Nederl
oct.
247B
Legaat
Prof. Dr. M. Th. Houtsma 1851 - 1943
WROEGING
yjyCd . C~C !, 5.\'// ^
WROEGING
C YRIEL BUYSSE
\'s-GBAVENHAGE LOMAN amp; FUNKE
INHOUD.
Bladz.
Wroeging..............................3
Moeder................155
De Pokken............173
*
Gampelaarken ..........................197
Op een Zomeravond...........205
WÊÊÊm.
WROEGING.
\'
1
WROEGING.
i
I.
Olga behield haar kalmte en geduld tot tamelijk ver voorbij het station Baevel; maar, toen zij, in het gedrnisch van den rollenden trein, den langen, scherpen gil van de stoomfluit der locomotief hoorde, die het naaste station Menie aankondigde, wipte zij schielijk van de roode kussens op, nam met een zenuwachtige uitgelatenheid het hoofd van Graétan tusschen haar beide handen en zoende hem twee, driemaal op de lippen, juichend:
„Allons, sta op! sta op! wij zijn er!quot; Hij sloeg zijn beide armen om haar slanke middel, trok haar streelend op zijn
WROEGING.
knieën en kuste haar ook teederlijk op mond en wangen.
,Ja, liefste, wij zijn er, wij zijn er!quot; herhaalde hij stoeiend, met gesmoorde woorden, haar gansche aangezicht met kleine, vlugge kusjes overdekkend.
Maar lachend worstelde zij zich los en, terwijl hij, opgestaan, de reismantels uit het net nam, kon zij aan de te groote tentatie niet weerstaan: zij opende het venster van \'t portier, stak in den wind der vaart het hoofd een weinig buiten en ontwaarde, met een kloppend hart, op enkele honderden meters afstands, het klein, be-vlagde en versierde stationsgebouw, een zwarten, wemelenden volkshoop vóór de kaai, een woelenden chaos van rijtuigen en ruiters buiten de palissade. Zij trok zich in den half-coupé terug, vatte zijn beide handen in de hare, duwde die met geestdriftige kracht, luid jubelend:
„O liefste, wat volk, wat feest, wat beweging! ik ben er gansch van ontroerd!quot;
4
WROEGING.
In het geknars der pramen op de raderen vertraagde de trein plotseling zijne vaart. Olga en Gaétan, bereid om af te stappen, ontwaarden door het venstertje een lange rij nieuwsgierige aangezichten. Met een schok hield de wagen stil en terwijl, begeleid door oorverdoovende hoezees, de opwekkende tonen der door de muziekniaatschappij aangeheven Br abangonne weergalmden, kwam een stationsbediende, blootshoofds, het portier openen. Het jonge echtpaar stapte af en, onmiddellijk, in het geluid der toejuichingen en der schaterende klanken van de muziek, trad een klein, gansch in het wit gekleede meisje te voorschijn, met een reusachtigen bloemtuil in de hand.
Muziek en jubelkreten hadden opgehouden, de trein, die ietwat langer dan gewoonte stil gebleven was, zette zich weêr in den gang, met al zijne nieuwsgierig uitkijkende reizigers aan de venstertjes: men hoorde niets meer dan de eentonige stem van het kind dat, door een aandachtig en
O
WROEGING.
eerbiedig luisterende groep omringd, zijn van buiten geleerd gelegenheids-complimentje opzei. Toen het Olga den prachtigen ruiker toereikte, boog de lieve jonge dame glimlachend en met tranen van ontroering in de oogen tot het kleintje neder en kuste zij het herhaaldelijk op de wangen, terwijl nieuwe hoezees uit de omringende volksschaar opstegen.
Alsdan verliet men de spoorwegkaai. Maar als de jonggehuwden op het pleintje vóór het stationsgebouw verschenen, waar de ruiters en de rijtuigen stonden, die hen triomfantelijk, in stoet, naar hun kasteel van Wangeren zouden leiden, viel hen een nieuwe ovatie te beurt. De boeren te paard en de nieuwsgierigen te voet schreeuwden en juichten allen ondereen en de muziek had „De Vlaamsche Leeuwquot; aangeheven, terwijl, uit een groep nobiljons van het omliggende, die ook tot daar gekomen waren om hunne vrienden eer te bewijzen, een gedistingeerd handgeklap opsteeg, begeleid
6
WROEGING.
door doffe, korte bravo\'s en door een driemaal herhaald „hip! hip! honrrah!quot; op zijn eng-elsch.
Olga en Gaétan, diep bewogen, waren groetend en glimlachend blijven stilstaan. Dan kwam -de vriendenschaar tot hen genaderd en die heeren, in eendepoot-roode handschoenen en korte, parelgrijze of mastik-kleurige overjassen, kusten de hand van Olga en drukten die van Gaétan, gelukwenschen en complimenten wisselend. Zij leidden de helden van het feest naar hun open landauer en, nadat dezen er zich gëinstalleerd hadden en een ieder zijne plaats in de rangen had ternir genomen, trok de stoet, aan \'t hoofd, langzaam vooruit.
Olga was als duizelig van geluk. Toen zij het kleine stationsgebouw voorbij waren beefde hare hand zoodanig, dat zij den bloemtuil op de kussens van het rijtuig moest- neerleggen. Zij sloot een oogenblik haar oogen en zuchtte diep; en dan, opnieuw de hand van haren echtgenoot vattend^
7
WROEGING.
drukte zij die met vuur en lispelde, terwijl nu eclite vreugdetranen uit haar oogen rolden:
„O mijn Graétan wat ben ik toch gelukkig, gelukkig, gelukkig!quot;
Als moede, overweldigd door haar gelukzalige emotie, zonk zij met een zoeten glimlach op de lippen in het rijtuig achterover. En hij, door een gelijke ontroering en volzalig-heid beheerscht, staarde haar in een stomme aanbidding aan, onmachtig om door woorden zijn gevoelens uit te drukken. O wat was ze mooi, gelijk ze daar nu zat, zoo blank en frisch in haar bleek zijden zomerkleed, versierd met witte kanten! Wat stond het haar goed, dat heel heel klein hoedje, dat schitterde en prijkte als een vlinder, of een bloem, in \'t zwart van hare weelderige, bijna ruw geplante haren! Hij kon zijn oogen van haar aangezicht niet afwenden ; hij onderging een zotte, ziekelijke begeerte haar opnieuw in zijn armen te sluiten, haar tegen zijn. hart geprangd te houden, haar nooit meer los te laten. Och, indien hij haar
8
WROEGING.
steeds zoo mocht houden, gekneld tegen zijn borst, gekneld tegen zijn lippen,dan zou hij voor het spook van het verledene niet meer beven, van dat verledene welk hij dacht gedood te hebben en dat soms weêr in hem herleefde, kwellend en onverjaagbaar, meer en meer ob-sedant, naarmate hij terug tot welbekende oorden naderde...
Nu ontrolde zich de stoet langs den steenweg in processie voor hen heen, gehuld in een lichte, schuins in de jonge groene korens wegvliegende stofwolk. Van in hun landauer ontwaarden zij den golven-den rit der ruiters, die twee en twee draafden, met hun in schitterende kleuren gekleeden vaandrig aan \'t hoofd; de lange reeks rijtuigen van allerhande aard en maaksel daarachter; de luidruchtige benden jouge knapen en meisjes, die er in het zand nevens liepen. Soms sprong een paard op zij, eene wolk zand opheffend, en zij zagen den ruiter hevige pogingen in \'t werk stellen om zijn lomp, wederspannig beest weêr in den rang te
9
WROEGING.
krijgen; soms stegen luid geschater en gelach uit een der boerensjeeses op, terwijl de correcte gespannen der nohillards steeds hun deftigen gang gingen, de optuigingen schitterend, de genikkeleerde kettingen rinkelend, door de hoog en stijf op hifli bokken gezetens meesters zeiven gevoerd, met de lakeien in livrei, die hen den rug toekeerden, achteraan. En dit alles was bestraald door een glans van feest en van geluk, midden dier schoone, tengergroene velden, onder dien hel-derblauwen Meihemel, waarin de zachte voorjaarszon met ongemeenen luister glinsterde.
Olga genoot met wellust van hare terugkomst in die zoo welbekende oorden, waar zij nagenoeg haar gansche jeugd had doorgebracht en waar zij ook voortaan het beste van haar levensgeluk zou pogen te vinden. Zij onderging daarenboven dat gevoel van diepe bewondering voor hare landstreek, welk alle van verre gewesten terugkeerende reizigers aangrijpt, wanneer zij de schoonheden der natuur in den vreemde vergelijken met
10
WROESING.
deze van ons prachtig, eenig Vlaanderen. Het was voor beiden een gansch nieuwe, opgefrischte indruk. Zij hadden zich niet, gelijk zoo vaak het gebruik is, gedurende reeds verscheidene dagen heimelijk in hun kasteel opgehouden, om zich, op den dag der inhaling, in een gesloten rijtuig naar de naburige stad te laten voeren, daar op den trein te springen en, eene rechtstreeksche terugkomst uit den vreemde simuleerend, zich aan een klein, landelijk station door den stoet te doen afhalen, neen: zij kwamen direkt van Italië terug; zij hadden te nauwernood den tijd gehad om in Gent mijnheer en mevrouw de Papeleu, de bejaarde ouders van Olga, die nog op hun kasteel niet waren, te omhelzen en den banlieuetrein te nemen, die hen in de nabijheid van hun domein had gebracht.
Men ontwaarde het reeds in de verte, dat mooi kasteel met zijn vier scherpe torentjes dat, zijdelings het dorpje Wangeren gelegen, gansch wit als een paleis van
11
WROEGING.
féérie, midden uit een geschakeerden chaos van loovennassas oprees. Uitgestrekte dennenwouden omringden het rechts en links, •een sombere noot over de vroolijkheid des tafereels verspreidend, terwijl, daarachter, zich opnieuw een schitterend en prachtig Tergezicht uitstrekte: uren en uren zonnige Aveiden, waar ontelbare kudden in graasden en waar de stille Leie door kronkelde, die zich aan den horizont, in een blauwnevelig verschiet van wouden ging verdwalen.
Bij dit gezicht maakte zich een soort van vrome bedwelming van Olga meester. Zij sloot opnieuw hare oogen, zij glimlachte niet meer, verdiept in een zwijgende bede. En, als hadde zij haar echtgenoot hare ontroerende gevoelens willen mede-deelen:
„O Gaétan,quot; lispelde zij langzaam en ernstig, terwijl haar rechterhand, met een trage, lange drukking op zijn arm woog, „O Gaétan, laat ons steeds goed zijn____
12
WROEGING.
laat ons steeds waardig zijn van ons geluk
\'t Gedreun van een kanonschot riep haar tot de werkelijkheid terug. Het prachtig, zooeven geziene landschap was verdwenen, de stoet zonk nu in eene laagte, tusschen twee kleine, met hout begroeide en door hagen afgesloten heuveltjes, als liep de steenweg door een privaat park. En schielijk, aan een ommedraai, verscheen een viervoudige, regelrechte rij eeuwenoude kas-tanjehoomen, die een weergaloos-heerlijke allee vormden, aan welks uiteinde, hadend in den zonneglans, het hevlagde en versierde dorpje prijkte, met zijn praalboog aan den ingang.
Het\' schouwspel was eenig, wonderlijk van naïve, rustieke poëzie. Olga werd bleek van aandoening; Gaétan hield zich rechter op de kussens, een deftige en vriendelijk-ernstige houding aanwendend voor de intrede. Er greep een oogenblik stilstand plaats; en dan, bij het geluid der muziek,
13
WROEGING.
bij het gebulder des kanons en de toejui-■chingen van liet volk, trok de lange stoet het dorpje binnen.
II.
Slechts sinds anderhalf jaar hadden zij kennis met elkaar gemaakt. Hij had steeds te Brussel geleefd, hij was eerst het kasteel van Wangeren komen bewonen na den dood van zijn ouderen broeder, den burggraaf André d\'Hailly van Eoosevelt. En zij die, in de hooge wereld waar zij leefde, zooveel jongelieden ontmoet had, die haar steeds koel en onverschillig lieten, zij die zooveel pretendenten van degelijkeri huize van de hand gewezen had en die, in de volmaaktste harterust, den ouderdom van zes en twintig jaar bereikt had, sinds hun eerste kennismaking op \'t kasteel van haren vader, had zij voor hem een sympathie, eene genegenheid gevoeld, die aldra in
14
15
eene ware en diepe liefde ivas veranderd.
Hij had die liefde bemerkt en ze gedeeld. Hij had haar zijn hartstocht verklaard en, met haar toestemming was hij aan haar vader hare hand gaan vragen.
Mijnheer de Papelen. eenigszins verbaasd over de vlugheid waarmede een zoo onverwachte avontuur was voorgevallen, had eerst, alvorens zijn jawoord te geven, op den hem nagenoeg onbekenden jongeling renseignementen willen nemen. Deze werden hem door een Brusselschen vriend bezorgd, vaaglijk gunstig en banaal, zooals zij het gewoonlijk zijn. Er was echter een wanluidende klank in, dezelfde gelijk bij zoovele jongelieden van dien stand. Gaétan had een deel van zijn fortuin verkwist, maitressen gehad, een tijd een nog al lichtzinnig leven geleid. Men voegde er bij, dat hij zich veel scheen gebeterd te hebben.
Mijnheer de Papeleü had deze spijtige geruchten niet te baat genomen om het ontworpen huwelijk te doen mislukken. Gaétan
WROEGING.
mishaagde hem niet als schoonzoon en hij had te veel ondervinding van het leven, om niet te weten, dat hij hoogstwaarschijnlijk bij een anderen pretendent soortgelijke jongelingszonden zon te vergeven hebben. Daarenboven hij hield er aan dat zijn meisje geen vieille-fille werd en, haar karakter kennende begreep hij wel, dat het schier onmogelijk zou zijn haar nog te doen tronwen, indien hij zich verzette tegen haar huwelijk, met den eersten man, dien zij ooit bemind had. Hij vergenoegde zich haar eenvoudig mee te deelen wat hij over Gaétan vernomen had, zonder te pogen haar te ontmoedigen of te verschrikken, haar enkel aanradend er wel op na te denken, alvorens een besluit te nemen.
En Olga had gezucht, geweend, zich tot opstand en vertwijfeling laten overgaan. Zij had dat gevoel van smartvolle verbaasheid, van bittere onttoovering ondergaan dat, in hare onwetendheid van \'t leven, alle jonge meisjes overweldigt, wanneer zij voor \'t eerst
16
WROEGING.
vernemen, dat de man, dien zij beminnen, niet onbevlekt en rein meer is als zij; dat het hart, welk nu voor haar trilt, reeds vroeger voor een andere heeft geklopt. Haar eerste, spontane beweging was bepaald met hem af te breken, zoo onuitstaanbaar en afkeerig was haar die gedachte. Wat! zij zou een wellusteling huwen, zij die uit dien hoofde, uit haat en walg voor hun gekende ongebonden levenswijs de hand van meer dan eenen pretendent geweigerd had! O neen neen, dat niet....
Zij bracht met hem een onstuimige uitlegging te weeg, zij overstelpte hem met verwijten; zij ondervroeg hem en randde hem op alle punten aan, met die aanvallende, jaloersche vergramdheid der gekrenkte, verliefde vrouw, die gevoelt dat zij toch zal eindigen met zich aan het onherroepelijke en het onherstelbare te onderwerpen. Hij, smeekend en wanhopig, had zich ten beste mogelijk pogen te ontschuldigen. Hij had, met de restricties en de bescheiden-
17
WROEGIXG.
heid, die haar onwetendheid van jong meisje hem oplegden, al de gemeenplaatsen aange-Avend en al de verzachtende omstandigheden ingeroepen, welke de mannen, in dergelijke gevallen, steeds in hun voordeel weten te gebruiken.
Hij had haar verzekerd, dat hij niet schuldiger was dan een ander, dat allen dezelfde fout bedreven, dat het een gebrek, een zwakheid was, eigen aan de natuur van den man, een zwakheid, die ze zou begrijpen, verschoonen zelfs, eens als ze ook getrouwd zou zijn; een zonde, die ze toch zou te vergeven hebben, bij om het even welken man van eenigen leeftijd, dien ze tot echtgenoot zou nemen. En toen was hij voor haar voeten op zijn knieën gevallen, hij had haar met tranen in de oogen om vergiffenis gesmeekt, hij had haar, op al wat heiligst was, gezworen, dat al die vroegere, treurige misstappen sinds lang tot een onherroepelijk dood verledene behoorden en dat zij samen de gelukkigste menschen der
18
WROEGING.
wereld zouden zijn, indien zij kon, indien zij wilde liet verledene vergeven en vergeten.
En zij, vooraf overwonnen, had hem eindelijk vergiffenis geschonken en \'t huwelijk had plaats gegrepen.
m.
En nu waren het oprecht gelukzalige dagen, deze welke Olga, gedurende die eerste tijden van haar huwelijk op het kasteel van Wangeren doorbracht. Zij voelde zich eensklaps geheel veranderd, hare gedachten waren verbreed, hare toegevendheid op vele dingen had zich uitgebreid, al de valsche oordeelen en de vooringenomenheden harer jongmeisjesopvoeding waren als rook voor de thans bekende werkelijkheid des levens verdwenen. En al haar ingeboren goede gaven en hoedanigheden ontwikkelden zich nu en bloeiden, als in een gebenedijden
19
WROEGING.
grond. Men v/eet wat een garconnière en zelfs een rijke garconnière is. Zooveel dingen ontbreken er, die alleen door de zorgzame, gemoedelijke hand eener vrouw, en eener beminde en beminnende vrouw kunnen aangebracht worden. Olga stelde er haar heil en haren trots in, haar huis op een onberispelijken voet te houden. Zij bestuurde, organiseerde alles. Zij had het bewustzijn eener gansch nieuwe gewichtigheid en verant-woordelijkheid en al die aan hare dienstboden uit te deelen bevelen, die titel van mevrouw waaraan ze steeds nog niet gewend was, die ontzagvolle vragen: verlangt mevrouw dit? wat denkt mevrouw van dat? verwekten in haar een soort van heilduizeling, die haar soms eene wijl met blozende wangen de oogen deed sluiten, gansch ontroerd, als overweldigd door een al te scherp genot.
De morgenuren vlogen ras voorbij, aan allerhande kleine zorgen en werkzaamheden besteed. Vaak had zij den tijd niet vóór het lunch de vrije lucht eens in te ademen. Om
20
WROEGING.
21
één uur kondigde de dienstbel, die aristocratische bel der kasteelen, wier klank denkbeelden van praal en weelde schijnt te verwekken, het uur des maaltijds aan. Deze was kort van duur eu eenvoudig, altijd samengesteld uit koude gerechten en door een glas rooden wijn begoten, maar opgediend in kostelijke vaten, door een tafelknecht in livrei, met witte handschoenen, die fiks en zwijgend, met wakende oogen achter den stoel van mevrouw stond. Het was haar geluk, die dagelijksche raffinementen van den dienst in haar huis. Na het lunch, als het weder gunstig was, gebruikten zij de koffie onder de veranda, op de stoep. Graé-tan rookte zijn havana onder het lezen dei-dagbladen en zij Meld zich onledig met het een of \'t ander handwerk of met het lezen van een boek. Dan maakten zij een toertje in het park of reden uit op wandeling of op bezoek. Indien zij niet uitgingen en ook geen visites verwachtten. Meld Gaétan zich somtijds bezig met landschapschildering.
WROEGING.
waarvoor hij een zekere gevatheid bezat. Om zes uur kondigde de klok het diner aan. Een door haar geplukte bloementuil versierde de tafel en door de wijde, hooge vensterramen drongen de prachtige tinten van den zonsondergang in de zaal. Henri, frisch geschoren, zorgzaam, oplettend, diende met zijn witte handschoenen. Hij sneed het gebraden vleesch voor, op een klein tafeltje, dat in den hoek stond, bood den schotel aan mevrouw. dan aan mijnheer. Wanneer er visch was, maakte zij zelve de verdeeling der stukken, maar alvorens op te dienen, moest Henri een oogenblik den schotel terugnemen, er zich mede omkeeren en dan mevrouw het gerecht aanbieden. Het diner was een weinig langer van duur, door fijnere wijnen besproeid. Altijd zelfs, met het nagerecht, namen zij een glas champagne, en dan betrokken zij opnieuw de stoep waar zij de koffie en likeuren vonden.
Dit was het volzalige oogenblik van den dag, het uur van heil en vrede op hetwelk
22
WROEGING.
23
zij haar gansche wezen in een eindeloos gevoel van geluk en erkentenis voelde wegsmelten. Langzaam daalde de zon, brandend in de diepten van het park, wier hooge loovers zich als een reusachtig zwart kantwerk op de eindelooze uitgestrektheid van het gouden westen afteekenden. De schitterende kleuren der bloemperkjes verdoofden, het struikgewas verdonkerde, in nachtgeheim gehuld; de dubbele rij oranjeboo-men in kuipen die, dwars over het grasplein, eene allee vormden van de stoep tot aan het ornamentiek gesmede ijzeren inganghek, maakten den indruk van een dubbelen rang bewegingloos op wacht staande soldaten. En de vijver, die, zijdelings het kasteel, nog met een soort van schemer blonk, bedekte zich langzaam met een witten, soms vaaglijk wegzwevenden dampsluier, terwijl de eerste starren in den hoogblauwen hemel begonnen te pinken en de eerste vledermui-zen gejaagd en weifelend in de zoele lucht heen en weder fladderden.
WROEGING.
24
Zij spraken niet, zij genoten de zachtheid van het avonduur, door het droomerig gelispel der krekels in mijmeringen weggevoerd. En plots was het de nachtegaal, wiens ontroerende stem uit het midden der stille, sombere loovers opsteeg. Zijn heerlijke tonen vervulden de weergalmen van den nacht, soms onderbroken door een lang stilzwijgen, dat de plechtigheid van den zomernacht nog aangrijpender maakte en gedurende hetwelk de wonderlijke zanger zich tot innerlijke bespiegeling scheen te begeven. Toen liep hen als een rilling over de huid en zacht-kens schoof zij haren biezen zetel dicht tegen dien van Gaótan, wiens hand zij in de hare nam. Hij rookte zijn sigaar, waarvan de gloed steeds rooder werd, naarmate de duiternis daalde. Peinzend en zwijgend staarde hij vóór zich heen, op de zwarte loovermas-sa\'s, waaruit de prachtige tonen kwamen. Alsdan, door de volzaligheid harer gevoelens overweldigd, drukte zij koortsig zijne hand en haar hoofd zonk op zijn schouder, terwijl
AVKOEGIXG.
zij met een bevende stem en tranen in de oogen zuchtte:
„O, zeg-, Graétan, zijn wij toch niet te gelukkig?quot;
In zulke oogenblikken, op die hoogte van geluk, bezat zij zich zelve niet meer, voelde zij zich weder kind worden, met de behoefte iets buitensporigs aan te vangen. Zij wilde rond het park loopen, dicht tegen hem gedrongen, sidderend in het balsemgeurig duistere der heimvolle wegen, tevens verschrikt en gerustgesteld, met het delicieus bewustzijn zich beschermd te voelen door dezen welken zij beminde. Of wel zij wilde met het schuitje varen en zij zat aan het roer, hare verliefde, bewonderende oogen op hem gevestigd, gewiegd door het dof geca-denceerd geluid der riemen, welke hij in beweging hield. Het bootje gleed in stilte tus-schen de neêrbulgende waterplanten, met het zachtzingend gekabbel van het water, langsheen de zijdekanten. Zij vaarden onder de rustieke houten bruggetjes, daar, waar
25
WROEGING.
de vijver, zwart als inkt, zich tusschen woeste oevers samentrok, die hun dooreen-gestrengeld-neêrhangende gewassen in het water weekten. Dan maakten zij den toer van \'t eilandje en somtijds landden zij er aan, de wilde vogels verschrikkend, die wegvlogen, onzichtbaar, met overijlend geklap-wiek en scherpe, wilde, aldra door den afstand verzwakte schreeuwen.
Zulks was hun kalm, gewoon, dagelijksch leven, welk Olga boven alle feesten en vermakelijkheden verkoos. En, wat de aangename gemoedelijkheid er van nog vergrootte, was de nabijheid harer ouders, wier kasteel slechts op een half uurtje afstand stond en dat zij zien kon als zij wilde. Eiken zondag, namelijk, gingen zij er middagmalen en er den achternoen doorbrengen. En, om haar zeldzame ledige uren te besteden, had zij hare behoeftigen te helpen en te troosten, iets dat zij, in de overmaat van haar geluk en dankbaarheid jegens het leven, met eene aangroeiende liefde en milddadigheid uitoefende.
26
WROEGING.
IV.
Maar, daar ieder menschelijk g\'eluk volstrekt zijne keerzijde moet hebben, zoodanig, dat de mensch voor het te volmaakte heil schrikt en zelfs zijn denkvermogen inspant om zich onaangenaamheden te scheppen indien, door een weinig gemeen geval, deze niet van zelf opdagen, zoo verontrustte zich van lieverlede Olga over het overtollige harer gelukzaligheid. Zij onderging somtijds de vage vrees, dat het zoo niet kon blijven duren; en, toen dit kwellend voorgevoel uit haren geest niet wilde wijken, brak zij zich het hoofd om te raden, te veronderstellen wat eens bekwaam zou zijn haar levensgeluk te verminderen of te verwoesten.
Dienaangaande kon zij geen duidelijke mogelijkheid gissen; maar instinctmatig, onberedeneerd, zonder door eenig gegrond vermoeden dit in haar hart verwekte voorgevoel te kunnen rechtvaardigen, drong zich bij haar de overtuiging op, dat, indien haar
27
WROEGING.
een onheil overkwam, Gaétan er de schuld van zou zijn. Hij was het, die haar het geluk geschonken had; hij ook, die het haar zou ontnemen, indien het haar ooit moest ontnomen worden: dit voelde zij, zij was er zeker van.
Dit gevoel, hardnekkiger en onverjaagha-rer naarmate haar levensheil vermeerderde, deed haar soms waarlijk lijden. Vooral wanneer zij weldra overtuigd was, dat zij de hoop had, moeder te worden, kende hare onrust soms geen palen meer. Het was, of haar man reeds wezenlijk begonnen was haar te mishandelen. Zij staarde hem somtijds ter sluiks aan, gedurende een lange poos, met geestesinspanning pogend op zijn aangezicht de uitdrukking zijner innigste gevoelens waar te nemen. Wat mocht er omgaan in de diepste diepten van dat hart, welk zij soms het vlijmend bewustzijn had, niet heel en al te bezitten, niet heel en al te kennen? Waren die mooie wezenstrekken, die diepe blauwe oogen, die gansche, tevens zoo correcte, zoo
28
WROEGING.
lieftallig voorkomende handelwijze en manieren, waarlijk h e m of waren zij slechts een masker, waarachter andere trekken, andere gevoelens, een ander, haar nog onbekend mensch schuilden? En vooral, was hij ook wezenlijk zoo gelukkig als hij beweerde te zijn; gelukkig zonder een spijt, zonder een verlangen, gelukkig zooals zij zelve was?
En hij had schoon „jaquot; te antwoorden, haar te verzekeren, te zweren dat hij gansch gelukkig was; dat de werkelijkheid al zijn verwachtingen overtrof; dat hij nooit naar een hooger, grooter, zuiverder geluk zou durven trachten hebben; haar angstige twijfel bleef bestaan, kwelde haar, knaagde aan haar hart, gelijk een traag vergif. Eenmaal reeds, op een avond, was zij in tranen losgebarsten, als had zich plotseling voor haar een gruwelijk geheim ontsluierd; en, met een brekende stem was zij op zijne knieën neergezonken:
„O neen neen, gij bemint mij niet, ik voel het; gij zult mij nooit beminnen gelijk ik u bemin!quot;
29
WROEGING.
V.
Wat zou het geweest zijn hadde zij geweten wat er thans in Graétan\'s hart omging !----
Gaétau was getrouwd in dezelfde conditiën gelijk vele, men zou bijna mogen zeggen: gelijk het meerendeel der gegoede jongelieden van den tegenwoordigen tijd. Hij had vooreerst wat men noemt „zijn verle-dene te liquideeren gehad.quot; Banaal woord, triviale, walgelijke uitdrukking en die revolteert, als men denkt aan al het lijden, aan al de tranen, aan de lafheden en wreedheden, die daar zoo dikwijls achter schuilen. . .. Hij had te scheiden gehad van eene maitresse, hij dewelke hij een kind had. En, zooals het ook zoo vaak gebeurt, hij had haar niet verlaten, omdat het oogenblik gekomen was, dat hij haar niet meer beminde: hij had het gedaan uit redeneering, uit berekening, uit noodzakelijkheid, uit égoïsme; uit een
30
WROEGIXG.
zeker gevoel van eerlijkheid ook, omdat hij wel daartoe besluiten moest, wilde hij met Olga, die hij ook oprecht beminde en vurig tot vrouw begeerde, trouwen. Kortom, hij had gehandeld, of liever, hij had zich de kracht gewaand te handelen ingevolge de principen heerschend in zijn stand, waar men zoo gemakkelijk een totaal verschil maakt tusschen deze twee dingen, die nochtans zouden moeten één zijn: de maitresse en de vrouw.
Maar ach! wat gruwelijke scène toen hij haar zijn besluit was gaan aankondigen! Zij was een arm, mooi meisje, die hij een dag op zijne levensbaan ontmoet had, die hij verleid had en gevestigd in de stad, op dat appartement, waar zij sinds vier jaar met haar kleintje leefde. Zij had niets van de gewone, voorname zondares; zij was niet intrigant; zij hield noch van schreeuwende toiletten, noch van onbezonnen geldverkwis-ting; zij beminde eenvoudig en getrouw Gaétan, den eersten en eenigen man, dien zij ooit als minnaar gekend had.
31
AVROEGING.
Zij wist wel dat hij haar nooit huwen zou en dat integendeel, al licht een dag zou komen op welken hij haar en haar kind zou verlaten om met iemand van zijnen stand te trouwen. Maar nog nooit had die kwellende gedachte zich met de hevigheid eener wezenlijke gebeurtenis aan haren geest opgedrongen. Zulks bleef in haar als de onduidelijke vrees van een zeer vaag, zeer verwijderd gevaar, iets als het voorgevoel eens ongeluks, dat wellicht nooit zou voorvallen. Ook toen ze zoo eensklaps, op de meest onverwachte wijze, voor de schrikkelijke werkelijkheid stond, zakte zij ineen, als onder een vreeselijken slag, waarvan zij in het eerste oogenblik, al het afgrijzen en de uitgestrektheid niet besefte.
Hij, van zijnen kant, had zich het hoofd gebroken om haar dit treurig nieuws met zooveel zachtheid mogelijk aan te kondigen. Hij had beurtelings al de middelen overwogen, die zich in zulke gevallen aan de lafhartigheid der mannen aanbieden. Hij
32
WROEGIXG.
dacht er eerst op na haar per brief te verwittigen. Doch hij zag dadelijk hiervan af, wel begrijpend dat zulks geene definitieve oplossing der zaak behelsde; dat hij daardoor dit vreeselijk geduchte iets: een laatste bijeenkomst, niet zou ontgaan. Toen kwam hem het plan voor den geest haar niets te zeggen, haar niets te schrijven en eenvoudig bij haar niet meer te gaan; haar niet te antwoorden, indien zij zelve schreef; haar niet te ontvangen, indien zij hem kwam opzoeken.
Maar, ach neen! verre van zich wierp hij dadelijk dit onmenschelijk voornemen weg. Hij had het recht niet zoo met haar te handelen, zij die steeds zoo goed, zoo getrouw en aan hem zoo verknocht was geweest. En, wanhopig, besloot hij eindelijk een tusschenmiddel te gebruiken : hij schreef haar een kort, treurig briefje, een brief waarin hij loog, evenals hij voortaan onophoudend in zijn leven zou te liegen hebben; een brief waarin hij haar liet weten, dat
3
33
WROEGING.
aanzienlijke, geldelijke verliezen hem plotseling geruïneerd hadden en dat hij zich genoodzaakt vond haar en haar kind zonder bestaansmiddelen te laten, tenzij zij er in toestemde zekere schikking te aanvaarden, die hij haar den volgenden dag zou komen voorstellen en waarbij alles nog gered kon worden.
Hij kwam op het gestelde uur en vond haar in haar slaapkamer, Week, de oogen roodgeweend, met haar vierjarig, streelend tot haar geneigde meisje, tusschen hare knieën. Het was hem niet noodig eene gemaakte ontroering te huichelen; hij was het meer dan genoeg en, op dat solemneel oogenblik, gedurende de tijdruimte van enkele seconden, overweldigde hem als een uiterste waarschuwing, een gevoel van plot-sche, diepe wroeging, terwijl, als in een vlug, helder en vervaarlijk visioen, de onherstelbare misdaad, die hij ging plegen, handtastelijk vóór zijne oogen zweefde. Hij bleef staan, als versteend, op het punt aan
34
WROEGING.
dien diepen kreet zijns harten te gehoorzamen ; doch ter zelf der tijd daagde het denkbeeld van Olga op vóór zijnen geest en haastig, uit vrees van te verzwakken, naderde hij tot haar, kuste haar en haar kind op de wangen en begon haar, op een ter neergedrnkten toon, de geschiedenis te vertellen, die hij verzonnen had. Toen die geëindigd was voegde hij er met een wanhopig gebaar bij:
„Er blijft nog een enkel middel over om ons allen te redden: \'t Is dat gij mij een rijk huwelijk laat aangaan, waarvoor zich juist nu de gelegenheid aanbiedt. Indien gij weigert, en dat mijn ellende gekend zij, zijn wij allen onherroepelijk verloren....quot;
Zij was plotseling opgesprongen, bleek als een lijk, de gelaatstrekken ontsteld, de eene hand bevend op haar hart gedrukt, om er de onstuimige jagingen van te bedwingen, de andere uitgestrekt boven het hoofd van haar kind, als om het, tegen
35
WROEGING.
den slag die haar trof te beschermen. En zij staarde hem met haar vergroote, verwilderde oogen aan, waarin een zoo roerend-gepijnigde, eene zoo smeekend-wanhopige uitdrukking lag, dat hij opnieuw al zijnen moed en zijne wilskracht Yoelde wankelen. Zij lispelde, met een kwijnende stem:
„Trouwen!____ trouwen____gij gaat met
een andere trouwen!____ o Graétan!----quot;
Nog eens staalde hij zich, verklaarde, \'t gelaat verwrongen, met een gepijnigd gebaar :
„Het moet____ het moet; \'t is onze
eenige toevlucht om aan de ellende te ontsnappen !quot;
Zij luisterde reeds naar zijne woorden niet meer. Zij was terug in haren zetel gezonken, vernield in hare droefheid, versmacht door haar brandende tranen. En het kleintje, ontroerd door het weenen harer moeder, barstte ook schielijk in tranen los, en klauterde op hare knieën, zijn streelend gezichtje tegen het heure gevleid, zijn beide
36
WROEGING.
37
streelende armpjes om haren hals gestrengeld, als wou het haar op zijne beurt beschermen en verdedigen tegen dien man, die haar kwaad deed. En hij, de schuldige, stond daar voor haar beide, somber, stom, het voorhoofd van een onheilspellende plooi doorgraven, voor de eerste maal zijns levens de zware verantwoordelijkheid beseffend, die op hem woog. Hij beet zich op de lippen, verwarde gedachten dwarrelden door zijn gefolterd brein, tragische taferee-len zweefden vóór zijn oogen en, voor de derde maal riep hem een inwendige stem: „houd stil op de helling, die u naar den afgrond sleept! herstel het kwaad dat gij gesticht hebt; er is nog tijd! Een oogen-blik, als het ware begoocheld, was hij op het punt aan dien uitersten roep van het geweten te gehoorzamen. Hij zag zich zijn ontworpen huwelijk verbrekend, teruggekomen tot die goede, ongelukkige, hem zoo volkomen toegewijde vrouw en tot dat klein, lief meisje, waaraan hij zich — hij besefte
WROEGING.
het nu eerst — zoo diep verknocht voelde. Een hartverscheurende droefheid overweldigde hem plots bij de gedachte dit arm, schadeloos schepseltje, het Hoed van zijn bloed, alleen op de wereld te verlaten. De stem des gewetens riep hem toe, dat hij riet meer vrij was, dat hij door zijn verleden fout zijn recht verbeurd had op het geluk welk thans in zijn bereik stond.
Hij naderde tot zijne minnares, greep haar het kind uit de armen, omhelsde het hartstochtelijk, ?n een vlaag van woeste teederheid. En hij zou haar ook in de armen nemen, de moeder, en haar zoenen, en ha?1-zeggen dat hij gelogen had, dat zij niet langer hoefde te weenen, dat dit alles niets dan een slechte droom, niets dan een zinsverbijstering was, toen het denkbeeld van Olga schielijk weder vóór hem oprees. Als in een weerlicht schoot een ander visioen door zijn brein. Hij zag zich, schrijvend aan Olga, om zich van zijn gegevene belofte te ontbinden. Hij woonde met den geest hare
38
WROEGING.
verbazing- bij, hare verslagenheid, haren schrik, haar vreeselijk lijden. En terzelfder-tijd, in een terugkeer van egoïsme, besefte en waardeerde hij wat hij met haar zou verliezen: een jonge, mooie, beminnende vrouw; een gezellin van zijne opvoeding en zijnen stand, die tevens, door haar aanzienlijk fortuin, zijn wezenlijk bedreigde patrimonium zou redden. Toen zweeg de gewetenswroeging en hij aarzelde niet langer. Hij liet de arme Julia los, hield enkel nog haar handen in de zijne en, met een oprechte droefheid en een diepe ontroering in de stem, poogde hij haar to. sussen en te troosten.
Hij deed het met die lafheid, met die valschheid des harten, eigen aan het mans-geslacht in dergelijke omstandigheden en die, helaas! toch nog een balsem zijn op de wonden van haar, die er door lijden. Hij hield hare handen zacht in de zijne gedrukt, hij kuste die met een streelende teederheid, hij herhaalde haar op een ont-
39
WROEGING.
40
roerden, gemoedelijken toon, dat hij haar steeds beminde, dat hij haar steeds beminnen zou, dat hij haar nooit zou verlaten hebben, hadde zijn verloren fortuin hem niet gedwongen in een rijk huwelijk nieuwe hulpmiddelen te zoeken. Aldus, het rood der schaamte op de wangen, poogde hij, door zijn leelijke dubbele-huichelarij, het mogelijk gevaar harer verzetting tegen zijn ontworpen huwelijk te voorkomen en tevens haar te verzoenen met een denkbeeld dat, op een oprechter en eerlijker wijze voorgesteld, wellicht hare fierheid van ellendige verlaten minnares zou gekwetst hebben. En, om haar geheel tot bedaren te brengen, voegde hij er bij, dat hij steeds, zijn leven lang voor haar en voor haar kind zou zorgen; dat zij voortaan zelfs in weelde zouden leven en dat, indien zij kwam een jongeling te ontmoeten, dien zij beminnen kon en die haar zou gelukkig maken, hij haar op den dag haars huwelijks, een mooi bruidschat als geschenk zou geven.
WKOEGING.
Maar bij die onbehendige, schier wreedaardige woorden vloeiden heetere tranen uit haar moegeweende oogen. Zij omstrengelde hem vurig, koortsig met haar beide armen, snikkend dat zij nooit een ander meer be-minnen zou. En hij, gefolterd door die verdubbeling van droefheid, die hij zoo onwillekeurig verwekt had, omhelsde haar ook onstuimig en gaf haar, als uitersten troost, deze plechtige belofte:
„Welnu, aangezien ge met geen ander trouwen wilt, ik zal u na mijn huwelijk nog komen bezoeken, ik zal u nooit vergeten, nooit verlaten____quot;
VI.
Op dat oogenblik dacht hij niet, dat zij hem later, met een wanhopige halsstarrigheid, de volbrenging dezer belofte, die hij haar enkel gegeven had om haar op te beuren, en die hij wel van zin was niet te houden, zou afsmeeken____
41
WROEGING.
Maar zij, de arme verlatene, leefde op die hoop. Zij geloofde wat hij haar gezegd had, dat hij slechts trouwde om \'t fortuin, gelijk zooveel jongelieden van zijn stand het doen; en, in de redeneering van haar eenvoudig hart kwam het haar niet als eene misdaad voor, dien man, die haar zoolang had toebehoord en die de vader van haar kind was, na zijn gedwongen huwe-1;;k terug te zallen zien. Zij kropte hare droefheid op, zij verwekte geene hinderpalen tegen zijn huwelijk; maar, toen hij von zijne speelreis op \'t kasteel terug was, vond hij een langen brief van haar, een brief van liefde en van ^jden, waarin zij hem zijne beloite herinnerde en hem dringend smeekte zoo spoedig mogelijk tot haar terug te komen.
Het was een zware, pijnlijke kommer, die onverwacht op zijn nieuw geluk viel. Gedurende de wittebroodsweken, terwijl hij met Olga in de blauwe zuiderlanden reisde, had hij al niet veel meer aan het arm.
42
WROEGING.
verlaten meisje gedacht, dat eenzaam en Lieung, met hapr Mnd in België leefde. De tijd, de verwij dei in g en het betooverende zijner nieuwe gelulcz^igheid hadden de herinnering van dat verledene trapswijs verbleekt en mtgewischt, en wanneer soms een gevoel van wroeging de rust van zijn geweten stoorde, haastte hij zich die treu-ilge gedachten te verjagen, met de vage, kwellende hoop, dat zij zich ook in het hew astzijn van het onveranderlijke gesel\'\'kt en getroost hal, en dat alles nu zou ge-eindigd en vergeten wezen.
Somtijds nochtans dacht hij W zich zeiven, dat zti1ke sterke banden zoo niet in eens, door een besluit of eene gebeurtenis, hoe orherroepelijk en hoe beslissend ook, konden verbroken worden. Hij voelde iets onzichtbaars, iets onontleedbaars tusschen haar en hem, iets dat bij onophoudelijk wilde vernietigen en dat zich telkenmale, uit eigene kracht, weder herstelde. Toen werd hij ernstig en somber, door een
43
WROEGING.
duisteren, onverjaagbaren angst overweldigd.
Ook, als hij dien brief gelezen had, begreep hij wel, dat de strijd nog niet was afgeloopen. Hij ging haar niet bezoeken, hij schreef haar geen antwoord, maar sinds dat oogenblik begon hij in een staat van bestendige onrust te leven.
Enkele dagen verliepen. Eiken morgen en eiken avond wachtte hij de aankomst van den postbode. Hij wachtte hem af op de stoep of zelfs in eene der zijdreven, buiten de haag van het kasteel, en zoodra hij hem ontwaarde liep hij hem te gemoet, en bleek, de wenkbrauwen samengefronst, schoof hij met een koortsige hand het pak brieven en gazetten door elkander, vreezend elk oogenblik op een der omslagen haar geduchte geschrift te herkennen.
Het duurde niet lang. Een tweede brief kwam, een brief vol tranen en smart, waarin zij hem nog dringender smeekte om te komen, waarin zij hem zegde dat zij zonder hem
44
WROEGING.
niet meer kon leven. En om te eindigen sprak zij hem van het kind, dat zoo groot, zoo mooi werd, zegde zij en dat eiken dag naar zijn papaatje vroeg. Eiken avond en eiken morgen, vóór zijn ledikantje neergeknield, zegde het een gebed op voor hem, een gebed opdat vader tot haar en tot haar arme moeder zou terngkeeren.
Deze brief ontstelde Gaétan ten diepste. Hij begreep .dat zijn oude maitresse in haar verlatenheid zich exalteerde,, hij voelde dat zij hem van lieverlede meer en meer overdrevene en onmogelijke dingen zou vragen. Maar wat hem boven alles ontstelde was de gedachte van het kind. Hij zag in verbeelding het arme kleintje, zoo lief, zoo streelend, neergeknield in haar wit hemdeken, de handjes gevouwen, de oogjesten hemel gericht, de blonde lokken over zijn enge schoudertjes opengespreid, in zijn naïeve vroomheid biddend voor dien vader, die hem verloochende; en al de bekoorlijkheid van het schuldeloos schepseltje, waar-
45
WROEGING.
van zijne oninenschelijko hardheid meer dan een wees had gemaakt, smolt in zijn hart tot een gevoel van vreeselijk kwellende wroeging en van medelijden. Ah! wat was hij wreed en lafhartig geweest haar beide verlaten te hebben, zij, die niets gedaan hadden dan hem te beminnen, hun leven lang! En, hoe zonderling: wat dit gevoel van medelijden en van wroeging tot folterens toe in hem verergerde, was de gedachte dat Olga ook hem haast zou vader maken, de gedachte van dat ander kind, misschien ook een meisje, dat ook van zijn vleesch en bloed zou zijn en wier levenslot zoo volkomen met dit van het eerste zou ver schillen. Langzaam en zeker voelde hij aldus het uur der schuhlintdelging van \'t verleden naderen en hij besefte tevens, dat hij te vergeefs zou pogen zich er aan te onttrekken, omdat het kwaad dat hij gesticht had onherstelbaar was en dat het afgeboet moest worden.
Ja, het was onherstelbafr, dit ondervond
46
WROEGING,
47
hij meer en meer, van dag tot dag. De straf stond op en groeide om hem heen, gelijk de uit de vruchten van een boom gevallen pitten, tot andere hoornen opwassen. Door een rechtvaardig gevolg zijner misdaad viel hem de bitterheid der tranen, die hij had doen storten, op het hart terug en vergiftigde er zijn geluk. Thans vocht hij met een uiterste en wanhopige krachtsinspanning tegen de onverbiddelijke logiek des noodlots. Bij middel van verstand en redeneering wendde hij reuzenpogingen aan om het gepleegde kwaad te verzachten en vooral om er niet dieper in te dompelen, door een tweede misdaad op de eerste te enten. Hij ankerde zich vast aan de gedachte, dat de afgrond, dien hij tusschen zijne oude liefde en zich gegraven had, onoverschrijdbaar was, dat hij nooit door ietsmeer kon gevuld worden. Zijn eenige plicht was nu de vrouw, die hij gehuwd had, te beminnen en gelukkig te maken en de andere te vergeten. Hij kon, hij
WEOEGING.
mocht niet toestemmen in \'t geen deze Yan hem verlangde; want zulke betrekkingen, al hadden zij ook, physiek genomen, niets berispelijks in zich, terug aanknoopen, was eene toevlucht, die zijn tegenwoordig geluk geheel zou verdelgen, zonder hem dit van vroeger terug te geven.
Hij liet dus insgelijks dezen tweeden brief onbeantwoord, maar hij stelde een middel in \'t werk om Julia te troosten en tot bedaren te brengen: hij wendde zich tot zijn notaris, een man van hart en vertrouwen, dien hij sinds zijn huwelijk gelast had, aan zijn oude minnares haar maande-lijksch pensioen te betalen. Hij maakte hem openhartig met den toestand bekend en verzocht hem, zich bij haar te willen begeven en te pogen heur naar zijn verstan-digen raad te doen luisteren.
48
WROEGING,
VIL
Angstig- en gejaagd wachtte hij, in het kantoor van den notaris dezes terugkomst af. Deze was een mensch van een vijftigtal jaren, klein en blozend, vroolijk van uiterlijk, goede en gelukkige echtgenoot en vader van familie. Maar de opgeruimde, zelfVertvou-wende glimlach was van zijn vriendelijk gelaat verdwenen, toen hy, na een afwezigheid van twee eindelooze uren, terug in het kantoor verscheen. Hij aarzelde om van zijn boodschap rekening te geven; hij schudde treurig het hoofd; hij scheen de woorden niet te vinden om uit te drukken wat hij zeggen wilde. En Gaétan, bleek en bevend, staarde hem met verwilderde oogen aan, ook bang, ook aarzelend om uitleggingen te vragen, vooraf begrijpend in welk drama van lijden en tranen de brave man eene rol kwam te spelen.
Deze nam toch eindelijk het woord.
Ach ja, helaas! hij had een treurig schouwspel bijgewoond. Hij had een bleeke,
4
49
WROEGING.
50
vermagerde, verouderde, ter neergeslagen jonge vrouw gevonden, met flauwe, door dagen en dagen lang vloeiende tranen moe-en uitgeweende oogen. Hij liad tot haar gesproken, lang, kalm, bedaard, op eenen toon van vriendelijke redeneering, van troostende overtuiging. Hij liad haar den toestand onder zijn echte beschouwing blootgelegd: hij had haar het onmogelijke, het onuitvoerbare barer verlangens bewezen, hij had zijn best gedaan om een nieuwe hoop in haar hart te doen nederdalen. Maar al zijne pogingen hadden tegen eene halsstarrige en onoverwinbare uitbarsting van wee schipbreuk geleden; tegen zuchten en gesnik; tegen deze eenige, uiterste en onberedeneerde begeerte: „ Graétan terug zien, zooals hij het haar beloofd had.quot; En het was toch zoo hard om te zien, die ongelukkige jonge vrouw, die niet meer weenen kon en die nog zenuwachtig snikte, het aangezicht verborgen in haar handen, met het geluid als of zij schreide, zonder uit haar ziekgekreten
WROEGING.
oogen nog\' een traan te kunnen trekken. Toen was haar kleintje binnen gekomen en daarop had nog een heviger losbarsting van wanhoop plaats gegrepen: zij had het kind onstuimig in heur armen genomen; zij had het tegen hare borst en tegen haren mond geprangd gehouden, in eene schier zinneloos-teedere effusie; en hij had geen woord uit haar meer kunnen trekken: hij was heengegaan, haar als vernield in hare droefheid latend, zelf gansch ontroerd en geschokt.
Hij was het nog, de goede mensch, hij, steeds zoo opgeruimd en dartel, terwijl hij, met terneergebogen hoofd en de handen op den rug gekruist, in zijn somber kantoor met zijn grauwe gordijnen aan de gekleurde vensterramen en zijn hooge eiken lessenaars en boekenkasten heen en weer ging. Stellig had hij, in zijn loopbaan van notaris, meer dan eén aangrijpende familiescène bijgewoond, was hij in meer dan eén intiem en hartstochtelijk drama gemengd geweest; maar zulke vlijmende treurspelen waren hem
51
WROEGING.
52
onbekend, hem, voor wien de liefde bestendig een louter zachte ontroering was geweest, met kalmte afgeloopen op een lang vooruitgezien huwelijk. Ook benijdde Gaétan hem nu zijn zacht geluk, zijn ongestoorde leven, dat zoo rustig verliep, in den schoot van zijn gelukkig huisgezin. De uitslag van des ambtenaars mislukte poging had nog meer zijn hart doen bloeden en er de herinneringen van \'t verledene opgegraven. Zijn gewetenswroeging, zijn medelijden, zijn smart folterden hem zóó onuitstaanbaar, dat het woeste plan in hem opdaagde terstond tot haar te loopen, haar te kussen, haar te troosten, haar om vergiffenis te smeeken, haar en haar kind. Och! het kind vooral, dat lief schuldeloos kleintje, dat \'s avonds voor hem bad, vóór zijn beddeken neergeknield, o, hij hadde het toch willen terugzien, het op zijn knieën nemen, het kussen, het streelen, . . . het stelen, misschien, en er mee wegvluchten ! . . . . Maar het denkbeeld van Olga, van de beminde echtgenoote, van
AVKOEGIXG.
wie hij ook een kind zou hebben, rees dan voor hein op en hij bukte \'t hoofd, rood van schaamte, het hart, doorboord van wroeging-bij de gedachte, dat hij haar zoo leelijk zou bedriegen en verraden ....
De brieven van Julia, nochtans, bleven hem voortdurend toekomen, hoe langer hoe treuriger en smeekender. En, als hadde die vrouw, in haar toenemende smart, door een intuïtief gevoel kunnen raden wat hem het meest moest ontroeren, thans klaagde zij minder over haar eigen ongelukkig lot, om meer en meer en met steeds aangrijpender teederheid van haar kindje te spreken. In die eenvoudige, als het ware lijdende brieven, deelde zij hem soms, met die suggestieve poëzie, eigen aan het moederhart, enkele bijzonderheden over het kleintje mede, die hevig dezes beeld voor zijnen geest inriepen en het kind daar om zoo te zeggen vóór hem deden leven.
„Cécileke is een weinig ziek sinds drie dagen,quot; schreef zij hem. „De dokter komt
53
WROEGIXfl.
het bezoeken en \'savonds heeft het de koorts, die hem als twee kleine roode vlammetjes legt boven de kaaksbeenderen, juist onder de oogen. Alsdan, daar het te zwak is om op te staan en neêr te knielen, vraagt het mij of het zijn gebed voor papaatje in zijn ledikant je mag opzeggen. En dit doet het, de handjes gevouwen boven de deken, die zijn borstje tegen de kou beschermt. Als het gedaan heeft is zijn mondje droog en dan geef ik hem een teugje gesuikerd citroenwater te drinken. Och! ik hoop toch dat mijn kindje zal genezen, ik heb maar hem meer op de wereld____quot;
Zulke brieven voerden letterlijk Graétan\'s hoofd op hol. Hij voelde onstuimig zijn vaderhart kloppen; hij besefte wat vreese-lijken angst hij zou doorstaan hebben, moest zijn ander kind, het kind dat Olga hem schenken zou, zoo ziek worden. Toen versmolten zich de beide hulpelooze schepseltjes in zijnen geest tot éen en zelfde kwellend denkbeeld; zijn vaderlijke teederheid maakte geen onderscheid meer tusschen hen,.
54
WROEGIXO.
hij onderging meer dan ooit de dringende, tirannieke behoefte, dit, Avelk lijdend was, terug te zien, te troosten, te verplegen.
En, op een avond, eindelijk, ontving hij, niet den laatsten bode, eenen brief van haar, waarin zij hem verwittigde dat, aangezien hij weigerde zijne belofte van haar te bezoeken te volbrengen, zij zelve met het kind tot hem zou komen. En, opdat hij den tijd niet meer zou hebben bet haar te verbieden, zou zij denzelfden avond komen. Zij zouden om negen uur uit Gent vertrekken, in een gesloten rijtuig, en aan den Noordkant van het park, dichtbij \'t kapelletje der Zeven Weeën stilhouden. Zij verzocht hem het houten poortje, dat daar in de\' beukenhaag gemaakt is, ongegrendeld te laten. Zij zouden binnen het park treden en hem daar afwachten, in de diepten van het slaghout, op de rustieke bank, die rond den grooten eik staat. Middelerwijl zou het rijtuig zich in eene dreef der omringende sparrebosschen gaan verbergen.
55
WROEGING.
VIII.
Gaétan stond als het ware duizelig geslagen____
Zijn eerste gedachte, toen hij tot zelfbewustzijn terugkeerde, was, haar spoedig een knecht af te zenden om haar, \'t mocht kosten wat het wilde, zulk een uitzinnige onderneming te beletten.
Doch hij week terstond van dit onderwerp af: hij kon zijne dienstboden — de dienstboden zijner vrouw — met zulk een geheim niet bekend maken.
Er viel evenmin te denken aan het zenden van een seinbericht: op dit uur was het telegraafbureel van het klein station Meule reeds gesloten, en zelf naar Grent loopen was hem nog meer onmogelijk.
Een oogenblik schoot hem \'t plan door het brein, zijnen koetsier te paard, in de vlucht, met een brief naar den notaris te sturen; maar, daarenboven dat de goede
56
WROEGING.
mensch in zijn gewone koffiehuis of ergens op sociëteit mocht zijn, alvorens de knecht bij den notaris aankwam en deze van den inhoud des briefs kennis genomen en zich bij Julia begeven had, zou zij voorzeker reeds vertrokken zijn. Toen nam hij het eenige besluit, dat hem overbleef; haar te laten komen, en te handelen alsof er niets gebeurd was, alsof hij van niets wist. O! hij zou haar niet zien, daar dorst hij wel zijn eed op doen! Zij zou wachten, desnoods den ganschen nacht, maar hij zou niet komen! Nooit zou hij de schanddaad bedrijven, alzoo zijne vrouw te bedriegen op de plaats zelve waar zij leefde, bijna onder het dak waar zij sliep!
Hij scheurde den brief; hij verbrandde hem. Hij spande zijn krachten in om er niet meer aan te denken; bij verjoeg met geweld uit zijnen geest het folterend denkbeeld van dat dringend gevaar, welk hem onophoudend weer in het hoofd schoot, met bruske, plotselinge schokken.
57
quot;WROEGING.
VUL
Gaétan stond als het ware duizelig geslagen____
Zijn eerste gedachte, toen hij tot zelfbewustzijn terugkeerde, was, haar spoedig een knecht af te zenden om haar, \'t mocht kosten wat het wilde, zulk een uitzinnige onderneming te beletten.
Doch hij week terstond van dit onderwerp af: hij kon zijne dienstboden — de dienstboden zijner vrouw — met zulk een geheim niet bekend maken.
Er viel evenmin te denken aan het zenden van een seinbericht: op dit uur was het telegraafbureel van het klein station Meule reeds gesloten, en zelf naar Gent loopen was hem nog meer onmogelijk.
Een oogenblik schoot hem \'t plan door het brein, zijnen koetsier te paard, in de vlucht, met een brief naar den notaris te sturen; maar, daarenboven dat de goede
56
WROEGING.
mensch in zijn gewone koffiehuis of ergens op sociëteit mocht zijn, alvorens de knecht bij den notaris aankwam en deze van den inhoud des briefs kennis genomen en zich bij Julia begeven had, zou zij voorzeker reeds vertrokken zijn. Toen nam hij het eenige besluit, dat hem overbleef; haar te laten komen, en te handelen alsof er niets gebeurd was, alsof hij van niets wist. O! hij zou haar niet zien, daar dorst hij wel zijn eed op doen! Zij zou wachten, desnoods den ganschen nacht, maar hij zou niet komen! Nooit zou hij de schanddaad bedrijven, alzoo zijne vrouw te bedriegen op de plaats zelve waar zij leefde, bijna onder het dak waar zij sliep!
Hij scheurde den brief; hij verbrandde hem. Hij spande zijn krachten in oin er niet meer aan te denken; hij verjoeg met geweld uit zijnen geest het folterend denkbeeld van dat dringend gevaar, welk hem onophoudend weer in het hoofd schoot, met bruske, plotselinge schokken.
57
WROEGING.
Hij kwam terug bij Olga, die op de stoep zat en zoende haar lang, teederlijk, met een benauwde ontboezeming. Hij nam het besluit haar dien avond geen oogenblik te verlaten, opdat de tentatie.... maar neen, de tentatie zou niet komen, hij zou er niet heengaan, hij wilde niet.
Olga, ontroerd door zijne teederheid, had hem op hare beurt de armen om den hals geslagen en hield zich dicht tegen hem aangedrongen, met zalige begeestering de avondpracht genietend. Doch zij bemerkte dat hij zich niet stil kon houden; en daar zij hem zoo dikwijls zag in zulken staat, gejaagd en koortsig en des nachts door slapeloosheid geplaagd, stelde zij hem voor een toertje rond het park te maken, ten einde door een weinig vermoeienis de nachtelijke rust te bekomen.
Hare eenvoudige vraag deed hem sidderen.
„In \'tpark!quot; sprak hij als verwilderd. „Waarom?quot;
58
WROEGIXG.
Doch terstond zijne ontsteltenis beheer-schend:
„Soit, ik wil wel,quot; antwoordde hij.
Zij daalden van de stoep, volgden de oevers des vijvers, verdiepten zich in het sombere der draaiende, overlommerde wegen. Zij had zijn linkerarm gevat; zij drong zich, met een lichte huivering, dicht tegen hom. Haar bleekkleurig zomerkleed maakte een witte, zich bewegende vlek in de duisternis ; een grijze wollen sjaal bedekte hare schouders en armen. De droomerig zingende krekels zwegen beurtelings op hunnen doortocht: de bloeiende struikgewassen wasemden een sterken, bedwelmenden geur uit. Het was reeds nacht; starren schitterden prachtig in den donkerblauwen hemel, in de tusschenruimten van de hooge,. zwarte loovers.
Door een zonderling toeval had zij juist dien avond lust om eens te wandelen langs den Noordkant van het park, een deel dat zij gewoonlijk nooit bezochten, (raétan, ver-
WKOEGING.
schrikt, poogde te vergeefs haar een verschillende richting te doen nemen: zij wilde er heen. Het park had er een wild, verwaarloosd uitzicht. Bij plaatsen waren de wegen er door onkruid en bramen bedekt; groote, kubieke hoopen verzamelde bladereu •eu heidegrond rotten tusschen de verdunde massiefs van slaghout. Alleen de reusachtige, eeuwenoude eik rees majes-tatisch te midden eener clairière op, omringd van zijne ronde, vermolmde, rustieke houten bank.
Plotseling liet ze zijn arm los en, alvorens hij den tijd had het haar te beletten, liep ze naar de bank en zette zij er zich op neder.
„Kom ook een weinig zitten!quot; riep zij hem lachend toe.
Hij gehoorzaamde langzaam, werktuigelijk, met een kloppend hart.
Hij dacht dat over een uur, over anderhalf uur ten langste, eene andere vrouw, die hij insgelijks bemind en de zijne ge-
€0
WROEGING.
noemd had, op dezelfde bank, op diezelfde plaats met haar kind zou komen neerzitten, waar zich thans de wettige echtgenoot e bevond.
Langs daar zou ze binnen komen, langs dat houten poortje, daar, in de beukenhaag. Zij zou recht tot de bank naderen,, stilzwijgend, vermagerd, in \'t zwart gekleed, met haar klein meisje aan de hand. Zij zouden er zich neerzetten, en naar hem wachten, bewegingloos, in de reine, plechtige kalmte van den zomernacht....
De krekels zouden als nu hun eentonig lied zingen, vóór haar voeten, in het gras. Vage geluiden: een geruisch door de bladeren, een geritsel in de bramen, de verwijderde gil van een nachtvogel zouden haar gehoor treffen. In den eerste zouden zij een weinig stikken in de zwoele zomerlucht; maar van lieverlede zou haar onbewegelijke houding haar kou doen krijgen en zij zouden huiveren, haar kleederen nat van den dauw, haar angstige vergroote oogen ten hemel,
GI
WROEGING.
naar de prachtig glinsterende starren gericht .... want lange, lange uren zouden vervliegen en hij zou niet komen, hij wilde niet komen, nooit, nooit zou hij die schanddaad bedrijven.
Olga nochtans, schielijk ernstig, sprak nu, de oogen op het poortje gevestigd:
„ Vindt ge niet, liefste, dat het slot van dat poortje zou moeten gerepareerd worden ? Thans kan een ieder langs daar in het park dringen.quot;
,,\'t Is waar,quot; sprak hij, „ik zal er van morgen af een nieuw slot doen aan maken, alhoewel,quot; voegde hij er schokschouderend bij, „dat dezen die des nachts in het park zouden willen breken, er ook langs menige andere plaatsen binnen kunnen.quot;
De lippen door een glimlach half ontsloten volgde zij thans, met den geest, een andere gedachte.
„Weet gij wel,quot; sprak zii, om zich heen starend, „dat het hier erg gelijkt aan een uitmuntend gekozen plekje voor rendez-vous
«2
wroeging:
van verliefden. Denkt ge niet, dat de knapen en de meisjes uit den omtrek elkaar komen omhelzen, hier, op die bank?quot;
Hij ontweek het antwoord, op zijn ongemak, met een beweging tot opstaan.
„Ik zal er morgen een nieuw slot doen aan maken,quot; herhaalde hij nog eens.
Maar lachend, ondeugend-plagend drong zij aan, den arm om zijnen hals gestrengeld:
„Zeg, hebt gij er zelf zoo nooit eene doen komen, van die dochters uwer pachters, die soms zoozeer niet te versmaden zijn, met haar frissche, bloeiende gezondheid?quot;
„Olga, ik smeek u. . . .quot; onderbrak hij haar.
Hij was opgestaan, hij had haar in de lenden opgetild en hij verwijderde haar van die voor haar om zoo te zeggen reeds geprofaneerde plek. Zij keerden langs de stallingen en de oranjerie naar het kasteel terug.
63
■ WROEGING.
IX.
Tien uur! over een half uur zou ze daar zijn!
Hij was ter prooi aan een onoverwinbare gejaagdheid, die nog gestadig verergerde. Hij stelde aan Olga voor slapen te gaan. Maar juist dien avond verlangde zij een had te nemen, alvorens zich te bed te leggen. Zij gaf hare bevelen dienaangaande en berichtte hem, dat zij hare slaapkamer wou betrekken, alwaar zij hem over een uur zou verwachten. Hij drong er op aan, dat zij haar bad eerst den volgenden morgen zou nemen; zij gaf hem haar redenen om het niet uit te stellen en vroeg hem of hij licht verlangde in zijn cabinet, om te lezen of te schrijven. Hij antwoordde van neen, daar hij liefst eene sigaar op stoep zou rooker. Zij omhelsden zichten verlieten elkander.
Gaétan zette zich opnieuw in zijnen leunstoel
64
WROEGING.
neder, haalde een sigaar te voorschijn en ontstak die. Maar de havana beefde tnsschen zijn tanden en hij knauwde zenuwachtig de punt aan stukken, die hem een wrangen, hitteren smaak in den mond liet.
Weldra stond hij sidderend van zijne plaats op. Hij kon geen oogenhlik met rust blijven, zijne wenkbrauwen stonden gepijnigd samengefronst, zijn handen sloten zich zenuwachtig, in een werktuigelijke, aanhoudende drukking.
Hij kwam beneden de stoep en staarde omhoog. Hij zag de vensters van Olga\'s vertrekken helder verlicht, achter de neergelaten gordijnen. Hij zond haar in de lucht een teederen kus, hij herhaalde binnensmonds :
„Ik zal niet gaan, ik zal niet gaan.quot;
Bij den rooden gloed zijner sigaar keek hij op zijn uurwerk. Tien en een kwart. Elk oogenblik zou ze aankomen.
En plots bleef hij pal, ten gronde genageld, de oogen vergroot, \'t gehoor gespitst:
5
65
WROEGING.
dat rijtuig, welk hij sinds anderhalf uur voelde loopen en naderen, kwam eindelijk, over den verren steenweg, zijn verdoofd geroffel te laten hooren. Hij twijfelde er geen seconde aan, dat het haar rijtuig was. Hij hoorde het geratel vergrooten, naderen, duidelijker worden, schielijk ophouden. Het kwam hem voor als zag hij er haar uitstappen, het kleintje bij de hand nemen, het poortje openduwen, recht naar den grooten eik gaan. Met een sprong klom hij terug op de stoep en schelde de kamermeid zijner vrouw.
„Vraag aan mevrouw of zij bereid is mij te ontvangen.quot;
Hij nam zich het hoofd tusschen de beide handen, terwijl het meisje de trappen opklom. Zijn slapen klopten om te barsten; hij voelde zijn verstand op hol gaan.
„Ja mijnheer/\' antwoordde de meid, terug beneden komend.
Hij staarde haar verdwaasd, verwilderd aan, als of hij niet begrepen had. En schie-
66
WROEGING.
lijk, als wist hij bepaald niet meer wat hij deed:
,/tIs goed; zeg haar dat ik straks zal komen, zoodra mijne sigaar opgerookt is.quot;
Hij had nog de kracht te wachten tot het meisje opnieuw verdwenen was; en dan, met éen sprong, was hij de trappen af en ijlde hij de diepten van het park in.
Hij liep recht vóór zich heen, dwars over graspleinen en bloemperken, de zeldzame, kostelijke bloemen onder de voeten trappend, struikelend tegen den rand der wegen, door de neerhangende twijgen van de boo-men in het aangezicht gezweept. Hij redeneerde niet meer, hij worstelde niet meer; hij ijlde. In min dan twee minuten tijds was hij aan het uiteinde des parks. Als een orkaan kwam hij in de clairière te recht.
Zij stonden daar, angstig, fiks, verschrikt door het gedruisch van zijn woeste vlucht. Hij zei niets, hij opende zijn armen, ontving haar op zijn borst, bedwelmd van ont-
67
WROEGING.
roering, zuchtend, snikkend, onverstaanbare klanken uitboezemend.
Door een bruske beweging maakte hij zich uit haar omarming los, droeg haar, machteloos, bezwijmend, op de bank. Toen hief hij zijn klein meisje van den grond en, terwijl hij het letterlijk met kusjes overdekte, gebrokene teederheidswoorden stamelend, smolt hij ook op zijne beurt in overweldigende tranen weg.
Maar hij kwam dadelijk tot Julia terug en sprak, met een dringende stem:
„Sta nu op! vertrek! vertoef hier geen oogenblik! gij hebt een groote onvoorzichtigheid bedreven!quot;
Zij vouwde smeekend hare handen samen :
„O nog een minuutje, Gaétan! als \'tu blieft nog een minuutje! Laat mij terug tot bedaren komen! Ik ben zóó zwak, zóó ontroerd, zóó ziek, dat ik u om zoo te zeggen noch hoor, noch zie; dat ik niet begrijp wat er met mij gebeurt!quot;
68
WROEGING.
Zij sloeg haar armen om zijn hals, zakte nogmaals weenend op zijn borst, met verwarde smeekingen en zuchten. Doch opnieuw maakte hij zich van haar los en, dringender, op zijne beurt smeekend:
;; O Julia ga-weg, ga weg, zeg ik u, er is gevaar, gij hebt een ongehoorde onvoorzichtigheid bedreven!quot;
Hij hielp haar weder opstaan, zij waggelde, op zijnen arm gesteund, zij lispelde: „O mogen wij toch ten minste wederkomen?quot;
„Ja ja, later; doch ga nu heen, ga heen, het moet! het moet!quot;
Hij kuste haar beide nog eens vurig en lang; hij leidde haar bevend, als in een droom, zonder te weten wat hij deed, naar het poortje, dat hij voor haar opende,
„Vaarwel!quot; murmelde hij, „vaarwel! tot later! doch laat me nu denken, overwegen, maak me niet zinneloos van smart en droefheid!quot;
Hij zag hare gestalten in de duisternis
69
WROEGING.
verdwijnen; hij trok het poortje dicht en vluchtte heen.
Hij stond vóór het kasteel terug alvorens hij \'t gewaar werd. Hij trok in stilte boven, op zijn kleedkamer. Hij waschte zich, poogde zijn aangezicht tot zijn gewone uitdrukking te plooien en trad het slaapvertrek van Olga binnen.
De jonge vrouw lag reeds te bed, lezend in een boek.
„Heb ik u te lang doen wachten, liefste?quot; vroeg zij, minzaam glimlachend tot hem omgekeerd. Maar zijn doodsche bleekheid trof haar; zij vroeg hem, met een schielijke uitdrukking van angst op het gelaat, of hem iets scheelde.
„\'t Is zeker die sigaar,quot; antwoordde hij, „zij was te zwaar.quot;
„Waarom toch zooveel rooken!quot; verweet zij hem zacht.
70
quot;WROEGING.
X.
De eerste dagen, die op deze gebeurtenis volgden, waren afschuwelijk voor Gaé-tan. Hij misleidde zich zeiven niet omtrent de onafmeetbare gewichtigheid der zaak; hij had te veel ondervinding van wat de liefde is en kende te wel zijn eigen hart om niet te beseffen, dat dit eerst de aanvang was van een tijdperk ergere onrust en strijd: een onophoudend vernieuwde strijd, die van lieverlede al de levende krachten zijns wezens zou uitputten, hem onveranderlijk overwonnen latend.
Ach! waarom had hij zulk een week, een zwak, gevoelig hart? Waarom had het die hardheid, die onverbiddelijkheid niet welke, in zijn geval, de eenige remedie en de eenige oplossing kunnen te weeg brengen, en zonder dewelke de wereld zijne fout niet kan vergeven! Waarom mocht hij voor de eene geene gevoelens van me-
71
■ffROERING.
delijden, van menschlievendheid, van berouw en wroeging laten blijken, zonder dat deze gevoelens terzelfdertijd een meineed, een verraad, een misdaad werden, ten opzichte der andere!
Zijn geval was nochtans hetzelfde van duizenden en duizenden andere mannen, en die leden niet zooals hij leed. Hij had maar om zich heen te zien: in alle de standen der samenleving: bij zijne vrienden; in de burgerij ; onder de boeren; onder de lagere volksklassen, overal ontstond, op een min of meer uitgebreide schaal, hetzelfde intiem drama en nergens zag hij zich, met zulke hevigheid, dat somber lijden openbaren, die wanhoopskreten, aan de morale foltering ontrukt; die vreeselijke schokken van het hart, die hunne slachtoffers ten gronde werpen en vernietigen. Was er dan in hem een gansch buitengewoon lijdensvermogen, een folterende kracht, die hij aan dezen, welke met hem in aanraking kwamen, meedeelde; die hij overgeleverd had aan die ongeluk-
72
WROEGING.
kige vrouw en aan haar kind; en die hij ook zou mededeelen aan haar die, beminnend en vol vertrouwen, tot nu toe nog niets van het schrikkelijk drama vermoedde !____
Ah! wat leed hij thans in hare tegenwoordigheid! Wat verweet hij zich zijn schandelijk bedrog jegens die zoo goede, beminnende, argelooze echtgenoote! Soms dorst hij haar niet meer omhelzen, tot haar niet meer naderen. Vooral wanneer zij van de toekomst sprak, van dat kind, dat het geluk van hun leven zou worden, werd hij als het ware duizelig, kwam het hem voor als opende zich plotseling een ijselijke afgrond aan zijn voeten. Hij dacht: moest gij de waarheid kennen, gij zoudt mij met afschuw verstooten. En toen zij, teeder en streelend, zelve de eerste tot hem kwam, verwonderd en bedroefd over 2ijn schuchtere koelheid, dan zou hij kunnen schreien hebben van smart en schande, dan had zijn hart onstuimige bewegingen
73
quot;WROEGING.
om haar alles te bekennen, om haar zijn misdaad bloot te leggen in al zijn snoodheid, om haar toe te schreeuwen: „verwijder u van mij, heilige vrouw! veracht, verdoem mij, ik ben een monster!quot;
Want hij had haar terug gezien, de oude minnares en haar kind. Zij had hem geschreven: ik kom dien avond, dat uur, en hij was daar geweest, ginds, in de diepte van het park, door een onweerstaanbare .macht aangetrokken. Van lieverlede was het hem een gewoonte, een noodwendigheid geworden. Hij moest haar beiden terug zien, haar kussen, met haar spreken. Hij onderging de dringende behoefte gezamenlijk met haar te weenen, haar te troosten, haar, gedurende enkele oogenblikken, naast zich te voelen leven. En gedurende die ettelijke stonden vergat hij alles, maalais ze weg waren en hij terug bij Olga kwam, maakte zich opnieuw de sombere wroeging van hem meester. Hij zwoer dat hij haar niet meer zou zien, dat hij zou
74
WROEGING.
sterven, liever dan die verfoeilijke en onuitstaanbare dubbelhartigheid te blijven volhouden. En immer, immer, hoe vreeselijk de strijd ook was, dompelde hij in zijn misdaad terug, lafhartig en overwonnen.
XI.
Olga nochtans verontrustte zich meer en meer wegens de zonderlinge gekwelde gemoedsstemming waarin G-aétan voortdurend verkeerde. Soms steeg haar onberedeneerde angst tot een graad van echte overdrevenheid. Zij bewaakte hem, ondervroeg hem, smeekte hem haar de oorzaak zijner droefheid te bekennen. En hij had wel te loochenen, te liegen, zij voelde instinctmatig dat hij haar iets verborg en verweet hem voor haar geheimen te hebben. Ook, zij liet hem haast geen oogenblik meer alleen, als hadde zij de intuïtie gevoeld, dat hare tegenwoordigheid hem van een onheil kon
75
WROEGING.
bevrijden. Zij bespiedde, bestudeerde hem; zij poogde, op zijn gepijnigde gelaatstrekken, de oplossing van het onrustbarend raadsel te ontdekken, waar zij te vergeefs naar zocht. Meer dan eens overdag, zoodra hij een oogenblik heen was, had zij de behoefte hem terstond terug te zien. Dan maakte zij irruptie in zijn werkkabinet, of ging hem opzoeken in \'t park, op \'t neerhof, tot op de velden zelfs, dit alles zonder reden, enkel om hem te zien, om hem te streelen, om in zijn bijzijn den vagen angst, die haar bestendig kwelde, te bedaren.
Zijn groote schrik was, dat zij hem zoo eens \'s avonds volgen zou, en hem verrassen, terwijl hij bij Julia en Cécileke was. Ook nam hij thans eindelooze voorzorgen om daar heen te gaan. Hij had opzettelijk daartoe de dagelijksche gewoonte aangewend, \'s avonds in den tuin eene laatste sigaar te rooken, terwijl Olga zich op haar kamer ontkleedde en te bed ging. Maar niettemin, de avonden als zijne oude minnares moest
76
WROEGING.
komen, was zijn zenuwachtige gejaagdheid zóó groot, dat hij een echte marteling uitstond om een betrekkelijke kalmte te behouden. Alsdan, zoodra Olga boven was, liep hij sidderend, met bonzend hart en kloppende slapen, het park in. Hij liep, hij liep, zonder om te zien, tot dat hij, plots, stilhield om te luisteren. Hij hoorde niets dan een zacht gebruisel van de bladeren en de doffe bonzen van zijn hart. Hij ijlde voort, stil en vlug. Hij kwam op de plaats waar zij hem verwachtten, hij kuste haar onstuimig, hij zakte hijgend op de bank.
Dan, als hij bij haar was, scheen het gevaar hem eensklaps verbannen, en hij bleef daar enkele minuten zitten, gerustgesteld, verteederd, gelukkig bijna, de wereld om zich heen vergetend.
Zij vertelde hem de enkele, geringe gebeurtenissen sinds hunne laatste bijeenkomst voorgevallen en die schier alle betrekkelijk het kleintje waren. Van haar zelve, van
77
WROEGING.
haar droefheid, van hare verlatenheid klaagde zij niet meer, nu zij hem, eenmaal per week, gedurende enkele stonden mocht zien. Wel vroeg zij hem soms, bedeesd, of hij haar niet eenmaal zou komen bezoeken, maar toen hij haar bepaald gezegd had, dat zoo iets volkomen onmogelijk was, drong zij er niet verder meer op aan.
Onophoudend, zoo lang ze daar bleven, hield hij zich met het kleintje bezig. Hij nam het op zijn knieën, streelde, zoende het, gaf hem de koekjes en het snoepgoed, waarmede hij zijn zakken gevuld had. En het kind betooverde hem door zijn lieftalligheid, het vertelde hem wat het gedurende de week gedaan had, het zei soms voor hem een gedichtje of een fabeltje op, dat zijne moeder hem- geleerd had en dat hij glimlachend afluisterde, met tranen in de oogen, tevens verroerd en ontsteld, bevangen door de vrees, dat haar scherp kinderstemmetje hunne tegenwoordigheid mocht verraden.
78
WKOEGIXG.
Het afscheidnemen was een oogenblik yan groote droefheid. Hij leidde ze buiten het park, zij omhelsden elkander lang en vurig; zij heiegden den dag eener volgende bijeenkomst. En hij bleef daar staan, in de schaduw van- de haag, de oogen op hare wegsmeltende gestalten gevestigd, tot hij het geratel van het rijtuig hoorde, dat zich langs den steenweg verwijderde. Toen kwam hij in het park terug en sloot het poortje. En haastig, het hoofd vol verwarde gedachten, wendde hij zich weder naar het kasteel.
In den beginne hadden zij besloten, elkander niet te ontmoeten op de avonden dat er maneschijn was. Hij raadpleegde den kalender, hij schikte vooraf de rendez-vous, zorgvuldig de heldere nachten ontwijkend. Doch zulks beperkte soms aanzienlijk het getal hunner bijeenkomsten en, van lieverlede, door haar smeeken en plagen, was zij er in geslaagd hem van zijn oorspronkelijke gestrengheid een weinig te doen af-
79
WROEGING.
wijken. Weldra liet hij haar toe te komen op de avonden als de maan, in haar eerste kwartier, sinds den vroegen namiddag nauwelijks zichtbaar in den zonnigblanwen hemel verscheen en reeds tusschen tien en elf uur \'s avonds slapen ging, achter de hooge, sombere kruinen van het park. Trapsgewijs werd het stipt naleven dezer voorzorgen nog verslapt, tot er eindelijk besloten werd, dat de rendez-vous toch plaats zou grijpen, zonder rekenschap te houden van de maan, mits het weder overtrokken was.
O die maan! hoe dikwijls had hij haar niet afgespied, gewaakt, verkeerend tusschen hoop en vrees, nu eens wenschend haar te zien verduisteren, om naar de bijeenkomstplaats te kunnen loopen; daarna verlangend dat zij helder en zuiver zou schitteren, opdat het hem niet mogelijk zou wezen, er heen te gaan! Op sommige avonden bleef zij aldus halsstarrig achter wolken verborgen en hij begaf zich in de halfschaduw
80
WROEGING.
naar het uiteinde van \'t park, evenals in de duistere nachten; maar andermalen schitterde zij prachtig- in den starrenhemel, en haar verzilverd licht wierp groote, bleeke vlekken op den gevel van \'t kasteel, op de graspleinen en wegen van het park, terwijl, per contrast, het zwart der loovers en gewassen nog donkerder als naar gewoonte scheen. Op zulke avonden was de rendez-vous onmogelijk en hij wist wel, dat zij niet zouden komen. En niettemin kon hij zich niet weerhouden toch eens tot aan den grooten eik te loopen, door een onoverwinbare tentatie aangestuwd, al ware het ook maar om zich te overtuigen, dat zij wezenlijk niet gekomen waren.
Edoch, tusschen deze twee eventualiteiten bestond er een derde, eene, die in hem een onophoudenden angst kon verwekken. Dit was gedurende de twijfelachtige avonden; de avonden op dewelke de maan zich beurtelings achter de wolken vertoonde en verborg. Hij zag haar opstaan in de verte,
6
81
WROEGING.
82
rond en groot, met een Moedigen glans, en hij dacht: van avond zal zij helder schitteren, zij zullen niet komen. Met een soort van fascinatie sloeg hij haar oprijzende vaart gade. Hij zag haar met snelheid tusschen de loovers ten hemel opklimmen, verkleinen, verbleeken, klaarder worden. Weldra verscheen zij hoven de kruinen der hoogste hoornen; zij schitterde heerlijk in het donkerblauw uitspansel, de starren om haar heen verhleekend. En schielijk dan, omhulde zij zich als in een lichten, door-schijnenden dampsluier. Terstond verduisterden alle voorwerpen een weinig. Langzaam zag hij den mist verdikken, in een wolk veranderen. Zij reisde er met snelheid doorheen, grillige, sombere uittandingen met zilverranden omzoomend, vage, na zich slepende lichtstrepen achterlatend; somtijds wandroch-telijke verschijnselen scheppend; een oogen-blik gansch helder-schitterend te voorschijn komend, om zich onmiddellijk daarna weêr te verbergen en nogmaals op te duiken, als
WROEGING.
in een onophoudend schuilhoekje verstoppertje spelen. Dan, op een gegeven oog-en-blik, verborg zij zich geheel; men zag geen licht meer van haar, gedurende lange stonden.
„Zij zullen komen, zij zullen komen,quot; murmelde hij toen.
Hij ging een oogenblik in het kasteel terug, nam een boek ter hand, om den tijd te dooden. Maar als hij na een kwartier terug buiten kwam, glinsterde opnieuw de volle maan in den onbevlekten hemel. Toen wist hij niet meer wat er zou gebeuren en, tot het voor de bijeenkomst bepaalde uur, terwijl de maan zich beurtelings vertoonde of verborg, bleef hij besluiteloos ronddrentelen, aan zijn koortsige gejaagdheid en verlegenheid ter prooi.
83
WROEGING.
XII.
Hij was in een dergelijke gemoedsstem-ming, op een zekeren Zaterdagavond, dat Julia moest komen. De maan liad gansch den avond haar spel van schuilhoekje verstoppertje gespeeld en, om tien uur, op het oogenblik dat Olga zou te bed gaan en dat hij Julia verwachtte, schitterde zij volop in den azuren starrenhemel.
Hij wilde toch ginds heen gaan. Hij trad de stoep af; hij keek, volgens gewoonte, naar de verlichte vensters van de kamer zijner vrouw. Hij zag, achter de neergelaten valgordijnen, schaduwen heen en weêr gaan. Hij keerde links om, naast den zijdegevel van \'t kasteel, en verdiepte zich in het park.
Plots hield hij stil. Het kwam hem voor of eene stem weergalmd had; de stem van iemand die iets riep. Luisterend, bewegingloos, bleef hij, midden den weg, een oogenblik pal staan.
84
AVROEGIXG.
Neen .... hij hoorde niets meer .... hij had zich zeker bedrogen ....
Voorzichtigheidshalve nochtans kwam hij, op de tippen zijner voeten, bij de stoep terug.
Alles was er eenzaam en stil. Hij sloeg nog eens den blik op naar de vensters. Zij waren steeds verlicht; maar geene schaduwen zweefden nog achter de gordijnen heen en weêr. Hij dacht dat Olga reeds te bed lag; en gerustgesteld, trad hij opnieuw het park in.
De maan had zich terug verscholen; zij zweefde nu, verkleind, verbleekt, in \'t vage van een melkachtig-neveligen hemel, die een eenkleurig, onafgewisseld vaporeus-grijs licht over de aarde strooide. Zij zaten reeds naar hem te wachten op de bank; zij stonden op bij zijn verschijning en, na hem gekust te hebben, begonnen zij te kouten.
Is het niet zonderling, hoe de vreeselijk-ste, de meest dramatische gebeurtenissen des levens zich soms in bijzonder kalme, vreedzame oorden en omstandigheden ontrollen? Nog nooit, sinds het begin zijner mis-
85
WROEGING.
(ladige, heraangeknoopte relaties met Julia, had Graétan zich zoo betrekkelijk gerustgesteld gevoeld als dezen avond, in die eenzame plaats van het park, midden dier onduidelijke, gelijke grijsblonde klaarte, welke de schaduwen der loovers tenauwernood bij plaatsen verduisterden. Hij deed het kleintje wippen op zijn knieën; hij luisterde zacht glimlachend naar de woorden zijner oude minnares; en, voor de eerste maal, drong\' even in hem de verzoenende gedachte, dat het noodlot hem nog niet al te onverbiddelijk gestraft had; dat de tegenwoordige toestand toch niet volkomen onuitstaanbaar was en dat de toekomst wellicht alles nog om het best zou schikken, toen eensklaps, den weg naar het poortje versperrend, een witte gestalte vóór hem stond.
\'t Was als een openbaring in een weerlicht. Hij herkende zijn vrouw, hij liet het kind ten gronde vallen, sprong op, slaakte een luiden kreet. En er kwam schielijk als een nevel vóór zijn geest en zijne oogen: het
86
WROEGING.
scheen hem dat de blanke verschijning- wegvluchtte, met een doffen, akeligen schreeuw; dat zijn minnares ook wegliep, met haar schreiend kind in de armen; dat plots een vreeselijke stilte viel. En in die stilte stond hij daar alleen, verdwaasd, verwilderd, de haren te berge gerezen, aan den voet van den eik, in \'t midden der clairière.
Toen begreep hij, toen keerde hij tot het bewustzijn weer. En zonder overleg, zonder te denken wat li ij deed, nam hij ook eensklaps zijne vlucht, ijlde als een zinnelooze dwars door het park heen, geraakte buiten adem aan \'t kasteel, stormde de trappen op, vast besloten met zijne vrouw een onmiddellijke explicatie te hebben. Wat hij zou doen en zeggen, wat daarvan de uitslag zou zijn, poogde hij zelfs niet te veronderstellen; hij gehoorzaamde aan een dringende, overweldigende behoefte, hij wilde haar oogenblikkelijk zien en met haar spreken al moesten zij beiden er ter plaats van sterven.
Hij kwam aan hare deur en poogde die
87
88
te openen. Zij was reeds in het nachtslot. Hij klopte aan. haar naam uitroepend; hij wachtte, het angstzweet op \'t gelaat, het hart bonzend als onder hamerslagen.
Geen antwoord.
Hij klopte opnieuw, riep nogmaals haren naam uit.
Zelfde stilzwijgen.
Stom, alsdan, deinsde hij achteruit, de wijd opengespalkte oogen op de deur gevestigd. Hij naderde opnieuw, klopte nog eens.
De kamermeid kwam uit een gang, recht tot hem naderend.
„Meneer,quot; sprak zij bedeesd en verlegen, „mevrouw is een weinig onpasselijk; zij verlangt alleen te zijn.quot;
„Ah, zeer wel,quot; antwoordde hij werktuigelijk. En hij daalde de trappen af.
Hij kwam terug in het park, hij volgde eene laan, zonder te weten wat hij deed, zonder te weten waar hij heenging.
Eene bank stond daar; hij viel er op neer.
Maar hij sprong dadelijk weer op, als
WROEGING.
hadde die bank hem verbrand, en slaakte, dof, een kreet, bij de herinnering aan die andere bank, welke hij even kwam te verlaten. En hij begon opnieuw gejaagd vóór zich heen te loopen, als een zinnelooze.
Hij zag niet meer, hij peinsde niet meer, hij voelde niet meer. Hij stapte recht vooruit, als in een droom, als in een nachtmerrie, met de voeten tegen den boord der graspleinen aanstruikelend, met het hoofd zich in de verwikkelde twijgen van het struikgewas verwarrend. Toen bleef hij verdwaasd^ als een gevangen beest, stilstaan en een onophoudend terugkomende zucht, die aan een diepen, schorren angstkreet geleek, steeg uit zijn hijgenden boezem:
„Nu is \'t het einde, het einde, het einde!quot; \'t Bewustzijn der werkelijkheid kwam in hem terug, met bruske, vreeselijke schokken. Hij woonde in verbeelding het gruwelijk lijden zijner vrouw bij : hij zag hun geza-melijk leven, hun geluk, hunne toekomst verwoest, verbrijzeld, voor eeuwig vernietigd.
89
WROEGING.
En weer stelde hij het op een loepen, zich met de handen de slapen vasthoudend, overweldigd door een soort van waanzin, aanhoudend en ononderbroken zijn zwaren zucht, zijn schorren noodskreet uitboezemend, als werd hij door het handtastelijk en wraakroepend schrikbeeld zijner misdaad achtervolgd.
Een gedachte: zijn schoonvader gaan halen, hem alles bekennen, hem bij zijn dochter brengen, zich door zijn tusschenkomst met haar verzoenen, en zweren, o, voor haar voeten op zijn knieën zweren, dat hij nooit meer in dezelfde misdaad zou vallen.
Nooit meer vervallen! . ... een snerpende kreet scheurde zijn lippen, \'t Was nu wel tijd; hij begreep den zin van die woorden niet meer. Een vonkje van gezond verstand schoot door zijn brein; hij dacht eenvoudig dat mijnheer de Papeleu op zulk een ontijdig uur in zijne rust niet kon gestoord worden.
De gedachte van terug in het kasteel te komen, van met zijn vrouw een uitlegging
90
i
WROEGING. 91
te hebben, was liem nu schielijk onuitstaanbaar geworden. Hij had slechts van verre hare steeds verlichte vensters te aanschouwen, om zich door een soort van zotten schrik overweldigd te voelen. Ook was hij thans wel besloten er niet terug te keeren. En dit besluit verwekte er in hem een tweede: hij zou het kasteel verlaten, oogenblikkelijk. Hij zou, desnoods den ganschen nacht, zwerven, dwalen, om het even waarheen, en pogen eene oplossing te vinden, die hij dan zou ten uitvoer brengen.
Met vlugge schreden verdiepte hij zich in het park. Om langs het poortje van den Noordkant niet te moeten uitgaan, brak hij ergens door de haag en sprong over de sloot. Hij dacht in zich zeiven dat, indien hij ooit op het kasteel terug kwam, zijn eerste werk zou zijn het bewuste poortje te doen toegrendelen; want nu was zijn besluit onherroepelijk genomen: nooit, nooit, ten geenen prijze, al moest hij er van sterven, zou hij Julia noch Cécile terug zien.
WROEGING.
«2
Werktuigelijk volgde hij nu den smallen steenweg, tusschen de zwarte dennenwouden. De maan, steeds door haar melkachtige atmosfeer omsluierd, strooide voortdurend dezelfde kalme, nevelige klaarte over de stille, ingesluimerde velden. O, die rustige, doffe, doode klaarte, was het mogelijk dat zij zoo onverschillig het hartverscheurend drama beschenen had, dat vier levens kwam te verwoesten! ... Bij die verpletterende herinnering bleef hij steeds weder stilstaan, ten gronde genageld, de geesteskrachten ingespannen om de vreese-lijke scène tot in haar geringste bijzonderheden folterend vóór zich weêr op te tooveren. Maar hij kon niet. Hij besefte steeds alleen het afschuwelijk en somber oogenblik, \'t gevoel van duizeling onder den slag, met die blanke, schreeuwend-vluchtende gestalte en die andere, zwarte gestalte, die ook vluchtte, met haar schreiend kind in de armen. Daarop bleef zijn herinneringsvermogen stilstaan. Het overige was ondui-
WROEGING.
delijk, bleek, verward, evenals de klaarte van die maan, die het drama verlicht had, gelijk ze nu zijn uitzinnige, zwervende vlucht door het eenzaam en verlaten veld verlichtte.
O, die ongestoorde kalmte der natuur, wat contrasteerde zij met de woelingen van zijn gefolterd hart! Wat schenen zij hem gelukkig! gelukkig! de menschen, die daar rustig sliepen, moede, afgesloofd door hun verrichten arbeid, maar vrij van wroeging en gewetensknaging, in de stille, gesloten hoeven waar hij, angstig, hijgend, met het klamme zweet der misdaad op het voorhoofd voorbij trok! Ach! waarom toch had hij haar zoo schandelijk bedrogen, zij die zoo goed, zoo deugdzaam, zoo edelmoedig en zoo vol vertrouwen was; zij die hij zoozeer beminde, die hij zoo graag gelukkig had gemaakt? Waarom, waarom had hij voor eeuwig, onherstelbaar, in haar hart de blinde teederheid gedood, die zij hem zoo mild en zoo onvoorwaardelijk toedroeg\'? In \'t midden van zijn lijden zag hij haar nu,
93
WROEGING.
in verbeelding, met al haar bekoorlijkheden, vóór zich oprijzen. Hij zag haar slanke, zwierige gestalte, haar liefelijken glimlach, hare streelende oogen, haar zacht, wit vleesch, henr prachtige haren, al die gekende, beminde en begeerde charmes; en zijn hart brak van wanhoop bij de gedachte, dat dit alles nn voor hem gedaan, verloren, dood was, zelfs indien zij hem nog vergiffenis schonk; want nooit, nooit, nooit zon ze, ook met den besten wil en de grootste edelmoedigheid der wereld, voor hem nog kunnen zijn \'t geen ze geweest was.
In zijn gefolterd, aan zinsverbijstering lijdend brein ontstonden overdrevene, waanzinnige gedachten en gewaarwordingen. Hij vroeg zich af waarom hij zich niet terstond voor den kop schoot, aangezien zijn leven toch in elk geval vernietigd was. Hij dacht er op na; hij wendde en keerde dit denkbeeld in zijnen geest om; hij onderging den indruk, alsof hij het ten uitvoer bracht. Hij voelde zich sterven, het hoofd door een
lt;)i
WROEGING.
kogel verbrijzeld, en \'t was eene verlossing, iets onuitsprekelijk zachts, het einde van alle lijden. Maar, terstond, onder den spoorslag zijner moreele foltering tot de werkelijkheid teruggeroepen vroeg hij zich ook, met een soort van woede af, waarom hij zoo schrikkelijk moest lijden door eene gebeurtenis, die zooveel anderen, in zijn geval, glimlachend en licht opvatt\'en. Och God! hoeveel kende hij er niet, onder zijn makkers, die er openlijk eene bijzit op nahielden, zonder dat zulks hun huiselijken vrede stoorde! hoeveel van die wederzijdsche echt-schendingen, in volle daglicht uitgekraamd, banaal geworden door de onverschilligheid en het cynisme der geïnteresseerde partijen! En hij dacht ook, dat er op de wereld talrijke, machtige volken bestaan, die gansche werelddeelen bedekken en wier voornaamste basis van samenleving de polygamie is.V;
Polygamist! hij ook was een soort van polygamist; en hij dacht, dat bij die volken, zijn geval dagelijks moest voorkomen,
95
96
tot in \'t oneindige vermenigvuldigd, verergerd, vergroot, zonder aldaar het minste drama, het minste harteleed te veroorzaken. Moest men dan, om gelukkig te zijn, de vrouw als een geringer schepsel beschouwen, enkel geschapen tot het genoegen van het mansgeslacht en dezes reproductie ?. . . . Hij dorst zulke gedachten niet ontleden, niet doorgronden; hij schrikt terug voor\' het monstrueus egoïsme dezer zienswijze. . ..
Hij stapte steeds vooruit, het hoofd gebukt, in zijn droefheid vernield, niet wetend waar hij heen ging. Sinds lang had hij het gewest der dennenwouden verlaten, maar hij volgde steeds den eindeloozen, regelrechten, met prachtige hooge beuken bezoomden steenweg, dwars door de rijpe korenvelden, badend in dezelfde zachte, als het ware onveranderlijke nevelgrijze klaarte. Van lieverlede maakte zich een overgroote vermoeienis van hem meester, die zijn beenen verstramde, die hem soms deed struikelen en waggelen. Aan
WROEGING.
een hooge eikendreef gekomen, die den weg doorkruiste, zonk hij verlamd, aan den voet van een boom, op het mos neder. Een ijzeren paal stond daar, op een hoek van den kruisweg, de vier verschillende richtingen aanduidend; en, daar hij er werktuigelijk den blik op vestigde, kon hij, in den maneschijn op een der zijden, de in zwarte letters geschilderde aanwijzing lezen:
Gent, 3 kil....
Eerst dan scheen hij zich rekenschap te geven waar hij was. En een plan rees op in zijnen geest, dat hij terstond besloot uit te voeren: hij zou voortgaan tot aan Gent, in een hotel aankloppen en onmiddellijk aan zijne vrouw een langen brief schrijven, waarin hij haar alles zou zeggen en uiteen doen, en om vergiffenis smeeken. Hij zou er op haar antwoord wachten, en dit antwoord zou onherroepelijk over zijn toekomst beslissen.
Dit besluit boezemde hem versche kracht in. Hij stond op en zette met rassche schreden, langsheen de eenzame, regelrechte baan,
7
97
WROEGING.
98
zijn weg voort naar de stad. Reeds, in verbeelding, stelde hij zijnen brief op en tranen van ontroering kwamen hem in de oogen bij de gedachte van al hetgeen hij haar zou schrijven. De weg strekte zich eindeloos in de verte uit, meer en meer bewoond naarmate hij de stad naderde, gejalonneerd met herbergen, met hoeven en ook met buitengoederen enkasteelen, die ietwat terzijde stonden, midden de loovermassa\'s hunner parken, door breede, rechte, heerlijke lanen aan den steenweg verbonden. Al deze oorden waren hem welbekend: hier woonde een vriend; daar was het buitenverblijf van een oudminister ; ginds prijkte het kasteel van eene tante zijner vrouw. Hij ging voorbij het koersplein, waarvan hij, op een geweerschot afstands, de ledige tribunes kon ontwaren, geflankeerd van haar rood- en wit gestreepte vlaggestokken. Daarna stapte hij over een steenen brug en, aan een ommedraai van den steenweg, bevond hij zich eensklaps in een begin van voorstad. Een lange rij allen
WROEGING.
gelijke huizen strekte zich uit; straatlan-taarnon brandden hier en daar, vermenigvuldigd in de verte, als een starrengeprik-kel. Tuinhouwhoven, met groote en kleine, scherphoekige en ronde, wit- of groen geverfde broeikassen rezen ten alle kanten op. Hij keek op zijn zakhorloge. Twee uur. Hij liep de spoorbaan over, doorkruiste haastig het verlaten stadspark. En, langs een aantal straten heen, waar nog enkele, huiswaarts keerende voorbijgangers hem ontmoetten, geraakte hij eindelijk aan het hotel, waar hij zou afstappen.
Hij belde aan, werd binnengelaten. En boven op zijn kamer, zonder den tijd te nemen een oogenblik te rusten, begon hij, bij de klaarte van het gaslicht, haar met een koortsige hand zijn brief te schrijven.
99
WROEGIXO.
XIII.
Hij schreef en bekende haar alles, uitvoerig, met een volle oprechtheid. Hij legde haar al het gruwelijke zijns hedrogs voor oogen, zijn snoodheid op hare hand te durven aanspraak maken hebben, toen hij nog door zulke sterke banden aan die andere en haar kind verknocht was. Hij vertelde haar zijn lang en vreeselijk worstelen en lijden, zijn opstanden, zijn steeds vererger-rende folteringen en de onverbiddelijke wraak des Noodlots, die hem strafte voor hetgeen hij anderen misdaan had.
Toen zwoer hij haar ook de volstrekte zuiverheid zijner betrekkingen met zijne oude minnares, sedert zijn huwelijk. Hij smeekte haar op de knieën, dat ze dit toch zou gelooven; dat ze zou willen het gevoel begrijpen, welk hem aangedreven had: dat vreeselijk gevoel van medelijden voor haar die door zijn schuld ellendig waren, gemengd met dien hartstocht, dien kwellen-
100
WROEGING.
den, in zijn geval noodzakelijk misdadigen en verboden, maar toch onweerstaanbare!! hartstocht van den vader voor zijn kind. En, om te eindigen, vroeg hij haar toch geen vergiffenis, zooals hij eerst van zin was: hij smeekte haar enkel om raad, om hulp ; hij vroeg haar dat zij, in haar hart van onbevlekte echtgenoote en aanstaande moeder, de macht zou trachten te vinden, om hem den weg aan te wijzen, dien hij thans volgen moest; of wel dat zij hem zeggen zou of er voor hem geen uitkomst meer bestond, of hem geen andere toevlucht
overbleef dan de zelfmoord____
De dageraad schemerde door zijn vensterruiten, toen hij zijn brief geëindigd had. Hij zegelde hem toe en ging hem zelf in de bus van het nabij gelegen postbureel steken. Hij verzekerde zich, dat hij niet de eerste lichting van den dag zou vertrekken. Toen kwam hij terug in het hotel en viel krachteloos neêr op zijn bed, waar hij aldra in een loodzwaren slaap verzonk.
101
WKOEGING.
XIV.
Hij ontAvaakte rond den middag, om, nauwelijks ontsnapt aan de afschuwelijke nachtmerrie, die hem gedurende zijn slaap gekweld had, in den nog treuriger en akeliger afgrond der werkelijkheid terug te vallen.
Hij stond op, kleedde zich aan, ging heneden ontbijten. Daarna, om den tijd te dooden, ving hij een wandelingje aan op den met hoornen beplanten square yoor het hotel, en alwaar, op eenen kiosk, eene re-gimentsmuziek speelde. Ah! die muziek, die prachtige zon, dat air van feest en van geluk der welgekleede wandelaars, wat streed dit alles met de folteringen die hij uitstond! Dames in schitterende toiletten zaten, als ten toon gesteld, op lange rijen stoelen langs de huizen heen; hij ontmoette makkers, vrienden, die hem stilhielden om hem te vragen hoe het met Olga ging. Een oogenhlik verscheen hij in zijn club, die zich aan de overzijde van \'t hotel bevond;
102
WROEGING.
doch hij kon het er niet uithouden, hij keerde naar het hotel terug, vroeg de dagbladen, poogde zich zeiven in de lectuur te vergeten.
Daar het zondag was moest hij niet hopen, denzelfden dag nog door de post een antwoord te ontvangen, in de veronderstelling ook, dat zij nog antwoorden wilde. Dit was zijn grootste schrik, zijn vreese-lijkste wanhoop: geen hoegenaamd antwoord te ontvangen; zoo diep gedaald te zijn voor haar, dat zij van hem de hand afdeed, hem aan zijn ellendig lot overlatend. Ook, alhoewel geene tijding met de post kon komen, hield hij onophoudend een oog in \'t zeil, den ingang van \'t hotel bewakend, met de schier kinderachtige, ziekelijke hoop elk oogenblik een zijner dienstboden te zien verschijnen, drager van een brief.
Doch neen; niets kwam. De namiddag verliep, kalm, ongestoord, in den luister der schitterende Julizon. die de wandelaars naar buiten dreef. De avond bracht beweging in de stad terug, de nacht dempte
103
WROEGING.
die opnieuw: hij was den ganschen achtermiddag eenzaam en alleen gebleven; hij had niet de minste tijding ontvangen.
Hij poogde te slapen; hij dacht in zich zeiven: voorzeker zal ik morgen vroeg een antwoord hebben, zoo niet, alles is gedaan. Wat vreeselijke nacht! Hij sliep geen oogenblik en \'s morgens, van vóór zes uur, was hij beneden, zich bij den portier informeerend om wat uur de eerste bestelling der brieven plaats greep.
„Om acht uur, mijnheer.quot;
Om acht uur! God! hoe gedaan om zulke folteringen uit te staan tot acht ure!
Hij keerde terug op zijn kamer, schelde er voor zijn ontbijt. Hij poogde iets te eten; hij kon niet. Hij gebruikte alleen zijne koffie en, eene sigaar aanstekend, kwam hij opnieuw beneden.
Zeven uur. Hij ging buiten, wandelde rond den square, waar, den vorigen dag, de muziek speelde. Hij kocht gazetten aan een aubette en poogde die te lezen, onder
104
WROEGING.
de boomen op eene bank neergezeten. Onmogelijk. De letters dansten hem vóór zijn oogen en hij kon ook niet stilzitten: hij moest loopen, in beweging zijn; de sombere gedachten, die hem bestormden, zonden hem geworgd hebben in de immobiliteit.
Hij keerde nogmaals in het hotel terug; hij drentelde rond het vierkant tuintje, dat de zijde- en achtervleugels omringden in waar, midden uit het bloembed, een fonteintje spuitte. En, gelijk hij opnieuw naar den ingang terugkeerde hoorde hij, onder het booggewelf der koetspoort een militairen stap op de cementen vloertegels weergalmen. Het was de postbode; hij gaf den portier een lijvig pak correspondentie af.
„Iets voor burggraaf d\'Hailly van Eoo-sevelt?quot; vroeg Gaétan toesnellend.
De bode was reeds heen, de portier, een kleine grijze, met een gegaloneerde blauwe pet, schoof de brieven door elkaar, het oog gevestigd op de adressen.
„Neen mijnheer,quot; sprak hij eindelijk,
105
WROEGING.
op een toon van kalme onverschilligheid.
Gaétan sidderde, schier ongeloovig.
„Zijt ge \'t wel zeker? hebt ge nauwkeurig gekeken?quot; drong hij niet een verkroppende stem aan.
„Heel zeker, mijnheer,quot; antwoordde de bediende vastberaden. „Doch om u te dienen wil ik nog wel eens zien.quot;
En, de brieven langzaam door elkander schuivend, herlas hij opnieuw de adressen, terzelfdertijd met Gaétan, die over zijnen schouder keek.
„Ziet ge wel dat ik mij niet vergiste, mijnheer de burggraaf,quot; sprak hij, glimlachend tot Gaétan omgekeerd.
Deze, doodsbleek, was zonder een woord verdwenen. Een schielijke stilling, uit het overweldigende zelf van zijn lijden gesproten, was in hem ontstaan. Hij had alle hoop verloren, nooit zou zij antwoorden, alles was volbracht.
Kalm alsdan schreef hij zich zeiven zijn toekomstige gedragslijn voor.
106
AVROEGIXG.
Hij zou tot den volgenden morgen in het hotel verblijven. Als er toen nog, zoo-als hij het verwachtte, geen antwoord gekomen was, zou hij haar een laatsten brief schrijven en terzelfdertijd ook een aan zijn schoonvader, mijnheer de Papeleu. En daarna zou hij vertrekken, reizen, vluchten om het even waarheen, haar zijn adres achterlatend. Wat er naderhand zou gebeuren
dorst hij zelfs niet veronderstellen____
Hij bracht den ganschen morgen in diezelfde, om zoo te zeggen rustgevende bedaardheid door. Om een uur at hij zelfs met smaak en hij gebruikte juist de koffie aan een tafeltje op den koer, toen de portier hem eensklaps eenen brief kwam aanbrengen.
Hij werd verschrikkelijk bleek, hij las het adres., het was wel haar geschrift.
Zoodra de bediende verdwenen was scheurde hij den omslag. Een schemering vibreerde vóór zijn oogen, hij opende bevend het blad papier, dat ontplooid, hem eerst gansch wit voorkwam, zonder een geschreven woord
107
WROEGING.
erop. Zijne oogen sloten zich, hij voelde dat hij ging in onmacht vallen. Maar, door een uiterste krachtsinspanning zijn ontsteltenis beheerschend, raapte hij den op het tafeltje gevallen brief weer op en keek nog eens. Toen las hij dit enkel in het midden geschreven woord:
„Eevenez.quot;
Hij wipte van zijn zitplaats op, liep buiten, sprong in een der steeds wachtende rijtuigen, die voor het hotel stonden, wierp den koetsier het adres toe en beval hem te rijden als de wind.
Om vier ure was hij op het kasteel.
XV.
Wat een hartgeklop, met een flauwte door zijn beenen, wat een machteloosheid van gansch zijn lichaam, terwijl hij, in stilte, door de neerslachtige kamermeid binnengelaten, de trappen opklom die naar de
108
WROEGING.
vertrekken zijner vrouw leidden! Hij dorst aan de meid niets vragen, hij kon met moeite ademhalen, hij voelde dat hij er verschrikkelijk bleek moest uitzien.
Hij opende de kamerdeur, trad binnen. Zij lag in eenen zetel uitgestrekt, naast een der vensters. Hij bleef in \'t midden van de kamer stilstaan, een uitdrukking van stommen angst op zijn verwoeste wezenstrekken, als dorst hij zonder hare toelating niet verder tot haar naderen. Toen richtte zij haar genavreerden blik op hem en hare hand maakte een flauwe, zachte beweging.
Hij snelde toe, viel onstuimig vóór haar voeten op zijn knieën. Hij greep haar neerhangende hand in de zijne, kuste die krampachtig, staarde haar een oogenblik smeekend aan, met oogen vol tranen, en zonk dan met zijn hoofd op hare knieën neder, in hevige zuchten en gesnik losbarstend.
Zóó bleven zij een heelen tijd, in hun
109
WROEGING.
lijden vernield, zonder een woord te spreken. Haar moegeweende oogen hadden zich ook opnieuw gevuld met tranen, die langzaam en stil over haar verbleekt en vermagerd, door het venster heen starend aangezicht rolden. Zij maakte geen beweging, zij uitte geen klank. Het was alsof in haar alle levenskracht onder de drukking harer smart was bezweken.
En hij, steeds ween end, en steeds vóór haar voeten neergeknield, besefte het ein-delooze van haar wee in haar stilzwijgen. Hij durfde hare stomme wanhoop niet storen, hij durfde haar niet om vergiffenis smeeken, hij voelde dat zij hem niets meer te zeggen noch te vragen had, na den vreeselijken slag, dien hij haar had toegebracht. Eindelijk nochtans zuchtte hij :
„O spreek tot mij, help me door uwen raad, zeg me wat mij nog te doen staat?quot;
Zij bleef nog eene lange, lange poos stilzwijgend, hare betraande oogen halsstar-
110
WROEGING.
rig door het venster gericht, als om hem niet meer te zien. Toen lispelde zij eindelijk, met een doffe, troostelooze stem: „Ik weet het niet. . .
Hij wrong krampachtig zijne handen samen, hij zonk vernield terug ineen. Maar na een oogenblik hernam hij:
„Hebt ge met aandacht mijnen brief gelezen? hebt ge mijn gevoelens, mijn lijden en strijden begrepen?quot;
„Ja,quot; murmelde zij schier onverneembaar.
Hij richtte zijnen blik tot haar; hij zag haar aan met een gefolterd-smeekende uitdrukking op het gelaat, en drukte hare beide handen in de zijne, met de wanhopige knelling van iemand, die zich voelt verdrinken.
„O, ik smeek u, zeg me toch iets!quot; schreide hij. „Martel mij toch niet langer door uw vreeselijk stilzwijgen! Overstelp mij met verwijten! haat, veracht, verfoei, verafschuw mij als ge wilt! maar spreek, o
Ill
WROEGING.
mijn Grod! antwoord op wat ik u vraag! zeg me wat er nog te doen is, welke baan ik thans moet volgen om mijn zonden af te boeten! of wel, indien er voor mij geen weg meer open staat; indien er niets meer te doen is; indien alle hoop verloren is, alle uitkomst gedood, zeg het mij ook en ik zal sterven; maar spreek, spreek, o spreek zeg ik, ik smeek er u voor op mijn knieën!quot;
Langzaam alsdan, het hoofd gebogen en den blik hem steeds ontwijkend, antwoordde zij met haar doffe, diepe, gebrokene stem: „Gij hebt mij vreeselijk bedrogen, Graétan; gij hebt mij een wonde geslagen, die nooit, nooit meer zal genezen.quot;
Zij zweeg een oogenblik, door hare smart vernield. Toen voegde zij er trillend bij: „Ware ik niet in dezen staat geweest, ik zou u ongetwijfeld oogenblikkelijk verlaten hebben, om bij mijne ouders terug te keeren. Maar nu is het te laat; nu zal ik hier blijven, uit plicht, om wille van het kind . .. .quot;
112
\'iVROEOi V«.
Hij was opgestaan.
„Wilt g-e dat ik verdwijne?quot; vroeg hij, vastberaden en schielijk bijna kalm, met droge, schitterende oogen. „Wilt ge dat ik voor eeuwig weg ga, dat mijn verfoeid gelaat nooit in uw oogen meer verschijne!quot;
Zij scheen zich lang te bedenken, den blik steeds in het onbepaalde gevestigd, op de vergezichten van het landschap. Toen schudde zij treurig het hoofd, met een diepen zucht, als een genavreerd antwoord op een bittere, onuitgedrukte gedachte. En nieuwe tranen vloeiden langs haar wangen terwijl ze, zonder zijne vraag te beantwoorden, wanhopig snikte:
„O mijn God, waarom moet ik zoo schrikkelijk lijden! waarom moet ik den slag eener zoo gruwelijke ontgoocheling overleven !....quot;
Hij was, tegenover haar, in eenen zetel neergezonken en, op zijne beurt, keek hij nu starend door het venster, de oogen droog, de kin op de handpalm geleund, in zijn
8
113
WROEGING.
1U
sombere mijmeringen verdiept. Hij had zich verwacht aan luide uitvaringen en verwijten, aan kreten van woede en verachting; en tegen dit alles hadde hij zich misschien kunnen verweren en zijn vergiffenis afsmeeken en bekomen; maar hij stond radeloos en zonder verdedigingskracht tegenover dit stom terneergedrukte lijden, die vreeselijk-verplet-terende onderwerping aan het onheil, die vernieling, die omdelving van alles, welke in het toegemuurde graf van hun doode levensgeluk geen schim van hoop meer liet dringen. En hij kwam in opstand tegen het onverbiddeliike van die uitboeting. Hij weigerde zich zoo onwederroepelijk te laten verpletteren, zonder ten minste, uit al zijn krachten, nog een laatste maal naar het geluk te grijpen, dat het noodlot hem ontroofde. Ja, hij zelf zou spreken; hij zelf zou een beslissende uitlegging teweeg brengen; de gebeurtenis en de toekomst vlak en koel in het gezicht aanschouwen, aangezien zij halsstarrig weigerde zulks te doen.
WROEGING.
Langzaam, ernstig, met eene stem vol teruggeliouden weemoed, hervatte hij één voor één al de in zijn brief gegeven nitleg-gingen en bekentenissen. Hij riep het akelig drama weder in het leven, daar, vóór hare oogen, met al zijn strijden, met al zijn folteringen. Daarna, de stem versterkt, zag hij de toekomst te gemoet. Aangezien zij weigerde hem raad of hulp te geven, hij zelf zou haar zeggen wat eer- en plichtgevoel hem oplegden om, zooveel mogelijk, de gevolgen zijner misdaad te verzachten.
Hij zou voortdurend, geldelijk, evenals vroeger, die ongelukkige vrouw en haar kind ondersteunen; maar hij zou ze niet terug zien, nooit, dit zwoer hij haar. Aldus, mettertijd en in het besef van den onover-winnelijken hinderpaal, dien zijn huwelijk tusschen hem en zijne oude minnares had doen oprijzen, zou deze laatste zich wellicht troosten, en het kind helaas! hem niet meer ziende. . . . zou hem vergeten. Ach ja, het kind, hij voelde wel dat daar vooral zijn groo-
115
WROEGING.
te misdaad lag, een misdaad waarvoor liij reeds zooveel geleden had en die hij later misschien nog zoo duur zou boeten. Maar het kwaad was gesticht; de daad, in haar geheel, was onherstelbaar, alleen de toekomst zou wellicht aanwijzen hoe men de gevolgen er van nog kon verzachten.
____ Wat hem betrof, zijn leven zou
voortaan een bestendige zondeuitdelging zijn. Hij zou geheel zijn hart, alle de krachten van zijn wezen te pand stellen om de wonde, die hij aan zijn goede vrouw had toegebracht, te genezen. En mettertijd, en door zijn aanhoudend gevoel van wroeging, door zijn berouw, door zijne goedheid en de onberispelijkheid zijns gedrags, hoopte hij misschien tot een zekere maat hierin te slagen.
Hij zweeg, zijn smeekende oogen op haar gevestigd. Zij had geen beweging gemaakt, in haar treurige gedachten verzonken, den blik nog verder dwalend over het eenzaam landschap, dat de langzaam wegzinkende zon met rooskleuriggouden tinten begon te
116
WROEGING.
schilderen. Het was alsof ze naar zijn woorden niet geluisterd had, alsof ze die niet gehoord had. Doch na een lange poos stilzwijgen, sprak zij eindelijk, peinzend en traag:
„Ja, ik geloof ook dat de Heer n uwe misdaad duur betaald zal zetten____quot;
Voor de tweede maal alsdan voelde hij zich de krachten ontzinken en viel hij weenend op zijn knieën vóór haar voeten neêr. In een uitbarsting van wilde smart en hartstocht vatte hij haar om de middel met zijn beide armen, kuste als een uitzinnige hare knieën, hare handen, haren mond, terwijl hij, met een brekende stem, om vergiffenis, om medelijden smeekte.
Zij verweerde zich een oogenblik tegen zijn omhelzingen, doch slechts met weekheid. Zij sloot haar oogen, waaruit voortdurend stille tranen over haar wangen bleven vloeien, terwijl zware, ononderbroken zuchten uit haar boezem stegen.
Zoo bleven zij totdat het duisterde, zon-
117
WROEGING.
der nog een woord te spreken, omarmd, vernield in hunne droefheid----
XYI.
Van toen af begon er een leven van grievende treurigheid op het kasteel van Wangeren. Olga had hem zijne misdaad vergeven tot zooverre het in hare macht bestond; zij was niet boos op hem, hij boezemde haar zelfs een diep gevoel van medelijden in; maar, zooals zij het hem in de eerste uiting harer smart gezegd had : hij had in haar binnenste iets gekrenkt, iets gekwetst, dat nooit, nooit meer zou genezen.
In den schijn zag hun huisgezin er zoo gelukkig uit als vroeger, en noch de ouders van Olga, noch de vrienden die bij toeval als bezoekers op het kasteel verschenen, konden niet de minste koelheid tusschen
118
WROEGING.
de echtgenooten waarnemen. Men vond alleen, dat Olga zeer vermagerd en verbleekt was, en dat zij er niet goed uitzag, hetgeen men overigens aan haar toestand toeschreef.
Graétan nochtans wendde het onmogelijke aan, om eene oprechte toenadering met zijne vrouw te weeg te brengen. Van \'s morgens tot \'s avonds verliet hij haar geen oogenblik meer; hij sloeg haar onophoudend gade; hij bespiedde angstig op haar gelaat den zweem van een gevoel, de verschijning van een indruk, die hem de eerste ken-teekens der genezing zou openbaren. Doch te vergeefs: altijd diezelfde mijmerende moedeloosheid, diezelfde onderworpene kalmte en dat air van als liet ware vreemd te zijn in haar huis, van afgezonderd te leven, heel verre, heel alleen, met haar sombere gedachten, die hem zoo wanhopig maakten.
Neen, zij kon zich in haar ongeluk niet schikken, hij ondervond het meer en meer, van dag tot dag. En wat nog het treurig-
119
WROEGING.
ste van al was: hij besefte dat zij echte pogingen aanwendde om haar leed te vergeten, dat zij daartoe al hare krachten inspande____en toch niet kon.
Nu dacht hij schier aan Julia en aan haar kind niet meerr zóó vurig, zóó uitsluitend was zijn verlangen Olga\'s vroegere liefde en vertrouwen terug te winnen. Die bepaalde, volkomen e scheiding, welke hem in de eerste tijden van zijn huwelijk zóó hard, zóó onuitvoerbaar voorkwam, was nu eensklaps, in het egoïsme van zijn eindeloos lijden, een volbracht feit geworden. De smart der arme verlatene met haar kind wekte nu in zijn hart geen weerklank van teederheid en medelijden meer op; hij dacht niet meer aan die brieven vol lijden en liefde, waarin haar bloedend hart van ongelukkige moeder en verlaten minnares in zulke trillend-grievende tonen losbarstte; of wel, als die herinnering in hem terugkwam, dan was het enkel om te zweren, dat hij nooit meer in dezelfde fouten zou
120
WROEGING.
vervallen. Ook toen hij, een tiental dagen na de gebeurtenis in het park, op een morgen eenen nieuwen brief van haar ontving, was het schier een gevoel van boosheid jegens haar dat in zijn hart opwelde en was zijn eerste beweging den brief ongeopend in het vuur te werpen. Iets sterker dan zijn wil deed hem nochtans van gedachte veranderen: hij scheurde den omslag met een onoverwinbare beklemming van het hart, vol wanhoop beseffend dat, niettegenstaande zijn onveranderlijk besluit, de strijd nog eene laatste maal zou herbeginnen.
Hij voelde zich opnieuw door het drama zijns levens aangegrepen, naarmate hij de lezing van den brief voortzette. Zij smeekte hem niet boos te zijn op haar, om hetgeen voorgevallen was; zij zei hem dat zij, na de vreeselijke gebeurtenis in het park, besloten had hem niet meer lastig te vallen om hem nog terug te zien. Maar ach! na twee weken ononderbroken strijden en lijden, had zij de macht verloren in haar be-
121
WROEGING.
sluit te volharden. Het kleintje vroeg onophoudend naar hem, begreep niet, waarom men \'s nachts niet meer naar dat schoone park reed, alwaar het papaatje kon zien. Het arme kindje was weerom ziek; het hoestte heele dagen; het sprak halsstarrig van zijn papaatje, dien het zelfs meer dan zijne moeder liefhad, schreef de arme vrouw. En, hij die hardnekkige en steeds vernieuwde klachten en smeekingen, had zij ook dringerder de behoefte gevoeld hem nog terug te zien. Zij had het al te hard gevonden te moeten voortleven zonder nog iets van hem te vernemen en zij smeekte hem haar nog eens te bezoeken, of haar te laten weten waar zij zelve bij hem mocht komen, in om het even welke plaats, die hij haar zou aanduiden.
Hij vouwde den brief terug toe, hij lispelde, vastberaden:
„Neen, nooit meer, onmogelijk.quot;
In de verwarring van zijn getroebleerden geest ontstond eene gedachte: die brief
122
WROEGING.
aan Olga laten lezen om haar te bewijzen hoe rechtzinnig hij voortaan ten haren opzichte handelde en tevens wellicht door haar een aanduiding, een goeden raad betrekkelijk zijnen plicht in die treurige zaak te bekomen. Hij aarzelde nochtans; hij dacht dat het misschien beter was in haar die treurige herinnering niet terug op te wekken; maar hij dacht ook dat haar grootmoedig hart hem zijne eerlijke handelwijze dank zou weten en, zonder er verder met zich zeiven over te beraadslagen, ging hij met den brief tot haar.
Het was hem niet noodig het einde barer lezing af te wachten om te begrijpen wat groote fout hij begaan had. Naarmate zij las krompen haar gelaatstrekken van angst en droefheid samen en toen zij hem den brief terug gaf zuchtte zij, de oogen vol tranen:
„Ach Grod, de arme vrouw, wat moet zij ook lijden!quot;
Hij kon geen woord meer spreken, hij
123
WROEGING.
stond verslagen, stom en bewegingloos, terwijl zij, het aangezicht badend in tranen, de oogen van hem afwendde, in den akeligen doolhof harer sombere gedachten verdiept.
XVII.
Zij schreef opnieuw: brieven vol vertwijfeling, waar, in onstuimige opwellingen, al haar smarten van verlatene minnares en rampzalige moeder terug in ontwaakten.
Hij bleef volharden: hij dempte de aanvallen van teederheid en medelijden, die opnieuw zijn hart dreigden te overweldigen en vooral verjoeg hij het schrikkelijk kwellend denkbeeld van het kind uit zijnen g:eest. Maar ten einde, indien zulks mogelijk was, de voortduring van dezen uitput-tenden en vruchteloozen strijd te vermijden, wendde hij zich terug tot zijn notaris, met het verzoek zich nogmaals bij zijn oude minnares te begeven om haar, door zachtheid
WROEGING.
en rede, het onmogelijke harer verlangens te doen begrijpen.
De goede man liep er heen, doch kwam zoo neerslachtig terng als de eerste maal. Thans had zij niet gezucht, geweend, gesnikt: hij had haar in een staat van sombere teruggetrokkenheid, bijna van zwijgende onverschilligheid gevonden. Zij had als verstrooid naar zijn woorden geluisterd en hij had geen bepaald antwoord van haar kunnen verkrijgen : hij wist niet, of zij, ja dan neen, zijn raad zou volgen. Hij kon het maar hopen.
Eenige dagen verliepen, treurig-kalme herfstdagen, allen gelijk eentonig nu, in de stilte der verkwijnende natuur, in die atmosfeer van latente droefheid, die over het kasteel scheen te hangen. De velden lagen naakt, de nachten werden koud, de reeds verdunde loovermassa\'s van het park schakeerden zich met hunne prachtige na-jaarstinten. Wat waren ze lang en ver verdwenen, de eerste, zonnige, volzalige dagen van hun huwelijk!
12amp;
WKOEGIXG.
Op een morgen eindelijk ontving hij nog een brief van haar, een brief van enkele woorden slechts, maar die hem conster-neerden:
„Van avond, om tien uur,quot; zoo schreef zij hem, „zal ik met Cécile aan het poortje van het park terug zijn. Komt er bij mij, ik moet u volstrekt nog eens zien.quot;
Hij liet nu aan zijn vrouw haar brieven niet meer lezen, hij vermeed integendeel zorgvuldig alles wat haar het pijnlijk verleden kon herinneren. Ook verslond hij gansch alleen zijn angst gedurende dien schrikkelijken dag. Nog eens versterkte hij zich in het vast voornemen niets dan zijnen plicht meer te kennen en zich formeel te onthouden aan het verzoek van zijn oude minnares voldoening te geven. Toen hij na de vreeselijke gebeurtenis in het park en zijne nachtelijke vlucht naar Gent op het kasteel terugkwam, was zij11 eerste zorg geweest een nieuw slot aan het poortje in •de haag te laten maken; en, om nooit meer
126
WROEfilXG.
getenteerd te zijn het nog te openen, had hij den sleutel in den vijver gegooid. Sinds dien dag had hij ook een afkeer om daar nog voorbij te gaan. Hij had zelfs besloten met den winter den grooten eik te doen neervellen en de haag te verplanten, opdat aldaar niets meer zou blijven bestaan, dat het treurig voorval herinnerde.
Dien avond, onmiddellijk na het diner, sloot hij zich met zijne vrouw in hare kamer op, vast besloten, die van gansch den nacht niet te verlaten. Hij bleef met haar kouten ; hij poogde zelfs te lezen en te schrijven, en niets op zijn gelaat noch in zijne manieren, verried de gevoelens, die hem kwelden. Alleen de onbedwingbare halsstarrigheid, waarmede hij, van tijd tot tijd, het uur op de pendule gadesloeg, getuigde van zijn angstige gejaagdheid.
Onweerstaanbaar, gelijk op zoo menige andere avonden, volgde hij in verbeelding het rijtuig, dat haar naar het kasteel voerde. Hij zag en hoorde ze ratelend over den
127
WROEGING.
steenweg rollen, de oude, geslotene huurkoets, over dienzelfden, zoo welbekenden steenweg, dien hij ook, enkele weken geleden, te voet gevolgd had, in de stilte en de eenzaamheid van den nacht, het hart van een zoo wreeden slag doorkloofd. Hij zag ze voorbij de duistere hoeven rijden, door de ingesluimerde gehuchten, langsheen het naakt, verlaten veld, tusschen het zwart der stille dennenwouden. En het kwam hem voor als zag hij ook de angstige, naar buiten starende oogen zijner oude minnares glinsteren, terwijl hij de ongeduldige stem van het kleintje vernam, dat vroeg of men welhaast zou aankomen. En dan, wanneer de pendule op de schouwplaat tien ure sloeg, scheen het hem als v o e 1 d e hij het rijtuig stilhouden, daar, naast de haag, en als zag hij de vrouw en het kleintje er uitstappen
en tot het houten poortje naderen____
Hij zag haar duwen aan dat poortje, dat weerstand bood. Zij stond daar een oogenblik, roerloos en verwonderd, en duwde
128
■WROEGING.
dan opnieuw. Toen begreep zij dat het poortje toegegrendeld was, dat hij het niet had willen openen, dat hij weigerde haar terug te zien. En stom bleef ze daar staan, lang en mager in haar zwarte kleeren, met, haar kleintje aan de hand, vóór die wreed-aardig-geslotene deur.
Hoe lang, huiverend in den somberen, reeds Mlligen najaarsnacht, zou ze daar gestaan, daar gewacht hebben ....
XVIII.
Zijn nacht was woelig, zijn slaap gejaagd en pijnlijk, gekweld door nare droomen, die hem plots, nat van zweet, in zijn bed deden opspringen. Eindelijk schemerde de dageraad, de verjager van nachtmerries en droomen, en weldra schitterde de zon vroo-lijk op het wit kasteel met zijne witte vensterblinden, half verdoken achter zijn prach-tigen kring van rijkgeschakeerdeherfstloovers.
9
129
WROEGING.
Gaétan stond op, kleedde zich aan, ging een wandelingetje maken in het park, tevreden nu over zijn onwrikbare fermeteit. En bij het aanschouwen van dien heerlijken lusthof, bij het inademen van die zuivere, zachte lucht, vol verkwikkende aroma\'s, kon hij zich schier niet inbeelden, dat de nacht in dit tooverachtig oord opnieuw zooveel droefheid en lijden had aangebracht. Ah! dan vermoedde hij nog niet welk vreeselijk treurspel er was afgeloopen!
Het was eerst om acht uur, dat de dorpsveldwachter buiten adem op het kasteel kwam aangeloopen met het akelig bericht, dat een onbekende vrouw en een kind des nachts verdronken waren in de Leie, dichtbij de haag van het park. Men had sporen opgemerkt langsheen den oever der rivier en een rood, zijden halsdoek gevonden aan den boord des waters. Dit had erge vermoedens opgewekt; men had in het water gezocht met haken en peersen en even waren de lijken boven gehaald: een
180
WROEGIXG.
jonge, mooie vrouw van ongeveer de vijf en twintig jaren en een klein meisje van vijf of zes. De vrouw Meld nog het kind krampachtig tegen hare horst gekneld ....
Gaétau kon er niet meer van hooren. Bleek als een lijk, heval hij den veldwachter hem naar de plaats der ramp te leiden. Hij beefde van al zijn ledematen ; zijn oogen stonden verwilderd, verschrikkelijk uitgezet; zijn keel was zóó dor, dat hij als het ware ratelend ademhaalde.
Geen enkel oogenblik bleef hem de geringste hoop, de minste twijfel over; hij zag ze voor zijn voeten dood liggen, dood, als door zijn eigen hand getroffen; en in den chaos van folteringen, die in hem het peinzend en redeneerend schepsel vernielden, joeg één enkele, één wreede gedachte hem vooruit: de gruwelijke angst, dat die boeren, die bruten, welke haar uit het water getrokken hadden, misschien, uit een immonde nieuwsgierigheid, dat schoon lichaam, welk hij bemind en bezeten had, zouden onthei-
131
WROEGING.
ligen. Hij naderde, hij zag van verre een ineengeperste groep, rond een soort van schuur, op den rand des waters, \'t Was daarbinnen, dat men de lijken kwam neer te leggen. Woest drong hij door de volksschaar heen, stiet de deur open ....
Hij herkende haar beiden, uitgestrekt op wat versch stroo, hij slaakte een somberen kreet, sloeg de beide handen voor zijn oogen, het hoofd geweldig achterover-geheld.
En zonder een woord, gelijk een massa, stortte hij ten gronde neêr.
XIX.
Zij werden zij aan zij begraven, omhoog daar, in het kerkhof op het woudachtig heuveltje, aan welks voet het nederig kerkje staat. De notaris had er, op verzoek van Gaétan, ten eeuwigen dage een plekje grond gekocht en daar rustten zij, onbekend, ver-
132
WROEGING.
geten, voor altijd, onder een eenvoudig granieten kruis, dat noch naam, noch datum droeg....
De opschudding in \'t dorp was gauw gestild geweest. Men had de ontroering van burggraaf Gaétan aan een schielijke ongesteldheid toegeschreven en, indien er soms hier en daar nog wel zonderlinge dingen dienaangaande gefluisterd werden, men dorst die toch niet luid voortvertellen, uit vrees en eerbied voor de in de zaak betrokkene personen.
Een ieder, overigens, had nu medelijden met den burggraaf. Men aarzelde den schitterenden jongeling van vroeger te herkennen in dien bleeken, geraamte-mageren man met grijzende haren die, soms gebogen als een oude man, met onzekeren stap, in de lanen en de bosschen van het kasteel van Wangeren ronddwaalde.
Helaas! hij boette zijn verleden af! Hij leed zoo gruwelijk dat, voor hem, de dood de grootste der verlossingen zou geweest zijn.
Olga had de treurige gebeurtenis verno-
133
WROEGING.
men en sinds dien dag had zij voor hem een gemengd gevoel van schrik en afkeer, welk zij vruchteloos poogde te overwinnen. De lijken van die twee schuldelooze slachtoffers lagen bestendig tnsschen haar en hem, daar, op den bodem van dien afschuwelijken, steeds verdiependen, zedelijken afgrond, die hen van elkander scheidde. Overigens, hij poogde zelfs niet meer zich met haar te verzoenen. Hij vermeed haar instinctmatig, hij vreesde haar ontmoeting, hij bracht zijn dagen door in een staat van prostratie, van lichaams- en geestes-verstomping waaruit hij slechts geraakte om in schrikkelijke aanvallen van lijden en vertwijfeling te dompelen.
Des nachts stond hij op, door zijn wroeging gefolterd. Hij verliet het kasteel en het park ; hij dwaalde door de wouden heen, naar het klein, nederig kerkje, aan den voet van het heuveltje. In de stilte van den nacht klom hij het kerkhof op, ging rechts, bleef, midden der grafzerken, vóór een steenen kruis stilstaan.
134
WROEGING.
Daar was het____Zijn handen krompen
ineen, doffe zuchten stegen uit zijn boezem, heete tranen rolden over zijn wangen. Hij zonk op zijn knieën, hij boog ter aarde neder, het hoofd in het zand. Hij kuste het bedauwde gras; hij snikte op die koude grafstede, waar zijn rampzalige slachtoffers lagen. Toen stond hij met gebroken hart weêr op; en dwaalde daar alleen, tusschen de dooden. De wouden om hem heen waren stilzwijgend en verborgen het nabijgelegen dorpje; de Novembernacht tintelde van miljoenen en miljoenen glinsterende starren; de wrange geuren van het hout bezwangerden de lucht; hij dwaalde, hij weende. Hij hield bij andere graven stil; bij het praalgraf zijner familie; bij dat der familie de Papeleu; bij kleinere, nederige graven. Maar steeds, door een onweerstaanbare macht aangetrokken, kwam hij vóór dit eenig, koude steenen kruis terug; dit harde, ruige kruis, dat hij met zijn armen omstrengelde; waar hi) zijn gloeiende, betraande wangen
135
WROEGING.
tegen drukte; aan welks scherpe kanten hij zich soms, in zijn onstuimige bewegingen, de handen kwetste.
Eindelijk vertrok hij. Hij doolde als een landlooper, als een maraudeur in de zwarte bosschen, door de holle wegen, langsheen de oevers der stille rivier, tot aan de akelige plek waar zij zich met het kleintje verdronken had. Soms sprong een haas, een wild konijntje vóór zijn voeten uit; soms liet een nachtuil zijn eentonigen, klagenden schreeuw hooren. Hij, onbewust, ongevoelig, in zijn sombere neerslachtigheid verzonken, zwerfde steeds blindelings voort, zonder te weten waarheen. Hij verloor zijnen weg in de wouden; hij herkende, in de heimvolle duisternis des nachts, die oorden en wegen niet meer, die hem overdag zoo gemeenzaam waren. Hij geraakte eindelijk aan het kasteel terug, sloop als een misdadiger op zijn kamer en viel er gansch gekleed te bed, uitgeput van lijden en vermoeienis.
136
WROEGING.
XX.
De herfst nochtans liep op zijn einde, de winter was begonnen. Al de hoornen hadden nu hun bladeren verloren, de wegen lagen beslijkt, een koude wind blies huilend door de naakte kruinen. Alleen de dennenwouden behielden hunne onveranderlijke, som-bergroene kleur, terwijl over het eiken slaghout hier en daar nog vaag-beroesde tinten hingen, eenzame dorre bladeren, die in den najaarswind tegen de naakte twijgjes aanklapperden, met een geruisch van klatergoud. En het kasteel, waar de eigenaars besloten hadden ook den winter door te brengen, rees nu gansch wit, en in den schijn vergroot, uit de donkere geraamten der omringende gewassen op, terwijl het park als ware het ineengekrompen, er kleiner en geringer uitzag. De horizon, integendeel, was verbreed, eindeloos, met lange, nevelige vergezichten in de diepten der verlaten
137
■WROEGING.
lanen en in \'t verschiet der uitgestrekte weiden, waar de stille Leie door kronkelde.
Sinds enkele weken reeds, hadden de jachtwakers van het domein hunnen meester verwittigd, dat wildstroopers des nachts in de bosschen verschenen, en al stouter en stouter werden, naarmate zij ondervonden, dat de waakzaamheid minder nauwkeurig ingericht was dan naar gewoonte. Inderdaad, ieder jaar, gedurende den herfst en den winter, die bij uitstek de bedrijvige seizoenen der wilddieven zijn, vingen de hosch-wachters van het kasteel, bijgestaan door dezen der naburige buitengoederen en zelfs door de gendarmen, regelmatige nachtelijke rondgangen in de wouden aan. Dit jaar alleen had de burggraaf niets dergelijks bevolen, en daar, van een anderen kant — tot de verbazing der jachtwakers — nog geen enkele groote klopjacht plaats gegrepen had en het er bijgevolg krioelde van het wild, hadden de roovers, als lieden welke een staat van zaken, die tot hun
138
WROEGING.
139
voordeel uitloopt, weten te waardeer en, deze zeldzame goede kans zeer breed te baat genomen. Weinig nachten verliepen zonder dat men in den omtrek van \'t kasteel geweerschoten hoorde knallen, en de drie wakers van den burggraaf dorsten de marau-deurs niet nazetten, wel wetend dat zij de zwaksten waren en zij te doen hadden met een soort van individu\'s die, op heeterdaad betrapt, voor een moord niet achteruitwijken. Ook hadden zij er herhaaldelijk, doch te vergeefs, bij hun meester op aangedrongen, dat hij hen, voor enkele nachten, een paar vreemde wakers of gendarmen toevoegen zou: de burggraaf, eertijds zoo wakker om de wild-strooperij op zijn domein te straffen, liet thans, met een ongehoorde achteloosheid, de zaak aanslepen. Meer zelfs: toen de twee bedienden, die wel wisten dat hun meester vaak des nachts rondliep en daarom dachten dat hij zich persoonlijk wilde rekenschap geven van de manier waarop zij hunnen dienst verrichtten, hem eindelijk
WROEGING.
waarschuwden, dat zij niet langer Yoor het behoud van het wild konden verantwoordelijk blijven, had hij zich boos gemaakt en hun op een beslissenden toon gezegd, dat zij er mede konden handelen naar goeddunken, en zich toevoegen men ze wilden, daar hij zelf niet van zins was er ten minste naar uit te zien.
De mannen hielden het zich voor gezegd. Zij hadden terstond afspraak gemaakt met twee boschwachters van mijnheer de Pape-leu, en, sinds twee dagen, hadden zij hunne vroegere tochten hernomen, wel besloten, nu ze sterk genoeg waren, de dieven, die hen zouden in de klauwen vallen, met de uiterste gestrengheid te behandelen.
Dien avond waren zij hun gevijven om half tien vertrokken. De nacht was niet zeer donker, maar een vochtige, onstuimige wind blies uit het Noordwesten en vervulde de wouden met geschommel en gedruisch. Het wild, verschrikt, zou rusteloos rondloo-pen: het was een echte wildstroopersnacht.
140
WROEGING.
Zij waren eerst gezamenlijk rondom de bossclien heen gegaan en, niets ongewoons bemerkt hebbende, waren zij in de breede middellaan teruggekeerd en hadden er zich, achter den rand der sloot, op nagenoeg een vijftigtal meters afstands van elkander, onder de bramen en het kreupelhout verborgen. Hunne geweren lagen aan huu zij; Bruintje, Gaétan\'s hoofdjachtwaker, nam een brandend dievenlantaarntje mede, dat hij in een linnen zak verborgen hield.
Zij zaten daar, doodstil, sinds ongeveer een uur, het oog peilend de duisternis, het oor gespitst naar de verwarde geluiden van dien onstuimigen nacht, toen plotseling, op korten afstand achter hen, een geweerschot knalde, oogenblikkelijk van een luiden, akeligen schreeuw gevolgd.
Met een wip sprongen zij alle vijf in de allee ; in een oogwenk waren zij samen, verwarde kreten slakend en snelden zij, het roer gewapend, naar de zijlaan, van waar het schot en het gehuil kwamen.
141
WROEGING.
Op den kruisweg, aan den hoek van \'t bosch, Melden zij, den tijd van een weerlicht, alle vijf het oor gespitst, brusk in. Zij hoorden links, in \'t loeien van den wind, het dof, verwijderd geluid van eene rasse vlucht; zij ijlden er achter, uit al hun macht, zoo snel zij konden.
En plots, na een honderdtal passen, gelijk hollende paarden steigerend vóór eenen hinderpaal, sprongen zij zijdelings, deinsden zij achteruit, kwamen zij weder rond een voorwerp, rond een soort van langwerpig, somber pak, waar een van hen over gestruikeld had en dat in \'t midden der smalle, met mos en gras begroeide zijlaan lag.
„Een man, \'t is een man!quot; klonk het woest, terwijl Bruintje koortsig zijn lantaarn uit het linnen zakje trok.
Hij opende het blikken luikje; hij stak het gele lichtje tegen het pak aan; zij bogen neer. Maar met een vreeselijken kreet sprongen zij alle vijf weer achteruit: in het somber, ten gronde uitgestrekte pak,
142
WROEGING.
kwamen zij burggraaf (laétan, hun meester te herkennen.
Toen greep er een tooneel plaats als waren zij allen schielijk met krankzinnigheid geslagen. Bruintje kwam terug met zijn lantaarn; de anderen omringden, neergeknield, hun meester, die nog een week geklaag liet hooren; en allen schreeuwden, weenden, zuchtten ondereen; allen deden en uitten onsamenhangende, onnoodige, onzinnige dingen, steeds onbekwaam het gruwelijke der gebeurtenis te beseffen. Graé-tan lag plat ten gronde uitgestrekt, met het aangezicht in het gras; zij keerden hem om op den rug; zij staarden hem nogmaals bij de klaarte van \'t lantaarntje aan, huilend van woede en afgrijzen, omdat zij nu niet langer konden twijfelen. En toen zij de wonde ontwaarden, een vreeselijke wonde, den ganschen buik één bloedend haksel, waaruit de ingewanden hingen, toen deinsden zij weêr achteruit, stom van afschuw, de beide vuisten tegen
WROEGING.
de slapen gedrukt, de haren te berge gerezen.
Zij werden eindelijk der werkelijkheid bewust. Zij begrepen dat hun meester door een wildstrooper omvergeschoten was en twee der wakers van den burggraaf sprongen op en liepen de moordenaars, die, helaas, bestemd waren om steeds onbekend te blijven, na, terwijl de derde in allerijl naar het dorp geneesheer en priester liep halen en de twee mannen van mijnheer de Papeleu den gekwetste werkdadig ter hulp kwamen. Zij drongen in het slaghout; zij sneden en rukten er armdikke takken uit de struiken; zij hadden er aldra een soort van vlaak mede vervaardigd, die zij met kleine twijgjes en met mos bedekten. Zij tilden den gekwetste op, strekten er hem op uit en legde hunne wambuizen boven zijn lijf, om hem tegen de koude te bevrijden. Toen hieven zij hun last met eindelooze voorzorgen op en zetten zich op weg naar het kasteel.
144
WROEGING.
Het was een akelige marsch. De nacht was versomberd, de koude noordenwind blies hun zijn ruwen adem in het aangezicht, terwijl zij bovenmenschelijke krachten inspanden om tevens zacht en snel vooruit te loopen. Gaétan, de heide handen op den buik gevouwen, uitte steeds flauwe klachten; en deze trapsgewijs verzwakkende klachten stolden het bloed in hunne aderen, zij werden bleek van afschuw en hun forsige armen sidderden van lamheid, bij de schrikkelijke gedachte, dat zij hem wellicht niet meer levend op \'t kasteel zouden terug brengen.
Zij waren er toch eindelijk. De dorpsgeneesheer was er ook Juist aangekomen en de dienstboden, wakker geschrikt, kwamen half gekleed de trappen afgeloopen.
Terstond, van in de voorzaal, wilde de dokter, een kleine oude, met een grijzen kinnebaard en levendige oogen, de wonde onderzoeken. De vlaak, waar Gaétan lag, werd op twee tafels uitgestrekt; een lamp
10
145
WROEGING.
werd aangebracht. Onmiddellijk zijpelde een fijn streepje bloed op de wit-marmeren vloertegels, er een donkerrood plasje vormend. En toen de dokter de wambuizen, die het lijf van den gekwetste bedekten, weggenomen en zijn andere kleederen geopend had, Averd de vreeselijke wonde blootgelegd.
Met een kreet van afschuw deinsden de aanwezigen achteruit.
De oude dorpsarts schudde het hoofd met een veelbeduidende samentrekking van den mond. Hij verklaarde dat de gekwetste niet kon bovengedragen worden en gaf het bevel hem onmiddellijk een bed op te richten in eene der benedenkamers. Hij eischte ook water, pluksel en linnen, om een eerste pan-sement te maken.
Op dit oogenblik hoorde men boven eene deur openen, gevolgd door een dof geluid van zuchten en stappen, die beneden kwamen.
„Mevrouw...quot; murmelde een der dienaars.
Allen verbleekten; de dokter wierp haas-
146
WROEGING.
tig een servet over de wonde, terwijl Henri, de tafelknecht, met een der wambuizen liet plasje bloed bedekte.
Zij verscheen op het trappoortaal, waggelend, de haren los over de schouders, vastgehouden door de kamermeid, die haar het ongeluk was gaan aankondigen, het aangezicht zoo wit als haar wit slaapkleed.
„Mevrouw,quot; sprak de dokter, haar een stap te gemoet komen, „het is zeer erg, doch alle hoop. ...quot;
Hij had den tijd niet zijn volzin te eindigen: bij het ontwaren van haar doodelijk gekwetsten echtgenoot sloeg zij eensklaps de beide armen uit, slaakte een langen, schrillen gil en plofte als een pak ten gronde. . ..
XXL
Toen Olga tot het bewustzijn terugkeerde, lag haar zieltogende man in het salon
147
WROEGING,
te bed. \'t Grauwe van een treurigen wintermorgen scliemerde door de gesloten vensterblinden, de priester had hem de sacramenten der stervenden toegediend en de twee vermaarde dokters, welke men in allerijl des nachts naar Gent was gaan halen en die er in geslaagd waren hem voor enkele stonden weder te doen bijkomen en zijn folteringen te verzachten, waren tijdelijk verdwenen om de rampzalige echtgenooten alleen te laten, gedurende die uiterste plechtige oogenblik-ken, welke voor een van hen de intrede der eeuwigheid voorafgingen.
Aan zijne sponde neergeknield, zijn slaphangende rechterhand met brandende tranen en kussen bedekkend, was zij het nu aan wie de wroeging \'t hart doorboorde; zij, die hem om vergiffenis smeekte; zij die het in hartverscheurende woorden beklaagde, zoo hard voor hem te zijn geweest. Doch hij wendde pogingen aan om haar te doen zwijgen ; hij schudde flauw het hoofd en een soort van glimlach zweefde op zijn bleeke lippen.
148
WROEGING.
„J\' e x p i e. .. . j\' e x p i e. . . lispelde hij tweemaal, nauw verneembaar, de oog-en ten hemel geslagen.
Zij richtte zich half op, zij boog over hem neder en zoende hem lang, lang, op het voorhoofd en den mond.
„Dien te pardonne,quot; snikte zij.
Hare steeds heeter vloeiende tranen rolden van haar wangen op de zijne, en haar beide handen, die, als het ware beschermend, zijn aangezicht omlijstten, streelden hem zacht de slapen en de wangen, in een lange, zoete, smeekende, onophoudend herhaalde streeling, welsprekender dan de vurigste woorden en waarin zich gansch haar hart, haar liefde en haar lijden tot één enkel en uiterste gevoel van teederheid en medelijden versmolten.
Van lieverlede werd de glimlach om zijn lippen zachter, fijner, verhevener. Hij idealiseerde zijn gelaat, hij verlichtte, als met een stralenkrans, zijn gelouterde trekken van stervende. En zijn oogen, die naarmate ver-
149
WROEGING.
150
bleekten en zich als het ware in hunne holten verdiepten, werden stijver, gevestigd ginds verre, op iets, dat hij alleen kon ontwaren en begrijpen. En, terwijl zij niet meer sprak, maar instinctmatig, beseffend dat het plechtig einde nakend was, met een koortsigen hartstocht hare streelingen langsheen zijn slapen en zijn wangen nog* vermenigvuldigde, verteederde, verzachtte, ontrukte zij, om zoo te zeggen, nog een uiterste bekentenis van liefde en verzoening aan den dood zeiven: zijn hoofd neeg naar \'t heure, zijn mond drukte zich op baai-lippen en, terwijl zij de oogen sloot en, als om niets meer te zien, niets meer te hoo-ren, in een uiterste liefkoozing hun beide aangezichten met haar beiden banden overdekte, ontving ze in haar, in eenen kus, den laatsten adem van zijn leven.
WROEGING.
XXII.
Twee maanden later werd haar kind geboren. Het was een zoontje. Zij gaf hem den voornaam van Gaétan, gelijk zijn vader.
En, den dag van haren eersten kerkgang, toen zij terugkwam van de kerk, waar zij vóór den Almachtige, die haar zoo hard beproefd had, was gaan nederknielen, liet zij haar ouders, die ook op het kasteel waren, een oogenblik alleen in het salon en liep zij haastig boven, recht naar de kamer, waar het kind in zijn wiegje lag te rusten.
Zij zond de voedster om \'t verrichten eener boodschap heen; en, toen zij alleen was, schoof zij zacht het kanten gordijn weg, boog neer over haar kind, en, de hand op de kap van het wiegje geleund, het aangezicht zoo blank als marmer nevens haar langen, zwarten rouwsluier, legde zij met een trage, diepe, vrome stem dezen plech-tigen eed af;
151
WROEGING.
„Mijn zoon,. . . . indien een waakzaamheid van alle stonden, indien eene vermenigvuldiging van onophoudende, eindelooze voorzorgen en zorgen,. . . . indien de vol-komene toewijding en zelfverloochening eener beminnende moeder, die u als een bewaarengel in het leven zal begeleiden en behoeden,. ... het vermogen bezitten u van het vreeselijk lot, dat uw rampzaligen vader te beurt viel, te bevrijden,. ... ik mag, .... ik durf het zweren: gij zult er van bevrijd wezen.quot;
Zij wierp haar weduwsluier over haren schouder, zij boog in \'t wiegje neêr en kuste haren zoon op \'t voorhoofd:
„Ik zweer het, mijn kind, ik zweer het,quot; herhaalde zij nog eens.
152
MOEDEE.
1.
Langzaam valt de avond. Een dikkende nevel omhult en verduistert alle dingen ; de lucht is kalm, het weer ijskoud.
Het oord, dood-eenzaam, is van een navrante treurigheid. Behalve het arm, klein hutteken der van Lierde\'s, dat dichtbij den landweg staat, zijn daar geen andere woningen dan de groote hoeve van Lemmens, wier grauwe spitse stroodaken nog vaag, op een geweerschot afstands, onder het duister der naakte boomenkruinen uitkomen, en recht tegenover, het kleinere hoevetje der Verbauwen\'s — tevens een landelijk herbergje. In het laag, met den rug naar de straat staande achterhuis, schittert reeds een lichtje. De
MOEDER.
weg ligt modderig, vol waterplassen, met dorre blaren overal bespreid, en bezoomd door hooge boomen en struikgewas, langsheen den stellen rand der slooten; en rondom, wegsmeltende in het beperkt, mistig verschiet, zijn het de velden, de vierkante, ook van slaghout en slooten omsingelde stukken lands, de eene donkergroen van \'t rapenloof, de andere naakt en omgewoeld — en allen even ingesluimerd, dood, verlaten, als zou er nooit iets weer op wassen, als zou er nooit meer eene ziel op leven.
En moeder, voor de derde maal, komt buiten op den dorpel harer woon. De koude valt op haar, zij huivert, bewegingloos; zij luistert, den blik gevestigd op het lichtje van de kleine herberg, ginds, aan den overkant der straat.
„O! zou hij toch heen zijn!quot;
Pijn en angst op het bleek gelaat, hoort ze geen andere geluiden meer dan het dof, eentonig gebons der dorschvlegels in boer Lemmens schuur. Zij huivert zoo in haar
156
MOEDER.
schrale kleeren, waagt een stap in de eenzame straat. Eeikhalst, de linkerhand tegen een boom geleund.
„Neen, hij is nog niet weg! ...quot; Daar hoort ze nu weer het geschreeuw, het joelen en zingen, en het gerinkel van een glas dat ginder op den vloer aan stukken valt. Zij wijkt terug op den drempel, en blijft er stilstaan, halsstarrig, het oog door de mistige schemering op het eenzaam lichtje gevestigd.
De schemering verdikt, de mist droppelt met een stil geruisch in trage groote tranen uit de naakte boomenkruinen op den kleve-rigen grond. De grauwe daken van boer Lemmens hoeve verdwijnen geheel in de duisternis. En de elzestruiken staan daar fantastisch, vreemd, nevens den weg. Zij huivert... zij huivert. . .
„O, zou hij toch niet eens meer komen! . ..quot;
Hij heeft haar altijd zooveel misdaan. Van kindsbeen af was er niets meê te doen. Vader en moeder heeft hij een leven van
157
MOEDER.
verdriet berokkend. En dan, vóór anderhalf jaar, die vreeselijke twist met vader! zij beeft er nog van. Toen heeft hij schielijk het onderlijk huis verlaten; zij hebben hem niet meer gezien, van hem niet meer gehoord; hij leefde als een landlooper, een deugniet. En nu is hij plotseling terug, — maar slechts voor eenige uren: morgen vroeg vertrekt hij, met eenige jongelingen van \'t dorp, naar Argentina. De buren hebben haar dat verteld.
Zij weet, zij voelt dat hij nooit in het land zal weerkomen. Argentina is zoo ver, zoo ver. . . Hij, en de anderen, hebben gezegd: „Nooit keeren we terug.quot;
Lang was hij afwezig, en tóch verlangde ze niet hem weer te zien: sinds hij vertrok kwam er vrede in huis. Doch nu is hij daar, nu gaat hij vertrekken voor immer! — och ja, zij wou hem nog eens zien . . .
Zij denkt, zij zou willen denken, dat hij naar \'t dorp terug kwam, opzettelijk om
158
MOEDER.
zijn ouders nog eens te zien. Haar moederliefde zegt het haar, — en indien hij kwam, neen, ze zon hem niets verwijten, maar hem naast den haard doen zitten, hem vragen of hij geen honger heeft. Ze zou vader stillen, indien vader, wrokkiger dan zij, hem onvriendelijk bejegende.
Daarom heeft ze geen rust meer, sinds hij in de huurt is. Zij denkt dat hij misschien zou willen komen, maar niet durft. En ze wacht... Hij Avas toch in den grond nooit slecht van harte, hij zou misschien goed geweest zijn als zijn broeder, hadde zijn karakter beter met dat van vader kunnen overeenstemmen. En heel, heel diep in haar binnenste is nog wat hoop: wie weet ? — misschien voelt hij berouw, is hij verbeterd? Nu hij, na zoolang, na al die beproevingen, zijn huis terugziet, zou niet in hem het goede bovenkomen? Zou hij niet om vergiffenis smeeken, zich met vader verzoenen, en blijven...? Dan zouden zij allen nog ver-eenigd en gelukkig kunnen leven.
159
MOEDER.
De nacht is nog versomberd; de nevel wordt zoo dik, dat het lichtje van de herberg ginds in het vage verdwijnt. Zelfs de elzestruiken smelten nu weg in onduidelijke schaduwen, en de mistregen valt loo-mer, treuriger uit de naakte boomen, terwijl de klamme kou neerzinkt als een kleverige ijsmantel. Van boer Lemmens spitse hoevedaken ziet moeder volstrekt niets meer, maar zij hoort steeds het gebons der vlegels, eentonig als werdén zij door een horlogewerk geregeld, in doffe cadans op den schuurvloer neervallende.
„Och, wat is \'t leven toch ruw voor sommige menschen!...quot;
Die doffe, trage bonzen vallen heur als het ware op het hart, en wekken \'t geheugen van \'t verledene. Wat heeft ze gearbeid, gezwoegd, daar, op die groote sombere hoeve, sinds hare jongste jaren, van \'s morgens tot \'s avonds, in zonnebrand, in regen en in koü! En ook haar man heeft er gezwoegd, zijn leven lang; en Miel, haar
160
MOEDER.
jongste zoon, en Lisa, hare dochter, alvorens zij haren misslag beging. Waarom heeft hij alleen, hij de oudste en de sterkste, nooit zijn best willen doen?
En moeder, hardnekkig steeds op den dorpel, huivert angstiger in haar dunne kleeren. God! wat blijft hij lang in die herberg? Zal hij niet eens komen? Is het misschien als uitdaging tegen zijn ouders, dat hij daar, zoo dichtbij hun huis, lawaai komt maken? Eene bittere plooi verwringt haren mond, een opwelling van onuitsprekelijke droefheid brengt tranen in haar oogen.
De klank eener ruwe stem trekt haar schielijk uit haar mijmeringen.
„Ala toe, kom maar binnen, laat den sloeber loopenquot; zegt vader, die de voordeur geopend heeft.
Moeder, verschrikt, dringt aan, bijna smee-kend: „Ik zou hem toch nog eens willen zien, eer hij voor goed vertrekt ...quot;
— „Ik niet, ik heb geen uitstaans meer
11
161
MOEDER.
met hemquot; klinkt \'t karde antwoord. „Ala toe, kom binnen!quot;
Moeder gehoorzaamt.
Doch binnen, in het lage, flauw verlichte keukentje, heeft ze geen rust. Zij luistert naar de geluiden daarbuiten, zij hoort nog steeds de doffe slagen van de vlegels in boer Lemmens\' schuur, zij verneemt ook, soms duidelijk, het zingen en roepen in \'t herbergje. En eensklaps springt ze recht, en rukt de deur open; zij verlaten de herberg, ze hoort het, ze wil, ze zal hem nog eens zien . . . Vader houdt haar niet meer tegen. Hij volgt haar zelfs instinctmatig naar buiten, en Lisa, die haar kindje in zijn wieg legt, volgt haar ook.
Daar nadert de bende. Zij zijn wel een tiental, zij dragen twee brandende fakkels, en schreeuwen luidkeels het lied:
„Waar kunnen wij beter zijn Dan bij onze beste vrienden? ...quot;
God! wat bonst heur hart! Zij heeft hem dadelijk in \'t bloedig laaien der toortsen
162
MOEDER.
erkend. Hij is schier niet veranderd, hij is nog steeds de knappe flinke jongen van vroeger, met zijn donkere kroezellokken en zijn fijn, zwart snorbaardje. En hij schijnt netjes aangekleed, in \'t zwart, en met een rond zwart hoedje dat hem schuins en driest op het hoofd staat. Maar hij is dronken, zijn oogen draaien, hij schreeuwt luider dan de anderen het refrein:
„Laat ons drinken, laat ons klinken, Laat ons vroolijk zijn!quot;
Doch hij heeft haar ontwaard. Hij houdt op van zingen, maakt een stap terzij, als wou hij tot haar komen.
„Jules, jongen...quot; streelt ze, ontroerd en zacht, ook tot hem naderend.
Maar plots trekt hij zich terug, \'t gelaat versomberd, de wenkbrauwen gefronst, de oogen hatend op vader gericht. Hij maakt een dreigend, afwijzend gebaar, vloekt, schreeuwt razend: „Nooit! nooit, nooit kom ik weerom!quot; en met de bende is hij voorbij, woest, plassend door het slijk, in rooden
163
MOEDER.
smook, luider huilende dan al de anderen.
Pal, stom, doodsbleek, met zwarte oogen, ziet moeder hem passeeren.
„O sloeber! sloeber!quot; raast vader met bevende stem.
Lisa weent; moeder, staroogend, ziet den bloedigen, langzaam verbleekenden gloed achter de sombere elzekanten, een oogenblik verlicht, wegsmelten en verdwijnen.
Dan keert ze zich om, en, huiverend, met een schorre, gebrokene stem:
„Ongelukkig kind... ongelukkig kind...quot;
II.
Midden in het keukentje neergehurkt, klieft van Lierde brandhout met een hakmes. Zijn gelaat, gerimpeld en geelbleek, met een gepijnigde uitdrukking er over, ziet er ziekelijk uit. Langzaam, treurig, met tusschenpoozen van stilzwijgen, klaagt hij van alles wat \'nen armen mensch boven
164
MOEDER.
\'t hoofd hangt. G-aat er iets verkeerd, dan komt er wat anders bij, en dan weer nog wat anders, en zoo van maleur in maleur, geraakt ge met al uwen goeien wil in korten tijd oj) den dompel...
Moeder loopt bekommerd heen en weer in de keuken, Lisa wiegt haar zieke kindje, Miel zit onbeweeglijk naast den schoorsteen. Op de kleine eetkast brandt het lampje; eentonig gaat het getiktak der horloge.
Miel trok zich verleden jaar in \'t lot. Hij werd ingelijfd te Bergen, bij het eerste jagers te voet, doch na eenige dagen door den regimentsdokter afgekeurd en voor éen jaar vrijgesteld voor zijn zwakke borst.
O wat geluk, die afkeuring! Wat gaf hij om zijn „zwakke borstquot;? Hij mocht nu naar huis keeren, opnieuw op de hoeve van Lemmens gaan werken, zijn arme ouders bijstaan, die zijne hulp zóó noodig hadden.
Sinds had hij gezwoegd voor twee, voor hem en zijn ziekelijken vader. Zijn gezondheid had er niet door geleden, integendeel;
165
MOEDEK.
dit vlijtig, kuisch leven had hem verkloekt, zoodanig dat hij nu van de beklemdheid op de borst niet meer leed.
Maar op \'t einde van \'t jaar bracht hem de veldwachter een nieuwe dagvaarding voor den krijgsraad. Te vergeefs matte hij zich af, staakte eten en slapen, dronk zelfs — wat hij anders nooit deed. Ditmaal werd zijne borst niet te zwak gevonden voor den soldatendienst.
En \'t is vanavond dat hij vertrekt. Onderworpen, van kindsbeen af aan \'s levens ruwheden gewend, wacht hij gedwee dat het tijd zij van vertrekken. Straks zal Maebe, zijn vriend, die van hetzelfde regiment is, hem komen halen.
Yader, in het midden van den keukenvloer neergehurkt, klieft steeds zijn hout. Moest hij zijn werk laten staan, en zich daar neerzetten, de armen gekruist, om nog wat met zijn teergeliefden zoon te spreken, hij zou zijn tranen niet kunnen inhouden, zijn hart zou breken, hij zou zijn armen
166
moeder.
jongen omhelzen, hem aan \'t hart drukken, hem niet kunnen loslaten. En dat mag niet, arme menschen doen dat niet. Hij moet kalm blijven, zijn ontroering bedwingen om aan zijn zoon zijn laatsten raad te geven, \'t Is reeds kwart voor zes en om zes uur komt Maebe.
„Wees altijd braaf, jongen, braaf en gehoorzaam. Tracht wel te staan met uw oversten, laat u door uwe makkers niet misleiden. Gra regelmatig eiken zondag naar de mis, en zeg ook eiken dag, \'s morgens en \'s avonds, uw gebeden op. Drink niet, ga nooit in slechte huizen. . . Ge moet ook soms eens schrijven, jongen, Lisa zal ons uav brieven lezen, en we zullen dan ook schrijven...quot;
„En peinst ook dikwijls op vader en moeder,quot; voegt moeder zelve, met verkroppende stem, er bij.
Veel meer zou ze willen zeggen, maar ze kan niet. Zoodra zij twee Avoorden uitspreekt komt haar gemoed vol, en zij moet
167
MOEDER.
zwijgen, \'t Is alsof ze in een droom leefde, of haar geest elders was, vol angst, bekommerd door eene gedaclite, welke zij niet uitdrukt.
Miel antwoordt in stilte: „ja vader, ja moeder,quot; altijd onderworpen, vooraf toestemmende in al wat men van hem verlangt. En Lisa, de oogen roodgeweend, zegt niets: zij wiegt voortdurend haar kind, het hoofd ter neêr gedrukt, met eene eentonige beweging — als vreemd in haar huis, sinds haar gepleegde en vergeven fout — gekweld en beschaamd, als hadde zij voortaan haar aandeel schuld in eiken tegenspoed die hare ouders komt beproeven.
Maar de voordeur gaat open en Maebe komt binnen. Hij is grof en lomp, steenrood van aangezicht, met groote bleekblauwe, wijd van elkander staande oogen. Hij draagt een pakje aan de hand, hij weigert neêr te zitten, hij zegt, na gegroet te hebben, dat het tijd is van vertrekken.
Werktuiglijk staat Miel op en neemt
168
MOEDER.
ook zijn pakje, dat op eenen stoel ligt. Hij draalt eenige stonden en dan, met een gesmoorde stem:
„Zoo, vader, en moeder, en Lisa, ik ga vertrekken,quot; zegt hij.
„God... beware u... jongen — en stel het... al welquot; snikt vader dof. Hij blijft een oogenblik zonder beweging, als schielijk verlamd, maar durft het hoofd niet oprichten.
Lisa buigt het hare dieper neer, weent in stilte heetere tranen.
„God beware u, Miel,quot; zucht zij ook.
En moeder, doodsbleek, met vergroote, angstige oogen, murmelt op hare beurt:
„G-od beware u, Miel, jongen, G-od beware u.quot;
De deur is open, zij zijn weg, de klink valt weder toe.
Doodsche stilte heerscht een oogenblik in huis. Vader heeft het houtklieven gestaakt, Lisa staakt het wiegen. En moeder zinkt op een stoel neêr, zij slaat zich
169
MOEDER.
den voorschoot voor \'t aangezicht, en al haar verkropte wee barst los, en zij snikt, zij snikt het nu allemaal uit.
O waaróm weent ze, zoo lang, zoo hitter ?
Om de miserie van den aanstaanden winter? Om het vertrek van Miel?
Neen...
Zij weent, — o maar, \'t is leelijk, zij verwijt het zich, zij durft het aan haar eigen niet bekennen — zij weent nog om den anderen, die nu een jaar geleden heenging, die nooit van zich meer hooren liet, en die gezegd heeft dat hij nooit terug zal keeren.
170
DE POKKEN.
.
DE POKKEN.
Dien Zaterdag, met valavond, was de angst tot zijn toppunt gestegen op de hoeve der weduwe Eooze.
Gransch het huisgezin: de pachteres, eene onzindelijke, vijftigjarige vrouw, met stijven aanblik en een witte parel op het linkeroog; hare drie dochters, dertien, vijftien en twintig jaren oud; en Nonkelken, haar schoonbroeder, zaten in de keuken om de kachel geschaard, en telkenmale zich hun schrik door geene stomme en volkomene verslagenheid veropenbaarde, kwam er een zelfde gesprek op hunne lippen, rees er een zelfde
DE POKKEN.
onverjaagbaar schrikbeeld voor hunnen geest: de pokken....
Sinds een paar weken had de besmettelijke ziekte in Baevel hare verschijning gemaakt. Eerst in het dorp, dan op de wijken, weldra overal. Alleen Keuze, dit ver afgelegen gehucht, was ongedeerd gebleven; en reeds in den verzwakten en als het ware aftrekkenden gang der plaag, waanden dezes bewoners zich van de besmetting bevrijd, toen, op zekeren morgen, het gerucht pijlsnel rondliep:
„De pokken zijn tot Yaemewijck\'s!quot;
Die Vaernewijck, een slecht befaamde koopman in konijnenhuiden met een talrijk, slordig huisgezin, liet op min dan eene week drie lijken aan de kwaal; en sinds was het als met een stervend, schielijk heraangehitst vuur: de pokken gingen rond, van huis tot huis, van hoeve tot hoeve, totdat er op dien Zaterdag namiddag in gansch de wijk Keuze slechts een drietal huisgezinnen, waaronder dat der weduwe Rooze, meer onaangeraakt bleven. Zelfs sedert het begin der week
174
DE POKKEN.
woedde de ziekte zoo hevig, dat, op het verslag eener geneeskundige, uit G-ent gezondene kommissie, de algemeene vaccinatie der nog niet ingeente en tot dus toe van de besmetting vrij geblevene bewoners, dooide bevoegde overheid bevolen was geweest. Het was de dorpsgeneesheer, Mijnheer Dam-mens, die door den veldwachter bijgestaan,
ambtshalve dezen plicht vervulde.
* ^
*
175
Stom van schrik dus zaten alle vijf de huisgenooten om het vuur en zagen zij elkander aan. Op het bevel van Nonkelken, die uit hoofde van zijn fortuin en door \'t aanzienlijk erfdeel dat hij achterlaten moest, het echte opperhoofd der hoeve was, had men voor- en achterdeuren dichtgegrendeld en was Due, de wachthond van het hof in huis genomen. Een keiroer (*) stond geladen in den hoek van den schoorsteen, het avondmaal was reeds gebruikt en juist had
\') Een vuursteengeweer.
DE POKKEN.
Nonkelken ook een zwaren stok op eenen, in zijn bereik staanden stoel gelegd, toen eene stem die van boven langs de zoldertrap naar beneden scheen te komen, haastig en verschrikt uitriep:
„Zij hebben boer Jansens\' hof verlaten! Ze zijn bij van Oostje\'s binnengegaan.quot;
Een siddering ontstond onder de huis-genooten. De vuile vrouw sloeg bevend hare handen samen en keek verdwaald om zich; de beide jongste meisjes kropen naast elkaar; de oudste, eene blonde poezelige meid met een mooi, ietwat knorrig gelaat en van angst gloeiende wangen, slaakte een korten kreet, terwijl Nonkelken zich stijf en gebogen oprichtte en vóór een der hooge en breede vensters zonder gordijnen ging staan. Hij keek naar buiten. Men hadde gezegd een ouden vos, die, in zijn hol verscholen, van verre den vijand ziet naderen. Zijne gelaatskleur was bijna groen van bleekheid; de neus, de kin, schenen puntig van magerheid, en onder \'t
176
DE POKKEN.
vizier van zijne zwarte, te hooge, te groote pet, blonken de oogen, met een loozen, vervaarlijken, schier helschen glans.
Een schorre, uitdagende grijnslach was aan zijne keel ontsnapt.
„Ha, ha, ze komen, ze komen!quot; herhaalde hij. „Ha ha, ze komen!quot; En nog verkleind, nog meer ineengekrompen en gebogen, keek hij door de ruiten, naar het grijs en treurig, wit besneeuwde veld.
„Och Nonkel! . . . Nonkel!quot; smeekte eensklaps de vrouw.
Verwonderd en schichtend keek Nonkelken om.
„Och Nonkel... wie weet? ware het toch niet beter van ze binnen te laten, als ze komen! De vrouw van den veearts zei hier toch dezen morgen . . . dat...quot;
Vrouw Eooze zweeg en keek bevend terzijde, verschrikt bij het gezicht der ontsteltenis, die hare enkele, zelfs nog niet gansch geuite vraag op het gelaat van den oude te weeg bracht.
177
12
DE POKKEN.
Deze, ten gronde genageld, scheen niet begrepen te hebben.
„Wat zegt ge?... Wat zegt ge!quot; stamelde hij twee of drie maal. Doch er was geen tijd meer voor smeekingen of gesprekken; Nonkelken, die het venster uit het oog niet had verloren, keek schielijk weer naar buiten, keerde zich ijlings om, riep met een bevende stem: „Ze zijn daar! Ze zijn daar!quot; en, terwijl de knecht der hoeve met het zelfde bericht van den zolder gesprongen kwam, stonden al de overige aanwezigen plotseling rechtop en vluchtten zij met geweer, met stok en hond in de kamer.
Een oogenblik beklemde wachting; een dof geluid van stappen op \'t plankier; een „takketakketakketakquot; aan de klink van de voordeur . . .
Het vrouwvolk had zich, in de kamer, achter de kleederkast verscholen ; Nonkelken
178
DE POKKEN.
en Stien, de knecht, waren op den drempel blijven staan. Er ontstond een oogenblik volkoinene stilte.
„Zou men hier reeds slapen zijn,quot; sprak eindelijk eene verdoofde stem daarbuiten. En schier terzelfder tijd verscheen een heer, hoog en struisch van gestalte, voor een der vensters. De rechterhand boven de oogen houdend, keek hij in de keuken.
Nonkelken en Stien, op den drempel ineengekrompen, zagen hem kijken. De anderen, achter de kleederkast, verroerden, ademden schier niet.
„Takketakketakketakquot; . . .
Voor de tweede maal werd de klink der geslotene voordeur ras en hevig op eu neer geduwd. Eene tweede stilte volgde en dan ook kwam een tweede man, de dorpsveldwachter, voor het venster staan, die met de vuist op \'t raam klopte en riep:
„Hela! Baas en bazin Eooze, slaapt ge dan? Mijnheer de dokter is hier, die u allen komt enten.\'\'
179
DE POKKEN.
En beiden thans, de hand boven de oogen houdend, drukten het aangezicht tegen de ruiten.
De keuken, eenzaam als een graf, bleef onveranderlijk.
Een nieuwe stilte heerschte. De twee bezoekers hadden zich omgekeerd en keken nu naaide stallen. Zij aarzelden, zij wisselden eenige doffe woorden en stonden op het punt van heen te gaan, toen de waakhond, dien Nonkelken sinds ettelijke, stonden vruchteloos poogde te sussen, eensklaps hevig in de kamer blafte.
Als bij tooverslag wendden zich de beide mannen terug om. De dokter keek opnieuw door \'t keukenvenster en de veldwachter, naar het venster van de kamer loopend, zag, als in een weerlicht, den grooten hond, die tusschen de bedden huppelde en een dreigende gestalte, die hem achtervolgde.
Verbaasd slaakte hij eenen kreet, en hevig met de beide vuisten op het venster slaande :
„Ja maar, ja maar, zóó niet, zulde, baas
180
DE POKKEN.
Eooze!quot; schreeuwde hij. „Wij komen hier in name der Wet om u te enten en ge moet seffens open doen of wel we breken in! quot;
En met een drietal schreden stond hij terug vóór de deur, welker klink nogmaals geweldig rinkelde.
Nonkelken en Stien, de vrouw en hare kinderen, schier zinneloos van schrik, waren echter in hun weerstand vast besloten; zij fluisterden maar éen en \'t zelfde woord: niet opendoen. Nonkelken, zonder te antwoorden, schouderde zijn roer, en Stien, de beenen opensperrend, nam den zwaren stok in zijne beide handen, die hij ophief.
„Asa, gaat het aan!quot; schreeuwde de veldwachter, nog eens vóór het raam verschijnend.
Poeff. . .
\'t Geweer ontplofte, zond zijne lading zaad vlak in de zoldertrap, vervulde de keuken met rook. Het vrouwvolk had een vreeselijken kreet geslaakt en de hond, als razend, was grollend en blaffend naar de voordeur gesprongen.
181
DE POKKEN.
Eood en ontsteld verscheen \'t gelaat des veldwachters eene laatste maal voor de reeds duister wordende ruiten.
„\'t Is goed; \'t is goed!quot; riep hij dreigend, met vlammende oogen en gebalde vuist, „wij zullen u vinden, man!quot;
En, haastig keerde hij zich om en stapte met den dokter van het hof.
:h
Zij waren sinds min dan een kwartier vertrokken, en in de steeds ongedempte ontsteltenis der huisgenooten, waren de blinden der vensters pas dicht gemaakt en het licht in de keuken aangestoken, toen er opnieuw aan de deur werd geklopt.
Allen sidderden.
„Wie is daar?quot; vroeg bevend de vrouw.
„Ik,quot; antwoordde een jeugdige stem.
De aangezichten klaarden op en toen de knecht geopend had, verscheen een groot, blozend jongeling, met baardeloos en schier
182
DE POKKEN. 183
nog kinderachtig gelaat in de keuken.
„Elk \'nen goên avond,quot; glimlachte hij. Het was Kamiel Verniers, een boerenzoon van Wilde, de minnaar van de oudste dochter, Emerance.
Hij kwam zoo eiken Zaterdag namiddag, met den avond. Hij was het eenige kind van welgestelde ouders en Nonkelken gedoogde zijn hof bij Emerance, een kalm, eerlijk hof voorwaar, dat onveranderlijk, sinds jaren reeds, tot dit wekelijks bezoek in tegenwoordigheid van de familie beperkt bleef. Het was een brave, vlijtige en zeer bedeesde jongen, die nooit naar een ander meisje had gekeken en die nog niet begrijpen kon, waar hij wel ooit den moed gevonden had om aan Emerance zijne liefde te verklaren.
Dit was gebeurd, nochtans, op eenen avond dat hij baar alleen tehuis vond en toen hij haar reeds meer dan vier jaren in het geheim beminde. Zij zat aan een klein tafeltje, naast de lamp en breide;
DE POKKEN.
en toen hij binnentrad kwam het hem voor, als keek zij ongemeen vriendelijk naar hem op. Dit gaf hem eensklaps als een fijnen, diepen steek in \'t hart en instinctmatig, zonder schier te weten wat hij deed, was hij recht tot haar genaderd en had haar ook glimlachend bij de hand gevat.
„Maar Kamiel toch, wat doet ge?quot; had ze, hevig blozend, gezeid; „ik kan niet meer breien.quot; En oogenblikkelijk, zonder dat zij hem echter verstiet, had zich haar lief gelaat met zijne gewone, ietwat norsche, ietwat pruilende en toch bekoorlijke uitdrukking bedekt.
„Wat ik doe, wat ik doe?quot; had hij onnoozel glimlachend herhaald. „Wel, gij moet toch niet altijd breien, zeker? Ge zoudt u wel dood breien met zoo altijd te breien.quot; En vuurrood, met nog onnoozeler glimlach, had hij hare twee handen gevat en, terwijl hij haar zuchtend, met stralende oogen bekeek, die geduwd om ze te breken. En dit was alles geweest. Nonkelken en
184
DE POKKEN.
bazin Rooze waren daarop binnen gekomen en van gansch den avond had Emerance, kersrood, niet meer opgehouden te pruilen. Sedert dien dag, nochtans, werd Kamiel daar als de erkende minnaar van het meisje toegelaten.
Blozend, thans, kwam hij vooruit en zette hij zich neder. Doch de ontstelde aangezichten van de huisgenooten en inzonderheid dat van Emerance, die vuurrood en met tranen in de oogen zijn inkomgroet schier niet beantwoord had, troffen hem. Hij ontstak zijne pijp, kruiste de beenen over elkaar en, na eenige oogenblikken drukkende stilte, zich met zijn vriendelijksten glimlach tot het meisje wendend, vroeg hij halfluid, met gedempte ontroering:
„Zijt ge niet wel dan, Emeranske?quot;
Zij gaf een nauw verstaanbaar en ontwijkend antwoord. De jongman, schielijk door zijnen angst overweldigd, verbleekte en hernam met een grimas, die hij te vergeefs voor eenen glimlach poogde te doen doorgaan:
185
DE POKKEN.
„Gij zijt toch niet bang voor de pokken, zeker? Ik heb vernomen dat ze nog al erg op Keuze heerschen.quot;
Zijn vraag bracht een verschrikte opschudding te weeg en het was Nonkelken, die, groenbleek en bevend, met een schichtigen blik, antwoordde:
„Voor de pokken! Neen, neen. De sloebers zullen ons de pokken hier niet aanzetten; wij hebben daartoe onze voorzorgen genomen.quot;
Kamiel verademde.
„Gij hebt gelijk,quot; sprak hij. „Ik deed het ook. Sinds een paar dagen gevoelde ik mij niet zeer wel en dezen morgen liet ik mij door dokter Dammens enten.quot;
Neen, de bliksem, die in een huisgezin valt, brengt geen heviger schok te weeg, dan deze eenvoudige, door Kamiel in bazin Eooze\'s huis uitgesproken woorden. Nonkelken, de slordige vrouw met hare parel op .het oog, Emerance, met hare gloeiende wangen, de beide kleintjes en de knecht.
186
DE POKKEN.
allen sprongen terzelfder tijd recht en liepen, met van schrik opengespalkte oogen naaiden achterwand.
„Hieruit! hieruit!quot; schreeuwde Nonkelken, met dreigend uitgestokene hand. „Hieruit! zeg ik, hieruit!quot;
Kamiel, stom van verbazing, was ook recht opgestaan en zag, als zinneloos, de anderen aan.
„Maar Nonkel,quot; stamelde hij . . .
„Hieruit! hieruit!quot; huilde de oude, het hoofd verliezend; „hieruit! zeg ik; gij zijt dood waar ge staat.quot;
En eensklaps niet meer beseffend wat hij deed, sprong hij op zijn roer en richtte dit naar den jongman.
„Maar Emeranske,quot; smeekte deze, wanhopig zijne beminde aanstarend.
„Ga weg, ga weg,quot; snikte zij met ge-wrongene handen.
Stom deinsde hij achteruit; stom ging hij achter \'t schutsel en verdween.
Nonkelken en bazin Eooze, ineengekrom-
187
DE POKKEN.
pen van schrik, waren in de kamer gevlucht. Allen volgden hen en zonken snikkend voor een Lieve-Yronwheeld op de knieën.
„Hij dood en wij besmet! Hij dood en wij besmet!quot; herhaalde Nonkelken.
En groen van schrik, bevend en gebogen, stond hij eensklaps op, trok een der kamervensters open, kroop er met moeite door en vluchtte, in den nacht, buiten.
\'s Anderendaags lag Emerance met de pokken en twee dagen later kwam de tijding dat ook Kamiel door de akelige
ziekte was aangetast.
^ *
*
Dan begon er een vreeselijk leven op de hoeve der weduwe Kooze.
Na een ganschen nacht, halfdood van schrik, als een vervolgd dier in \'t koud, besneeuwde veld te hebben rondgedwaald.
188
DE POKKEN.
was Nonkelken met den morgen teruggekeerd en had hij zich in de schuur, op den hooizolder verborgen. Daar hield hij zich nu op. Niemand mocht er hem naderen. Hij was naar Wilde om eene ham gegaan, hij had zich een roggebrood, een mes en eene kruik water aangeschaft; en eiken morgen, opdat de knecht der hoeve op den zolder niet zou moeten komen, wierp hij, door het zoldervenster, een twintigtal, door hem gebonden bundels hooi beneden, die tot voeder voor vee en paarden moesten dienen.
Stien, van op het hof, hield hem dag vóór dag, uur vóór uur soms, op de hoogte van den vooruitgang der ziekte. Eerst was het Emilie, het tweede meisje dat zich had gelegd; den volgenden dag Mathilde, \'t jongste; vóór het einde van de week, de boerin zelve. Emerance was thans in de ergste periode der ziekte; zij doolde en had haar aangezicht vol puisten. De dokter, niet meer weggezonden, kwam nu da-
189
DE POKKEN.
gelijks. Er was een ziekendienster en een vreemde meid in huis.
De besmettelijke ziekte was toen op de wijk tot haren hoogsten graad van hevigheid geklommen. Van \'s morgens tot \'s avonds bromde de verre doodsklok; alle huizen waren gesloten; geen geluid brak de doodsche stilte; niemand ging langs de eenzame wegen; niemand, tenzij soms een trage, akelige stoet, die bedrukt en ellendig, over het naakt, besneeuwde veld, onder den lagen, loodkleurigen hemel, een lijk naar \'t kerkhof voerde.
Sidderend in zijn hooi verborgen, sloeg Nonkelken van uit het kijkgat van \'t gesloten zoldervenster alles gade. Hij was, zoo mogelijk, nog verbleekt, nog vermagerd. Zijn aangezicht, sinds dagen niet gewas-schen noch geschoren, zag er grauw uit; zijne handen, ontvleesd en knokkelig als klauwen, waren zwart en vuil; zijn lichaam, slecht gevoed, kromp gansch ineen; en telkenmale hij den dokter op de
190
I)E POKKEN.
hoeve komen of een nieuwen doode naar het kerkhof dragen zag, kroop hij nog dieper in zijn hooi, verkleinde hij zich nog, keek hij, van uit zijn loergat, met steeds helscher, vervaarlijker oogen, naar dien onvatbaren, maar naderenden vijand; naar de doodsche eenzaamheid van dat besneeuwde veld, naar dien grijzen, aschkleu-rigen hemel, naar dat gansche akelig landschap van ellende, waar hij, onder schier lichamelijke, handtastelijke vormen, de vree-selijke mikroben van de pokken meende te zien zweven.
De plaag, althans, woedde niet al te hevig op de hoeve der weduwe Eooze; en, op zekeren morgen, riep de knecht van uit het deurgat van \'t woonhuis tot Nonkelken :
„Hier zijn ze allen buiten gevaar, maar Kamiel van Wilde is zeer slecht.quot;
Nonkelken\'s oogen fonkelden. Had hij zulks niet voorspeld? Hij stak zijn scherp gelaat vooruit, als wilde hij iets zeggen, maar
191
DE POKKEX.
de knecht voegde er bij, schimplacliend:
„De dokter zegt dat het zijn eigene schuld is, door zich te laten enten, toen hij reeds de ziekte in zijn lijf had. Dan wordt de kwaal veel erger. Hadde hij zich op tijd laten enten, de besmetting zou hem nooit geraakt hebben, beweert de dokter.quot;
Voor de eerste maal sinds veertien dagen ontsloot een afschuwelijke grijnslach Nonkelken\'s grauwe lippen. Hij liet een schor, schrapend geluid hooren, sloeg het zoldervenster dicht en kroop weêrom in zijn hooi, den snijdenden blik door het loergat op het doodsche, besneeuwde landschap gevestigd.
Eenige dagen verliepen. Nonkelken, van uit zijn kijkgat, zag van lieverlede, achter de heldere keukenvensters, de genezene familieleden, in halsdoeken en wollen dekens omwonden, met roode, bekorstte, wandroch-telijke aangezichten, terug in de keuken verschijnen. Eerst was het de boerin, weldra de beide kleintjes; Emerance \'t gelaat
192
DE POKKEN.
schier ong-eschonden, \'t laatst. Hij zag ze, zwak en gebogen nog, op stoelen zitten, eens rond de keuken slenteren, wat eten voorbereiden. Ietwat gerustgesteld en eindelijk walgend voor zijn dagelijksch regiem van ham, water en roggebrood, kwam hij op zekeren morgen beneden, sloop in den koestal, dronk er gulzig uit eenen emmer eene pint versch gemolken melk. En juist was hij terug op zijnen zolder en keek hij instinctmatig door zijn loergat, toen bazin Rooze en de knecht terzelfdertijd op den drempel van de woonstede verschenen.
De vrouw, het aangezicht rood en gezwollen, keek angstig met verdwaalden blik naar \'t zoldervenster, terwijl Stien met loome schreden tot de hooischuur naderde.
„Nonkel!quot; riep hij.
Nonkelken stak zijnen scherpen neus en zijne fonkelende oogen door het kijkgat.
„Nonkel,quot; riep de knecht, „hier zijn zij allen genezen en gij moogt zonder ge-
13
193
DE POKKEN.
vaar weer in huis komen, maar Kamiel Yerniers, van Wilde, is dezen morgen gestorven. quot;
Een helsche, bijna triomfale glimlach glom op Nonkelkens gelaat. Hij sprak geen woord, hij sloeg zijn loergat dicht en kwam beneden.
Gedurende drie dagen nog liep hij, zonder in huis te durven gaan, in de stallen en over den boomgaard rond. En toen hij eindelijk, na tallooze aarzelingen, met een kloppend hart en de omzichtigheid van een sluipdier, den vierden morgen in de keuken kwam, waar de familie naast de dienaars aan de ontbijttafel zat, klonk zijn eerste, van op den drempel, met een uitdagend gebaar uitgesprokene woord:
„Eiwel, wie had er nu gelijk, zij die zich lieten enten of zij die het niet deden?quot;
De kleintjes, nog verschrikt, Emerance, norsch en weenend, bleven onhutst en sprakeloos ; en \'t was de vrouw, de vuile, aanstoote-lijke vrouw, welke vol overtuiging, met rood.
19i
DE POKKEN.
gezwollen aangezicht, met stijven blik en met de parel op liet oog, antwoordde:
„Nonkel, zoolang wij leven, zal er niemand op ons hof van de pokken geënt worden.quot;
195
mm
G AMPEL A ARKEN.
ii
-VSM
1
GAM PEL AARKEN.
\'t Was in December, bij liet vallen van den avond. Het had den ganschen dag gesneeuwd, gesneeuwd zonder einde noch verpoozing, gesneeuwd als om de aarde onder haar witte deken te begraven en het begon te duisteren, toen de groote wagen, die naar de stad een nieuwen stoomketel was gaan halen, met zijn vracht het hof van de fabriek kwam opgereden. De paarden schuimden; de leidsman, als een eskimo onder zijne haren pet en zijn oud-soldatenmantel verborgen, deed, voor den laatsten ruk, zijne zweep klappen; eene
GAMPELAARKEN.
groep nieuwsgierig volk kwam meegestroomd. Ik liet de hooge ingangpoort sluiten, de paarden uitspannen, en de uitlading begon.
Twee groote, kloeke houten kranen werden dwars boven wagen en ketel geplaatst. Daarin zou het stalen monster, in touwen en kettingen gebonden, met de kaapstanders worden opgetild. Eens opgetild, moest men den ontladen wagen doen vooruitglijden, en zachtjes dan, door het trapsgewijs lossen der kaapstanders, den ketel op den grond laten zinken, \'t Was een eenvoudig werk, maar niet zonder gevaar.
Ik gaf mijne bevelen; de arbeiders werkten; de nieuwsgierigen, die ik niet wegge-kregen had, stonden te kijken.
Onder dezen bevond zich een jong knaapje. Het kon een jaar of twaalf oud zijn, was klein van gestalte, droeg gele klompjes en een rond zwart hoedje met neerhangenden rand, waaronder zijn bleek gezichtje schier geheel verborgen zat. Men hadde gezegd een kabouterken. Ik kende het van naam en aanzien. Het
200
GAMPELAARKEN.
heette „Gampelaarken,quot; en was het zevende of achtste zoontje van zeer arme werklieden. Stom en roerloos van opgewekte belangstelling zag het toe.
Een mensch kan somtijds toch wreedaardig wezen! Wat kon het mij nu schelen, dat het knaapje, zoowel als de grooteren, daar stond. Het deed niet het minste kwaad; het hield zich stil, stil als een muisje in \'t meel, om toch niet weggezonden te worden, en wellicht daalde, hij het gezicht van dat groot, vervaarlijk werk, een nuttige en onuitwischhare indruk in zijn teeder hartje. Maar daaraan dacht ik niet! Het rasse en gelukkige vorderen van het werk had, mijne eerste vrees voor moeilijkheden verjagend, eene soort van zelfzuchtige opgeruimdheid in mij verwekt; en aangestuwd om dit gevoel door iets overtolligs te uiten, l)oog ik neêr, raapte een weinig sneeuw van den grond, kneedde die ineen, en gooide ze naar \'t knaapje. Het balletje viel boven op zijn hoedje, en maakte er eene buil en eene witte vlek.
201
GAMPELAARKEN.
Het ventje sprak geen woord, maar keek, ietwat verschrikkend, schichtig naar mij op. En, mij terstond als den dader herkennend, ging het, steeds zwijgend, een paar voetjes op zijde staan, achter den rug van eenen groote van waar het opnieuw, met klimmende belangstelling, het werk aanstaarde.
Ik wachtte eene wijl, hoog weêr ten gronde, raapte wat sneeuw, kneedde die harder en wierp een tweede halletje. Een koTt en dof geklets trof ditmaal mijn gehoor, en \'t kwam mij voor, als zag ik het knaapje, voortdurend stilzwijgend, eensklaps in de steeds dichtende duisternis wegsmelten en verdwijnen. Maar mijne aandacht werd terug tot het werk geroepen.
Nu hing de ketel, onder de kranen, in zijne armdikke ketens en touwen getild. De zware wagen werd vooruitgestooten, eene breede opene ruimte scheidde het zwart hangend monster van den wit hesneeuwden bodem. Nu zachtjes, zachtjes de kaapstanders gelost! De touwen kraken, de kettin-
202
(UMPEL AARKEN.
gen knersen. Langzaam, in spookachtigen schemerglans, daalt het wangedrocht naar den grond. Nog een draaitje, nog éen, nog éen, en een zucht van verlichting ontsnapt aller lippen: wij zijn er, het gevaarlijk voorwerp is zonder onheilen op zijne plaats gebracht.
Maar wat gesnik, wat doffe weeklacht klinkt nu eensklaps in onze ooren? Is iemand gekwetst? Verschrikt keer ik mij om, en sta vóór Gampelaarken.
„Waarom weent ge, ventje?quot;
Het weent en zucht, met zijne beide vuistjes aan de oogjes, maar antwoordt niet, zegt niet waarom.
„Zijt ge gekwetst? Hebt ge pijn?quot;
Het knikt met zijn hoofdje.
„Waar? . . .quot;
Ik verbleek bij de gedachte, dat het misschien ... van eenen der kaapstanders----
„Hier,quot; snikt het, met de hand naar zijn mondje wijzend.
Ik kijk bij het licht eener bijgehaalde
203
204
lantaarn, en zie een dun streepje bloed, dat met tranen en kwijltjes vermengd, langs zijn kinnetje loopt.
„Waarvan is dat?quot; vraag ik, meer en meer angstig.
„Van dien laatsten sneeuwbal.....quot;
0 Grampelaarken, ik heb u gestreeld en gekust en getroost en u centen gegeven, maar neen, mijn berouw en medelijden hebben in mij de pijnlijke ontroering niet uit-gewischt, welke op mijne kleine misdaad volgde; want, wat mij daarin ontroerd heeft, is noch zoozeer mijne misdaad in zich zelve, noch uwe kinderdroefheid, noch zelfs dat dun streepje bloed, hetwelk met tranen en kwijltjes vermengd, langs uw kinnetje vloeide, maar wel de zwijgende gelatenheid, waarmede gij mijne barbaarsche handelwijs beje-gendet; uw stille onderwerping aan een onverdienden smaad; dat gansche, u als het ware ingeboren voorgevoel van wat uw later leven wellicht zal moeten wezen: arm zijn.....lijden_____ kind, en zwijgen.
OP EEN ZOMERAVOND.
OP EEN ZOMERAVOND.
Eenzaam, een pakje in zijn linkerhand en zijnen gaanstok in de rechter, volgde van Thnijne met wijden tred den regelrechten, met linden bezoomden steenweg, die, hoog als een dijk, dwars door de onafzienbare weiden, het dorpje N. aan de stad G-. verbindt. De in purperen glorie ondergaande Julizon bescheen hem zijdelings en schoot, bij eiken stap, rensachtig-schnin zijn zwarte schaduw uit, tusschen de onbewegelijke schimmen der ook reusachtig uitgerekte stammen van de linden. Aan zijn plunje erkende men een op zijn best gekleede buitenwerkman;
OP EEN ZOMERAVOND.
aan den glans van geluk, die uit zijn rond, joviaal aangezicht straalde, begreep men dat hij ergens naar een feest of pleizierpartijtje trok. Zoo was het inderdaad: hij ging ter kermis naar de groote stad G-., aldaar door zijn gehuwde oudste dochter uitgenoodigd.
Zoet en opbeurend waren al zijne gewaarwordingen. Gedurende zoo menigvuldige jaren was zijn levenslot zóó ruw geweest; gedurende zoo menigvuldige jaren had hij gesjouwd, gezwoegd, zonder ooit, zelfs des Zondags, een vollen dag uitspanning en rust te genieten; maar nu dat zijn kinderen groot werden en hem allen zoo moedig terzijde stonden, begon hij toch te hopen en te gelooven, dat zijne goede vrouw en hij een vreedzamen onbekommerden ouden dag zouden hebben.
Was het niet reeds als een begin van welverdiende loon en onbezorgdheid, als een dageraad van vreedzaam leven en geluk, die drie vacantiedagen, welke hij in de groote stad zou doorbrengen. Gotl! drie
208
OP EEN\' ZOMEKAVOXD.
dagen! \'t was bijna niet te gelooven! Hij herinnerde zich niet, neen, gedurende zijn gansche leven niet, drie achtereenvolgende dagen werkeloos doorgebracht te hebben.
Zijn rond en vroolijk aangezicht had zich bij die gedachte onder een breeden glimlach van geluk ontloken. Ah! hij wist wel waaraan hij ze besteden zou, die dagen. Eiken morgen, de handen quot;wellustig in de broekzakken, en de sigaar, ja, ja, de sigaar in den mond, een bezoek in al de herbergjes van de wijk; hier, een spel met de kaart, daar, een spel met de bol, onder het drinken van een aantal lekkere borreltjes; om één uur, de terugkomst naarEomanie\'s huis, gansch opgeruimd, gansch verkwikt, een klein beetje beschonken zelfs, maar niet te veel, juist genoeg om als een gelukzalige Eomanie\'s ongeëvenaarde soep met bolletjes en haar zoo onuitsprekelijk lekker rundvleesch te gebruiken. En dan, na \'t middagrustje, de lange, slën-terende wandeling met Eomanie, haar man en kinderen; \'t bezoek aan do volksspelen
14
209
OP EEX ZOMEKATOND.
210
van de wijk, \'t genieten der muziek op de kiosken, de opstijging des luchtbals en \'s avonds, midden het zwart gekriel en het joelen der duizenden aanschouwers, de betoo-vering van illuminatie en vuurwerk. O! het zou zoo prachtig, zoo verrukkend zijn! Hoe jammer, dat moeder niet had kunnen meekomen! Maar \'t huis mag toch alleen niet blijven met de kinderen; toekomende maal zou het haar beurt zijn. En \'t gelaat steeds stralend van naïeve vreugd, stapte hij al rasser en rasser over de eenzame, regelrechte baan, zijn nog verlengde schaduw stap bij stap tdtschietend tusschen de nog verlengde onbewegelijke schaduwen der lindestammen; zijn blikken gevestigd nu eens op het smaragd der weiden, waarin de rosse en witte grazende koeien zich in de glorie van den zonsondergang als vlekken van goud en van zilver bewogen; dan recht voor zich uit, op het als het ware samenkrimpend uiteinde van den steenweg, waarachter, gehuld in een vjpemden.
OP EEN ZOMERAVOND.
grootschen smook, zich reeds vaaglijk de omtrekken der voorstad vertoonden.
Eensklaps trok een verwijderd, maar akelig luidend gehuil, waarin zich een snel naderend geratel van wielen over den steenweg mengde, van Thuijne uit zijn zoete bespiegelingen.
Hij keerde zich om en ontwaarde een gespan dat, in dolle vlucht voortgezweept, hem spoedig achterhaalde. Hij bleef palstil aan den rand van den weg staan, schielijk, met een uitdrukking van instinctieven angst op het gelaat, beseffend dat het iets buitengewoons, wellicht iets vreeselijks gold.
Zijn eerste gedachte was, dat het paard — een klein zwartje — op hol liep. Maar het zien van een zweep, die onophoudend, onophoudend kletsend van onder de kap der kar geslingerd kwam, en van een pak, een ros, langwerpig pak, dat, met een touw onderaan de as gebonden, hotsend en botsend in dien zotten rit over de steenen voortgesleurd werd, veranderde zijn meening, terwijl het
211
OP EEN\' ZOMERAVOND.
aanhoudend, meer en meer akelig weergalmend gelmil hem iets schrikkelijk barbaarsch deed vermoeden. Hij kwam een stap nader, hij keek, met oogen vol afschuw, naar het vervaarlijk, naderend tafereel.
Toen het rijtuig slechts op een dertigtal meters afstands meer was, zag en begreep hij alles. Het paardje, dat schuimde, zooals hij nooit een arm beest zien schuimen had, werd door een woestaard, die in het karretje zat, vooruitgezweept; en het pak, het langwerpig, rosachtig pak was een hond, een groote gele trekhond die, de pooten saamgebonden en een touw om den hals gestrikt, huilend en bloedend, op deze afschuwelijke wijze meegesleurd werd.
„Houd op!quot; schreeuwde eensklaps van Thuijne, onberedeneerd, als een uitzinnige, stok en pak weggooiend en met beide handen naar den muil van het paardje springend.
Hij werd een heel eind meegesleept, hij kreeg een vreeselijken zweepslag in het aangezicht, een stem tierde, vloekend, in het
212
OP EEX ZOMERAVOND.
aanhoudend, afgrijselijk gehuil van den hond. „Los! laat los! of \'k sla u dood!quot;
Maar van Thuijne, door een onweerstaanbare impulsie overweldigd, was eensklaps als razend geworden. Hij kende zichzelven niet meer; hij wist niet meer wat hij deed; hij sprong naar die stem, hij verworgde ze in de keel van den woestaard; hij riep, met van woede uitgespalkte oogen, terwijl hij de bruut in zijn kar ten gronde duwde:
„Monster! schelm! waarom mishandelt gij die arme beesten?quot;
De woestaard wrong zich uit zijn klauwen los, sloeg hem zijn vuist in \'t aangezicht, huilend als een bezetene:
„\'t Graat u niet aan! ik ben er meester van!quot;
Het was een kloeke kerel, een groote, roode rosse, met een afzichtelijk opgezwollen tronie. Het scheen van Thuijne dat hij dronken was. Maar van Thuijne ook was kloek en de woede, die hem vervoerde, vertien-
dubbelde zijne krachten. Hij greep hem
*
213
OP EEN ZOMERAVOND.
weder bij de keel, duwde hem weder acli-terover, schreeuwde opnieuw:
„Monster! schelm! waarom mishandelt gij die arme dieren!quot;
De bruut beet van Thuijne in de linkerhand. Hij beet er in, dat er het bloed uit spatte en dat van Thuijne de kleine verbrijzelde beentjes voelde kraken. En, daar hij aldus nogmaals uit zijn klauwen was geraakt, stiet hij hem achterover uit het rijtuig op den steenweg en zweepte nog razender op zijn paard, om voort te rijden.
Wat er alsdan geschiedde zou van Thuijne niet bepaald kunnen zeggen...
Hij bleef eenige stonden, als duizelig, dwars over den steenweg liggen, en, weer bijgekomen, zag hij het monster uit al zijn macht, met de scherpe zijde van een hamer in het lijf van zijn paardje hakken. Het arm beest wilde of kon niet meer voort. Het trippelde als ter plaats genageld, en wipte beurtelings hinnekend op, of zeeg verlamd door zijne kniebogen, terwijl het
214
OP EEN ZOMEKAVOSD.
bloed, met zweet en schuim gemengd, in breede stralen langs zijn schenkels stroomde. En steeds bij eiken schok, huilde de hond die, afschuwelijk om aan te zien, met verbrijzelden mnil, met bebloede, beslijkte, aan stukken gescheurde huid en uit hun holten gerukte oogen, onder het karretje te sterven lag.
Toen sprong van Thuijne als onder een spoorslag weder op. Met ijzeren hand rukte hij den hamer uit fle hand des woestaards, wipte in \'t rijtuig en, met een enkelen slag op den kop, velde hij \'t monster neer. Maar hij wist zelfs niet, dat hij hem met den eersten slag ter dood getroffen had, hij sloeg opnieuw, hij sloeg en sloeg maar altijd voort, blindelings en nutteloos, eiken slag met een somber gegrol van woestheid begeleidend, zijn aangezicht, ook monstrueus afzichtelijk geworden, zijn ver uitgespalkte oogen als door eenen rooden laai beneveld, zijn handen, zijn wangen, zijn oogen, zijn rochelenden, hijgenden mond volgespat van
215
OP EEN ZOMERAVOND.
het bloed en de hersenen van zijn afschuwelijken vijand.
Eensklaps werd hij heftig door twee handen bij den kraag gegrepen en uit het
karretje gerukt.....
Twee mannen hielden hem vast, die hem in een oogwenk ontwapend hadden; een aantal anderen kwamen in de verte toegesneld.
Als in een weerlicht werd van Thuijne der werkelijkheid bewust. Hij staarde, stom, verschrikt, verwilderd de twee mannen aan, die, wilde kreten slakend, hem krachtig op zij duwden; hij staarde naar \'t afgrijselijk schouwspel op den steenweg; hij begreep de daad, die hij begaan had; hij begon te beven en schielijk, door zijn beenen zakkend, barstte hij als een kind in tranen los.
In enkele oogenblikken werden zij door een, als uit den grond gesproten, joelende menigte omringd; men verdrong hen ten allen kante, men omringde het paardje, dat in de draagboomen van \'t karretje was neergevallen en den hond, die pas gestor-
21G
OP EEX ZOMERAVOXD.
ven was; en kreten van afschuw en woede weergalmden, gemengd met driftige uitroepingen en verwarde vragen. De beide mannen, die van Thuijne uit het karretje getrokken hadden, hielden hem steeds uit al hun krachten vast, hijgend, heen en weer geslingerd door het brommend gepeupel als door een zeebaar, hun gevangene beurtelings rechts en links der baan leidend, zonder te weten waarom.
Eindelijk kwamen, met uitgetrokken sabel, drie agenten van politie toegesneld. Zij dreven heftig het janhagel uiteen, twee van hen maakten zich meester van den weer-loozen, steeds als een kind schreienden gevangene, deden hem de boeien aan en namen hem onmiddellijk mede; de derde liep naar \'t karretje.
Zij stapten vooruit, snel, snel, zoo snel zij konden, door een steeds driftiger, steeds aangroeiende menigte begeleid. En uit die diep ontstelde menigte, die nog maar onduidelijk de oorzaak en de aaneenschakeling
217
OP EEN ZOMERAVOND.
van den moord begreep, ontstond nochtans een algemeen en overweldigend gevoel, een instinctmatige en almachtige kreet des harten, een kreet van angst en medelijden voor den rampzalige, die den dood gepleegd had. Allen wilden hem aanschouwen, heele benden snelden op de flanken van den stoet voornit, vrouwen schreiden luidkeels, kinderen slaakten scherpe kreten. En de agenten werden van lieverlede overrompeld; met dreigende gebaren van hun bloote sabels, die in de avondzon glinsterden, moesten zij onophoudend de nieuwsgierigen verdrijven, met een stoot der vuist of knie deden zij steeds spoediger vooruitgaan den gevangene, die, snikkend en machteloos, nu midden zijn tranen zonderlinge smeekingen uitte, afgebroken woorden en zinnen, die niemand begreep.
Eeeds naderden zij de voorstad. De laatste stralen van de ondergaande zon, rood als vuur, weerkaatsten zich als een brand in de vensterruiten van de naastgelegen huizen en de hooge wanden der fabrieken
218
OP EEN ZOMERAVOND.
kleurden zich als met vlekken van bloed, ter-wijl, in den dikkenden avondsmook, het reusachtig en verdofd gebrom der groote stad opsteeg.
Zij stapten over een brug die onder het getrappel der voeten dreunde. De joelende toeloop des volks was zoodanig groot geworden, dat men den ellendigen gevangene tusschen de twee agenten zelfs niet meer ontwaren kon. Men zag niets meer, in \'t opgejaagde stof, boven het deinend gekriel der hoofden, dan de punten hunner helmen, waaruit soms gensters schoten in den laten zonnegloed.
Zij kwamen tusschen de eerste huizen, hier en daar voor het feest van den volgenden dag reeds met vlaggen en wimpels versierd. Op de dorpels der deuren stonden vrouwen met bleeke, ontdane gezichten, die kleine kinders op den arm droegen. Jonge knapen liepen steeds, met schrille kreten, een stofwolk opjagend, den stoet vooraf en uit de meer en meer ontstelde menigte, wier gemeenschappelijke ziel eindelijk onweerstaanbaar haar medelijden voor
219
OP EEN ZOMERAVOND.
den gevangene uitte, steeg nu één enkele, alom herhaalde, steeds zwellende en weldra als een donder boven de deining der hoofden rollende kreet:
„Hij heeft wel gedaan! Laat hem los! laat hem los! laat hem los!quot;
En plots greep er, aan \'t hoofd der kolom, een vreeselijke worsteling plaats. Kreten van woede weergalmden, de sabels der agenten werden gezwaaid en aan stukken geslagen, en eensklaps, begroet door een kolossaal gejuich, werd een man, die er afschuwelijk uitzag, een man die, het aangezicht bedekt met bloed en de kleeren aan flarden, klagend en schreiend, zijne geboeide handen smeekend naar het volk uitstrekte, zegevierend op de schouders getild en gedragen: het volk, dat eindelijk zijn daad begrepen had, kwam hem uit de klauwen der agenten te rukken en proclameerde hoog zijn vrijspreking, in een ahnachtigen kreet des gewetens.
220
\' S
\' ï
rS%a ■ ■■■ lt;■;
M
jï\'.ÏS
~hm.
m
X
r
■i vvV
4 li