I
VAK f4 No. Ma. sas hgt;n p$in»I!
HANDBOEK
DEK
CODTBDCHTIGE ZIELEN
DOOIÏ.
A.. 3VE- rgt;. Gk
Ik heb mij verheugd in het woord dat tot mij gezegd is: Wij zullen het Huis des Heeren binneugaan.
Psalm CXXI. 1.
BREID A.,
DE PBINS-Cabdinaal, D 64.
EDUARD VAN WEES,
1886.
IMPRIMATUR.
Datimi Breda, die 18 Dec. 1884.
I?- J. GABRIEL,
Can. Libr. Censor*
Snelpers Boek- en Muziekdrukkerij ran £igt;vabo tan Wees, te Breda.
Aan Oüzb toe Yronw van EeniiiareiiJen BSstai.
O Maria, Moeder van eeuwigdurenden Bijstand, die ik zoo gaarne aanroep onder dezen roemvollen en troostenden titel, Gij, die mij zoo vele\'bewijzen\'gegeven hebt van uw alvermogen en moederlijke goedheid, sta mij toe dat ik alvorens ü eene nieuwe gunst te vragen, deze zwakke hulde mijner kinderlijke dankbaarheid aan uwe voeten nederlegge.
U, lieve Moeder, wijd ik deze bladzijden, onder uw moederlijk oog geschreven en bestemd om uwen goddelyken Zoon te vereeren! Gelief ze te zegenen en al degenen, die ze lezen zullen, in de liefde tot Jezus te doen toenemen.
Dat uwe hand, die zich zoo dikwijls edelmoedig voor mij opende, aan Jezus deze zwakke hulde mijner ziel aanbiede, opdat mijne woorden, door zijn Goddelijk Hart en uwen moederlijken bijstand, vruchten van zaligheid mogen dragen; ziedaar de innige bede
Uwer nederige dienstmaagd.
VOORREDE.
Onze dagen kierhcveden zijn slechts lijden en beproeving. Doch eenmaal slaat het uur der verlossing, der rust, der vreugde voor degenen, die dapper gestreden zullen hebben; voor al degenen die begrepen zullen hebben dat, voor den hemel geschapen zijnde, zij zich laet mochten verlagen door op aarde Ie kruipen; dat, voor degelijke en eeuwige goederen bestemd, zij de iviifte en vergankelijke goederen der aarde moesten verachten; dat, bestemd voor een oneindig en eeuwigdurend geluk, zij dwaas zouden zijn zich aan de begoocheling eener bedriegelijke en kortstondige vreugde te hechten.
leder christen, die ten volle overtuigd is van deze troostende waarheid, en zich sterk gevoelt in het bewustzijn dat hij hier op aarde de begeerten zijns harten nooit geheel zal kannen verzadigen, moet zich dikwijls in den geest verheffen naar die heilige Stad, wier bezit zijne hoop zal vervullen en trier verovering aan zijn streven beloofd is. De geduchte aan den Hemel moet de vuurbaak zijn die zijne schreden vei licht en zijn leven verheugt.
Daarin moét hij den balsem vinden die zijne wonden heelt, d-in moed om hem in den strijd te ondersteunen, de kracht die hern de zegepraal doet behalen.
Ja, den Hemel beschouwen, den Hemel hegeeren, den Hemel veroveren , ziedaar wat het gedurig streven moet zijn van elke ziel die door de hartstocht niet begoocheld noch verblind wordt, die de zaken c\'er aarde met een kalm gemoed beoordeelt onder het heldere licht
V
der rede en des geloofn en met één blik de grootheid zijner bestemming gemeten heeft.
En waarom, indien althans ons oog door de aarde niet beneveld wordt, zouden wij den blik niet omhoog slaan naar den hemel, naar dat verblijf van ongestoord geluk, van een eeuwigen vrede, wanneer wij dagelijks ondervinden dat hier op aarde alles droefheid, ijdelheid en boosheid is ? Hoe zouden wij niet naar den hemel verlangen, terwijl dagelijks de strijd ons afmat, het gevaar ons verschrikt, de droefheid ons hart overstelpt, dat hart dat haakt naar rust en vreugde ? Hoe zonden we niet met al het vuur, al de kracht onzer ziel streven om dien hemel te verdienen, te veroveren, dien de Heer onder eede beloofd heeft aan hem, die getrouw zijne geboden zal vervuld hebben. Wees getrouw tot den dood en Ik zal u de kroon des levens geven. IJ Ik hen uw beschermer en uwe overgroote belooning. 2) Gelukkig de man die beproeving lijdt; hij zal de kroon des levens verwerven. 3) Al wie den wil volbrengt van mijn Vader die in den hemel is, is mijn broeder, mijne zuster, mijne moeder A) en heeft bijgevolg recht op mijn erfdeel. De ziel des rechtvaardigen moge dan hare vlucht nemen tot den troon des Almachtig en, om daar met de er: gelen en gelukzaligen zijne liefde te prijzen en zijne glorie te verkondigen, of wel zij dale ter aarde, u-aar alles slechts ijdelheid en droefheid van geest is. 5) Zij moge in zich zelve treden en zich verdiepen in de vernedering harer ellende en het bange van den strijd, of wel zij moge uitrusten aan den voet des tabernakels in de goddelijke omhelzing der H. Communie om hare behoeften, hare verlangens, hare vurige begeerten uit te boezemen, altijd ontsnapt haar de kreet: Naar den hemel!
1) Apoe. II, 10, 2) Gen. XV.l. 3) Jac. I, 12. 4) Matlli XII, 50. 6) Eccle. I,. 2 amp; 17.
IMPRIMATUR.
Datum Bredoe, die 18 Dec. 1884.
!?• J. GABRIEH.,
Can. Libr. Censor»
Snelpers Boek- en Mnziekdrakkerij ran Eduabd tan Wees, te Breda.
Aan Oize Hm Tronw vi EmpliireiÉi Bjjstaiiö.
O Maria, Moeder van eeuwigdurenden By-stand, die ik zoo gaarne aanroep onder dezen roemvollen en troostenden titel, Gij, die my zoo vele\'bewijzen\'gegeven hebt van uw alvermogen en moederlijke goedheid, sta mij toe dat ik alvorens U eene nieuwe gunst te vragen, deze zwakke hulde myner kinderlyke dankbaarheid aan uwe voeten nederlegge.
U, lieve Moeder, wijd ik deze bladzijden, onder uw moederlyk oog geschreven en bestemd om uwen goddelijken Zoon te vereeren! Gelief ze te zegenen en al degenen, die ze lezen zullen, in de liefde tot Jezus te doen toenemen.
Dat uwe hand, die zich zoo dikwyls edelmoedig voor mij opende, aan Jezus deze zwakke hulde mijner ziel aanbiede, opdat mijne woorden, door zijn Goddelijk Hart en uwen moederlijken bijstand, vruchten van zaligheid mogen dragen; ziedaar de innige bede
UWEU NEDERIGE DIENSTMAAGD.
VOORHEDE.
Onze dagen liierheveden zijn slechts lijden en beproeving. Doch eenmaal slaat het uur der verlossing, der rust, der vreugde voor degenen, die dapper gestreden zullen hebben; voor al degenen die begrepen zullen hebben dat, voor den hemel geschapen zijnde, zij zich tiiet mochten verlagen door op aarde te kruipen; dat, voor degelijke en eeuwige goederen, bestemd, zij deioufte en vergankelijke goederen der aarde moesten verachten; dat, bestemd voor een oneindig en eeuwigdurend geluk, zij dwaas zouden zijn zich aan de begoocheling eener bedriegelijhc en kortstondige vreugde te hechten.
leder christen, die ten volle overtuigd is van deze troostende waarheid, en zich sterk gevoelt in het bewustzijn dat hij hier op aarde de begeerten zijns harten nooit geheel zal kunnen verzadigen, moet zich dikwijls in den qeest verheffen naar die heilige Stad, wier bezit zijne hoop zal vervullen en uier verovering aan zijn streven beloofd is. De gedachte aan den Hemel moet de, vuurbaak zijn die zijne schreden vellicht en zijn leven verheugt.
Daarin moét hij den balsem vinden die zijne wonden heelt, d-tn moed om hem in den strijd te ondersteunen, de kracht die hern de zegepraal doet behalen.
Ja, den Hemel beschouwen, den Hemel begeeren, den Hemel veroveren, ziedaar wat het gedurig streven moet zijn van elke ziel die door de hartstocht niet begoocheld noch verblind wordt, die de zaken der aarde met een kalm gemoed beoordeelt onder het heldere licht
V
der rede en des gelooft en met één blik de grootheid zijner bestemming gemeten heeft.
En waarom, indien althans ons oog door de aarde niet beneveld wordt, zouden wij den blik niet omhoog slaan naar den hemel, naar dat verblijf van ongestoord geluk, van een eeuwigen vrede, wanneer wij dagelijks ondervinden dat hier op aarde alles droèfheid, ijdelheid en boosheid is 1 Hoe zouden tvij niet naar den hemel verlangen, terwijl dagelijks de strijd ons afmat, het gevaar ons verschrikt, de droefheid ons hart overstelpt, dat hart dat haakt naar rust en vreugde ? Hoe zonden we niet met al het vuur, al de kracht onzer ziel streven om dien hemel te verdienen, te veroveren, dien de Heer onder eede beloofd heeft aan hem, die getrouw zijne geboden zal vervuld hebben. Wees getrouw tot den dood en Ik zal u de kroon des levens geven. 1) Ik ben uw beschermer en uwe overgroote belooning. 2) Gelukkig de man die beproeving lijdt; hij zal de kroon des levens verwerven. 3J Al wie den wil volbrengt van mijn Vader die in den hemel is, is mijn broeder, mijne zuster, mijne moeder A) en heeft bijgevolg recht op mijn erfdeel. De ziel des rechtvaardigen moge dan hare vlucht nemen tot den troon des Alrnachtigen, orn daar met de engelen en gelukzaligen zijne liefde te prijzen en zijne glorie te verkondigen, of wel zij dale ter aarde, tea ar alles slechts ijdelheid en droefheid van geest is. 5) Zij moge in zich zelve treden en zich verdiepen in de vernedering harer ellende en het bange van den strijd, of teel zij moge uitrusten aan den voet des tabernakels in de goddelijke omhelzing der H. Communie om hare behoeften, hare verlangens, hare vurige begeerten uit te boezemen, altijd ontsnapt haar de kreet: Naar den hemel!
I) Apuc. 11.10, 2) Gen. XV,1. 3) Jac I. 12. 4) Matlli XII. 50. E) Eccle. L.2amp;17.
VI
Deze liefdezucht omvat alles ivat op deze bladzijden geschreven is met het doel de zielen, door Gods genade geroepen, te verlichten en te treffen, doch vooral met de hoop die zielen te ondersteunen en te sterken, welke God nauwer aan zich zoekt té verbinden en langs volmaaktere wegen tot zich te leiden.
Ja, zij zijn gericht tot u, godvruchtige zielen, die door het geloof verlicht, hebt begrepen en erkend dat alles hier op aarde niets en dat God »alles« voor u is; dat Hij alleen uw hart kan vervullen, dat hart dat nooit, nooit verzadigd is, omdat het voor het oneindige geschapen werd. Moge uwe ziel door het overwegen dezer bladzijden meer en meer onthecht worden van het aardsche, meer en meer gehecht aan God. Mogen zij u verlichten en troosten in alle zielsmart, u sterken in de beproevingen des levens. Moge uw hart als een echo van het mijne steeds herhalen : Naar den Hemel!
O hemel, gij het beloofde land. der ware kinderen Gods, ja, naar u verlangen wij! O Stad van God, open ons uwe poorten! Heilig Sion, toon ons uwe pracht! Dierbaar Vaderland, waarin al de kinderen Gods zich eenmaal zullen veréénigen, quot;tvees het zalig einde van onzen pelgrimstocht! Verblijf der uitverkorenen, waar de stroom der zuiverste geneuchten immer vloeit, wees voor eeuwig ons deel!
O mijn God, wanneer zal het duizendwerf gezegend, uur slaan , waarop het mijne ziel zal toegelaten worden in het verblijf der gelukzaligen U eeuwig te gaan loven! waarop mijn geest en mijn hart zullen opspringen van vreugde, o levende God! \\) Ja, wanneer .zal het mij toegelaten worden in uw huis te treden1? wanneer zal ik uit uwen mond die troostende woorden hoor en; Sta op, mijne welbeminde, mijne duif, en kom;
1
Ps. 1AXXI1I. 2.
VII
de winter is voorhij; de bloemen ontluiken! kom! 1) O zoete stem van mijn Jezus, wanneer zidt gij aldus tot mij spreken en wanneer zal mijne ziel u mogen antwoorden: Mijn Welbeminde is aan mij, en ik hen aan Hem! 2)
In afwachting van den dag waarop wij met de kroon der overwinning naar het hemelsch Jeruzalem zullen terugkeer en, herhalen wij, om ons te troosten over den langdurigen pelgrimstocht en ons te versterken in den strijd, dikwijls deze woorden; Naar den hemel!
(1 Cant. II, 10amp;8eq. 2) Cant. 11,16.
ZEEZRSTIE BOEKZ-
Overwegingen over de voornaamste godsdienstwaar heden, bijzonder geschikt tot dagelijksche meditatie.
Eerste Hoofdstuk.
ÖTtr hel eeuwig Weien, oorzaak en einde Tan alle dinjen.
Dit (het Woord) was in den beginne bij God.
Alles is door Hetzelve geworden. Joa. 1, 2, 3.
Beschouw, o mijne ziel, de heiligheid, de macht, de wijsheid, de goedheid, de rechtvaardigheid, de onmeetbaarheid en de volheid van het eeuwig, oneindig Wezen, dat u heeft geschapen; verdiep u in eene stille, nederige beschouwing der verheven volmaaktheid, welko in deze aanbiddelijke Eenheid uitschittert; vernietig u tot in het stof voor de allerheiligste Drievuldigheid en herhaal met de engelen en uitverkorenen : Heilig, heilig, heilig is de Heer almachtige God; 1) glorie aan Hem in het hoogste der hemelen. 2)
Gy zijt heilig, o God van majesteit, heilig in U zeiven, heilig in uwen naam, heilig in uwe werken, Gij zijt het toonbeeld, de vreugde, de glorie der heiligen.
1) Apoc. IV, 8. 2) 1.IICIB II, 14.
Uwe macht heeft geene greuzen, want, Gij spraakt en alles is geworden, Gij bevaalt en alles is geschapen. 1) De bergen smolten als was voor uw aanschijn. 2) De steunpilaren des hemels wankelen onder uwe schreden, de zee ligt gekluisterd, de golven der zee staan onbewegelijk, de geheele natuur is in bewondering en stilte bij uwe nadering.
Eer aan U, o Koning der koningen, aan U, o Heer der heeren, want al het geschapene is onderworpen aan uw gebied en buigt zich onder uwen wil!
Maar, o diepte der schatten van Gods wijsheid en wetenschap! 3) hoe verrukt, hoe verbaast gü ons! waarmede kan ik u vergelijken, o hemeltoorts, die de zielen verlicht en de harten verwarmt, schitterend Licht, dat alles ziet en alles bestraalt!. Waarmede zal ik U vergelijken, bewonderenswaardige Wijsheid, waarvan wij nooit de uitmuntendheid en den prijs zullen kennen. 4)
Hemelsche wijsheid, die uwe glorie stelt in ons geluk en die even onuitputbaar zijt in uwe hulpbronnen als bewonderenswaardig in uwe onmeetbaarheid! Gelukkig degene, die u gevonden heeft 5) en aan uwe hand wandelt.
En wat kan ik zeggen, o mijn God, van de uitgestrektheid, de grootte, de diepte, de macht van uwe liefde! Zij is als een verterend vuur dat alles verteert. Zij is dat goddelijk vuur, dat altijd brandt en nooit uitdooft, dat de harten ontvlamt door de mededeeling van eigen gloed; zij is die liefde die ons met een eeuwige liefde bemint 6) en ons in zijne goddelijke ontbranding wil doen smelten. 7)
1) Ps. CXLVIII, 5. 2) Ps XCVt, 5. 3)Kum.XI,33. 4) Sap. VII, 8. 5) Prov. VI11, 35. G) Jerum. XX V I. 3. 7) H. Aug..
10
Wat zal ik zeggen vau uwe onuitsprekelijke goedheid, die zich tot in het stof vernederde om het stof tot ü te verheffen; uwe goedheid, welke noch plaats noch tijd kan beperken, en die zich uitstrekt over al de werken uwer handen ?
Wat zal ik zeggen van uwe rechtvaardigheid, o mijn God? Even verschrikkelijk en gestreng als nwe goedheid en barmhartigheid zoet en troostend zijn, is zij in uwe hand het werktuig uwer wraak en niemand kan zich aan hare slagen onttrekken! Wat zal ik eindelijk zeggen van uwe oneindige majesteit, die hemel, aarde en hel vervult?
De glorie en de heerlijkheid van uwen naam zijn bewonderenswaardig in het heelal! Uwe majesteit verblindt de hemelsche geesten, en, onveranderlijk in uwe oneindige grootheid, ziet Gij de verloopen en toekomende een wen voortrollen; alles veroudert, alles verandert, alles gaat voorbij, alles neemt een einde, rondom U, o mijn God; Gij alleen blijft altijd dezelfde. Ja, ik erken het luide, o mijn God; Gij zijt alles; Gij bezit alles; Gij zijt het Opperwezen, bij U kan niets vergeleken worden, buiten U, Oorsprong aller dingen, kan niets bestaan. Buiten U bestaat er geen leven, zonder U kan uw schepsel geene gedachte vormen, geen vinger verroeren; de mensch heeft niets dat hij niet van zijn Schepper ontvangen heeft, en zoo hij zou ophouden krachtdadig deel te hebben aan de bron des levens, dan zou hij tot het niet vervallen, waaruit hij getrokken is; want \'s menschen kracht is slechts eene zwakke mededeeling der goddelijke kracht, zijne schoonheid eene schaduw der goddelijke schoonheid, zijne wijsheid een weerschijn van het opperste licht, zijne goedheid eene uitstraling uit het goddelijk Hart.
11
Ja, God is de boom des levens; de schepseleu zijti desze.lfs bladeren ea vruchten; zij putten hunne levenskracht eu rijpheid in dien vruchtbaren stam, die hun kracht en schoonheid mededeelt, en hun werken doet voortbrengen, die eeuwig zijne glorie zullen uitmaken, gelijk de vruchten het sieraad zijn van den boom, die ze voortbracht en voedde, want als de wortel heilig is zullen ook de takken heilig zijn.
Doch, indien de mensch, een nietig schepsel wel is waar, doch ook een redelijk schepsel, bekwaam is dit geheim te begrijpen, waarom erkent hij dan ook zijne onmacht en zijne afhankelijkheid niet? Waarom zoekt hij zijne kracht en zijn licht niet in de bron van alle kracht en alle licht? Waarom verwacht hij allen steun, alle hulp niet van Hem die alles is, alles bezit, die het Alpha en Omega, het begin en het einde 1) is van alle dingen, die bestaan en zullen bestaan gelijk er geschreven staat: Ik beu de eerste en de laatste en er is geen andere God dan Ik! 2)
Waarom dan wil de mensch zich onafhankelijk maken van die Almacht die niet alleen den draad zijns levens en zijn eeuwig lot in handen heeft, maar zonder wiens hulp hij zelfs geen adem kan scheppen. O nietig schepsel, hoe durft gij u vermeten te zeggen: »Er is geen God.quot;
O ik weet het: het is omdat de mensch geheel verslonden door zijne stoffelijke belangen, door zijne vermaken en aardsche genegenheden, zich niet doordringt door die grondwaarheden, door die gedachten welke hem een juist denkbeeld zouden geven van zijne nietigheid en zijne plichten; omdat die waarheden en die gedachten zijn hoogmoed en zijne opbruisende
J) A|)oc. 1, 8. 2) Isaise XLIV, 6.
12
hartstochten lastig vallen! Aldus zijne oogen ver-oordeelende om niet te zien, zijne oorea om niette hooren, acht hij zijn God, die hem alles is, voor niets, en belooft zich alles van het schepsel dat niets voor hem is.
De rechten van God miskend! welk eene afdwaling,
welke verblindheid, welke ondankbaarheid! Hoe waar | is het woord: Het licht schijnt in de duisternis,
doch de duisternis heeft het niet begrepen! 1)
O mensch, waarom heb ik geene honderd stemmen krachtiger sprekend dan die des oceaans, luider weergalmende dan die des donders, om u uit uwe dwaling te doen ontwaken en u toe te roepen, hoe groot de heiligheid is, die gij beleedigt, de macht, die gij miskent, de rechtvaardigheid, die gij trotseert, de wijsheid, die gij vlucht, de goedheid en liefde, die gij veracht, het groote goed, dat gij veronachtzaamt en de ijdelheid van hetgeen gij najaagt!
En gij, mijne ziel, verdiep u in het bewustzijn uwer ellende, uwer nietigheid! maar terwijl gij u in het stof vernedert om uwen Schepper te verheffen,
richt tot Hem uw smeekend oog om zijne hulp te verzoeken, daar gij uit uzelve niets vermoogt. Werp dan een blik op mij, o Heer, Gij, die zijt de levende God, de eeuwige Koning, die de aarde geschapen, de wereld bevestigd en den hemel hebt uitgestrekt! ^ Oneindige Goedheid, geef my door de almacht des Vaders, den wil en de kracht om alles te verlaten om mij tot ü te verheffen; geef mij door de wijsheid des Zoons het ware begrip der hemelsche zaken; doe mij uwe grootheid en mijne nietigheid kennen; en geef my door de liefde van den H. Geest eene groote edelmoedigheid, die mij aan mijzelven doe sterven om slechts in ü en voor U te leven.
1) Joa. 1, 5.
Tweede Hoofdstuk.
Overweging over de Ziel.
Wat is buiten Gü«1 grootlt;»r «Inn ew. ziel?
I H.
Ik herhaal dit woord met. dezen groeten Heilige, o mijn God, en smeek U mij de schoonheid eu de kostbaarheid van dit edelste werk uwer handen te openbaren.
Ja, toon mij de achting, die Gij gevoelt voor dat wezen naar uw beeld gevormd, bestemd om uwe volmaaktheid te weerkaatsen en eenmaal uwe glorie te deelen, opdat ik, door het goddelijk licht bestraald, al mijne zorgen bestede om volkomen te beantwoorden aan de inzichten van barmhartigheid die Gij vormt omtrent mijne ziel en de zielen dergenen, die Gij mij hebt toevertrouwd.
De ziel is Gods adem. Zij is een Wezen uit het goddelijk Wezen ontsproten en bestemd om daarin weder te keeren. God scheen den mensch een deel van zijn leven te willen mededeelen, ten einde ziin droombeeld van liefde te verwezenlgken en in zijn schepsel te herleven.
i Doch, reeds in het begin verijdelde de mensch dit
goddelijk plan; hij bezweek onder het gewicht der glorie, waartoe hij was verheven; eene dwaze liefde voor zich zeiven en voor de schepselen verwijderde hem uit zijn middenpunt, uit God, om in zich zeiven en in het genot eener schuldige onafhankelijkheid eene grootere volmaaktheid te gaan zoeken. Maar o schande! toen de mensch zich zeiven zocht liep hij in zijn verderf. Toen hij zich van God losrukte en op zich zeiven nederviel, toen hij zich scheidde van
14
de almachtige hulp van zijn Schepper, voelde hy zich nedergetrokken tot het stof, waaruit hij zijn bestaan had getrokken. Zie, hoe misvormd hij is! hy, een oogenblik te voren zoo schitterend van schoonheid, van verhevenheid, van geluk! Schande dekt zijn voorhoofd, schaamte kleurt zijn gelaat. Zijn verzwakt lichaam, zijne krachtelooze ziel voorspellen hem een dubbelen dood. Het juk der slavernij, hem opgelegd door den helschen vijand en de zonde, doet hem meer het gemis gevoelen der liefkozingen van den Hemel-schen Vader en de zoete vrijheid der kinderen Gods!
Maar kon God het meesterstuk zijner macht en zijner liefde verlaten? Kon Hij de glorie verliezen die Hij zich in zijn schepsel beloofd had, in dat schepsel waarin Hij al den rijkdom en de schoonheid zijner liefde veréénigd had? Neen, dat gedoogde zijne goedheid niet!
Maar om den mensch het leven terug te geven dat verloren had, moest hij het weder kunnen putten aan die goddelijke bron, waaruit hij dit de eerste maal ontvangen had. Daarom is Gods Zoon, in alles gelijk aan den Vader, menschgeworden en werd alzoo die. kostbare ader, waardoor den mensch de goddelijke genade toestroomde. Hij wilde het zoenoffer zijn voor onze zonden. Hij wilde door zijn dood de schuld voldoen van den mensch jegens zijn Schepper, en in zijn bloed de beleediging den Eeuwigen God aangedaan, afwasschen. Zijn van liefde brandend Hart heeft uitgeroepen: 1) O mijn Vader, brand- ea zoenoffers hebben ü niet behaagd, toen heb ik gezegd: Hier ben ik! om uw Slachtoffer te zijn en den gevallen mensch in uwe genade te herstellen. En
1) Ps. XXXIX, 9, 10. Ilebr. X. 6, 7.
15
zoo heeft God de wereld bemind dat Hij zijn eenigen Zoon niet heeft gespaard 1), den Zoon, het voorwerp van zijn eeuwig welbehagen 2), aldus het woord vervullende: Er zal een dag komen waarop mijn volk de grootheid mijner liefde zal kennen, een dag waarop ik zal kunnen zeggen: Zie mij hier, die vroeger tot U sprak. 3)
Willen wij dus de juiste waarde eener ziel kennen, overwegen wij dan wat zij Jezus Christus gekost heeft. Werpen wij het oog op dat kruis, waarop Hij onze ziel heeft vrijgekocht; nemen wij de schaal, waarin wij gewogen zijn geworden. Beschouwen wij wat God daarin heeft gelegd tegenover onze ziel en dan zullen wij hare waarde beseffen. Geen goud, geen zilver, maar Zich zeiven heeft Hij erin gelegd, en daardoor heeft Hij onze ziel aan zijne grootheid als het ware gelijk gemaakt. Een God, die zich vernietigt, vernedert, tot zijn laatsten druppel bloeds voor ons vergietende; ziedaar onze losprijs. 0 mijne ziel, verhef u boven liet stof, erken uwe waarde! De grootheid van God is de eenige maat, waarmede gij kunt gemeten worden.
Ach konden wij begrijpen wat onze ziel geweest is in de eerste plannen der Schepping en wat zij nog is in de beschikking der goddelijke barmhartigheid! O konden wij het offer begrijpen, dat God gebracht heeft om ons te redden en het lijden, dat wij Jezus Christus gekost hebben, hoe zouden wij ons boven do ellende eu de nietige zorgen dezer aarde verheffen!
O o
Hoe weinig zouden wij dat lichaam achten, van aarde gevormd, waardoor ons de onzuivere wateren der zonde toevloeien. Welke achting, welken eerbied zouden wij koesteren voor onze ziel, die, uit God
1) Joa. UI, 1.6. 2) Mat tb. XVII, 5. 3) Isaia: Lil, 6.
16
ontsproten, haar leven ontleent aan het goddelijk vuur eu steeds tracht tot haar goddelijken oorsprong •weder te keeren. Ja, Christenen, wat gij van den mensch ziet, is de meusch niet — al zijne glorie, zijne verhevenheid en zijne grootheid hehooren aan zijne ziel — het edele deel van u zei ven is niet datgene wat aan de aarde raakt, wat zich met de aarde voedt, maar datgene wat ten Hemel streeft, en zich met God voedt. — Laat dan uwe ijdele bekommeringen daar, en gebruik al uwe krachten om de verééniging uwer ziel met God te volmaken, zoodat gij hierbeneden in volle waarheid met den Apostel Paulus moogt zeggen: Ik leef niet meer, maar Christus leeft in mij. 1) Hij bezielt mijne gedachten, mijne begeerten, mijne handelingen; Hij geeft aan mijne daden, aan mijn lijden, aan mijne opofferingen een deel zijner oneindige verdiensten.
O roemvol en troostend verbond! o edel streven waardoor de ziel zich ten laatste geheel in haren Schepper verliest.
O christelijke ziel, dochter des Vaders, troon van den IT. Geest, gezellin der engelen, erfgenaam des Hemels, erken uwe waardigheid en vergeet nimmer
7 O O
den verheven rang, waartoe zijne groote liefde u wilde verheffen.
1) Gal. II, 20.
Deede Hoofdstuk.
Over helzeiïde Onderwerp.
Ik heb baar niet vergeleken bij de edelgesteenten; omdat in vergelijking met baar al het goad een latte! zands, en het zilver als slijk te achten is.
Sap. VII, 9.
setl. o Christenen, verdient gij dezen naam indien gij , datgene wat uwe ware grootheid uitmaakt niet weet te waardeeren, wanneer gij schijnt te vergeten dat ®n\' gij iets in u omdraagt dat uit God is ontsproten en ea het leven aan Hem ontleent, wanneer gij schijnt te 3.er\' vergeten, dat, voortgebracht door zijne hand, door •J?.® zijn hart, door zijn boezem, gij een oorsprong hebt .. J die u ver boven het stof verheft, en het stof aan u •J11® moet onderworpen houden? Zijt gij den naam !1* van Christen waardig als gij meer werk maakt van ven uw lichaam dan van uwe ziel, van dat levend beeld ,rei1 Gods bestraald door zijne eeuwige waarheid, van uwe ziel geschapen om Hem te kennen en Hem te van beminnen, gelijk Hij Zich zeiven kent en bemint ? (e3 Overweeg wat uwe ziel is, wat zij waard is, 111 er waartoe zij bestemd is, en dan eerst zult gij begrijpen e u hoe verblind, hoe schuldig gij waart, toen gij hare belangen veronachtzaamdet.
De ziel is de spiegel, waarin zich de goddelijke eigenschappen weerkaatsen! Zij is één in wezen, gelijk God; drievoudig in hare vermogens: verstand, geheugen en wil, gelijk God drievoudig is in de drie personen: Vader, Zoon en H. Geest.
Zij is een geest gelijk God een geest is en even als Hij is zy eene vruchtbare bron van alle volmaaktheid. De ziel, zegt de H. Augustinus, is het leven des lichaams gelijk God het leven der ziel is.
ijk ug [en ie, tan at-de
18
Hoe schoon is zij! Zij is een beeld der eeuwige schoonheid. Zij is zoo bekoorlijk dat God zelf verrukt was over zijn werk, en ware het ons gegeven dit goddelijk meesterstuk te aanschouwen dan zouden wij in geestvervoering sterven, gelijk God dit aan de H. Gertrudis heeft gelieven te openbaren. O onbeschrijfelijke schoonheid der ziel, schoonheid die het menschelijk oog niet zien kan, doch die de engelen in bewondering stelt, gij alleen hebt het geheim gevonden aan de blikken van den Allerhoogste te behagen!
Hoe kostbaar is de ziel! God de Vader deelde haar zijn adem mede; God de Zoon gaf haar tot den laatsten druppel van zijn bloed; de H. Geest verhief haar tot zijne Zuster, zijne Bruid, zijne Welbeminde, en rust met welbehagen in dien tempel, dien Hij zich heeft gekozen. Vragen wij der H. Maagd hoe hoog zij onze ziel schat, zij zal ons zeggen dat zij, om die ziel aan den dood té ontrukken haar eenigen Zoon geslachtofferd heeft! Ondervragen wij de heiligen en zij zullen ons leeren wat zij gedaan, wat zij geleden hebben om hunne ziel te redden. Zij zullen ons zeggen dat zij alles verlaten, alles verduurd hebben, dat zij de zeeën hebben overgestoken en tot het uiteinde der wereld hebben doorgedrongen om zielen voor Jezus Christus te winnen.
Ja, onze ziel is iets zoo grootsch, zoo edel dat zij zich zelve niet kent.
Ik weet niet wat Gij mij gegeven hebt, o mijn God, toen Gij mij eene zoo verhevene ziel gegeven hebt, roept do H. Augustinus in verrukking uit, dit is een wonder tuin ü alleen bekend; niemand kan dit bevatten.
Maar, ondoorgrondelijk geheim! naast deze on-nietelijke grootheid, welk een afgrond van laagheid l Hoe, die ziel voor wie de wereld geschapen is, die troon der Godheid, zijn erfdeel en schat, die ziel
19
gesclaapen om tot God, haar oorsprong, weder te keeren, Hem eeuwig te bezitten en zich geheel in Hem te verliezen, ligt gekluisterd in een lichaam van slijk gevormd, in een zondig lichaam, wiens, lage driften en zondige begeerlijkheden haar geboeid houden, wiens zintuigen even zooveel toegangen zijn voor den dood. O mijn lichaam, roept de ziel, wat moet ik met u doen, met welken naam moet iku bestempelen? Zware last, noodzakelijke steun, vleiende vijand, gevaarlijke vriend, lage dwingeland die mij overheerscht mij onderdrukt, in plaats van mij als een slaaf te dienen. Waartoe zijt gij mij gegeven en wie zal mij aan uwe heerschappij onttrekken? (Bossuet) Maar het lichaam is de eenige vijand der ziel niet. De wereld komt op hare beurt met hare gevaarvolle genoegens, hare bekoorlijke beuzelarijen, hare valsche vreugde en schuldige hartstochten, haar nieuwe kluisters aansmeden en helaas! zij laat zich verleiden en beheerschen door dien tweeden dwingeland, die op zijne beurt beheerscht en bestuurd wordt door Satan, den vorst der wereld.
Nog meer: bij het bedorven lichaam, de verleidende wereld voegt zich nog de hel om tegen dit edel schepsel samen te spannen, het aan zijn Schepper te onttrekken, het in zijnen afgrond mede te sleepen, in die vuurpoelen door God voor de misdadigers ontstoken! En zij zelve, zij zoo verheven in haren oorsprong, heeft in het vleesch door de zonde bezoedeld, neigingen aangenomen, die haar onteeren en haar van den troon naar den schandpaal voeren.
Welk een onbegrijpelijk geheim! In plaats dat de ziel zich zou verheffen tot haren Schepper door al hare vermogens te onderwerpen, staat zij tegen Hem op en gebruikt zijne gaven zelfs om Hem te beleedigen.
20
De geest van opstand, van onafhankelijkheid bezit en bestuurt haar. Wel is waar, is zij vrij geboren, maar het is slechts eene betrekkelijk# vrijheid; het is niet meer de vrijheid der kinderen Gods, die, haar ontheffende aan elke slavernij, haar deed heerschen over alles wat beneden haar en harer niet waardig was; hare vrijheid blaast haar op en zet haar aau zich te keeren tegen datgene wat boven haar geplaatst is en tegen zich zelve, met al hare kracht welke zij maar al te dikwijls gebruikt om op te staan tegen haren God en Schepper, zijn oppergezag te trotseeren, en pogingen aan te wenden om het juk dat haar onder zijne afhankelijkheid houdt, af te werpen. Is dit geen overmaat van verblinding en dwaasheid? Heeft zij dan vergeten dat Hij, wien zij den rug keert, haar Heer en Meester is? Vergeet zij dat Hij de Macht, de Sterkte zelve is aan. wien de geheele natuur moet gehoorzamen. Hij, lie de sterrenwereld in het uitspansel heeft geworpen, die alles in evenwicht houdt?
Bedenkt zij dan niet dat Hij haar met zijne oneindige barmhartigheid voorkomen, haar met eene eeuwige liefde bemind 1) haar de troostendste beloften gedaan heeft?
O christelijke ziel, indien gij de beleediging wel begreept, die gij uwen God aandoet wanneer gij aan de bedorven neigingen van uw lichaam toegeeft, wanneer gij u laat bekoren en verleiden door de valsche genoegens der wereld, wanneer gij uwen God verloochent, trotseert en verlaat om u aan Satan over te geven; wanneer gij, door Jezus\' liefde veroverd, u uit zijne armen rukt om u in de klauwen van zijn
1) Jerem. XXXI, 3.
21
helscKen vijand te werpen! quot;Welk een ongeluk, welk een verlies, welk een val! Hoe! gij veracht die verheven voorrechten, die u tot in de reien der engelen verheffen, gij verzaakt aan de teederheid, aan de vaderlijke zorgen van uwen God, gij onttrekt u aan zijne liefkozingen, gij veracht zijne wijsheid en zijne macht, gij verwijdert u van zijne goedheid, van zijne liefde en geene andere banden bestaan er meer tusschen n en God, dan alleen die, waarmede de verdoemden aan zijne rechtvaardigheid gekluisterd zijn!
O edel schepsel uit Gods hand, moge dit lot nooit het uwe zijn! O schoone Bruid van Jezus Christus, die u het geloof schonk tot pand zijner liefde, zijn bloed tot losprijs, zijne genade tot schat, wees Hem niet ontrouw! Gedenk dat gij zelfs in Gods oordeel eenen God waardig zijt, dat gij de groote eer hebt, een geest van zijnen geest, een zucht van zijn hart, een beeld zijner volmaaktheid te zijn. Bemin dan uwen Schepper, die u zoo veel gegeven, zoo veel bemind heeft. Bemin Hem alleen, bemin Hem vurig en werp u geheel in de vlammen zijner goddelijke liefde.
Vierde Hoofdstuk.
Alles in de naluur moei ons lol onzen Schepper voeren.
Aan den onsterfelijken Koning der eeuwen, aan den onzichtbaren, den eenigen God eer en glorie in de eeupren der eeuwen. Amen. I Timoth. I, 17.
Het is rechtvaardig en billijk. Heer, dat wij ü in uwe werken erkennen, dat wij in alles aan U onderworpen zijn, dat wij ü alles toeschryven wat
22
vaa U komt. Dit miskennen ware eene dwaasheid, dit vergeten ware eene ondankbaarheid.
Is het inderdaad niet afwijken van zijn einde wanneer men wederstaat aan Hem, die ons voor zich geschapen heeft en elk zijner schepselen heeft daar-gesteld als zoo vele sporten der ladder, die ons tot Hem moet doen opklimmen ?
De mensch, dat wezen door zijne hand gevormd, uit zijix hart genomen en naar zijn beeld gemaakt, mag hij vergeten dat hij op zijn voorhoofd het zegel draagt der Godheid 1) en de onsterfelijkheid zijner hoop?
Mag hij het gezag misbruiken dat de Schepper hem gaf, door zich het gebied toe te eigenen over de heerlijke gewrochten der natuur?
Waartoe die ontelbare menigte schepselen hem ten dienste gesteld? Waartoe die rijke en vruchtbare natuur, die zijn oog verheugt, en die veelvoudige vruchten, die zijn leven onderhouden? Waartoe die rijkdom, die pracht, die hem verblinden, die vreugde en liefde, die zijne ziel verblijden? Waartoe anders dan om hem de machtige, de edelmoedige hand te doen zegenen en erkennen, die hem in bezit stelt van al dat goede en schoone?
Ja, toen God den mensch overlaadde met al wat zijn bestaan kon bekoren en versieren, wilde Hij hem niet alleen zyne afhankelijkheid doen gevoelen, maar door eene overmaat van goedheid zocht Hij zijn hart te winnen en te boeien.
Hij is dau wel groot in uwe oogen, mijn God, die mensch, wiens woning Gij met zooveel zorg versiert, voor wien Gij zoovele wonderen daarstelt, wiens liefde Gij begeert! Gij hebt hem slechts een weinig beneden de engelen geplaatst. Gij hebt hem
1) Ps. IV, 7.
23
met eer en glorie gekroond en Gij hebt hem gesteld over het werk uwer handen. 1)
Maar, helaas! hij begrijpt het niet; en uit het hoogst der hemelen nederziende, vindt Gij er geen die uwe liefde begrijpen of U zoeken! 2)
O zegt mij, gij allen wie zooveel goeds, zooveel geluk ten deel is gevallen, die dit alles bezit als ware het uw eigendom, zonder dankbaar op te zien tot de bron waaruit U alles toevloeit, vermeent gij aldus te beantwoorden aan de inzichten, de verwachtingen van uw Schepper? Wat hebt gij dat het uwe is ? Wat bezit gij dat u niet van boven komt en niet naar boven moet terugkeeren? Intusschen keert gij door uwe monsterachtige ondankbaarheid de orde der zaken om; door u zeiven dwazelijk tot eene godheid te verheffen en alles tot u zeiven terug te brengen miskent gij niet alleen de weldaad, maar gij beleedigt den weldoener, en verdient aldus ten volle het verwijt dat God eertijds Israel deed: Gij dwaas en onzinnig volk, betuigt gij aldus den Heer uwe dankbaarheid. 3) Ik heb u tot Mij getrokken, Ik heb u in mijne armen gedragen en gij hebt niet begrepen, dat Ik het was die voor u zorgde? 4)
Treden wij in ons zeiven en genieten wij zijne ontelbare weldaden in die mate als het Hem behaagt; genieten wij die schoonheid, die de aarde en de hemelen ten toon spreiden; maar vergeten wij toch niet de oogen op te heffen tot Hem, die ons met zooveel weldaden overlaadt en die van onze zijde slechts een gevoel van erkentelijkheid vraagt.
Geven wij dan de vrije vlucht aan de gevoelens onzer dankbare liefde; loven en danken wij duizendmaal
1)P3.VH,6. 2) Ps. LU, 3. 3) Deut. XXXII, 6. 4) Oscte XI,3,4.
24
onzen Weldoener en herhalen wy met den profeet: O Heer onze God, Gij zijt alle glorie en eer waardig, 1) omdat Gij den hemel bekleed hebt met uwe pracht en de aarde vervuld hebt met een onuitputbaar voorwerp van lof. 2)
Beminnen en loven wij Dengenen die ous het eerst bemind heeft, en in onze ziel de kiem der liefde gelegd heeft.
Beminnen wij Hem, die gedurende de gansche eeuwigheid ons met Zich zeiven wil voeden; loven wij Hem door al onze werken en door Hemzelven, omdat Hij in alle dingen is en dat alles van Hem komt.
Ja, Heer, wij loven U en wij zullen uwen naam eeuwig prijzen, omdat Gij getrouw zijt in uwe beloften. Dat ons gebed zich dan tot U verheffe gelijk de geur van den wierook!
Vijtde Hoofdstuk.
Wal zijn de wonderen der naluur in vergelijking der goddelijke Tolmaaklbeid?
De hemelen verhalen de glorie van God en bet firmament verkondigt bet werk zijner handen. Pa. XVIII, 1.
Aan uwe voeten nedergeknield, o mijn Heer en Koning, beschouwde ik met een gevoel van bewondering en dankbaarheid alles wat mij omringt, wat mijne bewondering opwekt, mijne ziel in verrukking brengt, mijn hart ontroert en verteedert; neder-
1) Apoc. IV. II. 2) Hubac. III. 8,
25
gebogen voor uwe voeten, o mijn God, dacht ik aan alles wat myne ziel ontroerfc bij het gezicht van die heerlijke Schepping, dien schitterenden rijkdom, uit de ingewanden der aarde getrokken, die pracht die ons verrukt bij het beschouwen van het firmament; dan bewonderde ik het vermogen aan den mensch. geschonken om zijn blik te slaan in dat groote boek der natuur, en daar die wonderen te lezen, waaruit de wetenschap nut en het verstand voedsel trekken; ik telde ze op die gewrochten van zijn genie en van zyn hart, zoowel in die heerlijke uitvindingen, welke de aarde vergroot en hervormd hebben, als in die schitterende voortbrengselen van kunst en gedachte, welke, de verdelging der eeuwen trotseerende, hen die ze daarstelden, beroemd en onsterfelijk gemaakt hebben; doch met voorliefde bleef ik staan bij die verheven schoonheden, waarin de ziel des menschen zich kenschetst door zelfopoffering en moed, waarin het hart zich uitzet door de liefde en ik riep uit: Mijn God, wat is dat alles tegenover uwe macht, uwe wetenschap, uwe schoonheid, uwe liefde, al uwe volmaaktheden? Wat is dat alles dan een straal, een bleeke weerschijn van dien straalkrans van glorie, die uwe Godheid omgeeft?
Wat is dat alles voor U, o mijn God, die oneindig, ondoorgrondelijk en eeuwig zijt?
De zee is slechts een waterdruppel, de aarde een zandkorrel tegenover uwe grootheid! De hemel met die duizenden sterren, een zwakke schijn ontleend aan den eeuwigen glans, die U omgeeft! Bestaat er eene plaats waar Gij niet zijt? eene leegte die Gij niet vervult? Ik mag opstijgen of nederdalen, ik mag terug- of vooruitgaan, ik mag mij in mijzelven keeren of mij naar buiten uitstorten, overal zie ik U,
26
■overal vind ik U. Gij omringt mij, Gij omgeeft mij vau alle zijden. Bestaat er eenige kracht, reclitvaar-digheid of Avetenschap, die Gij niet bezit, Gij de volheid van het Wezen? Wat is eindelijk èu liefde, èn teederheid èu genegenheid der raenschen, dan een verloren straal, een ontsnapte vonk uit de oneindige vuurzee van uw goddelijk Hart?
Slechts uit de verte kon ik iets onderscheiden van den afgrond, die bestaat tusschen U, onbevlekte Schoonheid, onverdeelde Glorie, greuzelooze Macht; tusschen U, Zon der zonnen, Koning der koningen, «n een zwak en gering schepsel, zoo weinig verheven boven het niet, waaruit Gij het hebt getrokken.
Slechts ternauwernood begrijp ik de grootheid, de verhevenheid van uw bestaan, en al het licht, al dea glans, al de wonderen van dien Hemel, dien Gij door uwe onmetelijkheid vervult, en waar Gij op de Tronen gezeten, de Heerschappijen beheerscht, over de Machten regeert, de Deugden heiligt, de Cherubijnen met een onsterfelijk licht vervult, de Serafijnen ontvlamt door uwen eeuwigen liefdegloed. Maar dat weinige wat het mij gegeven is daarvan te zien, o mijn God, ontsteekt in mijn hart eene grootere begeerte om mij voor ü in het stof neder te werpen en mij voor uwe majesteit te vernietigen. Want ik erken het: elke geschapen geest, die zich tot de beschouwing van uw Opperwezen zou willen verheffen, zal slechts duisternis vinden en zal verblind worden door het licht en den glans uwer glorie;\' elke ziel, die vrede en geluk zoekt buiten ü, o Heer, die haar begin en haar einde zijt, zal slechts teleurstelling en smart ondervinden, volgens deze woorden van den H. Augustinus: Mijn hart zal ontroerd blijven tot het rust zal vinden in U, o Heer!
27
Moge dan bij het licM dezer opperste waarheid alles voor mij verdwijnen wat Gij uiet zijt, o Heer! dat alle schepselen zelfs verdwijnen, als zij mij niet tot ü verheffen, o Schepper van al wat zich beweegt, leeft en ademt! en dat mijne ziel slechts zoeke U te kennen, o mijn God, die door eene onuitsprekelijke goedheid haar groot genoeg gemaakt hebt om ü te beminnen, edel genoeg om U te bezitten !
Zesde Hoofdstuk.
De eersle Mensch. De gevallen Mcnsch. De in genade lierslülde Mensch.
De Zoon des menschen is gekomen om te redden wat verloren was.
Matth. XVIIf. II.
God, even oneindig in zijne macht, als bewonderenswaardig in zijne wijsheid, even ondoorgrondelijk in zijne plannen als onbegrijpelijk in zijne waarheid, heeft van het begin eene gedachte gevormd vol grootheid en liefde, door naar zijn evenbeeld een é schepsel te vormen, bekwaam Hem te begrijpen en bestemd om Hem te beminnen en te bezitten.
Dat schepsel, waarop het oog van den Meester van het heelal met vaderlijke teederheid rust, is de mensch, dat ware meesterstuk der Schepping, omdat hij alleen het middenpunt der werelden vormt, en in zijn persoon iets van het oneindige zich veréénigt met het stof.
Ts zijne ziel inderdaad niet eene uitstraling van God, geroepen om naar haar zwak vermogen de
28
de bewonderenswaardige volmaaktheid van God te weerkaatsen? Jezus Christus heeft ons dit willen herinneren door deze woorden: Weest volmaakt, gelijk uw hemelsche Vader volmaakt is. 1) Maar die mensch, waarin God het schitterend beeld zijner godheid gedrukt had, dien Hij niet de schitterendste gaven zijner wetenschap, heiligheid en rechtvaardigheid versierd had, de mensch, wiens schoonheid, grootheid en geluk bestond in zijne verééniging van gelijkenis en afhankelijkheid met het Opperwezen, beantwoordde niet aan zijne verheven roeping, en wilde zijn Schepper geen volstrekte gehoorzaamheid en opperste liefde bewijzen. Hij wilde zijn juk van afhankelijkheid afschudden, en de banden verbreken die hem aan den goddelijker! wil verbonden, om gelijk God het voorrecht te bezitten, door zich zeiven te willen en te handelen.
Hij stond op tegen Dengene, wiens oneindige liefde hem met zoo veel weldaden had overladen.
Deze dwaze handeling vernietigde grootendeels zijne gelijkenis met God, maakte hem onderworpen aan den dood, waartoe de rechtvaardigheid hem veroordeelde, en hij zou verloren geweest zijn, indien de goddelijke barmhartigheid de gestrengheid van het vonnis niet verzacht hadde.
Waar, o dood, is uwe overwinning, waar is uw prikkel, 2) sedert gij overwonnen zijt door het leven, dat gezegd had, uw dood te zullen zijn? 3)
Wat invloed had op uw geluk en glorie, o mijn God, het lot van dat ondankbaar schepsel dat, aan uw bevel weerspannig, zelf zijn geluk vernietigd had? Met de weldaad te verstooten, beleedigde het den
1) Matth. V, 48. 2) I Cor. XV, 55. 3) Osbeb XIH, U
29
Weldoener, en niets kon de goddelijke rechtvaardigheid ten zijnen gunste stemmen. Maar in dat misvormde beeld van ü zeiven herkende uwe barmhartigheid nog het meesterstuk van uwe macht ea uwe liefde; tusschen de ziel en uwe rechtvaardigheid werd een verbond gesloten, waarin uwe goedheid de overhand behaalde. En, droeg de gevallen mensch in zijn lichaam en zijne ziel de lidteekenen van zijnen val en de diepe sporen van den doodsteek dien bij van den geest des kwaads ontvangen had, zoo maakte de goddelijke barmhartigheid van die wonden zelfs de werktuigen zijner herstelling.
Het lichaam van den mensch, onlijdelijk en onbederfelijk geschapen, wordt tot straf veroordeeld, eenmaal in het stof van het graf te verdwijnen. Doch door de goddelijke macht zal hij slechts verdwijnen om zijn zondig hulsel afteleggen en uit zijne assche te verrijzen met eene glorie, veel grooter dan die, welke de zonde hem ontnomen had; en door een nog grooter wonder van barmhartigheid zal door de kracht der Verlossing het lichaam van den mensch in den bemel de teekenen dragen van zijn arbeid en zijn strijd, als glorierijke gedenkteekenen, die zullen schitteren als zoovele zonnen.
Maar de ziel, dat levend deel des menschen, die goddelijke stempel, werd het eerst en het ernstigst gewond foor den geesel der zonde; zij is slechts een verzwakt, vernederd schepsel. Het venijn van de helsche slang heeft hare vlucht verlamd, hare zielskracht gebroken, en terzelfder tijd zijn in haar vleesch begeerlijkheden opgestaan, die zich als zoovele dwingelanden werpen op haar, die God geschapen had om ze te onderwerpen, en welke haar nu mede-sleepen naar de laagste afgronden.
30
Maar de ziel wordt ook door de barmhartigheid van God bezocht en door zijne verlossende hand geraakt. God heeft zeker hare boeien niet verbroken en hare vijanden onmachtig gemaakt, Hij heeft meer en beter gedaan: Hij heeft haar door onzen goddelijken Zaligmaker Jezus Christus zijne goddelijke kracht medegedeeld. Door deze krachtige hulp kan zij met den H. Paulus zeggen: Als ik zwak ben, dan ben ik sterk. 1) Zij kan over zich zelve zegevieren en den verloren schepter hervatten. Elk barer uren is door den strijd geteekend; en indien zij wil, wordt elke strijd eene zegepraal, en elke zegepraal een graad hoogere glorie voor de eeawigheid.
Ziedaar, o mijn God, het verhaal van onzen oorsprong en onze bestemming. Gij hebt ons geopenbaard, hoe schoon Gij ons hebt geschapen, hoe de zonde ons heeft verlaagd en gewond, en langs welke wegen van wijsheid en liefde i;iwe barmhartigheid ons verlost heeft.
Dank aan uwe goedheid, weten wij dit; doch, helaas! hoe dikwijls verliezen wij dit uit het oog! Hoe menigmaal geven wij het gebied weder aan onzen weerspannigen wil! Hoe menigmaal laten wij de begeerlijkheden en hartstochten van ons ellendig bestaan de edele inspraken onzer ziel versmoren! Hoe menigmaal vergeten wij iu den strijd, dat Gij uwe goddelijke kracht ten dienste onze1^ zwakheid hebt gesteld en dat wij door die machtige hulp het vleesch kunnen overwinnen en hervormen! En zoo beletten wij door onze schuld het werk onzer verlossing; wij geven onze ziel over aan de slavernij van al wat er laag en verachtelijk in ons is.
1
II Cor. XII, 10.
31
Haar, den prijs van liet bloed van een God, geschapen om zijne liefde te verheffen, zijne glorie te vermeerderen, en deel te nemen aan zijne oneindige volmaaktheden, haar verlagen wij tot buigzaam werktuig van dat lichaam door God bestemd tot haar slaaf, haar laten wij deelen in deszelfs worsteling en zegepraal, Hoezeer strekken deze overwegingen, o myn God! om mij te vernederen, te doen erkennen zoo slecht aan uwe inzichten beantwoord te hebben, zoo slecht begrepen te hebben, dat uwe weldaden niet zija voor degenen die slapen, maar voor ben die waken en ernstig denken aan hunne zaligheid! 1)
Doch, heb ik tot dusverre aan de natuur de leiding van mijn leven overgelaten, zoo ga ik, van nu af, krachtdadig werken om haar te onderwerpen, mi) met U te vereenigen en die gelijkenis te vermeerderen die Gij mij met U gegeven hadt, en waarin Gij eeuwig u zeiven en mij verheerlijken zult.
Zevende Hoofdstuk.
Over hel Leven.
Wij hebben hier geen bestendige woonplaats, Htbr. XIII, 14.
Wat is het leven, en hoedanig moet men het beschouwen ?
Het leven is een kostbare schat ons door den Heer toevertrouwd, een onschatbare gift van zijne goedheid ; want, hadden wij het leven niet ontvangen, zoo konden wij de eeuwige zaligheid niet verdienen.
1) H. Ambrosins.
32
Maar hebben wij wel begrepen, dat wij slechts leven
om ons gereed te maken om te sterven, dat wij i
slechts op aarde zijn om ons tot de eeuwigheid te (
bereiden? Beschouwen wij het doel van ons bestaan ( en de uitnemendheid van onze bestemming in het ware licht? Schatten wij naar derzelver waarde die y c
aaneenschakeling van dagen en uren ons slechts 1
gegeven om den hemel te koopen, en leven wij z
niet hierbeneden, hetzij in droefheid of in vreugde, j
als hadden wij geene andere hoop, als moest onze {
pelgrimstocht hier op aarde niet eens een einde nemen, e
als moesten wij niet eenmaal een beter vaderland c
intreden ? -v
Waar is de mensch, wien de wijsheid niet gezegd g
heeft, dat het leven slechts een overtocht is, dat o
het ten opzichte van het toekomstig leven niet meer 2
is dan een droom ten opzichte van eene eeuw, dat, r
bestemd om eenmaal hemelburger te zijn, hij deze t
aarde slechts bewoont als een vreemdeling, een z
reiziger? Ja de meesten onzer kennen de heerlijke e
toekomst die God hun bereidt; zij weten dat, uit d
zijne scheppende hand voortgesproten, zij in zijnen -v
boezem moeten terugkeeren; zij weten dat zij slechts z op aarde zijn als zoovele zwakke stralen, die zich
eens moeten heréénigen in de zon der rechtvaardigheid, v
als zoovele beken, die moeten samenvloeien in den d
Oceaan aller volmaaktheid; als zoovele vlammen, die C
zich tot haar middenpunt moeten samentrekken om n
zich in den eeuwigen glans en vuurgloed te verliezen; ii
en nochtans leven zij als kenden zij hunne edele, d roemrijke bestemming niet, achtende wat zij moesten
misachten, en vergetende wat het eenig doel van E
hunne gedachten, hunne eerzucht en hun streven 0 moest uitmaken.
33
Zoodoende is hun leven eene tegenspraak hunner innigste overtuiging; zoo wordt hun leven eene oorzaak tot vernietiging hunner onsterfelijke hoop en verwachting.
Sommigen, ingenomen met het zoogenaamd geluk der wereld, maken dwazelijk daarvan het eenig doel hunner gedachten, hunner begeerten, hunner vreugde, zij hechten zich hartstochtelijk aan die vergankelijke goederen, die zij eenmaal zullen moeten verlaten, omdat zij, naakt uit den schoot der aarde gekomen, er ook naakt in zullen wederkeeren. 1) Zij achten de fortuin; wat is vergankelijker? de minste tegenwind verstrooit haar gelijk zandkorrels. — Zij zoeken genegenheid; doch wat kan deze doorgaans anders geven dan bittere teleurstelling en grievend harteleed ? Zij beroemen zich op eene bloeiende gezondheid; maar kunnen zij zich vleien, die een enkelen dag te behouden? Kunnen zij tot de ziekte, tot den dood zeggen: Vertrek van hier, of ga voorbij? En die eerbe wij zingen, die zij najagen, wat zijn ze anders dan een rook, die hen verblindt ? en wat zal er hun van overblijven wanneer zij in de stilte van het graf zullen nederdalen?
Wat zal hun overblijven van die ij dele genoegens, van dat dwaze genot, waarin zij hunne dagen hebben doorgebracht, dan de wroeging en het berouw van God beleedigd te hebben? Want de mensch zal maaien, wat hij gezaaid zal hebben; en hij die zaait in het vleesch, zal in het vleesch het bederf en den dood maaien. 2)
Helaas, voor die dwazen is de aarde alles en de Hemel niets; en wel zegt tot hen de Psalmist; O kinderen der menschen, zullen uwe harten altijd
3
1) Job 1, 21. 2) Gal. VI, 8.
34
bezwaard blijven? waarom bemint gij datgene wat ijdel is, en zoekt gij goederen, die bedriegelijk zijn? 1)
O gij erfgenamen des Hemels, waarom jaagt gij die ijdele droombeelden na? Waarom wilt gij die schaduwen grijpen, die u ontsnappen en verdwijnen?
Waarom stelt gij u ten dienste uwer booze driften en hartstochten, terwijl gij den dienst van uwen God verwaarloost? Waarom snelt gij dwazelijk voort zonder te letten op het einde van uwen tocht. 2) O gedenk dat de tijd kort is, en dat hij die niet vergadert, verstrooit. Maak dan voortaan een beter gebruik van die kostbare talenten die God u beeft toevertrouwd; verlaat het vergankelijke, zoek het eeuwige, en verzaak aan de schepselen, opdat de Schepper u niet verzake.
Maar terwijl de eeueu, door bet aardsche geluk bedwelmd, de gedachtenis verliezen van dat eeuwig geluk dat bun beloofd werd, hebben andereu door smarten en beproevingen gelouterd, begrepen dat het leven sleclits eene ballingschap, een dal van tranen en smarten is. Hunne schreiende oogen, vermoeid de aarde te beschouwen, waar zooveel leed hun deel is, verheffen zich onophoudelijk naar den Hemel, hun waar vaderland, en uit hun hart stijgen onophoudelijk zuchten en beden omhoog om steun en ontferming.
Doch maar al te dikwijls worden zij, door ongerustheid en kommer gekweld, ongeduldig, laten zich door liet verdriet en de zorg neder buigen, beschuldigen dengenen, die hunne tranen doet vloeien, en weenen gelijk degenen die geene hoop meer hebben. 8) Zij schijnen te vergeten dat hunne dagen slechts kort
1) Ps. IV, 3. 2) H. Aug. 3) I Thess. IV, 12.
35
t zijn, dat zij het einde hunner smarten zullen zien
) en dat eene glorierijke onsterfelijkheid die dagen, in
jj rouw en smart doorgebracht, zal bekroonen.
e En waarom geschiedt dit aldus ? Omdat zij, hoewel
door het goddelijk licht bestraald en onderwezen, n ) hoewel door de beproevingen, de teleurstellingen der n aarde en de geheime inspraken der genade gevormd,
]£ nog niet genoeg in zich zeiven treden, niet altijd
de rechtvaardigheid van God erkennen, en uit het oog verliezen dat dit leven een strijdperk is, waarin ;r de Christen onophoudelijk moet strijden om de be
ft loofde kroon te verdienen; omdat zij nog niet genoeg
begrijpen, dat om het eeuwige leven te bezitten, [e er niets zoo lastig is dat men niet zou moeten verduren;
omdat zij het kruis niet hoog genoeg achten, dat it kruis, dat in de wolken zal verschijnen, als de Heer
[o- ons zal komen oordeelen! Zij zouden als leerlingen
3r van een gekruisten God Hem willen volgen, doch
at zonder te lijden; nochtans heeft Hij zelf gezegd:
lQ Zalig zijn zij die weenen;!) omdat zij eindelijk de
r_ woorden van den Apostel niet verstaan: Onze tegen-
1,1 woordige kortstondige en lichte kwelling bewerkt in
O O O
;ll ons een oneindig gewicht van glorie; 2) zoowel als
3n dit troostende woord van God: Ik zal uw overgroot
m „ loon zijn. 3)
Omhoog dan met uwe gedachten en harten, gij
a. stervelingen voor de onsterfelijkheid bestemd! Vergeet
3n de aarde, om uwe blikken te vestigen op dien Hemel,
Q waar God zijne woning en zijn troon gevestigd heeft.
ri) Ziedaar de veilige haven die voor u openstaat, indien
3^ gij zonder schipbreuk de holle v:v\\ der wereld zult
irt bevaren hebben; ziedaar dat rustpunt des vredes,
1) Matth. V, 5. 2) II Cor. IV. 17. 3) Gen. XV. ].
36
waar gij u zult mogen verzadigen met de geueuditen des Heeren, nadat gij moedig den strijd des levens volbracht zult hebben.
Verlaat dan alles wat uwe ziel aftrekt van den weg naar het hemelsche Jeruzalem. Sta niet stil om de bloemen te plukken, die u bekoren; sta niet stil voor de doornen, die uwen voet kwetsen. Zeg tot de vluchtige vreugde der aarde: Neen, gij zijt het geluk niet dat ik zoek; tot den kommer en de smart: Gij zult mij niet in mijn loop stuiten. Zeg tot de vergankelijke rijkdommen: Gij zijt de schat niet, dien mijne ziel begeert; tot het ongeluk en de armoede: Gij zult mijne kroon vlechten. Zeg tot de bedriegelijke loftuiting der wereld, tot dien rook van eer die bedwelmt, doch niet verzadigt; Gij zijt de glorie niet, waarnaar mijne ziele dorst: tot de onverschilligheid en de misachting: Ik vrees u niet. Ga steeds moedig voort, het oog gevestigd op uw waar vaderland, op het huis uws Vaders en herhaal dikwijls: Alles gaat voorbij. God alleen blijft eeuwig dezelfde!
Achtste Hoofdstuk.
De Iwec legen.
Treed ItinneD langs de nanwe poort, want breed is de d:ar, en ruim de T-eg, die ten verderve voert. Matth.VII, 13.
Waarheen gaat gij, mijne ziel? Naar de eeuwigheid. Maar naar welke eeuwigheid? Zal zij voor u eene gelukkige of eene rampzalige eeuwigheid wezen ? Gij weet dat twee zeer verschillende wegen er heen leiden.
37
De eene door Jezus, uw Voorbeeld en Verlosser de andere door uw wreedsten vijand, door Satan aangewezen.
Wien wilt gij volgen ? welken weg wilt gij kiezen ? Met wien wilt gij leven en wandelen ? Overweeg deze groote waarheid wel, o mijne ziel! Overweeg in diepe stilte, onder het oog van God, waarom Hij u het bestaan heeft gegeven, waarom Hij het u behoudt.
Beschouw en waardeer de middelen, die Hij u verleent om zijne plannen te helpen uitvoeren, en doordring u wel van hetgeen gij moet doen om volkomen aan zijne liefde te beantwoorden.
Toen God zich erbarmde over zijn diepgevallen schepsel en hem zijn eenigen Zoon tot Verlosser zond, sprak Hij: Zie, Ik zend u mijn Woord om u te redden, om uw gids, uw voorbeeld te zijn: luister naar Hem,l) en volg zijn voorbeeld. De Hemel, de glorie, de eeuwige zaligheid, ziedaar wat zijne vernedering en zijn dood u beloven, doch op voorwaarde dat gij met Hem zult lijden, met Hem zult boeten, met Hem verdiensten zult vergaderen; dat is het doel van het tegenwoordige, het groot geheim van het
O O \' O O
toekomende leven. Doch vrees niets. Uw Middelaar trekt uit het lijden, dat Hij verduurd heeft, de kracht om diegenen te helpen, die, zoo als Hij, beproefd zullen worden. 2) Hij is de zaligheid van al degenen, die door Hem tot Mij zullen naderen, want Hij is altijd gereed voor hen te spreken. 3)
De weg die tot het eeuwig leven, tot de stad der Heiligen geleidt, is smal, moeielijk te begaan, vol distels en steenklompen; de paden zijn met doornen omzoomd die den voet verscheuren; men .ontmoet er
1) Matth. XVH, 5. 2) Hebr. II, 8. 3) Hebr. VII, 25.
38
gevaren die ons doen terugdeiuzen, hinderpalen die ons verschrikken en menigmaal valt men uitgeput van vermoeienis neder. Maar ga moedig voort; deze weg is de eenige goede weg; het is de koninklijke weg, die tot het vaderland, tot rust en geluk voert. De andere moge met rozen bestrooid zijn, wellicht schijnt hij u gemakkelijk en aangenaam; doch neem n in acht... onder die bloemen verbergt zich de oude vgand, de valsche, verradelijke slang, om door zijn doodelijk venijn degenen te treffen, die hij kan verleiden ; — het is de breede weg, waarop de stroom der gewoonte de groote menigte medevoert, waar het kwade voorbeeld de wet voorschrijft, waar de welvoegelijkheid onzer eeuw toelaat wat Ik verbied; het is de weg die ten verderve leidt, die voert tot die vuurpoelen, door mijne rechtvaardigheid aangestoken om hen te straffen, die mijne liefde en mijne leer verachten: O neem u in acht, want het is onmogelijk aan mijne rechtvaardigheid te ontsnappen 1) en het is vreeselijlc te vallen in de handen van den levenden God ! 2) Ziedaar, mijne ziel, wat God u zegt, wat uw Verlosser u leert op elke bladzijde van zijn H. Evangelie. Door dit heilig licht bestraald, vreest gij gewis dien breeden weg, waarop gij kunt verdwalen; o sluit de oogen voor de dwalingen der wereld, zoek op die uitgestrekte zee, waarop gij dobbert, in het midden der golven den veiligen weg, dien gij volgen moet. Sta niet stil om de beproevingen, de teleurstellingen, het lijden te betreuren, die uw leven zoo moeielijk en treurig maken; want deze weg leidt tot het leven, en Jezus gaat u voor en roept; Houd moed! Zalig zijn zy die weenen, zalig zijn zij die lijden. Beschouw
1) Sap. XVI, 15. 2) Hebr. X, 31.
39
de nietigheid aller zaken, weeg alles in de schaal van de eeuwigheid en herinner u dikwijls het woord, dat zoovele heiligen heeft voortgebracht: wat baat het den mensch, de geheele wereld te winnen, zoo hij zijne ziel verliest? 1)
Ja, ik begrijp het, mijn God! Alles wat Gij niet zijt, wat iets anders geeft dan U, geeft niets. U alleen wil ik dus zoeken in mijn ballingschap; en daar Gij, mijn Jezus, mij nimmer voorgaat zonder kruis, zoo wil ik U naar Calvarië volgen en met liefde mijn kruis dragen. Maar geef mij dan een leerzaam, een buigzaam, een onderworpen hart, dat zijne vreugde en zijn geluk zoekt in het volbrengen van uwen wil; een nederig en onthecht hart, dat de aarde als zijn ballingsoord beschouwt, steeds zucht er zoo lang te moeten verwijlen, en vurig naar zijne verlossing haakt. Geef mij dat levend geloof, dat uwe Apostelen U eenmaal vraagden; dat het mijne oogen sluite voor de aarde en ze opene voor den Hemel, opdat ik geheel doordrongen moge zijn van de weldaad van het lijden, en van de zaligheid die er de vrucht van zal zijn. Zeg mij ook. Heer, dat Gij eenmaal tot mij zult komen, om mijne liefde te getuigen en mijne getrouwheid te beloonen dat, wanneer Gij in mij uw beeld en gelijkenis zult erkennen, gij mij uwe armen en uw Hart zult openen, dat Gij mij op een troon, dicht bij U, in het gezelschap der heiligen zult plaatsen.
O hoe gelukkig zal ik zijn, dan met diegenen die ik betreur en die mij in den Hemel zijn voorgegaan, uwe groote liefde en oneindige barmhartigheid te bezingen.
1) Mattb. XVI, 26.
40
Hoe zoet zal het mij zijn, met hen dat zalig kruis te zegenen, dat mij zulk eene glorierijke zegepraal verdiend heeft!
Negende Hoofdstuk.
Over de zonde.
Haddet gij U op mijne geboden toegelegd, uw vrede zou zijn gelijk een stroom, en uwe rechtvaardigheid gelijk de wateren der zee. Isaise XVIII, 18.
Doe mij, o Heer, de kwaadwilligheid, de boosaardigheid der zonde hegrijpen; doe mij hare afschuwelijke hoosheid en schande kennen; opdat ik, de diepte van de heleediging U daardoor aangedaan overwegende, diep betreure, die zoo dikwijls bedreven te hebben; doe mij zien, hoe verschrikkelijk zij is in hare uitwerkselen, hoe vreeselijk in hare gevolgen, opdat ik al mijne zorg bestede, ze in het vervolg te vermijden. Er is slechts één enkel kwaad: de zonde; want zij is een weerstand tegen het eenige ware goed, een opstand tegen den eenigen en Oppersten Meester, eene beleediging van den teedersten aller Vaders, eindelijk eene monsterachtige ondankbaarheid jegens den beminnelijksten aller weldoeners.
De zonde heeft den afgrond der hel gedolven, den Hemel beroofd van een groot gedeelte der schoonste schepselen van Gods almacht; zij heeft den dood des lichaams en den dood der ziel in de wereld gebracht;
41
zij heeft den dood geeischt van den Zoon Gods: want wij waren verdwaald gelijk schapen zonder Herder, ieder keerde zich om zijn eigen weg te volgen, en God heeft Hem heiaden met de misdaden van ons allen. 1)
Gaan wij nu terug tot de oorzaak van dat kwaad dat zooveel rampen in de wereld heeft gebracht, en bij het beschouwen van de gestrenge voldoening welke daarvoor geeischt werd, zullen wij het verfoeien uit den grond des harten. De oorzaak van de zonde, van dien dwazen opstand van den mensch tegen het heilig gezag van zijn God, is de hoogmoed, is de ongeregelde eigenliefde, dat doodelijk venijn, waardoor engelen, die voorbeschikt waren om den Hemel tot sieraad te verstrekken, reeds als zoovele verworpelingen door Gods rechtvaardige wraak in de hel werden gedompeld.
En heeft dan de mensch, dat zoo bevoorrecht , wezen, door den schepper verheven tot Koning van het heelal, heeft dan de mensch, door hun voorbeeld en helsche inblazing zich ook willen onttrekken aan het goddelijk gezag van zijn Meester en Weldoener? De geheele natuur is aan zijne almacht onderworpen. De sterren des hemels volbrengen, op zijn bevel, regelmatig haren loop en verspreiden haar licht. De aarde versiert zich, op zijn wenk, met groen, met bloesems, bloemen en vruchten, de zee eeibiedigt de grenzen door zijn goddelijken vinger getrokken. Sedert zoovele eeuwen als zij uit de hand des Scheppers getreden zijn, heeft geen enkel dier schepsels de wetten durven overtreden, welke Hij gegeven had. De dieren zelfs, zijn getrouw aan zijnen wil; zij wijken er niet van af en volgen onveranderlijk
1) Isaise IV, 6.
42
de natuurdrift huu ingestort, bij het begin van hun bestaan; de koninklijke arend stijgt met dezelfde snelle vlucht tot de wolken; de visch doorklieft het schuimend nat in het diepste der zee, terwijl het nederig insekt in het stof kruipt. Nimmer heeft de aarde gezegd: waarom ben ik de zon niet? Nooit vraagde de zon: waarom moet ik de aarde verlichten ? Nooit heeft de zee gezegd: Zou ik de aarde niet verzwelgen ? Neen, al bruisend en schuimend erkent zij haren meester en hare golven sterven weg op het strand, dat zij bespoelt.
De mensch alleen, de mensch voor wien het heelal geschapen werd, de mensch dat wezen met rede en verstand begaafd, heeft zijn Schepper durven weerstaan ! Meer ongevoelig dan de onbezielde wezens, meer ontembaar dan de ontembaarste elementen, heeft hij durven uitroepen: Ik zal niet gehoorzamen, ik zal U niet dienen Non serviam!
Niet tevreden met die reeks van weldaden, waarmede hij werd overladen, met die onuitsprekelijke voorrechten die hij geniet, met de groote gunsten, hem onverdiend gegeven, wil hij meer zijn, meer bezitten, in één woord, hij wil den Allerhoogsten gelijk zijn. De weldaden, die uit zijn hart een eeuwig-springende bron van dankbaarheid moeten doen wellen, hebben zijn verstand bedwelmd, en zijn wil tot eene afschuwelijke misdaad, tot een heiligschennenden aanslag gedreven. En nochtans had God door zich zeiven gezworen dat dit woord van rechtvaardigheid uit zijn mond niet ijdel zou zijn: 1) Het gewicht der goddelijke rechtvaardigheid moest dus op den mensch na zijnen val nederstorten. Hij, weerspannig aan den wil van
1) Isaise XIV, 24.
43
zijii Opperheer, kon van Hem niets anders meer verwachten dan de uitwerkselen van zijnen toorn, en, veroordeeld door de getuigenis van zijn geweten, de ongeregeldheid van zijn hart en zijne hartstochten, had hij slechts de eeuwige straffen te wachten. Maar het Woord, de Zoon van den levenden God bood zich aan de vertoornde Majesteit zijns Vaders om zich door zijne onverbiddelijke rechtvaardigheid te laten verbrijzelen. Mijn Vader, zegde Hij, werp mij in dien afgrond van ellende, waarin de mensch geworpen is; hij is er in gevallen, omdat hij zich aan Mij wilde gelijk maken; laat mij hem daaruit trekken door my gelijk te maken aan hem.
O zonde, o verblindheid, o schuldige dwaasheid, waarheen zoudt gij ons gevoerd hebben, als God in zijne goedheid het offer van Jezus, van dat onschuldig slachtoffer, alleen bekwaam zijnen Vader te verzoenen, ^ uiet hadde aangenomen? Wat ware er van ons geworden, indien die goddelijke Verlosser de glorie des hemels niet voor ons hadde willen verlaten, om ons de genade der herboring te verdienen? Maar Hij heeft ons gered! De kastijding, die ons den vrede moest bezorgen, is op Hem gevallen, en wij zijn door zijne wonden genezen.!) En wij, ondankbare schepselen, wij hebben zijne liefde miskend, en nog altijd gaan wij voort zijne majesteit te beleedigen, zijne weldaden te misachten, en zijn kostbaar bloed, dat, sedert het op Calvarië vloeide, nog dagelijks op liet altaar onze misdaden komt afwasschen, met voeten te treden.
O mensch, zult gij dan het oog niet openen? zullen de edelmoedigheid en bet lijden van uwen
1) Isaiaj IV, 5.
44
Zaligmaker dan nimmer uw hart treffen? Beschouw zijne wonden, die, als even zoovele welsprekende stemmen, U de grootheid der zonde verwijten, die gij zoo gemakkelijk bedrijft; beschouw die banden, die U de schandelijke slavernij uwer driften verwijten ; beschouw zijne armoede, zijne ontblooting, die U het verlies herinneren van die goddelijke schoonheid waarmede de genade U wilde verrijken en welke de zonde ü ontnomen heeft. O gij allen, die zondigt zonder te sidderen voor de gevolgen, zie waartoe uwe misdaden den Zoon Gods gebracht hebben, en waartoe
zij U op den dag zijner verbolgenheid brengen zullen ; i
want hoe grooter zijne barmhartigheid geweest is, i
des te strenger zal zijne rechtvaardigheid wezen. O l
veracht niet langer het bloed en den dood van uwen i Verlosser; leg ze niet meer in de schaal tegen die
ij dele vermaken, die bedriegelijke vreugde, die schul- (
dige driften, die kwade begeerlijkheden, die U onder xt . f
het juk brengen; wandel op den goeden weg zoolang lt;:
het dag is, uit vreeze dat de duisternis TJovervalle. 1) e
Vlucht de slang, die U verleid heeft, verlaat den dienst i
van Satan, die uw verderf gezworen heeft, en omhels t
grootmoedig den dienst van Jezus, uw weldoener, c
uw Koning, die ü zijne liefde aanbiedt en U eene x
eeuwige rust, eene eeuwige glorie, eene eeuwige 0 1
gelukzaligheid belooft. lt;
l
--i
(
1) Joa. XII,
Tiende Hoofdstuk.
Over den Dood.
Waakt, want gij weet noch dag noch uur.
Matth. XXV. 13.
Verlicht mijne oogen, opekt de slaap des doods mij nooit over Tal le; en dat mijn vijand niet uitroepe; Ik heb over hem gezegevierd. Psalm XII, 4.
Met David richt ik deze bede tot U, o Heer, want ik vrees ook in den slaap der zonde te vallen, en in de handen van den vijand, die, als eene hrieschende leeuw rond loopt om te verslinden! 1) en de vrucht uwer overwinning te ontnemen.
Laat dan een nieuw licht voor mijne oogen schijnen, opdat het mij gegeven zij, uwe vreeselijke oordeelen te doorgronden, uwe eeuwige raadsbesluiten te begrijpen, in uwe tegenwoordigheid te wandelen, met een heilige vrees voor uwe rechtvaardigheid bezield, in afwachting van dat oogenblik, dat over mjjne eeuwigheid zal beslissen. Doe mij toch begrijpen, dat mijn leven slechts eene vonk is, die weldra zal uitdooven, dat het mij slechts gegeven is om wel te leeren sterven, volgens deze woorden. Doe spoedig al het goede dat uwe hand doen kan, want noch werken, noch reden, noch wijsheid, noch wetenschap zal er bestaan in het graf, waarheen gij U met spoed begeeft; 2) want het uur zal komen, waarop de dood dat huis van slijk, dat gij bewoont, zal verwoesten, en Urijk of arm zal achterlaten, volgens de wijze waarop gij geleefd hebt. 3)
1) I Petri V, 8. 2) Eccle. IX, 10. 3) Bossuet.
46
Wat is dan die dood, wier macht zoo groot is, ea waarvan de gedachte alleen ons met angst en vrees vervult? Het is het doodvonnis, dat ons treft bij het intreden in het leven: onze eerste tred is ook de eerste stap naar het graf. Ja, het is vastgesteld, dat de menschen eenmaal moeten sterven; 1) en zoowel als een berg zich ten laatste verliest in het stof, als eene rots ten laatste van hare plaats wordt weggerukt, als de wateren ten laatste de steenen uithollen, welke zij bespoelen, zoo zullen zij die huizen van slijk bewonen die slechts stof tot grondslag hebben eenmaal in het stof wederkeeren. 2)
De dood is die smartelijke scheiding van onze ziel en ons lichaam, van dat; lichaam haar gegeven ora haar te dienen; het is de volstrekte vernietiging van dat leven, van die kracht, die wij in onze aderen voelen bruisen.
Het is de prijs, het loon der zoude, want door de zonde, zegt de Apostel, is de dood in de wereld gekomen. 3) Adam werd aan den dood onderworpen zoodra hij gezondigd had, en ziedaar het erfgoed aan de menschen, aan zijne nakomelingen achtergelaten. 4) De dood is die onverbiddelijke dwingeland, die niets ontziet, die zijn schepter zwaait in de paleizen der rijken, gel^k in de hutten der armen, die met zijne wreede zeis zoowel den jongeling als den grijsaard treft, die noch rang, noch schoonheid, noch rijkdom eerbiedigt en alles op zijn doortocht wegmaait. Hij rukt het kind van den boezem zijner moeder, grijpt het jeugdig meisje als eene teedere, pas ontluikende rozenknop,quot; stuit de forsche jongeling in het midden zijner loopbaan; want, niet tevreden met,een laatsten
1) Ilebr. IX, 27. 2) Job XIV. 18, 19. 3) Kom. V, 12. é) Massillon.
47
ademtocht, met de stille tranen gestort op een graf door de jaren gedolven, behaagt hij zich te midden der smartkreten der weduwen, der weezen, der moeders.
Sterven is vaarwel zeggen aan alles wat men bemind heeft: bloedverwanten, vrienden, fortuin, eer en genoegens; sterven is alle banden verbreken, die ons aan de aarde hechten; sterven is eene ijskoude siddering voelen doordringen in het hart, in dat brandpunt van zooveel vuur en zooveel liefde. Sterven is overgaan tot den allervernederendsten toestand, tot dien toestand die aan vernietiging grenst; het is een intreden in die eenzaamheid, waarin het lichaam slechts de wormen tot gezelschap zal hebben. Sterven is voor de ziel een plotseling vertrek uit deze wereld, een intreden in onbekende streken, die de eeuwigheid genoemd worden, het is zich alleen, van alles ontbloot, gaan aanbieden aan zijn Opperrechter, om zijn vonnis te hooren, en het loon zijner werken te ontvangen. Sterven is overgaan tot een ander, hetzij gelukkig of onfjelukkicr, doch eeuwig leven.
O o \' O
O dood, niet ten onrechte dus vreezen wij ü, deinzen wij terug voor uwe omhelzing, sidderen wij bij uwe nadering. Uwe gedachtenis is bitter, o dood; maar uwe tegenwoordigheid is het nog meer! Doch gy zijt door het leven overwonnen; waar dus, 6 dood, is uw prikkel? waar is uwe overwinning? 1)
Gij raakt, wel is waar, vluchtig het vergankelijk lichaam aan: gij vernielt het eenigen tijd; doch neen, de heilige, de troostende verwachtingen die wij daar aan gene zijde des grafs koesteren, kunt gij ons niet ontnemen. Ja, eens komt de dag, waarop gij uwe prooi zult moeten wedergeven. Dan zal ons vleesch
1) I Cor. XV, 55.
48
met onsterfelijkheid bekroond worden, dan zal dit woord der H. Schrift vervuld worden; de dood is tot de overwinning verslonden. 1)
Niemand kan den dood ontgaan. Hij zwaait zijn schepter over alle geslachten, en niemand ontsnapt aan zijne slagen; mochte ook ons leven zich boven alle onze verwachtingen verlengen, eenmaal toch zal de dag aanbreken, waarop geen andere meer zal volgen; even als de wateren die naar de zee stroomen en nooit weder terugvloeien tot derzelver bron, snellen wij naar den afgrond der eeuwigheid, waarin wij voor altijd verzwolgen zullen worden om nooit meer op aarde te verschijnen. Ja, de dood is zeker, hij is onvermijdelijk; maar hij komt tot ons onder verschillenden vorm; Is hij vreeselijk, verschrikkelijk voor den zondaar, zoo is hij zoet en troostend voor den Rechtvaardige. Het hangt dus van ons af, hoe wij dien vijand willen afwachten, of wij vreedzaam in den Heer willen sterven om altijd voor Hem te herleven; het hangt van ons af, onze lampen ruim van olie voorzien te hebben, als de bruidegom komt, en uit zijn mond het vreeselijk vonnis niet te hooren: Ik ken U niet! 2)
Beschouwen wij dan het sterfbed van den onboet-vaardigen zondaar en het zoo verschillende sterfbed van den rechtvaardige; overwegen wij de strenge les van het eene, de troostende verwachting van het andere. Verplaatst ü aan het hoofdeinde van den zondaar, die langzamerhand de laatste levens vonken, welke hem overblijven, ziet ontsnappen. Voor de eerste maal wellicht erkent hij den Meester, tot dusverre miskend en beleedigd; en zich onder de
1) I Cor. XV, 54. 2) Mattli. XXV, 12.
49
drukking van die maclitige hand gevoelende, vreest hij te verschijnen voor dien Rechter, dien hij heleedigd heeft. Hetzij hij zijne blikken slaat op het verleden, het tegenwoordige of de toekomst, alles vervult hem met schrik en doet hem sidderen. Het verleden weerkaatst slechts sombere beelden, die zijn angst en wroeging vermeerdereu; die lange reeks van dagen, die zich wellicht niet beter laten tellen dan door het getal zijner zonden en misslagen, ontrolt zich voor zijn oog, hij ziet vergeefsche moeite, ijdele gevoelens, die slechts een oogenblik geduurd hebben en welker straf eeuwig duren zal. Hij telt de uren, die hij besteed heeft om eeno wereld te dienen, die thans voor hem verdwijnt, al de ijdele pogingen, die hij gedaan heeft, om die goederen te behouden welke hem voor immer gaan ontvallen; en nu zijne oogen zich geopend hebben, zijne begoocheling verdwenen is, nu vindt hij niets meer en verwondert zich over zijne armoede. Hij beeft bij het zien hoe ledig zijne handen zijn van die werken, welke in het boek des levens staan aangeteekend; Lij beschouwt met schrik dien weg van boosheid, die hem ten ver-derve heeft geleid, vervloekt degenen, die hem daarop gestoten, en degenen die hij zelf er op medegesleept heeft. Maar is het verleden bitter voor dezen rampzalige , bitter is ook voor hem, de verrassing, de scheiding van het tegenwoordig oogenblik. Hij had zich zoo gevleid, te midden zijner schuldige vermaken niet gestoord te worden. En nu is dat gewichtig oogenblik aangebroken! nu zoekt hij rust, en kan ze niet vinden. Hij bespotte de deugdzamen, wier leven hem eene dwaasheid toescheen, en nu hij zich door zijne boosaardigheid verteerd ziet, nu wordt hij op zijne beurt, door ontroering en vreeselijken angst
4
50
aangegrepen. Hij miskende de wet des Heeren, lasterde 1 zijnen naam, trotseerde zijne rechtvaardigheid, en s nu roept hij uit: O dwaze die ik geweest ben ! ivat zal ^ ik doen, als de Heer zal opstaan om te oordeelen ? 1) ( En een blik werpende op al wat hem omringt, op i al wat zijn ijdelen rijkdom uitmaakt, steekt hij de jgt; 1 hand uit om dat alles te vatten, doch grijpt slechts e naar schaduwen. 2) Hij is als een vreemdeling te c midden zijner schatten, en ziet slechts het doodskleed, \'c dat al die weelde en pracht gaat vervangen. In zijn l dwazen hoogmoed ging hij met opgeheven hoofd; ? maar helaas, al zijne ijdele titels vervallen, dien van ( zondaar alleen zal hij behouden. Hij heeft behagen ] gevonden in de liefde der schepselen; hun bad bij i een hart geschonken, groot genoeg om een God te ( beminnen, en nu worden alle banden verbroken! i De droefheid, de tranen, de jammerklachten vaa ( degenen, die hem omgeven , vermeerderen zijne kwellingen, en ontrukken hem deze droevige klacht. ] Scheidt de hittere dood aldus1? 3) Hoe meer hij aan i de wereld, aan de schepselen, aan het leven gehecht is, hoe meer smart hij gevoelt, alles te moeten verlaten; want men verliest niet zonder smart wat ]
men met genoegen bezat. 4)
En als zijn blik, vermoeid van het aanschouwen der bouwvallen, die hij rondom zich ontwaart, zich van dat droevig schouwspel van het tegenwoordige afwendt en in de toekomst een straal van hoop zoekt, dan ziet hij daar slechts eene streek vol duisternis, een onbekend land, een vreeselijken afgrond, gereed hem te verzwelgen. Die toekomst toont hem niets dan God, en in God, slechts een vertoornden, onver-
1
Job XXXr, 14. 2) Massillon. 3) I Reg. XV, 32. 4) H. Angus.
51
\'biddelijken, rechtvaardigen God, wiens vreeselijke stem hem toeroept: Ik heb het getal uwer dagen geteld en het boek uwer lotsbestemming verzegeld. Gij zijt in de schaal gewogen en te licht bevonden.
Daarom zal ik Ugeene harmhartigheid meer bewijzen. 1) Dan maakt de wanhoop zich meester van zijne ziel, en hij weet niet meer waarheen hij zich wenden moet: geene hulp vindende, noch hij de schepselen die hem ontglippen, noch hij de wereld die verdicijnt, noch hij de menschen die hem van den dood niet hunnen verlossen, noch hij den rechtvaardigen God, dien hij als zijn verklaarden vijand beschouwt, en waarvan hij geene harmhartigheid meer durft te verwachten , wentelt hij zich in zijne eigene ellende. 2) Hij tracht den dood te vluchten, die gereed is hem te grijpen: maar als een trotsch overwinnaar vertrapt hij hem onder de voeten en roept hem toe: vooruit, altijd vooruit! Nog werpt hij een laatsten blik op het kruisbeeld; maar in dit teeken, onzer verlossing, in dit onderpand onzer zaliglieid leest hij nog eens het vonnis, dat hem veroordeelt; want Christus bloed vloeit voor den verdoeroeling slechts als de gloeiende lavastroom. Eindelijk slaakt hij zijn laatsten zucht. Zij, die hem gekend en bemind hebben, vragen: waar is hij?.... God alleen weet het; want leven en dood zijn in zijne hand en zijn oordeel is ondoorgrondelijk !
Doch verlaten wij dit droevig tooneel, om onze blikken te keeren naar het sterfbed der getrouwe ziel, die het einde barer loopbaan ziet naderen, en zich gereed maakt tot haren overtocht naar de eeuwig-
O O
beid. Sedert lang zuchtte zij naar het oogenblik harer
1) E/ech. VIH. 18. 2) MasiMlun.
52
bevrijding; sedert lang riep zij uit; Ik sterf omdat ik niet sterf. 1)
Ja, de dood des Heiligen is kostbaar; het is het einde van zijnen arbeid, en zijne vermoeienis; de vol-tooing zijner zegepraal en de ingang van zijn geluk! 2)
De genade waarmede hij vervuld is doet hem den afschuw overwinnen, welken de natuur voor den dood gevoelt; want, hetzij hij zich het verleden voor den geest roept, het tegenwoordige overweegt of zijn blik in de toekomst werpt, alles is voor hem eene overvloedige bron van troost en hoop.
Het verleden, dat voor zijnen geest henen glijdt, vervalt zijn hart met heilige vreugde, het stelt hem nog eens voor ongen den strijd dien hij gestreden, het gevaar dat hij vermeden, de inoeielijkheden die hij overwonnen, het geweld dat hij zich voor den Hemel aangedaan heeft. Hij telt de uren van vermoeienis, van arbeid, van beproeving, van lijden, uit liefde tot God volbracht. Hij ziet de tranen die hij vergoten heeft, de voldoening die hij heeft opgeofferd om meer gelijkvormig te zijn aan Jesus, zijn goddelijk voorbeeld. Door het beoefenen der deugd heeft hij zich een schat van verdiensten vergaderd gedurende zijnen pelgrimstocht: even als de getrouwe dienaar heeft hij de hem toevertrouwde talenten vruchten doen dragen; als de honigbij heeft hij zich een voorraad verschaft voor zijne laatste reize, en als eene wijze maagd heeft hij steeds in zijne lamp, dien olie der zuivere meening, die zijne werken in goud veranderde.
Even als Mozes werpt hij nu een laatsten blik op dien langen tocht, dien hij volbracht heeft; op dien
1) 11. Ther. 2) H. Bern.
53
weg met goede werken bezaaid, en hij zingt verheugd dit loflied van dankbaarheid: Ik heb den goeden strijd gestreden, de loopbaan volbracht, het geloof bewaard. Voorts is mij weggelegd de kroon der gerechtigheid , ivelke de Heer, de rechtvaardige Rechter, mij te dien dagen geven zal. 1)
Het tegenwoordig oogenblik heeft, niettegenstaande de smart der scheiding, voor hem noch angst, noch bitterheid. Die wereld, die hij verlaten moet, was hem niets; hij verlaat alles zonder smart; want zijn schat is in den hemel. Tot zijne bloedverwanten en vrienden zegt hij: tot wederziens! en herinnert hen dat hij hen slechts voor korten tijd verlaat; dat de dood diegenen niet kan scheiden, die de liefde op aarde vereenigd had; hij verlaat zonder smart, dat lichaam, dat hij als zijnen vijand beschouwde; hij verlaat zelfs met vreugde die kerker, die zijne ballingschap verlengde en hem belette zich met Jezus-Christus te gaan vereenigen. Het is een mantel, dien men hem van de schouderen neemt; het is een scheidingsmuur tusschen hem en God, dien men omverwerpt, en hem in staat stelt zijne vlucht tot God te nemen en naar den berg van het hemelsch Sion te vlieden. Aldus is de dood voor hem geene scheiding, daar het geloof hem reeds van alles gescheiden had; omdat zijn leven een kort begrip was van dat woord van den H. Paulus. Ik sterf eiken dag. 2)
En wat vooral zijn grooten troost uitmaakt is de toekomst. Ja, hij wiens groote zorg het steeds was zijne zaligheid met vrees en angst te bewerken, hij mag thans met helderen blik opzien tot Hem, die zijn rechter gaat worden; zijn brekend oog, door een
1) II Tim. IV, 7. 8. 2) I Cor. XV. 31.
54
goddelijk licht verlicht, doordringt de wolk der sterfelijkheid, die hem omringt; reeds ziet hij de poorten van het Paradijs geopend, van dat hemelsch vaderland, waarnaar hij zoo verlangde; zijn hart snelt reeds naar dat beloofde land en geheel zijn wezen springt op van blijdschap bij het hooren der stem van den Bruidegom zijner ziel, die hem toeroept: Sta op, mijne Eruid, mijne welbeminde en kom.
In deze verrukking van liefde ontslaapt de getrouwe ziel vreedzaam in den Heer, om in zijne glorie te ontwaken en eeuwig met Hem te herleven.
\'O kostbare dood van den rechtvaardige! dood die het leven zijt, wees eens myn deel! Wanneer zult gij mijne banden komen verbreken? Wanneer zult gij mij den kus des Bruidegoms komen geven en mij met eeuivige gaven hekleeden. 1)
Ach, mijn God, hoe weinig verdien ik dit gelukkig einde, waarnaar ik met geheel mijn hart verlang! Wat ware er van mij geworden, zoo Gij mij getroffen hadt, toen ik uwen naam en mijne eeuwigheid vergat ? Doch gij hebt in uwe barmhartigheid mijne oogen door het licht geopend en mijn hart veranderd; voltooi dan uw werk; geef mij de genade, moedig de loopbaan te volgen, die gij mij geopend hebt; en geef, dat ik hier beneden, door een gedurig verzaken aan mijzelven en aan alle geschapene dingen, reeds door een geestelijken dood mij voorbereide voor dien, welke mijne eeuwige vereeniging met ü moet volmaken.
1) Feuelon.
Elfde Hoofdstuk.
Over den Ilcmel.
Ik heb hun de glorie medegedeeld die Gij mij gegeven hebt, opdat zij één mogen zijn, gelijk wij één zijn. Joan. XV111, 22.
Wij hebben ons nedergezet aan de oevers van de stroomen van Babylonië, en geweend, bij de herinnering aan Sion. 1)
Zoo zong Israël in liet land der ballingschap te midden van een ongeloovig volk, dat met zijn ongeluk spotte. Maar wat is voor liet ware volk Gods dat Babylonië, waarover de profeet den vloek Gods afroept? Wat is dat Sion, dat voorwerp zijner bittere smart en vurigst verlangen? Ach, Heer, ik weet het, Babylonië is dat vreemde land, het land van ballingschap, waarin uwe getrouwe dienaren zuchten te midden der bewoners van Cedar, 2) te midden dier slechte en bedorven wereld, die Ü niet kent. Het is de woestijn, waarin zij hunue ienten hebben opgeslagen; het is de plaats van kwelling en angst, waaruit hun smeekgeroep en de zuchten van hun benauwd hart tot U opstijgen. Ja, in dit land dat slechts distelen en doornen voortbrengt, weenen en zuchten zij, en dwalen ontroostbaar op de oevers der stroomen, wier bronnen vergiftigd zijn en wier golven slechts bitterheid aanspoelen.
Waarom, o Christenen, weent gij gelijk degenen die geene hoop hebben; waarom vergaan wij in droefheid als moesten onze vermoeienissen, onze arbeid geen einde nemen? Leert het geloof ons dan
1) Psalm CXXXVI, 1. 2) Psalm XIX, 5.
56
niet, dat wij hier beneden geen blijvende woonplaats hebben, 1) en dat God in het hemelsch 8ion zijnen uitverkorenen eenen troon heeft voorbeschikt? 2).
O indien wij met David onder het gewicht der droefheid nedergebogen, uitroepen: Wee mij, dat mijn ballingschap verlengd is ? 3) indien wij met den H. Paulus wenschen toch spoedig van dit lichaam des doods ontbonden te zijn, 4) heffen wij dan ook onze oogen naar de bergen des Heeren, 5) want zalig is de mensch die in dit tranendal zijne gedachten en zijne hoop ten Hemel richt. 6)
Maar wat is dan die Hemel waarop ons oog altijd moet gevestigd zijn ? Wat is dat Sion, dat het voorwerp onzer wenschen uitmaakt, waar wij vrede en troost moeten vinden? Wat weten wij van die plaats, waar noch rouw, noch tranen, noch scheiding, noch smart meer zal zijn, waar wij vervuld zullen worden met al de rijkdommen des Heeren zonder vrees ze ooit te verliezen ? Helaas! zoolang wij nog hier beneden in de schaduwen des doods zullen omwandelen , kunnen wij het geluk des Hemels niet begrijpen; slechts in de verte en als door een sluier zien wij de schoonheid, de verrukkelijke vreugde die overvloeien in dit schitterend en bekoorlijk verblijf.
De H. Paulus, in den geest ten hemel gevoerd, heeft ons de schoonheid van het Paradijs slechts door deze geheimzinnige en verheven woorden kunnen uitdrukken. Nooit heeft \'s menschen oog gezien, noch zvjn oor gehoord, noch is het in \'s menschen hart opgekomen, wat God bereid heeft, voor degenen die Hem liefhebben. 7)
1) Hebr. Xlir, 14. 21Apoc 111,21. 3)P9.CXIX,5. 4) Rom.VIII,24. 5) Ps. CXX, I. 6) I\'s. XXXIII, 6, 7. 7) I Cur. II, 9.
57
Hij ziet er een stroom van levend water, helder als kristal, vloeiende van den troon van God en van liet Lam; hij ziet den boom des Levens, wiens bladeren de volkeren genezen, wiens vruchten de onsterfelijkheid mededeelen. 1)
En wat is dit levend water anders dan het goddelijk leven, waarvan eene enkele droppel, uit de diepte der eeuwen vallende, alles bezielde wat leeft en zich beweegt, dat leven dat zich als een alles overweldigenden stroom verspreidt over de uitverkorenen, hen met zijne wateren lescht en overstelpt,, hun wezen doordringt en ze geheel in God doet leven? Wat is die boom des levens anders dan Jesus-Christus, onze Volosser, die, na ons op aardamp; verkwikt en gevoed te hebben, ons in den Hemel eeuwig wil verzadigen? Wat vreugde wanneer wij eens in de schaduw van dien boom gezeten, zijne vruchten zullen mogen eten? Indien de bladeren ons hier beneden verkwikken en ons beste voedsel uitmaken, wat zal dan de vrucht zijn, die wij eigenhandig in de tuinen des Heeren zullen plukken? Doch willen wij iets begrijpen van die eeuwige gelukzaligheid, overwegen wij dan die liefderijke, die troostende uitnoodiging, die Jesus de getrouwe zielen zal doen hooren; doordringen wij ons van die hoopvolle verwachting in deze woorden besloten: Komt, gezegenden mijns Vaders, komt bezit nemen van het rijk dat U van af de grondvesting der wereld bereid is.
»Komt gezegenden mijns Vaders, zal Hij zeggen, komt gij die edelmoedig ten einde toe gestreden hebt, treedt mijn huis binnen, neemt plaats aan mijne tafel, zet U bij mij op mijnen troon. Komt, gij die
1) A[joc. XXII, 1, 2.
58
mg gezocht hebt gedurende de dagen uwer pelgrims-
reize, die in mijne tegenwoordigheid wandeldet, en 1
mijne wet zijt nagekomen. Komt gij, die mijn naam gt;
slechts nitspraakt om Mij aan te roepen in smart en
te loven in blijdschap; gij, die mij gevoed, geholpen, j
getroost hebt in den persoon uws broeders; gij, die |
getrouw in mijn wijngaard gearbeid hebt; want Ik
zelf zal uw loon zijn, en uw hoofd met eene kroon
van glorie versieren. Ja, komt mijne welbeminden,
want ik zal U een vaam geven nog heter dan dien
van soon of dochter, een eeuwigen naam, die nooit
vergaan zal. 1) t
Gelukkige zielen, nadert tot Hem, dien Gij als uw 1
Heer en Meester geëerd en als uw Broeder bemind t
hebt. Het uur van het eeuwig verbond is aange- a
broken. Komt deelnemen aan de bruiloft van het lt;
Lam. Dompelt U in dien Oceaan van eeuwige ge- e
noegens, die ik voor U bereid heb. Het uur is gekomen i om mijn rijk met mij te deelen, dat erfdeel, dat ik
voor U beschikt had, van af het begin der tijden. e
In het hemelsch Sion, in dat land dei levenden, zult 1
gij al uwe rampen vergeten. Hier zal uwe ziel geen /
dood, uwe oogen geene tranen, uw voet geen val i
meer kennen, 2) hier verandert de bitterheid, die i
gij gesmaakt hebt, in een stroom van eeuwige ge- lt;
neuchten; hier ziet men slechts blijdschap en vreugde;
hier hoort men slechts dankliederen en vreusdenrezang; .... . 0 0 0 hier zyt gij koningen, want gy zyt kinderen van
mijnen Vader, en in den schoot der godheid zult gij
een hemelsch leven leiden, dat bestaat in God te
kennen. God te bezitten. God te beminnen en eeuwig
met God vereenigd te zijn.
1) Uaise IV, 5. 2) Psalm CXIV, 8.
59
O gelukzalig leven, zonder U bestaat er geen geluk; leven van den menseh in God, leven van den mensch voor God, o wees eens het onze!
Als arme pelgrims uitgeput van vermoeienis eu angst, in een vreernd land, volgen wij met moeite en inspanning het doornig pad, dat ons naar het einde van onzen tocht moet voeren. Houden wij moed! bedenken wij dat de strijd des levens slechts de korte voornacht is van een eindeloozen dag van overwinning, dat deze rampvolle uren, deze zware, moeitevolle arbeid de voorbereiding is tot een eeuwig, tot het hemelsch feest! Beklimmen wij moedig die ladder van Jacob, waarvan elke sport ons nader brengt tot God; moge ons hart, door eene heilige hoop vervuld, slechts leven in de verwachting der eeuwige goederen, die ons beloofd zijn! dat zij branden van een hevig verlangen om den levenden God te zien in den tempel zijner glorie!
O mijn Jesus! moge het ook mij gegeveu zijn, eens de glorie van uw rijk te aanschouwen! Gij weet het, mijne ziel zucht naar U, zij snakt naar U gelijk het dorstic) hert naar de vjaterhron; 1) doch vermeerder mijn verlangen, en mogen mijne levensdagen zich verteren in uwe liefde! Laat uw licht op mij schijnen, opdat ik daar moge komen, waar Gij zijt om U eeuwig te loven.
1) Psalm XII. 1.
Twaalfde Hoofdstuk. 11
z
Over de Hel. ï\'
Wat is de hel? Het geloof leert ons dat het eene 1/ 0
plaats is van eeuwige straf, waar de zondaar het g
misbruik dat hij van de goddelijke barmhartigheid 0
gemaakt heeft, moet boeten; eene plaats van pijn r
en duisternis, waar eene eeuwige kwelling woont; c
een dal, waarin een stroom van vuur en zwavel lt;•
vloeit, door de goddelijke wraak ontstoken; eene I
gevangenis, waarin de verdoemden gedurende alle \\
eeuwen gepijnigd zullen worden. v
Hoe begrijpt de wereldliug dit woord, hel, waar- 1
door steeds het vreeselijkst lijden en de afschuwe- d
lijkste wanhoop worden uitgedrukt? Lokt het niet 1
vaak den glimlach uit van den ongeloovige, en de l
godlastering van den misdadiger? Want, trots alle v pogingen der ketters, en der godloochenaars bestaat
de hel. Zij moet bestaan, .als God bestaat; want de z
volmaaktheid der rechtvaardigheid en de volmaakt- 1
heid der heiligheid van God eischen eene straf, £
geëvenredigd aan de zonde en aan de beleediging, c zoowel als de volmaaktheid zijner goedheid eene » i
belooning vergt geëvenredigd aan de deugd en de * verdiensten. ■ c
Hoe toch zou God den rechtvaardige en den zondaar t
met dezelfde maat kunnen meten? Hoe zou God a
hetzelfde lot kunnen bestemmen voor die zielen, die i
zich voor zijnen rechterstoel aanbieden Bi zulk een 1
verschillenden toestand. Hoe zou men kunnen ver- | onderstellen dat zijne heiligheid, waarvoor de zon zelve niet vlekkeloos is, eene ziel met zonden besmeurd,
61
in zijne tegenwoordigheid zou kunnen dulden en haar met dezelfde liefde zou kunnen ontvangen als die ziel wier zuiverheid Hem verrukt? Doch indien de rechtvaardigheid en de heiligheid van God ons ten bewijs strekken van het bestaan der hel, zoo zegt ons ook zijne liefde dat, toen zijne hand dien af-grijselijken afgrond daarstelde en dat verterend vuur ontstak, Hij ons een heiligen afschrik voor zijne rechtvaardige wraak heeft willen inboezemen en in ons hart eene heilige vrees heeft willen opwekken, die vreeze des Heer en, die het begin der wijsheid is. 1) En wie zou niet sidderen bij het hooren dezer vreeselijke woorden uit den mond des Zaligmakers zelf, Gaat van mij, vervloekten, in het eeuwig vuur, 2) Verpletterend woord, doch tevens krachtig en zalig woord, dat duizenden zielen op den rand des afgronds weerhouden heeft! Nooit kunnen wij genoeg de strenge bedreigingen en groote onderwijzingen overwegen welke zij voor ons bevatten.
Gaat van mij.... Eertijds sprak God tot die rampzaligen: Komt te voorschijn uit het niet, zet U aan het gastmaal mijner welbeminde kinderen! En de aarde trok den feestdas aan, om ze te ontvangen, de Kerk juichte van blijdschap in hare moederlijke ingewanden, toen zij die nieuwgeborenen in hare armen drukte, en God zelf verheugde zich met zijne engelen over de nieuwe kinderen die Hij aan zijne tafel zag. Doch nu zegt hij: Gaat van mij.... gaat voor altijd uit mijne oogen; want tot het laatste uur, tot het laatste oogenblik hebt gij mijne liefde en mijne weldaden versmaad. Ik ken U niet meer; want gij draagt het beeld mijner opperste schoonheid niet
]) Psalm. CX, 9. 2) Matth. XXV, 41.
62
meer in U. Ach Heer, het is dus eene volstrekte scheiding, een onherstelbaar verlies! En wat verliezen die rampzaligen, die uw toorn op zich getrokken hebben en die Gij uit uwe tegenwoordigheid verbant? Zijn het eerbewijzen of fortuin? Zijn het vrienden? is het een teerbeminde Vader, eene geliefde Moeder? O ja, het is dat alles en nog oneindig veel meer! Zij verliezen niet slechts de grootheid en eer der aarde, maar de glorie der gelukzaligen, den straalkrans, die het hoofd der zaligen o ra geeft; zij zullen altijd het teeken der vervloeking dragen.
Zij zien niet slechts een vergankelijken rijkdom in het stof vergaan, maar het eeuwig erfdeel aan de kinderen Gods beloofd; zij worden verlaten niet slechts door de gezellen, de vrienden die hunne noodlottige vermaken deelden, maar door hunne hemelsche broeders, door die scharen van engelen en zaligen, die hen eertijds wenkten om met hen aan den kelk der eeuwige geneuchten te komen drinken. 1) Hunne lieve Moeder Maria zelve, die hen aan den voet van het Kruis met zooveel liefde tot hare kinderen aannam, weigert nu hare hulp en erkent ze niet meer voor hare kinderen. Maar wat hunne wanhoop voltooit, is dat God, hun Vader, vroeger zoo vol barmhartigheid, hen nu in zijne rechtvaardige wraak verstoot en ze voor immer van zijn aanschijn berooft. Vervloekten... Met den H. Hyeronymus vragen wij. Wat is eene vervloeking? Wat beteekent dat woord, dat het bloed in de aderen doet stollen van dengenen die het hoort? De aarde werd vervloekt, en sedert zes duizend jaren brengt zij, trots onzen arbeid en zweet, distels en doornen voort. Caïn werd vervloekt,
1) Psalm XXXV, 9.
63
en toen hij zich uit de tegenwoordigheid Gods verjaagd zag, riep hij uit: mijne zonde is te groot om ooit vergeven te kunnen worden. 1) De menschen werden vervloekt en God betreurde ze geschapen te hebben, en besloot ze tot straf hunner misdaden door den zondvloed te verdelgen. Sodoma en Gomorrha werden vervloekt, en de stroom hunner misdaden riep om wraak en deed een regen van zwavel en vuur over haar nederdalen, die haar verteerde. Judas werd vervloekt, toen hij uit den mond des Zaligmakers dit smartvolle vonnis hoorde: Beter ware het voor hem geweest, nooit geboren te zijn; 2) en na het onschuldig bloed geleverd te hebben ging hij heen en verhing zich uit wanhoop. 3) De vervloeking is dus het ineenstorten van alle hoop, van alle geluk, het verlies van het opperste, van het oneindig goed, met de verzekering het nimmer te herkrijgen. Met dit vreeselijk kwaad treft God den zondaar, als Hij hem vervloekt. Hij wenscht hem alle rampen naaide maat zijner misdaden, zonder eenig goed, en zijn woord zal werkdadig zijn, gelijk het was bij de schepping der wereld, bij het veroordeelen der misdadige steden; gelijk het zijn zal bij het zegenen der uitverkorenen. Gaat van mij, vervloekten, gij hebt mijn zegen niet begeerd, nu is hij voor U verloren. Gij hebt de vervloeking gezocht, zij zal op ü vallen; zij zal zich aan ü hechten, gelijk het kleed dat gij draagt, den gordel die U omgeeft, zij zal doordringen in het merg uwer beenderen. 4)
En waar moeten zij heen, o Heer, die vervloekten, die rampzaligen, die Gij verre van U verjaagtr
1) Gen. TV, 13 2) Maltli. XXVI, ?4. Marei XIV, 21. 3) Slattli. XXVII, 5. 4) Psalm CVIII, 16. 17. 18.
;
omdat zij uwe barmhartigheid misbruikt, en uwe vat
zegening veracht hebben? In het vuur. Tot welk (Je
vuur zijn zij veroordeeld? Niet tot het aardsche mo
vuur door uwe goddelijke goedheid, den mensch tot (
weldaad ontstoken; maar tot het verslindend vuur, vcü tot een vuur dat uwe wraak heeft ontstoken, dat in ,3
zich alle kwellingen en pijnen bevat, een vuur dat eeu
gelijk is aan een stroom, dat zijne oevers overschrijdend zei
in dolle vaart en donderend gedruisch zich op de uw
ongelukkigen werpt, die hij kan overstroomen, ver- sch
delgen en verslinden , het zijn die eeuwige vlammen, tijd
waarvan Isaias sprak, die doordringende vlammen, zijr
die zich om zoo te zeggen met hare slachtoffers ver- ]
OO # , J
eenzelvigen en den verdoemde tot een gloeiende kool dat maken te midden van den vuurpoel der hel! \' tee
Hoelang, o Heer, zal uwe vreeselijke vervloeking La
op deze ongelukkigen blijven rusten. Hoelang zul- cm
len zij zuchten onder dien mantel van vuur, die in
hen verteert zonder ze te doen sterven ? Eeuwiglijk! en Ziedaar het vonnis van dien vroeger zoo goeder-
tieren, thans zoo onverbiddelijken rechter; en die mo
eeuwigheid maakt de hel uit van de hel, gelijk zij u
den hemel uitmaakt van den hemel. Altijd, nooit! Mij
Ziedaar de knagende worm der verdoemden! Altijd ik
leven in dat afschuwelijk gezelschap van de duivelen, ^ (
van die monsters, wier eenige bezigheid is elkander dot
te kwellen en te verscheuren: altijd die onweerstaan- ho( bare trek van den zondaar tot den God, dien hg \' po(
verloren heeft, terwijl eene onverbiddelijke gestreng- hei
heid hem onbarmhartig terugstoot. Nooit kan er afg een einde komen aan die afgrijselijke wanhoop,
aan die vreeselijke pijnen en kwellingen, aan die ma afschuwelijke kreten, aan dien toestand van verrotting,
nooit komt er een einde aan dat verschrikkelijk lijden j
65
van liet geheugen, het verstand, den wil; nooit zal de verdoemde het aanschijn Gods aanschouwen, hij moet God haten, zoolang God God zal zijn.
O zondaar, vreeselijk is het te vallen in de handen van den levenden God! 1)
In al uwe werken, denk aan uwe uitersten, en in eeuwigheid zult gij niet zondigen. 2) Ja, keer in u zei ven en denk aan dat oogenhlik, waarop gij vooi uwen Rechter zult verschijnen, waarop Hij u rekenschap zal vragen over zijn Bloed. Dan is het de tijd zijner barmhartigheid niet meer, maar het uur zijner rechtvaardigheid.
Dan zult gij u te vergeefs tot het kruisbeeld keeren; dat teeken van verlossing zal dan voor u slechts een teeken van verdoemenis zijn. Dan zal het Bloed des Lams, dat uwe zonden moest uitwisschen, wraak over u roepen, dan zal Maria, wier voorspraak gij in zult roepen, zich met afschuw van u afkeeren, en u zeggen: Ik ken u niet; dan zal uw engel bewaarder voor immer u verlaten; dan zult gij die moeder, die u het leven geschonken heeft, ver van u zien vluchten, en u treurig hooren toeroepen: Mijn Zoon, ik zegde u: tot wederziens; en nu moet ik voor eeuwig mij van u afkeeren.
O welke wreede pijlen voor het hart van den verdoemde ! Welke luide jammerklachten zal hij doen hooren, als hij den afgrond ziet open gaan en de poorten der hel zich achter hem sluiten. Groote hemel! welk een lot! welk een vreeselijke, welk een afgrijselijke toekomst!
De zondaar zal het zien en op zijne tanden knarsen , maar zijne begeerten zullen vergaan. 3)
1) Hebr. X, 31. 2) Eccl. VII, 40. 3) Psalm CXI, 9,
5
66
O verblinde zielen, staat een oogenblik stil op ïn rand van dien afgrond, alvorens gij er u eeuwig istort. O ik bid u, zet dien laatsten, alles beslis-snden stap niet. Snelt tot de goddelijke barmhartig-3id; nog beeft Hij zijne armen en zijn Hart voor niet gesloten; knielt neder voor dat kruis van szus, waar Zijne wonden slechts liefde en vergiffenis lemen. Ja, keert edelmoedig tot uwen God weder, ekeert u oprecht, en herhaalt met den H. Augus-nus: Wapen, Heer, tegen mij het zwaard en het aur; spaar mij niet hier beneden, doch spaar mij i de eeuwigheid.
D EETIENDE HOOFDSTUK.
Over de goddelijke rcchlmrdigheid.
Wat zal het talen te zeggen, dat men het pelouf heeft, als meu de werken niet heeft? Jac. I, 14.
Hij zal ieder geven volgens zijne werken. 1) Zal woord dat even troostvol is voor de getrouwe en moedige ziel, als verschrikkelijk voor de lauwe misdadige, niet in staat zijn den ijver op te kken van zoovele Christenen, die, in onze dagen, \' onverschillig zijn voor de belangen van God, van H. Kerk en hunne eigene ziel ? Hoewel zij door het it des geloofs de grootheid hunner bestemming men, zijn zij laf en traag bij de moeielijkheden
Matth. XV, 27.
67
des levens, komen zij hunne plichten niet na en veronachtzamen zij de taak hun door God opgelegd; de godsdienst is voor hen een eenvoudige eeredienst van schijn en welvoegelijkheid, de deugd eene kleingeestigheid, waarover zij zich schamen; slechts luisterende naar hunne lage driften en ijdele belangen , schijnen zij, om zoo te zeggen, den hemel bij verrassing te willen innemen, dien hemel, die slechts het loon is van een edelmoedigen en moeitevollen arbeid, dat koninkrijk der hemelen dat geweld lijdt en door de geweldigen alleen wordt ingenomen. 1)
Hoe, Christenen, gij blijft traag en lauw in den dienst van uwen God en gij weet dat Hij u meten zal met dezelfde maat, waarmede gij meet! Gij deinst terug voor het lijden, de vermoeienis, de vernedering en den strijd, en gij kent het loon der overwinning en den prijs uver smartvolle beproevingen! Gij kent den weg die naar den hemel, naar de glorie, naar de eeuwige gelukzaligheid voert, en gij geeft u de moeite niet dien te bewandelen: Gij weet dat uw hemelsche Vader u zijn welbeminden Zoon heeft gegeven om u tot voorbeeld te zijn en u zijne wegen te leeren, en gij hebt niet de minste begeerte zijne ij leer te bestudeeren en zijn voorbeeld te volgen. Hij ging al weldoende rond. 2) Hij kwam slechts in de 1 luereld om den wil van zijn Vader te vervullen. 3) 1 Doet gij dit ook ? Is het den weg van liefde, ( van gehoorzaamheid, van zelfsopofïering, dien gij 1 bewandelt? Hij sprak tot u zijne woorden van \' waarheid. Verlangt gij werkelijk die te hooren en 1 zijne onderwijzingen na te leven? Helaas! niets van
1) Malth. X, 12. 2) Act. X. 38. 3) Joa. VI. 38.
68
t alles, lu uwe betreurenswaardige verblindheid ronachtzaamt gij uwe ziel en den dienst van uwen )d, om slechts aau de vergankelijke goederen dezer rde te denken, en slechts de liefde, de vermaken,
genoegens der aarde na te jagen; gij dient die reld, waar Gods naam niet meer gekend wordt,
lar de waarheden zijner leer bespot worden; die reld, die ij delheid, eerzucht, pracht en praal acht een afschuw heeft van de nederigheid, de armoede,
versterving!
Ziedaar uw leven, o gij die u christenen noemt, en n godsdienst belijdt, waarvan de grondslag het geloof aan een God, looner van het goed en straffer van t kwaad; en wanneer gij den hemel beschouwt,
s plaats van eeuwige rust en zaligheid voor de-nen, die gearbeid en geleden hebben, schijnt het,
tar u te hooren, alsof ook gij daar uwe plaats ilig en verzekerd hebt.
O vreest die vermetele verwaandheid, die u in aagheid en onverschilligheid laat voortleven! Gij |.
aakt u schuldig, gij trage en lafhartige zielen,
zoo slecht beantwoordt aan Gods inzichten van fdevolle teederheid. Bedriegt u zeiven niet langer,
erkt terwijl het dag is, want de nacht zal weldra inbreken; overweegt ernstig dit woord des Heeren:
ïnel at gij lauw zijt, zal ik beginnen u uit mijn ond te spuwen. 1)
3
Ja, vreest het misbruik, dat gij maakt van die aschatbare gunsten van uwen God. Bedenkt, dat ij uit de slavernij der wereld getrokken, geplaatst jt onder de kinderen Gods in de H. Kerk. Dagelijks
edt deze heilige Bruid van Christus u den overvloed
n
1) Apoo. li, 16. gt;
69
harer genaden en smeekt u in hare schatten te putten zij lieeft u uit de duisternis getrokken, om u he licht medetedeelen; zij biedt u het goddelijk Bloei van haren Bruidegom om u te zuiveren en zijn god delijk Lichaam om u te voeden; zij bewaart voor L al de goederen en schatten des Heeren. En wa
r vraagt zij u voor al die genaden, zoo onverdiend
• Hlechts een -weinig edelmoedigheid en liefde voor Hem
. .. 0 . nn
i die voor u zijn eenigen Zoon heeft geslacntofferd
» voor Hem, die u zoo zeer bemind heeft, dat H
? zich voor u heeft overgeleverd. 1)
Ach, schud dan de traagheid en ongevoelighei( f af; dat uw geloof geen dood geloof, geen geloo
r zonder de werken zij. Geef u edelmoedig over aa
i den God, die u zooveel gegeven heeft, en haast
; het leed te herstellen, Hem door uwe onachtzaam
heid aangedaan. Bedenk dat niet elk die roep
t Heer, Heer, het rijk der hemelen zal ingaan, maa
i slechts die zijn wil zal volbracht hebben. 2)
3 Werkt dan met vurigheid en volstandigheid, indiei
fc gij edelmoedig beloond wilt worden: bewerk vlijtij
i den wijngaard u toevertrouwd: begraaf de talentei
i niet, die de goddelijke meester u gaf en die in uw
3 hand vrucht moeten dragen; besteed uwe krachtei
om ze voordeel te doen voortbrengen, opdat Jezu 5 tot u, gelijk tot den getrouwen dienaar in het Evan
i gelie, moge zeggen: Omdat gij in kleine zaken ge
e trouw zijt geweest, zal ik u over grootere stellen
treed binnen in de vreugde mos Heeren. 3) , En gij, getrouwe zielen, die Jezus met liefde volg a« en Hem in alles wilt navolgen, verliest toch den moe( niet bij het zien uwer zwakheden en beproevingen e _
11 1) Gal. T, 20. 2) Matll), VI, 21. 3) Matth. XXV, 21, 23.
gt;
70
Zijt gij de uitverkoren schapen zijner kudde niet? Indien de wolf u zoekt aan te vallen en u met duizend hinderlagen omringt, zoo weet dat hij u niet kan bereiken, omdat gij door den goeden Herder bewaakt en beschermd wordt.
Strijdt dan den goeden strijd 1) en denkt te midden uwer bekoringen en moeielijkheden dat, na de hitte van den dag, het uur van rust en verkwikking aanbreekt.
Ja, getrouwe, edelmoedige zielen, gij die in dit oord van ballingschap gebukt gaat onder het kruis der ontberingen, der opofferingen en des lijdens, het uur van zegepraal zal voor u slaan: dat uur waarop gij uw zegevierenden intocht zult doen in dat hemelsch Sion, gebogen ouder het geheiligd hout dat u nederdrukte. Onder dit glorierijk teeken zult gij den Hemel binnengaan tot aan den troon van uw hemelschen Bruidegom. Volgt Jezus dan moedig op den weg met doornen bezaaid die van Golgotha tot Thabor voert; wandelt met een kalm vertrouwen aan zijne zijde en helpt Hem zijn kruis dragen: want, hoe meer Hij deszelfs gewicht op u zal doen drukken, hoe meer Hij u ook zijne glorie zal doen deelen op dien dag, waarop Hij ieder zal geven volgens zijne werken. 2)
1) I Tim. V. 12. 2) Matth. XV, 27.
Vekktiende Hoofdstuk.
Over de goddelijke barmharlighcid.
Kom tot mij die het leven beo: als gij a van mij afseheidt, kunt gij slechts den dood vinden. Ik ben niet gekomen om de rechtvaardigen, maar om de zondaars te roepen. Matth. IX, 13.
O gij allen, die gedompeld ligt in de duisternis der dwaling en der zonde, overweegt dit woord van Jezus; gjj zult daarin een lielder licht en eene beweegreden van liefde en vertrouwen vinden tot de goddelijke barmhartigheid, alsmede eene groote begeerte om een goed gebruik te maken van de genaden, die Hij voor u verdiend heeft en u met aandrang aanbiedt.
Ja, arme verdoolde zielen, luistert naar die stem vol liefde en zalving, treedt in het binnenste van het Hart uws Zaligmakers. Om u den weg der zonde te doen verlaten, en u den weg ten hemel te wijzen, is Hij op de aarde nedergedaald; om uwe zonden af te wasschen en u de verloren schoonheid terug te geven, heeft Hij zich met uwe ellende willen bekleeden en zijn bloed gestort tot den laatsten druppel. Om u vrede en geluk te bezorgen, heeft Hij in kwelling en tranen geleefd, zelfs zoo ver dat Hij uitriep: Mijne ziel is bedroefd tot den dood. 1)
Zult gij ongevoelig blijven voor die overgroote liefde? Zult gij doof blijven voor die teedere stem die u onophoudelijk toeroept: Ik ben niet gekomen voor de rechtvaardigen, doch voor de zondaars? En
1) Matth. XXV, 38.
72
dit woord, waarin zijn Hart spreekt is niet liet eenig bewijs zijner groote barmhartigheid. Al zijne woorden zijn door datzelfde goddelijk medelijden ingegeven, al zijne handelingen stemmen daarmede overeen door zijne onuitsprekelijke teederheid, om tot zijn liefdevol Hart al degenen te roepen die lijden, maar vooral die welke zuchten onder de dwingelandij des duivels en in de ketenen der zonde.
Hij is de goede Herder, die het verdwaalde schaap opspoort en geen rust heeft alvorens Hij het heeft gevonden, en op zijne schouderen naar den schaapstal terug heeft gebracht. Hij is die zorgvuldige herder, die zijne kudde naar grasrijke weiden voert, ze tegen den wolf verdedigt en zijn leven geeft om ze te redden.
Hoort, hoe hij zich in de parabel van den verloren zoon vergelijkt bij een vader, die na lang getreurd te hebben om de losbandigheid van zijn zoon, het geluk terugvindt bij het vernemen dat dit schuldig kind berouw gevoelt; die zelf den ondankbare tegemoet gaat; die, zoodra hij hem in de verte ontwaart, hem reeds de armen opent, hem tegemoet snelt, hem aan zijn hart drukt, met zijne liefkozingen en tranen bedekt. Verheugt u met mij, sprak hij tot zijne dienaars, want mijn zoon was dood en hij is verrezen; hij was verloren en is teruggevonden! 1) Handelt Jezus niet aldus jegens eiken berouwvollen zondaar? Heeft Hij met smart zijne afdwaling gezien, heeft Hij getreurd over de versteendheid van zijn hart, zoo heeft Hij ook geduldig zijn terugkeer verwacht; en zoodra zijn kind, getrouw aan de inspraken der genade, tot Hem wederkeert, opent Hij hem
1) Lucae XV, 24,
73
zijne armen en zijn Hart, noodigt de uitverkorenen feest met Hem te houden ; want zijn goddelijke mond Leeft gezegd: Meer vreugde zal er in den Hemel zijn over de heheering van één zondaar, dan over de volharding van negen-en-negentig rechtvaardigen. 1)
En zijn gedrag jegens de overspelige vrouw, die allen veroordeelden, kan men zich dit herinneren zonder door eene zoo medelijdende, zoo toegevende goedheid getroffen te worden? Dat hij die zonder zonde is, den eersten steen op haar werpe! 2) Ziedaar het vonnis dat Hij spreekt over deze misdadige vrouw, ziedaar de woorden van barmhartigheid, waarmede Hij zulk eene openbare fout bestraft! Ach, hoe sidderde de ongelukkige in afwachting van haar vonnis. doch wat ging er om in hare ziel, toen zij uit den mond baars Zaligmakers slechts hare vrijspraak hoorde met deze waarschuwing vol goedheid en barmhartigheid: Ga en zondig voortaan niet meer! 3)
Hoe vele trekken vinden wij in het leven van Jezus opgeteekend even treffend als deze! Hoe dikwijls roept Hij diegenen tot zich, die Hem vluchten! Hoevele lessen geeft Hij aan de onwetenden! aan hen, die God niet kennen. Ziet Hem nedergezeten bij den put van Jacob, om de Samaritaansche vrouw af te wachten, haar een liefdedienst verzoekende om haar door de heerlijkste gave te beloonen. Indien gij de gave Gods hen det,, zegt hij, en wist, wie hij is die u zegt, geef mij te drinken, gij zoudt hem wellicht gevraagd hehben, en hij zou u levend water hehhen gegeven. 4) En om de begeerte in haar op te wekken van haren dorst te mogen lesschen aan die
1) Lucse XV, 7. 2) Joa. VII, 7. 3) Joa, VII, 11. 4)Joa.IV, 10.
74
■wateren, die zuiverder zijn dan die der reinste brou tracht Hij haar te doen verstaan, dat Hij zelf dij uitdeeler is dier gaven, waarvan Samarië zoowel al Israël, zijn deel verwacht. Hij ontsluiert haar vorij leven voor haar ooo-, niet om haar te berispen o te doen blozen, doch alleen om haar te toonen dal Hij de opperste waarheid is, dat Hij alles weet e dat zij zijn woord moet gelooven. Daarom riep dan; ook de zondares, plotseling door het goddelijk licht bestraald en bekeerd: Heer, geef mij van dat water ! 1)!
Ziedaar, verblinde en afgedwaalde zielen, wat uw God altijd geweest is en nog is; want gij weet het, God blijft immer dezelfde. 2) Doch onder de trekken zijner teedere meedogenbeid voor onze ellende, zijner vaderlijke zorg voor onze zaligheid, mogen wij het liefdevol gedrag niet stilzwijgend voorbijgaan dat onze goddelijke Zaligmaker gevoerd heeft ten opzichte dier groote zondares Magdalena, die Hij met gunsten en genaden overlaadde, die niet alleen het geluk had Hem te volgen, doch zelfs in zijne innigste gemeenzaamheid mocht leven.
Komt, o zondaars, beschouwt en bestudeert deze trekken van goedheid! Verliest den moed niet bij bet zien van al die bewijzen van barmhartigheid;^\' weest niet ondankbaar en bedenkt dat het Bloed van Jezus ook voor u gestroomd heeft! Keert tot Hem weder; zucht met Magdalena aan zijne voeten; bereidt u, gelijk zij, tot het ontvangen der zalving zijner genade, en maakt u waardig ook dat heerlijk woord ■ uit zijnen mond te hooren, dat in alle eeuwen de glorie der heilige boeteling zal uitmaken: Vele zonden i worden haar vergeven, omdat zij veel hem.ind heeft. 3) 1
1
Joa. IV, 15. 2) Malachia II, 6. 3) l.uca: VI, 47.
75,
Keert weder tot dien God van liefde, die den dood des zondaars niet wil, maar dat hij zich bekeere; 1) en die niet ophoudt u toe te roepen »al ware het kleed uwer misdaden rood als scharlaken, ik zal het witter wasschen dan sneeuw. 2) Keert weder tot dien waren Herder uwer zielen, die nadat Hij zijne voeten heeft gewond om u langs doornen paden te gaan zoeken, ze aau het kruis laat nagelen om u af te wachten. O ziet, zijue armen zijn geopend om u uit te noodigen op zijne gewonde borst te komen rusten; zij n hoofd is gebogen om u den kus des vredes aan te bieden, en zijn geopend Hart biedt u een toevlucht tegen den toorn zijns Vaders. O weest niet doof voor zijne stem. Bekeert u tot God en in zijne barmhartigheid zal Hij de wonden uwer ziel genezen!
O Je zus, onze hoop, o Jezus onze harmharligheid, o Jezus de eeniga voldoende, maar die alleen voor allen voldoet! Hoe hunnen wij twijfelen\'? hoe zouden wij vreezen? wie kan u wederstaand wie kan u vluchten1? O liefde, dié gekomen zijt. niet voor de rechtvaardigen, maar voor de zondaars! O liefde die gezegd heht, zij die gezond zijn, hebben geen geneesheer noodig, maar loei zij die ziek zijn. O liefde die ons toeroept: Komt allen tot Mij, die belast en beladen zijt en Ik zal u verkwikken ! O onuitsprekelijke liefde, waarom zijt Gij niet beter gekend, en meer bemind? 3)
\'
1
Ezech. XXXH, 11. 2) Isaiael, 18. 3) Mgr. Gay, Conferencie.
Tr TT eeft i
vijftiende Hoofdstuk. eschc
indei
Over de H. Kerk. Bes
Wat is er aangenamer voor welgeaarde Idndere, dan de grootheid, de schoonheid, de deugden hunne\' moeder te kennen? Wat is er troostvoller voor hu egcj1j hart dan de talrijke weldaden op te tellen die zij va ^ haar ontvingen en die reine en heilige vreugde t •• overdenken, welke hare liefde hen doet smaken Doch zijn deze gevoelens natuurlijk en prijzenswaai dig, behoort elk kind ze te bezitten ten opzichte de moeder, die hem het leven schonk, hoe veel diepe ^ moeten dan die gevoelens in ons hart gegrift zij ^ voor de H. Kerk, voor die moeder, die ons het wai ^ ^ leven geschonken heeft! \'Lier
En nochtans is dit het geval niet. Niets word minder geacht, minder bemind in onze dagen, da ,e ^ de H. Kerk, de Bruid van Jezus-Christus en onz ^ ^ Moeder; ik zou zelfs kunnen zeggen, niets word lienS(, meer gehoond en vervolgd. Wereld en hel hebbe |a;^, 1 haren ondergang gezworen, en hare eigene kindere veréénigen zich met hare vijanden, om haar op hai grondvesten te doen wankelen en te verdelgen. , ,
Hoe laat zich dit vreemd gedrag, die ongelooflijh^ verblindheid, die zwarte ondankbaarheid uitlegge | ten opzichte eener zoo groote, machtige en teedei TerwC] moeder? _ ea 0l
Ach, het is omdat de menschen haar niet kennen omdat zij zich de moeite niet geven haar te leere fana,e kennen; omdat zij den verheven rang niet beschouaalla(j wen, waarop God haar geplaatst heeft, noch d
innige verééniging welke God met haar geslote^
gt;1) Ki
77
eeft, de rijke schatten welke haar ter verdeeling .eschonken zijn, en de waardigheid, waartoe zij hare inderen kan verheffen.
Beschouwen wij dan de grootheid, de glorie, den
j iikdom onzer moeder, de banden die ons aan haar ïl 0.01^0\' • ••
!iunm ^cht|ei1\' teedere liefde, waarmede zij ons omringt
, u de onschatbare gunsten, welke zij ons heeft voor-or hu , 0 ^
•escnikt.
i® het lichaam van Jezus-Christus, 1)
laken 11 hare volmaking in de heiligheid harer
, 3den. Wat beteekenen deze woorden en hoe kan
ite\'dc 1611 l|i^eoSen\'• Wij, o christenen, wij vormen
.oor eene uitwendige gemeenschap en de belijdenis
ift zi\' 311 ^e^ze^c\'-e geloof, dat geheimzinnig lichaam, waar-
t ^ an de Verlosser het hoofd en de H. Geest de ziel,
le beweging en het leven uitmaakt. Kan er iets roem-
word 0^er uitgedacht worden dan deze leer des Apostels ?
^ Hoe, Jezus Christus, het menschgeworden Woord,
\' r ie God-mensch vindt zijne volmaking in iets anders
word \'an ^11 zelven; en het is onze arme, ellendige
aenschheid die Hij heeft gekozen om die volheid
ie,bbe laar te stellen?
rwiprp
Maar waarom zouden wij ons over deze onbegrij-P iai pelijke waarheid verwonderen, daar de Zoon Gods \'n-i Jpchts in de wereld gekomen was om zijne Kerk te leo-o-e ■ie-\':lePPen en te vestigen, en op die wijze onze zalig-eedei bewerken? Waarom zouden wij er ons over
verwonderen, daar Hij, uit liefde tot de H. Kerk ea om dit geheimzinnig lichaam van den dood te leere iec^en\' ^ lichaam dat Hij van de H. Maagd ont--chor vangen had, dat door den H. Geest gevormd was, ^ ^aan den dood des kruises heeft overgeleverd?
sslote,--
^1) Ejihes I, 23.
78
Hoe heilig, lioe volmaakt, hoe schoon is dat lichaam, dat de eeuwige rechtvaardigheid, de opperste wijsheid, den sterken en machtigen Heer, den God van alle liefde tot hoofd heeft! Hoe heerlijk is dat lichaam van Christus, naar zijn beeld en gelijkenis gevormd!
O mochten wij die heerlijke overéénkomst kunnen zien, welke al de levende deelen van dit lichaam onder elkander hebben! mochten wij de verééniging gevoelen welke zij met hun hoofd hebben, en de bewonderenswaardige uitwerkselen welke uit die verééniging voortvloeien! dan zouden wij door verbazing en dankbaarheid vervuld worden. Maar zoolang wij door duisternis omringd leven, zullen wij deze geheimen niet kunnen ontdekken, en zullen wij slechts een zwak begrip van al die wonderen hebben.
Neen, slechts da,n zullen wij de kerk volmaakt; kennen, als wij in den Hemel God zullen kennen; nooit zullen wij hare schoonheid en hare glorie kennen, dan wanneer wij God in zijne volle glorie zullen aanschouwen.
Doch kunnen wij hier beneden de grootheid der H. Kerk en de verhevenheid harer volmaaktheid niet begrijpen, zoo kunnen wij haar toch beminnen; en wij zullen haar beminnen, indien wij de groote schatten die ons door haar ten deel zijn geworden , erkennen en waardeeren; wij zullen haar beminnen, als wij steeds gedenken, dat zij onze moeder, onze ware moeder is, dat zij op Calvarië de bruid is geworden van onzen hemelschen Vader, en dat zij, geheiligd door haar hemelschen Bruidegom, vervuld door den H. Geest, ons door het doopsel tot het leven der genade heeft voortgebracht en ons tot kinderen Gods gemaakt heeft.
79
Wij waren vijandeu van God, en de H. Kerk aakte ons erfgenaam van zijn rijk; wij verdienden iuwige straf, en zij verwierf ons eene kroon van .iorie; wij_ zaten gedompeld in de schaduwen des oods en zij opende ons de deur des hemels. | Hoe groot is de macht dier gezegende Moeder ^or de zaligheid barer kinderen! Hoe vruchtbaar, 3e rijk is zij in al de schatten die zij voor ons gt;rkregen heeit! De H. Kerk heeft ons de Aartsvaders, e Profeten en de Apostelen gegeven, als zoo vele Ikkels om ons verstand te verlichten, als zoo vele l-onnen, waar wij het leveaswater gaan putten; zij gf ous die ontelbare schaar van Heiligen tot voorleid en beschermers; zij gaf ons de H. Maagd Paria, die tegelijk hare moeder en hare dochter is; dch vooral gaf en geeft zij ons voortdurend Jezus zlf in zijne leer, zijne wet, zijne HH. Sacramenten; i breekt ons het brood des levens in het Lichaam ra haar goddelijken Bruidegom. Zij geeft ons hare *beden, hare tranen; in één woord, zij is voor )s die zorgvuldige moeder, vol teederheid en toe-jvendheid; die krachtdadige beschermster, wier ifde ons dekt als met een schild tegen de pijlen m wereld, duivel en vleesch! Wat kunnen wij raezen in haren schoot? Zijn wij arm, zij is rijk jaoeg om ons met goederen te overladen; zijn wij ^fSroefd, zoo is het genoeg aan haar te behoorea gt;11 zich getroost te gevoelen; zijn wij door de zonde lisvormd, het is genoeg met haar in de rijke bronnen I r goddelijke schoonheid te putten, om de schoonheid I r ziel terug te bekomen. De liefde tot die onver-;lijkelijke moeder, die niet het werk der natuur, (lar het werk van God zelf is, kan voldoen voor 1 wat ons ontbreekt; en haar hart is door de liefde
80
zoo groot, dat, het de gelieele wereld kan bevatten.
Hoe zouden wij dan de H. Kerk niet beminnen ? Hoe zouden wij door eene oprechte kinderlijke liefde niet aan hare edelmoedige zorg beantwoorden? Hoe zouden wij niet trachten, haar hart te verheugen door hare verlangens na te komen; en dat hart vraagt slechts ééne zaak, dat wij het geluk niet terugstooten dat zij ons aanbiedt, dat wij gebruik maken van de schatten, waarmede zij ons wil verrijken.
Ach, beantwoorden wij dan aan hare levendige teederheid; nemen wij met onderwerping en geloof hare onfeilbare leeringen aan; voeden wij ons met hare leer; beminnen wij de liefde en den ootmoed die haar leven uitmaken; beminnen wij het kruis, het sterfbed van haren Bruidegom; beminnen en vragen wij vooral het versterkend brood dat ons op onzen pelgrimstocht moet ondersteunen, en ons tot de volmaaktheid moet brengen.
En daar wij niet voor de Kerk kunnen sterven, zoo laat ons voor haar leven; daar wij niet, gelijk de Apostelen, de glorie mogen smaken voor de Kerk te lijden, trachten wij ten minste haar door onze liefde en onzen ijver te troosten. Offeren wy ons volgens onze kracht en middelen voor haar op; verdedigen wij hare belangen; mengen wij onze tranen bij die welke zij stort over onze rampen, over onze ondankbaarheid en die onzer broeders, over die ontaarde kinderen, die haar hart breken en hare ingewanden verscheuren.
Maar bidden wij vooral voor die zoo verhevene, zoo edelmoedige moeder, die helaas! zoo miskend en zoo hevig vervolgd wordt. Bidden wij naar het voorbeeld der eerste Christenen, één van hart en
81
één van ziel, en sraeeken wij den Heer de zegepraal i zijner teedere Brnid te verhaasten door de beschaming
} en verdelging haren vijanden. Ja, bidden wij, heffen
3 wij onze handen ten hemel, ten einde over de H. Kerk
l Gods zegen te doen afdalen; want de groote zaak
t van Jezus staat op het spel, de algemeene belangen
l van Gods eer op aarde, van de zaligheid der zielen
L en van den vrede der wereld.
Koesteren wij voor die heilige Moeder dezelfde gevoelens als Jezus; want als wij haar in en om } Jezus beminnen, zullen wij ons weten op te offeren,
f zullen wij voor haar weten te sterven; en aldus zullen
t icij waardig worden eenmaal het erfdeel des Heeren.
[ te bezitten.
O heilige Kerk, o Bruid van Christus, ik wil een j der toegenegen kinderen zijn, die met u weenen
, en met u juichen, met u werken en met u strijden,
t Ja, voor n wil ik leven, omdat het door u is dat
ik leef, even als eene beek die tot hare bron wederkeert; want tot u, mijne moeder, wil ik alles terugbrengen, wat ik van u heb ontvangen.
Bewaarster van mijn geloof, anker mijner hoop, schatbewaarster der eeuwige beloften, in uwen schoot hoop ik eeuwig te rusten; daarin leg ik met vertrouwen mijn geest en mijn hart, mijn leven en mijne eeuwigheid neder; en altijd, o stad Gods, o heilig Sion, zult ge het voorwerp mijner liefde en de grondslag mijner vreugde zijn!
[
6
I ■
Zestiende Hoofdstuk.
Over de Tcrhcvenheid van het Prieslerscliap.
Gij zult op tronen gezeten zijn, om de twaalf stammen Tsraëls !e oordeelen.
Matth. XIX, 28.
Ware het ons gegeven de edele roeping van den priester, de verheven bediening hem toevertrouwd, en de buitengewone genaden die hij ontvangt, wel te begrijpen, hoezeer zouden onze eerbied en achting voor hem toenemen! Verlicht en onderwijs mij meer en meer, o Heere, omtrent dat heilig Sacrament door U ingesteld, en het heilig merkteeken waarmede Gij uwe bedienaars geteekend hebt, waardoor zij boven de engelen in waardigheid verheven worden.
Gelijk de Vader mij gezonden heeft, zoo zend ik u, sprak Christus. 1) Gaat dan, onderwijst alle volkeren , en doopt hen; 2) Die u hoort, hoort Mij, die u versmaadt, versmaadt Mij. 3)
De priester is dus geroepen om het werk van Jezus Christus voort te zetten; gelijk Hij moet hij het woord van waarheid verkondigen, de dwaling aantoonen, den weg wijzen, die tot het leven leidt, en de glorie des Heeren bevorderen door de zielen te redden.
Maar is hg de tolk van Jezus Christus, zoo is hij ook de bedienaar en het werktuig zijner barmhartigheid. Zie hem in den stoel van boetvaardigheid; daar is hij gezeten om den schuldigen te vergeven, zooals Jezus den zondaars vergaf ; hij wascht hunne
i) Joa. XX, 21. 2) Matth. XXVII, 19. 3) Lucse X, 16.
83
misdaden in het bloed van dat goddeliik Lam, gelijk Jezus ze heeft afgewasschen, toen hij op het kruis stierf. En hierin vervult hij slechts de zending, hem door zijn goddelijken meester opgedragen. Al wat gij op aarde ontbonden zult hebben, zal ontbonden zijn in den hemel. 1)
Doch gaan wij verder, en begrijp, als gij kunt, de groote macht door God aan een schepsel geschonken. De priester heeft als uitdeeler der hemelsche schatten en als middelaar der goddelijke rechtvaardigheid volmacht op het lichaam van Jezus zelf. Zij is hem gegeven bij het laatste avondmaal, toen Jezus, na een weinig brood en wijn in zijne handen genomen te hebben, deze woorden uitsprak: Dit is mijn lichaam, dit is mijn bloed; 2) en er bijvoegde: Doet dit ter mijner gedachtenis. 3)
Wat wilde Hij hiermede zeggen? Gij, die ik gekozen heb om mijne zending op aarde voort te zetten, offer mij dagelijks aan mijn Vader op voor de zaligheid der menschen. En, getrouw aan dit gebod, beklimmen dagelijks in alle oorden der aarde, duizenden priesters het altaar. In heilige vrees nedergebogen, beschuldigen zij zich, vernederen, vernietigen zij zich voor de goddelijke majesteit, en smeeken, in de vurige taal der profeten, de barmhartigheid des Heeren af. Maar, door eene verhevene gedaanteverandering verdwijnt plotseling de mensch; zijn woord wordt een gebod; zijne stem weerklinkt in den Hemel en doet daaruit het Hemelsch Slachtoffer nederdalen, in den staat van opoffering en vernietiging van Oalvarie. Eindelijk breekt zijne gewgde
1) Matth. XVII. 18. 2) Mallh.XXV, 26,28. Marei XIV, 22, 24. I.ncae XXI, 19, 20. I Cor. XI, 24, 25. 3) I.nc» XXII, 19. I Cor. XI, 21, 25.
84
hand de H. Hostie en deelt aan de biddende en ingetogen schaar het Vleesch des Offerlams uit: dat het lichaam van onzen Heer Jesus Christus uwe ziel beware ten eeuwigen leven. 1)
Hoe groot, hoe verheven is dus de Priester! Hoe schoon is de bedienaar des Allerhoogsten, door de H. Zalving tegen de worsteling versterkt en tot den strijd gevormd!
Belast met de belangen Gods tegenover de men-schen, werkt hij met ijver om het rijk van Jezus in de zielen te verbreiden, en door de boetvaardigheid de beleedigingeu uit te wisschen, flem dagelijks door zoo vele ongetrouwe en weerspannige schepselen aangedaan.
Als Verlosser der menschen draagt hij zijn kruis en hecht zich daaraan met Jezus, om daarvan vergiffenis en leven te doen afstroomen. Als heiligmaker der menschen maakt hy, indien hij zelf heilig is, anderen heilig. Als middelaar der menschen bedekt hij al onze ellende en voldoet aan de goddelijke rechtvaardigheid, door tot God zijne geheiligde handen, vervuld met boete en voldoening, op te heffen.
Maar kan de priester, de verlosser, de heiligmaker der menschen, een middelaar zijn die aan de verwachting van Christus waardiglijk beantwoordt, indien hij zelf geen levend toonbeeld vau den gekruisigden God-mensch is, indien hij die nederigheid, die zachtaardigheid , die teedere liefde niet bezit, die den god-delijken Zaligmaker zoo geduldig, zoo toegevend jegens de zondaars, zoo medelydend met alle onge-lukkigen maakten, indien hij zich niet opoffert, gelijk Jezus zich opgeofferd heeft? Dat hij dan, geroepen
I) Lit.
85
om het werk Gods voort te zetten, zich verheuge over zijn roemrijk deel; dat hij zich gelukkig gevoele, uit het erfgoed des Heereu het deel gekozen te hebben, dat hem niet ontnomen zal worden; maar dat hij, zich zeiven mistrouwende, ook sidderde bij de gedachte aan de volmaaktheid en de verdiensten, die aan de verhevenheid zijner bediening moeten beantwoorden; dat hij dagelijks aan die bron, die hij de macht heeft te doen springen, het noodige vuur putte om zijne liefde te vermeerderen, het noodige licht om de zielen te verlichten, te overtuigen en te besturen, de noodige kracht om de moeielijkheden zijner bediening te verdragen, alsook eene zelfsver-loochening, eene toewijding die tot elk offer bereid zijn. Dat bij steeds zijn goddelijk voorbeeld voor oogen hebbe, opdat men hem ziende moge zeggen: zoo moet de Zaligmaker gehandeld en gesproken hebben.
Hij werke dan moedig aan de edele taak hem opgedragen. Dat hg, als soldaat van het leger van Jezus Christus, zich bekleede met de wapenrusting der sterken, met het schild des geloofs, niet het zwaard van het woord, hij die aan de spits van het leger der geloovigen moet strijden en het hoofd moet bieden aan de aanvallen van den helschen vijand; dat hij, even als de wacht op de muren van Jeruzalem geplaatst, altijd gereed quot;zij het leger des Heeren tegen eiken aanval te verdedigen. Dat hij, om zich te bemoedigen in dezen roemvollen strijd, steeds denke aan de heerlijke belooning, aan zijn ijver beloofd. Dat hij die kroon beschouwe, waarmede zijn hoofd versierd zal worden, wanneer hij met Jezus Christus de levenden en dooden zal oordeelen; dat hij denke aan de eereplaats, hem bereid bij dien Meester, dien hij zoo getrouw gediend zal hebben.
86
Ea wij, Christenen, bidden wij voor den priester, opdat hij, getrouw aan de heerlijke zending hem toevertrouwd, die getrouw vervulle, in het belang van de glorie van God en het heil onzer zielen; beminnen en eeren wij den priester, omdat het Jezus Christus is, dien wij in hem eeren en beminnen.
Zeventiende Hoofdstuk.
Over hel ü. Misoffer.
Slachtoffer en offerande hebt gij niet gewild; maar een lichaam hebt gij mij toebereid. Brand en zoenoffers hebben u niet behaagd ; toen heb ik gezegd: Zie, ik kom.
Ps. XXXIX, 9. 10. Hebr. X, 5, 6. 7.
Gij zijt het, o Jezus, die dit zegt; en om dit woord van eeuwige onderwerping en eeuwige liefde te volbrengen, gaat gij u op het altaar slachtoiïeren; gelijk eertijds op Calvarië; hier gaat uw bloed vloeien, gelijk eertijds onder de geeselslagen, de doornen en de nagelen; in de hand des priesters opgeheven, gelijk op het kn.is, o heilig Slachtoffer, o vlekkeloos Lam, gaat gü U voor onze zonden aan uwen hemel-schen Vader opofferen!
Hoe zouden wij hier de grootheid, de diepte, de volheid uwer liefde kunnen miskennen? Hoe zouden wij onze hoop niet vestigen op uwe groote verdiensten en uwe machtige voorspraak bij dit aanbiddelijk offer der H. Mis, dat op onbloedige wijze uw lijden en dood vernieuwende, ons ten onderpand strekt onzer zaligheid.
87
Gij hebt het gezegd bij uw intreden in deze wereld, Gij herhaalt het dagelijks aan onze altaren; Mijn Vader, alle menschen te zamen konden uwe rechtvaardigheid niet voldoen, de offers die. men U kon aanbieden, waren uwer niet waardig. Toen heb ik gezegd; Zie, ik kom. Laat den arm uwer wraak op mij vallen, maar spaar degenen, die gij mij gegeven hebt.
O verhevene woorden, waarom verliezen wij ons niet in bewondering, wanneer wij die hooren? O heilig zoenoffer, alleen in staat de goddelijke gerechtigheid te verzoenen, waarom begrijpen wij de volheid niet uwer kracht?
O Christenen, verlaat toch de aardsche beslommeringen , en komt naar dat altaar waar het grootste aller wonderen volbracht gaat worden. Daar gaat de Almachtige zich vernietigen, daar gaat de Eeuwige een einde nemen, daar gaat de oorsprong des levens sterven, daar gaat de Onschuld als de alleen schuldige behandeld worden.
De hemel aanbidt de Opperste Majesteit, die aan onze oogen verborgen, zich leent tot de heerlijkste uitvinding der liefde; het altaar ontvangt sidderend den driemaal heiligen God voor wiens aanscliijn de engelen zich met huune vleugelen bedekken; en wij. Christenen, wij zouden niet op onze knieën neder-zinken, wij zouden het hoofd niet in het stof neder buigen, wanneer wij God dat vlekkeloos Lam aanbieden, dat de zonden der wereld wegneemt?...
Het heilig Misoffer neemt een aanvang. De priester, aan den voet des altaars staande, buigt zich diep; en na in de taal van David gebeden te hebben, klopt hij driemaal op zijne borst en belijdt zijne zonden, welke tevens die van het volk zijn. Het is Jezus
88
die in doodstrijd valt. Nedergebogen voor zijn Vader, gr( voor een bèleedigden en vertoornden God, maakt zie Hij, de Heiligste der heiligen, zich tot middelaar ha voor al de zonden der wereld. Hij aanvaardt den kelk die overvloeit van de zonden der menschen en tw de stroomen der goddelyke gramschap. Hij geeft nu zijn leven voor zijne vrienden. 1) Wie zou niet getroffen worden, bij het zien van dit goddelijk slacht- vij offer, dat bezwijkt; zich beladen ziende met al onze ra ellende en verpletterd onder het gewicht onzer boos- wi heden ? H Jezus bezwijkt onder het gewicht onzer zonden ge en onder de hand der eeuwige rechtvaardigheid. Onder te dien mantel van ongerechtigheden, dien Hij van ons va overneemt, kent zijn Vader Hem niet meer, en ks antwoordt op zijn herhaald smeeken slechts door de he vervloeking der gramschap. Dan wordt zijne ziel vi bedroefd en hij valt, water en bloed zweetende, op dc de aarde neder; en het is nog slechts het begin van zr
het offer..........Ö
Ach, mijn goddelijke Meester, wat zult Gij voor d(
zoo veel edelmoedigheid inoogsten? Ondankbaarheid, te
helaas, ziedaar den prijs voor die overmaat van liefde! gi
Velen uwer broeders zullen de vergeving en de v(
genaden verachten, die Gij hen door zoo veel schande m en smart hebt verworven! Velen zullen uw kostbaar
bloed met voeten treden en zich met de godslastering H
op de lippen in de eeuwige verdoemenis werpen. vi
Maar, o mijn God, beschouw uw welbeminden sl
Zoon, het voorwerp van uw eeuwig welbehagen; w
zie tot welken staat hij gebracht is; zijne gelaat- Is
strekken zijn ontsteld; hij ligt uitgestrekt op den d
I) Joa. XV, 13.
89
grond, door zyn bloed en zweet bevochtigd. Zijne ziel zweeft op zijne lippen, zoo diep, zoo innig is haar lijden.
Door een zijner Apostelen verraden, door een tweeden verloochend, door allen verlaten, moet Hij nu nog door U, o hemelsche Vader, verlaten worden!
Met den priester is Jezus opgestaan; Hij gaat zijne vijanden te gemoet; Hij ontvangt den kus des verraders; Hij biedt zijne schuldelooze handen aan een wilden soldatentroep om ze met kluisters te, beladen; Hij wordt van de eene rechtbank naar de andere gesleurd! Welke vermoeienis, welke smaad! Depriesters ondervragen ü om ü te veroordeelen; zij zoeken valsche getuigen tegen IJ, hunne dienaren geven U kaakslagen, en het opgehitste volk lastert ü; de heidenen erkennen uwe onschuld en durven U niet vrijspreken; een hoogmoedig vorst versmaadt ü, en door U met een spotmantel te doen omhangen vervolgt zijne misachting U nog door de straten van Jeruzalem. O Meester, waar zijn uwe leerlingen? waar zijn degenen, die straks nog zwoeren voor uwe verdediging te willen sterven? Helaas, de eenige dien nieuwsgierigheid of berouw uwe schreden doet volgen, beeft voor de stem eener vrouw, en zweert dat hij dien man niet kent. 1)
Intusschen houden de hoofden der Synagoge aan. Het volk eischt dat men Barabbas den moordenaar vrijlate, dat men Jezus overlevere om de straf dei-slaven en der misdadigers te ondergaan. Pilatus wil, om de woede van het volk te bedaren, een laatste middel aanwenden, en beveelt den onschul-digeu te geeselen.
1) Marei XIV, 71.
90
De priester heft den kelkdoek op, die de offergaven bedekt; laat ons onder dit zinnebeeld de bloedige werkelijkheid verder aanschouwen.
De soldaten berooveti Jezus van zijne kleederen: de geeselroeden vallen met herhaalde slagen op zyn ieeder lichaam neder, dringen in zijn heilig vleesch, dat zij geheel van één rijten; zijn bloed vloeit in stroomen, en spat op de beulen terug. Toen wierp men op de schouders van dit uitgeput Offerlam een stuk purperen stof; een rietstok wordt Hem als schepter in de hand gegeven, en lange doornen, tot ■eene kroon gevlochten, verscheuren zijn aanbiddelijk hoofd. Beischouiven wij dat gelaat, eertijds de vreugde, thans de afschuw der oogen; beschouwen ivij den mensch, dien Pilatus ons voorstelt. Zie Hem daar, dien man van smarten. O wonden, laat mij U aanbidden, laat mij mijne lippen op U drukken. O bloed, dat uit het hoofd, uit de oogen, uit het gewond lichaam vloeit, o kostbaar bloed, laat mij U opvangen! O narde, zwelg dat bloed niet in! Drink hei bloed van Jezus niet! Het behoort aan ons; op onze zielen ■moet het vloeien. 1)
Maar het goddeloos volk is niet getroffen; het roept met helsche stem: kruisig Hem, kruisig Hem. 2) O Pilatus, tevergeefs wascht gij uwe handen. Zij y.ullen eeuwig rood geverfd zyn van het bloed dat gij gaat vergieten.
Orate Fratres.... Bidt, Christenen! Antwoordt op de godslasteringen der menigte door een lofzang aan den eenwigen Vader en zijn éénigen Zoon, de middelaar tusschen den Hemel en de aarde: biedt hun de eeuwige aanbidding aan der negen koren der
1) Bussuet. 2) Joa. XIX, 15.
91
engelen; en plaatst U dan in stilte bij Maria en de H. Vrouwen om met Jezus den bloedigen berg te beklimmen en de toebereidselen tot het groote offer bij te wonen. Strekt nog eens met den Priester de banden boven het hoofd van het Slachtoffer om het met onze zonden te beladen, bedekt uw gelaat, gelijk de zon zich met wolken overtoog, en werpt u neder op de aarde, die sidderde en beefde....
Aanschouw nu, o hetnelsche Vader, dien eenigen Zoon, hangende aan dit schandhout tusschen hemel en aarde. Zijne wouden roepen om barmhartigheid voor ons, zondaars, en zijne stervende stem smeekt om genade voor zijne beulen. 1) Hij beklaagt zich alleen dat Gij, o God, Hem verlaten hebt, en ziedaar de eenige oorzaak der tranen, die uit zijne oogen vloeien! O dat uwe rechtvaardigheid niet onverbiddelijk zij! dat zij gedenke dat Hij, de onschuldige, zich slechts met onze zonden beladen heeft uit ijver voor uwe glorie en uit medelijden met uwe kinderen....
Eindelijk hehhen de rechtvaardigheid en de vrede elkander omhelsd. 2) O Slachtoffer van liefde, gij hebt het vonnis gehoord, en Gij roept uit: Het is volbracht. 3) Ik heb uwen wil volbracht; ik heb aan uwe strenge wraak voldaan en ik heb voor de schuldigen betaald; door mij zelven over te leveren heb ik mijne broeders verlost; door mijn dood heb ik hun het leven verdiend. Open hun nu den hemel, opdat daar loaar ik hen, zij ook met mij zijn! 4) Door mijue onderwerping heb ik deze belooning verdiend en in dit zoet en onwrikbaar vertrouwen beveel ik mijn geest in mue handen 5)
1) II. Aug. 2) Ps. XXXIV, 11. 3) Joa. XIX, 30. 4) Joa. XVI, 24. 5) Luctc XXII, 4G.
92
O Christen, gevoelt gij u niet verteederd? beschouw in diepe ingekeerdheid Hem, die na de zijnen, die in de wereld waren, bemind te hebben, ze ten einde toe bemind heeft. 1) Heeft Hij na het recht niet tot u te zeggen: Wat heb ik voor mijnen wijn-qaard meer moeten doen, dat ik niet er voor qedaan heb? 2)
Verlaat den Calvarieberg niet, alvorens Hem betuigd te hebben, dat gij niet ondankbaar zijt voor die overmaat van liefde. Beschouw dengene, dien gij doorboord hebt, en stort bittere tranen over dien goddelijken vriend, die zich voor U ter dood heeft geleverd. Doch daar Hij zelf gezegd heeft: Indien gij iets den Vader in mijnen naam gevraagd zult hebben, Hij zal het u geven. 3) Zoo maak een goed gebruik van dat recht dat Hij u gegeven heeft; bied God den Vader dat vleesch en bloed voor uwe zaligheid opgeofferd, bied Hem dit offer voor die zielen die in het vagevuur hare verlossing afwachten, breng Haar in dien kelk van zaligheid èn hoop èn verkwikking; gebruik ook de verdiensten van dit H. Offer, waarvan de vruchten u toebehooren; om van God voor u zeiven den overvloed zijner barmhartigheid en genade te verkrijgen. Bereid dan uw hart om onder den sluier van brood en wijn dat heilig Slachtoffer, dat men van het kruis gaat afnemen, te ontvangen; en wanneer de discipel, dien Jezus liefhad. Hem in dit geheimzinnig graf zal nedergelgd hebben, wanneer dit doorboorde lichaam, dit kostbaar bloed uw vleesch en bloed zullen geworden zijn, wanneer die oorsprong des levens uwe ziel zal hebben aangeraakt om haar vrij te maken van den dood.
1) Joa. XII, 1. 2) Isaise V, i. a) Joa. XV, 23.
93
verneder u dan in het diepste uwer eigene nietigheid voor het onbegrijpelijk, voor het oneindig wonder dat op het altaar volbracht is; zing het Alleluia van liefde en dankbaarheid in de blijde hoop, eenmaal dat der verrijzenis en der glorie te mogen aanheffen.
Achttiende Hoofdstuk.
(her de liefde Gods.
De liefde is eene groote zaak; want als God bemint, is dit om wederliefde te verwerven. Welnu t als Hij bemint om bemind te worden, zoo is dit slechts omdat Hij weet, dat de liefde degenen die Hem beminnen, gelukkig maakt. H. Bernardns.
Gij zult den Heer uwen God beminnen uit geheel uw hart, uit geheel uwe ziel, uit al uwe krachten. 1)
Hg die ons aldus van Sanai\'s top toespreekt, is niet slechts een vorst, die zijnen onderdanen toespreekt en hun de wet voorschrijft; het is niet een meester die zijn wil doet uitvoeren, omdat hij dien rechten billijk oordeelt; het is een wetgever, die een ontegenzeggelijk recht bewijst en afkondigt; doch het is vooral een Vader, die zijnen kinderen de eerste en heiligste natuurwet herianert en hun terzelfder tijd de bron van het ware geluk aantoont.
Alleen de kinderen van den waren God kunnen dit gebod begrijpen en uitvoeren. De heidenen
1) Deut. V, 5.
1
t/-r
beminden hunne afgoden niet; doch zij sidderden onzi
voor lien, zij vreesden hunne wraak en beefden voor is i hunnen toorn; de liefde kon niet bestaan in een s is s
godsdienst door deu duivel ingegeven. Maar God, I
die liefde is, 1) gaf den mensch, toen Hij hem schiep een
naar zijn beeld, als een eerste trek van gelijkenis De
met Hem, een hart dat beminnen kon, hem tevens Hij
herinnerende dat datzelfde hart zich vooral door boll
dankbaarheid en liefde tot zijn Schepper moest keeren. gevt Voor zich zei ven alleen begeerde Hij de hulde van \' o«o;
het beste dat Hij ons gegeven had; Hij wilde bemind kon
worden, om het recht te hebben ons nog meer te üe
beminnen. gellt;
Hoe zouden wij God niet beminnen? Hoe zouden in
wij niet door zijne eeuwige schoonheid, zijne onein- kra
dige volmaaktheid getroffen worden? De
Wij beminnen noodzakelijk al wat schoon, wat dei-
groot, wat kostbaar, wat volmaakt is. Wij beminnen J
den rijkdom, omdat wij daarin eene bron van genot alle
vinden; wij beminnen de natuur, omdat hare pracht, het
hare heerlijkheid ons verrukt; wij gevoelen ons tot hel
den mensch getrokken, omdat wij in zijne ziel deug- 1
den, — in zijn verstand kennissen, — in zijn hart dat
genegenheden gelijk in het onze, — in zijn uitwen- erl
digen vorm zelfs eene bevalligheid zien, die ons en
verrukt. Maar wat is dat alles bij de verhevene lof
hoedanigheden van God? Wat is de volmaaktheid naS
der schepselen, bij zijne oneindige volmaaktheid zel
vergeleken ? De rijkdom ? Maar is Hij het niet die w0
in den schoot der aarde dat goud gelegd heeft dat ni€ weelde voortbrengt? Is Hij het niet, die de sterren \' de
in het uitspansel geeft gezaaid, gelijk het stof in I301
j VOI
1) Joa. IV, 8. \' f: 1
95
onze relden. De grootheid ? Maar de onmeetbaarlieiii is te nauw om Hem te bevatten, en het uitspansel is zijn troon, en de aarde dimt Hem tot voetbank. 1) De schoonheid en de glorie ? Maar de zon is slechts een mantel waarmede Hij zijne heerlijkheid bedekt. De macht en de sterkte? Maar met één woord heeft Hij hemel en aarde geschapen, heeft Hij de wereldbollen vermenigvuldigd en heeft ze hoven onze hoofden gevestigd als zoo vele hemelsche krijgsgezanten, ivelke onophoudelijk de grootheid van den onsterfelijken koning der eeuwen aan het heelal verkondigen. 2) De wijsheid? Maar zijne Voorzienigheid bestuurt en geleidt alle zaken: van het hoogste der hemelen tot in den diepsten afgrond der aarde strekt Hij zich krachtdadig uit, en beschikt alles met zachtheid. 3) De grootmoedigheid? Maar Hij is het die de bloem der velden tooit en de vogelen des hemels voedt. 4) Ja, ik erken het, o mijn God, gij zijt het brandpunt aller schoonheid, aller grootheid, aller volmaaktheid, het schepsel ontleent zijne schoonheid, zijne grootheid, zijne volmaaktheid slechts aan U.
Hoe kan ons hart zich dan aan het schepsel hechten, dat slechts een straal vergankelijke schoonheid bezit, en zich niet verheffen tot God, wiens heerlijkheid en goedheid de geheele natuur verkondigt, wiens lof de engelen zingen in een lied, dat slechts de
O O \'
nagalm is van dat eeuwig woord, waardoor Hij zich
zei ven geheel uitdrukt en dat zijn Woord geheeten
wordt? Hoe zou het gezicht van al die wonderen
niet tot ons hart spreken? O indien de werken en
de oneindige volmaaktheid van God ons niet kunnen ■i .
boeien, laat ons dan ten minste niet ongevoelig zijn voor zijne liefde, zijne grootmosdigheid, zijne weldaden.
J) Isaiae XV, 1. 2)MassilIon. 3) Sap. VII. 1. 4) Mat tb. VI. 26.
96
En welke zijn die weldaden die van onze zijde eene dankbare liefde vragen? Wat hebben wij dan van God ontvangen? of liever wat hebben wij niet van God ontvangen? Wij waren niets, Hij heeft ons tot iets gemaakt; wij waren van alles ontbloot, Hij heeft ons met goederen overladen; wij waren als vreemdelingen in ons eigen niet verloren, Hij heeft aan ons gedacht, Hij heeft ons het bestaan gegeven en ons tot zijne kinderen gemaakt! Het is zijne hand, die ons lichaam tot een bewonderenswaardig werktuig gevormd heeft; de ziel die in ons leeft, is de adem uit zijn mond en het beeld zijner zelfstandigheid , dat veelomvattend verstand is een fakkel, ontstoken aan zijn eeuwig licht; aan het hart dat in ons klopt, heeft zijne liefde die beweging gegeven. Het is nog die God van liefde, die het firmament over onze hoofden gewelfd, de aarde onder onze voeten geplaatst heeft; die der zon haren loop heeft aangewezen om onze dagen te meten, en haar gebood licht en warmte op ons uit te storten; die aan den nacht beveelt, onze vermoeide ledematen in slaap te wiegen; Hij is het, die ons de planten gaf om ons te genezen, het graan om ons te voeden, de bloemen met haren geur en de vruchten met haren smaak.
Is dat alles wat God voor ons gedaan heeft? Is de maat zijner weldaden, door al die heerlijke gaven ons verleend, ten volle ? O neen, al die onschatbare weldaden zijn slechts de schaduw van die welke Hij ons bereid heeft. Ik zal een eeuwig verhond met hen sluiten, zegt Hij door zijn profeet, ik zal niet ophouden hen met mijne weldaden te overladen, en ik zal mijne vrees diep in hunne harten drukken, opdat zij zich nooit van mij verwijderen. 1)
1) Jerem. XXXI, 40.
97
jde
ari Ja Hij heeft ons bemind, die God die goed is bij
iet uitnemendheid! Hij had ons bemind, toen wij nog
eft niet bestonden; Hij beminde ons bovenmate, toen
ot, wij nog misdadig eu ondankbaar waren, en Hij deed
als wonderen van goedheid om ons in het bezit te stellen,
eft van die goederen, van dat geluk dat wij misachtten!
en Wij waren verdwaald op zondige wegen, wij wareu
me ziek en aan een eeuwigen dood ten prooi. God kon
liw ons door één woord, door een wenk terugvoeren,
ft° genezen, doen verrijken. Zijne almacht kon dit
,jf_ wonder zeer gemakkelijk uitvoeren, doch zijne liefde
el, wilde een veel grooter wonder uitwerken. Het eeuwig
lat Woord daalde tot het niet, Hij wierp als eene brug
311. van verééniging over den afgrond die den mensch
gt;nt van God scheidde, aldus de beide uitersten , de uiterste
lze goedheid en de uiterste boosaardigheid tot elkander
eft brengende. Om onzen Verlosser te zijn werd Hij
,0(1 mensch, werd Hij een kind, werd Hij de minste der
en mensclien ; 1) om ons te wasschen van onze zonden,
ap maakte Hij ons een bad van zijn bloed; en om ons
)ns het leven te schenken, wilde Hij den dood ondergaan,
en Ach! zoozeer heeft God de wereld bemind, 2) en de wereld bemint Hem niet. Wij beschouwen het kruis,
Is dat eeuwig gedenkteeken van zooveel liefde, en onze
en oogen blijven droog en onze harten blijven versteend!
ire -A-cb mijn God, waarom hebt Gij ons zoozeer bemind!
3ij Gij bemint ons zoo zeer, dat het schijnt dat Gij
net \\üeeue liefde meer over hebt voor U zeiven, 3)
\\iet Waarom is uwe oneindige wijsheid veranderd in
en verheven dwaasheid van het kruis? Waarom
!n, bemint Gij ons nog, terwijl wij altijd even schuldig, ïeven ondankbaar zijn? Ach! ik weet het, het is
1) Isaise II, 3. 2) Joa. II, 16. 3) H. Bonavéntura.
•3
98
omdat Gij tot eiken prijs onze liefde wilt bezitten, ten einde ons eeuwig te kunnen beminnen; omdat Gij daar eenmaal onzen honger van liefde zoudt kunnen verzadigen, onzen dorst naar liefde zoudt kunnen overstroomen, in dien hemel dien Gij ons bereidt, waar Gij, o God van liefde, ons zult doordringen, gelijk de zonnestraal het kristal doordringt; waar Gij geheel ons wezen met zaligheid zult doorstroomen. Ja, eeuwig zult gij mij toebehooren, schoons hemel, waar God gekend, God bemind. God gesmaakt wordt! Ja, ik sal het huis des IIeer en ingaan, 1) om mij te verzadigen met zijne goederen, met Hem zeiven. Ik heb tot onderpand de geboorte en den dood van Jezus, zijn eenigen Zoon; ik heb vooral tot onderpand het H. Sacrament des Altaars, dat Brood der Engelen, dat het eeuwige leven schenkt.
O liefde van mijn God, doordring mijne ziel, doordring geheel mijn wezen, opdat ik van vreugde trille bij het herdenken uwer weldaden, opdat ik U beminne uit geheel mijn hart, uit geheel mijn verstand , uit al mijne krachten.
Heer, verhoor mijn gebed, geef dat ik U beminne als mijn Koning, mijn Weldoener, maar vooral als mijn Vader. En zoo ooit mijn hart koud bleef bij het beschouwen uwer oneindige volmaaktheid, ongevoelig bij het herdenken uwer weldaden, o geef dat het zich verteedere bij de gedachte, dat Gij mijn Vader zijt! O ja. God van goedheid. Gij zijn mijn Vader, niet alleen omdat Gij mij het leven hebt geschonken, maar omdat ik door de genade, welke uit uw goddelijk leven vloeit, uw kind ben geworden. Gij zijt mijn Vader, omdat Jezus, uw eenige Zoon
l) Ps. cxx, i.
99
onze Broeder is geworden; omdat zijn goddelijk, herborend bloed in onze aderen vloeit en daarin uw leven doet stroomen.
Geef, o Heer, dat ik de verhevenheid wel begrijpe van deze goddelijke verwantschap, welke ons tot konicgen en tot zonen van den Koning der koningen maakt: dat mijne ziel jniche bij het hooren van uwen naam, en hare vlucht neme tot Hem die haar door zijne liefde koestert en verwarmt. U beminnen, o mijn God, ziedaar mijn vurigste begeerte; endaar uwe volmaaktheid en uwe weldaden paal noch perk hebben , zal mijne liefde voor U ook onbegrensd wezen.
0 verrukkelijke Schoonheid, o onvergelijkelijke Goedheid, o ware Liefde, die mijn God, mijn Koning, mijn Weldoener en mijn Vader zijt, tot U zal ik nacht en dag verzuchten, U wil ik eeuwig beminnen. Amen.
Negentiende Hoofdstük.
Over lid gebed.
Heer, lerr ons bidden. LncseX,!,
Leer mij, o Heer, de verhevenheid en de noodzakelijkheid begrijpen van het gebed, van die oefening, waardoor de mensch zich voor U vernedert en vernietigt , om hulde te brengen aan uwe macht en goedheid, om den band van afhankelijkheid te erkennen, die hem aan U verbindt, en om van uwe onuitputtelyke goedheid datgene af tesraeeken, wat zijne armoede behoeft.
100
Toou mij, o Heer, bij den fakkel van uw licht, liet groot gewicht en de kracht van het gebed; laat mij den zin uwer goddelijke onderwij/ingen doorgronden, opdat ik, versterkt in mijn geloof door uwe woorden, versterkt in mijne hoop door uwe beloften, ü mijne liefde en dankbaarheid betoone door eene gerustheid en een vertrouwen uwer oneindige liefde waardig.
Hemel en aarde zullen voorbijgaan, doch mijne woorden zullen niet voorhijgaan: .1) deze verzekering geeft ons de eeuwige Waarheid. Luisteren wij dus naar zijne stem, en brengen wij den raad zijner wijslieid in oefening.
Jezus heeft gezegd: Men moet altijd hidden en nooit ophouden. 2) Wat is dan bidden? Wij herhalen het. Het is ons eigen niet en de grootheid van God erkennen; het is bekennen, dat Hij alles kan en dat wij niets kunnen; dat Hij alles bezii; en dat wij niets hebben; het is in het vertrouwen op het woord, vraagt en u zal gegeven worden, 3) ons in onze onmacht en armoede wenden tot Hem die de macht en de rijkdom zelve is. Bidden is eindelijk ons van uit den afgrond onzer ellende verheffen tot de oneindige Majesteit van God en zijne hulp afsmee-ken, ten einde door Hem sterk te worden in de zwakheid, moedig in de gevaren, overwinnaar in den strijd.
Waarom moet men bidden? Wij hebben het reeds gezegd; wij moeten bidden om Hem to danken wien wij alles verschuldigd zijn, om zijne oppermacht te erkennen, om zijne bescherming en zijne grootmoedigheid af te smeeken; maar wij moeten ook bidden
1) Marei XII, 31. 2) I.ncic XVII, 1. 3) Matth. VII, 7.
101
it, omdat Jezus, ons Toonbeeld en onze Meester, alvorens
lat ons dit gebod te geven, en ons het voorbeeld van gaf.
)r- Wat doet Hij van af den schoot zijner moeder
or en gedurende zijne kinderjaren ? Hij vernedert zich
»ve en bidt, ten einde ons de verdiensten zijner verne-
ne dering te kunnen toevoegen. Toen de tijd gekomen
n- was dat Hij zich aan de wereld moest openbaren , Hij naar de woestijn om zich door gebed en
ne versterving tot het verkondigen der waarheid voor
ng te bereiden. Gedurende zijn openbaar leven zien wij
us Hem, schier bezwijkende onder de vermoeienis van
er zijnen arbeid, zich van de scharen, die Hem volgen , verwijderen, zich aan hunne toejuiching onttrekken,
en om op den berg den nacht in het gebed te gaan
en doorbrengen. Het uur van zijn bangen doodstrijd
m aangebroken, werpt Hij zich met het aangezicht ter
m aarde, opdat zijne bede doordringender moge zijn;
at en hoemeer Hij de rechtvaardigheid zijns Vaders op
et zich voelt drukken, hoe vuriger zijn srneekgeroep
in wordt. 1) Ja, zelfs toen op het kruis Hem slechts
de een ademtocht meer overbleef, verzamelde Hij zijne
jk kracht tot een laatste gebed om barmhartigheid te
ot vragen voor zijne beulen. En in den hemel zet Hij
e- nog de bediening van zijn eeuwig Priesterambt voort,
ie door zijne wonden welke genade voor ons vragen. 2)
in Jezus is trouwens zoo verzekerd van de kracht welke zijne verdiensten aan het gebed geven, dat
3s Hij uit medelijden met onze zwakheid, en om niet
3n het minste voorwendsel aan onze ongeloovigheid over
te te laten, niet vreest dit onder eede te verzekeren,
e- Vooi \'waar, voorwaar ik zeg het u; indien gij iets den
in Vader in wijnen naam gevraagd zult hebben, Hij
! zal het U geven. 3)
1) Lucae XXI. 43. 2) llebr. Vil, 24. 25. 3) Joa. XV, 23.
102
Waarom zijn zij bezweken, die Apostelen, die zoo op zich zelven vertrouwden, en zoo gereed waren met Jezus te sterven? Is het niet omdat zij den raad huns meesters vergaten, die, toen Hij hen verliet, hun zeide: Waakt en bidt, opdat gij niet in bekoring vallet. I) Heeft Petrus zijn Meester verloochend , zoo kwam dit slechts omdat hij, vol eigenwaan , op zich zelven vertrouwde en niet de hulp afsmeekte van Hem zonder wien ivij niets vermogen. 2) Heeft Judas, na Jezus verraden te hebben, zich in wanhoop verhangen, zoo was dit omdat hij zijn toevlucht niet nam tot de goddelijke barmhartigheid, en niet nederknielde om vergiffenis af te smeeken.
Wanneer wij de geschiedenis hooger navorschen, dan zien wij, hoe de Heer, verbolgen tegen de misdadige steden eu reeds gereed om ze te verdelgen , zich door het volhardend gebed van Abraham laat verbidden; en waren er slechts tien rechtvaardigen in Sodoma gevonden, zoo ware die bedorven stad gespaard gebleven, door het aanhoudend gebed van den heiligen aartsvader. Wij zien, hoe Mozes genade verkrijgt voor zijn ontrouw en morrend volk, voor dat volk met weldaden gevoed en overladen! voor dat volk dat even volhardend was in zijne ondankbaarheid en weerspannigheid, als de Heer volhardde in zegeiiinof eu barmhartigheid. Hoe menigmaal stak
O O O O
de Heer, tot het uiterste gedreven, zijn wreekenden arm uit om dit ondankbaar ras te slaan en te verdelgen ; doch het gebed van Mozes keerde de slagen van het hoofd der misdadigen, en God had voor hen slechts nieuwe goedheid en barmhartigheid.
Erkennen wij dus het nut en de kracht van het gebed; bidden wij zonder ophouden, daar God zelf
J) Matth. XXV, 41. 2) Joa. XV, 5.
m
103
ons duartoe niet alleen nitnoodigt, doch ons dringend aanzet, ons gebiedt, dit te doen, ea liet als eene beleediging zijner goddelijke goedheid aangedaan bescliouwt, indien wij in onze noodwendigheden veronachtzamen, onzen toevlucht tot Hem te nemen en zijne hulp in te roepen. Bidden wij dus, daar Hij ons noodigt, Hem onze behoeften bloot te leggen. Komt tot Mij, zegt Hij, gij allen die belast en heiaden zijt, en Ik zal u verkwikken. 1)
Bidden wy, want hij die niets vraagt, ontvangt niets, hij daarentegen die bidt, krijgt steeds volgens zijne behoeften, ea mag steeds verzekerd wezen, altijd sterk genoeg te zijn om over zijne vijanden en over zich zeiven te zegevieren.
Ja, bidden wij, en hoe groot overigens ook onze zwakheid zij, zullen wij in eiken strijd de overwinning behalen; want, wat onmogelijk is aan de menscheu is altijd mogelijk aan God. 2)
Hoe moet men bidden? Wij moeten ons altijd met een nederig hart tot God wenden, ons onwaardig achtende, in zijne tegenwoordigheid te verschijnen, en erkennen, dat wij uit ons zeiven geen het minste recht hebben, verhoord te worden. Daar het juist het gevoel onzer behoefte is, dat ons tot Hem voert, zoo laat ons in diepe nederigheid met David zeggen; Ik hen een bedelaar en arm; de Heer is
rquot;gt;D
voor mij hezorgd. Mijn helper en mijn beschermer zijt Gij: mijn God, vertoef niet, mij te helpen. 3)
Het gebed eener ootmoedige ziel dringt door tot in den hemel, tot voor den troon van God en wordt daar gunstig aangehoord. 4) Bidden wij dus gelijk de honderdman uit het Evangelie en terwijl wij met
]) Matih. X, 28. 2) Lucae T, 37. 3) Ps. XXXIX, 23, 2i. 4) Eccli. XXXV, 21.
A
104
hem onze ellende en onze onmacht erkennen, verwachten wij ook alles met een groot geloof van Hem, die zoo veel medelijden gevoelt met de zwakheid zijner kinderen. 1)
Even als de nederigheid, is het vertrouwen noodzakelijk tot een goed gebed. Om ons daarvan wel te doordringen, zegt de H. Jacobus: Hij vrage met geloof, niet twijfelende, of hij verhoord zal worden; want die twijfelt, is gelijk aan eene zeegolf, die door den wind hewogen en geslingerd wordt, wijl hem de eene gedachte verheft en de andere nederslaat. En hij voegt er bij: Bij meene dan niet die meiisch, dat hij iets van den Heer ontvangen zal. 2)
Bidden wij dan met een groot betrouwen , in het vaste geloof dat, wat wij ook in het gebed vragen, wij dit zullen verkrijgen, steunende op de uitdrukkelijke beloften des Verlossers, op de talrijke en schitterende bewijzen, die Hij ons van zijne goedheid heeft gegeven. Weerstond Hij aan het gebed van Martha en Maria, toen zij haren welbeminden broeder beweenden? Zelf ontroerd bij het zien harer smart, stort Hij, die goddelijke vriend, tranen om dengene dien Hij liefhad; en om de bedroefde zusters te troosten, beveelt Hij den dood, zijne prooi weder te geven. Toont Hij minder medelijden met dat Opperhoofd der Synagoog, die diep bedroefd Hem komt smeeken, zijne dochter tot het leven terug te roepen. Hij gaat dadelijk mede om haar uit den doodslaap op te wekken: Jonge dochter, sta op, zegt Hij, en aanstonds stond het dochtertje op en wandelde; en de vreugde keert weder in dat huis, waar de smart heerschte. 3)
1) Ps. Cl. 13. 2) Jac. I, 7, 7. 3) Marei V, 41, 42.
105
3r- Hoe toch zouden wij kunnen twijfelen aan de macht
m, die het gebed heeft op het Hart van God, daar Hij
;id tot wien wij onze stem verheffen, ons bemint, onze behoeften kent en die voldoen kan? Hooren wij
d- nog hoe de liefderijke Zaligmaker ons zelf de liefde
\'el en teederheid van oazen Vader in den Hemel betuigt.
iet Zoo iemand uwer, zegt bij, zijnen vader om brood
n; vraagt, zal hij hem een steen gevent of om een visch,
or zal /lij hem eene slang geven? 1)
de Indien dus gij, die slecht zijt, nochtans goed*.
Cn dingen aan uwe kinderen weet te geven, hoeveel te
h, meer zal uw Vader van den Hemel goeden geest geven aan diegenen die Hem er om znllen vragen!
et Verontrust u niet, zegt Hij elders, over im leven,
i, wat gij eten zult. Beschouw de vogelen des hemels, £- dat zij niet zaaien hoch, maaien: en uw hemeUche in Vader voedt ze. Zijt gij niet meer dan deze? En id waarom zijt gij bezorgd voor Meeding ? 2)
.n Beschouw de leliën des velds, hoe zij groeien: zij
3r iverhen en weven niet; en nochtans zeg ik u, dat
t, zelfs Salomon in al zijne heerlijkheid niet gekleed ivas
ie gelijk een van deze.
:e Zouden wij, na dergelijke verzekeringen, nog kunnen sr twijfelen aan de genegenheid van God jegens ons? it Zouden wij kunnen vreezen, dat onze gebeden veria stoten, onze behoeften vergeten zullen worden? O e gt; hoe beleedigend zouden dergelijke gevoelens voor God n zijn! Indien wij dus aan zijn woord gelooven, zoo , vragen wij veel, vragen wij voortdurend, vragen wij n met de vaste hoop, dat wij zullen verkrijgen, wel , overtuigd, dat de maat van Gods barmhartigheid voor ons dezelfde maat zal zijn als die van ons betrouwen op Hem.
1) Lucaï X, 11, 13. 2) Matth. V, 25 en volg.
I
106
Voegen wij bij de nederigheid en liet vertrouwen de volharding; want deze deugd is bij God eene ■eerste voorwaarde van het gebed. Het is niet genoeg, aan God zijne behoeften eu zijne begeerten te doen kennen; men moet volharden, dat is aanhouden, smeeken, dringen, zijne vraag herhalen en den hemel een soort van geweld aandoen. Hoe dringender ons gebed is, zegt de H. Hieronyraus, hoe aangenamer het aan God is. Was het niet om ons te leeron, in het gebed te volharden, dat Jezus ons de parabel voorstelde van een rechter, die God noch de menschen vreesde, en die eene arme vrouw recht deed wedervaren , omdat zij door haar aanhouden hem lastig viel? Was het niet met hetzelfde doel, dat Hij ons spreekt van een lastigen vriend, wiens verzoek eerst geweigerd wordt, doch die door zijn aanhoudeii verkrijgt wat hij vraagt?
Willen wij dus verhoord worden, zoo laten wij den raad van Jezus-Christus volgen: bidden wij met aandrang , en houden wy niet op met bidden, totdat wij verhoord worden. In het allerzaligst gebed, dat Hij ons geleerd heeft, en dat alles bevat wat wij mogen begeeren, doet God ons duidelijk zien dat wij dagelijks het voedsel voor onze ziel en ons lichaam moeten vragen, en dat wij ieder oogenblik de hulp van boven moeten afsmeeken, omdat er geen oogenblik is waarop wij die niet noodig hebben.
Volgen wij het voorbeeld der twee blinden van Jêricho, die naar mate dat Jezus zich verder van hen scheen te verwijderen, zonder acht te geven op de bedreigingen van het volk, des te harder riepen: Jezus, zoon van David, ontferm U onzer. 1)
1) iMalth. XX, 30.
107
Gaan wij uog verder, opdat wij verdienen uit den mond des Zaligmakers liet woord te liooren dat Hy sprak tot de Kananeesche vrouw: O vrouw, groot is uw geloof: u geschiede volgens uw hegeeren. 1)
Die arme moeder werd niet ontmoedigd door de schijnbare ongevoeligheid van Jezus, noch afgeschrikt door de harde woorden welke Hij haar toevoegde; neen, hoe meer zij zich verstooten zag, hoe dieper zij zich vernederde in het gebed: en hoe groot was niet hare belooning!
Volgen wy haar voorbeeld, en wij zullen ongetwijfeld den schijnbaren wederstand van Jezus overwinnen , die zich slechts behaagt in ons te beproeven, om ons gelegenheid te geven meer te verdienen. O ja, indien Hij ons niet spoedig verhoort, zoo is dit slechts om ons gebed levendiger, vuriger te maken, om ons geloof te beproeven, ons vertrouwen te bevestigen , onze hoop te bekronen.
Houdt dan moed, getrouwe zielen, en zegt met den heiligen man Job: Al zou God mij dooden, nog zon ik niet ophouden in Hem te hopen. 2)
I) Matlli XV, 28. 2) Jub. XIII, 15.
Twintigste Hoofdstuk.
Over de Sederigheid.
Dat de wijze niet roeme op zijne wijsheid, noch de sterke op zijne kracht, noch de rijke op zijnen rijkdom; maar dat hij die zich beroemen wil, zijne glorie stelle in mij te kt nnen en te weten, dat ik de Heer ben. Jerem. IX, 23 en 24, Leert van mij, dat ik zachtmoedig en ootmoedig van harte ben; en gij zult rust voor uwe ziel vinden. Matth. X, 29.
Het is geen engel, het is geen heilige, die aldus spreekt; het is Jezus, de God van alle heiligheid, die ons deze treffende les geeft, die ons uitnoodigt deze schooue deugden in oefening te brengen, die door zijn eigen voorbeeld ons de achting toont, welke wij voor die deugden moeten koestereu.
De hoogmoed stortte den schoonsten der engelen in het verderf, en maakte hem tot den afzichtelijk-sten aller duivels; de hoogmoed zette den menseh aan tot opstand tegen God, en sleepte zijn val mede. Hoe kon zulk een vreeselijk kwaad in zijne vordering gestnit worden, dan door een oneindig krachtig geneesmiddel ?
Hoe kon de beleediging, den Eeuwigen God door zijn schepsel aangedaan, uitgewischt worden, dan door de onderwerping, de vernietiging van eenen God?
Ziedaar waarom het eeuwig Woord, de Allerhoogste, de onvergelijkelijke God, de schande der menschen en het uitcaagsel des volks geworden is, 1)
1) Ps. XX, 6.
109
[Jet ivoord is vleesch geworden. 1) Hij van wien •de profeet gezegd had dat de bergen onder de stappen yijner eeuwigheid nederzinken. 2) Hij verlaat den hernel, die schittert door zijne glorie, en komt op deze aarde wonen; Hij de machtige, de groote, de heerlijke. Hij wordt zwak, en nietig, en arm; Hij die den engelen beveelt, komt aan de menschen gehoorzamen; Hij het ware, het eeuwige leven, komt den dood zoeken.
Ja, zoo heeft Jezus ons verlost; zoo heeft Hij de gevolgen hersteld van den dwazeu opstand van den mensch tegen zijn Schepper; zoo heeft Hij voor ons in den Hemel de plaats heroverd, die wij door onze zonden verloren hadden.
De ootmoedigheid, ziedaar het groote geheim van zijn leven, van zijnen dood, van zijne zegepraal; maar ziedaar ook het voorbeeld, dat Hij ons tot navolging voorstelt: »Leert van my, dat ik zachtmoedig en ootmoedig van harte ben.quot;
O ...
Bestudeeren wij dit goddelijk Toonbeeld nog meer, en trachten wij vooral die verheven les van ootmoed te begrijpen, welke zijn geheel leven en zijne leer bevatten.
Toen Jezus in de wereld kwam, wilde Hij slechts ééne zaak: Gehoorzamen in alles wat de wil van zijn hemelschen Vader Hem op zal leggen. Hij komt om ons te genezen, en daarom moet Hij doordringen tot den grond van het kwaad, tot de zonde, waarvoor Hij komt voldoen. Hij vernedert zich dus om oijs te kunnen verheffen; Hij bedekt zich met onze kwalen om er ous van te verlossen\'; Hij bedekt zich zelfs met den mantel onzer zonden om op zich den vloek en al de slagen der goddelijke gereehtigheid te
1) Joa. 1, 14. 2) Habtc II, 6,
110
Iaden. Hij, die goddelijke Verlosser wordt niet op een troon, maar in een armen stal geboren; Hij zoekt geene eerbewijzing, maar de schande, en verkiest de armoede boven den rijkdom. Als Hij onderwijst, is het niet in zijn naam, maar in dien zijns Vaders; als men zijne werken toejuicht, geeft Hij alle glorie aan zijn hemelschen Vader, die Hem gezonden heeft; als Hij om zijn goddelijk gezag te bevestigen mirakelen doet, verbiedt Hij daarvan te spreken; 1) als men, om Hem te vleien, Hem Goeden Meester noemt, antwoordt Hij koel; God alleen is (joed. 2) Voor zich zeiven slechts vernedering en verachting zoekende, geeft Hij zich over om den dood der misdadigers te sterven, nadat Hij zich door den profeet de laatste der menschen , 3) ja zelfs een aardworm 4) had doen noemen.
Ziedaai wat Jezus gedaan heeft om ons de waarde en de oefening der nederigheid te leeren, van die deugd, die ons zoo aangenaam maakt in de oogen van Hem, die zijn behagen vindt in een stroom van vrede over de ootmoedige ziel uit te storten. Maaide goddelijke Verlosser gaat nog verder in zijne onderwijzingen. Bij de welsprekendheid zijner voorbeelden het gezag zijner woorden voegende, leert Hij ons in de parabel van den Phariseër en den Tollenaar, dat het niet degene was die behagen schiep in zich zeiven, in zijne deugd en zijne goede werken, maar die welke zich in diepen ootmoed een zondaar noemde en berouwvol op zijne borst sloeg, welke gerechtvaardigd heenging, want aldus verklaart de goddelijke Meester: Al wie zich verheft, zal vernederd, en wie zich vernedert, zal verheven worden. 5)
I) Manh. VU, \\ 2) Matth. XIX, 17. 3) Isaice III, 3. 4) Pa XX, 6. 5) Lncro XVII, 14.
Ill
Op elke bladzijde van zijn openbaar leven vloeit zijne ziel over van afkeer tegen de hoovaardigen. Voor de kleinen, de zwakken, de onwetenden, de ergerlijkste zondaars zelfs, heeft Hij slechts medelijden en een oneindige barmhartigheid; maar die schijnheilige phariseën, wier hart, onder den schijn van godsvrucht, boosheid en bedrog verbergt, die hunne werken ten toon spreiden voor de oogen der raenschen, en zoeken voor deugdzaam gehouden te worden , laakt en bedreigt Hij, beschuldigt hen bij het volk en brandmerkt hen bij elke gelegenheid.
Hij vergelijkt hen hij ivitte graf ff eden, ivelke van huiten voor de rnejiscJien schitterend schijnen, doch van hamen vervuld, zijn met heenderen van dooden en allerlei onreinheid; 1) en hunne sluwe gedachten, hunne boosaardige plannen kennende, maakt Hij hen beschaamd, en noemt hen een adderengebroed. 2) Verdienen zij dien naam niet ten volle, daar zij kwaadaardig, venijnig en valsch zijn gelijk deze dieren.? Wat willen die hoovaardigen? Waarom ondervragen zij Jezus dan om Hem te vernederen en te verderven? De goddelijke Meester beantwoordt hunne vragen dan ook vaak door het stilzwijgen der verachting , want God weerstaat den hoovaardigen, maar geeft genade aan de ootmoedigen. 3)
Ja, vooral bemint Jezus de kleinen en de zwakken. Zie hoe Hij de kinderen tot zich roept! Men wilde die onschuldige kleinen van Hem verwijderen, doch Jezus zegt met verontwaardiging: Laat de kinderen tot mij komen, en verhindert hen niet; want voor dezulken is het Rijk van God. Voorwaar zeg ik u: al wie het Rijk Gods niet ontvangt, gelijk een kind,
1) Matlli X.\\ II, 27. 2) Matth. XXII, 33. 3)JacIV, 6. I Petri V. 5.
112
zal het niet ingaan. En hij nam hen in zijne armen, legde hun de handen op en zegende hen, 1) omdat zij nederig, oprecht en onschuldig van harte waren.
ü mogen die lessen voor ons toch niet verloren gaan! Overwegen wij wel alle omstandigheden, waarin Jezus zijn afschuw toont van den hoogmoed en zijne hoogachting voor den waren ootmoed; beminnen wij die deugd welke slechts rechtvaardig en billijk is, omdat zij aan God geeft wat God toekomt, 2) alle eer en glorie, en aan den mensch zijn eigen deel, het niet, overlaat. Vernederen, vernietigen wij ons zoo diep mogelijk, want men moet dalen om te kunnen stijgen, en even als de boomen die, hoe hooger zij groeien, hoe dieper wortel zij schieten, moeten wg des te dieper dalen in onze eigene óogen, ora hooger te klimmen in de achting Gods.
T7quot;1 •
Klimmen wij langs de ladder der nederigheid tot zijnen troon, tot zijn Hart; en verliezen wij nooit dit woord van waarheid uit het oog: Vele eersten zullen de laatsten zijn, en de laatsten de eersten; 3) alsook dit heerlijk hoopvol woord: Hij die nederig bevonden zal worden, zal eeuwig in het huis des Heeren bloeien. 4)
1) Marei X, 14. 15, 10. 2) Malth. XXII, 21. 3) Marei X, 31. 4) II. liernardns.
Een en Twintigste Hoopdstuk.
Helzelfde Onderwerp.
Heer, geef dat ik U kenne, en dat ik mijzelven kenoe. H. Augustinus.
Wat hebt gij dat gij niet ontvangen hebt\'t en zoo gij het ontvangen hebt, waarom beroemt gij u dan , ah of gij het niet ontvangen haddet ? 1)
Wat is meer billijk en waar, meer overeenkomstig de gezonde rede, dan dit woord van den Apostel? Wat is beter geschikt om den menscli in zich zeiven te doen treden en hem zijne armoede en zijne nietigheid voor oogen te stellen?
Ik erken, o Heer, gaarne deze waarheid, en wil luide verkondigen: Ik ben niets, ik ken niets, ik heb niets; maar Gij, o Heer, zijt heerlijk en groot in uw wezen en in uwe werken. Gij zijt alles. Gij weet alles, Gij kunt alles. Gij hebt tot de zon gezegd: Kom uit het niet en kondig den dag aan; tot de maan: verschijn en wees de fakkel van den nacht. Gij hebt het bestaan en den naam gegeven aan dat oneindig getal sterren, die het firmament verlichten; en als ik de hemelen, dat werk uwer handen, en de schoonheden der natuur, die Gij geschapen hebt, beschouw, dan roep ik uit: Welke hand was machtig genoeg om al die wonderen daar te stellen, waarvoor de menschelijke wetenschap buigt en zwijgt?
zÜt) o. groote God, het opperste wezen en de volheid van het wezen; zonder U, buiten U kan geen schepsel bestaan, en in U heeft alles wat bestaat.
1) l Cor. IV, 7.
8
114
leven en beweging geput. In ü bevinden zich alle vermogens, alle kennissen , alle schoonheid, alle verhevenheid , als in een oceaan van volmaaktheid. Daarom zijt Gij, o Heer, onze God, allen roem,
allen lof, alle eer waardig; want Gij heht alle dingen geschapen, en om uwen ivil ivaren zij, en werden zij i geschapen. 1) En wat kan ik in mijne nietigheid anders doen, dan mij aan uwe voeten vernietigen en U de nederige hulde brengen van den lof die TJ toekomt, als aan den Schepper en Voltrekker aller zaken? Wat kan ik anders doen, dan uitroepen: Wat is de niensch, dat Gij U geivaardigt hem indachtig te zijn ? of de Zoon des menschen, dat Gij hem wilt hamen hezoehen ? 2)
O ja, Heer, voor U, die alles zijt, wil ik, die niets ben, in het niet verzinken; om U te verheffen, wil ik mij vernederen en mij vernietigen; want daar waar hoogmoed woont, zal beschaming wonen; doch waar nederigheid woont, woont de wijsheid. J)
O heilige nederigheid, schitterende ster der zee, die den nacht verlicht, naar de haven geleidt, schitterend als eene vlam, toon mij God, den Koning der honingen, doch laat mij terzelfder tijd nederdalen tot de volmaakte hennis mijner nietigheid. 4)
O God van goedheid, laat mij begrijpen, wat de ^ rede mij toont, dat ik zonder uwe goddelijke hulp noch bestaan, noch iets voortbrengen kan.
Geef dat ik voortaan begrijpe, dat alles van U komt, dat niets bestaat buiten U en dat alles tot U moet terugkeeren; verhef mij door een altijd levendiger licht tot de kennis van uwe grootheid en schoonheid, van mijne eigene ellende en geringheid; opdat ik
J) A|;oc. IV, II. 2) Ps. VII, 5. 3) Frov. X, 2. 4) H.Ant.v.Pad.
115
nooit meer mij iets toeëigeue wat U alleen zoo recht-matiff toekomt.
O mijn God, welken dauk ben ik U niet schuldig, dat Gij door uwe goedheid mij het leven behoudt, in plaats van mij, tot straf mijner ondankbaarheid, t tot het niet terug te wijzen, dat Gij mij voortdurend uw licht, uwe kracht, uwe genade wilt verleenen om mij nader tot ü te brengen en mijn geest, die bedorven en slecht uit zichzelven is, te vernieuwen.
Aan U dus, mijn God, alle eer en glorie; aan mij, ellendig schepsel, schande en verachting. Voor ü zij alles wat in mij leeft. Dat al mijne gedachten, mijne woorden, mijn wil en al mijne werken U loven en verheerlijken! Voor ü, mij a God, al het vuur mijner ziel, al de brandende verlangens mijns harten! Voor U mijn loflied, mijn vurigste danklied voorde tallooze weldaden, waarmede Gij mij verrijkt hebt. Ja, dat alles in mij en rondom mij U love, o Bron van alle goed, en Ü danke dat Gij, zonder acht te slaan op mijne nietigheid en ellende, U gewaardigd hebt, den sluier op te heffen, die mij uwe heerlijkheid en uwe liefde verborg. Geef, Heer, dat ik voortaan mijne grootste vreugde vinde in luide te verkondigen, dat Gij in uwe goedertierenheid de nederigheid moer ( dienstmaagd hebt gade geslagen. 1)
Ja, Heer, Gij hebt alles voor en in mij gedaan. Gij alleen geeft het licht en de wetenschap, het willen en het volbrengen; 2) en door moe genade ben ik wat ik ben ! 3)
Ja, ik verheug mij over mijne groote onmacht, omdat zij uwe macht getuigt, o mijn God. Ik verheug mij over mijne ellende, omdat zij uwe barm-
1) Lucse I, 48. 2) Philipp. I. 13. 3) I Cor. XV, 10.
116
hartigheid verkondigt. Ik verheug mij met den H. Paulus te mogen herhalen: Wanneer ik zwak hen, dan hen ik sterk; 1) en omdat ik een afgrond van ellende hen, is Hij, wiens Hart een afgrond van macht en goedheid is, mij ter hulp gekomen.
Twee en Twiktigste Hoofdstuk.
(her de broederlijke liefde.
Beminnen wij niet in woorden en met de tong, maar door werken en waarheid.
I Joa. II. 18.
Ik geef u een nieuw gebod; dat gij elkander beminnet , gelijk ik u bemind heb. 2)
Welk gebod is dit? Welke nieuwe leer stelt Jezus ons ter beoefening voor, na ons daarvan het voorbeeld te hebben gegeven? Wat beteekent, zijnen naasten beminnen? Waarom moet men hem beminnen en hoe moet men hem beminnen?
God, die liefde is, 3) leert het ons door ons zijn eenigen Zoon ten offer te brengen; en Jezus toont ons ten volle de natuur dezer verhevene deugd, door zich zeiven voor ons over te leveren. De liefde is dus: zich zeiven vergeten, zich zeiven slachtofferen!
Beminnen is zich overgeven, zich toewijden, leven en sterven voor dengene, dien men liefheeft! JMemand heeft grooter liefde dan deze is, dat iemand zijn leven geeft voor zijne vrienden. 4)
1) 11 Cor. XI, 10. 2)Joa. XII, 34. 3) IJoa. IV, 8. 4) Joa. XV. 13.
117
Heeft Jezus dat niet gedaan? Van het intreden in deze wereld af verteerd door het verlangen zich voov ons op te offeren, heeft Hij het zich tot levenstaak gesteld, zijne broeders te helpen, te ondersteunen , te troosten, en Hij bekroont dit leven van - liefde door de heldhaftigste liefdedaad. Ja, geheel het leven van den Zaligmaker was liefde; wel verre van anderen leed of last aan te doen, ging Hij al weldoende om, 1) weldoende aan allen, zonder zich over den ondank te beklagen, waarmede men zijne weldaden vergold. Hij heeft zich met onze ellenden heiaden, 2) om ons daarvan te ontheffen, met onze ongerechtigheden, om ze te boeten; dit verpletterend gewicht droeg Hij tot op den Calvarieberg, en daar heeft Hij zich voor ons laten verbrijzelen, door de rechtvaardigheid van zijn Vader!
Christenen, hebben wij al de volmaaktheid begrepen dezer deugd, waarvan Jezus ons zulke treffende voorbeelden geeft? Hebben wij den zin begrepen van dat goddelijk gebod, dat ons beveelt onzen evennaasten als ons zeiven te beminnen? Hebben wij de verplichtingen, die het ons oplegt, wel overwogen, en begrepen op welke voorwaarden wij de goedkeuring van ons verheven Voorbeeld zullen verdienen? Hieraan zullen allen erkennen, dat gij mijne leerlingen zijt, zoo gij liefde hebt tot elkander. 3) Daarom roept de groote Apostel, hij die zoo getrouw de leer van zijn Meester voorstond, met vuur: De liefde van Christus dringt ons. 4) Daarom maakt hij zich alles voor allen om allen voor Jezus Christus te winnen: gebrekkig met de gebrekkigen, klein met de kleinen, zwak met de zwakken, 5) zich ter aarde vernederende uit
1) Act. X, 38. 2) Isaia; III, 4. 3) Joa. XH, 35. 4) II Cor. V, 14. 5) I Cor. IX. 22.
118
liefde, om zijne broeders tot den Hemel te verheffen, zich tot slaaf van allen makende om allen tot de kennis en den dienst van God te trekken.
Is het aldus dat wij elkander beminnen? Is het aldus dat wij de lessen in oefening brengen, die de Godmensch ons is komen geven? is het aldus dat wij zijne voorbeelden navolgen en die zijner heiligen, die allen met den H. Paulus begrepen hebben, dat de liefde de hand der volmaaktheid is? 1)
Waarom moet men zyn evennaasten beminnen? en hoe moet men hem beminnen?
Wij moeten onzen evennaasten beminnen, ten eerste om aan Jezus Christus te gehoorzamen, die ons die liefde tot een gebod maakt, even streng verplichtend als het gebod van God te beminnen; wij moeten onzen evennaasten nog beminnen, omdat wij, als kinderen van denzelfden Vader, die in den Hemel is, allen broeders zijn; wij moeten eindelijk elkander beminnen, omdat onze goddelijke Meester ons verzekert, dat wat ivij den minsten der zijnen sullen doen, Hij het als aan zich zeiven gedaan zal beschouwen. 2)
Moge deze gedachte, dat wij God in onzen even-mensch kunnen beminnen en Hem eenigszins die oneindige liefde kunnen vergelden, die Hij ons be-Avezen heeft, ons bemoedigen en ons de moeite doen vergeten, die wij in de uitoefening der naastenliefde kunnen ontmoeten! Moge die liefde ons edelmoedig maken jegens den arme , medelijdend met de lijdenden, liefderijk jegens allen! Zijn wij voor onze broeders wat de Apostel ons aanbeveelt: Draagt elkanders lasten, zegt hij, en aldus zult gij de wet des Heer en volbrengen. 3) Volgen wij het voorbeeld van den
1) Coloss. II. 14. 2) Matth. XXV, 40. 3) Gal. V, 2„
119
goeden Samaritaan; keereu wij het hoofd niet af van den verlatene, die onze hulp inroept; ijlen wij hem ter hulp, verbinden wij zijne wouden, bedekken wij zijne ellende, troosten wij zijn hart, genezen wg zijne ziel, opdat wij eenmaal over ons deze uitspraak van barmhartigheid mogen hooren: Komt gezegenden mijns Vaders, bezit het rijk, dat voor u bereid is van het begin der ivereld; want ik had honger en gij hebt mij gespijsd; ik had dorst en gij hebt mij gelaafd; ik was naakt en gij hebt mij gekleed; enz. 1)
Ja, willen wij door God bemind worden, beminnen wij dan onzen evennaasten; willen wij van Hem vergiffenis erlangen, vergeven wij dan onzen broeder; willen wij, dat Hij ons ter hulp kome, helpen wij dan den noodlijdenden; willen wij eene plaatsin zijn koninkrijk verwerven, maken wij dan eene plaats voor den behoeftige aan onzen haard, aan onze tafel, in ons hart.
O hoe schoon is de liefde! Hoe schoon is zy in den mond van den H. Paulus, die ze ons in zijne vurige taal predikt! Hoe schoon is zij in de ziel van den welbeminden leerling, die ze in het Hart van zijn Meester zeiven, waarop hij mocht rusten, geput had! Want, even als het vuur de eigenschap bezit, alles wat binnen deszelfs bereik komt, te ontbranden , even zoo bezit de liefde de eigenschap, zich mede te deelen, zich te verspreiden; daarom bevatte het hart van den H. Joannes zoo oneindig veel liefde; daarom toonde zijn hart zich zoo goed, zoo medelijdend in al zijne werken en woorden, zooals: mijne kinderkens, bemint elkander. Ziedaar wat hij onophoudelijk den eersten Christenen herhaalde, welke
1) Matth. XXV, 3», 35, 36.
120
dan ook, getrouw zijn raad en zijne leering volgende, slechts één hart en ééne ziel hadden, 1) aldus de begeerte vervullende van Jezus Christus, die wilde
dat zij één zouden zijn, gelijk Hij en zijn Vader één zijn. 2)
Blijven wij, gelijk zij, getrouw naar de stem luisteren van onzen goeden Meester, en van diegenen welke ons zijne leer van liefde verkondigd hebben. Gaan wij, even als de H. Joannes, de liefde putten in het brandpunt zelf, in het Hart van Jezus; daar zullen wij den moed vinden ons, gelijk Hij, toe te wijden , te slachtofferen voor onzen evennaasten. Dat niets ons terughoude, dat niets ons afschrikke, noch onbillijkheid, noch beleedigingen, noch beschimpingen, wanneer wij eene ziel kunnen redden. Snellen wij tot den versteenden zondaar; ontsteken, verwarmen wij zijne verdoofde liefde; openen wij hem onze armen, openen wij hem ons hart; want dit is het krachtigste, dit is het noodzakelijkste middel om de barmhartigheid des Heeren over ons te trekken. Hooren wij wat de Apostel Paulus zegt: Al sprak ik de taal der mensehen en der engelen, zoo ik de liefde niet heh, hen ik als een klinkend metaal geworden. Al hadde ik de gave der voorzegging, al kende ik alle geheimen en alle wetenschap, al hadde ik een geloof, groot genoeg om hergen te verzetten, als ik de liefde niet heh, zoo hen ik niets. 3)
Dringen wij door tot den zin van deze verhevene taal, dan zullen wij niets meer veronachtzamen om de ongelukkigen te ondersteunen en de noodlijdenden te helpen. Luisteren wij toch naar de bede der armen. Hébhen wij weinig, zoo geven wij gaarne
1) Act. IV, 32. 2) Jos. XVI, 21, 22. 3) I Cor. XII, 1, 2.
121
tveinig, 1) ons herinnerende aan den lof door Jezus aan het penningske der weduwe gegeven; doch zoo wij de goederen der aarde in overvloed bezitten, geven wij dan veel: Maken wij van ome rijkdommen schatten voor de eeuwigheid; 2) want de aalmoes wederstaat aan de zonden, gelijk het water het brandend vuur uithluscht. 3)
Ja, helpen, troosten, ondersteunen, dragen wij de noodlijdenden en de zwakken dezer aarde, en op hunne beurt, zegt Bossuet, zullen zij ons ten Hemel dragen.
Drie en Twintigste Hoofdstuk.
(her hel vcrlronwen op dc Voorzienigheid.
Zalig zijn al degcaeo, die op den Heer vertrouwen. Ps. I, 13.
Dagelijks zien wij de bewonderenswaardige uitwerkselen van Gods voorzienigheid onder de menschen; maar waar vinden wij harten, die, zonder kommer, zonder onrnst op haar vertrouwen? Wij weten, dat Gods oog alles ziet, gelijk zijne onmetelijkheid ze begrijpt, gelijk zijne goedheid ze ondersteunt; 4) maar waar vindt men de zielen die hare rust en hare kracht in deze troostende waarheid vinden? Hoe toch kunnen kinderen van den hemelschen Vader, van dien zoo goedertieren God, die zijne zon laat opgaan over de goeden en de kwaden, hoe kunnen
1) ïobise IV, 9. 2) Luca: XII, 33. 3) Eccli, 11,33. 4) H. Aug.
122
zij zich verontrusten en vergeten, dat zijne goedheid en liefde zijne macht en zijne grootheid evenaren? Oij vooral, godvruchtige zielen, die de wet des Heeren naleeft, waarover bekommert gij u? waarover verontrust gij u? waarom leeft gij in onrust en angst, wanneer u alles op aarde ontvalt, wanneer alles onder uwe voeten schijnt te verzinken? Ach, werpt al uwe hekommeriugen in zijn Hart, en sluit het uwe vooralle vrees, welke de wisselvalligheid dezes levens u inboezemt. Bedenkt, dat de goedheid Gods gelijk is aan eene vruchtbare bron, waaruit twee verschillende heken vloeien; de liefde die ons deel geeft aan zijne goederen, en de barmhartigheid, die deel neem t in onze kwalen. 1)
Verlaat u dus op den Heer in de zorg van al wat n aangaat, en Hij zelf zal u voeden; want Hij zal niet toelaten, dat de rechtvaardige eeuwig beangstigd worde \\ 2) maar Hij zal zijn zegen uitstorten over diegenen die slechts zoeken, zich eeuwige goederen te verschaffen door zijne glorie te bevorderen.
Hoe! gij hebt een Vader die rijk is in macht en goedheid, en gij vreest, dat Hij u het noodzakelijke zal laten ontbreken! Heeft Hij zelf niet gezegd dat, al zou eene moeder haar kind vergeten, Hij nochtans u nimmer vergeten zal? Draagt Hij uwe namen niet in zijne handen geschreven ? 8) Zijn zijne oogen niet altyd geopend op dengenen die in moeielijkheden verkeert ? En zoo geen haar van uw hoofd valt zonder zijn toelaten, hoe zou Hij u dan behoeftig laten? O doet God de beleediging niet aan van aan zijn woord en zijne liefde te twijfelen. Hij is getrouw in zijne beloften. Zou Hij u in nooddruft laten,
I) H. Thomas. 2) Ps. IV, 25. 3) Isaia: XIX. 15, 16.
123
terwijl Hij alle schatten in handen heeft om U te helpen?
Stelt dan al mve hoop op den Heer en betracht het goede, en gij zult met zijne rijkdommen vervuld worden. 1) Gij vooral, liefdadige zielen, die medelijden hebt gehad met uwe behoeftige broeders, die rijke aalmoezen gestort hebt in den schoot der armen, die medelijden hadt met hnnne rampen, die hunne smarten verlicht, hunnen moed opgebeurd, hun hart getroost hebt, o vreest niets; want Hij die gij in hen hebt getroost en, geholpen, zal op zijne beurt zijne helpende en edelmoedige hand over u uitstrekken. Hij heeft het door zijn profeet beloofd. Indien qij den arme bijstaat uit de volheid van uiv hart, indien gij den bedroefde met troost vervult, zal uw licht in de duisternis stralen, en uwe duisternis zal schitteren als op vollen dag. 2)
En zoo gij, als kinderen van God, recht op zijne weldaden hebt, hebt gij dan, als leerlingen van zijn welbeminden Zoon , geen dubbel recht op zijne liefde! Hoort wat de goddelijke Zaligmaker den Apostelen antwoordt, die Hem vragen welke hunne belooning zijn zal: Al wie huis of broeders of zusters of vader of moeder of vrouw of kinderen of akkers om mijnen naam zal verlaten hebben, hij zal honderdvoudig ontvangen, en het eeuwige leven bezitten. 3)
Gaat dus voort met moed en vertrouwen, o gij allen die gedrukt gaat onder den last van den dag en de hitte, stelt uwe vreugde in den Heer, en Hij zal u geven wat uw hart begeert, 4) Houdt moed, als droevige gebeurtenissen, smartelijke beproevingen
1) Ps. XXXV, 3. 2) Isaiffi VII, 10. 3) Malth. XIX, 29. 4) Malth. XX, 12. Ps. XXXV, 4.
124
u nederdrukken; God is getrouw, Hij verlaat degenen niet die Hem beminnen en ziju wil volbrengen. Als gij Hem bemint, niettegenstaande zijne gestrengheid, zal Hij er zijne glorie instellen, zich even meedogend te toonen, als gij geduldig en getrouw zult zijn. Herhaalt dan met David: De Heer bestuurt mij, en niets zal mij ontbreken. 1)
O wat zijn deze troostende waarheden geschikt om onze zielen op te beuren en te versterken! Ja, Heer, voor altijd geef ik mij geheel aan U over. En hoe zou ik dit niet doen, als ik overdenk, wat Gij zijt, wat uwe oppermacht uitwerkt en welke inzichten uwe oneindige goedheid met mij kan hebben, als ik de heerlijke plannen overdenk uwer goddelijke Yoor-zienigheid over al uwe schepselen en bijzonder over de zielen naar uw beeld geschapen? Hoe zou ik anders kunnen doen, als ik herdenk wat Gij voor mij geweest zijt, met welke goedheid Gij mijne ellende hebt verdragen, mijne zwakheid hebt beschermd, mijne pogingen hebt aangemoedigd, en mij n hart hebt getroost?
O goddelijke Voorzienigheid, hoe heb ik U een enkel oogenblik kunnen miskennen, en uwe wijsheid en goedheid kunnen betwijfelen? Hoe heb ik kunnen aarzelen, mij aan ü over te geven, die tot dusverre alles tot welzijn mijner ziel hebt geleid? Hoe heb ik kunnen vreezen, mij met al mijne bekommeringen in uwe armen te werpen, als ik zie, met welke vaderlijke zorg Gij over mij en de mijnen hebt gewaakt, met welke kwistige hand Gij uw licht en genade uitstort^ met welke barmhartige goedheid Gij het scherpe der doornen verzacht van het pad, dat Gij ons aan uwe hand doet bewandelen?
i) Ps. xxr, i.
125
Aanbiddelijke Meester, vergeef mijne vroegere zwakheid en werp slechts het oog op mijn berouw en mijn vurige begeerte om mijne ondankbaarheid te herstellen door een kinderlijk vertrouwen. Neen, ik zal niet meer voor de toekomst beven; want ik weet, alles keert ten goede voor degenen die U liefhebben. 1)
Heb ik de getrouwheid uwer dienaars niet nagevolgd , zoo wil ik mij ten minste, gelijk zij, vol vertrouwen in de armen uwer Voorzienigheid werpen. Ik geef mij dan geheel over aan uwen goddelijken wil; ik geef U al wat ik heb, al wat ik bezit, en wijd U toe al wat uwe edelmoedigheid mij heeft gegeven, ten volle overtuigd, dat Gij alles ten beste schikt in het belang uwer glorie en tot mijn grooter geluk in de eeuwigheid.
Vier en Twintigste Hoofdstuk.
Over bel verlrouwen in de goddelijke barmliarligheid.
Hij zal het geknakte riet niet breken, noch de rokende lemmet nitdouven, en de Volkeren zullen in zijnen naam hopen.
Matth. XII, 20, 21.
Neen, mijn Jezus, ik zal mij niet laten beheerschen door dien overdreven angst, die zich meester zoekt te maken van mijne ziel; neen, ik zal uw goddelijk Hart die beleediging niet aandoen, dat Hart dat ons in zijne geopende wond een voortdurend toevluchtsoord
1) Rom. VIII, 28.
126
ea eene onuitputbare bron van liefde en barmhartigheid aanbiedt.
Is het niet om ons uwe oneindige goedheid ten volle te toonen, dat Gij onze Broeder hebt willen worden, dat Gij onze zwakheden, ons lijden, onzen strijd hebt willen deelen? Was het niet om onzen moed op te wekken, dat, Gij ons hebt willen leeren, onze vijanden te bestrijden, dat Gij hun zelfs de eerste slagen hebt toegebracht?
Hoe zouden wij niet op uwe hulp en uwe barmhartigheid rekenen, daar Gij ons veroorlooft, in den vuurgloed van licht en liefde de genaden te gaan putten, die wij behoeven om over al onze moeie-lijkhedeu te zegevieren en met vasten tred den rechten weg, die ten Hemel leidt, te bewandelen.
Waarom zouden wij vertwijfelen, daar, als Jezus ons beveelt, ome zaligheid met vrees en angst te hewerhen, 1) Hij ons tevens verzekert, dat de vrede gegeven wordt aan de mensehen van goeden wil, 2) en dat Hij ons altijd toeroept: Hebt moed, ik heb de wereld overwonnen. 3)
Deze gedachte stelt mij gerust, o Heer, deze verzekering troost mij; daarom wil ik mij uw beeld niet voorstellen met een verbolgen gelaat, met eenen arm altijd gereed den schuldige te treffen; ik wil den vloek niet hooren, dien uw mond zal uitspreken op den grooten dag uwer verbolgenheid, waarop de goddelooze in uwe tegenwoordigheid niet zal kwinen bestaan, 4) op den dag waarop, de oceaan uwer barmhartigheid uitgeput zijnde, wij strenge rekenschap zullen moeten geven over het gebruik dat wij daarvan gemaakt hebben.
1) Philipp. II, 12. 2) Lncee 1,14. 3)Joa.XVgt;33. 4) Apoc. VI, 17.
127
Neen, Heer, veel liever bestudeer ik al de trekken uwer liefde, overweeg ik uwe troostende woorden r en luister ik naar die minzame uitnoodiging, die uw goddelijke mond dagelijks richt tot degenen die U vluchten en beleedigen! Luistert naar mijne stem en doet al wat ik U beveel, dan zult gij mijn volk en ik zal uw God zijn! 1) Vooral wil ik mij ten allen tijde die uiterste goedheid, die treffende zoetaardigheid, die onuitputtelijke toegevendheid voorstellen, waarmede Gij eertijds de zondaars behandeldet, die niet vreesden tot U te naderen, omdat zij uwe onuitputtelijke barmhartigheid kenden, omdat zij wisten dat uw Hart niemand uitsluit, en dat Gij hun slechts hunne zonden toondet, opdat zij boetvaardigheid zouden doen. 2) Ja, duizendmaal heb ik ook de hel verdiend, en niets geeft mij recht op den Hemel.
Maar ik weet, dat wij bij den Vader eènen mid~ delaar hebben, Jezus Christus, den rechtvaardige. 3) Zijne wonden , zijn bloed smeeken onophoudelijk om vergiffenis voor de zondaars; en zou God aan die smeekende stem zijns Zoons kunnen wederstaan?
Ach, indien de wereld, indien de hartstochten ons medesleepen, indien de gedachte onzer ellende ons ternederdrukt, indien de lange strijd ons verschrikt, indien de vrees voor de eeuwige oordeelen schrik in onze ziel stort, herinneren wij ons dan, dat God ons zoo zeer bemind heeft, dat Hij Jezus gegeven heeft tot onze heiliging en verlossing, 4) en dat de lidteekenen zijner heilige wonden, die Hij in het verblijf zijner glorie, door eene gedachte vol liefde voor ons, behouden heeft, voortdurend voor ons ten beste spreken. Snellen wij dan tot dien
1) Jerem. X. 4. 2) Ssp. X, 24. 3) I Jua II. I. 4) I Cor. I. 30.
128
teederen en getrouwen vriend, en Hij zal ons door zijne verdiensten de genaden verkrijgen, die ons noodig zijn; want Hij is altijd rijk voor al degenen, die zijne hulp vragen. 1)
Die Jezus, die genade afbad voor zijne beulen, zal zijne hulp, zijne ondersteuning niet weigeren aan de verootmoedigde en vermorselde ziel, die Hem aanroept, aan de getrouwe ziel, die voor alles zoekt Hem te behagen, aan de edelmoedige ziel, die geen andere begeerte heeft dan zich op te oiferen voor zijne glorie. Neen, voor die zielen heeft Hij geene gestrengheid, maar slechts ingewanden van barmhartigheid, voor haar zal Hij geen voorwerp zijn van angst en schrik.
Vertrouwen wij dus op den Heer, en gelijk aan den herg van Sion zullen wij niet aan het wankelen gebracht worden; 2) leven wij dus gerust, dienen wij Hem met blijdschap, omdat Hij degenen beschermt die in Hem hopen, en dat Hij bevestigd heeft, dat geen der zijnen verloren zal gaan.
Vijf en Twintigste Hoofdstuk.
(her de Aalmoes.
Gjj hebt altijd armen bij n. Joa. VII, 8.
De Voorzienigheid, die alles met wijsheid heeft geregeld, wilde, door de maatschappij te grondvesten op de verscheidenheid van rang en stand, de menschen
1) Rom. X, 12. 2) Ps. CXXIV, 1.
129
onder elkander vereénigen door die wederzgdsche afhankelijkheid van sterkte en zwakheid, van weelde en behoeftigheid, van arbeid en belooning: deze afhankelijkheid, welke alle rangen en standen nader tot elkander brengt, maakt, om zoo re zeggen, alle menschen slechts tot één groot gezin.
Maar hebben de menschen, \'t zij rijk of arm, dit plan der Voorzienigheid en de verplichtingen, welke dit aan beiden oplegt, wel begrepen? Beseffen de rijken, de lievelingen der fortuin, dat zij niet zoo zeer de eigenaars, dan wel de uitdeelers zijn van die goederen, waarvan zij alleen het vruchtgebruik hebben, waarvan God alleen Meester is, waarvan Hij in zijne opperste rechtvaardigheid het gebruik bepaald heeft? Begrijpen zij dat, terwijl zij de schatten des Heeren genieten, zij die moeten uit-deelen om in de behoeften en noodwendigheden hunner arme broeders te voorzien? Helaas! neen; velen hebben dit niet begrepen, en dezen zijn gedeeltelijk verantwoordelijk voor dien staat van verlaging, van zedelijke vernedering, waarin zooveel armen verzonken zij n, voor die schandelijke neigingen, voor dien slecht onderdrukten haat, welke eene uiterste ellende en dikwijls volkomen ontbering van de noodzakelijkste levensbehoeften in hunne ziel hebben gekweekt en ontwikkeld.
Ja, indien de meeste armen den adel en de ware grootheid hunner bestemming uit het oog verliezen, indien zij de zaken van het tegenwoordig leven be-oordeelende volgens het menschelijk oogpunt en niet volgens het geloof, de Voorzienigheid beschuldigen en de onrechtvaardigheid hunner rijke broeders op haar werpen, ligt dan de oorzaak niet aan u, o gelukkigen dezer aarde? Ligt het niet aan u, die
9
130
de schoone, de verhevene, de zoete zending, die God ]\\
u toevertrouwde, niet hebt begrepen, en die de er .
troost, de steun, de toevlucht der armen niet hebt z;et
■willen worden ? Zeld
O, indien de orde der Voorzienigheid wel begrepen e(je]
en gevolgd werd, zoo ware de rijke een engel van gez(
vrede en troost, geplaatst tusschen God en den arme; dei-
als eene vruchtbare wolk, altijd gereed den weldadigen wei
dauw der liefde over hem uit te storten; hij zou de zich
afgezant des hemels, de apostel der Voorzienigheid onwi
zijn, die haar zou doen kennen aan degenen die haar en (
niet begrijpen, haar zou vrijpleiten bij degenen die K)eci(
haar lasteren; zijne weldaden zouden tot hun hart nim
spreken, en zouden hen de goddelijke wijsheid en gepi
goedheiil doen bewonderen en zegenen. lukk
Even als God aan de ouders de opvoeding van oii^t
hun gezin, aan de wetgevers het bestuur der maat- Zc
schappij toevertrouwt, zoo heeft Hij de rijken gesteld toev(
om zich op hen te kunnen verlaten omtrent de zorg te zi
voor de armen. Zijt
De rijke is dus de bedienaar des Heeren, maar u all
de arme is zijn lieveling; de rijke heeft zijne bevelen, oogsi
de arme zijne rechten, de eene om te geven, de buig(
andere om te ontvangen. W
Hoevele tranen zouden gedroogd, hoevele zuchten rensv
zouden gesmoord worden , hoevele ongel ukkigen zou- de vi
den zich niet meer beklagen, hoevele zieken zouden gesel
genezen, hoeveel haat zou gebluscht, hoevele belee- ellen
digingen zouden God gespaard worden, zoo de rijken -getal
die macht, hun gegeven, wilden gebruiken om hunne zou i
ongelukkige broeders te helpen, door rijke aalmoezen oven
in hunnen schoot te werpen en bij de edelmoedigheid »zou?
hunner gave het mededoogen van een liefdevol hart te voegen!
\'
j
131
Maar helaas, hoe klein is het getal dergenen die er aan denken en er zich om bekommeren! Dagelijks ■ zien wij wonderen van pracht en weelde; doch hoe
zeldzaam zijn de wonderen van mensehlievendheid en i edelmoedigheid! Hoevele dier gelukkigen dezer wereld,
i gezonden als Apostelen, medewerkers, bedienaars
j der Voorzienigheid, zien wij niet rondgaan zonder i wel te doen, doof voor de droeve klacht der ellende,
i zich niet gewaardigen te antwoorden op de stem der i ongelukkigen, hun hart sluiten voor het medelijden r en de oogen afwenden van den arme, die met lompen e bedekt de hand tot hen uitstrekt! Zij hebben t nimmer door ondervinding het bittere dier rampen tt geproefd, en meenen dat het genoeg is, altijd gelukkig geweest te zijn, om. het recht te hebben, n ongevoelig te zijn.
Zou God huu dit verwijt van isaïas niet mogen d toevoegen ? Meent gij de eenige bewoners der aarde g te. zijn1? 1) Heb ik voor u alleen de aarde geschapen?
Zijt gij het eenige doel mijner werken? Is het voor ir u alleen, dat de zon aan den hemel staat, dat de i, oogst de velden met goud bedekt, dat de boomen le buigen onder het gewicht hunner vruchten?
Wel hoe, zou God, die alles met eene bewonde-ai renswaardige orde geregeld en zelfs het voedsel voor ii- de vogelen bereid heeft, menschen, naar zijn beeld 3n geschapen, ten prooi willen laten aan honger en e- ellende, terwijl Hij, met volle hand op een zeer klein en -getal, den dauw des hemels en het vet der aarde ne zou uitstorten, indien Hij niet bepaald had, dat de en -overvloed der éénen in het gebrek der anderen voorzien dd |zou? Wie zou God door eene dergelijke veronderstelling irt__
I\' 1) Isaiso V, 8.
j
132
durven beleedigen? Gij zijt dus slechts zoo heerlijk w
bedeeld, o rijkeu der aarde, omdat God u wilde g(
aanstellen als uitdeelers zijner goederen en u de eer li(
wilde geven, uwe evennaasten te doen leven. 1) Gij ge zijt slechts tot deze grootheid en voorspoed verheven,
om de beschermers der ongelukkigen te zijn. /j sp
De aalmoes is dus een gebod en geen enkele raad. ui
Iedereen is daartoe verplicht; geen voorwendsel van be
staat, stand of omstandigheid kan daarvan ontslaan. mi
De middelen mogen verschillen, de ijver moet dezelfde en
zijn. De een geeft zijne schatten, de andere geeft op
zijn hart; en hij die slechts lippen heeft om te bidden, wf
geeft niet minder dan de eersten. Te vergeefs zou af
men alle andere geboden van God naleven , indien dei
men aan het gebod van barmhartigheid te kort schoot; he: volgens Jezus Christus is de hel voor diegenen die
dit gebod niet nakomen, de hel, die vreeselijke dei
linkerhand, waar de opperste Rechter de verdoemden mc
zal plaatsen, die gelijk de hardvochtige rijke den voc
arme aan zijne deur, veracht hebben. Aan die ramp- dei
zaligen zal Hij dit vonnis toevoegen: gaat van mij, wil
vervloekten in het eeuwig vuur; want ik heh honger aar
gehad en gij helt mij niet gespijsd; dorst, en gij hebt die
mij niet gelaafd; ik was naakt, en gij hebt mij niet He gekleed; enz. 2) i dar
Door deze woorden zal Jezus hun bewijzen dat, te ,
toen zij hart en hand gesloten hielden voor de zij
noodlijdenden, zij die voor Hem gesloten hielden; van
toen zij hun medelijden en hulp weigerden, zjj Hem mie
verstieten en verachtten. En die hardvochtige rijken zek
zullen geene verschooning kunnen aanvoeren; zij Goc
zullen niet kunnen zeggen : Heer, wanneer hebben G
]) Bossatt. 2) Matth. XXV, 41, 42, 43.
133
jk wij U in dien toestand gezien en hebben wij U niet ie geholpen? daar Jezus hun in zijn H. Evangelie gezegd er heeft: Voor zooveel gij den minsten mijner hroeders «ij gedaan hebt, dat hebt gij aan Mij gedaan. 1) n, O Christenen, laten wij, om deze vreeselijke uit-« spraak niet te hooren, om dit verschrikkelijk vonnis :d. niet te verdienen, de armen helpen, ondersteunen, an beminnen en achten zelfs, daar zij de lijdende lede-in. maten van God, het beeld zijner lijdende menschheid de en als de verstrooide deelen van zijn heilig Lijden eft op aarde zijn. Zien wij toch niet naar den schijn; n, wachten wij ons wel, ons met walging van den arme ,ou af te wenden; beschouwen wij hem met de oogen en des geloofs, dan zullen wij in hem slechts waardigst; heid en verhevenheid zien.
iie Stellen wij ons niet tevreden met het beschouwen jke der redenen, waarom wij milddadig jegens de armen len moeten zijn; doch overwegen wij ook de kostbare len voordeden en het genoegen zelfs, dat de beoefening ip- der liefdadigheid ons verschaft. De aalmoes is eene dj, winst, een heilige woeker, een grond die reeds op qer aarde honderdvoudige vruchten oplevert; want hij •.ebt die zich over den arme ontfermt, leent aan den Heer. 2) \'det Het is eene bron van vreugde; want wat is zoeter , dan hen die lijden te ondersteunen, anderen gelukkig [at, te maken, over de harten te heerschen , te hooren hoe de zij ons zegenen en danken. 3) Het is een onderpand en; van eene gelukkige toekomst, het gemakkelijkste [em middel om ons het intreden in den Hemel te verken zekeren, en bijna de eenigste weg ter zaligheid, dien zij God openstelt voor degenen, die in voorspoed leven, ben Gij, zielen zoo zwak en traag in den dienst van
1) Ibid. 40. 2) Prov. XIX, 17. 3) Massilluu.
134
God, ontbreekt u de moed om langs den weg der boetvaardigheid ten Hemel te gaan, geeft aalmoezen, want zij verlossen van alle zonde en van den dood. Gebruikt uwe rijkdommen om u vrienden te verwerven, 1) die ten uwen gunste spreken op den dag, waarop gij zult opgeroepen worden om rekenschap van uwe werken te geven, en ?t in de eeuwige woningen ontvangen. 2) Ja, als die groote dag zal aanbreken, zullen de aalmoezen, die uwe liefde in den schoot der aimen geworpen heeft, in schatten veranderen; en de armen welke daarmede gevoed zijn, zullen opstaan om u vrij te spreken, om den Hemelschen Rechter te betuigen, dat gij het zijt die hun honger gestild, hun dorst gelescht, hunne naaktheid gekleed hebt. Gelukkig de man die luistert naar de stem van den behoeftige; de lieer zal Hem in den kwaden dag verlossen. 3)
Moge deze troostende verzekering onze harten verwijden, onze edelmoedigheid opwekken, iudien wij tot dusverre de schoone deugd der liefdadigheid niet wel begrepen hebben; moge zij meer en meer onze naastenliefde ontvlammen, als wij het geluk hebben, hare schoonheid en zoetheid te kennen.
O gij, die de goederen dezer aarde in overvloed bezit, geeft, want voor u is de aalmoes het kort begrip der wet. God beveelt u niet, gelijk aan den jongeling in het Evangelie, aan alles te verzaken, al uwe goederen aan de armen uit te deelen, om Hem te volgen. 4) Hij legt u niet op, gelijk eertyds aan de eerste Christenen, al wat zij bezaten, aan de voeten hunner herders te komen neder leggen; maar Hij wil, dat gij geeft, als bedienaars der Voorzienigheid,
1) ïabia IV.T, 11. 2) Liic!eXV,9. 3) Ps. X, 1. 4) Massillon.
135
die de verhevenheid hunner zending begrijpen. Uwe liefde zij dus eene weldadige zon, die over allen zonder uitzondering hare weldadige stralen werpt; geeft zonder dralen en zonder dwang; geeft van uw overvloed, zonder na te tellen; doch geeft ook edelmoedig de vrucht uwer ontberingen; dat uwe linkerhand nooit wete, wat de rechterhand doet; want de liefde is de goede geur van Jezus Christus, die vervliegt naar mate men ze ontdekt.
Helt gij weinig, geeft weinig, en zegt met de Apostelen: Wat ik heb, geef ik; 1) bedenkt dat een glas water zelfs zijne belooning niet mist, en dat men op den dag des oordeels het penningske dei-weduwe in de hand des armen zal zien schitteren.
O liefdadigheid, o deugd der groote zielen, hoe schoon zijn uwe werken! Gelukkig wie haar begrijpt! Gelukkig hij, die uit het hart geeft! want eenmaal zal hij weder in bezit treden van zijne goederen, en zal in den hemel de schatten gaan maaien, die hij op aarde gezaaid heeft en die de mot nu niet lederft. 2)
Zes en Twintigste Hoofdstuk.
Over den Zielenijver.
De oogst is overvloedig, doch het getal der werklieden is gering. 8)
Ier
572,
id.
1)
op
we r
nt-
m,
30t
ïu; len leu ger 36 d
van iag
ten ien leid
-
ieer luk
oed cort t den \'een, \'iem aan de Hij
eid,
Het is tot de vrienden van Jezus, dat ik deze woorden van den goddelijken Meester richt, om hun
1) Act. II, 6. 2) Lucse XI, 33. 3) Lnca: X, 2.
136
ijver te ontsteken of aan te vuren. Tot hen zeg ik: Het uur is daar om de belangen van uw God ter harte te nemen en zijne ledige graanschuren te vullen ; want de tijd nadert, waarop alles wat onvruchtbaar gebleven is, verworpen zal worden, waarop datgene wat vruchtbaar zal bevonden worden in goede werken, verheven zal worden, dat wil zeggen, de tijd waarop recht zal geschieden aan het goede en het kwade.
Begeeft u dan, o getrouwe zielen, te midden dier kwijnende en ziekelijke menigte, die den weg des levens bewandelt zonder zich te bekommeren om voorraad op te doen voor hunne reis, noch ri\'ikdom voor de eeuwigheid. Gaat tot die zielen die den weg der boosheid en des verderfs bewandelen, die moeilijke wegen bewandelen en de wegen des Heer en niet kennen. 1) Gaat op de pleinen en wegen, bezoekt alle plaatsen, roept de blinden en onwetenden tot u, dringt ze, hun voordeel te doen, terwijl de tijd hun nog gegeven wordt, met de weldaden des Hee-ren: want de Zoon des menschen zal komen op het uur dat zij Hem het minste verwachten; 2) leert hen putten in de schatten des Zaligmakers, opdat zij niet met ledige handen staan, en niet als de onvruchtbare vijgeboom tot het eeuwig vuur verwezen worden. 3)
Ja, nog eens, de oogst is overvloedig, de werklieden zijn in klein getal, en de vijand zwerft onophoudelijk rond het veld van uwen Meester om Hem zijne goederen te roven. O weest waakzaam en oplettend, om toch een deel der vruchten te redden, die Hem zooveel arbeid gekost hebben. Doet dit als gij Hem bemint, want hij alleen bemint oprecht die de zaligheid zijner broeders tracht te bevorderen. 4)
1) Sap. V, 7. 2) Lucse XII, 40. 3) Lncte XII, 7. 4) Btda.
137
Zoekt, ondersteunt, onderwijst dan de zielen; deelt hun het goddelijk vuur mede, dat ia Sion ontvlamt en ontstoken wordt in het Hart van Jezus, opdat zij, op hare beurt, in de waarheid onderwezen, door het goddelijk licht geleid, sterk en moedig geworden, het worstelperk intreden, de zwakken en de vrees-achtigen opzoeken en bemoedigen, en aldus het getal der strijders des Heeren vermeerden, na het getal zijner kinderen vermeerderd te hebben. Dat de ijver voor Gods huis u verslinde. 1) Herhaalt in de vervoering uwer liefde, met den fi. Franciscus Xaverius: Zielen, Heer, geef mij zielen, wie ik U mag leeren kennen, beminnen en dienen.
Gaat, o werklieden van Christus, spreekt tot allen van dat goddelijk Voorbeeld, dat zij niet kennen of dat zij miskennen; Zoekt, brengt, trekt er zoo veel met u als gij zult kunnen; 2) deelt hun door uwe woorden het licht der waarheid mede; leert hun door uwe voorbeelden de zoetheid der liefde; toont hun het eeuwig ongeluk, waaraan zij blootstaan door hunne onverschilligheid, hunne traagheid, hunne hartstochten, en het eeuwig geluk, dat zij zoo gemakkelijk zouden kunnen verdienen.
O hoe schoon zijn de voeten van dengene, die goede zaken verkondigt en de zaligheid predikt, 3) zeggende: Laten wij dengenen, dien wij beleedigd hebben, doen heerschen!
Dat geene enkele bedenking u terughoude, dat geene moeielijkheid u afschrikke en uwen ijver ver-zwakke. O kon ik uit alle kracht mijner stem en mijner ziel allen toeroepen: Schaart u onder de vanen des Heeren, gaat, strijdt met vuur, opdat Hij
1) Ps. XVII, 12. 2) H. Angustinus. 3) Laise I, 7.
138
door u zegeviere! Treedt ia de rijen zijner heilige strijdkrachten, bedient u van de vreedzame wapenen die Hg u aanbiedt en welker kracht onfeilbaar is. Houdt moed, Apostelen der waarheid; terwijl gij moedig strijdt in de vlakten, zult gij ondersteund worden door de kracht Gods, en het aanhoudend gebed dergenen die, als Mozes op den berg, met opgeheven handen de overwinning voor n blijven afsmeeken. Dat uwe strijdleus zij: de liefde van God dringt ons; 1) en dat uw ijver steeds beantwoorde aan die liefderijke begeerte van Jezus Hart: Ik ben het vuur op aarde komen werpen; en wat wil ik dan dat het ontstoken worde ? 2)
T^WEEüE BOEK!.
Overwegingen, verheffingen der ziel en gebeden voor de voornaamste Feestdagen des jaars.
Eeeste Hooïdstuk.
Voor den Advenl.
overweging.
Zie, Heer, de verdrukking van ow volk, zend Dengene, dien Gij beloofd hebt. Lit.
Troost u, mijn volk, troost u; 1) weldra zal de zaligheid tot u komen!
O heerlijke belofte, die eertijds het schuldige, doch berouwvolle Israël hebt ondersteund en getroost, eu zijne hoop hebt opgewekt, wees ook in dezen zaligen tijd de troost der bedroefde harten en een onderpand van vrede voor de zondaars, die berouwvol de komst van den Verlosser afwachten.
Ja, Heer, het is waar, wij hebben gezondigd; wij zijn door boosheid omgeven; uw goddelijk beeld is in ons misvormd, uw Evangelie wordt onder de voeten vertreden, uwe tempels staan ledig, de dochter
1) Isaise X, 1.
140
van Sion, uwe H. Kerk, treurt bitter over de bedorvenheid barer kinderen; en wel bebben wij verdiend uw goddelijk Aanschijn nooit meer te aanschouwen en onder bet gewicht uwer verbolgenheid verbrijzeld te worden. Maar Gij die beloofd hebt, nimmer doof te blijven voor de stem van hem, die tot U roept, Gij, die de God van barmhartigheid en verzoening zijt, schenk ons het licht van uw aanschijn loeder, 1) en laat uw erfdeel niet langer verwoest.
Gij weet het, o Heer, wij hebben niets dat uwer waardig zij; ome zoenoffers zijn ü niet aangenaam geweest; 2) daarom bidden wij U, zend ons, Heer, den rechtvaardige, dien Gij ons beloofd hebt en die de zaligheid der wereld is.
Ja, zend ons die spruit van Jesse om ons te hernieuwen; dien sleutel van David, die ons den Hemel moet openen, en ons de bel moet sluiten; de zon van rechtvaardigheid, om hen te verlichten, die in de duisternissen gezeten zijn en in de schadmv des doods. 3)
Geef ons dan, o Heer, die vurige begeerten, die de rechtvaardigen der oude wet verteerden in afwachting van den Messias; geef ons die brandende verzuchtingen der H. Maagd, die zijne komst verbaast hebben; dat onze dagen en nachten voorbijgaan in de verwachting van Dengene, die de eeuwige heuvelen begeerd hebben, 4) die ons de ware vrijheid der kinderen Gods zal aanbrengen, en door zijne tegenwoordigheid ons ballingsoord in een verblijf van vreugde gaat veranderen; dat onze stemmen Hem altijd afsmeeken, met den koninklijken profeet steeds herhalende: Wat kan ik in den Hemel en op aarde
1) Ps. XXIX, 4. 2) Hebr. X, 6. 3) Luce 1.79. 4) Gen. XIX, 26.
141
■anders hegeerm dan U, 1) o mijn God? Dat onze harten steeds verzuchten naar dat gezegend oogen-hlik, waarop wij zullen kunnen zeggen: De Heer heeft zijne eenzaamheid verlaten; Hij is onder ons £n gelijk een onzer op aarde verschenen. 2)
O dale dan dat licht der aarde, dat te midden onzer duisternis moet schijnen; dat Hij kome, Hij die de weg is otn ons de rechte wegen te toonen en ons de wijsheid te leeren. Dat Hij kome, de Zoon des Allerhoogsten, om ons te leeren, uwe Oppermajesteit te aanbidden, U de verschuldigde hulde onzer liefde aan te bieden, onze broeders te beminnen, gelijk Hij ons bemind heeft, ons aan zynen goddelijken wil, aan zijne eeuwige raadsbesluiten te onderwerpen, U te gehoorzamen tot den dood, ons te vernederen tot het niet.
Door dit menschgeworden Woord zal de aarde vernieuwd worden; door de diepe vernedering van den Godmensch zullen wij U den lof en de eer kunnen bewijzen, die wy U schuldig zijn.
Door dien God, die komt om ons te herstellen en te heiligen, zullen wij beminnen, zullen wij bidden, zullen wij lijden, zullen wij handelen, zullen wij ons vernietigen. Door het Hart van uwen welbeminden Zoon, door zijne onuitsprekelijke liefde, die zijn ijver voor uwe glorie zoo wondervol weet te vereenigen met zijn mededoogen met onze ellende, zullen wij U datgene geven, wat onze versteende harten U zoo lang geweigerd hebben; Hij zal U aanbidders vormen , die met en in Hem, zullen boeten en herstellen, en U zijne rechtvaardigheid eu zijne heiligheid zullen aanbieden, als een offer van aangenamen geur, als
1) Ps. XXr, 24. 2) Bossuet.
142
de eenige offerande uwer oneindige majesteit waardig.
Geef ons dan, Heer, die zalige gift, dien schat die onze armoede moet verrijken en onze ellende moet bedekken. O dat Hij kome om ons te bezoeken, ons te vernieuwen en over onze harten te heerschen. Dan zal uw volk in vrede zijn en lofliederen zingen, omdat Gij zelf onder hetzelve zijt komen wonen. 1)
Tweede Hoofdstuk.
Hel Kerslfeosl.
overweging.
Ik verkondig u eene groote blijdschap, welke voor het gansche volk zijn zal; heden is u e«n Zaligmaker geboren, die Christus de Heer is, in Davids stad. En dit zij u het teeken: Gij zult een Kitidje vinden, in doeken gewonden, en liggende in eene krib. Lucse 1, 10, 11, 12.
Snelt toe, o geloovigen; wij hebben den pasgeboren Koning der engelen in doeken gewonden gezien; komt, laat ons den Heer aanbidden.
Laat uwe vreugde- en dankliedeien weergalmen, o gij allen, die aan deze kribbe uw Verlosser en uw Koning komt aanbidden! Het is de onsterfelijke God, de Heer der Heeren, de Meester van het Heelal, die zich onder de gedaante van een teeder kindje verbergt; het is die God, welke na zich in den schoot eener maagd vernietigd te hebben, zich aan de wereld
1) Zach. I, 10.
143
geeft om de aarde met den Hemel te verzoenen. Hij komt om aan God de glorie te geven, die do menschen Hem hadden willen ontroven, en aan de menschen dien vrede terug te schenken, dien zij zich zeiven ontroofd hadden. Hij komt om als slachtoffer van liefde reeds het offer te beginnen dat Hij, om ons te redden, zijnen hemelschen Vader komt aanbieden.
De aartsvaders hadden naar Hem verlangd; de
O \' ..
profeten hadden naar zijne komst verzucht; nu zyn hunne begeerten vervuld, hunne voorzeggingen bevestigd. Eme ster is over Jacob opgestaan. 1) Israël heeft gebloeid, 2) en zal met zijne vruchten het aardrijk vervullen.
0 duizendwerf gezegend nur! O schoone dag, die der heiligste der maagden een Zoon, der wereld een Verlosser, der menschen een Voorbeeld, den zondaars \' een Zoenoffer, den engelen een Koning, den eeuwigen Vader een nieuwen Aanbidder schonk, wees voor •\' immer verheerlijkt!
Christenen, viert door uwe vreugdezangen deze gezegende geboorte, welke ons de deuren van het hemelsch vaderland opent; en zingt met de engelen dit heerlijk loflied: Glorie zij God in het hoogste, en vrede aan de menschen, die van goeden wille zijn ! 3) Ja, loven wij dien menschgeworden God; aanbidden wij zijne macht, die Hij aan onze oogen verbergt om als overwinnaar, ons tot zich te trekken; zegenen
Iwij zijne liefde, die zich met onze ellende wil vereenigen om onze harten des te beter te treffen; en prijzen wij zijne barmhartigheid, die ons vrede en verzoening belooft.wij zijne liefde, die zich met onze ellende wil vereenigen om onze harten des te beter te treffen; en prijzen wij zijne barmhartigheid, die ons vrede en verzoening belooft.
1) Nam. XXIV, 17. 2) Uaia- XXVI, 6. 3) I.ncffi I, 14.
144
Ziet, zegt Hij tot ons, het is in deze kribbe, waar ik slechts een steen vind om mijn hoofd op te doen rusten, en den adem van het redeloos dier om my te verwarmen, dat ik, uw God en Koning, vol zoetaardigheid tot u kom; het is in dezen toestand van ontbering, waartoe ik mij vrijwillig heb overgegeven, dat ik mij aan uwe oogen vertoon en tot uw hart spreek.
Kunt gij nog aan mijne liefde twijfelen bij het zien myner vernedering en smarten? Kunt gij uw God nog vreezen, als gij Hem gelijk ziet aan het zwakste aller schepselen? Ik heb den schoot mijns Vaders verlaten, en hen in de wereld gekomen. 1) Waarom heb ik de gedaante van een arm en zwak kind aangenomen? Waarom wilde ik geboren worden in armoede, verlatenheid en lijden? Indien gij het nog niet weet, zoo zal ik het u zeggen: Ik heb in eene kribbe en in eene volkomen ontbering aller zaken willen geboren worden om u een voorbeeld van versterving, van zelfopoffering, van armoede te geven. Ik heb mijzelve tot ontbering en smart veroordeeld om uwe fouten te boeten en door dit groote onderpand van liefde uw hart te winnen. Ik heb mij vernederd voor mija Vader, ik heb mij vernietigd voor de menschen om u de liefde en de beoefening der nederigheid te leeren. En dit zijn slechts de eerstelingen van de vruchten mijns lijdens. Er zal een dag komen, waarop mijn bloed op Calvarië zal stroomen; want het is mij niet genoeg, het leven te aanvaarden voor uwe zonden; ik wil ook sterven, om ze te boeten.
Christenen, uw geloof kan die stem niet verloochenen ; het is de stem van Jezus, die uit de kribbe
1) Joa. XV, 28.
145
tot u spreekt. Nadert dan, en komt hier in dezen stal zijne goddelijke onderwijzingen overdenken; hier zult gij de grootheid der armoede leeren aan de voeten van eenen armen God, de zoetheid der vernedering aan de voeten van een vernietigden God, de liefde tot het lijden bij het zien van een God die in ontbering en smart een leven intreedt, dat Hij op het kruis zal eindigen. Gelijk Isaïas het heeft aangekondigd, weet dit kleine kind reeds het kwade te veroordéelen en het goede te kiezen; het kwade is het lichamelijke genot, het goede i* het lijden ! Welnu dit kind van wijsheid, dit goddelijk kind heeft dit laatste gekozen en het eerste veroordeeld. 1)
Komt dan tot Hem zonder angst, zonder vrees, daar Hij, uit mededoogen, zijne macht en majesteit onder den nederigsten en liefelijksten sluier verbergt, 0 spreken die arme doeken, die kribbe, die redelooze dieren, welke uw pasgeboren Zaligmaker omgeven, niet met meer welsprekendheid tot uw verstand en uw hart, dan de pracht zijner werken en de glans zijner glorie?
Komt dan, o christenen, dien kleinen Koning aanbidden; verlaat alles wat u zou beletten zijne liefelijke tegenwoordigheid te gevoelen; want in zijn omgang is niets bitter, maar blijdschap en vreugde. Trekt dit liefelijk kind de oogen des lichaams niet, zoo bekoort het de oogen der ziel; het is beminnelijk niet alleen door den glans van zijn aangezicht, maar door de gaven zijner liefde. Opent Hem uw hart en zegt onophoudelijk: Treed binnen, o Jezus, alles wat ik heb, behoort u toe; mijne ziel is uw Bethlehem, en gij, o Heer, gij zijt haar schat en haar alles. 2)
1) H. Bernardus. 2) Sap. VII, 18.
10
Derde Hoofdstuk.
Gebed lol hel Kindje Jezus.
Een klein Kind is ons geboren, en een zooo is ons gegeven. Isaite IX, 6,
Loven wij den Heer! Zingen wij zijn lof! Paren •wii onze vreugdeklanken by die der englenkoren! Want heden is ons een Verlosser geboren. De hemelen hebben hunnen dauw uitgestort en de wolken hebben ons den rechtvaardige gegeven. De waarheid is uit de aarde opgestaan, en de rechtvaardigheid heeft uit den Hemel nedergezien. 1)
O lang verwachte, o laug begeerde dag, dag die ons het leven aanbrengt, wees gegroet! Dag zoo lang door de aartsvaders aangeduid en luide door Israël verkondigd, ik zegen u; want gij ïjjt onze eenige hoop en het onderpand onzer zaligheid.
O beminnelijkste Verlosser, die slechts op aarde gekomen zijt om ons den weg en de waarheid te leeren en onze harten met het vuur uwer goddelijke liefde te ontsteken, ik bemin U, en wil U alleen beminnen. Ontvang dit vaste besluit, o ster des hemels, o liefelijk kind, met de hulde en de aanbidding, die wij ü heden als aan onzen Koning en Opperheer aanbieden. Met de engelen, die uwe geboorte aankondigden; zingen wij dit vreugdevolle lied; Glorie zij God in het allerhoogste en op aarde vrede aan de menschen die van goeden wille zijn.
1) Loc. 1, 11. 2) Isaite XIV, 8.
147
Glorie aan dien onsterfelijken Koning, die van alle eeuwigheid besloten had, ons zijnen eenigen Zoon te schonken, dat voorbeeld van zijn welbehagen, het beeld zijner goedheid, den glans van zijn licht, den vlekkeloozea spiegel zijner majesteit, de glorie van zijne heerlijkheid, het afdruksel van zijn wezen. Lof, liefde en dank zij U gebracht, o goddelijke Verlosser, die om den schuldigen mensch vrij te koopen, zijne zwakheid en zijne ellende hebt aangenomen. Met vertrouwen naderen wij uwe wieg, dien troon van barmhartigheid en genade; en met het hoofd in het stof gebogen , aanbidden wij uwe goddelijke majesteit, verborgen onder de gedaante van een teeder kindje in doeken gewonden. O eeuwige wijsheid, hier tot een kind vernederd, beneem ons toch onze ijdele, onze gewaande wijsheid, maak ons kind met U. O fakkel van het goddelijk licht, wij smeeken ü, verdrijf onze duisternissen, herstel onze wegen, maak onze paden recht en geef ons dat goddelijk leven, dat gij op aarde zijt komen brengen. O goddelijk Kind van Bethlehem, geef ons ook den vrede, dien vrede waarvan de herders na Maria en Joseph de eerstelingen ontvingen, geef dien aan onze zielen, die naar ü hongeren; geef dien steeds overvloediger aan de rechtvaardigen; geef dien aan de zondaars, die zuchten, omdat zij dien vrede niet bezitten; geef dien zelfs aan diegenen, die hem niet vragen en niet kennen Geef dien aan uwe H. Kerk, opdat zg rustiger dagen moge beleven; geef dien aan de wereld, die in angst verkeert, omdat zij dien vrede niet meer bezit. Laat uw licht schijnen te midden der duisternis dezer wereld; verspreid over de aarde den vruchtbaren dauw uwer genade; geef, o geef ons den vrede, dien vrede die uit den Hemel komt
•148
en welker schatten op uwe lippen, in uw hart, in uwe handen rusten, opdat wij vreugdevol den dageraad van eenen nog beteren dag begroeten, den dageraad van dat eeuwig Kerstfeest, en wij het eeuwig danklied mogen zingen: Glorie zij aan God voor de gift die Hij ons heeft gegeven! Glorie aan God voor den Verlosser, die Hij ons gezonden heeft!
Vierde Hoofdstuk.
Gebed lol bel Kindje Jezus.
De Heer is groot en alleu lof waardig, de Heer is klein en alle liefde waardig. H. Bernardua.
O Jezus, vreugde der engelen en menschen, beminnelijk , zoetaardig kind, de lang verwachte, vurig afgebeden Messias, de verlangde Redder der volkeren. O ster van den Hemel afgedwaald, ik groet U! en neergebogen voor uwe verborgen majesteit, vereenig ik mij met geheel het hemelsch hof, om uwen lof te zingen en uwe diepe vernedering te huldigen. Hoe gaarne kom ik 0 in deze kribbe aanbidden, waarin gij, o mijn Jezus, uit liefde tot mg hebt willen geboren worden! Hoe gelukkig gevoel ik mij, wanneer ik my voor uwe voeten mag komen vernederen, terwijl gij, o Koning der koningen, U voor mij als vernietigt! Uw lijden verteedert mijne ziel, en uwe - hulpeloosheid geeft mij troost. Uit uw aanbiddelijken mond hoor ik slechts zuchten en kermen, en nochtans, zgt Gij de eeuwige wijsheid en moet uw woord den
149
menschen de waarheid verkondigen. Uit uwe oogen vloeien slechts tranen, en nochtans zijt Gij het eeuwig licht, de fakkel die alleen ons kan geleiden en verlichten , de sterre die fonkelt en het hart verheugt.
O met welke vreugde beschouw ik U hier, o verrukkelijke en liefelijke schoonheid! Uwe schoonheid overtreft die van al de kinderen der menschen, en de bevalligheid rust op uwe lippen. 1)
Ja, mijn Verlosser, Gij zijt schoon en aanbiddelijk in de vernedering, waartoe uw ijver voor de glorie uws Vaders u geleid, waartoe uwe liefde voor de kinderen der menschen ü gebracht heeft.
Gij, de Eeuwige, hebt een begin aangenomen; Gij, het Woord van God, het Licht van het Licht, verschijnt ons onder den schijn van een zwak kind met doeken omwonden. Gij, de Heilige der Heiligen, de Onmete-lijkheid, de Glorie, Gij hebt U tot het niet vernederd. Ja, Gij hebt U tot den raensch nedergebogen; Gij hebt zijne zwakheid, zijne ellende aangenomen; Gij hebt U met zijne nietigheid omkleed. En waarom die toegevendheid, die edelmoedigheid, die liefde?
Ach, ik weet het, mijn goddelijke Meester, Gij wildet onze harten winnen en ons het eeuwig geluk verdienen; de stal, de kribbe, mee tranen , uwe arme doeken roepen het ons toe! 2)
Wees dan duizendmaal gezegend, o kind van zegening en genade; en neem bezit van die harten, die Gij verlangt en die Gij zijt komen zoeken; wij bieden ze U aan, wij offeren ze U op, wij wijden ze U toe, en smeeken U, daarin uwe woning te vestigen. Zij zijn zeer koel, en door hunne hardvochtigheid slecht bekwaam, uwe ijskoude leden te verwarmen;
1) Ps. XIV, 3. 2) H. Bernardos.
150
maar uwe zoete tegenwoordigheid zal daarin het vuur ontsteken, dat Gij op aarde :ijt komen werpen. 1) • Ja, onze harten zgn arm en van alle verdiensten ontbloot; maar door uwe genade zullen zij versierd worden met den schat dier liefelijke deugden, die Gij in rijke mate bezit. Kom dan, o Gij dien onze ziel bemint, kom en leef in ons; leef en regeer als Koning in onze harten, nu en in alle eeuwigheid. Amen.
Vijfde Hoofdstuk.
Hel Driekoningrnfecsl.
gebed.
Op dien dag zal de spruit van Jesse ten toon gesteld worden voor alle volkeren; de geslachten zullen Hem hunne gebeden komen aanbieden. Isaiaj X, 10.
Wij hebben met de herders den dageraad gegroet van dien gelukkigen dag, die door U, o aanbiddelijke Zaligmaker, aan de aarde te schenken, ons den Hemel opende; met hen hebben wij gejuicht bij het hooren der eugelenstemmen, van die boden van vrede welke ons de zaligheid verkondigden; getrouw den roep der genade volgende, die ons naar uwe kribbe riep, zijn wij U dagelijks komen groeten, o Koning der koningen! Voor die nederige kribbe geknield, waarin Gij geboren hebt willen worden, verkondigden
1) Lucte XII, 49.
151
wij zoo gaarne uwe liefde en barmliartigheid; en bi) het zien uwer vernietiging herhaalden wij met den Profeet: Dat geheel de aarde U aanbidde en uwen lof zinge; dat zij lofliederen aanheffe ter eere van uwen Naam. 1)
Thans, lieve Jezus, volgen wij de hemelsche ster die de koningen tot U leidde, wij komen weder voor uwe voeten uederknielen en U voor nu en voor immer de hulde onzer harten en de teederste liefdeklanken onzer zielen aanbieden. Wij buigen vol eerbied neer voor uwe verborgen majesteit, en wij groeten U, o goddelijke Koning des hemels, met deze koningen der aarde!
Mogen onze gebeden en onze verzuchtingen tot U opstijgen met den wierook, dien zij U, mijn Jezus, aanbieden! mogen zij U onze onmacht, onze behoeften indachtig maken en U aanzetten ons te helpen! Mogen onze handelingen, door uwe genade geheiligd, en door het zegel der boetvaardigheid geteekend, een zoeten geur van myrrhe verspreiden, welke tot den hemel doordringende, dien tot ons doet neigen! Moge de vurige liefde, die in uw Hart brandt, de onze ontvlammen! en indien zij, even als het goud, dat zinnebeeld der liefde, in het vuur gelouterd moeten worden, zoo vinde de smeltkroes des lijdens ze vol moed en kracht en hoop!
Ontvang onze hulde en onze gebeden, o goddelijk kind; vervul ons met uwe gaven, o Gij, die allen rijkdom bezit; heersch over onzen geest door het geloof, over ons hart door de liefde, over onzen wil door de kracht uwer genade; en bind ons aan U, o beminnelijke Zaligmaker, door banden van liefde, die ons in tijd en eeuwigheid aan U hechten. Amen.
J) Ps. XV, 3.
Zesde Hoofdstuk.
Het feest van den Zoeten Naam Jezus.
verheffing.
Hij zal de Bewonderenswaardige, de Kaadgever, God, de Sterke, de Vader der toekomende eeuwen, de Vorst des vredes genoemd worden. Jsaise IX, 6.
O zoete Naam Jezus, verwonderlijke Naam, die de Heer met eigen mond aan zijn goddelijken Zoon heeft gegeven, gij zijt een honig voor de tong die U uitspreekt, een zoet geluid voor het oor dat U hoort noemen, eene vreugde voor het hart waarin gij iceer-galmtl 1)
Heilige naam van mijn Verlosser, naam van den machtigsten Vorst, van den teedersten Vader, in U vind ik leven, kracht, licht, schoonheid, hoop en zaligheid: dat leven, o Jezus, dat de zonde ons had doen verliezen, en dat Gij ons door uwe vernedering en dood hebt teruggegeven; die kracht, welke het geloof in uwe macht en het vertrouwen in uwe belofte ons geven; het licht dat straalt uit uwe woorden en glinstert in uwe voorbeelden; die schoonheid die uitblinkt in uwe heilige gelaatstrekken, in de zoetaardigheid uwer woorden, in de heiligheid uwer daden, in de teederheid uwer liefde; die hoop, die ons uwe genade hierbeneden en bij het einde onzer loopbaan tot Rechter een Vader vol goedheid en barmhartigheid belooft; die zaligheid eindelijk, waarvan Gij ons den voorsmaak zgt komen brengen door ons het leven te geven door uwe zegepraal over dood en bel.
1) H. Bernardna.
153
Ja, Gij zijt onze toevlucht, onze troost, onze zaligheid, o verheven naam; want Gij bevat alles wat glorierijk en beminnelijk is in den persoon van het Woord; Gij drukt alles uit wat de schoonheid verrukkelijks , de liefde teeders, de Hemel beminnelijks, de goedheid liefderijks heeft. Gij geneest alle wonden, stilt alle smarten, verdrijft alle duisternis, drukt alle deugden uit, en maakt den dood zelfs zoet. U aanroep ik, als de bekoring mij tot den rand van den afgrond sleept; U vereenig ik met de klacht, die mijne vaak zoo diep gedrukte ziel ontglipt; U herhaal ik in vreugde, U aanroep ik als de Christus, de Koning der koningen op zijn troon zetelt, in mijne ziel rustende. O sta er immer ingeschreven, gezegende Naam, opdat zij, wijl gij haar Zaligmaker zijt, ook eeuwig zalig worde. 1)
0 Jezus, vervul mijne ziel met dien heiligen balsem van uw goddelijken naam; dat zijn zotte geur zich verspreide in mijn geest, opdat mijne zieke, zwakke, kwijnende ziel daardoor versterkt worde en niet meer onderhevig aan hare vroegere zwakheden, zij de zaligheid verkrijge, die God voor haar verdiend heeft. Moge die aanbiddelijke naam meer en meer het voorwerp worden mijner liefde en vereering! Dat Hij steeds op mijne lippen zweve en ik reeds op aarde iets moge smaken van dat geluk, waarmede ik dien eeuwig in den Hemel hoop uit te galmen. Want zij die drinken aan de fonteinen uwer liefde, hebben nog dorst, o Jezus, en zullen eerst dan verzadigd zijn, als zij hun dorst in het rijk uws Vaders zullen lesschen. 2)
1) H. Ant. van Padua. H. Franc, van Sales. 2) H. Bernardns.
Zevendk Hoofdstuk.
De zuivering van Haria.
TERHKFFIUG.
Een zwaard zal uwe ziel doorboren. Lucie T, 35.
Thans, o Christenen, volgt de werkelijkheid op lt;le schaduwen, en gaan de voorzeggingen vervuld worden. De luister van den eersten tempel verbleekt voor den glans van den nieuwen, 1) de vroegere ofleranden worden ter zijde gesteld om plaats te maken voor het H. Zoenoffer van het Lam zonder vlek! Neen, het zijn geene wolken van glorie meer, die uit den hemel nederdalen om het heiligdom te omhullen; het is geen engel meer, die den wil des Allerhoogsten komt verkondigen; het is de Rechtvaardige bij uitnemendheid; het is de majesteit Gods, die zijn tempel binnentreedt en hem doet schitteren door den glans zijner heerlijkheid. Het is God zelf, die zich aan God zijnen Vader komt opofferen. 2)
de He nu nu nu gr
vei va tot off
I di( Of
H(
dil
he
aa
vo
O
en
in
he.
do
Ach, ware het ons gegeven de gevoelens te begrijpen , die het hart der allerheiligste Maagd Maria vervulden, toen zij met haar kostbaren last, met dat heilig pand, haar door God toevertrouwd, in de armen, de trappen des tempels besteeg! Zij treedt het huis des fleeren binnen met dezelfde blijdschap, als toen zij in de dagen harer teederste kindsheid zich aan den Heer ging opdragen. Toen was het eene zuivere, liefelijke Maagd, die geheel haar wezen den Allerhoogsten kwam toewijden; nu is het de
1) Agg. II, 10. 2) Ezech. XII, 4, 5.
155
Moeder Maagd, die niet alleen eene wet komt vervullen , waaraan zij niet onderworpen was, ten einde onder deu mantel der nederigheid het groote voorrecht haar geschonken, te verbergen, maar om aan God het offer te brengen van de vrucht haars lichaams, van haar hartebloed, van het leven van haar leven, en hare geheele ziel te offeren door Hem de eerstelingen te brengen van het groote offer vau Calvarië. Zoo dikwijls had zij in dezen tempel verzucht naar de komst van Israels Verlosser; zoo dikwijls had zij Hem afgesmeekt door hare tranen en gebeden; en nu de barmhartigheid zich tot de aarde geneigd heeft, nu Maria Jezns ter wereld heeft mogen brengen, mag ook zij de groote eer genieten, den Heer dat groote offer, het volmaakte zoenoffer op te dragen.
Wat ging er om in uwe ziel, o Maria, op het verheven oogenblik, waarop Gij, in eene vervoering van ijver en liefde, aan God den Heilige der heiligen toewijdet? Hoe grootmoedig, hoe vurig was uw offer! Welk eene groote, welk eene verhevene bediening bekleedt gij in den naam van dien goddelijken Opperpriester, die in uwe maagdelijke armen rust! Hoe schoon zijt gij, o glorierijke maagd Maria, in dit plechtig oogenblik waarop gij Jezus aan zijn hemelschen Vader aanbiedt, waarop gij, verzakende aan al de rechten uwer goddelijke moederschap, die voor altijd nederlegt in de hand des Almachtigen! O dag vol grootsche herinneringen voor den Hemel en de aarde! O onvergelijkelijk geheim! Dit kind, in arme doeken gewonden, is de verwachte Over-heerscher, de verlangde Engel van het verbond; 1) door Hem heeft God eindelijk eene glorie zijner
1) Ma\'acli. II, 1.
156
grootheid, eene voldoening zijner gerechtigheid waardig, ontvangen. In den Hemel buigen de Engelen eerbiedig voor dit verheven geheim; in het voorge-borcht der helle trillen de aartsvaders vol hoop, en op aarde zien de rechtvaardigen den dageraad van zaligheid aanbreken.
Gezegend zijt gij, o Maria, gij goddelijke Middelares, krachtvolle Herstelster der wereld, door de zonde in bet verderf gestort!
Ja, wees gezegend, o gij, die verdiend hebt den gevangenen de vrijheid, den zieken de gezondheid, den bedroefden den troost, den engelen de vreugde en der heilige Drievuldigheid glorie te bezorgen.
Hoe heerlijk, hoe troostend was voor het hart van Maria dat uur, waarop zij, in Jezus naam, de aarde met den Hemel verzoende! Maar wie kan ook de smart en de bitterheid schetsen, die zich meester maakten van hare ziel en zich vermengden met die hemelscbe vreugde, toen de geest Gods, door den mond van Simeon sprekende, haar deze vreese-lijke voorzegging deed hooren! DU kind is bestemd voor den val en voor de opstanding van velen in Israël; het zal een teeken van tegenspraak zijn en een zwaard zal uwe ziel doorsteken. 1)
Nu verstaat die goddelijke moeder het doodvonnis tegen haren goddelijken Zoon uitgesproken; nu begrijpt zij duidelijk dat, indien Hij de ingang ter zaligheid is voor de geloovigen. Hij ook een steen des aanstoots en een oorzaak tot val is voor de ongeloovigen en goddeloozen; ja, nu ziet zij met eene volmaakte kennis al de droevige geheimen die vervuld gaan worden; zij ziet de vernederingen van
1) Lu etc II, 34, 33,
157
]iet verborgen leven van Jezus, de nutteloosheid zijner i leer en zijner wonderwerken; reeds ziet zij, tusschen de priesters in den tempel, hen, die eens dat onschuldig i Slachtoffer, dat zij in hare armen knelt, zullen ver-i oordeelen; zij hoort de kreten van woede, de gods-
,1 lasteringen, het »kruisig Hemquot; van een ondankbaar en wreedaardig volk; zij beschouwt met zielesmart gt; j dien lijdenden Godmensch, gewond, bespuwd, beschimpt , met doornen gekroond; zij volgt zijn bloedig i spoor tot aan den voet van het kruis, waar zij zijne , laatste wilsbeschikking zal hooren, zijn laatsten zucht ï zal opvangen!
O Moeder van liefde, o Koningin der martelaren, fc hoe wreed doorkliefde dat dubbelsnijdend zwaard uw 3 dierbaar moederhart! O wie kan ze tellen, de zuchten, i de tranen, die wij u gekost hebben? Wie kan den i | afgrond van smart peilen, waarin gij gedompeld i werdt bij die verpletterende openbaring, bij het r 1 vooruitzicht van dit hartroerend schouwspel! Uw lot [ is beslist, mijne moeder! Dat zwaard, dat u gewond l r heeft, zult gij meer dan dertig jaren met u rond-i dragen; en deszelfs scherpe punt zal in uw hart i rondwoelen, zoo vaak uwe blikken die van uwen
Jezus zullen ontmoeten. Maar gij omhelst met eene g verhevene gelatenheid die lange smartvolle pijniging, i en heden herhaalt gij, even als op den dag der r » Menschwording, met de grootste edelmoedigheid: Zie i de dienstmaagd des Heer en! 1)
3 Ziedaar, o Christenen, wat Maria gedaan heeft,
fc Ziedaar wat zij ons heeft gegeven, wat zij voor ons s \'■ heeft gedaan. Stellen wij ons op onze beurt niet i : tevreden met dit zoo glorierijk, doch tevens zoo
1) Lnccc I, 88.
158
droevig geheim te overwegen; stellen wij ons niet tevreden onze Moeder te loven, haar te prijzen en onvruchtbare tranen te storten over hare onbeschrijfelijke smart; neen,, volgen wij Haar na in de oefening dier kostbare deugden, die in dit geheim meer bijzonder in Haar uitschitteren. Ja, leeren wij, gelijk Maria, ons verbergen voor de oogen der menschen, onze godsvrucht vestigen op den grondslag der ootmoedigheid en de armoede bemianen, waarvan zij ons heden zulk een treffend voorbeeld geeft. Beantwoorden wij, gelijk Maria, aan de liefdevolle inzichten, welke God over ons heeft en wandelen wij vol vertrouwen en onderwerping aan de hand des Heeren, bi] het offer van ons hart eene edelmoedigheid voegende, die voor geen enkel offer terugdeinst.
Lu naar zorgv tot b boete schat op, lt; gaver onder «aligfl
O
berou gegev harer inner Re de n boetv die f tot b kleed smeel bekec het 1 om d
O heilige Maagd, o mijne Moeder, dat uwe gezegende handen, die onzen Verlosser aan zijnen Vader hebben opgedragen, mij bekleeden met die onschatbare deugden, die de Wikken des Allerhoogsten trekken en mij genade in zijne oogen doen vinden! Dat mijn hart, door uwe moederlijke zorg gezuiverd en geheiligd, hier op aarde vertere in de verwachting en de liefde van Jezus. O voed, vervul mijn hart met liefde tot Hem, opdat ik, als mijn laatste oogenblik aanbreekt, ook vreugdevol moge uitroepen; Laat nu, o Heer, uwe dienares in vrede gaan. 1)
1) Lucic I, 29.
Achtste Hoofdstuk.
De Tccrligdaagsche Vasle.
overweging.
Indien gij geen boetvaardigheid doet, znlt gij alleo omkomen. Lnca; XII, 3.
Luisteren wij, o Christenen, in dezen zaligen tijd naar de stem van onze Moeder de H. Kerk. In hare zorgvuldigheid voor onze zielen vermaant zy ons allen tot boetvaardigheid, en toont ons wat eene oprechte boetedoening op het Hart van God vermag. Als schatbewaarster der leer des Heeren, houdt zy niet op, ons die te herinneren, en als uitdeelster zijner gaven, houdt zij niet op, die met edelmoedige hand onder ons te verspreiden. Doch in deze dagen van zaligheid vermaant zij ons bijzonder tot boete en berouw, door ons de groote lessen, door de proféten gegeven, en de verheven onderwijzingen, haar door haren goddelijken Bruidegom achtergelaten, te herinneren.
Reeds onder de oude wet had God den menschen de noodzakelijkheid en de weldadige werking der boetvaardigheid doen begrijpen; en de rechtvaardigen, die Hij met zijn geest.vervuld had, hielden niet op, tot boete aan te manen. Jeremias, met een boetekleed bedekt en het hoofd niet assche bestrooid, smeekte het joodsche volk onder tranen, zich te bekeeren en aldus de straffen te ontgaan, waarmede het bedreigd werd. Jonas, door den Heer gezonden
om den Niniviten te verkondigen, dat de stem hunner • D \'
160
boosheid ten hemel riep, wekte hun berouw op, en het misdadig volk bekeerde, en redde zich. Toen later het uur der Verlossing naderde, en de heilige Voorlooper de wegen des Heeren bereidende, 1) aan de oevers van de Jordaan verbleef om te prediken en te doopen, riep hij allen toe: Brengt waardige vruchten van boetvaardigheid voort. 2)
Ja, toen Jezus, die leeraar bij uitnemendheid, de woestijn verliet, waar Hij, de Heilige der heiligen, door een vasten van veertig dagen ons het voorbeeld der versterving en boetvaardigheid had willen geven, toen Jezus de scharen, die Hem volgden toesprak, zegde Hij ook: Doet boetvaardigheid en gelooft in het Evangelie; 3) en gedurende den geheelen loop van zijn openbaar leven, herhaalde Hij onophoudelijk: Indien gij geen boetvaardigheid doet, zult gij allen vergaan.
De heiligen hebben het geluk gehad, deze woorden te begrijpen ; en allen hebben edelmoedig die wet van boetedoening betracht, om het even of zij hunne onschuld bewaard of zware misslagen te betreuren hadden. Eenigen hebben de woestijnen bevolkt en beroemd gemaakt; anderen hebben de wereld verrukt door den geur hunner deugden, doch allen hebben door eene heilige gestrengheid voor zich zeiven de goddelijke rechtvaardigheid bevredigd en de glorie des Heeren bevorderd.
Christenen, volgen wij hen na; erkennen wij ook het nut en de zalige vrachten der boetvaardigheid; treden wij in den geest der H. Kerk en terwijl de bedienaars van den Allerhoogste weenen tusschen het voorportaal en het altaar, 4) laten wij trachten door ons vasten, onze gebeden, onze tranen, waardige vruchten van boetvaardigheid te doen.
1) Matth.H, 3. 2) Luck III, 8. 3) Marei I, 15. 4) JoëlI, 17.
--
161
sn Hoe dan, hebben wij ons niets te verwijten ?
jn Hebben wij niets te boeten? Zijn wij rein van zonde, tc vrij van zwakheden? Kunnen wij ons vöor God ia rechtvaardigen of de slagen zijner wraak ontgaan? ïn Hebben wij niets te duchten voor de toekomst en ge zullen wij zegevieren over die bedorven wereld waarin wij verkeeren, over den duivel die ons verderf zoekt, over onze natuur zoo geneigd tot het kwade? n j Beschouwen wij de heiligheid van God door ons ld zoo vaak beleedigd, de grootheid der zonden door ti) ons bedreven, en de voldoening die zij eischen, j ^ Beschouwen wij ook de kracht onzer inwendige
et en uitwendige vijanden, erkennen wij onze zwakheid jn en ellende, en nemen wij het middel te baat dat in ons sterk en onoverwinnelijk zal maken; ja, bekeeren alt; wij ons oprecht, vluchten wij de genoegens dezer IU wereld en bekleeden wij ons met het kleed der boet-vaardigheid; keeren wij ons tot den Heer, omdat ie Hij goed en medelijdend, geduldig en rijk in barm-m hartigheid is: keeren wij ons tot Hem, opdat Hij ,n zich tot ons moge keeren, 1) en ons moge vergeven
ter wille onzer werken.
n Maar om in den geest des Heeren en der H. Kerk
[e \' te treden is het niet genoeg, uitwendig de vaste [e na te komen en een geregeld en gestreng leven te lijden. Wij moeten eerst onze harten zuiveren door ik de zuchten en tranen der boetvaardigheid; wij moeten [; met eene heilige gestrengheid, een vurig geloof en [e eene groote edelmoedigheid in ons hart al\'.e kwade zt neigingen uitrukken die het vernederen en verlagen; n wii moeten ons versterven in elk verlangen dat niet re volgens God is, in alle ijdele gedachten, in alle ijdele . woorden en in alles wat onze eigenliefde voedt, 2)
1 1) Zaehar, I, 3. 2) Fenelon.
■
• 11
162
Wij moeten door die matigheid waarvan de Apostel spreekt, door de inwendige onthechting van alle schepselen, ons hart bereiden om de goddelijke onderwijzingen, het woord van waarheid en leven, dat ons deze veertig dagen het voedsel wordt aangeboden, te ontvangen.
Gaan wij dan luisteren naar die werklieden des Evangelies, door den Meester naar zijn wijngaard gezonden om dien te snoeien en te zuiveren; laten wij hun de zorg voor de zaligheid onzer ziel; laat hen vrij dien nog onvruchtbaren en woesten grond beweiken, opdat zij hem vruchtbaar maken tegen den tijd van den oogst.
Ja, zoeken wij den Heer, terwijl wij Hem kunnen vinden; roepen wij Hem aan, terwijl Hij nahij is; 1) want het is nu het uur van barmhartigheid. Gelukkig degenen die dit begrijpen; gelukkig de zondaars die in vermorseling des harten en met een oprecht berouw opstaan en zeggen: Vader ik heb gezondigd tegen den Hemel en tegen U; ik hen niet meer waardig, tiw zoon genoemd te worden. 2) Want, gelijk eertijds, komt de vader van den verloren zoon hem tegemoet. opent hem zijne armen en laat het gemeste kalf slachten om feest te houden bij zijn terugkeer.
Gelukkig die verloren schapen, die de stem des goddelijken Herders hooren, en vermoeid en gewond zich op zijne schouders naar den schaapstal terug laten brengen; want van hen zegt die goddelijke Meester tot zijne vrienden: verheugt n met mij, omdat ik het schaap, dat verloren was, teruggevonden heh. 3) Gelukkig die zielen, die in eene welbereide aarde het zaad van zaligheid ontvangen, dat de goddelijke
1) Isaitc IV. 6. 2) Lucw XV. 18. 19. 3) Lncte XV. 6.
163
3tel zaaier in hun hart uitstort! Gelukkig die het in hun
alle hart bewaren en behouden; want het zal er honderd-
■erquot; voudige vruchten van deugd en genade voortbrengen. 1)
dat Christenen, overwegen wij dan de troostende lessen
len, die ons gegeven worden; verachten wij de genaden niet die ons worden aangeboden, opdat van ons niet
des gezegd worde: het licht heeft in de duisternissen ge-
ard schenen en de duisternissen hebben het niet begrepen; 2)
iten en dat wij nooit het ongeluk hebben, dit woord te
laat hooren dat Jezus eertijds den verstokten Joden toe-
ond sprak: Ik ga heen, en gij zult mij zoeken , maar gij
gen zult in uwe zonden sterven. Waarheen ik ga, daar
kunt gij niet komen. 3)
men O zij het niet aldus! Haasten wij ons, ons te
; 1) zuiveren van dien ouden desem; bekleeden wij ons
ckig met het bruiloftskleed; 4) want weldra zullen wij
i die genoodigd worden tot het bruiloftsmaal van den vader
□uw des huisgezins, die ons niet slechts gelijk aan de
vgen Kananeesche vrouw de kruimelen zijner tafel, maar
dig, het brood zijner kinderen 5) zal geven: dat brood
yds, des levens dat Hij ons bereid heeft in de overmaat
oet. zijner liefde, dat brood dat ons groot moet maken
kalf in deugd, ons tot de volheid der volmaaktheid moet brengen en ons erfgenaam moet maken van zijn
des koninkrijk.
ond arug lijke
ndat -
i.3)
arde lijke
1) Matth. XIV, 23. 2) Joa. 1,6. 3) Joa. XIV, 21. i) Malth. XXII, 11. 5) Marli. VII, 27, 23.
Negende Hoofdstuk.
Assche Woensdag.
verheffing.
Alle vleesch is slechts gras en al deszelfs glorie is gelijk du bloeioen des velds. Isaiee XI, 6.
Gij zijt stof, en zult tot stof wederkeeren. 1) Ziedaar de woorden welke de kerk ons heden toevoegt. Deze woorden maken mijne vreugde uit, o Heer; want zij vernederen en verlagen mij, arm en ellendig schepsel, en verheffen U, o machtige God, die over al «we schepselen leeft en regeert. Zij troosten mij; want zij voorzeggen mij, dat mijn weerspannig vleesch eens tot het stof zal wederkeeren, waaruit gij het getrokken hebt, dat ditzelfde vleesch eens zal verrijzen om, met mijne ziel hereenigd, hare glorie en hare onsterfelijkheid te deelen.
Ja, ik hoop het van uwe genade; eenmaal zal dat gelukkig oogenblik aanbreken, waarop ik slechts in, met, door Jezus zal leven; eenmaal zal de dag-aanbreken, waarop alles wat stoffelijk in mij is, zal verdwijnen, waarop mijne ziel, van het aardsche hulsel ontdaan, hare vlucht zal nemen om U, o Jezus, haar welbeminde, het voorwerp harer verlangens, te gaan zien en eeuwig in U te rusten in het verblijf der eeuwige gelukzaligheid.
De dood zal voor mij slechts een zoeten slaap zijn; en mijn assche zal in vrede, in de duisternis van het graf den dag des lichts en der groote openbaring afwachten.
1 Gen. II, 19.
165
Maar wat moet ik doen om dat gezegend uur, dat uur van glorie en zegepraal, waarop ik het aanschijn van mijn God zal aanschouwen, te doen aanbreken? Wat anders dan in mij zei ven alles vernietigen wat liet beeld der opperste schoonheid misvormt? e is Daarom ga ik van nu af streven om in mij alles
\'• te vernietigen wat mijn zondig vleesch toebehoort,
ie- al wat in mij nog overblijft van de bedorven natuur,
crt. En om al hare macht en hare begeerlijkheid te ver-
ir; delgen, om op de overblijfselen van den ouden mensch
lio- een nieuwen mensch 1) te vestigen, volkomen ont-\'qy hecht van het stof en van elk onzuiver bestanddeel, ij; moet ik leven onder de wet van den geest, geheel
ch tegenstrijdig met die van het vleesch.
let Aan het werk dus, mijne ziel! In dezen tijd van
ir_ zaligheid, waarop ^le barmhartigheid Gods grooter
e2i schijnt dan ooit, moet gij u verheffen boven dat
slijk waarvoor gij niet geschapen zijt. Neem uwe -a| vlucht tot Hem die u uwe eerste schoonheid zal
its teruggeven en in u het glorievol beeld zijner godheid
alt;r zal drukken. Verzaak aan uwe bedorven neigingen,
O . •m . . . o o 7
;al aan uw eigen geest, aan uw eigen wil, zonder uwe
110 oogen te vestigen op de ijdelheid en zaken vol bedrog. 2)
0 Zie niet, waar langs, doch waar heen gij moet gaan;
j._ 1 breng het eene ofler na het andere; geef u zonder i^ voorbehoud, geef u zelfs tot den dood over, tot dien
volledigen dood, die u in God zal doen herleven, ip Welnu, Heer, daar het door de versterving, de
is opoffering en het lijden is, dat ik tot de volkomen
i- vernietiging van mijzelven zal komen, wil ik voortaan
op aarde leven in hart en geest veréênigd met dien gekruisigden Godmensch, die ons het voorbeeld heeft
1
Eplies. IV, 22, 24. 2) Ps. XXXIX, 6.
166
gegeven van alle opoffering en alle deugden. Tk zal vo liet kruis met liefde omhelzen, die eenige weg ter en zaligheid, welke Jezus voor zijne leerlingen geopend heeft. Ms
Doch hoe noodig is mij uwe genade, o mijn God, dit om deze volkomen verandering in mij te bewerken aa: en mijne natuur, van de kinderjaren af ten kwade he geneigd, 1) te overwinnen! he\\
Versterk dan mijne kracht, welke vaak slechts ca eene vonk onder de assche is; en maak het juk licht he dat ik voor U wil dragen. Gelief, o Heer, de bitter- he beid, de offers, het lijden der boetvaardigheid met do den troost des vredes en der vreugde te verzachten. ge Dat ik door de helderheid van uw licht bestraald,
moge begrijpen dat, indien ik hier tijdelijke straffen de moet lijden, indien ik zelfs sterven moet Jezus navol- gi gende, ik tot eene oneindige glorie en het eeuwige zo leven zal geraken. 2) Amen. te
w
__te
er
Tiende Hoofdstuk.
n(
Feesl van den II. Joseph. te
ei
gebed.
ei
Gaat tot Jozef. Gen. XII, 55. OJ
O groote en glorierijke heilige Jozef, heilige Brui- g degom en Beschermer der zuiverste der maagden, g voedstervader van het kind Jezus, dat zich gewaardigd heeft onzen broeder te willen worden, wij knielen
1) Gen. VII, 21. ?) H. Augustinus.
—r-
167
zal voor u neder en komen met eerbied, met vertrouwen ter en met eene vaste hoop uwe voorspraak inroepen, end O gelukzalige Jozef, gij zoo machtig bij God, bij
Maria onze Moeder, bij Jezus onzen Verlosser, gij od, die het Hart van Jezus in den schoot zijner moeder ken aanbeden hebt. Gij in wiens armen de Heer gerust ade heeft. Gij eindelijk die de liefde van ons hart en het hart onzer liefde gevoed hebt, 1) o verhoor toch ihts ons gebed! Spreek ten onzen beste, wij smeeken icht het u door de groote voorrechten, die gij ontvangen ter- hebt, door de groote deugden die gij beoefend hebt, net door de schitterende glorie die gij in den Hemel :en. geniet.
;ld, O getrouwe dienaar, zoo heerlijk beloond door
fen den Koning der engelen, wiens zwakke kindsheid ;oZ- gij mocht beschermen, o herinner Hem die teedere nge zorgen Hem bewezen, en smeek Hem die aan ons te mogen wijden, aan ons die Hij bemint, die Hij wil helpen en redden. Ja, zorg voor onze zielen, terwijl zij nog verblijven in dit oord van ballingschap en ellende, uitgeput door den strijd en omringd door ontelbare gevaren. Gij vermoogt alles op het Hart van het menschgeworden Woord, dat zich uw zoon noemde en u in alles onderdanig was. Spreek dan ten gunste dergenen, die u heden nederig aanroepen; en door de groote voorrechten die u gegeven werden, en die gij in den hemel behouden hebt, verkrijg \'■ ons, o groote, o beminnelijke Heilige, de kostbare
ui- genaden welke wij door uwe voorspraak en die uwer ;n, gezegende Bruid, onze Moeder Maria, vragen. Amen. igd
len -
1) H. Fraociscus van Sales.
Elfde Hoofdstuk.
Maria Boodschap.
De kracht des Allerhoogsten zal n overlommeren.
Lucse I, 35.
Wees gegroet vol van genade.
Wie is zij die de engel aldus toesprak ? Tot welke der dochteren Eva\'s richtte hij die verheven woorden ?
Tot Maria, de nederige dochter van Juda, tot de vlekkelooze Maagd , voorbeschikt van af het begin en voor dat de aarde geschapen werd, 1) van alle eeuwigheid in den raad der Voorzienigheid uitverkozen, om den kop van het serpent te verpletten, 2) en de moeder van een nieuw menschdom te zijn. Het is de bloem der velden, de lelie der dalen, 3) de blanke duif wier vlekkelooze reinheid den Hemel verrukt heeft; zie daar gaat zij voort, gelijk de opkomende dageraad, schoon gelijk de maan, schitterend gelijk de zon. 4)
De blikken van den Allerhoogsten zijn op haar gevallen, de H. Geest heeft haar overlommerd, en het Woord Gods gaat in haren schoot rusten. Ja, de Hemel heeft zich tot u geneigd, o Maria, om in uw hart de volheid der genade uit te storten. Nu is ons lot in uwe handen, heilige Maagd; God verwacht uwe uitspraak. Spreek, o dochter van David, antwoord den driemaal heiligen God; haast u, het woord uit te spreken, dat een God aan de wereld zal geven.
1) Prov. VII, 23. 2) Gen. IT, 15. 3) Cant. I, 1. 4) Cant. VI, 9-
169
r
^ Gij hebt het gezegd, o Moeder, dat fiat, dat
gezegend woord, door hemel en aarde met een heilig ongeduld verwacht; uwe heilige lippen hebben het plechtig woord van toestemming uitgesproken. »Zie
de dienstmaagd des Heer en; mij geschiede naar uw woord;quot; 1) en op hetzelfde oogenblik is het Woord
ren. vleesch geworden, en heeft onder ons gewoond. 2)
Daarom zullen de engelen en de menschen eeuwig de groote dingen verkondigen, die de Almachtige in Ike u gewrocht heeft, en het groote goed dat ons door
m? u is toegestroomd.
de O lang begeerde dag, heerlijke dag die ons het
en troostend geheim herinnert der Moeder maagd en
ig_ der Moeder Gods, gij zijt mij rijk in troost onder
m, al de feesten, die het aardsche Jeruzalem viert. O
de dierbaar feest, gij doet mijn hart overvloeien van
is vreugde bij de herinnering aan de glorie van Maria,
ke van die gezegende maagd, die, ons Jezus tot broeder
ikt gevende, zelve onze moeder geworden is!
de Ik groet u, o Maria, met den engel; en ik weet
ijk niet, hoe ik waardig uwe grootheid en mijne dank
baarheid kan uitdrukken.
ar O heilige, o zalige Maagd, al de hemelsche gaven
3n zijn in u! O Morgenster, die de duisternis verdrijft
a, en mijne wankelende schreden richt, geleid mij op
m de duistere paden des levens.
n. Gij die de deugd in de harten doet ontkiemen,
)d fils een weldadige dauw, leg in mijn hart al de
ui deugden, die in het uwe het oog des Allerhoogsten
st bekoord hebben. Gij, heerlijke tuin, waaruit de
ie bron van levend water gevloeid \'is, welke de geheele
aarde heeft besproeid, kom den onvruchtbaren grond mijner ziel vruchtbaar maken.
9- 1) Luca: I, 38. 2) Joa. I, 14.
170
O gij, onvergelijkelijke schoonheid, gij de schoonste onder de rozen, bedek mijne armoede met het kleed van uwen luister. Gij Troon van S(ijler, boven het Jirmament der engelen opgericht, 1) geef dat ik u eens met de hemelsche geesten moge loven en prijzen.
Moeder der schoone liefde, 2) geef mij, bid ik u, dengenen die zich geheel aan u heelt gegeven. Paradijs van God, waarin de boom des levens, die de onsterfelijkheid mededeelt, geplant is, geef mij de genade, in Hem mijne eeuwige vreugde te putten. Deur des Hemels open u eens voor mij en voor al degenen die hun vertrouwen in u stellen.
Hoe zoet is het voor mijn hart, o mijne Moeder, u te mogen loven, vereeren en beminnen, en hoe trotsch ben ik, uwe waardigheid te mogen verkondigen en mij uw kind te noemen! Ja, \'duizend en nogmaals duizend malen groet en zegen u, o onvergelijkelijke Maagd, o heilige woning, waarin de H. Drievuldigheid met welbehagen verbleef! O werp op dit feest waarop alles mij van uwe grootheid en liefde spreekt, o werp op mij een blik van rnededoogen, «n verkrijg voor mij de genade van, door eene volmaakte ootmoedigheid, eene voortdurende gehoorzaamheid, de kostbare genade te verkrijgen, Jezus te bezitten en eeuwig, gelijk gij, mijne lieve Moeder, met en voor Hem te leven, Amen.
1) H. Bonaventara. 2) Eccli. XXIV, 24.
Twaalfde Hoofdstuk.
Maria Boodschap.
gebed.
Geli|k de lelie tnsschen de dooroen, zoo is mijne welbeminde tusschen de dochters van Adam.
Cant 1, 2.
O Maria, maagd vol genade en schoonheid, ik groet u, ik loof u, ik roep tot u, koningin des Hemels, die de engelen en de heiligen verrukt door uwe verhevene deugden; werp een blik van goedheid, van liefde, van mededogen op uw kind; wees, o goddelijke moeder, haar steun in het uur der beproeving, haar troost in alle smart, haar eenige hoop in dit oord van ballingschap.
Gij zijt almachtig op het Hart van uwen goddelijken Zoon, o spreek Hem voor mij; gij kent m^ne zwakheid , help mij; gij bezit het oneindig goed, de schat der schatten, geef Hem mij; gij hebt door uwe hemelsche schoonheid de oogen des Allerhoogsten verrukt, geef dat die driewerf heilige God die ook op mij gelieft neder te slaan, niettegenstaande mijne ellende; vraag Hem, o mijne Moeder, op dezen gezegenden dag, waarop Hemel en aarde om strijd uwe heerlijke deugden van zuiverheid en ootmoed verkondigen, o vraag voor mij die kostbare deugden die u genade deden vinden in de oogen des Allerhoogsten.
Met u, o goddelijke Moeder, noem ik mij de dienstmaagd des Heeren; geef dat ik mij dezen schoonen titel waardig moge toonen; verleen mij uwe krachtige hulp, opdat ik, even als gij, recht op zijne eeuwige liefde verkrijge. Amen.
Hoofdstuk.
Palm Zondag.
Zie uw Koning, die vol zaolitmoedigheid tot n komt. Xlatth, XX , 5.
Gezegend Hij die komt in den naam des Heer en! 1) Ja, geloofd en geprezen zij de Zoon Gods, dien wij heden begroeten als den Verlosser van Israël en den Redder der menscben. Geloofd en eeuwig geprezen zij ook God de Vader, die ons zijn eeaigen Zoon gegeven beeft, zijn Zoon, den Verwachte aller volken, 2) om bet Licbt der wereld te zijn en door zijnen dood de overwinnaar van den dood te wordén. In Hem begroeten wij bet leven, de scboonbeid en de glorie, die wij door de zonde verloren, door Hem verwaebten wij den vrede, de vreugde en de zaligheid.
DE 11 TIENDE
De voorzeggingen der profeten, de openbaringen des Heeren, welke bet ontrouwe Jeruzalem de komst van zijn koning aankondigden, zijn voltrokken! De Rechtvaardige is verschenen; drie en dertig jaren heeft Hij die aarde bewandeld, die Hij met zijn bloed gaat besproeien; dat volk, dat Hem gaat miskennen, heeft Hij onderwezen en gezegend; en thans bij bet naderen van zijn smartelijk lijdensoffer wil Hij zegevierend die trouwelooze stad binnentreden, welke weldra voor Hem slechts smaad en boon zal over hebben; Hij zal luisteren naar bet gezang en de lofliederen der scharen, die Hem vol geestdrift toejuichen, en die binnen weinige dagen het »kruisig Hem, kruisig Hemquot; zullen uitbraken. Een laatste maal wil Hij dat volk zegenen, dat door de vreese-
1) Matlh. XX. 9. 2) Agg. I, 8.
173
lijkste beschimping en de afschuwelijkste misdaad zijne ontelbare weldaden gaat beloonen.
O welk eene plotselinge verandering! o welk eene betrearensioaardige onstandvastigheid! Heden snellen zij den Zaligmaker tegemoet om Hem met vreugdekreten te begroeten; morgen zullen zij Hem met godslasteringen en verwenschingen vervolgen: — Leve de zoon van David! — Dat hij sterve, dat hij sterve! — Gezegend zij de koning van Israël! — Wij hebben geen anderen koning dan Cesar. — Haalt palmen en groen; strooit bloemen op zijne wegen! — Haalt doornen om Hem te kronen en een schandhout om hem er aan vast te nagelen! 1)
Welk eene treurige tegenstelling! o Jezus, hoe smartelijk moeüt het voorzien van zooveel ondank uw goddelijk Hart grieven! Welke bittere tranen hebt Gij over het ondankbaar Jeruzalem gestort! Hoe treffend was het verwijt dat Gij deze schuldige stad toevoegdet, die Gij gereed zaagt den gruwelijken Godsmoord te bedrijven: Indien ook gij erkendet, toch nog op dezen uwen dag, wat tot uwen vrede dient, doch nu is het voor uwe oog en verborgen. 2)
Ongelukkig Jeruzalem, rampzalige stad, ach! indien gij thans nog Dengene die u toespreekt, wildet aan-hooren, dan zouden uwe rampen geëindigd zijn , uv-e boosheden zouden u vergeven worden en gij zoudt uit de hand des Heeren eene dubbele genade tot uitwis-sching uwer zonden bekomen. 3) Maar niets, o God, kan die harten vermurwen, die verstokt zyn in het kwaad, noch het aanzien uwer macht, noch de vreeze uwer oordeelen, noch de herinnering uwer goedheid, noch de betuiging uwer liefde.
1) Bossuet. 2) Lucie XIX, 42. 3) Isaiic X. 2.
174
En zien wij hetzelfde niet onder ons gebeuren? Altijd komt Hij tot ons vol zoetaardigheid, die Koning van glorie; Hij komt om ons te redden en ons tot voedsel te strekken, en de H. Kerk houdt niet op ons zijne komst aan te kondigen om onze begeerte naar Hem op te wekken. Doch, helaas, hoe klein is het getal dergenen die Hem met heilige vurigheid tegemoet gaan en Hem met vreugde zien naderen!
Hoeveel bedorven zielen zien wij daarentegen niet, die de versteendheid, de wreedaardigheid der Joden navolgen! Genade, o Heer, voor die weerspannigeu en ondankbaren, die thans nog uw goddelijken Zoon kruisigen. Houd de slagen uwer gerechtigheid terug, o Heer; want ziedaar het goddelijk Slachtoffer, dat op nieuw voor die misdadigers wil lijdén en boeten. Het is zijne stem, die U om barmhartigheid smeekt en (J van het kruis toeroept: Vader, vergeef hun; want zij weten niet wat zij doen. 1)
Het was niet alleen voor de Joden en voor zijne beulen, dat Hij bad; maar ook voor de goddeloozen die U beleedigen en de ongeloovigen, die U miskennen. Leen, o Heer, het oor aan zijne stem, die genade vraagt voor onze, helaas! zoo talrijke misdaden; beschouw het kostbaar bloed, dat Hij U aanbiedt, en uit zijne wonden vloeit om onste wasschen, ons te genezen, ons waardig te maken, uwe liefde en uw koninkrijk te heroveren.
Neig het oor tot Hem, o heilige Vader in den Hemel! dat zooveel arbeid, zooveel lijden voor ons niet te vergeefs zij; laat onze zielen, waarvoor zulk een losprijs betaald is, toch niet verloren gaan; en schenk ons, om de verdiensten van Jezus, het licht
1) Lues XXII, 34.
175
om het kwaad te kennen, dat wij bedreven hebben, en de genade om het door de boetvaardigheid uit te wisschen; geef dat wij, in navolging van ons goddelijk Voorbeeld, edelmoedig zijn in het lijden, opdat uwe rechtvaardigheid voldaan zijnde, onze overwinnaar gevolgd worde door een stoet zijner grootheid waardig, en dat wij, van dankbaarheid vervuld, eens ter uwer eer mogen zingen: Het licht is tot ons gekomen, en de glorie des Heeren is over ons opgegaan, 1)
Veertien de Hoofdstuk.
Wille Donderdag.
OVERWEGING.
Wat heb ik meer voor rmjoen wijngaard kunnen doen, dat ik niet er voor gedaan heb ?
Isaisp V, 4.
Wat kon ik meer voor u doen, welk liefdeblijk heb ik u geweigerd, o ziel, mij zoo dierbaar?
Hoe kunt gij u verontschuldigen over de onverschilligheid, de minachting, waarmede gij mijne gaven beschouwt, vooral op dezen dag, welke u dien plech-tigen avond herinnert, waarop ik u, met het oog op mijn aanstaanden dood, mijn lichaam tot spijs, mijn bloed tot drank, dat erfdeel des harten, dat onderpand van onsterfelijkheid heb nagelaten! Ik
i) Isaisc X , I.
176
heb het gezegd, en mijn woord is waarheid: Mijn vleesch is waarlijk spijs en mijn bloed is waarlijk drank. Hij die mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, heeft het eeuwige leven; en Ik zal hem op den laat-sten dag doen verrijzen. 1)
Door deze teedere woorden zoekt Jezus, dat god-delijk Lam van Calvarië, het verheven Slachtoffer onzer altaren, u te treffen en te hekeeren, o blinde en ondankbare stervelingen, die Hem vlucht, die zijne gastzaal ledig, zijne tafel onbezet laat in deze dagen van verzoening en zaligheid. Gelijk die bruiloftsgasten, die zich voor beuzelachtige reden verontschuldigden , aan het feestmaal hun door den Koning bereid deel te nemen, en zich aldus zijn toorn op den hals haalden, blijft gij hardnekkig de teedere uitnoodiging weigeren, waardoor Jezus u noodigt, aan zijnen liefdedisch te komen aanzitten.
Hoort gij dan, o Christenen, de klacht niet, die aan het doorboorde Hart van Jezus, uw Verlosser, uw Meester, uw Vriend, ontsnapt: Ik ben moede u tot mij te roepen! 2) mijne stem is bijna uitgedoofd om u te roepen. Ik heb u bemind en gij antwoordt mij: Welke bewijzen van liefde hebt gij mij gegeven. 3) Helaas, gij hebt uw hart versteend om het niet te verstaan. 4) Ik heb hen in eene vruchtbare aarde, overvloeiende van melk en honig, geplaatst. Ik heb hun dorst willen lesschen en hunnen honger verzadigen, maar zij hebben zich van mij afgekeerd, om onzuiver water te gaan drinken in een vreemd land.
O trouwelooze ziel, zult gij altijd ongevoelig blijven aan die vermaningen vol goedheid, aan die droevige
1) Joa. V, 55, 56. 2) Jerem. XV, 6. 3) Malach. 1,2. 4) Jerem.XVI, 23
177
klachten, aan de tranen die Jezus over uwe hardvochtigheid stort? Even als op den dag, waarop Hij het aanbiddelijk geheim des altaars instelde, waarop Hij zijne Apostelen op dit afscheidsmaal noodigde, roept Hij u om met Hem het brood des levens te komen breken; en opdat uw geloof niet wankele, herinnert Hij u nogmaals de woorden die Hij bij de plechtige instelling van het Sacrament van liefde sprak, toen Hij het brood in zijne heilige en gezegende handen nemende, zijn Vader dankte en het zijnen discipelen gaf met deze woorden: Neemt en eet, dit is mijn lichaam. Neemt en drinkt, dit is mijn bloed; terwijl Hij ten gunste der latere geslachten er bijvoegde: Doet dit ter mijner gedachtenis. 1)
O stervelingen, die zulk eene weldaad hebt kunnen vergeten, zult gij nu nog langer weerstaan aan die dringende uitnoodiging, aan die vurige liefde van uwen God, die, niet tevreden zich op Golgotha voor i u opgeofferd te hebben, de gedachtenis en de verdiensten van zijn offer heeft willen vereeuwigen door zich dagelijks op het altaar te laten opdragen als het Slachtoffer zijns Vaders, als de voorspraak der zondaars, als de spijze der zwakken, als het voedsel der rechtvaardigen en de vreugde der uitverkorenen. Luistert dan naar zij.ae stem, die niet ophoudt u toe te roepen: Komt tot Mij; gij zult het leven vinden, en ik zal een eeuwig verbond met u sluiten. 2)
Komt dan, o gij die de vrienden zijt van dien goddelijken Verlosser; komt, allen die dorst hebt, komt uwen dorst lesschen aan de fonteinen des aeeren. 3) Komt ook gij, zwakken, en zieken; Jezus
1) Imc» XXI, 19. 2) Isaise V, 3. 3) Isaia V, 1.
12
178
zal u de gezondheid en de kracht mededeelen. Komt, o lauwen en onwetenden, Jezus zal u verwarmen en onderwijzen. Komt, o zondaars en afgedwaalden, Jezus zal u wasschen in zijn dierbaar bloed en u spijzen met zijn eigen vleesch en bloed. Komt en dringt u in breede scharen rond dien liefdevollen Zaligmaker, wiens welbehagen het is, te zijn hij de kinderen der menschen. 1) Doch gaat niet tot Hem in slaafsche vrees; want de geest die voorzit bij zijn bruiloftsmaal, is een geest van liefde en teederheid; en men moet tot die goddelijke tafel naderen met een hart dat doordrongen, ontvlamd, verteerd wordt van liefde, met een vurig geloof, dat de liefde voedt.
Ach, Heere! ik ook kom, en smeek U in mijn hart te komen en bezit daarvan te nemen om elke ledige plaats te vullen, er alleen in te heerschen, om daar alles voor mij te zijn, om er duizende genaden van hulp en troost uit te storten , mijne ongerustheden , mijne ijdele genoegens en mijne rampen te doen vergeten. Ja, Heer, kom in mij, en verblijf in mij tot de voltrekking der eeuwen. 2)
Vijftiende Hoofdstuk.
Wille Donderdag.
ovee weging.
Daar Hij de zijnen die in de wereld waren, bemind had. heeft Hij ze bemind tot het einde toe.
Joa. XII. 1.
Jezus wetende dat zijne uur om uit deze wereld tot zijnen Vader over te gaan, gekomen was, 3) wilde
1) Pro». VII, 31. 2) H. Auguitinus. 3) Joa. XII, 1.
179
nt, ons een laatst, een schitterend liefdeblijk achterlaten ien door het H. Sacrament des Altaars, dat treffend geheim, ;n, waarvan wij heden de gedachtenis vieren, in te stellen, u Niemand heeft grooter liefde dan deze is, dat en \' iemand zijn leven geeft voor zijne vrienden. 1) Jezus len , alleen kon dat onbegrijpelijk wonder daarstellen; en de Hij heeft dit gedaan, alvorens door zijnen wreeden era dood het zoenoffer, dat ons van een eeuwigen dood iijn moest verlossen, te voltrekken. Gedurende de dagen lid; van zijn sterfelijk leven had Hij eich ons tot vriend, net Meestei, tot Vader, tot Voorbeeld gegeven; het rdt i oogeublik zich als slachtoffer voor ons te geven, was ?dt. 1111 aangebroken; een laatste trap van liefde bleef iijn Hem te overschrijden, te weten zich ons tot voedsel dke te geven, ten einde zich met ons te vereerzelvigen, om gelijk de spyze met dengene, die ze nuttigt. In den zijquot;e vurige begeerte, ons deze heerlijke gave te \'en, .schenken, drukt Jezus zijn verlangen uit in deze ner- woorden: Ik heb met eene groote begeerte verlangd, tot dü Paaschlam met u te eten. 2)
Ach, mijn aanbiddelijke Meester, wie heeft die kreet uws harten verstaan ? Wie heeft die teedere uitnoodiging beantwoord? Wie is komen nederzitten aan dien liefdedisch, waaraan gij ons noodigf? Wie heeft zich willen voeden met dat levend brood, dat het leven geeft1? 3) Wie heeft willen begrijpen, dat hij, die tot U komt, geen honger meer zal hebben, dat hij die in U gelooft, geen dorst meer zal hebben; ;mind hij dir het brood eet, dat gij hem geeft, eeuwig
|fza} leven, 4) en dat dit waarlijk uw lichaam is, dat gij voor ons geeft ? 5)
d tot
rilde I
1) Jua. XV, 13. 2) Lncts XX[, 15. 3) H. Theresia. 4) Joa. V, 35, 52. 6) Lime XXI, 19.
|
180
Helaas, helaas! Gij begeert met een groote begeerte U aan ons te geven, en nauwelijks luisteren wij naar die stem, die ons roept en dringt. Hoevelen zijn er zelfs niet die, gelijk uwe ongetrouwe discipelen, verergerd worden en liever heengaan, zeggende: Deze woorden zijn hard, en wie kan ze aanhoor en ? 1) En nochtans houdt gij niet op, ons te roepen: Komt, mijne welbeminden, eet van mijn brood, en drinkt van den wijn, dien ik u, in de overmaat mijner liefde, gemengd heb. 2)
En onze harten ontvlammen niet bij die liefde-bewijzen! en veeleer gedwongen dan gedrongen komen wij plaats nemen aan uwen bruiloftsdisch, waar Gij ons de tarwe der uitverkoornen, en den wijn die maagden kweekt, 3) aanbiedt.
O Chrisuenen, zoo gij deze gave kendet, die u wordt aangeboden in dit aanbiddelijk geheim, waarin de God van majesteit zich vereenigt om een verbond met u te sluiten, waarin de God aller liefde u zijne eigene zelfstandigheid mededeelt, zoudt gij begeeren dit goddelijk voedsel te ontvangen en gij zoudt onophoudelijk bidden: Heer, geef ons altijd van dat brood; 4) verzadig ons met dien honig uit den steen gevloeid! 5)
O mijn goddelijke Meester, hoe smartelijk moet U het voorzien der onverschilligheid en der misachting, waarmede wij die oneindige weldaad, die laatste liefdegift uws harten zouden ontvangen, gevallen zijn! Wat moet Gij toch geleden hebben bij de gedachte aan de beleedigingen, waaraan Gij U vrijwillig gingt blootstellen, en dieU zouden aangedaan
1) Joa. V, 61. 2) Prov.IX, 5. 3) Zach. IX, 17. 4) Joa. V,34. 6) Deut. XXXI , 13.
181
•worden door die heiligschenners die, even als Judas, zonder bruiloftskleed aan uw gastmaal zouden komen nederzitten ! Niets kon intussehen den aandrang uwer liefde terughouden; Gij verlangdet U te geven, o beminnelijkste aller meesters, Gij dorstet naar dien dood, den losprijs onzer zielen; Gij wildet deszelfs gedachtenis op onze altaren vereeuwigen , dien onsterfelijk maken in onze harten, en deze liefdevolle belofte vervullen: Zie ik ben met u tot de voltrekking der eeuwen. 1)
0 Liefde, tot ons nedergedaald om ons tot U te kunnen verheffen, hoelang nog zult Gij miskend en veracht worden? Hoelang nog zullen uwe zuchten, uwe klachten onmachtig zijn om de harten te treffen?
En gij ten minste, getrouwe zielen, gij aan wie Jezus de zoetheid van dit verborgen manna heeft medegedeeld, komt tot Hem; beantwoordt gij ten minste ten volle aan zijne vurige begeerten, en stelt Hem schadeloos voor de ongevoeligheid, de ondankbaarheid Hem door anderen betoond. Vermengt uwe tranen met die der engelen, die den troon van het goddelijk Lam omringen en de beleedigingen Hem aangedaan, ten diepste betreuren. Geeft voor degenen die niet geven, vraagt voor degenen die niet vragen, snelt tot het heilig gastmaal, waar Christus genuttigd, de gedachtenis aan zijn lijden vernieuwd, de ziel met genade vervuld, en een onderpand der toekomstige heerlijkheid ons gegeven wordt. 2)
I) Matth. XXVir. 20. 2) Lit.
Zestiende Hoopdstuk.
Goede Vrijdag.
oterweginamp;.
Deze dag zij u ter eeuwige gedachtenis, en gij zult dien vieren van geslacht tot geslacht.
Enoii XI, 14.
I.
Gij allen die de aarde bewoont, komt en ziet den spruit van Jesse ten toon gesteld op den berg, welken hij beklommen heeft om den Heer te vermurwen en onze vergiffenis te verkrijgen. Daar heeft Hij de banden losgemaakt, die de volken geketend hielden, daar heeft Hij het weefsel verbroken, waarmede de vijand alle natiën geweven had.
Christenen, verheffen wij op dezen gedenkwaardi-gen dag onzer verlossing, de oogen naar Calvarië, waar het offer van fiet nieuw verbond voltrokken wordt; of liever volgen wij Maria, den leerling, dien Jezus beminde, en de heilige vrouwen, ten einde getuige te zijn van het offer van het vlekkeloos Lam, dat onze zonden in zijn bloed heeft afgewasscheu.
Doordronsjen van de grootheid en de verhevenheid van dit verscheurend schouwspel, dat de voltrekking vormt van het werk, dat Jezus op aarie was komen verrichten, zullen wij met zorg de laatste tranen, de laatste gebeden , de laatste woorden van den Vader, den Broeder, den Vriend, den Bruidegom onzer ziel opvangen. Lezen wij dan niet een verteederd gemoed zijn testament, in bloedige letteren op zijn verscheurd
183
lichaam geschreven; elke wond is een woord, elke druppel bloed is een teeken, dat den stempel draagt van dien goddelijken Erjlater. 1) Knielen wij neder aan den voet van dat geheiligd liout, dat als sterfbed van onzen God voor ons een boom des levens geworden is.
Ja, beschouwen wij onzen Verlosser op dien troon van schande, waar alles in Hem liefde ademt en ons noodigt Hem te beminnen. 2) Reeds hebben de beulen zich zijne kleederen verdeeld, 8) aldus de voorspellingen vervullende. De Joden, die zich aan een godsmoord schuldig maken, beschimpen, lasteren Hem, zeggende: Hij heeft op den Heer gehoopt; dat deze nu Hem verlosse, als Hij hem bemint. 4) Het zwaard doorwoelt het hart van Maria; het zuchten en schreien der heilige vrouwen mengt zich aan de bloedkreten van het opgehitste volk. Reeds verspreiden de schaduwen des doods zich op het gelaat van Jezus, en maken Hem gelijk aan den laatsten der rnen-schen, 5) toen plotseling zijne stervende stem zich doet hooren om ons een laatste vergiffenis, een laatsten zegen te geven.
II.
Vader, vergeef hun; want zij weten niet wat zij doen. 6)
Ja, mijn Jezus, dit woord is uwer waardig; het hart van een God slechts kon dit woord uitspreken. Uw hart verloochent zich ook thans niet, en Gij bekroont, door deze edelmoedige vergiffenis, die verheven leer van liefde, die Gij van den Hemel zijt
1) Bossiiet 2) H. Angnstious. 3) Ps. XX, 19. 4) Matth. XXVII, 63. 5) Isaise III, 3. 6) Lucae XXII, 34.
184
komen brengen en waarvan Gij ons zulke treffende voorbeelden geeft. Hoe, mijn Jezus, het eerste woord uit uwe stervende lippen is niet voor Maria, uwe diepbedroefde Moeder, niet voor uw welbeminden leerling, niet voor de berouwvolle zondares, niet voor de vrienden, die ü zoo innig bemind hebben. In dit plechtig oogenblik schijnt Gij hen allen te vergeten om slechts aan uwe beulen te denken; uw medelijdend Hart denkt het eerst aan degenen, die U met bitterheid verzadigd en met smart overladen hebben, en aan hen, die in het vervolg der eeuwen U opnieuw zullen kruisigen door uwe weldaden en uwe genaden met voeten te treden.
O wonder van liefde! Uwe eerste gedachte is eene gedachte van barmhartigheid, uw eerste woord een woord van vrede en genade; en als vreesdet Gij dat de wreekende bliksemstralen aan de handen uws Eeuwigen Vaders zouden ontsnappen, haast Gij U het vuur des hemels, gereed uwe vijanden te verdelgen , door nw gebed te bezweeren.
»Vaderquot;, zegt Gij, »vergeef hunquot;; verwerp het maaksel uwer handen niet, en beschouw uwen welbeminden Zoon, dien Gij als Verlosser van het menschelijk geslacht gesteld hebt. Bedenk dat ik niet heb opgehouden, U door mijn waken, mijn vasten, mijn bidden met de menschen te verzoenen. Luister naar de stem van mijn bloed, van dat bloed van het nieuwe verbond, dat heter spreekt dan het bloed van Abel. 1) Zij weten niet wat zij doen, zij weten niet wie Gij zijt, wie ik ben; zij begrijpen de grootheid hunner misdaad en de vreese-lijke gevolgen uwer eeuwige vervloeking niet. O
1) Hebr. XI. 24.
185
liefdevolle Middelaar, alles iu ü ademt barmhartigheid! Alles in ü smeekt uwen Vader om vergeving voor ons! Elk uwer ivoorden is een vurige pijl, die het hart uws Vaders doorboort! elk uwer zuchten is een liefdekreet die Hem verheerlijkt en genade vraagt. Ja, het is waar, uioe liefde kent geen palen, en al de wateren der zee hebben de vlam niet kunnen blus-schen, die ten Hemel reikt en zich lot alle zondaars uitstrekt. 1)
O goede, o lankmoedige Zaligmaker, herhaal nogmaals die bede; laat het U niet vermoeien, voor ons te spreken en onze boosheden te vergeten. Door uw aanbiddelijk hoofd met doornen doorstoken, door uw gewond Hart, door uwe glorierijke wonden. smeek ik U, houd niet op- te bidden voor de godde-loozen, de misdadigen, de lasteraars van uw heiligen naam, die uw Lijden vernieuwen. Ja, mijn Jezus, herhaal nogmaals, herhaal dikwijls, wijl Gij nog zoo veel vijanden te redden hebt: Vader, vergeef hun, want zij weten niet wat zij doen!
III.
Voorwaar, ik zeg hel u; Heden zult gij met mij zijn in het Paradijs. 2)
O gelukkige moordenaar, tot wien dit woord gericht wordt, dat ten allen tijde het voorwerp was van het grootste verlangen der rechtvaardigen, waardoor hebt gij dit verdiend? Hoe is dit wonder geschied? Wie heeft die verandering bewerkt? O het is de liefde, het is de goddelijke barmhartigheid, het is het bloed van Jezus dat, op den misdadiger spattende,
1) Nonet. 2) Lucte XXII. 43.
186
in zijne ziel zulk een levendig en doordringend geloof drukte, dat dergelijk in Israël niet werd gevonden. 1) Eeeds hadden de rechtvaardigen den naam des Heeren beleden, zijne almacht en wijsheid erkend. Abraham geloofde, maar God sprak tot Hem van uit het hoogste des Hemels; Mazes geloofde, maar God sprak tot hem uit het brandend en wonderbaar hraambosch; Isaïas geloofde, maar Hij zag God op een schitterenden troon door hemelsche geesten omringd. 2) De herders, de wijzen geloofden ook, maar zij hadden het welluidend gezang der engelen gehoord en de wonderbare ster gezien; de apostelen en de discipelen geloofden, maar zij hadden de wonderen van Jezus gezien en zijne glorie op Thabor aanschouwd. Doch de moordenaar zag slechts een mensch, van alles beroofd, met smaad overdekt, een zieltogende, die zelfs geene plaats had om zijn hoofd te laten rusten, 3) en hij geloofde in Hem en erkende Hem voor zijn Heer en zijn God.
O mijn Jezus, Judas heeft U verraden. Petrus heeft ü verloochend, uwe wankelende apostelen hebben U verlaten, en de medegezel uwer schande aanbidt ü! Hij heeft den heilige der heiligen erkend in den gekruisigden van Calvarië, den levenden God in de schaduioen des doods. 4)
O beminnelijke Verlosser, welk eene kracht is er in uw bloed, en hoe zalig is het in deszelfs uitwerkselen, wijl het van een misdadiger een paradijsbewoner, van een ellendigen slaaf der zonde een medegezel der Heiligen maakt! 0 goddelijke Zaligmaker, hoe spoedig reeds deelt Gij ons de genade mede die ons den Hemel moet openen, die Gg ons zijt komen
1) H. Aug. 2) H. Aug. 3) Lucse IX, 58. 4) H. Bemardus.
187
ontsluiten! Hoe haast Gij ü, den arme uit het stof te trekken , en hem met de vorsten van zijn volk te plaatsen. 1)
0 sleutel van Davids\'s huis, die opent zonder dat men kan sluiten, die sluit zonder dat men kan openen: 2) wees voor ray even edelmoedig, als gij het waart voor den goeden moordenaar! en daar Gij mij, gelijk hem , deelgenoot hebt gemaakt aan uw lijden en aan het kruis genageld hebt, zoo geef mij, door de goddelijke kracht van uw dierbaar bloed, het levendig geloof van dezen gelukkigen boeteling, opdat ik op mijne beurt ook eenmaal deze woorden moge hooren: Heden zult gij met mij in het Paradijs zijn !
IV.
Vrouw, ziedaar mv Zoon. Zoon, ziedaar uwe Moeder. 3)
Nadat Jezus ons zijn lichaam tot spijs, zijn bloed tot drank, zijn leven als onderpand onzer zaligheid beschikt heeft, wil Hij ons nog zijne Moeder geven. Tot zijn laatsten snik wil Hij zorgen voor de zijnen, hun een toevlucht wijzen en eene hulp in al hunne noodwendigheden, terwijl Hij ook aan zijne Moeder een anderen zoon wil geven, om haar te troosten en te ondersteunen gedurende haar verblijf op aarde.
Hoe zoet was dat woord van Joannes! dat woord dat hem van de eene zijde de liefde en bescherming van Maria verzekerde, en van de andere zijde hem de zorg toevertrouwde, de heilige Moeder van Jezus te beschermen! Hoe troostend is het voor alle men-schen; want in den persoon van Joannes nam die
1) Pj. CXI, 6, 7. 2) Isais XXI, 22. 3) Joa. XIX, 26, 27.
188
goddelijke Maagd ons allen voor hare kinderen aan. In dit plechtig oogenblik opende zich haar hart en omsloot het geheele menschdom met die vurige liefde, welke zij haren goddelijken Zoon toedroeg.
Maar welke smart kostte haar die moederschap! Hoe bitter was voor Maria die ruiling welke den vreemdeling geeft voor haar dierbaar kind, den leerling voor den Meester, den mensch voor een God! Indien wij, wier harten van Heen zijn, hieraan niet zonder eene diepe smart hunnen denken, welke smart moet Maria dan wel gevoeld hebben ? 1)
0 Moeder der smarten, hoe koel schijnt dat laatste woord, dat Jezus u toespreekt! Hij weet dat de slugen welke op Hem gevallen zijn, u getroffen hebben. Hij ziet u nedergebogen onder zijne smart, door zijne wonden verscheurd. Hij hoort uwe zuchten. Hij telt uwe tranen, en nochtans schijnt Hij u met gestrengheid te behandelen en Hij vreest zelfs niet u te vragen , zijne beulen tot uwe kinderen aan te nemen.
Ach, zoo Hij thans voor u geen enkel woord van troost of liefde over heeft, zoo komt dit omdat Hij weet, dat Gij tot het einde toe het offer zult brengen, dat gij zoo edelmoedig omhelsd hebt, omdat Hij uwe volkomen onderwerping kent aan den wil van God, omdat Hij weet, dat gij, gelijk Abraham, bereid zoudt zijn, zelve uw eenig kind den doodsteek te geven om God te gehoorzamen en het menschdom te redden.
Ja, even als Eva, door te eten van de vrucht des booms van de kennis van goed en kwaad, ons in het verderf heeft gestort, zoo hebt gij, o goddelijke Moeder, met uwen Zoon ons vrijgekocht, door u te
1) H. Btrnardus.
189
beladen met de smarten van den boom des kruizes en u met deszelfs bitterheid te verzadigen.
Wat hebt gij niet geleden om ons het leven dei-genade te verkrijgen, o Maria! Ach, vergeet toch degenen niet, die gij met smart onder den voet des kruizes gebaard hebt. Daar hebt gij de namen uwer getrouwe dienaars niet alleen in nwe handen, maar in uw Hart geschreven, in dat Hart door een zwaard van smart en liefde doorstoken! Gedenk toch, lieve Moeder, die laatste wilsbeschikking van uwen Zoon; want de laatste verlangens van eenen welbeminden Zoon zijn te dierbaar aan het hart eener moeder, om ooit vérr/eten te worden. 1)
O mijne dierbare Moeder, laat mg dan toe, dat ik mij met volkomen vertrouwen in uwe armen kome werpen; want ook voor mij heeft Jezus dat woord gesproken; ook ik behoor tot zijn laatste wilsbeschikking; en van uit den Hemel zegt Hij u nog, gelijk eertijds van Calvarie: Ziedaar uw Zoon! even als Hij mij van zijn kruis schijnt toe te roepen; Ziedaar uwe Moeder!
V.
Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten? 2) Zijt Gij het, mijn Jezus, Gij de Sterke, de Almachtige God, die dezen hartverscheurenden kreet slaakt? Zijt Gij het, de trooster der bedroefden, de toevlucht der lijdende zielen, die deze wreede verlatenheid verduurt?
Hoe, na te vergeefs op aarde iemand gezocht te hebben, die medelijden bad met uwe smart, heft Gij het oog op tot den Hemel; Gij roept uwen
1) H. Aljihonsus. 2) Matth. XXVI, 46.
190
Vader, om daar hulp te zoeken; dan, helaas! ook Hij schijnt U niet te hooren, niet te herkennen! In uwen zielsangst klaagt Gij vol liefde Hem uw nood in woorden die eene rots zouden kunnen vermurwen, en nochtans zendt Hij U niet de minste hulp; uwe tranen, uwe klachten schijnen onmachtig om zijn hart te treffen.
»0 mijn God, mijn Vader, zegt Gij, werp uwe oogen op mij! Zie den staat waartoe ik gebracht ben; ik ben omringd door goddeloozen, die den mond slechts openen om mij te beschimpen. Zij hebben mijne handen en voeten doorboord, en in mijne droefheid heb ik niemand gevonden die medelijden met mij had, want mijne vrienden zelfs bedroeven mij, de eenen door hunne afwezigheid, de anderen door hunne tegenwoordigheid. O waarom hebt Gij mij verlaten?quot;
O mijn Jezus, zoo uw Vader U verlaten heeft, is dit omdat Hij U bedekt ziet met den mantel onzer boosheid, omdat Hij ü beschouwt als het Slachtoffer dat alleen in staat is zijne rechtvaardigheid te bevredigen en zijne wraak te verzoenen. Ja, de zonden van uw volk zijn oorzaak dat de zaligheid zoo ver van U af is. 1) Maar, o goddelijke Zaligmaker, als God U overlaat aan de gestrengheid zijner raadsbesluiten , zonder daaraan iets te veranderen, zoo wil Hij ook uwe eer wreken en in het aanschijn der aarde verkondigen, dat Gij de Christus, de Zoon van den levenden God zijt. *2) Vrij mogen de menschen koud en onverschillig blijven bij de afschuwelyke misdaad die hier bedreven wordt, de geheele natuur zal uwen dood beweenen; de zou bedekt zich met
1) Ps. XX, 1. 2) Joa. VI . 70.
191
een sluier, de rotsen scheuren en de aarde beeft op den dag, waarop de wereld haren God ter dood veroordeelt.
Alles is dus duisternis, mijn Jezus, op het oogenblik waarop Gij, goddelijke Zon van rechtvaardigheid, Licht der wereld, gaat ophouden te schijnen, alles is droefheid op dit uur, waarop Gij, het schoonste onder de kinderen der menschen, uwe schoonheid verloren hebt. Alles is angst en schrik, en uwe vervolgers zelve, door deze algemeene verwarring der natuur verschrikt, durven U niet langer beschimpen. In deze akelige stilte hoort men slechts uw snikken en uwe zuchten; en uwe tranen, welke zich vermengen met het bloed, dat van uw goddelijk aangezicht druipt, bepleit onophoudelijk de zaak onzer zaligheid bij Hem , die Meester is van leven en dood.
0 kostbare zuchten, o vruchtbare tranen, welke schatten van troost hebt Gij voor ons verkregen! O zalige verlatenheid, welk een steun, welk eene kracht zijt gij voor onze zwakheid geworden! O mijn Jezus, uwe verlatenheid bedroeft en troost mij tevens; want zij doet mij hopen, dat de goddelijke barmhartigheid mij niet voor altijd zal verlaten, daar Gij die gestrengheid, die ik verdiend had, hebt willen lijden. Doch, indien het God mocht behagen, mij van het licht en de zoetheid zijner liefde te berooven, zal ik, door de herinnering aan uwen smartelijke zielsangst, in uw heldhaftig geduld, in uwe bewonderenswaardige gelatenheid nieuwen moed putten; ik zal^vast blijven hopen en vertrouwen, dan zelfs als mijn hart, in eene zee van droefheid gedompeld, dezen smartkreet niet zal kunnen wederhouden: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?
192
VI.
Jk heb dorst! 1)
Wat is die dorst, die U kwelt, o mijn Jezus, die uw hart verteert en uwen goddelijken mond verdroogt? Ach, de vreeselijke vermoeienis, de wreede smarten liebbeu dit vuur, dat ü uitput, ontstoken; nochtans is het niet alleen natuurlijke dorst, die U dit lijden veroorzaakt; de dorst waarover Gij U thans beklaagt, is vooral die, welke ü op aarde heeft doen nederdalen, U in arbeiden, ontbering heeft doen leven en op het kruis deedt sterven. Het is de dorst, die U deedt zeggen in uw .vurig verlangen om uwen Vader te verheerlijken: Ik hen gekomen om vuur op aarde te zaerpen; en wat wil ik anders, dan dat het ontstoken wordet 2) Het is die dorst, welke in uw verlangen naar onze zaligheid U dezen zucht ontrukte: Ik vioet een doopsel ontvangen; en hoezeer word ik geprangd, tot dat het volbracht zij! 3) Het is die dorst die in uwe onuitsprekelijke liefde U deze woorden deedt spreken: Ik heh met eene groote begeerte verlangd, dit Paaschlam met U te eten. 4)
O beminnelijke Zaligmaker, slechts eenige uren geleden badt Gij, dat deze kelk zich van ü mocht verwijderen, en thans, nu Gij deszelfs bitterheid geproefd hebt, hebt Gij nog dorst! Ach, dit komt omdat het vuur, dat U verteert en U meer smart veroorzaakt dan de pijnen, die Gy in uw lichaam lijdt, nooit zal gebluscht worden; want het is het uitwerksel van de grootheid uwer liefde, welke zich niet laat verzadigen.
Ja, ik heb dorst, zegt Gij tot ons. dorst naar uw geluk, dorst naar uwe zaligheid, dorst naar uwe
3) Joa. XJX, 28. 2) Lucsb XI, 49. 3) Lacra XI, 60. i) Lnca XXI, 15.
193
liefde. Ik wilde in een stal geboren worden, in armoede leven; ik heb mij vermoeid in u te zoeken , te roepen, te onderrichten, doch mijn hart is niet voldaan! Niet tevreden u te verlossen van dien eeuwigen dorst, dien gij verdiendet te lijden in de hel, wilde ik al uwe begeerten voldoen, in al uwe noodwendigheden voorzien en uwe ziel overladen met de goederen, die ik voor u verkregen heb.
Ach, kom mijnen dorst lesschen ; geef mij de tranen van uw berouwvol hart in ruiling tegen het bloed
o O
dat ik voor u gestort heb, de tranen van uw \' ver-morseld hart als schadeloosstelling voor de onverschilligheid mijner vrienden en de beschimpingen mijner vijanden, de tranen van uw beminnend Hart uit dankbaarheid voor mijne gunsten en weldaden. Wees niet wreed en ondankbaar, gelijk de Joden die, mijne weldaden vergetende, de oogen voor het licht sluitende, de zaligheid hebben verstoten, mij die kleine verzachting, dien druppel water weigerden, die ik hun vroeg, en mij verzadigden met edik en myrre. Vervul mijn verlangen, en kom uwen dorst lesschen aan die fonteinen van leven, die ik u geopend heb, aan die zuiverende wateren, die springen tot in den i Hemel.
O goddelijke bron, ja, ik wil tot U komen; ik zal aan uwe begeerte voldoen; ik wil U troosten j door aan uwe vurige liefde te beantwoorden. Ik bied TJ dan die droge, dorre aarde van mijn hart met eene levendige begeerte, de kracht dier weldadige wateren te ondervinden, en, door de verdiensten van dien dorst, dien gij geleden hebt, door dien bitteren drank, die U werd aangeboden, en die uwe ingewanden van barmhartigheid gepijnigd heeft, welke de geeselriemen en nagelen niet hadden kunnen
13
194
bereiken, smeek ik U, mijn hart te ontvlammen ^2i met eene zoo vurige liefde, dat liet steeds met den jetten profeet moge herhalen: Gelijk een hert naar de water- v001. bronnen, zoo dorst mijne ziel naar U, o God! 1) fuijn
ik vo
yn- rs
Het is volbracht! 2) ;schou
De Heer had door zijn profeet verklaard dat Hij lloodv het bloed der halveren, schapen en bokken niet ivilde, Ik dat de offers der oude wet zijn toorn niet konden ijian i bedaren. 3) Een heilig zoenoffer moest Hem worden recht ■ opgedragen, dat Hem meer vereerde door zijne ver- Hat n nedering, dan de mensch Hem door zijnen opstand heves beleedigd had. En
De zoon Gods had zich tot middelaar gesteld, had Ibrach zich tot bedienaar dier bloedige verzoening aange- Biet 1: boden. Hij bracht zich zeiven tot slachtoffer aan de Iben f gestrengheid der goddelijke wraak; en nu dit groot #verdi( offer is opgedragen, nu de oude figuren vervuld, nu. ik in de ware godsdienst gevestigd en Gods glorie gewroken Izegev is, nu Jezus niets meer geven kon, noch aan God, meer noch aan de menschen, buigt Hij het hoofd en zegt: 0 Het is volbracht. Vader, zegt Hij, alles is volbracht, God het werk waarvoor ik op aarde ben gekomen, is wij ( voleindigd. Ik heb uw naam doen kennen aan mijne Hem broeders; ik heb uwe lofzangen verkondigd te midden Heer der volken. 4) Ik laat hun mijne voorbeelden, mijne liefde leer, mijne Sacramenten, en alle middelen welke de jdank rampen kunnen lenigen, hun door de zonden toege- Irende bracht. Keer ü dan niet van hen af, nu ik tot U Jvan wederkeer om U een offer aan te bieden dat uwer ■ mijn waardig is. J welki
__Ê moge
1 volbr
1) Ps. XII, 1. 2) Job. XIX, 30. 3) Isaiie I, 11. 4) Ps. XXI, 23.
195
aen »Zie, de namen der kinderen Israel\'s zijn in bloedige letteren op mijne borst geschreven; en opdat Gij hun \'er~ voor eeuwig genadig moogt zijn, zal ik altijd rond ) luijn hoofd den rooden diadeem dragen, waarmede Ik voor hen gekroond ben. Beschouw dan op den Ij erg dat slachtoffer, dat Gij ü gekozen hebt; be-fechouw het bloed waarmede ik geteekend ben, die Hij (doodwond die mij geslagen is.quot;
Ide, Ik smeek U, o mijn God, moge dat kruis, waar-den juin ik genageld ben, voortaan de rechterstoel uwer den 1-echtvaardigheid eu uwer barmhartigheid wezen; en ^er- Kat mijn offer voor altijd diegenen in volmaaktheid and bevestige die ik ben komen heiligfen.
i -n ••
Ln voor u, mijne welbeminden, is ook alles vol-had jbracht: mijn hart staat open, mijne liefde gaat iu ige- het heelal de kracht van mijn offer verspreiden. Ik de !bén al uwe werken komen heiligen door u al mijne \'oot jverdiensten en schatten tot erfdeel te geven; en, nu nu. fik in de strijdende kerk een vasten grondslag der ken jzege vieren de kerk heb opgericht, zal niemand dien od, jineer kunnen doen wankelen.
Jgt; 0 goddelijke goedheid, o edelmoedigheid eenen iht, IGod waardig, hoe ondankbaar zouden wij zijn, zoo , is jwij ons niet geheel opofferden in den dienst vau ijne jHerti die zich voor ons geslachtofferd heeft! Geef, den Heer, dat ik volkomen beantwoorde aan zooveel ïjne Jliefde, en dat mijn leven een voortdurend zoen- en ) de Jdankoffer zij, gelijk het uwe slechts eene voortdu-ige- Irende zelfopoffering, eene voortdurende uitstraling 5 U Jvan weldaden geweest is. Geef vooral, dat ik in werlmijn laatste uur, een blik werpende op de dagen, ■ welke ik op aarde heb doorgebracht, met vertrouwen «moge zeggen: Mijne levenstaak is voltooid, alles is i 23. volbracht!
196
VUL
Vader, in uwe handen beveel ik mijn Én geest. 1)
Luistert, o Christenen, naar dien laatste kreet die aau den mond des Verlossers ontsnapt! Neen, het is de doodskreet eens stervenden niet, het is de zegekreet van den Godmensch, die aan den dood toelaat, de schoonste, de heerlijkste vereeniging die ooit bestond, te verbreken. Op dit oogenblik, waarop zijne krachten Hem verlaten, waarop de doodskleur zich op zijn gelaat verspreidt, waarop de koude des doods zich aan zijn lichaam mededeelt, waarop zijn goddelijk oog breekt en alle leven in Hem vernietigd schijnt, slaakt Hij dien buitengewonen kreet, welke evenzeer zijne kracht en zijne almacht, als zijne onderwerping aan den wil zijns Vaders getuigt.
Ik wil, o mijn Jezus, eerbiedig dit\'aatste woord, zoo vol liefde en troost, overwegen. Neen, het is niet meer tot een vertoornden God, tot een gestrengen God, dat Gij dat woord zegt; maar tot een Vader vol teederheid, die reeds de armen naar U uitstrekt en U, zijn welbeminden Zoon, zijn Zoon, die gehoorzaam was tot den dood, met glorie gaat kronen. Hem geeft Gij, o mijn goddelijke Meester, niet uw zoo misvormd lichaam, dat kostbaar onderpand, dat Gij uwe Moeder wilt toevertrouwen; niet uwe eer, want Gij hebt de schande en de beschimpingen gezocht; niet uwe rijkdommen, want Gij hebt slechts uw kruis, dat Gij den mensch als onderpand van zaligheid gaat achterlaten; neen. Gij geeft Hem uwe ziel, verrijkt met den overvloed der hemelsche gaven, uwe ziel waarin de volheid der macht en oneindige wijsheid wonen; Gij legt die ziel in zijn vaderhart om ons
1) Lucie XXII, 46.
197
T
18 leeren dat wij niets zoo kostbaar hebben als onze ziel, en dat de hand van God alleen waardig is die ziel te bezitten.
IX.
JÜn het hoofd gebogen hebbende, gaf Hij den geest. 1) Zoo sterft onze Zaligmaker, en op het oogenblik waarop dit offer van liefde vrijwillig sterft, verkondigt alles zijne onschuld en zijne grootheid; de aarde beeft, de steenrotsen barsten, de graven openen zich, de sluier des tempels scheurt, om ons te toonen dat de geheimen, sedert het begin der wereld verborgen , thans duidelijk worden, en de glorie van het mensch-geworden woord zich openlijk vertoont. 2)
En zij die getuige zijn van dit schouwspel, gaan heen, kloppen op hunne borst en zeggen: Waarlijk, deze was de Zoon Gods. 3)
Jezus is gestorven! O bedroefde Moeder, gij hebt geen zoon meer! O beminde leerling, gij hebt geen meester meer! O Magdalena voor u is op aarde niets beminnelijks meer! O Apostelen , o engelen, o zichtbare en onzichtbare schepselen , gij hebt geen hoofd meer! 4) Jezus is gestorven! Maar de dood is overwonnen en de poorten des eeuwigen levens zijn ons geopend; Hij is gestorven, maar Hij heeft eene wilsbeschikking achtergelaten , die ons erfgenamen maakt van al zijne goederen. Hij is gestorven, maar uit zijn doorboord Hart zijn, met het water en het bloed, tevens de H. Sacramenten der kerk gevloeid; hij is gestorven opdat degene\'» die leven, niet meer voor zich zeiven zouden leven, maar voor Dengene die voor hen gestorven is. 5)
k
I) Joa. XIX, 30. 2) H. Hieroiivmns. 3) Matth XXVI, 54 4) Nouct. 5) II Cur. V, 15.
198
Bescliouwen wij het ontzielde licliaam vau onzen ik i Zaligmaker! beschouwen wij die gebroken oogen, gege die zoo vaak blikken van barmhartigheid geworpen zijn hebben op de zondaars, die weenden over Lazarus,
over Jeruzalem, over zoo vele ondankbaren, die Hem
vluchtten of verloochenden. Beschouwen wij die loodkleurige lippen, die zich slechts openden om zijnen Vader te verheerlijken, de onwetenden te onderwijzen , de ongelukkigen te troosten, den schuldigen te vergeven; beschouwen wij zijne handen, door de nagelen verscheurd, die niet ophielden weldaden te verspreiden , zich slechts uitstrekten om te helpen en te zegenen; beschouwen wij zijne doorboorde voeten, die zich onophoudelijk vermoeiden met het verloren schaap te gaan opzoeken en overal hét kostbare zaad
van zaligheid te gaan uitstrooien. Ja, ach ja, be- die
weenen wij onzen God, onzen Verlosser, onzen toe- He
genegen Vriend; maar verheugen wij ons ook, uw
want liet uur onzer zegepraal, onzer rechtvaardiging te
is aangebroken! zo
Vertrek dan, Jezus, mijn aanbiddelijke Meester,
daar Gij het wilt; ga rusten na zooveel arbeid en do
vermoeienis ; treed uw koninkrijk weder binnen ; geef mi
den goeden moordenaar, wat Gij hem beloofd hebt, do
als eerste vrucht van uw lijden; ga en verlos de i\' ve
rechtvaardigen, die reeds zoo lang in het voorga- vc
borcht der helle verlangen, voer ze met u in zegepraal •
ten Hemel. Maar vergeet toch ook ons, uwe kinderen vt
hier op aarde, niet; vervul uwe beloften, en kom glt;
hen bezoeken door den Geest van vertroosting die glt;
hen zal vervullen met de goederen, die Gij hun ver- sc
kregen hebt. En wanneer Gij gezeten zult zijn aan ei
de rechterhand uws Vaders, in de heerlijkheid zijner _
glorie, zoo herhaal deze treffende bede: Mijn Vader, ,
199
ik verlang, dat, waar ik hen, ook zij die Gij mij qegecen hebt, met mij zijn, opdat zij één mogen zijn, gelijk wij één zijn. 1)
Zeventiende Hoofdstuk.
Voor hel Paascbfeesl.
Dit is de dag, die de Heer gemaakt heeft.
Pa. CXVI, 23.
O Jezus, glorierijke Oyer winnaar des doods, Gij die verrijst uit liet stof des grafs om ons met U tea Hemel te verheffen, wij zegenen dezen dag, waarop uwe glorie is opgestaan om over de geheele aarde te schitteren, waarop Gij door uwe heerlijke Verrijzenis al de schande van uw lijden hebt hegraven. 2)
Goddelijk Slachtoffer der uitstekendste liefde, uw dood was slechts een slaap, en uw verscheurd en misvormd lichaam heeft slechts een oogenblik in uw doodskleed willen gehuld zijn en onder den steen verborgen, om glansrijker dan de zon weder te voorschijn te komen.
Waar is nu dat lichaam, dat wij door de slagen verscheurd, met doornen gekroond, op het kruis genageld, in de duisternis van het graf verborgen, gezien hebben? Alles is hersteld! De dag des men-schen is voorbij, de dag des Hoeren begint te gloren ; en daar treedt Gij, o Christus, o mijn Verlosser,
1) Joa. XVT, 22, 24-. 2) II. Chrysostomus.
200
reeds het heiligdom der glorie, als Opperprisster, binnen; de wolken, die U omgaven, zijn verdwenen; de glans, de luister, die Gij in uw leven verborgen hield, stroomen nu op uw lichaam neder; de wonden die U misvormden, schitteren als zoo vele lichtende sterren, en de zwakheid uwer menschheid verliest zich in den luister uwer godheid.
En wij, mijn Jezus, willen de gedachtenis uwer zegepraal vieren door onze vreugdezangen , en danken uwen Vader aldus uwe glorie geopenbaard te hebben. Wij zullen den Heer een danklied zingen, omdat Hij zijn volk verlost en onze hoop en verwachting vervuld heeft.
Begroeten wij dan den nieuwen Adam, die ons gegeven is, den goddelijken Verlosser, die door zijne overwinning op dood en hel ons het leven heeft teruggeschonken, ons door de zonde ontnomen. Zijne overwinning is voor de zielen een zegepraal van vrede, van vrijheid,, van glorie! Hij zegeviert over zijne vijanden, doch slechts om hen te verlossen en hnn deel te geven aan zijne macht; hij zegeviert over de zonde, maar terwijl Hij ons vonnis uit wise ht en aan het kruis nagelt, doet Hij daarvan over ons eene bron van genaden en heiligheid vloeien; Hij zegeviert eindelijk over den dood, om ons de onsterfelijkheid te verzekeren; 1) want Hij heeft gezegd: Ik hen d.e Verrijzenis en het leven. 2)
Laten wij vol vertrouwen in dit woord, dat heden zoo heerlijk bevestigd wordt, lofliederen zingen ter eere vau het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt. 3) Verheffen wij de macht van dien goddelijken spruit van David, van dien leev.w van Juda\'s
1) Bossnet. 2) Joa. X, 25. 3) Joa. 1, 29.
I
201
ter, ■! stam, 1) nu Hij, van den dood verrezen, heerscht en; aan de rechterhand zijns Vaders in het rijk, dat Hij ^en ons veroverd heeft en waar Hij ons wacht! len \' Dat onze harten, van bewondering, liefde en ude dankbaarheid vervuld, hunne zangen veréénigen met iest het blijde Alleluia, waarmede het hemelsch hof den
glorierijken overwinnaar begroet.
rer Ja, glorie aan U, mijn Jezus, die ons den Hemel
:en geopend en den weg daarheen hebt aangewezen. Het en. is langs den Igdensweg, nog met uw kostbaar bloed
lat geverfd en bezaaid met de splinters van uw kruis,
ng dat wij ook tot die eeuwige woniug, den prijs van
uw arbeid en lijden, zullen geraken. Moest de ns Christus niet lijden en aldus de glorie intreden\'? 2) Dit
ne troostend woord zij onze kracht te midden der smarten
jft van ons ballingschap, onze hoop wanneer wij zuchten
ne onder het gewicht der kwellingen dezes levens, omdat
le, het ons een onderpand is onzer toekomende glorie,
ie omdat het ons leert, dat wij als mede-erfgenamen
•.ii van Christus deel moeten hebben aan zijn lijden, om
ie deel te hebben aan zijne glorie! 3) Ja, dat dit woord
n . ons altijd herinnere dat, als Jezus Christus den dood n geleden heeft en verrezen is, Hij ons door zijn lijden
toont, iaat wij moeten verduren, en door zijne ver-\'e rijzenis, ivat wij moeten hopen. 4)
e Lof, eer en glorie dus aan ü, o eeuwige God,
die in uw goddelijk liefdeplan Jezus Christus hebt i gesteld tot Vader van een nieuw geslacht, door onze
r boosheden op Hem te laden. Door dezen goddelijken
l Middelaar bied ik U de hulde mijner dankbaarheid
\' en aanbidding, o almachtige God; door Hem smeek j ik U, mijn hart te veranderen en daarin uw rijk
te vestigen.
~ 1) Apoc. V, 5. 2) Lncae XXIV, 26. 3) Rom. Vil, 17. 4) H. August.
I
202
Geef, o Heer, dat ik sterve aan de zonde, die in mij uw beeld vernietigt, en dat ik in mijn hart al de afgoden verbrijzele, die ik daar had opgericlit, en ik gelijk uw goddelijke Zoon uit het graf verrijze door eene waarachtige en oprechte bekeeriug.
O mijne ziel, dat men in u niets meer zie dat aardsch is, maar een nieuw hart en een nieuwen geest, een nieuw gedrag, dat Jezus gedrag navolge en Hem in u doe leoev. Ja, eene nieuwe liefde moet u heden een nieuwen God mededeelen. 1) Gij moet een vernieuwden tempel worden, waar gij alle oude vlekken uitwischt. Verhef u dan boven de aarde en de schepselen. Verre van u het feestlied der wereld; zing het lied van het nieuwe verbond, van den nieuwen mensch, zonder Jezus uit het oog te verliezen, die u herkocht heeft en u overal de armen toestrekt. Op het kruis strekte Hij u de armen toe, zeggende: Kom met mij sterven; glorierijk uit het graf verrijzend strekt Hij u de armen toe, zeggende: Kom, verrijs uit het graf met mij; en aan de rechterhand des Vaders gezeten, strekt Hij u nog de armen toe en roept uit: Kom en heersch met mij.
Ja, Heer, ja, mijn Verlosser, ik wil altijd tot U opzien, naar U luisteren, U beminnen; en tot U opziende, naar U luisterende, ü beminnende wil ik tot U gaan, tot U, die de God van mijn hart en mijn deel in eeuwigheid zijt.
1) Bossuet.
Achttiende Hoofdstuk,
Hel Feesl der Kruisverheffing.
gebed.
Indien gij het kruis met liefde draagt, zal liet kruis ii dragen. Navolg, v. Chr. 2 B. 12 H.
Als ik van de aarde zal opgeheven zijn, zal ik alles tot mij trekken. 1)
O Jezus, mijn Verlosser, moge dit woord uit uw aanbiddelijken moud vervuld worden, mogen onze gebeden en smeekingen voor alle zondaars de genade vau bekeering en zaligheid verkrijgen op dezen dag, waarop wij den feestdag vieren van dat heilig kruis, dat de wereld gered heeft!
Ja, stroom neder, o kostbaar bloed, dat de zielen zuivert; en gij, o goddelijke wouden van Jezus, werp uwe schitterende stralen op die ondankbare en koude harten, opdat zij eindelijk de liefde erkennen van Hem, dien zij tot heden veracht hebben. Dat uw liefderijk oog, mijn goddelijke Meester, even als vroeger op Calvarië, nedervalle op de zielen, die U tot daar volgden, maar dat het ook de blinden en afgedwaalden ga opsporen, die, gelijk de Joden, spotten met uwe smart.
O Jezus, op dien boom des levens genageld, vanwaar Gij alles tot U wilt trekken, heb medelijden met de zondaars, voor wie Gij ü opgeofferd hebt.
O dat uw bloed toch niet te vergeefs gevloeid hebbe voor zoo vele zielen, die U nog altijd zoo dierbaar
1) Joa. xll , 32.
204
ziju! Werp ze ter aarde, gelijk Saul, bestraal ze door uw goddelijk licht, verwarm ze door het brandend vuur uws harten, en dan zullen ze gelijk de hoofdman op hunne borst kloppen en berouwvol zeggen: Ja waarlijk, deze loas de Zoon Gods. 1)
Dan zullen zij, die U liefhebben, zich verheugen, uw naam te zien kennen en beminnen , en allen samen zullen wij uwe oneindige barmhartigheid prijzen.
Goddelijk Lam, spreek bij uwen Vader ten gunste der zondaars; wees hun middelaar bij die goddelijke Majesteit die zij beleedigen, en uwe zoete en krachtige stem zal verhooring vinden. Zeg nog eenmaal: Mijn Vader, vergeef hun; want zij weten niet icat zij doen; 2) want nog altijd verwekken zwakheid en onwetendheid ü nieuwe beulen.
Ja, mijn Jezus, zij weten niet wat zij doen, zij die tegen U opstaan; want wisten zij wat Gij zijt, hoe zouden zij dan onverschillig hebban kunnen blijven voor de schitterende bewijzen van macht, die Gij hun getoond, voor de ontelbare bewijzen van liefde, die Gij hun gegeven hebt?
Mochten zij toch de oogen openen, mochten zij hunne misdaden erkennen en oprecht beweenen, opdat Gij een oog van barmhartigheid op hen kunt slaan en met eene liefdevolle stem hun zeggen kunt: Eens zult gij met Mij in het Paradijs zijn.
Maar door wie zullen wij voor die versteende harten die genade spoediger en onfeilbaar bekomen dan door u, o Maria, die zoo innig hebt gedeeld in het bloedig offer van Calvarië! Gedenk dan, wij smeeken het u, de moederschap, waarmede Jezus van zijn kruis u vereerd heeft, gedenk dat het lot dergenen die Hij
1) Matth. XXVI. 54. 2) Luck XXII. 31.
205
Ti tot kinderen gaf\', in uwe handen rust; wees hunne Moeder, o heilige Maagd , help , bescherm , red hen, niettegenstaande hunne ondankbaarheid en de wreede ■wonden, welke zij uw moederhart toebrengen. Zijt gij niet de toevlucht der zondaren, het kanaal der goddelgke goedheid en barmhartigheid? Toon dan door de wonderen uwer lankmoedigheid dat gij de smeekende Almacht, de Koningin van Jezus Harte zijt!
O Vorstin des Hemels, laat een weldadigon dauw, een stroom van zegen op ons vloeien, welke de aarde zuivere en de zielen hernieuwe, opdat God gekend, gediend en geëerd, dat Jezus geloofd en bemind, en dat gij, lieve Moeder, met en door uwe kinderen door God moogt getroost worden. Ik vraag
o ~ o
u dit, o Maria, door het bloed en de wonden mijns Zaligmakers, op dezen dag waarop Hemel en aarde dit heilig hout aanbidden, dat hen zoo barmhartiglijk verzoend en vereenigd heeft. Amen.
Negentiende Hoofdstuk.
Voor hd feosl van \'s llceren Hemelvaart.
God zij geloofd! omdat de Heer, onze God, de Almachtige, zijn rijk is binnengetreden; verheugen wij ons, en juichen wij, en loven wij Hem.
Apoc. XIX, 0, 7.
O heerlijk wonder van Gods Almacht en Liefde! In de Menschwording daalde de Hemel tot de aarde, en bij de Hemelvaart stijgt de aarde ten Hemel! 1)
1) H. Angustinus.
206
Ja, de Godheid heeft zich tot het niet vernederd, opdat de mensch tot den troon van God zou kunnen opstijgen. Gezegend zij uwe heilige meuschheid, o Jezus, die zich vernederend tot het stof, ons tot een nieuw leven verheven heeft. Gezegend zij uwe heilige meuschheid, welke heden de aarde verlaat, * tijgt op eene looll-, ivandelt op de vleugelen der iu inden . 1) De maan die haar ziet opstijgen, beivondert hare schoonheid; de zon verbleekt voor haren glans; de sterren loven, de heiligen aanbidden, de engelen begroeten en vereeren haar; de kinderen Gods paren hij de toejuiching der onzichtbare geesten , hunne vreugdekreten en zoete zegeliederen. 2) Opent uwe poorten, o vorsten, en gij, eeuwige poorten, verheft U: de Koning van glorie zal binnentreden, de Heer die sterk en machtig is; machtig in den strijd, 3) als overwinnaar zegevierend wederkeerende.
Opent dan de deuren der eeuwige stad: dat zij voor immer geopend blijven, want ziedaar de nieuwe Adam, de Redder van het menschelijk geslacht, hij die rijk is in barmhartigheid, 4) beladen met de schatten zijner eigene verdiensten, en met de eerstelingen van de overvloedige verlossing, welke Hij door zijn dood ia de wereld heeft uitgewerkt.
En wij, bewoners der aarde, verheugen wij ons in den Heer; want heden ontvangt het hemelsch Jeruzalem zijn wettigen Koning, de kerk haar Opperpriester, het huis Gods zijn Erfgenaam en de wereld haar Opperhoofd. Heden is Jezus, na zijnen Vader verheerlijkt te hebben, door Hem -verheerlijkt geworden , en zijne wonden, icelke evenals zoovele teekenen van smart waren, beginnen als sterren te glinsteren. 5)
1) Pa. Cl 1,4. 2) Nonet. 3) Ps. XXII, 9, 10. 4) Ep\'iics.I. 4. 5)H.Gertr.
207
Helaas, wij zien ze slechts in de verte, de feesten van het hemelsch vaderland! maar luisteren wij naar de stem der engelen, welke de bedroefde Apostelen troosten en geruststellen: Mannen van Galilea, wat staat gij naar den Hemel te staren? Deze Jezus, die van u is opgenomen in den Hemel, tal alzoo komen , gelijk gij Hem hebt zien heengaan naar den Hemel. 1)
Dit woord is ook tot ons gericht; luisteren wij dan, en onze droefheid zal in blijdschap veranderen, en onze harten zullen slechts leven in de verwachting der goederen, ons door den welbeminden Meester, dien wij betreuren, beloofd. Ja, wij, door Hem vrijgekocht, zullen door Hem bezocht worden, en wij zullen tot Hem wederkeeren, indien wij getrouw de wet vervullen, die Hij is komen leeren, en Hem getrouw volgen. Gij vooral die, als gij de aarde beschouwt, daar niets vindt dan ijdelheid en nietigheid, gij voor wie de Hemel zelfs geen licht heeft, 2) wanneer gij beroofd zjjt vau den dierbaren Bruidegom uwer ziel, bedroef u niet, maar gedenk de woorden, die Jezus sprak tot zijne Apostelen om de smart der aanstaande scheiding van hunnen dierbaren Meester te verzachten: Het is goed voor u, dat ik heenga; want als ik niet heenga, zal de trooster tot u niet komen; maar indien ik heenga, zal ik Hem tot u zenden. 3) Ja, wij die lijden en zuchten in dit ballingsoord, verwachten wij met hetzelfde vertrouwen als de Apostelen de verwezenlyking der beloften van Jezus, onzen Zaligmaker!
O gij, bedroefde en zwaar beproefde zielen, blijft getrouw in de ingekeerdheid en het gebed volharden, zucht in stilte naar de komst van den hemelschen
1) Act I, 11. 2) Jeremias IV, 23. 3) Joa. XV. 7.
208
Vertrooster, die ons moet geleiden, verlichten en en (
ons doen komen tot die plaats, welke Jezus zelf ons .ai in het rijk zijns Vaders is gaan bereiden! 1)
Richten wij oog en hart naar dat land der levenden, j om daar het Goddelijk Lam te zoeken, dat gezeten
is aan de rechterhand zijns Vaders, aldaar door de quot;ijn
kracht zijner verdiensten den troon des Almachtigen (I,aa
veranderende in een troon van genade. Zien wij, ^ec| hoe Hij zijnen Vader onze gebeden aanbiedt en ze quot; |iee
Hem welgevallig zoekt te maken; zien wij, hoe Hij ]iej
voor ons ten beste spreekt, en aan God zijne wonden, jjjj
als eeuwige gedenkteekenen zijner liefde en gehoor- (jl,l zaamheid, aanbiedt. Is Hij, de rechtvaardige bij
uitnemendheid, ook onze Voorspreker niet bij den wjj
Heer? Staat Hij, de engel van het Testament, niet vaf
voor het altaar des Allerhoogsten, met een gouden „g] wierooksvat, waarin Hij onze gebeden Gode aanbiedt,
die met zijne oneindige verdiensten vereenigd tot God en
opstijgen als de geur van den zuiversten wierook? jm
Houden wij moed, leven wij getroost voort, daar ^
wij in den Hemel zulk een grooten Weldoener, zulk ?-0J een oneindigen schat van verdiensten hebben, en verheffen wij daarheen onze hoop en ons hart. De •
bronader van onze zaligheid en van ons geluk ont- ^ springt in den hemel; keeren wij dus onze blikken ^ ge
af van de aarde, van alle rampen der aarde, en je
ademen wij slechts voor den hemel. En om ons et;
vertrouwen op te wekken en onzen moed aan te vuren, zi-
te midden onzer voortdurende beproevingen, her- j\'j zeggen wij nog eene der laatste woorden van Jezus
tot zijne Apostelen. Dat uw hart niet ontroerd Zl
worde, zegt Hij; ik ga u eene woonplaats bereiden , O
___ei
l) Joa. XIV, 2. . l -
i
1
209
en als ik zal heengegaan zijn en u eene plaats hereid zal hebben, zal ik wederkomen en u tot mij nemen, opdat daar waar ik ben, gij ook zoudt wezen. 1)
Ja, Jezus, onze Koning, is den hemel binnengetreden ; Hij, ons Hoofd, verwacht ons daar, die zijne ledematen zijn; in onzen naam is Hij bezit gaan nemen van de kroon, die Hem toekwam door reclit van geboorte en die Hij voor ons verdiend heeft door zijnen dood. Als Voorlooper onzer eeuwigheid , heeft Hij ons de wegen ter zaligheid bereid. Hij is ons voorgegaan, haasten wij ons Hem te volgen, drukken wij zyne voetstappen, volgen wij zijn goddelijk spoor, indien wij tot het hemelsch Jeruzalem willen komen, waarin Hij reeds die menigte rechtvaardigen heeft doen treden, die Hij uit het voor-geborcht der hel verlost heeft.
Gelijk de arend zijne jongen aanzet om te vliegen , en op hen fladdert, zoo heeft onze Heer, als de geheimzinnige adelaar, wiens vlucht zoo hoog en krachtig is , zijne Apostelen rond zich ivillen vergaderen, gelijk tonge adelaars, en de lucht voor hunne oogen doorklievende , \'wilde Hij ze door zijn voorbeeld aanzetten , zich boven de wolken te verheffen. 2) En wij, die geroepen zijn Hem te volgen, ach, blijven wij toch geen enkele toeschouwers zijner zegepraal; en daar Jezus niet alleen voor ons vliegt, maar ons opricht en ondersteunt, zijne vleugelen uitstrekt en ons op zyne schouderen draagt, o breken wij toch de banden, die ons aan de aarde hechten, opdat wij die gelukkige vrijheid mogen genieten, waarnaar onze ziel zucht, en wij met den H. Cyprianus mogen uitroepen: wa^ is het zoet de oogen te sluiten voor de aarde en slechts den Hemel te aanschouwen!
•1) Joa. XIV, 1, 2, 3. 3) Deut. XXXI, 11. Bossnet.
14
r
210
Verzaken wij dan edelmoedig aan de bedriegelijke -vreugden van hierbeneden; werken wij moedig roor \'\' den Hemel, daar Jezus, de welbeminde onzer zielen,
ons zoo krachtig tot zich roept; aldus zullen wij verdienen eenmaal Hem te zien van aanschijn tot aanschijn , dien wij thans slechts als een raadsel zien, 1)
Doch bedenken wij wel, dat zoo Hij ten Hemel is geklommen om onzen Voorspreker te zijn, Hij nederdalen zal om onzen Rechter te wezen, en dat het vreeselijk is te vallen in de handen van den levenden H
God, 2) wanneer zijne goedheid, door ons veracht, den in toorn zal veranderen. god(
O Jezus, mijne liefde, laat niet toe, dat dit ongeluk en mij te beurt valle; Gij weet, dat ik hier op aarde K
naar U zucht, dat myn hart U bemint; o vervul verF mijn verlangen, en verkort den tijd van mijn balling- wez schap. Trek mijne ziel uit de gevangenis van dit hen sterfelijk leven, om uwen naam te belijden, 3) en plai eeuwig uwe barmhartigheid te loven en te prijzen. dei-Amen. (
van (lei
U p Zo\'
_______ovi
wa
mi zi(
i) I Cor. XII, 12. 2) Htbr. X, 31. 3) Ps. CXI, 10.
kc vc
SC
Twintigste Hoopdstuk.
llel Pinkslcrfccsl.
gebed tot den h. geest.
Hij zal ii een anderen Trooster geven, opdat Hij eeuwig met 11 blijve. Joa. XIV, 16.
Heilige Geest, oneindige liefde van den Vader en den Zoon, kom in mij! Bestraal mijne ziel met uw goddelijk licht, ontvlam mijn hart met uw hemelsch en goddelijk vuur.
Kom. o geest van leven, die ons de kracht, het verstand en de liefde mededeelt; vervul geheel mijn wezen met uwe tegenwoordigheid, stort in mij die hemelsche deugden, die mij verheffen tot die zalige plaatsen, vanwaar Gij over ons de weldadige wateren der genade doet stroomen.
O kom tot mij, en spreek tot mij dat zoete woord van troost en vrede, hemelsche Vertrooster, heilige Geest! kom en stort in mij de rijkdommen, die uit U voortvloeien.
Dat de macht des Vaders, dat de wijsheid des Zoons, ons door U geopenbaard, ons doen zegevieren over onze zwakheden en met vertrouwen doen voort-wandelen op de paden, die Gij ons aanwijst.
Kom, o goddelijk Licht, verdrijf de duisternis uit mijn geest en verstand, en geef den vrede aan mijne ziel weder!
Kom, o gave des Allerhoogsten, onderpand der kostbare beloften van Jezus, mijnen Verlosser; kom, versterk mijne hoop en ondersteun mijne wankelende schreden op den weg der deugd.
M
212
Kom, en breng ons den vrede, beloofd aan heu, die het woord Gods onderhouden; doe ons dat woord hooren, dat de Apostelen vertroostte, eer Jezus, het licht hunner oogen, de vreugde hunner harten, hen sing verlaten: Dat uw hart zich niet ontstelle, niet
• • TT
vreeze! Ik verlaat u om tot raijnen Vader te gaan; , maar ik zal u den geest van Troost zenden, die by u zal wonen, u alles zal leeren en u het eeuwig-leven zal mededeelen.
O Heer, geef ons dien geest van zachtmoedigheid en vrede, ons door uwen goddelijken Zoon beloofd. Geef mij dien geest van waarheid, die ons onderwijst zonder te spreken, alles doet verstaan zonder bijna iets te zeggen , en de ziel aanzet alles wat menschelijk in haar is op te offeren. Geef mij den geest van liefde, die een walg geeft van elke andere liefde, en dat mijn hart, door U veranderd en geheiligd, voor eeuwig door U vervuld worde. Amen,
Een en Twintigste Hoofdstuk,
Gebed lol den II. Gcesl.
De liefde Gods is in onze harlen verspreid door den H. Geest, die ons gegeven is. Rom. V, 5.
Heilige Geest, daal in mij neder; hemelsch Licht, verlicht mijn verstand ! Goddelijk Vuur, ontvlam mijn hart! Beziel door uwen goddelijken geest alles wat in mijn lichaam en mijne ziel leeft en zich beweegt, opdat al de vermogens mijner ziel slechts dienen
213
om U, mijii Heer en mijn God, te loven, te prijzen en te verheerlijken.
O beschouw op dezen dag van zegening, waarop Gij over de Apostelen, die in de eenzaamheid en het gebed vergaderd waren, uw licht en genade gestort hebt, de godvruchtige verlangens en het vurig gebed van zoovele zielen, die ü zoeken en tot U roepen: O indien Gij de hemelen wild et openen en tot ons nederdcden, zouden de hergen onzer smart en ellende voor U nederstorten. 1) Luister naar hun smeeken; kom hunne onmacht te hulp, trek allen tot Hem die, toen Hij ten Hemel opklom, ons als weezen heeft achtergelaten. Wees op dezen dag voor ons wat Gij voor de Apostelen waart, de bron van alle licht, van alle goed; verlicht onze zielen, zuivert onzen geest eu verander onze zwakheden in deugden. Geef ons het begrip der heilige zaken; leg in onzen mond woorden van wijsheid, die het geloof opwekken, de hoop en de liefde aanvuren; geleid onze wankelende schreden op de wegen der gerechtigheid; vorm onze handelingen ten beste en geef aan al onze daden eene volmaaktheid, die het hart van God verheugen. Ja, schep in ons een nieuw hart, een hart gelijk aan het uwe; stort daarin den vrede, een vrede van geduld en zelfopoffering, die de ware vrede is. Stort vooral in rijke mate in onze zielen die liefde, waarvan Gij, o goddelijke Geest, de oorsprong zijt, zij alleen kan ons de kracht geven, al het goede te doen wat wij wenschen, al het kwade te overwinnen dat wij verfoeien. Amen.
,1) Isaisc xiv, i.
Twee en Twintigste Hoofdstuk.
Voor II. SacraracülsJag.
Hoe zou ik naar waarde de grootheid kunnen scliattcn van het Heilig der Heiligen, van dit Sacrament der Sacramenten, van die Liefde al\'er liefde, van die zoetheid, die alle zoetheden in zich bevat?
H. Bernardns.
Is het mogelijk, dat God onder de menschen wil woneu ? Hij, dien de hemelen niet kunnen bevatten , wien het firmament tot voetbank dient, heeft zich gewaardigd tot ons neder te dalen\'! Ach, Heer! wat is de mensch, dat Gij hem als iets groots kunt beschouwen ? of hoe gewaardigt Gij U, uw hart op hem te kunnen vestigend 1) O Gij, de Opperheer, de Almachtige, de Heilige der heiligen, Gij wiens grootheid verbaast, hoe hebt Gij U tot den mensch willen vernederen, en zijne liefde willen vragen? Gij voor wiens oog de zuiverheid der engelen niet vlekkeloos is, hoe kunt Gij uw behagen vinden, met de kinderen der menschen te zijn ? 2) Niet tevreden, U te geven, U geheel op te offeren voor dat gelukkig land van Judea, dat veel te klein was om de wonderen uwer liefde en almacht te bevatten, wilt Gij die uitstrekken van het oosten tot het westen; Gij wilt dat de geheele aarde voortaan een heilig Jeruzalem, een Bethlehem, een heilige tempel zij, eene ladder van Jacob waarlangs de engelen stijgen en dalen, en dat men van alle plaatsen der aarde moge zeggen: Hier is het huis des 11 eer en en de deur des Hemels! 3)
1) Jub. VII, 17. 2) Prov. VII, 31. 2) Bossnet.
215
Gij wilt, dat de Christen nergens vreemdeling zij, dat hij overal zijn vaderland en het huis zijns Vaders wedervinde!
Ja, elke stad heeft hare tempels, elke tempel zijne altaren, elk altaar zijn tabernakel, waarin de Godheid rust; en in die arme, geringe woning, welke Gij ü gekozen hebt, verwacht Gij ons dag en nacht, om ons van uwe liefde te spreken, en ons uwe genade mede te deelen; Gij roept ons altijd, om ons te troosten en ons op te beuren; want Gij, die ons den hemel geopend hebt, voedt geen andei-e begeerte dan ous met goederen te overladen.
O Christenen, laat uwe vreugdezangen en lof weergalmen ; want de Groote, de Heilige van Israël is in uw midden; 1) Hij heeft zijn troon en zijn rijk voor eeuwig gevestigd. Wie heeft ooit van zulk een wonder hooren spreken ? Wie heeft ooit iets dergelijks gezien ? Er is geen ander volk zoo groot, dat zijne goden zoo dicht hij zich heeft, als wij. 2)
En om onze vurige begeerten te vervullen, treedt die God, die zich gewoonlijk in de schaduw van het heiligdom verbergt, heden uit zijn Tabernakel en verlaat zijne geheimzinnige rust; en even als in de dagen van zijn sterfelijk leven, doorwandelt Hij onze wegen en velden om de scharen te zegenen, die Hem volgen, en op zijn doortocht de uitboeze-mingen van dankbaarheid en liefde aller getrouwe harten te ontvangen.
Rechtvaardigen, weest verrukt van vreugde; 3) want ziehier mu koning, die vol zachtmoedigheid tot u komt. 4) Snelt tot dien driewerf heiligen God; komt en vormt een hofstoet aan dien God van glorie, die
1) Isaiic XI, 6, 2) Deut. IV, 7. 3) Pa XXXI, l. 4) Matlh. XXI, 5.
216 *
31
zicli, onder deu sluier der H. Hostie, aan uwe aanbidding voorstelt; ziet Hem omgeven door gouden stralen als wilde Hij in dien luister en pracht den sluier oplichten, die Hem aan onze oogen verbergt, en ons een voorsmaak geven van de heilige vreugde van het hemelsch vaderland. Looft Hem met de engelen, die Hem omgeven, en herhaalt met de scharen die Hem eertijds omgaven: Gezegend zij Hij, die kómt in den naam des Heer en! 1) Hosanna in excelsis!
Ja, naderen wij met vertrouwen, met een heilig verlangen tot Hem, die door eene geheime kracht onze kwalen, onze zwakheden kan genezen. Neen, wenden wij de oogen niet af van die goddelijke zon van rechtvaardigheid; bidden wij Jezus, onze armoede te verrijken, onze duisternis te verlichten, ons geloof te verlevendigen, onze hoop op te wekken en onze zielen te verheugen, zoeken wij een toevlucht onder zijne vleugelen, om daar de warmte en het leven terug te vinden. Ja, gaan wij daar Hij ons wenkt om Hem te volgen; en vragen wij Hem in onze harten het vuur der goddelijke liefde te ontsteken; opdat wij Hem, als aan onzen Vader, de liefde bewijzen, die Hij vraagt, en als onzen koning den eerbied, dien wij Hem schuldig zijn.
Ach, Heer! Gij die met ons een verbond van leven en vrede gesloten hebt, dat Gij heden schijnt te vernieuwen, schenk ons de genade, deze groote weldaad naar waarde te schatten en iu eene eerbiedige vrees te leven voor dit heilig Sacrament, dat onze lichamen en zielen met onsterfelijkheid voedt.
;
O heilig Sacrament! wees altijd het voorwerp onzer aanbidding,. het licht onzer oogen, de vreugde onzer
I) Joa. XT, 13.
217
harten en het voedsel onzer zielen. O onuitsprekelijk geheim, ik aanbid U stilzwijgend en herhaal met den welbeminden Apostel: Ik erken en geloof de oneindige liefde, die God voor ons heeft. 1)
O Sacrament van leven, tarwe der uitverkoornen, voedsel der engelen, wees reeds hierbeneden het onderpand uwer goddelijke vereeniging, die eens onze eeuwige zaligheid moet uitmaken. Amen.
Drie en Twintigste Hoofdstuk.
Voor hel Feesl van hel II. llarl van Jezus.
Ik zal ze tut mij trekken door banden van liefde. Oxse XI, 4.
O Jezus, mijn aanbiddelijke Verlosser, Vader vol teederheid en barmhartige liefde, getrouwste, toege-negenste Vriend! Mijne ziel snelt tot U , en mijn hart, overvloeiende van dankbaarheid en liefde, vlucht tot het Uwe om, door uw licht bestraald, door uwe schoonheid versierd te worden!
Wie ben ik, o Jezus, die deze woorden tot U durf te spreken, om U mijne liefde te betuigen, in al mijne onmacht en zwakheid? Waarmede heb ik verdiend, dat God op mij nederzag, op mij zijne nederige dienstmaagd, op mij het ellendigste zijner schepselen ? Wat heb ik gedaan, om te durven verlangen naar dat opperste goed, om te durven hopen die onvergelijkelijke schoonheid te mogen aanschouwen , te geraken tot het bezit en het begrip dier schitterende waarheid?
1) 1 Joa. IV, 16.
218
Uwe maclit en uwe goedheid schijnen uit in al viwe werken, o mijn God; doch met welke woorden zullen wij uwe liefde, uwe barmhartigheid uitdrukken, die U tot onze nietigheid heeft doen nederbuigeu ? Want ik ben het niet, helaas! die U heeft uitverkoren ; maar Gij zijt het die ons eerst bemind hebt. 1) Hoe zou ik niet beschaamd en getroffen worden, wanneer ik ü het bezit zie begeeren van een hart, zoo verachtelijk als het mijne?
En nochtans, ik gevoel het, o mijn Jezus, Gij doot mij maar al te wel verstaan, dat Gij alleen in staat zijt, aan deszelfs behoeften en verlangens te voldoen; dat het alleen in U kan vinden wat geen enkel schepsel het geven kan; dat het alleen in U is, dat het rust en geluk kan vinden. O hoe vurig verlang ik met den ontsterfelijken Koning des Hemels, die heerlijke vereeniging te sluiten, waartoe Hij mij wril noodigen! Hoe innig verzucht ik naar den dag, waarop ik geheel iu en door Hem zal leven,
Luister dan naar mijn zuchten, o mijn welbeminde Verlosser, hoor mijne beden, want U zoeken de vurige verlangens mijns harten! O leiden mijner ziel, verander in eenen vreugdezang den noodkreet, dien ik in de vurigheid mijner begeerten tot U opzend. 2)
Waarheen zal mijne bewondering mij voeren, dan tot Hem, die het Begin en de Voltrekking is van alle goed? Mijn mond zal onophoudelijk zijnen lof zingen, zijne barmhartigheid verkondigen, zijne schoonheid verheffen. Mijn hart vloeit over van vreugde aan den voet van dat kleine tabernakel, waarin mijn Verlosser wil wonen, en geduldig de ziel afwacht, welke zij ne macht en de verlangens zijner liefde begrijpe!
1) Joa. IV, 10. 2) H. Gertrudid.
219
Ja, Heer, Gij zijt mijne hoop, mijne glorie, mijn geluk, mijne zaligheid! Naar ü dorst mijne ziel, in U vindt mijn geest zijn leven, in U verheugt zich mijn hart! Aan U, o beminnelijke Zaligmaker, wijd ik de hulde mijner aanbidding, de zuiverste liefdegevoelens vau mijn hart; mogen zij vereeuigd met die der engelen en heiligen U verheerlijken en U schadeloos stellen voor de onverschilligheid der menschen. Ja, ik herhaal nogmaals: Gij zijt alleen mijne glorie, mijne eer, mijn rijkdom. O welk een geluk, Jezus te beminnen! gelukkig de ziel, die Hem tot haar eeuwig erfdeel heeft verkoren! 1)
ViEii en Twintigste Hoofdstuk.
Voor den Fecsldag van hel B. flart Tan Jezus.
Ziedaar dat Hart dat de menschen zoo zeer bemiut en zoo weinig wederliefde vindt. Gel. Marg. Maria.
0 kon ik ze vergezellen, die heilige scharen, die telken jare op dezen dag zich voor uw goddelijk Hart, o Jezus, gaan nederwerpen!
O kou ook ik U spreken van mijne liefde in dat geregend oord, waar Gij eertijds aan de gelukzalige Margaretha Maria zijt verschenen, alwaar Gij haar de oneindige teederheid hebt ontsluierd, die Gij uwen kinderen toedraagt, en de droefheid, welke hunne onverschilligheid en ondankbaarheid U veroorzaken.
O hoe zoet zou het mij zijn, konde ik mij met die zielen vereenigen om uw Hart te troosten en aan
1) H. Beniardua.
220
hetzelve de liulde mijner getrouwheid te brengen! Maar vooral, mijn aanbiddelijke Meester, wil ik mijn ellendig hart in het uwe komen nederleggen. In dien vuurgloed van liefde, in dien afgrond van mededoogen zal ik nieuwe kracht gaan putten; in dat veilig toevluchtsoord zal ik al mijne zwakheden en mijn lijden komen nederleggen, aan die bron van leven zal mijne ziel het hemelsch Manna vragen; in dat brandpunt van ijver zal zij zich komen verwarmen aan dit vuur, waardoor zij wenscht voor U te verteren, o mijn Jezus; want uw Hart is inderdaad dat reukaltaar van hetwelk de zoetste geur tot God opstijgt. 1)
Maar wat kan ik op mijne beurt U aanbieden in ruiling der gaven, die ik van U afsmeek? Kan ik U eene enkele deugd aanbieden ? Kan ik U zeggen, Gij ziet het, mijn goede Meester, ik heb naar uwe stem geluisterd, ik ben op uw roepen toegesneld, ik heb ter uwer liefde dit lijden verdragen, aan die voldoening verzaakt, dit ofler gebracht? Noch minder: kan ik betuigen dat ik ü alleen aanbid, ü alleen bemin, aan U alleen denk, voor U alleen werk en leef?
Hoe ver ben ik er van verwijderd aldus te mogen spreken, wanneer ik daarentegen zoo vol van mij zeiven, zoo gevoelig aan de liefde der schepselen, zoo gehecht aan de goederen deze aarde, zoo vol eigenliefde ben? Ja, wel tot mij moogt gij zeggen: Gij eert mij met de lippen, doch uw hart is ver van mij. 2) Nochtans gevoel ik, mijn God, dat Gij mij geheel wilt vervullen. Maar ik, helaas, weiger mij geheel aan U over te geven, ik weersta aan uwe dringende uitnoodiging, ik misbruik uwe gunsten.
1) Eiodi XXX, 7, 8. a) Matth. XV, 8.
221
ik ben ongevoelig voor uwe oneindige teederlieid, aan liet geduld, waarmede Gi] mijne onvolmaaktheden verdraagt. Verander dan die dorre en onvruclitbare aarde van mijn hart in een paradijs van deugd, in een gezegend veld, dat vruchten van godsvrucht en heiligheid voortbrenge! Geef dat ik niet langer ongevoelig blijve voor die liefdevolle klacht, die Gij van uit dit tabernakel, waarin Gij uit liefde tot mij gevangen blijft, tot mij richt: »Ziedaar mijne dochter, dat Hart dat u zoo zeer bemind heeft en zoo weinig door u bemind wordt! quot;
Bij het hooren van die zoete stem, bij dit teeder en billijk verwijt scheurt mijn hart zich van droefheid, en betreurt bitter zijne ondankbaarheid en onmacht! Ja, mijn Jezus, diep getroffen en ontroerd, betuig ik U thans luide mijne liefde en genegenheid! Maar, helaas, mijn goede Meester, waar zijn de bewijzen mijner getrouwheid? Hoe komt het, dat ik in mijzelven geen edelmoedigheid genoeg vind, om Ü te troosten en ü mijne onverschilligheid te doen vergeten? Hoe komt het, dat ik, bij het zien der smarten van uw aanbiddelijk Hart, door zelfverloochening en vrijwillig lijden, U niet beter mijn medelijden betoon? O mijne ziel, bedenk, dat niets moeielijk valt, als men oprecht bemint. Geef dan, o Jezus, dat ik U moge beminnen en altijd uwe goddelijke omhelzing zoeken, 1) dat ik nimmer uwe weldaden, uwe barmhartigheid en uwe liefde vergetc, en dat ik in de goddelijke schuilplaats van uw Hart moge verblijven in den tijd en de eeuwigheid. Amen.
1) H. Hieronymus.
Vijf en Twintigste Hoofdstuk.
Toewijding op hel fecsl van bel U. Hart van Jezus.
De mnsch vii.dt eene woning, en de tortelduif eco nest; uwe altaren mo^en mijn deel zijn! I\'s. XXXII. 3, 4.
Aan uwe heilige voeten, o Jezus, zou ik willen leven en sterren; en nooit zou ik willen ophouden» die met mijne liefdetrauen te besproeien. Daar in mijn niet nedergezonken, zou ik uwe genaden willen afsineeken en voor altijd uwe barmhartigheid bezingen!
Het verkrijgen dezer gunst, mijn goddelijke Meester, ware reeds een oneindige weldaad; ik weet het, o Heer, doch nog veel meer durf ik van uwe liefde vragen en hopen. De groote gunst, die ik ü thans kom afsineeken, o mijn Jezus, is de genade, mij tot uw Hart te mogen verheffen, in die aanbiddelijke schuilplaats te mogen doordringen en mij daarin met al mijne ellende te begraven.
O laat mij in dien vuurgloed van liefde en onuitsprekelijke schoonheid het toevluchtsoord zoeken en vinden, dat mijne ellende behoeft; laat mij in die rijke bron de deugden putten, die mij ontbreken! Mijn hart zucht naar die plaats van rust en vreugde; mijne ziel begeert dat heilzaam bad, dat hare kracht zal versterken; zij verlangt de diepte te peilen der goedheid en liefde, besloten in dat Hait, dat zich heeft laten doorboren om haar te redden, iat geopend blijft om haar te ontvangen! Reeds stort zij zich uit in eene vervoering van dankbaarheid, bij de gedachte aan het geluk, dat haar wacht!
Gij ziet het, o mijo Jezus, alles voert mij totü! O sla dan uwe oogen op de behoeften en de begeerten
223
van uw kind; open mij, gelijk aan uwe zoo bevoorrechte dienstmaagden, de deur van die geheiligde woonstede; laat haar intreden in die vlekkelooze woning, waar zij tegeu alle gevaar bevrijd zal blijven. Sta haar toe, zich te dompelen in dien oceaan van teederheid, waar zij nieuwe kracht zal verkrijgen om U beter te beminnen; laat haar doordringen in dat aanbiddelijk heiligdom , waar de smart in vreugde verandert, en ü daar al hare zielsvermogens, geheel haar bestaan, haar leven zelfs ten offer brengen om deel te hebben aan het uwe!
Moge mijn hart, o Jezus, in deze zoete vereeni-ging met uw goddelijk Hart, zich geheel onthechten van al wat het nog aan de aarde en de schepselen bindt, dat het U de hulde brenge van al de gaven, die het van uwe goedheid ontvangen heeft, en ü alles wat het nog kan boeien en bekoren, ten offer brenge om innig, geheel en voor altijd aan U te behooren.
Moge mijn hart, eenmaal in het goddelijk- vuur uwer liefde gedompeld, voor altijd voor U branden met datzelfde liefdevuur, dat ü voor ons verteert; dat eene vonk uit dat Hart in het mijne een hevigeu brand, een onbluschbaren ijver steke, die het geheel vertere en het naar nieuwe offers doe verlangen! Dat alles dien ijver voede! Dat de moeielijkheden, de tegenspraak, de strijd, het lijden van lichaam en ziel dat geheimzinnig hout vormen, dat in dezen liefdegloed geworpen, het vuur voede en de vlammen vermeerdere.
In één woord, mijn Jezus, wees Gij mijn Al!, want aan U behoor ik, tot U vlucht ik op de vleugelen der duive om mij tot U te verheffen en in U te rusten. 1)
l) Ps. IV, 6.
Zes en Twintigste Hoofdstuk.
Voor bel feesl der Bezoeking m Maria.
Van waar geschiedt mij dit, dat de Moeder des Heeren tot mij komt? Lucce I, 43.
Tot u, o heilige Maagd, kom ik met liefde en vertrouwen op dezen dag, waarop alles mij herinnert aan uwe teedere liefde en aan de groote genaden, welke uwe zoete tegenwoordigheid in de zielen uitwerkt. Kom en bezoek ook mij, lieve Moeder; kom mij dat Licht brengen, dat uit uw goddelijk Licht, dat iederen mensch bestraalt, 1) uitvloeit, en dat gij het geluk hebt gehad, in uwen zuiveren schoot te dragen! Kom, en deel mij die heilige vreugde mede, die zich bij uw intreden meester maakte van het hart uwer nicht Elizabeth, waardoor haar kind van vreugde opsprong in haren schoot. 2) Geef dat ik, gelijk zij, de wonderen door God in u gewrocht, o zalige Maagd, wel moge begrij pen, en sta mij toe, de zwakke tonen mijner dankbaarheid te paren bij uwe glorierijke zielsverrukking, om aldus de verhevenheid en den luister te verheffen van de gaven des Allerhoogsten en de heerlijkheid zijner plannen, vol barmhartigheid en liefde!
Ja, kom ook tot mij, buig u neder tot mijne ellende; en moge bij uwe nadering ook mijn hart opspringen van vreugde, en met Elisabeth herhalen; van waar geschiedt mij dit, dat de Moeder des Heeren tot mij komt, en mij de gezegende vrucht haars lichaams brengt om mij eeuwig te doen leven!
1) Joa. 1,9. 2) Lucie I, il.
225
Ja, ik dank ü, o God, dat Gij met zooveel welbehagen hebt nedergezien op Haar, die Gij mij tot moeder en beschermster hebt gegeven! Gezegend zij uwe goedheid, die Haar zoo overvloedig heeft vervuld met de genaden, die wij allen van haren overvloed ontvangen. 1) Gezegend zij uwe barmhartigheid, die hare diepe nederigheid heeft verheven! Gezegend zij uwe liefde, die Haar gekozen heeft tot medewerkster van \'s menschen verlossing! Gezegend deze woorden door uwen mond gesproken, welke tot de zalige Maagd Maria gericht waren: Gij zijt geheel slt;;hoon , mijne welbeminde, en er is geene vlek in U! 2) Mogen deze welluidende woorden immer in mijne ooren weerklinken en mijn hart verheugen! Met de glorie der moeder moeten zij de vreugde der kinderen uitmaken !
Ja, mijne vreugde, mijne gelukzaligheid is U groot en verheven te zien, o Maria, te weten dat Gij door God bemind, door de engelen verheerlijkt, door de menschen gezegend zijt, als de Koningin van hemel en aarde. Maar als ik zooveel geluk gevoel u hierbeneden te loven, o Maria, wat zal het dan zijn, u iii den hemel te beschouwen, u te beminnen , door u bemind te worden; want gij alleen, o Maria, vormt reeds een paradijs van vreugde; want al wat, na God, in het hemelsch vaderland schoon, liefelijk, aangenaam, beminnenswaardig is, dat zijt gij, o Maria, gij, zoete Opper vorstin der harten. 3)
1) H. Bernardaa. 2) Caut. IV, 7. 3) H. Bernardua.
15
die
Zeven ek Twintigste Hoopdstük.
feesl Tan de B. Maria Magdalena.
Zij stortte haar bloed niet; maar zij stortte tranen. en wischte hare zonden uit.
H. Chrysostoinus.
ik,
alles
mijr
yen
alles
Hel
zout
Als eene andere Magdalena, wil ik heden aan uwe j]c
voeten verwijlen, o mijn Meester en Zaligmaker; g]ec:
want moet ook ik mijne vergiffenis niet door tranen jo ,
van liefde en rouw komen afsmeeken? O hoe zoet wel]
is het voor eene zondige ziel, zich aan uwe voeten dors
te komen vernederen, en zich te doordringen door ondi de gedachte aan hare ellende en nietswaardigheid
• en i
Hoe troostend is het voor haar, zich in den onein- geej
digen oceaan uwer barmhartigheid te dompelen, om allei van alle vlek gezuiverd te worden! Geef ook mij, V
mijn goede Meester, gelijk aan die zondares, aan trac
■wie Gij, in plaats eener veroordeeling, de ver- des zekering gaaft, dat hare zonden vergeven waren, O
geef ook mij de verzekering, dat mijn zondig leven met
mij vergeven is, en dat de tranen, in de bitterheid te b mijns harten gestort, mijne vlekken hebben afge- G
wasschen. Sla ook op mg, gelijk op deze uwe dienst- in r
maagd, dien teederen en medoogenden blik, die de om
hoop en het vertrouwen wedergeeft: en doe mg ook afge
dat woord hooren: Vele zonden worden haar vergeven, oors
omdat zij veel bemind heeft! 1) Ja, zeg mij, dat haai
mijne liefde, hoe zwak, hoe onvolmaakt ook, uw ruin
Hart heeft getroffen, en dat Gij mijne liefdebetuigingen, bekt
1)
1) Lucte VII, 47.
227
die ik U dagelijks doe, alsook mijne nederige en geringe diensten gelieft aan te nemen.
Gij weet het, mijn Jezus, van ü verwijderd leefde ik, als leefde ik niet; want alles was mij tot last, alles deed mij zuchten, klagen en lijden. Niets kon mijne oogen bekoren, noch de verlangens mijner ziel vervullen; ik wandelde en leefde voort, omringd van 3 alles wat mij het leven kon aangenaam maken, maar zonder ooit rust, zonder vrede te vinden; wanneer lw® ik mijne voldoening zocht in de ijdelheid, vond ik er\' slechts teleurstelling, walging en berouw; zocht ik ien in de genegenheid der menschen die vriendschap, \' welke mij het geluk zou aanbrengen, waarnaar ik engt; dorstte, zoo vond ik slechts onstandvastigheid en oor ondank. O bedriegelijke wereld, gij belooft het leven . en 91J geeft den dood, gij belooft de vreugde en gij !quot;i- geeft de droefheid, gij belooft de rust en ziedaar, .. alles in u is verwarring en onrust. 1)
ii)» , \\\\isch, o Heer, die levensjaren uit, die ik doorban bracht met U te beleedigen; wisch ze uit het boek er- des levens; beschouw ze als hadden ze nooit bestaan! en. O ik smeek U, begin mijne dagen slechts te tellen fen met dien, waarop ik begonnen heb ü te kennen,
te beminnen en geheel voor U te leven!
g?\' . GlJ .alleen, o mijn beminde Meester, kon die leemte ist- m mijne ziel aanvullen. Hoe toch zou zij, geschapen de om zich met uwe liefde te voeden, na duizendmaal afgewezen te zijn van het goede pad, niet tot haar •en, oorsprong willen terugkeeren, terwijl uwe genade haar uitnoodigde en al de hindernissen uit den weg uw numde! Want de wet des Heeren, die de zielen en, Bekeert, is zoet en aanlokkelijk; en nu ik haar begrijp.
1
H. Angustinns.
228
o mijn God, nu Gij mij gezuiverd en door Het vuur uwer liefde hebt doen gaan, o wees nu altijd mijn Leven en mijn Al; geef mij, gelijk aan die heilige boeteling, eene getrouwheid, die den toets aller smarten, aller opofferingen kan doorstaan; geef mij een oprecht berouw, een brandenden ijver voor uwe , glorie. Gy hebt mij uwen weg getoond, o Heer; o maak mij dien gemakkelijk; wees mijn gids en
mijn steun; gewaardig U, mij voor te gaan, opdat ei]
ik niet afdwale; en hetzij Gij dien met rozen of met ei]
doornen bezaait, hetzij hij moeielijk of gemakkelijk er
zij, zal de overtuiging, dat die weg mij tot ü voert, Q
mij alles verzachten. zi
Ja, laat mij ü immer en overal volgen: in uwe g
vreugde om U te loven en te verheerlijken, in uw Zi
lijden en bloedige smarten om met U te weenen en di te lijden. Moge ik, gelijk de H. Magdalena, immer
uwe schreden volgen, o liefdevolle Verlosser; dat 0
mijn hart, gelijk het hare, voortaan slechts voor U h
kloppe, o gij de welbeminde Bruidegom onder dm- H
zenden uitvcrkofen. 1) Dat, in één woord, alles wat h
in mg is, die nauwe verééniging vertoone, die tusschen z
U, den liefdevollen en heiligen Godmensch, en mij, z
het verworpenste, doch het dankbaarste, het toege- b
negenste kind uws Harten bestaat. Amen. e
- k h
--o
V t I
1) Cant. V, 10.
Acht en Twintigste Hoofdstuk.
Voor hel feesl der B. Maria
En mijne ziel zal voor Hem leven. Ps. XX , 33.
Gij hebt de nederigheid uwer dienstmaagd beschouwd en Gij hebt, o Heer, ü gewaardigd haar in hare ellende tot U te trekken. Wees duizendmaal geloofd en geprezen, o almachtige, oneindig aanbiddelijke God! Dat mijne ziel, door dankbaarheid bezield, zich dan voor U uitstorte in lof- en dankliederen! Gij hebt hare handen verbroken, o beminnelijke Zaligmaker, ik zal U een offer van lof aanbieden, 1) de hulde van een berouwvol en beminnend hart.
Gelijk Magdalena, hebt Gij mij tot U geroepen, o Jezus; en daar aan uwe voeten nedergeknield, hoorde ik uwe stem, die mij zegde: »0 ziel, die ik met mijne barmhartigheid gevoed en overladen heb, die mij zooveel heeft gekost en mij zoo dierbaar zijt geworden, zult gij mij nu getrouw blijven, gelijk zij die ik u tot voorbeeld stel, en die van het oogen-blik af dat ik haar tot mij riep, slechts liefde en edelmoedigheid was ?quot; Zult gy mij ook eenmaal kunnen zeggen; Ik heb U niet vergeten, sedert ik begon U te kennen. 2)
Ja Heer, met uwe genade zal ik dit kunnen, omdat ik gevoel, dat ik U bemin en door U bemind word; U alleen wil ik beminnen, en met uwe krachtige hulp zal ik altijd uwe schreden drukken en U navolgen. Voortaan zal ik, naar het voorbeeld uwer
1) Ps. CXV, 7. 2) H. Angastious.
230
*
getrouwe quot;Vriendin, slechts op uw gelaat mijn oog I
gevestigd houden, om mij wel te doordringen van o J de zuiverheid, de goedheid, de zachtaardigheid, die die daarop uitschijnen; voortaan zal ik slechts luisteren om naar uwe stem, vol teederheid en zoetheid, opdat ner ik uwe goddelijke onderwijzingen wel begrijpe en mij derzelver verheven schoonheid moge smaken; voor- oiu taan zal ik slechts door de ingeving uwer genade, bes door uwe hand geleid, door uw licht bestraald, die wandelen, opdat al mijne werken mogen verdienen U te behagen, want te laat heb ik U gekend, te laat heb ik U bemind, o altijd oude en altijd nieuwe schoonheid. 1)
Voortaan zal ik met Magdalena getrouw uwe schreden volgen, o mijn dierbare Meester, en vraag U slechts de genade, dat ik U, gelijk zij, moge beminnen en dienen, U uit liefde volge tot in het stof van het graf. Ja, mgn besluit is genomen. Om U toe te behooren, o Jezus, wil ik alles verlaten, alles verachten, alles vergeten; want Gij alleen zijt mijne gedachten, mijne begeerten en mijne liefde waardig.
Ik verzaak aan mijzelve, aan al de neigingen vr van mijn hart en mijnen wil; U breng ik de hulde ^ B van mijne kracht, mijne vermogens, van al wat g ik kan of vermag; en ik smeek U, mijn aanbiddelijke i si Meester, tot uwe glorie te gebruiken al wat ik van a uwe goedheid heb ontvangen. En daar uwe vol- d
maakte liefde sterker is dan de dood, geef, bid ik ü, d
dat de zoete en vurige kracht dezer liefde in mij alle v
schepselen vertere, zoodat ik, geheel met ü vereenigd, 1 c o Jezus, mij geheel voede met de zoete gedachte ]
aan ü. 2) 1
f
1
H. Auguetinus. 2) H. Augastions.
231
Maar vooral wil ik met Magdalena aan uwe voeten, o Jezus, die zonden beweenen van mijn vroeger leven, die Gij zelf beweend hebt in den hof van Gethsemani; om door deze tranen de kostbare genade te verdienen van zielen voor U te mogen winnen. Ja, geef viij die kostbare tranen, die niet slechts de vlekken onzer zielen uitwisschen, maar uwe goddelijke voeten hesproeien, en U verplichten uwe heilige voetsporen dieper in ons te drukken. 1)
Negen en Twintigste Hoofdstuk.
Fccsldag der HH. Aposlelen Pelrus en Paulus,
betuiging van liefde en getuouwheid.
Jk ben gewond door liefde tot ij. H. Augustinus.
0 mijn beminnelijke Verlosser, hoe zoet is het mij, uwe onuitsprekelijke barmhartigheid te overwegen! Hoe troostend is het mij te verdiepen in die over-groote liefde, die U aanzet U neder te buigen tot uw schepsel om het tot ü te kunnen verheffen! Ja, bij het aanschouwen van die onbegrijpelijke goedheid, van dat goddelijk mededoogen, dat Gij betoont aan degenen die Gij hebt uitverkoren, kan ik, het kind uwer voorliefde en uwer smart, slechts uitroepen: In U, o Heer, wil ik mij verliezen, mij verdiepen en sterven! In uw goddelijk Hart, in dat brandpunt van schoonheid en genade wil ik een nieuw leven putten, een
1) H. Ambrosias.
232
leven van liefde, van berouw en van ijver. Ja, mijn mi
Jezus, ik wil slechts in en voor U leven; ik wil dat ali
de gedachte aan uwe goedheid, uwe barmhartigheid, da
uwe liefde, mijne ziel vervulle, dat het berouw over we
mijne ontelbare zonden en ongetrouwheden mij al ge de dagen myns levens byblijve, dat mijne tranen ,
onophoudelijk vloeien bij de herinnering aan dien ba
liefdevollen blik, dien Gij op mij wierpt, toen ik li;,
ü vluchtte en weigerde U te dienen. zr
Nog schuldiger dan uw ontrouwe Apostel, heb ik, m
o Jezus, na dit eerste bewijs uwer liefde, nadat ik zi
U had leeren kennen, nog vele dagen ver van U ei
verwijderd geleefd, terwijl ik even vurig was om G
mij in het verderf te storten, als Gij het waart om J mij te redden. Hoe menigmaal, o mijn Verlosser,
heb ik U miskend, verloochend, verraden, beleedigd, d
sedert dat gelukkig tijdstip, waarop uwe genade mij si
de oogen opende en mij uwe barmhartigheid open- o
baarde! Hoe menigmaal heb ik verdiend, niet alleen d
door U verlaten, maar door U verworpen te worden! v Helaas! hoe hardvochtig was dat hart, dat, getroffen,
niet door de hand eens stervelings, maar door uwe 1\'
hand, niet eenmaal, maar honderdmaal, geen enkele t
traan van berouw voor U ten beste had! 1) En niet- l
tegenstaande mgne verblinding en mijne ondankbaar- ■ z
heid, zijn uwe armen en uw Hart mij steeds geopend Si
gebleven, en altijd hebt Gij in uwe edelmoedigheid f\' rijkdommen gevonden om mijne ellende te bedekken! \'
Na zooveel liefde. Heer, weet ik niet meer wat te \'\'
zeggen! In welke taal zal ik U mijne gevoelens 5
schetsen en U mijn lof- en danklied zingen? Al wat in mij is, looft en prijst U, mijn Jezus; maar ,,
1) H. Bernardus.
233
mijne woorden zijn onmachtig om de wonderen uwer almacht en barmhartigheid te bezingen: en mijne dankliederen zyn slechts de ontrouwe nagalm van die welke mijn hart zou uitboezemen, konde het spreken gelijk het gevoelt!
Wie zal naar behooren de zoetheid uitdrukken der banden, die ons met U veréénigeu, o dierbare Zaligmaker? Gij zijt de welbeminde mijner ziel, Gij zijt mijn Al, het eenige voorwerp dat in staat is miju hart te boeien, te hechten en te vervullen; Gij zijt mijn eenigste goed, de troost van mijn ballingschap, en mijne eenige hoop; want als mijn Hoofd geleidt Gij mij, als mijn Herder voedt Gij mij, als mijn Verlosser zuivert Gij mij! 1)
Ik dank en zegen U, myn aanbiddelijke Meester, dat Gij mij tot U getrokken, mij vergiffenis geschonken , en mij bemiud hebt! Ik loof en prijs U, omdat Gij mij onder bet getal plaatst dergenen, die dierbaar aan uw Hart en tot eene eeuwige glorie voorbestemd zijn.
En heden, terwijl alles mij aan uwe overgroote liefde en onuitsprekelijke barmhartigheid herinnert, terwijl ik Petrus, getroffen door uwen goddelijken blik, U berouwvol eene eeuwige getrouwheid hoor zweren, terwijl ik Paulus door uwe almacht ter aarde geworpen, verblind en bestraald door uw goddelijk licht, getroffen door de bekoorlijkheid uwer verrukkelijke schoonheid, U zijn wil zie onderwerpen, U zijne krachten en zijn ijver zie toewijden, zijn leven zie ten offer brengen. Geef, o mijn God, dat ik ook bezield worde met eene groote vurigheid in uwen dienst en uwe liefde. Geef mijn nietig hart een
1) H. Chrysostoraus.
234
brandenden ijver voor uwe eer, leef in mijn geheugen, in mijnen geest, in mijn hart, om ze te doordringen door den geest uwer zuivere liefde!
O Jezus, mijn eenige schat, mijn aanbiddelijke Meester, blijf in my, zonder acht te slaan op mijne ellende, en wees voor eeuwig mijn licht, mijn leven •en mijne liefde.
Dertigste Hoofdstuk.
Voor hel tel der godaanleverandering onzes Ileeren.
En zie, twee mannen spraken met Hem, en het waren Mozes en Eliaa, die in heerlijkheid ver-schi-nen; en zij spraken van zijn verscheiden, dat Hij zou volbrengen in Jeiusaiem.
Lucce IX, 30, 31.
De Hemelen hebben zich geopend en eene stem heeft zich doen liooreu aan de verbaasde Apostelen: Deze is mijn welbeminde Zoon, in wien ik mijn welbehagen gesteld heb; luistert naar Hem. 1)
Het is God die spreekt, en aldus in verheven woorden de liefde bezingt, welke Hij zijnen Zoon toediaa^t ; en is het nochtans die Zoon, die Jezus, niet, die weldra door zijnen Vader verlaten, en door Hem veroordeeld gaat worden tot de vreeselijkste pijnen en den schandelijken kruisdood? Ja, het is Jezus, die de Vader zijn welbeminden Zoon, het voorwerp van zijn welbehagen noemt; Jezus wiens
1) Matth. XVir, 6.
235
glorie Hij verkondigt, wien Hij ons gebiedt te aan.-hooren en na te volgen.
Bestudeeren wij, gehoorzaam aan die goddelijke stem, de woorden en onderrichtingen van het goddelijk Toonbeeld, dat ons is voorgesteld, van den godde-lijken Verlosser, die ons is geschonken; want als Meester heeft Hij ons slechts willen leeren wat Hij ivas, en als Heer heeft Hij ons slechts willen gebieden wat Hij deed. Slaan wij dan de oogen op Jezus als op den stichter en den voltrekker aller dingen, die, in plaats van het gelukkig leven dat Hij genieten kon, het kruis heeft gedragen, allen smaad en alle schande verachtende. 1)
Op de wereld komende om den mensch te verlossen, verbergt Hij, de glorie en Luister des Hemels, zijne godheid om onze menschelijke natuur aan te nemen; Hij verlaat de zaligheid om zich aan al onze ellenden te onderwerpen; Hij verlaat zijnen troon en zijne rijkdommen, om in eenen stal geboren te worden, om in armoede te Nazareth te leven, en onder de grootste vermoeienis aan de glorie zijns Vaders te arbeiden; Hij verduurt de koude bij zijne geboorte, de vermoeienis bij zijne tochten, den honger bij zijn vasten, de droefheid in den hof van Gethsemani, de verlatenheid zijner leerlingen en zijns Vaders op het kruis, en gedurende geheel zijn lijden, de vree-selijkste pijnen, van de zool der voeten tot den top van het hoofd. 2)
En waarom omhelst Jezus dat nederig en verstorven leven, dat leven van lijden, dat den Joden tot ergernis en den Heidenen eene dwaasheid was, 3) dan om den wil te volbrengen van Deng ene, die Hem
I) H. Augostinus. Hebr. XI. 2., 2) Isaioe I, 6. 3) I Cor. I, 23.
236
heeft gezonden, 1) en ons een voorbeeld na te laten, opdal wij zijne voetstappen zouden drukken1? 2)
Doch eeu oogenblik slechts en korten tijd alvorens zijn offer te gaan voltrekken, alvorens gehoorzaam te worden tot den dood des kruizes, 3) verschijnt Jezus aan zijne Apostelen in vollen luister; God erkent Hem voor zijnen Zoon, bestraalt Hem met zijn licht, maakt Hem schitterender dan de zon, glorierijker dan alle glorie! Door dit wonder wilde God aan de Apostelen de grootheid doen zien van dien Meester, aan wien zij zich gehecht hadden, hun geloof bevestigen tegen de weifelingen van het tegenwoordige en het wankelen der toekomst. Ook wilde Hij, dat Jezus, op aarde nedergedaald om ons voorbeeld te zijn, ons toonen zou, hoe groot de glorie is, die Hij voor ons verliet, en welke glorie Hij ons voorbestemt, als wij Hem getrouw op den weg der beproeving volgen. Inderdaad, betoonen de verschillende omstandigheden van het geheim der Gedaanteverandering ons niet, dat men geene kroon kan verwerven, alvorens gestreden te hebben, en dat het geluk des hemels slechts de prijs is van zwaren arbeid en groote moeielijkheden. Wie zijn degenen, welke met witte kleederen gekleed zijn ? vraagt de H. Joannes. Zij, die uit de groote verdrukking zijn gekomen, en hunne kleederen gewasschen en wit gemankt hebben in het bloed des Lams? 4)
Indien gij dus, mijne ziel, met Jezus verheerlijkt wilt worden, bedroef u dan niet over de ontelbare beproevingen, die u overkomen, volg het voorbeeld van uwen God, die, te midden van den glans zijner glorie, slechts behagen vond, over zijn lijden te spreken.
1
Joo. VI, 38. 2) J Petri II, 21. 3) Philijip. I, 8. 4) Apoc. VI, 13,14.
237
Gij weet, de heiligen worden op Calvarië gevormd en op Thabor voltooid! Wees dan geduldig tot de komst van den Heer! 1) Beschouw en begroet dien heiligen berg, dien gij nadert, verlaat u zelve en ga tot Jezus, zijnen smaad van het kruis dragende, 2) met zijne getrouwste leerlingen, met degenen welke flij tot zijne uitverkoornen zal verheffen; en herinner u steeds dit woord des Heeren: Moest dan de Christus ■niet lijden en aldus zijne glorie binnengaan? 3)
Een en Dertigste Hoofdstuk.
Voor het feesl van Maria flcmclvaarl.
gebed.
Zij is voor de menschen een onnitpuftelijken schat, en allen die er uit geput hebben, zijn de vrienden des Heeren geworden.
Sap. VII, 14.
Opent U, eeuwige poorten, opent U; want ziedaar de Koningin van glorie, de onbevlekte Maagd, die in het eerste oogenblik van haar bestaan den kop der helsche slang verpletterde. Het is de bloeiende stam van Jesse, waarop de H. Geest rust, de veilige ark, die onbevreesd op de wateren dei zonde dobberde, de Oosterpoort van het heiligdom, waardoor de God van Israël alleen is uitgegaan.
Machtige Koningin van hemel en aarde, op dezen glorierijken dag, waarop de Hemelen zich openen
1) Jac. V. 7. 2) Hebr. XII, 13. 3) Luca: XXIV, 26.
238
om n te ontvangen, waarop de Koning der koningen op vio hoofd een diadeem heeft geplaatst, zoo rijk, zoo kostbaar, dat geen woorden het kunnen uitdrukken, geen verstand het kan bevatten. 1) Op dezen geze-genden dag, waarop gij met luister bekleed, opstijgt tot den troon des Allerhoogsten, alwaar Hij u aanstelt tot sohatbewaarster en uitdeelster van al zijne goederen, o luister naar ons en verhoor ons!
O Maria, gij, het meesterstuk uit Gods hand, onuitputbare bron van genade, vergeet toch uwe arme kinderen van hierbeneden niet; werp op hen een blik van barmhartigheid en mededoogen, en geef hun uit uwe schatten, wat zij te midden hunner ellende zoo dringend behoeven. Zuchtende in dit dal van tranen, willen wij onze smarten een oogenblik vergeten om ons te vereenigen met de engelen en gelukzaligen, met hen de wonderen te bezingen, die de Heer in u heeft uitgewerkt, de onschatbare gaven te loven, waarmede Hij zich gewaardigd heeft u te versieren, en zijne liefde te prijzen, die u ons tot Moeder gaf. Versmaad, o liefderijke Meesteres, onze harten, onze zwakke klanken niet; en zoo zij onmachtig zijn uwe schoonheid, uwe grootheid en uwe glorie ^naar waarde te loven, dat zij het ten minste niet zijn om onze liefde en uwe barmhartigheid luide te verkondigen! Dat is de dag, dien de Heer gemaakt heeft 1) om uwen naam te verheffen en uwen roem te verkondigen; het is ook de dag, waarop gij edelmoedig uwe gunsten uitstort over degenen, die hier beneden het uur hunner verlossing verbeiden. Toon dan dat gij onze Moeder zijt, en stort over ons die rijkdommen uit, welke uw hart in overvloed bevat!
J) Ps. CX VI 23.
239
Luister dan, o Moeder van genade, luister naar ons zuchten en smeeken; aanschouw onze tranen, onze behoeften, onze ellende; heb medelijden met ons lijden, en spreek tot Jezus over al onze behoeften. O geef aan allen, die u aanroepen, die in u hun vertrouwen stellen, en u als hunne Beschermster en hunne goede Moeder beschouwen, geef hun veel, opdat de dankbaarheid hen verplichte, u veel terug te geven; geef hun, opdat door hen uw naam geloofd en geprezen worde; geef hun, opdat Jezus door hunne werken en hunne deugden verheerlijkt worde!
Gij zijt de glorie van Jeruzalem, de vreugde van Israël, de eer van Gods volk. Wees de Moeder van barmhartigheid, de voorspraak der zondaars, en dat allen bij u zich verheugen en door u getroost worden.\' 1)
Werp een blik van mededoogen op het ongelukkig Frankrijk; zie welke rampen erop zijn nedergestort, sedert zijne vijanden, welke de uwe en die van uwen Zoon zijn, het tot speelbal gebruiken. Heb mededoogen met den rampzaligen toestand, waarin die oudste dochter uws harten verkeert. Indien er onder die kinderen, die het in zijnen schoot gedragen heeft, zijn, die zich er tegen keeren en slechts een gunstig oogenblik afwachten om het te verscheuren en als een buit onder elkander te verdeelen, zoo beschaam hunne helsche plannen. Laat dien grond niet verdelgen , waarop uw voet zich gezet heeft, en zoo vele gedenkstukken draagt van uwe weldaden; laat het niet vallen in heiligschennende handen, die uwe gezegende heiligdommen zouden vernietigen en uit dien grond tot de kiem zelfs van het goede zouden rukken, door Gods genade daarin gestort. Kom , o
1) Judith. XV, 10. H. Anselmus.
240
Maria, en verpletter hen, die gezworen hebben het te verdelgen, met dien maagdelijken voet, waarmede gij de slang verpletterd hebt. Bet is nu het oogen-blik, waarop uwe Almacht de zwakheid moet doen zegepralen, het oogenblik om de trotschen te vernederen , de goddeloozen te beschamen, en te toonen dat gij alleen sterk zijt, vervaarlijk gelijk een leger in slagorde (jeschaard! 1)
En uwe Kerk, o Maria, die geheimzinnige Bruid van Jezus, zij die gij den waren schat uw ér ziel, den eenigen troost van uw hallingschap, uwe vreugde en uwe hoop noemdet, 2) zult gij haar verlaten ? Zult gij haar nog langer laten onderdrukken? Zend uwe heilige legerscharen om haar te beschermen en te verlossen, kom de ketenen verbreken van den stedehouder van Jezus-Christus, en geef aan de geloovige harten den troost, de heilige zaak van den opvolger van den H. Petrus te zien zegevieren!
Moge ook ik, o Maria, den zoeten invloed van uwe weldaden en uwe liefde gevoelen. Laat de dauw des hemels nederdalen op dien dorren, onvruchtbaren grond mijner ziel; geef haar overvloedig deel aan uwe genade, versier haar met uwe schoone deugden, en verander mijn hart in een oord van wellust, waarin Jezus zijn welbehagen moge vinden!
Moge dan eindelijk voor ons, voor Frankrijk, voor de Kerk, die dag van licht en van barmhartigheid aanbreken! liefdevolle Maagd, oorzaak onzer vreugde, door wie het vonnis onzer verdoemenis in eene vrijspraak veranderd is, vergeet de banden niet die ons aan u hechten. Oorzaak onzer toekomstige vreugde, gij die den God des vredes aan de aarde geschonken
1) Cant. V, 3. 2) Gel. Maria van Agreda.
241
hebt, wees reeds vau nu af aan onze zaligheid. Heilige Maagd, door wie Gods genade, op de zielen en op de geheele aarde nederoloeit, 1) doe tot ons die krachtige hulp komen, die wij u afsmeeken. 0 ja, ik smeek u er om, scheuk aan Frankrijk een nieuw leven, aan de H. Kerk eene schitterende overwinning. Ik vraag u deze genade, o machtige Vorstin der wereld, in den naam van uwe smart en uwe vreugde, in den naam van uwe grootheid en uwe glorie; ik vraag ze u in den naam der oneindige verdiensten van Jezus, die u zoo goed, zoo schoon, zoo groot en zoo machtig gemaakt heeft! Atuen.
Twkk en Dertigste Hoofdstuk.
Voor lid feest m Maria Geboorte.
De Wijsheid heeft zich een paleis gebouwd. Prov. IX, I.
Verwijden wij onze harten door de vreugde en de hoop! Zingen wij een dank- en vreugdelied, want heden is eene onbevlekte Maagd geboren; heden is ons de heilige maagd Maria, de goddelijke Hemelbode onzer zaligheid geschonken!
Naderen wij dan tot dat wiegje, waarin deze uitverkoren maagd rust, en begroeten wij dien telg van David, waarin de H. Drievuldigheid haar welbehagen vindt. Danken wij God, met Joachim en Anna, dat Hij eindelijk der wereld een schepsel geeft,
1) H. Beroardas.
16
242
dat in staat is Hem waardig te loven, een schepsel dat een zuiver beeld is van zijne verhevene schoonheid en aanbiddelijke volmaaktheid. Bieden wij, met hen vereenigd, den Allerhoogsten dit meesterstuk zijner Almacht aan, als het schoonste geschenk dat de aarde den Hemel kan aanbieden, als een vlekkeloos offer, dat in staat is den toorn des Heeren af tekeeren en zgne barmhartigheid over ons te trekken. Groeten wij dan met de engelen deze Koningin des Hemels en verheffen wij luide de wonderen, die de Almachtige in haar heeft uitgewerkt!
Stijgen wij nog hooger, verheffen wij ons tot Gods tropn, en beschouwen wij daar de drie goddelijke personen, welke zich tot Maria nederbuigen, zich in haar als in een zuiveren spiegel beschouwende, haar overstroomende met liefde en genadeschatten. God de Vader neemt haar aan als zijne Dochter, de Zoon begroet in haar zijne Moeder, de H. Geest noemt haar zijne Bruid en voegt haar deze woorden toe: Gij zijl schoon, mijne Beminde, en er is geene vlek in u. 1) Gij zijt, o zuivere duive, eenig in deugden en volmaaktheid.
En zoo de dag van Maria\'s geboorte een vreugdedag was voor den Hemel, is het dan voor de aarde geen dag van glorie, van vreugde, van hoop? Welk eene eer toch voor het menschdom, eene dochter Adam\'s uitverkoren te zien tot Moeder van God ! Welke vreugde voor de wereld is de geboorte van dit schepsel, gezegend boven alle schepselen! van die schoone en zachte dageraad, die de komst van de Zon der rechtvaardigheid voorspelde! 2) Welke blijde hoop bracht dat kind op aarde, dat bestemd was,
1) Cant. IV, 7. 2) H. Bcrnardus.
243
onze Moeder, onze Middelares en onze Voorspraak te wezen!
Wij allen, die zuchten in dit oord van ballingschap, die gedrukt gaan onder zware beproevingen, verheugen wij ons; wij, die zuchten in de banden der zonden en beven voor Gods rechtvaardigheid, vertrouwen wij; want in Maria hebben wij eene Moeder, en terzelfder tijd eene machtige voorspraak en eene liefdevolle Middelares.
Ja, verheugen wg ons, en vertrouwen wij op haar; want zij is een oneindige schat, en allen ontvangen uit hare volheid: de zieke de gezondheid, de bedroefde troost, de zondaar vergiffenis, de rechtvaardige genade. 1)
Thans, o Maria, zie ik in u slechts de bekoorlijkheid der kindsheid; uit uwe wieg strekt gij ons uwe armpjes toe en wilt ons liefkozen. Ik snel dus toe, beminnelijk kind, en breng u de zwakke hulde van mjjnen lof en mijne liefde; maar snel ik tot u in de eerste uren van uw leven, zoo is dit ook omdat ik de eerste wil zijn u mijne beden te doen hooren, uwe voorspraak in te roepen en uwe eerste gaven te verkrijgen.
Gij kent mijne behoeften, mijne noodwendigheden; ik ben, helaas, nog slechts een kind in het goede, klein en gering in Gods oog, zijn lof nauwelijks kunnende stamelen, en wankelend op het pad der deugd. Gij, heilige Maagd, die van het eerste oogen-blik uws levens de oogen van God hebt verrukt, doe mij groeien in wijsheid, in licht, in kracht, in liefde; geef aan mijn gebed zuiverder en vuriger klanken, en help mij, naar uw voorbeeld, van deugd
1) H. Bernardus.
244
tot deugd te wandelen, in de nederige en moeielijke paden des levens.
Moge ik eindelijk, naar uw voorbeeld, den Heelal de oogenblikken van mijn bestaan toewijden, opdat alle aan zijne eer en glorie mogeu toegewijd zijn. Amen.
Drie en Dertigste Hoofdstuk.
Voor hel fecsl van Kruisvcrlipffinn.
a
De zaligheid is in het kruis. Nav. v. Chr. 2 B. XI. fc.
O kruis, goddelijke hoop onzer zielen, troost onzer bedroefde harten, heilig hout dat ons verheft boveu de aarde, dat ons ten Hemel opvoert, wees gegroet! Boom des levens, gij die de oorzaak van alle leven gedragen hebt, en het hout dat ons den dood gegeven had, vernietigd hebt, ik zegen U, en bezing luide uwo schitterende overwinning!
O kruis van mijn Zaligmaker, toon mij al uwe schoonheden, opdat ik u op mijne beurt vreugdevol drage, in u het leven putte en door u kome tot het leven der glorie, waartoe gij Jezus gebracht hebt!
O gezegend kruis, geheim van liefde, boek der uitverkorenen, op u wil ik steeds mijne oogen vestigen, u wil ik bestudeeren, om beter de verhevene lessen te begrijpen, die gij mij geeft, en uwe goddelijke onderrichtingen beter te doorgronden!
O kruis dat van alle eeuwigheid door de eeuwige raadsbesluiten bestemd zijt om de grondslag te worden
245
ouzer voorbeschikking, gij later het voorwerp der teederste liefde van eenen God geworden, ik wil uwe glorie verkondigen en uwe gestrengheid beminnen. O kruis, ergernis der joden, dwaasheid in de oogen der heidenen, schrikbeeld der wereldlingen, waarin dan zijt gij verachtelijk en verschrkkelijk, daar Jezus u gezocht en bemind heeft? Waarom zou ik u vreezen, daar gij het treffendst bewijs zijt der liefde van mijnen God en een zeker onderpand der zaligheid, welke Hij mij belooft?
Hoe! ik zou tot het geluk, tot de glorie willen geraken, en ik zou het kruis vluchten, dat ze mij verdiend heeft! Ik zou mij willen verwijderen van Hem, in wien ik mijne vreugde en mijne zaligheid moet zoeken?
Hoe! ik zou het erfdeel mijns Vaders willen bezitten, en ik zou niet zoeken gelijkvormig te worden aan Jezus, het voorwerp van zijne liefde en zijn welbehagen? Mag ik dan vergeten, dat het kruis de stempel is, dien God op zijne aangenomen kinderen drukt, sedert Hij daarmede zijn eenigen Zoon geteekend heeft?
Hoe! ik zou de vriendin van Jezus Hart willen heeten, en ik zou Hem verlaten op dat bloedig spoor dat Hij zijnen getrouwen aanwijst, terwijl Hij hun toeroept: Volg mij en draag mijn juk. Hij die mij volgt, wandelt niet in de duisternissen. 1)
Ik kom, ik snel tot U, goddelijke Meester; want Gij zijt de weg, de waarheid en het leven; niemand komt tot den Vader dan door ^U. 2)
Ik kom, want ik wil den weg ten Hemel inslaan, ik wil eten van die vrucht des eeuwigen levens, voortgebracht door den boom op Galvarië geplant.
1) Joa. VII. 12. 2) Joa. XIV. 6.
246
Ja, ik wil dien heiligen berg beklimmen, met dat kruis beladen, dat voortdurend mijn hart doet bloeden en zoo vaak mijn zwak lichaam nederdrukt!
Houd dan moed, mijne ziel! De God die met één vinger het heelal ondersteunt, zal ook u ondersteunen, en u oprichten, als gij uitgeput nederzinkt! Houd moed; want de genade stroomt van het kruis op u af, en hoemeer gij door het kruis wordt nedergedrukt, hoe overvloediger gij deel zult hebben aan de genade. Houd moed; geef Jezus liefde voor liefde weder, en roem, gelijk de H. Paulus, slechts in het kruis van uwen Meester. 1)
Aan het werk dus, doorloop met geduld de loop-strijd, die ons voorgesteld wordt; 2) en hecht u met nieuwe kracht aan dat heilig hout, waarvan het kostbaar bloed nederstroomt, dat u zal zuiveren en u met een goddelijk vuur zal vervullen.
Met uwe hulp, o mijn goddelijke Meester, zal ;\'k zonder struikelen aan uwe zijde voortwandelen; en door U geleid, hoop ik eenmaal binnen te treden in die zalige woningen, waar Gij mij wilt doen intreden, te midden uwer uitverkoornen, om daar voor eeuwig de wonderen uwer liefde en barmhartigheid te bezingen. Amen.
1) Gal. VI, 14. 2) Hebr. XII, 1.
Vier en Dertigste Hoofdstuk.
Voor hel feesl Tan Allerheiligen.
begeerte naar den hemel.
Wanneer zal ik komen, en voor het aanschijo van God verschijnen? Ps. XI, 2.
O dag van glorie en zaligheid, wanneer zult gij voor mijne ziel aanbreken! Duizendwerf gelukkige dag, die mij in het bezit zal stellen van dien schat, waarnaar ik haak, wanneer zult gij voor mij verschijnen? Wanneer zal dat gezegend uur slaan, waarop Jezus, mijn Koning en Verlosser, mij zal binnenvoeren in die zalige woningen , waar Hij zijne uitverkoornen beloont ?
O hoop zoo dierbaar aan mijn hart, die gevestigd zijt op de liefde en de barmhartigheid van mijnen God, leef altijd in mijne ziel, opdat voortaan niets meer droefheid en verwarring daarin brenge!
Vlucht ver van mij, dwaze vreugde dezer wereld, broze en bedriegelijke vermaken, onvruchtbare rijkdommen, valsche en onbestendige liefdebanden, wat zijt gij voor mij? Mijn hart, zoo lang misleid door uwe ijdele beloften, zoo lang gevoed door uwe bittere teleurstellingen, beeft eindelijk die sclioonheid gevonden , die het kan bekoren, het geluk dat het kan verzadigen, de zaligheid die het kan voldoen; daarom verlangt het naar dat hemelsch Vaderland, en streeft onophoudelijk om het te bereiken; daarom snelt het met een heiligen drift naar die gelukkige oorden, waar reeds zoovele broeders wonen, die de
248
glorie en de liefde van den Bruidegom hunner zielen met blijdschap bezingen; daarom ontlokt het gezicht hunner zaligheid aan mijn hart dezelfde kreet, die de langdurige ballingschap David deed slaken : Wanneer zal ik voor het aanschiju van God verschijnen?
Ach! van uit dit ballingsoord, waarin ik zucht, vereenig ik mij met u allen, o vrienden van Jezus, edelsteenen zijner kroon, vreugde van zijn Hart, om Hem te loven, te prijzen, te verheerlijken! Ware toch mijne zwakke stem krachtig en sterk, om den lof te zingen van den Koning der hemelen! Ware mijn hart vurig genoeg om geheel van liefde voor Hem te verteren! Maar in mijne armoede en ellende, richt ik mij tot u, gelukzalige geesten, en smeek, u de brandende begeerten mijns harten tot den voet van Gods troon te dragen. Wees mijne voorspraak, opdat ik verdiene, eenmaal in uw gezelschap de Bruid te zijn van dien God van liefde en dat ik mij hier in mijn ballingschap trooste met deze woorden van den gewijden zanger: Ik heb mij verheugd over het woord, dat mij gezegd is: Wij zullen het huis des lieeren binnentreden! 1)
1) Pa. CXX, 1.
Vijf en Dertigste Hooi?dstuk.
Voor hel feest van Allerheiligen
Aan de stroomen van Habylonië zaten wij Leder en treurden, bij hlt; t herdenken aan Sion.
Ps. CXXXV, 1.
Wee mij! dat mijne ballingschap verlengd is!... 1) Dit woord van den profeet zweeft steeds op mijne lippen, o Heer! omdat mijn hart smaclit otu U te zien, U te bezitten, en steeds zucht en vreest, U voor eeuwig te verliezen!
O schoone Hemel, o mijn Vaderland, hoezeer verlang ik u te zien! Zalig verblijf der engelen en heiligen, hoe vaak richt mijn oog zich tot u!
ik kan, wel is waar, het gewelf, dat U aan mijne blikken onttrekt, niet doorschouwen; doch ik weet, dat noch oog gezien, noch oor gehoord heeft, noch in \'s menschen hart is opgekomen, iaat Gij bereid hebt voor degenen die U beminnen. 2)
Wat zal het dan zijn, als ik de heerlijkheid en den luister uwer hemelsche woningen in het goddelijk licht zal mogen zien, als mijne ziel zich zal mogen verzadigen aan de glorie der aanbiddelijke Drievuldigheid, als Jezus, die verrukkelijke schoonheid, zich aan mijne oogen zal vertoonen, als de heilige Moedermaagd mij hare armen zal openen, als de heiligen mij te gemoet zullen komen om mij tot den troon van mijnen God te voeren!...
1) Ps, CX1X, 5. 2) T Corr. I, 9.
250
O mijn God, hoe verlang ik uw goddelijk aanscliija te aanschouwen en uwe werken te bewonderen! Hoe verlang ik gedurende de geheele eeuwigheid te herhalen: Ik zie Hem nu, wien ik zoo vurig begeerd hel; ik bezit Hem, in wien ik gehoopt heb; ik hen in den Hemel veréénigd met Hem, dien ik op aarde zoo vurig bemind heb, ik omhels in de volheid der liefde Hem met wien mijn hart innig vereenigd was. 1) Ja , mijn welbeminde is aan mij, en ik ben aan Hem ! 2)
Aan God toebehooren , God bezitten, God genieten, God geheel beminnen! O zaligheid waarmede niets vergeleken kan worden, geluk dat zich niet door menschelijke taal laat uitdrukken, o moge ik alles doen, alles opofferen om TJ te bezitten! Wanneer zal het hemelsch leven, dat het eenig ware leven is, voor mij aanbreken?
Terwijl wij op deze aarde verkeeren, zyn wij, gelijk het kind in den schoot zijner moeder, beroofd van licht, van vreugde, van liefde. Gedurende den tijd van deze ballingschap voedt de H. Kerk, die ons in genade ontvangen heeft, ons met het bloed van Christus, haar goddelijken Brnidegom; en even als de bevruchte moeder slechts denkt aan het behoud van haar kind en aan het geluk, dat zij zal hebben het ter wereld te brengen, zoo draagt die goddelijke Moeder ons met moederlijke zorgvuldigheid, om ons tot de volheid des levens te baren. Doch eens zullen wij haren schoot verlaten, om in de armen van God onzen Vader te vallen! dan zullen wij van de duisternis tot het licht, van den arbeid tot de glorie, van deze ijskoude wereldstreken overgaan tot de heerlijkheid der eeuwige liefde! Dan zal ons alles
1) H. Augustinns. 2) Cant. I, 16.
251
duidelijk worden , omdat wij het licht zullen bezitten; dan zal ons alles zoet zijn, omdat wij de zoetheid zelve zullen bezitten; dan zullen wij door God gevoed, alles in God zien; dan zullen onze geest, ons verstand, ons hart vol van God zijn; dan zal het woord van den profeet bewaarheid worden: zij zullen zich verzadigen aan den rijkdom van uw huis, en Gij zult hen laten drinken aan de stroomen uwer wellusten. 1)
O hemelsch Vaderland, wanneer zal ik uw zaligen drempel overschrijden? wanneer zal ik de dierbaren wedervindeu, in den schoot des Vaders teruggekeerd? Hoe troostend, hoe zoet zal het voor ons zijn, elkander weder te vinden in dat zalig oord, er diegenen weder te zien, met wie wij op aarde dooide teederste banden vereenigd waren, die met ons gezucht en geleden hebben!
Dierbare echtgenoot, teederbeminde kinderen, brave, getrouwe vrienden, dan zijn wij voor eeuwig vereenigd , en eeuwig zullen wij te zamen den God van liefde prijzen en liefhebben, den God dien wij hier te zamen gediend hebben!
Moge die kostbare belooning toch onzen moed ondersteunen gedurende onze dagen van ballingschap! Moge zij ons steeds voor oogen zweven te midden onzer moeielijke beproevingen en smartelijke lijdensuren !
Nog slechts korten tijd, en het uur der verlossing zal slaan; dan zal ik mijnen God zien, ik zal opstijgen tot dien troon, dien Hij mij in zijne liefde bereid heeft. Amen.
1) Ps. XXXV, 9.
Zes en Dertigste Hoofdstuk.
Allerzielendag.
GEBED.
Eeuwige, almaclitige God, Heer van leven en dood, die al uwe werken bestuurt en oordeelt, ik verhef mijne bede tot uwen troon op dezen dag, waarop de H. Kerk degenen herdenkt, die ons in een beter leven zijn voorgegaan.
Welke treurige herinneringen roept deze dag voor mij op! Hoeveel nauwelijks geheelde wonden scheurt hij weder open! Hoe bloedt mijn hart op nieuw bij de gedachtenis dergenen, die ik zoo lief had, en die zoo lang mijne vreugden en mijn lijden met mij gedeeld hebben! Helaas! ik heb ze zien verdwijnen! Het graf heeft zich over hen gesloten; en Gij, o Heer, hebt hen door den doodstrijd in den schoot der eeuwigheid gevoerd!
Maar, o wreede onzekerheid! misschien zuchten die teederbemiude zielen nog tot ü. misschien staan zij voor Sion\'s poorten en wasschen met brandende tranen hunne laatste vlekken uit; want hij alleen zal in uw huis wonen en op uwen heiligen berg uitrusten , die zonder vlek wandelt, en de rechtcaardig-heid beoefent. 1)
Ik weet het, o mijn God, mve oogen zijn zwak, om geen kwaad te dulden; en zij die ik beween, waren zwak en broos, dikwijls traag in het nakomen uwer geboden, wellicht vaak door de dwaling verleid
1) Ps. XIV, 1 , 2, 2) Hab. I, 13.
253
en door de bekoringen aan het wankelen gebracht. Doch gedenk, dat Gij hen als broze vaten gemaakt helt, 1) en dat de zonde en het bederf hen ingeboren waren. Oordeel hen dan niet volgens uwe gerechtigheid, thans nu zij uit het diepste van den cfgrond tot U roepen; 2) wees hen geen gestrenge rechter, maar een vader vol liefde en toegevendheid; vertoon U niet aan hen als dien levenden God in wiens handen het vreeselijk is te vallen, 3) maar als een koning, wiens barmhartigheid oneindig grooter is dan hunne kwaadwilligheid zijn kon.
In hunne bittere verlatenheid, uit die duisternis waarin uwe rechtvaardigheid hen geleid heeft, roepen die arme zielen tot U; want van uwe goedheid verwachten zij hare verlossing en hare zaligheid. Hoort Gij ze niet tot TJ roepen: Mijn God, mijn God, zie op mij neder: ivaarom hebt Gij mij verlaten ? 4) IIoe lang zult Gij uwe ooren sluiten voor mijne kreten ? 5) Wanneer zal ik in uw huis wonen, op uwen heiligen berg uitrusten\'? 6)
Helaas, bij hun heengaan van deze aarde zegden zij: wij zullen het huis des Heeren binnentreden; 7) en thans, verre van Sion verwezen, weenen zij bij het gedenken dier glorie, tot welker aanschouwing zij bestemd zijn. Zij zegden: de Heer is mijn deel voor alle eeuwigheid; 8) en Gij hebt U aan hunne blikken en omhelzingen onttrokken.
0 Gij, die de harten der vaders gevormd hebt, en ons verzekerd, dat Gij ons meer bemint dan eene moeder hare kinderen, kunt Gij de smart dier arme zielen zien, zonder getroffen te worden? Open haar
1) Job X, 9. 2) Ps. CXXIX, 1. 3) Ht\'br. X. 31. 4)PS.XX. 1. 5)P8. XXIX, 5. 6) Ps. XIV, 1. 7) Ps. CXX, 1-. 8) Ps XXI. 25.
254
dan uwe armen en uw Hart, vervul haar brandend verlangen naar uw bezit, o goede Jezus; laat voor hen de dageraad der eeuwigheid opgaan, laat de glans uwer godheid hare oogen bestralen. O mijn God, gedenk dat zij het erfdeel zijn van uwen god-delijken Zoon, dat Hij op het kruis haar vonnis heeft uitgewischt, dat Hij voor hare zaligheid den bitteren lijdenskelk tot den bodem heeft geledigd. Werp, o Heer, een blik van oneindige liefde om het zoenoffer, dat de H. Kerk U heden op alle plaatsen opdraagt, om uwe rechtvaardigheid te voldoen; en laat mij U met haar zeggen: Heer, geef die zielen de eeuwige rust en het eeuwige licht verlichte haar I O Gij, die voor de glorie van uwen naam den zondaar barmhartig zijt, beschouw met mededoogen onze dierbare broeders, die de dood nog met zijne schaduwen omgeeft; red hen en verlos hen uit de treurige gevangenis; want zij hebben in uwen naam geloofd en hebben dien aanroepen in hunnen laatsten strijd. Een wenk uwer hand en hunne kluisters zullen verbroken worden, één woord uit uwen mond en zij zullen leven. 0 spreek het dan uit, dat woord van zaligheid, o Heer, en zeg tot hen: Even als ik besloten had u gestreng te straffen, ga ik u thans zegenen, nu mijn toorn bedaard is. Staat dan op, mijne welbeminden, legt uwe rouwhleederen af; ik ga u met het kleed mijner gerechtigheid hekleeden, en de kroon der eeuwige glorie op uio hoofd plaatsen. Amen, 1)
1) Banicli. V, 1, 2.
Zeven en Dertigste Hoofdstuk.
Feestdag der opdracht van Maria ia den Tempel
Hoor, o Dochter, en zie, en neig nw oor; vergeet uw volk en het huis uws Vadeis; en de Koning zal naar uwe schoonheid verlangen. Ps. XIV, 12, 13.
( O zoet, o beminnelijk kind, goddeliike Maria, die van uwe teederste kinderjaren af op zulk eene bewonderenswaardige wijze aan de stem des hemelschen Bruidegoms gehoorzaamdet, toen Hij tot u sprak: Sta op, mijne welbeminde, en kom tot mij. 1) Maagd vol genade, die u zoo edelmoedig in den tempel hebt opgedragen, geef mij toch een weinig van uwe brandende liefde en uwe bewonderenswaardige grootmoedigheid, Gij, die door uwe engelachtige zuiverheid hebt willen verzaken aan de groote eer van den beloofden Messias aan de wereld te schenken, geef mij de genade van die heilige deugd, zoo dierbaar aan uw hart, boven alles te schatten. O liefdevolle Moedermaagd, die vurig verzucht hebt naar het gelukkig oogenblik, waarop het u toegestaan zou worden, u den Heer toe te wijden, en die met den profeet herhaalde: Wanneer zal ik komen en voor het aanschijn van God verschijnen ? 2) Geef dat ik ook geen andere begeerte meer koestere dan mij geheel aan Hem te geven en Hem altijd te behooren!
Hoe aangenaam waren den Heer die verzuchtingen T die u tot Hem verhieven! Met welk een blik van welbehagen beschouwde Hij u, terwijl gij zoo getrouw
1) Cant. II. 10. 2) P8. X. 2.
256
den weg der zelfverloochening en liefde bewandeldet! Hoe verheugden de zuivere beden uwer heilige ziel den Hemel, lioezeer verhaastten zij den dag van zaligheid, door God aan zijn volk beloofd!
0 kon ik toch, o lieve Moeder, uw voorbeeld navolgen en standvastig volharden in mijne gebeden en smeekingen! O ware ik toch edelmoedig genoeg om ten allen tijde het offer van mijzelve aan God gedaan te vernieuwen!
Helaas! hoe dikwijls heb ik de banden verbroken die mij aan Jezus hechtten, die banden in het Doopsel samengesnoerd, en aan de tafel des Heeren zoo dikwijls nauwer vast gehecht! Hoeveel ongetrouwheid in mijn gedrag, hoeveel ondankbaarheid in mijn leven! hoeveel onbestendigheid in mijne liefde!
Hoe diep vernederen en beschamen mij mijne lauwheid en mijne traagheid! Ja, wel mag ik met den H. Augustimis herhalen: Te laat heb ik U gekend, te laat heb ik bemind, altijd oude en altijd nieuwe schoonheid van mijn Jezus! En toch, was ik niet geroepen om op uw voetspoor te wandelen en uwe deugden na te volgen, o Maria? Was ik ook niet uitverkoren om de oogen van den Koning der hemelen te behagen, daar Hij mij geleid heeft in de eenzaamheid en mij, even als zijne dierbaarste gunstelingen, geroepen heeft? Maar nog is het tijd, alles te herstellen; help mij daarin, o mijne Moeder, en vernieuw heden voor mij bij God de belofte, die ik Hem zoo dikwijls gedaan heb, van zonder voorbehoud Hem alleen te behooren.
Gij werdt, o beminnelijk kind, als een vlekkeloos offer in den tempel opgedragen, dien gij met den zoeten geur uwer deugden vervuldet. O vraag God voor mij, dat ik ook een offer moge worden, dat
257
zijn Hart aangenaam zij, een offer van zuivere liefde. Strek my uwe hand toe, opdat zij mij helpe om die geheimzinnige ladder te beklimmen, waardoor ik mij tot God kunne verheffen; geef dat ik die bestijge met dezelfde vreugde, waarmede Gij de trappen des tempels zijt beklommen.
Ja, Maria, lieve Moeder, ik kies ook, gelijk gij, God tot mijn eenig erfdeel; naar uw voorbeeld wil ik Hem mijn leven en al wat ik van zijne goedheid heb ontvangen, toewijden; en was mijn offer noch vaardig, noch geheel, zoo wil ik thans ten minste, dat het onherroepelijk zij!
Die genaden van edelmoedigheid en getrouwheid vraag ik vaa God met en door u, o mijne goede Moeder, u die deze genaden zelve in bezit hebt gehad en er zoo getrouw aan hebt beantwoord. Amen.
Acht en Dertigste Hoofdstuk.
Feest der Onbevlekle OnUangenis.
Gij zijt geheel schoon, mijne welbeminde, en er is geene vlek in u. Cant. IV, 7.
O Maria, onbevlekte Maagd, gezegende Dochter des Vaders, Moeder der goddelijke liefde. Bruid door den H. Geest bemind! Gij die de hemelen eeuwig verrukt, die de aarde onophoudelijk aanroept, gij die even groot en machtig, als zoet en barmhartig zyt, werp uwe oogen op dit ballingsoord, waar wij zuchten; luister naar onze smeekingen, welke u onze
17
ZONDAG
H. JOACHIM ^
K. ten 11,01 v. m.
Zonsopgang 4,58 ; ondergang 7,08.
AUGUSTUS
_ H- AGATITHUS.
hebbenfr0ole godsvrucht nebben tot de heilige familie der Moeder Gods ik bedoel tot Joachim en Anna
d e ons^f00 t1eder hebben bemind en die ons helpen kunnen, om eene nlaats
te erlangen in het Goddelijk Hart wSr
op 2.J zooveel ge^g hebben gehad
Croiset.
258
onmacht vertolken, en antwoord op dien noodkreet onzer harten, die zich tot u wenden, uwen lof zingen en hunne beden tot u richten.
0 Maria, gij schitterende sterre des Hemels; gij die waardig bevonden zijt in Gods oogen en verdiend hebt den levenden tempel van eenen God te worden, neig het oor tot mij arm zwak schepsel, dat u aanroept, omdat gij rijk zijt in genade en ik niets bezit, ik, die mij aan uwe voeten werp, omdat gy de veilige toevlucht der zondaars en der berouwvolle harten zijt.
Aan u onze hulde van eerbied, o uitverkoren bloem, door den Heer in het Paradijs zijner liefde geplant! Vlekkelooze lelie, wier goddelijke glans door geen adem bezoedeld is, gij zijt gevoed door den zuiversten dauw, op een grond waarop de helsche slang haar venij n niet heeft uitgestort. Gij verheft u uit uwe eenzaamheid als de geur van een reukwerk tot den troon des Allerhoogsten, wiens welbehagen gij uitmaakt! 1)
Ja, gij hebt recht op onze eerbewijzingen; want gij zijt de schoonste aller bloemen, en de nederigheid en gehoorzaamheid doen in u de zuiverheid der lelie nog meer schitteren. Welke glorie kan aan de uwe vergeleken worden , o heilige Maagd ? En hoe zouden wij den Heer niet loven en prijzen met u, omdat Hij u heeft uitverkoren en bestemd om den Verlosser aan de wereld te schenken?
Sta mij dan toe, o gezegende onder de vrouwen, mij op uw spoor te verheffen tot de eeuwige heerlijkheid, om daar met u een danklied te zingen tot die opperste Macht, tot die onuitsprekelijke Liefde,
1} Caut. II, 6.
259
die in u die wonderen heeft uitgewerkt, waarvan wij heden den dageraad begroeten.
O mijne Moeder, laat van dien troon, waarop uwe groote deugden en verdiensten u geplaatst hebben, een blik van mededoogen vallen op uw kind. Dat uwe handen, met genaden vervuld, zich voor mij openen en een breeden stroom van hemelsehe schatten over mij uitstorten! Geleid mij langs een rechten en veiligen weg, opdat ik eenmaal met. u en alle heiligen des hemels de macht des Vaders, de barmhartigheid des Zoons en de liefde van den H. Geest moge bezingen. Amen.
IDEIRXXB BOEK:.
. De Ziel rael Jezus.
Bezoeken bij het H. Sacrament.
Eerste Bezoek.
Alles is ijdelheid en kwelling des geesles, behalve God te beminnen en te dienen.
Eccle. I, 2, 14 Nav. v. Clir.
De Ziel. Wanneer zal de dag aanbreken, o mijn Jezus, waarop ik U geheel zal toebeliooren? Wanneer zal dit besluit, dat ik zoo dikwijls vernieuw, voor goed bevestigd worden? Is het geen tijd, o Heer, dat mijne wankelende begeerten gevolgd worden van een oprechten terugkeer tot U? Welke vrede zou zich in mij vestigen, indien ik U steeds getrouw ware, indien ik voor goed begreep, dat Gij alleen mijn geest kunt boeien, mijn hart kunt vervullen, en dat alle andere gevoelens daarin slechts verwarring en teleurstelling doen ontstaan. O mgn God, doe mij begrijpen hoe groot de genoegens zijn, die Gij voorbehoudt aan degenen, die U vreezen. 1) Toon mij uwe paden, leer mij uwe wegen. 2) Wees Gij zelf mijn gids en leidsman; geef mij oor en die naar uwe stem luisteren, zonder haar ooit te miskennen; onderwijs mij op uwe wijze en zooals gij dit wilt? 3)
1) Pa. XXX, 23. 2) Ps. XXIV, 4. 3) Massillon.
261
Jezus Christus. Gij vraagt mij meer licht, meer onderrichtingen, mijne dochter; vergeet gij dan, dat ik u tot heden toe onophoudelijk door mijne inwendige verlichtingen gewaarschuwd heb, dat ik u met eene voortdurende goedheid gevolgd heb, als gij mij vluchttet? Zal ik u nu verlaten, nu gij de begeerte toont oprecht tot mij weder te keeren ? 0 mijne dochter, indien gij mijn Hart wilt verheugen, bekeer u dan; trek uwe ziel af van de zonde, die haar den dood toebrengt, om haar tot haren God terug te voeren, die haar licht en leven is, die ze met zijne goddelijke stralen zal verwarmen, en vruchten zal doen dragen aan die goede begeerten, welke mijne genade daarin heeft nedergelegd. Ik wil uw hart bezitten, ik vraag uw hart tot eiken prijs, mijne liefde eischt het; daarom als gij mijne stem miskent, als gij u keert tot de schepselen om hun voldoening en rust te vragen, zal ik op uwen weg distels en doornen zaaien; gij zult de schepselen, die gij bemint, najagen, maar ik zal niet toelaten dat gij ze bereikt.
De Ziel. 0 Jezus, gij vervolgt ons, als wij U vluchten; gij vernedert U zoo zeer, dat gij ons heden toevoegt, die toij verachten. 1) Hoe zou ik mij niet aan uw verlangen onderwerpen? Ja, ik kom tot U weder om ü nog eens te zeggen, dat ik aan zooveel liefde wil beantwoorden, dat ik ernstig wil werken om mijzelven te verbeteren, mij te ontdoen van die kluisters, die mij nog aan de aarde gehecht houden, dat ik ze wil verbreken om vrij tot U te kunnen komen. Maar ik bid ü mij te helpen , o Heer; want uit mijzelve kan ik niets, kan ik zelfs dit besluit geen enkel uur onderhouden.
)) H. Bemardus.
262
Gij weet waarop mijne kracht eu mijn wil gevestigd zijn: op eene opeenhooping van ellende! Ook is een enkele zwakke wind van bekoring voldoende om alles omver te werpen en als zand te verspreiden! Kom dan tot mij in het uur van gevaar, bedaar dien storm door mijne hartstochten in mijn hart verwekt; kom en onderhoud daarin steeds die goede begeerten, welke zich thans daarin dringen en mijne krachten vermeerderen om tegen mijne natuur te strijden.
Kom dan, o Opperheer, Gij die in het hoogste der hemelen zetelt, en uwe blikken op de nederig en slaat; 1) Gij zult mij met uwe schaduw bedekken, en ik zal in veiligheid hopen onder uwe vleugelen; 2) want onder de goddelijke warmte van dit zalig toevluchtsoord zullen mijne krachten steeds aangroeien. Kom mij dan leeren, o Heer, hoe ik mijne vijanden moet bestrijden; o God der heerscharen, onderwijs mij zelf de heilige kunst van dien geestelijken strijd, opdat ik daarin dagelijks bekwamer en moediger worde
O mijn opperste Heer en Meester, werp een vurig en blik op mijne ziel; laat op hare kwijning den brand volgen van een vuur dat haar veriere; druk op hn.ar in onuitwischbare teekenen uw goddelijken stempel; vervul haar zoodanig met TJ, dat uwe liefde de eenige drijfveer zij har er handelingen, uw zoet bezit het eenig doel, ivaarnaar zij streeft. 3) Amen.
Tweede Bezoek.
Genees mijne ziel, ooidat ik tegen ü gezondigd heb. Pa. X , 4.
Ik sloot mijne oogon voor het licht en weerstond aan de genade; ik week terug voor een offer, dat aan mijne natuur zwaar viel; maar God, die als
1) Ps. CXI, 5. 2) Ps. XC, 4. 3) Lodewijk de Blois.
263
d Opperheer over mijne ziel wil heersclien, heeft mij
n overwonnen; Hij gaf aan mijn verstand het helder
ss begrip eener waarheid, die ik niet wilde begrijpen,
n en verplichtte mijn hart tot eene oefening van edel-
n moedigheid, dat het tot dusverre hardnekkig had
; * geweigerd.
, Wel is waar, knielde ik aan uwe voeten neder,
a o Heer, en zuchtte over mijne lafheid; ik deed tot
ü mijnen noodkreet opstijgen, ik worstelde tegen r mijne begeerten en vond de kracht niet ze aau ü
) te onderwerpen; maar hoewel ik ü bad, de oogen
l op mijne ellende te slaan en mij te genezen, hoewel
b ik erkende dat Gij de God zijt aan wien alles toe
behoort en onderworpen moet zijn, gevoelde ik wel, i dat mijn gebed niet oprecht was en dat mijn hart
t in het geheim de banden liefkoosde, die het moest
verbreken. Ja, mijn God, in mijne diepe ellende
had ik den moed niet om, ter uwer liefde, te verzaken dan die vreugden eener dwaze wereld, die Gij vervloekt hebt. Toen deed uwe overtuigende stem zich aan mijne weifelende ziel hooren: » Hoe, mijne dochter,quot; zegdet Gij mij, »gij weet, dat Hij die u dit offer vraagt, uw God, uw Schepper, uw Vader is, en gij durft Hem te weerstaan! Gij weet, dat Hij eeuwig is, heilig in zijne gedachten, wijs in zijne inzichten, ondoorgrondelijk in zijne raadsbesluiten, rijk in zijne belooningen en rechtvaardig in zijne kastijdingen: ik heb u dit geUerd, en gij heht mij niet gehoorzaamd. 1) Gij weet met hoeveel genade ik uwe behoeftigheid heb verrijkt; reeds ziet gij in de verte de glorie, die ik voor u bestemd heb, de plaats die ik u in mijn rijk wil doen bezitten, en gij weigert mij die kleine schatting uwer dankbaarheid.
1) Jerem. XXXV, 14.
264
»Hoe is het mogelijk, dat een schepsel dat slechts bestaat door een uitwerksel van mijnen wil en mijner goedheid, tegen mij durft opstaan, en den prijs durft weigeren mijner liefde en mijner weldaden? Als ik u toesta te naderen tot den voet van mijnen troon, dan is dit opdat gij mij zoudt aanbidden, dat gij mijnen lof zoudt zingen en mijne grootheid zov.dt verkondigen; maar liet is ook opdat gij mijne wet zoudt eerbiedigen en mijne geboden zoudt nakomen. Intusschen miskent gij mijne stem en overtreedt mijne geboden! Haddct gij in mijne wegen gewandeld, gij zoudt in eeuwigen vrede gewoond hebben. 1) Vergeet gij, dat Hij, die u gevormd heeft en u redden wil, ook de macht heeft, u te verdoemen?quot;
Uw woord is waarheid, Heer, en verlicht mij volkomen omtrent de onderwerping en de edelmoedige liefde, die ik U verschuldigd ben.
O daar de eeuwige Wijsheid zich voor uw oog wil ontsluieren, o mijne ziel, u zijne grootheid en uwe nietigheid, zijne kracht en uwe zwakheid, zijne goedheid en uwe boosaardigheid wil toonen, zoo onderwerp u aan zijne wettige heerschappij, laat haar heerschen als oppervorstin over al uwe vermogens, en bedenk dat de liefde tot God dan waarlijk volmaakt is, als men zijn woord onderhoudt. 2)
Ik buig dan het hoofd, o Heer, en verzaak aan al die ijdelheden, aan al die genoegens, die mij nog van U verwijderden. Ik offer mij geheel aan U op en verzaak aan alle begeerten, die iets anders dan U tot doel hebben. Aan U, mijn Heer en Meester, geheel mijn bestaan. Aan U de geestkracht, in mijne ziel nedergelegd! Aan U die zucht om te beminnen,
I) Baruch. II, 13. 2) I Joa. II, 5.
die mij zal helpen, mij tot ü te verheffen! Aan ü al mijne goederen, al de vreugden mijns levens! Aan U den lof, die mij kan gegeven worden over de gaven die ik van U heb ontvangen ! Aan U de troost der vrienden, die Gij mij op aarde gegeven hebt! Aan U de voldoening, die ik smaak in liet volbrengen van het goede, waartoe Gij mij wel wilt gebruiken!
Dat mijne gedachten steeds in ü rusten, in ü r eeuwige schoonheid en eeuwige rust. dat mijne schreden U altijd mogen zoeken, o bron van leven en geluk! dat mijn hart H roepe, dat mijn mond U bezinge, en dat ik mij geheel in U verlieze, o mijn God, in wien zich eenmaal al wat leeft, moet oplossen! O liefde, o goedheid van God, o macht die alles overtreft wat zich laat uitdenken, en nochtans tot ons wil nederbuigen! O teederheid, die meer geeft dan men kan begrijpen, wat kunnen, wat mogen wij aan uwen wil, aan uwe minste begeerte weigeren ?
Neen, geene gehechtheid aan mijzeive meer, niets datü onthoude wat ü toekomt, o mijn God! Heersch voortaan als Opperheer in mijn hart; dat al mijne zielsvermogens aan U onderworpen zijn ; ik wil voortaan slechts voor U leven, en vraag slechts eene zaak, de uitbreiding uwer liefde en uwer glorie, want daarin alleen bestaat rechtvaardigueid en waarheid!
Derde Bkzoek.
Dat uwe vieegt; mij niet beangstige. Heer; wees M»or im, jjeen voorwerp van afschrik» Job XII, 21
Neen, mijn Jezus, ik zal mij niet laten beheerschen door die droefheid, die uw goddelijk Hart beleedigt; ik zal geen plaats meer geven aan die angstvallig-
266
lieden, die mijn geest kwellen en mij belemmeren iot U te gaan. Voortaan zal ik niet meer vreezen, tot U te naderen; want Gij, die den grond des harten kent, gij ziet dat het mijne berouwvol zijne zonden betreurt en begeert U voor immer toe te behooren. Ik zal niet meer vreezen; want de volmaakte liefde sluit de wees uit. 1) Ik zal niet meer beven, wanneer ik mij zoo onwaardig gevoel, tot U te naderen; want ik weet, dat Gij op aarde de vriend waart der zondaars en der berouwvolle harten. Herdenkende dat Gij noch de bede van den goeden moordenaar, noch de tranen van Magdalena, noch het nederig gebed der Kananeesche vrouw, noch zelfs uwe beulen verstoeten hebt, zal ik tot uw aanbiddelijk Hart naderen, tot dat Hart, dat Gij tot schuilplaats aanbiedt aan al degenen die, gelijk ik, belast en beladen zijn door het gewicht van hunne smart.
Neen, mijn Jezus, ik had uw oog niet moeten vluchten, daar gij het mijne zocht, om mij gerust te stellen; neen, ik had niet aan uwe liefde moeten twijfelen, want Gij die oneindig goed zijt, kunt degene die ü bemint, niet verstoeten; en Gij verlangt variyer ons uwe genaden mede te deelen, dan wij hegeeren die te ontvangen. 2)
Indien een kind, door de teederste zorg zijner moeder omgeven , voor haar beefde, en zich vol vrees van haar verwijderde, zouden wij geene reden hebben het van verblindheid en ondankbaarheid te beschuldigen? Dit verwijt, o mijn Jezus, verdien ik ten volle; o nog eens, vergeef mijne zwakheid.
En waarom, o mijn goddelijke Meester, zou ik aan uwe goedheid twijfelen? Ben ik niet meer dan
1) I Joa. IV, 18. 2) H. Augustinus.
267
iemand anders liet voorwerp uwer voorliefde en barmhartigheid geweest, daar Gij mij met uwe ge-trouwste dienaren de eer gunt uw kruis te dragen? Welk grooter bewijs van liefde hebt Gij mij kunnen geven, dan mij deel te geven in uw lijden ? Ik vraag geen ander, en smeek ü , mij steeds aan de verdiensten van uw kruis en uwen dood deelachtig te maken.
0 mijn aanbiddelijke Meester, daar het kruis van U uitgaat en tot U wederkeert, en de ware wijsheid in het kruis bestaat, zoo smeek ik U, laat mij niet langer leven in vrees en zielsangst, en laat mij voortaan de vrijheid vinden in uwe boeien, de rust in uwen arbeid en de zoetheid in den gal en azijn, waarmede Gij gelaafd zijt. Amen.
Vimiuu Bezoek.
, Gelukkig de mcnsch, o Heer, dien Gij
onderwezen hebt. Ps. XCII, 12.
Hoe krachtig werkt uwe genade op mijne ziel, o mijn God! Hoe gevoel ik mij dan eens door vrees bevangen bij het zien uwer grootheid en rechtvaardigheid, en dan weder met vreugde bezield bij het overwegen uwer liefde, uwer oneindige barmhartigheid en uwer onuitsprekelijke goedheid!
Hoezeer gevoel ik dat deze verhevene eeuwige waarheden, door ü zelf veropenbaard, het voedsel, het schild, de kracht en de hoop van elke christelijke ziel moeten wezen!
Wanneer ik uwe rechtvaardigheid beschouw, o mijn God, schijnt zij mij verschrikkelijk, en ik sidder bij de gedachte aan de straf, voor de goddeloozen bestemd. Hoezeer doet de gedachte aan de vreeselijke pijnen, welke dengenen wachten, die zich van ü
268
verwijderen, in mij een heiligen afschrik der zonde ontwaken! En hoe zou mijn hart niet sidderen van vrees bij het overdenken van het rampzalig lot, voorbehouden aan zoovele duizenden zielen, die uwe stem niet willen hooren, slechts aan ü denken om uwe werken te verlagen, en als slaven van de wereld en het vleesch, slechts aan den duivel gehoorzamen.
Helaas! in den overmoed hunner razernij hebben zij het begrip der waarheid verloren , die nog in hun hart spreekt, niettegenstaande hunne pogingen om hare stem te smoren; als slaven der afschuwelijkste driften, verwijderen zij zich steeds meer en meer van den weg der rechtvaardigheid en dragen alom slechts droefheid en verwarring.
O wat zijn zij te beklagen, die door hunne levenswijze niet alleen den godsdienst, maar zelfs de men-schelijke natuur onteeren! Hun woord stijgt tegen den Hemel om hem te lasteren, en hunne misdadige tong doorloopt de aarde; 1) en dientengevolge onnuttig geworden aan uwe plannen van barmhartigheid over hen, onnuttig aan hunne broeders, aan hunne naast-bestaanden; aan zich zeiven eindelijk, zullen zij eens de uitwerkselen uwer rechtvaardigheid gevoelen, zij zullen tot de uiterste droefheid vervollen en omkomen wegens hunne hoosheden; 2) in een vuurpoel gedompeld, zullen zij hunne godslasteringen en goddeloosheid eenmaal gaan boeten door eeuwige wroeging en wanhoop , door de hevigste pijnen en tranen van woede en razernij.
Trek mij af, o mijn God, van die zwakke, onzinnige, misdadige menschen, opdat ik, verre van hunne misdadige voorbeelden te volgen, ook niet
1) Ps. XXI. 9. 2) Ps. XXI, 19.
269
de met hen de uitwerkselen uwer verbolgenheid onder-
an vinde; geef dat ik de kortstondige rampen dezes
it, levens verachtende, geen andere begeerte meer voede,
ve dan uw barmhartigheid te verdienen en de eeuwige
m goederen te verwerven.
ld Maar indien ik, o mijn God, zoo duidelijk het
ti. lot zie, dat den goddelooze is voorbehouden, zoo
n doet Gij mij in even helder licht de glorie zien, den
n rechtvaardigen weggelegd. O sta toe, dat mijne ziel
n reeds te voren die vreugde smake, die hun wacht,
e wanneer zij bij Let verlaten van dit ballingsoord
r U van aanschijn lot aanschijn zullen aanschouwen,
a wanneer zij Bahylon zegevierend zullen verlaten om
in het nieuwe Jeruzalem een eeuwigen vrede te gaan smaken! 1) Welke vreugde zullen zij vinden, o mijn God, in hunne eeuwige vereeniging met U! Met welke zaligheid zullen zij overstroomd worden, wanneer zij U, o God van liefde, voor eeuwig zullen mogen aanschouwen, U onbegrensde oceaan van alle schoonheid, van alle volmaaktheid, van alle glorie!
Dan zullen die zalige zielen de inzichten van barmhartigheid des Heeren over haar begrijpen. Dan zullen zij al die liefdeblijken erkennen, die Hij haar onophoudelijk heeft gegeven. Dan zullen zij rusten op dat Hart, dat slechts klopte van liefde voor haar, dat slechts leed om hare zonden te boeten. Dan zullen zij die heilige voeten kussen, die als zij afgedwaald waren, haar zoo dikwijls vervolgd hebben, om haar tot den schaapstal terug te voeren.
O hoe zoet zal het haar zijn door blijde vreugdezangen uit te drukken al wat het duidelijk aanschouwen van die voortdurende vaderzorg, van die onuitputbare
1) I Cor. XII, 12. MassilloD.
270
■ESBSSS
teederlieid dankbaars en liefdevols haar hart zal ingeven! Hoe gaarne zullen zij dan herhalen: Uwe barmhartigheid, o Heer, heeft ons alle de dagen van ons leven gevolgd, opdat wij in alle eeuwigheid uw huis bewonen. 1)
Ja, mijn God, ik ook wil dat onuitsprekeluk geluk, dat hemelsch erfdeel bezitten; ik wil ook met uw uitverkoren volk eenmaal uwen lof en uwe weldaden bezingen. Maar wat moet ik doen, wat moet ik opofferen om tot die oneindige zaligheid te geraken ?
Jezus Christus. Om tot die zaligheid te geraken,
•• TV 1 •• 0 ..
myne Dochter, moet gij ze verdienen, moet gij den weg van rechtvaardigheid en heiligheid bewandelen, waarvan de ijdelheid verbannen wordt, waarop men van alle zijden slechts waarheid en liefde ontmoet. Om in de vreugde te maaien, moet men in tranen zaaien, 2) en met moeite arbeiden; om eindelijk met my te leven, moet gij hierbeneden kunnen zeggen: Ik sterf eiken dag. 3)
O mijne ziel begrijp deze taal. Gij hebt den Heer tot uwen God gekozen ; de Heer heejt u gekozen voor zijne dienstmaagd en zijn kind; 4) wandel dan in zijne wegen, opdat zijne barmhartigheid u beschutte voor zijne rechtvaardigheid.
Vijfde Bezoek.
Waarom slaapt gij? staat op, bidt. Luc® XXI, 46.
Jezus Christus. Waakt en bidt, opdat gij niet in bekoring vallet. 4) Dezen raad gaf ik mijnen Apostelen op den laatsteu avond mijns levens, toen ik
1) Ps. XXI, 8, 9 2) Ps. CXXV, 6. 3) I Cor. XV, 31. 4) Dent. XXV, 17, 18. 5) Matth. XXV, 41.
271
ze door droefheid bevangen en aan het gevaar blootgesteld zag. En sedert dien tijd, mjine Dochter, heb ik dien onophoudelijk aan de menschen herhaald r hetzij door mijne bedienaars, hetzij door mijn Evangelie of de inwendige inspraken mijner genade; want ik weet, dat zij ook zwak en door vijanden en valstrikken omgeven zijn.
Maar ik vraag het u, begrijpen zij beter dan mijne leerlingen die les mijner zorgvuldigheid, dat woord mijns Harten, en zijn zij getrouwer om het in uitvoer te brengen?
De Ziel. Neen, Heer, wij begrijpen het gewicht uwer goddelijke onderwijzingen niet. Even lauw, traag, ongevoelig als zij, die ü naar den hof van Gethsemani volgden, sluimeren wij ook te midden der gevaren; wij verzuimen onzen toevlucht te nemen tot het gebed, tot dat heilzaam middel dat ons versterkt in onze zwakheden, dat ons behoudt en redt. Daarom laten wij ons verschalken; wij blijven zwak in den strijd, arm in deugd en door onze ellenden bezwaard; daarom vallen wij telkens als de slachtoffers onzer vijanden en zijn wij steeds in gevaar onze ziel te verliezen.
O Heer, wat moet ik doen om mij tegen deze noodlottige traagheid te behoeden en niet, gelijk zooveel anderen, te bezwijken?
Jezus Christus. Luister naar mijne woorden, mijne Dochter, overweeg ze en druk ze diep in uw hart. Waak en hid; deze woorden bevatten de geheele wetenschap van den christen; het geheim zijner kracht. Wat heb ik niet gedaan om de zielen daarvan te doordringen! Hoevele onderwijzingen heb ik niet achtergelaten om het gewicht en de noodzakelijkheid daarvan aan te toonen! Ik zal ze U nogmaals
272
herinneren, luister aandachtig naar mijne woorden.
Heb ik gedurende mijn leven niet voortdurend het voorbeeld gegeven van de waakzaamheid en het gebed? Heb ik, als de gitede Heruer, niet gewaakt om mijne kudde te beschermen en te geleiden? Heb ik een dergenen verloren, die mij gegeven waren? Heb ik aan mijne oogen rust gegund, heeft mijne zorgvuldigheid opgehoiulen. zoolang mijne tegenwoordigheid, mijne aanmoediging, mijne zorgen hun noodzakelijk waren ?
Waakt, zegde ik tot mijne Apostelen, omgordt uwe lenden, draiujl hrandcude lampen in uwe handen, gelijk zij, die d(:n Heer njwnrhtQn, als Hij van het bruiloftsmaal zal terugkeeren. 1) Waakt, gelijk zij die vreezen dat hunne huizen door dieven overrompeld zulleu worden; waakt, want gij weet niet wanneer de Meester zal komen en hetzij hrj bij de tweede of de derde nachtwake kome, weest altijd bereid. Waak, zegde ik nogr tot Petrus en in hem tot alle
7 o o
menschen, alvorens mijn oifer te gaan voltrekken, waak dit uur uws levens dat zoo spoedig voorbij snelt. En dit gebod heb ik gemakkelijk gemaakt; want sedert mijn dood is het licht voor de Christenen aangebroken; de duisternis kan hen niet meer overvallen, want ik bon hunne zon en deze zon gaat nooit onder. 2)
O hoe noodzakelijk, hoe nuttig is deze waakzaamheid, en hoezeer zou ik hiervan al mijne kinderen willen doordringen! Zij is nuttig voor degenen die reeds ver op hunne levensbaan gevorderd zijn, zoowel als voor degenen, die den eersten tred daarop zetten; zij is nuttig voor hen, die reeds een langen glorievollen
1) Lucre XI, 35, H6. 2^ Mgr. Gay.
273
strijd achter zicli hebben, zoowel als voor degenen die pas in het worstelperk treden; want allen hebben denzelfden schat te bewaren, dezelfde vijanden te vreezen, en allen kunnen, zoowel als mijn Apostel, overwonnen worden, als zij insluimeren en op hunne krachten vertrouwen gelijk hij.
Doch om over zoovele moeielijkheden en gevaren te zegevieren, om met vasten tred voort te gaan en gelukkig tot het einddoel des levens te geraken, moet gij niet alleen waken, maar ook bidden. Dezen raad heb ik met even veel aandrang gegeven als den eersten; want hij is niet minder noodzakelijk.
Ja, men moet bidden; want indien de waakzaamheid een menschelijk middel is, dat eene aardsche veiligheid belooft, zoo is het gebed een hemelsch middel, dat ons de hulp des hemels bezorgt. 1)
Ik heb ook gebeden, mijne dochter; geheel mgn levensloop is slechts een gebed van verzoening, van aanbidding, van smeeking geweest; en slechts om de menschen te bemoedigen en hun te leeren, dat zij juist in den tijd der beproeving het meeste moeten bidden, heb ik iu de woestijn bekoord , door droefheid overstelpt, door allen, zelfs door mijn Vader verlaten willen worden. In de woestijn verdreef ik Satan door de woorden der H. Schrift, dat gebed door mijn heiligen Geest opgesteld; gedurende mijne evangelische loopbaan verdreef ik de duivelen, genas ik de zieken, verwekte ik de dooden door mijne ziel tot mijnen Vader te verheffen en Hem te bidden zich zeiven in mij te verheerlijken; in den hof van Olijven was het mijn ootmoedig, onderworpen, aanhoudend gebed, dat het Hart mijns Vaders trof en Hem aanzette,
1) Mgr. Gay.
X8
274
mij eenen engel te zenden om mij te troosten en mijne bedroefde ziel de kracht te geven om den kelk der smart tot den bodem toe te ledigen. Op het kruis eindelijk verkreeg ik, alvorens den geest te geven, door een dringend gebed de vergeving mijner beulen, en kon ook hun de maat mijner liefde toevoegen.
Ziedaar, mijne dochter, wat het gebed vermag; en omdat ik wist, dat het alle macht heeft op het hart mijns Vaders, heb ik gebeden, heb ik den menschen leeren bidden, heb ik hen bezworen, nimmer op te houden te bidden. 1) Vraagt en u zal gegeven worden. 2) Gelooft, dat gij zult verkrijgen al wat gij vraagt. 3)
O mijne dochter, tracht deze onderrichting wel ter harte te nemen en in oefening te brengen. Waak en bid zonder ophouden, indien gij mij getrouw wilt blijven, de gevaren, die u omgeven, wilt overwinnen , de genaden van God wilt verkrijgen en voortgang wilt maken in de deugd. Waak, want uwe ziel is eene sterkte van alle zijden door den vijand belegerd y die slechts het uur van den slaap afwacht om den aanval te wagen, die de minste onbewaakte plaats gadeslaat, om in de vesting binnen te dringen. Sluit dan de ingangen van uw hart voor de schepselen en ijdelheden der wereld; sluit de toegangen tot uwen geest en uwe verbeelding voor de gevaarlijke gedachten die aldaar verwoesting kunnen aanbrengen; bewaar uwe oogen, uwe ooren en al uwe zintuigen voor alles wat u kan bevlekken.
Sluimer dan niet in door eene schuldige onachtzaamheid ; want hij die gezworen heeft u te verderven.
J) Lucte XVJI, 1. 2) Matth.\' VI. 7. 3) Marei X, 24.
275
waakt om u te Terrassen, en hij loopt als een hrie-schende leeuw, 1) gereed zich op zijne prooi te werpen, zoodra het gunstig oogenblik zal aanbreken. Doch yrees niets; als gij waakzaam zijt, zal ik, de sterke en getrouwe Vriend uws harten, op mijne beurt over uwe ziel waken; want ik heb altijd de oogen gevestigd op de woning, die ik heb uitgekozen, en de vijand zal te vergeefs trachten haar te overrompelen.
Waak en bid, mijne dochter, bid altijd, zonder ophouden; want gij hebt voortdurend hulp noodig, en aan u zeiven overgelaten, zoudt gij ook telkens onder het gewicht uwer ellenden bezwijken. Is het dan zoo moeielijk, de handen gelijk Mozes ten hemel te verheffen, gelijk David den mond te openen, en onophoudelijk de oogen gevestigd te honden op de hergen, vanwaar uwe hulp moet komen. 2)
Vergeet ook niet, dat gij in het rijk mijns Vaders machtige beschermers, getrouwe voorsprekers hebt, die altijd gereed zijn voor u ten beste te spreken. Ga met vertrouwen tot de Moeder, die ik u gegeven heb, die u aan den voet van het kruis gebaard heeft, en die de vrucht van mijn lijden en van hare tranen niet wil laten verloren gaan. Aanroep de uitver-koornen, die u in het verblijf der glorie zijn voorgegaan; roep den engel ter hulp, dien ik aan uwe zijde geplaatst heb; want hij waakt ook, opdat uw voet zich aan geenen steen stoote, 3) en hij bidt, opdat gij niet zoudt bezwijken.
Ja, bid en smeek vooral in den naam van mijne verdiensten, van mijn bloed, van mijn leven en mijnen dood; en vergeet de belofte niet, aan u en mijnen apostelen gedaan: Zoo gij iets den Vader in
1) I Petri V, 8. 2) Pa. CXX, 1. 3) Ps. XC, 12.
276
mijnen naam gevraagd zult hebben, Hij zal het u geven. 1)
De Ziel. O mijn goede Meester, hoe zou ik dezen raad, door uwe teedere belangstelling ingegeven, kunnen vergeten? Hoe zou ik dien kunnen verachten, daar het mij zoo voordeelig is dien te volgen, -daar hy zulke troostende verzekeringen, zulke hoopvolle verwachting in zich besluit. Ja, ik zal waken; quot;want mijne ondervinding heeft mij, zoowel als uw woord, geleerd, dat de geest gewillig doch het vleesch zwak is. 2)
Maar, o mijn God, ik zal niet vreezen; want Gij zult mij bijstaan. Ik zal bidden; want ik weet, dat uwe ooren luisteren naar den zwaksten noodkreet, dien ik tot ü verhef, want ik weet dat uw Hart vurig verlangt mij te helpen; en dus zal ik overwinnen , o Heer, daar Gij zelf mij dit beloofd hebt. Amen.
Zesde Bezoek.
Ik heb mijne banden tot XT uitgestrekt: mijne ziel verlangt naar U» gelijk een dorre grond naar den regen. Ps. CX1I,6,
De Ziel. Ach, Heer! mag ik dan uwe stem niet hooren, terwijl ik zoo vurig naar een woord van bemoediging en troost verlang? O kon ik toch uwe goddelijke tegenwoordigheid in mij ontdekken, nu mijn geest en mijn hart zoo ver van ü verwijderd schijnen!
O hemelsche Bruidegom mijner ziel, Gij weet boe ik naar U verlang, naar U verzucht in dit pijnlijk oogenblik, waar al wat in mij is tegen U schijnt
1) Joa. XV, 23. 2) Matth. XXV, 41.
277
samen te zweren, waarop mijne goede begeerten, mijne godvruchtige gevoelens zich nauwelijks kunnen openbaren te midden der dikke duisternis die mij omgeeft, waarop ik vermoeid langer de vreeselijke aanvallen des vijands te wederstaan, op het punt ben te bezwijken!
Ik wil U loven, aanbidden en mij geheel aan TJ overgeven, o mijn aanbiddelijke Meester; en de stem der natuur schijnt de stem myner ziel te overstemmen en mijnen lof en aanbidding te logenstraffen. Ik wil bidden en U mijne teedere liefde betuigen, o mijn goddelijke Bruidegom, en het is mij als of ik U en mij zei ven bedrieg. Door zooveel onmacht en moeielijkheden gedrukt, roep ik tot U, Heer, en Gij schijnt doof voor mijne stem! Mijne oogen zijn vermoeid, tot U op te zien; ik lijd geweld, waarborg mijl 1)
Neen, Gij zult mijn smeeken en roepen niet kunnen wederstaan; want in mijne ellende verneder ik mij, vernietig ik mij dieper dan ooit aan uwe voeten, o Jezus, en leg daar mijn hart, mijnen wil, mijn verstand, en al die vermogens, welke ondanks mij-zelven zich tegen U schijnen te willen verheffen. Ik smeek ü, die te ontvangen, te bedwingen, te behouden en te gebruiken volgens nwen wil, daar ik, ellendige, mij onbekwaam gevoel, ze tot uwe glorie aan te wenden.
Jezus Christus. Mijne Dochter, eene overdreven vrees benevelt uwen geest, en zou mij beleedigen, indien mijn oog niet tot den grond uwer ziel en meeningen doordrong. Neen, ik ben niet ongevoelig aan uw lijden; want ik zelf ondersteun uwe onmacht.
1) Isai» XXXVII, 14.
278
bekroon uw streven en vermeerder het getal uwer overwinningen. Schijnen deze u twijfelachtig, zoo verlies den moed niet, maar zoek in alle nederigheid het geheim om derzelver getal te vergrooten. Uwe ziel is bedroefd, zoo arm te zijn in verdiensten en deugden; maar waarom zijt gij ongeduldiger dan mijne liefde zelfs ? Een boom, die zijne eerste bloesems draagt, kan immers tegelijk geene goede en talrijke vruchten afwerpen.
Laat u dan bewerken door Hem, die u in den wijngaard zijner liefde geplant heeft, en die weet, dat de dag niet verre is, waarop gij volkomen aan zijne liefde zult beantwoorden. Die in den Heer hopen, zullen steeds nieuwe kracht winnen, vederen aannemen als arenden, loopen zonder moeite, voort-wandelen zonder te bezwijken. 1)
Ik ben een jaloersche God. 2) Het hart, dat ik bemin, wil ik volkomen bezitten; en ik zal de vijanden, die zoo vaak moedeloosheid en schrik daarin werpen, wel weten ten onder te brengen Verheug u over dezen voorkeur, mijne dochter, leef in rust en vrede; want, ondanks uwe geringheid, heb ik mijn oog op u geworpen en met welbehagen op u laten rusten.
Ja, uw hart vraag ik; en besproei ik dat hart zoo vaak door den weldadigen dauw mijner genaden, maak ik het vruchtbaar door de werking mijner gloeiende stralen, voed ik het zoo vaak met mijn eigen lichaam en het manna mijner vertroosting, bewijs ik het de teederste, de oplettendste zorgen, zoek ik met de teederste liefde dat zwak plantje te ondersteunen, zoo is het opdat het, op het Hart van uw God geënt, rijke vruchten moge dragen. Onder
1) Isaia; X, 31. 2) Exudi XXXIV, 14.
279
de schaduw mijner vleugelen heeft het wortel gevat, in de brandende stralen mijner liefde put het kracht en sterkte; en wanneer de boom des levens zijn sap en zijne schoonheid zal medegedeeld hebben, zal het diezelfde vruchten van liefde, van lijden, van zelfverloochening voortbrengen, welke eerst geloond zullen worden op dien grooten dag, waarop het verborgen manna aan de overwinnaars zal worden uitgereikt. 1)
Verwacht dan in vreugde en vertrouwen het oogen-blik des Heeren af, mijne dochter; geef mij dagelijks nieuwe bewijzen van moed en getrouwheid. Omhels voor korten tijd nog die beproeving en kwelling, die u moeten zuiveren en u in mijne oogen tot een slachtoffer van aangenamen geur maken, bestemd om eenmaal mijnen schoonen hemel te bezitten.
Zevende Bezoek.
De Bruidegom kwam; en zij die gereed waren, traden met Hem binnen ter bruiloft en de deur werd gesloten.
Matth. XXV, 10.
Waak, opdat, wanneer de Bruidegom komt, uwe lamp gevuld zij met den olie der liefde. Wees bereid, opdat, als de Meester aan uwe deur zal kloppen, gij onbevreesd zoudt kunnen openen; Hem uw hart, gezuiverd en versierd voor zijne komst, zoudt kunnen aanbieden, en zeggen: Gij alleen, o Heer, zijt het voorwerp mijner verwachting!
O hoe zalig zijn die gedachten, die ons opwekken om steeds dat plechtig en gewichtig oogenblik te herdenken, waarop God ons rekenschap van onze
1) Apoo. II, 17.
280
werken zal vragen! Hoe nuttig is het, die vaak te overwegen, en ons wel te doordringen van de gedachte, dat de ivereld voorbijgaat, doch dat Hij die den wil des Heer en volbrengt, in eeuwigheid blijft. 1)
Gij weet, o Heer, dat ik mij verheug in de verwachting van mijn laatste einde, dat ik zucht naar dat oogenblik dat mij nader zal brengen tot ü, dien ik bemin, die mijne hoop en mijn erfdeel uitmaakt. 2) Hoe groot dan ook mijne vroegere fouten, mijne tegenwoordige zwakheden zijn, hoe vreeselijk de gedachte ook moge zijn aan uwe rechtvaardigheid en de kastijding, die Gij voorbehoudt aan degenen die U beleedigen, vrees ik niet; want ik zie in U meer den redder en den vader, dan den onverbid-delijken rechter.
Gij hebt ons bemind en ons van onze zonden ge-wasschen in uw bloed; 3) uwe verdiensten, uw lijden, uw dood, ziedaar mijn rijkdom; dit zijn de onwaardeerbare schatten, die ik God aanbied om mijne schuld te betalen en in mijne behoefte te voorzien; en in dien oceaan van uwe barmhartigheid zal ik mij tot mijn laatste uur gaan afwasschen. En wanneer het oogenblik, door allen zoo gevreesd, zal aanbreken, waarop ik voor uwe goddelijke Majesteit ga verschijnen, zal ik ü zeggen wat ik thans zeg; Ik ben zeer schuldig geweest, ik heb U, mijn God, zwaar en dikwijls beleedigd, maar ik hen voor een grooten prijs gekocht geworden; 4) laat mij niet omkomen, opdat uwe vijanden zich niet verheugen over de vruchteloosheid van uw bitter lijden. Bescherm mij onder de schaduw uwer vleugelen, tegen de god-deloozen die mij kwelden. 5)
DIJoa.II, 17. 2) Ps. CX1I, 7. 3) Apoc. I, 5. 4) I Cor. V, 20. 5) Ps. XV, 10.
281
quot;Verlaat mij niet, Gij dien ik bemind heb uit al de krachten mijner ziel, dien ik nog meer bemin dan mijn eeuwig geluk. Gij weet het, o Jezus, gedurende mijn ballingschap streefden mijne begeerten slechts om U te behagen, mijn wil om ü onderdanig te zijn om voor uwe glorie te werken, mijn verstand om uwe glorie, uwe rechtvaardigheid en uwe liefde te overwegen. Herdenk toch heden die heerlijke belofte: Aan mijne vrienden geef ik het eeuwig leven, en niemand, hoe machtig hij zij, kan ze uit de handen mijns Vaders rukken; 1) zeg mg, dat ik niet zal sterven, maar dat ik eeuwig leven zal, en de werken des Heeren verkondigen. 2)
Ja, zoo zal ik tot mijn Jezus spreken als deze woorden in mijne ooren zullen weerklinken; Zie de bruidegom komt, gaat hem te gemoet; 3) zoo zal ik dien teederhartigen Meester ten mijnen gunste stemmen , als Hij mij rekenschap zal vragen der talenten mij toevertrouwd. O, ik twijfel er niet aan, dan zal Hij mij met goedheid ontvangen en, met zijne barmhartigheid nog eens mijne ellende bedekkende, zal Hij mij dit verrukkelijk woord toespreken: Treed hinnen in de vreugde uws Heeren. 4)
O hoe zoet, hoe beminnelijk is de dood voor de ziel van den rechtvaardige! In dit gelukkig oogenblik ziet zij zonder leedwezen eene wereld aan haar oog verzinken, die zij nooit bemind heeft; zij betreurt niets op deze aarde, vanwaar haar hart met hare ziel vertrekt; zij ziet alles verdwijnen, behalve datgene ivat zij voor God gedaan heeft; zij ivordt doordrongen van vreugde bij de gedachte, dat zij haar vertrouwen nooit in de kinderen der menschen gesteld
l)Joa.X, 28. 2) Ps.CXVII, 17. 3) Matth. XXV, 6. 4) Mattb. XXV.21.
282
heeft, maar in den Heer, die eeuwig hlijft en nu de kroon der onsterfelijkheid op haar hoofd gaat drukken. 1)
O dood, hoe verschrikkelijk gij ook moogt schijnen, verlaug ik toch naar u; waut voor mij hebt gij slechts troost. Is het niet door u, dat ik voor altijd van de zonde verlost, en vereenigd zal worden met Hem dien ik bemin, met Hem, die gezegd heeft; Ik ben de Verrijzenis en het Leven. 2)
O, kom haastig, o dood, verlos mij uit dit leven , opdat ik in de verrukking mijner dankbaarheid moge uitroepen: Gij zijt altijd met mij geweest, o Heer; Gij hebt mij geleid op den weg, dien ik bewandeld heb; Gij hebt mij met het bruiloftskleed der liefde bekleed, en Gij gaat mij binnenvoeren in uw huis, in het verblijf der glorie. 3) Wat blijft mij over te hegeeren, dan U, God van mijn hart, en mijn aandeel in eeuwigheid! 4)
Achtste Bezoek.
De Zoon des rnenschen is gekomen om te reiMeu wat verloren was
Matlh. XVII, 11.
Waarom, o Jezus, zou ik mijne ondankbaarheid niet voor U belijden en U de smartquot; toonen, die ik er over gevoel? Maar Gij weet dat, zoo ik gevoelig ben geweest voor uw billijk vei wijt, ik het evenzeer was voor de edelmoedige vergeving, die Gij, o mijn goddelijke Meester, mij geschonken hebt.
Ja, ik belyd met een vermorseld hart, dat ik, weldra moede ü op een zoo moeiel ijken weg te
1) Massillon. 2) Joa. X, 25. 3) II. Franc. v. Sales 4) Ps. XXI, 24-, 25.
283
volgen, betreurde dien te zijn ingegaan en reeds omzag naar een gemakkelijker pad; maar Gij stond daar, o goddelijke Herder, om uw ondankbaar schaap te behoeden en te volgen, en Gij deedt alles om het weder tot den schaapstal terug te voeren, en herhaaldet steeds: Geloof mijnen raad; keer u tot mij. Zalig de mensch die naar mij luistert; wie mij gevonden zal hebben, zal het leven vinden. 1) En toen Gij het ontrouwe schaap had teruggebracht, hebt Gij het met eene onvergelijkelijke goedheid en minzaamheid den afgrond getoond, die verborgen was onder dat groen en het doodend vergif besloten in die bloemen, die het verlokt hadden.
Toen begreep die weerspannige ziel, dat, zijn er ook op den weg, dien zij u volgende bewandelt, distels en doornen, die haren voet wonden, en hinderpalen, die haren moed vaak doen wankelen, dit nochtans het ware pad is, dat geleidt tot de rust, tot het geluk, tot het leven, en dat elk andere weg ontwijfelbaar tot den dood geleidt. En thans nu de goedertierenheid en de menschlievendheid van God den Zaligmaker getoond heeft, 2) betreurt zij hare dwaasheid en hare afdwalingen; zij beweent die oprecht, o Jezus, en zucht over hare broosheid en onstandvastigheid; zij komt U nogmaals herhalen, dat niets haar voortaan zal kunnen scheiden van ü, die nooit ophoudt haar de bewijzen te geven van de teederste liefde.
O mijn beminnelijke Meester, wanneer zal ik zoodanig aan U verbonden zijn, dat ik slechts aan datgene kan denken wat ü aangaat? Wanneer zal uwe liefde mij oprecht arm van geest maken, en
1) Prov. Vin, 34, 35. 2) Tit. Ill, 4.
284
mij aan alle menschelijke gevoelens ontrukken? O trek de banden, die mij aan ü verbinden, sterker aan; mijn goede Meester, sluit ze nauwer die schakels der ketens die mij met U vereenigen, opdat zij aan elkander gesmeed zijn , gelijk de dankbaarheid en liefde in mijn hart, gelijk de goedheid en barmhartigheid in het uwe.
Neen, goede Jezus, nooit zal ik het weinige betreuren , dat ik ü mocht opofferen; nooit zal ik ü meer den smaad aandoen, ü als gedwongen te volgen op den weg van zelfopoffering en versterving.
Hebt Gij mij uwe weldaden tot een verwijt gemaakt, toen ik ze met voeten trad? Hebt Gij U van mij verwijderd, toen ik, op den weg der dwaling voorthollend, halsstarrig weigerde dien te verlaten? Neen, Gij volgdet mij en bemindet mij voortdurend, ondanks mijne ellende, en uwe genadegunsten waren veel grooter dan mijne ongetrouwheid. Te midden mijner afdwalingen standi Gij mij bij; ik zuchtte, Gij luisterdet naar mij; ik dobberde op de zee der \'wereld en Gij bestuurdet mij; ik bewandelde den breeden weg des verderfs en Gij verliet mij niet; Gij raaktet de wonden mijner ziel aan om ze haar te doen gevoelen, en Gij beweest mij de grootste gunst door mij geen genoegen huiten U te doen vinden. 1)
Op mijne beurt wil ik nu edelmoedig zijn, mijn Jezus, en mij U en uwer liefde waardig tooneu. Door mijn ijver wil ik mijne vroegere traagheid herstellen. Neen, niets meer zal mij moeite kosten , als ik mag werken voor uwe glorie; en ik zal de mijne zoeken in luide uwe goedheid en barmhartigheid te verkondigen, om U zielen te winnen, die
]) H. Atignstinus.
285
met mij uwe barmhartigheid en uwe liefde zullen prijzen. Ja, overal waar Gij zijt, o mijn Heer en Koning, zal voortaan, in leven en dood, uwe dienstmaagd zijn! 1)
Ik geef ü deze verzekering, mijn goddelijke Meester, en beloof U voortaan te lijden zonder te klagen, mij te onderwerpen zonder te morren en alleen in uw medelijdend vaderhart al de bitterheid van het mijne uit te storten.
Negknde Bezoek.
Wij hebben de liefde erkend en geloofd, die God jrgens ons heeft I Joa. IV, 16.
De Ziel. Hoe zoet is het voor mij, o Heer, met uwen welbeminden leerling te herhalen: Wij hebben de liefde erkend en geloofd, die Gij jegens ons hebt! Ja, mijn God, ik geloof aan die eeuwige en onveranderlijke liefde, die ons met haar vuur omgaf, nog voor dat de sterren gevormd waren, voor dat de engelen hun eerste loflied gezongen hadden; aan die liefde zonder begin, zonder verandering, zonder einde! 2)
Ik geloof aan die scheppende liefde, die zich tot het niet nederbuigende, daaruit het meesterstuk uwer handen gevormd heeft, een wezen naar uw beeld geschapen, bekwaam aan uwe liefde te beantwoorden en ze te begrijpen. Ik geloof aan die oneindige liefde, die zich onverdeeld, zonder voorbehoud en in geheel hare oneindige volheid schenkt aan een schepsel, aan een nietigen aardworm, verloren in de oneindigheid der werelden.
1) II Reg. XV, 21. 2) Mgr. Gay,
286
Ik geloof aan die verlossende liefde, die U, mij a God, van den troon uwer glorie heeft doen nederdalen om den menscli te herstellen op den troon, waarvan hij gevallen was, en U noopte ü te vernederen, U op te offeren, om dat zoo beminde schepsel,. een kind van ivraak 1) geworden, te redden.
Tk geloof aan die edelmoedige liefde, die dorstte naar pijnen en smaad, die ons uwe tranen en snikken, uwe klachten en smartkreten, uwe vermoeienissen, uwe liefde en ten laatste uw leven gegeven heeft.
O O
Ja, fleer, aldus hebt Gij de wereld bemind! Ik geloof dit, maar vermeerder mijn geloof, help mijne ongeloovigheid, 2) en toon mij nog beter al de schatten in uw hart opgesloten.
Jezm-Christus. Nooit, mijne Dochter, zult gij de uitgestrektheid en de diepte der oneindige liefde van uwen God kunnen begrijpen. Even zoo goed zou men de hoogte des Hemels hunnen meten en de aarde tot in het diepste har er ingewanden kunnen peilen; \'3) even zoo goed zou men den zandkorrel met den berg, den waterdruppel met den oceaan, de schaduw met de werkelijkheid kunnen vergelijken.
Hoe zoudt gij die eeuwige, onveranderlijke liefde kunnen begrijpen, waarmede ik u liefhad voor dat gij bestondt, terwijl ik mijzelven voldoende was, terwijl ik, verrukt door mijne schoonheid, rijk door mijne schatten, vervuld met mijne onuitputbare liefde, rijk, glorievol, oneindig gelukkig alleen leefde zonder iets huiten mij te hegeeren. 4) Even als er geen oogenhlik geweest is, waarop ik niet leefde in de volheid mijner majesteit, is er ook geen oogenhlik geweest, ivaarop ik u niet beminde, 5) en die liefde
1) Ephe*. I, 3. 2) Marei IX, 23. 3) Jerem. XXX, 37. 4) Mgr. Gay. 5) Pater Faber.
287
is bestendig als mijn woord, als ik zelf. De aarde die ik op zulke vaste grondzuilen heb gevestigd, de hemelen die ik gevormd lieb, zullen vergaan, maar ik zal eeuwig dezelfde blij ren; 1) en de vuurgloed, die brandt in deu boezem der H. Drievuldigheid, zal nooit uitdooven.
Hoe zoudt gij die brandende begeerte kunnea begrijpen, die mij aanzette, mij in mi]ne schepselen uit te storten en hun het leven, de schoonheid, het licht, het begrip, den vrede en het geluk mede te deelen, die in mij zijn, zonder dat mijne glorie en mijne gelukzaligheid daardoor vermeerderden?
Hoe zou uw zwak verstand toch de onuitsprekelijke wonderen kunnen begrijpen, welke die liefde bevat, welke eerst edelmoedig was, doch heldhaftig werd toen het schepsel, in zijne uitzinnigen opstand, mijne gaven verachtte, en ik mijzelven ging aanbieden als zoenoffer voor zijne zouden? Hoe zoudt gij, mijne
dochter, de kracht en den omvang kunnen meten • • . ..
van die matelooze liefde, die mij tot de diepste
vernedering deed nederdalen, mij aanzette om mij
te vernietigen onder den vorm van brood en mij tok
een staat van eeuwigen dood te brengen, ten einde
met de mijnen te verblijven tot de voleinding der eeuwen. 2)
Neen, nooit, mijne Dochter, zelfs dan wanneer uwe ziel, van hare aardsche banden onthecht, de hemelsche schoonheid zal aanschouwen, nooit zult gij die voorbeeldelooze liefde kunnen begrijpen, die
zich hoven alle geschapen liefde verheft; want de engelen zelfs kunnen haar niet bevatten. 3) Doch zonder u een volkomen begrip dezer zaken aan te
1) Ps. Cl, 28. 2) Matlh. XXVII, 20. 3) Pater Faber.
288
matigen, tracht u langzamerhand te verheffen tot die heldere en bemoedigende waarheden; bezie en bestudeer in en rondom u, in de orde der natuur en in de orde der genade, die tastbare bewijzen, die duidelijke getuigenissen mijner vurige liefde, die nimmer voldaan, niet ophoudt met werken, zich voortdurend geeft en altijd zoekt nog meer te kunnen geven. Bedenk, dat die liefde, die den mensch heeft geschapen, heeft verlost, met weldaden heeft overladen , zich tot allen uitstrekt, dat Ik alles wat bestaat, liefheb, en niets haat van wat Ik gemaakt heb, 1) dat die liefde voorkomend is, dat zij het schepsel tot zich trekt, het roept, het vervolgt, en niet ophoudt deszelfs hart te vragen, dat die liefde standvastig en onvergankelijk is, dat niets haar ontmoedigt, niets haar terugstoot, en dat zij zich tevreden stelt met die zwakke wederliefde, die zich met mate geeft aan Hern, die buitenmatig geeft.
Bedenk, dat ik beter dan de teederste moeder waak over den mensch, van het eerste oogenblik van zijn bestaan, dat ik hem alle dagen zijns levens bij de hand geleid, en dat mijne goedheid, zonder ooit moede te worden, hem vergezelt tot het graf.
Bedenk eindelijk, dat het voor hem is, dat ik die schitterende zon aan het firmament heb gehecht, dat ik do hemelen als een azuren sluier boven zijn hoofd heb gewelfd, dat ik de aarde met groen bekleed, de heerlijkste en verscheidenste vruchten doe voortbrengen , en dat ik voor hem, die reeds met zoovele goddelijke gunsten overladen was, nog die andere veel schoonere woning bereid, het hemelsch Jeruzalem, dat door mijne heerlijkheid verlicht wordt, 2)
1) Sap. X, 25. 2) Apoc. XX, 23.
289
waar een stroom van levend water 1) vloeit, en waar hij, met mij vereenigd, ia mij levende en met mg heerachende, zonder vrees mij ooit te verliezen, geroepen is om een eeuwig, oneindig geluk te smaken!
De Ziel. O God, die U gewaardigt, mij zelf te onderwijzen, nu herhaal ik met blijdschap: Ik geloof aan de liefde, die Gij voor ons gehad hebt, en mocht mijne rede zich verwonderen, zoo begrijpt toch mijn hart; geef dan, o mijn goddelijke Meester, dat ik nu, beter alles begrijpende wat Gij voor ons gedaan en geleden hebt, U liefde voor liefde wedergeve! En daar ons hart de eenige gift uwer waardig is, geef ik U het mijne zonder voorbehoud; ik wil ü beminnen voor al degenen, die uwe liefde niet kennende, U niet kunnen beminnen, voor die uwe liefde verachtende, U niet willen beminnen, voor die, welke nog veel ongelukkiger, U nimmer zullen kunnen beminnen.
Geef mij dan de genade, o mijn God, U voortaan eene edelmoedige en vaste liefde toe te dragen, eene liefde die rijk is in hare uitstorting, krachtig in hare begeerten, werkdadig in hare inzichten. 2) Gedoog dat ik mij op de vieugelen der liefde tot U verheffe, daar Gij door overmaat van liefde ü tot ons hebt nedergebogen. Amen.
Tiende Bezoek.
De rechtvaardige leeft door het geloof. Rom. 1,17.
De Ziel. Hoe menigmaal zucht ik met den heiligen koning David, tv aar om zijt gij bedroefd, mijne ziel, en waarom ontstelt gij mij\'? 3) En in de bedruktheid des harten, waarin zij zich bevindt, antwoordt zjj
p 1) Apoc. XXI 1. 2) Mgr. Gay. 3) Ps. XI, 6. XII, 5.
19
290
mij door een stortvloed van klachten, en toont mij, één voor één, al hare wonden, hare rampen, hare ellenden.
En hoe zou ik niet zuchten, wanneer ik my zelve als omringd zie door verveling, door lijden en beproevingen , wanneer ik onophoudelijk moet worstelen tegen de wanhoop van mijn gefolterd hart, wanneer de dood zelfs met wreede hand mij plotseling een deel mijns harten ontrooft. Bij het gevoel der zwakheid mijner natuur, die levendig het verlies harer goederen, de ondankbaarheid, de onverschilligheid harer vrienden, en de scheiding harer dierbaren gevoelt, roep ik uit: Hoe ongelukkig ben ik! de Heer stapelt smart op smart op mij! 1)
Ja, voor mij is alles ontvloden, alles verdwenen, en God zelf schijnt mij te verlaten!... Waarom, Heer, hebt Gij U verwijderd, smaadt Gij ter gelegener tijde, in de beproeving te helpend 2) Waarheen zal ik mijne oogen wenden, daar alles rondom mij somber en duister is? Waarheen zal ik mij wenden om hulp te vragen, daar allen zich van mij verwijderd hebben? Aan wien zal ik woorden van troost gaan vragen, daar geen enkel hart oprecht mede-lijden met mijn verdriet getoond heeft?
Ik gevoelde de ijdelheid van alles wat God niet is, de nietigheid van alles wat niet tot God geleidt, en zocht sedert lang te sterven aan alle schepselen en alle zaken. Maar, helaas! thans gevoel ik, hoe weinig die gedachte aan mijzelve in mijn hart uitgedoofd is, daar ik zoo levendig mijn ongeluk en de onstandvastigheid dergenen gevoel, op wie ik meende te mogen rekenen! En toch, o Heer, zal
J). Jerem. IV. 3. 2) Ps. IX, 22.
291
ik niet ophouden te strijden om U getrouw te blijven; want Gij alleen kunt mij het geluk geven, waarnaar ik haak. Ik zoek U met ongeduld en roep U met een groot verlangen; geef dan dat ik ü vinde, heb medelijden met mij en stort het licht van uw aanschijn over mijne ziel; want zoo Gij mij aan mijzelve overlaat, o mijn God, als de stem uwer genade niet meer in mij spreekt, indien haar krachtig woord mijn moed niet opwekt, dan gevoel ik dat ik slechts eene schrede meer verwijderd ben van den afgrond der vertwijfeling!
Jezus Christus. Wel hoe, mijne Dochter, kunt gij betwijfelen, of ik u de hulp wil geven, die ik nimmer weiger aan hen, die mij aanroepen? Uwe stem is tot aan mijnen troon doorgedrongen, mijn hart heeft medelijden met den toestand uwer ziel en heeft zich voor uwe stem geopend; en zie, nu buig ik tot u neder om naar de taai uwer smart te luisteren. Laat vrij uwe bedrukte ziel hare klachten in mijn boezem uitstorten! Maar twijfel vooral geen oogenblik aan de liefde van uwen Meester, al moge Hij zich gestreng jegens u toonen.
Noen, vraag dien engel niet meer weder dien Hij in den Hemel geplaatst heeft, betreur niet langer die vrienden, die rijkdommen, die voldoeningen, welke eertijds uw deel waren; want voor u bestaan andere vrienden, andere rijkdommen, andere voldoeningen. Verhef uw blik hooger; beschouw alles in een beter daglicht, en by het beschouwen van hetgeen u ontnomen werd, zult gij ook zien wat u in ruiling ten deel werd; gij zult zien, wat gij waart en wat gij zijt geworden; gij zult het geluk w aardeeren van Hem te behooren, die, om u geheel t ot zich te trekken en u met zijne rijkdommen te
292
kunnen overladen, u alle tijdelijke vreugde ontnomen heeft. Gij zult zijne liefde prijzen, die u slechts de aardsche genegenheden ontroofd heeft om u nader tot Hem te brengen.
Ja, geloof mij, mijne Dochter, terwijl ik mijn aanschijn een weinig van u afkeerde, hel ik in oneindige harmhartigheid mij uwer ontfermd. 1) Bedenk, dat ik gestorven en verrezen hen, om over d.ooden en levenden te heerschen, 2) dat mijne uiverkoornen nimmer zullen vergaan, dat niemand, hoe machtig ook, ze uit de handen mijns Vaders kan rukken. 3) Moge deze gedachte u troosten ! en wanneer de angst u nederdrukt en de dorheid u bedroeft, zoo herinner u dat de menschen veranderen, doch dat God en zijne woorden en beloften onveranderlijk zijn.
Elfde Bezoek.
Mijne oogen eo mijn hart zullen daar alle dagen zijn. Ill R«*g IX, \'S.
Jezus Christus. Ik slaap, doch mijn hart waakt. 4)
De Ziel. Hoe gaarne overweeg ik dit woord, o Heer, dat zoo geschikt is om mijne ij dele vrees en dwazen angst te verdrijven! Hoe troostend is voor mij de gedachte dat, wanneer Gij schijnt te slapen, wanneer Gij als doof zijt voor mijne gebeden, als ongevoelig voor mijn smeeken. Gij nochtans over uw0 kind waakt, en steeds gereed zijt het te helpen !
Jezus Christus. Ja, mijne dochter, overweeg deze geruststellende verzekering, die mij a hart zoo gaarne aan vreesachtige en angstvolle zielen geeft; verzamel en tel al de bewijzen mijner oneindige teederheid, en dan zal uw vertrouwen uwe dankbaarheid evenaren.
1) Isaia: IV, 8. 2) Bom. XIV. 9. 3) Joa. X, 28. 4) Cant. V, 2,
293
Heb ik u niet bemind met eene eeuwige liefde ? 1) Heeft mijn Hart niet van alle eeuwigheid over u gewaakt? Bereidde het u geene hulpmiddelen voor uwe rampen, geene wapenen voor den strijd, geene kroon voor uwe overwinning?
Toen ik ter wereld kwam en in de kribbe blootgesteld lag aan de guurheid des weders en aan alle lijden ten prooi, riep ik u toen door mijne zwakheid, mijne onmacht, mijne vernedering niet toe: Ik slaap, maar mijn hart waakt, om u de kracht te verdienen de onthechting en de armoede te beoefenen ?
Toen ik te Nazareth dertig jaren in verborgenheid, eenzaamheid en onbekendheid doorbracht, zegde ik u toen ook niet, ik slaap, maar mijn Hart waakt, om u door mijn verborgen leven liefde voor de gehoorzaamheid en de nederigheid in te prenten?
Toen ik eindelijk het werk voltooide, waarvoor mijn Vader mij in de wereld gezonden had, toen ik op het kruis het hoofd boog en stierf, was het niet alsof ik u nog eens wilde zeggen, ik ga den slaap des doods slapen, doch vrees niets, mijn Hart zal over u waken? Ik zal u niet als weezen achterlaten; 2) want zie, ik ben met u tot de voleinding der eeuwen ! 3)
Heb ik deze belofte niet gehouden, mijne Dochter? Heb ik mij in het tabernakel niet veroordeeld tot een voortdurenden slaap, tot een verborgen en nederig leven om het recht te hebben u altijd te zeggen, Mijn hart houdt niet op over u te waken ?
Hoe kunt gij na zooveel liedebewijzen vreezen, dat ik u zou vergeten, u verlaten, als gij mijne
1) Jerem. XXX, 3. 2) Joa. XIV, 18 3) Matth. XXVII, 20.
294
liefde inroept! O beleedig mij toch niet door aan mijne zorg te twijfelen, mij ongevoelig te gelooven voor uwe rampen of doof voor uw smeeken; want ik verzeker u nogmaals, mijn slaap is slechts schijn, mijne rust een maatregel van wijsheid en liefde, en als ik zoo handel is dit slechts om uw geloof te beproeven, uw vertrouwen te vermeerderen, en u de uitgelezen gunsten waardig te maken, waarmede ik u wil overladen.
Wanneer gij aan mijne voeten uwe zwakheid, uwe onstandvastigheid komt belijden en uwe ongetrouwheid komt beweenen, open ik u , mijn verloren zoon, altijd mijne vaderarmen en vier feest bij uw terugkeer. Wanneer gij, door de beproevingen en het lijden uitgeput, aan mijne voeten komt klagen en zuchten, verteedert zich mijn Hart en biedt u een toevlucht aan in de wonde, door mijne liefde daarin gemaakt. Wanneer gij, in den strijd met den vijand uwer ziel, zijne vreeselijke aanvallen moet verduren, ben ik nog altijd daar om u de hulp van mijn zegevierenden arm te bieden, hoewel ik u in dit oogenblik van het uiterst gevaar schijn te verlaten.
Ja, mijne Dochter, overal en altijd ben ik aan uwe zijde; ik waak, ik luister en wacht slechts één woord van berouw om u te vergeven, ééne zucht vol vertrouwen om uwe tranen te drogen, één ver-trouwvol gebed om uwe begeerten te verhooren, één woord van geloof om u uit de grootste gevaren te redden.
De Ziel. Hoe troostend is het geheim, dat Gij mij wilt mededeelen, o Heer! Nu begrijp ik, dat uw Hart niet sluimert, noch rust; dat het voortdurend waakt over mijne dierbaarste belangen, over mijn geest om dien te verlichten, over mijn hart om het
295
md zijne zuivere liefde te ontvlammen, over mijne zintuigen om ze in bedwang te houden, 1) over mijne ziel om haar te hervormen en te veredelen, over mijn leven om het te heiligen.
Ach, hoe groot dan voortaan ook mijne behoefte en ellende, mijn verdriet en mijne moeielijkheden, mijne ongetrouwheden en zonden ook mogen zijn, zal ik niets vreezen; aan den voet des altaars zal ik mij komen troosten, bemoedigen en verkwikken. En daar alles mij zegt, o Jezus, dat Gij voor mij waakt, zal ik mij op mijne beurt wel wachten voor den slaap der traagheid en lauwheid; ja, ik zal ook waken over mijn hart om het uwer waardig te maken, over mijne gedachten om ze tot U te leiden, over mijne daden, opdat zij ter uwer eer volbracht worden; ik zal ook waken over uwe belangen, over de zielen die mij toevertrouwd zijn, en ik zal trachten uw rijk alom te verbreiden. Doch als mijne natuur soms dreigt te bezwijken, als mijn wil wankelt in uwen dienst, o twijfel dan, mijn Jezus, niet aan mijne liefde; want ik beloof het ü, mijn hart zal gelijk het uwe immer waken.
Twaalfde Bezoek.
Trek mij, en wij znllen loopen in den geur uwer reukwerken. Cant. I, 3.
De Ziel. Ja, mijn goddelijke Meester, het is U toegewijd dat kind, dat gij onder duizenden bemind hebt; daar uwe barmhartigheid onbegrijpelijk groot geweest is! Gij hebt het opgezocht in eene wereld, waar uw naam noch gekend noch uitgesproken wordt, waar men van het leven slechts datgene waardeert,
I) Mgr. De la, Bouillerie.
296
wat tot den dood geleid! Gij hebt het met eene onuitsprekelijke liefde vervolgd, toen het, bezoedeld en uwer blikken onwaardig, uwe genade vluchtte en vrijwillig van de genade van uw licht verstoken bleef.
Ja, voortaan behoort U die ziel voor wie Gij in eene kribbe wildet geboren worden en aan een kruis sterven; voortaan behoort ü dat hart waarnaar uwe liefde verzuchtte; Gij hadt het zoo groot gemaakt, dat het slechts door U verzadigd kon worden; en nochtans bleef het steeds aan zich zeiven, aan de schepselen, aan het klatergoud der wereld gehecht; en ofschoon Gij tot dat hart bleeft spreken, klonk de stem der wereld luider dan de uwe! Lang heb ik geaarzeld, geworsteld, weerstaan; uwe goedheid lokte mij, ik gevoelde mij tot uw Hart getrokken; docb het zien van uw kruis, dat zich altijd tusschen ons stelde en mijner zwakheid vrees aanjoeg, hield mij terug; en toch is het kruis de weg, de deur, de sleutel des Hemels. Ik wilde wel een weinig geven; maar... niets weigeren, maar alles aannemen scheen mij onmogelijk!
En wat is er billijker en rechtvaardiger, dan zijn hart te heer en tot Hvm, die ons zijn leven gegeven heeft! 1)
Hoe menigmaal wilde ik, door den strijd uitgeput, terugkeeren en dat werk van bekeering opgeven, dat uwe genade mij had doen ondernemen, en voor goed die wegen verlaten die tot ü geleiden ; mijne natuur, den strijd moede, riep genade. Mijn tart, zoo vaak in zijne vlucht belemmerd, zocht eene opening om zijn vuur uit le storten, maar te vergeefs; want, mijn Jezus, het had ü nog niet gevonden.
1) H. Bernardus.
297
Doch de dag brak aan, waarop uwe goedheid en barmhartigheid voor goed over mijn weerstand zouden zegevieren; thans ge roei ik mij door zooveel liefde overwonnen; ik geef mij over, ik leg de wapenen aan uwe voeten neder, mijn goddelijke Meester, en verklaar dat ik voor eeuwig uwe dienstmaagd wil zijn. 0 dat voortaan mijn hart slechts vaar ü begeere, dat het U begeerende U zoeke, U zoekende L einde, U vindende ü beminnen, U beminnende zich van alle vlekken zuivere en nimmer hervalle in de banden, waaruit uwe liefde het verlost heeft. 1)
Toon mij uwe wegen, o Heer, en leer mij uwe paden. 2) Ga voort, o Jezus, met mijne ziel te redden, stort voortdurend over haar den zegen uwer genade r verdedig uw erfdeel, en laat haar niet over aan den vijand, die zoekt U haar te ontnemen.
Spreek, Heer, tot uw kind, het zal naar ü luisteren. Beveel haar en zij zal U gehoorzamen; altijd, zal zij ü onderworpen blijven, altijd zal zij vol vertrouwen eene schuilplaats zoeken in uw aanbiddelijk Hart, en nooit, nooit meer zal zij uwe liefde en weldaden vergeten.
Jezus-Christin. Ik neem uwe belofte aan, mijn kind, ik geloof aan uwe oprechtheid; en indien gij mij getrouw blijft, indien gij mij vertrouwvol gehoorzaamt, beloof ik u op mijne beurt een voortdurenden bijstand, een eeuwig geluk, eene onsterfelijke glorie. Ja, kom, werp U in dit Hart, dat u roept en slechts een weinig opoffering vraagt voor zijne oneindige edelmoedigheid.
De Ziel. Ik zweer U, o Bruidegom mijner ziel t voortaan zal ik U getrouw blijven; ik zal U niet
1) H. Anselmua. 2) Ps. XXIV, i.
298
meer bedroeven door mijne vrees, mijne twijfelingen en mijne ondankbaarheid; ik zal alles overlaten aan uwe liefde, alles hopen van uwe barmhartigheid; want duizendwerf gelukkig is hij voor wien Gij alleen genoeg zijt, daar hij in zich de bron draagt der vreugde, die nooit zal uitdrogen.
Dertiende Bezoek.
Jk ken mijne schapen en mijoe schapen keooen mij. Joa. X, 14.
De Ziel. Hoe zoet zijn die woorden, o mijn goddelijke Meester, welke gij eertijds spraakt tot de scharen, die U volgden, en die Gij nog der getrouwe ziel toevoegt, die naar uwe stem luistert en uw voetspoor volgt, ü, herhaal mij totdat ik het wel begrijpe, hoe gelukkig zij is onder duizenden uitverkoren te zijn, om deel te maken van uwe kudde, naar uwe stem te hebben geluisterd, alles verlaten te hebben om U te volgen; zeg mij, door welke vaderlijke zorg Gij zoekt haar aan U te hechten, U door haar te doen beminnen, welke uitvindingen der teederste liefde Gij aanwendt om haar staande te houden en te doen voortgaan op den weg, die tot het leven, tot de glorie geleidt.
Jezus-Christus. Die begeerte verheugt mijn Hart, mijne dochter; want ik ontsluier de wonderen mijner liefde zoo gaarne voor de zielen, die van goeden wil zijn. Ik hen de goede Herder, die zijn leven geeft voor zijne schapen; en even als de Vader mij kent, ken ik mijne tchapen, 1) niet met eene onbepaalde, onvruchtbare kennis, maar met eene kennis, die de liefde en hare uitwerkselen voortbrengt. Ik ben niet
1) Joa. X, 11, 14, 15.
299
gelijk de huurling die, als hij den wolf ziet komen, de schapen verlaat en vlucht; 1) maar ik weid mijne schapen en verdedig ze tegen den wolf, die ze zoekt te verslinden. Overal ga ik hen voor, wijs hun den weg, en ruim alles uit den weg wat hunne schreden kan belemmeren, en ik omring ze door mijne teederheid als met een schild.
Ik bescherm hen door mijn herderstaf, en neem ze in mijn hart op als in eene onoverwinbare sterkte. Te midden van de hitte van den dag, zoowel als te midden der duisternis van den nacht, spreek ik tot mijue beminde schapen en bemoedig ze door de teedere uitboezemingen mijner liefde en mijner goedheid. Ik ben by hen, als zij strijden, ik glimlach bij het zien van hun streven, ik tel hunne overwinningen , en als ik in hunne moeielijkheden en smarten hunne tranen zie vloeien, ween en lijd ik met hen, omdat zij, gelijk Lazarus, mijn hart dierbaar zijn.
Doch wanneer ik hun door de vreugde, waarmede ik hun hart vervul, de glorie en de zaligheid doe zien, welke zij eenmaal bij het einde hunner loopbaan zullen gevoelen, dan loopen zij met moed en vreugde in den geur mijner reukwerken, 2) en roepen uit: Ik hezwijk van begeerte naar het huis des Heeren. 3) Wanneer, o Koning, zal ik uwen naam loven in de eeuwigheid der eeuwen? 4)
De Ziel. Treed in u zelve, o mijne ziel, en herroep uwe herinneringen! Zijt gij dat gelukkig schaap niet, dat opgezocht en zoo vaderlijk behandeld werd door het Lam dat staat in het midden van den troon, en u geleidt tot de fonteinen des levenden waters? 5)
1) Joa. X, 12. 2) Cant. I, 3. 3) Pa. XXXII, 1. 4) Pa.CXIV, I. 5) Apoc. VII, 17.
298
meer bedroeven door mijne vrees, mijne twijfelingen en mijne ondankbaarheid; ik zal alles overlaten aan uwe liefde, alles hopen van uwe barmhartigheid; -want duizendwerf gelukkig is hij voor wien Gij alleen genoeg zijt, daar hij in zich de bron draagt der vreugde, die nooit zal uitdrogen.
Dertiende Bezoek.
Jk ken mijne schapen en mijne schapen kennen mij. Joa. X, 14.
De Ziel. Hoe zoet zijn die woorden, o mijn goddelijke Meester, welke gij eertijds spraakt tot de scharen, die U volgden, en die Gij nog der getrouwe ziel toevoegt, die naar uwe stem luistert en uw voetspoor volgt, ü, herhaal mij totdat ik het wel begrijpe, hoe gelukkig zij is onder duizenden uitverkoren te zijn, om deel te maken van uwe kudde, naar uwe stem te hebben geluisterd, alles verlaten te hebben om U te volgen; zeg mij, door welke vaderlijke zorg Gij zoekt haar aai: U te hechten, U door haar te doen beminnen, welke uitvindingen der teederste liefde Gij aanwendt om haar staande te houden en te doen voortgaan op den weg, die tot het leven, tot de glorie geleidt.
Jezus-Christus. Die begeerte verheugt mijn Hart, mijne dochter; want ik ontsluier de wonderen mijner liefde zoo gaarne voor de zielen, die van goeden wil zijn. Ik hen de goede Herder, die zijn leven geeft voor zijne schapen; en even als de TAader mij kent, ken ik mijne fchapen, 1) niet met eene onbepaalde, onvruchtbare kennis, maar met eene kennis, die de liefde en hare uitwerkselen voortbrengt. Ik ben niet
1) Joa. x , 11, 14, 15.
299
gelijk de huurling die, als hij den wolf ziet komen, de schapen verlaat en vlucht; 1) maar ik weid mijne schapen en verdedig ze tegen den wolf, die ze zoekt te verslinden. Overal ga ik hen voor, wijs hun den weg, en ruim alles uit den weg wat hunne schreden kan belemmeren, en ik omring ze door miine teederheid als met een schild.
Ik bescherm hen door mijn herderstaf, en neem ze in mijn hart op als in eene onoverwinbare sterkte. Te midden van de hitte van den dag, zoowel als te midden der duisternis van den nacht, spreek ik tot mijne beminde schapen en bemoedig ze door de teedere uitboezemingen mijner liefde en mijner goedheid. Ik ben bij hen, als zij strijden, ik glimlach bij het zien van hun streven, ik tel hunne overwinningen , en als ik in hunne moeielijkheden en smarten hunne tranen zie vloeien, ween en lijd ik met hen, omdat zij, gelijk Lazarus, myn hart dierbaar zijn.
Doch wanneer ik hun door de vreugde, waarmede ik hun hart vervul, de glorie en de zaligheid doe zien, welke zij eenmaal bij het einde hunner loopbaan zullen gevoelen, dan loopen zij met moed en vreugde in den geur mijner reukwerken, 2) en roepen uit: Ik hezwijk van begeerte naar het huis des Heer en. 3) Wanneer, o Koning, zal ik uwen naam loven in de eeuwigheid der eeuwen\'? 4)
De Ziel. Treed in u zelve, o mijne ziel, en herroep uwe herinneringen! Zijt gij dat gelukkig schaap niet, dat opgezocht en zoo vaderlijk behandeld werd door het Lam dat staat in het midden van den troon, en u geleidt tot de fonteinen des levenden waters? 5)
1) Joa. X, 12. 2) Cant. I, 3. 3) Ps. XXXII, 1. 4) Ps. CXIV, 1. 5) Apoc. VII, 17.
300
Waart gij het voorwerp niet van al die teederheid? Besef dan uw geluk en wees waakzaam, om u nimmer van uw goeden Herder te scheiden.
O Ja, mijn Jezus, getrouw aan uw woord, dat ons zegt. Ik ben de loeg, de loaarheid en het leven, 1) vertrouwende in de belofte, die Gij ons doet van degenen niet te verlaten die uw Vader U gegeven heeft, wil ik U overal volgen, naar de volmaaktheid, naar het kruis, naar den hemel. Door ü geleid, zal ik in vrede en in veiligheid wandelen, zonder de moeielijkheden van den weg, den afgrond naast mijne schreden, de doornen, die mijnen voet wonden, de vijanden die bespieden, de duizend beproevingen die mij wachten, te vreezen; want ik weet. Heer, dat, zoo Gij mij geleidt, niets mij kan deren, noch aan uwe handen kan ontrukken.
Neen, lieve Jezus, ik zal mij niet meer ontmoedigen; want ik weet, dat ik door U beschermd en bemind word; ik zal niet bezwijken; want Gij, die mij geroepen hebt, zult vleugelen aan mijne voeten geven en mij den prijs, in mijne moeielijke loopbaan verdiend, doen behalen.
Ik dank U, mijn dierbare Verlosser, dat Gij mij geplaatst hebt onder het getal uwer bevoorrechte schapen, die Gij langs dorre wegen naar vette en vruchtbare weiden geleidt. Ik zal mijn geluk waar-deeren, en mij troosten door de verzekering, dat Gij de zielen niet verlaat, die ü zooveel arbeid en tranen gekost hebben, dat Gij altoos waakt over diegenen die in het gevoel harer onmacht en zwakheid zich geheel aan uwe barmhartigheid overgeven, vertrouwende op deze uwe belofte: Ik geef hun het eeuwige leven, en zij zullen in eeuwigheid niet omkomen. 2)
1) Joa. XIV, 6. 2) Joa. X, 28.
301
Veertiende Bezoek.
Ik heb in deo Heer getioopt en zal de aanvallen van het vleeseh niet vreezen.
Ps V. 4.
Wel hoe, mijn God, moest ik aldus gebruik maken Tan al de genaden, die Gij mij bewijst? Welk eene ongetrouwheid aan mijne beloften? Hoe heb ik aan uwe dringende vermaningen beantwoord? Wat is er geworden van dat kinderlijk vertrouwen, dat Gij van mij vraagt, te midden der beproevingen die myn leven tot een langen doodstrijd maken, en dat ik U zoo plechtig beloofd had? Helaas! ik heb mijne belofte gebroken en als immer ben ik ondankbaar geweest; want, mijn goede Meester, ik heb slechts klachten laten hooren onder dat kruis, mij slechts uit liefde door U opgelegd. Uwe liefdegaven en goedheid vergetende, heb ik dikwijls aan U en aan die groote voorliefde, die Gij mij mij dagelijks bewijst, getwijfeld. Wanneer zal ik dan met den Profeet kunnen zeggen; Ik heb den mond niet geopend om mij te beklagen, omdat Gij het toegelaten hebt, al wat ik lijd. 1)
Wat blijft er mij dan te doen, o Heer, dan nogmaals vergeving te vragen en uwe groote barmhartigheid in te roepen? Hoelang zal ik droefheid bij de smarten van Jezus blijven voegen? Zijn de wonden van mijn mistrouwen voor zijn Hart niet smartelijker dan die zijns lichaams? Waarom zou ik aan Jezus twijfelen, daar Hij mij dagelijks behandelt gelijk degenen die Hem dienen, en wier dienst Hij aanneemt? Waarom zou ik mij van Hem verwyderen, daar Hij zich dagelijks gewaardigt mij te roepen en mij ingang te vragen in mijn ellendig hart?
l) Ps. XXXVII. 13.
302
Neen, voortaan geen lafheid, geen twijfel, geene droefheid meer. Ik bemin, ik bezit Jezus, ik word bemind door dien aanbiddelijken Meester; wat kan ik meer begeeren? Wat kan ik vreezen, verzekerd als ik ben, door Jezus geholpen, beschermd, getroost te zullen worden? Neen, ik zal mij niet meer bedroeven over de dorheid en moedeloosheid, die zich zoo dikwijls meester maken van mijne ziel; ik zal mij niet meer laten nederdrukken onder het gewicht der bitterheid en beproeving, waarmede mijne dagen vervuld zijn. Was het ook het deel niet van Jezus, die op aarde gekomen is om onzen dood te sterven, die ons onophoudelijk door zijne woorden, door zijne daden, door zijn leven, door zijn lijden toeroept van tot Hem op te stijgen. 1)
Ach, Heer, geef dót ik minder denke aan mijn lijden dan aan het geluk van met U te mogen lijden; geef dat ik heminne, dan zal ik het kruis niet meer vreezen. 2) Wilde ik het vluchten, dan zou ik mij van U verwijderen, o mijn gekruisigde Zaligmaker! van U, die de weg, de waarheid en het leven zijt en mij toeroept: Indien iemand na mij wil komen, hij verloochene zichzelven, neme zijn kruis dagelijks op, en volge mij. 3)
Uw kruis heeft U gevolgd in de glorie, en is daar het zegeteeken uwer eeuwige overwinning; al degenen die zich rond.ü scharen, worden met dit koninklijk zegel geteekend. Zou ik eens tot ü durven treden en een deel vragen van uw geluk, als ik weigerde ü op Calvarië te volgen en uwe smartelijke wonden in mijn lichaam te ontvangen? Neen, Heer, als ik Umet wonden bedekt zie, wil ik niet leven zonder te lijden; 4)
I) H. Angnstinus. 2) Fenelon. 3) Lncae IX, 23. 4) H. Bonaventura.
303
ik wil beliooren tot die edelmoedige zielen tot wie Gij eenmaal zult zeggen; Komt, o welbeminde kinderen mijns harten, geliefde Bruiden van uwen God; gij hebt, gelijk ik, geleefd van ontbering, van lijden en smart, om aan de rechtvaardigheid mijns Vaders te voldoen; het uur der belooning is geslagen; komt, laat mij u aan Hem voorstellen; komt en ontvangt uit zijne hand de kroon der onsterfelijkheid, die. gij verdiend hebt door uwe getrouwe navolging uws Verlossers.
Ach, hoezeer verlang ik dit woord van liefde en zegen uit uwen mond te mogen hooren, o goede Jezus! Voortaan wil ik slechts uw leven leiden, alles uit uwe hand aannemen, aan mijzelven, aan mijnen geest, aan mijnen wil, aan alles verzaken, uit liefde tot U, die mij zoo bemind hebt, dat Gij uit liefde tot mij hebt willen sterven.
Vijftiende Bezoek.
Waarom verbergt gij nw gelaat? Job XII, 24.
De Ziel. Dat het geschiede, gelijk Gij wilt, o mijn God! Dat mijn wil zich voor immer aan den uwen onderwerpe, dat mijn leven slechts een lange doodstrijd zij, zoo Gij dit wilt! De kelk dien Gij mij aanbiedt, is zeer bitter, o Heer; doch al zou mijne ziel onder het lijden bezwijken, toch zal ik met Jezus dien kelk van lijden en smart ledigen. Maar in den naam zijner oneindige verdiensten smeek ik U, op mij een blik van mededoogen te werpen.
Gij weet het, Heer, ik lag gebukt en als verpletterd onder het gewicht mijner ellende en traagheid; ik kan slechts over mij zelve zuchten, en mij vernederen voor uwe oneindige Majesteit, die U gewaardigt
304
my in uwe tegenwoordigheid te dulden. Wanneer ik met baiigen blik de diepte mijner boosheid peil, durf ik de oogen niet opslaan tot U, die nochtans de beste aller vaders zijt, tot U die zijt nabij degenen wier hart door droefheid bekneld wordt. 1) Hoe sidder ik bij het beschouwen van den treurigen toestand mijner ziel! Ik zou U willen smeeken, mij te hervormen, een blik van mededoogen te werpen op degenen, die mij dierbaar zgn; ik zou U willen aanbidden met de engelen, U loven met de heiligen, en ik kan slechts weenen over mijne zwakheid en onmacht.
Hoe kan het toch wezen, mijn God, dat ik met den vurigsten wil om U te behagen, voortdurend uwe rechtvaardige straf verdien? Hoe is het mogelijk dat ik, terwijl ik oprecht de zonde verfoei, nochtans niet kan leven zonder U te beleedigen? Waarom, als ik mijne vlucht tot ü wil nemen, blijf ik als verlamd en aan de aarde gekluisterd? Zult Gij dan altijd ongevoelig blijven voor mijne klachten, o Jezus, Gij de teederste der vrienden? Zult Gij altijd doof blijven voor mijne zuchten? Zult Gij mij uwe vertroostende stem nimmer doen hooren? Tot wien moet ik mij dan richten om U te bidden naar mij te luisteren?
Jezus-Christus. Gij lijdt veel, mijne Dochter, ik weet dit; maar in uwe droefheid, in uw verdriet en uwe gelatenheid vind ik een grooter bewijs uwer edelmoedigheid dan in al de geestvervoeringen uws harten. Het is waar, ik heb u in de duisternis geleid, zonder u een enkelen lichtstraal over te laten; doch neem, zonder u te ontstellen, die schijnbare
1) Ps. XXXIII, 18.
305
verlatenheid, die pijnlijke duisternis aan, die u zelfs aan mijne tegenwoordigheid doet twijfelen; olfer aan God uw verdriet, uw lijden; Hij zal dit gaarne aannemen en u daarvoor eene vermeerdering van licht en kracht schenken. Verdraag geduldig al de beproevingen, die mijne liefde u overzendt; want, terwijl zij uwe ziel zuiveren, zullen zij u nauwer met mij vereenigen. Dan zal alles wat moeielijk ia n gemakkelijk, wat lang is u kort toeschijnen, en door liefde gewond, zult gij uitroepen: Door de beproeving het geduld, door het geduld de, hoop, en de hoop kan niet beschaamd worden! 1)
De Ziel. O Jezus, Herder mijner ziel, hoe zoet en troostvol zijn uwe woorden voor mijne ziel! Wat kan ik dan vreezen, zoolang ik uwe wegen bewandel? Het is waar, Gij laat mij in een staat van beproeving en dorheid, die zeer pijnlijk is voor mijne ziel; maar het is uwe hand, die mij slaat, en uwe hand, die mij geruststelt! Nu zie ik dat Gij het zjjt, o mijn God, die volgens uw goedvinden licht of duisternis overzendt; die U of verbergt of vertoont om ons geloof te beproeven; ik geloof dat Gij volgens uw goedvinden ons troost of beproeving overzendt; en al zou ik wandelen te midden der schaduwen des doods, 2) zou mijn vertrouwen niet wankelen. Niets zal voortaan mij het vertrouwen benemen; want ik weet, dat Gg, de beschermer der zwakken, de trooster der bedrukten, mij nimmer zult verlaten.
1) H. Hieronymus. 2) Pa. XXII 4.
20
306
Zestiende Bezoek.
Tk heb lot u gesproken, en pij hebt niet geluisterd ; ik heb n geroepen , en gij hebt niet geantwoord. Ik heb mijne hand ait-gestoken, en niemand heeft tnij aangezien,
Jerem. VI, 13. Prov. I, 24,
Jezus-Christus. Zij hebhen noch den Vader, noch
^De^Ziel. O mij a goddelijke Zaligmaker, hoe billijk was dat verwijt, dat Gij op den vooravond van uw lijden tot uwe Apostelen richtet! maar hoeveel meer verdienen wij dit te hooren! Helaas! ja, m onze dwaze verblindheid verliezen wij Gods almacht uit het oocr, die alles uit het niet getrokken heeft; wij trotseeren zijne rechtvaardigheid en de golven zijner wraak; wij miskennen zijne grootheid en heerlpkheid, die de aarde en de hemelen vervullen; zijne wijsheid, die alles met maat en orde regelt; maar nog veel meer miskennen wij de liefde uws Vaders, die welke Hij aan de wereld zoo duidelijk veropenbaard heeft, toen Hij U voor haar opofferde!
Met welke ondankbaarheid heeft het schepsel de groote weldaad der Verlossing betaald, en welke onverschilligheid betoont zij U nog thans, o goddelijke Verlosser, die na tot den laatsten druppel bloed voor t haar gestort te hebben, U gewaardiat te wonen met de kinderen der menschen, 2) aan U, mijn Jezus, die om U aan ons te openbaren en ons uwen Vader te doen kennen, U niet tevreden hebt gesteld in deze wereld te komen, maar tot het einde der eeuwen op onze altaren wilt verblijven!
Helaas! ja, hoe hebben de menschen de overmaat uwer liefde begrepen! Ja, groot is het getal dergeneu
J) Joa. xv, 3. 2) l\'rov. vii, 31.
307
die misbruik maken van uwe barmhartigheid, en niet willen erkennen, dat U kennen de eenig noodige wetenschap is. Groot is het getal dergenen, die de goddelijke onderwijzingen, door U op deze aarde gebracht, verachten, en zich aldus vrijwillig blootstellen aan het vreeselijk woord, dat uw mond eens tot heu spreken zal: Ik ken u niet. 1)
Jezus-Christus. Het is waar, mijne Dochter, gelijk eertijds kan men nu nog altijd van mij zeggen: Hij kwam tot, de zijnen, doch de zijnen hebben Hem niet ontcangen. 2) Ik heb hen met goederen overladon, en zij hebben mij veracht; ik heb hun mijnen Vader willen doen kennen, hun zijne macht, zijne barmhartigheid en zijne liefde willen openbaren, en zij hebben mijne leer, mijne onderrichtingen en mijne werken bespot.
O, zoo gij oplettend de geschiedenis mijner weldaden en der ondankbaarheid der menschen overweegt, zult gij niet langer onverschillig kunnen blijven voor mijn lijden, en gij zult in u eene groote begeerte gevoelen om de beleedigingen te herstellen, die mij werden aangedaan en nog dagelijks vernieuwd worden.
Als kind riep ik mijne broeders, stak de armen naar hen uit en zegde hun: Ik breng u den vrede, komt allen tot mij; 8) en zij hebben mij geantwoord: wij kennen U niet! Later toen ik mijne almacht ten dienste stelde van mijn hart, overlaadde ik hen met weldaden; zij verachtten mijne gaven en keerden zich van mij af onder deze honende taal: Is dit niet de zoon van een timmerman\'? 4) Toen ik hen dat hemelsch brood wilde doen kennen, waarmede ik weldra hunne zielen wilde voeden, verwijderden
1) Matth.XXV, 12. 2)Joa,I,U, 3) Malth. X, 28. 4) Mallh, XII, 55.
308
zij zich, zeggende; Dit woord is hard; wie kan het aanhooren ? 1) En toen ik, na drie jaren van mirakelen en door hun aanhouden gedreven, hun miine godheid openbaarde, wilden zij mij steenigen. En toen ik eindelijk met doornen gekroond, met eenen spotmantel omhangen, aan mijn volk werd voorgesteld , toen Pilatus, met medelijden bezield, mij wilde redden, schreeuwden toen de Joden niet als uit eenen mond: Kruisig Hem ! wij hebben geen anderen koning dan César! 2) En was mijn hart gevoelig aan deze wreedheid en beleedigingen, o mijne dochter, veel meer was het, dit door diezelfde beleedigingen vernieuwd te zien tot het einde der eeuwen, tot de orakelen zullen vervuld worden en de waarheid de schaduwen zal hebben opgevolgd.
Sedert achttien eeuwen weet de wereld dat de Zoon des menschen gekruist is om haar te redden, en de wereld kent mij niet. De wereld weet dat het bloedig kruisoffer dagelijks op het altaar hernieuwd wordt, dat ik nit den Hemel nederdaal met de volheid mijner genaden, en de wereld kent mij niet. De menschen weten, dat ik mijne woning onder hen gevestigd heb, dat ik mij veroordeeld heb tot duisternis en vernietiging om allen tot mij te trekken, aan hunne behoeften te beantwoorden, en hunne liefde op te wekken, en mijne tempels blijven ledig en de menschen gaan mij voorbij als kenden zij mij niet.
Ziedaar, helaas! de waarde, die zij aan mijne gaven hechten; onder al de uitvindingen mijner liefde zijn er geene, die de kracht hebben om hunne harten te winnen. Ach! treur, o ziel, die zoo dierbaar zyt
1) Joa. V, 61. 2) Joa. XIX. 15.
309
aan mijn Hart, treur over die verblinden, die mi] bedroeven en van den goeden weg afdwalen; treur over de dwazen, die de waarheid verwerpen, over de ondankbaren, die de bron verachten, die in mijn Hart opwelt. En wilt gij mij troosten, ga dan tot mijne broeders, spreek hun van hun God, hun Vader, hun Broeder, hun verlaten, gehoonden, miskenden Vriend, die hen voortdurend roept en afwacht. Zeg hun, dat niets mij zoo zeer ontmoedigt, dat niets mij zoo weerstaat, niets mij zoo vermoeit, dat ik altijd vurig begeer, mij aan hen mede te deelen, hun mijne genaden te schenken, hun mijne liefde te doen kennen; want als zij mij kenden, dan zouden zij ook mijnen Vader kennen, zij zouden één met mij zijn, gelijk ik één met Hem ben, en zij zouden waardig zijn daar te komen, waar ik ben.
Zeventiende Bezoek.
Wie in het worstelperk strijdt, wordt niit gekroond, zoo hij uiet wettiglijk gestreden heeft. II Tim. 1, 5.
Christus heeft voor ons geleden, u een voorbeeld nalatende, opdat gij zijne voetstappen zoudt volgen. 1)
Geef, Heer, dat ik dit woord begrijpe, dat zoo bekwaam is om mij heilig te maken; geef dat ik mij verdiepe in de goddelijke lessen, de verheven onderrichtingen die ons door Jezus, ons voorbeeld en onzen Meester, gegeven zijn, door Hem dien Gij gezonden hebt om onze wijsheid, onze rechtvaardigheid, onze heiliging en onze verlossing te zijn.
Waarom is die goddelijke Verlosser in deze wereld gekomen, o Heer, dan om aan uwen wil te gehoor-
1 I Petri I, 21.
310
zamen, om uwe belecdigde rechtvaardigheid te voldoen, en de door ü gevestigde orde te herstellen? Waarom heeft Hij drie en dertig jaren in verborgenheid en lijden doorgebracht, dan alleen om u door zijne onderwerping, zijne nederigheid te verheerlijken, en aldus den hoogmoed en de dwaze weerspannigheid uwer schepselen te boeten? Wat was zijne groote zorg gedurende al den tijd, dien Hij op deze aarde heelt doorgebracht, dan alleen uwe eeuwige raadsbesluiten te vervullen, en ons dien nieuwen weg te toonen, dien Hij ons kwam openen?
O mijne ziel, als gij aan Jezus gelijkvormig wilt zijn, hoe kunt gij verlangen om bevrijd te zijn van die onderwerping, welke Hij geheel zijn leven in alles met eene zoo volmaakte gelatenheid betracht heefi? Kunt gij dat lijden vreezenwaardoor gij herkocht zijt? Zeg dan niet Hem: Vader, niet mijn ïoi.l, maar de uwe geschiede! .) Ja, mijn God, ik ben uw eigendom, uwe bezitting; ik stel mij geheel in uwe handen. Vorm mij gelijk de pottenmaker het vat vormt, kneed mij, opdat ik alle vormen aanneme, die het U zal behagen mij te geven; ik laat mij geheel aan ü over, o Heer, gereed te gaan waar het ü zal behagen, te handelen gelijk Gij het zult willen, daar ik, even als Jezus, slechts op aarde ben om uwen wil te vervullen.
Helaas, mijn God, dikwijls heb ik over mijn ballingschap geweend, naar mijn vaderland gezucht, en van ü, mijn Vader, het einde mijner beproeving-afgesmeekt! Maar als ik in die oogenblikken van vermoeidheid en droefheid Jezus beschouw, dan hoor ik het antwoord: Het uur der verlossing is voor u
1) I.ucae XXII. 42.
311
nog niet geslagen, mijne dochter, beschouw en doe volgens het \'voorbeeld dat u op den berg getoond is; 1) ivant mijn kruis is niet alleen het bed, waarop ik gestorven ben, maar ook de leerstoel, waar ik u leer icat gij naar mijn voorbeeld moet volbrengen. 2)
Ga steeds voort, beklim moedig dien smartelijken kruisberg; ik zal naast u gaan om u te ondersteunen en te versterken, tot dien gelukkigen dag, waarop gy de belooniug zult ontvangen, die mijne liefde u bestemt. Ik weet, mijne dochter, het lijden is u in volle bekers toegemeten, beproevingen van allerlei aard zijn op u nedergevallen, tegelijkertijd uwe fortuin , uw hart, uwe dierbaarste verwachting treffende, en nochtans komen in teleurstelling èn onrust en verdriet zich voegen bij de onrechtvaardigheid en verachting. De wereld kan het niet gelooven; maar Ik, Ik verzeker het u, dit is de belooning van uwe getrouwheid aan mijne geboden, van uwen ijver voor de zaligheid der zielen; al die rampen zijn gelijk aan het zaad; zij vergaan, doch de oogst, dien gij zult inzamelen op uwe levensbaan en in uw laatste levensuur, zal eeuwig blijven bestaan.
Acht u dus gelukkig \'behandeld te worden gelijk uw Meester en zijne getrouwste leerlingen; vertrouw op mijne goedheid en mijne rechtvaardigheid, die u wel zullen weten schadeloos te stellen voor alles wat gij voor de glorie van mijnen naam zult geleden hebben. De leerling is niet boven den Meester. 3) Doordring u wel van deze waarheid en beschouw voortdurend, met welke ondankbaarheid, met welke verachting de menschen mijne weldaden betaald hebben. Wat heb ik niet geleden om hen zalig te maken?
1) Exodi XXV, 40. 2) H. Aagustiuus. 3) Liicte VI, 40.
312
Ik heb hun mijne tranen, mijn snikken, mijn zuchten tot zelfs mijne kreten gegeven, en zij hebben zich tegen mij gekeerd. Ik alleen heb hunne vijanden in mijne pers verdrukt en zij hebben mij, als de laatste der menschen, met schande overladen.
Nog eens, mijne Dochter, acht u gelukkig door de menschen versmaad eu voor niets geacht te worden, daar ik ook zonder rede ben gehaat geworden. Zoudt gij met rozen willen gekroond worden onder een Meester met doornen gekroond\'? 1) Stel u gerust, troost u; want de dag zal komen, waarop ik de ware aanbidders van mijnen naam, de gezegenden mijns Vaders, de navolgers mijner deugden zal erkennen. Op dien dag zullen zij God zien van aangezicht tot aangezicht; zij zullen den prijs kennen, dien ik aan hunne werken hechtte, en zij zullen voor altijd met my vereenigd worden in het verblijf der eeuwige gelukzaligheid.
Achttiende Bezoek.
Ze* tot de dochter van Sion : zie uw koning komt tot u vol zachtmoedigheid.
Matth. XX, 5.
Hoe goed zijt Gij, mijn Jezus, voor het hart dat Ü bemint en ü zoekt! Hoe krachtig werkt uwe goddelijke bekoorlijkheid op de ziel, die gij in uwe liefde wilt doen verteren! Hoe onweerstaanbaar is die trek, die haar tot U opwaarts voert! Hoe zoet is dat licht, dat haar uwe schoonheid, uwe liefde, uwe barmhartigheid ontdekt en haar aan uwe voeten boeit, o mijn goddelijke Meester, om hare fouten te beweenen, en te zuchten over de tranen en smarten, welke zij U gekost heeft.
1) H. Bemardiis.
313
Hoe zoet is het voor die ziel, te rusten op dat medelijdend Hart, waarin zij hare vreugde uitstort, van zich aldus bevoorrecht te zien! Hoe groot is hare blijdschap, als zij zich aldus geheel door U vervuld gevoelt, door U, o mijn Jezus, die ü in hare zwakheid, den teedersten, den barmhartigsten Vader en in hare behoeften den getrouwsten, den edelmoedigsten Vriend toont. Kan zij dan niet met-de bruid van het Hooglied zeggen: Ik heb mij nedergezet in de schaduiu van Hem, dien ik begeerd had; en zoet is zijne vrucht in mijnen mond! 1)
Ja, Heer, bij dit liefdemaal verspreidt Gij iu de ziel onuitsprekelijke vertroostingen, en vervult uw kelk haar met eene goddeljjke vreugde. O hoe zoet klinkt dan uwe stem in het oor, hoe weldadig doet zij zich aan het hart gevoelen! Alles is stil in en rondom haar, terwijl Gij haar deze geheimzinnige en teedere woorden toevoegt: Luister, mijn welbeminde dochter, luister oplettend naar mijn woord; want gij weet, wat ik voor u ben en wat ik voor u wil zijn. Het zal u wonderen leeren kennen, die gij tot dusverre niet hebt begrepen; bet zal u een geluk doen kennen, waarvan gij geen denkbeeld hebt, het zal u onderrichten in vele zaken, die gij nooit zoudt begrijpen, zoolang gij aan het aardsche verkleefd waart, zoolang gij doordrongen bleeft van al het ijdele en broze geluk der aardsche genoegens.
Neem dan uwe vlucht naar hoogere streken; zij vragen uwe gedachten, uwe begeerten; want voor haar zijt gij geschapen, en gij zult mij daar vinden. Als gij aan mijne stem gehoorzaamt, aan mijne begeerten beantwoordt, zal ik u tot mijne Bruid
1) Cant. I, 3.
314
verheffen door\' een verhond van rechtvaardigheid, van ■recht en van harrnhartigheid; ik zal u tot mijne Bruid verheffen door eene onschendbare getrouwheid; en gij .zult weten, dat ik de Heer hen. 1)
Ja, miju welbeminde Meester, ik wil U volgen waarheen Gij zult gaan. Ik zal loopen in de wegen uwer geboden, omdat Gij mijn hart verblijd hebt. Uwe stem hooren , stilzwijgend hij U neder zitten in uw van liefde hrundend Mart rusten, de schoonheid van uw gelaat aanschouwen , al het overige vergeten, zoeten dat Gij God zljt, dat Gij uit liefde zijt menseh geworden, dat Gij mij hemint, dat Gij mij wilt toestaan U te beminnen, dat eens de korte rust dezer heerlijke eenzaamheid zonder einde zal wezen, ziedaar het eenig geluk waarnaar ik op deze wereld haak.
Daarom zal ik in vreugde en in droefheid, in bekoring en beproeving, in rust en in blijdschap niets anders zien, niets anders hooren, niets anders volgen dan ü; want ik verlang vurig, die onuitsprekelijke vereeniging te voltrekken, waartoe uwe liefde mij uitnoodigt.
Negentiende Bkzoek.
Ik zal u niet meer mijne dienaars noemen; ik heb ii mijne vrienden genoemd. Joa. XV, 15.
I)e Ziel. O goede en aanbiddelijke Meester, o Zaligmaker mijner ziel, o teedere en barmhartige Vader, waarom roept Gij mij tot eene zoo zoete vertrouwelijkheid met ü? Waarom geeft Gij uwe hemelsche gunsten, uwe goddelijke vertroostingen aan een ellendig schepsel? Waarom vervult Gij mijn hart met die gevoelens van berouw en vurige dank-
1) Ostso l. 19, 20.
315
quot;baarheid, die ik sleclits aan uwe dierbaarste vrienden Toorbehouden geloofde? Wie zijt Gij, o Heer, en wie ben ik, dat Gij U gewaardigt uwe blikken op mij te slaan?
Jezus-Christus. Mijne dochter, ik ben Degene die gestorven is om u het leven te schenken, en die om uw hart te bezitten zich geheel ten beste heeft gegeven. Kom tot mij, kom tot uw Zaligmaker. Hier in dit klein tabernakel heb ik niets dat u vrees moet inboezemen. Hier ben ik niet die God van majesteit, wiens glorie u moet doen sidderen. Neen, om mij naar uwe zwakheid te voegen, heb ik mij van allen luister ontbloot; om mij naar uwe armoede te voegen, blijf ik daar verborgen en vernietigd; als gevangene uit liefde, waak, bid, ween ik daar eu offer mij op voor hen, die mij vergeten en beleedigen.
O kom mij dan in mijne verlatenheid bezoeken. Kom, en zeg mij, dat uw geloof mijne liefde heeft begrepen, dat uw hart er door getroffen is. Kom, want zooveel andereu verlaten mij, en mijne ziel verlangt naar u, om u hare smart en bare klachten te vertrouwen. O kom, want ik vraag harten die mij liefde voor liefde geven, die zich met het mijne vereenigen om te bidden, te zwijgen, te lijden, om aldus de rechtvaardigheid mijns Vaders te bevredigen. En wie zal aan mijne bede beantwoorden, tenzij de gezegenden mijns harten? Wie zal mij door getrouwheid vertroosten, tenzij degenen, die ik met weldaden overlaad?
O beminde ziel, gij die mij lief hebt, heb dan medelijden met die oneindige smart van uwen God, van uioen Zaligmaker. Kom, en hid toch voor die arme afgedwaalden, die zich de vruchten mijner verlossing niet willen toepassen. O voer se tot mij terug,
316
ontruk hen aan hun eeuwig verderf! Ik vraag ze u, gij kunt mij helpen om hen te redden. Mijne tranen, mijn Moedig zweet, mijne verzuchtingen smeeken het u; Ik hid het U, Ik, met doornen gekroond, met verscheurde ledematen, met uitgerekte armen, met doornagelde handen en voeten, met mijn Hart door de lans doorstoken.
De Ziel. O God vau majesteit, wie ben ik, dat Gij mij dit wilt vragen? O bewonderenswaardige goedheid van mijnen Meester! Hoe! is het tot mij dat Gij die zielroerende woorden richt, aan mij dat Gij de klachten uwer ziel doet hooren, aan mij dat Gij medelijden en hulp vraagt! Ik sta beschaamd over dit nieuwe voorrecht, en in de overmaat van mijn geduld kan ik slechts uitroepen: O Heer, voor U wil ik alles verlaten! Voor U wil ik leven en sterven; uw goddelijk vuur verteert mij en trekt mij zoo krachtig, zoo onwederstaanbaar tot U.
Ja, mijn aanbiddelijke Meester, Gij hebt mijn hart gewond door de gloeiende pijlen uwer liefde, Gij die in het streven naar mijne liefde U uwe grootheid en mijne ellende doet vergeten. O, kon ik door mijne tranen en mijne diepe vernedering U even veel glorie geven als de beleedigingen van zoovele ondankbaren u ontnomen hebben, van hen die doof blijven voor uwe stem, uwe weldaden verachten, en uweu heiligen naam lasteren! O, kon ik werkelijk met ü arbeiden aan het werk der verlossing, dat Gij door zooveel vernederingen, zooveel arbeid en smarten voltrokken hebt! O konde ik door mijne gebeden en mijn lijden de edelmoedige harten verduizend-voudigen, die zich uitputten en verteren ten dienste hunner lijdende broeders! O, kon ik door mijnen ijver U die zielen terugbrengen, waarnaar Gij zoo
317
vurig verlangt! O had ik het licht der Serafijneu, het brandend vuur der Cherubijnen, om door mijne gevoelens van bewondering en dankbaarheid de onbegrijpelijke wouderen uwer barmhartigheid en liefde uit te drukken! Maar, helaas! indien ik U niets kan aanbieden, dat ook slechts van verre datgene evenaart wat Gij van mij verlangt, wat Gij verdient, wat Gij waardig zijt, o laat dan ten minste niet toe, o mijn Jezus, dat ik mij met uwe vijanden vereenige om de maat uwer smart vol te meten; o laat niet toe, o liefde van mijn God, die zoo dikwijls miskend wordt, zelfs door hen, die zich uwe vrienden noemen , laat niet toe, dat ik hun aantal vergroote en uwe smart vermeerdere, door mijne ongevoeligheid voor uwe zuchten en teedere klachten.
O goddelijke Herder, die slechts weet te lijden en lief te hebben, o goddelijk Lam dat alle eer, glorie en zegening waardig zijt, 1) ik smeek ü, geef dat het zoete en krachtig vuur moer liefde steeds mijn hart veronlle, opdat ik uit liefde voor ü sterve, daar Gij uit liefde tot mij hebt willen sterven. 2)
Twintigste Bezoek.
Die God vooruit gekend heeft, die heeft Hij ook voorbestemd om gelijkvormig te worden aan het beeld van zijnen Zoon.
Bom. VII, 29.
De Ziel. Hoe smartelijk is voor mijn hart die zielsangst, waarin het gedompeld wordt, wanneer alles in mij zich verheft tegen uwen allerheiligsten wil, dien ik altijd zou willen aanbidden! Ik wilde
1) Apoc, V, 12. 2) H. Barnardus.
318
het hoofd buigen, mijne smarten, miine teleurstellingen,, mijn verdriet met gelatenheid, zelfs met vreugde aannemen , ik wilde zonder moedeloosheid mijne zwakheden, mijne moeielijkheden ondervinden; maar mijne natuur leed en bood weerstand, en Gij alleen, o mijn God, weet hoe hevig ik heb moeten strijden. Mijne tranen, myne zuchten waren mijn eenig gebed!: In dat uur van doodsangst, waarin Gij ver van mij verwijderd scheent, zocht U mijn blik, riep U mijn hart en Gij waart doof voor mijne stem! Ik hief de handen tot U op en Gij keerdet uwe oogen van mij af. Ik verwachtte vrede en Hij kwam niet tot mij!
Wel hoe dan. Heer, zegde ik tot U, zult Gij dan geen medelijden met mij hebben? Zult Gij dan nimmer die roede breken, waarmede de vijand mij slaat? Zult Gij mij uwe kracht niet leenen? Zult Gij altijd weerstaan aan mijn zuchten en smeeken , waardoor ik U slechts ééne genade vraag, de genade ü te mogen kennen, uwe liefde waardig te worden en zonder morren het gekrniaigd leven te verdragen, dat mijn lot geworden is? Waar dan zijn r.we ingewanden van barmhartigheid? Wat is er van uwe beloften geworden?
Jezus-Christus. Mijne Dochter, staak uw zuchten en klagen , blijf niet sidderend en schreiend aan mijne voeten liggen, beschuldig mijne vaderzorg niet; want gij bedroeft mijn Hart door uwe herhaalde twijfelingen en moedeloosheid. Hoe, hebt gij dan nog niet begrepen, wat ik van u vraag, wat ik u beloof, wat ik eisch van de zielen die zich geheel aan mij gegeven hebben, van de zielen die in mijne hand het offer van haren wil, van hare dierbaarste neigingen hebben nedergelegd? Eene genade van voorkeur heeft u krachtig tot mij gestuurd, heeft u geleid
319
op den weg der zuivere liefde, heeft n voor immer vastgesnoerd aan mijn hart. Wat kan ik aan de zielen die ik zoo bevoorrecht heb, anders vragen dan offers en lijden? Wilt gy heden aan uw GodT uw Zaligmaker weigeren, wat gij Hem zoo menigmaal hebt aangeboden. wanneer gij behoefte gevoeldet, Hem uwe liefde en oprechtheid te bewijzen? Vergeet gij dan , dat Hij u in zijne barmhartigheid geicasschen heeft in een had dat Hem duur gekost heeft ? 1)
Waarom dan wilt gij in die beproevingen, dat lijden, die bekoringen niet even zooveel gelegenheden zien om verdiensten te vergaderen, om uwe zonden te boeten , ten einde daardoor de zaligheid dergenen, die u dierbaar zijn, te bewerken en te verkrijgen? Wacht in rust en in vrede, mijne dochter, dat ik u den last ontneme, die u drukt, dat ik het juk verlichte dat gij draagt. Neen, die kruisen zijn niet de kastijding uwer ongetrouwheid; gij staat niet voor een vertoornden God, maar voor een Vader, die u liefheeft en n slechts een vol vertrouwen, eene volledige berusting vraagt. Werp dan al uwe zorg in myn Hart, vertrouw mij al uwe bekommeringen, maar verwacht alles van mijne macht en mijne barmhartigheid; en als het uur zal geslagen zijn, zal uw God uwe voeten licht maken; Hij zal uwe vijanden overwinnen, Hij zal u geleiden op den berg Sion, waar gij Hem lofliederen zult zingen.
O mijne ziel, gij zijt gelukkig, omdat God u getoond heeft, wat Hem aangenaam is; Hij heeft n den weg getoond, waarin Hij zijne lievelingen geleidt. Heb dus slechts eene kennis, den goddelijken wil; heb slechts ééne smart, de zonde; gevoel slechts
J) H. Augiistiniis.
318
Let hoofd buigen, mijne smarten, mijne teleurstellingen,, mijn verdriet met gelatenheid, zelfs met vreugde aannemen , ik wilde zonder moedeloosheid mijne zwakheden, mijne moeielijkheden ondervinden; maar mijne natuur leed en bood weerstand, en Gij alleen, o mijn God, weet hoe hevig ik heb moeten strijden. Mijne tranen, mijne zuchten waren mijn eenig gebed!: In dat uur van doodsangst, waarin Gij ver van mij verwijderd scheent, zocht U mijn blik, riep U mijn hart en Gij waart doof voor mijne stem! Ik hief de handen tot ü op en Gij keerdet uwe oogen van mij af. Ik verwachtte vrede en Hij kwam niet tot mij t
Wel hoe dan. Heer, zegde ik tot ü. zult Gij dan geen medelijden met mij hebben? Zult Gij dan nimmer die roede breken, waarmede de vijand mij slaat r Zult Gij my uwe kracht niet léenen? Zult Gij altijd weerstaan aan mijn zuchten en smeeken , waardoor ik U slechts ééne genade vraag, de genade U te mogen kennen, uwe liefde waardig te worden en zonder morren het gekruioigd leven te verdragen , dat mijn lot geworden is? Waar dan zijn v.we ingewanden van barmhartigheid? Wat is er van uwe beloften geworden?
Jezus- Cl iristas. Mijne Dochter, staak uw zuchten en klagen , blijf niet sidderend en schreiend aan mijne voeten liggen, beschuldig mijne vaderzorg niet; want gij bedroeft mijn Hart door uwe herhaalde twijfelingen en moedeloosheid. Hoe, hebt gij dan nog niet begrepen, wat ik van u vraag, wat ik u beloof, wat ik eisch van de zielen die zien geheel aan mij gegeven hebben, van de zielen die in mijne hand het offer van haren wil, van hare dierbaarste neigingen hebben nedergelegd? Eene genade van voorkeur heeft u krachtig tot mij gestuurd, heeft u geleid
319
op den weg tier zuivere liefde, heeft u voor immer vastgesnoerd aan mijn hart. Wat kan ik aan de zielen die ik zoo bevoorrecht heb, anders vragen dan offers en lijden? Wilt gij heden aan uw Godr uw Zaligmaker weigeren, wat gij Hem zoo menigmaal hebt aangeboden, wanneer gij behoefte gevoeldet t Hem uwe liefde en oprechtheid te bewijzen ? Vergeet gij dan , dat Hij u in zijne barmhartigheid geicasschen heeft in een had dat Hem duur gekost heeft\'? 1)
Waarom dan wilt gij in die beproevingen, dat lijden, die bekoringen niet even zooveel gelegenheden zien om verdiensten te vergaderen, om uwe zonden te boeten, ten einde daardoor de zaligheid dergenen, die u dierbaar zijn, te bewerken en te verkrijgen? Wacht in rust en in vrede, mijne dochter, dat ik u den last ontneme, die u drukt, dat ik het juk verlichte dat gij draagt. Neen, die kruisen zijn niet de kastijding uwer ongetrouwheid; gij staat niet voor een vertoornden God, maar voor een Vader, die u liefheeft en u slechts een vol vertrouwen, eene volledige berusting vraagt. Werp dan al uwe zorg in mijn Hart, vertrouw mij al uwe bekommeringen, maar verwacht alles van mijne macht en mijne barmhartigheid; en als het uur zal geslagen zijn, zal uw God uwe voeten licht maken; Hij zal uwe vijanden overwinnen, Hij zal u geleiden op den berg Sion, waar gij Hem lofliederen zult zingen.
O mijne ziel, gij zijt gelukkig, omdat God u getoond heeft, wat Hem aangenaam is; Hij heeft u den weg getoond, waarin Hij zijne lievelingen geleidt. Heb dus slechts eene kennis, den goddelijken wil; heb slechts ééne smart, de zonde; gevoel slechts
J) il. August luns.
S20
éene begeerte, God gekend en verheerlijkt te zien; slechts ééne droefheid, uwe onmacht om God te beminnen, gelijk Hij u bemint.
Een en Twintigste Bezoek.
Niet al wie roept: Heer, Heer, zal het rijk der hemelen binnengaan, maar hij die den wil zijns Vaders, die in den hemel is, volbrengt. Matth. VII, 21.
De Ziel. Is het dan waar, o mijn goddelijke Meester, dat Gij slechts diegenen voor de uwen zult erkennen, die uwe voetstappen drukken en hun voedsel maken van den goddelijken wil. Maar helaas! hoe weinig menschen kennen en willen die waarheid kennen! O toon mij toch duidelijk, hoe rechtvaardig, hoe billijk, hoe bemoedigend, hoe troostend zij is. Geef dat ik ze begrijpe, opdat ik met alle zorg trachte den titel van een kind Gods en het eeuwig erfdeel te verdienen.
Jezus-C/tristus. Gaarne, mijne Dochter, verhoor ik uw gebed; want ik verlang vurig aan al mijne kinderen die veilige wegen, die naar mijn rijk geleiden, te toonen. Luister dan aandachtig naar mijne woorden, want zij bevatten het geheim aller volmaaktheid.
Onder de geboden, die ik den menschen gegeven heb, is er een dat de grondslag vormt van al de overige. Het is het gebod der liefde. Om God in dit en in het andere leven te bezitten, moet men ia de liefde verblijven. Hij die niet bemint, blijft in den dood. 1)
1) I Joa. II. 14.
321
Maar, mijne dochter, de liefde wordt slechts volmaakt door de gelijkvormigheid van wil met het beminde voorwerp. Ja, zal de liefde oprecht zijn, dan moeten zij die elkander beminnen, slechts één hart en ééne ziel uitmaken.
Om deze waarheid aan de wereld te leeren, ben ik uit den hemel nedergedaald; om haar het voorbeeld te geven van die volmaakte onderwerping heb ik tot mijnen Vader gezegd: zie ih kom, zooals in het he gin des hoeks geschreven staat, om uwen wil te yvervullen. 1) De vervulling van dien wil viel mij zwaar; want zij deed mij den troon mijner glorie verlaten om in een armen stal geboren te worden, in armoede te leven, op een kruis te sterven
En nochtans heb ik dien met liefde omhelsd, en herhaalde ik elk oogenblik van mijn smartvol leven: Mijn hart is bereid, o God, mijn hart is bereid! 2) wat ik verlang, wat ik begeer, is den wil te verruilen van Hem, die mij gezonden heeft. 8) Ja, alles wat ik gedaan, alles wat ik geleden heb, had slechts één doel: God te verheerlijken, en dat de wereld erkenne, dat ik mijnen Vader bemin, en zoo doe gelijk de Vader mij heeft opgelegd. 4)
Neen, zij drukken mijn voetspoor niet, zij die al wat der natuur moeielijk valt, uit het gebod des Heeren verwerpen, en zich tevi\'eden stellen, den Heer met de lippen te aanroepen, zij die meenen dat het genoeg is Hem uitwendige blijken van hulde en aanbidding te geven, en Hem als eenig zoenoffer onvruchtbare verlangens aan te bieden.
De Ziel. Hoe is het mogelijk, o Heer, dat wij zoo slecht begrepen, zoo slecht beoefend hebben.
1) Ps. XXXIX, 10, 11. 2) Ps. IV. 10. 3) Joa V, 38. 4) Job. XIV, 3u
21
322
wat Gij ons op zulk eene bewonderenswaardige wijze geleerd hebt! Hoe is het mogelijk, dat wij onverschillig voor uwe voorbeelden en ongevoelig voor uwe beloften, dikwijls zoo weerspannig zijn tegen den heiligen wil van den almachtigen God, die ons geschapen heeft, van den oneindig goeden Vader, die ons zoo zeer bemind heeft! Hoe is het mogelijk, dat het schepsel, dat zooveel van Hem ontvangen heeft. Hem de hulde van zijn geheel bestaan en al zijne geestvermogens durft te weigeren.
Jezus Christus. Dit komt, mijne Dochter, omdat de menschen, in plaats van God, zich zeiven beminnen , in plaats van zijne glorie te bevorderen, hunne eigene voldoening najagen; dit komt, omdat zij den moed niet hebben, het juk hunner driften en zwakheden af te werpen en zich te onderwerpen aan den wil mijns Vaders. En om hunne vermetele onafhankelijkheid en hunne schuldige traagheid te verschoouen, om de stem van hun geweten te smoren, sluiten zij het oog voor de plichten, hun opgelegd door hun titel van Christen en kind van God; zij trachten zich te ontveinzen, wat zij hun Schepper en Meester verschuldigd zijn, aan Hem die, hun oorsprong zijnde, ook hun einde wezen wil.
Die onverschillige Christenen bedrijven, wel is waar, geene groote misdaden; zij zijn geene godslasteraars, geene ontuchtigen, geene onrechtvaardigen; maar de drijfveer hunner misdaden is öf ijdelheid, of menschelijk opzicht, of eigenbelang, en zoo zij den schijn der godsvrucht hebben, hebben zij haren geest niet. Wel roepen die verblinden: Heer, Heer, maar zij bewijzen God de Hem verschuldigde eer niet. Zij belijden Hem door hunne woorden, zij aanroepen zijnen naam; maar zij weigeren Hem het offer van
hun hart, en zijn woord is niet in hunne zielen gegrift. Mijn Vader heeft mij tot hen gezonden om hun ootmoed en gehoorzaamheid te leeren, doch zij volharden in hunnen hoogmoed en weerspannigheid; ik heb hun liefde en zachtmoedigheid aanbevolen, en zij geven zich aan toorn en afkeer over; ik heb hun een voorbeeld van barmhartigheid gegeven, en zij zijn wraakzuchtig jegens hunne broeders; ik predik hun de armoede, en zij hechten zich aan de ijdelheid der wereld. Zij hebben mijn woord gehoord, doch zij hebben het niet vervuld; zij hebben het gekend, doch niet bemind; zij hebben het geloofd, doch niet nageleefd. 1)
Waarin doen zij den wil mijns Vaders? Waarin vervullen zij zijn gebod en zijne voorschriften? Gij ziet het, mijne dochter, zij die aldus handelen, eeren God met de lippen, maar hun hart is ver van Hem. Zij noemen Hein hun God, maar hun ware God zijn die afgoden, die zij boven Hem stellen. Dat zij dan bedenken, die afgedwaalden, dat ik niet alleen de zondige en misdadige ziel uit mijne tegenwoordigheid verban, maar dat ik ook gezworen heb haar die koud noch warm is, uit mijnen mond te spuwen. Dat zij bedenken, dat zoo hunne rechtvaardigheid niet volmaakter is dan die der Schriftgeleerden en Pharizeeën, zij evenmin als de^e eene plaatsin mijn koninkrijk zullen verwerven.
Ach! hoe vele gewaande rechtvaardigen zullen beschaamd staan, als ik de geheimen des harten en des gewetens zal komen openbaren! Hoevele ontrouwe schapen, die veilig in mijn schaapstal leefden en zich ia mijne weiden voedden , zullen alsdan bij de bokken gerangschikt worden!
I) Nav. van Clir. 11 Boek.
324
Wat u betreft, mijne dochter, o volg toch die menschen niet na, welke slechts Christenen zijn in naam, en die als de onvruchtbare vijgeboom ten onnutte eene plaats bekleeden in mijne kerk; bid en begeer vurig, dat het rijk des Heeren zich in ü vestige; beschouw en bestudeer onophoudelijk mijne geboden vol rechtvaardigheid en waarheid; tracht het begrip mijner geboden te verkrijgen en onderwerp u geheel aan mijue plannen over u, gelijk ik, uw God, mij volkomen onderworpen heb aan al de plannen mijns Vaders; aldus zult gij in u eene volmaakte gelijkenis met mij vestigen en gij zult mij door uwe werken verheerlijken.
Ja, mijne Dochter, dat mijne wet voortdurend het voorwerp uwer overwegingen zij; wandel moedig op mijn voetspoor, opdat uw leven steeds groeie, en gij eenmaal moogt komen tot dat rijk van vrede, waar de volmaakte gelukzaligheid bestaat in de volmaakte vervulling van den wil des Heeren.
De Ziel. O Heer, mocht ik aan uwe plannen over mij beantwoorden en de woordeu verstaan, die ik aan uwe voeten kwam overwegen. Gij hebt mijn verstand verlicht, o Heer; zegevier nu ook over mijne traagheid en lauwheid; voltooi in mij het werk uwer genade; boezem mij dien sterken en onwankel-baren wil in, die de heiligen vormt; en geef, dat gelijk Gij één zijt met uwen Vader door de vereeni-ging met zijnen wil, ik ook één met U worde door mijne volkomen onderwerping aan uwen wil.
325
Twee en Twintigste Bezoek.
De Heer is mijn licht en mijn heil; wien za) ik viefzeu? Pa. XXV, J.
Hond moed, o mijne ziel, in dien aanhoudenden strijd die uwe krachten uitput, in die vreeselijke beproevingen die rondom u oprijzen. Jezus, de beminnelijke Jezus, is Hij niet met u om u te ondersteunen, te troosten, te versterken? Spreekt Hij tot uw hart geene zoete woorden, die uw hart bemoedigen ?
O
Jezus-Christ us. Ga met vertrouwen voort, o mijne welbeminde dochter, berust ten volle in de macht van Dengene, die het heelal ondersteunt en met u den last uwer droefheid draagt. Mijne zwakke kinderen hébhen ruwe wegen hewandeld; want zij zijn toeggevoerd gelijk eene door de vijanden ontroofde kudde. Houdt goeden moed, mijne zonen; want Hij die 11 geleid heeft, zal aan u denken. 1) Neem dan uit liefde tot mij al de rampen, al de moeielijkheden aan, die u nederdrukken; overweeg het voordeel, dat zij u in de gelukzalige eeuwigheid zullen aanbrengen, in die eeuwigheid die het loon uwer opofferingen en uw streven zal zijn.
Gij weet het, de aarde zal met hare vreugde en smarten voorbijgaan, maar mijne woorden zullen eeuwig bljjven. En zij geven u de verzekering dat de hepvoevingen van dit leven in geene vergelijking komen met de heerlijkheid, die geopenbaard zal worden in hen die dapper voor de glorie van mijnen naam zullen gestreden hebben. 2) Wel is waar, leeft gij thans in zuchten en tranen, maar moet gij dan niet
1) Barnch. IV. 26, 27. 2) Rom. Vil, 18.
326
even als het goud beproefd en gezuiverd worden? Weldra zal al het vergankelijke eindigen; uwe beproevingen zullen verdwijnen, uwe moeielijkheden zullen ophouden, uw zielsangst zal voltrokken zijn, uwe duisternissen zullen door het licht gevolgd worden; Ik zal u het beloofde land doen ingaan; Ik zal een diadeem van eeuwige glorie op het hoofd plaatsen. 1) Ik zal u zeggen: voor u nu die vreugde, die rijkdommen, die op aarde uw deel niet waren, omdat ik u de onthechting aller zaken wilde doen beoefenen. Voor u die vrede en die rust, waarnaar gij trachttet en die gij in uw ballingsoord niet vinden kondt! Voor u die zoete rust na uwen moeitevollen arbeid! Voor u dat onveranderlijk, dat eeuwig geluk waarvan de gedachte alleen reeds uw hart van vreugde deed trillen! Voor u, getrouwe ziel, al die schoonheid, al het licht, die ik in mij bezit en die den glans der hemelen uitmaken! Voor u die liefde, waarvan mijn hart overvloeit en die ik zoo vurig begeer over mijne uitverkoorneu uit te storten. Ik zal zelf uw eeuwig licht zijn en de dagen uwer droefheid zullen voor altijd geëindigd zijn. 2)
Dan zult gij, mijne Dochter, met de engelen en heiligen zeggen: Verheug u in den Heer, o mijne ziel; bezing zijne liefde, zijne schoonheid, zijne glorie; verhef zijne barmhartigheid! Jezus heeft uwe stem gehoord, die zoo dikwijls tot Hem riep; Hij heelt de tranen van liefde en berouw geteld, die gij aan zijne voeten gestort hebt; Hij heeft uwe smart gade geslagen, Hij heeft de uren uwer beproeving geteld, en nu gaat Hij uwe hoop, uw vertrouwen bekronen.
De Ziel. Heb dank voor uwe liefdevolle woorden,
1) Baiuch. V, 2. 2) Isaise, X, 20,
327
o mijii Jezus, ik wil mij daarmede voeden; zij zullen mijn troost en mijne kracht uitmaken gedurende den tijd van mijnen pelgrimstocht op aarde; en voortaan zal het mij eene zoetheid zijn de vreugde der aarde onder de voeten te treden, om slechts de hemelsche blijdschap, de hemelsche grootheid te begeeren. Het zat mij eene zoetheid zijn, in de duisternis en de bitterheid dezes levens, in den geest op te stijgen tot het verblijf der ware gelukzaligheid, 1)
Djiie en Twintigste Bezoek.
Hij heeft waarlijk Jezus gevonden, die de zaligheid zijns broeders heeft kunnen bevorderen. Üeda.
De Ziel. Alvorens u te begeven op dat uitgestrekte, dorre veld, waarop gij voor uwen goddelijken Meester moet arbeiden en maaien, sla, mijne ziel, een oogslag op u zelve, meet die kracht, die God u heeft gegeven, en de hulpbronnen, waarover gij kunt beschikken. O, ik weet het maar al te wel, zonder U, mijn God, die mij altijd hebt bijgestaan en geholpen , zal ik niets vermogen; en zoo Gij mg aan mijne eigene zwakheid overlaat, ben ik slechts een onnuttig werktuig; maar met uwe hulp is niets onmogelijk; want Gij zijt de kracht van den zwakke; en Gij geeft den wasdom aan alle dingen.
Ja ik betuig gaarne, dat, zoo ik overgelaten ware aan mijzelve, aan mijne gevoelens , aan mijne zwakheid , ik volstrekt onbekwaam zou zijn voor alle heilzame zaken; maar daar Gij de zielen beschermt die U dienen, weet ik ook, dat ik met uwe krachtige
1) H. Augnstimis.
328
hulp zal zegevieren over alle moeielijkheden; en als dan mijne pogingen gelukkig slagen, zal ik ook met den H. Paulus kunnen en moeten herhalen: Niet ik, maar Gods genade met mij. 1)
O bron van eeuwig licht, die mij zoo duidelijk mijne nietigheid en de wonderen uwer barmhartigheid en uwer almacht toont, doe mij dagelijks toenemen in de kennis dezer waarheden, opdat ik ze luide verkondige en op mijne beurt uw goddelijk licht doe schijnen in de oogen dergenen aan wie ik tot stichting moet verstrekken. Ja, Heer, Gij zijt de bron van alle goedheid; o houd niet op, over mij de hulp uwer barmhartigheid en genade uit te storten, ten einde aldus mijn edelmoedig besluit te versterken.
Jezus-Christus. Heb moed en vertrouwen, mijne Dochter; de taak, die ik ü opleg, is moeielijk, maar gij werkt voor een goeden en rechtvaardigen Meester, die u niet zal verlaten. Hij zal uwe pogingen ondersteunen, Hij zal uwe moeite en uwen arbeid ver-gelden, zoowel als Hij u uit uw niet en uwe ellende heeft weten te trekken, om u dezen weg van ijverige zelfopoffering te doen bewandelen. Houd moed, want mijne uitverkorenen werken niet te vergeefs; men zal zien, dat alvorens zij tot mij roepen, ik hen zal verhooren; terwijl zij nog zullen spreken, zal ik hunne gebeden aanhoor en; 2) en ik zal hun wel doen verstaan dat zij die mij beminnen, niet voor zich seleen moeten leven, maar voor Dengene die voor hen gestorven en verrezen is. 3)
De Ziel. Hoe zoet is het mij, naar ü te luisteren, o Heer, en hoe troostend ü te dienen! Hoe zeer verheft die gloiierijke slavernij ons boven alle tronen,
1) Cor. XV, 10. 2) Isaise. XV. 23. 3) II Cor. V. 15.
329
alle grootheid vau het heelal, hoe zeer verheft zij ons boven alle ongenade der menschen!
O God van goedheid, is het mogelijk, dat Gij mijne diensten niet veracht, dat Gij mij wilt toestaan, aan de belangen uwer glorie te werken! 0 geef, dat ik die groote gunst naar waarde schatte en ik mij geheel opoffere om uw rijk te vestigen.
Ja, te midden dier zielen die nog zoo weinig in uwe wegen gevestigd zgn, zal ik mij geheel ten beste geven om haar te helpen, haar al het licht mede te deelen dat Gij mij geeft, haar te ontsteken met het vuur dat Gij in mijn hart zult ontsteken, en haar al de dagen, die Gij mij zult toestaan op deze aarde te verwijlen, te stichten door mijne voorbeelden, mijne goede werken, mijnen iiver in uwen dienst. Ik zal medelijden toonen met hare ellende, hare rampen lenigen, hare harten troosten, hare zielen versterken. Geef mij dien ijver die uit de liefde opwelt, dien ijver die nederig en geduldig is, die niets lichtzinnig onderneemt, een ijver die, zonder moeiten en zorgen te tellen, het uur van God afwacht, zonder afkeer noch onrust.
Geef mij die genade, o mijn aanbiddelijke Meester; en mocht ik die door eenige nieuwe beproeving, door eenig nieuw lijden moeten verdienen, zoo neem ik dit gewillig aan; want wat zijn zij in vergelijking met het geluk, dat mij zal overstroomen, als ik uit die harten, die ik zoo gaarne voor ü wil winnen, den wierook van het offer en het gebed tot U zal zien opstijgen? Ja, ontneem mij alles, doch geef mij zielen; geef mij den troost, U alom gekend, geëerd, gediend, bemind te zien. Amen.
380
Vier en Twintigste Bezoek.
Dat mijne leering afdnippele gelijk de rt\'gen; dat mijn woord geljk de danwdrnppeleu nedervalle. Deut. XXXI, 2.
De Ziel. Hoe menigmaal heeft mij den moed begeven, o mijn God, onder het gewicht van myn lijden en mijne treurige bekommering! Hoe weinig ben ik getrouw gebleven aan het edelmoedig besluit, dat ik genomen had, mij in alles aan uwen heiligen wil te onderwerpen!
O mijn God, hoe zwaar valt het mij dat »Fiatquot; uit te spreken, dat Gij mij onophoudelijk vraagt! Hoe menigmaal heb ik in plaats van dat »Fiatquot; eene bittere klacht, een onbillijk verwijt, een woord van weerstand zelfs tegen uwen aanbiddelijken wil aan mijne lippen doen ontsnappen! Ik, ellendige aardworm, heb aldus durven opstaan tegen de aanbiddelijke raadsbesluiten uwer goddelijke Voorzienigheid , ik zou die willen onderzoeken en begrijpen! Hier, voor uwe voeten bloos ik over mijne vermetelheid en onrechtvaardigheid! Van aüe kanten, o Heer, loord ik vernederd; doe mij volgens uwe beloften herleven. 1)
Moest ik aldus aan uwe gunsten beantwoorden, o mijn Jezus, en hadt Gij geen recht om een geheel ander gedrag te verwachten van het bevoorrecht kind uws Harten? Toen Gij mij ondanks mijn weerstand tot U trokt, toen Gij mij overlaaddet met zooveel blijken uwer goedheidtoen Gij mij trokt tot het vuur uwer liefde, hebt Gij toen mijne ellende niet veredeld, hebt Gij mij toen niet geheel hervormd? O mijn aanbiddelijke Meester, nog eens, ja, ik beu
1) Pa. cxvii, 107.
331-
schuldig en ondankbaar geweest, ik heb uwe barmhartigheid misbruikt, uwe liefde beleedigd; maar vergeef mijne zwakheid, en zie nu, gelijk inmmer, slechts op mijn berouw en mijne goede voornemens. Gij weet het, de opofferingen vermenigvuldigen zich op mijne schreden; de eene raken mijne innigste genegenheden, de andere mijne dierbaarste belangen, en mijn hart krimpt inéén bij derzelver aanraking. O verander toch mijne gesteltenis, geef mij de genade die beproeving te omhelzen, mijn lijden te vereenigen met de smarten die Gij voor mij geleden hebt. Doe mij begrijpen dat Gij uw rijk slechts vestigt op de puinhoopen dezer wereld, dat de bloemen van voorspoed moeten afvallen, alvorens men de vruchten der genade kan plukken. 1) Doe mij begrijpen, dat de beproeving zal veranderen in glorie en in vreugde, in eene eeuwige vreugde, die niemand ons ooit zal kunnen ontnemen.
Gij weet het, mijne ziel, het lijden dat u eene onsterfelijke kroon moet verschaffen, is eene noodzakelijke taak; veracht haar niet; het is een nietig zaad, doch het zal eene heerlijke vrucht voortbrengen. 1) Herinner u vooral, dat herboren in Jezus-Christus, bestraald door zijn helderste licht, gij op uw voorhoofd en in uw hart zijn goddelijk beeld moet dragen. Beschouw het leven van uwen Zaligmaker, beschouw het van alle zijden, gij zult er niets anders vinden dan kruisen, taant van zijne menschwording tot zijnen dood was Hij altijd in lijden, in smart, in doodsangst. 1)
Jezus-Christus. O mijne Dochter, daar gij erkent, dat ik u van alle eeuwigheid heb bemind, dat ik u door de smartelijke uitstorting van mijn bloed heb
1) H. Bernardiis.
332
verlost, dat ik u een eeuwig rijk bereid heb, hoe kunt gi] mij dan weigeren wat mijn wil van u vraagt, wat mijne liefde van u eischt? Buig dan het hoofd onder den last van dit uur en van den wellicht nog zwaarderen, dien gij in de verte ziet aankomen; het hart van uwen God smeekt u dit. Tk ben getrouw in mijne belofte; maar zoo gij derzelver vervulling wilt zien, dien mij dan edelmoedig, luister naar mij, berust in mij, en geloof vastelijk, dat ik u eens zal komen troosten, u zal schadeloos stellen voor alles wat de natuur u ontzegd heeft, dat ik eens al uwe behoeften, al de wettige verlangens uwer ziel zal vervullen.
De Ziel. Ja, mijn goddelijke Meester, ik geloof dit alles. Ik snel tot ü als tot mijn eenige toevlucht; ik mistrouw mijzelve en alle schepselen en stel al mijn vertrouwen op ü alleen, mijn God! Wees dan mijn eenig voedsel, mijn geheel bestaan, dat ik U slechts begeere, naar ü alleen smachte; naar U alleen dorste en dat het mij zoeter zij, met U bedroefd te zijn, dan te heerschen en verheerlijkt te worden zonder U. 1)
ViJ]? en Twintigste Bezoek.
De liefde, die niet werkt is geene ware liefde.
H. Gregorius.
Jezus-Christus. Ik hen het vuur op de wereld, komen brengen, en wat toil ik anders dan dat het ontstoken wordet 2)
De Ziel. Deze woorden, aanbiddelijke Meester, leeren ons, waarom Gij onze zaligheid door zooveel arbeid en smarten, door uwen smartelijken dood en
i) H. Bernardus. 2) Lucie XII, 49.
333
door zooveel wonderen van macht en goedheid hebt willen bewerken; en na aulke voorbeelden schijnt het ons toe, dat die oneindige begeerte, die Gij den menschen openbaart, zich in dezelfde maat uwer liefde heeft moeten vervullen. Uw leven op deze aarde, uw arbeid, uw lijden moesten inderdaad meer dan genoeg zijn om uwe liefde in onze zielen te ontsteken en ons op uw voetspoor te doen wandelen.
Maar, o betreurenswaardige verblindheid, o bedroevende werkelijkheid ! Dat schepsel door ü bovenmate bemind, waarvoor Gij uwe liefde hebt uitgeput, heeft dikwijls voor ü slechts ondankbaarheid en onverschilligheid! In hare bekrompen eigenliefde begrijpt die ziel de volheid, deu overvloed der goedheid niet, die uit uw vaderhart opwellende, U tot haar doet uederbuigen om haar uw geluk en uwe glorie mede te deelen.
O hoe brandend was dat vuur dat U verteerde zonder ooit te verminderen en dat in U dien brandenden dorst ontstak, die U het water van den stroom deed drinken, 1) U deed begeeren om met gal en azijn gelescht te worden en den kelk des lijdens tot den bodem te ledigen! Hoe krachtig, hoe weldadig was dat vuur, dat op het altaar van Calvarië van U een offer van aangenamen geur maakte! Ja, toen, o mijn Jezus, deedt Gij aan de wereld dat goddelijk woord hooren: Ik ben het vuur op de aarde komen brengen en wat wil ik anders dan dat het ontstoken worde? Want uit uw geopend Hart vloeiden stroomen van liefdevlammen, die zich over de aarde moesten verspreiden en haar aanschijn veranderen.
Jezus-Christus. Ik gevoel immer, o mijne Dochter,
1) Pi. cix . 8.
334
die dringende behoefte, alom het vuur te verspreiden waarmede mijn Hart vervuld is; maar hoe klein is het getal dergenen die anders dan door verachting en onverschilligheid aan mijne vurige begeerten beantwoorden ! En zoo er onder degenen die zich mijne vrienden noemen, al eenigen zijn, die zich minder ongevoelig toonen, waar zijn zij die wel begrijpen, wat ik van hunne edelmoedigheid vraag en de ver-
O O
langens mijns harten trachten te vervallen? De meesten behouden, na gesmaakt te hebben , hoe zoet mijne vruchten zijn, al het zoete voor zich zeiven; na door de stralen van mijn licht beschenen en door het vuur mijner liefde verwarmd te zijn, geven zij zich weinig moeite om de goddelijke vonken van dit heilig vuur, dat alles moet hervormen, tot hunne broeders te doen komen. Aldus handelende treffen zij mij in den appel van het oog, daar zij mijne dierbaarste belangen verzuimen en degenen voor wie ik mij heb opgeofferd, laten verloren gaan.
Wat ik versvacht van de zielen, die ik mij verkoren heb, is de ijver, die de vlam en de vrucht der liefde is; die ijver, die de goede begeerten, het geduld, de zelfopoffering, den heldenmoed inboezemt, die apostelen en krijgslieden vormt; die ijver, die ons heilige tranen doet storten over de zondaars en den terugkeer der afgedwaalden verkrijgt; die ijver eindelijk, die martelaren vormt en heiligen voortbrengt.
O gij, mijne Dochter, beantwoordt gij tenminste aan mijne begeerte; dat de ijver voor het huis des Heeren u verslinde; dorst naar de zaligheid uwer broeders; trek ze met u op \'de wegen der rechtvaardigheid, zoek anderen in uw geluk te doen deelen; 1)
1) 11. Gregoiius.
335
en daar gij tot God wilt gaan, zorg dat gij niet alleen tot Hem gaat; want er staat geschreven: Dat hij die hoort, zegge: kom. 1) Laat ons den Heer loven en te zamen de heiligheid van zynen naam verkondigen.
Beleger dan den Hemel door uw aanhoudend gebed; en dat de begeerte om mijnen Vader glorie te verschaffen, zijnen naam te doen kennen en Hem aanbidders in geest en in waarheid te bezoigen, uw voedsel, uw drank zij! Beschouw die menigte zielen, die verloren gaan, als even zoo vele Icostbare paarlen, die men afrukt van mijne kroon. Bid toch, dat geene moge verloren gaan; bid om mijne liefde, niet alleen als een pijl die uw hart winne, maar ook als een stroom die zich over alle zielen uitstortende, ze met u medesleepe om zich in mij te gaan verliezen. 2)
De Ziel. O beminnelijke en zoo weinig beminde Jezus, hoe zoet is het voor mij naar U te luisteren en U te gehoorzamen! Neen, ik wil niet alleen U roemen, niet alleen U beminnen, ik wil niet alleen viij met U vereenigen, niet alleen U bezitten. 3) En daar het mij niet gegeven is, aller harten met het vuur uwer goddelijke liefde te ontvlammen, wil ik ten minste de harten mijner dierbaren tot ü trekken, hun die uitmuntende dingen toonen die mijn hart met liefde, die verhevene zaken die mgn geest met bewondering vervullen; ik wil hun vooral toonen, dat niets in vergelijking komt met uwe liefde, en dat ik, om die liefde te bezitten, alles moet weten te geven, alles moet weten te slachtofieren.
J) Apoc. XXI, 17. 2) Bossuet. 3) H. Augostiniis.
336
Zes en Twintigste Bezoek.
Hoe liefelijk zijn uwe legertenten, o God der tieirkrachlen! mijne ziel verzucht en versmacht naar \'s Heeren hnis.
Ps. XXXII, 1.
Hoe goed is het, aan uwe voeten te leven, o Jezus, in deze tijden, dat uw goddelijk Hart zoo wreedelijk beleedigd wordt! Mocht ik, ver van de schepselen, bevrijd van alle aardsche beslommering, van het gedruisch en van de verergernissen der wereld verwijderd, hart aan hart met U, o goede en aanbiddelijke Meester, den troost genieten van mijn hart in het uwe uit te storten! Ja, hier is mijne rustplaats en het oord van verfrissching. Hoe verzadigt Gij de ziel, die ü komt bezoeken en haar hart tot TJ houdt opgeheven, tot U, o hemelsche schoonheid, tot U hare hoop, hare vreugde, haar leven! Zonder hare ellende te verachten, slaat Gij op haar uwe goddelijke blikken en Gij toont haar uw goddelijk Hart, door ondankbaren gewond, maar door uwe getrouwe kinderen vertroost. Gij toont haar uw hart vervuld met de rijkdommen uwer liefde; Gij noodigt haar uit, daarin haar toevlucht te zoeken, en zegt haar: zoek daar uwe rust, want ik wil u daar met mijne goederen verzadigen.
O geef mij die goederen, die genaden, die schatten, die Gij bestemt voor degenen die er de waarde van kennen, o mijn Zaligmaker, gij die hen, die dorsten naar het water des eeuwigen levens, overvloedig
TT
verzadigt. Ja, geef die schatten aan uw arm en ellendig schepsel\', aan al degenen die lijden, aan al die weenen, aan hen die, nog veel rampzaliger zijnde, doof blijven voor de stem die hen roept en blind tegenover de oneindige wonderen uwer liefde en uwer almacht.
337
O goddelijke Vader, verhoor raiju gebed en beschouw uwen Jezus, die zich heeft opgeofferd om ons zalig te maken en ons te rechtvaardigen. Gedenk die belofte ons gedaan: Al wat gij den Vader in mijnen naam zult gevraagd hebben, dit zal ik vervullen. 1) Door Hem en met Hem keer ik mij tot U, Heer; door zijne vernedering en door de armoede van zijn leven vraag ik ü de nederigheid en de onthechting van alle zaken; door zijne wreede pijnen en de overmaat zijner liefde voor de menschen vraag ik U de kracht om mijne moeielijkheden, mijne beproevingen te verdragen en in uwe heilige liefde to volharden; eindelijk door zijnen smartelijken dood en heerlijke verrijzenis vraag ik de genade van aan mjjzelve te sterven, ten einde nu en altyd in en voor U te mogen leven.
Verhoor dan mijne bede, o God, daar uw goddelijke Zoon U met mij bidt. Kom en voldoe aan de dringendste behoeften mijner ziel, lesch vooral dien liefdedorsfc, door U zelve in mijn hart ontstoken. Maar werp ook een blik van medelijden en barmhartigheid op de ondankbare en schuldige harten! Spaar hen ondanks hunne misdaden; verander die harten en geef dat zij, verlicht en vermorseld door uwe genade, in plaats van dien kreet der weer-spannigen Ik zal U niet dienen! met den H. Paulus uitroepen: Heer, wat wilt Gij dat ik doe ? 2) Ik weet, hoe uitzinnig en vermetel de opstand van het schepsel tegen U is, o mijn God! Ik weet, welk een eerherstel uwe beleedigde rechtvaardigheid moet vorderen. Doch beschouw Jezus, het goddelijk, het aanbiddelijk Offerlam van Calvarië; zie het bloed des
]) Joa. XIV, 13. 2) Act. IX, 6.
22
338
nieuwen verbonds, dat luider roept dan het bloed van Abel, en onmiddelijk zult gij verzoend en ontwapend worden! Thans, o mijn God, bidt en weent Jezus in zijn tabernakel, gelijk Hij eertijds bad en weende over het ongelukkig Jeruzalem. Nog roept Hij zijne kinderen tot zich, en dringt hen zich te bekeeren. O geef, dat zij niet ongevoelig blijven voor de liefdevolle uitnoodiging zijns Harten.
O Heer, ziehier de tijd uwe goedheid te doen nitschijnen; ziehier de dagen van zaligheid, waarop liet herdenken aan het smartelijk lijden van uwen goddelijken Zoon U een overvloediger barmhartigheid afsmeekt. Heb toch medelijden met die zondaars, die ongeloovigen, die goddeloozen; geef ook overvloedige genaden aan uwe getrouwe dienaars, opdat zij U met grootere verdiensten het goddelijk Zoenoffer mogen opdragen.
Zeven en Twintigste Bezoek.
Ziehier de ware rijkdom: mijn Hart is daarvan de bron; hoe meer gij er in zult putten, hoe meer het voldaan zal wezen.
De Ziel. Wanneer dan, o goede Jezus, zal ik beantwoorden aan die dringende begeerte, die Gij hebt van mij met uwe goederen te verzadigen? Wanneer zal ik alles verachten, om U alleen te bezitten? Wanneer zal ik, om deel te hebben aan uwe hemelsche gunsten, alles opofferen wat zich nog stelt tegen mijne volkomen vereeniging met Ü, o teederste, o beminnelijkste aller vrienden?
Gij weet het, o Heer, wel dorst ik naar U en naar alles wat van U voortspruit, maar ik zou slechts ü alleen willen smaken. Breek dan al mijne banden,
339
en geef aan mijn hart die volkomen bevrediging, die het alleen in U kan vestigen. Ruk den sluier van mijne oogen, opdat ik de wonderen uwer barmhartigheid moge beschouwen in al derzelver glans en schoonheid. Openbaar mij de zoete bekoorlijkheid uwer heilige menschheid, \'hier in dit kleine tabernakel besloten; laat mij U daar altijd zien, den zondaar vergevende, den schuldige verschoonende, den zwakke beschermende, den rechtvaardige zegenende, lijdende met de lijdenden en degenen beminnende, die U beminnen.
O zeg mij nogmaals, dat Gij mijn eenige schat wilt zijn, dat Gij mij dien vrede, die vreugde wilt mededeelen, waarnaar ik haak; verberg mij in het diepste van uw Hart, dat Gij mij als schuilplaats aanbiedt, opdat ik mij verzadige met die gbederen, die alle andere in waarde overtreffen; stort in mijn hart drop voor drop die hemelsche zaligheid, die Gij uwen uitverkorenen voorbehoudt; dan zal ik mij over niets meer bedroeven, over niets wanhopen; dan zal ik mij niet meer beschouwen als van alles beroofd, daar ik rijkdom en glorie tot schat, zoetheid en liefde tot troost, en den machtigsten, den teedersten aller vrienden tot vriend zal hebben.
Jesus-Christus. Luister aandachtig naar mijne stem, o mijne Dochter; want de hemelsche zalving, die uit mijne onderrichtingen vloeit, moet licht en rust in uwe ziel brengen. Ja, ik ben het voedsel van den zwakke, de toevlucht van den behoeftige, de hulp van degenen die, mij zoeken; ik doe slechts woorden van vergeving en vrede hooren aan de zielen, die zich oprecht tot mij keeren, die het hoofd willen buigen onder mijn juk, dat zoo zoet is, en die hunne schouders willen leenen tot het dragen van mijnen zoo
340
lichten last. Ja, ik ben de hulp van den ongelukkige, de vreugde der treurenden, de schat, het erfdeel der rechtvaardigen; en ik beloof het geluk aan hen, die, om voor Mij te leven, alles verlaten, alles opgeofferd hebben. Ja, ik ben geheel liefde, en ik wil de zaligheid, de volkomen verzadiging uitmaken der getrouwe zielen, die vurig wenschen in mijn hart te wonen.
U ook, mijne Dochter, roep ik tot dat gelukzalig leven, tot dat heerlijk verkeer; want gij ook zijt uitverkoren geworden, en ik zal u in dat liefdevuur dompelen, waarin gij begeert door te dringen. Kom dan en treedt ia het Hart van uwen God, door die goddelijke opening, door de liefde daarin gemaakt om nooit meer te sluiten; daar zult gij bij hetzelve verblijven, verzuchten, u verblijden, u troosten, daar zult gij het loven, beminnen, aanbidden; en dit Hart zal u alles geven wat uwe ziel verlangt, want het gevoelt eene oneindige begeerte u gelukkig te maken.
De Ziel. Thans mag ik met den koninklijken profeet uitroepen; De Heer is mijn Herder, en niets zal mij ontbreken. 1) O mijn aanbiddelijke Meester, daar ik U gevonden heb, smeek ik U, geef dat ik U nimmer verlieze; dat ik slechts in en voor U leve; dat ik alles verrichte tot eer en glorie van uwen naam, met liefde, met ootmoed, met vreugde, met volharding; want ik ben hongerig en wil mij met U slechts verzadigen, met U die het ware brood des levens zijt; want ik ben dorstig en wil slechts drinken aan de fonteinen van den Heer, waaruit de vreugde des eeuwigen levens tot den hemel springt.
1) Ps. XXI, l.
341
Acht en Twintigste Bezoek.
Vrees Diet, gij dien ik heb uitverkoren.
Isaise xiv, 2.
Jezus-Christus. Gij hebt mijn hart gewond, mijne zuster, mijne bruid, gij hebt mijn hart gewond! 1)
De Ziel. Zijt Gij liet wel, mijn Jezus, die mij dit liefdevol verwijt toevoegt? Richt Gij dat zoete woord tot mij, dat woord dat mij reeds doet begrijpen , dat gij mijne bovenmatige vrees hebt vergeven en vergeten? Hoe heb ik kunnen twijfelen aan uwe goedheid en barmhartigheid voor hen die in angst en rouw verkeeren?
Ja, ik had vergeten, dat gij mij hebt voorkomen met de zoetste barmhartigheid en dat het vertrouwen, doch het vertrouwen alleen is, dat ons de schatten uwer goedheid opent. Nog eens. Heer, ik heb uw Hart miskend, gewond, door uwe talrijke weldaden te vergeten; ik heb het gewond door het oor te sluiten voor die zoete uitnoodiging, waardoor Gij intrede vraagt in mijne ziel, voor uwe teedere woorden, die mij zegden den God niet te vreezen, die een kind voor mij heeft willen worden en tot den laatsten druppel bloeds voor mij vergoten heeft!
Ik beken het, o Heer, mijn schuldig wantrouwen verdiende eene kastijding; maar Gij hebt ü slechts over mijne onrechtvaardigheid gewroken door mij uw gewond Hart te toonen en mij nog dringender uit te noodigen.
Jezus-Christ us. Ja, gij kleine van geloof, aan al uw wantrouwen antwoord ik slechts door nieuwe weldaden; hoelang zult gij dan vreezen? Ik heb u in eene woeste aarde gevonden, ik heb u in rechte
l) Hoogl. IV, 9.
342
wegen geleid, in mijne grazige weiden, u ondersteunende in uwe zwakheden, en u voortdurend bewarende gelijk den appel van mijn oog. Waarom dan vlucht gij mij, als ik zoo vurig verlang, u te voeden met de fijnste tarwe? Waarom komt gij die heerlijke spijs niet eten die uwe kracht, uw leven vermeerderende, u inniger met uwen God zou ver-eenigen?
De Ziel. O beminnelijke Jezus, o liefdevolle en teedere Vriend, ik kom tot U en luister aandachtig naar uwe stem; maar luister op uwe beurt naar mij. Laat niet toe, dat de vrees mij van U verwijdere, en mij geleide op die wegen, waar ik slechts kommer en onrust ontmoet, waar ik slechts droefheid vind; laat niet toe, dat ik, verleid door de valsche listen van mijnen wreeden vijaud. nog ooit aan U twijfele, aan U die mijn getrouwste Vriend zijt.
O mijn teederbeminde Broeder, doe mij wel begrijpen , wat uw lijden voor mij verdiend heeft, wat het kan uitwisschen, en al het vermogen dat het bezit op het Hart van God, dien ik zoo dikwijls vergramd heb; geef mij vooral die troostvolle gerustheid, dat Gij mij nooit zult verlaten, en dat, niettegenstaande mijne herhaalde weigering van U de deur van mijn hart te openen. Gij immer zult kloppen , totdat het zich voor goed aan uwe liefde heeft ovenregeven in de mededeeling van eene zelfde edel-
o o o
moedige liefde.
343
Negen en Twintigste Bezoek.
Mijne barmhartigheid zal zich niet van n verwijderen. Isaiee IV, 10.
Sta op, mijne ziel, sta op; verhef u uit het stof en treed in de tegenwoordigheid van Jezus, uw Zaligmaker, om de barmhartigheid luide te verkondigen, waarmede Hij u overladen heeft. Maar wat zal ik zeggen? Ik vind geene woorden om mijne bewondering uit te drukken. Ja, wat zou ik tot den God van mijn leven kunnen zeggen? Welken lofzang, Hem waardig, kan ik Hem aanbieden ? Is er iets in mijn hart dat aan zulke weldaden kan beantwoorden ? En wat zou het kunnen geven in ruiling der goddelijke harmhartigheid f 1)
Ach, daar ik uwe grootheid niet kan verkondigen, daar ik ü mijne dankbaarheid niet kan betuigen, laat mij U ten minste beminnen, laat mij ü verzekeren, dat uwe liefde het voedsel en het leven mijner ziel is. Aan den straal uit uw Hart ben ik het licht verschuldigd, waardoor ik U mag kennen, het vuur dat mij U doet beminnen; zonder dien straal zou ik uitgeput en kwijnend nederzinken, alles zou mij zwaar en lastig vallen; doch daarmede wordt alles verzoet, tot zelfs de moeielijkheden en het lijden.
Ja, ik gevoel het, mijn Jezus, om gelukkig te kunnen zijn moet ik mijn geest en mijn hart vervullen met de herinnering aan uwe goedheid, moet mijn mond steeds bereid zijn om van uwe eeuwige volmaaktheden te spreken en uwe barmhartigheid te bezingen. Ik dank U, mijn goede Meester, dat Gij tot de laatste banden verbroken hebt, die mij beletten,
1) H. Anselmns.
344
met al de vrijheid der kinderen Gods tot U te gaan; ik dank U, dat Gij alle hinderpalen hebt weggeruimd, die mij beletten, met altijd vasten tred voort te wandelen op de wegen uwer liefde, waarop Gij mij met zulk eene bewonderenswaardige goedheid voorgaat. Ik had zoo lang getwijfeld, of Gij mij vergeven en weder in liefde opgenomen hadt; ik was steeds ongerust en angstig, en dit gestadig nadenken op een treurig verleden benevelde dikwijls mijne dagen, hoe gelukkig ik ook was U te beminnen en te dienen.
En op bewonderenswaardige wijze hebt Gij wraak . genomen over mijne verblindheid en wantrouwen, door de volmaaktste kalmte in mijne ziel te doen wederkeeren; want voortaan zal niets, niets meer mijne vlucht tot U belemmeren, daar Gij door eene overgroote goedheid mij door meer licht en meer genade hebt gerustgesteld. O God mijner zaligheid, die mijn eeuwig lot in uwe handen houdt, die mij met barmhartigheid bekroont en mij met zoovele heilige begeerten vervult, die de hoop in mijn hart hebt bevestigd, Gij voltooit uwe liefderijke opwekking door deze woorden die ik in het binnenste van mijne ziel gehoord heb: »Daar gij mijne stem hebt vernomen , naar mijn woord heb geluisterd, in mijne liefde geloofd hebt, zullen uwe voiige duisternissen voor u een licht worden; ik zal u eene voortdurende rust geven, en gij zult zijn als een altijd besproeide tuin, als eene bron wier wateren nimmer uitdrogen.quot; 1)
O verrukkelijke taal, mijne ziel smelt van liefde bij het woord van den Welbeminde! Ja, Heer, voortaan zal ik wandelen op den weg uwer geboden, omdat Gij mijn hart venvijd hebt. 2)
1) Isaise VII, 11. 2) Ps. CXVIII, 32.
345
Deutigste Bezoek.
Die zegt dat hij in Hem verblijft, moet zelf wandelen, gelijk gene gewandeld heeft. I Joa. 1, 6.
Heer, tot wien zullen wij cfaan^ Gij heht de woorden van het eeuwige leven. 1) Zoo sprak de H. Petrus u toe, o mijn Jezus, in naam uwer apostelen, in naam aller geloovigen der toekomstige eeuwen; deze woorden wil ik met hem herhalen, omdat ik, gelijk liij, de waarheid en het leven zoek, die in U zijn, en ik overtuigd ben, dat buiten U niets is dan dwaling en leugentaal. Ja, aan U wil ik mij hechten, U wil ik volgen, mijn lieve Zaligmaker; want Gij zijt die veilige weg, die geleidt naar de rust, naar het eeuwig geluk.
Zoo Gij mij geleidt, o getrouwe gids, zoo Gij mijne schreden richt, zal ik onbevreesd voortgaan, want Gij zijt het licht dat iederen mensch in deze wereld komende verlicht. 2) Naar U wil ik luisteren, omdat uw woord een woord van rechtvaardigheid is, dat ons alle waarheid leert en ons de heerlijkste verwachtingen mededeelt.
Ik wil uwen wil nakomen, omdat hij oneindig heilig, rechtvaardig, beminnelijk is en geheel overeenkomstig niet de eeuwige raadsbesluiten uws Vaders, wien Gij zelve onderdanig hebt willen zijn tot den dood toe, daar gij slechts in de wereld gekomen waart om zijnen wil te vervullen.
U dan zal ik zoeken, o Jezus, op U zal ik de blikken mijner ziel gevestigd houden; uwe schreden zal ik drukken, want Gij heht ons een weg gebaand door de zee en een veilig pad te midden der haren. 8)
]) Joa. VI, 69. 2) Joa. I, 9. 3) Sap. XIV, 3.
346
Eu tot wien dan zou ik gaan, dan tot U, o beminnelijke Jezus, tot U wiens liefderijke toegevendheid de zondaars, de zwakken, de onwetenden aantrekt, tot U die ons vergeving, kracht en leven schenkt? Tot wien zal ik gaan in myne droefheid en verdrukking, dan tot U, o getrouwe Vriend, die ingewanden van barmhartigheid hebt en slechts vraagt
o O
de bedroefde harten te verlichten en te troosten? Zijt Gij het zelve niet, o goede Zaligmaker, die ons tot U roept door deze woorden: Komt allen tot Mij. 1)
Ik kom, o Heer, want ik ga gebukt onder den last mijner rampen; ik kom, want ik ben door dikke duisternis omgeven; ik kom, want mijn hart lijdt door die diepe wonde, door uwe hand geslagen; ik kom ü bidden, mijn hart, zoo niet te genezen, dan toch te zalven met den balsem, die. uit uw Hart vloeit. 0 liefdevolle Geneesheer der zielen, o wijze en goede Vertrooster, Gij zult mij uwe goddelijke hulp niet weigeren; in U plaats ik mijn vertrouwen, want het is met recht dat alle volkeren in U hopen.
Ja, ik kom heden, als immer, een blik van mede-doogen, een woord van troost van U afsmeeken, U bidden mijne zwakheid, mijne diepe ellende te beschouwen, U smeeken de tranen mijner oogen te dragen, de duisternis van mijnen geest te verlichten, mijne hoop te versterken, mijne liefde te vermeerderen , mij wel te doen begrijpen, dat Gij alleen mijn hart moet voldoen, dat Gij alleen mij dien kostbaren vrede kunt schenken, waarnaar mijn hart zoo zeer verlangt, dien vrede door ü beloofd aan hen die van goeden wille zijn, dien vrede, dien Gij nimmer weigert aan hen die U met geloof en ver-
ij Matth. X, 28.
347
trouwen daarom vragen. O bron van alle goed, schenk mij dien vrede! Doe in mijn hart een stroom vloeien der levende wateren, die tot U opspringen, opdat uw dorsten naar mijne ziel en zaligheid gelescht worde, en terzelfder tijd mijn dorsten om U te beminnen en TJ te bezitten zonder vrees van U ooit meer te verliezen. Amen.
Een en Dertigste Bezoek.
Verberg mij uw aanschijn niet; dat ik sterve om het te aanschouwen en niet te sterven. H. Aiiguslinus.
.Tezu.s, Zoon van David, ontferm U over mij! 1) Ik zal niet ophouden, U dien smeekenden kreet te doen hooren, opdat ik, even als de blinde van Jericho, ten laatste uw hart moge vermurwen!
O heb medelijden met mijne zwakheid, mijn lijden, en kom o Jezus, met uw licht de duisternis mijner ziel verdrijven. In deze dagen, waarop Gij de ge-loovigen tot U roept, en smeekt, medelijden te hebben met uwe smarten, bid ik U, wees Gij ook voor mij een God van mededoogen, vol goedertierenheid en goedheid. Gij ziet mijne dringende begeerte om aan uw verlangen te beantwoorden, mijn welbeminde Zaligmaker, en ü schadeloos te stellen voor al de ondankbaarheid dergenen die U vergeten of miskennen. Gij weet, hoe gaarne ik ü eerherstel wil geven voor al de bittere beleedigingen, die ü worden aangedaan in deze tijden zelfs, waarin alles ons spreekt van uwe weldaden en uw lijden!
Maar helaas! wat kan ik ü aanbieden, als Gij mij zelf niet komt verrijken? Gij vraagt zuivere
1) Lucse XVIII, 38.
348
harten, om daarin een toevlucht, eene rustplaats te vinden; maar hoe zou ik U het mijne durven aanbieden als Gij zelf het niet komt zuiveren en versieren? Gij wilt uit onze zielen gevoelens van vurigheid en dankbaarheid zien opstijgen; en hoe kan ik die tot ü doen oprijzen, indien Gij zelf die zoo vurig begeerde gevoelens niet in mijn hart opwekt? O liefde, die altijd brandt zonder ooit te hunnen uitdooven, o God van liefde, ontvlam mijn hart! 1)
Beschouw mijne onmacht, o Jezus, en Gij zult mij uwe hulp niet kunnen weigeren; luister naar mijn aanhoudend gebed, en Gij zult niet ongevoelig kunnen blijven aan mijn stem ; ontbind dien ellendigen blinddoek, die mij omtrent mijn eigen toestand verblindt en mij belet uwe goddelijke gelaatstrekken, wier schoonheid zoo bekoorlijk is, te aanschouwen. Kom, en doe mij, gelijk aan den blinde van Jericho, dit troostende woord vernemen: Zie! dan zal mijne ziel de zwarte schaduwen die haar omgeven doordringende , in eerbiedig stilzwijgen uwe grootheid en de werken uwer liefde aanschouwen; en bij het gezicht uwer oneindige barmhartigheid verrukt, zal zij uwe weldaden verkondigen, en in hare dankbaarheid zal zij met Jeremias uitroepen; Goed is de Heer voor degenen die in Hem hopen, voor de ziel die Hem zoekt; 2) en zij zal met David zingen: Gezegend zij de Heer, die zijn aangezicht niet van mij heeft afgekeerd, en mij verhoord heeft, toen ik tot Hem riep. 2)
O eeuwige Waarheid, toon ü aan mij, en laat mij in bewondering en ootmoed aan uwe voeten liggen.
1) H. Augustinus. 2) Thren. II, 25. 3) Ps. XXI, 26.
349
•O onvergelijkelijke schoonheid, toon U aan mij en verander mijn hart. 0 grenzelooze liefde, omring mij, opdat ik in U verloren, eindelijk uwen lof moge ■zingen. Verwerp mij niet, o Heer; want mijne ziel kwijnt door den honger uwer liefde, zij smacht van ■dorst naar uwe oneindige goedheid. 1)
Twee en Dertigste Bezoek.
Ik zocht te vergeefs mijne rnst ia de geschapene dingen; toen heb ik gezegd; Ik zal wonen in het erfdeel des Heeren.
Eccli. XXIV, 11.
De Ziel. Hoe gaarne kom ik weder tot U, mijn Jezus! Mijn hart was verstrooid en van uwe liefde afgetrokken door de eischen der wereld, die mijn lijden vermeerderen, en komt nu vol verlangen zich weder in het veilig toevluchtsoord van uw Hart opsluiten. Welk een troost voor mijne ziel, aan uwe voeten de wereld en de schepselen te kunnen vergeten! Hoe zeer loalgt alles dengene, die God bemint, zoolang hij beroofd is van het dierbaar voorwerp zijner verlangens! 2)
Welk een troost, mijn zoete Meester, gevoel ik, U nogmaals te herhalen, wat ik U reeds zoo dikwijls betuigd heb, dat Gij alles voor mij zijt en dat er buiten uwe opperste schoonheid en uwe vurige liefde slechts ijdelheid en teleurstelling te vinden is! Hoe groot, o Heer, is de overvloed uwer zoetheid, die Gij voorbehouden hebt aan hen die U vreezen! 3)
Hoe beklagenswaardig is de ziel die haren God, zijne weldaden, zijne liefde vergetende, zich slechts
1) H. Anselmus. 2) H. Uernardus. 3) Ps. XXX, 23.
350
hecht aan de schepselen, de goederen dezer wereld, de vreugde dezer aarde, de ij dele en schuldige ververmaken , en daarin de voldoening haars harten zoekt! Dat zij toch eens mochte begrijpen, dat slechts diegenen gelukkig zijn, die U dienen en al hunne genegenheid stellen in uwe wet. En er is een tijd geweest, mijn goddelijke Zaligmaker, waarop ik, gelijk die verblinden, de oogen gesloten hield voor uwe bekoorlijkheid, waarop mijn geest, door de aardsche ijdelheid, door wufte neigingen, door wereldsche genoegens vervuld en beneveld door den rook, die zij achterlaten, het licht der waarheid niet kon begrijpen. Maar uwe genade heeft die dikke duisternis doorboord; ééne vonk, uit uw hart ontsproten , is tot het mijne doorgedrongen om daarin het vuur uwer liefde te ontsteken. Gij zijt mij voor-bijgegaan, Gij hebt mij verpletterd gezien onder het gewicht mijner beschaming en Gij hebt tot mij gezegd : Leef! Gij hebt mij doen groeien. Gij hebt mij wasdom gegeven ; en nu, ik durf het zeggen , ken, begrijp, aanbid, bemin ik ü, en ik leef! Nu bezit ik U, nu wil ik U beminnen en U altijd bezitten. Gij hebt mijn hart gewond; ik heb het aan uwe liefde toegewijd, zoodra ik het geluk had, U te kennen; 1) ik heb ü in mijn geheugen gedrukt, daar vind ik ü, en ik smaak een onuitsprekelijk geluk, aan U te kunnen denken.
Jezus-Christus. Ja, mijne Dochter, ik ben aan 11» gÜ ziit aan mij; en die banden, die ons vereenigen , zal ik steeds nauwer vastsnoeren; ik zal ze sterker maken, ik zal ze onverbreekbaar maken door u mijne zelfstandigheid in het Sacrament mijner liefde
J) 11. Angustiniis.
351
mede te deelen. Dit goddelijk voedsel zal u een vasteren wil, eene grootere edelmoedigheid, een vurigen ijver geven; en door die vereeniging met mij zult gij over uwen hoogmoed, uwe oploopend-heid, uwe eigenliefde zegevieren; op derzei ver puin-hoopen zal ik den ootmoed, de zachtzinnigheid, de naastenliefde vestigen, waarvan de kiem en het voedsel in mij berusten; want de geur dier teedere bloemen wil ik iu uw hart inademen. Doch als ik reeds van nu af aan deze arme woning tot mijn verblijf wil maken, zoo is dit omdat uwe goede begeerten mij bekend zijn en ik uw streven zie om mij te behagen.
Ja,, uwe ziel is mijn uilverkoren tuin; ik ben de tuinier, ik werk in dien lusthof en bewaak hem, mijn werk is uwe godsvrucht, uwe getrouwheid, uwe liefde. 1) Geef u geheel aan mij, o mijne dochter, en ondanks uwe nietigheid, zal ik u tot mij verheffen. Hij wiens beeld Gij door de liefde in uwe ziel geprent hebt, Hij kiest ü tot Bruid, wanneer Hij door een iconder zijner genade de vijandelijke machten zal overwonnen en aan zijn kruis zal gehecht hebben. 2)
Duie eh Dertigste Bezoek.
Gij zijt waarlijk een verborgeo God. Isaitc XIV, 15.
De Ziel. Als ik, o Heer, de wonderen uwer schepping en de tallooze schatten, door U in het uitgestrekt heelal verspreid, dat ons tot woonplaats verstrekt, beschouw, als ik een blik werp op al die wonderen, waarop het zegel uwer macht en grootheid gedrukt staat, maar van eene gesluierde macht en grootheid,
1) II. QeruarJus. 2) H. Hieronymus.
352
dan kan ik slechts met den profeet uitroepen: Gij zijt God, Gij zijt de groote, de heerlijke, de vreese-lijke God boven alle goden, en nochtans zijt Gij waarlijk een verborgen God; want ofschoon alles wat ik zie, mij spreekt van uwe heerlijkheid, zijt Gij desniettemin verborgen in het hoogste der hemelen, en ik weet niet, waar ü te vinden in uwe oneindige werkelijkheid.
Het is waar, o Heer, de zandkorrel zoowel als de sterren in bet firmament, het insect zoowel als de arend, de grashalm zoowel als de ceder van den Libanon verkondigen uwe glorie, 1) spreken van uwe wijsheid, en intusschen is die heerlijke schepping voor ons een gesloten boek; het geloof alleen doet ons uwe krachtige werking in die zoo verscheidene en bewonderenswaardige werken ontdekken; en als wij U aanbeden hebben, wachten wij te vergeefs, dat de sluier der wereld openscheure en ons uwe eigen heerlijkheid laat aanschouwen.
En wanneer ik de wonderen uwer liefde in het geheim der Menschwording en Verlossing beschouw, dan vooral, o Heer, verdiep ik mij in verbazing, in bewondering, en voel mij geneigd om U te zeggen: Waarom, o mijn God, hebt Gij ü in uwe toenadering tot den menscb onder nog diepere duisternis verborgen? Waarom hebt Gij de veropenbaring uwer oneindige barmhartigheid met zulk een ondoordring-baren sluier bedekt? Wat zal ik zeggen van dat geheimzinnig duister dat U omgaf, toen Gij den schoot nws Vaders, dat heiligdom waarin nooit het mensche-lijk oog is doorgedrongen verlatende, in den schoot eener maagd nederdaaldet ?
J) Ps.^XVII, i.
353
Waar zal ik woorden vinden, als ik uwe Godheid zie verdwijnen onder het zwakke hulsel der mensch-heid, die menschheid zich weder zie vernederen in de kribbe, de armoede van Nazareth en de verguizng van Calvarie? Waar zal ik woorden vinden, uls ik die heilige menschheid nogmaals zie verdwijnen onder de gedaanten van brood en wijn? Hier staat mijn verstand stil, en bidt ü om licht.
In de menschwording verborgt Gij uwe Godheid, in het H. Altaargeheim houdt Gij op mensch te schijnen. In de menschwording geeft Gij nog bewijzen uwer almacht, in het H. Sacrament geeft Gij zelfs geen teeken van leven meer. In het eerste geheim neemt Gij de gedaante aan van een slaaf, 1) in het tweede verbergt Gij U onder de gedaante van brood.
Nog eens. Heer, waarom verbergt Gij U aldus? Waarom onttrekt Gij U aan onze blikken ? Waarom laat Gij uwe grootheid, uwe macht, uwe liefde niet zoodanig uitschijnen, dat uwe vijanden niet meer tot ons, uwe getrouwe vrienden, kunnen zeggen: Waar is mo Godt 2)
Je zus-Christus. De grootheid en majesteit van mijn wezen verplichtten mij, mijne Dochter, mij aan de oogen der menschen te onttrekken; want gelijk ik ben hadden zij mij niet kunnen aanschouwen zonder te sterven. Mijne oneindige volmaaktheid en mijne liefde vraagden ook, dat het schepsel, dat ik zoo bemind en met zulke heerlijke gaven overladen heb , al deszelfs vermogens zou gebruiken om mij te zoeken en te ontdekken, en geen vuriger begeerte hebben, dan om mij te vinden. Ja, hier beneden moet de mensch uit het geloof leven, en die eerste deugd
1) Phil. X, 7. 2) Ps. CXII, 10.
23
354
moet in hem de hoop en de liefde vestigen; door dit goddelijk licht bestraald, moet hij mij dienen in den nacht der beproeving, ten einde waardig te worden mij te aanschouwen in het verblijf van het eeuwig licht, waar de liefde alleen zal overblijven.
Ziedaar, mijne Dochter, de rede van al het geheimvolle, waarmede ik mij gedurende de eeuwen die mijne komst voorafgingen, heb omringd.
Maar toen het uur mijner menschwording geslagen was, moest ik mijne glorie onder een nog ondoor-dringbarer sluier verbergen; want slechts door een leven van vernedering, van vernietiging, van ootmoed, van verborgenheid kon ik het werk volbrengen; waarvoor ik in deze wereld was gekomen; het was slechts door mij van alle grootheid, alle majesteit te beroven, door mij tot een staat van diepe vernedering te veroordeelen, dat ik met den mensch die nauwe, die hechtste vereening aan kon gaan, die ooit bestaan heeft.
Daarom behaagde het mij, rond mijne heilige mensch-lieid die geheimzinnige duisternissen, die grootsche schaduwen, die sombere wolken te plaatsen, en van uit dien duisteren nacht de groeten en de kleinen, de geleerden en de eenvoudigen, de sterken en de zwakken tot mg te roepen, opdat mijn gedrag de hoeksteen werde, waartegen het hoovaardig verstand zich zou komen verpletteren, een slagboom die het niet kan overschrijden, waar het verplicht zou zijn te zwijgen en te aanbidden. Volg mij, mijne Dochter, in al mijne vernederingen; gij zult daarin de heerlijkste mededeelingen vinden, en uw geloof zal niet wankelen.
In de eerste uren van myn sterfelijk leven had ik een stal tot woning, eene kribbe tot rustplaats, arme
355
doeken tot deksel, en niets in mijn persoon duidde eenige grootheid aan; doch de engelen verkondigden, dat God eindelijk door mij de hem verschuldigde glorie had ontvangen, en zij openbaarden aan de eenvoudige en zuivere harten van eenige herders, dat ik vrede en zaligheid aan de aarde kwam brengen. Dan verscheen er eene ster wier heldere glans de koningen van het Oosten naar mijne kribbe voerde, die mij voor hunnen God erkenden. Toen ik later in het huisje van Nazareth opgroeide, toonde niets mijne grootheid, noch de verheven zending, die ik op aarde kwam vervullen; maar door die dertig jaren van vernedering gaf ik aan de wereld, en zonder dat de wereld mij kende, eene schitterende les van onderwerping en nederigheid; ik leerde haar dat de volmaaktheid niet bestaat in het verrichten van groote zaken, in te schitteren in de oogen der menschen, maar in het vervullen van den goddelijken wil.
Gedurende mijn openbaar leven ging ik door voor den zoon van den timmerman Jozef. Ik had geene plaats om mijn hoofd neder te leggen. Ik had tot leerlingen slechts eenige onwetende en ruwe mannen; maar mijne leer en mijne werken verkondigden luide, dat ik de beloofde Messias was, en dat mij alle macht in den hemel en op de aarde gegeven was.
Op het kruis eindelijk scheen ik verachtelijk in aller oogen; gehoond, verguisd, van God en de menschen verlaten; intusschen erkende een moordenaar mij als God, als Koning van hemel en aarde. En toen na mijn laatsten snik slechts mijn bloedig lichaam in deze wereld achterbleef, verkondigden zij die mij gekruist hadden, luide: Waarlijk de Zoon van God was deze. I)
1) Malth. XXV, 54.
Eindelijk in het H. Altaargeheim, mijne Dochter, waarin ik mij onder de heilige schaduwen aan de blikken der stervelingen onttrek, vindt gij daar geene bewonderenswaardige openbaringen ? Spreekt die stilte die mij omgeeft, den inenschen niet van mijne liefde? Is het niet onder die schijnbare rust, dat ik de wonderen mijner oneindige liefde toon door een machtigen indruk teweeg te brengen in de ziel die mij bezoekt? Ja, daar werkt mijne genade wonderen in haar uit. Daar ontdek ik haar, wat ik ben en wat zij is, daar onderricht ik haar in alle deugden, daar ontsluier ik haar het geheim van die onuitsprekelijke teederheid, die mij heeft doen begeeren te zijn met de kinderen der rnenschen. 1) Daar overstroom ik haar met lichtstralen, daar vervul ik haar met vreugde, zoodat zij in verrukking uitroept : Het is goed hier te zijn! 2) Een dag in uwe tabernakelen, o Heer, is beter dan duizend jaren in de legertenten der zondaars.
Gij ziet het, mijn kind, sedert mijne komst in deze wereld heb ik mij verborgen, doch slechts voor hen die ongevoelig zijn voor de wonderen mijner macht en onverschillig voor die mijner liefde; ik ben slechts ontoegankelijk voor hen die in hun dwazen hoogmoed mijne verlichting weigeren en verblind willen blijven door den glans hunner ijdele wetenschap en valsche wijsheid.
Ach, Heer, gelukkig de mensch dien Gij onderricht hebt, 3) en aan wien Gij en uwe grootheid en de verborgen rijkdommen, de schatten in uw Hart verborgen , aantoont. Hoe zoet is het mij, ü te aanbidden, U voor mijn God te mogen erkennen, U
1) Prov. VII, 31. 2) Matth. XVII, 4. 3) Ps. XCII, 12.
357
in uwe werken te verheerlijken, U in uwe barmhartigheid te mogen zegenen!
O, daar Gij zoo vurig verlangt, dat ik U zoeke, geef dan, o Heer, dat ik U vinde, dat ik U immer ontdekke in de geheimen der natuur, in de vernederingen uwer heilige menschheid, in de onzichtbare verborgenheid van het H. Sacrament. Licht meer en meer dien sluier op, die U aan mijne blikken verbergt, verbreek dat zegel, dat U aan mijn verstand onttrekt, opdat mij slechts eene begeerte overblijve, de hemelsche schoonheid van uw aanschijn te mogen aanschouwen, ü te bezitten, U zoo nauw te omarmen dat ik U nimmer meer verlieze. Amen.
Vier en Dertigste Bezoek.
Gij hebt mijne tranen ia vreugde veranderd, Gij hebt mij met blijdschap overladen. _ Ps. XXIX, 14.
De Ziel. Hoe lang, hoe smartelijk is de beproeving, welke mij drukt, o mijn God! Welk een geluk voor mijn hart, dat U slechts begeert, naar U slechts verzucht! Waarom verbergt Gij U voor mijn oog, dat zoo zeer verlaugt U te aanschouwen? Waarom onttrekt Gij U aan mijne ziel, die niets zoekt, niets vraagt dan ü alleen? Waarom wordt Gij voor mij eene oorzaak van droefheid, Gij die alleen mijne hoop zijt?
Ach, laat ü verbidden, o myn aanbiddelijke Meester , laat mij tot U naderen; ik smeek U daarom, spreek tot mijne ziel, o mijn dierbare Zaligmaker; want zij heeft slechts ééne begeerte, te weten, uwe stem te hooren, uwen wil te kennen en overtuigd te mogen zijn, dat Gij tevreden zijt over hare pogingen en opofferingen.
i
358
Gij weet het, o Heer, U bemin ik en van U verwacht ik al het geluk, waarnaar mijne ziel dorst! Laat mij niet langer over aan dien kommer, die onrust die my pijnigt en mij aan alles doet twijfelen, aan mijzelve en bijna aan ü, mijn Jezus; zeg mij in den naam uwer barmhartigheid alles wat Gij mij zijt; zeg tot mijne ziel: ik hen uwe zaligheid. 1)
Kom, o Gij die het licht van Israël zijt en dit licht belooft aan allen, die er U om smeeken! Kom, o mijn Zaligmaker, o he.melsche Trooster, en herhaal mij deze woorden, die eens uit uw aanbiddelijken mond vloeiden en de Apostelen verheugden; Indien iemand mij bemint, hij zal mijn woord bewaren, en mijn Vader zal hem liefhebben, en wij zullen tot hem Tcomen en in hem onze woonplaats vestigen. 2)
Ja, ik gevoel eene groote behoefte om gerust gesteld te worden, uwe stem tot mijn hart te hooren spreken, uw zachten blik op mij gevestigd te zien! Spreek tot mij, o God van mijn hart; want mijne stem roept U en mijn oor luistert aandachtig naar de woorden die Gij tot mij zult spreken. Laat mij niet langer in deze verwachting, verwijder van mij die pijnlijke indrukken, die mij een gevoel geven, als ware ik van uwe goddelijke genade beroofd.
O neen, mijn goddelijke Meester, Gij hebt ü van mij niet kunnen scheiden! Maar geef Gij my zelf daarvan de verzekering; want alles is duisternis voor mijne ziel! Ja, zeg mij dat ik ü niet ontrouw ben geworden, dat mijne vrees ongegrond is, dat de klachten, die ik tot U deed opstijgen, uw Hart niet beleedigd hebben.
Jezus-Christus.. Waarom zuchten, waarom u
1) H. Aogustinus. 2) Joa. XIV, 23.
359
bedroeven, mijne Dochter? Mijne gedachten voor u zijn gedachten van vrede en niet van droefheid; dat uw mond dus uwe Machten versmore, dat uwe oogen ophouden tranen te storten, want op den gestelden tijd zal ik uwe rampen lenigen. Maar is er intus-schen niet eene stem, die gij kunt raadplegen, en die ik heiast heb U gerust te stellen? Als zij tot u spreekt, hoort gij mij! En heeft die stem u niet gezegd, te vertrouwen en te berusten. Dat uwe ziel zich dan geruststelle, mijne dochter! Kom op mijn Hart rusten, kom u daar troosten, kom daar het verborgen geluk van het lijden smaken. Het kruis doet zijn werk;, het geeft het leven, terwijl het doet sterven. Die dood kost tranen, bloed en folteringen; maar die smartelijke wonden zullen eens verheerlijkt worden; zij zullen gevolgd worden door de eeuwige glorie, den eeuwigen vrede, de eeuwige vereeuiging.
De Ziel. O zoete en troostende woorden, blijft immer in mijn hart gegrift, opdat ik daarin altijd het nieuw bewijs van goedheid, de nieuwe verzekering van liefde leze, die ik thans weder ontvangen heb van Hem, dien ik zoo gaarne mijn Bruidegom, mijn Welbeminde noem.
Ik bedroefde mij in de bitterheid mijner ziel, en Hij is mij met zijne gewone goedheid komen troosten. In het volle mijner klachten, mijner tranen, der diepe zuchten van mijn hart heeft Hij mijn geest opgewekt; en hem verheffende boven het lijden en de ballingschap, heeft Hij dien de vreugde van het vaderland doen aanschouwen.
O mijne ziel, indien gij dagelijks nieuwe pijnigingen moest lijden, indien gij zelfs eeuwen lang de grootste folteringen moest verduren, dan nog zoudt gij het geluk beloofd aan hen, die den goeden strijd
360
strijden, niet te duur koopen. O, zoek dan uw leven in altijd te sterven door het offer van u zelve, opdat gij, na hier een ofier van aangenamen geur geweest te zijn in uw leven, ook in alle eeuwigheid een levend offer moogt zijn, een offer verteerd door het vuur der goddelijke liefde!
Vijf en Dertigste Bezoek.
Ik heb u bij uwen naam geroepen.
Isaite XIII, 1.
De Ziel. Wees eeuwig geprezen, o mijn God, dat Gij mijne ellende niet versmaad heht! Wees geprezen voor die goedheid, die U de oogen op mijne nietigheid heeft doen werpen. Wees geprezen voor die oneindige barmhartigheid, die IJ heeft aangezet, mij tot uwe dienstmaagd te verkiezen. Toen Gij zielen zocht die U zouden troosten over de ondankbaarheid en de onverschilligheid van zoovele anderen, die weigeren U te dienen, o hoe konden uwe blikken zich op mij vestigen? Hoe hebt Gij tot mij kunnen zeggen, mijne Dochter, ga hooger op, kom dichter bjj mijn Hart, dat u heeft uitverkoren en tot erfdeel genomen heeft?
Ja, wees duizendmaal geprezen, mijn goede Meester, dat Gij mij met zulk een treffende goedheid behandelt, mij eene zoo bijzondere liefde, een zoo levendige begeerte van mijn hart te bezitten, en door mij bemind te worden, getoond hebt! Ach, dat niets in staat zij, mijne liefde tot U te verzwakken; dat niets mij belemmere, alles te dragen en te verdragen om U te troosten en de bekeering te verkrijgen van de zondaars, wier verblindheid U dezen kreet afperst: Hun dood vervult my met droefheid; want ik bemin
361
hen, gelijk eene moeder haren eenigen zoon bemint. Is het niet natuurlijk, dat Gij op uwe uitverkoren kinderen rekent om met U te lijden en te boeten, aanbiddelijke Meester? Is het niet billijk, dat die zielen, wie Gij de zoetheid uwer liefde hebt doen gevoelen, ook edelmoedig genoeg zijn om deel te nemen aan uwe smarten? Is het niet billijk, dat zij die gereed waren aan uw feestmaal neder te zitten, ook gereed zijn in het uur van beproeving. Want hij die bemint, bemint ten allen tijde. 1)
Ik behoor tot die bevoorrechten, o Jezus, ik behoor tot het getal dergenen die Gij liebt geroepen en die, getrouw aan uwe stem, U gevolgd hebban; die Gij hebt gestempeld met het zegel van het lijden, omdat Gij hen tot het eeuwig geluk hebt voorbestemd, en die na eenige ellendige vruchten gedragen te hebben, onophoudelijk gesnoeid moeten worden, opdat zij meerdere vruchten zouden dragen.
O welk een gelukkig lot, dat mij zoo nauw met U vereenigd houdt, o mijn goddelijke Zaligmaker! O, geef dat ik die kostbare gunst waardeere en dat ik door eene nog grootere edelmoedigheid U daarvoor mijne dankbaarheid betuige.
Jezus-Christus. Ja, mijne Dochter, wees edelmoedig; het is waar, uw leven is eene aaneenschakeling van lijdensuren, eu gelijk al mijne uitverkoornen en lievelingen, wordt gij met bitterheid verzadigd. Maar heb ik u op dezen smartelijken weg der verloochening geleid, heb ik u, zooals aan Veronica, verzocht mijn aangezicht af te wisschen, zooals aan Simon, het kruis achter mij te dragen, zooals aan mijne heilige Moeder en aan mijnen leerling,
1) Prov. XVI, 17.
362
getuige te zijn van mijne vreeselijke smarten, is dit dan niet om dat ik u wilde deel geven aan de glorie van mijnen arbeid en u eens de belooning wilde schenken, welke ik voorbehoud aan de vrienden mijns Harten? Ja, voor hen die mij zullen getroost, voor hen, die over mijn lijden geweend, aan de zaligheid hunner broeders zullen gearbeid en met liefde den wil mijns Vaders zullen volbracht hebben, voor hen zal ik ingewanden van barmhartigheid hebben; voor hen zal ik een rechter vol goedheid en zachtaardigheid zijn, tot hen zal ik vooral zeggen: Komt, o gezeg enden mijns Vaders, neemt he zit van het rijk dat u van de grondvesting der wereld af bereid is; 1) want gij, die ten mijnen opzichte de werken der volmaaktste liefde beoefend hebt, gij hebt recht op al mijne goederen.
Zes en Dertigste Bezoek.
De vrefs is in de liefde niet, maar de volmaakte liefde verdrijft de vress. IJoa. IV, 18.
Welke teedere terechtwijzing richttet Gij tot mg, goddelijke Meester, toen ik, aan uwe voeten neder-geknield door de vrees voor uwe oordeelen bevangen, Ü beschuldigde, mij in mijne zwakheid verbrijzeld te hebben. O hoe duidelijk hebt Gij mij mijne onrechtvaardigheid, mijne ondankbaarheid getoond! Hoezeer heb ik geleden bij de gedachte van U door mijne ijdele vrees en wantrouwen bedroefd te hebben, U mijn Zaligmaker, die mij eene edelmoedige opoffering van mijzelve en een volkomen vertrouwen in uwe , goddelijke barmhartigheid vraagt!
1) Matth. XXV, 34.
363
Hoe is liet mogelijk, liefderijke Zaligmaker, dat ik, na het voorwerp geweest te zijn uwer teederste zorgvuldigheid en bijzondere gunsten, een oogenblik aan uwe liefde kon twijfelen, en ü niet meer over mijne liefde durfde spreken met de vrijheid dergenen die beminnen en zich bemind gevoelen? Hoe groot was mijne schaamte, toen ik U deze bittere klacht hoorde uiteu: Hoe, mijne Dochter, gij durfdet de oogen niet opslaan en den oogslag uws Vaders ontmoeten dien Hij steeds op ü gevestigd heeft? Meendet gij dan, dat ik volstrekt geen rekening hield met de goede gevoelens, die mijne genade ü heeft ingeboezemd , met de pogingen, die gij aanwendt om uwen wil te breken en hem aan den mijnen te onderwerpen, met den ijver, dien gij aanwendt om mij te doen kennen en beminnen! Gij meendet, dat ik was gelijk eene ontaarde moeder, die de liefdeblijken van haar kind misacht, deszelfs behoeften vergeet, het hare hulp onttrekt en haar hart sluit. Heb ik zoo tot dusverre met U gehandeld ? Heb ik, als uw hart afdwaalde, u mijne armen niet geopend? Bleef mijn hart ongevoelig aan uwe droefheid? Hoe menig werf hebt gij mij niet hooren zeggen: Ik, ik zelf zal u troosten! 1) Kunt gij de liefdeblijken tellen, die ik u gegeven heb ? Hoe hebt gij ze in het uur van zielsangst kunnen vergeten? Weet gij niet, dat de ware liefde geene bitterheid, maar zoetheid smaakt, en dat, zoo zij vaak op doornen treedt, de Welbeminde, die in rozen weet te veranderen. 2) Verwijderde ik mij van u, toen ik u nederdrukte en uwe getrouwheid op de proef stelde? Heb ik u geen hulp, geen steun, geen troost gezonden ? Hecht
1) Isaiae I, 12. 2) H. Augnstinns.
364
u dan aan de woorden van vertrouwen, die u worden toegesproken; verwijder voor aU.ijd die ongeruste begeerten, die ijdele vrees, die twijfelmoedigheden die mij beleedigen en uwe ziel in de ontsteltenis werpen; doch wordt niet moede te lijden, want mijn Vader behandelt u daarin gelijk zijn hind, en welk kind wordt niet door zijnen Vader gekastijd? 1)
Ja, mijn Jezus, ik wil naar uw woord luisteren; ik zal mij alles herinneren wat ik gehoord heb, wat ik ontvangen heb; ik wil steeds dichter tot U naderen, en al mijne kracht in U putten; ik zal de waarheid en de rechtvaardigheid aannemen, die uit uwen aan-biddelijken mond vloeien; ik wil de heilige begeerten van uw Hart beminnen, dat mij eene volkomen onderwerping, een volkomen vertrouwen en de vurigste liefde vraagt.
Geef, o mijn dierbare Meester, dat deze gevoelens diep in mijn hart gegrift mogen worden, dat zij krachtig genoeg zijn om alles te versmoren wat hen zou tegenstreven, dat zij Tf schadeloos stellen voor mijne onbillijkheid en mij in alle eeuwigheid doen zingen: Gezegend zij God, die ons in elke beproeving vertroost. 2)
Zeven en Dertigste Bezoek.
Door het vuur hebt Gij ons beproefd, gelijk het zilver beproefd wordt. Ps. XV, 9.
De Ziel. Mijn lot is in uwe handen. 3) Hoe vaak heb ik vol vertrouwen en hoop deze woorden tot ü gericht, o mijn God! Hoe vaak heb ik vol vuur en edelmoedigheid mij tot uwe dienstmaagd, tot slavin van uwen goddelijken wil aangeboden!
1) Hebr. XI, 7. 2) II Cor. 1,3,4. 3) Pa. XXX, 18.
365
Hoe vaak werd ik, ondanks mijne onmacht en mijne armoede, verslonden door de begeerte van mij op te offeren, voor U te lijden! Hoe vaak heb ik gezegd: Vraag, Heer, neem wat Gij wilb, want ik ben aan U met alles wat mij toebehoort!
Voor U had ik elk oogenblik van mijn leven al mijne goederen veil; U onderwierp ik mijnen wil, tot U richtte ik al mijne begeerten; al de krachten mijner ziel streefden slechts naar ü, o Heer, wilden niets bezitten dan U; en mijn geheele leven had slechts U tot voorwerp! Toen liep ik vol vreugde op den weg uwer geboden; en nu wandel ik met moeite, en mijne ziel is met droefheid vervuld!
Waarom, o God van liefde, moet mijn hart nu ijskoud voor ü zijn, dat hart dat vroeger voor U brandde? Waarom moet mijn wil in uwen dienst kwijnen, waarom voeren mijne begeerten mij daarheen waar Gij niet zijt?
Ach, Heer, laat mij toch niet langer in dien staat van duisternis, die my belet die waarheden in haar volle licht te zien, die zoo lang mijne kracht en mijn troost hebben uitgemaakt?
Laat niet toe, dat ik, alle vertrouwen in uwe woorden en beloften verliezende, twijfel aan de kracht van het gebed en de meedoogende liefde, die Gij voor uwe kindere voedt.
Laat U verbidden door het gezicht der rampen, die als een stortvloed op mij zijn nedergevallen, en mij, om zoo te zeggen, verpletteren.
Gedenk dat ik het werk ben, niet alleen van uwe handen, maar ook van uw Hart, dat mijne ziel, de adem uwer liefde, reeds thans uw beeld draagt, en dat Gij haar bestemd hebt om eeuwig den stempel uwer glorie te dragen! Verre van mij dan die
366
afzichtelijke vijand, die tracht haar te misvormen, die om haar te overrompelen duizende kunstgrepen bezigt, waartegen mijne lichtgeloovigheid, mijne onwetendheid, mijne zwakheid zich moeielijk kunnen verdedigen. Mijn wil mist kracht en volharding; leen mij, o Heer, de hulp van uwen wil! Ik heb geene edelmoedige liefde meer voor U; kom mij ter hulp, o Jezus, en leen mij het vuur van uw Hart, opdat het mij nog mogelijk zij, met U te zeggen: Mijn voedsel is het volbrengen van den tuil mijns Vaders, die in den Hemel is! 1)
Jezus-Christus. Arme bedroefde, gij die door den storm geslingerd en troosteloos zijt, 2) weet gij dan niet, dat de Heer loondt en heelt, slaat en geneest\'? B) dat Hij u als met een schild bedekt, om u tegen elk gevaar te beschutten, en dat Hij vuriger ivenscht n zijne genaden mede te d.eelen, dan gij wenscht die te ontvangen? 4) Ik weet, hoezeer gij lijdt, omdat gij van de zoetheid mijner tegenwoordigheid verstoken zijt, maar geloof mij, mijne dochter: veel heeft hij verlaten die zich niets voorbehouden heeft; veel heeft hij verlaten die, hoe weinig ook, alles heeft laten varen; veel heeft hij afgestaan die, met het bezetene, ook het begeeren verzaakt heeft. 5)
Als ik n met bitterheid verzadig, is dit niet om aan uwe vurige begeerten, om aan de edelmoedige beweging uws harten te voldoen, dat my zoo menigmaal gevraagd heeft om mijnen kelk te mogen drinken?
Ga voort dan zonder te tellen, zonder te ontvangen; waardeer uw geluk, want mijn Vader bemint u, omdat gij mij bemind hebt; 0) en moge, in afwachting
.Ion, IV, 34. 2) Isaite IV, 11. 3) Job V, 18. 4) H. Augustinns. 5) H Gregorius. 6) Joa. XV, 27.
367
dat ik u het kruis van de schouders neme, mijn vrede, een vrede vol vreugde, in uwe ziel heerschen bij de gedachte aan de oneindig groote belooning, die u in den hemel wacht.
Acht en Dertigste Bezoek.
Wij zijn gelukkig, o Israël, omdat God ons ontdekt heeft wat Hem aaogenaam was. Barnch. IV, 4.
Jezus-Christus. Plaats mij als een zegel op uw hart, als een zegel op uwen arm, 1) op uwe ziel, die ik heb verkozen en eeuwig wil bezitten.
De Ziel. Hoe, mijn goddelijke Jezus, niet alleen hebt Gij uwe oogen op mijne ellende geslagen, maar Gij hebt mij geplaatst onder het getal uwer kinderen, en wilt met mij een eeuwig, onverbreekbaar verbond sluiten! Helaas, welk een oneindige afstand tusschen TJ en mg! Hoe zal ik mij ooit uwer liefdevolle inzichten waardig kunnen maken?
Hier lig ik aan uwe voeten, o Heer, en smeek U om den zin uwer woorden en het begrip uwer gaven, opdat ik aan de billijke begeerten uws Harten beantwoorde.
Jezus-Christus. Mijne inzichten omtrent de zielen, mijne dochter, zijn even verschillend als de gaven, waarmede ik haar begiftigd heb, even verschillend als de talenten, die zij van mijne barmhartigheid en liefde ontvangen hebben. Aan de eeue zeg ik, gelijk aan den leeraar van het Evangelie: Indien gij tot het leven wilt ingaan , onderhond de geboden ; 2) van anderen vraag ik meer, en zeg hun: Wilt gij
1) Hooglied VU, 6. 2) llatlh. XIX, 17.
368
volmaakt zijn, dan ga, verkoop wat gij bezit, en
geef het den armen..... en hom, volg mij. 1) Ea als
die bevoorrechte zielen naar mijne stem luisteren en mij volgen, breng ik haar in de kelders mijner liefde, en sluit met haar de nauwste vereeniging, die tusschen God en een schepsel bestaan kan.
Gij zijt tot dit glorierijk lot geroepen, mijne dochter; daarom vervolgt mijne naijverige liefde u onophoudelijk, en herhaalt u voortdurend: plaats mij als een zegel op uw hart, als een zegel op uwen arm! Om u dit voorrecht waardig te toonen moet gij u zeiven verlaten, u zonder voorbehoud aan mij geven, gelijk ik mij aan u gegeven heb. Maak dus plaats in uw hart, ruk alle menschelijke genegenheid en gehechtheid daaruit, want Ik hen een naijverige God, 2) vervul uw hart met cle herinnering aan mijne woorden, mijne voorbeelden, mijne weldaden, en druk daarop het zegel van mijn verborgen, mijn vernederd, mijn lijdend leven en mijne gekruiste liefde.
Plaats mij als een zegel op uwen arm, dat is beziel al uwe werken met eene zuivere, heilige meening, heilig uw handel en wandel, maak uwe daden gelijkvormig aan de mijne, volg het nederig werk van uwen Zaligmaker te Nazareth, den ouvermoeiden ijver van zijn openbaar leven na, doe in één woord alles tot meerdere glorie van God! 3) Aldus zult gij in onuitwischbare letteren het beeld van Hem, die zich voor u geleverd heeft, 4) in uwe ziel drukken, en alles in u zal den prijs waardig zijn, dien gij Hem gekost hebt. 5)
En tot loon uwer trouw en edelmoedigheid, mijne
1) Matth. XIX, 21. 2) Eiod. XXXIV, 14,. 3) Cor. X, 31. 4) Gal. II, 20. 5) Cor. VI, 23.
369
Dochter, zal ik, uw God, u met genaden overladen, uw hart zal mijn uitverkoren rijk zijn, waar ik verre van het gedruisch der wereld wonen zal, mij voedende met de vruchten uwer liefde. 1) Ik zal u prenten in mijn geheugen, ik zal uw beeld op mijn hart plaatsen, opdat ik steeds aan u denke; ik zal u in myne armen dragen, ik zal u op mijnen boezem verwarmen, gelijk eene moeder haar kind; daar zult gij voor uwe vijanden beveiligd zijn, want de God die u onder zijne hescherminq neemt, is een sterke an maehtiqe God. 2)
Ja, mijne Dochter, ik wil, dat gij mij geheel toe-behooret, ik wil dat gij op onverhreekhare loijze met mij vereenigd zijt, zoo onverhreekboar als het lichaam aan de ziel vereenigd is zonder hetwelk zij geen ooqen-hlik kan leven. 3) Ik wil dat gij in een vergoddelijkte ziel de uitvloeingen ontvangt mijner godheid, opdat gij, geheel doordrongen door de stralen van mijn licht, geheel geschikt zijt tot de nauwe gemeenzaamheid, waarin ik met u wil leven.
De Ziel. Ja Heer, uw woord is een verslindend vuur. 4) O moge het werkdadig zijn in de ziel uwer nederige dienstmaagd, die aan uwe hemelsche liefde geheel zou willen beantwoorden. Dat uwe heilige liefde zich dan meester make van al mijne genegenheden om ze met haren invloed te doordringen, ze te hervormen en tot U te verheffen, opdat zij vloeie tot in de fijnste aderen van mijn hart, dat zij mijn wil geleide en versterke, dat zij opwelle en zich mtstrekke tot mijn lichaam en in al deszelfs zintuigen.
O mijn dierbare Meester, ik wil mij onverdeeld aan U geven, mij geheel aan U opofferen, om U
1) Hooglied, 13. 2) Ps. CXX, 5. 3) H. Gertradis. 4) Ps. CXVII, 105.
24
I
370
ook geheel te bezitten. Ja U alleen zal ik beminnen, gji
aan U alleen zal ik denken, voor U alleen zal ik T0
handelen, in ü alleen wil ik mg verliezen, opdat ^
ik mij in U moge terugvinden. de
oo:
Negen en Dertigste Bezoek. ho
ba:
Uwe vertroostingen hebben mijne ziel ver- jal hengd, naar de smart waarmede Gij mijn
harl overstelpt hebt. Ps. XC1I, 19. Oil]
vei
De Ziel. Het licht is voor mijne oogen opgegaan, va,
o miiii goede Meester en ik zie nu duidelijk, dat jej
Gij mij geheel wilt bezitten en alles voor mij wilt jU; zgn. Hoe troostend is die gedachte! Hoe zoet is
het mg te buigen onder die zoete heerschappij, die zoc
Gij over mij uitoefent. Met welke vreugde voelt jjg
mijn hart zich gekluisterd door de banden uwer ni;; onuitsprekelijke liefde. O hoe zoet is het voor de
ziel IJ immer voor oogen te hebben, Zon van recht- var
vaardigheid. O de schoonheid uwer stralen is bewon- ze],
derenswaardig! en
Nu kan ik met verrukking deze woorden herhalen rria
van de Bruid van het Hooglied: Mijn Welbeminde (/j6,
is aan mij en ik ben aan aan Hem! 1) Hij beschouwt nia mij met eene treffende goedheid. Hg dringt mij Hem l vre mijn hart te schenken. Hem mijne moeielijkheden aan te vertrouwen, Hij vindt zijn genoegen in mij - u,
te troosten, met mij om te gaan, mij in mijnen niy
nood ter hulp ter hulp te komen, mijne verlangens zjj\'n
te vervullen! En beschaamd door zijne goedheid, ]jei
getroffen door zijne minzaamheid, tracht ik mg aan de alles te onttrekken om Hem geheel toe te behooren,
1)
1) Hooglied II, 16.
371
en ik vind een geluk buiten alles wat men zich kan voorstellen in Hem te bewonderen, Hem te aau-liooren, Hem te begrijpen. Zijn teedere blik, die den mijnen zoekt, noodigt mij onophoudelijk het oog op zijne verrukkelijke schoonheid gevestigd te houden en daarin zijne liefde, zijne goedheid, zijne barmhartigheid te lezen. Zijne zoete stem zegt my dat ik mijne stem voortaan slechts moet doen dienen om zijnen naam, zijne glorie, zijne weldaden te verkondigen, zijne liefde te doen kennen, zijne rechtvaardigheid te doen vreezen; Hij zegt mij, die goede Jezus, dat Hij al mijne gedachten wil vervullen, mijne schreden wil geleiden, daar ik nog zoo onstandvastig ben in mijnen wil, zoo zwak in de bekoring, zoo wankelend op den weg der zelfverloochening, die de weg is van de zuivere liefde, waarlangs Hij mij geleiden wi).
Ik gevoel dat Hij mij aanzet mij los te rukken van al wat mij nog aan het geschapene en aan my zelve hecht, opdat ik geheel aan Hem toebehoore en in waarheid kunne zeggen: Ik leef niet meer, maar Jezus-Christus leeft in mij. Zij leeft niet meer die vroeger leefde in de duisternis en God, heleedigde; maar Jezus-Christus, dat is de kracht, de vrede, de vreugde en de bron van alle deugden, leeft in haar! 1)
Je zus-Christ us. En ben ik dan niet geheel aau U, mijne Dochter, en wat kunt gij begeeren buiten mijn Hart, dat u met zijne schatten overlaadt, met zijne gunsten en teederste liefdeblijken overstroomt? Uen ik niet uw bruidegom, uw vriend, uw broeder, de allerbeste, de allerbarmhartigste, de allerwijsste bestuurder aller zaken1? 2) Ziet gij niet dat hoe meer
1
II. llieroDyinus. 2» II. Bemardus.
372
ik uwe rampen, uw lijden vermeerder, hoe meer Icracht ik u geef om u aan mijnen wil te onderwerpen en mij getrouw te blijven? Hoe meer ik u beproef, hoe meer troost ik u geef, hoe meer ik uwe hoop op mijne eeuwige beloften bevestig.
Ja, ik heb u met eene liefde van voorkeur bemind, ik heb u met eene zeldzame voorkomendheid behandeld. Is het niet billijk dat ik veel van u terugvraag? Is het niet natuurlijk dat ik, om u alleen te bezitten, u afzonder van al hetgeen u van mij zou verwijderen? Zie dan, o mijne Dochter, een bewijs mijner teeder-lieid in die beproevingen zelfs, die u drukken in het lijden, dat uw hart treft; want ik wil u onthechten van alle schepselen, u aan het aardsche ontrukken, u alle vreugde dezer aarde ontnemen, opdat gij van alles beroofd en van allen verlaten niets meer zoudt zoeken, niets meer zoudt wenschen dan het bezit van mijn Hart. Tk wil eindelijk dat gij, dood aan u zelve en aan alle genegenheid, slechts in en voor mij zoudt leven.
Volg mij dan in het beloofde land dat ik u getoond heb, 1) dan zult gij, mijne Dochter, den waren vrede smaken, den vrede, dien mijne uitverkorenen vinden in mijn Hart, in dien levensstroom, waaruit mijne liefde u noodigt rijkelijk te putten.
1) Gen. XI, 1.
373
Veertigste Bezoek.
Verheug u , sj«ring op van blijdschap, omdat eene groote belooning u wacht.
Matth. V, 12,
Zijt Gij het wel, o goddelijke Meester, die aldus tot my spreekt? Zijt Gij het wel die tot mij zegt: Houd moed, mijne Dochter, lijd geduldig; neem met gelatenheid uw harteleed, uw zielsangst, den kommer van uwen geest, het lijden uws lichaams aan! Zie of er eene enkele dier smarten my gespaard gebleven is! Vereenig uw lijden met het mijne en geloof ia dit woord: Zalig zijn zij die weenen, want zij zullen vertroost worden. 1)
Ja, moed en vertrouwen, ik, uw Schepperen uw Zaligmaker, spreek u aldus toe, omdat ik weet waarom ik u op de aarde geplaatst heb, waarom ik uw zielsangst verdubbel, en hoe ik u zal beloonen en uw zwaarbeproefd leven zal bekronen. Uwe dagen hierbeneden zijn rampspoedig, 2) wel is waar; de natuur beklaagt zich, maar de genade werkt, en wat zijn in de oogen des geloofs uwe lijdensuren in vergelijking der verdiensten, die zij u doen verkrijgen ? Gij weet het: de beproevingen van dit leven komen in geene vergelijking met de glorie, die voorbehouden wordt aan hen, die dapper gestreden zullen hebben. 8) Hef het oog op tot de woning van uwen Vader, beschouw den hemel, waarin uwe plaats bereid is, beschouw de kroon voor u bestemd als loon uwer werken en smarten. Daar in dat verblijf van vrede, noch tranen, noch zuchten, noch lijden, noch verlangens meer. Ik alleen zal daar uw geluk uitmaken; ik zal uw
1) Matth. V, 5. 2) Navolging. 3) Eom. VII, 18.
374
rijkdom, uwe gezondheid, uwe vreugde, uwe zaligheid uitmaken.
Daar in dat oord van rust en zaligheid zult gij mij kunnen beminnen zooveel gij slechts wilt, want daar zult gij al mijne liefde voor u kennen.
Daar in het hemelsch Jeruzalem zult gij mijn naam zien prijzen en aanbidden door hen, aan wie gij hem hebt leeren kennen en aanbidden en uwe ziel zal er eene onuitsprekelijke blijdschap over gevoelen.
Daar in die zalige stad zult gij mijne Moeder zien, die gij zoo dikwijls verblijd hebt door oefeningen der edelmoedigste liefde; daar zult gij zien voor hoe veel gevaren zij u bewaard heeft, met welk eene machtige bescherming zij u altyd heeft omringd en welke onuitsprekelijke genaden gij haar verschuldigd zijt. Daar zult gij door de stralen van het eeuwig licht vervuld, al de wonderen van schoonheid, van liefde, van goedheid, van barmhartigheid beschouwen, die in mijn Hart besloten liggen; daar zult gij het geluk mijner heiligen, den luister van het hemelsch hof, den rijkdom en de pracht dier zalige woning aanschouwen, welke gij voor eeuwig zult bewonen. Dan zult gij in onuitsprekelijke blijdschap onophoudelijk met de engelen en uitverkoornen van mijn rijk herhalen: Heilig, heilig, heilig, is de God der heerscharen. Dat zijn heilige naam steeds gezegend en aanbeden worde. 1)
Ja, mijne Dochter, houd u verzekerd dat gy zult deelen in die zaligheid, in die glorie en dat ik, uw Vader en uw Rechter, op den dag dat ik u van den dood tot het leven zal roepen, u mijne armen zal openen, u op mijn Hart zal doen rusten, en tot u
1) Apoc. IV, l.
375
gelijk tot mijne heiligen, gelijk tot allen, die voor dé glorie van mijnen naam gestreden zullen hebben, 1) zal zeggen: Uw lijden was gering, maar uwe helooning zal groot zijn, omdat God haar beproefd en zijner waardig bevonden heeft. 2)
Kom en ueem nu plaats te midden der gezegenden. mijns Vaders! Kom en deel met hen de glorie, die u beloofd is [ Kom en smaak bij mij, in mij en door mij die zaligheid, die het voorwerp was uwer vurige begeerten. Kom en ontvang de kroon, waarmede ik uw voorhoofd wil versieren en waarop ik al uwe overwinningen en elke zegepraal uwer liefde geschreven heb!
1) Act. IX, 18. 2) Sap. 11. 4, 5.
quot;VIEIFtlDIE BOEK:,
De Ziel op Calvarië.
1. Jezus en Maria op Calvarië als voorbeeld eo Iroosl der lijdende zielen voorgesleld.
Uwe smart is uitgestrekt als de zee! Thren. I, 13.
O gij allen die hier voorbijgaat, beschouwt en ziet of er eere smart is gelijk aan de mijne! 1)
Deze zielroerende klacht is de uitdrukking van liet goddelijk oog van Jezus, de stomme taal van zijn Hart, terwijl Hij gewond en bloedend den weg volgt van Calvarië, terwijl Hij als Izaiik het hout des oöers dragende bij eiken voetstap onder dien drukkenden last bezwijkt.
Hoe de Heer valt! zijn schoon gelaat drukt zich af in het slijk en de engelen dalen niet van den hemel door liefde en eerbied aangezet, om Hem te helpen, Hem te ondersteunen! Hoe! blijven de menschen ongevoelig bij dit hartroerend schouwspel en is dit niet bekwaam om hunne liefde te vermeerderen en hun vreedzaam elke beproeving, elke smart te doen aannemen?
Ja, het is Jezus, de Zoon van den levenden God, 2) • Jezus de eeuwige schoonheid, Jezus, wiens luister ons verblindt en verrukt, Jezus, die om onze zwakheid te versterken, onze edelmoedigheid aan te vuren,
1) Thren. I, 12. 2) Joa. V, 70.
377
ons mededoogen inroept en ons schijnt te zeggen: Mijne smart is uitgestrekt als de zee!
Om ons zalig te maken heeft die God van liefde de hoogten des Hemels verlaten en is als een reus vooruitgegaan in het strijdperk des lijdens, 1) ons toeroepende: Wie na mij wil komen, neme zijn kruis en volge mij! 2) Om ons te onderricliten en ons te helpen iu het dragen van onze kruisen, heeft Hij zelf die tot zijn deel verkozen; om onze harten, die zoo vaak bedroefd worden door de onverschilligheid der schepselen, heeft Hij door zijne vrienden vergeten, door zijnen Vader verlaten willen worden, en nadat Hij al onze zwakheden, al ons lijden op zich had genomen, 3)«na alle folteringen fo/6rac/(lt; te hebben, doet Hij een beroep op de edelmoedigheid zijner kinderen door deze woorden tot hen te richten: Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat gij zoudt doen gelijk ik gedaan heb. Ik heb u bemind, opdat gij mij zoudt beminnen. Is de eenige waardige beantwoording aan zooveel liefde niet bloed voor bloed te-geven ? En daar Hij het zijne heeft willen storten tot den laatsten drvppel, laat ons dan ook voor hen loeten te leven, te lijden en te sterven! 4)
Maar welk een zielroerend tafereel! Beschouwen wij onder het kruis van Jezus, zijne en onze Moeder, die ons deze zelfde klacht doet hooren: Gij allen, die voorbijgaat, komt en ziet of er ééne smart is, gelijk aan de mijne!
O mijne Koningin, waarom gaat gij u aldus voor mij slachtofferen ! Is het lijden van den Zoon dan niet voldoende, als de Moeder niet met Hem gekruisigd worde! 5)
l)Ps. XVII.e. 2) Luc. IX, 23. 3) Is. 11,4. 4) Joa. JI, 15. 5) H. Bonav.
378
Ja, Maria heeft ook het slachtoffer willen zijn dier offerande, die ons moest zaligmaken; zij ook werd verbrijzeld onder de smart, toen zij haren Jezus, de goddelijke vrucht van haar maagdelijk bloed, den troost harer oogen, de kracht harer ziel en de vreugde van haar leven naar den kruisberg volgde. Eene tweevoudige liefde zetelde in haar hart; de liefde tot God en de liefde tot de menschen; beiden verteerden haar en deden haar haar vreeselijk offer voltrekken. Wat leed zij niet van het uur van den doodstrijd van Gethsémani tot Calvarië ? Zij zag haren Zoon gebonden en kon zij ne banden niet breken; zij zag Hem gewond en kon zijne wonden niet verbinden ; zij zag zijn goddelijk aanschijn met bloed^verstroomd en kon het niet afwisschen; zij had zijn lichaam met het hare willen bedekken en daarop c\'e geeselslagen ontvangen, die zijn goddelijk vleesch in stukken scheurden; haar gelaat willen aanbieden, om den kaakslag en de bespuwingen der goddeloozen te ontvangen ; haren Jezus in hare armen drukken en zij werd verstoten; zij wilde Hem ten minste dat kruis afnemen waaronder Hij bezweek en, helaas, slechts van verre kon zy Hem volgen op het spoor van zijn bloed!
O mijne geliefde Moeder, wie zou kunnen uitdrukken wat gij in die bange uren geleden hebt? O het te kunnen begrijpen zou men moeten gevoelen, hoezeer gij uwen Zoon bemint en hoeveel uw Zoon lijdt, want zijne pijnen en uwe liefde zijn de maat van uw medelijden en uwesmait! O onuitsprekelijke terugkaatsing der heilige liefde! De Zoon lijdt en in zijn Hart lijdt Hij om zijne moeder; van hare zijde lijdt Maria door de smarten van haren Zoon; en moest Jezus op den weg des levens het water van den
379
stroom drinken, zoo stroomde dit over zijne bedroefde Moeder, opdat zij, op hare beurt, met bitterheid vervuld, tot haren Zoon de smart terugzond die uit haar gebroken hart overvloeide! In dat tabernakel der smart stonden twee altaren; liet eene in Let hart van Maria, het andere in de ziel van Jezus.
O smartvolle Moeder, o bedroefdste aller vrouwen aan wie zal ik u vergelijken? Ik zie uw schoon gelaat met tranen bedekt, ik zie het zwaard, dat uwe ziel doorklieft, ik hoor uwe zuchten, uwe klachten, ik zie nw hart of liever in deszelfs plaats vind ik myrrhe en bitterheid. Ik zoek de Moeder van mijnen God en ik vind slechts lijden, droefheid en smart. O vat van heiligheid, waarom zyt gij veranderd in een vat van droefheid? Ja, wel moogt gij met Jezus zeggen: Is er eene smart gelijk aan de mijne? Als ware Koningin der martelaren hebt gij zonder klacht uwe foltering doorstaan, want gij wist, edelmoedige Moeder, dat de zaligheid der menschen daardoor moest gekocht worden. Wie zal dan waardiglijk de hulde van dankbaarheid kunnen brengen, die wij u verschuldigd zijn, gij die door uwe grootmoedige toestemming der verloren wereld ter hulpe zijt gesneld.
O Jezus gekruist, o Maria, de zwaarst beproefde aller moeders, leer mij door uw beider lijden hoe ik lijden moet, door de gedachte aan uwe smarten diep in mijne ziel te drukken.
380
11. Dc ziel onderwerpt zich na een langen slrijd aan een smartelijk olfer.
Als de Heer somtijds den recht vaardige aan den storm overlaat, doet Hij hem eindelijk de kalmte terugvinden. Ps. IV, 23.
Welaan dan, Heer, ik neem het pijnlijk off or en al deszelfs smartelijke gevolgen aan; ik wil mij niet meer tegen die wreede beproevingen Terzetten! Maar ik bid ü, bevestig voor immer in mijn zoo wankelend bart die volkomen berusting, die Gij mij ten laatste bebt doen vinden.
Geef uwe dienstmaagd een leerzaam hart. 1) Doe in baar die stemmen zwijgen, die zicb in haar binnenste doen hooren en uwe liefde en uwe rechtvaardigheid beschuldigen; geef haar, o Heer, de kracht van altijd met Jezus, haar goddelijk voorbeeld, te kunnen zeggen: Vader, mij geschiede naar uwen wil. 2)
Ik heb het hoofd gebogen om U mijne onderwerping te betuigen in alles wat Gij wilt en door die oefening van berouw en ootmoed aangemoedigd, durf ik nu de oogen tot ü opslaan en U bidden my niet meer aan de wankelmoedigheid mijner ziel over te laten. Laat mij steeds in uw oog die teedere goedheid, dat vaderlijk mededoogen lezen, dat Gy voor mij gevoelt, zelfs terwijl Gij mij zoo wreedelijk beproeft!
Laat mij nooit vergeten dat Gij getuige zijt van mijn lijden, dat uwe Voorzienigheid het toelaat, dat uwe wijsheid het afmeet, dat uwe genade het vergezelt, dat uwe edelmoedigheid het ons tot eene kroon zal vlechten.
1) III Reg, ir. 9. 2) Lac. XXI, 42.
381
O mijn goede Meester, hoe heb ik geleden in dien strijd van mijne natuur tegen uwen wil! Hoe zuchtte ik niet als ik mij niet kon onderwerpen, als ik in mijne ziel gevoelens voelde oprijzen, zoo tegenstrijdig aan die welke ik had willen gevoelen! Hoe ontstelde ik toen ik inwendig zegde: Heer, waarom hebt Gij aldus met mij gehandeld^ 1) Mijne lofzangen schenen in godslasteringen, mijn geloof in ongeloovigheid, mijne hoop in wanhoop veranderd, en terwijl uit mijn verbrijzeld hart slechts zuchten en klachten oprezen, scheen mijne liefde voor ü, o mijn Zaligmaker, als uitgeput, en Gij weet dat die gedachte mijne grootste smart uitmaakte, want voor mij is U beminnen, leven.
Toen heb ik mij aan uwe voeten nedergelegd, gelijk een getrouwe hond aan de voeten zijns meesters, en ik ben daar gebleven mijne ellende betreurende, om een blik van mededoogen, eene liefkozing, eene bemoediging af te smeeken, biddende om eenige kruimels uwer tafel van dat goddelijk voedsel, dat onze ziel herstelt en versterkt. Hoe, zegde ik tot ü, wordt Gij niet getroffen door mijn vertrouwen, noch door mijne ellende? Komt Gij mij dan niet geruststellen en bemoedigen, o goede Jezus ? Hoe laat Gij mij in gedruktheid en nood, terwijl ik alles van uwe barmhartigheid verhopende, niet ophoud met de Kanaueesche vrouw tot U te roepen: Jezus, zoon van David, ontferm Uover mij. 2) O Gij de goedheid zelve, waarom schijnt Gij doof voor mijne stem? Gij de sterke, de machtige God, waarom laat Gij mg daar ik op het punt ben te bezwijken?
Ik heb gewacht en zonder ophouden gewacht en eindelijk hebt Gij uwe oogen op mij geworpen. 3) Gij 1) III Keg. IX, 8. 2) Luc. XVIII, 38. 3) Ps. XXXIX , 1.
382
hebt mij uw aangezicht getoond, en het mijne straalde van blijdschap en dankbaarheid; Gij hebt naar mijn smeeken geluisterd, en tot loon mijner volharding in den strijd, hebt Gij mij doen begrijpen dat onder uwe schijnbare gestrengheid de bewijzen der teederste liefde verborgen waren; dat, zoo Gij mij behandelt gelijk Hem, dien Gij uw welbeminden Zoon noemt, zoo Gij my innig vereenigt aan zijne smart en zijne boete. Gij mij ook deel wilt geven in zijn geluk eu zjjne glorie.
Ik loof en prijs U dan, o Heer, ik kus uwe hand, die mij slechts nederdrukt om mij later tot den hemel te verheffen. O goddelijke hand, die mij slechts slaat om mij te genezen, die slechts vernedert om meer te verheffen, slechts terughoudt om meer te kunnen geven, ik geef mij op nieuw over aan uwe heilzame bewerking! Gelukkig iti het bewustzijn dat uw goddelijk Hart haar bestiert, zal ik met vreugde en liefde alles aanvaarden, wat Gij mij zult overzenden.
Hl. Dc ziel gefolterd door gcwclensaDgslen.
Ik hond mijne ootceo steeds tot den lieer oiigiheveii, oiudat Hij icij zal verlossen uit de lage valstrikken, die mij gelegd zijn. Ps. XIV, 15.
Mijn God, kom mij ter hulp, bedaar de opwellingen mijns harten, de verwarring van mijnen geest; verdrijf dat heir van angstbeelden, die mijn hart ontstellen en er folterende ongerustheid doen heerschen. De gewetensangst tracht zich in mijne reeds zoo zwaar beproefde ziel te wortelen, en dat lijden doet den beker overvloeien. Ik zal mij nochtans
383
onderwerpen, o Heer, zoo dit uw welbeliagen is, maar ik bid ü, verwijder den kelk van mij. Laat niet toe dat de duisternis mijne ziel overmeestere, en mij de noodige kalmte ontrove om U wel te dienen. Gij alleen kunt mij van de bekoring verlossen, door uwe hulp alleen kan ik zegevieren. 1)
Helaas, wat zou er van mij worden, als ik moest voortleven in dien angst U in alles te mishagen, door alles te bedroeven, en nooit in staat te zijn U in mijn hart te ontvangen? Maar al te dikwijls helaas, heb ik werkelijke overtredingen te betreuren , o goddelijke Zaligmaker, o spaar mij de beproeving van my steeds uwer blikken onwaardig te moeten gelooven.
Ik weet dat ik, nietig, ellendig, bedorven als ik ben, Let recht niet heb mij iets aan te matigen, dat het my genoeg moet zijn mij aan uwe voeten te houden, in mijne onwaardigheid verzonken; ik weet vooral dat ik niets doe dat mij het geluk en de onschatbare eer waardig maakt U te mogen bezitten. Maar, o mijn Jezus, daar Gij U tot voedsel der zwakken, de gezondheid der zieken, den troost der bedroefden gesteld hebt, laat mij met al de lijdenden U naderen om een heilzaam geneesmiddel te vinden, geef mij ondanks het bewustzijn mijner onwaardigheid, een volkomen vertrouwen in uwe almacht en onuitputtelijke barmhartigheid, en geef mijne ziel die vreugde, dien vrede terug, die uwe goddelijke tegenwoordigheid haar deed smaken. O toon mij uw aanschijn, dat uwe stem in mijne ooren klinke, want uwe stem is vol zoetheid en uw aangezicht vol bekoorlijkheid.
1) Ps. XVI, 32.
384
Doch laat mij het nogmaals herzeggen, indien Gij door den staat van vernedering en lijden, waartoe ik gebracht ben, verheerlijkt wilt worden, zoo geschiede uw wil! Neen God, ik mor niet, en hoe bitter de kelk ook zij, zal ik dien drinken! Ik hoop dat Gij mijn naam in het boek des levens hebt aangeteekend, en die hoop doet mij zoowel het lijden als den troost die Gij mij overzendt, beschouwen als middelen door uwe wijsheid tot mijne heiligmaking voorbereid in uwe oneindige raadsbesluiten.
IV. Na Toor God alles ïcrlalen Ic hebben, gelooft de ziel zich door God verlalen.
Heer, hij dien Gij bemint, is ziek. Joa. X, 3.
Neen, niets kan het lijden uitdrukken, dat mijne ,ziel foltert in dit uur van zielsangst, waarin alles, tot haar geloof en hare liefde toe, haar slechts eene begoocheling schijnt! En nochtans, o mijn God, weet Gij dat ik ü zoek en dat ik buiten U noch vreugde, noch rust genieten kan! Gij weet ook, dat ik om U te vinden, verzaakt heb aan al die aardsche goederen, die nochtans mij zoo toelachten, en dat ik thans slechts weerzin en walging gevoel voor de wereld en hare vermaken.
Gij, o mijn God, hebt mij de broosheid, de ijdel-heid van al het vergankelijke dezer wereld doen begrijpen; ik heb het nietige gevoeld van al datgene wat vroeger mijne eerzucht opwekte; ik heb het onstandvastige der aardsche genegenheden ondervonden, en mijn hart heeft in U alleen, mijn God, een grooter goed, eene duurzame liefde gezocht; mijn
385
hart streefde naar U en het ivas dat hart eene vreugde te verzaken aan datgene loat het zoo zeer gevreesd had te verliezen. 1)
Waarom dan, o God, laat Gij mijne ziel ia angst en kwelling, na haar zoo diep doordrongen te hebben van uwe grootheid en uwe alomtegenwoordigheid, na U met eene zoo vaderlijke goedheid aan haar te hebben geopenbaard, »na hare banden gebroken te hebben quot;, om haar aan U, opperste en onvergankelijke schoonheid, te hechten. Gij hadt mij in vreugde gevoed en nu laat Gij mij in droefheid gedompeld, Gij doet in mij de lofzangen van vreugde en blijdschap zwijgen; ik hoor uwe stem niet meer en er blijft geen spoor meer van uwen doortocht. 2)
Tk roep ü zonder ophouden, o Jezus, ik zou tot uw teeder Hart willen vluchten, ik zou daar rust, en vrede en vreugde willen zoeken, en nauwelijks durf ik, in mijne nietswaardigheid uw goddelijken blik over mij afbidden, en U de vurige begeerte te kennen geven innig met ü vereenigd te leven. Wie ben ik, ik zoo weinig edelmoedig, zoo onbekwaam tot alle goed, om in het Hart van een God eene schuilplaats te durven zoeken ? Hoe zou Hij mij willen ontvangen en mijne ellende over het hoofd zien? En toch waar moet ik heen, mijn God? Verre van U verkwijn ik, want tusschen de schepselen en mij is een onmeetbare afgrond; en als Gij mij schijnt te verstoeten, zoekt mijne ziel te vergeefs eene rustplaats, een toevluchtsoord!
O liefderijke Vader van dat verloren kind dat Gij ten koste van zooveel arbeid tot het uwe hebt aangenomen, wilt Gij mij dan verlaten en mij alleen laten in dit dal van tranen, waarin .ik aan duizend
1) H. Augustiaus. 2) Barach. IV, 11. I, 23.
25
386
zielsgevaren ben blootgesteld? 0 daar gij mijne berouwvolle stem tot U hebt doen opstijgen, bid ik U blijf niet doof voor de kreet mijner smart. Gij hebt U gewaardigd mijne geringheid gade te slaan, o keer nu de oogen niet af van mijne droefheid.
Stel U gerust, mijne ziel, en twijfel niet langer aan de liefde van dat Hart, dat de menschen zoo lief heeft gehad. Vrees niet de wegen te bewandelen, waarop Jezus u geleidt, en zoo gij moede en uitgeput nederzijgt, zoo gij door duisternis omringd zijt, o dan blijf standvastig en onwrikbaar, want eene geheime kracht zal n altijd ondersteunen en troosten.
Ik zal dan tot ü vluchten, o Heer, en terwijl ik mijne onwaardigheid voor U belijd, hoop ik uw medelijden op te wekken. Ju, ik weet het, ik ben niets, ik bezit niets, en het is omdat ik mijne armoede gevoel, dat ik tot U vlied, die de rijkdom zijt; het is omdat Gij mij geschapen hebt om ü te begrijpen, dat ik tot U kom om licht; het is omdat Gij mijn hart voor liefde geschapen hebt, dat ik in het uwe dat heilig vuur kom zoeken, waardoor het ontvlamd wenscht te zijn.
Ach, geef ü aan mijne ziel; zuiver haar door uwe heilige tegenwoordigheid, verrijk haar door uwe verdiensten, dat zij één met U, geheel in U verloren, zich tot den troon uws Vaders met U verheffe. O mijn eenige, mijn ware Vriend, verhoor de begeerte mijns harten. Daar Gij mij bemint en ik U geen wederstand bied, waarom onttrekt Gij mij mijn hart niet om het met het uwe te vereenigen ? Trek mij tot U en ik zal loopen in het spoor uwer bekoorlijkheid, om mij eeuwig in uwe armen te werpen en daar met U te verblijven in alle eeuwen der eeuwen. Amen, 1)
i) ï\'éuëluD.
■1
I
387
V. In drukkende vooruilziclilen.
Waarom weent gij? Waarom ontstelt zich nw hart? Ben ik nitt meer dan alles wat gij hier op aarde kunt beminnen, bezitten of betreuren? 1 Reg. I, 8.
Ja, Vader, mij geschiede naar uwen wil! Ik aanvaard den kelk dien Gij mij biedt, ik wil dien tot den bodem ledigen uit liefde tot U, die mij zoo zeer bemind hebt! Maar help mij, o God, in die zware taak, want zoodra ik mijne lippen zet aan den rand van dien bitteren kelk, staat de natuur op en weder-streeft met al hare macht. Ik wil alles wat Gij wilt, doch kom mijn moed ondersteunen en mijne rampen verzachten, door die bedwelming der edelmoedige zielen, die zich gelukkig gevoelen bij de zwaarste offers. Ja, ik verlaat mij op ü, o Heer; in dit uur, waarop mijne rampen zich verzwaren, wil ik slechts deze woorden kennen: Vader, in uwe handen beveel ik mijnen geest. 1) Lijden, onrust, zielsangst verdringen zich rond mij en de mijnen. Is de toekomst duister en met zwarte nevels bedekt, zoo is de dag van heden slechts eene aaneenschakeling van kommervolle zorg en treurige teleurstelling. O Heer, werp de oogen op mijne droefheid en verlos mij van die treurige noodwendigheden des levens, die mij van U aftrekken. 2) Sla uwe oogen op mijne ellende, want heeft niet die ziel, welke gedrukt en nederge-bogen gaat in kwijning en uitputting, recht op uwe barmhartigheid ? 3)
Kom tot mij, o mijn God, help mij dat kruis opnemen en het dragen op het voetspoor van Jezus, dat kruis, dat mij het leven heeft wedergegeven,
1) Luc. XXII, 46. 2) Ps. XXIV. 18. 3) Barneh. X. 17.
388
en mij met mijnen gekruisigden Zaligmaker vereenigd houdt. Smeekt Hij, van af dat heilig kruis, geene genade af voor zijne broeders? Laat mij dan naar zijn voorbeeld, o mijn God, in den naam van mijn lijden en mijne rampen, ook genade vragen voor degenen, die Gij mij gegeven hebt. \'
Genade, genade voor hen, o Heer, genade voor mijne kinderen! Spaar hen, en vraagt Gij een slachtoffer om hun geluk in deze en zaligheid in de andere wereld te bezorgen, o sla dan mij alleen, die zoo schuldig ben en spaar hen, want zy zijn onschuldig!
VI. De ziel gekweld door de bespolliog en onreclilvaar-digheid der menschen.
Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat gij dit zoudt navolgen. Joan. XII, 13.
Nu is het oogenblik aangebroken, o God, waarop ik mij getrouw kan toonen aan uwe genade en mijne voornemens, waarop ik mijne wederspannige natuur moet doen zwijgen, mijn weerbarstigen wil moet slachtofferen en mijn immer stijgenden hoogmoed moet onderdrukken. Reeds stond ik gereed mij te wreken over dien laster, dat onrecht, mij aangedaan, f maar een blik op U, mijn Jezus, het voorbeeld dat ik immer wil volgen, leert mij al die gevoelens verstikken, die strijden tegen uw goddelijk woord: Leert van mij dat ik ootmoedig en zachtmoedig hen! 1)
Tegenover den Rechtvaardige bij uitnemendheid, ter dood veroordeeld, tegenover de oneindige volmaaktheid , miskend, veiïaten, gehoond, gelasterd
1) Mailt. X, 29.
389
door de zijnen, zou ik mg durven beklagen en beter willen behandeld worden?
Door wien, o mijn Jezus, werdt Gij verraden en veracht? Gij zelf leert het mij door deze woorden: Ware het mijn vijand die mij aldus beleedigd hadde, zou ik het gaarne verdragen hebben! 1)
Het was dus onder degenen die Gij met uwe heer-lijkste weldaden overladen hadt, die Gij den zoeten naam van vrienden gaaft, die Gij zelfs tot uwen liefde-disch toeliet, dat zich de verrader bevond die U overleverde, de ontrouwe die U verloochende en zoovele lafhartigen die U verlieten. En tegenover zulk een voorbeeld zou ik niet willen verdragen dat ik op mijne beurt verlaten werd, dat mijne beste meeningen miskend, mijne daden afgekeurd, mijn streven miskend werde?
Zou mijn hart zich durven verheffen, durven weerstaan bij den minsten smaad, als Jezus, de God van het heelal zich vernedert tot het lijden der onwaardigste behandeling? Is het mogelijk, mijn God, dat Gij in den aardworm meer wederstand vindt voor de vernedering, dan in de goddelijke majesteit zelf!
Treed in u zelve, o mijne ziel, verneder u tot het stof. Gij hebt het hoofd durven verheffen, waartoe uwe broosheid, uwe onmacht u alle recht benemen. Dat het schaamrood u het gelaat bedekke, omdat gij u gesteld hebt tegen die nieuwe beproeving, u toegezonden door Hem voor wien gij werkt. Is Hij niet machtig genoeg om uwe vijanden te beschamen en te vernietigen? Is Hij niet rijk genoeg om uwe moeiten overvloedig te vergelden, en zoudt gij van vreemden den prijs willen ontvangen voor den
1) Ps. IV, 12.
390
wierook, dien gij op zijne altaren brandt\'? 1) Het geluk van Hem te mogen toebehooren en dienen is immers duizendmaal beter dan alle loon, dan alle voldoening, die de schepselen U zonden kunnen bieden!
Moge deze gedachte U troosten en uwen moed bezielen; dat zij U eene nieuwe vurigheid mededeele om in het goede te volharden. Bedenk dat het werk van God, hier misacht, bespot en vervolgd eenmaal zijne vijanden zal verpletteren. Ik zal U dan loven, o mijn God, in droefheid en schande, zoowel als in vreugde en eer, en als het onrecht tegen mij zal opstaan, zal ik mij troosten, door de glorie en den lof van uwen naam te verkondigen, 2) met den profeet juichende: De Heer zelf is mijn schild, God die redt degenen die rechtvaardig van harte zijn, 3)
Vil. Jezus ods ïoorbceld.
Wie zal raij scheiden van de liefde van Jezus-Christus den Gekruiste? Kom. VII, 35.
De beproeving is mijn dagelijksch brood, de smart is de vorstin myns levens en de meesteres van geheel mijn bestaan geworden; intusschen vloeit mijn hart over van blijdschap en herhaalt met den Apostel: Wie kan mij scheiden van Jezus, den Gekruiste?
Neen, ik zal niet bezwijken, want ik heb U tofc steun, o mijn welbeminde Verlosser! Hoe zou ik mij verdiepen in eigen lijden, als ik het uwe aanschouw ! als ik U geslagen zie voor mijne misdaden, 4) als ik uwe stemme hoor die my vraagt: Weet gij tv at ik voor u gedaan heb? 5)
1) Malach. I. 16. 2)P3. VH.IS. 3) Ps. V, 15. VII. 1. 4) Is. 11,2. 5) Joan. Xll, 15.
391
Ja, Heer, ik weet het, ik was zeer schuldig; ik was bedekt met eene afschuwelijke melaatschheid en den eeuwigen dood gestorven, doch Gij hebt mij doen verrijzen tot het onvergankelijk leven, Gij hebt mijner ziel de zuiverheid der onschuld wedergegeven en my tot het innig verkeer uws Harten toegelaten. En nu begunstigt Gij mij nog meer, door mij deel te geven aan uwe zielesmart, door mij getuige te doen zijn van uw lijden, doet Gij mij door duizende bewijzen uwe liefde tot de zielen uw medelijden voor de zondaars kennen; Gij vraagt mij met U hunne hardvochtigheid, hunne verblindheid, hunne ondankbaarheid en vooral de nutteloosheid van uwen dood voor zulk een groot aantal zielen te beweenen.
In de eenzaamheid van het tabernakel en in het diepste mijns harten hoor ik uwe stem, welke deze klacht doet hooren: Ik kwam en er was niemand om mij te ontvangen; ik riep en niemand heeft naar mij geluisterd 1) 0 mocht alles in mij aan die treffende klacht beantwoorden. Zij stroomen vrij, mijne tranen, daar zij Jezus troosten en vereeren! Vrij zuchte en klage mijn hart, bij het aanschouwen van het lijden des Zaligmakers, van Hem die zich tot slachtoffer der menschen gesteld heeft, door zich voor hen aan zynen Vader aan te bieden! Beschouw, o mijne ziel, dat goddelijk Lam, badende in zijn bloed, bezwijkende onder de slagen zijner beulen, zonder eenige klacht hunne spotternij, ja alle schande en smaad verdragende en niets antwoordende op de beschuldigingen tegen Hem gericht. Beschouw Hem, o mijne ziel, het hoofd buigende onder het onrechtvaardig doodvonnis, Hij de onschuldige, Hij de heilige. Hij de Meester van hemel en aarde.
i) Isaiie 1.
392
En het is voor u dat Jezus zooveel geleden heeft; voor u dat Hij de verlatenheid, het verraad en een schandelyke dood heeft willen ondergaan; het is om uw hart dat zoo vaak bedroefd en gewond wordt, dat Hg met bitterheid heelt willen vervuld worden , en door zijn meest begunstigden leerling wilde verloochend worden. Door al dat lijden heeft Hij u willen toonen hoe groot zijne liefde was; door zijn geduld heeft 11 ij u zijne barmhartigheid willen toonen, u de toegevendheid willen onderwijzen jegens uwe vijanden en door zijne gelatenheid heeft Hij u willen leeren verachting, schande en smart te verduren.
Als Hij zwijgt als men Hem beschuldigt, zoo is dit om u het zwijgen aantebevelen als men u onrechtvaardig beschuldigt of uwe meening verkeerdelijk uitlegt. Als Hij voor zijne beulen slechts een gevoel van mededoogen en eene bede om vergeving heeft, zoo is dit om u een voorbeeld van zachtzinnigheid, van liefde, van verdraagzaamheid te geven. Als Hij den wil zijns Vaders in al deszelfs gestrengheid aanneemt, zoo is dit weder om u eene volkomen onder-werpingaan zijne eeuwige raadsbesluiten mede tedeelen.
Ja, mijn Jezus, mijn Meester en mijn Voorbeelld, ik begrijp wat Gij verlangt van die zielen, die Gij U zelf gewaardigt te onderrichten en tot toonbeeld te verstrekken. Ik begrijp dat Gij ons slechts gegeven zijt orn onze Wijsheid, onze Rechtvaardigheid, ome Heiligmaking en onze Verlossing te zijn. 1) Daarom wil ik steeds mijne oogen op U vestigen en ü altijd navolgen. Ik wil hierbeneden geen genot, noch troost; het is mij beter, rechtmatiger en zoeter te lijden op die plaats, waar mijn Zaligmaker zooveel geleden
1) I Cor. I, 30.
1 M
^; heeft. Geene vreugde dus, o God, maar rechtvaar-
iu | digheid en heiligheid! Later de vreugde, later luanneer
Qi ik mij sal bevinden in het land der zaken, die nimmer
t, i eindigen. 1) Ik wil slechts verzadigd worden, als uwe
i, glorie zal verschijnen. 2) Maar help mij in het volgen
I) van dien weg dien Gij gekozen hebt, want ik kan
u dit slechts door uwe genade. Gij weet het, de zwak-
n heid is mijn deel en mijne natuur weigert vaak ü
i, te geven wat mijn hart ü zoo gaarne aanbiedt,
e O vernederde, o gekruisigde Godmensch, geef mij
n de wetenschap der ware christenen, die wetenschap van het kruis, zoo ondoordringbaar voor den men-
s schelijken geest; doe mij begrijpen dat er meer verdienste bestaat in het lijden van groote smarten,
k dan in het verrichten van groote zaken, en doe mij
1 door eene groote edelmoedigheid in het lijden uwe
, • talrijke weldaden erkennen. Amen.
j
VIII. Kiachl der ziel door dorheden beproefd.
Mijne ziel is voor n als eene aarde zonder t water. Ps. CXII, 6.
i Alles is droefheid en ontsteltenis in mijne ziel,
, gedrukt als zij gaat onder het gewicht barer onmacht en ellende. Geen woord van bemoediging is in staat geweest haar de kalmte en het vertrouwen terug te geven; geen bewijs van belangstelling heeft den kwaden invloed, die haar beheerscht, kunnen vernietigen , de vreès, de twijfel, de vreeselijkste zielsangst hebben langzamerhand mijn hart ingenomen en mijnen geest verblind.
1) Mgr. Gay. 2) Ps. XV, 15.
394
Helaas, waar moet ik heen, als ik U niet meer zie, U die mijn licht en het doel van mijn streven zyt? Niets trekt mij meer tot U, o mijn Jezus, ik zou mij veeleer verwijderen, omdat ik mij uwer liefde zoo onwaardig gevoel en zoo onmachtig ben daaraan te beantwoorden. De gehoorzaamheid brengt mij aan nwe voeten en ik blijf daar liggen in vrees en smart bij het beschouwen van mijne treurige gesteldheid en geen woord van liefde tot U kunnende spreken. Hoe toch kan ik U zeggen dat ik TJ bemin, o Jezus, als mijn hart van steen is, als het uwen wil eer gevoelt dan omhelst, hoewel ik dien erken als rechtvaardig en heilig, hoewel ik weefc dat hij altijd mijn grooter welzijn en uwe eer bevordert?
Hoe kan ik U verzekeren dat ik in U al miju vertrouwen stel, als ik van schrik verstijf bij het beschouwen uwer inzichten omtrent mijne ziel, als ik sidder bij het vooruitzicht der beproevingen, die Gij mij voorbehoudt? Ik weet dat ik recht heb op niets, dat ik niets verdien, dat mijne gebeden niet waardig zijn verhoord te worden, omdat mijn hart niet zuiver, niet onderworpen genoeg is, maar in mijne onmacht zal ik ten minste trachten U te vermurwen, te buigen onder uwe hand en te zeggen: Sla, Heer, neem wraak over mijne herhaalde ondankbaarheid, maar ik bid ü, geef dat mijn lijden mij nader tot U brenge, in plaals van mij van ü te verwijderen. Ik zou uwen wil willen zegenen, Gij weet het, zelfs dan als hij mij de kracht beneemt U te zeggen, dat ik ü bemin. Ik zou mij zonder klagen aan uwen wil willen onderwerpen, zelfs dan als ik uwe gestrengheid gevoel; maar mijne natuur wederstreeft bij de aanblik van het lijden, en mijn hart moet zich aan allen wil onttrekken .om ü alleen
395
te zoeken. Ik kan niet leven als ik niet verzekerd ben uwe liefde te bezitten. Geef mii dan de rust, de kalmte weder, doe mij wel begrijpen, dat ik om U aangenaam te zijn door het vuur der beproeving moet gaan. 1) Ontruk mij mijne ziel, o mijn Welbeminde, maak haar zwak voor uwen wil, verwin haar om haar in V het geluk van U toe te behoor en, te doen gevoelen; maak U van al hare vermogens een offer dat voortdurend worde opgedragen om uwe gaven en barmhartigheid te erkennen. 2) Kom, o goddelijke Vertrooster, en breng mij de verzekering dat mijne beden verhoord zyn. Kom, opperste schoonheid, droog mijne tranen en vertoon U aan mijne oogen, die zoo verlangen U te aanschouwen. Ja, kom en licht den sluier op, die mij uwe liefdevolle inzichten verbergt.
O glansrijke Zon, verlicht mijn treurig leven, en verwarm mijn ijskoud hart met uwe schitterende stralen. Kom, o goddelijk Licht, verdrijf de duisternis van mijn verstand, geef mij het licht des geloofs te midden der duisternis, die mij omringt, werp op mij dien blik van geloof en vertrouwen, die alles op uw hart vermag.
Toef niet langer, o mijn God, o geef een oogen-blik rust en vreugde aan mijn hart, een straaltje licht aan mijn oog, en aan mijne lippen een druppel van dien stroom van wellust, waaraan de gelukzaligen zich verzadigen. Heb medelijden met mijne ellende, geleid mijne uitgeputte, kwijnende ziel naar die zuivere bronnen, waar zij en het gevoel en de herinnering van hare rampen en smarten zal verliezen. Ach, laat mij niet langer smachten. Heer,
1) Tobias XII; 13. 2) Louis de Blois.
396
in de afwachting uwer komst, laat mij niet te vergeefs zuchten om dien vrede beloofd aan de zielen, die van goeden wille zijn, opdat ik ü moge erkennen als getrouw in uw woord, 1) en dat mijne ziel, vervuld van vreugde eu dankbaarheid, U nu en in alle eeuwigheid moge zegenen.
IX. De ziel lol wanhoop bekoord, nerml haar loevluchl lol Maria.
Zij heeft mij tegen mijne vijanden verdedigd, zij heeft mij tegen de verleiding beschermd en mij in eenen hevigen strijd gewikkeld, opdat ik mochte zegevieren. Sap. X, 12.
O Jezus, ik bezwijk onder het gewicht mijner smart en mijner moeielijkheden; ik ben moedeloos bij het zien mijner ellende en de onbestendigheid mijner goede voornemens. Help mij, want mijne vijanden hebben mij van alle zijden omringd, 2) de overwinning schijnt mij te begeven, ik ben als onder hunne slagen verpletterd, hun de vreugde gevende mij te zien wankelen. Ik gevoel mijn hoogmoed opstaan tegenover zooveel onmacht, en droefheid, tegenzin, wanhoop mijn hart overmeesteren, wanneer ik het nuttelooze mijner pogingen en mijner opofferingen ondervind.
Mijn offers waren U dus niet aangenaam, o Heer, en al de droefheid die mij drukt, kan U niet vermurwen? O hoe ongelukkig ben ik! Mijne ziel wordt overstelpt door een stroom van rampen; zij is gedompeld in een hodemloozen afgrond van slijk! 3) Hoelang zult Gij mij vergetend Zal het voor altijd zijn ? Hoelang zult Gij uw aanschijn van mij afkeeren ? 4)
1) Cor. I, 9. 2) Ps. XV, 9. 3) Ps. XXXVII, 1,2. 4) Ps. XI. 1.
397
Wanneer zal ik uwe barmliartigheid verdienen? Wat moet ik doen, wat moet ik geven, wat moet ik lijden, waaraan moet ik nog verzaken?
Gij weet het, o Heer, ik Leb niets meer, omdat Gij mij stuk voor stuk al de goederen ontnomen hebt, die ik van uwe goedheid had ontvangen; omdat ik U heb opgeofferd wat ik in de toekomst bezitten kon; omdat ik Maria, mijne moeder, tot eigenares heb gesteld van mijn persoon, mijner werken en mijner verdiensten. Maar indien ik haar alles, mijn persoon, mijne goederen, mijn leven offer, indien ik haar mijne zaligheid toevertrouw, heb ik dan ook het recht niet een blik van mededoogen van die zachtaardige en liefdevolle Koningin te verwachten? Als ik haar het vertrouwen toon, dat ik stel in hare zoo bartuhartige goedheid, mocht ik dan ook niet verwachten door hare macht geholpen te worden? Waarom komt zij mij niet ter hulp? Waarom toont zij mij niet, dat ik niet te vergeefs haren bijstand heb ingeroepen? Toen Gij mij in uwe onuitsprekelijke goedheid tot ü riept, ben ik gekomen, entoen Gij mij geslagen hebt, heb ik het hoofd gebogen! En nu, dat ik niets meer zoek dan ü, dat ik niets meer verlang dan uwe liefde, zult Gij mij nu overlaten aan de woede en de sluwheid der vijanden, die mijn verderf gezworen hebben.
O Maria, kom uw kind geruststellen en troosten, zeg mij dat mijne smeekstem uw hart geraakt heeft, en dat gij niet hebt opgehouden over mij te waken.
Ach, mijne Dochter, kent gij dan de teederheid uwer Moeder niet. Hemel en aarde zullen vergaan, alvorens ik doof blijf voor de stem van dengene die mij aanroept! Hoe zou ik dan niet luisteren naar de stem van dengenen, die al zijne hoop in
398
mij gesteld heeft! Ik was bij u in die angstvolle uren, waarin gij mij ter hulpe riept, en nu houd ik geen oogenblik op u te beschermen tegen den helschen vijand, die u zoekt te misleiden, te bedriegen , te doen gelooven dat gij n aan de wanhoop hebt overgegeven, die hij in uwe ziel had willen doen doordringen! Neen, gij hebt God niet belee-digd door uwe overdreven vrees; mijn goddelijke Zoon heeft u niet verworpen, want Hij heeft slechts blikken van erbarming voor de zielen, die Hem alleen begeeren!
Blijf dan onderworpen onder zijne hand, die u beproeft, en vertrouw volkomen op zijne beloften. God wil in korten tijd een groot werk in u voltrekken; Hij doet u veel lijden. Hij verdubbelt zijne harde slagen; maar zij zijn slagen zijner liefde en sparen u nog, hoewel zij u schijnen te verpletteren.
Ga dan voort, sterf meer en meer aan u zelve en aan alle zaken Dat de beproeving u niet ver-driete. De doornen dezer aarde bereiden de rozen van het Paradijs; de zielsangst dezes levens is de voorbode van eene onuitsprekelijke vreugde. Nog één dag, nog één uur, nog één offer en de hemel is uw deel! Gezegend zij die troostrijke verzekering, die gij mij geeft, o lieve Moeder, gezegend zijt gij voor de kalmte, die gij in mijn gemoed doet herleven. Gezegend zij uwe stem, waarmede ik tot den Heer geroepen heb. 1) Ach, blijf toch altijd de beschermster van uw kind. Neen ik zal niet meer wanhopen; maar krachtvol door uwe hulp zal ik bij elke gelegenheid met u, dierbare Moeder, herhalen : Ik hen de dienstmaagd des Heer en, mij geschiede volgens uwen wil! 2)
1) Ps. XXV, 7. 2) Luc. I, 38.
399
X. Angslkrecl cener ziel, die zich Terlalen geïocll.
Heer, verhoor mij, verlos mij ora de liefde van awa zelfs en doe mij genade vinden voor U. Baruch. I, 14.
O God, God mijner zaligheid, God myner eenige hoop, werp op mij een blik van medelijden. Zie mijne tranen, hoor mijn zuchten, zie de verlatenheid van mijn hart, kom het ondersteunen en een woord van troost toespreken! Ja, Heer, keer ü tot mij, verlos mijne ziel door het aanzien uwer barmhartigheid. Ach, vertoef niet langer, alvorens mij te helpen. Keer uw aanschijn niet van mij af, 1) uit vreeze door mijne groote ellende en onmacht getroffen te worden; verwijder U niet van mij, naarmate ik dichter bij ü kom, als of mijn smeeken en zuchten U tot last waren.
O Jezus, mijn teederbeminde Broeder, Bruidegom onder duizenden verkoren, 2) gedenk de banden, die mij aan U hechten en verlaat mij niet in dit uur van hevige beproeving. Zie ik draag alleen het gewicht mijner rampen, en ben als verpletterd onder dien zwaren last; geen liefderijk woord, geen medelijdend hart komt mijne smart verlichten; allen hebben zich tegen mij gekeerd!
O almachtige Beschermer der zielen, die ü alleen zoeken, kom mij ter hulp! Kom, o hemelsche Vriend, dien ik zonder ophouden roep, op wien ik altijd mijn vertrouwen stel, ja kom mij verzekeren dat mijne tranen geteld worden en dat uwe goddelijke hand ze eens zal afdroogen. Kom en zeg mij, dat zoo-Gij allen steun, alle liefde verre van mij verwijdert,
1) Ps. XXV, 9. 2) iKojlicd V. 6.
400
dit slechts geschiedt, omdat Gij alleen mijn gids, mijn troost, mijne vreugde, mijn geluk wilt wezen. Kom en zeg mij nog dat, zoo Gij mijne ziel den vrede ontneemt, die zij zoo vurig afsmeekt, dit slechts is opdat zij zich in de beproeving en den tegenspoed zou zuiveren en volmaken.
O weldadige oogslag van mijn Welbeminde blijf op mij rusten; gezegende hand raak mij aan, en door de geheime kracht, welke van U zal uitgaan, 1) zal ik in mijne droefheid getroost en van mijne ellende genezen worden. Zoete stem van Jezus, spreek tot mij, doe U aan mijn hart verstaan en de vrede zal in mij wederkeeren.
Helaas, niets in mij verdient die gunst die ik afsmeek, maar zijn mijne uiterste onmacht en ellende geene titels tot medelijden ? Ach, laat eenige droppels van uw kostbaar bloed op mij vallen, opdat zij mijne ziel verfrisschen in het uur harer smart. Plaats mij in uwe heilige wonden, en geef dat het bitter lijden mijns harten in honig verandere! Eén blik, één woord, ééne aalmoes, o Heer, want niemand aanziet mij, niemand spreekt mij toe, niemand denkt aan mij! Kom wees mijne kracht, mijn steun, want zonder U bezwijk ik, zonder vrede en vreugde kan ik niet leven. O goddelijke Verlosser, laat mij niet over aan mijne eigene zwakheid, help mij zegevieren, want Gij alleen zijt mijne kracht en mijn steun!
1) Lac. VI, 19.
401
XI. De ziel slell al hare hoop in God.
Mijne ziel heeft tot den Heer geroepen. Ps. CX, 1.
O Heer, o God mijner ziel, die geheel erbarming en liefde zijt, Gij die gezegd hebt: Komt allen tot mij, die heiast en heiaden zijt en ik zal u verkwikken , 1) zie mij hier aan uwe voeten, beschouw mijn Igden, mijne onmacht. Ik bezwijk onder den last van zooveel lijden; kom mij versterken, mij opbeuren. O ja, Heer, kom mij ter hulp, haast Umij te helpen! 2)
Gij weet het, o mijn goddelijke Meester, dikwijls ja zeer dikwijls vergezellen mijn medelijden, mijne zuchten en mijne trauen U in den hof van Olijven, op den weg naar Calvarië, dan brandt mijn hart van begeerte om uwen doodsangst te deelen, dat zware kruis van uwe doorwonde schouderen te nemen; het benijdt aan de moedige Veronika de eer uw goddelijk aanschijn te mogen afwisscLen, dat aanschijn zoo wreedelijk gehoond en gewond; ik volg zoo godvruchtig mogelijk uw bloedig spoor, en gehoorzaam aan het woord door U tot de vrouwen van Jeruzalem gesproken, beween ik mijne zonden en die mijner broeders, die de oorzaak zijn van al uw lijden! Heer, herdenk thans die betuigingen van liefde, welke ik U zoo gaarne geef, als Gij U gewaar-digt die gevoelens in mijn hart te storten. Ja, dan gevoel ik mij sterk tegen alle lijden, dan wil ik zonder voorbehoud den wil uws Vaders omhelzen. Maar in dit oogenblik ontzinkt mij den moed, mijne kracht is uitgeput! Kom en doe ze herleven, mijn aanbiddelijke Zaligmaker! Wat moet er van mij worden, als uwe goddelijke hand mg loslaat! wanneer
1) Matlh. X, 28. 2) Ps. XIX, 1.
26
402
ik op het punt ben te bezwijken? O denk dan aan dat uur van uwen vreeselijken doodsangst, toen Gi) uitriept: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten\'? 1) Ik ook, o mijn Zaligmaker, ben door de duisternis omringd, alles is smart voor mijne ziel!
O werp uit bet hoogste der bemelen eenen blik op mij! Waar is nu uwe kracht, waar is de teederheid uwer ingewanden? Mij dunkt dat zij zich niet meer over mij uitbreidt! 2)
Kom en zeg mij dat Gij mijn zuchten gehoord hebt, dat Gij niet ongevoelig zijt voor mijne tranen, dat Gij mijne begeerten zult verhooren, dat Gij naar mijne dringende smeekbeden zult luisteren.
Groot is mijne ellende, o Heer, ik weet dit: ik hen zelve de oorzaak van mijn ongeluk en verdien te lijden, 3) maar uwe goedheid en uwe barmhartigheid zijn immers grooter dan mijne ongerechtigheid?
Laat ü bewegen door dat vertrouwen dat ik in TJ alleen stel, o mijn God, in U die gezegd hebt: Omdat hij in mij gehoopt heeft, zal ik hem verlossen; ik zal hem beschermen, omdat hij mijn naam kent; ik zal hem verhooren en met hem zijn ten tijde der verdrukking. 4) Geeft dit woord mij al reeds geene hoop? Ja, ik zal zonder ophouden in den Heer hopen, ik zal Hem steeds aanroepen! Reeds zoo menigmaal heeft Hij medelijden gehad met mijne ellende, zoo menigmaal heeft Hij den noodkreet mijner ziel aanhoord! Hy zal mij ook thans niet verlaten. Daarom werp ik mij vertrouwvol in uwe armen, o liefdevolle Meester, en smeek ü mij te versterken te raidden dier tallooze beproevingen en mijn vernederd en ver-morseld hart, dat een toevluchtsoord in het uwe zoekt, te troosten en te bemoedigen.
1) Mat. XX W, 46. 2) Is. XII, 15. 3) Jenm. X, 19. 4) Ps. XC, 14, 15.
403
XII. De weldaad m hel lijden.
Ik heb moeielijke en doornige paden bewandeld. Sap. V. 6.
Heden begin ik! Hoe menigmaal heb ik dit woord van den koninklijken profeet herhaald! En wat is er van mijne goede voornemens geworden? Waar zijn mijne werken? O ik ben onstandvastig en zwak geweest; o Gij de altoos goede, de altoos toegevende, vergeef mij en gelief nogmaals naar mijne goede voornemens te luisteren.
Ja, Heer, voortaan wil ik voor goed aan ü toebe-hooren en dien weg van zelfverloochening en opoffering bewandelen, waarop Gij mij voorgaat. Gij zegt mijl Nu is liet tijd uit uwe sluimering te ontwaken, U aan mij te onderwerpen en mij te volgen, opdat uw leven steeds toeneme. 1)
Geef dan, o Heer, dat ik deze woorden begrijpe en uwen wil omhelze, niettegenstaande den opstand mijner natuur, die zou willen beminnen zonder te lijien. En zoo ik hier op aarde niets anders meer zou ondervinden dan de zielsangst die mij foltert, o geef dat ik ten minste begrijpe dat de doornen, waarmede Gij mijne ziel kroont, door uwe liefde gevlochten zijn; geef dat ik al den rijkdom en den vrede ontdekke, die Gij verbergt onder dat kruis, dat ik voortaan wil omhelzen en aanbidden; dat ik mij verheffende tot op den top van dien lijdensberg, waaronder mijn hart als het ware verpletterd en begraven lag, ik mij dagelijks dichter bij ü mijne vreugde en mijn leven moge plaatsen.
1) Kom. XIr, 11. Eccl. I, 3.
404
Ja, mijn God, ik begrijp dat Gij mg met eene eeuwige liefde bemind hebt, met eene vurige en naijverige liefde en dat Gij mij door een geheel goddelijk medelijden tot U treJct. 1) Die verzekering geeft mij troost en wekt mijne liefde op, daarom wil ik U meer, daarom wil ik ü alles geven, o Heer. Daarom ^ wil ik dat al wat in mij is medewerke om U terug te geven, wat Gij mij goschonken hebt, om te verdienen wat Gij belooft, om het doel te bereiken , dat Gij mg voorstelt.
Spreek dan, o Heer, spreek, uwe dienares luistert. 2) Voortaan zal zij het oog gevestigd houden op uwe hand, ten einde den wenk af te wachten, dien Gij haar zult gelieven te geven. Zij zal uwe goddelijke lippen beschouwen, en hij het eerste woord, hij den eersten ademtocht zal zij opstaan, zal zij heensnellen en zich trotsch en gelukkig gevoelen U te mogen gehoorzamen en dienen. 3)
Wel is waar bewandel ik sedert lang den smart-vollen weg mij door U afgebakend, maar hoe vele schreden heb ik achterwaarts gezet, omdat mijn hart de beproeving gevoelde, doch ze niet wilde omhelzen. Voortaan zal het anders zijn, o mijn God! Gij wenkt mij uwen Zoon op zijnen bloedigen kruisweg te volgen,
zijn kruis te dragen; ik zal edelmoedig voortgaan ^ tot den top van den Calvarieberg, waar Hij zijn offer volbracht heeft. Maar mocht het mij nogmaals gebeuren uwe hand, als zij mij slaat, terug te stooten of mijne lippen af te wenden van den bitteren kelk dien Gij mij aanbiedt, o gelief dan mijne zwakheid te ondersteunen en mijnen moed op te beuren. Laat mijne ellende U niet afschrikken, o God, in het
1) Jerem. XXX, 3. 2) Reg. II. 10. 3) Mgr. Gay.
405
heilig werk mijner zaligmaking; snijd, kap, kerf totdat ik volkomen gelijkvormig aan ü zij, o mijn gekruiste Zaligmaker, want uwe uitverkoovnen moeten hierbeneden beproefd worden om de eeuwige erfenis in den hemel waardig te worden.
XIIT. De ïolkomen onlkchling des harleo.
Jezus is de God van mijn hart en mijn deel in eeuwigheid Ps. XXI, 25.
Neen, goede Meester, voortaan kan niets mij meer van ü verwijderen, van ü scheiden, want de banden die mij aan U hechten zijn zoet en krachtig! Al ben ik dan droevig, ongerust, door zielsangst gefolterd, door duisternis omgeven, steeds zal ik U zoeken, niets dan ü beminnen, slechts bij U licht en troost afsmeekende.
Maar ach, slechts met moeite kan ik heden dat iFiatquot; uitspreken, goede Meester, want mijne natuur siddert bij het zien alleen van mijn lijden; slechts met moeite kan ik mij onderwerpen aan die beproevingen , welke als het voedsel mijns levens zijn! Maar mijne liefde tot U zal mijnen wil die kracht geven, die haar ontbreekt, mijn liefde zal mijn bezwijkenden moed ondersteunen.
Ja, ik wil alles uit uwe hand leeren aannemen, o Jezus, omdat de kelk mij steeds door uwe liefde wordt aangeboden, omdat eene inwendige stem mij zegt dat Gij slechts de smarten verdubbelt om de kronen te kunnen verdubbelen.
Ik wil op uw voetspoor het kruis dragen dat Gij, goede Meester, mij op de schouders legt, want indien ik het weigerde zou ik mij van ü verwijderen en
406
het is eene groote glorie ü te mogen volgen, overal waar Gij U gewaardigt ons te geleiden. 1)
Doe mij dit wel begrijpen, laat mij zien dat, moet ik ook moeielijke en doornige paden bewandelen, de zaligheid ontkiemt in de wateren der kwelling; licht reeds een punt op van den sluier, welke eene eeuwigheid van geluk voor mijn oog verbergt; laat mij die stroomen zien van wellust, waarmede Gij een oogenblik van lijden, van lichte smarten zult loonen. Zeg mij dat zij die in U hopen, die niet terugdeinzen voor de schijnbare langdurigheid der ballingschap, die moedig den tegenzin en de moeie-lijkheden dragen, zich eens over hunne edelmoedigheid zullen verheugen.
O zoete en beminnelijke Jezus, kom en spreek tot mijne bedroefde ziel, die dorst naar uwe genade; geef haar kalmte en rust weder, want Gij alleen, o goede, o heilige God, kunt mijn halt verzadigen, dat smacht naar rust en vrede. Geef U aan mij zonder voorbehoud, want Gij alleen kunt mijne onrust bedaren en mijne begeerten voldoen. Maar zoo Gij nog den sluier niet wilt oplichten die mij uwe liefdevolle inzichten verbergt, geef dan ten minste uwer dienares de kracht om met den H. Paulus steeds te herhalen: Wie zal mij ooit kunnen scheiden van Jezus den gekruiste? Niets, niets zal dit vermogen, ik zweer het hier aan uwe voeten geknield, want daar ik voortaan niets meer wil, dan wat Gij wilt, zal ik slechts eene zaak met U uitmaken en ik zal met denzelfden Apostel kunnen zeggen: Ik leef niet meer, maar Jezus-Chriitu» leeft in mij. 2)
]) Eccl. XXII. 38. 2) Gal. T, 20.
407
XIV, Heer, belp mij, ik verga.
Ik waiidelde dt-n gcheelen dap, het hart met droefheid vervuld. Ps. XXXVI, 6.
Gg weet het, o mijn God, dag en nacht zucht ik onder het gewicht mijner rampen. Alles is droefheid voor mijne ziel, alles is smart voor mijn lichaam. Alle geestkracht ontzinkt mij, alle onderwerping ontbreekt mij, en ik gevoel in mijne ziel een dof gemor, eene klacht, die thans nog zonder vorm, dreigt in bittere en onstuimige stroomen los te barsten.
Kom zelf, o Heer, dat on weder bedaren ; kom de golven van dien onstuimigen stortvloed bedwingen, lang teruggehouden dreigt hij mij nu te verzwelgen. Strek uwe weldadige hand over de wateren der kwelling en zij zullen niet langer opstaan ; laat uwe stem hooren te midden van het gedruisch en de verwarring in myne ziel door de herhaalde aanvallen verwekt en eene groote kalmte zal in haar ontstaan. O Gij die den winden en der zee beveelt, kom, wandel op de onstuimige golven van mijn Hart, opdat alles in rust wederkeere. 1)
Ja, wees nogmaals mijn Redder en mijn Vertrooster, wees nogmaals mijn steun, mijne hoop, mijn goede Meester, zonder U kan ik niets, zonder U wil ik niets en in mijn zielsangst beschuldig ik U mij verlaten te hebben. Heer, hebt Gij my dan voor altijd verworpen? Ben ik een voorwerp van afschuw geworden voor uwe oogen? Waarom hebt Gij mij met eene ongeneesbare wonde geslagen? Ik verwachtte den vrede, en de vrede is niet gekomen. Ik verwachtte genezing en nog hen ik in kwelling! 2)
1) H. Augnstinus. 2) Jerem. XIV, 19.
408
O kom mij ter hulp, almachtige God; laat mij niet bezwijken onder de slagen mijner vijanden, vertoon ü aan mij met het zwaard dat hen moet verdelgen en doen vluchten...
Reeds neigt Gij het oor tot mij, o goede Jezus, mijn hart gevoelt uwe nabijheid; mijne oogen zien het werktuig van den strijd en het onderpand dei-overwinning , die ik afsmeekte...
Het is uw kruis; uw kruis dat Gij mij aanbiedt en dat ik wilde vluchten...
Door het kruis, mijne Dochter, zegt gij mij, heb ik de wereld verlost, door het kruis wil ik u zalig maken; aanvaard dan het wapen van uwen God, indien gij over den dood wilt zegevieren en voor eeuwig met Hem wilt heerschen, want niemand kan den Uiteren oceaan dezes levens doorkruisen, dan gedragen door mijn kruis. 1)
O mijn God, mij geschiede naar uw woord! Laat mij steeds dit woord van leven hooren, spreek het over mij, spreek liet in mij, dat het in mij werke volgens de mate dat Gij goedkeurt; dat het rnij doordring e , mij bezitte, mij vorme, mij hervorme; ik geef mij over aan uw woord als aan een vuur, opdat het mij zuivere en verteere. 2)
1) H. Augustinns. 2) Mgr. Gay.
409
XV. Naar hel worbceld van Jezus, onderwerpt de ziel zich aan al de raadsbesluiten fan God.
Niemand kan zijne macht wederstaan, niemand mag Mem zeggen ; Waarom hebt Gij aldus met mij gehaudeld? Esther XII, 9.
Met uwen goddelijken Zpon wil ik steeds herhalen: Niet mijn wil, mijn Vader, maar de uwe. 1) Het was een bittere kelk, dien Gij Hera aanhoodt, want hij bevatte al wat het hart kan verscheuren, het lichaam kan wonden, de ziel kan folteren, de natuur kan verschrikken! Doch Hij aanbidt uwen wil, onderwerpt zich, omhelst het offer; Hij gaat zich slachtofferen voor de zondaars, voor hen, die door zijne weldaden overladen, zijne beulen gaan worden, ten einde aldus het woord van den profeet te volbrengen: Ik ben met ivonden overdekt geworden en in het huis zelfs van degenen die ik beminde. 2)
Hij, de Heilige der heiligen, Hij, het vlekkeloos Lam, Hij, de Vriend der bedrukte harten, Hij, in één woord, die al weldoende op aarde rondging, Hij zal alle pijnen, alle beproevingen tot- zijn deel hebben, omdat Hij boet voor de schuldigen; omdat Hij borg voor ons gebleven is. 3)
En mocht Hij wederliefde verwachten! Helaas, Hij weet het, klein zal het getal zijn dergenen, die zijne edelmoedige liefde zullen erkennen; en velen zullen Hem opnieuw kruisigen in zich zeiven, velen zullen Hem nogmaals aan smaad en schande blootstellen.
O mijn God, geef dat ik ten minste begrijpe, wat ik Hem verschuldigd ben, dat ik naar zijn voorbeeld mij voor U leere vernietigen, mij slachtofferen, mij
l) Lucie XXI, 43. 2) Zach. XII. 6. 3) Eccl. XXXIX, 20.
410
in alles aan uwe raadsbesluiten leere onderwerpen. Ik weet het, zij zijn billijk en rechtvaardig, omdat in U alles volmaakt is. Ik weet dat uw wil is wat hij moet wezen, en niets kan vergen dat afwijkt van de orde door uwe wijsheid gesteld: Gij bemint alles -wat bestaat en geen werk uwer hand is beroofd van uwe liefde. 1)
Onze onwetendheid, onze verblindheid verbergen ons vaak deze ontegenzeggelijke waarheden, die zoo geschikt zijn onze onrust te bedaren, onzen angst te verdrijven, ons vertrouwvol en buigzaam te maken in uwe hand.
In onzen dwazen hoogmoed zouden wij vaak de raadsbesluiten Gods willen wikken en wegen ; dikwyls zouden wij nog boozer tegen uwen wil durven opstaan, wij vergeten dat alles onderworpen is aan uwe macht, dat niemand uwen goddelijken wil mag weerstreven, en dat iiive barmhartigheid al uwe rechten verzacht. 2)
O geef, mijn God, dat ik door het beschouwen uwer wijsheid, uwer macht, uwer rechtvaardigheid mij de vaderlijke teederheid, die Gij voor uwe kinderen koestert niet doe vergeten. Geef dat ik steeds dit woord herdenke: Al zon zelfs eene moeder haar kind vergeten, zoo zal ik u nochtans nooit vergeten. 3) Dan verdwijnt mijne angstvalligheid; dan zal ik in vreugde leven te midden der pijnlijkste beproevingen, der hevigste stormen!
En waar, o Heer, heeft die moeder al die zelfopoffering, al die teedere liefde voor haar kicd geput, zoo niet in uw Hart, dat slechts liefde is en liefde kweekt? Kunnen wij betwijfelen of Gij ons geluk begeert, daar Gij om ons het eeuwig geluk te ver-
1) Sap. X, 25, 2) Esther XH, 9. 3) Isaise IX, 15.
411
zekeren, ons uwen eenigen Zoon tot onderpand geschonken hebt, daar Gij, om ons het leven te verzekeren, Hem aan den dood hebt overgeleverd; daar Gij, terwijl de teederste moeder slechts een deel van haar bloed aan haar kind geeft, Gij ons voortdurend voedt met het kostbaar vleesch en bloed van Jezus-Christus?
Wat kan ik nog vreezen na zoovele tastbare bewijzen der liefde van mijnen God? Dat Hij mij vergete? O neen, zijn woord is mij een zekere waarborg van het tegendeel. Hij zal dit niet doen, want Hij heeft beloofd te beminnen dengene die Hem bemint, Hij verzekert ons zelfs dat Hij zijn vermaak vindt te zijn bij de kinderen der menschen. Ziedaar wat ons met vreugde moet vervullen, dan zelfs als God toelaat, dat wij gedurende dit kortstondig leven met vele rampen bezocht worden.
Wees dan getroost en gerust, o mijne ziel; verre van u de smartvolle gedachten die u verscheuren, de drukkende zielsangst van dit uur en de wreede onzekerheid der toekomst. Zegt u het verleden niet dat gij door God bemint wordt, dat Jezus u in zijn Hart geschreven draagt? Het is de welbeminde Zoon, die zijnen Vader bidt voor degenen die Hem kruisigen; wat zal Hij niet doen voor degenen, die Hem lief hebben ?
Hoe zoet, hoe troostend is deze verzekering voor mij, o mijn God! Welke kracht deelt zij mij niet mede om den drukkenden last van mijn lijden te dragen en steeds dat »Fiatquot; uit te spreken dat ik diep in mijn hart wil drukken, opdat het steeds op mijne lippen zij.
412
XVI. Dc ziel roepl haren Welbeminde weder.
Ik heb Hem gezocht en niet gevonden.
Hooglied II, 2.
O Jezus, Gij de welbeminde mijner ziel, waarom blijft Gij doof voor mijne stem? Waarom keert Gij uw gelaat van mij af? Waarom laat Gij mij zuchten en klagen, zonder medelijden te hebben met mijne droefheid?
O kom weder, kom weder! zonder U kan ik niet leven. Toon mij de plaats waar Gij U verbergt. Het lied der engelen openbaarde uwe komst aan de herders, het licht eener ster geleidde de wijzen naar uwe kribbe, waarom zou ik dan ook geen teeken uwer tegenwoordigheid mogen vragen? O vertoon U dan aan mij, uwe onwaardige dienares, en verdrijf de duisternis uit mijnen geest en de droefheid uit mijn hart!
Gij ziet het, mijn aanbiddelijke Meester, mijne ziel kwijnt in de afwachting uwer komst, en nu Gij U aan hare blikken onttrokken hebt, is zij gelijk aan eene dorre, onvruchtbare aarde, die slechts distels voortbrengt. Kom dan tot haar, kom haar genade, kracht, troost en vreugde mededeelen; kom en laat in haar het licht stralen dat in ü schittert; kom haar die zoete warmte van uw Hart mededeelen, om hare liefde, die verdoofd schijnt, weder te doen herleven. Kom, o Gij, de Welbeminde mijner begeerten , want gelijk het dorstig hert snakt naar het water der fontein, zoo dorst mijne ziel naar U, 1) omdat zij geen ander goed vindt dat den dorst kan lesschen, die haar verslindt. En doe nog meer, o
l) Ps. xn, i.
413
mijn eenig geliefde Meester, daal tot mij neder om mij tot II te verheffen; laat mij eene schuilplaats viuden in uw aanbiddelijk Hart, in dat toevluchtsoord van rust en vrede, opdat ik daarin mijne ellende moge begraven en mijne smart nederleggen. Ja, buig U tot mij neder, want U alleen roep ik, in U alleen hoop ik, o goddelijke Zaligmaker! Waar moet ik gaan ? Waar moet ik U zoeken ? Waar zal ik U vinden? Wien moet ik aanroepen? Wie zal mijn Welbeminde zeggen, dat ik voor Hem van liefde kwijn ? Mijne vreugde is verdwenen, mijne blijdschap is in droefheid veranderd; mijn hart en mijn vleesch zijn bezweken, o God mijns harten, o God, mijn deel in eeuwigheid! Mijne ziel wilde niet getroost worden, dan alleen door C/, mijne eenige zoetheid! 1)
Toef dus niet langer, want mijne oogen, moede de aarde te beschouwen, zoeken niets anders meer dan de hemel! Toef dan niet langer, want mijn hart dat de valsche goederen der aarde heeft gekend, zoekt slechts die welke U tot voorwerp hebben, o eeuwige gelukzaligheid.
Kom dan en moge op dezen treurigen nacht voor mij een helder schitterende dag volgen. Ah Gij verschijnt, als Gij uwe heilige vreugde in mijne ziel stort, zal zij als door eene zalige blijdschap overstroomd worden en door liefde vervoerd, zal zij uwen lof zingen en met de bruid van het Hooglied herhalen : Ik heb Hem gevonden, deug ene dien mijne ziel bemint, ik bezit Hem, ik zal Hem vasthouden en niet van mij laten gaan. 2)
1) H. Augustinus. 2) Cant. II, I,
414
XVII. God onze locïlucbl bij groole rampen.
Heer, verhoor mijn gebed en laat mijn roepen tut U komen. Fs. C, 1.
Hoeveel moeite kost het mij, o mijn God, met U te zeggen: Vader, als die kelk niet voorbij kan gaan, zoo geschiede niet mijn, doch uwe wil. 1) Hoe hard valt mij reeds van verre de wreede beproeving, die al wat mij dierbaar is gaat treffen.
Ach, Heer, zoo uwe slagen slechts op mij vielen, zou ik die, dunkt mij, beter kunnen dragen. Doch neen, ik beef, ik sidder voor het lot dergenen, die Gij mij geschonken hebt, die na ü, mijn welbeminde Meester, alles voor mij zijn!
Ik kom dan tot U met de oogen vol tranen, met een hart van droefheid overstelpt! Ach, blijf niet ongevoelig voor mijn smeeken. Laat een straal van hoop en troost tot mijn hart doordringen. Sta op, o Heer, strek uwe almachtige hand uit en vergeet degenen niet, die in droefheid verkeeren!... 2)
Terwijl ik tot U roep, terwijl ik zucht over mijn lijden, terwijl ik U bid van mij dien verpletterden last te verwijderen, volg ik ü, mijn Jezus, in den hof Van Gethsemani, en zie U daar, dieper dan ik, nedergebogen onder het gewicht der smart. En voor wie lijdt Gij? Waarom is uwe ziel zoo diep bedroefd? Ach ik weet het. Gij ook denkt aan uwe kinderen gelijk ik. Gij bemint ze gelijk ik, nog meer dan ik de mijne. Gij wilt U voor hen opofferen, om hen zalig te maken, maar helaas. Gij weet dat uw bloed te vergeefs zal stroomen voor het grootste aantal eu die droevige overtuiging is de oorzaak uwer folterendste smart.
1) Matth. XXV, 42. 2) Ps. IX. 10 en 18.
415
Ach, mijn God, ik bid U, gedenk de bittere tranen, door uwe oogen vergoten in dat uur van doodelijkeu zielsangst; gedenk het zuchten van uw Hart bij de smartvolle gedachte, dac Gij uwe kinderen niet kondt onttrekken aan het vreeselijk ongeluk dat ben bedreigde. Ook ik zucht en ween bij het vooruitzicht van het ongeluk dat de mijnen bedreigt, ik bied mij aan in hunne plaats; versmaad mijne beden niet, zie op mijn offer, o Jezus, bedenk dat toen Gij onder de smart bezwijkend, een noodkreet deed opstijgen tot uwen Vader, Hij zich door uwe smeekbede liet vermurwen en U een engel zond om U te troosten en te versterken. O aanbiddelijke Meester, heb op uwe beurt medelijden met dit zwakke schepsel aan uwe voeten, help, versterk haar, geef haar vooral de verzekering dat zij. ondanks haar zuchten en weenen, wel geleden heeft en dat hare onderwerping haar verdienstelijk heeft gemaakt in uwe oogen!
XVIII. Ia «en staal m diepe moedeloosheid.
Onlfcrm ö mijner, o mijn God, ontferm U mijner, hkuI mijne ziel heeft hare hou» 0|i IJ gesteld Ps IV, l.
Hoe moeielijk valt het mij heden, o God, het hoofd te buigen en mij nogmaals te onderwerpen! Hoe zwaar valt mij het uitspreken van dat »Fiatquot;, dat Gij mij zoo dikwijls vraagt! Hoe moeielijk valt het mij mijn vertrouwen te verlevendigen en te blijven hopen tegen alle hoop in!
Hoe menigmaal is mijn geest tot ü opgestegen om aan mijne gevoelens te verzaken en uwe barmhartigheid in te roepen! Hoe menigmaal hebben mijne akten van liefde en vertrouwen uwe krachtige
O
416
liulp ingeroepen, terwijl ik nedergedrukt onder liet kruis, gevoelde hoe de yertwijfeling mijne ziel overmeesterde en mij onbekwaam maakte mijne droefheid te overwinnen. Ach, luister dan met een barmhartig oor en een verteederd hart naar die noodkreet, die mijne lippen telkens tot U doen opstijgen: Heer, ontferm U over mijne ellende, „troost mij, versterk mij, red mij! Gedenk niet meer mijne vroegere zonden, verwerp mij niet van voor uw aanschijn, beroof mij niet van uw licht! 1) maar beschouw mijn goeden wil, en schenk mij de noodige ziels- en lichaamskracht om met vasten tred de wegen uwer liefde en barmhartigheid te bewandelen. Kom mij ter hulp, o mijn God en myu Vader, want mijne kracht is uitgeput en mijne zwakke natuur smeekt om genade.
O Gij die eeuwig leeft in een oppersten vrede, zult Gij mij nog langer aan de kwelling overlaten. 2) 0 zeg tot mijne ziel, dat Gij haar opperste goed, hare zaligheid, haar leven zijt, dat Hij die zich tot haar deel heeft verkoren sterk en getrouw is, 3) dan zal zij al het billijke en het zoete van uwen heiligen wil gevoelen.
Gij die aan de engelen bevolen hebt zorg voor ons te dragen en ons op onze wegen te bewaren, 4) o zeg mij nog eens dat Gij degenen niet verlaat die ü beminnen, die op U vertrouwen en al hunne zorg werpen in uw Hart. 5)
Geef mij wat Gij beveelt en beveel mij wat Gij wilt, 6) opdat ik het lijden, dat Gij mij overzendt, zoo niet zoet dan toch dragelijk moge vinden. MaaTc dat de vergiftige pijlen mij niet treffen van dengene,
1) Ps. I, 12. 2) Barnch. II, 3. 3) Jerem. I, 19. 4) Ps. XC, 11. 5) Ps. XC, 14. 6) H. Augnstious.
417
die mijn ondergang gezworen heeft, die zoekt mg alle vertrouwen in uwe goedheid, alle geloof aan uwe liefde te ontnemen. Om de liefde tot U zeiven hid ik U, verlos mij van mijnen vijand en laat mij op nieuw genade vinden voor uwe oogen. 1)
Ter zijner beschaming zal ik in ü gelooven, in ü hopen en U altijd aanroepen, o mijn God, en met uwe hulp zal ik, wat mij moge overkomen, steeds herhalen: De Heer is mijn God en mijn Redder, Hij is mijn beschermer, daarom zal ik nooit wankelen. 2)
XIX. Del Hart van Jezus is hel veilig toevluchtsoord der lijdeude ziel.
Hoe groot is de barmhartigheid des Heeren; zij is de veilige toevlucht dergenen die lich tot haar wenden. Eccl. XVI, 28.
Ja, in uw aanbiddelijk Hart, in die schuilplaats immer voor de smart en het lijden geopend, heb ik een toevlucht gezocht, o mijn Jezus, toen het lijden en de zielsangst mij ter nederdrukten. Aan dat Hart heb ik kalmte en onderwerping gevraagd, toen ik bezweek onder het gewicht der smart, in dien afgrond van liefde en barmhartigheid heb ik de tranen gestort die overvloeiden uit mijn hart, heb ik den troost gezocht, dien mijn hart zoo dringend behoefde.
V erborgen in die schuilplaats van vrede, verzonken in dien oceaan van goedheid en genade, heeft mijn hart zich gretig geopend om de wateren te ontvangen der hemelsche fontein, der fontein van leven; 3) toen
1) Baroch, I, 14. 2) Pa. IX, 6, 7. 3) H. Angmtinns.
27
416
hulp ingeroepen, terwijl ik nedergedrukt onder het kruis, gevoelde hoe de vertwijfeling mijne ziel overmeesterde en mij onbekwaam maakte mijne droefheid te overwinnen. Ach, luister dan met een barmhartig oor en een verteederd hart naar die noodkreet, die mijne lippen telkens tot U doen opstijgen: Heer, ontferm U over mijne ellende, „troost mij, versterk mij, red mij! Gedenk, niet meer mijne vroegere zonden, verwerp mij niet van voor uw aanschijn, beroof mij niet van uw licht! 1) maar beschouw mijn goeden ■wil, en schenk mij de noodige ziels- en lichaamskracht om met vasten tred de wegen uwer liefde en barmhartigheid te bewandelen. Kom mij ter hulp, o mijn God en mijn Vader, want mijne kracht is uitgeput en mijne zwakke natuur smeekt om genade.
O Gij die eeuwig leeft in een oppersten vrede, .zult Gij mij nog langer aan de kwelling overlaten. 2) O zeg tot mijne ziel, dat Gij haar opperste goed, hare zaligheid, haar leven zijt, dat Hij die zich tot haar deel heeft verkoren sterk en getrouw is, 3) dau zal zij al het billijke en het zoete van uwen heiligen wil gevoelen.
Gij die aan de engelen bevolen hebt zorg voor ons te dragen en ons op onze wegen te bewaren, 4) o zeg mij nog eens dat Gij degenen niet verlaat die ü beminnen, die op ü vertrouwen en al hunne zorg werpen in uw Hart. 5)
Geef mij wat Gij beveelt en beveel mij wat Gij wilt, 6) opdat ik het lijden, dat Gij mij overzendt, zoo niet zoet dan toch dragelijk moge vinden. Maa\'fc —, dat de vergiftige pijlen mij niet treffen van dengene,
1) Ps. I. 12. 2) Barnch. 11, 3. 3) Jerem. I, 19. 4) Ps. XC, 11. gt;) Pa. XC, 14. 6) H. Augnstinus.
417
die mijn ondergang gezworen heeft, die zoekt mij alle vertrouwen in uwe goedheid, alle geloof aan uwe liefde te ontnemen. Om de liefde tot ü zeiven bid ik £7, verlos mij van mijnen vijand en laat mij op nieuw genade vinden voor uwe ootjen. 1)
Ter zijner beschaming zal ik in ü gelooven, in U hopen en U altijd aanroepen, o mijn God, en met uwe hulp zal ik, wat mij moge overkomen, steeds herhalen: De Heer is mijn God en mijn Redder, Hij is mijn beschermer, daarom zal ik nooit wankelen. 2)
XIX. Hel Harl van Jezus is bel veilig loevluchlsoord der lijdende ziel.
Hoe groot is de barmhartigheid des Heeren; zij is de veilige toevlucht dergenen die zich tot haar wenden. Eccl. XVI, 28,
Ja, in uw aanbiddelijk Hart, in die schuilplaats immer voor de smart en bet lijden geopend, heb ik een toevlucht gezocht, o myn Jezus, toen het lijden en de zielsangst mij ter nederdrukten. Aan dat Hart heb ik kalmte en onderwerping gevraagd, toen ik bezweek onder het gewicht der smart, in dien afgrond van liefde en barmhartigheid heb ik de tranen gestort die overvloeiden uit mijn hart, heb ik den troost gezocht, dien mijn hart zoo dringend behoefde.
Verborgen in die schuilplaats van vrede, verzonken in dien oceaan van goedheid en genade, heeft mijn hart zich gretig geopend om de wateren te ontvangen der hemelsche fontein, der fontein van leven; 3) toen
1) Barach. I, 14. 2) Ps. IX, 6, 7. 3) H. Augnstinns.
27
416
hulp ingeroepen, terwijl ik nedergedrukt onder het kruis, gevoelde hoe de vertwijfeling mijne ziel overmeesterde en mij onbekwaam maakte mijne droefheid te overwinnen. Ach, luister dan met een barmhartig oor en een verteederd hart naar die noodkreet, die mijne lippen telkens tot U doen opstijgen: Heer, ontferm U over mijne ellende, „troost mij, versterk mij, red mij! Gedenk niet meer mijne vroegere zonden, verwerp mij niet van voor uw aanschijn, heroof mij niet van uw licht! 1) maar beschouw mijn goeden wil, en schenk mij de noodige ziels- en lichaamskracht om met vasten tred de wegen uwer liefde en barmhartigheid te bewandelen. Kom mij ter hulp, o mijn God en myu Vader, want mijne kracht is uitgeput en mijne zwakke natuur smeekt om genade.
O Gij die eeuwig leeft in een oppersten vrede, zult Gij mij nog langer aan de kwelling overlaten. 2) 0 zeg tot mijne ziel, dat Gij haar opperste goed, hare zaligheid, haar leven zijt, dat Hij die zich tot haar deel heeft verkoren sterk en getrouw is, 3) dan zal zij al het billijke en het zoete van uwen heiligen wil gevoelen.
Gij die aan de engelen bevolen hebt zorg voor ons te dragen en ons op ome wegen te bewaren, 4) o zeg my nog eens dat Gij degenen niet verlaat die ü beminnen, die op U vertrouwen en al hunne zorg werpen in uw Hart. 5)
Geef mij wat Gij beveelt en beveel mij wat Gij wilt, 6) opdat ik het lijden, dat Gij mij overzendt, zoo niet zoet dan toch dragelijk moge vinden. Maak dat de vergiftige pijlen mij niet treffen van dengene,
1) Pa. I, 12. 2) Baruch. II, 3. 3) Jerera. 1, 19. 4) Ps. XC, 11. 5) Pa. XC, 14. 6) H. Augnstiaus.
417
die mgn ondergang gezworen heeft, die zoekt mg alle vertrouwen in uwe goedheid, alle geloof aan uwe liefde te ontnemen. Om de liefde tot ü zeiven hid ik ü, verlos mij van mijnen vijand en laat mij op nieuw genade vinden voor uwe oogen. 1)
Ter zijner beschaming zal ik in U gelooven, in U hopen en U altijd aanroepen, o mij a God, en met uwe hulp zal ik, wat mij moge overkomen, steeds herhalen: De Meer is mijn God en mijn Redder, Hij is mijn beschermer, daarom zal ik nooit wankelen. 2)
XIX. liet Barl van Jezus is hel veilig loevluchlsoord der lijdende ziel.
Hoe groot is de barmhartigheid des Heeren; zij is de veilige toevlucht dergenen die zich tot haar wenden. Ëccl. XVI, 28.
Ja, in uw aanbiddelijk Hart, in die schuilplaats immer voor de smart en het lijden geopend, heb ik een toevlucht gezocht, o mijn Jezus, toen het lijden on de zielsangst mij ter nederdrukten. Aan dat Hart heb ik kalmte en onderwerping gevraagd, toen ik bezweek onder het gewicht der smart, in dien afgrond van liefde en barmhartigheid heb ik de tranen gestort die overvloeiden uit mijn hart, heb ik den troost gezocht, dien mijn hart zoo dringend behoefde.
Verborgen in die schuilplaats van vrede, verzonken in dien oceaan van goedheid en genade, heeft mijn hart zich gretig geopend om de wateren te ontvangen der hemelsche fontein, der fontein van leven; 3) toen
1) Barnch. I, 14. 2) Ps, IX, 6, 7. 3) H. Aogastinns.
27
418
is mijn klagen smeeken geworden, mijne tranen hebben aa
hare bitterheid verloren, en ik gevoelde mi} verlicht va
terwijl ik weende aan de voeten van Hem, die gezegd ge
heeft: Ik zelf zal de tranen uit de oogen mijner in
uitverkoornen wisse hen. 1) uk
Toen heb ik begrepen, Heer, dat de grootste he beproevingen uwe grootste gunsten zijn; dat Gij hei uwe uitverkoornen verrijkt met de paarlen en de diamanten van Calvarië, dat Gij ze versiert met wonden van binnen en van buiten, dat Gij ze aan- X\' raakt met het heilzame hout des kruises om ze van de aarde te onthechten en ze naar den Hemel op te heffen. Ik heb begrepen dat, indien Gij de vermoeiden ondersteunt en hen die bezwijken met kracht ] en sterkte vervult, Gij ook ons in ons lijden wilt mv verheerlijken. 2) hei
Als een almachtige Meester hebt Gij den storm die
bedaard, die in mijne ziel woedde; Gij hebt mij de een
verdienste niet willen ontnemen van die beproeving (
geleden te hebben, welke mij een nieuwen titel geelt He(
op uwe liefde; Gij hebt den kelk niet van mij willen ges
verwijderen, maar Gij hebt mij geholpen dien tot glo
den bodem te ledigen. O Jezus, ik ben gelukkig, baa
want niet alleen is het mij vergund geworden in U toe
te gelooren, maar ook voor U te lijden. 3) Ik ben J
ü \'gevolgd op Thabor en ik zal niet terugdeinzen sim
voor den doodsangst van Calvarië, waar Gij uwe get
uitverkoornen heenvoert! Ja, ik wil met U een nie
\' slachtoffer worden, mij opofferen voor uwe glorie! niij Ik wil mij verteren in het vuur uwer liefde, om uw de
voorbeeld te volgen en uw kruis te vereeren. zw£
O heilige wil van God, ik omhels U en geef mij viiK ____C
1) Ajjüc. XVI:, 13. 2) H. Bern.rdus. 3) Phil. I, 2J. Was
419
aan U over in vereeniging met het goddelijk Hart van Jezus. Wees voor mij of zoet of gestreng, of gemakkelijk of bitter, als uwe plannen zich slechts in mij voltrekken en ik U nimmer wedersta; ik vraag niets meer tot dat gelukkig oogenblik, waarop ik het eeuwig Alleluia van vreugde en zegepraal in het hemelsch vaderland zal gaan zingen.
XX. Smarlkrecl ecner moodcr bij den dood Tan haren zoon.
De Heer geneest hen wier hart dour droefheid gebroken wordt. Ps. CXV, 5.
Heer, God van mededoogen en liefde, ziehier aan uwe voeten eene arme bedroefde moedei, die uw heiligen wil tracht te aanbidden en de hand te kussen, die haar zoo wreedelijk beproeft; ach! sla op haar een blik van barmhartigheid en medelijden.
Gij hebt hem aan mijne teederheid ontrukt, o Heer, dien beminden zoon, dien uwe goedheid mij geschonken had, dien ik in uwe liefde, ter uwer glorie trachtte op te voeden. Gij hebt mij dat kostbaar pand ontnomen, dat Gij mij ter bewaring hadt toevertrouwd!...
Mijn verbrijzeld hart verheft tot U de stem der smart en mijne tranen van bittere droefheid, zwakke getuigen van het lijden mijner ziel; versmaad ze niet, o Heer, maar kom mij ter hulpe! O ja kom, Blij11 goede Meester, Gij, die hier op aarde de vriend, de toevlucht waart der ongelukkigen, de troost der zwaarbeproefden! O laat mij in uw Hart dien balsem vinden, die alle wonden heelt, alle smarten verzacht.
Gij weet, o Heer, wat dit dierbaar kind voor mij was, dat Gij mij in den bloei zijns levens hebt
.j
420
ontnomen. Gij weet hoeveel vreugde, hoeveel liefde en teederheid ik van hem mocht verwachten! O laat mijn moederhart hem beweenen, hem die mijn grootste schat op aarde was. Aan uwe voeten kom ik mijne bittere tranen storten, o God, ontvang die in uw vaderhart! Aan dat Hart durf ik al mijn leed ver-
trouwen, o moge het mij een toevlucht zijn in mijne |uj
bittere smart! mj
Heer, keer U niet van mij af; luister naar mijn aj]
klagen, laat uw hart mededoogen gevoelen met mijne ge bittere smart en de akelige leemte, die ik rondom
mij gevoel; kom en geef aan mijne ziel het noodige en licht om uwe goddelijke raadsbesluiten te erkennen,
de noodige kracht om den bitteren slag te dragen, jie die haar nederdrukt; kom haar vooral uwe liefde
mededeelen en haar uwe barmhartigheid toonen. vri
Ja, Heer, Gij zijt mijn eenige troost en mijn iei
eenige toevlucht, zeg tot mijn hart dat Gij mij die (j0l
schoone, zuivere bloem, slechts ontnomen hebt, om ^jg
er den hemel mede te versieren, dat Gy die teedere a[
vrucht vóór den tijd hebt doen rijpen om hare zoet- na1
heid des te vroeger te smaken. Kom mij de troostende V0(
overtuiging schenken , dat Gij deze ziel in hare volle ]le(
onschuld tot U hebt genomen, opdat de verpestende ieT adem der wereld haar niet zou bezoedelen, 1) en om » g0
haar de plaats te kunnen geven, die uwe liefde haar Q0l
bestemde in het midden uwer engelen. del
Heer, laat deze overtuiging diep in mijne ziel dringen; wai.
dat zij mij trooste in mijn ballingschap en mij sterke om j.
den weg van Calvarië te bewandelen die mij tot U moet ove
lijden, o mijn God in die plaats van glorie, in dat schoone Zod
vaderland, alwaar ik het kind zal wedervinden dat uwe y00
genade aldaar geplaatst heeft. Amen. _
Ij imp. iv, 11.
421
XXI. Hel „fialquot; eener diep bedroefde moeder.
De Heer had gepeven f de Heer helt;ft eenomen ; dat zijn heilige naam gezegend zij! Job I, 21.
In U, o Heer, heb ik gehoopt, ik zal in eeuwigheid niet beschaamd worden. 1) Gij zult naar mijne stem luisteren en gevoelig zijn voor mijne smart. Ik beb mijn vertrouwen op uwe goedheid gesteld en ik wacht alle hulp van uwe barmhartigheid. Immers Gij hebt gezegd: Wie op mij vertrouwt zal niet beschaamd worden. Ik sal met hem zijn in het uur der kwelling en ik zal hem verlossen. 2)
Gy weet, o mijn God, welk eene diepe wonde het zwaard der droefheid in mijne ziel heeft ge inbakt. Ach, heel die wonde, genees ze en geef mij den vrede, dien ik U vraag volgens de waarheid uwer beloften. 3) Gij weet of mijn leven, zoo wreedelijk door het lijden beproefd, mij nog één dag geluk zal bieden, nu de dood mij beroofd heeft van hem, die al mijne vreugde uitmaakte. Gij weet dat mijne natuur bezwijkt onder zooveel herhaalde slagen en vooral onder den laatsten schok, die haar getroffen heeft! O Gij, de eenige ware God, die dood en leven geeft, die slaat en geneest, ontferm U over mij! Goddelijke kracht, grenzelooze liefde van mijnen God, beur mij op, troost mij, toon mij het aanbid-delijk gelaat van mijnen Zaligmaker en de zaligheid waarmede Hij zijne uitverkoornen overstroomt.
Stort den stroom uwer genade over mijn hart, over mijne ziel, opdat zij weder moed sclieppe en zonder zwakheid het lijden onder de oogen zie, dat voortaan haar deel zal uitmaken.
1) Ps. XXXI. 2) Pé. CXXIV, 1. xc, 15. 31 Jerem. XXXII, 6.
422
Helaas, hoe langdurig is mijne hailing schap! en hoe zwaar valt het mij, mij voort te sleepen in dit dal van tranen, 1) waarin ik veroordeeld ben nog vele dagen door te brengen! Onophoudelijk verhef ik mijne oogen naar dat hemelsch vaderland, daar zoek ik mijnen vader, mijne moeder, daar zoek ik mijn kind in hunne armen en mijn hart snelt tot hen, doch, ijdel pogen, ik ben aan de wereld gekluisterd en ik kan mij niet tot U verheffen, o God, niet tot mijn kind, dan alleen door mijne begeerten.
Kan ik dan niet tot U gaan, o God, o gewaardig U dan tot mg te komen, en werp een blik op mij van uit uw heiligdom. Kan ik dan mijn zoon niet zien in het verblijf der gelukzaligen, o laat hij zich dan nederbuigen tot zijne moeder om haar te zegenen en haar door zijne gebeden hare teedere zorgen te vergelden, om haar te zeggen dat de liefde leeft aan gene zijde van het graf, en dat hij de zijnen nooit inniger beminde dan nu hij ze in en om God bemint!.
Ja, Heer, laat de stem van dien engel tot mijn hart spreken, dat hij het verlichte door de schoonheid die hem omgeeft, door het licht dat hem omstraalt, dat hij het ontsteke door het vuur der liefde, waardoor hij brandt voor U, o mijn God; dan zal mgne droefheid bedaren, in eene zoete gelatenheid veranderen; mijne tranen zullen slechts tranen van dankbaarheid zgn, waut mijn kind zal die tranen afdrogen die ik stortte in bittere, in ijdele, in onvruchtbare smart. Amen.
1) Pa. cix. 5.
423
..
en XXII. Bij een smartelijk tcrlies.
Kt
Qf, Groot n mijne droefheid en mija hart wordt
onojinuudelijk door droefheid gekweld.
iet Hom. IX, 2.
iar
ik Heer, in de uiterste droefheid waarin ik mij bevind
kot en niet wetende waarheen mij te keer en, hiijft mij
re- geen ander redmiddel over dan de oogen tot U te
)J, wenden. 1) Aan uwe voeten kom ik mijne tranen
en. plengen, ach verstoot mij niet. Trek mij liever op
iig tot in uw Hart, gedoog dat ik mij daarin verberge t
mij dat ik daarin een balsem vinde voor mijne smart
liet en de noodige kracht om U niet te beleedigen door
ich gebrek aan liefde en vertrouwen.
len Mijne Dochter, ween niet gelijk zij die geene hoop
te meer hebben. 2) Eens zal mijne hand de tranen uit
3eft uwe oogen wisschen, en reeds nu wil ik de bron
len dier tranen doen uitdroegen door u dien zoon, dien
ïod gij beweent te doen zien, geplaatst in mijn eeuwig koninkrijk. Droog uwe tranen, arme moeder, uw
lijn zoon is gelukkig. Van uit dien Hemel, waarheen
leid gij uwe hartverscheurende kreten doet opstijgen,
alt, zegent hij u, daar bidt hij voor u, daar offert hij
lar- aan God de tranen die gij stort. Ween niet, want
ijne de liefde alleen heeft mijne hand bestuurd en heeft
•au- mij den draad van dat u zoo dierbaar leven doen
,nk- afsnijden. 8) Ik begeerde dat zuiver, kinderlijk hart
gen voor mij alleen, ik verlangde al de liefde te genieten
bare die ik daarin gelegd had; ik haastte mij die ziel, die het beeld mijner schoonheid droeg, weg te nemen uit het bederf dezer wereld.
1) Paral. XX, 12. 2) Thess. IV, 13. 3) Tob. XII, 12.
424
Eens, o myne Dochter, zal de dag komen, waarop gij het geheim mijner schijnbare gestrengheid zult kennen, en gij zult u eeuwig verheugen over de tranen die gij thans stort. Draag uwe beproeving met geduld, want de slaap, dien ik aan uw kind heb overgezonden, is de slaap mijner welbeminden, wien ik mijn erfdeel wil openen. 1) Hef de oogen ten Hemel, tot uw vaderland, daar zult gij den blik ontmoeten van uwen Vader, die u toeroept: Houd moed, mijne Dochter; van uwe moeder die ü beschermt en ondersteunt, van uw kind dat voor u en de uwen Dengene bidt, die het thans bezit. Hem dien gij hadt leeren kennen en dienen.
O Heer, uwe woorden hebben het vertrouwen in mijn hart weder opgewekt! Ja, ik geloof in uwe liefde, en ik zal mijn lijden niet meer beschouwen als eene straf, maar als een bewijs uwer liefde. Ja., ik begrijp nu de wegen waarlangs Gij mij geleidt; ik hoop dat die kruisweg, dien Gij mij doet volgen, eens voor mij een Thabor worden zal, waar ik U zal loven; ja, ik geloof dat het kruis, dat nu 200 zwaar op mijne schouders drukt, mij eens de poorten zal openen van het hemelsch vaderland, waar ik hem zal weder vinden, dien Gij aan mijne teedere liefde ontrukt hebt. Amen.
XXIII. Bij den dood Tan een ecblgenool.
Het is God, die slaat en zalft. Job V, 18.
Kom mij ter hulp, o Heer, want ik bezwijk onder het gewicht mijner droefheid bij den vreeselijken slag, die zulk eene leemte maakt in mijn leven!
1) Fs. CXXV, 253.
425
Werp uwe oogen op mij, o God van goedheid, die ons toestaat U onzen Vader te noemen. Zie de droefheid, waartoe ik gebracht ben, en verlaat mi] niet, nu Gij mij hebt laten drinken aan den kelk des lijdens, en ik bij U alleen troost en steun kan zoeken.
Het is U bekend, o Heer, dat mijn leven slechts eene aaneenschakeling geweest is van droefheid en lijden; reeds was mij de aarde een dal van tranen, maar nu Gij mij den medegezel mijner ballingschap en mijner lijdensuren ontnomen hebt, wat moet er nu van mij worden, zoo Gij mij niet ter hulp snelt?
0 help mij, troost mij, want ik aanbid uwen heiligen wil, en mijne lippen herhalen onophoudelijk dat gt; Fiatquot;, dat Gij met recht eischt van elke lijdende ziel. Tk weet het, o Heer, indien Gij het wildet, zouden mijne tranen nu niet vloeien, indien Gij het wildet, zou hij nog leven, die getrouwe vriend, met wien Gij mijn lot vereenigd hadt en wiens verlies voor mij het grootste aller offers is. Doch ik wil mij onderwerpen; Gij hadt gegeven. Gij hebt genomen, uw heilige naam zij gezegend, want het is niet aan mij uwe raadsbesluiten te doorvorschen!
Heer, nu sta ik alleen op deze wereld! doch mijn lijdend hart zoekt bij U hulp en troost. Kom dan tot mij, o Heer, met den overvloed uwer genaden, dan zal de vrede in mijne ziel wederkeeren, kom en zeg mij dat mijne diepe droefheid en mijne kinderlijke onderwerping in gouden letteren in het boek des levens staan aangeteekend, dat zij een onderpand zijn mijner eeuwige zaligheid en dat, zoo Gij nu die droeve scheiding eischt, Gij mij eenmaal hem, dien ik zoo diep betreur, bij U zult doen wedervinden. Doe mij vooral wel begrijpen, dat de kwellingen
426
dezes levens als de bloemen zijn, die de vruchten der glorie voorafgaan, en dat de tranen, die wij storten, eene heilige zalving zijn , die ons toewijdt aan de onsterfelijkheid. 1)
Ja, ik geloof, Heer, aan uwe beloften, aan uwe barmhartigheid; ik hoop dat hij, dien Gij mij ontnomen hebt, de kroon der glorie ontvangen heeft als loon zijner werken , zijner gelatenheid en geduld en het strekt mij tot een troost te mogen hopen,
dat zoo hem nog te boeten overblijft, mijne tranen ,
en mijne gebeden zijne schuld aan uwe rechtvaardigheid voldoen zullen. .
Geef mij, o Heer, een helder inzicht dezer troostende waarheden, een levend geloof, een volkomen vertrouwen in uwe woorden en beloften; verlaat uwe (
dienstmaagd niet, die zich buigt voor uwe aanbid- (
delijke majesteit, steeds haar »Fiatquot; herhalende ]
tegelijk met het Amen dat thans met de engelen in de hemelsche glorie de dierbare zingt, dien ik beween ]
en die mij in de hemelsche glorie verwacht. Amen. ,
1 (
XXIV. De bedroefde ziel door Maria geleid in den 1
hof md Olijven.
Jk heb U roet eene eeuwige liefde bemiod. (
Jerem. XXXI, 3. l
O Maria, met een hart door droefheid overstelpt, l kom ik tot U! O troosteres der bedrukten,, heb
medelijden met uw kind, kom hare zwakheid ter i
hulp! O geleid mij, o mijne Moeder, naar den hof c
van Olijven, opdat ik daar onderwerping en edel- c
427
moedigheid leere en bij het aanschouwen der smarten van uwen Jezus, de mijne beter leere verdragen!
Wat doet dit goddelijk Laai, als Hij in Gethse-mani toelaat dat vrees, angst en droefheid zijne ziel overmeesteren, als Hij zich omringd ziet door alle kwellingen die als eene stortzee zich op Hem geworpen hebben. Wat doet Hij bij het aanzien van die wreede opoffering, welke God de Vader van Hem eischt? Ik zie Hem plat ter aarde nedergeworpen en uit zijn wreed gefolterd hart hoor ik deze hartroerende klacht: Mijne ziel is bedroefd tot den dood en deze smartelijke kreet: Dat die kelk van mij ga! 1)
Zijt Gij het wel, o mijn Zaligmaker, die deze woorden spreekt? Hebt Gij niet vurig verlangd in dit doopsel des hloeds gedoopt te worden? 2) Heer, Gij de vreugde der engelen, de kracht der martelaren, Gij beeft.....
O beminnelijke Verlosser, ik weet dat, zoo Gij U liet nederdrukken door vijanden die het U zoo gemakkelijk was te verwijderen. Gij dit hebt toegelaten om uwe schepselen te troosten als zij bezwijken en hun door uwe zwakheid den noodigen moed te verkrijgen. Ja, Gij lijdt dien doodsangst vrijwillig en hoemeer Gij lijdt, hoemeer Gij bemint. Want uwe uitgeputte krachten verzamelende, dompelt Gij die in uwe ovorgroote liefde tot uwen Vader en tot uwe schepselen en voegt er onmiddelijk deze woorden bij: Vader, niet mijn, doch uw wil geschiede! 3)
Na dat edelmoedig woord dringt zich het lijden meer en meer rond Jezus heen, het drukkend gewicht der folteringen die Hij ziet naderen, wordt zwaarder, de smarten des doods omringen Hem, de stroomen
1) Alatth. XXVI, 28.29. 2) LiicecXII, 50. 3) Matth. XXV, 39.
428
der boosheid vervullen Hem met schrik en afgrijzen. In dien uitersten nood slaakt zijne ziel een angstigen noodkreet tot zijnen Vader.....
Hoe kon God aan zijn gebed, waarin even zooveel onderwerping als smart doorstraalde, wederstaan? Hoe kon Hij zijne hulp weigeren aan dat goddelijk Lam, dat Hem niets weigerde? Ja, Hij zond hulp: een engel daalde van den hemel om Hem te troosten, doch hij bracht slechts nieuwe hulp, ten einde Hij meer zou kunnen lijden.
Is dit de zending die gij, o hemelbode, bij uwen God moet vervullen! Tot dusverre naderdet gij Hem slechts om Hem te dienen en te aanbidden, maar nu Hij zich beneden u geplaatst heeft, ziet gij Hem bevend en sidderend en zwak tegenover u.
O Maria, nu het weder licht wordt in mijne ziel hervat ik ook moed en geestkracht om het goddelijk voorbeeld, dat gij mij onder de oogen plaatst, na te volgen. O nu zie ik duidelijk dat zoo Hij, de almachtige, de onoverwinnelijke God, de schijnbare verlatenheid zijns Vaders heeft willen ondergaan, ik op mijne beurt de hoop niet mag verliezen en meenen van God verlaten en verworpen te worden, als ik mij gedrukt en bedroefd gevoel. Ik begrijp dat als mgn goddelijke Zaligmaker gezucht en geklaagd heeft en gebeden heeft dat die kelk zou voorbijgaan, het ook mij niet verboden is mijn hart lucht te geven als het van droefheid overvloeit. Ik begrijp vooral dat, bij het aanschouwen van den zieltogeuden God-mensch, die daar ligt overstelpt van droefheid en badende in zijn heilig bloed, het zijnen waren leerlingen past zich gelukkig te gevoelen in hun lijden, zich te vereenigen met de folteringen huns meesters en zich te verheugen in hunne gelijkvormigheid met Hem.
429
Ik wil eene dier edelmoedige zielen zijn, die een oprecht medelijden toonen door U niets te weigeren; doch daar het mijner zwakke natuur toegelaten wordt te klagen en te weenen. tot wien zal ik mij dan in mijne droefheid wenden, dan tot Jezus, tot zijn goddelijk Hart, dat al zijne smarten gekend heeft? Als Hij zelf zijnen Vader vraagde, Hem eenen engel te zenden om Hem te troosten, zal ik ook aan God vragen dat Hij mij dien engel zende, dien Hij mij ontnomen heeft, om hem in zijnen hemel te plaatsen, en die, zoo durf ik vertrouwen, zijne gebeden met de mijne vereenigt om erbarming te vragen voor mijn gefolterd hart.
En wanneer de droefheid mijn hart weder zal overmeesteren, zal ik, door u, lieve Moeder, geleid mij aan de voeten mijns Zaligmakers gaan werpen; Hem zal ik mijne tranen en mijne gevoelens van onderwerping doen hooren en ik vertrouw vast dat mijne smeekingen verhoord, mijne tranen geteld, mijne betuigingen van onderwerping in het boek des levens opgeteekend en mijn God verheerlijkt zal worden.
O mijne ziel, blijf getrouw aan dit besluit en begeer niets anders dan God alleen tot getuige, Jezus-Ghristus tot voorbeeld, Maria tot steun en verder niets, niets dan liefde en opoffering. Amen.
XXY. Id een locsland van inwenJige kwelling en onrust.
O Heer, mijn God, zie mijoe droefheid, aanzie mijne ellende. \'Ihren. 1 , 9.
Hoe zwaar, o mijn Jezus, is het kruis dat ik voortdurend moet dragen! Even als Gij bezwijk ik onder dien drukkenden last. Maar wie zal mjj opbeuren
430
bij elkeu val, dan Gij, Gij, mijn goede Meester, die zelf slechts wildet vallen onder uw kruis om ons in onze zwakheid te ondersteunen. O ja, kom tot mij, mijn dierbare Zaligmaker, kom en zeg mij dfit die inwendige kwelling, die mijue ziel loltert, eene bron van verdiensten, doch niet van zonde is; kom uw kind troosten en bemoedigen, want ik bezwijk onder die voortdurende worsteling met den boozen geest, wiens woede al de krachten der hel tegen haar heeft ontketend?
Dagelijks zweer ik ü trouw, o mijn Jezus, en helaas, hoe volbreng ik die geloften? Eiken morgen stel ik mij voor slechts uwen wil te volbrengen, en ieder uur. ieder oogenblik moet ik mij geweld aandoen en strijden tegen mijne natuur om dien te omhelzen en mij er aan te onderwerpen. Heer, wat zou er van mij worden, indien Gij mij aan mgzelve overliet? Wat zou ik met mijne broosheid, mijne zwakheid, mijne onstandvastigheid verrichten, indien Gij mij die kracht niet verleendet die onoverwinnehjk maakt? Maar ik zal niet vreezen, want wanneer ik te midden mijner zwakheid en verlatenheid in mijne smart U mij tie klachten doe hooren, schijnt mij uwe goddelijke stem gelijk eens tot Paulus te zeggen: Mijne genade is u genoeg. 1)
Ja, Heer, aan dit woord wil ik gelooven, ik zal hopen op uwe beloften, ik zal niet ophouden tot U te roepen en uwe oneindige barmhartigheid af te smeeken. Gedenk mij, o God, volgens uwe harrn-hartigjieid, gedenk mij, Heer, volgens uwe goedheid! 2) Heb mededoogen met mijnen toestand; verdrijf de duisternis uit mijnen geest en de droefheid uit
1) Cor. XII, 9. 2) Ps. XXIV, 3.
431
mijn hart, want Gij weet dat ik U toebehoor en op U alleen mijn vertrouwen heb gesteld, U heb ik mijn leven en al mijne vermogens toegewijd, en daar Gij U gewaardigd hebt die toewijding te aanvaarden, zoo smeek ik U nooit toe te laten, dat iets dat in haar is, ü ooit beleedige. Dan zal ik met den profeet zingen: De Heer heeft medelijden met mij gehad, Hij heeft mijne zuchten gehoord, Hij is mijn steun en mijne kracht, dat zijn naam gezegend zij. 1)
Dan, o mijn God, zullen vreugde en vrede weder wonen in de ziel uwer dienstmaagdomdat Gij haar in uwe barmhartigheid bezocht hebt, in het uur der beproeving.
XXVI. Sa den slrijd, dc zegepraal.
Het lijden van dit leven is niet grëvenrfdigd met de toekomende glorie die wij daardoor verdienen. Rom. VU, 18.
Heer, God van liefde en goedheid, die niet ongevoelig kunt blijven voor het lijden uwer kinderen, werp uwe oogen op mij, die aan uwe voeten ween en zucht. Ach luister naar mijne bede, laat ü door mijne klachten vermurwen bij het zien der diepe ellende, die mijn hart, mijne kracht en mijn moed gebroken hebben.
Goddelijke Majesteit, werp een oogslag op mij! beschouw niet mijne ellende, maar den zielsangst waarin ik mij bevind en haast U mij te helpen, In V, o Heer, heb ik mijn vertrouwen gesteld, verlaat mij niet en gedenk dat ik het werk moer handen hen. 2)
i) Ps, XXI, 2, 30, 46. 2) Ps. XXX. 1. CXXXVI, 8.
432
■
en dat mijne zoudige ziel door het bloed van uwen do
goddelijken Zoon is vrijgekocht. in
Hemelsche Vertrooster kom tot mij; Gij die gezegd zu
hebt: ik ben hij dengene wiens hart bedroefd is; 1) te spreek tot mijn hart woorden van medelijden en
goedheid; beloon mijn vertrouwen door een bewijs Ik
uwer liefde, dan zal er weder kalmte heerschen iu uit
mijne arme ziel, welke geslingerd wordt door den\' aai
storm der kwelling, en bijna overstroomd wordt door gei
eene zee van smart, welke van dag tot dag, van en
uur tot uur hooger stijgt. 1
Aanbiddelijke Meester, wees voor mij wat Gij op tuc
aarde waart voor al degenen die tot U kwamen om Go
hulp in hunne kwalen, troost in hunne rampen, kla
genezing hunner ziekten, de verrijzenis hunner dooden Ko
en het leven hunner zielen te vragen. Hoe menigmaal liei
heeft uwe liefderijke hand zich uitgestrekt om ze aan wil
te raken en te genezen die zieken, die melaatschen, hee die bezetenen, welke ü volgden en U smeekten U
over hen te ontfermen. Hoe menigmaal opende zich Mc
uw aanbiddelijke mond om den berouw vollen zondaar krs
te vergeven wiens hart uwe genade geraakt had. gel
Hoe groot was uwe goedheid, hoe gemakkelijk werd bel
uw mededoogen opgewekt, o goddelijke Jezus! Hoe An
spoedig kon men uwe barmhartigheid inroepen en hul
uwe hulp erlangen in die dagen van genade en ede zaligheid.
Ach, mijn Jezus, gedenk toch wat Gij toen waart voor al degenen, die met vertrouwen tot ü kwamen.
Gelijk zij ben ik door het lijden gedrukt, mijn lichaam wordt door ziekten en pijnen verscheurd, mijn hart wordt door zielsangst gefolterd; mijne ziel wordt
433
door de beproeving nedergedrukt; mijn levén gaat in droefheid voorhij en mijne jaren in voortdurend zuchten. 1) Is dit niet genoeg om uw medelijden op te wekken?
Is dit niet genoeg om te verkrijgen wat ik vraag? Ik smeek er U om, o God, met de armen tot U uitgestrekt. Verstoot mij niet, geef den vrede weder aan mijne nedergedrukte en zwaar beproefde ziel; geef mij een bewijs dat Gij mijn gebed gehoord hebt en door mijn lijden getroffen zjjt.
O beminde ziel, de aarde is geene rustplaats, schep moed, kom en volg mij op mijn bloedig spoor. Uw God is gekruisigd, ziedaar het antwoord op al uwe klachten, de oplossing van al uwe moeieljjkheden. Kom in mijne wonden de edelmoedige kracht der liefde putten, daardoor zult gij u zeiven leeren overwinnen, lijden, sterven voor eenen God, die u beloofd heeft, zelf uw overgroot loon te zijn. 2)
Ach, mij geschiede naar uw woord, 3) o Heer! Moge mijn geest en mija wil, mijn hart met al zijne krachten, mijne ziel met al hare vermogens, mijn geheel bestaan zich voegen naar uw goddelijk welbehagen. Moge ik reeds hierbeneden het eeuwige Amen der gelukzaligen aanheffen, en U eene eeuwige hulde brengen door myne onderwerping en volmaakte edelmoedigheid. Amen.
1) Po. XXX. 10. 2) Gen. XV, I. 3) Luceb I, 38.
28
434
XXVTL Dc ziel Termorseld ooder Gods
Hij heeft mij met rampen bekroond; Hij heeft mij ver van zich geworpen, gelijk een hal dien men in het veld werpt.
Isaiie XXI, 18.
O God van inijn leven, God van mijne eeuwigheid, tebt Gij mij dan voor altijd vergeten? Zult Gij U niet laten verbidden door het onophoudelijk smeeken van mijn bedroefd hart1? 1) Zult Gij voortaan mij als vernietigen onder de slagen uwer gerechtigheid, terwijl Gij mij steeds onderworpen hebt gevonden onder uwe straffende hand? Heer, waar zijn dan uwe vroegere beloften1? Waar is uwe barmhartigheid? Waar is de hulp, die Gij verleent aan hen, die U aanroepen? Waar is de steun, dien Gij verleent aan hen, die hun vertrouwen in ü stellen?
Gij hebt gezegd: Ik zal niet doof blijven voor de stem van dengene, die mij aanroept, want ik ben zijn Vader, en ik draag zijnen naam in mijne handen geschreven. 2) En intusschen, o mijn God, roep ik tot U dag en nacht, en Gij schijnt mij niet te hooren.
Gij hebt gezegd: Mijne ingewanden zijn rol medelijden met dengene die lijdt, en eene moeder zou eer haar kind vergeten, dan dat ik hem zou verlaten. 3) En intusschen, o mijn God, roep ik U te midden mijner beproevingen en rampen en Gij komt mij niet ter hulp. Gij hebt gezegd: Ik bemin die mij beminnen; 4) ik zal met hen zijn te midden hunner kwellingen. 5) En intusschen, o mijn God, ween ik en Gij komt mijne tranen niet afwisschen: ik zucht en Gij doet de bron mijner rampen niet uitdroogen;
I) Jerem. XIV, 19. 2) Isaiic IX, 16. 3) Isa ia! IX, 15. 4) l\'rov. VII, 17. 6) Ps. XC. 15.
435
r
I
mija hart bloedt en Gij komt deszelfs wonden noch
jj,. verbinden, noch genezen. Gij hebt nog gezegd: A Is
gelijk ÜV voor de mijnen zorgt, zal ik zorg dragen voor
t. de uwen. 1) En ik heb medelijden gehad met het lijden mijner broeders; ik heb hunne smarten ver-
eid, licht, en Gij komt mij niet ter hulp, bij de tallooze
j JJ slagen, die op de mijnen vallen, bij de wreede
iken beproevingen, welke mij drukken.
mij Ach, ik vraag U nogmaals. Heer, hebt Gij mij
leid, dan voor altijd vergeten? Hebt Gij mij uit uw Hart
iden verworpen; mag ik in U niet langer een vader zien,
Jan, wiens hart zich verteedert bij het lijden van zijn
ïid? kind, die zoo gaarne de hulp van zijn almachtigen
e u arm verleent om het te helpen!
aan Kom mij ter hulp, o mijn God, Gij die al die zich met vertrouwen tot ü wenden helpt, want zie
dg ik bezwijk onder het gewicht mijner rampen. Kom,
hen want mijn hart wil steeds aan uwe liefde, aan uwe
iden goedheid, aan uwe barmhartigheid gelooven en op
p ik dit oogenblik zie ik niets meer en hoop ik niets
ren. meer. Kom, o Heer, want ik heb recht op uwe
ede- bescherming, daar ik geene grenzen aan mijn offer
eer gesteld heb! Kom, want ik wil U in dit en in
x, 3) het andere leven bezitten en indien de wanhoop zich
Iden meester van mij maakte, dan, o Heer, weet Gij
mij - dat ik gevaar zou loopen U voor eeuwig te verliezen.
mij Gij zult komen, o mijn Verlosser, en mij het leven
nner wedergeven, Gij zult ü herinnoren dat ik niet alleen
veen het werk uwer handen, maar de prijs van uw bloed
,ucht hen. Gij zult komen, o Gij die de Vader aller harm-
gen; hartigheid en de God aller vertroosting zijt, 2) Gij zult mij niet verstooten, hoewel ik slechts stof en
1) O. H. san de II. Cath. v. Sienne. 2) Cor. I, 3.
436
ascli ben. Maar wat zeg ik? Gij kunt niet ver van mij verwijderd zijn, hoewel ik U niet zie, hoewel ik uwe goddelijke kracht niet gevoel te midden mijner beproevingen, want gij zult een vernederd en ver-morseld hart niet verachten, Gij zult niet wederstaan aan de klachten mijner ziel.
Ja, ik geloof, Heer, dat op den tijd door uwe Voorzienigheid bepaald. Gij mij uit den afgrond zult verlossen, en dat Gij, na mij beproefd te hebben, mij zult behandelen met eene eindelooze barmhartigheid. Ik wil dan al wat Gij wilt, o mijn God, ten volle overtuigd dat uwe blikken onophoudelijk op mij gevestigd zijn en dat Gij mij zult schadeloos stellen voor de ellenden dezes levens door het geluk van het toekomstig leven; ten volle verzekerd dat zij die in tranen saaien, in vreugde zullen maaien, 1) en dat zij, die hier slechts bitterheid smaken, eens zullen drinken aan den kelk uwer geneuchten, Amen,
XXVni. De ziel draagl haar kruis op hel foelspoor des Zaligmakers.
Jk heb mijne ziel tot TI verheven, o mijn God, ik heb in U mgn vertrouwen gesteld en dit zal niet wankelen. Fs. X XIV, 1.
Ik was als verpletterd onder den last van mijn bitter lijden. Mijne ziel was nedergedrukt en als het ware vernietigd tegenover die onophoudelijke teleurstelling, die dagelijks mgne hoop doet verzinken. Met schrik wierp ik de oogen in die zoo sombere toekomst en gevoelde geen moed om bij zooveel
1) Ps. cxxv, 6.
437
beproevingen nog den inwendigen strijd te doorstaan die injjue marteling voltooit.
In mijnen nood en diepe neder gedruktheid heh ik tot U geroepen, o Heer, 1) en Gij hebt naar mijne stem geluisterd. Gij zijt. uwer beloften getrouw, mij ter hulp gesneld, Gij hebt mijne kracht versterkt, mijnen moed opgebeurd, doorü aan mij te vertoonen beladen met uw kruis, door mij te vragen uit liefde U dit kruis te helpen dragen.
Hoe zou ik aan uw verlangen hebben kunnen wederstaan? Hoe zou ik hebben durven klagen, terwijl ik U zag nedergedrukt door droefheid en smart, met wonden en bloed bedekt, het hoofd met doornen gekroond, mij wenkende U na te volgen op eenen kruisweg, die veel minder smartelijk is dan die, welken Gij bewandeld hebt; wanneer ik U beschouwde, o mijn Schepper en mijn God, vastgehecht aan dat heilig hout, dat niet alleen uw sterfbed, maar ook de stoel der waarheid is, waar Gij ons leert wat wij naar uw voorbeeld moeten doen. 2)
Ja, mijn Jezus, mijn Meester en mijn Voorbeeld, het is billijk dat ik lijde, omdat Gij zooveel voor mij geleden hebt. Het is billijk, dat ik U aldus mijne liefde betuige, omdat Gij mij zoovele bewijzen uwer liefde gegeven hebt!
Ik was ver afgedwaald van den schaapstal; Gij hebt mij teruggebracht en terwijl ik te midden der kudde moedeloos voortging, hebt Gij mij, uw bevoorrecht schaap, dat U zoovele moeite, zoovele tranen gekost heeft, een veiligen weg getoond om sneller tot U te komen en Gij hebt mij gezegd: Zoek de hetere zaken, loant ik heb u een beteren weg getoond. 3)
1) Ps. CXIX, 1, 2) H. Angustinus. 3) I Cor. XI, 31.
ZATERDAG
AUGUSTUS
H. BENEDICTA._
In onze dagen, waarin het gelool kwiint, de liefde verflauwt, de zeden bederven, neemt quot;de Kerk overal hare toevlucht tot de vereenng van het Goddelijk Hart, om de christenen wakker te schudden, hen van hunne loomheid te genezen en in hen te doen geboren worden de ijver der godsvrucht en de liefde
voor de goede werken. ^ ^ ^
438
Die weg, waarop Gij ons voorgaat, o goede Meester, schijut dikwijls raoeielijk aan mijne natuur, maar is het niet billijk dat Gij daarop die zielen plaatst, die Gij geheel gelijkvormig aan U wilt maken? Mag ik dien weg verlaten als ik U met uw bloed geverfd op dien weg zie nedervallen? Gij beklimt den Calvarieberg , Gij gaat de wreedste folteringen, den dood te gemoet; zoudt Gij dan, onschuldig Lam, alleen dat lijden gaan verduren dat ik verdiend heb, en is het niet billijk dat al degenen, die de glorie en de vreugde met U op Thabor willen smaken, ook den moeitevollen arbeid uws levens, uw wreeden doodsangst en pijnlijken dood met U deelen.
Ach, Heer, houd niet op mij te beproeven, opdat alles in mij uwe goddelijke trekken wedergeve, luister niet naar de klachten der natuur, slaat en kruisig haar, doch ondersteun hare zwakheid, opdat ik het kruis kunne dragen, dat Gij mij zult gelieven op te leggen.
Dat mijn dagelijhsch voedsel zij te zwijgen , te lijden, mij in leven en dood aan U over te geven, want het rijk der hemelen kan slechts door ons zeluen gekocht toerden; géven wij ons geheel en ivij zullen het bekomen. 1)
O kruis, mij door God op de schouderen gelegd, waardoor mijne zwakke natuur zich zoo vaak gedrukt gevoelt, neen, voortaan zal ik U niet meer als een kwaad beschouwen. Gij zijt mijn waarachtig goed, want Gij vernedert mij. Gij onthecht mij. Gij doet mij mijne ellende gevoelen en de ij delheid van alles wat ik hier op aarde wilde beminnen! Wees voor altijd geprezen, o God van tvaarheid, die mij met uwen goddelijken Zoon aan het kruis gehecht hebt, cm mij gelijk te maken aan het voorwerp van uw eeuwig welbehagen. 2)
J) H. Augustiniis. 2) Kénelon.
439
XXIX. De gelrouwe ziel roeml in hare kruisen en zwakheden.
God verhoede dat ik my in iets anders bcro.me dan in het kruis van Jezns-Christus. Gal. V, 14.
Mijn God en mijn Al; moge dit woord diep gegrift staan in mijn hart, o Jezus, dat het voortdurend zweve op mijne lippen, want uwe liefde geeft mg de genade deze woorden te verstaan en te smaken. U mijn Jezus, zie ik overal, ü bemin ik bovenal. Gij zijt mijn Al, mijn leven, aan U behoor ik voor alles, voor altijd.
O mijn dierbare Meester, wat kan ik nog begeeren als ik ü bezit, als ik gevoel dat Gij mij bemint als ik door de hoop uwer machtige liefde mag vertrouwen eeuwig met U vereenigd te worden. Zijt Gij dan niet de God van mijn hart en mijn deel voor alle eeuwigheid. 1)
O neen, voortaan zal niets meer ons kunnen scheiden, o dierbare Bruidegom mijner ziel, die mij zoo teederlijk tot U hebt getrokken. , Niets zal mij uw liefdevol Hart doen verlaten, waarin uwe oneindige liefde mij heeft willen ontvangen! Niets zal mij voortaan van dien koninklijken weg van het kruis doeu afwijken, waarop ik bij eiken tred, mijn goddelijken Meester, den Koning der koningen ontmoet, die mij op zijn bloedig voetspoor wenkt.
O kruis van mijnen Zaligmaker, o kruis, mijne hoop en mijne zaligheid, indien gij mij dikwijls neder-drukt door uw verpletterend gewicht, verlicht gij mij ook door den vrede, dien gij mijn hart schenkt. Scherpe doornen, die mij slechts verscheurt om mg
1) Ps. XXI, 25.
440
te genezen, hoevele vreugde doet gij mij niet smaken! Heilige nagelen, goddelijke lans, die het Hart van mijnen Zaligmaker doorboord hebt, en slechts zoo diep in het mijne dringt om het te zuiveren en te hervormen, hoeveel zoetheid stroomt niet uit die goddelyke wonden.
Wreede pijnen, smartelijke beproevingen, bittere teleurstellingen, ik bemin Ü, ik zegen U , omdat Gij mij aan mijnen God gehecht hebt; ik kus die godde-lijke hand, die mij kastijdt en beproeft. O kostbare lijdensponde door Gods vaderhand gespreid, ik groet U, ik leg mij op U neder, ik strek mij op ü uit, ik blijf gaarne op dien geheimzinnigen brandstapel om aldaar gezuiverd, verteerd, geheiligd te worden tot dien gelukzaligen dag, waarop het Amen der zoete berusting gevolgd zal worden door het Amen der glorie.
Neen, geene lafheid, geene traagheid meer, o ziel, zoo bevoorrecht door uwen Jezus, geene droefheid, geene klachten meer! Gevoel levendig uw geluk van aan Jezus gelijkvormig te zijn. Hij noodigt u uit Hem te volgen; zijne armoede, zijne vernederingen, zijne bloedende wonden zijn even zoo vele stemmen, welke u toeroepen: Zalig zijn zij die weenen. 1) Vergezel Hem dan tot op den top van den Calvarieberg , waar Hij zich voor u, die zoo schuldig, zoo ellendig zijt, laat slachtofferen.
Ja, mijn Jezus, ik zal U volgen, overal en ten allen tijde, gelijk de H. Paulus roemende in mijne krankheden en mijn lijden, en even als deze groote Apostel begeerende slechts Jezus gekruist te kennen en te voltrekken ivaf in mij aan uw smartelijk lijden ontbreekt. 2)
1) Matth. V, 5. 2) Cor. I, 2. Col. I, 25.
■VTJTIXB BOEK:.
Voor de verschillende toestanden en behoeften der ziel.
I. De ziel door Gods barmliarliglicid gered.
De eene afgrond roept den andere. Ps. XI, 9.
Is het mogelijk, o Heer, dat Gij de oogen hebt geworpen op eene ellende zoo diep als de mijne, dat de afgrond mijner ondankbaarheid den afgrond uwer liefde hebbe afgeroepen, dat Gij het gebouw uwer barmhartigheid op den berg mijner boosheden hebt opgericht? Had dan uwe rechtvaardigheid geen onoverschrijdbaren muur opgericht tusschen mij, ellendige zondares en U, o God aller zuiverheid ? Neen , mijn God, dit was niet het raadsbesluit uwer liefde, Gij hebt gewacht tot dat mijne boosheid ten top was gestegen, totdat zij steeds vermeerderende opsteeg tot uwen troon om al den rijkdom uwer goedertierenheid te vertoonen en mijne schuldige ziel in zich zelve te doen keeren. Ja, Gij hebt het oogenblik mijner grootste ellende afgewacht, om in mij uwe grootste barmhartigheid te doen uitschijnen.
Hoe zou ik ooit zulk eene overmaat Tan liefde kunnen erkennen, dan door op mijne beurt geene maat aan mijne liefde te stellen.
Ja, daar waar de zonde overvloedig geweest is, moest ook de liefde overvloedig wezen. O moge ik als eene andere Magdalena slechts tranen hebben voor mijne vroegere boosheid, slechts kracht om U, o mijn Meester, te beminnen.
442
O hoe zoet is het voor U te redden wat verloren was, terug te brengen wat verdwaald was, in uw liefderijk vaderhart weder op te nemen wat ver van U verwijderd was. Welke kracht hebt Gij gebruikt om mij het hoofd te doen buigen onder uw beminnelijk juk, om mij de schouders te doen hukken onder uwen zoeten last. 1)
Geloofd zijt Gij nu en altijd, o mijn God, dat alles in mij, en om mij U love en prijze. Dat mijn hart en mgn wil, mijne woorden en mijne daden uwen lof bezingen en uwe weldaden verkondigen. Dat mijn geheele leven voortaan de grootheid uwer barmhartigheid, de uitgestrektheid uwer liefde vermelde! Leve de Heer, zijn naam zij eeuwig gezegend! Dat de God, die mij gered heeft, eeuwig geprezen worde! 2)
II. De ziel door Jezus aan de wereld onlrukl, geeft zich zonder Toorbehoud aan Hem over.
Men zal veel terngeischen van hem, aan wien men veel gegeven heeft. Lucse XI, 48.
God heeft een onbetwistbaar recht op de liefde aller menschen, maar is er wel een schepsel op aarde die Hem meer liefde verschuldigd is dan ik, die op zulk eene bijzondere wijze door zijne barmhartigheid ben voorkomen?
Heeft Hij mij niet bemind toen ik Hem vluchtte, toen ik al de vermogens mijner ziel gebruikte om Hem te vergrammen? Hij heeft mijne verscheurde
1) H. Angustiniis. 2) Ps. XVI, 47.
443
kleederen genomen en ze ver van mij geworpen; Hij heeft medelijden gehad met mijne naaktheid; Hij heeft mij bekleed met het purper van zijn kostbaar bloed; Hij heeft mij aangeraakt met zijne herscheppende hand om mij te hervormen. 1) O hoe groot zijn uwe weldaden , o mijn God, zal ik ze ooit kunnen erkennen? Zal mijn leven, zal de eeuwigheid zelfs lang genoeg zijn om U mijne liefde, mijne erkentelijkheid te betuigen?
Begin dan, o mijne ziel! Dat van dit oogenblik af uw God, uw Verlosser, ook de Meester en de Koning uws harten zij.
Ja, heersch in mij, o Jezus, en geef dat ik slechts in en door U leve; geef dat ik mij geheel in U verlieze, en dat alles wat in mij is ü altijd toebehoore! Ik geef U mijnen wil om geen andere te hebben, dan om U te beminnen en U nimmer te mishagen. Ik stel in U mijn vertrouwen, want Gij zijt voor mij een Vader vol teéderheid en goedheid, en Gij zegt mij dit zoete woord: Al kon eene moederbaar kind vergeten, Ik sal U nooit vergeten! 2)
Ik wijd U mijn verstand en al mijne geestvermogens en wil ze slechts gebruiken om U beter te kennen, beter te vereeren. Ik offer U op nieuw mijn ellendig hart en dat voor altijd U smeekende daarvan uw lusthof te maken, het te behouden, te bewerken, er godsvrucht en liefde te doen groeien. 3)
Leef en werk dan in mij, o Heer! Mijne ziel is wel is waar, voor U eene bekrompen iconing, doch gelief haar te vergrooten, zij draagt nog vlekken, die uw oog mishagen, maar wie zal haar reinigen dan Gij, o God? 4)
1) H. August. 2) Isaia: IX, 15. 3) H. Bernard. 4) H. August.
444
Ja, mijn goede Zaligmaker, van ü hoop ik die nieuwe weldaad en geef mij geheel en voor altijd over aan uw welbehagen, U niets vragende, niets weigerende, alles aanvaardend en steeds deze woorden herhalend: Gij, mijn God, boven alles, alles wat ik bezit, wat ik bemin, wat ik begeer, wil ik slechts in en om ü bezitten, beminnen en begeeren.
III. De berouwvolle ziel onUanfjl ïenjilïenis
O mijnp, ziel, zie en leer hoe schuldig het ia, hoe bitter het is den Heer uwen God verlaten te hebben. Jerem. [, 19.
O goede en liefdevolle Zaligmaker, zoo heb ik dan weder het ongeluk gehad U te beleedigen! Uw medelijdend Hart heb ik durven beschuldigen! Uwe teedere liefde heb ik betwijfeld! Tegen uwen heiligen en aanbiddelijken wil heb ik durven opstaan! Ik, ellendig schepsel, heb het hoofd durven ophefPen om mijnen God te beleedigen! Ik heb zijne tahooze weldaden vergeten! Ik heb zijne onbetwistbare rechten over mij durven aantasten en mij scharende aan de zijde zijner vijanden, gelijk zij durven uitroepen: »Non serviam!quot; Ik wil U niet dienen!
En Gij, mijn God, hadt medelijden met mij. Gij verdelgdet my niet! Met eene goedertierenheid, die ik verre was te verdienen, hebt Gij eenen medelijdenden blik geworpen op uw schuldig kind, en hebt door grootere liefde, door grootere goedheid deszelfs monsterachtige ondaukbaarheid vergolden.
In mijn leven zoo ledig van verdiensten, zoo vol ongetrouwheden, zie ik slechts twee zaken: zonden,
445
die mij veroordeelen en eene nutteloosheid, die mij A ] niet rechtvaardigt. 1)
Nochtans vergeet Gij mijDe bedorvenheid om slechts e° den prijs te gedenken, dien mijne ziel U gekost heeft, , Gjj komt altijd dat weerspannig schaap tegemoet,
Gij zet het aan tot den schaapstal weder te keeren en na het afgewasschen en in uw kostbaar bloed gezuiverd te hebben, opent Gij het uwe armen en uw Hart en doet het woorden van vrede en genade hooreu!
Hoe kan ik U de smart uitdrukken, die ik gevoel, iet o mijn God, bij het herdenken aan mijne ongetrouw-od heid? Weent, o weent, mijne oogen, die u vrijwillig
het geluk hebt ontzegd Jezus te aanschouwen; breek van droefheid, o mijn hart, want gij hebt dien n hemelschen vriend verstoten; zuqht, o mijne ziel,
iv omdat gij niet gevreesd hebt uw Schepper zoodanig
e te beleedigen.
11 Doch uwe droefheid moet u niet nederdrukken,
\' want reeds zijt gij weder in bezit van hetgeen gij
a verloren hadt. Jezus was getroffen over uwe smart,
e over uw oprecht berouw, en heeft u zijne vriendschap
11 teruggeschonken. Hij heeft uwe misdaden doen ver-
8 - dwijnen, gelijk de zonnestraal en de adem van den ijj wind het stof verwijderen. 1) Luister nu op uwe beurt naar zijne stem, die u nogmaals zgne dringende 1 begeerte uitdrukt, u geheel te bezitten, zweer Hem
nu eeuwige trouw, geef u aan Hem onverdeeld en voor altijd.
^ O mijn goddelijke Verlosser, kon ik U toch iets
wedergeven om die groote barmhartigheid naar waarde te erkennen, die Gij mij betoond hebt. 0 Heer,
}) Isaiac IX, 22.
446
betaal ü zeiven met eigen hand; doordring mijn hart door uwe heilige liefde; ik geef mij zonder voorbehoud aan U over, want dit is al de dank dien Gij van mij begeert.
IV. God onUarjjt altijd mcl gocdcrlicrcnhcid hel berouwvol en Termorseld tiatl.
Gezegend zij de Heer, die mijn gebed niet versmaadt, noch zijne barmhartigheid van mij heeft afgekeerd. Ps. XV, 19.
Niets evenaart uwe onuitputtelijke barmhartigheid en uwe oneindige goedheid voor mij, o goddelijke Zaligmaker. Niets kon mij beter uwe liefde toonen, dan die goedheid waarmede Gij mij hebt ontvangen, zoodra Gij zaagt dat mijn berouw oprecht was. Gij hebt door uwen Profeet gezegd: Het gebed der nederige ziel dringt door de wolken; zij zal niet heengaan, alvorens ik haar met een gunstig oog heb gadegeslagen. 1)
Eene oprechte onderwerping, een edelmoedig ofl\'er, eene wel verdragen vernedering zijn voldoende geweest om die vergeving, die ik afbad te verwerven, en de rust, die ik verloren had, terug te bekomen. En toen ik van mijne zonden gezuiverd tot U ben gekomen, hebt Gij mij, o lieve Jezus, uwe armen geopend, want Gij verstoot dengene niet, die vertrouwvol tot ü komt.
■
Neen, Gij hebt mij niet verstoten, maar met dezelfde woorden, die Gij eertijds tot don Apostel spraakt, die U verloochend had, hebt Gy my eene
1) Keel. XXXV, ?1.
447
nieuwe liefdesbetuiging gevraagd en met hem kom ik ü antwoorden: Ja, Heer, Gij weet dat ik U bemin! 1) Gij weet dat ik verlang U nieuwe bewijzen mijner liefde te geven. Maar help mij, o goede Meester, versterk mijne goede voornemens, ondersteun mijne zwakheid, want ik ben zwakker dan het riet, door de lucht bewogen; de minste windvlaag is genoeg om mij omver te werpen en uit mijn hart die goede voornemens te rukken, die uwe genade daarin deed ontkiemen.
Zonder uwe hulp, ik erken het ootmoedig, zou ik misdadiger zijn dan die vrouw van Samarie, wier oogen en wier hart aan de aarde gehecht, de waarheid uwer woorden niet konden doordringen.
Maar Gij, mijn Jezus, toien het toekomt de bronnen der genade te openen om die der bedorven natuur te doen nitdroogen, 2) Gij, die voor de Samaritaansche vrouw die goedheid en liefde getoond hebt, die de harten bekoort en trekt, o hoe lang hebt Gij mij aldus behandeld? Haar wachtet Gij aan den rand van den put, maar verwacht Gij mij niet dagelijks op uwe altaren? Haar hebt Gij gelescht met een water dat ten eeuwigen leven doet verrijzen, maar /geeft Gij mij ook niet te drinken aan de zuiverste, de heiligste bronnen?
Met de Samaritaansche vrouw zeg ik dan tot U: Heer, geef mij altijd van dat water! 3) Stort op mij dat licht, die genade, die haar van eene zondares tot eene boeteling, tot eene heilige hervormd hebben. Laat my die goddelijke onderwijzingen hooren, die Gij tot haar richttet, toon ü aan mij gelijk Gij U aan haar vertoondet, want ik wil ook uwe inspraken volgen en uwe glorie bevorderen.
1) Joan. XV, 17. 2) Ps. XXII, 1amp;. 3) Joan. IV, 15.
448
O Heer, moge de vrees met de liefde vereenigd, steeds over mijne kwade natuur zegevieren! Gij, die alle harten doorgrondt, gedenk mijner, verdedig mij tegen mij zelve. Gij, die mij uit goedheid uit den afgrond hebt getrokken, gedoog niet dat ik er mij nogmaals instorte; Gij, o Zaligmaker mijner ziel, die voor mij gestorven zyt om mij genade te verwerven, geef dat ik sterve, veeleer dan ze te verliezen.
V. Vertrouwen en bcrusling in Gods wderlijken wil.
Hetzij wij leven , hetzij wij sterven, het is voor den Heer. H. Augnslinns,
Mijne ziel heeft in den Heer gehoopt, zij zal niet beschaamd worden. 1) Dit woord van den profeet, o God, herhaal ik met vreugde, omdat het U het vertrouwen getuigt, dat ik stel in uwe vadelijke goedheid ; omdat het U getuigt dat ik alles goedkeur wat uitgaat van uwe Voorzienigheid, dat ik met liefde de wet omhels, die mg afhankelijk stelt van uwen wil, want aan U, o Heer, behoort de rechtvaardigheid en alle goed komt mij van U. 2)
Daarom geef ik mij geheel aan U over, o Vader zoo vol teederheid. Als ik mij toevertrouw aan uwe barmhartigheid, is mijne zaligheid verzekerd; want ik weet dat Gij alles kunt, dat Gij niet anders wenscht dan ons eeuwig gelukkig te maken, ons die door het goddelijk bloed van uwen Zoon zijn vrijgekocht.
Aan uwe voeten nedergeworpen, o heilige Majesteit van mgnen God, ootmoedig voor U in het stof gebogen, belijd ik mijne diepe ellende en herhaal U
1) Ps. XXX, 1. 2) Liturgie.
449
dit woord van Jezus: Vader, in uwe handen beveel ik mijnen geest. 1) Ik kom U smeeken mijne ziel te ondersteunen en te beschermen, zoolang zij nog in dit treurig ballingsoord zal verwylen te midden van zoovele gevaren en zoovele vijanden, O zorg voor mijne ziel, o God, bestier al hare bewegingen tot uwe grootste glorie.
Ja Heer, ik stel mij geheel in uwe handen; bewerk dat slijk van alle kanten, geef het een vorm, breek het daarna in stuk. Het behoort U, het zij mij genoeg dat ik U toebehoor, tot uwe plannen dien, en mij in niets tegen uw verlangen verzette. Vraag, beveel, gebied, verbied; Wat wilt Gij dat ik doe ? IVat wilt Gij dat ik niet doe ? Verheven, vernederd, getroost, bedroefd, lijdend, werkend, tot alles onbekwaam, altijd zal ik ü aanbidden, altijd zal ik mijn eigen wil aan den uwen slachtofferen; altijd zal ik met Maria zeggen: Mij geschiede naar uw woord ! 2)
En Gij, o Vorst des vredes, Engel van den grooten raad, 3) o Jezus, sta altijd aan mijne rechterhand als mijn hoofd en mijn beschermer, opdat ik niet wankele. Wat zou ik zijn zonder U, zonder uwen steun, zonder uw licht, zonder uwe genade. Wat zou er van mij worden, als ik niet wist dat Gij nooit verre van ons zijt, dat Gij nooit uwe oogen van ons afkeert. 4) Maar vol vertrouwen in het woord dat alles medewerkt tot het welzijn van hen, die God beminnen, 5) zal ik gerust voortleven in de overtuiging, dat uwe raadsbesluiten vol liefde voor mij zijn en dat Gij nooit degenen verlaat, die op U hun betrouwen stellen.
1) Lmcm: XXII, 46. 2) Fenelon. 3) Isaiaj IV, 6. 4) Act. XVI, 27 . 5) Rom. VII, 28.
29
450
Ik wil dau lijden, o God, zoo Gij dit wilt, o W(
goede Meester; ik wil sterven aan mij zelve, zoo ht
Gij het eischt, maar ik bid TJ bekleed mij met uwe uv
kracht oqdat ik sterve om te leven, en ik bij mijn O
jongs ten snik aan God uw beeld in mijn hart geprent wl moge toonen en nogmaals deze schoons woorden
herhalen: Vader, in uwe handen beveel ik mijtten geest. ar
mi mi
VI. De ziel belreurl hare ondankbaarheid en wil bare (oulen ^ door eene ïolkomcn orergemg uilwisschen.
Heer, treed niet in gerecht met uw dienaar, zie
vraag hem geene rekenschap van de wel- hel
daden uwer versmaadde liefde. »yi€ Ps. XCIl, 2.
oult;
Hoe lang, o Heer, zult Gij mij nog mijne ondank- vei
baarheid verwijten? Hoe lang zult Gij mij uwe wil
goedheid, uwe barmhartigheid, uwe uitstekendste wa
gaven zien vergeten? Hoe lang zal ik uwe liefde al
verloochenen en mij laten beheerschen door gedachten ]
Tan twijfelmoedigheid en vrees, die uw Hart belee- vol
digen en bedroeven ? Ik hoor de stem uwer weldaden zali
die mij beschuldigt U miskend, mijn hart voor uwe dat
zoete ingevingen, mijn oor voor uwe liefdevolle U,
woorden gesloten te hebben. bar
Ach, hoeveel reden heb ik my te verootmoedigen (
■wanneer ik zoo zwak ben in het uur der beproeving. Gij
zoo onbestendig in mijne voornemens, zoo terug- mei
houdend in mijne liefde! Verdient Gij dan niets hop
beters van een schepsel dat Gij buitenmate bemind dit
hebt, dat Gij met de grootste weldaden hebt overladen ? niei Hoe zeer moet ik betreuren zoo lang uwe barm-
hartigheid misbruikt en vergeten te hebben, tot 5) j
451
welken prijs Gij mijne ziel hebt vrijgekocht. 1) Gij hebt gezegevierd, o mijn God, en ik werp ray aan uwe voeten om uwe barmhartigheid in te roepen! O ja, voor goed wil ik wederkeeren tot mijn God, want Hij is vol goedheid om te vergeven. 2)
Ontvang mij dan weder, o mijn Vader, strek de armen tot mij uit gelijk tot den verloren zoon; open mij uw Hart, opdat ik daarin steeds uwe liefde eu uwe vreugde leze, wanneer ik onderworpen en ver-trouwvol tot ü kom. Troost mij gelijk eene moeder haar kind troost en ik zal den vrede in U loedervinden. 3) Heer, wees altijd de onzichtbare geneesheer mijner ziel. Gij hebt haar uit tallooze gevaren gered, Gij hebt haar uit de strikken van Satan verlost, Gij zijt meermalen haar Verlosser geweest en zij behoort U onder vele titels. Uw recht op mij vermeerdert mijn vertrouwen in uwe barmhartigheid, daarom, o Jezus, wil ik, gelijk de rechtvaardige mij niet bedroeven, wat mij ook moge overkomen, want ik geloof dat Gij al mijne wegen beschouiot en al mijne schreden telt. 4) Ik geloof dat Gij het goed en het kwaad uitdeelt volgens Gij het nuttig en goed oordeelt voor de zaligheid uwer kinderen. Ik geloof nog, mijn Jezus, dat hoe grooter de maat is van mijn vertrouwen in U, des te grooter ook die uwer weldaden en uwer barmhartigheid wezen zal.
O ik zal trachten die gunsten te verdienen, die Gij voorbehoudt aan degenen, die op U vertrouwen met kinderlijke onderwerping, die vast en onwrikbaar hopen op uwe beloften, dan zal ik reeds hier in dit leven die voilé en volmaakte vreugde vinden, die niemand mij zal kunnen ontnemen. 5)
1) U-\'or. V,20. 2) Isaiie V, 7. 3) haite X V, 13 4) Job. XXX, 4. 5) Joa. XV. 21. 22.
452
VII. De ziel vcrdicpl zich in baar niel voor de Majesleil van God.
Er is geen God aan U gelijk; Gij zijl groot en nw naam is groot in dengd en in macht. Jerem. X, 6.
Ik zal spreken tot mijn Heer en mijn God, die slechts stof en asch hen. 1) Uit den afgrond myner ellende, uit het diepste van mijn niet, herhaal ik deze woorden van den patriarch Abraham; want ook ik gevoel de behoefte mij tot U te verheffen , mijne stem tot ü te doen doordringen, tot ü mijne zuchten en smeekingen te richten; want ook ik erken U voor mijn Meester en opperste Heer en heb geene andere begeerte dan uw aanbiddelijken wil te volbrengen en luide te verkondigen, dat uwe oordeelen groot en uwe woorden onuitsprekelijk zijn. 2)
Heilige, almachtige, onsterfelijke God, versmaad toch dat broze, zwakke schepsel niet door uwe hand gevormd, naar uwe gelijkenis gemaakt. O leen een aandachtig oor naar den lof, dien zjj tot uwen troon wil doen opstijgen, keer uw aanschijn niet van haar af bij het aanschouwen van hare nuttelooze pogingen, van de geringheid van haar wezen, van de boosaardigheid harer natuur, maar neem haar gunstig aan, terwijl zij, de ooc/en naar den heiligen berg opgeheven, van U al hare kracht en hare hulp verwacht. 3)
0 Heer, die den hoovaardige weerstaat en uwe genade aan de nederig en mededeelt, 4) werp op mij een oogslag van goedheid; laat uw zoo teeder Hart de zaak van uw kind bij uwe rechtvaardigheid bepleiten; laat de dauw uwer genade en uwer zegeningen over haar afstroomen; laat een straal vau uw
])Gen. XVII, 27. 2) Sap. XVI. 12. 3) Ps. CXX, 1. 2. 4) I Petri V, 5.
453
licht op hare ziel vallen, dan zal haar zoo beperkt verstand zich verheffen tot het beschouwen uwer heerlijkheid, tot het begrip der eeuwige verheven waarheden, die Gij haar voorstelt, dan zal haar oog, den sluier doorborende die haar omgeeft, wonderen ontdekken haar tot dusverre onbekend; dan zal haar hart zich uitzetten en zich in uwe onmetelijkheid verliezen.
Verschijn, o zon van rechtvaardigheid! Kom en werp uwe stralen op mijn treurig leven, kom door uwe goddelijke warmte mijne ijskoude ziel verwarmen. Kom en ontvlam mijn hart met een vuur dat alles verteert wat niet voor ü is! Kom, o levende liefde, wees voor mij de zegen, die volbrengt en voltooit, 1) dan zal mijne ziel door uwe gaven, o mijn hemelsche Weldoener, verrijkt, door uw fakkel, o hemelsch Licht, bestraald, door uwe genade, o wondervolle schoonheid, hervormd, van deugd tot deugd voortgaan 2) en met vertrouwen den rijkdom en de glorie afwachten, welke Gij voor uwe uitcerkoornen bestemt. 3)
Vin. Jia eenige weifeling onderwerpl de ziel zich aan hel welbehagen van God.
Hem, die overwonnen zal hebben, zal ik de vrncht Tan den boom des levens doen eten. Apoc. I, 7.
Heer, waarom toch heb ik de inzichten uwer barmhartigheid niet erkend, in het lijden dat mij drukte?
1) H. Gertrudis. 2) Ps. XXXII, 7. 3) Ephes. I. 18.
454
Waarom toch zag ik in die inwendige folteringen, die Gij mij overzondt, bet bewijs uwer liefde, uwer teederheid niet? Waarom toch nam ik zonder moedeloosheid en zonder klacht die zwakheid, dien weerstand mijner natuur niet aan? Ik zou verdiensten in uwe oogen verzameld hebben en nieuwe kracht geput hebben, om mij in de toekomst te overwinnen.
Maar neen, altijd wil ik met mijn kortzichtigen blik, met mijn zwak begrip de raadsbesluiten uwer oneindige wijsheid, uwer goddelijke rechtvaardigheid wikken en wegen, o mijn God! En ik weet toch dat Gij groot zijt in uwen raad, ondoorgrondelijk in uwe gedachten, 1) en dat Gij slechts het geluk wilt der schepselen, die bestemd zijn eens uwe glorie te deelen. Ik weet dat ik slechts eene schaduw en een heeld hen en intusschen houd ik niet op mij te kwellen en te verontrusten. 2) Ik zie duidelijk dat het raadzaam is mij aan uwe zorg te vertrouwen, dat als ik mij onttrek aan uwen wil, ik mij uwer liefde onwaardig maak, en nochtans wil ik niet alles uit uwe hand aannemen en mij onder uwe barmhartige raadsbesluiten nederbuigen.
Wat is billijker, wat is redelijker dan eene volkomen overeenstemming met uw welbehagen, o God? Gij volbrengt in ons een groot werk, en zoo Gij ons de rede verbergt waarom Gij deze of gene middelen gebruikt, moeten wij dan niet erkennen dat Gij wijs zijt en dus altijd de veiligste, de beste zult kiezen, . dat Gij goed zijt en ons alle onnoodig lijden zult sparen, dat Gij machtig zijt en ons op geene verkeerde wegen zult leiden ons niet onoverkomelijke moeielijkheden zult overlaten?
1) Ps. XXXV, 8, 10. 2) Ts. XXXVII, 6.
455
Dat uw heilige wil dan in mij geschiede! Moge ik hem bemitinen en in deszelfs vervulling troost vinden! Dat ik mijn wil vernietige om den uwen in mij te laten heerscheu, want aan U, mijn Godr behoort het recht van te willen, en aan mij dat van te gehoorzamen.
Erken dan, o mijne ziel in uwen God, niet een vreeselijk koning, die zijn recht van te hevelen en zich te doen gehoorzamen eigendunkelijk laat gelden, maar een goed rechtvaardig Vader, die ons beproeft, wijl Hij ons bemint, omdat Hij onze liefde wil toetsen, heldhaftige zielen, ja heiligen van ons wil maken. Veracht dan de vermaning des Heer en niet en bedroef U niet als Hij U kastijdt. 1)
O ik begrijp dit, mijn Jezus, en wil mij zonder morren nederbuigen bij lijden en beproeving om aldus uwe vaderhand te erkennen in al de kwellingen die mij overkomen. Gij hebt mij zoo dikwijls deel gegeven aan de vreugde uwer liefde, is het niet billijk dat ik ook deel hebbe aan uwe smarten? Kan het mij verwonderen dat Gij mij door het vuur der beproeving loutert? Moet ik mij niet veeleer verheugen in uw lijden te mogen dealen, om eens hij de openbaring uwer heerlijkheid met vreugde te worden o oer laden ? 2)
Ik neem ze dan aan die doornenkroon, die uw goddelijk hoofd omkransde; de kwellingen, die mijn hart folteren zullen hare plaats vervullen. Ik wil uwe verlatenheid, uw zielsangst deelen, want mijne ziel verkeert bijna onophoudelijk in een ander Gethse-mani; ik offer al mijn lijden aan U op, ten einde het, vereenigd met uwe smarten, barmhartigheid
I) Prov. II, 11. 2) I Petri IV. 12, 13.
456
verkrijge voor mijne vroegere fouten en erbarming voor de zielen der mij dierbaren. die ver van U zijn afgedwaald. Ja, ik wil mij voor U slachtofferen en ik zweer het U: nooit zullen de wateren der kwelling mijne liefde tot U uitdooven. 1) Geef mij, o goede Meester, de kracht en den moed in dit besluit te volharden. Neen, o mijn God, ik vraag U niets anders dan de genade ü nooit meer te vergrammen en uwen wil te mogen volbrengen; ik verlang slechts U te beminnen, U eeuwig te loven.
O eeuwig aanbiddelijke wil, heersch voor altijd over al mijne verlangens. O heilige liefde, gij hebt mijn hart gewond; maak de wonde, die Gij daarin gemaakt hebt, steeds dieper, en doe mijn hart van liefde branden.
IX. God oDlhecbl de ziel, die Hij geheel wil vervullen, van alle zakeo.
Ik ben een jaloersohe God. Deot. V., 9.
Hoe heerlijk zijn uwe wegen, o mijn God, voor de ziel die Gij tot eene innige vereeniging met U roept, en voor wie Gij alles wezen wilt! O hoe weet Gij haar tot U te trekken, aan U te kluisteren door de banden uwer liefde, dan zelfs, als haar nog zwakke wil U nauwelijks ter hulp roept! Hoe wel, o mijn God, weet Gij uwe middelen aan te wenden om mij af te trekken van alles wat mij toelachtte en mijne verlangens en gedachten nog te zeer bezig hield!
1) Caut. VII, 7.
457
ng Even als de magneet het ijzer, zoo trekt Gij de
ijn harten tot U, al waren zij harder dan staal! Voor en de ziel, die Gij voor de uwe kiest, is alles ijdelheid \',ng wat Gij niet zijt; de wereld is in hare oogen slechts ide leugen en dwaasheid, eer en grootheid is slechtste rook; genoegens en rijkdom vergankelijke goederen, ets die slechts wroeging en bitterheid voortbrengeu. Alles ten verdwijnt voor hare oogen; vrienden, bezittingen, hts genot, alles verzinkt voor haar oog; weldra kent zij de begoochelingen der aarde en de wreede teleur-ver stellingen des harten niet meer! En waar vindt dan ijn die zoo zwaar beproefde ziel hare rust, hare vreugde ikt haren troost, waar anders dan aan uwe voeten, o fde Heer, waar anders dan bij ü, die haar toevlucht en beschermer wilt zijn. 1) Ja, daar gaat zij bij elke nieuwe smart hare klachten en hare droef heid uitstorten ; daar vloeien hare tranen vrij, daar smeekt zij U ze te droogen, daar gaat zij kracht putten om nog meer te lijden. In uw vaderhart stort zij het hare uit en aan U, o aanbiddelijke Meester,, j gaat zij, beroofd van alle goed, van allen troost,
van alle hulp, datgene vragen wat de aarde haar oor niet meer geven kan.
U Dan zegt zij tot elk ander hart: gij zijt te klein
ioe tot elk licht waarin zij uwe schoonheid niet aanschouwt: ren Gij zijt slechts duisternis; tot elke zaak waarin uwe log glorie niet betrokken is: Gij zijt mij niet genoeg;, el, tot eiken lof die niet hemelsch is: Gy kunt mij niet ien verheffen, tot alles wat Gij niet zijt, o mijn God;, en Gij zijt niet wat ik zoek, Gij kunt mij niet voldoen, zig Zoo wil ik handelen. Heer, dewijl Gij mij doet
begrijpen dat Gij, door mij met beproevingen te
1) Ps. VU. 16.
458
overladen, alles voor mij wilt zijn en dat de wereld mij niets meer moet zijn. Daarom zal ik voortaan in U alleen mijne vrede en mijne rust zoeken. 1)
Heb dank voor uwe liefde en uwe barmhartiglieid, heb dank zelfs voor die zware beproevingen, die zulk een duidelijk bewijs uwer teederheid zijn; dank dat Gij de oogen op mijne ellende bebt geslagen en ze onophoudelijk op mijne arme ziel gevestigd houdt. Helaas, zoo lang was zij U ontrouw, maar nu wil zjj U alleen toebehooren, koste wat het wil.
Ja, mijne eenige liefde, mijn opperste goed, nu mag ik zeggen, dat ik alles heb verlaten en U heb gevolgd. 0 kon ik ook terzelfder tijd ü de harten openen vau al mijne broeders. Kon ik U door mijne edelmoedigheid troosten en op de arme zondaars het noodige licht aftrekken om hen te verlichten, de noodige genade em hen te treffen, en die groote barmhartigheid, die van zondaars heiligen maakt. O zegevier in alle zielen, gelijk in de mijne, zegevier op deze aarde, gelijk Gij zegeviert in den hemel.
X. God alleen le bezillen is genoeg voor de ziel die Hem begrijpt en bemint.
Door het geloof bezit gij Jezns in n, Jezns die u tot de overwinning geleidt!
Origenes.
Wie God heeft, heeft alles! Wie God bezit, bezit in Hem alle ander goed. Wie door God en in God leeft, zal eeuwig in Hem leven. Ziedaar, o mijn God, wat ik zeer duidelijk zie, wat ik vastelijk geloof,
1) Pa. JV, 9.
459
wat ik diep gevoel! Gij zijt alles voor mij en buiten U en zonder U is alles mij niets meer. Ja, buiten ü is alles onvolmaakt, begrensd en ijdel. Gy alleen, o Heer, oorsprong en einde van alle zaken, Gij alleen kunt het verlangen van ons hart naar datgene wat oneindig is, vervullen. Daarom heeft hij, die n vindt, de ware gelukzaligheid gevonden, en niets treedt in vergelijking met den schat der ziel, die U bezit. O hoe waar is het dat wij in Jezus- Christus alles bezitten, dat Jezus-Christus alles voor ons is. Zijn loij met wonden hedekt, Hij is de geneesheer; zijn wij van droefheid overstelpt, Hij is de vreugde; hehben wij honger, Hij is het hemelsch voedsel: vreezen wij den dood, Hij is het leven; willen wij den Hemel ingaan, Hij is de weg. 1)
O mijn hart, hoe smelt gij niet van liefde en dankbaarheid bij de gedachte aan die buitengewone weldaad n bewezen van den Koning van hemel en aarde, den beminnelijken God te kennen, die zich geheel aan ons gegeven heeft. O betreur dan niet langer de goederen die gy hebt verloren, de vreugden die gij niet gekend hebt, de genoegens die u ontnomen zijn; beween de liefdebanden niet meer, die de dood is komen verbreken, daar gij alles in God bezit, daar gij in God voor eeuwig vereenigd zijt met degenen, die in zijnen schoot rusten en met wie gij in den hemel eeuwig zult leven. Bemin dan dat eenige goed, dat in zich alle andere goederen besluit, tracht naar het eenige, naar het opperste goed.
Gelukkig degene, o mijn God, die U en alle zaken in ü bemint! Hij verliest niets van hetgene hem dierbaar is, want alles wat hij liefheeft bemint hij
A
1) H. Ambrosins.
Dinsdag
N. M. den 26 ten 2,f-9 n. m. Zonsopgang 5,01 ; ondergang 7,04.
AUGUSTUS^
H. BERNARDUS.
«Uw Hart, o goede Jezus, is een rijke schal. Het is doorboord met eene lans opdat de zichtbare wonde ons herinneren zou aan de onzichtbare wond, door de liefde geslagen.» Aldus deH. Bernar-dus, die 555 jaren vóór Margareta-Ma-na heeft geleefd. Aubry.
Bernardus, die\' schitterende zon, die man naar Gods Hart, heeft de hemehche wateren in hunne bron, de borst, van Jezus gedronken, om ze uit te storten over de heele aarde. Kardin. de Vitré.
460
in ü, o opperste goed, dat hij niet kan verliezen. O mijn God, Gij die mij zoozeer bemint dat Gij mij eene onbegrensde liefde tot U inboezemt, keer uwe oogen af van mijne ellende en mijne onmacht, om slechts uwe barmhartigheid en mijne liefde te beschouwen. Doorboor mijn hart met de brandende pijlen uwer heilige liefde, doordring geheel het wezen mijner ziel, verlicht mij door uwe goddelijke stralen, opdat ik, door U gewond en verlicht, in U mijne woning, mijne rustplaats, mijne vreugde, mijn genot, mijne hoop, mijn leven, myn licht, mijn voedsel en mijn geluk vinde. Amen.
XI. Id hel beoefenen der gehoorzaamheid ?indl men vrede en veiligheid.
Niets kan hem schaden, die naar de stem des Heeren luistert, niets is hem onmogelijk , die aan zijn woord gehooorz^amt.
Rupert.
Heer, icat wilt Gij dat ik doe1? 1) Wat antwoorddet Gij, o mijn God, op deze vraag van den Apostel Paulus? Wat vraagdet Gij van hem na hem door uw licht verblind, door uwe liefde ter aarde geworpen te hebben?
» Sta op, ga in de stad; daar zal iemand U zeggen wat gij moet doen.quot; Dit was uw antwoord, o Heer, en Saulus stond op; maar toen hij de oogen opende, kon hij niet zien. En zijne gezellen namen hem hij de hand en brachten hem in Damascus.... 2)
Aanbiddelijke Meester, laat mij den zin begrijpen van deze zalige onderwijzing; doe mij de heerlijke inzichten begrijpen der Voorzienigheid voor uwe uit-verkoornen.
1
Act. IX, 6. 2) Act. IX, 7, 8.
461
Panlus werd blind; was dit niet opdat hij vau zijne zwakheid en onmacht overtuigd, zich gewillig zou laten geleiden door degenen die Gij hij hem geplaatst hadt? Waar vindt hij èn genezing èn zaligheid, dan alleen in de volstrekte onderwerping aan hem, wien gij belast hadt hem te verlichten en te onderwijzen.
Ook ik Heer, lig ter neder geslagen aan uwe voeten gelijk Saulus aan de poorten van Damascus; ik aanbid uwe hand, die mij omverwerpt en in mijn val roep ik met uwen Apostel uit, sgt; Heer, wat wilt Gij dat ik doe?
0 hoe lief is mij dat woord! Het omvat alles. Het besluit in zich het volmaaktste gebed en de hoogste deugd. Met den meester maakt men geene voorwaarden; men stelt geene grenzen. Wat wilt Gij dat ik doet Ik zeg niet mijn God, ik zal groote gestrengheden oefenen, groote offers brengen, schitterende werken vobrengen. Niet ik moet besluiten wat ik doen moet, 1) maar ik zal luisteren naar dengene, die in uwen naam tot mij spreekt, mij uwe wet onderwijst, mij uwen wil doet kennen, want ik begrijp duidelijk dat dit alles is wat gij van uw kind vraagt, en dat er zonder dit offer, voor haar noch vrede, noch vooruitgang kan bestaan.
Ja, mijn God, Gij wilt dat ik mij blindelings overgeve in de handen van dengene, die mij tot U geleidt, dat ik zijn woord ontvange als het uwe, dat ik met kinderlijke onderwerping het pad bewandele, waarop hij mij geleidt, omdat het uwe dienaars zijn, o allerheiligste God, die ons de wegen der zaligheid verkondigen. 2) Ik zal U gehoorzamen, o God, omdat
1) Feoelon. 2) Act. XII, 17.
462
ik slecht eene begeerte heb; U te vinden en te bezitten. Ik zal dit doen, omdat ik weet dat Gij niet zult toelaten dat zij afdwalen, degenen die op uwe beloften vertrouwende, van uwe dienaars het licht verwachten en in de gehoorzaamheid hunne veiligheid zoeken.
Ik ben vast besloten mijn eigen oordeel, mijn eigen wil te verloochenen; geene uitzondering, geene terughouding, geen twijfel, geene vrees, geene kwelling, geene moedeloosheid meer. Ik vraag slechts God alleen; ik wil tot Jezus gaan, en men zal mij tot Hem geleiden, ik zoek den weg, Je waarheid en het leven, 1) en al die goederen zal ik in eene volmaakte gehoorzaamheid vinden.
Nog eens. Heer, zie mij hier vast besloten het groote offer te brengen en alles te vernietigen wat zich nog stelt tegen de volstrekte opperheerschappij van God in mijne ziel. Met zijne hulp zal ik mij voegen, mij onderwerpen aan alles, niet alleen aan Hem door de onderwerping aan zijnen heiligen wil, maar ook aan degenen die zijne plaats bekleeden en mij zijne plannen omtrent mijne ziel mededeelen. Ja, Heer, ik zal luisteren naar elk woord dat mij in uwen naam zal gezegd worden, zonder tegenspreken, zonder twijfelen, uw woord gedachtig: wie u hoort, hoort mij; wie u versmaadt, versmaadt mij, 2) alsook dit ander woord: de gehoorzame zal van overwinningen spreken. 3) En aldus zal ik die volkomen en volmaakte vreugde vinden die niemand mij zal kunnen ontnemen. 4)
I) Joan XIV, 6. 2) I.ucte X, 16. 3) Prov. XX, 28. 4) Joan. XVI, 24—28.
463
XII. In tegenspraak en terachling.
De leerling is niet beter dan de meester.
Lu ca) V, 40.
Het is goed voor mij, o Heer, dat Gij mij vernederd hebt, 1) en ondanks de smart, die ik gevoel bi) het zien mijner zwakheid en bij de herinnering aan mijne fouten, dank ik U dat Gij mij nog eens mijne ellende en de broosheid mijner goede voornemens hebt doen ondervinden. Ja, ik beschouw inijzelve gaarne als het onwaardigste van al uwe schepselen, en juist die armoede geeft mij grootere rechten op uwe barmhartigheid.
Alwederom, mijn God, heb ik de beproeving die uwe hand mg toereikte, niet weten te waardeeren; zij heeft mijne ziel met droefheid en kwelling vervuld, en ik ben opgestaan, niet tegen TJ, o Heer, maar tegen hen, die door uw toelaten de werktuigen werden van mijn lijden. In een oogwenk vergat ik hoe weinig achting men mij, onwaardige, ellendige zondares schuldig was; ik vergat alles, wat Gy, o mijn God en Zaligmaker, voor mij hebt geleden om mij te leeren de afkeuring en misachting der menschen te verdragen.
Helaas! men verscheurde mij het hart, maar had ik het oog niet moeten slaan op U, mijn Jezus, die uit liefde tot mij verlaten, verraden, verloochend werdt door diegenen, dieU moesten helpen en troosten? Waarom toch vergat ik dat lijden, die verachting, die schande, die onrechtvaardige beschuldigingen, die Gij zonder eene enkele klacht omhelsdet, om ons het voorbeeld te geven van zachtmoedigheid etv
l) Ps. cxvil, 71.
464-
nederigheid? Hebt Gij het aangezicht afgewend van hen, die U hoonden en bespuwden1? 1) Hebt Gij de schande en de vernedering van U gekeerd? Welk een verschillend gedrag! Het niet meent iets te zijn en de Almacht vernietigt zich.
Wat kan ik nog zeggen om genade in uwe oogen te vinden, o God, wat kan ik doen dan mijzelve beschuldigen en over mijne ellende zuchten. Dit zal ik doen, o Heer, omdat ik weet dat het ootmoedig berouw over de zonde een U aangenaam offer en een liefelijker geur dan de wierook voor U is. Dit is dat heerlijk reukwerk dat Gij mij toestaat op uwe voeten uit te storten, want Gij versmaadt het berouwvol en vermorseld harte niet, en was ik dan ook even zwak als Petrus, even laf als uwe leerlingen, toch hoop ik, even als zij op een blik van ontferming en een woord van vergeving.
Neen, dit zult Gij uw kind niet weigeren, o Heer, Gij zult nogmaals de betuiging barer liefde en trouw aanvaarden, want Gij die alle dingen kent, Gij weet dat zij oprecht gemeend zijn. Ja, voortaan wil ik het lijden, de beproeving even gewillig aannemen als de vreugde en den voorspoed, die Gij mij zult gelieven over te zenden. U wil ik beminnen, o mijn goede Meester, ik wil alles van uwe hand aannemen, want ik weet dat zij in mij volbrengt, wat ik zelf nooit den moed zou hebben te doen; ik weet dat wat mij onmogelijk schijnt, mij door de hulp uwer genade mogelijk kan worden. Ja Heer, brand, snij, kerf en spaar mij niet in dit leven, opdat Gij mij moogt sparen in het andere leven. 2) Slechts ééne begeerte wil ik vormen, indien deze
1
haiee 1,6. 2) H. Angnstinus.
465
uw goddelijke wil niet weerstreeft, dat ik moge verdwijnen in aller oogen, voor niets geteld, door U alleen gezien en gekend worde, door U, mijn God, mijn schat en mijn rijkdom in eeuwigheid.
XIII. Het meoschelijk opzicht.
Uw woord is de lamp, die mijne schreden richt en bet licht, dat de wegen bestraalt die ik moet bewandelen. Ps. CXVII, 105.
Voor hem, die zich voor de menschen over mij schaamt, zal ik mij ook schamen voor mijnen Vader, die in den Hemel is. 1) Met deze woorden, mijn God, brandmerkt Gij die laffe beschroomdheid, die een aantal Christenen wederhoudt uwen naam te belijden en openlijk uwe geboden na te leven. Met deze woorden veroordeelt Gij hen, die, door de wereld, door de vrees voor hare bespotting beheerscht, zich schamen de deugd te beoefenen en den moed niet hebben zich onder uwe vanen te scharen. Hoe rechtvaardig, o mijn God, is het vonnis dat Gij uitspreekt tegen die valsche Christenen, die U be-leedigen om aan eene verachtelijke wereld te behagen. Hoe! die ondankbaren verloochenen den God, die hen verlost en vrijgekocht heeft. Zij schamen zich U te dienen, groote God, U wien alleen in gebied, èn glorie, èn lof tin dank toekomt! 2) Zij schamen zich U te erkennen, ü het eeuwig Woord, hun Verlosser, hun Weldoener! Zij beroemen zich, helaas, onderworpen te zijn aan de eischen eener ijdele
1) Matth. X, 31. 2) Massillon.
30
466
^wereld en zij durven zich niet aan uwe wet onderwerpen ; zij zijn trotsch. op de eereteekenen der wereld en zij schamen zich de uwe te dragen; zij hebben woorden van lof voor valsche grondregelen, voor dwaalbegrippen en zij zwijgen tegenover degenen,
die U lasteren!
Is het niet als zegden zy U door hun gedrag: Vevvloek mij, Heer, ik stem cv in toe als de wereld mij slechts toejuicht! liever wil ik eeuwig het voorwerp zijn van uwen haat en uwe wraak, dan hier heneden te verzaken aan de achting en de ijdele goedkeuring der menschen. 1) _
O mijn God, geef toch dat ik niet behoore tot die halve christenen, die hun eeuwig geluk voor de ijdelheden der aarde ten offer brengen; die, met «we gaven overladen ze onder de korenmaat verbergen; 2) of met alle zorg derzelver bron verbergen. O neen, laat mij liever ten aanzien van hemel en aarde verkondigen dat ik alles aan U verschuldigd ben, dat ik U toebehoor, U bemin, U dien en nooit een anderen meester dan U wil dienen en beminnen. Geef mij den heiligen moed de oor-deelen te verachten van eene wereld, wier genoegens en verleiding ik reeds misacht. 3) Geef dat ik edelmoedig den weg van wijsheid en rechtvaardigheid moge bewandelen, ondanks den spot der goddeloozen, dat ik meer getroffen door hunne dwaasheid dan -door hunne minachting geene andere begeerte koestere dan hen te genezen van hunne verblindheid, en hun ] het licht mede te deelen dat Gij voor mijne oogen in doet stralen. Geef mij de genade van gaarne deu Ve «pot en de minachting der menschen te verduren in en ___gev
1) II. Jus. Chrys. 2) Lucte XI. 33. 3) Massillion. bei
467
vereeniging met U, o mijn Meester, wien zij niet gespaard zijn gebleven.
O ik wil de banden beminnen, die mij aan U hechten, al zouden zij mij een voorwerp van schande worden, en gaarne wil ik luide verkondigen dat uw juk niets drukkends heeft voor dengene, die het met liefde draagt. Ja, ik wil steeds zeggen dat ik het beste deel verkozen heb, dat Gij alleen als Opperheer heerscht in mijn hart, dat deazelfs hulde en liefde U alleen gewijd zijn. Ja, ik wil zeggen dat ik, om in en voor U te leven, verzaakt heb aan de schepselen, en alles wat Gij niet zijt onder den voet wil vertreden.
O mijn God, wijl ik U erken voor de menschen, zoo laat mij vertrouwen, dat Gij mij eenmaal voor uwen Vader zult erkennen, en wijl ik gereed ben om te lijden voor de glorie van uwen naam, zoo bid ik ü mij in uw huis de plaats te bereiden, die Gij bestemd hebt voor uwe getrouwe dienaren. Amen.
XIV. Berouwvolle bekcnlems der ziel, die Gods goedheid io twijfel beeft getrokken.
•
O mijne ziel, o uitverkoren stad, welke ón Heer met voorliefde bemind heeft, is het dan dit wat gij Hem voor zoovele liefde wedergeeft. Ps. X XX V, 1. Dent. XXX1,6.
Met het schaamrood op het gelaat en de droefheid in het hart, keer ik tot U weder, o mijn dierbare Verlosser, om aan uwe voeten mijne ondankbaarheid en mijne dwaasheid te beweenen. Hoe, ik heb niet gevreesd mij over mijne schijnbare verlatenheid te beklagen! In de overmaat mijner droefheid, omdat
468
,
ik vreesde in uwe oogen slechts een voorwerp van afschuw te zijn, heb ik in mijne ziel gevoelens van bitterheid en vertwijfeling laten dringen. Helaas, in dat Hart, waaruit ik gisteren slechts stroomen van troost putte, vind ik heden slechts bitterheid,! 1) Ik was als verpletterd onder de drukkende gedachte, dat ik uwe liefde, o goede Jezus, verloren had, en in de smart, welke die treurige gedachte mg inboezemde , zocht ik elders eenige genegenheid, die mijn hart kon boeien, eene vreugde, die het kon voldoen, die mijn leven kon vervullen en het vuur mijns harten kon bevredigen.
Maar niets, niets kon de plaats vervullen van dien liefdevollen en getrouwen vriend, dien ik ver van mij verwijderd waande; van Hem wiens naam het mij zoet is uit te spreken, van Hem, die mij kostbaarder is dan goud en edelgesteenten, dierbaarder dan alle rijkdorumen der aarde! 2)
En terwijl het verwijt op mijne lippen zweefde \' dat Gij onverschillig waart voor alles wat ik voor 1 U deed, voor alles wat ik ondernam voor uwe glorie, schreeft Gij zelf in gouden letteren in het boek des levens die goede werken aan, die Gij zelf mij hielpt verrichten, mij deze woorden toevoegende: Ik zelf zal uw overgroot loon zijn. 3) Gij boezemdet mij i meer vertrouwen in voor uwe liefde, door de verzekering dat Gij mij bemint gelijk eene moeder haren eenigen zoon. 4)
En weerspannig en ondankbaar als ik was, luisterde ik slechts naar mijne eigene gedachten en naar de inblazingen des duivels, ik volhardde in mijne vrees en bleef ongevoelig voor uwe toegevendheid en goed-
1) H. Anselmns. 2) H. Aogustinus. 3) Gen. XV, 1. 4) II ï.eg. 26.
1
469
heid! Hoe onbillijk, hoe schuldig was ik, o Jezus! Neen, ik heb de goedertierenheid niet verdiend, die Gij voor mij gehad hebt. Ik heb gezondigd, maar Gij hebt mij niet gestraft gelijk ik het verdiend heb. Maar daar Gij mij eene grenzeulooze barmhartigheid getoond hebt, zal mijne liefde voor U voortaan ook geene grenzen meer kennen. Ik zal U mijne dankbaarheid betoonen, o God, door eene groote vurigheid, een grooter vertrouwen en de grootste edelmoedigheid.
O Meester, Gij hebt mij datgene gegeven , waardoor ih uw schuldenaar hen geworden, geef mij nu datgene waardoor ik mijne schuld kan betalen. Ik ben niet waardig ü te beminnen, maar Gij zijt oneindig waardig door mij bemind te worden; zonder mate door mij bemind te worden, want de maat der liefde is de onmetelijkheid. 1)
O mijn God, o mgne liefde, bemin U zelve in mij! opdat Gij zoo zeer bemind wordet als Gij dit verdient. Ik wil slechts leven om voor U te verteren, gelijk de lamp voor uw altaar, en van mgn hart een voortdurend brandofier maken. Amen.
XV. üilboezeming der ziel.
Ik zal U loven, o Heer, nit geheel mijne ziel; ik zal nwe wonderen verhalen.
Pa. IX, 1.
Ja, ü behoor ik toe, mijn welbeminde Meester, en ik wil U altijd getrouw blijven. Mijne ziel, vroeger zoo zeer aan de schepselen gehecht, vindt geene vreugde meer dan in Ü en zij verheugt zich in de netten uwer liefde als gevangen te zijn.
1) H. Thomas van Villa Nova.
470
En wanneer zij soms in hare zwakheid zich wil verwijdereu van den Vriend, die haar heeft bekoord, als zij in hare ondankbaarheid de banden wil verbreken die haar aan Hem wil verbinden, dan is het nog die toegevende Vriend, dien zij ontmoet, die haar zijn Hart opent tot schuilplaats, tot toevluchtsoord, die haar zijne teederheid aanbiedt als de eenige troost die hare smarten kan lenigen; dan verschijnt Hij haar als de goede Herder, die over zijn dierbaar schaapje waakt, het zoekt, het onophoudelijk vervolgt om het te ontrukken aan alle gevaren, die het aan zijne liefde zouden ontroven.
O hoe zou ik zulk een Meester niet beminnen? Hoe goed, hoe beminnelijk, hoe teeder, hoe rnee-doogend is Hij! Hij is die hemelsche dauw, die ons vruchtbaar maakt. Hij is de eeuwige Bruidegom, die onze ziel vervult met den geur der hloemen, die Hij daarin plukt. 1) Hoe zoet, hoe licht maakt Hij die banden, die ons aan Hem verbinden, zelfs te midden van het bitterste lijden; want als Hij ons dien bitteren kelk toont, dien Hij uit liefde tot ons heeft willen drinken, wordt ons alles zacht en troostend, en de ziel, door vreugde en liefde verrukt bij het zien van haren Welbeminde, aanbidt en kust duizendwerf die liefdevolle hand, die\'haar met zoovele goedheid geleidt, haar ondersteunt, ja haar zelfs draagt om haar de vermoeienis van den weg te hesparen. 2) O hoe zoet is het juk van Jezus, hoe licht is zijn last! Hoe weet Hij dien te verzachten door de inwendige zalving zijner rechtvaardigheid en waarheid! Ik zal ze met vreugde dragen, omdat ik den aanbiddelijken Meester liefheb, die ze mij op de schouderen gelegd heeft.
1) H. Gerlrudis. 2) Matth. X, 30.
471
Ja, ik bemin Hem, wien de Hemelen bezitten en beschouwen! Ik bemin Hem, die oneindig is in zijne macht, oneindig in zijne werken, oneindig in zijne liefde! Ja, ik bemin Hem, wiens goedheid en barmhartigheid al de ellende van zijn schepsel bedekken! Ik bemin Hem die van alle eeuwigheid mijn hart gevraagd heeft! Niets viel dien goddelijken Zaligmaker te zwaar om mijn hart te veroveren: De vernedering, het lijden, den dood, alles heeft Hg omhelsd om mijn hart te bezitten; Hij offerde zgn leven om mij het hemelsch leven, dat ik verloren had te herkrijgen; voortaan zal ik dan ook alles veil hebben om Hem te doen kennen. Hem te doen beminnen en Hem in alles te behagen.
Aan Jezus behoor ik toe en ik wil mij meer en meer aan Hem geven. Ik heb Hem uit vrijen wil mijne vrijheid geoiïerd, maar ik heb eene andere vrijheid gevonden, aan de wereld onbekend, en kostbaarder dan al bare schatten. In zijn Hart rust ik en vind daar voedsel voor het mijne; naar zijn eeuwig verblijf richt ik het oog, daarheen wil ifc streven zonder ooit stil te staan. Mijne gedachten, mijne vermogens behooren vootaan Hem alleen, mjjne begeerten richten zich tot Hem, mijne werken hebben Hem tot doel en mijn hart, slechts voor den hemel geopend, zal slechts kloppen voor dien welbeminden Meester, zal gesloten blijven voor alles wat Hij niet is.
Ja, op deze aarde ken ik, wil ik geen anderen hemel kennen dan mijn God. Bern draag ik, Hem verheerlijk ik, Hij. leeft zegevierend in het schepsel van slijk en aarde en doet het in Hem leven. 1)
1) Fenelou.
472
Herzeg dan, o mijne ziel, dat woord van vreugde, van dank, van liefde, dat in uwe ziel weerklinkt: Alles voor Jezus, in Jezus, met Jezus! Leve Jezus, nu en in alle eeuwigheid! Amen.
XVI. God alleen kan \'s menschen hart vemllen.
Gij hebt mijne ziel in staat gesteld nwe oneindige Majesteit te bevatten, opdat Gij alleen haar zendt kunnen vervullen.
H. Augnstinns.
God alleen! Ziedaar de kreet welke aan mijne lippen ontsnapt, omdat deze alleen de getrouwe weerklank is van mijne gedachten en geheimste verlangens. Ja, mijn God, Gij moet alleen heerschen in mijne ziel, die buiten U slechts vrees, angst, wroeging en lijden vindt. Gij alleen moet hare gedachten, hare gevoelens bezielen, want Gij alleen zijt mijn hart waardig en Gij hebt gezegd: gij zult den Heer uwen God beminnen uit geheel uw hart, uit geheel uwe ziel en uit al uwe krachten, en Gij zult Hem alleen dienen.
Ik wil ü gehoorzamen, mijn aanbiddelijke Meester, maar geef mij een krachtigen wil om dit te doen, daar Gij mij slechts datgene vraagt wat de behoeften kan voldoen van mijne ziel, welke Gij voor U alleen hebt geschapen en die in U alleen rust vindt.
Uit ganscher harte geef ik mij aan U, o mijn God, en stel ik mij aan uwe voeten, U met den heiligen Paulus herhalende: Heer, U behoor ik toe, wat wilt Gij dat ik doe? 1)
1) Act. IX, 6.
473
Uit ganscher harte verwijder ik uit mijnen geest al de Terstrooiende gedachten, die hem komen bene-velen en als zoo vele donkere wolken my het aanschijn van mijnen God ontroven.
Uit ganseher harte verzaak ik aan de schepselen en aan al de voldoeningen der aarde om slechts U te zoeken en te beminnen, mijn Schepper en Zaligmaker en om in uwen dienst die zuivere vreugde te vinden, waar mijn hart naar haakt, het geluk waar het naar dorst, den vrede, dien het zoo vurig begeert.
Ik ben aan U, o Heer, ik wil altijd de uwe zijn. Voor ü leef ik, o mijn Jezus, voor U wil ik altijd leven. Aanvaard mijn eed van trouw en help mij dien vervullen. Ja, kom, o mijn goddelijke Meester, en leer mij dat zoet gebod van liefde vervullen dat Gij mij gegeven hebt. Kom en leer mij zelf op welke wijze ik uwen Vader moet dienen en beminnen. Kom en toon mij door uw voorbeeld, dat de onderwerping aan zijnen heiligen wil de schoonste hulde is, welke zijn schepsel Hem kan brengen, de meest geschiktste om zijn hart te raken en zijne genade te verdienen.
Ja, mijn God, die wil valt mij vaak zwaar en moeielijk, vooral wanneer hij mij allen inwendigen troost onttrekt en mij geleidt in de duisternis, zonder een enkele lichtstraal tot mij te doen doordringen, vooral dan wanneer hij mij, te midden der wreedste smarten, als verpletterd en vernietigd nederdrukt, terwijl alles in mij tegen dien wil opstaat; vooral dan wanneer hij mij het vermogen beneemt uwe oneindige volmaaktheid te kunnen loven en de weerspannigheid, de godslastering, de wanhoop toegang geeft in mijn hart.
474
Ja, hij valt mij zwaar, die wil, wanneer hij den vijand mijner ziel toestaat mij ie folteren, door iu mijnen geest gedachten te doen doordringen, die ik verfoei, in mijn hart gevoelens te storten, waarvoor ik afschuw heb: dan is al mijne kracht in de stilte mijner heschaamdheid en mijne vaste hoop op U. 1) Dan werp ik mij met U neder voor de goddelijke Majesteit van uwen Vader, gelijk Gij in den hof van Gethsemani en herhaal met U, o mijn Verlosser, deze smeekbede: Vader, dat die kelk voorhij ga, doch dat uw wil geschiede! 2) Welke beproevingen, welken strijd, welk lijden de toekomst mij nog moge bereiden, steeds zal ik onderworpen en gelaten blijven; mijne leus zal voortaan zijn: God alleen.
Deze leus der heiligen zal mij zeggen dat ik voor God geschapen zijnde, slechts voor hem moet leven; dat ik alles van Hem ontvangen heb en zonder Hem niets vermag. Zij zal mij nog zeggen dat het hart dat God, bemint, zich geheel naar zijne inzichten moet voegen en moet leven in eene volmaakte gelijkvormigheid met zijnen aanbiddelijken wil, omdat Hij alles beschikt tot het welzijn van zijne schepselen. Zij zal mg zeggen, dat, zoo ik het opperste geluk voor alle eeuwigheid wil bezitten, ik dit in dit leven moet verdienen. Gelukkig hij die wel begrepen heeft dat hij van God alleen alle hulp moet verwachten, die, in dit tranendal in zijn hart besloten heeft altijd op te klimmen en zich te verheffen tot de stad, waar men het aanschijn des lieeren aanschouwt. 3)
1 Pa. XXV, 3. 2) Lucbc XXI, 42. 3) Ps. XXXI], 5 et seq.
475
XVII. Del leven van Jezus leiden in bel Hart ïaa Maria.
Zij draagt en voedt de kinderen der men-schen in haar liefdevol Hart, gelijk zij io haren schoot bet Woord Gods heeft gedragen en gevoed, H. Anselmns,
Tot Jezus gaan, Jezus vinden, Jezus bezitten, aan mijzelve sterven om door Jezus te leven, ziedaar mijne eenige begeerte, mijne eenige hoop en bet eenig geluk dat ik nog verlang.
Help mij, bid ik u, mijne goede en teedere Moeder, om dien wenscli mijns harten te vervullen. Ja, doe mij mijn welbeminden Meester vinden, want Hij alleen kan mijne ziel bekoren en boeien; want Hij alleen kan deszelfs vurige begeerten voldoen en het in zijn geheelen omvang vervullen.
Ja, geef mij dien liefdevollen Zaligmaker, die mij met zooveel barmhartigheid heeft gezocht en behandeld. Even als Paulus heeft Hij mij ter aarde geworpen, toen ik Hem vluchtte en beleedigde, en even als aan Petrus heeft Hij mij vergeven, nadat ik Hem zoo menigmaal verloochend had. O geef, lieve Moeder, dat ik nooit die treffende goedheid vergete, waarmede Hij mij behandeld heeft; geef dat ik nooit de herinnering verlieze aan dien blik vol goddelijk mededoogen, dien Hij op my geworpen heeft op dien zaligen dag; aan dien blik, die mij vol schaamte en smart aan zijne voeten nederstortte. En zoo de herinnering aan het verleden voor mij eene dubbele oorzaak van smart en tranen is, 1) zoo geef, bid ik u, dat zij ooh de grondslag zij van mijne onwankelbare hoop! 2) Dat mijn hart ontvlamd door een liefdepijl uit het goddelijk Hart van Jezus, voort
ij Sap. X. 23. 2) Thren. II, 20. 21.
476
durend van liefde brands! Dat het smelte gelijk was 1) voor die zon van rechtvaardigheid of zich uitstorte in een stroom van tranen, welke steeds voortvloeit als getuige van zijn berouw, zijne dankbaarheid, zijne liefde!
Vereenig mij, o Maria, met Jezus, met dat dierbaar voorwerp mijner begeerten, in het heiligdom van uw Hart, waarin Hij heeft willen wonen; laat mij doordringen in die verborgen schuilplaats, die Hg door zijn goddelijk licht heelt bestraald, door zijne hemelsche rijkdommen heeft vervuld en waarin Hij de onuitsprekelijke geheimen zijner liefde heeft verborgen. Geef mij toegang tot dien tuin van wellusten, waarin de Welbeminde zich behaagt te midden der leliën, te midden der welriekendste bloemen. Daar zal ik Hem ontmoeten, dien mijne ziel bemint, daar zal ik in uwe schatten putten wat zijne goddelijke blikken kan behagen; want de vruchten die Gij voortbrengt, zijn veel kostbaarder dan goud en edelgesteenten , en wat van U komt overtreft het zilver in zuiverheid.
Sta mij dan toe, o liefdevolle Moeder, die ons niets kan weigeren, dat ik mij bekleede, mij versiere met uwe genade, omdat ik, ten einde den rijkdom te vermeerderen, dien Gij over uwe kinderen uitstort, tusschen uwe handen de weinige en zoo zwakke verdiensten geplaatst heb, die ik heb kunnen verkrijgen.
1) Ps. XV, 16.
477
XYIII. De ziel die oprecht beminl, hecht zich geheel aan haren Welbeminde en niet aan zijne gaven.
God verlangt dat gij leert lijden zonder troost en dat gij o zonder voorbehoud aan Hem onderwerpt. Nav. van Christus.
Waar zijn zij, o mijn God, die edelmoedige zielen, die zich zeiven willen vergeten om slechts U en U alleen in alles te zoeken? Waar zijn zij, die U slechts om U zeiven willen dienen en U getrouw big ven, hetzij Gij ze op de paden der duisternis of in het heldere licht uwer liefde geleidt? Waar zijn zij die geene andere begeerte voeden dan zich toe te wijden, zich te slachtofferen, zich te verteren voor U; zij eindelijk die grootmoedig genoeg zijn om geen onderscheid te maken in uwe gaven?
Het is, helaas! maar al te waar, Heer, dat Gij vele vrienden telt aan uw gastmaal, maar weinig die U getrouw blijven in het uur der beproeving, velen, die deel willen hebben aan uwe gunsten, maar weinig, die in uw lijden willen deelen. Waar is de liefde dier zielen die slechts zich zeiven zoeken in hare liefde tot U, en U onmiddelijk verlaten als Gij hare liefde op de proef stelt. Bemint de ware vriend dan niet ten allen tijde? Gedenkt hij niet altijd de beminnelijke hoedanigheden van Hem, dien hij liefheeft ? de weldaden, die hij van hem ontving en de plichten, welke deze weldaden hem opleggen? Hoe komt het dan dat wij die voorgeven Jezus te beminnen, hoe komt het dan dat wij zoo gemakkelijk vergeten, wat Hij ons gegeven heeft, wat Hij gedaan heeft om onze harten te winnen. Hoe zijn wij zoo ondankbaar, dat wij de edelmoedigheid van onzen goddelijken Verlosser miskennen,
478
die ens het eerst hemind heeft, 1) en die zoowel door het lijden als door de blijdschap slechts zoekt onze glorie te vermeerderen door de vermeerdering zijner genaden en onzer verdiensten.
Ach, zijn wij zoo onbillijk, zoo mistrouwend, zoodra Gij door eeue uitvinding uwer liefde U van ons schijnt te verwijderen, o mijn God, zoo komt dit slechts, omdat wij uwe gaven niet begrijpen; zijn wij zoo lafhartig zoodra Gij onzen levensweg met meer doornen bezaait, zoo komt dit omdat wij ons zeiven te zeer beminnen; omdat wij het aardsche te veel en het eeuwige te weinig beschouwen; omdat wij eindelijk niet gelijk uwe heiligen begrijpen, dat het zaliger is te gever) dan te ontvangen, 2) en dat de eerste eigenschap der liefde is meer te beminnen dan bemind te worden.
Ik behoor ook tot die laffe, trage, lauwhartige, ongeloovige zielen, die niet weten te geven, noch te ontvangen; die niet willen hegrijpen, dat Gij meester zijt over uwe gaven, 3) dat Gij die schikt naar onze behoeften, en dat hetzij die bitter of zoet mogen zijn ons onfeilbaar zullen veiheffen, als wij ze in het licht des geloofs beschouwen.
Open dan mijne oogen, o Heer, opdat ik beseffe wat ik van U heb ontvangen; verwijd mijn hart en maak het bekwaam alles te aanvaarden, zelfs de dikste duisternis, zelfs die vernietiging die mij van IJ schijnt te verwijderen. Eu zoo ik aan uwe voeten moet blijven zonder het geloof dat ons doet leven, zonder de hoop, die ons ondersteunt, zonder de liefde die ons troost en ontvlamt, zoo wil ik dit ook, o lieer, want ik weet dat Gij by degenen zijt die
1) Joan. IV, 10. 2) Act. XX, 35. 3) H. Tbomai.
479
lijden, ofschoon Gij verre van hen verwijderd schijnt; en dat Gij hen met weldaden overlaadt, ofschoon Gij hen alles schijnt te ontnemen.
Maar, o God van heiligheid, indien Gij mij ia alles onderworpen wilt zien aan uwe heilige raadsbesluiten, zoo weet ik ook dat Gij mijne tranen en mijne beden niet versmaadt, als ik ü die met een onderworpen en vertrouwvol hart aanbied. Ik weet dat Gij mij niet verbiedt ü met den koninklijken profeet toe te roepen: O mijn God, mijne ziel verlangt naar U, gedurende de duisternis die mij omringt. Neen, Gij verbiedt mij niet mijn hart voor U uit te storten, de smart uwer afwezigheid te gevoelen, en met David, te herhalen: Gij hebt uw aangezicht van mij afgekeerd en ik werd met angst nervuld. 1) Gij staat mij zelfs toe te verzuchten naar die gelukkige oogenblikken, vraarop alles mij zoet en aangenaam scheen, waarop ik geene grootere vreugde smaakte dan uwen lof te zingen. Maar Gij wilt dat ik altijd kalm ea tevreden blijve in uwe liefde, zelfs dan als Gij U verbergt; dat ik mij steeds herinnere, dat, wanneer Gij U aan mijne blikken onttrekt, dit slecht is om vuriger gezocht, nauwer omhelsd, getrouwer bewaard te worden, 2) opdat ik na orerwonnen te hebben, verdiene te eten van de vrucht van den boom des levens! 3) die Gij aan uwe uitverkoornen beloofd hebt!
Ach, mocht ik dit toch begrijpen en met dea dea profeet herhalen: Gij hebt mij gekend, o Heer, Gij hebt mij beproefd en mijn hart behoort U toe. 4) O kon ik door eene gedurige zelfsverloochening tea allea tijde herhalen: Ik sterf dagelijks. 5) Geef mij
I) I\'s. XXIX, 8. 2) H. Birnard\'is. 3) Apoc. I, 7. i) Jeiem. XI ,3. 5) 1 Cor. XV, 31.
480
die genade, daar uwe barmhartigheid mij heeft uitverkoren om hare grootheid te verkondigen, omdat Gij mij in uwe goedheid gebracht hebt in uwen schaapstal en mij de deur van uw Hart geopend hebt. Ach, dat myu zoo dikwijls gekruisigd hart zich voor eeuwig in dien goddelijken afgrond verlieze, waar onze tranen iu vreugdetranen veranderen, dat mijn hart slechts voor U en door U kloppe. Amen.
XIX. De ziel die Jezus liefheeft moei geheel aan zich zel?e venaken.
Mijn voedsel is den wil te volbrengen van Hem, die mij gezonden beeft, ten einde zijn werk te voltrekken. Joan. IV, 34.
Ik behoor aan Jezus, geheel aan Jezus, voor altijd aan Jezus! Die liefderijke Zaligmaker versmaadt de pogingen mijner liefde, noch die mijner zwakke dienstbetooning, en roept mij om plaats te nemen bij die zielen, die Hem als Martha moeten bedienen, als Maria móeten beminnen.
Ik ben uitverkoren! Jezus heeft tot mij gezegd: Volg mij. O geluk, dat alle vreugde der aarde overtreft! O onvermengde vreugde, die mijn hart verrukt, ik zegen U. O kon ik toch den wellust uitdrukken, dien Gij uitstort in mijne ziel! Wat is zoeter voor mij dan Jezus te beschouwen, Jezus de schoonheid zelve, — naar Jezus, de onvergelijkelijke zoetaardigheid en goedheid te luisteren, — bij dien welbeminden Meester te juichen of te weenen! O God, mijn leven, hoe zalig zou het mij zijn steeds van ü te spreken, altijd aan U te denhen en U voortdurend voor uwe weldaden te bedanken! 1) Uw
1) H. Augustinns.
481
hart te troosten, uwe tranen te drogen, uwe barmhartigheid te zegenen, uwe onuitsprelijke volmaaktheid te bezingen, ziedaar de zoetste bezigheid van hem die ü bemint en door U bemind wordt.
O indien het mij vergund ware altijd aan uwe voeten te leven in een stille beschouwing uwer goddelijke schoonheid, altijd naar uwe stem te luisteren , en drop voor drop in mijne ziel die kostbare myrrhe, aan uwe goddelijke lippen ontvloeid, te outvangen, dan had mijn hart niets meer te begeeren, dan zou het rusten en in vrede slapen. 1) Maar, helaas! Gij weet het, ik lijd te midden van al het gedruisch, dat mij aan uwe goddelijke tegenwoordigheid onttrekt en het is dan dat ik mij dit woord moet herinneren: Ik ben slechts op deze wereld geltomen, om den wil te doen van Hem, die mij gezonden heeft. 2)
Leert dat woord mij niet de volkomenste onderwerping, de volstrekste zelfverloochening, zelfs in de meest lofwaardige en heiligste zaken? En daar ik het geluk heb zoo dicht bij U te leven, uw gezegend beeld in mijne ziel te dragen, moet ik dan niet getrouw alle trekken teruggeven? Moet ik niet altijd herhalen: Ik kan alles in Jezus, die in mij woont en die zelf mijne kracht geworden is.
Ik ga dan trachten U na te volgen, mijn goede Meester, te leven gelijk Gij geleefd hebt, te denken zoo als Gij gedacht hebt, de baatzuchtige begeerten mijner natuur te onderdrukken, die mij aanzetten om mij zelve in mijne godsvrucht te zoeken. Naar uw voorbeeld zal ik mij alles voor allen trachten te maken, en de vermoeienissen en kruisen mijner
1) Ps. IV. 9. 2) Joan. V, 38.
31
482
maatschappelijke plichten met liefde aannemen en omhelzen.
Ja, wijl God mg in de wereld geplaatst heeft en daar mijne diensten vraagt, wil ik aan zijne inzichten beantwoorden; aan de zoetheid van een kalm en vreedzaam leven verzaken, en vooral wil ik mijnen invloed doen gelden om vele zielen voor Jezus-Christus te winnen, want Hij zelf heeft gezegd: Mijne uit- • verlcoornen zullen niet te vergeefs werken. 1)
En terwijl ik in de wereld, waarin ik verplicht ben te leven, die deugden van edelmoedigheid en zelfverloochening beoefen, mijzelve vergetende om slechts aan anderen te denken, zal ik eene andere Martha worden, die Jezus dient door het uitoefenen der liefde, tot den dag, waarop de goddelijke Meester tot mg zal zeggen Hem met en als Maria te dienen,
•wier zoete gemeenzaamheid met den Welbeminde haars ko harten ik steeds benijd en wensch na te volgen. va;
XX. In dc oefening der nederigheid gt;indl de ziel «rede en Terlrouwen.
Hij moet aangroeien, ik moet verminderen.
Joan. II, 30.
Ia het niet door het beschouwen mijner behoef- l tigheid en ellende, dat ik mijn vertrouwen in U put, o Heer. Is het niet omdat ik mijne zwakheid, mijne armoede gevoel, dat ik ü rijkdom en kracht S kom vragen?
Aan uwe voeten kan ik niet anders doen dan over mijne onvolmaaktheid zuchten, mijne onwaardigheid belgden, en het aanzien mijner ellende vertroost en
J) Isaite XV, 23.
483
verheugt mij, in plaats van mij te bedroeven eu te ontmoedigen: Daarom herhaal ik gaarne met deu H. Paulus: Als ik mij ziek en zwak gevoel, dun ben ik sterk! 1)
Ja, ik verheug mij dat ik gering en zwak ben, dat ik niets kan, dat ik aan het niet gelijk hen, omdat ik gevoel dat hoe dieper ik mij nederbuig, mij verneder, my vernietig, hoe meer ik U, mijn God, mijn Schepper, mijn Opperheer, verhef!
O hoe meer ik zie dat mijne kracht en mijn geluk in U berusten, hoe dieper ik mij verneder, hoe meer dankbaarheid ik voor ü gevoel, bij de gedachte dat die stof korrel, uit het niet door U is geschapen naar uw beeld en gelijkenis en dat Gij dien wilt verheffen ter tot U, o Koning van glorie en majesteit.
Tot U, o God, die tevens mijn beste Vader zijt, kom ik, geheel vervuld door die gedachte! O werp van uwen troon de oogen op uw kind, dat niels is uit zich zelve, doch alles door Hem, dien zij in haar hart draagt. Het is dus Jezus, dien ik U aanbied, Jezus, die zich voor mij heeft geleverd, die mei zijne oneindige verdiensten al mijne misdaden heeft bedekt, het is uw goddelijke Zoon, die Gij tot uw erfgenaam benoemd hebt, die voor mg zal spreken.
O God, Vader van Jezus, werp dan de oogen niet op mijne ellende, maar op het gelaat van uwen goddelijken Zoon! Hem smeek ik U in mij te beschouwen ; neem de offerande genadig aan, die ik U aanbied, gevormd door de bewonderenswaardige deugden, die Hij op aarde heeft beoefend, de overvloedige voldoening die Hij uwer beleedigde Majesteit
1) Cur. XI, 10.
I
I
484
frebracht heeft; neem tot aanvulling mijner zwakke liefde, mijner weinige verdiensten, de hulde zijner vurige liefde en aanbiddelijke volmaaktheid.
Zonder Jezus kan ik niets; gaarne wil ik dit zeggen en herzeggen! maar in en door Hem levende ben ik rijk door zijne verdiensten, ben ik sterk door zijne kracht! Ziedaar, mijn God, wat mijn troost en mijne vreugde uitmaakt; ziedaar wat mij aanzet U te smeekeu van uw aanschijn niet van mij af te keeren; Gij, o Heer, die den armen en geringen recht doet wedervaren, die ons door uwen goddelijken Zoon bet middel geschonken hebt U waardig te vereeren. Amen.
XXI. De ziel door God voorkomen, door zijne genade wrijkl, verkondigt zijne liefde en zijne talrijke weldaden.
Het offer van lof is dat waardoor men God waardig looft. Ps. IX, 24.
Wat zal ik den Heer wedergeven voor al de weldaden, waarmede Hij mij overladen heeft? Ziedaar de kreet die mijn hart herhaalt, o mijn God, zoo vaak ik de talrijke genaden overweeg, waarmede Gij U gewaardigd hebt mij te overladen, en den prijs der weldaden, waarmede Gij mij hebt gelieven te verrijken. Wie ben ik, o Heer, dat Gij de oogen op mij geworpen hebt? Wie ben ik dat Gij een zoo slecht werktuig hebt willen gebruiken om eenig goed in de zielen te bewerken, om U harten te winnen en mede te werken aan ondernemingen door U gezegend ?
Waardoor heb ik die onwaardeerbare genade verdiend van te mogeu arbeiden aan de glorie mijns
485
Meesters, van dien aaubiddelijken Zaligmaker, dien ik mij reeds gelukkig moest achten van nabij te kennen en te mogen beminnen en dienen V Niets gaf mg daartoe het recht, niets kon mij die verheven zending doen verlangen, slechts voorbehouden aan de nederige en zuivere zielen: maar in zijne goedheid heeft Hij tot mij gezegd: Ik zal een eeuwig verhond met U aangaan, ik zal niet ophouden U met mijne weldaden te overladen; ik zal mijne vrees drukken in uw hart, opdat gij u niet van mij verwijderdt. 1)
En toen hebt Gij mij, o Heer, met den wil tot handelen, den troost gegeven van wel te slagen; Gij gaaft mij, met de noodige kracht tot worstelen en lijden, de genade van mij voor uwen aanbidde-lijken wil te kunnen nederbuigen. Ik was slechts zwakheid en baatzucht; ik zocht slechts de ijdele, vaak schuldige voldoeningen; Gij hebt mijne banden verbroken, Gij hebt een zoeten geur verspreid, en nu ik ü gesmaakt hebt, zal ik steeds naar ü hongeren, naar U dorsten. 2) 0 ik dank ü, mijn God, voor die genadige hervorming. Geef dat ik nooit dwaas en ondankbaar genoeg zij uwe weldaden te miskennen, door mij de verdiensten toe te eigenen die ü, den Schepper, alleen toekomt, want alle genade, elke volmaakte gift komt van hoven en gaat uit van U, den Vader van het licht. 3)
Ja, o goede, o barmhartige God, Gij hebt alles geschapen; Gij wilt ook in, en door, en met mij werken. De vreugde vervult mijne ziel sedert zij zich gevoelt onder den krachtigen invloed van uw heilig Hart, sedert zij weet dat ook zij is uitverkoren om het te doen kennen en beminnen, sedert zij in
1) Jerera. XXXI, 40. 2) H. Angustious. 3) Jac. I, 17.
484
gebracht heeft; neem tot aanvulling mijner zwakke liefde, mijner weinige verdiensten, de hulde zijner vurige liefde en aanbiddelijke volmaaktheid.
Zonder Jezus kan ik niets; gaarne wil ik dit zeggen en herzeggen! maar in en door Hem levende ben ik rijk door zijne verdiensten, ben ik sterk door zijne kracht! Ziedaar, mijn God, wat mijn troost en mijne vreugde uitmaakt; ziedaar wat mij aanzet U te smeekeu van uw aanschijn niet van mij af te keeren; Gij, o Heer, die den armen en geringen recht doet wedervaren , die ons door uwen goddelijken Zoon het middel geschonken hebt U waardig te vereeren. Amen.
XXI. De ziel door God voorkomen, door zijne genade verrijkl, verkondigt zijne liefde en zijne talrijke weldaden.
Het offer van lof is dat waardoor men God waardig looft. Ps. IX, 24.
Wat zal ik den Heer wedergeven voor al de weldaden, waarmede Hij mij overladen heeft? Ziedaar de kreet die mijn hart herhaalt, o mijn God, zoo vaak ik de talrijke genaden overweeg, waarmede Gij U gewaardigd hebt mij te overladen, en den prijs der weldaden, waarmede Gij mij hebt gelieven te verrijken. Wie ben ik, o Heer, dat Gij de oogen op mij geworpen hebt? Wie ben ik dat Gij een zoo slecht werktuig hebt willen gebruiken om eenig goed in de zielen te bewerken, om ü harten te winnen en mede te werken aan ondernemingen door U gezegend?
Waardoor heb ik die onwaardeerbare genade verdiend van te mogen arbeiden aan de glorie mijns
485
Meesters, van dien aaitbiddelijken Zaligmaker, dien ik my reeds gelukkig moest achten van nabij te kennen en te mogen beminnen en dienen V Niets gaf mij daartoe het recht, niets kon mij die verheven zending doen verlangen, slechts voorbehouden aan de nederige en zuivere zielen: maar in zijne goedheid heeft Hij tot mij gezegd: Ik zal een eeuwig verhond met U aangaan, ik zal niet ophouden U met mijne weldaden te overladen; ik zal mijne vrees drukken in uw hart, opdat gij u niet van mij verwijderdt. 1)
En toen hebt Gij mij, o Heer, met den wil tot handelen, den troost gegeven van wel te slagen; Gij gaaft mij, met de noodige kracht tot worstelen en lijden, de genade van mij voor uwen aanbidde-lijken wil te kunnen nederbuigen. Ik was slechts zwakheid en baatzucht; ik zocht slechts de ijdele, vaak schuldige voldoeningen; Gij hebt mijne banden verbroken, Gij hebt een zoeten geur verspreid, en nu ik ü gesmaakt hebt, zal ik steeds naar ü hongeren, naar U dorsten. 2) 0 ik dank U, mijn God, voor die genadige hervorming. Geef dat ik nooit dwaas en ondankbaar genoeg zij uwe weldaden te miskennen, door mij de verdiensten toe te eigenen die ü, den Schepper, alleen toekomt, want alle genade, elke volmaakte gift komt van boven en gaat uit van U, den Vader van het licht. 3)
Ja, o goede, o barmhartige God, Gij hebt alles geschapen; Gij wilt ook in, en door, en met mij werken. De vreugde vervult mijne ziel sedert zij zich gevoelt onder den krachtigen invloed van uw heilig Hart, sedert zij weet dat ook zij is uitverkoren om het te doen kennen en beminnen, sedert zij in
*
1) Jerem. XXXI, 40. 2) H. Aiigustinus. 3) Jac. I, 17.
486
den ijver voor uwe glorie het middel heeft gevonden om al hare vroegere fouten te herstellen.
Hoe kan ik U genoegzaam danken voor die over-groote liefde, waarmede Gij mij omringd hebt sedert dien driewerf gelukkigen dag, waarop Gij mij tot U hebt teruggevoerd door een oprecht leedwezen? Nu, o Heer, ken ik den prijs van den schat dien ik bezit. Nu weet ik wat Gij geeft aan degenen die U liefhebben, en die de liefde edelmoedigheid genoeg mededeelt om Jezus te volgen op zijn kruisweg, Jezus te helpen in het dragen van zyn kruis. O dwaze wereld! als gij wist met welken vrede de Welbeminde datgene betaalt, wat de wereld geen offer meer durft te noemen!
Aan die zielen, die deelen in zijne smarten en met Hem willen lijden tu sterven voor de glorie zyns Vaders en de zaligheid der menschen, opent Jezus zijn Hart; en laat haar daaruit de schatten van zoetheid en liefde putten, die er in besloten zijn. Daarom herhalen zij onophoudelijk met de Bruid van het Hooglied: Mijn Welbeminde is aan mij en ik ben geheel aan Hem; ik heb Hem gevonden, dien mijne ziel bemint, ik heb Hem gevonden en zal Hem niet weder loslaten! 1) Dicht bij Hem, onder de schaduw zijner vleugelen, rust ik in vrede, en ik smaak bij Hem eeue vreugde, die verre alle andere \' overtreft, die ik ooit gesmaakt heb.
Eer en lof aan U, o Heer, die mij toestaat aldus tot U te spreken! Toen Gij U zoo krachtig aan mijne ziel openbaardet, hebt Gij mij die zoete weelde doen kennen. Dat dan ook van den morgen tot den avond alles in mij U love en prijze voor die
I) Hooglied I, 16.
487
overgroote weldaad. Dat mijne tong uwe weldaden verkondige, dat mijn hart overvloeie van dankbaarheid voor uwe groote barmhartigheid.
Ja, wees duizendmaal geprezen, o mijn God, die mij hebt uitverkoren, om uwe dienstmaagd, het bevoorrecht kind uws Harten, de erfgename uwer eeuwige beloften te zijn, die mij hebt doen begrijpen dat de kroon, welke Gij aan de onschuld beloofd hebt, ook aan het berouw niet geweigerd wordt. Amen.
XXII. Danklied eeoer ziel die God mei voorliefde bemiDd beeft.
Ik zal eeuwig de barmhartigheid des Heerea bezingen. Ps. XXXVII, 1.
God, die alle menschen tot hetzelfde einde geschapen heeft, heeft ook aan elk een verschillenden weg aangewezen om dat doel te bereiken; Hij heeft omtrent ieder zijne plannen, wier uitvoering samenwerkt tot het groote goddelijk plan, zoo heerlijk in zijn geheel. Daarom is geen schepsel volkomen gelijk aan een ander. Maar omdat allen in zich dezelfde goddelijke kiem hebben, omdat allen goddelijke hulpmiddelen in hun bereik hebben, kunnen en moeten allen medewerken tot de glorie van God, met welke hoedanigheden zij mogen begiftigd zijn, in welken stand de Voorzienigheid hen moge geplaatst hebben.
In wie. heeft God meer dan in mij, arm en gering schepsel, zijne barmhartigheid en liefde doen uitschijnen? Ja, Gij hebt mij uit een afgrond getrokken, om mij langs de gevaarlijkste wegen, door de grootste beproevingen, en het drukkendst lijden te geleiden, en toen ik vermorseld door zoo vele achtereenvolgende schokken, op den top van den berg was gekomen.
488
zag ik rond en zocht wat mij zou kunnen troosten en ondersteunen, en ik vond slechts Jezus, Jezus de goedheid, de oneindige liefde, Jezus die de armen tot mij uitstrekte en mij toeriep: »Kom tot mijquot;.
Ja, Gij waart het, aanbiddelijke Meester, die mij den weg van het ware, leven hebt doen kennen, 1) en mij hebt doen begrijpen, dat ik voor U geschapen ben, dat niets dan Gij ooit de begeerten mijner naar geluk hongerende ziel kan voldoen, noch de kalmte aan mijn zoo rusteloos leven kan terugschenken.
Ik heb uw woord gehoord, ik heb het geloofd, en al de liefde mijns harten heeft zich toen tot U gekeerd. Nu vooral van de schepselen verwijderd en van alles onthecht, gevoel ik de waarde van al hetgeen Gij voor mij gedaan hebt! O liefde van God voor zijn schepsel, wat zijt Gij geschikt om het geheel te overmeesteren! O dierbare eenzaamheid, die mij verre houdt van de schepselen en mij daardoor nader by Jezus brengt, ik bemin en zegen ü! Voortaan, o mijne ziel, zal er een scheidingsmuur bestaan tusschen u en de wereld, die gij veroordeelt, omdat Jezus ze veroordeeld heeft! Vraag niets meer aan die wereld, die gij veracht, want nooit heeft zy u iets gegeven dat gewaardeerd verdient te worden, en wacht alles van Hem die u in afzondering geleidt om zich geheel aan u te geven. Verheug u met Hem, want gij waart verdwaald op de paden des verderfs en Hij heeft u teruggevoerd! Hij heeft u op den weg geplaatst, waarop niemand verdwalen kan!
Wandel dan moedig voort, o mijne ziel, reeds hebt gij een tred gedaan, die u tot God voert. Maar terzelfder tijd krijgt gij nieuwe plichten om aan zijne
l) Ps. xv. 11
489
S liefde te beantwoorden, hebt gij nieuwe reden tot dankbaarheid voor deze nieuwe gunst. Op dien smallen weg, dien gij bewandelt, lijdt men wel is waar, maar men hoopt; men lijdt, maar men ziet den hemel geopend, men lijdt maar men wil lijden, men bemint God en wordt door Hem bemind. 1) Dat al wat in mij is den Heer dan love, o mijno ziel, zing steeds zijne barmhartigheid en herhaal met David: Heer, ik heb slechts de schoonheid van uw huis bemind, en ik heb gerust in de schaduw uwer vleugelen. 2)
XXm. Dc ziel door hevig lijden verscheurd, zoekl in God alleen haren Iroosl door eenc volkomen onthechting aan alle zaken.
Hem alleen zoek ik, Hij alleen kan mijne begeerten voldoen, H. Ambrosiiw.
Mijn God, wees alles voor mij, want buiten U, o opperste goed, vind ik slechts smart, onstandvastigheid en ondank! Neem mijn hart en vervul het geheel door U, en altijd door U, zoodat er niets meer indringe dan uwe liefde, en dat het vrij van alle aardsche genegenheid U alleen toebehoore en geene andere vreugde zoeke dan U toe te behooren.
Ja, mijn goede Meester, Gij kunt den vijand verdrijven en als veroveraar nederzitten in een hart dat Gij alleen wilt bezitten. Gij zult dat hart doen zien, dat niets uwe liefde evenaart en dat Gij alleen tevredenheid en waar geluk kunt mededeelen.
Zoo hebt Gij met mij gehandeld, o Heer, wees er eeuwig voor geprezen! Ja, de wreedste teleurstellingen hebben zich voor mij vermenigvuldigd,
1) Fénélon. 2) Ps. XXV, 8. X, 5.
490
duizend martelingen hebben mijn hart gefolterd; de aardsche genegenheid, waarop ik meende te mogen bouwen, is voor mijne oogen verdwenen gelijk een droom, die voorbijgaat en als eene schaduw verdwijnt. 1)
Welnu, dat zij breken die banden, die mij nog aan de aarde hechten, door de hoop nog eenigen troost daarin te vinden! Dat zij voor altijd verga die aardsche vriendschap, wier onbestendigheid mijne ziel bedroeft en haar met kommer en kwelling vervult! Dat zij verdwijnen die zorgen, die angsten of die ijdele hoop, die mij nog onder den invloed der aardsche zaken houden! Dat zij uit mijnen geest verdwijnen al die ongerustheden en angstvalligheden, die mij voor de toekomst doen beven! Dat zij uit mijn geheugen gewischt worden die herinneringen, die mijne ziel beletten de zoetheid uwer tegenwoordigheid te smaken! O mijn goede Meester, onthecht mijn hart, trek.het tot U, verhef al de genegenheden mijner ziel! Dat mijn hart zich geheel in het uwe werpe en zich verberge in die geheimzinnige wonde, waardoor ik dat Hart mocht binnentreden.
Wat zijn voor mij de aarde en alle aardsche zaken? Wat zijn hare goederen, hare grootheid, hare rijkdommen? Wat zijn mij de liefde, de toegenegenheid der schepselen? Ik wil, ik verlang, ik zoek slechts éene zaak, welke alle andere in zich bevat: mijn God vinden, mijn God zien. Hem bezitten. Hem beminnen en door Hem bemind worden.
O dat alles dan verdwijne als Gij alleen maar in mijn hart blijft leven, in mijn hart dat ü toebehoort, o mijn Jezus! Beheersch het geheel, doe al uwe rechten gelden, onderwerp het geheel aan U, dat
1) Job. XX, 8.
491
het van liefde smelte in het ruur uwer goddelijke liefde, dat het in uwe kracht de noodige sterkte putte om op zijne beurt onoverwinbaar te zijn.
Ja, trek mij tot U, opdat ik U overal volge, zelfs op het kruis, dat ik steeds tot U streve als tot het einde aller zaken, dat ik mij door hoop en liefde tot U richte; en daar Gij zoo goed zijt voor degenen die U zoeken en beminnen, zoo laat mij op uw goddelijk Hart alles leeren, alle andere zaken niet wetende, mij zelve vernietigende; dal ik daar door de liefde leve, gelijk Gij leeft in den schoot uws Vaders. 1) Zuchten, beminnen, sterven, om nog meer te kunnen beminnen, ziedaar alles wat ik voortaan begeer.
O mijne ziel, laat ü vinden, slachtofferen, verteren , dat is de grootste edelmoedigheid en het laatste woord der liefde. De liefde is eene vlam, zij vraagt eene prooi. Jezus is priester en vraagt een slachtoffer. Wees het slachtoffer van Jezus, de prooi der heilige liefde. 2)
XXIV. In lijdclijkeii voorspoed.
Onthecht uw hart aan de lierde der zichtbare zaken, om het geheel op de onzichtbare te richten. Navolging I!.
Gy hebt, o Heer, dat vreeselijk woord uitgesproken: Wee den rijken ! Wee hun, die hunnen troost in deze wereld ontvangen hebben! 3)
Is het nochtans uwe oneindige wijsheid zelve niet die mij in ruime mate de goederen der aarde toedeelt? Hebt Gij zelf, o mijn God, door mij te
1) Féue\'lon. 2) Mgr. Gay. 3) Luc® VI, 24.
492
omringen met al wat mijne zinnen kan streelen en mijn hart kan verheugen, de reis dezes levens, voor velen zoo vol arbeid en lijden, voor mij zoo zoet en aangenaam gemaakt?
Ja, Heer, aan U hen ik dien voorspoed verschuldigd, alsook die genoegens, die hoe vluchtig, hoe vergankelijk zij ook mogen wezen, hoe gevaarlijk - zij ook zijn, nochtans mijne dankbaarheid tot U opwekken; want ik weet dat, zoo de rijkdommen dezer aarde een steen des aanstoots en eene oorzaak tot verderf hunnen zijn., 1) zij ook eene oorzaak van verdiensten en eene bron van zegening kunnen zijn; ik weet ook dat de rijken, die Gij veroordeelt, diegenen zijn die leven in pracht en wellust, in zinne-lijkheid en eigenbaat, en uwe weldaden tegen U keeren door het noodlottig gebruik dat zij er van maken. Ja, die ryken, waarover Gij het »weequot; uitspreekt, zijn die welke de ij delheid, de nietigheid van al wat Gij niet zijt, of tot ü niet leidt, niet begrijpen en dit woord zoo vol onderrichting vergeten: Wat baat het den mensch de geheele aarde te winnen, als hij zijne ziel verliest. 2)
Heer, ik wil dat woord dat zoovele heiligen gevormd heeft, steeds voor oogen hebben. Maar kan ik dit zonder uwe hulp? Ach, de minste gave van genade overtreft duizendmaal al de schatten dezer aarde; laat mij dus, o God van uwe grootmoedigheid die weldaad, boven alles verkieselijk afsmeeken. Geef dat ik, mijne oogen afwendende van de aarde en haar ij del genot, steeds streve om nader tot U te komen, dat ik steeds verlange naar zuiverder vreugde, naar betere goederen, dan die welke ik reeds bezit.
1) Lucce I, 34. 2) Jlalth. XV. 26.
493
Gij hebt gezegd, o Heer, zalig de armen! Zalig de weenenden! 1) en toen de vreugde U werd aangeboden , hebt Gij het kruis verkozen; 2) uwe leerlingen hebben om ü te volgen alles verlaten, maar daar Gij mij niet geroepen hebt tot dat roemrijk lot van U te volgen op den weg van armoede en lijden, daar Gij mijner zwakke liefde eene dergelijke edelmoedigheid niet vraagt, geef mij ten minste die onthechting des harten, dien geest van armoede, waaraan alleen uw zegen beloofd is: Geef mij de genade tot uwe glorie dat fortuin heiliglijk te gebruiken , dat ik aan uwe mildheid verschuldigd ben en U door eene oprechte hulde van dankbaarheid, in werken van barmhartigheid te betalen wat ik in boetpieging en versterving te kort heb geschoten.
Dank aan U, o mijn God, voor het geluk dat Gij mij verleent gedurende mijn ballingschap op deze aarde. Dank voor die goederen, die mij den troost verschaffen de tranen mijner broeders te drogen, en hulp en troost te dragen in het verblijf der ellende.
Ten allen tijde wil ik U loven, o mijn God, voor de edelmoedigheid waarmede Gij mij behandelt, maar ten allen tijde wil ik ook bereid zijn ü alles wat ik van U ontvangen heb, terug te geven en U, met den H. Man Job, ten tijde der beproeving te zeggen: Gij hadt ze mij gegeven, Gij hebt ze mij ontnomen , dat uw heilige naam gezegend zij. Amen. 8)
1) Matth. V, 5. 2) Hebr. XI. 2. 8} Job. I, 21.
494
XXV. Liefdczuchl wn eeo dankbaar harl.
Dat de rechtvaardigen zich verhengen in de tegenwoordigheid van God. Pa. XVI, 3.
Hoe goed, hoe beminnelijk, hoe oneindig volmaakt zijt Gij, o mijn God! Al wat in mg is herzegt, herhaalt dit, en mijn hart wordt niet moede U mijn lied van dank en liefde te zingen! Door die zoete overtuiging vervuld, beschouwen mijne oogen zoo gaarne de wonderen door uwe macht gewrocht, luisteren mijne ooren zoo gaarne naar de schoonheid uwer woorden, naar de zoetheid uwer beloften; mijn mond spreekt zoo gaarne van uwe teederheid en uwe barmhartigheid; mijne ziel is vervuld met de gunsten waarmede Gy haar overlaadt, met de genaden, waarmede Gij haar uwe liefde betoont. Ja, door uwe liefde overwonnen, o mijn goddelijke Meester, zoek ik geen ander geluk dan U te behagen, aan U de schoonste der kinderen der menschen, wiens gelaat zoo zoet en bekoorlijk is, aan U dien mijn hart zoo vurig wenscht te beminnen. 1)
Dat alles in mij U dan love, mijn Jezus! Alles ia mij springt op van blijdschap en verheugt zich ia U, o levende God! Mijn hart, betuig uwe liefde door eene vurige of teedere taal, of gevoelt gij uwe onmacht om ze waardig uit te drukken, zoo zwijg en behoud ze in de stilte van uw hart! Wat maakt het uwen goddelijken Meester, daar alles voor Hem eene taal van liefde is, waarvan Hij de oprechtheid kent. Verontrust u niet over uwe onmacht! hegeer niets anders dan uw hemelschen Bruidegom te evenaren, Is zijne liefde onverzadelijk, dat de uwe het ook zij;
1) Gen. IX, 22.
495
hoe meer Hij geeft, hoe meer gij Hem moet geven / drink daarom met lange teugen aan de bron, wier levende wateren niet kunnen uitdrogen. 1)
Ach, Heer, Gij hebt mijne ziel gewond met den pijl uwer goddelijke liefde, maar vermeerder hare vurigheid, opdat zij alles verlate om zich aan U te hechten, door U te leven en ten allen tijde te zeggen: Mijn leven is Jezus-Christus! Maak haar moedig, grootmoedig, volhardend; dat zij in hare liefde tot ü eene standvastige, onwrikbaren wil vinde, die haar doe zegevieren over alle moeielijkheden en alle beproevingen.
Ja, mijn God, voortaan zal ik weten te handelen , omdat ik zal weten te beminnen. Mijne natuur zal wederstreven, mijne driften zullen opstaan, maar Gij zult daar zijn, o Jezus, om die vijanden te verdelgen en te vernietigen en in het uur van gevaar zal ik U steeds dien noodkreet doen hooren, waarop uw Hart zal antwoorden: » Vrees niet, mijne Dochter, ik verlaat degenen niet die in mij hun vertrouwen stellen. Wees edelmoedig: mijne liefde heeft u eene toonde toegebracht, waardoor het leven in u vloeit, vergeet niet dut het schoon, dat het roemrijk is door de pijlen mijner liefde gewond te worden 2) en zoo»\' ik door nieuwe offers die wonde wil vergrooten, vergeet dan U zelve, bevoorrechte ziel, bied u zelve aan als het doel mijner slagen; ik, ik uw God, ben het zelf, die u slaat.quot;
J) Bussntt. 2) II. AngustiDus.
496
XXVI. De ziel verheft haar geluk God lol haar deel gekozen le hebben.
Gij hebt mijne branden gebroken; ik zal U een offer van lof aanbieden.
Pa. CXV, 7.
Mijne ziel vloeit over van vreugde en uit mijn ontroerd hart verheffen zich jubelklanken van liefde en dankbaarheid.
Tot U zijn zij gericht, o mijn God en Jezus, mijn goddelijke Verlosser zal U zeggen met welk geluk ik als overstroomd word, nu ik weet dat ik waarlijk uw kind en de erfgename van uw koninkrijk ben. Dank, o mijn God, voor die genaden, die Gij zoo overvloedig over mijne ziel hebt gestort en die de prijs ziju van uw bloed, mijn goddelijke Zaligmaker! Gezegend zij voor immer uwe barmhartigheid, die een zoo onwaardig schepsel tot uwe dienstmaagd en uwe Bruid heeft willen kiezen!
Ja, alles zegt mij dat ik aan Jezus toebehoor, dat ik leef door Jezus, mijn Middelaar en de bron des levens; en door Jezus in God de oorsprong van alle leven, besta! Ja, alles toont mij dat het ware licht, dat van Jezus uitstraalt, in mijne ziel is gedrongen ; dat deszelfs stralen mijn verstand verlichten, mijn rede geleiden, mijn hart bestieren. Ja, alles toont mij dat Jezus zich barmhartiglijh uitstort als een stroom van genade om mij mede te voeren in zijne vaart en mij tot den schoot des hemelschen Vaders te geleiden. 1) Alles verzekert mij dat na deze dagen van ballingschap, in lijden en beproeving doorgebracht en door den dood voltrokken, dat nieuwe leven in al deszelfs schitterende schoonheid en glorie
1) H. Angustinus.
497
voor mij zal aanbreken, dat leven dat mij het bezit van mijnen God zal verzekeren.
O boe roemrijk is bet lot, dat my te beurt gevallen is! hoeveel dank ben ik mijnen goddelijken Meester verschuldigd! Hoe goed, hoe edelmoedig is Hij, mij zooveel zoetheid te doen smaken in zijne liefde, mij al de rijkdommen, al de schatten van genade, van schoonheid en vreugde te doen kennen, die in zijn goddelijk Hart besloten zijn.
Hoe zal ik tot U, o mijn God, de uitboezeming mijner ziel doen komen, geheel doordrongen als zij is door het vuur uwer goddelijke liefde? O zaliye geesten, looft den Heer met mij; ik kan Hem alleen niet verheerlijken, ik kan Hem alleen niet beminnen, 1) En Gij, mijn Jezus, spreek, o spreek altijd tot dat hart, dat eene taal zou willen spreken uwer waardig spreek tot dien geest, die al uwe grootheid en volmaaktheid zou willen begrijpen, spreek tot alles wat in mij leeft en werkt, opdat niets buiten U, o opperste Schoonheid, datgene wat uwe goedheid my geschonken heeft, bezitte noch vervulle.
Ja, trek meer en meer die ziel die ü bemint, tot U, voed haar door uwe liefde en spreek tot haar, hart aan hart, 0 liefde zonder begin, die mij bemind hebt sedert een oneindig aantal eeuwen, toen ik dit noch gevoelen noch waardeeren kon, o matelooze liefde,, die mij geeft wat ik heb en mij nog oneindig meer belooft, o bestendige liefde, die de wateren mijner ongerechtigheden niet hebben kunnen uitblusschen! Zou ik wel een hart hebben, o mijn God, als ik niet door teederheid en dankbaarheid voor U vervuld ware ? 1)
1) R. AugustiDDs.
32
ZESIDE BOEK.
Toorteelii ei ianteeiw tij le H Connie.
P
Eekste Voorbereiding.
Leen het oor en kom met mij en gij zult het levtn vinden en ik zal een eeuwig verbond met u sluiten. Isaiae IV, 3.
De Ziel. O ruijn beminde Meester, wat zijt Gij voor my? O Gij alleen kunt de behoeften voldoen van het hart, dat Gij tot U trekt en ■waarmeds Gij U wilt vereenigen! O kon het toch uwe liefde beter begrijpen, dan zou het geene andere begeerte meer hebben dan U te behagen, U te beminnen, — geene andere droefheid dan die U beleedigd te hebben, — geene andere vreugde dan U te ontvangen ea te bezitten. Maar, helaas! mijne ellende is zoo groot, dat mijne ijverigste pogingen mijne natuur niet kunnen overwinnen, en dat ik altijd naar de aarde gekromd blijf door ij dele en talrijke zorgen. Zijn in dit oogenblik zelfs dat ik U ga ontvangen, al mijne ■ gedachten, al myne verzuchtingen voor ü, o mijn God? Richten zich tot U al mijne begeerten? Ach neen, de wereld met hare begoochelingen, de aarde met hare teleurstellingen, de aardsche genegenheden met hare beproevingen, de goederen dezer aarde met derzelver ijdelen kommer; dit alles treedt voor mijnen geest en vindt er gemakkelijker ingang dan de heilige gedachten en teedere gevoelens, waarvan mijn hart zou behooren over te vloeien. _
499
O hoelang zal ik mijne ziel nog vervullen met zooveel verschillende plannen , hoelang zal zij in hwellinq voortleven1? 1) Ach, Heer, waarom zijt Gij voor mijne oogen niet die zon, die alle duistere schaduwen doet verdwijnen? Waarom zijt Gij voor mijn hart dat schitterend licht niet, dat alle duisternis verjaagt?
Heer, ontdoe mij van dat zwaar en drukkend kleed, 2) verhef mij boven de zwarigheden en beproevingen dezes levens, die mij steeds nederdrukken en bedroeven, verhef mij boven de wederwaardigheden en moeie-lijkheden des levens die mij steeds ontmoedigen, verdrijf die wolken, die mijnen geest benevelen en mij komen bedroeven: geef mij het leven weder volgens uwe belofte, en daar ik U roep, naar U verzucht, U verwacht, naar ü verlang, o mijn God, zoo doe mij ook een woord van vergeving, van vrede, van bemoediging hooren.
Jezus-Christus. Arme gekwelde ziel, verlies den moet niet, het is waar gij zijt slechts zwakheid en onstandvastigheid en nog hebt gij, door eene edelmoedige poging, de banden niet gebroken, die U van mij afscheiden; het is waar, gij zijt nog zwak en wankelt nog op den weg, waarop ik U geplaatst heb, doch kom ü versterken aan de bronnen des levens; kom en leg bij mij het gewicht neder vau uw lijden en moeielijkheden; kom en zucht aan mijne voeten over uwe ellende.
I
Gij betreurt uwe onmacht. Gij bedroeft u mij niets te kunnen aanbieden, maar stel u gerust, het is zoo moeielijk niet mij tevreden te stellen; aan hen die van goeden wille zijn vraag ik slechts vertrouwen en liefde. Ik bemin om bemind te worden en vraag
k
1
Ps. XI, 1, 2. 2) H. Bonaveatara.
500
van hen slechts eene akte van overgeving en een vurig gebed. Vrees noch uwe zwakheid, noch de kracht uwer vijanden, steun op uwen Rruidegom; Hij draagt de wereld door de kracht van zijn woord, Hij versterkt de zwakken en maakt de sterken on-overwinbaar.
Verwijd, vergroot dan uw hart, mijne Dochter, opdat ik als overwinnaar zegevierend daarin trede, er als veroveraar moge nederzitten, en ü geheel met de vlammen mijner liefde moge omringen!
De Ziel. O ben ik waardig te leven, als ik voor U niet leef, o mijn God? Hoe, de oneindige liefde bemint mij en ik zou grenzen durven stellen aan mijne liefde? Neen, ik zal zoo ondankbaar niet wezen. Kom, Heere Jezus, in dat hart dat Gij U gewaardigt te vragen en te beminnen; kom en verteer het door uwe goddelijke vlammen; onderwerp het geheel aan U. O eeuwige liefde, o oneindige edelmoedigheid, ik aanbid ü; o Jezus, oorsprong van mijn leven, bron mijner zaligheid, naar U verlang ik. Hecht mg aan U door den band eener onverbreekbare liefde.
Tweede Vooebeeeiding,
Hij die des morgens opstaat om mij te zoeken zal mij vinden, gezeten aan de dear zyner woning. Sap. VI, 16.
Jezus-Christus. Hier ben ik! Gij hebt mij geroepen ; ik kom uwe beproevingen deelen en u mijne eeuwige beloften herinneren. Ik kom u voeden met het brood en den wijn, die ik in de overmaat mijner liefde voor u bereid heb.
501
De Ziel. O Heer, hoe zoet is het my naar U te luisteren. Hoe geruststellend zijn mij uwe woorden! Hoe troost Gij mijn hart door de teedere verzekering die Gij het geeft!
Heer, is het mogelijk dat Gij U gewaardigt aan mg te denken, medelijden te gevoelen bij het zien mijner ellende, en ten mijnen gunste dat verhond van vrede te hernieuwen, dat Gij met uw volk gesloten heht? 1) Ach, Heer, treed binnen in deze droeve woning, waarmede Gij U wilt tevreden stellen; kom de ziel bezoeken uwer arme dienstmaagd, dan zal hare vrees, hare onrust geheel verdwijnen, dan zal de duisternis in licht, de zwakheid in sterkte en de ellende in kracht veranderen.
En Gij, mijne ziel, zie: de Meester is daar, Hij verwacht u, Hij roept u om even als voor Magdalena uwe tranen in vreugde te veranderen.
Jezus-Christus, Ja, ik ben het, mijne Dochter, ik ben het, uw broeder, uw vriend, die u komt troosten, die de tranen komt drogen, die Hij zelf doet vloeien. Is het niet billijk dat Hij, die uw leven met zooveel bitterheid vervult, dit kome verzoeten ; dat Hij, die u zulk een zwaar kruis op de schouderen heeft gelegd, u helpe dit te dragen ? Verzamel dan uwe krachten, mijn kind, en kom nederzitten aan dezen liefdedisch om u te versterken. Vergeet uwe rampen om slechts aan mijne liefde te denken, vergeet uwe armoede, want nu gaat gij met goederen en rijkdommen vervuld worden. Kom, want ik wil uwen dorst lesschen door eenen drank die uit mijn Hart vloeit, welks goddelijke kracht alle leed bedaart, alle wonden geneest, alle aardsche
1) Deut. VII, 18.
502
zaken uit het geheugen wischt om slechts aan God te doen denken.
De Ziel. Weihoe, Heer, omdat ik tot U geroepen heb in het uur der kwelling, komt Gij mij met geluk overladen! 1) omdat ik in mijn verlangen om U te behagen ü mijn verbrijzeld hart aanbood, overlaadt Gij mij met troost! Wie ben ik dat Gij mij met zooveel liefde voorkomt, en hoe zal ik U ooit genoegzaam voor uwe gunsten danken?
Jezus-Christus. O ziel, die ik bemin, de eenige hulde van dankbaarheid die ik van u vraag, is een hart geheel onthecht van de aarde, een hart dat zucht naar die goederen, die ik ü aanbied, een hart dat getrouw, onderworpen, edelmoedig is dan zelfs als het mij behaagt het in mijne hand te verbrijzelen door de smart!
Houd moed, mijne Dochter, geloof aan mijne liefde en bemin mij weder; de liefde gelooft, hoopt, aanbidt, wijdt zich toe, offert zich op; doe dat en gij zult leven. 2) Gedenk dat mijn gekruisigd vleesch, dat ik gegeven heb voor de zaligheid der wereld, 3) diegenen verheerlijkt, die er zich mede voeden; gedenk dat mijn bloed een purper is, dat de ziel mijner uitverkoorne verft en ze verheft tot koningin, tot de grootste koningin der aarde, omdat het haar een eeuwig koninkrijk verzekert. 4)
1) Ps. XXXV, 3, 4. 2) Luceo X, 28. 3) Joan. V, 52. 4) H. Ambr.
503
Derde Voorbereiding.
Heer, vertrek van mij, want ik ben een zondig menscb. Lncse V, 8,
De Ziel. O mijn Jezus, kom mijne ziel geruststellen en troosten, want zie, doordrongen van het gevoel harer nietigheid en schaamrood over hare ellende, ligt zij hier aan uwe voeten! Heer, ik durf U nauwelijks vragen mij aan uw liefdedisch te doen aanzitten en met den hoofdman van het Evangelie zeg ik U: Heer, ik ben niet waardig dat Gij hij mij binnentreedt! Maar, o teedere en meedoogende Meester, die een gastmaal voor den arme bereid hebt, 1) verwerp mij niet, want mijn hart dorst naar uwe liefde.
Jezus-Christus. Kom tot mij, mijne Dochter, gij die ik in mijn hart draag. 2) Kom onbeschroomd uw voedsel putten in de bronnen des levens; kom aan dit hemelsch manna de krachten vragen die gij noodig hebt, om uwe moeielijkheden te verdragen, den strijd, dien gij voeren moet, vol te houden. Kom U aan God aanbieden met eene groote begeerte Hem in alles te voldoen, en den goeden wil alles te vervullen wat Hij u zal vragen. Kom, mijne Dochter, want het brood dat ik u geven zal, geeft kracht om den berg te beklimmen. 3) Dat uwe armoede u niet afschrikke, ik zal er in voorzien. Dat de gedachte aan al wat u ontbreekt, om aangenaam in mijne oogen te zijn u niet bedroeve; ik draag in mijn Hart een schat van barmhartigheid en toegevendheid en kunt gij mij geene zoo volmaakte nederigheid en zuiverheid aanbieden, als gij dit zoudt
1) Ps. XVI, 10. 2) Isaite X, 3. 3) III KoDingen XIX, 8.
504
wenschen om mij meer te behagen, bloeien de lelie en het viooltje nog niet zoo welig in het bloemperk uws harten, als gij dit zoudt wenschen, toch is er een tooisel dat ik daar weet te vinden, eene bloem die nk er zal plukken, het is de ijver, ie vriicht der liefde!
Ja, ik weet dat gij mij bemint, dat gij mij alleen wilt beminnen, dat gij in uwe offervaardigheid, uwe zelfopoffering voor geen offer terugdeinst om mij te doen kennen en beminnen; ik weet dat gij verlangt een met mij te zijn gelijk ik een hen met den Vader, 1) ten einde met en door mij aan zijne glorie te arbeiden. Ik weet dat gij u gaarne met mijne goddelijke Moeder de dienstmaagd des Heeren noemt, geen anderen wil hebbende dan den zijnen, geen ander leven dan het mijne. Derhalve herhaal ik u: vrees niet, mijne Dochter, en kom tot mij, ik ben het voedsel van degenen, die in Gods liefde willen aangroeien.
De Ziel. Mijne ziel smelt van liefde bij de stem van den Welbeminde! 2) Hoe zal ik aan zijne uit-noodiging wederstaan ? Hoe zou ik met vol vertrouwen tot Hem komen bij het zien van zooveel goedheid, hoe zou ik mij niet geheel op Hem verlaten? Ja, ik wil tot U komen, o Jezus, maar Gij, die de harde kribbe van Betlehem, de nederige woning van Nazareth niet versmaad hebt, o versmaad ook het ellendig verblijf niet, dat ik ü aanbied, en kom tot mij, ondanks mijne armoede, om voor altijd mijn rijkdom, mijn licht en mijn leven te zijn.
Ja, kom o God, o voorwerp mijner liefde, ontsteek Toor altijd in mij het vuur der goddelijke liefde, zet mijn hart uit, verwijd mijne ziel, opdat ik U zonder
1) Joan. XVI. 21. 2) Hooglied V. 6.
505
ophouden bemmne. Dat ik in U, o Jezus, mijne rust, mijne veiligheid vinde, opdat ik moge geraken tot dien vrede, die alle gevoel overtreft, 1) tot dien vrede, waarin ik U eeuwig in eene verrukking van liefde mag aanschouwen. Amen.
VlEUDB VOOKBEREIDING.
Dat hij die op zijne zwakheid vreest op den Heer hope, dat hij op ziju God steiine, en hij zal alles vermogen. Isaise X.
Welke goedheid, welke barmhartigheid, welke liefde, o mijn God, voor het onwaardigste uwer schepselen? Welken dank ben ik U niet schuldig voor de toegevendheid, waarmede Gij mij behandelt! Ik verdien de teederheid niet, die Gij mij bewijst; maar ben ik beschaamd bij het zien van al die nieuwe weldaden, zoo beef ik tevens bij de gedachte der verplichting, welke deze nieuwe schuld van dankbaarheid mij oplegt.
Hoe zal ik ooit die schuld kunnen betalen, o God, daar ik in mij niets bezit dat zelfs een uwer blikken verdient, daar ik niet de minste deugd bezit, daar ik my zoo zwak gevoel om aan mijne volmaaktheid te werken, zoo onbekwaam om het goede te verrichten, dat Gij met alle recht van mij verwacht?
Waarom spreekt Gij tot mij die taal van liefde, die ik zoo onwaardig ben? Waarom richt Gij tot mij die uitnoodiging, waaraan ik zoo slecht beantwoord? Waarom doet Gij mij op eene zoo gevoelige wijze verstaan dat Gij de God mijns harten zijt, dat
1) Phil. IX, 7.
506
Gij mijn eenige schat, mijn leven zijt en dat ik ver van U nooit eenig geluk kan smaken? Waarom perst Gij mij de tranen uit de oogen bij de gedachte dat ik U zwaar en zoo dikwijls beleedigd heb, en de vrees van U nog meer te zullen beleedigen?
Waarom zoo veel goedheid voor mij, ondankbaar schepsel? Door zooveel edelmoedigheid beschaamd, gevoel ik mij als ontmoedigd bij de gedachte dat ik nooit naar waarde aan die genaden zal beantwoorden. Ach Heer, bewaar mij voor dit ongeluk; geef dat ik steeds getrouw naar uwe stem hoore, dat ik steeds naar uw woord luistere en trachte het te vervullen.
Ik zie ü, lieve Jezus, in dit kleine tabernakel, waar Gij rnst, omgeven door engelen die U aanbidden, U verheerlijken, U den wierook hunner lofzangen aanbieden, en intusschen verlaat Gij dit alles om in mijn zondig hart uw intrek te nemen, in dat hart datU zoo dikwijls heeft verloochend, zich door zonde heeft bezoedeld, zoo geheel ontbloot is van al wat uw goddelijk oog kan behagen.
Dat alles weet Gij, o mijn Jezus, Gij kent al mijne ondankbaarheden, en Gij ziet èn mijne vroegere onvolmaaktheden èn al de misslagen, die ik vrees in de toekomst te bedrijven, en nochtans houdt niets U terug, verwijdert Ü niets van mij! Zonder acht te slaan op mijne armoede, noodigt Gij mij uit mij met U te vereenigen, dringt Gij mij zelfs tot U te komen om mij te toonen hoever uwe overgroote liefde gaan kan.
Jezus-Christus. Ja, kom tot mij, mijne Dochter, gij, het voorwerp myner teederste zorgen, kom tot my, zonder vrees, zonder angstvalligheid. Ben ik dan niet de God van vergeving en barmhartigheid!
507
Gelooft gij dan niet dat ik uw hart kan zuiveren door het vuur, dat mijne liefde daar zal ontsteken? Weet gij niet dat ik alle goederen bezit, en heb ik u reeds niet met mijne schatten verrijkt? Het paradijs hadt gij verloren, ik heb het u wedergegeven; uwe eerste schoonheid hadt gij verloren, ik heb ze u teruggeschonken, en als ik u heden roep is het dan niet om u nog meer te geven en de deugden die mij behagen in uw hart te doen ontkiemen en te doen groeien.
O vrees niet, ik zal U bedekken met den mantel der liefde om uwe ellende te verbergen en niets anders te doen zien dan wat mijne blikken kan verrukken, te welen: uwe goede voornemens, uwe betuiging van liefde en eeuwige trouw. Vrees vooral niet dat ik te edelmoedig ten uwen opzichte zij; want indien gij de genade weigerdet, die ik u aanbied, onder voorwendsel dat gij daardoor u belaadt met eene te groote schuld van dankbaarheid, o dan zou mijn van liefde tot u brandend hart, ijskoud voor u worden en ik zou elders die genaden gaan uitstorten, waarnaar gij zoo weinig verlangt en welke anderen tot dusverre minder dan gij bevoorrecht, beter zullen waardeeren,
Be Ziel. Ach, neen Heere, dat dit nooit gebeure! doch dat uw goddelijk verlangen in mij volbracht worde! Bereid voor mij het gastmaal uwer oneindige barmhartigheid, voed mij met U zeiven; maar laat mij ü nogmaals herzeggen, hoe onwaardig ik uwe gunsten ben, hoe duizendmaal onwaardig op uwe borst te rusten, en naast U plaats te nemen gelijk die bevoorrechte zielen, die het doodend venijn der zonde nooit heeft aangetast. Ware het mij niet beter met Magdalena aan uwe voeten te weenen, daar ik, even als zij, gedwaald heb. Laat, o laat ze mij
508
met de tranen van liefde en berouw afwasschen en U zeggen, o God, dat, zoo ik tot dusverre niets voor U gedaan heb, ik het verledene wil herstellen, wijl Gij mij daartoe den tijd schenkt.
Maak, o Heer, mijn hart gelijk aan de lamp, die voor het altaar brandt, dat het steeds door ijver en liefde vlamme; geef mij eene ziel haren oorsprong, hare gelijkenis met U waardig, eene ziel, die verdient dien blik van voldoening die uwe engelen verrukt, op zich te trekken. Dan zal ik met den profeet kunnen uitroepen: Gij heit mijne handen gebroken, ik zal U een offer van lof opdragen. 1)
Vijfde Voorbereiding,
Ik zal komen en hem genezen. Matth. VII, 7.
De Ziel. Mijn Jezus, hoe zal een nietig schepsel, gelijk ik, toegang tot U vinden? Hoe zult Gij U door zulk een onwaardig schepsel laten naderen ? O Gij die weet, wat ik ben, die mijne groote ellende kent, hoe zoudt Gij U over het gevoel dat mij weder-houdt, verwonderen, als men mij verplicht U uit te noodigen in de schamele woning mijns harten te treden.
O God van oneindige goedheid, wat zal ik zeggen? Ik kan slechts met David uitroepen: Ik heb gezondigd! en met den Tollenaar: Heer, heb medelijden met mij! Ik kan slechts op mijne borst kloppen en U zeggen: Heer, ik ben niet waardig dat Gij komt onder mijn dak, doch spreek slechts één woord en mijne ziel zal gezond worden. 2) Vol vertrouwen in uwe goedheid en door de gehoorzaamheid geleid, durf ik echter
1) Pa. CXV, 6, 7. 2) Matth. VII, 8.
509
nederzitten aaii het goddelijk gastmaal, \'waarin Gij zelf ons voedsel wilt zijn. Geheel bedekt met wonden en kwalen durf ik mij bij U aanbieden, o liefdevolle geneesheer, om door U genezen te worden; beladen met den drukkenden last mijner zwakheid en ellende kom ik tot U, o medelijdende Vriend, om U te smeeken mij te ondersteunen en de zware ketenen, wier gewicht mij ter aarde drukt, te veranderen in zoete en lichte banden, die mij aan U hechten en mij ten hemel verheffen.
O dierbare Zaligmaker, die mijne onmacht en mijne begeerten ziet, verdrijf de duisternis uit mijnen geest en vermeerder mijn vertrouwen; laat mij duidelijk zien dat al die angstvallige droefheid, bij het ondervinden mijner zwakheden en fouten, wel verre van U te behagen, U slechts kan bedroeven.
Ja, spreek tot mij, o hemelsche Trooster, dan zal mijn hart gerust en kalm , in diepen vrede zich openen om U met liefde en vertrouwen te ontvangen.
Jezus-Christus. Mijne beminde ziel, waarom zoudt gij vreezen? waarom beven? Kent gij dan de uitgestrektheid mijner barmhartigheid niet en gelooft gij mij ongevoelig voor de begeerte, die gij hebt mij te behagen, voor uw herhaalde bede om barmhartigheid? Uwe verlangens zijn voor mij als geurige bloemen en waar ik die vind maak ik gaarne mijne woning: Vrees dus niet, vergeet uwe armoede, denk niet meer aan uwe misslagen en geef mij altijd die namen van Verlosser en Vriend, die mij tot een bewijs van vertrouwen strekken en de uitstorting mijner teedere liefde uitlokken. Ja, ik ben en wil altijd voor u zijn wat uw hart begeert, een Bruidegom van Hoed, een broeder u toegenegen tot den dood. Wat toch kon ik u beter geven dan mijzelve? Kom
510
dan, mijne Dochter, kom, eet het brood en drink den wijn, die ik u in de overmaat mijner teederheid bereid heb.
De Ziel. Ja, U begeer ik, o eeuwige schoonheid, ware liefde. En wijl er niets in mij is dat U kan bevatten, zoo bid ik U daar te komen leven in al de volheid uwer kracht, in de volmaaktheid uwer wegen, in de heiligheid van uwen geest. Dan zal mijne ziel niet meer vreezen; reeds hierbeneden in het bezit van het opperste goed, zal zij een innig geluk genieten: Zij zal voortgaan van dag tot dag, van deugd tot deugd, tot de heerlijkheid van een volmaakten dag. 1)
Zesde Vooiibeiieiding.
Kom haastig af, want heden wil ik bij U mijn verblijf vestigen. Lucse XIX, 5.
O stem van den Welbeminde, die mij roept; stem die liefelijker in mijne ooren klinkt dan de wellui-dendste akkoorden, dan de zoetste toonen, o laat mij U altijd hooren! Houd niet op tot mijn hart die zoete woorden te spreken, die het verblijden, die woorden van liefde, die Gij spreekt tot de Bruiden door uw Hart uitverkoren, en die hier op aarde verwijlen, beroofd van het gezicht van uw goddelijk aanschijn en de vreugde uwer omhelzing.
Hebt Gij niet tot mij gezegd: Open mij uw hart, mijne dochter, mijne bruid; open mij uw hart, want ik wil er mijne woning vestigen en mijne rustplaats daarin nemen. 2)
1) Ps. XXXII, 8. 2) Hooglied V, 2.
511
Heer, hoe weinige zielen worden er gevonden, die altijd gereed zijn U te ontvangen, hoe weinige kunnen zeggen: Zie de Bruidegom komt, laat ons Hem tegemoet gaan! 1) Hoe dikwijls heb ik zelve, doof voor uwe stem, verzuimd mijne lamp te voorzien met den olie eener edelmoedige liefde!
Echter schijnt Gij mijne ondankbaarheid niet meer te gedenken, daar Gij wel by mij uw intrek wilt nemen. Even als tot Zacheus hebt Gij tot mij gesproken en met hem antwoord ik U, o dierbare Meester: Kom! Ja, kom, o Heer, en breng my gelijk dien bevoorrechte der genade, de zaligheid die in U rust! Kom en sla geen acht op mijne onwaardigheid! mijne ellende! Het is waar, de woning mijner ziel is nog niet versierd voor uwe ontvangst, maar wees Gij zelf de schoonste tooi, wellicht bemerkt Gij vlekken, die U er uit zouden verwijderen, gelief ze te doen verdwijnen door uwe goddelijke aanraking, wellicht ziet Gij er voor mij onzichtbare vijanden, maar zijt Gij niet de sterke, de gewapende! Wellicht heeft zij rimpels die haar ontsieren, maar zult Gij hare jeugd niet vernieuwen gelijk die des adelaars ? 2)
Ja, kom, o Heer, en beschouw slechts de vurige begeerten mijns harten, dat zonder U niet kan leven en met U niet kan sterven! Kom en onder de krachtige werking uwer goddelijke tegenwoordigheid zal er eene groote verandering in mij plaats grijpen! Kom, en mijne ziel door het vuur uwer liefde ontstoken , zal in staat zijn ü de hare te betuigen! Kom en Gij zult den dorst mijner ziel blusschen, Gy zult al mijne behoeften voldoen! Kom dan, o Heer, en neem voor altijd bezit van mijn hart; geef
1) Mattb. XXV, 6. 2) H. Augustlnus.
512
dat het niets bevatte wat niet van TJ komt, wat niet tot U geleidt.
Laat mij wel begrijpen, o mijn welbeminde Meester, dat Gij mij alles ontnomen hebt om mij geheel met U te vervullen; dat Gij mij aan de wereld ontrukt en in de eenzaamheid geleid hebt om mij uwe stem te doen hooren, die mij uwe verlangens zal mededeelen en mij zal zeggen dat de eenige liefde des Bruidegoms bestaat in het zoeken eener weder-zijdsche liefde en trouw in zijne bruid. 1)
Hoe gaarne wil ik nog naar die troostende stem luisteren, o Jezus; hoe zeer verlang ik mij meer en meer die onuitsprekelijke goedheid waardig te toonen, die Gij mij bewijst zonder de minste verdienste van mijne zijde; die goedheid, welke de troost, de vreugde uitmaakt mijner ziel, te midden der smartelijkste beproevingen des levens. Amen.
Zevende Voorbereiding.
O levend brood, dat het leven geeft, geef dat ik slechts voor U leve. H. Theresia.
Jez us- Christus. Keer weder, keer weder, o Sularnite /2)
JJe Ziel. Deze teedere uitnoodiging hebt Gij tot mij gericht, o Jezus, toen ik U wilde verlaten, en nog heden hoor ik die in het diepste van mijne ziel weerklinken!
Jezus-Christus. Ja, keer terug, o mijne Dochter, tot den God, dien gij wildet vluchten, wiens liefde gij miskent en die nochtans zoekt u nieuwe bewijzen van zijne teederheid te geven.
1) H. Bernardas. 2) Hooglied VI. 12.
513
Keer terug tot uwen welbeminden Vader, die it zoo menigmaal getroost heeft. Keer weder tot Hem en Hij zal tot u terugkeeren. Ziehier, mijne Dochter, dat Hart waarop ik n zoo menigmaal toestond te rusten, om daar den troost te zoeken, dien gij in uwe veelvuldige beproevingen behoefdet, de barmhartigheid die uwe ellende inriep. Hoor dan in welke woorden uw Jezus zich beklaagt over uw weinig vertrouwen, en u nog eens verzekert dat Hij uwe ondankbaarheid zal vergeten, ah gij hem getrouw wilt blijven en geen ander veld wilt nalezen. 1)
Ja, keer terug om mij nooit meer te verlaten, kom terug tot den teederen Vriend, die u roept, en vurig begeert zich met uwe zwakheid te vereenigen en zijne weldaden over u uit te storten. Leen het oor en kom met mij, en uwe ziel zal het leven vinden, want ik zal een eeuwig verbond met u sluiten. 2)
Hoe zoudt gij nog aarzelen met den God die u geschapen heeft en u in zijne handen geschreven draagt ? Hoe zou ik u, het voorwerp van zooveel zorg en lijden, niet liefhebben? Weet gij niet hoevele tranen, hoeveel lijden gij mij reeds gekost hebt? En als gij erkent het kind te zijn van mijn lijden, waarom zoudt gij dan het kind mijner vreugde niet willen zijn?
De Ziél. Wat kan ik antwoorden op dit teeder verwijt, o goddelijke Zaligmaker, op uwe zoo liefdevolle uitnoodiging ? Mijn hart, beschaamd over zooveel goedheid, weet niet welke woorden tot U te spreken en mijne ziel kan niet genoeg uwe goedheid, uwe liefde, uwe teedere barmhartigheid loven en prijzen.
Hoe bedroeft mij mijne onmacht om. U mijnen dank, mijne liefde naar behooren uit te drukken
1) Euth. I, 8. 2) Isaiffi V, 3.
33
514
tegenover uwe groote toegevendheid. Mijn geest kan niets anders denken, mijn mond kan niets anders zeggen dan: iDeo Gratias!quot; O hadde ik toch het brandend hart der Serafijnen om U te beminnen, te loven, te danken. O kon ik toch de taal der engelen spreken om U te prijzen en te aanbidden!
Ja, myn God, ik keer tot U weder en wil nimmer uw hart meer bedroeven. Met volle vertrouwen wil ik tot U komen om mij te voeden met de zuiverste bloem der tarwe, met den honig dien Gij mij aanbiedt. 1) O goddelijk brood, o leven, o vleesch van myn Zaligmaker, kom mijne ziel verzadigen! Vrees niet meer, o mijn hart, snel tot die fontein van levend water die nooit uitdroogt. Jezus roept u, verlangt naar u, wil u overvloedig de vreugde zijner liefde doen smaken; werp u in zijn aanbiddelijk Hart en vraag Hem al de genaden, die Hij daarin verbergt.
O goede Jezus, ontvlam mij geheel met het vuur uwer liefde; doe mij derzelver zoetheid smaken, opdat ik geheel daarvan doordrongen, U van ganscher harte beminne en U steeds dragende in mijn hart, in mijne ziel en in mijne oogen geen ingang verleene aan de geschapene dingen. Amen.
Achtste Voorbeueiding.
Dochter van Sion, zin); lofzangen, wees verbeurd, want ik wil zelf in u mijn verblijf vestigen. Zach. 1, 10.
Jezus-Christus. Ik sta aan de deur en klop. Als gij naar mij luistert en mij de deur van uw hart opent, zal ik mijne woning bij u vestigen en u aan mijne tafel doen nederzitten. 2)
1) Ezech. XV, 13. 2) Apoc. II, 20. t
515
De Ziel. O liefdevolle taal, o zoete uitnoodiging, hoe gelukkig zijn de zielen, die naar U luisteren, aanbiddelijke Zaligmaker, en aan uwe liefde trachten te beantwoorden. Ja, Heer, Gij zijt het zelf die ons toespreekt, die ons roept tot eene nauwe vereeniging met U door deze woorden: Kom en eet aan mijne tafel, 1) Gij, die ingang vraagt in ons hart. Ik sta aan de deur en klop. Hoe zalig is het zulk een gast te mogen ontvangen en welk eene heerlijke vereeniging ontstaat er tusschen U en de ziel! Hoe gerust durft zij ü hare ellende blootleggen, hare zwakheid belijden, van hare armoede spreken, want zij erkent in dien welbeminden gast, een koning vol goedheid en minzaamheid, een edelmoedig en milddadig monarch, een heer die even medelijdend als goed en barmhartig is. Met welk vertrouwen spreekt zij van haren dringenden nood met dien almachtigen Vriend, die niets liever doet dan de behoeftigen met zijne goederen overladen en hun zegt: Ik verhoor uwe gebeden. Ik neem uwe beden aan, want ik heb die woning geheiligd, die gij mij vrijwillig aanbiedt; mijne, oogen en mijn hart zullen daar immer verblijven. 2) Met welk vertrouwen deelt zij dien zoo teederen Vader hare moeielijkheden en beproevingen mede, aan Hem die slechts vraagt haar te troosten en een heelenden balsem uit te storten op hare wonden, die medelijden heeft met hare smarten, die haar zijne Welbeminde, zijne Bruid noemt, en haar de vertrouweling maakt zijner vreugde en zijner smarten. O hoeveel licht, hoeveel kracht put zij in het Hart van dien God, die in haar leeft en haar herhaalt, dat Hij zijn wellmt vindt te wonen in het midden der kinderen der menschen. 3)
~Tj~Keg. IX, 7. 2) III Keg. IX, 3. 3) Piov. VII, 32.
516
Beu ik dan, Heere, eene dergenen die gij hebt uitverkoren, die Gij bemint, die Gij tot U trekt?
Ja, aan mij, arm en ellendig schepsel, wilt Gij U geven; het is mijn hart dat Gij vraagt om er eene rustplaats te maken en er uwe genaden uit te storten.
^loe zou ik een zoo goeden God niet beminnen, die mij met eene zoo teedere, zoo edelmoedige liefde behandelt? O, geef dat ik steeds mijn geluk indachtig blijve, dat ik nimmer uwe gnnsten, uwe teedere liefde vergete, dan zelfs als Gij mij met bittere smart vervult. Is het niet billijk dat ik in uw lijden deele met al degenen die Gij tot uwe vertrouwdste vrienden hebt uitverkoren? Is het niet billijk dat ik met hen uw kruis drage, daar ik, gelijk zij, overladen ben geworden door uwe genade, uitverkoren ben tot uwe zuster, uwe Bruid, en genoodigd om deel te nemen aan uw feestmaal?
Houd moed, mijne ziel, wees sterk in het lijden: de liefde laat zich slechts door liefde vergelden; bemin dan vurig, omhels innig uw dierbaren Verlosser, om U gewond, gegeeseld, gekruisigd; neem met vreugde al de splinters die voor u van het kruis vallen, verzamel ze met zorg; zij zullen uwe kroon vormen en u het kostbaar voorrecht schenken van deel te hebben in de glorie van Hem, wiens lijden gij gedeeld zult hebben.
Kom dan, o Jezus, kom in mij met al uwe gaven , zelfs met uw kruis, zoo U dit behaagt; kom, o Minnaar dtjr zielen, die ze gekocht hebt ten koste van uwen arbeid, uw zweet, uw bloed; o kom en neem eeuwig bezit van de mijne. Amen.
517
Negende Vooebereiding.
Het is eeu jjroot werk; immers het is hier niet de woning eens menschen maar de woning van Gud zelfs, die bereid moet worden. I Paralip. XXIX, 1.
Hij, die tot u komt, mijne ziel, is uw God; het is de Heer der Heeren, de Koning der koningen, de eeuwige, de oneindige, de Schepper en Meester van het heelal, de opperste Schoonheid, die straalt ia eigen glans, het Licht dat hemel en aarde verlicht. Hij, die intrede vraagt in uw hart, is de God wiens troon bestraald wordt door de glorie zijner heiligen, door de schitterende pracht zijner engelen; het is God, oneindig in de menigte, in de uitgestrektheid, in de heerlijkheid zijner volmaaktheden. Het is de almachtige God, dien de hèm\'èlsche geesten sidderend aanbidden. Hij daalt op deze aarde neder om tot u te komen: tot u, ellendig en arm schepsel; tot u, een korrel verloren in de onmetelijkheid zijner schepping; tot u, die op de aarde in lauwheid en duisternis voorikruipt; tot u, zoo gehecht aan uwe ellendige natuur, om u te verheffen tot de verhevene schoonheid van uwen God, en zijne oneindige almacht te beschouwen.
Hij, die God van goedheid, ziet noch op uwe armoede, noch op uwe zwakheid, noch op uwe ongetrouwheid. Hij bemint u,. niettegenstaande alles wat u ontbreekt, niettegenstaande al de onvolmaaktheid waarmede gij vervuld zijt; Hij komt tot u eu zegt u: Al ben ik een God van glorie en macht, o mijne Dochter, ben ik dan ook niet een God van liefde en barmhartigheid? Sta op dan, mijne ziel, sta op uit het stof en treed in de tegenwoordigheid van uwen Heer en God. Maar vrees niets. Hij dien
518
gij gaat ontvangen, Hij die u roept, is ook de zoete, de beminnelijke Jezus, die de herders en de wijzen tot zich liet naderen, met liefde hunne aanbidding ontving; het is dat goddelijk kind dat door zijn teederen glimlach en de beloften van zaligheid die Hij kwam brengen, aller harten troostte en verheugde; het is die hemelsche Meester wiens wijsheid de leeraren beschaamde en de scharen tot zich trok; het is de goede herder die het verdwaalde schaap naar den schaapstal terugvoert; het is de toegevende vader die zijn verloren zoon vergeeft; het is de aan-biddelijke Meester, die, aan den rand der put gezeten, de Samaritaansche vrouw afwacht, om haar te leeren waar het levend water 1) ontspringt.
Ja, Hij, de liefde en barmhartigheid zelf, komt u voeden met zijn eigen vleesch en bloed. Hij, uw Schepper, komt met u het verbond sluiten en bevestigen, waarvan de vrucht het eeuwig leven zijn zal dat Hij u verdiend heeft. Ga dan tot God, o mijne ziel, ga tot Hem, die u bekwaam heeft gemaakt om zijne oneindige majesteit te bevatten, opdat Hij alleen iu uw hart zou wonen. Amen.
Tiende Voorbereiding.
Werp uwe oogen op mij, o Maria, en toon mij het licht uwer barmhartigheid. H. Bern.
Zie mg hier aan uwe voeten, o Heer, geheel doordrongen van het gevoel mijner diepe ellende; ik betreur mgne onmacht om ü naar waarde te loven en te aanbidden. Even als eene arme bedelares,
▲
]) Joan. IV, 14.
519
met lompen bedekt, durf ik nauwelijks naderen tot dien troon van liefde, waarop Gij slechts verblijft om ons tot ü te trekken, ons de rijkdommen van uw Hart mede te deelen; en nochtans zijn mijne behoeften zoo groot en mijne begeerten zoo vurig!
Tot u, o lieve moeder Maria, vei hef ik het oog! ü roep ik ter hulp; want gij hebt genade voor God-gevonden en de genade ontbreekt mij! 1) Ik smeek u my gerust te stellen, te bemoedigen, en uwen Jezus, die zich aan mij wil geven, in mijne plaats te loven en te aanbidden. Ik smeek u. Hem alles aan te bieden wat het oog van dien God van héi-ligheid in u verrukte. 0 laat mij niet te vergeefs uwe bescherming inroepen, o gezegende Maagd, kom mij helpen en toon my hoezeer mijne vrees het Hart van Jezus beleedigt....
Hoe, mijne Dochter, durft gij Hem niet naderen, die, om U te trekken door de handen zijner liefde, 2) niet geschroomd heeft neder te dalen tot het slijk, waarin gy u wenteldet? Gy laagt gedompeld in de zonde, en Hy heeft er u uitgetrokken om u tot Hem te verheffen. Hoe kunt gy twijfelen aan de barmhartigheid van dien zoo goeden God, die u zoo menigmaal vergeven heeft, toen gy, ondankbare, Hem hebt gevlucht en versmaad?
Zijne hand is niet verkort, dat Hij u niet meer zou kunnen helpen; zijn oor is niet gesloten, dat Hij n niet meer zou kunnen hooren. 3) Hoe kunt gy de teederheid miskennen van dien Vader, den Vriend die zoo dikwijls uw bedroefd hart vertroost heeft, en de tranen droogde, die gij op mijnen boezem gestort hebt?
1} U. Bernaidus. 2) Chese X, 4. 3) laaise, IX, 1.
520
Zie, mijne Dochter, beschouw uw Verlosser. Hij
was Heer, Hij werd dienstknecht; Hij was rijk en werd arm; Hij was gelukkig en werd ellendig; Hij heeft zijne Godheid bekleed met uw vleesch, Hij heeft zijne majesteit bedekt met uwe geringheid en zijne macht met uwe zwakheid,. 1) Werp ook uwe blikkeu op het tabernakel, waar uw God altijd verblijft. Daar, in die kleine, droeve woonplaats wil Hij wonen; daar wacht die goddelijke gevangene uit liefde de ziel, die lijdt en die Hij wil troosten, de ziel die arm en behoeftig is, die Hij wil bekleeden en versieren. Daar verteert Hij door de begeerte van door zijn eigen vleesch en kostbaar bloed de ziel te voeden, die bij Hem haar voedsel, haar leven komt zoeken om op haren lijdensweg niet te bezwijken.
O waarom beeft, waarom twijfelt gij dan, mijne Dochter, bij het zien van zooveel liefde, zooveel goedheid? Verban den angt uit uw hart en ga tot Jezus dien gij bemint en die de armen tot u uitstrekt. Verlies het minste deel niet van eene zoo kostbare gave, 2) want zoo gij voortgaat met u te verontschuldigen , zoo gij uitstelt aan dezen liefdedisch te eten, zult gij er nimmer aanzitten, noch in den hemel, noch op de aarde, noch in het leven, noch in den dood. Ga, zoo gij niet wilt dat uwe plaats gegeven toorde aan de blinden en de kreupelen; ga, want moge de vrees ook goed zijn, zoo is de liefde nog heter; en ik herhaal het u, zoo gij u verwijdert, misacht gij mijnen Zoon, in plaats van Hem te vereeren, gij bedroeft Hem, in plaats van Hem te beminnen, gij beleedigt Hem, in plaats van Hem te behagen. 3) Ja, mijne Dochter, ga tot uwen Verlosser,
1) H. Bernardus. 2) Eccli. XIV, 14. 3) Mgr. de Belley.
521
uwen God, ga met vertrouwen en vrees niets; ik, zijne moeder en de uwe, zal u tot Hem geleiden.
Ik dank U, o nooit volprezen Moeder, voor uwe liefdevolle en bemoedigende woorden. Ja, ik zal tot Hem gaan, dien mijne ziel bemint, die geheel mijne hoop uitmaakt. Ja, ga tot Hem, de steun der zwakken, tot dat brood van leven en kracht; en als ik geheel met Hem vereenigd zal zijn, dan zal er voor mij noch angst, noch vrees, noch smart meer bestaan, en mijn leven zal geheel hernieuwd worden, omdat het geheel door hem vervuld zal zijn. 1)
Elfde Voorbereiding.
Luister, mijne Dochter, en wees oplettend op de woorden die uit mijoen mond komen. Prov. VI, 24.
Jezus-Christus. Open mij, o gij die mijne zuster zijt uit kracht van mijn bloed, mijne duive door de zoetheid van mijnen geest, en spreek van mij tot hen die mij de deur van hun hart gesloten hebben. 1)
De Ziel. Hoe duidelijk zijn uwe woorden, o Jezus! Hoe stellen zij mijne vreesachtige ziel gerust, nu Gij wel tot haar wilt komen in het Sacrament uwer liefde! Hoe troostend is die zoo taedere uitnoodiging voor mijn hart! Door droefheid, door kommer en kwelling vervuld, zou ik mij verwijderen van den liefdemaaltijd, waartoe Gij mij roept! De gehoorzaamheid alleen geleidt mij daarheen; maar Gij vraagt meer van mijne liefde, van mijn vertrouwen, en vindt uw welbehagen in mijn hart gerust te stellen en mijne vrees in hoop te veranderen.
1) H. Auguslinut.
522
Jezus-C/iristus. Dit is waar, mijne Dochter; om uwe hoop op te wekken en uw geloof ia mijne liefde te verlevendigen, richt ik deze uitnoodiging tot U.
0 hoe kunt gij toch zoo blind zijn voor mijne goedheid en vaderzorg? Waarom denkt gij dat ik u verlaat, terwijl gij dien smeekenden blik op mij slaat? Heb dan vertrouwen in mij. Is er iets dat mij moeielijk valt, of ben ik gelijk aan degenen die hulp heioven en niet helpen ? 1)
Waar is uw geloof? Gij bedroeft mijn Hart door uw gedurig mistrouwen, want dat Hart bevat voor u al de liefde en teederheid van eene moeder voor haar kind. Ik vraag het u: Wat heb ik voor u kannen doen, dat ik niet gedaan heb\'? 2)
Keer in u zelve, en zie of ik u verlaten heb, toen gij mij gevlucht en verlaten hebt, toen gij mij bedroefdet door uwe zonden en ondankbaarheid, Zie of ik doof ben geweest bij de noodkreet, die gij tot mij verhieft, toen het lijden en de rampen u overstelpten. Nog vóór gij tot mij riept, zegde ik: Hier ben ik! Hebt gij tot mg gesproken, zonder dat ik u aanhoord hebbe? Hebt gij mij geroepen, donder dat ik u geantwoord hebbe? En als ik nu tot u kom, is dit niet om u te voeden met mgn vleesch, u dronken te maken door mijne liefde?
Vrees dan niet meer en twijfel niet langer aan myn Hart, o mijne Dochter; werp u met vertrouwen in dezen afgrond van barmhartigheid; leg daarin al uw lijden neder, mijn Hart zal daarin deelen; vraag alle gunsten en genaden, mijn Hart zal ze geven. Neen, ik zal u niet verlaten, mgn woord en mijne teedere liefde voor u zijn uwe veilige waarborgen.
1} H. Augastinus. 2) Isnite V, 4.
523
Ik ken en ik bemin al degenen die mij lief hebben, ik hen dicht bij degenen, die mij aanroepen, en ik geef hun honderdvoudig datgene terug, reeds in dit leven, wat zij mij uit liefde geven. 1)
Vertrouw dan op mijne beloften, want deze zijn bijzonder gehecht aan de werken van barmhartighei; verspreid dan rond u die schatten van naastenliefde, die ik in uw hart gelegd heb; geef stoffelijke en geestelijke aalmoezen; en terwijl gij zorg draagt voor mijne belangen en die mijns Vaders, zal ik Hem bidden, dat Hij zorge voor de uwe en dat Hij hen, die u dierbaar zijn, met zijne zegeningen overlade; waüt geen offer is aangenamer dan de ijver voor de zaligheid der zielen. 2)
Moed en vertrouwen dus, mijne Dochter; komen smaak dat onzichtbaar vleesch, dien drank, dien de menschen niet kunnen zien. Dat de vreugde mijner tegenwoordigheid strale op uw gelaat. In mij bezit gij het kostbaarste goed, dat niemand u ontnemen kan. Ik zal de oneindige liefde van het Hart van uwen God in al uwe vermogens doen indringen; ik zal u geheel hervormen, u door mijne zalving, die licht en leven geeft, doordringen. Ja, als gij mij vrijen ingang geeft in uwe ziel, zult gij mijne zuster, mijne Bruid, mijne zuivere duive worden; 2) en ik zal behagen vinden al de hemelsche gaven van den H. Geest in dien levenden tempel te vergaderen en opéén te stapelen.
1) H. Beroardas. 3) H. Gregorius.
524
Twaalfde Vooeberkiding.
Hebt gij Hem uiet gezien, dien mijne ziet bemint. Hooglieil II, 3.
De Ziel. Gelijk de Bruid uit het Hooglied, o Jezus, roep ik U, zoek ik U! Waar zijt Gij, mijn Welbeminde? Waar kan ik ü vinden, U omarmen, om U voor eeuwig met mijne ziel te vereenigen? Ik heb U gezocht gedurende den nacht; en des morgens snelt mijn hart ü, van liefde dorstend, te gemoet. O wanneer zult Gij komen? Duizendmaal verlang ik naar ü, naar U, de verwachting aller volkeren, den Bruidegom aller zuivere zielen, den Welbeminde bij uitnemendheid, den Koning der deugden, het eenig voorwerp dat onze liefde waardig is.
Jezus-Christus. O mijn kind, gij zoekt mij, en ik verlang mij aan ü te kunnen geven. Gij zucht en ik ben het die, aan de deur van uw hart gezeten, uwe begeerten opwek; gij zoekt my, en ik ben het die uwe schreden naar het tabernakel richt, waar ik u verwacht; gij zijt hongerig en dorstig, en ik ben het die dezen honger, dezen dorst verwek, die u verteren; gij zijt door liefde gewond, en ik ben het die u die wonde heb toegebracht en uwe ziel ontvlamd heb.
Op mijne beurt spreek ik tot u: Kom, haast u, mijne welbeminde, want het gastmaal is bereid. Ik ben de gastheer, ik ben de genoodigde, ik ben het voedsel en ik noodig u met liefde! Kom spoedig, want ik wil mij zonder voorbehoud aan u schenken. Ik zal mijne ziel vereenigen met uwe ziel, mijn vleesch met uw vleesch, ik zal mijn bloed met het uwe vermengen en in een heilige omhelzing van broeder, van vriend, zal ik uw hart drukken op
525
liet Hart van uwen God. Kom dan, want ik wil uw Bruidegom zijn, en u voor altijd tot mijne Bruid aannemen; beloof mij trouw en ontvang mijne belofte en daar de liefde sterk is als de dood, zult gij altijd de mijne zijn , want ik heb u gekozen van alle eeuwigheid.
De Ziel. 0 mijn God, hoe kan een zoo groote Koning de Bruidegom -worden van een schepsel, zoo ellendig als ik beu! Was er ooit eene ongelijker verbintenis. Gij zijt de Almachtige, ik ben niets; Gij zijt de rijkdom, ik de armste der armen, Gij zijt de goedheid, ik ben de boosaardigheid zelve. Gij de kracht, ik de zwakheid; Gij de volheid, de gelukzaligheid, ik slechts broosheid en ellende. Gij zijt de volmaaktheid zelve en ik ben zonde en boosheid.
Maar wat zeg ik? Is er dan, o aanbiddelijke Meester, voor U iets moeielijk, iets onmogelijk? Kunt Gij, die mij met het bruiloftskleed bekleed hebt, mij nog niet met alle deugden versieren en in mijn hart een troon oprichten, die uwer waardig zij? Tot welke overmaat van liefde uw Hart U ook drijve, kan mij dit verwonderen? Hebt Gij den Hemel niet verlaten om tot ons te komen? Hebt Gij ons niet door onvergelijke wonderen van liefde toegeroepen; Ik bemin u; geef mij uwe liefde!!
Ik heb dien liefdekreet gehoord en omdat ik U bemin, verlang ik U te bezitten; omdat ik U bemin, wil ik ten volle aan uwe begeerten voldoen en mij verzadigen met die onwaardeerbare goederen, die Gij my aanbiedt; omdat ik U bemin, kan ik zonder ü niet leven. Kom dan tot mij, o liefdevolle Bruidegom mijner ziel, kom, mijn eenig goed, mijn schat, kom en bezit mij, en geef dat ik U geheel moge bezitten. Kom, o Brood der Engelen, kom mij verzadigen, mij in en voor U doen leven.
526
O Jezus, mijne liefde eu mijn leven, treed binnen in mijn ellendig hart; het verlangt naar U, o kom! het staat voor U open, treed binnen; het begeert U, o kom spoedig, ontvang, vervul, geleid mijn hart, opdat al wat in mij is, U love, U beminne, U eeuwig verheerlijke. Amen.
Mzen na le Wip Comile.
Eeuste Dankzegging.
Zijn tabernakel zal een lommer zijn tegen de hitte van den dag, eene veilige schuilplaats tegen storm en regen, Isaiee IV. 6.
De Ziel. Heer, Gij hebt U dan tevreden willen stellen met mijne zwakke begeerten, mijne goede voornemens. Gij hebt niet geaarzeld ü tot mij te vernederen! In het mogelijk dat ik, die slechts stof en asch ben, de tempel des Heeren, de troon der wijsheid, de woning van den H. Geest ben geworden ? 1) Wees duizendmaal gedankt voor uwe bewonderenswaardige toegevendheid, en dat geheel mijn leven zich uitstorte in dankbetoon, o mijn Jezus! Nu Gij mij uw minnelijk aangezicht hebt vertoond, ^rrees ik niets meer; nu Gij mij uwe bemoedigende woerden hebt toegevoegd, is eene zoete rust in mijne ziel gekeerd.
1) H. Bonaventun.
527
Jezus-Christus. Neen, mijne Dochter, uwe ellende, uwe onstandvastigheid hebben mij niet van u verwijderd kunnen houden; uw berouw heeft mijn hart geraakt. Wees dan niet langer bedroefd bij het herdenken aau uw herhaald vallen in de zonde, bij het beschouwen uwer broosheid; gij weet, ik ben de God van barmhartigheid en liefde; Ik heb u vrijgekocht, ik heb u met uwen naam genoemd; Gij behoort mij geheel toe. 1)
Rust dan op dit Hart, dat u met zulk eene vaderlijke goedheid ontvangen heeft; zoek daarin uw toevlucht, uwe rustplaats; put daarin licht en kracht en dan hebt gij niets meer van de toekomst te vreezen. Zonder mijne hulp zoudt gij zwakker zijn dan het riet, dat de wind buigt en knakt; gij zoudt onmachtiger zijn om u te redden dan het broze vaartuig, door de golven geslingerd; maar als gij getrouw en vertrouwvol op mijne liefde steunt, zal ik de stuurman zijn van dat zwakke vaartuig; met mij zulfc gij alle stormen trotseeren, gij zult onwrikbaar blijven te midden van die altijd holle zee des levens; hare golven mogen u bedreigen, nooit zullen zij u verzwelgen.
De Ziel. Mijne ziel smelt van teederheid bij het hooren uwer stem, o Jezus! Wat zal ik antwoorden op zooveel goedheid, op die liefdevolle woorden? Hoe zal ik mij die goedheid waardig maken, waarvan uw hart overvloeit en die zich op zulk eene treffende wijze aan mij openbaart? Ach Heer, kon ik U toch schadeloos stellen voor mijne vroegere onverschilligheid! Maar wat kan ik, onmachtig schepsel, doen, dau uwen naam prijzen, uwe hulp inroepen, uwe
1) Isaiie XT, 1.
528
weldaden verheffen en de vaderhand kussen, die Gij mij toereikt? 0 Gij, de ware liefde van mijn hart, bedank U zelve voor mij in dit oogenblik, 1) en in den naam van uwe barmhartigheid, waardoor Gij mij tot U hebt getrokken, smeek ik ü, mij te beschermen en mij altijd te ondersteunen.
Ik kies U heden voor mijn Koning, en hier aan uwe voeten nedergeknield, vraag ik slechts uwen wil te mogen vervullen. Spreek, Heer, ik luister; beveel en ik gehoorzaam. Gij zijt de Moester mijns harten, geleid al deszells genegenheden ten goede! Gij zijt de oorsprong van mijn leven, verwijder U niet van mij; Gij zijt de schat van mijne ziel, gelief haar voortdurend met uwe genade te verrijken; beschouw uwe dienstmaagd steeds met goedheid én toegevendheid; want zij heeft geen andere eerzucht dan dezen titel, geen andere vreugde dan aan uwe glorie te arbeiden.
Tweede Dankzegging.
Heer, ik zal U volgen, overal waar Gij gaat. Lucae IX, 57.
O Heer, dat de gedachte der onuitsprekelijke genade, die ik heb mogen ontvangen, steeds in mijn hart wone! Moge ik nimmer ophouden, uwe goedheid, uwe barmhartigheid te loven, die mij zoo krachtdadig uwe liefde doet gevoelen! Ja, mijn Jezus, toen Gij ü aan mij geschonken hebt, toen ik de heilige Hostie, dat goddelijk onderpand mijner zaligheid, op mijne tong voelde rusten, heeft geheel mijn wezen van
1) H GertrudU.
529
vreugde getrild bij de gedachte aan dat eeuwig verbond dat Gy met het onwaardigste uwer schepselen hebt willen sluiten. Alle krachten mijner ziel bleven als stom tegenover het wonder, dat in haar volbracht werd; al de bewegingen mgns- harten stonden stil door de grootheid van mijn geluk, en tranen van liefde en dankbaarheid konden alleen mijn gevoel vertolken.
O Jezus, mijn welbeminde Meester, leef en regeer dan voor eeuwig in mijn hart, dat Gij U tot woon hebt gekozen, en sluit den band, die U met mij verbindt, steeds nauwer toe! Aan U wil ik toebe-hooren in tijd en eeuwigheid. U bezit ik, o mijn Verlosser, en liever wil ik op dit oogenblik sterven, dan mij nog in gevaar stellen van U te verliezen. Druk uw heilig zegel op mijn hart, opdat het voor altijd gesloten blijve voor al wat Gij niet zijt; maak U meester van al de vermogens van mijnen geest, bestuur ze, opdat ik in het vervolg nimmer afwijke van de plannen uwer barmhartigheid over mij. Ontvlam mij, opdat ik ü beminne; verlicht mij, opdat ik U kenne. Ja, ik zweer ten aanzien van hemel en aarde, in tegenwoordigheid van Maria, mgne moeder, van de engelen en heiligen, mijne voorsprekers, voortaan wijd ik mij voor altijd toe aan de glorie van mijnen God. Niets zal mij te veel kosten om Hem te behagen; ik omhels reeds bij voorbaat den pijnlijken strijd, dien mijne natuur mij zal aandoen , het lijden, de beproeving, het verdriet dat mijn leven zal bedroeven; ik wil dit alles omhelzen, omdat ik den wil van mijnen God wil vervullen. Hij immers laat in zijne oneindige barmhartigheid een zijner oogslagen vol goedheid en liefde op mij, vallen, gelijk eertijds op Petrus na zijnen val.
34
530
Jesus-Christus. Ja, mijne Dochter, gij hebt de taal van mijn hart verstaan, gij hebt begrepen wat ik van u vraag. Gelijk mijn apostel, mgne Dochter, hebt gij mij dikwijls verlaten, verloochend, beleedigd; gij hebt mijne weldaden vergeten, gij hebt die tegen mij gekeerd; gij hebt de zorg miskend van den Vader die aan u dacht, van den Vriend, die in uwe behoeften voorzag; maar alles is vergeven, alles is uitgewischt, veel is afgeboet, en heden herneemt gij uwe rechten op mijn Hart. Ja, ik bemin u, gelijk ik mijn ontrouwen leerling beminde; daarom zal ik mij van u bedienen, gelijk ik mij van hem bediend heb; ik zal uwe ellende benuttigen, opdat men op den jong-sten dag in u mijne barmhartigheid en mijne liefde be wondere.
Houd u dus gereed, mijn kind, om alles te doen wat mijne liefde u zal vragen. Het leven van mijn Apostel is slechts een harde arbeid, een voortdurend lijden meer geweest, zoo door de vervolging en de folteringen die hg heeft ondergaan, als door de bittere herinnering aan zijnen val en het berouw dat hij tot zijn laatsten snik daarover gevoeld heeft. Ik heb hem door het vuur en het water doen gaan, om hem in te leiden in eene plaats van verkwikking en vrede. Werk dan, zooals hij, aan de glorie mijns Vaders; ween als hij over uwe ellende en uwe ondankbaarheid , ten einde mijn Hart te troosten: maar bedenk dat ik te midden van uwe beproevingen en uw lijden uw steun zal zgn, en dat zij eenmaal voor u eene oorzaak van roem en zegepraal en tevens eene bron van een eeuwig geluk zijn zullen.
531
Derde Dankzegging.
De goedertierenheid en de menschlievend-van God onzen Zaligmaker heeft zich getoond. Tit. II, 4.
Hoe is jhet mogelijk, o mijn aanbiddelijke Meester, dat Gij nogmaals tot mij zijt nedergedaald! Gij hebt mij geroepen, naar mij verlangd, naar mij zoo ellendig, zoo ondankbaar! Gij hebt willen nederdalen in dat hart, dat U op nieuw beleedigd had, om mij een nieuw onderpand te schenken van vergeving en liefde en mij met helderder licht te bestralen.
Wat zal ik doen, wat zal ik zeggen, o mijn Verlosser, om U naar waarde uit te drukken, wat ik gevoel bij het gezicht uwer onuitsprekelijke goedheid?
En hoe zou ik U mijne dankbaarheid, de blijdschap die mijn hart overstelpt, kunnen uitdrukken, den ijver, het vuur die mijne ziel ten hemel doeu opstijgen en zich voegen bij de engelen en heiligen om ü met hen te verheerlijken?
Ja, mijn welbeminde Meester, uwe barmhartigheid treft mij, uwe goedheid beschaamt mij, uwe liefde verrukt mij; ik zou tot mijn laatsten snik ter uwer eer het danklied willen zingen, dat nu in dit gelukkig oogenblik in mijn hart opwelt. Ik zou willen, dat elke klopping van dat hart eene aanbidding ware van uwe goddelijke Majesteit, elke zucht een woord van liefde tot uw allerheiligst Hart, elke beweging een lied van dankbaarheid voor uwe onein-dige goedheid. Ik zou aan U alleen willen denken, U alleen willen beminnen, voor U alleen willen leven, voor U, die alleen mijne hulde, mijne aanbidding verdient. Groei in mijn hart als eene schoone lelie, waarvan de nederigheid de wortel, de zuiverheid en
532
eenvoud de stengel, de liefde de welriekende kelk zullen zijn.
O ik dank U, dat Gij mij zoo wel doet begrijpen, wat Gij zijt en wat ik U verschuldigd ben; ik dank U, dat Gij U aldus wreekt over mijne beleedigingen; ik dank U voor die oogenblikken van kalme rust en onuitsprekelijke vreugde, die Gij in mijne ziel uitstort. Ik heb mijn vrede en mijne rust in ü gevonden. Uwe brandende liefde heeft het ijs mijner ziel doen smelten; onderhoud die vlam, die Gij zelf hebt ontstoken; druk daarin het glansrijk afdruksel van uw gelaat, mijn aanbiddelijke Meester; dat dit mijn licht en mijne kracht zij in de dagen der beproeving.
En daar de liefde alleen ü zien, de liefde alleen U verstaan, de liefde alleen U antwoorden, de liefde alleen U behouden kan, zoo smeek ik U, ontvlam mij door uwe liefde, opdat ik U beminne uit geheel mijn hart en uit al svat in mij is, o mijn God!
Ja, Heer, geef mij die liefde, opdat ik U beminne, gelijk Gij mij bemint! De liefde boeit U op ome altaren; dat zij mij boeie aan uwe voeten! De liefde geeft zich voortdurend aan mij; ik wil mij voor eeuwig aan haar geven! De liefde luistert opmerkzaam naar mij; ik wil dat de mijne zoo ook naar V luistere. De liefde ivoont dag en nacht voor mij in het Tabernakel; ik wil mijn hart daar immer nederleggen. De liefde is geheel aan mij; ik wil geheel aan U zijn. Ja, ik wil U altijd beminnen, U steeds meer en meer beminnen, o Gij het schoonste der kinderen der men-schen! 0 liefde, die altijd brandt en nimmer uitdooft, ontvlam mij geheel door het vuur uwer beminnelijkheid en de vurigheid uwer begeerten! 1)
1) H. Aagnstinos.
533
Vierde Dankzegging.
De Heer geleidt mij en niets zal mij ontbreken; Hij heeft mij in eene plaats van overvloed gesteld. Ps. XXI, 1.
Met welke vreugde betuig ik, dat ik geheel, voor altijd aan U toebehoor, o Bruidegom mijner ziel; ik heb de plaats mijner rust, mijner vreugde gevonden en dit is in uw Hart, o Jezus! U wil ik toebehooren, ü heb ik trouw gezworen, aan U ben ik voor alle eeuwigheid! Ja, in de fonteinen van den Zaligmaker zal ik voortaan mijne kracht putten; in dien oceaan van goedheid, van minzaamheid, van genade, zal ik alle goederen gaan putten, alle genade, allen troost gaan vragen; in dien afgrond van barmhartigheid ga ik mijne ellende nederleggen. Daar wil ik leven en sterven.
O boe zoet is mij de gedachte, dat ik geheel aan Jezus toebehoor, dat Hij geheel de mijne is! Hij heeft mij verborgen in zijn Hart, Hij heeft mij bewaard in het geheim van zijn tabernakel; en nu ben ik met Hem door de sterkste banden vereenigd. O mijne ziel, betuig uwe vreugde door uwe lofzangen, want de Heilige van Israël is in uw midden, 1) Ik hen aan mijn Welbeminde en mijn Welbeminde is aan mij. 2) Hij is aan mij door de goedheid, ik ben aan Hem door de dankbaarheid, Hij geeft mij genade op genade; ik geef Hem dankbetuiging op dankbetuiging. 3) Voortaan is het de stem van Jezus, die zich zal doen hooren, als ik spreek; zij zal mg zoetaardigheid en liefde mededeelen; zijn gebed zal voor mij smeeken; en dit krachtig gebed zal verhoord worden. Zijne verdiensten zullen voor mij spreken, en derzelver
1) laai® XI, 6. 2) Hooglied V, 2. 3) H. Gertrudis.
534
oneindige waarde zal mg alle genaden verwerven. Hij zal de oorsprong zijn mijner gedachten, de regel mijner daden; Hij zal mg leeren beminnen en lijden; met Hem zal ik aan de glorie van God arbeiden, voor de zaligheid der zielen ijveren; met en voor Hem zal ik mij ten beste geven, mij toewijden, mij slachtofferen. En zoo de moeielijkbeden mij nederdrukken, zoo de strijd tegen mijne driften mij verschrikt, zoo de last des levens mij doet bezwijken, zal die aanbiddelijke Meester mijn steun, mijne kracht, mijn troost wezen! O gelukkige zwakheid, door de kracht van Jezus-Christus zelf ondersteund! 1)
Wat kan mij ontbreken, als ik Jezus bezit? Wat moet ik vreezen, als Hij met mij is, daar Hij alles voor mijn geluk vermag? Neen, Heer, ik zal niet vredzen, als Gij op mijn hart rust; want Gij, o Jezus, zijt mijne hoop en de goddelijke bron mijner vreugde. ) Maar, o goddelijke Zaligmaker, daar Gij U met mij hebt willen vereenigen, zoo geef dat ik altijd met U vereenigd blijve; vervul mijnen geest zoo volkomen met U, dat ik als in U begraven ligge!
O liefde van mijnen God, laat de stroomen uwer oneindige barmhartigheid over mij vloeien; geef dat ik mij zoo volkomen in U verlieze, dat ik mij zelve niet anders wedervinde dan in U, o God, mijne liefde en mijn leven. Amen.
1) H. Bernardns. 2) H. Franc, vaa Sales.
535
Vijfde Dankzegging.
Ik leef ia het geloof van Gods Zoon, die mij bemind heeft en zich voor mij heeft overgeleverd. Gal. 1, 20.
U bezit ik, o Welbeminde van mijn hart! Gij bezit, Gij bebeerscht, Gij vervult mij geheel en all Alles in mij zwijgt, o Jezus, bij uwe nadering; de aarde en de schepselen verdwijnen voor mijn oog, om plaats te nemen voor hun Heer en Koning, die mijne ellende niet versmaad heeft.
Ja, Gij zijt het, o Heere, de Verlangde der eeuwige heuvelen, 1) die U aan mij geschonken hebt; het is uwe Majesteit, waarvoor ik aanhoudend nederkniel, het is uwe schoonheid, die al mijne zielsvermogens verrukt. Gij zijt de liefde, die zich geheel ten beste geeft en zich openbaart door eene grenzelooze tee-derheid, toegevendheid en barmhartigheid; Gij zijt die goedheid, die ons met alle genaden voorkomt en overlaadt; Gij zijt het leven dat blijft en verheerlijkt, het leven zonder hetwelk ik sterf. 2) Gij zijt het oneindig wezen die alle begeerten omvat; o blijf dan in mijnen geest, in mijn hart, op mijne lippen.
O Jezus, die alles met uw licht bestraalt, kracht der zwakken en troost der ongelukkigen, omdat ik blind en onwetend, nietig en arm, door verdriet gedrukt, en door het lijden als verbrijzeld ben, kom ik tot U. Omdat mijn hart uwe onuitsprekelijke liefde heeft begrepen, heeft het eene schuilplaats gezocht in uw Hart om daar met volle teugen de zoetheid te smaken, die daar uit stroomen in de zielen die Gij liefhebt.
1) Gen. IX, 26. 2) H. Aogustinus.
536
Mocht ik mij voor immer verliezen in de diepste verborgenheid van dit toevluchtsoord van vrede en geluk. Mocht ik altijd verblijven in dat brandpunt van schoonheid en genade! Mocht ik als begraven liggen in deze zoo zoete rustplaats! Ja, mijn rijk op aarde is het Hart van Jezus; mijn rijkdom is zijne liefde; ik adem, ik bemin, ik aanbid door dit goddelijk Hart. Zijne vurige liefde, zijne bewonderenswaardige onderwerping, zijne onverstoorbare zachtmoedigheid, zijne diepe nederigheid, zijngloeien-den ijver bied ik alle oogenblikken aan zijnen Vader aan, om te voldoen voor wat mij ontbreekt aan volmaaktheid in mijne handelingen, mijne gedachten, mijne aanbiddingen.
Almachtige God, neem mijne offerande aan; het is Jezus, het Lam van Calvarië, dat ik U aanbied; het is die welbeminde Zoon, het voorwerp van uw welbehagen en uwer oneindige teederheid; beschouw Hem met liefde en gelief mij om Jezus wille, gunstig te verhooren. Ik bied, o God, U uwen Jezus aan, met al zijn bloed, zijne pijnen, zijne verdiensten, en ik wijd mij voor immer met en door Hem op. Zijne liefde heeft Hem tot mij geleid, heeft Hem aangezet zich aan mij, zijn ellendig schepsel, te geven, en een eeuwig verbond met mij te sluiten; en nu ik Hem bezit, gevoel ik mij rijk door zijnen rijkdom; en dezen schat bied ik U aan, ten einde een blik van mededoogen te verwerven.
Heilige Vader, verhoor mijn gebed, nu ik gezuiverd ben door het bloed, gevloeid uit de wonden van mijnen Zaligmaker, nu zijne goddelijke tegenwoordigheid mij geheiligd heeft. Om Hem, bid ik U, versterk mijne zwakheid, versterk mijn geloof, ontvlam mijne liefde, laat mij met Hem, vertrouwvol
537
uwen troon naderen, daar mijne gebeden en de hulde mijner dankbaarheid nederleggen voor al de genaden, die Gij mij bewezen hebt en mij nog zult bewijzen.
En Gij, mijn Jezus, loof U zeiven in mij en voor mij met al de kracht uwer godheid en al de liefde uwer menschheid, 1) tot den dag, waarop ik, zwakke worm, U waardiglijk moge loven in het verblijf uwer eeuwige heerlijkheid. Amen.
Zesde Dankzegging.
Ik zal den Heer loven ten allen tijde; zijn lof zal voortdurend oji mijne lippen zweven.
Ps. XXXII, 1.
O Jezus, hoe zou ik niet van liefde verteren bij het zien der treffende goedheid, die Gij bewijst aan dengene, dien Gij den zoeten naam van vriend geeft, dien Gij als uwen vriend behandelt?
O liefdevolle Meester, hemelsche Bruidegom mijner ziel, ik bemin U en wil niets beminnen dan U alleen. Ik riep U met verlangen en zegde U: Kom, o Jezus, mijn vrede, mijn geluk! Kom, Gij zijt de vreugde, de zaligheid mijns harten. En Gij zgt gekomen!... Door mijn roepen getroffen, zijt Gij, de Allerhoogste, tot mij gekomen, en Gij hebt de arme woning mijner ziel geheiligd. Gezegend zij uw intrede! Gezegend zij die groote liefde, die U het gebed van uw ellendig schepsel deedt verhooren.
En hoe zou ik ongevoelig blijven voor uwe schoonheid? Hoe zou ik niet luide verkondigen, dat Gij alles zijt, alles geeft, dat er buiten U niets bestaat
1) H. Gertrndis.
538
dat schoon, dat goed is? O Jezus, vreugde mijns levens, dat hemel en aarde met hunne pracht, dat de schepselen met hunne verleidelijke bekoorlijkheid, dat alles zwijge, alles verdwijne voor ü; want Gij zijt de goddelijke oorsprong van mijn geluk, het eenige erfdeel, dat ik voor eeuwig begeer, O Jezus, mijn Verlosser, liefde vol zoetheid, zoetheid vol liefde, liefde zoo zuiver, zoo oprecht, die bestaat in alle eeuwen, en wier vuur niets kan terughouden, noch uitblusschen, ontsteek mij zoodanig door de vlammen der goddelijke liefde, dat ik eeuwig ongevoelig zij voor al wat Gij niet zijt.
O hemelsch brood, brood der engelen, dat alle vreugde bevat, dat mijne ziel steeds naar U smachte! Dat mijn hart steeds hongere naar U, voedsel der heilige zielen, fontein van leven, bron van wijsheid en wetenschap, dat ik slechts dorste naar ü! Bron van het eeuwig licht, stroom van wellust, die het huis des Heer en vruchtbaar maakt, dat ik U begeere, U zoeke, ü vinde, ü beminne, nooit ophoude U te beschouwen , U die de engelen wenschen te zien, en dien zij altijd zien in nieuwe schoonheid. 1)
Ik werp mij, ik verlies mij in uw heilig Hart, o Jezus, mijn Heer, mijne hoop, mijn rijkdom, mijne vreugde, mijn erfdeel, mijne eeuwige rust; moge ik U daar dank- en lofliederen zingen gedurende den duur van mijn pelgrimstocht. 2)
1) H. Booaventura. 3) H. Angustinus.
539
Zevende Dankzegging.
Ik heb Hem gevonden, dien mijne ziel bemint, ik bezit Hem en zal Hem niet van mij laten vertrekken. Hoogl. II, 4.
Ik heb Hem gevonden, den Welbeminde mijns harten, ik zal Hem niet van mij laten weggaan. Jezus is mijn leven, mijn Al, en zonder dit opperste goed is het leven mij niets meer. Hij is in mg, Hij behoort mij toe, en ik verlang niets anders dan Hem volkomen te bezitten en te beminnen. Neem dan voor altijd, o mijn God, dit hart dat ik U volkomen overgeef en heersch daarin als Heer en Meester. Onderwerp geheel mijn bestaan aan uw welbehagen en maak mij die afhankelijkheid steeds zoet en dierbaar.
Neem mijnen wil die slechts den uwen wil volgen, mijnen geest die zich alleen wil toeleggen om U beter te leeren kennen, mijne ziel wier eenige begeerte is van meer en meer met U vereenigd te worden. Om U toe te behooren, o mijn Meester, wil ik alles opofferen, alles verlaten, alles verachten; want ik gevoel, dat er niets is dat eenige bekoorlijkheid voor mij heeft. En wat zouden mij zonder U die rijkdommen, die vrienden, die genoegens, die vreugden baten, waarnaar mijn hart vroeger zoo verlangde? Gij alleen kunt mij voortaan behagen en voldoen, want de wereld wordt hitter voor hem die uwe zoetheid begint te smakert. 1)
Hoe waar is hot dat ons hart is, waar ome schat is! 2) Het mijne ligt aan de voeten van Jezus, daar leeft het van zijne liefde, verwacht zgne bevelen en wordt niet moede zijne goedheid te beschouwen.
1) H. Bernardns, 2) Locee XI, 34.
540
Mijne gedachte zoekt Hem, mijne begeerten streven steeds naar gelijkvormigheid met Hem; mijn mond herhaalt zoo gaarne zijn zoeten naam, en spreekt zoo gaarne van zijne goddelijke barmhartigheid; mijne ziel betreurt steeds Hem niet genoeg te kunnen behagen, Hem te weinig te beminnen.
Maar nu Gij in mij zijt, o goede Meester, is het door U zelve, door de volmaaktheid van uw aanbiddelijk Hart, dat ik zal trachten U te behagen. Ik zal den kelk der zaligheid nemen, hij zal mijne ellende herstellen, door hem zal ik voor mijne onwaardigheid overvloedig voldoen. 1) Al de oogenblikken mijns levens vereenigende met het uwe, bied ik U uwe oneindige verdiensten, uwen brandenden ijver, de onuitsprekelijke vurigheid uwer ziel aan; ik loof U door uwe eigen lofzangen, ik aanbid ü door de grootheid van uw Wezen, en ik bemin U met al het vuur uwer liefde.
O mijn goddelijke Zaligmaker, wees altijd de ziel van mijne ziel, het begin en het einde van mijne handelingen, opdat al wat in mij is, U steeds vereere. Ja, wees altijd in mijne ziel, in mijnen geest, op mijne lippen; help mij in mijnen arbeid, én sta mij hij in al mijne handelingen. Onttrek mij voor altijd aan mijzelve, en werp mij in den diepen afgrond uwer liefde; dat ik daar de gedachte en het gevoel verlieze van elk ander geluk, dat mijn hart voor altijd veroverd en onderworpen, zich geheel verlieze in het zalig genot uwer liefde! 2)
1) Pa. CXV, 4. H. Geitrudis. 2) Lodewijk de Blois.
541
Achtste Dankzegging.
Hij die in de liefde blijft, blijft in God en God in hem. I Joan. IV, 16.
Jezus behoort aan mij; ik behoor aan Jezus!
Jezus leeft in mij; ik leef in Jezus!
O mijne ziel, overweeg aandachtig die troostende woorden, beschouw in stille ingekeerdheid het wonder dat in U gewrocht is, en aanbid dankbaar dit goddelijk geheim waarin de liefde van God voor zgn zwak schepsel zich in alle kracht en zalving openbaart. Hoe, de God van alle glorie, van alle majesteit, heeft zich nedergebogen tot mij! De uitgestrektheid der hemelen kan Hem niet bevatten, hoe zal hij dan kunnen wonen in het huis dat ik Hem bereid heb. 1)
Hij heeft noch mijne ellende, noch mijne armoede gade geslagen, alvorens aan mijne vurige verlangens te beantwoorden. Hij die het leven geeft, kwam het mij mededeelen; Hij heeft zich met mij vereenigd, niet alleen om mij te verkwikken, maar om mij in Hem te hervormen!
O geheim van liefde, dat de hemelen verbaast, en ze van liefde en dankbaarheid doordringt! O nauwe vereeniging, o onuitsprekelijke verbintenis, die van den christen een andere Christus maakt! Mijn mond blijft sprakeloos tegenover dit wonder, dat geheel mijn leven vergoddelijkt!
Buig dan neder in het stof, o mijne ziel, verneder u en aanbid; en kunt gij de onuitsprekelijke gunst niet begrijpen die u gedaan wordt, kunt gij niet naar waarde daarvoor danken, zoo geef u ten minste zonder voorbehoud aan uw zoeten Bruidegom, die
1) III Koningen VII, 27.
542
zich zoo edelmoedig voor u getoond heeft, en nu nog intrede vraagt ia uw hart. O wat zou ik U nog kunnen weigeren? Maar wat heb ik, o Jezus, dat U al reeds niet toebehoort door het offer, dat ik er U van gebracht heb, en de oprechte begeerte van U alles te geven wat ik nog bezit?
Vraag dan, o Heer, of liever neem, mijn goede Meester; want Gij weet dat ik geheel en voor altijd de uwe ben. Hoe zoet is het mij geheel van U af te hangen, en in mij alles te doen sterven wat uwe tegenwoordigheid in mijn hart in den weg staat! Hoe zoet is het mij, mij aan de liefde over te geven, door haar geleid te worden! Hoe troostvol is het, mij zelve te zien verdwijnen en het leven van mijnen God in de plaats te zien treden! Hoe gelukkig gevoel ik mij met den H. Paulus te mogen herhalen: Ik leef niet meer, maar Christus leeft in mij, 1) werkt en bemint in mij!
Ja, leef, bemin, werk altijd in mijne ziel, o myn welbeminde Meester! Beveel er als Koning, gebruik al hare vermogens; want Gij weet, ik begeer niet anders dan aan uwen heiligen wil onderworpen en door uwe heilige liefde beheerscht te worden.
O mijn God, was het niet om ons hart te winnen, dat Gij ons het uwe gaaft? Indien Gij ons met eene eeuwige liefde bemind hebt, was dit niet om eeuwig door ons bemind te worden ? O geef dat ik de begeerte van uw Hart wel begrijpe, dat ik volkomen daaraan moge beantwoorden, en geef U zeiven meer en meer aan mij; want ik weet niet, hoeveel liefde ik nog behoef, alvorens ik my geheel en al kunne verliezen in den afgrond van uw liefdevol Hart!
l) Gal. I, 20.
543
Negende Dankzegging.
Hij die mij geschapen beeft, heeft in mijn tabernakel gerost. Eccli. xxtV, 12.
Wie is Hij dien ik heb ontvangen, die mijn hart geheel vervult, al de vermogens mijner ziel en al de liefde van mijn hart inneemt?
O Gij zijt het, oneindige Majesteit Gods, die hemel en aarde vervult! Gij, het onmeetbare Wezen, die alles ondersteunt door uwe almachtige hand! Gij, ongeschapen Wijsheid, die de werelden bestuurt en aan de door U gestelde orde onderwerpt! Gij die alle wezens hebt geschapen en ze behoudt, opdat zij van uwe liefde zouden spreken en uwe glorie zouden verkondigen! Gij wiens milddadigheid, wiens edelmoedigheid ons aan uwe voeten boeien; Gij eindelijk, die in uwe vaderlijke voorzienigheid en barmhartigheid ons uwen goddelijken Zoon gegeven hebt, dat goddelijk Lam voor ons geslachtofferd, dat alle eer, glorie en zegening waardig is. 1)
Die Jezus, welke op het altaar nederdaalt en het ofier van zijnen dood vernieuwt, die Jezus, die mijne ziel bezocht en mij met zijn eigen vleesch en bloed gevoed heeft, die Jezus is het beeld uwer oneindige volmaaktheid, de glans uwer schoonheid, het licht uwer glorie, het afdruksel van uw wezen; die Jezus zijt Gij zelf, o mijn God! Wie heeft ooit eene dergelijke zaak gehoord? Wie heeft ooit zoo iets gezien? Hemel en aarde staan verstomd voor dit onbegrijpelijk wonder van liefde van eenen God voor de menschen! Moge alles wat in hen is, hunnen Schepper loven! Ja, wanneer ik Jezus, mijn Zalig-
1) Apoc. V, 12.
544
maker, mij a broeder, Verlosser van Israël, de goddelijke Koning in de kribbe, de hemelsclie leeraar der zielen, de opperste Trooster der harten, het onschuldig slachtoffer van Calvarië bezit, dan bezit ik U zelf, o mijn God!
O wonder aller wonderen! O kon ik U ontsluieren voor de zielen, die ongevoelig blijven en zooveel liefde misachten! O mocht ik U doen kennen aan hen die deze vereeniging versmaden, die hen zoo groot zou maken, daar zij den mensch tot God verheft! Ja, Heer, geef dat ik ten minste een trouw gebruik make van die hemelsche genade, waarmede Gij de zwakke menschheid begunstigt; geef mij eene steeds grootere begeerte mij met U te vereenigen, met U mijn erfdeel in eeuwigheid, steeds op uwe borst te rusten, en ü in mijn hart ontvangende, alle rampen te vergeten in uwe goddelijke omarming, o Gij, mijn eenigste schat.
Laat mij, o Heer, alle schepselen vergeten en mij aan U alleen hechten; en daar Gij geheel de mijne zyt, zoo laat mij ook geheel de uwe zijn; wees alles voor mij in den tijd, wees alles voor my in de eeuwigheid. Trek mij tot U, opdat ik hope in den geur uwer reukwerken, 1) om mij in uwe vaderarmen te werpen en ü nooit meer te verlaten. Trek mij tot U, opdat mijn hart gelijk de arend op zijne snelle wieken zich in hooge vlucht in het uwe werpe en zich in de zee uwer oneindige goedheid verlieze!
1) Hooglied I, 3.
545
Tiende Dankzegging.
Het is oog goed hier te zijn! Mattb. XVII, 4.
Jezus, de vreugde der engelen, Jezus, de zaligheid der heiligen, Jezus, het licht der wereld en de glorie des hemels, is ia de duistere, ellendige woning mijner ziel nedergedaald! Jezus, de rijkdom der zielen, de schat der uitverkoornen, Jezus, de eeuwige wijsheid, de oneindige heiligheid, heeft zich met mijne armoede, mijne ellende willen tevreden stellen. Ja, het is Jezus, de onvergelijkelijke schoonheid, de onuitputbare goedheid, dien gij bezit, o mijne ziel! Ja, het is die onsterfelijke Koning, die almachtige fleer, die zoete Zaligmaker die tot u gekomen is om u met zijn goddelijk licht te bestralen, u met zijne gaven te overladen, u zijne verheven volmaaktheid te ontsluieren, u den weg, de waarheid te toonen en u het leven te geven.
O onbegrijpelijk geheim van de liefde van eenen God voor zijne schepselen, welk een bewonderens-waardigen afgrond van goedertierenheid en barmhartigheid vertoont Gg aan mijne oogen!
Hoe kan ik ü, mijn goede Meester, de onuitsprekelijke vreugde schetsen die mijn hart vervult, nu het U bezit! Hoe kan ik U mijne verrukking uitdrukken , ü mgne begeerten mededeelen, mgne liefde en dankbaarheid uitdrukken? O mijn welbeminde Bruidegom, ik bied ü dat arme hart met al deszelfs genegenheden en begeerten, opdat Gij door uwe goedheid daarvan het voorwerp van uw welbehagen gelievet te maken. 1)
Maar Gg weet het, de onmacht is mijn deel; mijne stem kan slechts stamelen, wanneer zg wil
1} H. Gertrodis.
35
546
spreken van uwe grootheid en mijne nietswaardigheid, van uwen rijkdom en mijne armoede.
Ik wil derhalve stilzwijgend aan uwe aanbidde-lijke voeten leven in vrede, in vreugde, of wel sterven in het geluk uwer liefde. Bij U, welbeminde Zaligmaker, wil ik de schepselen en de smarten des levens vergeten, om slechts aan uwe liefde en uwe smarten te denken; en nu ik eenmaal woon in uw heilig Hart, heb ik slechts eene begeerte meer, te weten altyd daarin te wonen en in die verrukkelijke schuilplaats voor eeuwig in te sluimeren. O hoe goed is het mij, diep door te dringen in dat Hart, waar onze zuchten geboord, onze tranen gedroogd, onze krachten hersteld worden! Wie kan de vreugde uitdrukken eener ziel, die haren God bezit en in haren God leeft!
Hoeveel rijkdom put zij in deze nauwe vereeniging!
Welk een heerlijk verkeer! Welk een zoete omgang!
Welke onuitsprekelijke verrukking! Wat is te ver-gelijkenen bij de zoetheid die zij smaakt in de ver- , zekering, dat God bare liefdebetuiging aanneemt,
hare pogingen met welgevallen aanziet, aan hare liefde beantwoordt en zijn welbehagen vindt te wonen in haar hart! Daar wordt zij vervuld met die zuivere wellust, die een voorsmaak is van de hemelsche \' vreugde, die haar deel moet wezen. Dan ziet zij \' Jle reeds van verre die zaligheid, die haar is voorbehouden Go als aan het geliefkoosd kind van den besten aller de vaders, aau de erfgename van zijn rijk. ^
Die vreugde, welke de ziel met een hemelsch licht bestraalt en eene goddelijke zalving in het hart stort,
deedt Gij eertijds aan uwe geliefkoosde Apostelen Petrus, Jacobus en Joannes smaken, toen Gij hun rp Thaboj.- verscheent in al den glans uwer glorie.
547
uwer Majesteit. Door dit schitterend schouwspel verrukt, smeekten zij ü die heerlijke plaats niet te verlaten; zij smeekten U, hen daar steeds in uw zoet gezelschap te laten leven.
Wel begrijp ik dit verlangen, o Heer; maar voor die gelukkige Apostelen was het uur der zaligheid nog niet geslagen; zij moesten nog uwen arbeid en uwe smarten deelen, alvorens deel te krijgen in uwe glorie. Dit is ook het lot der ziel die Gij somtijds door uwen goddelijken troost verrukt. In het gevoel van het geluk dat de kennis en het bezit van God kaar verschaffen, roept zij ook uit: Het is ons goed kier te zijn! Zij smeekt U, o Jezus, U niet te verwijderen, haar steeds te laten leven in het gevoel uwer goddelijke tegenwoordigheid; maar weldra doet uwe stem zich aan haar hart hooren en zegt haar: »De tijd van genieten is voor U nog niet aangebroken, mijne Dochter; het geluk waarnaar gij haakt, is u bereid, maar om het te verkrijgen, moet gij werken en lijden; gij moet het werk voltooien van 11 ^ gt; den Zoon des menschen, die op deze wereld gekomen was om zijnen Vader te verheerlijken en de zondaars zalig te maken. Sta dan op en kom van den berg af, in de vlakte waar men werkt en strijdt.quot;
Houd moed dan, mijne ziel, dit is de prijs des Hemels, ea de hemel is die almachtige en volmaakte God dien gij bemint, het is Jezus, uw Zaligmaker, de oneindige goedheid, de liefde bij uitnemendheid, dien gij het geluk hebt te bezitten.
un
ie,
548
Elfde Dankzegging,
O God, de beleedigingen van hen die U versmaden, zijn op mij neder gevallen.
Ps. XVII, 12.
O Sacrament van liefde, waarom wordt Gij niet meer bemind? O heilige Hostie, die den Heilige der heiligen bevat, o brood des levens, hemelsch voedsel, waarom toch vergeten U de menschen, waarom verachten en versmaden zij U? Gij, de genade, die alle genaden in zich besluit, Gij, de kostbaarste schat, dien God ons tot troost in onze ballingschap heeft gegeven: hoe komt het toch dat de menschen ü niet beter waardeeren?
Het geloof leert mij, dat Gij, o God van majesteit, leeft onder den eenvoudigen schijn van brood en wijn. Ik geloof, ik bemin, ik aanbid ü. Ja, ik geloof aan dat woord uit uwen goddelijken mond: »Dit is mijn lichaam, dit is mijn bloed.quot; Ik geloof dat Hg, dien ik zoo even ontvangen heb, de God is van Bethlehem, de God van Calvarië. Ik geloof dat Hij, dien ik in mij bezit, de God van Almacht, | de vreugde der engelen en der uitverkoornen is, de Hobgepriester gezeten in den hemel aan de rechterzijde van den troon der goddelijke Majesteit; ik geloof j dat door Hem mijne ziel heden hare zaligheid heeft ontvangen, dat ik eens met Hem zal heerschen, indien ik altijd zijne goedertierenheid en de glorie, die Hij voor mij bestemd heeft, weet te verdienen. Hoe! om tot ons te naderen heeft de Eeuwige zich vernietigd en is vleesch geworden, en door een nieuw wonder van liefde vernedert Hij zich dagelijks nog dieper op onze altaren, ten einde het voedsel onzer zielen te worden.
549
O wonder dat alle wonderen overtreft, waarom wordt gij niet beter gekend? O liefde die alle liefde overtreft, waarom wordt gij niet beter gewaardeerd ? O macht die alle macht overtreft, waarom wordt gij niet meer vereerd en hooggeschat?
O schepsel, bloost gij niet bij het zien van zulk een wonder, weent gij niet bij de gedachte van zulk eene liefde? Zult gij het tabernakel voorbijgaan, zonder een oogslag van liefde te werpen op die nederige woning, waar uw God en Schepper u afwacht om u te spreken van zijne liefde, om u zijn licht, zijne schoonheid, zijn leven te geven, en u toeroept; O kinderen der menschen, u roep ik, tot u richt ik mijne stem; het is niet voor de engelen dat ik onder u mijne woning heb gevestigd, luistert naar mg, want ik heb u groote dingen te zeggen.
Helaas, mijn God, zij luisteren niet naar U, die ondankbaren, die verblinden begrijpen U niet. Gij ziet naar alle zijden en vindt niemand die ü kent. Geheel vervuld door de ijdele goederen dezer wereld, miskennen en misachten zij de grootste uwer weldaden , en geheel ingenomen door hunne verlokkelijke vermaken, vergeten zij uw lijden en uwen dood, door de schepselen en aardsche genegenheden vervuld, verachten zij uwe liefde.
O Jezus, die ons zoo zeer bemint en zoo weinig bemind wordt, hoe ver zal de verblindheid uwer schepselen hen nog voeren? Helaas, zij verwijderen zich meer en meer van U. Gij roept en men antwoordt U niet; Gij zoekt en men ontvlucht ü; Gij biedt ü zeiven tot voedsel, en uwe heilige tafel blijft onbezet; Gij zijt het leven, men zoekt den dood. En terwijl uwe belangen meer en meer verwaarloosd worden, terwijl het getal uwer vijanden voortdurend
550
aangroeit, vraagt men te vergeefs naar hen die zullen opstaan om uwe zaak te verdedigen en uwe eer te wreken.
Mijn Zaligmaker, indien Gij uit het hart van het grootste deel der menschen verwijderd wordt, bid ik U, kom en rust iu het mijne, Heer, als in eene rustplaats, die U toebehoort. »Gedoog dat ik hier aan uwe voeten U herhale, dat ik U bemin en niets wil beminnen dan U alleen. Laat mij U bidden voor die onverschilligen, voor die lauwe, versteende harten, die ondanks hunne ondankbaarheid U nog dierbaar zijn. Laat mij door mijne tranen , in die afschuwelijke misdaden afwasschen, die in onze o lt; tijden de majesteit van uwen Vader zoo gruwelijk bes beleedigen. Laat mij deelen in uwen doodstrijd en met U sterven voor die ellendelingen, die in den dn grond van hun hart durven zeggen: Laat ons de ve; tabernakelen, waar de Heer gediend wordt, van dr deze aarde verdelgen! | is
Heer, gelief aan mijne zwakke aanbidding en st( nederige hulde al de waarde en de verdiensten te sti geven, welke uwe vereeniging met mij daaraan kan mededeelen, opdat zij eene boetedoening vormen, zi welke voor de misdaad voldoe en den beleedigde ee verzoene. Amen.
ei
Twaalfde Dankzegging. ai
De Heer heeft met zijne gaven de ziel verzadigd, die hongerig was. Ps. CV, 9. w
Gij Heer, Gij alleen, Gij altijd, ziedaar de kreet ^ mijner ziel! U bezitten, U beminnen, ziedaar de eenige begeerte mijns harten, het eenig geluk waarnaar ik haak, dat mij alleen eeuwig voldoen kan.
dat mij Gij
ope daa En loss vre Ja is
551
Welk een geluk, o mijn Zaligmaker, te weten dat Gij in mij zijt, in mij woont! Welk een geluk mij als in uwe oneindige liefde te knnnen dompelen! Gij hebt mij gezegd: o beminde ziel, zie, ik klop, open mij uw hart; laat mij daarin wonen, alleen daarin wonen, opdat ik mijn werk in u volbrenge. En nu ik aan die begeerte van mijn beminden Verlosser heb beantwoord, gevoel ik mijne ziel van vreugde overstroomd; want het is Jezus, de goede Jezus, Jezus tviens zoetheid de engelen verrukt, Hij is het die in mij gekomen is, en mij toeroept: Blijf in mij, en ik zal in u verblijven. O wonder van liefde, o geheim van liefde, o heilig Sacrament, welke genade besluit Gij in ü! 1)
Vrij mogen wij nu de zwaarste beproevingen, het drukkendste lijden, de bitterste teleurstelling, de vernederendste bekoringen, de hartverscheurendste droefheid naderen, ik vrees niets; het Hart van Jezus is mijne schuilplaats; op de onwrikbare rots zal ik steunen, in die zoete rustplaats zal ik leven in eene stille beschouwing van mijn geluk.
Gevaren en rampen mogen mij omringen, maar zij kunnen mij niet treffen; want ik bevind mij in een oord van rust en veiligheid.
Wat kan ik begeeren? Ik bezit het begin en het einde van alle zaken.
Wat kan ik vreezen? Ik ben vereenigd met Hem aan wien alles gehoorzaamt.
Rust dan in stilte en in vrede, o mijne ziel; woorden zouden uwe rust slechts beletten, Beschouuw, bewonder, bemin Dengene die zich aan u heeft gegeven, die u tot zich heeft getrokken, en behoud
1) H. Bernardus
552
zorgvuldig in uw hart de gedachte zijner talrijke weldaden.
Ja, voortaan zal alles in mij zwegen, o Jezus, opdat Gij volkomen vrijheid zoudt hebben te spreken; ik zal niet meer door mij zelve handelen, en Gij alleen zult in mij werken; uwe begeerten zullen mijne begeerten, uw geluk mijn geluk, uwe glorie mijne glorie zijn.
O eeuwige liefde van mijnen God, mijne ziel zoekt U en kiest U alleen voor haar deel. O kom, heilige Geest, ontvlam mijn hart door uwe liefde ! Dat sterven en beminnen mijn leven zij; sterven aan alle andere liefde, om te leven voor de liefde van Jezus; opdat ik niet eeuwig sterve, maar dat ik, in uwe eeuwige liefde levende, o goddelijke Verlosser mijner ziel, eeuwig zinge: Leve Jezus! Jezus hemin ik; ik bemin Hem die leeft en heerscht in de eeuwen der eeuwen. Amen. 1)
1) H. Franciscns van Salet.
ZE-VElsTDIE BOEKL
Omschrijving van het Gebed des Heeren, de Groetenis des Engels en verschillende gebeden.
I. Omscbrijviag m hel Gebed des Heeren.
Zoo zult gij bidden. Matth. VI, 9.
1. Onze Vader.
O onbeschrijfelijke zoetheid! uw naam, o God, is zoeter dan honig in mijnen mond, als ik U mijn Vader noem. 1) Met vreugde vervul ik het gebod, dat Gij ons geeft U aldus aan te spreken en U dezen naam te geven, die ons uwe weldaden herinnert , ons uwe liefde betuigt en U de onze uitdrukt. Met verrukking herhaalt mijn hart dat woord, dien naam van Vader, dien getrouwen weerklank van uw hart; want Gij zijt het zelf, het is uw Geest, die in ons dat gevoel opwekt, waardoor wij U waardig aanroepen.
Ja, mijn God, zijt Gij al de Koning der koningen, de Heer der heeren, mijn Schepper eu Opperheer, zoo zijt Gij ook mijn Vader. Toen Jezus, uw Zoon, onze Broeder geworden is, heeft Hij ons tot uwe aangenomen kinderen gemaakt, en ons het recht gegeven, U aldus te noemen. O doe mg toch wel
1} H. Bonaventura.
554
begrijpen, wat die zoete naam van mij vraagt, die naam waarin het Oppergezag zich onder een zoo zoeten titel verbergt.
Vraagt hij van mij geene liefdevolle onderwerping en een grenzeloos vertrouwen? Leert hij mij niet, dat wij, als kinderen van denzelfden Vader, elkander moeten beminnen, dat wij, als erfgenamen van hetzelfde rijk, te zamen moeten werken om het te verdienen ?
Verre van mij die vrees welke in de Oude Wet den mensch tot God voerde als tot een verbolgen Meester, of tot een Rechter, gereed het vonnis des doods te vellen. Die stem welke eertijds het joodsche volk deed sidderen: Ik hen de Heer, Ik hen de Heer, is voor altijd stil. 1) Nu Jezus als een andere Jozef voor zijne broeders den losprijs betaald heeft, hebben wij door Hem onzen Vader wedergevonden, en mogen met kinderlijk vertrouwen ons tot God wenden, wiens goedertierenheid zijne almacht evenaart. Wat zal Hij niet aan ons gebed verleenen, nu Hij ons tot zijne kinderen heeft aangenomen?
2. Die in den Hemel zijt.
Schoone Hemel, rijk mijns Vaders, hemelsch Jeruzalem, tot u verheft zich mijn oog. Ik had alle recht op u verloren, maar Jezus heeft uwen luister verlaten, om zich tot ons te vernederen, en heeft ons van zijne verdiensten eene ladder gemaakt om ons tot u te doen opklimmen. O heerlijke woning waar mijne plaats reeds bereid is, hemelsch vaderland welker poorten zich eens voor mij zullen openen, tot u verzucht mijne ziel.
1) H. Bernardus.
555
Almachtige God, aanhoor mijne bede. Liefdevolle Jezus, neig uw oor tot de stamelende stem van uw kind. Thans reeds vervuld van troost bij de gedachte aan de rijke belooning, die Gij haar voorbehoudt en de eeuwige vreugde die Gij haar belooft, vereenigt zij zich met de heiligen en engelen, die uwen troon omringen om door de wonderen uwer barmhartigheid de bewijzen uwer goddelijke teederheid en de heerlijkheid uwer glorie te bezingen.
3. Geheiligd zij uw naam.
Dat hij gekend en alom bemind worde, die naam boven alle namen! Dat heel de aarde deszelfs grootheid verkondige! Dat hij leve in alle harten, dat hij zweve op alle lippen! Dat men van het Oosten tot het Westen nederbuige, dat uwe kinderen dien naam slechts uitspreken om hem te zegenen en te aanroepen, dien heiligen naam, die de zielen zuivert en de harten verheugt!
Geef, o God, dat uw heilige, aanbiddelijke naam overal en altijd geloofd en gezegend worde. Dat voor dezen goddelijken naam alle knieën zich buigen in den hemel, op de aarde en in de hel! Dat hij geheiligd worde door onze woorden, onze werken, door geheel ons leven! Dat hij door ons worde verheerlijkt, gelijk, hij uit zich zelve in alle eeuwigheid verheerlijkt wordt! 1) Dat hij, na hier op aarde onze kracht en onze hoop te hebben uitgemaakt, eenmaal in den hemel het loflied zij onzer eeuwige zaligheid!
1) H. Bernarilns.
556
4. Vw rijk toehome.
Almachtige God, die de uitgestrektheid der werelden beheerscht, Gij, wiens heerlijkheid den glans der zon doet verbleeken, Gij, voor wien de engelen zich met hunne vleugelen bedekken, Gij, de heilige der heiligen, die in het hoogste des Hemels troont, kom uw rijk op deze aarde vestigen, kom over uwe vijanden heerschen, kom bezit nemen van alle harten.
Heer, vertoon U aan ons; dat voor uwe oneindige Majesteit alle schepselen zich nederbuigen en uwe grootheid verkondigen, want, wie is aan ü gelijk?
De gansche natuur zingt uwen lof en uwe liefde; de menschen alleen miskennen U, o mijn God! Even als in het begin van het bestaan der wereld, verlokt door de bedriegelijke woorden van den weerspannigen engel, zoeken zij buiten U hun laatste einde, en verheffen trotsch het hoofd. O God der heerscharen, die alle macht bedwingt, kom ons verlossen van het rijk van Satan, verdrijf de duisternis, die hij over de aarde verbreidt, verdelg zgn rijk, en vestig op deszelfs puinhoopen het rijk van Christus, uwen Zoon. Dat Hij zegeviere over de geheele wereld, die Verlosser , die Zaligmaker, die de bliksemschichten uwer wraak in uwe hand geketend houdt en ons met de pijlen zijner liefde vervolgt! Dat Hij heersche over onze zielen, welke Hij met zijn bloed heeft vrijgekocht en verlost heeft van het juk der helsche slavernij! Dat Hij heersche over onzen geest om dien ten goede te richten. Dat Hg alleen onze goede Meester, de ware Koning onzer harten zij; dat Hg ze ontvlamme door het vuur, waarvan Hg zelf brandt, opdat wij door zgne goddelijke vlammen gezuiverd, eens met Hem mogen heerschen in het rijk zijner glorie. Amen.
557
5. Uw wil geschiede op aarde gelijk in den hemel.
O aanbiddelijke wil van God, mogen al uwe schepselen U erkennen als rechtvaardig en heilig, moge de geheele wereld de wonderen uwer almacht en liefde erkennen. O bewonderenswaardige wil, die hemel en aarde geschapen hebt, die ze getooid hebt met al de pracht welke zij ten toon spreiden, wees voor immer geloofd en gezegend. Ja dit zij zoo, o Heer, dat iiw liefdevolle wil steeds bemind en geprezen worde, die wil, die ons uit het niet getrokken , een God tot verlosser, den hemel tot bestemming gegeven heeft. In het verblijf der glorie, aanbidden en loven de engelen en heiligen dien onophoudelijk om het oneindig geluk, waartoe hij hen voorbestemd, waartoe hij hen gebracht heeft. En zouden wij hier op aarde dien heiligen wil dan ook niet prijzen, daar hij ons hetzelfde geluk belooft?
Moge ik, naar het voorbeeld van mijn Verlosser, die slechts op deze wereld is gekomen om den wil te volbrengen van zijnen Vader, die in den hemel is, geen andere begeerte meer koesteren dan dien heiligen wil te volbrengen. Hetzij hij mij kastijdt of beloont, mij vreugde of smart, rijkdom of armoede, lijden of gezondheid, leven of dood toezendt, zoo geef, o Heer, dat ik door uwe genade, daar alles van U komt, steeds het heerlijk woord van Jezus in den lijdenshof herhale: Vader niet mijn, maar uw wil geschiede! 1)
1) Lqc» XXI, 42.
558
6. Geef ons heden ons dagelijksch brood.
Als ik dit gebed tot U richt, o Heer, waarin mijne onrnaclit zoo duidelijk doorstraalt, geef ik U zoo gaarne den naam van Vader, die U al de rechten, welke ik op uw Hart heb, herinnert. God van goedheid, werp een blik van liefde en mededoogen op uwe arme kinderen, die van uit dit ballingsoord de handen tot U verheffen en hun noodkreet tot U doen opstijgen. 0 verstoot ze niet, doch heb medeleden met hunne ellende en geef hun van uwen rijkdom wat zij behoeven om in hunnen nood te voorzien. Geef ons den overvloed uwer graanschuren, laat ons in uwen rijkdom putten, geef ons deel aau uwe schatten; want Jezus, uw Zoon, heeft ze ons door zijnen dood verworven.
Ja, geef ons ons dagelijksch brood. Dat brood, dat wij U vragen, o mijn God, is het brood der heiligmakende genade, het brood van uw woord dat ons uwe wet leert en ons op uwe beloften doet vertrouwen; het is vooral het brood der engelen, dat hemelsch manna, dat heerlijk voedsel, dat ons het leven mededeelt. Geef ons dat ware brood, dat ons eeuwig zal doen leven, omdat het ons met den Eeuwige vereenigt; het zij de kracht mijner ziel, de vreugde van mijn hart; moge ik, na mij daarmede op aarde gevoed te hebben, daarmede voor eeuwig in den hemel verzadigd worden!
Maar, o mijn Vader, indien Gij door het woord zoek eerst het rijk Gods en zijne gerechtigheid, 1) ons de verplichting oplegt van vooral de geestelijke goederen te begeeren, zoo verbiedt Gij ons echter
1 Matth. V, 33.
559
niet de goederen dezer aarde te vragen. Daarom smeeken wij U ook, dagelijks in onze behoeften te voorzien en ons de nooddruft dezes levens te geven. Dat de aarde ons hare vruchten schenke, dat de zon onze zwakke lichamen verwarme en versterke!
O Gij, die den vogelen hun voedsel en de bloem des velds haar tooi schenkt, geef ook aan al uwe kinderen voedsel en kleederen; zorg voor hun bestaan en bescherm hunne rechtmatige belangen, en schenkt uwe edelmoedigheid hun overvloed en rijkdom, zoo geef hun ook de onthechting en de naastenliefde; dat zij aan hunne ongelukkige broeders denken en verdienen mogen eens uit uwen mond deze troostende woorden te hooren: Ik heb honger gehad en gij hebt mij gespijsd; ik heb dorst gehad en gij hebt mij gelaafd; ik was naakt en gij hebt mij gekleed. 1)
O kostbare gunst, o onuitsprekelijke troost, op Jezus in den persoon der armen, een deel uwer gaven te mogen uitstorten, o mijn God!
7. Vergeef ons onze schulden, gelijk wij vergeven omen schuldenaren.
Heer, treed niet in gerecht met uwen dienaar, 2) wisch mijne ongerechtigheden uit; want wij hebben ook de beleedigingen vergeten die ons aangedaan werden, wij hebben ook het leed vergeven dat men ons heeft aangedaan.
Mochten wij allen, o Christenen, als wij ons voor God vertoonen, ons kunnen beroepen op onze barmhartigheid jegens onzen broeder, want dan zal Hij ons niet kunnen veroordeelen.
1) Matth. XXV, 35, 36. 2) Ps. CXII, 2.
560
Ja, my a God, ik verzeker het ü, ik vergeef het leed dat mij is aangedaan; ik wil het onrecht vergeten, dat men ten mynen opzichte gepleegd heeft, en wil mg slechts door weldaden wreken op hen die mijn hart bedroefd, mijn naam bezwalkt, mijne belangen verkracht hebben. Maar, o Heer, behandel Gij mij op uwe beurt met goedertierenheid en volgens uwe beloften. Heer, doe gelijk ik; ik betaal, betaalt Gij ook; ik vergeef het leed mij aangedaan, vergeef Gij het leed dat ik U hei aangedaan. 1) Vergeet mijne fouten, want ik verfoei uit ganscher harte de zonden, die ik het ongeluk heb gehad te bedrijven; ik wil ze door mijne boetvaardigheid uitwisschen, en ik neem als zoodanig het lijden en de beproevingen mijns levens aan. Keer uw aangezicht niet van mij af. Heer, verwerp een rouwmoedig en vermorseld hart niet van voor uw aanschijn.
En Gij, o mijn Jezus, die dit even streng als troostend woord hebt uitgesproken, met de maat waarmede (jij gemeten zult hebben, zal u toegemeten morden, 2) geef mij de genade van steeds de verbintenis te herdenken, die ik aan uwe voeten sluit, van mijnen broeders te vergeven, gelijk Gij uwen vijanden vergeven hebt. Amen.
8, Leid ons niet in bekoring.
Door dit gebed, o mijn God, vraag ik U niet elke bekoring van mij te verwijderen, want, wie niet beproefd werd, wat weet hij ? 3) Hoe kan hij, die niet op de proef gesteld werd, U zijne getrouwheid bewijzen ? Ik weet Heer, dat uwe dienaren door Satan
1) H. Barnardus. 2) Matth. VI, 2. 3) Eccli. XXXIV, 9.
561
moeten gezift worden, alvorens zij als uwer waardig erkend worden; zij moeten, als het goud in de smeltkroes, gezuiverd worden van allen smet; maar Gij weet ook. Heer, dat wij zwak zijn en de kostbare gave der genade in broze vaten dragen, kom ons dan ter hulp om haar te bewaren en de vijanden af te keeren, die zich vereenigen om ze ons te ontrukken. De duivel zoekt ons verderf en vermenigvuldigt zijne aanvallen; de wereld zoekt ons te verleiden door hare ijdele vermaken en valsche vreugde; het vleesch vervolgt ons en houdt ons onder het juk der kwade begeerlijkheden; hoe zullen wij zegevieren over zoo vele verschrikkelijke tegenstanders, indien Gij, o Heer, ons de hulp van uwen almachtigen arm niet verleent?
God mijner ziel, gedenk den prijs, dien zij U gekost heeft, en duld niet dat duivel, wereld en vleesch U ontrukken, wat Gij met uw bloed hebt vrijgekocht.
Kom, o sterke God, en met U zullen wij alles vernietigen wat aan uw rijk wederstaat. Wees, o Jezus, de steun, de hulp van den zwakke, opdat hij steeds met den H. Paulus moge herhalen: Ik kan alles in Hem, die mij versterkt. 1)
9. Maar verlos ons van den kwade.
Het kwade, waarvan wij smeeken bevrijd te worden, is het eenige, ware kwade, dat wij te vreezen hebben, de zonde, de zonde, die ons den schoonen titel van kinderen Gods ontneemt en ons prys geeft aan de eeuwige verdoemenis.
1) Philipp. IV, 13.
36
562
Geef, Heer, dat wij deze waarheid steeds wel begrijpeii en slechts den naam van kwaad geven aan die wanorde, welke de bron is van al het lijden, waartoe wij veroordeeld zijn. Ik zal derhalve noch armoede, noch ellende vreezen, want Jezus heeft gezegd; •gt;•gt;Zalig de armenquot; Ik zal het lijden en de droefheid niet vluchten, want Hij zegt nog: »Zalig zij die weenen.quot; Ik zal de ziekten, de wederwaardigheden en de rampen slechts beschouwen als beproevingen, die nuttig zijn voor mijne ziel, omdat zij mij nader brengen tot God.
Het ware kwaad, het eenige kwaad zal voor mij datgene zijn, dat mij zou verwijderen van het eenige en ware goed, dat God is.
10. Amen.
Dat het zoo zij, o God van goedheid! Ik vraag , U dit door de stem, door de wonden van Jezus, die voor ons spreken, door de verdiensten van Maria, de machtige Koningin des hemels; door de voorspraak der heiligen, die genade in uwe oogen gevonden hebben.
O ja, wees voor ons altijd een Vader vol barmhartigheid, en geef dat wij ons steeds gehoorzame en dankbare kinderen toonen, dat uw rijk zish door ons vestige, en dat wij, versterkt door uwe genade en het bloed der engelen dat ons dagelijksch brood moet zijn, vruchten van leven voortbrengen, die ons het eeuwige vaderland doen intreden. Amen.
vei
563
II. Voor de maand fan het heilig llarl.
HET HART VAN JESUS IS DE SCHAT DER GETROUWE ZIEL.
Indien gij de gave Gods kendet en wist wie Hij is die a zegt, geef mij te drinken, zoodt gij Hen) wellicht gevraagd hebben en Hij zon u levend water gegeven hebben. Joa. IV, 10.
Wat is die bron des levens anders dan uw Hart, o mijn Jezus, dat brandpunt van licht en vuur, waar de ziel, de verblinde, de ijskoude ziel zich gaat verlichten en verwannen; die veilige schuilplaats, waar zij de vervolging des vijands niet meer vreest, waar zij voedsel vindt om haar te ondersteunen en te versterken, woorden van liefde om haar te onderrichten en te troosten, rijkdom en schoonheid om beter getooid, aldus waardiger voor haren God te verschijnen ?
O Hart van dien medelijdendsten aller vrienden, van den teedersten aller vaders, open U voor mij! Hart van mijn Zaligmaker, dat mij tot U getrokken hebt, gelijk eertijds de Samaritaansche vrouw, en mij de gave Gods geopenbaard hebt, tot ü kom ik om kracht en licht in deze- U toegewijde maand! Open U voor mij, verblijf van vrede, oceaan van genade, van barmhartigheid, van liefde; wasch mij, Heer, van alle smet, en bekleed mij met een kleed van zuiverheid en heiligheid.
O hoe verlang ik uwe zoete stem te hooren, o Jezus, en uwe verrukkelijke schoonheid te aanschouwen ! Hoe zeer verlang ik mij geheel in ü te verliezen, en in uw Hart èn leven èn beweging èn bestaan te vinden! Hoe vurig verlang ik van U te hooren: »Omdat uw hart zuiver is, mijne Dochter, verheugt mijn Hart zich in ü!quot;
564
O Gij, die mijne begeerten en mijne onmacht ziet, o mijnquot; aanbiddelijke Meester, kom mij ter hulp, onttrek mij aan al datgene wat mij belet volkomen aan U te behooren, en laat mij ingaan in die heerlijke, onmetelijke woning, waar ik de overige dagen van mijn ballingschap wil doorbrengen.
O aanbiddelijk Hart, dat waardig is aller harten te bezitten. Hart dat brandt door de vlammen der zuiverste liefde, verteer mij geheel, geef mij een leven van liefde en genade, en lesch mijnen dorst aan den stroom uwer verrukkende genoegens.
Heilige Maagd Maria, Gij mijne opperste Meesteres, mijne machtige Voorspreekster, gij die gesteld zijt tot uitdeelster der bemelsche schatten, spreek ten gunste van uw kind, en verkrijg voor mij dat Jezus, als Hij mijn hart zal binnentreden, het verrijke met de groote genaden, die in zijn Hart besloten zijn. Leer mij Hem zoeken. Hem vinden; want die aanbiddelijke Meester is die kostbare parel, voor welks bezit ik alles wil geven wat ik heb; want als ik haar bezit, ben ik tegen alle stormen beveiligd. Amen. 1)
III. Acle van ecrboet op den eerslcn Vrijdag der maand.
Zij hebben den kelk de» Hecren gedronken en zijn zijne vrienden geworden. Litargie.
Hoe, mijn God, rust Gij hier eenzaam en verlaten in dit tabernakel, waar de liefde U heeft opgesloten! Mijn hart wordt bedroefd bij het zien dier groote verlatenheid, dier beleedigende onverschilligheid, waarmede men de grootste uwer weldaden vergeldt.
1) H. Bernardus.
565
Wat kan ik doen, wat kan ik U geven, o mijn goddelijke Meester, om U te troosten voor al de smarten, U door die ondankbaren aangedaan? Wat kan ik doen om U harten te winnen en aanbidders in geest en in waarheid tot U te trekken?
Helaas, de belsche macht is tegen U losgebroken, en lastert uwen aanbiddelijken naam, o mijn Jezus; de wereld schijnt U den banvloek, over haar uitgesproken, terug te slingeren; uwe vijanden juichen over de vernedering uwer H. Kerk; zelfs onder het getal uwer vrienden worden er gevonden die U verlaten, aan uwe liefde niet beantwoorden, wier trouweloosheid U deze smartkreet afperst: De anderen bepalen zich met mijn lichaam te geeselen, maar gij wondt mijn Hart, dat nimmer ophield U te beminnen.
Mijn welbeminde Meester, Gij hebt den mond niet geopend, toen men U beschuldigde, toen men U slachtofferde; maar bij zoo veel ondankbaarheid kunt Gij uwe klachten niet versmoren, en ik hoor U een beroep doen op alle medelijdende harten, door deze woorden: Bemerkt en ziet, of er eene smart is gelijk mijne smart. 1)
Wij hebben uwe stem gehoord, o God, en wij komen ons aan uwen Vader aanbieden om met ü voor de zondaars geslachtofferd te worden. Ja, o Meester, voortaan zullen wij aan uwe voeten neder-knielen en in den geest altijd voor dat tabernakel gebogen blijven, daar het ons niet vergund is ons geheele leven daar door te brengen. Ik wil U troosten en de verborgen wonden van uw zoo teeder Hart, dat alle bitterheid gesmaakt heeft, trachten te heelen.
1) Thren. I. 18.
566
Ik wil deelen lu liet lijden, in den smaad, dien Gij te lijden hebt van diezelfde menschen, voor wie Gij de schatten uwer liefde en teederheid hebt uitgeput. Ik zal treuren met de engelen van het tabernakel en zal niet ophouden te weenen over die verblinden, die ondankbaren, die uwe weldaden tegen ü keeren. Ik zal niet ophouden van U te smeeken, uw Hart te openen aan hen, die niet aan die gezegende schuilplaats komen aankloppen, en die kwijnende zielen te genezen die, wel verre van U de genezing der ziekten te vragen, er slechts aan denken, hoe zij hare wonden verder zullen openscheuren. Zij willen tot U niet gaan, o Jezus; ik bid U, ga tot hen; ik smeek U hierom door uwe heilige wonden en uw kostbaar Bloed.
O God, mocht de smaad van hen, die U beleedigen, op mijn hart nedervallen, op mijn hart dat door uwe liefde getroffen is, en waarop Gij uwe barmhartigheid hebt uitgeput. Ja, geef dat ik aan uwe liefde ieantwoorde, dat ik geheel aan U toebehoore, dat ik slechts aderne voor uwe liefde en uwe eer; tuant ik ben slechts in deze wereld om uwe eer te bevorderen. 1) Maar hoe zal ik in mij het vuur uwer liefde onderhouden? O, aan uw heilig Hart aal ik de vlam der zuivere liefde gaan ontsteken, die mijn hart moet doen branden.
O vuurgloed van het H. Hart van Jezus, verteer rag, brand om mij te zuiveren, brand om mij te hervormen, brand om mij te herstellen en vruchten te doen voortbrengen. Ontvlam mij, o Heer, door het vuur dat Gij zelf op deze aarde zijt komen brengen; dan zal niets mij moeiolijk vallen voor uwe glorie,
1) 11. Bouaventnra.
567
dan zal ik gaarne lijden voor de zaligheid mijner broeders, dan zullen opoffering, vermoeienis, arbeid en kruis mijne liefde voeden. Ja, mijn God, doorsteek- mijn hart en druk daarin de zoete wonde moer heilige liefde. 1)
IV. OmschrijTing Tan hel Wees Gegroet.
Laat mij toe, o heilige Maagd, uwen tof te verkondigen, geef mij kracht tegen uwe vijanden. Liturgie.
1. Wees gegroet.
Jk groet u met den hemelbode, o schitterende dageraad, die der wereld de zon van gerechtigheid heit aangekondigd, 2) Ik groet u, schitterende vuurtoren , goddelijke regenboog, die u eensklaps vertoond hebt te midden van den storm, en de aarde den zoo vurig begeerden vrede beloofd hebt. Ik groet u, heerlijke bloem, waarop de engelen met welgevallen hunne blikken vestigen, wier geur de dooden tot het leven terugroept; ik groet u, lelie van zuiverheid, die waardig bevonden zijt de vrucht van zaligheid voort te brengen. 2)
Goddelijke Moeder, neem deze zwakke hulde aan van mijn hart, dat zoo innig begeert u te verheerlijken ; groet ook uw kind, en geef het voor de hulde van liefde, die het u brengt, de genade U beter te loven en meer te beminnen.
1) H. Gertrudis. 2) H. Bernardas.
568
2. Maria.
Heerlijke naam van mijne Vorstin en mijne Moeder, zoete naam, dien ik nooit moede word uit te spreken, U wil ik steeds op mijne lippen hebben! Naam boven alle namen, na dien van mijn Zaligmaker, gij zijt de vreugde der engelen, de schrik der duivelen, de hoop der lijdende menschheid; o wees mijn schild in alle gevaar, mijn troost in al mijne beproevingen.
Beminnelijke en teedere naam, gij zijt als een uitgestorte olie voor onze harten, als een welluidend gezang voor onze ooren; want gij herzegt ons steeds de liefde, de barmhartigheid en de weldaden onzer Moeder.
3. Vol van genade.
O Dochter van Siou, wier gansche glorie inwendig is, gij zijt waarlijk de blanke lelie, die groeit tusschen de doornen, de onbederfelijke ceder van den Libanon, het tabernakel dat den Heilige der heiligen omsluit. Door de zoetste zegeningen des Heeren voorkomen, zijt gij voor ons, o heilige koningin des hemels, de stroom van levend water, die van den troon van het Lam stroomt, 1) het kanaal, dat het tot ons voert, de bewaarplaats der gaven Gods, waar alle geslachten zich komen lesschen en kracht putten op den weg des levens.
O Maria, uitgelezen vat, overvloeiend van genaden, wij allen hebben in uwen overvloed gedeeld. Gezegend zij de Allerhoogste, die verlangd heeft dat alles wat wij zouden ontvangen, ons zou toestroomen door uw hart. 2)
1) Apoc. XXI, 1. 2) H. Bernardas.
569
4. De Heer is met V.
Gezegende Dochter des Vaders, Moeder van den God van liefde, teedergeliefde Bruid van den H. Geest, gij zijt de troon, waarop de Eeuwige met welgevallen zetelde; gij zijt die heilige arke, van buiten en van binnen bekleed met het zuiverste goud; en God, die zijn wellust vindt in te rusten in zijne heiligen, Avoont in den gesloten lusthof uws harten, in dien heerlijken bloemhof met geuren vervuld en met de bloemen aller deugden versierd. 1)
O teedergeliefde Moeder, gij hebt de blikken van den Allerhoogsten weten te behagen; leer mij ook het middel om genade in zijne oogen te vinden; bedek mij met den mantel uwer deugden en uwer verdiensten, opdat God met mij en in mij gelieve te wonen.
5. Gezegend zijt gij boven alle vrouwen.
O meesterstuk van den almachtigen God, gij die alle engelen in heiligheid, en in schoonheid al de dochters van Sion overtroffen hebt, hoe zoet is het mij u op mijne beurt te loven en te prijzen! O gij, nieuwe Esther, die alleen genade hebt gevonden voor den Koning der koningen, door u is de zaligheid tot ons gekomen en gij hebt de pijlen der goddelijke rechtvaardigheid van onze schuldige hoofden afgekeerd! Ja, zoo Eva voor ons de giftige doorn geweest is, die ons allen heeft getoond, zoo zijt gij, o dierbare Moeder, de roos die ons allen genezen heeft. 1) O Maria, laat niet toe, dat ik ooit uwe glorie en uwe weldaden vergete; laat mij u loven in deze wereld, opdat gij mij moogt zegenen in alle eeuwigheid.
1) H. Bemardus.
570
O, En gezegend is de vruc/it uws lichaams, Jezus,
Hoe groot, hoe schoon, hoe heerlijk is de Verlosser, dien gij in uwen zuiveren schoot gedragen hebt, o Maria! Hoe goed, hoe edelmoedig, hoe machtig is Hij, wiens tegenwoordigheid Joannes den Dooper deed opspringen en hem heiligde in zijns Moeders lichaam ! Hoe diep gevoel ik mijne onmacht, Hem naar waarde te loven en te prijzen! maar gij, o lieve Moeder, die de liefde tot Elizabeth voerde, kom ook mij bezoeken en met genaden overladen. Leen my uw van liefde brandend hart om Jezus te beminnen, uwe oogen om Hem te beschouwen in het tabernakel uwer ziel, uwe tong om de heerlijkheid, de edelmoedigheid te loven, waarmede Hij u bekleed heeft; want ik weet dat, hoe meer ik Jezus verheerlijk, bemin en loof, hoe meer ik u, lieve Moeder, mijne hulde van eerbied, liefde en lof mag brengen.,
7. Heilige Maria, Moeder Gods.
In dezen titel, o Maria, ligt de ware oorzaak uwer grootheid, uwer macht, alsook de reden van ons vertrouwen.
Gezegend zij die roemrijke titel, die n boren engelen en menschen verheft! Gezegend die naam, die u verheft tot Vorstin des Hemels en u geplaatst heeft ter rechterhand des Vaders Almachtig, bekleed met een gouden gewaad, door den glans aller deugden versierd! Vergeet niet dat, toen gij Moeder werdt van God, gij ook mijne Moeder zijt geworden, dat zoo gij moeder zijt van den Koning, Moeder van den Rechter, gij ook de Moeder zijt van den banneling, Aioeder van den rnensch; dat, daar gij de Moeder
571
*
van heiden zijt, zij ook niet mogen gescheiden worden in uw hart, 1) en dat het alvermogen u slechts gegeven is, om ten dienste uwer liefde voor ons gesteld te worden.
8. Bid voor ons.
O ja, bid voor ons, o Moeder Gods; want gij zijt groot en machtig, gij zijt goed en barmhartig. Gelief ten onzen gunste te spreken, uw vermogen te gebruiken, uw hart te laten werken, gij die te recht de smeekende Almacht wordt genoemd. Bid voor ons, gij de uitdeelster der genade, de Voorzienigheid der ongelukkigen, de hulp der christenen. Bid voor ons, gij die de gerechtigheid des Heeren niet kent, doch alleen zijne goedertierenheid verdiend hebt; werp een oogslag van medelijden op uwe arme kinderen hier op aarde, die uit het vaderland verbannen zijn; bid, o Maria, dat God hunne tranen droge, hunne beden verhoore.
Gedenk dat, zoo God onze Vader, Jezus onze Broeder is, Gij ook onze Moeder zijt en dat eene moeder haren kinderen niets kan weigeren.
9. Zondaars.
O Maria, de Heer heeft u gesteld tot Middelares tusschen Hemel en aarde. Getrouwe duive, door u is Jezus-Ohristus, die olijftak, dat teeken van vrede en zaligheid aan onze zielen beloofd, tot ons gekomen. Door u komt ons alle hulp, want gij zijt de hemelsdie ladder, waarlangs de zondaars weder tot de genade opklimmen. 1)
1) H. Betnardus.
572
Erbarm u dan over al die ongelukkigen, die Satan in de boeien der zonde geklonken houdt, met al die afgedwaalden, van den weg ter zaligheid verwijderd, met al die verblinden, die de oogen sluiten voor het licht, met al die zwakken, die wankelen op den weg der zaligheid en deugd. O ja, hemelsche Voorspraak der zondaars, vervul de plichten uwer bediening; o gij, onze lescherrnster, bepleit onze zaak; 1) zeg mij niet, dat de mijne te slecht staat, want voor eene pleitbezorgster gelijk gij, zijn er geene kwade zaken. *
10. Nu.
Ten allen tijde, ieder uur, ieder oogenblik, o Maria, smeeken wij uwe bescherming, de hulp van uwen machtigen arm af; want ten allen tijde, ieder oogenblik staan wij in gevaar van onze ziel te verliezen. In het worstelperk dezes levens worden wij door talrijke vijanden omsingeld; duivel, wereld en vleesch leveren ons een aanhoudenden strijd. O gij die verschrikkelijk zijt voor de hel gelijk een leger in slagorde geplaatst, 2) strijd voor ons en met ons, opdat wij zegevierend uit den slag wederkeeren. Kom tot ons in dit dal van tranen, waar wij ter prooi zijn aan droefheid, ellende en zwakheid, en leer ons het kruis dragen; kom, o mededoogende Moeder, door uwe liefde ons den last verlichten.
Nu en altijd, o Maria, bid voor ons; nu en altijd strek tot ons eene helpende hand; zonder uwe bescherming zijn wij ieder oogenblik blootgesteld aan eene noodlottige schipbreuk op de gevaarvolle zee die wij bevaren; ja, bid voor ons, want het wordt
1) H. Alphonsna. 2) Huoglied VI, 9.
573
avond, de schaduw van den nacht breidt zich uit, bid voor ons, want ook van dit oogenblik kan onze zaligheid afhangen.
11. En in het uur van omen dood.
Dan vooral, o teedere Moeder, in dat gewichtig our, als allen ver van ons zullen vluchten, als onze aardsche vrienden ons zullen verlaten of onmachtig , rond onze sponde staan, dan vooral smeeken wij u, ons niet te verlaten. Het is bijzonder in dat uur van doodsangst, van duisternis, van schrik en vrees, in dat uur, dat ons eeuwig lot moet beslissen, dat wij u smeeken ons ter hulpe te komen. Buig u dan tot ons neder, gezegende Moeder; en als de herinnering aan onze zonden ons bedroeft, troost ons; als de bekoring ons aantast, help ons; als de gestrengheid des oordeels ons verschrikt, dan stel ons gerust; als wij arm zijn in deugden en goede werken, verrijk ons; verberg in uw Hart ons zoo nutteloos verloopen leven, om slechts ons berouw, ons vertrouwen , onze liefde bij Jezus te doen spreken.
Ja, Moeder van Jezus, kom ons ter hulp in dien laatsten en vreeselijken strijd, dien de vjjand ons zal leveren; maak ons dien verschrikkelijken overgang van den tijd tot de eeuwigheid minder schrikwekkend; en daar gij de deur des Hemels zijt, zoo laat ons binnentreden in die plaats van wellust, bied gij zelve ons uwen goddelijken Zoon aan, en vraag Hem voor ons eene plaats in zijn eeuwig koninkrijk.
12. Amen.
Het zij zoo, o Maria; luister naar mijne stem, die ik vereenig met die der engelen en heiligen om
574
u te groeten; en terwijl ik uwe groote voorrecliten en de groote dingen, die God in u gedaan heeft, vereer, terwijl ik uwen naam loof, uwen lof bezing en u eene aardsche kroon vlecht, bid ik u mijne hemelsche kroon te bereiden. Zoo zij het, maar geef mij, opdat ik tot de plaats der eeuwige zaligheid gerake, reeds hier beneden uwen Jezus, dat oneindig goed, door het zuiverste bloed uwer aderen gevormd, Jezus, die zijne genaden zoo gaarne door u aan zijne broeders mededeelt.
O mijne innig geliefde Moeder, gij hebt ons het leven geschonken, scheuk ons dan ook de deugd en de liefde om ons eenmaal de eeuwige glorie te kunnen verkrijgen. O yelulchig, lieve Moeder, gelukkig zijn zij, die u kennen, want u kennen, is den weg kennen van het eeuwig leven, en uwen lof verkondigen is de weg ter zaligheid. 1)
V. ToewijdiDg ceoer moeder aan de 11. Maagd.
Toon dat gij moeder zijt. Liturgie.
Gij ziet hier aan uwe voeten, o H. Maagd, een zeer onwaardig schepsel; maar aangemoedigd door die goedheid, welke de geheele aarde verkondigt, zoek ik den zoetsten troost, de grootste eer, en durf mij scharen onder uw vaan en mij uw kind noemen.
Verstoot mij niet, o liefdevolle Maagd, en laat mij onder uwe moederlijke vleugelen die schuilplaats vinden, die gij aanbiedt aan hen, die u aanroepen en in u al hun vertrouwen stellen; laat mij dien troon naderen, waarop uwe deugden u hebben verheven,
1) H. Bonaventura.
575
en in derzelver schaduw mijne vroegere fouten en groote ellende verbergen; laat mij in uw teeder Hart eene onuitputbare bron van liefde, van genade, van barmhartigheid vinden.
Ik weet het, o mijne Moeder, ik verdien die groote gunst niet, die ik u bid mij te verleenen: want ik kan u niets aanbieden, niets in mij kan uwe blikken bekoren; ik blijf echter met vertrouwen aan uwe voeten; en vervuld met de hoop, dat gij mijne beden zult verhooren, dat gij mij het groote voorrecht zult toestaan mij te vereenigen met die zuivere zielen, die u haar hart hebben toegewijd en hare glorie zoeken in het navolgen uwer deugden.
Hoe lang had ik reeds de gunsten moeten begrijpen die gij haar voorbehoudt, alsook de schoonheid van den titel, die ik heden u kom afsmeeken! Maar, helaas! ik ben zoo zwak, zoo weinig edelmoedig, dat ik steeds terugdeinsde tegenover den eed van trouw, dien ik u verschuldigd was en der verplichtingen, dien hij mij oplegt.
Thans, nu ik mijne dwaling en mijne ondankbaarheid erken, kom ik, gezegende Maagd, niettegenstaande mijne onwaardigheid, mij voor altijd aan u toewijden, u smeeken mij onder het getal uwer bevoorrechte kinderen te willen aannemen, kom ik u eene nauwkeurige getrouwheid beloven in uwen dienst, in uwe liefde! Wees, o Moeder, mijn gids en mgne sterre op het doornig pad des levens, mijne kracht in de bekoringen, mijn troost in mijne beproevingen, en wees vooral mijne zaligheid in het uur van mijnen dood.
Ik werp mij in de armen uwer barmhartigheid, en ik smeek u mij naar uw voorbeeld eene onderworpen toegenegene, getrouwe echtgenoote te maken,
576
die den huiselijken haard met die minzaamheid, die liefde siert, welke gij in het nederig verblijf van Nazareth deed uitschitteren.
Ik stel hem, wien ik tot mijn levensgezel gekozen heb, hem, die mijne vreugde en mijn lijden deelt, ouder uwe bescherming. 0, behoud hem voor mijne liefde, geef hem de genaden, die hij noodig heeft om nuttig te werken voor de glorie van God, de eer van zijn vaderland en het onderhoud van zijn gezin.
Stort ook, o goedertierene Maagd, uwe overvloe-digste zegeningen over die teedergeliefde kinderen, mij door God toevertrouwd. Stort in hun hart, met de vreeze des Heeren, de zoetheid van zijnen dienst; bewaar hunne onschuld, die schoonste tooi der kindsheid , en geef\' mij de genade in hun hart het kostbare zaad, door uwen Zoon daarin gestort, te doen ontkiemen en vruchten te doen dragen, opdat het eens, in bloemen van deugd hervormd, hunne kroon vorme en de mijne opluistere.
Gij ziet, o machtige Moeder, aan uwe zorg beveel ik alles wat ik noodig heb; aan uwe voeten leg ik al mijne wenschen neder, omdat ik alles van uwe goedheid en uwe barmhartigheid hoop te verkrijgen.
Ja, in de armen mijner Moeder ga ik voortaan mijn toevlucht zoeken; op haar Hart wil ik rusten, haar stel ik met vertrouwen mijne toekomst in de hand en bid haar ons te beschermen en te redden, terwijl ik haar trouw zweer tot in eeuwigheid en hare toegenegenste dienares wil zijn! Amen.
577
Yl. Dankbetuiging aan Maria, op den verjaardag oozer toewijding aan baren dienst.
Alle goederen zijn mij met haar toegekomen , en uit hare hand heb ik ontelbare rijkdommen ontvangen. Sap VI, 11.
Hoe blijde vier ik, o Maria, den verjaardag van dat gelukkig uur, waarop ik u tot beschermster en Moeder heb uitverkoren! Gezegend zij de dag, waarop ik mijn eed van trouw aan uwe voeten heb neder-gelegd, terwijl ik uwe machtige hulp inriep en u smeekte, mij tot uw kind te willen aanvaarden!
Gelukkig vertrouwen, dat mij tot u dreef, o Maria, en mij uw Hart doed kiezen tot schuilplaats, tot toevluchtsoord in die dagen, dat ik geslingerd werd op de onstuimige baren des levens, steeds door de grootste gevaren bedreigd. Gij waart het anker mijner veiligheid, o heilige Maagd, toen mijne ziel in hangen nood, door de golven geslingerd, door de slagen mijner vijanden gewond, te vergeefs een weg zocht door de branding naar de haven der zaligheid en des levens! Ja, gij waart die gezegende ark, waarin ik de schipbreuk ontkomen ben! 1) Gij waart mijne ster, toen ik, door zwarte duisternis omgeven, zonder gids ronddoolde te midden van duizende gevaren; Gij waart de troost en de vreugde van mijn angstig hart, wanneer het door droefheid nedergedrukt, door vrees of wroeging overstelpt, een oogslag van mede-lijden, een woord van vergeving van u afsmeekte!
0 heilige Maagd Maria, gij waart voor mij die liemeische dauw, die alle smarten verzacht, mijne raadgeefster in mijne moeielijkheden, mijne kracht
1) H. Bernardus.
37
578
in mijne zwakheden, de schat mijner armoede, de genezing mijner kwalen, mijne hoop en mijne zaligheid. Ik dank u voor die voortdurende hulp, die steeds mijn gebed beantwoordde, voor die machtige bemiddeling, die mijne behoeften voorkwam, voor de barmhartigheid, die mij niet verliet te midden mijner fouten en misslagen!
Hoe dikwijls heb ik mij uwer goedheid onwaardig gemaakt! hoe dikwijls uwe genade misbruikt, mijne beloften vergeten, mijn eed van trouw verbroken! hoe dikwijls heb ik uw Hart bedroefd, wanneer ik de wetten des Heeren overtrad, nalatig was in zijnen dienst! Maar hebt gij mijne fouten gezien, hebt gij ze betreurd, o lieve Moeder, zoo zaagt gij ook het berouw, dat mijne misslagen volgde; en nu ziet gij mij, o teedere Moeder, hier aan uwe voeten met eene ziel geheel vervuld van dankbaarheid voor de genaden u verschuldigd!
O laat mij u mijne volle dankbaarheid betuigen! laat mij uwe goedheid, uwe barmhartigheid verkondigen, en geef mij woorden om waardiglijk die wonderen van liefde uit te drukken.
Wie kan, o gezegende Maagd, de lengte, de breedte, de diepte, de hoogte uwer barmhartigheid meten ? Hare lengte strekt voor hen die haar afsmeeken, tot hun laatsten dag; hare breedte vervult het heelal, hare hoogte verheft zich tot de uitverkoornen der stad Gods, en hare diepte daalt tot hen, die gezeten zijn in de schaduwen des doods, om hunne verlossing te verwerven! 1)
Hoe kan ik, o Maria, uwe weldaden vergelden dan door het verkondigen uwer grootheid, zoo ver
1) H. Bernardus.
579
als mijne stem zal reiken, door u te beminnen, zoo veel mijn hart zal vermogen, door u te aanroepen, zoolang eene bede uit mijne borst zal kunnen opstijgen, en door mijne krachten, mijnen ijver, mijne liefde tot awe eer te besteden? Geef mij altijd nieuwe genaden, verwerf mij nieuwe weldaden, opdat mijne dankbaarheid zich steeds in nieuwe dankliederen uitstorte. Amen.
VII. De ziel geefl zich geheel aan Maria.
Gelukkig hij die n bemint, o Maria, en in u zijn vertrouwen stelt. H. Bern.
O Maria, Maagd vol genade, goedertierene en teedere Moeder, gij die ik zoo gaarne loof en prijs als het zuiverste en het volmaaktste aller schepselen, gij die ik met vertrouwen aanroep als mijne Moeder en mijne Beschermster, ontvang genadig de begeerten van mijn hart, dat zich heden geheel aan het uwe wil toewijden.
Gezegende Maagd, gij ziet de neerslachtigheid, de droefheid, waarin mijne ziel gewoonlijk gedompeld is; gij ziet mijn armzalig en onnuttig leven, mijne onmacht om de aanvallen te weerstaan, die duivel en wereld mij onophoudelijk leveren; gij weet welke moeiten ik heb om gelaten en onderworpen te zijn aan den wil van God. Uit den afgrond mijner ellende keer ik myne oogen tot u; o goedertierene Maagd, tot u verhef ik mijne smeekingen en gebeden; o kom het vertrouwen rechtvaardigen en beloonen, waarmede ik alles van uwe macht en uwe goedheid verwacht; daal van den hemel, van den troon uwer grootheid, kom en werk met mij!
580
Ja, wees alles voor mij, o Maria! mijne kracht iu mijne zwakheid, mijn troost in mijne droefheid, mijn licht te midden der duisternis van mijnen geest. Dat uwe diepe nederigheid mijn dwazen hoogmoed hedekke, dat uwe stem aan de mijne hare woorden leene om Jezus te bewegen; dat uwe verdiensten de onvolmaaktheid mijner werken aanvullen; dat uwe vurigheid en de zuiverheid van uw Hart aan mijn koud en bezoedeld hart de gave verwerven van aan God te mogen behagen en mij tot Hem te verheffen.
Hebt gij mij niet uit den afgrond getrokken, mij verlost van hen, die mijn verderf zochten, om mij tot Jezus te brengen? Hebt gij mij niet geleid, geholpen, zichtbaar beschermd te midden der wreedste beproevingen? Hebt gij mij zelfs niet onder het getal uwer kinderen aangenomen? O laat uw werk niet ten halve, dierbare Moeder! blijf mij helpen! gedenk de ontelbare weldaden, waarmede gij mij reeds verrijkt hebt; en laat mijne ondankbaarheid die niet in hunnen loop stuiten. Gij zijt immer voor mij eene Moeder vol toegevendheid en goedheid, wees mij nu eene koningin vol goedertierenheid en milddadigheid; vergeef mij nogmaals en blijf mij uwe gunsten geven. O ja, goede Moeder, gij zult mijne bede verhooren, gij zult mij de gunst, die ik vraag, verwerven, welke mij beter mijne dankbaarheid jegens u zal doen betoonen.
Laat mij u dan, o heilige Maagd, niet alleen myn hart schenken als aan myne moeder, mijn dienst als aan mijne vorstin, maar geef, dat ik uw eigendom , uwe dienstmaagd zij! Wees gij mijne hemelsche meesteres; ik stel mijne vermogens, mijn persoon, mijn geheel bestaan ter uwer beschikking; sta mij
581
toe, u mijn gezin, mijne goederen, alles wat ik dierbaarst heb, tot zelfs de zorg voor mijne zaligheid, in handen te stellen, en u tot schatbewaarster te maken van al mijne verdiensten en goede werken.
Ik vertrouw dan alles aan u, heilige Maagd; ik bid u de genaden en gunsten, die ik door uwe bemiddeling van uwen goddelijken Zoon zal ontvangen, te willén bewaren; in uwe weldadige hand leg ik mijne ziel neder, u smeekende haar te willen zuiveren, versieren en bekwaam maken om te werken aan de glorie van Jezus en de uwe.
0 mijne Vorstin, mijne Moeder, ik geef mijzelve geheel aan u zonder het minste voorbehoud voor mijzelve of voor anderen, en neem reeds te voren elke beschikking aan, die het u zal gelieven ten mijnen opzichte te nemen.
Maar, o teedere, o goede Moeder, geef mij in ruiling voor deze geringe gift, de genade van minder onwaardig te zijn in Gods oog. Laat mij ingaan in uw Hart, o mijne Moeder, in dat zoete heiligdom, waar rust en vrede heerschen; laat mij tot Jezus gaan, bedekt door den mantel uwer deugd en uwer verdiensten, om Hem de hulde mijner aanbidding te brengen, opdat ik, door uwen rijkdom versierd, genade in zijne oogen en barmhartigheid in zijn goddelijk Hart moge vinden! Amen.
VUT. Gebed lot Onze Lieve Vronw m het H. Hart.
O Maria, onder alle titels, waaronder wij u zoo gaarne eeren en aanroepen, is er geen zoo dierbaar aan uwe kinderen, geen die meer hun vertrouwen opwekt, dan die van Onze Lieve Vrouw van het
582
H. Hart, van Koningin van het Hart van Jezus, want geen naam is voor u grooter en roemrijker. Ja, het is omdat ik al de macht begrepen heb die gij oefent op dat Hart, dat zoo vaak op het uwe klopte, omdat ik weet welke liefde gij in dat heilig verkeer voor uwe kinderen hebt geput, dat ik u zoo gaarne aanroep onder dien roemrijken naam!
O heilige Moedermaagd, die de eer hebt genoten, aan God voor de zaligheid der wereld de eerste kloppingen, het eerste leven, het eerste gebed van het heilig Hart van Jezus te mogen aanbieden, oefen ten onzen gunste de zoete bediening van hooge-priester en middelares, en bied voor uwe schuldige en ongelukkige kinderen den Allerhoogsten dè aanbiddelijke volmaaktheid, de oneindige schatten aan, van dat gezegend Hart, waarvan gij de Koningin en de Moeder zijt!
Maar, o teedere beschermster der arme bannelingen dezer aarde, gedenk toch de onuitsprekelijke vreugde, die uwe ziel overstelpte, toen gij in uwen zuiveren schoot den oorsprong van alle licht, de bron van allen rijkdom, van alle liefde mocht dragen; en geef ons ten minste een klein deel van uw geluk, door de duisternis te verdrijven uit onze ziel, onze armoede te verrijken door de kostbare gaven dei-genade , en onze ijskoude harten te doen smelten door het vuur der goddelijke liefde.
In deze dagen van zaligheid, in deze gezegende tijden waarin uw goddelijke Zoon behagen vindt ora meer en meer de schoonheid, den rijkdom van zijn aanbiddelijk Hart te openbaren, bid ik u, o liefdevolle Moeder, ons meer en meer dien onuitputbaren afgrond van barmhartigheid te doen peilen; ontdek ons deszelfs onuitsprekelijke geheimen van liefde,
583
deszelfs hemelsche zoetheid, opdat wij steeds dieper en dieper mogen doordringen in dat zoete toevluchtsoord, waar men beveiligd is tegen de stormen en gevaren dezes levens.
O ja, onze Lieve Vrouw van het H. Hart, maak gebruik van uwe edele voorrechten; stel uw alvermogen ten dienste uwer kinderen; schenk hun deel aan de goederen, waarvan gij tot uitdeelster zijt gesteld; maar verkrijg hun vooral de genade van eenmaal te mogen binnentreden in dat hemelsche rijk, waar gij als Vorstin troont, opdat zij daar eeuwig met u vereenigd mogen leven in de vreugde en de blijdschap des hemels. Amen.
IX. Gebed voor de Maand m den H. Jozef.
O groote en roemrijke H. Jozef, die alle heiligen in deugd en volmaaktheid hebt overtroffen, die na Maria, de Koningin der heiligen, het meest met genaden en gunsten overladen geweest zijt, in deze u toegewijde maand kom ik mij scharen onder den standaard uwer roemrijke bescherming en u smeeken door uwe vaderlijke teederheid te willen beantwoorden aan mijn kinderlijk vertrouwen. Hij, wien gij den zoeten naam van Zoon gaaft, heeft ons geleerd »dat niemand tot den Vader gaat dan door Hemquot;; en zoo wil ik ook gaarne gelooven, dat niemand tot Jezus en Maria komt, dan aan uwe hand, dat niemand de liefde verkrijgt van de Moeder en den Zoon dan door uwe krachtdadige hulp.
Door deze zoete boop gevoed en sterk door de overtuiging dat niemand u ooit te vergeefs heeft aangeroepen, o heilige Jozef, nader ik tot den troon
584
dien uwe verheven voorrechten u verkregen hebben, ten einde door u die deugden te bekomen, die u zoo aangenaam gemaakt hebben aan het Hart van Jezus, maar ook om uwe grootheid te verheffen en het heerlijk voorrecht u geschonken te bezingen.
Wees dan gegroet, H. Jozef, geliefde Bruidegom van Maria, bewaarder barer zuiverheid, heilige vertrouweling der geheimen des hemels, van alle eeuwigheid uitverkoren om deel te nemen aan het geheim der mensch wording.
Wees gegroet, groote, roemrijke heilige, wien de kostbaarste schatten zijn toevertrouwd, wien de gratie geschonken werd eene aardsche woning te quot;bereiden voor het Woord, dat sedert alle eeuwigheid troont in het hoogste der hemelen.
Wees gegroet, groote heilige, die de eer gehad hebt Hem te voeden, die al zijne schepselen spijzigt. Hem in uwe armen te drukken, wiens onmetelijkheid het heelal vervult, en den Verlangde aller volkeren te omarmen en aan uw hart te drukken, Hem, naar wiens komst de profeten en koningen te vergeefs gezucht hadden.
Wees gegroet, edele tak uit Davids stam, aan wien de Opperheer, de Almachtige onderdanig was. Hij, die door een wenk zijner vingeren de elementen beheerscht, en leven en dood in zijne handen houdt.
Wees gegroet, o meester van het inwendig en verborgen leven, die gedurende vele jaren in het gezelschap en het onderhoud van Jezus de liefde tot de ingekeerdheid, de nederigheid en de eenzaamheid geput hebt.
Wees gegroet, gij rechtvaardige, wiens heilig leven bekroond werd door eenen zaligen dood, en die het geluk gehad hebt uwen laatsten snik tusschen de armen van Jezus en Maria te geven!
585
O, hoe waar is het, dat de Heer u heeft uitverkoren, u heeft gezegend, u met eer en glorie heeft overladen, opdat hemel en aarde zich in u mochten verblijden! Maar is het ook niet waar, dat het niet voor u zeiven alleen geweest is, dat gij aldus verheven werdt, maar dat de Heer ons in u niet alleen een edel voorbeeld, maar ook een machtigen voorspreker heeft willen geven. In dit volle vertrouwen kom ik, groote en roemrijke heilige, u smeeken, op mijne ziel eenige ven die genaden te storten, die u zijn toevertrouwd, en mij te leeren, hoe ik de deugden moet beoefenen, die gij in zulk een verheven graad van volmaaktheid bezat.
Geef dat ik nederig en volhardend in de tegenwoordigheid des Heeren wandele, zonder mij door aardsche zaken te laten verblinden of medesleepen, zonder mij door de rampspoeden dezer wereld te laten nederdrukken; geef mij die zuiverheid die u zoo aangenaam heeft gemaakt in de oogen van God en zoo dierbaar aan Maria; dien vurigen ijver tot het volbrengen van den wil Gods, die u ten volle deedt medewerken aan zijne goddelijke plannen; die liefde, die gij puttet in den omgang met de Moeder der schoone liefde, met den God aller liefde; geef dat te midden van eene bedorven wereld mijn hart een trouw evenbeeld zij van dat gezegend huisje van Nazareth, dat slechts vrede en ingekeerdheid ademt; geef dat ik al mijne nog overige levensdagen moge doorbrengen in het beoefenen aller deugden, opdat ik zonder vrees dat uur moge zien naderen, dat uur van laatsten strijd, en het geluk moge hebben tusschen de armen van Jezus en Maria in vrede te sterven. Amen.
586
X. Gebed tol den B. Engel Bewaarder.
Hij heeft n zijien engelen aanbevolen, opdat zij u bewaren op al nwe wegen.
Ps. XC. 11.
O heilige engel, door God aan mijne zijde gesteld reeds bij mijn intreden in deze wereld, die mij steeds zijt voorgegaan, opdat mijn voet zich aan geen steen zou stooten, gij die mij geleidt op den weg die tot het leven leidt, voortaan zal ik u getrouw aanroepen, u beminnen, naar u luisteren. Helaas, hoe dikwijls heb ik, Gods gebod overtredende, en de neigingen van mijn bedorven hart volgend, uwe tegenwoordigheid vergeten en uwe zuivere blikken van mij afgekeerd! Helaas, maar al te dikwijls heb ik gesteund op menschelijke kracht, en de macht vergeten die u gegeven is om mij te helpen, en de begeerte die gij hebt om mij zalig te maken.
Maar al te dikwijls heb ik den veiligen weg verlaten, waarop gij mij geplaatst hadt, en het oor gesloten voor uwe liefdevolle ingevingen, om Satan te volgen op den breeden weg en naar zijne valsche raadgevingen te luisteren. Maar nog blijft mij de tijd tot herstel; het is meer dan tijd, uwe onschatbare weldaden, uwe toegevende goedheid te gedenken, en u de schatting mijner dankbaarheid te betalen door eene edelmoedige getrouwheid en eene grootere liefde; het is meer dan tijd, mij volkomen in uwe hand te stellen en te luisteren naar uwe stem, die mij wijsheid en rechtvaardigheid leert,
0, H. Engel Gods, gij die niet ophoudt mij, niettegenstaande mijne ondankbaarheid, in uwe hand te dragen, bescherm mij meer en meer; want onder uw geleide wil ik voortaan in alles tot God gaan.
587
Gelief mij als een andere Rafaël te geleiden op dien langen en gevaarlijken tocht des levens; verwijder van mij de gevaren der wereld, verdedig mijne ziel tegen de listen van Satan, die steeds als een hrie-schende leeuw rondloopt, zoekende loien hij verslinde. 1) Bid ook den Heer, mij steeds meer en meer te verlichten; smeek Hem, op mijne ziel de schatten zijner genaden uit te storten, en mijne armoede met zijnen rijkdom te bedekken. Bied Hem, o mijn heilige beschermer, mijne onwaardige gebeden, mijne vurige begeerten, mijne bittere tranen, mijne onvolmaakte werken aan; en daar ik den lof des Heeren slechts kan stamelen, zoo bid ik u, loof en prijs gij voor mij dien God aller volmaaktheid, wiens schoonheid en glorie gij moogt bezingen; aanbid voor mij dien levenden God, dien gij van aanschijn tot aanschijn moogt aanschouwen, en dien ik slechts kan zien door de schaduw des geloofs.
Gezegend zij de Heer,- die zijn ellendig schepsel een Vorst van het hemelsch hof tot geleide geeft! Gezegend zijt gij, o mijn goede Engel, mijn getrouwe gids, mijn toegenegen vriend! ü bewaar toch mijne kostbare ziel, dien schat u toebetrouwd tot het uur, waarop gij haar zult nederleggen voor den troon des Lams, tot het uur waarop ik, op uwe vleugelen gedragen, in het beloofde land zal binnentreden om eeuwig met u den lof des Heeren te zingen. Amen,
1) 1 Petri V, 8.
588
XI. Gebed wor de zielen in hel Vagevuur.
Ontfermt n mijner, ontfermt n mijner, ten minste gij mijne vrienden, omdat de hand des Heeren mij geraakt heeft. Job XIX, 21.
In dit land van ballingschap, waarin wij zuchten, Heer, hebben wij de klaagtoonen gehoord onzer ongelukkige broeders, onzer bloedverwanten, onzer vrienden, ons door U gegeven; ons hart breekt bij het hoeren hunner beden, en onze eigene behoeften vergetende, komen wij voor die arme zielen uw medelijden, uwe erbarming inroepen.
Gij weet het, o Heer, de tijd van verdienen, van te oogsten is voor hen verdwenen; geef dus onzen gebeden en onzen werken de macht U ten hunnen gunste te verteederen.
Ja, God van alle vertroosting. God van goedertierenheid , Gij die alleen het werk uwer banden kunt redden en verlossen, Heer van leven en dood, werp een blik van mededoogen op die plaats van duisternis, waarin al die ongelukkige zielen, die nog niet aan uwe rechtvaardigheid voldaan hebben, lijden en zuchten. Ver van U verworpen, nadat zij de schoonheid van uw aanschijn en de glorie uwer Majesteit een oogen-blik mochten aanschouwen, vragen zij één straal van uw licht en verheffen hare noodkreten tot uwen troon; omringd door het vuur dat haar doordringt en verteert, smeeken zij om één druppel van het levend water, dat afstroomt van den troon van het Lam; 1) van honger, van dorst verteerd naar dat geluk dat haar wacht, branden zij van verlangen het te bezitten, en houden niet op naar U te zuchten,
1) Apoc. XXI, l.
589
o levende God! Aan den ingang van het hemelsch Jeruzalem staande, strekken zij hare smeekende handen tot U en roepen al weenende: Wanneer zal ik de hergen van Sion overschrijden ? Wanneer zal ik gaan 1 Wanneer zal ik voor het aanschijn Gods verschijnen ? 1)
Sla dan het oog, o Heer, op die zielen die Gij bemint en door wie Gij bemind wordt! Bezoek ze in hare plaats van droefheid en ballingschap; laat op haar, met breede stroomen, het kostbaar Bloed van uwen goddelijken Zoon vloeien; geef haar deze zoete verkwikking, opdat zij weldra mogen drinken aan de eeuwige bronnen, en waardig mogen zijn uwe goddelijke barmhartigheid te bezingen.
Het is waar, mijn God, zij hebben uwen naam beleedigd, uwe liefde miskend; zij hebben uwe weldaden, uwe genade misbruikt, die zielen door U bemind van alle eeuwigheid; zij hebben al hare dagen, al hare oogenblikken niet besteed tot uwe eer; maar werp een oogslag op uw goddelijken Zoon, die zich voor haar tot borg heeft gesteld en U eene overvloedige voldoening heeft geschonken om hare schulden af te koopen; beschouw zijne heilige wonden, die hare zaak bepleiten; hoor naar de stem van uwen aanbiddelijken Zoon, die ü smeekt, de zielen die Gij Hem gegeven hebt, niet langer ver van U -te laten lijden.
En Gij, o mijn Jezus, buig U neder tot die arme zielen, en doe in hare ooren deze zoete woorden weerklinken: Komt, mijne welbeminden, staat op, want de winter is geëindigd, 2) en de eeuwige lente is aangebroken. Open haar die goddelijke armen, die op het kruis het geheele menschdom omarmden;
1) Ps. XI, 2. 2) Hooglied I, 10, 11.
590
trek ze tot uw Hart, laat ze wonen in die heilige schuilplaats, opdat zij verzadigd mogen worden door het geluk en voor immer de herinnering harer smarten mogen verliezen.
En wij, o Heer, in de hoop dat Gij naar ons luistert, dat Gij onze smeekingen verhoort, zegenen uwe barmhartigheid, die de verlossing onzer lijdende broeders wel in onze handen wil stellen; wij smeeken IJ vooral, dat Gij moogt geven, dat als deze zalige zielen eens in de glorie zullen ingetreden zijn, zij ook voor ons door hare voorspraak en bescherming mogen verkrijgen, wat wij door onze gebeden en onze bemiddeling voor haar hopen te erlangen. Amen.
XII. Gebed eener moeder vnor hare kinderen.
De kinderen zijn des Heeren erfdeel.
Ps. CXXV, 4.
Van uwe goedheid, o God, heb ik die kinderen ontvangen, waarop ik uw zegen en uwe genade afsmeek; Gij hebt mij dien kostbaren schat toevertrouwd ; geef dat ik dit steeds gedenke! Niet tevreden mij naar uw beeld geschapen en mij den hemel beloofd te hebben, hebt Gij mij nog het geluk geschonken van kinderen ter wereld te brengen, die op Calvarië vrijgekocht door het bloed van uwen goddelijken Zoon, bestemd zijn om U hier op aarde te dienen en U hiernamaals eeuwig te verheerlijken; geef dat ik de waardigheid beseffe, waartoe Gij mij verheven hebt, en geef mij een bovennatuurlijk begrip van de plichten, welke deze waardigheid mij oplegt.
591
Ik erken het, mijn God, die geliefde kinderen, die mijne vreugde uitmaken, behooren ü toe; daarom vraag ik met vertrouwen voor hen uwe zorg en uwe bescherming. Bewaar ze, o Heer, als den appel van uw oog; bedek ze met het schild uwer liefde. Zend uwe engelen om ze op uwe wegen te geleiden en ze tegen hunne vijanden te verdedigen. Ja, sla eeu blik van liefde op hen; Gij zijt hun Vader, de beste aller vaders, en hebt hen van alle eeuwigheid bemind. Ik vraag voor hen geen aardsche goederen, dan in die mate waarin uwe wijsheid ze hun wil mededeelen; maar ik smeek U, o mijn God, hun de vrees voor uwen naam, de liefde voor uwe wet en de deugden die hen heilig moeten maken, te geven. Ik vraag U niet, gelijk de moeder der kinderen van Zebedeus, mijnen kinderen de eerste plaats in uw rijk te geven; maar ik vraag voor hen eene dier duizenden woningen die in uw huis zijn, en de eeuwige zaligheid, aan uwe uitverkoornen beloofd.
En als ik U bid, o Heer, degenen die Gij mij gegeven hebt, te zegenen en te beschermen, zoo bid ik ü ook een oogslag te werpen op uwe dienstmaagd, op haar, die hen in haren schoot gedragen heeft. Geef haar uwe machtige hulp om waardig de roemrijke zending te volbrengen, haar door U op de schouderen gelegd. Ja, geef mij licht om die zoo teederbeminde wezens wel op te voeden; geef mij de middelen óm wel te slagen in al hetgeen ik voor hun welzijn onderneem; maar geef mij vooral, o God, den heiligen moed om, zoo noodig, de stem der natuur te versmoren, wanneer zij hare rechten ten nadeele der uwe doet gelden, dat ik nimmer uwe liefdevolle plannen weerstreve, en dat ik, slechts het ware geluk mijner kinderen behartigende, gelijk
592
Abraham gereed zij om my zonder morren te onderwerpen aan alle offers, die Gij mij zult vragen.
Gij ziet het, o Heer, ik verwacht alles van U en weiger ü niets. Zie dan neer op mijne smeekingen en mijn goeden wil, en overlaad die dierbare kinderen, die Gij nog meer dan ik bemin, met uwe bijzondere zegeningen. Geef mij den troost van te mogen denken, dat ik U door hen de U verschuldigde glorie zal verschaffen; laat mij hopen, dat zoo de boom tot dusverre slechts doode vruchten van genade heeft voortgebracht, zijne takken overvloedige vruchten van rechtvaardigheid en heiligheid zullen dragen. Amen.
XIII. Bij hel inlreden eener retraite.
Komt, gij allen die belast en beladen zijt, en ik zal u verkwikken.
Matth. X, 28.
Komt tot mij, zoo roept Jezus ons toe, komt tot mij; ik zal u de waarheid en het leven geven; ik zal u met mij doen ingaan in de woning mijns Vaders; ik zal u deel geven aan mijne goederen. Komt, gij allen die lijdt, ik zal u ondersteunen; komt, o zwakken en zieken, ik zal u genezen; komt, o zondaars, ik zal uwe misdaden afwasschen in de zee mijner barmhartigheid. Komt, gij allen die arm en verlaten zijt, en ik zal mijne rijkdommen met u deelen; komt, allen die nedergedrukt gaat onder het lijden, en mijn Hart, die onuitputbare bron aller genaden, zal u troosten en met goedheid overladen. Ben ik niet de God van alle zwakken, alle zieken, alle zondaars, zoo wel als de God der sterken, der
593
rechtvaardigen? Ben ik niet voor allen uit den Hemel nedergedaald ? Heb ik mijn leven niet gegeven, zoowel voor den geringsten slaaf als voor den mach-tigsten aller vorsten? Wie is van mijne genade, van mijn erfdeel, van mijne glorie uitgesloten? Wie is degene, dien ik niet met mijne kracht wil bekleeden, als hij berouwvol zijne zwakheden aan mgne voeten komt betreuren, dien ik niet met mijne deugden wil verrijken, als hij nederig zijne armoede erkent ? want ik heb immers gezegd, dat ik den hoovaardige weersta, maar genade schenk aan den nederige. 1)
Overtuigen wij ons wel, dat noch de gebreken onzer natuur, noch de lauwheid van ons hart, noch de ellende onzer ziel, noch zelfs onze vroegere ondankbaarheid, de groote liefde van Jezus voor ons hebben uitgedroogd. Tot het oogenblik, waarop zijne rechtvaardigheid het onherroepelijk vonnis heeft uitgesproken, wil Hij de volheid zijner genaden over ons uitstorten. Hij biedt ons zijne dierbaarste gunsten aan, Hij belooft ons het geluk, lokt ons, roept ons, vermenigvuldigt zijne pogingen, alleen om ons zijne teederheid te betoonen, ons wel te doen en ons zijn licht, zijne macht, zijne schoonheid en zijne glorie mede te deelen.
O mijne ziel, zult gij dan vreezen tot dien goeden Meester te gaan? Ziet gij dan zijn Hart niet, dat de liefde u geopend heeft en dat niets u zal sluiten, als gij zijn woord bewaart? Kunt gg twijfelen aan de goedheid, waarmede Hij luistert naar uw zuchten, uw smeeken? En zult gij Hem den smaad aandoen te gelooven, dat Hg ongevoelig is voor uwe rampen, als Hij niet ophoudt u met de teederste woorden toe te roepen: kom tot mij ?
1) I Petri V, 5.
38
594
Neen, mijn Jezus, ik heb dat woord verstaan; ik heb dat woord van goedheid gehoord, en daarom kom ik, bezwijkende onder den last mijner ellende, U smeeken mij te helpen en te verkwikken; daarom kom ik tot uw Hart om daar het licht en de kracht te zoeken, die ik noodig heb om mijn doornig pad 1 te blijven bewandelen. Gij weet het, mijn God, ik kan niet meer, ik bezwijk onder den last. Mijn voorraad voor de reis is uitgeput door de menigte mijner behoeften; ik sta met ledige handen, omdat ik door eene droevige verblindheid verzuimd heb mijn toevlucht te nemen tot het Brood des levens. Kom mij dan ter hulp, en geef mij gedurende de zalige dagen, die Gij in uwe goedheid mij bereid hebt, een overvloed van genaden, opdat ik moed putte om de moeielijke taak, mij door U aangewezen in mijne ballingschap, met een opgeruimd gemoed te hervatten.
Zie mij hier aan uwe voeten, o mijn Jezus, onder dat kruis, waarop Gy ter mijner liefde wildet sterven. Werp een blik van mededoogen en barmhartigheid op uw kind, besproei het met dat kostbaar bloed, dat uit uwe heilige Wonden vloeit, opdat het beter gezuiverd en minder de gunsten onwaardig zij, welke het in deze heilige dagen van uwe goedheid gaat 1 afsmeeken. Aanhoor genadig mijne bede, o mijn Verlosser, gelijk Gij eertijds die van den goeden moordenaar aanhoord hebt. Schenk mij ook eene edelmoedige vergiffenis mijner zonden; ik vraag U dit door de stem uwer gezegende Moeder; met Haar sta ik aan den voet van uw kruis, waar haar Hart door het zwaard van droefheid doorboord werd; ik vereenig de smarten, die mijn hart folteren, met de hare, en wil altijd dat »Fiatquot; herhalen, dat zij eens .
595
den engel toesprak en later hernieuwde in het vree-selijk uur van haar offer op Calvarië,
XIV. Voor den eersleo dag eener relrailc.
Ziehier de gunstige tijd, ziehier de dagen van zaligheid, II Cor, V, 2.
ïgt; Gij die dorstig zijt, kom tot de bron van levend water, dat springt tot het eeuwig leven.quot; Luister, getrouwe ziel, luister naar deze stem; het is de stem eens Vaders, die u aanzet, Hem uwe behoeften\' bloot te leggen, en in de schatten zijner barmhartigheid te komen putten. Het is de stem eens broeders, die zgne goederen, de verdiensten van zijne werken, van zijn lijden en zijnen dood met u wil deelen. Al die rijkdom is in zijn Hart besloten, en dat Hart staat voor u open. Ga tot die bron van liefde, waar het licht en het eeuwig leven ontspringen.
In deze gezegende dagen van ingekeerdheid en gebed, roept zijn Hart ons nog dringeuder tot zich. Verberg u dan in deze woning en smaak aan den voet des altaars, hoe goed en hoe zoet de Heer is. Luister naar zijn woord, het is de waarheid en het leven. Leg in zijnen schoot den last uwer smarten, en zijne vaderhand zal uwe tranen afdrogen. Put in zijne Wonden èn genade èn zaligheid, put met volle hand in de schatten zijner verdiensten; want ziedaar den oogst, dien Hij voor u heeft ingezameld.
Hoor naar zijn woord, dat tot u zegt: Vertrouw op mij. 1) Is er iets dat mij moeielijk is? Of ben ik gelijk degenen, die hulp beloven en niet helpen?
I) Navolging.
596
Nader dan zonder vrees zijn tabernakel; het is de troon zijner barmhartiglieid. Spreek Hem van uwe zwakheden, uwe gebreken, uwe zonden; en Hij zal als een bekwaam geneesheer uwe zieke ziel genezen, uwe wankelende schreden steunen, uw gewond hart heelen; want Hij kent uwe droefheid en uwe armoede. Bid Hem uwe wegen te verlichten, en zijn licht zal de duisternis van uwen geest doen verdwijnen en u met zijne stralen omgeven. Smeek Hem den sluier op te heffen, die u zijne goddelijke schoonheid verbergt en Hij zal u onuitsprekelijke geheimen mede-deelen; want Hij is goed voor degenen, die in Hem hopen, voor de ziel, die Hem zoekt. 1) Smeek Hem, u te verwarmen met een straal uit zgn goddelijk Hart en Hg zal een brand van liefde in u ontsteken.
Ja, vraag alle gunsten, die Jezus zoo gaarne geeft aan de zielen, die Hem daarom bidden, en dan zult gij begrijpen, dat niets te vergelijken is bij de vreugde van het huis des Heeren; dan zult gij vol dankbaarheid juichen : Hoe beminnelijk zijn uwe woont enten, o Heer, één dag in uwe voorportalen is heter dan duizend huiten dezelve. 2)
X7. Bij hel eindigen ïan een jaar, waarin men lot God is leruggekeerd.
Zijt gij verrenen met Jezns-Christns; zoo zoek de zaken des Hemels, en niet die der aardfe. Coloss. II, 1, 2.
Het is heengevloden in de eeuwigheid, dat jaar, dat zoo gewichtige jaar mijns levens. Ten laatste
1) Thren. II, 25. 2) Ps. XXXII, 1, 10.
597
verlicht door een straal van Gods hemelsch licht, heb ik begonnen onder zija oog te wandelen en in de vurige begeerte vau Hem te behagen en Hem steeds aangenamer te worden; steeds vreezende Hem te mishagen en te verliezen, heb ik ernstig de hand aan het werk mijner zaligheid geslagen.
Ja, mijn God, ik ben U genaderd en Gij hebt mij verlicht; ik heb geleerd de aardsche en de eeuwige zaken naar hare juiste waarde te schatten. Door uwe genade heb ik den tijd, dien kostbaren schat, om den hemel te koopen, niet meer onder de voeten vertreden. In uwe goedheid hebt Gij de genoegens der wereld ver van mij verwijderd, o ware en opperste zoetheid; Gij hebt U op hunne plaats gesteld, zoeter dan alle weelde, schitterender dan alle licht, heerlijker dan alle heerlijkheid dezer wereld. 1) Gij hebt mij uwe voortdurende hulp, uwe kostbare zegeningen medegedeeld, zonder welke ik niets zou hebben kunnen doen, dat uwer blikken waardig was, dat uwe glorie of de zaligheid mijner broeders kon bevorderen.
Door uwe liefdevolle goedheid zijn mijne zwakke pogingen niet immer vruchteloos geweest; en meer dan eens heb ik, aan uwe voeten nedergeknield, uwe barmhartigheid mogen zegenen, die zich van my bediende, om het goede te bevorderen.
Gelief mij dan voortdurend uwe zorg te bewijzen, o goddelijke Meester, te besproeien wat Gij geplant hebt; bewerk dat kleine stukje gronds mijner ziel; want heeft het al niet de vruchten voortgebracht, die Gij recht hadt te verwachten, zoo is het niet geheel onvruchtbaar gebleven; uwe liefde heeft het
1} H. Auguatinus.
598
verwarmd, dat zoo lang onvruchtbare veld, en heeft het vruchten van liefde doen voortbrengen. Maar die eerste oogst kan noch uw Hart, noch het mijne vergenoegen, o mijn Jezus; nu het eenmaal gegeven heeft, wil het nog meer geven; nu het begrepen heeft, wat het ontving, wil het meer verdienen. Daarom kom ik U nieuwe genaden, nieuwe kracht en nieuwen zegen vragen voor het jaar, dat zich voor onze blikken ontrolt. Ik wijd U toe al de dagen, al de oogenblikken van dit jaar. Moge er geen enkel zijn dat mij beschuldige, maar dat alle U spreken van mijne onderwerping, mijne dankbaarheid, mijne liefde.
Ja, thans heb ik het ware goed mogen beschouwen, het schoone begrepen, het leven verlangd; want dit alles is in U, aanbiddelijke Meester, in U, die het oneindig goed, de vlekkelooze schoonheid, het einde-looze leven zijt. Nadat ik alles verlaten had, heb ik alles in U gevonden, en ik heb als het slijk der aarde datgene beschouwd wat de aarde genoegens, vreugde, rijkdom noemt.
Daarom wijd ik my onverdeeld aan U toe. Ik geef ü mijn verstand, mijne vermogens, mijzelve met al wat ik bezit, mijn geheele leven! Maar op uwe beurt, mijn Jezus, bid ik U, verlicht de oogen mijner ziel, ten einde ik de hoop moge zien, waartoe Gij mij geroepen hebt, welke de rijkdommen en de glorie zijn van het erfdeel, dat Gij uwen uitve:-koornen beloofd hebt. 1)
1) Ephea I, 18.
599
XVI. Na een jaar van beproeving.
De rechtvaardige begint te leven, als hij voor Jezos-Christus gestorven is; vrees niet zulk een gelukkigen dood te sterven.
H, Chrysostomns.
Het is verloopen dat jaar, waarvan elke dag voor mij slechts een lange en moeielijke doodstrijd, een weefsel van aanhoudende moeielijkheden en beproeving geweest is; en nochtans wil ik dit jaar niet eindigen zonder tot U te zeggen: Ik dank U, Heer! want ik weet dat, hoe smartelijk deze dagen voor mg geweest zijn, hoe myn hart ook verscheurd zij, hoeveel mijne natuur te lijden gehad hebbe, door immer aan zich zelve te moeten sterven, zoo heeft mijne ziel in dit lijden, in dien dood aan zich zelve, een nieuw leven gevonden en op de puinhoopen van den ouden mensch heeft zij het gebouw van den nieuwen mensch Jezus-Christus opgericht.
Ik hen de weg, zegt Jezus, de waarheid en het leven, en niemand gaat tot den Vader, dan door mij! 1) Heeft het lijden mij dan nader tot U gebracht, o mijn Verlosser, zoo heeft het ook den afstand vermindert, die mg van uwen Vader afscheidt. Ja, ik heb een stap tot Hem gedaan en uit de diepte mijner ellende ben ik tot mijn Schepper opgeheven.
Eer en lof aan U, o Jezus, die mij dit geluk verdiend hebt; Gij hebt mij de aardsche goederen ontnomen; maar hebt Gij mij in ruiling geene oneindig kostbaarder schatten gegeven?
Gij hebt mij de vreugden, de genoegens der aarde ontrukt; doch hebt Gij mij in uw Hart geen zoeteren wellust doen smaken? Gij hebt mg ontdaan van
1) Joa. XIV, 6.
600
mij zelve; maar was het niet om mij met U te bekeeden, mij met uwe liefde te voeden ? Ja, uwe vertroostingen hebben mijne ziel met wellust vervuld, en mijne ziel looft U met een dankbaar gevoel; want als zij in dit leven zaait in tranen, zal zij hiernamaals oogsten in eene vreugde, die nimmer zal eindigen.
XVII. Bij hel intreden in de Derde Orde.
De rechterhand des Heeren heeft hare kracht getoond, de rechterhand des Heeren beeft mij verheven. Ps. CXVI, 16.
Nu, Heer, mag ik met den Apostel zeggen: Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus ? 1) Nu ben ik verbonden met dien aanbiddelijken Meester, door banden, sterker dan de dood; want zij zullen mijne glorie in de eeuwigheid uitmaken. Nu maak ik deel van die religieuze familie, waarin uwe gsnade de heiligen heeft vermenigvuldigd, waarin mijne ziel zulke volmaakte voorbeelden, zulke krachtige voorsprekers zal vinden. O in die gezegende familie wil ik leven en sterven en het voetspoor drukken van al die edelmoedige zielen, die mij zijn voorgegaan en mij aansporen hen te volgen. Gelijk zij, wil ik mijn loop voortzetten om Jezus-Christus te bereiken. Mijn weg ligt in het beoefenen der armoede, dei-ootmoedigheid, der versterving, der langmoedigheid, dien Hij zelf gevolgd heeft, terwijl Hij ons door zijne woorden, zijne daden, zijn leven en zijn dood toeroept: JJe liefde, die niet werkt, is de ware liefde niet. 2)
1) Kom. VII, 35. 2) H. Gregorius.
601
O, Gij zult mij dit verwijt niet behoeven te doen hooren, o mijn God; want van dit oogenblik af wil ik slechts ééne zaak kennen en beminnen, Jezus gekruist; ja, van dit oogenblik af ga ik mij ontdoen van den ouden mensch om mij met den nieuwen mensch te bekleeden.
O mijne ziel, bereid u dan ten strijd. Heb steeds het zwaard des offers in de hand en spaar den ouden Adam, den Vader der zonde, niet. Dat al uwe slagen doodelijke slagen zijn, hoe meer gij den vijand van God, die ook de uwe is, vernielt, hoe meer plaats gij geeft aan Jezus-Christus. Scheid u dan af van alles, wat u van Hem zou kunnen scheiden en vraag slechts in alles den wil te mogen volbrengen van Hem, die u in de wereld gezonden heeft, om ons voorbeeld, ons licht, onze kracht te zijn.
Ik heb het begrepen, Heer; in uwe liefde hebt Gij mij verkoren en Gij wilt dat ik ü volkomen toebehoore. Maar, daar niemand tot ü komt, tenzij door Jezus-Christus, zoo smeek ik ü mij meer en meer met mijnen Verlosser te vereenigen, opdat ik, even waar en even verheugd als uw Apostel, moge herhalen: »Ik leef niet meer, ik werk niet meer, ik besta niet meer; Jezus en Jezus alleen leeft in mij.quot;
Ja, mijn God, dat het aldus geschiede! Laat mij in die goddelijke vereeniging eene liefde vinden, die edelmoedig genoeg is om nooit te zeggen: het is genoeg! en steeds te herhalen: Mijn hart is bereid, mijn God, mijn hart is bereid. 1) Gij hebt mij reeds door het vuur der beproeving laten gaan; Gij hebt mij den kelk van smart doen drinken; mijn hart en mijn lichaam zijn als onder de wijnpers gedrukt
1) Ps. IV, 10.
602
geworden ; maar moet ik met Jezus nog meer lijden, zoo wil ik dit ook, o Heer! Mijne ziel is bedroefd; moet zij bedroefd zijn tot den dood, zoo wil ik dit ook. Ik ben overladen met rampen en smarten; wilt Gij ze vermeerderen. Heer, ik wil het ook. Ik heb grooten rampspoed en bittere teleurstelling ondervonden; maar wilt Gi) dat ik van alle goederen beroofd, van allen menschelijken troost en vreugde verstoken, overgegeven worden aan verachting en onverschilligheid, ik wil het ook.
Ja, mijn God, ik wil alles, ik onderwerp mij aan alles, ik geef mij over aan uw welbehagen; maar ondersteun mijnen wil en mijnen moed op dien nieuwen en volmaakten weg, dien Gij mij wilt doen bewandelen; maak mijn besluit vaster, want Gij, die alles weet, weet ook dat ik U bemin uit geheel mijn hart, uit geheel mijne ziel, uit al mijne krachten; Gij weet ook, hoe zwak, hoe onstandvastig ik ben, hoe menigmaal ik ondankbaar jegens U geweest ben. Hecht mij dan door Jezus aan U vast, dan zal ik te midden der hevigste beproevingen en worstelingen noch smart, noch vermoeienis gevoelen, en ik zal dien vrede genieten, dien vrede, die geen avond kent, 1)
1} H. Angustiuns.
603
XVIII, Voor de geloovigeo, die hel geluk hebben mei Jezus iu hel H. Sacrament onder één dak le wonen.
De God der heerkrachten is met ons; wij staan onder de bescherming van den God van Jacob. Ps. XIV. 7.
Wie is Hg die met ons wil wonen? Het is de heilige en onsterfelijke God, de rijkdom des hemels, de eeuwige wijsheid. Het is de Schepper, de Opperheer, de Meester van hemel en aarde. Het is de oneindige, de glorie, het Woord van God, het is Jezus, onze Zaligmaker. Het is de welbeminde Zoon, het voorwerp van het eeuwig welbehagen des Vaders, het is de liefde van den H. Geest.
Hij rust daar, die almachtige God, die God vol genade en goedheid; Hij rust daar in dat kleine tabernakel. Hij is daar in zijne volle grootheid, in zijne volle schoonheid, in zijne volle kracht en glorie. Hij is daar met zijne groote liefde, zijne groote welwillendheid, zijne uitnemende lieftalligheid. Hij houdt zich daar verborgen om ons niet te verblinden, Hij besluiert zijne schitterende schoonheid onder de gedaante eener geringe Hostie, opdat wij tot Hem zouden durven naderen.
O, zal ik ooit naar waarde die groote weldaad erkennen, die wij in en door Hem bezitten? Ja, Heer, ik geloof, ik aanbid dit geheim. Ik werp mij neder voor uwe godheid met uwe menschheid vereenigd. Ja, ik erken in U mijnen Schepper en Verlosser; en nedergeknield voor die heilige Hostie, die mij uw aanbiddelijk aanschijn en uw goddelijk Hart verbergt, gevoel ik mij door vrees bevangen en door liefde ontvlamd.
604
O onbegrijpelijk wonder, o verheven goedheid, o liefde, hoe diep vernedert zich uwe Majesteit? Is het mogelijk dat een God onder ons wilt wonen? Indien de uitgestrektheid der hemelen voor Hem niet ruim genoeg is, hoe zal mijn huis Hem kunnen bevatten ? 1) Hoe heeft Hij voor ons het woord van den Profeet willen vervullen: Het is hier de plaats mijner eeuwige rust; hier zal ik wonen, omdat ik ze gekozen heb. 2)
O mijne ziel, gevoelt gij wel genoeg de groote gunst u toegekend? Begrijpt gij uw geluk? Gij bezit Jezus, dien goeden Meester, die, toen Hij op aarde verkeerde, ook degenen bezocht, die Hij beminde, die Hij met zijne genaden wilde verrijken, in hunne droefheid wilde troosten, in huflue ziekten wilde genezen. Waarom is Hij tot u gekomen? Is het niet om tot u, gelijk tot Zacheus, gelijk tot zijne vrienden te Béthanie, te zeggen: Ik ben uwe zedigheid. 3) Waarom heeft Hij met zoo veel bereidwilligheid aan uwe beden voldaan? Was het niet, omdat Hij wist, dat gij ziek en treurig waart, dat gij arm en behoeftig waart, en Hij u met zijne goederen wilde verrijken?
O liefdevolle Vriend, o kon ik toch beter uwe goedheid, uwe bewonderenswaardige inzichten begrijpen! Kon ik toch beter aan uwe liefde beantwoorden! Kon ik U toch in mijn huis, te midden der mijnen en in mijn hart de eereplaats geven, die Gij verdient!
Zeg mij dan, o Jezus, wat ik moet doen, wat ik moet geven, wat ik moet lijden om aan uwe inzichten te beantwoorden. Zeg mij, hoe ik moet
1) III Komngen VII, 27. 2) Ps. CXXX, 15. 3) Pa. XXXIV, 3.
605
werken en bidden, leer mij alles, wees meester in mijn huis; ik geef u alles over wat ik bezit, ik vertrouw U alles toe; bescherm hen die mg dierbaar zijn, o Heer, en zegen de pogingen, die ik aanwend, opdat zij U mogen dienen en beminnen. Volbreng in ons datgene waartoe Gij gekomen zijt; zoudt Gij van zoo ver komen om ons in droefheid en verlatenheid achter te laten ?
Neen, Heere Jezus, het zal aldus niet zijn; vraag ons wat Gij wilt, maar geef ons ook uwe genaden. Ik wil niet anders dan uw goddelijk welbehagen; ik heb slechts ééne begeerte, ü altgd in mijn hart en mijne nederige woning te mogen bezitten.
Ja, Heer, aan uwe voeten beloof ik het ü; ik geef, ik vertrouw mij geheel aan ü, en wil geen anderen steun, geen ander licht, geen anderen troost dan U, die mij met eene matelooze liefde hebt bemind en mij eene belooning toezegt, even groot als uwe liefde.
Wees dus alles voor mij in mijn leven, om alles voor mij te zijn in de eeuwigheid.. Amen.
XIX. Bij openbare rampen.
De hand des Heeren is niet verkort, zoodat Hij niet meer zon kannen helpen; en zijn oor is niet doof, zoadat Hij niet meer naar ons zou laisteren. Isaise IX, 1.
Gij spraakt eertijds tot Israël, o Heer: In een oogenhlik der verbolgenheid heb ik mijn aanschijn een weinig van u verborgen, en ik heb u met een eindeloos medelijden beschouwd: 1)
1) Isaiie IV, 8.
606
O spreek tot ons dat woord van Trede en hoop! Spreek het tot ons arru vaderland, dat bezwijkt onder het aantal zijner rampen en het gewicht zijner puinhoopen! Gij hebt tot uw volk gezegd: Gij zult mij aanroepen, en gij zult leven; en gij zult mij hidden, ik zal u verhooren. 1)
Zie ons hier aan uwe voeten, Heer, gedrukt onder den zwaren last onzer smarten. Werp op ons een blik van medelijden. Wij doen tot U den noodkreet stijgen onzer onmacht: » Heer, laat tl tot mededoogen bewegen!quot; Heer, Gy ziet het. De vijand heeft onze steden bemachtigd en overal dood en vernieling verspreid; onze kinderen, onze broeders zijn onder zijne moordende slagen gevallen; de dood telt zijne slachtoffers niet meer. De ziekte voert degenen mede, die vuur en staal gespaard hebben, en de vreeselijke foltering van den hongersnood vermeerdert onze smarten. Ik smeek U nogmaals, o God, zie op ons neder; red ons, want de moedeloosheid, de vertwijfeling zelfs maakt zich meester aller harten.
Het is maar al te waar, dat het onze misdaden zijn, die uw aanschijn van ons hebben afgekeerd, die uw arm gewapend en de slagen uwer rechtvaardigheid geleid hebben. Ja, het is om onze zonden, dat de zaligheid zoo ver van ons verwijderd is. Uw naam, mijn God, werd niet meer gekend, noch aanbeden door hen, dieU vroeger geknield aanriepen; uwe kinderen hadden U verloochend, uwe dienaars hadden uw juk afgeschud, uw volk had U vergeten en bewandelde bedorven wegen, en als Gij van het hoogste des hemels op dezen vroeger zoo gezegenden grond nederzaagt, vondt Gij niemand, die in zich zeiven keerde en uwe liefde begreep.
1) Jerem. XXIX, 12.
607
Maar, hebben de bittere wateren der kwelling onze harten niet gezuiverd en veranderd, o Heer? Ziet Gij dan niet, dat wij onze schuld erkennen, en onder tranen boetvaardigheid doen, dat wij met gelatenheid het gewicht uwer verbolgenheid dragen, en dat wij met een vernederd en vermorseld hart uwe barmhartigheid afsmeeken? Zijn onze boosheden groot, zoo bewijs ons toch genade, opdat wij de glorie van uwen naam mogen verkondigen. Werp verre van U de roede, waarmede Gij niet ophoudt ons te kastijden; steek het zwaard, dat ons wondt, in de schede, en verbreek door uwe macht de krachten onzer vijanden.
Ja, toon ons uwe goedertierenheid, opdat wij erkennen, dat Gij rechtvaardig en getrouw zijt in uwe beloften. Verander onze tranen in vreugde, onze zuchten in jubeltoonen, onze smeekingen iu dankliederen en dan zal uit onze dankbare harten dezen kreet van lof en liefde opstijgen: »Hoe groot, hoe machtig, hoe goed is de God, die het gebed verhoort van den bedrukte, en degenen redt die in gevaar verkeeren.quot; Amen.
XX. De B. Kruisweg,
VOORBEEEIDEND GEBED.
Zoo iemand na mij wil komen, hij verloochene zich zeiven, neme zijn kruis op, en volge mij na, 1)
Het is, omdat ik dit woord gehoord heb en het ter harte wil nemen, dat ik uwe smarten kom overwegen
1) Lues IX, 23.
608
en met U den heiligen berg van Calvarië wil beklimmen. Met Maria en de H. Vrouwen wil ik uw voetspoor drukken, en in het kostbaar Bloed, dat dezen heiligen weg besproeid heeft, wil ik nieuwe krachten putten om mijn kruis dagelijks te dragen met eene edelmoedigheid, die aan uwe vurige liefde beantwoordt.
late STATIE.
JEZUS WORDT TEE DOOD VEROORDEELD,.
Wij aanbidden U, Christussen prijzen U, omdat Gij door uw kruis de wereld verlost hebt.
De Ziel. O mijn goddelijke Meester, waarom zwijgt Gij tegenover degenen, die U beleedigen en veroordeelen ? Door één woord hebt Gij het heelal geschapen, en Gij spreekt het woord niet uit dat uwe vijanden zou beschamen en hun zou dwingen het onrechtvaardig oordeel tegen U uitgesproken, te herroepen!
Jezus-Christus. O mijne Dochter, zoo ik in dat vreeselijk uur gezwegen heb, zoo ik den mond niet heb geopend om mij te beklagen, zoo was dit om door mijn vrijwillig stilzwegen al die woorden van ontevredenheid en weerspannigheid, door u tegen den wil mijns Vaders vdtgesproken, te boeten; zoo ik het hoofd heb gebogen bij het onbillijk vonnis van Pilatus, zoo was dit om u vrij te pleiten van het vonnis van eeuwige verdoemenis, dat op u drnkte. Zult gij bij de herinnering aan zulk eene grootmoedigheid, uwe stem nog verheffen om u te beklagen, in plaats van uwen Verlosser te zegenen?
Onze Vader, Wees gegroet. Glorie zij den Vader. Ontferm U onzer, o Heer, ontferm U onzer.
609
Dat door Gods barmhartigheid de zielen der ge-loovigen rusten in vrede. Amen.
O Maria druk in mij de wonden van den gekruisten Jezus.
2de STATIE.
JEZUS DRAAGT ZIJN KRUIS.
Wij aanbidden ü, enz.
De Ziel. Waar gaat Gij heen, mijn Jezus, gebogen onder dien zwaren last, met dat schandhout voor de misdadigers bestemd? Waarheen geleiden U uwe woeste vijanden? Welke smarten, welken hoon bereiden zij U nog? Kaïphas lasterde U, Herodes behandelde U als een zinnelooze, Pilatus deed U geeselen en met doornen kronen, de Joden hebben U met smaad en hoon overladen; hebt Gij uwen lijdenskelk nog niet geledigd?
Jezus-Christus. Het zijn niet mijne vijanden, het is mijne liefde, die mij aanzet nog eens het verloren schaap te gaan opsporen. Ik verzamel mijne laatste krachten om den Calvarieberg te beklimmen en van daar tot allen te roepen: Gij, die ver af zijt, ziet xoat ik gedaan heb; gij, die nabij zijt, erkent mijne kracht. 1)
O beminde ziel, help mij mijne afgedwaalde schapen terugvinden; weiger mij de hulp niet, die ik vraag van hen, die ik verkozen en op mijne schreden geleid heb.
Onze Vader, Wees gegroet, enz.
1) Isaias XXXII, 13.
39
610
3ae STATIE.
EEKSTE VAL TAN JESUS.
Wij aanbidden U, enz.
De Ziel. Hoe dan, Heer, zijt Gij het wel, Gij de Christus, de Zoon van den levenden God, 1) dien ik hier ter aarde zie vallen? Uwe glorie vervult de hemelen, de aarde is vol van uwen lof, de bergen dalen onder uwe schreden, en Gij valt...
Waar zijn nu die legioenen engelen, die U aanbidden, ü vergezellen? Waarom ondersteunen zg U niet; waarom beletten zij U niet te vallen?
Jezus-Christus. Helaas, mijne Dochter, het zijn de zonden der wereld, die mij verpletten; en om die uit te wisschen moet ik dalen tot de uiterste grenzen der menschelijke zwakheid.
Heb ik willen vallen, zoo was dit om de zwakken te versterken, den gevallen zondaar op te beuren. Ware ik niet gevallen, waar zoudt gij dan moed geput hebben om uwe zwakheden te verbeteren, uit uwe zonden op te staan?
Onze Vader, Wees gegroet, enz.
4de STATIE.
JEZUS ONTMOET ZIJNE ALLERHEILIGSTE MOEDEE.
Wij aanbidden U, enz.
De Ziel. Is er wel eene smart gelijk geweest aan de uwe, o mijn Jezus, op het oogenblik toen uwe blikken, die van Maria ontmoetten, waarop Gij haar schoon gelaat met tranen overstroomd zaagt,
1) Matth. XVI, 16.
611
waarop Gij getuige waart vau de hartverscheurende smart uwer lieve Moeder? Geen menschelijk gevoel kan wedergeven, wat uwe beider harten geleden hebben in dit allerdroevigst oogenblik.
O teedere Moeder, wat ging er om in uwe ziel, toen Gij uwen goddelijken Zoon misvormd, bebloed, onder den last des kruises zaagt bezwijken? O, hoe waar is het, dat uwe smart uitgestrekt was gelijk de zeel 1) Maar wie geeft u de kracht uwen Jezus tot op den berg van Calvarië te volgen, Jezus, die goddelijke zon, die geheel uw leven verlicht had, tot deszelfs ondergang te volgen?
Jezus-Christus. Mijne Dochter, de liefde is sterk als de dood; 2) verwonder u dus niet, dat mijne Moeder mij volgde tot op Golgotha. Zij volgt mij niet slechts op den geur mijner reukwerken, maar ook op de menigte mijner smarten; niet slechts op de vreugde van mijne vertroosting, maar ook op den overvloed van mijn lijden. 3)
O volg haar na, bewandel edelmoedig dien weg waarop gij mg altijd vinden zult; en ik, uw Welbeminde , zal alle bitterheid in zoetheid, uwe doornen in rozen veranderen.
Onze Vader, Wees gegroet, enz.
5de STATIE.
SIMON HELPT JEZUS HET KRUIS DRAGEN.
Wij aanbidden U, enz.
De Ziel. Waar zijn thans uwe Apostelen, uwe leerlingen, mijn Jezus? Waar zijn ze, die scharen, die Gij onderricht, gezegend, gevoed, genezen hebt?
1) Thren. I, 13. 2) Hooglied Vil, 16. 3) Taulerus.
612
Helaas, helaas! van al uwe kinderen is er niemand die U ondersteunt, niemand uwer vrienden, die U de hand toestrekt om U te helpen. Hoe zeer bedroeft my uwe, verlatenheid, mijn dierbare Meester! ach, laat niet toe, dat ik mij ook aan eene dergelgke ondankbaarheid schuldig make.
Neen, ik wil niet dat een vreemdeling, dat een heiden U ondersteune. Zie mij hier, o Heer, om U in het kruisdragen te helpen, door mijn kruis dagelijks te dragen.
Jezus-Christus. Ik neem uwen dienst aan, mijne Dochter, en verheug mij, dat gij niet doet gelijk zij die mij veracht hebben, toen zij mij zagen zonder sehoonheid en zonder glans; wel is waar, zijn,het uwe zonden, die mij in dezen toestand gebracht hebben, doch heden troost gij mij, omdat gij aan mij gelijkvormig wilt worden.
Houd moed dan, edelmoedige ziel; zij die mij volgen, zeggen nooit: »ik ben moedequot;; want ik zal ze ondersteunen op dien weg, dien ik zelf het eerst doorloopen heb, en die voortaan de rechte, de heilige, de koninklijke weg, die ter glorie geleidt, zal genoemd worden.
Onze Vader, Wees gegroet, enz.
6ae STATIE.
JEZUS EN DE HEILIGE VERONICA.
Wij aanbidden U, enz.
De Ziel. O mijn goede Meester, hoe benijd ik het lot dier grootmoedige vrouw, die, door de liefde aangedreven, door uwe vijanden heendringt en hunne woede trotseert, om ü in uwe uiterste smart te
613
troosten. Al die voorbijgingen schenen te juichen toen zij U aldus misvormd zagen; zij schudden het hoofd en vraagden: Is dit dan de schoonste der kinderen der menschen, de Koning der wereld en de vreugde der aarde? Maar Veronica erkent U; onder dat misvormd gelaat, onder die lijdende trekken, erkent zij haren Jezus, en haar hart snelt tot Hem, om Hem een sprekend en verheven bewijs harer liefde te geven.
O mijn Jezus, hoe edelmoedig hebt Gij haren moed, hare getrouwheid beloond! En daar ook ik hier nederkiel om ü te aanbidden onder dat kleed van schande, smeek ik ü, mij ook deel te geven aan die buitengewone genaden, waarmede Gij uwe vrienden begunstigt.
Jezus-Christus. Waarom, mijne Dochter, verlangt gij naar die gunst, die ik Veronica bewees, als belooning harer edelmoedigheid? Weet gij dan niet dat, wanneer gij u toelegt om mij te dienen, wanneer gij u zeiven opoffert voor hen, die mij vergeten en beleedigen, gij de tranen uit mijne oogen, den smaad van mijn aangezicht wischt? Weet gij niet dat, wanneer gij den minste der mijnen troost en helpt, gij uwen God troost en hulp biedt?
Benijd dan niets aan die godvruchtige vrouw; want gij hebt hetzelfde voorrecht genoten; ja, gij zijt nog overvloediger begunstigd, want door grootmoedig te lijden, kunt gij ook mijn beeld in uw hart afdrukken. \'
Onze Vader, Wees gegroet, enz.
614
T-ie STATIE.
JEZUS VALT TEN TWEEDEN MALE.
Wy aanbidden U, enz.
De Ziel, Zoo is dan liet woord van den profeet vervuld. Uw lichaam hebt Gij gesteld als eene aarde en als een weg door de voorbijgangers vertreden. 1) O, mijn hart breekt bij het zien van den gestrengen arm, die op U drukt, mijn goddelijke Meester. Ik zie de woede, de wreedheid uwer vijanden, de vernedering waartoe Gij gebracht zijt, en ik kan den arm des Heeren, die U drukt en verplet, niet terughouden.
Jezus-Christus. Dit is waar, mijn kind! mijn J Vader heeft mij in zijne oneindige rechtvaardigheid behandeld als een wijngaard, waarvan men de vruchten heeft ingezameld; ik ben vertrapt onder de voeten mijner vijanden, als in eene wijnpers. En waarom wilde ik zoo diep vernederd worden? O het was om den dwazen hoogmoed der menschen te boeten, die altijd het hoofd verheffen; het was om mijnen dierbaarsten kinderen te leeren wat hunne eigenliefde en hunne ijdelheid mij gekost hebben, en hun den moed te geven om ter mijner liefde verachting en beschimping te lijden. G,
O, overweeg dan dikwijls de verhevene les, die ik u geef; doe in uw hart al de gevoelens sterven, die het Hart van uwen God kwetsen, en wandel op zijn voetspoor op den weg van vernedering en verachting.
Onze Vader, Wees gegroet, enz.
1) Isaise I, 2, 3.
615
8ste STATIE.
; JEZUS EN DE HEILIGE VROUWEN.
Wij aanbidden U, enz.
De Ziel. O, mijn aanbiddelijke Jezus, sta een oogenblik stil op uwen Igdensweg, en spreek tot mij als tot de dochters van Jeruzalem, die U volgden; want, even als zij, kniel ik vol medelijden en smart voor U neder. Ach, zeg mij, waarom zijt Gij tot dien staat gebracht ? Leer mij, hoe ik U kan verlichten, en vooral hoe ik den weg moet heiligen, die ik in uw gevolg bewandel.
Jezus-Christus. Dochter van Sion, kind van liefde, luister naar mijne stem. Ik lijd, omdat de distels en doornen in mijnen gesloten wijngaard groeien, omdat mijne kinderen in verwarring leven, omdat niemand ziet wat ik doe, luistert naar wat ik zeg. O zoo gij mij wilt troosten, herdenk dan de jaren uwer jeugd in de bitterheid van uw hart, beween uwe zonden, die de oorzaak mijner smarten zijn; ween uit vreeze van mij te verliezen, over mijne liefde, die men veracht; ween vooral over de ondankbaren, die mij verlaten hebben en niet ophouden mij te beleedigen; want mijne gestrengheid zal onverbiddelijk zijn voor hen, die mijne goedheid veracht en mijne weldaden tegen mij gekeerd hebben.
Onze Vader, Wees gegroet, enz.
Ode STATIE.
JEZUS VALT TEN DERDEN MALE.
Wij aanbidden U, enz.
De Ziel. Mijn Jezus, thans zijt Gij op den top van den Calvarieberg gestegen, waar Gij dat offer moet
616
opdragen, dat Gij zoo vurig wenscht te volbrengen, en Gij wankelt, Gij bezwijkt! Waarom die zwakheid in U, die de sterkte zelf zijt? Boezemt het offer dat uw Vader vraagt, U afgrijzen in? Beeft Gij terug bij het zien der nagelen, van het bloedig kruishout, van den vreeselijken doodsangst, die U wacht?
Jezus-Christus. O myne Dochter, kunt gij aan de edelmoedigheid mijner liefde twijfelen? Neen, ik vrees niet; ik heb met eene groote begeerte verlangd voor u te sterven; ik word gedrongen door het doopsel des bloeds gedoopt te worden, en u in mijne wonden eene veilige schuilplaats te kunnen aanbieden; maar die schijnbare zwakheid is eene nieuwe uitvinding mijner liefde; want door mijn derden val heb ik de macht verworven van degenen, die nedergedrukt zijn, op te beuren, heb ik u den moed verkregen om uw kruis te dragen en de kracht om zonder Weerzin de offers te omhelzen, die ik vraag van hen, die ik in myne glorie wil doen deelen.
Onze Vader, Wees gegroet, enz,
10de STATIE.
JEZUS WOEDT VAN ZIJNE KLEEDEEEN BEEOOID.
Wij aanbidden U, enz.
De Ziel. Engelen des hemels, die uw gelaat met uwe vleugelen dekt voor den glans der godheid, beweent bitterlijk den smaad uwen God hier aangedaan.
Niet tevreden zich te ontdoen van het kleed zijner glorie, heeft Hij aan onze oogen in een staat van volkomen naaktheid willen verschijnen, die Hem met schaamte overdekt. O waarom bedekt Gij met uwe vleugelen dezen tempel niet, waarin de Godheid rust.
617
Hoe, mijn Jezus, kondet Gij uwe dierbare Moeder die laatste smart niet besparen? Kondet Gij dien laatsten smaad, dat vreeselijk lijden, dat al uwe folteringen van het Pretorium vernieuwt, niet ontgaan?
Jezus-Christus. Zoudt gij, zonder deze overmaat van smart en vernedering, die wonden kunnen beschouwen, welker kracht u zoo vaak genezen heeft?
Zouden de menschen, zonder dit treurig schouwspel , ooit de grootheid, de afschuwelijkheid begrepen hebben van de zonde en van den afgrijselijken toestand, waartoe hunne boosheden mij gebracht hebben? Ik heb ook die volkomen ontblooting, die groote armoede willen lijden om u de kracht te verwerven van alles uit uw hart te rukken, wat u nog aan de schepselen boeit en u van mij aftrekt. Wil dus de dunste vezelen uwer eigenliefde afbreken of laat liever mijne kruisigende hand in u werken. Vrees de wonden niet, die zij u zal veroorzaken; want in mijne wonden zult gij een zachten balsem vinden om de uwe te genezen.
Onze Vader, Wees gegroet, enz.
11de STATIE.
JEZUS AAN HET KRUIS GENAGELD.
Wij aanbidden ü, enz.
De Ziel. Ik aanbid U, mijn Jezus, uitgestrekt op dit bed van schande en smart. Ik aanbid uwe gehoorzaamheid, uw stilzwijgen, uwe lijdzaamheid; ik kus uwe doorboorde handen en voeten; ik vereer dien hamer, dat bloedig werktuig mijner zaligheid, en die wreede nagelen, die door uw maagelijk vleesch dringen. O zij kunnen wel niet mijn lichaam doorboren,
618
maar zij doordringen mijn hart met dankbaarheid, liefde en smart.
Jezus-Christus. Nader dan, mijne Dochter, kom uw Verlosser beschouwen en troosten, uw Verlosser, die gehoorzaam is geworden tot den dood, tot den dood van het kruis. 1) Kom, want ik heb u mijne vrienden genoemd, en de meesten hebben mijne hoop bedrogen. Kom, en gij zult de vurigheid mijner liefde begrijpen.
O hoeveel heb ik moeten lijden om de poorten des Hemels te openen, die de ongehoorzaamheid van Adam gesloten had! Hoeveel lijden heb ik moeten verduren om die zielen te verlossen, die mij zoo dierbaar waren! Maar nu zal ook niemand de poorten kunnen sluiten van het rijk mijns Vaders, noch mij diegenen ontnemen, die ik vrijgekocht heb.
Onze Vader, Wees gegroet, enz.
12de STATIE.
JEZUS STERFT OP HET KRUIS.
Wij aanbidden U, enz.
De Ziel. Mijn lieve Jezus, Gij hebt dan het doel van uwen lijdenstocht bereikt, dien Gij met zulk eene vurige liefde hebt begonnen. Er blijft U niets meer over om ons te geven, niets meer voor ons op te offeren, en Gij kunt in alle waarheid zeggen: Vader, ik heb uwen wil in alles volbracht op aarde; ik heb mijn leven voor mijne broeders gegeven. Nu is alles volbracht.
Het is waar, mijn Jezus, er blijft U niets meer op aarde te doen over, waar werp, alvorens van
1) Philipp. I, 8.
619
deze aarde te scheiden, op mij, gelijk op Magdalena, één blik van medelijden; spreek tot mij, gelijk tot den goeden moordenaar, één woord van vergeving en barmhartigheid; geef mij nog dit bewijs uwer teeder-heid, opdat ik, door uwe oneindige liefde overwonnen, U liefde voor liefde, leven voor leven wedergeve.
Jezus-Christuv. Mijn Hart is eindelijk voldaan, o mijne Dochter. Ik heb het vonnis uwer veroordeeling uitgewischt; ik heb uwe vijanden verwijderd; ik heb den dood overwonnen; ik ga nu sterven, maar de dag mijner verrijzenis nadert; dan zullen allen die mijn naam aanroepen en zich aan mijn juk onderwerpen , de vergiffenis hunner zonden ontvangen. Dan zullen de blinden zien, de dooven zullen hoor en; 1) de tong dergenen, die stom waren, zal ontbonden worden, de dooden zullen verrijzen, en allen zullen opzien tot Hem, dien zij doorboord hebben. 2)
Ja, mijne Dochter, mijn Hart is tevreden; ik heb de mijnen tot het laatste toe bemind; 3) want welk grooter bewijs van liefde kon ik hun geven, dan door voor hen te sterven?
Onze Vader, Wees gegroet, enz.
13de STATIE.
JEZUS WORDT VAN HET KRUIS AFGENOMEN EN TN DEN SCHOOT VAN MARIA NEDBUGELEGD.
Wij aanbidden U, enz.
O beminde Moeder, Moeder van smart en liefde, Jezus is niet meer, en ik ben het, die Hem het leven benomen heb; het zgn mijne misdaden, die Hem aldus gewond en misvormd hebben; maar al ben ik
1) laai® XXXV, 5. 2) Zach. XI, 10. 3) Joa. XII, 1,
620
dan de oorzaak van uwe overgroote droefheid, zoo kom ik die toch met u deelen en trachten ze te verzachten. Ik smeek u, mij niet te verstoeten in dit uur, waarop het wreedste zwaard uw Hart doorboort; want dien Jezus, dien gij beweent en bemint, bemin en beween ik met u.
O laat mij tot het ontzielde lichaam van uwen Zoon naderen, opdat ik door de heilige kracht zijner wonden van mijne zwakheid en ellende genezen worde; laat mij het leven putten in die goddelijke wonden, die voor mij even zoo vele bronnen van genade zijn geworden. Laat mij de diepte en de breedte meten van de wonde van zijn Hart, van die zoete rustplaats, waarin ik wil leven en sterven.
Onze Vader, Wees gegroet, enz.
14de STATIE.
JEZUS WOEDT IN HET GRAF GELEGD.
Wij aanbidden U, enz.
O aanbiddelijke Meester, zijt Gij het wel die ik in dit graf zie uitgestrekt ? Toen Gij ter wereld kwaamt, vondt Gij slechts een verlaten stal om ü te ontvangen, en bij het verlaten der aarde is het een vreemd graf dat uw maagdelijk lichaam ontvangt. O eeuwig Woord, ik aanbid U, ik bemin U, ik zegen U; want uwe armoede maakt onzen rijkdom, uwe verborgenheid onze grootheid, uwe vernedering onze glorie.
Maar, o lieve Jezus, blijf niet in dat droevig graf; kom in mijn hart, dat vurig naar U verlangt; hoe hardvochtig het zij, is het toch voor U geene vreemde woning. Ja, mgn welbeminde Zaligmaker, kom onder
621
mijn dak uitrusten, na zooveel arbeid en lijden. Het hart dat ik U aanbied, is, wel is waar, zeer koud, maar uwe liefde zal het verwarmen; Gij zult er geene reukwerken in vinden, gelijk die, welke uw aardsch hulsel gebalsemd hebben, maar uwe heilige tegenwoordigheid zal er den geur der deugden verspreiden en de myrrhe der boetvaardigheid doen ontkiemen.
Onze Vader, Wees gegroet, enz.
SLUITGEBED.
O Jezus, die mij boven anderen de overmaat uwer liefde hebt doen begrijpen, en mij heden geroepen hebt om die nog beter te overwegen, help mij moedig den koninklijken weg des kruises bewandelen, waarop ik U bij eiken tred ontmoet; geef mij vooral de genade, mijn geluk te begrijpen en altijd met U te herhalen; Vader, niet mijn , maar uw wil geschiede. 1)
O goddelijke Meester, ik smeek ü, grif diep in mijn hart de herinnering aan die bloedige tafereelen, die het zoo diep getroffen hebben, opdat ik U in het vervolg niets meer weigere, o mijn goede Zaligmaker, die mij zoo vurig bemind hebt. Amen.
1) lucffi XXII, 42.
622
XXI. Oïerwegiogen over al de geheimen wn hel D. Misoffer, door den II. Franciscus m Sales.
DE PRIESTER GAAT NAAR HET ALTAAR.
Jezus gaat naar den hof van Olijven.
O Heer Jezus-Christus, Zoon van den levenden God, die door vrees en angst hebt willen aangegrepen worden bij het naderen van uw lijden, geef mij de genade van ü steeds mijn lijden op te offeren. O God van mijn hart, help mij die te verdragen in vereeniging met uwe droefheid en uw lijden, opdat alles mij door de verdiensten van uw Igden ter zaligheid strekke. Amen.
BIJ HET BEGIN DER H. MIS.
Het gebed van Jezus in den Hof van Olijven.
Heere Jezus-Christus, Zoon van den levenden God, die door een engel hebt willen versterkt worden, toen Gij badt in den Olijf hof, geef door de kracht van uw gebed, dat uw heilige engel my ook steeds in mijne gebeden helpe. Amen.
BIJ HET! CONFITEOR.
Jezus ligt ter aarde.
Heere Jezus-Christus, die water en bloed gezweet hebt door al uwe ledematen, toen Gij, door de overmaat van uw lijden in doodsangst gevallen, uw hemelschen Vader badt, geef dat ik door de herinnering aan uw lijden steeds daarin moge deelen en in plaats van bloed, tranen storte van oprecht berouw over mijne zonden. Amen.
/
623
DE PRIESTER KUST HET ALTAAK.
Jezus door een kus verraden.
Heere Jezus-Christus, die den kus van den verrader Judas hebt willen verdragen, geef dat ik U nooit meer verrade, en hen, die mij belasteren, alle mogelijke liefdediensten bewijze. Amen.
DE PRIESTER GAAT NAAR DE ZIJDE VAN DEN EPISTEL.
Jezus wordt gevangen weggevoerd.
Heere Jezus-Christus, die door misdadige handen hebt willen gebonden worden, verbreek de ketenen mijner zonden en boei mij zoodanig door de banden uwer liefde en heilige wet, dat ik de vermogens van mijn lichaam en van mijne ziel nooit misbruike tot eenige zaak, die strijdt tegen uwen heiligen wil. Amen.
BIJ HET INTROÏTUS.
Jezus ontvangt een kaakslag.
Heere Jezus-Christus, die als een misdadiger naar het huis van Annas wildet gevoerd worden, doe mij de genade van mij niet tot het kwaad te laten medesleepen door den boozen geest of door slechte menschen, maar mij door den H. Geest te doen geleiden tot alles wat uwen heiligen wil aangenaam ia. Amen.
BIJ HET KYRIE ELEISON.
Jezus wordt door Petrus verloochend.
Heere Jezus-Christus, die in het huis van Caïphas driemaal door den prins der Apostelen hebt willen
624
verloochend worden, bewaar mij voor alle slechte gezelschappen, opdat de zonde mij nimmer van ü afscheide. Amen.
BIJ HET DOMINÜS VOBISCÜM.
Jezus werpt een\'oogslag op Petrus.
Heere Jezus-Christus, die door één oogslag uwer liefde uit de oogen van den H. Petrus tranen van waar berouw hebt doen vloeien, geef door uwe groote barmhartigheid, dat ik ü, myn Heer en mijn God, nimmer door woord of daad verloochene. Amen.
BIJ DEK EPISTEL.
Jezus wordt tot Pilatus gevoerd.
Heere Jezus-Christus, die voor Pilatus wildet gebracht worden, en valschelijk voor hem werd beschuldigd, leer mij het middel om de bedriegerijen der boozen te vermijden en het geloof door goede werken te belijden. Amen.
BIJ HET MUNDA CDU MEUM.
Jezus wordt tot Herodes geleid.
Heere Jezus-Christus, die voor Herodes de valsche beschuldigingen hebt verdragen, zonder één woord te spreken, geef mg de kracht om moedig de lasteringen mijner vijanden te verdragen. Amen.
625
BIJ HET EVANGKLïR.
Jezus wordt hespot en naar Pilatus teruggevoerd.
Heere Jezus-Ohristus, die van Herodes naar Pilatus hebt willen teruggevoerd worden, geef mij de genade van de samenzweringen der boozen tegen mij niet te vreezen, maar er voordeel uit te trekken, ten einde daardoor aan ü gelijkvormig te worden. Amen.
ALS DE PRIESTER DEN KELK ONTDEKT.
Jezus wordt van zijne kleederen beroofd.
Heere Jezus-Christus, die ontkleed en wreedelijk gegeeseld hebt willen worden om mij zalig te maken, geef mij de genade van mij door eene goede biecht te ontdoen van mijne zonden, opdat ik eenmaal niet voor U verschijne, beroofd van het kleed der deugd. Amen.
BIJ DE OFFERANDE.
Jezus wordt gegeeseld.
Heere Jezus-Christus, die aan de kolom gebonden en door geeselslagen verscheurd hebt willen worden, geef mij de genade van geduldig de kastijding uwer vaderlijke gestrengheid te verdragen en U voortaan nooit meer door mijne zonden te bedroeven. Amen.
ALS DEN PRIESTER DEN KELK BEDEKT.
Jezus wordt met doornen gekroond.
Heere Jezus-Christus, die voor rug met doornen hebt willen gekroond worden, geef dat ik de doornen der boetvaardigheid zoo diep in mijne ziel dringe in deze wereld, dat ik verdiene in den hemel gekroond te worden. Amen.
40
626
DE fEIESTER WASCHT ZICH DE HANDEN.
JPilatus wascht zich de handen.
Heere Jezus-Christus, Zoon Tan den levenden God, die onschuldig verklaard door dén stadhouder Pilatus, den laster en de verwijten, der Joden geleden hebt, geef mij de genade van in onschuld te leven en my niet om mijne vijanden te bekommeren. Amen.
BIJ HET OB.AÏE FKATEES.
Pilatus zegt tot de Joden: Ziet den mensch!
Heere Jezus-Christus, die voor mij door de Joden bespot hebt willen worden, geef dat ik de ij dele glorie moge overwinnen, en bij het oordeel door U moge vrijgesproken worden. Amen.
BIJ DE PEEÏATIE.
Jezus wordt ter dood veroordeeld.
Heere Jezus, die, hoewel onschuldig, voor mij tot den kruisdood hebt willen veroordeeld wordeii, geef mij de kracht om voor uwe liefde den wreedsten dood, noch het oordeel der menschen te vreezen en ook ik niemand lichtvaardig oordeele. Amen.
BIJ DE GEDACHTENIS DER LEVENDEN.
Jezus draagt zijn kruis
Heere Jezus-Christus, die het zware kruis op uwe doorwonde schouderen gedragen hebt, geef dat ik vrijwillig het kruis der versterving pmhelze, en het dagelijks ter uwer liefde drage., Amen.
627
BIJ DE COMMÜNICANTES.
De H. Veronika droogt het aangezicht van onzen Heer Jezus-Christus.
Heere Jezus-Christus, die op weg naar Calvarie aan de godvreezende vrouwen gezegd hebt, niet over U, maar over zich zelve te weenen, geef mij de genade van mijne zonden oprecht te betreuren, geef mij tranen van liefde en heilig medelijden met ü, opdat ik aldus uwer hoogste Majesteit aangenaam moge worden.
DE PKIESTEE ZEGENT DE H. OFFERANDE.
Jezus wordt aan het kruis genageld.
Heere Jezus-Christus, die wel aan het kruis hebt willen genageld worden voor mijne zaligheid, doordring mij door eene heilige vrees voor uwe geboden, opdat ik daardoor met U aan het kruis vereenigd leve en stervé. Amen.
BIJ DE OPHEFFING DER H. HOSTIE.
Jezus wordt met zijn kruis omhoog geheven.
Heere Jezus-Christus, die met uw kruis hebt willen opgeheven worden, uit liefde tot mij, trek ook mijn hart af van alle aardsche genegenheden, en verhef mijnen geest tot de beschouwing der hemelsche zaken. Amen.
628
BIJ DE OPHEFFING VAN DEN KELK.
Het bloed van Jezus stroomt uit zijne wonden.
Heere Jezus-Christus, die uit uwe heilige wonden de fontein uwer genaden hebt doen stroomen, geef dat uw goddelijk Bloed my versterke tegen mijne kwade begeerten, en een heilzaam geneesmiddel zij voor al myne kwalen. Amen.
BIJ DE GEDACHTENIS DER OVERLEDENEN.
Jezus bidt voor alle menschen.
Heere Jezus-Christus, die, aan uw kruis genageld, uwen hemelschen Vader voor alle menschen gebeden hebt, zelfs voor uwe beulen, geef mij den geest van zachtmoedigheid en geduld, opdat ik mijne vijanden beminne en het kwaad met goed vergelde, volgens uw gebod en uw voorbeeld. Amen.
BIJ HET NOBIS QUOQUE PECCATORIBUS.
Het gebed van den goeden moordenaar.
Heere Jezus-Christus, die do glorie des hemels beloofd hebt aan den berouw vollen moordenaar, werp ^ op mij een oogslag van barmhartigheid, en zeg bij myn sterven tot mijne ziel: »Heden zult gij met mg in het Paradijs zijn.quot; Amen.
BIJ HET PATER NOSTER.
De zeven woorden van Jezus op het kruis.
Heere Jezus-Christus, die van het kruishout uwe lieve Moeder en uwen welbeminden leerling hebt aan-
629
bevolen, gelief mij onder uwe bescherming te nemen , opdat ik, steeds de gevaren dezer wereld vermijdende, tot bet getal uwer vrienden moge bebooren. Amen.
DE PRIESTKR BREEKT DE H. HOSTIE.
Jezus sterft op het kruis.
Heere Jezus-Cbristus, die voor mijne zaligheid aan het kruis stervende, uwe ziel den eeuwigen Vader hebt aanbevolen, geef dat ik op geestelijke wijze met ü sterve, opdat ik bij mijnen dood mijne ziel in uwe handen moge overgeven. Amen.
ALS DE PRIESTER EEN DEELTJE DER H. HOSTIE IN DEN KELK LAAT VALLEN.
Jezus daalt in het voorgehorcht der helle neder.
Heere Jezus-Cbristus, die, na de macht des duivels overwonnen te hebben, ter helle zijt nedergedaald en de oudvaders die daar uwe komst moesten afwachten, verkwikt hebt, laat, zoo smeek ik U, de zielen in het vagevuur de kracht van uw heilig lijden en bloed ondervinden, opdat zij, van hare zonden gezuiverd, in uwen schoot mogen ontvangen worden en den eeuwigen vrede genieten. Amen.
BIJ HET AGNUS DEI.
Velen hekeerden zich hij den dood van Christus,
Heere Jezus-Cbristus, vele zondaars hebben hunne misdaden beweend, door het beschouwen van uw lijden; geef mij de genade, dat ik door de verdiensten van uw smartelijk lijden en dood een oprecht berouw mijner zonden verkrijge en U voortaan nimmer meer vergramme. Amen.
630
BIJ DE COMMUNIE.
Jezus wordt hegraven.
fleere Jezus-Christus, die in een nieuw graf hebt willen gelegd worden, geef mij een nieuw hart, opdat ik, met U begraven, tot de glorie uwer verrijzenis moge geraken. Amen.
BIJ DE ABLUTIE.
Jezus wordt met reukwerken gezalfd,
Heere Jezus-Christus, die hebt willen sterven, gebalsemd en begraven worden, en door Jozef en Nicodemus in een wit kleed gewikkeld zijt, geef mij de genade van waardig uw lichaam iii het H. Sacrament te mogen ontvangen en mijne ziel aangenaam voor U te maken, door de kostbare reukwerken uwer deugden. Amen.
NA DE COMMUNIE.
De Verrijzenis van Jezus.
Heere Jezus-Christus, die zegevierend uit het graf zijt opgestaan, verleen mij de genade, dat ik, uit het graf mijner zonden opstaande, een nieuw leven leide, opdat ik eenmaal deel moge hebben aan uwe glorie. Amen.
BIJ HET DOMINUS VOBISCÜM.
Jezus verschijnt aan zijne Apostelen.
Heere Jezus-Christus, die uwe lieve Moeder en uwe leerlingen verheugd hebt, door ü na uwe ver-rijzenis aan hen te vertoonen, geef dat, wijl ik deze genade in dit leven niet kan smaken, ik TJ in uwe glorie eenmaal moge aanschouwen. Amen.
631
BIJ DE LAATSTE COLLECTE.
Jezus verkeert veertig dagen met zijne leerlingen.
Heere Jezus-Christus, die U gewaardigd hebt, na uwe verrijzenis veertig dagen met uwe leerlingen te verblijven en hun de geheimen des geloofs te veropenbaren, verlevendig en vestig in mij het geloof uwer goddelijke waarheden. Amen.
BIJ HET LAATSTE DOMINUS VOBTSCUM.
Jezus stijgt ten Hemel.
Heere Jezus-Christus, die in de tegenwoordigheid van al, uwe leerlingen ten hemel zijt gestegen na de veertig dagen vervuld te hebben, verleen mij de genade, dat mgne ziel zich volkomen onthechte van alle aard-sche zaken uit liefde tot ü, en slechts U, de bron aller gelukzaligheid, voor eeuwig begeere. Amen.
BIJ DEN ZEGEN DES PRIESTERS.
De nederdaling van den H. Geest.
Heere Jezus-Christus, die den H. Geest hebt gezonden over uwe Apostelen , die êénparig volhardden in het gebed, zuiver, bid ik U, het binnenste van mijn hart, opdat de H. Geest, in mij een hem aangenaam verblijf vindende, het versiere door zijne gaven, zijne genaden en zijnen troost. Amen.
DANKGEBED.
Heere Jezus-Christus, Zoon van God, mijn Verlosser en Zaligmaker, ik dank U, dat Gij mg de genade verleend hebt van de H. Mis bij te wonen; ik smeek ü, mg door de verdiensten van die goddelijke offerande de genade te geven van altijd alle kwade bekoringen te wederstaan, opdat ik bij het verlaten dezer wereld, waardig zij de hemelsche glorie binnen te treden. Amen.
-A.. TvL ID. lt;3e.
BLADWIJZER.
Eerste Boek.
Bladz.
I. Overliet eeuwig Wezen, bron en einde
van alle zaken..............8
II. Overweging over de ziel.....13
III. Hetzelfde onderwerp......17
IV. De geheele schepping moet tot den
Schepper geleiden......21
V. Wat zijn de wonderen der natuur, tegenover de goddelijke volmaaktheid ? . 24 VI, De eerste mensch. — De gevallen
mensch. — De herboren meosch . 27
VIL Het leven..........31
VIII. De twee wegen........36
IX. Over de zonde........40
X. Over den dood........45
XI. Over den hemel........55
XII. Over de hel.........60
XIII. Over de barmhartigheid Gods • • : 66
XIV. Over de goddelijke barmhartigheid . 71 XV. De H. Kerk.........76
XVI. De verhevenheid der priesterschap . 82
XVII. Het H. Misoffer........86
XVHI. De liefde Gods........93
XIX. Het gebed..........99
XX. De nederigheid........108
XXI. Hetzelfde onderwerp......113
XXII. De naastenliefde.......116
XXHI. Het vertrouwen op de Voorzienigheid 121
II
Bladz.
XXIV. Het vertrouwen op de goddelijke barm
hartigheid .........125
XXV. Over de aalmoes.......128
XXVI. Over den ijver........135
Tweecle Boek.
I. De Advent.........13amp;
II. Het Kerstfeest........142
Hl. Eerste gebed tot het Kindje Jezus . 146
IV. Tweede » » » » » . 148
V. Driekoningenfeest.......150
VI. H. Naam van Jezus......152
VII. Maria Lichtmis........154
VHI. De Vasten.........159
IX. Aschdag..........164
X. Peest van den H. Jozef. .... 166
XI. Maria Boodschap.......168
XII. Hetzelfde feest........171
XIII. Palmzondag.........172
XIV. Witte Donderdag.......175
XV. gt; » ......178
XVI. Goede Vrgdag........182
XVH. Het Paaschfeest.......199
XVIII. Kruisvinding........203
XIX. Hemelvaartdag........205
XX. Pinksterfeest........211
XXI. » ........212
XXII. H. Sacramentsdag.......214
XXIII. Feest van het H. Hart van Jezus . 217
XXIV. Hetzelfde onderwerp......219
XXV. Maria Visitatie........222
XXVI. H. Magdalena...........224
XXVII. » » ........226
(gt;
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Derde Boole. |
I. Alles is slechts ijdelheid en droefheid
des geestes, behalve God te beminnen 260
II. Genees mijne ziel, want ik heb tegen
U gezondigd........262
III. Dat uwe vrees mij niet afschrikke . 265
IV. Zalig degenen, die Gij zelf onderricht 267 V. Waarom slaapt gij? Sta op en bid . 270
VI. Kom tot mij.........276
VII. Zij wier lampen bereid waren, traden
binnen..........279
Vin. De Zoon des menschen is komen redden,
wat verloren was.......282
IX. Ik geloof aan de liefde van God . . 285
X. De rechtvaardige leeft door het geloof 289 XI. Mijne oogen en mijn hart zijn altijd
met U..........292
XII. Trek mij tot U.........295
Xin. Ik ken mijne schapen en mijne schapen kennen mij.......298
(k
:
A
i1
IT
Bladz.
XIV. In den Heer heb ik gehoopt . . . 301
XV. Waarom verbergt Gg uw aanschijn? 303 XVI. Ik heb tot u gesproken en Gij hebt
mij niet aanhoord.....306
XVII. Zonder strijd geene kroon . . . 309 XVIII. Zeg tot de dochter van Sion: Zie
uw Koning komt.....312
XIX. Ik zal u niet meer mijne dienaars,
maar mijne vrienden noemen . 314 XX. Wie God heeft uitverkoren, heeft
Hij voorbeschikt.....317
XXL Niet zij die zeggen: Heer, Heer, enz. 320
XXII. De God der heerkrachten is met mij 325
XXIII. De zaligheid zijner broeders bevor
deren, is Jezus-Christus vinden. 327
XXIV. Maak mijn hart leerzaam . . . 330 XXV. De liefde, die niet werkt is de ware
liefde niet........332
XXVI. Hoe liefelijk zijn uwe tabernakelen. 336
XXVII. Ziehier de ware rijkdom. . . . 338
XXVIII. Vreest niets,gij die ik heb uitverkoren 341 XXIX. Mijne barmhartigheid zal zich niet
van u verwijderen.....343
XXX. Navolging van Christus .... 345
XXXI. Verberg uw aanschijn niet voor mij 347 XXXII. Te vergeefs zocht ik rust in aardsche
zaken.........349
XXXIII. Gij zijt waarlijk een verborgen God 351
XXXIV. Gij hebt mijne tranen in blijdschap
doen verkeeren......357
XXXV. Ik heb u bij uwen naam geroepen 360
XXXVI. De liefde overwint de vrees. . . 362 XXXVII. Ik zal ze door het vuur beproeven 364
XXXVIII. Gelukkig gij, o Sion.....367
■
y
Bladz.
XXXIX. Uwe vertroosting heeft mijne ziel
verheugd.........370
XL. Verheug u, omdat eene groote belooning u wacht . . .\' . . . 373
quot;Vierde Hooit.
I. Jezus en Maria, voorbeeld der lijdende
zielen....... . . . 376
II. De ziel onderwerpt zich na een hevigen
stryd..........380
III. De ziel door gewetensangst gekweld. 382
IV. Na alles verlaten te hebben, gelooft
de ziel zich door God verlaten . . 384
V. Bij een naderend onheil.....387
VL De ziel aan spot en onbillijkheid
blootgesteld........388
VII. Jezus ons voorbeeld......390
VIII. De ziel in dorheid.......393
IX. 3gt; » tot wanhoop bekoord . . . 39G
X. » » door allen verlaten.... 399
XI. gt;gt; gt; stelt al haar vertrouwen op God 401
XII. De genade van het lijden .... 403
XIII. De volkomen onthechting des harten. 405
XIV. Heer, red ons, wij vergaan. . . . 407
XV. De ziel onderwerpt zich aan Gods
raadsbesluiten.....409
XVI. » » roept haar Welbeminde . . 412 XVII. » » neemt haar toevlucht tot God
in zwaren rampspoed. . . 414
XVIII. » » in diepe neerslachtigheid. . 415
XIX. Het Hart van Jezus, onze toevlucht. 417 XX. Smartkreet eener moeder bij den dood
van haren zoon.......419
VI
Bladz.
XXI. Gebed eener diepbedroefde moeder. 421
XXII. In bekoringen tegen bet geloof. . 423
XXIII. Bij bet afsterven van een echtgenoot 424 XX1Y. fe ziel door Maria in den Olijfhof
geleid.........426
XXV. Iq een toestand van geestelijke
troosteloosheid.......429
XXVI. Na den strijd de overwinning . , 431
XXVII. De ziel door Gods hand nedergedrukt 434
XXVIII. De ziel draagt haar kruis met Jezus 436 XXIX. De ziel verheugt zich in haar krnis
en lijden........439
quot;Vtjfiie Boelc.
I. De ziel gered door de barmhartigheid
des Heeren.........441
II. De ziel door Jezus aan de wereld ontrukt, geeft zich aan Hem over . . 442
III. De berouwvolle ziel ontvangt vergeving 444
IV. Een ootmoedig en vermorseld hart is
God altijd aangenaam.....446
V. Betrouwen in Gods vaderlijken wil. . 448
VI. De ziel betreurt hare ondankbaarheid . 450
VII. Gevoelens van ootmoed......452
VIII. De ziel onderwerpt zich aan God . . 453 IX. God onthecht de ziel, die Hij geheel
wil vervullen........456
X. Het bezit van God is genoeg voor de
ziel, die Hem bemint......458
XI. In de gehoorzaamheid vindt men rust
en vrede..........460
XII. In tegenspraak en verachting. . . . 463
XIII. Het menschelijk opzicht.....465
-
vu
Bladz,
XIV, Gevoelens van berouw......467
XV. Uitstorting der ziel.......469
XVI. God alleen kan \'s menschen hart vervullen ..........472
XVII. Door Jezus leven in het Hart van Maria. 475
XVIII. De oprecht beminnende ziel hecht zich $
aan God, niet aan zijne gaven . . 477
XIX. Volkomen zelfverloochening.....480
XX. In de nederigheid vindt de ziel vrede
en vertrouwen........482
XXI. De ziel verkondigt Gods liefde en wel
daden ..........484
XXII. Dankgebed eener door God bevoorrechte
ziel...........487
XXIII. De lijdende ziel zoekt in God haren troost 489
XXIV. In tydelijken voorspoed.....491
XXV. Gebed van een dankbaar hart . . . 494
XXVI. De ziel verkondigt haar geluk ... 490
Zesde JSoelc.
Voorbereiding voor de H. Communie.
I. Leen het oor en kom met my . . . 498 . II. Hij, die des morgens opstaat zal mij aan
zijne deur gezeten vinden .... 500
Hl. Heer, ga van mij.......503
IV. Dat hij in den Heer hope. .... 505
V. Ik zal komen en hem genezen . . . 508
VI. Kom spoedig af........510
VIT. O levend Brood . . . ......512
VHI. Dochter van Sion........514
IX. Het is een grootsch werk.....517
X. Sla uwe oogen op mij, o Maria. . . 518
VIII
Bladz.
XI. Luister, mijn Dochter......521
XII. Hebt gij Hem niet gezien, dien mijne
ziel bemint ..........524
DANKZEGGING.
I. Zyn tabernakel........526
II. Heer, ik zal U volgen......528
III. De zachtmoedigheid en goedheid des
Zaligmakers.........531
, IV. De Heer heeft mg geleid ..... 533
V. Ik leef in het geloof......535
VI. Ik zal den Heer loven.......537
VII. Ik heb Hem gevonden, dien mijne ziel
bemint.............539
VIIl, Die in de liefde blijft, blijft in God . 541 IX. Hij, die mij schiep, heeft iu mijne woon-
tent gerust.........543
X. Heer, het is ons goed hier te zijn . . 545 XI. Heer, dat de beleedigingen U aangedaan, op mijn hart vallen .... 548
XII. De Heer heeft de hongerige ziel vervuld 550
Zevende Boek.
I. Omschrijving van het gebed des Heeren 553
II. Voor de maand van het H. Hart van Jezus 563
Hl. Eerboete voor den eersten Vrijdag. . 564
IV. Omschrijving van de Engelsche groetenis 567
V. Toewijding eener moeder aan de H. Maagd 574
VI. Dankgebed tot Maria......577
VII. Opdracht aan Maria.......579
VIII. Gebed tot O. L. Vrouw van het H. Hart 581
IX. Gebed voor de maand van den H. Jozef 583
IX
Bladz.
X. Gebed tot den H. Engel Bewaarder. 586
XI. Gebed voor de zielen in het Vagevuur 588
XII. Gebed eener moeder voor hare kinderen 590
XIII. Bij het intreden eener retraite. . . 592
XIV. Voor den eersten dag eener retraite. 595 XV. Bij het einde des jaars.....596
XVI. Na een jaar van beproeving . . . 599
XVII. Bij het intreden in den Derden Regel 600 XVin. Voor de geloovigen, die het geluk
hebben het H. Sacrament te bezitten 603
XIX. Bij openbare rampen......605
XX. De H. Kruisweg.......607
XXI. Gebeden gedurende de H. Mis. . . 622
v \\
■
■
_