-ocr page 1-

door

Ds. W. F. K. KLINKENBERG,

Pred. h\' Leeuwarden.

gt;

gt;♦ }

Uitgegeven door de Evangelische Vereeniging Zutphen.

M ?

■M\'tS.

mi

Apeldoorn, J. H. STEGHGERS H.Jzn. i 889.

lt;!v « «» lt;. «8» ♦ «%gt; ♦ lt;«gt; -gt; ♦ «S-, ♦ o

V* V ^ ^ ^ ^ ^ ^ \'C* V V ^ lt;iV ■Ó lt;gt; {gt; ó lt;gt; lt;gt; A A lt;\\ A V.\',,\' \' A A ?\' / 7 7 T Tgt; III 1 i I I T I I I I i i I i I i I i I i I i I ! 1 i I I ! M.I I I I Itji f f f j

-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

Van wege de EVANGELISCHE VEREENIGING vZUTPHEN \'.

Men noemt ons, en — wij noemen ons zelf: sEvangelischen \'. Is dat, omdat wij in geestelijke lioovaardij ons zelf boven anderen plaatsen, alsof wij alleen het Evangelie, het rechte Evangelie bezitten, belijden, verkondigen? Zijn wij van oordeel, dat de andere richtingen op godsdienstig gebied, het Evangelie niet hebben, tegenstaan, verwerpen ? Welk een grootspraak zou dat dan wel wenen ! Dan was die naam ons oordeel!

Neen, wij voegen ons onder dien naam ootmoedig bijeen, omdat wij gevoelen, omdat wij overtuigd zijn, dat èn modernen en orthodoxen, bewust of onbewust, aan het Evangelie, aan den persoon van Jezus Christus, niet die plaats — die eenige — plaats geven, die Hem toekomt; orudat wij het voor onze oogen zien, — och, dat allen het zagen! — dat de geest, die hen beheerscht en voortdrijft, het uitgangspunt, dat zij gekozen li ebben, langzaam maar zeker het christendom, het godsdienstig leven, opheft of — vei derft.

Tegenover de moderne beschouwingen wil de Evangelische richting handhaven , allereerst de vlekkelooze reinheid des Heer en, en in verhand met het door Christus geheiligd karakter Zijner eerste getuigen, de geheel eenige, Goddelijke waarheid van Zijne verschijning bepleiten.

Tegenover het streven der orthodoxie wil de Evangelische richting het godsdienstig en kerkelijk leven vrijMAKEN en vrijnouoEH van alle bindende kerkLEEft-bepalingen, als in strijd met de waarheid en de vrijheid beiden Het geloofsleven, zoowel van den enkelen Christen, als van de gemeente, kan en mag aan niets en niemand gebonden vjorden, dan aan den persoon van Christus allken.

-ocr page 6-

4

De moderne richting draagt er roem op, dat zij Jezus verhevene menschheid erkent en handhaaft; ofschoon zij Zijne goddelijke afkomst en heerlijkheid ontkent en verwerpt. Welnu, die roem is ijdel. Zij erkent de verhevene menschheid van Jezus juist niet 1 Naar het beginsel, waarvan zij uitgaat: »dat het wonder onmogelijk is; dat iil het bestaande uit het reeds bestaande moet worden afgeleid, zoowel in de natuurlijke als in de geestelijke wereldquot;, — kan zij dezen Jezus wèl als een voortreffelijk, maar niet als een smetteloos en heilig mensch erkennen. Dat kan zij niet, want dat zou een wonder zijn: één zondelooze onder millioenen van zondaren! Uit eene zondige menschheid kan toch wel geen »on-zondigequot; geboren worden Ziedaar de kwetsbare plaats der moderne theologie. Daarom worstelt haar kritiek tot uitputting toe tegen den klaren inhoud der Evangeliën en brieven. Daarom betoogt zij, dat »zulk een Jezusquot; er nooit geweest is ; dat alle die nieuw-testamentische geschriften geboren zijn uit de onafgebroken arbeidende verbeeldings- en verdichtingsgaven van het eerste christendom; dat wij van dien profeet van Nazareth eigenlijk »zeer weinig\'\' met zekerheid weten , enz. En nu ligt het voor de hand, als

1°. uit het leven des Heeren al het wonderbare wordt weggenomen , als 2°. van lieverlede alles wegvalt, wat dit leven van dat van anderen door werkelijke oorspronkelijkheid onderscheidt, zoo, dat 3° van Zijn Persoon en werk weinig anders overblijlt dan een klein deel van Zijn onderwijs, en dat nog met een groot getal uit-zonderin^en — dan ligt het, zeg ik, voor de hand, dat honderden voor goed van dezen Jezus afscheid nemen, om — op zijn best genomen — met eenige onklare begrippen over God en mensch en wereld en toekomst zich tevreden te stellen.

Dat spreekt van zelf! Waar de zondeloosheid des Heeren als xonmogelijkquot; wordt ter zijde gesteld , daar kan en mag Zijne ver-li vene menschheid niet meer worden verdedigd Want dan is Hij niet meer »de menschquot;, maar een door de zonde verminkt en bedorven mensch, zooals gij en ik, dan is Hij slechts een wordend mensch geweest, gelijk wij allen; dan heeft Hij het beeld Gods, waarnaar de mensch is geschapen , niet verwerkelijkt; dan heeft men geen recht meer, Hem het ideaal der menschheid te noemen; dan is in Hem, den zondaar, de Godsgedachte met den mensch niet verwezenlijkt en geopenbaard; dan is in Hem niet de Ver-zokning , het leven , de toekomst der wereld , en niets verhindert ons, Deen te wachten, die meerder zal wezen dan Hij!quot;

Gevoelt de moderne richting dan niet, dat op dien weg de

-ocr page 7-

5

Christenlieid terugkeert tot de -wanhoop van eene heidensche wijsbegeerte , wier laatste woord is »de zinnelijkheid ?quot;

Ik roep, eer ik op de Schriften zelve wijs, die van Uem spreken , drie getuigen op.

Eerst Goethe, den man , met wien de kinderen van onzen tijd zeggen te dweepen ! Hij zegt: »Er is in de Evangeliën overal ))de glans van eene hoogheid. die uitgaat van den Persoon van sChristus, en die zoo Goddelijk van aard is, als ooit op aarde »het Goddelijke is verschenen, Vraagt men m j , of het in mijne »natuur ligt. Hem aa\'ibiddenden eerbied te bewijzen, dan ant-»woord ik : zeker \' \'

Dan Rous?eau : »Is het mogelijk, dat Hij, wiens geschiedenis »de Evangelisten verhalen, slechts een menscli is? Het zou veel onbegrijpelijker zijn , a\'s eenige menschen zich vereenigd hadden, ïdit boek te schrijven, dan dat men aanneemt, dat er Eén ge-sweest is, die er de stof toe aanbood. Ook heeft het Evangelie »zoo schitterende en onnavolgbare trekken der waarheid, dat de »verdichter van dit alles meer bewonderenswaardig zijn zou, dan »de Held , dien hij beschrijft quot;

Eindelijk Ludwig von Ranke, den nog op zijn 90^ jaardag door gansch Europa bewonderden geschiedvorscher, wiens hoogste streven »waarheidsliefdequot; was. Hij geeft den indruk van den naam Jezus Chrisms aldi s in woorden terug: »reiner en grooter, verhevener »en heiliger is nooit iets op aarde geweest, als Zijn wandel. Zijn sleven en streven. In ieder woord van Zijne stem waait een «zuivere Godsadom ons tegen. Het zijn, zooals zijn leerling het »uitdrukt, woorden des eeuwigen levens. Het menschelijk lt;je-vdacht heeft geenc enkele herinnering, die met deze ook maar »van verre is te vergelijken!quot;

Hebben zij recht ? Er gaat door alle de Schriften des nieuwen testaments één roep, één getuigenis heen. Al die schrijvers zijn, zonder ouderscheid , overtuigd , vervuld , doordrongen van de hooge, zedelijke, godsdienstige voortreffelijkheid des Heeren ; zij geven op iedere bladzijde van dio overtuiging zóó eerlijk , zóó overvloedig , zóó dankbaar getuigenis, dat wel voor niemand nader bewijs noodig is tot de stelling : »deze allen, sprekende tot en uit de eerste Christelijke gemeenschap, en als in haar naam, hebben in den Heer, dien zij belijden, een vlekkeloos volmaakte begroet en geëerd!quot;

Ook doen zij dit ongekunsteld, onopzettelijk. Niet alleen, dat zij zóó over Jezus spreken «die geene zonde gedaan heeft, en er is geen bedrog in Zijnen mond gevondenquot; - maar zij laten in

-ocr page 8-

6

hun\' levensbeschrijving dezen Jezus ook alzoo van zich zelf getuigen , en schetsen ons in al den eenvond van tallooze trekken eene zoo heerlijke gestalte van reine en dienende liefde, van tot in den dood (en welk een dood!) getrouwe gehoorzaamheid, dat het op eiken nadenkenden beschouwer den indruk geven moet: »dat kan.geene verdichting zijn!quot;

Nu beloont het de moeite niet, te verklaren: dat geene van die schriften echt zijn; dat zij uit veel later tijden afkomstig zijn; dat zij met latere bijvoegselen zijn aangevuld! Want dat verschuift de vraag, maar beantwoordt haar niet: «hoe toch die Christelijke gemeente aan zoo vreugdevolle overtuiging omtrent den Heer harer belijdenis is gekomen? Hebben die predikers, die Christenen zich zelf, elkander, dat zóó wijs gemaakt ? zijn zij langs allerlei onware, lichtvaardige wegen lot het eenparig besluit gekomen: »geene zonde was in Hem ?quot; Welk eene overspanning van dweepzucht, welk een gemis aan waarheidszin moet toclt wel die schrijvers hebben vervuld, in hun kunstig pogen, om zulke dingen uit te denken, waar te maken! Wie dat volhouden kan, heeft nimmer iets gehoord van den diepen toon van dankbaren eerbied, waarop die schriften gezet zijn; heeft nimmer iets gevoeld van den ernst en de geestelijke wijding, die ze door-ademt.

Nog eens; van waar in de eerste Christenheid die hartgrondige, door geen twijfel aangeraakte overtuiging omtrent de smettelooze reinheid des Heeren? Laat eene vooringenomene kritiek beweren: «wonderen zijn onmogelijk; zondeloosheid is een wonder; alzoo kan deze Jezus niet zonder zonde geweest zijn\'; dit te beweren is gemakkelijk; maar eene ernstige wetenschap moet de vraag beantwoorden: »hoe de gemeente van die dagen niet slechts zóó »over Jezus kon spreken, maar Hem zelf in haar van Hem gesgeven levensschets zóó kon doen optreden, dat dat leven nü nog sop ons, en op de edelsten en grootsten van ons geslacht den »indruk maakt van zoo wonderbare eenheid en majesteit!quot; —

In verband met die smettelooze reinheid des Heeren handhaaft de Evangelische richting de geheel eenige. Goddelijke waarheid Zijner verschijning, door Zijne eerste getuigen erkend er. verkondigd.

Door Zijne eerste getuigen erkend en verkondigd. Gij kent alle die woorden wel, waarmee de Heiland sprak van Zijn Persoon en werk. Nu eens; »lk ben het licht der (gansche!) wereld; dan weer: »Ik ben de weg, de waarheid en het leven; of ook: ïlk ben de goede herder, de ware wijnstok, het brood des levens\'\'. Hoe menigmaal noemt Hij zich jule menschenzoonquot;; datbeteekent

-ocr page 9-

niet: »ik ben (maar!) een mensch onder de menschenquot; ; dat behoefde Hij toch wel aan niemand te verzekeren. Neen! dezen titel gebruikt Hij, zoo dikwijls Hij over Zijn werk en zending spreekt, omdat Hij, naar de verhevene prophetie van Daniel 7, zich de Messias, de door God gezalfde, de aan Israël beloofde, nu in Hem verschenen redder en verlosser wist te zijn. Overal, waar Hij zich »de Zoon des menschenquot;\' noemt, moet en kan daarvoor gelezen worden: »de Messiasquot;. En — hoe menigmaal noemt Hij zich »de Zoon van Godquot;\' of wel: »de Zoonquot;; stelt Hij zich boven tempel en sabbath, boven Mozes en Salomo, boven menschen en engelen ! Op die belijdenis, onder eede afgelegd, door den Joodschen raad als Godslasteraar gebrandmerkt, gaat Hij den dood — en welk een dood! — in.

De moderne richting staat er op, dat de meeste van die getuigenissen voorkomen in het -ie Evangelie; dat de Jezus, zooals de drie eerste Evangeliën Hem schetsen, veel minder boven-aardsch, veel minder boven-menschelijk is. Ik begrijp niet, hoe zij dat in ernst kan beweren. Als ik in Matlh. XI lees: »alle dingen zijn mij van den Vader overgegeven; niemand kent den Vader, dan de Zoon, en niemand kent den Zoon, dan de Vader\'\' of in Matth 28 : »mij is gegeven alle macht in heir el en op aarde; ik ben met u alle de dagen; als ik in Matth. 25, in den bruidegom, die de deur sluit, in den Messias, die in Zijne heerlijkheid komt met alle de heilige Engelen, die Zijn troon opricht, om de voor Hem vergaderde volken te scheiden en te richten; als ik in de gelijkenis der ontrouwe pachters in »den Zoon en erfgenaamquot; Hem herken, die deze onsterfelijke schilderijen van het Godsrijk heeft bedacht in Zijne heilige ziel; als ik de woorden naga, waarmee Hij het Heilig Avondmaal instelde; alle vermoeiden en beladenen niet alleen .tot zich roept — maar ook rust belooft; voor zich grooter liefde eischt dan voor vader en moeder; — om maar niet meer te noemen, dan spreek ik het uit: al hadden wij dat 4e Evangelie niet, dan zouden de brieven van Paulus, Jacobus en Petrus ons de belijdenis van Jezus Christus als aden Zoon van Godquot; op de lippen leggen; dan zouden de drie eerste Evangeliën ons een menigte getuigenissen geven, die op de lippen van ieder ander als eene ondragelijke aanmatiging zouden klinken ! De moderne richting beproeft de kracht van deze gronden te breken, door die verklaringen van den Heiland zelf uit elkander te nemen en één voor één krachteloos te maken. Dat is haar droefste dwaling, dat zij voor het

-ocr page 10-

8

geheel van die getuigenissen geen oog, geen hart heeft. Voor den totaal-indruk is zij blind!

Ik zou haar dit willen vragen:

Volgens de nieuwere critiek is Jezus niet geweest de smetteloos reine, de zondelooze! Maar is Hij dan zoo voortreffelijk geweest, kan Hij op zulk eene hoogte van zedelijke reinheid aanspraak maken, dat Hij waardig blijft, door de menschheid zoo hoog te worden vereerd; waardig, óns Zijnen naam op te leggen ?

Mij dunkt, op dat standpunt is Hij dat niet waardig. Want overal, waar Jezus van zich zelf spreekt, stelt Hij zich in eene betrekking tot God, die voor een zondig mensch, voor een niet volkomen reine, eene onverdedigbare aanmatiging is; toont Hij een zelfbewustheid, eene zelfverheffing, die met het zedelijk karakter, van welk mensch ook, te eenenmale in strijd is. Ontneem Hem Zijne heiligheid, en Hij is niet dan een overspannen dweeper wiens geestesleven onmogelijk met zich zelf in harmonie gedacht worden kan. Indien Hij een zondaar is, dan heeft het volk dei-Joden alle recht, zich ook nu nog, na 18 eeuwen, te beroemen op het doodvonnis, in dien nacht uitgesproken; want het heeft dan een rechtvaardig vonnis gewezen over een Godslastering, zooals uit geen anderen mond op aarde gehoord is!

Voor deze gevolgtrekking schrikt de moderne richting met reden terug. Daarom wil zij die getuigenissen door Jezus van zich zelf afgelegd, zooveel doenlijk verkleinen; sommige van die, als niet door Jezus gesproken — krachteloos maken; om dan eindelijk, wat er overblijft, terug te biengen tot het Joodsche Messias-ideaal, waarvan Jezus vervuld zou zijn geweest! Maar ook dit breekt haar bij de handen af. Want er komt een beeld van Jezus, dat noch aan de behoefte des nadenkens, noch aan die der huldigende liefde, noch aan die van het historisch geweten voldoet. Er komt een nevelbeeld, waarvan zelfs de omtrekken nauwelijks meer te herkennen zijn. eene altijd meer verbleekende photographie. Niemand in de wereld heeft ooit zoo machtige omkeering teweeggebracht, en toch zou van Zijn geschiedenis zoo weinig kunnen gezegd worden, dat men — over het laatste beletsel zich heenzettende — in ernst gaat betoogen : »er is nooit een Jezus op aarde geweestquot;. En uit zulke geloofspoëzie en vroom bedrog zal eene gemeente zijn voortgekomen, die de vermolmde oude wereld heeft overwonnen, en op haar puin-hoopen eene nieuwe wereld heeft gesticht? Hoe ver moet men wel van zich zelf afstaan, om dit vol te houden !

Daarom wil de Evangelische richting de waarheid dier schriften

-ocr page 11-

9

die van Hem getuigen, handhaven. Een Jezus, die zoo van zich zelf getuigde, moet recht gehad hebben, zich zoo te noemen; Hij de nederige! Zulk een zelfbewustzijn kan geen leugen zijn. Hij is de uitzondering. Hij is de zondelooze. Hij is de Messias. Hij is do Zoon Gods Hij is het wonder der geschiedenis. Uit de volheid van dit Goddelijk leven stroomt het leven der Christelijke kerk. In Hem heeft de wereldgeschiedenis haar middelpunt, haar reden, haar einddoel! In Hem heeft het hart zijn waarheid, zijn keus en zijn hoop! En de schets, die Zijne eerste getuigen van dit majesteitelijk leven hebben geteekend, moet nog ver beneden de gansche goddelijke werkelijkheid zijn !

Tegenover de orthodoxie wil de Evangelische richting het godsdienstig en kerkelijk leven vrij maken en vrij houden van alle bindende kerkleer-bepalingen, als in strijd met de waarheid en de vrijheid beide. Het geloofsleven, zoowel van den enkele, als van de gemeente, kan en mag aan niets en niemand gebonden worden, dan aan den persoon van Christus alleen.

»Niemand kan een ander fundament leggen, clan dat gelegd is, namelijk Jezus Christus den Heer,quot; dus drukt een Apostel het uit. Of ook: lik heb mij niets voorgenomen, u te prediken, dan Jezus Christus en dien gekruist!quot; Laat ons zien, of hij recht heeft.

Onze naam «protestantenquot; dagteekent van den Rijksdag te Spiers, in \'1529 gehouden. Daar zijn door de toen nog zich noemende Evangelische vorsten en godgeleerden twee beginselen uitgesproken en gehandhaafd:

1°, geene meerderheid van stemmen kan of mag beslissen in zaken des geloofs, en

2°. eene verdere verandering van bestaande toestanden mag onder geen enkel voorwendsel verboden worden : dat is: de Heilige Geest kan en zal voortdurend Gods waarheid en zijn wil bekend maken!

Dus is het protestantisme niet — gelijk zijn naam zou doen denken — eene bloote verwerping van het roomsche bijgeloof, maar een eenvoudig en krachtig beroep op Gods Heiligen Geest, in de gewetens getuigende, tegenover allen die de kerk willen binden aan eens bestaande toestanden.

In strijd met die beide beginselen meent de orthodoxie geen redding, geen veiligheid voor de gemeente en voor de zielen te kunnen vinden, dan in de (liefst) onvoorwaardelijke weder aanne-

-ocr page 12-

10

ming eener vroeger (bij meerderheid van stemmen — en welke stemmen! !) vastgestelde kerkleer, in de toestemming en onder-teekening van formulieren en belijdenisschriften, tegen wier naauw-keurigheid de vroomsten en besten honderdmaal hun ernstige bezwaren hebben doen hooren.

Dit is • wel do eerste en groote onwaarheid, waarmee voor het geloovig hart het gansche streven geoordeeld is, als eene feitelijke terugkeer naar Rome. En liet is in de hoogste mate bedroevend, dat de afgescheidene kerk, zelfs niet bij monde van haar professoren, heeft willen antwoorden op de uitvoerige geschriften van den Utrechtschen Hoogleeraar Doedes, toen hij »de belijdenisschriften der Hervormde kerkquot; toetste aan de Heilige Schrift. In de hoogste mate bedroevend\' dat eene met drogredenen misleide schare onder de leus: «terugkeer tot de kerkorde van quot;1618 en \'19,quot; door hare leidslieden eene kerkleer als «onfeilbaarquot; en «onmisbaar tot zielsbehoudquot; zich hoort voorhouden; eene kerkleer, waartegen de aanvoerders zelf betuigen, ernstige bedenking en voorbehoud te hebben.

Is dat niet dezelfde afgoderij, die wij in de pauselijke kerk zien voortwoekeren ? Het stellen van menschelijke inzetting en mensche-lijke ker-bepaling naast en boven het éenig en eeuwig Evangelie? Op de vraag:\' wat moet ik doen, om zalig te wordenquot;, is niet het antwoord des apostels:quot; neem een leerstelsel aan,quot; maar: «geloof in den Heer Jezus Christus!quot; Het leven naar en met en in en voor God mag niet verlaagd worden tot eene zaak van verstand en geheugen; het is eene /aak van het hart, het geweten, het leven! Uw godsdienst, o Protestant, is niet «het aannemen van een leer,quot; maar «het aannemen van een Heer!quot; Hem te kennen, te erkennen, lief te hebben: u aan Hem over te geven, Hein te volgen, te dienen, dat, en dat alleen is Christen zijn.

Men roept ons toe: «er kan toch geen kerk bestaan zonder belijdenis.quot; Hoe bedoelt gij dat? Eene door Gods Heiliger. Geest in de harten geschrevene belijdenis, of eene door menschen op papier geschrevene of gedrukte belijdenis, die de menschen moeten van buiten leere i, opzeggen, onderteekenen; ievs als een wetboek in 37 of 39 of 92 artikelen, waaraan men gehoorzaamheid, onderwerping schuldig k? Maar als het Hoo!d der Gemeente, Jezus Christus, dat voor zijne kerk noodig, onmisbaar had gerekend, hoe toch, dat Hij zelf ons voor onze rust en veiligheid en eenheid en kracht niet iets dergelijks geschonken iieeft ? Wil men Zijn heilig en heerlijk dienstwerk, voleindigd met den danktoon : «het is vol-

-ocr page 13-

dl

bracht,quot; ook soms gebrekkig achten en verbeteren ? Zoover ik weet, hebben mannen als Paulus en Petrus en Johannes de wereld voor Hem veroverende, nooit aan iets dergelijks gedacht; waar zij ge-rreenten stichten, opzieners en armverzorgers stelden, daar zeiden zij: »predikt het woo;d!quot; Welk woord? Christus.

Terwijl onze Hervormde kerk hare nieuwe leden terecht niets andere afvraagt dan: »belijdt gij (aanvankelijk!) te sgelooven in »God den Vader, den Almachtige, Schepper des Hemels en der saarde, en in Jezus Christus, zijnen eeniggeboren Zoon, onzen »Heer, en in den Heiligen Geest,quot; om het hun daarna in de 2e vraag te doen verstaan, dat hun leven niets anders zijn mag, dan »een volgen van hun Heiland in voorspoed en tegenspoed, n leven sen sterven, gelijk dit Zijn\' waren belijders betaamtquot; —gaan sommigen in do gemeenten rond, om met het gevaarlijke wapen der verdachtmaking, dat bij onnadenkenden zoo vreesselijke werking doet, te betuigen, dat zij en zij alleen »c/ö waarheid\'\' hebben Zij zijn de kerk, want zij hebben »de eenige, onvervalschte, onfeilbare belijdenis.quot; Volgens hen zijn alle predikanten, gemeenteleden, die de drie formulieren van eenigheid,quot; als »accoord van gemeenschapquot; niet aannemen, meineedig, ongeloovig, ontrouw, enz! Wij vragen eenvoudig: wat verhindert toch zoo menig weldenkend leeraar, die formulieren alzoo aan te nemen? Maar wat anders dan dat in die belijdenisschriften der 17e eeuw honderd uitdrukkingen sttan, die in strijd zijn met het woord van Jezus Christus en zijne eerste getuigen! Te zeggen: »wij nemen ze aan, behoudens de »door veranderde tijdsomstandigheden en voortgezet schriftonderzoek noodig geworden of gebleken veranderingen, \' kun dat dan voor een in Christus herboren, eerlijk gemoed, er door, dat men, dit zeggende, nogthans beweert »de leer te handhaven ?quot; Kan dubbelzinnigheid »een accoord van gemeenschapquot; zijn? Met wien accordeert men toch wel? met de menschen of met God?

Maar de grondton t ligt nog dieper. De Hervormde kerk vraagt aan hare leeraren en lidmaten niet: «belijdt gij te gelooven in een stelsel over God, in eenige leerstukken en bepalingen over Jezus Christus, in eenige door ons opgemaakte artikelen over den Heiligen Geest?quot; Neen, zij plaatst hen onmiddelijk, persoonlijk, voor het eene, groote en beslissende: »belijdt gij te gelooven in God, ais uwen Vader, in Jezus Christus als uwen Heer, in den Heiligen

Deze gedachten zette ik vroeger uiteen in eene rede: »Kalvijn en het Kalvinisme\'\'\'\' uitgegeven bij de firma «Kuiper on Westerquot; te Leeuwarden.

-ocr page 14-

12

Geest als die u iu alle waarheid leidt?quot; Zoo betaamt het. Want met de leer kunt gij verloren gaan, met den Heer wordt gij be-liouden. Wij hebben genoeg van Romes diensthuis. Wij hebben genoeg aan Jezus Christus. De zaligheid is in geen ander.

De tweede, niet minder gevaarlijke dwaling van de orthodoxie is deze: zij gelooft niel aan de macht der waarheid. Daarom wil zij de vrijheid aan banden leggen, de vrijheid van onderzoek. Zij klaagt: „waar moet het heen tegenover dat voortwoekerend en ,,verwoestend ongeloof ? Daar moet een dam tegen opgeworpen „worden en die dam is: de kerkleer!quot;\' Daarom is de pauselijke kerk haar verborgen ideaal! Welk eene éénheid, welk eene macht, welk een invloed! Zoo staart zij zich blind op Rome, dat het spotbeeld is van Christus en Zijne gemeente, en dat langzamerhand, zonder dat eenige menschelijke macht het verhinderen kan, opgroeit tot dien Anti-Christ, die groote dingen en lasteringen sprekende, macht hebben zal over alle geslachten en talen en volken, (Openb. 13:5, 7). In strijd met het bekende woord van Luther: „geen aardsohe macht begeeren wij\' , strekt zij hare hand uit naar heerschappij, niet in, maar over den staat, stellende alzoo een Joodschen Messias in de plaats van den Christus Door middel van het algemeen stemrecht, waarmeê zoowel in het staatkundige, als in het kerkelijke leven, het gezag verplaatst wordt van de be-kwaamsten en besten op de massa, die geene verantwoordelijkheid en geen besef van verantwoordelijkheid heeft, streeft deze richting naar eene voldoende meerderheid in de kerkelijke besturen, om, als die verkregen is, met den sterken arm allen uit te sluiten, die zich aan hare menschelijke leerbepalingen niet onderwerpen Zoo wil zij oppermachtig heerschen, de vrijheid ter wille van de waarheid doodende, en zij ziet het niet, hoe zij, in haar streng gehandhaafde leer allen, ook zich zelf bindende, den dood brengt, in plaats van het leven! Ik onderstel, dat wie dit leest, twee vragen doet. De eerste is: ,.vreest gij, die zoo tot ons spreekt, het ongeloof niet?\'\' en de tweede zal wel zijn: „zou de orthodoxie dat ver-liggend doel: de heerschappij in en over de kerk en dan ook over den staat kunnen bereiken?quot; — Op de eerste vraag antwoord ik: „neen, ik vrees het ongeloof niet! Daarvoor ken ik te wel de geschiedenis der menschheid. Ik zie met groote droefenis de verwoestingen, die het aanricht in onze hoogere standen, en in onze achterbuurten. Maar dat het ooit de overwinning zal behalen over Christus en Zijn Evangelie, dat is onmogelijk Een gansch volk van ongeloovigen, eene maatschappij van atheïsten, dat is eenvoudig ondenkbaar.

-ocr page 15-

in

Want zij verslinden elkander. Het zou de heerschappij zijn van de raakte dierlijke zelfzucht, man tegen man, leven om leven, bloed om bloed. Dat is te zien aan dat Frankrijk van onze dagen ; dat was te zien in de gruweljaren der nu eene eeuw geleden uitbarstende revolutie. Men keert tot de barbaarschheid terug. Neen, het ongeloof heeft nooit zijn tijd gehad, en het begeert dat niet eens. Het is, als het wakker wordt, eene spotternij, eene krankheid, eene doellooze zelfverminking, eene onzinnige wegwerping van t eigen verstand, eene ontkenning van allen plicht, van ieder recht, van eiken band. Het verwoest, maar bouwt niets op, en de mensch-heid gaat over het ongeloof heen, haren weg en vertreedt het! Dat leert de geschiedenis, en ik begrijp niet, hoe iemand in vollen ernst meenen kan, door het handhaven \\an eene kerkleer, daartegen een dam te kunnen opwerpen Moet ik dat misschien zoo verstaan, dat men meent, door stelselmatige afsluiting een zeker deel menschen buiten aanraking met dat ongeloof te doen blijven? Zoowat op de manier als Rome, dat een lijst van verboden boeken heeft en van verboden couranten? Maar dit stelsel van afsluiting kan toegepast worden op achterlijke volken, die nauwlijks lezen kunnen, niet op protestantsche natiën, die aan een geestelijk juk ontwassen zijn. En — de reine majesteit van den eenigen Christus behoeft zulke armzalige stakelselen niet, door menschen-handen opgericht. Predik Hem! Als de zon opgaat, vlucht de nacht. Gij verwacht ook op uw tweede vraag een antwoord: of de orthodoxie dat V3r-liggend doel; de heerschappij in en over de kerk, en dan ook over den Staat zou kunnen bereiken? De geschiedenis der tien laatste jaren geeft ons het antwoord Dezelfde predikanten en gemeenteleden, die tien jaar geleden, het ijverigst hebben medegearbeid aan de overwinning van ,/Je kerkleerquot;, trekken zich nu reeds terug, omdat zij, die in hun verblinding zoovelen hebben verdacht gemaakt en uitgesloten, nu op hunne beurt door nog veel heftiger kerkleermannen, verdacht gemaakt, uitgesloten, voor „halven \' worden gescholden. Wel zijn zij in eene harde school onderwezen ! De besten en verst-zienden keeren terug tot het Evangelie. De overigen zullen volgen, om weder Ie gaan staan op de plaats, waar zij staan moeten in de belijdenis — niet van een leer maar — van den levenden I\'ersoon, den door God gegevenen, den eenigen Christus, den behouder der wereld. Wie de vrijheid niet aandurft, moet geen protestant zich noemen. Wie haar voor zich eischt, moet haar ook anderen gunnen. Met geen dwang der geesten bouwt gij eene kerk voor Christus op. Het is te begrij-

-ocr page 16-

u

pen, dat Salomé voor haar beide zonen de eerste plaatsen in het koninkrijk kwam vragen , maar de Heiland spreekt tot haar en hen van zijn doop en drinkbeker En als hij dien laatsten avond allen de voeten had gewasschen — en dat Hij ! — spreekt Hij zijn kerkorde uit: „wie uwer de meeste zijn wil, zij aller dienaar!quot; Daar moet het heen. Niet heerschen, maar dienen, dat is de taak, de roeping der gemeente ; niet twisten over de leer, maar Christus volgen; niet uitsluiten, maar noodigen; niet omtuinen, maar de deur wijd openzetten. En wie waarlijk vroom is, ook onder die zich noemende rechtzinnigen voelt dat wel en keert zich steeds ernstiger af van dat staatkundig drijven, dat voor de ware vroomheid des harten zoo verwoestend is. 1

Wat wij verwachten ? Ook met liet oog op hetgeen in andere protestantsche landen te zien is, verwachten wij, dat in en door de worstelingen des tijds zich vormen zal eene steeds aangroeiende centrum-partij, ook in ons vaderland. De grondtoon van het godsdienstig leven der Hervormde kerk in Nederland is bijbelsch, Evangelisch. De spottende beschuldiging van „halfheidquot; zal zij licht zich getroosten, waar de Heiland zelf met zoo diepen ernst waarschuwde: ,,zie toe en wacht u voor den zuuidesem der Pharizaeën en der Sadducaeënquot;. Ook verloopen zich de uiterste richtingen altijd in nog verder uit-tredende partijen, zoo dat degenen, die tien jaar geleden vooraan stonden, nu reeds tamelijk dicht bij het midden staan, naarmate het besef van waarheid en vrijheid krachtig is en leeft in hun verstand en gemoed.

Wat de moderne richting aangaat; er is in de gemeente eene soort vrees voor het wetenschappelijk onderzoek, eene soort minachting van de wijsbegeerte. Dat is verkeerd. »A1 wat openbaar maakt, is licht.quot; Juist door de verachting van alle onderzoek der waarheid en der Schrift is Rome\'s kerk zoo diep gezonl en, zoo ver afgeweken van de waarheid, die in Christus is. Paulus was een diepe denker, en gebruikte in prediking en brieven alle wapenen ook van diepzinnige geleerdheid, om Jood en Heiden te overtuigen en de krankheden der gemeente van die dagen weg te nemen. Geen toorn tegen de kritiek. Zij is even noodzakelijk als de ademhaling. Een stilstaand water groeit dicht en wordt moeras. En uit alle de worstelingen om waarheid treedt de waarheid, die uit God is, altijd reiner en schooner te voorschijn. Alle afscheiding is in den grond «afsnijding,quot; dat is «zelfverminking.

-ocr page 17-

45

Er is in de brieven van Paulus een groot woord: sulles is liet uwe, maar gij zijt van Christus en Christus is Gods,quot; Ons Evangelie eischt den frischen mannelijken moed van het geloof. En het geloof kent geen vrees. Want God is er!

Indien dus het geschiedkundig onderzoek naar den oorsprong en de samenstelling van de bijbelboeken met rusteloozen ijver door de Christenheid wordt voortgezet; indien er in alle protestantsche landen mannen zijn, die er hun leven aan wijden, het kan op den duur niet anders uitwerken, dan de God der waarheid bedoelt. Deze kritiek zal en moet zich bij toeneming bewust worden van haar uitgangspunt en van haar doel. Dat is zij nu nog niet. Zij meent nu nog, dat een koel verstandelijk overleg, eene hartstocht naar waarheid haar vervult, als zij alle die bijbelboeken als gewone geschriften van gewone menschen ■— buiten God om geschreven — voor haar rechtbank daagt, en als voortbrengselen van staatkundige en godsdienstige partijschap ontleedt en oordeelt. Dat zal ophouden, zoodra het Goddelijke in het menschelijke waarlijk erkend wordt en gevoeld. Vergeten wij het niet: onpartijdig is niemand. Elke kritiek is eene zaak des harten, en ieder oordeel des verstands is een daad, eene keus des gemoeds. De Heilige Geest kan en zal sin alle waarheid leiden,quot; dat is de belofte van Hem, die zich het Licht der wereld kon noemen!

Wat wij verwachten ? Die zelfde waarheidszin, die de vrucht is des H. Geestes zal ook hen, die zich nu orthodox noemen — en het werkelijk niet meer zijn — terug brengen tot de erkentenis ook tegenover de gemeente, dat in Christus, den éënigen lieer, het leven der gemeente is. De leerstelligheid, die het menschelijke naast en boven het Goddelijke plaatst, en daarom van eindelooze twistingen en afscheidingen de vruchtbare moeder is, zal als schuld en dwaling voor God worden erkend en beleden, om plaats te maken voor den eenvoud en den rijkdom van het eenig en eeuwig Evangelie, voor de verkondiging van dien Christusquot;, in wien ons de God en Vader van alle barmhartigheid gezegend heeft met alle geestelijke en hemelsche zegeningenquot;. In de kracht van deze gemeenschap met den Heer zal de zoekende en opbouwende liefde zich niet bezig houden met de handhaving van vroeger opgestelde formulieren en leerbepalingen. Er is waarlijk wel wat anders en beters te doen. Ik noem het onderwijs in de godsdienst, dat voortdurend vraagt om voor verschillenden leeftijd en ontwikkeling passende leer- en leesboeken. Ik noem de prediking, die altijd hooger eischen stelt van eenvoud, kracht en mededoogen aan hen, die er toe geroepen

-ocr page 18-

40

zijn. En in verband met deze een wetenschappelijk optreden ook in publieke geschjiften en dagbladen voor de waarheid en de onmisbaarheid van het Evangelie. Maar ik noem vooral, als middenpunt van kerkelijke gemeenschap, den zoo veel omvattenden arbeid der zoekende en helpende liefde. Welke verwoestingen richt de zonde aan, en Jioevele duizenden in onze groote steden, die door prediking ot onderwijs niet te bereiken zijn! Door den drank vergiftigd, door den •wellust onteerd, door vroegrijpe; misdaad tot schande op-groeijende, op hun beurt weer and\'ren meeslepende — zoo gaan ontelbaren het leven in en door; terwijl in de gegoede standen der maatschappij eene aan alle godsdienst vervreemde opleiding en opvoeding, tegelijk het zedelijk besef uitroeit, en een groep men-schen aankweekt, die slechts naar twee dingen vragen; naar geld en genot!

Hoeveel ook wordt gedaan en bedacht voor de nooden en krankheden des lichaams, er moet altijd nog oneindig veel meer gedaan en bedacht worden voor de nooden en krankheden der ziel. En de gemeente des Heeren, met al haar voorgangers en lidmaten, heeft hierin al haar geloof en al haar liefde te openbaren en samen te voegen. Ik noem eindelijk ook haar roeping onder de Heidenen, helaas ook onder ons volk nog zoo weinig behartigd. Onze Oost-Indiën roepen om zendelingen, eer het althans voor Nederland te laat zijn zal Wat zijn op Java 22 zendelingen voor 20 millioen inlanders ? Hierin moest geen enkel lidmaat der gemeente achterblijven !

Van die roeping der in Christus geheiligde en allen-omvattende liefde moet en, zal zich de gemeente des Heeren, gelijk ik mij die voorstel, meer en meer bewust worden, en de nooden des tijds zullen haar werkkracht vermeerderen! En in en onder dat alles zal de majesteit van Christus woord en werk te heerlijker openbaar worden, en over alle staketselen heen, zullen allen, die Hem waarlijk eeren en liefhebben, medewerken tot de vervulling van Zijn gebed in de Paaschzaal; ygt;opdat zij allen één zijn, gelijkerwijs Gij, Vader, in mij, en Ik in U, dat ook zij in Ons één zijn: opdat de weueld geloove, dat Gij Mij gezonden hebtquot;.

W. F. K. KLINKENBERG.

Leeuwarden, 41 Jan. \'89.