-ocr page 1-

DE LEER EI BE PE ACTIJK

AANGETOOND UIT DE GESCHEIFTEN VAN

W. a BRAEEL, BORSTIUS, CALVYN, KOELMAN. VOETIUS en anderen.

UITGEGEVEN DOOR HET HOOFDBESTUUR DER CONFESSIONEELE YEREEJSTGING.

GEDRUKT BIJ J. CAMPEK TE SN EE IC.

-ocr page 2-

_

In

(Je hr

morns

drie l

z ijn i

hen v

hun

Tw

hehbei

; ander

omdat

haren i

mini\'

Zij

kunne

De

deelt

men

neele

Dn

van d

Ver eet

we fis c

in dei

het h

vroege

Dat

Christ

het go

komen

moctei

jaren

Lid

staan

Synod

Dit

Mac

dei-stel

,

z ijn a

-ocr page 3-

VOOREEDE.

In Nederland bestaan drie hoofdgroepen van belijders, die alledrie de belijdenis van de Hervormde Kerk, de vijf artikelen tegen de demonstranten niet uitgezonderd, als de Intnne aanvaarden, en alle drie beweren en ineenen, dat zij de wettige erfgenamen en opvolgers zijn van de mannen, die goed en bloed voor deze belijdenis hebben veil gehad en die haar tegen de opkomende, dwalingen van hun tijd hebben verdedigd.

Twee dezer groepen, die der Afgescheidenen en der Doleerenden, hebben de Hervormde Kerk ieder op een ander tijdstip, ieder onder andere omstandigheden, ieder in eenen anderen vorm verlaten; niet omdat zij, zooeds de vroegere Lahadisten, eene Kerk van wedergeborenen zochten, maar, omdat grove dwalingen in die Kerk werden geduld en hier en daar openlijk van den kansel werden verkondigd.

Zij hebben beiden gemeend eene zuivere Gereformeerde Kerk te kunne)), te mogen en te moeten oprichten.

De derde groep is achtergebleven in de Hervormde Kerk, veroordeelt door dit blijven de Afscheiding in heide bovengenoemde vormen en bestaat uit de verstrooide Gereformeerden, die de Confessio-neele Vereeniging zoekt saam tebrengenopden grondslag der belijdenis.

Drie groepen dus die zich op eenzelfde heijdenis beroepen, waarvan de eene zich niet afscheidde, bij monde van de Confessioneele Vereeniging heeft verklaard, dat zij als einddoel van haar bidden, wenschen en werken heeft, niet de handhaving van de leer, hetzij in den geest, hetzij naar de letter van het reglement van 181(5, maar het herstel van de Kerk, in den geest en op den weg van onze vroegere Sgnoden.

Dat deze toestand onhoudbaar is en in strijd met het gebod van Christus, valt in het oog; dat zij hoogst pijnlijk is en, daargelaten het qoede dat God in zijne genade soms uit het kwaad laat voortkomen, niet minder schadelijk voor allerlei belangen die een christen-moeten ter harte gaan . weet ieder, die in den strijd der laatste jaren heeft medegeleefd.

Indien het bekend ontwerp van vereen igirg wordt aangenomen, staan de Afgescheidenen en Doleerenden door hunne respectieve Sgnoden te worden saamgebracht.

Dit is hunne zaak.

Maar dit staat dan te geschieden onder het voorgeven en de veronderstelling, dal deze groepen, die als »Kerken?\' zijn opgetreden, getrouw zijn aan de leer en de practjk der vaderen, en dat zi) het recht

-ocr page 4-

VOORREDE.

hehhcn zich. ic herocpm op de belijdenis der Hervormde Kerk, in één u-oord, als waro Gereformeerde Kerken op te treden.

Dit raakt ons.

De raden van hun bestaan, het motief van hunne vereeuiging, de hand, die hen straks samensnoert, ligt ccnig en alleen in het beginsel, dat als ■ware het eene van zelf sprekende waarheid, door hen ten grondslag van hun bestaan en dat tevens de hand I van hunne eenheid is gelegd: het beginsel der afscheiding, j die, naar onze innige overtuiging, èn door het Woord van God, i zootrel dat des Ouden als dat des Nieuwen Verhonds, èn door de \' belijdenis van alle waarlijk Gereformeerde Kerken, èn door dc leer | oi de practijlc der vaderen wordt veroordeeld.

Indien het naar Gods Woord toeging, zou dat beginsel vooraf op eene kerkelijke samenkomst, op den grondslag van de belijdenis moeten worden onderzocht.

Nu hiervan, om meer dan eene reden, geen spraak kan zijn, komt het Hoofdbestuur op voor het goed recht der Gereformeerden in de Hervormde Kerk.

Toen de Afscheiding van 1834 opkwam, beoogde zij eene tijdelijke scheiding en ging zij over tot eene afzonderlijke kerkfurmatk. onder uitdrukkelijk voorbehoud, dat herstel van en terugkeer tot de Hervormde Kerk, door haar vierd gewenscht.

Sedert is door Gods genade, behoudens veel ellende, veel ten goede in de vaderlandsehe Kerk veranderd, maar in steé dat het oogenblik hierdoor nader is gebracht, door de oorspronkelijke Afgescheidenen, deels verwacht, deels met verlangen verheid, laat het zich aanzien, dat zij deze verwachting zulten inruilen tegen eene vereeniging met eene groep, die uit de Hervormde Kerk is geleid onder de pretentie dat zij zich niet afscheidde van die Kerk, maar haar vertegen woordigde.

Tegen da beginselen, die aan deze, reeds door de uitkomst gelogenstrafte bewering ten grondslag liggen, moet het Hoofdbestuur ten sterkste opkomen.

Terwijl de wijze waarop die beginselen zijn aanvaard en sedert worden opgedrongen, medebrengt, dat het Hoofdbestuur eenige van dc doorloopende, zich. gelijk blijvende getuigenissen hiertegen heeft doen hooren en hiermede dit kleine hoekske opdraagt aan allen in den lande die aan de belijdenis der Gereformeerde Kerk getrouw willen blijven.

Het Hoofdbestuur der Conf. Vereen.

-ocr page 5-

Vu. 1. Is hel alleen niet geraden, of is het eenc zonde de Kerk te verlaten ?

W. a Brakel antwoordt op deze vraag als volgt:

Astw. \'t Is een. scliriklcelijko zonde do Kerk te verlaten, en ejne betere te willen oprichten; want de Kerk is maar één. Zij is Christus\' lichaam; van de Kerk zich at te scheiden,, is van Christus\' volk, van zijn lichaam af te scheiden; \'t is zich dor helij-der.is van Christus te onttrekken, cn de gemeenschap der heiligen te verlaten. Zoo men de Kerk nog houdt voor de Kerk, zoo scheurt men het lichaam van Christus, men bedroeft do godzaligen, men ergert anderen, men maakt dat de naam van God gelasterd wordt, men doet eenvondigen dwalen; verklaart men do Kerk geen Kerk to zijn, zoo verloochent men de Kerk van Christus, en doet hetzelfde, dat gezegd is. Dus mishaagt men God, die het niet ongewroken laat, hoezeer men zichzelvon behaagt en vleit. Tegen zulk een doen kant zich de apostel, als hij dezulken vlooschelijk noemt, 1 Cor. 3; 1,; als hij daarvoor waarschuwende zegt: »Ik bid u, broeders, door don naam van onzen Heere .Tezns Christus, dat gij allon hetzelfde spreekt, en dat onder u geene scheuringen zijn, 1 Cor. 1 : 10. Zoo ook 1 Cor. 11: 18: Zoo hoor ik, dat er scheuringen onder u zijn. 1)

Vu. 2. Maar de Afgescheidenen cn Dolerrenden beweren, dat zij ziek slechts van de. Kerk {uiticcndige, geïnstitueerde Kerk) hebben afgezonderd, en dat zij dit hebben gedaan, om bij de Kerk te blijven.

Zij hebben zich afgezonderd van de Ned. Horv. Keik, om de belijdenis te kunnen handhaven.

Dit wordt door bovongenoemden schrijver eene uitvlucht genoemd.

Antw. Do wegblijver zal zeggen: als men loeft en leert naar liet bovel Gods, zoo komt do scheuring niet ton lasto van hem die zoo leert en loeft, mnar ten laste van dion, welke zich naaide leer en \'t loven van Christus niet wil schikken.

Ik antwoord: Dnt allo gebroken der Kerk niet zijn van zoodanig gewicht, dat men daarover eene scheuring zou aanrichten, anders zal hot gaan gelijk met de Monniston, cn \'t zal scheuren en scheuren zijn zonder einde. 2)

1) W. a Brakel, Rod. godsd. lloofdst. 25, IX. 2.

2) W. ü Brakel, Rodel. Godsd. 11. XXV, XVI. nitvl.

-ocr page 6-

6

\\ jr. 3. Onze raderen z/ju toch uitgegaan van dc Roomsche Kerk ? Zeker. Maar om eeiio reden, die de doleerenden niet kunnen aanvoeren. Maresius o. a. verklaart:

Deredenen van onzen uitgang lagen niet in de zedeloosheid van de geestelijken, niet in onderscheidene misbruiken, betrekking hebbende op de tucht, niet in afkeer van deze of gene dwaalbegrippen, maar in de openbare afgoderij, in den ondragelijken con-sciiintiedwang, ons aangedaan, in velerlei en fundamenteeh dwalingen omtrent het Hoofd der Kerk, den grondslag des geloofs, de oorzaken der zaligheid en den godsdienst, enz. 1)

Yh. 4. Wat is het gevoelen ran Calvyn?

Hij antwoordt op de tegenwerping der Eoomschen, die zich, ten bewijze dat men cene gedeformeerde kerk nimmer behoefde te verlaten, op het voorbeeld der Profeten beriepen, als volgt:

(De Profeten) wisten dat de Lovitische Priesters die van den Heere tot voorstanders van den Godsdienst verordineerd en nog niet waren afgezet, alhoewel ze zichzelven zulk oene eer onwaardig gemaakt hadden, nochtans die plaats als nog met recht behielden. En wat liet voornaamste is in dezen ganschen handel zij werden tot geenen superstitieusen dienst gedwongen, ja zij namen geen ding aan dat van God niot was ingesteld. Maar wat is er toch bij de Papisten dat met laatstgezegde gelijkt en overeenstemt? quot;Want wij kunnen nauwlijks eens met hen vergaderen zonder ons met openbare afgoderij te besmetten. Voorwaar, de voornaamste band hunner gemeenschap bestaat in de Mis, die wij als de allerergste heiligschennis vervloeken. En of wij dit met recht of met lichtvaardigheid doen zal elders blijken, \'t Is nu genoeg dat wij aantoonen, dat het in dezen deele met onze zaak anders gelegen is, dan liet in voortijden gelegen was met de zaak der Profeten, die hoewel zij bij der goddeloozen godsdiensten tegenwoordig waren, zoo werden zij nochtans niet gedwongen eenige ceremoniën aan te zien of te plegen, behalve degenen die

1) S. Maresius, CoUeg. Theol. loc. XVI. XVI. IV.

Het is hier niet de plaats, om het kerkbegrip onzer vaderen te ontwikkelen. Zij gaven niet toe, dat zij de Eoomsche, d. i. de Ca-tholieke Kerk hadden verlaten, maar lieten duidelijk uitkomen, dat zij alleen het Pausdom hadden vaarwel gezegd.

-ocr page 7-

7

van God waren ingesteld. En is het dat wij een exempel willen hebben dat geheel en al gelijkt, laat ons dat nemen uit het Israëlitisch koninkrijk. Yolgens Jerobeams ordonnantie behield de besnijdenis hare plaats, de offeranden werden onderhonden , de AVet werd heilig geacht, die God werd aangeroepen, dien zij van hunne vaders ontvangen hadden: maar alles wat daar gedaan en gehandeld werd, werd van God verworpen en verdoemd van wege de bijgevoegde verboden en verzonnen diensten en ceremoniën. quot;Wijst mij ergens een Profeet, of een godvreezend man die eens in Bethel aangebeden of geofferd heeft. Want zij wisten dat zij dat niet konden doen zonder zichzelven met eenige heiligschennis te bezoedelen. Zoo zien wij dan dat de gemeenschap der Kerke bij den Godvruchtigen zoo veel en zoo verre niet moet gelden^ dat men haar terstond zou moeten volgen , ware \'t dat ze tot onheilige en onreine wijzen en ceremoniën afweek. 1)

Vit. 5. Uit dit alles zal dan moeten volgen, dat men gcene kerkgemeenschap mag verlaten., hoe bedorven ook, hetzij in hare belijdenis, hetzij in haar leven, hetzij in hare regeering.

Antwoord. Geen gereformeerde en geen christen ontkent, dat men mag afwijken van eene valsche en verdorven religie, waaraan men gedwongen wordt deel te nemen.

Tegenover Erasmus, Cassandor e. a. die de goedgezinden in de Eoomsche Kerk wildon houden, om mede te werken tot de verwijdering van de onderscheidene misbruiken in die Kerk, hebben wij dezen regel te stellen: men mag het kwade niet doen, opdat het goede daaruit voortkome. De mis, de openbare aanroeping van de Heiligen en de beeldendienst zijn kwaad; derhalve. . . .

\'t Is eene onschriftmatige en valsche stelling, dat wanneer eene kerk zeer verdorven en vervallen is, en de kerkelijke Tucht tegen de ergernissen niet recht geoefend wordt, de geloovigen die daarin zijn, van haar mogen en moeten scheiden en eene nieuwe kerk oprichten; dit zal nooit uit de Schrift kunnen worden aangetoond; maar het tegendeel is klaar uit de H. Schrift te bewijzen. 2)

Tegenwerping. De Nederlandsch Kerk is een verward Babel;

1) Calvyn Inst. IV. II—9.

2) Jac. Koelman, Ilist. verh. nopens de Labadisten pag. 441.

-ocr page 8-

8

Hnn heeft haar willen genezen, maar zij heeft niet gewild. Daarom moet men haar verlaten, volgens Jer. 51: 9 : »Men heeft Bibel gemeesterd, maar zij is niet genezen, verlaat ze dan. Jes. 52: 11. Openb. 18: 4: Gaat uit van haar mijn volk, opdat gij hire zonden niet deelachtig wordt en van haar plagen niet ontvangt. De Kerk moet eindelijk niet anders verwachten dan eene volkomen uitgieting van de fiolen van Gods laatsten toorn, en de laatste periode van deszelfs plagen en oordeelen. Zij heeft zulks al ten deele beginnen te voelen, maar zij is er niets door gevorderd.

Zij schijnt don Heere God te willen dwingen dat Hij haar ten eenenmale verniele.

Zoo spraken de Separatisten in vroegere tijden. Koelman staat ze op deze wijze te woord;

Het is geen kleine lastering, ja eene zeer ergerlijke schelding en smading, aldus onze Kerk te benoemen en op haar cMe teksten, toe te passen; mij dunkt ze dienden u te verschrikken en te doen beven in vreezo, dat de Heere Jezus de woorden van lastering hoorende, zijn toorn tegen hen mocht openbaren, wij hebben boven getoond wat blijken daar zijn, dat Christus nog in deze kerk is 1) en dezelve zich eigent. 2)

Vu. G. Gij verliest evenwel het onderscheid tusschen de Afgescheidenen en Doleerenden uit het oog. De Afgescheidenen hebben zich afgezonderd van de Herv. Kerk, als één geheel gedacht en van alle bijzondere Kerken en alle leeraars en leden als zoodanig, die tot dit geheel hchooren, terwijl de Doleer er den zich niet van da plaatselijke kerken hebben afgescheiden, maar alleen van de Besturen.

A-vrw. Deze drogreden is niet nieuw. Zij werd reeds in de dagen onzer vaderen vernomen, die haar echter beter doorzagen dan vele tlorvormden, die zonder het te weten, en zelfs tegen hunnen wil, in do armen der scheiding worden gevoerd.

dij zult misschien denken, spreekt Koelman verder, dat zij, nl. do Afgescheidenen, tot de Gereformeerde Kerk, die gij voor de ware houdt, behooren, dat zij als een particulier lid daarvan gelijk iedere particuliere gemeente in een dorp of stad; en

1) 2.

Z\'ie Koelman pag. 441 en v.v. Idem pag. 517 en 518.

-ocr page 9-

dat gij daar honen helt, als do zuiverste, en voorts geen onderscheid maakt, maar ze één acht.

Maar ik antwoord u, dat gij geheel misslaat; want zij verklaren bij monde en ook in hunne geschriften, dat de Gereformeerde Kerk de ware Kerk niet is, dat zij er geen gemeenschap mede willen hebben; zij verklaren dat zijzelf de ware Kerk zijn, in tegenstelling van alle andere en dat zij geen andere Kerk kennen dan de hunne. Ziet zooveel hangt er aan, in het overgaan; Is de Gereformeerde Kerk de ware Kerk, gelijk ze is, en gij verlaat haar, zoo verlaat gij de Kerk van Christus, en gij begeeft u tot eene vergadering, die de Kerk niet is, maar zich tegen de Kerk van Christus kant; en dat doet gij daarmede. Hoe, hebt ge daar geen schrik van? Eilievo, zoudt gij dat doen? Hebt gij Christus daar niet te lief toe, dan dat gij u, om uw gemak, om uwe zoetigheid, om uwe heiligheid, (neemt het alzoo), tegen zijne beminde Gemeente zoudt kanten, die Hij met zijn bloed verkregen heeft. 1)

Voetius laat zich op deze wijze hooren:

Men wenscht zich, zoo zegt men, niet af te zonderen en scheidt zich ook niet af van do Gereformeerde Kerk als zoodanig, al treedt men tijdelijk buiten liet verband met do eene of andere plaatselijke of Provinciale of Nationale Gereformeerde Kerk.

Antwoord. Do bewering gaat lijnrecht tegen de feiten in. Ieder, die om de boven aangeduide reden eene geïnstitueerde Kerk verlaat, scheidt zich af van on verlaat die Kerk zóó, dat hij zich afzondert van alles, wat tot dat geheel behoort, d. i. van alle grootero en kleinere deelen van dat geheel en van do Gereformeerde Kerk, die te saam gebracht en gevoegd is uit dezo deelen 2)

Yn. 7. En de Gereformeerden hchhcn xich voor de dacjen der Dordtsche Synode, immers ook van de Bemonstranten afgescheiden! De naam »Doleer endenquot; is immers historisch?

Voetius verdedigt haar tegen de beschuldiging van Separatisme op de volgende wijze:

Antwoord 1. Deze afscheiding en afzondering was niet verplicht en volstrekt, maar voorwaardelijk en tijdelijk, in afwachting van

1) Idem in een brief van a Brakel 601—603.

2) G. Voetius, Polit. Eccl. IV. II. I. 1.

-ocr page 10-

10

de Nationale Synode, die gevraagd was en verwacht werd, en die der Kerke vrede zou geven.

2. Deze voorloopige afzondering gold niet de ongestalte van de Kerk, maar de afwijking van dehelijdenis in de openbare prediking, waarin men zich niet ontzag haar te lasteren, met name de Gereformeerde belijdenis aangaande de voldoening van Christus, de rechtvaardigmaking, de erfzonde, enz.

3. Men zonderde zich op bedoelde wijze alleen af in de Kerken, waarin alle leeraars besmet waren met de dwaling van liet Eemonstrantisme, en gcoi enkele rechtzinnige dienaar des Woords werd gevonden, die den geheelen raad Gods verkondigde en den kinderkons de onvervalschte molk des Woords toereikte.

4. Deze afzondering geschiedde niet eigenmachtig, maar had plaats op raad en met goedkeuring van meerdere kerkelijke vergaderingen, die in de formatie van deze, zooals men ze noemde, doleerende vergaderingen, de hand hadden en voor hare instandhouding zorg droegen. 1)

W te waren de doleerenden van vóór 1G18?

Ook dit zal Vootins ons zeggen.

Er was eene provisionecle en tijdelijke scheiding van de remon-strantsche voorgangers, kerkeraden en godsdienstoefeningen was die der vromen in Holland en in de stad Utrecht. Welke eerst allen in de naburige kerken elders of in de Waalsche of Engelsche kerken in dezelfde stad ter kerke gingen; daarna bij het toenemen van het aantal der zich afscheidenden en bij den drang van de ongemakken van het reizen, vooral in het gure winterweder, in geheime of bijzondere samenkomsten vergaderden, niet zonder raadgeving, leiding en dienst van rechtzinnige leeraren. Deze vergaderingen werden door de remonstranten scheurkerkei:, doch door de rechtzinnigen «doleerende kerkenquot; genoemd.

Vk. 8. Destijds was de kerkformatie gezond. Er bestonden Classes en Provinciale Synoden. Het was xelfs mogelijk eene Nationale Synode te verkrijgen, die ook werkelijk gekomen is. Maar nu heeft de Kerk besturen. Zij kan niet samenkomen. Daarom mag en moet men zich tegenwoordig afscheiden van deze alge-institueerde kerk.

Astw. Hierop valt veel te antwoorden.

1) G. Voetius, Tol. Eccl. II. I. 1. cp 11.

-ocr page 11-

11

In de eerste plaats, dat door dit beweren de geheele bewe- . o-ing veroordeeld wordt, die in het conflict uitliep. Vóór 1890 is noch aan de Overheid noch aan de Synode, opheffing der Besturen gevraagd. Het is noch bij de afscheiding van 1S34 noch j vóór de Doleantie het punt van actie, het doel van de kerkelijke beweging geweest. Men had vóór alle dingen moeten trachten , de vergadering der Besturen te vervangen. Dit is niet geschied.

Maar in de tweede plaats.

1quot; Wij hebben geene Nationale Synode, omdat de Kerk haar niet vraagt. Zij werd don vaderen langen tijd door eene vreemde maclit onthouden. Dat was veel erger.

2quot; Onze vaderen kenden ook eene deformatie in de regecring der Kerk, zoowel als in hare belijdenis en haar leven en eischten in dit geval geene Afscheiding, maar reformatie.

3quot; Ts de kerkregeering gedeformeerd, dan moet men haar niet ontvluchten. Neen dan moet zij gereformeerd worden.

2° Dezelfde vraag die de Doleerenden nu opwerpen, dezelfde bedenkingen die zij tegen de Hierarchie opperen, werden door de Bngelsehe Indepemlenten aangevoerd en door Voetius bestreden. In de Hervormde Kerk heeft men nog maar Besturen maar inde Episcopaalsche Kerk had men Bisschoppen, die zich op een Qod-delijk recht beriepen. Een nog erger geval dus. Men leze aandachtig het antwoord door Voetius gegeven op de vraag:

Yb. 9. Mag of kan men in de Kerken in de Bisschoppelijke regeering berusten ? 1)

quot;Wat bedoelt men?

Eene stilzwijgende onderwerping, of daarenboven ook nog de verbintenis om over hetgeen men afkeurt te zwijgen, of zelfs, het te steunen?

Wie heeft men hier op het oog; de Kerk in haar geheel? de kerkelijke vergaderingen? de predikanten? de gemeenteleden?

Blaakt men daarbij wel een onderscheid tusschen het invoeren van eene Bisschoppelijke regeering of het verdragen hiervan wanneer zij feitelijk ingevoerd is?

1

Het antwoord is zoo lang, dat wij de vrijheid nemen het alleen in hoofdzaak weer te geven.

G. Voetius Pol. Eccl. II. IV. 1. cp IV.

-ocr page 12-

12

AVil men liet Episcopaat invoeren, d.in doet de leeraar beter, liever zijn ambt te verlaten, clan dit to dulden. Het is do brug waarover later de anti-clirist binnen komt.

Zelfs onder deze omstandigheden zon ik echter niet durven zeggen, dat het voor gemeente-leden ongeoorloofd is in eeno op die wijze gedeformeerde kerk te blijven, evenmin als ik mij aan do andere zijde te stérk durf uitlaten over de noodiakolijkheid van dit blijven. Immers, geestelijke tyrannic wordt er niet beter op, wanneer men zich onvoorwaardelijk onderwerpt.

Hetgeen krank is mag niet ongeneeselijk worden. Men moet toezien, dat men zich niet aan verkeerdheden gewent, en ze ten slotte zoo heel kwaad niet vindt.

De gcloovirjen zijn derhalve zeker niet door hun geweten verplicht de kerkelijke gemeenschap om zoodanige oorzaak te verlaten, maar kunnen betere tijden afwachten.

Predikanten kunnen, daarentegen, de belofte afleggen, zich aan het reeds ingestelde Episcopaat te onderwerpen, mits zij de waarheid op geenerlei wijze verloochenen, en niets doen om de reformatie te beletten of te vertragen, altijd met dien verstande, dat zij de bescheidenheid en voorzichtigheid niet uit het oog verliezen.

Wat de leden betreft, het spreekt van zelf, dat zij in dit geval de kerkelijke gemeenschap niet ter wille van zoodanigen regeeringsvorm verlaten, mits zij alle wettiges maatregelen nemen en middelen gebruiken, ieder op de plaats waar God hem gesteld heeft, en met inachtneming van zijne bijzondere roepinc, ten einde tot eenen beteren Kerkvorm te geraken.

Op deze wijze bestrijdt Voetina de Brownisten, de non conformisten d. i. de Afgescheidenen in Engeland.

In de volgende § 12 behandelt hij do vraag waaronder onze Herv. bestuursinrichting zou kunnen geacht worden te vallen: of men het heirekkehjk Episcopaat (Episcopatum modificatum et limitatum) van opklimmende kerkelijke machten zal toelaten, waar men dit met behoud van het wezen der Presbytoriale regecring zoekt in te voeren?

Hij ontkent dit. Het baant don weg tot geestelijke tyrannic, tot partijschap en allerlei verkeerdheden.

quot;Waar het bestaat, moet men zich echter onderwerpen zoolang de macht on de kracht ontbreekt het uit te drijven. Maar men on-derwerpe zich, zonder hot goed te keuren.

-ocr page 13-

13

Vu. Is mm dan niet schuldig, tcannecr men inziet dat de re-gecring der Kerk niet mar het Woord is, en evenwel hieronder blijft ?

Axïw. Zeker. Twee gevallen uitgezonderd, t. w. wanneer of de maclit óf het vermogen te kort schiet om ze te voorkomen, te beletten of te verbeteren, öf wanneer eenig kwaad, hetzij in het openbaar hetzij in het private leven, getolereerd wordt, om een veel grooter kwaad te voorkomen, of om eenig groot en noodzakelijk goed te verkrijgen.

Dat de veelwijverij, de scheiding en andere verkeerdheden in Israël werden verdragen, geschiedde onder de omniddlijke toelating Gods. Naar dit beginsel moeten de vragen omtrent het toelaten van afgoderij, ketterij, dwaling, scheuring, woeker, de vrijheid van profeteeren (van onderzoek der Heilige Schrift) worden beoordeeld.

Do tegenwerping, dat men liet kwade niet mag doen, opdat liet goede hieruit voortkomc, houdt in deze gevallen geen steek. Hij die eenvoudig verdraagt wat hij niet bij machte is te gebeteren, kan niet geacht worden hiervoor verantwoordelijk te zijn. 1)

Ye. 10. Mag men dan uit het feit dat eenige verkeerdheid, hetzij in de Kerk, hetzij in den Staat wordt geduld, niet afleiden dat men haar geoorloofd acht en billijkt ?

Antw. In het geheel niet. Wij handelen hier niet over de handelingen en bedoelingen van hen, die zich ten opzichte van dit verkeerde toegeefelijk betbonen. Want het is zeer goed mogelijk dat onder hen, velen zijn die het verkeerde in Staat of Kerk verdragen, maar het tevens in het geheim goedkeuren en versterken, ja zelfs hiertoe bijdragen en mot hunne krachten en bedoelingen dienen, maar intusschen voorwenden, dat het volstrekt noodzakelijk is, ofschoon zoodanige noodzakelijkheid in de verste verte niet bestaat. 2)

Tegenwerping. Vergeet niet de aanleiding tot de Doleantie en hare goede bedoeling.

Hare aanleiding. Wat is er niet jaren achtereen te vergeefs gestreden en al het mogelijke beproefd. Te vergeefs!

_

1) Yoet. de exerc. pietatis XXIY § G probl. 3.

2) Idem XXIY § G—4.

-ocr page 14-

14

Hare bedoeling om langs dezen weg tol eenen beleren loesland te geraken. Neem aan dat de Doleerenden in de keuze hunner middelen dwalen, zij hehhen het lach, goed met de kerk voor. Zoo spraken de Labadisten ook.

W. a Brakel antwoordt hierop:

Dit alles is maar een wakende droom, zoo riepen ook de Labadisten, maar hoe slecht loopt liet met hen at! Men moet geen kwaad doen, opdat het goede daarnit kome. Zoo wordt er geen getuigenis gegeven tegen de verdorvenheid der Kerk; want het is tegen Gods ordonnantie, maar men geeft getuigenis van zijn eigen misvatting, inbeelding en scheurziekte. 1)

Men zoekt herstelling door \'t kaf van \'t koren te scheiden: »Dus zou het kaf van het koren gescheiden worden; hot kaf zou verstuiven, en het koren zou bij een vergaderd worden, \'t zij dat zo het kaf uitdreven, \'t zij dat ze in andere plaatsen vergaderden en goede predikanten beriepen, en zoo eene zuiverder Kerk hadden die als een stad op een berg, en als een licht op den kandelaar in Nederland zich vertoonde. En indien men de Kerk niet wilde dulden, maar die vervolgde zoo kon men naar eene andere plaats of koninkrijk vertrekken. 2)

En wat is hierop het antwoord?

De verbeelding van herstelling van de Kerk daardoor, is maar verbeelding, en inderdaad maar eene verstrooiing: Die met Mij niet vergadert die verstrooit. Als de Heere zijne Kerk zal gebieden te herstellen, zoo zal Hij overvloediger Geest uitgieten in zijne Kerk, of Hij zal een algemeenen Geest geven in alle goede leden, om de ergerlijken uit te drijven, of zei ven uit te gaan, gelijk in den uitgang uit Babel,enin den beeldstorm geschiedde. Laat ons zoo lang wachten en onzen plicht doen in de Kerk 3) Tegenw. Maar ... God geeft over het afblijven schijnsel; want Hij geeft den zoodanigen eene zoete bevredigde conscientie, zen vrijen toegang tot den troon der gemde en meerdere kraclit legen hunne verdorvenheden, zoodat zij hunnen weg met blijdschap bewandelen. Dit is owwedersprelcdijk, de ervaring leert het, en die zich onthou-

1) W. a Brakel, Red. Godsd. H. XXV—XXVIII.

2) a Br. Eed. godsd. XXV-XXVII—5.

3) id. —XXVIII—

-ocr page 15-

15

den, weten dat het waar is, en dat het loochenen en tegenspreken teyen de waarheid en Mare ondervinding is, en uit onkunde van de ware gestalte des onthouders voortkomt. 1)

Hierop antwoordt ii Brakel:

\'t Is niet al troost en heiligheid, dat men als zoodanig voorgeeft; de duivel kan zich veranderen in een engel des lichts. Ik heb door ondervinding aan verscheiden gezien, dat zulk hoog opgeven maar was een glorie om zijn doen meer te reclftvaar-digen, en anderen daardoor tot zich te lokken, om ook met do menigte te strijden, en dat het al kort met hen veranderde. 2)

Tegcnw. Men geniet intusschen maar de vruchten van eenenge-xuiverden toestand; cene gezonde prediking, eenstemmigheid, samenwerking, zelfs groote geestelijke zegeningen.

Wij zullen, ofschoon wij het konden doen de waarheid van dit beweren niet in twijfel trekken, maar zoo spraken de Labadisten ook.

Dit is het punt, hier moest gij eerst gefondeerd zijn; gij moest eerst gelooven dat Christus tegenwoordig maar een Kerkje op de gcheele wereld had, dat slechts uit 25 ledematen bestaat, gelijk misschien de hunne; gij moest eerst de Grereformeerde Kerk over de geheele wereld verklaren, geen Kerk van Christus te zijn, en zoo moest gij uit liefde tot Christus\' Kerk ons verlaten en tot haar overgaan. God beware u voor zulk eene schrikkelijke zonde. 3)

Yr. 11. T-Fas de Kerk tijdens a Brakel misschien van heter conditie dan in onzen tijd ?

Antw. Integendeel, hij klaagt: De wereld in den top is in de Kerk te zien. De sabbatsschendingen, nieuwe leeringen, onwetendheid, de haat, nijd en bitterheid vervullen de Kerk. 4)

Vr. Hoe was het met de tucht gesteld?

Antw. De kerktucht, zegt hij, wordt bijkans geheel nagelaten; liet model hoe de Kerk wezen moest, is verloren; daarom is men nl wel tevreden als er veel volk ter Kerk komt, en als vele lidmaten aangenomen worden, dan noemt men ze bloeiende Kerken. Men neemt op vele zoo niet op do meeste plaatsen, tot lidmaten

1) a Br. Eed. Godsd. H. XXY—XXIX—6.

2) a Br. Eed. Godsd. H. XXV—XXIX—1.

3) Koelman, brief van a Br. 603, G04.

4) a Br. XXY—XYIII—2.

-ocr page 16-

16

aan, die \'t Or.ze Vader en \'t Geloof opzeggen kunnen, of die maar eenige vraagjes van buiten kennen, en zoo er een predikant opstaat om eenige hervorming te beginnen, die heeft wel te vreezen; want hij staat in gevaar om uitgeworpen te worden. In één woord: de Kerk is onverbeterlijk, onhckeerlijk, \'t is hopeloos, mot één woord gezegd. 1)

Hooren we zijne klacht.

Hoe is de ringmuur verbroken, zoodat de wijngaard open ligt tot vertieding! Het wilde zwijn wroet hem om. Het zuurdeeg verzuurt den geheelen klomp. Hierdoor wordt de naam Gods en zijne Kerk gelasterd, de sacramenten worden ontheiligd, het goede kruid wordt door het onkruid verstikt, de zegen wordt van de gemeente Gods onthouden, dewijl in zijn volk godloozen worden gevonden; daarom is het te vreezen, dat de Heere zijnen kandelaar, van de plaats wel eens mocht wegnemen.

Wat raad? ja wat raad? Daar doet zich geene hoop op tot verbetering; want het voorbeeld is weg, men weet niet meer hoe het wezen moet, en wat bijna ergernissen zijn, hoe de Kerk moet zijn als ze welgesteld is: men noemt bloeiende gemeenten, als er velen tot het gehoor komen, als er velen tot lidmaten worden aangenomen, al zijn ze zoo onwetende als heidenen, en geheel aardschgezind, als er eene goede uitwendige vrede is, al is het dat men allen in den slaap der zorgeloosheid verzonken ligt. 2) Tegemv. In de dagen van Brakel had men, evenwel, den strijd tegen de Ldbadisten, die eene Kerk van Heiligen zochten.

Er zijn echt Labadistische stellingen te vinden bij Doleerenden en Afgescheidenen.

In de Ger. Kerkquot; jaarg. II, no. 53 leest men:

Het is niet gestorven met Jean de Labadie; het ligt niet besloten in den grafkelder te AVieuwerd, en is ook niet ter aarde besteld aan de boorden van de Hudson, maar leeft in andere vormen en onder andere benamingen, ook in Nederland voort.

Van iemand te zeggen, dat hij Labadistisch is of denkt of handelt, wordt meestal als een smet beschouwd.

Men haast zich, die beschuldiging van zich af te werpen en meent dan te kunnen volstaan met de erkenning, dat er ^huichelaars en naamchristenen in de zichtbare Kerk zijn.quot;

1) W. a Br. H. XXV—XVIII—3.

2) W. a Br. Redel. Godsd. XXIX—XXXI.

-ocr page 17-

Ï7

quot;Welnu, de Labadic on zijne medestanders, zouden de eersten geweest zijn, dit toe te geven. Het is althans mogelijk Labadist te zijn en dit aan te nemen.

Hot Labadisme beoordeelt de Kerk naar liaie tijdelijke openbaring ; veroordeelt niet alleen het verkeerde, dat zich in haar vertoont, maar verwerpt haar ook wegens die onzuiverheid, en zondert of scheidt zich op dien grond af van hare gemoenschap.

Indien wij ons niet zeer vergissen, dan is, om iels bij wijze van voorbeeld te noemen, de volgende uitspraak, voorkomende in een onzer kerkelijke bladen, eclit Labadistisch.

»Ecne Kerk kan niet geacht worden eene belijdenis te bezitten{!) zoo zij die bijna een eeuw lang als niet bestaande, bij haar tucht en rechtspraak, bij haar prediking en saera-mentsbediening, bij haar reglementeering en bestuur, voor dood liggen liet.quot;

Het spreekt van zelf, dat de Redactie, het moeielijk zou vinden, deze woorden waar te maken. Maar dat is op het oogenblik de kwestie niet. Die woorden ademen den geest van het Labadisme.

Ook de volgende stellingen zijn Labadistisch en werden door » de Gereformeerden als dwaling beschouwd en veroordeeld. De i lezer oordeele zelf, in hoever zij daarin doorschemeren, in hetgeen tegenwoordig in de bladen der Doleerenden wel eens wordt geleerd en geschreven.

1. De ware geloovigen worden besmet en maken zichzelven v schuldig voor God, indien zij \'s Heeren Heilig Avondmaal gebruiken waar ongeloovigen en ergerlijke zondaren aanzitten.

2. Waar zoodanige oefening van de tucht niet bestaat, dat zij v die ergernissen aanrichten worden geweerd, en de praktijk van de ware godzaligheid uitblinkt, is de ware Kerk niet te vinden.

3. Men is geene gehoorzaamheid schuldig aan oen kerkelijk , bestuur, dat dwaalt of geacht wordt te dwalen.

4. Ook in de geïnstitueerde Kerk komt het den geloovigen, al zijn zij niet in kerkelijke bediening, toe, (ten getale van zes of zeven) leeraars te roepen, te ordenen, en, in den desolaten toestand, waarin de kerk verkeert, alle kerkelijke macht uit te oefenen, zonder onderworpen te zijn aan de bestaande macht.

Zoo als wij zeiden, het zou zeer gemakkelijk zijn, allerlei stellingen uit de geschriften der Labadisten af te schrijven, die men tegenwoordig vergruwelt. Maar in zoover men de onzuivere Kerk,

-ocr page 18-

18

langs een andéren dan den geordenden weg wenscht te zuiveren, wil men hetzelfde, wat de Labacliston hebben gezocht.

Ja, tot de dubbele lidmaten-boeken toe.

In de dagen, waarin de strijd over de tucht het hevigst is geweest, werd in allen ernst voorgesteld, de Kerk in groote gemeenten, zooals Amsterdam, \'s Hage enz., voor ontbonden te verklaren en. op nieuw te organiseeren, door de opname van hen, wier nwneuop afzonderlijke verzamellijsten zouden voor-komen.

Terjenw. Maar, de Doleerenden zijn niet uit de Kerk f/egaan, zij zijn er uitgeworpen.

Ook al niet nieuw. Men wierp Koelman tegen; Het is een Kerk die hare leeraars uitstoot, welke de Reformatie zoeken, zoo zijt gij uitgestooten, zoo is Hezenaar in Friesland uitgeworpen, zoo staat Copper te Doesburg en anderen elders gehandeld te worden. Ja, zoo ras iemand iets ter verbetering in zijne eigene gemeente begint, terstond krijgt hij de Leeraars op \'t lijf die hem dreigen met suspensie, en meer en veel banden op hem leggen, \'t Is bekend wat bitterheid de classis Leiden nog niet lang geleden tegen den predikant van Sassenheini gebruikt heeft, om hem aan don formulierclienst en gemeenen slenter en trant te houden. Is het dan geen tijd om van zulken Kerk te scheiden?

Hierop antwoordt hij:

Antw. De ware Kerk heeft wel meermalen getrouwe Leeraars mishandeld, zoo deed de Joodsche Kerk dikmaals, nochtans hebben de profeten de kerk niet verlaten noch iemand gelast daar uit te gaan. Chrysostomus werd uitgedreven, zoomede Calvinus en anderen, doch zij hadden van die scheurziekte en scheurmaximen niet; zij bleven bij de Kerk, en zochten steeds haren welstand.

2e Antw. Labadie is uitgestooten. Ik prijs het geenszins, doch de Waalsche Synode vatte het bijzonder op zijn dessein van scheuring te maken in de kerk, blijkende uit zijne brieven en Declaration Chrétienne, welke gedrukt was eer de Synode ge-honden werd. Zoo werd dan Labadie eigenlijk niet wegens zijne pogingen, tot Reformatie uitgeworpen ; men verwachtte veel goeds van hem, doch gebrek aan nederigheid, zachtmoedigheid en voorzichtigheid heeft hem onnut gemaakt. Uitgeworpen zijnde, heeft hij zicli opgeworpen tot een hoofd van scheuring en zond zijne herauten uit, die de bazuin bliezen tot de afscheiding, in plaats

-ocr page 19-

19

van in stilheid te stichten en andere Leeraars tot kloekmoedigheid te driii gen. 1)

3e Anlw. Het schaamt mij en smart mij dat ditkan gezegd worden en niet kan worden weerlegd. O. hoe zwaar zullen het de Kerkeraden, Classen en Synoden hebben, die last en macht hebbende om zulke snoode zielmoordenaars en pesten van de Kerk uit te werpen, nochtans dezelve verdragen. Wee, wee die hier zoo schuldig zijn. Al het zielebloed dat die goddelooze Leeraars vergieten zal ook aan hunne deur liggen en van hunne hand geëischt worden. Ik roep er tegen uit even met dit mijn geschrift en klaag er over; eu zoo heb ik meermalen gedaan. Dat is mijn plicht en de plicht van allen, die dit als gruwelen in de Kerk zijn. Maar zal men dan scheuren en de Kerk verlaten? Dat zij verre! Zoekt liever een predikdienst die beter is; komt van onder do bediening van zulken, en zet u neder waar beter Leeraars zijn. En de Heere zij gedankt, daar zijn nog mannen die getrouw zoeken te zijn. 2)

Tegenwerping. Wij kunnen niet vatten hoe iemand, die zoo veel van de gebreken der Kerk ziet, zooveel daarover klaagt en daartegen schrijft, gelijk g/j, nog lean blijven bij die Kerk. Gij ziet ivel \'t ts hopeloos; daar is in deze Kerk van Leeraars en Overheden geen Reformatie te wachten. Zij willen niet verbeteren gelijk nog onlangs klaar getoond is in een kort geschrift, genaamd: »De vrueli-telooze biddagen van Nederland.quot;

Antw. Ik blijf niet in de Kerk omdat ik geloof en zekerlijk verwacht, dat deze Leeraars en Overheden de Kerk zullen reformeeren, neen ik heelde mij zekerlijk in en zie met beving tegemoet, en roep het uit in de ooren der Leeraren, dat de Heere deze Kerk met zijne oordeelen zal komen verbreken, en dat de schuld principaal zal liggen aan de deur der Leeraren en Ouderlingen en der Overheden. Ik zal deze Kerk niet reformeeren, noch verbeterd zien, maar ik wil en zal een getuige tot Reformatie zijn. nu en in benauwdheid der tijden. Dat is mijn plicht en van allen die het ijselijk verval der Kerk zien, en \'t is eene groote genade en eere van God, daartoe gebruikt te worden. Daartoe blijve ik dan in de Kerk en daarom schrijve ik ook dezen lan-

1) Koelman pag. 520—522.

2) Idem pag. 532—533.

-ocr page 20-

20

gin brief, liopende, dat tcinoer naar mij zal gehoord worden door do wankelenden en geërgerden, om geen scheuring to maken, noch van de Kerk te scheiden, dewijl zij zien, dat ik, die zooveel gebreken der Kerk en kerkdijken zie, en kon, en tegenspreek, nochtans eeno afschrik heb van scheuring, als van een werk des vleeschos, en God zeer vertoornende, en zeer schadelijk aan de Kerk èn aan de afschoiders. Niemand zal allicht denken, dat ik uit vleeschelijke overwegingen, om eer, traktement en penningen, om rust en gemak bij de Kerk blijve, maar alloen wegens zulke gronden als ik boven heb aangewezen. 1)

Yb. 12. Hebt gij wel recht op de Doleantie toe to passen writ tegen de Donat\'isten en Labadisteu werd aangevoerd ?

Hetis de strijd tegen éénzelfden geest van hot separatisme. Mannen Gods, ij veraars voor eonen beteren levenswandel, voorstanders van een gestrenge kerkelijke tucht, hebben aan dien strijd deelgenomen.

Men donko aan Galvyn die in zijn geschrift over de ergernissen zijn gevoelen hoeft doen kennen omtrent liet verkeerde, dat in do Gereformeerde Kerk geduld werd. In zijn uitlegging van Matth. 13: 40, 41, Thess. 3: G, vermaande hij do Kerk, trots of wegens dit alles, niet te verlaten.

Mannen als Perkins onder de Engolschen, Samuel Rutherforth onder de Schotten, wier gesoliriften en brieven alle eenzelfden geest ademen van waarachtige vroomheid en eeno ernstige begeerte naar eene gezonde tucht, hebben de afscheiding en afzondering-van de samenkomsten der Gereformeerden ten hoogste afgekeurd. Ook onze Teeling, die aandrong op eene reformatie in het leven der Kerk en do middelen aanwees om daartoe te geraken heeft geenszins de scheiding als tegengift beschouwd, aangezien hij haar als het grootere kwaad beschouwde.

Vr. 13. Maar waarom bestrijdt gij de xonde der Doleantie, terwijl de Doleercndcn toch broeders zijn.

quot;Waarde vrienden, gijlieden zult het, hoop ik, recht opnemen en mij niot ten kwade duiden dat ik zulk eonc optelling en beschrijving heb gedaan van zoovele dwalingen en feilen van dat gezelschap, en dat ik dezelve door openbaren druk nu bekend maak. Daar nochtans velen zoo goede en groote dingen van die lieden gelooven, en spreken, alsof zij de gezondste goreformeer-

1) Idem pag. 539—541.

-ocr page 21-

21

den waren, en de volkomenste en beste Christenen die er in \'t land zijn. De Heere weet, dat ik geen lust heb, om de naaktheid van den minsten vrome te ontdekken; hoevele mijne verzuchtingen voor hen waren, terwijl ik met clezen brief ben bezig geweest, is Hom bekend, die do harten beproeft. Doch ik ben door hun drijven tot afscheiding tegen mijn hart genoodzaakt geweest, hot deksel van hun aangezicht wat af te lichten, on lien in hunne verscheidene dwalingen en misdragingen, als gevolgen van hunne scheuring open te leggen, opdat de waarheid, waarvoor wij strijden moeten, tegen allen die er zich tegen kanten, geene schade noch verduistering mocht lijden; en velen die hen hooren spreken en hunne schriften lezen zonder achterdocht, niet door hen mogen verleid en bedrogen worden. Dit is mij zeker en wie kan het loochenen? dat lieden, die in vele punten van de waarheid afwijken en omtrent do practijk veelszins ongezond zijn, en verkeerde bestioringen volgen (gelijk ik van hen heb aangetoond) niet alleen de Kerk geen heil zullen aanbrengen, noch de wegen des Hoeren best aan anderen zullen aanwijzen, maar ook dat ze zelfs (al hebben ze de wortel der zaak in zich, waartegen ik niet wil spreken, noch oordeelen) niet merkelijk in godzaligheid en gemeenschap met God kunnen of zullen toenemen; \'t is van weinig beteekenis, dat ze in hun huis aan elkander veel liefde en vriendelijkheid toonen, gelijk gezegd wordt, en dat hun roem uitmaakt; (en dat ze voorts een hooge taal en stijl voeren van veiioochendheid, gedoodighoid, zuiverheid, getrouwheid aan den Geest, en dergelijke; want wij weten, dat veel Dwaalgeesten in Engeland en elders zoo hebben voorgedaan en gebraveerd, welke nochtans pesten van de Kerk waren, en de menschen van de eenvoudigheid en zuiverheid van de Evangelische wijze van werken hebben afgeleid. 1)

Tegen w. Aangenomen dat de Doleantie en de Afscheiding niet naar het Woord xi/ii, de gevolgen zijn toch niet van dien aard, dat gij hier tegen xoo mogt te velde tc trekken.; het ongeloof in eigen boezem is veel erger.

Indien men zich aan het Woord Gods hield, mon zou zich niet tevreden stellon met te zeggen: dat hij, die dit leerde, »ecn ijver had zonder verstand,quot; niet toegeven, »dat

1) Koelman pag. H!)2—400.

-ocr page 22-

22

men het in hoofdzaak met hem eens was, en alleen in de keuze van het middel, waardoor men dat doel zocht te bereiken, van hem verschilde,quot; men zon zijne beschomving »hoogst gevaarlijkquot; noemen en daarin vinden een ommekeer van de door God gestelde orde.

Van zoodauigen ommekeer vinden wij vele voorbeelden, èn in de Heilige Schrift, èn in de geschiedenis.

»Gij Mfjl,quot; voegde de Heere Jezus den Farizeön toe, \'gt;x,oo een mehftch tot vader of moeder %egl: het is korban (d. i. ccne gave) die voldoet. Makende alxoo Gods Woord krachteloos door uwe inzettingquot; Mare. 7 : 10—13.

Die Farizeën toch, spanden een strik voor het geweten, dooide valsche stolling, dat de godsdienstige plicht, als de hoogere, de zedelijke plicht, als de lagere, ophief.

Zoodanige verwarring van zedelijke begrippen, waardoor men anderen er toe leidt plichten te verdichten, die niet bestaan, is in één woord verderfelijk.

Op dien weg lag de vervolging der discipelen, waardoor men »(}odc een dienst dacht te doen,quot; Joh. 16:21; »het verbod om te huwelijkenquot; 1 Tim. 4:3; de eisch door de tegenstanders van Paul us gesteld, dat de gemeente uit de Heidenen de ceremoni-eele wet zou onderhouden, waardoor »de zinnen bedorven werden, om af te wijken van de eenvoudigheid, die in Christus is.quot; 2 Cor. 12: 3.

Op dien weg ligt ook de nieuwmodische leer, dat de geloovi-gen verplicht zijn, in het huis Gods te doen, wat de kinderen en huisgenooten zich in het bovengegeven voorbeeld niet mogen aanmatigen.

Het is niet zoo \'t hoort als Gods Woord door een huisvader niet in eere wordt gehouden, indien b.v. de huiselijke maaltijden worden genoten zonder gebed en zonder dankzegging.

Maar wat zou men zeggen van de bewering, dat de kinderen en huisgenooten in dergelijke gevallen hadden te handelen, alsof hot hoofd van liet gezin niet bestond; dat zij geroepen warende deformatie in dat huis ter hand te nemen; voor te gaan in het gemeenschappelijk gebed; in één woord te doen, wat des huisvaders was?

Over de verderfelijke strekking en het onbijbelsch karakter van die leer spreken wij echter op dit oogenblik niet, want het be-

-ocr page 23-

23

gins el, dat aan deze leer ten grondslag ligt, is van veel breeder toepassing. Het verontrust de gewetens en verblindt de zinnen, ook buiten dén kring der Doleerenden. Het wortelt in de neiging om de plicht van dm geloovige, of van den opziener der gemeente, verder uit te strekken dan God* Woord toelaat of voorschrijft.

Tegenw. Maar vele Hervormden die niet doleeren nemen het u kwalijk dat gij de Doleerenden zoo scherp bestrijdt.

Dat is niets vreemds. Daarover hadden de godzalige leeraars in vroeger tijd ook te klagen. Er waren velen, die niet samengingen met de Labadisten, maar die verleerd hadden te toornen tegen de scheiding.

Ik betuig liet dat ik geen kwaadheid of bitterheid in mij bevind tegen die afgedwaalden, maar medelijden; maar droefheid. Ja ik vind dat mijn hart in liefde uitgaat tot de godzaligen onder hen, en dat ik achting heb voor de gaven, die sommigen onder hen hebben. Ja, ik bevind dat ik veel liever zwijgen wilde, dan iets tegen hen te schrijven. Maar ik moet nog meer liefde hebben voor Christus en zijne zaak, (en heb die ook door de genade Gods,) dan tot menschen schoon zij godzalig zijn. Als Christus en Zijne zaak en de zielen der menschen benadeeld worden, zoo moet, zoo wil ik er voor staan, en mij stollen tegen die, welke zij schade aandoen, al zijn ze dan in zichzelven godzalig, al doen zij ze in onwetendheid en met eene goede meening. Godzalig komt hier niet te pas, die kunnen wel groote misslagen hebben, maar Christus\' zaak komt liier in overweging. De Apostel Paulus geeft mij zichzeli: tot con voorbeeld, die zijn lieven mede-Apostel Petrus in liet aangezicht wederstond en tegensprak, omdat hij te bestraffen was. Levi kende noch vader noch moeder toen het de zaak des Hoeren raakte. Ik betuig liet, mijne consciëntie geett mij mede getuigenis, dat ik u voor hen waarschuw, daar ik verzekerd ben, dat zij de Kerk niet zijn en dat hun weg niet is de rechte weg, tot verbreiding van Christus Koninkrijk, noch tot zuivere leiding der zielen tot God. De Hecre die ons oor-deelenzal, doe hetin uwe harten ingaan, en beware en bevestige u. 1)

En zoo heb ik ook nu niet alleen vrijmoedigheid in Christus Jezus, maar mijn geest dringt mij om getuigenis tegen hen te geven, en u als een dienaar van Christus te waarschuwen. Ik

1) Koelman, a Brakel pag. 590—591.

-ocr page 24-

24

zon het (loon met al mijn hart, al zonden liet mijne laatste -woorden zijn. en al stond ik zoo, om voorden Rechterstoel van Christus te verschijnen; ja als ik door deze of gene zwakheid of ziekte aan don dood, als misschien nabij, gedacht, zoo gaf mij dat eene zoete stilte in mijn gemoed, dat ik tegen dien weg had getuigd. 1)

Vu. 14. Maar onze Gereformeerde Kerk wordt hcschvldigd, dat onder kaar vele goddelooze mcnschrn zijn, als atheïsten, afgodendienaars, dwalenden, ketters, etc., zoodat de Heidenen in Godstempel komen. Ja, dat er duizenden zijn, die niets weten van den weg der zaligheid. Volgt uit dit alles niet, dat de hedendaag sehe z.g. Gereformeerde Kerk eene valsehe kerk is geworden ?

Axtw. Indien ieder schuldig is die beschuldigd wordt, wie is dan onschuldig?

Het is niet genoeg langs de huizen te loopen en zulke beschuldigingen in het oor van eenvoudigen to blazen. Kent men zulke lidmaten, dan moet men beginnen met hen aan te brengen bij de opzieners der gemeente, want wij loeren dat zulke menschen niet mogen deelnemen aan liet Heilig Nachtmaal. En aangezien onze Kerken telkens wanneer het Avondmaal gehouden wordt, dit ook openlijk verklaren, kan en mag bovenstaande beschuldiging niet op haar worden toegepast. 1)

Vu. 15. Hoe bewijst gij, dat het den geloovigc niet geoorloofd is zkh van de Kerk. af te scheiden, wegens de zouden zijner mede-lidmaten ?

Antw. In de dagen van Christus\' omwandeling op aarde, was de Joodsclie Kerk zeer verdorven. De opzieners en leeraars verwrongen de Wet, Matth. 5: 21.

Zij leerden o. a. dat de haat, de opwelling van toorn en de zinnelijke begeerte geen zonde was, vs. 22, deden Gods gebod te ni t door hunne inzettingen, (15: C) verontreinigden den godsdienst door bijgeloof en eigenwilligen dienst, (7: S) leerden dat liet geoorloofd was te zweren bij den tempel, verslonden de huizen der weduwen, en maakten de menschen tot kinderen der hel.

Blinde leidslieden waren zij. Wie zich aan hunne leiding overgaf, ging met hen ten gronde. Zij kruisigden den Heere der Heerlijkheid. Het Hoogepriestei-schap was veil voor geld. Cajaphas

1) Koelman pag. 597.

-ocr page 25-

25

. -7

was de Iloogepriester van »clatquot; jaar, terwijl de Hoogepriester zijn ambt naar de Wet levenslang moest bedienen. Kortom, het was alles verdorven, zoowel in de leer als in het leven.

Christus nochtans verbood én door zijn onderwijs én door zijn voorbeeld, van deze Kerk te scheiden. Hij gebood wel, dat men zich zorgvuldig zou wachten van het kwaad, dat in de leer en het leven van de leiders des volks is geweest, of zooals Hij het uitdrukte, dat men zich zou wachten van den zuurdeesem der Farizeërs. Maar Hij wilde, dat men hen zou hooren, Matth. 23: 2, ging met zijne discipelen naar den tempel, vierde de feestdagen en trad op zoowel in de synagogen als in don tempel. 1)

Alle onze godgeleerden bewijzen dat de Kerk dor Joden en die onder hot Nieuwe Testament, ééne Kerk was, omdat hetzelfde Woord, hetzelfde Verbond, en hetzelfde Geloof, dat ons gepredikt en verzegeld wordt ook aan hen werd gepredikt en verzegeld (l Cor. 10; 1; Hebr. 11; Hebr. 13: 8). Daar is, uitgezonderd Arminianen, Socinianen, Papisten en eenige andere Schriftuur-verdraaiers, niemand die zulks ontkent, 2)

Zoo is dus ook liet zich afscheiden van haar ongeoorloofd on dewijl hij aan haar schrijft, zoo blijkt, dat hijzelf kerkelijk gemeenschap met haar houdt.

Zoo was de Kerk van Efcsc eene ware Kerk, hebbende Christus\' tegenwoordigheid en wandeling in haar, lijdende om zijnen naam en niet bezwijkende (Apoc. 2). En nochtans had zij haar eerste liefde verlaten.

Pergamus hield de leer van den Baal en van de Nicolaïten, en had den troon des satans onder hen.

Thyatire liet door de vrouwe Jesabel do dienstknechten Christi verleiden.

Sardis had den naam dat hij leefde en was dood. En zoo was er veel in die Kerk dat zondig was.

Derhalve kan eene Kerk van kwade zeden toch eene ware Kerk blijven, met een wettelijkcn, zienlijken kerkendienst, hebbende de macht van prediken en Sacramenten te bedienen, en kerkelijke discipline te oefenen, gelijk andere Kerken. Zoodat

1) J. C. Borstius, pag. 24, 25.

2) Idem, pag. 34.

-ocr page 26-

26

men zicli niet van haar mag afsclieiclon, of wij moesten den kandelaar Christi en zijn wandeling en tegenwoordigheid uit het midden der gouden kandelaren willen verlaten. 1)

Vk. 16. Zijn er niet meer hewijxm nit hot Nieuwe Testament?

Zeker! De Apostel noemt de Galaten »de Kerke Christi,quot; «Broeders,quot; (Gal, 1: 2), »die den geest hadden ontvangen door het gehoor des AVoords.quot; (Cap. 3: 2) «kinderen Gods door het geloof in Christus.quot; (vs 26). Hij zeide, dat zij «geestelijkquot; waren, (Gal. 6: 1), en achtte haar alzoo eene rechtgestelde Kerk, waarvan men zich niet afscheiden mocht. quot;Want hij noemt haar zijne «kinderen, die hij wederom arbeidde te baren.quot; En hij schreef aan haar als aan eene ware Christen-kerk.

Nochtans waren onderhen die van Christus overgevoerd waren tot een ander evangelie; die betooverd, zot en uitzinnig waren, voegende de besnijdenis en de werken der Wet tezamen met het geloof, en waren zoo van Christus en van de genade vervallen ; Christus was hun niet nut, zij liepen te vergeefs, en waren wederom onder de wet en den vloek en niet onder Christus. (Gal. 3 en 5).

Derhalve is het niet geoorloofd zich af te scheiden van die Kerk om de zonden harer leden.

Ook Paulus noemt die Kerk, die zoo vol gebreken was, een «Christen-kerk,quot; «Christus\' Lichaamquot; en »Bruiclquot;.2)

Nu, hoedanig zijn toch geweest de tijden van Christus en der Apostelen?! en evenwel heeft die vertwijfelde goddeloosheid der Pharizeën en de ongebonden wijze van leven, welke in dien tijd | alom de overhand had, hun niet kunnen verhinderen, dezelve Godsdienst met het volk te hanteeren, en met de rest in éénen Tempel tot openbare oefeningen van de Religie te vergaderen. Hebben ze dit niet hierom gedaan omdat ze wisten dat door het j gezelschap der boozen geenszins worden verontreinigd zij, die I met eene reine conscientio een en dezelfde Godsdienst plegen en !\\ gemeen hebben? Indien iemand door \'texempel der Profetenen I Apostelen weinig wordt bewogen, dat die ton minste tevreden zij \' met do autoriteit van Christus. Daarom spreekt Cyprianus wel:

1) Idem, pag. 444

2) Bórstius, Onderwijs van het schcijden van de Ger. en \'t oprichten van eene suyvere kereke, 1670. pag. 43.

-ocr page 27-

27

Ofschoon er, zegt liij, onkruiden of onreine vaten in de Kerk gezien worden, zoo hebben wij nochtans geen reden om de Kerk te verlaten: wij moeten alleen arbeiden dat wij koren mogen zijn, wij moeten naarstigheid aanwenden en, zoo veel doenlijk is, daar naar trachten dat wij een gouden of zilveren vat zijn. Voorts de aarden vaten te verbroken, dat komt den Heer alleen toe, wien ook oen ijzeren staf gegeven is: en niemand moet dat, wat den Zoon alleen eigen is, zichzelven eigen maken, alsof hij genoegzaam vermogen had om den dorschvloer op te wannen en het kaf uit te zuiveren, en al het onkruid door zijn menschelijk oordeel uit te plukken en af te zonderen. Dat is eene hoovaardige halstarrigheid, en eene heiligschennende vermetelheid die de booze drift zichzelven aanmatigt, etc. Deze twee dingen moeten dan vast en zeker blijven, vooreerst, dat die niets heeft om zichzelven te veronschuldigen, uit zichzelf verlaat de uiterlijke gemeenschap van die Kerk, waar Gods Woord gepredikt wordt, en de Sacramenten worden bediend: ten anderen dat de gebreken of van weinigen, óf van velen ons niet verhinderen aldaar ons geloof behoorlijk te belijden en te beleven door het oefenen van de ceremoniën die van God zijn ingesteld. Want de (jodvruch-tige consciëntie wordt niet gekwetst door de onwaardigheid van een ander, \'t zij dat hij een Leeraar is of een gemeen man, de Sacramenten zijn ook een heilig en oprecht man daarom niet minder rein en heilzaam omdat die te gelijk van den onreine gehandeld worden. 1)

Omdat de ware geloovigen onder het Oude Verhond, nimmer de kerkelijke gemeenschap hebben verbroken, of bezwaar hebben gemaakt, deel te nemen aan do godsdienstige verrichtingen die de wet voorschreef, gelijk ook de profeten hen nimmer hiertoe hebben vermaand, ofschoon zij de ondeugden en misdaden van Israël voortdurend luidkeels bekend maken, Jes. 1 en 3. Jer. 1, 2, 3. Ez. 16. Hos. 4. Micha, Nahum, Ps. 14. 94. enz.

Misschien zal iemand tegenwerpen, dat het geneesmiddel van de kerkelijke tucht onder het Oude Verbond niet voorhanden was. Maar laat hem dan in het eene of andere werk over de stelselmatige godgeleerdheid, het hoofdstuk over »de sleutelen des He-

1) Calvyn IV. 1—18, 19. 2) Idem, IV. II—9.

-ocr page 28-

28

molrijksquot; opslaan. Hij zal daaruit iets geheel anders loeren. Men denke slechts aan »(le afsnijding,quot; »de ban,quot; »dc vloekquot; en do »uitoefening der tucht in de Synagoge,quot; Joh. 9: 22.

Do Religie was (inIsraël) eensdeels veracht, anderdeels besmet: aangaande de zeden, daarvan worden alom dieverijen, rooverijen, trouwloosheden, doodslagen en dergelijke booze stukken verhaald. En evenwel hebben do Profeten geen nieuwe Kerken opgericht, of opnieuw altaren gebouwd, waarop zij bijzondere offeranden voor zichzelven hebben geofferd; maar hoedanig de menschen ook waren, dewijl zij nochtans overleidon en bedachten dat do Heere zijn Woord onder henlieden vertrouwd en de ceremoniën ingesteld had, door welke Hij aldaar gediend word, zoo hebben zo in het midden van de vergadering der goddeloozen reine handen togen Hem opgeheven. Voorwaar, indien ze hadden gemeend dat zij daardoor eenigszins verontreinigd werden, zij zonden liever honderd dooden hebben willen sterven, dan zich zeiven daartoe te laten medeslepen. Zoo was er dan niets anders, \'twelk hen wederhield en verhinderde dat ze tusschen zichzelven en de voor-eide Kerk geen afscheid maakten, dan do begeerte die zij hadden om de eenigheid te bewaren. Indien de heilige profeten er oen gewetensbezwaar van hebben gemaakt zich zeiven van de Kerk te vervreemden, om de zeer vele en zeer groote boosheden, niet van een of twee, maar bijna van \'t gohoelo volk, zoo matigen wij ens zelvon te voel aan, als wij terstond van de gemeenschap der Kerk durven afwijken, wanneer eens ieders zodon en manieren met ons gevoelen en oordeel, of ook mot de Christelijke profossy en belijdenis niet overeenkomen. 1)

Y ii. 17. Bestond niet de godsdienntorfening onder het Oude Texta-vient in uiterlijke inzettingen, ïoodat als die slechts werden onderhouden , er alsdan geen reden -was tot afscheiding ? En zijn niet onder het Nieuwe Testament alle dingen nieuw geworden, en heeft Christus niet aan alle geloovigen macht gegeven om ergerlijke personen te censureeren en ran de Kerk af te scheiden ? TI «s iiiterljke reinheid niet voldoende ? zoodat de heiligheid wel een vereischte was om Gode aangenaam te xijn, maar niet tot het wezen eener Kerk?

1) Oalvyn IY—I 18. 19.

-ocr page 29-

\'29

Doch is het mi niet heel anders met onzen Kcrkedienst ? Toen tvas er slechts céne zichtbare Kerk op aarde, r/ebonden aan een tempel, altaar cn offer; niemand werd dan ook ran haar gescheiden dan alleen door den dood.

Axtw. 1. Hot is onwaar dat onder \'t O. T. de uiterlijke betrachting zijner plichten voldoende was om iemand een waar lid te doen zijn van do Kerk. Want doodslagers, echtbrekers, etc. moesten v. orden afgesneden en verbannen uit de vergadering des J loeren en hunne gebeden worden van God niet aangenomen naaide wet van ilozes (Num. 35 ; 33, 34. Jes. 1: 10, 11. Jes. GG: 3, 4 ). Ook is \'t onwaar dat allo godsdienst onder het N. T. zoo geestelijk is dat uiterlijke betrachting van uiterlijke belijdenis in \'t N. T. den belijder niet kerkelijk heilig maken en afzonderen van eenig volk, dat niet behoort tot de Kerk, want Annanias en diens vrouw, en Simon Magus waren gedurende eenigen tijd uiterlijk heilig en onderscheiden van heidenen buiten de Kerk, door hun doop en belijdenis. En de spreuk Prov. 15: Het offer des god-deloozen is den Heere een gruwel, was alzoo even waar onder \'t O. als onder \'t N. Testament.

Zoo zou dus moeten volgen, dat de offers van een goddeloos priester geen inzettingen Gods waren en dat ze verontreinigden allen die mot zoo\'n priester in dat offeren gemeenschap hadden.

2. Do Sacramenten van tie Joodseho Kerk waren in hoedanigheid dezelfden als de onzen. (Hebr. 13: 8. 1 Cor. 10:1, 2,3. Joh. G; 50, 51. Coloss. 2 : 11, 12. Cor. 5:7 ). Niemand, uitgezonderd misschien Papisten, Wederdoopers, Arminianen en Socinianen, zal overigens beweren, dat aangaande goddelooze menschen het gebruik der sacramenten met een onheilig hart ongeoorloofd was en hen daardoor geen leden van de ware Kerk maakte, maar integendeel «gelijk Sodom on Gomorraquot; (Jes. 1: 10), en »gelijk de Mooren, Egyptenaren en Filistijnenquot; (Amos9:7. Jer. 9: 26). »Eu dezulken werd verboden Gods verbond in hunnen mond te nemen, dewijl zij zijne kastijdingen haten,quot; (Ps. 50: 1G, 17) »hunne gebeden waren een gruwel, dewijl hunne handen bloedig warenquot;, ( Jes. 1; 15), »hnnne offerhanden waren als het vermoorden van een mensch, en als \'t offeren van een hondquot; (Jes. 66: 3) en zoo waren al de middelen die zij gebruikten.

Zoo Christus dan was de Bruidegom , Priester en Hoofd der

-ocr page 30-

30

Joodsche Kerk gelijk Hij voor ons is , zoo geloof ik, dat tot de constitutie van dit lichaam vereisclit werd, dat het volk niet alleen figuurlijk, maar ook dadelijk heilig moest zijn, door eene dadelijke verklaring van allen die tot Hem kwamen. 1)

Viï. 18. Maakt de goddeloosheid der Bedienaars dan niet, dit het Woord en de Sacramenten geen heilige ordonnantiën zijn en onwaardig om uit hunnen mond en hand ontvangen te worden ?

Neen, want dan zouden ze hare waarde ontvangen, niet van den Insteller, maar van de dienaars en boden die ze ons brengen. Dan zou de heiligheid van de prediking des Woords afhangen van de meer of mindere mate van heiligheid der predikers. Het is iets ongerijmds dat God en zijn Woord kracht en waardigheid zouden moeten ontvangen van een mensch. Het Woord heeft al zijne wezenlijke kracht en heiligheid van God, en het prediken en doopen zijn ware herderlijke en kerkelijke bedieningen en middelen ter zaligheid, indien de bedienaars van God en do Kerk beroepen zijn, hebbende hunne macht van Jezus Christus, wiens ordonnantiën het zijn, ook al leeft degene, die ze bedient, verkeerd. Het Testament, de brief en het zegel, die u gebracht worden door den bode, die een dronkaard is, zijn voor u even goed en krachtig en verliezen hunne waarde niet door zijne ondeugd.

\'tls waar, dat het zoo aangenaam en smakelijk niet is en dak men het gepredikte Woord met minder lust ontvangt als de prediker een slaaf der zonde is, maar dat is bij toeval en komt van onze verdorvenheid, waardoor wij niet kunnen zien op Gods Woord, maar zien al te zeer op wien het ons brengt, en of de bode goed of kwaad is.

En zoo beschadigen wij ons zeiven als wij traag zijn om Gods schatten aan te nemen, omdat wij te zeer zien op het voorwerp waarin ze gebracht worden, of dat al of niet van goud is. Hij, die niet eten wil omdat de spijs in een aarden en niet in een gouden schotel wordt opgedischt, heeft geen honger; en hem kwelt de dorst niet, die uit geenen aarden kroes of tinnen kan, maar juist uit een zilveren beker of een kristalion glas wil

1) Borstius pag. 65—69.

-ocr page 31-

31

drinken. Dit argument gebruikte eertijds Augustinus veel tegen dé Donatisten. 1)

Christus wist dat Judas onheilig was en heeft nochtans met hem het Pascha gegeten en zijne zonde en ontheiliging van Gods instellingen niet toegestemd. Desgelijks hebben ook de apostelen, als zij met Judas aten, en Christus hun zeide: een van u is een duivel en zal mij verraden, zijne zonde niet toegestemd, noch deelachtig geweest aan zijne ontheiliging van liet Sacrament. 2)

Yis. 19. Kan men met een onverdeeld gemoed en een gerust ge- | weten ten Avondmaal ynan in eene Kerk, waarin men zoodanige en zoo groote gebreken ontdekt, zoowel hij de leeraars als hij de Avondmaalgangers als hij heiden ?

Antw. Gij hebt rekenschap af te leggen, niet van anderer, maar van uw eigen geweten. De Schrift vermaant u niet hun, maar uw eigen geweten te onderzoeken, 2 Cor, 13: 15; 11: 28. De rechtvaardige zal door zijn eigen geloof leven.

De volgende aanhaling uit M. Leidekker De veritatefulei lie for-matae, biz. 275 bewijst, dat reeds onze vaderen tegen dat dwaalbegrip te velde moesten trekken.

Er is bij hem spraak van de tucht in verband met het Avondmaal.

»Indien deze en genequot; zegt Leidekker, »die in uw oog onwaardig zijn tot het gebruik van het Heil. Avondmaal worden toegelaten, hebt gij u het gebruik daarvan niet te ontzeggen, alsof gij persoonlijk schuldig stond aan de zonden van een ander, of om zijnentwil van den door u gewenschten zegen zo wit worden beroofd.

Nempe privatus cum sis non nisi privata officia tibi incumbunt. Als ambteloos lid hebt ge geen andere plichten te vervullen dan die van een gewoon lid.

»Het Avondmaal,quot; zoo gaat hij voort, »-ts niet alleen een liefdemaal, maar ook een bondzegel. Indien het ondergeschikte doel van de instelling buiten bereik is, laat het u dan gaan om het voorname doel. En bedenk en bevorder intusschen, op zachtmoe-

Yoetius de exercitiis pietatis XIII, III, 3.

1) Idem, pag. 51—53.

2) Idem, pag. 83.—

-ocr page 32-

dige en vreedzame wijze, wat u voorlcornt dienstig te xijn tol de Reformatie van de Kerk, of de bestraffing van hare leden, die van de waarheid afwijken.quot;

Vii. 20. In Ef. 5: 11 leest men, En hebt geene gemeenschap met de onvruchtbare werken der duisternis, maar bestraft ze ook veel eer.

Uit deze schriftuurplaats leiden do Donatisten1) af, dat men gemeenschap heeft met den zondaar, clie ongeregeld wandelt, of mot zijne zonden, indien men kerkelijk met hem vereenigd is, of deel neemt aan het Avondmaal, waar hij mode aanzit.

Antwoord. Augustinus zegt terecht; Hij, die het kwaad niet doet, noch den kwaaddoener steunt, maar hem veeleer bestraft, wordt door het kwaad niet besmet; al leefde hij in het midden van de boosdoeners. Hij is als liet kaf onder het koren.

In \'t kort, liet samenleven, hetzij kerkelijk, hetzij in het familieleven of waar dan ook, maakt den geloovige en godvreezende geen deelgenoot in de zonden van een medelid of bondgenoot.

Toon Christus de menschelijke natuur aannam, werd Hij niet medeplichtig aan \'s menschon zonde, ofschoon Hij als mensch onder menschen verkeerde.

Er is geene nauwer vereeniging denkbaar, dan d;\'e tusséhen man en vrouw. Maar de geloovige wouw staat niet schuldig aan het ongeloof van haren joodschen of heidenschen man. 1 Cor. 7:12, 13.

Vk. 21. » Weet gij niet zegt de Apostel, dat een weinig zuurdcc/r het geheele deeg doorzuurt? Daaruit volgt toch zeker, dat allen die tot die massa behooren, d. i. die leden van het lichaam eener besmette kerk zijn, deel hebben aan die besmetting?

Antwoord. Deze besmetting, die wij niet ontkennen, wordt medegedeeld door navolging van het kwaad, vrg. 1 Cor. 4: 1G 11: 1, Hebr. 6: 12, 13, 17.

Men heeft wel gemeenschap met dezen broeder, of dezen val-schen broeder in het lidmaatschap van de kerk, of de samenkomsten der gemeente, maar ook niet verder, indien men niet vereenigd is met het verkeerde, dat zij in dexe hoedanigheid bedrijven, maar den Heere bidt, om de bekeering van deze zon-

1

Die soortgelijke dwaling waren toegedaan als de Labadisten. Borstius 28.

-ocr page 33-

33

claren, en alle bescliikbare middelen aanwendt, om dat doel te bereiken en te bevorderen, 1 Thess. 5:14, 2 Tim. 2:25, 26.

Vk. 22. Als Christus xegt tot een verongelijkten Broeder: Zegt het de Gemeente, en zoo hij dc Gemeente geen gehoor geeft, zoo houdt hem voor een Heiden, en Tollenaar; leert Hij dan niet, dat zoo de Gemvtnte zulken niet afsnijdf, wij dan de geheele Gemeente moeten houden voor Heidenen en Tollenaars, en ons van haar afscheiden ?

Axtw. Geenszins; maar Hij toont dat gij uw laatste plicht of de laatste stap van uw plicht volbracht hebt, als gij de zaak daar hebt gebracht en dat gij dan ten volle uw ontslag hebt; Hij eischt daarna niet meer dan dat gij u onderwerpt aan liet vonnis der Gemeente ingeval van hardnekkigheid, en geenszins dat gij, als de Gemeente haar plicht niet doet, van haar zoudt moeten scheiden als van Heidenen en Tollenaars, want dan zoude een particulier persoon Eechter zijn over eene geheele Kerk en een particulier lidmaat zou eene Kerk mogen excommuniceeren: daar Christus integendeel niet wil dat eene Kerk zich zal onttrekken aan de gemeenschap van een particulier Lidmaat, voordat zijne hardnekkigheid en het vonnis der Kerk daar tusschen komt. Ja, zoodoende zou een particulier persoon een ander voor een Heiden en Tollenaar houden zonder eenige publieke censuur. quot;Want mag hij de geheele Kerk veroordeelen, als zij naar zijne meening kwalijk doet, dan mag hij ook wel zijn medebroeder veroordeelen op zijn eigen hand, zonder de Kerk daarin te kennen of er mede te moeien, \'t welk regelrecht tegen Christus\' oogmerk is en welke de onttrekking en vermijding van iemands gemeenschap stelt onder het vonnis der Kerk. 1)

Bedenking. Moet men hen, die ongeregeld wandelen, dan maar verdragen en ze niet afsnijden?

Antwoord. Uit den stelregel: men moet in sommige gevallen verdragen, wat men niet bij machte is te veranderen, volgt niet, dat men dit in alle gevallen mag doen. Maar, dat men niet altijd doldriftig te werk moet gaan met het afsnijden, blijkt o. a. uit het voorbeeld van den Heiland, die Judas duldde in den kring ier Apostelen, en evenzeer uit de practijk der Apostelen.

1) idem pag. 189, 190.

3

-ocr page 34-

34 .

Tr. 23. Hoe oordeelde. Calvyn over de tucht?

Tot hot beleid on do bestiering van de discipline wordt ook voornamelijk voroischt datgeen \'t welk Angnstinns bodispntoort en verhandelt togen do Donatisten, to weten, dat de gemeeno lidmaten der Kerk ofschoon zo zagen dat de zonden en gebreken met zul kon ijver en naarstigheid als :t behoort, door den Korke-raad niet Worden gestraft en verbeterd, nochtans daarom niet terstond van do Kerk moeten afwijken; dat ook do Herders zelven indien ze naar hun hartelust en begeeron niet alles kunnen rechten en betoren wat krom en gebrekkig is, daaruit geen oorzaak moeten nemen om hunnen dienst neder te leggen of door oono buitengewone gestrengheid de gansche Kerk te verstoren. Want hetgeen hij schrijft is ten hoogste waarachtig, to weten, dat die niet mag beschuldigd noch verdoemd worden, die met berispen betert al wat hij kan; of hetgeen hij niet kan beteren, mot behoud van den band dos vredes buitensluit en uitwerpt; of hetgeen hij met behoudenis van den band des vredes niet kan buitensluiten, door billijkheid misprijst en door sterkte en kloekmoedigheid draagt, \'t Bewijs niervan geeft hij elders: Want, zegt hij, de gansche godvruchtige reden en do wijze van do kerkelijke discipline moet altijd letten en zien op de eenigheid des Geestes en den band des vredes; welken band do Apostel wil dat wij bewaren zullen, mits elkander verdragende; en als die ook niet wordt bewaard , zoo is hot medicijn der straffe niet alleen te vergeofsch, maar zij begint ook schadelijk te zijn, en over zulks blijft ze geen medicijn moor.

Die dit, zegt hij, naarstiglijk bedenkt, dio verzuimt in het bewaren der eenigheid de gestrengheid dor discipline niet, en hij verbreekt den band der eenigheid niet door eene ongematigde bestraffing. Hij bekent wol dat niet alleen de Herders hiertoe allo naarstigheid moeten aanwendon dat er geen gebrek in do Kerk blijve, maar dat ook iedereen met alle zijne krachten daarnaar staan en stroven moet; hij verklaart ook dat degene die slof en nalatig is in don booze te vermanen, te berispen en te verbotoren, voor den Heere schuldig is, ofschoon hij hunne zonden niet toestaat, nocli met hen zondigt ; en indien hij een zoodanig persoon is dat hij den booze van do gemeenschap der sacramonton kan afhouden en zulks niet doet dat hij in zulk een geval niet zondigt door eens anders maar

-ocr page 35-

door zijn eigen boosheid. Dit allo?, zeg ik, zegt en bekent hij wel, maar niet te min wil hij ook dat dit alles zal geschieden niet voorzichtigheid, \'t welk ook do Hecre van ons eischt, opdat het koren niet beschadigd worde, terwijl men het onkruid uitplukt.

Daarna besluit hij uit Gyprianus aldus: Laat derhalve de mensch barmhartiglijk beteren, wat hij kan; maar hetgeen hij niet kan met, lijdzaamheid verdragen en met. liefde bezuchten en bewecnen.

12. En dit zegt hij om der Donatisten korselheidswille, die, vermits zij in de Kerken eenig gebrek zagen, dat de Bisschop-pen wel met woorden berispten maar niet door ban of afsnijding-straften , (doordien ze geen hoop hadden dat ze iets door dit middel zouden winnen) tegen de Bisschoppen als verraders van de discipline zeer hevig uitvoeren; en zich zelven van de Kerk van Christus door eene ongoddelijke scheuring afzonderden, üe-lijk tegenwoordig de Wederdoopers ook doen, die, daar ze geen vergadering voor Christus Kerk houden dan die door eene volmaaktheid als van engelen alleszins blinkt en uitmunt, onder don dekmantel van hunnen ijver alle stichting verbreken en wegnemen. Dezulken (zegt Augustinus) zoeken niet uit haat tegen de zonden van anderen, maar uit lust om hunne eigen twistgierigheid te verzadigen, de zwakke lieden, die door den roem en praal huns naams verstrikt zijn, of geheel tot zich te trekken of ten minste van elkander te scheuren; en dewijl ze zijn opgeblazen door hoovaardigheid en uitzinnig door hardnekkigheid, listig om door lastering lagen te leggen, omstuimig door oproerigheid, zoo bedekken zij zich zelf met de schaduw van eene ongenadige strengheid, opdat niemand zou bemerken dat ze van het licht der waarheid ontbloot zijn. En \'t geen de Schriftuur beveelt door een gematigde kuur en genezing, met behoud der oprechte liefde en met bewaring van de eenigheid des vredes, te verrichten tot verbetering van de gebreken onzer broederen, dat trekken en gebruiken zij tot eene ongoddelijke scheuring en tot eene gelegenheid en oorzaak der afwijking. Aldus verandert de satan zich zelven in een engel des lichts, terwijl hij bij gelegenheid kwansuis van een rechtvaardige strengheid, de menschen brengt tot eene ongenadige wreedheid, niet anders zoekende dan den band des vredes en der eenheid te verderven en af te breken, want als deze band onder de christenen vastblijft, dan worden al zijno

-ocr page 36-

36

krachten krachteloos om schade te doen, dan worden al zijne listen en strikken verbrijzeld, dan verdwijnen en verstuiven al zijne raadslagen die tot verwoesting waren aangelegd.

13. Voornamelijk beveelt hij ons aan te weten, dat de strafheid der discipline met barmhartigheid moet gematigd worden wanneer de verdorvenheid om te zondigen zich heeft uitgebreid over de massa. quot;Want, zegt hij, do raadslagen v, aardoor men voorneemt zulk eene menigte van de Kerk van Christus af te zonderen, zijn ijdel, schadelijk en heiligschennend; overmits zij goddeloos en hoovaardig worden en den goeden zwakke moer ontrusten dan den moedigen booze verbeteren. En hetgeen hij anderen aldaar gebiedt, dat heeft hij ook zelf getrouw in \'t werk gesteld. Want hij klaagt in zijnen brief tot Aurelius den Bisschop van Carthago, dat de dronkenschap die zoo zeer in de Schrift verdoemd wordt, overal in Afrika ongestraft heerschte en in zwang was. En hij raadt aan Aurelius een concilie van Hisschoppcu te vergaderen, om daartegen een middel te beramen en in \'t werk te stellen. Daarna voegt hij er bij; Mijns oordeels worden zulke zonden door scherpheid, door hardheid of door eene strenge wijze niet weggenomen; maar meer niet onderwijzen damnet gebieden, meer met vermanen dan met dreigen. quot;Want zoo moet men handelen met de menigte der zondaren. De strengheid moet geoefend worden tegen de zonden van weinigen. Zijne meening is evenwel niet dat de Bisschoppen daarom door de vingers moeten zien, of stilzwijgen omdat ze de algemeene boosheden niet streng kunnen straffen, gelijk hij zelf daarna verklaart. Maar hij wil dat de wijze der bestraffing alzoo gematigd zal worden dat zij, zooveel mogelijk is, het lichaam meer gezondheid dan verderving toebren-ge. En daarom besluit hij ten laatste aldus: Derhalve moet ook dit gebod des Apostels, van de boosdoeners uit het midden weg te ruimen, niet veronachtzaamd worden, wanneer het zonder den vrede te breken kan geschieden; want hij heeft niet gewild dat het anders geschieden zou; en dit moet ook worden waargenomen, dat wij elkander verdragende trachten te bewaren de eenigheid des Geestes en den band des vredes. 1)

Niet alleen moeten volgens Calvyn, 1) de afzonderlijke ledm zich

1

Inst. IV, Hoofdst. XII. 11 vv

-ocr page 37-

37

wachten voor afscheiding ter aangewezen oorzaak, maar ook de leeraars hebben toe te zien, dat zijde geheele Kerk niet door Imn-ne onbetamelijke gestrengheid in verwarring brengen, wanneer zij alle dingen, die in de Kerk verbetering eischen, niet dadelijk kunnen reformeeren.

Zich op Augustinus beroepende, zegt hij; »de kerkelijke^ tucht moet altijd ten doel hebben, de eenheid des Geestes te bewaren in den band des vredes. Anders houdt de tucht op een geneesmiddel te zijn en wordt het een vergift.quot;

»Hieropquot;, gaat hij voort, «moeten wij met allen nadruk wijzen ; indien de besmetting der zonde de menigte heeft aangetast, baat het niet, hier en daar een bijzonder wanstaltig lid af te snijden. Want de raad om zich af te scheiden is IJdel, heiligschennend en verderfelijk, meer geschikt om liet zwakke te verderven, dat goed is, dan het kwade te verbeteren, dat onverbeterlijk is.

Onder alles hebben wij dus den wehtaitd van de Kerk te zoeken, hare stichting, in één woord; datgene wat tot vrede dient.quot;

quot;Walaeus onderscheidt twee gevallen^

Indien de Kerk grootendeels tot fnndamenteele dwalingen vervallen is, en alle doelmatige middelen, om het euvel te keeren, vruchteloos bleken te zijn, blijft den getrouwen geen anderen uitweg dan die der afscheiding, nl. ran de dwaalleeraars (daarom nog niet noodzakelijkerwijze van de Kerk). Men heeft, lezen wij iets verder, in dezen het voorbeeld van de profeten en de ge-loovige priesters onder den ouden dag te volgen.

Vr. 24. Moet het genresmiddel der excommunicatie worden toe-f/epast waar het niet strekt tot ophouw der gemeente ?

Het is niet bewezen, dat wat van de beide hier vermelde gevallen geldt, op alle andere gevallen van toepassing is geweest. Het tegendeel valt af te leiden uit Gal. 5 ; 12. De Apostel slaakt de verzuchting; »och of zij ook afgesneden werden, die u onrustig maken!quot; omdat zij verdienden afgesneden te worden, Ook in dit geval had hij, evenals in dat waarvan ICor. 5:3—5 melding maakt, een bepaald voorschrift kunnen geven, (zij, die wij hier bestrijden, zouden zeggen, dat hij dit had moeten geven), indien het zijn gevoelen was geweest, dat dergelijke voorschriften altijd en overal verplichtend waren, en dat men dit geneesmiddel der excommunicatie had toe te passen, ook waar het niet strekte

-ocr page 38-

38

tot opliomv en instanclhoiKling, maar tcit verwoesting van de gemeente.

In het tegenovergestelde geval, zou hieruit volgen, dat de ge-loovigen zich hadden af te zonderen van de kerkelijke gemeenschap, en zich te onthouden van het gebruik des Heil. Avondmaals-zoolang het kwaad niet door de kerkelijke tucht ware verwijderd of zoolang iemand die ongeregeld wandelde, in die gemeenten geduld werd, of ook wel, dat da tafel des TTeeren aldaar niet moest worde n a a ngerich t.

Deze stelling is, echter, niet vol te honden. Zij is al te dwaas. Nergens wordt /.00 iets in de Heil. Schrift bevolen. Maar wel, dat de vromen zicli voor zoodanige mensehen hadden te wachten,

2 Tim. 4; 15, dat zij hou iiiquot;)33te:i ontmaskeren, berispen, vermanen »in allo langmoedigheid der leer,quot; 2 Tim. 4:2; dat zij zicli van hen moesten onttrekken, 2 Tlies. 3: G hen hadden te weerstaan,

3 Joh. 10, dat zij: zicli zeiven hadden te »bewaren,quot; zich eeniger hadden te ontfermen, onderscheid makende, anderen »door vreeze behoudende,quot; ze uit het vuur grijpende, Jud. 20, 21, dat zij »hen den Satan moesten overgeven,quot; »hot zuurdeeg hadden uit te ban-quot;onquot; en »dezen boozen hadden weg te doen uit hun midden.quot; 1 Cor. 5:13.

Vr. 25. Wat moeten dan de lidmaten in zoo\'n geval doen ?

A xtw. Zij moeten zich houden binnen de palen van huanen ■plicht, hoewel er in sommige opzichten in zulk een tijd meer vin hen geëischt wordt dan in gewone omstandigheden.

Vu. 20. Welke zijn die dingen ?

Axtw. te. Grroote omzichtigheid is er noodig over onzen eigen wandel en wakkerheid in \'t aangrijpen van alle goede gelegen-liedèh waarin wij onzen naaste kunnen stichten.

2c. Grooter naarstigheid en een veel omzichtiger wijze in gewone waarschuwingen en vermaningen, etc.

3e. Meerdere oefening van het gebed en van liet vasten tot inbinding van ergernissen, die God ontoeren; bidden om meerderen ijver in predikanten en ouderlingen in \'t uitvoeren van hun ambt! Zoo ten dezen aanzien stroomen van tranen langs onze wangen liepen, om de veelheid der ergernissen, wij mogen wel verzekerd zijn, dat er veel vaster vrede zou zijn in gemeenschap te houden met anderen, dan in \'t scheiden van hen met veel hoovaardij, althans schijn daarvan, en in liefdclooze wreedheid

-ocr page 39-

39

ergernis aan lien te geven, en hen daardoor te sterken in limine onheiligheid. 1)

Is \'t dat wij oiidertusschen pogen te verbeteren \'t geen ons mishaagt, dat doen we uit kracht van ons ambt en plicht. En hiertoe dient hot zoggen van Panlus: Indien een anderen die daar zit iets is geopenbaard, dat de eerste zwijge. Waamit blijkt dat liet betrachten en behartigen van de gemeene stichting, ieder lidmaat der Kerk bevolen is, naar do mate dor gaven die hij ontvangen hoeft doch met dit boding, dat liet betamelijk en or-dentlijk geschiede: dat is, dat wij de gemeenschap dor Kerke niet verlaten, of, dat wij in hare gomoenschap volhardende, de vroed\' en welgeschikte regeering\' niet verstoren. 2)

Vk. 27. Maar als de Kerk haar plicht dan niet doet ?

Maar ofschoon de Kerk nalatig is in haar ambt, zoo behoort nochtans daarom niet terstond een ieder lidmaat in \'t bijzonder zichzelven van de Kerk af te zonderen. Ik ontken wel dit niet, te weten, dat de plicht van een godvruchtig mensch eischt dat hij zichzelven ontsla van allen bijzonderen omgang met de god-deloozen en zich willens in hunne gemeenschap nietinlate. Maar liet is wat anders, hot gezelschap der boozen te schuwen, en wederom wat anders uit een haat tegen de boozen , de gemeenschap der Kerk te verlaten. En wat belangt dat ze meenen dat het Brood des Hoeren met hen te nutten eene heiligschennendo daad en onteering Gods is, daarin zijn ze veel strenger dan Pau-lus. quot;Want als hij ons tot een heilig en zuiver gebruik des Nacht-maals vermaant, zoo eischt hij niet dat do een den ander, of dat ieder eehe gansche gemeente, maar dat oen iegelijk zichzelvo beproeve. Indien het niet ware geoorloofd met een onwaardige des Nachtmaals deelachtig te zijn, zoo zoude Paulus ons gewis-selijk bevelen rond te zien, of er in de menigte dor Gemeente, niet iemand was door wiens onreinheid we zouden mogen besmet worden. Maar dewijl hij nu alleen eischt dat een ieder zichzelven onderzoeke en beproeve, zoo betoont hij dat het ons in \'t minste niet schaadt, al is hot dat sommigen die onwaardig zijn zich met ons aan tafel zetten. Hiertoe dient ook hetgeen

1) Borstius pag. 201 en 502.

2) Instit. IV. 1—12.

-ocr page 40-

40

liij daarna zegt. Zoo wie oirwaardiglijk eet en drinkt die eet en drinkt ziclizelven een oordeel. Hij zegt niet dat hij een ander maar dat hij ziclizelven het oordeel eet en drinkt. En dat wel 1 te recht; want hot moet in een iegelijks goeddunken en oordeel niet staan, wie het Nachtmaal ontvangen en wie daarvan afgehouden moeten worden. Dit oordeel behoort tot de gansche Kerk, \'t welk zonder wettige en behoorlijke orde niet kan worden verlicht , gelijk hierna uitvoeriger zal gezegd worden. Het zoude derhalve onrecht zijn, dat iemand zou worden verontreinigd dooide onwaardigheid van een ander, dien hij van den toegang tot het Nachtmaal niet kan noch mag afhouden. 1)

A r. 28. Indien de opzieners der gemeente nalatig zijn in het afsnijden van bekende ergerlijke lidmaten, is men toch verplicht zich af te scheiden ? 2)

Aktw. Neen want de feilen van de opzieners zijn niet uwe feilen, indien gij ze bestraft en vordert dat zij hunnen dienst vervullen.

Tegenw. Ik moet even terug komen op het vroeger gezegde: Er is toch een groot onderscheid tusschen de Doleerenden, enz., cn de dwaalleeraars die Brnkel en Koelman bestreden.

Zoo dikwerf den Labadisten gewezen werd op hetgeen tegen hunne geestverwanten uit vroeger tijd was aangevoerd, zeiden zij precies ditzelfde om de kracht van de redeneering te breken. De omstandigheden waren ook anders. Zij zijn altijd anders maai\' de geestesrichting maar het streven is precies hetzelfde.

Er is zelfs eene zeer merkwaardige overeenkomst.

Do Labadisten onderwierpen zich niet aan de uitspraak der Kerk:

\'t Is ten eerste eene dwaling dat men niet behoeft te eerbiedigen het oordeel van een Kerkelijk gericht, als het onzes inziens dwaalt; daar nochtans de Heere Jezus zulke gerichten in zijne Kerk instellende , gewild heeft dat men die zoude eerbiedigen en onderworpen zijn, niet dat de conscientie onder haar vonnis moet liggen, maar dat hare regeerende en voorgaande macht is te erkennen, te ontzien, en niet stoutelijk tegen te gaan, gelijk een wereldlijk gericht, als het in \'t vonnissen faalt en ons verongelijkt, wij evenwel zijne macht met onderwerping moeten erkennen en niet tegenstaan.

1) idem IV—1—15.

2) Borstius 110.

-ocr page 41-

41

Idem de Doleerenden.

Zij traden op in loealen.

Zij leeren ten andere: dat die in een ingestelde Kerk door een hoo-gor gericht in den predikdienst is gesuspendeerd (geschorst) ja gedeporteerd (gebannen) wegens voornemen en poging tot scheuring der kerke, toch zou blijven in actueelen dienst en van den Heere Jezus als wettig Leeraar en Herder zou worden aangezien, en goedgekeurd; wat al onze Leeraars eenparig tegenspreken, als oordeelende volgens Gods Woord, dat die scheuringen in de Kerk zoeken aan te richten, mogen, ja moeten gesuspendeerd ja gedeporteerd worden, en dat zij die gedeporteerd zijn geen bevoegdheid meer hebben om den predikdienst te bekleeden, tenzij van hunne zonde aan de Kerk met berouw genoeg gedaan hebbende, alsdan Kerkelijk hersteld zijn.

Idem de Doleerenden.

Zij richtten Kerken op en stelden Kerkeraden aan.

Ten derde, dat een gedeporteerd predikant, doch naar zijn oordeel onwettig afgezet, dan noch alleen, zonder kennis en goedvinden van eenig Kerkelijk gericht andere (ook zelfs gesuspendeerde of gedeporteerde door een Synode) kan aanstellen, toeweiden en bevestigen in den Predikdienst en Herderlijke zorg, alsof hij met zijn Kerk independent (zelfstandig) stond en niemand in deze had te erkennen; indien er is te erkennen in de Kerk eene Synodale en Kerkelijke regeerende macht uit veel opzieners te zamen, gelijk wij tot nog toe zulks in onze Ker £ naar Gods Woord beleden en geloofd hebben, zoo blijkt genoegzaam, dat dit meer dan eene dwaling is. 1)

Idem de Doleerenden..

Zij beliepen zich op ;gt;het ambt der geloovigen,quot; Met name deden zij dit, die zich in Engeland afscheidden omdat de Kerkregeering tegen het quot;Woord was.

In dezen volgen die Afgescheidenen de Brownistcn en Indcpenden-ten, die meenen, dat de heele macht om eene Kerk op te richten alleen is in eenige personen, die samen een verbond maken, en dat weinige personen, ja ook twee of drie zoo vereenigd mogen en kunnen een leeraar kiezen, en hem bevestigen, zenden en afzonderen tot den dienst; voorts dat zij te zamen hebben de abso-

1) Koelman, pag. 279— 281.

-ocr page 42-

42

hite. (volstrekte ) on opperste maclit op aarde, hangende onmidde-lijk van Christus af en van niemand anders, kunnende excommu-niceeren (in den kerkban doen) zelfs haren leeraar, en hem afzetten , zonder dat iemand op aarde eenige macht heeft om haar te controleeren. Hier is ook een bundel van dwalingen. 1)

Idem de Doleerenden.

Vk. 29. Welke beschuldigingen brengen onxe Vaderen verder tegen, de Labadisten die geheel van toepassing %ijnop de Doleerenden?

Zij hebben liet blijven der goede leeraars in de Kerk gelasterd en zwart gemaakt, als slechts voortkomende uit liefde tot gemak en tractement, uit menschenvrees, uit wereldsgezindheid, en niet uit eene teedere conscientie en klaar oordeel, dat het hun niet geoorloofd was zich van de Kerk af te scheiden, alsof zij hunne conscientie geweld hadden gedaan, en hunne beloften trouweloos hadden verbroken, waarop zij dan zware oordoelen over hen hebben uitgesproken en gedreigd. Zij hebben de goede Leeraars door hunne scheuring onder een kwaden en hatelijken naam gebracht, alsof zij Reformatie zoekende en beginnende, maai scheuring in de kerk zochten aan te richten, niettegenstaande alle betuigingen van \'t tegendeel.

Vk. 30. Nog meer?

Zij hebben niet weinig gedaan tot verslapping en verachtering van goede en welgezinde leeraars, eensdeels door hen van verscheidene nuttige ledematen te berooven, welke ten goede in do gemeente geholpen zouden hebben, indien zij gebleven waren, anderdeels door hen tot moedeloosheid te drijven door steeds te zeggen: \'tis hopeloos, \'t zal al vergeefsche en verloren moeite zijn; gij zult toch uitgeworpen wordon, daar is niets te doen in de Kerk, noch aan de Kerk, zij is ongeneeslijk en moet daarom verlaten worden,quot; bijna alsof zij de taal van den boozen Samballah en Tobia de Ammonieter Neh. 4; 2 en 3, tegen den opbouw en verbetering der Kerke als onmogelijk, wilden vernieuwen. Ik heb hiervan ook zelf ondervinding opgedaan. Wanneer ik naar hunne raad van scheiding niet geluisterd had, en vijf jaren daarna dcor de politieken geweldiglijk uit mijne gemeente uitgestooten en uitgescheurd word, wegens mijne aangewende pogingen tot Refor-

1) Koelman, pag. 284. 28quot;).

-ocr page 43-

43

matie omtrent den ïormulierclienst en feestdagliouding, zoo lieb-ben die afgescheidenen somtijds, in plaats van aanmoediging mij doen toekom 3n, dat ik maar wegens mindere en geringere zaken leed , dat liet had moeten zijn wegens het niet nitdeelen des Avondmaals aan een hoop omvedergeborenen en profanen; en dat ik nog verkeerdelijk bleef werken om de Kerk te Reformeeren, daar die onherstelbaar was; doch dat ik nu niets nuttigs zou kunnen doen, zoo ik mij niet afscheidde, alzoo de Leeraars mij alles verhinderen zouden. Maar de Heere zij geloofd, \'t heeft mij niet doen wankelen, noch moedeloos gemaakt, mijn geringe arbeid is ook niet vruchteloos geweest: en mijne gelegenheden om door woord en pen te stichten zijn niet weinigen; mijn arbeidsloon is bij den Heere; laat hen en anderen daarvan oordeelen wat zij willen; scheiden wil ik of zal ik niet, hoewel ik door de Leeraars mede bij de scheurmakers Labadie en Hmler in hunne Synodale acta geteekend sta, en als zoodanig hier en daar vervolging-van hen lijde, waarvan zij te cenigen dage aan den Heere Jezus, die mij zoowel als hen gezonden heeft rekenschap zullen geven.

Vk. 31. Nog meer?

Zij hebben vele nuttige instrumenten voor Gods Kerk merkelijk onnut en onbruikbaar gemaakt, tot goen klein nadeel van de Kerk en hindering van Gods eer. Want eenige proponentön en jonge Predikanten hebben zij tot zich getrokken en bij zich gehouden, welke bijzonder hadden kunnen dienen tot opbouw en Reformatio van de Nederlandsche Kerk. 1)

Vb. 32. Noij wi\'?

Zij hebben door die scheur te maken en do Kerk als geen ware Kerk te verlaten velen geërgerd en aanstoot gegeven, daar des Apostels woord hun steeds in do ooren moest klinken: »quot;VVeest zonder aanstoot te geven den Joden, en den Grieken en der gemeente Gods, 1 Cor. 10: 32, en dat woord van Christus: »Wce der wereld van de ergenissen; doch vree dien mensch door welken de ergenis komt, Matth. 18: 7. Is dit niet de Papisten en anderen, die buiten onzo Kerk zijn, te ergeren, dat men onze Kerk voor een Sadom en een Bahcl uitkrijt, eene Kerk, waar men uit moet gaan ? Zullen de lieden, die dit hooren, tot de belijdenis dor quot;Waar-

1) Idem pag. 382—388.

-ocr page 44-

44

lieid, en tot onze Kerke aangelokt worden, daar zij alreeds eer zij dit uit den mond van zulke Gereformeerden verstonden, met vele vooïoordeelen daartegen ingenomen waren. Zullen niet de dochteren der Philistijnen zich verblijden en verhard worden in hare dwalingen, hoorende zulke taal, en ziende zulke afscheuring in het midden van ons? Zullen ook niet de kwaden in onze Kerk zeer gestijfd worden in hunne vooroordeelen tegen de vromen, als scheurzieken en geveinsden op wie zij het woord van den profeet zullen toepassen : »houdt u tot uzelven en naakt tot mij niet; want ik ben heiliger dan gij, dewelke een reuk zijn in Gods neuze en een vuur den geheelen dag brandende, .les. C5; 5. Zullen de vromen ook niet zeer bedroefd worden, en zijn ze niet bedroefd gemaakt, die door hen moesten verblijd worden; overmits zij zoo verlaten worden van znlkon die hun moesten hulpe bieden.

Vü. 33. Nog meer?

Zij hebben, sints zij tot deze scheuring zijn vervallen, hunne eerste liefde en hunne vorige vriendelijkheid en gedienstigheid merkelijk verlaten, en die als binnen hun klein gezelschap opgesloten. Te voren hadden zij teederc cn vurige liefde tot allen, die zij onder leeraars of ledematen ei konden, den Heere oprechte-lijk te zoeken. Als broeders cn zusters verkeerden zij met hen tezamenin vriendelijkheid en hielden raad en zoete correspondentie; maar met de afscheiding is die liefde en achting en zoete gemeenschap als afgesneden; zij zijn daarvan vervreemd geworden, bijna alsof ze vijanden waren, omdat ze tegen hunne scheiding en dwalingen vijandig waren, vindende als niets zoets, niets beminnelijks, niets prijselijks in haar. Wat men ook van eene algemeene liefde tot alle heiligen betuigt, do daden moeten spreken; wij hebben het ondervonden, hoe zij, die zich van de Kerk onttrokken, in weinige dagen of weken, zoo omkeerden in \'t stuk van liefde alsof ze dezelfde zielen niet waren. Zij hebben hun zonderling sieraad, \'t kleed van nederigheid niet weinig bekort en verloren met hunne afscheiding, wordende zoo ras zoo. opgeblazen en zoo hooggevoelende van hun verstand, licht, keuzo, oordeel en wasdom, zoo kleingevoelende van anderen, die in de Kerk bleven zelfs van hunne Leeraars, dat ze in hun eigen oogen bekwaam schenen, om als vele meesters, allen die zich niet hen niet afscheiden, meesterlijk te kunnen onderwijzen. De ondervinding heeft

-ocr page 45-

45

geleerd, dat zo even na hunne afscheuring nauwelijks met den naam van Broeders hen hebben willen verwaardigen, die ze weinig te voren als Vaders hadden geeerbiedigd. Hunne waanwijsheid en laatduiikendheid in hot wagen te oordeelen, wie herboren, wie onherboron, wie verloochent en wie niet verloochent, wie Gods Groest hebben, en van God geleerd zijn, en wie niet, is tot walgings too in hen doorgebroken. Zelfs eerste aankomelingen, jonge, onbeproefde, grove en nog onbeschaafde leerlingen, eerst uit de blindheid en duisternis uitkomende, en ziende de menschen nog als boomen, hebben niet groote verzekerdheid tegengesproken en verworpen, \'t geen hun door geheiligde, beproefde en in \'t Woord ervarene zielen werd toegediend, en geraden alsof ze maar vleeschelijken raad gaven.

Vb. 34. Nog meer?

Zij zijn zeer partijdig geweest in hun oordeel over degenen dio voor of tegon hunne scheuring waren. Als zij van hunne nieuwe Leeraars spreken, zijn er geen woorden genoeg, hoe overklimmonde en complementous ze ook zijn, om hunne deugden, gaven en genade, en arbeidzaamheid uit te drukken. We stonden verbaasd dat ze alzoo durfden spreken over lieden van welke ons verscheidene gebreken, ja onoprechtheid in sommige gevallen ons klaar genoog gebleken zijn. Maar wanneer ze van onze Leeraars, ook de voornaamste en heerlijkste, sproken, hebben ze niet één woord tot hun lof te zeggen. Van de vrucht der bediening, die zij van hunne Leeraars gehad hebben, is niet alleen een diep stilzwijgen, maar al strekt het zelfs tot eene ondankbare verloochening van Gods genadewerk, op de verkondiging des Evangelies onder ons ettelijke jaren tevoren ontvangen, en gekweekt, zij geven hunnen Leeraars die eere, dat ze door middel van hen \'t geestelijk leven en de eerste ware genade gekregen hebben. Wanneer ze van vromen onder ons spreken,* zoo noemen ze die of die gepretendeerde of woreldsche vromen die eenige goede aanrakingen of beginselen van God ontvangen hebben, doch die zich nog niet hebben leeren verloochenen; maar sprekende van hunne huisgenooten, drukken zij hooge gedachten van hen uit, alsof zij al te zamen zeer geheiligd, verloochend aan zich zei ven en aan alles wat buiten God is gestor-

-ocr page 46-

40

ren waren; Oodo levende en Hem in eon zuivere liefde en op een zeer ingespannen trap dienende.

Vk. 35. Wij zijn aan do vraag toegekomen, waarmede wij deze verhandeling besluiten: of de scheiding en afzondering, die, wij wraken, voor eene grove en gevaarlijke dwaling ie honden, is ?

Antwoord. De oude Kerk oordeelde bij monde van Augustinus dat de dwaling der Donatisten op de grenzen van ketterij lag, en hoogst gevaarlijk was voor den vrede, de eenheid en de gemeenschap van de Kerk van Christus.

Terecht.

Immers, indien het gevoelen van deze dwaalgeesten opging, zon daaruit volgen, dat er zelfs geon huis Gods, geen volk Gods, geen rijk van Christus, geene strijdende Kerk op aarde geweest was , waarin men uit de wereld , uit liet jodendom of het heidendom behoorde te worden opgenomen.

En wat is de slotsom?

Zij is te vinden in Lodenstein\'s Beschouwinge Sions. In do tweede samenspraak zegt hij: »men reformeert zonder den Geest tot een Leider en inwendige Beweger te hebben. Daar komt liet verderf van ons volk vandaan. Daarom tracht ik zorgvuldig te vernemen, als iemand de reformatie zegt te willen aannemen, wat hem daartoe beweegt, omdat ik vrees dat zij wel do woorden, maar niet de liefde der waarheid aannemen.quot; 2 Thes. 2: 10.