gods, maar de Zoon, de eeniggeborene, die, den Vader gelijk, zeggen kon: die mij gezien heeft, die heeft den Vader gezien, en : opdat zij allen den Zoon eer en gelijk zij den Vader eeren. Het Woord is vleesch geworden, de Zoon heeft de mensch-heid aangenomen , is van den Vader in de wereld gezonden.

Dit staat dan vast naar de Schrift, dat de Persoon, die de menschelijke Natuur heeft aangenomen 1. niet is de eerste Persoon, de Vader. Het kon niet: want dan zou één en dezelfde Persoon Vader en Zoon tegelijk zijn. 2. Ook niet de derde Persoon, de Heilige Geest: dan zouden er twee Zonen zijn : de tweede Persoon ten aanzien van zijne Goddelijke natuur, als de Eeniggeborene des Vaders, en de derde ten aanzien van de aangenomene menschelijke natuur , want die deze aannam zou immers Gods Zoon genaamd worden (Luc. 1 : 35). Het kan derhalve geen ander zijn dan de tweede Persoon \').

En waarom de tweede*) en niet de eerste of de derde? Wij kunnen zeggen : de oorzaak, waarom niet de Vader of do Heilige Geest maar de Zoon het Middelaarswerk heeft op zich genomen en in het vleesch is gekomen, was het Goddelijke welbehagen (Kol. 1 : 19). En dat is voor ons genoeg. Doch nadat dit welbehagen is geopenbaard, heb-

\') Mastricht, Godgol. II. p. 482. Vergel. Anselmus, Cur Dous homo. Lib. II. Cap. 9. od. Fritzscho p. 60.

2) March, Compond. en March. Hoofdei. XIX. 7. De Moor, Commontar. III. p. 681 sq. Anders Ebrard, Dogm. II. p. 95 met zijne idee van den pioromatische mensch en zijne ongere-formoerde stelling, dat do Zoon Gods , ook zonder don zonden-val , mensch zou zijn geworden (I. S. 266).

166

-ocr page 187-

§18. DE PERSOON DE ZOON.

ben wij Gods wijsheid en goedheid er in op te merken en te bewonderen.

a. Het betaamde zoo bij de onderlinge verhouding der drie Personen. De Vader, de eerste In orde en in alle werk, voegde niet voor gezant maar alleen voor zender en laat zich geheel niet anders denken, terwijl het den Middelaar paste den Geest, als vrucht der verlossing, tot de Kerk te zenden.

b. Het voegde, dat door denzelfden, door wien alle dingen gemaakt zijn, ook de herstelling van het vervallene geschiedde: de Zoon Gods, het beeld des Vaders paste als hersteller van het verlorene beeld Gods in den mensch.

c. Onze zaligheid bestaat in kinderlijke betrekking tot God , dies was er gemeenschap noodig met den Zone Gods, den eerstgeborene des huizes en het paste dat de Zoon Gods een Zoon des menschen werd, opdat menschen door Hem het recht der aanneming tot kinderen verkregen en zijne broederen en medeërfgenamen wierden.

d. Ook kon God geen hooger bewijs van zijne men-schenliefde en geen sterkeren aandrang tot wederliefde geven dan dat Hij aan menschen en voor menschen zijnen eeniggeboren Zoon overgaf. De hemelsche Abraham heeft zijnen Izaïik niet gespaard.

En de Zoon gaf zich vrijwillig over. Fil. 2:6: Die in de gestaltenis Gods zijnde, geenen roof geacht heeft Gode evengelijk te zijn. 7. Maar heeft zich zeiven vernietigd , de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende en is den menschen gelijk geworden.

De vereeniging der Godheid en menschheid is geschied door aanneming. De Persoon was vooraf, anders kon Hij niet aannemen, Hij was van eeuwigheid , Hij was bij God en was van nature God; in de volheid des tijds heeft

1G7

-ocr page 188-

18. DE PERSOON DE ZOON.

Hij, éón Persoon blijvende , zich vereenigd niet met een menschelijk persoon; ware dat, dan zouden er in Christus twee personen zijn geweest; maar met eene volledige menschelijke natuur die van het eerste oogenblik haars aanwezens de zijne was.

Dies moeten wij met onze oude Godgeleerden zeggen : Maria heeft niet een menschelijk persoon, maar eene menschelijke natuur, bestaande door en toebehoorende aan de zelfstandigheid des Zoons Gods, dus een Goddelijk Persoon ter wereld gebracht; niet dat de Godheid van haar is geboren, maar de Persoon naar zijne menschheid \')•

Hij heeft die aangenomen. De aanneming is alleen aan den Zoon eigen. Als een werk naar buiten komt de vleeschwording (incarnatio) des eeuwigen Woords aan de gansche Drieëenheid toe. De Vader zond den Zoon , de Heilige Geest heeft Hem het lichaam toebereid, maar de Zoon is in het vleesch gekomen, heeft het aangenomen1).

Nederlandsche Belijdenis des geloofs Art. XIX : Wij gelooven dat door de ontvangenis de Persoon des Zoons onafscheidelijk vereenigd en tezamen gevoegd is met de menschelijke natuur; zoodat er niet zijn twee Zonen Gods noch twee Personen, maar twee naturen in eenen eeuwigen Persoon vereenigd , doch elke natuur hare onderscheidene eigenschappen behoudende.

§ 19 Do vereeniging.

Veel gepeins en strijd is er verwekt door de gewichtige

168

1

JJrakel, Rod. Goclsd. I. p. 411.

■-) F. Van Mastricht, Godgül. II. p. 484 v.

-ocr page 189-

§ 19. DE VEREENIGING.

vraag, waartoe het bij de nadere ontwikkeling der leer van zelf komen moest: hoedanig wij ons de vereeniging der Godheid en menschheid in Christus hebben voor te stellen. Tegenover menigerlei afdwalingen van de waarheid heeft de rechtzinnige Kerk te recht beslist verklaard: Godheid en menschheid zijn in Christus persoonlijk vereenlgd onverdeeld en onscheidbaar, onvermengd en onveranderd.

Het streven , om de werkelijkheid en volledigheid beider naturen vast te houden, verleidde er toe om ze te scheiden , zoodat men den mensche Jezus en don Zone Gods iederen eene eigene zelfstandigheid toeschreef. Tegen deze dwaling is de uitspraak van het rechtzinnig gevoelen: onverdeeld en onscheidbaar.

Daartegenover heeft de poging, om de eenheid van Christus\' Persoon vast te houden , tot vermenging beider naturen geleid. Hiertegen sprak de Kerk: onvermengd en onveranderd.

De scheiding der naturen werd voornamelijk gedreven door Nestorius \'), eerst leeraar in Antiochië, dan aartsbisschop te Konstantinopel. Volgens hem stond het Goddelijke en het menschelijke in Christus alleen in eene betrekking des werkens tot elkander2), hoewel het eene geen oogen-blik zondere het andere was. Dit leidde tot de stelling van twee Personen in den Verlosser. Tegen hem streed Cyrillus 3), Aartsbisschop van Alexandrië , die op de vol-

\') Meander, Allgem. Gesch. dor Christl. Rol. u. Kircho II. Bd. 3to Abtholl. 1831. S. 637 if. Hagenbach, Dogmongosch. § 100. S. 223 f.

*) huns crxtTixy , rrwxCpstx.

3) Neander, a. W. S. G-tg ff. Niednor, Lohrb. der Chr. Kirchongosch. 18G6. S. 354 ff. § 104.

169

-ocr page 190-

§19. DE VEREENIGING.

koniene vcreeniging der Godheid en menschheid in Christus nadruk legde. Nestorius werd veroordeeld op de algemeene Kerkvergadering 431 n. C. te Ephesus.

Was Nestorius\' dwaalgevoelen, de scheiding der naturen in Christus , verworpen , zoo dreigde nu de tegengestelde dwaling van Cyrillus\' aanhangers door te dringen, voornamelijk door Eutyches gt;), kloostervoogd in Konstantino-pel, die de vereeniging der naturen overdreef tot vermenging van beide in eéne. Deze werd kerkelijk veroordeeld op de vierde algemeene Kerkvergadering 451 n. C. te Chalcédon , hoofdstad der provincie Bithynië in Klein-Azië, tegenover Bijzantium (Konstantinopel). Daar werd vastgesteld de verscheidenheid der naturen bij de eenheid des Persoons: „één en dezelfde in twee naturen onvermengd, onveranderd (dit was tegen do dwaling van Cyrillus en Eutyches, die tot de stelling van ééne natuur leidde ; vandaar vervolgens de naam Monophysieten, Eén-natuur-drijvers), onverdeeld, onafscheidelijk\'1) (dit tegen de Nestoriaansche scheiding en afzondering in twee Personen).quot; Dus werd aangenomen het voortbestaan der eigenaardige werkingswijze van ieder der twee naturen ook na de unie.

De Chalcedonische bepaling werd later, op de Zesde algemeene Kerkvergadering te Konstantinopel G80 na C. toegepast op de natuurlijke tweeheid en slechts moreele

\') Neander, a. W. S. 689.

2) Hot Symholuni Clmlcedonence z. bij Hagenbach, Dogmou-gosch. § 101. Niedner, a. W. S. 359 f.: — —

svx xx) tov oii/TOv XptTTOV, h Svo CpvTSTiv (niet sa Ivo ^puo-ecov. Zio Niedner a, W. S. 362) xtpstttm;, xlixi-

psrui;, xxwpiTTUs yvuptypsvov.

170

-ocr page 191-

§19. DE VEREENIGING.

eenheid van wil. Want de menschelijke natuur zou zonder wil niet volledig zijn. Dus de wil der Godheid en de wil der menschheid in Christus wel in bestendige overeenstemming , maar ieder van beiden werkzaam in zijnen eigen aard gt;).—

De persoonlijkheid , het Ik , van den Goddelijken Persoon is ook die van zijne menschheid : vergelijkbaar met het ééne middelpunt van twee cirkels, een kleinen (de menschheid) en een ondenkbaar grooten (de Godheid)1).

Dus één Persoon met twee naturen. Terecht zegt een onzer oude Godgeleerden : „het is wel eene vereeniging van naturen, maar niet eene natuurlijke vereeniging\'^). — De menschelijke natuur des Verlossers heeft geen eigen middelpunt voor zich. Hadde zij dat, dan waren er in

171

1

) Dr. Ernst Sartonus, Christologische Vorlesungon. 3to Aufl. S. 38 : Denkon wir uns , Beispiels halber, die beidon Naturen als zwei Kroiso . die menschliche als einen kloinuu , die göttliche als einon groszen , beide unvermischt und unverwan-dolt, jeden in seiner Eigonthümlichkoit. Beide sind nur in einem einzigon Punkte voreinigt, aber dieser Punkt ist dor gemeinsamo Mittelpunkt beider , tmd obwohl os nur ein Punkt ist, so con-centriren sich doch ohno Vcrmischung boide gloichzoitig in ihm. Vergel. Van Oosterzee, Hot Leven van Jezus. 1846. I. p. 220. Heidelb. Cateoh. Vr. 48. Do grooto kring is wel rondom buiten don kleinen , maar bestaat tevens dezen, in welken immers beider eeuig middelpunt ligt, van hetwelk al de radion uitgaan. Zoo is het dat in Christus de Godheid wel huiten hare aangc-nomene menschheid is en \'nochtans persoonlijk met haar vereenigd blijft. Zijne Godheid is overal waar zijno menschheid is, maar zijne menschheid is niet overal waar zijne Godheid is.

:i) P, v. Mastricht, Godgol. II. p. 484.

-ocr page 192-

§ 20. DE VEREEN1GING. VEUVOLG.

Christus twee Personen. Maar, terwijl zij is opgenomen in de gemeenschap der Goddelijke natuur, is het middelpunt der Goddelijke ook het hare en daardoor is het één Persoon.

§ 20. De vereeniging. Vervolg.

Ten opzichte van de vereeniging der twee naturen in Christus verschillen de Gereformeerden van de Lutheranen. Dezen, om hun dwaalgevoelen van Christus\' lichamelijke tegenwoordigheid in het heilige Avondmaal staande te houden, leeren dat de Goddelijke natuur hare eigenschappen , bij name almacht, alwetendheid en overaltegenwoordigheid aan de menschelijke natuur heeft medegedeeld\').

De Gereformeerden hielden streng vast aan de waarheid van twee naturen in éénen Persoon en leerden dienvolgens dat Christus naar zijne lichamelijke mensch-heid thans alleen in den hemel is. De Lutheranen stelden eenen reëelen overgang der eene natuur in de andere en grondden daarop hunne alomtegenwoordigheid des lichaams van Christus1).

Dat de vereeniging der twee naturen in Christus is geschied zonder vereeniging , zonder verandering zegt: iedere natuur heeft hare eigenschappen behouden; en onverdeeld, onafscheidelijk zegt: zij zijn in haar geheel en onlosmakelijk om en met den Persoon , als het centrum der kringen , vereenigd, het is één Persoon die ze bezit.

172

1

) Hagenbach, Dogmengesch. § 26ü. S. 642.

-ocr page 193-

§ 20, DE VEREEN1GING. VERVOLG.

Zoo stelt Christus in zijne redenen steeds zelf zich voor als ééne Persoonlijkheid, één Ik, één ongedeeld zelfbewustzijn. Joh. 8: 58. 17: 5 i).

Omdat beide naturen aldus in waarheid persoonlijk vereenigd en niet slechts uiterlijk (mechanisch) samengevoegd waren , zoo „is het dan niet hier Gods Zoon , dddr de mensch, maar overal de Godmensch, die denkt, spreekt en handelt. Het is één zelfbewustzijn , dat wij in den menschgeworden Godszoon moeten eerbiedigen , hetzij Hij klaagt of zucht, lijdt of bidt, van dood of van heerlijkheid spreekt: het bewustzijn , dat Hij, de Zoon des menschen , tevens de Zoon des Vaders isquot;1),

Ook onze ziel en ons lichaam hebben eene centrale eenheid , zijn in één bewustzijn met elkander verbonden en vormen daardoor één menschelijk Ik, eenen persoon. Het bewustzijn heeft echter niet in het lichaam maar in de ziel zijnen grond. Maar daaruit volgt geene verandering van beiden, beiden blijven wat zij zijn, de ziel is of wordt geen lichaam , het lichaam geene ziel. Maar het lichaam is door de persoonlijke vereeniging bezield en de ziel is belichaamd en beiden leven , voelen en werken van uit het ééne middelpunt des bewustzijns, zoodat de ziel zelfs het sterven voelt zonder zelve te sterven s).

173

1

) Van Oosterzee, Hot Loven van Jezus. I. p. 220.

-ocr page 194-

174 § 21, GEWICHT VAN DE EENHEID DES PERSOONS.

§ 21. Gewicht van de eenheid des Persoons.

De persoonlijke eenheid des Verlossers is van groot gewicht. Hierop rust geheel de waarde en kracht van Jezus\' leer, leven en dood ; hierop namelijk , dat de Persoon , die leerde, leefde en stierf, de Zoon Gods was. Omdat Hij die was, daardoor leerde Hij als machthebbende en heeft zijne leer beslissend en blijvend gezag: daardoor was zijn leven en zijn dood plaatsbekleedend: zijn leven verdienstelijk , zijn dood verzoenend.

Zoo alleen , als God en mensch in één Persoon kon Hij de Middelaar Gods en der menschen zijn.

De verlossing en verzoening kon niet geschieden zonder persoonlijke vereeniging der Godheid en menschheid. God en mensch, door de zonde gescheiden, moesten hereenigd worden. Hier was een Middelaar noodig niet alleen van tusschenspraak gelijk Mozes tusschen God en Israël bij den berg Sinaï, maar van verzoening door voldoening, eene vrijwillige voldoening door leven en dood van geheel de schuld des menschen. Deze voldoening kon alleen Hij volbrengen die tegelijk boven de wet en onder de wet stond, dus één Persoon in wien Godheid en menschheid vereenigd waren.

Zulk een Middelaar is er maar één. 1 Tim. 2:5: Want daar is één God, daar is ook één Middelaar Gods en der menschen, de mensch Christus Jezus. 6. Die zichzelven gegeten heeft [tot] een rantsoen voor allen, [zijnde] het getuigenis te zijner tijd. Mensch zegt Paulus, niet om de Godheid van dit Middelaarsambt uit te sluiten : want Christus is God geopenbaard in het vleesch 1 Tim. 3:16; maar om aan te wijzen dat Hij in zijne menschelijke natuur het rantsoen voor ons heeft betaald en dat Hy als mensch onze nabe-

-ocr page 195-

§ 21. GEWICHT VAN DE EENHEID DES PERSOONS. 175

staande is en dat derhalve alle soorten van menschen door het geloof tot Hem en tot zijne offerande een vrij-moedigen toegang hebben gt;). Hetwelk het cietuigenis is te zijner tijd1), hetwelk nu in de volheid des tijds betuigd , verkondigd wordt, terwijl het tot daartoe scheen als ware God alleen de God der Joden. De tijden zijn door God geordineerd : na den winter de lente.

De Middelaar is nu in het hemelsche heiligdom, verhoogd aan de rechterhand des Vaders. Hebr. 8:6: En nu heeft Hij zooveel uitnemender bediening gelcreyen, als Hij ook van een heter verbond Middelaar is, hetwelk in betere beloftenissen bevestigd is. Gelijk het Nieuwe Verbond , waarvan Christus de Middelaar is, heerlijker is dan dat verbond hetwelk God door Mozes met Israël heeft opgericht, een zooveel heerlijker priester is Christus in vergelijking met de aardsche priesters , die in dat Sinaïetische verbond zijn ingesteld. Want het lichaam is immers beter dan de schaduw , het wezen meerder dan de afbeelding, het hemelsche heerlijker dan het aardsche. Onder het Oude Verbond een priesterschap naar de wet eens vlee-schelijken gebods, een priesterschap, welks bekleeders en bedienaars, als stervende menschen elkander opvolgende, met hunne steeds op nieuw herhaalde offeranden getuigenis gaven dat zij zeiven zondaars waren en dat hun ambt en offer in zich zelf krachteloos was ; maar hier een onvergankelijk priesterschap des eeuwigen Zoons, des heiligen en onbevlekten, die, nadat Hij eens vooral zich zeiven

1

) Treffend ontwikkelt dit Calvin., Coramentar. i. 1. \'-) to //.xprvpiov mipofc iïlois is appositie bij geheel don volzin. Tö ftxprupiM is accusativus. Winer, Grammat. § 48. 1.

-ocr page 196-

176 § 21. GEWICHT VAN DE EENHEID DES PERSOONS.

heett opgeofferd, in het waarachtig heiligdom is ingegaan.

De heerlijkheid en kracht van Christus\' Middelaarswerk op grond van zijn Persoon betuigt de Apostel ook Hebr. 9: 14: Hoe veel te meer (dan het bloed van stieren en bokken) zal het bloed van Christus , die door den eemvigen Geest zich zelve Gode onstraffelijk opgeofferd heeft, uwe conscientie reinigen van doode werken, om den levenden God te dienen. 15. En daarom is Hij de Middelaar des Nieuwen Testaments , opdat de dood [daarttisschen] gekomen zijnde tot verzoening der overtredingen die onder het eerste Testament waren , degenen , die geroepen zijn, de beloftenis der eeuwige erve ontvangen zouden.

Christus is Middelaar naar beide naturen. Niet alleen naar de Goddelijke, gelijk de Luthersche leeraar Andreas Osiander (gestorven 1552) dreef. Noch alleen naar de men-schelijke natuur, zooals zijn tegenstander Franciscus Stan,\' carus (gestorven 1574), in overeenstemming met de Room-schen, leerde\'). Alles wat Christus deed en wat Hij leed, was werk en lijden van den éénen Persoon, van den Zone Gods.

De eene natuur deelt hare eigenschappen niet aan de andere natuur mede , maar van beide naturen behoort alles aan den éénen Persoon. „De Persoon is eeuwig , oneindig , alomtegenwoordig , alwetend , almachtig naar zijne Godheid en omdat Hij God is. En wederom dezelfde Persoon Christus is op zekeren tijd uit eene vrouw geboren , was hier op aarde telkens op ééne plaats en niet tegelijk op eene andere, wist niet alle dingen , had alle

\') Hagcnbach , Dogmongesch. § 269. Winer, Comparat. Darstel!. S. 104. P. Van Mastricht, Godgol. II. p. 428 v.v. Bra-kel, Red. Godsd. I. p. 415.

-ocr page 197-

§ 21. GEWICHT VAN DE EENHEID DES PERSOONS. 177

menschelijke passiën zonder zonde, hongerde , dorstte, leed, stierf omdat Hij mensch wasquot; \').

Zoo spreekt de Schrift van Christus. Soms schrijft zij Hem toe wat alleen zijne menschheid , soms wat alleen zijne Godheid aangaat, soms wat beide naturen samen raakt en niet afzonderlijk ééne van beiden.

Op gelijke wijs wordt ook van \'s menschen ziel gezegd wat geheel niet op het lichaam past en wederom van het lichaam wat niet voegt voor de ziel. Maar ook brengt men de eigenschappen der ziel over tot het lichaam en wat aan het lichaam eigen is tot de ziel; maar die uit en in beiden bestaat is één mensch , niet meer. Door deze spreekwijzen wordt aangeduidt dat er in den mensch één persoon is met twee verschillende bestanddeelen1).

Christus is aanbiddelijk^ Hij, de Middelaar, Hij God en mensch mag en moet aangebeden worden, maar alleen op grond van zijne Godheid. De grond van aanbidding is niet het Middelaarsambt, niet zijne zondelooze men-schelyke natuur of de uitnemendheid zijner gaven en zijner macht, maar alleen de Goddelijke natuur. God alleen moet men aanbidden; Matth. 4: 10. Christus moet aangebeden worden niet inzoover Hij Middelaar is - zoodat, viele het Middelaarschap weg , ook de aanbidding wegviel — maar omdat Hij zoodanig een Middelaar is, God en mensch in één Persoon 3).

De Socinianen en hunne natreders , de Remonstranten,

1

) Calvin. Instit. II. 14. 1.

-ocr page 198-

178 § 21. GEWICHT VAN DE EENHEID DES PERSOONS.

dringen zeer aan op de aanbidding van Christus, maar alleen op grond van zijn Middelaarswerk en wegens de Hem medegedeelde Goddelijke macht en heerlijkheid. Hij is hun niet een waarachtig God gt;). Dies is hunne aanbidding van Christus afgoderij. Maar wij aanbidden Hem die naar de Schrift (Rom. 9: 5) is God boven allen te prijzen in der eeuwigheid. Amen.

\') Catechesis Racov. od. Oeder. p. 423. Vierde Hoofdstuk van dit Leesb. § 34. bl. 306. Limborch, Thoologia Christiana p. 470.

-ocr page 199-

ELFDE HOOFDSTUK.

DES VERLOSSERS NAMEN EN AMBTEN.

§ 1. Eigennaam Jezus.

Dg Zoon Gods, in het vleesch gekomen , moest als mensch onder de menschen een eigenen naam dragen, om Hem van anderen te onderscheiden. Geboren van eene Jodin , met een Joodschen pleegvader en levende onder de Joden voegde Hora een Joodsche naam. Ook hierin werd Hij den broederen gelijk.

Bij de besnijdenis , die het kindeken acht dagen oud zijnde; onderging, werd zijn naam genoemd Jezus, welke genoemd teas door den Engel eer Hij van Maria uit den Heiligen Geest in den lichame tvas ontvangen, Luc. Hl. Onder de Israëlieten geschiedde de plechtige naamgeving aan de zoontjes bij de besnijdenis evenals naderhand onder de Christenen de kinderen hunnen naam ontvingen bij den doop , vooral met dit doel dat zij levenslang ook zelfs door hunnen naam herinnerd wierden aan het ver-

-ocr page 200-

§ 1. EIGENNAAM JEZUS.

bond hetwelk door het sacrament aan hen was bezegeld quot;)■ Bij Jezus had dit hoogere beteekenis : door naam en besnijdenis saam werd Hij gekenmerkt als Verbondsmiddelaar.

Het was dan ook niet bij geval, ook was het niet het werk van Jozef en Maria dat het kindeke Jezus genaamd werd. Het geschiedde naar Gods bestel.

God de Vader wilde , dat zijn menschgeworden Zoon Jezus zou heeten, dat Hij juist als Jezus 33 jaren lang op aarde leven, als Jezus sterven , opstaan , ten hemel varen, als Jezus regeeren zou , ten teeken dat dit alles diende om zijn volk zalig te maken van hunne zonden.

Daarom werd vooraf de Engel Gabriël tot Maria gezonden met de boodschap ; gij zult bevrucht worden en eenen zoon haren en zult zijnen naam heeten Jezus, \\j\\yc. 1 : 31. En toen het blijkbaar werd, dat zij moeder zou worden en Jozef niet wist wat hij zou, verscheen ook hem de Engel des Heeren des nachts in den droom, zeggende : Jozef [gij] zone Davids, zij niet bevreesd Maria uwe vrouw tot u te nemen. Want hetgene in haar ontvangen is , dat is uit den Heiligen Geest. En zij zal eenen zoon baren en [gij] zult zijnen Naam heeten Jezus. Want Hij zal zijn volk zalig maken van hunne zonden, Matth. 1 : 20, 21.

180

Ieder naam zou eigenlijk de hoedanigheid desgenen uitdrukken die hem draagt. Door de zonde is deze oorspronkelijke bedoeling en beteekenis der namen te loor gegaan. Niet zelden was het gedrag der kinderen het tegendeel van hetgeen hun naam beloofde. David noemde zijnen derden zoon Absalom d.i. vader des vredes, maar deze werd een onruststoker. Salomo noemde zijnen kroonprins Rehabeam

1) De Moor, Commentar. in Marck. III. p. 634.

-ocr page 201-

§ 1. EIGENNAAM JEZUS.

d. i. rijks vermeerderaar (Augustus de Doorluchtige), maar deze verminderde het rijk daar door zijne schuld 10 stammen afvielen. Iets anders is het wanneer God zelf eenen naam geeft; dan stemt de uitkomst met den naam overeen. In Jezus bij uitnemendheid: Hij is volkomen wat Hij heet, Zaligmaker.

De naam Jezus gt;) is de Grieksche uitspraak van den Hebreeuwschen naam Jeschua\'1) en deze is eene na de ballingschap gebruikelijke verkorting van den ouderen naam Jehoschua2) , in onze Bijbelvertaling Jozua. De naam beteek ent: „ Jehovah is hulp de Heere redt.

Waar in het Oude Testament de naam Jozua of Jezua voorkomt, daar zeggen de LXX Grieksche Vertalers Jezus. Deze naam was bij de toenmalige Joden geheel niet ongewoon. Voor en met Jezus hebben dan ook anderen dezen naam gedragen en ook in dit opzicht heeft Hij de gestal-nis eens dienstknechts aaangenomen en is ook hierin den menschen gelijk geworden, dat Hij eenen naam ontving die bij de menschen niet vreemd was. Ook onder Paulus\' medearbeiders was er een, die Jezus heette, met den bijnaam Justus, Kol. 4: 11. Intusschen dat anderen dezen naam droegen gaf hun geen bijzonder gewicht. Doch te recht heeft men de bijzondere voorzienigheid Gods hierin erkend»), dat twee mannen als opmerkelijke voorbeelden van den Verlosser en den Bedienaar des waren heiligdoms Jozua, Jezus

181

1

) \'lytroïii;.

2

J) De Moor, Commontar. in Marck. III. p. 631.

-ocr page 202-

§ 1. EIGENNAAM JEZUS.

heetten, namelijk Jozua de Zoon van Nun, die de kinderen Israels in het aardsche Kanaan bracht hetgeen Mozes niet kon, voorbeeld van den meerderen Jozua die het geestelijke Israël in het hemelsche Kanaan brengt, en Jozua de zoon van Jozadak , Hoogepriester ten tijde van Israels weder-keering uit de Babylonische gevangenis, voorbeeld van den waren Hoogepriester, Zach. 6; 11, 12. Immers ook deze beiden werden bij de Grieksch sprekende Joden Jezus genoemd (Hand. 7 : 45. Hebr. 4 : 8).

Later, na de vestiging der Christelijke Kerk, werd de naam Jezus aan niemand weer gegeven. De Christenen schroomden dit te doen, uit eerbied voor hun Heiland, de Joden i) vermeden dezen naam uit afkeer.

Allen die gelooven is Hij dierbaar. Zijn naam is eene uitgestorte olie voor verwonde en zieke zielen. Hij maakt zalig, volkomen zalig; Hij alleen. Door verwerving èn toe-eigening2) van de zaligheid. Door verlossing van alle kwaad en toebrenging tot het hoogste goed, de gemeenschap met God. Hij maakt zijn volk vrij van de zonde en van al haren treurigen nasleep, van hare schuld en straf en van hare smet en heerschappij. De gebrokene bakken worden verlaten en de dorstigen komen bij Hem tot de volle genadefontein , waaruit men het water des levens drinkt.

En de zaligheid is in geenen anderen. Want daar is ook onder den hemel geen andere naam die onder de menschen

\') P. Van Mastrichl, Godgolocrdh. II. p. 451. De Moor a. W. III. p. 627.

\'2) Pelagianen; Christus heoft do zaligheid verdiend, maar do toepassing is moer of min der monschen werk. Ook Roomschen on Remonstranten; do verdionsto van Christus is algemeen, de toepassing bijzonder.

182

-ocr page 203-

§ 1. EIGENNAAM JEZUS.

gegeven is, door welken wij moeten zalig worden, gelijk Petrus Hand. 4 : 12 voor den Joodschen Raad betuigde. Onder den hemel, zoo ver de hemel reikt, voor alle volk dergenen , die onder den hemel zijn (Hand. 2 : 5). Onder en voor menschen gegeven, niet alleen voor Israël (Hand. 4 : 10), maar voor menschen, mogen het oversten zijn of tollenaars en bedelaars, want allen zijn zondaren, voor geen mensch op aarde is er zaligheid dan in dezen Naam. Heidelb, Catech. Vr. 29. 30.

Niet als hadde de Naam op zich zeiven eenige kracht. Het is geen toovernaam. Voor bijgeloof en uitwendig gebaar bij het gebruik van dezen Naam inzonderheid onder de Roomschen hebben onze vaderen wel ernstig gewaarschuwd gt;)• Naam zegt: Persoon. Niet de klank des Naams vermag iets; dan deed het weer de mensch. Maar de Persoon , de Zoon Gods, van God gegeven, doet het. Ook onder de Protestanten zijn er velen zonderling op dien naam gezet, die intusschen hunne zaligheid bij zich zeiven zoeken.

§ 2. Ambtsnaam Christus.

Als Middelaar wordt de Heere Jezus genoemd C/mstos1), een Grieksch woord , hetwelk overeenkomt met het He-breeuwsche Messias 3) en Gezalfde beteekent, onder welken

183

1

) Xpitrrós, adjoctivum verbale van Xplcc zalven, gevormd van het perfect, pass. en met de beteekenis van het partic. perf. pass. gezalfd. Vergel. Curtius, Griech Schulgramm. § 300.

fTK\'D ook een adject, verbale pass., gezalfd. Het Hebr.

- • T

-ocr page 204-

§ 2. AMBTSNAAM CHRISTUS.

naam Israël naar de voorzegging den Verlosser verwachtte.

Deze naam verbindt het Oude Testament met het Nieuwe, als belofte en vervulling, daar hij ons zegt dat Jezus in waarheid die Verlosser is die voortijds van God was beloofd en door de geloovigen werd verwacht. Tegelijk geeft deze naam te kennen dat Jezus al de noodige eigenschappen bezit om Jezus te wezen, om zijn volk zalig te maken, door zijn drievoudig Middelaarsambt, waartoe Hij gezalfd is, het profetisch, het hoogpriesterlijke en het koninklijke ambt.

Den Hebreeuwschen en den Griekschen naam treffen wij vereenigd aan Joh. 1 : 42, waar Andreas tot zijnen broeder Simon zegt: wij hebben gevonden den Messias, terwijl Johannes er bijvoegt: hetwelk is, overgezet zijnde, [de] Christus \')• Door het noemen van beide namen wil de Evangelist daar het hoog belang dezer ontdekking uitdrukken.

In de Heilige Schrift komt deze naam het eerst voor in Hanna\'s lofzang 1 Sam. 2 : 10 : Die met den Heere twisten, sullen verpletterd worden. Hij zal in den hemel over hen donderen ; de Heere zal de einden der aarde richten en zal zijnen Koning sterkte geven en den hoorn zijns Gezalfden verhoo-gen. De Koning en de Gezalfde zijn één. In Israël was toen nog geen koning. De Koning, de Gezalfde Jehovahs

maschiach luiddo arameesch meschicha , waaruit in don mond dor Grioksch sprekondu Joden mossias werd.

1) In het oorspronkelijke staat hier niot o Xpinóg, de Christus , maar alleen Xpiaróc zonder lidwoord. Overigens met het lidwoord, de Christus, meest in do Evangelièn , als appollativum, meteen om aan te dnidon dat Hij is do verwachte. Vervolgens doorgaans zonder lidwoord , daar de toenaam reeds moor eigennaam was geworden. Winer, Grammat. § 17, Anm. 1. Grerner, Wörtorb. p. 584 s.v. XpiTTÓi;.

184

-ocr page 205-

§ 2. ANBTSNAAM CHRISTUS.

is „Christus, denwelken Hij had verordineerd en ter bestemder tijd zenden zouquot; (Kantteek.) , aan de verlichte Hanna uit de vroegere openbaringen wél bekend. Zij voorziet den wissen ondergang der goddoloozen, maar ook de eeuwige zaligheid der heiligen in het rijk des Messias. Haar kleine Samuël is niet eigenlijk de schat waarover zij zich zoo verheugt, maar is haar slechts het uiterlijke teeken van de genade Gods en van de verhooring haars gebeds. Door den profetischen Geest verwijdt zich haar gezichtskring. Zij ziet van Samuël weg verre vooruit naar een ander, naar den grooten Koning over de gansche aarde. Evenals lang daarna de oude priester Zacharias in zijnen lofzang bij zijn kind niet blijft, maar van het eeuwig genadeverbond Gods roemt. Daarentegen Maria, Jezus\' moeder, kan in haren lofzang van geenen meerdere gewagen dan dien zij gebaard heeft, hoezeer ook zij van de wegen en oordeelen Gods in het algemeen spreekt evenals Hanna \').

Daarna zong David van den Gezalfde Ps. 2:2: De koningen der aarde stellen zich op en de vorsten beraadslagen te zanten tegen den Heere en tegen zijnen Gezalfde. Uit geheel den Psalm blijkt5) dat deze Gezalfde geen aardsche koning is. Bovenmenschelijke waardigheid wordt Hem toegekend. Do rebellen worden vermaand zich aan Hem als hunnen Koning te onderwerpen, daar hen anders zijn toorn zal verpletteren, terwiil daarentegen welgelukzalig zijn allen

\') Itoos , Einleit. in die bibl. Gesch. II. § 297. S. 377. Ook Voti Gerlach zu 1 Sam. 2 : 10 erkent in Hanna\'s woorden eene voorzegging van don messiaanschen tijd.

2) Hengstenberg, Christologie des A. ï. 1829. I. 1. S. 98 ff. Dezelfde, Commentar übor die Psalmen I. S. 26.

185

-ocr page 206-

186 § 2. AMBTSNAAM CHRISTUS.

die op Hem vertrouwen. Hij wordt de Zoon, de Zoon Gods genoemd, de door God ingezette Koning, aan wien de heerschappij over de gansche aarde is gegeven (v. 12, 7 , 8). Het is de Messias.

En Daniël 9 : 25, 26 gt;) profeteerde van Messias den Vorst, die uitgeroeid zou worden, maar het zou niet voor Hemzelven zijn. Eene voorzegging die tevens den tijd van Zijné verschijning aanwees en vooral de grond was, waarom men ten tijde van Christus\' komst deze als nabij zijnde zoo vast en algemeen was verwachtende.

Door deze beide schriftuurplaatsen was het voornamelijk dat de naam Messias in Israël algemeen werd als kenmerkende naam van den Verlosser die naar de beloften Gods komen zou.

§ 3. Begrip van den naam Christus.

Jezus heet de Christus, de Gezalfde bij uitnemendheid, omdat Hij is de ware Profeet, Hoogepriester en Koning, naar de drie bedieningen van het Godsrijk.

Het rijk Gods in Israël werd onderhouden en bestuurd door drie Goddelijke ambten, door de leer der Profeten , door den offerdienst der Priesteren en door de macht der Koningen. Deze bedieningen werden echter door verschillende personen en standen waargenomen. Slechts in de persoonlijke voorbeelden van den Messias, als in David en Salomo, komen de afzonderlijke verrichtingen dezer ambten soms vereenigd voor. Samen wezen zij vooruit naar eene toekomst, in welke het lichaam der schaduwen zich ver-

\') Zie hiorovor Tiende Hoofdstuk § 6. p. 121 v.

-ocr page 207-

§ 3. BEGRIP VAN DEN NAAM CHRISTUS. 187

toonen zou : de Messias zou deze drie hoofdamblen» van den Godsstaat (de Theocratie) in zijn Persoon vereenigen en volmaakt uitvoeren. Immers geheel de Mozaïsche bedeeling (oeconomie) was met een bepaald opzicht lot do nieuwe huishouding ingericht en was een voorbeeld van deze.

De Messias is dan de hoogste Profeet, met geheel de volheid des Goddelijken Geestes uitgerust, die de idee van het profetendom volkomen verwezenlijkt , de gezaghebbende leeraar niet voor Israël slechts, maar voor alle volken. Hij is de eenige Hoogepriester, die de zonden werkelijk verzoent, wat geen Hoogepriester des Ouden Verbonds vermocht. Hij is de eeuwige Koning, van wiens heerlijkheid zelfs zijn doorluchtigst voorbeeld , de koning David, slechts een zwakken zweem vertoonde i).

§ 4. Waarom Gezalfde genoemd.

Dat Jezus is de ware Profeet, Hoogepriester en Koning , wordt door den naam Gezalfde uitgedrukt, omdat onder het Oude Verbond die mannen , die deze hoogste waardigheden in Israël voorbeeldig bekleedden, tot hunne bedieningen gewijd werden door zalving met heilige olie.

1. Aiiron werd als Hoogepriester gezalfd door Mozes. Lev. 8; 12: Daarna (na de wassching van Aaron en zijne zonen en na de bekleeding Aarons met het hoogpriesterlijke ambtgewaad) goot hij (Mozes) van de zalfolie op Aarons hoofd en hij zalfde hem om hem te heiligen.

De olie der heilige zalving was zuivere olijvenolie vermengd met vier der kostelijkste en geurigste specerijen ,

\') Hengstenberg , Christol. dos A. T. I. 1. S. 260. 313.

-ocr page 208-

188 § 4. WAAKOM GEZALFDE GENOEMD.

mirre\', kaneel, kalmus en kassie, Ex. 30: 23—25.

Ook Ailrons zonen werden gezalfd, naar het bevel des Heeren aan Mozes Ex. 40 : 15 : Gij zult ze zalven gelijk, als gij hunnen vader gezalfd zult hebben •), dat zij mij het priesterambt bedienen ; en het zal geschieden dat hun hunne zalving zal zijn tot een eeuwig priesterdom bij hunne geslachten\'1\').

2. Van het zalven eens Konings gewaagt reeds Jo-tham , Gideons zoon , in de „aardige gelljkenissequot; welke hij tot de burgeren van Sichem sprak , Richt, 9: 8 , 15. Samuël zalfde Saul tot koning. 1 Sam. 10: 1 : Toen nam Samuël eene oliekruik en goot ze uit op zijn hoofd en kuste hem en zeide: is \'t niet [alzoo] dat de lieere u tot eenen Voorganger over zijn erfdeel gezalfd heeft ? Later zalfde hy David, 1 Sam. 1G: 13. Salomo werd

\') Aangaande het verschil van gevoelens over de zalving der Priesteren geeft Kurtz, Der AlttestamentlicheOpfercultus. 1862. S. 284 deze niet onaannemelijke verklaring: dat de Hoogeprie-ster op hot hoofd en niet alleen door bestrijking of besprenging, maar door hegieting gezalfd wevd: vandaar dat hij bij uitnemendheid de gezalfde Priester heet; maar dat bij de gemeene Priesters alleen eene besprenging van hen en van hunne kleederen plaats had.

2 j Dit wordt, in navolging van de Joodsche overlevering , meestal zoo verstaan, dat deze zalving bij de gemeene Priesteren vervolgens niet zou herhaald worden. Oehler in Herzogs Real-Encykl. XII. § 178. Aldus ook onze Kantteehenaren op 40 : 15, volgons welken »naderhand alleon de Hoogopriesteren gezalfd wierdon.quot; Het kan intusschen ook beteekenen dat deze eerste zalving de voor waarde en grond was van do toekomstige inwijding der nakomelingen Ailrons voor allo volgende tijden. Von Gerlach zu Ex. 40 : 15.

-ocr page 209-

§ 4. WAAROM GEZALFDE GENOEMD.

gezalfd door den Hoogepriester Zadok, 1 Kon. 1 : 39 ; Joas door den Hoogepriester Jojada, 2 Kon. 11: 12, Ook zalfde men Joahaz, den zoon van Josia, 2 Kon. 23 : 30. In het rijk der Tien stammen werd Jehu, met wien aldaar een nieuw geslacht op den troon kwam , door eenen van de zonen der Profeten gezalfd , 2 Kon. 9 : 6. Overigens wordt geene zalving eens konings vermeld. En hierop grondt zich het gevoelen der Rabbijnen, dat de zalving alleen plaats had bij zoodanigen „die na eenige verandering in het regiment of buiten de ordi-nare wet of uit vreeze van toekomende zwarigheid koning werdenquot; \'). Gezalfden des Heer en of Gezalfden zonder meer werden bij voorkeur do koningen genoemd, in verhevener stijl, en deze naam werd toegeëigend aan den Koning bij uitnemendheid, zoodat men bij den naam Messias Hem meest als Koning dacht, gelijk dan ook in de Evangelische geschiedenis de naam Christus geregeld in den zin van Koning voorkomt1). — Na de Babylonische ballingschap werden koningen of burgerlijke Oversten niet meer gezalfd s). Ook de priesters onder den tweeden tempel niet.

3. De zalving van een Profeet wordt vermeldt 1 Kon.

189

1

Ilengstenlerg , Die Offonbar. des h. Joh. I. S. 570, zu Off. 11: 15. Bengel, Gnomon in Apocal. 11:15: Quotiescunqueiu Scriptura Messias memoratur, Reynum ejus spectatnr. Sacerdo-tale officium simul et propheticum in regio continetur. :1) Hengstenberg, Cbristol. des A. T. 11. S. 58.

-ocr page 210-

§ 4. WAAROM GEZALFDE GENOEMD.

19: 16 , waar Elia het bevel ontvangt van den Heore , om Hazaël en Jehu tot koningen en Eliza tot Profeet te zalven : Zalf Hazaël ten koning over Syrië; Daartoe zult gij Jehu den Zoon van Nimsi zalven ten koning over Israël, en Eliza den zoon Naphals van Abehnehola zult gij ten Profeet zalven in uwe plaats. De Schrift verhaalt de zalving van Eliza niet, maar alleen, dat Elia zijnen mantel op hem wierp (v. 19), als uiterlijk teeken dat God hem \'verkoren had tot het ambt der Profeten, die zulken mantel droegen. Daarom nemen sommigen aan dat Elia niet eigenlijk is gezalfd geworden\'). Doch het is niet te denken dal Elia niet letterlijk gedaan zou heb-

\') Zoo Hengstenberg, Christol. des A. T. II. S. 446 zu Dan. 9: 4: Von eiuer Salbung der Propheten findet sich sonst nir-gonds eine Spur und in Bezng auf den Elisa muss daher das Scclben gradezu bildlicho Bozeichnung der Ertheiluug der Gaben des Geistes seyn. Desgelijks OeMcr in Horz. Keal-Enc. XII. S. 221. Winer, Bibl. Realwörterb. II. S. 423 u. d. W. iSalbc neemt de zalving Eliza\'s aan , als bewijs dat zuweilen auch die Propheten durch Salben zu ihrem Amte eingeiveiht tuurden. Ook het Bijbelsch Woordenboek III. p. 637, doch slechts als »oeno uitzondering op den gewonen regel.quot; Ook Keil, Handb. der bibl. Archilologie 1858. I. S. 314 erkent de eigenlijke zalving Eliza\'s, doch met de bijvoeging dat overigens alleen die Profeten gezalfd werden , die niet onmiddelijk door God maar door andere Profeten tot dit ambt werkelijk aangesteld. Evenzoo Cremer, Bibl.-Tdeol. Wörterb. der neutest. Griicitat 2te Aufl. S. 583 , u. d. W. Xjo/«.

Ook Von Gerlach zu 1 Kon. 19; 16 acht do werkelijke zalving Eliza\'s aannemelijk en teekent er bij aan ; Je mehr das prophetische Amt jetzt als das wichtigste in dem sinkenden Reiche Israül hervortrat, desto nilher lag es , durch diese sinn-bildliche Weihe es dem königlichen und priesterlichen gleich-zustellen.

190

-ocr page 211-

§ 4. WAAROM GEZALFDE GENOEMD.

ben hetgeen de Heere hem hier zoo uitdrukkeljjk gebood\'). Dat Profeten gezalfd werden blijkt ook uit Jez. 61 : 1 , want de zinnebeeldige zalving aldaar van den grooten Profeet voorzegd veronderstelt immers dat er zalvingen van Profeten werkelijk plaats hadden.

§ 5. Beteekenis der zalving.

De zalving met heilige olie was een teeken van Goddelijke roepiny en hekwaammahing lot de bediening.

In het gewone leven dient in de heete landen van ouds de olie tot zalving des lichaams, hetwelk zij buigzaam , vlug , sierlijk en krachtig maakt en ververscht, daar zij zelfs tot het gebeente doordringt (Ps. 109: 18); vandaar ook haar gebruik als smartstillend, heelend middel, inzonderheid bij wonden. Voorts lot bereiding van spijzen , die zij malsch, smakelijk en aangenaam maakt. Eindelijk als brand- en lichtstoffen, daar zij de vlam van hel lemmet voedt, om den menschen licht te geven. Daarom is de olie het aloude zinnebeeld van den Heiligen Geest met zijne levendmakende en verlichtende, wijsheid en kracht gevende gaven en werkingen1). De geurige specerijen, waarmede de kunstig bereide heilige zalfolie was gekruid, maakten haar welriekend en dienden om hare kracht te verhoogen.

Die de heilige zalving ontvingen, werden vooreerst daardoor bewezen door God tot hun ambt verordineerd en

191

1

) Von Gerlach zu Gen, 28 : 18. Kurtz, Der Altteataraentl. Opfercultus. S. 248. 285. P. Van Mastricht, Godgel. II. p. 453 v.

-ocr page 212-

§ 5. BETEEKENIS DER ZALVING.

192

geroepen of althans naar den wille Gods aangesteld te zijn : „want men rook den reuk des Heeren aan henquot; •). En zoo moest het. Inzonderheid kon niemand zich zelf eigenmachtig tot Hoogepriester stellen, om als vertegenwoordiger des volks voor de zonden te offeren en dan in \'s Heeren naam het volk te zegenen en van zijne gunst te verzekeren. Niemand neemt zich zeiven die eere aan , maar die van God geroepen wordt gelijkerwijs als Aaron, Hebr. 5: 4 (Ex. 28: 1.)

Ten andere was de plechtige zalving van de dienaren des Heeren in zijn rijk een bemoedigend teeken, dat Hij hun door de gaven zijns Geestes bekwaamheid tot hun ambt zou geven, om het behoorlijk en heilzaam uit te richten en als een goede en aangename reuk voor het volk te zijn. Treffend bleek dit in Saul 1 Sam. 10. Nadat h\\j door Samuël is gezalfd, zegt deze tot hem : is \'t niet alzoo dat de Heere u tot eenen Voorganger over zijn erfdeel gezalfd heeft? v. 1. En terwijl hij hem voorzegt wat hem op den weg ontmoeten zal, spreekt hij, v. 6 : Fw de Geest des Heeren zal vaardig worden over u — — en gij zult in eenen anderen man veranderd worden: «gij zult eens kloeken ver-standigen helds harte krijgen, om te regeeren en krijg te voeren, gelijk het eenen koning betaamtquot; fKantteek.) En doe wat uwe hand vinden zal, want God zal met u zijn. En ziet wat de zalving afbeeldde, verleende hem de Heere tot heil zijns volks , v. 9 : Het geschiedde nu , toen hij zijnen schouder keerde, om van Samuël te gaan, veranderde Hem God het harte [iri\\ een ander en alle die teekenen kwamen ten zelve dage.

\') Brakel, Red. Godsd. I. p. 422.

-ocr page 213-

§ 5. BETEEKENIS OER ZALVING.

Zoo gebeurde het ook bij de zalving Davids. De Heere zeide tot Samuel: sta op , zalf hem, want deze is \'t. Toen nam Samuël den oliehoorn en hij zalfde hem in \'t midden zijner broederen en de Geest des Tleeren werd vaardig over David van dim dag af en voortaan, 1 Sam. 16: 13.

§ 6. Verordineering.

Christus heeft het Middelaarsambt niet willekeurig aangegrepen , maar is door God tot Middelaar gesteld. Van zijn Hoogepriesterschap wordt dit met nadruk betuigd Hebr. 5:5: evenals de voorbeeldige Hoogepriester Aaron, Alzoo ook heeft Christus zich zeiven niet verheerlijkt om Hoogepriester te worden, maar die heeft Hem daartoe verheerlijkt, die iet Hem gesproken heeft: gij ziji mijn Zoon , heden heb ik u gegenereerd.

Dat heeft de eeuwige Vader tot zijnen eeuwigen Zoon gesproken Ps. 2:7, waardoor beteekend wordt eerst en eigenlijk de eeuwige generatie des Zoons door den Vader maar dan tevens ook de openbaarmaking en betooning van den Zoon door den Vader in aan de menschheid , door zijne geboorte uit Maria , door zijne opwekking uit den dood, door zijne verhooging i). De Apostel brengt hier deze verhevene woorden bij ten bewijze dal Christus niet zich zelf, maar dat zijn hemelsche Vader Hem tot Hoogepriester heeft ingezet en tegelijk dat Christus alleen bekwaam was om de ware Hoogepriester te zijn, wijl Hij is de Zoon Gods. En v. G haalt de Apostel dit woord des Vaders tot den Messias uit Ps. 110: 4 aan:

\') Over Ps, 2: 7 zie Vierde Hoofdstuk § 20. bl. 479 v.

Gravemoijer, Gorof. Gel. lcor. II. 13

193

-ocr page 214-

§ G. VERORDINEERING.

(jij zijt Priester ! waardoor de Vader Hem plechtig in die waardigheid inzet en bevestigt en wel niet slechts als de Aaronische priesters die de dood niet liet blijven , maar naar de ordening Melchizédeks , als eeuwig Hoogepriester en als Priester en Koning in één. — De Vader is het dan ook die Hem tot Koning heeft gesteld (Ps. 2 ; 6) en tot Profeet (Jez. 61 : 1).

Verordineerd is Christus naar zijne beide Naturen, naar zijne Godheid en menschheid. Tot de verordineering behoort zijne verkiezing , zijne zending en bevestiging \')•

1. Hij is van eeuwigheid tot Middelaar 1 Ptr. 1 : 20 wordt van Hem gezegd, dat Hij als onbestraffelijk en onbevlekt Lam vooryelcend is geweest vóór de grondlegging der ivereld. Het was de eeuwige wil des Vaders dat de Zoon alles zou uitvoeren wat er vereischt werd tol; verlossing der uitverkorene zondaren. Deze wil des Vaders was ook de wil des Zoons , vanwege de eenheid des Gees-tes in beiden. „Want God voorzag des menschen val. En hierin blinkt zyne gadelooze goedheid des te heerlijker uit dat Hij vóór onze kwaal het heelmiddel zijner genade bepaald en de herstelling des levens beraamd heeft alsvorens de eerste mensch in den dood verviel1).quot;

2. Tot uitvoering van het Middelaarsambt heeft de Vader Hom in de volheid des tijds gezonden. Met luider stemme riep Hij zelf dit don Joden in den tempel toe Joh. 7 : 28 : gij kent mij, gij meent mij te kennen en gij wee*,, gij zegt te weten vamvaar ik hen ; en ik ben van mijzelven

194

1

) Calvin. Commontar. in 1 Potv. 1 ; 20.

-ocr page 215-

§ 6. VERORDINEERING.

niet gekomen, maar Hij is waarachtig (in zijne getuigenis van mij door de werken) die mij gezonden heeft, tvelken gijlieden niet kent.

Waarom werd de Verlosser niet aanstonds na den val gezonden, maar zoo lang daarna ? \') a. De eeuwenlange voorbereiding tot deze gebeurtenis bewijst Yizxe grootheid, de hoogheid van Hem die kwam en het gewicht van zijn iverk. b. De alwijze God wilde eerst menigerlei bedeelingen doen voorafgaan, van belofte en (voogdij der) wet met voorzeggingen en voorbeelden , om danquot;1) door de vervulling zijne waarheid en trouw te staven, c. Ook wilde Hij eerst alleszins zijns lankmoedigheid en verdraagzaamheid bewijzen voordat Hij de hoogste betooning van zijne rechtvaardigheid en van.zijne liefde gaf. d. Met den val op eigene wegen geraakt, moest het raenschdom, gelijk ieder mensch , eerst ondervinden dat het onmogelijk is zich zelf te helpen en zijn eigen geneesmeester te zijn. e. En God, bescheiden hebbende de tijden tevoren geordineerd (Hand. 17 : 26) bleek bij de uitkomst den meest geschikten tijd ter zending des Verlossers te hebben bepaald , voor de snelle verbreiding van het Evangelie bijzonder gunstig: wegens de vereeniging van zoo vele natiën tot één rijk, het Romeinsche, en wegens de algemeene bekendheid van ééne taal, de Grieksche. Waarbij kwam dat er toen vrede was in het groote wereldrijk en een levendig ver-

195

1

) Joh. D\'Outrein, Korte Schets dor Goddel. Waarheden 1725. p. 281. 7\'. Curtenius , De Heidelb. Catechism. I. p. 270 v. Schrijvers Bijh. Gesch. des N. V. Catech. Leerboekje p. 9 v.v.

-ocr page 216-

§ 6. VERORDINEERING.

keer tusschen de volken van Oost en West, en dat er alom Joden verspreidt waren met hunne Heilige Schriften ■)•

3. Christus is als Middelaar bevestigd. Want dezen heeft God de Vader verzegeld , gelijk Hij zelf verklaarde Joh. 6 : 27. Verzegeld „dat is , geordineerd en op menigerlei wijze (namelijk door zijne werken) geopenbaard en bevestigd , dat Hij de ware Messias is1) en van Hem gezonden was , gelijk de prinsen met verzegelde creden-tialen (geloofsbrieven) bevestigen de autoriteit dergenen , die van hen gezonden wordenquot; (Kanleek.)

Driemaal is ook David , het uitnemend voorbeeld van Christus , gezalfd. Eerst in zijns vaders huis 1 Sam. 16: 13. Dan te Hebron over Juda 2 Sam. 2 ; 4. En nogmaals te Hebron s) , over al de stammen, voor zijne vestiging in de hoofdstad Jeruzalem , 2 Sam. 5 : 3.

§ 7. Bekwaammaking.

De bekwaammaking des Middelaars raakt alleen zijne menschelijke natuur. Daarvan spreekt de Apostel Petras tot de vergaderden in het huis van Cornelius , waar hij, gewagende van het wonderdadige leven des Heilands , waarvan men in geheel het land, ook te Cesarea , wist, op het geheim zijner kracht wijst, Hand. 10: 37: Gij lieden weet de zaak die geschied is door geheel Judea , beginnende van Galilea, na den doop , welken Johannes gepredikt heeft; 38. [Belangende] Jezus van Nazaret,

196

1

) Tiende Hoofdstuk van dit Leesboek § 7.

n) Niet in Jeruzalem, gelijk D\'Outrein a. W. p. 302 abusievelijk beeft.

-ocr page 217-

§ 7, HEKWAAMMAKING.

hoe Hem God gezalfd heeft met den Heiligen Geest en met kracht; welke [het land] doorgegaan is, goed doende en genezende allen die van den duivel overweldigd waren: want God is met Hem.

Zijne bekwaammaking behelst al hetgene waardoor Hij maar zijne menschelijke natuur in staat werd gesteld, om den wil des Vaders , het groote verlossingswerk getrouw en standvastig uit te voeren.

1. Het begip daarvan was dat Hij naar zijne menschheid uit den Heiligen Geest ontvangen en rein van zonde geboren werd. 2. Hierop volgde ecne zondelooze, geheel normale ontwikkeling naar lichaam en ziel. Luc. 2 : 40 : Eu het kindeken wies op en werd gesterkt in den Geest en vervuld met wijsheid en de genade Gods was over Hem. 52. En Jezus nam toe in wijsheid en in grootte en in genade bij God en de menschen. Dus een trapsgewijze voortgang. Zijne menschheid doorliep en vertoonde al de stadiën van een menschelijk leven in volmaaktheid, als kind, jongeling en man. In zijne kindsheid was en droeg Hij zich niet als een man, anders ware Hij geen volmaakt kind geweest.

Hij is in alle dingen gelijk als wij verzocht geweest, [doch] zonder zonde, Hebr. 4: 15. De verzoekingen kwamen bij Hem niet voort uit Hem zeiven, uit eene in Hem liggende of aanklevende zondigheid, maar van buiten, aanvallende op de aandoeningen en behoeften zijner ware menschheid maar door Hem zegevierend afgeweerd. „Dwaalleer is het, dat Christus de erfzonde zelve (het zondige vleesch) had aangenomen en alzoo uit zióh zeiven tot zonde werd verzocht; eene dwaling, waarnaar de kwade begeerlijkheid, de erfzonde , geen eigenlijke zonde zou zijn maar alleen de daaruit voortkomende dadelijke zonden. Waarmede dan

197

-ocr page 218-

§ 7. BEKWAAMMAKING.

andere , evenzoo gevaarlijke afwijkingen van de bijbelsche verzoenings- en verlossingsleere samenhangen \')•quot;

3. De volle wijding en uitrusting met den Heiligen Geest ontving Jezus bij zijnen doop Matth. 3 : 17, toen Hij zijn openbaar werk als Profeet aanvaardde. De hemelen werden Hem geopend en Johannes zag den Geest Gods gelijk eene duif op Jezus nederdalen en op Hem blijven1). Menschen ontvangen slechts eene bepaalde mate des Gees-tes (Rom. 12: 3 v.v.), Jezus ontving de volheid des Geestes, niet alleen voor enkele daden, maar blijvend. Want God geeft [Hem] den Geest niet met mate , zeide de Dooper, Joh. 3 : 34. Daarom is Hij de Gezalfde bij uitnemendheid, gelijk geen ander.

De Socinianen stellen, dat Jezus, wiens Godheid zij loochenen , in den tijd van zijn 40-daags vasten naar den hemel is ontrukt en aldaar zijnen Vader heeft gezien en van dezen alles gehoord wat Hij hier zou leeren en dan, van den hemel afgezonden , overvloedig met den Geest is begaafd, onder wiens aanblazing Hij alles heeft verkondigd wat Hij van den Vader had geleerd ^).

198

1

p. 530. Brakel, Red. Godsd. I. p. 424. Hase, Hutter. rediv. § 100 noemt to recht den raptus Christi in coolum So-ciniaansche mythologie.

-ocr page 219-

§ 8. HET DUIliVOUUIG AMBT VOOR DEN MIDDELAAR NOODIG. 199

§ 8. Het drievoudig ambt voor den Middelaar noodig.

De drie ambten, hot Profetische, het Hoogepriesterlijke en het Koninklijke waren voor den Middelaar noodzakelijk. Zonder deze kon Hij geen Middelaar zijn. In de vereenigde en volmaakte uitrichting van deze drie ambten is geheel het werk begrepen, hetwelk de Godmensch als Middelaar had te volvoeren. Want om volkomen Zaligmaker te zijn moest Hij de zaligheid verkondigen , verwerven en mededeelen : verkondigen als Profeet, verwerven als Hoogepriester, mededeelen als Koning. En zoo vinden wij het bij Plem : Hy heeft als Profeet geleerd, heeft de zaligheid verkondigd in zijn leven ; Hij heeft als Priester zich zeiven opgeofferd en de verlossing teweeggebracht door zijnen dood en Hij is als Koning in de heerlijkheid ingegaan en maakt door zijnen Geest de uitverkorenen de verworvene voorrechten en goederen deelachtig lt;).

De verzoenende dood is het toppunt van zijn werk op aarde ; zijn leeren en heilig leven was de toeleiding en voorbereiding tot den dood en zijn regeeren in den hemel is het gevolg van en gegrond op zijnen dood.

De Gereformeerden2) erkennen en belijden met nadruk

\') P. Van Mastricht, Godgeleerdh. II. p. 517. s) Voornamolijk op voorgang vau Calvin. Instit. II. 15. Men zio vooral onze Statenoverzetting in den Inhoud van het Nieuwe Testament. Ook de Lnthersche Dogmatici houden zich er aan , in navolging van Joh. Gerhard. Bestreden word deze leervoor-stelling door Joh. Aug. Ernesti (t 1781) , maar weer in do theologische wereld tot cere gebracht door Schleiermacher, I)cr Christliche Glaubo. Dritte. Ausg. II. S. 112 fl\'., waar hij out-

-ocr page 220-

300 § 8. HET DRIEVOUDIG AMBT VOOR DEN MIDDELAAR NOODIG.

deze drie ambten en achten ze alle drie begrepen in den naam Christus , Gezalfde, dus genoemd , Omdat Hij van God den Vader verordineerd is en met den Heiligen Geest gezalfd tot onzen hoogsten Profeet en Leeraar — — en tot onzen eenigen Hoogepriester — — en tot onzen eeuwigen Koning. Heidelh. Catech. Vr. 31.

Dit is eene echt Protestantsche volledige voorstelling van Christus\' Persoon en werk. Een protest tegen de Joden, die door den naam Messias alleen den Koning verstaan ; tegen de Socinianen quot;), die zijn priesterlijk werk op aarde, zijne plaatsbekleedende genoegdoening loochenen , en tegen alle Rationalisten, die het Sociniaansche spoor volgende , Christus alleen Leeraar, Wetgever en volmaakt voorbeeld doen zijn , met hunne voorgangers, de Bemonstranten , die de toeëigening der zaligheid aan Christus onttrekken en ze in den vrijen wil des menschen stellen; tegen de Boomschen, die Christus niet den eenigen Hoogepriester laten wezen.

„Wat oudtijds de gezalfde Profeet, de Priester en de Koning, ieder voor zich afzonderlijk, waren, is in Chris-

wikkelt wat hij § 102 als beslist vooropstelt: Dio kirchlicho Lohrc verthoilt die Gosammtthütigkoit Christi in drei Aomter dessolbon , das prophetische, hohepriestorlicho und köningüche. — Ook de Griéksche Kerk belijdt ze.

\') Do Socinianen rekenen den dood van Christus tot zijn profetisch ambt en brengen zijn hoogepriesterlijk ambt alleen tot den staat zijner vorhooging. Gateches Racov. Qu. 476. Tegen do Sociniaansche verwarring der drie ambten wordt te recht verzet gedaan door Oeder aldaar p. 961 sqq. en door onze oude Godgeleerden , als Mark, Merch p. 536. De Moor, Commentar III. p. 856 sq. Verge], Winer, Comparat. Darstell. S. 101. 105 f.

-ocr page 221-

§ 8. HET DRIEVOUDIG AMBT VOOli DEN MIDDELAAR NOODIG. 201

tus, den Gezalfde Gods bij uitnemendheid, vereenigd en in de hoogste volmaaktheid in zijn persoon verwezenlijktquot; gt;). „Bovendien , juist déze drie namen stellen ons den vollen omvang van het werk der verlossing voor oogen, zonder dat één van allen 5f gemist óf verplaatst of door een ander vervangen kan wordenquot;1). Men mag ze niet vermengen, maar evenmin ze van elkander afscheiden. Er is eene nauwe vereeniging en samenwerking van de drie ambten des Middelaars : wegens de eenheid des Per-soons, die ze waarneemt, namelijk Christus; wegens de eenzelvigheid der voorwerpen die ze ondervinden , hetwelk zijn de uitverkorenen , en wegens het ééne doeleinde , de zaligheid van dezen tot verheerlijking Gods.

Uitnemende Godgeleerden vinden de vereeniging der drie ambten in Christus ook aangeduid Zach. 6:13, waarvan den man wiens naam is Spruite, gezegd wordt; Hij zal den tempel des Heer en homven („dat is de gemeente der geloovigen, te weten door de predikatie des heiligen Evan-geliums.quot; Kantteek. Dus als Profeet.) en Hij zal het sieraad dragen (eigenlijk : Hij zal Majesteit dragen, Hij, de zoo nederig ontsprotene zal de kroon dragon. „Dat is , Hij zal Koning en Hoogepriester zijn, waarvan Jozua, de zoon Jozadaks , maar eene schaduw was.quot; Kantleek.) en Hij zal zitten en heerschen op zijnen troon en Hij zal Priester zijn op zijnen troon en de raad des vredes zal tusschen die heiden wezen*). („Dat is, daar zullen vreed-

1

■■\') Ditje\' rrnn nvjn en de raad des vredes zal

tusschen die heiden wezen. Dooi\' die beiden verstaan velen den

-ocr page 222-

203 § 8. HET DRIEVOUDIG AMBT VOOR DEN MIDDELAAR NOODIG.

zame raadslagen tusschen hen beiden zijn , te weten tus-schen dien Koning en Hoogepriester, want Hij zal tegelijk Koning en Hoogepriester zijn, \'t welk (v. 11) door de beide kronen (of dubbele kroon, vergel. Openb. 19: 12) werd aangewezen.quot; KantteekJ Het gemeenzame en vredige overleg tusschen vorst Zerubbabel en den Hoogepriester Jozua, zoo heilrijk voor het volk, was een voorbeeld van hetgeen de Messias , de ware Koning en Hoogepriester in één, voor het verbondsvolk zou beramen en uitvoeren.

Ileere (Johovah, den Vador) on de Spruite, en door den raad des vredes hut eemvigo verbond (»het Verbond der Verlossingquot;) tusschen don Vador on don Zoon om don vrede, de verzoening, de zaligheid der uitvorkorenen te bewerken. Anders onze Gore-formeerde Ovorzetters in hunne Kantteelcening, zio boven. Waarmede ook instemt Van March, Compend. XVIII. 18. 2. XX. 3. Merch p. 503. 536. En De Moor, Commentar. III. p. 609 sqq. Dezen erkennen wol het Eeuwige Verbond tusschen don Vador en don Zoon, als grond van het Verbond dor gonado {March, Compend. XVIII: 17. De Moor III. p. 598 sqq.) mnar oor-deolen dat Zach. 6 : 13 en andore teksten die men daartoe brengt dit niet bedoelen. Sommige Gereformeerden achtten bovendien zulk oen Eeuwig Verbond tusschen Vador en Zoon minder noo-dig en waarschuwden voor te monschelijke opvatting. Zie bij De Moor, III. p. 601. Maar vooral komt er tegon op Al. Comrie, Heidolb. Catechismus II. p. 161 v.v.

Evenzoo als door onze Kanttoekonaren wordt Zach. 6: 13 verklaard door Hengstenberg , Christol. dos A. ï. 1832. II. S. 79. Ook Oe/iler , ïhoologie des A. T. II. S. 273 bekent. Bei Sacharja 6: 9—15 wird in der symbolischen Handlung der Krönung dos Priesters Josua mit der doppelten Krone auf die Vereinigung der priestorlichon und königlichen Würde in der Person dos Messias hinausgewiesen.

-ocr page 223-

§ 9. GEPAST VOOR ONZE ELLENDEN.

§ 9. Gepast voor onze ellenden.

Het drieledig werk des Middelaars beantwoordt aan onze behoeften. Want de mensch heeft noodig eerst verlichting des verstands , dan verzoening met God, daarop . verlossing uit de dienstbaarheid der zonde. Wegens zijne blindheid, schuld en verdorvenheid.

Het natuurlijke verstand is verduisterd en ook de verstandigste mensch heeft uit zich zeiven geen kennis van het wezenlijke goed noch van den weg die daartoe leidt. Christus , de hoogste Profeet, opent de blinde oogen en verdrijft de duisternis door zijn licht.

De mensch is schuldig voor God en hem dreigt de verdiende straf. Christus , de eenige Hoogepriester, voldoet, delgt de schuld , verzoent de zonde door zijne offerande.

De mensch is door en door verdorven, onwillig en onmachtig om voor God te leven, slaaf der zonde. Christus, de eeuwige Koning, verbreekt de macht des Boozen en doet door zjjnen Geest den begenadigde in een nieuw, godzalig leven wandelen.

Hierin zijn dan ook de drie voornaamste weldaden van het Verbond der genade begrepen: de roeping, door den Profeet; de rechtvaardiging, door den Hoogepriester; de heiligmaking, door den Koning.

Ook heeft men hierbij op de onderscheidene deugden Gods gewezen, die in het drieledig werk des Middelaars, wel niet alleen maar voornamelijk uitblinken; de Goddelijke wijsheid in het Profetische , Gods barmhartigheid in het Hoogpriesterlijke en de Goddelijke macht in het Koninklijke ambt. Waaraan dan in den Christen zouden beantwoorden het geloof, omtrent de leer van den Pro-

203

-ocr page 224-

§ 9. GEPAST VOOR ONZK ELLENDEN.

feet, de hope, gegrond op de verdienste des Iloogepries-ters en de liefde, zich betoonende in vrijwillige gehoorzaamheid jegens den Koning \').

Er is wel geen tekst in de Heilige Schrift, waar al de werken en weldaden des Middelaars zoo kort en klaar worden omschreven en samengevat als 1 Kor. 1 : 30, waar Paulus tot hen die geroepen zijn (v. 24) , tot de broeders (v. 26) zegt: Maar uit Hein (uit God, naar zijne verkiezing en door zijne genade) zijt gij in Christus Jezus, die ons geworden is wijsheid van God en rechtvaardigheid en heiligmaking en verlossing\'1). Wijsheid als

\') Marde, Morch p. 535 v. De Moor, Commont. III. p. 856.

2) Dc Heidelb. Catoch. Vr. 18 stolt dozo woordon aldus : Onzo Hooro Jezus Christus , die ons van Godc tot ivijsheid, recht-vaardigmetking, heiligmaking en tot een volkomen verlossing geschonken is.

Do oorspronkohjko Hoogduitscho tekst is korter. Zie J. J. v. ToorenenUrgen , Do Symbol. Schriften p. 74 nota. Dr. .7. /. Boedas, De Belijdenisschriften der Ned. H. K. II. p. 98 v. Dr. A. Kuyper, Heraut. 1885. No. 407. Maar do Hoogduitscho heeft toch ons — geschonken: ünser Herr Jesus Christus, der uns zur vollkommonen Erlösung und Gorechtigkeit gescheukt ist. Hoe is dit; ons — — geschonken op te vatton ?

Door schenken verstaan sommigen hier en zelfs ook Vr. 21 niet oen werkelijk deelachtig maken, maar aanbieden, dus een schenken of geven in de aanbieding, waarop van \'s menschen kant ook een weigeren kan volgon mot ondankbare versmading van \'s govers gunst. Aldus zelfs Is. De Leeuw, Het Geloof. 1779. bl. 11 v.v. Hij beroept zich p. 13 op het Dankgebed in het Formulier van bet Heilige Nachtmaal, waar eerst gedankt wordt voor het schenken des Middelaars, dan voor het deelachtig worden door het geloof. Maar geschonken is aldaar niet slechts aangeboden, maar : verordineerd en dienvolgens gezonden en

204

-ocr page 225-

§ 9. GEPAST VOOR ONZE ELLENDEN.

Profeet, rechtvaardigheid als Hoogepriester, heiligmaking als Koning en aldus verlossing, vrijmaking uit alle banden der zonde en ellendigheid als vruchtgevolg van het middelpunt zijns werks, de verzoening der zonde en

geopenbaard. Ook brengt De Leeuw p. 14 Joh. G : 32\'\' bij: mijn Vader geeft u dat brood — hetwelk do Joden (v. 36) weigerden. »Hoe kan men dit geven anders dan van de aanbieding verstaan ?quot; Hoe ? Al ware er onder de Joden maar één ge-loovige geweest (en er waren meer, b.v. vers 69), dan kon Hij aldus spreken. Evenals de Dooper Matth. 3: 11 tot de gemengde schare zoggen kon van Christus: die zal u met den Heiligen Geest en met vuur doopen. Toch niet allen , die daar waren. Evenwel kon hij zoggen tot hot volk (mot adderen ge-broedsols v. 7): Hij zal m — — doopen.

Hot schenken in don Hoidclb. Cat. wordt in don zin van aanbieden genomen ook in Het eerste en voornaamste deel der uit-wendige roeping. 2 Stukkon. Utrecht 1779. 1780. I. p. 12.

Doch wij hobbon hot hier niet mot hot leerstuk der Aanbieding in het algemeon te doen, voor welke in het laatst genoemd werk eene menigte van getuigen chaotisch wordt bijoongobracht.

Maar dit wilden wij mot nadruk herinneren dat de uitdrukking in den Heidelb. Cat. Vr. 18 ons--geschonken niet be-

teekont do algemeene aanbieding, hetwelk eene verwatering en verflauwing zou zijn van \'s Apostels woord ons geworden. {Al. Comrie, Verkl. van den Heidelb. Catech. ed. 1844. II. p. 147 wil dit; Christus is ons dat alles geworden beschouwen als zijne aanstelling hiertoe !) Want dit ons geworden kan bij don Apostel volgons den samenhang van geheel zijn voorstel in geen minderen zin worden verstaan dan van eon werkelijk deelachtig geworden zijn. Hij spreekt van en tot geloovigen, gelijk het ook in den Catechismus de geloovige is die antwoordt. Zelfs ook Meyer zu 1 Kor. 1 : 30 verklaart: Christus ward uns Weisheit u. s. w. , in soforn seine Erscheining und sein ganzes Heilswerk den Glüubigon diese Güter verschaft bat.

Joh. D\'Ontrein, De Heidelb. Catechismus 1750. p 81 v.:

205

-ocr page 226-

§ 10. CHRISTUS ALS PROFEET BELOOFD.

het stillen van Gods toorn door zijn bloed als losprijs i)-

I. CHRISTUS\' PROFETISCH AMBT.

§ 10. Christus als Profeet beloofd.

Onder de voorzeggingen van het Profetisch werk des Verlossers staat bovenaan de merkwaardige belofte door Mozes van \'s-Hoeren wege aan Israël verkondigd Deut. 18: 15, waarop Petrus het Joodsche volk wees, zeggende Hand. 3 : 22 : Wafit Mozes heeft tot de vaderen gezegd: de Heere uw God zal u eenen Profeet verwekken uit uwe broederen gelijk mij; dien zult gij hooren in alles wat Hij tot u spreken zal.

»Hoe on wanneer is Christus ons dit alleen geworden. 1. Van eeuwigheid, door voorschikking. 2. In den tijd al geweest door de belofte. 3. In zijne komst in de wereld en na zijn dood en verheerlijking , 3. In zijne komst in do wereld en na zijn dood en verheerlijking. 4. In het bijzonder wordt Hij het aan een particulier zondaar als bekeerd en door het geloove Christus deelachtig wordt.quot;

Overigens verwijzen wij hierbij nog naar Scholten, Loer der Herv. Kerk , die schenken en aanbieden wél weet te onderscheiden. II. p. 465: »De ware Christen is niet slechts overtuigd, dat er voor Hem in Christus vergeving der zonden bij God mogelijk is , maar dat zijne zonden hom werkelijk vergeven zijn (Formulier van het Avondmaal), en dat de zaligheid hem niet slechts aangeboden maar geschonken is (Heid. Cat. Vr. 21).quot;

1) Dit ligt altoos in XTroXvrpwris , waar het zoo alleen staat, zonder bijgevoegde bepaling. Zie Meyer zu 1 Kor. 1 :40. S. 46. En Cremer, Würterbuch, S. 411 f.

206

-ocr page 227-

§ 10. CHRISTUS ALS PROFEET BELOOFD. 207

De Joden verstonden dit ten tijde des Heeren Jezus en der Apostelen van den Messias. Het was dan slechts de vraag, wie de Messias was. Niet alleen b;j enkele geleerden maar bij het volk in het gemeen was de verklaring dezer voorzegging van den Messias heerschende. Zelfs ook bij de Samaritanen. Wy hooren Joh. 4; 25 de Sa-maritaansche vrouw tot Jezus zeggen: Ik weet dat de Messias komt (die genaamd wordt Chrishis); wanneer die zal gekomen zijn, zoo zal Hij ons alle dingen verkondigen. Daar de Samaritanen van de Heilige Schriften alleen de Vijf Boeken van Mozes aannamen, zoo is hunne verwachting van den Messias als hoogsten Leeraar en Openbaarder der waarheid ongetwijfeld op Mozes\' voorzegging Deut. 18 gegrond geweest en daaruit voortgevloeid.

De nieuwere Joodsche geleerden , die niet in Jezus als den Messias gelooven, ontkennen dat deze voorzegging op den Messias ziet maar op alle Profeten in \'t gemeen, door wie God na Mozes\' dood tot het volk Israels heeft gesproken of, wierde er een bijzondere bedoeld, dan zou dit Jozua zijn of Samuël of Jezaja of Jeremia of nog eenig andere.

Ook vele Christelijke uitleggers beweren, dat Mozes niet van den Messias maar van de Profeten in \'t gemeen spreekt. Maar Petrus verklaart uitdrukkelijk dat deze voorzegging op Christus ziet en in Hem vervuld is. Want hij zegt: Mozes en ook al de latere Profeten, zoovelen als er hebben gesproken, die hebben ook deze dagen verkondigd (Hand. 3 : 24) en dat de Apostel den Profeet bij Mozes niet collectief, niet in een verzamelden zin van den Profetenstand opvat, blijkt ontegenzeglijk hieruit dat hij v. 23 bepaald zegt : dezen Profeet. Daartegen maakt men dan weer de uitvlucht: Petrus volgde hier slechts de in zijnen tyd

-ocr page 228-

208 § 10. CHRISTUS ALS PROFEET BELOOFD.

gangbare Joodsche uitlegging van den Messias; eene, helaas zeer gewone manier van verklaren , waardoor men den Apostel verlaagt en zijn gezag te na komt.

Van Christus heeft Mozes geprofeteerd. Dat bewijzen ook zijne eigene uitdrukkingen in deze voorzegging. Eenen Profeet als mij lt;), zegt hij, zal u de Heere uw God verwekken. Nu echter is er na Mozes geen ander Profeet verwekt die hem gelijk was. Deut. 34; 10; En daar stond geen Profeet meer op in Israël gelijk Mozes, dien de Heere gekend had van aangezichte tot aangezichte. Maar Christus is Mozes gelijk, ja meerder dan Mozes Hebr. 3:2—6. En ■ik zal mijne woorden in zijnen mond geven, sprak de Heere Deut. 18: 18, hetwelk in volmaakten zin alleen op Christus past. En het zal geschieden, de man die niet zal hoor en naar mijne woorden, die Hij in mijnen name zal spreken, van dien zal ik het zoeken, 19, hetwelk Petrus Hand. 3: 23 rechtstreeks van Christus verklaart: En het zal geschieden, dat alle ziel die dezen Profeet niet zal gehoord hebben , uitgeroeid zal ivorden uit het volk. En dit is alleen in Christus waar: het ongeloof jegens zijne voorgangers en voorbeelden (Hand. 7 : 52) werd lang verdragen, maar wie in den Zoon niet gelooft, die is aireede veroordeeld. Matth. 17: 5 : hoort Hem!

Intusschen schoon het vaststaat dat Mozes Deut. 18 : 15 van Christus spreekt, zoo doet hij dit evenwel niet met uitsluiting van de andere Profeten. Dit leert de samenhang met het voorafgaande en het volgende. Mozes heeft vooraf de Israëlieten vermaand, niet te hooren naar guichelaars, waarzeggers en dergelijke, zooals de afgodische Heidenen

\') Zie tweede Hoofdtuk § 8. 2do druk bl. 149 v.

-ocr page 229-

§ 10. CHRISTUS ALS PKOFEET BELOOt\'l).

deden. De Heere zelf zou zich genoegzaam aan hen openbaren. En nu wijst hij hen aanstonds op de toekomstige volmaakte openbaring Gods in den Messias, v. 15. Maar in deze belofte is noodzakelijk mede begrepen en verondersteld de tusschenin liggende, voortgaande en voorbereidende leering des volks door de mindere Godsgezanten. Dit blijkt, ook uit hetgeen volgt, v. 20—22, waar gesproken wordt van de straf en het kenteeken eens valschen Profeets.

Maar hoe laat zich dit vereenigen, dat Mozes\' voorzegging onloochenbaar op Christus ziet en toch tegelijk ook op de Profeten in het algemeen ? Aldus: Christus is hier aangezien niet slechts naar zijne zichtbare verschijning, maar ook naar zijne onzichtbare werking vóór zijne komst in het vleesch, want „Christus is het Hoofd aller Profeten, door wiens Geest Mozes en de anderen gesproken hebben, 1 Petr. 1: 11quot; (Kantteek.) Dus spreekt dan Mozes in de voorzegging van den Profeet niet in een verzamelenden zin, collectief van den Profetenstand, waartoe Christus als één mede zou behooren, maar Christus is hem de Profeet en hij aanschouwt de overige Profeten in Christus, wijl zij slechts zijne werktuigen waren i).

209

Met onze Staten-Overzetters erkennen wij dus in Deut.

\') Zoo to recht Hengstenberg, Chris tol. des A. T. 1829. 1. 1, S. 90. Anders Oehler, Theol. des A. T. 11. S. 255, volgens wien Deut. 18: 15 — 19 alloen van de instelling dos Profetendoms handelt. Getrouw en niet onbelangrijk is de verklaring der Mozaïsche voorzegging door H. C. Wirz , Heilige Bibol-Tebung über die Geschiohten der heiligen Apostel. Zürich 17-17. I. S. 425 tl. Stier, Die Reden der Apostel I. S. 99 : Tndem Moses, der Erste der Prophetenreihe , die ganze ihm folgende lleihe bis auf den Letzten perspectivisch tiberschaut, so faszt er sio natürlich in Gravemoljei* , Guruf. Gul. leer. 11. J -A

-ocr page 230-

§11. DE PROFETEN.

18: 15 „eene zeer heerlijke belolte van de zending onzes Heeren Christus , die het Hoofd aller Profeten is.quot;

§ 11. De Profeten.

Do Profoton des Ouden Vorbonds waren heiliga menschen Gods, die onmiddellijke openharingen van God ontvingen en door den Heiligen Geest gedreven hot Woord Gods verkondigden, leero en voorzegging, waarbij dikwijls wonderwerken hunne Goddelijke zending staafden gt;).

Wij bedoelen hier de buitengewone Profeten , niet in

diesem Lotzten zusammeu , um so mehr, da aller Vorhorguhen-don Zweck und Amt nur ist, von diesom Eiuen zu zeugon und zu Ihm hinzuführen.

\') Schleiennacher, der Christlicho Glaubo II. S. 11b. §103; Das prophotiseho Amt Christi bestoht im Lohreu, Weissagon nnd Wunderthun. Dieso drol Thatigkeiton construirten auch dio alttestamentische Prophetenwürde. Hoofdzaak was leer en vonnaniug; deze werd , naar aanleiding dor omstandigheden , tegelijk voorzegging, nu dreigende dan belovende, naar do grondregelen der Wot. Bij gemis van eeno uitwendige beroeping behoefden zij eene bijzondere legitimatie , weshalve dan ook hot wonderbare als gepaard met hunne Goddelijke zending verwacht of verondersteld werd. Maar onwaar is wat Schleiennacher er bij voegt: Nur um dieses Merkmales willen konnte der Tilufer sagen , er sei kein Prophet (Joh. 1 : 21), ohnerachtet eines so bestimmton göttlichen Berufs. Denn gelohrt und goweissagt hat er auch , aber das Wunderthun war ihm nicht verliehen (Joh. 10: 41). Wonderen deed hij niet, maar toch was hij een Profeet , dit kon hij zelf niet tegenspreken zonder zijne zending te verloochenen (Matth. 21 ; 26. 11 : 9). Schleiermacher volgt Luthers onnauwkeurige vertaling van Joh. 1 : 21 : Bist du ein Prophet? Und er antworteto : Nein. Maar in don grondtekst

-ocr page 231-

§11. de profeten.

\'t gemeen de Leeraars en Uitleggers der verborgenheden Gods, maar de bijzondere en extraordinaire Leeraars, door God bij oprichting of verval der Kerke gezonden , hoedanige van Mozes af velen geweest zijn , eertijds ook Zieners genoemd 1 Sam. 9:9.

Treffend zijn zij geteekend door onze Staten-0 ver zetters in hun Kort Bericht voor Jezaja: „liet waren mannen vol des Geestes Godes, vol van wetenschap en van ijver tot onderhouding en voortplanting der ware en bestraffing der valsche religie ; welsprekend , vrijmoedig en onversaagd om uit te richten de lasten en bevelen des Hee-ren , zonder zich te schamen voor koningen en tirannen. Hun ambt en bediening was onderscheiden van het ambt der Priesteren en Levieten , die ordinairlijk den volke do wet verklaarden en de dageiijksche offeranden doden; maar de Profeten waren mannen extraordinairlijk door God beroepen , dan uit dozen dan uit genen stamme \'), inzonderheid in die tijden , in welke de Priesters en Levieten hun ambt naar behooren niet bedienden.quot;

De Profeten ontvingen onmiddellijke openbaringen van God. Zij waren , dat wisten zij zeiven , werktuigen en tolken Gods; zij waren zich bewust dat zij , hetgeen zij in den name Gods verkondigden, door openbaring als uit Gods mond hadden ontvangen

staat,: 0 Trpo^yiryf; sï tó ; De Ouzon to recht : Zijl gij de Profeet ? namelijk dio bijzondere Profeet , waarvan voorzegd is Dout, 18 : 15.

\') Vergel. Oehler, Prophetentum dos A. ï. In Ilerzogs Real-Enc. XII. S. 212.

2) Zie Tweede Hoofdstuk § 2. bl. 121 v.v. Oehler, Woissa-gnug. In Herzogs Real-Enc. XVII. S. 627.

\'211

-ocr page 232-

S ii- DE PROFETEN.

In die oogenblikken , waar de Geest Gods of de hand dos Hoeren op hen kwam , geraakten zij als buiten zich zolven , in ekstase \'). Hunne zintuigen rustten , hun natuurlijk bewustzijn en eigen zielsleven week terug, zij werden in eene hoogoro sfeer opgetogen en van al het andere afgetrokken , hun geestesoog werd opengedaan , verlicht, van zijne aardsche en zinnelijke perkon bevrijd en aldus bekwaam gemaakt om „aan een reinen spiegel gelijk, de indrukken der Goddelijke waarheid in zich op te nemen.quot;

Anders was het met de Heidensche waarzeggers. Hunne kunstmatige opwinding en wilde drift toonde het ongoddelijke van hun bedrijf. De ekstatische toestand der Profeten was een bovennatuurlijke, de toestand der Heidensche waarzeggers een onnatuurlijke, een oogenblikke-lijke waanzin2).

Bij de ware profetie valt c.l het eigene weg. Treffend blijkt dit uit de kenschets die er van gegeven wordt 2 Petr. 1: 20, 21. De Apostel vermaant vooraf de gelouvigen acht te hebben op het ztworrf des Ouden Testaments,

waarin Christus is voorzegd, hetwelk nu door de vervulling nog vaster en klaarder is geworden, v. 20; Dit eerst we-

\') II. [Vitshis , Miscollauea Sacra. I. Cap. 4 ; Do Ecstasi. p. 19.

-) Uit blijkt roods hieruit, dat hot Grioksoho [axvtis afstamt vau (y.xl\'jx) ftxiviftxi razen. Henystcnherg , Christol. dos A. T. I. 1. S. 294. 297. Furor diviuus. Do Dolphyscho Pythia, nadat zij lauriorbladoren gokauwd ou uit do hoiligo bron Kassotis ge-dronkon had, zette zich op eonen drievoet boven de merkwaardige aardspleet, waaruit een zonderlinge damp opsteeg. Cicero Diviu. 1. 19. 38. gewaagt van vis ilia terrae , quae mentem l\'ythiae divino afflatu concitabat. Men noomdo dien damp Tneuftx hdowiWTiy.iv. Ndgehhach, Die Nachhomorische Tlvologic S. 182.

-ocr page 233-

§ 11. DE PROFETEN,

tende, dit vooral bedenkende en vasthoudende, dat geene profetie der Schrift is van eigene uitlegging \').

Dit ziet zoowel op den oorsprong als op de bevatting dor profetie. De voorzegging geen werk of vrucht van des Profeten eigene uitlegging en ontcijfering der toekomst, geen gissen, geen berekening en sluitrede uit de tegenwoordige omstandigheden , ja zelfs geen uitvloeisel vaw de duiding des ontvangenen gezichts of woords door den Profeet zeiven. Do Profeet spreekt maar uit hetgene de Geest Gods hem heeft ingegeven , ook zonder zelf alles te verstaan wat het beduidde, namelijk wat tijd en wijze der vervulling betrof, zoodat dit voor hem zeiven een voorwerp werd van onderzoeken (1 Petr. 1: 11) en hij er zelf nog weer licht over ontvangen moest.

Daaruit volgt dus ook dat de bevatting en verklaring der profetische Schriften niet zijn kan het werk van eigene wijsheid , maar dat wij , om ze recht te duiden voorgelicht moeten worden door denzelfdon Geest die ze heeft ingegeven, „niet naar menschelijk vernuft, maar naar den eenparigen zin der Bcilige Schriftuur, die zelf allerbest hare meening verklaart.quot; {Kantteek), v. 21. Want de profetie is voortijds niet voortgebracht door den wil eens menschen, maar de heilige menschen Gods van den Heiligen Geest gedreven zijnde hebben ze gesproken\'1). Zij dreven niet, maar werden gedreven. Niet dat zij buiten verstand raakten 3),

\') on Tvxax Trpotpyrsix ypxCpys /S/W tTriï.vïeccs ou yivsTXi. Witsius, Miscoll. Saor. I. g. 6G—68. Hengstenberg, Christol. des A. T. I. 1. S. 327. Von Gerlach , zu 2 Petr. 1: 20.

2) Zio Tweede Hoofdstuk § 13. bl. 178 v. Witsius, Miscoll. Sacr. I. p. 09.

\'x) Calvin. Comment, in II. Petr. 1: 20; Iiupulsos fuissedi-

-ocr page 234-

§11. DE PKOFETEN.

maar het ging hun verstand te boven. Zij spraken (en schreven) niet wat hun eigen gemoed maar wat de Geest Gods hun ingaf. Daarom, herinnert Calvijn, betaamt ons ontzag , wij moeten ons voorstellen dat het niet is het Woord van sterfelijke menschen maar van God die daar tot ons spreekt.

§ 12. Christus de beloofde Profeet.

Do Heere Jezus heeft zelf zich voor den in het Oude Testament beloofden Profeet verklaard. Hij sprak in de synagoge te Nazaret naar de Godspraak van Jezaja Luc. 4: 18, 19: De Geest des Ileeren [«s] op mij, daarom heeft Hij mij (omdat Hij mij heeft) gezalfd: Hij heeft mij gezonden om den armen het Evangelie te verkondigen, om te genezen die gebroken zijn van harte, om de gevangenen te prediken loslating en den blinden het gezicht, om de verslagenen heen te zenden in vrijheid, om te prediken het aangename jaar des Heeren.

214

Het is de eerste maal dat Jezus te Nazaret predikt. Wel is Hij daar vroeger geregeld (Luc. 4 : 1G) met de gemeente ter kerke, ter synagoge gegaan, doch slechts als toehoorder. Hij is intusschen gedoopt en openlijk opgetreden, heeft elders geleerd en wonderen gedaan. Nu komt Hij, na negen

uit, non quod monto alionati fuorint — — sod quia nihil a so ipsis ausi fuoriut, tantum obediontor soquuti siut Spiritum ducom , qui in ipsorum oro tanquam in suo sacrario rcgnabat. Doch mot bohoud van het oigenaardigo in spreekmanier on stijl bij de Profeten , verscbeiden naar ieders aanlog en opvoeding, gelijk ook erkend en aangedrongen wordt door Witsius , Misc. Sacr. I. 11. 11. p. 69.

-ocr page 235-

§12. CHRISTUS DE BELOOFDE PROFEET.

215

of tien maanden , weer in zijne vaderstad en bezoekt op sabbat de synagoge. Maar ditmaal staat hij op, ten tee-kon dat Hij lezen en spreken wil. Hem wordt het boek van den Profeet Jezaja gegeven. Hij slaat het op en leest Jez. G1 : 1 v.v. , waar de Gezalfde, de Messias sprekende wordt ingevoerd en aan de ware gemeente des Heeren onder de Israëlieten verkondigt, dat Jehovah Hem heeft gelast, haar de verlossing uit hare ellenden , haar gerechtigheid en vreugde niet alleen aan te kondigen maar ook aan te brongen \'). Nadat Hij deze woorden heeft voorgelezen , past Hij de voorzegging op zich en zijnen tijd toe : heden is deze Schrift in uwe oor en vervuld (Luc. 4: 21). Onbewimpeld verklaart Hij zich hier voor dien Gezalfde die bij Jezaja in den Geest spreekt en zich daar aankondigt als redder der armen , ellendi-gen , verdrukten. „Gij hoort nu zeiven met uw ooren deze prediking, welke de Schrift daar heeft voorzegd.quot; Tot hiertoe hooren de vergaderden Hem met genoegen. Zij geven Hem allen getuigenis , dat Hij goed kan lezen en spreken en verwonderen zich over de aangename woorden , die uit zijnen mond voortkomen en zeggen : is deze niet de zoon Jozefs? „De Heiland werd hier alzoo geprezen en bewonderd gelijk als een candidaat, die de zoon is van een gering man en in zijne woonplaats voor de eerste bevallig preektquot;1). Maar toen Hij er geen wonderen doen wilde en van de verkiezende genade sprak, ontstak hun toorn.

1

) M. Er. Hoos, Dio Lohre uud Lobonsgeschichto Josu Christi II. § 59. S. 77.

-ocr page 236-

31() § 12. CHRISTUS DE BELOOt\'DE PROFEET.

. Reeds vóór zijn optreden te Nazaret\') had Christus zich ronduit voor den beloofden Profeet verklaard aan de Sa-maritaansche vrouw Joh. 4; SG4). Zij sprak de verwachting haars volks uit van den Messias als Profeet: ik weet dat de Messias komt; wanneer die zal gekomen zijn, zoo zal Hij ons alle dingen verkondigen. Toen zeide Jezus tot haar: Ik ben het, die met u spreek. Opmerkelijk. Hetgeen Hij anders onder de Joden om wijzei redenen eerst slechts bedektelijk en allengs met voorzichtigheid te kennen gaf, terwijl Hij ook zijnen discipelen verbood het voorbarig uit te roepen , dat zegt Hij hier vrijuit tot deze arme , belaste, dorstige Samaritaansche ziel bij de fonteine Jakobs.

§ 13. Wat Hij leerde.

Christus predikte de Wet tot bekeering , het Evangelie tot geloof in zijn Persoon en verkondigde ton volle het Goddelijke raadsbesluit van de verlossing, hetwelk Hij nu zou volbrengen. Hij is „onze hoogste Profeet en Leer aar, die ons de verborgen raad en wil Gods van onze verlossing volkomenlijk geopenbaard heeftquot; Ileidelb. Cat. Vr. 31.

Door geheel zijne persoonlijke verschijning en in het bijzonder door zijne leer heeft de Zoon den Vader geopenbaard. Wie buiten Christus is , mist alle ware kennisse Gods en is alzoo verstoken van de bron alles waarach-

1) Stier, Die lieden dos Herrn Josu. Til. S. 5-1, zu Luc. 4; 17—27. Ebrard, Wissonschaftliche Kritik der Evangel. Ge-schiohte 18(38. § 62. S. 369 f.

2) Zie hierboven § 10. bl. 208.

-ocr page 237-

§ 13. WAT HIJ LEERDE.

tigen lichts en levens. Alleen in en door Christus wordt de Vader gekend, Joh. 1: 18: Niemand heeft ooü God gezien; de eeniggehoren Zoon, die in de schoot des Vaders is (was) , die heeft \\llem ons\\ verklaard. Hebr. 1:1; God voortijds veelmaal en op velerlei ivijze tot de vaderen gesproken hebbende door (in) de Profeten , heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door (in) den Zoon \').

Christus heeft geen nieuwe leer gepredikt, geen nieuwe Wet gegeven noch een nieuwen weg ten hemel geopenbaard, die in het Oude Testament niet voorgesteld en aan de godzaligen niet bekend en door hen niet bewandeld was2). Hij vond niet aan de Heilige Schriften iets te verbeteren of te volmaken, maar Hij staafde haar gezag, daar Hij in al zijn leeren en doen zich er op grondde en zich er naar richtte. Hij predikte de Wet tot bekeering, dus in de eerste plaats tot overtuiging als zijn eigen wegbereider, voorts als blij-venden regel des levens voor zijn volk.

Hij sprak Matth. 5 : 17 : Meent niet dat ik gekomen amp;en om de Wet of de Profeten te ontbinden: Ik ben niet gekomen om [dié] te ontbinden, maar te vervullen. Wet en Profeten , dat is de samenvattende naam voor al de Schriften des Ouden Verbonds naar haren hoofdinhoud, naar hare grondbestanddeelen, die daarin overal aan elkander zijn gehecht en als onscheidbaar uitkomen , namelijk gebod en belofte, beide te zamen de

\') Over Joh. 1 : 18 zie Eerste Hoofdstuk § 22. 1)1. 53. Vierde Hoofdstuk § 22. bl. 487. Hobr. 1 : 1 is bohandold iu do eorslo vau Schrijvers Vijftal Leerredenen uit den Brief aan de ttobroön. Winschoten 1863.

a) Brakel, Kedel. Godsd. I. p. 424.

217

-ocr page 238-

§ 13. WAT HIJ LEERDE.

uitdrukking van den heiligen en genadigen wille Gods.

De Profeten noemt Jezus hier echter niet slechts als verkondigers van voorzeggingen : want dat Hij deze wilde ontbinden , krachteloos en ongeldig maken , daarvan kon immers niemand Hem willen beschuldigen ; maar inzonderheid als predikers en uitleggers der Wet in haren geestelijken zin zijn zij hier bedoeld en vervullen zegt blijkens v. 19 : volkomen doen , de Wet geheel en al volbrengen , gelijk Rom. 13 : 8 : wie den anderen liefheeft, die heeft de Wet vervuld \')•

Maar geen mensch hield of houdt de Wet volkomen en zoo is de Wet zelve eene profetie van Christus, gelijk dan ook de Profeten bij hunne prediking der Wet den troost der verlossende genade voegden. Hij heeft ze in zijn Persoon volkomen vervuld, doende en lijdende en heeft eene eeuwige gerechtigheid aangebracht en Hij vervult ze ook in de zijnen (Rom. 8 : 3,4).

Christus is dan geen nieuwe Wetgever, gelijk de Socinianen stelden. Veelmin heeft Hij alle Wet als zoodanig afyeschaft, zooals de Antinomianen wilden1). Maar tegen de overgeleverde valsche uitleggingen , verdraaiingen en bijvoegselen der Joodsche Schoolgeleerden s) verhief Hij met nadruk zijne stem (Matth. 5 en 23).

Hij predikte het Evangelie, hetwelk juist hierin bestond en hierop neerkwam , dat Hij het was, die de Wet en de Profeten kwam vervullen. Onderscheiden van alle andere Godsgezanten getuigde Hij van zich zeiven en verkondigde

218

1

:l) Schleiermacher, Der Christl. Glaubc. II. S. 116.

-ocr page 239-

§ 13. WAT HM LEERDK.

zaligheid voor arme zondaren uit genade door het geloof in zijnen Persoon. Hij sprak Joh. 6 : 40: Dit is de wil desgenen die mij gezonden heeft, dat een iegelijk die den Zoon aanschouwt en in Hem gelooft, het eeuwige leven hehhe , en ik zal hem opwekken ten uitersten dage. Er is een aanschouwen na het geloof, waartoe de geloovige eenmaal komt. Hier spreekt Jezus van een aanschouwen vóór het geloof. Dit aanschouwen is het kennen en erkennen van Christus als dien Hij is. „Deze woorden bewijzen dat het geloof uit de kennisse van Christus vloeitquot; (CahnjnJ en wel door middel van het eenvoudige woord zonder buitengewone gezichten. Den Joden verweet Christus dat zij niet geloofden ofschoon zij Hem zagen (v. 36). Het aanschouwen is het rechte hooren quot;), de weg tot het geloof. Het geloof is uit het gehoor. Wie geloo-ven zal aan dien moet Christus eerst geopenbaard , voor oogen gesteld zijn. Hot vruchtgevolg des geloofs is hot eeuwige leven voor ziel en lichaam.

Al wat Christus van zich zeiven heeft getuigd, is saam begrepen in hetgeen Hij tot Thomas sprak Joh. 14 : 6 : Ik ben de weg en de waarheid en het leven. Niemand komt tot den Vader dan door mij1). Hij verklaart niet alleen dat Hij den weg wijst maar dat Hij zelf, als Middelaar, de weg is, die ons draagt en overbrengt tot den Vader en tot het huis des Vaders, Hij alleen. Hierdoor sluit Hij

\') Van de Joden zegt.Hij v. 36: hupoMXTS //,£, hier v. 40: öeupcöv, hetwelk moer is.

2) Meijer Z. d. St.: Beachto wie dieser Vers das Summarium des vollstilndigsten Selbatbekeuntnlsses dos Sohnes ven sieh und seinom Worke ist.

219

-ocr page 240-

§13. WAT HU LEEKDE.

allo andore wegen uit, Een geloovig uitlegger teekent hierbij aan: „Het ten tijde der heerschappij van hel Rationalisme gehoonde „particuralismequot; is de signatuur, het merk der Christelijke Kerk. Met dezen eénen slag werpt Christus terneer alle Godsdiensten der Heidenen, der Turken en der Joden buiten de Kerk , en evenzoo den waan der Deïsten, Vrijmetselaren en Rationalisten. Hij kent maar éénon weg , zich zeiven , en maar éénen te kennen dat is hot kenteekon zijner discipelen \')•quot;

En de waarheid niet bloot heeft Hij maar is Hij. Hij is do waarheid, als waarachtig God , eenige bron van den mensch van alle wezenlijk zijn , in tegenstelling tegen de ijdelheid van het schepsel en van allo schepselswerk , in dien verheven zin als Jer. 10: 10 van den waren God in tegenstelling tegen het leugenwerk en de nietigheid dor afgoden wordt gezegd : Maar de Heere God is de ivaar-heid, Hij is de levende God en een eeuwig Koning.

En Hij is het leven. Wie buiten Hem is , leeft niet, hoeft bloot den schijn van leven maar is dood „een wandelend lijk \'t welk slechts naar een levende lijkt. Eenen weerklank van dit hooge woord des Hollands vernemen wij 1 Joh. 5 : 20 , waar de Apostel van den Zone Gods Jezus Christus betuigt: Deze is de waarachtige God en het eeuwige leven.

§ 14. Voorzegging.

Gelijk in de reden der Profeten dos Ouden Testaments hunne waarschuwingen en vermaningen ol bemoedigingen en vertroostingen vergezeld gingen met voorzeggingen, \') Hengstenberg zu Joh. 14: 6.

220

-ocr page 241-

§ 14. VOORZEGGING.

hetzij in hot algemeen van hetgone God , de Koning en Vergelder, de Wetgever en Rechter zou doen, hetzij van bijzonderheden : zoo heeft ook Christus als Profeet toekomende dingen verkondigd, in aansluiting aan hetgeen de Profeten, in wie zijn Geest was, hadden voorspeld, niet slechts in het algemeen aangaande de nieuwe bedeeling van het Verbond der genade die Hij kwam vestigen, met eene zekerheid die uit de bewustheid en gewisheid zijner bestemming en uit zijnen voor dwaling onvatbare volmaaktheid, noodzakelijk volgde i), maar ook bijzondere en toevallige dingen heeft Hij krachtens zijne Goddelijke alwetendheid1) voorzegd. Ja hoe langer Hij leerde en hoe meer de gedachten der harten vóór en tegen Hem openbaar werden , des te meer werd zijn leeren een voorzeggen aangaande Hem zeiven, het Joodsche volk, de wereld en de Kerk.

Belangende Hem zeiven *) heeft Hij voorzegd zijn lijden, geeseling, kruisiging, dood, daarbij vele bijzonderheden als Judas\' verraad. Petrus\' verloochening ; zijne opstanding en hemelvaart. Den Joden kondigde Hij de verwoesting aan van Jeruzalem en den tempel (Matth. 24). Hij voorspelde het einde der wereld met velerhande buitengewone gebeurtenissen en teekenen die vooraf zouden komen. Hij profeteerde het lot en den weg zijner gemeente, de komst en werkingen des Heiligen Geestes, de uitbreiding en vestiging der Kerk onder de volken, haar lijden en strijden, hare verdrukking en zegepraal.

221

1

) Vierde Hoofdstuk § 31. bl. 524.

,\'2) De Moor, Commontar. in Marck. III. p. 883.

2

\') Vergel. Schleiermacher, Der Christl. Glaubo II. § 103.

3. S. 122 f.

-ocr page 242-

§ 15, WONDERWERKEN.

§ 15. Wonderwerken.

Het begrip van Profeet sloot bij het volk het doen van wonderen in. Christus heeft de talrijkste en verbazendste wonderwerken gewrocht. Dit was ruchtbaar in heel het land. Ook de twijfelmoedige discipelen van Emmaüs moesten , toon hun alles nog zoo donker was , toch van Jezus den Nazarener bekennen, dat Hij een Profeet ivas krachtig in werken en looorden voor God en al het volk , Luc. 24: 19.

Wonderwerken \') zijn scheppende daden van Gods almacht, alle schepselskracht te bovengaande. Christus bezat in zich zeiven deze macht en beschikte erover. Daardoor onderscheidde Hij zich van de andere wonderdoeners. Hij deed wonderen zoo vaak en waar Hij wilde, door zijn eigene Goddelijke kracht.quot; Hot waren openbaringen van zijne heerlijkheid, als des eeniggeborenon van den Vader. Dat wordt uitdrukkelijk vermeld bij zijn eerste teeken, bij hot wonder hetwelk Hij te Kana deed, Joh. 2 : 11: Hij heeft zijne heerlijkheid geopenbaard, hetwelk van al zijne wonderen geldt. Dit kon van geeno anderen wonderdoener gezegd worden. Daardoor is meteen aangeduid, tot welk doel Hij zijne wonderen deed: het was om zijne heerlijkheid te openbaren^). Hij deed zijne wonderen zonder moeite3), zonder omslag, doorgaans door een onkel woord, bevels-gewijs , soms op eenen afstand (Matth. 8 : 13).

\') üvor do Wonderen zio Zevende Iloofdstuh § 3. 790 v.v. Aanteek. op Dr. Hoedomakors Handbook, bi. 37 v.

-) Calvin. (Jommeuta?-. in Ev. Job. 2 : 11.

:l) Roos, Die Lebro uud Lobonsgoscbichto Josu Christi II. Anbang V, S. 361.

222

-ocr page 243-

§ 15. WONDERWERKEN.

Zijne wonderwerken stonden in nauw verband met zijn verlossingswerk. Hij deed alleen weldadige, heilzame wonderen. Door geen wonder sloeg Hij , door geen wonder doodde Hij eenen mensch. Dat Hij dit kon , toonde Hij aan den vijgeboom welken Hij vervloekte. Te rechtheeft men het opmerkelijk en zeer beteekenend gevonden, dat Mozes\' wonderen aanvingen met de verandering van water in bloed, maar Christus\' wonderen met verandering van water in bloed in wijn : Mozes de bedienaar des doods, Christus des levens. De machtige en liefdevolle wonderdaden des „Heilandsquot; waren voorbeelden en onderpanden van geestelijk heil dat Hij wou schenken. Zijne wonderen waren teekenen \') , uitlatingen en aanduidingen van die volheid der krachten die tot heil voor de ellendigen en nooddruftigen in Hem woonde. Zij strekten tot toonbeelden , dat Hij het lijdende menschdom en het zuchtend schepsel kon en wilde verlossen uit zonde en dood en uit alle geweld des duivels.

Hij openbaarde zijne macht over de stoffelijke natuur: door het wonder te Kana, door de wonderdadige spijziging van groote scharen, door het stillen van den storm op zee, door zijn wandelen op het water; over de geesten, over ziekten en kwalen en over den dood: door vrijmaking van bezetenen , door genezing van melaatschen , verlamden , blinden, stommen , dooven , doodkranken , door opwekking van gestorvenen, van Jaïrus\' dochter op haar

\') TspoiTX — fjy.clx. Het eerste duidt ondonvovpelijk den indruk aau als van iets buitengewoons, den gewonen loop dor natuur te bovengaande ; hot tweede voorwerpelijk bet dool en do beteekenis , weshalve Hij or altijd iets bij sprak. Von Oerlach, 7.u Matth. 4 : 23,

223

-ocr page 244-

§15. WONDERWERKBN.

sterfbed, den jongeling te Naïn op de lijkbare, Lazarus roods vier dagen in het graf.

Buitengewoon talrijk waren zijne wonderen. Plij deed ze dagelijks. In de weinige jaren zijns workons als Profeet dood Hij er meer dan in al de eeuwen sinds Mozes, den eersten wonderdoener , waren gedaan \') ; meer dan er geschreven zijn (Joh. 21: 25). Men stond er verbaasd over en zag er Messiaswerken in. Joh. 7 ; 31 : En velen uit de schare geloofden in hem (als den Messias) en zeiden (naar hun eigene overtuiging en tegenover degenen die niet geloofden) : wanneer de Christus zal gekomen zijn , zal Hij ook meer teekenen doen dan die welke deze gedaan heeft ? Dies moest deze het zijn.

8 16. Duur zijns leerens.

Christus heeft zijne openbare prediking begonnen na zijnen doop, Hij sloot voor het volk met zijne gevangenneming , voor zijne discipelen met zijne hemelvaart.

In Israël bestond volkomen vrijheid van leeren. Zoo kon dan ook Jezus, nadat Hij den behoorlijken ouderdom had bereikt openlijk als leeraar optreden gelijk dan ook door geenerlei autoriteit iets daartegen werd ingebracht evenmin als tegen de prediking dos Doopers1). Het was dus geen formeel ambt dat Jezus bekleedde of tot hetwelk

\') Van Mozes af tot de verwoesting des eersten tempels toe tolt men 150 wonderwerken. H. Witsius, Meleteinata Leidens. p. 241. De Moor , Commentar III. p. 887.

\'-) Vergol. Schleiermacher, Der Christl. GJaube II. § 103. S. 117.

224

-ocr page 245-

§ lö. DUUR ZIJNS LEERENS.

Hij van eenig menschelijk gezag de bevoegdheid en aanstelling ontving. Vrij trad Hij op naar eigene bepaling overeenkomstig den wil des Vaders èn uitwendig was er geen andere aanleiding noodig dan dat er leergierige leerlingen en hoorders waren, hetzij enkelen hetzij bij scharen. Ook in de dertig jaren zijner verborgenheid heeft Hij zeker niet gezwegen en zijne gesprekken waren ongetwijfeld leerzaam.

Maar in het openbaar aanvaardde Hij zijn werk als Profeet, als gemachtigd Godsgezant na zijne plechtige wijding door den doop, toen Hij begon omtrent dertig jaren [oud] te wezen, Luc. 3 ; 23 , gelijk de Priesters (Num. 4 : 3) en de Levieten (1 Kron. 26 : 3) zijn moesten bij het aanvaarden hunner bediening.

In Galilea vooral deed Hij zijn licht schijnen, nadat Hij was komen wonen te Kapernaüm (Matth. 4:13), van waar Hij gedurig in het land omtoog. Hij predikte het Evangelie van het Koninkrijk Gods en vermaande de menschen tot bekeering en geloof. Dat was de hoofdinhoud van zijne eerste openbare predikingen voor het volk, gelijk Mattheüs 4 : 17 zegt; Van toen aan heeft Jezus begonnen te prediken en te zeggen: bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nahij gekomen. Mare. 1:15: bekeert u en gelooft het Evangelie. Bekeering en geloof, zonde en genade, dat is en blijft de hoofdsom van alle ware prediking. Geen waar geloof zonder bekeering , geen ware bekeering zonder geloof.

Zijn prediken tot het volk eindigde met zijne gevangenneming in Gethsemane. Na zijne opstanding leerde Hij zijne discipelen nog zoo vaak Hij hun verscheen, daar Hij hun de Schriften uitlegde en hen daardoor onderwees hoe zij zeiven zich van deze bij hun prediken zouden bedienen, en hun

Gravemoyer, Gerot\'. Gol. leor. II. IS

225

-ocr page 246-

22G § tü. DUUR ZIJNS LEEHENS.

nadere inlichtingen gaf over zijn Rijk en over het leven dat van Hem zou uitgaan, Tot op den dag, in welken Hij opgenomen is, nadat Hij door den Heiligen Geest aan de Apostelen, die Hij uitverkoren had, hevelen had gegeven; Aan welken Hij ook, nadat Hij geleden had, zich zeiven levend vertoond heeft met vele gewisse kenteekenen veertig dagen lang, zijnde van hen gezien en sprekende van de dingen die het Koninkrijk Gods aangaan, Hand. 1 : 2 , 3.

Jezus heeft in het openbaar geleerd omlrent vier jaren»).

§ 17. Omvang van Christus\' leer.

Niet dat alleen dat is Christus\' leer wat Hij zelf in do dagen zijns vleesches heeft verkondigd; maar ook wat zijne Apostelen, door den Geest der waarheid geleid, uitgebreider en met nadere ontwikkeling hebben geleerd.

Van al hetgeen dat Jezus begonnen en voleindigd heeft heide te doen en bij monde te leeren (Hand. 1 : 1) hebben wij een getrouw bericht in de vier Evangeliën. In de oude Kerk noemde men deze vier Schriften naar

Mattheüs, naar Marcus, naar Lucas, naar Johannes,quot; om de eenheid te doen uitkomen: één Evangelie , door deze vier mannen beschreven , bestuurd door éénen Geest.

Rationalistische bestrijders van het gezag der Schrift

\') Van het jaar 30 tot 33 naar do gewone tijdrekening. Ehrard, Wisschensehaftliche Kritik der evang. Gesch. S. 192 ff. Met sommigen neemt hij aan dat Christus in do Gelijkenis van don onvruclitbaren vijgoboom Luc. 13 : 7,8, door de driejaren aanduidt dat Hij toou reeds drie juron aan Israöl had gearbeid cu nu uog een jaar zou arbeiden. S. 107. 197.

-ocr page 247-

§ 17. OMVANG VAN GHHlSTUS\' LEER.

hebben het verschil in de voorstelling der vier Evangelisten breed uitgemeten , als of Christus in de drie eerste Evangeliën, die men de synoptische noemt, als een geheel andere zich voordeed dan in het Evangelie naar Johannes. Maar de noodzakelijkheid \') en werkelijkheid van de Goddelijke Ingeving der Heilige Schrift waarborgt ons, dat ook de Evangelieschrijvers geen woord of daad van Jezus naar hunnen zin hebben vervormd, maar alles in het wezenlijke richtig hebben opgevat en naar waarheid voorgesteld.

Hunne verscheidenheid in het bijkomstige getuigt van hunne zelfstandigheid. Onder de leiding des Geestes schreef ieder der vier Evangelisten naar een bijzonder plan en voor verschillende lezers : Mattheüs voornamelijk voor Christenen uit de Joden , om uit de vervulling der voorzeggingen te bevestigen dat Jezus was de Messias; Marcus geeft een kort verhaal inzonderheid voor de Romeinen ; Lucas brengt vooral bij wat tot waarteekenen strekte van genade voor de Heidenen ; Johannes was het te doen om de hoogheid des Zoons Gods te schetsen , ook in de elf gesprekken die hij van Jezus verhaalt2).

Het is één Christus dien zij ons voor oogen stellen, maar uit onderscheiden oogpunten doen zij ons zijn beeld aanschouwen en in deze menigvuldigheid openbaart zich des te kennelijker zijne heerlijkheid.

227

De vier Evangeliën zijn „als vier stemmen in een muzikaal akkoord ; als vier afteekeningen van eenzelfde Voorbeeld, doch uit vier verschillende standpunten; vier bewer-

\') Tweede Hoofdstuk § 13. bi. 178. !) Tweede Hoofdstuk § 10. bl. 161.

-ocr page 248-

§17. OMVANG VAM CUIIUSTUS\' LEER.

pen van eenzelfde gebouw, doch van vier verschillende zijden gezienquot;\'). En de woorden des Heeren zijn „als de regendruppelen , die , denzelfden lichtstraal zevenkleu-rig afspiegelende , den boog des vredes vormen, die hemel en aarde verbindt, of als veelzijdig geslepene juwee-len , die , hoe men ze ook keert, hetzelfde zonnebeeld in steeds nieuwe schoonheid uitstralenquot;1).

Tot Christus leere behoort ook de leer zijner Apostelen. Wat zij leerden bij monde en in geschrifte, hadden zij niet van zich zeiven, maar van Christus door den Heiligen Geest, den Geest der waarheid, die hen in al de waarheid leidde.

Men is er zeer op uit geweest 3) om verschil op te zoeken tusschen Jezus\' leere en de leer der Apostelen en wederom tusschen de Apostelen onderling en men spreekt van een Paulinisch leerbegrip, van Petrus\', van Jacobus\' en Johannes\' leere. Maar het is ééne waarheid, eenzelfde leer der zaligheid, die zij verkondigen; doch met formeele verscheidenheid, overeenkomstig ieders standpunt, tegenover verschillende bestrijders, met toepassing op de bijzondere omstandigheden en naar de onderscheidene behoeften.

Niet ongegrond is het zeggen van een Godgeleerde 4); „Niet als een gegoten, doode letter zou Christus\' leere in éénen bepaalden, staauden vorm aan de menschheid vvor-

328

1

\') Da Costw, Voorloz. over do Versohoidenh. on Ovoroou-stomining der vier Evangeliöu I. p. 155.

-ocr page 249-

§ 17 OMVANG VAN CHRISTUS\' LEEK. 2U29

den gegeven, maar zij zou als het Woord des Geestes en des levens van uit het leven in levendige beweeglijkheid en menigvuldigheid worden verkondigd , door zulke van den Goddelijken Geest verlichte menschen, die ze op eene levendige wijze en alzoo overeenkomstig hunne onderscheiden eigenaardigheden\') en de verscheidenheid huns bijzonderen levens en hunner vorming in zich hadden opgenomen en ten eigendom verkregen. Deze verscheidenheid zou juist hiertoe dienen om te openbaren de levende eenheid , den rijkdom en de diepte des christelijken Geestes in de menigvuldigheid der menschelijke opvattingen en uitdrukkingen , die zonder opzet elkander wederzijds aanvullen en ophelderen ; en evenzoo zou hieruit blijken de bestemming en macht des Christendoms, om de verscheidene eigenaardigheden der menschen aan zich en aan elkander dienstbaar te maken en door eene hoo-gere eenheid met elkander te verbinden, daar deze te allen tijde met elkander en in elkander moeten werken tot verwezenlijking van de idee der menschheid en van het Rijk Gods in haar.quot;

Dat wij de leer der Apostelen als Christus\' leer hebben te eerbiedigen , zeggen ons uitdrukkelijk zijne eigene en hunne verklaringen.

Hij heeft verklaard voor allen die Hij zendt , dus met vollen nadruk voor zijne Apostelen Luc. 10: 16: Wie u hoort die hoort mij en wie u verwerpt die verwerpt mij en wie mij verwerpt, die verwerpt dengenen die my gezonden heeft1). En zij betuigen ten sterkste dat zij spreken niet

1

) Tweede Hoofdstuk § 27. bl. 219.

-ocr page 250-

230 § 17. OMVANG VAN CHRISTUS\' LEËR.

wat de eigene of menschelijke wijsheid leert maar wat de Heilige Geest leert (1 Kor. 2: 12, 13)\'). Hiervan hadden zij volle bewustheid. Want wie heeft den zin des Heeren gekend , die Hem zou onderrichten ? Maar wij hebben den zin van Christus , zegt Paulus bijzonder van de dienaren des Heeren 1 Kor. 2:16.

Ook heeft Christus genoeg gezegd en er is ons in de Evangeliën genoeg opbewaard van hetgeen Hij met eigen mond heeft gesproken, om eene vergelijking aan te stellen tusschen zijne en der Apostelen le ere en om ons te verzekeren dat de Apostelen geen nieuwe leer hebben geleerd of Christus heeft het aanduidender wijs ook reeds geleerd. Zijne leer is de kiem , hunne leer onder de bewerking des Geestes de ontplooiing, de vrucht.

§ 18. Christus werkt nog als Profeet. Middellijk.

Christus\' profetische werkzaamheid is met zijne hemelvaart niet geëindigd. Hij is en blijft de opperste en eigenlijke Leeraar der Kerk. Sedert zijne verhooging leert Hij middellijk en uitwendig door zijne dienaren, buitengewone en gewone. Hij is opgevaren verre boven alle de hemelen, opdat Hij alle dingen vervullen zoude. En dezelve (Hij zelf) heeft gegeven sommigen tot Apostelen en sommigen tot Profeten en sommigen tot Evangelisten en sommigen tot Herders en Leeraars, Ef. 4: 11. Zij hebben zich zeiven niet aangesteld, ook heeft de gemeente ze zich niet gegeven, maar

\') Tweede Hoofdstuk § 15. bl. 185.

-ocr page 251-

§18. (JHHISTUS WERKT NOG ALS PBOPEFT. MIDDELLIJK. 231

Hij zelf, de Machthebber en Koning der Kerk heeft het gedaan. Niet slechts deze ambten en diensten heeft Hij verordend , maar de personen , de dienaars zeiven heeft Hij daartoe gegeven, uitgerust met de gaven des Gees-tes. Priesters noemt Paulus niet.

Vooraan de Apostelen, de grondleggers van het gebouw, wier woord en werk van kracht blijft tot aan \'t einde der dagen, onmiddelbaar door Christus geroepen en gezonden, in wier ambt en dienst alle de overige mede begrepen waren. Want de Apostelen waren ook Profeten i), maar de Profeten in de Christengemeente waren als zoodanig geene Apostelen; zij waren ook Evangelisten, Herders (als Petrus Joh. 21 ; 15 v.v.) en Leeraars. Was niet inzonderheid Paulus dit alles te zaam ?

Profeten : verkondigers en verklaarders van onmiddellijke inwendige openbaringen ; in den eersten tijd met wonderbare uitingen in taal en gebaar , terwijl de hoofdzaak en het eigenaardige der voortgaande profetie is het spreken in den Geest, het bezielde uitspreken (profari) van hetgeen door den Geest, als openbaring van God is ontvangen , niet van nieuwe waarheden noch ook altijd van toekomende dingen , maar een verklaren van Gods Woord, inzonderheid van het Profetische , een ontdekken van de meening des Geestes met toepassing op tegenwoordige omstandigheden naar het bijzondere licht door den Heiligen Geest daarover buitengewoon medegedeeld ; een uitspreken van het inwendig aanschouwde en gevoelde, verstandig , onderwijzendstichtend , aangrijpend. Ook in den eersten tijd verkondigden de Profeten in de Chris-

\') Eerste Hoofdstuk § 24. bl. 65.

-ocr page 252-

232 §18. CHRISTUS WKUKT NOG ALS PROFEET. MIDDELLIJK.

tengomeente geen nieuwe leer bij de leer der Apostelen, maar zij dienden juist tot bevestiging van deze door overeenstemming van den inhoud hunner openbaringen met den inhoud der Apostolische leer.

Evangelisten: medewerkers en helpers der Apostelen , verkondigers van de leer der zaligheid, van het verlossingswerk door Christus volbracht; niet steeds „rondreizende zendelingenquot; (immers Timotheüs moest het werk van een Evangelist doen te Efezus , 2 Tim. 4 : 5)\'), maar bedienaren des Woords vooral daar waar nog geene geordende gemeente was gevestigd, ten einde deze te gronden en op te bouwen , in onderscheiding van de Herders en Leeraars, wier dienst eene reeds bestaande gemeente veronderstelt. Want de Herder heeft eene kudde die hij hoedt en weidt. Maar door het Woord , door leer en vermaning. De Herder is ook Leeraar. Daarom zegt Paulus niet : sommigen tot Herders en sommigen tot Leeraars, maar: sommigen tot Herders en Leeraars, hij voegt dezen als ééne klasse saam.

De Apostelen en Profeten en Evangelisten zijn buitengewone, tlerders en Leeraars gewone dienaren des Heeren; „allegader Dienaars van Jezus Christus, des eenigen alge-meenen Bisschops en des eenigen lloofds der Kerke.quot; (Nederl. Belijd, des Geloofs Art. XXXI). Het zijn zijne gaven, dus Hem geheel ondergeschikt en van Hem afhankelijk. Hoe veel tnenschelps en wereldvormigs er ook in geheel het Kerkbestuur en bijzonder in de bedeeling der

1) Togen du gowouo opvatting komt mot rodouou iu Stier , üriof an dio Ephesor II. S. 82 f. Hadden do Evangelisten »bo-dlenondo macht ?quot; Zokor : Philippus doopte Hand. 8, Timotheüs had do maeht om handen op te loggou 1 Tim. 5 : 22.

-ocr page 253-

§18. CHRISTUS WERKT NOG ALS PKUFtET. MIUDELUJK. ^33

ambten is ingedrongen , toch gebruikt Hij hot werk der bediening tot opbouwing zijns lichaams, Hij leert door zijne dienaren en de bewaring en voortplanting der reine leere bij alle menschelijke verontreinigingen is zijn werk. Waarom Paulus ook aangaande de Korinthische gemeente, bij alle verkeerdheden en afdwalingen van enkelen aldaar, zeggen kon 1 Kor. 1:4,5:/^ dank mijnen God allen tijd over u, van wege de genade Gods die u gegeven is in Christus Jezus; Dat gij in alles zijt rijk geworden in Hem, in alle rede en alle kennis.

§ 19. Christus blijft als Profeet voortwerken. Onmiddellijk.

Niet alleen middellijk en uitwendig, maar ook tmm/cWei-haar en inwendig leert Christus al voort door Woord en Geest.

Het is niet zoo dat Hij door het Woord , hetwelk Hij doet prediken, alleen uitwendig leert en afzonderlijk door zijnen Geest inwendig , maar door hetzelfde Woord leert Hij ook inwendig, dus zelf en onmiddellijk, namelijk wanneer en bij wien Hij met zijnen Geest er bij werkt , het hart er voor opent en het als een licht en levens-, kracht in het binnenste doet dringen. De Geest leert niet iets anders dan het Woord zegt, maar de Geest maakt het Woord levend en krachtig en doet het werken in verstand en hart tot overtuiging, tot geloof, tot heiligmaking, zoodat het onderscheid niet is in het Woord noch in den mensch die hoort, maar in de nevensgaande kracht van Christus, den eenen aanrakende en den anderen nietquot; \')•

\') Brakel, Kodol. Godsd. I. p. 42G.

-ocr page 254-

^34 §19. CHRISTUS BLUFT AI.S PROPHET VOOUTWERKEN. ONM1DD.

De mensch is blind , dood van nature en alle ware verlichting en opwekking gaat alleen van Christus uit. „Buiten Hem is er geen vonkje van waar lichtquot; \'). Dat heeft Hij zelf verklaard, zeggende Joh. 8 : 12 : Ik hen liet licht (het heil , Jez. 49 : 6) der wereld ; die mij volgt zal in de duisternis niet wandelen (en omkomen als de Egyptenaars Ex. 14: 20) maar zal het licht des levens hebben. En Matth. 11: 27 : Alle dingen zijn mij overgegeven van mijnen Vader en niemand kent den Zoon dan de Vader noch iemand kent den Vader dan de Zoon en dien het de Zoon wil openharen. De Zoon is het eeuwige evenbeeld des Vaders , in Hem aanschouwt de Vader zich zei ven gelijk Hij is en daarom kan geen geschapen wezen den Zoon Gods erkennen , tenzij Hij zich openbare en evenmin den Vader zonder de openbaring des Zoons. De Vader openbaart zich als zoodanig niet dan in den Zoon , alleen de Zoon kent den Vader onmiddellijk , alle anderen eerst door bemiddeling des Zoons. De Zoon openbaart zich en in zich den Vader en geheel den Goddelijken heilsraad. Dat alles is Hem overgegeven als Middelaar om het aan menschen te geven. Hij is de bron van licht en leven , gelijk de zon is voor de aarde , In denwelkcn al de schatten der wijsheid en der kennis verborgen zijn; Kol. 2 : 3.

Intusschen openbaart Hij onmiddelbaar niets nieuws meer1). Alles is vervat in de Heilige Schrift , welke

1

) Calvin. lustit. II. 15 : 2 : luterea manot illud tixum, hac quam attulit porfectiono doctrina fiuom impositum fuisso omnibus prophotiis; ut auctoiitati ejus derogont, qui Evaugolio non contonti extranoum aliquid assuuut. Vergel. IV. 8. 7. Christus is doctor manui absolutissimuH. Confossio ot Expositie

-ocr page 255-

§19. CHRISTUS BLUFT ALS PROFEET VOOUTWERKEN. ONMIDO. 235

sluit met „de Openbaringe van Jezus Christusquot; aan Johannes. Na Christus openbaart ook de Heilige Geest geen nieuwe leer. In zooverre is Christus, gelijk het toppunt aldus ook het einde aller profetie. Slechts verklaart , opent en ontwikkelt do Geest hetgeen geschreven staat en daarin gaat Hij voort tot aan de voleinding der wereld. Nadat God gesproken heeft door (in) den Zoon , houdt het Goddelijke spreken op. Dies kan ook het voortreffelijkste wat er aangaande de Godsdienstwaarheid in de Christenkerk ooit wordt geleerd niets anders zijn dan ontvouwing van hetgeen in zijne leere is besloten en eene nieuwe leer buiten en tegen de zijne kan geene waarheid zijn.

2. CHRISTUS\' HOOGEPRIESTERAMBT. § 20. Noodzakelijk.

Christus is Middelaar Gods en der menschen voornamelijk als Hoogepriester, door zijne offerande, door zijne voldoening. Waarvan Calvinus kort en recht aldus den grond opgeeft; „Wijl een rechtvaardige vloek den toegang afsluit en God als Rechter over ons vertoornd is , zoo moet een Priester met een zoenmiddel tusschenbeide komen om den toorn Gods te stillen en ons zijne gunst te verschaffen. Om deze taak te vervullen moest Christus met offerande in het midden treden: want ook onder de Wet mocht de

simplex oathodoxao lidci (Holv. II). Tiguri. 1566. Cap. XVI11. p. 29. Sohleiermacher, Dor Christl. Glaubo § 103. 2 S. 121. Stier , Brief an die Ephes. II. S. 92.

-ocr page 256-

236 § 20, CHRISTUS HOOGEl\'RIESTEKAMBT NOODZAKELIJK.

Priester in het Heiligdom niet gaan zonder bloed, ten einde de geloovigen zouden weten, dat, ofschoon dePriester als voorbidder tusschenbeide stond, God evenwel niet kon bevredigd worden dan met verzoening der zondenquot; quot;).

Pelagianen, Socinianen, Remonstranten en alle Rationalisten, die de plaatsbekleedende genoegdoening loochenen of verduisteren en Christus\' leer en voorbeeld tot hoofdzaak maken , nemen het pit en merg uit zijn Middelaarswerk weg. Door zijn leere en heilig voorbeeld alleen hoeft Jezus geen ziele zalig gemaakt. Tot leer en voorbeeld alleen hadde God ook zijnen Zoon niet behoeven te zenden ; daartoe hadde Hij eenen mensch kunnen uitrusten.

De Verlosser moest niet alleen iveywijzer maar ook de weg zelf zijn, gelijk Hij dan ook zegt Joh. 14:6: Ik hen de wey en de waarheid en het leven : niemand komt tot den Vader dan door mij2). De weg is Hij voornamelijk als Hoogepriester door zijne offerande. Hij moest als Hooge-priester de zonde verzoenen. Niet om maar te leeren, kwam Gods Zoon in de wereld, niet om slechts het gebied der menschelijke wijsheid uit te breiden, niet om maar Religie-leeraar, Godsdienststichter te zijn als een van velen en om bij de menigerlei Godsdiensten ook eenen Godsdienst te vestigen of om maar een toonbeeld te zijn van reine deugd : maar om zijne ziel te yeven tot een rantsoen voor velen (Matth. 20 : 28) , om arme zondaren uit hunne noo-den te redden en hun het eeuwige leven te geven.

\') Calvin. Instit. II. 15. G. 1\'. Van Mastricht, Godgol. II. p. 550.

\'-) Zio boven § 13 bl. 219 v.

-ocr page 257-

§ 21. IIKT IIOOGEPR.-AMBT ONDERSGHEIDKN V. H, PROF. EN KON. 237

§ 21. Onderscheiden.

Christus\' Priesterambt is onderscheiden van zijn Profetisch en van zijn Koninklijk ambt. Dit onderscheid dient men in het oog te houden tegen de vermenging der Socinianen en nieuweren , die geen ander doel en gevolg heeft dan om het eigenlijke Priesterwerk des Verlossers , zijne plaatsbekleedende genoegdoening te verduisteren.

Wel is er vanwege de eenheid zijns Persoons een onscheidbaar verband, een samengaan zijner drievoudige Middelaarsverrichtingen , maar in hare uitlatingen zijn zij onderscheiden. Namelijk: als Profeet en Koning volvoert Hij wat van Gods wege bij den mensch te doen is, als Hoogepriester is Hij gesteld voor menschen in de zaken die bij God te doen zijn, Hebr. 5:1.

Als Profeet brengt Hij den raad en wil Gods tot den mensch over. Als Koning onderwerpt Hij den mensch aan God en richt in den rebel de heerschappij Gods weer op. Maar als Hoogepriester had Hij bij God iets uit te werken. Er was iets bij God te doen, namelijk bevrediging van zijne strafeischende rechtvaardigheid door voldoende offerande. De Profeet leert, de Koning regeert menschen, de Priester offert Gode. Gelijk de Apostel in het algemeen zegt: Want alle Hoogepriester, uit de menschen genomen, wordt gesteld voor de menschen in de zaken die hij God [te doen zijn] \');

\') tx Trpos rov óeóv, accnsativus absolutus. Onzo Statcn-Overzettcrs hebben dit hier eu Hebr. 2 : 17 recht gevat. Luther heeft Hebr. 2 : 17 alleen : vor Gott, eu 5 : 1 : gogen Gott. Schleiermacher , Der Christl. ülaube II. S. 129 : der Hoheprie-ster , als das Haupt der Priesterachaft, der Geschttftsfllhrer des Volks bol Jehovah. Zie Tiende Ilooldstuh § 15. bl. 115.

-ocr page 258-

238 § 21. HET IIOOGEPR. AMBT ONDERSCHEIDEN V. H. PROF. EN KON.

opdat hij offere gaven en slachtofferen voor de zonden. Zoo ook Christus. Waarom Hij in alles den broederen moest gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en een getrouw Hoogepriester zoude zijn in de dingen die bij God [te doen waren], om de zonden des volks te verzoenen, Hehv.Q: \\1, namelijk door zijnen plaatsbekleedenden dood en om aldus den toorn Gods af ie keeren.

Op dit gewichtig punt moeten wij nadruk leggen. Immers de Schrift zelve komt hier ten duidelijkste op tegen al degenen, die leeren dat er bij God niets te doen was maar alleen bij den mensch, als konde God niet een vertoornd Rechter en wederpartijder des zondaars zijn en als moest slechts de mensch anders worden, van vijand vriend \')•

§ 22. Als Priester beloofd-

Christus\' priesterwerk was afgeschaduwd door het Le-vietische priesterschap, bijzonder door den Hoogepriester

\') In dozen heeft vooral de invloed van deu ethischon Schleier-macher volon misleid. Ook Stier, Dor Brief an die Hebraör I. S. 42, hoe veel voortreffelijks hij anders van het Middelaarsambt zegt, laat niet na er bij te voegen : Nur jene, von vielen Glilu-bigen sogar mit Eifer vertheidigte Vorstellung, wonach Christus den Zorn Gottes gestillt haben mul buchstiiblieh an unserer Statt mit der eigentliohen Strafe abgestraft sein soli — hat keinen Grund in der Schrift. (De uitdrukking abgestraft is eene cari-catuur on evenzoo onbetamelijk als wanneer men voor gegeeseld zeide afgeranseld. Intusschen dezelfde Godgeleerde spreekt a. W. S. 308 f. van Christus\' heilig bloed als niet In do aarde vergaan , ook niet iu het lichaam weergekeerd maar a part bewaard , verheerlijkt , in het Avondmaal (der Lutheranen) voorvoorhanden en mededeelbaar.) Vergel. Derde Hoofdstuk § 42. bl. 394 v.

-ocr page 259-

§ 22. CHRISTUS ALS PRIESTER BELOOFD. 239

in Israël; als eenig en eeuwig Friester en Koning in één was Hij voorgeboeid door Melchizédek.

In den aartsvaderlijken tijd werd het priesterambt bediend , niet uitsluitend door den eerstgeboren zoon gelijk men vroeger aannam, maar door den huisvader. Gelijk de huisvader in zijn huis de opperste macht uitoefende , zoo bezat hij ook het recht om te offeren , blijkens hetgeen Abraham , Izaiik ej:i Jakob deden. Stierf de huisvader , dan werd de eerstgeboren zoon hoofd der familie en daarmede haar priester. Kwamen de jongere broederen in eigenen, gevestigden staat, werden dezen dus zeiven huisvaders , dan kwam het recht om te offeren ook hun toe. De huisvader was de natuurlijke vertegenwoordiger zijner onderhoorigen voor God en in zoover hun door God zeiven gestelde priester , offeraar en voorbidder \'). -- Hiervan was verscheiden het priesterschap Mei-chizédeks: deze was niet slechts huispriester, maar openbaar priester , priester van zijn volk, — Voor Israël verordende de Heere door Mozes eenen nauwkeurig omschreven priesterdienst en stelde een erfelijk priesterdom in, eenen bijzonderen priesterstand , wijl de omslachtigheid en ingewikkeldheid der priesterlijke verrichtingen eene zorgvuldige opleiding en vorming vereischte en de bekleeders dezer waardigheid aldus, van andere bezigheden vrij , zich geheel aan de kennis en beoefening van hunne veelsoortige ambtsplichten konden wijden. Hiertoe

\') Kurtz, Grcsch. dos Alton Ikuidos I. S. 354. Dezelfde, Dor AlUostamoutlichc Opforcultus S. 1G. Hengstenberg, Gesch. des Roichou Gottos untor dom A. 13. I. S. 262.

-ocr page 260-

?40 § 22. CHRISTUS ALS PRIESTEK BELOOFD.

werd door den Heere de stam Levi bestemd en indezen bepaaldelijk het geslacht Aiirons.

Christus\' priesterambt werd afgeschaduwd 1. door al de Levietische priesters in \'t gemeen, 2. Door don Hoo-gepriester in het bijzonder, hoedanig Aaron de eerste was , terwijl vervolgens telkens het hoofd zijns geslachts naar het recht der eerstgeboorte deze hoogste waardigheid bekleedde. 3. Door Melchizédek \'). Dat het Levietische priesterschap nog het ware niet was en geen wezenlijke verzoening en zaligheid kon aanbrengen maar slechts schaduw was van een ander, hooger priesterschap, namelijk van Christus , bleek hieruit dat er uitdrukkelijk door God een ander , buitengewoon Priester werd beloofd, naar eene andere ordening dan de Levietische , en wel de Spruite Davids , Davids Zoon en Davids Heer. Dat wist David door Goddelijke openbaring. Ps, 110: 4: De Heere (de Vader) heeft gezworen en het zal Hem niet herouwen: gij (Davids Zoon) zijt Priester in eeuwigheid, naar de ordening Melcliizédeks.

Daaruit besluit de Apostel Hebr. 7:11: Indien dan nu de volkomenheid (de volmaking, werkelijke verzoening met God, verlossing van schuld en van heerschappij der zonde) door het Levietische priesterschap ware {want onder hetzelve [onder voorwaarde of op gïOïïA\'1) heeft het volk de

wet ontvangen [ het was middelpunt en grondslag van geheel de wettische bedeeling, waarmede deze stond en viel |) ,

\') P. Van Mastricht, Godgel. II. p. 5. 49. Brakel, liod. üodsd. T. p. 443 v.v. Van Melchizédek zie Tiende lloofdituk , § 5. 110 v.v.

^ Zoo is sV\' xórj: to verstaan. Zie Lünemann Z. d. St.

-ocr page 261-

§ 22. CHRISTUS AliS PRIESTER BELOOFD. 241

wat nood was het nog, dat een ander priester naar de ordeninge Melchizêdeks zoude opstaan en die niet zoude gezegd worden te zijn naar de ordening Aarons?

In Davids tijd was het Levietische priesterschap in hoo-gen luister. Zou het de kracht hebben om werkelijk van de zonde te reinigen, dan moest het dit toen wel hebben gedaan. Maar juist in dien tijd, in den 110den Psalm, een Psalm Davids, wordt de Godspraak verkondigd, dat er een ander Priester zou opstaan, naar eene gansch andere ordening : naar de ordening, naar de wijze Melchizêdeks.

Melchizédek verschijnt Gen. 14: 18—20 als Koning van Salem en Priester des Allerhoogsten Gods. Als Koning brengt hij aan Abraham brood en wijn toe, als Priester zegent hij hem ; Abraham , schoon hij zelf in zijnen huize het priesterlijk beroep waarnam , geeft hem, zijn priesterlijk ambt erkennende, de tiende.

Christus nu zou volgens de belofte Priester zijn naar de ordening Melchizêdeks1). Dat zegt a. eenig Priester. De Aiironische Priesters uit den stam Levi waren het door erfelijke opvolging van hunne vaders en moesten hun geslachtsregister kunnen toonen. Melchizédek treed op als eenig openbaar Priester, zonder voorgangers, zonder medestanders, zonder opvolgers. Zoo Christus, die niet uit Levi is maar behoort tot een ander stam, Juda, van welken niemand zich tot het altaar begeven heeft (Hebr. 7 : 13, 14).

b. Keuwig Priester. Melchizédek blijft Friester in eeuwig-wigheid, Hebr. 7 : 3. Niet dat hij buitengewoon zou zijn

1

) De Moor, Commentar, in Marck. III. Cap. XX. § 16.

Gravemetter , Gorof. Gel. leer. II. 10

-ocr page 262-

iamp;l {5 2ï!. CHRISTUS ALS PRIESTER RELOOFD.

geschapen en als Henoch zonder te sterven in den hemel ware opgenomen. Maar ; niemand volgde hem op of verving hem en ton opzichte van zijne orde blijft hij ook eeuwig in zijn tegenbeeld Christus. De Levietische Priesters waren het maar voor een tijd, Christus is eeuwig Priester. Hebr. 7 ; 23 , 24; En genen zijn wel vele Priesters geworden, omdat zij door den dood verhinderd werden altijd te blijven, Maar deze, omdat Hij in der eeuwigheid Hij ft, heeft een onvergankelijk (onvergankelijk) priester schap.

c. Priester en Koning tegelijk •). Hebr. 8:1: wij hebben zoodanig en Iloogepriester, die gezeten is aan de rechter-fhand] des troons der Majesteit in de hemelen. Aan geen Israëlietisch Koning wordt de naam Priester gegeven. Wel hadden de Koningen vanzelf ook belangrijken invloed op de aangelegenheden van den Godsdienst, maar het wezenlijke ties priesterlijken ambts, do verzoening des volks door offerande , bleef voortgaande uilsluitolijk hot onschendbare werk en recht des Aaronischen geslachts.

Christus\' priesterschap , zoouls dat blijft voortduren in den staat zijner verhooging , is afgebeeld door hot priesterschap Melchizédeks ; zooals Hij het bediend heeft in den staal zijner vernedering , door het priesterschap Aarons,

§ 23. De Priesterlijke dienst.

Het werk der Priesteren was veelvuldig1), in de Cero-

1

2) Keil, Haudb. dor bibl. Archilol, I. § 34. S. 163 f. Bij-hclsch Woordenboek III. p. 132.

-ocr page 263-

§ 23. DE PRIESTERLIJKE DIENST.

moniëele Wet nauwkeurig voorgeschreven. Hun was tot dat einde de studie der Wet en hare authentieke verklaring en toepassing aanbevolen , om onderscheid ie maken tusschen het heilige en het onheilige en tusschen het onreine en het reine, En de hinderen Israels te leer en alle de inzettingen , die de Heere door den dienst van Mozes tot hen gesproken heeft, Ex. 10: 10, 11.

Maar het voornaamste werk der Priesteren was offeren, voorbidden en zegenen : voorbeeld van het werk des waar-achtigen Middelaars •).

243

1. Offeren. Dit was het werk der Priesteren in het gemeen. De Hoogepriester echter had het bestuur en opzicht over geheel den dienst en over de gezamenlijke priesterschap en kon ook alle priesterlijke werkzaamheden verrichten, hetwelk hij intusschen wel niet dan op de sabbaten en hooge feesten deed. Maar aan den Hoogepriester alleen was opgedragen het uitrichten der zondoffers èn voor zich zeiven èn voor de geheele gemeente bij voorkomende ver-zondigingen (Lev. 4:5. 1G) en der zoen- en brandoffers op het groote verzoeningsfeest (Lev. 16). — In dit offeren nu heeft de ware Hoogepriester eene gelijkheid met de Le-vietische Hoogepriesters. Want een iegelijk Hoogepriester wordt gesteld om gaven (onbloedige spijsoffers) en slachtofferen (bloedige dierofferanden) te offeren: ivaarom het noodzakelijk u as dat ook deze wat hadde dat Hij zoude offeren,

\') Schteiermacher, Dor Chr. Glaube II. § 104 S. 128 zegt: Das hohopiiesterliche Amt C\'hristi schlioszt in aich scinc voll-koiumnc (rosetzerftlllung oder seinon thiitigen Gehorsam, seinon versohnondon Tod oder seinen leidenen Gehorsam, und die Vertretung der Gliiubigen boim Vater.

-ocr page 264-

§ 23. DE PRIESTERLIJKE DIENST.

Hebr. 8 ; 3. De spijs- en slachtofferen waren slechts voorbeeldende, onvoldoende zoemniddelen, de waarheid en het wezen daarvan bracht Christus in zijne dadelijke en lijdende gehoorzaamheid.

2. Voorbidden. Tot afwending van Gods oordeelen, tot verkrijging van geestelijke en lichamelijke weldaden. Hiertoe waren de Priesters geroepen. Ieder moest zelf bidden en het volk Gods was te allen tijde een biddend volk. Maar de Priesters mochten en moesten voor het volk tus-schen treden en tot God naderen. Zoo wordt bü de vermaningen des volks tot hartelijke verootmoediging en bekeering onder den druk van het strafgericht des Allerhoog-sten de Priesterschap tot voorbidding opgeroepen door den Profeet Joël 2:17: Laat de Priesters, des Heer en dienaars, weenen tusschen het voorhuis (des tempels) en het (brandoffer-) altaar en laat ze zeggen: spaar uw volk, o Heere, en geef uwe erfenis niet over tot eene smaadheid, dat de Heidenen over hen zouden heerschen; waarom zouden zij onder de volken zeggen : waar is hunlieder God ? 18. Zoo zal de Heere ijveren over zijn land en Hij zal zijn volk verschoonen.

Inzonderheid de Hoogepriester moest op den grooten verzoendag plechtig als voorbidder tot God naderen met het reukwerk (der gebeden) na volbrenging van de zondoffers , van var (voor hemzelven) en bok (voor het volk), wier bloed hij moest sprengen voor en op het verzoendeksel (Lev. 16: 11 v.v.)

3. Zegenen. Namelijk met den priesterlijken zegen Deut. 21 : 5). Anders mochten ook anderen het volk zegenen. David zegende het volk in den naam des Heeren der heir-scharen (2 Sam, 6: 18), ofschoon Hij geen Priester was, gelijk ook Mozes de kinderen Israels gezegend hoeft (Deut.

244

-ocr page 265-

§ 23. DE PRIESTERLIJKE DIENST.

33 : 1). Maar het „Formulier der Zegeninge,quot; Num. 6; 24—26 voorgeschreven, was alleen voor de Priesters bestemd «). De Heere sprak tot Mozes , zeggende : Spreek tot Aüron en zijne zonen , zeggende : alzoo zult gijlieden de kinderen Israels zegenen , zeggende tot hen ; De Heere zegene u en behoede u, De Heere doe zijn aanyezicht over u lichten en zij u genadig. De Heere verhefj\'e zijn aangezicht over u en geve n vrede1). Alzoo zullen zij mijnen Naam op de kinderen Israels leggen en Ik zal ze zegenen. Deze priesterlijke zegen was een wezenlijk bestanddeel van den openbaren Godsdienst en werd na ieder morgen- en avondoffer door den Priester met opgeheven handen over de in het voorhof vergaderde gemeente of hare vertegenwoordigers uitgesproken. Met dezen zegen werd ook ieder synagogendienst (meest overeenkomende met onzen Kerkedienst) besloten. Dit werd ook gewoonte in den Ghristelijken eeredienst en inzonderheid de Gereformeerden gebruikten standvastig „dit Formulier der zegeninge s).

245

1

) Zie hierover Vierde Hoofdstuk § 4. bi. 427 v.

^ Ook blijkens onze Liturgie. Zie het »Gebed voor allen nood der Christenheid. Des Zondags na de Predicatie.quot; Waar gezegd wordt: Daarna wordt de Gemeente verlaten met den ge-woonlijken zegen; »Ontvangt den zegen dos Heeron. De Heere zogone en behoede uquot; enz. Dezen Zegen by do verlating dor Gomoente Lo gebruiken , is goedgevonden en bekrachtigd in de Provinciale Synode van Holland en Zeeland Anno 1574 Art.

-ocr page 266-

§ 24. DE OFFERANDE.

§ 24. De Offerande.

Do ware Hoogepriester heeft een offer gebracht krachtiger dan al de offeranden des Ouden Verbonds. Daar werden dieren geofferd, wel zonder gebreken, doch slechts uitwendig en zinnebeeldig rein ; dieren die zich zeiven niet konden offeren maar alleen door anderen werden gebracht en waardoor de reinigmaking der zonden werd afgeschaduwd. Hier daarentegen een mensch , uit de menschen genomen, wezenlijk rein en vlekkeloos, en niet bloot mensch maar Gods Zoon , in wien al de volheid der Godheid lichamelijk woont en die niet door anderen maar door zich zeiven in de kracht des Geestes naar den wil en ten genoegen des Vaders wordt geofferd tot werkelijke schulddelging en heiliging voor zijn volk.

Hiervan spreekt tegenstellonder. wijze dit merkwaardige Apostolische woord Hebr. 9 : 13 , 14 : Want indien het bloed der (van) stieren en hokken en [de] aseh der (eene) jonye koe besprengende de onrein en, [hen] heiligt tot de reinigheid des vleesches: hoeveel ie meer zal het bloed van Christus, die door den eeuwigen Geest zich zeiven Gode onstraff\'elijk opgeofferd heeft, uwe conscientie reinigen van doode werken , om den levenden God te dienen.

MG

Op den verzoendag werden stieren en bokken geofferd: een var dat is jonge stier tot delging der schuld des lioo-gepriesters , een bok ter verzoening des volks , met \\v1er bloed hij in het binnenste heiligdom moest ingaan. Daarbij

37 ; Men tal ook de Predicatie op eenerlei wijze hesluiten met den zegen Numevi 6 cod. Joh. Ens , Kort historisch Buricht vaa do Publieke Schriftou. 1733. pug. 197 v.

-ocr page 267-

§ 24. DE OFFRRANDE. 247

noemt de Apostel nog een offer, tot reiniging van de aanraking eens dooden, het offer der roode vaars, waarvan eenig bloed gesprengd werd tegenover de Tente der samenkomst, zevenmaal, terwijl al het overige werd verbrand. De asch werd opbewaard en diende mot versch water gemengd als sprengwater tot ontzondiging van wie een dood lichaam had aangeraakt\').

Daar tegenover stelt de Apostel het bloed van Christus, die door den eeuwigen Geest zich zeiven Gode onstroffe-UjJc opgeofferd heeft\'1).

Verschillend zijn de gevoelens , ook onder de Gereformeerden , over de beteckenis van den eeuwigen Geest te dezer plaatse. Naar sommigen is het Christus Godheid , naar anderen do Heilige Geest ^).

Toch is de zin niet raadselachtig. Men lette. Hier is genoemd vooreerst een subject, een onderwerp, een handelend Persoon : die. Ten andere , dal subject, die Per-

\') Num. 19. Kurtz, Dor Alttestamentlicho Opforcultus. S. 3ü9, 2) oi Six TrvsvftXTOi; xluviov sxutov ttpotrvjvsyy.sv xftupov tm dsw. Do lozing xylov in plaats van xluvbv wordt to rooht als intorprotamont verworpen. Waro xyhv do oorspronkelijke lezing geweest, dan zou wel goon afscbrijvor daarvoor hot moeielijkoro eu donkerder xhviou geplaatst hebben.

:l) Men zie de Uitleggers op Hobr. 9 ; 14. Vooral Tholuck, Kominontar. S. 311 ff. Calvijn verstond onder den eeuwigen Geest don Heiligen Geost: door don (ieost z. v. a. Spiritus vir-tuto , ox efficatia Spiritus. Jieza , Gomarus on andoren Christus Godheid, zijno Goddolijko natuur. Voor dit laatste ijvert bij-zondor onze Joh. d\'Out rein, Do Zondbr. van Paulus aan do Hebr. II. p. 603. Voor Calvijn verklaart zich Dr. A. Kmjper in zijn belangrijk , lichtvol Opstel in De Heraut van 10 Pobr. 1884. No. 320.

-ocr page 268-

§24 DE OFFEUANDE.

soon is ook object, voorwerp van zijn doen: zich zeiven. Nu kan de eeuwige Geest niet Christus Godheid afzonderlijk aanduiden. Want in zijne Godheid was zijne eenige persoonlijkheid gegrond en bestaande en dus zou de Apostel met door den eeuwigen Geest alleen dit zeggen : door zich zeiven. Maar dit is immers gezegd in de woorden: die — — zich zeiven opgeofferd heeft.

Wat is dan hier de eeuivige Geest ? Het is de Heilige Geest, maar niet aangemerkt naar zijn bestaan in liet Goddelijke Wezen, integendeel als wonende , werkende , willig makende , drijvende , kracht oefenende in Christus, in diens menschheid (want op den mensch die zich hier offerde, ziet de Apostel vooral, blijkens de tegenstelling tegen de oiïei-dieren des Ouden Testaments).

Het is dus de Geest, met welken Jezus is gezalfd, die bijzonderlijk bij den doop op Hem kwam ; die zelfde Geest in Jezus, die Hem toen aanstonds naar het eerste slagveld uitleidde (Matth. 4 : 1) tot den kamp tegen den duivel.

Juist hierdoor dat Christus door den Geest die in Hem was zich zeiven Gode heeft opgeofferd, was zyn offer eene waarachtige offerande, in tegenstelling tegen de redelooze dieren die tegen wil en dank werden geslacht. Doordat de Geest, in Hem wonende , Hem willig maakte , juist daardoor is liet dat Hij zich zeiven heeft opgeofferd. En doordat de Geest in Hem de zonde buiten Hem hield , Hem volmaakt heilig hield , daardoor is het dat Hij zich onstraffelijk, als eenen volstrekt reinen opgeofferd heeft. En omdat Hij zich aldus als eenen vlek-keloozen , aan wien niets te berispen viel, heeft opgeofferd , daarom was zijn offer Gode volkomen ten genoegen en omdat Hij Gods eigen Zoon was daarom was het

248

-ocr page 269-

§ 24. DE OFFERANDE.

genoegdoen.de. Dit laatste moeten wij er van zelf bij vasthouden,

Doordat dan Christus zich zeiven door den Geest opofferde , was zijn offer de vervulling, de waarheid en het wezen van de schaduwachtige offeranden des Ouden Testaments : werkelijke delging der zonde en overgeving aan God. Dat Hij zich opofferde door den eeuwigen Geest, zegt dat de kracht zijns offers tot geenen tijd is beperkt maar volkrachtig en geldig is voor eeuwig : reinigend van de schuld en heiligend (in de kracht deszelfden Geestes), om met eene gezuiverde conscientie den levendon God in Geest en waarheid te dienen.

Het uitwendige offer des menschen Jezus deed het niet. Ook hiervan geldt zijn woord Joh. 6 : 33 : de Geest is het die levend maakt.

Calvijn teekent bij Hebr. 6 : 14 aan: „Nu toont de Apostel klaarlijk, vanwaar Christus\' dood zijne waarde heeft: namelijk niet van de uitwendige handeling maar van de kracht des Geestes i). Want geleden heeft Christus als mensch , maar dat die dood voor ons zaligmakend

\') Nunc clare osteudlt, undo aostimanda sit mors (Jhristi: non ab extorno actu scilicet sed a Spiritus virtuto.

Dr. Kuyper , Heraut t. a. pl. : »Ouzo Hoer en Middelaar heeft niet daardoor ons verzoend en gezaligd, dat Hij feitelijk be-spogen , gegeeseld, met doornon in het hoofd gestoken en ten slotte aan het kruis gehangen en gedood is, maar dit nameloozo lijden verkreeg eerst kracht tor onzer redding door zijn liefde en willige gehoorzaamheid.quot; Thöluck, Kommentar. zum Brief an die Hebr. Beilage.II. S. 112 f.: Nicht das Blutvergieszen au sich , gleichsam als ein magischer Versöhnungsakt, ist das Wesen der Erlösung — — , sondorn dio Liebe und der Gohor-smu sind die Seule jenos Aktes. Die gcnugthuende Kraft erhiüt

249

-ocr page 270-

§ 24, DE OFFERANDE.

ware, kwam voort uit de werking des Geestes. Want het offer ter eeuwige verzoening was meer dan een men-schelijk werk. En daarom noemt hij den Geest den eeuwigen , teneinde wij zullen weten, dat de verzoening welke Hij heeft teweeggebracht eene eeuwige is.quot;

Bij deze zoenofferande is de offerende Priester de God-mensch naar zijne beide naturen in hare onafscheidelijke vereeniging •). Het offer is zyne menschheid , zijne ziel (Jez. 53 ; 10 : als zijne ziele zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben. Matth. 20 : 28 : — gekomen om zijne ziele te geven [tot] een rantsoen voor velen. „Zijne zielquot; zegt daar meer dan „zijn leven,quot;) en zijn lichaam, in welke beide Hij zijn lijden leed.

Als het altaar kan men zijn kruis aanmerken, hetgeen Petrus schijnt aan te duiden 1 Br. 2 : 24 : die zelf ome zonden (den vloek onzer zonden dien Flij had op zich genomen (in zijn lichaam gedragen heeft op het hout\'1). Ooic

abor nach Hobr. 9; 14 das Opfor Christi oinorsoits durch suino inuoro Schuldlosigkeit , audorseits durch die göttlicbe WlU\'do dessen , der sich duiu Todo woith.

\') Zie Tiende Hoofdstuk g 21. bi. 174. 176.

2) oc txs xftxprlxs oivrbg xvtivsyKsv èv rü vm/axti xutoü stt] to ^ugt;,ov. Tegen do opvatting van hot kruis als altaar verzet zich ten sterkste Huther, in Meyers Handbuch zu 1 Petr. 2: 24, doch zonder voldingende redenen. Hij brengt in 1. dat anders norgeus iu de Schrift hot kruis als altaar wordt voorgesteld. Maar wanneer het hier door Petrus geschiedt, dan is hot immers schriftuurlijk. En do uitdrukkingen xv/jvsyxsv on fV/ (mot den accusativus) to !;6fov leiden er toe. 2. Dat nergens de zonden als het offer beteekend worden , hetwelk op het altaar wordt gebracht. Maar de zonden droog Christus door dat Hij haron vloek droeg. Vergel. Joh. 1 : 29.

250

-ocr page 271-

§ 24. DE OFFERANDE.

onze Kantteckenaars (op Ps. 110: 4) spreken van „het altaar des kruises.quot;

Bij het zoenoffer is vuur. Bij Christus\' zelfofferande is het vuur i) zijn liefdeijver voor Gods eere en voor het heil zijns volks, daar Hij in den volsten zin tot God kon zeggen met Ps. 69 ; 10 : de ijver van uw huis heeft mij verteerd; en de toorn Gods over de zonde (Heidelb. Gat. Vr. 10, 17, 37), welken Hij, de Heilige en Geliefde als Borg hoeft gedragen en waardoor Hij het is , (1 Thes. 1 : 10) die ons verlost van den toekomenden toorn.

§ 25. Voldoende.

fVij (jelooven dat Jezus Christus een eeuwige Hooge-priester is, met eede, naar de ordeninge Melchizédeks, en heeft zich zeiven in onzen naam voor zijnen Vader gesteld om zijnen toorn te stillen\'1) met volle genoegdoening,

251

1

) Vitringa , a. W. p. 418.

\') Dr. Doedes , üe Nederl. Geloofsbelijdenis , heeft wel niets tegen den toorn Gods p. 258, maar dat «stillen vau den toorn Godsquot; moot weg , meent hij, zal de leer hier zuiver zijn p. 263.

-ocr page 272-

§ 25. VOLDOENDE.

zich zeiven opofferende aan het hout des kruises en vergietende zijn dierbaar bloed tot reiniging onzer zonden, gelijk de Profeten hadden voorzegd. Nederl. Belijdenis des Geloofs, Art. XXI.

Christus\' olïerande was genoegdoende wegens de waardigheid zijns Persoons. Hij heeft door zijne zelfopoffering de zonden zijns volks waarlijk verzoend, de schuld gedelgd : heeft betaald dat Hij niet geroofd had en heeft geleden, Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen en dat zooivel in zijn lichaam als in zijne ziele, gevoelende de schrikkelijke straf, die onze zonden verdiend hadden. Ned. Geloofsbel. Art. XXI.

Dat kon Hij omdat Hij was niet alleen volmaakt heilig mensch , maar de eeniggeboren Zoon Gods.

252

Dat nu Christus zoowel ten opzichte van zijn Persoon als van zijn werk zoodanig een Hoogepriester is als er vereischt werd om zondaren volkomen zalig te maken, leert samenvattend de Brief aan de Hebr. 7 : 26 — 28. Eerst zijne heiligheid*) : Want zoodanig een Hoogepriester betaamde ons, heilig, onnoozel (zonder kwaad) onbesmet (voorgebeeld door de wettische reinheid van Israels Hoogepriester, waarvan die gouden plate getuigden, welke Hij aan de voorste zijde van zijnen hoed op het voorhoofd droeg en waarin gegraveerd stond : De Heiligheid des Iloeren , Ex. 28 : 36 v.v.), afgescheiden van de zondaren. (De Hoogepriester Israels, die in alles den Reine zou voorstellen , leefde in afzondering van alle wereldsche bezigheden en was zelfs van de natuurlijkste plichten ontheven zoodra deze ook maar eene lichte verontreiniging stonden

\') Tiende Hoofdstuk § 1G. bi. 162.

-ocr page 273-

§ 25. VOLDOENDE.

te veroorzaken ■). Vóór den verzoendag moest hij zeven dagen lang van zijne familie verwijderd in den tempel verblijven om voor verontreiniging beveiligd te zijn4). De ware Hoogepriester is nu, nadat Hij in hel hemelsche heiligdom is ingegaan , in den volsten zin afgescheiden van de zondaren) , en hoog er dan de (zichtbare) hemelen geworden.

Dan zijne volmaakte offerande Vers 27 : Dien het niet alle dage noodig tvas, gelijk den Hoogepriesters, eerst voor zijne eigene zonden slachtofferen op te offeren, daarna [voor] de zonden des volles: ivant dat heeft Hij éénmaal gedaan als Hij zich zeiven opgeofferd heeft. Groot onderscheid. De Hoogepriesters moesten a. hunne offerande gedurig herhalen : allen dag , op iederen verzoendag telken jare en ook tusschen de verzoendagen ; ja dagelijks, daar de Hoogepriester dikmaals zelf offerde , en ook in zoover Hij het hoofd der Priesteren was en dezen slechts zijne dienaren en plaatsvervangers waren, zoodat in en door hen hij offerde, b. De Hoogepriesters waren , bij al hun wettische reinheid, zeiven zondaars en moesten voor hun eigene zonden offeren. Daarentegen Christus, rein van alle zonde, behoefde niet voor zich zeiven te offeren en ter verzoening van de zonden zijns volks heeft Hij door zijne zelfopoffering op éénmaal, eens vooral alles voldaan.

253

Eindelijk de eigenlijke grond van dat onderscheid tusschen Christus en de Levietische Hoogepriesters, gelegen in het verschil van hunne Personen : Vers 28 : Want de Wet stelt tot Hoogepriesters menschen die zwakheid hebben (uit den stam Levi, uit het huis Atlrons, zeiven zondaars), maar

\') Schleiermacher, Der christl. Glaubo II. § 104. S. 132. 2) Lünemann in Meyers Handboek zn Hebr. 7: 26.

-ocr page 274-

§ 25. VOI.DOENOË.

254

het woord der eedzwering, die (Psalm 110, eerst ten tijde Davids, omtrent 500 jaren) na de Mozaïsche) Wet is [gevolgd, stelf] den Zoon (Gods, eigenlijk eenen Zoon d, i. eenen die niet zwak mensch maar ZoLin is) die in der eeuwigheid (voor eeuwig) geheiligd is. De Zoon Gods alleen kon de ware Middelaar en Hoogepriester zijn , daar Hij , zelf Heer in het huis met den Heere, den Vader , vrijen toegang had tot God en als zoodanig zondaren den toegang verschaffen en hen tot God brengen kon. Deze is als Hoogepriester voor eeuwig geheiligd quot;), voor altoos volmaakt, voleindigd en aldus ingewijd, daar Hij den staat der verzoeking, des strijdens en lijdens nu voor immer is te hoven gekomen. Met de komst van den waren Hoogepriester had het schaduwachtige priesterdom afgedaan. Hij heeft voldaan. Hij alleen kon het omdat Hij is de Zone Gods. Geen mensch, geen schepsel vermocht het2). Israels priesterschap met al de wettische offeranden van dieren bracht geen ware verzoening aan : een dier kon onmogelijk voor eenen mensch in plaats treden. Alles wees op dien Eénen , die komen zou.

In tegenstelling tegen de krachtelooze, doode offers treedt de Messias op en spreekt tot zijnen God en Vader door Davids mond Ps. 40 : 7 : Gij hebt geenen lust gehad aan slachtoffer en spijsoffer, gij hebt mij de oor en doorboord (vergel. Ex. 21 : 5, ö); brandoffer noch zondoffer hebt\'gij niet geëischt. 8. Toen zeide ik ; zie, ik kom , in de rolle

\') s\'ic tov x\'iüvx tsts^siufièvo?. Aangaan do het voelbospro-koiiu TSAeïovv ou Te\'/.shïiTÖxi vordicnt nog altijd opiuorkiug Tho-luck, Kommentar zum Br. an die Hebr. Beilage II. S. J13 ff. a) Tiende Hoofdstuk § 9 bl. 132.

-ocr page 275-

§ 25. VOLDOENDE.

des hoeks is van mij geschreven. 9. Jl heb lust, o mijn God, om uw welbehagen te deen en uwe wet is in hel midden mijns ingewands.

David kende het groote woord door Samuël tot Saul gesproken 1 Sam. 15: 22: Heeft de There lust aan hrand-offeren en slachtofferen als aan het gehoorzamen der stemme des Heer en ? zie gehoorzamen is beter dan slachtoffer, opmerken dan het vette rammen. (Vergel. Malth. 9: 13.) David wist, de Heere wilde niet slechts uitwendige offers , maar Hij wilde hemzelven.

Intusschen David was zich bewust, hoe weinig hij voor zich zeiven aan den Goddelijken eisch beantwoordde, gelijk hij bekent Vers 13: mijne ongerechtigheden hebben mij aangegrepen \') ~ — zij zVn menigvuldiger dan de haren mijns hoofds en mijn hart heeft mij verlaten. En hier, gelijk in vele andere Psalmen , zegt hij wat in vollen zin alleen op dien Gezalfde paste , die uit zijn geslacht zou voortkomen , die doende en lijdende den wille Gods volkomen deed. Dat is Jezus Christus. David was in den Geest , toen hij dit sprak , was als boven zich zeiven ver-

\') Ed. Böhl, Christologie dos A. T. 1882. S. 141 brongt ook dit op Christus over eu gebruikt onvoorzichtige uitdrukkingen: Gott hat ihn (naar 2 Kor. 5: 11) zur personificirten Sünde go-macht. Dies also war Christo anferlcgt, dass er, als der Er-liisor iu so enge Verbindung mit uns Monschen treten muszte dass er auch die Sünde seiner Bruder mit auf sich nahm a. s. w. Dat luidt Flaciaanseh, vergel. daarentegen Kurt:, Der Alttostam. Opfercultus S. 77. Ten onrechte beschuldigt Böhl a. W. S. 33 f. Calvijn, dass er der Ausiegung des 40sten Psalms iu Hebr. 10: 5 durchaus nicht gerecht wird. Calvijn doet er niet te kort aan, maar geeft aan üavid wat Davids is. Vergel. Tiende Hoofdstuk § 16. bl. 158.

255

-ocr page 276-

§ 25. VOLDOENDE.

256

heven. De Geest van Christus was in hem en sprak door hem. Dus is het Christus zelf die daar in den Geest zijn komen in de wereld en zijne volmaakte gehoorzaamheid in zijne zelfoffering en aldus het einde der schaduwachtige offeranden profetisch aankondigt. Deze opvatting is verzekerd door de gezaghebbende verklaring in den Brief aan de Hebr 10 : 5— 10.

§ 26. In leven en dood.

Christus\' offerande bestond niet alleen in zijn sterven. Veelmeer geheel zijn leven was een offer \'), een overgeven van zichzelven in gehoorzaamheid aan den Vader ; maar zijn dood aan het kruis was de voleinding er van. Geheel zijn verkeer en vertoon in de menscliheid , wanneer men slechts voor oogen houdt wie Hij eigenlijk was , de Zone Gods die van eeuwigheid heerlijkheid bij den Vader had , doet zich als eene voortgaande opoffering van Hem-zelven , als een samenhangend , harmonisch , onafgebroken geheel van gehoorzaamheid aan den Vader , wiens wille te doen en te lijden zijne spijze was ; eene gehoorzaamheid , die in zijn vrijwillig sterven haar toppunt en daarmede haar einde bereikte.

Zoo spreekt Paulus van Fil. 2:8; En in gedaante gevonden als een mensch , heeft Hij zich zeiven vernederd , gehoorzaam geworden zijnde tot den dood , ja den dood des kruises. Met zijne menschwording ving de vernedering aan1). Hij ontdeed zich van zyne Godsge-

\') König, Die Menschwerdung Gottes S. 272. 2) \'exurlv éxévuTSV.

-ocr page 277-

§ 26. IN LEVEN EN DOOD.

stalte i); niet van zijne Godheid2) maar van het vertoon harer Majesteit; en de menschelijke natuur aannemende nam Hij de gestaitenis eens dienstknechts s) aan, „De nederigheid des vleesches was als een sluier, als een voorhang , waardoor zijne Goddelijke Majesteit werd bedektquot; (Calvijn). Heer werd knecht, dienaar Gods en des naasten. Hij verzaakte het gebruik zijner Goddelijke eigenschappen en het vertoon zijner glorie. In tegenstelling en ter vergoeding van de grondzonde des menschen, de zelfzucht , de zelfverheffing, heeft Hij in zijne menschheid voortgaande zich zeiven verloochend en al dieper vernederd »), vrijwillig zich onderwerpende aan den wille Gods, en is ook voor het allerzwaarste niet teruggeweken, daar Hij den verachtelijksten en smartelijksten dood onderging, met den vloek beladen aan het hout des kruises. Dit was de voltooïng van zijne zelfopoffering, de hoogste en volmakende daad zijner liefde.

De Socinianen, bij wie de \'Remonstranten zich aansluiten, leeren dat Christus op aarde geen waar Priester is geweest , maar dat Hij het eerst is geworden in den hemel, door zich voor God te stellen (dat is zijn offeren) ter onzer hulp en verlossing uit onze nooden. Volgens hen begon dan Christus\' priesterlijk werk eerst in den staat der verhooging, door overgave van zijn offer aan God in den hemel. Houdt men hun tegen: „maar dit had Hij immers op aarde gebracht,quot; zoo herinneren zij : het slachten der

\') ösav.

i) to shxi \'ivo. ösx.

s) Sii/Afly.

■i) \'sTXTTsivciKrev éauióv,

GravomoiJor, Gorof. Gd. loer. II.

257

17

-ocr page 278-

§ 26. IN LEVEN EN DOOD.

258

offerdieren dat in het voorhof geschiedde , was slechts eone voorbereiding tot het offer, maar het offeren zelf begon eerst met het brengen der offers voor God in het binnenste heiligdom. Zij nemen Christus\' Priesterschap oneigenlijk en verstaan daaronder zijne barmhartigheid en voorbidding i). Het is omdat zij niet willen weten van eene plaatsbekleedende genoegdoening.

§ 27. Flaatsbekleedend

Dat Christus\' lijden en sterven eene offerande was, dat Hij, gever en gave , Priester en offer zich geofferd heeft (Hebr. 5: 7. Ef. 5: 2), geeft te kennen zijne plaats-bekleeding , zijne borgtochtelijke genoegdoening voor de zonden zijns volks. Het zegt, dat Hij al zijn lijden en inzonderheid den dood in den naam en in de plaats van strafwaardige zondaren heeft geleden, dragende en afdragende voor hen den toorn Gods, den vloek, de straffe hunner zonden en dat Hij daardoor voor hen aan Gods rechtvaardigheid heeft voldaan. Het zegt, dat al de offeranden des Ouden Testaments dit groote, priesterlijke verzoeningswerk dfis waarachtigen Middelaars hebben voorbeduid en als gewisselijk komende ondersteld en dat hetgene door haar beteekend en gewaarborgd werd , door Elem werkelijk is volbracht, zoodat zijn lijden en dood het ware en wezenlijke tegenbeeld en aldus

\') Catechesis Uacovioncis. Qu. 476. Uitvoerig wodovlegd Joor Oeder iu zijne uitgave 1732. p. 903. sqq. ou p. 835. Vorgel. Winer , Compar. Darstolluug. 1882. S. 106. Tholuch, Komment. zum Bv. au rile Hebr. S. 273 ff. 7.n Hebr. 8.

-ocr page 279-

§27. PLAATSBEKLEEDEND.

het einde is van al de schaduwachtige zoenofferanden.

Het offerdier werd gedood in de plaats\') van den zondaar. Want de bezolding der zonde is de dood, Rotn. 6 : 23. De zondaar had den dood verdiend. Hij moest daarom vooraf zijne handen met kracht en klom op het hoofd van het offerdier leggen1), als overdracht van zijne zonde en schuld, als zinnebeeld hiervan dat dit dier hiermede in zijne plaats werd gesteld en ondergaan zou wat hij zelf had moeten lijden. Hij moest dan zelf het dier slachten, als eene feitelijke verklaring: dat moest mij treffen, ik ben des doods schuldig. Dan bracht de Priester het bloed aan de heilige plaats, voor God, aan het altaar en sprengde het daaraan , waardoor de verzoening werd voltrokken en de zondaar rein en vrij verklaard. Want de ziele des vleesches, sprak de Heere, Lev. 17: 11, is in het bloed, daarom ik het u op het

259

1

verbonden was, daarvoor brengt uit het Oude Testament Tholuck,

-ocr page 280-

§ 27. plaatsbekleedend.

altaar gegeven heb, om over uwe zielen verzoening te doen: want het is het hloed, dat voor de ziel verzoening doen sol.

Dus was or in de zoenolfcranden ontegenzeglijk eene inplaatsstelling, eene substitutie\'). Het dier onderging den dood, de straf der zonde en het sterven des diers kwam op rekening des zondaars als of hij zelf voor zijne zonde had geleden.

Doch niet alsof het uitwendige offer door zich zelf voldeed2). Het gold daarvoor krachtens Gods bepaling, omdat God het daartoe had gesteld, en wel als voorteeken en onderpand van het ware offer des Zoons Gods, die zich in plaats van zondaren zou stellen, in hunne plaats zich zou opofferen en wiens lijden en sterven op rekening aller ge-loovigen zou komen alsof zij zeiven de straf gedragen en voor hunne zonden genoeggedaan hadden.

a. Van de voldoening aan Gods rechtvaardigheid door Christus betuigt de Schrift: Welken God voorgesteld heeft [tot] eene verzoening door het geloof in zijnen bloede, tot eene hetooning van zijne rechtvaardigheid door de verge-

\') Over de wijzo hoe de verzoening door het offer geschiod-do , verschillen intusschen wederom de govoolcns. Naar velen slechts middelbaar, door middel van de gezindheid des offerenden (etisch). Die eene onmiddelbare verzoening aannemen , stellen haar voor of speculatief, of juridisch of physisch. Tholuck , aangeh. Beilage II. S. 74 ff. heeft de verschillende voorstellingen kortelijk geclassificeerd.

\'-) Do ongenoegzaamheid der offerande op zichzelve bleek metterdaad zoo uit hot gooffordo voorwerp (een dier wf.s immers goon ware plaatsbeklceder van een mensch) als uit geheel do offerhandeling. Dat toont uitvoerig Kurtz, Das Mozaïsche Opfor. S. 37 ff. Derselbe, Dor Alttestam. Opforcultus. S. 93 ff.

-ocr page 281-

§ 27. PLAATSHEKLEEDENl).

ving der zonden die te voren geschied zijn onder de verdraagzaamheid Gods , Pioni. 3 : 25 i).

De Apostel, sprekende van de genadige rechtvaardiging des zondaars voor God, loont hier den grond, waarop zij wordt verleend : het is Christus\' genoegdoening in zijns volks plaats door zijne zoenofferande. Aan Hem is de verzoening-der zonde volbracht. Besprengd met zijn eigen bloed, dus in zijn bloed\'1-) heeft God Hem ten aanschouwen der wereld vertoond aan het kruis en dan in het Woord des kruises. Wat op den verzoendag in het geheim geschiedde, de voltrekking van de voorbeeldende verzoening des volks door des Hoogepriesters besprenging van het verzoendeksel -i) der Arke des Verbonds met het offerbloed, dat is in Christus openlijk en wezenlijk gedaan : Hij , Priester en offer in één , heeft zijn bloed, zijn uitgestort leven voor God gebracht en daarmede voldaan , Hij, de Zone Gods, van den Vader zeiven daartoe gegeven. Als zoodanig heeft God Hem voorgesteld en stelt Hem der wereld voortdurend voor

\') quot; O^ TrposósTO o ösos h.xftrypiov Six Tqs irivTsus èv tü xutoü aïfjixn ègt;ix ryy Traipetriv tüv irpoysyovÓTCov i^xpryi/^xrav vj Tij xvoxy toïi óscü. Dezo voor de satisfactio vicaria allergowich-tigsto schriftuurplaats is uitvoerig behandeld in Do Paulinische Leer van de Verzoening. Academisch Proefschrift door E. C. Gravemeijer Gron. 1874. bl. 77—92.

\'2) Dit m zijn Moed behoort mot bij door hel geloof, maar bij voorgesteld. Want er staat niet si? to ajftx, maar fV ty

XÏ\'ftXTI.

3) IXxTrJipm is niet verzoenmiddel, maar verzoendeksel, pro-

pitiatorium , riquot;lÖ3 kapporot. Hobr. 9 : 5. Ook naar onze Kantt.

op 1 Joh. 2: 2. Calvin. Commentar. in Kom. 3: 24: Christum propitiationem , vel (quod magis placet, ut sit allusio ad veterem figuram) propitiatorium vocat.

2G1

-ocr page 282-

§ 27. PLAATSBEKLEEDEND.

(Gal. 3 : 1) door zijne gezanten, naar Hem toewijzende. Het is nu met nadruk : zie het Lam Goch (Joh. 1 : 36). En hetgeen Paulus met toespeling op het arkedeksel te kennen geeft, is hetzelfde wat 1 Joh. 2 : 2 met eigenlijke woorden zegt: Hij is eene verzoening voor onze zonden. — Hij is het voor ons door het geloof, dat Hem er voor erkent en aanneemt en in hetwelk Hij met zijn offer den zondaar wordt toegeëigend. —

En waarom heeft God zijnen Zoon doen bloeden en Hem in zijnen bloede ten toon gesteld ? Tot hetooning van zijne rechtvaardigheid , van zijue rechterlijke gerechtigheid \') , door, nauwkeuriger wegens de vergeving (welke) onder de verdraagzaamheid Gods (den geloovigen geschonken werd) der zonden, die te voren (onder de vóórchristelijke bedeeling) geschied zijn. „Dat is, om te bewijzen dat Hij rechtvaardig is, dewijl Hij zelfs in Christus de zonden straft, welke Hij in het Oude Testament vergeven heeft om deze verzoening die geschieden zou, en in het Nieuwe desga-lyks vergeeft den geloovigen om dezelfde voldoening die geschied is.quot; (KantteekJ.

262

b. Het ongenoegzame van de offeranden des Ouden Testaments wordt inzonderheid in den Brief aan de Hebreen dikmaals uitgesproken. Zoo Hebr. 10 : 1 : Want de Wet, hebbende eene schaduw der toekomende goederen, niet het

\') Zie Derde Hoofdstuk § 42. 48. 49. Wel naar waarheid toekent Yon Gcrlach bij Rom. 3; 25 aan : In diosen Worton wird also aasdrücklich golchrt, dasz nicht blosz die Menschen mit Gott ausgosöhnt werden muszten, die Feindschaft nicht blosz von ihror Soite stattfand , sondern auch Gott mit den Menschen, dasz seiner strafendou Garechtigkoit eino Genugt-huung gesohohon musztc ; dieselbe Lohro wie 1 Joh. 2 : 2.

-ocr page 283-

§ 27. i\'LAATSUEKLEEDEND.

beeld zelf der zaken, kan met dezelfde offeranden, die zij alle jaar geduriglijh opofferen, nimmermeer heiligen degenen die daar toegaan. Schaduw en beeld staan hier tegen elkander over, uitdrukkingen ontleend aan de schilderkunst. Schaduw \') is schaduwteekening, een eerst ontwerp , een ruwe schets , bestaande slechts in enkele hoofdlijnen en omtrekken ; het beeld\'1) is het uitgewerkte, voltooide stuk zelf, met kleuren naar het leven gemaald. Het beeld zelf der zaken beteekent hier dan de ware gedaante der zaken , der geestelijke en hemelsche weldaden, voorrechten en zegeningen, de volledige openbaring , uitwerking en aanbrenging der toekomende goederen door Christus. Dus niet als ware dit beeld der zaken ook zelf maar slechts een bloote, doode afbeelding van haar, maar het is hare openbaarmaking en vertooning in wezen en kracht, zoo wezenlijk als Christus zelf Kol. 1: 15 met hetzelfde woord genoemd wordt het beeld des onzienlijken Gods, Ook niet als hadden de geloovigen onder het Oude Testament slechts ledige figuren en wezenlooze ceremoniën maar de geloovigen des Nieuwen Verbonds de goederen zelve. Het onderscheid bestaat alleen in den graad der openbaring. „Voor beiden, toen en thans, één Christus, éénzelfde gerechtigheid, heiligmaking en zaligheid.quot; s) Wat de geloovigen des Ouden Testaments hadden, dat hadden zij door Christus op grond van zijne voldoende offerande , die Hij stond te brengen, en niet door hunne dieroffers , die slechts afschaduwden hetgeen Hij wezenlijk volbracht.

\') (TXIlX. \'■

a) shdv.

3) Calvin. Commontar. i. 1.: Idum Christus utrisque, oadem justitia, sanctificatio ot salus.

263

-ocr page 284-

§ 27. PLAATSBEKI.EEDEND.

Doze voorbeeldende offeranden, die, toen de Apostel dit schreef, nog in den tempel door Israels blinde Priesteren worden gebracht, verklaart hij voor ongenoegzaam en krachteloos in zich zelve. Hare herhaling zelve bewijst het. Daar brengen zij, namelijk de Hoogepriester en de mede dienstdoende Priesteren en door middel van dezen het volk alle jaar goduriglijk, op hunne gezette tijden dezelfde offeranden naar de Wet des Ouden Verbonds. Maar deze kan met al de offeranden nimmermeer heiligen degenen die daar toegaan. Vie toegaan, naderen , namelijk tot God in het aardsche heiligdom, de Hoogepriester, de Priesters en door deze middelaars het volk. De Wet kan hen niet heiligen, eigenlijk volmaken, van de straf en macht der zonde vrijmaken , hen uit den ellendigen zondestaat uitbrengen tot den staat van reinheid en zaligheid in werkelijke vereeniging met God. Dat kan alleen Christus uit kracht van zijn eenige , volmaakt plaatsbekleedende offerande. Een offer, dat herhaald moet worden , kan het ware niet zijn. Weshalve met Christus\' offerdood niet alleen aan de vorige offeranden een einde is gesteld\'), maar ook, gelijk Calvijn met nadruk aanmerkt, het offer van Christus niet mag herhaald worden, zooals do Room-schen in de Misse doen1), welke „in den grond niet anders is dan eene verloochening des eenigen offers en lij-dons van Jezus Christus en eene vervloekte afgoderijquot; (Heidelb. Catech. Vr. 80).

264

1

) Calvin. (Jommontar. in Ep. ad. Hebr. 10: 1. P. Van Mastricht, Godgol. II. p. 559.

-ocr page 285-

§ 28. VOORBIDDING,

§ 28. Voorbidding.

In den hemel is Christus Voorbidder, door wiens voorspraak op grond van zijn op aarde gebracht offer schuldigen genade ontvangen ; voorgebeeld in het Oude Testament door den ïïoogegriester, die niet alleen moest offeren maar dan ook met het bloed ingaan in het Heilige der heiligen om voor het volk te bidden.

Christus\' offerande is éénmaal geschied, volmaakt, voldoende, van eeuwige kracht. Nadat Hij op aarde, in het voorhof zijn offer heeft gebracht, is Hij door het Heilige, de zichtbare hemelen , doorgegaan in het binnenste heiligdom , de onmiddelbare nabijheid Gods, in heerlijkheid en macht, treedt Hij bü den Vader op voor de bedrukte, biddende arme zondaren die tot Hem als Middelaar zich wenden en vraagt en bewerkt op grond van zijne voldoening voor hen genade en leven. Zijne voorbidding is noodig en krachtig , ter voortgaande toepassing van zijne offerande. Gelijk de voorzieniyheid in onafscheidelijk verband staat met de \'Schepping, eveneens Christus voorbidding met zijne offerande.

Deze allertroostrijkste waarheid is een vaste steunpilaar voor Gods volk onder alle slingeringen, aanvechtingen en nooden. Weshalve de Schrift er gedurig en met nadruk van getuigt. Zij zegt: Hij heeft een onvergankelijk (onvergankelijk) Priesterschap , Waarom Hij ook volkomenlijk kan zalig maken degenen die door Hem tot God gaan, alzoo Hij altijd leeft om voor /ien te \'), Hebr. 7 : 25. En Rom.

2G5

8 : 34 : Wie is het die verdoemt ? Christus is het die yc-

\') ek to êvrvyxdvsiv vxsp xütwv.

-ocr page 286-

§ 28. VOORBIDDING.

storven is, Ja wat meer is, die ook opgewekt is, die ook ter recht er \\]iand\\ Gods is, die ook voor ons bidt i). 1 Joh. 2: 1. Mijne kinderkens, ik schrijf u deze dingen, opdat gij niet zondigt. En indien iemand gezondigd heeft, wij hebben eenen Voorspraak hij den Vader\'1), Jezus Christus den rechtvaardigen. 2. En Hij is eene verzoening voor onze zonden.

Iedere vergeving van zonden en vrijspraak des zondaars is niet zoo iets wat als van zelf en met noodzakelijkheid uit Christus\' voldoening voortvloeit, maar eene rechterlijke daad Gods door de tusschenkomst des Middelaars, door Christus\' voorspraak op grond van zijn éénmalig offer. Het is niet genoeg in het algemeen te gelooven dat God om Christus\' wille de zonde eens vooral heeft vergeven , maar na des Hoogepriesters offer is zijne voorbidding noodig : vrijspraak op vertooning van het losgeld des Borgs. Zoo blijkt bij de voldoening de vrije genade, die de genoegdoening heeft beschikt en ze den zondaar toerekent en zoo wordt dit bij den mensch eerst recht als genade erkend 3).

Als Voorspraak, advocaat, pleit Hij voor zijn volk tegen alle beschuldigingen. Hij treedt voor hen op, gelijk Juda voor Benjamin (Gen. 43: 8. 9 ; 44 : 32, 33), gelijk Paulus voor Onesimus bij Philémon (Philetn. 10, 18, 19), doch niet met nederige gebaren«), gelijk een mensch bidt, maar „zeer heerlijk en luisterrijkquot; als de groote Hoogepriesler, die zijn volk vertegenwoordigt, tegenbeeld van Israels

\') èvTvyx^1\' vKsp ■/if/.üy.

-) TrxpazhyiTOv txofiQv Trpo? TOV TrxTspx.

:!) Von Gerlach zu Rom. 8: 34. Hobr. 7; 25. 1 Job. 2 : 1. Bralcel, llodol. Godsd. I. p. 448.

4) Calvin. Commentar. in Ep. ad. Rom. 8; 34.

2GG

-ocr page 287-

§ 28. VOORHIDDING.

Hoogepriester, die de namen der stammen in edelgesteente gegraveerd op borst en schouderen droeg.

Ook onder het Oude Testament\') heeft Hij dit Middelaars-werk verricht, op grond van zijne toekomstige offerande. Hij toch is de voorbiddende Engel des Heeren, van wien de Profeet Zacharia 1 : 12 en bijzonder 3: 1 v.v. spreekt.

Ook de Heilige Geest bidt voor ons, bidt voor de Heiligen Rom. 8 : 26, 271). Maar Christus bidt voor ons in den hemel, de Heilige Geest bidt voor ons binnen in ons. De Heilige Geest is niet de Middelaar, de Middelaar is Christus.

Hij brengt de in zichzelven arme en krachtelooze gebeden zijns volks voor den Vader en door Hem worden zij verhoorlijk s).

Velen onzer oude Godgeleerden«) hebben dit afgebeeld gevonden in hetgeen aan Johannes vertoond word na de

267

1

) {jTTspevTvyxxvei, svtv/xxvsi inrép xykiv, P. Van Ma-stricht, Godgel. II. p. 553.

-ocr page 288-

§ 28. VOORBIDDING.

opening van het zevende zegel, vóórdat zeven Engelen met zeven bazuinen diens inhoud kwamen uitbrengen en al zwaardere oordeelen Gods aankondigden Openb. 8:3: En daar kwam een ander Engel en stond aan het altaar, hebbende een (jouden wierookvat en hem werd veel reuk-werks gegeven opdat hij het [met] de gebeden aller heiligen zoude leggen op het gouden altaar dat voor den troon ■is. 4. En de rook des reukwerks [met] de gebeden der heiligen ging op van de hand des Engels voor God. Vurig bidden bij de heiligen verwekt, ter voorbereiding voor zware strafgerichten. Deze gebeden door eenen Engel als reukwerk voor God gebracht. Wie hieronder niet Christus , maar een gewonen Engel i) wil verstaan , bedenke vooreerst dat eene eigenlijke middelaarsverrichting in de Schrift nooit aan een Engel maar alleen aan Christus wordt toegekend ; en ten andere , dat hier deze Engel ontegenzeglijk als priester handelt, blijkens wierookvat en altaar.

De Lutheranen*) stellen eene algemeene voorbidding, voor alle menschen, en eene bijzondere, voor de geloovigen. Do algemeene op grond dat Christus, naar hun gevoelen, voor alle menschen heeft voldaan. Lidher zelf 3) was in

\') Zoo thaus bijua algemeen. Zie Düsterdieck in Meyers Hanebuch z. d. St. Ook Henystenbercj verstaat ouder den anderen Engel niet Christus maar eeu geschapen hemelbode, stemt intusschen toe dat Op. 7 : 2. 10: 1 en 18 : 1 door fan anderen Engel Christus wordt beteekeud.

2) Zie Hase , Hutter. rediv. § 101. II. 3te Aufl. S. 2(30. Daartegen bijzonder Brakel, Eed. Godsd. I. p. 418 v.v.

3) Zie dit bij Tholuck, Commentar zu dem Ev. Joh. 17: 9. Eu bij Von Gevlach z. d. St. Tegen de Gereformeerde opvatting ijvert, zonder bewijs , Stivr , Die Heden des Herrn Jesu. Vter Theil S. 492. zu Joh. 17:9.

268

-ocr page 289-

§ 28. VOORBIDDING.

269

dezen rechtzinniger dan de Lutherschon. Hij herinnerde: „Christus zegt Joh, 17 : 9: Ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen die gij mij gegeven hebt, want zij zijn uwe. Maar dan vs. 20 : ik bid niet niet alleen voor deze (mijne discipelen), maar ook voor degenen die door hun woord in mij geïooven zullen. Dezen zijn, eer zij bekeerd worden, ook van de wereld ; daarom bidt Hij voor de wereld om dier wille , die nog zullen toegebracht worden. Maar zooals de wereld is, vijandig tegen God en het Woord, wil en kan Hij voor haar niet bidden en ook geen Chris-tenmensch, veelmeer tegen haar, opdat haar voornemen en geweld verbroken worde.quot;

Christus\' voorbidding gaat evenver als zijne offerande en wordt verhoord. Ware zij voor allen , zoo wierden ook allen behouden. Van ontoereikendheid is hier bij ons Gereformeerden geen sprake, maar van de bedoeling. Over deze behoeft zich echter geen bidder te bekommeren. Wie waarlijk bidt, dien is dit gegeven, voor dien bidt dus Christus ook en heeft reeds voor hem gebeden, die behoort reeds tot zijn volk. Gelijk de voorbeeldende Hoogepriester Israël vertegenwoordigde en niet de Heidenen , zoo de ware Hoogepriester het geestelijke Israël, uit Joden en Heidenen \').

\') Ook Van Oosterzee, Chv. Dogmat. II. p. 309 moet too-stommon; Voorspraak kan do Hoogepriester slechts zijn voor zijn volk ; do Intercossio \' vooronderstelt werkelijk verzoouden en inzoover zou de Hoer nog altijd Joh. 17 : 9 kunnen herhalen. Maar wanneer Van Oostorzee er bijvoegt: «Schoon Hij natuurlijk niots vuriger wonscht dan dat ook die wereld in Hem

-ocr page 290-

§ 29. ÉÉN EENIG MIDDELAAR.

§ 29. Één eenig Middelaar.

Geen Engelen en Heiligen mag men als voorbidders eeren , gelijk Eoomschen en Griekschen doen. Want er is één God, er is ook eén Middelaur Gods en dev men— schen, de mensche Christus Jesus, 1 Tim, 2: 5 i).

De Kerkleer der Roomschen en Grieken is niet te verwarren met het bijgeloof der blindgehouden menigte1). Zij stellen een bepaald onderscheid tusschen de vereering Gods en der Heiligen. Godsdienstige aanbidding s) , lee-ren zij , behoort alleen voor den drieëenigen God, als opperoorzaak en gever van alle goederen; maar de Heiligen in den hemel, die Gods bijzondere gunstelingen zijn en saam met Christus heersclien, worden aangeroepen») als ondermiddelaars s) onder en door Christus, Tot God is het: Ontferm u onzer, hoor ons; tot den Heilige : hid voor ons.

Aan de eer en waardigheid des Middelaars Christus wordt daardoor, beweren zij, niet te kort gedaan, zoomin

270

1

) hXTpelx.

-ocr page 291-

§ 29. ÉÉN EEN1G MIDDELAAR.

als door de Kananésche vrouw, die haar toevlucht tot de Apostelen nam (Matth. 15: 23) of door Paulus verzoekende de gebeden der geloovigen en in \'t gemeen door de bevolene voorbidding der levenden op aarde , wij! de gebeden der Heiligen alleen hunne kracht ontleenen uit de oneindige verdiensten van den Zaligmaker en alleen in zijnen naam verhoord worden •)•

In de Besluiten der Roomsche Kerkvergadering te Trente wordt de aanroeping der Heiligen niet als een godsdienstige plicht bevolen , maar alleenlijk als goed en heilzaam aanbevolen4).

De Protestantsche kerken verwerpen ze, op voldoende gronden»). Als onnoodiy: Christus is ons genoeg , de eenige en eeuwige Hoogepriester, die volkomenlijk kan zalig maken degenen die door Hem tot God gaan, alzoo Hij altijd leeft om voor hen te bidden, Hebr. 7 ; 25.

Als onteerend voor Christus. Zeggen de Roomschen : „als wij de Heiligen aanroepen , gaan wij tot den Zaligmaker , doch met de Heiligen als onder geleide van hen die voorname vrienden zijn bij Godquot; , het is miskenning en tot uneer van zijne liefde , die niet eerst door „huiselijke hand- en inleidersquot; moet worden verkregen maar zelf ons zoo goedertieren direct tot zich noodigt, Matth.

\') Catechism. Roman. Pars III. 2. Qu. 11. 14. ed. Tauchu. p. 302 sp. Verklaring van den Alechelscheii Catech. p. 170 v.v.

2) Canones et Dccreta Concilii Tridenl. Soss. XXV. ed. Tauchu. p. 174: bonum atque utile esse suppliciter cos invocare et ob beneficia impotranda a Deo por Filium ejus Jesum Christum Dominum nostrum , qui solus noster rodcmptor et salvator est, ad eorum orationes, opom auxiliumque confugere.

^1) Uitvoerig en scherp Calvin. Instit. III. 20. 20—27.

271

-ocr page 292-

§ 29. ÉÉN EENIG MIDDELAAU.

11 : 28: Komt herwaarts tot mij allen die vermoeid en belast zijt en ik zal u ruste geven.

Als zonder hevel en voorbeeld in de Heilige Schrift, die wel spreekt van noodzakelijke voorbidding door en voor levenden op aarde maar niet door en voor afgestorvenen, tenzij men daartoe wilde brengen de voorbidding Abrahams door den rijken man ingeroepen, gelijk ook zelfs Erasmus bekende, die intusschen , blind bij helder licht, de aanroeping der Heiligen bleef voorstaan.

Als vruchteloos , wegens de onbekwaamheid en onbevoegdheid van zulke voorsprekers. Het biddend volk zegt tot God met Jezaja 63 : 16 : Gij zijt toch ome Vader , want Abraham weet van ons niet en Israël (Jakob) kent ons niet\'): gij, o Heere , zijt onze Vader, onze Verlosser van ouds af is uw naam — een hoofdtekst, ook door de Reformatoren gebruikt, tegen de Roomsche aanroeping der Heiligen.

Daarom, achtervolgende het hevel van Christus, zoo roepen ivij den hemelschen Vader aan door Christus , onzen eenigen Middelaar, gelijk wij in \'t gebed des Heeren geleerd zijn*), verzekerd zijnde, dat al ivat wij den Vader in zij-

\') Stier, Jesaias, nicht Pscudo—Jesaias S. 775 laat zich vorloidon te zoggen : sollton sio nicht jonseits fortfahren in dor Fürbitte, wolcho oin Abraham sogar für Sodom hatte ? Hij houdt er ook voor dat 1 Sam. 28 Samuül zolf is verschenen en is niet togen Goistovovsehoinungon vom Jonseits en verkeer met dooden. Zie daartegen Zesde Hoofdstuk § 17. bl. 726.

\'2) Doedes, De Nedorl, Geloofsbelijdenis 347 merkt aan: »in hot Onze Vader wordt mot geon enkel woord geleerd dat wij in den naam van Christus of door Christus tot don Vader moeten bidden.quot; Maar Christus was immers zolf de gover van dit gebed en Hij zelf legt aanstonds don Vadernaam in \'s bid-

272

-ocr page 293-

§ 30. ZEGENING. !273

nen naam bidden zullen, ons zal gegeven worden. Nederl. Belijd, des Geloofs. Art. XXVI. Een uitstekend Artikel tegen het heidensch doen der Roomschen, overwaardig om te worden gelezen en behartigd.

§ 30. Zegening.

Met Christus\' voorbidding gaat zijne zegening\') gepaard en vloeit daaruit voort. Melchizédek, Priester des Allerhoogston Gods , heeft Abraham gezegend (Hebr. 7 : 1). Israels Priesters , na geofferd te hebben, spraken in den naam des Heeren den zegen over het volk. Christus , de ware Hoogepriester, spreekt niet alleen maar geeft den zegen. Van uit het hemelsche heiligdom zegent Hij zijn volk door werkelijke mededeeling van alle geestelijke gaven , Joden (Hand. 3 : 20) en Heidenen (Gal. 3: 14).

Daarvan gaf Hij een indrukkelijk voorteeken bij zijne hemelvaart. Luc. 24 : 50 : zijne handen opheffende zegende Hij hen, op dezelfde wijze als in het voorbeeldige Israels Hoogepriester deed Levit. 9 : 22 : Daarna hief Aaron zijne handen op tot het volk en zegende ze. Een zichtbaar tee-ken nu nogmaals ten slotte van de vervulling des Ouden Testaments voor de Apostelen en voor geheel zijne gemeente die zij vertegenwoordigden , voorteeken en verze-

dera hart on mond en Hij doet ons met woorden die Hij geeft tot den Vader gaan. Dus wordt ons dit »door Christusquot; daar feitelijk geleerd. Van het »bidden in zijnen naamquot; hooft do Heiland elders verzukoringon gegeven.

\') P. Van Mastricht, Godgel. II. p. 553 v.v.

Gnivomeijor, Goref. Gel. leer. II. 18

-ocr page 294-

§ 30. ZEGENING.

kering van hetgeen Hij doen wilde aan hen over wie Hij zijne geopende handen uitbreidde , van het zenden der kracht uit de hoogte , van den doop met den Heiligen Geest niet lang na deze dagen.

En Hij heeft het gedaan. Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen en heeft den menschen gaven gegeven, Efez. 4 : 8, naar Ps. 68 ; 19. Opgevaren in de hoogte, voorgebeeld in de opvoering der Verbondsarke naar Sion na toonderbrenging van alle vijanden Israels, heeft Christus de helsche vijanden triomfantelijk gevangen gevoerd (om hen daarna hun vonnis ten volle te doen ondergaan). En heeft den menschen gaven gegeven. In het voorbeeld waren het uitwendige gaven : al de oorlogsbuit, schatten, goederen, kostbaarheden, personen in de krijgen veroverd en door den Heere aan Israël gegeven. Christus , God in Christus geeft geestelijke gaven , waarover Paulus Hem dankende looft Ef. 1:3: Gezegend zij de God en Vader onzes Heeren Jezus Christus , die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus — gaven en goederen die den hemel in ons brengen en ons als in den hemel verplaatsen, gelijk Hebr. 10: 34 tot de geloovigen , van aardsch goed beroofd, wordt gezegd : wetende dat gij hebt in uzelven een heter en blijvend goed in de hemelen. Daarvan getuigt ook de Evangelist Johannes 1 : 16, waar hij , nadat hij met de woorden des üoopers Christus\' bovenmenschelijke waardigheid heeft uitgesproken, naar zijn eigene en aller geloovigen ondervinding verklaart: En uit zijne volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade, telkens nieuwe genade in plaats van de vorige, eene genade na de andere tot in de heerlijkheid des eeuwigen levens.

274

-ocr page 295-

§ 31. 0NDERSCHE1DIKG,

Want eon iegelijk die hoeft, [dien] zal gegeven worden en hij zal overvloedig hebben (Matth. 25 : 29).

3. CHRISTUS\' KONINKLIJK AMBT.

§ 31. Onderscheiding.

Christus is Koning in tweeërlei opzicht. Als God is Hij met den Vader en den Heiligen Geest Heer over allo schepselen , als Godmensch en Middelaar is Hij Koning en Hoofd der Kerk.

Dies onderscheiden wij in Hem 1. de akjemeene heer-schappij over het rijk der natuur, Hem eigen door zijn Wezen , door zijne eeuwige Godheid als Zoon, ééns Wezens met den Vader en den Heiligen Geest, welke drie één zijn in macht en majesteit, de eenige en drieëenige God ; eene heerschappij over al het geschapene , over de levende en levenlooze schepselen , over redelijke en redelooze, over goede en kwade.

Binnen dit grooto rijk , dat het heelal omvat, bestaat, gelijk in het klein de nieuwe mensch in den ouden 2. het bijzondere koninkrijk, hetwelk Hij heeft niet krachtens zijn Wezen , maar ontvangen heeft ter oorzaak van zijne persoonlijke hoedanigheid als Middelaar als loon en vrucht zijns works, overeenkomstig den wil en de bepaling des Vaders in het onderling overleg en beraad van de werkverdeeling lusschon de drie Goddelijke Personen. Doclgonooton van dit rijk worden zoovelen als er geordineerd zijn tot het eeuwige leven en dienvolgens geroepen en geheiligd. Dit ryk is de ware Kerk, bene-

275

-ocr page 296-

§ 31. ONDERSCHEIDING.

den en boven. a. Beneden de strijdende Kerk : het Ko-ninlcrijk der genade, b. Boven de zegenpralende Kerk: het Koninh\'ijk der heerlijkheid \').

Over dit bijzondere rijk is Christus als Middelaar tot Koning gesteld. En als zoodanig komt hier zijn koninklijk ambt in overweging.

Een gewichtig punt, waarop men hierbij wèl mag letten , is de verhouding tusschen zijne ivezensmacht, Elem als don Zone Gods eigen, en zijne Middelaarsmacht, Hem van den Vader gegeven. Men dient tweeërlei in het oog te houden. Vooreerst, alleen zulk een Persoon , God uit God , kon Middelaar , kon Koning zijn , geen schepsel , ook het heerlijkste niet. Tm tweede , nochtans is Hem , die door zijn Wezen alles bezat, alle macht in waarheid gegeven, als Middelaar, na en van wege zijne tusschen gekomene vernedering , daar Hij , die in de gestaltenis Gods was, de gestaltenis eens dienstknechts heeft aangenomen , en na en uit kracht van zijn volbracht verlossingswerk , met zijne menschheid in zijne heerlijkheid is ingegaan , Hij , dezelfde Persoon , en dienvolgens bevoegd is al zijne macht als Middelaar ten behoeve en ten beste van zijn volk te gebruiken.

27G

Dit wordt samenvattend betuigd in de verheven uitspraak des Apostels van den Zoon, „wiens Godheid, Majesteit en ambt hij kortelijk beschrijft,quot; Hebr. 1:2: Welken (Zoon) Hij (God de Vader) gesteld heeft tot een erfgenaam van alles (Heer is Hij ook over de boezen , maar Hij is er geen erfgenaam van : de duivelen en zijne

\') March, Compend. XX. 31. De Moor, Commentar. III. p, 1114.

-ocr page 297-

§ 31. ONDERSCHEIDING.

engelen zijn zijne erve niet. Van alles zegt: van die wereld, voor welke Hij zijn leven gat\', een volk uit alle volken ; van alles staat er , niet van allen , om aan te duiden dat daaronder niet alleen de menschen zijn begrepen , maar ook de plaats meteen, waar zij zullen wezen, in strijd en zegepraal) , door welken Hij ook de wereld gemaakt heeft. 3. Lewelke , alzoo Hij is het afschijnsel [zijner] heerlijkheid en het uitgedrukte beeld zijner zelfstandigheid en alle dingen draagt door het woord zijner kracht i) nadat Hij de reinigmaking onzer zonden door zich zeiven teweeggebracht heeft, is gezeten aan de rech-ier\\hand\\ der Majesteit in de hoogste [hemelen].

Alle macht is Hem, als Middelaarkoning, van den Vader gegeven. En dat moest. -Zou Hij zijne gemeente ter zaligheid leiden, zoo moest Hij ook macht hebben over alles wat buiten en wat tegen zijne gemeente is of zijn kon. Zou Hij het scheepken zijner Kerk op de holle zee dezer wereld bewaren en naar de haven des vredes brengen , zoo moest Hij ook macht hebben over de zee zelve, over hare golven en iiure winden.

De Vader der heerlijkheid heeft alle dingen zijnen voeten onderworpen en heeft Hem. met deze macht bekleed, der gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen, Efez. 1 : 22.

277

De betrekking tusschen den Middelaarkoning en zijn volk wordt door de voorstelling van Hem als Hoofd zinvol gekenschetst. Hij is het Hootd, de gemeente zijn lichaam. Het lichaam heeft maar één hoofd. Hoofd en

\') Vorgel. Vierde Hoofdstuk § 33. bl. 529 v. En ovor Hobr. 1:2,3 Schrijvers Vijftal Loerredouon uit don Br. aau de Htbr. Wiuscliotüu. 18G3.

-ocr page 298-

§ 32. NOODZAKEKUK.

lichaam zijn van éüne natuur (Hebr. 2: 14), Het hoofd is de behouder des lichaams. Vun Christus ontvangt de gemeente Geest en leven lt;).

§ 32. Noodzakelijk.

De Middelaar moest niet alleen Profeet en Hoogepries-ter maar ook Koning zijn. Eene reden daarvan was mede hierin gelegen : door zijn Profetisch en Priesterlijk werk, licht en vrede brengende in het hart des enkelen, zou Hij de verlosten alleen met zich hebben verbonden, maar door zijn Koninklijk ambt wilde Hy hen ook met elkander vereenigen tot één volk. ïit. 2 : 14: Die zich zeiven voor ons gegeven heeft, opdat Hij ons zoude verlossen van alle ongerechtigheid en zich zeiven een eigen volk zoude reinigen, ijverig in goede werken. En Hij zelf sprak Joh. 10 : 1G : Ik heb nog andere schapen, die van dezen stal niet zijn (maar uit de Heidenen); dezen moet ik ook loe-hrengen en zij zullen mijne stem hooren en het zal worden ééne kudde [en] één herder.

Het begrip van Koning sluit het denkbeeld in van een rijk, van eene vereeniging veler, van eene onderlinge gemeenschap, met een bepaald en geregeld verband onder elkander. Eene enkele kan als zoodanig het voorwerp der koninklijke macht niet zijn, maar eene gemeenschap wordt er toe vereischt en de enkele is het slechts voorzoover hij

,) Schteiermacher, Dor christl. Glaubo II. § 105. S. 149. beschrijft het derde ambt des Middelaars (te onbepaald) aldus: Christus\' koninklijk amht bestaat hierin dat al wat de gemeenschap der geloovigen tot haar wel:ij?i vereischt, voortdurend van Hem uitgaat.

278

-ocr page 299-

§ 32. NOODZAKELIJK.

iot deze gemeenschap behoort\'). Dit ligt ook in do benaming lichaam. Immers één enkel lid is geen lichaam, het bestaat uit eene veelheid van leden. Tot dal lichaam behoort al wat er lid van is. En alles hangt af van het Hoofd. Het is niet aldus. dat wie tot de gemeente behoort ook gemeenschap heeft met het Hoofd , Christus, maar : wie in Christus is, die is in de gemeente, burger in zijn rijk. De drieëenige God als zoodanig is niet hot Hoofd der gemeente, maar de Zoon, Christus, is het. En het Hoofd is niet gescheiden en verre van de gemeente, hot is veree-nigd met het lichaam, doch boven.

§ 33. Ook in de vernedering Koning.

De Socinianen, die Christus\' ware en eeuwige Godheid loochenen, ontkennen dat Hij voor zijne hemelvaart Koning is geweest en stellen dat Hij eerst met zijne verhooging Koning is geworden, een „geworden Godquot;s). Men be-

1) Schleiermacher a. W. II. § 102. S. 115 zogt: Wollto man die küniglicho (Thiltigkeit Christi) ansschlioszen : so würdon die andern beidon (die prophetische mid hohopriosterliche) zu-sammeu gouommen, wie genau sie aucli jcden oinzoluen Er-losten ruit dem Erlöser verbinden, weil es an der Beziehnng auf ein Gemeinwesen fehlte , nur einen unerfrenlichen und genaner betrachtet doch auch unohristlichen Separatismus hervorbringen. § 105. S. 150 : So dasz schon , indem wir Christo eine köulg-licbe Würde beilegen , wir mis bestimmt. gegen die Behauptung erklilren , Christus habo keine organische Gemoinschaft beabsich-tigt, sondern dieser Verein der Gliiubigen sei spilterhin ohno seine Auordnuug onlstauden oder gebildot worden.

2) Catachesis liacov- Qu. 457. ed. Oeder 940. vergel. Qu. i7. p. 85 sqq.

279

-ocr page 300-

§ 33. OOK IN DE VERNEDERING KONING.

roept zich daarvoor ook op Matth. 28 : 18. Maar onze Godgeleerden herinneren : er staat niet : mij zal gegeven worden , maar mij is gegeven , in den verleden tijd.

De Protestanten onderscheiden het recht om te regeeren en de uitoefening en openbaarmaking.

Christus is met hot Koningsrecht geboren (Matth. 2 : 2). Ook heeft Hij in den staat zijner vernedering zich Koning betoond. Hij heeft ook in zijn lijden zelf verklaard, niet dat Hij Koning zou worden, maar dat Hij het was Joh. 18: 37. Hij heerschte in liet midden zijner vijanden. Hij bewees dat Hij macht had over de harten der menschen, ook over den duivel en alle booze geesten. Als machthebbende riep , vormde en instrueerde Hij zich onderdanen en gaf hun koninklijke beloften, wetten en inzettingen voor zijn rijk en sprak Matth. 1G: 19: Ik zal u geven de sleutelen van het koninkrijk der hemelen, en zoo wat gij zult binden op de aarde, zal in de hemelen gebonden zijn. En zoo wat gij ontbinden zult op de aarde , zal in de hemelen ontbonden zijn.

Maar de volle uitoefening en openbaring van zijne Koninklijke Middelaarsmacht behoort tot den staat zijner verhooging en begon met zijne troonbeklimming, met zijn zitten ter rechterhand Gods i).

§ 34. Des Konings werk.

Tot het koninklijke werk des Middelaars behoort de

\') P. Van Mastricht, Godgol. II. p, 580 v. Da Moor, Com-mont. In Marck XX. 35. III. p. 1139 sq. Vitringa, Doctrinu Christ, religionis Pars V. p. 420 sqq. Schleiermacher Dor Christl. Glanbe II. § 105. 1. S. 150.

280

-ocr page 301-

§ 34. DES KONINGS WERK.

vergadering , bevestiging , regoering , bescherming , uitbreiding en volmaking der Kerk.

De profetische en de hoogepriesterlijke werkzaamheden des Middelaars, die Hij in den staat zijner verhooging voortzet, hebben een nauw verband met zijn koninklijk werk, daar zij èn hierdoor vruchtbaar èn hieraan dienstbaar zijn. Vruchtbaar : want zijn profetische getuigenis der waarheid, de Evangelieprediking op aarde, en zijne hoogepriesterlijke tusschenkomst bij den Vader zijn van kracht en gevolg tot verlichting en verzoening door de macht en waardigheid, die Hij als Koning bekleedt. Dienstbaar: want het laatste doel van alles is de oprichting van het Goddelijke Koninkrijk, het rijk der liefde en genade in verlichte en verzoende harten, de toebereiding van een heilig volk, herschapen naar het beeld Gods, met God en onderling weer veree-nigd en Hem te gader dienende in Geest en waarheid.

Daartoe begint Hij met het vergaderen en eindigt met de volmaking. De vergadering is daUoeamp;/*e«(/e?i\') der schapen tot den stal, de zamelplaats , waarvan Hij Joh. 10; lü sprak, er bijvoegende : en het zal worden ééne kudde [en] één herder. En al de tusschenliggende bovengenoemde werkzaamheden des Middelaars in en voor de Kerk leiden eindelijk tot hare volmaking als doel. Ef. 4:13: Totdat wij allen\'1)

\') Aldas is ccyxysïv (van xyu) door do Onzon to reelat vertaald. Johannes zelf verklaart het 11 : 52 : i\'vji--vwxyayq

eh\'év, opdat Hij ook do kinderen Gods die verstrooid waren , tot éên zou zoude vergaderen.

!!) Do Apostel zegt niet onbepaald ttxvtsï , zoo dat hierin een steun zou liggen voor do »wodorbrongiugquot;, do zaliging aller (sKommunismus des Heilsgenussosl\'), maar bepaald ol TrxvTêS. Het zijn do heiligen, v. 12 genoemd, het zijn die alleu dio naar

281

-ocr page 302-

§ 35. REGEERING.

zullen lcomen tot de eenigheid des geloofs en der kennisse des Zoons Gods, tol eencn volkomenen man , tot de mate der (jrootte der volheid van Christus.

§ 35. Regeering.

Christus formeert en regeert sijn volk , hetwelk de Vader Hem gegeven en Hij door zijn bloed zich tot een eigendom verkregen heeft. Hij doet het door zijn Woord en zijnen Geest.

Uitwendig door het Woord: het beschreven Woord Gods, het Boek des Konings voor zijn rijk , Wetboek en Testament, bezegeld met de zegelen Gods , kenbron dor waarheid , vaste regel en onveranderlijk richtsnoer voor de rijksgenooten, middel, waardoor de Geest werkt ter toebrenging en opbonwing; gepredikt, gehoord, gelezen, tot oog en oor gebracht; Woord , wel door menschen tot den mensch komende, maar waarin de Heere zelf tot den mensch spreekt.

Inwendig door den Geest, die de gehoorzaamheid werkt, die het Woord bezielt , het als een licht en levenskracht naar binnen brengt, het verstand verlicht en overreedt en den wil buigt en den mensch gewillig volgen doet. Christus\' koninklijke Geest is het die zijne onderdanen ook voortgaande in gehoorzaamheid houdt. Het is niet slechts een wijzen van den weg., maar eene dadelijke leiding, Ps. 23 : 3 : Hij leidt mij in het spoor der gerechtigheid, om zijns Naams wille.

do verkiezing Gods daartoe ziju verordineord cu geroepou. Met redeu wordt dit vastgehoudon ook door Slier, Br. au die Eph. Z. d. St.

282

-ocr page 303-

§ 35. REGEERING.

Hierop leggen do Gerefonueerden nadruk, tegenover Socinianen en Remonslranlen, die deze inwendige werking der gehoorzaamheid aan Christus onttrekken, zoo zelfs dat zij de gehoorzaamheid voor het begrip van zijn Koninkrijk niet eens noodzakelijk achten, als bestondedit alleen in het recht om te heerschen en om de vijanden te straffen, zoodat volgens hen de geheele Kerk konde afvallen en Hij toch Koning Lieve gt;),

De Koning heeft zijne dienaren\'1) , die Hij zendt, ter bediening des Woords en der Sacramenten, rnel openbaar gebed en zany , en tot geregelde besturing en ter oefening van behoorlijke kerkelijke tucht, opdat alle dingen eerlijk en met orde geschieden.

Dienaren zijn het altomaal, niets meer. Eén is Koning 3). Christus\' Koninkrijk is eene monarchie. Kn aangaande de Dienaars des Woords, in wat plaats dat zij zijn, zoo hebben zij eéne zelfde macht en autoriteit, zijnde allegadcr Dienaars van Jezus Christus, des eeniyen alge-

\') Marde, Compeud. XX. 34. /3. Do Moor, Commontar. UI. p. 1135 sqq.

a) Zio iu dit Hoofdstuk § 18. bi. 231. Eu aaugaando hot begrip vau Kerk vergelijke lueu Scbrijvors Goref. Geloofsleer. Catechet. Onderwijs. Hoofdst. XIX. en het XlXde Hoofdst. van dit Leesboek lilde Deel.

3) Hier geldt, hoewel iu anderen zin, wat Homorus H. /3. 203 uitspreekt: Ovy. xyxöov Trohuxoipxviy ek Koipxvcs sa-ru , sh pxvihsvï , $ \'érïcoy.s Kpóvou ttm.\'. \'xymiXoftyreu. Niet oorbaar is veelhoofdig bevviud , Eön zij hoor, Eéu zij koniug. Dessen Macht stamuit so wenig vom Volke, als die dos Hausherrn von den Kiudern; er hat sio desshalb nicht durch Vertrag oder Wahl, soudoru lediglich von Zeus. C. F. Von Nurjelsbach, Homerische Theologie S. 275.

283

-ocr page 304-

§ 35, uegeeiung.

meenen Bisschops en des eenigen Hoofds der Kerke. Ne-derl. Belijd, des Geloofs Art. -XXXI.

Dienaren zijn liet, instrumenten, werktuigen, door wie de Heerc zijne Kerk wilde vestigen en opbouwen. Ook de Apostelen , bij al hunne voorrechten en voorrang, waren toch maar dienaren. Paulus spreekt van zijne bediening, Rom. 11: 13. Johannes noemt zich den 2 Joh.

1. Petrus een Medeouderling, 1 Petr. 5: 1 en vers 2 en 3 aldaar is eene beslissende hoofdplaats tegen alle men-schelijk heerschappijvoeren over het erfdeel des Heeren.

Iemand heeft gezegd : „Christus\' lichaam bouwt zich op als eene woning Gods in den Geest, niet als eene wereldlijke Staatskerk , maar ook niet als een korkelpe Staat in eenigerhando wijze, zooals ook de Evangelischen ten allen tijde wel gaarne wederom daartoe leiden , terwijl zij hetgeen trouwens tijdelijk en bij overgang noodig is mot het volstrekt en blijvend noodzakelijke , de wisselende , gebrekkige verschijning en vorm met het wezen vermengen. De wezenlijke en noodzakelijke elementen van ambt en organisatie der Kerk zijn Efez. 4: 11 — 13 en vers 15 en 1G volledig aangewezen; wat daarboven gaat, is geene noodzakelijkheid. Waaruit volgt, dat de Kerkorde , de „organisatiequot; der Kerk, zooals men haar thans meestal verstaat en bedrijft, onmogelijk zulk een hoofdstuk kan zijn , voor hetwelk men boven alles allermeest moeste ijverenquot; lt;).

De bediening des Woords is do hoofdzaak, het principale

\') Stier, Brief au die Ephos. II. S. 103, z.u Kap. 4: 12. lu-tusschcn vraagt Groen van Prinsterer, Handb. dor Geschied, van Let Vaderland § 982. Vierde druk p. 780 : behoort tot de Kerkleer niet de Kerkvorm ?

284

-ocr page 305-

t) 35. reoeering.

verbindingsmiddel tusschen Hoofd en leden , middel van inlijving en van ontwikkeling en groei, noodzakelijk zoolang het lichaam van uit het Hoofd en aan het Hoofd moet wassen. Op het Woord berust alles, ook in het bestuur, door middel van het Woord wordt alles gedaan : want ook de herders zijn leeraars en weiden , hoeden en leiden alleenlijk door het Woord. „Alle sacrament en alle gebed en alle lofzang in de Kerk is aan dat Woord gebonden , moet op dat Wourd gegrond zijn. Een andere dienst dan die des Woords is er in de zichtbare Kerk alzoo niet en alle levensopenharing der Kerk vloeit uit dien éénen dienst des Woords voortquot; \').

Het is door het Woord dat de Heilige Geest het geloof in onze harten werkt en sterkt, in verband met de Sacramenten, den Heiligen Doop en het Heilige Avondmaal, door welke Hij het geloove (niet werkt maar) sterkt en die zonder het Woord niets zijn.

Ook het gebed is aan het Woord gehecht, naar inhoud en vorm. De Apostelen, toen de dienst der tafelen hun te omslachtig werd en op hun voorstel de gemeente zeven Diakenen daarvoor koos, zeiden Hand. 6:4: Maar wij zullen volharden in den gebede en in de bediening des Woords. Het openbaar gebed wordt nadrukkelijk aanbevolen door Paulus 1 Tim. 2:1: Ik vermaan dan vóór alle dingen, dat gedaan worden smeekingen, gebeden, voorbiddingen , dankzeggingen voor alle menschen.

285

Daarbij de zang, biddend, dankend, belijdend, in alles God lovend ; in tempel en synagoge gebruikelijk en zoo ook in de apostolische gemeente van den aanvang af een be-

\') Dr. A. Kui/per, Tractaat van de Reformatio der Korkon § 5.

-ocr page 306-

§ 35. REGEERING.

stariddeel van den eerodienst en van het godsdienstige leven.

Nadat Jezus met zijne discipelen het Paaschmaal gebonden en het Heilig Avondmaal ingesteld had, hebben zij, zegt Matth, 26: 30 den lofzang, het Hallel, Psalm 113 en eenige volgende, yezonyen. Zeker ging Hij zelf daarin voor. En dit is dan de eenige maal, waar wij lezen dat de Heere Jezus gezongen heeft\'), terwijl van zijn bidden dikmaals wordt gewaagd. Doch ongetwijfeld heeft Hij ook vroeger niet alleen dit Israëlietische gebruik bij ieder paaschfeest waargenomen maar ook anders Psalmen gezongen ter eere zijns Vaders en lot zijn eigene zielsverkwikking, te meer daar zij zoo veel van Hem zeiven behelsden.

Wat moet gezongan worden ? Openlijk : in de vergadering der gemeente Gods Woord, niets dan wat daarop is gegrond en onvervalscht daaruit gevloeid, niets anders. Tot den leeraar is liet: predik het Woord, maar lot de gemeente : zing het Woord. Onze ouden noemden eenvoudig „het openlijke Psalmgezang,quot;1) naar hetgroole beginsel: „In Gods huis niets andere dan Gods Woord ook in uw liedquot; 3)

Calvijn \'\') was niet legen hel zingen van geestelijke, op-quot; wekkende zangen in de kerken. Maar hij waarschuwt: „Zorgvuldig moet men zich hoeden, dat niet de ooren meer gespannen zijn op de tonen dan de gemoederen op den geestelijken zin der woorden. En wederom , ai die zangen , welke alleen tot vermaking en streeling der ooren dienen,

286

1

) P. Van Mastricht, Godgel. II. p. 579. III. p. 415. Nader Dezelfde IV. p. 70 »Dat de Rerh geen audere openbare gezangen toelate, dan die in de H. Schriften gevonden worden als bijv. de Psalmen van David enz.quot;

11) Dr. Kuyper, Tractaat §31.

Calvin. Instit. III. 20. 32.

-ocr page 307-

§ 35. REOEERING.

zijn èn voor do majesteit der kerk onvoegzaam èn kunnen Gode niet anders dan ten hoogste mishagen.quot;

Twee teksten, vaak misbruikt, komen hier bijzonder in aanmerking. Efez. 5: 19: Sprekende onder elkander met Psalmen en lofzangen en geestelijke liedekens, zingende en psalmende den Heere in uw harte. En Koloss. 3 : 16: Het Woord van Christus wone rijkelijk in u in alle wijsheid; leert en vermaant elkander met Psalmen en lofzangen en geestelijke liedekens, zingende den Heere met aangenaamheid in uw harte.

Hierbij dient men tweeërlei in hot oog te houden. Vooreerst, dat „deze verscheidene namen •) uit de verscheidene opschriften der Psalmen Davids schijnen genomen te zijnquot; (Kantt.) Ten tweede, dat de Apostel hier niet handelt van de eigenlijke Godsdienstige vergaderingen, van den openbaren Eeredienst (den Cultus), maar van het stichtelijk verkeer en de onderlinge samensprekingen en mededeelingen en uitingen der geloovigen van hunne gevoelens en gewaarwordingen aan elkander als bij hunne liefrlemaaltijden (Agapen) of in familiekringen1), a. Dat loert de samenhang. Hij stelt dit tegen dronkenheid (Ef. 5 : 18). Deze maakt

287

1

) ^Ftx/./y.s/, vftvci , ü\'Sx) TTVSUftXTMXi. Tegenstelling tegen allo wereldsche wijnliederen en lustzangen , bij gelagen en afgodsfeesten , ja tegen al wat niet geestelijk, TTVsuftXTiKOV, is, hetwelk den heiligen niet. betaamt. Doch veranlijk Tholuck, die Psalmen S. V.

-ocr page 308-

§ 35. REGEERING

de tong vaardig. Ma ir wordt vervult met den Geest, vermaant hij, sprekende onder elkander met Psalmen enz. Dat is de rechte spraakzaamheid. (Zie Job. 32: 17—20.) b. Ook blijkt het hieruit dat hetgeen de Apostel zegt al zijne lezers raakt: zij allen zouden onderling aldus doen. c. En wel allen tijd, vers 20.

„Of men bij den zang in het Godshuis al dan niet aan het Woord Gods gebonden zijquot;\'), kan voor geen Gereformeerde twijfelachtig zijn. Maar de vraag is : in hoever gebonden? Wat den inhoud betreft volstrekt, als in preek en gebed. Intusschen de invoering ook van zangen, die aan dezen eisch beantwoorden, die zuiver schriftuurlijk zijn, in de Kerk eens lands tot algemeen, openbaar, kerkelijk gebruik kan zonder rechtskrenking niet geschieden dan met gemeen overleg en instemming, dus alleen door eene Vergadering , die haar wettig en werkelijk vertegenwoordigt. Dies kunnen wij van de Evangelische Gezangen, ook de gebreken van hunnen inhoud buiten aanmerking gelaten , niet anders oordeelen, dan dat hunne invoering in de Nederlandsche Hervormde Kerk (180G) „kerkrechtelijk in elk opzicht onwettig was en dusver nog nimmer gewettigd is gewordenquot; (Knijper.) Onbillijk is het te smalen op de verwerping van hetgeen èn wederrechtelijk opgedrongen èn in zich zelf in zijn geheel aan gegronde tegenspraak onderhevig is2), te meer daar thans het publiek gebruik facultatief is gesteld.

\') Dr. A. Kuyper, Traotaat § 31.

\'-) Groen Van Prinster er, Handboek der Gesch. vau hot Va-derl. § 855. p. 688: igt;Evangelische Gezangen, als bundel (on-»danks vele treffelijke liederen) teekon van velerlei loslating van

lt;288

-ocr page 309-

§ 35. REGEERING.

Gewichtig is de kerkelijke tucht, door Christus (Matth. 18 : 15—22) en de Apostelen (1 Korinth. 5) verordend ; te oefenen krachtens het Ambt der sleutelen ; leertucht en levenstucht, over belijdenis en wandel der lidmaten. Heidelh. Catechismus Vr. 82—85,

Kan geene maatschappij, ja geen huis, ook maar met een klein gezin, in rechten staat worden saamgehouden zonder tucht, veelmeer is zij noodzakelijk in de Kerk, die een voorbeeld van orde behoort te wezen. Daarom gelijk Christus\' zaligmakende leer de ziel is der Kerke, zoo dient de tucht haar voor zenuwen: door haar is het dat de leden des lichaams, ieder aan zijne plaats, onder elkander samenhangen. Weswege al degenen, die de tucht wenschen afgeschaft of hare herstelling verhinderen, mogen zij dit met opzet of uit onnadenkendheid doen, zeker de uiterste verwarring der Kerk in de hand werken. Want wat zal het zijn, zoo aan een ieder vrijstaat (te leeren en te doen) wat hem belieft ? Aldus Calvijn quot;).

Niemand mag aan de Kerke iets gebieden wat tegen Christus\' gebod is. De Begeerders der Kerke — — moeten zich tvèl1) wachten af te wijken van het gene ons Christus

289

1

) Op wel ligt klem. De Latijnsche tekst hoeft: studiose cavere.

Oravomeijor , Gorof. Gol. leer. II. 19

-ocr page 310-

§ 36. BESCHERMING.

onze eenige Meester \'), geordineerd heeft. En daarom verwerpen wij alle menschelijke vonden en alle wetten, die men zoude willen invoeren om God te dienen en door dezelve de conscientiën te hinden en te dwingen, in wat maniere het zoude mogen zijn. Nederl. Belijd, des Gel. Art. XXXII.

§ 36. Bescherming.

De Koning beschermt zijn volk. Christus bewaart en beveiligt zijne gemeente tegen de wereld , bestrijders en verdrukkers , en tegen alle macht der duisternis. Hij is gezalfd tot onzen eeuwigen Koning, die ons met zijn Woord en zijnen Geest regeert en ons hij de ver.worvene verlossing beschut en behoudt. Heidelh. Catech. Vr. 31.

Hij bewaart de geheele Kerk en ieder waar lid van haar in het bijzonder. Er is geen afval der heiligen. Allen, die door de geestelijke geboorte in Christus\' rijk zijn overgebracht , blijven ook in den staat der genade. Het wordt hun gegeven2) te volharden onder allen strijd ten einde toe. Zij worden in de kracht Gods bewaard door het geloof, tut de zaligheid die bereid is om geopenbaard te worden in den laatsten tijd , 1 Petr. 1 : 5.

De heilige Kerke wordt van God (in Christus) bewaard

\') Calvin. Tnstifc. TV. 8. 7, Zie boven § 19. bl. 235.

-) Bij Christus\' betuiging van zijne schapen Joh. 10: 28: niemand zul ze uit mijne hand rukken teekent Hengstenberg te rocht aan: Es ist ein kahler Trost: »wenn und so lange sie seine Sobafe bleiben sind sie sicher.quot; Das ganze Verlangen dor Soole geht zunamp;chst auf »eino Garantie gogen uns selbst.quot; quot;Deze geeft de Heere. Luo. 22 : 32

290

-ocr page 311-

§ 36. BESCHERMING.

of staande gehouden tegen het woeden der geheele wereld, hoewel zij somwijlen een tijdlang zeer klein en als tot niet schijnt gekomen te zijn in de oogen der menschen \'). Ne-derl. Belijd, des Geloofs. Art. XXVII. Zij is dikmaals gelijk zij geteekend wordt Jez. 1:8: De dochter Sions is overgebleven als een hutje in den ivijngaard, als een nachthutje in den komkommerhof, als eene belegerde stad. Maar vallen de booze machten als slangen en draken haar aan , de Heere beschut haar als eenen edelen wijngaard, Jez. 27 : 3 : Ik de Heere behoede dien , al oogenblik zal ik hem bevochtigen; opdat [de vijand] hem niet bezoeke , zal ik hem bewaren nacht en dag. Christus heeft van zijne gemeente verzekerd: de poorten der helle zullen haar niet overweldigen, Matth. 16; 182).

„Gelijk in de wereld, zegt Calvijn ») de gelukkige en gewenschte staat eens volks gelegen is deels in den overvloed aller goederen en in huiselijken vrede , deels in krachtige verdedigingsmiddelen, door welke het veilig kan zijn tegen uitwendig geweld : zoo is het dat Christus de zijnen èn met alles , wat tot eeuwige zaligheid der zielen noodig is, verrijkt èn met zijne kracht beschut, door welke zij onoverwinnelijk kunnen staan togen de aanval-

\') Do Praosos der Dordscho Synodo hoeft in zijue redo in do löéste Zitting, do Kerk treöond on in bijzondorhodon vergeleken mot de maan, die haar licht van do zon ontvangt en gedurig wisselt. Acta Syn. nat. Dordr. od. Hanoviae 1C20. p. 448 sqq.

,2) Do Schotsebe Kerk heoft tot symbool een brandend boscb met het onderschrift: Nee tarnen consumcbatur. (En word toch niot verteerd. Exod. 3 : 2).

:1) Calvin. Instit. II. I\'S. 4.

291

-ocr page 312-

292 § 37. EEN GEESTELIJK KONINKRIJK.

len van geestelijke vijanden. Waaruit wij besluiten, dat Hij meer voor ons dan voor zich Koning is.quot;

§ 37. Een geestelijk Koninkrijk.

Christus\' Koninkrijk is geen vleeschelijk en vvereldsch , maar een geestelijk en hemelsch rijk. Dat heeft Hij zelf verklaard, toen Hij (l Tim. 6: 13) onder Pontius Pilatus de goede belijdenis betuigd heeft, Joh. 18 : 36 : Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld. Indien mijn Koninkrijk van deze wereld ware, zoo zouden mijne dienaars \') gestreden hebben1), opdat ik den Joden niet ware overgeleverd; maar nu is mijn Koninkrijk niet van hier. Voor de wereldlijke Overheid zegt Jezus , de verklaagde , gevangene, dat Hij een Koninkrijk , niet begeert of verwacht, maar heeft: driemaal is het: mijn Koninkrijk. Hij betuigt in het bezit te zijn van eene Koningswaardigheid en Koningsmacht met een werkelijk gebied*), geen Koning zonder land of volk , doch niet een Koning als de Joden Hem beschuldigden , als die zich tot Koning opwierp. De beschuldiging behelsde eene aantijging van politieke woelingen. Daartegen verzekert Jezus den landvoogd , dat zijn Ko-

1

!) VTrypsrou. Dit zijn zeker niet zijne arme, zwakke jongeren , maar de legioenen dor Engelen waarvan Hij bij de gevangenneming had gesproken. Ook worden de jongeren in de Evangeliën niet zijne VTryphxi genoemd. Zie Stier z. d. St.

-ocr page 313-

§ 37. EEN GEESTELIJK KONINKRIJK.

ninkrijk is van hoogeren oorsprong. Hij zegt niet: mijn Rijk heeft met het uwe niets te maken , maar het is niet van deze wereld ; wel in maar niet van deze , wel hier maar niet van hier. Het komt en bestaat niet door we-reldsche middelen, het is als de steen uit den herg afgehouwen zonder handen (Dan. 2 : 34), het is van den God des hemels (v. 44). De wapenen van dezen Koning zijn niet vleeschelijk maar geestelijk ; Hij regeert door de zachte kracht der waarheid (Joh. 18: 37), het zwaard, waarvan Hij zich bedient, gaat uit zijnen mond. Maar daaruit volgt dan ook dat zijn Rijk niet met wereldsche middelen kan worden bestreden en dat ieder strijd daartegen evenzoo vruchteloos is als goddeloos. Een Rijk, dat „door lijden en druk juist het heerlijkst zegepraalt en waarvan de koninkrijken dezer wereld alleen dan hebben te duchten , wanneer zij tegen zijne vreedzame voortgangen zich hardnekkig verzettenquot; gt;).

1. Met de geestelijkheid van Christus\' Koninkrijk protesteert de rechtzinnige Kerk tegen alle vleeschelijke en zinnelijke verwachtingen van grove of fijne Chiliasten. Deze naam is van het Grieksche chilioi1) duizend.

In de eerste tijden des Christendoms waren er reeds vele genaamde Christenen , die maar al te zeer voorbijzagen , dat de Kerk eenen geestelijken strijd heett te voeren , tegen alle machten der duisternis en dat zij ge-jijk in hare enkele leden alzoo ook in haar geheel langs allerhande worstelingen onder de voortgaande leiding van

\') Von Oerlach zu Joh. 18: 36.

2) Opoub. 20 : 2 : Xihix «•gt;}. Semisch in Herzoys lleal-Euc. II. u. d. W. Chiliasmus. S. 666. Hase, Hutter. rodiv. § 130j

293

-ocr page 314-

§ 37. EEN GEESTELIJK KONINKRIJK.

den hemelschen Koning tot volle overwinning wordt gebracht. Zij zagen bij uitnemendheid of alleenlijk op den strijd der Kerke met den Heidenschen Staat. En het gevoelen kwam op , dat deze strijd door eene onmiddclijke Goddelijke tusschenkomst, door Christus\' wederkomst zou worden geëindigd en aan de Kerk de overwinning gegeven.

Hierby namen zij van de Joden over en gebruikten de idee van een duizendjarig Rijk , hetwelk de Messias ten besluite van den ganschen wereldloop op aarde zou stichten , waar al de vromen in heilige gemeenschap en gelukzaligheid zouden leven. Gelijk de wereld in zes dagen was geschapen en naar Ps. 90: 4 duizend jaren in de oogen Gods zijn als één dag, zoo zou de wereld zesduizend jaren in haren tegenwoordigen toestand bestaan en gelijk de zevende dag de rustdag was, zoo zou het zevende duizend der wereldjaren dit duizendjarig Rijk uitmaken •).

Schoon nu velen zich daarvan eene voorstelling vormden, in welke waarheid lag , als uitdrukking der verwachting, dat de Kerk nog eens op deze aarde, op dit tooneel baars lijdens, zich als eene overwinnende glansrijk zou vertoonen, werd door anderen1) dit Vrederijk, in hetwelk, na de opstanding der dooden Christus hier in don lichame zou komen regeeren met de heiligen, zinnelijk opgevat en geschilderd als een staat van uitwendigen overvloed en vleeschelijk

\') Voorganger was inzonderheid Gerinthus, die gelijktijdig met don Apostel Johannes te Efeze leefde. Neander, Allgem. (reschichte dor Chr. Eel. u. Kirche. I. Bank. 1826. S. 447. 449.

2) Bijzonder in Phrygiü, door Papias, bisschop te Hierapolis. Neander, a. W. S. 726. Hagenbach, Lehrb. dor Dogmengesch, § 75. S. 172.

294

-ocr page 315-

§ 37. EEN GEESTELIJK KONINKRIJK.

genot, — hun homel op aarde. Waarvan te recht onze Brakel zegt : „Aan zulken Turkschen hemel zouden de luie en lekkere menschen wel behagen hebbenquot; i)-

Het Chiliasme, de leer van een duizendjarig Rijk, heeft voortgaande vele voorstanders gehad, hetzij grot-zinnelijk uitgebeeld of fijner en meer geestelijk opgevat. Veel ingang vond deze voorstelling: lang vóór de algemeene opstanding en het laatste oordeel zou Christus zichtbaar en lichamelijk op aarde komen ; eene bijzondere opstanding zou er geschieden, hetzij aller rechtvaardigen of der martelaren ; terugvoering der Joden naar Kanaan; regeering van Christus , duizend jaren lang , met vrede en heerlijkheid, in het gevestigde Rijk, met Jeruzalem2) als hoofdzetel.

Ook nieuweren stellen eene zichtbare verschijning van Christus tot volmaking zijns Rijks op aarde\') en, uit misverstand van Openb. 20: 4—6 eene eerste opstanding der rechtvaardigen , die dan gedurende een lang tijdperk (door het mystieke getal 100 jaren beteekend) met hun Hoofd op aarde zouden heerschen , waar dan de voorzeggingen des Ouden Testaments van de wederoprichting des rijks Israels zouden vervuld worden: want Israël, zegt men , zal het middelpunt zijn van Christus\' Rijk i).

De rechtzinnigen verwerpen het Chiliasme, op schriftuurlijke gronden 5). Afdoende is reeds dit ééne, dat de Heilige

\') W. a Brakel, Rod. Godsd. III. Verklaring van do Openbaring Johannes p. 338. cap. XX. § 16.

*) Tegen Job. 0:21, 23. Vergel. Derde Hoofdst. § 3 bl. 289.

1 Semisch in Herzogs Real-Enc. II. S. 268 f.

Aldus Ebrard, Christl. Dogmat. II. g 571. S. 729. § 575. S. 741.

5) Awjustana Confessio Art. XVII: Docont; quod Christus

295

-ocr page 316-

§ 37. EEN GEESTELIJK KONINKRIJK.

Schrift geen andere zichtbare komst van Christus leert, dan zijne wederkomst ten oordeele i) (Matth. 25 : 31 v.v. 2 Petr. 3 : 10 en vele andere plaatsen) : Dat Christus voor de oogen zijner jongeren van de aarde ten hemel is opgeheven en dat Hij ons ten goede daar is, totdat Hij wederkomt om te oor-deelen de levenden en dooden. Heidelb. Cat. Vr. 40.

2. Bij de erkenning van Christus als geestelijk en alleen-Koning komt de Protestantsche Kerk op tegen de we-reldsche heerschappij van den Paus2), tegen alle „paap-sche heerschzucht en dwingelandij.quot;

apparebit in consummatione muudi ad judicandum ot mortuos omnos reauscitabit. — — Damnant (eos) qui nunc spargunt Ju-daicas opiniones, quod ante resurreotionom mortuorum pii rog-num mundi occupaturi sint, ubique oppressis impiis. Concordia ed. Rochenberg Lips. 1756. p. 14. Apologia Confussionis ib. p. 217.

Confessio Heivetica. ud. Tiguri 1566. Cap. XI. p. 14. b. ; Dam-namus Judaica somnia, quod ante judicii diem aureum in torris sit futurum seculum et pii regna mundi occupaturi , oppressis suis hostibus impiis. Nam ovangelica Veritas Matth. 24 et 25 Luc. item 18. et Apostolica Doctrina 2 Thess. 2 et in 2 ad Tim. 3 et 4. capite longe aliud perhibere inveniunter.

Calvin. Instit. III. 25. 5. P. Van Mastricht, Godgel. II. p. 589 v.v. March. Compend. Cap. XXXII. 28. En zeer uitvoerig De Moor, Commentar. VI. p. 149 sqq. Fr. Spanhem. Con-troversiar Elenchus. 1694. p. 130 sq.

\') Ook Brahel, schoon hij do duizendjarige binding des Satans Openb. 20 in de toekomst stelt, Verklaring van de Openb. Joh. p. 340 v.v. , ontkent toch beslist p. 336 v., dat Christus naar zijne menschelijke natuur van don hemel zal komen en die duizend jaren lichamelijk , scichtbaarlijk zal heerschen eu houdt staande dat de Schrift van geen andere lichamelijke komst meldt dan do komst teu oordeel, in de wolken.

J) Zie Eerste Uoofdstuk — § 26. nieuwe uitgave hl. 84 v.v.

296

-ocr page 317-

§ 37. EEN GEESTELIJK KONINKRIJK.

Dg Roomschen schrijven Christus wel een geestelijk en eeuwig Koninkryk toe en schrijven schoon daarvan i), maar hun Paus, het zichtbare Hoofd der Kerk1), is Gods en Christus\' stedehouder op aarde »). De wereldsche vorsten moeten met hunne onderdanen de heilige besluiten en instellingen der Opperpriesters en Kerkvergaderingen gehoorzamen en handhaven«). De Paus is Koning over Kerk en wereld, hoogste rechter op aarde amp;), dien naar Goddelijk recht de twee zwaarden toekomen , het geestelijke en het wereldlijke , in mond en hand.

Is de wereldsche macht in den loop der tijden verbroken , het beginsel blijft. Blijkbaar bij iedere kroning van een nieuwen Paus«).

Do Protestanten verwerpen niet alleen de pauselijke wereldmacht, gedachtig aan Christus woord tegen Petrus\' zwaard (Matth. 26 : 52), maar in \'t geheel de vertegenwoordiging van Christus in een zichtbaar hoofd der Kerk. Christus alleen is Koning , Hij het eenige Hoofd

297

1

3) Concil. Trident. Sess. VI. ed. Taueli. p. 39. Cat. Rom.

-ocr page 318-

§ 37. EEN GEESTELIJK KONINKRIJK.

des lichaams. Van den Paus zeide Luther: „de duivel heeft er dat hoofd op gezet\').quot;

Kerk en Staat zijn onderscheiden , doch in theorie en practijk niet zoo te scheiden, dat zij van of met elkander niets hadden.

De onzichtbare Kerk is in de wereld gelijk als de nieuwe mensch in den ouden mensch. De volle vrijheid des nieuwen , de ontbondenheid van alle betrekking tot den ouden blijft voor de heerlijkheid opbewaard. De zichtbare Kerk op aarde zweeft niet in de lucht, zij leeft en verkeert waar zij is , binnen eenen burgerstaat.

En daar moet van weerskanten gelden het oude woord:

„Een elck kenne syne rechten en een elck kenne ook syne plichten.quot;

Het Gereformeerde gevoelen over de verhouding van Kerk |

en Staat1) komt hoofdzakelijk hierop neer. De Kerk heeft \\

niet te heerschen over den Staat en de Staat mag niet heerschen over de Kerk, ieder moet in zijn eigen blijven.

298

1

Hervorm, in de 16do eeuw door Oudijk van Putten. Vde Deel p. 201. Dr. A. Kuypcr, Ons Program p. 881. Deselfde, Tractaat van do Reformatie dor Kerken § 21.

-ocr page 319-

§ 37. EEN GEESTELIJK KONINKRIJK.

Het gezag van Kerk en Staat verschilt. In grond. Het overheidsgezag , begonnen met de vaderlijke macht over gezin en geslacht, is vrucht, werk en beeld van de drieledige Voorzienigheid Gods , des Konings en der volken ; het gezag der Kerk is van haar Hoofd en Middelaarkoning Christus.

In voorwerp en roeping. Zegt men: „de Kerk heeft opzicht op zielen , de Staat op lichamenquot; lt;) dan mogen wij dit niet opvatten in dien verstande, dat de burgerlijke Overheid alleen met het stoffelijke hadde te doen. Immers in de handhaving van recht, zedelijkheid , orde raakt zij meteen hoogere belangen en al is het hare taak, de aardsche , de tijdelijke ontwikkeling van haar volk te verzekeren in overeenstemming met zijn eigenaardig karakter , zij blijft Gods dienaresse, van wien zij haar gezag heeft en voor wien zij verantwoordelijk is. De Kerk heeft te doen met de geestelijke aangelegenheden , hare roeping is algemeen en overal dezelfde, niet beperkt door nationale onderscheiding, namelijk te vormen en op te voeden voor de eeuwigheid, tot het zalig leven met God door Christus in de gemeenschap des Geestes.

299

In wijze. In de Kerk geen heerschappij noch door kerkelijke noch door politieke Personen ; daar moet alles bedienender wijze geschieden zoo betrekkelijk Christus, aller Hoofd , als jegens de geloovigen, die leden zijn van één lichaam: dus Christus dienende en elkander bedienende. In den Staat is autoriteit en heerschappij, als eene afstraling van Gods souvereiniteit. De Staat heeft

\') Brakel a. W. p. 463. Vergelijk daartegen Von Gerlach zu Matth. 22 ; 21.

-ocr page 320-

§ 37. EEN GEESTELIJK KONINKRIJK.

het recht des gewelds; in tweeërlei opzicht, het recht om te dwingen en om te straffen. De Overheid , de persoonlijke vertegenwoordigster van den Staat, draagt het zwaard niet te vergeefs (Rom. 13 : 4). De leden dor Kerk, als menschen, zijn aan de politieke overheden onderworpen , want de Machten die daar zijn, die zijn (niet door den wil des volks , maar) van God geordineerd, alzoo dat die zich tegen de Macht stelt, de ordinantie Gods wederstaat , Rom. 13 : 1 , 2. Het Overheids-awamp;i is van God1), maar de persoon, die het bekleedt, kan hol helaas soms onrechtmatig bezitten en misbruiken; die is het dan niet bij de gratie Gods\'1) , maar bij de gerechtigheid Gods , door Gods rechtvaardig oordeel.

Hoezeer echter Kerk en Staat onderscheiden zijn, zij zijn

\') Calvin. Commentar, in Kom. 13 : 1 : »Merk op: do Machten zijn van God , niet gelijk als de post en hongersnood en oorlog en do overige straften dor zonden gezegd worden van Hem te zijn, maar wijl Hij zelf zo tot wettige en rechte besturing der wereld heeft ingesteld. Nam etsi tyrannides ac dominatio-nes injustao , quum plenao sint XTxt-ixs , non sunt ex ordinata gubernatione : ipsum tarnen jus imperii in humani generis salu-tom a Deo ordinatum est.quot;

2) »Von Gottes Gnaden.quot; Van deze formule zegt Wuttke, Handb. dor Christl. Sittenlehro. II. S. 461 ; Diese Beneunung, zuerst von Ludwig dom Prommon im Sinno der Demut ge-braucht, bozoichnet nicht \' sowol ein unbedingtes Kecht, als vielmehr ein schlechthin sittlich bedingtes und zugleich eino unbedingto Verpflichtung zur ünterwerfung des oignen Willens unter die göttliche Ordnung; das »von Gottes Gnadenquot; schlieszt alle Willkührherschaft als unchristlich aus, sowol die eines Al-leinherschurs wie dio dor Volksherschalt (Spr. 10 : 12). Vergel. Groen Van Prinster er , Ongel, en llevol. p. 54 v. Dr. Kuyper , Ons Program § 62.

300

-ocr page 321-

§ 37. EEN GEESTELIJK KONINKRIJK.

niet volstrekt te scheiden. Zij behoeven en dienen elkander. Hot grondbeginsel van den Staat is gerechtigheid. De Kerk heeft behoefte aan de gerechtigheid , de orde en de vrijheid , welke Staat verplicht is te handhaven : maar de Staat heeft veelmeer behoefte aan de Kerk. Christus kan voor zijn rijk de koningen der aarde ontberen ; maar de koningen kunnen geenszins Christus ontberen , indien althans hunne rijken zullen bloeien. De Kerke arbeidt om de Politie te bevestigen en het volk de Overheden te doen gehoorzamen, en de Overheden moeten de Kerke beschermen voor allen overlast , opdat zij veilig naar de wetten van haren Koning moge handelen. Gelukkig , roept onze Brakel uit, gelukkig is een land waar het alzoo gaat. Opmerkelijk is te dezen opzichte het woord Jozafats 2, Kron. 19: 11: En zie, Amarja de Hoogepriester is over u in alle zaken des Hee-ren en Zehadja de zoon Ismaëls, de Vorst van het huis Juda in alle zaken des Konings; ook zijn de Amhtlieden, de Levieten, voor uw aangezicht: weest sterk en doet het en de Eeere zal met den goeden zijn.

Zoo werkten bij het wedergekeerde Israël de Hoogepriester Jozua en de Vorst Zerubbabel, de kerkelijke Overheid en de burgerlijke, hand in hand , waarvan bij den Profeet Zacharia 4: 14 wordt gezegd : Dezen zijn de tivee olietakken , welke voor den Heere der ganse he aarde staan, door welke Hij licht en zegen wil geven in het land.

Toen de geveinsde Farizeën Jezus vraagden: mag het volk Gods den Keizer hoofdgeld geven ? zeide Hij : toont mij de munt. Des keizers beeld, en opschrift stond er op. Toen sprak Hij Matth, 22 : 21 : Geeft dan den Keizer dat des Keizers is en Gode dat Gods is. Waaruit

301

-ocr page 322-

§ 37. EEN GEESTELIJK KONINKRIJK.

evenwel niet volgt: „geeft den Keizer ook wat den Keizer niet toebehoort lt;),quot;

Ook tot de Overheden in het woord: bekeert u en ge-looit het Evangelie! Hoezeer ook de werkelijkheid er tegen stride, de Christen begeert Christelijkheid en kan niet anders dan vasthouden aan dit gevoelen en aan dezen eisch : de Staat behoort in wetgeving en bestuur christelijk te zijn2).

\') Gelijk Oroen Van Prinsterer, Ongeloof on Revolutie p. 56 ter snede bij dozen tekst aanmerkt.

Hetgeen Christus Matth. 22: 21 van don Keizer zogt, geldt van allo wettige regeerders, ook van dio niet Keizer boeten. In zijn veelzeggend woord (niet ongepast vergeleken bjj eeno doos, binnen welke , zoo men zo opent, alvoort weer andere doozen stoken) stolt bij bet 6uum cuique, Ieder bot zijne, vast. Hot maakt beboorlijk ondorscboid en bot vereonigt tevens. Den Keizer dat des Keizers is; geboorzaamboid jegens don Keizer, maar juist om Gods wille die bom de maobt beeft gegeven , dus uit ge-boorzaambeid jegens God. Het tweede lid : Gode dat Gods is wijst dan zoowel don grond als do grens van het eerste aan. Waar menscbelijk gebod togen God strijdt en God en mensob tegen elkander over staan , daar is het: men moet Gode meer gehoorzaam zijn dan den menschen, Hand. 5 : 29. Want Godes is do meerderheid , bet allerhoogst gezag. Men zie Stier, Die Roden des Horrn Josn zu Matth. 22; 21. Deze uitlegger herinnert, dat in deze paar woorden van dou wijzen en trouwen Leoraar der wereld bun bescheid krijgen; revolutiemannen , ro-publieklustigon. Romanisten, die met hunne Kerk als Theocratie van oigon maaksel don Staat willen verslinden en Hogoliu-gen, die wat Kerke hoot, in den Staat laten vervloeien ; maar ook allo slaafsche Herodianen en vorston vloiers worden biermede vermaand alleen tot zooverre onderdanig te zijn als recht is voor God en om des gewetens wille den Keizer ook dezo waarheid, die voor dén Keizer behoort, voor te houden , dat hem de macht van boven alleen tor gorochtigboid is verleend. Dezelfde, Handboek bl. 55 v.v.

2) Wuttke, Handb. der Chr. Sittonl. II. S. 460 : Dor christ-

302

-ocr page 323-

§ 37. een geestelijk koninkrijk.

Nederlandsche Belijdenis des Geloofs Art. XXXVI; Wij (jelooven dat onze goede God, uit oorzaak der verdorvenheid des menschelijken geslachts , Koningen, Prinsen en Overheden verordend heeft, ivillende dat de wereld geregeerd worde door wetten en politiën , opdat de ongebondenheid der menschen bedwongen worde en het alles met goede ordinantie onder de menschen toega. Tot dien einde heeft Hij de Overheid het zwaard in handen gegeven tot straffe der boozen quot;) en bescherming der vromen2).

Let wel. Tot hiertoe spreekt de Beligdenis van het ambt der Regeerders om acht te nemen en te waken over de Politie. Nu volgt iets anders, iets bijzonders , wat mede tot hun ambt behoort. En hun ambt is, niet alleen acht te nemen en te waken over de Politie , maar ook de hand te houden aan den Heiligen Kerkedienst :

liche Staat hat die sittliche Bildung des Volkes in aller ihm ontsprechenden Woise zu befördern, hat eine erziehende Auf-gabe. Alle Erziehung aber als etvvas rein sittliches filllt not-wendig anch der Kirche zu ; daraus folgt, dasz dor christliche Staat seino sittliche Anfgabe nur in lebendiger Einheit mit der Kirche zu volbringen vermag und jede vollstündigo Trennung von Kircho oud Staat ist eine Verlougnung des christlichen Staates ; und vvo diese Trennung dahin geht, dasz die wesent-lichen Aufgabeu der Kirche, die sittliche Volkserzichung , ihr entzogen uud dem Staate allein übergeben werden, also in voll-stöndiger Loslösung dor Schule von dor Kirche, da wird die lebendige Einheit des sittlichen Ganzen zerrisseu und der Staat zn einem widerchristliehen. — Hoe het met «Koningen en Prinsenquot; behoort te zijn , toont in velo bijzonderheden P. Van Mastricht, Godgol. II. p. 596 v.v.

2) Latijnsche tekst: scelerati.

:l) boni.

303

-ocr page 324-

304 § 37. EEN GEESTELIJK KONINKRIJK.

om te weren en uit te roeien alle afyoderij en valschen Godsdienst gt;), om het rijk des Antichrists te gronde te iverpen en het Koninkrijk van Jezus Christus te vorderen*), \'t Woord des Evangeliums overal 3) te doen prediken, opdat God van een iegelijk *) geëerd en gediend ivorde gelijk Hij in zijn Woord gebiedt.

Hierbij merken wij op :

1. De Overheid is het, die het zwaard draagt. In geenen gevalle de Kerk , in de hand van Christus\' teere Bruid past geen zwaard.

2. Hier. wordt niet geleerd ketters te dooden. Met ketterij (aipeir/s) heeft de Overheid niet te maken , maar de Kerk , en wel door het Sleutelambt. Ketters heeft de Kerk , tot welke zij behoorden of wilden behooren , in geval van halstarrigheid en onverbeterlijkheid, uit te sluiten. Belijd. Art. XXX. XXXII. Heidelb. Catech. Vr. 85. (Tit. 3; 10).

3. Van ketterij wordt hier niet gesproken 5) maar van alle afgoderij en valschen Godsdienst (cultus), om dien te weren en uit te roeien , om het rijk des Antichrists te gronde te werpen en het Koninkrijk van Jezus Christus te vorderen. Dat de Overheid dit met het zwaard moet doen , wordt hier niet gezegd. Het zwaard is haar gegeven tot straffe der boozen en tot bescherming der

\') idololatriam ot adulteriuum Doi cultum snbmoveaut et evertant.

2) promo veant.

3) Dus ook in de Scholen.

4) Dus ook door do jeugd.

s) Men zie S. Van Velzen, Verdediging en Toelichting van cene zinsnede uit Art. 36 der Nederl. Geloofsbel. 1884. p. 37 v. Palmer in Herzogs Real. Ene. XXI, S. 353.

-ocr page 325-

§ 37. EEN GEESTELIJK KONINKRIJK.

vromen (goeden), in den zin van Rom. 13 : 3 , 4. Die dan in de term dezer boozen (scelerati) vallen, hebben het zwaard te vreezen (zooals de fanatieke Wederdoopers ten tijde der Reformatie.)

Hetgeen de Belijdenis hier aandringt, is en blijft ongetwijfeld verplichtend voor iedere Overheid , even vast als Gods Wet, met het Eerste gebod voorop, voor haar verplichtend blijftquot;). Maar de mogelijkheid van rechtmatige uitvoering kan alleen bestaan bij waarlijk Christelijke Regenten , Gezalfden des Heeren. Dies blijft de eisch , de voorwaarde , de bede; dat zij christelijk zijn.

Zal het zoo worden ?

§ 38. Zegevierende voortgang.

Christus\' Koninkrijk zal zich al meer uitbreiden, het zal, trots allen tegenstand , zegevierende voortgaan. Johannes zag en zie, een wit paard en die daarop zat had eenen boog en Hem is eene kroon gegeven en Hij ging uit overwinnende en opdat Hij overwonne, Openb. 6 : 2.

De uitspraak des Zaligmakers : mijn Koninkrijk is niet

\' ) Van Vclzen, a. W. p. 38 v.v. Ook Dr. Kuyper , Trac-taat § 21. Volksuitg. p. 59 stomt toe : wat betreft *de uitroeiing ran alle afgoderij en valschen Godsdienst, om het Rijk des Antichrists ten gronde te ivcrpen en hei koninkrijk van Christus te voorderenquot; , zoo moet ook hier het ueginsel zeer zeker vastgehouden , (doch mot do voorzichtige clausulo) ; maar bij de toepassing van hel beginsel scherp en streng onderscheiden. Dr. Doedes, Do Nodorl. Geloofsbelijdenis p. 511 adviseert eeuvoudig tot verwijdering van Art. 36 uit do Nederl. Geloofsblijdenis.

Oravomojjei\' , Geief. Gel. leer. II. 20

805

-ocr page 326-

806 § 38. ZEGEVIERENDE VOORTGANG.

van deze wereld biedt geen steun voor hot gevoelen der-genen , die de Staten, de Koninkrijken der wereld aan Christus\' heerschappij willen ontrukken. Wél verstaan , ligt hel tegendeel daarin. Want is Christus\' Rijk van boven , zoo is liet ook boven alle wereldmacht en het gevolg daarvan zal zijn wat geschreven staat Openb. 11 : 15 : De Koninkrijken der wereld zijn geworden \') omes Heeren en zijnes Christus (zijns Gezalfden , des Zoons , in wiens hand de Vader alle dingen heeft gegeven Joh. 3 : 35.) en Hij zal als Koning heerschen in alle eeuwigheid.

Dit was beloofd en het was de troost der gemeente des Heeren in alle tijden waar de wereld het haar benauwd maakte. Het stond in den 21,en Psalm : De Koningen der aarde stellen zich op en de Vorsten beraadslagen te zamen tegen den Heere en tegen zijnen Gezalfde. Maar de Heere spreekt: Ik heb mijnen Koning gezalfd over Si on, den berg mijner heiligheid. En Hij zegt tot zijnen Gezalfde : Eisch van mij en ik zal de Heidenen geven [totJ uw erfdeel en de einden der aarde [tot] uwe bezitting1). Daniël 7 ; 13 zag in de nachtgezichten

\') Naar eene andore lezing : iysvsTO y fixTiXsix rov xaVfWu, het Koninkrijk der ivereld is geworden. De zin is één : (SxtiXsix beteokend actief do koninklijke heerschappij , waarbij hot volgende kx) fixttxevvsi past. Zie Bengel, Gnomon, i. 1.

2) Jener königliche Spruch dos loidonden Josus wird sehr misbraucht: moin Reich ist nicht von diosor Welt. Sein Roich 1st nicht weltlich , abor das Reich dor Welt wird heilig und christlich. Diese lango genug in felndlichen Hündcn gevvosone Provlnz wird endlich wieder gowonnon , sie filllt dom Herrn und seinom Gesalbten hoim. üiosos ist eine Sache, die nach und nach vollzogon wird. Bengel, Erbaul. Ilodon iiber die Offenb. Joh. S. 318. Hengstenberg zu Oftenbar. Joh. 11: 15. Dezelfde

-ocr page 327-

§ 38. ZEGEVIEHENDE VOORTGANG.

en zie daar kwam een met de wolken des hemels als eens menschen Zoon en Hij kwam tot den Ouden van dagen en zij deden Hem voor denzelven naderen. 14. En Hem werd, gegeven heerschappij en eere en het Koninkrijk: dat Hem alle volkeren, natiën en tongen eeren zouden; zijne heerschappij is eene eeuwige heerschappij, die niet vergaan zal en zijn Koninkrijk zal niet verdorren worden.

Naar doze toekomst wijst ook de „belofte \\ari victorie en vredequot; bij Jezaja 33 : 20 : Schouwt Sion aan, de stad onzer bijeenkomsten : uwe oogen zullen Jeruzalem zien, eene geruste woonplaats, eene tente die niet ter neder geworpen zal worden, wier pinnen in der eeuwigheid niet zullen uitgetogen worden

en van wier zeelen geene zullen verscheurd worden \').--

Iedere gave van God is eene opgave voor ons. Heeft

zu Ev. Joh. 18: 36. — Christus , dor Immannël, ist es , uutor dessen Regiment sich Jadon iiud Heiden zn oinem Volke sam-moln, andere Sitton lernen und ein Reich anfangon , welches nicht von dioser Wolt is. Ed. Bold , Christol. des A. T. S. 251.

\') Met Sion kan hier niot alleen het lichamolijko Jeruzalem zijn bedoold. Want dit zon niet blijven , dit werd te zijner tijd door do Romeinen verwoest, gelijk onze Kantte ekenaars te recht opmerken. Het is geestelijk Sion , do zetel der genadige tegenwoordigheid dos Hoeren, de ware Kerk. En do belofte ziot op den Mossiaanschen tijd , op do wijde uitbreiding des Rijks Gods na en door de verschijning dos Messias, blijkens v. 17 : Uwe oogen zullen den Koning zien in zijne schoonheid. Hengstenberg, Christol. des N. T. 2te Ausg. II. S. 181: Die ganze Vorkündigung kann nur mit dom üuszerston Zwange auf die Ereignisso unter Hiskias beschiinkt worden , die überall nur den Vordcrgrund bildon. Dozen »Vordorgrundquot; erkent ook Vou Gerlach zu 1 Korinth. 1 : 20 : In der Stelle des Propho-ten blickt das gerettote Zion auf die Zeit zurück, wo feindlich0 Schaaren darin hausten und es von den Heidon , die in oignor Kraft stolzirten , goknechtet wurde.

307

-ocr page 328-

§ 39. DE PROFEET GEHOORD.

Hij ons Christus gegeven tot Profeet, Hoogepriester en Koning , zoo zijn ons daardoor gewichtige verplichtingen opgelegd. De Profeet moet gehoord , de Hoogepriester ingeroepen , de Koning moet gediend worden.

§ 39. De Profeet gehoord.

De Profetische waardigheid des Verlossers verplicht ons, met verloochening van eiyen wijsheid naar Christus te hooren en ons naar zijne leer te richten.

Uit zich zeiven weet geen mensch iets van den rechten weg en het ware middel tot wezenlyke zaligheid. Hij moet het leeren. Doch niet alleen leeren moet hij, maar vooral afieeren. Hij zit vol van verkeerde begrippen, die het verstand des vleesches in hem voortbrengt. H\\j verzint zich eenen God naar eigen smaak en een anderen Christus dan die verlorenen redt. Zelfs willen in onze dagen velen van een persoonlijken Godmensch niet meer weten , maar vloeien pantheïstisch door in het droombeeld van eene voortgaande en eens zich voltooiende mcnschwording Gods in de menschheid, vergoden het menschelijke geslacht en maken het tot zijn eigen Verlosser. Het kruis is den vleeschelijken en zelfgerechten Jood eene ergenis , den eigenwijzen Griek eene dwaasheid ; de Jood haat het, de Griek veracht het. Of men halveert en verdeelt het, werk tusschen God en mensch , tusschen Christus en het schuldige en door en door ver-dorvene, onmachtige schepsel.

Men moet dit afieeren. Men moet zijn verstand, zijne rede gebruiken , maar het verstand des vleesches (Kol. 2 :

\'.m

-ocr page 329-

§ 39. DE PROFEET GEHOOKD.

309

18) moet men verzaken, zal er voor de zaligmakende waarheid plaats zijn. Men moet leeren : zaligheid uit genade door den gekruisigden Zone Gods , op grond van zijne plaatsbekleedende offerande. In zake onzer zaligwor-ding moeten alle eigene begrippen als dwaasheid worden verworpen. Men moet verstaan dat men in dezen niets verstaat. Men moet een dwaas worden bij zich zelven en als van voren aanvangen te leeren om weder wijs te worden. Als een onwetende en onbekwame moet men zich aan Jezus\' voeten zetten en zich voortgaande laten leeren door Hem , die ons geworden wijsheid van God (1 Kor. 1 ; 30). Niemand bedriege zich zelven. Zoo iemand onder u dunkt dat hij wijs is in deze wereld, die worde dwaas opdat hij wijs mag worden. Want de wijsheid dezer wereld is dwaasheid hij God, 1 Kor. 3: 18,19.

Naar Christus moeten wij hooren met onderwerping. Hij toch is die groote Profeet, van wien de Heere God heeft gezegd Deut. 18: 19: En het zal geschieden, de mandie niet zal hooren naar mijne woorden, die Hij in mijnen name zal spreken , van dien zal Ik het zoeken •). Van Hem verklaarde do stem des Vaders op den heiligen berg Matth. 17:5: Deze is mijn geliefd» Zoon, in denwelken ik mijn welbehagen heb, hoort Hem. Waarom de Apostel vermaant Hebr. 12 : 25 : Ziet toe dat gij dien die spreekt niet verwerpt: want indien dezen niet zijn ontvloden , die dengenen verwierpen welke op aarde Goddelijke antwoorden gaf (Mozes) , veelmeer [zullen] wij niet [ontvlieden], zoo wij ons van dien afkeer en, die van de hemelen [is] , namelijk Jezus Christus, do Zoon Gods die

\') Zie biorvoreu § 10. bl. 30.

-ocr page 330-

§ 39. DE PROFEET GEHOORD.

van den hemel afgedaald is (Joh. 3 : 13) en de Heere is uit den hemel (1 Kor. 15 : 47) en die nu in den hemel ter rechterhand zijns Vaders zijnde door zijnen Geest en dienaren geduriglijk tot ons spreekt (Kantteek.) i). Wie naar Hem niet hoort, verzet zich tegen God. Want Hij is het in wien volkomenlijk werd vervuld heigeen Jehovah van den beloofden Protect had gesproken Dout. 18 : 18; Ik zal mijne ivoorden in zijnen mond geven en Hij zal spreken alles wat ik Rem gebieden zal. Met liet oog daarop verklaart Jezus Joh. 7:16: Mijne leere is mijne niet, maar desgenen die mij gezonden heeft.

Het rechte hooren is gehoorzamen , alzoo dat wij ons naar zijne leere richten. „Want dan eerst verstaat men iedere waarheid, alsmen ze praktizeertquot;5 ). Naar het woord

\') Calvin. Sormon sar lo Deuteron. Chap. XVIII: 16—20; Et aujourd\' hui quand uout prOchons , co n\' est pas quo Jesus Christ ait quitté sou office: car il est toujours Docteur, il est Chof do 1\' Egliso , et un chef, non point pour Otse comme une idole: raais c\'est afm que nous soyons regis par sa doctrine. »Dio hot leoraarsambt bekloedon, herinnert Calvijn, moeton dan getrouw uitdeelon zonder iets van hun eigen te voegen bij hetgeen zij van Hem hebben ontvangen. Want al wat de men-schen uit hnn eigen hoofd ver/innen is niet dan vervalschiug; er is maar een weinig zuurdeesem noodig om een geheel deeg te verzuren. Een mensch behoeft maar , hoe weinig ook , den teugel te vieren en hij zal de gehoele waarheid Gods bederven en ze in leugen verkeeren.quot; (Corpus Roformatorum Vol. LV. p. 525.)

2) Brakel, Red. Godsd. I. p. 433. — Wie zijne religie alleenlijk als eene wetenschaj) behandelt, die hij ivel wil verstaan maar niet uitoefenen {gelijk vele geleerden de. meetkunst leerea, zonder ooit iets op een land te melen) , die zal nimmer terecht komen. God zal het hem niet doen gelukken. Zijn ijdele zin zal hem telkens weer

310

-ocr page 331-

§ 39. DE PROFEET GEHOORD.

van Christus Joh. 7:17: Zoo iemand wil deszelfs (mijns Zenders ) wille doen , die zal van deze leere bekennen of zij uit Gode is dan of ik van mij zeiven spreke. De vreeze des Hceren is het beginsel der wijsheid, Spr. 9 : 10.

Het, is niet : geloof maar blind weg ! Men moet de leere kennen in hare waarheid en goddelijkheid. En daartoe zal oen iegelijk geraken die den wille Gods wil doen. Niet: ivie doet, alsof het doen vóór het geloof kon voorafgaan •), maar: wie wil doen. Wie doen wil, zal gelooven ieeren; wie zich ernstelijk onder de Wet begeeft en daaruit zijne schuld en onmacht erkent, zal ook Christus\' leere van zijne eeuwige Godheid en van de verzoening, het Evangelie der genade leeren verstaan en in zijne gemeenschap volgt dan ook het doen.

Jezus tast hier overigens den mensch in zijn allerbinnenste aan, in zijnen wil. De Joden kwamen met allerhande argumenten tegen hem in. Hij toont hun dat dit slechts drogredenen waren en dat hot hun aan den wil haperde. En dat is altijd bij den natuurlijken mensch

op afwegen voeren en wanneer hij ook iets waars gegrepen heeft , zoo zal hij het toch weldra weer als wat ouds en gemeens wegluer-pen en naar iets grijpen dat niemu is , maar aan het einde zal hij gewaar worden, dat hij op het onzekere geloopen en gekampt heeft in de lucht slaande, spiogolvochtoudo. M. Fr. Roos, Christl. Glaubenslehre. Tübiug. 1845. S. 5.

\' ) Hengstenberg /.u Joh. 7 : 1? : Unsor Ausspruch zeigt; was von denjonigen zu halten ist, wulcho die «Moralquot; dom Cdauljon an don historischon Christus ontgogenstollon. Jedor ist in dom-solben Mas/.o uninoralisch, iu dom er dom Glaubeu an don» historischon Christusquot; ontfremdot ist. Dio Tugondon, an demon or vLolleieht roioh zu soyu schoint, wordon niihor botrachtot glilu-zoudo Laster seyn,

311

-ocr page 332-

§ 39. DE PROFEET GEHOORD.

de diepste grond van alle betwijfeling der waarheid: gij hebt niet gewild ! — —

Do goloovigen, der zalving van Christus deelachtig en daarom Christenen genaamd , zijn geroepen tot geestelijke profeten in hunnen deele , om zijnen naam te bekennen (Heidelb. Gat. Vr. 32) en voor de waarheid uit te komen, om uit den Woorde Gods, naar het licht hun daarover gegeven anderen te onderwijzen, te waarschuwen, te vermanen en te vertroosten. Waarbij intusschen dient behartigd wat Brakel\') herinnert: „Doch ieder moet zich in zijnen rang houden , in welken God hem gesteld heeft. Anders moet een leeraar het doen , anders een lidmaat, die zich moet wachten zich het werk van een gezondenen dienaar aan te matigen of na te bootsen , opdat de zending der dienaren en hare noodzakelijkheid niet overdekt worde, \'t welk zeer tot nadeel van de gemeente zoude strekken.quot;

Bij de erkenning van deze algemeene roeping dor ge-loovigen werd bij Gereformeerden in de hervormingseeuw nog iets bijzonders aangedrongen. Dat was de aanstelling van onderscheidenlijk dusgenoomde Profeten, (1 Korinth. 14) den dienaren des Woords bijgevoegd5) , bekwame mannen uit de gemeente , die begeerden „de gave van don Heere ontvangen, tot gemeene nuttigheid toe te bren-

\') Kedel. Godsd. I. p. 435. Cap. XIX. 22. P. Van Mastricht. Godgol. IT. p. 539 v. Nederl. Belijd, des Geloofs Art. XXVIII: dienende de ophouwinge der broederen , naar de gaven die hun God verleend heeft, als onderlinge lidmaten eens zelfden lichaarns.

2) Synode to Wozol 15C8. Cap. I. Art. 4. Cap. II. Art. 14 v.v. Dr. A. Kuyper, Tractaat § 26. Giider iu Horzogs lloal-Enc. XII. S. 232 ff. u. d. W. Prophezey.

312

-ocr page 333-

§ 39. DE PROFEET GEHOORD.

gen.quot; Dezen zouden wekelijks na de Predikatie of op andere gepaste tijden voor de vergaderde gemeente de eene of de andere Schriftuurplaats, liefst een of ander boek des Bijbels bij vervolg ordelijk uitleggen en verhandelen. Zoo wilde men de gaven , waarmede de Heere soms in uitnemende mate particulieren bedeelt, niet ongebruikt laten , terwijl men tevens zorgde dat ook hierin alle dingen eerlijk en met orde geschiedden.

8 40. De Hoogepriester gebruikt.

Waarheen met onze zonden ? De Roomsche Kerk zegt : tot de priesters. De Protestant, de Gereformeerde zegt met de Heilige Schrift: naar Jezus toe! Op zijn eigen Woord Matth. 11: 28 : Komt herwaarts tot mij allen die vermoeid en belast zijt en ik zal u ruste geven.

De Roomschen hebben priesters en scheiden dezen stand der geestelijken (clerus, eigenlijk erfdeel , clerici) scherp van dien der leeken (laici, tot het volk behoorende\'). De Reformatoren wilden van eene tegenstelling der geestelijken en des Ghristelijken volks niets weten1).

De Roomschen, met de Griekschen, leeren dat de priesters in de heilige Kerk de macht hebben om de zonden te vergeven s), op berouw des harten, belijdenis des monds en

313

1

Roman. P. I. Cap. X. Qu. 19 : potestas poccata romittondi.

-ocr page 334-

§ 40. DE HOOGEPRIESTER GEBRUIKT.

genoegdoening des werks •); dat men tot dat einde voor den priester met den monde moet belijden alle doodzonden1) met alle omstandigheden — doch dat men in de biecht niemand anders mag beschuldigen dan zich zeiven s).

De Protestant houdt de belijdenis vast: wij hebben maar éénen Middelaar, een eenigen verzoenenden Priester, tot wien wij in al onze nooden de toevlucht moeten nemon, om door Hem Gode te naderen en genade en zegen bij God te verkrijgen. Dat is de groote Hoogepriester Jezus, de Zoon Gods (Hebr. 4 : 14), een Hoogepriester die liclia-melijk niet op aarde is , maar door de hemelen is doorgegaan, door den hemel der wolken en den hemel der sterren. Moest Israels Hoogepriester op den verzoendag eerst door het voorhof en dan door het Heilige doorgaan om in het Heilige der Heiligen , waar de Arke des Ver-bonds stond, voor God te verschijnen , zoo is Christus door de hemelen, als zoovele tusschenruimten doorgegaan naar den allerhoogsten hemel, waar de troon Gods is, om te verschijnen voor het aangezichte Gods voor ons. Een medelijdend Hoogepriester, bekend met de zwakheden en krankheden, waarmede alle geloovigen nog te dragen hebben en met de verzoekingen waartegen zij nog moeten strijden , die Hij kent niet slechts als alwetend God

314

1

) Zie Negende Hoofdstuk § 23. bl. 74.

-ocr page 335-

1

§ 40. DE HOOGEPUIESTER GEBRUIKT. 315

maar ook als mensch, daar Hij ze in de dagen zijns vlee-sches zelf, hoewel zonder zonde, heeft ondervonden en gesmaakt. Daarom mogen en moeten wij in allen ziels- en li-chaamsnood ons maar getroost aan Hem houden, Hebr. 4 : 16: Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen en genade vinden om geholpen te worden ter bekwamer tijd.

Wij moeten met onze zonden tot Jezus gaan. Met; niet zonder, hetwelk ook onmogelijk is. Niet eerst ons zeiven willen reinigen en dan tot Jezus , maar als onreinen tot den reinigmaker gaan. De dienaren des aardschen hei-ligdoms moesten , eer zij daarin gingen , zich met water wasschen (Exod. 30: 20) , maar tot het waschvat mochten en moesten zij met hunne onreinheid komen.

Wij moeten op zijne offerande pleiten als den eenigen grond, waarop wij iets van God mogen vragen en verwachten, met belijdenis van onze onwaardigheid, armoede en schuld. Wij moeten op dat offer de hand leggen en het Gode voorhouden , gelijk de Israëliet voor het aangezicht des Heeren zijne hand op het hoofd van dat dier moest leggen, \'t welk in zijne plaats geofferd werd.

Wij moeten zijne voorbidding inroepen, wetende dat wij, in onzen eigenen naam komende niet verhoord worden , maar alleen door de bemiddeling en op het voorspreken van Hem , die een getrouw, hulpvaardig en krachtig Advo-kaat is voor zijn verlegen en bestreden volk en wiens bloed betere dingen spreekt dan Abel (Hebr. 12 : 24). — —

Allen die door het geloot lidmaten van Christus zijn , op wie de Geestesolie van het Hoofd is neergevloeid, zijn tot geestelijke priesteren gewijd , zoodat de geloovigen te zamen een priesterlijk volk , een koninklijk priesterdom

i

-ocr page 336-

316 § 40. DE HOOGEPR1ESTER GEBRUIKT.

worden genoemd (1 Petr. 2 : 9). Waardoor de onder-scheiding tusschen priesters en leeken is weggenomen , gelijk dan ook de Apostelen zich zeiven nergens iets priesterlijks in den eigenlijken zin toekennen. Het geestelijke priesterwerk der Christenen is ; offeren : dat ik mij zei ven tot een levendig dankoffer Hetn off ere (Heidelb. Catech. Vr. 32), hetwelk is onze redelijke Godsdienst Rom. 12 : 1; bidden (Openb. 8:3), voorbidden (Jac. 5 : 16), weldoen (Hebr. 13:16), zegenen (Matth. 5 : 44; 1 Petr. 3 : 9)i).

§ 41. De Koning gediend.

Hoe voortreffelijker koning en aanvoerder, des te ge-zegender voor volk en heir. Geen beter Koning dan Jezus , dien de Vader gezalfd heeft en door wiens hand Hij alle dingen regeert.

Maar wij zijn dan ook verschuldigd : Hem als onzen Koning te erkennen en te eeren in zijne hoogheid en majesteit , Hem lief te hebben omdat Hij zoo goed en liefderijk is , op Hem te vertrouwen (Ps. 2 : 12) omdat Hy bij allen nood ter hand is, naar zijn woord : ziet ik ben met ulieden alle de dagen tot de voleinding der wereld (Matth, 28 : 20) , Hem te gehoorzamen , den hals bui-

\') P. Van Mastricht, Godgel. II. p. 571 v. Brakel, Eedel. Godsd. I. p. 457. Schlèiermacher, Dor Christl. Glaube II. § 104. S. 148 vindt iu hot algomeono priestordom ook dit dasz dio geaimmto Christouhoit als die met dom Brlöscr schon ver-oiuigte Monschheit sich zu der übrigeu vorhttlt, wie die Priester sieh zu dou Laieu verhiolton. Slechts versta mou dau ouder de gesammte Christcnheit niot alle naamchristenen maar do gemeente dor goloovigeu.

-ocr page 337-

§41. DE KONING GEDIEND.

gende onder het juk van Jezus Christus (Ned. Belijd, des Gel. Art, XXVIII, Matth. 11: 29), zijne bevelen doen, anders spreekt Hij : Wat noemt gij mij IJ eer e , Heere en doet niet hefgene dat ik zeg ? Luc. 6 : 46. Ieder Christen heeft dan in zijnen deeïe ook mede te werken tot uitbreiding van Christus\' Koninkrijk, opdat er al meer „voor Christus gewonnen wordenquot; (Heidelb. Cat. Vr. 86). Gedachtig aan den treurigen staat der wereld en aan zoovele verwaarloosden rondom, zal de Christen bij eigen werkzaamheid vooral bidden om opgewekte en bekwame arbeiders op den grooten akker, gelijk Jezus tot zijne discipelen zeide ; de oogst is wel groot, maar de arbeiders zijn weinigen. Bidt dan den Heere des oogstes, dat Hij arbeiders in zijnen oogst oyitstoote, Matth. 9:37, 38.

Door de gemeenschap aan Christus- zalving hebben de geloovigen een geestelijk koningschap , geroepen en bestemd om met een vrije en goede consciëntie in dit leven tegen de zonde en den duivel te strijden en hiernamaals in eeuwigheid met Hem over alle creaturen te regeeren (Heidelb. Catech. Vr. 32).

317

Werd oudtijds door wereldwijzen gezegd : de wijze is koning, de wijze is vrij : de geloovigen zijn het in waarheid : vrijgemaakt door den Zoon (Joh. 8: 36) van do dienstbaarheid der zonde en der wereld en „aan niemand onderworpen ten opzichte van hunnen zielsstaat dan alleen aan den Koning der Koningenquot; \'). In dit leven hebben de verlosten des Heeren wel onophoudelijk te strijden tegen de macht der duisternis in het vleesch en in de wereld , maar eens komt het rijk der heerlijkheid, met

\') Brakel, Red. Godsd. I. p. 469.

-ocr page 338-

§41. DE KONING GEDIEND.

welks openbaring de wereldgeschiedenis zal sluiten. Dan is het: Komt, gij gezegende mijns Vaders , beërft dat Koninkrijk , hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld , Matth. 25 : 34. Dan zullen de geloovigen en uitverkorenen gekroond worden met heerlijkheid en eere (Ned. Belijd, des Gel. Art. XXXVII).

Hem, die ons heeft liefgehad en ons van ome zonden gewasschen heeft in zijn bloed, en ons gemaakt heeft tot koningen , tot priesters Gode en zijnen Vader, Hem zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid, Amen. Openb. 1:5,6).

318

-ocr page 339-

TWAALFDE HOOFDSTUK.

DES VERLOSSERS STATEN, VERNEDERING.

§ 1. Twee Staten.

Het werk des Middelaars, de verwerving en de toepassing der zaligheid , vereischte en veroorzaakte noodzakelijk voor Hem voorwerpelijk eenen verschillenden staat of stand en dienvolgens in Hem ondervverpelijk eenen verschillenden toestand.

De Heilige Schrift stelt ons Christus voor in tweeërlei staat: van vernedering , waarin Hij de verlossing heeft teweeggebracht , en verhooging , waarin Hij het verworvene mededeelt.

Intusschen moeten wij wèl in aanmerking nemen dat bij de vernedering eene voorafgaande hoogheid of hoogte en naar den aard der zaak verondersteld èn in de Heilige Schrift aangeduid wordt.

Gelyk er geene verhooging is te denken zonder voorafgaande nederheid , zoo sluit vernedering van zelf ook de gedachte in van hoogheid vooraf»

-ocr page 340-

§ 1. TWEE STATEN.

Dit dienen wij hier scherp in het oog te houden , ten einde aanstonds eenen vasten grondslag te leggen voor het rechte begrip van Christus\' vernedering, inzonderheid voor de richtige opvatting van haar begin.

De vernederde was vooraf in eenen staat van hoogheid. Door deze hoogheid voor de vernedering hebben wij echter niet te verstaan een zeker tijdperk in het leven des Verlossers op aarde, „de voorafgaande vrijheid van lijden en smaad, die graad van hoogheid des levens, op welken ieder mensch staat, zoolang hij niet crimineel vervolgd en in zijne burgerlijke eere gekrenkt isquot; gt;); maar die heerlijkheid, die Hij van eeuwigheid bij den Vader had (Joh. 17: 5), toen Hij , het zelfstandige Woord , bij God was en God tvas en nog geen mensch (Joh. 1:1, vergel. met vs. 14).

Dus hebben wij bij Hem drieërlei staat te onderscheiden : hoogheid (niet verhooging), vernedering, verhooging.

Doch van den staat zijner heerlijkheid vóór zijne vernedering hebben wij hier niet te handelen. Dat behoort tot de leer van de Drieëenheid (Vierde Hoofdstuk). Hier hebben wij te doen met de vernedering en verhooging.

Van beide getuigt de Schrift.

In het Oude Testament zijn beide voorzegd en voorgebeeld.

320

Voorzegd reeds in het eerste Evangeliewoord Gen. 3:15, het Protevangelium, door God zeiven in het paradys geopenbaard (Heidelh. Catech. Vr. 19) , waar „onze goede God, door zijne wonderlijke wijsheid en goedheid, ziende dat zich de mensch in den lichamelijken en geestelijken dood geworpen en geheel ellendig gemaakt had, zich zeiven begeven

\') Zoo Ebrard, Christl. Dogmatik II. S. 200. Anders en naar waarheid Van Oosterzee, Chr. Dogmat. II. § 100.

-ocr page 341-

§ 1. TWEE STATEN.

heeft om Hem te zoeken, toen hij al bevende voor Hem vlood en heeft hem getroost, belovende hem zijnen Zoon te geven , die worden sou van eene vrouw, om het hoofd der slang te vertreden en hem gelukzalig te maken (Ne-derl. Belijd, des Gel. Art. XVII) , doch niet zonder ver-morzelinc) der verzenen des Heiligen. Alzoo lijden en overwinning, dus vernedering en verhooging.

In deze twee staten wordt de Verlosser in de daarna volgende beloften op velerlei wijze voorgesteld ; geschilderd in verscheidene Psalmen , voorzegd bij de Profeten gt;).

Rationalistische uitleggers, met de Socinianen gekant tegen plaatsbekleedende genoegdoening, hebben beweerd4), dat in de voorzeggingen des Ouden Testaments hel denkbeeld van een lijdend en stervend Messias niet voorkwam. De Israëlieten zouden zich den Messias alleen als een heerlijken Koning hebben gedacht, die alle vijanden van het verbondsvolk onderwerpen en het tot beheersching der wereld verheffen zou. Het was, om de Messiasidee als een natuurlijk voortbrengsel van het Joodsche volksbewustzijn of als eene patriotische phantasie der zoogenaamde Profeten te doen uitkomen, en niet als bijzondere openbaring van God s). Wat van vernedering en lijden wae voorzegd , verstond men van andere subjecten , van

\') Tal van Sohriftuurplaatsen vonneldt Böhl, Christologie dos A. T. S. 64 f. Men zio vooral den Inhoud van hot N. T. in de Nedorl. Staten-Ovorzotting.

2) Voldingend wedorlegd door Hengstenberg, Dor leidende und büszendo Christus im A. T. In zijne Christologie, 2to Ausg. III. 2. S. 86 ff. (1ste Ausg. I. 1 S. 252 ff.). II. S. 362 (1ste Ausg. I. 2. S. 366.

•\') Hengstenberg, Christol. dos A. T. 2to Ausg. III. 2. S. 128.

Gnmmeyer, Goref. Gel. leor. II. 21

321

-ocr page 342-

§ 1. Twee sTAtEt).

den Profetenstand, van het volk Israël, van ieder Rechtvaardige of van bijzondere personen en niet van den Messias, Zoo wilde men dan meteen ook het bezwaar ontgaan , hetwelk anders door de wonderbare overeenstemming van voorzegging en vervulling zich opdeed : want zoo was wat Christus leed geenszins de vervulling van

iets wat voorzegd was.

Tot bewijs voor dit dwaalgevoelen brengt men onder anderen inzonderheid dit bjj ■ dat de Joden ten tijde van Jezus de leer van een lydenden en schuldbetalenden

Messias niet hadden.

Maar dit is door velen genoegzaam weerlegd. Het is waar, de groote menigte der Joden, vleeschelijk.en eigengerechtig, wist toen niet en wilde niets weten van eenen lijdenden, stervenden, zondeverzoenenden Messias en verwachtte alleen eenen Messias in heerlijkheid. Do leere van het kruis was den Joden eene ergenis, 1 Kor. 1 : 23. De Fa-rizeën en Schriftgeleerden hielden Jezus\' lijden en sterven voor een bewijs dat hij de Messias niet kon zijn (Luc. 23. 35). Zij waren geen zondaren, blind waren zij in hunnen

hoogmoed en door hun wereldschen zin, bij alle beschaving.

Geen wonder. „Worden niet ook in onze dagen de open-baarste waarheden der Heilige Schrift door de groote meerderheid van de beschaafde leden der Kerk öf geïgnoreerd öf openlijk bestreden? Hoe weinigen zijn er onder de beschaafden, die ook maar halverwegen weten wat het Nieuwe Testament van den toorn Gods en van zijne onverbiddelijke gerechtigheid en van de onvermijdelijke verdoemenis aller niet in Christus verzoenden zegt gt;) !quot;

\') Hengstenberg, a. W. HL 2. S. 106.

-ocr page 343-

§ 1. TWEE STATEN.

Maar die zondaars waren, wisten er van, de oude Sy-meon voorop (Luc. 2 : 34, 35) en allen die de vertroosting Israels verwachtten lt;).

Bij de latere Joden, na Christus, wordt de leer van eenen lijdenden Messias aangetroffen. En dezen hebben haar niet eerst van de Christenen overgenomen, maar uit het Oude Testament1). Zij zochten echter vernedering en heerlijkheid op allerhande manier met elkander te vereffenen. Zoo onder anderen door te onderscheiden eenen Messias Zoon van Jozef (dus uit Ephraïm) en een Messias Zoon Davids 3). De eerste zou in den strijd tegen Gog en Magog worden gedood 4), maar daarna zou de Messias „ben Davidquot; het verbondsvolk vrijmaken en eeuwig leven en heerschen e).

Beslissend is voor ons de eigene verklaring van den Heere Jezus Christus zeiven die het hoogste gezag heeft, en van zijne Apostelen , die door Hem over den zin der voorzeggingen des Ouden Testaments onderwezen en door denzelfden Geest in alle de waarheid geleid werden die uit de Profeten sprak.

Wij noemen hier slechts een paar algemeene uitspraken.

Christus spreekt op den weg naar Emmaüs tot de beide jongeren, die over zijnen dood treurden en zich daaraan stieten, Luc. 24 : 25 : . O onverstandigcn en trayen van harte om te (jelooven al hetgene dat de Profeten gesproken hebben ,

\') Hengstenberg, a. W. III. 2. S. 108 ff.

2) Dezelfde, a. W. III. 2. S. 114.

:1) Eisenmenger, Entdocktes Judonlhum 11. S. 720. «) Dezelfde, II. S. 748.

s) Dezelfde, II. S. 755 f. Dezo Icor is bij de Jodon eerst in later tijd , waarschijnlijk in de zesde eeuw na Christus opgekomen. Hengstenberg , a. W. III. 2. S. 116.

-ocr page 344-

§ 1. TWEE STATEN.

26. Moest de Christus niet deze dingen lijden en [alzoo] in zijne heerlijkheid ingaan ? (Een moeten , eene noodzakelijkheid wegens de voorzeggingen des O. T. en het daarin geopenbaarde raadsbesluit Gods, waarvan de vervulling niet kon uitblijven). 27. En begonnen hebbende van Mozes en van alle de Profeten leide Hij hun uit in alle de Schriften hetgene van Hem [geschreven] was.

De Apostel Petrus zegt van de Profeten, dat de Geest van Christus, die in hen was, beduidde en te voren getuigde het lijden [dat] op Christus [komen zoude] en de heerlijkheid daarna [volgende], 1 Petr. 1: 11.

Onder al de voorzeggingen schittert in het helderst licht Jezaja 53, een hoofdstuk, boven hetwelk men wel het opschrift mocht stellen : Zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt (Joh. 1 : 29) , een kort Evangelie van den vernederden en verhoogden Christus, waar de Verlosser wordt geteekend in zijne dienstknechtsgedaante , in zijn plaatsbekleedend lijden en sterven, in zijn graf en in zijn heerlijk , eeuwig leven daarna.

Ook voorgebeeld \') is in het Oude Testament de Verlosser in vernedering en verhooging Door lijden tot heerlijkheid. Dat was van den beginne aan en is altijd de weg van Gods volk en van iederen „knecht Godsquot; en telkens lag daarin eene voorvertooning en voorbeduiding van den weg des volmaakt Heiligen. Zoo heeft men niet ten onrechte ook in de geschiedenis Jobs eene voorbeelding gezien van den Heiland in zijn lijden en in de heerlijkheid daarna2\').

Een opmerkelijk voorbeeld van vernedering en verhooging

\') Vorgol. Tiende Hoofdstuk § 1(3.

\'2) Ilengstenbery, Chvistol. des A. ï. III. 2. S. 93.

334

-ocr page 345-

§ 1. TWEE STATEN.

was Jozef. Van zijnon vader geliefd, bij zijne broederen gehaat, ten diepste vernederd ; maar daarna verhoogd en Zaphnath Phaaneah, behouder des lands genoemd, voor wien al het volk moest knielen (Gen. 41 : 43, 45), die in den honger brood gaf, daar Pharao tot. do hongerigen zeide: ynat tot Jozef (Gen. 41 : 55), voorbeeld van den rechten Behouder , onzen Heere Jezus Christus, die na de diepste vernedering verhoogd is tot de rechterhand Gods en met hot brood dos levens spijzigt allen die naar do gerechtigheid hongeren , voor wien zich ook alle knie moet huigen (Joh. G : 27 , 51. Filipp. 2 : 10).

Voorbeeld van Christus in vernedering en vorhooging was vooral David i). Door hoogor licht erkende hij zich zeiven als voorbeeld van Hem, die naar don vloesche uit zijnen lijve zou voortkomen on in zijnen eigenen weg zag hij afgebeeld don weg van Hem , dien hij zijnen Heere noemde (Ps. 110: 1). De latere Profeten vatton dit gedurig weer op, zoodat den Messias zelfs de naam David werd gegeven (Jer. 31: 9) en deden duidelijk uitkomen, dat bij den grooten Koning, dien zij verwachtten evenzoo als bij den gevierdon koning voormaals, doch in hoo-geren zin oen doorgang door smaad\' tot eere, door nederigheid tot heerlijkheid zou plaats hebben. David was de Messias niet, maar de Messias was David, de ware; David zelf was een verlost zondaar.

§ 2 Wat do Vernedering beteekent.

Bovenal moeten wij, wegens de onbetwistbare eenigheid

\') Davids lijden: Bold, Christologie dos A. T. S. 127 ff.; verhooging: S. 149 lï.

325

-ocr page 346-

§ 2. WAT DE VERNEDERING BETEEKENT

van Christus\' Persoon, vasthouden, dat de vernedering en de verhooging , hoe zij ook verschillen , staten zijn van één en denzelfden Persoon , den Zone Gods. Het is een eenig en eenzelfde Hij, die in beiden staten ons wordt voorgesteld »), En daarom raken ook beide zijne beide naturen , hoewel op onderscheiden wijs.

De vernedering ging zijne Godheid en zijne menschheid aan. Ten opzichte van zijne Godheid bestond zij hierin, dat Hij menschelijke natuur aannam en zijne Godsheerlijkheid en het gebruik van zijne Goddelijke eigenschappen vrijwillig verzaakte ; ten opzichte van zijne menschheid , dat Hij als mensch zich aan Goddelijke Wet onderwierp om te doen en te lijden wat tot zaligmaking van zondaren vereischt werd.

De gewichtigste en schoonste schriftuurplaats over de beide staten des Middelaars is ongetwijfeld Filipp. 2 : 6 v.v., kort, maar rijk van inhoud, beslist en scherp geteekend.

De vernedering is beschreven Vers 6 tot 8. En wel tweedeelig. Eerst de vernederende intrede in de menschheid : Vers 6 en 7. Dan het nederige leven des mensch-gewordenen : vers S1).

MG

1

) Dat de idouscIiwording van don Zone Gods op zich zelve als eene vernedering is aan te merken, wordt ook erkend door Nitzsoh , System. 5te Aufi. § 127. S. 250 , en door Delitzsch, Bibl. Psychologie 1861. S. 333, en door Van Oosterzee, Chr. Dogmat. II. p. 212 , maar overigons door velen geloochend, ook door Brakel, Eed. Godsd. II. Cap. XXII. § 2 : De menschwor-ding is geen trap van vernedering. Nieuworen loochenen het vooral tot steun voor hun dwaalgevoelen , dat Gods Zoon, ook

-ocr page 347-

§ 2. WAT DE VERNEDERING BSTEEKENT.

1. De menschwording.

Vers 6: Die in de gestaltenisse Gods zijnde geenen roof geacht heeft Gode evengelijk te zijn. 7. Maar heeft zich zeiven vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende en is den menschen gelijk geworden.

De streng Lutherschen verslaan alles wat de Apostel

indien Adam niot ware gevallen , toch mensch zou zijn geworden. Zoo ook Ebrard, Chr. Dogmat. II. S. 36. 203.

Zeer belangrijk zijn de verhandelingen van Dr. A. Knijper over de Vleeschwording van het Woord in den Heraut 1883 van No. 263 aan ; van de menschwording als vernedering inzonderheid No. 267 en nader gestaafd tegen weerspraak en bedenkingen No. 284. 285. 286.

Beslist rekent ook Fr. Junius, Opuscula ed. Dr. A. Kuyper p. 197 de menschwording tot de vernedering en de Incarnatie is hom te recht maxima humiliatio, quae etiam exinanitio dici-tur l\'hilipp. 2: 7. Quid enim admirabilius quam quod Deus im-monsus et altissimus eo se demiserit, ut factus sit homo ï Daarvan onderscheidt hij do vernedering na de menschwording: quum homo factus humiliavit se ipsum.

Zoo ook Polanus a Polansdorf en Sam. Maresius, zie bij C. Vitringa, Doctrina Christ. Relig. V. p. 453. En P. Van Mastricht , Godgel. 11. p. 621 (V. Boek X. Hoofdst. § 1), die als eersten trap der vernedering stelt \'s Middelaars menschwording , welke twee stukken insluit: zijne ontvangenis en zijne geboorte ; als tweeden trap zijn leven. En Joh. a March, Com-pend. en Merch Cap. XXI. § 6 : eerste trap incarnatio servilis , tweede vita aerumnosa privata et publica. Vergel. § 5. Ook Zgt;e Moor, Gommentar. IV. p. 24 , waar hij te recht op de tegenovergestelde hemelvaart wijst, hoewel hij p. 23 de aanneming der mensehelijke natuur, in abstracto beschouwd , niet als don eersten trap der vernedering stolt. Zie moer bij Dr. A. Kuyper , Heraut 1883. No. 284. Ook naar Ch. Hodge , Systematic Theol. 1880. Vol. II. p. 611 sluit Christus\' vernodoring zijne menschwording in.

327

-ocr page 348-

§ 2. WAT DE VERNEDERING BETEEKENT.

vers 6 tot 8 zegt van het aardsche leven dos Zaligmakers, zoodat hier geheel niet bedoeld zou zijn de vernedering der menschwording (humiliatio incarnationisj, maar alleen de vernedering des menschgewordeven (humiliatio incarnatie); eene opvatting , samenhangende met hunne leer van de mededeeling der Goddelijke eigenschappen aan de menschelijke natuur\') in Christus van zijne ontvangenis af2). Volgens deze voorstelling was dan zijne menschwording geene zelfvernietiging , integendeel deze zelfvernietiging (vers 7) of zelfontlediging zou van zijnen staat na de menschwording s) gezegd zijn.

Dat blijkt , meent men , uit den naam Christus Jezus vers 5 en uit de vermaning aldaar om Hem in gevoelen na te volgen, passende dit beide alleen op Hern in de menschheid. Laat ons zien.

Het subject vers 6 is Die») en dit slaat zekerlijk op

\') Zij verklaarden do gemeenschap dor naturen in Christus door vergelijking niet alleen bij de vereeniging van lichaam en ziel in den mensch , maar ook bij gloeiend ijzer. Formula Con-cordiae ; Epitome VIII, in de Concordia od. Eochonborg 1756. p. 607.

2) F. C.; Solida Declaratio VIII. Eechonb. p. 767: Is filius Dei etiam in utero matris divinam suam majestatem demonstra-vit , quod do virgine , inviolata ipsius virginitato . natus est.

3) Epitome VIII. Rochonb. p. 608 : Eamquo Maiestatem, ra-tione nnionis personalis, semper Christus habuit: sed in statu suae humiliationis sese exinanivit. (Noque oam divinam Majestatem unquam amisit aut doposuit: tamon se ipsum exinanivit eamque, ut D. Luthorus docot , in statu suae humiliationis se-creto habuit noque oam somper, sed quoties ipsi visum fuit, usnrpavit, zegt L. Hutterus, Compendium. 1621. p. 42). De gevoelens van Luthersche Godgeloorden vermeldt C. Vitringa, Doctrina Christ. Relig. V. p. 454 sqq.

4) ö?.

328

-ocr page 349-

§ !4. WAT DE VERNEDERING BETEEKENT.

Christus Jezus vers 5. Maar Die duidt eenen persoon aan en geeft juist dit te kennen dat hetgeen de Apostel in geheel dit voorstel uitspreekt, één zelfden Persoon raakt. Het is één en dezelfde Persoon in verschillenden staat en dienvolgens ook in verschillenden toestand.

Eerst in [(le\\ yestaltenisse Gods zijnde \'), Namelijk vóór zijne komst in het vleesch : zijnde bij en levende en ver-keerende niet den Vader in Godsheerlijkheid. Hij was bij God en Hij was God , nog zonder de nederigheid des vleesches , Joh. 1:1, afschijnsel van des Vaders heerlijkheid en uitgedrukt beeld zijner zelfstandigheid, Hebr. 1: 3.

Toen Hij nu in de wereld stond te komen (dit moment hebben wij ons hier te vertegenwoordigen) , heeft Hij ge.e-nen roof geacht Gode evengelijk te zijn\'1): zijn doel en plan , waartoe Hij hier wilde komen , is niet geweest om met zijne Godsheerlijkheid te pralen en zijne Gode-gelijk-heid daartoe te gebruiken, dat Hij wereldsch goed en genot, wereldsche eere en heerlijkheid zelfzuchtig raapte, najaagde en tot zich haalde.

Neen , Hij zag waarlijk niet op hef zijne (vergelijk vers 4). Vers 7 : Maar heeft zich zeiven vernietigd »), zich ledig gemaakt, zich ontbloot, zich zeiven arm gemaakt, daar Hij zoo rijk was (2 Kor. 8:9); tegendeel van rooven en rapen. Hij hield niet op God te wezen , maar hij ont-

329

1

\') êv [topipijj ósoü vTrxpxuv.

-ocr page 350-

330 § 2. WAT DE VERNEDERING DETEEKENT.

deed zich van zijne (.lodsgestalte, van de heerlijkheid, die Hem als God, den Vader evengelijk, eigen was.

En hoe deed Hy dat ? Hij, die alles was, heeft zich zeiven tot niet gemaakt , daar Hij \\de\\ gestaltenis eens dienstknechts , knechtsgestalte aannam, alzoo [den\'] men-schen gelijk werd en nu in gedaante gevonden werd als een mensch vers 8a i), in geheel zijn voorkomen zoo bevonden werd , zoo behoedanigd als een mensch , men-schelijk gelijk andere menschen, Hij , die God was en God bleef1) , maar nu de luisterrijke GoAsgestalte , zijne heerlijkheid en majesteit had afgelegd.

2. Het nederige leven des menschgeworden Verlossers, trapsgewijs al dieper dalende tot in den dood.

Vers 8. Mensch geworden, heeft Hij zich zeiven vernederd 3), gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja den dood des kruises.

Vernederd heeft Hij zich. Hij zelf heett dit gedaan , vrijwillig, het was eene voortgaande betooning van reddende , zich zelve verloochenende liefde.

Dat de Apostel hier nu eerst zegt; vernederd, geeft niet te kennen dat nu eerst, na de menschwording de vemede-

1

) Nederl. Belijd, des Gel. Art. XIX: de Godheid hield niet op in Hem te zijn , gelijk zij in Hem was als Hij een klein hind was , hoewel zij zich voor eenen kleinen tijd zoo niet openbaarde. Dit is niot Lutbersch. Want de Belijdenis zegt uiet: fa Majesteit der Godheid (zoo do Lnthorscho Form. Cone. Zie hierover bl. 328 not.) maar; de Godheid. De Majesteit ia de gestaltenisse Gods bij Paulus; deze logde Hij af, de Godheid niet, God bleef hij.

:\') hxtrsivuvw sxvtÓv. Vergel. Elfde Hoofdstuk § 2G.

-ocr page 351-

§ 2, WAT DE VEUNEUEIUNG BETEEKENT. 331

ring begon, als ware do vooraf omschrovene menschwording geene vernedering. Veelmeer de zelfvernietiging, de zelt-ontblooting, vooraf genoemd, de afdaling in de menschheid was het beslissend en grondleggend begin der vernedering, ja was zelve de diepste vernedering, zoodat do Apostel daarvan juist de allersterkste uitdrukking gebruikte en ze niet slechts vernedering maar vernietiging noemde.

Maar, mensch geworden , zette de Zoon Gods de vernedering bij trappen voort en openbaarde ze kennelijk , zijnen Vader gehoorzaam , in zijn doen en dan vooral in zyn lijden, terwijl Hij zijne Godsheerlijkheid verzaakte. Deed Hij deze in zijne woorden en wonderwerken uitschitteren , dit bewees juist zijne vrijwillige vernedering, want het toonde wie Hij eigenlijk was.

Niet om gediend te worden , maar om te dienen, was Hij gekomen en Hij verkeerde in „eenen gansch nederigen eu verachten staat, als van een slaaf of dienstknecht, om alzoo voor onze zonden te voldoen en tot onze verlossing zijnen Vader te dienenquot; (Kantteek.)

De vernedering in zijne menschheid ging van diep tot dieper — tot in den dood aan \'t slavenkruis. Dit was het toppunt van zijne gehoorzaamheid maar ook de uiterste diepte zijner vernedering.

Het begin, de eerste daad zijner zelfvernedering was dan zijne komst in het vleesch. Dat leert naar het bovenstaande de Heilige Schrift zelve, die de menschwording met de sterkste bewoordingen als eerste vernedering kenschetst. En daarvoor moet alle tegenspraak zwichten.

Intusschen is het niet onnut de voornaamste tegenwerpingen wat nader te bezien.

-ocr page 352-

332 § 2. WAT DE VERNEDERING RETEEKENT.

Men brengt er tegen in Christus\' mensch zijn in zijne verhooging. „Ook in zijnen heerlijken staal behoudt Hij zijne menschheid : dus kan de vereeniging met de mensche • lijke natuur op zich zelve geene vernedering voor Hem zijn.quot;

Tot wegruiming van dit bezwaar dient reeds, dat zijne tegenwoordige vereeniging met de menschheid in heerlijkheid veel verschilt van hare aanneming niet allerlei zwakheden quot;).

a. Doch dit is niet voldoende. Wij moeten verder gaan. Wij kunnen niet ontkennen dat aangaande den Zoon (iods menschheid en vernedering correlate, saambehoorende begrippen zijn. Wij moeten vasthouden , dat aan zijne menschheid, schoon verheerlijkt , in ons denken noodzakelijk het begrip van vernedering blijft gehecht; — maar eene vernedering die gepasseerd is. Zijne menschheid blijft er eeuwig van getuigen , is een eeuwig teeken van zijne ontzaglijke liefdedaad, van zijne komst in het vleesch (Incarnatie) en van hetgeen Hij daarin heeft volbracht. Het Lam blijft Lam en wordt gezien met de blijken dat het geslacht is geweest.

b. Ja ook, eens verondersteld (afgezien van de Mid-delaarsvereischten), Gods Zoon hamp;AAvQeno: verheerlijkte rnen-schennatuur aangenomen, van zwakheden vrij, voor lijden ongenaakbaar : ware het dan voor Hem geene vernedering geweest? Gewisselijk ook dan. Want iedere zelfopenbaring Gods, iedere verschijning Gods in schepselskring is eene afdaling van den Creator tot en in de creatuur, dus eene zelfvernedering. Wij hebben er geen ander woord voor. Ook waar de Zoon Gods, waarachtig God, als Engel verscheen : want ook de Engel is een schepsel. De mensch-

1) Dehtzsch , Bibl. Psychol. S. 333 ; die Incarnation wir Selb-sternicdrigung, nun abor ist sie es nicht mehr.

-ocr page 353-

§ 2. WAT DE VERNEDERING BKTEEKENÏ. 333

wording is de allerwonderbaarste vcrnederig. De verborgenheid is groot. (1 Tim. 3 : 16).

2. Men wijst op de onveranderlijkheid Gods. Dat de menschwording op zich zelve eene vernedering was, betwist men ook met dit goede doel om Gods onveranderlijkheid te handhaven.

God kan niet veranderen, kan niet meerder, niet minder worden. Dit staat vast. Maar dit bezwaar raakt alleen de Eutychiaansche Vermenging of versmelting \') en de Luthersche Mededeeling der Goddelijke eigenschappen aan de menschelijke natuur1), niet de Schriftuurlijke en Gereformeerde voorstelling van de blijvende onderscheidenheid der beide naturen in hare eigenaardigheden by eenigheid des Persoons 3). En bij het strengste, rechtmatige vasthouden der onveranderlijkheid Gods moet immers toch ook worden beleden : God is geopenbaard in het vleesch. By zijne onveranderlijkheid moeten wij niet vergeten : Hij is een levend God, en : God is groot en wij begrijpen het niet.

§3. Wat de Verhooging is.

Christus\' verhooging zegt, dat Hij naar zijne menschelijke natuur verheerlijkt is en nu als Godmensch heerscht met het volle gebruik en betoon van zijne Goddelijke eigenschappen 4).

1

) Tiende Hoofdstuk § 20.

-ocr page 354-

§ 3. WAT DE VERHOOGING IS.

Die nedergedaald is , is dezelfde ook die opgevaren is verre boven alle de hemelen , opdat Hij alle dingen vervullen zoude, Et. 4: 10. De eenzelvigheid des Persoons moeten wij hier vooral in het oog houden. Dezelfde Persoon, Gods Zoon, dien de Vader overgegeven en niet gespaard heeft en die , ééns willens met den Vader , zich zeiven heeft gegeven en vernederd, is door den Vader verhoogd , met eere en heerlijkheid gekroond.

Tot loon zijner smarten. Na en wegens het volbrachte werk der verlossing. Niet alleen «a, maar wegens. Hij heeft de heerlijkheid verdiend door zijne gehoorzaamheid. Niet voor zich alleen als mensch, maar voor de zijnen als Godmensch en Middelaar. Want in alles was en is Hij plaatsbekleeder voor zijn volk , in de vernedering en in de verhooging. Hij diende voor de zijnen en ontving voor de zijnen ten loon het heerlijk leven bij den Vader om het hun genadiglijk te geven, hun die den eeuwigen dood hadden verdiend. Want de bezoldiging der zonde is de dood , maar de yenadegifle Gods is het eeuwige leven door Jezus Christus onzen Heere, Rom, G; 23.

Om zijne gadelooze zelfverloochening, vrijwillige vernedering en trouwe gehoorzaamheid , Fil. 2:9: Daarom heeft Hem ook God uitermate verhoogd en heeft Hem eenen naam gegeven, welke hoven allen naam is: 10. Ojidatin den name van Jezus zich zoude huigen alle knie dergenen die in den hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn \',)• 11. En alle tong zoude belijden dat Jezus Christus de Heere zij, tot heerlijkheid Gods des Vaders.

De geheele Christus is verhoogd. Naar beide naturen,

\') Hierover zie Tiende Hoofdstuk § 10. bl. 137.

S34

-ocr page 355-

§ 3. WAT DE VERHOOGING IS.

niet alleen naar zijne menschelijke , maar ook naar zijne Goddelijke natuur. Doch op onderscheiden wijze.

Zijne menschheid is mensclijieid gebleven, niet vergoddelijkt , niet, gelijk de Lutherschen stellen , overaltegen-woordig geworden , hetgeen zich zelf tegenspreekt.

De menscbelijke natuur heeft hare eigenschappen niet verloren maar is een schepsel gebleven , hebbende begin van dagen , zijnde eene eindige natuur en behoudende al \'t gene dat een waar lichaam toebehoort. En hoewel Hij derzelve door zijne verrijzenis onsterfelijkheid gegeven heeft, nochtans heeft Hij de waarheid zijner menschelijke natuur niet veranderdquot; (Nederl. Belijd, des Gel. Art. XIX). Hij heeft een heerlijk lichaam Fil. 3: 21 , dus een lichaam en wel zijn lichaam, maar heerlijk. Het knechtelijhe is verdwenen , Hij is Heer. Heerlijk is geheel zijne menschheid , in lichaam en ziel: ontdaan van alle zwakheid , aangedaan in beide met „alle die volmaaktheid welke in een schepsel vallen kan

Ook ten opzichte van zijne Goddelijke, natuur is Hij verhoogd. Niet in dezen zin , als ware door zijne mensch-wording en geheele vernedering iets van zijn Goddelijk Wezen afgegaan en dit nu weer hersteld: want de vernedering was geene vermindering en verandering van zijn innerlijk en eeuwig Wezen , maar tijdelijke verberging1), bedekking zijns luisters voor de menschen. Ook niet alsof aan zijne Goddelijke natuur nu nieuwe volmaaktheden wer-

335

1

) «Op hoodauig cono\' wijze do zon gezegd wordt verduisterd te zijn , wanneer zij door tusschengeworpoue nevelen of door eenig ander duister lichaam hare stralen niet tot ons verspreidt.quot; P. Van Mastricht, Godgel. II. p. 612.

-ocr page 356-

§ 3. WAT DE VERIIOOGING IS.

den toegevoegd : want de Godheid is oneindig volmaakt en kan geene volmaaktheid ontvangen die zij niet reeds had.

Maar betrekkelijk de openbaring van deze verborgen gehouden volmaaktheid is zijne Godheid verhoogd gt;) en ten aanzien van de wederopwekking als het ware en het cje-hruik van die macht die gedurende de vernedering als terneergelegen en gerust had.

Zijne verhooging was dan een wederverkrijgen van die heerlijkheid, welke Hij had afgelegd. Naar zijn eigene getuigenis in zijn Hoogepriosterlijk gebed Joh. 17 : 5 : En nu verheerlijk mij, (jij Vader, bij u zeiven met de heerlijkheid die ik hij u had, eer de wereld ivas. Waaruit tevens overtuigend blijkt dat de verhooging den geheelen Persoon, zijne beide naturen raakt, ook de Goddelijke. Immers, sprak Hij alleen van zijne menschheid, hoe kon Hij dan zeggen dat Hij de heerlijkheid reeds; had eer de wereld was ? En ging de verhooging zijne Godheid niet aan , verkreeg Hij niet iets aangaande zijne Goddelijke natuur wat Hij, door vrywillige verzaking, in de vernedering had gemist, wat beteekende dan dit wedergeven der heerlijkheid, dit verheerlijken met die heerlijkheid, welke Hij vóór de schepping had ? Zijne Goddelijke natuur had Hij niet afgelegd, maar de heerlijkheid , glorie). Deze ontving Hij weder. Hij, dezelfde Persoon. Maar nu in eene andere betrekking, nu als Godmensch en Middelaar met de welverheerlijkte maar ware menschelijke natuur, „zoodat ons vleesch en het zaad Davids in hemelsche heerlijkheid eeuwiglijk regeert1).quot;

336

1

In summa, dofces quum corporis turn animae Christi plu-ros , majores ofc perfoefciores sunt quam omnea aliae creafcurae

-ocr page 357-

§ 4. TRAPPEN DER VERNEDERING.

§ 4. Trappen der Vernedering.

Na de dogmatische beteekenis der vernedering komt haar historisch beloop in overweging. Zij heeft hare trappen, welke wij intusschen hebben aan te merken niet slechts als aanduidingen van de soorten en deelen der ellenden die de Verlosser hier onderging , maar als hoofdomstandigheden en keerpunten op zijnen weg, in welke Zijne verzoenende werkzaamheid zich voornamelijk vertoont.

Zij worden bij de Godgeleerden verschillend bepaald. Lutherschen lt;) brengen ze zelfs tot acht: 1. Ontvangenis. 2. Geboorte. 3. Besnijdenis. 4. Onderworpenheid onder de ouders en nederige opvoeding. 5. Verkeer en moeite-vol leven met allerlei menschen. 6. Het laatste of groote lijden. 7. Dood. 8. Begrafenis.

Onder de Gereformeerden stellen sommigen1) slechts

337

1

) Zoo Ahrah. Fieidanus (Cartesiaau) en Joann. Braunius. Ook Andr. liivetus in Synopsis Purioris Thool. ed. Dr. H. 13a-vinck p. 253. En Weitdelinus, bij C. Vitringa, Doctrina Christ. Rol. V. p. 454. Vitringa rekent do beide laatsten tot hen, dio de mensehwording niet als vernedering beschouwen , hetwelk Dr. A. Kuyper, Heraut 1883. No. 284 betwijfelt. En zeker uit hunne verdeeling der trappen in de drie volgt het niet, Gravemeyor , Gorof. Gol. loor. II. 22

-ocr page 358-

§ 4. TRAPPEN ÖER VERMËDERlNG.

drie trappen; 1. Kruisiging, met inbegrip van het lijden vooraf en den dood daarna. 2. Begrafenis. 3. Neder-daling ter helle. Doch de meesten rekenen gepaster vijf of zes: Ontvangenis en geboorte , lijden , dood , begrafenis , nederdaling ter helle •). Aldus is het in de Twaalf Geloofsartikelen , het zoogenaamde Symbolum apostohcum, hetwelk wel niet door de Apostelen is opgesteld maar toch het Apostolisch geloof naar de fundamenteele waarheden beknoptelijk omschrijft1). En deze verdeehng is aangenomen in den Heidelb. Catechismus Vr. 35— 44.

Belangrgk verschillen van de Gereformeerden de Room-schen en de Lutheranen ten opzichte van de Nederdalmg ter helle. Naar het Gereformeerde begrip behoort deze tot de vernedering, naar het Roomsche en het Luthersche tot den staat der verhooging. (Zie hierna § 29 v.v.)

§ 5, Trappen der Verhooging.

Terwijl de Roomschen en de Lutherschen den staat der verhooging beginnen met de Nederdaling ter helle , naar de Lutherschen eene eigenlijke , triomfeerende hellevaart,

338

1

Hagenhach, Dogmeugesch. §20. Neander, K. G. I. 2. S. 354: fv/tpohov teelcen , kenmerk dos geloofs ; later nam men het in den zin van bijdrage, als hadden de 12 Apostelen ieder oen artikel bijgedragen, naar het verhaal van Rufmus (t 410).

-ocr page 359-

§ 2. TRAPPEN DER VERHOOGING.

339

naar de Roomschen een tocht naar den voorburg der Vaderen , heffen de Gereformeerden het zegelied mot de opstanding aan en klimmen dan op tot de hemelvaart en de zitting aan Gods rechterhand en sluiten met de doorluchtige wederkomst ten oordeel. Heidelb. Cat. Vr. 45— 52 , naar de XII Geloofsartikelen.

De Socinianen, die Christus\' eeuwige Godheid loochenen , daar volgens hen alleen de Vader God is, stellen meest vier staten: 1. Stoat van waardigheid, van de geboorte af tot het lijden ; 2. staat van nederigheid, van het lijden tot de opstanding; 3. staat van verhooging, van de opstanding tot de voleinding der wereld; 4. staat van degradatie, in alle eeuwigheid\'),

1. ONTVANGENIS EN GEBOORTE.

§ 6. Menschwording.

Jezus is het vleeschgeworden Woord, de in het vleesch gekomene, mensch geworden Zoon Gods. Hoe dat is toegegaan , begrijpt geen mensch. Maar wie begrijpt de wording van de wereld ? en van den eersten man en van de eerste vrouw ? Wij staan hier voor het grootste wonder. Ootmoedig en dankbaar intusschen moeten wij op de wenken achten, die ons ter betamelijke opvatting van dit heilgeheim worden gegeven.

Hoofdzaak blijft deze jvaarheid: Jezus is door eene wonderwerking van den Heiligen Geest zonder rnensche-

\') Hase, Hutter. rediv. § 103. 3te Aufl. S. 266.

-ocr page 360-

§ 6. MENSCHWORDING.

lijken Vader ontvangen en alzoo heilig geboren uit de nederige, vrome maagd Maria.

Immers haar is geschied naar het woord dat de Engel Gabriël tot haar sprak Luc. 1 : 35 : Be Heilige Geest zal over u Jcotnen en de hvacht des Allevlwogsten zal u overschaduwen. Daarom ook dat Heilige , dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden \').

De Heilige Geest is hier niet een onpersoonlijk Tets, maar de derde Persoon der Goddelijke Drieëenheid1). Want Hem worden hier persoonlijke werkingen toegeschreven , waardoor Maria bevrucht werd.

Eerst, meer algemeen , een komen over haar, in nog ander en veel hooger zin dan wannneer Hij over Profeten kwam , waardoor zij zonderling werd aangedaan en in eene gansch buitengewone , heilige stemming gebracht en alzoo tot de ontvangenis van het Heilige voorbereid.

Pan, onmiddellijk daaraan gepaard , die bijzondere werking waardoor zij ontving, hierin bestaande dat de kracht des Allerhoogsten haar overschaduwde. Deze kracht naderde haar niet als een vuur, dat haar verteerde

\') Dit is de Maria-boodschap , gevierd sedert de vaststelling van het geboortefeest, Pestura annuneiationis , zelfs radix omnium festorum genoemd; in de Roomsctie Kerk don 25sten Maart, 9 maanden voor don 25sten December. Augusti, Handb. der Christl. Arc.haol. 1. S. 5G1.

-) In het Grieksch staat hier, als ook Matth. 1 : 20 , alieen irvi-üyM xyiov, -/.onder lidwoord , maar daarom is men niet gerechtigd , te vertalen : een heilige Geest, gelijk ook Van Oosterzee doet in Hot Leven van Jezus 1846. I. p. 321. Veelmeer ■n-ysüy.z xyicv heeft den aard van een nomen proprium en staat daarom zonder Artikel, gelijk ook Meyer z. d. St. erkent. Verge). Winer, Grammat. § 18. 1.

340

-ocr page 361-

§ 6. MENSCHWORDING, 341

maar als iets dat haar zacht, teeder en liefelijk in haar binnenste raakte en bewcog. In overschaduwen ligt het beeld van eene wolke die haar als overdekte en omving. Zij was daarbij als in de schaduive: ongekreukt (Ps. 91 : 1), en in eene eerbiedige donkerheid daar haar oog niet zien, haar verstand niet doorgronden zou wat haar geschiedde \').

Deze Goddelijke kracht echter werkte. En wat werkte zij ? Zij formeerde , bereidde in Maria uit haar vleesch en bloed de kleine grondstoffe eener menschheid , den kleinen tabernakel , waarin het wezenlijke Woord zich neerliet en die Hij als zyn eigen aannam om daarin te wonen , die heilige menschelijke natuur, met welke de Zoon Gods zich persoonlijk vereenigde, waarachtiglijh aannemende eene ivare menschelijke natuur, met alle hare zwakheden (uitgenomen de zonde) , ontvangen zijnde in het lichaam der gelukzalige maagd Maria , door de kracht des Heiligen Geestes, zonder mans toedoen (Nederl. Belijd, des Gel Art. XVIII.)

De Heilige Geest heeft niet iets materiëels in Maria aangevoerd. De Manicheërs stelden dat Christus uit den

\') Het overschaduwen is geon oupheraistischu aanduiding van eene soort van coitus, zooals velen het verstaan, hetwelk tot du koerde voorstelling leidt als ware do H. Geest de vader van het kind. Ook is het geene toespeling op eenen vogel die zijne eieren broeit. Maar »de uitdrukking is aan eene wolk ontleend,quot; gelijk ook Van Oosterzee , Leven van Jezus I. p. 321 aanneemt, die intusschen evenwel ook een euphemisme daarin vindt van huwelijksgemeenschap, hetwelk toch bij do wolke niet past. Wij moeten denken aan de oudtestamentische Godsopenbaringen in eene wolk , Ex. 40: 34 en dikmaals , ook nog Luc. 9 : 34. Zie Meyer zu Luc. 1; 35.

-ocr page 362-

§ 6. MENSGHWORDING.

hemel het lichaam (lichaampje) had aangebracht in de baarmoeder der maagd , hetwelk zij wilden bewijzen uit 1 Kor. 15 : 47 : De eerste mensch is uit de aarde, de tweede mensch is de Heere uit den hemel. Ook de oude Weder-doopers leerden , om den Zaligmaker vrij te doen zijn van de erfzonde , dat Hij zijn vleesch niet heeft genomen uit de substantie Maria\'s , maar uit een hemelsch zaad , alzoo dat Hij als het ware door haar slechts ware doorgegaan en alzoo in de wereld gekomen , waardoor de waarheid der ontvangenis uit eene vrouw en de vervulling van Gen, 3: 15 wegvalt en Christus ons een vreemde is. Daarom belijden wij [tegen de ketterij der Wederdoo-pers \'), die loochenen dat Christus menschelijk vleesch van zijne moeder aangenomen heeft) dat Christus is deelachtig geworden des vleesches en hloeds der kinderen; dat Hij eene vrucht der lendenen Davids is naar den vleesche ; eene vrucht des luiks van Maria, geworden uit de vrouwe, eene spruite Davids; een scheute uit den wortel Jesse ; gesproten uit het geslacht Juda\'1). Nederl. Belijd, des Oei. Art. XVIII. {Kort Begrip Vr. 28).

\') De onderling nog al verschillende gevoelens van Menno Simons en zijne volgelingen over Christus\' ontvangenis, deelt, uitvoerig mede C. Vitringa, Doctrina Christ. Relig. V. p. 483-493.

2) Jozef en Maria stamden beiden van David. Do genealogie bij Mattheüs doet 1: 1(5 zich zolve kennen als die van Jozef. Lucas heeft de geslachtslijst van Maria. Want daar hij 3: 28 mot de aanmerking begint: Jezus was zooals men meende, W9 èvofal^sto, de zoon Jozefs on dan hierop doet volgon toü \'HA;, dos [zoons] Eli, kan het zijn oogmerk niet zijn gowoest, de geslachtslijst van Jozef te geven. Nadat hij vooraf Jezus\' bo-vennatuurlijko ontvangenis en geboorte uit Maria hooft bericht

342

-ocr page 363-

§ 6. MENCCHWORDING.

Uit Maria\'s substantie is genomen niet alleen hetgeen tot de ontvangenis der heilige vrucht maar ook al wat voorts tot voeding van deze strekte. Het was de vrucht haars buiks, Luc. 1 : 42 i). Zegt bij Mattheüs 1 : 20 de Engel tot Jozef: hetgeen in haar ontvangen is , dat is uit den Heiligen Geest, zoo beteekent dit uit niet de stoffe der vrucht maar hare oorzaak , niet de materiëele maar de uitwerkende oorzaak en dus den Heiligen Geest niet als Vader maar als bewerker2).

en uu weer herinnert dat Jezus niet werkelijk Jozefs zoon was, maar alleenlijk daarvoor gerekend werd, kan hij nu immers niet willen opnoemen do voorvaderen van hem , van wien Jezus niet afstamde. Dus kan Eli niet anders dan de schoonvader Jozefs, de vader van Maria zijn. Het is dus hot geslacht van Maria\'s Vader, \'t wolk de E/angelist beschrijft. Nader bewezen en gestaafd is dit op afdoende wijze door Kbrard, Wissenschaft,I. Kritik der evangel. Gesch. 3te Aufl. S. 245 If. Zoo ook Van Oosterzee, Leven van Jezus 1846. I. p. 310 v.v. Ook üa Costa dacht eerst zoo . Voorlez. over de Versch. en Overeenst. der Vier Evang. I. p. 151. Later II. p. 492 ontkende hij Maria\'s afkomst uit David en bracht haar, op grond van hare verwantschap mot Elizabet, tot den stam Levi, hetgeen met velen ook Meyer zu Luc. 1 : 36 niet afkeurt. Dit, reeds oude , gevoelen is weerlegd door Ebrard, »Maria\'s vader kon uit den stam Juda en zij evenwel eene bloedverwante van de Levietische Elizabet zijn , eenvoudig hierdoor , dat haar vader eene zuster van do moeder Elizabets ter vrouw had,quot; a. W. S. 255, en bereids door P. Van Mastricht, Godgel. II. p. 642 v.v. Witsius, Miscell. Sacr. I. Gap. 23. § 27. p. 291. De Moor, Comment, in Marck III. p. 558. Cap. XVIII. § 11. Hebr. 7 : 14: Want het is openbaar , dat onze TI eer e uit Juda gesproten is.

\') Het doet hieraan niets af, wanneer Luc. 1: 35 na to yewciftsvov de woorden èx lt;rov naar de voornaamste codices moeten wegvallen. Intusschen heeft Laohmann zo niet geheel verworpen.

5) P. Van Mastricht, Godgel. II. p. 628 boven.

343

-ocr page 364-

6. MENSCHWORDING.

Doch niet als of Christus\' ontvangenis het werk is geweest van den Heiligen Geest alleen. Iedere Goddelijke werking naar buiten behoort aan geheel de Drieëenheid, maar de Heilige Geest is do uitvoerder»). Zoo zijn dan ook hier\' de drie Personen aan \'t werk: de Vader, die den Zoon in de wereld zendt (Joh. 10: 36) en aan David de rechtvaardige Spruite verwekt (Jer. 23 : 5), de Zoon die door eene vrijwillige daad zijner liefde het vleesch, de menschelijke natuur aanneemt, de Heilige Geest die over de maagd komt en door wien de Vader en de Zoon het werk uitrichten en dien dit werk bijzonder past naar de Hem eigene taak: vruchtbaar te maken, leven te wekken en te heiligen,

Maria was maagd, toen zij Jezus ontving, bleef maagd al den tijd barer dracht, gedurende welken het lichaam, dat in haar was geformeerd , uit haren bloede werd gevoed en naar de wijze aller menschen groeide, totdat zij „na verloop van den ordinairen tijd op de ordinaire wijze baarde en het is geloofelijk dat zij ook tot op haren dood maagd is gebleven\'^). —

\') Zie Vierde Hoofdstuk § 33. bl. 529 v. Zesde Hoofdstuk § 7. bl. 649. P. Vaa Mastrioht, Godgel. II. p. 627. 635 : »wel eens grovelijk vergeleken bij drie, maar één kleed makende, door éénen hunner alleen aan te trekken.quot;

2) Brakel, Red. Godsd. I. p. 409. Zoo ook March, Com-pend. Cap. XVIII. 11. p. 312: hij houdt het voor probabilius, a Mariae coutactu oonjugali Josephum etiam post nativitatem Jesu miraculi gratiosi intuitu abstinuisse. Desgelijks De Moor, Commentar. III. p. 563—566 En algemeen »do leeraren onzer Kerkequot;, naar C\'. Vitringa , Doctr. Christ. Rel. V. p. 464—470, zonder het echter ala een noodzakelijk geloofsstuk aan te dringen , vergel. P. Van Mastrioht, Godgul. II. p. 626.

Do Roomsche Kerk belijdt en prijst don bestendigen maagdom

344

-ocr page 365-

§ 6. MENSGHWORDING.

Christus is zonder zonde geboren. De Engel noemt hetgene uit Maria geboren zou worden het Heilige. En waarom en waardoor was het heilig ? Omdat en doordat de Heilige Geest over haar kwam en de kracht des Al-lerhoogsten haar oversehaduivde en alzoo hetgeen in haar ontvangen word uit den Heiligen Geest was. Dit moet

van Maria. Cat. Roman. P. I. Cap. IV. Qu. 8. ed. Tauchn. p. 37: ipsius incorruptam et perpetuam virginitatem verissimis laudibus celebrnmus. Hare Godgeleerden ijveren er zeer voor en beroepen zich op do traditie. Ook de (oude) Lutheranen stellen dat Maria ua Christus\' geboorte maagd is gebleven. De Remonstranten stellen hot in twijfel. C. Vitringa a. W. V. p. 470.

Galvinus, Commentar. in Matth. 1 : 25 gedenkt aan de beroeringen welke llelvidius, een leek te Rome , tegen het einde der vierde eeuw in de Kerk verwekte door do bewering, dat de zoogenaamde «broeders van Jezusquot; eigenlijke zonen van Jozef en Maria waren , later geboren. In Hiëronyinus vond hij een overmachtig en heftig bestrijder. Neander, Kirchengesch. 1830. II. 2. S. 488 f.

Mattheüs 1 : 25 zegt: Jozef heeft zijne vrouw tot zich genomen En bekende haar niet tot dat ov) zij dezen haren eerstgeboren Zoon gebaard had. Galvijn noemt llelvidius\' gebruik van deze plaats oen voorwendsel; verklaart voor dwaas en verkeerd uit \'s Evangelisten woorden te besluiten wat na Christus\' geboorte zij gebeurd; ziet iu haren eerstgeborene alleen een getuigenis van Maria\'s maagdolijken staat toen zij Jezus baarde ; erkent dat de Evangelist, verzekert: Jozef heeft mot haar niet te doen gehad totdat zij Jezus baarde, en wol zoolang (hoe quoque ad idem tempus rostringitur), terwijl hij, wat daarna zij gevolgd , niet aanduidt; eindelijk, hij wil er niet over twisten. Voor Mattheüs kwam hot .hier immers ook eenig en alleen aan op de vervulling der voorzegging Jezaja\'s van des Zaligmakers geboorte uit eene maagd. P. Van Mastricht, Godgel. II. p. 630: »do eerstgeborene zijner moeder, niet omdat er na Hem meer andore uit Maria zijn geboren geweest, maar omdat er

345

-ocr page 366-

§ 6. MENSCHWORDING.

ons genoeg zijn en het is wat de hoofdzaak betreft ook afdoende. Dit erkennende kan men over het hoe verder nadenken.

Hoe kon Jezus zonder zonde geboren worden uit eene moeder, die niet zonder zonde was , die erfzonde en dadelijke zonden had ?

niemand voor Hem uit haar geboren is.quot; Overigens is Calvijn\'s gevoelen niet twijfelachtig, blijkens zijne verklaring van Jezus\' broeders voor verwimten , Commeutar. in Johann. 1 : 12 en bijzonder in Matth. 13: 55 , waar hij uitdrukkelijk Holvidius\' stelling con onkundig verzinsel noemt. Zijne «broedersquot;, Jacobus\' Joses (naar eene andere lezing Jozef) en Simon en Judas Matth. 13: 55 waren waarschijnlijk zonen van Jozefs overleden broeder Alpheüs (Klopas), wiens vrouw ook Maria heette en die dus eene aangehuwde zuster van Jezus\' moeder was.

Dezelfde Evangelist noemt 27 : 56 onder degenen die bij het kruis van verre bleven aanschouwen, Maria Magdalena on Maria de moeder van Jacobus en Joses: dus hadden Jacobus en Joses (toch wel dezelfden die de Evangelist 13: 55 had genoemd) eene andere Maria tot moeder dan de moeder van Jezus. Drie van hen (eerst, ongeloovig) werden Apostelen : Jacobus, Simon en Judas, met reden telkens achter de andere Apostelen vermeld, ook Hand. 1 : 13. Worden daar v. 14 van hon de broeders dos Heeren onderscheiden , zoo bewijst dit dat er ook nog andere bloedverwanten van Jezus waren , zoo als Joses.

Voor eigenlijke zonen van Jozef en Maria houdt zo Van Oosterzee, Leven van Jezus 1846. I. p. 410. Dat zij bet «ï\'ei waren, wordt zeer overtuigend aangetoond door Hengstenberg, das Ev. der h. Johann. I. S. 149—155 , zu Joh. 2 ; 12. Ook Ebrard. Chr. Dogm. II. S. 101 houdt staande, dat Maria maagd is gebleven. En met nadruk Dr. A. Kuyper, Heraut. 1883. No. 27S. 277. Wel te recht mocht Hengstenberg t. a. pl. zijn betoog beginnen met do verklaring: Gegen die Annahme von leiblichen. Brudern Jesu hat sick der christliche Sinn von jeher lebhaft em-pört. Anders Kohlbrugge, Betrachting over het Eerste Kap. van

346

-ocr page 367-

§ 6. MENSCHWORDING.

De Socinianen lt;) hakken den knoop door met hunne loochening van alle erfzonde ; de Wederdoopers met hun „hemelsch zaadquot; ; de Roomschen2) met de onbevlekte ontvangenis en zondeloosheid van Maria zelve , waardoor echter het bezwaar slechts verplaatst wordt. De recht-zinnigen verschillen wel in de toelichting van het heil-geheim, doch komen in het wezen der zaak overeen. En wij zullen er -wel aldus over moeten denken.

Christus behoort niet tot degenen die in Adam gevallen zijn. Hij is wel uit Adam (Luc. 3 : 38), maar naar den vleesche , naar zijne menschelijke natuur, niet Hij naar zijne persoonlijkheid. Want deze Hij, dit Ik, de Persoon, was vóór Adam (Joh. 17: 5).

Adams overtreding van het proefgebod is al zijnen nakomelingen, die hij al te gader vertegenwoordigde, toegerekend als hun eigene zonde en uit oorzake van deze toerekening, dus krachtens de erfschuld worden alle menschen geboren zonder het beeld Gods (in nauweren

het Ev. van Matth., Uitg. door J. J. Gobius du Sart 1860. p. 158 : Het ligt in de natuur der dingen, dat Jozef met deze zijne eigene vrouw Maria , nadat zij haren Eerstgeboren Zoon bekomen had, op eene echtelijke wijze geleefd heeft. Maar hier waren bovennatnurlijke dingen, waarin dus eer hot tegondoel ligt. — Belangrijke opmerkingen geeft Roos, Die Lehre und Lebens-gesch. J. C. § 36: Von den leiblichen Anverwandten Jesu.

Onder do Gereformeerde Formulieren van Eenigheid is de blijvende maagdom van Maria uitgesproken in do Confessie Helvetica II. Cap. XI: — act.erni Dei aeternum filium credimus et docemus hominis factum esse filium — conceptum purissime ex Spiritu Sancto et natum ex Maria semper yirgine.

1) Negende Hoofdstuk § 15. bl. 4-7.

\'2) Negende Hoofdstuk § 16. bl. 54.

347

-ocr page 368-

§ 6. MENSGHWORDING.

zin), missende alle geestelijk goed, en met smet, verdorven , genegen tot alle kwaad. Want de schuld is de oorzaak van de smet.

Christus nu heeft niet in Adam gezondigd, Hem kon Adams misdaad niet worden toegerekend en wijl op Hem de schuld niet viel, kon ook haar gevolg, de smet, Hem niet aankomen\').

Hij heeft van den verboden boom niet gegeten. Wij wèl, in Adam. Wij allen. Hij niet.

Wel wortelt zijne menschelijke natuur in Adam, maar toch raakt Adams ongehoorzaamheid Hem niet. Want het proefgebod was niet gegeven voor de menschelijke natuur, maar voor den mensch, voor den menschelijken persoon, „hoedanig een de Zaligmaker nooit geweest is,quot; en wel voor Adam als vertegenwoordigend hoofd van allen die door de kracht der natuur op gewone wijze van hem, als zijne vermenigvuldiging , zouden worden voortgeplant , op welke wijze Christus niet is ontsproten van Adam , daar Hij uit den Heiligen Geest is ontvangen en als de tweede Adam tegen den eersten over staat, geboren niet uit krachte van den huwelijkszegen Gen. 1 ; 28 maar naar de belofte Gen. 3: 15. En Hij rein zijn van schuld en smet. Anders kon Hij de Middelaar niet zijn. Zoodanig een Hoogepriester betaamde ons.

348

Uit het afzijn van schuld volgt het afwezen van smet. Daarom was het bij de komst des Zoons in het vleesch

1) Zie Negenck Hoofdstuk § 20. bl. 64. F. Van Mastrichl, Godgel. II. p. 646. March, Comp. Cap. XIX. 14. p. 328. De Moor, Comment. III. p. 737. Dr. A. Ruyper, Heraut 1883. No. 277.

-ocr page 369-

§ 6. MENSCHWOBDING

Gods zaak , de zaak des Drieëenigen, des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes te zamen, de menschelijke natuur die de Zoon aannam, vooraf te heiligen en voorts heilig te houden, haar van alle onreinheid te zuiveren en dan rein te bewaren. Het was de Heilige Geest die dit werk uitvoerde gt;).

Al wat in en uit Maria was , was op zich zelf onrein. Uit haar kon iets reins niet voortkomen. Wie zal eenen reinen geven uit de onreinen ? niet één.

In haar nu zonderde de Heilige Geest iets uit hare substantie af en deed daarin eene formeerende levenskracht komen tot vorming der vrucht, dus tot eene werkelijke ontvangenis , die anders volgens den gewonen en ordelijken loop der natuur geschiedt door coalitie van hetgeen uit den man en de vrouw beiden is : fils een borduursel wonderbaar gewrocht van de eerste draden af in de nederste deelen der aarde. Ps. 139; 15; Ef. 4: 9.

349

De Heilige Geest heeft dit geheiligd: gezuiverd van alle dispositie tot zonde, van alles waarvan anders te zijner tijd de zonde zou hebben kunnen ontstaan. Hij heeft het in de moeder ontvangene bezield , zoodat het aldus de kiem werd van eene volledige menschheid, bestaande uit lichaam en ziel. Maar geen oogenblik op zich zelve bestaande , maar van het eerste oogenblik af aan den Persoon des Zoons Gods behoorende : de Goddelijke Persoon des Zoons , zijn Ik, heeft zich door den Heiligen Geest met deze beide , samen de menschelijke natuur uitmakende deelen onafscheidelijk vereenigd.

\') P. Van Mastricht, Godgel. JI. p. 622. 627. Fr. Ad. Lampe, Dissertat. 11. p. 249 sq.

-ocr page 370-

§ 6. MENSGHWORDINS.

En daar hetgeen in Maria door de werking des Heiligen Geestes was ontvangen, het bezielde embryo, voortdurend tot de geboorte toe uit het bloed der moeder werd gevoed en alzoo onder voortgaande invloeden van haar stond, zoo was het noodig, zou het rein blijven, dat het door den Heiligen Geest door heiliging van die invloeden, van al wat in Maria op de vrucht werkte, ook onafgebroken rein bewaard werd tot den einde toe. En aldus geschiedde het dat niet alleen hetgene in haar was ontvangen, maar ook hetgeen uit haar yehoren werd , heilig was: het Heilige , gelijk de Engel sprak.

§ 7. Voorspeld.

De wondergeboorte was voorzegd. Jezaja 7: 15 had er duidelijk van geprofeteerd, had haar plechtig aangekondigd in benauwdheid der tijden.

Rezin , koning van Syrië , en Pekah , koning van het rijk der Tien stammen, van Israël, waren ten oorloge opgetogen tegen Achaz , den koning van Juda. Het stond voor Achaz wanhopig. Tegen de verbondene vijanden kon hij op verre na niet bestaan. En van God kon hij, een snood afgodendienaar , dien zijn eigen geweten veroordeelde , geen hulpe verwachten. Hij zocht het b\\j menschen , hij lonkte naar Assyrië en dacht op een verbond met dat rijk.

De Heere kwam tusschenbeide. Op zijn bevel gaat Jezaja tot den koning, die met zijn gevolg bij de bronnen var. de waterleiding ten noorden van Jeruzalem is , om deze te verstoppen , opdat de vijand niet hadde te drinken.

De Profeet heeft goede , bemoedigende tijding, ook aan-

350

-ocr page 371-

§ 7. VOORSPELD.

geduid door den zinnebeeldigen naam zijns zoons dien hij heeft meegenomen , Schear-Jaschub , betcekenende : „een overblijfsel zal wederkeerenquot; (tot den Heere). Hij verzekert in den name Jehovahs: deze vijanden zullen tegen Juda niets uitrichten maar zeiven verbroken worden. Gelooft alleenïijk!

Op Jezaja\'s rede bewaart Achaz een voornaam stilzwijgen , zij heeft op hem geenen indruk gemaakt.

De Profeet verklaart zich bereid, door een wondertee-ken, hetwelk de koning maar zal bepalen , de almacht des Heeren en zijne Goddelijke zending te staven. „Dal doe ik niet, ik wil den Heere niet verzoekenquot;, antwoordt de huichelachtige koning.

De Profeet ziet van Achaz af, maar voor het huis Davids stelt hy nu zelf een teeken, om de godvreezenden in het vertrouwen op den Heere en in de hope op Hem te sterken. Hij richt hun geloove op aan de vaststaande waarheid en belofte , dat de Heere in den Zoon der maagd op de wezenlijkste wijze en in den volkomensten zin met zijn volk zal zijn en dat dit hun nu een waarteeken en onderpand moet zijn van redding ook uit het tegenwoordige gevaar. Daarom, wijl gij geen teeken wilt bepalen, daarom .zwZ rfe Heere zelf ulieden een teeken geven: Zie eene (de) maagd zal zwanger worden en zij zal eenen zoon haren en zijnen naam Immanuël heeten , Jez. 7 : 14.

De Heere geeft hun dit teeken in dienzelfden oogenblik, namelijk door deze verkondiging. Want de zwangerschap der maagd en de geboorte Immanuëls staat den Profeet als tegenwoordig voor oogen en wordt door deze voorspelling den volke te zien gegeven. „Ik zie, betuigt hij, de wonderbare gebeurtenis der toekomst, de geboorte des

351

-ocr page 372-

§ 7. VOORSPELD.

Verlossers uit de maagd. Vreest dan niet, dat God zijn volk , in hetwelk eens de Verlosser zal worden geboren , nu of ooit geheel zal verlaten.quot;

De door den Profeet vooraf uitgesprokene belofte Gods van de mindere bevrijding uit den tegenwoordigen, uitwen-digen nood wordt hier voor de zwakgeloovigen met kracht gestaafd en verzekerd door eene nieuwe buitengewone openbaring der oude , maar door gemis van geloof overdekte waarheid, als een opflikkerend licht in de duisternis, namelijk door de stelligste en helderste belofte van Aehoogere en grootste verlossing\') die de Messias, zelf een Wonder wonderbaar teweeg zou brengen en die ook de ware en eigenlijke grondslag was van alle Gods gunstbewijzen jegens onwaardigen. De Profeet wijst tot bemoediging het volk evenzoo op den komenden Zaligmaker gelijk als de Apostel Paulus op den gekomenen Rom. 8 : 32 : Die ook zijnen eigenen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Bent. voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken ?

Beschouwt men de Godspraak uit dit oogpunt, dan valt daarmede reeds het voornaamste bezwaar weg, hetwelk men tegen de Messiaansche verklaring heeft ingebracht: namelijk dat de verwijzing naar den Messias hier doelloos en ongepast zou zijn. Er wordt, zegt men, iets tegenwoordigs bedoeld (de maagd zou volgens sommigen de verloofde van den Profeet zijn, wiens eerste vrouw ware gestorven), ivant hetgeen eerst na honderden jaren stond te komen, kon voor toen geen teeken zijn*). Voor Achaz niet, maar voor de

\') C. Vitringa, Comment, iu Jes. 7 : 14. I. p. 223. Hmg-stenberg, Christol. dos A. T. 2to Ausg. II. S. 60.

2) Aldus ook zelfs Olshausen , Commentar. zu Matth. 1: 23.

352

-ocr page 373-

§ 7. VOORSPELD.

Godvreezenden, Voor de moedelooze vromen in Israël was het een waarteeken van redding en wel van schielijke, uit het tegenwoordige gevaar Vs. 15 , 1G. Maar voor den ongeloovigen en goddeloozen Achaz en zijne gelijken volgt van Vs. 17 aan iets anders: de aanzegging van bange dagen voor hem en voor zijn volk en voor zij as vaders huis juist door die wereldmacht, de Assyrische voorop , bij welke men hulpe zocht, verdrukkingen die in zijnen tijd begonnen en waartoe hij den grond legde.

De Messiaansche opvatting van Jez. 7:14 was in de Christelijke Kerk, bij de Kerkvaders en de Christelijke uitleggers heerschende tot op het midden der 18de eeuw).

Alle tegenspraak moet zwichten voor de getuigenis en gezag hebbende verklaring des Evangelisten en Apostels Mattheüs.

Nadat deze de zwangerschap Maria\'s uit den Heiligen Geest en de bekendmaking daarvan en van de aanstaande geboorte des Zaligmakers uit haar door den Engel aan

Ook Van Oosterzee, Leven van Jozus, 1846 I. p. 345 noomdo het twijfelachtig of Jez. 7: 14 werkelijk door den Profeet met het oog op don toekomstigen Verlosser was gesproken. Doch later is hij voor de Messiaansche verklaring uitgekomen, in zijue Christologie 1855. I. p. 258 v.v.

Do waarheid is reeds duidelijk in het licht gesteld door G. Vitringa, Observation. Sacr. 1778. III. p. 14 sqq. Togen Ols-hausen , in het bijzonder door Hengstenberg, Chriatol. des A. T. 2te Ausg. I. S. 581 ff. II. S. 59 f. S. 73.

1) Hengstenherg, Christol. des A. T. II. S. 58. Natuurlijk onder tegenspraak dor Joden. De oudere Joodsche uitleggers beweerden : »de maagdquot; (vrouw) was de gemalin van Achaz, en Immanuöl was Hizkia. (Maar Hizkia was toen reeds ten minste 9 jaren oud).

öravemoijor , Gorof. Gol. leer. II. 23

353

-ocr page 374-

§ 7. VOORSPELD.

Jozef Hoofdst. 1 : 18—21 heeft vermeld, zegt hij Vs. 22: En dit alles is geschied , opdat vervuld zoude ivorden het-gene van den Heere gesproken is door den Profeet, zeggende: 23. Zie de maagd zal zwanger worden en eenen zoon haren en gij zult zijnen naam heeten Emmanuel; hetwelk is, overgezet zijnde , God met ons.

De maagd , zegt Mattheüs. Ook bij Jezaja 7 : 14 is het niet eene, maar de: de Profeet zag in den geest haar als tegenwoordig\').

De maagd, heeft Mattheüs. Dus wordt de beteekenis van almah bij Jezaja hier door den Evangelist tegen alle weerspraak vastgesteld. Almah is geen jonge vrouw maar jongedochter1). Hare maagdelijke reinheid wordt niet alleen door de beteekenis des woords, maar door het verband in de Godspraak noodzakelijk vereischt en ondersteld. Want wat teeken , wat wonders zou het anders zijn ? Maar het is : maagd en toch zwanger , zwanger en toch maagd.

hnmanuël zou de naam zijn van het wonderkind. Niet als eigennaam, maar uitdrukking en kenmerk zijns wezens. Niet slechts strekt deze naam in het algemeen tot waarteeken en ter aanduiding voor het bedrukte volk, dat „God met henquot; zou zijn, met zijne hulp en bescherming,

354

1

) Hengstenberg, Christol. des A. T. 2te Ausg. II. 53 ff. Bold, Christl. doa A. T. S. 235 f. Luther zeido; Kann mir ein Jude oder Christ beweisen , dasz almah etwa in der Schrift eino Frau heiszt,, der soli hundert Guldon hei mir habon, Gott gebe wo ich sio finde. Zie Hengstenberg 1. c. Niet onbelangrijk is de toelichting over Jez. 7: 14, 15 door Roos, Uio Lohre mid Lebensgesch. J. C. II. § 226.

-ocr page 375-

§ 7. VOORSPELD.

maar de Profeet heeft daarbij voor oogen den hoogsten en waarachtigsten vorm van het zijn Gods met zijn volk, blijkens zijn eigene uitspraak Hoofdst. 9:5, hetwelk tot stand kwam, toen het Woord vleesch werd , toen God werd geopenbaard in het vleesch.

De Godspraak bij Jezaja voorspelt alzoo, dat eens onder het verbondsvolk de Messias uit eene maagd zou worden geboren, als God-met-ons , God met de menschheid in één , met de menschelijke natuur. En de Evangelist en Apostel Mattheüs verklaart, dat die Godspraak alleen op Jezus ziet en dat de wondergeboorte van Jezus niet slechts de hoogste maar de eenigste vervulling van haar is.

Ook Micha , Jezaja\'s tijdgenoot, gewaagt er van 5:2: ^ Daarom zal Hij henlieden overgeven tot den tijd toe dat

zij, die haren zal, gebaard heibei), hetwelk ongetwijfeld op de moeder des Verlossers , des Heerschers in Israël ziet, wiens geboorte te Bethlehem de Profeet in het eerste vers heeft aangekondigd. Het is de baarster te Bethlehem , die de Profeet voor oogen heeft, zij die Israels Koning baart, wiens zegenrijke werkingen voorts worden geschetst: bekeering en hereeniging : dan zullen de overigen zijner broederen (die door zijne geboorte van de te Bethlehem barende zijne broederen zijn geworden) zich hekeeren met de kinderen Israels (het ware verbondsvolk, van hetwelk zij los gescheurd waren , vergel. Mal. 4: 6).

1) Hengstenberg, Christel, dos A. T. 2to Ausg. I. S. 593 if. Van Oosterzee, Christologio J,. p. 244 v.v. Böhl, Christol. des A. T. S. 226 f. Anderen verstaan mot minder grond do harende )• geestelijk van Sion , de gemeente en denken dat dozo profetie

vooruit wijst op hetgeen Op. 12 : 1 — 5 vertoond wordt. Vorgel. Rieger, Kurze Betracht, über die 12 kl. Propheten 1835. 8.100.

355

-ocr page 376-

§ 8. GEBOORTEPLAATS.

En Hij zal staan en zal weiden in de kracht des Heer en enz.

Do eerste grond tot al deze voorzeggingen en verwachtingen was gelegd in de belofte van het zaad der vrouw, Gen. 3: 15 i).

§ 8. Geboorteplaats.

In eene geringe plaats is de Zaligmaker geboren , te Bethlehem , naar de voorzegging Mich. 5:1: En gij Bethlehem Ephratah , zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda ? uit u zal Mij voortkomen die een Heer-scher zal zijn in Israël en iviens uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid.

356

Ephratah was de oudere naam van Bethlehem (Gen. 35 : 19). Bij den gewonen naam Bethlehem voegt de Profeet den alouden , door herinneringen uit den aartsvaderlijken tijd geheiligden naam Ephratah tot meerder plechtigheid en nadruk , om aan te duiden dat hij er wat groots van heeft te zeggen. Ook zijn beide namen merkwaardig door hunne beteekenis. Bethlehem zegt broodhuis, Ephratah vruchtveld; gelegen in eene vruchtbare landstreek , met rijke weiden , vanwaar vele lammeren naar het naburige Jeruzalem ter offerande werden

1) Zio Tiende Hoofdstuk § 2. Anselmus, Car Deus homo II. 8. ed. Fritzscho p. 58 : Op vierderlei wijze kan God eenen mensch voortbrengen : of van man en vrouw , blijkens voortgaande ervaring; of noch van eenen man noch van eene vrouw , zooals hij Adam schiep; of van een man zonder vrouw , gelijk Hij Eva formeerde ; of van eene vrouw zonder man , hetwelk Hij tot hiertoe nog niet had gedaan. Dat ook dit in zijuo macht stond , wildo Hij nu toonou.

-ocr page 377-

§ 8. GEBOORTEPLAATS

gehaald. Hetgeen beide namen beduiden, is het in het geestelijke door Christus geworden.

Het stedeke was klein , wordt zelfs in het register der steden van den stam Juda (Joz. 15) niet eens genoemd. Het had geenen rang onder de steden, geen eigen Overste , geen Hoofd dor duizenden Israels (Num. 10 : 4). Maar uit die plaats die te klein was om een enkel zelfstandig lid van het volkslichaam te wezen, zou hot Hoofd voortkomen.

Mij zal voortkomen, zegt door \'s Profeten mond de Heere. Mij, dat zegt: het was zijne zaak, Hij zou \'t doen en Hij kon het. Door dit Mij worden de geloovigen in \'t vertrouwen op de belofte gesterkt, daar het hen bij Gods besluit en almacht bepaalt, om uit het geringe zoo groots te doen voortkomen, \'t Is tevens eene herinnering aan David, het voorbeeld van Christus. Had God niet David uit dit onaanzienlijke Bethlehem, den geringsten onder zijne broederen van een herder der schapen ten herder der volken gemaakt ?

Het slot dezer Godspraak gewaagt van den hoogeren oorsprong des beloofden Heerschors in tegenstelling tegen de nederigheid van Bethlehem. Eerst wordt in het algemeen betuigd zijn bestaan voor zijne tijdelijke geboorte te Bethlehem : wiens uitgangen zijn van ouds; dan zijn eeuwig wezen voor allen tijd : van de dagen der eeuwigheid^).

Uit deze voorzegging wist men in Israël, dat de Chris-

\') Zio Vierde Hoofdstuk § 31. bl. 523. Tiende Hoofdstuk § 12. bl. 144. Hengstenberg, Christol. des A. T. 2to Ausg. I. S. 552 ff., vvions verklaring van VnXVIQ uitnangsplaatsen, oor-

TT

sprongen , do voorkeur verdient boven zijne openbaringen , welke laatste opvatting wederom wordt door Bold, Christol. dos A. T. S. 225.

357

-ocr page 378-

§ 8. GEBOORTEPLAATS.

tus komen zou van het vlek Bethlehem t waar David was, Joh. 7 : 42. En Mattheüs 2 : 4 v.v. zegt ons , dat de bijeenvergaderde Overpriesters en Schriftgeleerden den koning Herodes , die wel weinig in den Bijbel had gelezen , onderricht hebben, dat de Christus te Bethlehem moest geboren worden. Daarbij haalt de Evangelist, dien het bijzonder te doen was om de vervulling der oude voorzeggingen aan te toonen, de profetie van Micha aan, met eenige wijzigingen (hij zegt: land Juda; en : de minste onder de vorsten Juda) tot meerdere verduidelijking i).

§ 9. Nederige omstandigheden.

De Zaligmaker werd geboren onder de nederigste omstandigheden , terwijl intusschen ook teekenen van den hemel getuigden dat hij de Heere was.

Nederigheid, druk en ellende kenmerkten tijd, plaats en wijze der geboorte van Hem, die licht en leven in de donkere , doodsche wereld en verlossing uit allen nood zou aanbrengen.

358

Israels volk was onderworpen aan een vreemden, Hei-

\') Naar Böhl, Die Alttestam. Citato im N. ï. S. 7 ff. zouden de Schriftgeleerden en desgelijks Mattheüs uit den (Ara-meeschen) Volksbijbel hebben geciteerd. Mattheüs war an die-selhe Bibelübersetzung gehunden wie jene von Ilerodes befragten Sanhedristen. Maar meer grond dan doze hypothese heeft het gevoelen van Hengstenberg, Christol. des A. ï. 2te Ausg. I. 3. 580. 588, die met Calvijn oordeelt dat do afwijkingen door Mattheüs zolven zijn gemaakt, gelijk meermalen bij aanhalingen uit het O. T. geschiedt, niet om er iets wezenlijks in te veranderen , maar om , onder de leiding des Heiligen Geestos, den zin duidelijker en bopaalder uit te drukken.

-ocr page 379-

§ 9. NEDERIGE OMSTANDIGHEDEN.

denschon heerschor en zuchtte onder de Romeinsche wereldmacht , hot vierde dier in Daniels nachtgezichten , van hetwelk de Profeet zegt: het was schrikkelijk en gruwelijk en zeer sterk en \'t had groote ijzeren tanden, het at en verbrijzelde en vertrad het overige met zijne voeten (Dan. 7 : 7),

Maar ook de regeerder van dat rijk, de machtige vorst der toenmalige wereld moest buiten weten en wil dienstbaar zijn tot uitvoering van Gods raad. Het gebod der algemeene personenbeschrijving, hetwelk van den keizer Augustus uitging, noodzaakte Jozef en Maria, van hunne woonplaats , het Galileesche Nazaret, naar Bethlehem in Juda te reizen , waar volgens de voorzegging de Messias zou worden geboren. En juist nu , tegen het tijdstip, in hetwelk voor Maria de dagen vervuld werden dat zij baren zou, zoodat zij dit aldaar moest en nergens anders kon.

Zoo werd de voorzegging aangaande Bethlehem vervuld, niet doordat God rechtstreeks Jozef en Maria beval derwaarts op te gaan, maar door middel van het beschrijvingsgebod des Keizers te Rome, die van den Joodschen timmerman en zijne vrouw niets wist. Zoo verbergt God nog dikmaals de werken zijner Voorzienigheid en de uitvoering zijner beloften onder den gemeenen loop der wereld en der menschelijke ondernemingen en verrichtingen.

De dag van Jezus\' geboorte, zelfs het jaar wordt niet genoemd \')• hi de Heilige Schrift wordt de geboortedag

\') lu allon govallo nog bijquot; hot leven van Herodes den Groote, die in het jaar 750 na do stichting van Rome stierf. De ge-wono Christelijke tijdrekening stelt Christus\' geboorte ongetwijfeld ton minste vier jaren to laat. Uitvoerig is de zaak behandeld ook door Ebrard, Wisschensch. Kritik der evangel. Geschichto.

359

-ocr page 380-

§ 9. NEDERIGE OMSTANDIGHEDEN.

van geen enkelen mensch uitdrukkelijk gemeld; ook hierin werd dus de Zoon Gods den menschen gelijk.

Maria baarde\'). Zij wond het kind in doeken (Luc. 2: 7), omdat het naakt en met zwakke, teere leden ter wereld kwam evenals andere kinderen en deswege de gewone verpleging van kleine kinderen noodig had. Zij leide het neder in eene kribbe, in eenen beestenvoederbak, een betvijs dat Jezus werkelijk in eenen veestal is geboren : omdat er voor Jozef en Maria, arme lieden, geene plaats was in de herberg. Zoo nederig werd Jezus geboren,

Intusschen gaven ook teekenen van den hemel getuigenis van zijne heerlijkheid en het zou aanstonds openbaar worden wie Hij was; door de verkondiging des Engels aan de herders en door den lofzang der hemelsche heir-scharen (Luc. 2 : 8—14),

Jozef en Maria zeiden niemand iets van de hooge waardigheid des kinds; ook geschiedden er te Bethlehem geen wonderen en teekenen, die het kenbaar maakten. Maar tot de nederige, eenvoudige herders op het veld, ook wel verwachtende de vertroosting Israëls , kwam in dienzelfden nacht de hemelbode vol heerlijkheid met de tijding : U is heden geboren de Zaligmaker , welke is Christus, de Heere, in de stad Davids. Het nederige liggen des kinds in de

Dritto Aufl. S. 198 ff. Hij zelf stolt Christus\' geboorte in do maand Mei 747 na de stichting van Rome. S. 286.

\') De Roomschen laten haar zonder smart baren. »Tot Eva is gezegd : Met smart zult gij hinderen haren. Maria werd van doze wet bevrijd — — zonder eenig gevoel van smart hoeft zij Jezus den Zone Gods gebaard.quot; Catoch. Rom. P. I. Cap. 4. Qa. 9. ed. Tauchn. p. 37. Daartegen P. Van Mastricht, Godgel. II. p. 652.

360

-ocr page 381-

§ 10. WAAROM ZOO ARM.

kribbe werd hun tot kenteeken gesteld, on) niet te missen. Meteen zagen zij eene menigte van Engelen in de lucht zweven en hoorden in verstaanbare , tnenschelijke, Israëlietische taal hunnen lofzang over het groote doel van Jezus\' komst op aarde : Gods eere en de zaligheid van menschen door verzoening met Hem.

De herders , met den stal wel bijzonder bekend, misschien voor hun eigen vee dienende , kwamen , zagen , geloofden en werden de eerste en onverdachte getuigen van het wonder.

§ 10. Waarom zoo arm.

De ontblooting des Zoone Gods van zijne heerlijkheid, zijn komen in de wereld als een kind, klein, naakt en arm was het noodzakelijke begin van zijne voldoening voor \'s menschen zonde.

De zonde was begonnen ontkennender wijs met losmaking van Gods Woord , stelliger wijze met zelfzucht, zelfverheffing. De mensch wilde wezen als God, naar de voorspiegeling des duivels (Gen. 3 : 5) i).

Met secern2) ving de verlossing aan. Gods Zoon, die bij God was en God was, werd vrijwillig den menschen gelijk, werd een arm mensch , om voor de armen den grootsten schat te verwerven.

Want gij weet de genade omes Heeren Jezus Christus, dat Hij om uwentwille is arm geworden, daar Hij rijk ivas, opdat gij door zijnen armoede zoudet rijk worden, 2 Kor. 8:9. De Apostel vermaant de geloovigen in de rijke koop-

\') Negende Hoofdstuk § 5. bl. 16. § 9. bl. 22.

ï) Elfde Hoofdstuk § 26. bl. 257.

361

-ocr page 382-

§ 10. WAAROM ZOO ARM.

stad Korinthe tot milddadigheid voor de arme Christenen in Jeruzalem. Hij spoort hen aan door het voorbeeld der Macedonische gemeenten, die in hare zeer diepe armoede ruim hadden bijgedragen.

Maar dan wijst hij hen op de onuitsprekelijke genade, de vrije liefdedaad van Christus, die alles, die zich zeiven gaf. Die liefdegeur moest elk tot liefde nopen. Want liefde is liefdes wetsteen.

Niet voor zich zeiven , maar om uwentwille, zegt de Apostel tot de geloovigen , is Hij arm geworden, daar Hij rijk was. Het rijk zijn ziet op het eeuwige bestaan des Zoons in heerlijkheid bij den Vader, het arm worden op de vrijwillige verzaking daarvan uit erbarmen met den nood der menschen. Daar Hij rijk was \') is te verstaan van hetgeen Hij (één en dezelfde Persoon) vóór zijne menschwording was. En Hij is arm geworden\'1) betee-kent eene eenige, volbrachte daad; niet geheel zijn leven in armoede en nederigheid (schoon dit er noodzakelijk uit en op volgde) maar zijne zelfvernedering hiertoe,

3G2

1

) Tr\'Aovvios wv. Niet: ofschoon Hij (ook gedurende zijn leven op aarde) rijk was, maar : als of toen Hij rijk was, namelijk voor zijn komst in hot vleesch; uv is op te vatten als participium imporfeeti.

s) £7rrcc%£iH7£. HTa%£usi)/ beteekend arm zijn, maar do aoristus duidt een feit aan , hot arm geworden zijn. Hij word arm, tvanneer Hij zich zeiven heeft vernietigd, de gedaante eens dienstknechts aannemende. Zoo te recht onze Kantteek. Desgelijks Meyer. Hij werd arm naar do Goddelijke natuur (door verberging) : P. Van Mastricht, Godgel. II. p. 612. 615. Hij was rijk eer Hij nederdaalde, en Hij is arm geworden voor ons toon Hij nederdaalde; Dezelfde, p. (gt;71. Hij lelde het koningsgewaad af en trok een knechtsklced aan.

-ocr page 383-

§11. BESNIJDENIS. 363

om mensch te worden, zijn uitgaan en afdalen uit de heerlijkheid welke Hij in zijn voorbestaan had en zijne éénmaal geschiede intrede in den staat van nederigheid en armoede, zijn komen uit de Godsgestalte in het vleesch. En in deze zelfverzaking ging Plij dan voort tot in den dood des krulses.

Dat deed Hij als middelaar en plaatshekleedend Borg voor zijn volk: opdat gij door zijne armoede zoudet rijk worden, rijk inwendig aan geestelijk goed, rechtvaardigheid en vrede en blijdschap door den Heiligen Geest, als deel-genooten van het Koninkrijk Gods (Rom. 14: 17) en eenmaal ook uitwendig in heerlijkheid (Rom. 8 : 17).

2. L IJ D E N.

§ 11. Besnijdenis.

A. Door zijne geboorte uit eene vrouw werd de Middelaar aan het menschelijke levenslot onderworpen. Niet voor zich, maar plaatsbekleedender wijze voor de zijnen.

Want geboren is Hij niet voor zich, maar voor zijn volk: ons geboren, zeggen de geloovigen bij Jezaja 9 : 5, ««geboren, sprak de Engel tot de herders Luc. 2: 11. Alzoo heeft Hij ook niet voor zich, maar voor ons geleefd op aarde.

Wij moeten tweeërlei leven in Hem onderscheiden: het Goddelijk leven, hetwelk Hij van eeuwigheid als de tweede Persoon der Drieëenheid, als Zoon van den Vader heeft gehad (Joh. 5 ; 26); en het menschelijke leven, hetwelk in den tijd onstond door zijne ontvangenis uit den Heiligen Geest en geboorte uit de maagd Maria, een natuurlijk leven, krachtens de vereeniging van ziel en lichaam, welke

-ocr page 384-

§ 11. BESNIJDENIS,

Hij, de Persoon des Zoons, had aangenomen en waarin Hij nu in alles, de zonde uitgenomen, den menschen gelijk werd , een leven hetwelk Hij in den tijdelijkea dood aflegde en in de opstanding weder ontving i).

B. Was Hij door zijne menschelijke geboorte in de al-gemeene menschelijke toestanden ingetreden, zoo ontving Hij nu ook het onderscheidende kenmerk van het volk, waartoe Hij behoorde. Acht dagen oud zijnde, werd Hij dooide besnijdenis onder de wet der Joden gesteld. Hiermede is de voornaamste beteekenis zijner besnijdenis aangeduid, waarover zijn naam een liefelijk licht verspreidt.

Luc. 2 : 21: En als acht dagen vervuld waren, dat men het kindeken besnijden zoude, zoo werd zijn naam genaamd Jezus, welke genaamd ivas van den Engel eer Hij in den lichame ontvangen was.

Het kan ons verwonderen, dat Jozef en Maria het kind lieten besnijden. Want was de besnijdenis niet altijd eene getuigenis van onreinheid des vleesches en van de nood-zakelykheid der reinigmaking ? En zij wisten immers, wie het kind was, het Heilige uit Maria geboren (Luc. 1 : 35). Maar zij bleven in al hunne gedraging omtrent den geborene bij de gewone wijze en orde, zoolang zij niet door een buitengewone openbaring Gods anders werden aangewezen. Zoo lieten zij dan ook het kind besnijden, ofschoon hun dit niet uitdrukkelijk was bevolen. En in dezen hunnen ootmoed en eenvoud had de hemelsche Vader welgevallen. Van de naamgeving echter hadden zij een bijzonder bevel1).

\') P. Van Mastricht, Godgol. II. p. 671 v.

-) Roos, Die Lehro und Lobonsgesch. J. C. II. § 14.

364

-ocr page 385-

§ 11. BESNIJDENIS.

Het kind was acht dagen oud. De eeuwige Zoon Gods was nu in den tijd. Er was nu ook voor Hem een verloop van dagen. Hebr. 5: 7 wordt van de dagen zijns vleesches gesproken.

1. Hij werd besnedenquot;), a. Dit was het zegelteeken aan Hem van Gods verbond met Abraham, aan wien beloofd werd: in uwen zade zullen gezegend worden alle volken der aarde (Gen. 22 : 18); \'t was het merk in zijnen vleesche dat Hij tot het zaad Abrahams behoorde, zijnde Hij, de eenig Reine, dat Zaad bij uitnemendheid, van wien de zegen kwam.

b. Het was een vereischte en bewijs van zijne rechten als Israëliet en van zijne erkenning bij den volke als zoodanig* Hij moest met de Joden omgaan, kerkelijke gemeenschap oefenen en onder hen prediken, als zijnde gezonden tot de verlorene schapen des huizes Israels (Matth. 15: 24). Dat kon Hij niet zonder besneden te zijn; weshalve ook Paulus Timotheüs besneed, om der Joden wille (Hand. 16 : 3). Zoo alleen mocht Hij als openbaar Leeraar in synagoge en tempel optreden. Onbesneden ware Hij niet geduld2).

c. Het was dienvolgens een officieel blijk van zijne verbintenis aan de Wet der Joden , gelijk Paulus leert Gal. 5 3 : ik betuig een en iegelijlcen mensche die zich laat besnijden (die besneden wordt) dai hij een schuldenaar is de geheele Wet te doen.

2. Gewichtig was hierbij de naamgeving. Door deze

\') Lucas zogt dit wel uiot uitdrukkelijk. Doch hot ligt noodzakelijk iu zijn redebeleid. Immors hij wil blijkbaar zeggen, dat bij do bosuijdeuis de plechtige uaaingeving plaats had. Vergel. De Moor, Commentav. in Marck. V. p. 27G.

2) P. Van Mastricht, Godgel. II. p. 686. Egeling, Handboek. I. p. 342.

365

-ocr page 386-

§ 11. BESNIJDENIS.

wordt zijne besnijdenis in het rechte licht gesteld. De hemelsche Vader zorgde hierdoor voor do eere zijns Zoons. Was de beschamende en pijnlijke besnijdenis voor Hem eene vernedering, waardoor Hij aan alle Israëlietische kinderen gelijk werd , de naam Jezus i), reeds voor zijne ontvangenis door den Engel uit den hemel gebracht, toonde zijne hoogheid , gaf te kennen dat dit kind eigenlijk voor zich zelf geen besnijdenis noodig had, onderscheidde Hem van alle menschen als den Zaligmaker, als dien die gekomen was om alle gerechtigheid te vervullen (Matth. 3; 15), die plaatsbekleedend vrijwillig zich aan smaad en smart onderwierp, geworden uit eene vrouw, geworden onder de Wet, Opdat Hij degenen die onder de Wet waren verlossen zoude [en] opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden , Gal. 4:4,5.

Hier geschiedde zijn eerste bloedvergieten, voorteeken van het meerdere ; ook hier werd in Hem de zonde veroordeeld in het vleesch (Rom. 8:3); voorbeduid eene afsnijding uit het land der levenden (Jez. 53: 8) tot behoud van geheel zijn geestelijk lichaam ; verzekerd en bezegeld de geestelijke besnijdenis zijns volks , die zonder handen geschiedt, bestaande in de uittrekking des lichaams der zondenquot;1) .des vleesches (Kol. 2: 11), beginnende in de wedergeboorte, voortgezet door de heiligmaking en eens voltooid in de heerlijkmaking zoo des lichaams als der ziels).

\') Zie Elfde Hoofdstuk § 1.

2) tüv apxptiüv naar do gewouo lezing; nieuweren, ook Tischendorf, laten het weg wegens vele codices.

:l) March, Compond, Cap. XXIX. 42. Herm. Witsius, Oeco-nomia Foed. Dei Lib. II. Cap. X. 22.

366

-ocr page 387-

§ 13. VERVOLGING DOOH HERODES.

§ 12. Vervolging door Herodes.

Dat de Zoon Gods, geworden uit eene vrouw, nu ook inderdaad yeivordeti was onder de ivet, bleek uit zijne voorstelling in den tempel, Luc. 2 : 22—24, waar de Evangelist driemaal uitdrukkelijk van de Wet gewaagt (Num. 3:13. Lev. 12 : 6). Veertig dagen oud werd het kind Jezus door Jozef en Maria van Bethlehem naar Jeruzalem gedragen, opdat zij Hem den Heere voorstelden, waarbij zij een paar duiven lieten offeren , gelijk alle arme moeders deden. Mede een bewijs dat de Wijzen uit het Oosten er nog niet waren geweest met hunne geschenken; anders hadde zij wel een lam gegeven.

Terwyl alzoo nederig met Jezus naar de Wet gedaan werd, verwekte God twee nieuwe getuigen van de zaligmakende genade die nu was verschenen: Symeon en Anna (Luc. 2 : 25 v.v.).

Gesterkt keerden Jozef en Maria met het kind wederom naar Bethlehem.

367

Had Symeon het kind geprezen als een licht tot verlich-ting der Heidenen, weldra kwamen er te Jeruzalem reeds eerstelingen uit de Heidenen om naar het licht te vragen. Het waren W\'ysew (Magiërs), behoorende tot eene aloude orde van geleerden , inzonderheid sterrekundigen (Astrologen), voornamelijk in Perzië en Babylonië gezeteld, bij wie door de Joden aldaar, bijzonder sedert en door Daniël de belofte van den Messias bekend was. Zij hadden een buitengewone ster\') ontdekt (sterre, van ouds koningsteeken, reeds door

\') Naar Calvin. Commontar. in Mattb. 2 ; 1 eon Inchtver-schijnsol als oene komeet: probabile est (stellam) similom fuisso

-ocr page 388-

§ 12, VERVOLGING DOOR HKRODE3.

Bileam gezegd van Israels Koning Num. 24: 17 : Daar zal een sterre voortgaan uit JalcobJ. Door hoogere openbaring hadden zij daarin een Goddelijk teeken erkend, dat de beloofde Koning der Joden was geboren.

Door hunne komst te Jeruzalem en door hun vragen naar den geboren Koning werd Herodes verschrikt, ziende gevaar voor zijnen troon, en geheel de stad met hem , vreezende strijd en bloedige tooneelen. Want men dacht slechts aan een wereldschen Koning.

Nu bleek het dadelijk wat den Zone Gods van de wereld te wachten stond. Herodes besloot het kind op te sporen en te dooden.

Intusschen waakte God nauwkeurig voor het leven zijns in het vleesch geopenbaarden Zoon en betoonde zich als dien, die te niet maakt de gedachten der arglistigen, dat hunne handen niet een ding uitrichten (Job 5 : 12) en die een schild is dengenen , die oprechtelijk wandelen (Spr. 2 : 7).

308

Want de Wyzen kwamen \'s avonds, waar zij de sterre weer zagen, te Bethlehem. De heilige familie was nu niet meer in den stal, maar in een huis (Matth. 2: 11). Zij vonden den geboren Koning, dien zij zochten, wel niet meer in de kribbe, maar toch als een kindeken, klein en arm; met Maria, die uitwendig naar geen koningsmoeder geleek. Maar al deze armzalige omstandigheden maakten hen niet twijfelachtig. Door de sterre en door de bepaalde voorzeg-

comotao , in aöro potius qnam in coolo conspoctam. Naar moest al do nieuworon oono constellatio , bet samontreden van planeten (Jupiter en Saturnus), zich vertoonende als ééno stor. Verg. Ehrard, Wiss. Kritik. dor Evang. Gesch. S. 283 if. Maar in de Schrift is openbaar een wonderbaar verschijnsel bedoeld, zich vertoonende als eene schitterende ster.

-ocr page 389-

§ 12. VERVOLGING DOOR HERODES. 369

ging uit Micha, welke zij te Jeruzalem hadden vernomen, en door eene inwendige Goddelijke bevrediging die zij gevoelden, waren zij zeker dat zij zich ter rechte plaatse bevonden. Zij aanbaden het Kind en vereerden het met kostbare geschenken, zinnebeeldige offergaven, als hunnen Ko» ning en Priester (Matth. 2: 11. Vergel. Jez. 60: 6) i).

Maar terwijl Herodes door de Wijzen werd teleurgesteld, moest Jozef met het kindeken en Maria naar Egypte vlieden en daar in het vreemde land schuil zoeken tegen de woede des moordenaars.

])e vervolging van den pas geboren Heiland door Herodes was reeds een voorteeken van het lijden hetwelk Hij in deze booze wereld moest ondergaan, terwijl voor het geloof de ergernis werd weggenomen door de getuigenissen van zijne heerlijkheid. En zoo zien wij hier voor Hem al aanstonds gelijk op geheel zijnen levensweg, eere en verachting, aanbidding en haat, liefde en vijandschap samen wandelen1).

§ 13. Verborgen leven.

Het Kind Jezus was uit de handen van den Joodschen Pharao Herodes gered, gelijk voormaals Israël uit de klauwen van den Egyptischen vervolger. Na Herodes\' dood vertrok Jozef op Goddelijk bevel met het kind en de moeder wederom uit Egypte. Hij dacht, het kind moest weer naar de stad Davids. Doch, vreezende voor Archelaüs, Herodes\' zoon, die nu over Judea heerschte, even wreed als zijn vader, toog hij op Goddelijk aanwijs naar Galilea, waar

24

1

) P. Van Mastricht, Godgol. II, p. 275.

Gravemcijer , Goref. Gel. loor. II.

-ocr page 390-

§ 13. VERBORGEN LEVEN.

Ilerodes Antipas rustiger regeerde. Hij zette zich eindelijk neder in het kleine, verachte stadje Nazaret in den stam Zebulon, waar niemand den Zoon Davids zocht. Daar zou „het rijsjequot; (Hebreeuwsch netzer \')) , opgaan (Matth. 2 : 23. Jcz. 11 : 1). Deze zal groot zijn, had de Engel tot Maria gezegd Luc. 1 : 32.

Zoo werd het Kind Jezus omgevoerd , zeker met veel moeite en bezwaren voor Jozef en Maria, van Bethlehem naar Egypte, van Egypte weer terug naar het land zijner geboorte en door verscheiden streken des Joodschen lands eindelijk naar het afgelegen Nazaret, het Joodsche Abdera. Het moet ons verbazen, wanneer wij ons de ontberingen, zorgen en lasten dezer gejaagde zwervelingen voorstellen. Een arm man en eene arme vrouw , met een klein kind omtrekkende ! En dat kind was de Zoon Gods, de Zaligmaker , Christus, de Heere ,. die vrouw zijne moeder en de man zijn pleegvader. Diepe vernedering! Maar dit alles was een noodzakelijk deel van het verlossingswerk des Middelaars, het was om voor zijn volk de zalige ruste in het hemelsche Kanaan uit te werken. —

Als een gering mensch groeide Jezus op en leefde nederig en onderworpen in het verachte Nazaret.

Van den tijd tot zijn twaalfde jaar weten wij niets dan hetgeen Lucas 2 : 40 zegt: Het kindeken wies op en werd (jesterkt in den Geest en vervuld met wijsheid, en de ge-node Gods was over Hem.

\') P. Van Maslricht, Godgcl. II. p. 675. Volgons lleng-steuherg , Christol. des A. T. 2te Ausg. S. 124. 128 was Ti\'J

netser de ciguulijko on oorspronkolijke naam dor stad. Do naam dozcr stad, hare nodoriglioid aanduidende , was dezelfde door wolken Jezaja de aauvankeljjko nederigbeid de3 Messias toekende.

370

-ocr page 391-

§ 13. VERBORGEN LEVEN.

Dit dient juist ten bewijze, hoe diep de Zoon Gods zich had vernederd, hoe Hij zich zeiven had vernietigd. Hij was een kindeke, klein en teer en werd allengskens groo-ter. Hij was naar zijne menscholijke natuur eerst zoo onwetend als andere kinderen, die niet weten rechts en links te onderscheiden , Hij moest leeren zeggen Ahi en hnmi, mijn vader en mijne moeder, gelijk de andere Hebreeuw-sche kinderen (Jez. 8 : 4). Hij was waarlijk kind, maar in alles buitengewoon , een kind zonder zonde ; het kin-derlijkste kind, maar rein en vrij van alle kinderachtige dwaasheid en verkeerdheid. Onder den onafgebroken invloed des Geestes kwam ieder aanleg bij hem regelmatig en volmaakt aan den dag. Hij hoorde veel van zijne ouders, bijzonder uit den mond der verlichte moeder, maar voornamelijk was de Heilige Schrift des Ouden Testaments zijn boek, waaruit de hemelsche Vader hem onderwees. Hij werd voortgaande al meer vervuld met wijsheid , namelijk zooveel als het vat zijner menschelijke vermogens op iederen trap zijns tocneinenden leeftijds vatten kon. En zoovelen er in Nazaret het zonderlinge kind met eenige oplettendheid gadesloegen, merkten dat de genade Gods over Hem was.

Zijne wijsheid bleek in den tempel te Jeruzalem , toen Hij twaalf jaren oud was (Luc. 2: 46, 47), een lichtpunt uit het verborgen leven der dertig jaren, eene aanduiding dat Hij wist wie Hij was (Luc. 2 : 49) , een bewijs dat, wanneer Hij nu evenwel zijne ouders gehoorzaam bleef eeren , Hij dit geheel door vrijwillige zelfverzaking deed.

Hij ging met hen af naar Nazaret en was hun onderdanig (Luc. 2: 51), leefde daar nog 18 jaren in de verborgenheid en wachtte geduldig de ure af dat de Vader Hem

371

-ocr page 392-

§ 13. VERBORGEN LEVEN.

riep om zich te openbaren. Tot aan dien tijd toe heeft plaats gehad hetgeen Lucas 2: 52 zegt: En Jezus nam toe in wijsheid en in grootte en in genade bij God en de menschen. Ook bij de menschen : want Hij onthield zich nog van in het openbaar te leeren. Naderhand moest Hij zeggen: de wereld haat mij, omdat ik van dezelve getuig, dat hare werken hoos zijn. (Joh. 7 : 7).

Hij nam toe, gelijk in lichaamsgrootte alzoo ook in geestelijke gaven : blijk van zijne ware menschheid en van zijne diepe vernedering. Naar zijne Goddelijke natuur, in alles oneindig, kon Hij niet toenemen, maar naar zijne mensche-lijke natuur. Want daar Hij waarachtig mensch was, uit lichaam en ziel bestaande, zoo hadden zijne ziel en zijn lichaam, op zichzelve beschouwd, geene andere dan eindige gaven , die toenemen konden gelijk bij andere menschen. Omdat Hij nu in den staat der vernedering was en de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen had, hebbende zich zeiven uit vrije keus hiertoe bepaald om te zijn gelijk een ander mensch , zoo wilde Hij zijne Goddelijke volmaaktheden , Hem zoowel wezenlijk eigen als ook nu nog door de persoonlijke vereeniging zijner beide naturen Hem toekomende, niet gebruiken , maar alleen de eindige gaven. Vandaar zijn toenemen.

In het ruwe Nazaret had Jezus bijzonder gelegenheid om zijn geduld en gadelooze zelfverloochening te betoonen. Jozef was timmerman en het is waarschijnlijk dat Jezus hem in dit handwerk heeft geholpen (Mare. 6 : 3 Kantteek.y) Jozef

\') Volgens souimigo Ouden zou Jezus akkorgereedschappen, ploegen en jukken hebben gemaakt. De Moor, Commentar. in Marck. IV. p. 32 sq. Doch Mare. 6: 3 zoggen de Joden alleen: is deze niet de timmerman ? Wil men eene symbolische betee-

372

-ocr page 393-

§ 13. VERBORGEN LEVEN

stierf. Want deze wordt daarna, ook bij het eerste tceken te Kana (Joh. 2 : 1) en vervolgens niet meer als levende vermeld\'). En zoo heeft Jezus dan wel door den arbeid zijner handen zich en zijne moeder onderhouden. Dus wel geen gebrek, maar ook geen overvloed, geen vermogen. Arm kwam Hij, arm2) bleef Hij,

§ 14. Openbaar leven.

Van zijnen doop aan onderging Jezus al meerder lijden: verzoekingen van den duivel, haat en smaad van menschen en toenemende vervolging.

Omtrent dertig jaren oud (Luc. 3 : 23) wordt Hij gedoopt. De doop is voor Hem de plechtige wijding en Goddelijke installatie tot zijn openbaar leven en werken. De tijd zijner stille verborgenheid is afgeloopen. Zijne menschheid heeft zich van haar eerst begin in al hare vermogens onder den bestendigen invloed des Heiligen Geestes regelmatig en volkomen ontwikkeld. Zijne jeugd was schoon gelijk het morgenrood , zijn leven als jongeling en man gelijk de rijzende zon, zijn gansche wezen rein gelijk het licht. Maar nu Hij openlijk op zal treden, wordt Hij met den Heiligen Geest zonder mate gezalfd, tot den strijd aangegord en met alle noodige kracht uitgerust, om in zijn lijdensleven als Middelaar door zijne volmaakte gehoorzaamheid en plaatsbe-

konis, dan komt in aanmerking Zach. 6 : 12 , waar van Hem, don man wions naam is Spruite, gezegd wordt; Hij zal des Hecren tempel houwen.

\') March, Compend. Cap. XXI. 7.

4) Pauper, niet inops of egens.

373

-ocr page 394-

OPENBAAR LEVEN.

Ideodende genoegdoening de zege te behalen over duivel, zonde en dood.

Vol des Heiligen Geestes (Luc. 4: 1) voelt Hij zich aangedreven om terstond (Mare. 1 ; 12) van de Jordaan in de nabij gelegen bergachtige woestijn (Quarantania) te gaan, tusschen Jeruzalem en Jericho, om daar zijnen eersten strijd te bestaan , het voorbeeld van al zijn strijden. Veertig etmaal blijft Hij daar en at gansch niet in die dagen (Luc. 4: 2). Daar komt de vorst der duisternis Hem aanvechten, maar wordt geslagen.

Christus in de kale woestijn , door den duivel herhaaldelijk verzocht maar staande gebleven, is het volle tegenbeeld van Adam , in het rijke paradijs ten val gebracht.

Het waren niet bloot inwendige verzoekingen , zooals velen van vroeger en thans aannemen: werkingen van Jezus\' eigene phantasie , zoodat alles alleen in zijne verbeelding zou zijn geschied, de aanspraken en het tegenspreken , de verplaatsingen en vertooningen. Dat zou , hoe men het ook wende , dan altijd hierop uitkomen , dat Christus zich zelf had verzocht. „Dit zoude , herinnert reeds een onzer oude Godgeleerden , eene aardige schermutseling geweest zyn, waardoor Christus tegen zich zeiven zou gestreden , zich zelven aangevallen , zich zeiven uit de Schrift wederlegd en zich zelven overmeesterd en verslagen hebbenquot; \').

374

Het gezag der Schrift moet hier beslissen en wij mogen de verzoeking niet anders opvatten dan zoo als zij daar beschreven staat, als eene werkelijke ook uitwendig aldus geschiede gebeurtenis, evenzoo historisch als de doop

P. Van Mastricht, Godgol. II. p. 690

-ocr page 395-

§ 14. OPENBAAR LEVEN

welken de drie Evangelisten vooraf verhalen. Tot eene zinnebeeldige , oneigenlijke opvatting wordt niet de minste wenk of aanduiding gegeven quot;)

De verzoeker is de duivel, de overste der booze geesten. Naar Scliloierniacher en zijne volgelingen, nog verder gaande dan voormaals Balthazar Bakker , is er geen duivel3). Naar de Schrift wèl; evenzoo werkelijk bestaande als de Engelen die na do verzoekingen Jezus dienen.

Het verhaal lezende kan men niet anders denken dan dat de duivel in eene uitwendig zichtbare gedaante:l) tot Jezus is gekomen, en wel in menschengestalte zooals Engelen aan menschen doorgaans verschenen. In het paradijs liet God dat niet toe. Daar school dn Booze onder een lager wezen , een dier , eene slang. Daar zou zijn voorkomen in verhevener gedaante de menschen aanstonds hebben geïmponeerd; nu konden zij , gevallen zijnde , niet voorwenden het vermeende gezag eens hoo-

\') Aangaamlo do vorschillondo opvattingen van Christus\'verzoeking : als parabel, droom, visioen, mythus (bijzonder door Strausz , wiens behandeling der Evangeliën door Niedner, Kiv-cheugesch. 18G6 S. 74 treffend wordt genoemd: mylhologischer Kriticismus von Strausz) enz. is nog altijd dienstig voor overzicht, niet als resultaat C. (Jlhnann, Sündlosigkeit Jesu. 3te Anü. S. 168 ff. Van Oosterzce , Loven van Jezus 1846. I. p. 575 meent ook dat de verzoekingsgeschiedenis in geen geval als letterlijk geloofswaardig kan opgevat worden en hij verplaatst p. 58;J do werking des Satans geheel op het gebied des ziele-levens. Voor de historische wurkelijkheid komt bijzonder op Ebrard, Wiss. Kritik der evangel. Gesch. 3te Auü. S. 324 (1\'.

-) Schleiermacher, Der Christl. Glaubo I. § 44. 1. 3te Ausg. S. 209.

») Ebrard, a. W. S. 326.

375

-ocr page 396-

§14. OPENBAAR LEVEN.

geren wezens, terwijl hun beroep op de slang, een dier, hunne meerdere schuld, het moedwillige in hunne misdaad bewees.

Aanleiding tot zijne aanvallen heeft de vijand gekregen door hetgeen pas is voorgevallen b\\j Jezus\' doop. Want des verzoekers eerste woord : indien (jij Gods Zoon zijt Matth. 4 : 3 slaat kennelijk terug op de stemme Gods bij den doop: Deze is mijn Zoon Matth. 3 : 17. Dat heeft de Booze gehoord.

Het oogmerk des verzoekers is: het ontwerp der verlossing te verijdelen. Hij wil Jezus verleiden tot misbruik van zijn macht en om als een wereldsch Messias naar den vleeschelijken zin der Joden op te treden.

De drie verzoekingen zijn gericht op do begeerlijkheid des vleesches , op de begeerlijkheid der oogen en de grootschheid des levens,

Jezus slaat de aanvallen af met het geschreven Woord.

De uitslag ? De duivel moet wijken, Jezus, de tweede Adam, is getromo gebleven en Engelen, aanschouwers van den strijd , komen en dienen Hem ten blijke van het welbehagen zijns Vaders. Van hier aan kennen do booze geesten Hem (Marc. 1 : 24, 34).

Lucas 4: 13 zegt: En als de duivel alle verzoeking voleindigd had — hij had gedaan wat hij kon, hij had al zijne pijlen afgeschoten, maar was totaal geslagen — week hij van Hem voor eenen tijd, tot gelegen tijd. Hij liet Jezus niet uit het oog, hij ging Hem gedurig na en bestreed Hem door zijne werktuigen. Bij de nadering van zijn laatste lijden kwam hij Hem wederom heftig en verwoed aanvallen (Joh. 14 : 30. Luc. 22 : 53), hijzonder in Gethsemane, nu met vreeze en helsche beangstigingen. —

376

-ocr page 397-

§ 14. OPENBAAR LEVEN. 377

Als overwinnaar uit de woestijn wedergekeerd aanvaardt Christus de bediening van zijn profetisch ambt. Geheel zijn openbaar leven, leeren en werken kenmerkt zich door genade en waarheid, door onuitsprekelijke liefde en zachtmoedigheid met den vurigsten ijver voor Gods eere, door rusteloozen arbeid bij dagen en nachten, daar Hij het land doorgaat, reizende van vlek tot vlek, altijd bezig en bezig; door indrukwekkende achtbaarheid en onweerstaanbaar gezag te midden in al zijne nederigheid; niet omgeven door dienende Engelen, maar in gestadige bemoeienis met tollenaren en zondaren, blinden, lammen, kranken, bezetenen. Van vriend en vijand heeft hij te lijden. Hoe meer Hij zich openbaart , des te meer ondervindt Hij haat en smaad van allerlei menschen en toenemende vervolging , inzonderheid in Judea , van Farizeën , Schriftgeleerden en Oversten des volks : zij bevelen dat niemand Hem mag herbergen , dat een iegelijk Hem zal aanbrengen die wist waar Hij was; veracht, beschimpt, belasterd, gescholden, tegengesproken , gevloekt\'). Alleenlijk van vrouwen lezen wij niet dat er ééne zich vijandig tegen Jezus heeft gedragen en bitter tegen Hem is geweest5).

§ 15. Lijden door medelijden.

Christus leed niet alleen van de boosheid en vijandschap der menschen, maar zijn liefdevol en medelijdend hart leed ook van het lijden der menschheid.

1) Bralcel, Rod. G-oclsd. I. p. 477. P. Van Mastricht, Godgcl. II. p. 682. v. 734.

2) Of het moost al do dienstmaagd zijn Matth. 26: 69.

-ocr page 398-

§15. LIJDEN DOOR MEDELIJDEN.

378

Dit wordt treffend aangeduid Jez. 53:4: Waarlijk Hij heeft onze krankheden op zich genomen en onze smarten die heeft Hij gedragen. Krankheden en smarten zijn een voornaam deel van de gevolgen en straffen der zonde en hier genoemd voor de ellende dezes levens in \'t geheel. De Profeet nu zegt niet alleen : de Knecht Gods , Christus , heeft ze weggenomen , hetwelk Hij ook gedaan hoeft (Matth. 8: 1G , 17), daar Hij genas allen die kwalijk gesteld waren ; maar: Hij hoeft ze op zich genomen, niet aan zijn lichaam, maar op zijn gemoed, in zijn gevoel, door diepe sympathie en alzoo waarlijk werfelijdende genas Hij ze. Hij werd daardoor niet zelf lichamelijk krank, evenzoomin als Hij door de overneming onzer zonden zelf zondig werd. Dit ingaan door de kracht zijner liefde in het lijden der menschheid , dit zijn voelen harer smarten was plaatsbe-kleedend , verdienstelijk , verzoenend. Wilde men den Profeet en den Evangelist (Matth. 8; 17) alleen van het genezen dor ziekten verstaan , dan zou hetzelfde evenzeer kunnen worden gezegd van de Apostelen en van allen , die wondorgenezingen gedaan hebben.

Van dit sympathotisch lijden des Heilands zegt Luther: „Hoewel dit alleen een medelijden en geen uitwendig lijden was, toch is dit zijn medelijden een groot deel zijns lijdens geweest. Er is geen twijfel dat Hij zijn gansche leven door met smarten beladen en van onze krankheden heftig geplaagd is geweest. Onze smarten, onze verdrukking en lasten hebben Hom een bestendig kruis dag en nacht veroorzaakt. Dus heeft Hij tijdens geheel zijn leven smarten en ellende door medelijden verdragen quot;)•quot;

\') Richter, Erklürto Haus-Bibol zu Jez. 53; 4.

-ocr page 399-

§ 15. LIJDEN DOOR MEDELIJDEN.

379

Hij weende bij het graf van Lazarus (Joh. 11 : 35), Hij weende over Jeruzalem (Luc. 19 ; 41). Hij had gedurige droefheid , niet gelijk wij menschon over nietige dingen , maar altijd uit den rechten grond , ter oorzake van de zonde , de bron van alle jammeren ; nooit ongeregeld en de maat te buiten gaande, maar altijd met onderwerping aan den wille des Vaders. Zijne gemoedsbewegingen onderscheiden zich van de onze niet minder dan een rein , helder en rustig vloeiend water van wilde, troebele en schuimende golven gt;).

§ 16. Het laatste lijden.

liet zwaarst heeft Christus geleden op het einde van zijn leven : in Gethsemané , in de zaal van Kajafas , in het rechthuis van Pilatus en op Golgotha.

1) Calvin. Commontar. in Evang. Joann. 11: 33. — Böhl, Christol. des A. T. S. 267 ; Der Knecht Gottes lebto in Nio-drigkeit und Verachtung und hatto daboi noch iramerdar mit dor Krankhoit, dor Scbwachhoit und dom Elond dos Nïichston zu thnn, den er liobto wie sich selbsfc. Joder nothscbrei seines armen Volkes ergriff ibn und tastete dio zartesten Fasern seines Horzens an. — Er batte Augon für das Elond nud für den Gruud dieses Elends. Er nahm os niebt mit stoiscbom Gloicbmutb bin. Den Stacbet aller Krankbeiton und alios Elends dor Soinigen , also don Zorn Gottes , die Tronnung von Gott, don Much fühlo er mit don Kranken. Und weiter, er bracb als dor Knecbt Gottes an ibrer Statt. dieson Zorn Gottes, in-dem or sicb untor ibm bougte und dadurch dio Glutb diosos Zomos von soinom Volko abwondoto. Solcbes tbat er als ihr Stellvertretor. Persönlicb unscbuldig, batto er an der Siinde und Schuld dos Volkes oigontlicb koinon Antheil. — Ibm ward diesor Flucb zugorecbnot.

-ocr page 400-

§ 16. HET LAATSTE LIJDEN.

1. In Gethsemané lijdt zijne ziel i). Wel wordt zijn lichaam er allerheftigst door ontroerd, maar zooveel is aanstonds zeker en dit is gewichtig: hetgeen Hij daar lydt, wordt Hem niet van buiten door zijne vijanden aangedaan , want Hij is nog met zijne discipelen alleen in den hof: het is een eigenlijk en zuiver zielslijden.

Wat is het ? Van onderen opklimmende mogen wij zeggen: het is vooreerst het volle voorgevoel van den dood1), die nu zoo nabij was, het beven, sidderen en sagen zijner onverdorven menschelijke natuur voor \'t sterven. De dood is bitter voor al wat leeft. Hoeveel te meer voor Jezus die, rein van zonde , geheel vreemd was van den dood en wiens onbevlekte menschheid onvergelijkbaar teederder, fijner, scherper voelde dan wij zondige menschen, bij wie het gevoel maar al te zeer verstompt is en de hoogmoed vaak zelfs de klachten inhoudt.

Hiertoe komt bij Hem nu de levendigste voorstelling van de matelooze verguizing , mishandeling en schande, waarin Hij, onder de misdadigers gerekend, zal afdalen, gepaard met een diep neerdrukkend smartgevoel dat Hij door de handen der zondaren Matth. 26 : 45, onder welken Hij gewandeld heeft goeddoende, lijden en sterven zal.

Het is ten tweede een allerheftigste verzoeking door den vorst der duisternis, den overste dezer wereld, die nu komt (Joh. 14 : 30) en nogmaals alles beproeft om het verlossingswerk te verhinderen en Jezus af te schrikken van het lijden , als zijnde toch te zwaar voor Hem

380

1

) Matth. 20: 38: tot den dood toe. Hebr. 5: 7: tot dengenen, die Hem uit dood konde verlossen,

-ocr page 401-

§ 16. HET LAATSTE LIJDEN.

en onmogelijk , of ook vruchteloos. En wie weet wal de Satan Hem al heeft voorgehouden. Zware strijd !

Doch dit alles kan het nog alleen niet zijn , wat Hem zoo benauwt en foltert. Het is ten derde en voornamelijk de vloek en toorn Gods over de zonde, wat den heiligen, geliefden Zoon daar perst en prangt. Het Lam Gods ligt nu onder den last van de zonde der wereld. Hij heeft nu als Priester in zake der menschen met God te doen. Zonde baart angst. Met de zonde heeft de Middelaar ook den angst op zich genomen. Awjst en gericht staan Jez. 53 : 8 te zamen. En zoo is ook hier zijne verschrikkelijke zielsangst een gerechtelijke angst. Hem wordt hier eene voorproef gegeven van den dood , dien Hij zal ondergaan niet slechts in al zijne gewone bitterheid voor lichaam en ziel , maar bij uitnemendheid als de bezolding der zonde, Hij smaakt daarin al de rampzaligheid der zonde , het gericht Gods, den toorn des allerhoogsten Rechters over de zonde \').

38i

De benauwdheid zijner ziel is als die een zondaar heeft, wanneer de dood met al de scherpte zijns prikkels op hem aankomt en een vertoornd God hem reeds zijne verbolgenheid doet voelen, de benauwdheid en helsche pijn en kwale die eene ziel onder het oordeel der verdoemenis heeft. En Hij draagt daar alleen wat al de duizenden zijns volks te zamen

\') Calvin. Commontar. iu Matth. 26: 37: Non ergo mortem horruit simpliciter , quateuus transitus est e mundo, sed quia formidabile Dei tribunal, illi erat ante oculos, judex ipse iu-comprehensibili vindicta armatus; peccata vero nostra, quorum onus illi crat impositum, sua ingenti mole eum premobant. Quare nihil mirum, si horribilis exitii abyssus metu et anxie-tate duriter eum cruciavit. Heidelh. Catech. Vr. 37. 44.

-ocr page 402-

§ 16. HET LAATSTE LIJDEN.

dragen moesten; want zijneziel staat daar voor hun aller zielen.

De Vader verborgt zich voor hem. Hij klopt, Hij roept, maar \'t is als voor eene gesloten deur. Doch Hij houdt vol en overwint door zich geheel over te geven aan den wil des Vaders. Door den gewilligen Geest (Hebr. 9 : 14) brengt Hij den natuurlijken weerwil des zwakken vleesches den Vader ten offer : Hij wil den beker uitdrinken. De Vader neemt het aan en zendt ten blijke zijns welgevailens eenen Engel om Hem te versterken. Al biddende heeft Hij den zwaren strijd doorgestreden en Hij is verhoord uit de vreeze. In het openbaar kon Hij dit zielslijden niet ondergaan i), in zulke doodsbenauwdheid en hellenangst moesten Kajafas , Pilatus en Herodes Hem niet zien. Hij lijdt het in het stille Gethsemané, zoodat Hij hierna volkomen rustig en kalm de vijandelijke bende tegemoet gaat en vervolgens onbevreesd voor zijne rechters staat en eindelijk met de verwonderlijkste gelatenheid den zoendood sterft waarvan de prikkelen Hem hier hebben doorboord.

382

2. Na het zielslijden begint het lijden van buiten. Gevangen, gebonden wordt Hij door de woeste bende weggeleid, aan Annas, den voornamen bedrijver, vertoond en in de voorloopige vergadering der vijandigste leden van den Raad bij den Hoogepriester Kajafas gebracht. Hij wordt ondervraagd. Zijn verheven antwoord, een beroep op zijne openbaarheid en op hun eigen geweten, maakt hen beschaamd en verlegen. Een dienaar slaat Jezus in het aangezicht (Joh. 18 : 22) - aanvang en signaal tol alle de verdere mishandelingen, door Micha 4 : 14 geprofeteerd: zij zullen den

\') Ook aau hot kruis leed Hij het iu hot verborgen , door do drieurige duisgt;toruis omsluierd.

-ocr page 403-

§ 16. HET LAATSTE LIJDEN.

Richter Israels met de roede op het kinnebakken slaan.

Valsche getuigen treden tegen Hem op. Jezus verklaart bij eede dat Hij is de Christus, de Zoon Gods , maar de Raad, dat Hij is een Godslasteraar en des doods schuldig (Mare. 14; 55—64).

Na dit nachlverhoor wordt Hij in de handen der dienaren gelaten , getergd , bespogen , met vuisten geslagen (Matth. 26: 67, 68. Als de dag is aangebroken, de zesde dag der week , wordt Jezus voor den geheelen Raad gebracht , het gevelde vonnis bevestigd en over de uitvoering beraadslaagd (Matth. 27 ; 1).

Zoo heeft dan Israël den Messias verworpen. Nu moeten ook de Heidenen het hunne doen.

3. Door het geestelijk gericht der Joden veroordeeld, wordt Hij voor den wereldlijken rechter Pilatus gesteld , door de verbitterde vijanden heftig beschuldigd en, bij de keus tusschen Hem en eenen moordenaar , ten doode ge-ëischt ; door de Heidenen erbarmelijk gegeeseld (Jez. 53: 5 : Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld: de straf die ons den vrede aanbrengt was op Hem en door zijne striemen is ons genezing geworden) en dan nog gehoond en geplaagd, eene schandkroon van doornen op hot hoofd gedrukt, omhangen ten spot als koning met een purperen mantel.

Vijfmaal verklaart de landvoogd Hem onschuldig. Maar bevreesd voor de Joden oordeelt hij eindelijk dat hun eisch geschieden zal (Luc. 23: 24). Hij zet zich op den rechterstoel (Joh. 19: 13) en spreekt het vonnis: dat Jezus zal worden gekruisigd.

Waarom heeft Hij onder den, rechter Pontius Pilatus geleden ? Opdat Hij, onschuldig onder den wereldlijken

383

-ocr page 404-

§ 1G. HET LAATSTE LIJDEN.

rechter veroordeeld zijnde, ons daarmede van het strenge oordeel Gods, dat over ons gaan zoude, bevrijdde. Hei\' delb. Catech. Vr. 38.

Het heeft groot gewicht dat over Jezus een rechterlijk doodvonnis is uitgesproken, eerst door de Sanhedrin (het Synedrium, den Hoogen Raad der Joden), dan door Pilatus. Meermalen wilde men Hem van kant maken. Reeds te Nazaret wilde men Hem van een steilen berg afstooten, later Hem zonder proces en vonnis steenigen. Het mocht niet. Hy moest gevangen genomen, geboeid, aangeklaagd, verhoord , gevonnisd worden. Tot dit alles werd Jezus door den bepaalden raad en de voorkennisse Gods overgegeven. (Hand. 2: 23).

Aan Pilatus was do macht, om rechter over Hem te zijn , van boven gegeven. Hetgeen daar in het zichtbare geschiedde was teeken en afbeelding van hetgeen in het onzichtbare plaats had. Pilatus gaf Jezus over om gekruisigd te worden en de Vader gaf zijnen Zoon over in de handen der zondaren. Pilatus sprak het vonnis dat Jezus sterven zou en de Vader had Hom het gebod gegeven , om het leven af te leggen (Joh. 10: 18).

384

Wij sterven niet door eene natuurlijke uitwerking van de zonde, maar krachtens eene rechterlijke veroordeeling door God als Koning, dien het recht om een doodvonnis te spreken toekomt. Daarom moest de plaatsbekleedende Borg niet bloot sterven, maar door een rechterlijk vonnis sterven. Gerechtelijk moest Hij, om ons van het oordeel te bevrijden, veroordeeld worden en alzoo ondervinden, hoe eenen mensch te moede is over wien een doodvonnis wordt uitgesproken\').

\') Roos, Lehro und Lebensgeschichte Jesu Christi I. § 266.

-ocr page 405-

t| lö. HET LAATSTE LIJDEN.

Deze gerechterlijke veroordeeling van Jezus als eenen ma-leficant, als misdadiger maakte zijn lijden en dood aller-smadelykst. Smaad, schande is een voornaam deel van de straf der zonde, vergelding voor de schande die mensch Gode aandoet. De zondaren worden bedreigd dat zij te schande zullen worden, dat al hunne zonden zullen ontdekt en de schande hunner naaktheid geopenbaard (Op. 3 : 18) en hun vonnis in het openbaar zal voltrokken worden (Luc. 19 : 27). De Borg droeg al de schande voor zijn volk: de smadingen dergenen die God smaden, zijn op Hem gevallen (Rom. 15: 3). —

4. Op Golgotha, met handen en voeten aan het schandhout genageld, lijdt Hij in zijn lichaam zes uren lang alle de pijnen der kruisiging ; „wordt in zijne ellende bespot en met stekende wonden tot in zijn harte gepriemdquot; \'). In zijne ziel doorworstelt Hij onder de drieurige duisternis oen onuitsprekelijk lijden. Hij, het schuldoffer dat de zonde draagt, voelt in volle kracht hare werking, hare straf: scheiding van God, En wat is dit anders dan Gods toorn ? In zijnen uitroep daarna geeft Hij te kennen dat Hij daaronder iets wat wij niet kunnen uitspreken van God zeiven geleden heeft1). Hy is van God verlaten.

De duisternis in de natuur is a. een voegzame sluier, om het kruis van Christus getrokken, als een voorhangsel waardoor deze groote Hoogepriester bij den arbeid zijner ziel

\') Brakel, Redel. Godsd. I. p. 478.

2) Bengel, Gnomon iu Matth. 27 : 46 : Non solum ait so a Deo traditum voluntati hominum ; sod otiam a Deo ipso quid-dam esse pasaum nobis ineffabile. P. Van Mastricht, Godgel. II. p. 725. 731.

Gravomeger , Goref. Gel. leer. II. 25

385

-ocr page 406-

§ 16. HET LAATSTE LlJDEtJ.

386

voor aller menschen oogen wordt verborgen. Zoo betaamde het: want Hij heeft in deze drie bange uren wederom alleen met God te doen gelijk in Gethsemané. Maar de duisternis in de natuur is b. tegelijk ook een beeld en teeken van hetgeen de Heer der natuur nu lijdt. Het is duister in zyne ziel. Het liefelijke licht van het aangezicht des Vaders verbergt zich voor Hem, alle troostende en verkwikkende invloed en gevoel van Gods liefde wordt Hem onttrokken , Hij is in het vuur des Goddelijken toorns over de zonde der wereld die op Hem ligt en blootgesteld aan de aanvallen , kwellingen en al de woede van den vorst der duisternis , van hem die het geweld des doods had , dat is den duivel (Hebr. 2 : 14). Maar ook nu houdt Hij vast in al de duisternis door geloof \'). In stillen strijd volbrengt Hij de verzoening.

\') Hier vooral, in het dal der schadawe des doods, wandelt Hij door geloof, daar Hij het aanschociwen mist. Hier toonr, Hij ?,ich bij nitnetnendhoid als viator, reiziger , pelgrim en niet als co7nprehcnsor, bevatter (genieter van volmaakte gelukzaligheid). Van Mastricht, Godgol. II. p. 654. Spanhem. Elench. Controv. p. 50. Maar gewanhoopt heeft Hij niet. Dat Calvijn dit zou gesteld hebben, was laster van Roomschen en Lutheranen. Hij zegt Instit. II. 16. 12: Ofschoon zich als van God verlaten voelende, is Hij niet het minste afgebogen van het vertrouwen op zijne goedheid. Dat leert die heerlijke aanroeping, waarin Hij vanwege de heftigheid zijner smarte in den kreet uitbarst : mijn God, mijn God , waarom hebt. gij mij verlaten ? Want hoewel Hij boven mate beangstigd wordt, houdt Hij toch niet op zijnen God te noemen van wien Hij uitgilt verlaten te zijn. EnCom-mentar. in Matth. 27; 46 zegt hij; fixam stetisse fidem in ejus corde, qua Deum praosentum intuitus est, de cujus absentia conqueritnr. Mastricht, Godgel. IT. p. 741.

-ocr page 407-

§17. NOODZAKELIJK.

3. DOOD.

§ 17. Noodzakelijk

Christus heeft zich tot in den dood moeten vernederen. Daarom dat vanwege de gerechtigheid en tvaarheid Gods niet anders voor onze zonden konde betaald worden dan door den dood des Zoons Gods. Heidelb. Catech. Vr. 40.

Op voorgang van sommige kerkvaders en schoolleeraren (Scholastici) is door Roomschen , schijnbaar om de waarheid van Christus\' Persoon en de kracht zijner verdienste te verhoogen, beweerd dat een enkel droppeltje van zyn bloed genoeg ware geweest om de geheele wereld te verzoenen , daar elk deeltje van zijn lijden eene oneindige waardij bezat \'), waarop zij dan hunne leer van overtollige verdiensten des Zaligmakers bouwen.

Maar Christus heeft niet onnoodig of overtollig geleden. Hij moest den dood smaken (Ilebr. 2 : 9). Zonder het lijden des doods kon Hij geen Verlosser zijn. Hoeveel Hy ook aan lichaam en ziel had geleden, eer Hij stierf, hoezeer Hij reeds in Gethsemané en daarna onder de geeseling en verdere mishandelingen had gebloed, toch ware al dat voorafgaande lijden zelfs tot verlossing van eene eenige ziele niet toereikend geweest, hadde Hij niet den dood ondergaan.

Desgelijks in Malth. 27: 50: door zijn laatste kruiswoord testatus est, quamvis duriter coacussus osset violcutis tontatio-nibus , iidom tarnen suam minime fuisso concussam, sed suo loco semper iuvictam stetisse.

\') P. Van Alastricht, Godgel. II. n. 743. De Moor, Com-mentar. in Marck. IV. p. 55 sq. Winer, Comparative Darstell. 1882. S. 110 f.

387

-ocr page 408-

388 § 17- NOODZAKELIJK.

De dood des Middelaars was noodzakelijk 1. wegens de gerechtigheid Gods , de rechterlijke gerechtigheid, de Goddelijke Justitie. Deze eischt straf op de zonde \')» eene straf overeenkomstig de misdaad. De zonde is een vergrijp legen den levenden God ; wie zondigt staat God naar \'t leven, zou Hem willen wegdoen. Daarom heett de zondaar het leven verbeurd en dood verdiend, den geestelijken , lichamelijken en eeuwigen dood. De kwetsende slag , welken de zondigende mensch met elke zonde doet tegen de Majesteit des allerhoogsten Konings, valt naar het recht der vergelding doodelijk op het stoute schepsel terug. Rom. 1 : 32 : het recht Gods is, dat degenen , die zulke dingen doen, des doods waardig zijn. Daarom moest Christus, die zich als Borg voor zijn schuldig volk stelde, den dood ondergaan in al zijnen omvang , ook des lichaams , om voor de doodschuldigen het leven te verwerven. Het was tot betooning van Gods rechtvaardigheid, Rom. 3: 252).

2. Ook de waarheid Gods vorderde den dood des Verlossers. a. De waarheid van Gods dreiging. Hij had op de zonde den dood\'gedreigd Gen. 2: 17 a). Dies moest de Borg voor zondaren, zou de waarheid Gods bevestigd worden, de gedreigde straf, den dood, ondergaan, b. De waarheid van Gods raadsbesluit, Luc. 22 : 22 , en van het Goddelijke genadeverbond hetwelk de hoedanigheid van een testament had en geheel gegrond was op den vastge-stelden dood des Middelaars , die het met den Vader in

\') Zio Derde Hoofdstuk § 41 v.v. -) Zie Elfde Hoofdstuk § 27. bl. 260. v. ■\') Achtste Hoofdstuk § 11. bl, 881. v.v.

-ocr page 409-

17. NOODZAKELIJK.

eenheid des Geestes had gemaakt. Want waar een testament is, daar is het noodzaak, dat de dood des testamentmakers [ïusschen] kome, Hebr. 9 : 16. c. De waarheid der voorheelden en voorzeggingen. Al het slachten en dooden der offerdieren wees hierop heen, dat juist door den dood van Hem , die het lichaam was van deze schaduwen , de verzoening der zonden zou worden aangebracht. Zijn dood was stellig voorzegd. De voorzeggingen moesten vervuld worden, het moest blijken dat God geen man is die liegen zou. Geschieden moest wat God gesproken had Jez. 53 : 10 : als zijne ziele zich [tot] een schuldoffer zal gesteld hebben, zoo zal Hij zaad zien. Daarom onttrok Hij zich aan zijne vangeren niet, maar sprak tot zijne discipelen Matth. 26: 54 : Hoe zouden dan de Schriften vervuld worden, [die zeggen] dat het alzoo geschieden moet ? Paulus herinnert met nadruk 1 Kor. 15: 3 : dat Christus gestorven is voor onze zonden naar de Schriften.

§ 18. Niet om leere en voorbeeld.

Die de plaatsbekleedende genoegdoening van Christus loochenen, Socinianen en alle oude en nieuwere Rationalisten , oordeelen dat Hij het lijden des doods alleen of voornamelijk heeft ondergaan om de waarheid zijner leere te bevestigen en een volmaakt voorbeeld van liefde en lijdzaamheid te geven.

Maar de Heilige Schrift zegt ons daarvan nog gansch andere dingen en uit hetgeen zij getuigt blijkt ontegensprekelijk, dat het hoofddoel van het lijden en sterven des Zoons Gods was om door zijne zelfopoffering al de schuld zijns volks voor God te delgen en de vergeving hunner zonden

389

-ocr page 410-

390 § t8. NIET OM LKERE EN VOORBEELD.

uit te werken. Dat heeft Hij zelf na al zijne vroegere verklaringen nog nadrukkelijk uitgesproken bij den drinkbeker des Avondmaals Matth. 26 : 28 : dat is mijn bloed , het [bloed] des Nieuwen Testaments, hetwelk voor velen vergoten wordt tot vergeving der zonden. En dit is een hoofd stuk in geheel de leer der Apostelen. En daarom is Hij de Middelaar des Nieuwen Testaments, opdat de dood [daar tusschen] gekomen zijnde tot verzoening der overtredingen die onder het eerste Testament waren, degenen die geroepen zijn de beloftenis der eeuwige erve ontvangen zouden , Hebr. 9 : 15.

1. Door zijnen dood is niet zoozeer zijne Zeer als integendeel zijn dood door zijne leere, door welke Hij immers zijnen dood naar deszelfs hoedanigheid, vrucht en geheele beteekenis in het rechte licht heeft gesteld en klaarblijkelijk en beslist heeft doen uitkomen en gestaafd als het voorname einde van zijne verschijning op aarde, als verzoeningsdood.

Wel diende zijn lijden en sterven mede tot ««w

zijne leer. Hij beleed de hoofdsom er van nog in het openbaar voor zijne vijandige rechters. Hij stierf er op. Maar dit was geenszins het eenige of hoofdzakelijke doel van zijn sterven\'). Om de waarheid zijner leer te bewijzen, heeft Christus zich ook niet op zijnen aanstaanden dood beroepen, maar op de getuigenis der Heilige Schrift (Joh. 5 : 39), op de onmiddelbare getuigenis zijns hemelschen Vaders, op zijne werken (Joh. 14: 10, 11), op zijnen heiligen wandel en inzonderheid op zijne opstanding (Matth. 12: 38—40) en hemelvaart (Joh. 3 : 13 ; 6 : 62) welke Hy vooruit zeide.

\') Roos, Lehro und Lebensgesch. J. C. I. § 249. ff.

-ocr page 411-

§ 18. NIET OM LEERE EN VOORBEELD.

Ook de Apostelen spreken van Jezus\' dood niet als van den dood eens martelaars, als bevestiging van de waarheid zijner leer; maar waar zij deze willen bewijzen, beroepen ook zij zich op de Schrift, op zijne verheerlijking op den heiligen berg (2 Petr. 1 : 16 v.v.) en bijzonder op zijne opstanding en op de uitstorting on werkingen des Heiligen Geestes (van Hand. 2; 24 aan).

Ook nog is voor de Joden Jezus\' dood geen bewijs van de waarheid der Christelijke religie; maar zoodra zij ge-looven dat Hij waarlijk van de dooden opgestaan en ten hemel gevaren is, moeten zij bekennen dat dit de waarheid zijner leere bewijst.

Christus\' dood had nog ander oogmerk dan bezegeling van zijne leer. De wereld, de menschheid is gerechtelijk aan den dood vervallen. Tot verlossing daarvan wilde de Zoon Gods den dood ondergaan. Ih zal mijn vleesch geven voor het leven der wereld, sprak Hij Joh. 6 : 51. Wat Hij niet van zijne wonderwerken, niet van zijne leer, niet van zijnen Geest zegt, dat zegt Hij van zijnen dood : deze is geschied voor het leven der wereld.

2. Wel heeft Hij in het lijden des doods de hoogste proef\' van geduld en gehoorzaamheid gegeven en ons daarin een exempel nagelaten opdat wij zijne voetstappen zouden navolgen (1 Petr. 2: 21), om vleeschelijke enwereldsche gezindheid tegen te werken en niet in wellusten, rijkdom en ijdele eere ons heil te zoeken. Maar voorbeelden daarvan waren er genoeg voorhanden (Hebr. 11 : 35 v.v).

Zou dan het voorbeeld het hoofddoel zijns lijdens zijn ? Het kan niet, ook wegens de ongelijkheid tusschen Hem en zijne volgelingen in omstandigheden. Immers slechts weinigen onder de uitverkorenen hebben marteling en geweld-

391

-ocr page 412-

§ 18. NIET OM LEERE EN VOORBEELD.

dadigen dood te ondergaan. Ware het voorbeeld van Christus de hoofdzaak, dan zou wel zijn huiselijk leven te Na-zaret, als het eigenlijke voorbeeld voor allen, uitvoerig en in bijzonderheden beschreven zijn.

Bovendien by deze voorstelling van Jezus slechts als voorbeeld komt er ten slotte alleen wederom een Socini-aansche en Remonstrantsche nieuwe Wetgever uit en geen waarachtig Verlosser. Maar de zondaar , onder den vloek der Wet, heeft verlossing noodig \')•

§ 19. Niet alleen ten goede maar in plaats.

Christus is dan niet alleen ten goede voor, ten nutte van zondaren gestorven, maar Hij leed en stierf in de plaats van al zijn volk, als horg, zoenoffer, losprijs.

Paul us1) was een gevangene ter zake van Christus voor») de Heidenen Ef. 3 : 1, hij leed verdrukkingen voor hen v. 13, voor Christus\' lichaam, hetwelk is de gemeente Kol. 1 : 24 en vervulde het lijden van Christus in zijne leden. Kon de Apostel eene mishandeling voorkomen, hij deed het door vlucht, door eenen omweg of door beroep op zijn Romeinsch burgerrecht. Maar de getrouwheid in het werk zijner bediening maakte veel lijden voor hem onvermijdelijk. Dat leed hij dus voor de gemeente , dat is ten haren nutte, ten haren beste, „tot hare versterking en stichting , om de geloovigen met zijn exempel te versterken in de aangenomene waarheidquot; (.KaMWeeA;.,). Zelfs wordt

392

1

) Dezelfde , § 250.

-ocr page 413-

§19. NIET ALLEEN TEN GOEDE MAAR IN PLAATS. 393

gezegd 1 Joh. 3 : 16: wij zijn schuldig voor de broeders het leven te stellen, „namelijk wanneer de eere Gods en de stichting der gemeente en de nood der broeders zulks vereischt,quot; wanneer zij anders in gevaar zijn van een grooter kwaad (geestelijk bederf) dan het verlies van een enkel tijdelijk leven is. De overeenkomst met Christus daarin bestaat alleen in de liefde, niet in aard, doel en vrucht des doods. Alleen de liefde stelt het leven voor anderen en wel niet slechts op éénmaal in martelaarsdood maar ook voor en na, allengs in voortgaande opoffering der levenskracht ten hunnen nutte.

Maar zoo als Jezus is niemand gestorven. Vanwege de uitnemendheid zijns Persoons. Hij is Borg. Die beteekenis-volle naam wordt Hem gegeven Hebr. 7 : 22 : Van een zoo veel beter verbond is Jezus borg geworden: het Nieuwe Verbond is zooveel heerlijker dan het Oude als de Hooge-priester naar de ordening Melchizédeks meerder is dan de Priesters van het wettische verbond. De Zoon Gods is borg»)

\') Cremer, Wörtorbuch S. 222: tyyuos bezeichnot denBür-gen, der personlich für Jemandou haftet, sei es in causa capitis mit seinem Lebon. oder sonst mit seinom Vermogen. Borg zegt meer dan Middelaar, \'t is nader bepalend. Luther vertaalt: eines bessern Testaments Ausrichter, namelijk van betgeen anderen niet konden uitrichten, dus in hunne plaats. Calmnus te recht sponsor. Do sponsor (van pendere, ivegen, betalen, Döderlein, Lat. Synon. und Etymol. IV. S. 113) geeft zekerheid doordat hjj eventueel betaalt. Ileindorf zu Herat. Sat. II. 6. 23. p. 385 ; sponsor ist jedor dor für den andern ver Gericht oder sonst irgend wie Caution loistet, in den Pandekten fideijussor. Geen wonder dat Bretschneider, Handb. der Dogmatik. 3te Aufl. II. S. 326, do plaatsbokleedende genoegdoening van Christus loochenende , zegt: Er ist nicht sponsor, sondern mediator salutis.

-ocr page 414-

392 § 18. NIET OM LEERE EN VOORBEELD.

dadigen dood te ondergaan. Ware het voorbeeld van Christus de hoofdzaak, dan zou wel zijn huiselijk leven te Na-zaret, als het eigenlijke voorbeeld voor allen, uitvoerig en in bijzonderheden beschreven zijn.

Bovendien by deze voorstolling van Jezus slechts als voorbeeld komt er ten slotte alleen wederom een Socini-aansche en Remonstrantsche nieuwe Wetgever uit en geen waarachtig Verlosser. Maar de zondaar , onder den vloek der Wet, heeft verlossing noodig gt;).

§ 19. Niet alleen ten goede maar in plaats.

Christus is dan niet alleen ten goede voor, ten nutte van zondaren gestorven, maar Hij leed en stierf in de plaats van al zijn volk , als borg, zoenoffer, losprijs.

Paulus1) was een gevangene ter zake van Christus woor») de Heidenen Ef. 3 : 1, hij leed verdrukkingen voor hen v. 13, voor Christus\' lichaam, hetwelk is de gemeente Kol, 1: 24 en vervulde het lijden van Christus in zijne leden. Kon de Apostel eene mishandeling voorkomen, hij deed het door vlucht, door eenen omweg of door beroep op zijn Romeinsch burgerrecht. Maar de getrouwheid in het werk zijner bediening maakte veel lijden voor hem onvermijdelijk. Dat leed hij dus voor de gemeente , dat is ten haren nutte, ten haren beste, „tot hare versterking en stichting, om de geloovigen met zijn exempel te versterken in de aangenomene waarheidquot; (Kantteek.), Zelfs wordt

1

) Dezelfde , § 250.

-ocr page 415-

§ 19. NIET ALLEEN TEN GOEDE MAAR IN PLAATS. 393

gezegd 1 Joh. 3 : 16: wij zijn schuldig voor de broeders het leven te stellen, „namelijk wanneer de eere Gods en de stichting der gemeente en de nood der broeders zulks vereischt,quot; wanneer zij anders in gevaar zijn van een grooter kwaad (geestelijk bederf) dan het verlies van een enkel tijdelijk leven is. De overeenkomst met Christus daarin bestaat alleen in de liefde, niet in aard , doel en vrucht des doods. Alleen de liefde stelt het leven voor anderen en wel niet slechts op éénmaal in martelaarsdood maar ook voor en na, allengs in voortgaande opoffering der levenskracht ten hunnen nutte.

Maar zoo als Jezus is niemand gestorven. Vanwege de uitnemendheid zijns Persoons. Hij is Borg. Die beteekenis-volle naam wordt Hem gegeven Hebr. 7 : 22 : Van een zoo veel heter verhond is Jezus borg geworden: het Nieuwe Verbond is zooveel heerlijker dan het Oude als de Hooge-priester naar de ordening Melchizédeks meerder is dan de Priesters van het wettische verbond. De Zoon Gods is borg\')

\') Cremer, Wörterbuch S. 222: tyyvos bezeichnet denBür-gen, der persönlich für Jemandou haftet, sei es in causa capitis mit seinem Leben. oder sonst mit soinem Vermogen. Son; zegt meer dan Middelaar, \'t is nader bepalend. Luther vertaalt: eines bosscrn Testaments Ausrichter, namelijk van hetgeen anderen niet kondon uitrichten , dus in hunne plaats. Calvinus te recht sponsor. De sponsor (van pendere, ivegen, betalen, Düderlein, Lat. Synon. und Etymol. TV. S. 113) gooft zekerheid doordat hij eventuüel betaalt. Ileindorf zu Horat. Sat. II. 6. 23, p. 385 ; sponsor ist jedor dor für den andorn vor Gericht oder sonst irgend wie Caution leistet, in den Pandekten /ïdeijussor. Geen wonder dat Bretschneider, Handb. der Dogmatik. 3te A ufl. II. S. 326, de plaatsbokleedende genoegdoening van Christus loochenende , zegt: Er ist nicht sponsor, sondern mediator salutis.

-ocr page 416-

394 § 19. NIET ALLEEN TEN GOEDE MAAR IN PLAATS

des verbonds geworden. Dat zegt blijkens den samenhang voor het naast: Hij staat voor dit betere verbond in «) krachtens zijn eeuwig leven en onvergankelijk (onovergankelijk) priesterschap. Doch het verbond heeft de natuur van een testament1) , omdat het geheel van God uitgaat als zijne vrije en genadige wilsverklaring, en wijst altoos op eenen dood en eene erfenis. Zoo ook hier waar de Apostel van Christus\' zoendood spreekt v. 27 : Dien het niet alle dage noodig was, gelijk dien Hoogepriesters, eerst voor zijne eigene zonden slachtofferen te offeren, daarna [voor de zonden] des volks: want dal heeft Hij eenmaal gedaan als Hij zich zeiven opgeofferd heeft2), De borg is plaatsbekleeder: Hij heeft de schuld van zijn volk op zich genomen en afgedragen (Hebr. 9: 28).

Hij is zoenoffer. 1 Joh. 2:2: Hij is eene verzoening voor onze zonden. Verzoening») beteekent hier schulddelging,

1

) Zie Tiueedc Hoofdstuk § 10. bl. 158. v.

2

3) Elfde Hoofdstuk § 25. bl. 254.

-ocr page 417-

§ 19. NIET ALLEEN TEN GOEDE MAAR IN PLAATS. 395

genoegdoening voor de zonden door plaatsbekleedende offerande. Het zegt niet wat Christus aan en in de menschen, maar wat Hij voor de menschen jegens God (Hebr. 5: 1) heeft gedaan ; het is een afdoend bewijs, dat Christus\' dood niet alleen, naar do ethische voorstelling, strekte om de menschen met God te verzoenen, hen weder tot liefde jegens God te brengen, hetwelk gevolg en vrucht van zijnen dood is, maar ook en wel in de eerste plaats , om God met de menschen te verzoenen, om Hem te bevredigen , aan den eisch zijner rechtvaardigheid te voldoen door in hunne plaats de straf der zonde te dragen.

Hij gaf zich zeiven als losprijs. Matth. 20 : 28 : de Zoon des menschen is niet gekomen om gediend te worden maar om te dienen en zijne ziel te geven \\tot\\ een rantsoen voor velen •). Hier spreekt Jezus zelf het plaatsbekleedende van zijnen dood ten klaarste uit. Voor ten doode veroordeelden geeft Hij zich zeiven als losprijs. Aan wien ? Aan God als Koning en Rechter. De Koning ontvangt den lospr^s, niet de duivel1), die wel het geweld des doods had (Hebr. 2: 14) maar slechts als gerechtsdienaar van den Koning. Christus bevrijdt de veroordeelden door overneming van

1

) Vergel. Hagenbach, Dogmengesch. § 134. (De duivel bedrogen naar sommige Kerkleeraren). P. Van Mast richt, God-gel. III. p. 414 v.: In een burgerlijk gerichte, geschiedt geen voldoening aan den cipier of aan den scherprechter, maar aan do Overheid.

-ocr page 418-

396 § 19. NIET ALLEEN TEN GOEDE MAAR IN PLAATS.

hunne schuld en straf, door zich in hunne plaats {Avrl) te laten veroordeelen en dooden , door aldus aan de Goddelijke gerechtigheid te voldoen.

Het laat dus geen tegenspraak toe dat Christus het lijden des doods plaatshekleedender wijze heeft ondergaan. Ook reeds wegens zijne zondeloosheid. Naar de Schrift beide des Ouden en des Nieuwen Testaments is alle lijden straf. Een volmaakt heilige kan niet lijden of het moet plaatsbekleedend zijn. Wie buiten het gebied der zonde staat, slaat ook buiten het gebied van lijden en dood. Anders zou er geen rechtvaardig God regeeren. De dood en alle lijden is dan ook reeds in den beginne op de zonde gedreigd. Dus men moet öf Christus\' zondeloosheid betwijfelen of de plaatsbekleedende beteekenis van zijn lijden aannemen i).

§ 20. Vrijwillig.

Jezus stierf geheel vrijwillig, want geene macht der wereld kon anders den Vorst des levens dooden; doch niet zonder zwaren strijd voor zijne reine menschelijke natuur.

1. De vrijtvilligheid was het vet aan zijne offerande. Daardoor werd zijn lijden en sterven eerst recht tot eenen welriekenden reuk voor God. Daarom zeggen de Apostelen zoo vaak dat Christus zich zeiven heeft overgegeven (Ef. 5 : 2).

Hij zelf verklaart Joh. 10: 17: Daarom heeft mij de

\') Hengstenberg , Christol. des A. T. 2to Ausg. II. S. 317. zu Joz. 33 : 4. Ullmann, Sündlosigk. Jesu zegt wel, en te recht: Nur als Schuldloser konnte er sich für die Schuldigen hingehen, maar de zondeloosheid is niet slechts voorwaarde maar vooral bewijs van do plaatsbekleeding.

-ocr page 419-

§ 20. VRIJWILLIG.

Vader lief, vermits ik mijn leven afleg, opdat ik hetzelve wederom neme. Hij geeft zich over aan den vijand met de bewustheid en het doel om hem daardoor te overwinnen. 18. Niemand neemt hetzelve van mij, maar ik leg het van mij zeiven af: ik hei macht hetzelve af te leggen en heb macht hetzelve wederom te nemen. Dit ge-bod heb ik van mijnen Vader ontvangen. Tegen zijnen wil kan niemand Hem het leven nemen, noch een mensch noch hij die het geweld des doods had , de duivel, die van dezen zondelooze niets te eischen had. Wat geen schepsel heeft, heeft Hij: macht over zijn leven, niet alleenlijk verleende, vergunde macht, maar wezensmacht gt;)i als Zoon Gods. Het leven wordt Hem niet tegen zijnen wil genomen, maar Hij legt het af. Zijn sterven is eene daadquot;1) , met volkomene vrijwilligheid volbracht en alzoo was het eene waarachtige zelf-ofïerande. Met dien wil gaat Hij de laatste maal op naar Jeruzalem, voorzeggende dat Hij daar sterven zal: gaat naar den hof Geth-semané, toont daar nog eerst zijne macht, doch verplettert zijne vangeren niet maar laat zich vrijwillig binden en als eindelijk het rechte oogenblik gekomen is , geeft Hij z|jnen geest over in de handen des Vaders, roepende met grooier stemme (Luc. 23 : 46), waardoor Hij als het ware uitspreekt: nu wil ik sterven.

397

1

) S^OUflX.

-ocr page 420-

§ 20. VRUWILLIö.

Hij wist, dit was de wil zijns Vaders en diens wil was ook zijn wil, beiden één in liefde, wijl één door den Heiligen Geest, één in Wezen. De Zoon deed in volmaakte gehoorzaamheid den wil des Vaders en de Vader had daarin het hoogste welgevallen. Lit gebod, dit mandaat , zegt Hij , heb ik van mijnen Vader ontvangen. Wanneer? Toch niet eerst in de dagen zijns vleeschesr1 Immers Hij kwam juist hiertoe in het vleesch om den wil des Vaders te volbrengen. Dus in zijn voorbestaan , in de diepten der eeuwigheid. Dit duidt een overleg aan, dit wijst op den Raad des vredes.

2. Zijne zware strijd (Luc. 22 : 44) in Gethsemané\'), zijne gebeden en smeekingen aldaar met sterke roeping en tranen (Hebr. 5: 7) zijn geen bewijs tegen de vrijwilligheid zijns lijdens. Integendeel daar openbaart zich juist zyne volkomene bereidwilligheid, daar Hij, als Zoon Gods van eeuwigheid ééns willens met den Vader, ook zijnen men-schelijken wil geheel aan \'s Vaders wil onderwerpt, hoezeer zijne menschelijke natuur voor het schrikkelijke lijden niet anders dan gruwen kon. Hij was in alles bovennatuurlijk , maar niet onnatuurlijk, waarachtig God maar ook waarachtig mensch. Het zou onnatuurlijk zijn geweest, hadde zijne reine menschheid, toen de bittere beker aan zijne lippen kwam, niet gehuiverd en gebeefd.

Gewillig en schrikkend gaat wèl saam. Oin klein met groot te vergelijken1); menschen kunnen voor pijnlijke chirurgische operaties en voor bittere dranken heftig schrikken en zich ontzetten , terwijl zij ze toch beslist willen

\') Zio in dit Hoofdstuk § 16. bl. 380. v.v.

2) De Moor, Comment. IV. p. 75. En p. 864 sqq. (Disputatie theologica de Precibus Christi Gethsemanitanis).

398

-ocr page 421-

§ 20. VRIJWILLIG.

399

en ze met allen ijver en om iederen prijs begeeren, wanneer zij weten dat hun leven en hunne gezondheid daarvan afhangen. Zoo hadde onze Borg van den kant des vleesches, dat voor lijden schuwt (vergel. Ef. 5 : 29), daarvan liever willen bevrijd worden , ware het niet ter eere Gods en ter zaligheid der uitverkoren van eeuwigheid anders bepaald, gelijk Hij als Zoon Gods wist. Dezen zijnen natuurlijken afkeer van lyden bekent Hij trouwhartig voor zijnen Vader, terwijl in dien oogenblik zijne gedachten eeniglijk gevestigd zijn op de bitterheid van dien beker , welke Hij begon te proeven ; maar aanstonds zich afwendende van het vleesch en gedachtig dat het in den hemelraad anders was besloten om redenen voor God en voor Hem den Borg zeiven verheerlijkend en voor de uitverkorenen zaligmakend , neemt Hy gewillig den door den Vader Hem gegeven beker aan om hem uit te drinken ; Vader , niet mijn wil, maar de uwe geschiede I Dus niet het minste blijk van onvrijwilligheid , maar treffend bewijs van zijne waarachtige menschheid , tegenover alle docetische voorstelling van een schijnlijden.

§ 21. Drangredenen.

Door geen macht of invloed van bulten werd Jezus tot lijden genoodzaakt. Hij wilde lijden. Innerlijk werd Hg daartoe gedrongen door zijne eigene beweegredenen.

Hij onderging het lijden des doods 1. uit aan den wil des Vaders, Fil. 2 : 8 \'). Daarom alleen kon de overste dezer wereld, die niets aan Hem had toch aan

\') Zie in dit Hoofdstuk § 2. bl. 326. v.

-ocr page 422-

§21. DRANGREDENEN.

400

Hem komen : de Vader wilde het en de Zoon gehoorzaamde , uit liefde zich vrijwillig daartoe overgevende. Dat betuigde Hij nog in de paaschzaal voor den uitgang naar Gethsemané Joh. 14: 31: (Uit gehoorzaamheid jegens den Vader wilde Hij den duivel niet weerstaan.) Maar opdat de wereld wete dat ik den Vader liefheb en alzoo doe ge-lijherwijs mij de Vader geboden heeft: staat op, laat ons van hier gaan. In zijn bitter doodslijden openbaarde zich allermeest zijne vrijwillige, uit liefde tot den Vader voortkomende gehoorzaamheid. Deze liefde was volkomen eenheid van wil met den Vader in het raadsbesluit der verlossing. Zijn dood was dan niet bloot een lijden maar tegelijk eene daad der vrijwilligste gehoorzaamheid, wel door de omstandigheden aangebracht maar tevens naar het Goddelijke raadsbesluit door Hem zeiven gewild.

En dienvolgens 2. naar de voorzeggingen des Ouden Testaments. Zijn lijden was voorzegd \'). De voorzeggingen waren aankondigingen van het Goddelijke raadsbesluit. God heeft zijne verborgenheid aan zijne knechten, de Profeten geopenbaard (Am. 3 : 7). Besluit en Schrift stemmen overeen. De Zoon des menschen gaat henen Luc. 22: 22 gelijk besloten is, Matth. 26 : 24 gelijk van Hem geschreven is. Besluit en Schrift moesten vervuld worden. Moesten, niet dat Hij voor eene overmacht bezweek, maar omdat Hij het zelf met den Vader alzoo wilde. Daarom wilde Hy geen verzet, geen tegenweer tegen zijne vangeren. Daarom sprak Hij in Gethsemané toen Petrus het zwaard trok: keer uw zwaard weder in zijne plaats. Of meent gij dat ik mijnen Vader nu niet kan bidden en

\') Zie voren, § 1. bl. 320. v.v.

-ocr page 423-

g 21. DKANGKEDENEN.

Hij zal mij meer dan twaalf legioenen Engelen bijzetten ? Hoe zouden dan de Schriften vervuld worden [die zeggen] dat het alzoo geschieden moet ? Matth. 26 ; 53 , 54.

Bij deze drangredenen van boven ging Hij lijden 3. uit erbarmende liefde voor ellendige menschen. Zeide de Satan uit ervaring tot den Heere Job 2:4: huid voor huid en al wat iemand heeft zal hij geven voor zijn leven; zoo kon Christus als eene algemeen erkende waarheid uitspreken Joh. 15 : 13 : Niemand heeft meerder liefde dan deze, dat iemand zijn leven zette voor zijne vrienden. De liefde geeft zich zelve. Dit is het hoogste blijk van liefde , wanneer iemand , om het leven zijns vriends te redden, zijn eigen leven er aan waagt. Enkele voorbeelden van zulke zelfopoffering voor vrienden treft men ook bij natuurlijke menschen, ook bij de oude Heidenen aan.

Christus stelt zijn leven voor zijne vrienden, de Herder voor zijne schapen, hetwelk Hij aanschouwelijk toonde Joh. 18 : 8. Dat was liefde. En liefde is hier in het sterven voor anderen het eenige punt van zijne vergelijking tusschen Hem en de discipelen, naar v. 12: Dit is mijn gebod, dat gij elkander liefhebt, gelijkerwijs ik ü liefgehad heb.

Anders is er in het prijsgeven des levens voor anderen door Hem en door de zijnen ongelijkheid en Hij onnavolgbaar. Want a. Hij stelde zijn leven niet om zijne vrienden uit lichamelijk levensgevaar te redden. Integendeel door zijnen dood werden zij veelmeer in gevaar gebracht. Maar Hij stierf om hunne zielen te redden van den eeuwigen dood, door hunne zonde te verzoenen. Zijne liefde blijft voorbeeld ter navolging, maar het doel verschilt. Dat blijkt uit Ef. 5 : 2 : Wandelt in de liefde, ge-lijkerwys ook Christus ons lief gehad heeft en zich zeiven

Gravemetjer, Geref. Gol. looi\'. II. \'28

401

-ocr page 424-

§ 21. DUANGREDENEN.

voor ons heeft overgegeven tot eene offerande en een slachtoffer Gode tot eenen welriekenden reuk.

En b. Christus stierf voor goddeloozen, zondaren, vijanden Gods (Rom. 5: 6 v.v.), die Hij stervende met God verzoende en vrienden maakte en die Hij, deelgenoot der verkiezende vrije liefde Gods, ook vooraf, toen zij nog vreemden en vijanden waren, liefhad: want anders zou Hij voor hen niet gestorven zijn gt;).

§ 22. Opperoorzaak.

De opperoorzaak van Jezus\' lijden en sterven was God. De Vader heeft naar zijn eeuwig voornemen zijnen eenig-geboren , geliefden Zoon gegeven , overgegeven om door het lijden des doods de zonden der uitverkorenen te verzoenen. De wil des Vaders was door de eenheid des Geestes ook de wil des Zoons. Anders hadde al de boosheid der vijanden niets kunnen uitrichten.

402

De verbitterde Joden , de goddeloosheid van Judas en de macht des Satans waren niet de oorzaken, maar vrijgelaten werktuigen, tot volbrenging van Gods raad. Dit sprak Petrus aanstonds op den Pinksterdag uit tot de Israëlietische mannen Hand. 2 : 23 ; Dezen (Jezus), door den bepaalden raad en de voorkennisse Gods overgegeven zijnde, hebt gij genomen en door de handen der onrecht-v aar dig en aan het [kruis] gehecht en gedood. De erkentenis van dit raadsbesluit Gods sterkte de geloovigen, toen

\') Calvin. Comment, in Joh. 15: 13; Christus vitam snam pro alienis exposuit, sed quos jam tunc ipse amabat, mortem alias pro ipsis non subitnrus.

-ocr page 425-

§ 22. OPPEROORZAAK. 403

weldra de vijandschap, die naar den 2den Psalm tegen den Heere en zijnen Gezalfde had gewoed, ook hen vervolgde. Wat met Jezus was geschied, was slechts de volvoering van Gods genaderaad. Dat stond hun levendig voor oogsn. Zij betuigen het in hun gebed Hand. 4 : 27 : Want in der waarheid zijn vergaderd tegen uw heilig kind (uwen heiligen knechtquot;) Jezus, welken gij gezalfd hebt, heide Herodes en Pontius Pilatus met de Heidenen en de volken Israels. 28. Om te doen al wat uwe hand en uw raad te voren bepaald had dat geschieden zou. Al watquot;1), eigenlijk zooveel als, niet meer en niet minder, juist zooals Gods hand en raad vooraf had bepaald dat geschieden zou. Hetwelk gezegd is „niet ten aanzien van hun voornemen, alsof zij zouden voorgenomen hebben den raad Gods uit te voeren , maar ten aanzien van de uitkomst (het geschieden) der zaak, die zoo uitgevallen is gelyk God in zijnen raad besloten hadquot; (Kantteek.). De hand Gods is zyne macht en wel zyne beschikkende, besturende macht; de raad Gods is zijn besluit, zyn voornemen , zijn eeuwige wil. Zy maakten hunne raadslagen en God liet het hun toe die uit te voeren, maar even daardoor werd Gods raad volbracht.

Hier hebben wij een allerduidelijkst bewijs dat God alles wat door de menschen , ook door de goddeloozen geschiedt, in een eeuwig , onveranderlijk besluit bepaald

\') Calvijn heeft: uwen heiligen Zoon, doch kourt do vertaling knecht niet af. Doch ttxï: is hier ongetwijfeld knecht. Want pas vooraf v. 25 is met dienzelfden naam David genoemd, de knecht Gods, als onvolkomen voorbeeld van den volmaakten knecht Gods Christus,

2) Hex.

-ocr page 426-

§ 22. OPPEROÜRZAAK.

heeft. Doch zonder krenking van vrijheid en zedelijkheid i).

En hierin toont zich eene ondoorgrondelijke diepte der wijsheid Gods, dat Hij den hoozen wil van menschen en duivel laat begaan en toch daarbij, ja daardoor zijnen heiligen wil uitvoert, dat dus de heilige raad Gods en de hooze raad van schepselen in ééne zaak samenkomen en zich evenwel niet met elkander vermengen. De goddelooze heeft niet het doel om Gods besluit uit te voeren, hetwelk hij immers niet kent; maar hij volgt zijnen eigenen wil, vrij en ongedwongen ; dies blijft hij verantwoordelijk. Dit is mede in Gods alles omvattend besluit begrepen.

De eerste en voornaamste oorzaak dus van Christus\' lijden en dood is God , zjjn eigen Vader, de opperste Rechter1), En wat bewoog Hem? Vrije liefde (Joh. 3: 16), gegrond in het welbehagen van zijnen wil (Ef. 1 : 5). God werd niet eerst door Christus tot liefde bewogen , maar uit liefde gaf Hij zijnen Zoon ten verlosser voor anders verlorenen, tot verheerlijking zoo van zijne genade als van zijne rechtvaardigheid.

§ 23. Hoedanige dood.

Ook de soort en hoedanigheid van \'s Middelaars dood was in Gods raad nauwkeurig bepaald. Dat bewijzen de voorzeggingen er van. Er bestonden ook bijzondere redenon, waarom het niet eveneens was welken dood Hij stierf.

1. Het moest een dood zijn mei bloedstorting. Dat was

\') Vijfde lloovfdstuk § 7. bl. TiöS. § 16. bl. 609. Zevende Hoofdstuk § 11. bl. 817.

2) P. Fun Mastricht , Godgol. 11. p. 734. Calvin. Conamen-tar iu Joli. 3 : 16.

4()4

-ocr page 427-

§ 23. H0EDAN1GE OOOU.

beteekend door al het offerbloed des Ouden Verbonds. Christus\' dood was eene zoenofferande. Zijn bloed moest vergoten worden : als feitelijke en kennelijke uitstorting van zijn leven. Want de ziel des vleesches is in het hlned, spreekt de Eleere Lev. 17 : 11 , daarom ik het v op het altaar gegeven heb , om over uive zielen verzoening te doen: want het is het bloed dat voor de ziele verzoening doen zal. Met bloed werd het Oude Verbond ingewijd : bet verbonds-boek zelf en het volk en later ook de Tabernakel en alle de vaten van den dienst werden door Mozes met bloed besprengd. En alle dingen, zegt de Apostel Hebr. 9 : 22 van de oude bedeeling, worden daar bijna door bloed gereinigd naar de met en zonder bloedstorting geschiedt geen vergeving. Sommige dingen , namelijk metalen , werden ook wel door vuur gereinigd (Num. 31 : 22 , 23), vele ook, zoo, behalve het eigen lichaam in de gezette was-schingen, vreemde kleederen , door water (Num. 31 : 24) ; daarom zegt de Apostel niet alle dingen, maar bijna alle. Geene verzoening echter van eenige zonde dan met offerbloed. Iedere overtreding van de verbondswet sloot den Israëliet uit van de gemeenschap aan het heiligdom des Heeren: de zonde maakt een scheiding tusschen God en mensch; herstelling in de gunst en vernieuwde toegang niet zonder tusschenkomst eener bloedige offerande: zonder bloedstorting geene vergeving.

2. De Verlosser moest eenen dood ondergaan, op welken eene begraving van zijn lichaam volgen kon. Begraven moest Hij worden om gewichtige redenen , ook naar de Schriften. Het lijk moest dus in eenen staat zijn , dat het in een graf gelegd kon worden.

3. Het moest een dood zijn, waarbij geen been aan Hem

405

-ocr page 428-

§ 23. HOEDANIGE DOOD.

verbroken werd, tot een teeken dat Hij was het tegenbeel-dige, ware Paaschlam (Joh. 19: 36. Ex. 12: 46).

Wettige en geregelde doodstraffen waren bij de Israëlieten de steeniging en het dooden door het zwaard. Tot meerder schande werd soms het lijk verbrand of aan eenen boom of paal opgehangen. Dat de Wet Lev. 20: 14. 21 : 9 levend verbranden bedoelde , is niet te denken , maar verbranding na steeniging als Joz. 7 : 25. Maar in latere tijden waren er volgens de Rabbijnen vier doodstraffen bij de Joden gebruikelijk, zeker naar bepalingen van het Synedrium : steeniging, dooding met den zwaarde, levend verbranden , worgen \')• Geene van deze zou Jezus ondergaan. Want bij worgen en levend verbranden was er geene bloedstorting en na verbranding ook geen eigenlijke begraving en door zwaard en steeniging geschiedde er verminking des lichaams en verbreking van beenderen.

Doch er waren noch hoogere redenen waarom de Verlosser eenen anderen dood zou sterven.

§ 24. Kruisdood.

De heilige Jezus heeft den smadelijken, smartelijken en vervloekten kruisdood ondergaan, opdat het bleek dat Hij den vloek der zonde droeg.

406

De kruisiging was eene Heidensche doodstraf, reeds oudtijds ,in Perzië, Egypte, Karthago en Macedonië en daarna bij de Romeinen gebruikelijk en door dezen ook

\') Winer, Realwörterbuch u. d. W. Lebensstrafen. Keil, Handb. der bibl. ArchSologie II. S. 263. § 153.

-ocr page 429-

§ 24. KRUISDOOD.

bij de Joden als wettige crimineele straf ingevoerd

Het was eene allersmadelijkste, in de hoogste mate onteerende straf. Geen Romeinsch burger , wat hij ook had misdaan, mocht gekruisigd worden, maar alleen misdadigers uit den slavenstand, straatroovers, valsche munters en andere kwaaddoeners van het gemeenste soort. Voor Jezus maakte men de schande nog meerder door Hem te kruisigen met en tusschen twee moordenaars, om Hern aldus verachtelijk als kapitein van zoodanig geboefte ten toon te stellen. Met de overtreders is Hij geteld geweest, Jez. 53: 12,

Allersmartelijkst. Reeds van wege de onnatuurlijke uitrekking en spanning des lichaams en dan bovenmate door de brandende wonden in handen en voeten1), die met ijzeren bouten aan het hout waren vastgeklonken. Het was eene langzame marteling, zoodat de gekruisigde den dood in al zijne bitterheid smaken moest.

Voor God vervloekt. Hierin ligt de ware beteekenis en de eigenlyke oorzaak, waarom de Verlosser gekruisigd is,

407

1

) Ebrard, Wisschenscb. Kritik der evangel. Gescb. 3te Aufl. S. 725 ; Die Annagelung der Füsse steht aivs Luc. 24; 39, Plau-tus, Justin und Tertullian fest und ist jetzt auch allgemein aner-kannt. — Naakt gekruisigd, doch volgens de meesten met een subligaculum. De Moor, Commentar. in Marck. IV. p. 85 sq. Ebrard, a. W. S. 722. Hot ontzaglijke lijden des gekruisigden is in bijzonderheden beschreven door Merz in llerzogs Keal-Enc. VIII. u. d. W. Kreuzigung.

-ocr page 430-

§ 24. KRUISDOOD.

waarom Hij aan het hout gehangen heeft. Daardoor hen

ik zeker, dat Hij de vervloeking, die op mij lag, op zich geladen heeft: want de dood des kruises van God vervloekt was. Heidelh. Catech. Vr. 39.

Vloek is het tegendeel van zegen, is wegstooting van God. In dat ééne woord zijn alle de straffen der zonde samengevat en op liet sterkst uitgedrukt. De kruisiging van Gods Zoon is de verlossing van den vloek. Dat is haar voornaamst dogmatisch gewicht.

De Schrift leert het. Gal. 3:13: Christus heeft ons verlost van den vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons. Want daar is geschreven: vervloekt is een iegelijk die aan het hout hangt.

De Apostel wijst hier terug op eene Goddelijke verordening aan Israël in do woestijn gegeven , die reeds op deze groote zaak doelde, Deut. 21 : 22 : Wanneer in iemand eene zonde zal zijn , die het oordeel des doods [waardig is] dat hij gedood zal ivorden, en gij hem [zijn lijk] aan het hout zult opgehangen hebben: 23. Zoo zal zijn dood lichaam aan het hout niet overnachten, maar gij zult hel zekerlijk ten zeiven dage begraven: want een opgehangene is Gode een vloek: alzoo zult gij uw land niet verontreinigen, dat u de Heere uw God ten erve geeft.

Het is zeer opmerkelijk dat de heilige God juist hierop zoo bijzonderen vloek legde en het hangen aan \'t hout als den vloek bij uitnemendheid kenmerkte. Al de andere vloeken der Goddelijke Wet werden dus als samen begrepen in den vloek van het hout.

Bij deze ordening zag de wijsheid Gods terug en vooruit: terug op Adam door wien de vloek over hem en zijn gansch geslacht was gekomen, vooruit op Christus die hem zou

408

-ocr page 431-

§ 24. KRUISDOOD.

wegnemen. Opdat het recht kennelijk zou blijken, dat de Zoon Gods als Borg voor zijn volk den vloek dor Wet (Gal. 3 : 10) op zich heeft genomen, afgedragen en weggedaan, heeft Hij die straffe ondergaan over welke de vloek van God in het bijzonder en bij uitnemendheid was uitgesproken : Hij is gehangen aan het hout, heeft zijn gezegend lichaam aan het kruis laten nagelen, opdat Rij het handschrift onzer zonden daaraan zoude hechten en heeft alzoo de vervloeking van ons op zich geladen, opdat Hij ons met zijne zegeninge vervullen zoude (Formulier van het Heil. Avondm.J Zegen voor vloek. Die den Zone ongehoorzaam zijn, op dezen blijft de toorn Gods (Joh. 3 :36) en zij gaan als vervloekten in hot eeuwige vuur (Matth. 25: 41); die in Christus zijn , zijn geen vervloekten meer maar kinderen Gods en worden ton geonen dage openbaar als de ge-zegenden des Vaders , die het koninkrijk beërven. —

Waarlijk gestorven. —

De waarheid van Jezus\' dood staat ontwijfelbaar vast. Zij volgt reeds uit het rechtsgebruik van alle tijden, dat de Overheid zich verzekert van den dood dergenen, die zij tot den dood heeft veroordeeld, hier te meer wijl de vijanden er voor waakten gt;).

i) Niedner, Kirchengoschichte. 1866. § 30. II: Sinmlatio mortis, frommer Betrug, war für Jesus eino moralische Unmög-lichkoit. Gegen Opinata mors, Scheiutod. gt;iWcamp;c/lt;-historischor Grund. Die gerichtliche Nothwendigkeit strenger Erwiesenheit wirklichon Todos Josu, für die Foiudo violmehr als für die An-h\'lngor des Verurthoiltpn, dieser Beweisgrund setzt Niohts vor-aus als was sich von selbst versteht. Mit ihm znsammen troten auch die physiologischeu Gründe mit mohr Sicherheit anf, und die oinfach laatorou Evangelienborichto in ihr volles Recht.

Van het gewicht en de noodzakelijkheid van Jezus\' dood zie

409

-ocr page 432-

§ 24. KRUISDOOD.

Dit wordt door de Evangelische berichten treffend bevestigd. Want omdat dienzelfden avond de feestsabbat aanving en de Joden de afneming der lichamen begeerden, drongen zij bij Pilatus aan op de gewone doodelijke beenbreking (Joh. 19: 31). De krijgsknechten verbrijzelden de beenen der twee andere gekruisigden, maar tot Jezus komende zagen zij dat Hij reeds gestorven was en zij braken zijne beenen niet (Joh. 19 : 32 , 33). Maar met het enkel aanzien stelde men zich niet tevreden. Om geheel zeker te zijn, dat Jezus niet levend afgenomen wierd, stak een der krijgsknechten met een speer diep in zijne (linker) zijde ; Johannes zag het; en er kwam bloed en water uit (de hartholte); een teeken van den pas ingetreden dood (Joh. 19; 34, 35. 20: 27). Nog niet genoeg. De rechter zelf verlangde en ontving zekerheid , dat Jezus werkelijk was gestorven; Pilatus vraagde en verstond het van den hoofdman^) en toen eerst schonk hij

boven § 17 v.v. Van do waarheid zijns doods hangt de waarheid der verzoening af. Is Christus niet waarlijk gestorven, dan is de zonde niet verzoend. Desgelijks de waarheid zijner opstanding. Is Christus niet werkelijk gestorven, dan is Hij ook niet opgestaan van do dooden. Hot moderne vorstand loochent dan ook óf de opstanding óf don dood. Zoo Dr. Bicder-mam , Christliche Dogmatik 1885. II. S. 419; Der Verstand beharrt auf der Alternative: entwoder ist Jesus wirklich gestor-ben , — dann ist er uicht wieder mit seinem getodteten Leib aus den Grabe hervorgegangon; odor, wenn er leibhaft aus dem Grabe hervorgegangon ist f — dann ist er nicht wirklich son-dern nnr schein-todt gewesen.

\') De hoofdman over honderd soldaten (Centurio) had met zijne onderhoorigen door do wonderen bij Jezus\' dood een diepen indruk gekregen , zoodat hij bevreesd zeide: waarlijk, deze, was Gods Zoon. De Heideasche krijgsknechten waren wel groo-

410

-ocr page 433-

§ 24. KRUISDOOD.

Jezus\' lichaam aan Jozef van Arimathéa, die het inmiddels van den landvoogd had begeerd (Mare. 15:43—45).

Het verlof van den rechter, om Jezus\' lichaam van het kruis af te nemen en te begraven is dus eene officiëele constateering van zijnen dood. Alle tegenspraak van bestrijders moet hiervoor zwichten. De Apostelen konden er dan ook openlijk van getuigen , zonder dat iemand de waarheid er\' van betwistte. En hunne schriften zijn er vol van , Christus\' dood met deszelfs vruchten is de kern en het middelpunt van al hunne prediking. En het Heilige Avondmaal roept het uit: verkondigt den dood des Hee-ren totdat Hij komt (1 Kor. 11 : 26).

411

Het was een werkelijke dood. Niet eene Sociniaansche overbrenging in eenen staat van niet-aanweziyheid. Maar scheiding van ziel en lichaam. Christus\' menschelijke natuur hield niet op te bestaan , ook werd hare perso-neele vereeniging met de Godheid niet afgebroken. Deze twee naturen waren alzoo te zamen vereenigd in één Persoon, dat zij ook zelfs door zijnen dood niet gescheiden zijn geweest. Zoo was dan \'t gene Hij stervende in de handen zijns Vaders bevolen heeft, een ware menschelijke geest, die uit zijn lichaam scheidde, maar hierentusschen bleef de Goddelijke natuur altijd vereenigd met de menschelijke , ook zelfs als Hij in \'t graf lag. Nederl. Belijd, des Oei. Art. XIX, De onmiddellijke vereeniging van lichaam en ziel (geest, redelijke ziel) werd verbroken: de ziel was na het sterven niet meer in het lichaam. Maar beide te zamen waren en bleven de menschheid

tendeels Duitschers, want do Romeinen hadden toen een Duitsch legioen in Palestina. Von Gerlach zu Matth. 27 : Bi.

-ocr page 434-

§ 24. KRUISDOOD.

van Gods Zoon : dies bleven zij middellijk en betrekkelijk ook na de scheiding vereenigd in den Goddelijken Persoon en de onmiddelbare vereeniging zou worden hersteld in zijne opstanding ten derden dagequot;)-

Waarheen ging Jezus\' geest na de scheiding van het lichaam ? Naar het paradijs\'1) Luc. 23 ; 43, in de handen des Vaders vs. 46. Dit moeten wij wèl onderscheiden van zijne hemelvaart, die met den lichame geschiedde , waarmede Hij zichtbaar onder de hemellingen verscheen. Nu echter ging het lichaam niet mede maar werd in het graf gelegd. Maar terwijl zijn lichaam in het graf ging rusten, was zijn geest (waarin zijn Ik woonde) in de zalige ruste van het paradijs , doch verborgen bij den Vader , in wiens handen Hij immers stervende zijnen geest had bevolen, als een kleinood had gedeponeerd ter opbewaring voor den tusschentijd , om hem ten derden dage tot het lichaam terug te doen kee-ren en dan na veertig dagen met het lichaam op te varen naar den hemel.

\') P. Van Mastricht, Godgel. II. p. 737. Christus was en bloof ook gedurende de drie dagon van zijnen dood do Godmensch, waarachtig God en waarachtig mensch , verus homo doch niet merus homo , ivaar mensch doch niet bloot mensch , hetwelk tegen afwijkende gevoelens met redenen wordt gestaafd door Mastricht II. p. 788 v. Vergel. C. Vitringa , üoctrina Christian ae religionis V. p. 580. sq.

\'2) Sommige theologen nemen do Joodsche onderscheiding van oen boven- en een beneden-paradijs ovor en verstaan hier door paradijs het lagere, hetwelk dan zijn zou »dor Freudenort des Hadosquot;, verschillend van hot hoogste paradijs, den dorden ho-

412

-ocr page 435-

§ 25. LAATSTE VERNEDERING.

4. BEGRAFENIS.

§ 25. Laatste vernedering.

De laatste vernedering, welke Christus moest ondergaan , was zijne begraving. Het was de laatste trap in tijdsorde. Want de Nederdaling ter helle beduidt iets wat vóór zijnen dood plaats had.

Hij werd begraven.

De Romeinen waren gewoon het lijk van eenen gekruisigde te laten hangen totdat het vleesch vergaan of door roofvogels verteerd was. Maar aan Israël had God geboden Deut. 21 : 23 : gij zult het ten zelfden dage hegraven ; men begroef het dan ter zelfder plaats waar het

mei. Aldus ook Stier, Roden des Herrn Jesu VI. ïheil. S. 250. zn Luc. 23 : 43. De Heilige Schrift leert alleen twoe verblijfplaatsen dor zielon na den dood, hemel on hello, geen over-gangs- eu tusschenplaatsen , zoodat ook het gevoelen dergenen die voor do zielon dor dooden, dio wonderdadig zijn opgewekt, gedurende do atlijvighoid eene buitengewone verblijfplaats (locus disponsationis) stellen, niet den minsten Bijbelschen grond heeft. P. Van Mastricht■, Godgel. UI. p. 466.

Op aanleiding van don strijd in do Luthersche Kerk over de alomtogonwoordigheid van Christus in don staat der vernedering ontstond de twistvraag : of Christus\' ziel gedurende de drio dagen zijns doods van hot doode lichaam plaatselijk (localiter) is gescheiden geweest. Sommigen stelden alleen oene losmaking van don baud tusschon Christus\' ziel eu lichaam , geene plaatselijke verwijdering {hu7TX7i;) of uitgang der ziel uit hot lichaam. C. Vilringa, Docrina Christ, rolig. V. p. 582 sqq. Soortgelijk hebben sommigen van de tweemaal gestorvonen geoordeeld. Vergel. ook Van Oosterzee. Leven van Jezus. Eerste nitgavo. Ilde Deol. p. 318 v.

-ocr page 436-

§ 25. LAATSTE VERNEDERING,

was gehangen. Maar naar Gods Woord en raad zou geen van beide met het ontzielde lichaam van Jezus geschieden. Onbegraven zou Hy niet blijven, maar ook niet op de hoofdscheelplaats begraven worden.

Daar Hij stervende alles volbracht had, kon Hij het leven , dat Hij had afgelegd, aanstonds wederom nemen en van het kruis afkomen. Maar het Hoofd zou, gelijk zijne leden, door het graf heen de opstanding tegemoet gaan.

Hij werd wel eerlijk en heerlijk begraven , maar toch behoort de begraving tot den staat der vernedering. Het was de diepste vernedering voor Hem naar het lichaam. Want dit is de nederigste staat waarin het lichaam des menschen komen kan, wanneer men het uit het aangezicht der levenden wegbrengt en in de duistere groeve , in het hol der aarde verbergt. Ook dezen uitersten trap van vernedering wilde Christus ondergaan. Niet alleen sterven wilde [lij , maar ook begraven worden : zijn lichaam zou tot de dooden afdalen , onder de macht des doods , in het graf, waar de dood heerscht en waar de lichamen der gewone stervelingen tot stof vergaan.

§ 26. Plechtige lijkstaatsie van den Vorst des levens.

Jezus was als een misdadiger gekruisigd. Toch werd Hij met eere begraven. De rechter Pilatus vergunde het. Ten eerste wijl hij van Jezus\' dood was verzekerd: aan de gerechtigheid was voldaan. Ten andere omdat hy Jezus voor onschuldig hield , overtuigd dat de Joden Hem uit nijdigheid hadden overgeleverd. Dies stond Hij toe dat Jezus van het kruis afgenomen en op eene betamelyke

414

-ocr page 437-

§ 26. PLECHTIGE LIJKSTAATSIE.

wijze, niet onder het kruis maar aan eene eerlijke plaats begraven werd door de hand dergenen die Hem liefhadden.

Plechtige lijkstaatsie van den Vorst des levens! Alle standen waren er bij vertegenwoordigd. De politieke, regeerende stand door Jozef van Arimathea , Raadsheer; de kerkelijke door Nicodemus, ook Raadsheer en leeraar in Israël; de burgerlijke door vrome vrouwen.

Gods hand was hierin. De Vader zorgde voor de eere zijns Zoons. Want wie zou Hem begraven ? De bekende discipelen durfden het niet wegens den haat der Joden en konden het niet, omdat zij , Galileërs , geen eigene grafplaats bij Jeruzalem hadden.

Daar verwekt God Jozef van Arimathea er toe, een rijk man (Matth. 27 : 57), een eerlijk Raadsheer (Mare. 15: 43), by het volk , bekend als een goed en rechtvaardig man, die ook niet mede bewilligd had in den raad en handel der Oversten (Luc. 23 : 50, 51), discipel van Jezus maar tot dusver uit vreeze bedekt (Joh. 19: 38). De volmaakte liefde drijft de vreeze buiten. Innerlijk gedrongen verstout hij zich tot Pilatus te gaan en bidt hem om het lichaam van Jezusquot;). Bij Pilatus, die geene schuld in Jezus vond , had hij wel minder gevaar, maar des te meer dreigde hem er om van de vijandige Joden. Maar hij waagt het met God , en de Oversten, zijne ambtgenooten, hadden zoo gehandeld dat hij op dezen geen acht meer kon slaan en de breuke met hen toch niet uit kon blyven.

415

Terwijl Jozef door zijne dienaren het heilige lichaam voor-

\') »De zalige bad don onzalige om do Zaligheid en du onzalige gaf aan den zalige de Zaligheid.quot;

-ocr page 438-

§ 26. PLECHTIGE LIJKSTAATSIE.

zichtig en eerbiedig van het kruis doet afnemen, komt ook Nicodemus aan , bij wien het zaad van het nachtgesprek (Joh. 3 : 1 v.v.) stil had voortgewerkt en nu met kracht boven alle vreeze uitbrak. Hij heeft dragers bij zich met fijn gewreven mirre en aloë, omtrent honderd ponden [gewiekts] (Joh. 19 : 39).

Zoo zijn daar twee rijken en aanzienlijken uit Israël bij Jezus\' kruis vereenigd, om Hem openlijk eere te bewijzen\'). Zoo roept God nog altijd eenige rijken, machtigen en edelen tot zijn Koninkrijk, hoewel het naar 1 Kor. 1 ; 26 niet vele zijn, die zich dan ook naar den wil des Heeren zullen laten gebruiken tot zulke liefdewerken, die hun boven anderen mogelijk zijn.

Het lijk wordt met de kostbare specerijen in zuiver fijn lijnwaad gewonden (Matth. 27 : 59) en dan in deftigen optocht grafwaarts gedragen , naar een nabijgelegen hof, aan Jozef toebehoorende. Galileesche vrouwen volgen mede (Luc. 23 : 55), ook om de plaats te weten waar het lichaam gelegd wordt; dezelfde vrouwen, die de kruisiging van verre hebben aanschouwd en die daarna op den derden dag in den morgenstond naar het graf zijn gegaan.

416

Jozef eert den doode op het hoogst. Hij legt het lijk in zijn nieuw graf, hetwelk tot rustplaats te zijner tijd voor hem zeiven in eene rots was uitgehouwen en waarin nog nooit iemand in gelegd was (Luc. 23 : 53). „Hetwelk door Gods beschikking alzoo geschied is , opdat men niet zou zeggen of denken dat er iemand anders opgestaan wasquot; (Kantteelc.J, toen op den derden dag het graf ledig werd gevonden. De vijandige oversten moesten zeiven tot

\') Da Costa, Voorlczlugen over de vier Evangeliën. 11. p. 397.

-ocr page 439-

§ 26. PLECHTIGE LUKSTAATSlE.

bevestiging der waarheid tegen wil en weten medewerken. Zij stellen eene wacht bij het graf en verzegelen den groo-ten steen, welken Jozef door de hand zijner knechten voor den nederigen ingang der grafspelonk heeft gewenteld. Na den derden dag willen zij dan komen en plechtig in bijzijn van getuigen en aanschouwers het graf ontzegelen en openen en den volke toonen dat het lichaam van den „verleiderquot; (Matth. 27 : 63) nog dood daarin ligt. Maar Die in den hemel woont, zal lachen; de Heere zal ze bespotten (Ps. 2 : 4).

§ 27. Voorzegd.

Met Christus\' dood en opstanding was ook zijne begrafenis voorzegd. Paulus leert 1 Kor. 15: 3,4: dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften, En dat Hij is hegraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften, De Schriften konden niet onvervuld blijven. Daar stond het voorbeeld van Jonas: des vissches buik was Jonas\' graf. Het wachtte op zijn tegenbeeeld Matth. 12: 40). In den 16den Psalm v. 9 spreekt de Messias door Davids mond : ook zal mijn vleesch zelcer wonen, hetwelk de Apostel Petrus Hand. 2 : 26 uitdrukkelijk van Christus verklaart.

Maar bijzonder opmerkelijk is de voorzegging bij Jezaja 53 : 9: En men heeft zijn graf hij de goddeloozen gesteld en Hij is bij den rijke in zijnen dood geweest*), omdat

0 nap D^Eh-m :vna3

Letterlijk: En men gaf bij goddeloozen zijn graf en hij eenen rijke in zijnen dood. jri^ staat onpersoonlijk, zonder bepaald

Gravemeijer, Govof. Gol, leor. II. 27

417

-ocr page 440-

§ 27. VOORZEGD.

Hij geen onrecht gedaan heeft noch ledrog in zijnen mond geweest is.

Over deze woorden zweeft eenig duister; eerst de vervulling stelde ze in hot licht. De zin is ongetwijfeld deze gt;): Menschen, de vijanden, hadden Hem de onteerende begraving bij goddeloozen, bij misdadigers toegedacht, door Gods beschikking kreeg Hij de eervolle begrafenis bij eenen rijke, en wel om zijns onschuldigen lijdens wille, als voorteeken van die verheerlijking die Hem daarna ten deele zou worden.

In zijnen dood zegt hier niet in zijn sterven. Want in zijn sterven was Hij wel bij de goddeloozen: Hy was gehangen tusschen twee boosdoeners. Het zegt: in zijnen doodsstaat\'1\'), nadat Hij gestorven was. De vijanden, nog niet tevreden met zijn lijden en zijnen dood, wilden Hem nog na zijn sterven beschimpen door Hem in gelijkheid met veroordeelde schuldige misdadigers op de plaats der

subject. Met reden. Het handeleude subject kon niet bij hot werkwoord uitdrukkelijk genoemd worden, omdat het werkwoord maar éénmaal staat en toch van tweolirlei verschillende subjecten gezegd is. Want die don Messias het graf bij goddeloozen gaf, is niet dezelfde als die het Hem na zijnen dood by eenen rijke gaf. De vertaling men gaf (men hoeft gesteld) is geheel naar het Hebreeuwsch taaleigen.

nomen sommigen zonder grond als gelijkbeduidend met

godddoocc. Ook Umhreit ■ Man gab bei Lasterhaften ihm sein Grab Und bei Frevlern lag er in seinem Tode. Selbst nach dein Tode noch ward er vorachtet. Daartegen Hengstenberg, Christologie dos A. T. 2te Ausg. II. S. 332 f. en Stier, Jeaaïas S. 478 f.

\') C. Vitringa , Commentar. in Jesaj. 53: 9. Hengstenberg, Christol. II. S. 328 fi\'. Böhl, Christol. dos A. T. S. 271.

\') Dit is ook aangeduid door don pluralis in hot Hebrecuwsch: m zijne do oden (niorles).

418

-ocr page 441-

§ 26. VOORZEGD,

schande verachtelijk onder de aarde te brengen. Maarzij bereikten hun oogmerk niet: Hij is bij eenen rijke in zijnen dood geweest, dat zegt: Hij is in het graf eens rijken begraven. De rijke is Jozef van Arimathca. Deze wordt bij Mattheüs 27 : 57 , wel opmerkelijk, een rijk man genoemd , waarmede de Evangelist, die steeds de vervulling der voorzeggingen aanwijst, kennelijk op de woorden bij Jezaja doelt, zoodat het gelijk staat met eene uitdrukkelijke aanhaling.

§ 28. Belang.

1. Door de begraving van Jezus is de tvaarheid van zijnen dood nog meer bevestigd, a. Reeds dat men Hem mocht begraven, bewees zijnen dood. Want Hij was gerechtelijk tot den dood veroordeeld. Het was eene zaak der Justitie. Wie zou Hem hebben begraven, wanneer Hij niet was gestorven ? Pilatus wilde dc afneming van het kruis dan ook niet toestaan dan nadat hij van Jezus\' dood volkomen was verzekerd.

b. En zij , die Jezus begroeven, waren zijne vrienden, die Hem niet zouden hebben begraven, ware er nog eenig levensteeken bij Hem geweest.

c. En al hadde Hij nog geleefd , al ware Hij een schijndoode geweest, Hij zou zekerlijk in het graf, waarin Hij was besloten, vóór den derden dag zijn gestorven.

2. Jezus\' begraving was een teeken dat do vloek, dien Hij, zoolang Hij aan het kruis hing, droeg, nu was afgedragen. Aan Israël was gezegd Deut. 21: 23: Een op-gehangene is Gode een vloek en hij mocht niet over nacht blijven hangen (het overnachten duidt een blijven aan),

419

-ocr page 442-

§ 28. BELANG.

opdat het land niet door den blijvenden vloek verontreinigd gt;) wierd. De afneming was een wegdoen van den vloek, was een bewijs dat aan de Wet was genoeg genoeg gedaan. Christus is een vloek voor ons geworden (Gal. 3 : 13), hangende aan het hout, de straf was op Hem voor de zonde zyns volks; Hij is afgenomen: de vloek was weg en werd niet meer gezien. Zijne afneming van het kruis en begraving betuigde en bezegelde dat in Hem het recht der Wet volkomen was vervuld en voor al de zijnen de ontbinding en vrijmaking van den vloek der zonde volledig was verworven, eene vrijmaking, welke toegepast en ondervonden wordt in de rechtvaardiging (Gal. 3: 10—13) en in de heiligmaking (Rom. 6: 4): met Hem hegraven door den doop in den dood.

3. De schrik van het graf is daardoor voor alle geloo-vigen weggenomen. Wie in Christus is, kan met hei. triomflied des Apostels instemmen 1 Kor. 15: 55: Dood, waar is uw prikkel ? Helle, ivaar is uwe overwinning ? Doordat het gezegende Hoofd in het graf heeft gelegen , en wel in het graf van eenen discipel, zijn de graven zijner leden geheiligd en gewijd tot slaapsteden4), tot rustplaatsen waarover de hope der opstanding zweeft. Jez. 57 : 2 : Hij, de rechtvaardige, zal ingaan [m] den vrede : zij zullen rusten op hunne slaapsteden, een iegelijk die [iti] zijne oprechtigheid gewandeld heeft.

Ook in het graf was Christus de geliefde Zoon in wien

\') Dit was de redon. Niet: om do lucht uiet te verpesten, gelijk sommigen oordeelen. Zie Keil, Bibl. Archüol. II. S. 266.

\'*) Leerzaam is dit punt behandeld door Joh. Casp. Suicerus, Symbolum Nicaeno-Constantinopolitanum. 1718. Cap. XII. II. 2. b. p. 264 sq.

420

-ocr page 443-

§ 28, BELANG.

421

de Vader zgn volkomen welbehagen had; dat welbehagen strekt zich uit over degenen die in Christus zijn; zij zijn den Vader in leven en dood aangenaam in den Geliefde. Geen Christen behoeft dus voor dood en graf te beven. De ziel gaat naar den hemel, het lichaam gaat rusten in de aarde, al is het ook zelfs niet in een eigenlijk graf, en dit verderfelijke zal eens onverderfelijkheid aandoen.

Voor Jezus was het een korte overgang , omdat Hij slechts de gelijkheid des zondigen vleesches had en de zonde op Hem alleen toerekenender wyze lag: de Heilige kon geene verderving zien. In ons kleeft de zonde inwo-nender wyze en heeft heel het lichaam doordrongen: daarom moet dit lichaam verderven of, waar de dood niet intreedt, wonderdadig veranderd worden.

5, NEDERDALING TER HELLE.

§ 29. Het Geloofsartikel.

Met reden i) legt onze Kerk, inzonderheid tegenover de Roomschen2), volgens wie Christus ziel van de ontvangenis af in het zaligende gezichte Gods altijd gelukzalig zou zijn geweest, grooten nadruk op zijn inwendig lijden en vindt dit passend uitgedrukt in het vierde van de Twaalf Artikelen onzes algemeenen en ongetwijfelden Christelijken geloofs: Nedergedaald ter helle. Dit behoort dan naar de Gereformeerde opvatting tot Christus\' vernedering; naar

!) Vergel. Elfde Hoofdstuk § 24. bl. 249. 2) P. Van Mastricht, Godgel. II. p. 740.

-ocr page 444-

422 § 29. HET GELOOGSART. NEDERGEDAALD TER HELLE.

de Eoomsche en Luthersclie tot den staat der verhooging.

Onze Gereformeerde Kerk heeft immers dit Artikel van het bijzondere zielsiijden des Heilands verklaard, Heidelb. Catechismus Vr. 44. 1. Er gaat wel in de XII Geloofsartikelen vooraf geleden , gekruist, gestorven en hegraven, en 2. in den Catechismus was ook reeds Vr. 37 de ziel genoemd : dat Hij aan lijf en ziele gedurende den gan-schen tijd zijns levens op aarde, inzonderheid aan het einde zijns levens den toorn Gods — — gedragen heeft, maar a. de plaatsing van dit Artikel in het Apostolische Symbool achter hegraven is geen bezwaar\') bij en tegen de opvatting in figuurlijken zin en b. de voorafgegane korte vermelding van het zielsiijden in den Catechismus Vr. 37 maakte niet overbodig , dat deze in de 44ste Vr. het bijzondere zielsiijden onzes grooten Hoogepriesters nader ging omschrijven , wegens het uitnemende gewicht daarvan en de vertroosting daarin gelegen. Daartoe diende dit Artikel Nedergedaald ter helle, in oneigenlij-ken, overdrachtelijk zin verstaan.

Onze Kerk had volkomen vrijheid en recht, dit Artikel aldus op te vatten, tegenover menigerlei andere, afwijkende verklaringen, die zij of minder gegrond in of zelfs strijdig tegen Gods Woord oordeelde.

De XII Geloofsartikelen, Symholum apostolicum genoemd

\') Calvin. Instit. II. 16. 10. Ook Doedes, De Hoidelb. Catechism. p. 191 v. wil uit do plaatsing van hot Artikel thans niet meer argumenteeren tegen de confessioneel-gereformeerde opvatting. Maar wól doet dit nog Ch. J lodge, Systimatic Theology 1880. II. p. 61G, Beza volgende in do verklaring van don doodsstaat, maar zonder zich in to laten op het bezwaar dat dan het donkere tot toelichting van hot duidelijke zal dienen.

-ocr page 445-

§ 29. HET GELOOFSART. NEDERGEDAALD TER HELLE. 423

niet wegens oorsprong maar naar inhoud, komen als geloofsformulier niet eerder voor dan in het laatste vierendeel der 4de eeuw. De Kerkgeschiedschrijver Bufinus van Aquilója (f 410 n, C.) geeft er het eerste bericht van \'). Het in eene Kerkbibliotheek te Aquiléja bewaarde handschrift was niet geheel eensluidend met een ander te Rome ; in het laatste stond niet Nedergedaald ter helle , in het eerste wel.

\') Rufinus verhaalt, doch slechts als «overlevering van do vaderenquot; : dn Apostelen hadden: in eene samenkomst vóór zij hnano zending buiten Palestina aanvaardden, dit Formulier opgesteld als behelzende de hoofdpunten hunner prediking tot verzekering van hunne blijvende overeenstemming in de leere.

Zoo oordeelt en belijdt ook do lloomsche Kerk, Catech. Roman P. I. Cap. 1. Qu. 2.

Dit wilde men later ook aanduiden door het woord Symbool, afgeleid van hot Grioksche Tvy.px/./.siy, waaraan men tweeërlei vormen en beteekenissen gaf; eerst, en te recht, T-j^jSoXov, in den zin van indicium of beknopte aanwijzing van hetgeen verkondigd zou worden , daarna (TUiJ.fixX?gt;£iv conforre) in den zin : samenstel van do bijdragen dor gozamonlijke Apostelen.

Nog later (eerst in do 6de eeuw) wist men zelfs afzonderlijk welk Artikel ieder Apostel had bijgedragen. Petrus hot eerste : Ik geloof in God den Vader. Thomas: Nedergedaald tor hollo , ton derden dago wodor opgestaan van de doodon. G. 1. Vossius, Dissert, de tribus Symbolis. ed. 2. p. 8 sq. Tl. Wit-sins, Exorcitat. sacr. in Symbolum Ap. p. 2. Neander, Kir-chengosch. 1826. I. lid. S. 354. Niedner , Kirchengesch. 1866. S. 317. Calvin. Inst. 11. 16. 18 zegt van hot Symbolum: Apostolioum nuncupo de auctore intorbn minime sollicitus.

Het Artikel Nedergedaald ter helle is uitvoerig behandeld en historisch toegelicht door De Moor, Commentar. in Marck. IV. p. 134. sqq. en C. Vitringa , Doctrina Christianae relig. Pars V. p. 55S. sqq.

-ocr page 446-

424 § 29. HËT GELOOFSART. NEDERGEDAALD TER HELLE.

In de Belijdenis van de Kerkvergadering te Nicéa (325 n. G.) wordt van de Nederdaling ter helle ook niet gewaagd. Daar is het: die voor ons gekruisigd is onder Pontius Pilatus, geleden heeft en begraven is en ten derden dage opgestaan is, naar de Schriften \').

Maar de zoogenaamde Belijdenis van Athanasius*) heeft de Nederdaling , doch niet de Begraving, Art. 36: Die geleden heeft voor onze zaligheid, nedergedaald is ter helle, ten derden dage weder opgestaan van de dooden, waar nedergedaald ter helle zeker gezegd is in den zin van begraven.

§ 30. Plaatselijk ?

Naar de belijdenis der Gereformeerde Kerk is Christus niet plaatselijk ter helle afgedaald, maar op aarde is Hij als in de helle geweest.

\') Naar de Schriften. Dit is or op do algomoone Korkvor-gadoring to Constantinopol 381 bijgovcegd. Catech. Roman. P. I. Gap. 6. Qu. 11.

2) Athanasius, Bisschop to Alexandria, f 373. Do naar hem genoemde Bolijdonis, het Symholum »Quicunquequot; (dit is hot aanvangswoord) kwam eerst in de 7de eeuw in het algemeen gobvuik on gezag ondor zijnen naam. Hagenbach, Dogmongesch. § 97. S. 218. (Naar Van Toorenenhergen , Do Symbolische Schriften p. 118 niet vóór omstreeks hot jaar 1000). Naar volon is hot afkomstig uit hot einde dor 5de eeuw van Vigilius, bisschop te Tapzus in Afrika. — Do rechtzinnige Korkon orkonden vervolgens als oecumenische Symbolen hot Apostolische, hot Niceen-scho on het zoogenoemde Athaniaansche. Aldus ook de Nederl. Bel. des Geloofs Art. IX : wij nemen in dit stuk (de Heilige

-ocr page 447-

§ 30. PLAATSELIJK?

De stelling van eene plaatselijke nederdaling is oud. Reeds sedert de tweede en derde eeuw verkondigden verscheidene kerkleeraren , dat Christus na zijnen dood in de onderwereld (den Hades) was neergestegen, om tot de aldaar bewaarde zielen der Patriarchen en der andere rechtvaardigen de tijding te brengen van de volbrachte verlossing en ze van daar op te voeren naar het rijk der heerlijkheid\').

Naar de Roomsche Kerkleer is, nadat Christus gestorven was, zijne ziel naar de onderaardsche verblijfplaats der doo-den neergestegen en daar zoolang verbleven als zijn lichaam in het graf is geweest. Niet slechts drong zijne kracht en werking tol de dooden door, maar zijne ziele zelf daalde reeel tot hen af. Doch alzoo, dat dezelfde Persoon Christus in dien tijd èn bij de dooden was èn in het graf lag: wijl ofschoon de ziel het lichaam had verlaten toch de Godheid geen oogenblik noch van de ziel noch van het lichaam is gescheiden geweest1).

De onderaardsche verblijfplaatsen der dooden zijn volgens de Roomsche Kerkleer 1. de eigenlijke helle, woning der duivelen , strafplaats der verdoemden , 2. het vagevuur,

3. het ruim voor de ongedoopt gestorvene hinderen en

4. de (nu ledige) bewaarplaats van de zielen der vromen uit de tijden vóór Christus, de voorburg der vaderen (limbus patrum , ook de schoot Abrahams genoemd), die daar wel vrij waren van gevoel van pijn doch het aan-

425

1

) Catech. Rom. P. I. Cap. VI. Qu. 1. 4.

-ocr page 448-

§ 30. PLAATSELIJK ?

schouwen Gods nog misten en wachtende waren op de volkomene gelukzaligheid \')•

Christus nu , leert de Roomsche Kerk, steeg neder naar de onderaardsche woningen niet om te lijden, niet als gevangene maar deels om zich te ver.toonen „vrij onder de doodenquot; en overwinnaar der helsche machten , deels en vooral om de zielen der voor zijne verschijning ontslapene rechtvaardigen uit haar wachtverblijf te verlossen, tot volmaakte zaligheid op te voeren en ze alzoo de vrucht van zijn lijden deelachtig temaken1). „Alvorens Hij stierf en weder opstond , hebben de poorten des hemels voor niemand ooit opengestaan.quot; Zoodra Hij zich bij de opge-slotenen vertoonde, straalde het helderste licht in de donkere woningen en het aanschouwen van Hem vervulde hunne zielen met onuitsprekelijke vreugde 3).

Ook de Lntherschen nemen eene plaatselijke nederdaling aan doch zijn in de nadere bepaling der „Hellevaartquot; niet eenparig. Luther zelf weifelde lang, doch verklaarde ten laatste, dat Christus „met lichaam en ziel ongedeeldquot; was neergestegen en over de helle had getriomfeerd. En hiernaar leert het „Eendrachtsformulierquot; der Lutheranen»): „dat de gansche Persoon, God en mensch, na de begrafeniss)

\') Catech. Roman. P. I. Cap. VI. Qu. 3. Hayenbach , Dog-mengesch. § 208. S. 494.

2) Cat. Rom. I. VI. 5. Tegon do dwaalleer vau dezen staat, der Vaderen Calvin. Comment, in Joh. 14: 1.

:l) Cat. Rom. I. VI. 6.

■•) Formula concordiae. Epitome IX. Solula declaratio IX. In de Concordia pia ed. Kcchenberg p. 613. 788.

■\'•) Nader door Lutheranen bepaald : na de herleving en de hercepiging van ziel en lichaam , onmiddellijk voor dat Hij als

426

-ocr page 449-

§ 30. PLAATSELIJK ?

ter helle is neergeslegen, den Satan heeft overwonnen, de macht der helle verbroken en den duivel alle kracht en macht ontnomen.quot; Hoe Christus dat gedaan heeft, wordt daarbij herinnerd , is niet na te sporen maar te gelooven, daar rede en zinnen het zoomin bevatten als zijne plaatsing ter rechterhand der kracht en Majesteit Gods.

De Socinianen verstaan door de helle, waarin Christus is nedergedaald , den staat der dooden gt;). Bood- zijn is hun echter zooveel als niet- zijn.

De Arminianen verschillen onderling , doch vatten hot Artikel meest in dezen zin: dat Christus gekomen is in den staat en toestand der dooden of onder de heerschappij des doods2), maar niet in de Sociniaansche be-teekenis van niet-aanwezigheid.

Dit gevoelen, dat het Artikel alleen zou zeggen: Christus is werkelijk geweest in den staat en de macht des doods , zoodat tot aan zijne opstanding de dood over Hem

opgestaan verschoon op aardo, dus in do eerste vroegte van den paaschmorgen. Güder in Herzogs Real-Encykl. VI. 178 n. d. W. Höllenfahrt Christi. Kechenherg, Appendix ad. lib ros eccl. Lxith, Symbol. 1756. p. 52 : Descendit ad inferna totas Aiyos, anima corpori redunita, desconsu reali, proprio, triumphatorio.

\') Status mortuorum. Zij loeren: animas post mortom nihil sentiro aut agore, imo no quidem in se re ipsa existere, velut personas. Do opstanding is hun nihil aliud quam ex nou exis-tento iterum oxistere , weshalve zij voorgesteld wordt als eono gonoratio, welke immers is een motus a non esse ad esse. C. Vitringa, Doctrina Christ. Rel. P. V. p. 576. on inzonderheid p. 581 sq., alwaar plaatsen uit Sociniaansche geschriften betrekkelijk dit puut worden bijgebracht.

2) C. Vitringa a. W. V. p. 576 sq.

427

-ocr page 450-

428 § 30. PLAATSELIJK ?

heeft geheerscht, wordt ook door vele Gereformeerden zoo vroegere als nieuwere voorgestaan i).

Niet weinigen van de oude Gereformeerden nemen het Artikel wel in de eerste plaats van den staat des doods, maar dan ook tevens als uitdrukking van het helsche ziels-lijdenquot;1), eene combinatie die althans tegen de historische beteekenis van het Artikel strijdt.

Bij nieuweren uit verschillende gezindten heeft op voorgang van oude voornamelijk Grieksche Kerkleeraren 3) den meesten ingang gevonden , hoewel met velerhande wijzigingen, de stelling van eene plaatselijke nederdaling onzes Heilands na zijn sterven ter prediking van het Evangelie

1

•) Aangehaald bij C. Vitringa, V. p. 559 sq. Onder cle nieuwere Gereformeerden is ook C/i. Hodge. Systematic Theology. 1880. II. p. G16 van dit gevoelen.

-ocr page 451-

§ 30. PLAATSELIJK ?

onder de dooden, en wel als begin van aldaar voortgaande verkondiging \').

Onvermoeid in den dood gelijk in het leven , in Christus , zegt men, in den geest heengegaan naar de verblijfplaats der dooden en heeft als een geest onder de geesten gepredikt, gelijkerw^s Hij in zyn leven als zichtbaar mensch den menschen op aarde gepredikt had. En Christus zelf zou slechts den aanvang hebben gemaakt, de prediking onder de geesten door geesten, zegt men, werd sinds voortgezet, zullende voortgaan tot den laat-sten dag der beslissing van aller lot, inzonderheid bij de gestorvene Heidenen, die op aarde het Evangelie der zaligheid niet hadden gehoord. Waarmede men niet wil beweren dat zij allen nog zalig worden , neen, geen anderen dan die er zich bekeeren en in Christus gelooven, maar dat alle menschen die ooit hebben geleefd en zullen leven , het Evangelie ten minste zullen behooren, ten einde alzoo de Heere Jezus Christus op den grooten dag der beslissing alle geslachten des aardbodems rechtvaar-diglijk zal kunnen oordeelen. — Dit gevoelen1) loopt dus

429

1

) Zelfs R. Engels, Geloofdroem. Grron. 1843. III. p. 94

-ocr page 452-

430 § 30. PLAATSELIJK?

uit en grondt zich op de onbijbelsche stelling van eonen middelstaat. Blijkens de Heilige Schrift wordt in het oordeel beslist naar het leven in het lichaam, 2 Kor. 5:10. En het eeuwige Evangelie is om te verkondigen dengenen die op de aarde wonen Op. 14 : 6 ; in de helle niet.

Vruchteloos heeft men naar klare bewijzen gezocht voor deze voorstelling van eene plaatselijke nederdaling des Zaligmakers naar het verblijf der onzalige dooden en van zijne prediking aldaar.

Hier kunnen niet in aanmerking komen de teksten Ps. 16: 10. Hand. 2 : 27. 1 Tim. 3: 16: is gezien van de Engelen en Ef. 4 : 9 : dezelfde die opgevaren is , is ook eerst nedergedaald in de nederste deelen der aarde. Ook door voorstanders zeiven van den plaatselijken descensus ad inferos is erkend\'), dat deze daar niet is bedoeld.

Er blijft alleen overig de uitspraak van den Apostel

helt hiortoo over en acht het hoog waarschijnlijk dat de huishouding der gencide zich met slechts tot dit acirdschc leven heperJct, maar ook in de geestenwereld voortduurt tot aan den Dag, wanneer de 11 eere komt om haar door een Rechterlijke beslissing te doen eindigen.

1) Ook door Bretschneider, Handb. der Dogmatik. 3to Aafl. II. S. 217 f. Ook Hase, Hutt. rediv. § 105. 3te Auü. S. 2C8 zegt van deze schriftuurplaatsen : Unpassend werden (sie) hior-her gezogen. In Ef. 4: 9 ; KXTsfi\'/i £lt;? tx nxTUTspx yys is rifc yijs appQsitio: naar do benedonruimten, namelijk (naar) de aarde. Winer, Grammat. § 48. 2. Ook Von G er lach z. d. St. zegt: Nicht von der Höllenfahrt Christi (1 Petr. 3: 19) , sondern von seiner Menschwerdung (cf. Ps. 139 : 15) iat hier die Rede. Anders Stier, Brief an die Epheser II. S. C3 ff. die zich beijvert in Ef. 4: 9 oen dictum probans te behouden voor de nederdaling van Christus in den Hades.

-ocr page 453-

§ 30. PLAATSELIJK ?

Petrus in zijnen eersten Brief 3: 19 en 4: 6 , die de voorstanders van Christus\' nederdaling in den Hades on van zijne prediking aldaar een vasten burg achten voor hun gevoelen i). Maar is er grond voor ?

De Christenen worden door den Apostel vermaand geduldig te zyn, wanneer hun, goed doende, kwaad wordt aangedaan. Dit wordt aldus aangedrongen 1 Petr. 3 : 18: Want Christus heeft ook eens voor [dej (andere lezing ome) zonden geleden, Hij rechtvaardig voor [cZe] onrecht-vaardigen, opdat Hij ons tot God zoude brengen, die wel gedood is in het vleesch, maar levend gemaakt door den (rees/1).

Hierbij moeten wij wèl letten op het oogmerk des Apostels. Het is, om de Christenen , die ten onrechte lijden, te vertroosten met de heuglijke uitkomst van het lijden van Christus. Hem heeft kruis en dood niet geschaad , want in Hem heeft het leven de palm der overwinning weggedragen. Daarin worden de lijdende geloovigen Hem gelijkvormig , 2 Kor. 4; 10 : Altijd de doodinge des Heeren Jezus in den lichame ommedragende, opdat ook het leven van Jezus in onzen lichame zoude geopenbaard worden.

431

Het subject is één, Christus\' éénzelfde Persoon; de gezegden verschillen. Hij is gedood, niet slechts gestorven, maar gedood , gewelddadiger wijze gestorven door de handen der onrechlvaardigen , aan het kruis. Hij is levend gemaakt, niet levend gehouden maar levend gemaakt :

\') Nitzsch, Systenj. § 219. 5to Aufi. S. 398 verzekert: Dio Stellen 1 Petr. 3: 19 uud 4: 6 habeu als Zeuguisse apostoli-sehor Lohre von Christi Verküudigung im Hades alieu weg-künsteluden Auslegungeu bis hieher widerstandeu. 1!) QmxtuQsu; ,uh vxpyj *uC7roiyós)$ Ss meuftxri.

-ocr page 454-

§ 30. PLAATSELIJK ?

hiermede is ontegenzeglijk zijne herleving, de hereeniging van ziel en lichaam , zijne verrijzenis uit het graf bedoeld , want deze levendmaking staat over tegen de dooding aan het kruis.

Hierbij dient wèl opgemerkt: de Apostel noemt twee gebeurtenissen, de dooding van Christus en zijne levendmaking, maar geen feit tusschen beiden, zoodat hiermede al aanstonds de grond wegvalt voor deze stelling, dat Christus tusschen zijn dood en opstanding in den zoogenaamden Hades zou hebben gepredikt. Daarvan staat bier niets\').

Christus, één en dezelfde Persoon, is wel gedood in het vleesch, maar levend gemaakt door den Geest. Vleesch en Geest zegt hier niet zonder meer lichaam en ziel. In het Grieksche staan hier twee datieven; dezen kunnen echter onmogelijk in gelijken zin worden opgevat: de Apostel kan niet willen zeggen: gedood in of naar het vleesch, levend gemaakt in of naar den Geest. Want ware Christus levend gemaakt naar of in den Geest, dan zou dit veronderstellen dat Hij vooraf in den Geest dood is geweest, hetwelk ten eerste ongerijmd is, want de Geest kan niet sterven en ten anderen uitgesloten wordt door de voorafgaande tegenstellende verzekering dat Hij gedood is in of naar het vleesch. Vleesch en Geest beteekenen hier dus niet op gelijke wijs de sfeer in welke het eene en het andere is geschied; het vleesch wèl, maar de Geest niet. Bij vleesch past naar of in / bij Geest heeft alleen door eenen zin,

Vleesch is datgene aan Christus wat sterven kon, is dat

\') Vandaar dan ook dat volen, ouden en nieuwen, do prediking in den Hades na de herleving stellen. Men zie Ilutherm Meyers Kommentar z. d. St. 3te Aufi. S. 176 f. Vergel. hier voren bl. 429. not. 1.

432

-ocr page 455-

§ 30. PLAATSELIJK ?

naar hetwelk Hij , de Zoon Gods, geworden is uit den zade Davids Rom. 1:3, uit Maria geboren. Het betee-kent zijne menschheid, die Hij heeft aangenomen (Joh. 1 : 14). Naar zijne menschheid is Hij gedood. De Zoon Gods is gestorven , maar naar zijne menschheid. Zijne ziel kon wel niet gedood worden, menschen die het lichaam dooden kunnen de ziel niet dooden Matth. 10 : 28 ; „nochtans wordt de geheele mensch gezegd gedood te zijn, wanneer ziel en lichaam door een geweldigen dood van elkander worden gescheidenquot; (Kantteek.).

Levend gemaakt door den Geest. Met hetgeen Petrus hier tegen eikander over stelt komt overeen wat ook Paulus tegenstellender wijze van Christus zegt 2 Kor. 13: 4: Want hoewel Hij gekruist is door zwakheid, zoo leeft Hij nochtans door de kracht Gods.

Door Geest verstaan hier velen i) Christus\' Goddelijke natuur, zijne Godheid. Maar Geest is Geest. Het is de Heilige Geest, doch aangemerkt niet naar zijn persoonlijk beslaan in hot Goddelijke Wezen, maar als wonende en werkende in Christus2), in zijne menschheid. Deze was in al hare deelen van don Geest doordrongen en door en door

\') Ook Ch. Hodge, Systematic Theology II. p. 619.

2) Voi\'gel. Elfde Hoofdstuk § 24. bl. 248. Calvin. Common-tar. in 1 Petr. 3: 18 ; Caro hic pro externo homino capitur, spiritus pro divina potontia, qua Christus victor a morte emor-sit. Intusschen behoudt hierbij volle gelding wat tegenstellender wijze aangaande Christus wordt betuigd in do Nederl. Belijd, des Gel. Art. XIX; dat Hij ware God en ware mensch is: ware God, om door zijne kracht den dood te overwinnen , (n ware mensch, opdat Hij voor ons mocht (Latijusche tekst : ut posset) sterven uit de zwakheid zijns vleesches.

Gravomoyor , Gorcf. Gol. loer. II. 28

433

-ocr page 456-

§ 30. PLAATSELIJK ?

geheiligd , was volmaaktelijk zijn tempel. De tempel kon worden afgebroken , maar hij zou weer verrijzen door den Geest die in hem woonde , die immers ook in den dood van Christus\' menschelijken geest niet scheidde en tot het ontzielde lichaam in betrekking bleef. Zoo wordt desgelijks tot de geloovigen gezegd Rom. 8; 11: God zal ook uwe sterfelijke lichamen levend maken door (wegens) zijnen

Geest die in u woont.

In dezen zin is ook Rom. 1 ; 4 de Geest te verstaan . waar gezegd wordt dat Jezus Chnslns krachtelijk bewezen is te zijn de Zone Gods naar den Geest der heiligmaking uit de opstanding der dooden. Ook hier is de Geest niet Christus\' Goddelijke natuur, zijne Godheid. Deze is uitgedrukt door Zone Gods. Wilde men nu den Geest nemen voor de Godheid, dan zeide de Apostel iets wat geenen zin heeft: Christus\' Godheid is bewezen naar zijne Godheid uit zijne opstanding van de dooden. De Geest kan hier niets anders zijn dan de Heilige Geest en wel als heiligend inwonende in Christus. Dat duidt de Apostel zelf aan deor te zeggen : naar den Geest der heiligmaking. Naar betee-kent; volgens , ten gevolge van. Als de Heilige Gods kon Hij geen verderving zien (Hand. 2 : 27).

Tnsschen Christus\' dood en opstanding staat er dus bij Petrus niets van eene prediking bij de dooden. Maar daarna dan?

Petrus zegt v. 19: In denwelken (Geest) Hij ook he-nengegaan zijnde den geesten die in de gevangenis [zijn]

gepredikt heeft«).

434

„Deze plaats is zwaar en wordt daarom verscheidenlijk

i) quot;sv cii y.x) toïs iv CpvXxy.ij irvsuftxtriv Tropsvóeic hvtpuamp;v.

-ocr page 457-

§ 30. PLAATSELIJK ?

uitgelegdquot; (Kantteek.). In de hoofdzaak zijn er tweeërlei opvattingen.

Naar de eene bedoelt de Apostel Christus\' prediking onder de dooden na zijnen dood. Naar de andere de prediking welke Christus door Noach aan diens tijdgenooten heeft gedaan s die , omdat zij er bij hun loven niet naar hoorden , sinds hunnen dood in de gevangenis zijn \')•

Dit laatste is het algemeene gevoelen van onze oude Gereformeerden Godgeleerden, ook van de Kantteekenaren in den Staten-bijbel, verstaande door de geesten de zielen van die menschen, aan welken Christus Geest door Noach de bekeering heeft doen prediken, namelijk toen zij nog leefden , waarom, en dit is een belangrijke wenk, Noach een prediker der gerechtigheid wordt genoemd 2 Petr. 2 : 5 (vergel. Hebr. 11 : 7), welke menschen echter niettegenstaande deze prediking van Noach en Gods lankmoedigheid over hen even ongehoorzaam en goddeloos zijn gebleven en daarom in de gevangenis, in de helle zijn, gelijk ook de booze Engelen daarin geworpen zijn, om tot het laatste oordeel bewaard te worden (2 Petr. 2:4).

Tot de rechte uitlegging geeft Petrus zelf den sleutel en wel in dezen zelfden Isten Brief 1:11, waar hij ook juist van Christus\' dood en verhooging gewaagt en ons leert, dat de Geest van Christus in de Profeten was en beduidde en te voren getuigde het lijden [dat] op Christus [komen

\') Ook aldaar gewoost zijn toon Petrus don Brief schroef. Doch hij zegt alleen : den geesten in de gevangenis en dit kende mon ook verstaan : dou geesten , dio tot daartoe in de gevangenis waren, indien or goon voldingende roden waren om hot anders te verklaren. A. Schweizor verstaat het van oene prediking door don praoexistoronden Christus voor don zondvloed. Doch \'t is hem mythus. Biodermann Dogm. II. 8. 107.

435

-ocr page 458-

§ 30. PLAATSELIJK ?

436

zoude] en de heerlijkheid daarna [volgende\']. De Geest van Christus zegt niet: de Geest die van Christus getuigde, maar de Geest dien Christus heeft en geeft (Rom. 8 : 9), en in welken Hij zelf tot den mensch komt\'). De Zoon is de Openbaarder van den verborgen God; de Openbaarder brengt de openbaring tot den mensch door den Heiligen Geest, uitgaande van den Vader en den Zoon, of bepaalder door den Zoon als den naasten Zender, dus komende van dezen als zijn Geest. Zoo was dan zijn Geest in de Profeten ; zoo was Hij in Noach, die op deze wijze evenals al de Profeten, de Goddelijke aanspraak ontving waardoor hij vermaand werd van de dingen die nog niet gezien werden (Hebr. 11 : 7). De Zoon zelf, nadat Hij in het vleesch was gekomen, had in zijne menschheid dezen Geest zonder mate, in al zijne volheid en onafgebroken. In dezen Geest kwam Hij, toen Hij nog bij God was en God was, in de gestalte-nisse en heerlijkheid Gods was, tot de Profeten ; zoo tot Noach, door wiens mond Hij gepredikt heeft aan de toen levenden op aarde, die nu als geesten in de gevangenisse zijn.

Vers 20 : Die eertijds ongehoorzaam waren, wanneer de lankmoedigheid Gods eenmaal verwachtte in de dagen van Noach, als de arke toebereid werd; waarin weinige (dat is acht) zielen behouden werden door het water. Waarop de Apostel wederom henenwijst in dezen zelfden Brief 4:0: Want daartoe is ook den dooden het Evanyelium verkondigd geworden1), opdat zij wel zouden geoordeeld worden naar

1

) Zoo te recht Huther iu Meyers Kommontar 1 Petr. 1 : 11. Hij teokent or bij aan : Der Ausdruck ist aus dor Ueberzouguug des Apostels von dor Prüexistenz Christ! zu erkliiren. Vergel. Vierde Hoofdstuk § 23. bl. 490 v.

-ocr page 459-

§ 30, PLAATSELIJK ?

den mensche in het vleesch, maar leven zouden naar God in den geest.

Den dooden , dat zegt die nu dood zijn ; hun is gepredikt toen zij leefden. Zoo zegt Naomi tot hare twee schoondochteren Ruth. 1:8: gij hebt weldadigheid gedaan hij de dooden , namelijk in hun leven.

Petrus verzekert vooraf, dat degenen die zich tegen het Evangelie verharden en de geloovigen om hunne vroomheid lasteren, het oordeel niet zullen ontgaan, zoomin als die goddeloozen die Noach lasterden omdat hij niet deed gelijk zij ; De welken zullen rekenschap geven dengenen , die bereid staat om te oordeelen de levenden en de dooden (v. 5). Zij zullen niets tot hunne verschooning kunnen inbrengen. Want het Evangelie is hun verkondigd. Want het is verkondigd ook aan de goddeloozen in de dagen van Noach eer het strafgericht kwam , 120 jaren lang door dezen prediker der gerechtigheid , „om hen daardoor tot bekeering van hun zorgeloos leven te brengen , opdat, zoo hunne lichamen vergingen , tenminste hunne zielen behouden wierdenquot; zeggen onze Kantteeke-naren, die daarbij aanmerken : „ het kan zijn, hoewel Petrus dit niet klaarlijk zegt, dat eenigen zich in het einde nog bekeerd hebben, ziende dat God zijne straf aireede over hen zond.quot; Zoo moet men wat Christus zegt Luc. 17 : 27 : de zondvloed kwam en verdierf ze allen en wat

2) V\'/inpoïs sv/r/ysXhOy. Hut her in Meyers Kommontar z. cl. St. verstaat door dooden \'A\\\\o , die Christns bui seiner Wiodcr-kunft als Todte vorfinden wird, sodass damit gesagt sein soil, os sei, ganz abgesehen davon waun uud wie, Allen, wolcho todt. siud (niimlich zur Zoit des Gerichts) das Evangelinm geprodigt worden , sei os vor odor nach ihrom Tode.

437

-ocr page 460-

§ 30. PLAATSELIJK ?

Petrus zegt: er werden maar acht zielen (personen) behouden van het verlies en behoud des tijdelijken levens verstaan.

Maar al werden er eenigen bekeerd, wat de overigen dan ? Dezen kwamen in de gevangenis. En aan dezen aldaar zou door Christus\' Geest, na zijnen dood, het Evangelie zijn verkondigd , nadat zij er meer dan 23 eeuwen waren opgesloten geweest ? Dat leert Petrus niet en dat strijdt tegen de analogie van al wat de Schrift van dood en oordeel duidelijk getuigt.

§ 31. Gereformeerd gebruik van het Artikel.

Daar het Artikel Nedergedaald ter helle niet van Godde-lijken maar alleen van kerkelijken oorsprong is; daar er voorts voor eene plaatselijke nederdaling van Christus ter helle geen standhoudende grond in de Heilige Schrift wordt gevonden: zoo kunnen en mogen wij, geheel afziende van wat men daarmede in het Apostolisch Symbool eerst en eigenlijk wilde te kennen geven •), het overnemen en verstaan in eenen zin die niet tegen het Woord Gods strijdt maar eene waarheid behelst, welke in de Schrift zelve wordt betuigd , namelijk overdrachtelijk (me-taphorisch): van het helsche lijden , hetwelk Christus op aarde in zijne ziele heett ondergaan.

438

En dit te meer : het is Bijbeltaal. In de Schrift worden buitengewone zwarigheden, heftige aanvechtingen, bittere

\') Calvin. Instit. II. 16. 10: Do Christ! descensu ad inferos soposita ratione Symbol! certior exposito quaorenda est : et nobis ex Dei verbo constat non modo sancta et pia, sed plena quoque eximiae consolationia.

-ocr page 461-

§ 31. GEREFORMEERD GEBRUIK VAN HET ARTIKEL. 439

droefheid, kwellingen en angsten der ziel als een zijn in de helle geteekend. Zoo zegt Hanna, Samuëls moeder 1 Sam. 2 : 6 : De Heere doodt en maakt levend: Hij doet ter helle nederdalen en Hij doet \\iveder] opkomen. Zoo Heman Ps. 88 : 7 : Gij hebt mij in den ondersten kuil gelegd, in duisternissen, in diepten. Zoo is het Ps. 116:3: De banden des doods hadden mij omvangen en de angsten der helle hadden mij getroffen, ik vond benauwdheid en droefenis.

In dezen zin heeft Calvijn het Artikel genomen, als nadrukkelijke betuiging, dat Christus niet alleen zyn lichaam ten losprijs heeft overgegeven en niet slechts uitwendig en zichtbaar voor der menschen oog heeft geleden, maar nog wat anders en hoogers onzichtbaar in zijne ziele voor God heeft doorgestaan, het gevoel van Gods rechterlijken toorn, de angsten der verdoemenis, onder loslating van de machten der duisternis tegen Hem.

En dit is door de Gereformeerde Kerk aangenomen in den Heidelbergschen Catechismus Vr. 44, waar aangetoond wordt tot welke vertroosting het voor de geloovigen dient: Opdat ik in mijne hoogste aanvechtingen verzekerd zij en mij gan-schelijk vertrooste, dat mijn Heere Christus door zijne onuitsprekelijke benauwdheid, smarten, verschrikking en hel-sche kwale, in welke Hij in zijn gansche lijden (maat inzonderheid aan het kruis) gezonken tvas, mij van de helsche benauwdheid en pijn verlost heeft

Aanvechting duidt geen vrede aan maar krijg. Alleen de wedergeborene kent aanvechtingen, want hij staat op oorlogsvoet tegen zonde, duivel, wereld en vleesch en heeft daarvan bitter te lijden.

\') Calvin. Instit. 11. 16. 11.

-ocr page 462-

440 § 31. GEREFOKMEERD GEBRUIK VAN HET ARTIKEL.

Menigvuldig zijn de aanvechtingen, waaraan de Christenstrijder is blootgesteld. De hoogste zijn die waarbij hij geestelijke vertaling van God ondervindt, wanneer hem alles wordt bestreden en hij in het duister moet zitten , overgegeven aan de macht en verschrikkingen des vijands en schrikbeelden der holle door zijne ziele gaan.

De aangevochtene moet tot het zielslijden van Christus komen. Dat geeft vertroosting. Hiertoe moeten de aanvechtingen dienen, om geheel op don Borg te vertrouwen en het is Gods oogmerk, daardoor alle eigenwijsheid, eigen gerechtigheid en eigen kracht te verbreken en den Zoon, den Zaligmaker te verheerlijken. Dozen heeft den vollen bitteren beker dos verschrikkelijken toorns en der wrekende en straffende gerechtigheid Gods gansch uitgedronken. En daarmede mag en moet ieder Christen onder allo aanvechtingen en angsten , onder alle verschrikkingen en droefenissen zich ganscholijk vertroosten en bemoedigen. Want ook voor die zonden, zielszonden van God-ontoerende, lasterlijke gedachten , die onder zulke aanvechtingen en benauwdheden helaas worden begaan, heeft Jezus, de geliefde Zoon Gods , geboet en heeft daardoor dit verworven dat de zijnen uit alle angsten ter tijds verlost worden. Hoe hooge nooden , zwarigheden en kwellingen eenen Christen ook treffen, zij zijn slechts tijdelijk, zij zullen niet eeuwig duren , omdat Christus de helsche angsten en kwalen voor zijn volk heeft gedragen.

§ 32, De twee tooneeleu van het zielslijden.

Hot was voornamelijk aan twee plaatsen, dat Christus datgene heeft ondergaan wat door het Artikel Nedergedaald

-ocr page 463-

§ 32. DE TWEE TOONEELEN VAN HET ZIELSLIJDEN. 441

ter helle naar de Gereformeerde opvatting wordt te konnon gegeven , het helsche lijden in zijne ziele. Eerst in den hof Geihsemané als een inwijdend vóórlijden der „groote Passie,quot; dan op Golgotha aan het kruis als haar ontzaglijk finale , als bezegelend slotstuk.

In Gethsemané (Luc. 22 : 39-—44) \') was het zonder lichaamslijden. Dit is gewichtig. Want hieruitblijktl.dat het een eigenlijk en bepaald zielslijden is geweest, niet slechts in het nedere deel der ziel, gelijk de Roomschen1) leeren, zoodat het hoogere, redelijke deel ook nu geene rampzaligheid gevoeld zou hebben; 2. dat Christus\' ziel heeft geleden niet bloot door tusschenkomst van de lichaamssmarten bij wege van compassie (sympathie) mot het lijdon des li-chaams, maar ook onmiddellijk, blijkens die angsten en benauwdheden, welke Hij daar in Gethsemané doorworstelde, toen zijn lichaam nog niet het allerminste leed. „Hetgevoel van den toorn Gods naar de ziele, ook dan als het lichaam niet lijdt, is de ziel van het lijdonquot; s).

Op Golgotha aan het kruis \'•) (Matth. 27 : 45, 46) onder de vreeselijkste lichaamssmarten.

§ 33. Oorzaak.

Het zielslijden was een noodzakelijk deel van des Midde-

1

) Catech. Roman. I. 5. 2 ; ejus animam, quod ad inferiorom partem attinet, ab iis cmiciatibus liberam uon fuisse. Daartegen P. Van Mastricht, Godgel. II. p. 733. 740. Vergel. boven in dit Hoofdstuk § 1G. bl. 886. Nota, 1. on § 29 bl. 421 v, :l) Brakel, Red. Godsd. I. p. 473.

\') Hiervan zie bovon § 16. bl. 385,

-ocr page 464-

§ 33. OORZAAK.

laars voldoening. De bezoldiging der zonde is de dood in geheel zijne beteekenis: niet alleen de geestelijke en de lichamelijke dood maar ook en voornamelijk, als uiteinde van beiden , de eeuwige dood. Tot geheele delging der schuld , tot volkomen verzoening der zonde moest de Borg, de onschuldige en heilige Jezus als schuldig doemeling voor zijn volk ook de rampzaligheid des eeuwigen doods\') smaken.

Niet in during. Wel moest Hij den eeuwigen dood ondervinden , doch niet de eeuwigheid des doods, wel in ge-wichte (intensief) doch niet in uitgestrektheid (extensief). Hij kon daarin niet blijven.

Niet ten aanzien van plaats en omstandigheden, zooals de Luthersche leeraar Johannes Aepimsquot;1) (gestorven te Hamburg 1553) stelde , die naar den 16den Psalm beweerde , dat Christus ziele plaatselijk in de helle was neergedaald en aldaar de helsche straffen had geleden, terwijl het lichaam in het graf had gerust; waarom hij, afwijkende van de leer der Luthersche Kerk, Christus\' Neder-daling ter helle tot den Staat der Vernedering rekende.

Maar het wezenlijke») van den eeuwigen dood heeft de Middelaar ondergaan, op wien de straffe was die ons den vrede aanbrengt, de straf van gemis en van gevoel.

Gemis van vertroosting en geestelijke blijdschap, drie uren lang gedurende de duisternis, aan het kruis, toen Hy van

\') Diros in anima cmciatns damnati ot perditi hominis per-tulit. Calvin. Inst. II. 16. 10.

2) Hagenbacli , Dogmengesch. § 267. S. 649. Ilartmann in Horzogs Ilóal-Encykl. I. S. 156 f. u. d. W. Aepinus. Bret-schneider, Handb. dor Dogm. II. S. 206.

^ P. Van Mastricht, Godgel. II. p. 732 v.

442

-ocr page 465-

§ 33. OORZAAK.

God was verlaten en eindelijk, als zelf daarover verbaasd en ontsteld , gelijk een verlegen en verslagen kind , voor hetwelk de vader zich onbegrijpelijk vreemd houdt, uit-barsste in de Psalmklacht: Mijn God, mijn God, waarom hebt gij mij verlaten?

Daarbij het gevoel van Gods toorn en vloek over de zonde , die Hij had op zich genomen. De zonde der wereld lag op het Lam. Daarom werd Hij door de hand Gods geslagen en heeft alle de blijken en uitlatingen van een vertoornd en straffend God ondervonden. Onder zwa-ren strijd droeg Hij het en overwon. „Worstelende met de macht des duivels, met de verschrikkingen des doods, met de smarten der helle\'heeft Hij over allen getriomfeerd , opdat wij niet meer in den dood datgene vreezen wat onze Vorst heeft verslonden i).quot;

§ 34. Doeleinde van de Vernedering.

Het hoofddoel, waartoe Christus al de vernedering onderging , was om in plaats van een schuldig menschdom aan de Goddelijke gerechtigheid\'1) te voldoen. De heilige God, de Koning des heelals. Wetgever en Rechter,handhaaft en staaft de gerechtigheid in rijk.

Het is als Jezaja 5: 16 zegt: de oogen der hoovaardigen zullen vernederd worden. Doch de Heere der heirscharen zal verhoogd worden door het recht en God de Heilige zal geheiligd ivorden door gerechtigheid. Hetwelk wel in de eer-

\') Calvin. Instit. II. 16. 11.

2) Vau do gsrechtigheid Gods is gehandeld in hot Derde Hoofdstak § 41 — 49.

443

-ocr page 466-

444 § 34. DOELEINDE VAN DE VERNEDERING.

ste plaats op do oordeelen ziet, die God over de rebellische, bondbrekende, goddelooze Joden zou doen komen •) , die het recht verkeerden en daarbij nog op hunne inzettingen eigene gerechtigheid pochten , daar „Hij zich zeiven zou betoonen Rechter te zijn, straffende de boosdoeners vanwege hunne zondenquot; (Kanüeeh.J. Maar dan wijst het ook den algemeenen en vasten regel aan , naar wolken Hij steeds in zijne regeering handelt. En zoo is het ten derde meteen eene vooraanduiding van de hoogste openbaring der gerechtigheid Gods in Christus, de veroordoo-ling der zonde in zijnen vleescho (Rom. 8:3), waardoor alle eigene gerechtigheid en hoogmoed wordt terneerge-worpen en tot beginsel van waarachtige Godsvoreering wordt vastgesteld het geloof, welks voorwerp is de gerechtigheid Gods , betoond en verheerlijkt in de gehoorzaamheid en het lijden des Middelaars1).

Het doel Gods bij de vernedering en het lijden zijns Zoons wordt klaar en nadrukkelijk uitgesproken Rom. 3 : 25 2): het was tot betooning van zijne rechtvaardigheid. Eene uitspraak waardoor de averechtsche voorstelling , door Socinianen, Rationalisten en Ethischen aangaande het dool van Christus\' dood aangeprezen, beslist wordt veroordeeld. Welken God voorgesteld heeft \\tot] eene verzoening i), door het geloove, in zijnen bloed tot eene betooning

1

) Joh. Coccejus, Commontar. in Propbet. Josaj. p. 110 sq.

2

) Zio hierovor Elfde Hoofdstuk § 27. bl. 261 v.

J) lï.XTTypiov, kapporot. Daar is volbracht do h.xifM?, v/ól te ondorscboidon van KXTxXj.xyJi, ofschoou boido door verzoening bij do Onzon zijn vertaald. Zio in dit Hoofdstuk § 19. bl. 394. Not. 4.

-ocr page 467-

§ 34. DOELEINDE VAN DE VERNEDERING. 445

van zijne rechtvaardigheid, door de vergeving der zonden die te voren geschied zijn onder de verdraagzaamheid Gods,

Velen willen van geen andere verzoening met God weten dan die door de zinsverandering of bekeering der menschen geschiedt, waardoor zij ophouden vijanden Gods te zijn. Want in God, zegt men, was nooit vijandschap. Hij had steeds de menschen lief.

Maar dan beseft men niet dat God Koning is. Wetgever en Rechter, volmaakt heilig en rechtvaardig en dat de zonde een gruwel is in zijne oogen. En dan verloochent men het Hoogepriesterschap van Christus, waarin Hij iets groots voor de menschen bij God te doen had (Hebr. 5 : 1). Dan weerspreekt men de duidelijkste uitspraken der Heilige Schrift, welke zegt, dat Christus voor onze zonden is gestorven, dat Hij een vloek voor ons is geworden, dat Hij ons gekocht heeft met zijnen bloede. Dat is wat anders en hoogers dan dat hij het ontzaglijke ziels- en lichaamslijden alleen of hoofdzakelijk hiertoe zou hebben ondergaan om een volmaakt voorbeeld van liefde en lijdzaamheid te geven en om zijne leer te bevestigen. (Zie boven § 18).

Het was te doen om verzoening door voldoening. Wanneer de Apostel Paulus zegt Rem. 5:10: Want indien wij vijanden zijnde met God verzoend ij zijn door den dood zijns Zoons, veelmeer zullen wij verzoend zijnde1) behouden worden door zijn leven: zoo verbindt hij de verzoening niet met de bekeering maar met den dood des Zoons Gods en betuigt dat hij en de Christenen te Rome en de andere ge-loovigen vijanden Gods waren geweest maar met Hem zijn

\') Tcji Ó£Cf).

2) y.XTxXXx.yévTss.

-ocr page 468-

446 § 35. DOELEINDE VAN DE VERNEDERING.

verzoend geworden door den dood zijns Zoons. Ook niet dus, dat zij door de leere van Jezus\' dood bekeerd en alzóó met God verzoend waren. Zou het eene leere zijn die dit bewerkte, zoo was het nog eer de leer van Jezus\' opstanding dan die van zijnen vernederenden dood. Nergens zegt ook de Schrift, dat wij door Jezus\' opstanding of door iets anders met God verzoend zijn, maar: door zijnen dood.

De groote God, de eeuwige Koning staat in eene andere betrekking tot ons menschen dan waarin menschen jegens menschen staan. Bij Hem is het hoogste Recht. Recht en gerichte zijn de vastigheid zijns troons. Dat kon niet onbeloond blijven. Niet dat Hij, zoo te zeggen, van zin en gedachte veranderde of bewogen werd om eene vijandigheid af te leggen. God is liefde, maar heilige en rechtvaardige liefde. Maar dit was noodzakelijk, dat Christus, en dit was Gods eigen Zoon dien Hij zelf tot Middelaar gaf, in plaats en naam van al degenen die zalig zouden worden zooveel deed en leed, dat God hun, die zijne vijanden waren, zonder krenking van zijne gerechtigheid en eere genade bewezen, de zonden vergeven en het eeuwige leven schenken konde.

God is niet alleen ten hoogste barmhartig, maar ook ten hoogste rechtvaardig. En zijne gerechtigheid (gelijk Hij zich in zijn Woord geopenbaard heeft) vereischt, dat onze zonden, tegen zijne oneindige Majesteit begaan, niet alleen met tijdelijke maar ook met eeuwige straffen , beide naar ziel en lichaam, gestraft worden: welke straffen wij niet kunnen ontgaan, tenzij dat der gerechtigheid Gods genoeg geschiede.

Maar alzoo wij zeiven niet kunnen genoeg doen en ons vo.n den toorn Gods bevrijden, zoo heeft God uit oneindige barmhartigheid zijnen eeniggeboren Zoon ons tot eenen borg gegeven, die, oplat Bij voor ons zoude genoegdoen, voor ons of

-ocr page 469-

§ 34. DOELEINDE VAN DE VERNEDERING. 447

in ome plaatse zonde en vervloeking aan het Kruis geworden is. Dordrechtsche Leeregels, Tweede Hoofdst. 1 , 1.

Dat was het eindoogmerk van Christus komst in de wereld. Daartegenover staat de stelling van velen , dat, al ware de mensch ook niet gevallen, de Zoon Gods toch mensch zou zijn geworden. Dus zoude zijn dood iets bijkomstigs zijn. Door de rechtzinnige Kerkleeraren is dit gevoelen doorgaans verworpen als eene dwaling bij ketters en onrechtzinnigen tehuis hoorende.

Reeds vroeg waren er, die de verschijning van den Logos in het vleesch eenzijdig beschouwden als toppunt en einde van de openbaring Gods en van de levensontwikkelingen der menschheid, als voleindiging en kroon der schepping i). Deze voorstelling werd voornamelijk door den Alexandrijn Origenes (gestorven 254 n. G.) uitgewerkt en de geestelijke mededeeling van het Goddelijke Wezen dos Logos aan de menschen als hoofdzaak voorop gesteld , terwijl bij hem „de prediking van een gekruisigden Christus slechts voor een ondergeschikt standpunt goldquot;*).

In de eeuw der Hervorming werd dit dwaalgevoelen bijzonder voorgestaan door den Lutheraan Andreas Osi-ander te Koningsbergen en door de Socinianen 3); in den

\') Ilagenbach, Dogmengesch. 3te Anfl. § 64. S. 134. Vergel. § 182. S. 430 f.

1) Neandev, Kirchongescb. 1828. I. Band. 3te Abthoil. S. 628.

■■\') Hagenbach, Dogmengesch. § 269. S. 656. Vovgel. Achtste Hoofdstuk § 5. bl. 18. Van het Sociniaansche leersysteem , vol van innerlijke tegenstrijdigheden , zegt St7\\iuss, Christl. Glan-benslehre I. S. 56 : Der Socinianismns , kann man sagen , ist die gemeinsamo Wiege, in welcher dor Supranaturalisme nnd der Rationalismus der neuern protestantischen Theologie noch beisam menliegen.

-ocr page 470-

§ 34. DOELEINDE VAN DE VERNEDERING.

nieuweren tijd door Schleiermacher •) en door vele van hem geïnfluenceerde, uitnemende, doch in zeer gewichtige stukken verre van rechtzinnige Duitsche theologen als Nitzsch, Martensen (Deen), Liehner , Lange, Jioihe, Dorner, ook Ebrard1), Christus is hun, als de tweede Adam , de voleindiger en volmaker der schepping, het, ook buiten de zonde noodzakelijke , vereenigende Hoofd der menschen en Engelen , daartoe van eeuwigheid be-

448

1

) Ebrard, Christl. Dogmat. I. § 218. S. 26G. II. § 396. S. 151. § 399. S. 155. Zolfs Von G er lach zu 1 Kor. 15 ; 46 zegt: Der Apostel redet hier vou dom Gegensatze des natürlichon oder soolischen und des geistlichen Leibos ganz unabhilngig von Sün-donfall und Erlösung , und es scheint aus seinen Worten dout-lich hervorzugehen , dasz auch abgesehon vom Süudenfallo dio Erscheinung des zweyten Adams in der menschlichen Natur und ihre Veiklürung durch ihn noihwendig war.

-ocr page 471-

§ 34. DOELEINDE VAN DE VERNEDERING. 449

stemd, waaraan de tusschenbeide komende zonde niets konde veranderen. Uit Duitschland is dit gevoelen herwaarts overgewaaid en gehuldigd niet alleen door de zoogenaamde Groninysche School\') maar ook door Van Oosterzee\'*) en zijne volgelingen.

Deze stelling, dat de Zoon Gods buiten \'s menschen zonde niettemin in het vleesch gekomen zou zijn, staat in verband met velerlei andere dwalingen zoo Pelagiaansche van eene wijziging in Gods besluit naar de onvoorziene vrijwillige handelingen der menschen, als \'pantheïstische van de bestemming der menschheid tot eene God-mensch-heid, en is daarom door rechtzinnigen op grond der Heilige Schrift bestreden 3).

Naar de Schrift is de grond van de menschwording des Zoons Gods in de zonde gelegen en geenszins buiten op-

\') P- Hofstede de Groot iu »Waarheid iu Liefdequot; 1843. IV. 729. Daartegen Da Costa, Eenige Opmerkingen, bl. 21.

2) Van Oosterzee, Christologie III. p. 85—90. Dezelfde, Christol. Dogmat 2de druk I. p. 412 v.

\') Treffend is het betoog van Calvijn , Instit. II. 12. 4—7. Bondig en beslissend ook P. Va/i Maslricht, Godgel. II. p. 490 v., die inzonderheid ook de grondleugenen van het dwaal-gevoelen aanwijst. Eu De Moor , Commentar. in March. Cap. XIX. § 1G. Pars III. p. 759 sq. Uitvoerig en afdoende is de waarheid gehandhaafd, do oorsprong van hot dwaalgevoelen bij ouden en nieuweren eu de onhoudbaarheid hunner gronden daarvoor aangetoond door Dr. A. Kuyper in zijne verhandelingen over De Vleesch wording, van het Woord, in de Heraut 1883. No. 265. 266. 267. 270. 286.

Verschillende meeningen van Godgeleerden over dit twistpunt zijn opgesomd door C. Vitringa, Doetrina Christ. Relig. Pare V. p. 47-50.

Gravoiuoijer , Gerof. Gul. loor. 11. 2ü

-ocr page 472-

§ 34. DOELEINDE VAN DE VERNEDERING.

zicht tot de zonde noodzakelijk begrepen in de voorstelling van God, of in de idee van de menschheid.

Verzoening der zonde was het doel der raensckwording van Gods Zoon. Dat blijkt 1. uit de getuigenis der Schrift van zijne voorverordineering juist tot dit einde 1 Petr. 1 : 18—20: Christus is van eeuwigheid voorbestemd geweest als het Lam, als die in het vleesch hiertoe zou geopenbaard worden, om door zijn dierbaar hloed verlossing aan te brengen. Maar dat doel der rnenschwording valt weg, wanneer men de zonde wegneemt; en dat de voorbestemmende God een ander doel had, waarom Hij zijnen Zoon in het vleesch wilde doen komen, wordt niet gezegd : weshalve wij met recht besluiten , dat, ware er geene verlossing noodig geweest, ook de rnenschwording geen plaats hadde gehadquot;).

Het blijkt 2. uit de beloften des Ouden Testaments van den Middelaar, van Gen. 3 : 15 aan en uit de offeranden en andere ceremoniën der Wet, die alle met do zonde te doen hebben en op de verzoening wijzen als het doel der komste van Hem , dien zij aankondigen en afschaduwen.

450

Het blijkt 3. uit geheel de leere des Nieuwen Testaments, beginnende met de verklaring des Engels Matth. 1 : 21. Het drievoudige Middelaarsambt, tot welks waarneming de Zone Gods in de wereld is gekomen, veronderstelt zonde en zondaars.

\') De Moor 1. c. Wij moeten hierbij in hot oog honden Gods eeuwigen en onvergankelijlcen (onveranderlijken) raad, Ncderl. Belijd, des Gd. Art. XVF. Vorgel, ovor do Besluiten : Vijfde Iloofd-stnh § 2. 6. 16. Over 1 Petr. 1 : 20 zie Elfde Hoofdstuk § lt;3 hl. 194.

-ocr page 473-

§ 35. GODDELIJKE E1SGH. 451

§ 35. Goddelijke eisch.

God is Koning. Als Koning oefent en handhaaft Hij de gerechtigheid. Niet naar willekeur en Initn , maar naar eene innerlijke noodzakelijkheid. Hij kan niet anders willen : wegens zijne heilige natuur. Want zijne heiligheid staat over zijnen wil en bepaalt dezen.

Zijne gerechtigheid is eene wetgevende en eene rechterlijke lt;).

1. Naar zijne wetgevende gerechtigheid eischt Hij van den mensch heiligheid, volkomene gehoorzaamheid aan de Wet, waarin Hij zijnen wil heeft verklaard. Dit was altoos Gods eisch ; buiten dit geen leven , geene zaligheid. „De zaligheid was op geen andere conditie beloofd dan op volkomene heiligheidquot;1) Rom. 10: 5: WantMo-zes beschrijft de rechtvaardigheid die uit de Wet is [zeggende]: De mensch die deze dingen doet zal door dezelve leven.

De eisch is niet slechts uitwendige plichtsbetrachting , maar heiligheid van zin en daad, van hart en wandel, niet bloot legaliteit, uiterlijke onderhouding der geboden, maar moraliteit s), ware, reine zedelijkheid uit onverdeelde liefde Gods en uit daarin gegronde liefde des naasten. Lev. 19: 1: Gij zult heilig zijn: wantik de Heere uw God hen heilig.

Maar in het geslacht van den gevallen Adam wordt geen heilige geboren. Zij hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods. Geen mensch volbrengt de Wet, nie-

.

1

Brakel, Eed. Godsd. I. p. 386 v.

■■\') Oehler, Theol. dos A. T. I. § 84. S. 278.

-ocr page 474-

§ 35. GODDBIÜJKK E1SGH.

mand kan het, zij is door het vleesch krachteloos geworden. Doch de eisch blijft en moet voldaan worden : de heilige God kan daarvan niet afkomen. Dies getuigt zelve de Wet der heiligheid van de noodzakelijkheid des Middelaars die haar in zich en in de zijnen vervult en van het zelfbedrog dergenen die door hunne werken willen zalig worden.

2. De rechterlijke gerechtigheid Gods vordert\') van de schuldigen het lijden der verdiende straf. Op de minste overtreding staat de vloek. Allen liggen daaronder: niet hot minst die op hunne werken roemen, Gal. 3 : 10: Want zoo velen als er uit de werken der Wet zijn, die zijn onder den vloek. Want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der Wet, om dat te doen. Bevrijding vun dezen vloek was er niet, tenzij hij wierd overgenomen en gedragen door een bevoegd Plaatsbekleeder naar het welbehagen en ten genoegen des Rechters.

§ 36 Plaatsbekleeder.

God wil dat zijner gerechtigheid genoeg geschiede, daarom moeten wij aan haar of door ons zelcen of door eenen anderen volkomenlijk betalen. Ileidelb. Catech. Vr. 12.

In plaats van ons menschen kon dat geen ander mensch volbrengen (Ps. 49: 8, 9)1), maar alleen een zoodanig per-

452

1

) Zio Tiende Hoofdstuk § 9 , waar aangowuzon is de noodzakelijkheid der (jemeydoening un bare onmogelijkheid voor ocnig schepsel.

-ocr page 475-

§ 3G. PLAATSBEKLEEDER.

soon als Christus is, de Zone Gods, die 1. zelf geenerlei verplichting had en 2, vrijwillig 3. naar den wille Gods alles op zich nam, gelijk Hij zelf van zich heeft verklaard Joh. 10: 18. Hebr. 10 : 6 , 7. (Ps. 40 : 7 v.v.) •).

Houdt men deze drie punten wèl in het oog, dan vallen reeds de voornaamste bezwaren weg , die men tegen de plaatsbekleedende genoegdoening heeft ingebracht, eene waarheid, die overigens, wat men ook tegenspreke, toch vast blijft staan, omdat de Schrift ze onloochenbaar leert, gelijk hier te voren is bewezen2).

§ 37. Dadelijke gehoorzaamheid.

Christus heeft aan den Goddelijken eisch voldaan door zijne dadelijke en zijne lijdende gehoorzaamheid s).

I. Door zijne dadelijke gehoorzaamheid heeft Hij plaats-bekleedender wijze genoeg gedaan aan de wetgevende gerechtigheid Gods. Hij heeft de Wet, die niet Hem maar den mensch was gegeven, onder alle verzoeking zonder de minste afwijking volkemen vervuld en heeft alzoo gedaan wat de mensch moest maar niet kon. Deze dadelijke gehoorzaamheid des Borgs en Middelaars wordt den geloo-vigen in de rechtvaardiging door God toegerekend als hadden zij zeiven haar volbracht.

1. Al wat Rationalist is verwerpt deze leer *). a. Voor

\') Zie Elfde Hoofdstuk § 25. bl. 252 v.

\'l ) 7ao Elfde Hoofdstak §27. En dit Twaalfde Hoofdstuk § 19. :l) Obedientia activa eu passiva, of satisfactio logalis eu pocualis. Zoo bij uame , één van volon , Bretschneider, Handb. dor Dogmatik 3te Aufl. § 156. II. S. 304. ü\'. , gobocl ia het Bpoor der Remouötrauten, inzonderheid naar Phil, a Limborch , Theo-

453

-ocr page 476-

§ 37. DADELIJKE GEHOORZAAMHEID.

het natuurlijke verstand is het ongerijmd en ondenkbaar dat er een in stee van anderen en zells nog een eenige voor zoo velen deugdzaam kon zijn en dat deze vreemde deugd en heiligheid bij God konde gerekend worden voor onze eigene , om ze ons dan met het eeuwige leven te beloonen. Maar zoo misvormt men eerst de waarheid tot eene caricatuur , om ze voorts te veroordeelen. Men doet aldus Christus\' wetvervulling voorkomen als iels uiterlijks slechts en werktuigelijks en ziet dit voorby dat zijne deugd , zijne gehoorzaamheid en heilig leven, dus zijne gerechtigheid, zijne volmaakte overeenkomst met den wille Gods in gezindheid en doen den geloovigen niet vreemd blijft, maar door de heiligmaking, die met de rechtvaardiging onafscheidelijk verknocht is, in hen , hoewel trapsgewijze , overgaat en onuitblijfelijk werkelijk hun eigen wordt. Christus heeft de Wet der heiligheid waarlijk niet hiertoe volmaakt gedaan, om ons de heiligheid of heiligmaking te besparen lt;), maar om dat te

logia Christiana Lib. II. Cap. XXI. § 1 — 5 en wederom Lib. VI. Cap. IV. § 25-28.

Voorganger in de bestrijding van Christus\' plaatsbekleedende dadelijke gehoorzaamheid was Jo/i. Fiscator (Latijnsche naam voor Fischer), Professor aan de Gereformeerdquot;. Academie te Herborn , gestorven 1625 , die ook onder de Gereformeerden daarin zijne navolgors bad. De Moor, Commentar. in Marck. Cap. XX. § 17. Pars III. p. 967 sqq. F. Van Al ast richt, Godgel. III. p. 142 v.

\') ïegen deze misvatting komt te recht op ook Ebrard, Christl. Dogmatik II. S. 264. De Socinianen verklaarden de leer van do plaatsbokleedondo gonoogdoeuing voor verderfelijk, wijl zij, zeiden zo, voor do monsobon de deur openzet om vrij to zondigen of bon althans tot zorgWooshoid verlokt. Catech. liacov. Qu. 393.

454

-ocr page 477-

§ 37, DADELIJKE GEHOORZAAMHEID.

455

volbrengen wat voor de verdorvene kinderen van Adam onmogelijk was: om de openstaande vordering van vol-komene gehoorzaamheid in onze plaats te voldoen, opdat in de geloofsvereeniging met Hem liet recht der Wet ook in ons vervuld zoude worden , wandelende niet, naar den vleesche, maar naar den Geest (Rom. 8 ; 4).

b. Tegen het plaatsbckleedende van Christus\' dadelijke gehoorzaamheid brengt \'men voortsin, „als mensch was Hij buitendien van zelf voor zich aan de Wet onderworpen en tot gehoorzaamheid verplicht, en voor Hem als God was de Wet de uitdrukking van zijnen eigenen Goddelijken wil en dus geene bijzondere onderwerping noodig.quot; Maar, wat het eerste betreft, Hij was niet verplicht om mensch te wezen door de menschelijke natuur aan te nemen begaf Hij zich vrijwillig onder de verplichting aan de Wet: juist daarom was zijn heilig menschelijk leven verdienstelijk i). En lielan-

\') Soiumigo Goroformoorde Godgeleordon wildon Christus\' verdienste (moritum) en genoegdoening (satisfactio) ondovschoidon , verstaande door verdienste de volmaakte gorochtigheid (wetver-vulling) welke Christus in onze plaats heoft gedaan , waardoor Hij ons het eeuwige loven hoeft verdiend, door do genoegdoening zijn straflijden voor onze zonden, waardoor Hij aan de Goddelijke gorochtighcid hoeft genoeggedaan. Daartegen verzet zich Van Limborch, Theol. Christ. Lib. HI. Cap. XXI. § 1. En P. Van Mastricht, Godgol. 111. p. 113 herinnert: »du3 zoudo men do lijdelijke goreehtighoid horoovon van de waardigheid van te vor-dionen , on do dadelijke gerechtigheid van de waardigheid van te voldoen. Voorzoover die tweeürloi gerechtigheid op God ziet, is zij voldoening, maar voor zooverre zij op don mensch ziet, is zij verdienste. Samen moet, muu deze dubbele gerechtigheid van Christus , de lijdelijke en do dadelijke als zoovele doelen aanmerken vun don éénon rantsoenprijs, waardoor or voor oiizto

-ocr page 478-

§ 37. DADELIJKE GEHOORZAAMHEID.

gende het tweede: omdat Hij, de Persoon, de Zone Gods was, waarachtig God, evendaarom kon Hij in alles Plaats-bekleeder zijn, hetgeen een schepsel niet kon en juist als Godmensch kon Hij hier in zich de vereeniging van den tnenscholijken wil met den Goddelijken wil, de volmaakte harmonie van beiden uitvoeren en zuiver vertoonen.

c. Ook werpt men tegen; „Christus dadelijke gehoorzaamheid was reeds noodzakelijk als voorwaarde en voorver-eischte voor de verzoenende kracht zijns doods, daar Hij anders, bij eigene zondigheid, zelf eenen verzoener hadde van noode gehad.quot; Wel behoorde de zondeloosheid tot de onmisbare vereischten des Middelaars : de Hoogepriester, die voor ons offeren zou, moest noodzakelijk zijn heilig, onnoo-zel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren (Hebr. 7 : 26). Maar behalve de zondeloosheid des Persoons en de reinheid zijner natuur eischte de wetgevende gerechtigheid Gods eene volmaakte, samenhangende onderhouding der geschondone Wet, onafgebroken, zonder gaping, een volledig mensche-lijk leven naar de Goddelijke geboden in volkomene liefde Gods en des naasten. Daaraan was het eeuwige leven vast gemaakt. Dat heeft Christus volbracht. Dat was zijne dadelijke gehoorzaamheid. Daarom kwam Hij niet als volwassen mensch op aarde , voor eenige oogenblikken , maar doorleefde een geheel menschelijk leven in al zijne stadiën. Dan onderging Hij den dood en droeg den vloek als ware Hij do zondaar bij uitnemendheid.

456

2. Doch niet alsof Hij afzonderlijk eerst de dadelijke gehoorzaamheid afdeed en met zijn laatste lijden de lijdende

straf schuld gonoeg geschloddo on togolijk ook voor ons vcrworvon wierd het recht ton eenwigon lovou.quot;

-ocr page 479-

§ 37. DADELIJKE GEHOORZAAMHEID.

457

gehoorzaamheid pas begon. Wij moeten beide wol onderscheiden, om het work des Middelaars ten volle te waar-cleeren, maar ze niet van elkander scheiden\'). Immers in zijn laatste lijden gaf Hij de verwonderlijkste blijken van zijne liefde Gods en des naasten. En in geheel zijn leven leed Hij en 8.1 zijn lijden was een doen van den wille des Vaders een offer der liefde, zijn dood was eene daad.

De Schrift vat dan ook de dadelijke en de lijdende gehoorzaamheid saam : Hij is gehoorzaam (jetoorden tot den dood, Fil. 2: 8. Desgelijks Gal. 4:4: Maar ivanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God zijnen Zoon uitgezonden, geworden uit eene vromv, geworden onder de Wet: 5. Opdat Hij degenen die onder de Wet waren, verlossen zoude [en] opdat wij de aanneming tot hinderen verkrijgen zouden. „Gelijk als wanneer een vrije man eenen gevangene verlost door zich als borg te stellen en hem de boeien afneemt met ze zich zeiven aan te doen: zoo heeft Christus aan de Wet onderworpen willen zijn, om ons vrijheid te verwerven ; anders ware Hij tevergeefs onder het juk der Wet gegaan, want voor zich zeiven heeft Hij het waarlijk niet gedaanquot;4). De Apostel spreekt hier van de Wet die aan Israël was gegeven. Niet alleen van de cere-moniëele, buiten verband met de zedelijke Wet; hier en overal is hem de Wet één geheel, en wat Hy zegt raakt ook de Heidenen (Rom. 2 : 14, 15). Te recht verklaren

\') Hierop wordt ook zeer aangedrongen door Van Oosterzee, Chr. Dogm. II. p. 223. Vergel. Elfde Hoofdstuk § 26. \'t Is duidelijk in het licht gestold reeds door Calvin Instit. II. 16. 5. De verschillende gevoelens onzer Ouden hierover vindt men bij C. Vitringa, Doctrina Rel. Christ. Pars VI. p. 8 sqq. s) Calvin. Commentar. in Gal. 4; 4.

-ocr page 480-

§ 37. DADELIJKE GEHOORZAAMHEID.

onze Kantteehenaars: „Christus heeft zich zeiven, niet alleen aan de Wet der ceremoniën onderworpen, maar ook aan de Wet der zeden, die Hij volmaaktelijk voor ons heeft onderhouden , en den vloek derzelve op zich genomen en ons daarvan verlost i). 2 Kor, 5: 21.quot;

Rom. 5: 19: Want gelijk door de onyehoorzaamheid van dien één en mensch (Adam) velen [toi] zondaars gesteld zijn geworden, ahoo zullen ook door de gehoorzaamheid van éénen (Christus) velen [tot] rechtvaardigen gesteld worden*). Hier wordt ontegenzeglijk eene toerekening van Christus\' gehoorzaamheid geleerd. Zijne gehoorzaamheid is wel bij uitnemendheid zijne gehoorzame zelfovergifte in den dood , maar als het grootste bewijs van zijn doen des Goddelijken wils : dus ook hier in verband met geheel zijn gehoorzaam leven. En wanneer de Apostel Rom. 8 : 30 zegt: die God gerechtvaardigd heeft-, dezen heeft Hij ook verheerlijkt 3) ; wanneer hij daar de rechtvaardiging en de heerlijkmaking zoowel onderscheidt als samenknoopt: zoo leert hij daarmede , dat Christus\' gehoorzaamheid of gerechtigheid den geloovigen in de

\') Ook Olshansen, Comtnentar zu Gal. 4: 5 acht het hoogst waarsohijiilijk dat Paulus bier doelt auf die vollkommece active und passive Gesetzeserfülluug Christi, derou Spitze der Tod war. Durch seine vollkoiumuue Gerechtigkeit im Leben uud Sterbun kaufte er die Knechte des Gezetses los, indeiu durch don Glau-ben seine Gerechtigkeit ihre Gcreehtigkeit, sein Wesen ihr Wesen wird.

2) Over dezen tokst zie Negende lloojdstuk § 19.

■\') Hom. 8: 30 wordt\'ook door Olshausen , (Jommentar. z. d. St., te recht als gewichtig erkend voor de leer van de obedien-tia Christi activa.

458

-ocr page 481-

§ 37. UADELJJKE GEUOOHZAAMUEID.

eerste plaats wordt toegerekend, in de rechtvaardiging, en voorts trapsgewijze medegedeeld, in de heerlijkmaking (heiligmaking) , in de vernieuwing naar zijn beeld (2 Kor. 5: 17), waarbij juist zijne dadelijke gehoorzaamheid, zijn heilig leven allermeest in aanmerking komt.

Op zijne dadelijke en lijdende gehoorzaamheid samen doelt ook zijne uitspraak Matth. 5:17: Meent niet dat ik ye-komen ben om de Wet of de Profeten te ontbinden : Ik ben niet gekomen om [die] te ontbinden maar te vervullen*). Wet en Profeten te zamen zijn de volledige uitdrukking van don heiligen en genadigen wille Gods. Vervullen, in tegenstelling van ontbinden, afbreken , boteekent hier niet slechts: den waren zin er van leeren, maar: volkomen doen (Matth. 3 : 15. Rom. 13 : 8).

3. De plaatsbekleedende dadelijke gehoorzaamheid des Middelaars behoort tot de leer onzer Gereformeerde Kerk. Zij is uitgesproken in de Nederl. Belijd, des Geloofs Art, XXII : Jezus Christus , ons toerekenende alle zijne verdiensten en zoo vele heilige werken, die Hij voor ons en in onze plaats\') heeft gedaan, is onze rechtvaardigheid: en het ge-

1) Zio hierover Elfde Hoofdstuk g 13. Cremer, Wörtorb. der Neutost. GriloiUit u. d. W. TrXypéu S. 504. Olshausen, Com-mentar zu Matth. 5 : 17 : Die Erftillung ist als oiuo allsoitige zu deukuii; nicht blosz die Weissagungeu nnd Typou des A. ï. orf\'lillt Christus , sondern auch das Moral-Gresetz erfüllt er voll-koinmeu in siuh und in den Seinen.

2) en in onze plaats. Dit is door do Dordsche Synode bijgevoegd en vastgesteld iu hare Nahaudelingun , 173sto Zitting. Kerkelijk Handboekje , Kotterd. 1753. p. 372. Voor zoovele hei-lige werken die Hij voor ons gedaan heeft gaven sommige depu-taten in overweging, te stellen het generale woord gehoorzaamheid van Christus (172sto Zitting;, hetwelk ochtor ten slotte

459

-ocr page 482-

§ 37. DADELIJKE GEHOORZAAMHEID.

loof is een instrument dat ons met Hem in de gemeenschap aller zijner goederen houdt. En Heidelb. Catech. Vr. GO : — rlat God zonder eenige mijne verdienste uit loutere genade mij de volkomene genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus schenkt en toerekent, evenals hadde ik nooit zonde gehad noch gedaan, ja als hadde ik zelf al de gehoorzaamheid volbracht, die Christus voor mij volbracht heeft, zooverre ik zulke weldaad met ge-loovigen harte aanneem. Ja, geheel zijne menschelijke verschijning was plaatsbekleedend van den beginne af: niet voor zich maar geheel en al voor menschen werd en was Hij mensch. Alles komt den geloovige ten goede, van zijne heilige ontvangenis en geboorte aan, daar Hij met zijne onschuld en volkomene heiligheid mijne zonde, waarin ik ontvangen en geboren hen , voor Gods aangezicht bedekt, Heidelb. Gat. Vr. 36.

Hieraan hebben de rechtzinnige Godgeleerden zich gehouden \'). De ontkenning of geringschatting er van bij

eenparig werd afgekeurd. De Moor, Commentar. in Marck. III. p. 96(i. Uitvoerig handelt hierover Dr. J. /. Doedes , Do Ne-dorlandsoho Geloofsbelijdenis p. 284 v.v., die hot volstrekt niet waarschijnlijk vindt, dat Art. XXII op de onderscheiding tas-schen de lijdelijke on de dadelijke gerechtigheid of gehoorzaamheid van Christus ziet, die hij dan ook oordeelt in de Heilige Schriften des N. ï. niet bekend to zijn (p. 286).

\') Ook Franc. Junius, Theses Theolog. XXXV. § 8—10, in zjjne Opuacula theol. selecta ed. Dr. A. Kuyper p. 215 sq. Desgelijks de Leidscho Professoren in de Synopsis Purioris Theol. ed. Dr. 11. Bavinch p. 291.

De Luthersche Kerk heeft zich zeer nadrukkelijk verklaard voor de plaatsbukloodeude dadelijke gehoorzaamheid van Chris-

460

-ocr page 483-

§ 38. LIJDENDE GEHOORZAAMHEID.

haast al de nieuweren hangt samen met hunne verkeerde voorstelling van de rechtvaardiging , als bestoade deze alleen in de vergeving der zonden \').

§ 88. Lijdende gehoorzaamheid.

II. In zijne lijdende gehoorzaamheid heeft Christus, het Lam Gods, den vloek der Wet, de straf dor zonde gedragen en heeft aldus geleden wat de zondaar lijden moest maar zelf nooit afdragen kon , wijl de Goddelijke gerechtigheid eischt, dat de zonde, welke tegen de allerhoogste majesteit Gods gedaan heeft, ook met de hoogste, dat is met de eeuwige straf aan lichaam en ziel gestraft worde. Heidelb. Catech. Vr. 11.

De Middelaar heeft den vloek gedragen, afgedragen Gal. 3: 13: Christus heeft ons verlost van den vloek der Wet,

tus , in haar laatste Symbool (1850), do Formula Concordiae, Solida declaratio III , in de Concordia pia ed Eechenberg 1756. p. 685. 697. Winer, Compar. Darstell. 1882. S. 103 f.

Dr. A. E. Biedermann, Christl. Dogmatik II. 1885. § 417. S. 250 zegt daarvan: Die Dogmatik war mit diesem Ausbau der Kirehenlehro nur consequent. Piscator\'s rationolle Grtlnde sind nur der Anfang der Verstandeskritik gegen die (janze Form dor Kireheulehre. Tevens herinnert deze Strausziaansche Dogmaticus , dat door de wijze , op welke moderne orthodoxe Theologen de oud-orthodoxe leere van Christus\' dubbele gehoorzaamheid vasthouden, juist hot specifieke van de oudkerkelijke onderscheiding der obedicntia activa en passiva weggenomen wordt. Geen overbodig monitum.

1) Dit was ook het Trpcórov van Joh. Piscator. Zie

Be Moor, Comment, in Marck. III. p. 968.

461

-ocr page 484-

§ 38. LIJDENDE GEHOORZAAMHEID.

een vloek geworden zijnde voor ons i), loant daar is geschreven : Vervloekt is een iegelijk die aan het hout hangt.

1. Petr. 3 . 18 : Want Christus heeft ook eens voor de zonden1) geleden, Hij rechtvaardig voor [de] onrechtvaardi-gen 2), opdat Hij ons tot God zoude brengen, die wel is gedood.in het vleesch, maar levend gemaakt door den Geest.

Dit was in het Oude Testament voorzegd en op velerlei wijze, inzonderheid door de zoenofferanden afgescha-duwd 4). Onder de voorzeggingen is de voornaamste Jezaja 53 , waar in volle klaarheid de plaatsbekleedende genoegdoening van den Knecht Gods en Hij als het waarachtige zondoffer wordt voorgesteld. Zoo Jez. 53: 5 : Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld: de straffe, die ons den

4G2

1

\') VTTtp yjfamp;av. Al botcokcut dit: ten onzen nutte, zoo sluit dit toch de do plaatsboklecdiug in als do wijzo boo het geschiedde. Meyer, Kommentar. z. d. St. teokent aan : Die Genagthuung, welche Christus leistoto, geschah uns zu Gute; dass sie stell-vortreteud war, liogt im Verhültnisse der Sache selbst, nicht in der Prapositiou. Matth. 20 : 28 staat xvri (niot 1 Tim. 2 : G , gelijk Meyer abusievelijk aanhaalt: want daar staat vxép.). Over Gal. 3 : 13 zie boven iu dit Hoofdstuk § 24, bl. 408 v. Ehrard, Dio Lohre von dor stollvertrotonden Geuucrthnuuc. 1857. S. 86 f.

2

:l) vxip uhixm. Er staat wel niot xvr), alloin dass hier in dor allgomoinen Relation (in commodum) dio speciale der Stell-vetretung gomoint ist, wird durch dio Gegenüberstollung von iïiicxiss und xSixuv apgedoutot. Huther in Meyers Handb. z. d. St. Overigens vergel. over 1 Petr. 3: 18 dit Hoofdstuk S 30. bl. 425 v.

-ocr page 485-

§ 38. LIJDENDE GEHOORZAAMHEID.

vrede aanbrengt, was op Hem en door zijne striemen is ons (jenezinge geworden. Hij staat met nadruk voorop om Hem te kenmerken als den plaatsbekleodend lijdenden tegenover degenen die eigenlijk de straf hadden verdiend : Hij om onze overtredingen. Doordat Hij de straf\') droeg en aldus aan de gerechtigheid Gods voldeed, heeft Hij ons den vrede verworven.

Nederl. Belijd, des Gel. Art. XX : Wij gelnoven dat God, die volkomen barmhartig en rechtvaardig is, zijnen Zoon gezonden heeft om aan te nemen de natuur, in welke de ongehoorzaamheid begaan was, om in dezelve te voldoen en te dragen de straf der zonden door zijn zeer hitter lijden en sterven. Zoo heeft dan God zijne rechtvaardigheid bewezen tegen zijnen Zoon, als Hij onze zonden op Hem gelegd heeft en heeft uitgestort zijne goedheid en barmhartigheid over ons die schuldig en der verdoemenis waardig waren, voor ons gevende zijnen Zoon in den dood door eene zeer volkomene liefde en Hem verwekkende tot onze rechtvaardigmahing opdat wij door Hem hadden de onsterfelijkheid en hel eeuwige leven. Art. XXI: Wij gelooven dut Jezus Christus--zich

Do Vulgata vertaalt disciplina. Zoo vatton het

ook do volgelingen van Menken, die van goen plaatsbekloedend straftijden willen weten: de onderwijzing tot onzen vrede is bij Hem. Dat quot;1D10 ook straf beteokent, loert Winer Lex. Simo-

nis s. v. : unimadversio, poena. Dat hier van geeue tucht of onderwijzing sprake is leert de samenhang: het is eene tuchtiging (kastijding) die wouden maakt en , wonderbaar, door de wonden heelt ; eene bloote onderwijzing kan niet wezenlijk hee-len en vrede (heilj geven. Ook Van der Palm vertaalt te recht straf, met de Aanteekoning; «Eigenlijk de strenge kastijding, beantwoordende aan striemen in het volgende lid.quot;

4G3

-ocr page 486-

4Ü4 § 38. LIJDENDE GEHOOUZAAMHEID.

zélven in onzen naam voor zijnen Vader heeft gesteld om zijnen toorn te stillen met volle yenoegdoening, zich zeiven opofferende aan hel hout des kruises. — — Zoo heeft Hij dan betaald, dat Hij niet geroofd had en heeft geleden, Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardige}i; en dat zoowel in zijn lichaam als in zijne ziele, gevoelende de schrikkelijke straf, die onze zonden verdiend hadden.

Christus heeft niet juist datzelfde betaald, wat verschuldigd was, heeft niet al die bijzondere, geestelijke en lichamelijke straffen ondergaan, die op de zonde waren gedreigd (b.v. Deut. 28 : 15 v.v.), maar even zooveel i), iets evenwichtigs, gelijkwaardig, ajquivalent, voldoende voor de oneindige schuld vanwege de oneindige waardigheid zijns Per-soons. Zijn dood is daarom van zoo groote kracht en ivaar-digheid, omdat de Persoon, die denzelven geleden heeft, niet alleen een waarachtig en volkomen heilig mensch is, maar ook de eeniggehoren Zoon Gods, van éénzelfde eeuwig en oneindig Wezen met den Vader en den Heiligen Geest, zoodanig als onze Zaligmaker wezen moest. Daarenboven, omdat zijn dood is vergezelschapt geweest met het gevoel van den toorn Gods en den vloek , die wij door onze zonden verdiend hadden. Dordr. Leerreg. Tweede Hoofdst. 4.

Arminiaansch is de stelling, bij vele nieuweren aangenomen, dat het doodslijden van Christus, als van één enkelen Persoon, in zich zelf niet de kracht had, om de zondenschuld van zoo velen te delgen, maar dat God het als b\'j oogluiking voor toereikend , voor een geproportioneerden losprijs heeft aangenomen1).

1

) Limborsch, Tuuol. Christ. Lib. III. Cap. XXI. 8. p 270.

-ocr page 487-

§ 38. LIJDENDE GEHOORZAAMHEID. 4(35

Bij deze voorstelling ligt ten gronde, dat men de rechterlijke gerechtigheid Gods verwerpt of verflauwt. Maar Christus heeft niet eene door God willekeurig bepaalde som tot loskooping der gevangenen betaald, waarmede God zich tevreden stelde en zich vergenoegde, gelijk de Arminianen oordeelen. Neen, hier werd niet gerekend als met zilver of goud (1 Petr. 1: 18), waar men eene kleine som voor eene groote kan aannemen. Christus heeft den ganschen, vollen losprijs betaald, de totale schuld voor al zijn volk, begrepen en saamgevat in den vloek (Gal. 3 : 13), dien Hij droeg, om degenen, die onder den vloek waren, daarvan vrij te maken. Wat de schuldigen hadden moeten lijden , leed Hij opdat zij het niet behoefden te lijden.

Christus droeg de straf der zonde , doch niet als door Hem zeiven verdiend , maar door Hem overgenomen en Hem opgelegd, als een onbestraffelijk en onbevlekt Lam (1 Petr. 1 : 19).

De zonden der uitverkorenen zijn op Hem niet yeleyd ten aanzien van de smet, gelijk reeds onze oude Godgeleerden met reden herinneren, maar zij zijn Hem toegei ekencl ten aanzien van de schuld\'). In dien zin wordt van Hem gezegd 1 Petr. 2 : 24 : Die zelf onze zonden in zijn lichaam ge-

Do rechtzinnigo Godgeloordon uooradon dezo Arminiaanscho aanneming naar geniulige schatting acceptüatio, tor ouderscheiding van acceptatio , aanneming van het aequivalente rantsoen. Winer, Compar. Darst. S. 108. F. Van Mastricht Godgel. III. p. 114. 122.

1) Uitvoerig is dit behandeld en gestaafd door P. Van Mastricht , Godgel. III. p. 124 v.v. Vergel. ook Ebrard , Dogmat. II. S. 273. Dezelfde , Die Lehre von der stellvertretenden Ge-nugthuung. S. 65. 70. Zie ook dit Leesboek Elfde Hoofdstuk § 25. bl. 252.

Gravemeijor, Geref, Gel. leer. II. 80

-ocr page 488-

§ 38. LIJDENDE GEHOORZAAMHEID.

dragen heeft op het \'), hetwelk immers niet beteekent, dat Hij de zonden als zedelpe smet, het vuil der zonden aan zich had en in zijn lichaam op het kruis droeg, maar zoo met aich liet doen alsof Hij de smet der zonden had. Hij droeg de straf der zonden , zich zeiven offerende, op het kruis als het altaar. Voor Hem zeiven was het geene straf. Straf is het lijden alleen voor den schuldige, niet voor dengene die zelf schuldeloos is en het vrijwillig opneemt. Christus, de onbevlekte, stelde zich als Borg voor de schuldigen vrijwillig onder het oordeel der rechterlijke gerechtigheid Gods, ter voldoening voor en dus tot aflossing van de schuld , „waartoe het op zich nemen van de smet en schandelijkheid der zonden niet het minste deedquot;1). — De zonden, zoo in hebbelijkheden als in daden, zijn niet iets materieels, stoffelijks, zoodat zij door eene physicale overbrenging op den Plaatsbekleeder zouden zijn gelegd; het was geene oplegging dan ten aanzien van de strafschuld, door toerekening. Zoodat de Borg rein bleef, zoodat Hij, lijdende en genoeg-doende voor hoereerders, afgodendienaars, dieven, dronkaards en dergelijke (1 Kor. 6: 10), daardoor evenwel niet gemaakt werd tot een dronkaard of dief en dergelijke, hetgeen lasterlijk ware te denken.

Door Gods genadige toerekening van Christus\' lijdende gehoorzaamheid wordt de geloovige van de schuld zijner zonden ontlast, van de straffe bevrijd. Maar deze vrijmaking van de straffe door de rechtvaardiging is tevens de

4G\'6

1

) P. Van Mastricht, III. p. 125. H. Witaius, Miscell. Sacr. II. p. 598: Perspicuum esse arbritror, uequaquain peecata olectorum quoad maculam eo scnsu Christo iuputata esse, ut illa imputatione Christus physice, aut, si mavis moraliter, corte iuhaerentcr, quoquo modo impuretnr.

-ocr page 489-

§ 38. LIJDENDE GEHOORZAAMHEID.

grondslag tot vrijmaking van de zonde zelve in de heiligmaking , gelijk de Apostel van die te Korinthe vroeger zoo goddeloos waren zegt 1 Kor. 6 : 11: En dit waart gij sommigen , maar gij zijt afgewasschen, maar gij zijt geheiligd , maar gij zijt gerechtvaardigd in den name des Uee-ren Jezus en door den Geest onzes Gods.

Dan is er weer vrede tusschen God en mensch in den Godmensch en Middelaar Jezus Christus, de scheiding is opgeheven, de klove gedempt, de vijandschap geëindigd, verzoening en vriendschap tot stand gekomen van weerskanten.

De Sociniaansche leer, dat door Christus niet God met den mensch, maar alleen de mensch met God is verzoend, wijl in den goeden en liefdevollen God niets viel te verzoenen maar alleen in den mensch de vijandschap bestond , dQze leer van eene eenzijdige verzoening, door tal van nieuwere Theologen overgenomen en op velerlei wijze uitgewerkt, is reeds door onze oude rechtzinnige Godgeleerden scherp in het oog gevat en naar de uitspraken der Heilige Schrift veroordeeld quot;).

Men moet hierbij vooral in aanmerking nemen, dat verzoenen in onzen Nederduitschen Bijbel voor geheel verschillende woorden in het oorspronkelijke staat.

Wordt er van verzoening der zonden gesproken, dan heeft het Grieksche Nieuwe Testament havtcstrtixi, s^oJ.cry.sTÖxt, ihxa-pos en de zin daarvan is : delging der zonde, atdoen der schuld, door plaatskleedende offerande. Dit raakt God, voor Hem is dit, dit behoort tot de dingen die bij God te doen waren Hebr. 2:17,

\') Vooral ook door J\'. Van Mastricht, Godgel. III. p. 115. 139 v. Brakel, Redol. Godsd. 1. p. 484 v. Vergel. Ebrard, Chr. Dogm. II. S. 180 (tegen Menken). 277.

407

-ocr page 490-

§ 38. LIJDENDE GEHOORZAAMHEID,

Wordt er gesproken van de verzoening des menschen met God, dan is het in den grondtekst y,xrxX?M(T(Tsiv,

xTroy.xTxXXoiiTTSiv, waardoor beteekend wordt, dat, wijl God voldaan is, nu ook de mensch tot vrede en vriendschap met Hem wordt gebracht. Deze laatste verzoening {y.xTa.ï.Xa\'yy, reconciliatio) is een gevolg en vrucht van de eerste (iXxr/tiic, expiatio); om de verzoening des menschen met God te verwerven was vanwege de gerechtigheid Gods het zoenoffer voor de zonde, de betaling van den rantsoenprijs noodzakelijk.

Degenen die naar de wijze der Socinianen van geen plaats-bekleedend straflijden willen weten, stellen, dat God, toen Hij zijnen Zoon in de wereld zond, reeds met de wereld verzoend en bevredigd was ; dat Hij dus zijnen Zoon niet gezonden heeft, om, door diens voldoening, zich te verzoenen met de wereld, maar om de wereld te verzoenen met zich, haar de voorwaarden stellende en den weg openende om de vergeving der zonden en het eeuwige leven te verkrijgen.

De Gereformeerden daarentegen eerbiedigen en beamen wat de Heilige Schrift zoo nadrukkelijk betuigt van den toorn en vloek Gods over de zonde, dus over den zondaar in wien de zonde is (Gal. 3 : 10. Heidelb. Cat. Vr. 10) , van de menschen als kinderen des toorns van nature (Ef. 2; 3), als vijanden Gods (Rom. 5: 10), niet slechts vijandig tegen God gezind maar wegens de zonde bij Hem gehaat ; voorts wat de Schrift zoo klaarlijk leert van Christus\' dood, dat deze was eene offerande, dat Hij zijn bloed heeft vergoten tot zoen voor de zonde en zijne ziele gegeven heeft tot een rantsoen voor velen (Matth. 20: 28) en dat dit geschied is tot eene betooning van Gods rechtvaardigheid (Rom. 3 ; 25).

Hierom leeren dan de Gereformeerden met recht, dat God,

468

-ocr page 491-

§ 38. LIJDENDE GEHOORZAAMHEID.

op ons vanwege de zonden vertoornd zijnde, door den Middelaar Christus is bevredigd , daar Hij, Hoogepriester en offer, zich zehen in onzen naam voor zijnen Vader heeft (jesteld om zijnen toorn te stillen met volle genoegdoening (Nederl. Belijd, des Geloofs Art. XXI).

Hiertegen strijdt niet, dat God de zijnen van eeuwigheid liefgehad en uit liefde hun zijnen Zoon tot verlosser gegeven heeft (Joh. 3 : 16. 1 Joh. 4: 9). Want juist hiertoe zond Hij zijnen Zoon om de verzoening te bereiden en teweeg te brengen (2 Kor. 5: 18 v.v.) door den eisch dei-onkreukbare gerechtigheid te voldoen en even daarin openbaarde Hij de hoogste, vrijgunstigste liefde van welwillendheid. Ook veronderstelt deze liefde niet de aanwezigheid reeds van de verzoening. David beminde Absalom, ook toen deze was vluchtende (ü Sam. 13: 34), nochtans was hij daarom nog niet verzoend met hem, zelfs nog nici na zijne wederkeering Sam. 14: 24) ; maar daarna kwam hij tot den koning in en de koning kuste Absalom (2 Sam. 14: 33): toen was de verzoening geschied.

4G9

Bij de veelzijdige bestrijding van Christus\' genoegdoening is de navolgende bekentenis merkwaardig van een rationalistisch Theoloogquot;): „Wat men ook tegen de toerekening van eene vreemde verdienste heeft ingebracht en hoezeer \' men ook plaatsbekleedende straffen met rationeele gronden heeft bestreden : zoomin is toch do idee der plaatsvervanging vreemd aan het zedelijke gevoel. De voorstelling van de reëele en moreele waarde der opoffering eens individu\'s voor liet welzijn van het geheel1) gaat dooi de geschiedenis van

1

) Virgilius, Aüu. V. 815; Unum pro multis dabitur caput

-ocr page 492-

§ 38, LIJDENDE GEHOORZAAMHEID.

alle beschaafde volken heen en stoot de rede zoomin, dat een Codrus, de Dociërs, een Winkelried en anderen\') met recht hoog worden geëerd. Deze idee zou echter niet kunnen voorhanden zijn zonder de idee der toerekening van vreemde verdienste voor zulken, die de verdienste niet hebben. Ook bevestigt de ervaring, dat verdiensten der vaderen weldaden worden voor de kinderen en de verdienste van enkele mannen voor geheele natiën en tijdperken.quot;

Hiermede is de loer van Christus\' plaatsbekleedende genoegdoening niet heivezen. Voldingend bewijzen alleen op rationeele gronden kon ook Bonaventura oi Ansehmis1)

470

1

in grond en doel wezenlijk verschillend van Christus\' dood, zie Ebrard, Die Lehre von der stellvertret. Genugth. S. 95 ff.

-ocr page 493-

§ 38, LIJDENDE GEHOORZAAMHEID. 47 1

haar niet. Haar bewijs ligt in de Heilige Schrift *), zij staat vast als fundamenteele waarheid voor ons geloof, omdat de Heilige Schrift haar leert gelijk hiervoren onderscheidenlijk is aangetoond5). De aanvallen door Socinianen en Remonstranten vroeger en door philosophische, ethische Theologen in nieuweren tijd konden de waarheid niet wegnemen , maar hebben gediend om haar in klaarder licht te stellen. Doch in het oog der wereldwijzen en eigengerechtigen moet zij eene ongerijmdheid en dwaasheid blijven.

| 1

§ 39. Geen onzekere Verlossing.

Tegenover al degenen die de Praedestinatie verwerden of verwringen houdt onze Gereformeerde Kerk vast, dat

I

-ocr page 494-

§ 39. GEEN ONZEKERE VERLOSSING.

Christus de zaligheid bepaald voor zekere personen verworven en niet slechts in het algemeen voor alle men-schen mogelijk gemaakt onder eene conditie die af zou hangen van ieders vrijen wil, waardoor men alles weer op losse schroeven zet. De rechtzinnige leer is: dat Christus geen onzekere verlossing heeft aangebracht en dat allen, voor wie Hij heeft voldaan, ook werkelijk zalig worden.

Hiermede stelt zich onze Kerk inzonderheid tegen de Bemonstrantsche dwaling, volgens welke de uitkomst zou afhangen van de zelfbepaling des menschen om al of niet in Christus te gelooven en Hem te gehoorzamen , van het eigen willen ot nietwillen, zoodat het dus hadde kunnen gebeuren , dat of niemand of allen de gestelde voorwaarden vervulden.

Daartegen belijden de Gereformeerden in de Dordsche Leerregelen Hoofdst. II. 8 : dit is geweest de gansch vrije raad, de genadige tvil en het voornemen Gods des Vaders, dat de levendmakende en zaligmakende kracht van den dierbaren dood zijns Zoons zich uitstrekken zoude tot alle uitverkorenen , om die alleen met het rechtvaardigmakend geloof te begaven en door hetzelve onfeilbaar tot de zaligheid te brengen.

En in hetzelfde Ilde Hoofdst. Verwerping der dwalingen. 3. Tegen degenen Die heren dat Christus door zijne genoegdoening voor niemand zekerlijk de zaligheid zelve en het geloof, waardoor deze genoegdoening van Christus tot zaligheid krachtiglijk toegeëigend wordt, verdiend heeft, maar alleen voor den Vader verworven heeft de macht of den volkomen wil om opnieuw met de menschen te handelen en nieuwe voorwaarden, zulke als Hij

472

-ocr page 495-

§ 39. GEEN ONZEKERE VERLOSSING.

zou tvillm , voor te schrijven , welker volbrenging aan den vrijen wil van den mensch hangen zou: en dat het derhalve hadde kunnen geschieden, dat bf niemand öf alle menschen die zouden vervullen. Eene wederoprakeling van de oude „Pelagiaansche dolingquot;. Door de Kerk verworpen om redenen , ter aangehaalde plaats no. 1 yenoemd:

a. Want deze leer strekt tot versmading van de wijsheid des Vaders en van de verdiensten van Jezus Christus,

b. strijdt tegen de Schriftuur: ivant zoo zegt onze Zaligmaker: „Ik stel mijn leven voor mijne schapen en ken dezelvenquot; (Joh. 10: 15, 27); en de Profeet Jezaja van den Zaligmaker: „ Wanneer zijne ziel zich tot een schuldoffer zal gesteld hebben zoo zal Hij zaad zien; Hij zal de dagen verlengen en het ivelbehagen des Heer en zal door zijne hand gelukkig voortgaanquot; (Jez. 53: 10). c. Eindelijk zij stoot om het artikel des geloofs, waarmede wij gelooven „de algemeene Christelijke Kerk.quot; Want deze dwaalleer\') veronderstelt de mogelijkheid, dat Christus , hoewel den prijs betaald hebbende , geen Kerk had, geen zaad zag en Koning ware zonder eenig genaderijk, Vader der eeuwigheid zonder kinderen. Bruidegom zonder bruid, Hoofd zonder lichaam.

Nergens leert de Schrift, dat door Christus\' dood alleen de mogelijkheid van de vergeving onzer zonden en van onze verzoening met God, maar overal dat daardoor de werkelijke vergeving en verzoening en de vernietiging van

\') March, Compond. Capp. XX. 28. De Moor, Comment.

Pars III. p. 1087 sqq. H. Witsius, De Oeconomia Pooderum

Doi Lib. II. Cap. 7. G. Vitringa, Uoctrina Christ. Roligionis. Pars VI. p. 126 sqq.

473

-ocr page 496-

§ 39. GEEN ONZEKERE VERLOSSING.

de heerschappij der zonde en alzoo de zaligheid zelve is teweeggebracht. Matth. 26: 28; Gal. 1:4; Tit. 2:14; Ef. 5: 25—27. Het is onmogelijk dat de uitverkorenen hiervan konden verstoken blijven , of Christus moest tevergeefs voor hen aan den Vader hebben genoeggedaan. Zou er één , voor wien de Zoon Gods den dood heeft ondergaan , naar het eeuwige vuur worden verwezen , om zelf daar genoeg te doen voor diezelfde zonden, voor welke Christus heeft voldaan \') ?

Deze ongoreformeerde , Pelagiaansche , Soclniaansche , Remonstrantsche leer staat in verband met vele andere dwaalbegrippen , als van voorwaardelijke besluitenquot;1), van verkiezing wegens voorgezien geloof*) , en van algemeene verkiezing *).

§ 40. Waarde van Christus\' offerande.

De Gereformeerde leer verkleint den losprijs niet, door Christus betaald. Integendeel toegestemd wordt, dat zijne offerande, wegens de oneindige waardigheid zijns Persoons, op zich zelve beschouwd , zoo hooge waarde had dat zij

\') Dan had Menken, de bittere bestrijder vau de satisfactie, werkelijk eenig recht om de Kerkleer te beschuldigen : dat volgons haar viermaal wierd gestraft, ton eerste de eerste menschen, ton tweede alle menschen om hunnentwille, ton dorde Christus en eindelijk ten vierde toch nog do verdoemden eouwiglijk. Vergel. Stier, Jesaias S. 454, zu Jos. 53: 5.

-) Zie daartegen Vijfde Hoofdstuk § 6.

:\') Vijfde Hoofdstuk § 15.

4) Vijfde Hoofdstuk § 12. 13. 21. \'

474

-ocr page 497-

§ 40. WAARDE VAN CHRISTUS* OFFERANDE.

de voldoening konde zijn voor de zonden van alle men-schen, ware dit de wille God geweest: zoodat, hadde het in het Goddelijke plan en oogmerk gelegen om alle men-schen zalig te maken , de Middelaar niet het geringste meer had moeten doen en lijden dan Hij gedaan en geleden heeft en geen zwaarderen of meermaligen dood had behoeven te ondergaan dan dien dood welken Hij eenmaal der zonde gestorven is.

Dordsche Leerreg. Tweede Hoofdst. 3 : Deze dood des Zoons Gods is de eenige en volmaakte offerande en genoegdoening voor de zonden ; van oneindige kracht en waardig-heid, overvloediglijk genoegzaam tot verzoening van de zonden der gansche wereld. (Zie boven bl. 464).

475

^aar de Socinianen heeft Christus voor onze zonden niets betaald, daar zij van eene eigenlijke genoegdoening geheel niet willen weten. Naar de Remonstranten wel iets ^ doch eigenlijk niet genoeg maar bij God voor voldoende aangenomen, wel een rantsoen , eenen losprijs , den tijdelijken dood maar zonder gevoel van den vloek en van de helsche straf. Daarentegen eenstemmig naar de Gereformeerden\') een oneindigen prijs voor de oneindige schuld en tot verwerving van een oneindig goed, dus niet te veel en niet te weinig, maar een aequivalent, een prijs van één eenige oneindige waardij, waar niets

\') Ebrard, Dogm. II. S. 278. P. Van Mast richt, Godgel. III. p. 114. 138. 143. Witstus, Oeconomia Foederum Doi. Lib. II. Cap. 9. g 2. Si/nopsis Purioris The\'ol. Disput. XXIX. 29. ed. Dr. II. Bavinclc p. 289. Mark, Compend. Cap. XX. 23: oblatio in so pro omuibus sufficions. De Moor, Oommeut. III. p. 1035 sq. G. Vitringa , Dootrina Christiauae llülig. Pars VI p. 130.

-ocr page 498-

476 § 40. WAARDE VAN CHRISTUS\' OFFERANDE.

toe en niets af kan of het begrip van oneindig valt weg. Naar de Roomschen van den eenen kant meer dan yenoey, zoodat er wat overschiet, welke overtollige verdienste met de verdiensten der heiligen aan de Roonische Kerk is toevertrouwd , om boetelingen daarmede (voor geld) te hulp te komen ; van den anderen kant niet yenoey, daar Christus volgens hen alleen voor die zonden , die op allen vóór hunnen doop liggen, volledig heeft betaald , maar van de na den doop begane doodzonden alleen de schuld der zonde en de eeuwige straffen heeft gedelgd , zoodat nog ligge ten laste van de Christenen zelve om te voldoen voor de zonden na hunnen doop begaan, voor de vergefelijke zonden, voor do tijdelijke straffen, te lijden in dit leven of in het vagevuur. Daarvoor moeten de Christenen zich zeiven vrijwaren door boetedoeningen en goede werken gt;) en hierbij komt hun de Kerk te hulpe door toedeeling van Christus\' en der heiligen overtollige verdiensten in aflaat en misse*).

\') Concil. Tridentin. Sess. XIV. Do Poonitoulia Cap. VlII. od. Tauchn. p. 78 on aldaar Can. XIII. p. 84. Calech. Roman. P. II. Cap. V. Qu. 70.

2) P. Van Mastricht, Godgel. III. p. 143 v. Winer , Coin-par. Darstoll. S. 108. 110.

Biedermann, Christl. Dogmatik II. 1885 geeft, ofschoon hij zelf van het kerkelijke leerstuk blijkens § 832 en 833 slechts een leegen dop overlaat, toch leerzame opmerkingon § 416 : In der Kirchenlehre ist Christus das porsönlicho Prinoip dor Ver-söhnung , Princip und Person als Eins. Der Protestantismus in diesem Dogma bestand darih, die im (römischen) Katholicismus an dio Kirche entilusserte Vorsöhnuug ganz auf ihr Princip, auf Christus, zurück zu filhren.--Jesus Christus allein,

-ocr page 499-

§ 41. VOOR ALLEN? 477

§ 41. Voor allen?

Christus heeft zich opgeofferd niet voor Engelen , maar voor menschen. Voor de goede Engelen niet: dezen hadden geene verzoening noodig. Voor de afge-gevallene •) Engelen niet: want dezen worden tot het oordeel des grooten dags met eeuwige banden onder de duisternis bewaard (Jud. G) buiten alle hope van verlossing. Hij neemt de engelen niet aan (llebr. 2: 16)

als der Gottmonsch , ist das Princip der Versöhnung. Die volle Consequenz hiervon für das Dogma von seinem Werk ist: der Gottmonsch repriisentirt Gott ganz für die Menschholt, und die Menschheit ganz für Gott; iu ihm hat die Menscliheit Gott und Gott die Menschheit. Alles, was hierin ligt, ist in Christi Werk befnsst. — — Der Gottmeasch , in don Stand der sündi-gen Menschheit aingegangen , ist ihr Stellvertreter und als dor GoHmensch ihr genugthuender Stellvertreter, — — nicht im Sinn oiner irgeudwie bloss subjectiven Anschauung, sondern im Sinn einor für beide Theile ohjectiven Realiteit. — — Voorts verklaart liiedermannwil men voor hot plaatsbeHeeclenile lijdon der Goddelijke zondenstraf slechts eene etisch bemiddelende zoening , zoo is dit oppositie tegen geheel het kerkelijke dogma en men doot onrecht wanneer men zulke voorstelling voor getrouwe opvatting van het Kerkelijke leerstuk uitgeeft, al geschiedt hot zoo subtiel als bij Von Hoffmann (Dor Schriftbeweis) , tegen wien hij aan deszolfs bestrijders Philippi en Thomasius in dezen gelijk geeft.

1) De Alexandrijnsche Gnosis (philosophische geloofsleer) steldo eene algemcene verlossing, ook der duivelen; Origenes zelf echter een voortgaauden wissel van telkens nieuwen afval en verlossing : na de ciTroy.XTXvTXTi\'; wederom Uagenhach, Dogmengesch. g 52. S. 114. Neander, Kirchongesch. 1828. I. 3. S. 732. Vergel. Zesde Hoofdstuk § 17. bl. 711.

-ocr page 500-

§ 41. VOOR ALLEN?

Hij is Middelaar Gods en der menschen (1 Tim. 2 : 5).

Naar sommigen gt;) ook der Engelen , hoewel in anderen zin dan voor de menschen. Namelijk door Christus voldoening zouden de heilige Engelen bevestigd zijn in hunnen staat, door Hem als Middelaar voortgande daarin worden bewaard en als eindige , dus niet volstrekt volmaakte schepselen (Job 15; 15), geheel hunne zalige gemeenschap met God alleen door Christus hebben.

Doch de Schrift leert alleenlijk, dat alle dingen ook de Engelen door den Zoon Gods krachtens zijne Godheid bestaan (Kol. 1: 16, 17), dat Hij als Middelaar ook wel Heer is van de Engelen, maar als zijne rijksdienaren en hunnen dienst ten nutte der gemeente gebruikt en dat door de verlossing der geloovigen vereeniging en vriendschap tusschen dezen de Engelen is bewerkt, Ef. 1 : 10.

Voor menschen is de Zoon Gods mensch geworden , voor menschen heeft Hij zijne offerande gebracht.

Maar heeft Hij dan voor alle menschen voldaan ? Bij haast alle gezindten1) roept men ; ja, voor allen. De Ge-

\') Voornamelijk op voorgang van Calvijn, Commentar. in Ephes. 1: 10, in Coloss. 1: 20. Zoo ook do Leidscho Profos-soron in do Synopsis Purioris Thcol. Disput. XII. 33. ed. Dr. Bavink p. 103. Anders March. Compend. Cap. XX. 23. on bijzonder Cap. IX. 16. en De Moor, Commontar. II. p. 353 sqq._

Verschillende gevoelens zijn vermeld bij C. Vitringa, Üoctrina Christ. Relig. Pars. VI. p. 178 sqq. Zie ook Zesde Hoofdstuk § 17. bl. 725 v. (over Ef. 1 : 10).

478

1

) Een uitvoerig verslag van Umversalisten en Particuralisten

-ocr page 501-

§41, VOOR allen?

reformeerde Kerhleev zegt: neen, wel voor menschen uit alle geslachten en standen en leeftijd, inzoover voor allen

doch met voor iederen mensch, maar voor zijn volk (Matth!

: 21)\' voor zijne gemeente (Ef. 5: 25 vv) Voor zijne schapen (Joh. 10: 15) , voor degenen die de Vader Hem gegeven heeft (Joh. 17: 2, 24), voor alle de uitverkorenen des Ouden en des Nieuwen Verbonds.

Dordsche Leerregelen, Tweede Hoofdst. 8 : God heeft qe wild, dat Christus door het bloed zijns kruises daarmede

ij het Nieuwe Verbond bevestigd heeft) uit alle volkeren, stammen, geslachten en tongen diegenen allen en alleen krachtiglijk zoude verlossen, die van eeuwigheid tot de zaligheid verkoren en van den Vader Hem gegeven zijn ■ d ezel ven begaven met hel geloof, hetwelk Hij hun, gelijk ook andere zaligmakende gaven des Heiligen Geestes, door zijnen dood heeft verworven en van alle hunne zonden, zoo de aangeborene als werkelijke, zoo nd als vóór het geloof begaan, door zijn bloed zoude reinigen, tot den einde toe getrouwelijk bewaren en ten laatste zonder eenige vlek en rimpel voor Hem stellen i).

Maar strijdt dit niet tegen hetgeen de Heidelb. Catechismus Vr. 37 leert; Dat Christus--den toorn Gods tegen de zonde des ganschen mensghelijken geslaghts2) ge-

zoo binnou als buiten de Gereformeerde Kerk van vroeger geeft 6. Vitrmga , Doctrina Ghrist. Relig. VI. p. 130-178.

|) Uitnemend is hot Breve examen do gratiae et mortis Christi universal itate Embdensium Ministorum op de Dordsche Synode. Acta od. Hanoviae 1G20 p. 658—671.

-) udversus poccatum universi gonoris humaui.

479

-ocr page 502-

§ 41. VOOR ALLEN V

dragen heeft ? Zegt dit niet, dat Hij voor alle menschen heeft voldaan ? Zoo vatten velen \') het op en men meent hier in Ursinus , den eenen opsteller van den Catechismus, den leerling te erkennen van Melanchthon, den voorstander der algemeene genade.

Zonder grond en reden. De Catechismus zegt hier niet voor wie maar wat Christus heeft geleden. Hij leed wel van menschen, maar de menschen waren slechts werktuigen in Gods hand. Het was de (oom Gods dien Hij droeg.

Maar op Jezus zeiven was God niet vertoornd. Om eigen zonden leed Hij niet, Hij verdiende de slagen niet die Hem troffen , Hij was en bleef de geliefde Zoon , in welken God zijn welbehagen had. Maar Gods toorn brandde over de zonde der menschen. De straf die op Hem was was door Hem overgenomen.

Van dezen toorn Gods geeft de Catechismus eene nadere beschrijving en bepaling: Christus droeg dien ^/-«waarmede God ontstoken is tegen de zonde des ganschen mensche-

\') Ook Dr. J. I. Doédes, Do Heidolborgscho Catechismusp. 176, die mot veel vrijinoedighoid maar zoudor bewijs verzekert: Niet voor de uitverkorenen alleen, maar voor alle zondaren, voor het geheele zondige geslacht Adams, is onze Heer Jezus Christus gestorven. Dat is de leer van het Nieuwe Testament, en dat is hier uitgesproken in Antw. 37.

Dit autwoord is intusschen reeds behoorlijk toegelicht iu het Schatboek van Zach. ürsiuus. Gonuchem 1736. I. p. 360 door Festus Hommius en in do Voorrede aldaar p. 11)0 door Joan van den Honert; en door vele verklaarders van den Catechismus, ook door Curtenius II. p. 65 ; alsook door De Moor , Comment, in Marck. III. p. 1075. Vele verhandelingen daarover, zoo voor als tegen, zijn aangehaald iu G. Vitringa, Doctrina Chrietianae llelig. VI. p. 136 sqq.

480

-ocr page 503-

§41. VOOR ALLEN ?

lijken geslachts , omdat allen zondaars, allen kinderen des toorns (Ef. 2 : 3) zijn en de geheele wereld voor God verdoemelijk is (Rom. 3:19), terwijl Hij op aarde de eenige was in het menschengeslacht zonder zonde en buiten den toorni

De Catechismus zegt niet: Christus heeft den toorn Gods gedragen voor het gansche menschelijke geslacht, maar, tot kenschetsing van Gods toorn : den toorn Gods tegen de zonde des ganschen menschelijken geslachts. Het slot van ditzelfde Antwoord op de 37ste Vraag bewijst tevens dat niet bedoeld is: voor alle menschen, want anders zou Christus bij al degenen die niet zalig worden (vergel. Vr. 20) het doel missen , hetwelk Hij zelf bij het dragen van den toorn Gotls in het slot van het Antwoord gezegd wordt te hebben beoogd.

481

Dezen toom Gods, waaronder het geheele zondige menschelijke geslacht ligt, droeg Christus voor zoo velen uit dat menschdom als er geordineerd waren tot het eeuwige leven (Hand. 13 : 48).

De vraag is niet, of de voldoening van Christus zoodanig van waarde is geweest dat alle menschen daardoor zouden kunnen zalig worden. Dit is boven toegestemd. Maar of naar hot oogmerk des Vaders, die zijnen Zoon in de wereld zond en naar het oogmerk des Zoons, die zich zei ven heeft overgegeven, aan de Goddelijke gerechtigheid is voldaan voor en in de plaats van eiken mensch hoofd voorhoofd. Dit wordt door de Gereformeerde Kerkleer en door ieder belijder van de ware Praedestinatie ontkend i).

\') P. Van Maslricht, Godgel. III. p. 188. 147 v. Marck. Gravoraeijer, Goref. Gol. loor. 11. 31

-ocr page 504-

§ 41. VOOR ALLENV

De Heilige Schrift zegt wel nergens, dat Christus voor dezen of genen niet gestorven is, doch men kan ook niet zeggen dat Hij voor de ongehoorzamen, op wie de toorn Gods blijft, naar het Goddelijke oogmerk heeft genoeggedaan.

Er staat geschreven Joh 3 : 36 : Die in den Zone gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die den Zone ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem. Een blijvende toorn (Hebr. 10 : 26; 1 Thess. 2: 16). Zou Christus naar zijne bedoeling voor zoodanigen den toorn hebben gedragen , die evenwel op hen blijft ? Dan hadde Hij in zijn voornemen gefaald en een vergeefsch en krachteloos werk gedaan. Voor degenen, die de lastering tegen den Heiligen Ceesf begaan , welke zonde den menschen niet zal vergeven worden (Matth. 12: 31), voor Judas, van wien Jezus zegt: het ware hem goed , zoo hij niet geboren ware geweest (Matth. 26 : 24), kan de Verlosser niet gezegd worden vergeving der zonden en eeuwig leven te hebben verworven.

Men heeft verwerving der zaligheid door Christus en toe-eigening niet alleen willen onderscheiden maar scheiden. Maar beide strekken zich evenverre uit\'). Anders zou immers God niet bereiken hetgene dat Hij had beoogd. Die met de Groningschena) naar Schleiennacher door de Prae-

Compeud. Cap. XX. 23. 24. De Moor, Commeutar. III. p. 1035 sqq. IPVtow, Oecoüom.. Foederum Dei Lib. II. Gap. IX: Proquibus Christus spospoudorit ot satisfecorit. Brakel , Red. Godsd. I. p. 493 v.v.

) P. Van Mastricht, Godgel. III. p. 147 v. Brakel, Red. Godsd. I. p. 495.

\'-) Compendium Dogmat. Grou. § 46. Daartegen Da Casta, Eonlgu Opmerkingen p. 40.

483

-ocr page 505-

§ 41. VOOR ALLEN?

destinatie verstaan den raad Gods om alle monschen tot do hoogste zaligheid op te leiden, een deel slechts wat vroeger de anderen later, nemen niet in aanmerking de afdoende zwarigheid dat, hetgeen God heeft gepraede-rtineerd, ten slotte niet volbracht wordt, daar de Schrift (Matth. 25 : 46) eene eeuwige rampzaligheid leert. — Do rechtvaardige God eischt geene betaalde schuld noch weigert een verdiend goed.

Dordsche Leerregelen, Tweede Hoofdst. Verwerping der dwalingen 6. Tegen degenen, Die hel onderscheid tusschen verwerving en toeëigening daartoe gebruiken, opdat zij den onvoorzichtigen en onervurenen dit gevoelen mochten inplanten, dat God, zooveel Hem aangaat, allen menschen die weldaden, die door den dood van Christus verkregen ivorden, even gelijk heeft willen mededeelen ; maar dat sommigen de vergeving der zonden en het eeuwige leven deelachtig worden, anderen niet, dat zulk onderscheid hangt aan hun vrijen tvïl, dewelke zich voegt bij de genade, die zonder onderscheid aangeboden wordt ten dat het niet hangt aan die bijzondere gave der barmhartigheid, die krachtiglijk in hen werkt, opdat zij zichzelven die genade boven anderen zouden toeeigen en. Want dezen, zich gelatende alsof zij dit onderscheid in eene gezonde meening voorstelden, trachten het volk het verderfelijk venijn van de Pelagiaansche dwalingen in te geven.

483

Het is wederom juist dezelfde oude dwaling, wanneer nien-weren beweren: de oplossing, hoe Christus\' voldoening voor allen is en niet voor allen, ligt hierin, dat men de schulddelging (expiatio) en de fer3oegt;n-«(/(reconciliatio) scheide en zegge: de expiatie is werkelijk voor allen volbracht, de reconciliatie is het bedoelde deel der wedergeborenen, der leden van Christus gt;).

\') Aldus o. a. Ebrard, Christl. Dogmatik II. S. 283. Deze

-ocr page 506-

484 § 41. VOOR ALLEN?

Maar heeft God niet alle menschen lief? En heeft Christus geen blijken gegeven van zijne liefde jegens allen ? Dat ontkent geen Gereformeerde. Als zijne schepselen heeft God alle menschen lief met eene liefde van welwillendheid i). Maar wijl naar de leere der Schrift niet alle menschen zalig worden, neemt de Gereformeerde niet aan , dat bij God het voornemen bestond om zich over alle de schuldigen te ontfermen en Christus te geven tot een algemeenen Zaligmaker voor allen en dit zelfs nog wel met eene onzekerheid voor Hem zeiven , wie er al of niet deel aan zoude willen nemen.

Christus, als mensch aan de wet der liefde onderworpen, heeft alle menschen als zijne naasten heiliglijk liefgehad, was van harte welwillend jegens hen, had medelijden en smart over degenen die het verderf tegemoet gingen, getuige zijne tranen over Jeruzalem. Maar dit zijn men-schelijk gevoel onderwierp Hij aan de Goddelijke ordineering en bewees hierdoor de heiligheid van zijnen

dogmaticus is hierin verklaard Eemonstrant. Hij leert S. 285 : »Voor wien bedoelde Christus genoeg te doen? Zijn doel was, voor cdlen datgene te doen , waardoor hun do verlossing mogelijk gemaakt wierd en inzooverre heeft Hij daadwerkelijk naar zija oogmerk voor allen voldaan met don wensch dat allen er deelgenooton van wierden. Het geloof of ongeloof zelf zon naar Gods raad aan don wil der monschen overgelaten blijven; inzooverre dus kon Christus , zonder met den Vader in tegenspraak te komen , geheel niet het oogmerk hebben om voor allen werkelijk genoeg te doen; maar in zooverre had Hij hot oogmerk, voor alle degenen daadwerkelijk genoog te doen , die in Hem zouden gelooven.quot; — Op hetzelfde loopt ook uit de voorstelling van Van Oosterzee , Chr. Dogmat. II. p. 291.

\') Zie Derde Hoofdstuk § 38. Vijfde Hoofdstuk § 12. Brakel, Eed. Godsd. I. p. 485.

-ocr page 507-

§ 41. VOOll ALLEN?

menschelijken wil in de eerbiediging en verheerlijking van het onveranderlijke en bepaalde raadsbesluit Gods \'), Hem als den eeuwigen Zone Gods bekend en door Hem zeiven in eenheid des Geestes met den Vader alzoo gewild.

Zoo dachten onze oude rechtzinnige Gereformeerden tegenover de Pelagiaansche en Remonstrantsche doling en de reden van hun standvastig verzet tegen deze was hierin gelegen dat zij de eeuwige verdoemenis der hoozen, die, naar het oordeel van alle Christelijke Kerken, in de Schrift geleerd werd, niet beschouwen konden als eene eeuwige mislukking van Gods ivereldsplanquot;1).

§ 42. Voor allen? Vervolg.

De leer der Universalisten , der voorstanders van alge-meene genade , is diep doorgedrongen en breekt ook daar weer uit waar men haar niet meer verwachtte. Zoo bij Van Oosterzee *), die beweert: De verzoening betreft de wereld in haar geheel, niet de wereld der uitverkorenen alleen, gelijk men met geweld, maar in strijd met Joh, 3: 16. 1 Joh. 2:2e» vele andere plaatsen in de Schrift ivilde lezen, maar de menschenwereld in haren ganschen omvang gedacht, waarmede natuurlijk niet gezegd is, dat nu ook ieder har er bewoners zal zalig worden , maar alleen , dat die vroeger vijandige wereld, als geheel gedacht,

\') II. Witsius, Oeconomia Focdenun Doi Lib. II. Cap. XX. 3. p. 182.

\'2) J. II. Scholten, Loer dor Horv. Kork II. p. 20.

3) Christel. Dogmatik II. p. 291.

485

-ocr page 508-

§ 42. voor allen ?

zooveel God betreft, thans tot Hem in verzoende, d, i. bevredigde betrekking geplaatst is , zoodat niemand, wien het Evangelie verkondigd wordt, thans verloren gaat om zijne zonde op zich zelve , maar alleen om zijns ongeloofs wil. Van Gods zijde is thans alles weggenomen, dat scheiding kon maken, tenzij men zelf verkiezen mocht van Hem gescheiden te blijven. De bediening der verzoening (2 Kor. 5 : 18) predikt niet: God zal u de schuld vergeven , indien gij terugkeert; maar : God heeft genade betvezen ; geloof alleenlijk, en zij is in Christus uw deel. Zoo is dan ten slotte toch de zaligheid in de macht des menschen gesteld en Gods souvereiniteit in afhankelijkheid van zijn schepsel verkeerd !

Maar wordt dan in de Schrift zelve Christus niet gezegd gestorven te zijn voor de wereld en voor alle menschen ? Hierop is reeds door onze oude Godgeleerden \') behoorlijk geantwoord en met gronden uit den samenhang en uit de doorgaande leer der Schrift aangetoond, dat bij die uitdrukkingen gesproken wordt van het menschdom in het gemeen, Jood en Heiden, maar niet bedoeld is ieder mensch hoofd voor hoofd in het bijzonder. Er wordt door te kennen gegeven hetgene reeds aan Abraham was beloofd, dat in zijnen Zade alle geslachten der aarde gezegend zouden worden; maar daarom niet ieder lid van elk geslacht, zelfs niet ieder van Abrahams eigen geslacht. Ja in onderscheiding van de Joden is met de wereld bepaaldelijk de wereld der volken

1) P. Van Mastricht, Godgel. III. p. 147 v. MarcTc, Compend. Cap. XX. 24. De Moor, Commentar. Ilf. p. 1057 sqq. Witsius, Oecouomia p. 183 sqq. Brakel, Red. Godsd. I. p. 497 sqq. Het liemonstrantsche gevooleu is bijzonder verdedigd door Limborch , Theol. Christ. Lib. IV. Cap. Ill eu IV.

48G

-ocr page 509-

42. VOOR ALLEN ?

bedoeld. En indien hun (der Joden) val de rijkdom is der ivereld en hunne vermindering de rijkdom der Heidenen, hoe veel te meer hunne volheid! zegt Paulus Rom. 11 : 13.

Men wijst op Joh. 3: 16 : Want nlzoo lief heefl God de wereld gehad enz.\') en m on zegt: „de wereld kan hier toch niet beteekenen de uitverkorenen: want het slot van dit vers kent het leven alleen aan een iegelijk geloovige toe, sluit dus de ongeloovigen uit en dus zou de onvoegzame zin zijn: Zoo lief heeft God de uitverkorenen gehad, dat Hij zijnon eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk uit deze uitverkorenen die in Hem gelooft niet verderve maar het eeuwige leven hebbe.quot; De uitverkorenen verkrijgen het allen, Rom. 11 : 7. Maar evenmin zou \'{.voegen, de ivereld hier te nemen voor alle menschen hoofdelijk, want niet alle menschen ontvangen dit bewijs van Gods liefde dat God zijnen Zoon tot hen zendt door de prediking. Intusschen de wereld beteekent hier niet de uitverkorenen alleen , maaide menschheid in het algemeen en wel niet naar omvang maar naar qualiteit, als eene van God vervreemde, Gode vijandige menschheid2). Het waren geen goede, liefwaardige schepselen , buiten eigen schuld ellendig geworden , het waren ook geen afgevallene Engelen , het was eene wereld van zondige menschen , waaraan God deze liefde bewees : een menschlievend God !

Evenzoo is wereld te verstaan 2 Kor. 5: 19: Want God was in Christus de wereld met Hemzelven verzoenende. Booze, vijandige menschen waren het, die Hij met Hem-

\') Fr. Ridderus, Apollos. II. p. 706 v.

\'2) //. Cremer, Bibl.-thool. Wörterb. p. 369, u. d. W.

Edoch huldigt dezo gekorde zolf het Luthovscho universalisme.

487

-ocr page 510-

§ 42. VOOR ALLEN ?

zeiven verzoende. De Apostel wil hier leeren, dat de verzoening niet van den kant der menschen kwam, maar van God: alle deze dingen zijn uit Gode (Vs. 18). Het waren geen rechtvaardigen, goeden en vromen, voor wie Christus stierf, maar goddeloozen , zondaren , vijanden (Rom. 5 : 6 , 8, 10). Onmogelijk kan met de ive-reld door den Apostel bedoeld zijn ieder menschelijk individu. Want. de verzoenining is niet aller, zelfs het woord der verzoening komt niet tot alle menschen. Zal dus de wereld beteekenen alle en een iegelijk mensch , dan was God in Christus de wereld met Hemzelven niet verzoenende. — Bovendien degenen onder de Universa-listen, die de erfzonde loochenen, moeten zeiven wederom dwalende aannemen dat Christus niet voor allen is gestorven, namelijk naar hun gevoelen voor de kleine kinderen niet.

Maar wat dan 1 Joh. 2:2? En Hij is eene verzoening voor onze zonden: en niet alleen voor de ome, maar ook voor [de zonden] der geheele ivereld\'). Hoe dit gemeend is blijkt uit Joh. 11: 52 : Jezus zou sterven niet alleen voor het volk der Joden, maar opdat Hij ook de kinderen Gods, die verstrooid wnren, tot één zoude vergaderen, en uit Joh. 17: 20: Ik bid niet alleen voor deze (discipelen).

\') Ka) xvtoi; \'iXxTfiós (zoonoffor zie bovon § 19. bl. 394) èvnv Trsp) (om, wegens) tüv xfAxpncóv ■/j/sMV, oü vrsp) tSv fiftsrepuv Sf (tóm kx) Trsp) öxov tov kÓvij.ov. — Dat du

geheele wereld niet altijd bepaald het gansche getal doi- menschen beteokent, daarvoor wordt ook wol Luc. 2; 2 bijgebracht; dat de geheele wereld beschreven zoude worden , waar van zolf al-loon do Romeinsche wereld is bedoeld. Doch daar staat niet kÓti/,o; , maar ttxtx y ohouftèvy.

488

-ocr page 511-

§ 42. voor allen?

maar ook voor degenen die door hun woord in mij geloo-ven ztdlen. En naar 1 Joh. 2: 1 is Christus Voorspraak voor evendezelfden , voor wie Hij naar Vers 2 de verzoening, zoenoffer is. „Maar voorspraak kan de Hooge-priester slechts zyn voor zijn volk \') dus desgelijks het zoenoffer , waarop zijne Voorbidding gegrond is.

Openb. 5 : 9 verheerlijken de 24 Ouderlingen in den naam der geheele Kerk beide des Ouden en des Nieuwen Verbonds , die zij vertegenwoordigen, daarom 2 maal 12, het Lam : Gij zijt geslacht en hebt ons Gode gekocht met uwen bloede , (niet alle geslacht enz. maar) uit2) allen geslachte en tale en vollce en natie.

\') Aldus Van Oosterzee zolf, Cbr. Dogm. 11. p. 309, terwijl hij ovenwol do vcr/.ocniug door het oflbr objectief algemeen stelt. Hij wijst p. 291 op hot zoggen Calvijns; sufficienter pro omnibus, efficienter pro electis, bil velon onzer oudo Godgeleordon overgenomen. En to recht, zie boven § 40. Maar hoe is \'t bij Calvyn gezegd? Hot staat in zijn Commentar. in Ep. 1 Joann. 2: 2. Hij komt daar op togen degenen, die dezen tekst misbruiken, om aan alle verworpenen, zelfs den Satan do zaligheid too te wijzen, eeno »uitzinnigheid geen woderleggens waardig.quot; Daarop zegt hij: Qui hanc absurditatem volebant offugere, dixorunt, sufficienter pro toto mundo passuni esse Christum, sod pro electis tantum officaciter. Vulgo haoc solutio in scholis obtinuit. Hij stemt toe dat dit gezegde waar is, maar ontkent dat hot hier past on dat Johannes\' woorden in dien zin moesten worden verstaan. Want Johannes had geen ander dool dan om aan do ganscho Kerk dit goed to verzekeren. Bij gevolg ouder allen begrijpt hij voi vvorpenen niot, maar duidt degenen aan die te ééner tijd gelnoven zouden en die in vorschiilendo wereldstreken verspreid waren. Christns\' genade de oenige zaligheid der wereld !

2) êx x.t.A. Tischenclorf laat ons, •faxs, weg

doch dit verandert don zinkniet.

489

-ocr page 512-

§41. VOOR AhLEN?

Niet anders is het met de uitdrukking voor allen. Zoo 1 Tim. 2: G, waar van den Middelaar wordt gezegd: We zich zeiven gegeven heeft [tot\'] een rantsoen voor allen, [zijnde\'] h(t getuigenis tot zijner tijd. Samenhang en de uitdrukking \') zelve leeren dat voor allen te verstaan is van alle geslachten en standen der enkelen, niet van ieder enkele in elk geslacht, dus onbepaald en niet individueel. Want de Apostel gebiedt dat men bidde voor alle tnenschen, inzonderheid voor koningen en andere overheden. Daar kan onmogelijk bedoeld zijn ieder individu, man voor man in liet groote menschdom in alle landen. Het zegt; voor allerlei menschen, hoog en laag. Jood en Heiden. Dat dringt hij dan aan met dat God wil dal alle menschen zalig worden en mot dat Christus zich gegeven heeft tot een rantsoen voor allen. Hier moet dus allen in denzelfden zin gezegd zijn als vooraf bij het bidden.

Voorts ware Christus voor allen individueel, dus voor lederen mensch gestorven , dan hadde dit ook aan allen en een ieder moeten bekend gemaakt zijn, want hoe zouden zij anders gelooven ? Maar de Apostel zegt: zijnde het getuigenis tot zijner tijd, aanduidende dat dit niet op alle tijden noch aan alle menschen is bekend gemaakt1).

2 Kor. 5: 15. Als die Uit oordeelen dat indien één voor allen 3) gestorven is, zij dan allen2) gestorven zijn. En Hij

490

1

) Fr. Ridderus, A polios III. p. 860 v. Derde Hoofdstuk § 33. bl. 380 v.

2

•t) o\'i TrxvTsg. De Onzen to recht en nauwkeurig: zij alleu.

-ocr page 513-

§ 42. VOOR ALLEN ?

is voor allen\') gestorven*) opdat degenen die leven niet meer zich zeiven zouden leven, maar dien die voor hen gestorven en opgewekt is. Ook leert de Apostel niet dat Christus gestorven is voor het geheele getal der mensche-lijke individu\'s. Veelmeer juist het tegendeel. Hij spreekt van zich en al degenen die de liefde van Christus kennen (Vers 14) , in zijnen dood bewezen. Voor wie nu Christus gestorven is , zegt hij, die zijn ook gestorven, namelijk zich zeiven, den Vi\'eesche en der zonde, krachtens hunne liefde tot Christus. Dit gestorven zijn aan zich zeiven is echter een leven door Flem en voor Hem, den levenden Heiland. Dienvolgens is Christus gestorven en opgewekt voor allen die zich zeiven gestorven zijn en Hem leven , door zijnen Geest vernieuwd (Vers 17).

§43. Voor allen? Vervolg.

De voorstanders der algemeene genade beroepen zich voorts ook op zulke Schriftuurplaatsen , waar verondersteld en aangeduid zou zijn dat Christus ook voor zoo-danigen gestorven is , die verloren kunnen gaan.

Zoo 2 Petr. 2 : 1 : En daar zijn ook valsche profeten onder het volk geweest, gelijk ook onder u valsche leeraars zijn zullen , die verderfelijke ketterijen bedektelijk invoeren zullen, ook den Heere die hen gekocht heeft, verloochenende s) [ew] een haastig verderf over zich zel-

\') utttp ttxvtuv. Herhaling van het eerst gezegde. 2) In bijzoudorheden is deze tekst behandeld door Fr. Riddo-rws, Appollos. III. p. 602 v.v.

y.M rov xyopwavTX xvtovs SerTroryy dpvovftei/ci. Naar

491

-ocr page 514-

§ 43. VOOR AU.EN ?

ven brengende. Er is geen reden om door den Heere te verstaan (lod en niet Christus, noch om die hen gekoclit heeft in een anderen , minderen zin op te vatten dan van het koopen door Christus\' bloed , zoodat het alleen zou zeggen, dat God hen in zijnen dienst had genomen i). Te recht onze Kantteehenaars: „Dezen worden hier gezegd van den Heere gekocht te zijn, ten aanzien dat zij zich voor zoodanigen uitgeven en van anderen naar de liefde daarvoor gehouden zijn, zoolang zij in de gemeenschap der Kerk waren.quot; Fladde Christus voor hen voldaan, dan hadde Hij ook voldaan voor deze zonde van wHooc/ie-niny en zij kwamen dan daarom niet in het verderf2).

Paulus spreekt 1 Kor. 8 van het eten van het vleesch der aan afgoden geofferde dieren en de verlichte Christenen, die hunne vrijheid in dezen kenden , waarschuwt hij om niet door misbruik van hunne vrijheid min verlichten, die de geoorloofdheid betwijfelen , te verleiden om zulks ook te doen, tegen hunne overtuiging, met een beschuldigend geweten , hetwelk voor dezen waarlijk geen slichten zou zijn maar een stijven in onoprechtheid , geen opbouwen maar verstoren, l\'hi zal de broeder die zwak (in kennis)

Cramer, Wörterb. u. a. W. y.upio\'; S. 383 is zvpiog degene die de macht hoeft, quot;hsTTrOTys die zo gebruikt en uitoofent. Meer bij Witsius, Exorcilationes in Symbol. Ap. XITI. 3—5. p. 1G9 sq.

\') Zoo o. a. P. Van Mastricht, Godgel. III. p. 148. ou lira-hel , Red. Godsd. I. p. 501 v.: Deze Leeraren waren onder zijn gebied, Hij had hen mede gekocht, om ze tot zijnen dienst, tot nutte der uitverkorenen te gebruiken, als slaven , als ezels, maar niet tot zijne kinderen.

2) Fr. Ridderus, Apollos. III. p. 1134 v.v. De Moor, Com-mentar. III. p, 1067 sqq.

492

-ocr page 515-

§ 43. VOOR ALL3N ?

is door (uv/ misbruik van) uwe kennis verloren gaan, om ivellten Christus gestorven is ? vers 11 \'). Insgelijks Rom. 14: 15: Verderf dien niet met moe spijze, voor welken Christus gestorven is. Verderven, door hem , wegens uw ergerlijk doen van hetgeen hij verboden acht , van het Christendom af te drijven. Er is bij te verstaan : zooveel in u is en : indien het mogelijk ware (Malth. 24: 24), indien God het niet verhoedde. Doch hij zal vastgesteld worden, want God is machtig hem vast te stellen, zegt de Apostel zelf Rom. 14: 4.

Paulus wil hierdoor allernadrukkelijkst waarschuwen voor alle ergerlijk gedrag der belijders. Zulk ergerlijk, loszinnig gedrag kan , op zich zelf beschouwd en naar zijnen aard niet anders dan den zwakken verderven : het maakt hem van zulk een Christendom afkeerig, namelijk zoo God het niet verhindert. Dus kan de eene gezegd worden den anderen , voor wien Christus gestorven is , te verderven en wederom kan hij dat niet. 1 Joh. 5 : 10 wordt gezegd : die God niet gelooft, heeft Hem tot een leugenaar gemaakt — waarlijk niet alsof de waarachtige God ooit een leugenaar worden koude, maar zulken maken Hem er toe in hun ongeloof, dus zooveel in hen is.

Bij al deze en soortgelijke gezegden wordt er naar den

\') De Luthersche Von Gerlach, Das Nouo Testament, toont zich in zijn aanteekening op deze plaats beslist universalist. Hij zegt; Deze woorden behelzen een klaar, ondubbelzinnig gatui-gonis tegen de dwalende leer , dat Christus alleen voor de uitverkorenen gestorven zou zijn. Ook wanneer do zwakke broeder verloren gaat, blijft het eeuwig waar, dat Christus voor hem gestorven is. Maar, had Christus het oogmerk dat het ook voor dezen zou zijn , dan is dat oogmerk niet bereikt ; had Hij dat oogmerk niet, dan is Hij met. een onzeker doel gestorven.

493

-ocr page 516-

§ 43. VOOR ALLEN?

inenscli gesproken. Het kan niet anders worden opgevat, of men treedt in tegenspraak tegen de duidelijkste getuigenissen der Heilige Schrift. De Schrift leert: die Christus door zijnen dood waarlijk verlost heeft, worden door zijne voorbidding in de kracht Gods bewaard •). Tot hen is het: Die gij in de kracht Gods bewaard wordt door het geloove, tot de zaligheid die bereid is om geopcnhnard ie worden in den laatsten tijd, 1 Petr. 1 : 5.

Bij het oordeelen echter des eenen over des anderen staat, dient men te behartigen hetgeen onze rechtzinnige Kantteekenaren-hi] Rom. 14: 15 aanmerken : Anderszins (namelijk waar het gedrag er niet openbaar tegen getuigt) moet men al degenen, die het geloof van Christus belijden, naar het oordeel der liefde, houden voor zoodanig, die van Christus door zijnen dood verlost zijn.

§ 44 Geen algemeene noodiging ?

Tegen de Gereformeerde leer wordt nog als een bijzonder bezwaar dit ingebracht: „Heeft Christus voor velen niet voldaan, dan geschiedt de algemeene noodiging, om tot Hem te komen , voor die velen slechts in schijn.quot;

494

Maar tegenover deze Remonstrantsche bedenking moeten wij ons houden aan hetgene Christus heeft gesproken Joh. 6 : 37 : Al wat mij de Vader geeft zal tot mij komen; en die tot mij komt, zal ik geenszins uitwerpen. Wie onder de bedeeling van het Verbond der genade verkeert en op de roepstem des Evangelies als een arm zondaar tot

\') Zio Vijfde Hoofdstuk § 17.

-ocr page 517-

§ 44. GEEN ALGEMEENE NOODIGING ?

Christus de toevlucht neemt , wordt niet verstooten maar aangenomen en behouden.

Wat intusschen de noodiging, do uitwendige roeping betreft, ten eerste bewijst de geschiedenis dat zij verre van algemeen is •). Gansche volken en tallooze personen hebben nooit een woord van Christus gehoorden hoe velen zijn er nog van verstoken! Ten tweede. Waar het Evangelie gepredikt wordt, is wel de prediking algemeen , niet uitzonderlijk tot de uitverkorenen , maar tot gemengde scharen. En hoe konde het alleen tot de uitverkorenen zijn, daar dezen verstrooid zijn onder de groote menigte en geen mensch hen mot don vinger kan aanwijzen ? Maar deze prediking is niet en mag niet zijn volstrekt en onbepaald algemeen. Christus met zijne weldaden wordt door het Evangelie niet zonder meer aan allen aangeboden maar met de voorwaarde van bekeering en geloof. Het is: bekeert u en gelooft den Evangelie. Wie geloofd zal hebben zal zalig worden, maar wie niet geloofd zal hebben, zal verdoemd worden. En dit is geen schijn , geen veinzing , geen paaien met ijdele hope , maar waarheid. Het betuigt de genoegzaamheid van Christus en toont het verband aan van het geloof met de zaligheid , hetwelk onlosmakelijk is naar de Goddelijke ordening, alzoo dat het oprechte geloof steeds de zaligheid onuitblijfelijk ten gevolge heeft5).

495

Dordsche Leeregelen Hoofdst. III. en IV. De Leere. 8 : Zoovelen als er door hel Evangelie geroepen worden , die

\') De Moor, Commentar. in Marck III. p. 385 sqq. 2) Marck. Compond. Cap. XX. 24. 4. (o. De Moor, Comment. III. p. 1074 sq.

-ocr page 518-

§ 44. GEEN ALGEMEENE N00D1G1NG ?

tv or pen ermtiglijk geroepen. Want God betoont ernstiglijk en waarachtiglijk in zijn Woord wat Hem aangenaam is, namelijk dat de geroepenen tot Hem komen: Hij belooft ook met ernst allen, die tot Hem komen en geloo-ven, de rust der zielen en het eeuwige leven.

§ 45. Niet ontmoedigend?

De leer, dat Christus geen algemeene verzoening heeft bewerkt, is dan blijkens het voorgaande in de Heilige Schrift gegrond en alleen daarom buigt zich de Gereformeerde onder deze waarheid.

Maar is dit geen troostelooze , ontmoedigende leer ? Geenszins, maar zij is dienstig om don overmoed te breken , om de zorgeloosheid weg te nemen, opdat men niet, schoon onbekeerd , zich gerust stelle met de algemeene verdienste van Christus en zich niet lichtvaardig het deel der kinderen Gods toeöigene. Want geen mensch mag denken dat hij met God verzoend is , tenzij hij zich bekeert on in Christus komt gelooven en leven. Joh. 3 : 36: IHe in den Zone gelooft, die heeft het eeuwige leven: maar die den Zone ongehoorzaam is, die zal het eeuwige leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem. Het is niet om bekommerde, zoekende zielen te ontmoedigen, maar om ze voor misleiding en zelfbedrog te bewaren. De verlegene moet niet al vragen : behoor ik wel tot die uitverkorenen, voor wie Jezus is gestorven ? moet niet al denken : ben ik niet uitverkoren , dan is toch al mijn pogen vruchteloos. (Zie Vijfde Hoofdstuk § 18). De bewustheid van de eeuwige verkiezing is nooit het eerste wat verkregen wordt maar is vrucht en slotsom van de

496

-ocr page 519-

§ 45. NIET ONTMOEDIGEND ?

Goddelijke genadewerkingen. Wil men het anders, dat gaat men eerst het bovenhuis bouwen om daarna het fundament te leggen, hetwelk niet gelukt, hetwelk ook geen verstandige doet. De heilbegeerige moet ellendig als hij is tot Christus vluchten op diens eigen Woord : Komt herwaarts tot mij allen die vermoeid en belast zijt en ik zal u ruste geven. Voor armen verkondigt het Evangelie eenen ge-pasten , rijken , bereidwilligen , lievenden Zaligmaker.

Het is niet aldus, dat allen aan wie het Evangelie wordt verkondigd , gelooven moeten dat Christus voor hen is gestorven ; in tegendeel , zij moeten er voor houden , zoolang als zij onbekeerd blijven, dat zij nog buiten Christus zijn. Iemand moet eerst in Christus gelooven dat is Hem aannemen tot rechtvaardiging en heiligmaking , en dan eerst kan hij met grond gelooven dat Christus zijn Zaligmaker is , voor hem is gestorven ; men moet eerst blijken hebben , dat men Christus waarlijk heeft aangenomen en dat men waarlijk bekeerd is i).

§ 46. Geene verontschuldiging.

Staat het vast, dat Christus niet voor iederen mensch zonder uitzondering heeft voldaan, mag dan evenwel een ieder de noodiging tot de zaligheid , die in Christus is ,

\') Brakel, liedol. Godsd. I. p. 502. Vergel. Vijfde Hoofdstuk § 19. Comrie, Hoidelb. Cat. II. p. 226 zegt.: De aanbieding gaat voor de aanneming. Hij is de mijne in het aanbod, eer Hij de mijne is door de omhelzing, het ontvangen en aannemen van Hem. Dit is waar in den zin van Joh. 3: 27. Zie Elfde Hoofdstuk § 9. bi. 203 v.v.

Gravemevjei\', Goref. Gel. loor. II. 32

4Ö7

-ocr page 520-

§ 40. GEENË VERONTSCHULDIGING.

aanmerken als hem aangaande ? Gewisselijk ja. Elk mensch, die het Evangelie hoort, heeft daarin grond, aanmoediging en hevel om tot Jezus de toevlucht te nemen ; die dat weigeren, blijven verloren omdat zij tot Hem niet wilden komen, gelijk Hij zelf tot de Joden sprak Joh. 5 : 40 : Gij wilt tot mij niet komen (ofschoon de Schriften zoo duidelijk van mij getuigen), opdat gij het leven moogt hebben.

Dordsche Leerregelen Hoofdst. III. en IV. De Leere 9 : Dat er velen, door de bediening des Evangelies geroepen zijnde, niet komen en niet bekeerd worden, daarvan is de schuld niet in het Evangelie, noch in Christus door het Evangelie aangeboden zijnde, noch in God, die door het Evangelie roept en zelfs ook dien Hij roept verscheidene gaven mededeelt, maar in degenen, die geroepen worden.

Wie onder de bedeeling van het Woord der zaligheid verkeert, heeft even daarin grond om vrijmoedig tot Jezus te gaan. Want het is immers Gods beschikking, dat hij onder het middel leeft en hij moet denken : ik ben mede bedoeld, de Heere wil ook met mij te doen hebben. Hij mag, hij moet op de noodiging komen.

Hij heeft er aanmoediging in , lettende op de liefelijke uitlokkingen, als Jez. 55: 1—3, waarbij geen eigene waardigheid ten eisch wordt gesteld, daar men in tegendeel als een schuldige en verdorvene komen moet zooals men is, mits men maar niet blijven wil wat men is.

Ja het is bevel. Niet komen is verzet, ongeloof is ongehoorzaamheid. Voor alle ongeloovigen is gezegd wat Jezus tot de Joden heeft gesproken , die niet wilden ge-looven dat Hij niet uit deze wereld en dat Hij de Messias was , waarvoor Hy zich zelf verklaarde en die Hem

498

-ocr page 521-

§ 46. GEENE VERONTSCHULDIGING.

daarom niet aannamen , Joh. 8 : 24: Indien gij niet gelooft dat Ik [die] hen , gij zult in uwe zonden \') sterven. Ongeloof is het begin , de bron en oorzaak van alle zonden1). Ongeloof is bij uitnemendheid de zonde iegen Christus. Dat duidde Hij aan Vs. 21: in uwe zonvE2) zult gij sterven. Maar het ongeloof is niet de eenige zonde noch de eenige oorzaak der verdoemenis , zooals velen met overdrijving spreken «), herinnert Calvyn. Daarom zegt de Heere Jezus hier, Vs. 24 : gij zult in uwe zonüEN sterven. Iedere zonde maakt den mensch verdoemelijk voor God. Maar het ongeloof tegen Christus verderft hem, omdat hij daardoor het eenige middel versmaadt om ter tijds van al zijne zonden verlost te worden en gerechtigheid en nieuw leven te verkrijgen. De doodzieke weigert dan halstarrig de eenige medicijn , die hem genezen kon , dies moet hij aan zijne kwale sterven. En wie onbekeerd sterft moet straffe lijden niet alleen voor zijn ongeloof, maar voor alle zijne zonden die hij in het lichamelijke leven heeft gedaan.

499

1

) Negende Hoofdstuk § 9.

2

^ sv rij d/Axprl# upccv.

-ocr page 522-

DERTIENDE HOOFDSTUK.

DES VERLOSSERS STATEN, VERHOOGING.

Die Syniboliachen Eücher und die ülterr Dogmatiher.

Dio Vcrbinduug dor letzton mifc den orsten findot, von allem Andorn abgesolion , ihro hinreichondo Bogründimg schon in ihrom nicht abznlougnondon historischon Zusam-monhango. — — Es bilden die symbolischen Bücher, die librigen Schriften der Rofonnatoron und die Arboiten der auf sic folgenden Thoologen oiue zusammenhangende Reihe von dogmatischen Bostrobungon, dio kaum ohne eino gewisse Gowaltsamkoit zorrisson werden kann. Unstroitig wird man die symbolischen Bücher aus don übrigen Werken ihrer Urhober und der in gloichom Goiste fortarbeiten-don Nachfolger dorselbon am boston verstehon; man wird jeno nicht achten könncn, ohue oinen Thoil dieser Acli-tnng auch auf dieso zu übortragon. Twbstbn.

1. OPSTANDING.

§ l. Begin der Verhooging.

Het begin van de Verhooging des Middelaars, haar eerste trap , was zijne opstanding: Ten derden dage wederom opgestaan van de dooden (XII Geloofsartikelen).

Degenen, die het Artikel Nedergedaald ter helle van eene plaatselijke nederdaling verstaan en den Gestorvene een prediken onder de dooden toeschrijven, stellen dan daarin den aanvang zijner Verhooging en denken verkeerdelijk aldus: „Jezus sterft; voor een oogenblik verliest Hij het bewustzijn en, zijns niet machtig, geeft Hij zijnen Geest aan den Vader over; maar oniuiddeliyk daarop wordt Hij ook levend

-ocr page 523-

§ 1. BEGIN DEK VERHOOGINO.

gemaakt naar den geest (1 Petr. 3 : 18) en als de Levendo daalt Hij, geheel zijn Ik, geest en ziel ongescheiden, het lichaam verlatende, nederwaarts en begint zijn machtig werken in de onderwereld. En op den derden dag komt zijn Geest uit de onderwereld, den Hades, na zijne groote overwinnaarsdaden aldaar , in het lichaam terug en dit is dan de voltooiing zijner zege

Maar had Hij niet reeds aan het kruis uitgeroepen : het is volbracht en was dat moment dan niet reeds het einde van zijne vernedering ? Dat niet: want toen stond Hij nog eerst den dood te ondergaan.

Of is niet althans zijne begrafenis tot de verhooging te rekenen ? Ook dat niet1). De door de vijanden bedoelde smaad veranderde wel in eere, daar Hij eerlijk en heerlijk werd begraven , maar Hij was nu toch een doode, Hij was wel bij eenen rijke, maar toch in den dood Jez. 53; 9 en wel in zulken dood\') , waarop de grootste schande lag en eerst door de opwekking werd Hij ten volle in zijne eere hersteld , gerechtvaardigd, vrij en rein verklaard; tot zoolang lag de Borg in banden , dus in vernedering. De eervolle begrafenis was intusschen een voorteeken en voorbereiding tot zijne verheffing.

Hij is opgewekt ten derden dage naar de Schriften en naar zijne eigene voorzegging.

\') Stier, Reden des Herrn Jesti VI. zu Lnc. 23: 46. S. 603. 604. 622. Zie daartegen Twaalfde Hoofdstuk § 30.

2) Zie Twaalfde Hoofdstuk § 25. Ook Ebrard, Dogmat. II. S. 240 komt tot het resultaat: Der Moment der Auferstehung bil-det die Grenze zwischen den heiden status.

:l) Bij Jezaja 53: 9 is het met nadruk: VHOS in zijne doodeit, pluralis emphaticus.

501

-ocr page 524-

§ 1. BEGIN DER VERHOOGING.

Naar de Schriften. Daarop legt ook de uitnemende getuige van Christus\' opstanding, do heilige Apostel Paulus, bijzonderen nadruk, 1 Kor. 15: 4. Hij stelt deze groote gebeurtenis voor als de vervulling van de profetieën des Ouden Testaments , zoodat men deze verwerpt wanneer men de opstanding loochent.

Onder de voorzeggingen des Ouden Testaments schittert Ps. 16: 10, waar David over dood en helle triomieerende tot den Heere spreekt: Ook zal mijn vleesch zeker wonen. Want gij zult mijne ziel in de helle •) niet verlaten: gij zult niet toelaten dat uw Heilige de verderving zie2). De

0 LXX ek cfiou (Cod. Vatican, sk #V). Hand.

2: 27 ; fï? ijeSsu, Lachm. cföyv. Bij s]: cfSou moet mon van zelf denken of tottw. Mon dient er wèl op te letten dat

er staat sïs en niet èv. Hot is bjj verkorting (breviloquentie) gezegd: oük syy.xroixe\'npsis r/ivpvxyv /tov el? psou gij zult mijno ziel niet verlaten op don we» naar dood en graf, zult mij er niet (zoo) in laten komen, dat gij mij or in verlaten zondet, zult mij er niet aan prijs geven ; waarmee dan dit overeenkomt: ffij zult uwen Heilige met \\over\\geven om verderving te zien. Hengstenberg, Commentar zu Ps. 16: 10. Böhl, Die Alttestament-lichcn Citato S. 120. Dezelfde, Christologie dos A. T. S. 14G f.

2) Nauwkeurig naar het Hobreouwsch: gij zult niet geven (overgeven) uwen Heilige om te zien verderving. Intusschen is het twistig, of in don Hebr. tekst zij te lezen uwen

Heilige (mot süffic. singularis) dan wel quot;pT\'pn (mot het suf-

fixum van den pluralis) uwe Heiligen. Hengstenberg a. W. verklaart zich voor het laatste , maar Böhl Christol. S. 148 voor den singularis. Al de oude overzettingen , van de LXX af, hebben don singularis en deze wordt bevestigd door Petrus en Paulus in hunne aanhalingen. Do singularis past ook in den samenhang; want vooraf en daarna wordt in hot enkelvoud gesproken ; ik — mijn hart — mijne ziel enz. Zou hot meervoud

502

-ocr page 525-

§ 1. BEGIN DER VERHOOGING.

Apostel Petrus verklaart in zijne pinksterpreek Hand. 2 : 25—3.1 ronduit dat dit eene voorzegging is van Ghristas\' opstanding. David is gestorven en begraven, zegt hij, en is uit zijn graf niet opgestaan; maar als Profeet wist hij, dat God uit zijn geslacht naar het vleesch den Gezalfde zou verwekken, den meerderen Koning : Zoo heeft hij [dit] voorziende, gesproken van de opstanding van Christus, dat zijne ziel niet is verlaten in de helle noch zijn vleesch verderving heeft gezien. Desgelijks betuigt Paulus te Antiochië in Pi-sidië Hand. 13: 35 v.v., dat David daar van Christus heeft geprofeteerd : Want David heeft wel verderving gezien, Maar Hij, dien God opgeweld heeft, heeft geene verderving gezien.

Het Psalmwoord is verschillend opgevat. Door vele oudere uitleggers als uitsluitend op Ghristus ziende en geheel niet op David zeiven , zoodat geheel den Psalm door alleen Christus zou spreken, waarmede intusschen veel van den inhoud niet strookt. Maar dit leert ons Petrus , dat in de aangehaalde woorden David met bewustheid en helder inzicht van Christus profeteert. Doch niet met uitsluiting van zijn eigen persoon.

503

David bevindt zich in groot gevaar, hij ziet zijn leven bedreigd. Maar hij verwacht van zijnen God redding en bewaring ; doch niet alleen uit dit bijzondere doodsgevaar, maar, met hooger licht bestraald, triomfeert hij over dood en helle in het geheel en smaakt iets van de vreugde des eeuwigen levens. Dat echter kon hij niet dan alleen krachtens een doorbrekend geloof in en door een klaar gezicht van den hem beloofden Verlosser en aanbrenger des levens.

do rechto lozing ziju zoo waro dit op to vatton óf als pluralis oxcolloutiao of colloctiof do Hoiligon in don cunon.

-ocr page 526-

§ 1. BEGIN DER VERHOOGING.

Christus, des doods overwinnaar i). Buiten dezen was hij met geheel het menschelijke geslacht aan dood en verderving en helle onderworpen. Maar in en krachtens zijne gemeenschap met den Verlosser kon hij, schoon zijn lichaam tot stof moest wederkeeren, toch dit stond bij hem vast, niet blijvend aan de macht des doods worden overgegeven. Christus\' overwinning staat hem levendig voor oogen; dus profeteert hij van Christus\' opstanding: en daarin ziet hij zijn eigene zegepraal over alle macht des doods en der helle. Hij kent en beschouwt zich „als lid in het lichaam van Christus , in wien de dood overwonnen en diens heerschappij verniétigd is1).quot;

Opmerkelijk is ook Hoz. 6:2: Hij zal ons na twee dagen levend maken: op den derden dag zal Hij ons doen verrijzen en wij zullen voor zijn aangezichte leven s). Boetvaardige Israëlieten worden hier sprekende ingevoerd. Zij drukken de verwachting uit, dat God hen uit de verdrukking, uit dood tot leven zal overbrengen, in korten en bepaalden tijd, na twee dagen, ten derden dage. Zekerlijk ziet dit voor het naast op het Israëlietische volk, doch blijkens den samenhang is niet slechts de aardsche, politieke herstelling des volks bedoeld, maar de geestelijk en zedelijke opstanding tot een nieuw leven in God (later uitgebeeld Ezech.

504

1

) Morito colligit Petrus Act. 2 : 30 , non potuisso Davidem ita gloriari, nisi Spiritu prophetico ot in auctorom vitae dbi promissum respexisset, qui solus hoc privilegie ornaudus orat. Calvin. Commentar. in Psalm. 16 : 10.

-ocr page 527-

§ 1. BEGIN DER VERIIOOGING.

37). Deze hope echter was onafscheidelijk verknocht met en gegrond in de verwachting van den Verlosser, den Messias. Dies nemen wij met reden aan, dat hier aangeduid wordt de geestelijke opstanding der geloovigen, als des waren Israëls, met Christus tot een nieuw leven, waarvan tevens de verlossing van het oude Israël uit de ballingschap een voorbeeld was. „Alzoo kunnen deze schoone Evangelische woorden van dit en het volgende vers bekwamelijk geduid worden op de verrijzenis onzes Zaligmakers en Hoofds Jezus Christus ten derden dage en op de heerlijke vruchten die het gansche lichaam van Christus, dat is zijne Kerke, daarvan genietquot;, zeggen onze voorzichtige Kantteekemren. De bepaalde tijd wordt uitgedrukt door üvee dagen en den derden dag. „Laat ons hier de wijsheid en goedheid Gods zien en bewonderen, in de woorden des Profeets zoo te schikken, dat, wanneer hij de verlossing der Kerke uit hare verdrukkingen voorzegt, hij ter zelfder tijd onze verlossing door Christus moest uitteekenen , waarvan andere verlossingen zoowel zinnebeelden als gevolgen waren gt;),quot; gelijk ook zelfs Grotius heeft erkend.

Christus is opgestaan ook naar zijn eigene voorzeggingen\'1). Dikwijls heeft hij zijne opstanding van de dooden

505

1

) Henry , Hozea p. 195. Dat do uitdrukking na twee dagen , op den derden dag geen onbepaalden , maar juist eon bepaalden tijd aanduid , oordeelt ook Olshausen, Commentar über das N. ï. zu Luc. 13 : 32.

-ocr page 528-

1. BEGIN DER VEKHOOGING.

50ü

voorzegd, van Joh. 2; 19 aan voortgaande al duidelijker en beslister, Matth. 16: 21, 17: 23 enz. Eenigszins dubbelzinnig Joh. 2: 19, waar Hij in den tempel tot de Joden sprak: Gaat maar voort in uwe boosheid. Breekt dezen tempel en in drie dagen zal ik denzelven oprichten. Hij wees daarbij niet met de hand op zijn lichaam : want dan hadden de Joden niet kunnen zeggen: 46 jaren is aan dezen tempel gebouwd (vs. 20). Toch zegt Johannes ; Hij zeide dit van den tempel zijns lichaams; maar dit verstonden de discipelen eerst nadat Hij opgestaan ivas van de dooden (vs. 22). Dus sprak Hij van beiden tegelijk. Met de breking van den tempel zijns lichaams braken de Joden hunnen tempel; maar in drie dagen zou Hij (Joh. 10: 18) den tempel zijns lichaams, waarin de volheid der Godheid woonde, en meteen zijn geestelijk lichaam, den tempel des Geestes oprichten. Ook Matth. 16: 21, waar Hij bepaald verklaarde , dat Hij ten derden dage opgewekt zou worden, had Hij vooraf (vs. 18) van den iowü zijner gemeente gesproken. — De vijanden toonden wel te weten, dat Hij gezegd had : Na drie dagen zal ik opstaan: (Matth. 27 : 63 , 64).

Van den aanvang af stond Hem weg en doel van zijn leven en sterven klaar voor oogen, met de helderste bewustheid van den ganschen raad en wil des Vaders. En zijne voorzeggingen van zijn dood en opstanding zijn niet.

herzusehen, und das Vorhersagen desselben entspricht daher (jam dem Begriffe einer Weissagung. Intusscheu gaat dan deze dog-maticus do mogelijkheid veroudorstellen , dat zekere onbepaalde uitspraken van Jezus eerst naderhand door de Apostelen van zijne opstanding zijn verstaan en in bepaalde voorzeggingen zijn vervormd l

-ocr page 529-

§ 1. BEGIN DER VERHOOGING.

gelijk sommigen willen , slechts zinnebeeldig te verstaar;, als wilde Hij daarmede alleen dit zeggen : „schijnbaar za! ik wel onderliggen , maar toch zal ik, zal mijne zaak luisterrijk zegevieren en allen tegenstand te boven komen.quot; Daartoe zijn zijne uitdrukkingen te bepaald. Van zijn eigenlijk sterven spreekt Hij en van zijn lichamelijk opstaan : na drie dagen, ten derden daye.

De verhoogde Middelaar geeft zelf aan den Apostel Johannes de volheerlijke en troostvolle getuigenis Openb. 1 : 18: Vrees niet, ik ben de eerste en de laatste, En die leef, en ik hen dood geweest en zie ik hen levend in alle eeuwigheid. [Amen.] En ik heb de sleutels der helle en des doods. Hij is die die leeft, de Levende , naar zijne Godheid. Hij is dood geweest naar zijne mensch-heid, doch zijn dood getuigt niet tegen zijn leven, maar, het leven in zich zeiven hebbende, heeft Hij den dood overwonnen en door zijnen dood en zijne opstanding is Hij voor zijne Kerk de levensbron geworden. Hij heeft de sleutelen der helled) en des doods: Hij sluit deze voor de zijnen dat zij er niet in nedei varen. Hij opent ze voor den Satan en diens aanhang en stoot dezen er in. De zijnen zullen met Hem leven , naar zijn woord: Ik leef en gij zult leven (Joh. 14: 19).

§ 2. Tijd.

507

Jezus stierf op den zesden dag der week, Vrijdag, den

\') tov pScu. Hengstenberg, Die Oifenbarung des heiligen Joh. z. d. St.: Der Hades kommt in der Oft\'enbarung und überhaupt im N. T. nur in Bezug auf die verstorbenen Sunder vor.

-ocr page 530-

§ 2. TUD.

dag voor den paaschsabbat, omtrent de negende ure naar de Joodsche tijdrekening, om drie uur na den middag. Nog tegen den avond werd Hij begraven. Jozef van Arimathéa kwam tot Pilatus als het avond werd i); er was haast: nog voor zonsondergang werd de begrafenis volbracht.

Den grooten sabbat, den paaschsabbat over bleef zijn lichaam in het graf en op den eersten dag der week , Zondags, stond Hij op met den opgang der zon. Voorge-beeld was dit door Jonas\' wederopkomen uit den buik van den zeevisch , hetwelk Jezus den Joden tweemaal voorhield. Matth. 12: 40: Want gdijk Jonas drie dagen en drie nachten was in den huik van den walvisch, alzoo zal de Zoon des menschen drie dagen en drie nachten wezen in het hart der aarde. En Matth. 16: 4.

Of Jonas zelf of iemand anders onder het Oude Verbond deze zinnebeeldige beteekenis van zijne wederbrenging heeft erkend, weten wij niet; Christus leert, dat hel een teeken was. Intusschen Jonas is niet dood geweest, maar voor dood gehouden, hoe past dit dan op Christus die immers niet slechts naar \'t scheen (docetisch), maar werkelijk was gestorven ? Het punt van overeenkomst en vergelijking is niet de dood, maar het korte, driedaagsche verblijf van Jonas in den visch en van Jezus in het graf*). De Heiland verkondigt, dat Hij maar drie dagen en drie nachten zijn zou in

\') Aldus is tylxg yswitèv/is Matth. 27: 57 en Mare. 15 : 42 to vorstaau en niet zooals de gewone Overzetting hoeft als het avond was geworden.

2) De Moor, Commentar. in Marck. IV. p. 199. En uitvoerig p. 11—14. Zie ook Tiende lioojdstuk van dit Leesboek § 5. bl. 110.

508

-ocr page 531-

§ 2. TUD.

het hart der aarrfe\') , binnen de aarde, dat is het graf, waar een doode van alle kanten van de aarde omgeven is, en dat Hij daarna weder levend te voorschijn zou komen.

Maar Christus is geen drie volle dagen en drie nachten in het graf geweest. Strijdt dit niet tegen zijne voorzegging ? Hierbij moeten wij vooreerst in het oog houden , dat de hoofdzaak in deze zijne aankondiging is de zekerheid zyner herleving en de kortheid van zijn verblijf in het graf: drie dagen en drie nachten , langer niet , dan zal de Zoon des menschen weer uitkomen en optreden ten leven, gelijk aan Jonas is geschied ; in allen gevalle binnen dien tijd ; gebeurde het eerder, des te meer bleek de vervulling. En ten andere moeten wij aan de gewone spreekwijze gedenken , bij de Ouden gebruikelijk zooals nog heden , daar men zegt, „dag en nachtquot; of een etmaal1), zonder juist volle 24 uren te bedoelen. Dit te meer, omdat de Israëlieten de verdeeling in uren eerst

509

1

) vvxójy.spov. Wij zeggen in hot gemeene leven ook : over acht dagen , waar wij 7 bedoelen, do Franschen ; depuis quinze Jours sedert 14 dagen.

-ocr page 532-

§ 2. TUD.

jn de Babylonische ballingschap hebben aangenomen, terwijl men in de oudste tijden alleen zeide: avond en morgen , dat is een nacht en dag \'). De Joodsche leeraars zeiden: „dag en nacht maken samen eenetijdruimte en het deel daarvan is als het geheel14).

Drie dagen en drie nachten. Op het einde des eersten van deze drie dagen is Christus gestorven en begraven; bij het aanbreken van den derden stond Hij op. De begravingsdag en de dag der opstanding zijn mede gerekend. Hij was in het graf 1. een deel van den Vrijdag, die naar Joodsche rekening met Donderdag avond s) begon; dus behoorde de nacht van Donderdag op Vrijdag daarbij. 2. Zaterdag, van zonsondergang Vrijdags tot zonsondergang Zaterdags. 3. Zondag, van Zaterdagavond beginnende. Luc. 24:21: het is heden de derde dag van dat deze dingen geschied zijn.

Zoo lezen wij in het boek Esther 4 : 16: Esther zeide: vast voor mij en eet noch drinkt niet, in drie dagen, \'s nachts noch \'s daags, ik en mijne jonge dochters zullen ook alzoo vasten, en alzoo zul ik tot den koning gaan. Maar 5 : 1 wordt gezegd: Het geschiedde nu aan den derden dag dat Esther tot den koning ging.

Ook kan men met sommigen i) Christus\' lijden van Don-

\') Keil, Bibl. Archiiologio I. S. 345. Winer, Bibl. Roalwöi\'-terbuch ü, de W. Tag.

2) Stier , Rodon des Herrn Jesu zu Matth. 12 : 40. Deelen voor \'t gehol: ook Meyer z. d. St. stemt dit toe. Zie ook de Kantteek. op Matth. 12: 40.

\') Zie Zesde Hoofdstuk § 11. bl. 670.

4) Bengel, Gnomon ad Matth. 12: 40. Hoos, Einleit in die bibl. Gresoh. III. § 84. Men heeft niet ten onrechte herinnerd, dat men ook bij Jonas niet meer dan twee tusscheninvallende

510

-ocr page 533-

§ 2. TIJD. 511

derdagavond er bij rekenen, waarin het met Hem onder grooten ziels- en lichaamsnood naar dood en graf toegii;g. Zoo kan ook bij Jonas de zeestorm en de nood op het schip, waar het water zeker overheen sloeg in de drie dagen en drie nachten begrepen worden , Jon. 1:17 vermeld.

§ 3. Werkende oorzaak. Waarlijk opgestaan.

I. Vragen wij , wie Christus\' opstanding heeft bewerkt dan vatten wij het bekwaamst samen wat de Schrift daarvan leert, wanneer wij zeggen : Hij is door den Vader opgewekt, passief, lijdelijk als voorwerp , in zoover het aan Hem tverd gedaan , en door zijne eigene levenskracht is Hij opgestaan, actief, werkend als onderwerp, daar Hij het door zijne Godheid onder den invloed des Heiligen Geestes zelf deed.

De Schrift noemt ons den Vader als den werker. Spreekt Paulus Ef. 1 : 20 van de werking der sterkte zijner macht, Die Hij gewrocht heeft in Christus, als Hij Hem uit de dooden heeft opgewekt, zoo is dat blijkens v. 17 de God omes Heeren Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid. Rom. 6:4: Christus is uit de dooden opgewekt tot (in het Grieksch door) de heerlijkheid (de glorierijke macht en majesteit) des Vaders\'1).

nachten moet aannomon. Andors ware hij of des nachts in zeo geworpen of dos nachts uitgespogen, hetwelk onwaarschijnlijk is , wijl in het eerste geval de schopolingon don visch niet haddon gezien en in hot laatste geval de Profeet in do duisternis zou hebben omgedoold. P. /. Laan in Van Oosterzee\'s Jaarboeken VI. 2. p. 306—309.

quot;) SlOi Tsfc TOÜ TT XT pit.

-ocr page 534-

§ 3. WERKENDE OORZAAK.

En zoo is doorgaans de Vader bedoeld, waar gezegd wordt: God heeft Christus opgewekt. Hand. 2: 24, 32 en dikmaals , overmits in de heilsbedeeling de Vader bij uitnemendheid als God voorkomt, omdat Hij niet is vernederd , in onderscheiding van den Zoon , die de Middelaar is geworden i)- En zoo voegt het: de Vader als Rechter heeft den Borg, op wien Hij ons aller ongerechtigheid deed aanloopen (Jez. 53: 6), losgemaakt. Hem uit don angst en het gerichte weggenomen nadat Hij had voldaan, en heeft Hem als het ware quitantie gegeven.

Desgelijks wordt Christus zelf als bewerker zijner opstanding voorgesteld. Van den tempel zijns lichaams verklaarde Hij Joh. 2: 19: in drie dagen zal Ik denzel-ven oprichten. Hy sprak Joh. 10: 18 van zijn leven: Ik heb macht hetzelve af te leggen en heb macht hetzelve wederom te nemen. Dit gebod heb ik van mijnen Vader ontvangen. Waaruit tevens blijkt hoe het z|jn eigen werk en hoe het het werk des Vaders was. Evenals ook Hand. 2 : 24 beiden worden aangeduid : Welken God opgewekt heeft, de smarten des doods*) ontbonden hebbende, alzoo het niet mogelijk was , dat Hij van denzelven \\doodï]

\') Vierde Hoofdstuk § 29. bl. 510.

2) tx; cisïm? tov öxvxtou , zokor met het oog op Ps. 18: 5, waar banden des doods door do LXX vertaald is

wSïvsi; öxvxtou ; Vulgata: dolores mortis. En zoo verstaan het velen. Anderen verwerpen deze vertaling als ten eenenmale ver-koerd , ook Meyer zur Apostelgesoh. 2 : 24, terwijl daarentegen Hengstenberg , Commentar zu Ps. 18 : 5 oordeelt: kann

diesz (namelijk smarten) allerdings becleuten, hoewel hij zelf aan de banden (die Striuke dos Todos) als gepaster do voorkeur geeft.

512

-ocr page 535-

§ 3. WERKENDE OORZAAK,

zoude gehouden worden: niet mogelijk bij God wegens de volbrachte genoegdoening, bij Hem zeiven wegens zijne Goddelijke natuur.

Opstaan wordt ook wel van bioote menschen gezegd (Mare. 12: 23, 25. Joh. 11 : 24) en op zich zelf beteekent dit geenszins dat zij het zeiven doen, zoomin als een schip, wanneer het daalt en rijst of draait, dit zelf doet. Bij menschen is opstaan uit de dooden alleenlijk opgewekt worden. Maar van den Zone Gods gezegd heeft het meerderen nadruk en hoogeren zin: het geeft te kennen zyn rechten zijne macht en zijne eigene werking tot wederkeer in het leven.

Ook de Heilige Geest is er niet buiten 1 Petr. 3: 18: Christus is levend gemaakt door den Geest, waar de Geest is niet Christus\' Godheid maar de Heilige Geest doch als wonende en werkende in Christus •). Zoo ook Rom. 1:4: Die krachtiglijk bewezen is te zijn de Zone Gods, naar (ten gevolge van) den Geest der heiligmaking (die heiligend in Hem woonde) uit de opstanding der dooden. Zoo wordt ook Rom. 8: 11 de opwekking der geloovigen mede aan den Heiligen Geest toegeëigend: Hij (de Vader) die Christus uit de dooden opgewekt heeft, zal ook uwe sterfelijke lichamen levend maken door zijnen Geest die in u ivoont\'1).

Het ontbinden Hand. 2 : 24 duidt banden aau ; maar dezo bandon waren juist de smarten, do knellende macht en vloek des doods. Do dood wordt voorgesteld als oen jager die zijne prooi in zijn vangnet , in zijne strikken hooft.

\') Zie Twaalfde Hoofdstuh § 30. bl. 430.

2) Naar de gewone lezing; roD èwr/.ovvto? xvtoü ttvsó-[/.xto: , door zijnen Geest die in u woont; door velen verworpen, door Tischendorf ton laatste weer aangenomen. Zio Meijer, Brief an die Romer, 5te Aufl. S. 342. Maar al leest mon, mis-Gravomoijor, Gerof, Gul. leer. U\' 33

513

-ocr page 536-

§ 3. WERKENDE OORZAAK

Dus is de gansche Heilige Drieëenheid de samenwerkende oorzaak van Christus\' opstanding , van wege de eenheid van kracht, die aan de drie Personen gemeen is, waardoor alle Goddelijke werken naar huiten worden uitgevoerd \'); doch in onderscheidene orden van werken, overeenkomstig het bestaan der drie Personen , zoodat de Vader door den Zoon en door den Heiligen Geest de menschelijke natuur des Zoons opgewekt heeft.

De Socinianen1) en die in hunne voetstappen wandelen ontkennen alle eigene medewerking van Christus ter zijner opstanding. Zij achten het ongerijmd dat een doode zich zelf zou hebben levend gemaakt. Het is , omdat zij de Godheid van Christus loochenen. Voor dengene die met de Schrift in Christus twee naturen erkent, is het onredelijk, niet te gelooven dat de Goddelijke de menscheiijke beeft kunnen opwekken.

De Lutheranen erkennen wel, dat Christus door de kracht der Goddelijke natuur is opgewekt, maar stellen tevens dat Hij, gelijk alle zijne wonderwerken zoo ook

schion beter, mot Meyer eu Olshausen naar Bengel en Gries-bach o. a. Six to svcixovv xvrov wegens zijnen Geest die

in u luoont , waar dan de Geest als waarborg en onderpand der opstanding wordt bedoeld, zoo is Hij dit toch niet werkeloos en Six met den accus. komt dan overeen met v.xtx trvsüftx Eom. 1: 4. Vergel. Joh. 6: 57: xxyu Six rbv vrxTépx. Vergel. Twaalfde Hoofdstuk § 30. bl. 424.

\') Vierde Hoofdstuk § 33. bl. 528 v. Zesde Hoofdstuk § 7. P. Van Mastricht, Godgel. III. p. 24. Zoo ook Hodge, Systematic Theology. Vol. II. p. 629.

-) Catec/ies Racov. Qa. 459—404. ed. Oeder p. 94t sqq. P. Van Mastricht, Godgel. III. p. 31 sq. Dc Moor, Commen-tar. IV. p. 189 sq.

514

-ocr page 537-

§ 3. WERKENDE OORZAAK.

het wonder zijner opstanding gewrocht heeft door zijne menschelijke natuur krachtens het haar medegedeelde Goddelijk vermogen. Eene stelling gegrond op hun ave-rechtsch begrip van de verhouding der Goddelijke en der menschelijke natuur in Christus, daar volgens hen door de personeele vereeniging Goddelijke eigenschappen aan zijne menschelijke natuur zouden zijn medegedeeld •) , ook Goddelijke macht. Dies „zoude de menschelijke natuur zich zelve hebben opgewekt2).quot;

DE HEERE IS WAARLIJK OPGESTAAN.

II. Christus is opgestaan van de dooden »): zijne ziel is met het aan het kruis gedoode lichaam hereenigd en aldus is zijn lichaam wederom bezield en weer levend geworden.

De waarheid en werkelijkheid van deze groote gebeurtenis, hoezeer bestreden, staat onwrikbaar vast en heeft eene historische zekerheid als maar ooit eenig feit uit de geschiedenis van den voortijd hebben kan. Door geheel het verleden en door het heden wordt zij bevestigd : zij is bewezen door de getuigenis der gansche apostolische Kerk en door de vestiging zelve van deze die zonder dit feit niet hadde kunnen geschieden, en ieder wedergeborene is er een

\') Tiende Hoofdstuk § 20.

\'2) 1\'. Van Mastricht, IU. p. 32.

^ sk vexpciv zegt de Schrift doorgaans. Dit kou zijn uit het midden der dooden, dergenen die toen dood waren; doch wijl het ook gezegd wordt van de algeraeene opstanding (Mare. 12 : 25), zoo beteekent het wel uit den staat der dooden. Da Moor, Comment. IV. p. 189. Kom. 1 : 4 staat niet ex vsy.püv, maar alleen vszpav, naar Meyer: durch Todtenerstehung.

515

-ocr page 538-

§ 3. WAARLIJK OPGESTAAN.

levend teeken van. Zelfs een rationalist moet bekennen: „De zekerheid van het feit, dat «te Apostelen Jezus na zijne kruisiging levend wedergezien en met Hem nog omgang gehad hebben, is boven allen twijfel verheven, daar de Apostelen zeiven zoo zwaarlijk daarvan werden overtuigd, daarna echter hunne overtuiging zoo vrijmoedig, zelfs voor Jezus\' moordenaren, uitspraken en ze, zonder een aardsch gewin, met hun bloed bezegelden »).quot; Voor eene idee, voor eene opgevatte meening zal mogelijk iemand ook bestaan te sterven , maar dat hij het doen zou voor iets wat hij zelf weet niet waar te zijn, moeten alle menschen van een gezond oordeel ongelooflijk achten5).

Met den ochtend van den derden dag begon voor Jezus\' bedroefde vrienden het licht te dagen en dit brak trapsgewijs al krachtiger door ter oorzaak van zijne herhaalde zichtbare verschijningen , totdat eindelijk al hunne twijfelingen waren weggenomen en zij , niet lichtgeloovig, door vele gewisse kenteekenen ten volle overtuigd waren , damp;t Jezus leefde (Hand. 1 : 3).

De volgorde zijner verschijningen 3) was deze. Op den

\') Bretschneider, Handb. der Dogm. I. S. 238.

2) Grotius ad Matth, 28 : 13. Dezelfde in Bewijs van don waren Godsdienst. 2de Roek ed. Jeron. De Vries p. 37 ; Misschien zal iemand nog, hoewel het valt seer swaer, De dood aangaan om \'t gunt (om \'t gene dat) hy meent \';e

wesen waer;

Maer niemand , synes sins wel magtigh , sal verkiesen Om \'t gunt hy wetens liegt het loven te verliesen. ^) Van Oosterzee, Levon van Jezus. 1851. III. p. 470 v.v. Christliel, Moderne Zweifel. 2te Aufl. S. 538 f. Ebrard, Wis-sonsch. Kritik der Evang. Gesch. 3to Aufi. S. 744 ff. Op de uitwendige Differemen der einzelnen evangelischen Erzahlungen

51G

-ocr page 539-

§ 3. WAARLIJK OPGESTAAN.

dag zijner opstanding vertoonde Hij zich 1. aan Maria Mag-dalena (Joh. 20: 11 —18), 2. Aan de andere vrouwen op haren weg van het ledige graf, die het woord des Engels tot de discipelen wilden brengen (Matth. 28: 9, 10). 3. Aan Simon Petrus, terwijl deze misschien eenzaam rondzwierf in de nabijheid van Jozefs hof (Luc. 24: 34. 1 Kor. 15:5).

4. Aan de trvee discipelen (Luc. 24: 13 — 32).

5. Aan de vergaderde discipelen, zonder rlliomlt;xsgt;\'sa.vonAs te Jeruzalem (Luc. 24: 33 v.v. Joh. 20: 19—24). 6. Na acht dagen aan de discipelen met Thomas (Joh. 20: 2G— 29). Dan 7. in Galilea aan zeven discipelen bij het meer Genne-saret (Joh. 21). 8. Allerplechtigst op eenen berg in Galilea aan meer dan 500 broederen op eenmaal (Matth. 28: 1G v.v. 1 Kor. 15 : 6). 9. Nog afzonderlijk aan Jacobus (1 Kor. 15: 7), dien H ij misschien het bevel gaf voor de Apostelen om nog vóór het pinksterfeest naar Jeruzalem te gaan. 10. Aan al de elf Apostelen (1 Kor. 15:7) op den olijfberg bij zijne hemelvaart. En later komt die groote getuige optreden, de bekeerde Paulus, die van zich zegt: En ten laatste van allen is Hij ook van mij, als van een ontijdig geborene, gezien, 1 Kor. 15: 8.

Waarlijk gestorven en waarlijk opgestaan. Dat beide betuigt onweersprekelijk de Heilige Schrift, God bovendien medegetuiyende door teekenen en wonderen en menigerlei krachten en bedeelingen des Heiligen Geestes (Hebr. 2 : 4),

517

De bestrijders zijn voornamelijk tweeërlei: of zoodanigen, die vooropstellen de ontkenning van waarlijk gestorven

logt zelfs Biedermann, Christl. Dogmat. II. S. 418 minder gewicht. Ook Bretschneider a. W. II. S. 226 vindt daarin geen bezwaar, maar veelmeer een bewijs tegen afgesproken verdichting.

-ocr page 540-

§ 3. WAARLIJK OPGESTAAN.

of die wel den dood aannemen maar het waarlijk opgestaan verduisteren , dus: of zulken die de werkelijkheid van Christus\' dood loochenen en er eenen schijndood van maken , zoodat zijne opstanding slechts ware geweest het ontwaken uit eene onmacht i), of zulken die wel toestemmen dat Jezus werkelijk is gestorven, maar niet dat Hij lichamelijk is opgestaan en die den oorsprong en grond van het geloof der discipelen aan zijne herleving toeschrijven aan hloote visioenen\'1), die zij van Hem in den geeste hadden gehad 3).

Christus heeft na zijne opstanding zich niet voor al het volk geopenbaard , maar alleen aan vrienden, die voor zijnen dood met Hem hadden verkeerd en die alzoo met zekerheid getuigen konden , dat Hij dezelfde was dien zjj vroeger hadden gekend (Hand. 10: 40, 41).

En waarom niet aan het volk ? Zijn werk was volbracht;

\') Christlieh, Modorno Zweifel S. 523 f.

2) Christlieh a. W. 525 ff. Van Oosterzee, Dogmat. II. p. 239 v.v.

1) De hypothese vau eenen schijndood wordt ook verworpen door Biedermann, Christ). Dogm. II. S. 420: Eine historisch nüchterne Kritik wird sie (die Annahme eines Scheintodes Jesu) auogeben und von der Wirklichkeit des Todes ausgehn. Gewichtige concessie. Maar wat volgt dan ? Darm ist Jasus ober auch nicht leiblich auj er standen und nicht in seiner ivirldichen Leiblizh-keit objectiv gesehen worden. Was aber dann ? Dan bleibt nur übrig: er ist seinen Jüngern tmttvsv^xo-i ershienen.

»En hoe? a. óf Hij zelfs als Geest persoonlijk. Maar een goest kan als zoodanig niet verschijnen. Het moest dan geweest zijn Oi. een bloot daartoe aangenomen omhulsel, of. /3. zijne hoogere lichamelijkhoid, zijn aetherisch lichaam, b Of: Christus zelf , als persoonlijke geest, is in het rijlc der zuivere geesten over-

518

-ocr page 541-

§ 3. WAARLIJK OPOESTAAN.

519

Hij kon het niet weer van vorenaan beginnen. Daarenboven het niet vijandige deel des volks , al hadde het zijne herleving geloofd , zou wederom de oude vleeschelijke verwachtingen hebben opgevat. En de vijanden zouden toch niet geloofd maar veeleer nieuwe vervolgingen hebben begonnen. Hij zelf had dit al aangeduid Luc. 16 : 31. Ook aan den opgewekten Lazarus wilden zij wel de handen slaan, Joh. 12: 10. Zij kregen echter kennis van de wondergebeurtenis. Van het wonder bij het graf ontvingen zij zelfs de eerste tijding, door hunne eigene wachters , die zij intusschen omkochten om de waarheid te bedekken (Matth. 28: 11 — 15).

§ 4. De Herleefde.

Hij, die opstond, was dezelfde Jezus die aan het kruis was gestorven : hetzelfde leven, dat voor eene wijle door den dood was afgebroken en verborgen, werd hersteld en vertoonde zich weder, met ontwijfelbare identiteit des Subjects, eenzelvigheid des Persoons. Hij was weder lovend

gegaan on daar alleen aanwezig, maar van daar hoeft Hij aan zijne discipelen verschijningen laten ton deelo worden , om hun geloof aan Hem opnieuw te verlevendigen. Hij zelf was het dan niot wat hun verscheen, objectief waren deze verschijningen goheel iets anders , maar zij, naar hunne Joodsche voorstelling , werden er subjectief door overtuigd van eone lichamelijko opstanding. c. Of hot waren visioenen.quot; En hiervoor verklaart zioh Biedormann en verzekert S. 423 : Diose visioenen von dom Auferstandenen waren subjective, physiologisch-psychologipcho Vorgilngo in den Jünycrn; aber für die Jlinger batten sie durch-aus die Bodoutuug objectiver Vorgilngo. Kuikens van Strausz\' eieren. Vergel. Chvistlieb, Mod. Zweifel S. 533.

-ocr page 542-

§ 4. de herleefde.

geworden , dat zegt: de wezenlijke deelen zijner mensche-lijke natuur, lichaam en ziel, die wel in den Goddelijken Persoon op hunne wijze vereenigd waren gebleven (want de twee naturen zijn ook zelfs door zijnen dood niet gescheiden geweest) maar door den dood van elkander gescheiden , waren nu weer saamgevoegd. Hetyene Hij stervende in de handen zijns Vaders bevolen heeft, was een ware menschelijke geest, die uit zijn lichaam scheidde en ten derden dage darin wederkeerde. Dat lichaam was geen ander, geen nieuw, maar hetzelfde lichaam hetwelk in het graf was gelegd. En hoewel de Persoon des Zoons daaraan door zijne verrijzenis onsterfelijkheid gegeven heeft, nochtans heeft Hij de waarheid zijner menschelijke natuur niet veranderd, dewijl onze zaligheid en verrijzenis mede hangen aan de waarheid zijns lichaams. Nederl. Belijd, des Geloofs. Art. XIX.

Hij bewees zijne identiteit en realiteit, de eenzelvigheid en werkelijkheid ook van zijn lichaam. Ik ben het zelf, sprak Hij Luc. 24 : 39 en Hij deed de lidteekens zien van de kruiswonden in zijne handen en voeten en in zijne zijde Joh. 20; 27. Het was geen aflijvige, afgescheiden geest met een schijn van lichaam , Hij had handen en voeten, vleesch en beenen : tast mij aan, sprak Hij, en ziet, want een geest heeft geen vleesch en beenen, gelijk gij ziet dat Ik heb (Luc. 24: 39). Het was dan zijn eigen, waar lichaam, met alle de wezenlijke hoedanigheden die tot de natuur van een menschelijk lichaam behooren : eindig, plaatselijk niet aan meer plaatsen tegelijk , zichtbaar , tastelyk.

Hij was nog op aarde, maar in een staat van overgang tot de hemelsche heerlijkheid.

Heerlijk was het in zijne ziel. Nu geen droefheid meer.

520

-ocr page 543-

§ 4, DE HERLEEFDE.

geen persing, geen benauwing, geen verlatenheid als toen Hij de zonde der wereld droeg, maar onuitsprekelijke , zalige vrede en vreugd wegens het volbrachte werk, wegens de glorierijke overwinning over dood en helle, wegens de verlossing zijns volks en de volkomene uitvoering van den wil des Vaders, door de opwekking beaamd en bezegeld; nu alzoo het volle gevoel van zijns Vaders liefde, een leven zijner ziel in het onverdonkerde licht van het aangezichte Gods , voorsmaak van nog hooger genot na zijnen terugkeer tot den Vader.

Ook zijn lichaam was aanvankelijk verheerlijkt, waarvan zijne majestueuze gedaanteverandering op den berg (Matth. 17) een voorteeken was geweest en hetwelk bij zijne hemelvaart voltooid werd, onsterfelijk (Rom. 6 : 9 , 10) , een heerlijk lichaam (Fil. 3 : 21).

Aangaande het opgewekte lichaam van Christus verschilt de leer der Gereformeerden inzonderheid van de voorstelling der Socinianen en der Lutherschen.

521

Naar de Socinianen \') was Christus\' lichaam na zijne opstanding nog sterfelijk, kon nog weer sterven en was geheel gelijk aan ons lichaam, maar werd bij de hemelvaart in substantie veranderd, werd van een waar en natuurlijk lichaam, bestaande uit vleesch en bloed, omgezet in een geestelijk en hemelsch lichaam zonder vleesch en bloed, wijl naar 1 Kor. 15 : 50 vleesch en bloed het koninkrijk Gods niet beërven kunnen, hetwelk volgens hen de substantie van vleesch en bloed in physieken zin zou beteekenen, terwijl het zeker in moreelen zin is bedoeld, daar de Apostel wil

\') Catech. Racov. Qu. 465—467. ed. Godur. p. 951 sqq. Dc Moor, Commentar. in Marck. IV. p, 224.

-ocr page 544-

4. DE HERLEEFDE.

zeggen dat de lichamen niet kunnen in den hernel komen zooals zij hier zijn, bedorven, aardsch en zondig, maar dat zij worden gereinigd in hoedanigheden en zoo te dien aanzien geestelijke lichamen worden (v. 44) lt;).

De Gereformeerden oordeelen, dat Christus is opgestaan wel met zijn eigen maar dadelijk anders bohoedanigd, aanvankelijk verheerlijkt lichaam, niet meer onderworpen aan eenige zwakheden, aan vermoeiing, honger, dorst, smarten of andere onvolmaaktheden1). Men brengt wel in, dat Hij na zijne opstanding heeft gegeten en men maakt daaruit voorbarige sluitredenen op de inwendige deelen en organen zijns lichaams, Luc. 24 : 42 : En zij gaven Hem een stuk van eenen gebraden visch en van honigraten, 43. En Hij nam het en at het voor hunne oogen 3). Maar dit was niet wijl EMj spijze van noode had, slechts toonde Hij dat Hij bekwaam was om spijs te genieten hoewel Hij haar niet tot voeding behoefde , Hij kon eten zoo Hij wilde en Hij deed het om der discipelen wille, om te bewijzen dat Hij geen geest of spook was. Ook ligt er niet in dat zijn lichaam het gegetene langs gewonen weg heeft verteerd, veelmeer mogen wij aannemen dat Hij het door zijne almacht heeft te niet gedaan, zooals immers ook bij de En-

522

1

) I\'. Van Mastricht, Godgol. III. p. 24. 33.

-ocr page 545-

§ 4. DE HERLEEFDE.

gelen moei geschied zijn die aan Abrahams disch en bij Lot hadden gegeten (Gen. 18 : 8. 19: 3)\').

De Sociniaansche voorstelling staat lijnrecht over tegen de Luthersche. De Lutheranen, ten gevolge hunner stelling van de mededeeling van Goddelijke eigenschappen aan Christus\' menschelijke natuur, laten zijn opgewekt lichaam haast geen lichaam meer zijn. Het ging, leeren zij, door steen en hout. „Gelijk ons gezicht door lucht, licht en water dringt; gelijk het geluid door muur en wanden gaat; gelijk licht en warmte door lucht, water, glas en dergelijke stoffen hunnen weg vinden : alzoo heeft Christus gedaan^ toen Hij opstaande uit het gesloten en verzegelde graf uitging en toen Hij door geslotene deuren tot zijne discipelen binnenkwamquot;2). Van hetzelfde gevoelen zijn de Room-schen, ten bate hunner Transsubstantiatie.

Maar de Schrift zegt, dat een Engel des lleeren den steen heeft afgewenteld van de deure des grafs (Matth. 28 : 2). En Joh. 20; 19 wordt niet gezegd, dat Christus door de geslotene deuren is binnengekomen, maar als de deuren ye-sioten waren, die Hij ongetwijfeld door zijne wondermacht ongemerkt voor zich open en toe deed gaan , zoodat Hij onverwachts binnen stond. Ook Petrus Hand. 12: 8 is met den Engel uit de gevangenis immers niet door hout en ijzer gedrongen , maar het was dat de ijzeren poorte van zelf hun geopend werd 3).

\') Calvin. Commoutar. Luc. 24: 41 eu Hand. 10: 11. Bra-kel, Eed. Godsd. I. p. 510. De Moor, Ooimneutar iu Marck. IV. p. 226.

\'2) Solida Declaratio VII. iu do Concordia Pia ed. Rechon-berg p. 753.

:l) Calvin. Commentar. Joh. 20 : 19. P. Van Mastricht, God-

523

-ocr page 546-

4. DE HERLEEFDE.

Is Hij aan de twee discipelen van Emmaüs geopenbaard in eene andere gedaante, Mare. 16; 12, het zegt niet dat zijn lichaam in quantiteit, grootte en onderscheiden vorm was veranderd , maar hunne oogen werden gehouden, dat zij Hem niet kenden, Luc. 24: 16\'). Dus was het geene verandering in de figuur van zijn lichaam, maar eene werking in hunne oogen, gelijkerwijs ook Maria Magda-lena hem aanzag voor den hovenier, Joh. 20: 15.

Overigens hetgeen Paulus zegt van de opgewekte lichamen der geloovigen (1 Kor. 15: 43 v.v.), dat moeten wij in den hoogsten zin aan Christus\' lichaam toeëigenen. wiens beeld zij immers zullen dragen : geestelijk (geheel gepast voor het hoogere, hemelsche leven), onsterfelijk, onverderfelijk , heerlijk. Doch a. Hij de Zon, allen overstralende. En b, dan wordt zijne heerlijkheid ten volle openbaar. Hier konden zijne vrienden, zeiven nog niet verheerlijkt, hare geheele belooning niet verdragen, om hunnentwille moest Hij haar nog temperen , inhouden , bedekken.

gol. III. p. 32 v. Be Moor, Commontar. in Marck. IV. p. 222 v. Du voorstelling van Slier, lieden des Herrn Jesu VI, S. 727 f. zu Joh. 20 : 19 is weifelend eu onbepaald.

1) F. Ridderm, Apollos. II. p. 539. Calvin. Commontar. i. 1. Hedge, System. Theol. II. p. 628 besluit uit do Evangolische gegevens dat Christus\' lichaam op aardo bekwaam was over te gaan van eenen staat iu oeuon andoren behoudens zijne identiteit.

Maar Calvin, Comment, in Luc. 24 : 16 ; Hoe disorte Evango-lista testatur, no quis putet mutatam fulsse corporis Christi figuram. Capti eiant videntium oculi. Dezelfde herinnert, Comment, in Joh. 20: 14 , dat wij van Christus geenen Proteus mogen maken: Non dicemus , Christum novas subinde facies Protei cujusdam instar induisse.

524

-ocr page 547-

§ 5. gewicht.

§ 5 Gewicht.

Dc opstanding van Christus dient tot gewichtige einden.

1. Jezus is daardoor betoond als do Zone Gods en üin dood als het voldoende en aangenomeae offer voor de zonden.

525

a. Als Zoon bewezen. Hij iverd niet Gods Zoon, Hij was het, maar openbaarde zich als zoodanig in zijne eeuwige kracht: Die geworden is uit den zade Davids naar den vleesche. Die krachtiglijk bewezen is te zijn de Zone Gods, naar den Geest der heiligmaking , uit de opstanding der dooden, [namelijk] Jeztis Christus onzen Heere, Rom. I: 3 , 4. Betvezen. Zoo hebben onze Overzelters te recht vertaald. Niet: tot een Zoon Gods gemaakt, naar de Socinianen , volgens welken Paulus hier niet wilde leeren, waaruit Christus\' Zoonschap bleek , maar waardoor Hij Gods Zoon was geworden ; niet: bestemd, verordineerd om Gods Zoon te zijn , maar gedeclareerd , bewezen, dat Hij het was lt;). Zoon Davids is Hij geworden, Zoon Gods was Hij van eeuwigheid; opgestaan van de dooden bleek Hij het te zijn. Zoon Gods zegt ook niet slechts Messias, maar dit ligt er in en volgt er uit. Bewezen te zijn de Zone Gods was meteen bewezen te zyn de beloofde Messias , de Gezalfde, de ware Profeet, Hoogepriester en

1) Fr. Rtdderus, Apollos III. p. 50. Cremer, Wörterbuch der Neutest. Gaacitat S. 4(54 f. n. d. W. ópi^u. Calvin. Com-mentar. i. 1.: pronuutiatus Dei Pilius. Verklaringen als van Von G er lach : etngesetzt ia den ganzen Besitz der göttlichen Eigen-schaften, die er von Ewigkeit rjehabt hatte of van Weisz, Bibl. Theol, dus N. T. S. 284, waarnaar Christus ersl darc.h die Auferstehung in die volle Sohnstellung eintritt strijdig tegen do bijbolscho leer van Christus\' persoon.

-ocr page 548-

§ 5. GEWICHT.

Koning, waarachtig God gelijk waarachtig mensch. Van dit alles getuigt zijne opstanding , van zijn Persoon gelijk van zijn werk, Alleen als mensch kon Hij sterven en weder levend worden, en omdat Hij zelf het leven wederom nam (Joh. 10: 18) en doqr zijne eigene kracht opstond, bewees dit zijne Godheid, en daar zijne verrijzenis geschiedde naar den wil des Vaders en eene ver-eenigde werking, eene eenige daad van beiden was in de kracht des éénen Geestes en Hij aldus opstond en het leven wederom nam, terwijl de Vader Hem opwekte en Hem het leven wederom gaf, kenteekende , betoonde, openbaarde , bewees de Vader Hem als zijnen Zoon , zoodat Hij hier wederom verklaarde: Gij zijt mijn Zoon, heden heb ik u gegenereerd (Ps. 2: 7. Hand. 13; 33).

b. Het offer aangenomen. Christus is overgeleverd om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking , Rom. 4 ; 25.

x. Door zijne opstanding is Hij zelf en is in Hem al zijn volk gerechtvaardigd. Hij was Borg en stond geheel in zijns volks plaats, niet alleen in zijn leven en sterven maar ook in zijn opstaan. Hij had op zich genomen , al die voorwaarden te vervullen onder welke de zondaar genade bij God , vergeving der zonden en eeuwig leven ontvangt.

Ten gevolge van deze wonderbare ruiling en plaatsvervanging was het, dat Hij, de Heilige, die altijd zijnen Vader verheerlijkte en diens wil onafgebroken deed, als zondaar, als boosdoener. Hij, de Zone Gods als een kind des duivels werd behandeld, gepijnigd en gedood. Hiertoe werd Hij van den Vader overgegeven en gaf Hij zelf zich over, om al den vloek van de zonden der uitverkorenen. Hem toegerekend, in ziol en lichaam te dragen. Hij stierf. Toen

526

-ocr page 549-

§ 5. GEWICHT.

was het als Ps. 41 : 9 geteekcnd staat: Alle zijne haters mompelden samen, zeggende: Een Belialssiuk kleeft Hem aan, en Hij, die nederligt, zal niet weder opstaan.

13. Hij stond op. De Vader wekte Hem op, de Rechter liet den Borg los , een bewijs dat Hij aan de Goddelijke gerechtigheid volkomen had genoeggedaan, en Hij zelf nam naar zijn recht het leven weder, opstaande van de dooden. Hij werd gerechtvaardigd (1 Tim. 3 : 16), van het oordeel, dat op Hem lag , ontlast, rein en vrij gesproken en op vrijen voet gesteld.

Maar Hij zelf had voor zich zulke rechtvaardiging niet van noode. Hot was voor de zondaren, voor wie Hij zich had verboigd. Hij werd gerechtvaardigd als Borg zijns volks, als Hoofd zijner gemeente, die zijn lichaam is: in Hem, den Hoofde, zijn al de leden zijns lichaams voor God gerechtvaardigd, rechterlijk vrijgesproken van hunne schuld en voor erfgenamen des eeuwigen levens verklaard \'). Dat is ook eerst de ware troost van Christus\' opstanding. Daarom hebben ook de Apostelen altoos hun hart en mond zoo vol daarvan, daarom noemen zij zich getuigen zijner opstanding, en wanneer zij zoo recht juichen en triomfeeren over dood en helle, dan staan zij door het geloof telkens in dien Christus, die niet bloot gestorven is maar, ivat meer is, die ook is opgewekt (Rom. 8 : 33, 34). Zijne opwekking was het Goddelijke Amen op zijn woord aan het kruis: het is volbracht. Daaraan is niets toe te brengen, ook door het geloof wordt er niets aan toegebracht: want het is eene toerekening : het zul toegerekend worden dengenen die gelooven

\') Ciisp. Olevianus, Vorklar. dor Apostolische Goloofs-TJelij-douis. ed. Groulug. 1739. p. 124.

527

-ocr page 550-

§ 5. GEWICHT\'.

in Hem, die Jezus onzen lieere uit de dooden opgewekt heeft (Rom. 4 : 24). Bij God is het in orde; bij den mensch komt het tot stand door het geloove. Het schoone kleed voor de uitverkorenen is klaar en in Gods oordeel en bepaling is het het hunne en behoort hun toe ; op zijn tijd trekt de Heere het hun ook aan gelijk Adam en zijner vrouwe de rokken van vellen (Gen. 3: 21). Die in Christus gelooft is rechtvaardig i). —

Ware Jezus niet opgestaan, dat ontbrak alle grond en bewijs voor het geloof in Hem.

Wij weten, hoe Hij met duidelijke woorden van zijne Godheid had gesproken, hoe Hij tot Philippus had gezegd: wie mij ziet, ziet den Vader, en voor den Hoogepriester Ka-jafas met plechtigen eede had betuigd , dat Hij was de Christus, de Zoon des levenden Gods. Daarom was Hij als Godslasteraar veroordeeld. Ware Hij dood gebleven, wie hadde in Hem als den Zone Gods kunnen gélooven ?

Hij was opgetreden als Profeet. Hij leerde als machthebbende, Hij eischte, dat men zijne leer als de volkomene en reine openbaring van den wille Gods zou eerbiedigen. Daarbij voorzeide Hij onder anderen uitdrukkelijk, dat Hij ten derden dage zou opstaan. Ware dit niet geschied, dan lag geheel zijne leer in duigon en niemand zov het ook gewaagd hebben ze als Goddelijke waarheid te verkondigen.

528

Hij betuigde, dat Hij was gekomen om zijne ziel te geven tot een rantsoen voor velen , om zijn bloed te vergieten tot vergeving der zonden. Ware Hij in het graf gebleven,

\') Ook Calvin. Commentar in Rom. 4: 25 oordeelt, clat do Apostel hier nog spreekt van de rechtvaardiging bij toerekening: do justificatione imputativa adhuc loquitur.

-ocr page 551-

§ 5. GEWICHT.

wie konde, wie mocht gelooven , dat door zijnen dood de vergeving was verworven ?

Hij verklaarde zich Koning. Wie kon aannemen dat Hij het was , ware Hij dood gebleven ? Het graf in Jozefs hof met den doode daarin hadde zulk een geloof gelogenstraft. Daarom konden de Emmaüsgangeren , die van zijne opstanding nog niet wisten , bij allen eerbied voor Hem , slechts zeggen: wij hoopten dat Hij was degene die Israël verlossen zoude (Luc. 24 : 21). Daarom zegt Puulus : Indien Christus niet opgewekt is, dan is onze prediking ijdel en ijdel is ook uw geloof. En wederom : indien Christus niet opgewekt is, dan is uw geloof te vergeefs, dan zijt gij nog in uwe zonden. Maar nu , Christus is opgewekt uit de dooden [en] is de eersteling geworden dergenen die ontslapen zijn. (1 Kor. 15: 14, 17, 20).

Heidelb. Catech. Vr. 45 : Ten eerste heeft Bij door zijne opstanding den dood overwonnen, omdat Hij ons de gerechtigheid , die Hij door zijnen dood ons verworven had, konde deelachtig maken \').

§ 6 Gewicht. Vervolg.

2. Niet alleen gerechtvaardigd is Christus in den naam zijner gemeente , maar zijn leven is ook haar leven.

Want ook die heerlijkheid, welke Christus bij zijne op-

2) Calvin. Commoutar. in Roiu. 4 : 25: Primuin manu Dei percussus est, ut in persona peccatoris peccati miseria defun-geretur: deinde iu vitae regnum exaltatus est, ut justitia ac vita suos donaret.

öravemeüer, Gorof. Gol. loer. II. 34

529

-ocr page 552-

§ 6. GEWICHT.

standing in zijne menschelijke ziel en aan zijn menschelijk lichaam verkreeg , ontving Hij niet voor zich zeiven. Want wat behoefde Hij nog voor zich te ontvangen, die krachtens zijne eenheid met God alles bezat ?

Hij heeft zijn leven en de heerlijkheid, die Hij van eeuwigheid bij den Vader had , eerst afgelegd, om ze dan als loon voor zijne gehoorzaamheid in de opstanding weder te ontvangen , in dier voege , dat Hy dit leven en deze heerlijkheid nu niet meer voor zich alleen , als de Zone Gods , bezit , maar als Borg , als Hoofd van zijne leden, dusdanig dat dat leven en die heerlijkheid van Hem op het gansche volk der arme zondaren overgaat en een gemeengoed aller geloovigen is.

Dit heerlijke leven van Christus nu wordt den geloovigen medegedeeld zoo aan de ziel, door de heiligmaking, als aan het lichaam door deszelfs heerlijkmaking. Op dit laatste wijst het volgende, derde punt; het eerste is hier bedoeld.

Namelijk door mededeeling van zijn leven verlost het Hoofd zijne leden van den geestelijken dood en van het verderf der zonde. Heidelb. Gat. Vr. 45: Ten andere worden ook wij nu door zijne kracht opgewekt tot een nieuw leven.

Rom. 6:4: Wij zijn dan met Hem hegraven door den doop in den dood, opdat gelijkerwijs Christus uit de doo-den opgewekt is tot (door) de heerlijkheid des Vaders, alzoo ook wij in nieuwigheid des levens wandelen zouden.

De Apostel leert hier niet slechts eene overeenkomst tus-schen Ghristus en de Christenen, hij houdt hetgeen met Christus is gebeurd, zijn sterven, begrafenis en opstaan, niet alleenlijk als een schoon zinnebeeld den geloovigen voor om hen tot heilig leven te vermanen : maar hy leert eene

530

-ocr page 553-

§ 6. GEWICHT.

wezenlijke doods- en levensgemeenschap \') van de leden met het Hoofd. Christus is de tweede Adam en zijn dood en zijn leven raakt geheel zijn geestelijk zaad.

Ze zijn met Hem gestorven en , om de volkomenheid en werkelijkheid dezes doods uit te drukken, zegt de Apostel: met Hem hegraven. Door den doop, niet als werkend middel, maar als teeken en zegel er van. Dit ziet op de toeëigening. Wat voorwerpelijk in Christus volbracht is, wordt in het geloove den mensch onder-werpelgk toegeëigend en te ondervinden gegeven en de doop , op welken leeftijd hij dien ook heett ontvangen , is het voor altoos geldende teeken en zegel dat hij met Christus is gestorven: het is een doop in den dood. „Hierbij doet het niets af dat deze kracht zich niet bij alle gedoopten vertoont: want Paulus, wij! hij tot geloo-vigen spreekt, verbindt, gelijk hy gewoon is , het wezen en de werking met het uitwendige teeken. Zoo ook Gal. 3 : 27.quot; (Calvin.)

Het is niet enkel gemeenschap des doods van Christus en daardoor reiniging van alle schuld , maar ook gemeenschap des levens. Niet alleen treedt de geloovige ia de rechten van zijnen Plaatsbekleeder , maar zijn Plaatsbe-kleeder komt ook zelf in hem en even dit dat Christus door den Heiligen Geest in hem komt leven, is de grond en bron van alle ware heiligheid en Godsverheerl\\jking , in hart en wandel. En dit is het Goddelijke doel: opdat,

\') Gelijk ook Calvin. Cominentar. in Rom. 6: 5 van de inplanting aanmerkt: insitio non oxompli tanturn confonnitatem designat, sed arcanam conjunetiouem, por quam cum ipso coaluimiis, ita ut nos Spiritu suo vegetans ejus virtutom in nos transfundat.

531

-ocr page 554-

§ 7. GEWICHT.

gelijherwijs Christus uit de dooden opgewekt is (door en dus) tot de heerlijkheid des Vaders, alzoo ook wij in nieuwigheid des levens wandelen [zouden].

§ 7. Gewicht. Vervolg.

3. Het derde vruchtgevolg van Christus\' heerlyke verrijzenis is do heerlijkmaking ook des lichaatns der zijnen. Heidelb. Cat. Vr. 45: Ten derde is ons de opstanding van Christus een zeker pand onzer zalige opstanding. 1 Kor. 6 : 14 : God heeft ook den Heere opgewekt en Hij zal ons opwekken door zijne kracht. Zoo gewis als Jezus\' lichaam weder levend is geworden en heerlijk opgestaan , zoo zeker zullen ook de lichamen der geloovigen in heerlijkheid opstaan. Wijl dit voor het menschelijke oordeel eene bijna ongelooflijke zaak is , wjjst de Apostel op de kracht Gods.

Christus trekt de zijnen in het werkelijke deelgenootschap en genot van al hetgene dat Hij ondergaan en verkregen heeft. „De geestelijke eenheid, welke wij met Christus hebben, raakt niet bloot de ziel, maar strekt zich ook tot het lichaam uit, zoodat wij vleesch van zijnen vleesche zijn (Ef. 5 : 30). Anders ware de hope der opstanding onzeker, indien onze vereeniging met den Heere niet eene zoodanige ware , namelijk eene volledige en vaste quot; (CalvinusJ.

Uit het éénzijn met Hem vloeit alle heil voort. a. Hij is de eersteling geworden dergenen die ontslapen zijn (1 Kor. 15: 20) en daardoor is de heerlijke opstanding aller geloovigen gewaarborgd gelijk door de gewijde eerstelings-garve de daarmee begonnene oogst.

b. Hy is het Hoofd, de geloovigen zgn zyne leden, met ziel

532

-ocr page 555-

§ 7. GEWICHT.

en lichaam, voor beide heeft Hij verlossing teweeggebracht.

c. De Geest, door wiun God Jezus uit de dooden heeft opgewekt , is ook in de geloovigen, hun lichaam is een tempel des Heiligen Geestes. En tot hen is het: God zal uive sterfelijke lichamen levend maken door zijnen Geest die in u woont (Rom. 8: 11).

d. Christus is de tweede Adam. Zijne opstanding staat niet afgezonderd voor zich alleen, als een geïsoleerd feit, als de enkele herleving van eenen doode, maar gelijk de eerste Adam door zijne zonde voor al zijn natuurlijk zaad naar ziel en lichaam den dood heeft veroorzaakt, zoo heeft Christus door zijne gerechtigheid al zijnen geestelijken zade het leven wedorgebracht, heeft voor de zijnen den dood overwonnen en zal hem als den laatsten vijand le niete doen (1 Kor. 15 : 22 , 26).

Zoo is dan Christus\' opstanding voor al de zijnen de grond hunner rechtvaardiging, bron hunner heiligmaking, waarborg van hunne heerlijkmaking.

§ 8. Voor wie.

1. Niet alle menschen kunnen zich in Christus\' opstanding verblijden.

a. Die niet, die den Zoon niet eeren en van den gekruisigden en verheerlijkten Zaligmaker niet willen weten, die bij een denkend hoofd en voelend hart tegen alle getuigenissen der waarheid , tegen schriftuurlijke , redelijke en historische bewijzen zich in eigenzinnig ongeloof verzetten , hun eigen leven in begrip en werk niet willen prijsgeven, maar bij zich zeiven wijs en rechtvaardig, op hunne eigene manier willen zalig worden.

533

-ocr page 556-

§ 8. VOOR WIE.

b. Ook die niet, die onnadenkend en onverschillig omtrent hunne hoogere belangen alleen voor deze wereld leven , heizij in uitspattenden vleeschesdienst of bij fatsoenlijken wandel.

Allen die onbekeerd en geestelijk dood zijn , moeten schrikken voor den lichamelijken en eeuwigen dood, tenzij zij nog tijdig komen tot de levensbron.

2. Maar wie geestelijk levend is geworden, weet dat hij niet meer sterven zal. De Heere Jezus sprak tot Martha Joh. 11: 25, 26, Ik ben de opstanding en helleven; die in mij gelooft, zal leven al ware hij ook gestorven. En een iegelijk die leeft en in mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid. En de Apostel Paulus betuigt Rom 6:8: Indien wij nu met Christus gestorven zijn, zoo gelooven wij dat ook met Hem zullen leven. Het leven getuigt van zich zelf. Wie in Christus gelooft, die leeft , ook wanneer hij sterft. De dood is hem geen dood meer , maar is voor zijne ziel de overgang tot het hemelleven en voor zijn lichaam een ontslapen om eenmaal in heerlijkheid te ontwaken. Heeft de Heere de ziel geestelijk levend gemaakt, zoo zal Hij ook het lichaam , hetwelk nu een tempel en huis des levenden Geestes is, niet aan de verderving overlaten; veelmeer, omdat de ziel reeds hier van zonde en dood met Christus is opgestaan tot een nieuw leven , zoo moet het lichaam navolgen , moet eens wederom te voorschijn komen uit het stof der aarde, omdat het de woning en het werktuig der geheiligde ziele was, een verheerlijkt vleesch (Job. 19 : 26), ten einde de gansche mensch zalig worde.

534

-ocr page 557-

§ 9. TWEEDE TRAP.

2. HEMELVAART.

§ 9. Tweede trap.

De tweede trap van Christus\' verhooging is zijne hemelvaart : Hij heeft naar zijne menschheid , met lichaam en ziel, de aarde verlaten en is overgaan in den hemel.

In denzelfden zin en met dezelfde onderscheiding als de Schrift van Hem zegt: Hij is opgewekt en : Hij is opgestaan i), wordt ook gezegd zoowel: Hij is opgenomen (Hand. 1 : 9) als; Hij is opgevaren (Ef. 4: 8)1), in de wolk als in eenen wagen (Kantteek. op 1 Thess. 4:17).

Niet zijne menschheid Is opgevaren, maar Hij, de God-inensch en Middelaar, de Persoon, naar de menschelijke natuur2). Het was het werk van den Persoon; wat de eene of de andere natuur bijzonder en onderscheidenlijk raakt, wordt den eenigen Persoon toegeschreven. De Zoon Gods is opgevaren met dezelfde ziel en hetzelfde lichaam, waarin Hij na zijne opstanding zich zeiven levend had vertoond, zoodat de Engelen tot de Galileesche mannen konden zeggen: Veze Jezus, die van U opgenomen is in den hemel, zal alzoo komen , gelijkerwijs gij Hem naar den hemel hebt zien henen varen (Hand. 1 : 11).

Altijd éénzelfde Persoon , éénzelfde Hij. Blijkbaar uit zijne eigene nadrukkelijke verklaringen, als Joh. 16; 18; Ik ben van den Vader uitgegaan en ben in de wereld

535

1

) avxpas.

2

) P. Van Mast richt, Godgol. III. p. 58. Brakel, Rod. Godsd. I. p. 524 v.

-ocr page 558-

§ 9. TWEEDE TRAP.

gekomen : wederom verlaat Ik de wereld en ga henen tot den Vader. Naar zijne Godheid was en bleef Hij overaltegenwoordig, naar zijne menschheid was Hij niet aan meer plaatsen tegelijk, maar tot ééne plaats bepaald^ Gekomen in het vleesch was Hij met zijne menschheid niet in den hemel; opvarende bleef Hy met zijne menschheid niet op aarde •).

§ 10. Waarheid.

Christus\' hemelvaart is eene werkelijke gebeurtenis. De Schrift leert ze1) en de daarna gevolgde betooningen van zijne macht en heerlijkheid van de uitstorting des Heiligen Geestes af stellen het wonder buiten twijfel. Wonderbaar kwam Hij , wonderbaar ging Hij. Zoo is er overeenkomst tusschen het begin en het slot zijner aard-sche verschijning: zijne hemelvaart beantwoordt aan zijne nederdaling (Ef. 4: 9) en is het noodzakelijk gevolg van zijne opstanding. De Zoon Gods was nedergedaald om de menschelijke natuur te nemen. Aan het kruis legde Hij zijn lichamelijk leven af. In de opstanding nam Hij het wederom aan. Opgestaan van de dooden kon Hij niet andermaal sterven (Rom. 6: 10.)

536

1

) Zelfs Ilase , Hutt. rediv. § 105. 3to Aufi. S. 270 bekent tegenover de bezwaren : Dennoch rukt sie auf klaren Zeugnissen der H. S.

-ocr page 559-

§10. WAARHEID.

Ware Hij wederom gestorven, ware toch ten laatste de dood zijn einde geweest, weggenomen ware daardoor met eenmaal alle bewijs dat Hij den dood had overwonnen en waarlijk verlossing teweeggebracht; ontzonken ware dan zijnen discipelen alle grond voor hun geloof in Hem en Hij hadde, na al wat door Hem gedaan en met Hem gebeurd was, hun dan toch niet meer kunnen zijn dan een sterfelijk mensch en groot Profeet. Ware Christus\' lichamelijke hemelvaart ook door geenen Evangelist uitdrukkelijk beschreven als een waargenomen feit, toch zou zij als volkomen zeker en als werkelijk geschied moeten afgeleid worden uit geheel de Apostolische leere van Christus i), inzonderheid van zijne zichtbare, lichamelijke wederkomst.

De Rationalisten en sommige phiiosophische dogmatici verklaren de hemelvaart van Christus, gelijk van zelf ook die van Henoch en van Elias , voor eenen mythus , een verdicht verhaal. Vele nieuweren nemen alleen een verdwijnen van Christus\' lichaam aan, zoodat het alleen zou zeggen : Hij hield op , zich te vertoonen , Hij werd niet meer gezien : dus een geestelijke terugkeer tot den Vader, maar geen lichamelijke opvaart.

537

Twijfelaars en bestrijders komen met bezwaren uit natuur en Schrift.

\') Neander, Leben Josu Christi 1837. S. 635 f. Olshausen , Commentar zur Ap. Gesch. 1, 9—11. Van Oosterzee, Leven van Jezus. 1851. III. p. 610. Niedner, Lohrbuch dei- Christi. Kirchcngesch. 1866. S. lü-tk ; Die haltloseste aller «Erklarun-genquot; würde die sein ; die Auferstehuug als Wahrbeit nnd die Himmelfahrt als Mythus , somit eine irdische Lebensgeschichte ohne Sehlusz zu setzen.

-ocr page 560-

§10. WAARHEID.

In de Schrift zelve meenen zij grond te vinden vooral in het stilzwijgen der Apostelen Mattheüs en Johannes van het feit en in vermeende tegenstrijdigheden bij degenen die het verhalen, namelijk Marcus en Lucas. (Zie de volgende §).

Uit de natuur brengt men dit er tegen in. 1. „Het is strijdig tegen de wet der zwaartekracht, tegen het machtige aantrekkingsvermogen der aarde , dat een mensche-lijk lichaam zou opwaarts rijzen en zich geheel van de aarde zou verwijderen •).

Hierbij ligt te gronde de Uodonteerende stelling : „er zijn geen wonderen mogelijk.quot; Als of de „natuurwetten,quot; hoe onverbeterlijk en doelmatig ook, iets zelfstandigs waren tegenover den Schepper die ze gemaakt heeft, zoodat zijn wil daardoor beperkt en Hij zelf daaraan gebonden ware; als of Hy geen andere, hoogere krachten, dan die gewoonlijk zich vertoonen , van zich konde doen uitgaan, zoodat er werkingen plaats hebben , die uit de gewone en bekende natuurorde zich niet laten verklaren1).

538

Bovendien , acht het natuurlijke verstand de verheffing eens menschelijken lichaams van de aarde ondenkbaar als strijdig tegen de zwaartekracht, dan is daarbij dit te herinneren. a. Ook iedere opheffing van onzen uitgestrekten arm strijdt daartegen en geschiedt door de wilskracht toch, zelfs wanneer de hand met een zwaar gewicht is beladen, b. Christus\' lichaam was aan de gewone wetten (natuurorde) niet meer onderhevig : het was sinds zijne opstan-

\') Van O o ster zee, Loven van Jezus. 1S51. III. p. 599. -) Zie Zevende Hoofdstuk § 3. Ebrard, Apologetik 1. 134: Die Moglichkeit dos Wunders.

-ocr page 561-

§ 10. WAARHEID.

ding aanvankelijk verheerlijkt en bij de hemelvaart werd zijne verheerlijking voltooid: een heerlijk lichaam Fil. 3; 21. c. Vooral moet men hierbij gedenken wie Hij was. Wat Hij kon , wanneer Hij het wilde, had Hij in den tijd zijner vernedering door al zijne wonderwerken getoond. Hü was ook eens tot het schip zijner discipelen gekomen, toen het midden in de onstuimige zee was , zgnde in nood van de baren ; Hij kwam af tot hen wandelende op de zee, zoodat die in het schip waren aanbiddende uitriepen: Waarlijk gij zijt Gods Zoon (Matth. 14 : 24 v.v.). Dezelfde die toen met het nog niet verheerlijkte lichaam over het water wandelde , kon immers nu verheerlijkt door lucht en wolken naar boven gaan.

2. „Maar is dan de hemel honen? en wel boven den Oiyfberg?quot; Dit is eene tweede tegenwerping uit de natuur genomen, maar van weinig kracht. Immers a. naar de Schrift staat vast: er is een plaatselijke hemel. De Schrift spreekt van hemelen en van den hoogsten hemel. Het zijn sferen der schepping boven elkander geordend, bepaalde ruimten zoo gewis en werkelijk als zij geschapen zijn. Al wat geschapen is kan niet anders dan plaatselijk zijn. (Zie verder hierna bij § 14). Jezus is opgevaren naar den hoogsten hemel. b. Booen den Olijfberg ? De uitdrukking hoven is betrekkelijk en wisselende naardat het nacht of dag is en naardat men hier of elders op de aarde staat. Maar het was niet hij geval dat de opvaart juist toen, in dat bepaalde tijdstip, te welker ure dan ook , en dat zij juist van daar geschiedde. Ook zagen de jongeren slechts een gedeelte van het opzweven, tot zooverre waar de wolke kwam. Tot daarheen ging het opwaarts. Maar hoe ging het verder ? dat zagen zij niet;

539

-ocr page 562-

§ 11. GETUIGEN.

Dat zeiden de Engelen hun : opgenomen in den hemel. De sterren, wél te letten, zijn deze hemel niet, maar het is de hemel boven al wat anders hemel genaamd wordt (Ef. 4: 10) boven den hemel der wolken en der sterren.

§ 11. Getuigen.

Elf Apostelen •), onwraakbare mannen met gezonde zinnen, zagen Jezus opvaren en naar hun bericht zijn de omstandigheden van tijd, plaatsen wijze nauwkeurig beschreven.

1. De waarheid van Christus\' lichamelijke hemelvaart is door hare tegenstanders ook met de Schrift zelve bestreden.

a. Zij vinden er tegenstrijdigheden aangaande tijd en plaats. Zoo zou , om iets te noemen, naar Marcus en naar het Evangelium van Lucas de opneming zijn voorgesteld als geschied reeds op den dag der opstanding , ten minste zouden de veertig dagen bij Lucas Handel. 1 : 3 gansch onvereenigbaar zijn met Mare. 10: 19 en met het Evangelie van Lucas zeiven 24: 44 v.v.s). Maar bij Mar-

\') Stier, Reden des Herrn Jesu VI. S. 1020 neemt, op zwakke gronden , aan dat er ook nog anderen bij waren. Uit Hand. 1: 22 volgt dit althans niet. Zie overigens Van Oosterzie, Leven van Jezus. 1851. III. p. 594.

2) Zoo ook Meyer, Kommentar zu Mare. 16: 19. Lne. 24; 50. Ook heeft volgens hem Mattheüs niets van Jezus\' verschijningen in Judea geweten , Kommen tar zu Matth. 28 : 10. Ook stemt hij in met degenen die Mavc. 16: 9—20 voor onrecht verklaren , Kommentar zu Mare. 16. S. 208 ff. Het is hem ein apokryphisches Bruchstück irgend elner andern evangelischen Schrift welches als Abschluss unsers Evangeliums hinzugesetzt worden. (Dat Marcus zelf de schrijver er van is, bewijst

540

-ocr page 563-

§ 11. GETUIGEN.

cus komt het met geheel zijne compendieuze, summier-lijke schrijfwijze overeen dat hij slechts het feit noemt: De Heere dan, nadat Hij tot hen gesproken had , is opgenomen in den hemel en is gezeten aan de rechter [hand] Gods. En Lucas had, toen hij zijn Evangelie schreef, zekerlik reeds het voornemen, zijn tweede boek, de Handelingen der Apostelen , er op te doen volgen , waar hij de opneming, die hij in het Evangelie 34: 51 met een enkel woord had vermeld, nader wilde beschrijven.

b. Voornamelijk echter werpt men tegen, dat het bericht van de hemelvaart alleen is van Marcus en Lucas, die er niet bij zijn geweest en geen Apostelen waren en niet van de Apostelen en ooggetuigen Mattheüs en Johannes •). Daaruit heeft men opgemaakt: deze beiden hebben er

Wissonsch. Kritik dor ev. Gosch. S. 1020 ft\'. Van Oosterzee, Lev. van Jezus. 1851. III. p. 419 v.), Ook ontkent Meyer de zichtbare hemelvaart, schoon hij erkent dat zij in de Schrift geleerd wordt, Kommentar. zu Lukas 24: 51. S. 613. Hem is die Erhehnng des verklSrten Christus in den Himtnel nach Analogie von Luk. 24: 31 etwa in der Form eines Vevschwindens denkbar, ib. S. G15. Bin sichtbarer, ja slnnlich eclatanter lier-gang is hem Zuthat spiiteror Ueberlieferung, erwachson aus dem Reflexe der Vorstellung von der Parusie. S. 614. Wat zou hot geworden zijn , hadde Meyer eens zijn voornemen volvoerd om oen System eines hiblischen Rationalismus to schrijven (Voorrodo zum Komment. zu Matth. 1ste Ausg.)!

De schijnbare tegenstrijdighedon zijn uitvoerig toegelicht bijzonder door Ebrarcl, Wiss. Kritik der evang. Geschichte. 1868. S. 772 ft\'.

1) Op onderscheidene wijze is dit bezwaar toegelicht en weggenomen door Olshausen, Commontar zur Ap. Gesch. 1,9—11. Ebrard, Kritik der evangel. Gesch. S. 778. Van Oosterzee, Leven van Jezus, III. p. 60B v.v.

541

-ocr page 564-

§ 11. GETUIGEN.

niet van geweten, namelijk van eene lichamelijke opvaart, anders zouden zij er niet van hebben gezwegen : dus is zij ook niet zoo geschied , maar slechts eene verzinnelijkende voorstelling van Christus\' verheerlijking, in sommige christelijke kringen mettertijd gevormd.quot;

2. Maar hiertegen dient al aanstonds opgemerkt: a. ware het verhaal van Lucas Hand. 1 slechts de uitdrukking van eene verdichte voorstelling , er hadde zich wel eenige tegenspraak tegen laten verluiden, en wel inzonderheid door Johannes , die tot aan den avond der eerste eeuw leefde, den trouwen en scherplettenden wachter en opziener, voor wien niet verborgen bleef wat er zoo al in de gemeenten tegen de waarheid omging.

b. Voorts de vrijheid van keus der zaken, welke ieder geschiedschrijver heeft die naar een bijzonder plan werkt, moet men immers ook de Evangelisten toekennen.

ot,. Mattheüs heeft ook niet noodig geacht de omstandigheden van Jezus\' geboorte te beschrijven en zoo ook, daarmee geheel overeenkomstig, evenmin van zijne hemelvaart. Hem paste als plechtig slot zijns Evangeliums niet het weggum maar van het blijven des Heeren , ten geleide voor de afgevaardigden tot de volken: „Ziet, Ik ben met ulieden alle de dagen tot de voleinding der wereld.

(3. En het „geestelijke Evangelium,quot; dat van JoAawwes, zegt wel: het Woord is vleesch geworden, maar niet/ioe; hij maakt geheel geen nadere melding van het eigenlijke feit der geboorte. Daarmede strookt zijn nalaten van eene beschrijving der hemelvaart.

c. Bovendien de lichamelijke hemelvaart was een noodzakelijk gevolg van de opstanding. In de getuigenis van de opstanding lag die van de hemelvaart opgesloten. Im-

542

-ocr page 565-

§ 11. GETUIGEN.

mers was Jezus lichamelijk weder levend geworden , zoo moest hij toch ergens zijn; op aarde was Hij niet, zag men Hem niet: dus was Hij in den hemel; geen andere gedachte kon daarbij opkomen , tenzij men zijne lichamelijkheid vergeestelijkte.

d. Eindelijk Mattheüs en Johannes geven beiden op menigerlei wijze duidelijk te verstaan dal zij van de lichamelijke hemelvaart onzes Heeren wél wisten en dat deze als werkelijke gebeurtenis bij hen vaststond.

Verhaalt Mattheüs 24: 30 en 25: 31 (26: 64) Christus\' voorzegging van zijne zichtbare wederkomst uit den hemel, zoo is daarin noodzakelijk de veronderstelling begrepen van de lichamelijke hemelvaart. En Johannes vermeldt niet alleen Christus\' herhaalde uitspraken van zijn heengaan tot den Vader, maar ook het opvaren van den Zoon des menschen is uitdrukkelijk bij hem genoemd, 3 : 13. 6 : 62. En zegt hij Openb 1:7: Zie, Hij komt met de wolken en alle oog zal Hem zien , ook degenen die Hem doorstoken hebben, hij kon dit niet zonder de zekere bewustheid dat Jezus Christus . de eerstgeborene uit de dooden, met den lichame in den hemel was. Ook vertoont Christus zich aan hem in de Openbaring zichtbaar in den hemel, Op. 5 : 6 als een Lam (Jez. 53: 7) staande als geslacht; levende , want het stond , maar er was aan te zien dat het eens geslacht was geweest: \'t was Christus met zijne menschheid, dragende, in dit gezicht nog de litteekenen van zijne wonden. Ook Openb. 12: 5 getuigt van de lichamelijke hemelvaart, niet minder dan van de lichamelijke geboorte: En zij (de vrouw) baarde eenen mannelijken Zoon, die alle de Heidenen zoude hoeden met cene yzeren roede;

543

-ocr page 566-

§ 11. GETUIGEN.

en haar kind werd weggerukt tot God en zijnen troon \').

c. Het ontbreekt, dan niet aan getuigenissen van Apostelen. Ook Petrus, sprekende van de kracht der opstanding van Jezus Christus, Welke is aan de rechter [hand] Gods, laat niet na er uitdrukkelijk bij te voegen : opgevaren ten hemel11), als historische grondslag van dat Hij is aan de rechterhand Gods. 1 Petr. 3 : 22.

De Apostel Paulus gewaagt er gedurig van. Hij heeft Christus gezien 1 Kor. 15 : 8 , lichamelijk, want hü stelt dit saam met de verschoningen des herleefden na de opstanding aan de zijnen op aarde , in den lichame. Hij leert het lichamelijke zijn van Christus in den hemel Rom. 10 : 6. 1 Tim. 3: 16: opgenomen in heerlijkheid. Ef. 4: 8—10: opgevaren in de hoogte. Hebr. 9 : 24 : ingegaan als Hoogepriester in het ware heiligdom , in den hemel zeiven , na de offerande, om nu te verschijnen voor het aangezichte Gods voor ons.

§ 12. Wanneer.

Na de opstanding bleef Jezus nog veertig dagen op aarde en gaf bij zijne verschijningen aan de Apostelen nader inlichting aangaande het Koninkrijk Gods, terwijl Hij door zijn komen en gaan hen gewende om Hem niet meer te zien. Hij wandelde niet meer als vóór zijn lijden met de discipelen om, maar verscheen bij tijden en verdween dan. weer en men wist niet waar Hij intusschen was. Hand.

\') Hengstenberg zu Offonb. 12 : 5 : Wie das: er ward ent-rtikt, die Himmelfahrt bezeichnet, so dass; zu Gott und seinem Throne, sein Sitzen zur Rechten Gottes.

2) TTOflSuêilS sU cupwóu.

544

-ocr page 567-

§ 12. WANNEER.

1:3: Aan wélke (Apostelen) Hij ook, nadat Hij geleden had, zichzelven levend vertoond heeft, met vele gewisse ken-teekenen, veertig dagen lang, zijnde van hen gezien en sprekende van de dingen die het Koninkrijk Gods aangaan.

Hii wilde niet zeer kort na de opstanding weggaan , ten einde de discipelen al vaster te verzekeren van de waarheid zijner opstanding en van zijne identiteit, dat Hij leefde en dat deze levende Jezus zelf was. Ook had Hij hun nog iets te zeggen wat vroeger niet kon en by zyn vertrek eerst voegde.

Niet nog langer en ook niet onafgebroken wilde Hij bij hen blijven ter hunner voorbereiding tot gelooven zonder te zien, naar zijn woord Joh. 20 : 29 : zalig [zijn zij] die niet zullen gezien hebben en [nochtans\'] zullen geloofd hebben, de eenige en laatste zaligspreking uit den mond des Opge-wekten. Niet langer, ook om op den Pinksterdag de beloofde uitstorting des Heiligen Geestes te volbrengen.

545

Genoeg, onze Heere Jezus Christus koos den veertigsten dag. Het getal 40 is merkwaardig i) en komt bijzonder voor bij beproevingen of bij voorbereiding tot groote gebeurtenissen. Veertig jaren was Mozes in Midian , 40 jaren Israël in de woestijn, 40 dagen Mozes op den berg (Ex. 24: 18) zonder spijs, 40 dagen Elias door de kracht der spijs van den Engel gaande tot aan den berg Gods Horeb (1 Kon. 19 : 8) , 40 dagen de Heiland zelf in de woestijn voor zijn openlijk optreden: zoo wilde Hij nu nog 40 dagen in de woestijn dezer wereld vertoeven, om dan te doen wat Hij door Magdalena den broederen had aangekondigd

\') Hengstenberg , Gesch. des Roiches Gottos untor dem A. B. 11. 1. S, 118. De Moor, Commentar. in Marek. IV. p. 254. Gravomoüoi , Gerof. Gel. leer. II. 35

-ocr page 568-

§ 12. WANNEER.

Joh. 20: 17: Ik vare op tot mijnen Vader en uwen Vader en [to(\\ mijnen God en uwen God.

Waar was Jezus gedurende de tijden tusschen zijne verschijningen in die dagen ? \')• Zeker ergens op de aarde, ongetwijfeld in Galilea (Matth. 28 : 7. Joh. 21 : l), wellicht hier en daar bekommerde vrienden opzoekende, om de treurende zielen te verkwikken en dan weer afgezonderd en verborgen in stille eenzaamheid, gelijk Hij ook vroeger deed (Matth. 14 : 23). En ligt er onmiskenbaar over de veertig dagen een sluier van geheimzinnigheid gespreid: het getal 40, dat zoo groote herinneringen aan wonderbare toestanden opwekt, is dan juist gekozen om ons in dezen tot een licht te dienen, ten ainde vooral hier, in den voorbereidenden overgangsstaat onzes Heeren van het aardsche tot het he-melsche leven, het buitengewone niet vreemd, maar juist voegend , ja noodzakelijk te achten. —

546

Gesproken heeft de Heiland bij zijne verschijningen van de dingen die het Koninkrijk Gods aangaan: van deszelfs oprichting, uitbreiding en toekomende heerlijke openbaring. Hij gaf nadere inlichting naar de Schriften over het doel en de vrucht van zijn lijden en getuigde voor de ten afscheid vergaderde geloovigen op den berg in Galilea (Matth. 28; 16) van zijne heerlijkheid en macht, beval als Heer der volken aan zijne Apostelen de prediking

1 Eenen grond voor de tegenspraak tegen de lichamelijke opstanding van Jezus vindt Biedermann, Christ). Dogmatik II. S. 420 § 604. 2. c. ook in der Fr age nach dein wo ? Christi mil seinem Auferstehungsleib bis zur Ilirnmelfahrt In der Mitte zwischen Himmel und Erde: noch nicht ini Himmel, nicht mehr auf Erden; überall, wo die Empfünglichkeit dazu da ist ihn zu sehn ; nirgend, wo diese Empfünglichkeit fehlt.

-ocr page 569-

§ 12. WANNEER.

van het Evangelie in de geheele wereld met den doop in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes en sloot met de volheerlijke belofte voor zijn volk : zie, ik hen met ulieden alle de dagen tot de voleinding der wereld (Matth. 28 : 18—20) i).

De elf Apostelen gelastte Hij, naar Jeruzalem te gaan. Tien dagen voor het Pinksterfeest kwam Hij daar tot hen, leidde hen uit tot op den Olijfberg, beloofde hun nogmaals den Heiligen Geest en beval hun dat zij afgezonderd van de wereld te Jeruzalem de kracht uit de hoogte zouden verwachten (Hand. 1: 4—8). Toen voer Hij op.

Te welker ure, is niet opgeteekend. Des nachts geboren , tegen den avond gestorven , des morgens opgestaan, dus wel, denken sommigen, des middags opgevaren1), terwijl anderen oordeelen: in den stillen ochtendstond \'), wijl de Heiland zich niet meer in het openbaar, voor de oogen des volks vertoonde.

§ 13. Vanwaar.

Christus is opgevaren van een der toppen des Olijfsbergs, aan welks voet Gethsemané lag, in de nabijheid van Bethanië.

547

1

) Zoo Stier, Reden Jesu VI. S. 351. zu Luc. 22 : 53. S. 1019 zur Ap.-Geamp;ch. 1: 4—8.

-ocr page 570-

§ 13. VANWAAR.

Ook ten opzichte van de localiteit der hemelvaart onzes Heilands heeft men tegenstrijdigheden willen vinden. Naar Marcus zou Hij van uit de kamer te Jeruzalem , waar Hij tot de elven was gekomen , terwijl zij daar aanzaten Mare. 16: 14, zijn opgevaren, wijl de Evangelist na de vermelding van hetgeen Jezus tot hen sprak v. 15-18, er aanstonds v. 19 bijvoegt: De Heere dan, nadat Hij tot hen gesproken had, is opgenomen in den hemel. Maar de Evangelist bepaalt geen tyd of plaats, hij vat alles beknopt saam, gelijk hij ook v. 20 er onmiddellijk op laat volgen : En zij uitgegaan zijnde, predikten overal, hetwelk immers niet zegt dat zij dadelp van de zaal uitgingen en van daar aan predikten i).

Ook beweert men dat Lucas in zijn eerste en zyn tweede boek zich zeiven weerspreekt. In zyn Evangelium 24: 50 zegt hij , dat Jezus de discipelen buiten (Jeruzalem) leidde tot aan Bethanië1). Dit vlek lag 15 stadiën van Jeruzalem (Joh. 11: 18). Maar in de Handel, der Apostelen 1 : 12 bericht hij , dat zy van den Olijfberg wederkeerden , liggende van Jeruzalem eene sabbatsreize , d. i. 6 of 7 stadiën. (Eene stadie is het 30ste gedeelte van een uur gaans).

Maar Lucas zegt niet dat Bethanië eene sabbatsreize van Jeruzalem lag maar de Olijfberg , en „men moet dit verstaan van het begin des Olijfbergs op welken Bethanië

548

1

) sas eW Byóxvixv zegt niet tot in Bethanio, tot binnen hot vlok , maar tot waar de weg naar Bethanie liep, of tot in don omtrek en het grondgebied van Bethanie. Do zin is gelijk £«? tt/JS- , het welk Lachmunn heeft. Do Onzen hebben recht vertaald.

-ocr page 571-

§13. VANWAAR.

nog wat verder laggelijk reeds onze Kantteekenaars aanmerken i). Hij teekont hier in de Handel, niet de bijzondere, enkele plek waar \'s Heilands voeten voor het laatst op den aardbodem stonden en van welke Hij zich verhief, maar noemt slechts in het algemeen den Olijfberg , die omtrent 2000 ellen , een klein half uur gaans ten Oosten van Jeruzalem begon, terwijl hij in het Evang. de plaats reeds wat nader had aangeduid, namelijk naar den kant van Bethanië toe , dus vóór dit vlek hetwelk verder op aan de oostzijde van den berg lag.

Den Olijfberg koos de Heiland, om daar met zijne menschheid van de aarde te scheiden. Onder aan dezen berg , in Gethsemané , had Hij voor 43 dagen den strijd zijns laatsten lijdens begonnen, op den berg wilde Hij als het ware de tropee zijner overwinning planten. Aan den voet des bergs heeft hij gelegen en geworsteld in doodsbenauwdheid en hellenangst, op den top des bergs staat Hij als zegevierend levensvorst. In de nabijheid van die plaats , waar zijne jongeren Hem in de diepste vernedering hadden gezien , zou voor hunne oogen zijn overgang in de heerlijkheid geschieden. Meteen een treffend beeld van de natuur zijns rijks en van den weg zijns volks : door lijden ter heerlijkheid , en dat ivij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk Gods, Hand, 14 : 222).

1) Zoo ook Van March, Compeiui. XXI. 29. Do Moor, Corameutar. IV. p. 255 sq.

-) //. Witsius, Exorcit. Sacrao iu Symbol. Apost. XX. 16. p. 281.

519

-ocr page 572-

§ 14. WAARHEEN.

§ 14. Waarheen

Christus, van de aarde opvarende, is door de zichtbare hemelen doorgegaan naar den derden hemel, het reine lichtgewest, de plaats van zaligheid en heerlijkheid.

De Schrift laat ons niet in het onzekere. Daar is het Hebr. 4 ; 14 : Dewijl wij dan eenen grooten Hoogepriester hebbeti, die door de hemelen doorgegaan i\'s lt;) , [namelijk] Jezus den Zone Gods , zoo laat ons deze belijdenis vasthouden. En Efez. 4: 10: Die nedergedaald is, is dezelve (dezelve is het) ook die opgevaren is verre boven alle de hemelen1), opdat Hij alle dingen vervullen zoude.

De Schrift spreekt van drie hemelen 3). Hemel noemt zij vooreerst den dampkring, de atmospheer , den kring van levenslucht, waarmede de aarde is omgeven, waarin de vogelen vliegen en de wolken zweven, wanruit de Heere doet regenen; waar het sneeuwt en hagelt en waar de God der eere dondert. Ten tweede beteekent hemel die hoogere kreitsen, waar de sterren zich ver-toonen. Deze twee , de luchthemel en de sterrenhemel , zijn de voor den aardbewoner zichtbare hemelen. Door deze zichtbare hemelen is onze Heiland doorgegaan. Ten

550

1

) c y.xTx(3xlt;ï, oivTÓg wn kx) o xvxfixs ÖTrspxvu ttxvtuv tüv

OÜpXVMV.

■1) De moeste Rabbijnen tellen zeven hemelen. Eisenmenger, Entdecktes Judenthum I. S. 460 f. : Die Judon sagen dasz sie-beu Himmel seyen , welche die Erde umgeben , — sieben Pir-mamente , deren eins übor dem andern ist. Vergel. Bijbelseh Woordenboek I. p. 515 »Hemel.quot; Meyer, zu 2 Kor. 12: 2 schrijft ook aan den Apostel Paulus het Joodsohe gevoelen toe.

-ocr page 573-

§ 14. WAARHEEN.

551

derde gewaagt de Schrift van den hemel der hemelen, den hoogsten hemel, door den Apostel Paulus genoemd de derde hemel, het paradijs (2 Kor. 12: 2, 4). Daarheen is Christus opgevaren. Door het Voorhof en het Heilige is onze groote Hoogepriester ingegaan in het Heilige dor Heiligen (Hebr. 6 : 19 , 20. 9 : 24).

Vooral moeten wij tegen Lutheranen en alle idealisten er nadruk op leggen , wat de rechtzinnigen ook steeds hebben beleden, dat naar de Schrift Christus\' hemelvaart niet zegt: Hij is naar zijne menschheid aan alle perken der ruimte en plaatselijkheid ontheven. Integendeel Hij is van de eene plaats nnar eene andere plaats gegaan , van de aarde naar den hemel. De hemel verhoudt zich niet tot de ruimte gelijk als de eeuwigheid tot den tijd. De hemel beteekent geene ruimteloosheid. De hemel is eene plaats \'), een oord , een gewest in het heelal, door God geschapen, waar Hij zijne heerlijkheid het luisterrijkst openbaart, waar zijn troon is, de woonplaats der Engelen, vergaderplaats der zaligen (Hebr. 12 : 22, 23).

\') Zio Derde Hoofdstuk § 22. bl. 355. Kbrard, Kritik der evang. Gosch. S. 777 f. Dezelfde in Herzog:: Real-Encykl. Ie Ed. VI. S. 103. Ook Gh. Hodge, Systematic Theology II. p. 630. 631 : Hemel is eene plaats. In ivelk deel van het heelal hij is gevestigd, is niet geopenbaard. (Uat de sterren het niet zijn, blijkt alleen reeds uit Ef. 4: 10). Hee t Christus een maar lichaam, dan moet Hij (met dat bezielde lichaam , hetwelk immers zijn volumen, zijnen omtrek , zijnen vorm, zijne afmetingen heeft) ook een bepaald deel, eene zekere mate der ruimte beslaan, eene spatie vullen en dus werkelijk ergens wezen. En waar Christus is , daar is dos Christens hemel.

-ocr page 574-

§15. WIJZE.

§ 15. Wijze.

Wij hebben dan aangaande de wijze van de hemelvaart des Heilands vast te houden , dat Hij waarlijk en eigenlijk , zichtbaar en plaatselijk is opgevaren.

Waarlijk en eigenlijk opgevaren. Niet oneigenlijk, zooals Paulus 2 Kor. 12 : 2 , niet zoo dat het slechts bij gelijkenis eene hemelvaart genoemd zou zijn; niet in geestelijken zin , gelijk de Christen in zijn leven dient op te varen (Kol. 3:1); ook niet vermoedelijk , naar gissing , bij gevolgtrekking te gelooven.

Want zichtbaar is het geschied, voor de oogen der Apostelen. Hand. 1:9: Hij werd opgenomen daar zij het zagen; v. 11 zeiden de Engelen : Deze Jezus , die van u opgenomen is in den hemel, zal alzoo komen gelijker-wijs gij Hem naar den hemel hebt zien henen varen.

Plaatselijk. Het was geen verdwijnen zijns lichaams, geen vergaan tot niet-aanwezigheid; geen vervloeien in eene soort van alomtegenwoordigheid, geen ontzwachteling van de perken der ruimte; geen enkel onzichtbaar worden; geene verandering slechts van staat en toestand , maar van plaats.

Treffend tooneel! De Heiland staat met zijne elven op den Olijfberg. Hij spreekt tot hen van den Heiligen Geest die over hen komen zal en van de grootsche taak die zij in de kracht dezes Geestes zullen volbrengen. Terwijl Hij nog spreekt, breidt Hij zijne armen over hen uit en zegent hen , ten teeken van hetgeen Hij voortaan aan hen en aan al de zijnen wil doen. Zoo , zegenende , scheidt PI ij van hen , Hij heft zich op en zweeft zachtkens in stille majesteit omhoog. — Hier was meer dan Elias, wien Eliza nariep: Mijn Vader, mijn Vader, wagen Is-

552

-ocr page 575-

§15. wijze.

raïls en zijne ruiter en ! — Zij staren Hem na , maar uit de hoogte komt eene glanzende wolke neder en vloeit als een breede lichtkrans om Hem henen on bedekt Hem aldus voor hunne oogen. Meteen zijn de Engelen neergedaald en terwijl dezen de verbaasde Apostelen aanspreken , is Jezus reeds in den hemel (Hand. 1 : 11).

Met het Artikel Opgevaren ten hemel belijden wij dan dit: Dat Christus voor de oogen zijner jongeren van de aarde ten hemei is opgeheven en dat Hij ons ten goede daar is , totdat Hij wederl omt om te oordeelen de levenden en de dooden. Heidelb. Catech. Vr. 46.

De Apostel Petrus , een der getuigen, verkondigde het aanstonds op den Pinksterdag (Hand. 2 : 33, 34) en Hand. 3: 21 verklaarde hij aan het volk, wilde het weten waar Jezus Christus, de opgewekte uit de dooden , nu was : Welken de hemel (niet: welke den hemel) moet ontvangen\') (gelijk een huis den huisheer ontvangt , binnenlaat, opneemt ; en wel om er te blijven als in zijne eigene woonplaats tot aan zijne wederkomst) tot de tijden der wederoprichting aller dingen die God gesproken heeft door den mond aller zijner heilige Profeten van [alle] eeuwe.

Hij is dus naar zijne menschheid niet meer op aarde,

1) ov Sfr oópxvóv (/.h quot;Ss^x^Oxt. Luther: welcher musz den Himmet einnehmen , en zoo vele oude Lutheranen, ter gunste van de alomtegenwoordigheid des lichaams van Christus.

beteekent niet oncupare. Het is hot gebruikelijk woord voor: iemand vriendelijk in een huis opnemen, het tegengestelde van afwijzen. Do Ouzen zijn ook hier weer nauwkeurig: in den accus. cum infin. ia hier cv object, svpxvov subject. Zoo Meyer, i. 1. Ook Cremer , Wörterb. S. 174 u. d. W. iïé%o//,xi geeft hieraan de voorkeur.

553

-ocr page 576-

§ 15. WIJZE.

maar in den hemel. Stephanus zeide Hand. 7 : 56 : ik zie de hemelen geopend en den Zoon des menschen staande ter rechterpiand] Gods. Schoon Hij naar zijne Godheid en majesteit overaltegenwoordig is , bij goeden en kwaden , en met zijn genade en Geest bij en in alle de zijnen , is Hij naar zijne menschelijke natuur nu nergens meer op aarde , en bij niemand, ook niet in het heilige Avondmaal. Dit had Hij zelf van te voren te verstaan gegeven, wanneer Hij van zijn weggaan sprak. En in dezen zin zeide Hij Matth. 26: 11 tot zijne discipelen : De armen hebt gij altijd met u, maar mij hebt gij niet altijd. —

Naar de duidelijke leer der Schrift is dus Christus\' hemelvaart niet slechts eene verandering van toestand, maar tevens van plaats. Dit hebben de Geretormeerden met kracht staande gehouden tegenover de Luthersche dwaling van „overaltegenwoordigheid (ubiquiteit) zijns iichaams , die Hij ook voorheen bezat maar van nu aan gebruikte.quot;

554

De strenge Lutheranen, de Ubiquitisten (drijvers der alomtegenwoordigheid), leeren: „Christus heeft naar zijne menschheid uit kracht van hare vereeniging met den God-delijken Persoon van haar eerst begin af\') de eigenschap der alomtegenwoordigheid gehad, maar Hij heeft ze niet willen gebruiken dan nadat Hij verheven was boven de wolken, toen Hij in den hemel kwam , welke is alwaar God is , dat is overal. Zijne menschheid is overaltegenwoordig geworden niet door zich naar alle kanten uit te zetten en zich als een vel of vacht over alle schepselen

\') Quum in utero matris coucipovotur et homo fieret. Form. Cone. Solida Declar. VIIl. in Concordia Pia ed. Rocheuberg. p. 764.

-ocr page 577-

§ 15. WIJZE.

555

uit te breiden, maar op eene voor het verstand onbegrijpelijke wijze. Zichtbaar en plaatselijk voer Hij op tot waar de wolke kwam die Hem onderschepte. Van daar af bewoog Hij zich niet meer plaatselijk door de kringen der planeten al hooger in het ruim , maar hield nu np met zijne menschheid binnen plaatselijke perken telkens tot een eenig deel der ruimte bepaald te zijn : van daar af aan begon zijn volle gebruikmaking, openbaring en betooning der Goddelijke Majesteit , welke Hij naar zijne meuschelijke natuur reeds had ontvangen toen Hij mensch werd : alzoo is Hij in zijne heerlijkheid ingegaan •).quot;

Dus heeft volgens de Lutheranen Christus naar zijne menschheid van de hemelvaart af geenszins opgehouden op aarde te wezen, maar is nu in den hemel en op de aarde, „kan met zijne aangenomene menschelijke natuur tegenwoordig zijn en is tegenwoordig overal waar Hij wil, inzonderheid bij zijne Kerk op aarde. Niet de halve Christus , niet een gedeelte van Hem , maar geheel zijn Persoon. Tot dezen echter behooren beide naturen, de Goddelijke en de menschelijke: weshalve wij Hem tegenwoordig hebben niet alleen naar de Goddelijke, maar ook naar zijne aangenomene menschelijke natuurquot;2).

\') Form. Cone. Epitome VIII. od. Rechenb. p. 608. a) Solida Declaratio VIII. ed, Rechenb. p. 783. Over de vor-schilleude maniereu van tegenwoordigheid des eenigen lichaams van Christus verklaart zich Solida Declar. VII. ed Rechenb. p. 752 sqq. Ebrard, Dogm. II. S. 136. En wel: »1. Comprehen-sibili et corporali ratione: zichtbaar en in eene zekere plaats naar zijne quantiteit omschreven. Zoo , toen Hij lichamelijk op deze aarde verkeerde. Aldus kan Hij zich nog vertoonen, deed het soms na zijne opstanding, zal het doen ten jongsten dage.

-ocr page 578-

§ 15. WIJZE.

Dit is in den grond niet anders dan eene verloochening der hemelvaart van Christus en een gevolg van de mededeeiing der Goddelijke eigenschappen aan zijne men-schelijke natuur, welke zij stellen ten einde Christus\' lichaam wezenlijk tegenwoordig te hebben in de teekenen des Heiligen Avondmaals.

Daartegen de Heidelb. Catech. Vr. 47 : Is dan Christus niet hij ons tot aan het einde der wereld, alzoo Hij ons beloofd heeft ? Antw. Christus is waarachtig tnensch en waarachtig God. Naar zijne menschelijke natuur is Hij nu niet meer op aarde; maar naar zijne Godheid, majesteit , genade en Geest wijkt Hij nimmermeer van ons. Vr. 48. Maar zoo de menschheid niet overal is waar de Godheid is, worden dan de twee naturen in Christus niet van elkander gescheiden? Antw. Ganschelijk niet: want mitsdien de Godheid onbegrijpelijk en overaltegenwoordig is, zoo moet volgen , dat zij wel buiten haar aangenomen menschheid is en nochtans persoonlijk met haar vereenigd blijft. Waar Christus\' menschheid is, aldaar is ook zijne

Zoo ia Hij niet iu don hemel of bij den Vader. Deus enim non est corporalis locus.

2. Incomprehensibili et spirituali mode, bij wijze van eene doordringing aller creaturen (Zie bovon § 4). Zoo is Hij in hot brood en den wijn dos Avondmaals.

3. Divino et coelesti modo , wegens zijne eenheid met God. Waar God is, daar moet ook Hij wezen. Hoe dit geschiedt, weet geen mensoh noch Engel, \'t Is een mysterium.quot;

De verklaringen van verscheiden Luthersche Kerkleeraren aangaande Christus\' hemelvaart en zitting aan Gods rechterhand zijn bijeengebracht door C Vitringa, Doctrina Christ. Relig. P. V. 601—607. 615 sq. Vergel. voren in dit Hoofdstuk § 4.

Van Mastricht, Godgel. Hl. p. 63.

556

-ocr page 579-

§15. wijzë.

557

Godheid ; maar zijne menschheid is niet overal waar zfjne Godheid is. Waar de zon is, daar is ook haar glans en licht, maar het lichaam der zon is niet overal waar het licht is.

Dit is in den Catechismus klaar en waar gezegd en deze Gereformeerde opvatting onderscheidt zich als de eenig richtige en zekere niet alleen van de zonderlinge en verwarde voorstelling der stijfzinnige oude Lutheranen , maar ook van de begrippen van nieuwere , schijnbaar rechtzinnige Theologen , die aan de eene of de andere natuur van Christus te kort doen •). Christus is en blijft de Godmensch.

§ 16. Doel en vrucht.

Nadat Christus ter verwerving der zaligheid voor zijn volk alle gerechtigheid had vervuld, eindigde zijne vernedering

\') Aldus onmiskenbaar ook Ebrard, wiens voorstolling ten slotte wel hierop neerkomt, dat Christus is vermonschelijkte God. Hij zegt in Herzogs lleal-Enc. Ie Ed. VI. S. 104u.d. W. Himmdfahrt Christi, Dor ewigo eingeboretm Sohu vom Vater hatte dio Na-tur und Beschalïonheit der Menschen angonommon , war Men-schenseelo geworden und als solche oingogangon in den Schoosz der roinen Jungfrau , hatte sich oiuen Leib gebildet, war als Meusch geboren worden und so existirte or nun, der owige Gott göttlichon Wosens in dor Menschonnatur, in der Form monsch-lichen Seyns, monschlicher Entwicklungsfahigkoit, dahor ihm beide «Naturenquot;, das ewigo göttliche tFisseft und dio iichto mensch-liche Bcschaffcnheit, von da an zakommen. — — Als auf dor höchsten und letzten Stufe normaler monschlichor Entwicklung angelangter, d. h. verklarter Mensch ist er aus dem Grabo aufer-standen ; niuht um die essentia humana abzulegen, sondern um in Ewigkeit verklilrter Mensch za bleiben, um als Erstling und Haupt und König soiiie Glieder und Brüder ebenfalls zu

-ocr page 580-

§16. DOEL EN VRUCHT.

en met zijne opstanding uit de dooden begon zijne verheerlijking. Op deze aarde echter kon Hy in eenen staat van heerlijkheid niet z\\jn of zij moest zelve mede verheerlijkt worden. Hij verliet dan met zijne menschheid deze benedenwereld en voer op naar den hemel.

Dat deed Hij tot gewichtige en heilvolle einden in het belang zijner gekochte gemeente.

1. Om als hemelsch Koning zijne Middelaarsheerschappij te aanvaarden.

De hemelvaart kenmerkt den Koning en zijn Rijk.

a. Zij is een bewijs van Christus\' waarachtige Godheid, die de grond is van de waarheid der door Hem uitgewerkte verzoening en waarop de door den waterdoop bezegelde vergeving der zonden en mededeeling des Heiligen Geestes berust. De Heiland wees er reeds op in hetgeen Hij tot Nicodemus sprak Joh. 3: 13: Niemand is opgevaren in den hemel, dan die uit den hemel neder gekomen is, [namelijk\'] de Zoon des menschen die in den hemel is«). Zijne hemelvaart is de terugkeer naar zijne hemelsche woning, waar Hij voor zijne verschijning in het vleesch heerlijkheid bij den Vader had, van welke als Hem eigen zijnde Hij ook in zgne vernedering zich bewust was; is een bewijs dat Hij daar te huis hoorde, dat Hij zooals de Dooper Johannes verkondigde, van hoven, uit den hemel is gekomen (Joh. 3: 31) , dat Hij , de Zoon des menschen, de tweede mensch, is de Heere

dieser Vorkliirtheit zn erboben. Te recbt beeft Ch. Hodge, Systematic Theology II. p. 634. daarop iets aan te merken. Zie ook Tiende Hoofdstuk § 19. 20.

\') Vergel. Tiende Hoofdstuk § 17.

558

-ocr page 581-

§ 16. DOEL EN VRUCHT.

559

uit den hemel (1 Kor. 15: 47). Hiervan werden de Apostelen , die Hem van den Olijfberg zagen opvaren , dan ook met het diepste en levendigste gevoel doordrongen: En zij aanbaden Hem en keerden weder naar Jeruzalem met groote blijdschap , Luc. 24: 52.

b. Door zijne lichamelijke verwijdering van de aarde gaf Christus een laatst en afdoend bewijs van hetgeen hij voor Pilatus had verklaard : Mijn Koninkrijk is niet van de?e wereld, Joh. 18: 36\'). De Apostelen dachten nu wel niet meer aan een politiek Koninkrijk in Jood-schen, vleeschelijken zin zooals vroeger. Daarvan waren zij door Christus\' dood aan het kruis en door zijne onderwijzingen in de veertig dagen aangaande den aard van zijn iiijk (Hand. 1 : 3) wel afgebracht. Maar toch kleefden hun daarbij nog zinnelijke voorstellingen aan. Zij verwachtten nu reeds eene uitwendige, doorbrekende machtbetooning van den Heere , ter vervulling der oude profetieën , eene zichtbare en schielijke openbaring zijner heerschappü en vestiging van zijn Koninkrijk en wel voor Israël (Hand. 1 : 6). De vraag naar den tijd wijst de Heere af; maar Hij belooft de uitstorting des Heiligen Geestes en ordineert hen tot zijne getuigen en wel niet alleen voor Israël maar tol aan het uiterste der aarde (Hand. 1:7,8). En als Hij dit gezegd had, werd Hij opgenomen daar zij het zagen (v. 9). Dus door prediking des Evangelies en werking des H. G. zou het Koninkrijk komen in de geheele wereld, terwijl de Koning zelf in den hemel was. Ware Hij op aarde gebleven , dan hadde Hij met den lichame toch telkens ook

\') Zie Elfde Hoofdstuk § 31 en § 37.

-ocr page 582-

§ 16. DOEL EN VRUCHT.

maar aan ééne plaats knnnen zijn ; lichamelijk niet meer hier, wilde Hij in den Geeste komen te aller plaatse. Door dit alles deed Hij blijken, dat zijn Koninkrijk, hetwelk Hij wel in de wereld wilde oprichten , toch niets van de wereld had, maar geestelijk en hemelsch was van oorsprong en aard.

2. Om als Hoogepriester in het heiligdom te gaan en vandaar zijn volk te zegenen met de verworvene gaven.

a. Tot voorbidding voor zijn volk.

Israëls Hoogepriester deed , nadat het zondoffer in het voorhof was geslacht, zijn plechtigen ingang met het offerbloed in het Heilige der Heiligen voor het aangezicht des Heeren om voorbidding te doen voor het volk. Dat was schaduw , hier is het lichaam. Hebr. 9 : 24 : Want Christus is niet ingegaan in het heiligdom dat (door men-schen) met handen gemaakt is (dat kon Hij ook niet, want onze Heere was niet uit Levi maar uit Juda), hetwelk is een tegenbeeld des waren (een nabeelding, kopie van dat voorbeeld, hetwelk aan Mozes op den berg was getoond Hebr. 8:5), maar in den hemel zeiven , om nu te verschijnen voor het aangelichte Gods voor ons, als onze Voorbidder, Voorspraak\').

560

Hij is ingegaan door zijn eigen bloed (Heb. 9 : 12), niet met maar door. Het vergieten zijns eigenen bloeds , zijn offerdood moest voorafgaan, was voor Hem de voorwaarde en de weg om in te gaan. Dus door maar toch ook met. Doch niet met het materiëele bloed hetwelk uit z\\jn lichaam was gevloeid, als ware dit door zijne Almacht weer verzameld en gelijk zyn vleesch verheerlijkt in den hemel ge-

\') Om\' Christus\' voorbidding zie Elfde Hoofdstuk § 28.

-ocr page 583-

§ 16. DOEI. EN VRUCHT.

bracht\'), maar met de kracht zijner offerande (Hebr. 12; 24). „Namelijk met zijne victorieuse offerande die Hij hier op aarde zijnen Vader onstraffelijk opgeofferd had, tot eene verzoening voor alle zonden zijner geloovigen en met eene eeuwige begeerte dat die ons tot onze zaligheid altijd zou worden toegeëigend.quot; (Kantteek.) Uit zijn offer vloeien alle genadeweldaden voort; zijne voorbidding is er op gegrond.

b. Tot zegening zijns volks met de gaven zijns Geestes Ef. 4; 8, naar Ps. 68: 194). Daarom sprak Hij tot zijne discipelen Joh. 16: 7; Het is u nut dat ik ivegga: want indien ik niet wegga, zoo zal de Trooster tot u niet komen; maar indien ik henenga, zoo zal ik Hem tot u zenden.

3. Om in het huis zijns Vaders voor de zijnen plaats te bereiden. Hij zeide tot zijne discipelen Joh. 14: 2: In het huis mijns Vaders zijn vele woningen (niet velerlei, in verschillende trappen van heerlijkheid, maar, wat voor alle geloovigen samen gelijkelijk tot bemoediging kon dienen, vele: wil de Overste dezer wereld hun ieder plekje op aarde betwisten , in den hernel is ruimte genoeg voor hen allen) ; anderszins (indien dit niet werkelijk aldus ware) zoo zoude ik het u gezegd hebben. Ik ga henen om u plaats te bereiden. Namelijk in die woningen. De plaats was er dus , maar Hij wilde ze voor de zijnen bereiden ; door het verzoenende lijden en sterven en dan door opstanding en hemelvaart , daar de voorlooper voor ons moest ingaan Hebr.

\') Uitvoerig handelt daarover en zoekt, dit te staven. Joh. Alh. Bengel, Gnomon in Hebr. 12 : 24. Ook Stier, Brief an die Hobrüer 10 : 13 , 14. I. S. 308 ff. geeft zich moeite om dit wangevoelen veler Lutheranen aannemelijk te maken.

\'-) Hierover zie Elfde Hoofdstuk § 30.

Gravomeijer, Gorof. Gel. leor. II.

561

-ocr page 584-

§16. DOEL EN VRUCHT.

6 : 20). 3. En zoo wanneer ik henen zal gegaan zijn en u plants zal bereid hebben, zoo kom ik weder en zal u tot mij vemen, opdat gij ook zijn moogt waar ik ben (naar de ziel iedere geloovige in de ure des doods, zooals Stephanus gebeurde Hand. 7 : 55, 59 on Paulus hoopte Fil. 1 :23: ontbonden te worden en met Christus te zijn; en ten laatsten dage geheel zijne gemeente naar lichaam en ziel 1 Thess. 4: 17: opgenomen in de wolken, den Heere tegemoet, in de lucht; en alzoo zullen wij altijd met den Heere wezen}.

Hiervan vergewist ons Christus\' hemelvaart, wijl wij nu ons vleesch in den hemel hebben tot een zeker inwd, dat Hij als het Hoofd ons zijne lidmaten ook tot zich zal nemen {Heidelb. Catech. Vr. 49). De grond dezer heerlijke hope is niet dat er nu een menschelijk lichaam in den hemel is : want Henoch en Elias waren er reeds met den lichame ; maar dat Christus met zijne aangenomene menschheid daar is als het Hoofd zijner gemeente die zijn lichaam is, als de verzoenende Middelaar en Borg, die voor de zijnen den hemel heeft verdiend en verworven, als de plaatsbeklee-der en vertegenwoordiger zijner geloovigen.

Hij is langs den weg des lijdens heengegaan om voor de zijnen het recht van inwoning aldaar uit te werken en Amw er aldus plaats te bereiden en Hij heeft ze voor hen en in hunnen naam in bezit genomen, en Hij bereidt hen nu ook voor de plaats in heiligmaking des Geesies, Com bij u te wonen, o Heere God, Ps. 68: 19), dien Hij ons tot een te-genpand zendt, door welks kracht wij zoeken wat daarboven is , waar Christus is , zittende ter rechterhand Gods, en niet dat op de aarde is (Heidelb. Cat.)

De geloovigen zijn met hun denken en hopen , met hun begeeren en leven door hunne gemeenschap met Chris-

563

-ocr page 585-

§16. DOEL EN VRUCHT.

tus reeds in eene hoogere atmospheer overgebracht. Gelijk Paulus zegt Ef. 2:6: God heeft [ons] mede opgewekt en heeft [ons] mede gezet in den hemel (in het hemelsche, doch niet ter rechterhand) in Christus Jezus. Dat zegt de Apostel van zich en allen die eertijds dood waren door de misdaden en zonden , tot wie hy nu zeggen kon : uit genade zijt gij zalig geworden. Eene overzetting als uit de helle in den hemel. Maar in Christus Jezus: wijl het in de leden op aarde nog niet openbaar is, maar alleen in het Hoofd dat in den hemel is. Doch in het Hoofd zijn er de leden , in Christus bezitten zij reeds de zalige onsterfelijkheid en heerlijkheid, wegens de geheimzinnige , geestelijke eenheid van de leden met het Hoofd\'). Hun leven is met Christus verborgen in God (Kol. 3: 3). Zij wandelen naar den Geest, de tocht gaat naar boven2). De gemeente der geloovigen, het

\') Calvin. Commentar. Ephes 2 : 6. Dezelfde, lustit. II. 16. 16. ■^) Es glilnzet der Christen inwondigos Leben ,

Obgleich sio von auszen die Sonne verbrimnt ; Was ihnen der Konig des Himmels gegeben ,

1st keioem als ihnen nur solber bekanut.

Was Niemand verspüret, was Niemand borühret, Hat ihre erleuchteten Sinnen gezieret Und sie zu der göttlichen Würdo geführet.

Sie wandeln auf Erden und lebon im Himmel, Sio bleiben ohumSchtig und scbützen die Welt; Sie scbmecken den Frieden bei allem Getllmmel; Sie kriegen , die Aermsten, was ihnen getltllt.

Sie stehen im Leiden , sie bleiben in Freuden, Sie scheinen ertödtet den auszeren Sinnen,

Und führen das Leben des Glaubens von innen.

Dr. Christian Friedrich Eichter (f 1711).

563

-ocr page 586-

\'WH!

564 § 16. DOEL EN VRUCHT.

ware Israël, verlost uit Egypte , gaat moedig en verlangend op door de woestijn der verdrukkingen naar het beloofde land, de gezalfde bruid tot den Bruidegom , zoodat wie haar ziet met verwondering (als Bileam Num. 23; 9, 10) vraagt Hoogl. 3:6: Wie is zij, die daar opkomt uit de woestijn, als roohpilaren , berookt met mirre en wierook [en] met allerlei poeder des kruideniers *). Dat is de gemeente des Heeren, de beminde, de schoone in de gerechtigheid van Christus, gezalfd met den Heiligen Geest en zijne edele gaven, wier geur van haar opstijgt in zuchtend verlangen , vurige gebeden en dankzeggingen, tot zij komt waar Hij is5).

i.

1) 11. Witsins, Exorcit. Sacr. in Symbol. Apost. p. 292.

2) Wer ist sie , dio mit Lust das Auge schaut ?

So ruft dor Eugel siunendes Betrachten ,

Mit Gottes Weishoit mehr und mehr vortrant.

Mag noch der Wliste Führung sie nmnachten : Sie zeucht einher, sie steigt zu Ihm herauf,

Desz Gnaden ihr das Brautvorlangen brachten 1

Wie SSulon Rauohs in ungehornmtem Lauf Gen Himmel ziehn , so steigt ihr hoimlich Sehnen In des Gebetes Weihrauch allzeit auf.

Was will des Kramers Kunst mit vieletn schonen Gemenge bier? Nur diesen heil\'gen Duft Wird unsers Königs Wohlgefallen kronen.

Br steigt vor ihm in reiner ïempelluft,

Und die Erwamp;hlte wird ihm zubereitet ,

Bis er ins Allerheiligste sie ruft.

R. Stier, Gedichte. 1845. S. 173.

-ocr page 587-

§ 17. DERDE TRAP.

3. ZITTING AAN GODS RECHTERHAND.

§ 17. Dorde trap,

De derde trap van \'s Heilands verhooging is zijn zitten aan Gods rechterhand. Naar de Twaalf Geloofsartikelen : Opgevaren ten hemel, zittende ter rechterhand Gods des almachtigen Vaders. Hierdoor wordt de tegenwoordige staat en toestand onzes Heeren beteekend , waarin Hij blijven zal totdat Hij zal komen om te oor-deelen de levenden en de dooden. Het geeft te kennen het Waar en het Hoe van den ten hemel gevarenen Godmensch en Middelaar van zijne hemelvaart af tot aan zijne wederkomst.

Namelijk; sedert zijne hemelvaart is Hij met zijne mensch-heid, met lichaam en ziel in de plaatse en den staat der hoogste heerlijkheid en heerscht als Godmensch over alle dingen. Dat wordt in het Oude en in hot Nieuwe Testament zijn zitten ter rechterhand Gods genoemd.

David heeft er van getuigd Ps. 110: \\ : De Heere (Jehovah) heeft tot mijnen Heere (Adoni) gesproken : Zit aan mijne rechterhand\'), totdat ik uwe vijanden gezet zal hebben tot eene voetbank uwer voeten.

De zetel van Davids regeering was reeds op Slon gevestigd, de Arke des Verbonds reeds opgevaren (voorbeeld van Christus\' hemelvaart), de belofte van de eeuwige heerschappij zijns Zoons, zijner Spruite hem gegeven (2 Sam. 7), de oorlogen , ook de Syrisch-Am-

0 IV LXX evenals Matth. 22:44: kxóov k hfrüv

[zou.

565

-ocr page 588-

§17. DERDE TRAP.

monietische zegevierend geëindigd. Toen werd hem een heldere blik in den Messiaanschen tijd gegeven.

De Heiland, die dezen Psalm aanhaalt, zegt zelf Matth. 22 : 43 dat David hier in den Geest heeft gesproken. En de Psalm zelf draagt hliiken van eene buitengewone, geheel bijzondere verlichting , waardoor Davids Geest door den Heiligen Geest boven de schaduwen van zijnen tijd werd opgeheven en van het Koninkrijk en eeuwig Priesterschap des Gezalfden, dus van de grootste verborgenheden des Evangelies zoo klaar en nadrukkelijk getuigen kon.

David ziet in een profetisch gezicht den grooten Koning, die naar den vleesche uit zijnen zade zou voortkomen en dien hij ook als zijnen Heer erkent, voor Jehovah staan. Jehovah is God de Vader; de Heer van David en van de gansche gemeente Gods, wier mond hij is, is de Zoen (Ps. 2). David hoort in den Geest Jehovah tot dezen Heere spreken dat Hij zal zitten op zijnen troon aan zijne rechterhand, in de hoogste eereplaats , ten teeken dat Hij met Hem en in zijnen naam zal regeeren.

Dat dit op Christus ziet, heeft deze zelf tegenover de Farizeën verklaard Matth. 22 : 42—45,

Het is vervuld in Christus\' verhooging na zijne volbrenging van het werk der verlossing. Mare. 16: 19: De Heere dan, nadat Hij tot hen gesproken had, is opgenomen in den hemel en is gezeten aan de rechterband] Gods , op den troon der Majesteit en heeft als verhoogde Godmensch en Middelaar de bijzondere heerschappij over en voor zijne strijdende gemeente aanvaard, die Hij zal uitoefenen totdat de laatste vijand , de dood, zal zijn te niete gedaan (1 Kor. 15: 25, 26).

Het zitten zegt niet dat Hij in ruste is en werkeloos

566

-ocr page 589-

17, DERDE TRAP.

toeziet dat Jehovah de vijanden onder zijne voeten legt. Het tegendeel blijkt uit al wat er in den Psalm volgt, waarnaar Hij zelf als Koning strijdt en in de kracht Je-hovahs de vijanden nederwerptquot;).

De verheffing van Christus tot deze heerlijkheid behoort in het gemeen als eene Goddelijke werking naar buiten , aan de gansche Drieëenheid toe ; doch ten aanzien van de bijzondere huishoudelijke orde der Personen is het de Vader2), die Christus gezet heeft 3) tot zijne rechter[liand] in den hemel Ef. 1 : 20, die Hem met heerlijkheid en eere heeft gekroond Hebr. 2 : 7 , 9 , en tot Hem heeft gesproken: zit tot mijne rechterhand Ps. 110: 1.

Maar het wordt in do Schrift dan ook als Christus\' eigene daad voorgesteld : Hij is op den troon der heerlijkheid gaan zitten , heeft zich er op gezet *) Hebr. 1 ; 3, doch niet, gelijk de Lutherschen stellen, door de almacht zijner menschelijke natuur , maar naar zijn recht, naar het Goddelijke verbond, naar \'s Vaders belofte en op zijn volbracht werk naar verdienste Hem toekomende.

Hiermede is reeds aangeduid, in welk verband deze verhooging van Christus met zijne vernedering staat.

De gevoelens onzer oude Kerkleeraren zijn nopens dit punt niet eenparig. Calvijn verzet zich met kracht tegen

\') C. Vitringa, Doctrina Christ. Kol. V. p. 613 : Probe con-sidorandum , ad Sessionem ad dextvam siugulari modo peninero subactionem hostium Christi.

\'2) II. Wits hts , Exercitat. Sacr. in Symbol. Apost. XXI. 28 sqq. p. 303 sq.

:l) SKaOicrsv, hier transitief, als 1 Kor. 6:4; xvtov is or uit hot voorafgaande bij te verstaan.

4) Hier is sy.xÓKrsv noodzakelijk als intrausitivum te nemeu.

567

-ocr page 590-

§ 17. DERDE TRAP.

de voorstelling, dat Christus door zijne gehoorzaamheid de heerlijkheid in de eerste plaats voor zich en dan voor anderen had verdiend \'). Calvljn wilde niet weten van eene verdienste des Zoons Gods voor zich zeiven, ten einde niets wierde onttrokken aan zijne verdienste voor ons en men geene vermeerdering van heerlijkheid in Hem ten aanzien van zijne Godheid zou stellen. Zijne gehoorzaamheid was dan naar deze opvatting niet de verdienende en uitwerkende oorzaak van zijne verhooging, maar slechts de weg daartoe en zijne heerlijkheid was geen loon voor Hem , maar slechts gevolg van zijne vernedering.

Godgeleerden van name zijn Calvljn hierin gevolgd2). Andere , van geen minder gezag, houden vast dat Christus „krachtens de oneindige waarde zijner vernedering en gehoorzaamheid verdiend heeft en voor zich en voor ons eene oneindige heerlijkheidquot; 3).

De oplossing van dit verschil en de vereeniging dezer schijnbaar strijdige gevoelens ligt in de strenge en consequente opvatting van Christus\' plaatsbekleeding ; zooals in ons vorige reeds is verklaard (Zie Twaalfde Hoofdstuk deel II. § 3 hl. 334).

Verdiend heeft Christus de heerlijkheid voor zich, maar

\') Calvin. Instit. II. 17. 6. Idem, Commentar. in Ep. ad. Philipp. 2: 9.

2) Zoo Fr. Junius, Theses Theol. XXIX. 11. Opusc. selecta ed. Dr. A. Kuyper p. 200. Ook de Synops. Pur. Theol. Disp. XXVIII. 29, ed. Dr. H. Bavinck p. 279.

3) P. Van Mastricht, Godgel. III. p. 7. 86. March. Com-pend. en March XXI. 3. Idem, Theol. Position. 577 , achter het Compend. p. 670; praemium laboris. De Moor, Ccmiuent. IV. p. 19 sqq. C. Vitringa, Doctrina Chr. Hel. V. p. 585 sqq.

568

-ocr page 591-

§ 17. DERDE TRAP.

voor zich als Plaatsbekleeder en als zoodanig geheel voor de zijnen, in wier naam en plaats Hij stond. Hadde Hij niets voor zich verdiend, dan kon Hij ook over niets beschikken. Maar nu was het zijn eigen werk en verdienste en juist zoo kon het geheel en in waarheid voor rekening en ten bate der zijnen gelden. Zijne heerlijkheid is de heerlijkheid der zijnen in Hem, gelijk zijn dood hun dood.

Alles voor de zijnen. In dezen zin is vast te houden wat Calvijni) zegt: „Christus heeft voor zich niets gezocht of ontvangen, maar alles voor ons. Immers wat had Hij nog een nieuwe verhooging noodig, die den Vader gelijk was?quot; En onze Kantteekenaars1) op Fil. 2:9: „al wat Christus verdiend heeft, dat heeft Hij voor ons verdiend.quot;

Christus is verheerlijkt beide naar zijne Goddelijke en naar zijne menschelijke natuur 3). Hoe wij dit dienen te verstaan, is te voren aangewezen (Twaalfde Hoofdstuk § 3 bl. 334 — 33G). De glorie zijner Godsgestalte, die de Zoon Gods, mensch wordende , had afgelegd, heeft Hij in eenen anderen bestaansvorm, als Godmensch, als Middelaar Gods en der menschen weder ontvangen en zij blinkt ontsluierd en onbedekt van Hem uit, nu aangedaan met de menschelijke natuur, met lichaam en ziel, waarin het centrum zijner alomtegenwoordige persoonlijkheid gevestigd blijft ♦), waar-

569

1

s) Dezen volgen bij Fil. 2: 9 geheel Calvyn en laten gelijk hij aan het Daarom , ho des Apostels goon recht wedervaren.

-ocr page 592-

§17. DERDE TRAP.

in H\\j met de volheid zijner Godheid eeuwig woont, eene menschelijke ziel en een menschelijk lichaam doch beide verheerlijkt. Als Godmensch en Middelaar, ten aanzien van zijne beide naturen tegelijk , als God ge-openhaard in het vleesch is Hij opgenomen in heerlijkheid, 1 Tim. 3: Ifi. —

Of Christus in den hemel de litteekenen van zijne wonden nog in zijn lichaam draagt ? Verscheiden Kerkvaders en uitnemende Roomsche en Luthersche\') leeraren nemen dit aan ; de Gereformeerden hellen over om het te ontkennen1). De Schrift doet geen bepaalde uitspraak.

570

1

) Scherp Calvin. Comment, in Joh. 20; 20: Siquis hine colligat, Christum adhue habere eonfossum latus et manus per-foratas, ridiculus erit, qunm certum sit temporalem fuisse vulnerum usum , donec certo persuasi essent Apostoli, ipsum a morte resurrexisse.

Minder beslist Van March, Compeud en Merch XXI. 22 : Christus heeft bij zijne opstanding de teekenen van de wonden behouden, hetzij dat Hij die nog hebbe om ze ten jougsten dage te vertoonen naar Openb. 1 : 7 , of veelmeer dat Hij ze bij zijne opklimming hebbe afgelegd. Voor dit laatste verklaart zich ook De Moor , Commentar. in Marck. IV. p. 226.

-ocr page 593-

§17. DERDE TRAP.

Na zijne opstanding toonde de Heere Jezus aan de discipelen zijne handen en zijne zijde , met de litteekens der wonden die daarin waren (Joh. 20 : 20, 27). Dat Hij ze na zijne hemelvaart heeft behouden en er mede bij zijne komst ten oordeele zal gezien worden is niet bedoeld in de Godspraak bij Zach. 12 : 10 , waar geprofeteerd wordt het geloovig zien en erkennen van den doorpriemden Messias door de overtuigden en berouwhebbend en tijdens het Nieuwe Verbond ten gevolge van de uitstorting des Heiligen Geestes Ook beslist Openb, 1 : 7 niet, waar immers niet gezegd wordt ; alle oog, ook dergenen die Hem doorstoken hebben , zal zijne iconden zien , maar; zal l]em zien , denzelfden Persoon , dien zij hebben doorstoken, maar dan als Rechter.

Intusschen zegt de Schrift ook niet uitdrukkelijk , dat Hij de litteekenen bij zijne hemelvaart heeft afgelegd, doch men acht dit als waarschijnlijk om reden dat zijne verheerlijking met den ingang in den hemel voltooid werd. Maar wij mogen niet voorbij zien , dat Hij in de Openbaring van Johannes na de verhooging zoo dikmaals als het Lam wordt aanschouwd , en wel staande als geslacht geweest zijnde (Op. 5: 6) i). Heeft Hij dan in zijne heerlijkheid de litteekenen van zijne kruisiging nog en zal Hij zich ten genen dage daarmede vertoonen , Hij draagt ze als eereteekenen van zijne zegepraal over den

\') somdat Christus, nu verheerlijkt op den troon zijns Vaders , do litteekenen van zijne wondon en smarten , dio Hij te voren voor ons gedragen had , in dit gezicht nog droeg, gelijk Hij Luc. 24: 40 en Joh. 20 : 27 ook deed.quot; Kantteek. Hiernaar droeg Hij ze dus alleen in dit gezichte. Doch zie Twaaljde Hoofdstuk § 2. bl. 332.

571

-ocr page 594-

§18. BETEEKENIS.

dood. De schande des kruises (Hebr. 12:2). waardoor Hij zijnen Vader allermeest hoeft verheerlijkt en de zaligheid voor zijn volk verworven, is en blijft zijne eere, zijn roem.

§ 18. Beteekenis.

De Gereformeerden oordeelen eenstemmig, dat men Christus\' zitten aan God* rechterhand niet eigenlijk moet verslaan. Want God is Geest en heeft geen lichaam en dus geen eigenlijke hand, geen rechter of linker. Het is een zinnebeeld van de hoogste eere en macht. Daarom wordt Christus ook gezegd te zitten ter rechter[hand] der kracht Gods \') Matth. 26 : 64 en aan de rechter [hand,] der Majesteit in de hoogste hemelen1) Hebr. 1 : 3.

De streng Luthersche Godgeleerden verklaren, in navolging van Luther , niet de geheele spreekwijs zitten aan Gods rechterhand zinnebeeldig, maar alleen het woord rechterhand. Hun is de rechterhand „Gods almachtige kracht die hemel en aarde vervultquot; s); Gods rechterhand is overal: dies is hun het Zitten van Christus aan de

572

1

\') èx rijg quot;huvaiAsus.

-ocr page 595-

§ 18. BETEEKËNIS.

rechterhand Gods zijne ubiquiteit, zijne almachtig werkende overaltegenwoordigheid in en met zijne menschheid, ten gevolge van de werkelijke mededeeling der Goddelijke almacht en alomtegenwoordigheid aan zijne menschelijke natuur. De gansche volheid des Geestes is naar de Lu-thersche leer aan Christus\' vleesch, krachtens de persoonlijke vereeniging met de Godheid medegedeeld en werkt op de vrijste wijze in en met en door zijne menschelijke natuur, en alleen door deze\')■ Waar Christus is, zeggen de Lutherschen , daar is Hij niet alleen als God maar ook als mensch, wegens de eenheid zijns Per-soons. „Waar gij ook zegt en te recht: hier is God, daar moet gü dus ook bekennen : bij gevolg is hier ook de mensch Christus. En zoudet gy eenige plaats toonen, in welke alleen God ware en niet de mensch , dadelijk wierde de Persoon verdeeld. Want dan konde ik met recht zeggen : hier is die God die niet is mensch en die nog nooit mensch is gewordenquot;1).

De Gereformeerden leggen er nadruk op, dat niet alleen het woord rechterhand, maar geheel het gezegde gezeten aan Gods rechterhand zinnebeeldig nr^oet worden verstaan , dus ook het zitten 3).

Gods rechterhand beteekent 1. zijne macht en sterkte.

573

1

) Ibid. p. 784.

-ocr page 596-

18. BETEEKENIS.

Want in de rechterhand heeft men gewoonlijk de meeste kracht en vaardigheid , met de rechterhand voornamelijk werkt men , zoodat linksche Benjaminieten als Ehud Richt. 3: 15 en de zevenhonderd Richt. 20; 16 zelfs als iets buitengewoons worden vermeld. Vandaar het gezegde Ps. 115: 15 : De rechterhand des Heeren doet krachtige daden. 2. Zijne goedertierenheid. Want met de rechterhand geeft men. David geeft den Heere den lof: Liefelijkheden zijn in uwe rechterhand eeuwiglijk, Ps. 16:11. 3. Zijne heerschappij. Want de rechterhand des gebieders voert den schepter en deelt de bevelen uit.

Aan iemands rechterhand te zitten geeft te kennen: de hoogste eere en waardigheid bij hem te hebben. Rechts is de eerste eereplaats, links de tweede (Matth. 20 : 21). De rechterhand is altoos de hand van eere \'). Jacob leide zijne rechterhand op Ephraim, wijl deze grooter dan zijn broeder worden zou , Gen. 48 : 14 en Salomo deed Bathseba aan zijne rechterhand zitten , 1 Kon. 2 : 19.

574

Op den troon zitten zegt : koning zijn. Vragen wij van een land; wie zit daar op den troon? dan zegt dit alleen: wie is daar koning? waar in den lande hij dan ook juist zijne tegenwoordigheid vertoone.

\') Ten onrechte hebben sommigen beweerd dat oudtijds de linker boven de rechter werd geacht. Daartegen P. Van Mas-tricht, Godgel. III. p. 87. II, Witsius, Exercit. in Symbol. Apostol. XXI. 4 sqq. p. 294 sqq. De Moor, Commenta,r. in Marck. IV. p. 272 sqq. Van Nero\'s spectakel met Tiridates, koning van Armeniü , zegt Sueton. Nero c. 13 : Perductum in theatrum —• — juxla se latere dextro collocavit. Bij de Romeinen is dexter zelfs z. v. a. faustus en propitius. Heindorf zu Horat. Sat. II. 3. 38.

-ocr page 597-

§18. BETEEKEN1S.

Aan \'s konings rechterhand op zijnen troon zitten zegt: deelgenoot te zijn van zijne eere en macht, de eerste naast hem te zijn , door wien hij alles bestuurt.

Ter rechterhand van eenen koning was bijzonder do plaats voor de bekleeders van eene aloude waardigheid in het Oosten, namelijk voor eenen koninklijken stedehouder, aan wien de volle koninklijke macht en waardigheid was gegeven en door wiens hand de koning regeerde , zooals Jozef in Egypteland, tot wien Pharao zeide Gen, 41: 44: Ik hen Pharao! doch zonder u zal niemand zijne hand of zijven voet opheffen in gansch Egypteland.

Aan deze gewoonte van oostersche koningen is de spreekwas gezeten aan Gods rechterhand ontleendquot;), als zijnde uitnemend gepast om in menschelijke, verstaanbare taal de heerlijkheid van Christus af te teekenen. Ook het zitten zegt iets. Het zitten voegt koningen, dienstknechten staan. Jezus heeft ook moeten staan : Hij stond voor den stadhouder Matth. 27: 11. Zelfs heeft Hij moeten vluchten voor zijne vijanden, heeft moeten hangen aan het schandelijke kruis, heeft moeten liggen in het graf — altemaal gestalten van nederigheid en ellende. Maar Hij heeft, wel niet de mensch-heid doch de gestaltenis van een dienstknecht afgelegd en Hij zit op den troon. Hij regeert, Hij is met heerlijkheid en eere gekroond. De Brief aan de Hebr. 10:11, 12 legt nadruk op het zitten van Christus na de voltooiing van zijne offerande in tegenstelling tegen het slaan der priesters in hunnen dienst: Een iegelijk priester stond (staat) wel alle

!) Zoo ook zonder omhaal Calvin. Instit. II. 16.15: simili-tudiuo a priuoipibus sumpta , qui suos habent assossores. quibas rogondi imperandique vices demandant. Hengstenberg, Commua-tar über d\'e Psalmen IV. 1. S. 228 f. zu Ps. 110: 1.

575

-ocr page 598-

§18. BETEEKENIS.

dagen dienende en dezelfde slachtofferen dilcmaals offerende, die de zonden nimmermeer kunnen wegnemen: Maar deze, één slachtoffer voor de zonden geofferd hebbende, is in eeuwigheid gezeten aan de rechter[]iand\\ Gods.

Eene misvatting is het wanneer men het zitten van Christus aan Gods rechterhand neemt als zinnebeeldige uitdrukking van zijne verhooging tot evengelijkheid lt;) met den Vader in macht en heerlijkheid. Er is beweerd dat de Schepter zich voordoet als aan beiden behoorende, dus als teeken van eenzelfde macht. Want de Schepter is midden tusschen beiden, tusschen dengenen die hem in de rechterhand houdt en den anderen die aan deze rechterhand zit, hij is alzoo tusschen beiden verdeeld. Deze deeling als het ware en gemeenschap des Schepters , die het insigne is der koninklijke waardigheid en majesteit, zou dus beteekenen de gemeenschap des koningdoms, der macht, der regeering en bijgevolg der hoogste heerlijkheid , die met zulk eene verhevene waardigheid vergezeld gaat. Want die deelgenoot geworden is van den Schepter, dezelfde is deelgenoot van de regeering en macht, van welke de Schepter het embleem , het zinnebeeld is1).

Naar deze opvatting is het dan wel de Vader, en deze in dit opzicht de meerdere, die den Zoon na en wegens zijne gehoorzaamheid verhoogt en aan zijne rechterhand plaatst; maar dit doende geeft de Vader den Zoon deze heerlijkheid Hemzelven evengelijk te zijn , niet de naaste bij Hem, maar Hem evengelijk 3).

\') Aldus C. Vitringa, Observation. Sacr. Lib. II. Cap. 4.

2) C. Vitringa a. W. Lib. II. Cap. 4. § 7.

\') Dezelfde 1. o. § 2 en 3: Pater, quando Pilium locavitad

576

-ocr page 599-

§ 18. BETEEKENIS.

Deze verklaring van het zinnebeeld heeft te recht tegenspraak gevonden i). Zij is strijdig tegen den aard zeiven des zinnebeelds : Schepter en kroon zijn teekenen van koninklijke waardigheid alleen voor dien die ze draagt, niet voor dien die er naast zit. En het is tegen de Schrift, die aan Christus zeiven kroon en Schepter geeft (Op. 6: 2. 14: 14. Hebr. 2: 9. Ps. 110: 2. Hebr. 1 : 8).

En de voorstelling, dat Christus\' verhooging ter rechterhand Gods zou te kennen geven zijne verheffing tot evengelijkheid met den Vader is eene afdwaling van de waarheid.

Want de evengelijkheid met den Vader in majesteiten macht heeft Christus gehad ook vóórdat Hij is gezeten aan de rechterhand Gods: als Zoon Gods, als de Logos had Hij ze van eeuwigheid (Nederl. Belijd, des Gel. Art. X)1).

En de evengelijkheid met den Vader komt even zoowel den Heiligen Geest toe als den Zoon, terwijl toch alleen de Zoon en niet de Heilige Geest gezegd wordt te zitten aan Gods rechterhand. Dit is uitsluitelijk aan Christus eigen.

577

1

) Zie Vierde Hoojdstuk § 29. 31. 33. Tiende Hoofdstuk § 12—14. En van de noodige onderscheiding tusscheu Christus\' Wezensmacht en Middelaarsmacht Elfde Hoofdstuk § 31. II. bl. 276.

Gravemeijer, Geref. Gel. leor. II. 37

-ocr page 600-

§18, BETEEKENI3.

Eindelijk, ware het zitten aan de rechterhand Gods evengelijkheid met den Vader, dan konde Christus\' menschelijke natuur in dat zitten niet deelen. Want de rnenschheid kan nooit God worden •). En toch raakt Christus\' geheele verhooging, ook deze derde trap, zijne beide naturen, hoewel op onderscheiden wijze , zooals vroeger is aangetoond2). Naar de Lutheranen 3) is het eigenlijke subject der verhooging niet Christus\' Persoon , maar zijne menschelijke natuur; naar de Gereformeerden de Goc?»«e«sc/j-Midde-laar. Zijn zitten aan Gods rechterhand verbeeldt niet de wezenlijke macht en heerlijkheid , die Hem krachtens zijne Goddelijke natuur eigen is en waarin Hij van eeuwigheid evengelijk is met den Vader en den Heiligen Geest; maar zijne Middelaarsmacht en heerlijkheid , Hem gegeven van den Vader, Matth. 28: 18 , eene macht en heerlijkheid „zoo groot als in den Middelaar Godmensch

\') Hiervan moeteu wij met Calvin. Commentar. in Ep. ad Philipp. 2: 9 zeggen: hominem divinos honores posse mereri et ipsum Dei thronum acquirere , non modo absurdum sed dictu etiam horrendum est.

2) Twaalfde Hoofdstuk § 3. II. bl. 336. En in dit Dertiende Hoofdstuk § 17. bl. 5(59.

3) Ton gronde ligt hierin bij de Lutherschen wederom hunne Communicatio idiomatum , mededeeling van eigenschappen dei-Goddelijke natuur aan do menschelijke, waarvan men zelfs voortgaande maakte eene Trspizccp\'/icrig, penetratie, doordringing van do eene natuur door de andore.

Do Luthersche Formula Concordiae, Epitome VIII. ed. Re-chenborg p. 608 zogt: — confitomur, Filium hominis ad dectram omnipotentis Majostatis et virtutis Dei realiter, hoc est, vere et roipsa, secundum humanam suam naturam, esse oxaltatum, quum homo ille in Deum assumptus fuerit quamprimum in utero matris a Spiritu sancto est conceptus.

578

-ocr page 601-

§18. BETEEKEN1S.

vallen kanquot;, eene zoodanige „waardoor Hij de naaste is aan God den Vader\'). Dit, de naaste zijn aan God den Vader, ligl. ook juist in het zinnebeeld des zittens aan diens rechterhand14), gelijk dan ook de Apostel Pau-lus zegt: dat Hem alle dingen onderworpen zijn, uitgenomen Hij (God de Vader) die Hem alle dingen onderworpen heeft, l Kor. 15: 27.

Dit kan ons niet bevreemden , wanneer wij slechts in het oog houden, dat Hij als Middelaar is verhoogd, juist tot voortzetting en geheele volvoering van zijn Mid-delaarsiverk, tot voltooiing van de groote taak, Hem door den Vader opgedragen en door Hem overgenomen, de volkomene zaligmaking zijns volks , tot voortgaande toepassing en mededeeling aan de uitverkorenen, door den Heiligen Geest dien Hij zendt, van hetgeen Hij in zijne vernedering voor hen heeft verworven, alzoo tot geheele voltrekking en afwerking van het eeuwige heilsplan tot verheerlijking Gods.

Het zitten van Christus aan de rechterhand Gods , als geheel behoorende tot zijn Middelaarschap, is dan ook geenszins de grond , waarom Hij moet aangebeden worden. Dit hebben nauwlettende Gereformeerden, de twee naturen in Christus behoorlijk onderscheidende , klaarlijk erkend en vastgehouden tegen degenen /^die leerden dat Christus op grond van zijne Middelaarsmacht, als Middelaar , dus ook als mensch moest worden aangebeden , terwijl naar de Gereformeerden de grond der aanbidding

\') P. Van Mastricht III. p. 88. V. Book, XVII. Hoofdst. § 6. Vergel. Synopsis, Purioris ïhool. ed. Dr. H. Bavinck p. 278.

2) De Moor, Comment, in Marck. IV. p. 276. Hengstenberg, Christel, des A. T. Eersto Uitgave. I. 1. S. 143.

579

-ocr page 602-

§18. BETEEKENIS.

alleen gelegen is in de eeuwige Godheid des Zoons. Tegen Socinianen, wien Hij niet is God van eeuwigheid, maar een God geworden mensch. Tegen Lutheranen, volgens welken Christus\' menschelijke natuur vergoddelijkt is. Tegen de Roomschen, die daarin eenen steun vinden om aan hunne hemelsche heiligen de eere gelijk van voorbidding door hen zoo ook van aanroeping of zelfs aanbidding jegens hen te kunnen toeëigenen \')• En het geldt tegen allen die op Herrnhutersche wijze de aanbidding van God den Vader op den achtergrond stellen en , zonder behoorlijke onderscheiding hunne gebeden tot Jezus richten — tegen het Gebed des Heeren zelf, tegen zijn eigen Woord Matth. 4:10, tegen den aard der Goddelijke heilsbedeeling, naar welke de Geest door den Middelaar tot den Vader leidt en tegen de leere en het gebruik der Gereformeerde Kerk blijkens hare Belijdenis (Art. XXVI slot) en hare Liturgie1). De Zoon is met den Vader en den Heiligen Geest te aanbidden als waarachtig en eeuwig God , maar niet naar zijne aange-

580

1

) .ƒ. II. Scholten, Leer der Herv. Kerk II. p. 358—562. 3ij de Herrnhutersche Broedergemeente, gesticht door graaf Van Zin-zendorf 1727, gold bij uitnemendheid de vereeling des Zoons, Christus was hun God, und in die Stelle aller Theologie trat Ciihistologie oder Christo-Theologie ein. Niedner , Kirchengesch. S. 802. Zelfs onderstond men te zeggen: God de Vader had zich als hel ware van de wereld teruggetrokken , zich ter ruste gezet en de regeering aan den Zoon overgegeven, zie Ilase, Hutt. rediv. § 98. 3to Aufl. S. 247. Anders onze Ileidelb. Cat. Vr. 50: Christus het Hoofd zijner Christelijke Kerke , door hetwelk de Vader alle ding regeert. En vr. 128 : Gij als onze Koning,

-ocr page 603-

§19. CHRISTUS\' HEERSCHAPPIJ.

nomene menschheid of op grond van zijn Middelaarschap, want dat ware goddelijk eeren hetgene van nature geen God is (Gal. 4: 8). Het is alleen ter oorzaak en op grond van zijne Godheid, dat ook alle Engelen Gods Hem aanbidden (Hebr. 1 : 6).

§ 19. Christus\' heerschappij.

De macht en heerschappij van den Godmensch en Middelaar Christus , tengevolge van zijne verhooging , is alomvattend. Niet dat God de Vader de regeering nu aan Christus heeft afgestaan, maar de Vader regeert door Hem i). Want Christus is daarom ten hemel gevaren, opdat Hij zichzelven daar bewijze als het Hoofd zijner Christelijke Kerke, door hetwelk de Vader alle ding regeert. Heidelh. Catech. Vr. 50. Maar evendaarin ligt dan ook: zoover de regeering des Vaders reikt, strekt zich ook Christus\' regeering uit, dat is , over alle ding. En wel ten behoeve zijner Kerk , om als Middelaar haar te vergaderen , te onderhouden , door zijnen Heiligen Geest en door zijn Woord en instellingen te besturen, haar met zijne hemelsche gaven te bedeelen, haar te voeden en te kleeden , haar te leeren en te vormen, haar met zijne macht tegen alle vijanden te beschutten en te bewaren (Heid. Cat. vr. 51) en haar ter zaligheid en heerlijkheid op te voeren.

Om dat te kunnen , moest Hij macht en gezag over

\') Christus is geon Sociniaansch Stedehouder Gods. Catech. Racov. Qu. 472 zegt: Sedere ad dexteram Dei est vices Dei ge-rere. Vergel. Qu. 122: Christus Dei Patris personam in judicio mundi sustinebit.

581

-ocr page 604-

§ 19. CHEISTUS\' HRERSCHAPPIJ.

alles hebben, niet slechts zooals Hij dit had krachtens zijne Godheid, in eenigheid des Wezens met den Vader en den Heiligen Geest, maar als Godmensch en Middelaar , in zijne betrekking tot de Gemeente die Hij gekocht heeft met zijnen bloede \').

Tot dat einde heeft AeVsiAev Hem alle dingen onderworpen , alleen zichzelven niet (1 Kor. 15: 27). Over alle schepselen heeft Jezus Christus gezag en als het Hoofd der gemeente regeert Hij do gansche wereld; Welke (opgestaan van de dooden) is aan de {j-echter^hand Gods, opgevaren ten hemel, de Engelen en machten en krachten Hem onderdanig gemaakt zijnde , 1 Petr. 3 : 22. Aldus schetsen ons de Apostelen met de verhevenste uitdrukkingen de macht en heerlijkheid van den gekroonden Middelaar-koning.

582

Zoo ook Paulus Ef. 1: 20: De Vader der heerlijkheid (Vs. 17) heeft Hem uit de dooden opgewekt en heeft [Hern] gezet tot zijne rechter[Jiand) in den hemel. 21. Verre hoven alle overheid en derzelver macht en boven alle stoffelijke en geestelijke kracht en boven alle over zulke kracht beschikkende heerschappij, zoo van Engelen als van menschen, en boven allen naam die genaamd wordt niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende, boven al wat hoog en groot heet in de aardsche en de hemel-sche , in de zichtbare en onzichtbare wereld, ook boven die namen , die men in de tegenwoordige wereld niet eens weet te noemen , maar eerst in de toekomende zal kennen, boven al wat is en zijn zal (Fü. 2:9); 22. En heeft alle dingen-zijnen voelen onderworpen. Alle dingen

\') Men neme hierbij vooral in aanmerking wat gezegd is van Christus\' Koninklijk Ambt, Elfde Hoofdstuk § 31 v.v.

-ocr page 605-

§ 19. CHRISTUS\' HEERSCHAPPIJ.

daaronder begrijpt de Apostel nu nog deels het levenlooze en onpersoonlijke , deels en vooral de vijandige, weerstrevende schepselen, gelijk de uitdrukking onder de voeten te kennen geeft (Joz. 10: 24). Dit was reeds inden profetischen 8stl!u Psalm vs. 7 aangeduid, even als in den HOden pgi vgi 2i Dit heeft de Heiland zelf plechtig verklaard , toen Hij stond op te varen, Matth. 28: 18: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.

Met zulke macht bekleed, is H\\j het Hoofd der gemeente. De Vader heeft Hem der gemeente gegeven tot een Hoofd hoven alle dingen, dat zegt, juist in deze hoedanigheid , als Heer over alles, heeft Hem de Vader der gemeente ten Hoofde gegeven. En al zijne macht gebruikt Hij nu ter volvoering van den genadigen raad en wil des Vaders , die mede zijn wil is , ten goede voor zijn volk. Gelukkig , gezegend het volk onder zulken Koning 1

583

Christus , niet slechts het Opperhoofd, maar het Hoofd der gemeente, het eenige. Hierdoor wordt de bijzondere betrekking van den verhoogden Middelaar tot zijn volk treffend en zinrijk uitgedrukt gt;). De gemeente is zijn lichaam , Hij is haar Hoofd: wat voor het menschelijke lichaam het hoofd is , dat is in den hoogsten zin Christus voor de gemeente. Hoofd en lichaam zijn van ééne natuur : zoo Christus en de gemeente door zijn menschwor-ding (tlebr. 2: 11 , 14. Ef. 5: 30). Wat is een lichaam zonder hoofd ? levenloos , dood. Het hoofd is de zitplaats der voornaamste zintuigen, is de bron der levensgeesten, die vandaar in het lichaam afvloeien door de zenuwen , welke als lichtende draden zich door het lichaam verbrei-

1) Zio daarover ook FAfde Hoofdstuk § 31. bl. 277. § 32. bi. 279.

-ocr page 606-

§19, CHRISTUS\' HEERSCHAPPIJ.

584

den en in het hoofd wortelen , waarheen ook bij lederen polsslag een zevende gedeelte van het bloed opstijgt, als om vandaar het hoogere leven te halen lt;). Uit en van Christus ontvangt de gemeente Geest en leven , licht en kracht, groei en bloei (Ef. 4: 16), daar Hij, het verheerlijkt Hoofd , door zijnen Heiligen Geest in ons, zijne lidmaten , de hemelsche gaven uitgiet (Heidelb. Catech. Vr. 51). Al de ware lidmaten saam zijn die gemeente, welke zijn lichaam is [en] de vervulling desgenen die alles in allen vervult, Ef. 1:23, des Vaders, tot wien de Apostel alles terugbrengt, die ook zijnen Zoon der gemeente tot een Hoofd gegeven heeft. De God onzes Heeren Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid (Vs. 17) is het die met zich, met zyne heerlijkheid, en voor zich5), tot zijne eigene verheerlijking, alles, allo deelen, al de vaten, in allen, in al de leden des lichaams vervult, door Christus, in wien naar het welbehagen des Vaders alle de volheid woont (Kol. 1 : 19). Zoo wordt in de gemeente verwezenlijkt wat aan haar voorbeeld, den Tabernakel, eens gebeurde Ex. 40: 34: (Ze heerlijkheid des Heeren vervulde den Tabernakel: zoo wordt zij eene woonstede Gods in den Geest; Et. 2 : 22.

Door Christus is alle goede gave en zegen van boven, van den Vader der lichten afkomende, maar ook oordeel en straf. Zijn regeeren is ook een richten. Voor de vijanden heeft Hij eenen yzeren schepter (Ps. 2) en inzonderheid die zijne gemeente willen bederven krijgen hunnen loon. En alle de gemeenten zullen weten, dat ik ben

\') Stier, Brief an die Ephoser, zu 1: 22. I. S. 192. 2) Dit ligt in hot medium van het werkwoord : toïi tx TTtivroi iv TTÓiVlV Trtypovftévou.

-ocr page 607-

§19. Christus\' heerschappij.

die nieren en harten onderzoelce. En ik zal ulieden geven een iegelijk naar uwe werken Op. 2: 23. Dit zegt de Zone Gods, die zijne oogen heeft als een vlamme vuurs en zijne voeten blinkend koper gelijk , Vs. 18. Maar den zijnen is Hij nabij in al hunne nooden, naar zijne belofte Matth. 28 : 20: zie ik ben met ulieden alle de dagen tot de voleinding der wereld, overal en altijd ter hulpe gereed.

Naar deze twee teksten weet Hij alles, ook wat in de harten en nieren broeit, niets ontgaat Hein ; is onweerstaanbaar , machtig om zijne vijanden te verpletteren ; is aan geen plaats of tijd gebonden.

Dat is Hij naar en krachtens zijne Godheid. Niet naar zijne menschheid\'). Deze is en blijtt ook na de verheerlijking eindig, omgrensd. Door de verhooging is de verhouding van Christus\' twee naturen niet veranderd. Zij zijn niet ineen gesmolten. Maar de Persoon is één en wat aan de eene of de andere natuur eigenaardig en onderscheidenlijk behoort, wordt aan den eenigen Persoon, die God en mensch is, toegeëigend. Al wat Hij is en doet, dat is en doet de Persoon des Zoons, eenzelfde Hij, een eenig Ik, maar naar zijne Goddelijke of naar zijne menschelijke natuur.

Hoe de beide naturen in den verheerlijkten en regeerenden Godmensch onderscheidenlijk en toch vereenigd werken, is voor ons eindig verstand onverklaarbaar1). En

5S5

1

) Dit bekent ook Gh. Eodge, Systematic. Theol. II. p. 636 v.

-ocr page 608-

§ 19. CHRISTUS\' HEERSCHAPPIJ.

58G

hoe kan dit anders ? De waarheid : „God geopenbaard in het vleeschquot; , hoe openbaar ook en als feit onweersprekelijk , is en blijft immers „de groote verborgenheid der godzaligheidquot; (1 Tim. 3 : 16). Doch dit staat vast , het is één Persoon met twee naturen , waarachtig God en tevens waarachtig mensch , met ziel en lichaam, dus ook met menschelijke gewaarwordingen en aandoeningen, met menschelijk gevoel, daar Hij niet alleen uit de dagen zijns vleesches op aarde weet hoe eenen mensch te moede is, maar ook in zijne hoogheid medelijden voelt gt;)•

Dat bemoedigt. En daarop en over \'t geheel op zijne alleszinsche gepastheid als Middelaar acht te geven is noodiger en vruchtbaarder dan te vergeefs te pogen verstaanbaar te maken, hoe de Goddelijke natuur en de menschelijke in Hem samenwerken met behoud van haar beider eigenschappen. Het schoone XXVIste Art. van onze Nederl. Belijd, des Geloofs gaat ons hierin voor : Deze Middelaar , dien de Vader ons heeft gegeven tusschen Rem en ons, moet ons door zijne grootheid niet verschrikken , om ons een ander, naar ons goeddunken, te doen zoeken (gelijk de Roomschen). Want daar is niemand noch in den hemel noch op de aarde onder de schepselen, die ons liever heeft dan Jezus Christus, — — die ons meer beminde dan Hij, die zijn leven voor ons gelaten heeft, ook toen ivij zijne vijanden ■ waren. En zoo wij eenen zoeken, die macht en aanzien heeft, wie is er die des zooveel heeft als degene die gezeten is ter rechterhand zijns Vaders en die alle macht heeft in den hemel en op de aarde ? En wie zal eer verhoord worden dan de eigene

\') Zio ook Tiende Hoofdstuk § 19. 20.

-ocr page 609-

§19. christus* heerschappij.

welbeminde Zone Gods ? — — En hier moet men niet voortbrengen , dat wij 7 niet waardig zijn : want het heeft hier de meening niet, dat ivij onze gebeden op onze waardigheid zouden voordragen, maar alleen op de uitnemendheid en waardigheid onzes Heeren Jezus Christus, wiens rechtvaardigheid de onze is door het geloove. En, hetgene de vreeze en het mistrouwen van ons moet nemen, Hij is een barmhartige en een getrouwe Hoogepriester om de zonden zijns volks te verzoenen: want in H gene Hij zelf, verzocht zijnde, geleden heeft, kan Hij dengenen, die verzocht worden, te hulpe komen. — — Want wij hebben geenen Hoogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden , maar die in alle dingen gelijk als wij is verzocht geweest, doch zonder zonde.

4. WEDERKOMST TEN OORDEEL.

§ 20. Vierde trap. Wederkomst

De vierde trap van Christus\' verhooging is zijne wederkomst ten oordeel. Naar de Twaalf Artikelen des Geloofs : Zittende ter rechterhand Gods des almachtigen Vaders, vanwaar Hij komen zal om te oordeelen de levenden en de dooden.

Dit verplaatst ons wel in de leer van de Laatste dingen (Eschatologie), doch komt hier te pas als het toppunt en slot van Christus\' verhooging, als het hoogste machtsbetoon des gekroonden Konihgs , als de laatste en luisterrijkste openbaring van zijne heerschappij, Nederl. Belijd, des Geloofs Art. XXXVII : Ten laatste gelooven wij achtereenvolgende het Woord Gods, dat, als de tijd, van den Heere verordend (die allen creaturen onbekend is) cjeko-

587

-ocr page 610-

§ 20. vierde trap. wederkomst.

men en het getal der uitverkorenen vervuld zal zijn, onze Heer Jezus Christus uit den hemel zal komen, lichamelijk en zienlijk, gelijk Hij opgevaren is , met groote heerlijkheid en majesteit, om zich te verklaren een Richter te zijn over levenden en dooden, deze oude wereld in vuur en vlam zettende om dezelve te zuiveren.

Hij zal komen in zijne heerlijkheid op de wolken des hemels en alle oog zal Hem zien ; dan zal Hij de laatste grootste werken doen als eeuwig Koning en Rechter.

De wolken zijn het teeken des gerichts Ps. 97 : 2: Rondom Hem zijn wolken en donkerheid, gerechtigheid en gerichte zijn de vastigheid zijns troons. Nah. 1:3: Des Heeren weg is in wervelwind en in storm en de wolken zijn het stof zijner voeten •). Bij het komen op de wolken moeten wij onderscheiden een figuurlijken en den eigenlijken zin. Alle zijne gerichtshandelingen zijn een komen met de wolken , verblijdend voor do Kerk , verschrikkelijk voor de wereld. Hij komt met de wolken , ook zonder zijne uitwendig zichtbare verschijning, zoo vaak Hij de verdrukte Kerk te hulpe komt tegen de vervolgingen van eene overmachtige , vijandige wereld. In dezen zin sprak Hij Matth. 2G : 64 tot den lloogepries-ter: Van nu aan zult gij zien den Zoon des menschen, zittende ter rechter [hand] der kracht [Gods] en komende op*) de wolken des hemels.

\') Hengstenberg, Die Offonbar. des heil. Joh. I. S. 104 f. zu 1: 7.

2) stt) rwv i/sCpsXüv. Mare. 14 : 62 heeft: [astk tmv vstpsXüv. Daniël 7: 13 is het: met de wolleen. De zin is één: met zegt begeleid en omgeven van de wolken en aldus ook: op de wolken gezeten.

588

-ocr page 611-

§ 20. VIERDE TRAP. WEDERKOMST.

Dit komen op de wolken is dan geheel iets anders dan zijn komen met en in zijnen Geest fot de gemeente. Het is een komen ten gerichte. Dit komen begon reeds met de ontzaglijke teekenen op Golgotha en na Pinksteren ging het voort in de oordeelen over bijzondere vervolgers der gemeente en openbaarde zich dan vooral in het strafgericht over Jeruzalem en de Joden, op hetwelk de Heere Jezus Matth. 26 : 64 doelde , later in het oordeel over liet Heidensche Rome , hetwelk de Christenen vervolgde en zoo al voort door alle eeuwen heen gedurig in zijne onmiskenbare, in het oog vallende tusschenkomst tot beschaming of verdelging van bestrijders zijns Rijks; in welken ruimen zin de fundamenteele voorzegging bij Daniël 7 : 13, 14 te verstaan is. Ook Openb. 1: 7 is niet alleen de laatste, zichtbare wederkomst bedoeld , blijkens het slot (naar Zach. 12: 10) hetwelk op den jongsten dag niet past: Zie, Hij komt met de wolken en alle oog zal Hem zien, ook decjenen die Hem doorstoken hebben: en alle geslachten der aarde zullen over Hem rouwe bednjven.

Maar evenzoo vast staat, dat al dit komen slechts voorbereiding en waarteeken is van de eigenlijke, niet bloot „persoonlijkequot; maar zichtbare wederkomst des Heeren. Dan zal werkelijk alle oog Hem zien , lichamelijk, met hetzelfde lichaam waarmede hij ten hemel is gevaren, zooals de Engelen tot de Apostelen hebben gezegd Hand. 1:11: Deze Jezus, die van u opgenomen is in den hemel, zal alzoo komen gelijkerwijs gij Hem naar den hemel hebt zien henen varen. En Hij zelf heeft verklaard Matth. 25:31: Wanneer de Zoon des menschen (Dan. 7 : 13) komen zal in zijne heerlijkheid en alle de heilige Engelen met Hem, dan zal Hij zitten op den troon zijner heerlijkheid.

589

-ocr page 612-

590 § 20. VIERDE TRAP. WEDERKOMST.

Dezelfde Jezus zal het zijn die hier veroordeeld, bespot, gegeeseld, gekruisigd werd ; die nu wel door de prediking van zijn Evangelie en door het geloof in zijnen naam op aarde wordt verheerlijkt, maar bij de ongeloovige wereld veracht en gesmaad, zoodat er geen koning of heerscher is, tegen wien zooveel ongehoorzaamheid en vijandschap betoond wordt als tegen Hem en geen menschelijke naam zoo spottend en ijdel misbruikt wordt als de naam van Jezus. Dan zal Hij als Koning verschijnen in den glans zijner majesteit, hoog op de wolken , voor allen zichtbaar.

Dan doet Hij in eenigheid met den Vader die grootere en grootste werken , waarvan Hij na de wondergenezing van den kranke in Bethesda tot de Joden sprak Joh. 5 :

20 : De Vader heeft den Zoon lief en toont Hem alles wat Hij doei (de Vader doet alles door den Zoon, de Zoon voert den Hem bekenden wil en raad des Vaders uit) en Hij zal Hem grooter werken toonen dan deze, opdat gij u verwondert, grooter werken dan de gezondmaking van kranken : namelijk doodenopwekking en oordeel , bij uitnemendheid Goddelijke werken , waardoor Hij nog luisterrijker bewijzen zou de Zone Gods te zijn (Vs.

21 , 22), nu reeds in zijne nederigheid door lichamelijke opwekking van enkele gestorvenen en vooral door levend-making van geestelijke dooden (vs. 24) en ten genen dage door de opwekking aller dooden en het openbare oordeel (vs. 25—29).

§ 21. De dag.

Wij hebben dan te verwachten, dat onze Heere Jezus Christus eenmaal zichtbaar zal komen op de wolken, om

-ocr page 613-

§ 21. DE DAG.

591

openbaar gerichte te houden over geheel het menschdom. God heeft daartoe eenen dag gesteld, die aan geen schepsel bekend is, maar welks nadering uit vele teekenen blijkt; den ongeloovigen zal hij komen gelijk een dief in den nacht.

De Schrift leert het. De Apostel Paulus verkondigde het op den Areopagus te Athene Hand. 17 : 31 : Dat God eenen dag gesteld heeft, op welken Hij den aardbodem rechtvaur-diglijk zal oordeelen, door eenen man, dien Hij [daartoe^ geordineerd heeft, verzekering [daarvan] doende aan allen, dewijl Hij Hem uit de dooden opgewekt heeft. Dat is de groote en doorluchtige dag des lleeren (Hand. 2: 20). Het is een dag. Al is het ook geen dag van twaalf uren (Joh. 11: 9), het is veelmin een lang tijdperk. De groote dag wordt hij genoemd niet in during, maar wegens zijn gewicht, omdat hij alles beslist en de tijden (Hand. 17 : 26) en de geschiedenis der menschheid besluit. Het is een bepaalde en begrensde gerichtsdag. „De omstandigheden waarmede het oordeel verbonden is laten niet toe den dag te verstaan van eene groote tijdruimte. De verschijning van Christus, de opwekking der dooden en de vergadering der volken zijn geene gebeurtenissen die jaren of eeuwen aanhoudenquot;\')) maar in een punt des tijds (1 Kor. 15 : 52) geschieden. Dies zal dan ook wel het oordeel geen eeuwen duren. Het is altoos een „dag des oordeelsquot; een bepaalde termijn waarin alles snel afloopt.

\') Aldus kort en good Ch. Hodge, Systematic Theology III. p. 846. Anders Brakel, Red. Godsd. II. Cap. 60. § 17. bl. 753 v., volgens wien hot oordeel al zeer lang zal duren en of het duizend jaren of twee langer of korter zal duren , als het werk zooveel vereischt, daar zal geen haast zijn. — — Doch dezen aan-gaande is geen tijd vast te stellen.

-ocr page 614-

§ 21. DE DAG.

De Rechter der gansche aarde is God (Gen. 18 : 25). Maar Hij zal alle man oordeelen door eenen man lt;), zegt de Apostel, zal de raenschen oordeelen door eenen mensch, door zijnen menschgeworden Zoon , den Middelaar des Ouden en Nieuwen Verbonds, dien Hij over \'t geheel hiertoe geordineerd heeft om door Hem zich aan de menschen te openbaren en die als God en mensch en Middelaar bevoegd en bekwaam is om rechtvaardiglijk te oordeelen. Is dat te gelooven ? Zijne opstanding verzekert het, God heeft allen om dit te gelooven als in de hand gegeven1) doordat Hij Hem uit de dooden heeft opgewekt.

Wanneer deze ontzaglijke dag zal aanbreken, weet geen schepsel. De Heere Jezus zelf heeft gezegd Mare. 13: 32: Van dien dag en die ure weet niemand, noch de Engelen , die in den hemel zijn , noch de Zoon (naar zijne menschheid in den staat zijner nederigheid) s) , dan de Vader (Matth. 24 : 36). En nog bij zijne hemelvaart heeft Hii den weetlust aller vragers ingebonden toen Hij zelfs tot de Apostelen sprak: Het komt u niet toe *) te weten de tijden of gelegenheden , die de Vader in zijne eigene macht gesteld heeft , Hand. 1 : 7.

Doch er zijn teekenen die aanduiden, dat de groote dag

592

1

; hriv TTtxpxtrxwv irèiaiv.

-ocr page 615-

§21. DE DAG.

werkelijk nadert. Inzonderheid dit teeken, hetwelk de Heere zeil gesteld heeft Matth. 24 : 14 : Het Evangelie des Koninkrijks zal in de gelieele wereld gepredikt tv or den tot eene getnigenis allen volken, en dan zal het einde komen. Niet dal alle volken eerst zullen bekeerd worden , maar het Evangelie zal vooraf tot alle volken worden gebracht. Dus een buitengewone zendingsijver. En daarbij een ander teeken : binnen de bestaande genaamde Christenkerk een groot verval, een wijd om zich grijpende „afval van de zuiverheid des Evangelies.quot; Ook daarmede is het nu al veel verder gekomen dan toen Paulus aan de Thessalonicensen schreef: Dat u niemand verleide in eenigerlei wijze (als of de dag van Christus aanstaande ware) : want [die komt niet] tenzij dat eerst de afval gekomen zij en [dat] geopenbaard zij de mensch der zonde, de zoon des verderfs. Die zich tegenstelt en verheft boven al dat God genaamd of [als God] geëerd wordt, alzoo dat Hij in den tempel Gods als een God zal zitten, zich zeiven vertoonende dat hij God is. 2 Thess. 2 : 3,4. Wanneer de verloochening en bestrijding van Christus haar toppunt heeft bereikt en de anti-christische geest zich als belichaamd heeft, dan is het de tijd des Heeren om den ongerechtige teniet te maken door de verschijning zijner toekomst\'), 2 Thess. 2:8. En Jiaastelijk\'1), dat zegt snellijk, onverwachts zal Hij komen-

geleerde J. A. Bengal 1752) had do Parousie des Heoreu op het jaar 1836 gestold. Maar van alle borekoningen mogen wij zeggen wat Brakel (t. a. pl.) van het Joodsche verzinsel (»in Gen. 1: 1 zesmaal X r= C000 jarenquot;) zegt: los fundament, los gebouw

\') rij STrsCpxvsiqi ryj: Trxpovtrixs üvtov.

2) Verge], schrijvers preek : Het laatste woord der Hei-

Gravomoijer, Goref, Gol. leer. II. 38

593

-ocr page 616-

594 § 22. OPWEKKING DER DOODEN.

naar Op. 22 : 20. De geloovigen wachten en verlangen naar Hem, maar voor de wereldsche en goddelooze men-schen zal de dag des Heeren alzoo komen gelijk een dief in den nacht, 1 Thess. 5 ; 2.

§ 22. Opwekking der doodeu.

Onmiddellijk op de komst onzes Heeren in heerlijkheid volgen dan die laatste en grootste Middelaarswerken , waardoor zijne macht voor aller schepselen oog in volle glorie zal uitblinken.

Hij zal de dooden opwekken en door zijne Engelen al de volken voor zijnen rechterstoel vergaderen.

Alle de dooden zullen lichamelijk opstaan , de rechtvaardigen en de onrechtvaardigen (Hand. 24: 15). De opstanding der lichamen (waarvan do Eschatologie nader handelt) is geen natuurproces , geen langzame ontwikkeling van nieuwe lichamen uit eene kiem der oude, maar een wonder der almacht , hetwelk door den Godmensch Jezus Christus in een oogenhlik (1 Kor. 15: 52) wordt gewrocht. Want het geschiedt dadelijk op zijne stem, op het bevel zijns monds , door het woord zijner kracht. Hij spreekt en het is er, Hij gebiedt en het staat er. Ook bij Lazarus\' graf riep Hij met eene groote stem : Lazarus kom uit! li\'n de gestorvene kwam uit. (Joh. 11 : 43, 44).

Want de ure komt, in welke allen die in de graven zijn,

lige Schrift: Openb. 22: 20, 11. Elburg 1885. bl. 9. En zijne Vier Predikatiën over Jezus\' gelijkouis van het Onkruid des akkers Winschoten 1846. bl. 68 v.v.

-ocr page 617-

§ 22. OPWEKKING DER DOODEN.

zijne stem zullen hoor en, En zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben tot de opstanding des levens, en die het Ictvade gedaan hebben; tot de opstanding der verdoemenis, Joh. 5 : 28, 29, hetwelk gezegd is niet van de geestelijke maar van de lichamelijke opstanding, want in de graven zijn immers de lichamen, niet de zielen.

Die bij de komst des Heeren nog leven, zullen in hunne lichamen veranderd worden (1 Kor. 15: 5! , 52), zullen dus iets ondergaan wat als een sterven is.

Allen worden door de duizenden Engelen , die met den Heere verschijnen, saamgebracht. De Engelen zijn zijne dienaars bij het gericht, de maaiers, de verzamelaars bij den grooten oogst. Dan zal Hij zitten op den troon zijner heerlijkheid. Rn voor Hein zullen alle de volkeren vergaderd worden en Hij zal ze van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van de hokken scheidt, Matth. 25: 31,32.

Men heeft gezegd dat Christus hier alleen het gericht over de Christenen schildert, niet over alle menschen, niet over die buiten het Christendom. Anderen beweren het tegendeel: alleen over de Heidenen \').

Maar de volkeren2) kunnen hier blijkens den samenhang niet alleen de Heidenen beteekenen , die het Evangelie niet hebben. Immers eer het einde komt, wordt het Evangelie aan alle de volken s) gepredikt tot eene getuigenis (Matth. 24: 14). En de uitdrukking alle de volken*)

\') Do verschilloude opvattingen vermeldt kortehjk ook Meycr, Kommentar zu Matth. 25 : 31 ff.

a) Uvyi.

:l) Matth. 24 : 14: irxviv rotq \'èóvestv.

4) Matth. 25 : 32 : ttmtx tx \'éêv/j.

595

-ocr page 618-

§ 22. OPWEKKING DER DOOÜEN.

is geheel universeel en bevat geheel de menschheid , al hare natiën en individu\'s.

Eerst vergaderd , dan gescheiden: de schapen gescheiden van de bokken. De schapen , dat zijn de geloovige en gehoorzame volgelingen des goeden Herders (Joh. 10 : 27) , de bokken de weerspannigen, ongehoorzamen (Joh. 3: 3G). Maar behooron niet ook de bokken tot de kudde des Herders ? De schapen zijn menschen (Ezech. 34:

31) , de bokken ook.

En Hij zal de schapen tot zijne rechter [hand] zetten , maar de bokken tot [zijne] linker[hand], Matth. 25 : 33. Finale scheiding tusschen schapen en bokken, tusschen bekeerden en onbekeerden , tusschen tarwe en onkruid , tusschen do kinderen Gods en de kinderen des Boozen !

§ 23. Het Oordeel.

Christus\' macht en heerlijkheid openbaart zich ton volle in het Oordeel. Dan blijkt wat Hij in zijne vernedering heeft gezegd , dat de Vader al het oordeel den Zone heeft

gegeven (Joh. 5 : 22).

Hij zal alle menschen oordeelen, eenen iegelijk naar zijne werken en woorden en naar den grond zijns harten en al het verborgene zal openbaar worden.

Alle menschen zullen persoonlijk voor dezen grooten Richter verschijnen zoowel mannen als vromven en hinderen , die van den aanheginne der wereld af tot het einde toe geweest zullen zijn, verdagvaard zijnde door de stemme des archangels en door het gehlanh der Goddelijke bazuin, Nederl. Bel. des Gel. Art. XXXVII. Het werd aan Johannes vertoond Openb. 20: 12: En ik zag de dooden,

59G

-ocr page 619-

§ 23. HET OOHDEEL.

klein en groot, staande voor God; en de Boelcen werden geopend; en een ander Boek werd geopend dat des levens is, en de dooden werden geoordeeld uit het gene in de Boeken geschreven was, naar hunne werken. De Boeken verbeelden de alwetendheid en voorzienigheid Gods, zijne memorie van al het doen en laten des menschen. De openlegging hiervan is meteen eene opening der conscien-tiën. Dit is niet één Boek maar \'t zijn meer Boeken , omdat zij de lange lijst van de (zondige) werken der menschen behelzen, \'t Zijn de schuldboeken.- Daartegenover ligt hot Boek des levens, hetwelk maar één is , wijl het alleen de namen bevat van degenen die tot het eeuwige leven geordineerd zijn. Wiens naam in het Levensboek staat, diens schuld is door het bloed des Lams gedelgd.

Naar hunne werken geoordeeld. Ook naar hunne ivoorden. De woorden zijn ook daden en wat do tong voortbrengt openbaart vaak nog meer clan \'t geen de hand doet des harten diepe gronden, weshalve dan ook in beide tafelen der Wet een uitdrukkelijk gebod , het derde en het negende, voor de tong is gegeven. Ja, de menschen ztdlen, gelijk de Heere Jezus zelf Matth. 12 : 36 heeft betuigd, rekenschap geven in den dag des oordeels van alle ijdele, onnutte ivoorden, die zij gesproken zuilen hebben, die de wereld niet dan voor kinderspel en voor tijdverdrijf acht. En dan zullen de verborgenheden en geveinsdheden der menschen openbaarlijk voor allen ontdekt worden. (Nederl. Belijd, des Geloofs Art. XXXVII). Want de Heere zal ook in het Held brengen hetgeen in de duisternis verborgen is en openharen de raadslagen der harten , 1 Kor. 4 : 5.

597

-ocr page 620-

§ 24. HET VONNIS.

§ 24. Het Vonnis.

De Rechter spreekt het vonnis. Dengenen , die hier Gods kinderen geworden zijn door het geloof in Christus dat in liefde is werkende geweest, zal Hij het Rijk der heerlijkheid toewijzen ; den ongeloovigen en ongehoorzamen het eeuwige vuur.

Want Alsdan zal de Koning zeggen tot degenen die tot zijne rechter[hand zijn] : Komt, gij gezeyenden mijns Vaders , beërft dat Koninkrijk , hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld , Matth. 25 : 34. Het zijn geze-genden des Vaders, het zijn kinderen, zij erven het Rijk, zij hebben het niet zeiven verworven , het is hun in het eeuwig voornemen Gods bereid. Dit alles sluit iedere eigene verdienste uit, het is gave der genade. De werken der barmhartigheid , die zij in stille liefde gedaan hebben en die zij zeiven niet rekenen , worden vermeld als vruchten en bewijzen van hun ongeveinsd geloof, als uitingen en betooningen van het genadewerk Gods in hen. De rechtvaardigen ontvangen hunne sententie het eerst, als om hen aanstonds gerust te stellen en opdat de on-rechtvaardigen het aanhooren.

Van zal Hij zeggen tot degenen die ter linker[]iand zijn : Gaat weg van mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, hetwelk den duivel en zijnen engelen bereid is, Matth. 25: 41.

Dus twee uitspraken, twee beslissende sententiën, geen derde tusschen beiden, geen gewijsde voor eene middelklasse.

598

-ocr page 621-

§ 25, HET EINDE.

§ 25. Het einde.

De macht en heerlijkheid van Christus openbaart zich eindelijk in de uitvoering van het vonnis. De rechterlijke uitspraak wordt eerst aan die ter linkerhand voltrokken , opdat de rechtvaardigen de wrake Gods aanschouwen en getuigen zijn van de zegepraal der gerechtigheid over het onrecht, van de machteloosheid, beschaming, schande en straf zijner vijanden, die ook hunne vijanden waren, die den Zoon niet hebben geëerd , die tegen Christus , legen zijn Rijk en Woord hebben gestreden, zijnen naam gelasterd, zijne dienaren vervolgd, zijn volk gekweld , geplaagd , verdrukt (2 Thess. 1 : G v.v. Ueidelb. Catech. Vr. 52).

De veroordeelden worden met den duivel en zijne engelen naar hunne strafplaats gedreven, zij varen in den afgrond (Openb. 20 : 15) ter eeuwige pijn, maar de rechtvaardigen worden overgebracht in den verheerlijkten Godsstaat (Openb. 21 : 1—4) ten eeuwigen leven. Volgens het eigen Woord van Christus Matlh. 25 : 46 : En dezen (die ter linkerhand) zullen gaan in de eeuwige pijn, maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven, in de vernieuwde , gezuiverde wereld , nieuwe hemelen en eene nieuwe aarde in dewelke gerechtigheid woont (2 Petr. 3: 13).

Dan is de tabernakel Gods hij de menschen en Hij zal bij hen wonen (het groote en hoogste doel , uitgesproken in Ps. 68 : 19: Om \\bij u] te wonen , o Heere God is dan bereikt) en zij zullen zijn volk zijn en God zal zelf bij hen [e«] hun God zijn , Openb. 21 : 3 , God de Drie-ëenige , dè Vader in den Zoon door den Heiligen Geest, die hen allen vervult.

Christus zal niet verdwijnen. Hy blijft het heerlijke Hoofd

599

-ocr page 622-

§ 25. HÈT EINDE.

zijner verheerlijkte gemeente, eeuwig Koning. Uitdrukkelijk wordt gezegd van de stad Gods : De almachtige God is haar tempel en het Lam; De heerlijkheid Gods heeft haar verlicht en het Lam is hare kaars (Openb. 21: 22, 23); En de troon Gods en des Lams zal daarin zijn (22 : 3).

Hiertegenover staat de Sociniaansche dwaling van Christus\' degradatie. De Socinianen stellen, dat Christus\' regeering, zijnde begonnen met zijne verhooging aan Gods rechterhand, zal eindigen met den jongsten dag. De grondleu-gen, waaruit dit gevoelen voortvloeit, is, dat Christus hun niet waarachtig God\') is van eeuwigheid, maar een bloot mensch, tijdelijk verheven tot Goddelijke macht en heerlijkheid, welke Hij na het laatste oordeel weer af zal leggen.

Zij beroepen zich op het woord des Vaders Ps. 110: 1 : Zit tot mijne rechterhand , totdat ik uwe vijanden gezet zal hebben tot eene voetbank uwer voeten , hetwelk zij verkeerdelijk aldus verstaan2): tot zoolang en niet langer. Maar juist het tegendeel ligt er in. Want uit de terneerwerping van alle de vijanden volgt immers van zelf de voortduring en rastheid van Christus\'heerschappij: dan is er niets meer wat haar verstoort, niets wat zich tegen den Gezalfde verzet. En dat is het wat in het. Psalmwoord wordt beloofd: de Heere zal den strijd doorvoeren, en niet rusten, niet aflaten totdat de laatste vijand is te niete gedaan. Dus is hier uitgesproken de zekerheid en de volkomenheid der overwinning. Christus

*) Cateches Racov. ed. Oeder p. 161.

2) Fr. Riddevus, Schriftuurlijck Licht. Tweede Deel p. 976. De Moor, Commentar. in Marck. Cap. XX. § 32. Pars 111. p. 1128 sq.

(100

-ocr page 623-

§ 25. HET EINDE.

heeft ook gezegd : Ik ben met ulieden alle de dagen tot de voleinding der wereld (Matth. 28 : 20), maar betee-kent dat: daarna niet meer ? Uitdrukkelijk betuigt de Schrift Hebr. 10: 12: Deze één slachtoffer voor do zonden geofferd hebbende , is in eeuwigheid •) gezeten aan de rechter\\hand\\ Gods.

Voorts wijst men op de overgeving van het Koninkrijk door Christus aan den Vader 1 Kor. 15 : 24; Daarna (na zijne toekomst) zal het einde (dezer wereld) zijn, wanneer Hij het Koninkrijk Gode en den Vader (aan den God en Vader) zal overgegeven hebben; wanneer Hij zal te niete ge\' daan hebben alle heerschappij en alle macht en kracht. Maar dit overgeven is geen afstand van de regeering: wij moeten hierbij bedenken hetgeen Vs. 28 gezegd wordt, dat alsdan den Zone alle dingen zullen onderworpen zijn.

Het Koninkrijk , hetwelk Hij overgeeft, is niet dat al-gemeene Koninkrijk hetwelk Hem niet gegeven maar krachtens de eenheid zijns Wezens met den Vader en den Heiligen Geest Hem eigen is. Dat geeft Hij niet over. Maar wat Hij overgeeft is dat bijzondere, hetwelk Hem persoonlijk van don Vader was opgedragen , het Middelaarsrijk , de taak en macht om als Middelaar1) zijne gemeente hier op aarde te verlossen , te vergaderen , te heiligen door Woord en Geest, door dienaren, prediking

601

1

) Sceptrum mediatorium seu oeconomicum tradituvus dicitur. Joh. Poljjander iu de Synopsis Purioris Theol. ed. Dr. H. 13a-vinck. p. 261.

-ocr page 624-

§ 25. HET EINDE.

sacramenten en tucht te regeeren en te bestieren, onder kruis en verdrukking te bewaren en tegen de vijanden te beschermen. Deze zijne regeering en strijdvoering duurt voort tot den dag des iaatsten oordeels. Dan heeft Hij het werk afgedaan en Hij kan het aan den Vader verantwoorden ; de strijd is uit, de vijanden liggen onder zijne voeten. Dan is het nog in hoogeren zin dan Joh. 17:4: Vader, Ik heh voleindigd het werk, dat gij mij gegeven hebt om te doen. De uitverkorenen zijn allen toegebracht, geen schaap mist er en de gemeente staat daar heerlijk, zonder vlok of rimpel , heilig en onberispelijk (Ef. 5 : 27).

Eindelijk brengt men bij de onderwerping des Zoons 1 Kor. 15: 28: En wanneer Hem alle dingen onderworpen zijn , dan zal ook de Zoon zelf onderworpen worden dien die Hem alle dingen onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen. Maar deze onderwerping des Zoons zal eene zoodanige zijn , die voor den Zoon geene vernedering is. Want llij zal dan onderworpen worden wanneer Hem alle dingen onderworpen zijn en Hij alle vijanden onder de voeten heeft. Hij zal den Vader onderworpen worden \') niet gedwongen maar vrijwillig ; met alle de Hem onderworpen dingen zal dan ook de Zoon zelf zich aan den Vader onderwerpen, zicli onder Hem stellen, als een gezant na volbracht werk onder zijnen zender, zoodat

\') vTroTXyyTSTXi is futur. 2. passiv. Bengel, Guomon i. 1. neemt hot als medium , uiot als passivum. Dit kau , naar Grieksch taalgebruik. Doch het vrijwillige dezer ouderwerpiüg des Zoous blijkt gouoog uit deu sameuhang , vooral uit vs. 24.

Tegeu hot begrip vau abdicatie dos Zoons , als of dozo dan zoude ophouden te regeorou, verzot zich to reuht ook Ua Costa, Paulus 1847. II. p. 305 v. Nader handelt hierover De Moor, (Jommontar iu Marc. Cap. XX. § 32. Pars III. p. 1130 sqq.

602

-ocr page 625-

§ 25. HET EINDE.

alles uitloopt tot heerlijkheid Gods des Vaders (Fil. 2 : 11). Hij zal zich onderwerpen in die bijzondere hoedanigheid, betrekking en bediening , welke Hij „als Gezant des Vaders dan volkomenlijk volbracht en uitgevoerd zal hebbenquot; (Kaniteelc.), als strijdend Koning, die yenaumd is Getrouw en Waarachtig en geoordeeld en krijg gevoerd heeft in gerechtigheid (Openb. 19; 11).

Dan zal Hij op eene andere wijze in het Rijk der heerlijkheid eeuwiglijk regeeren met den Vader en den Heiligen Geest, en niet alleen de Vader, maar God, de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, de drieëenige God zal het al in allen •), in alle de zaligen zijn , zal hen naar de mate hunner vatbaarheid zoo mot zich, met zijne heerlijkheid vervullen , dat er geen verdere wasdom meer zal plaats hebben maar eeuwige ruste en verzading der vreugden (Ps. 16: 11).

\') 1 Kor. 15: 28 : hx y ó êsbs rx ttxvtx sv ttxitiv. Naar de gewone lezing.

Fr. Ridderus, Sohriftuurl. Licbt Vijfde Deel p. 245 op 1 Kor.

15 ; 28 : neemt deze gelijkenis: Een vader zendt zijnen zoon met een leger om een Jconinkrijk te gewinnen. De zoon schijnt dan alleen het gebied te hebben over \'t rijk. Hij wordt overwinnaar, hij keert iveder en geeft dat koninkrijk óver aan zijnen vader als triom-phateur, legt af die ontvangen order en stelt zich zoo wederom als zoon in zijns vaders rijk en blijjt met den vader regeeren, doch zoo dat men dan wederom ziet hoe alles in orde afhangt van den vader. In al dit voorval is niets tot nadeel of van vader of van zone.

Anderen yergolijkuu\' meer bijzonder de onderwerping vim rebellen door den zoon eeus konings , hetwelk b. v. B. Smytegelt, Een woord op zijnen tijd I. p. 410 naïef en plastisch uitbeeldt.

603

-ocr page 626-

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

HEILSORDE. I. ROEPING. (BEKEERING. GELOOF.)

§ 1. JSeu Orde des heils.

Het is een zwaarwichtig stuk , waartoe wij thans overgaan. Na de beschouwing van den Christus buiten ons komen wij nu tot den Christus in ons , tot de persoonlijke toeëigening van hetgeen Hij heeft verworven, tot den weg en de wijze hoe de mensch uit zijnen diepen val wordt opgericht en het leven en de zaligheid in Christus verkrijgt. Geen mensch wordt Christen geboren , geen mensch kan zich zelf Christen maken. Het Adamskind is dood door de zonden en misdaden.

Er is eene orde des heils •), een weg langs wolken de schuldige en verdorven zondaar door de werking des Heiligen Geestes tot do zaligheid in Christus moet gebracht

\') Ordo salutis, ook oeconomia salntis; modus salutis con-soquondae of ordo boneficiorum Christi percipiendorum.

-ocr page 627-

§ 1. EENE ORDE DES HE1LS. 605

worden. Hij moet eene geheele verandering ondergaan in zijnen staat en in zijn bestaan.

In onze Formulieren van Eenigheid , in de Nederland-sche Belijdenis des Geloofs, in den Heidelbergschen Catechismus en in de Dordtsche Leerregelen wordt hetgene waarop het in dezen voornamelijk aankomt duidelijk naar Gods Woord voorgesteld en tegen dwalingen en verduisteringen bevestigd. Ook stemmen onze oude , rechtzinnige Godgeleerden, die in den geest der Formulieren voortwerkten , in het wezen der zaak overeen, doch niet zoo in het gebruik der kenmerkende bewoordingen , en niet altoos met dezelfde klaarheid in do nadere teekening van de stadiën op den weg.

Het is , dit lijdt geen tegenspraak, geheel overeenkomstig het grondbeginsel onzer Gereformeerde leer, wanneer wij hier het navolgende vooropstellen.

Ten eerste. De verwerving der zaligheid en hare toepassing zijn wel te onderscheiden, maar niet te scheiden \'). Voor wie naar Gods bedoeling de zaligheid is verworven, aan dezen wordt zij ook metterdaad geschonken. Anders is geheel de Praedestinatie niets.

Ten tweede. De mensch kan zich zelf niet in het bezit stellen van de zaligheid die in Christus is. Hare toeëige-ning is gelijk hare verwerving een werk van Gods genade.

Anders raakt God, terwijl Hij eerst vooropging, ten slotte weer achter den mensch, achter het schepsel.

Ten derde. Evenwel is de persoonlijke toepassing dei-verworvene zaligheid noodzakelijk.

Deze noodzakelijkheid is gegrond zoowel in de hoedanig-

\') Zio Twaalfde Uoo/dsluk § 41. bl. 482 Ho dl. v.

-ocr page 628-

1. EENE ORDE DES HEILS.

heid der verlossing als in den aard des menschen en zij wordt in de Heilige Schrift en daarom ook door alle rechtzinnigen nadrukkelijk geleerd.

1. Immers het einddoel der verlossing is, dat de mensch, gereinigd van de zonde , zalig in God leve en Hem ver-heerlijke. Dit kan niet, of hij moet er persoonlijk toe bewerkt worden. Dit brengt mede dat de zaligheid in Christus niet iets is wat massaal, bij den doop , maar bij persoon gegeven wordt; het is : opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, het eeuwige leven hebbe.

2. De natuur des menschen vereischt het. De mensch, schoon zonder geestelijk leven , is een redelijk schepsel.

Dies kan de zaligheid hem niet maar zoo van buiten toegeworpen of mechanisch en magisch, werktuigelijk en too-verachtig aangebracht worden. De mensch is een zelfbewust wezen; het zelfbewustzijn breidt zich over en door alle zijne vermogens en gewaarwordingen uit. Dies kan zijne verlossing niet buiten zijn zelfbewustzijn omgaan. En is niet het genot en gevoel van zaligheid juist in de bewustheid gezeteld ?

Hij weet wat hij was : diep ellendig; wat hij nu is : in Christus gered , zalig in hope; en wat hij zijn zal: volmaakt zalig en heerlijk.

3. De Heilige Schrift, die zoo nadrukkelijk betuigt, dat Christus alles volbracht, eene eeuwige verlossing teweeggebracht heeft (Hebr. 9: 12), waaraan de mensch niets meer heeft toe te brengen, leert evenzoo beslist do noodzakelijkheid der persoonlijke toeëigening van het verworvene heil.

Zoo Hebr. 10: 14: Want mei ééne offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen die geheiligd worden. , Hoewel zijne offerande in zich zelve genoegzaam is voor alle menschen, nochtans volmaakt zij niemand dan die door Hem

006

-ocr page 629-

§ 1. EENE ORDE DES IIEILS.

geheiligd wordenquot; (Kantteek.) Ja, daar Christus\'offerande van oneindige waardij is, zoo zou, vvierde zij niet door eene toepassing naar do Goddelijke bedoeling tot bijzondere personen bepaald, noodzakelijk volgen dat de gansche mensch-heid moest worden gezaligd en geen één verdoemd, „hetwelk strijdt tegen de grondbeginselen van de Schrift en van alle religiequot; »). God was in Christus de wereld met Hemzelven verzoenende, maar nu is het ook tot de zondaren : laat u met God verzoenen (2 Kor. 5 : 19 v.).

In de Heilige Schrift wordt Christus met zijne weldaden vergeleken bij dingen, waarvan men geen nut heeft, zoo ze niet worden toegepast en gebruikt. Bij een kleed en wapen , hetwelk ons niet dekt en beschermt, zoo het niet wordt aangedaan, Rom. 13: 14: doet aan den Heere Jezus Christus. Bij een geneesmiddel, hetwelk ons niet baat tenzij wij het innemen, of pleister, die op de wonde moet, Jez. 53 : 5 : door zijne striemen is ons genezing geworden, namelijk nu hekeerd zijnde tot den Herder en Opziener onzer zielen (1 Petr. 2 : 24 , 25). Bij spijze en drank, die ons niet voedt en drenkt of wij moeten ze eten en drinken , Joh. 6 : 54: Die mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, die heeft het eeuwige leven.

De toeëigening van Christus\' zoenofferande was voor-gebeeld door de iloedsprenging.

Bij het verbondsoffer volgde op het slachten der offerdieren de besprenging mei het bloed. Exod. 24 : 8 : Mo-zes nam het hloed en sprengde het op het volk. Hebr. 9 : 191). En het bloed van den Middelaar des Nieutven Tes-

607

1

) Kurtz, Dor Alttostamontlieho Opfercultus. S. 281 f. Oehler, in HeViiogs Kenl-Eucykl. X. S. 618 f. !o Ed.

-ocr page 630-

§ t. EENE ORDE DES UEILS.

GOS

tamenis Jezus wordt genoemd het bloed der besprenging (Hebr. : 24). De besprenging des volks bij de inwijding des eersten Verbonds met het bloed van het ver-bondsoffer was de toeëigening der offerande en aldus de bezegeling der verbondsgemeenschap quot;). Uit krachte daarvan wordt God aanstonds daarop Ex. 24: 10 voor de eerste maal de God Israels genoemd. Zoo moet na Christus\' offerande de geestelijke besprenging met zijn bloed geschieden , de persoonlijke toeëigening daarvan in het geloof, waardoor het in de ziele komt tot werkelijke rei-nigmaking van de zonde en waardoor het Verbond tus-schen God en den mensch gesloten en bezegeld wordt. Hierbij dient wél bedacht hotgene de Heere Jezus tot Petrus heeft gezegd Joh. 13 : 8 : Indien ik u niet wassche , gij hebt geen deel met mij,

4. Dit is dan ook door onze rechtzinnige Kerkleeraren

\') Weiss, Lehrb. der Blbl. Theol. dos N. T. § 49. c. S. 167. Ook Keil, Handb. der bibl. Archaöl. I. § 54. S. 259 stemt dit too; Durch diose Besprengnng mit dem ülute empfing Israül dio positivo Weihe zum Buudosvolko. Aangaande den latevon tijd herinnert Keil a. W. S. 213, dat bij de zoenofïeranden niet de mensch maar alleen hot altaar met het bloed bosprengd werd, hotwelk hij mot Bahr en anderen togen degenen inbrengt, die in do bloedsprenging do imputatio justitiae Christi et. applicatio merüorum ejus voorgebeeld zien. Kurtz, Gesch. des A. Bundes II. S. 305 lost dit op door de onderscheiding des offers binnen hot reeds bestaande verbond van het offer, door hetwelk het verbond eerst word gevestigd. En Dezelfde, Der Alttesta-mentl. Opfereultns S. 105 : Dio Application des Blutes an den Altar war (zur Sühno) nothwendig und dieso involvirte eo ipso auch schon dio (ideello) Application an dio Person dos Opfern-den, naar Lev. 17; 11: Ik heb u hot bloed op het altaar gegeven , om over uive zielen verzooningo te doen. Die Seelen der

-ocr page 631-

§ 1. EENE ORDE DES IIEILS.

steeds met kracht aangedrongen. Bovenal door Calvijn. Waar de Apostel Petrus gewaagt van de hesprenging des bloeds van Jezus Christus (1 Petr. 1:2), acht Calvyn dit eene toespeling op het oude gebruik der hesprenging onder de Wet. „ Want, zegt hij , gelijk het toen niet genoeg ware geweest dat het offerdier geslacht en het bloed vergoten werd, indien niet het volk ware hesprengd geworden : zoo zou het ons heden niets nulten, dat Christus\' bloed is vergoten , indien niet door hetzelve onze gewetens wierden afgewasschen. Hierin ligt de tegenstelling : dat, gelijkerwijs eertijds onder de Wet door de hand des priesters de hesprenging des bloeds geschiedde, alzoo nu de Heilige Geest onze zielen met Christus\' bloed tot verzoening (in explationem, tot uitdelging der zonde) besprengtquot; gt;). Met nadruk komt Calvyn er voor uit2).

Opfernden sind also ideoll auf dem Altar (Ex. 20: 24) uud werden dort durch das Opferblut godeckt.

Dezelfde auteur geeft, in het laatst genoerado werk S. 92 in overweging»Du slachting vau het offerdier, dat plaatsbeklee-dend den dood ondergaat voor hem, voor wien het wordt gebracht, bewerkt op zich zelf nog geenszins de verzoening of delging zijner zonde ; evenzoomin als mijne geldschulden hierdoor gedelgd zijn , dat een ander hot daartoe noodige geld door den arbeid zijner banden verwerft , maar eerst hierdoor, dat hij met het verworven geld mijne schulden dekt, delgt. Zoo moet met de verdienste des Offerlijders ook mijne zondenschuld gedekt worden , eer zij als verzoend en gedelgd kan worden aau-gezioa ; dat zegt: het verdienstelijke offerlijden moet op de zondige ziel desgenen , voor wien het otïer geschiedde , overgedragen en hem peraoonlyk toegeöigend worden. En dat geschiedt door do bloedsprenging.quot;

\') Calvin. Commentar. in 1 Petr. 1 : 2.

2) Bijzonder Instit. III. 1. 1 , 2. En waf do kleine kinderen Gravemoöev, Goref. Gol. looi\'. ]1. DO

G09

-ocr page 632-

CIO § 1. EENE ORDE DES HEILS.

dat al wat Christus gedaan en geleden heeft: ons niet aangaat\'), wanneer wij niet met Hem , als leden met het Hoofd, vereenigd zijn, hetwelk door den Heiligen Geest geschiedt in het geloove. Zalig worden door Christus alleen degenen die Hout door een oprecht geloove worden ingelijfd en al zijne weldaden aannemen (Heidelb. Catech. Vr. 20). En in het Formulier van den Heiligen Doop der kleine kinderen wordt beleden: dat wij met onze kinderen in zonden ontvangen en geboren en daarom kinderen des toorns zijn, zoodat wij in het Rijk Gods niet mogen komen tenzij dat wij vannieuws geboren worden.

§ 2. De voornaamste genadewerkingen.

üe voorstelling van de Heilsorde moet naar ons inzien zich vooral hierdoor kenmerken , dat geheel de toeëige-ning der zaligheid blijke het werk Gods te zijn en niet des menschen. Waar wij dat doen uitkomen , handelen wij in Gereformeerden geest (Leerreg. van Dordrecht. Tweede Hoofdst. Verwerp, der dwal. 6). God voorop, de mensch achteraan. Uit de werkingen Gods vloeien eorst de werkzaamheden des menschen voort. Dies vragen wij in de eerste plaats , wat God doet om den mensch het Verworven heil deelachtig te maken, en dan wat er in den mensch moet omgaan.

De voornaamste genadewerkingen ziin de roeping, de

betreft Inst. IV. 16. 17. Doch vergel. Brakel, Red. Godsd. I. Cap. XXXI. 1. p. 738.

\') Nihil ad nos, qnaecumque possidet: douoo cum ipso in nnum coalesciraus. Calvin. Ins tit. III. 1. 1.

-ocr page 633-

§ 2. DE VOORNAAMSTE GENADEWERKINGEN. üll

rechtvaardiging en de heiligmaking. Naar „de gulden ketenquot; der toepassende heilsdaden Gods Roni. 8: 30: Die Hij te voren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen ; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt.

Deze drie weldaden\') der Goddelijke genade komen overeen met de drievoudige ellende des menschen en dienen om hem daarvan te verlossen en hem die af te nemen : zijne blindheid, zijne schuld en zijne verdordenheid; en zij bevredigen zijne drievoudige behoefte, daar zij hem geven wijsheid, gerechtigheid en heiligheid.

Zij staan in verband met het drievoudige werk van Christus als Profeet, lioogepriester en Koning. Want de toepassing van het verworven heil is het doeleinde van des Middelaars verhooging (Hand. 3: 26. 5: 31).

Alle deze dingen zijn uit God. Het zijn goede gaven en volmaakte giften van boven , van den Vader der lichten afkomende (Jac. 1: 17). De Heilige Geest brengt ze tot den mensch. Maar door de bemiddeling van Christus. Kort en krachtig drukt de Apostel Paulus dit uit 1 Kor. 1: 30, waar hij (tot\'/(ew die geroepen zijn Vs. 24) spreekt: Uit Hem (uit God , naar zijne verkiezing en door zijne genade) zijt gij in Christus Jezus, die ons geworden is wijsheid van God en rechtvaardigheid en heiligmaking en verlossing: wijsheid als Profeet, rechtvaardigheid als lioogepriester, heiligmaking als Koning en aldus verlossing (krachtens zijn zoenbloed) van alle kvvaati en ellenden des lichaams en der ziele.

\') Mon vergelijke hierbij vooral het Elfde Hoofdstuk § 9.

-ocr page 634-

612 § 3. WAT ER IN DEN MENSGII MOET OMGAAN.

§ 3. Wat er in den mensch moet omgaan.

Krachtens de Goddelijke genadewerkingen ondergaat de mensch die verandering in bestaan en staat, zonder welke hij voor de zaligheid onvatbaar is. En wat is het dat er in hem moet gebenren en noodzakelük bij een ieder die zalig zal worden moet plaats hebben ? Het is ; hekeeriny tot God en geloof in den Eleere Jezus Christus, waardoor de wedergeboorte tot stand komt.

Velen, bij name Luthersche Godgeleerden, bevatten onder bekeering geheel de verandering des menschen , rekenen althans het geloof tot de bekeering \') , beschouwen het geloof als een deel, en wel als het positieve , van de bekeering. Bij anderen is de wedergeboorte de algemeenste naam, waaronder zij al het andere mede begrijpen2). Ook wordt bij sommigen wedergeboorte met bekeering verward. En niet slechts in het gebruik der woorden, nu eens in ruimer dan weer in nauweren zin , heerscht er onmiskenbaar veel onbepaaldheid, maar ook in de volgorde van de trappen in de ontwikkeling des geestelijken levens is er niet weinig verschil merkbaar.

Roomseh is het, het geloof te stellen vóór de bekee-

\') Vergel. de kerkelijke Soteriologie bij Biedermann, Christl. Doginatik II. S. 328. § 508. Schleiermachcr, Der Christl. Glaube II. § 108. \'t Is Luthersche kerkleer : Apologia Confessionis V. in do Concordia Pia ed. Rechenberg p. 166. — Ook Bralcelho-grijpt onder bekeering de geheele verandering des menschen. Redel. Godsd. I. Cap. XXX. § 39 v.v. p. 732 v.v.

-) Bretsohneider , Dogmat. II. § 178. S. 525. Ilase, Hutter. vediv. § 111.

-ocr page 635-

§ 3. WAT ER IN DEN MENSCH MOET OMGAAN. 613

ringi). Dit heeft zijnen grond hierin, dat de Roomsche Kerk het woord geloof in eenen anderen zin gebruikt dan de Protestanten , daar zij alleen de kennis en toestemming der Goddelijke waarheid , en wel op het gezag der Kerk, daaronder verstaat. Dat is, herinnert de Protestant, niet het bijzondere , rechtvaardigmakend en zaligmakend geloof in den Heere Jezus Christus, maar een algemeen geloof aangaande God en de bestemming des menschen , als: dat God is , dat den godde-looze straf te wachten staat enz.1). Zulk een geloof trouwens moet er voorafgaan. Dit immers moet bij den mensch vast staan dat God is en dat hij een vergelder is (ook naar Hebr. 11; 6, hoewel het daar nog iets meer is dan een verstandelijk aannemen); zoolang iemand dat niet aanneemt, kan er bij hem geen sprake van bekeering zijn a), of het ware eene bekeering tot niets.

Maar plaatst niet ook onze Calvi/n ■•) het geloof vóór de bekeering ? Zeker, en hij spreekt zich scherp uit tegen die er anders over denken.

1

quot;) Aldus polemisch tegen de Roomschen : Apologia Confes-sionis V. ed. Rechenb. p. 172.

-ocr page 636-

G14 § 3. WAT ER IN DEN MENSCH MOET OMGAAN.

Hoe is het dan ? Hel bezwaar valt weg, zoo wij slechts voor oogen houden , in welken zin Galvyn hier van hekeering spreekt. De bekeering is hem de dooding van het vleesch en van den ouden mensch en de le-vendmaking door den Geest\'). Hij verstaat daaronder de voortgaande heiligmaking des geloovigen, des men-schen die Christus deelachtig en in den staat der genade is. Evenzoo de Heidelh. Catechismus Vr. 88—90. Dat hierbij het geloof voorafgaat, lijdt geen tegenspraak: geen heiligheid vóór de overplanting uit Adam in Christus , vóór het ééne plante worden met Christus, vóór de vereeniging met de eenige levensbron en den waar-achtigen levensgrond , welke vereeniging door en in het

\') Hij zogt Instit. III. 3. 5: Non male, meo quidem judicio, sic. poenitentia definiri poterit: osse voram ad Deum vitae uostrae conversionem , a sincero sorioque Dei timore profectam , quae carnis nostrae veterisque hominis mortiflcatione ot Spiritus vivi-flcatione constet. Eu III. 3. 9 zogt hij : Onder bekeering (poeni-tontia) versta ik met één woord wedergeboorte (regeneratio), waarvan het doel is de herstelling van Gods beeld in ons. Wij dienen wél in aanmerking te nomen , dat Calvijn in geheel dit lilde kapittel handelt van de vernieuwende kracht des geloofs en daarmede van de bekeering. Blijkens hot opschrift: Fide nos regenerari: ubi de voenitentia.

Van Marck, Compend. XXII. 3 wijst op de gelijktijdigheid en vermenging van beider bijzondere dadon in den mensch, van geloofs- en bekeoringsdaden , op de iueenvloeiïng van vorscail-lende werkzaamheden in den mensch en acht het vruchteloos met do Roomschen en anderen te twisten hoe zij zich onderling onderschoidon en hoe zo op elkander volgen. Iets nader laat zich ziju commentator B. de Moor, IV. p. 296 op de vraag in, of het geloof voorafgaat of wol de bekeering (resipiscontia) : »Do wettische bekeering gaat vóór hot geloof , de evangelische betrek-

-ocr page 637-

§ 3. WAT Elt IN DEN MENSGH MOET OMGAAN. Ü15

geloove geschiedt. Het geloof is daartoe zoo noodzakelijk , als planting des booms voor de vrucht.

Wij echter spreken hier, wél te verstaan, niet van den mensch zoo als hij is in den staat der genade, dus niet van de voortgaande, dagelijksche bekeering die in dezen staat plaats heeft; daarvan later Hoofdstuk XVI onder de Heiligmaking: maar van den weg en de wijze, hoe hij tot den genadestaat komt. En hier is het; eerst bekeering , dan geloof en daardoor en daarmede wedergeboorte.

De bekeering (§ 8 in dit XlVde Hoofdst.) is de toe-en voorbereiding gt;) lot het (zaligmakende) geloof. De

kolijk. Het geloof is of moor algemoon of bijzonder. l.Het«/(/e-meen geloof, fidos generica, waardoor men in \'t algemoon toestemt de Goddelijke bedreigingen en beloften en do openbaring van don Middelaar , gaat eenigerwijze vóór de evangelische be-keering. 2, Het bijzondere geloof, fides specifica, waardoor wij met vertrouwen tot den Middelaar Christus de toevlucht nemen, veronderstelt, volgt dus, die bokeering ten deele. Dies kan mon zeggen dcela dat de evangelische bekeering vóór het geloove gaat, duels dat zij mot het geloof verbonden is , deels dat zij op hef geloove volgt. Zij gaat vooraan als berouw, als erkentenis en oprechte smart over do zonden , waardoor God belee-digd en zijn toorn ontstoken is. Zij is verbonden met het geloof, voorzoover zij aanduidt het welberaden voornomen der ziel om tot God weder te koeren niet belijdenis der zonden en smeeking om vergiffenis : wam zoo met hope op genade en verhooring kan de zondaar niet tot God genaken dan door het geloove in Christus. Zij volgt na bet geloof, inzoover zij beteekent de dadelijke ommekeering des zondaars en zijns levens: want deze betering is de vrucht van het geloof, \'t wolk het hart reinigt en alzoo zich zelf levend en werkzaam toont.quot; Hier is klaarheid.

\') Zakelijk, hoewel met andere bewoordingen, leert dit ook

-ocr page 638-

616 § 3. WAT EU IN DEN MENSGH MOET OMGAAN.

bekeering in dezen zin heeft men van de dagelijksche bekeering der geloovigen wel zoo onderscheiden : bekeering tot het christendom en bekeering in het christendom »), of, wat dieper gevat: bekeering dergenen die nog niet, en dergenen die aireede in de gemeenschap met den Verlosser leven2). De bekeering in den eersten zin geschiedt maar éénmaal: er is geen tweede bekeering aan te nemen, of men moet eenen afval stellen.

Het geloof (§ 10 in dit XlVde H.) vereenigt ons met Christus. Door en met de vereeniging met Christus komt het nieuwe leven te voorschijn: wedergeboorte (H. XVI. § 1. 2.).

Bekeering en geloof zijn onafscheidenlijk met elkander verbonden. Geen ware bekeering, of zij leidt tot het zaligmakend geloof. Geen waar geloof zonder bekeering; een geloof zonder bekeering is een tijdgeloof. Geen ingang in het Koninkrijk Gods dan door bekeering en geloof. Men komt er niet met een sprong in. Gelooven zonder bekeering is over den muur klimmen en het Rijk Gods als eenen roof rapen; een waarachtig deelgenoot wordt men er niet van of men moet ingaan door de poorte die eng is en nederig , waar men maar niet zoo met alles door kan. Geen geloof met voorbijgang of overspringing van bekeering. Zoo past het voor den toestand des menschen en voor de eigenschappen Gods.

Calvijn en beschrijft het schoon , Instit. III. 8. 3 , 4. (Wettische en evangelische bekeeriug.)

\') Bretschneider , Dogmat. II. S. 542 ff.

\'2) Schleiermacher, Glaube II. § 108. 1. en 4. S. 171. en 181.

-ocr page 639-

§ 3. WAT EH IN DEN MENSC1I MOET OMGAAN. 17

Beide , bekeering en geloof, zijn èn eisch èn belofte. Waar God met zijn Koninkrijk aankomt, daar is het: bekeert u en gelooft.

Dat is de rechte orde, die vast staat en waaraan geen wrikken of breken valt. Zij is aangewezen en afgebakend in het surnmarium van Christus\' eigene prediking Marc. 1 : 15 : De tijd is vervuld en het Koninkrijk Gods nabij gekomen: bekeert u en gelooft (aan) het Evangelie *); en in de hoofdsom van de prediking der Apostelen Hand. 20: 21 : Betuigende beiden Joden en Grieken de bekeering tot God en het geloove in onzen Heere Jezus Christus1).

De natuurlijke mensch is van God af en tot zich zelven en tot de wereld gekeerd. Hij leett zich zelven, naar den vleesche. Zelfzuchtig zoekt hij het eigene en wandelt of in openbare zonden of in de eigengerechtigheid van doode werken. Nadert de Heere tot hem met zijn machtig Woord en met zijnen Geest, die de wereld overtuigt van zonde en van gerechtigheid en van oordeel (Joh. 16: 8), dan komt hij tot omdenken {[astxvoix) , lui wordt gewaar, dat hij met een heilig en rechtvaardig God te doen heeft, hij erkent met berouw en smart zijne zonden (waarin reeds eene aanvankelijke innerlijke scheiding en afkeering van de zonde ligt) en de waardeloosheid van zijne gewaande goede werken. In het licht der waarheid wordt hij, met al wat hij meende te zijn , eene nul, een niet, en moet over zich zelven het doodvonnis spreken.

Dit is de wegbereiding bij hem voor Christus, de toe-

\') [/.stxvosïts xx) ttivtsvsts Iv Tw suxyy^xicji.

,2) r/iv s]g tov öeov (/.srxvoixv xx) ttittiv ryv slg tcv y.upiov

vjl^üv XpiPTÓv. Zie ook Hebr. 6:1: bekeering van doodc

werken en geloof in God.

-ocr page 640-

618 § 3. WAT EH IN DEN MENSCII MOET OMGAAN.

bereiding voor het geloof gt;) in den Verlosser. Onmachtig in zich zeiven , vermoeid door vergeefsche pogingen om zich zelf te helpen , hoort hij het Evangelie van den algenoegzamen Zaligmaker in wien dat alles is waarnaar nu de behoefte en begeerte hij hem is verwekt. Christus wordt door het Woord en den Heiligen Geest in zijn hart geopenbaard. Het wordt hem te zijner tijd gegeven, met meerder of minder licht, in Christus als zijnen Heiland te yelooven.

Hij wordt gerechtvaardigd en wedergeboren. Gerechtvaardigd , doordien de gerechtigheid van Christus hem , den van alle gerechtigheid en recht ontblooten , metterdaad wordt geschonken ; wedergeboren, doordat Christus met zijnen levendmakenden Geest in hem komt wonen. Het nieuwe schepsel is geboren. Bij den ouden mensch is er nu een nieuwe mensch , bij het vleesch is er nu ook de Geest, die tegen elkander staan en in strijd blijven tot aan den dood.

§ 4. Eerst de roeping.

Het eerste wat God aan den mensch doet, om hem deelgenoot te maken van de verlossing en zaligheid in Christus , is de roeping. Dit is het begin der Goddelijke genadewerkingen , de eerste daad der toepassing van het heil , de aanvang van de verwerkelijking en uitvoering der Goddelijke verkiezing.

\') Calvin. Commontar. in Act. Apostol. 20: 21; pooniton-

tiae initium praoparatio ad fidem. Initium voco nostri displi-

contiam , quao metu irae Dei sorio tactoa ad quaeroudum reme-dinm uos impollit.

-ocr page 641-

§ 4. EERST ÜE BOEPING.

God is het die roept\'), en wel in den Middelaar Christus door den Heiligen Geest, naar de vaste orde onder de drie Personen in hunne werkingen. Het middel is het Woord. God roept met woorden. Hij is het, van wien Paulus in der geloovigen naam zegt 2 Tim. 1:9: Die ons heeft zalig gemaakt en geroepen met eene heilige roeping, niet naar onze werken , maar naar zijn eigen voornemen en genade die ons gegeven is in Christus Jezus vóór de tijden de)\' eeuwen. De Apofetel stelt zaliygemaakt vooraan en geroepen daarna : omdat de toebereide zaligheid van God aan den mensch door de roeping wordt toegeëigend. En God richt zich daarin niet naar voorgeziene gehoorzaamheid en goede werken van den mensch , maar het is naar zijne verkiezing , het is de volvoering van zijn eigen voornemen, en dit is genade, die door Hem in dat voornemen ons gegeven is (hetgeen God ons van eeuwigheid heeft toegedacht is reeds zooveel als werkelijk volbracht) , vóór allen tijd , in Christus Jezus als den Middelaar, van God zeiven daartoe verordend en gesteld.

God roept. Dus handelt H\\j in de toepassing der verworven verlossing met den redelijken mensch op redelijke wijze2). De mensch is wel een volstrekt afhankelijk schepsel , maar toch met bewustheid van reden en met vrijwilligheid besluitend en werkend. Overeenkomstig deze zijne natuur bewerkt God hem, daar Hij zijn verstand

\') Winer, Commoatar. ia Ep. ad Galat. 1:6. Editio tortia p. 41. Cremer, Wörterb. dor Neutest. Grilc. S. 333, u. d. W. y.xgt;Ju. P. Van Mastricht, Godgol. III. p. 200. VI. B, II. H. § 12.

-) P. Van Mastricht, Godgel. III. p. 196. Brakel, Red. Godsd. I. p. 703.

UI 9

-ocr page 642-

§ 4. EKDST DE KOEPING.

verlicht en hierdoor zijnen wil op eene redelijke en zedelijke wijze tot eene welberaden keuze bepaalt.

Bovendien de toepassing der verlossing geschiedt ver-bondsgevvijze. Tusschen God en de ziel heeft zoo te zeggen eene onderhandeling, eene redewisseling plaats. God doet het voorstel, de noodiging; de mensch moet toestemmen , inwilligen.

De genadige roeping Gods in Christus door zijn Woord en zijnen Geest tot zijne zalige gemeenschap, tot zijn Koninkrijk en deszelfs zielverzadigende goederen is als de noodiging tot eenen overvloedigen en heerlijken maaltijd. Zoo Spreuk. 9: 1 : De opperste Wijsheid heeft haar huis gebouwd : zij heeft hare zeven pilaren gehouwen. 2. Zij heeft haar slachtvee geslacht, zij heeft haren wijn gemengd , ook heeft zij hare tafel toegericht (Matth. 22 : 4). 3. Zij heeft hare dienstmaagden uitgezonden : zij noodigt op de tinnen der hoogten dei-stad. 4. Wie is slecht? hij keere zich herwaarts: tot den verstandeloozen zegt zij: 5. Komt, eet van mijn brood en drinkt van den wijn [dien] ik gemengd heb. 6. Verlaat de slechtigheden en leeft, en treedt in den weg des verstands.

God roept , eer de mensch tot Hem roept. De zondaar , van God vervreemd , vangt niet eerst aan God te zoeken ; God maakt het begin, Hij komt den mensche vóór. Treffend bleek dat aanstonds bij den eersten zondaar. De gevallene Adam heeft God niet gezocht, maar de Heere God heeft zich zeiven begeven om hem te zoeken, toen hij al bevende voor Hem vlood (Nederl. Belijd, des Gel Art. XVII.) Adam riep niet tot God, maar de Fleere God riep Adam en zei de: Waar zijt gij ? Gen. 3: 9.

620

-ocr page 643-

§ 4. EERST DE ROEPING

En altoos is het gelijk de Heere zelf betuigt Jez. 65 : 1 : Ik hen gevonden van die , die [naar mij] niet vraagden, ik hen gevonden van degenen die mij niet zochten: tot het volk , dat naar mijnen name niet genoemd was , heb Ik gezegd: Zie [hier] ben ik, zie [hier] hen ik.

De roeping Gods , algemeen genomen en zonder nadere bepaling, is de door Hem met woorden geschiedende bekendmaking van zijnen heiligen en genadigen wil , voorstel van verderf en zaligheid, van dood en leven. Hij komt lot den mensch spreken , Hij doet hem zijne stemme hooren , Hij verklaart zijnen wil. En wel tweevoudig : heilig en genadig. Zijnen heiligen wil kondigt Hij den zondaren aan in de Wet , om hun hunne ellendigheid en onmacht, hun tegenwoordig en dreigend verderf, hunnen dood te ontdekken en alzoo bij hen de behoefte aan , de vatbaarheid voor en de begeerte naar verlossing te verwekken. Zijnen genadigen wil komt Hij hun betuigen in het Evangelie , waarin Hij hun de zaligheid in Christus voorhoudt, den weg des levens toont en hen liefderijk daartoe noodigt. (Deuter. 30: 19).

§ 5. Door Woord en Geest.

De roeping Gods tot zijn Koninkrijk en tot de zaligheid in Christus geschiedt:

1. Uitwendig door het Woord, voornamelijk in de prediking.

Daartoe heeft de Heere het predikambt ingesteld. 2 Kor. 5: 19: Want God was in Christus de wereld met Heinz elven verzoenende, hunne (der menschen die de wereld zijn) zonden hun niet toerekenende , en heeft het woord der ver-

621

-ocr page 644-

§ 5. DOOR WOORD EN GEEST.

zoening in ons gelegd. 20. Zoo zijn wij dan gezanten van Christus\' wege, alsof God door ons hade: wij hidden van Christus\' tvege: laat u met God verzoenen.

God roept door zijn Woord. Het Woord is het middel, waarmede Hij langs verschillende wegen tot den mensch komt, in schrift door het lezende oog, in onderlinge gesprekken en in de openlijke prediking door het hoorende oor. Voornamelijk in de prediking. Hij roept, noodigt door den mond zijner gezanten, aan wie Hij de bediening der verzoening heeft gegeven (2 Kor. 5: 18), die de verzoening , de vrucht, van Christus\' dood toedienen : eene toediening , die echter niet bestaat in eene werkelijke , magische toeëigening door hen (door de priesters) , zooals de Roomschen zich verbeelden, maar geheel en alleen in de prediking des Woords. Ook in de Sacramenten geschiedt wel eene toeëigening , maar zij zijn niet het middel der roeping; zij dienen niet om eerst tot de genade in Christus te roepen, maar zijn voor de geroepenen, om de verzoening met God aan onze conscientiën te heiligen en zij hebben alleen kracht door hun verband met het Evangelie, waarvan zij aanhangsels, zegels zijn i).

Er is eene natuurlijke roeping, tot alle menschen gericht, door de werken der Schepping en Voorzienigheid en door het geweten2). De natuur is niet stom. De hemelen ver-

\') Calvin. Commentar. in Bpist. II. ad Corinth. 5: 19. Dit is wél in aanmerking to nemon , waar sommigen het Woord en de Sacramenten als middel der roeping samenvoogen, gelijk March, Compend. XXXIII. 4 on 8.

) Vocatie generalis, indirocta. P. Van Mastricht, Godgel. III. p. 201. Witsius, Oeconomia Lib. III. Cap. V. § 8 sqq. Eerste Hoofdstuk van dit Leesb. § 18.

G22

-ocr page 645-

§ 5. DOOR WOORD EN GEEST.

tellen Gods eere en het uitspansel verkondigt zijner handen werk. De dag aan den dag stort overvloediglijk sprake uit, Ps. 19 ; 2 , 3. Maar al de stemmen der natuur roepen slechts in het algemeen tot God als Schepper en Regeerder, niet tot de zaligheid in Christus. De naam van Jezus ruischt niet langs de wolken gt;) De verkondiging der natuur wordt dus niet dan oneigenlijk eene roeping genoemd en is niet te vermengen met die roeping, waarmede wij het hier hebben te doen, de roeping tot de zaligheid in Christus1), die door het Woord geschiedt, in hetwelk de Verlosser wordt voorgesteld en waarin tot het deelgenootschap aan de verlossing van Gods wege wordt uitgenoodigd.

De roeping door het Evangeliewoord is niet algemeen a). De voorstanders van eene algemeene genade en verlossing stellen eene algemeene roeping tot de zaligheid 4). Inzonderheid de oudluthersche Godgeleerden. Want, zegt men, het is Gods wil 1 Tim. 2: 4 s), Christus\' bevel Matth. 28; 19, en werkelijk uitgevoerd Mare. 16: 20. Rom. 10: 18. Deze algemeene roeping, herinhert men, is geschied door Adam en Noach, als stamvaders der volken, dan door de in geheel de wereld verstrooide Joden , eindelijk door de Apostelen. — Maar de geschiedenis getuigt openbaarlijk hier tegen. Nieuweren nemen daarom de toevlucht tot het verzinsel van de prediking onder de dooden , waardoor de roeping des Evangelies tot allen zou komen, die in hun leven er niet van

C23

1

) Vocatio specialis, propria.

-ocr page 646-

§ 5. DOOR WOORD EN GEESf.

hoorden •). — Waar het Evangelie niet is , is geene roeping. Waar het gepredikt wordt, gaat de roeping wel tot allen die het hooren. is echter toch geen onbepaalde, onvoorwaardelijke aanbieding, maar met vereisch van bekeering en geloof1).

De uitwendige roeping des Woords alleen werkt geen bekeering en geloof. Er zijn uitwendig geroepenen, die niet hooren, niet komen. Spr. 1 : 24. Matth. 20: 16. 23: 37 3). ■

Krachtdadig en zaligmakend wordt de uitwendige roeping des Woords, wanneer daarmede gepaard gaat de hartveran-derende invloed van Gods Geest. Dies geschiedt de roeping:

2. Imvendig door den Heiligen Geest. Dus was het bij Lydia Hand. 16: 14: welker hart de Ileere heeft geopend, dat zij acht nam op het gene van Paulus gesproken werd. Zij was wel eene vrouw, die als Jodengenoote God diende, maar toch moest er in haar iets bijzonders gebeuren, toch moest haar hart geopend worden. Al kon hare godsdienstigheid door de voorkomende genade eene voorbereiding voor het Evangelie zijn, evenzeer kon daarin een beletsel liggen om het woord van zaligheid in den gekruisigden Christus , door Paulus verkondigd , aan te nemen. Aan hare godsdienstigheid of meerdere vatbaarheid wordt het dan ook niet toegeschreven , dat zij acht nam , maar alleenlijk hieraan , dat de Heere haar hart, zijnde gesloten als bij de anderen, geopend heeft. De anderen hoorden hetzelfde woord als zij , maar haar hart

624

1

\') Twaalfdc Hoofdstuk § 30. bl. 435 v.

-ocr page 647-

§ 5, DOOR WOORD EN GEEST. 625

werd er voor geopend , zoodat het, terwijl het anders in de lucht zoude vervlogen zijn , nu in haar drong en als eene kracht Gods tol zaligheld in haar werkte, zoodat haar met eenmaal een licht opging en er leven in haar ziele kwam. Het Woord werkt niet zonder den Geest; maar ook de Geest niet zonder het Woord , hetwelk ook Galvyn met nadruk inscherpt tegen de geestdrijvers die het gebruik des Woords en de onderwijzing nutteloos en onnoodlg achten i). Waar de Geest medewerkt, krijgt het Woord gezag en macht over don mensch en wordt ontvangen en geëerbiedigd als Gods Woord, zooals bij de Thessalonikers , tot wie Paulus zeggen kon 1 Thess. 2 : 13 : Daarom danken ivij ook God zonder ophouden , dat, als gij het woord der prediking Gods van ons ontvangen hebt, gij dat aangenomen hebt, niet [als] der menschen woord, maar, gelijk het waarlijk is [als] Gods Woord, dat ook werkt in u die gelooft.

§ 6. A. Roeping tot bekeering.

Wat aangaat het doel , waartoe de roeping geschiedt, zoo is het eerste eene roeping tot bekeering.

En waarom is dit het eerste ? Omdat het alteraaal zondaars zijn, die God roept. (Zie hierboven § 3. bl. 617 v.). Daarom kan het niet anders. Bekeert u! Dit was altijd de eerste eisch, daarop drongen in het Oude Verbond al de profetische predikingen het eerst aan, daarmede trad de wegbereider voor den Koning van het

\') Calvin. Commentar. op Hand. 16: 14.

Gravomeijer, Geref. Gel. leor. II.

40

-ocr page 648-

§ 6. ROEPING TOT BEKEERING.

626

Godsrijk , de Dooper Johannes op, daarmeê hief de Heere Jezus Christus, als ook zelf zich den weg bereidende, zijne prediking aan. Dat past voor overtreders. De Heere gelastte den Profeet Ezech. 33: 11: Zeg tot hen: Zoo waarachtig als ik leve , spreekt de Heere Heere, zoo ik lust heb in den dood des goddeloozen ! Maar daarin [Jieb ik lust], dat de goddelooze zich hekeere van zijnen weg en leve: bekeert u, bekeert u van uwe booze wegen: want waarom zoudt gij sterven , o huis Israels ? En van den Heiland wordt uitdrukkelijk vermeld, na het aanvaarden van zijn openbaar leeraarsambt Matth. 4: 17: Van toen aan heeft Jezus begonnen te prediken en te zeggen; Bekeert u want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. Met de roeping tot bekeering zond Hij zijne Apostelen uit: En uitgegaan zijnde , predikten zij (den men-schen) , dat zij zich zouden bekeer en, Mare. 6: 12.

Bekeering is noodig voor een ieder mensch , om deelgenoot te worden van het Koninkrijk der hemelen. Wel heeft Christus gezegd Luc. 5: 31 : Die gezond zijn hebben den medicijnmeester niet van noode, maar die ziek zijn. 32. Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen maar zondaren tot bekeering. En Hij spreekt Luc. 15 : 7 van 99 rechtvaardigen i) die [de] bekeering niet van noode hebben. Maar er zijn in het geslacht van den gevallen

1) Meijer teekent te recht aan: Als ein soluher Gerechter wird hernach in der Parabel vom verlorenen Sohne der Slteste Sohn so bestimmt und treffend gezeichnet, dass man context-müssig nicht an wirlclich Tugenthajte denken kann. — De 99 rechtvaardigen zijn ook niet reeds bekeerden: want dan ware er toch ook over ben blijdschap in den hemel geweest, namelijk toen zij zich bekeerden.

-ocr page 649-

§ 6. ROEPING TOT BEKEERINO.

Adam geen werkelijk gezonden, geen wezenlijk rechtvaardigen , Gelijk geschreven is: Daar is niemand rechtvaardig , ook niet één, Rom. 3 : 10. Maar vele Farizeën zijn er, die zich zeiven voor gezond , voor rechtvaardig houden, en intusschen zoo onrechtvaardig zijn als de oudste zoon in de Gelijkenis.

De Heere Jezus hoeft in het algemeen van de menschen verklaard, dat zij boos zijn, Matth. 7: 11, en alleen in trap van boosheid verschillen, Luc. 13 : 4 Joh. 19 : 11. Spreekt Hij van hoozen en goeden Matth. 5 : 45, het is dan verge-iijkender wijze en naar het uitwendig voorkomen en gedrag.

Omdat allen zondaars zijn , zoo kan het niet anders of de Goddelijke roeping moet allereerst zijn eene roeping tot bekeering.

§ 7. Uitwerking.

De uitwerking van de Goddelijke roeping, uitwendig en inwendig door Woord en Geest te zamen, is: verlichting in het duistere verstand (overtuiging) en opwekking als van eenen hardslapende, ja van eenen doode.

Waar God roept, roept Hij den ganschen mensch. Hij werkt daarbij op verstand , gevoel en wil; saamgenomen en vereenigd zijn het werkingen op het hart als het een-heidspunt van erkennen , voelen en willen , als het centrum van geheel het persoonlijke leven des menschen.

Maar eerst wordt het verstand aangedaan. Licht was het eerste werk Gods bij de schepping: zoo ook in de herschepping. Ja alle veranderingen des menschen , ook in den voortgang zijner vernieuwing worden ingeleid door middel van verlichting, erkentenis, overtuiging. Ook bij

627

-ocr page 650-

§ 7, UITWERKING.

het geloove is kennis en wel zekere, met toestemming , het eerste (Heidelb, Catech, Vr. 21). God werkt in het redelijke schepsel door het verstand op het gevoel en door beide op den wil \')•

De natuurlijke toestand aller menschen is duisternis: onwetendheid en vervreemding van God, Ef. 4: 18: Verduisterd in het verstand, vervreemd zijnde van het leven Gods door de otiwetendheid die in hen is, door de verharding huns harten.

De mensch kent zich zeiven niet, heeft geen besef van zijne schuld en zijn verderf, van de zonden zijns levens en de gruwelen zijns harten; hij kent God niet en is onnadenkend en onbezorgd over hetgeen hem wegens zijne zonden van den Rechter te wachten staat; hij weet niet van verlossing en verzoening, van eenen weg van zaligheid voor zondaren.

Hij kan zich zelf geen licht geven. God, roepende door zijn Woord en Geest, ontdekt hem aan zich zeiven, geneest hem allereerst van zijne blindheid, maakt den slapende wakker uit zijnen doodsslaap , doet hem erkennen dat hij een arm zondaar is (Matth. 5:3), doet hem zijne armoede voelen en hem er onder treuren in droefheid naar God (Matth. 5: 4. 2 Kor. 7: 10) en doet hem verlangen namp;w \'t geen hij mist, naar de gerechtigheid (Matth. 5: 6).

628

Licht is de eerste gave, en bestendig weerklinkt de wekstem des Heeren tot slapenden en dooden , als ook tot weeringezonkenen, tot weeringeslapenen en doodigen.

quot;) Vergel. P. Van Mastricht, Godgel. III. p. 197. 272. Vide Boek, Ilde H. § 7. IVde H. § 19. Brakel, Kedel. Godsd. I. p. 717. Cap. XXX. § 20.

-ocr page 651-

§ 7. UITWERKING.

om te ontwaken en op te staan. Daarom zegt Hij (Jez. 60: 1) : Ontwaak, gij die slaapt en sta op uit de doo-den en Christus (de Zon der gerechtigheid) zal over u lichten (om dan als kinderen des dags ook in dat licht te wandelen), Ef. 5: 14.

Ook stelt Paulus , de Apostel der Heidenen, de verlichting, de ontdekking, de overtuiging voorop, waar hij verklaart waartoe de Heere hem had gezonden , Hand. 26 : 18 : Ik zend u tot hen , sprak de Heere tot hem , Om hunne oogen te openen en [lieri] te hekeeren van de duisternis tot het licht en \\yan\\ de macht des Satans tot God: opdat zij vergeving der zonden ontvangen en een erfdeel onder de geheiligden, door het geloove in Mij.

§ 8. Het wezenlijke van de Bekeering.

Wij moeten het bijkomstige van het wezenlijke onderscheiden. Gods leidingen zijn naar zijne menigvuldige wijsheid verschillend, overeenkomstig de verschillende geaardheid en omstandigheden der menschen. Bij den eenen gaat het schielijk, bij den anderen langzamer. Bij den eenen is het aanstonds ook uitwendig openbaar , bij den anderen neemt het een stilleren , zachteren loop. Het meest kenbaar komt het uit bij zulken die woest en losbandig in grove zonden en ongerechtigheden leefden. Maar het wezen der zaak is hetgeen bij een ieder moet plaats hebben en hetgeen ook door allen wordt ondervonden die in het huis des Vaders komen.

Naar dat ivezenlijke vragen wij hier. En dan mogen wij zeggen, in het algemeen: de bekeering is eene geheele omkeering van zin en wil, met dadelijken invloed op het

629

-ocr page 652-

§ 8. HET WEZENLIJKE VAN DE BEKEERING.

gedrag. Dit geeft in de grondtaal des Nieuwen Testaments het woord \') te kennen , hetwelk onze Overzetters doorgaans door hekeerincj hebben vertaald.

Maar dit algemeene in zijne bijzonderheden aangemerkt, is de bekeering een inkeer en afkeer en wederkeer\'\'). De bekeering vangt van binnen aan en openbaart zich daarop ook naar buiten.

1. Het is allereerst een inkeer tot ons zeiven met erkentenis van onze diepe ellendigheid.

\') ij.6txv01x, //.stxvosïv. Zoo doorgaans in hot N. T. In hot O. T. , wederkeeren, hetwelk do LXX door eTrinpeamp;siv,

niet door perxvosTv vertalen. \'Kttijtps^siv beteekent meer de positieve toekeering tot God, met afstand van het vorige zondig bestaan on gedrag, met verzaking dor van God afgekeerde richting des levens ; hot duidt aan do positieve intrede, den werke-lijken overgang uit de doling en verheid van God tot zijne gemeenschap en dienst, en wel in zoover de mensch daarbij zelf actief, doende is, terwijl hij ouder Gods werking werkt. Het komt dan ook voor in verbinding met het meer negatieve psrxvosïv Hand. 3: 19: ftSTXVofaxTe xx) STitTTpé^XTS, waar de Onzen vertaald hebbeu : betert u en bekeert u. Desgelijks 26: 20: //.stxvosÏv xx) èTTitrrpétpsiv stt) tov ósóv. Vergel. Cremer, Wörterb. der Neutest. Grlic. u. d. W.

lu (JLSTXVOeh druist ft st x tweeOrlei uit; daarna en anders (dan te voren) donken of gezind zijn. Hot raakt den vovq en wol niet algemeen als rfenfcvermogen maar als zedelijk vermogen om na te denken ; het is zich bezinnen , omdenken , wadenken eu arecfeï-sdonkon , en wel mot het gevoel van berouw, smart en leed. Even daardoor is hot zaak dos harten , want uit het hart zijn de uitgangen des levens Spr. 4: 23 , in het hart veroeni-gen zich allo gewaarwordingen , van het hart gaan alle bewegingen uit. Hetgeen do Schrift daarvan loert vindt men bijeen in Delitzsch , Bibl. Psychol. 2te Aufl. § 12. S. 248 ff.

\'2) Schrijvers Zestal Leerredenen over Luc. XV. Gron. 3de druk 1893. bl. 55 ovor Luc. 15 ; 17—20a-

630

-ocr page 653-

§ 8. HET WEZENLIJKE VAN DE BEKEERING. 631

Inkeer in tweeërlei opzicht, a. Bepaling bij ons zeiven. Van den verloren zoon zegt de Heere Jezus: hij is tot zich zeiven gekomen, Luc. 15: 17a. Daarmee begon de keer in zijnen staat. De zondige mensch is bij zich zeiven niet te huis. Hij zoekt zijn geluk en genoegen in aardsche dingen en betrekking , terwijl toch in hem zeiven , in zijn eigen binnenste de bronwel moet geopend worden van zalig leven en waar genot. Niet dat hij de zaligheid uit zich zeiven kan halen ; hij moet alles van God ontvangen : maar inwendig , in zich moet hij deze zaligheid verkrijgen , bezitten, genieten. De ziel, die rusteloos omzwerft buiten zich in de veelheid der dingen , moet dan eerst tot zich zelve komen.

b. Bezinning. De verloren zoon, tot zich zeiven gekomen zijnde , begon ernstig en bedaard na te denken en kreeg besef van zijnen waren, rampzaligen toestand. Hoe vele huurlingen mijns Vaders : riep hij uit, hebben overvloed van brood en ik verga van honger, Luc. 15: l?1\'-De zondaar handelt zinneloos , onzinnig , vaak dolzinnig. In leugen en zelfbedrog is hy verstrikt. Hij moet inzien en erkennen, hoe ellendig hij door de zonde is geworden. Dringt Gods Geest met de waarheid op hem aan , dan breken de strikken , de begoocheling wijkt. Hij wordt wakker als uit een diepen slaap , wordt nuchter als uit eene langdurige bedwelming. Hij krijgt het gevaar te zien, waarin hij verkeert. En dan is zijne redding zeker: want dan is hij waarlijk een verlorene, en die dat zijn , zijn gezocht en gevonden en worden gered. — Ik verga van honger! Hiertoe moet hel komen, anders blijft men nog bij den zwijnendraf zitten. Zoolang de voorraad van eigen kracht, wijsheid en gerechtigheid niet is opgeteerd,

-ocr page 654-

§ 8. HET WEZENLIJKE VAN DE BEKEERING.

heeft men geen begeerte naar verlossing, geen behoefte aan Jezus. Zalig zijn zij die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid , want zij zullen verzadigd worden. De wereld laat hare dienaren verhongeren.

2. Berouw en afkeer van de zonde. Niet slechts de gevolgen der zonde , de rampen en ellenden , moeten beklaagd , maar de zonde zelve moet betreurd en verfoeid worden met hartinnig berouw en afkeer er van en met een ernstig en welberaden voornemen om haren slaaf-schen dienst te verlaten en God te zoeken. Dit is een wezenlijk stuk in de bekeering. Het is niet genoeg , tot zich zeiven gekomen te zijn, men moet dan ook tot God komen, met oprechte schuldbelijdenis en begeerte om God te dienen.

Dus was het bij den verloren zoon Luc. 15: 18, 19. * Ik zal opstaan, zegt hij bij zich zeiven , en tot mijnen Vader gaan (dit te willen wordt den zondaar gegeven door de voorloopende , verborgene genade, die hem voor Kaïns en Judas\' wanhoop bewaart: hy is onder de trekking des Vaders) en ik zal tot hem zeggen: Vader ik heb gezondigd tegen den hemel en voor u, En ik hen niet meer waardig mo zoon genaamd te worden • maak mij als éénen van uwe huurlingen (dit laatste zegt hij bij zijn aankomst niet eens, de voorkomende liefde des vaders, die hem als kind ontvangt, neemt dit voor hem weg om zich nog als huurling aan te bieden).

3. Werkelijke wederkeer tot God. Zooals in den verloren zoon is afgebeeld : opstaande ging hij naar zijnen vader, Luc. 15 : 20a. Op den wil en het voornemen volgt de daad. Zoo alleen is het eene waarachtige bekeering. Vandaar de nadrukkelijke vermaning Hoz. 14: 2: Bekeer u,

632

-ocr page 655-

§ 8. HET WEZENLIJKE VAN DE BEKEERING.

o Israël, tot den Eeere uwen God toe; en de klachte 7: 16: Zij keeren zich, [maar] niet tot den Allerhoogste , zij zijn als een bedriegelijke hoog. Een werkelijke terugkeer moet er geschieden van al de gebrokene bakken af tot de springader des levenden waters (Jer. 2 : 13).

§ 9. B. Roeping tot Christus en tot geloof in Hem.

Bekeering is het eerste doel waartoe God roept. Maar daarmede is onatscheidelijk en noodzakelijk verbonden een tweede doel. Namelijk de Goddelijke roeping is voorts eene roeping tot Christus en tot geloof in Hem \'). Dordr. Leerreg. H. I. 3 ; Door den dienst der verkondigers tvor-den de menschen geroepen tot bekeering en het geloof in Christus.

Het kan niet anders. En waarom ? Omdat de zondaar niet door zich zeiven tot God komen kan maar alleen door den Middelaar Jezus Christus. Naar zijn eigen woord Joh. 14:6: Ik hen de weg en de waarheid en het leven. Niemand komt tot den Vader dan door Mij11). Alleen in Christus wordt God gevonden. De Vader roept

633

-ocr page 656-

634 § 9. ROEPING TOT CHRISTUS EN TOT GELOOF IN HEM.

tot den Zoon , de Zoon brengt tot den Vader. God roept tot Christus door het Evangelie. Terwijl de zondaar door de Goddelijke Wet, waaraan hij eerder dan aan het Evangelie zijne toestemming kan geven, beschaamd en beangstigd wordt, blinkt hem uit de evangelische getuigenissen die hij verneemt al intusschen een schemer van hope toe en hij ziet den zaligen stand van een kind Gods als van verre. Maar tot vrede komt hij, wanneer Christus met zijne zoenverdiensten hem geschonken en toegeëigend wordt, hetwelk in het geloove geschiedt, doordien Gods Geest door het Evangelie Christus in het hart openbaart en zoo verheerlijkt in zijne noodzakelijkheid , gepastheid en algenoegzaamheid, dat de zondaar Hem als zynen Verlosser uit volle overreding en met al zijne genegenheden aanneemt en zich gerust aan hem betrouwt.

Op dit doel der roeping wijst Paulus de geloovigen tot hunne bemoediging 1 Kor. 1:9: God is getrouw door welken gij geroepen zijt tot de gemeenschap zijns Zoons Jezus Christus omes Heeren. Waarbij Calvyn aanteekent: „Dit is het dool van het Evangelie, dat Christus de onze worde en wij in Hem worden ingeplant. Waar echter de Vader Hem aan ons ten eigendom schenkt, deelt Hij in Hem zich zeiven aan ons mede; daaruit echter vloeit de gemeenschap aller goederen voort.quot; —

Maar bij den Verloren Zoon wordt van geen Middelaar gewaagd, hij komt maar zoo zonder meer tot den vader V Bestrijders van de genoegdoeningsleer hebben hier eenen grond willen vinden voor hun gevoelen i). Ten onrechte*).

\') Ook het Compendium Dogmat. Groning. ed. 2. §-tö. pag. 54 laat niet na zich hierop te beroepen.

2) 2ie schrijvers Leerredenen, boven aangehaald, bl. 35 v.

-ocr page 657-

§ 9. ROEPING TOT CHRISTUS EN TOT GELOOF IN HEM. 635

Men bedenke slechts; 1. Het was Ae Middelaar zelf, die Luc. 15 de gelijkenis sprak. 2. Hij had pas vooraf allerduidelijkst van zich zeiven gesproken onder het beeld van den Herder — en wij weten dat deze zijn leven voor de schapen ging stellen en waarom. 3 De drie gelijkenissen, van herder en schaap , van vrouw en penning on van vader en kind vormen één geheel en schetsen kennelijk de liefde des Zoons, het werk des Heiligen Geestes en ten slotte de ontferming des Vaders, om aan te duiden, dat geheel de verlossing uit de ontfermende liefde des Vaders vloeit, die zijnen eigen Zoon ten offer gaf, in wien Hij was de wereld met Hem zeiven verzoenende.

§ 10. Zaligmakend Geloof.

Het geloof der uitverkorenen Gods wordt genoemd rechtvaardigmakend en zaligmakend geloof. Niet ais .of hel de grond ware der rechtvaardiging en liet geloof de ontbrekende wetvervulling verving en men zich dus door het geloof de zaligheid uitwerkte; maar omdat men door het geloof de gerechtigheid van Christus en daardoor de zaligheid ontvangt. Want uit genade zijl gij zalig geworden door het geloove Ef. 2 : 8. Verkrijgende het einde uws geloofs [namelijk] de zaligheid der zielen, 1 Petr. 1 : 9. Gelooven staat, opmerkelijk, voor de eerste maal in de Heilige Schrift Gen. 15 : 6 , en wel van Abram na de Goddelijke belofte van zaad als sterren : En hij geloofde in den Heere en Hij rekende het hem tot gerechtigheid. Doch niet als ware hij de eerste geloovige geweest, blijkens Hebr. 11.

Het zaligmakend geloof is eene bijzondere soort (species)

-ocr page 658-

§ 10. ZALIGMAKEND GELOOF.

van \'t geen men in het algemeen gelooven \') noemt, en waarvan het zich door eigenaardige kenmerken onderscheidt. Het is het geloof der arme zondaren en het ziet altoos op Christus , en grondt zich geheel op de erkende getuigenissen van den waarachtigen God. Onder het Oude en het Nieuwe Verbond in het wezen eenzelfde geloof, toen een gelooven in Hem die komen zou, nu in den gekomenen en verheerlijkten Verlosser.

Het ware, zaligmakende geloof is naar zyn wezen een hartelijk vertrouwen op Christus en op de genade Gods in Hem , hetwelk de Heilige Geest door het Goddelijke Evangelie in den overtuigden zondaar werkt, alzoo dat hij , arm en verloren bij zich zeiven , maar in het licht van het zekere en waarachtige Woord Gods (1 Tim. 1 : 15) alle volheid in Jezus Christus ziende , Hem als den volkomenen Middelaar en Zaligmaker, als den eenigen Redder uit allen nood in gemoede erkent en voor zich zeiven aanneemt en zich aan Hem overgeeft en aan Hem houdt en vrede in Hem vindt. Joh. 1:12: Zoo velen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden , [namelijk] die in zijnen naam gelooven.

636

Dit zaligmakend geloof in den Christus naar de Schriften staat lijnrecht over tegen het ongeloof, dat Hem verwerpt (Joh. 12: 48) en schuins tegen den twijfel, die de Schrift critiseert en tusschen aannemen en verwerpen dobbert (Jac. 1 : 6). Voorts wordt in de Schrift dit geloof inzonderheid rechtstreeks tegen allen werkroem gesteld (Rom. 4 : 5) , daar het vergeving der zonden,

1) Vergel. Eerste Hoofdstuk § 7. bl. 10 v.

-ocr page 659-

§10. ZALIGMAKEND GELOOP,

eeuwige gerechtigheid en zaligheid als een genadegeschenk van God door Christus ontvangt.

Gelooven is geen meenen, veelmin een vermoeden of gissen , doch verschilt ook van weten \'). Dit wordt reeds aangeduid door de gewone verklaring, volgens welke gelooven is : iets wat men niet ziet of tast voor waar houden uit subjectieve doch voldoende redenen , terwijl het meenen niet genoegzaam gegrond is , het weten daarentegen op objectieve toereikende gronden steunt en bewijsbaar is. Gelooven staat tegenover zien (Joh. 20 : 29) en wordt in dit opzicht nader aldus omschreven Hebr. 11 : 1 : [Het] geloof nu is een vaste grond\'1) der dingen die men hoopt [en] een bewijs f) der zaken die men niet ziet, waarmede gezegd wordt wat het geloove is voor dengene die het heeft. „Want de Geest Gods toont ons verborgene dingen, van welke er geene kennis tot onze

\') Nitzsch, System. § 8. Anm. 3. Vergel. P. Van Mastricht, Godgel. I. p. 127. Dr. A. Kuyper, Heraut 1885. No. 386.

,2) ÜTrcWjST/T. Cremer, Worterb. der neutest. Grac. u. d. W. S. 316 vertaalt bet door Zuversicht. Lünemann, Kommentar in Meyers Handb. feste Zuversicht. Ouze Staten-Overzetters teekenen er bij aan : Of een vast vertrouwen, dat is hetgeen de dingen die van God in Christus beloofd zijn vast en als tegenwoordig doet staan, niet alleen door eene toestemming van Gods beloften in ons verstand maar ook door een vertrouwen op dezelve in onzen wil.

3) \'s/.syyjjs. Cremer, Wörterb. S. 248: Ueherzeugungsmittel, Beweisrnittel, Lünemann, Kommontar; Ueberführtsein (des In-neren oder Gemüths) von Dingen welcho unsichtbar sind. Kantteek.; »Of overtuiging; want het geloof, ziende op Gods openbaring en belofte overtuigt en verzekert het hart des mensohen veel sterker van de waarheid der zaak dan eenig ander bewijs uit de natuurlijke rede voortgebracht.quot;

637

-ocr page 660-

638 § 10. ZALIGMAKEND GELOOF.

zinnen komen kan. Ons wordt een eeuwig leven beloofd, maar wij zijn dooden; ons wordt gezegd van eene zalige opstanding, intusschen vervuilen onze lichamen; wij worden voor rechtvaardig verklaard en in ons woont de zonde ; wij worden zalig gesproken en echter met oneindige jammeren overstelpt ; overvloed van alle goederen wordt ons toegezegd , maar wij lijden rijkelijk honger en dorst; God roept uit, dat Hij ons dadelijk ter hulpe zal zijn, maar hij schijnt doof te wezen voor onze kreten1).quot;

Gelooven is dan geen zien en geen weten, geen zake des verstands alleen, geen zekerstelling slechts voor ons bewustzijn als zoodanig. Want met het hart gelooft men (Roni. 10: 10) en door het geloove verstaan wij (Hebr. 11 : 3), zoodat in zekerheid het gelooven niet bij zien en weten achter staat maar voor het verstaan gaat en zelfs bij alle verstaan en bewijsvoering ten grondslag ligt2).

Dies is gelooven een gevoelig erkennen en in gemoede aannemen van iets als waar en zeker, \'t is „eene overreding des gemoeds aangaande de waarheid van eene of andere zaak, in meer bepaalden zin die overreding des gemoeds welke ontstaat van en uit de geloofwaardigheid en getrouwigheid van den spreker»).quot;

Dit ligt ook ten gronde by het zaligmakei.d geloof, doch

1

\') Calvin. Commontar. in Ep. ad Hobr. 11: 1.

2

) Hase, Hutfc. rediv. § 5 zegt: Die üeberzeugung von der Wirklichkeit des Objects, wiofern sie, ohne Beweis durch einen Schlnss, auf dem Selbstbewustsein ruht , domselben goglaubt wird , heisst Glaube (tides), der daher sowohl als idealer Glaube die Wirklichkeit der idealen, wie als sinnhcher Glaube die der sinnlichen Welt verbtlrgt.

-ocr page 661-

§10. ZALIGMAKEND GELOOF.

maakt het niet geheel uit. Het zaligmakend geloof behelst meer. Dat blijkt al aanstonds ontegenzeglijk uit de Schriftuurlijke spreekwijs gelooven in Christus, hetwelk te kennen geeft de vereeniging met den Persoon, de inlijving in Christus (Heidelb. Cat. Vr. 20) en het is aldus het beginsel en het kanaal des nieuwen geestelijken levens. Dat leven mist men zoolang men niet met de eenige levensbron, met Christus , vereenigd is; uit Hem vloeit het. Maar daaruit volgt dan ook onweersprekelijk dat het zaligmakend geloof geen eigene, Pelagiaansche daad des menschen is, maar eene gave Gods, een werk des Heiligen Geestes.

Het zaligmakend geloof is geene daad , maar veelmeer eene aangedaanheid , doch het doet daden en openbaart zich in daden. Geloofsdaden werken het geloove niet, maar uiten het en bevestigen het ook. Het is eene Goddelijke dispositie van den geheelen mensch , eene gege-vene , bijblijvende , hebbelijke en vermogende houding , positie, eene toegekeerdheid en overgebogenheid tot en dienvolgens een gesteld zijn in Christus, Het kan alzoo aanwezig zijn ook wanneer het zich niet in daden vertoont, dus ook in kleine kinderen , ook in slapende geloovigen en die onder zware verzoekingen begraven liggen quot;).

In het ontwikkelde zaligmakend geloof is drieërlei: kennis, toestemming en vertrouwen1). Deze drie zijn ook bij onze oude Godgeleerden erkend en aangenomen, hoezeer zij anders in de nadere bepaling van het begrip en de ontwikkelingstrappen des geloofs verschillen 3). Ken-

639

1

) P. Van Mastricht, Godgel. I. p. 128.

\'\') Notitia, assensus et fiducia.

^ In de beschrijving van het wezen des Geloofs en van de stadiën zijner wording verschillen de oude Godgeleerden nogal,

-ocr page 662-

§ 10. ZALIGMAKEND GELOOP

nis i) van Gods Woord, inzonderheid van de leer der verlossing en zaligheid in Christus. Niet slechts letterkennis en verstandelijke bevatting , door mededeeling en onderwijs , zonder vraag en inzicht van waar of onwaar, van zeker of twijfelachtig, maar levendige, gevoelige kennis door de verlichting des Heiligen Geestes2), die de blinde oogen voor de waarheid opent, zoodat er toestemming noodzakelijk uit volgt, zoodat men daardoor is ingenomen en niet anders kan dan er ja en amen op zeggen, en het Woord uit innerlijke overreding, met volle toestemming des gemoeds als Goddelijk en daarom als waarachtig en volkomen zeker aanneemt»), gelijk het

doch zij vullen juist daardoor ook elkander aan. Onder hen zijn vooral belangrijk: Calvin. Instit. II. 2. 6 sqq. P. Van Mastricht (f 1706) , Godgel. Boek II. Hoofdst. I. p. 127 v.v. H. Witsius, (f 1708), Oecon. Poed. Dei. Lib. III. Cap. VIL Wilh. a Brakel (f 1711) , Redel. Godsd. I. Cap. XXXII. Ben. Pictet (f 1724), Godgel. X. B. VUL H. ed. 1729. TL p. 46 v.v. Joh. a March (f 1731), Compend. Cap. XXII. 4 sqq. Fr. Ad. Lampe, Dissert. Theol. ed. Gerdos 1737. Vol. 1. p. 311 sqq.: De Piducia (of voor essentia fidei dan wel voor effectus fidei te houden). Alex. Comrie, Verkl. van den Heidelb. Catech. (eerste uitg. 1752) nieuwe uitg. 1844. 11. p. 227 v.v., over Zond.

VII. Isaak de Leeuw, Het Geloof, 4d0 druk. 1779. p. 8 v.v.--

Camp. Vitringa, Doctrina Christ. Eelig. Pars III. Cap. XIV. p. 44—49. Ehrard , Dogm. II. § 504. Dr. A. Kuyper, Heraut 1885. No. 386, 388 (over Brakel en Comrie enz.) en eenige verdere nommers.

\') Calvin. Instit. III. 2,2: Non in ignoratione, sed. in co-gnitione sita est fides : atque ilia quidem non Dei modo , sed divinae voluntatis. Deze oognitio beschrijft Calvyn nader III. 2. 14.

2) Calain. Instit. III. 2, 33.

3) Calvin. Instit. III. 2. 6: Neque etiam sufficit Deum ere-

640

-ocr page 663-

10. ZALIGMAKEND GELOOF.

ook in zich zelf is. Paulus getuigt daarvan 1 Thess. \'i : 5; Want ons Evangelie is onder u niet alleen in ivoorden geweest, maar ook in kracht en in den Heiligen Geest en in vele verzekerdheid.

De Heideih. Catech. Vr. 21 voegt de kennis en de toestemming saam , waar hij zegt dat tot het geloove behoort een zeker (gewis) weten of kennen, waardoor ik alles voor waarachtig houde dat ons God in zijn Woord geopenbaard heeft. De Catech. zegt, dat het oprechte geloof dit weten of kennen met toestemming niet alleen is , maar juist daarmede is gezegd dat het er niet zonder is.

Het zaligmakend geloof is meer dan kennen en toestemmen. Kern en hoofdzaak is vertrouwen. Heidelb. Catech. Vr. 21: Een hartelijk vertrouwen, hetwelk de Heilige Geest door het Evangelie in \'mij werkt \'), dat niet alleen anderen maar ook mij1) vergeving der zonden, eenwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken zij, uit loutere genade, alleen om de verdienste van Christus\' wille.

Dat is de bijzondere, persoonlijke toeëigening van Chris-

Ü41

1

) — een hartelijk vertrouwen — — in mij werkt. Aldus is hot in don oorspronkelijkon, Hoogduitsohen tekst. Zio lt;7. J. Van Toorenenhergen, De Symbolisoho Schriften der Ned. H. K. p. 75. n. 2. Dr. J. I. Doedes, De Heidelb. Catech. 1881. p. 106 v.

-ocr page 664-

§ 10. ZALIGMAKEND GELOOt,.

tus met geheel zijn Middelaarswerk en van al de genadebeloften Gods die in Christus ja en amen zijn, alzoo dat de geloovige de eerste Catechismusvraag in gemoede kan beantwoorden. Nergens spreekt zich het geloof zoo schoon, zoo krachtig en zoo volledig uit als in het Antwoord op de eerste Vraag.

Het geloove spreekt: Jezus is mijn , met al wat Hij door zijne offerande heeft verworven en met al wat Hij nu in de heerlijkheid is, en ik ben zijn , met al mijne zonde en ellendigheid \') , God is in Hem mijn Vader , ik ben in den Zone Gods kind.

Dat is geene verbeelding , ook geene los op zich zelve staande, ingeworpene verzekering zonder samenhang, ook geene eigenmachtige en eigendunkelijke en voorbarige toe-eigening, maar een krachtig werk van Gods Geest, die het ontrust hart onweerstaanbaar aandoet, door het Woord der genade overreedt en, vaak na langen en bangen strijd, hiertoe brengt , om zich geheel daarop te verlaten en in Christus te berusten. Dan is het: Heere, gij hebt mij overreed en ik hen overreed geworden , gij zijt mij te sterk geiveest en hebt overmacht (Jer. 20: 7).

642

Hierbij moeten wij herinneren aan de 20ste Vr. van den Beid. Cat.: dat wij door het oprechte geloof Christus worden ingelijfd en al zijne weldaden aannemen. Eerst verkrygt men den Persoon, dan zijne weldaden. Men moet den Persoon zeiven deelachtig zijn (in Christus gelooven) en dan heeft men ook deel aan zijne schatten en gaven. De bruid ontvangt eerst den bruidegom , maar dan met hem al zijn goed. God geeft eerst zijnen

\') Vergel. Calvin. Tnstit. III. 2. 24.

-ocr page 665-

§ 10. ZALIGMAKKND GELOOF. 643

Zoon en dan alle dingen met Hem (Rom. 8 : 32). En Christus geeft zich zeiven. De Heilige Geest brengt de dierbare gave over op den wagen (Ps. 45 : 5) des Woords. En de ziel wordt bewogen om aan te nemen wat zoo genadelijk wordt aangeboden, om ernstig te willen en te begeeren Christus te ontvangen , Hem zoo te willen als Hij zich zelf wil geven. En terwijl men Christus aanneemt, geeft men daardoor ook zich zeiven aan Hem over. Dit alles is niet met éénmaal afgedaan , het herhaalt zich in het geloofsleven.

Deze drie standpunten der ziel, drie psychische momenten , sluiten trapsgewijs nauw aan elkander , zoodat het voorgaande telkens de voorwaarde en de weg is tot het volgende en het volgende uit het voorgaande vloeit en dit volmaakt. Want het tweede , de toestemming, hangt hiervan af, dat het eerste , de kennis, is gegeven. Eene toestemming zonder kennis is Roomsch en naar de beginselen der Protestantsche Kerken verwerpelijk. Het derde , het vertrouwen, veronderstelt de beide vorige , kennis en toestemming. En dit derde , het vertrouwen, is het hoofdpunt gt;). Want het geloof is geen bloot kennen en toestemmen der Goddelijke belofte , maar een vertrouwend toeëigenend aangrijpen van haar, en een onafwijsbare toepassing op ons zeiven van de geopenbaarde en beloofde barmhartigheid Gods in Christus en aldus een omhelzen van Christus zeiven in zijne geheelheid, in zijne onverdeelde Middelaarsvolheid, zooals Hij ons van den

\') Vergel. Dr. E. A. Lew aid, Catechetischer Unterricht dos Pfalzgrafen Friodrich V (von Heinrich Alting). Heidelb. 1841. S. 136 f.

-ocr page 666-

644 § 10. ZALIGMAKEND GELOOP.

Vader in het Evangeliewoord wordt aangeboden , dusdanig dat onze ziel op Hem als de eenige grondvest neerzinkt en zich op Hem verlaat. Dan is het: „Nu heb ik den grond gevonden, Die mijn anker eeuwig houdt.quot;

Dit vertrouwen is dan nauw verbonden en overeenkomstig met de toestemming en sluit eene affectie van den wil, een willen in , een inwilligen , eene overbuiging door den Heiligen Geest van onzen wil tot den wille Gods\'), daar wij onze zaligheid niet anders willen dan zooals God ze wil en den Zaligmaker niet anders dan zooals de Vader Hem ons in het Evangelie geeft. Weshalve Calvyn zegt: „de toestemming zelve is meer zaak van het hart dan van het hoofd en meer van het gevoel dan van het verstand1).quot;

Het geloof is dan geen verdienstelijke daad. Integendeel de geloovende staat af van alle aanspraak op eenig recht, wanhoopt van alle eigen werk en waardigheid, en zoolang een mensch nog op iets anders vertrouwt, steunt en vastzit , zoolang hem niet alles ontzinkt, zoolang gelooft hij niet waarlijk in Christus en grijpt Hem niet aan.

Het ware geloof is een hartelijk , volzeker vertrouwen. Zeker, uit oorzaak van zijnen bewerker, zyn middel en grond en zijn voorwerp. De bewerker is de Heilige Geest, deze werkt geen onzekere dingen. Het middel en de grond is het Goddelijk Evangelie, en dit is ook niet onzeker, maar

\') Ipse fidoi actus fonnalis est nihil nisi detertuinatio voluntatis nostvao secundum doterminationem voluntatis divinao in testimonio Dei expressae. Uitvoerig ontwikkeld door Fr. Ad. Lampe in zijne Dissortatio de verae fidei actu formali. Dissert, od. Gerdes 1737. Vol. I. do 13do, p. 290 sqq.

\'■O Cordis magis quam cerebri et aÖectus magis quam intel-ligentiao. Calvin. Instit. III, 2. 8.

-ocr page 667-

§ 10. ZALIGMAKEND GELOOF. 645

getrouw en vast, wegens de ontwijfelbare waarachtigheid van den Zegger. Het draagt de merkteekenen van waarheid in zich zelf en is bovendien door wonderen en teekenen bevestigd en bezegeld. Ook het voorwerp, waarop de geloovige gaat rusten , laat geen plaats voor onzekerheid : het is Jezus Christus en zijne voldoening, die vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid door zich zeiven heeft teweeggebracht (Hebr. 1:3. 9 : 12). Het geloof in Christus is dan geen onzeker meenen, integendeel het maakt een einde aan alle onzekerheid. Want het is de Christus naar de Schriften, die aangaande Hem geen verandering en weifeling toelaten maar Hem altoos als denzelfden vertoonen. En juist hierin ligt de voorname grond van zekerheid , in tegenstelling van losse verbeelding of dwepend zweven , dat het geloof „nooit gescheiden kan worden van het Woord der Schrift , zoomin als de stralen van de zon uit welke zij ontstaan.quot; Het Woord is „de basis, waarop het geloove staat en steunt; het is de spiegel, waarin het geloove God ziet\'); het is zoo noodig voor het geloove als de wortel voor den boom1); het is het Heed 3) waarin Christus tot ons komt en zonder hetwelk wij Hem niet kennen konden.

\') Calvin. Instit. III. 2. 6: Principio admonondi sunms, por-potuam esse fidei relationem cum vorbo, nee magis ab eo posse divelli quara radios a sole , undo oriuutur. — — Idem vorbnm basis est, qua (fides) fuloitur ot sustinetnr. — — Verbum ipsum , utcuuque ad uos deferatur, instar speculi esse dicimus, in quo Deum intueatur fides.

■\') Idem, III. 2. 31: Colligimus , non minus verbo opus habere fidem , qnam fruclnm viva radice arboris.

3) Idem, III. 2. 6 : Haec vera est Christi cognitio, si eum qualis offertur a Patre susoipimus, nempe Evangolio suo vestitum.

-ocr page 668-

§ 10. ZALIGMAKEND GELOOF.

Het woord geloof, Hoogduitsch Glaube, hebben sommige taalkundigen \') afgeleid van het oude woord lofa, hand, zoodat het denkbeeld van handslag, trouw hij „geloofquot; zou ten gronde liggen, waarvan dan ook beloven en verloven zou afstammen. Gelooven sluit ook een handgeven in, als waar-too Hiskia het volk vermaande 2 Kron. 30:8 : Verhardt nu ulieder nek niet, gelijk uwe vaderen: geeft den 11 eere de hand1). In het geloove geschiedt een ondertrouw a), gelijk de Heere spreekt Hoz. 2: 18: Ik zal u mij ondertrouwen in eeuwigheid: ja ik zal u mij ondertrouwen in gerechtigheid en in gerichte en in goedertierenheid en in barmhartigheden, 19. En ik zal u mij ondertrouwen in geloove, en gij zult den Heere kennen. Zoo wordt, als vruchtgevolg van de uitstorting des Geestes beloofd Jez. 44 ; 5 : Deze sal zeggen : ik ben des Heeren en die zal [zich] noemen met den name Jakobs; en gene zal \\met] zijne hand schrijven *): [ik

\') Ook Adelung. Vergol. Tholuch, Kommentar. zum Br. an dio Hebr. S. 372. zu Hebr. 11: 1.

Andoron leiden geloof, gelooven af van hot Gotische liuban, dokken, verzekeren, galaubjan, gedokt, vast, trouw zijn, betrouwen. Kbrard, Dogm. II. § 499. S. 483. Andoren woderom anders. Vorgel. J. Kösllin in Horzogs Roal-Enc. Ie Ed. XII. S. 649 u. d. W. Religion. Opmerkelijk is het Middelhoogduitsche ge-louhen (G. Curtius , Grundzügo der Griech. Etymol. 1873. S. 36), nok in do boteokenis van rusten. Het Engolsche tc believe wordt door sommigen tot het Gothisohe liban , leven, teruggebracht. Ch. Ilodge , Systematic Theol. III. p. 43.

2) Vergel. Alex. Comrie, Het A. B. C. des Geloofs. 7do druk. 1754. p. 94 v.

:l) Comrie, Eigenschappen dos Zaligm. Geloofs. 4dodr. 1753. p. 70 v.

Comrie, A B C des Gel. p. 134 v.

646

-ocr page 669-

§10. ZALIGMAKEND GELOOF\'.

hen] des Heeren en zich toenoemen met den name Israels. Het is een komen onder den band des Verbonds , gelijk de Heere spreekt Ezech. 20: 37 : Ik zal ulieden onder de roede doen doorgaan (gelijk een herder zijne schapen, Lev. 27: 32) en ik zal u brengen onder den hand des Verhonds \').

Wél te recht herinnert BrakeP) dat men bij het woord geloof acht geven moet op de eigenlijke beteekenis van het Hebreeuwsche en het Grieksche woord in het Oude en het Nieuwe Testament, bij de onzen door geloof vertolkt. Immers een Hebreeuwsch en Grieksch geloove moeten wij hebben, dat is, het geloof der Profeten en Apostelen. Onze oude dogmatici hebben daarop dan ook wél gelet , hoewel zij bij hunne ontwikkeling van het geloofsbegrip op verschillende wijze daarvan hebben gebruik gemaakt.

In het Hebreeuwsche heëmin gelooven en amounah \') geloof ligt, en dit is wèl op te merken , als gronddenkbeeld vastigheid, zekerheid. Dat geeft ook het woord Amen te kennen , van denzelfden stam afkomstig en in onze taal overgenomen. In de verhouding des menschen

\') Dezelfde, a. W. p. 88 v.v. (Gevon van hot hart).

2) Brakel, Rod. Godsd. I. p. 762.

:\') quot;pDNn (Hiphil van vast zijn, .blijven, duren) vast

maken, vastigheid bewijzen, bouwen, steunen. Voorts: vaneen persoon of zake zeker zijn.

nilOS vastigheid, bestendigheid, betrouwbaarheid, voorts: de

t ▼:

trouw in het wachten op den God dos hoils , en wel op grond van de openbaring en getuigenissen zijnor gonado. Opmerkelijk is dat do Joodsche Synagoge dit woord heeft beginnen te gebruiken rechtstreeks in de beteekenis van het vertrouwende geloof. Cremer , Wörterb. der Neutest, Grïtc. S. 485.

647

-ocr page 670-

§ 10. ZALIGMAKEND GELOOF.

tot God beteekent heëmin en amounah dien zielstoestand des menschen , waarin hij uit innerlijke overreding zeker is van zijnen God en van diens beloften, hare vervulling verwacht, daarop bouwt en , trots alle tegenspraak die zich er tegen verheft, zich er op verlaat, waardoor aldus de ziele zelve voor zich bestand, vastigheid en zekerheid verkrijgt \').

Ook het Grieksche p\'s^\'s geloof, gelooven sluit

vastigheid , verzekerdheid in. Het geloove is een houvast. En wel opkliminender wijze. Reeds op den eersten trap drukt het eene vergewissing uit, namelijk wanneer men iemand

\') 2 Kron. 20: 20: quot;UOKfn IVfcfO.

Gelooft in don TIeere uwen God , zoo zult gij bevestigd worden (Niphal). Jez. 7:9: I^STl K1? ^ ^6 D« Indien

gijlieden niet gelooft, zekerlijk zult gij niet bevestigd ivorden In hot Hebr. eono paronomasi, welke Luther trefibnd wedergeeft: Glüuhet ihr nicht, so bleibet ihr nicht.

2) ttITTi? , Ti7Tsusiv. Van deze en hun aanverwante woorden , en van hot daaruit afkomstige Latijnsche fides, üdere mot familie is do wortel ttiÖ, en deze uit bhidh, waarvan ttsiÓu overreden , TrsKoftxi volgen, ttsttciÓz ik vertrouw, Trhnc trouw. Curtius , Grundzüge dor Grioch. Etyraologio. 4te Aufl. S. 262. Naar Curtius is de graecoïtalisohe wortel hhidh uit hot Sans-kritscho bh.andh afgedaald, zoodat, opmerkelijk, hot grondbegrip is verbinden , waarbij hij verwijst op de Sanskritscho composita ni-bandh en nir-bandh en bandh-aka-s , verpanding, toezegging (Versprechon). Van hier de goleideljjke overgang tot vertrouwen [TTSTrcéx] , door het tusscheninliggend denkbeeld : zich laton binden , zich voegen, zich vast verbonden voelen. Even zoo is hot dan met het Latijnsche fidere , Trsiósvóxi. Hot Latijn stamt immers uit hot Grieksch. Ook naar G. 1. Fossms, Etymolog. p. 214. Das 3quot; erscheint im Latoin aspirirt, als ƒ, um die Aspiration

648

-ocr page 671-

§ 10. zaligmakend geloof.

gelooft lt;). Dit beteekent: iemands woorden als waar erkennen, zijn zeggen vertrouwen. Zoo eischte Jezus, wanneer Hi] van zicli zeiven getuigde , dat men Hem geloo-ven zou , waaruit dan moest volgen dat men Hem als den Messias erkende. Aldus Joh. 5 : 46: Want indien gij Mozes geloofdet, zoo zoudt gij mij gelooven: want hij heeft van mij geschreven (vergel. v. 37 , 39).

Maar meer zegt gelooven in Christusquot;1). Dat is niet alleen

649

1

) TTHTTsusiy nvi. Men onderscheidt credere Deum , Deo, in Deum. Het eerste , credere Deum, oenen God gelooven zegt: zijn bestaan erkennen, vergel. Hebr. 11: 6. Jac. 2: 19. De oude Grieken gebruikten hiervan niet ttittsjsiv maar voftl^siv. Zoo in de klacht tegen Socrates Xeuoph. Mem. 1. 1. 1: ovs $ ttÓ\'Ais vof/J\'^ei Osóvs ov vo/ti^uv. Hot tweede , credere Deo is: zijn Woord ah waar aannemen. Het derde, credere in Deum (onlatijnsch), zou dan zijn op God vertrouwen (1 Fetr. 1 : 21). Marck, Compend. XXII. 15.

-) TTiTTsusiy sis xpitTTÓv. Men verflauwt deze uitdrukking, wanneer men stolt dat de praepositio hier den datief vervangt, zoodat er niet moor door gezegd wiord dan TTir-teven xpivTc-:,

-ocr page 672-

§ 10. ZALIGMAKEND GELOOF.

het aannemen der getuigenissen van Hem, ook nog niet de daaruit voortvloeiende erkenning van Hem als dien die Hij is , maar een overgaan in Hem, in de gemeenschap met den Persoon , en ten gevolge daarvan vertrouwen op Hem en zich op Hem verlaten.

Allermeest is het geloof van zijnen wezenlijken inhoud ontbloot bij de lioomscken. Het karakteristieke, het kenmerkende stellen zij niet in het vertrouwen , gelijk zij ook ontkennen dat een mensch voor zich zeiven de verzekering van de vergeving zijner zonden kan hebben. Hun is het geloof geen vertrouwen op Christus en zijne verdienste , maar eene algemeene aanneming der Goddelijke waarheid , een voorwaarhouden van de Christelijke open-baringsleer, zooals de Kerk die heeft en geeft. En daar niet een ieder nauwkeurige kennis van de Kerkleer kan hebben , stelt men zich tevreden met een ingewikkeld geloof •) , dat is met de betuigde bereidheid om alles te gelooven wat de Kerk leert.

§ 11. Verzekerdheid.

Het zaligmakend geloof is geene onzekerheid. De zekerheid des geloofs is gegrond op de waarheid Gods. Maar

of ook: goloovig zijn ten opzichte van, of jegens Christus. Er wordt oene persoonlijke aansluiting en vereeniging door aangeduid. Vooral door Winer is do praepositio in haar recht hersteld , ook in zijne Gramm. § 31. 2. 4te Aufl. S. 191.

\') Fides implicita. Ilasc, Hutt. red. §108. Wtuer, Compar. Darst. 1882. S. 141 f. Schöberlein, in Herzotfs Roal-Encykl. leEd. V. S. 173. u. d. W. Glaube. Winer a. W. S. 142 : Auf allen Punkten widerstrebt der protestantisc/ie Beyrijf des Gluubens dem römischen Lehrsystem.

650

-ocr page 673-

§ 11. VERZEKERDHEID. 651

iets anders is de verzeJcerdheid van het geloof, dal wil zeggen, de levendige, bemoedigende bewustheid des geloovigen van het bezit des waren geloofs. De geloovige belijdt: Dit is mijn eenige troost: Bat ik met lichaam en ziel, heide in het leven en sterven, niet mijn, maar mijns getrouwen Zalig-

1 makers Jezus Christus eigen hen, Heidelh, Cat. makers Jezus Christus eigen hen, Heidelh, Cat. Vr. 1.

Maar ia dan ieder geloovige verzekerd dat hij Jezus\' eigen is? Hierop moeten wij naar Schrift en bevinding antwoorden : Het geloof heeft zijne trappen en de verzekerdheid kan meerder of minder zijn , maar zij is verkrijgbaar en allen moeten er naar staan.

Zooveel is gewis: wie in waarheid zal zeggen met Hoogl. 2: 16: Mijn liefste is mijn en ik ben zijn, die moet ook bewust zijn dat hij zich zeiven Is kwijtgeraakt en eens anderen is geworden, namelijk des Heeren Jezus, door oprechte en onbepaalde aanneming van Hem en overgeving van zich zeiven aan Hem, en dat daardoor eene wezenlijke betrekking tusschen Christus en de ziel is teweeggebracht\').

Maar het is voor allen niet even klaar. Het geloof is een Goddelijk licht in het verstand en eene Goddelijke kracht in den wil (Luther)\'1). Daarin is verschil van trap en mate. De een ziet niet zoo helder als de andere, bij den een is meer beweging en levensuiting dan bij den anderen. En in één en denzelfden geloovige is het niet te , allen tijde gelijk. De Schrift gewaagt van groot en klein, van sterk en zwak geloof. Bovendien de boom staat niet aanstonds en ook niet in ieder getij gedost met

\') Comrie , Eigenschappen dos Geloofs. p. 250. 2) Comrie, Heidelb. Catech. II. p. 370.

-ocr page 674-

§ 11. VERZEKERDHEID.

bladeren, bloesems en vruchten. Eerst het kruid, daarna de aar, daarna het volle koorn in de are. Dat er trappen zijn blijkt hieruit , dat het geloove gezegd wordt te wassen, 2 Kor. 10: 15: als uw geloof zal gewassen zijn; zeer te wassen , 2 ïhess. 1 : 3: omdat uw geloof zeer was),; en die Christus Jezus den Heere aangenomen hebben , moeten bevestigd worden in het geloove, Kol. 2 : 7, tot de volle verzekerdheid (irhypotpoplx) des geloofs toe, Hebr. 10: 22.

Het geloof heeft bestendig te strijden gt;) tegen twijfeling, tegen ongeloof, tegen allerhande aanvechting, het moet bewaakt worden als een kleinood tegen inbrekers en roo-vers, tegen betwisters en bedervers, maar ook tegen eigene vervalsching en moedwillige verduistering. Doch ook onder de grootste aanvechtingen blyft er in de diepte van het hart een vaste grond , al heeft men er zelf geen licht over en al mist men hot troostelijke en verkwikkende gevoel daarvan.

De verzekerdheid is verkrijgbaar. Reeds wegens de den mensch eigene bewustheid van zijne redelijke handelingen en van zijne bevindingen, die hij zich immers kan herinneren en waarover hij kan oordeelen, hetzij met genoegen of ongenoegen. Dienvolgens kan men ook, tot zich zeiven inkeerende2) en zich zeiven beziende zekere bewustheid

i) Treffoncl geschetst bij Calvin. Instit. III. 2. 17. Do worstelstrijd teguu twijfel wordt dan ook door F. Junius, Thes. theol. XXXIII. 9. Opp. sel. ed. Dr. A. Kuyper p. 208 tot de kenteekenen vau het ware geloof gerekend : want dit is de natuur van ons geloof, dat het altijd met eenige twijfeling heeft te hampen.

\'*) Actus refioxus , voflexiove geloofsdaad. Marei: , Compend. XXII. 24. Comrie, Eigenschappen dos (ieloofs p. 251 v.v.

652

-ocr page 675-

§ 11. VERZEKERDHEID.

hebben van zijn geloof of aanneming van Christus, even zeker als men zich bewust is van te leven en te denken. En dit te meer, daar alle geloovigen ontvangen hebben den verrichtenden Geest die uit God is: opdat wij zouden weten de dingen die ons van God geschonken zijn, 1 Kor. 2 : 12. En om hierbij niet onzeker te gaan, heeft de Heilige Geest de kenmerken van het ware geloof, van het aandeel aan Christus, van den staat der genade tot onbedriegelijken toets in het Woord gesteld, waaraan alle bevinding moet worden beoordeeld.

De Heilige Schrift toont het in voorbeelden , hoe men van zijn geloof bewust en verzekerd kan zijn. Zoo was het de dichter van Ps. 116: 10: Ik heb geloofd, daarom sprak ik. Én Paulus 2 Tim. 1: 12: ik weel, wien ik geloofd heb.

653

En allen worden vermaand om er naar te staan. Zoo 2 Kor. 13 : 5 : Onderzoekt u zeiven of gij in het geloove zijt, beproeft u zeiven. Of kent gij u zeiven niet, dat Jezus Christus in u is ? tenzij dut gij eenigszins venverpelijk zijt. En 2 Petr. 1 : 10 : Daarom, broeders, benaarstigt u te meer om uwe roeping en verkiezing vast te maken: want dat doende zult gij nimmermeer struikelen\').

§ 12. Historisch Geloof.

Een bloot toestemmen der waarheid is niet genoeg. Men moet door de waarheid tot Christus komen. Het oprechte geloof blijft by het Woord niet staan , maar gaat door

\') Vergel. Vijfde Hoofdstuk § 19: Konmorken der verkiezing. En bierua Vijjtiende Hoofdstuk § 8. ou 9.

-ocr page 676-

§ 12. HISTORISCH GELOOP.

het Woord tot Jezus Christus, die in het Woord wordt voorgesteld: Joh. 3 : 36 : Die in den Zone gelooft •), die heeft het eeuwige leven. En door Christus, den Middelaar , gaat het tot God : Rom. 4:5: Dengene , die niet werkt , maar gelooft in Hem1) (in God) die den godde-looze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid. En zoo gelooft men door Christus in God, gelijk Petrus tot de geloovigen spreekt: die gij door Hem gelooft in God*), 1 Petr. 1 : 21. Waar men niet verder gaat dan tot het Woord, heeft men slechts een historisch geloof*).

Van het zaligmakend geloof verschilt het historische geloof niet slechts in trap, maar in aard en wezen.

Historisch heet het, niet als of het alleen de historische gedeelten der Heilige Schrift, de geschiedverhalen als waar aannam en niet de leer, de voorzeggingen, de geboden , de bedreigingen en beloften. Het is een voor-waarhouden van al wat de Schrift verhaalt en leert. Ook niet, als of het dit aannam alleen op menschelijk gezag. Maar historisch wordt het genoemd, omdat het geheel den inhoud van Gods Woord niet anders dan historischer wijze beschouwt en behandelt, als waar laat gelden, zonder dat het hart er door aangedaan en er werkzaam mede wordt.

654

1

) tnarsvovti «r; tov quot;hmxioüvtx.

-ocr page 677-

§ 12. HISTORISCH GELOOP.

655

Zulk een geloof had Agrippa , tot wien Paulus zeide Hand. 26: 27 : Gelooft gij, o koning Agrippa, de Profeten P Ik iveet dat gij ze gelooft. Zoodanig een gelooi hebben ook de duivelen. Hun opperste streed zelfs met de Schrift tegen Gods Zoon (Matth. 4 : 6). En Marc. 1 : 24 zegt een onreine geest tot Jezus : ik ken u ivie gij zijt, [namelijk] de Heilige Gods. Jacobus 2 : 19 verklaart: Gij gelooft dat God een eenig [God] is; gij doet wél: de duivelen gelooven het ook en zij sidderen (voor het schrikkelijk oordeel, waartoe zij bewaard worden , en vertrouwen niet op de genade van God en zoeken Hem niet als hunnen Vader te dienen. Kantteek.)

Het historisch geloof is iets goeds; gij doet tvél, zegt Jacobus. Het is noodzakelijk : er is geen zaligmakend geloof zonder dit. Maar het is niet genoeg. Het zit alleen in hoofd en hersenen , het is een dor lettergeloof. Het reinigt het harte niet, het overwint de wereld niet, het brengt geen vruchten voort. Het laat den mensch zooals hij is, dood in zonden, en brengt vaak zelfs niet tot belijdenis. Het verdient den naam dood geloof, waarmede Jacobus het bestempelt. Het is het geloof der Farizeën.

§ 13. Tijdgeloof.

Het ware geloof, door den Heiligen Geest eenmaal in het hart geëtst i), gaat er niet weer uit. Intusschen , Christus spreekt ook van die maar voor eenen tijd gelooven.

1) Fid om , quatn (Spiritus) semel inscalpsit piorum cordibus, ovanescere et perire impossibile est. Calvin, Commentar. in Matth. 13: 20.

-ocr page 678-

13. tijogelooF.

Er is dus een tijdgeloof i). Maar is dit, zoolang als het er is, een waar geloof? De Pelagianen, Remonstranten, ook Lutheranen en allen die eenen afval der heiligen loeren, zeggen : ja. De Gereformeerden zeggen : neen. De Dordtsche Synode heeft naar de Schrift te recht verworpen de dwaling dergenen die leeren : „dat het geloove dergenen, die maar voor eenen tijd gelooven, van het rechtvaardig-makend geloof niet verschilt dan alleen in de gedurigheidquot; Leerreg. Hoofdst. V. Verwerping der dwal. 7.

Het tijdgeloof is geen waar geloof: het heeft geen goeden, ontdekten grond, het is een geloof zonder bekeering, het is eene drieste toeëigening van de zaligheid, eene eigendunkelijke aanmatiging van den genadestaat, vaak met veel ophef; het vereenigt wel met de Kerk, met de Christ-, geloovigen , met menschen, maar niet met Christus. Het steenen hart is daar niet weggenomen.

Luc. 8: 13: Die op de steenrotne [bezaaid tvorden] zijn dezen die, wanneer zij het gehoord hebben, het Woord mei vreugde ontvangen : en dezen hebben geenen wortel, die maar voor eenen tijd\'1) gelooven en in den tijd der verzoeking wijken zij af. Zij hebben geen diepte van aarde, dus geen vochtigheid genoeg , bij gevolg ook geen behoorlijken wortel („dat is, geen recht en vast vertrouwen op Christus , waardoor wij met Christus als met eenen vasten grond onzer zaligheid vereenigd worden en van Hem het sap des levens trekken.quot; Kantteek.) , en dienvolgens zijn

\') Brakel, Red. Godsd. 1717. I. p. 764. 789. 801. 813. De Moor, Commont. in Marck. XXII. 8. Pars IV. p. 305 sqq.

2) wpot; Kxipóv voor gelegonen tijd. Bij Matth. 13: 21 wordt aangaande zulk eenon geloovigo zeiven gezegd : hij is voor eenen tijd, Trpos-iiXipó? S77I, Luther: er Ist ioettrwendisch, teniporai\'ius.

656

-ocr page 679-

§ 13. TUDGELOOFi

037

zij zonder vruchten, terwijl de ware geloovigen hunne vrucht in verscheidene mate mot standvastigheid voortbrengen. De grond is bij hen niet omgewoeld , het gesteente is blijven zitten, \'t Was aanstonds juichen. Het ernstige, hart en geweten oordeelende Woord der waarheid , dat altijd eerst moet nederslaan , hebben zij aanstonds met vreuydb, zelfs wel met uitgelatenheid aangenomen , in plaats van stil en bedachtzaam daarmede tot zich zei ven in te keeren. Onbekend is hun de droefheid naar God , die eene onberouwelijke bekeering tot zaligheid werkt. Hun hart is niet verbroken door berouw en zon-densmart, alles is bij hen een oppervlakkig, niet doordringend werk. Zij zien in Jezus wel wat heerlijkheid en doen een ijverigen aanloop , maar worden ras moede: komt er verzoeking , dan wijken zij af.

De Heere Jezus toont ons in het voorbeeld van de vijf dwaze, met de wijze meegaande, maagden (Matth. 25 : 3 v.v.) , dat een kortstondige ijver niet genoeg is i) en dat volharding van het werk des Geestes getuigt. — De oprecht geloovige begeert waaiheid, de tijdgeloovige vreest ontdekt te worden. De tijdgeloovige heeft geen eerlijk en goed hart, zooals Simon de toovenaar, van wien gezegd wordt Hand. 8: 13: En Simon geloofde ook zelf en gedoopt zijnde bleef gedurig hij Philippus (voegde zich bij de gemeente) maar (v. 21), hij had geen deel noch lot in het Woord: want zijn hart was niet recht voor God.

\') Calvin. Cömmentar. iu Mattb. 25: 1 zegt van de Gelijkenis : Simplex et genuina summa est, nou sufficere alaere exigui temporis studium, nisi infatigabilis constantia simul accedat. Gravemoyor, Geref. Gel loer. 11. 42

-ocr page 680-

§ 14. WONDERGELOOF.

§ 14. Wondergeloof.

Van het zaligmakend geloof is ook onderscheiden, hoewel niet geheel te scheiden , het wondergeloof, het geloof der mirakelen \'). liet is de overreding, vaststelling en het wisse vertrouwen van iemand, dat door hem of aan hem op een woord door de kracht Gods een wonder zal geschieden, zoo iets wat naar den gewonen loop der natuur niet mogelijk was en van schepselskrachten niet was te verwachten.

In hol zaligmakend geloof is ook altijd iets van wondergeloof. De geestelijke wonderen zijn de rechte, hooge mirakelen. In de herschepping en zaligmaking van den zondaar openbaart zich God hot allermeest als die , bij wien alle dingen mogelijk zijn. Ook blijkt het, verbarid van het wondergeloof mot het zaligmakende uitHebr. 11. Maar het wondergeloof kan ook zonder het zaligmakende zijn. En op zich zelf brengt het goon zaligheid aan : want het heeft alleen Gods almacht1) ten voorwerp, niet de zaligmakende genade.

Het is of dadelijk of lijdelijk. Dadelijk (doende, werkende , actief) is het in den wonderdoener ; lijdelijk (ontvangende , ondergaande , passief) in dengene , aan wien het wonder geschiedt.

God geeft het wondergeloof in tijden, waar Hij wonderen werkt. Zoo toen Hij Israël uit Egypte verloste , zoo in

658

1

) Non approhendit totnm Christum , sod tantum potentiam in edeudis miraculis: idooquo iuterdum in homine esse potest absque Spiritu sanotificationis, qualiter fuit in Juda. Calvtn. Commentar. in 1 Corinth. 13 : 1.

-ocr page 681-

§ 14. \\VONDERGELOO^,.

Achabs dagen ter handhaving der verdrukte waarheid onder Elias en Eliza, zoo in de openbare bediening des Heilands en bij de verbreiding en bevestiging van het Evangelie in den leeftijd der Apostelen , dus doorgaans in gewichtige keerpunten der tijden van het Godsrijk.

Bijzonder sterk vertoonde zich dit geloof in den hoofdman over honderd , eenen man uit de Heidenen, te Ka-pernaüm , wiens knecht geraakt , verlamd was en zware pijnen leed. Hij hield zich verzekerd, dat Jezus, ook zonder tot den kranke te gaan of hem de handen op te leggen , hem kon genezen door het maar te willen en te gebieden : Spreek alleenlijk een woord en mijn knecht zal genezen worden, Matth. 8: 8.

Het actieve wondergeloof is niet altijd en niet noodzakelijk met de zaligheid gevoegd. Ook aan Judas den verrader gaf Jezus eens , gelijk aan de andere Apostelen , de macht om duivelen uit te werpen en om alle ziekte en alle kwalen te genezen , Matth. 10: 1. En wanneer de Heere komt om zijnen dorschvloer te zuiveren, zullen velen , die, zoolang zij in de kerk hunne plaats beklee-den, zich zeiven vleien en anderen misleiden en door hunne schitterende gaven verblinden , tot Hem zoggen : Heere, Heere, hebben wij niet in uwen naam geprofeteerd en in uwen naam vele krachten gedaan, maar Hij zal hun openlijk aanzeggen: ik heb u nooit gekend (voor de mijnen) , gaat iveg van mij , gij die de ongerechtigheid werkt, Matth. 7 : 22, 23. En de Apostel Paulus zegt ter waarschuwing 1 Kor. 13: 2: Al ware het dat ik al het gelooce had , zoodat ik bergen verzette, en de liefde niet had, zoo ware ik niets.

Evenzoo is het met het passieve wondergeloof. De tien

G59

-ocr page 682-

§ 14. WONDERGELOOF.

melaatschen Luc. 17: 12 v.v. hadden wel allen het wondergeloof , maar in éénen kwam meer , slechts één had de liefde. Toen zij heengaande plotselijkjgereinigd werden, gingen de negen voort, blijde dat zij maar gezond waren , maar de ééne, zoodra hij ontwaarde en aan zich zeiven zag dat hij rein was , keerde snel (eer hij tot den priester ging, want hij kan nog niet verre gegaan zijn , daar hij Jezus nog voor het vlek weder aantrof) wederom , met groote stemme God verheerlijkende , En hij viel op het aangezicht voor de voeten zijns Redders , Hem dunkende; en deze tvas een Samaritaan. Tot dezen sprak de Heiland: Sta op en ga henen (ga nu ook tot de priesters : nu kon hij zijn reinigingsoffer van harte brengen), uw geloof heeft u behouden. Dat was een ander geloof en eene andere behoudenis dan bij de negen. Voor hem was zijne genezing een symbool en pand der vaderlijke liefde Gods. „Door zijn geloof is de Samaritaan behouden. Hoe ? gewisselijk niet inzooverre alleen dat hij van de melaatschheid is genezen (want dat had hij met de anderen gemeen), maar wijl hij in het getal der kinderen Gods is aangenomen , zoodat hij het merkteeken van de liefde des Vaders uit zijne hand ontvingquot; (CalvinusJ.

§ 15. Bekeering en Geloof Gods werk.

Kan men zich zelf bekeeren en in Christus gelooven ? De Pelagiaan , oud en nieuw , zegt: men kan het; de Gereformeerde : men kan het niet.

üordr. Leerreg. Hoofdst. III. en IV. De Leere 3 : (Door voortplanting der verdorvene natuur) worden alle menschen in zonden ontvangen en kinderen den toorns geboren, onbe-

6G0

-ocr page 683-

§ 15. bekeering en geloof gods werk. GG1

hwaam tot eenij zaligmakend goed, geneigd tot kwaad, dood in zonden en slaven der zonden. En willen noch kunnen tot God niet wederkeeren, noch hunne verdorvene natuur verbeteren, noch zich zeiven tot de verbetering daarvan schikken, zonder de genade des ivederbarenden Heiligen Geestes \').

Aldaar 14 : Het geloove is eene gave Gods: niet omdat het aan den vrijen wil des menschen van God wordt aangeboden11) , maar omdat het den mensch metterdaad ivordt medegedeeld, ingegeven en ingestort; ook niet daarom , dat God de macht alleen om te gelooven zoude geven en daarna de toestemming of het dadelijk gelooven van den vrijen wil des menschen verwachten, maar omdat Hij, die daar werkt het willen en volbrengen , ja , alles iverkt in allen, in den mensch teweegbrengt beide den wil om te gelooven en het geloof zelf.

Do Pelagiaan zegt: de mensch is gezond, in zijne vrijheid onverlet 3) , en kan en moet door zichzelven den

\') Men zie vau \'s monscbeu onmacht en onwil hot Negende Hoofdstuk § 24 eu 25.

2) üe Remonstranten zeggen: M011 moet onderscheid maken tussoheu aangebodene en medegedeolde gaven. De rechtdnnigen hervatten: Aangebodene, nlot medegedeelde gaven kunnen genoemd worden zoodanige, welke bestaan hebben alvorens zij wierden aangeboden of ontvangen; maar gaven die niet bestaan dan wanneer zij geschonken worden, kunnen nooit gezegd worden aan iemand geschonken te zijn , dan wanneer bij ze stellig heeft ontvangen : hoedanige gaven zijn sterkte, schoonheid, wjjs-heid enz., die iuklevender wijze in bet subject zijn aan het welk zij worden geschonken. De Moor, Commentar. in Marck. IV. p. 327 sq.

:\') Evenzoo de Sociniaan. Cateches. Recov. Qu. 423. ed. Oeder p. 8G5 : Peccatum originis nullum prorsus est; quare nee liberum arbitrium vitiare potuit. Qu. 370: Nonne ad credendum Evan-

-ocr page 684-

662 § IS- BEKEERING EN GELOOF GODS WERK.

vrede met God vinden. De halve, de Semipelagiaan zegt: de mensch is krank, maar kan en moet der helpende Goddelijke genade tegemoetkomen. De Schrift zegt: hij is dood. Met den Semipelagiaan stemt de Roomsche in. De Semipelagiaan stelt de Goddelijke genadewerking bloot in eene vermeerdering van de natuurlijke krachten des menschen. Met het Semipelagianisme is verwant het Sy-nergisme (van Melanchthon uitgegaan), met dit onderscheid , dat de Semipelagiaan bijzonder den aanvang , de Synergist voornamelijk de voortzetting der bekeering aan de vrije kracht des menschen toeeigent\'). De Remonstrant stelt alles in den vrijen wil des menschen1).

Luther beleed: Ik geloof dat ik niet door eigen kracht in Jezus Christus mijnen Heere gelooven of tot Hem komen kan 3). De nieuwere Lutheranen zijn hiervan meestal afgeweken i).

1

) De Moor, Commentar. IV. p. 326 sq. Winer , Compar. Darstell. S. 119 f.

-ocr page 685-

§ 15. BEKEERING EN GELOOF GODS WERK. 663

Doet men hot geloof afhangen van \'s menschen vrijen wil, dan wordt datgene wat juist de zaligheid beslist, in des schepsels macht gesteld en geheel de Praedestinatie tot onzekerheid gemaakt.

Het geloof behoort tot de voorbestemde vruchten van Christus\' verdiensten. Dit werd ontkend ook door sommige (universalistische) Gereformeerden, die anders de Remon-strantsche dwaling, dat het geloof van \'s menschen vrijen wil afhing , verwierpen, echter het geloof alleenlijk als eene genadige en vrije gifte Gods aanmerkten\'). Maar alles , wat de mensch ter zaligheid noodig heeft, is door Christus verdiend , dus vooral ook het geloove waardoor de zaligheid verkregen wordt. Immers de Geest, die het geloove werkt, komt tot den onder het oordeel en de macht des doods liggenden mensch niet anders dan ten gevolge van Christus\' voldoening. „Want door zijnen dood heeft Hy ons den levendmakenden Geest verworven, opdat wij door denzelven Geest, die in Christus als in het Hoofd en in ons als zijne lidmaten woont, met Hem waarachtige gemeenschap zouden hebben en al zijne

18 , 19 : Gebeel de Schrift stolt ons geloof voor als hot van ons verwachte en geèischte beding. S. 276 zu Ef. 2 ; 8 , 9 : De strenge dogmatici houden deze plaats voor een beivijs, dat ook he.t geloof door God gewerkt en geschonken wordt on beweren ook voor de nemende t/Vt/9 eene Goddelijke causaliteit. S. 278 : Het nemen kan niet tegelijk gegeven zijn. Op soortgelijke wijze wordt er tegenwoordig onder xle Protestanten alom van goredencerd. Ook Ebrard, Dogmat. II. § 447. S. 330 f. § 519. S. 559 stemt mot do Remonstranten in.

\') Zie De Moor, Commentar. in Marck. I. p. 935 sq. IV. p. 327 sq.

-ocr page 686-

664 § 15. BEKEERING EN GELOOF GODS WEUK.

goederen , het eeuwige leven , gerechtigheid en heerlijkheid deelachtig wordenquot; (Formulier van het Heilige Nachtmaal).

De geloovige heeft dan zijn geloove van God , en wel in dier voege , dat deze gave is èn eene vrucht van Christus\' verdiensten èn een gewrocht van do innerlijke genadewerking des Heiligen Geestes. Deze beiden zijn aan elkander gehecht, het eene is niet zonder het andere. Zonder deze mist do mensch het vermogen des zaligma-kenden geloofs ; door deze ontvangt hij het vermogen (potentia) om te gelooven en daarmede tijdelijk ook cle hebbelijkheid en werkzaamheid des geloofs •).

Zoo staat alles onderling in een innig verband, Zoo ontvangt God de eere. Alles is genade.

Het is eene verleende genade, wanneer een mensch het met zich zeiven opgeeft, zich zeiven kan laten varen en zich geheel aan Jezus kan betrouwen.

Gewichtig en beslissend is in dezen de getuigenis des Apostels Paulus Efez. 2: 8 : Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloove; en dat niet uit u, het is Gods gavequot;1).

\') De Moor, Commentar. IV. p. 326. Petr. MoUnaaus op do Dnrdscho Synodo 143sto Zitting, Acta od. Hauov. 1620. p. 411: Credo, Deum non modo dure vires credendi , sed ot ipsum actum credendi. Quem actum qui dicunt partim esse a gratia, para libero arbitrio , merito Semipelagiauis accensentur. Etsi homo libere credit ot spouto , totum tamon illud quod facit , ost douum Doi.

2) Tif yxp xxpirl Utts fjeiutxi/.évoi liix rijt; ttIvtsus, xx) rovro ov/, si; v[/,:cy, ósoïi to quot;hwpov. IJij ^xpin slaat hot bopiileudo lidwoord rj?, wijl do Apostel er vooraf reeds vau had gosprokou ,

-ocr page 687-

§ 15. BEKEERING EN GELOOF GODS WERK. 665

Dat hier alle eigen verdienste bij de zaligheid wordt uitgesloten en ook het geloof niet als een verdienend werk in aanmerking komt, is openbaar en moet wel door allen worden toegestemd \'). Te meer daar de Apostel aanstonds v. 9 weer aanheft: \'Riet uit de tverken , opdat niemand roeme.

Doch bij de nadere verklaring doet zich een aanmerkelijk verschil voor , namelijk over de woorden : en dat niet uit u, het is Gods gave. Wat is dit van hetwelk de Apostel zegt: het is niet uit u , het is Gods gave ? Velen zeggen: \'t is dit dat gij zalig geworden zijp) en \'t is niet het geloof.

het wijst terug op v. 5. De geuade is de causa efficieus , do uitwerkende oorzaak ; het geloof do causa appreheiuleus, de aau-grijpendu , aannemende oorzaak. Bij dsov ro \'hxpo/ moet men vanzelf aanvullen fVr/V, en niet voorbijzion hot bepalende artikel to , zoodat men wol moot vertalen : Gods (van God) is de gave , gepaste tegenstelling tegen : dat (is) niet uit u. Of ook : het is de gave Gods ; dan zegt hot de gavo bij uitnemendheid. In allen gevalle moet to zijne. kracht behouden. — Zio ook Vijfde Hoofdstuk § 15. bl. 605 v.

\') Zelfs Stier, Brief an die Ephes. I. S. 277 geeft dit aan Olshausen toe, hoewel niet dat het geloof Gods gave is. Olshau-sen, Commentar. zu Eph. 2 : 8, 9, ofschoon hij bij oux si; u/awv en oux £:4 spyuv v. 9 , verstaat stts (7£lt;TU(T[/,svoi, zegt: Indem hier jedes Werk und somit jedes Verdienst von Seiten des Menschen ausgesc/dossen wird, ist audi der ttittiï selbst das VerdienstUche abgesproc/ieu; auch der Glauhe, ivic alles Gute im Menschen ist quot;bccpov amp;sov, damit aller Selbstndnn vernichtet und Gotte aller liuhm heioahret hleihe.

2) Zoo ook de Synodale Overzetting van hot Nieuwe Testament: »e)j dal, t. w. dit, dat gij behouden zijt.quot;

-ocr page 688-

§ 15. BEKEERING EN GELOOF GODS WERK.

„Gereformeerde: Hieruit kan verstaan worden dat het goloove is eene gave Gods.

Bemonstrant: Dit wordt van het geloove niet gezegd, maar van de zaligheid: want het ware ongerijmd dat Paulus zoude gezegd hebben: het geloove is niet uü de iverken {v. dy).quot;

Onze Kantteelcenaars verklaren: dat is niet uil u, dat gij gelooft. Want anders zou de Apostel één ding tweemaal zeggen (namelijk van de zaligheid : eerst: zij is uit genade en dan : zij is niet uit u), en niet alleen de zaligheid zelve maar ook het geloof is eene gave Gods.

Ongetwijfeld doelt de Apostel met deze woorden bijzonder op het naast voorafgaande geloof*) en niet op het eerst vermelde zalig worden over \'t geheel. Taalkundig laat zich daartegen niets met grond inbrengen 3).

\') Fr. Itidderus, Apollos. III. p. 697. Hetzelfde als do Remonstranten brengt met Ilarlesz ook Stier in , Br. a. d. Eph. I. S. 277, naar wien ovk spyav v. 9 verklaring is vim ovx vf-^xv v. 8 en onmogelijk van hot geloof gezogd kan zijn , daar hot onzin zou wezen dat het geloof uit de werken ontstond, en dit derhalve niet voegde te outkeuuen. Maar Stier zelf bekent S. 278, dat in v. 9 weer een nieuwe aanhef is te oudersoheiden.

2) Dit ligt reeds in den aard van het pronomen demonstra-tivum tovtc. Immers dit is het eigenaardige van het demonstr. cutoc clasz es auf das zunachst vorhergehende hinweist. Malthiue , Ausführl. griech. Grammat. 2te Aufi. § 470. S. 870.

;l) Meu zegt: zouden de woorden en dal niet uit u enz. op irlrtis gaan , dan moest het zijn kx) x-jt-zi en niet y.xt tovto. Zoo liückert, Stier e. a. {Meyer neemt kx) tovto in den niet ongewonen zin : und zivar.)

Maar in hot Grieksch wordt op een substantief fominini ge-nnris niot zelden teruggewezen door het neutrum van het po-nom. demonstr., gelijk ook Dr. A. Kuyper in de Heraut 1885. No. 391 te recht Leeft herinnerd. Vergel. Slallbaum in Platon.

6G6

-ocr page 689-

§15. BEKEERING EN GELOOF GODS WERK.

Evenwel is naar des Apostels bedoeling het geloof mei af te scheiden van het zalig worden , als of het op «ijn Remonstrantsch eene afzonderlijke vrije gifte en geene vrucht van Christus\' verlossingswerk ware (Zie boven bi. 663). Neen, geene zaligheid zonder geloof, en geen geloof zonder zaligheid : Christus heeft voor de uitverkorenen met de zaligheid ook het geloof verworven. Het is er noodzakelijk in begrepen.

Houden wij dat in het oog, dan kan ons Calvyns verklaring van Ef. 2: 8 niet bevreemden. Calvyn zegt wel: De Apostel geeft niet te verstaan dat het geloof Gods gave is, maar dat de zedigheid ons van God geschonken of door Gods gave ons ten deele wordt\'). Maar men moet niet voorbijzien wat hij daar vooraf zegt, namelijk dat hij de verklaring dergenen verwerpt, die het woord gave tol het geloof alleen beperken2). Calvyn houdt zich nauw aan \'s Apostels oogmerk. En dat is hier niet om te leeren hoe het geloof ontstaat, maar om nadrukkelijkst te betuigen, dat God alleen de auteur is van onze zaligheid en dat alle eigene

Protagor. 352. B. (od. 1828 p. 140) en 357. C. (p. 150). Dat is echter geene onnauwkeurigheid in de keurige Grieksche taal , maar berust op eene eigenaardige wijziging dor voorstelling. Waar b. v. ivrKTT\'/ifv^ voorafgaat en dit niet met x:jtgt;i maar met toüto weder opgenomen wordt, daar hoeft toüts den zin : dit ding, deze zaak of het gezegde. Bovendien kan men bij Ef. 2 : 8 eene attractie aannemen , vooral wanneer meti öeov ra, quot;èüpov als prae-dicaat opvat, alzoo dat niet xïiT\'/i maar tovto is geaegd reeds met de gedachte op S.\'ïpsv, Zoo omgekeerd, waar wij zeggen : dat zijn mannen, zegt do Griek : ovtoi sWiv mvspez.

\') Non intolligit (Paulas) fidem esse douum Doi, sed salutem donari nobis a Deo, aut Doi douo obtingero.

2) doni vocabulum restriugunt ad fidem solam.

667

-ocr page 690-

668 § 15. BEKEERING EN\' GELOOF GODS WERK.

werken , hoedanige ook , er niets toe doen , daar wij de zaligheid uit Gods hand ontvangen, hetwelk alleenlijk door het geloove geschiedt, zoodat hier niets van ons is. Het geloove voert den mensch Gode ledig toe, om met de goederen van Christus vervuld te worden. De Apostel laat aan den mensch niets overig in de verkrijging der zaligheid. Hij verwerpt niet alleen de ceremoniëele werken (gelijk de Roomschen voorwenden), maar alle werkgerechtigheid,ja geheel den mensch en al wat deze van zich heeft, hij sluit bij de verkrijging der zaligheid den mensch met zijne vermogens buiten. Aldus Calvyn \'). Dies kon het bij hem niet opkomen te ontkennen dat hot geloof eene gave Gods is. En elders leert en bevestigt hij dit zeer nadrukkelijk1).

„Ieder zondaar, die bekeerd is, is een zondaar die zalig is. Een, die van de zonde en den toorn verlost is. Een, die in eenen staat van zaligheid gebracht is en door de genade een recht op de eeuwige gelukzaligheid ontvangen heeft. De genade , die zondaars zalig maakt, is de vrije onverdiende goedheid en gunst van God. En zij zaligt hen, niet door de werken der wet, maar door het yeloove in Jesus Christus, door welk middel zij deel-genooten worden van do grooto weldaden van het Evangelie. En beide, dat geloof en die zaligheid zijn Gods yave. De grooto voorworpen dos geloofs zijn door de openbaring bekend en door het getuigenis en bewijs, hetwelk God ons gegeven heeft, goloofolijk gemaakt; en dat wij tot zaligheid geloove en door het geloove de zalig-

1

) Bijzonder lustit. III. 2 : 33—36. Vorgel. ook ziju Com-moutar. over Filipp. 1 : 29.

-ocr page 691-

§ 15. 13EKEEIUNG EN GELOOF GODS WERK. 069

hoid verkrijgen, is eeniglijk aan de Goddelijke genade toe te schrijven. God heeft alles zoo geschikt , dat liet geheel openbaar worde uit yenade te zijn

Dat betuigt de Apostel ook Fil. 1 : 29 : Want u is uit genade yeyeveu in de zaak van Chrislus, niet alleen in Hem te yelooven, maar ook voor Hem te lijden. Waarbij Culvyn aanteekent: „Hier betuigt Paulus klaarlijk dat zoowel het geloof als de standvastigheid in het verdragen van vervolgingen eene genadige gave is van God.quot;

Kon de mensch zich zelf bekeering en geloove geven, dan ware het ongerijmd, lot God te bidden: Heere, bekeer ons tot u, zoo zullen wij bekeerd zijn, Klaagi. 5:21. Trek mij, ivij zullen u naloopen Hoogl. 1 : 4. Ik yeloof, ileere, kom mijne onyelooviyheid te hulpe, Mare. 9 : 24. Vermeerder ons het yeloof, Luc. 17:5.

Maar het wordt den mensche geboden, van den mensch geëischt ? Dat zegt niet wat de mensch kan, maar wat hij moet en wat hem betaamt, en het is om hem van zijne verdorvenheid en onmacht te overtuigen en hem tot God te doen vluchten met snieeking dat Hij het geve naar zijne belofte. Het is gebod Deut. 10: lü: Besnijdt de voorhuid uws harten en verhardt uwen nek niet meer ; en hot is belofte Deut. 30 : ü : De Ileere uw God zal uw hart besnijden. De Heere gebiedt Ezech. 18: 31: maakt u een nieuw hart en eenen nieuwen yeest, maar 36: 26 belooft hij: Ik zal u een nieuw hart yecen en zal u eenen nieuwen yeest yeti en in het binnenste van u.

Het geloof is Gods werk. Vermaant de Apostel Paulus Rom. 14: 20: Verbreek hel werk Gods niet om der spijze

\') M. llenry , Bijbelverklaring op Efo/, 2 : 8.

-ocr page 692-

§ 15. BEKKERING EN GELOOF GODS WËRK.

wil, zoo bedoelt hij het geloof, ook naar onze Staten-Overzeiters, die daarbij aanteekenen : „Dat is: het geloof des zwakken broeders , hetwelk God heeft begonnen in hem tot zijne zaligheid te werken; want het is eene groote zonde, af te breken helgene God bouwt.quot;

Christus zelf noemt het geloof het werk Gods. Joh. 6 : 28 : De Joden zeiden tot Hem; Wat zullen wij doen, opdat wij de werken Gods mogen werken ? 29. Jezus ant-woordde en zeide tot hen: Dit is het tverk Gods, dat gij gelooft in Hem , dien Hij gezonden heeft. Onze Kaniiee-kenaars verstaan hier onder de werken Gods en het tverk Gods niet wat God werkt\') , maar wat God van ons eischt om zalig te worden, evenals Ps. 51 : 19; de offeranden Gods, „dat is, die Hij principalijk gebiedt en Hem aangenaam zijn.quot; Zij volgen daarin Galvyn, die zich zelfs scherp uitdrukt: „Die uit deze plaats opmaken dat het geloof eene gave Gods is , bedriegen zich : want Christus leert niet wat God in ons werkt, maar wat Hij eischt en wil.quot; Waarbij men echter tweeërlei dient op te merken. Vooreerst, dat Calvyn geenszins in het algemeen wil ontkennen dat het geloof een gave en werk is van God (zie boven bl. 668), maar volgens hem wordt dit te dezer plaat se11) niet geleerd. Ten tweede , dat hij zelf hier van het geloof verklaart: het brengt Gode niets toe, integendeel het stelt den mensch ledig en arm voor

\') Zij nemeu don gonetiof niet voor genetivus causae, maar gouetivus boneplaciti. Zoo ook March, Merch XXII. 13: het werk dat Gode behaagt. Tegen het Remonstrantsche misbruik hiervan: De Moor, Commentar. IV. p. 753 sq.

\'-) Calvin. Commentar. in Joh. 6 : 29 : Qui ex hoe loco col-ligunt fidem donum esse Dei, fallunter.

670

-ocr page 693-

§ 15. DEKEERING EN GELOOP GODS WERK. 671

God , opdat hii met Christus en zijne genade vervuld worde , weshalve het, zoo te zeggen, een lijdelijk werk is quot;).— Zoeken wij don zin van dit woord des Heeren wat verder na te speuren2).

De menschen zochten Jezus , omdat zij van de brooden gegeten hadden , Joh. 6 : 26, Hij zegt hun, het moest hun niet te doen zijn om vergankelijke spijs, maar om die spijze, die blijft tot in het eeuwige leven, welke de Zoon des menschen ulieden geven zal : want dezen heeft de Vader als den gever der ware levensspijs gemachtigd, v. 27.

De Joden echter houden hunne gedachten pertinent bij de lichamelijke spijs , te meer daar hunne denkbeelden van den Messias hen hiertoe leidden. Mozes was hun een voorbeeld van den Messias. Dies meenden zij ook wel de wonderen , onder Mozes geschied, van den Messias te mogen verwachten. Daartoe behoorde de wonderdadige spijziging met het manna : God gaf hun hemelsch koren (Ps. 78: 24)3) nJa zij dachten wel, dat de deel-genooten van het Messiasrijk zeiven de wondergave zouden ontvangen , om , zonder arbeid , verkwikkende spijs voort te brengen en alzoo zeiven zulke Godswerken te werken. Ook Simon den toovenaar (Hand 8) was het om de wondergaaf te doen. Geld boden zij er niet voor, maar zij wilden het verdienen , zij vroegen; fVai zul-

\') Ibid.: Qnaro passivum est opus ut ita loquar, cui nulla potest repend! uierces. Nee aliam confert homini justitiam nisi quam a Chiisto recipit.

\') Vergol. hot opstel van v. R. in don Heraut 1878. No. 41. \'\') Lighfoot, aangehaald door Olshausen , Coiumentar zu Joh. 6: 29.

-ocr page 694-

670 § 15. BEKEERING EN GELOOF GODS WËRtf,

wil, zoo bedoelt hij het geloof, ook naar onze Staten-Overzetters, die daarbij aanteekenen : „Dat is: het geloof des zwakken broeders , hetwelk God heeft begonnen in hem tot zijne zaligheid te werken; want het is eene groote zonde, af te breken hetgene God bouwt,quot;

Christus zelf noemt het geloof het werk Gods. Joh. 6 : 28 : De Joden zeiden tot Hem; Wat zullen wij doen, opdat wij de werken Gods mogen werken ? 29. Jezus ant-w oord de en zeide tot hen: Dit is het werk Gods, dat gij gelooft in Hem , dien Hij gezonden heeft. Onze Kanttee-kenaars verstaan hier onder de werken Gods en het werk Gods niet wat God werkt\'), maar wat God van ons eischt om zalig te worden, evenals Ps. 51: 19; de offeranden Gods, „dat is, die Hij principalijk gebiedt en Hem aangenaam zijn.quot; Zij volgen daarin Galvyn, die zich zelfs scherp uitdrukt: „Die uit deze plaats opmaken dat het geloof eene gave Gods is , bedriegen zich: want Christus leert niet wat God in ons werkt, maar wat Hij eischt en wil.quot; Waarby men echter tweeërlei dient, op te merken. Vooreerst, dal Galvyn geenszins in het algemeen wil ontkennen dat het geloof een gave en werk is van God (zie boven bl. 668) , maar volgens hem wordt dit te dezer plaatse*) niet geleerd. Ten tweede , dat hij zelf hier van het geloof verklaart: het brengt Gode niets toe, integendeel het stelt den mensch ledig en arm voor

\') Zij nomen don genotief niot voor gonotivus causae, maar gouotivus benoplaciti. Zoo ook March, Merch XXII. 13: het werk dat Gode behaagt. Tegen het Remonstrantsche misbruik hiervan: De Moor, Commentar. IV. p. 753 sq.

\'-) Calvin. Commentar. in Joh. 6 : 29 : Qui ex hoe loco col-ligunt fidem donum esse Dei, fallunter.

-ocr page 695-

§ 15. BEKEERING EN GELOOP GODS WERK. 671

God , opdat hii met Christus en zijne genade vervuld worde , weshalve het, zoo te zeggen, een lijdelijk werk is \'). — Zoeken wij don zin van dit woord des tieeren wat verdtr na te speuren2).

De menschen zochten Jezus , omdat zij van de brooden gegeten hadden , Joh. 6 : 2G. Hij zegt hun, het moest liun niet te doen zijn om vergankelijke spijs, maar om die spijze, die blijft tot in het eeuwige leven, welke de Zoon des menschen ulieden geven zal: want dezen heeft de Vader als den gever der ware levensspijs gemachtigd, v. 27.

De Joden echter houden hunne gedachten pertinent bij de lichamelijke spijs , te meer daar hunne denkbeelden van den Messias hen hiertoe leidden. Mozes was hun een voorbeeld van den Messias. Dies meenden zij ook wel de wonderen , onder Mozes geschied, van den Messias te mogen verwachten. Daartoe behoorde de wonderdadige spijziging met het manna : God gaf hun hemelsch koren (Ps. 78 : 24)\') „Ja zij dachten wel , dat de deel-genooten van hot Messiasrijk zeiven de wondergave zouden ontvangen, om , zonder arbeid , verkwikkende spijs voort te brengen en alzoo zeiven zulke Godswerken te werken. Ook Simon den toovenaar (Hand 8) was het om de wondergaaf te doen. Geld boden zij er niet voor, maar zij wilden het verdienen, zij vroegen: Wat zul-

\') Ibid.: Quare passivum ost opus ut ita loquav, cui uulla potest repend! uieroes. Nee aliam coufert homini justitiam nisi quam a Christo recipit.

\') Vergel. hot opstel van v. R. in den Heraut 1878. No. 41. ■\') Lighfoot, aangehaald door ülshausen , Commontar zu Joh. 6: 29.

-ocr page 696-

G72 § 15- BEKEERING EN GELOOF GODS WERK.

len wij doen , hoe zullen wij het maken, om hiertoe te komen, dat wij de werken Gods i) mogen werken ? 28.

Daarop antwoordt Jezus : DU is het werk Gods, dat gij gelooft in Hem dien Hij gezonden heeft. De Heiland geeft hun wat te denken. „Wilt gij de werken Gods werken, ik zal u één werk Gods noemen, waarin al de andere begrepen zijn, dat is dat gij in mij gelooft. Wanneer gij in mij gelooft, dan doet gij waarlijk het werk Gods: gij werkt dan wat God in u werkt.quot; Dat is wonderlijk, maar waar. Het geloof in Christus is het werk Gods, God werkt het: in Hem gelooven is Gods werk doen. Dat God het werkt en hoe , verklaart Christus zelf nader in dit hoofdstuk v. 44 en 45. Nu mochten de Joden toezien hoe zij tot die groote zaak kwamen: de weg, de Werker werd hun aangewezen.

„Bemonstrant •. Het geloove is een werk van\'s menschen wille, want Christus gelastte dit als een werk van gehoorzaamheid, hetwelk men zelf doen moet.

Gereformeerde: 1. Do tokst noemt het geloove duidelijk een werk Gods — — omdat God het is , die het in ons werkt, die willen werkt Fil. 2: 13 en het geloove geeft

\') tx spyx tov Osoïi. Cremer, Wörterb. der Neutost. Grïic-u. d. W. sypov S. 257 neemt toïi Qsov te recht als geuetivus qualitatia , Werke , wie sie Gott thut, ivie spyx wJhpüv, yuvxiKamp;v, Manner- . Weiberarbeit. Maar v. 29 verstaat hij door to \'épyov tou Ósoü das, was Gott zu thtm verlangt, gelijk moestai de Hoog-duitsche uitleggers. Doch Olshauscn teekout bij v. 29 aan : In einem schonen Wortspiel nennt Jesus dm Glauben \'ipycv toü ösov , indem der Glaube nicht uur Gott wohlgefüllig , sondern auch durch seine Gnade gewirkt, also ein Werk Qottes in der Seele des Menschen ist.

-ocr page 697-

§ 15. BEKEERING EN GELOOF GODS WERK. 673

Fil. 1 : 29. 2. Wij staan toe dat het geloove een werk is van den wille; handen en voeten gelooven niet, maar het is eene actie van de ziele door het verstand en den wille, en die gelooft moet willen gelooven. Doch partij moest bewijzen dat de ziele door eigen natuurlijke kracht die actie voortbrengt\').quot;

Immers met gelooven bedoelt Christus hier niet slechts: voor waar houden dat God Hem heeft gezonden; Hij zegt: dat gij gelooft in Hem, hetwelk iets meerders beteekent (zie boven § 10). /w C7ïm^Ms (/e^ocwew zegt alles opgeven waaraan het hart hing, het is een uitrukken der eigene gedachten, der liefste bezittingen des harten (Job 17: 11 ; 2 Kor. 10: 5), zelf niets meer willen wezen, om Christus alles voor ons te laten zijn. Daartoe is geen mensch door zich zeiven in staat. En inzonderheid de Jood in die dagen, met hoeveel moest die breken, met heerschende gevoelens , met ingewortelde gewoonten , met de nauwste betrekkingen, wanneer hij tot Jezus kwam !

Nederl. Belijd, des Geloofs Art. XXII: Wij gelooven dat om ware kennis dezer groote verborgenheid (der voldoening door Christus) te bekomen de Heilige Geest in onze harten ontsteekt een oprecht geloove, hetivelk Jezus Christus met al zijne verdiensten omhelst t Hem eigen maakt en niets anders meer buiten Hem zoekt.

§ 16. Onwederstaanbaar.

Naar de Gereformeerde leer is de inwendige werking des

i) Aldus Fr. Ridderus, Apollos. II. p. 753 v. Vergel. Den-zelfdent Schriftuurlijk Licht IV. p. 496 v.

Gravemoijor, Gorof, Gel. loer. II. 43

-ocr page 698-

§ 16. ONWEDERSTAANBAAft.

Heiligen Geestes onweerstaanbaar, maar de uitwendige roeping en aanbieding kun de mensch tegenstaan.

Het tegendeel wordt beweerd door allen , die eene al-gemeene genade stellen en de persoonlijke, onveranderlijke verkiezing loochenen \'). Dezen oordoelen: de Goddelijke genadewerking is weerstaanbaar. Zoo de Roomschen, met uitzondering van de Jansenisten; de Grieken ; ook de Lutheranen, in weerspraak tegen hun eigene leer van de geheele verdorvenheid des menschen; inzonderheid de Remonstranten; en nieuweren overal1).

Aan de Gereformeerde Kerk komt de lof toe, een beginsel bewaard te hebben, welks verloochening door de bewustheid onzer afhankelijkheid gewraakt wordt en op de vernietiging van het begrip van God uitloopt s). Want wordt het in \'s menschen macht gesteld, om, wanneer de Goddelijke genade aan hem komt, naar eigen wil haar ingang te geven of te weigeren, om zelf te kiezen of hij zich al dan niet bekeeren en in Christus gelooven wil; hangt dus de laatste en eigenlijke beslissing van den mensch af, die naar den eenen of den anderen kant kan overslaan, zoodat het tot daartoe onzeker is wat er van zal worden ; dan heeft God geene voorkennis die vast gaat, dan is er bij Hem geen onveranderlijk raadsbesluit, dan heeft het schepsel een vermogen tegenover den Schepper, dan komt den mensch

074

1

meeue zaligheid, waarmee h|j buiten de leer der Schrift treedt.

-ocr page 699-

§ 16, ONWEDERSTAANBAAtt.

zeiven de eere van zijne zaligheid too , want hij heeft ze dan aan zich zeiven te danken. Dordr. Leerreg. H. Ill, en IV. Verwerping der dwalingen. 8,

Maar voldingend is in dezen reeds de uitspraak onzes Heeren Joh. 6 : 37 : Al wat mij de Vader geeft, zal tot mij komen; en die tot mij komt, zal ik geenszins uitteer pen. Dat is gezegd niet van het geven der reeds ge-loovigen, zooals de Remonstranten het verstaan, maar van het geven om te gelooven. Want het is een geven om te komen, de geloovigen echter zijn reeds gekomen. Het geven veronderstelt wel , doch beteekent hier niet de verkiezing: in deze zijn de komenden van eeuwigheid door den Vader aan den Zoon gegeven; maar hot ziet op de uitvoering der verkiezing, op de werkelijke toebrenging , nader verklaard v. 44. Al wat mij de Vader geeft: daarin ligt, dat de Vader niet allen geeft: maar die Hij geeft, komen allen tot den Zoon , geen van hen kan op den duur weerstreven of halverwegen blijven liggen. Doch ook geen ander komt tot Hem dan die de Vader geeft, van zich zeiven komt niemand. En die zoo tot Jezus komt, al komt hij nog zoo ellendig aangekropen, die wordt by Hem, eenswillend met den Vader, in liefde aangenomen. Dus is er geen de minste onzekerheid. Maar hiermede is dan ook gezegd , dat het ge-loove niet is het werk van \'s menschen eigen wil i).

075

Zij , die leeren , dat de mensch de Goddelijke roeping en genadewerking kan weerstaan en dat bekeering en

\') fidem non esse in arbitrio hominum. Rursum colligimus, tauta Spiritus effiuacia operari Doum in eloctis suis , ut nomo eoruin excidat. Calvin. Commentar. in Joh. 6: 37.

-ocr page 700-

§ 16. ONWEDERSTAANBAAR.

geloof afhangt van zijn eigen wil, brengen uit de Heilige Schrift velerlei b\\j om hun gevoelen te staven «).

Het blijkt reeds hieruit, zeggen zij, dat God den mensch uitnoodigt, vermaant, onderwijst en met beloften en dreigingen aandringt. Waartoe dit alles, wanneer het niet bij den mensche stond, daaraan al of niet gehoor te geven ? De waarheid is : dit alles zijn middelen in Gods hand , noodzakelijk en gepast voor de redelijke natuur des men-schen, maar op zich zelve onvoldoende : door de inwendige werking des Heiligen Geestes worden zij in den uitverkorene krachtig gemaakt tot bekeering en geloof.

Men herinnert voorts : de Heere klaagt immers zelf over het volk , dat het weigert zich te belteeren (Hoz. 11:5. Jer. 5: 3), ja Hij zegt Jez. 65: 2: Ik heb mijne handen uitgebreid den ganschen dag tot een wederstrevig volk, die ivandelen op eenen weg die niet goed is, naar hunne [eigene] gedachten. Echter dit is niet gezegd van inwendige roeping en onmiddellijke werking des Heiligen Geestes in hunne harten, maar van de uitwendige roeping en minzame noodiging door de prediking des Woords (Rom. 10: 21. Vergel. 2 Kor. 5 : 20) en van de velerlei bemoeienissen Gods met het volk in zegen en oordeel, waaronder slechts hunne boosheid al meer aan den dag kwam.

676

Niet anders is het met Hand. 7:51 waar Stephanus tot den Joodschen Raad spreekt : Gij hardnekkigen en onbesne-denen van hart en ooren, gij wederstaat altijd, den Heiligen Geest, gelijk uwe vaders, [alzoo] ook gij. Den Heiligen

\') //. Witsius, Oeconomia Poed. Doi p. 263 sq. Brahél, Red. Godsd, I. p. 737. March, Compend. XXIII. 12. De Moor, Commentar. IV. p. 527 sqq.

-ocr page 701-

§ 16, ONWEDERSTAANBAAU. 677

Geest, niet dat Hij in henzelven was en onmiddellijk in hen werkte, maar zoover Hij in de Godsgezanten was en door dezen tot hen sprak: want v. 25 noemt Stephanus zelf de Profeten. En deze vergadering, gezeten om recht te doen , weerstond in dezen zelfden oogenblik den Heiligen Geest waarvan Stephanus vol was en die door hem sprak. Zoo hebben de Joden den Heiligen Geest weerstaan , toen zij zich tegen de prediking des Doopers Johannes en des Zaligmakers zeiven en zijner Apostelen verhardden. Aldus hebben Ananias en Sapphira tegen den Heiligen Geest gelogen en den Geest des Heeren ver-ocht (Hand. 5: 3, 9), namelijk die in de Apostelen was. — Waar de roeping door het Woord bekeering en geloof ten gevolge heeft, is dit alleen toe te schrijven aan de bijzondere, inwendige, krachtdadige werking van Gods Geest; zonder deze, die God aan niemand verschuldigd is , komt er geen mensch terecht. Degene dan, die deze cjenade ontvanyl, die is Gode alleen daarvoor eemvige dankbaarheid schuldig en dankt Hem ook daarvoor. Dordr. Leerreg. Ill en IV. Leere Art. 15.

§ 17. De Goddelijke werking.

Om nadrukkelijk te doen verstaan , dat geheel de te-rechtbrenging des zondaars een werk is van God, spreken onze oude Godgeleerden van eene voorkomende, medewerkende en opvolgende genade \'), ter betuiging, dat begin,

\') Gratia praeveniens, coöperans et subsequens. March, Compendium Cap. IV. 42. Pictet. Godgeleerdh. Xdo Boek, 4do Hoofdst. Awjustinus, Enchiridion Cap. XXXII: (Misericordia)

-ocr page 702-

§17. DE GODDELIJKE WERKING.

midden en einde, de eerste beweging ten goede, de voortzetting en de voltooiing in de hand Gods liggen, dat de mensch niet begint te werken, niet voortwerkt en niet doorwerkt en volhardt dan door en onder de krachtige werking van Gods Geest.

En hoedanig ? De inwendige roeping is een trekken van den Vader tot den Zoon door den Heiligen Geest met het Woord , eene innerlijke overreding en krachtdadige overbuiging, een werk der Goddelijke almacht.

Christus zelf betuigt Joh. 6 : 44 : Niemand kan tot mij komen, tenzij dat de Vader, die mij gezonden heeft, hem trekke, en ik zal hem opwekken ten uitersten dage. (Dit laatste wederlegt den afval der heiligen). 45. Daar is geschreven in de Profeten : En zij zullen allen van\' God geleerd zijn. Een iegelijk dan, die [het] van den Vader gehoord en geleerd heeft , die komt tot mij.

Van dit trekken zegt Luther wel te recht: „Het is niet als wanneer de beul eenen dief de ladder opsleept ter galg, maar het is een vriendelijk lokken en aantrekken \', een bekoren. Klaar en treffend onze Dordsche Leerregels III en IV. De Leere Art. 16: De Goddelijke genade werkt in de rnenschen niet als in stokken m blokken i), noch vernietigt den wil en zijne eigenschappen, noch dwingt hen met geweld tegen hunnen dank, maar maakt hen geestelijk Ze-

nolentom praevenit, ut veilt; volentem subseqnit ar , ne frustra veilt.

\') Zooals de Lutherschen leeren, Formol. Conc. ed. Rechenb. p. 661: Homo est instar statuae salis (in quam uxor Loth Pa-triarchae est conversa), immo est similis truneo et lapidi. p. 662: doterior est trunco : quia voluntati divinae rebellis est et inimicos.

678

-ocr page 703-

§17. DE GODDELIJKE WERKING.

vend , heelt, verbetert en buigt hen tegelijk liefelijk en krachtig , alzoo dat waar de weerspannigheid en tegenstand des vleesches ten eenenmale de overhand had, daar begint nu eene gewillige en oprechte gehoorzaamheid des Geestes de overhand te krijgen, waarin de waarachtige en geestelijke wedtroprichting en vrijheid van onzen wil gelegen is. En tenware dat die wonderbaarlijke Werkmeester alles goeds hl dezer voege met ons handelde , de mensch zoude gan-schelijk geene hope hebben van uit den val te hunnen opstaan door zijnen vrijen wil, waardoor hij zichzelven, toen hij nog stond, in het verderf heeft gestort.

Het trekken Joh. 6 : M (Hoogl. 1 : 4) is wel mede, maar niet alleen een zedelijke werking op den mensch door de kracht en den invloed van het Woord, door aanrading, bevel en vermaan ; het is eene innerlijke, onmiddellijke, bovennatuurlijke werking van Gods Geest in al de vermogens van den mensch, in verstand, wil en neigingen, zoodanig dat de gelrokkene ook metterdaad tot Christus komt.

Uit v. 45 echter, waar Christus van leeren en hooren spreekt, blijkt tevens dat deze werking niet bestaat in een uitwendig, mechanisch dwingen, maar, overeenkomstig de redelijke natuur des menschen door middel van de leere, van het Woord geschiedt. Het is en blijft een roepen Gods en dit veronderstelt altoos het Woord. Maar Gods leeren heeft andere kracht dan het leeren door menschen. God leert zoo , dat de mensch in waarheid een geleerde wordt, niet slechts leerzaam \') maar

\') Aldus do Vulgata, die HiïxxTo) ösov Joh. 6 : 45 barbaarsch verstaat docibiles Dei. Hot zogt: docti a Deo , waardoor dezen onderscheiden worden van die alleen de uitwendige prediking hooren. Vergel. De Moor, Commentar. IV. p. 503.

679

-ocr page 704-

§17. DE GODDELIJKE WERKING.

geleerd door God, geheel overreed en overmocht, door klaar besef en onafwijsbare beweeggronden gebracht tot volle instemming en inwilliging van Gods aanbieding en eisch , en door onweerstaanbaren aandrang innerlijk bewogen , zoodat hij op de roeping ook komt en onder onuitsprekelijke gewaarwordingen zich aan Jezus als zijnen Zaligmaker overgeeft.

Wanneer dan God zijn welhehagen in de uitverkorenen uitvoert en de ware hekeering in hen werkt, zoo is het dat Hij niet alleen het Evangelie hun uiterlijk doet prediken en hun verstand krachtiglijk door den Heiligen Geest verlicht, opdat zij recht zouden verslaan en onderscheiden die dingen die des Geestes Gods zijn: maar Hij dringt ook tot de binnenste deelen des menschen met de krachtige werking deszelven wederharenden Geestes ; Hij opent het Aart dat gesloten is; Hij vermurwt dat hard is; Hij besnijdt dat onbesneden is. In den wil stort Hij nieuwe hoedanigheden en maakt dat dezelfde icil, die dood was , levend wordt, die hoos was goed wordt; die niet wilde, nu dadelijk wil; die iveerspannig ivas , gehoorzaam wordt.

En dit wordt in ons teweeggebracht niet door middel van de uiterlijke predikatie alleen, noch door aanrading, of zulke manier van werking dat, tvanneer nu God zijn werk volbracht heeft, het alsdan nog in de macht des menschen zou staan wedergeboren of niet wedergeboren te tvorden , bekeerd of niet bekeerd te worden ; maar het is eene gansch bovennatuurlijke, eene zeer krachtige en tegelijk zeer zoete, ivouderlijke, verborgene en onuitsprekelijke werking , dewelke, naar het getuigenis der Schriftuur, (die van den Auteur van deze werking is ingegeven) in hare kracht niet minder noch geringer is dan de schepping of

680

-ocr page 705-

17. DE GODDELIJKE WERKING.

de opwekking der dooden. — En de wil, van God bewogen zijnde , werkt dan ook zelf; waarom ook te recht gezegd ivordt, dat de mensch, door de genade die hij ontvangen heeft, gelooft en zich bekeert. Dordr. Leerreg. Ill en IV. Art. 11 en 12. Wij zeggen: het schip draait, maar wij weten , het schip doet het niet, maar de wind doet het, en de stuurman.

Het is geen dwang, maar drang. De onwillige wordt gewillig gemaakt (Fil. 2 : 13) zoodat hij niet meer kan niet willen •). Het is de hartinnemende, overwinnende macht der Goddelijke liefde. Ih trok ze met menschen-zeelen, met touwen der liefde , zegt de Heero Hoz. 11:4.

Aan deze genadewerking Gods heeft de geloovige alles te danken. Zoomin een doode zich zelf het leven kan geven , zoomin kan de zondaar zich door eigen kracht bekeeren en zich zelf Christus inlijven. Het is een werk dor Goddelijke almacht. En omdat het dat is, houdt het ook onder alle bestrijding stand en verkrijgt het heerlijk einde in het deelgenootschap aan de heerlijkheid van Christus. Daarom verheft do Apostel Paulus deze werking der almacht Gods zoo hoog Efez. 1 : 19 , 20 , om do geloovigen zoowel tot dankbaarheid daarvoor als tot meerder vertrouwen daarop te bewegen , gedenkende, Welke de uitnemende grootheid zijner kracht zij aan ons die gelooven, naar de iverking der sterkte zijner macht1),

681

1

Om de almacht Gods in dezen te meer te doen uitkomen, vermenigvuldigt de Apostel de uitdrukkingen. Hij noemt iïvvxftie, KpxTOi, , hij spreekt van haar VTrsppdXhov [ikyéos en

èvepyeix. Calvinus, Commentar, i. 1. onderscheidt aldus:

-ocr page 706-

§18. DE MFNSCIl VERANTWOORDELIJK.

Die Hij gewrocht heeft in Christus, als Hij Hem uit de dooden heeft opgeirekt; en heeft [Hem] gezet tot zijne rechter [hand] in den hemel. God kroont zijn eigen werk, gelijk in het Hoofd Christus, zoo in de leden.

§ 18. De menscli verantwoordelijk.

Indien de uitwendige roeping door het Woord niet genoeg is om den zondaar tot bekeering en geloof te brengen , maar alleen dan kracht heeft, wanneer zij door de bijzondere werking des Heiligen Geestes eene inwendige roeping wordt, zijn dan degenen , die zich niet be-keeren en niet gelooven, zeiven wel daarvoor verant-

robur, is als \'t ware de wortel, xpaTO?, potentia , do boom , hipysix, efficacia, de vracht: want hot is de uitsv,rekking van den arm Gods dio zich in eene daad openbaart.quot; Nader: kracht, en ovenzoo is het Goddelijke vermogen ;

xpxTOi, sterkte (evenals vooraf (J-eyéiq bij iï\'jvxftig) de eigenschap en hoedanigheid van dat vermogen; hépyeix, werking, do dadc-delij ko betooning en uitoefening dor kracht.

De Remonstranten , om niet toe te geven , dat God de eigenlijke werker van bekeoring en geloove is, brengen in , dat de Apostel hier niet handelt van de eerste voortbrenging des ge-loofs maar van deszelfs onderhouding en toeneming, daar hij immers tot reeds geloovigen spreekt {aan ons die gelooven). Maiir is zoo groote kracht Gods noodig tor bewaring dos geloofs, hoeveel te meer tot het eerste ontstaan ! Vergel. De Moor, Com-mentar. IV. o. 501. Evenzoo als do Remonstranten oordeelt Stier, Brief an die Ephes. I. S. 169, die or altijd op uit is, hot geloof als de eigene daad des menschen voor te stollen. Naar hem is de werking Gods geenszins de werkende oorzaak van ons gelooven: vielmehr o/ine Zweifel bleibt übrig, dasz wir nur als Glaubende, was bei wis steht und von uns kommt, die Wirkung erfahren, die Kraft empfangen.

682

-ocr page 707-

§ 18. DE MENSCH VERANTWOORDELIJK. G83

woordelijk en is het hun eigene schuld dat zij niet jgloen wat zij niet kunnen ?

Naar Gods Woord en de gezonde leer onzer Gereformeerde Kerk ligt de schuld in de onbekeerden zeiven , die den raad Gods tegen zich zeiven verwerpen en zijne getuigenis versmaden of voor een leugen achten, tot hun eigen verderf.

Toen Christus tot het volk van den Dooper sprak, hebben zij die als onreine zondaren met den doop van Johannes gedoopt waren , zich buigende onder do Goddelijke ordening , God daarin gerechtvaardigd en verheerlijkt , maar van de Farizeën en de Wetgeleerden wordt gezegd: Zij hebben den raad Gods tegen henzelven i) verworpen , van hem niet gedoopt zijnde , Luc. 7 : 30.

Tot de wedersprekende en lasterende Joden te Antiochië en Pisidië zeiden Paulus en Barnabas vrijmoedig Hand. 13 : 46: Het was noodig, dat eerst tot u het Woord Gods gesproken zoude worden; doch nademaal gij hetzelve verstoot en u zeiven des eeuwigen levens niet waardig oordeelt, ziet, wij keeren ons tot de Heidenen.

Er staat geschreven 1 Joh. 5: 10: Vie in den Zone Gods gelooft, heeft de getuigenis in zichzelven; die God niet gelooft, heeft Hem tot eenen leugenaar gemaakt, dewijl hij niet geloofd heeft de getuigenis, welke God getuigd heeft van zijnen Zoon.

Dordr. Leerreg. Hoofdst. Ill en IV. De Leere, Art. 9 :

\') sU SMTOvg, ten opzichte tot henzelven; flovhy, raad, is do gooponbaarde on verklaarde wille Gode. Dit was : do doop tot bckeering. Dezen wilden zij voor zich zeiven niet (ythTViTX\'i/, Beza : abrogarnut. Vulgata : spreveruntj ; Gods wil werd daardoor niet veranderd.

-ocr page 708-

684 §1^ DE MENSCH VERANTWOORDELIJK.

Dat er velen , door de bediening des Evangelies geroepen zijnde, niet komen en niet beheerd worden, daarvan is de schuld niet in het Evangelie, noch in Christus door het Evangelie aangeboden zijnde, noch in (tod, die door het Evangelie roept en zelfs ook dien Hij roept verscheidene gaven mededeelt, maar in degenen , die geroepen tvorden.

„Maar, zegt men, hoe kan de Gereformeerde dit staande houden bij de erkentenis van \'s menschon volslagen onmacht en van de Praedestinatie ?quot;

Beide zijn waarheden, die de Schrift onomstootelijk vaststelt, zooals vroeger is aangetoond: de onmacht Negende Hoofdstuk § 13, de Praedestinatie Vijfde Hoofdstuk , zie aldaar bijzonder § 15.

Maar de onmacht verschoont den zondaar niet en ontslaat hem niet van de verantwoordelijkheid. Zie Negende Hoofdstuk § 26. En dit te meer, omdat hij ook nog als redelijk schepsel vrijwillig werkt en willens zondigt, § 25.

Ook de Praedestinatie neemt de verantwoordelijkheid niet weg: Vijfde Hoofdstuk § 16 en § 18. God oordeelt ons menschen niet naar zijn voor ons verborgen besluit, maar naar ons gedrag jegens zijnen geopenbaarden wil: Derde Hoofdstuk § 35 en § 36.

Intusschen, daar de mensch onmachtig is om Gods wil te doen , onbekwaam tot eenig geestelijk goed •); daar voorts naar de duidelijke leore der Schrift Gods voornemen niet is om alle menschen zalig te maken1); daar Christus\' voldoening naar het Goddelijke oogmerk niet voor allen is geschied s); is dan toch niet de uitwendige

1

Vijfde Hoofdstuk § 12.

:l) Twaalfde Hoofdstuk § 41 v.v.

-ocr page 709-

§18. DE MENSGH VERANTWOORDELIJK.

roeping en noodiging , de bevolene en verordende alge-meene verkondiging des Evangelies een bedriegelijk schijn-vertoon ten opzichte van degenen die niet zijn uitverkoren en van wie God immers van te voren weet dat zij er geen gehoor aan zullen geven maar door hun verzet slechts hun oordeel zullen verzwaren ? is dat niet een veinzen , een spotten met het schepsel , geheel strijdig met de vlekkelooze louterheid en waarachtigheid van een heilig God ?

Dat zij verre i). Men moet slechts wél in het oog houden , wat de uitwendige roeping behelst en wat de verkondiging zegt. De Heere heeft den dienaren zijns Woords niet geboden of veroorloofd, den menschen toe te roepen: „gij kunt u bekeeren on in Christus geloovenquot;; dat zou tegen de waarheid , dat zou bedrog zijn; maar: „wilt gij zalig worden , gij moet u bekeeren en in Christus geloovenquot;, — opdat de geroepene zich vernedere en met zijne schuld en onmacht smeekend kome tot een machtig God, die de bekoering ten leven geeft en die zegt: Wendt u naar mij toe , wordt behouden , alle gy einden der aarde: want Ik ben God , en niemand meer. Men zal van Mij zeggen : Gewisselijk in den Heere zijn gerechtigheden en sterkte : tot Hem zal men komen; maar zij zullen beschaamd worden , allen die tegen Hem ontstoken zijn. Jes. 45: 22 , 24.

685

De uitwendige roeping, de verkondiging des Woords

\') Brakel, Red. Godsd. I. p. 715 v. Marde, Corapond. XXIII. 8,9. De Mooi\', Commontar. IV. p. 477 sqq. Ebrard, Dogmat. II. § 558. Ch. Hodge , Systematic Theology II. p. 643 v. Twaalfde Hoofdstuk van dit Leesboek § 44.

-ocr page 710-

68G § 18. DÉ MENSdH VERANTWOORDELIJK.

zegt niet tot allen die het hooren : „gij zijt uilverkoren en Christus heeft voor u allen voldaanquot;; dat zou onwaar, dat zou misleiding zijn; maar: „zonder bekeering en geloof in Christus kunt gij geene gegronde bewustheid en verzekering hebben van uitverkoren te zyn en van deel te bezitten aan Christus\' voldoening.quot;

Maar is de uitwendige roeping, de verkondiging des Woords voor die verloren gaan dan niet doelloos en vergeefs ? Door hun eigen schuld. Die onder de bediening des Woords leven , hebben daarin groote voorrechten , zij deelen in vele zegeningen en weldadige vruchten van het Evangelie. Wie daaronder niet tot bekeering en geloove komt, kan niet zeggen: ik kon niet, omdat ik niet was uitverkorenquot;. Hij liegt: want hij wist dat niet; hij bezondigt zich, daar hij in eene verborgenheid zijne uitvlucht en schuil zoekt, terwijl hy den geopenbaarden wille Gods versmaadt. Nooit ook kan hij zeggen: „God heeft my verhinderdquot;. Neen, maar zijne boosheid , zijn vleesch, zijn eigen wil heeft het gedaan en in waarheid heeft hij niet de bewustheid van eene Goddelijke tegenwerking. Ook kan hij niet inbrengen: „God heeft mij daartoe geen kracht gegeven, heeft mij zijnen Geest onthoudenquot;. Want heeft hij er wel om gebeden, met aanhoudendheid , met aandrang ? De Heere heeft gezegd: bidt en u zal gegeven worden.

Zoo wordt bij de meerdere voorrechten de eigene schuld des te meer openbaar en alle mond gestopt.

Dordr. Leerreg. III. IV. De Leere Art. 8 : Zoo vélen als er door het Evangelie geroepen worden, die worden ernstiglijk geroepen. Want God betoont ermtiglijk en waarachiiglijk in zijn Woord wat Hem aangenaam is,

-ocr page 711-

§ 18. DE MENSGIl VERANTWOORDELIJK. 687

namelijk dat de geroepenen tot Hem komen; Hij belooft ook met ernst allen die tot Hem komen en (jelooven, de rust der zielen en het eeuwige leven.

De onbekeerden en ongeloovigen blijven onder Gods rechtvaardig oordeel; de geloovigen danken hunne bekeering en geloof alleen aan de ontferming Gods. „Gelijk als niemand uit de gevangenis kan komen dan die de Koning er uitlaat, nochtans is het geen schuld in den Koning dat de anderen gebonden en gesloten blijven , maar de schuld ligt in hunne misdaden •).quot;

\') Fr. Ridderus, Apollos II. p. 759 (Joh. 6: 37).

-ocr page 712-

-ocr page 713-

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

HEILSORDE. II. RECHTVAARDIGING.

§ 1. Eeuwig en tijdelijk.

Na (Jg Roeping komen wij tot de tweede \') der voornaamste genadewerkingen Gods ter tooëigening aan den zondaar van de zaligheid in Christus. Dat is de Rechtvaardiging , „de ziel van het Christendom, de springader van allen waren troost on van de heiligmakingquot; tevens , het palladium van het Protestantisme, het doodvonnis over alle eigene gerechtigheid, het heerlijkste eereteeken van de vrije genade Gods, maar daarom ook het uitgezochte mikpunt voor de aanvallen van den vorst der duisternis.

1. De rechtvaardiging volgt onafscheidelijk op het geloof. Mot dat de mensch Christus deelachtig wordt door het geloof, wordt hij gerechtvaardigd voor God.

Den Apostel Paulus was het bijzonder gegeven, deze fun-

\') Zio Veertiende Hoofdstuk § 2. Gravomoijor, Gorof. Gol. loor. II.

-ocr page 714-

§ 1. EEUWIG EN TIJDELIJK.

690

damenteele waarheid, de rechtvaardiging door het geloof, in het licht te stellen en aan te dringen. Hij zegt Gal. 2 : 16: Wetende dut de mensch niet yerechtouardigd wordt uit de werken der Wet, maar door het geloove (in) Jezus Christus \'), zoo hebben ivij ook in Christus Jezus geloofd, opdat wij zouden gerechtvaardigd worden uit het geloove (in) Christus, en niet uit de werken der Wet; daarom dat uit de werken der Wet geen vleesch zal gerechtvaardigd worden.

De Schrift en met haar onze Kerk knoopt de rechtvaardiging vast aan het geloof. Het is altijd : door het geloof, uit het geloof. Daarmede wordt ontegenzeglijk het geloof in orde vóór de rechtvaardiging, de rechtvaardiging na het geloove gesteld. Want hetgene waardoor en waaruit iets is gaat vóór dat ivat er door en er uit is. Rechtvaardig is die gelooft: dus wie niet gelooft, is niet rechtvaardig: geene rechtvaardiging vóór het geloof. Want de waarachtige God kan niemand voor rechtvaardig verklaren, dan die eene volmaakte gerechtigheid heeft; zoolang iemand buiten Christus is, bezit hij geene gerechtigheid die bij God geldt: met dat hij Christus wordt ingelijfd, wordt hij diens gerechtigheid deelachtig , niet eerder. Met Christus zelveu wordt diens gerechtigheid den armen zondaar van God geschonken , in het geloove hetwelk ook zelf Gods gave is. Met deze gerechtigheid bekleed, geheel en al een werk van Gods genade , staat hij rein en welbehagelijk voor God , als een die aan al de eischen van het Goddelijke Recht heeft voldaan en aan den wille Gods volko-

1) TricTSUS \'lyvoü XpiTTOÜ en daarop wederom £•/. ttittsu? XpiTTiïi, te vertaleu uiel; het geloove van Christus, maar in Christus, (ieuitivus objucti. Winer, Grammat. § 30. 1.

-ocr page 715-

§ 1. EKUWIG EN TIJDELIJK. 691

men beantwoordt. „Het is uitgemaakt, dat wij in onze inlijving ia Christus gerechtvaardigd worden gt;).quot;

2. Maar is de rechtvaardiging niet eene eeuwige daad Gods ? En is zij niet feitelijk voltrokken en gepronmlgeerd, afgekondigd eens voor al in Christus\' opstanding ? Ën gaat zij dus niet eigenlijk vóór het yeloove vooraf?

Hier is onderscheiding noodig.

a. Zonder meer te zeggen : de rechtvaardiging is van eeuwigheid geschied, althans dit te zeggen in den zin der Antinomianen en inzonderheid van die sekte, die zich Hebreen noemde, is zekerlijk niet oorbaar en te recht heeft onze Brukel daartegen geijverd2) en hunne stelling met hare verderfelijke gevolgtrekkingen behoorlijk afgewezen. „De gerechtvaardigden , leerden zij, zijn dat van eeuwigheid: zoodat God van hun begin af niets tegen hen heeft: bij hunne geboorte wordt Adams zonde hun niet toegerekend en de verdorvenheid der natuur is hun geen zonde, omdat zij al gerechtvaardigd zijn.quot; Maar de Schrift spreekt anders. Afdoende is reeds dit ééne gezegde des Apostels Paulus van de geloovigen Efez. 2:3: II \'y waren van nature kinderen des looms, gelijk ook de anderen 3).

Op de vraag, of wij van alle eeuwigheid zijn gerechtvaardigd , antwoordt Pictet: „Dat God inderdaad van alle eeuwigheid heeft besloten ons te rechtvaardigen, maar

\') Alex. Com\'rie, Heidolb. Catech. II. p. 291. vergel. p. 261. Pictet, Godgoloordh. XI. Book , XI. Iloofdst. 2. Tweede Deel p. 119. II. Witsius, Oecon. Lib. III. Cap. VUL 31 en 59.

\'l) With, a Brakel, Eed. Godsd. I. Cap. XXXIV. 54. v. pag. 863 v.v. Comrie, Heidolb. Catech. II. p. 269.

3) P. Van Mastricht, Godgel. III. p. 133 v. on p. 330.

-ocr page 716-

§ 1. EEUWIG EN TIJDELIJK.

dat Hij ons echter niet rechtvaardigt dan in den tijd : dat blijkt 1. Hieruit dat onze rechtvaardigmaking op onze roeping volgt: die God geroepen heeft, heeft Hij gerechtvaardigd zegt de Apostel Rom. 8 : 30. Nu geschiedt de roeping in den tijd. 2. Dat de rechtvaardigmaking geschiedt door het geloof: nu wordt het geloof niet dan in den tijd gegeven

Toch is het van eeuwigheid. Maar in welken zin ? Van eeuwigheid gerechtvaardigd zegt: in Gods eeuwig raadsbesluit daartoe voorbestemd, als zullende op bepaalden tijd gerechtvaardigd worden. 2 Tim. 1:9: Naar zijn eigen voornemen en genade, die ons gegeven is in Christus Jezus voor de tijden der eeuwen. Efez. 1: 5: Die ons te voren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen door Jezus Christus in Hem zeiven naar het welbehagen zijns willens. Dit voornemen is de rechtvaardiging niet: want voornemen verschilt van uitwerking4). Wij kunnen niet anders dan beide onderscheiden, of wy vervallen in begripsverv^arring of woordenspel. De Schrift zelve onderscheidt ze.

Intusschen bij den eeuwigen en onveranderlijken God is er geene opvolging van het eene na het andere, geen verschil of distantie tusschen voornemen en uitvoering. Hem aangaande mogen en moeten wij derhalve zeggen: de rechtvaardiging is van eeuwigheid geschied.

092

En dit te erkennen en te belijden is van het grootste gewicht : ten einde de rechtvaardiging zuiver te houden van alle inmenging eener menschelijke daad on haar niet afhankelijk te stellen van een voorgezien geloof, ja ook geheel

\') Beried. Pictet, Godgeloerdh. Tweede Deel. p. 119. I. 2) Brakel, Rod. Godsd. I. p. 861. Cap. XXXIV. 52. 2.

-ocr page 717-

m

I )

§ 1. EEUWIG EN TIJDELIJK. 693

en al niet van eene dadelijke werkzaamheid des geloofs\'). Alle en iedere afhankelijkheid der rechtvaardiging van iets wat in den mensche is of door den mensch gedaan wordt, moet hier geheel worden buiten gesloten. Bij God is geene opvolging van besluiten, maar wel mogen wij in Gods besluit eene volgorde stellen , en dat is dan geene andere dan deze : God heeft besloten dien en dien zondaar te rechtvaardigen ; dit is het eerste; maar tot. dat einde heeft Hij meteen besloten, dezen zondaar op bestemden tijd het geloore, dit is het tweede, in Christus te schenken, zonder hetwelk hij niet kan gerechtvaardigd worden,

Tn de eeuwige uitverkiezing \\s Ae rechtvaardiging begrepen. Want met de verordineering van zondaren ten eeuwigen leven is ook vastgesteld bij God de noodzakelijke voldoening voor hen aan het Goddelijke Recht door den Middelaar en meteen geheel de weg en wijze en het middel waardoor zij deelgenooten van die voldoening zouden worden2). En in dezen zin zijn zij bij God van alle eeuwigheid gerechtvaardigd.

Dat heeft naar de leere der Schrift onze Kerk duidelijk uitgesproken. Dordr. Leerreg. H. I. De Leere, Art. 7 : God heeft Christus van eeuwigheid tot een Middelaar en Hoofd van alle uitverkorenen en tot een fundament der zaligheid gesteld. En opdat zij door Hem zouden zalig gemaakt worden, heeft Hij ook besloten, hen aan Hem ie geven en krach-tiglijk tot zijne gemeenschap door zijn Woord en Geest te roepen en te trekken, of met het ware geloof in Hem te be-

\') Comrie, Hoidelb. Cat. II. p. 258. Dr. A. Kuyper, Heraut 1885. No. 383. 384.

\'-) Zie Vijlde Hoofdstuk § 15.

i

É

-ocr page 718-

§ 1. eeuwig en tijdelijk.

gaven, te rechtvaardigen, te heiligen en — — te verheerlij-ken. Art. 8 ; Hij heeft ons van eeuwigheid verkoren, heide tot de genade en tot de heerlijkheid, tot de zaligheid en tol

den weg der zaligheid. Art. 9 : Niet uit voorgezien geloof--

of eenige — goede hoedanigheid of geschiktheid, als eene oorzaak of voorwaarde, te voren vereischt in den mensch,---

maar tot het geloof en de gehoorzaamheid des geloofs, tot heiligheid enz. Hoofclst. I. Verwerping der dwalingen , Art. 3 : Die anders leeren , dour dezen wordt het welbehagen Gods en de verdienste van Christus krachteloos gemankt en de menschen door onnutte vragen van de waarheid der genadige rechtvaardigmaking en van de eenvoU\' digheid der Schriftuur afgetrokken.

694

b. Is de rechtvaardiging in Christus^ opstanding geschied? Door zijne opstanding van de dooden is Hij gerechtvaardigd in den Geest, 1 Tim. 3:16. Niet voor Hemzelven, maar als plaatsbekleedend Borg voor zijn volk, als Hoofd zijner gemeente, welke zijn lichaam is \'). Do Vader verklaarde , door Hem van de dooden te doen opstaan, dat door Hem aan de gerechtigheid was voldaan en het recht ten leven verworven. Dit raakte geheel zijn lichaam. „Christus gerechtvaardigd zijnde, zoo zijn alle de uitverkorenen mede in hem gerechtvaardigd.quot; (BrakelJ. In Hem, in wien zij gerekend waren en in wier plaatse Hij stond en die Hij gezamenlijk vertegenwoordigde. Gerechtvaardigd, in \'t generaal, niet individueel; in kracht, niet dadelijk : want zij waren er nog niet. Dit is de rechtvaardiging niet van welke de Schrift spreekt. Waar de Schrift van rechtvaardiging gewaagt, zegt zij dat niet van eene ideale

\') Zie Dool II. Dertiende Hoofdstuk § 5. bl. 527 v.

-ocr page 719-

§ 1. EEUWIG EN TIJDELIJK.

menschheid, maar van werkelijk bestaanrle, levende personen ; ook is de rechtvaardiging eene Godrlelijke uitspraak niet alleen over , maar ook tot den mensch \').

c. Het is dan ook wél te verstaan, hoe de rechtvaardiging is vóór het geloof en tevens door en uit, dus eerst na en op of veelmeer tegelijk met het geloof1). Vóór het geloof van Gods kant, in het besluit, in den eeuwigen wille Gods, die voor bepaalde, door Hem voorgekende, in zichz,elven goddelooze en ongeloovige zondaren de gerechtigheid van Christus genadiglijk heeft bestemd ; maar door en uit het geloove bij den mensch , in denzelfden oogenblik waar deze Christus wordt ingelijfd en in de werkelijke bezitting van Christus en van al diens weldaden wordt gesteld, hetwelk door het geloof geschiedt, van God gegeven, door den Heiligen

\') Witsius , Oeconom. p. 313 sq. oudorschoidt: generalis Dei declaratio en de toefjigoning aan den geloovigon individu. Brakel, Ked. Godsd. I. p. 862 : in de opstanding virtucditer, maar nog niet actudliter. C. Vitringa, Doctrina Christ. Eel. XVI. 42. 43. pag. 311 sqq.: in genere en speoiatim.

2) Albr. Eitschl, Die Christl. Lehre von dor Rechtfertigung u. Versöhn. 2te Aufl. 1882. Erster Band S. 295 vindt ook to recht goene tegenstrijdigheid in de voorstelling van den Calvinist Amesius dat het geloof vóór do rechtvaardiging voorafgaat, on dat hot geloof de rechtvaardiging veronderstelt en haar volgt. Denn die llechtfertigung als Inhalt des subjectiven Beicusztseins setzt den Glauben voraus; als objectiver Act Gottes geht sic dcm Glauben voraus \'und wirkt im glciuhigen Subject vor dessen Be-wusztsein von ihr, iveil sie schon in devi göttlic/ien Urtheile der Erwahlung , in der Erlösmgsabsicht Ghristi und in dessen Aufer-weckung enthalten ist.

Calvin. lustit. III. 11. 7; — — prius eum (Christum) fide recipi docemus quam illius justitiam.

695

-ocr page 720-

§ 2. ALGEMEEN BEGRIP.

Geest gewerkt. De akte der vrijspraak ligt in Gods gerichte gereed , de Heilige Geest brengt ze over tot den mensch ; met dat zij den zondaar wordt toegeëigend is deze een gerechtvaardigde.

§ 2. Algemeen begrip.

Overeenkomstig den regel, dat de verborgene dingen zijn voor den Heere onzen God (Deut. 29 ; 29), hebben wij te doen met de rechtvaardiging zooals die in den tijd geschiedt en den aanwezigen mensch op aarde ten deele wordt.

En vragen wij eene begripsbepaling daarvan in het algemeen , terwyl hare bijzonderheden vervolgens in nadere overweging komen , zoo mogen wij zeggen : De Rechtvaardiging is de uitspraak van God als Wetgever en Rechter, waardoor Hij den geloovige in Christus voor rechtvaardig erkent en verklaart.

Zij is eene rechterlijke daad van God, van God alleen i), niet van een mensch, niet van leeraren, die slechts bedienaren en verkondigers zijn van Gods Woord, niet van priesters, die er aan de Kerk des Nieuwen Verbonds geheel niet zijn gegeven (Efez. 4: 11). Hierop leggen de Protestantsche Kerken nadruk tegenover de Roomsche en Grieksche die eene menschelijke vierschaar, kerkelijke rechterstoelen oprichten en den priester in den biechtstoel voor don door God gestelden rechter1) houden.

696

1

) Bijzonder sedert Paus Innccentius III (f 1216 na C.).

-ocr page 721-

2. ALGEMEEN BEGRIP.

God is het die rechtvaardig maakt, Rom. 8; 33. Hij is de Rechter der gansche aarde, Gen. 18: 25. Hij is de souvercine Opperheer, in wiens gezag geen schepsel kan ingrijpen ; Hij alleen kent de harten der menschen, Hij alleen beschikt over hemel en helle ; Hij alleen heeft de macht om ook eeuwig te straffen en om van de straf te ontheffen , het geweten te stillen en vrede en blijdschap in het hart te storten. Jez. 33:22: Want de Heere is onze Hechter, de Heere is onze Wetgever, de Heere is onze Koning , Hij zal ons behouden. Menschelljk oordeel is kortzichtig en machteloos. Maar Jac. 4: 12: Daar is een eenig Wetgever (en Hechter, volgens andere lezing), die behouden kan en verderven. Doch wie zijt gij, die eenen anderen oordeelt? Wien God vrijspreekt, is vrij en veilig. Jez. 54: 17: Alle instrument dat tegen u bereid wordt, zal niet gelukken en alle tong [die] in het gerichte tegen u opstaat, zult gij verdoemen: dit is de erve der knechten des Heer en en hunne gerechtigheid \') is uit mij, spreekt de Heere.

In zoover de rechtvaardiging is eene werking Gods

Vroeger waa do uitspraak door don priester eene toebidding : God sproke u vrij. Maar daarna eeuo uitspraak door hem als rechter : absolvo te , ik spreek u vrij. En dit is volgens Concd. Trident. Sess. XIV , de Poenit. Cap. VI een actus judicialis, quo ah ipso (sacerdote) velut a judice sententia pronunciatur. ed. Tauchn. p. 77 en p. 83 sq. Catech. Rom. P. II. C. Y. Qu. 14. ed. Tauchn. p. 218. Vergel. August!, Handb. der Chr. Ar-chiiol. III. S. 105. S. 107 ff. De Trentsche Kerkvergadering hield zich in dozen aan Thomas van Aquino (f 1274).

\') Die Gerochtigkoit Got os aus Gnadon den Gliiubigon bei-gelegt und eingepflanzt. Stier, Jesaias z. d. St. Dus do gerechtigheid des geloofs en des levous saam.

697

-ocr page 722-

§ 2. ALGEMEEN BEGRIP.

naar huiten, tot het schepsel gericht, is zij een werk des Goddelijken Wezens, des Drieëenigen , des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes te zatnen. Zij wordt ook aan den Zoon toegeschreven, Jez. 53: 11: Door zijne kennis (door de geloovige erkentenis van Hem) zal mijn knecht, de rechtvaardige, velen rechtvaardig maken*), want Hij zal hunne ongerechtigheden dragen; en aan den Heiligen Geest, 1 Kor. 6: 11 : gij sijt ye-rechtvaardigd in den naam des Heer en Jezus en door den Geest onzes Gods1).

Doch naar de orde in de Goddelijke heilsbedeeling, huishoudelijk, wordt de rechtvaardiging bijzonder toege-eigend aan den Vader als Rechter, terwijl de Zoon de aanbrenger der gerechtigheid is , de Voorspraak , de Advocaat , en de overbrenging en mededeeling door den Heiligen Geest geschiedt. Zoo voegt het. Immers de be. slissende uitspraak in een gerichte komt den Rechter toet niet den advocaat of den aanzegger.

De rechtvaardiging is eene rechterlijke uitspraak, sententie (zie hierna § 5) van God den Vader, waardoor Hij de uitverkorene en geroepene zondaren op grond van Christus\' gerechtigheid, die Hij hun uit genade toerekent en die zij , onrechtvaardig in zich zeiven , door het geloove aannemen , voor rechtvaardigen houdt en verklaart.

Bechtvaardig 3) zegt hier: overeenkomende met het

698

1

) P. Van Mastricht, Godgel. III. p. 326.

-ocr page 723-

§ 2. ALGEMEEN REGRIP.

Goddelijke Recht, aan al de eischen Gods volkomen beantwoordende , geheel gelijkvormig aan den wille Gods : ont-kennender wijze , vrij van alle schuld ; stellig , volmaakt gehoorzaam aan alle de voorschriften door God aan den redelijken mensch gegeven. Dus zuiver in Gods oogen en bij Hem geëerd , onberispelijk voorwerp van zijn welge vallen, recht hebbende op al de goederen door Hem beloofd. — Van dit alles is de zondige mensch het volslagen tegendeel. Daarom is het: rechtvaardig in Christus, buiten Hem niet. In Christus echter kan men niet zijn zonder geloof. Daarom is het: door het geloove gt;).

§ 3. Nader bepaald.

Gaan wij meer in het bijzondere na wat de rechtvaardiging inheeft: zoo komt daarbij onderscheidenlijk het materiëele en het formeele in aanmerking. Het materiëele

184 : Oerechtiglceit in hiblischem Sinne ist ein durchaus religiöser Begriff , Bezeinhnung des normalen Verhdltnisses der Menschen, Hirer Handlungen etc. zu Gott. Gerechtigkeit in pro fane n Sinne ist eine vorwiegend sociale Tugend nur mit einem gewissen religiose n Hintergrunde. Do Grieksche Dike is (gepersonificeerd als) dochter van Zeus en Themis.

Alw, oorspronkelijk do wijze, dan hot Recht. Verwant met , wijzen, en mot hot Lat. dico. Vcrgel. hot gewijsde van eon rechter (jndex-jusdox). Curtius, Grundzüge dor Griech. Etymologie. 1873. S. 134.

\') Arnoldi hiy De Moor, Comment. IV. p. 562 ; God de Va-dor rechtvaardigt effective (uitwerkondor wijze), de Zoon meri-torie (verdienondor wijze), do Heilige Geest applicative (toepassend) , de sacramenten obsignative (bezegelend), hot geloove apprehensive (aangrijpend), do goedo worllt;on declarative (opon-baarmakond).

699

-ocr page 724-

3. NADER BEPAALD.

in de rechtvaardiging is de gerechtigheid van Christus , en dit is de hoofdzaak waarop alles aankomt; het for-meele is do toerekening van deze met hare gevolgen. De rechtvaardiging behelst clan dit in zich: God rekent den-gene , die bij zich zeiven veroordeeld is en alleen in Christus zijn heil stelt, de gerechtigheid van Christus toe, spreekt hem vrij van schuld en straf en geeft hem het recht tot het eeuwige leven.

Dit is de wonderbare, eenige weg van behoud voor arme zondaren , de groote alle heil bevattende weldaad van het genadeverbond , het zalig deel van al de uitverkorenen Gods uit alle tijden, gekend en genoten door de vaderen onder het licht der beloften (Hand. 15: 11, Rom. 4: 2 v.v.), maar nu, na de door Christus volbrachte voldoening, allerklaarst geopenbaard in het Evangelie der vervulling. Rom. 1 : 17: Want de rechtvaardigheid Gods (van God afkomstig en geschonken, in tegenstelling tegen de eigene gerechtigheid, Rom. 10:3) wordt in hetzelve geopenbaard uit geloof tot geloof (enkel door geloof, van het begin tot het einde\'), zonder werken), gelijk geschreven is (ten blijke dat het geen nieuwe maar de oude leere is, Ilabak. 2: 4): Maar de rechtvaardige zal uit den geloove leven*).

\') Bengel, Gnomon i. 1. : Fides, inquit Paulus, manet fides: fides est prora et puppis, apud Judaeos et gentes, etiam apud Paulum , usque ad ipsam ejus consummationem I\'hil. 3 : 7—12.

2) Das ist dio grosze entscheidcnde Inschrift, die Habakuk anf eine Tafel schreibon soil (Hab. 2: 2). Böhl, Die Alttestam. Citate S. 156. Treffend door den Apostel als tot opschrift gesteld voor zijnen Brief aan de Romeinen. Bij den Profeet is voor hot naast bedoeld de redding van hot geloovig Israël uit

700

-ocr page 725-

§ 3. NADER BEPAALD. 701

De rechtvaardiging is, zooals boven reeds werd aangeduid, een tweevoudig gewijsde en behelst twee weldaden, eene van negatieven en eene van positieven aard : vrijspraak van den dood en toewijzing van het leven, \'t Is een nemen van het eene en geven van het andere : ontlasting van de schuld of verbintenis tot straf of kwijtscheiding van de straf

|

zelve, en toekenning van het recht des levens.

Beide genadeweldaden gaan onafscheidelijk met eikander gepaard , maar zijn toch onderscheiden. Vergeving der zonden alleen zou ons wel van de helle bevrijden, maar zou ons nog den hemel niet geven. Een rechter kan den misdadiger uit het gevangenhuis doen gaan, zonder hem in eere en aanzien te stellen. God doet het beide, en deze twee weldaden, vereenigd en onderscheiden zijn in het woord rechtvaardicjimj begrepen i). Hij bevrijdt jj ons van de helle en neemt ons tegelijk als zijne lieve

kinderen en erfgenamen aan en schenkt ons het recht tot zaligheid en heerlijkheid.

Dat beide heeft Christus verworven , dat beide gaat saam in de toepassing zijner verdiensten : Hij wascht ons van onze zonden en maakt ons tot koningen en priesters voor God (Openb. 1 : 5 , ü).

de macht dor Chakleön, maar dit als boold van do bewaring tor zaligheid dor geloovigou iu hot gemeen bij al do oordeelon Gods , ook bij hot laatste.

Paulus zogt Kom. 1: 17: \'O Sf S/xxmï fx tt\'ivtsus tytrstm. Velon verbinden sx TTWTfttf? mot, iïr/.xios, de rechtvaardige uit goloovo zal lovon.. Aldus ook Böhl 1. a. Maar bij Habakuk 2 : 4 is het: rrrv pnvquot;! door zijn geloof, hetwelk on-

tegenzeglijk behoort bij ; zal leven: Een rechtvaardige zal door zijn geloove leven.

\') Pictet, Godgoieordh. XI. B. IV. Hoofdst. 5.

i

-ocr page 726-

§ 3. NADEH BEPAALD.

Beide weldaden vloeien voort uit de toegerekende dubbele gerechtigheid van Christus, zijne lijdende en dadelijke gehoorzaamheid die den rechtvaardigingsgrond (het Siuxlu/tx) uitmaken i). Want, Rom. 5: 18: Gelijk het door eene misdaad (van Adam) gekomen is over alle menschen tot verdoemenis : alzoo ook komt het door ééne rechtvaardiy-heid (van Christus) over alle menschen (over niemand op eenen anderen grond) tot rechtvaardigmaking des levens\'*). 19. Want gelijk door de ongehoorzaamheid van dien éénen niensch velen [tof] Z07idaars gesteld zijn geworden , alzoo zullen ook door de gehoorzaamheid van éénen velen [tot] rechtvaardigen gesteld worden.

De Roomschen verwerpen de leer, dat de mensch gerechtvaardigd wordt alleen door toerekening van Christus\' gerechtigheid s). (Zie hierna § 4). De Socinianen nemen geheel geene toerekening van Christus\' gerechtigheid aan, daar zij van eene eigenlijke genoegdoening door Christus niets willen weten 4). De loochenen deze toerekening desgelijks, terwijl zij de geloofsgehoorzaamheid tot grond der rechtvaardiging stellen. Arminius zelf „heeft overliet hoogwichtige stuk van de rechtvaardigmaking des zondaars voor (Jod in het eerst rechtzinnig gesproken amp;)quot;, maar trad daarna met zijn dwaalgevoelen op. De Remonstrantsche

1) P. Van Mastricht, Godgul. III. p. 336.

2) Si ho; or/.zuc\'zxTOg--sis Sitcxlutriv \'(vijg. Ovor v. 19

zie Negende Hoofdstuk § 19 on Twaalfde Hoofdstuk Doel II. § 40. bi. 475.

Ooucil. Tridont. Soss. VI. Oanon 10 en 11. ed. Tauch. p. 36.

4) Oeder, Catechcsis Kacov. p. 932, not. 2. op Qu. 453.

5) Jac. Ley dekker, De Eere van de Nat. Syu. van Dordr. 1707. II. p. 534.

702

-ocr page 727-

§ Ll. NADER BEPAALD.

meening is onder anderen scherp uitgedrukt door Curcel-laeus , volgeling van Kpiscopius: „Nergens leert de Schrift dat Christus\' gerechtigheid ons wordt toegerekend. En dit is ongerijmd. Want niemand, die in zich zolven onrechtvaardig is , kan door eens anderen gerechtigheid formeel rechtvaardig zijn , zoomin als een Moorman, een zwarte, door de witheid van eenen blanke of door een hem overgetrokken wit kleed wit kan worden \')quot;.

Wel met reden zegt Brakel\'1) nopens de bestrijders van dit leerstuk: „Hier gaat het als met de vossen van Sim-son , die met de hoofden van malkander, maar met de staarten aan malkander waren: hoe verscheiden de partijen ook zijn en van elkander aüoopen in gevoelens, zoo spannen ze toch gelijkelijk aan om de waarheid van de Kechtvaardigmaking te bestrijden, ilerodes en Pilatus zijn hier eens tegen Christus.quot; — De mensch is van nature Pelagiaan en hem kan het niet anders dan dwaas voorkomen dat hij niet door zijn eigen werk maar door de deugd van een ander Gods gunst zou verkrijgen.

De averechtsche voorslellingen bij nieuweren zijn slechts schakeeringen van het Uemonstrantsch gevoelen. Hun is de grond op welken de rechtvaardiging geschiedt, niet de toegerekende gerechtigheid van Christus, maar de bekeering (Schleiermacher) 3) of het geloof als kiem en beginsel des

\') — non magis quam aliona albodino Aothiops albus. Winer, Compar. Darstell. 1882. S. 136. Marck, Compoiul. en Merch XXIV. 13. 3. De Moor, Commentar. IV. p. 723 sq. Mastricht III. p. 348.

\'2) Redel. Godsd. I. p. 845.

3) Schleiermacher, Dor Christl. Glaube § 107. 1. Dritte Ausg. II. S. 165 f. liitschl. Rechtferl. und Versölin. 1882.1. S. 531 ff.

703

-ocr page 728-

§ 3. NADER BEPAALD.

nieuwen levens, altijd iets wat in den mensch is of althans door God in hem wordt vooruitgezien. Hoe de voorstellingen ook verschillen i), meestal wordt er toch iets van de heiligmaking in de rechtvaardiging overgehaald en , wat vrucht en gevolg van de rechtvaardiging is, meer of min tot een grond van deze gemaakt. Geheel tegen de leere der Reformatoren, volgens welke niets , wat er goeds en Gode-behagelijks in den mensch is of staat te wezen , op de rechtvaardiging eenigen, ook maar den geringsten invloed bij God oefent.

Met nadruk handhaaft in dezen ook de Luthersche Kerk de waarheid. Zij leert: „Tot de rechtvaardiging wordt alleen vereischt: de genade Gods , Christus\' verdienste en het geloove.quot; En zij waarschuwt: „Willen wij het artikel van de rechtvaardiging zuiver behouden , dan moeten wij ons allerzorgvuldigst wachten van daar iets in te mengen wat voor het geloove voorafgaat of wat er op volgt, alsof dit tot de rechtvaardiging noodzakelijk ware en tot haar behoorde. Want de bekeering des men-schen is eene andere zaak dan zijne rechtvaardiging1).quot;

§ 4. De rechtvaardiging geen Roomsche heiligmaking.

De rechtvaardiging is niet, zooals de Roomsche Kerk leert en zooals men wel uit do gebruikelijke uitdrukkingen

704

1

) Formula Concord., Solida Declar. III. od. Recheub. p. 687. Vergel. Dordr. Leerreg. II. Verwerp, der dwalingen, Art. 4.

-ocr page 729-

§ 4. DE RECHTVAARDIGING GEEN HEILIGMAKING. 705

rechtvaardigmaken, rechtoaardigmakiny lt;) zou afleiden, eene verandering des menschen door God van ondeugend in deugdzaam , van kwaad tot goed. Dat is eene andere genadewerking Gods, behoorende tot de heiligmaking. Maar de rechtvaardiging is eene verklaring van God over en tot den mensch, eene rechterlijke uitspraak door middel van het Woord , hetwelk is Gods stem.

De rechtvaardiging in den zin der Schrift heeft de Roomsche Kerk geheel niet, ofschoon zij de bijbelsche uitdrukkingen gebruikt. Bij haar vooral komt het dwaalbegrip, hetwelk ook bij zoo vele Protestantsche Theologen schuilt, openbaar aan den dag, namelijk : dat de rechtvaardiging zou zijn eene verandering in de verhouding en positie des menschen tot God, terwijl in waarheid het eerste en voornaamste daarin is , dat God zich daar in eene andere verhouding tot den mensch stelt.

Naar het Semipelagiaansche systeem der Roomschen werken God en de mensch samen en de mensch kan en moet zich tot zijne rechtvaardiging voorbereiden\'1) en bekwaam maken. Zijne wilskracht sluimert slechts en wordt door de Goddelijke roeping gewekt. Volgt hij de roeping , geloovende aan het Evangelie en keert hij zich vrijwillig van de zonde af en met liefde en hope tot God ,

\') Brahel, Eed. Godsd. I. Cap. XXXIV. 4. keurt dan ook rechtvaar digmaken af on wil rechtvaardigen, »oin alle dubbelzinnigheid to mijdenquot;, doch hij gebruikt rechtvaardigmaken. Marck , Merch XXIV. 2 neemt wel rechtvaar digmaken in bescherming (ook De Moor , Commentar. IV. p. 450 sqq), doch gebruikt rechtvaardiging , even als do Nederduitsche Vertaling van P. v. Mastrichts Theologia theoretico-practica.

2) Concil. Trident. Sess. VI. Gap. 6: Modus praeparationis. Gravemoijor, Gorof. Gol. loor. II. 45

-ocr page 730-

706 § 4. ÜE RECHTVAARDIGING GEEN HEILIGMAKING.

met hot voornemen om een nieuw leven aan te vangen en Gods geboden te onderhouden, dan wordt hij van God gerechtvaardigd. Door zijne vrijwerkende voorbereiding heeft hij dit verdiend \').

Dus deze zelfbepaling of voorbereiding van den kant des menschen heeft ten gevolge de rechtvaardiging zelve1). En deze is naar de Roomsche leer geen bloote vergeving der zonden , maar ook heiliging en vernieuwing van den in-wendigen mensch. De mensch wordt daardoor van een onrechtvaardige een rechtvaardige, van vijand vriend. Een habitueele , hebbelijke gerechtigheid wordt Hem ingegoten door den Heiligen Geest en wel naarmate Hij wil en naar eens iederen eigene voorbereiding en medewerking s). Daardoor wordt hij bekwaam om goede werken (zelfs overtollige) te doen, door welke hij zich vermeerdering der rechtvaardiging , toeneming der Goddelijke genade en eeuwig loven verdient s).

1

) Concil. Trident. Sess. VI. Cap. 7 : Hanc. dispositionom sou praeparationem justificatio ipsa consequitur , qnao non est sola peccatorum romissio, sed et sanctifiaatio etrenovatio intorioris hominis per volnntariam susceptionem gratiae et donorum cett.

:1) Secundum propriam cujusque dispositionom et cooporatio-nem. Trident. 1. c.

\') Trident. Sess. VI. cap. 10. En Canon XXIV; de goede workon zijn niet slechts vruchten en blijken van de verkregen rechtvaardiging, maar ook oorzaak van hare vermeerdering, ipsius (justificationis) augendae causa.

r\') Do vordienstelijkhoid dezer werken des gorechtvaardigdon noemen de Roomsche dogmatici meritum condigni.

-ocr page 731-

§ 4. DE RECHTVAARDIGING GEEN HEILIGMAKING. 7ö7

Dienvolgens zijn er by de Roomschen trappen in de rechtvaardiging i). Zoo bij den gerechtvaardigde zelven , bij wien te onderscheiden zijn de eerste rechtvaardiging, wanneer de mensch door de Goddelijke ingieting der hebbelijke gerechtigheid van een onrechtvaardige tot een rechtvaardige gemaakt wordt, en de tweede of navolgende rechtvaardiging, wanneer hij van rechtvaardig nog rechtvaardiger wordt door goede werken. Desgelijks in vergelijking met anderen : de een is rechtvaardiger dan de andere. — Luther daarentegen zeide : hij was evenzoo rechtvaardig als Maria was geweest , hoewel niet zoo heilig als zij.

Naar de Protestantsche leer is de rechtvaardiging eene rechterlijke handeling Gods (actus forensis) , eene verklaring , uitspraak ; naar de Roomsche is het eene phy-sieke werking (actus physicus) , eene verandering van de natuur des menschen, en tevens bovennatuurlijk (actus hyperphysicus), inzoover zij uit genade door den Heiligen Geest geschiedt.

De Roomsche leer neemt den waren troost des Christens weg. Want volgens haar is de rechtvaardiging onvolmaakt, niet afdoende en nimmer afgedaan, en zij blijft voor den mensch onzeker, daar zy van menschelijke werken afhan-lijk wordt gemaakt. Hierdoor houdt de Roomsche Kerk de deur open voor hare praktijken met boete en absolutie. —

\') Dr. Aug Ilahn , Das Bekonutn. dor ovangol. Kircho. 1853. S. 61. De RoomscÜeii beroepen zich ton cmroclito op Opoub. 22 : 11 : Die rechtvaardig is dat hij nog gerechtvaardigd worde, o Smxioc quot;hixxiudyiTO en. Hot zegt: dat hij meer en meer zijne rechtvaardigheid uit do vruchten betoone (Kantt.) Aldus ook Cremer, Wörterb. 2to Aufi. S. 198.

-ocr page 732-

708 § 4. DE RECHTVAARDIGING GEEN HEILIGMAKING,

Naar de Schrift en de Protestantsche leer zijn rechtvaardiging en heiligmaking wezenlijk onderscheiden \').

1. De rechtvaardiging, als uitspraak des Rechters, een rechtspreken door God , geschiedt omtrent en tot den mensch; de heiligmaking is eene innerlijke werking des Geestes in \'s menschen bestaan en vermogens.

2. De rechtvaardiging raakt het Recht Gods en des menschen schuld, handhaaft het Recht en neemt de schuld weg, stelt den mensch in de rechten en eere van een kind Gods door toerekening van Christus\' voldoening en gerechtigheid ; de heiligmaking neemt de smet en heerschappij der zonde weg en herstelt het beeld Gods.

3. De rechtvaardiging is dezelfde in allen on geschiedt telkens volkomen, God rechtvaardigt den persoon; de heiligmaking is in geen tweeën gelijk , gaat bij trappen voort en blijft op aarde onvolkomen. Ten opzichte van de rechtvaardiging kan tot de geloovigen worden gezegd: Gij zijt volmaakt, en de gerechtvaardigde kan zeggen: Wat ontbreekt mij noy ? maar aangaande de heiligmaking moet de beste klagen; Ik ben tot hinken gereed (Ps. 38: 18) en: Als ik het goede doen wil, ligt mij het kwade hij (Rom. 7 : 21). Door de rechtvaardiging heeft de ge-loovige het einde reeds bereikt (Rom. 8: 34 v.v.) en heeft slechts noodig de voortgaande bewustheid er van; in de heiligmaking ziet hij zich eerst nauwelijks op den weg en hij moet er naar jagen of hij het ook grijpen mocht (Fil. 3 : 12).

\') I\'. Van Mastricht, Godgel. III. p. 402. Brakel, Redel. Godsd. I. p. 862. II. p. 4. Calvin. Instit. III. 11. 2. sqq.

-ocr page 733-

5. RECHTVAARDIGING EENE RECHTSPRAAK. 709

§ 5, Rechtvaardiging eene rechtspraak.

De rechtvaardiging heeft met het Recht te doen. In de Heilige Schrift wordt daardoor eene rechterlijke uitspraak te kennen gegeven. Dit is onbetwistbaar.

Want 1. rechtvaardigen») staat tegen schul

dig verklaren , veroordeelen , verwijzen tot straf, en is alzoo een oordeel, een vonnis, eene rechterlijke beslissing. Zoo van menschelijk gericht: Spr. 17: 15: Wie den god-delooze rechtvaardigt , en den rechtvaardige verdoemt*), zijn den Heere een gruwel, ja die heiden. Deut. 25 : 1 :

\') Hebr. i Grioksch ^mxioüv. Bij de wereldlijke oude

Grieksche Schrijvers is de hoofdbeteekenis van quot;Sikxiovv vaststellen on besbssen wat naar het Recht is, iets voor Recht erkennen , voor Recht (jus) houden. Bij hen wordt het niet verbonden met ecnen accusatief des persoons, met oen persoon als object. Daarentegen In de Heilige Schrift doorgaans: iemand voor recht, voor rechtvaardig erkennen en verklaren. Zie Cremer , quot;Wörterbuch der Neutest. GrUc. u. d. W. Aixxiów.

Het Latijnscho juslificare , justificatio in de beteekenis rechtvaardig spreken , voor rechtvaardig verklaren (justum declarare , pronuntiare) is door kerkelijke schrijvers ingevoerd en komt voor in de Vulgata, voorts bij Tertullianus onz. ; in het classioke Latijn onbekend (do dichter Catullus hoeft justi/icus). March , Compond. XXIV. 2 en De Moor, Comment. IV. p. 540 sq. keuren hot tor vertaling van hot Hobr. en het Griekscho woord niot af on zien er geen aanleiding in om aan rechtvaardig maken te doen donken. Het is dan ook bij het kei kelijka Latijn ingeburgerd. Doch ten onrechte. Janus, Philolog. Lexic. 1730. S. 1003. Noltenii, Lex. antibarbarum p. 598 , 1020. Glossarium manuale (van Du Eresne onz.) od. Adolung 1776. Tom. IV. p. 291.

2) LXX quot;O? SikixiSv xpivei tov abmov, oihmov Vc rov quot;himiov.

Vulgata; Qui justificat impium et qui condemnat justum.

-ocr page 734-

710 § 5. RECHTVAARDIGING EENE RECHTSPRAAK.

Wanneer er iusscJien lieden twist zal zijn, en zij tot het gerichte zullen toetreden, dat zij ze richten , zoo zullen zij den rechtvaardige rechtvaardig spreken \') (rechtvaardigen) en den onrechtvaardige verdoemen. En aldus ook van het Goddelijke gerichte juist te dezer zake, met dezelfde tegenstelling : Rom. 8 : 33 : Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods ? God is het die rechtvaardig maaktquot;1). 34. Wie is het die verdoemt ? Christus is \'t die gestorven is; ja wat meer is, die ook opgewekt is, die ook ter rechter [hand] Gods is , die ook voor ons bidt.

2. De rechtvaardiging wordt omschreven als een toerekenen van de rechtvaardigheid , hetwelk is het toekennen aan iemand van eene rechtvaardigheid, die hij zelf niet heeft maar die van een ander is, namelijk van Christus, en die door God op zijne rekening wordt gesteld, zoodanig dat hij, onrechtvaardig in zich zeiven en schuldig, in deze hem aangerekende gerechtigheid voor rechtvaardig geoordeeld , geacht en verklaard wordt. Gelijk ook David den mensch zalig spreekt, welken God de rechtvaardigheid toerekent 3) zonder werken, Rom. 4 : 6. Zoo rekende God ook met Abraham, toen deze nog in de voorhuid was : opdat hij zoude zijn een vader van allen die gelooven in de voorhuid zijnde , ten einde ook hun de rechtvaardigheid toegerekend worde, v. 11.

Uil het gezegde blijkt, dat dit rechtvaardigen niet is rechtvaardig maken. Immers den goddelooze te rechtvaar-

1

LXX Kx) \'SiHXiurrwri. Do Vulgata hcoft: illi

justitiiie pairaam dabnnt, naar de variante der LXX to I\'mxicv.

-ocr page 735-

§ 5. RECHTVAARDIGING EENE REOllTSPRAAK. 71 1

digen in of buiten het gerichte , is verboden ; dat mag niemand, noch als rechter noch als naaste of broeder. Maar eenen goddelooze vroom maken , hem van kwaad in goed veranderen , hem de gerechtigheid ingieten, ware niemand verboden , indien iemand dit kon.

Ook is hieruit klaar dat rechtvaardigen niet alleen zonden-vergeven is. Vergeven is nog geen rechtvaardigen. Bij het vergeven van beleediging en aangedaan ongelijk staat men af van eigen wraak en vergelding, en intusschen kan men daarbij voortgaan den andere voor datgene te houden wat hij is, namelijk voor een rechtvaardige of voor een goddelooze. Maar rechtvaardigen is goedkeuren. Fergfeye» zullen wij, zooveel ons aangaat, onzen naaste, hij zij vroom of goddeloos, maar hem rechtvaardigen niet. Stephanus vergaf zijnen moordenaren (Hand. 7 : 60) , maar hij rechtvaardigde hen niet. Maar bij God wordt de zondaar , die in Christus gelooft, voor rechtvaardig gehouden en verklaard, ja voor waardig om eene eeuwige heerlijkheid te ontvangen i).

Wel wordt soms ook bij de onzen de vergeving der zonden alleen genoemd , als beslonde daarin geheel de rechtvaardiging. Zoo in de Nederl, Belijd, des Gel. Art. XXIII: Wij gelooven dat onze geluk zaligheid gelegen is in de vergeving onzer zonden om Jezus Christus wille, en dat daarin onze rechtvaardigheid voor God begrepen is. Maar dat is dan synecdochisch gezegd , een deel voor het geheel , en wel tegen de Roomsche vermenging met do heiligmaking , en men moet Art. XXII er bij houden. Do Heidelb. Catech. Vr. GO, omschrijft het geheel2).

\') M. F. Hoos, Christl. Glaubcns-Lehre. S. 152 f.

-) De Moor, Commentar. iu Marck. IV. p. 670. Van de

-ocr page 736-

§ 6. WAAR GERECHTVAARDIGD.

§ 6. Waar gerechtvaardigd.

De rechtvaardiging geschiedt in den hemel boven en op aarde beneden.

In den hemel. Niet alleen op aarde in Gods Woord 1 maar boven in God zeiven , in het oordeel Gods, voor wien de zondaar staat, een arm schuldenaar voor zijnen Rechter, en die hem op de voorspraak des Zoons , des Middelaars Christus, om diens voldoening, éénswillend en éénstemmig met dezen door den Heiligen Geest, rechtvaardig oordeelt. Dus werkelijk voor eene vierschaar, doch niet een zinnelijke rechtbank ot menschelijke ge-richtshandel, maar Goddelijk, overeenkomstig de geestelijkheid van Gods Wezen •). Het is eene werking in het Goddelijk vorstand , dus in God zeiven, die zich den zondaar , zoodanig als hij is , vertegenwoordigt en over en met opzicht tot hem oordeelt.

712

Maar dan ook op aarde: namelijk in des zondaars eigen geweten, waarin God zich openbaart. Want het genadig oordeel Gods is niet bloot over, maar ook tot den mensch , en de Heilige Geest brengt het door middel van het Woord, met meerdere of mindere duidelijkheid , in het geloove tot den mensch over, zoodat hij vrede vindt en er iets van smaakt en voelt wat het is, vergeving der zonden te hebben en een kind Gods en erfgenaam des eeuwigen levens te zijn.

verschillendo gevoelens hierover handelt M. Vitringa, adnotat. ad C. Vitringa, Doctrina Chr. Rol. Pars III. p. 310 sqq. \') Molenaar , Handbook II. p. 113.

-ocr page 737-

§ 7. WIE IS HET ?

713

§ 7. Wie is het ?

Voor God gerechtvaardigd zijn degenen niet, die hunne eigene gerechtigheid zoeken op te richten (Rom. 10 : 3), gelijk de Farizeën , die bij zich zeiven vertrouwden, dat zij rechtvaardig ivaren en de anderen niets achtten (Luc. 18:9, v.v.), die niets van die droefheid naar God kennen , welke eene onberouweiijke bekeering tot zaligheid werkt en die van Christus\' voldoening en borggerechtig-heid niet willen weten en gerust in de zonde voor de wereld en naar den vleesche leven.

Maar wie is dan gerechtvaardigd ? Wie mag er voor houden dat hij het is ? Die als een geheel schuldige en verlorene zich aan Jezus betrouwt, kan en mag zich de Goddelijke vrijspraak toeëigenen , welke in het Woord gedaan wordt over en tot degenen die gelooven. Juist tot dat einde wordt dit in de Schrift geleerd en zoo herhaaldelijk met nadruk uitgesproken dat een iegelijk die in Christus gelooft, rechtvaardig is, opdat hij geloove dat hij het is, opdat een iegelijk, die in Christus gelooft, ook dit geloove, dat hij bij God gerechtvaardigd is. Rom. 10: 4: Want het einde der Wet is Christus, tot rechtvaardigheid eenen iegelijk die gelooft. Dit was de groote hoofdzaak in Paulus\' prediking van den beginne aan. Zoo reeds in de synagoge te Antiochië in Pisidië Hand. 13: 38: Zoo zij u dan bekend, mannen broeders, dat door dezen (Jezus) u vergeving der zonden verkondigd wordt; 39. En [dat] van alles \') , waarvan gij niet kondt

\') xvrl Trmruv. Velou vatten dit verkeerdelijk op als eeno togeustolliug tegen beperkte en gedeeltelijke vergeving en vrij-

-ocr page 738-

§ 7. WIE IS HET ?

gerechtvaardigd worden door de Wet van Mozes, door (in) dezen een iegelijk die gelooft gerechtvaardigd wordt.

Zonder schuldbesef komt echter niemand tot Christus. De gewone weg\'), die tot de rechtvaardiging leidt, is verlegenheid, droefheid, vreeze; niet dat zulks eene waardigmakende voorwaarde is, die men eerst moest vervullen, eer men komen mag, maar als eene hoedanigheid, zonder welke men niet zal willen komen. En zonder geloof, hetzij dan zwak of sterk, is men Christus niet deelachtig.

§ 8. Verzekering.

Of er ook bewustheid en verzekering van de rechtvaardiging wordt verkregen ? Alle Pelagianen die den mensch in zake der zaligheid aan zijnen eigen, vrijen en ongestadigen wil doen hangen , zeggen : neen. De rechte Protestant, de Gereformeerde zegt naar Schrift en

sproking ondor do Wet. Zoo ook Van der Palm : De Wet van Mozes deed slechts verzoening over zonden tegen de Wet der plechtigheden bedreven en eenige andere kleinere vergrijpen , niet over zware en zedelijke misdaden, als afgoderij , Godslaslering , echtbreuk , moord eu dergelijke; daarvoor was er geen offer. Daartegen te recht Neander, Oosch. der Pflanzung u. s. w. 1832. I. S. 93: Ich kann die Stelle nicht so vorstehn als ob dor Apostel sagen woltto: durch Christus erlangt man die Vergo-bung aller Sünden, auch derjenigen, deren Vergcbung man durch das Gesotz nicht erlangen konnte. Dor Apostel kannto gowisz nur Eine Sündenvorgobung und Eino Rechtfortigung und or gobraucht nur derhalb don Ausdruck ttxvtuv , urn dasGiinz-licho dor Schuldaufhehung zu bezeichnen , wie dies der Bo-griff dor ^ixxioituv/i voraus setzt. — Stier, Reden dor App. z. d. St. haalt er do heiligmaking in over.

1) Brakel, lied. Godsd. I. p. 888.

714

-ocr page 739-

§ 8. VERZEKERING.

bevinding: ja, wegens zwakheid van het geloof en gedurige bestrijding is er wel veelal twijfeling en vrees, maar de mensch kan van zijne rechtvaardiging en alzoo van zijne zaligheid aan deze zijde des grafs verzekerd worden en moet er naar trachten.

Indien Gods Woord leerde dat er geene zulke verzekering verkrijgbaar zij, dan mochten wij zo ook niet voor waar houden, maar moesten ze voor inbeelding verklaren. Maar het Woord leei?t, dat God verzekering geeft in de bewustheid des geloovigen. Het komt hierin dan op het eigen bewustzijn aan. Niemand kan in de ziel eens anderen zien. Alleen onze eigen geest weet wat in ons is. Wat in God is weet alleen de Geest Gods. En deze brengt het over en openbaart het in onzen geest, zoodat wij kunnen weten wat God voor ons is , en onderscheiden wat in ons uit God en wat uit ons zeiven , uit de natuur, uit den vleesche is. I Kor. 2 : 11: Want tvie van de, menschen weet hetgene des menschen is dan de geest des menschen die in hem is ? Alzoo tv eet ook niemand hetgene Gods is dan de Geest Gods. 12. Doch wij heihen niet ontvangen den geest der icereld, maar den Geest die uit God is; opdat wij zouden weten de dingen die ons van God geschonken zijn.

De Apostel wijst ons de rechte orde aan, Ef. 1 : 13: In welken (Christus) ook gij [zijt], nadat gij het woord der waarheid, [namelijk] het Evangelium uwer zaligheid gehoord hebt; in welken gij ook , nadat gij geloofd hebt) zijt verzegeld geworden met den Heiligen Geest der belofte: 14. Die het onderpand is van onze erfenis, tot de verkregene verlossing, tot prijs zijner heerlijkheid. Eerst het Woord, dan het geloof, daarop de verzegeling. Ver-

715

-ocr page 740-

§ 8. VERZEKERING.

zegeld, niet alleen voorwerpelijk (objectief) voor God: gekenmerkt als zijn bijzonder, onschendbaar eigendom ; maar ook onderwerpelijk (subjectief), voor de geloovigen zeiven \'): in hunne conscientie vergewist door het bezit der zegels, van de genade verzekerd door den beloofden en belofte gevenden Heiligen Geest.

De Heilige Geest bewerkt den mensch tot het geloof in Christus en brengt hem dus in dien staat, in welken hij zich de Goddelijke vrijspraak, die in het Woord over degenen die gelooven gedaan wordt, kan en mag toeeigenen , en uit het Woord brengt voorts de Geest het Goddelijke genadige vonnis tot het hart.

Dordr. Leerrey. Vijfde Hoofdst. de Leere , 10: Deze verzekerdheid spruit niet uit eenige bijzondere openharing, zonder of buiten het Woord geschied, maar uit het geloof der beloften Gods, die Hij in zijn Woord zeer overvloedig tot onzen troost geopenbaard heeft; uit het getuigenis des Heiligen Geestes, die mede met onzen geest getuigt1) dat ivij zijn hinderen en erfgenamen Gods, Rom. 8: 16; eindelijk uit de ernstige en heilige betrachting van een goed geweten en van goede werken.

716

1

\') Dit wordt te recht aangediongen door Stier, Brief ad die Epheser I. S. 121 f.

-ocr page 741-

§ 8. VERZEKERING.

717

De genadige rechtverklaring geschiedt door c!en Heiligen Geest tot het hart , hetzij door indrnkkelijke toepassing van een bijzonder schriftwoord of door inlichting van het Evangelie in \'t gemeen , door een geloovig verstaan van de Goddelijke genadeleer. Met verschil van trappen. Bij sommigen klaar en onderscheiden , bij anderen flauwer , naar de mate des geloofs. Doch „een hardhoorige, staande in de vierschaar, wordt zoowel vrijgesproken als een scherphoorende; een zwakgeloovige zoowel als een sterke in het geloove \')•quot;

Niet alleen is het geloof bij velen zwak, maar het staat ook aan gedurige bestrijding bloot. Van de rechtvaardiging en den genadestaat geldt ook hetgeen van de zekerheid der volharding wordt gezegd in de Dordr. Leerrey. Vijfde Hoofdst. 11: De Schriftuur getuigt, dat de geloovigen in dit leven tegen verscheidene twijfelingen des vleesches strijden , en in zware aanvechtingen gesteld zijnde , dit volle betrouwen des geloofs en deze zekerheid niet altijd gevoelen ; maar God, de Vader aller vertroosting laat hen hoven hun vermogen niet verzocht worden, maar geeft met de verzoeking ook de uitkomst (1 Kor. 10: [3) en wekt in hen de verzekerdheid door den Heiligen Geest wederom op. — De mogelijkheid der verzekerdheid wordt ontkend door allen, die eenen volslagen afval der heiligen stellen. Inzonderheid door de Roomschen. Naar de zuivere Protestant-sche leer kan de mensch van zijne zaligheid volkomen vergewist worden en daarin een vasten troost onder alle angsten der aarde genieten, wijl zijne rechtvaardiging niet op zijn eigen werk en verdienste, maar alleen op Gods barmhat tig-

i) Brdkel, Red. Godad. I. Cap. XXXIV, 56. 5. p. 867.

-ocr page 742-

§ 8. VERZEKERING.

held en Christus\' verdienste gegrond is. Daarentegen leert de Roomsche Kerk, dat niemand op aarde eene boven allen twijfel verhevene zekerheid van zijne begenadiging hebben kan quot;) , wijl deze moet verdiend worden door de eigene werken. Alzoo dan zouden wij altijd in twijfel staan, herwaarts en derwaarts drijvende zonder eenige zekerheid, en onze arme conscientiën zouden altijd gekweld worden, indien zij niet steunden op de verdiensten des lijdens en stervens omes Zaligmakers. Nederl. Belijd, des Gel. Art. XXIV.

Dat de geloovige van zijne zaligheid verzekerd kan zijn, blijkt nader 1. uit de voorheelden, die de Heilige Schrift zelve er van geeft. Abraham was ten volle verzekerd, Rom. 4: 21. Joh 19: 25—27 wist dat zijn Verlosser leefde en dat hij uit zijn vleesch God zou aanschouwen. David wist, dat de Heere zijn Herder was en hem ook door het dal der schaduwen des doods zou geleiden, Ps. 23 ; was verzekerd, dat God hem de ongerechtigheid zijner zonde had vergeven, Ps. 32 : 5, en blijmoedig kon Hij den Heere loven, Ps. 103; 1 v.v. Hizkia kon lot den Heere zeggen : Gij hebt alle mijne zonden achter uwen rug geworpen, Jez. 38: 17. En Paulus Rom. 8 : 38 : Ik ben verzekerd.

718

2. Uit de vermaningen om er naar te staan (Zie XlVde Hoofdstuk § 11): door gebed (Ps. 51 : 10), door ernstige betrachting van Gods Woord en inzonderheid door gezette indenking van de genadeleer, met gedurige afzondering en zorgvuldige vermijding van noodelooze verstrooiing. De oude wijsgeer Pythagoras sprak van de liefelijke hemelmuziek, de harmonie der sferen, die echter

\') Concil. Trident. Soss. VI. Cap. 9 en Canon 16 ed. Tauchn. p. 30. 37. Hase, Hutter. rodiv. § 109.

-ocr page 743-

§ 9. VERZEKEKING ZOEKEN.

719

op aarde niet wierd gehoord wegens al het gewoel en gedruis in deze benedenwereld. Zal de stemme Gods vernomen en verstaan worden , dan moet het stil in ons zijn.

§ 9. Verzekering zoeken.

De redelijke mensch moet werkzaam zijn en pogingen doen om tot verzekering te komen. En hoe ? Men moet de rechtvaardiging niet als eene voorgaande daad vóór het geloof verwachten , maar immer tot Jezus gaan. Want in de vereeniging met den Middelaar ligt de verzoening met God. Rom. 5:1: Wij dan gerechtvaardigd zijnde uit den geloove hebben vrede hij God door onzen lleere Jezus Christus. In de rechtvaardiging treedt God, zonder zelf iets te vorderen, in eene andere verhouding tot den mensch, van toorn en vijandschap tegen den zondaar tot vrede , op grond van de hem toegerekende voldoening des Middelaars, en daardoor wordt meteen de mensch in eene andere verhouding tot God gebracht, ook tot vrede ; met den vrede Gods in het hart houdt hij op tegen God te strijden, en Gode te leven wordt zijn keuze.

Maar dit wordt den mensch niet ten deel vóór het geloof\'),

\') Over het geschilpunt ouder onze Godgeleerden, of het geloof do aotuiielc rechtvaardiging der uitverkorenen vóórgaat of volgt, handelt uitvoerig M. Vitringa in zijne Aanteekening op C. Vitringa, Doctrina Christ. Keiig. Pars III. p. 297—303, waar ook Comrie\'s voorstelling (naar zijn Heidelb. Cat. en Brief ovor de Rechtvaardigm. dos Zondaars door de onmiddellijke Toerekening dor Eorggerechtigheid van Christus) staat uitgedrukt. Vergel. dit Hoo/dstuk § 1 bl. 691—695.

-ocr page 744-

§ 9. verzekering zoeken.

dat zou zijn : buiten en zonder geloof, terwijl de Schrift zegt: gerechtvaardigd uit den cjeloove, uit en door het geloof in Jezus Christus, steunende en rustende op de gehoorzaamheid des gekruist en alleen, dewelke (gehoorzaamheid) onze is, wanneer wij in hem gelooven : die is genoeg zaam om alle onze ongerechtigheden te bedekken en ons vrijmoedigheid te geven, de conscientie vrij makende van vreeze, verbaasdheid en verschrikkinge om tot God gaan. (Rom. 5 : 2). Nederl. Belijd, des Gel. Art, XXIII.

Niet alsof God eerst door het geloof des menschen bewogen wierd om hem te rechtvaardigen. Neen , de toerekening van Christus\' gerechtigheid aan iederen uitverkorene staat bij God van eeuwigheid vast en God maakt hem op zijn tijd er deelgenoot van door hem de gerechtigheid te schenken. God gaat vooraan , niet de rnensch. Het geven gaat vóór het ontvangen.

720

Maar de verborgene dingen zijn voor den Heere onzen God i) , en, daar alleen degenen van de verdoemenis in Adam door Christus vrijgemaakt en zalig worden, die Hem door een oprecht geloof worden ingelijfd en al zijne weldaden aannemen (Ileidelb. Catech. Vr. 20) ; daar voorts de verzekerdheid niet spruit uit eenige bijzondere openbaring , zonder of huiten het Woord (Dordr. Leerreg. Hoofdst. V. Leere 10): zoo is er geen andere weg om voor het eerst of bij vernieuwing tot zekerheid te geraken dan deze: naar het geloove te staan , op de uitnoodigm-gen. en beloften des Woords zich tot den Middelaar en Voorspreker Christus te wenden en door en met Hem

\') Nuttige wonkon geoft Brakel, Red. Godsd, I. Cap. XXXIV. 83 v. p. 881 v.

-ocr page 745-

§ 10. GEIIEELE VRIJSPRAAK.

tot God te gaan (Hebr. 7 : 25). Want „wij hebben het harte Gods, zoodra wij Hem den naam des Zoons voorhouden

§ 10. Geheele vrijspraak.

De rechtvaardiging strekt zich over alle geloovigen in gelijke mate uit. Wie tot Christus komt, ontvangt vergeving van al zijne zonden en het volle recht tot al de goederen des genadeverbonds. Want de Borg heeft volkomen betaald. Het bloed van Jezus Christus, den Zone Gods , reinigt ons van alle zonde 1 Joh. 1:7, van alle, „aangeborene als dadelijke , zoo groote als kleine ; wegnemende van ons de schuld en straf der zonden door de weldaad der rechtvaardigmakingquot; (Kantteelc.) , waaruit de heiligmaking , de wandel in het licht volgt. Ileidelh. Cat. Vr. 56 en Vr. 60.

Naar de leere der lioomschen1) schenkt God geheele vergeving alleen in den doop; van de zonden na den doop begaan alleen vergeving der schuld en der eeuwige straffen , maar gcene kwijtschelding van de tijdelijke straffen ; deze moet de Christen zelf afboeten, in dit leven of in het vagevuur, waarvan echter de Kerk, uit den schat van de verdiensten des Zaligmakers en dor heiligen, verlichting of vrijlating (aflaat) geven kan. De Roomschen stellen dus eene vergeving der schuld zonder kwijtschel-

721

1

) Zie doel II. Negende Hoofdstuk § 23. bl. 74 v. Twaalfde Hoofdstuk § 40, bl. 313. De Moor, Commontar. IV. p. 677. Do Roomschc stolt ing is kort en scherp uitgesproken in hot Triden-tinum, Soss. VI. Canon 30. od. Tauchn. p. 38.

Gravcmoijoi\', Goref, Gul. loer. II. -10

-ocr page 746-

§ 10. GEIlEEI.Ë VRIJSPRAAK.

ding der geheele straf*), hetwelk zich zelf tegenspreekt2). Do schuld immers is do grond der straf; is de schuld weggedaan dan is het ook do straf. De rechtvaardiging is vergeving van alle zonden zonder eenig voorbehoud , met toewijzing van het recht ten leven. Rom. 8: 1 : Zoo is er dan nu geene verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn.

De rechtvaardiging is volkomen, of Christus\'voldoening, welke God toerekent, moet onvolkomen zijn. Dies is, hoe do bewustheid er van ook verschiile, de een in werkelijkheid niet volkomener gerechtvaardigd dan de andere »).

Maar blijkt het tegendeel niet uit Luc. 18: 14, waar Christus spreekt: Ik zey ulieden : Deze (de tollenaar) ging af gerechtvaardigd in zijn huis [meer] dan die (dan de Farizeër) ? Was dan ook niet de Farizeër gerechtvaardigd , hoewol in wat minder graad dan de tollenaar? Neen, hij was geheel niet gerechtvaardigdi). Hoe kon Jezus hem, na zulk een hoogmoedig gebed als hij in zijn

\') Winer, Compar. Darstel!. 1882. S. 108.

-) De Moor, Commont. IV. p. G78. Calvin. Instit. III. 4. 29 sq.

■\') Brakel, lied. Godsd. I. Cap. XXXIV. 53. 5. p. 862. Zio bovon in dit XVdo Hoofdstuk § 4. bl. 707.

Zoo Luther, Glosse: Jener ist nicht gerecht, sonderr- ver-dammt hingegawjen. Zoo ook Galvinus, Commentar. i. 1., die daarbij aantnekent: Atque bic locus porspicue docot , quid pro-prie sit justificari : nompe stare coram Deo, acsi justi essemus. Desgelijks Stier. Ook Meyer, terwijl Von Gerlach afdwaalt. — Door de Ouzeu is meer ingevoegd , hetwelk iu den Grieksoben tekst niet staat. De lezingen varieeren. Het eouvoud;gste is ij sy.ihc,c. Andere hebben if yxp sksïvo?, nog andere (Lachmaun) vrxp\' êy.eTvov. ïe vergelijken is het Hebreeuwscho 10.

722

-ocr page 747-

§ 10. geiieëLe vrijspraak. 72^

ijdelen waan daar deed, voor eenen bij God gerechtvaardigde verklaren ? Integendeel hij was vernederd , gelijk Jezus zelf aanduidt (v, 14 b.). Hij rechtvaardigde zich zelf en juist dat veroordeelde hier de Heere (v. 9). Hij was geen zondaar, bad niet om genade en vergiffenis en terwijl hij zich voor God verhief in zijne eigene gerechtigheid, moest hij vernederd en beschaamd heengaan.

§ 11. Eens voor al?

Die gerechtvaardigd wordt, wordt geheel gerechtvaardigd : hij ontvangt vergeving van al zijne zonden en het recht tot het eeuwige leven.

Maar ook vergeving van zonden die hij nog niet heeft gedaan , van zijne toekomstige overtredingen ? Onze vroegere Godgeleerden hadden hierover niet eenerlei gevoelen \'). Sommigen hunner beweren met nadruk, dat de zonden, althans dadelijk (actualiter), niet kunnen vergeven worden eer zij begaan zijn3); anderen, dat God in de rechtvaardiging door zijne vrijspraak den mensch op de eerste daad des geloofs vergeving toekent en aankondigt niet alleen van de verledene en de tegenwoordige, maar ook van de toekomende zonden \').

\') De Moor, Commentar. IV. p. 672 — 677.

2) Zoo bijzouder Bralcel, Red. Godsd. I. Cap. XXXIV. 53. 6. p. 863 v.v. Aldus ook Pictet, Christel. Godgel. XI. B. XI. Hoofdst. III. Tweede Deel p. 120. En C. Vitringa , Doctriua Chr. Relig. III. p. 265. Cap. XVI. 23 : Non acsi Deus peccata nondum commissa remittcret, quod dictu est absurdum.

:l) Zoo fVitsius , Irenicum Cap. XI. 7 sqq. In zijne Miscel-lun. Sacr. Tom. II. p. 636 sqq. En March, Compend. en Merch, Cap. XXIV. § 10. 1. En De Moor, Comment. IV. p. 673.

-ocr page 748-

§11. EENS VOOR AL?

Hierbij dienen wij het volgende wèl op te merken.

1. Christus heeft volkomen voldaan voor al de zonden van lederen der uitverkorenen gedurende hun gansche loven, dus ook voor die zonden , welke zij na hunne geloofsvereeniging met Hem , alzoo na hunne rechtvaardiging doen , ja ook voor hunnen zondelijken aard, waarmede zij al hun leven lany te strijden hebben (Heid. Gat. Vr. 5G) en waardoor zij nog steeds tot alle hoosheid geneigd zijn (Vr. 60) , ook voor de hoosheid, die hun altijd aanhangt (Vr. 120).

2. a. In de rechtvaardiging geschiedt de toeëigening door God van Cluistus\' voldoening aan de uitverkorenen. Christus\' genoegdoening, zijne borggerechtigheid wordt hun toegerekend niet voor een gedeelte, maar geheel. Gcd rechtvaardigt niet ten deele\'), maar volkomen : de gerechtvaardigde slaat rein voor God , als aangedaan met do reinheid van Christus. Wie in het Goddelijke gericht rechtvaardig wordt gesproken , die wordt dat niet alleen voor het tegenwoordige oogenblik noch voor een korten tijd, maar juist ook voor zijne geheele toekomst; anders zou het weinig baten: dies is de vergeving zijner toekomende zonden noodzakelijk in dat genadige Goddelpe vonnis begrepen.

724

b. Voorts , in de rechtvaardiging wijst God den uitverkorenen liet recht tot hot eeuwige leven toe. Maar HÜ weet, dat de gerechtvaardigde daarna zich nog gedurig zal bezondigen ; met iedere zonde echter wordt het

\') Calvin. Instit. IIT. 11. 11 : Justificat non ex parte (electos) sues), sod ut liborü, quasi Chriati purit.ato induti, in coulis conipareaut.

-ocr page 749-

§ 11. EENS VOOU AL?

leven verbeurd: dies veronderstelt de toewijzing van het recht tot het eeuwige leven noodwendig hij God het vergeven ook van de toekomende zonden , daar deze toewijzing niet onder voorwaarden geschiedt, maar absoluut, beslissend en geldig voor tijd en eeuwigheid. Men is niet ten eenen tijde gerechtvaardigd on ten anderen tijde niet. Namelijk bij (lod.

ü. Men moet onderscheiden hetgene in God is en wat de mensch daarvan gewaar wordt. Bij God is de rechtvaardiging ééne afdoende en afgedane daad. Maar de mensch is in den tijd en bij hem gaat alles tijdelijk voort, met trapsgewijs toenemend licht , in het bewustzijn en gevoel , in zijne ondervinding. God zegt hem niet alles op éénmaal: want er is nog wat aan hem te doen. God heeft nog meer met hem voor en het zou voor hemzelven niet goed zijn. Hem wordt niet bij voorbaat gezegd: wat zonde gij nu ook in toekomst zult doen , het is u reeds vergeven. Maar God zegt hem zooveel als voor hem op zijnen weg genoeg is : verzekert hem van zijne genade , geeft hem Christus tot bestendigen Voorspraak met het bloed der verzoening. Dus weet de geloovige , waar hij met zijne zonden henen moet; hij zoekt en verkrijgt vergeving en vrede , waardoor hij niet alleen nieuwe vrucht van zijne rechtvaardiging smaakt, maar ook van hare waarheid voortgaande almeer vergewist wordt.

4. Dienvolgens moeten wij dit erkennen, a. De gerechtvaardigde blijft in den staat der genade; er is geen afval der heiligen ; wie heden in Christus voor God rechtvaardig is, is het morgen , is het over jaren ook, al wordt in den gerechtvaardigde zeiven de bewustheid daarvan gedurig verdonkerd.

725

-ocr page 750-

§ 11. EENS VOOR AL?

b. En de eens geschiede rechtvaardiging wordt niet herhaald. Deze niet: want wierde zij dat, dan wierde zij daardoor voor in zich zelve onvolkomen en onvoldoende verklaard , gelijk de offerande en reinspreking daarop onder het Oude Verbond door hare gedurige herhaling.

c. Doch van de dagelijksche struikelingen daarna, en vooral van bijzondere, zware zonden moet vergeving ontvangen worden door eene nieuwe uitspraak Gods van gelijken aard tot den berouwhebbenden geloovige, bestaande in eene vernieuwde opwekking der bewustheid in dezen van zijne begenadiging •).

De heilige Apostel Johannes betuigt van zich en van alle Gods kinderen in zijn Isten Brief 1:8; Indien ivij zeggen dat wij geen zonde hebben (of dat onze zonden geen strafbare zonden zijn) , .zoo verleiden wij ons zeiven en de waarheid is in ons niet 2). 9. Indien wij onze zonden belijden , Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij \'ons de zonden vergeve en ons reinige van alle ongerechtigheid. Op de hartelijke belijdenis volgt de vergeving s). Zoo was hot onder het Oude Verbond. David zegt Ps, 32: 5: Mijne zonde maakte ik u bekend en mijne ongerechtigheid bedekte ik niet; Ik zeide: Ik zal belijdenis van mijne overtredingen doen voor den Heere: en gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde. Zoo is het onder het Nieuwe

\') Vergel. II. Witshis, Irenlc. Cap. XI. 12. Miscell. sacr. Tom. II. p. 637 sq.

J) Calvin. lustit. III. 11. 11: God veruiouwt zijne uitvevko-renen allengs en gaat daarmee soms langzaam voort, zoodanig, dat zij altijd voor Hem schuldig staan , ut semper obuoxii sint apud ejus tribunal mortis judicio.

Zie nader van do vergeving Dvdc Hoofdstuk § 49.

726

-ocr page 751-

§ 11. EENS VOOR AL?

Verbond, waarvan Zacharias 13: 1 profeteerde; Te dien dage zal er eene fontein geopend zijn voor het huis Davids en voor de inwoners van Jeruzalem, tegen de zonde en tegen de onreinigheid. Zonde is zonde en maakt strafbaar. Gods kinderen hebben de vergeving zoo noodig als het dagelijksche brood ; blijkbaar uit de vijfde bede in het Gebed des Heeren Matth. G: 1S2. {Heidelb. Ca-tech. Vr. 126).

§ 12. Onvergeeflijke zonde.

Van alle zonden , ook van de grootste en zwaarste, kan men vergeving ontvangen , mits in de door God gestelde orde wegens de oneindige waarde van de zoenof-ferande zijns Zoons Jezus Christus , wiens bloed ons reinigt van alle zonde (1 Joh. 1 : 7). Jez. 1 : 18: Komt dan en laat ons samen rechten , zegt de Heere: Al ica-ren mee zonden nis scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als [witte] nolle.

Eene eenige zonde is hiervan uitgenomen , namelijk de lastering tegen den Heiligen Geest. Deze zonde wordt niet vergeven , waaraan echter niemand schuldig staat die beangst is of hij ze heeft begaan.

Over deze schrikkelijksle aller zonden doet de Heere Jezus zelt eene ontzaglijke uitspraak, Matth. 12: 11, 12. Een van den duivel bezetene, blind en stom door hem gemaakt, wordt door Jezus genezen. Het volk is verbaasd en zegt: Is deze , die zulk een wonder doet , niet de Messias? De Farizeën roepen daartegen: Hij is het niet, Hij doet het dooi den duivel. Jezus zegt: Dan

Vil

-ocr page 752-

§12. ONVERGEEFLIJKE ZONDE.

strijdt de Satan tegen zich zeiven ; maar Ik doe het door eene andere macht, waarvan de Satan vijand is , door den Geest Gods (v. 28). En hier moet een ieder kiezen met wien hij het wil houden; neutraal , onbeslist kan niemand blijven: „Wie met mij niet is, die is tegen mijquot; en is in gevaar om van kwaad tot erger, en eindelijk tot het allergrootste kwaad over te gaan , namelijk tot gelijkvormigheid met den Satan , tot Satanische zonde, dat is, bewuste, volslagen vijandigheid en verbittering tegen het Koninkrijk Gods, welke niet alleenlijk bestaat maar ten top uitbreekt in lastering tegen den Heiligen Geest, die in dat ryk werkt en heerscht. Wanneer het daartoe komt, dan is er geen vergeving. Ziet dus wél toe op wat weg gij zijt\'), wacht u, weest gewaarschuwd.

\') Dat do Farizeün met hunne lastertaal reeds do ouvoi\'geef-lijke zondo begingen , zogt Jezus niet, volgt ook niet u\'t Mare. 3: 30 on Mattb, 12: 24. Immers do lastorlng tegen den Hoi-ligen Geest zegt moer dan Jezus\' wonderwerken aan een on-roinen gonst, aan Beëlzebub too to scbrijveu. Maar zij holden er toe over, zij waren er na aan toe om tot dozen schrikke-lijkston zondestaat to vervallen , waarvoor geeue vergeving is. Wat do Hoero Jezus zegt, is gezegd tot waarschuwing voor allen.

Aldus oordeelt ondor anderen ook Pictet, Christel. Godgel. I. Doel. p. 395. Ook Van Marck, Compond. en Merch Gap. XV. 42 sfolt niot in bot algemeon de Farizeün or aan schuldig. Ook De Moov , Gommentar. Pars 111. p. 319 vindt er mot//oorn-beek in Jezus\' woorden aangaande deze Farizeün geen rocht-strooksch bewijs voor. Eu aldus do Nieuwereu meestal. Zoo ülshausen, Gommentar. I. Band. 3te Anti. S. 402 zu Matth. 12: 32. Stier, Roden dos Horrn Jesu 1844. II. Theii. S. 41. Van Oosterzee, Levon van Jezus 1848. II. Dool p. 346 v. Ver-gol. //. Weisz in Horzogs lleal-Encykl. Ie Fd. XXL S. 183 onder het artikel Sünde wider den Heiligen Geist. Maar men dwaalt, wanneer men de Farizeün hierom er van vrijspreekt wijl alleen

728

-ocr page 753-

§12. ONVERGEEFLIJKE ZONDE.

v. 31 ; Daarom zeg ik u: Alle zonde en lastering zal den menschrn vergeven worden , maar de lastering tegen den Geest zal den menschen niet vergeven worden. 32. En zoo wie [eenig] wootd gesproken zal hebben tegen den Zone des menschen, het zal hem vergeven norden : maar zoo wie tegen den Heiligen Geest zal gesproken hebben , het zal hem niet vergeven worden, noch in deze eeuwe noch in de toekomende.

1. Wat den aard van dit grootste kwaad betreft, zoo wordt het lichtelijk verkeerd begrepen , wanneer men het noemt zonde tegen den Heiligen Geest. Men lette wel, Jezus spreekt niet in het algemeen van zonde tegen den Heiligen Geest, maar van eone bijzondere zonde, en

eou wedergeborene deze zoude zoude kunnen begaan, gelijk Wutthe, Sittenlehre 1875. II. S. 278 stelt.

Maar Calvin. Instit. III. 3. 22 extr. rekent deze Farizeön , in quos Dominus invehitur , er aan schuldig , als zulken , die boosaardig tegen God zelveu woedden, dat is tegen de leere die zij wél wisten van God te zijn. Zoo ook Brakel, Red. Godsd. I. p. 326. v., terwijl deze daarbij beweert: Zij wisten niet dut Christus waarlijk do Messias was.

Aangaande het oordeel over andoren vermaant vooral Pietet, Chr. Godgel. I. Uecl p. -100 tot voorzichtigheid : Men moet nie-iiuind lichtvaardiglijk beschuldigen tegen den H. Geest gezondigd te hebben, ivant men kan zich licht bedriegen. Zelfs vau Franciseus Spiera (f 15-1:8) bekent hij : Ik zoude niet ivillen zeggen dat deze man tegen den II. Geesl heeft gezondigd. Misschien is hetgaou bij in zijne pijnen uitriep eene uitwerking geweest van eene zware droefgeestigheid. Spiera had de evangelische waarheid erkend en beleden , maar uit aardsche beweegredenen afgezworen , en verviel daarna iu razende verl wij leling en stierf in wanhoop. Van hem en anderen handelt lierzog, Keal-Encykl. te Ed. XiV. S. 068. ff 2o Ed. S. 799 iï,

729

-ocr page 754-

§ 12. ONVERGEEFLIJKE ZONDE.

wel do allerzwaarste, van de lastering tegen den Geest\').

a. Men zondigt niet tegen God of men zondigt ook tegen den Heiligen Geest. Iedere zonde raakt de drie aanbiddelijke personen te zaam, dus ook den Heiligen Geest, en wordt toch vergeven. Zelfs wordt er meer in het bijzonder tegen den Heiligen Geest gezondigd, wat evenwel niet onvergeeflijk is. Zoo door verwerping van het Woord , hetwelk de heilige menschen Gods, door den Heiligen Geest gedreven zijnde, gesproken hebben (Hand. 7 : 51) , hetwelk toch , bij bekeering en geloof, vergeven wordt. Zelfs kunnen wedergeborenen zich tegen den Geest in hen of in anderen, bezondigen door den Heiligen Geest Gods te bedroeven (Ef. 4 : 30) en door den Geest uit te hlusschen (1 Thess. 5: 19), waarvoor zij ernstelijk worden gewaarschuwd , waarvan zij echter , op berouw , Vergeving kunnen ontvangen. Ook van het Israël Gods wordt gezegd Jez. G3 : 10: Zij zijn weerspannig geworden en zij hebben zijnen Heiligen Geest smarten aangedaan. De Heere Jezus spreekt bepaald van lastering.

b. Maar ook niet «erfereis onvergeeflijk. Want ten eerste zegt de Heere naar Mattheüs v. 31 : Alle zonde en lastering zal den menschen vergeven worden, en naar Mare. 3 : 28 ; Allerlei lasteringen waarmede zij zullen gelasterd hebben. En ten tweede voegt Hij er bij: Zoo wie [eenig] woord gesproken zal hebben tegen den Zone des menschen, het zal hem vergeven worden (Matth. 12: \'ÓJ2. Luc. 12: 10). Maar ten derde: is het, lastering tegen den Heiligen Geest, dan geene vergeving.

730

Hel eerste is niet iets wat togen schepselen , mensch

\') yj TCÏI Trvsv(j,XTOc (3hiXlt;rCj)ttftU.

-ocr page 755-

§ 12, ONVERGEEFLIJKE ZONDE. 731

of Engel goschiedt: lastering gos-chiedt alleen tegen God en het Goddelijke. Maar deze allerlei lasteringen, die vergeeflijk zijn , zijn ook niet aan te merken als iets wat alleen en uitsluitend tegen den Vader wordt begaan. Waie dit, dan zou de Vader iiier de mindere zijn en de Heilige Geest meerder dan do Vader en de Zoon, hetwelk strijdt tegen de vaste orde der Goddelijke Personen. De onderscheiding van vergeeflijk en onvergeeflijk ziet niet op de voorworpen of Personen als zoodanig, togen M\'ie gezondigd wordt — dan moest vooral de zonde tegen den Vader onvergeeflijk zijn , maar op de hoedanigheid dezer zonde , op den trap en de mate van hare boosheid en schuld, naar de mate van bewustheid en wil, van kennis en bedoeling desgenen die deze zonde doet gt;).

De allerlei lasteringen , die vergeven kunnen worden , zijn lasteringen tegen God in hot algemeen , ruwe , on-bedaclite , verachtelijke , hoonende uitlatingen over God en het Goddelijke bestuur, voortkomende uit een goddeloos , woest, in zondige drift ontstoken hart, zonder verlichte kennis van de Goddelijke, geopenbaarde waarheid, dus niet uit gevestigden en ingekankerden eigenlijken haat tegen deze. Alzulks zal den menschen vergeven worden, „namelijk indien zij zich bekeerenquot; (KanlteeJe).) , vergeven om de verdienste van Christus , die als een Godslasteraar veroordeeld is (Matth. u2ü : G5).

\') Calvin. Cotmnenfai\'. in Matth. 12: 31; (Cum in Christo retuceat plenitudo diviuitatis) , Hinc jam colligero incipimus , non quia superior Christo sit, Spiritus, blasphemiam in eum superare alia poccata: set! quia patefacta Dei virtutc quicunque recalcitrant excusabiles non sunt ignorantiao praetextu.

-ocr page 756-

§12. ONVEUGEEFLIJKE ZONDE.

Hot tweede, het lasterlijk spreken teyen den /oon des menschen veronderstelt reeds meer: die dat doet is in aanraking met Christus gekomen, hetzij Hem zeiven in den tijd gezien hebbende, hetzij van Hem hoorende, maar erkent Hem slechts voor den Zoon des menschen , miskent en lastert Hem wegens zijnen nederigen staat. Het is een lasterend spreken tegen Hem, niet uit opzettelijken moedwil en obstinaten haat tegen de wél gekende waarheid, maar uit misverstand, onwetendheid , verblinding, ook door den overmachtigen invloed van heerschende dwaalbegrippen over den Messias en het verlossingswerk.

Daarvan is vergeving, bij bekeering. Zoo heeft ook Paulus voor zijne bekeering, door zijne ingezogene fari-zeesche dwaalbegrippen gedreven , in blinde woede tegen den Zoon des menschen gelasterd , en het is hem vergeven. Ik heh het onwetende (jetlaan in [mijne] ongelooviy-heid, zegt hij 1 Tim. 1: 13. (Vergel. ook Hand. 3: 17. 1 Kor. 2: 8).

Maar het derde, de lastering tegen den Heiligen Geest, houdt nog meer in en is veel zwaarder misdaad. Niet alsof de Heilige Geest in Majesteit boven den Vader en den Zoon stond en daarom dit lasteren het allerstrafbaarste ware; want de Drie zijn één in majesteit en heerlijkheid. Ook niet alsof het alleen en afzonderlijk gemunt ware op den Persoon en de Wezenheid gt;) des Heiligen Geestes : want dit lasteren gaat blijkbaar op de werkingen en openba-

\') Calvin. Commentar. in Matth. 12 : 31 : Notandnra est, qnocl Ju blaspheruia hic dicitur, uou roferri ad Spiritus esseutiam siuipliciter , sed ad gratiam qua donati sumus. Nam qui Spiritus luco privati suut, quantumvis dotrahaut du Spiritus gloria , rol tarnen hujus criminis uou agentur.

732

-ocr page 757-

§ 12. ONVERGEEFLIJKE ZONDE.

ringen des Heiligen Geestes en men kan niet apart tegen den Heiligen Geest lasteren of men vergrijpt zich daardoor meteen aan den Vader en den Zoon , die in den Geest werken en zich openbaren , zoodat, wie tegen den Heiligen Geest lastert, de gansche heerlijkheid Gods aantast en, zooveel in hem is, verguist en vernietigt. Daar valt dus de mensch God , die in den Heiligen Geest tot hem genaakt en zich voor zijne oogen stelt, zoo onmiddelbaar en rechtstreeksch aan als maar mogelijk , en daarom is dit het toppunt van alle zonde.

c. De lastering tegen den Heiligen Geest veronderstelt dan oenen hoogen trap van verlichting, eene ontwikkelde bekendheid met de geopenbaarde Goddelijke waarheid, en daarbenevens beslistheid van wil, trotsche stijfzinnigheid , zoodat er van verschoonlijkheid wegens onkunde of ook wegens zwakheid of vreeze geen sprake kan zijn. Intusschen is deze kennis toch slechts eene beschouwende, geene werkzame , beoefenende; want anders zou er Joh. 7: 17 plaats vinden. Daar is wel verlichting des Geestes, maar door den Geest in de Kerk; slechts eene ow-tuiyende, maar geene hartveranderendo, geene bekeerende verlichting2).

En het is niet eene enkele daad, maar een toestand, een innerlijke gevestigde tegenzin en haat tegen en geheele verwerping en verbitterde bestrijding van de gekende Evange-liewaarheid, waarbij de lastering met smadende woorden slechts de uitbraak is der galle van binnen. Dus volslagen satanische opstand tegen God en tegen zijnen Gezalfde.

733

d. Daar de Heere Jezus Aelasteriny tegen den Heiliyen

\') March, Coiupeud. on Merch XV. 41.

-ocr page 758-

§ 12. ONVERGEEFLIJKE ZONüU

Geest voor de eeniye zonde verklaart die niet veryeven wordt, zoo moet dezelfde zonde bedoeld zijn door de zonde tot den dood 1 Joh. 5: lü: Daar is eene zonde tot den dood, waarvoor , wanneer een genaamde Christen daartoe vervalt , door de Kerk niet meer gebeden zal worden (zoomin als voor eenen duivel). Immers ware dit nog weer eene andere zonde , dan zouden er meer dan eene onvergeeflijk zyn , togen Christus\' uitspraak. Onze Gereformeerde Overzelters teekenen er dan ook bij aan: De zonde tot den dood is de lastering tegen den Heiligen Geest, wanneer iemand de waarheid der Christelijke leer e, waarvan hij door den Heiligen Geest is verlicht en overtuigd , loochent en dezelve vijandig lastert en vervolgt. Het is dezelfde zonde , voor welke de Apostel Paulus de Hebreen, onder gevaarlijke, verleidende verzoekingen, zoo nadrukkelijk waarschuwt , voor welke er geene bekeering (llebr. G : 4—8), geen slachtoffer, geene genade meer is (Hebr. 10; 20—29), dewijl zoodanig en, die tot deze zonde doorbreken, het eenige slachtoffer, namelijk den Heere Jezus en zijne verdienste moedwilliglijk verwerpen en verachten (Kantteek.J en „het eenige geneesmiddel, dat hen behouden kon , in doodelijk gift verkeeren \').quot; —

2. De lastering tegen den Heiligen Geest zal niet vergeven worden, noch in deze eeuwe noch in de toekomendei).

\') Calvin. Commentar. iu Matth. 12: 31.

\'2) CUTS êv TOVTCp TM xlÜVl OUTS £V TM ftèhhOVTI.

\'O x\'lUV OVTC? , rnn is bij do Joden de tijd voor do

verscbijuiug des Messias; ó dixv , {OH t de tijd

na dos Messias komst. Maar Hij was nu reeds gekomen. Dies bedoelt Jezus zekerlijk zijne tweede komst, in dezen zin: de

734

-ocr page 759-

§12. ONVERGEEFLIJKE ZONDE.

Hoe men deze uitdrukking ook versla, in allen gevalle is de zin: nimmermeer, nu en nooit. Dat blijkt uit Mare. 3: 29 : Maar zoo wie gelasterd zal hebben legen tien Heiligen Geest, die heeft geene vergeving in der eeuwigheid, maar hij is schuldig des eeuwigen oordeels.

Geheel ten onrechte hebben velen uit Matth. 12 : 31 : Alle zonde en lastering , builen de lastering tegen den Heiligen Geest, zal den menschen vergeven worden, afgeleid, dat er voor die in zonden gestorven zijn namaals van alle andere zonden nog vergeving is, te weten tot aan den dag des laalsten oordeels en onder dezelfde voorwaarde die op aarde geldt, namelijk wanneer zij zich daar bekeeren en tot geloove komen \'). Eene stelling, geheel strijdig

lastering togou deu Hoiligeu Geest zou aan niemand op aardo gedurende al de tijdeu tot aan zijne wederkomst teu oordeel vergeven en dit zou in het laatste oordeel openbaar gemaakt eu voor eeuwig bevestigd worden, zoodat ook alsdan geeu ééu zoodanige vrijspraak zal ontvangen. Aldus Calvin. Commentar. in Matth. 12 : 32 : Sensus est: luinime sperandum esse, ut ve-niam impetrent in hac vita, vel in oxtremo judicio absolvantur, quicunque in Spiritum blasphen averint. Zoo ook onze Kant-teek. op Matth. 12 : 32. Desgelijks Meijer ■/.. d. St. , die daarbij te recht aanteekent dat het geheel verkeerd is, hierbij te denken aan den tijd tusschen dood en oordeel, dio immers geheel niet tot don xiwv ijJX\'/mv behoort.

\') Velen zijn van dit gevoelen. Calvin. Commentar. in Matth. 12 ; 32 wijst op do Roomsehe dwaalleer : Indj colli gunt I\'apidae, re mitti post mortem hominibus peccuta; en hij herinnert hoe dwaselijk de Roomsehen hierin eeuen grond voor bun vagevuur zoeken , zoo vruchteloos als vuur uit ijs te willen slaan. — Van Protestantsche ultleggeis wordt do vergeving ook na den dood onder anderen voorgestaan door Olshausen, Commentar. I. S. 408. en vooral door Stier, Eeden des Herrn Jesu II. S. 43. Ook door Van Oosterzee, Leven van Jezus II. Deel p. 345. Men

-ocr page 760-

§ 1 2. ONVEKGEEPLIJKE ZONDE.

tegen de Heilige Schrift\') , die geenen tusschenstaat niet mogelijkheid van verlossing voor gestorvenen leert en uitdrukkelijk betuigt dat in het laatste oordeel gevonnist wordt naar het aardsche leven in den lichame (2 Kor. 5 : 10. Hebr. 9: 27. Matth. 25 : 35 v.v.). En hun die tot deze uiterste diepte van zonde verbasteren, als zijnde geen menschen meer maar onmenschen , hun was immers de zaligmakende genade Gods verschenen en de zoenofferande des Zoons Gods wél bekend, welke zij lasterende verwierpen. Voor zulken kan er, na afloop van hunnen tijd, naar Gods rechtvaardig oordeel niets anders zijn dan de eeuwige dood , voorgebeeld onder het oude Testament door de straffe des doods die onverbiddelijk den lasteraar van den Naam Jehovahs trof (Levit. 24 : 1G).— 3. De Gereformeerde zegt: „Nooit vervalt een wedergeborene tot die zonde.quot; Want er is geen afval der heiligen. Daarentegen vele Lutheranen2): „Geen ander dan

praat Augustinus na, dio Do Civit. Doi Lib. XXI. Cap. 24 od. lauchu. Tom. IL p. 355 zegt: Neque enim de quibusdam vera-citer dweretur, qund non eis remittatur neque in hoe saeculo neque in futuro , nisi essent quibus , etst non in isto, tarnen remittetur, in futuro. Maar de Kerkvader voégt iu dat hoofdstuk eone dwa-liug bij de andere , ook voorbidding der Kerk voor dooden en hij leert: Na de opstanding der doodon zullen er ziju, aan wie na de straffen welke zij als geesten lijdeu , barmhartigheid bewezen wordt, zoodat zij niet in het eeuwige vuur verzonden worden. Von Gerlaoh zu Mattb. 12 : 32 keert hot eenigszins anders: Maneher, der in groszer Uerzensangst den Trust sie/i nicht zuzueignen wagt, geiangt dort erst zum Genussa der Vergehung.

\') Vergel. Twaalfde Hoofdstuk § 30. bl. 428. v.

2) Zoo bijzonder L. Hutterus J. A. Quenstedt e. a. Zie//««e, Hutter. rediv. § 87. 3te Aufl. S. 21G. Jul Müller, Lehre von

73G

-ocr page 761-

§12. onvergeeflijke zonde,

een wedergeborene doet ze.quot; Sommigen \'): „Ook een wedergeborene kan zoo diep vallen.quot;

De Gereformeerde Kerk is ook hierin consequent, getrouw aan hare beginselen. Dordr. Leerreg. Hoofdst. V. De Leere 6 : Want God , die rijk is in barmhartigheid, neemt , naar het onveranderlijk voornemen der verkiezing, den Heiligen Geest van de zijnen, ook zelfs in droevige gevallen, niet geheel weg, noch laai hen zoo ver niet vervallen , dat zij van de genade der aanneming en van den staat der rechtvaardigmaking uitvallen, of dat zij zondigen ter dood of tegen den Heiligen Geest, en , van Hem geheel verlaten zijnde, zich zeiven in het eeuwige verderf storten.

En Hoofdst. V. Verwerping der dwalingen. 4 : Tegen degenen , die leeren, „dat de u are geloovigen en herbore-nen kunnen zondigen de zonde tot den dood of tegen den Heiligen Geestquot; , terwijl de Apostel Johannes , nadat hij in het 5de Kap. van zijnen Kersten Zendbrief, vers 16 en 17 van degenen, die tot den dood zondigen, gesproken had en verboden voor leen te bidden, terstond in het 18de vers daarbij voegt: Wu weten, dat een iegelijk, die uit God geboren is, niet zondigt (verstaat met zulke zonde), maar die uit God geboren is , bewaart zich zelven , en de Booze vat hem niet2).

dor Sündo. 1844. II. Band. S. 574. Dat alleen een wedergeborene do ouvergeeflijke zonde kan begaan , stolt ook Ad. Wuttke, Handb. der Chr. Sittonlehre. IT. § 24C. S. 278.

\') Zoo Stier, Reden dos Herin Jesu II. Tbeil. S. 45: Dasz sogar ein liück/all Wiedergehorner in solche Tie je müyhch und wirklich ist.

-) Calvin. Commentar. in Matth. 12: 31: Fieri posse nega-

Gravomoijot, Gorof. Gol, loor. II. quot;17

737

-ocr page 762-

§12. ONVERGEEFLIJKE ZONDE.

4. Zonden, met opzet, tegen beter weten en geweten bedreven , zijn daarom nog niet deze onvergeeflijke zonde \'). Bij verontruste gemoederen , die het om de zaligheid te doen is , komt wel eens de schrikkelijke gedachte op dat zij de zonde tegen den Heiligen Geest hebben begaan, „waarbij de duivel zich doorgaans voegt om de zielen te slingeren en , ware het mogelijk , tot wanhoop te brengen4) quot; Maar zulken moet worden herinnerd, vooreerst dat deze onvergeeflijke zonde tegen den Heiligen Geest niet is een of ander afzonderlijke misdaad, maar een gevestigde , voortdurende, onafgebroken staat van helsche boosheid ; en ten tweede, dat bij deze zonde geen berouw is , geen verlangen naar genade, maar volslagen verstoktheid. Wie gekweld wordt door de verbeelding , dat hij wel de zonde tegen den Heiligen Geest heeft gedaan en derhalve niet durft bidden om vergeving, die bewijst reeds door deze zelfbeschuldiging, smart en benauwdheid, dat hij ze niet heeft begaan. En is het bidden voor anderen, voor geheel afvallige lasteraars verboden, aan niemand is het ooit verboden voor zich zeiven te bidden, zelfs niet aan den toovenaar Simon (Hand. 8 : 22).

mus , ut qui voro Spiritu regonitus ost, se in tam horrondum scolus praeoipitot.

\') Calvin. 1. c.; Simul autem hoc loco rei\'ellitur eorum error, qui voluntarium. quodvis peccatum, et quod repuguante couscien-tia committitur, irremissibile esso finguut.

-) Brakel, lied. Godsd. I. p. 329.

738

-ocr page 763-

§13. OORZAAK EN GROND DER RECHTVAARDIGING. 739

§ 13, Oorzaak en grond der rechtvaardiging.

Oorzaak en grond der rechtvaardiging liggen geheel buiten den mensch. God is het die rechtvaardigt (zie hiervoren § 2).

De inwendige bewegende oorzaak i) is enkel genade vrijgunstige , onverdiende liefde. Uit het genadig welbehagen vloeit alles voort wat tot de rechtvaardiging behoort ; de voldoening van Christus , de toeëigening van deze , het geloof waarin de toeëigening geschiedt en de zaligheid die er uit volgt5) Deze genade is geopenbaard in het Goddelijke Verbond der genade. De rechtvaardiging is derhalve eene weldaad van het Genadeverbond. Het Verbond der wet, den eisch: Doet dat en gij zult leven , heeft naar den eeuwigen raad en wil der Goddelijke liefde de Middelaar voor de uitverkorenen op zich genomen en vervuld.

De grond op welken de rechtvaardiging geschiedt, of de verdienende oorzaak (ook de materiëele , zakelijke oorzaak genoemd) is eeniglijk de gerechtigheid van Christus , die God ons genadelijk schenkt. Rom. 3 : 24: Wij worden om niet3) gerechtvaardigd, uit zijne genade, door de verlossing \') die in Christus Jezus is.

\') P. Van Mastricht, Godgol. III. p. 327. March, Compoud. en Merch XXIV. 5.

\'2) 1 lorum omnium sola gratuita misericordia (Dei Patris) et dilectio causa irpoyiyovftévy dicitur. Fr. Junius, Thes. theol. XXXIV. ed. Dr. A. Kuyper p. 219.

:\') \'Sccpsixv, geschenksgowijs , gratis, te geef, voor niet: zon-dei- or voor te betalen (2 ïhoss. 3: 8), ook zonder arbeid (Matth. 10: 8).

■\'j airohvrpMiTis, loskooping door een hvrpov, losgeld. Osten-

-ocr page 764-

740 § 13. OORZAAK EN GROND DER RECHTVAARDIGING.

Wij menschen moeten onzen vijand , den goddelooze vergeven , maar hem rechtvaardigen , hem voor goed en recht verklaren, dat mogen wij niet, dat zou strijden tegen de gerechtigheid. Maar wanneer God den goddelooze de zonden vergeeft, zoo is dit eene rechtvaardiging des goddeloozen. God kan rechtvaardig zijn en toch den goddelooze rechtvaardigen , namelijk dengenen die uit het geloove in Jezus is (Rom. 3 : 26).

God rechtvaardigt niet als een barmhartig Vader , dio de zonden over \'t hoofd ziet, maar als opperste Rechter , en zijn oordeel is naar waarheid. Dies moet degene , dien Hij rechtvaardigt, eene volkomene gerechtigheid bezitten. Dat is de gerechtigheid van Christus, die Hij den goddelooze met het geloove geeft, toerekent-, op zijn naam zet en als op hem overschrijft. Zoo heeft deze dan eene volmaakte gerechtigheid. Voor den mensch is dus de rechtvaardiging enkel genade, maar terwijl God zijne genade betoont , handhaaft en openbaart Hij tevens zijne waarheid en rechtvaardigheid. „Rechtvaardig verdoemt Hij den goddelooze , rechtvaardig rechtvaardigt Hij de geloovigen2).quot;

§ 14. Niet uit werken.

Alle Pelagianen stellen de verdienende oorzaak, den grond en de voorwaarde der rechtvaardiging of geheel of ten deele in eigene werken. De Hoomschen : een in liefde

dit (locus) , Christum cum suo sauguiuc esse muteriam (justifi-cationis). Calvin, i. 1.

2) Brakel, Red. Godsd. 1. p. 837.

-ocr page 765-

§14. NIET UIT WERKEN.

werkzaam geloof, dus een geloof met goede werken, door hunne Theologen genoemd een gevormd geloof gt;), overeenkomstig hun geheel averechts begrip van de rechtvaardiging , waarin de Mennonieten en Quakers met hen sa-menstemmen. Bij Socinianen en Arminianen2), die van ge?ne toerekening der gerechtigheid van Christus willen weten en de rechtvaardiging tot de vergeving der zonden beperken , is de voorwaarde desgelijks geloof met werken gepaard , geloofsgehoorzaamheid (fides obsequiosa), waarin thans velen hen volgen , die het nieuwe leven der bekeerden en geloovigen als den eigenlijken grond hunner rechtvaardiging aanmerken.

Of men zich dan door werken niet eenigszins de rechtvaardiging kan verwerven ? De Protestant, inzonderheid de Gereformeerde zegt naar de Schrift: Neen, integendeel, niemand wordt gerechtvaardigd of hij moet op al zijne werken den dood teekenen, zichzelven in alles schuldig kennen en de gerechtigheid van Christus aangrijpen.

In geenen deele uit de werken. Dat leert inzonderheid de Apostel Paulus met den sterksten nadruk. Ook Rom. 3 : 20 v.v. , en hij bezegelt zijn betoog v. 28 : Wij hesluiten dan dat de mensch door het geloof*) gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der wet.

\') fides formaia, d. i. een geloof, hetwelk de liefde als zijne forma, als bezielend beginsel, in zich draagt. Non tribuunt fuki justificationem nisi propter dilectionem, zegt daarvan de Confessio Augustana II, ed. Eechenb. p. 81. Van do lioomschen zie nader hiervoren § 4.

\'2)\' Van beiden zie hiervoren § 3. bl. 702.

:1) Luther: allein durch den Glaubea, als vertaling niet nauwkeurig (daarom door de Roomschen heftig aangevallen) , maar naar de meening des Geestes , naar den zin volkomen recht en

741

-ocr page 766-

§14. NIET UIT WERKEM.

Hierbij is tweeërlei wél op te merken. Vooreerst, dat de Apostel bij de werken der niet alleen op de riluëele geboden i) het oog heeft, maar op geheel de Goddelijke Wet, gelijk hij dan Rom. 4: 2 en 6 onbepaald van werken spreekt, zonder bijvoegsel2). Ten Tweede, dat ook de goede werken van den geloovigen Christen bij de rechtvaardiging niet in rekening komen. Ook na de bekeering en in de heiligmaking is en blijft altoos het geloof hand en middel der rechtvaardiging, het geloof alleen. Wilde de Christen zijne aanneming bij God , zijne rechtvaardiging op de werken gronden , die hij uit liefde tot Christus doet, dan zoude hij weer steunen op iets wat voor God niet kan bestaan , die immers alleen volkomene gehoorzaamheid goed kan keuren, en hij zou dus verdoemd worden en niet gerechtvaardigd. Te recht onze Kaniteekenaars : Zonder de werken der wet; namelijk, die niet alleen voor de bekeeriny geschieden maar ook na de bekeering, gelijk van den Apostel in het navolgende met het exempel van Abraham en David klaarlijk bewezen wordt.

En daarom houden wij dit fondament altijd vast, Gode alle de eere gevende, ons vernederende en bekennende zoo-danigen als wij zijn, zonder iets van ons zeiven of van

waar, naar goheul do voorstolling des Apostels , dio alle Werfce rein ahschneidet. Stier, Brief Jakobi S. 148, wilde wel, even als andere Lutheranen, dat Luther het woordeko allein niet hadde bijgevoegd en het Woord Gods niet eigemtachtig zoo haddo zuges/ritzt.

\') Zoo ook ten onrechte Van der Palm : Zonder dat het bezitten of waarnemen der Mozaïsche instellingen hierbij in eenige aanmerking komt.

a) Calvin. Commentar. in Rom. 4: 6.

742

-ocr page 767-

§ 14. NIET UIT WERKEN.

onze verdiensten Ie vermeten \') steunende en rustende op de gehoorzaamheid des gekruisten Christus alleen, dewelke onze is, wanneer wij in Hem gelooven. Nederl. Belijden, des Gel. Art. XXIII. (Heidelb. Gat. Vr, GO. Gl).

Het is zoomin uit de werken, dat niemand gerechtvaardigd wordt dan als een geheel schuldige, die in alles verdoemelijk is voor God en niets dan vloek en straf heeft verdiend. Want hoe zal hij anders Christus met zijne borg-gerechtigheid aannemen ? Daarom wordt hij eerst tot een schuldenaar gemaakt, tot een geheel arme, en dan rijk gemaakt in Christus, zoodat hier de eene genade op de andere volg^

§ 15. Waarom niet uit de werken.

De werken kunnen niets bijdragen tot onze rechtvaardiging. En waarom niet ? Daarom dat de gerechtigheid, die voor Gods gerichte bestaan kan, gansch volkomen en der Wet Gods in alle stukken geheel gelijkmatig zijn moet, en dat ook onze beste iverken in dit leven alle onvolkomen en met zonden bevlekt zijn. Heidelb. Cat. Vr. 62.

743

Gods Wet eischt volmaakte heiligheid. Den heiligen God kan niets behagen dan wat volkomen zuiver is. Zou Hij ons wegens ons eigen bestaan en doen voor recht verklaren, dan moesten wij geene de minste boosheid en verkeerdheid in onze natuur, wij moesten geene erfzonde hebben; dan moesten wij niets nagelaten hebben van wat Hij gebiedt, niets gedaan van hetgene Hij verbiedt; geen zondige gedachte moest ooit in ons zijn opgekomen, geen verkeerd

\') Latijnscho tekst; nee de uobismot ipsis moritisquo nostris quidquam praesumimus.

-ocr page 768-

744 § 15. WAAROM NIET UIT DE WERKEN.

woord gesproken , geene daad gedaan waaraan iets onheiligs kleefde, niet alleen in de uitvoering, maar vooral ook in beginsel , grond, oorsprong en bedoeling. Het moest een leven zijn in reine liefde Gods en des naasten, een samenhangend onafgebroken geheel, van het begin af tot den laatsten ademtocht toe.

Zoo was de eenige Jezus. Zoo is geen mensch. Van de werken der onbekeerden kan geheel geen sprake zijn. De onbekeerde leeft zich zeiven en niet Gode; wat uitwendig goeds hij ook doe ; godzaligheid is hem vreemd.

Anders is het met den bekeerde en wedergeborene. Hij is een nieuw schepsel, geschapen in Jezus Christus tot goede werken. De liefde Gods is in zijn hart uitgestort door den Geest die hem gegeven is. Maar bij den Geest heeft hij nog vleesch , eene zondige natuur die in alles invloeit, zoodat er, bij allen goeden wil , niets rein en onberispelijk ten voorschijn komt. Bij alle Gods kinderen is in allen opzichte beschaamdheid der aangezichten en ook hunne werken kunnen hunne gerechtigheid voor God niet zijn.

Dies mag men niet spreken van enkel tekortkomingen, zoodat wat de mensch te kort kwam aangevuld wierde uit de verdiensten van Christus. Neen , noch geheel noch ten deele kan de mensch uit zijne werken voor God gerechtvaardigd worden.

Want wij struikelen allen in vele, betuigt Jac. 3:2. En Jez. 64 : 6 : Wij allen zijn als een onreine en al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed: en wij allen rallen af als een blad en onze misdaden voeren ons henen ireg als een wind. Niet alleen onze zonden, maar zelfs ome gerechtigheden, onze beste werken, zijn onrein. Ook wat God in ons werkt, blyft in ons niet rein, maar

-ocr page 769-

§ 15. WAAROM NIET UIT DE WERKEN. 745

wordt nog steeds bevlekt door eigenheid en door de boosheid der natuur die ons altijd aanhangt. Onze gerechtigheden , dat zegt, zoover zij van ons zijn en wanneer wij ze ons als ome eigene toeschrijven en daarin roemen en ze voor verdienstelijk rekenen , zijn alle en steeds zondig en verwerpelijk voor God.

De rechtvaardiging is geen verdiend loon voor eenig werk, het is eene zuivere genadeweldaad, waar degene die ze ontvangt geen het minste recht op had. Rom. 4:5: Doch degene, die niet werkt •) (dus niets verdient), maar gelooft in Hem, die den goddelooze rechtvaardigt {^/A^wwcvivonwan stelt op de genade Gods in Christus , Kantteek), wordt zijn ge-loove gerekend tot rechtvaardigheid. Niemand komt tot de gerechtigheid des geloofs of hij heeft zich zeiven leeren kennen als eenen goddelooze2). Do mensch moet zoowel van zijne goede werken bekeerd (van eigen gerechtigheid afgekeerd) worden als van zijne zonden. Wie, onbekeerd, op zijne natuurlijke deugd steunt, vindt zijn vonnis bij Paulus; de ondeugende naamchristen bij Jacobus.

\') TM êpyx^Ofiévy. Luther treffend : Dem aher , der

nicht mit Werken umyehet. Du Apostel verwerpt hot werken niut op zich zelf, maar het werken met hot doel on met do meening om er iets ter rechtvaardiging mede to vordionen. Er staat niet ovx, de olrjectieve negatie, maar subjectief. Calvin. Commontar. i. 1. : Operantem vocat — — qui suis meritis aliquid promeretur ;• non operantem , cui nihil dobetur operum merito. Neque enim fidelos vult esse ignavos: sed tantum merconarios esse vetat, qui a Deo quicquam reposcaat quasi jure dobitum.

Calvin, in Rom. 4: 5 : In summa, nemo ad fidei justitiam perveniet, nisi qui in se erit impius.

-ocr page 770-

§ 16. JACOBUS.

746

§ 16. Jacobus.

Men heeft op voorgang van Luther gt;) soms lichtvaardig geoordeeld, dat de Apostel Jacobus, een dienstknecht Gods en des II eer en Jezus Christus, geheel anders van de rechtvaardiging leert dan Paulus. En het schijnt wel zoo. Jacobus 2 : 24 verklaart voor uitgemaakt, dat een mensch uit de werken gerechtvaardigd wordt, en niet alleenlijk uit het geloof. Maar Paulus Rom. 3 : 28: Dat de mensch door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der wet. Jacobus 2 : 21 vraagt: Is Abraham niet uit de werken gerechtvaardigd ? Maar Paulus betuigt Rom. 4:2: Indien Abraham uit de werken gerechtvaardigd is, zoo heeft hij roem, maar niet hij God,

Maar zou Jacobus bedoelen , dat de mensch met zijne eigene werken geheel of ton deele voor God kan bestaan? Onmogelijk. Dan zou hij zich zeiven tegenspreken. Wsnt hij leert 2: 10: Wie de geheele Wet zal houden, en in één zal struikelen, die is schuldig geworden aan allen. En 3: 2 bekent hij : Wij struikelen allen in vele. Dus staat ook bij Jacobus vast: er is niemand recht voor God, allen zijn

\') Luther hield don Brief van Jacobus niet voor apostolisch. Hij bleef ook iu zijne latere levensjaren bij dit gevoelen : Huiher, Kommentar. in Meyers Handb. 3te Aufl. S. 26. Scholtcn, Leer der H. Kerk. I. p. 184 ; hoewel anderen dit tegenspreken , ook JJe Moor, Coinmentar. in Marck. Pars. I. p. 250. IV. p. 741. Ten minste niet altijd sprak Luther geringachtend van den Brief. Hij zeide ook: l)iese Epistel St. Jakobi, wiewohl sie von don Alten verworfen ist, lobe icb und halte sie doch für gut, darum dasz sie gar koine Monschenlohre setzot und Gottes Gesetz hart treibet. liichtcr Erklürte Hausbib. VI. S. 925.

-ocr page 771-

§ 16. JACOBÜS.

schuldig ; ook niet voor een gedeelte kan naar Jacobus de mensch uit zijne werken worden gerechtvaardigd , want volgens hem zijn allen schuldig aan al de geboden. Één Geest was in Jacobus en in Paulus , éénzelfde Geest der waarheid die beiden in al de waarheid leidde.

Intusschen keeren de twee Apostels hun, met wie zij te doen hadden, naar vereisch der verschillende standpunten van dezen, verschillende zijden van de in zich zelve eenige waarheid toe i).

Paulus had de leer der vrije genade te verdedigen tegen de aanmatigingen van Joodsche , farizeesche werkheiligheid ; Jacobus had te doen met zulken, die wel het Evangelie hadden aangenomen en Jezus als den Messias beleden , doch er niet naar leefden maar zich in de dwalingen van het genieene vleeschelijke Jodendom verliepen. Paulus had hun , die met werken rekenden, aan te too-nen , dat hunne werken ter zake van de rechtvaardiging voor God nul waren en dat de rechtvaardiging en heiliging des menschen alleen uit het geloove kon zijn ; Jacobus had zulken , wier geloof niet moer was dan toestemming der Evangelie-waarheid , te bewijzen , dat zulk een geloof, waarmoe de levenswandel in weerspraak stond, niets te beteekenen had.

747

Het 2de Hoofdstuk van Jacobus\' Brief strijdt dus niet tegen Paulus\' leere, maar legen het ijdel vertrouwen der mondchristenen, daar hot uit de werken, uit het

i) Calvin. Instit. III. 17. 11. sq. Idem. Commentar, in Eotn. 3 : 28 , in Jacob. 2 ; 21. Be Moor, Commontar. in Marck. Pars IV. p. 741. sq. Neander, Pfianzung. 1832. S. 448. ff. Vcrgel. ook Fr. Ridder as, Schriftuurlijk Licht V. p. 664.

-ocr page 772-

§ 1G. JACOBUS.

leven moet blijken dat men het ware geloof heeft en inderdaad voor God gerechtvaardigd is.

Een geloof dat de werken niet heeft, dat geen godzalig leven in ware werkdadige liefde voortbrengt, is bij zich zelf doud, als een lichaam zonder ziel, als een lijk, verklaart Jacobus 2: 17, 20. Want gelijk het lichaam zonder geest dood is, alzoo is ook het geloof zonder de werken dood, 2 : 26. Waarmede de Apostel niet wil zeggen, dat de werken zich zoo tot het geloof verhouden als de ziel tot het lichaam , als ware het geloof het lichaam en de werken de ziel. Dat zij verre ; dan moest men het veeleer omkeeren : het geloof is de ziel, de werken zijn het lichaam. Maar hij wil zeggen: het ontbreken der werken is een bewijs, dat zulk een geloof alle levenskracht rniamp;t, dat het datgene niet in zich heeft, wat vergelijkbaar is met de ziel, door welke het lichaam leeft en werkt. De werken zijn alzoo de levensteeketien van het geloof. De werken zijn dan ook niet iets wat van buiten tot het ge-loove moet bijkomen maar wat uit het geloove voortkomt, gelijk de goede vrucht uit den goeden (geënten en levenden , niet dooden) boom. Het kan niet anders , omdat in dengene , die wezenlijk in Christus gelooft, de Heilige Geest woont en werkt ; want het geloof is een gewrocht des Heiligen Geestes, en de Geest staakt daarmede zijne werking niet, maar werkt voort en, wijl Hij louter leven is , verwekt Hij leven.

Zoomin als het ware liefde is, wanneer iemand, die we-reldsch goed bezit, voor den nooddruftige alleen vriendelijke woorden heeft, (Jac. 2: 15, 16), zoomin is het geloof een waar geloof, wanneer het geene goede werken voortbrengt. Het is niet beter dan het geloof der duivelen (v. 19).

748

-ocr page 773-

§ 16. JACOBUS.

Het oprechte geloof is „dadig door goede werkenquot; (Kant-teek.). Zulk een geloof heeft Abraham gehad (v. 21), en ook Rachab de hoer, (v. 25), die echter geen hoere bleef.

Vraagt Jacobus van Abraham : Is hij niet uit de werken gerechtvaardigd, als hij Izacik zijnen zoon geofferd heeft op het altaar? (v. 21) zoo kan hij daarmede niet bedoelen, dat Abraham toen eerst (Gen. 22) voor God is gerechtvaardigd. Want reeds vele jaren te voren, eer Izaak, ja eer Tsmaël geboren werd\'), namelijk Gen. 15: 6, wordt van hem gezegd: En hij geloofde in den Heere en Hij rekende het hem [tot] gerechtigheid, gelijk Jacobus 2 : 23 wél wist. Maar door zijne werken, inzonderheid en allermeest door zijne bereidwilligheid om Izaak op te offeren, heeft Abraham „voor God en de menschen betoond , dat hij waarlijk voor God gerechtvaardigd wasquot; (Kantteek.).

Dies wil Jacobus zeggen: Door zijne werken bewees*) Abraham te zijn een gerechtvaardigde en dus in waarheid een rechtvaardige. Daartoe leidt ook het woord zeil, dat de lleere tot Abraham sprak, toen deze zijnen zoon op het altaar had gebracht en bereid stond om hem te slachten.

\') Calvin. Instit. III. 17. 12. Toon Hagar Ismaël baardo, was Abram 86 jaren oud, Gon. 16 : 16. En Abraham was 100 jaren oud als hem Izaak geboren werd, Gon. 21 : 5. \'loon Abraham Izattk op hot altaar bracht , was dozo roods oon opgeschoten knaap , blijkens Gon. 22 : 6.

\'2) Anders Thither, Kommentar. zn Jac. S. 135. 146. en Weisi, Bibl. Theol. dos N. T. S. 183. Maar to recht beweert Calvin. Comm. in Jac. 2 : 21 : Jacobum hic non tractaro, undo aut quoiuodo justitiain hominos consequantur ; — — do appro-hationo justitiao loquitur. Fr. Ridderus, a. W. V. p. 66. 4. Paulus spreekt van do oorzaken en maniero dor rechtvaardiging, Jacobus van de vruchten.

749

-ocr page 774-

§ 1G. JACOBUS.

Gen. 22: 12: Nu weet ïk, dot gij Godvreezende zijt, en uwen zoon , uwen eenigen , van mij niet hebt onthouden. God wist het wel vooraf, maar nu hleek het.

Zoo heeft bij Abraham het geloof mede gewrocht met zijne werken, (Jac. 2: 22), namelijk om hem als eenen waren rechtvaardige te kenmerken en te doen uitkomen; en het geloof is volmaakt geweest uit de werken: door zijne werken , vooral door de overgeving van Izaak, is zijn geloof gebleken een volkomen geloof te zijn. Ook dienen wy hierbij wél op te merken , dat Jacobus niet zegt: de werken hebben mede gewrocht met het geloof, maar: het geloof heeft mede gewrocht met de werken. Dus het geloof voorop. Ook niet, alsof geloof en werken twee nevens en met elkander werkzame beginselen waren, zoodat ieder van beiden iets ter rechtvaardiging deed; veelmeer uit het geloof vloeien ook hier naar Jacobus de werken voort en bij Abraham wrocht het geloof juist als drijfkracht mede ter voortbrenging en uitvoering zijner werken; inzonderheid der offering van Izaiik (Hebr, 11 : 17). En toen Abraham Gen. 15: 6 in den lleere gelooide , en de lleere het hem tot gerechtigheid rekende , was dit een zoodanig geloof, dat zich naar zijne innerlijke hoedanigheid door goede werken, door een leven van zelfverloochening , door het doen van den wille Gods openbaren moest, waarvan de opoffering Izaaks de hcogste proeve gaf. Want in het ware geloof ligt eene onbepaalde overgegevenheid aan den wille Gods.

In dienzelfden zin is ook Ilachab uit de werken gerechtvaardigd geweest, Jac. 2: 25. Zij was geloovig geworden; het geloof kon in haar niet zijn of zij was ook voor God gerechtvaardigd ; door haar goed werk, met gevaar voor

750

-ocr page 775-

§16. jacobus.

haar eigen leven aan de verspieders gedaan, heeft zij daarop betoond , dat haar geloof een waar en levendig geloove was (Hebr. 11: 31).

Niet ten onrechte is door velen het onderscheid tus-schen de voorstellingen van Paulus en Jacobus aldus kort geteekend: Jacobus bedoelt niet de daad (actus) der rechtvaardiging , maar den staat der rechtvaardiging (status justificationis1), Paulus omgekeerd. De Goddelijke daad der eigenlijk genoemde rechtvaardiging geschiedt zonder eenige aanmerking van des menschen werken, maar de staat der rechtvaardiging, of dat iemand gerechtvaardigd is , moet uit zijne werken blijken. In dezen zin hebben er dan ook van de onzen van eene eerste en tweede rechtvaardiging gesproken, doch geheel verschillend van de wijze zooals de Roomschen die stellen •).

Te vergeefs hebben de Remonstranten\'*) bij Jacobus steun gezocht voor hunne rechtvaardiging mede uit de werken.

Naar de Schrift staat dit vast: de mensch kan in gee-nen deele door de tverken der wet voor God gerechtvaardigd worden ; ook niet door de werken des geloofs, omdat deze de rechtvaardiging niet kunnen vóórgaan maar haar eerst navolgen; ja ook niet door het geloof zelf als werk aangemerkt.

\') H. Witsius, Oocouomia Lib. III. Cap. VIII. § 21—26. Idevi, Miscoli. Sacr. Tom, II, p. 587 sq. Exercit. XXIII. § 2Ü. 27. Doch tegou misverstaud hiervan waarschuwt .De Moor, Couimunt. IV. p. 743.

2) Uaarlegüu Do Moor, Comm. IV. p. 744,

751

-ocr page 776-

§17. toerekening.

§ 17. Toerekening.

De rechtvaardiging is eene rechtspraak, op grond van Christus\' voldoening (zie hiervoren § 13). Dus wordt het Recht gehandhaafd. Maar voor den schuldigen mensch is het enkel genade: want hem wordt het werkenlijden des Middelaars toegerekend.

Tegenover menigerlei averechtsche voorstellingen moeten wij wél in het oog vatten , wat het zegt, dat God ons , in Christus geloovende , do gerechtigheid van Christus toerekent. .

De toerekening*) is, dat God Christus\'gehoorzaamheid op onze rekening stelt als onze eigene en ons zoo aanziet als hadden wij zeiven den eiscli der wet vervuld en de verdiende straf gedragen en aldus aan het Recht Gods volkomen genoeggedaan. Het is : dat Hij uit loutere genade mij de volkomene genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus schenkt en toerekent, evenals hadde ik nooit zonde gehad noch gedaan, ja als hadde ik zelf al de gehoorzaamheid volbracht, die Christus voor mij volbracht heeft, zooverre ik zulke weldaad met geloovigen harte aanneem. (Heidelb. Catech. Vr. GO).

Men heeft hiertegen ingebracht1), dat de Schrift nergens uitdrukkelijk zegt: de gerechtigheid van Christus wordt

752

1

) Vergel. Marck, Merch. XXIV. 13. De Moor ) Gouunentai. IV. p. 721.

-ocr page 777-

§17. toehekening.

ons toegerekend, maar telkens : het geloof wordt ons gerekend tot rechtvaardigheid. Doch Rom. 4 : 6 lezen wij, dat David den mensch zalig spreekt , welken God de rechtvaardigheid toerekënt zonder iverkeii. Dit kan, wijl de eigene werken uitgesloten worden , immers geene andere rechtvaardigheid zijn dan die van Christus , zijne plaatsbeklcedende gehoorzaamheid , die den geloovige als zijne eigene wordt toegerekend , terwijl de Heere hem da zonde niet toerekent (v. 8), die den Borg toegerekend is, op wien de straffe was, die ons den vrede aanbrengt.

En de zaak zelve wordt in de Schrift met andere bewoordingen kiaarlijk geleerd. Zoo Rom. 5: 19: Want gelijk door de ongehoorzaamheid van dien één en mensch (Adam) velen [tof] zondaars gesteld zijn geworden, alzoo zullen ook door de gehoorzaamheid van éénen (Christus) velen [tot] rechtvaardigen gesteld worden. Dit kan niet anders dan door toerekening (zie Negende Hoofdstuk § 19). De Apostel leert , dat gelijk de ongehoorzaamheid van Adam ons toegerekend wordt tot schuld der verdoemenis (en tot verderving onzer natuur) , alzoo Christus\'\' gehoorzaamheid ons toegerekend wordt tot ontslaging van die schuld (en tot vernieuwing des levens). Kantteek.

Om het begrip der rechtvaardiging zuiver te bewaren, dienen wij vooral te letten , wat God ons toerekent. En daar hebben wij dit vast te houden : God rekent ons toe de dadelijke en lijdende gehoorzaamheid welke Christus hier op aarde voor ons volbracht heeft.

Hierop hebben ook de Reformatoren nadruk gelogd en hebben dit hoofdpunt tegenover alle verdonkering in het licht gesteld en verdedigd. Inzonderheid tegen de dwaling van den Lutherschen Andreas

Gravomejjoi\' , Gerof. Gol. leor. 11. \'18

753

-ocr page 778-

§17. TOEREKENING.

Osiander •), die de rechtvaardiging stelde in de innerlijke levensgemeenschap met Christus en in de plaats van den Christus voor ons den Christus in ons tot onze rechtvaardigheid maakte. Hem was de rechtvaardiging geen Goddelijke rechtspraak, maar een rechtvaardig maken. Naar hem is het alleen de in ons wonende gerechtigheid van Christus wat ons rechtvaardig maakt voor God; deze gerechtigheid echter is naar hem niet dat wat Christus eens op aarde volbracht heeft, maar het is de wezenlijke , essentiëele gerechtigheid of heiligheid van Christus\' Goddelijke natuur.

Deze zijne stelling hing te zamen met zijn manicheesch-panthëistisch gevoelen van de bestemming der mensch-heid tot eene God-menschheid door instorting van de wezenheid Gods in de menschen , met zijne stelling dat het beeld Gods naar hetwelk de mensch is geschapen geweest eigenlijk het Wezen des Zoons Gods was, en met de daaruit vloeiende leer dat Christus onze Middelaar is alleen naar zijne Goddelijke natuur2) en dat Hij ook in de wereld gekomen zou zijn, ware de zondenval niet geschied 3).

\') March, Compend. en Merch Cap. XXIV. 18. De Moor, Commentar. IV. p. 757 sqq. Nic.dner , Kirchengesch. 1866. S. 703 ft\'. Schollen, Leer dor H. K. II. p. 436. v. Ritschl, Rocht-fertigung und Versöhnung. 2to Aufl. I. S. 285. ff. Osiander stierf als Hoogleeraar te Koningsbergen in October 1552.

-) Tiende Hoofdstuk (Doel II.) § 21. bl. 176.

:l) Twaalfde Hoofdstuk^ 34. bl. 447. v.v. Achtste Hoofdstuk (Doel I.) § 5. bl. 81. Toppunt en middelpunt der openbaring Gods in do monschenworeld , dio hot wordende nabeeld is van do rechtvaardige d. i. heilige wezenheid Gods , was do verschijning van Christus. lu deze was dus het wezenlijke zijne (rodtóyAe natuur :

754

-ocr page 779-

§ 17. TOEREKENING.

Heftig werd deze mystieke leer door rechtzinniger! bestreden. Inzonderheid ook door Calvijn\'). Wel heeft ook Calvijn de nauwe , allerinnigste verceniging der ge-loovigen met Christus , der leden met het Hoofd, instan-jdijk geleerd en aangedrongen; maar eene vereeniging door den Geest , die ook in ons wonende altijd toch van onzen geest onderscheiden blijft , en met kracht verzette hij zich legen de gedrochtelijke vermenging van Christus\' Goddelijk Wezen met ons wezen , die Osiander stelde. — Ook heeft Calvijnquot;1) den band tusschen rechtvaardiging en vernieuwing of heiligmaking zoo sterk mogelijk aangehaald. „Gelijk Christus niet in stukken gescheurd kan worden , zoo zijn deze twee stukken onscheidbaar , die wij tegelijk en veroenigd in Hem bekomen , gerechtigheid en heiligmaking. Zoovelen dan God in genade aanneemt, begiftigt Hij tegelijk met den Geest

zij nu vci\'schijuiDg was do incarnatie dor Goddelijko natuur iu do ua de eorsto schepping ontaarde monschelijko wezenssoort; do persoonlijke toetiigening van haar (hare individuatie) is het vereenigd werk van Gods gi\'nade en van \'s menschen vrijheid. Aldus Osiander. Niedner, Kircheugesehichte S. 705, zegt daarvan : Das Ganze, im Sinne des synevghtischen Supranaturalismus der My stik.

\') Calvin. Instit. III. 11. 5. sqq.

-) Instit. III. 11. 6. Biedermann , Christl. Dogm. II. S. 339: Die regenemtio füllt deu Hiatus aus , der für den Verstand in der protestantischen justificatio liegt: sie ist als applicatio salutis dio Einbildung (invorinirg) des angerechneton Heilsprincips in\'s monschliche Ich selhst; — wtthrend die katholische Fassuug ciusscrlich supranaturalistisch das transcendente Princip selbst als solcbes infundirt worden liisst, und Osiander in der guten Absieht, jenen Hiatus zu vermitteln , beides in einander mischt.

755

-ocr page 780-

§17. TOFREKENING.

756

der aanneming tot kinderen, door wiens kracht Hij hen naar zijn evenbeeld vernieuwt.quot; Maar Osiander warde beide dooreen, en daartegen kwam Galvijn met zijne helderheid op. „Wanneer de glans der zon niet gescheiden kan worden van de warmte, zal men daarom zeggen: het licht verwarmt de aarde en de warmte verlicht haar ? Wel is hier eene wederkeerige en ongedeelde verbintenis, maar wat aan het eene eigen is, tol het andere over te brengen , verbiedt zelfs de rede. Zoo is het met de rechtvaardiging en de wedergeboorte. De Schrift voegt beide saam , maar houdt ze tevens duidelijk uit één (1 Kor. 1 : 30).quot;

§ 18. Niet om het geloof.

Naar het materiëele grondbeginsel der Reformatie wordt do mensch voor God gerechtvaardigd uit enkele genade door het geloof in Jezus Christus. Alle eigen werk en verdienste , ook de verdienstelijkheid des geloofs is hierbij volstrekt uitgesloten. Men wordt gerechtvaardigd niet omdat maar alleen doordat men gelooft. Dit heeft inzonderheid onze Gereformeerde Kerk met klem betoogd tegenover de Remonstranten, die in werkdadig geloof eene verdienende oorzaak der rechtvaardiging stelden en \'s menschen werk mot Christus verdienste samenpaarden \')•

\') Winer, Compar. Dursteil. 4to Aufl. S. 143. f. Do Moor, Commentar. iu Marck IV. p. 751. sqq. Limborch, Theol. Christ. Lib. VI. Cap. IV. § 39. p. 747 : God ivil onze gehoorzaamheid die wij uit don geloove betoonen en die onvolkomen is, genadclijk

-ocr page 781-

§ 18, NIET OM HET GELOOP.

Daartegen Dordr. Leerreg. Hoofdst, II. Verwerping der dwalingen. 4: De Synode verwerpt de dwaling dergenen, Die leer en: „dal het nieuwe verhond der c/enade, hetwelk God de Vader, door tusschenkomst van den dood van Christus, met de menschen gemaakt heeft, niet daarin bestaat, dat wij door het geloof, voor zooveel het de verdiensten van Christus aanneemt, voor God gerechtvaardigd, en zalig gemaakt worden , maar daarin , dat God, afgeschaft hebbende het afeischen van de volmaakte gehoorzaamheid der Wet, het geloove zdf en de gehoorzaamheid des geloofs , alhoewel onvolmaakt, voor de volmaakte gehoorzaamheid der wet rekent, en der belooning des eeuwigen levens uit genade waardig acht.quot; Want dezen, die dus leeren, wedersproken de Schriftuur, Rom. 3: 24, 25, en brengen met den goddeloozen Soci-

wegens Christus schatten als ware zij volkomen ; gelijk als tmnneer een schuldeischer den schuldenaar, die duizend gulden schuldig is en maar honderd betalen kan , het overige kwijtscheldt en dit betaalde gedeelte hem goedgunstig voor volle betaling aanrekent.

Naar Van Limborch is in do togoustelling van geloof en werken der Wet bij Paulus ondor de werken der Wet te verstaan öf do onderhouding der ceremoniën , nu afgeschaft en niets meer voor God geldoudo (Gal. 6 : 15) , of zoodanig eene wijze van gehoorzamen als in de Wet werd geüischt, dat is eene volmaakte on door geeno zoude afgobrokene gehoorzaamheid (Gal. 3 : 10). Maar geenszins worden , volgons v. L. , daarmede de werken des geloofs bedoeld , daar \'do Apostel deze nergens uitsluit maar uitdrukkelijk in het geloovo insluit (Gal. 5 : 6. 1 Kor. 7 : 19) , en hot geloof kan men niot tegen zijne (des geloofs) werken overs\',ellon. A. w. § 36. 38. Tutussohen bij de werken der Wet bedoelt Paulus openbaarlijk iedore wet en alle opera operata in groveren of fijn eren zin , gelijk ook De Wette erkent en Winer, Commentar. in Ep. ad Gal. ed. 3 p. 143 toestemt.

757

-ocr page 782-

§18. NIET OM HET GELOOF.

nus voort eene niemve en vreemde rechtvaardigmaking des menschen voor God, tegen de eendrachtige overeenstemming van de gansche Kerk.

De Schrift zegt nergens: wij worden gerechtvaardigd om of wegens het geloof, maar standvastig: uit of door het geloof quot;)•

Om of wegens het geloof zou altijd nog weer eene rechtvaardiging uit de werken aanduiden , strijdig tegen geheel de gchrift. De Schrift nu leert eene andere rechtvaardiging. Zoo verkondigt Paulus Rom. 3:21: Maar

\') iïiyMiovtróxi h iriaTSUS. Zoo doorgaans bij Paulus; ou rijg Rom. 3 ; 30 : slg o ósóï , o? \'Sixximtu trap ito sy.

vriTTSccg y.x) azpopvTriaquot; \'Six rijs ttIttsttc , waarbij Bengel, Guomon , to rccbt aanteetent: Nou dicit ziïtiv , non

propter /idem , sed perfidem. Ook ^kx.isvtÖxi ttittsi, Som. 3 : 28.

Do uitdrukking r/. ttittscc^ SixxiovtOxi verklaart Cremer, Wtirterb. S. 197 aldus; dasz die gottliche That als in Polge dos Glaubons gescbehond , beziebungsweise dor Moiiscb als be-stimmt von demsolvon erscheint. Doch uiet als wierde door êy. irirTTSMS het geloof voorgesteld als do bron, waaruit de rechtvaardiging vlooit als (causa cffoctiva); bot duidt veelmeer het standpunt aan waarop do monsch staat en waaraan hij zich houdt (zoo shxi r/. nvoi, pendere ox , ab aliqna re, van iets afhangen , stare ab aliqua parte, bet met iets, met eene partij houden, Winer in Gal. 3: 10) en, dienvolgens de norm, waarnaar hij beoordeeld wordt. Die « Trims cos gerechtvaardigd wordt staat sv iritrrei, evenals die \'épyxv vifz-ov gerechtvaardigd zou worden (hetgeen .niet kan, Gal. 3 : 11) sv VQ(J.:p.

Door Six rijc ttittsmz wordt, het geloof als de aangrijpende oorzaak (causa apprehondens) beteekond. Evenzoo door den dativus (instrumenti) tt\'kttsi. Cremer t. a. pl. zegt te veel, wanneer hij verzekert: Beim Dativ ist die gottliche That als be-wirkt durch den Glanben (dynamischer Dativ) vorgestellt.

758

-ocr page 783-

§ 18. NIET OM HET GELOOF\'.

nu is de rechtvaardigheid Gods geopenbaard geworden zonder de ivet\') hebbende getuigenis van de Wet en de Profeten: 22. Namelijk de rechtvaardigheid Gods door het geloove in Jezus Christus\'1), tot (bestemd voor) allen en (zich uitstrekkende) over allen die gelooven: want daar is geen onderscheid, hetzij Jood of Heiden.

§ 19. Waarom niet om het geloof.

Al degenen die eene eigenlijke toerekening van Christus\' gerechtigheid geheel ontkennen, gelijk de Socinianen, of die haar slechts als een aanvulling bij de eigene reeds aanwezige of voorgeziene gehoorzaamheid toelaten , als de Remonstranten, of die gelijk de Roomschen de recht-

\') Nw) §£ xuP^ mfiov (gt;ikxioïvv/i ósoü irstpwsputxi. Het bijwoord vvvi botoekent hior niet deu tijd, thans, in tegeustol-liug tegon vroeger, maar is inductief: de tegenstelling is zakelijk : tegen do rechtvaardiging door de wet (dooi welke alleen do kennis dor zondo is) stolt de Apostel als leore der Schrift do rechtvaardiging zonder de Wet.

In cgt;iy.xiolt;rvv/i ósov boteokont de genotivus niot don bezitter, maar don worker on gever; do rechtvaardigheid is hior niut oono eigenschap Gods , maar -eon staat des monschen en God is daarvan de werkende oorzaak. Meyer, zu Rom. 1:17: das Ver-hültni?s des Rochtsoins, in welches der Mensch durch Gott (d.i. durch oinon gerechtsprechquden Act Gottes) gesetzt wird.

j) ttittsmi; \'lyroü Xpirroü. Niet: shot geloof van Jezus Christus, d. i. hot geloof in God, hetwelk van J. C. on zijn Evangelie is uitgegaan, óf hot goloof dat in J. C. wasquot; , zooals do Synodale Overzetting hoeft. De genetivus is objoctivus : Jezus Christus is hot voorwerp des goloofs. Zie Meijer t. a. pl. Vorgol. hiervoren § 1. bl. 690.

759

-ocr page 784-

7G0 § 19- WAAROM NIET OM HET GELOOF.

vaardiging met de heiligmaking verwarren en het geloof met de liefde en goede werken vermengen , maken hun geloof tot eenen grond der rechtvaardiging, tot eene verdienende oorzaak van Gods welgevallen on gunst. Daar is het dus om en u-egens het geloof.

Dit nu kan niet. 1. Omdat naar de Schrift, zooals boven is aangetoond , alle werk , dus ook het geloof als werk bij de rechtvaardiging is uitgesloten. Geschiedde echter de rechtvaardiging om en wegens het geloof, dus omdat God aan het gnloof als daad des menschen , als het principale goede werk zijn welgevallen had en daarom nu den mensch goed keurde en rechtvaardig sprak : dan ware dit eene rechtvaardiging, die van de rechtvaardiging door do werken der Wet niet wezenlijk verschilde.

quot;1. Omdat dit juist de natuur des geloofs is, alle eigene waardigheid en verdienste te verzaken. Hel geloof is geen werk , waardoor do mensch zich bij God behage-lijk maken en zich iets verwerven konde. Geloof staat vlak tegen werken over (Rom. 4 : 5). In het geloof wordt do mensch met al zijne werken te niet geeft Gode alleen do eere. Het geloof is geen doen maar een zich laten welgevallen van hetgeen God doet, een aflaten van eigen wil en waardigheid, een inwilligen van den wille Gods , die ons zóó en niet anders wil zalig maken, een nederig aannemen van hotgene God gonadelijk schenkt, met volle overtuiging en levendig gevoel van onze zondigheid, schuld en vordaemelijkheid.

Genade en werk sluiten elkander uit on laten zich niet vermengen. Rom. 11; 6: Indien het door genade is, zoo is het niet meer uit de werken: anderszins is de genade geene genade meer ; en indien het is uit de werken,

-ocr page 785-

§ 20. 11 ET GELOOF GEREKEND TOT RECHTVAARDIGHEID. 7()1

zoo is het yeene (jen(tde meer: anderszins is het irerk geen werk meer \').

§ 20. Het geloof gerekend tot rechtvaardigheid.

Dat het geloof wordt gerekend tot rechtvaardigheid, zegt de Schrift. Doch niet in dezen zin , dat het geloof de uitwerkende oorzaak , de grond van de rechtvaardiging ware; de grond, waarop de genadige rechtspraak Gods geschiedt, is eeniglijk de gerechtigheid van Christus : maar do Schrift spreekt alzoo niet zonder groote oorzaak, namelijk omdat Christus met zijne gerechtigheid, waarin de hoofdsom van alle Gods beloften ligt, het voorwerp en do inhoud is des geloofs , datgene wat het geloof aanneemt en waarop het gaat steunen.

De Schrift gebruikt deze uitdrukking het eerst van Abraham, juist daar, waar wij ook het woord geloof voor do eerste maal lezen, namelijk Gen. 15: 6: En hij (Abram) geloofde in den Heet e, en Hij (de Heere) rekende het hem ftot] gerechtigheid\'1). Abraham geloofde de genadige beloften des Heeron , inzonderheid van het zaad

\') Do laatste zinsnede; en indien het uit de werken is enz. wordt in vele handschriften niet gevonden. Ook de Vulgata hooft zo niet. Doch sommigen houden zo voor echt. \'t Is ecue gepaste , welluidende tegenstelling tegen dn eerste zinsnede.

J) nrm i1? ro^m mm r^m. LXX : K*)

It t ; tv:;-- t - I • v: v ;

quot;Appxy, t:c (luie, •/.%( s^oyhö\'/i xi/rü sU Evonzoo

Paulus Hom. 4: 3.

-ocr page 786-

762 § 20 HET GELOOP GEREKRND TOT RECHTVAARDIGHEID.

des zegens, ofsclioon hot voor het uitwendige naar de vervulling er van niet in het minste geleek. H\\j hield zich vast aan den Onzienlijke, hij hield God bij zijn Woord\'). Hij zag af van zich zeiven en van al het zichtbare en zag alleen op den Heere en zijne genade , niet twijfelende. God was zijn God , zijn schild en zijn loon, Hij was Gods kind , bij God aangenomen, dat geloofde Hij , daarvan was hij bij zich zeiven ten volle overreed door het zeggen Gods.

En de Heere rekende het hem [tot] gerechtigheid. Het is eene gerichtsscêne, een rechtstooneel2). God rekent met Abraham, Hij vonnist, en de uitspraak luidt: Abraham is rechtvaardig naar het oordeel en in de oogen des Heeren.

Bij deze rekening konden Abrahams werken niet in

Vau Pinehas\' moedige daad zegt do Scbrlft niet dezelfde uitdrukking Ps. 106 ; 31 : En het is hem gerekend tot gerechtigheid. Waarvan Fr. Ridderus, Schriftuur]. Licht. Vijfde Deel. p. 59 (Rom. 4: 3) zegt: »ln Abraham werd de persoon gerechtvaardigd, in Pinohas de daad die hij deed.quot; Vergel. Dezelfde, Tweede Deel p. 953. De rechters deden hunnen plicht niet, maar stonden slechts te wceuon (Num. 25 : 5 , 6). Toen oefende Pinehas gerichte , hoewel geen rechter zijnde. Dat was geen voorbaiige ijver , maar hij deed hot op aandrift des Heiligen Geestes [Calvin. (Joraiuentar. in Ps. 100: 81) en God nam het op als eene daad dor gerechtigheid en beloonde het hom gena-delijk mot hot. Hoogepriesterschap bij zijne familie (Nam. 25 : 13) , waardoor hij intusschen oolc getuigenis verkreeg dat hij een kind Gods was, voegen ouzo Kanttcekenaars (Ps. 106 : 31) er bij.

\') Hior was bot: Und ob mein Herz spracli\' lanter Nein, Soil doch dein Wort gewisser sein.

-\') Nequo enim quid de illo homines senserint, Moses recitat, sod qualis apud Dei tribunal habitus fuerit. Calvin. Comment, in Rom. 4 : 3.

-ocr page 787-

§ 20. HET GELOOF GEREKKND TOT RECIITVAAItUIGIlEID, 763

aanslyg komen ; hij was een zondaar uit zondaren. Maar ook zijn geloof •) kon op zich zelf de gerechtigheid niet zijn : want anders behoefde het niet tot gerechtigheid gerekend4) te worden. Zijne gerechtigheid was in den Heere , in wien hij geloofde. „Dit is vooral vast te houden : Het geloof ontleent de gerechtigheid waarvan wij in ons zeiven verstoken zijn van elders: anders kon Pau-lus het geloof niet tegen de werken stellen , Rom. 4 : 3 v.v. God schenkt ze. En de wederkeerige betrekking tusschen de genadige belofte en liet geloof laat geene onzekerheid over.quot; (Calvijn). ïe recht teekenen onze Statenvertalers bij Gen. 15: ü aan: „God heeft uit loutere genade hem, die geene gerechtigheid had in zich zeiven, om voor zijn gerichte te bestaan, voor rechtvaardig geacht door het geloove aan zijne belofte en den beloofden Middelaarquot;, de bron des zegens voor alle geslachten der aarde. „Iedere belofte Gods, herinnert Luther, sluit Christus in zich: want zonder dezen Middelaar zonde God met ons geheel niet handelen.quot; Abrahams geloof was dus wezenlijk, naar voorwerp en inhoud

\') Calvin. Commentar. in Gon. 15: 6: Mosos urm significat istam fidem primam fuisse justitiae causam, quae officious dicitin, sod formalem duutaxat.

0 Cremer, Wörterb. der N. T. Griic. 2to Aufl, S. 400: Es wird auf das botrefloude Subject elvviis übertragou und ihiu bc-rcchuot, was ibm au und für sich uiclit oiguet; bei \'Acyi^STÓixi ti tiyi £(? ti wird der Person otwas in Aurechuung gebracht per substitutiouem. En zoo is bet een xoyi^stöxi hxtx xxpiv (Roiu. 4; 3 , 4). —- Overigens wordt. ?.oyi^STÖiXi eveu als

- T

rekenen, toerekenen , aanrekenen in rorschillende opzichten gebezigd , gelijk do lexicaleeren.

-ocr page 788-

7G4 § 90. het geloop gehekend tot kechtvaardigheid.

hetzelfde als dat der Christenen na de komste van het Zaad , hetwelk is Christus , Die ooeryeleverd is om onze zonden en opgewekt om ome rechtvaardigmaking , Rom. 4: 25. En zegt de Apostel Rom. 5: 18; Door féne rechtvaardigheid [komt de genade] over alle menschen tot rechlvaardigmaking des levens , gelijk door ééne misdaad [de schuld gekomen is] over alle menschen tot verdoemenis : zoo is ook Abrahams rechtvaardigheid geene andere geweest dan die ééne rechtvaardigheid van den tweeden Adam.

§ 21. Wat het geloof daarbij doet.

In hoedanige innerlijke verhouding het geloof tot de rechtvaardiging sta , hoe het bij de rechtvaardiging invloeie en werkzaam zij gt;) en wat het eigenlijk daarbij doe, daarover hebben ook onze Godgeleerden zich niet op eenerlei wijze verklaard. Doch allo rechtzinnigen komen hierin overeen , dat zij alle zulke voorstellingen afweren, door welke het geloof tot eenen grond , tot eene verdienende oorzaak der rechtvaardiging wordt gemaakt.

Met Calvijn1) leert onze Kerk, dat het geloof is een bloot instrument of middel van ontvang, van aanneming. Neclerl. Belijd des Geloofs, Art. XXII: Wij zeggen ten rechte met Paulus, dat wij door het geloof alleen of

1

) Calvin. Instifc. III. 11. 7: Fides — iuatrumontiim est. duntaxat percipioudao justitiae ; — Christus materialis ost cansa, tantique beneficii auctor simul et minister.

-ocr page 789-

g 121. WAT HET GELOOF DAARBIJ DOET.

DOOR HET GELOOF ZONDER DE WERKEN GERECHTVAARDIGD WORDEN. Doch wij verstaan niet , dat hel, om eigenlijk te spreken, het yeloove zelf is dat ons rechtvaardigt: want het is maar een instrument , waarmede wij Christus, onze rechtvaardigheid, omhelzen — — en dat ons met Hem in de gemeenschap aller zijner goederen houdt, dewelke , onze geworden zijnde, ons meer dan genoegzaam zijn tot onze vrijspreking van onze zenden.

Dus een aannemen, by het eerste geloof. Joh. 1 : 13: Zoo velen Hem aangenomen hebben , dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden , [namelijk] die in zijnen gelooven. £n een vasthouden, bij voortgezette geloots-oefening\'). Opdat ik in Hem gevonden worde, niet hebbende mijne rechtvaardigheid die uit de U ei is, maar die door het geloove in Christus is , [namelijli] de rechtvaardigheid die uit God is door het yeloove , Fil. 3 : 9. Zoo blijft de band , door Gods liefde gelegd, en de Goddelijke daad der verzoening in den dood zijns Zoons werkt voort. Heeft Christus door zijnen dood voor ons zondaren de gerechtigheid verworven , Veelmeer dan, zijnde nu gerechtvaardigd (de rechtvaardiging is ééno, zonder verschillende graden of trappen) door zijn bloed, zullen tcij door Hem behouden ivorden van den loom, Kom. 5:9.

765

Intusschen wanneer wij het geloof als instrument, als werktuig bij de rechtvaardiging aanmerken , dienen wij

\') Calvin. Coramontar. in Hom. 1: 17: Oöertur justitia por Evangelium et fide percipitur. Quantum progreditur fides nostra, quanlumque in hac coguitioue proficilur, simul augoscit lu nobis Dei justitia el quodammodo saueitur ejus possessie.

-ocr page 790-

§ 21. WAT HET GELOOF DAARISIJ DOET.

nog wat nauwer to letten, in welk eenen zin dit magi).

Hot geloof is niet het instrument of middel voor God, door hetwelk Hij ons rechtvaardigt. Het werktuig of middel, waardoor God den mensch in zijne conscienlie rechtvaardigt , is hot Woord , hetwelk is de stemme Gods.

Maar voor cloi mensch is het geloof het instrument of middel en wel alleenlijk, gelijk boven roods werd gezegd, werktuig of middel van ontvang , van aanneming, ja nog nader, \'t is het aannemen en ontvangen zelf. En wel door hooren. Het geloof is uit het gehoor , en het gehoor door hot Woord Gods (Rom. 10: 17). God spreekt, de mensch hoort. God, de Souverein on Rechter spreekt den schuldige vrij van schuld en gerechtigd lot het eeuwige leven door genadige toerekening van Christus\'voldoening, en door zijnen Geest wordt het den mensch gegeven, hierop ja en amen te zeggen , innerlijk overreed van de waarheid en doordrongen en overmocht vau de kracht der Goddelijke getuigenis.

Zóó bmngt dan hel geloof er niets toe bij voor God , dat Hem bewegen zou om den mensch te rechtvaardi-gen*); zoo blijft de rechtvaardiging eene zuivere genadedaad Gods , zóó de gerechtigheid van Christus de eenigo, onvermengde grond der rechtvaardiging. Het geloof is niet de grond , noch een deel daarvan

Men kan het geloof wel eene voorwaarde tot onze rechl-

\') P. Van Mastncht, Godgol. HI. p. 332. v. 353. B. Pic-tet, Godgel. XI. Uock Vil Hoofdst. II. Deel p. 107.

2) Vergel. Comrie, Heidelb. Gat.. 1844. II. p. 258: Bij do rechtvaardiging is bet goloof alleen eeu lijdelijk ontvangend werktuig.

76G

-ocr page 791-

§ 21. WAT HET GELOOF DAARBIJ DOKT 767

vaardiging noemen, mits geene Arminiaansche voorwaarde; het is voorwaarde of eisch van het genadeverbond. Het verbond der werken eischt werken, het verbond der genade eischt i) geloof in den Heere Jezus Christus, dewelke onze is, wanneer wij in Hem yelooven (Nederl. Belijd, des Gel. Art. XXIII), — als hadde ik zelf al de yelioorzaamheid volbracht, die Christus voor mij volbracht heeft, zooverre ik zulke weldaad met geloovujen harte aanneem (Heidelb. Cat. Vr. 60). God heeft naar zijn vrijmachtig welbehagen deze orde alzoo gesteld.

Het geloof heeft dus in zich zelf de kracht niet oin ons te rechtvaardigen. Het geloof is onze gerechtigheid niet. Het geloof is Christus niet1) , maar is het aannemen van Christus (Joh. 1 : 12. Koloss. 2 ; 6) met al de schatten zijner verdiensten. Wordt een arme door eene groole gifte met eenmaal rijk , dan is het niet het aannemen van die gifte wat hem rijk maakt, dat doet de gifte die hy ontvangt en niet de daad van zijne hand.

§ 22. Geloof als deugd ?

Naar de Arminiaansche voorstelling , die gewijzigd en o;:der andere bewoordingen thans wederom bij velen zich voordoet, wordt niet eigenlijk do gerechtigheid van Christus ons toegerekend, maar God wil naar zijne genadige belofte ons het geloof tot gerechtigheid wegens Christus toereke-

1

) Calvin. Instit. III. 11. 7.

-ocr page 792-

§ 22. HET GELOOF ALS DEUGD?

nen •), En ofschoon zij, die aldus leeren, verzekeren dat eigen verdienste daarbij is uitgesloten, beweren zij intus-schen met nadruk, dat het geloot in zake der rechtvaardiging wel degelijk een werk is van onze gehoorzaamheid, ja dat het de werken , welke het voortbrengt, en geheel de evangelische gehoorzaamheid insluit. Het geloof is dan volgons hen de gehoorzaamheid aan het Evangelie2), is de ware deugd , en deze, in de beginselen reeds aanwezig en voor hot overige door God vooruitgezien, wordt door God genadelijk wegens Christus\' gerechtigheid den monsch voor goed toegerekend.

Maar zoo wordt het geloof weer tot een werk gemaakt. Uit de werken echter zal geen vleesch, geen levend mensch gerechtvaardigd worden. Het geloof is geen deugd noch verdienste, maar het einde van alle eigen deugd als niet deugende , doch het is meteen ook het beginsel van allo ware deugd.

768

I. Die gerechtvaardigd wordt, is tot de erkentenis gebracht, dat al zijne deugd in de oogen van don heiligen Gods niets is dan zonde, een wegwerpelijk kleed, naar het Woord dos Ileeren Jez. 57: 12 ; Ik zal uwe gerechtigheid hekend maken en uwe werken, dat zij u geen nut doen zullen. Alle eigen deugd en het vertrouwen daarop heeft dan een einde genomen , en zoo allien , gansch ontbloot en ledig gemaakt van eigen goed en bezit, kan men de genade in Christus ontvangen.

\') Fhil. a Limborch , Theol.\'Christ. Lib. V. Gap. XL § iO : Ncc justitia Christi pvoprie nobis imputatur : sod propter justi-tiam Christi nobis a Doo gratiose justitia imputatur cott. ■gt;) Idem. Lib. V. Cap. IV. § 39.

-ocr page 793-

§ 22. HET GELOOr ALS DEUGD ?

2, Maar tegelijk is het geloof het begin en beginsel van alle ware deugd, krachtens het innige verband tusschen de rechtvaardiging door het geloof en de heiligmaking.

a. Want het ongeloof tegen Gods Woord is de bron en wortel van alle kwaad, losrukking van Gods Woord is de eerste afval van God, waaruit de verdere, bijzondere overtredingen tegen Gods wil en wet voortvloeien i): het geloof, de hartelijke aanneming van, de buiging onder, de onderwerping aan Gods Woord is de aanvang van en de drijvende kracht tot gehoorzaamheid.

b. In het hart, waar het geloof gewerkt is, woont de Werker, de Heilige Geest, die den geloovige tot Christus\' evenbeeld vernieuwt (Heidelh. Catech. Vr. 86), die hem, vrijgemaakt van de straf der zonde en met het kinderlijk erfrecht des levens begiftigd, nu ook begint vrij te maken van de heerschappij der zonde en van het verderf dat de zonde in hem heeft aangericht. „Want tot dit einde worden wij gerechtvaardigd , opdat wij in reinheid des levens God dienen1).quot; Ook hierom is dus de heiligmaking geheel onafscheidelijk van de rechtvaardiging. En omgekeerd: vóór de rechtvaardiging is er geen ware heiligheid mogelijk. De wilde vruchtboom, vóór dat er een edel entrijsken is ingezet, brengt slechts wilde vruchten voort en al het gebieden om betere te dragen baat niet, maar door enting veredeld en een goede boom geworden , brengt, hij van zelf, naar zijnen aard , goede vruchten voort op zijnen tijd.

c. Voorts, wie vergeving van zonden gezocht en ge-

\') Calvin. Instit. III. 18. 10.

2) Calvin. Commontar. in Rom, 6:2.

Gravomeijor, Gcref. Gel. loer. II.

769

49

-ocr page 794-

§ 22. HET GELOOF ALS DEUGD ?

vonden heeft, die heeft immers vooraf het bittere van de zonde .gesmaakt, die is de zonde zat , die is het moede haar te dienen en wil zich gaarne houden aan zijnen nieuwen genadigen Eigenaar en Heer en doen wat dezen behaagt. Wie van harte gelooft, dat om zijner zonden wil de Zoon Gods zoo onuitsprekelijk aan lichaam en ziele heeft geleden , die kan van de zonde zijn werk niet meer maken , hij haat ze, hij is van haar gescheiden. En wel krachtens zijne rechtvaardiging: daar hij voor God gerechtvaardigd is , heelt de zonde alle recht op hem verloren , hij is voor haar als oene doode. Al de geloovigen spreken met den Apostel Hom. ö: 1 : Wat zullen wij dan zeggen ? Zullen wij in de zonde blijven , opdat de genade te meerder worde ? 2. Dat zij verre. Wij, die der zonde gestorven zijn , hoe zullen wij nog in dezelve leven ?

Hieruit blijkt ten klaarste dat de rechtvaardiging uit genade door het geloove in Christus zonder werken niet tot zedeloosheid leidt, waarvan men in Paulus\' dagen en later gedurig haar verdacht maakte. Integendeel zij is de bron van ware legaliteit en moraliteit (Rom. 3 : 31).

Zij komt aan de diepste en dringendste behoeften van het zondaarshart te gemoet en is het afdoende antwoord op de vraag: hoe zal ik voor God bestaan ? hoe word ik zalig ? Zij ontneemt den mensch allen roem en verheerlijkt de souvereiniteit en vrijmachtige genade Gods.

Zij is naar al hare betrekkingen in de Schrift gegrond en van alle zijden met veelvuldige strenger, onlosmakelijk daarin vastgehecht en met al de andere fundamenteele waarheden allernauwst verbonden.

Was het Paulus gegeven , haar in het allerhelderste

770

-ocr page 795-

§ 22. HET GELOOP ALS DEUGD ? 771

licht te stollen, geenszins was dit bij hom enkel polemiek , verzet en weerspraak tegen de Joden , zoodat deze leer enkel voor een formeel on temporcel, alleen voor den toenmaligon tijd passend en geldend bestanddeel van het Apostolisch geloof moest worden gehouden , zooals men het wel heeft willen doen voorkomen. Deze leer is van alle kanten en in alle opzichten zoodanig met de grondideeën des Christendoms saamgogrooid en, recht verstaan, zoo verheven boven eene bloot tijdelijke waarde en geldigheid , dat de Reformatoren , Luther voorop , recht hebben gedaan , toen zij dit dogma , dit leerstuk , voor het materiëele , zakelijke hoofdbeginsel van geheel hunne leer, voor het opperste punt dor Christelijke heilsleer verklaarden , waarmede zij het Roomsche samenstel van boetedoeningen en goede werken en in het gemeen alle eigengerechtigheid onder de leiding des Hoeren zoo zegevierend hebben bestreden.

-ocr page 796-

, I

quot;

......

.

m

\' .....

-ocr page 797-

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

HEILSORDE. III: HEILIGMAKING.

§ 1. Verandering door het geloof.

Christus is ons van God worden niet alleen rechtvaardigheid, maar ook heiligmaking (1 Kor. 1 : 30), zoodat de geloovige ook van eigene heiligheid niet roemen kan dan in den Heere , van wien hij ze heeft. Het schenken en toeëigenen door God van Christus\' gerechtigheid, de rechtvaardiging , gaat vóór de heiligmaking. God rechtvaardigt zondaren niet om hunne bij Hem beslotene en voorgeziene heiligheid, allerminst als geheel of gedeeltelijk gewrocht van hun eigen wil: Hij rechtvaardigt den goddelooze. Eerst de rechtvaardiging, dan de heiligmaking. Op de rechtvaardiging heeft de heiligmaking niet den minsten invloed, des menschen aanstaande heiligheid ook als gave en werk dés Heeren komt bij de rechtvaardiging niet in rekening, maar alleen de gerechtigheid die Christus eens volbracht heeft.

Rechtvaardiging en heiligmaking zijn niet alleen niet te

-ocr page 798-

774 § 1. VERANDERING DOOR HET GELOOF.

verwisselen , maar ook niet te vermengen. Zij vloeien niet in één. Beide moeten zuiver en scherp worden onderscheiden Evenwel niet gescheiden. Het is niet zoo dat er na de rechtvaardiging eersteen tijd verliep eer de heiligmaking begon en dat iemand reeds een tijdlang gerechtvaardigd kon zijn zonder geheiligd. Beide genadeweldaden zijn ten nauwste aan elkander verknocht\'). Bij den Profeet Za-charia 3:3—7 worden den Hoogepriester Jozua eerst zijne vuile kleederen afgenomen en tvisselkleederen hem aangedaan , en daarop , maar ook dadelijk, volgt het woord van den wandel in de wegen des Heeren.

Degenen, dio de God des vredes door het geloof rechtvaardigt en tot kinderen in zijn huisgezin aanneemt, heiligt Hij ook. Met het oprechte geloof gaat dus in den mensch eene groote verandering gepaard. Door de rechtvaardiging wordt hij overgebracht in eenen anderen staat, door de heiligmaking wordt hij veranderd van bestaan. Want het geloof vereenigt ons met Christus, de bron van het geestelijke leven, en sluit alzoo de wedergeboorte in zich.

De ware geloovigen zijn wedergeborenen , waarvoor zij den Vader niet dankzegging prijzen 1 Petr. 1:3: Geloofd zij de God en Vader omes Heeren Jezus Christus, die naar zijne groote barmhartigheid ons heeft wedergeboren, tot eene levende hope, door de opstanding van Jezus Christus uit de dooden. En tot de geloovigen is het v. 23 : Die gij wedergeboren zijt niet uit vergankelijken, maar [uit] onvergankelijken zade, door het levende en eeuwig blijvende Woord Gods,

Nederl. Belijd, des Geloofs Art. XXIV: Wij gelooven

\') Vijftiende Hoofdstuk § 22. bl. 769. v.

-ocr page 799-

§ 1. VERANDERING DOOR HET GELOOF.

dat het tvaaracMig cjeloove, in dm mensch gewrocht zijnde door het gehoor des Woords Gods en de werking des Heiligen Geestes, hem wederbaart en maakt tot een nieuiven mensch, en doet hem leven in een nieuw leven en maakt hem vrij van de slavernij der zonde quot;). Aldus onze Belijdenis geheel in overeenstemming met Calvijn. Weshalve het geloof ook de werktuigelijke oorzaak dor levendmaking2) wordt genoemd.

En dit heeft zijne diepe gronden. Namelijk, de mensch ligt onder het oordeel des doods, des lichamelijken, geestelijken en eeuwigen doods. Hij is een veroordeelde, naar het Recht Gods. Hij leeft wel een natuurlijk leven, maar is al meer \'en meer stervende en daalt al dieper in den dood , om ten laatste in den eeuwigen dood te verzinken. Ja zijn leven , in gescheidenheid van God , is geen waar leven , is een schijnleven slechts, hij is dood door de misdaden en zonden (Ef. 2: 1). Hij kan, naar de rechtvaardigheid Gods , het ware leven niet ontvangen of het oordeel des doods moet van hem worden weggenomen. Christus nu , de Zoon Gods , hoeft, naar den eeuwigen liefdewil des Drieëenigen , dat oordeel voor en in plaats van al de uitverkorenen volledig overgenomen, ondergaan en afgedragen. In de rechtvaardiging brengt de Vader dit feitelijk op den mensch over , rekent het hem gena-

\') Calvin, histit. Lib. III. Cap. 3 heoft ten opschrift: Dat wij door het yeloof ivorden ivederyeboren, Fide uos regenerari: ubi do poonitentia , of Van do bekeeving. In welken zin hij hier de bekeering verstaat blijkt uit III. 3. 9 : Poenitentiam inter-pretor regenerationem, cujus non est alius scopus uisi ut imago Dei--in nobis reformotur. Zie Veertiende Hoofdstuk § 3. bl. Cl 6.

\'-) P. Van Mastricht, Godgel. III. p. 413. 11. Witsius, Oocou. Lib. III. Cap. 12. § 81.

775

-ocr page 800-

776 § 1. VERANDERING DOOR HET GELOOF.

delijk toe, als hadde hij zelf aan het Recht Gods genoeg-gedaan. Hy wordt van het oordeel des doods ontlast, hij wordt rein verklaard en rechtvaardig gesproken in Christus gerechtigheid : de dood wijkt, het leven komt, want het is eene rechtvaardiging ten leven (Rom. 5: 18), hij wordt uit den dood in het leven gebracht, de dood heerscht niet meer over hem en hij gaat in Christus leven, die zijn Hoo-gepriester is en nu ook als Koning hem komt regeeren.

Aldus is Christus de fontein des levens. Het geloof nu vereenigt ons met die bron. Gelijk echter vóór en zonder het geloof geen mensch een gerechtvaardigde is, maar alleen door en uit het geloove: zoo kan er ook geen zweem van het waarachtige leven in iemand zijn die niet in Christus gelooft. Maar is het geloof gekomen , dan is het leven er ook. De geloovige ontvangt en omhelst Christus geheel en onverdeeld gt;). Christus is zijne gerechtigheid , maar even daardoor en daarmede ook zijn leven. De genadegifte is het eeuwige leven ; het geloove neemt de gifte aan, in de belofte , als toegekend recht en toegezegde kracht. De geloovende ziel ontvangt het leven. En het leven komt aan \'t licht en werkt dadelijk: de nieuwe mensch begint te ademen. Wie gelooft, die heeft het eeuwige leven , die is uit den dood overgegaan in het leven , Joh. 5: 24.

Maar moet men niet zeggen : de levendmaking gaat vóór het geloove, het geloof veronderstelt leven ? Want hoe zal een doodegelooven? hoe zal iemand, die alle geestelijk leven nog mist, Christus aannemen en zich aan Hem verbinden2)?

\') Veertiende Hoofdstuk § 10. bl. 631 v.

2) Al. Comrie, Heidolb. Catoch. ed. 1844 II. p, 259 komt

-ocr page 801-

§ 1. verandering door het geloof. 777

Hierop moeten wij al aanstonds herinneren: het recht ten leven wordt eerst in en door de rechtvaardiging uit het geloove in Christus verkregen ; zoolang iemand niet gerechtvaardigd, is, mist hij alle recht tot leven , en hij kan niet eerst geestelijk levend gemaakt worden en dan het recht tot het leven ontvangen : dies is er ook geen leven in hem zoolang hij niet door het geloove in Christus het recht daartoe heeft. Het staat vast: geen leven buiten Christus.

Voorts lost zich het bezwaar op, wanneer wij slechts goed en scherp in het oog houden, dat het geloof is Gods gave, het werk des Heiligen Geestes. De Vader geeft in de ure zijns welbehagens Christus aan den zondaar. Hij openbaart zijnen Zoon in het hart, Hij eigent aan den mensch den

tegen degenon op die uit de woorden (Joh. 3: 36); Die in den Zone gelooft , die heeft het eeuwige leven ivillen besluiten, dat het geloof in den Zoon voorafgaat en dat men het leven na dat geloof in den Zone verkrijgt. Comrie heeft wol gelijk , wanneer men van dit na eene spatie maakt; hot leven komt niet een tijdlang na het geloovo , maar met en door dit. Intusschon deze Godgeleerde herinnert: Er staat niet: Die in den Zone gelooft , zal het leven krijgen , maar hij heeft het aireede — — en dus is het dadelijk gelooven in den Zoon een allerduidelijkst blijk en bewijs, dat hij , die zulks doet, alvorens levend geweest is. Maar dat staat er ook niet. Zoo min daar gezegd wordt: hij zal het eeuwige leven verkrijgen of zal leven (hetwelk wól kon , vergel. Joh. 11 : 25. Rom. 1 : 17) , evenmin is het: hijhadreeds het eeuwige leven (hetwelk niet kou). Wij hebben hier tweo tegenwoordige tijden : dié gelooft — heeft het leven. Dus geloof en leven zijn tijdgenooten. Is hot geloof daar, het leven is er ook. Maar in orde gaat het geloove vóór; het geloof heeft het leven in zijn gevolg. Vergel. Joh. 5: 24. Dit wordt ook bijzonder vastgehouden door Brakel, Red. Godsd. I. Cap. XXXII. § 12.

-ocr page 802-

778 § 1. VERANDERING DOOR HET GELOOF.

Middelaar metterdaad toe juist doordat de Heilige Geest door het Woord het geioove in hem werkt en het hem geeft om Christus aan te nemen en te ontvangen tot zijne gerechtigheid en zijn leven. Dit is ééne eenige genadedaad Gods. Maar in deze daad is, overeenkomstig het bovengezegde, dit de vaste orde: eerst gerechtigheid, dan leven. Dus doordat en met dat Gods Geest het geioove in den mensch werkt en hem met Christus vereenigt, maakt Hij hem levend. Zoo vangt het nieuwe leven aan, een leven in Christus, een leven door het geloof; niet geloof door leven, maar leven door geloof\'). Nu is hot: Ik hen met Christus ye-kruist. Kn ik leef, [doch] niet meer ik, maar Christus leeft in mij: en hetfjene ik nu in het vleesch leef, dat leef ik door het geioove des Zoons Gods, die mij lief gehad heeft en zich zeiven voor mij overgegeven heeft. Gal. 2 : 20.

§ 2. Wedergeboorte.

Een gerechtvaardigd mensch is ook een wedergeboren mensch. Want in het oogenblik , waar iemand geloovig wordt, wordt iiij gerechtvaardigd en in hetzelfde oogenblik wedergeboren. Want wordt hem door God in Christus , door genadige toerekening van Christus\' gerechtigheid die de voldoening is van Gods Rechtvaardigheid, het

\') Calvin. Commentar. in Joh. 3:3: Spiritualis vita fide iu hoc mundo iuchoatur, magisque iu dies adolescit secundum assiduos fidei progressus. Luther, Vorrede zum Eömei\'br.: Glaubu ist oin göUlichos Werk iu uus , das uns wandelt und nen gebioret aus Gott und tödtet den alten Adam, machot uns ganz andere Menschen, von Herzen , Muth , Sinu uud Krüften und briugot don Heiligen Geist rait sich.

-ocr page 803-

§ 2. WEDERGEBOORTE.

recht tot het leven geschonken, dan wordt hij ook dadelijk het leven deelachtig. Is hij in het recht tot het goed gesteld , dan wordt hij zonder tusschenstand ook gesteld in het bezit. Hij komt in \'t leven , hij wordt geboren, andermaal geboren , geboren uit den Geest. Hij wordt uit den dood in Adam overgebracht tot het leven in Christus, oen nieuw, geestelijk leven. Onttrokken aan het rijk des Satans , komt hy in het koninkrijk Gods te voorschijn. En daarmede vangt zijne heiligmaking aan. Het nieuwe , dat nu in hem is, is een waarachtig leven en licht, en wijl het zich over den ganschen mensch uitbreidt, wordt het in de Schrift de nieuwe mensch genoemd.

De nedergeboorte is dan de van den Vader door den Heiligen Geest gewerkte overgang tot een geheel nieuw bestaan , tot een leven voor God als burger van het koninkrijk Gods , als lid van de gemeente, aan welke de Vader Christus tot Hoofd heeft gegeven.

Door den namp;txm wedergehoorte worden hoofdzakelijk twee punten duidelijkst aangetoond. Vooreerst, dat het eene verandering is niet bloot van werken maar van levensgrond, ten andere, dat het geen daad is van eigen wil en kracht maar gansch en al do vrucht van eene bijzondere iver-hing Gods. Onder de menigerlei bijzonderheden, dio men van do wedergeboorte bijbrengt, zijn deze twee punten wel de hoofdzaak , waarop het aankomt.

1. Het is eene geheele verandering van bestaan. Het is geen enkele verbetering. De mensch wordt daardoor in den grond veranderd. Hij wordt klein als een kindeken (Matth. 18; 3), ja hij verliest zijn eigen loven, hij sterft aan zich zelven , hij wordt voor zich zeiven dood , en wordt overgezet in een geheel nieuw leven, een leven,

779

-ocr page 804-

§ 2. WEDERGEBOORTE.

hetwelk van nature niet verborgen in hem school en, alleenlijk gebonden , in hem lag , zoodat er slechts eene ontbinding en losmaking noodig was om het aan het licht te doen komen, maar hetwelk zoo ganschelijk niet in den mensch is , dat het van voren aan in hem beginnen en opkomen moet. Het is eene geheele verandering in zijne denkwijze, in zijne gevoelens en gezindheden , in gewaarwordingen en neigingen, in bestaan en dienvolgens ook in gedrag , in geheel zijne betrekking en verhouding jegens God. God heeft in de rechtvaardiging zich •) in

\') Schleiermacher, Igt;er Christl. Glaube, 3te Ausg. II. § 107 S. 165 f, on § 109 S. 190. ff. brongt alles alleen tot oeno verandering van do betrokking des monschou tot God , niot van God tot don mensch. Naar hom rechtvaardigt God den zich ho-keerenden, d. i. Hij vergeeft hem de zonden ou erkent hem als zijn kind. Deze vorandoring van zjjne betrekking tot God heeft alleen plaats zoover do mensch hot ware geloof in den Verlosser heeft. (S. 190). Met de zondenvorgeving en hot kindschap is de mensch een voorwerp des Goddolijkon welgovallens; dit wordt hij niot eerdcï dan terwijl hij Christus geloovig aanneemt. Darin liegt aber keineswegcs, dasz er vorher ein Gegenstand des göttlichen Miszfallens oder Zornes sei, demi dergleichen giebt es nicht (S. 201).

Dit is wederom eene vermenging van de rechtvaardiging met de wedergeboorte eu de heiligmaking. En ditzelfde komt meer of min bij al die nieuwere Thoologou uit, dio door Soh1oior-macher geïnfluenceerd zijn. Ook bij Ebrard, Christl. Dogmat. II. S. 315, dio zelfs meent, dat Gal. 6: 14—ltgt; de rechtvaardiging en de verzoening en de vrede rechtstreeks hiervan afhankelijk worden gemaakt, dat iemand een nieuw schepsel {xxivvi UTiiris) is. Naar hem (a. W. II. S. 311) wordt de nieuwe mensch gerechtvaardigd , terwijl de Schrift loert; God rechtvaardigt don goddelooze. Die Wiedergeburt , zegt bij (II. S. 315), cis Akt Christi an uns ist die Uusache (causa efficiens) der Rechtfcrügung;

780

-ocr page 805-

§ 2. WEDERGEHOORTE.

eene andere betrekking tot hem gesteld , is zijn Vader geworden , meteen wordt nu ook door Hem de mensch in eene andere betrekking tot Hem gesteld. Hij leefde zich zeiven , hij was dood voor God, nu begint hij voor God te leven , als Gods kind. De overbrenging tot dat ware leven is de wedergeboorte \').

Het is eene geboorte. Gelijk door de natuurlijke geboorte de mensch ter wereld komt, hier op aarde verschijnt en lid wordt van de menschelijke maatschappij , deelgenoot van de dingen en werken dezer wereld : zoo komt hij door de wedergeboorte in het Genaderijk Gods en wordt lid van eene hoogere, geestelijke maatschappij, van de gemeente Gods , wier Hoofd Christus is, wordt bekwaam en vatbaar voor geestelijk werk en genot, over-

er theilt sein Leben uns mit und entzündet etn neues Leben in uns, er, der Bami des Lebens durchströmt die Reiser mit seinem Sufte, er in uns, wir in ihm. En op dien grond geschiedt do rechtvaardiging. Dus eerst wedergeboren, dan gerechtvaardigd. Geheel naar Schleiorinacher, a. W. II. 167. f.: liechtfertigung setzt et was voraus in Beziehuny tvorauf jemand yerechtfertigt ivird; und da in dein hüchsten IV es en kein Irrthum müglich ist, so wird angenommen , zivischen dem v or her und jetzt sei dein Menschen etwas heg eg net . wodurch das friihere güttliche Miszfallen aufgehohen wird und ohne welches er nicht habe kunnen ein Gegenstand des göttlichen Wohlgefallens werden.

\') Hij de oude Protestantsche Godgeleerden wordt het woord wedergeboorte in ruimeren en in nauw eren zin gebruikt. In ruimer zin van geheel do verandering des menschen in al de stadiön harer ontwikkeling, zoodat bekeering, geloof en heiligmaking daarin begrepen zijn. In nauwer zin van den aanvang des nieuwen , geestelijken levens , waar dan de bekeering zich aldus van do wedergeboorte onderscheidt, dat de wedergeboorte do scheppende daad Gods beteekent die het nieuwe leven werkt,

781

-ocr page 806-

§ 2. WEDERGEBOORTE.

cenkomstig zijne oorspronkelijke bestemming om God te kennen , liet te hebben en te dienen en zich daarin gelukkig en zalig te voelen.

En dit alles in Christus. De wedergeborene leeft en werkt in en uit en naar Christus, als lid in het lichaam, welks Hoofd Christus is. Het nieuwe leven is een loven des geloofs. En dit leven des geloofs is een leven van innerlijke vereeniging en gemeenschap met Christus en in en door Hem met God \'). Hij in ons en wij in Hem. Christus is in de geloovigen (Rom. 8: 1U), leeft in hen

terwijl do mensch zich daarbij geheel lijdelijk verhoudt, do he-keering daarentegen don mensch als mot bewustheid en wil werkzaam vertoont. Vergol. Ebrard, Chr. Dogm. II. § 447. S. 329. Gelijk ook in de Dordr. Leorreg. Hoofdst. HI. en IV. De Leere, Art. 12 geloord wordt: Alsdan (na do wedorgoboorte) ivordt de wil, zijnde nu vernieuwd, niet alleen van God gedreven en \'oe-wogen , maar , van God bewogen zijnde, werkt hij ook zelf: waarom ook te recht gezegd ivordt, dat de mensch door de genade, die hij ontvangen heeft, gelooft en zich bekeert. Vergol. Bretschneide\'1, Handb. der Dogm. II. § 178. S. 525. f. Hase, Hutter, rodiv. § 111. 3to Aufl. S. 287. Luthardt, Kompond. § 67. 2to -Aufl. S. 211. Over do verschillende opvattingen van wedergeboorte en bekeering en over bet ongelijk gebruik van beide uitdrukkingen bij de oude Gereformeerden haudolt nader Ebrard. Cb.r. Dogm. II. § 451. S. 344. ft\'. Vergol. ook Veertiende Hoofdstuk § 3. bl. 615.

\') Llnio mjjstica. De vereeniging mot Christus en in Christus met God is bij Socinianen, llemonstranton en allo llationaliston ingekrompen tot eeno blooto moreole harmonie, eene zedelijke vereeniging, overoonstoinming van wil en werken des bokoordon mot deu wille Gods. Rechtzinnige oude Godgoloerdon bobben dit punt mot zorgvuldigheid behandeld ; de Luthersche Quen-stedt in oen bijzonder geschrift. Dissert, de uniono fidelium cum Deo mystica. 1678, wtiarvan Bretschneider, Handb. der Dogm. H. S. 619 verslag doet.

782

-ocr page 807-

§ 2. wedergeboorte.

(Gal. ^ ; 20). De Geest Gods, die ook Geest van Christus is , woont in hen en leidt hen (Rom. 8:9, 14). Het is eene gemeenschap met den Vader en met zijnen Zoon Jezus Christus (1 Joh. 1: 3. Joh. 14: 23). En de ge-loovigen zijn in Christus Jezus (Rom. 8:1), zijn in den lleere (Rom. 1G : 11), zijn leden zijns lichaams, van zijnen vleesche en van zijne boenen (Ef. 5 : 30).

Ned. Belijd, des Gel. Art. XXXV : Degenen die weder-(Jehoren zijn hebben in zich tweeërlei leven: het ééne lichamelijk en tijdelijk , het welk zij van hiuuie eerste geboorte medegebracht hebben, en is allen menschen gemeen ; het a)idere is geestelijk en iiemelsch , hetwelk hun

Do Onzon hebbon tegouovor menigerlei dwalingen voor avo-rochtschc opvattingou gewaarschuwd. Zij herinneren; Het is geeue vereenigiug door vermenging der wezens als vim water en wijn : Christus eu de goloovige blijven als personen van elkander onderscheiden ; noch door substantifiele verandering , gelijk het water op de bruiloft te Kana veranderd is in wijn : Christus wordt niet getranssubstantiiierd in den Christen , noch een Christen in Christus , do geloovige wordt niet gechristificeerd of gedeïficeerd, niet in Christus of in God veranderd ; noch door eene onmiddellijke vereeniging, zooals de twee naturen in Christus, zonder tusschenkoniouden band, tot ééuen Persoon zijn vereenigd ; maar door oenen dubbelen, wedorzijdschon band: oorzakelijk door don Heiligen Geest in onzen geest, instrumenteel door ons geloof, hetwelk de Geest door het Woord in ous werkt, waardoor wij Christus aannemen (Joh. 1: 12) en vasthouden (Hoogl. 3 : 4). Christus grijpt ons aan door zijnen Geest, wij grijpen Christus aan door het geloove : zoo worden wij mot Hem vereenigd en groeien saam tot één , worden een geest mot Hom (1 Kor. 6; 17). P. Van Mastricht, Godgel. III. p. 299. v. p. 303. v.

Geheel in overeenstemming met Calvyn, die wol degelijk de

783

-ocr page 808-

§ 2. WEDERGEBOORTE

gegeven wordt in de tweede geboorte, welke geschiedt door het Woord des Evangeliums, in de gemeenschap des li-chaams van Christus, en dit leven is niet gemeen dan alleen den uitverkorenen Gods.

Het is eene levensgemeenschap. De vereeniging (unio rnystica) van Christus met de geloovigen is niet slechts eene ideale, denkbeeldige , maar eene reale, zakelijke en werkelijke , eene organische vereeniging , naar de Schrift als van wortel en takken , die samen eénen boom uitmaken , van wijnstok en ranken, van hoofd en leden, van ziel en lichaam, en zoo wederzijdsch in bezit, genot en werk als de huwelijksvereeniging van man en vrouw, Hoogl. 2 : 1G : Mijn Liefste is mijn en ik ben zijn.

uuio rnystica in deu hoogsten graad vasthoudt, maar als oene geestelijke vereeniging , spiritualis conjunctio , geen grove vermenging , crassa mixtura Chriati cum fidelibus, zooals Osiander stolde, ook in het heilige Avondmaal, Instit. III. 11. 10. Met Calvyn stemt in onze Nederl. Belijd, des Gel. Art. XXXV ; dat Christus ons toegeëigend en ontvangen wordt door het geloove m den geest.

Biedermann, Chr. Dogmat. 2te Aufi. II. S. 340 teekent aan: Die orthodoxe Dogmatik muss sich hemühen, üher die unio rnystica die gleichen Bestimmungen und Cautelen aufzustellen, wie üher die Vertinigung der beiden Naturen in Christo, dass sie weder (deïstisch) als eine bloss moralische Uebereinstimmung, noch auch (pantheïstisch) als eine commixtio , trans/ormatio , oder transsub-stantiaho, sondern als eine conjunctio substantiae hominis cum substantia Trinitatis zu f assen sei, als in habitatio des Sohns durch den h. Geist, und damit als eine unio mit dem Vater.

Overigens blijft hot eene unio rnystica. Het is oene verborgenheid , »welke wij niet ten volle zullen kunnen begrijpen of beschrijvenquot; , gelijk ook Al. Comrie, bekent, Heidelb. Catech. 1844. II. p. 26G. —

784

-ocr page 809-

§ 1. WEDEHGEBOOUÏE. 785

2. Dezo groote verandering is Gods iverk. Ook dat wordt door den naam geboorte , wedergeboorte zeer nadrukkelijk te kennen gegeven. Sterker en treffender kon het niet betuigd worden , dat het geen eigen werk des menschen is. Immers een lichamelijk geborene heeft zijn aanwezen in geenerlei opzicht aan zich zeiven te danken , het hing van hem niet af dal hij zou ontstaan en geboren worden: hij was immers niet alvorens hij werd. Hij is geworden geheel en al zonder zijn eigen toedoen. Zoo ook de uit den Geest geborene, de nieuwe mensch in den ouden. Hierbij aan eigen kracht en wijsheid , waardigheid en verdienste te denken, zou de onge-

Ebrard, Chr. Dogra. II. § 442. S. 309 vindt, in de Schrift geleerd : üasz Christus selber real and substantiell in uns hineinc/e-boren wird. S. 310: eine geheimniszvolle , inyst.isehe Substanz-mittheilung Christi an das substantielle Centrum des Menschen; Anfangspunkt eines neuen Lebens, der den ganzen Menschen erobern und verklaren soil, wie Senfkorn und Sauerteig. S, 321: Die Wiedergeburt bildet ein Seiten-und Gegenstück zur Mensch-wordung Christi. S. 323 : Es stromt vom Centrum Christi, von der seelisclien Substanz Christi. Leben und lebengebende Kraft in unsro seelische Substanz, in die substantielle JJasis unsers Seyns.

Desgelijks Delitzsch , liibl. Psychol. S. 333 : Die Aneignung menschlichen Wesens durch den ^ogos und die Eineignung des Logos in das nienschliche ist der ulnerschütterliche Gruud einer neuen Menschheit geworden , die an den Gottmenschen das schöpferische Princip nnd das überschwengliche Urbild ihros W\'erdens hat. S. 337 : Kraft des in ihm mit dom meuschlichen Wesonsbestande geeinigten owigen Wortes ist Christus schüp-fungskraftige Person , welche , soweit überhaupt der Abstand des Geschöpfes von Gott Gleichheit zuliisst, aus ihrom quot;Wesen her-aus Gleiches hervorbringen kann. — Zij volgen hierin Origenes on Schleiermaeher.

Gravomuijoi\', Gorof. Hul. luur. 11. amp;U

-ocr page 810-

§ 2. WEDEllGEBOORTE.

rijmdheid zelve zijn. Dit alles is hierbij len eenenmale, zoo gansch en al buitengesloten, dat de geborene zijne geboorte niet eens begrijpt. De oorsprong van alle leven , natuurlijk en geestelijk, Is een wonder in onze oogen , hetwelk wij niet doorgronden. Wie zal de verborgene , geheimnisvolle werkingen der Goddelijke almacht naspeuren ? Maar het leven is er en het getuigt van zich zelf, het natuurlijke en het geestelijke. Wie in het levenslicht is gekomen , bij dien openbaart zich ook dadelijk het leven , reeds in den eersten uitbrekenden kreet, voorts in honger en dorst, in eten en drinken, in beweging der leden en al voortgaande in allerlei aandoeningen en werkingen. En gelijk bij een gezond natuurlijk leven , zoo volgt ook op de geestelijke geboorte groeien en opwassen , voortschrijdende ontwikkeling. Maar de aanleg en kiemen voor allen wasdom zijn reeds met de

geboorte gegeven.

786

De Schepper is ook de Herschepper. Gods Geest is de Werker van het geestelijk leven. Het is eene scheppende daad Gods in den binnensten grond , in het centrum of middelpunt van \'s menschen wezen. De wedergeboorte geschiedt in den mensch , en zij wordt dan naar buiten kennelijk. Er komt in hem een nieuw harte i) uit, en daarin liggen alsdan de wellen, vanwaar het nieuwe leven zich naar alle kanten over alle deelen in hem uitbreidt. Want uit het hart zijn de uitgangen des levens (Spr. 4; 23). Naar de belofte des Genade vei bonds Ezech. 36 : 26; Ik zal u een nieuw harte geven en zal eenen

1 i Hoeveel dit. naar do Schvift bevat, toont ook Ch. Hodge, Systematic Theology. Vol. III. p. 15 sq.

-ocr page 811-

§ 2. WEDERGEBOORTE.

nieuwen geest geven in het binnenste van u : en ik zal het steenen harte uit uw vleesch wegnemen en zal u een vleeschen hart geven. 27. En ik zal mijnen Oeest geven in het binnenste van u: en ik zal maken dat gij in mijne inzettingen zult wandelen en mijne rechten zult bewaren en doen. De wedergeborene is een nieuw schepsel, heeft een nieuw leven , 2 Kor. 5 : 17: Indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel*): het oxide is voorbijgegaan, zie, het is al nieuw geworden. Rom. 6:4: Wij zijn dan met Hem begraven door den doop in den dood, opdat, gelijkerwijs Christus uit de dooden opgewekt is tot (door) de heerlijkheid des Vaders , alzoo ook wij in nieuwigheid des levens1) wandelen zouden.

b. Maar kan niet een mensch , die hot geestelijk leven heeft, dit ook anderen deelachtig maken? Kon een Apostel het niet? Neen, God is de eenige Werker. Wordt het aan een Apostel toegeschreven, dan ziet dit alleen op de bediening des Woords. Zoo zegt Paulus tot de Korinthiërs 1 Kor. 4: 15: wat al leermeesters zij nu ook hadden , hij was hun toch tot een vader , daar zij door zijnen dienst eerst waren toegebracht : Want in Christus Jezus heb ik u door het Evangelie geteeld. En hoe? leerende onder hen het M oord Gods een jaar en zes maanden lang (Hand. 18: 11). Zoo noemt Paulus Philem. 10 Onesimus zijnen zoon , welken hij in zijne banden had geteeld. En met nog grooter teederheid stelt hij zich voor de afgezakte.Galatiërs als een moeder. Gal. 4: 19: Mijne kinderkens, die ik wederom ai beid te baren, totdat Christus eene gestalte in u krijge.

\') KTivig.

\'2) èv mworyTt. £«gt;5?.

787

-ocr page 812-

2. WEDERGEBOORTE.

„Do predikatie des Evangelies is het middel, waardoor wij van Gods Geest wedergeboren wordenquot; (Kantteek. 1 Kor. 4: 15). Jak. 1 : 18: Naar zijnen wil heeft Hij (de Vader der lichten) ons gehaard \') door het woord der waarheid , opdat wij zouden zijn [ah] eerstelingen zijner schepselen. 1 Petr. 1 : 23 : Die gij wedergeboren zijt niet uit terg ankelijken , maar [uit] onver g ankelijken zade, door het levende en eeuwig blijvende Woord Gods.

In den niensch , als redelijk schepsel , werkt de Geest alles door middel van het Woord. Door het Woord brengt de Geest Christus en akoo het leven tot en in den mensch. liet Woord alleen doet het niet, maar Gods Geest doet het door het Woord. Waar het Woord , de waarheid alleen is , zonder den Geest , komt het niet tot eene wedergeboorte. Het zaad des woords kan langs verschillende wegen worden ontvangen en kan soms jaren verscholen liggen ; komt de Geest over hem en openbaart God zijnen Zoon in hem , dan breekt het uit, en de nieuwe mensch komt aan \'t licht: de geboorte, de wedergeboorte geschiedt. Meer dan drie jaren waren de Apostelen des Heeren onder zijne bewerking geweest, maar eerst op den Pinksterdag ontvingen zij het volle licht: toen werd dus hunne geestelijke geboorte , hunne wedergeboorte voltooid, toen kwam hun nieuw leven te voorschijn2).

\') ixsKVwev yj^xc. Do Onzen nauwkeurig: heeft ous gebaard (peperit). Juther : bat uns yezenget, naar de Vulgata: genuit nos. Doch OLiTO-Aum wordt evenals yewxu: ook in ruimer zin gezegd. Van geestelijke voortbrengselen wordt in bot Latyn bij voorkeur generare gobruikt, als ein grossartiger , gottahnlicher Act welcher Sohöpferkraft voraussotzt. Döderlein , Lat. Synom. u. Etymol. V. S. 202.

2) Dit punt, wanneer de Apostelen zijn wedergeboren, is be-

788

-ocr page 813-

§ 2. WEDERGEBOORTE.

Deze wedergeboorte wordt in ons niet teweeggebracht door middel van de uiterlijke predikatie alleen , noch door aanrading (gelijk de Remonstranten en alle Pelagianen loeren) , — — maar het is eene gansch bovennatuurlijke, eene zeer krachtige, en tegelijk zeer zoete, wonderlijke, verborgene en onuitsprekelijke werking, dewelke, naar het getuigenis der Schriftuur (die van den Auteur van deze werking is ingegeven) in hare kracht niet minder noch geringer is dan de schepping of opwekking der doo-den; alzoo dat alle diegenen, in wier harten God op deze wonderbaarlijke wijze werkt, zekerlijk, onfeilbaar en krachtig ivedergeboren worden en metterdaad gelooven (na en krachtens de ontvangene genadegifte des geloofs nu ook geloofsdaden doen , in het geloove leven en werken). Dordr. Leerreg. Hoofdst. Ill en IV. De Leere. Art. 12. —

De noodzakelijkheid der wedergeboorte \') heeft haren grond in den zondenval , waardoor onze natuur geheel verdorven is geworden (Heidelb. Catech. Vr. 7 , 8.), en is met hoogen nadruk uitgesproken en plechtig betuigd door den Heere Jezus in zijn gesprek met Nicodemus Joh. 3:3: Voorwaar, voorwaar, zeg ik u, tenzij dat iemand wederom1) geboren worde , hij kan het Koninkrijk (rods

handeld door Julius Küstlin. in Horzogs Eeal-Euc. lo Ed. XVIII. S. 110 f, u. d. W. Wiedergebitrt, eu aangestipt door W. Marshall, Evangel. Heiligmaking, cd. 1772. p. 50. 283.

\') Zie Negende Hoofdstuk § 13.

2) xvuóev. Dat eu waarom dit hier beteekent: wederom, van-nieuws , Vulgata : denuo , ia reeds gezegd in het Negende Hoofdstuk doel II. bl. 36. v. Aan de beteekenis va» êoven houdt nog vast

789

-ocr page 814-

§ 2. WEDERGEBOORTE.

niet zien. Van vele dingen heeft men genot door het gezicht. In het geestelijke is het ware kennen een ondervinden en genieten. Dies heteekent het zien van het Koninkrijk Gods ook meteen : er werkelijk deel aan hebben. In het 5de vers zegt Jezus daarvoor : in het Koninkrijk Gods ingaan. Een ongeborene heeft geene bewustheid van de wereld , een onwedergeborene geene bewustheid van het Koninkrijk Gods , ja, hoe schoon en heerlijk het ook is, het bestaat voor hem niet.

Eigengerechtigheid , eigenwijsheid en natuurlijk verstand willen van geene wedergeboorte weten. Daarom drukt de Heiland hare noodzakelijkheid, ook voor den Israëliet, ook voor den leeraar Israels, hem nogmaals met klem op het hart, v. 5; Voorwaar, voorwaar, zeg ik u , zoo iemand niet geboren wordt uit water en Geest \'), hij kan in hel Koninkrijk Gods niet ingaan.

Jul. Köstlin in Herzogs Real-Encykl. Ie Ed. XVIII. S. 110 u. d. W. Wiedergeburt. Togen van hoven handelt J. Van Gilse in Godgeleerde Bijdragen 1858. VIII. p. 625 — 649.

\') sxv (jU/j tis ysvr/fivi vhxTOt; nxi ttvsu^xtos. Uit water en Geest. Dit wordt zeer verschillend opgevat. Do gevoelens onzer oude Godgeleerden vermeldt en beoordeelt De Moor, Com-mentar. in Marck. Pars. V. p. 193. sqq. De meeste Gereformeerden vonden er bezwaar in , door het water don doop te verstaan. Vooral ook Calvijn. Niet alsof hi] dc (betrekkelijke) noodzakelijkheid des doops loocheudo; hot togundeol blijkt uit zijnen Commentar. in Joh. 3: 5 : maar dat Christus hier tot Nieodemus , van don walordoop zou hebben gesproken, acht hij ontijdig (hoe fuissot intempostivnm). Zoo ook Ch. I lodge , Sys-timatic Theology III. p. 594. Maar deze reden van Calvijn is ongegrond), \'t Was veelmeer juist van pas, ja noodig, met hot oog op hotgeon er toon in den lande omging, (waar door Jo-hivnnes en vervolgens door Jezus\' discipelen godoopt word), dat

790

-ocr page 815-

§ 2. WEDEBGEBOORTE.

Het water is de doop, evenals 1 Joh. 5:6,8. „De Schrift noemt den Doop hel bad der wedergeboorte en de afwassching der zonden Tit. 3: 5. Hand. 22: 16quot; (Heidelb. Cat. Vr. 71). Het is zeer opmerkelijk, dat ook in de belofte bij Ezech. 36 ; 25 het zinnebeeldige water voorkomt. Dan zal ik rein water op u sprengen en gij zult rein toerden. En daarop v. 26: En ik zal u een nieuw hart geven en zal eenen nieuwen geest geven in het binnenste van u. Waardoor tevens aangeduid wordt het nauwe verband tusschen rechtvaardiging en vernieuwing. (Vergel. ook Rom 6 : 4).

Wie den doop ondergaat , bekent zich daardoor voor een onreine. De farizeesche Jood achtte dit wel voor

Nicodemus op don doop werd gewezen. Zie boven. Calvyn en mot hem de meeste oude Gereformeerde uitloggors , oordooien dat men verstaan moet: uil water , namelijk uit den Geest, zoodat het tweede woord het eerste verklaart. Dus oene hendiadys (év Sywt/), één begrip door twee woorden uitgedrukt: water en Geest z. v. a. de Geest die in zijne guven en werkingen is als water; of: geestelijk water. Aldus velen. Fr. Ridderus, Schriftuurl. Licht IV. p. 480 verwerpt do verklaring van den doop niet. Ongetwijfeld wordt hier door Jezus de noodzakelijkheid van den doop betuigd. Deze is ook Gereformoordo loer, doch geene volstrekte noodzakelijkheid, geone Eoomsche of Lu-therscho.

Naar Olshausen , Commentar zu Joh. 3: 6 zou do Geest hot scheppende beginsel der wedorgoboorte zijn, het water het vrouwelijke beginsel, het in boete gereinigde element dor ziol ! En Stier, Roden Jesu , Joh. 3:5 (S. 41) vindt hierin eeno overeenkomst mot do lichamöhjke geboorte des menschen — ook uit water. — Zeker is het water in do Schrift een zoor gewoon beeld van den H. Geest, en dit heeft zijnen diepon grond : het water als algomoonst reinigingsmiddel niet alleen , maar ook als levenselement. Vergel. Zesde Hoofdstuk § 11. hl. 671.

791

-ocr page 816-

§ 2. WEDERGEBOORTE.

eenen [leiden maar niet voor zich noodig (Luc. 7 : 30).

Jezus zegt: het moet, ook uit water. Niet alsof het water op zicli zelf iets deed. „Het uiterlijke waterbad is

niet de afwassching der zonden zelvequot; (Heidelh. Cat. Vr. d

72) Dus ook niet volstrekt onmisbaar , maar betrekkelijk g

noodzakelijk. Want het is eene Goddelijke instelling, die d

onderwerping en gehoorzaamheid eischt. Wie ze veracht, g

sluit, zooveel in hom is , voor zich zeiven het Koninkrijk g Gods: want door ongehoorzaamheid kan men immers

niet ingaan. En waar ook, door omstandigheden , het v

uitwendige waterbad ontbreekt, daar geschiedt toch geen e

ingang in het Koninkrijk Gods zonder het wezenlijke des L

waterdoops , zonder datgene wat door den doopeling moet ( worden gevoeld en beleden en wat God door den doop

beteekent en bezegelt. In dezen zin is het dan altijd: s

ook uit water, niet ongedoopt. «

Doch niet alleen uit water, maar uit water en Geest. i

Wat het water beteekent en bezegelt, werkt en brengt (

de Heilige Geest. Jezus noemt dan in het vervolg van ^ het gesprek het water niet meer maar alleen den Geest:

792

uit den Geest geboren, zegt hij v. 6 en 8.

Ch. llodgc a. W. III. p. ^93 v.v. verklaart zich ten slotte tegen het gevoelen, volgens hetwelk Joh. 3: 5 door Jezus niet het water do waterdoop zou bedoeld zijn. Geboren zijn uit water en geboren zijn uit den Geest is dan naar Hodge éénzelfde zaak , the one expression being figurative , and the other literal, zooals Mat lb. 3: 11. Juist als Cahyn, Commentar. in Job. 3: 5: Christus Spiritum et aquam pro eodem posuit. — — Metaphoram (water; sequitur nuda et aperta sententia (Geest). Evenzoo P. Van Must richt, Godgel. III. p. p. 243.

-ocr page 817-

§ 3. NA WEDERGEBOORTE HEILIGMAKING. 793

§ 3. Na wedergeboorte heiligmaking.

De getrouwe God doet niets ten halve. Waar door Hem de schuld is weggenomen en het recht ten leven is toegekend (in de rechtvaardiging) en met dat recht ook dadelijk het geestelijke leven is geschonken (in de wedergeboorte) , daar vangt ook onmiddellijk het Goddelijke genadewerk der heiligmaking aan.

Wat de orde betreft, doet zich dan de heiligmaking voor als de voortzetting van de bekeering en het geloof, en als bevestiging en uitbreiding van de wedergeboorte\'). Zij veronderstelt de aanwezigheid van leven. Zij is de Goddelijke ontwikkeling van het nieuwe leven.

De bekeering des van God vervreemden zondaars geschiedt in den vollen zin des woords en in waarheid maar éénmaal. Want konde de eens bekeerde nogmaals of meermalen bekeerd worden , dit zou veronderstellen dat een bekeerde weer een onbekeerde kon worden, waartegen onze Kerk ten sterkste opkomt door haar schriftuurlijk verzet tegen den afval der heiligen.

Maar hiervan is te onderscheiden de voortgaande bekeering des geloovigen, die in den staat der genade is en in het geloove leeft (Eeidelh. Cal. Vr. 88—90)2) En deze is hier bedoeld. De bekeering is oene in éénzelfde richting voort-loopende lijn: wie eens door de enge poort is ingegaan en op den nauvven weg gebracht, gaat, al is liet met gedurig

\') Vergel. P. Van Maslricht, God gel. VIdo lioek. Sste Hoofdst. § 6. § 12. § 25. (ITI. Deel p. 402, 407, 424). Nüzsch, System. S. 305 ff.

-) Zie vooral Veertiende Hoofdstuh § 3 bl. 630.

-ocr page 818-

794 § 3. na wedergeboorte Heiligmaking.

struikelen en weeropstaan en met gestadige afwijking ter eene of ter andere zijde, toch in denzelfden koers voort. En wel in de kracht Gods door het geloove (l Petr. 1 : 5): dus met voortgezette oefening en werkzaamheid des geloofs, zonder hetwelk er geen voortgang mogelijk is, door hetwelk uit Christus\' volheid naar zijne drie Ambten licht en ruimte en vermogen wordt ontvangen.

Zoo is de heiligmaking de voortzetting van bekeering en geloof, en aldus tevens de bevestiging en uitbreiding van de wedergeboorte. Bevestigd wordt daardoor de wedergeboorte , hare waarheid en werkelijkheid gestaafd en bewezen, daar het blijkt, dat er inderdaad eene geboorte , een overgang in het levenslicht heeft plaats gehad. Uitgebreid doordat de nieuwigheid des levens meer en meer over en in al de deelen en vermogens (geest, ziel en lichaam 1 Thess. 5: 23) , en dienvolgens ook in de werkzaamheden en betrekkingen des menschen zich uitstrekt en vestigt, en Christus al kenlijker te allen opzichte eene gestalte in hem krijgt. Niet alsof uit de wedergeboorte de heiligmaking van zelf ontsproot. Neen , niet alleen het leven , maar ook de groei is van God. God is het die ook den wasdom geeft (1 Kor. 3: 7). En uitdrukkelijk leert Paulus 2 Kor. 3: 18: En ivij allen met ongedekten aangelichte de heerlijkheid des Heeren [als] in eenen spiegel aanschouwende, u or den hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als *) van des Heeren Geest1),

\') xxöxTrep goeft den grond aan van de gelijkmaking aan des Heeren beeld : het is omdat zijn Geest zo werkt.

\'2) xtto y.vplou Trvs\'jftXTCs. De Onzen hebben recht vertaald.

-ocr page 819-

§ 3. NA WEDERGEBOORTE HEILIGMAKING. 795

Calvyn \') zegt: „Deze vernieuwing wordt niet in één oogenblik of in een dag of in een jaar volbracht, maar door gedurige, ja soms ook langzame voortgangen delgt God in zijne uitverkorenen de verdorvenheden des vleesches, reinigt hen van de smetten en heiligt hen tot zijne tempelen , terwijl Hij hunne gevoelens en neigingen tot ware zuiverheid vernieuwt, opdat zij hun leven lang zich oefenen in de bekeering , en weten dal dit krijgsvverk niet eindigt dan in den dood.quot;

§ 4. Begrip der heiligmaking.

Bij heilig ligt ten grondslag het denkbeeld van afzondering2) , en wel afzondering van het gemeene en profane. God is heilig, dat zegt oneindig verheven boven en naar zijn Wezen afgezonderd van al het schepselachtige en beperkte , bijzonder van al het zondige en onreine. Het drukt vooral do volmaakte zuiverheid zijner natuur uit, Hij heeft geene de minste gemeenschap met de zonde.

De opvatting van velen : als van den Heer des Geestes is vroomd. Men koude overzetten: als van den IJ eer e den Geest, overeenkomstig v. 17. In allen gevalle echter wordt do voortgaande vernieuwing hior den mensche uit do handen genomen un den Heere en zijnen Geest toegekend.

1) Instit. III. 3. 9. Dezelfde, Coinmentar. in Epist. 1 Joh. 3:8: Videndum est, au Deus momunto nno nos regeaeret. At-qui constat, sic inchoari in nobis regenerationem, ut ad mortem usque veteris bomiuis reliquiae maueaut. Quodsi nondum plena est ac solida regeneratio , nonuisi pro modo suo a peccati servi-tute nos eximit.

-) Zie Derde Hoofdstuk § 40. Do Heiden kent geen heilig God, ibid. bl. 389.

-ocr page 820-

§ 4. BEGRIP DER HEILIGMAKING.

Hij is de Heilige bij uitnemendheid , Hij alleen is in volkomen en oorzakelijken zin de Heilige. Do heiligheid is recht eigenlijk de Goddelijkheid Gods. De ontdekte , uitblinkende heiligheid Gods is zijne heerlijkheid.

In de heiligmaking worden de geloovigen der Goddelijke natuur deelachtig (2 Petr. 1 ; 4). De heiligmaking of heiligmakende genade bestaat dan in tweeërlei gepaarde , parallel loopende werkingen. De eene is negatief: afzonderend, verwijderend, wegnemend; de znAarGpositief: vereenigend , aanvoegend , inbrengend. Met beeld Adams wordt weggedaan, het beeld Gods ingewerkt, langzamerhand. Het is een schoonmaken en vernieuwen. En voorzoover dit niet bedekt kan blgven maar zich openbaart en uitstraalt, is de heiligmaking ook heerlijkmaking (Rom. 8: 30. 2 Kor. 3: 18), hier beginnende en eens aan ziel en lichaam voltooid , wanneer de rechtvaardigen zullen blinken gelijk de zon in het Koninkrijks huns Vaders (Matth. 13: 43).

Dienvolgens is de heiligmaking de allengs voortgaande reiniging, inwendig en uitwendig, des harten en des wan-dels van de zonde , en formeering en ontwikkeling van het nieuwe leven tot en in den dienst van God.

Dus een uitwerpen en een omvormen. Uitwerping van den ouden zuurdeesem \') den zuurdeesem der kwaadheid en der hoosheid; en formeering tot een nieuw deeg, tot ongezuurde [broaden] der oprechtigheid en der waarheid. Want de Christen heeft zijn Pascha , het geslachte Lam,

1) Luther vertaalt 1 Kor. 5; 7 : Uarum feget den alten Sauerteig aus. Met het oog op hetgeen do Israöliet tegen \'t paasehfeest doen moest (Exod. 12: 15). \'t Doet ons aan een huisvader mot den bezem deuken.

796

-ocr page 821-

§ 4. BEGRIP DER HEILIGMAKING.

namelijk Christus, waarvan hij alle dagen eten moet, en daarbij is geen zuurdeesem te gedoogen. 1 Kor. 5 ; 7, 8.

Dit beide gaat altoos in de heiligmaking samen : afzondering van de gemeenheid der zonde, van het leven naar den vleesche, van profanen werelddienst, en daartegenover toewijding aan God. Op velerlei wijze wordt dit in de Schrift voorgesteld en afgebeeld. Bijzonder als een afleggen van den ouden raensch en het aandoen van den nieuwen •)• Zoo Ef. 4: 22: [Te weten} dut (jij zoudet afleggen, aangaande de vorige wandeling, den ouden mensch1) , die verdorven wordt door de begeerlijkheden der verleiding; 23. En dat gij zoudet vernieuivd worden in den geest uws gemoeds, 25. En den nieuwen mensch aandoen , die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid, en heiligheid 2).

Zwaarwichtig enbeleekenisvol zijnde uitdrukkingen oude en nieuwe mensch. Ten sterkste wordt daardoor betuigd dat én het bederf én de herstelling niet slechts de werken raken, maar geheel den mensch, zijn gansch wezen en bestaan^).

797

1

:\') Over dezen tekst zie Achtste Hoofdstuk § 8. bl. 872. v.

2

■\') Vergel. W. Marshall, Evangel. Heiligmaking, od. 1772. p. 94. 286.

-ocr page 822-

§ 4. BEGRIP VAN HEILIGMAKING.

Het is éénzelfde persoon. Maar de oude mensch, ook het vleesch genoemd, is de mensch zooals hij in en uit Adam is en hoe langs zoo meer ophouden moet te zijn, met al wat hij van Adam heeft, hetwelk hij moet verliezen. De nieuwe mensch is de mensch zooals hij in en uit Christus is en meer en meer worden moet, met alles wat hij van Christus heeft en voortgaande al meer ontvangen moet. Onze gelieele natuur is van het venijn der zonde doordrongen en aangedaan, en er moet eene nieuwe natuur door het geloove in Christus worden verkregen. Het beeld van den gevallen Adam moet weg, het beeld Gods moet zijne plaats innemen.

Hier moeten wij wederom het verband en de volgorde der Goddelijke genadewerkingen wél in het oog houden , inzonderheid de onscheidbare verbintenis der vernieuwing met de rechtvaardiging. Zonder de rechtvaardiging door het geloof, waardoor God den goddelooze in Christus\' gerechtigheid rechtvaardig en tot het leven gerechtigd verklaart, dus zoolang de vloek nog op den mensch ligt, kan in hem geen geestelijk leven , geen nieuwe mensch ontstaan. Met de rechtvaardiging vangt ook het leven en de geschiedenis van den nieuwen mensch aan. Het is Gods werk. De oude , de natuurlijke mensch kan door zijne krachten geen nieuwen mensch in zich voortbrengen. Hij kan zich uitwendig versieren en optooien, maar de slang blijft slang en ook haar nieuw vel is weer slange-vel. Er is meer noodig. In den mensch moet een nieuwe natuur komen : hij moet vernieuwd worden in den geest zijns gemoeds. De oude mensch des geloovigen moet sterven , krachtens de gemeenschap en in de gelijkmaking met Christus\' dood , opdat de nieuwe mensch leve

798

-ocr page 823-

§ 4. BEGRIP DER HEILIGMAKING.

in de gelijkmaking van Christus\' opstanding (Rom. 6 ; 5.)

Er ligt iets zaligs, in , dat de verlosten kunnen zeggen: onze oude mensch. Want het is zooveel als : onze voormalige beheerscher, maar die nu de heerschappij verloren heeft.

Bij den onbekeerde kan van zijn ouden mensch geen sprake zijn, want hij is het nog met den vijand eens , hij zit nog van het hoofd tot de voeten in de zonde , hij is nog gelijk hij altijd , van zijn geboorte af, geweest is. Maar die door het dierbare bloed van Christus uit hunne ijdele wandeling verlost zijn (l Petr. 1 : 18 , 19) , bij dezen laat zich duisternis en licht, iets ouds en iets nieuws onderscheiden , daar is een oude en een nieuwe mensch. De oude mensch is zoo oud als de mensch zelf is, de zondige aard is elk aangeboren ; de nieuwe mensch dagteekent van de wedergeboorte. Den ouden mensch niet meer te voeden maar teniet te doen en den nieuwen mensch te kweeken , dat is nu de heilige roeping des geloovigen.

Niet als konde de geloovige dit zelf nu maar zoo doen. De Heilige Geest doet het in hem , maar in de kracht des Geestes Gods, die hem bezielt en doorademt, die in zijn verstand, in zijnen wil, in zijne neigingen en hartstochten heiligend werkt , doet hij het dan ook zelf. „De wil, van God bewogen zijnde werkt dan ook zelfquot; (üordr. Leerreg. Hoofdst. Ill en IV. De Leere Art. 12). Vandaar de vermaningen, en het is juist ook door de vermaningen dat God den wil beweegt. „Want door de vermaningen wordt de genade medegedeeldquot; (Ibidem Art. 17).

Zoo Efez. 4: 22 : Dat gij zoudet afleggen den ouden

799

-ocr page 824-

800 § 4. BEGRIP DER HEILIGMAKING.

mensch. Afleggen, naar het oorspronkelijke \') een sterk gezegde, aanduidende volledig af- en wegdoen, van zich werpen. En wel niet het een of ander van den ouden mensch, maar den ouden mensch in het geheel met al wat er aan eigen is. Daartoe behoort ook de zoo lichtelijk weer insluipende eigengerechtigheid. Ook deze moet weg. Want ook al onze gerechtigheden zijn als een ivegtoerpelijk kleed. (Jez. 64 : G). Doch hier bij den Apostel zijn vooral bedoeld de vleeschelijke onreinigheden, de wereldsche begeerlijkheden, zondige driften, onoprechtheid, liefdeloosheid en allerlei boosheid in werk en woord. Het afleggen wordt anders ook genoemd kruisigen (Gal. 5: 24), dooden \'{\\s.o\\. 3 : 5).

En den nieuwen mensch aandoen, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid. (De oude. mensch als zoodanig is niet van God geschapen, maar uit Adam geboren.) Dit aandoen is niet iets uitwendigs , \'t is geen omhangen van een kleed; het geschiedt van binnen, openbaart zich echter naar buiten in voorkomen en gedrag. En het ziet niet op den eersten aanvang van den nieuwen mensch , alsof „het in de macht des menschen zou slaan wedergeboren of niet wedergeboren te worden1),quot; Maar hel is gezegd van zoodanigen , die wedergeboren zijn. Wie in levendig geloot door den Geest gemeenschap met Christus heeft verkregen, is geroepen den Heere Jezus Christus en daarmede den nieuwen mensch al vollediger aan te doen (Roin. KJ: 14). In Christus is voor al de zijnen geschapen en bereid , wal zij hebben aan le doen. En iiij is niet alleen hel voor-

1

-) Dordr. Leerreg. Hoofdst. III. ou IV. Do Looro. Art. 12.

-ocr page 825-

§ 4. BEGRIP DER HEILIGMAKING.

beeld naar hetwelk de geloovigen vernieuwd worden , maar in Hem, in zijn Persoon en werk ligt de grond en oorzaak der vernieuwing, der herstelling van het eerst geschapene maar verdorven en verlorene beeld Gods.

De nieuwe mensch is de door Gods Geest gewerkte nieuwe natuur. Het is dat geestelijke en heilige beginsel , hetwelk wil wat God wil en wat Hij gebiedt, hetwelk begeert wat God belooft, hetwelk gelooft wat zijn Woord leert, hetwelk haat, verwerpt en varen laat al wat tegen Gods getuigenis en wille strijdt.

Het heet de nieuwe mensch, omdat het niet een enkel deel, maar eene nieuwe natuur is , die al de vermogens en krachten van ziel en lichaam des wedergeborenen omvat. Nieuw , omdat hij het te voren niet had , maar het door herscheppende genade in hem is gewrocht en voortgaande al meer moet uitgewerkt worden, terwyl liet oude , als verouderd , verdwijnen moet.

Dat dit geschieden zal, daarvoor staat Christus borg. Anders hadden de wedergeborenen nog alles van hunnen ouden mensch te vreezen, konden zij niet met den Apostel zeggen Rom. G : G : l\'U weten wij dat onze oude mensch met [Hem] gekruisigd is, opdat het lichaam der zonde te niete gedaan worde, opdat wij niet meer de zonde dienen.

De wedergeborenen zijn veilig. Hun oude mensch, de zonde, kan hen niet meer in de verdoemenis brengen. Want God heeft de zonde in Christus, in zijn vleesch veroordeeld (Kom. 8: 3). De straf Was op Hem: één voor hen allen gestorven, één met den vloek van hen allen beladen, één gekruisigd zoo goed als waren zij allen gekruisigd. De oude mensch , het lichaam der zonde is ter dood veroordeeld. liet lichaam der zonde , zegt Paulus. Dat is hier

Gravcmeycr, Gorof. Ooi. loer. II. 51

801

-ocr page 826-

§ 4. BEGRIP DER HEILIGMAKING.

niet bloot het uitwendige , stoffelijke lichaam \') , het huis en werktuig der ziel , alsof de zonde uit het lichaam voortkwam of ook alleen in zinnelijkheid bestonde ; maar het is oneigenlijk gezegd , het is „de geheele massa of samenvoeging (samenstel) van de verdorvenheid, welke is als een onzuiver lichaam , dat vele onzuivere leden heeftquot; (Kan!teek.). De eigenliefde is als het ware het hoofd van den ouden mensch , de liefde der wereld het hart, de menigerlei lusten en begeerlijkheden zijn de leden (Kol. 3 : 5). Dit lichaam der zonde , deze oude mensch der geloovigen is met Christus gekruisigd en, krachtens de verdienste van Christus\' dood , bestemd om te zijner tijd te worden te niete gedaan. Want een lichaam , dat aan het kruis is gehecht, kan nog wel een tijdlang leven, maar\' van rechtswege is dat wat gekruisigd is reeds uit de rij der levenden verwezen en moet sterven.

De afsterving van den ouden en de opstanding van den nieuwen mensch, de voortgaande bekeering des geloovigen (Heidelb. Cntech. Vr. 88—90) en geheel de heiligmaking is eene voortgaande toeëigening van Christus\' dood en opstanding, een gestadig dieper verzinken in zijnen dood en al inniger ingaan in zijn leven.

§ 5. Geen eigen werk.

De heiligmaking is niet hot e/r/e» van den mensch. Het is geene zelfverbetering, maar eene Goddelijke yena-

1) Meyer noomt to tco/ax rij: xftxprixs eigenlijk, doch in den zin : der vnn dor Siinde bsherrschte Kurpor. Maar meu vergelijke slechts Kol. 2; 11.

802

-ocr page 827-

§ 5. GEEN EIGEN WERK.

dew er hing: want zij berust geheel en al op de cjemeen-schap met den Verlosser. Deze is de fontein waaruit zij voortgaande vloeit.

De Apostel Paulus zegt daarvan Efez. 2:4; God die rijk is in barmhartigheid, door zijne groote liefde waarmede Hij ons liefgehad heeft, 5. Ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft [ons] levend gemaakt met Christus (uit genade zijt gij zalig geworden), G. Fm heeft [ons] mede opgewekt en heeft [ons] medegezel in den hemel in Christus Jezus \'). En v. 10 : Wij zijn zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken , welke God voorbereid heeft, opdat wij In dezelve zouden wandelen.

Hierbij dient dit opgemerkt: de Apostel spreekt hier niet van de voorbestemming in het raadsbesluit Gods, of van de ideale gemeente, maar van de werkelijke uitvoering zijns liefderaads en van de gemeente die reeds is en leeft, van de gemeente zoover zij telkens te iederen tijde bestaat. Ook bedoelt hij hier het werk der verlossing niet alleen zoo als het door en aan Christus buiten de goloovigen volbracht is, zonder aanmerking van de innerlijke verandering in de geloovigen ; maar hij vat dit beide van de levend gemaak-ten samen , gelijk onze Gereformeerde Kantteekenaars te recht verklaren; hetgene (God in) Christus eerst voor ons en daarna ook in ons heeft volbracht: voor ons, toen Hij gestorven en opgewekt is, in ons, toen Hij ons het geloof geschonken , door het geloof gerechtvaardigd en door zijnen Geest vernieuwd en geJieiligd heeft.

803

De geloovigen leven, zij zijn levend gemaakt. Leven is beweging, het gedoogt geen stilstand, het veronderstelt

\') Zio hiervan Dool II. Dertiende Hoofdstuk § 16, bl. 563,

-ocr page 828-

§ 5. geen eigen werk.

en eischt wasdom , ontwikkeling, werkzaamheid \'). Doch niet als of het nieuwe leven zich nu van zelf kon uitzetten, niet alsof do geloovige in de wedergeboorte eens voor al genoegzatnen voorraad van kracht hadde ontvangen. Neen, de lampe zou uitgaan, zoo zij niet gedurig weer olie kreeg ; het leven heeft voeding , gestadigen toevoer van nieuwe krachten noodig.

En dit alles uit en door Christus. Want het is [des Vaders] welbehagen cjeweest, dat in Hem al de volheid wonen zoude, Kol. 1 : 19. En Christus is den geloovigen geworden niet alleen tvtjsheid van God en rechtvaardigheid, maar ook evenzeer en evennoodzakelijk heiligmaking en alzoo volkomene verlossing , 1 Kor. 1 : 30.

In Christus is alles toebereid, het ligt in Hem ge- ■ reed , ook het beeld Gods, de nieuwe natuur; wij ontvangen slechts2). Die in Hem gelooven worden in en uit Hem door den Heiligen Geest heilig gemaald. Gelijk zij in de gerechtigheid, tvelke Christus heeft teweeggebracht , gerechtvaardigd zijn en gerechtvaardigd blijven , door toerekening: zoo worden zij in Christus\' heiligheid heilig gemaakt door inwerking, door mededeeling van ziinen Geest, door overbrenging in hen van die gestalte, welke Hij , God en mensch , volmaaktelijk heeft ten toon gespreid in de natuur van den gevallen mensch, die Hij had aangenomen, in gevoelen (Filipp. : 5) ,

\') Das Christenthum ist weder tine blosze Idee, noch ist es etmas blosz Faktisches , zeitlich Vergangenes, oder gar blos: etwas Zuhünftiges , sondern etwas , in dem dieses Alles in einander ist, d. i. eben ein Leuen. Liebner , bei Stier , Brief an die Epheser I. S. 266.

4) IV. Marshall, Heiligmaking, od. 1772. p. 50. v.v.

804

-ocr page 829-

§ 5. GEEN EIGEN WERK,

in woord en werk, in geheel zijn bestaan en leven.

Van Christus ontvangen de geloovigen, krachtens hunne vereeniging en gemeenschap met Hem eene nieuwe, heilige natuur en begaafdheid, waardoor zij bekwaam gemaakt worden tot een heiligen wandel. Gelijk de ranken uit den wijnstok groeien en daaruit hare levenskracht, vruchtbaarheid en geheel hare geaardheid ontvangen , en gelijk in ons lichaam de leden al hunne bezieling en beweging uit het hoofd verkrijgen : alzoo de geloovigen uit Christus. De geestelijke Wijnstok zegt tot de ranken : Die in mij blijft en ik in Hem, die draagt veel vrucht: want zonder mij kunt (jij niets doen, Joh. 15: 5. Hij is het Hoofd der gemeente, niet in den zin slechts van hoofdman, kapitein, gezagvoerder, staatkundig hoofd, maar lichaamshoofd : de gemeente zijn lichaam, Hij het hoofd , uit hetwelk de levensgeesten en beweegkrachten tot de leden afdalen en geheel het lichaam doortrekken , maar van hetwelk afgescheiden er geen lichaam leven kan.

Door deze vereeniging zijn en worden voortgaande de geloovigen Hem gelijk genatuurd , Mem gelijkvormig, opdat het zij als de Apostel zegt 1 Kor. 15: 49: Gelijker-wijs wij het beeld des aardschen (menschen , Adam) ge-dragen hebben , {alzoo] zullen ivij ook hel beeld des he-melschen (Christus) dragen , hier in heiligheid, namaals in heerlijkheid ook naar het lichaam.

§ 6. Toch de mensch werkende.

De heiligmaking is een genadewerk van God, Doch „deze Goddelijke genade werkt in de menschen niet als in stokken en blokken , noch vernietigt den wil en zijne

805

-ocr page 830-

§ 6. TOCH DE MENSCH WERKENDE.

eigenschappen , noch dwingt hen met geweld togen hunnen dank , maar maakt hen geestelijk levend, heelt, verbetert en buigt hen tegelijk liefelijk en krachtiglijk , alzoo dat waar de wederspannigheid en tegenstand des vleesches te voren ten eenen male de overhand had , daar begint nu eene gewillige en oprechte gehoorzaamheid des gees-tes de overhand te krijgenquot; (Dordr. Leerreg. Hoofdst. III en IV. De Leere. Art. 1G) ■).

Waar God werkt, wordt ook de mensch aan \'t werk gebracht. Niet alsof nu God en de mensch op Semipe-lagiaansche en Remonstrantsche wijze samenwerkten. God is en blijft de Werker en eerste beweger. Maar Hij maakt den mensch werkende.

Dus, onder Gods werking iverkt de mensch en door Gods Geest geheiligd heiligt hij zich : Gods Wet is in zijn hart geschreven en de liefde dringt hem om voor zijnen God en Zaligmaker te leven.

806

Zoo spreekt de Heere Levit. 20 : 7 : Daarom heiligt u en weest Jieilig: want ik hen de lieere uw God. 8. En onderhoudt mijne inzettingen en doet dezelve : ik hen de Heere, die u heiligt. Waarmede treffend overeenkomt Filipp 2: 12 : Werkt uw zelfs zaligheid met vreeze en beven. 13. Want het is God die in u werkt beide het willen en het werken , naar [zijn ] welbehagen. De Wet Gods niet uitwendig slechts in steenen tafelen maar in het hart door den vinger des Geestes gegraveerd, naar de belofte van het ge-nadeverbond Jer. 31; 33: Maar dit is het verhond, dat ik na die dagen met den huize Israels maken zal, spreekt de Heere: Ik zal mijne Wet in hun binnenste geven en

\') Vorgel. Doul II. Veertiende Hoofdstuk § 17. bl. G78.

-ocr page 831-

§ 6. TOCH DE MENSCH WERKENDE.

zal die in hun harte schrijven, en ik zal hun tol eenen God zijn en zij zullen mij tot een volk zijn (llebr. 8 : 10),

Gods heiligheid is de oorsprong en oorzaak van de heiligmaking der uitverkorenen. De mensch wordt heilig doordien de heiligheid Gods in den Heiligen Geest door Christus in hem komt. Gelijk de geloovige door de rechtvaardiging , door de Goddelijke rechtspraak , volmaakte gerechtigheid bezit, kwijtschelding van de straf en recht ten leven , zoo heeft hij door de heiligmaking eene aanvankelijke heiligheid, en wel, niet slechts in een of ander deel zijns wezens maar eene heiligheid voor geheel zijn persoon , want de heiligheid is zijne nieuwe natuur en natuur is iets wat geheel den mensch , inwendig en uitwendig , van boven tot beneden raakt.

God maakt niet eerst de werken heilig en dan den persoon. Maar hij maakt den persoon heilig en de werken vol- 1 gen. Uit de heiligmaking spruiten de goede werken voort, binnen en buiten : inwendig heilige bedenkingen en werkzaamheden des gemoeds, uitwendig heilige wandel en goeddoen. In de gemeenschap met Christus blijft men niet onder de macht van zondige neigingen noch onverschillig voor goed of kwaad , maar word! krachtig omgebogen , geneigd en ook vermogende tot de oefening van heiligheid , door zijnen in ons wonenden Geest, die ons dringt om te bedenken dat des Geestes is en om naar den Geest te leven en niet naai\' het vleesch (Rom. 8 : 5 , 12).

Dus is er voor den mensch iets te doen. Door God bewerkt, wordt hij nu ook aan het werk gezet. Iedere gave Gods is eene opgave voor ons. Vandaar zoovele vermaningen, met zoovele drangredenen. Gal. 5 : lü : Wandelt dooiden Geest, en volbrengt de begeerlijkheid des vleesches niet.

807

-ocr page 832-

§ 6. TOCH DE MENSCH WERKENDE.

En zegt de Heere, de Almachtiye, Ik zal u tot een Vader zijn, en gij zult mij tot zonen en dochteven zijn: v.oo vo£\\)[ hun de Apostel ook toe : Dewijl wij dan deze beloften heh-hen, geliefden, laat ons onszelven reinigen van alle besmetting des vleesches en des geestes, voleindigende de heiligmaking (do heiligheid) \') in de vreeze Gods, 2 Kor. 6 : 18. 7:1, hetwelk op den wandel en de werken ziet, op het voortbrengen van de vruchten der heiligmaking (\'Kantteek.J.

Dus de mensch werkende in de kracht Gods. De wer-kinge Gods maakt den mensch niet tot eene machine. Wat hij doet is zijne daad, en hij is er verantwoordelijk voor. Gelijk hij in het natuurlijke ïeven, bij zijne volstrekte en geheele afhankelijkheid van God, de vrijwerkende oorzaak is van zijne daden, zoo ook in het geestelijke2). De wedergeborene heeft naar zijne nieuwe geaardheid afkeer van allo kwaad, hot is hem iels leelijks, walgelijks; maar heiligheid is hein zoo schoon , zoo begeerlijk, deze heeft hij hef, omdat hij God liefheeft. En daarnaar haakt hij, daarnaar helt zijne nieuwe natuur : want liefde wil vereeniging. Daarvoor laat hij zijn eigen leven varen : want de liefde geeft zich zelve. Daarom gehoorzaamt hij de geboden van zijnen Vader en Verlosser : want de liefde doet den wil des geliefden. En dit is hem geen last, de liefde maakt het hem licht.

§ 7. Onvolmaaktheid.

In dit leven wordt er geene volkomene heiligheid ver-

\') In het Griokscbo staat Inor niet xyixcftoc , heiligmaking, maar ayiucrvvy, en dit beteekent niet heiligmaking maar heiligheid. Zie Cremer , Wörterb. S. 50.

-) Bralcel, Kcd. Godsd.II. p.5. Y erg. Zevende Hoofdstuk §13 vn 17.

808

-ocr page 833-

§ 7. ONVOLMAAKTHEID.

kregen. Het blijft een strijd op aarde tusschen vleesch en Geest, tusschen den ouden en don nieuwen monsch.

Wel moeten wij do volmaakbaarheid aannemen en als een troostrijk geloofsartikel vasthouden. De geheiligde kan volkomen heilig worden en wordt het ook. Echter niet binnen het aardsche leven , maar eerst bij het uiteinde, met zijnen overgang in de heerlijkheid.

1. Toch is er vroeger en wordt er nog door sommigen beweerd, dat de mensch ook hier reeds tot volmaaktheid kan komen, vrij kan zijn van alle zonde en volkomen heilig voor God kan leven. Eene dwaling , vooral hieruit ontspruitende, dat men hel begrip én van heiligheid én van zonde verzwakt en verflauwt , terwijl men de heiligheid niet toetst aan het Goddelijke voorbeeld en den eisch van Goddelijke volmaaktheid (Matth. 5 : 48. 1 Petr. I : 15, 16), waarop zich niets laat afdingen, en veel voor geen zonde houdt wat strafbare zonde is in de oogen van dien God , die gezegd heeft: Gij zult niet hegeeren , gij zult u niet laten gelusten. Zondeloosheid, volkomen heiligheid op aarde is een droombeeld , een ijdele waan van trotsche zielen , van opgeblazen hoogvliegers.

809

Pelagius, die de erfzonde loochende en don mensch eene onafhankelijke wilsvrijheid toeschreef, beweerde dienvolgens, dat een ieder het te allen lijde zelf in zijne macht had, om zoowel het goede te doen als het kwade, en wel niet door de kracht der vernieuwende genade maar veelmeer door de zedelijke krachten , met welke de Schepper de menschelijke natuur bogaaft\'). De Pelagianen leerden

1) Neander , Allgem. Gosch. der Chr. Kei. u. K. Iltei; Baud (1829) S. 806.

-ocr page 834-

§ 7. ONVOLMAAKTHEID.

dan de mogelijkheid van een leven zonder zonde en van volkomen onderhouding aller geboden Gods. Door voorbeelden uit de Schrift zochten zij dit te staven. Waarbij zij echter een onderscheid maakten tusschen zoodanigen, die zich nooit met eene zonde hadden bevlekt, als hoedanig zij Abel roemden , en zulken , die vroeger wel zonden begaan maar daarna geheel hadden vermeden, waarvan zij Paulus als voorbeeld noemden \').

Desgelijks de Socinianen, die daarbij herinnerden: zijn alle dingen mogelijk dengene die gelooft, hoe zou het dan ook voor hem niet mogelijk zijn , na de waarheid erkend te hebben, nooit te zondigen1)?

Hunne volgelingen , de Remonstranten 3), staan er bijzonder op, dat God van den mensch niet eischt wat deze niet kan. Doet de Christen naar het Evangelie zoovee-1 als hij vermag, dan neemt volgens hen God dit voor goed aan en dit is bij hen „evangelische volmaaktheid.quot; üe 114de Vraag van den Ueidelb. Cat. noemen zij een oorkussen des duivels.

De Roomsche Kerk verdoemt2) de stelling dat het voor een gerechtvaardigd (d. i. geheiligd) mensch onmogelijk zou zijn de geboden Gods te onderhouden. Ook zij zegt: „God beveelt geen onmogelijke dingen, maar door te bevelen vermaant Mij , zoo om te doen wat men kan als om te begeeren wat men niet kan , en Hij helpt om te

810

1

) Spanheim. Eleuchus Controvorsiav. od. 1694. 218.

2

) Concil. Trident. Soas. VI. Do Justif. Canon XVIII. ed. Tauchn. p. 37. Winer, Compar. Darstoll. 1882. S. 151.

-ocr page 835-

§ 7. ONVOLMAAKTHEID.

kunnen •).quot; Intusschon terwijl zij aldus de mogelijkheid van volkomen gehoorzaamheid algemeen stelt voor alle gerechtvaardigden (geheiligdon) , leert ook zij wederom , dat de gerechtvaardigden in hun gansche leven alle zonden , ook de vergefelijke*), niet kannen vermijden dan door een hijzonder voorrecht 3) van God . zooah de Kerk staande houdt van de gelukzalige Maagd. Het is naar de Roomsche leer door Gods bijzondere genade , dat gerechtvaardigden zelfs meer doen kunnen dan geboden is: overtollige goede werken der heiligen , monniken en martelarenquot;). De verbeelding van volkomen of zelfs overvloedige heiligheid wordt in de Roomsche Kerk vooral mogelijk gemaakt en gesteund door hare onheilige stelling , dat de booze begeerte, zoo men ze slechts niet inwilligt en opvolgt , geene zonde is 5).

\') Idem, Seas. VI. Do Justif. Cap. XI. od. Tanchn. p. 30. Aldaar Cap. VII. (p. 29) wordt govvezou op Christus\' woord Matth. 19 : 17 : Wilt gij in het leven ingaan , onderhond de ge-hoden , on daarbij geleerd : Dus wordt den tvedergehorenen, terwijl zij de ware en Christelijke gerechtigheid (heilighoid) ontvangen , dadelijk geboden deze als het beste kleed (ceu pi\'imatn atolam Luc. 13: 22), door Adam verloren, door Christus Jezus hun geschonken, rein en onbevlekt te bewaren , ten einde daarin voor den rechterstoel van onzen Heere Jezus Christus te verschijnen en het eeuwige leven te hebben.

2) Oudorscheiden vau doodzonden. Zie Deel II. Negende Hoofdstuk, § 23. bl. 74.

:l) ex speciali Dei privilegio. Concil. Trident. Sess. VI. Do Justif. Canon 23. ed. ïnuchu. p. 37.

\') Winer, Compar. Darstell. S. 152. f.

5) Trident. Sess. V. 5. ed. Tauchn. p. 20 : Hanc concupiscou-tiam , quam aliquando Apostolus peccatum appellat, sanotasyn-odus declarat ooclesiam eatholicam mmquam intelloxisso pee-

811

-ocr page 836-

§ 7. ONVOLMAAKTHEID.

Op menigerlei wijze heeft vroeger en later deze dwaling bij niet weinigen geheerscht en soms tot jammerlijke verdwaling verleid, zelfs zoover dat men durfde beweren , al wat een kind Gods deed was goed, de bekeerde had geen zonde meer. Zoo de Anabaptisten, de geestdrijvende wederdoopers , die, roemende in de leiding des Geestes, zelfs liet onderscheid tusschen goed en kwaad gingen uitwisschen i).

Ouk onder de Piëtisten in de 17de en 18de eeuw waren er die leerden1) , de Christen kon in dit leven zondeloos wezen en de Wet vervullen.

Deze leer noemt men Perfectisme of Perfectionisme en hare voorstanders Perfectisten of Perfectionisten. Wil men het onderscheid dezer namen in aanmerking nemen, dan zegt Perfectisme leer van volmaaktheid, Perfectronisme van volmaakbaarheid; Perfectislen die zich en anderen de volmaaktheid, Perfectionisten die de volmaakbaarheid opdringen\').

In onze tijden zijn sedert de „opwekkingenquot; ook hier

812

1

) Onze oude Godgeleerden noemden zo perfectionarii {J. Pn-lyander, Synopsis Pur. Theol. cd. Dr. Bavinck p. 351, met het oog op de Eoomschen) of perlcctistac {Marde. Compend. XXV. 12), C. Schoell in Herzogs Eeal-Encykl. lo. Ed. XIl. S. 391 u. d. W. Puritaner, spreekt vau Perfectionisten. Ch. Hodge, Syst. Theol. III. p. 245 v.v. van Perfectionisme.

-ocr page 837-

7. ONVOLMAAKTHEID.

813

te lande , ook binnen de Hervormde Kerk onder invloeden uit den vreemde wederom Enthousiasten opgestaan met de pretensie van mogelijke en , zoo men maar wil , ook werkelijke volmaakte heiligheid. Hoogzwevende geesten , die zich zeiven en anderen , zoovelen er met hen doen , ja geheele vergaderingen heilig spreken en zulks ook in overdachten geschrifte volhouden , terwijl zij intusschen onder anderen reeds door hun lasterlijk voroordeelen van Calvyn\'s Praedeslinatieleer en hunne zeer onheilige , hatelijke uitvallen tegen de Calvinisten tegen zich zeiven getuigen en genoegzaam openbaren, welk eene bittere galle zij in zich dragen. Boven de zonde zijn zij verheven , zij leven in het licht en kunnen altijd juichen. Die dat niet kunnen , die nog over hunne zonden kermen , hebben dit volgens hen aan zich zeiven te wijten: het is omdat zij niet willen gelooven, omdat zij den sprong niet wagen. Het geloof staat bij hen in \'s men-schen macht en wil. Zij beklagen degenen , die reinheid en heiligheid houden voor een wel begeerlijk maar op aarde onbereikbaar ideaal. Zij zeggen: „de vraag is slechts of wij er toe willen komen \')■

\') P. Huet in het Tijdschrift Eet eeuwige leven. 1880. No. 3. p. 36. In dat stuk wordt do mogelijkheid beweerd van eeu hoogor geostolijk loven , hot leven dor voortdurende blijdschap, dor onafgebroken zalige liefdegemeenschap met Christus en der verlossing van de zonde en der inwendige heiligheid. Hiortoe brengt P. H. in het zelfde No. M. 39. v.v. ook Zach. 12; 8: het huis Davids zal zijn als goden (als God), als de Engel des Heeren voor hun aangezicht. Maar hot zogt: sterk eu zegevierende over do vijanden (zie v. 9). Er wordt toegespeeld op den tocht door do woestijn , waar de Engel des Hoeren voor Israül optoog. — Het genoemde Tijdschrift, geredigeerd door P. Huet, hoeft voort-

-ocr page 838-

§ 7. ONVOLMAAKTHEID.

De leer van eeno voor allo geloovigen mogelijke en bij sommigen ook werkelijke volmaaktheid in heiligheid en gehoorzaamheid op aarde is in strijd met hetgeen de Protestantsche Kerken , de Luthersche en de Gereformeerde , belijden, en hare rechtzinnige Godgeleerden i) zijn met kracht van redenen daartegen opgekomen.

Kort en treffend wordt de waarheid voorgesteld in den Heidelb. Cat. Vr. 114 : Ook de allerheilig sten, zoolang als zij in dit leven zijn , hebben maar een Hein beginsel dezer gehoorzaamheid; doch alzoo, dat zij met een ernstig voornemen niet alleen naar sommige, maar naar al de geboden Gods beginnen te leven. Vergel. Vr. 62. En Dordr. Leer-reg. Hoofdst. V. De Leere. I en 2.

2, Intusschen , men zoekt de hooge stelling op schrit-tuurlijke gronden te handhaven.

Men zegt: de Heere eischt immers van zijn volk volmaaktheid en gebiedt volkomen heiligheid, Matth. 5 : 48. 1 Petr. 1: 15, lü, en dikmaals. —Maar kon het anders? kon dan de Volmaakte onvolmaaktheid gebieden of goedkeuren ? Niets kan er af van zijnen eisch, geen vlekje kan de heilige God gedoogen. Het gebod toont het ideaal, en dat is volmaaktheid. En hel zegt niet wat men kan, maar wat men

gaando menigvuldigo proeven geleverd van zonderlinge uitlegging der Schrift tot staving van de mogelijkheid van volkomon heiligheid dor geloovigen op aarde , mot gedurige aanvallen op de Gereformeerde leer.

1) Zoo Calvin. Instit. 111. 3. 9. sqq. Petr. Van Mastricht, Godgel. 111. p. 420 v. en p. 428. v. Marck, Compend. en Morch XXV. 9 — 13. De Moor, Commentar. P. IV. p. 785—812. Ch. I lodge, Systematic Theology. Part. III. p. 245 — 258. Dr. A. Kui/per, Heraut 1878. No. 21. v.v.

814

-ocr page 839-

§ 7. ONVOLMAAKTHEID.

moet; veelmin, dat er zijn die het reeds verkregen hebben, integendeel het getuigt juist, dat men het nog niet heeft bereikt maar er naar streven en begeeren moet, terwijl de genade weg en middel wijst en biedt om er eenmaal met het einde dezes levens toe te geraken.

Voorts brengt men in; de Schrift spreekt van Hoogl. 4 : 7 zegt de hemelsche Bruidegom tot zijne geestelijke bruid ; Geheel zijt gij schoon, mijne Vriendin, en daar is geen gebrek aan U. — Maar bij de gansche schildering van de bruid aldaar moeten wij in het oog houden dat zij geteekend wordt niet zoozeer naar hetgeen zij in zich zelve is, maar als hoedanig de Bruidegom in liefde haar aanziet, en zoo als zij eens zijn zal, naar Efez. 5 ; J27. Zij zelve zegt Hoogl. 1 ; 5 ; Ik ben zwart, doch liefelijk.

Daarbij wijst men op de voorbeelden van heiligen, van welke de Schrift getuigenis geeft, als Noach (Gen. G ; 9), Job (l ; 1), David (1 Kon, 9:4), Aza (1 Kon. 15; 14) en anderen , en men legt er nadruk op dat zij zich zeiven soms voor den Heere op hunne zuiverheid beroepen, als David (Ps. 7 ; 9. 2G ; 1 , 11 en dikmaals) en Hizkia (2 Kon. 20; 3). — Maar de feilen en zelfs openbare grove zonden , van deze heiligen geboekt, laten de gedachte van volstrekte volmaaktheid niet toe. Hun wil, hun doorgaande gezindheid en toeleg was goed , oprecht en ongeveinsd en dat was hun volkomen hart, maar geen hart rein van zonde. En in hunnen wandel waren zij op den rechten weg, maar soms achteruit gaande en gedurig aanstootende , struikelende, afwijkende. En bij hunne vrijmoedige getuigenissen van hen zeiven voor don Heere hebben wij tweeërlei niet voorbij te zien. Vooreerst, dat zij veelal hunne verhouding in bijzondere omstandig-

815

-ocr page 840-

§ 7. ONVOLMAAKTHEID.

heden bedoelden in vergelijking met de goddeloozen, daar zij de bewustheid van hunne cjoede zaak tegenover de slechte zaak der vijanden er door uitdrukten en in hun goed geweten bemoediging vonden i). Ten tweede, dat wij hen nog veelmeer als schuldenaars voor God zien liggen met diepe klachten over hunne zonden.

Intusschen herinnert men: de geloovigen in Christus worden toch uitdrukkelijk 0oZwrta/i:lt;eM genoemd. Maar hiervoor kan men alllmns niet aanvoeren Kol. 2: 10: En gij zijtin Hem volmaakt, die het Hoofd is van alle Overheid en macht. Want daar staat in den grondtekst niet eens volmaakt, maar vervuld\'1), en de nadruk ligt niet op gij zijt maar op in Hem , in wien al de volheid der Godheid lichamelijk woont (v. (J) in wien zij volmaakte gerechtigheid hadden en uit wien zij Geest en leven ontvingen , aan wien zij zich derhalve alleen hadden te houden (v. 8).

En in het geheel komen hier niet te pas die schriftuurplaatsen, die op de rechtvaardiging zien. Als gerechtvaardigden zijn al de geloovigen in Christus volmaakt: aan het Recht is voor hen voldaan. Wij hebben hier echter niet met de rechtvaardiging te doen, maar met de heiligmaking. Volmaaktheid nu in dit opzicht schijnt de Schrift inderdaad soms aan geloovigen op aarde toe te kennen , hetzij als reeds werkelijk aanwezig of althans als mogelijk.

\') Calvin. Instit. III. 14. 18. III. 17. 14. III. 20. 10.

\'2) xxi stts èv siÖTÜ TTSirhypuftmi , ivelches in Iccinem Andern als in Chrislo und in nic/its Anderem als ebcn in der Gemein-schaft mit ihm seinen Grund hat. Meyer. Hot vlooit uit zijn trï.\'JjpuftX, v. 9. — Do vorschilloudo botookouisseu vhu volmaaktheid iu do Schrift vormoldt kort en klaar H. Witsius, Oooon. Lib. III. Cap. 12. § 125.

816

-ocr page 841-

§ 7. ONVOLMAAKTHEID.

Aldus Fil. 3 : 15 : Zoo velen dan als wij volmaakt zijn, laat ons dit gevoelen, „laat ons zoo gezind zijn als hiervo-ren gezegd is, namelijk nederig van ons zeiven denken en tevens rusteloos voorwaarts streven.quot; Volmaakt, dit moeten wij toestemmen, ziet hier niet bloot op de kennis der ge-loovigen, „die de hoofdstukken der Christelijke religie wel en grondelijk verstaanquot; (Kantteek.) , maar ter dege op hot zedelijke wezen en streven, blijkens het daar voorafgaande en het volgende. Doch aan zondeloosheid valt niet te denken. Veelmeer de Apostel ijvert juist tegen de hooggevoe-lendheid, die tweedracht in de gemeente veroorzaakte (Fil. 2: 3 v.v.) en het eigen voortgaan in do heiligmaking hinderde (2: 14 v.v.). £n uit zijne eigene woorden blijkt hoe hij het hier met de volmaaktheid meent. Immers, en dit is voldingend, hij heeft zelf pas vooraf (3: 12) gezegd ; Niet dut ik het aireede gekregen Jteb of aireede volmaakt hen : maar ik jage er naar, of ik het ook grijpen mochte, naartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen hen. Zegt hij nu (v. 15) van zich en andere geloovigen : wij zijn volmaakt, zoo volgt, dat hier een onderscheid bestaat in de beteekenis , wanneer hij zich eerst niet volmaakt maar dan volmaakt noemt. En werkelijk gebruikt hij in het oorspronkelijke ook verschillende woorden \'). Vol-

\') Fil. 3: 12 staat TSTsXsiuftxi, maar v. 15 tsXsiol. Het eerste TSTeXsiuvOxi, is hot ideale einddoel ; hot andere\'Aetov etvxi, is tegen do vroegere vyttiotyg gestold. In dit tsXsiov elvxi zijn verschillende trappen. \'Het TSTsXsiu^xi wordt in dit loven door niemand bereikt ; TsXeiot, gansehe Christenen (heelen) bo-hooren allen te zijn. — Van de leer des -Apostels zegt .Meyer z. d. St.: Den Katholischen Fictionen vom Zustande der Vol-kommenheit stehl sie schnurstraks entgegen. En ]Veisz, Lohrb.

Gravemeijer , Geref, Gol. leer. II. 52

817

-ocr page 842-

§ 7. ONVOLMAAKTHEID.

maakt in hot 12de vors zegt: Voleindigd, ten einde gebracht,

hot ideaal van heiligheid (volkornone gelijkvormigheid met he

Christus) bereikt hebbende. Maar volmaakt in hot 15de be

vers betcekent ontwikkelde , gerijpte Christenen ; betrek- dc

kelijk volmaakt , in vergelijking met andoren , met die Ct

nog als jonge kinderen in Christus (1 Kor. 3 : 1) waren. ati

Ook Hebr. 5: 14 spreekt van ; Maar der vol- dc

maakten \') is de vaste spijze. Doch ook daar beteekent vol- w

maakt niet „rein van zonden , geheel en al heiligquot;, maar w

volwassen, rijp , in tegenstelling tegen zoodanigen die nog

als kindoren zijn, die melk van noode hebben, die nog de te

eerste beginselen der woorden Gods, het Abc moet loeren,

die nog onervaren en ongeoefend zijn in het woord der ge- v(

rochtigheid. Soortgelijke onderscheiding naar de mate van le

wasdom en ontwikkeling in kennis en leven treffen wij bij ei

den Apostel Johannes aan. Hij noemt alle goloovigen zijne hi

kinderkens, maar onderscheidt dezen in vaders, jonyelirKjen, (J

kinderen (1 Joh. 2). Het kind moet opwassen. V

En waar overigens de Apostelen van volmaaktheid spre- n

ken, is het dat zij don geloovigon het ideaal voorhouden 2

van kennis en wandel in de volle levensgemeenschap met li

Christus, waartoe zij door hunne onderwijzing arbeidden E

(Kol. 1 : 28 , 29) en do van God ingegevono Schrift ge- n

noegzame onderrichting bood (2 Tim. 3: lö, 17). n

--h

der bibl. Theol. dos N. T. 2te Aufl. S. 442 : Diese Vollkommen- t(

heit soil freilich der Einzelne niemals bereits erreicht zu haben L glauben , vielmehr soil er nach dem schonen Oxymoron des Apos

tels seine Vollkommenheit dar in suchen, sich nie volllcommen zu ivcthnen , sondern stels nach der Volllcommen heit zu trachten. Vorgcl. Calvin. Instit. III. 17. 15 oxtr.

1) TsXsiuv.

818

-ocr page 843-

§ 7. ONVOLMAAKTHEID.

819

Maar indien in de wedergeboorte het beeld Gods wordt hersteld, sluit dit geene volmaaktheid in? Zeker, tot het beeld Gods behoort ware rechtvaardigheid en heiligheid, naar de eigen verklaring van Paulus Ef. 4 : 24. Men verweet Galvijn, dat hij, aan deze verklaring zich houdende, den aardschen staat met den hemelschen verwarde. „Alsof do definitie van een ideaal onvolmaaktheid toelietquot;, antwoordde hij quot;). Maar noch door Paulus noch door Galvijn wordt beweerd , dat het beeld Gods in den vernieuwde hier op aarde zich ooit in vollen glans vertoont. Zij wisten ideaal en werkelijkheid wél te onderscheiden,

3. Dat er geen geloovige op aarde zonder zonden en volmaakt heilig is, blijkt beslissend reeds uit de voor allen bij voortduring bestaande en nadrukkelijk ingescherpte en ook door hen zeiven gevoelde noodzakelijkheid van te hidden om vergeving en verlossing van do zonden\'2). (Matth. G : 12 , 13. 1 Joh. 1 : 8- 10. Ps. 32 : 5 , 6). Voorts , uit al de ernstige vermaningen aan de Christenen , om in de heiligmaking voort te gaan (1 Kor. 9 : 24 v.v. Hebr. 12: 12 v,v.) , om tegen de kwade begeerlijkheden te strijden en hot vleesch te dooden (Kol. 3 : 5). Eindelijk uit den werkelijken strijd , welken ook de uit-nemor.dsten onder de geloovigen van hunnen ouden monsch , die bij nalatigheid zelfs weer aangroeit, tot aan het einde huns levens ondervinden en die hun de bitterste klachten uitperst. Zoo Paulus , de heilige Apostel. Lang bekeerd , hoog begenadigd en bevestigd in het nieu-

\') Quasi voro ubi ros aliqua dofinitur, non quaerenda sit ipsa iutogritas ot perfectio. Calvin. Instit. III. 3. 9. ■2) Zie Derde Hoofdstuk § 49.

-ocr page 844-

§ 7. ONVOLMAAKTHEID.

we leven, voelt hij toch in zich zeiven de macht des vleeschos , de overblijfselen zijner verdorven natuur nog woelen tegen zijn beter deel. Rom. 7 : 22 : Want ik heb (zegt hij van zich zeiven) een verinaak in de Wet Gods naar den inwendig en mensche : 23. Maar ik zie eene andere wet in mijne leden , welke strijdt tegen de wet mijns ge-moeds en mij gevangen neemt onder de wet der zonde, die in mijne leden is \').

4. In welken zin er bij geloovigen op aarde al of niet sprake kan zijn van volmaaktheid hunner heiligmaking en dienvolgens hunner heiligheid (heiligmaking de werkende Goddelijke oorzaak , hunne heiligheid hare vrucht) hebben onze oude Godgeleerden verklaard door drieërlei volmaaktheid te onderscheiden : volmaaktheid van oprechtheid, der deelen en der trappenquot;1). De eerste en de tweede kennen zij aan de geloovigen toe ; de derde heeft er geen mensch in dit leven.

\') Over Eom. 7: 14 v.v. is gehandeld in hot //oo/rf-

stuh deel II. § 25. bl. 80 v.v. lu don aldaar reeds aaugohaaldon Com-mentarius in Marck. van De Moor, Pars IV. p. 790 sqq. vindt men do hoofdzaken van het uitnernond betoog van Fr. Spanheim (Exercitatio) , ten bewijze , dat Paulus van één zelfden persoon spreekt (van zich en iederen geloovige); zonder do Wet, onder de Wet en (van v. 14 af) onder de genade. Do afwijkende verklaringen van nieuweren vindt men bij Meyer , die ook zelf dwaalt, daar hij zelfs v. 22 van den natuurlijken mensch verstaat : de inwendige mensch is hem redelijk-zedelijke natuur des menschen , het rjeweten. — Tal van getuigen voor do rechte opvatting van Rom. 7, namelijk van den rvedergeborene , zijn ook bijeengebracht door Th. J. Locher, Noch Perfectionisme noch Antinomianisme. Utrecht 1881. pag. 39 v.v. Vergel. Br. Ed. Böhl, Dogmatik. Amsterd. 1887. S. 508.

5) U. Witsius, Oeconom. Lib. III. Cap. 12, § 125.

820

-ocr page 845-

§ 7. ONVOUIAAKTÜEID. 821

a. Intussch^n ook de eerste, quot;Ie oprechtheid des harten, waarvan reeds hierboven (bl. 815 v.) werd gewaagd, is niet bij alle geloovigen gelijkmatig en bij denzelfden ge-loovige niet altijd even krachtig. Wel is de wedergeborene in Christus uit het gebied der leugen en des schijns overgezet in hot Rijk en de levenslucht der waarheid , gebracht onder de heerschappij van Gods Woord. Maar de objectieve waarheid moet al meer in het subject overgaan, moet al vollediger gekend , toegeëigend , ingeademd en ingezogen worden. De nieuwe mensch groeit op uit de waarheid, uit het Woord Gods. De leugen is uit den duivel (Joh. 8: 44), zij is een eerste grondtrek van den ouden mensch , die zich zeiven en anderen verleidt en beliegt (Et. 4: 22. Kom. 3 : 4. Pred. 7 : 29). De oude mensch is een leugenaar. Zooveel er in den wedergeborene van den ouden mensch nog overig is , zooveel leugen , schijn, onlouterheid, onoprechtheid is er nog in hem. En waar de oude mensch weer voortreedt, daar is leugen en veinzing, waarvan niet alleen het Oude Testament, maar ook het Nieuwe gevallen noemt (Gal. 2: 11- 13). Tot de geloovigen is de vermaning : Legt af de leugen Ef. 4 : 25, hetwelk bij volledige doordrongenheid van de waarheid en bij volmaakte oprechtheid niet noodig ware.

b. De tweede echter, do volmaaktheid der deelen is aan alle geloovigen eigen. Zoowel onderwerpelijk, wat hunnen persoon betreft: want de vernieuwing raakt al hunne deelen, geest en ziel en lichaam (1 Thess. 5: 23), en hetgeen in hen uit den Geest geboren is (Joh. 3 : 6) , is een nieuwe mensch •), volmaakt, „hoedanig bij voorbeeld een klein kind,

1) Zie hiorvoren iu dit Hoofdstuk § 4. bl. 798, 801.

-ocr page 846-

§ 7. ONVOLMAAKTHEID.

alle de leden des menschelijken lichaams hebbende , volmaakt genoemd wordtquot; \'); volledig dus, schoon niet volwassen2). Als ook voorwerpelijk, met opzicht tot de gansche Wet , daar zij met een ernstig voornemen , niet alleen naar sommige, maar naar al de geboden Gods beginnen te leven, lleidelh. Cat. Vr. 114.

c. Daarentegen de derde , de volmaaktheid der trappen wordt op aarde door geen geheiligde verkregen. Wel eene betrekkelijke (comparatieve) volmaaktheid in vergelijking met anderen die op lageren trap staan : want er is verschil van trappen. Maar geene volstrekte (absolute) vol-

\') P. Van Mastricht, TIL p. 420.

2) Nitzsch , System § 152; Men hem zich de verhouding ver-aanschouwelijken door de gelijkenis van het zaad. De zaadkorrel (jaal niet slechts op en drijft halm en stengel naar hoven , zij slaat ook wortelen in den grond en in de diepte. Beide richtingen van toenemen en wasdom staan in weder zijdsch verhand. Alleen naarmate de ivortel zich verdiept en bevestigt , gedijt het gansche gewas , en wederom de groei naar huiten werkt terug op den wortel. Of ook anders ou meer cigculijk boschouvvd: een levensbogiusol, eenmaal gevat, wordt door oefening krachtiger. Eeno wedergeboorte kan voor de tegenwoordige mate van diepte, die iemand thans heeft, eeno ivare zijn. Nn echter schrijdt dezelfde individu over het geheet in het ondervinden vooruit, b.v. de knaap tot do ervaringen des jongelings , de jongeling tot do ervaringen des mans, het leven in het. geheel wordt dieper en rijker. Intusschen stemmen wij niet toe wat Nitzsch er bijvoegt: Verdiept zich daarmede niet tegelijk het beginsel des nieuwen levens in Christus, wordt de wedergeboorte niet volkomen eu waak en vaster, dan is het gevaar voorhanden van eens geestelijke phtisis. Immers wio eenmaal iu Christus geworteld is (Kol. 2:7), krijgt de tering niet, althans niet zoodanig, dat hij er aan bezwijkt. De nieuwe mensch kan niet sterven. Naar de onge-reformeerde stelling ook van Ebrard, Dogmat. II. S. 532, kan hij het wél.

822

-ocr page 847-

§ 7. ONVOLMAAKTHEID.

maaktheid , geene beklimming van den uitersten en hoog-sten trap. Dit zou zijn , dat bij iemand de zonde geheel en al met wortel en tak ware uitgeroeid en dat hij uit reine liefde met al zijne krachten onafgebroken naar den wille Gods leefde en al de geboden zonder eenige afwijking onderhield , en dat hij, van alle zwakheid ontdaan, tot zulk eene mate van geestelijke krachten ware opgeklommen , bij welke geen toeneming en aanwas meer rnogelyk ware. Zoo was Christus, Hij alleen. Zoo is geen der heiligen hier beneden. Deze staat blijft voor den hemel bewaard. Ook de allerheiligsten, zoolang als zij in dit leven zijn, hebben maar een klein beginsel dezer gehoorzaamheid. Heidelb. Gat. Vr. 114.

Aldus blijft geëerbiedigd en gehandhaafd het onderscheid tusschen rechtvaardiging en heiligmaking, tusschen strijdende en zegepralende Kerk, tusschen den weg en het vaderland. De geloovige is op weg , zijn aangezicht is gericht naar Jeruzalem, maar de voet is nog niet zoo ver als het oog

§ 8. Gesteldheid des wedergeborenen.

Vraagt men , hoe het dan met den wedergeborene gesteld is, zoo geven Schrift en ondervinding hierover duidelijk bescheid. Het is aldus.

1. De wedergeborene niet zondigen, en toch.

Er is in hem een nieuwe, heilige wil verwekt, een bewonderenswaardig werk dec genade. Naar zyne nieuwe natuur haat hij de zonde, heeft God en zijne geboden lief en stemt met den wille Gods overeen (Ps. 119: 113. Rom. 7 : 22). Maar gelet, hoeverre het willen ook ter daad worde en in den wandel zich afspiegele, dan is het dus gelegen , dat

823

-ocr page 848-

824 § 8. GESTELDHEID DES WEDERGEBORENEN.

het zelfs bij de meest gevorderden zich meer in tranen openbaart, waarmede zij hunne onreinheid en ongerechtigheden beweenen , dan in heilige werken tot verheerlijking van Gods naam , meer in zuchten en klagen over hunne zwakheden en gebreken , dan in blinkende betooningen van zelfverloochenende liefde , meer in een bezwaarlijk worstelen dan in een vasten en vaardigen gang op de paden van Gods Woord (Rom. 7 : 18). Ieder ge-loovige zondigt nog: ivant geen memch is er , die met zondigt, 1 Kon. 8 : 46 ; met gedachten, woorden en werken (Jac. 3 : 2. 1 Joh. 1 : 8). Want het vleesch begeert tegen den Geest, en de Geest tegen het vleesck ; en deze staan tegen elkander, alzoo dat gij niet doet he\'gene gij ivildet, Gal. 5: 17 (Rom. 7: 19). Aldus houdt Paulus den geloovigen hun eigene gesteldheid als in eenen spiegel voor. De wedergeborene doet het kwade niet, dat hij naar zijn vleesch, naar zijne verdorven natuur wel wilde , hij doet het althans niet zonder innerlijke tegenspraak en bestraffing, en doet het niet zoo geheel en voortgaande als het vleesch begeert. Dat lijdt de Geest niet, dien hij heeft ontvangen. Maar hij doet ook het goede niet dat hij wilde, doet het niet zoo volkomen , zoo bestendig als hij naar den Geest wilde. Dat lijdt het vleesch niet, hetwelk altoos nog in hein woelt. Vlekkeloos rein komt er van den geheiligde in dit leven niets te voorschijn.

2. De wedergeborene heeft vergeving der zonden, en moet toch dagelijksch om vergeving bidden. Gerechtvaardigd zijnde uit het geloove, heeft hij vrede en genade bij God door zijnen Heere Jezus Christus (Rom. 5 : 1). iMaar hij weet, elke zonde verstoort dezen vrede, en daarom heeft hij gestadig nieuwe verzekering en bewustheid van de genade

-ocr page 849-

§ 8. gesteldheid des wedergeborenen. 825

noodigi). Geen dag zonder zonde: dies moet hij dagelijks tot den troon der genade toegaan (Hebr. 4 : 16) en als een arm zondaar (Heidelb. Catech. Vr. 126) zijne zonden belijden en om vergeving smeeken, naar de vijfde bede van het Gebod des Heeren : Veryeef ons onze schulden, ome zonden. Want dit Gebed is recht eigenlijk voor de wedergeborenen, voor de kinderen Gods gegeven: immers dezen alleen kunnen God in waarheid aanspreken: Onze Vader! (Joh. 1 : 12, 13). Die van eene volmaaktheid droomen, waarbij geen bidden om vergeving meer zoude noodig zijn, maken God tot een leugenaar en zijn Woord is niet in hen (1 Joh. 1: 10)2). Die van de ware Kerk zijn, nemen dan ook (/esto-diglijk hunne toevlucht tot het bloed, het lijden en de cje-hoorzaamheid des Heeren Jezus, in denwelken zij vergeving hunner zonden hebben door het geloove in Hem (Noderl. Bel. des Gel. Art. XXIX.) 1 Joh. 1 : 9.

3. De wedergeborene is vrij van den Booze, en moet toch zich nog wapenen tegen diens listige omleidingen s). De duivel staat den kinderen Gods naar \'t leven , en de zonde is zijn wapen. Maar, 1 Joh. 5: 18, wij weien dat een iegelijk, die uit God geboren is , niet zondigt (Zoover hij uit God geboren is , doet hij de zonde niet (1 Joh. 3: 9), want hetgeen uit den Geest geboren is, [dal] is geest (Joh. 3:6), en als zoodanig is hem de zonde tegenstrijdig en vreemd (Rom. 7 : 20) , zij is zijn element niet meer); maar die uit God geboren is, bewaart zich, zeiven, en de Jiooze vat hem niet (pakt hem niet ,

\') Vijftiende Hoofdstuk, deol II. § 11. bl. 726.

-) Calvin, lustit. III. 20. 45.

:\') Zie Zesde Hoofdstuk, deel I. § 17. bl. 728 v.y.

-ocr page 850-

§ 8. GESTELDHEID DES WEDERGEBORENEN.

verwondt hem wel maar niet doodelijk, brengt hem er niet toe dat hij zondige tot den dood, v. 16 en 17j,

De geloovigen, eertijds slaven des duivels, zijn door den Vader getrokken uit de macht der duisternis en overgezet in het Koninkrijk des Zoons zijner liefde (Kol. 1 : 13). En toch moeten zij dagelijks tot den Vader bidden, naar hot rijksgebed: Leid ons niet in verzoeking , maar verlos ons van den Booze. En zij worden wel ernstig vermaand Ef. 6 : 11: Doet aan de yeheele wapenrusting (lods, opdat gij kunt slaan tegen de listige omleidingen des duivels. Do Booze heeft niets meer aan hen , heeft alle recht op hen verloren ; maar juist daarom hebben zij moedig tegen hem te strijden, niet alleen tegenstand biedende en zich verdedigende tegen hem en zijne werktuigen , maar ook aanvallender wijze.

Do strijd dient tot heilzame oefening, het voortbestaan van de overblijfselen der natuiuiijke verdorvenheid is eene wijze beschikking van God, en de gedurige smartelijke ondervinding in dit leven van den wijden afstand tusschen werkelijkheid en ideaal heeft een groot nut en een Godver-heerlykend einde , zooals ook onze Heidelb. Cat. in het Antwoord op de 115 Vraag treffend verklaart. Evenzoo Dordr. Leerreg. Vijfde Hoofdst. De Leere. Art. 2.

§ 9. Volharding,

De geheiligden zouden den strijd tegen de inwonende zonde en tegen de aanvechtingen der wereld en des Satans niet volhouden, wierden zij aan hunne eigene krachten overgelaten. Maar God is getrouw, die hen in de genade, hun eenmaal gegeven , barmhartiglijk bevestigt en ten einde toe

826

-ocr page 851-

§ 9. VOLHARDING.

krachtiglijk bewaart. Aan deze troostvolle waarheid, in de Schrift luide en nadrukkelijk geleerd, houdt onze Kerke vast.

Het is echter niet aldus, dat bekeerden en geloovigen, al wierden zij wederom en bleven zij tot hun einde als onbe-keerden en ongeloovigen, toch de zaligheid verkregen. Noen, maar God zorgt dat zij zoo niet worden. Zooveel hen aangaat, konde dit niet alleen lichtelijk , maar zoude ook ongetwijfeld geschieden. Doch ten aanzien van God, kan het ganschelijk niet geschieden. En wel 1. Omdat zijn raad, het raadsbesluit der verkiezing niet kan worden veranderd \') (Hom. 8 : 30); 2. hel Verbond der genade en zijne belofte niet gebroken (Jez. 54 : 10) . 3. de roeping van (naar) zijn voornemen niet wederroepen : Want de genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk; Rom. 11: 29 ; 4. Christu8, verdienste, voorbidding\'1) en bewaring niet krachteloos gemaakt s) (Rom. 8 : 34—39. Joh. 10 : 28) ; 4. de verzegeling des Heiligen Geestes niet verijdeld of vernietigd (Ef. 4: 30. 1 Joh. 2 : 27). Dordr. Leerreg. Hoofdst. V. De Leer. Art. 8 i).

Het zaad des geestelijken levens blijft in den wedergeborene. 1. Joh. 3:9: Een iegelijk die uit God geboren is , die doet de zonde niet: want zijn zaad blijft in hem s):

\') Vijfde Hoofdstuk, § 17.

-) Elfde Hoofdstuk, § 28.

:\') EIJde Hoofdstuk , § 36.

^) Vorgol. P. Van Mastricht. Godgol. III. p. 456. Marck, Compond. XXVII. 6.

\') ctt (tvrspf/vx x\'jtoïi sv x\'jtcc (/.svst. Bengel, Gnomon i. 1. geeft do voorkeur uau do verklaring: Een kind Gods blijft in God: is , qui uatus est ex Deo , manet in Deo. (Tirépftx natus (cl. Mal. 2 ; 15). Maar dan zoude de Apostel ongetwijfeld het

827

-ocr page 852-

§ 9. VOLHARDING,

en hij kan niet zondigen, loant hij is uit God geboren. (Vergel. hierboven bl. 8^5 over 1 Joh. 5: 18). Het zaad Gods is hetgene waaruit de nieuwe mensch geboren is en voortgaande al meer gevormd wordt. Het is niet de Heilige Geest afzonderlijk , ook niet Gods Woord alleen , maar Geest (Joh. 3 : 6) en Woord (1 Petr. 1 : 23. Jac. 1 : 18) te zatncn gepaard ; het is het door Gods Geest in den mensch vruchtbaar gemaakte Woord, de door den Geest productief en levenskrachtig gewordene waarheid. Dit levenszaad blijft in den wedergeborene, het kan niet sterven. Dus „leert Johannes niet alleen , hoe krachtig God eenmaal in den mensch werkt; maar klaarlijk verzekert hij , dat de Geest zijne genadewerking in ons tot het einde toe voortzet, zoodat met de nieuwigheid des levens ook eene onwrikbare volharding gepaard gaatquot; {Caloijn).

§ 10, Geen afval der heiligen.

De wedergeborene kan wel diep vallen en zeer vervallen maar niet geheel en voor altoos a/mWew. 1. Onze Gereformeerde Kerk heeft zich hierover tegen de Remonstranten klaar en waar uitgesproken in de Dordrechter Leerregelen Hoofdst. V. De gezonde en zuivere Gereformeerde leer nopens dit punt is daar met aanduiding van hare gronden door de Synode bondig geformuleerd.

8U28

Art. 4. De bekeerden worden niet altijd alzoo van God geleid en bewogen, dat zij in sommige bijzondere daden

gewone woord rswov hebben gebruikt. Overigens is zaad hier niet gezegd met toespeling op bet zaaisel van graan eu plant: Johannes spreekt hier van geboorte.

-ocr page 853-

§ 10. GEEN AFVAL DER IIEILIOEN.

door hunne eigene schuld van de leiding der genade niet zouden hunnen afwijken en van de begeerlijkheden des vleesches verleid tv or den en die volgen. Daarom moeten zij gestadiglijk waken en bidden, dat zij niet\' in verzoeking geleid worden , hetwelk \'zoo zij niet doen , zoo kunnen zij niet alleen van het vleeseh , de wereld en den Satan tot zware en ook gruwelijke zonden weggerukt worden, maar worden ook inderdaad, door Gods rechtvaardige toelating, tot dezelve somwijlen weggerukt; gelijk de droevige vallen van David, Petrus en andere heiligen, die ons in de Schriftuur beschreven zijn, bewijzen.

Art. 5. Met zoodanige grove zonden vertoornen zij God zeer, vervallen in schuld des doods, bedroeven den Heiligen Geest, verbreken voor eenen tijd de oefening des geloofs , verwonden zwaarlijk hun geweten, en verliezen somwijlen voor eenen tijd het gevoel der genade, totdat hun, wanneer zij door ernstige boetvaardigheid op den weg wederkeer en, het vaderlijk aanschijn Gods op nieuw verschijnt.

Art. G. Want God, die rijk is in harmhurtigheid, neemt, naar het onveranderlijk voornemen der verkiezing, den Heiligen Geest van de zijnen, ook zelfs in droevige vallen, niet geheel weg, noch laat hen zoo ver niet vervullen, dat zij van de genade der aanneming en van den staat der rechlvaardig-making uitvallen, of dat zij zondigen ter dood of tegen den Heiligen Geest, en, van Hem geheel verlaten zijnde, zich zeiven in het eeuwige verderf storten.

Art. 7. Want, eerstelijk , in zulke vallen bewaart Hij nog in hen dit zijn onverderfelijk zaad, waaruit zij wedergeboren zijn, opdat het niet verga noch uitgeworpen worde. Ten andere, vernieuwt Hij hen zeker en krachtig door zijn Woord en zijnen Geest tot bekeering , opdat zij over de

829

-ocr page 854-

§ 10. GEEN AFVAL DER HEILIGEN.

bedreven zonden van harte en naar God bedroefd zijn , vergeving in het bloed des Middelaars door het geloof met een verbroken hart hegeeren en verkrijgen, de genade Gods, die nu met hen verzoend is , wederom gevoelen, zijne ontferming en tromv aanbidden , en \'voortaan hunne zaligheid met vreezen en beven des te naarstig er werken.

1. Door eigene kracht kan de geroepene heilige zich niet staande houden, ook niet door de kracht van het eenmaal ontvangene nieuwe geestelijke leven. Hij kan zich zelf niet bewaren , hij wordt bewaard. Tot de wedergeborenen is het 1 Petr. 1 : 4 , 5 : /Je erfenis is in de hemelen bewaard voor u , Die gij in de kracht Gods be-waard wordt door het geloove , tot de zaligheid die bereid is om geopenbaard te worden in den laat sten tijd. Bewaring in tweeërlei zin, dubbele zekerheid. Foor de wedergeborenen is do erfenis (het hoogste goed , de heerlijkheid) in de hemelen bewaard\') , weggelegd (Kol. 1 : 5) om hun eens te worden gegeven : zij is in Gods hand en daar is de schat veilig, wél bewaard, buiten gevaar. En de wedergeborenen worden bewaard. Hier gebruikt de Apostel een ander woord , hetwelk eigenlijk zegt be-waaktquot;*). Eene bewaring dus als door uitgezette wachten, waardoor de kinderen Gods rondom beschermd worden tegen hunne geestelijke vijanden , gelijk ook David zegt Ps. 34 : 8 : De Engel des Heeren legert zich rondom degenen , die Hem vreezen , en rukt ze uit.

830

Dus de erfenis is bij God bewaard, en de erfgenamen worden bewaakt. Dies zullen zij niet buiten de erfenis

\') Khypovoftiixv, — — TSTmuiAsi/viv èv ovpxvols eh vftixs, 2) Cppoupovitèvov?.

-ocr page 855-

§ 10. GKEN AFVAL DER HEILIGEN.

blijven , maar ook de erfenis niet buiten hen i). Anders konde allicht de gedachte opkomen: wat baat het of ons zaligheid in den hemel is weggelegd, daar wij in de wereld als in eene onstuimige zee worden omgedreven? daar wij naar de stille haven als de plaats onzer zaligheid worden gewezen, zoo wij toch tusschen duizend gevaren en gevallen van schipbreuken dobberen, in gevaar van de haven niet te bereiken ? Zulke bedenkingen snijdt de Apostel bij voorbaat af2), zeggende: Gij wordt in Gods kracht bewaard door het yeloooet), gij zult binnen komen.

Gods kracht doet hot, die hen omringt als eene wacht en hen beschut. Doch niet werktuiglijk, niet zonder eigene bewustheid en werkzaamheid van den wedergeborene: want het geschiedt door geloof, zegt de Apostel. En waarom door geloof ? Omdat het de natuur des geloofs is, eigene kracht te verzaken en de sterkte des Heeren aan te grijpen. Het geloof is het middel om kracht, wijsheid en standvastigheid van den Ileere te ontvangen en alzoo staande te blijven. Het is als het zuigvermogen des kinds, dat do melk van de moeder tot zich haalt, als de buizen der ranken , die de kracht van den wijnstok trekken.

De Heere bewaart zijn volk doordat hij het genadevermogen des geloofs in hen bewaart. Er kan eene stremming, staking en werkeloosheid intreden, maar het vermogen blijft. Waar God het eenmaal heeft ingeplant, laat Hij het niet

\' ) Horeditas servata ost, horedos custoddiuntur. Neque ilia hls, nequo hi doerunt illi. Hengel, Guomou.

-) Calvin. Commentar. i. 1.

■-) èv Suvx/aii ösov — Su TriTTSug. De Onzon hobbon ook hier wederom getrouw en nauwkeurig vertaald.

831

-ocr page 856-

83:2 § 10. GEEN AFVAL DER HEILIGEN.

geheel verdorren, Hij gaat van zijn werk niet af. Het kan verflauwen onder zware verzoekingen van den Booze, van de wereld en van het vleesch, onder don doodelijken druk van buitengewoon lijden, als bij Job, of onder de bedwelming van weelde en grootschheid des levens als bij David, gepaard met vermetelheid en zelfvertrouwen.

Dan komt hot met het kind Gods tot een val, tot droevig verval, en tot kwijning en duisternis, soms voor langen tijd. En het herstel daaruit geschiedt alleen doordat Gods kracht, de Heilige Geest het sluimerend en verdoofd geloofsvermogen weer opwekt\'). Dan heeft Gods Woord weer invloed: de vermaningen doen weer werking op het hart , de geloovige erkent, voelt en belijdt zijne schuld voor God , en hij zoekt en vindt wederom vrede in het bloed der verzoening, en de vertroostingen Gods, de vernieuwde getuigenissen van genade verkwikken zijne ziele (Ps. 32. 51). Aldus leert hij , dat hij nooit veiliger en vaster staat dan wanneer hij zich nederig en afhankelijk aan den Heere mag houden , wiens kracht in onze zwakheid volbracht wordt. — Er bestaat dan een geheim verband tusschen het cjeloof en de kracht Gods. Gods kracht werkt , onderhoudt, verlevendigt het geloof; en wederom door het geloof blijft de wedergeborene in de kracht Gods. Er buiten gaan is het geloof verloochenen , en wie dat doot gaat zich te buiten en stelt zich aan den vijand bloot. Maar hot geloof, terwijl het alle eigen kracht verzaakt, stelt de kracht Gods tegen iederen

\') Calvin. Commentar. in Epist. 1 Joh. 3:9: Fieri posse concedo ut (semen) interdum suffocetur , quemadmodum in Da-vide : scd tameu , quo tempore videbatur exstincta esse omnis iu eo pietas , carbo vivus sub ciueribus lalebat.

-ocr page 857-

§ 10. GEEN AFVAL DER HEILIGEN.

vijand, en waar do vijand dat geloof en in het geloove de kracht Gods ziet, daar moet hij vluchten.

Zoo worden de wedergeborenen bewaard tot de zaligheid die bereid is om geopenhaard te worden in den laatsten tijd: zaligheid, van welke de Heere hun reeds in dit loven gedurige voorsmaken geeft, die aan de ziel volledig ten dooie wordt met dat zij uit het lichaam scheidt, en die in den laatsten der dagen met de heerlijke opstanding dos lichaams in don hoogsten trap voltooid zal worden.

Op deze schriftuurplaats (1 Petr. 1 : 4, 5) wilden wij hier bijzonder de aandacht vestigen, als bij uitstek gewichtig, omdat zij niet alleen de waarheid van de volharding der heiligen ten stelligste uitspreekt, maar tegelijk hare werkende oorzaak (Gods kracht) en hare middeloorzaak (het geloof) en do wijze hoe zij geschiedt (bewaring on bewaking) mitsgaders haar heerlijk einde te zamen vertoont.

En deze getuigenis hoeft te grootor gewicht, omdat zij is van Petrus , zelf eene baak in de zee , voorbeeld van beide, van val en bewaring, die door zijnen val de boosheid van zijn hart en in zijne uitredding de kracht en trouw des Hoeren had leeren kennen , maar tot wien de Heere bij do voorzegging van de verzoeking ook had gesproken Luc. 22 : 32 : Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude; en gij, als gij eens zult bekeerd zijn (van den val) , zoo versterk uwe broeders. En zoo bidt de getrouwe en barmhartige lloogepriester voor al zijne verlosten (Joh. 17: 20). Doze voorbidding is een der vaste gronden van de volharding dor heiligen in al hunnen strijd op aarde , waardoor hun afval is buitengesloten , gelijk Paulus in zijnon geloofstriomf Rom. 8: 31 — 39 zoo verheven en krachtig uitspreekt , waar hij met

üravcmoijor , Gorcf. Oei. loer. 11. 53

833

-ocr page 858-

§ 10. GEEN AFVAL DER HEILIGEN.

de verzekering sluit: Noch hoogte, noch diepte, noch eenig ander schepsel zal ons kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus onzen Heere.

3. Het kan niet anders. In het Goddelijke plan en werk der verlossing is er zoodanig een samenhang van zaken , dat er voor een eindelijken afval geene plaats blijft.

Immers de Vader heeft de uitverkorenen aan zijnen Zoon gegeven, dat Hij hen door zijn bloed verlossen, hen door zijnen Geest heiligen , hen zaligmaken zoude van hunne zonden. Het eeuwige voornemen van den souvereinen God , door niets buiten Hem zeiven bepaald , van niets afhankelijk , kan niet verijdeld worden.

De Zoon heeft den losprijs voor hen door eigen dood betaald en een eeuwige gerechtigheid voor hen teweeggebracht , en leeft nu bij den Vader, als Middelaar met alle macht bekleed, om hun de verworvene verlossing toe te eigenen en het Goddelijke genadebesluit der verkiezing aan hen allen uit te voeren. Zou Hij dat bij eenen eenige van hen kunnen staken en door vijandsmacht of door iemands onwil en ontrouw worden belemmerd en de ziele , die Hy had gekocht, ten laatste toch prijsgeven ? Onmogelijk. Want indien tvij vijanden (kinderen des toorns) seynde met God verzoend*) zijn door den dood zijns Zoons (gerechtvaardigd door zijn bloed v. 9) , veelmeer zullen wij verzoend zijnde behouden worden door

\') s\\ yxp èxOpo) cvts; KOiTyikXJiyyj^ev tü ósq. Hier is sx^P01 niet actief, vijandig tegen God, zooals Ritschl en andereu verstaan , maar passief, voorwerpen van Gods heiligen haat en toorn , namelijk wegens huune zonden, zooals ook Meyer toestemt. Zie ook Vijfde Hoofdstuk deel I. § 13. bl. 602. En over de verzoening Twaalfde Hoofdstuk deel II. § 38. bl. 461 v.

834

-ocr page 859-

§ 10. GEEN AFVAL DER HEILIGEN.

zijn leven , Rom. 5 : 10. Daarvoor is Hij Iloogepriester in liet hemelsche heiligdom , daarvoor is Hij Koning, gezeten op den troon aan de rechterhand Gods, des almachtigen Vaders.

En de Heilige Geest hoeft zijn werk in hen begonnen, zal Hij voor het einde afbreken ? Om hunne goedheid is Hij tot hen niet gekomen , maar om hen goed te maken. Om hunne ontrouw zal Hij hen niet verlaten, maar hen onder strenge tucht nemen en hun getrouwheid lee-ren. Joh. 14: 16, 17). —

4. Al degenen , die , meer of min pelagiaansch gezind, de Souvereiniteit Gods miskennen en van eene absolute , onvoorwaardelijke Praedostinatie niet willen weten , zijn ook tegen de Volharding der heiligen gekant.

a. De Roomsche Kerk loert, dat door iedere doodzonde de genade der rechtvaardiging verloren wordt, en dat men niet mag zeggen : „wie in zulke zonden valt was niet waarlijk rechtvaardigquot; , integendeel dat de waarlijk gerechtvaardigde daardoor een ongerechtvaardigde wordt\'), dat intusschen degenen , die van den staat der rechtvaar-digmaking zijn uitgevallen , op nieuw (door middel van het Sacrament der Boete) kunnen gerechtvaardigd (rechtvaardig gemaakt) worden^).

b. De Luthersche Kerk leert : Ware geloovigen kunnen het geloof en het geestelijke leven yeheel en al verliezen , nochtans voor hunnen dood door vernieuwde bekeering hersteld en aldus behouden worden. Dus een

\') Tridentin. Sossio VI. Do Justifioationo. Caput 15 en Canon. 23.

\'■i) Ibidem. Cap. 14.

835

-ocr page 860-

§ 10. GEEN AFVAIj DER HEILIGEN.

totale , geheele afval , zoodat het tijdgeloof een waarachtig geloof was en zich niet wezenlijk maar slechts in duur van het ware geloof onderscheidde ; doch niet een finale, eindelijke en blijvende atval bij allen , namelijk bij ai degenen niet , die beslist uitverkoren zijn ter zaligheid, wijl zij juist hierom zijn uitverkoren , omdat. God hun vernieuwde bekeering en geloof heeft vooruitgezien^).

De Luthersche leer is wel in de eerste plaats gericht tegen de ruwe voorstelling die de Anabaptisten van de volharding der heiligen gaven, daar volgens dezen de inwoning des Geestes met onbeteugelde heerschappij des vleesches wel kon samengaan2). Maar dan keert zij zich ook tegen de Gereformeerden , volgens welken een waarlijk wedergeborene noch voor eenen tijd noch blij--vend het geestelijke leven, aangaande deszelfs wezen, geheel verliezen en uit den staat dor genade uitvallen kan, daar integendeel naar de Schrift het zaad Gods in hem blijft.

c. De Remonstranten loochenen de volharding der heiligen. Zij leeren: liet kan geschieden en is niet zelden geschied, dat wedergeborenen den weg der gerechtigheid verlaten , tot hun vorig zondig leven , tot de besmettingen der wereld wederkeeren , hun vorig geloof en hunne liefde ganschelijk verzaken en alzoo geheel en

\') Solida Deel ar. in de Concordia ed. Eecheub. p. 812. Over do Luthersche praedüstiuatie, zie Vijfde Hoofdstuk § 9. bl. 569. v, § 15. bl. 606.

-) August. Confess, cd. Rechenb. p. 13. Solidu Declctr, Rechenb. p. 705 sq. : Epicurea opinio , — — pcstilentissima persuasio.

83G

-ocr page 861-

§ 10. GEEN AFVAL DER HEILIGEN, 837

blijvond uit de Goddelijke genade uitvallen \'). Dit was hun Vijfde Artikel tegen de Gereformeerden , tegen hetwelk de Dordsche Synode van 1618/19 uitspraak heeft gedaan in het Vijfde Hoofdstuk van hare Leerregels.

d. De Gereformeerde Kerk leert, op gronden hierboven aangewezen (§ 9), dat de ware geloovigen volharden, en dat de volharding niet is eene voorwaarde, die de mensch vóór \'zijne zoogenaamde „beslissende verkiezingquot; en recht-vaardigmaking door zijnen vrijen wil moest volbrengen, maar dat zij is eene vrucht der verkiezing en genadegave Gods, door den dood van Christus verworven11); voorts, dat men zekerheid, van de toekomende volharding in dit leven kan hebben zonder bijzondere openbaring, daar

\') Winer, Compar. Darstel!. 1882. S. 157. Fr. Spanhemii Elenchus Controvers. 1694. p. 257. sq. De Moor, Commentar. in Marck. Pars V. p. 165. sqq.

De leerrijke verhandelingen op de Synode te Dordrecht ovor het Vijfde der Remonstrantsche Artikelen zijn geboekt in de Acta Synodi ed. Hanoviae 1620. p. 319. sqq. en in de Judicia Theologorum provincialium. ed. 1619. p. 347.

Vóór hot Remonstrantsche gevoelen ijvert bijzonder ook Phil, a Limborch, Theol. Christ. Lib. V. Cap. 80. sqq. Daartegen van zelf onze oude Gereformeerde Godgeleerden. Kort en distinct de Synopsis Purioris Theol. Disput. XXXI (Andr. Rivetus) ed. Dr. H. Bavinck p. 314 sqq.

2) Dordsche Leerreg. Hoofdst. V. Verwerping der dwal. Art. 1. Calvin. Instit. II. 3. 11 : Perseverantia — gratuitum Dei donum. II. 5. 3. III. 24. 6. Daartegen kan zich bijzonder Ebrard, Chr. Dogm. II. S. 538.

God geeft den wil om te volharden. Augustin. Enchirid. ad Laur. c. 32 ; Voor vela gaven Gods gaat de goede wil des men-schen vooruit, maar niet voor alle; die hij echter niet voorgaat, tot deze behoort ook hij zelf; quae aufem dona bona voluntas hominis non praecedit, in eis est et ipsa. Nolentem praevenit (Deus), ut velit; volentem subsequitur , ne frustra velit.

-ocr page 862-

§ 10. GEEN AFVAL DER HEILIGEN.

integomlcol de Heilige Schrifture deze zekerheid doorgaans trekt, niet uit eene bijzondere en buitengewone openharing, maar uit de eigene merkteekenen der kinderen Gods en uit de zeer standvastige beloften Gods \').

5. De Heilige Schrift a. leert nergens eenen afval cler waarlijk wedergeborenen. Ook niet Ezech. 18: 24, waar de Heere eerst verzekert dat de goddelooze , als hij zich bekeert, zal leven , en dan : Maar als de rechtvaardige zich afkeert van zijne gerechtigheid en onrecht doet, doende naar alle de gnuvelen , die de goddelooze doet, zoude die leven ? Alle zijne gerechtigheden , die hij gedaan heeft, zullen niet gedacht worden; in zijne overtredinge, waardoor hij overtreden heeft, en in zijne zonde, die hij gezondigd heeft, in die zal hij sterven.

838

Deze plaats raakt geheel het geschil niet. In dit hoofdstuk wordt de strikte rechtvaardigheid Gods gestaafd , in loon en straf. God is Koning. Hij regeert rechtvaardig. De goddelooze zoon van een rechtvaardigen vader blijft van de straffe niet om de gerechtigheid zijns vaders verschoond. En de goede zoon van een goddeloozen vader zal den toorn Gods niet dragen om de ongerechtigheid zijns vaders. De ziele, die zondigt, die zal sterven. Dit is gezegd tegen de Joden, die zich zeiven rechtvaardigden en de schuld van hun lijden en onheil aan de vaderen weten , naar het spreekwoord: De vaderen hebben onrijpe druiven gegeten en de tanden der kinderen zijn stomp geworden. Bekeert zich de goddelooze , hij zal leven , zal van zijne vorige ongerechtigheden kwijtschelding ontvangen. Maar gaat de rechtvaardige den Heere en zijne geboden

1) Dordsche Leerr. 1. c. Art. 5.

-ocr page 863-

§ 10. GEEN AFVAL DER HEILIGEN.

verachten, zijn vroeger goeddoen zal hem niet verschoonen, „zijne gerechtigheden zullen in geene rekening komen noch God bewegen om hem van de straffe vrij te houdenquot; CKantt. op Ezech. 3 : 20). Dus : de Joden leden, omdat zij zeiven goddeloos waren en niet slechts hunne vaderen.

Met den r,eclitvaardige is hier niet juist een geveinsd rechtvaardige bedoeld en met zijne gerechtigheid niet zonder meer eene gehuichelde. Maar ook is het niet, en hierop dient gelet, een door het geloof gerechtvaardigde : want tegen rechtvaardig staat hier goddeloos. Op de iverlcen wordt hier gezien , op den uitwendigen wandel , op het gedrag in Godsdienst en zeden blijkens de gedetailleerde omschrijving Ezech. 18: 6 v.v. En de vergelding ziet op het tijdelijke leven. Dat een door het geloove gerechtvaardigde van zijne verkregene gerechtigheid zich blijvend afkeerde, wordt hier niet eens als een mogelijk geval verondersteld. Van dezen is hier geen sprake»).

839

Ook 2 Petr. 2 : 20—22 is geen bewijs voor den afval der heiligen. De Apostel spreekt van zulken die door de kennis des Heer en en Zaligmakers Jezus Christus de besmettingen der ivereld ontvloden zijn11), en zegt: indien zij in dezelve wederom ingewikkeld zijnde [van dezelve] ovenvonnen worden , zoo is hun het laatste erger geworden dan het eerste. 21. Watit het ware hun beter, dat zij den weg der gerechtigheid niet gekend hadden, dan dat zij [dien] gekend hebbende, [weder] af he er en van het heilige

\') Vergel. Fr. Ridderus, Apollos. I. p. 948. \'-) V. 18 staat: die waarlijk ontvloden waren , Tohg cvtus xtto-QvyévTamp;q. Eene andere , meer gegronde lezing is ; T5U9 oXiyus XTroCpsuyovTxq , die een weinig ontvlieden.

-ocr page 864-

§ 10. GEEN AFVAL DER HEILIGEN.

gehod dat hun overgegeven was. 22. Maar hun is overgekomen hetgeen met een waar spreekwoord [gezegd wordt] : De hond is wedergekeerd tot zijn eigen uithraaksel, en de gewasschene zeug tot de loenteling in het slijk.

Openbaarlijk spreekt Petrus niet van ware geloovigen en wedergeborenen i). Van geloof wordt hier geheel niet gerept. Slechts kennis wordt hun toegeschreven, kennis van Christus en van den iveg der gerechtigheid en van het heilige gehod , dus van de leere des Evangelies. En de onivlieding van de besmettingen der wereld is nog geen vernieuwing des harten door den Heiligen Geest, maar uitwendige verandering des levens, afstand van de grove dwalingen en goddeloosheden, die in de wereld heerschen, toetreding „tot de Kerke Gods , hetwelk ook dikwyls de huichelaars en onwedergeborenen doenquot; (Kantteek.) Een ander ontvlieden van het verderf dat in de wereld is kont de Apostel in dezen zelfden Brief floofdst. 1 : 4 den geloovigen toe, die der Goddelijke natuur deelachtig zijn geworden. Maar hier bedoelt hij zoodanigen die niet van natuur veranderd, geen nieuwe schepselen geworden , maar, schoon uitwendig voor een tijd gereinigd en dwaling en goddeloosheid uitgeworpen hebbende, toch gebleven zijn wat zij waren , honden en zwijnen ; namen , die op ware geloovigen niet passen.

840

Er is geen twijfel aan , of do Apostel hoeft het oog op tijdgeloovigen, bij wie do goede aarde, een eerlijk en goed hart (Luc. 8: 15) ontbreekt. Dezen tot de leugen en het vuil der wereld, waarvan zij zich voor een tijd losgemaakt haddon, torugkeorendo, hebben zwaarder schuld (Luc. 12:

\') Fr. Ridderus, Apollos. III. p. 1137. v.v.

-ocr page 865-

10. GEEN AFVAL DER HEILIGEN.

47) en doen meerder kwaad (Matth. 12 : 45) dan wanneer zij maar bij hunne eersten levenskoers gebleven waren. — Bovendien de Apostel spreekt voorwaardelijk, hij stelt het geval : Indien zij enz. En het is om de geloovigen voor de verleiders te waarschuwen. Calvyn voegt hierbij de gepeperde aanmerking : „Petrus wil in \'t algemeen dit zeggen : Het Evangelie is eene medicijn, die ons door heilzame bra-kiny zuivert; maar velen zijn honden, die tot hun eigen verderf weer opslohke/n ivat zij hadden uitgespogen, insgelijks, het Evangelie is een had, om al onze vuiligheden af te tvas-schen ; maar velen zijn varkens, die dra na de spoeling zich iveer in de modder rollen. Intusschen worden de godvruch-tigen vermaand , zich voor dit beide te wachten , willen zij niet tot de honden en varkens gerekend worden.quot;

b. Die afvallen, waren niet niet hun hart bekeerd, het steenen hart was daar niet weggenomen, niet verbroken, de steenrots was in hen gebleven. En die op de steenrots [bezaaid tvorden] zijn dezen die, wanneer zij het gehoord hebben, het Woord met vreugde ontvangen; en dezen hebben geenen wortel, die maar voor eenen tijd gelooven en in den tijd der verzoeking wijken zij af, Luc. 8:13quot;). Gelooven voor eenen tijd is ook gedurende dien tijd geen waarachtig geloof. Het is eene oppervlakkige , kortstondige gevoeligheid : een weinigje aarde op het steen, dus geene plaats voor levenskrachtigen wortel.

841

Bij Lucas 11: i24—26, vergel. Matth. 12: 43—4übe-teekent het uitgaan -van den onreinen geest geen ware bekeering des menschen en het wederkeeren met nog meer

\') Ovor het tijdgoloof zio Veertiende Hoofdstuk § 13. Calvin. Instit. III. 24. 7.

-ocr page 866-

§ 10. GEEN AFVAL DER HEILIGEN.

onreine geesten geen afval des bekeerdenquot;), maar de Heere Jezus verkondigt , dat het met het booze geslacht, hetwelk Hij daar voor oogen had, zoo zou gaan als met eenen mensch , die van éénen boozen geest is bevrijd geworden , doch in wien daarna deze zelfde geest met wel zeven andere nog boozere geestèn terugkomt en hem geheel beheerscht. Het ongeloovige Jodenvolk, waar de Zoon Gods leerde en zijne wonderen deed, waar dus een groot licht gezien werd (Matth. 4: 16), dat de macht der duisternis terugdreef, en waar Hij zeggen kon: Zoo is dan het Koninkrijk Gods tot u gekomen (Luc. 11 : 20), zou na eenigen tijd nog dieper dan ooit onder dezelfde macht der duisternis geraken , en alzoo zou des-zelfs toestand erger worden dan hij tevoren was geweest. Brak niet in de veroordeeling en kruisiging des Zoons Gods de macht der duisternis ten volle uit ? De helle was in het volk gevaren , met de Farizeën voorop. En ook van Christus\' hemelvaart tot de verwoesting van Jeruzalem toe ging dit al voort in het woeden tegen God en zijnen Gezalfde en inzonderheid tegen het einde was dit geslacht als van alle duivelen bezeten5).

Intusschen , wij moeten toestemmen, Christus\' uitspraak reikt vorder en geldt het gansche geslacht van Adam en iederen mensch 3) , gelijk ook blijkt uit Lucas, die ze

842

-ocr page 867-

§ 19. GEEN AFVAL DER HEILIGEN.

843

als oeno algemoene stelling vermeldt. In allen woont de Booze ; door den Zoon Gods wordt hij uitgedreven. Maar hij geeft het niet op. Kan hij niet rechtuit weer binnenkomen , hij beproeft het met list, door loopgraven en bochten. Waar nu de bekeering geen zaak des harten was, daar gelukt het hem, en was er een of andere zonde nagelaten , tal van nieuwe zonden breken er uit , b.v. voor gierigheid verkwisting of omgekeerd, met eene heftigheid en teugelloosheid soms zonder mate. Daar is een strijd niet van den Geest tegen het vleesch , maar van vleesch tegen vleesch. Maar dat is geen afval der heiligen. Tegen alle listen en lagen des Satans worden de kinderen Gods door de onoverwinnelijke kracht des Heiligen Geestes veilig bewaard.

De Schrift leert duidelijk , dat, die afvallen , nooit in waarheid leden van de Kerke zijn geweest. 1 Joh. 2 : 19: Zij zijn uit ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet: ivant indien zij vit ons geweest waren, zoo zouden zij met ons gebleven zijn ; maar [dit is geschied], opdat zij zouden openhaar worden , dat zij niet allen uit ons zijn. Men heeft dit nog willen ontkrachten door te beweren , dat Johannes niet in het algemeen , maar alleen van een bijzonder soort van afvalligen in zijnen tijd spreekt, namelijk van de Gnostieken •). Maar hadde de Apostel alleen één soort bedoeld, dan zoude hij wel eenigszins hebben aangeduid, dat zijn gezegde alleen dezen, gold en andere afvalligen niet. En al heeft hij eerst en vooraan het oog op de bijzondere Antichristenon (het ergste soort van Doceten) zijner dagen , zoo is het toch vooral

\') Aldus El\'rard, Cbr. Dogm. II. S. 548.

-ocr page 868-

§ 10. GEEN AFVAL DER HEILIGEN.

uit het slot zijner woorden , inzonderheid zooals zij in het oorspronkelijke gesteld zijn \'), blijkbaar, dat hij hier dit als algemeene waarheid uitspreekt2) : Wie wezenlijk tot de gemeente behoort, die zal nimmer van haar afgaan ; wie er afgaat, toont daardoor , dat hij er nooit wezenlijk heeft toebehoord. De bekeering was slechts schijn, waarvan de klachte geldt Hoz. 7 : 16 : Zij heer en zich, [maar] niet tot den Allerhoogste, zij zijn als een hedriegelijke hoog. En 6 : 4: hunne weldadigheid is als eene morgenwolke en als een vroegkomende dauw, die henengaat.

c. De Apostolische waarschuwingen aan de geloovigen voor het afvallig worden van Christus\' gemeenschap, als een onherstelbaren stap ten verderve (want buiten Christus is er geene zaligheid) stellen slechts een denkbaar geval , juist om het te verhoeden.

In geen anderen zin is ongetwijfeld ook te verstaan de zoo verschillend opgevatte f) en veelszins misbruikte, hoogernstige uitspraak Hebr. 6 : 4—6. Daar wordt gesproken van degenen die eens verlicht geweest zijn (nauwkeuriger: die eens verlicht zijn geworden 4). Namelijk door do predi-

\' lt;x)X ïvx ■lt;pxvspaêmiv, on oxj-a sW) ttxvtsc Hier

ziot TTJiVTei; niet alleou op do xvrlxpivTOi, dan moest er staan : en ciöto) of 0jt0i ouk £(V} zxvtsc; Twcüërlol is hier

saam gesmolten : het zou in do xvtIxpkttoi openbaar worden 1. dat zij niet uil ons waren, 2. dat dienvolgens nia allen, die met ons zijn , ook uit ons zijn.

2) Dit wordt ook toegestemd door J/ut/ier, Komment. z. d. St. :l) Blijkens de Commentaren, o. a. van Tholuck 1836 en van Lunemann in Meyers Handboek.

4) tov; Kirxi- (puTiiróévTXi;. Dio eenmaal worlicht zijn geweest zou te kennen geven , dat zij \'t niet meer zijn , dus dat de afval reeds is geschied. Maar dan loopt men voorbarig vooruit;

844

-ocr page 869-

§ 10. GEEN AFVAL DEH HEILIGEN.

king des Evangelies van Christus. Hetzelfde als Hebr. 10: 26 : die de kennis der waarheid ontvangen hebben, en de he-melsche (bovenaardsche) gave (Christus met zijne geestelijke weldaden, van boven gekomen en naar boven strekkende) gesmaakt hebben, en des Heiligen Geestes deelachtig geworden zijn (die het licht en alle hemelsche gave overbrengt, deelende eenen iegelijk in het bijzonder gelijkerwijs Hij wil 1 Kor. 12: 11), En gesmaakt hebben het (schoone,

bekoorlijke) Woord Gods (het liefelijke Evangelie met zijne troostrijke beloften) en de krachten der toekomende eeinve (beginselen en voorsmaken van de zalige onsterfelijkheid, van het eeuwige leven).

Vele uitleggers hebben geheel deze teekening des Apostels willen verflauwen en al de uitdrukkingen in een zwakkeren zin verstaan. Maar mag dat ? Wij moeten de woorden nemen zoo als zij luiden , in hunne volle beteekenis.

845

Van zulke menschen nu zegt de Apostel: Indien zij afvallig worden (waarmede bedoeld is niet een gedeeltelijke val maar geheele afval, niet een vallen slechts in bijzondere zonden ; iedere zonde is een val, doch daarom nog geen afval; hot is hier: volslagen verwerping van Christus en zijn Evangelie, geheele afval van het Christendom, een volledig omslaan van vóór tot tegen met bittere vijandigheid en lastering, \'t is de zonde tot den dood, 1 Joh. 5 : 1G, de onvergefelijke zonde der lastering tegen den Heiligen Geest, Matth.

want het afvallig ivordcn vermeldt de Apostel eerst hierna , in het Cde vers. Die eenmaal verlicht zijn geworden ziet op het begin vau hunne verlichting, waardoor zij uit den staat der duisternis zijn overgebracht tot het licht , iu hetwelk zy moesten blijven.

-ocr page 870-

§10. GEEN AFVAL DEU HEILIGEN.

12: 31)\'), is het onmogelijk, die wederom te vernieuwen tot bekeering (tot eene nieuwe bekeering te brengen), als welke (dit geeft de Apostel als een roden op waarom \'t onmogelijk is) zich zeiven (tot hun eigen verderf) den Zone Gods wederom kruisigen en openlijk te schande maken (zij doen in hunnen deele hetzelfde als wat die vijanden hebben gedaan , die den Heere Jezus aan het schandelijke kruis brachten, zij toonen daardoor metterdaad, het er voor te houden dat de Joden Jezus met recht als eenen verleider en misdadiger veroordeeld en gekruisigd hebben).

Zoodanigen opnieuw te bekeeren, is onmogelijk, bij God en menschen. Menschen en alle middelen vermogen niets meer op hen; er is niets meer te bedenken wat op hunne harten eenige uitwerking konde doen, zij zijn er tegen verhard..

84G

Maar kan God ten niet wederom bekeeren? Bij God zijn alle dingen mogelijk, zeide de Heiland op de vraag: Wie kan dan zalig worden? (Matth. 19: 2G). Hij is almachtig, maar zijne almacht is, dat Hij alles kan wat Hij wil. Dit nu , nieuwe bekeering van zulke afvalligen, wil Hij niet, naar zijn rechtvaardig oordeel en daarin is Hij onveranderlijk. Hier is de zonde tot den dood, de lastering tegen den Heiligen Geest, waarvoor er geene vergeving is. God laat zich niet bespollen (Gal. G : 7). En er kan voor zoodanigen geen vergeving en redding zijn, „dewijl zij het eenige slachtoffer van het Nieuwe Testament, namelijk den Heere Jezus en zijne verdienste moedwilliglijk verwerpen en verachtenquot; {Kantteek. op Hebr. 10: 2G). „Wij sterven met Christus onder deze verbintenis, dat wij bestendig op de nieuwigheid des levens denken. Die dan in don dood

\') Zie Vijftiende Hoofdstuk § 12. bl. 732.

-ocr page 871-

§ 10. GEEN AFVAL DER HEILIGEN.

terugvallen, hebben een tweede offer noodigquot; (Ca/wyw op Hebr. 6 : 6), en dat is er niet.

Maar leert de Apostel hier dan geen afval der heiligen ? Neen. Hij zegt immers niet, dat ware geloovigen metterdaad zoo afvallen of kunnen afvallen, maar alleen hoe onherstelbaar verloren zij zullen zijn, wanneer zij zoo afvallig worden. Hij spreekt conditioneel, voorwaardelijk.

Maar stelt hij dan niet een onmogelijk geval, iets wat toch nooit zal gebeuren ? En is dan geheel zijne uitspraak niet nutteloos? Wij antwoorden: zulke spreekwijze is aan de Schrift niet vreemd, en dient om alle uitvluchten en uitwegen ten eenen male af te snijden. Zoo zegt bij voorbeeld Paulus Gal. \\ S •. Al ivare liet ook dat een Knyel uil den hemel u een Evangelie verkondigde huiten heigeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt. Waarbij onze Staten-Overzetters aanteekenen ; „Dit is wel in zich zelf niet mogelijk, maar de Apostel wil met het stellen dezer onmogelijke conditie te krachtiger bewijzen de zekerheid van den vloek, die komen zal over degenen, die een ander Evangelie prediken. Zie dergelijke Joh, 8: 55. 1 Kor. 13: 2.quot;

En zou zulk voorstel onnut en noodeloos zijn, daar immers de zaligheid dor uitverkorenen onveranderlijk vaststaat? Maar dan kon men ook alle vermaningen voor de geloovigen overbodig achten. Echter de Heere behandelt zijn volk niet als machines maar leidt hun als bewuste, willende en vrijwerkende wezens tot het heerlijke doel, onder het behoorlijke gebruik der middelen, naar de voorschriften van zijn geopenbaarden wil.

Men denke slechts aan Paulus\' zeevaart Hand. 27. Het stond vast en de Apostel wist, al de 276 op het schip zouden behouden worden, v. 24. En toch, toen de schippers

847

-ocr page 872-

§ 10. GEEN AFVAL DER HEILIGEN.

tot eigen lijfsbelioud mot de boot wilden vluchten , zeide Paulus tot den Hoofdman en tot de krijgsknechten : Indien dezen in het schip niet blijven, gij kunt niet behouden worden, v. 31. En wederom: Ik vermaan u spijze te nemen, want dat dient tot uwe behouding, v. 34 i). Daar was het dus: blijven dezen niet, dan komt gij om, en: eet gij niet, dan verhindert gij uw behoud. Maar dit strakke woord was juist het middel dat janmaat bleef en dat de lieden aten.

Zoo dienen de ernstige vermaningen en waarschuwingen en strenge bedreigingen voor de geloovigen juist hiertoe om bij gevaarlijke verzoekingen hunnen afval te voorkomen1) en hen getrouw te doen blijven tot een dood. En dit was bijzonder noodig voor bet bedrukte hoopje van Christenen uit de Joden in de heilige stad en het heilige land , die van allo kanten , deels door het verleidelijke van den nog gevierden tempeldienst, deels wegens de heftige vervolging van hen door hunne volksgenooten, toen en daarna nog meer bij het naderen van de dagen der benauwdheid over land en volk , in buitengewone verzoekingen verkeerden, om afvallig te worden en weer tot het vijandige Jodendom over te loopen.

Intusschen wordt de strenge dreiging tegen degenen, die afvallig worden, door den Apostel zeiven voor ons in het rechte licht gesteld. Ten eerste door zijne verklaring aan

848

1

) Calvin. Commentar. in Hebr. 6 : 4 : Si quis rogot, eur talis apostasiae mentionem hie faciat Apostolus , quum fideles compellot , qui proeul aborant a tam scelerata perfidia: respon-doo, mature ab eo indioari periculum, ut sibi praecaveant. quot;Vergel. ook Muller, Die Cbr. Lehre vou der Sünde II. S. 576. f.

-ocr page 873-

§ 10. GEEN AFVAL DER HEILIGEN.

zijne geloovige lezers Hebr. 6:9: Maar, geliefden, ivij verzekeren ons van tlt; betere dingen, en met de zaligheid gevoegd, hoewel ivij alzoo spreken. En ten tweede door zelf te betuigen , dat hij tot het boven genoemde doel aldus heeft gesproken, v. 11 : Maar wij hegeeren dat een iegelijk van u dezelfde naarstigheid bewijze, tot de volle verzekerdheid der hope, tot het einde toe. 12. Opdat gij niet traag wordet, maar navolgers zijt dergenen die door geloof en lankmoedigheid de beloftenissen beërven, welker zekerheid , wegens de onveranderlijkheid van Gods raad, hij daarop nog nadrukkelijk gaat uitspreken.

God bewaart zijne kinderen , anders bleef er geen één staande , vanwege de overgebleven verdorvenheid in al hunne vermogens , voornamelijk ook in hunnen wil.

Men denkt verkeerd van den nieuwen mensch , wanneer men met sommigen in dezen de kracht stelt om zich zelf te bewaren , als ware er bij den wedergeborene geene boosheid meer in den wil en alsof niet ook inden wedergeborene het bedenken des vleesches nog altijd vijandschap ware tegen God. Een booze wil nog in den wedergeborene , en daartegenover eene overmogende werking des Heiligen Geestes als noodzakelijk om hem telkens tot het goede over te brengen en vast te stellen — daarin ziet men een verwerpelijk dualisme en een onwaardig mechanisme \'). Maar terwijl men dit dualisme verw erpt, verwerpt men den strijd tusschen vleesch en Geest, tus-schen den ouden en den -nieuwen mensch, een tweestrijd die toch bestaat; en mechanisch werkt Gods Geest niet1),

\') Zoo bijzonder Ebrard, Chr. Dogmat. 11. § 513. !) Zio Veertiende Hoofdstuk, § 17.

Gravomogor, Goref. Gel. leer. 11. 54

849

-ocr page 874-

§ 10. GEEN AFVAL DER HEILIGEN.

niet „als eene hand die den vallenden loodkogel weerhoudt en opwaarts heftquot;\') , want Hij woont in den wedergeborene en bearbeidt hem overeenkomstig zijne redelijke natuur.

Ook in dezen hebben wij ons geheel te houden aan de Heilige Schrift, die overal vermaning en verzekering samenvoegt, zooals Fil. S2 : 12, 13 ; a. Werkt uws zelfs zaligheid met vreeze en beven : b. Want het is God die in u werkt heide hel willen en het werken, naar [zijn] welbehagen. Hetgeen dan God samengevoegd heeft, schelde de mensch niet.

§ 11. Voortgang.

De schriftmatige leer onzer Gereformeerde Kerk geeft ,• wèl verstaan, geenen steun voor antinomistische gevoelens. Alleen door misverstand en misbruik wordt zij lasterlijk ten tuon gesteld als „een oorkussen des vleesches en als voor de godvruchtigheid , goede zeden, gebeden en andere heilige oefeningen schadelijkquot;1). De ware kinderen Gods, tot wie de Heere, de Almachlige, zegt: Ik zal u tot een Vader zijn, en gij zult mij tot zonen en dochter en zijn (2 Kor. 6 : 18), dezen zeggen daarop van hunnen kant ook allen ; Dewijl wij dan deze beloften hebben , geliefden , laat ons onszelven reinigen van alle besmetting des vleesciies en des genstes, voleindigende de heiligmaking (de heiligheid) 3) in de vreeze Gods (2 Kor. 7 : 1).

850

1

) Hiertegen Dordr. Leerreg. Hoofdst. V. Ver worp. dor dwal. Art. 6.

-ocr page 875-

§ 11. VOOUTGANG.

Heiligheid is vracht van de heiligmaking. Deze is Gods werk. Maar zij maakt den wedergeborene zelf werkzaam tot „betering des levens en goede werkenquot;, waartoe hij dus niet komt door den eigenwil en door de kracht van het eigen leven , maar door de kracht van Gods Geest in de geloofsgemeenschap met den Middelaar Christus.

Om daarin te vorderen, is vooral noodig waken en hidden, met naarstig gebruik en overdenking van Gods Woord.

Onze Kerk hoeft niet nagelaten dit beide, overeenkomstig de Schrift, ten ernstigste aan te bevelen.

1. Daar de bekeerden, zooveel hen aangaat, niet buiten gevaar zijn om van de leiding der genade af te wijken en de begeerlijkheden des vleesches te volgen , Daarom moeten zij gestudiglijk waken en hidden, dat zij niet in verzoeking geleid worden (Dordr. Leerr. Hoofdst. V. De Leere Art. 4).

De Heere Jezus zelf heeft aan zijne eerste discipelen in Gethsemané bij het naderen der zware verzoeking, maar daarmede tegelijk voor al zijne volgelingen de vermaning gegeven Matth. i26 : 41 : Waakt en hidt, opdat gij niet in verzoekinge komt (er niet in raakt, niet inwilligt en alzoo valt): de geest is wel gewillig , maar het vleesch is zwak (om te weerstaan : is uw wil ook goed , hij wordt verhinderd door uwe natuurlijke zwakheid).

851

Waken en bidden i) vereenigd. Waken moet men bij het bidden; want wat is een gebed zonder waken \'i Bid i n moet men, om te waken : anders blijft men niet wakker. Een waakzaam hart is noodig, altijd gereed en dadelijk vaardig op het kloppen en de stemme des Heeren, zooals de Bruid

\') NiUsch, System. § 160. 161.

-ocr page 876-

§ 11. VOORTGANG.

in het Hooglied 5 ; 2 : Ik sliep, maar mijn hart waakte. Alleen wie waakt, ziet het gevaar en beseft zijne zwakheid; en door bidden zoekt en verkrijgt men hulp en kracht, en niet dan biddende kan men de wapenrusting Gods aandoen en recht gebruiken, biddende te allen tijde in den Geest (Ef. 6: 18.) Alle heiligen waren bidders. Zij waren diep doordrongen van de bewustheid, dat zij door eigen kracht niet staan of gaan konden. Daarvan getuigen al de Psalmen. Zoo de bede Davids Ps. 143 : 10: Leer mij uw welbehagen doe7i , want gij zijt mijn God: uw goede Geest geleide mij in een effen land.

2. Daarbij is vooral noodig een aanhoudend en gezet gebruik en gestadige overdenking van Gods Woord. Gelijk het God beliefd heeft zijn toerk der genade door de prediking des Evangelies in ons te beginnen , alzoo bewaart , achtervolgt en volbrengt Hij het door het hooren , lezen en overleggen daarvan, mitsgaders vermaningen, bedreigingen , beloften en het gebruik der Heilige Sacramenten. (Dordr. Leerr. Hoofdst. V. De Leere. Art. 14. H. Ill en IV. De Leere. Art. 17).

852

Het Woord Gods is en blijft voor den geloovige volstrekt onmisbaar»). Het is noodig, om aan het geloove zijn bestaan, zijn eigenlijk wezen bij voortduring te geven: want zonder het Woord is er geen waar geloof en heeft het gee-nen inhoud of grond; en om het geloof vruchtbaar te maken in heiligheid en goede werken. Het Woord Gods is het geestelijke voedsel voor den nieuwen mensch, zonder hetwelk hij kwijnt. Het is voor den wedergeborene wat de

quot;) Vergel. Tweede Hoofdstuk § 40 : Noodzakelijkheid der H. S. § 41; Gebruik. § 42: Het rechte Bijbellezen.

-ocr page 877-

^ 11. VOORTGANG.

zuivere moedermelk is voor het kind. Vandaar de vermaning 1 Petr. 2:2: Als nieuw geborene kinderkens zijt zeer hegeerig naar de redelijke onveroalschte melk, opdat gij door dezelve moogt opwassen (hier niet gezegd in tegenstelling tegen vaste spijs als 1 Kor. 3 : 2 en Hebr. 5 : 12 , maar als het rechte ziele voedsel voor het kind Gods , hetwelk bij deze melk moet blijven). —

Het lezen en hooren van Gods Woord is niet genoeg i), het moet overdacht en beoefend worden, niet alleen op zekere tijden en vastgestelde stonden, maar te alle tijde, ook bij de gewone dagelyksche bezigheden. „Eene inwonende hebbelijke kennis van Gods Woord zal ons niet baten, tenzij er eene hartelijke overdenking van hetzelve bijkomt en deze van een werkelijk beoefenen er van gevolgd wordtquot;. Zoo is het bij den rechtvaardige , Ps. 1:2: Zijn lust is in des Heeren Wet, en hij overdenkt zijne Wet dag en nacht. Daardoor komt hij tot vastigheid, groei en vruchtbaarheid als een boom : Want hij zal zijn als een boom, geplant aan wvterbeken, die zijne vrucht geeft in zijnen tijd en welks blad niet afvalt, en al wat hij doet zal wél gelukken. Het Woord Gods is de spijs waarbij de wedergeborene ziele leeft. Het is den pelgrim in de woestijn der wereld eene latnpe voor zijnen voet en een licht voor zijn pad (Ps. 119: 165). Het is voor den strijder het zwaard des Geestes (Ef. 6: 17), machtig tegen allen vijand.

§ 12. Noodzakelijkheid.

De heiligmaking is even noodzakelijk als de rechtvaar-

\') W. Marshall, Heiligmaking ed. 1772 p. 341.

-ocr page 878-

§12. noodzakelijkheid.

dicing. Zij is evenzoowel als deze Gods werk, eene weldaad des genadeverbonds , en onafscheidelijk aan de rechtvaardiging verknocht. Hare vrucht is heiligheid. De zaligmakende genade heeft in de rechtvaardiging des zondaars haar einde nog niet bereikt, zij zet zich voort in de heiligmaking. Geen zaligmaking zonder heiligmaking, geene zaligheid zonder heiligheid.

Dit hebben de rechtzinnige Protes\'antsche Kerken steeds vastgehouden en ten sterkste aangedrongen.

Doch niet in den zin der Roomschen, die de heiligheid in bepaalde vormen binden , haar tot iets uiterlijks maken , ze in eene bijzondere leefwijze en in zekere , dooide Kerk voorgeschrevene goede werken stellen , en deze hiertoe noodzakelijk en bekwaam achten , om wasdom in de Goddelijke genade, eeuwig leven en vermeerdering der hemelsche heerlijkheid te verdienen quot;).

De Protestantsche leer daarentegen van de rechtvaardiging en zaligheid uit enkele genade kwam deze verdienstelijkheid ten eenenmale uitsluiten : de mensch kan niets bij God verdienen ; maar daarvoor beliep zij den laster van de Roomschen , dat zij de deur voor alle goddeloosheid openzette. Tegenover hen stelde zij de noodzakelijkheid van heiligheid en goede werken wel nadrukkelijk vast, maar in een anderen zin en op diepere gronden dan de Roomschen.

Ook in eigen boezem had de Protestantsche Kerk al vroeg

\') Concil. Trident. Sess. VI. Do Justif. Canon 32: Si quis dixorit, horainis justificiiti bona opera — non vore mereri augmentum gratiao, vitam aoternam et ipsius vitae aeternae, si (aiuon in gratia decosserit, consecutionem, atque etiam gloriae augmont.ein : an a tb oma sit. Verge]. Vijftiende Hoofdstuk § 4. bl. 706.

854

-ocr page 879-

^ 12. NOODZAKELIJKHEID.

tegen dwalingen in dezen te strijden. Zoo tegen de overspannen stelling van den Lutherschen ^4ws^o)/; „De goede werken zijn voor de zaligheid schadelijkquot; ; waarbij deze het intusschen voor het naast had gemunt op de eigendunkelijke goede werken der Roomschen i). Voorts tegen allerlei anti-nomistische (Wetbestrijdende) uitspattingen, die ook in onzen tijd wederom opdoemen, waar men rechtvaardiging en heiligmaking door elkander wart of bij de rechtvaardiging blijft staan en de heiligmaking in het donker dringt.

De leer van de heiligmaking is naar de belijdenis der Protestantsche Kerken, inzonderheid onzer Gereformeerde Kerk, een allergewichtigst leerstuk. Haar is de heiligmaking geenszins iets bijkomstigs bij de rechtvaardiging, geen toevoegsel tot deze dat ook weg kon blijven. Integendeel zij bekleedt in de heilsorde noodzakelijk eene hooge plaats en zonder haar zou het gebouw onvoltooid staan.

De heiligmaking als genadewerking Gods en de heiligheid der geloovigen als hare vrucht is noodzakelijk. Want 1. zij is het doeleinde van de verkiezing en van Christus\' verlossingswerk. Ef. 1 ; 4; De God en Vader onzes Heeren Jezus Christus heeft ons uitverkoren in Hem vóór de grondlegging der wereld, (niet omdat maar) opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefdequot;1). Tit. 2: 14: Onze Zaligmaker Jezus Christus heeft zichzelven voor

\') Nikolaus van Amsdorf, laatst Professor te Jena, f 1565. Volslagen determinist. Van bem het geschrift: Base die Pro-positio, »Gutc Werke sind zur Seligkeit schadlic/iquot; , eine rechte wahre Propositio sey, 1559. Niedncr, Kirchengesch. S. 708 ff. Hase, Huttor. red. § 108. 3te Aufl. S. 278.

-) Zio Vijfde Hoofdstuk (deel I) Sj 15. bl. 607. Vergel. Calvin. Instit. III. 23. 12. sq.

85è

-ocr page 880-

§ 12. NOODZAKELIJKHEID.

ons gegeven, opdat Hij ons zoude verlossen van alle ongerechtigheid , en zich zeiven een eigen volk zoude reinigen , ijverig in goede toerken. 1 Thess. 4 : 7 : God heeft ons niet geroepen tot onreinigheid maar tot heiligmaking \'); de roeping echter is de openbaring en aanvankelijke uitvoering van de verkiezing. Kol. 1: 2:2: Door Gliristus zijt gij verzoend in hel lichaam zijns vleesches, door den dood, opdat Hij u zoude heilig en onberispelijkenonbeschuldelijk voor zich stellen.

Dus is de heiligmaking noodzakelijk a. omdat zij tot het doel der verlossing leidt, en dit is, dat de geredde en herstelde mensch wederom God zou verheerlijken. Ware met de rechtvaardiging alles afgedaan en het einde reeds verkregen, waartoe dan dat Rom. 12 : l, 2 de gerechtvaardigden door deze hun geschonkene barmhartigheid worden aangespoord tot heiligheid ? Nog in het laatste vermaant de Schrift: Die heilig is, dat hij nog geheiligd worde , Op. 22: 11. b. Wegens het nauw verband van Christus\' Middelaarsambten4) , inzonderheid van het Koninklijke met het Hoogepriesterlijke: de verzoenden gaat Hij ook als Koning in heiligheid regeeren. c. Wegens de natuur van het ware geloof der verlosten (§ 13).

2. Zij is het begin van het eeuwige leven. In de zonde is de dood, in de heiligheid het leven. Het eeuwige leven vangt niet eerst namaals aan, het begint hier met het geestelijke leven van de wedergeboorte af. Het is: God kennen, liefhebben, dienen en verheerlijken. Dat is zaligheid. Op aarde is hét: ten deele; ginds: geheel. Omdat hier in

\') èv xyixcrfM. Het doel dor roeping wordt hier als haar resultaat voorgesteld. Door h xyixtrfiZi wordt verondersteld sh ayixr/AÓv,

2) Klfdc Hoofdstuk § 9.

856

-ocr page 881-

§ 12. NOODZAKELIJKHEID.

alle wedergeborenen nog zonde is, voelt zich hier ook geen één volkomen zalig, maar zalig in hope. Hoe meer echter de geloovige van de zonde gezuiverd en in zijn denken , willen , gevoelen en doen met den heiligen wille Gods vereenigd wordt, des te meer is het dat hij voorsmaken van het hemelleven geniet en het beginsel der eeuwige vreugd in zijn harte (/ewoe^ (tleidelb. Gat. Vr. 58). De vermaning en roeping is : Dat ik alle de dagen mijns levens van mijne booze werken viere , den Ueere door zijnen Geest in mij werken late en alzoo den eeuwigen Sabbat in dit leven aanvange (Dez. Vr. 103).

3. De heiligmaking is een noodzakelijk voorvereischte van de heerlijkmaking : Het rijk der genade is het voorportaal van het rijk der heerlijkheid , het voorhof voor het hemelsche heiligdom. De heiligmaking is de voorbereiding en vorming voor dien staat van volmaaktheid , waar God in die mate als het redelijke, eindige schepsel daarvoor vatbaar is , gekend , gediend , verheerlijkt en genoten wordt. Beide staten, van genade en heiligmaking hier en van heerlijkheid voor de ziel en eenmaal ook voor het lichaam, eene heerlijkheid die ook zelve enkel genade is , bestaande in volkomen bevrijding van alle zonden- en lijdenskwaad en in volledig bezit en onver-donkerd uitblinken van het beeld Gods en ongestoorde gemeenschap met den Volzalige — beide staan in een innig verband met elkander (Gal. 6: 8) en verschillen meer gradueel, in trap , dan essentieel, in wezen.

De heiligmaking geeft geen verdiende en eigene waardigheid, tot de verkrijging van de heerlijkheid, maar begeerte er naar en aanvankelijke bekwaamheid er voor. En in dezen zin is de heiligmaking de weg door welken God zijne

857

-ocr page 882-

§ 12. NOODZAKELIJKHEID.

858

kinderen tot de heerlijkheid leidt. Dat dit zonder heiligmaking niet kan, en dat zij een noodzakelijk vereischte is, leert de Schrift nadrukkelijk. Zoo Hebr. 12 : 14: Jaagt [den] vrede na met allen en de heiligmaking, zonder welke niemand den Hce.re zien zal. Heiligmaking het doel, waartoe alle geloovigen moeten samenwerken , op elkander toeziende dat niemand verachtere (v. 15) , en juist daartoe zullen zij onderling vrede bewaren, Zonder heiligmaking zal niemand den Heere zien. Dat is een weerklank van Christus\' woord Matlh. 5:8; Zalig [zijn] de reinen van harte, want zij zullen God zien \').

Wel zegt de Schrift zelve, dat (76«« »we«sc/t GW den Vader gezien heeft noch zien kan (1 Tim. 6: 16)), maarzij leert ook , dat de Zoon is het afschijnsel zijner heerlijkheid en het uitgedrukte beeld zijner zelfstandigheid (Hebr. 1 : 3), zijn Aangezicht, in hetwelk Hij door de zaligen eeuwiglijk wordt gezien. Deze, die hier eens gezien werd nederig, ellendig, beladen met veler zonden om ze te verzoenen, zal ten anderen male in heerlijkheid gezien worden van degenen die Hem verwachten tot zaligheid (Hebr. 9 : 28). Waarvan ook getuigt 1 Joh. 3:2: Wij weten, dat als [Hij] Z(d ge-openhaard zijn, ivij Hem zullen gelijk wezen : want wij zullen Hem zien gelijk Hij is. Maar daarbij scherpt ook Johannes den geloovigen de noodzakelijkheid der heiligmaking

\') C. 11. liieger, Das Lebon Jesu, Meurs 1838. S. 43: Wer im Leidtrayen (Matth. 5 : 4) erfahren hat, was ihm die Sünde verursachet, der scheuet sich sein Lebtag vor solcher Betrübnisz seiner Seele, und wacht desto mehr iiher sein Gewtssen, wie über ein Auge , dem ein Stauhlein ivehe thut, und das nicht aufhört zu thranen, bis es heraus^ejlöszt ist, und bis das Herz wieder in seiner Reinigkeit, und das Auge in seiner Ein fait vor Gott steht.

-ocr page 883-

§ 12. NOODZAKELIJKHEID.

in, v. 3 : En een iegelijk die deze hope op IIcm heeft, dit reinigt zich zeiven, gelijk Hij rein is. De geheiligden zullen Hem zien. Zijne dienstknechten zullen Hem dienen , als priesters voor den troon Gods en des Lams , En zullen zijn aangezicht zien (Openb. 22 ; 3 , 4).

Wat niet geheiligd is , komt daar niet binnen. Heiligheid is de weg tot heerlijkheid , eene verhevene baan, een weg die de heilige weg zal genaamd worden ; de onreine zal daar niet doorgaan (Jez. 35 : 8). Dit heeft ook onze Kerk , bij hare zuivere genadeleer, ten sterkste aangedrongen. Heidelb. Cat. Vr. 87,

§ 13. Kenteekea van geloof.

De noodzakelijkheid der heiligmaking ligt ook in den aard des geloofs. Het is geen waar geloof, dat niet tot heiligmaking leidt gt;). Het ware geloof bewijst zich werkzaam door een leven in liefde. Gal. 5 : G : Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis eenige kracht noch voorhuid, (waarover in de Galatische gemeenten zoo getwist werd), maar []iet\\ geloof door [dé] liefde werkende. Niet: door liefde gewerkt of werkzaam gemaakt, gelijk de Room-schen uitleggen , alsof het geloof eerst zijn wezen , vorm en werkzame kracht van de liefde zou ontvangen en op zich zelf zonder de liefde , dood ware\'). Neen , maar:

\') Zie Vijftiende Hoofdstuk § 21. bl. 766. v.

Concil. Trident. Sess. VI. Do Justif. Cap. VII: Fidos, nisi ad earn spes accedat et caritas, neqae uuit perfecte cum Christo , neque corporis ejus vivum membrum efficit. Qua ra-tioue verissime dicitur, fidem sine opehbus mortuam et otiosam esse. Von Gertach zu Gal. 5 : 6.

859

-ocr page 884-

§ 13. KENÏEKKEN VAN GELOOf.

geloof door liefde werkende \'). De liefde is niet de vorm des geloofs. Geloof is geloof en liefde is liefde. Het geloof is de moeder, de liefde haar kind. Geloof baart liefde. De liefde geeft niet eerst leven aan het geloof, maar het levend geloof brengt de liefde voort; doet het dat niet, dan is juist dit een bewijs dat het geen waar, levend geloove is, maar dood. Het ware geloof is „da-dig door de gcede werkenquot; (Kantteek. Jac. 2 : 18). Op zulk een geloove komt het aan. Besneden zijn of onbesneden , doet ter zaligheid niet toe noch af. Met het geloove valt alle uiterlijke onderscheiding weg en alleen de liefde blijft, uit het geloof groeiende en van het geloof onscheidbaar (Gal. 5:13, 14)a).

Do zaligmakende genade , die als een licht opgegaan is over de menschheid, Tit. 2:12: Onderwijst ons dat wij de goddeloosheid en de wereldsche begeerlijkheden verzakende, matiglijk (ten aanzien van ons zelven) en rechtvaardigliAk (jegens onzen naaste) en godzaliglijk (voor God) leoen zouden in deze tegenwoordige ivereld.

De Gereformeerde Kerk heeft dit dan ook met nadruk uitgesproken, Nederl. Belijd, des Gel. Art. XXIV: Wij gelooven dat het waarachtig geloove, in den mensch gewrocht zijnde, door het gehoor des Woords Gods en de werking des Heiligen Geestes, hem wederhaart en maakt tot eenen nieuwen

\') tt/ot/squot; SI dyctTryz svspyovftswi. Het verbum èvspyslTÖxi is in het Nieuwe Testament steeds medium. Zie Meyer z. d. St.

2) Bengel, Gnomon Gal. 5:6: Fides commendatur iis , qui circumcisionem defendant: amor iis , qui praeputium aliquid esse putant (ut moneantur legem non tolli per fidem , sed confir-mari). Longissime ab amore absunt operarii; Spiritus est fidei et avians Spiritus.

860

-ocr page 885-

§ 13. kenteeken van geloof.

861

mensch, en doet hem leven in een nieuw leven en maald hem vrij van de slavernij der zonde. Daarom is het zoo verre van daar dat dit rechtvaardig makend geloof de menschen zoude doen verhouden in een vroom en heilig leven, dat zij daarentegen zonder hetzelve nimmermeer iets doen zullen uit liefde Gods, maar alleen uit liefde huns zelfs \') en uit vreeze van verdoemd te worden. Zoo is het dan onmogelijk dat dit heilig geloof ledig zij in den mensch: aangezien ivij niet spreken van een ijdel geloof, maar van zidk een \'t welk de Schrifture noemt een geloof , dat door de liefde werkt , dat den mensch beweegt om zich te oefenen in de werken, die God in zijn Woord geboden heeft.

Heidelb. Cat. Vr. 64 : Het is onmogelijk , dat zoo wie Christus door een waarachtig geloof ingeplant is, tiiet zoude voortbrengen vruchten der dankbaarheid\'1). Het Derde deel van den Catechismus, in hetwelk het godzalig leven des verlosten wordt beschreven, draagt het opschrift: Van de Dankbaarheid. Bij uitstek gepast en treffend. Eerst de weldaad, dan de dank. Geen verdienste, maar alleen dankbaarheid na de ontvangene genade. De goede werken des geloovigen zijn slechts betooningen van dankbaarheid jegens zijnen God en Zaligmaker. Zij komen niet in rekening om ons te rechtvaardigen. Want het is door het cjeloove in Christus dat irij gerechtvaardigd worden, ook eer wij goede werken doen, anderszins zouden zij niet

\') Lat. tekst: (ex) amore tantum sui, vel condemuationis metn. 2) Stier, Reden des Herrn Jesu. 1844. III. S. 404 (zu Lnc. 17): Dankbarkeit ist der An/angs- , Milt el- und Endpunkt (dier ivahren menschlichen Sittlichkeit oder besser Gottseligkeit, Hebr. 12: 28.

-ocr page 886-

862 § 14. GOEDE WERKEN.

méér hunnen goed zijn , dan eene vrucht des booms goed zijn kan vóórdat de boom goed is. Nederl. Bel. Art. XXIV.

§ 14. Goede werken.

De heiligmaking openbaart zich in het leven. De goede boom geeft zijne vrucht in zijnen tijd: goede werken.

1. Maar wat zijn goede iverlceni)? Goed, niet slechts naar het oordeel der menschen, maar goed en aangenaam in de oogen Gods. Heidelb. Catech. Vr. 91. Alleen zulke die uit een goeden grond , naar een goeden regel en tot een goed einde geschieden.

a. Vit ivaren geloove : uit de geloofsgemeenschap met Christus, den Wijnstok waaruit de ranken, het Hoofd waaruit de leden de levenskracht trekken, en dienvolgens uit hartelijke vreugde in God door Christus en lust en liefde om naar den wille Gods te leven: zoodat men aldus handelt juist omdat men gelooft en vastelijk overtuigd is dat God het zoo wil en gebiedt, dien men in Christus als Vader kent en kinderlijk lieiheeft. Een Heiden , een natuurlijk mensch kan uiterlijk veel goeds doen, maar niet wat goed is bij God , omdat het niet is uit het goede grondbeginsel , uit een door liefde werkend geloof, A\'w al wal uil den geloove niet is dat is zonde , Rom. 14: ^3. De ongeloovige werkt buiten Christus; zijn bloed echter is bij alle werk noodig om het te reinigen , zal \'t Gode behagen.

b. A\'aar de Wet Gods , en niet naar ons goeddunken of naar inzettingen en op gezag van menschen, zoo als

\') F. Van Mastricht, Godgel. III. p. 413 v. IV. p. 560.

-ocr page 887-

§ 14. GOEDE WERKEN.

bij de farizeesche Joden en de Roomschen. Want de IJ eer e is onze Hechter, de Tl eer e is ome Wetgever, de Heere is onze Koning, Hij zal ons behouden, Jez. 33 : 22. (Jac. 4: 12). Tot Israël was gezegd Deut. 12; 8, 32: Gij zult niet doen — — een ieder al wat in zijne oogen recht is. Al dit woord, hetwelk ik ulieden gehiede, dat zidt gij waarnemen om te doen : gij zult daar niet toedoen en daarvan niet afdoen. Anders zegt de Heere: Wie heeft zulks van uwe hand geëischt? Jez, 1 : 12: Die God eigendunkelijk dienen , zijn zijn volk niet. De Heere zegt Matth. 15: 9: Te vergeefs eer en zij mij leerende leeringen, [die] geboden van menschen [zijn\'] \'). „Menschengebod en men-schenleere gaat immers altijd alleen op hand en mond, maar God verlangt het hart zijns volks.quot;

c. Ter eere Gods. Tot prijs zijner heerlijkheid, EL 1 : 14. Dit moet het hoofddoel zijn. Wie goeddoet om maar bij de mensehen geprezen te worden, is een gruwel voor God. Eigen heil en \'s naasten nut zijn mede einden, maar ondergeschikte. Het is: „Opdat wij ons met ons gansche leven Gode dankbaar voor zijne weldaden bewijzen en Hij door ons geprezen worde. Daarna ook dat elk bij zich zeiven van zijn geloof uit de vruchten verzekerd zij , en dat door onzen godzaligen wandel onze naasten ook voor Christus gewonnen worden.quot; lleidelb. Cat. Vr. 86.

86?.

2. De Frotestantsche Kerken verschillen hierin wezenlijk van de Roomsche. a. Naar de Frotestantsche leer zijn er slechts in betrekkelijken zin .goede werken, geen goede werken in volstrekten en eigenlijken zin, dat zegt, geene handelingen die op zich zelve en alleen reeds daardoor dat zij gedaan

1) Zie Tweede Hoofdstuk § 38.

-ocr page 888-

§14. GOEDE WERKEN.

worden Gode goed en welgevallig zouden zijn en aanspraak op loon hadden. Naar de Boomsche leer wél.

De Protestantsche leer grondt de goede werken zuiver en onmiddelbaar op de Wet Gods, zij zijn de volbrenging alleen van Gods geopenbaarden wil: Naar de Wet Gods, die door den Heiligen Geest in het wedergeborene hart is gegraveerd. Naar de Boomsche leer zijn zij ook wel de opvolging van de geboden Gods, maar onder bemiddeling van de (Roomsche) Kerk, door wier autoriteit zij van buiten tot de geloovigen worden gebracht en die er dus gezag aan geeft (gelijk over \'t geheel aan Gods Woord).

b. Daarbij gaat de Boomsche Kerk met haar gezag nog verder, doordat zij (en desgelijks de Grieksche Kerk) onder de goede werken drie bijzonder hoog stelt: gebeden, vasten en aalmoezen, waarvan de trap en mate wel aan een ieder is vrijgelaten, die echter bij uitnemendheid verdienstelijk zijn en als genoegdoeningen (voor tydelijke straf) gelden, terwijl zij in den biechtstoel als boetedoeningen worden opgelegdquot;). —

\') Satisfactiones. Concil. Trident. Sess. XIV. De Poenitentia Canou 13. Winer , Compar. Darst. 1882. S. 147. 215.

Eu waarom deze drie ? Als gepast 1. ter toewijding van alle goed aan God. a. Van de goederen der ziel, door het gebed. b. Van de goederen des lichaams, door het vasten, e. Van de uit-wendige goederen, door do aalmoezen. 2. Ter uitroeiing van de wortelen aller zonden (1 Joh. 2 : 16) : a. van de begeerlijkheid des vleesches , door het vasten, b. Van de begeerlijkheid der ooyen (de gierigheid) , door de aalmoezen, c. Van de grootschheid des levens (hoogmoed) , door de gebeden. 3. Ter genoegdoening aan de drie die door onze zoudeu gekreukt worden: aan God, het gebed; aan den naaste, de aalmoes; tot kastijding van ons zeiven , het vasten. Catechist». Roman. Pars II. Cap. V. Qu. 70. En Bellarmin. bij Winer, Gompar. Darst. S. 216.

864

-ocr page 889-

§ 14. GOEDE WERKEN.

De Protestant eerbiedigt en waardeert het gebed (geen geesteloos opzeggen van gebeden) en de weldadigheid als noodzakelijke uitingen van geestelijk leven, acht ook het i) op zijn tijd nuttig tot tucht, voor het vleesch, maar schrijft aan geen dezer oefeningen eenige verdienste bij God toe en verwerpt alle denkbeeld van eigene genoegdoeningen.

c. Maar het wijdst heeft de Roomsche Kerk in hare eigendunkelijke machtsoefening zich verloopen door bij de geboden Gods1) te voegen de zoogenaamde evangelische raadgevingen s) (raadregelen), niet algemeen verbindende bevelen , maar aanbevelingen van zekere uitstekende goede werken voor degenen , die de gemeene trappen der aan allen gebodene en voor allen mogelijke zedelijke volkomenheid willen overklimmen en tot nog hoogere volmaakt-

\') Over de Joodsche vasten zie Tweede Hoofdstuk § 38. bl. 225. — Roomsche vasten: de 40 darjcn voor Paschen (tot gedachtenis van Christus\' veertigdaagsch vasten in de woestijn); de Quatertemperdagen , de eerste Vrijdag van ieder viereudeel-jaars (tot dank voor do weldaden telkens van God ontvangen, en tot verkrijging van bekwame dienaars van het Heilig Evangelie (naar Hand. 13; 2 , 3), die op do vier tijden des jaars gewijd worden) ; cn zekere Vigiliedagen (ter voorbereiding voor de voorname feestdagen). Onthouding van zekere spijzen (vleesch, vet) of ook , voor do heilige Comnmnie, van alle spijs en drank. Verklaring van den Mechelschen Catechismus. De XXVIlIste Les. ed. 1843. p. 234. v.v. P. Va7i Mastricht, Godgel. IV. p. 217. p. 715. v.v.

s) praecepta Dei.

3) Consilia evangelica , consilia perfeetionis. Dr. Aug. Halm, Das Bekenatnisz der evang. Kirche. 1853. S. 63. Winer, Corn-par. Darstell. No, XI. — Catech. Roman. Pars III. Cap. III. Qu. 24. Verklaring van den Mechelschen Catech. XXXIXste Les. § 2. p. 371. v.

Gravemeyer, Geref. Gol. leer. II. 65

865

-ocr page 890-

§ 14. GOEDE WERKEN.

hoid zich willen verheffen. Want naar Roomsch (en Griekscli) leerbegrip is de wedergeborene in staat niet alleen de geboden Gods volkomen te onderhouden maar hij kan nog meer doen, overtollige goede werken, om zich nog hoogore verdienste bij God te verwerven.

Geen bevelen zijn het maar een goede raad, waarvoor men zelfs in de Schrift gronden meent te vinden. Het zijn : vrijwillige armoede (Matth. 19: 21), bestendige ec/j-teloosheid, om ongetrouwd in zuiverheid te leven (1 Kor. 7:1,7,8, 25.) en onvoorwaardelijke gehoorzaamheid \') jegens de (kerkelijke) Oversten (Matth, 16 : 24).

Hiertoe verbinden zich de kloosterlingen door gelofte. Doch buitendien kunnen geloovigen naar het gevoelen der Roomsclien ook öp andere wijze tol hoogere volmaaktheid komen : zoo door hun leven te wagen in den strijd tegen de vijanden der Kerk (zooals tegen de ongelocvigen in de kruistochten, en tegen ketters), door vrijwillige schenkingen en stichtingen tot heilige (kerkelijke) einden en dergelijke. Door zulke onverschuldigde goede werken1) kunnen volgens de Roomschen de geloovigen meer bij God verdienen dan tot genoegdoening voor hunne eigene schuld vereischt werd, Vandaar een schat van overtollige verdiensten *) , bij de verdiensten van Christus gevoegd , waaruit de Kerk boetelingen kan bedeelen.

Do Roomsche leer van de goede werken met de daaruit gegroeide kerkelijk practijk leidt van den rechten weg der

866

1

) Opera superorogationos.

:gt;) Morita superabundantia, superogationcs. Vergel. Twaalfde Hoofdstuk § 40. bl. 476.

-ocr page 891-

§ 14. goede werken.

zaligheid af tot werkheiligheid, tot eigengerechtigheid; strijdt tegen de eenige verdienste van Christus; verdonkert de rechte, Goddelijke geboden, en legt een onrechtmatig juk op den hals der discipelen (Hand. 15: 10), aanradende wat niet alleen boven de natuur gaat (naar de eigene bekentenis van Roomschen), maar onnatuurlijk is.

De Protestantsche Kerken willen van „evangelische raadslagenquot; , behalve en boven de geboden Gods, dus ook van oververdienst, niets weten, daar geen wedergeborene ook maar een eenig gebod Gods volkomen vervuil; zij verwerpen daarom de monnikerij, kloostergeloften mitsgaders geheel den onchristelijken toestel der Roomsche, om loon dienende werkheiligheid.

3. Zoo doen wij dan goede werken; maar niet om le verdienen (want wat zouden wij verdienen?), ja wij zijn in God gehouden voor de goede werken die wij doen, en niet Hij in o«squot;): aangezien Hu het is die in ons werkt het willen

en het volbrengen naar zun welbehagen. Laat OJtS dan letten op \'t gene dat er geschreven staat: Wanneer gij zult gedaan hebben al hetgene ü bevolen is . zoo zegt : wij zijn onnutte dienstknechten , want wij hebben maar gedaan hetgene wij schuldig waren te doen. Hierentusschen willen wij niet loochenen dat God de goede werken beloont; maar het is docr zijne genade dat Hij zijne gaven kroont. Voorts al is \'t dat wij goede werken doen, zoo gronden

\') Latijnscho tekst: Immo potius ob bona opera, quae faci-mus , obstricti Deo surans, non autem Dens nobis : voor de goede werken die wij doen zijn wij Gade verbonden , verplicht, niet Hij ons, omdat Hij in ons werkt. Hij is ons er niets voor schuldig , raanr wij hebben ze aan Hem te danken. Zie Dr. J. I. Doedes, De Nederl. Gcloofsbeljjdenis. 1880. p. 313.

867

-ocr page 892-

§ 14. GOEDE WERKEN.

wij toch onze zaligheid niet daarop : want wij kunnen geen werk doen of het is hesmet door ons vleesch en ook strafwaardig; en al konden wij eenig voortbrengen, zoo is toch de gedachtenis van ééne zonde genoeg , dat 7 zelve van God zoude verworpen worden. Nederl. Belijd, des Gel. Art. XXIV. Heidelb. Gat. Vr. 63.

God beloont de goede werken. Doch niet om eenige evenredigheid tusschen het werk en den loon ; wat ware er dan te wachten? Dus niet uit schuld (Rom. 12 : 35), maar uit genade (Rom. 4 : 4), uit vrije, overvloedige goedheid en naar de beloften van zijn genadig Verbond\'). Spreekt de Schrift van loon in de hemelen (Matth. 5: 12), van een werken onzer zaligheid (Fil. 2: 12), van dat de verdrukking heerlijkheid werkt (2 Kor. 4: 17) en dergelijke meer, zoo duidt dit het verband tusschen beide en de volgorde aan : het zalige en heerlijke leven is voor den God dienenden ge-loovige zoo zeker als het loon van een eerlijk werkgever is voor zijne arbeiders; maar het loon volgt op het werk, eerst het werk en dan de belooning. „Die plaatsen zeggen niet, dat de werken verdienen het recht ten eeuwigen leven; maar alleen dat er eene zekere werkzaamheid voor vereischt wordt, om te verkrijgen het bezit en genot van het eeuwige leven, waartoe wij het recht om niet hebben van Christus, door bat geloove1).quot; Want de bezoldiging der zonde is de dood, maar de genadegif te Gods is het. eeuwige leven door Jezus Christus onzen Heere , Rom. 6 : 23.

Is het de roeping, keus en lust der verlosten, naar den wille Gods in alle goede werken te leven (Heidelb. Gat. Vr.

868

1

) P. Van Mastricht, Godgol. III. p, 344.

-ocr page 893-

§ 14. GOEDE WERKEN.

91), zoo is daarmede reeds uitgesproken, dat „de goede werkenquot; niet slechts enkele , bijzondere verrichtingen zijn zonder samenhang en innerlijke eenheid. Integendeel er wordt door ie kennen geven de ware godzaligheid in hare uitingen , betooningen en uitwerkselen.

De Godsdienst moet geheel ons leven doordringen, en ook het dagelijksche werk moet in God gedaan worden. Waar de Apostel Paulus eerst iets bijzonders behandelt, namelijk het al- of niet-koopen en gebruiken van het vleesch van offerdieren der Heidenen , buiten de offermaaltijden, daar gaat hij van dit bijzondere tot het algemeene over en geeft deze alomvattende vermaning liKor. 10:31: Hetzij dan dat gijlieden eet, hetzij dat gij drinkt, hetzij dat gij iets [anders] doel, doet het al ter eere Gods.

Niet alsof de voorgewende bedoeling van de eere Gods eene handeling goed kon maken (daarmede is al schrikkelijk misdaan) , zij moet tevens zijn naar den wil en het gebod Gods, dan alleen is zij tot Gods eere. Zoo is het onder de bezieling en leiding des Heiligen Geestes. Want deze is het die heilig maakt en door zijn geheimnisvollen maar machtigen invloed den Christen bewerkt, dat hij , hetgeen hij doet, in geloove doet, in gehoorzaamheid, met gebed om zegen en met dankzegging, alzoo in den name Gods. En daardoor kan ook het meest uitwendige, het alledaagsche werk een heilig, een godsdienstig werk worden.

Met den zondenval begon de tegenstelling en strijd tus-schen heilig en onheilig (gemeen, profaan). Het is het doel der verlossende en heiligmakende genade, bij de uitverkorenen het heilige tot alleenheerschappij te orengen. Dit geschiedt allengs en voortgaande, blijft echter in de tegenwoordige bedeeling onvolkomen, zoo in de gemeente Gods

869

-ocr page 894-

§ 14. goede werken.

over \'t geheel als in lederen geloovige. Maar eenmaal zal het er toe komen, zoodat én de tegenstelling tusschen heilig en onheilig én het verschil van trappen onder de heilige dingen zelve bij het verloste volk niet meer zal zijn. Naar de voorzegging van den Profeet Zacharia 14 : 20: Te dien dage zal op de bellen der paavlen staan De heiligheid des Heeren , en de potten in hel huis des Heeren zullen zijn als de sprengbekkens voor het altaar. Hetwelk niet bloot zegt, dat het volk alles den Heere zal heiligen en toewijden, maar de Heere zelf zal het heilig maken. Immers de Hoo-gepriester, hier genoemd, de vertegenwoordiger van het volk, gaf zich zelf de heiligheid niet, maar liij had ze van den Heere, Exod. 28 : 38. „Met het teeken der heiligheid, hetwelk vroeger alleen de Iloogepriester droeg, zal de Heere te dien dage de paarden sieren.quot; Dus alsdan niets gemeens meer, het profane door den Heere veranderd in heilig: alles heilig.— En onder het heilige geene minder of meerder. Tot de minst heilige gereedschappen behoorden de potten, waarin het offervleesch werd gekookt (v. 21), tot de heiligste echter de bekkens, in welke het bloed werd opgevangen, om het te sprengen aan het altaar. Maar alsdan zullen de potten zoo heilig zyn als de sprengbekkens. Het onderscheid valt weg , wijl dan niets meer onheilig is \'). En daar zal geen Kananieter meer zijn in het huis des Heeren der heir schar en te dien dage (v. 21).

Zalig zijn zij die zijne geboden doen, opdat hunne macht zij aan den boom des levens, en zij door de poorten mogen ingaan in de stad , Openb. 22: 14.

\') Hengstenberg, Christologie dos A. T. 2de Ausg. III. I. S. 576. f. zu Sacharja 14: 20.

Einde van het Tweede Deel,

870

-ocr page 895-

.

■■

*

-ocr page 896-
-ocr page 897-
-ocr page 898-

•Vf;

\\

quot;M*quot; .

r

.• ^ \':

-*3if

_

■ , • r

■■■.■•

-ocr page 899-