-ocr page 1-
-ocr page 2-

147

F

4S

-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

M E IJ E R NEDERIANDSCHE STAATSWETTEN. VERVOLGBUNDEL.

-ocr page 6-
-ocr page 7-

/ if

/c/jfMyh

M EU ER

NEDERLANDSCHE STAATSWETTEN.

SNEEK. J. P. VAN D RUT EN. 1 Pebr. 1898.

VERVOLGBUNDEL

MET VERWIJZING NAAR DE OVEREENKOMSTIGE ARTIKELEN UITGEGEVEN ONDER TOEZICHT VAN

MR. DR. H. J. EOMEIJN,

Advocaat-Procureur. Leeraar in de Staatswetenschappen te Sneek.

-ocr page 8-
-ocr page 9-

ALGEMEENE INHOUD.

Blz.

Chronologische Lijst............vm

Aanvullingen en Verbeteringen.........xiv

Verkortingen..............xv

Besl., Daarstelling van een Staatsblad.......xvn

Besl., nadere regeling Afkondiging Wetten en Koninkl. Besl. . xvm

Besl., Uitgave eener Nederlandsche Staats-Courant .... xix

Wet, houdende wijziging van die van 14 Juni 1822, S. 10. . . xxi

Wet, Algemeene Bepalingen der Wetgeving van het Koningrijk, xxi

Wet, Afkondiging Algem. Maatr. Inw. Bestuur.....xxm

Wet, tot Oprichting van Kamers van Arbeid.....1

Besl., Algem. Reglement Kamers van Koophandel en Fabrieken. 13

Arbeidswet..............20

Besl., Algem. Maatr. v. Best. ex art. 4 der Arbeidswet . . 28

Besl., Algem. Maatr. v. Best. ex artt. 5, 7 en 11 der Arbeidswet 3-1

Besl., Algem. Maatr. v. Best. ex art. 7, tweede lid, d. Arbeidsw. 41

Veiligheidswet.............43

Besl., Algem. Maatr. v. Best. ex artt. 6 en 7 der Veiligheidswet. 51

Besl., Arbeidsinspectie...........64

Hinderwet..............68

Besl., ex art. 2, 1, sub hj der Hinderwet......81

Stoomwet...............82

Besl., tot Uitvoering der Stoomwet........92

Besl., Instructie Ambtenaren Stoomwet.......108

Wet, tot regeling der Coöperatieve Vereenigingen. . . . 114

Wet, Fabrieks- en Handelsmerken........119

Wet, tot regeling van het Auteursrecht.......129

Wet, Benoembaarh. Vreemdelingen tot Landsbedieningen . . 135

Wet, regelende het Geneeskundig Staatstoezigt.....137

Wet, regelende de Uitoefening der Geneeskunst .... 143

Wet, regelende de Uitoefening der Artsenijbereidkunst. . . 147

Wet, omtr. de Invoering der Nederl. Pharmacopoea . . . 154

Wet, Afz. Bevoegdh. tot en Uitoefening der Tandheelkunst . 155

Wet, tot Voorziening tegen Besmettelijke Ziekten .... 157

Besl., Regelen Ontsmett. v. Besmette Voorwerpen, Gebouwen, enz. 165

-ocr page 10-

algemeene inhoud.

Wet, Wering van Besmetting door uit Zee aank. Schepen . 172

Besl., Instructie Geneeskundige idem.......177

Wet, Buitengew.Maatr. Afwending eenige Besmettelijke Ziekten. 180

Wet, tot Regeling van het Staatstoezicht op Krankzinnigen . 183

Wet, Bepalingen betr. Begraven v. Lijken, Begraafplaatsen enz. 198

Wet, Kleinhandel sterken Drank enz........209

Wet, Viering dagen aan openb. chr. godsd. toegewijd . . . 217

Besl., Instructie Commissaris des Konings .....219

Wet, Verbodsbepalingen tegen dragen van Wapenen . . . 223

Besl., Beheer en Beleid Algemeene of Rijkspolitie .... 225

Besl., Dienst der Rijksveldwachters........229

Wet, Doortogt en Vervoer van Landverhuizers.....233

Wet, Onderwijs Veeartsenijkunde en Diploma Veearts . . . 241

Wet, Uitoefening der Veeartsenijkunst.......245

Wet, Veeartsenijkundig Staatstoezigt en Veeartsenijk. Politie . 250

Wet, Veeartsenijkundige Politie t. opz.v. Paarden van het Leger. 263

Besl., Besmettelijke Veeziekten en betr. Maatregelen . . . 266 Wet, Bijzondere Bepalingen tot Beteugeling der Longziekte

Rundvee in bepaalde deelen des Lands.....288

Besl., Nadere bepalingen idem......; . . . 289

Wet, Bepalingen bij voorkomen van Hondsdolheid .... 292

Besl., Ontsmetting Besmettelijke Veeziekten......295

Besl., Vervoervan Vee, Reiniging en Ontsmett. v. Vervoermidd. 302

Besl., Vervoer, Merking en Visitatie v. Vee in Grensgemeenten. 303

Wet, Bescherming Diersoorten, nuttig v. Landb. of Houtteelt. 306

Besl., Uitvoering van art. 3 der wet idem idem.....307

Wet, tegen Overbrenging van den Coloradokever . . . .310

Wet, Internationale Overeenkomst WeringDruifluis (Phylloxera). 311

Besl., Uitvoering idem idem..........311

Wet, Voorkoming Bedrog in den Boterhandel.....315

Wet, betr. \'s Rijks Waterstaatswerken.......317

Besl., Algem. Regl. van Politie voor Rivieren, Kanalen, Havens, Sluizen, Bruggen en daartoe behoorende werken, onder

beheer van het Rijk..........320

Besl., Regiem, op het Baggeren, Graven enz. in de Rivieren en

langs de Zeekusten onder beheer van het Rijk . . . 340

Besl., Politiebepalingen Wegen enz. onder beheer van het Rijk. 344a Wet, Vervoer vrachten op Wegen in ouderhoud bij het Rijk . 344^ Wet, Opruiming en beheer van Vaartuigen enz., in Openbare

Wateren gestrand of gezonken.......345

Wet, Voorkoming van Aanvaringen of Aandrijvingen op Zee . 347

Besl., Idem idem.............348

Wet, Voorkoming van Aanvaring of Aandrijving Binnenvaart . 362

Besl., Idem idem.............362

vi

-ocr page 11-

algemeene inhoud. vii

Wet, Bakenwezen op Openbare Wateren.......371

Besl., Eeglem. Bakendienat op eenige Openbare Wateren . . 372

Besl., Bepalingen op de Strandvonderij.......375

Besl., Aanvulling nopens de Strandvonderij......378

Wet, Maatr. In-, Door- en Vervoer Vergiftige Stoffen . . . 379

Besl., Doorvoer van Arsenicum houdenden Afval .... 380 Wet, Vervoer enz. van Buskruit en andere licht Ontvlambare

of Ontplofbare Stoffen.........383

Besl., Voorschriften idem idem.........385

Wet, Openbare Middelen van Vervoer, met uitzondering der

Spoorwegdiensten..........402

Wet, Dienst en het Gebruik der Spoorwegen.....406

Wet, Dienst en Gebruik Spoorwegen, beperkte snelheid . . 422

Besl., Algemeen Toezigt op de Spoorwegdiensten .... 424

Besl., Voorschr. ligger Toegangswegen tot Spoorwegstations . 429

Wet, Eleotro-magnetische Telegrafen.......433

Besl., verbinden van Particuliere electrische geleidingen met

üijks-telegraafkantoren.........436

Besl., Voorwaarden oprichten Bijks-telegraafkantoren en Bijks-

telephoonkantoren in kleinere plaatsen.....437

Besl., Voorwaarden Oprichten Rijkstelephoonbureelen . . 440 Besl., Gebruikmaken van en Aansluiting aan intercommunale

Eijkstelephoonbureelen. Noot.......440

Wet, Brievenposterij............441

Wet, Inrigting dienst Postpakketten.......451

Wet, Instelling Eijkspostspaarbank........455

Br\'rgkrlijkk pensioenwet..........462

Wet, Pensioen Weduwen en Weezen van Burgerlijke Ambtenaren. 484

Besl., Wachtgelden aan Burgelijke Ambtenaren.....498

Wet, Uitgifte van Schatkistbiljetten........502

Besl., Uitgifte, Opzegging, Aflossing en Rentebetaling idem . 504

Wet, Uitgifte van Schatkistpromessen.......506

Besl., Kiesreglement voor de Kamers van Arbeid .... 509

Alphabetisch Register-............521

-ocr page 12-

CHRONOLOGISCHE LIJST

DER OPGENOMEN EN VERWERKTE WETTEN EN BESLUITEN.

K.B. 18 Dec. 1813, S. 1814, no. 1. Uitgave Staatsblad. xvn Iv.B. 18 Dec. 1813. Stcrt. 1814 no. 1. Uitg. Staatscourant. xix Wet 1 Mrt. 1815, S. 21. Zondagswet. 217

Wet 6 Mrt. 1818, S. 12. Straf overtred. alg. verord. 432 Wet 14 Junij 1822, S. 10. B.W. Alg. Bepalingen xxi Wet 2 Aug. 1822, S. 33. Afk. en verbinding wetten xxi Wet 15 Mei 1829, S. 28. Algem. Bepalingen Wetg. xxi K.B. 10 April 1838, S. 12. Invoering idem. xxi

K.B. 30 Julij 1842, Wijzig. Uitg. Staatscourant, xix

Wet 9 Mei 1846, S. 24. Pens. Burgerl. Ambten.

artt. ö, 12, 25, 29. 478 v. K.B. 27 Sept. 1850, S. 62. Instr. Comm. des Kouiugs. 219 K.B. 17 Dec. 1851, S. 166. Beheer en bel. Rijkspolitie. 225 Min. disp. 31 Dec. 1851. Instr. Dir. v. pol., Instell.

Alg. Politiebhid. 228

Wet 7 Mrt. 1852, S. 48. Rijkstelegraaf. 433

Wet 26 April 1852, S. 92. Afkond. Alg. Maatr. Best. xxm K.B. 23 Aug. 1852, S. 141. Strandvonderij. 375

K.B. 30 Dec. 1852, Proc. Gen. fung. Dir. v. pol. 228

K.B. 25 Mrt. 1854, S. 18. Aanv. Strandvonderij. 378 K.B. 11 Nov. 1856, S. 114. Rijksveldwacht. 229

Wet 4 Junij 1858, S. 46. Benoembaarh. vreemdel. 135 Wet 1 Junij 1861, S. 53. Landverhuizers. 283

K.B. 1 Aug. 1861, S. 63. Inw. tred. wet landverh. 240 K.B. 25 Aug. 1861, Inst. Comm. Landverh. 233

Min. Res. 14 Jan. 1862. Instruct. Comm. Landverh. 233

K.B. 8 Mei 1863, S. 56, art. 2. Verkoop gestrand goed. 376 Wet 24 Junij 1863, S. 73. art. 4. Opheff. fonds Jagtwet, 57. 479 K.B. 22 Dec. 1863, S. 149. Afkond. wetten enz. Stsbl. xvm Wet 22 April 1864, S. 29, art. 9. Voorz. Wanbetaling boeten 218 Wet 1 Junij 1865, S. 58. Geneesk. Staatstoezicht. 137 Wet 1 Junij 1865, S. 60. Uitoefening Geneeskunst. 143 Wet 1 Junij 1865, S. 61. Uitoef. Artsenijbereidk. 147 K.B. 3 Junij 1865, S. 64. Inw. tred. Geneesk. Sts.toez. 142

Id. Uitoef. Geneesk. 146

Id. Uitoef. Artsenijbereidk. 153 Wet 16 April 1867, S. 28. Wijz. Geneesk. Sts.toez. 24. 141 Wet 6 April 1869, S. 39. Vrachtverv. Rijkswegen. 344/i

-ocr page 13-

CHRONOLOGISCHE LIJST.

IX

198 233 498 434 502 250 504 253 253

181

154 157

479

480 245 241

260 244 249 157 v. 406 263 68 292 310 294 81 228 480 422 429

155 379 424 410 114

69 253 172 160 482 880 177

1869, 1869, 1869,

1869,

1870, 1870, 1870,

1870,

1871, 1871,

1871,

1872,

1873,

1874, 1874, 1874, 1874,

K.B. 10 Aug. 1874, S. 118.

1874,

1875, 1875, 1875, 1875, 1875, 1875, 1875, 1875,

Wet Wet Wet Wet Wet Wet

S,

S,

S. 160, art. 1. Staking spoordienst. S.

S,

1876, 1876, 1876, 1876,

1876,

1877. 1877, 1877, 1877, 1877, 1877,

150. 159.

227. 255.

Wet 10 April Wet 15 Julij K.B. 24 Julij Wet 3 Deo. Wet 4 April Wet 20 Julij K.B. 21 Aug. K.B. 8 Deo. K.B. 28 Mei K.B. 11 Junij

Wet 2 Nov.

Wet 4 Dec.

Wet 21 Mei

Wet 4 Julij

Wet 8 Julij

Wet 8 Julij

K.B. 11 Juli

Wet 28 Junij K.B. 9 Julij K.B. 9 Julij Wet 17 Nov. Wet 19 Deo. K.B. 25 Febr. Wet 28 Mrt. Wet 28 Mrt. Wet 9 April K.B. 5 Mei K.B. 21 Junij

K.B. 5 Febr. 1876, K.B. 23 Mrt. 1876, Wet 24 Junij 1876,

K.B. 17 Julij K.B. 28 Julij Wet 10 Nov.

3 Dee. 9 April 2 Junij 2 Junij 5 Junij 5 Junij

S. 65. Begrafeniswet. S. 124. Wijz. Landverh. passim. S. 142. Wachtgelden. S. 200. Wijz. Kijkstelegraaf 8, 13. S. 62. Schatkistbiljetten. S. 131. Veearts. Staatstoezicht. S. 154. Uitg. enz. Schatkistbiljetten. S. 194. Verbod rundvee doorvoer. S. 42. Visitatie vee. S. 75. Verkoop, onteig. goed door burgemeesters. 158, S. 118. Inv. Ned. Pharmacopoea. S. 134. Voorz. Besmettel, ziekten. S. 64. art. 7. Wijz. Pens. Burg. ambten. S. 90, art. 12. Wijz. Eegterl. organisatie. S. 98. Uitoef. Veeartsenijkunst. S. 99. Onderw. Veeartsenijkunst. S. 109. Verkoop in beslag gen. vee door burgem.

Inw. tred. Onderw. Veeartsk. Inw. tred. Uitoef. Veeartsk. S. 188. Toev. Besm. Z., 1, 11, 21. S. 67. Spoorwegen. S. 94. Veearts, pol. paarden leger. S. 95. Hinderwet.

S. 110. Bep. bij voork. Hondsdolh. S. 113. Maatr. Coloradokever. S. 137. Inw. tred. wet Hondsdolh. S. 141. Uitv. Hinderwet. S. 204. Opheff., Instell. Gercgtsh.

art. 8 dezer wet. S. 41. Inw. tred. Spoorwet. S. 55. Ligger Toegangsw. stations. S. 117. Afz. bevoegdh. Tandheel-kunst en Uitoefening. Vervoer vergift, stoffen. Toezicht spoorwegdiensten.

Coöperatieve Vereenigingen. Aanv. Hinderwet 2, V. Belasting ambt. Veearts.T. S. 35. Quarantainewet. S. 36. Wijz. Besm. Ziekte 10. S. 80, art. 2. Bep. ontbonden rechtb. S. 100. Doorv. afval anilinekl. fabr. S. 152. Instr. Quarantaine geneesk.

-ocr page 14-

CHRONOLOGISCHE LIJST DER OPGENOMEN EN VERWERKTE WETTEN EN BESLUITEN.

K.B. 18 Dec. 1813, S. 1814, no. 1. Uitgave Staatsblad. xvn

K.B. 18 Dec. 1813. Stcrt. 1814 no. 1. üitg. Staatscourant. xix

Wet 1 Mrt. 1815, S. 21. Zondagswet. 217

Wet 6 Mrt. 1818, S. 12. Straf overtred. alg. verord. 432

Wet 14 Junij 1822, S. 10. B.AV. Alg. Bepalingen xxi

Wet 2 Aug. 1822, S. 33. Afk. en verbinding wetten xxi

Wet 15 Mei 1829, S. 28. Algem. Bepalingen Wetg. xxi

K.B. 10 April 1838, S. 12. Invoering idem. xxi K.B. 30 Julij 1842, Wijzig. Uitg. Staatscourant, xix Wet 9 Mei 1846, S. 24. Pens. Burgerl. Ambten.

artt. 6, 12, 25, 29. 478 v.

K.B. 27 Sept. 1850, S. 62. Instr. Comm. des Konings. 219

K.B. 17 Dec. 1851, S. 166. Beheer en bel. Rijkspolitie. 225 Min. disp. 31 Dec. 1851. Instr. Dir. v. pol., Instell.

Alg. Politieblad. 228

Wet 7 Mrt. 1852, S. 48. Rijkstelegraaf. 433 Wet 26 April 1852, S. 92. Afkond. Alg. Maatr. Best. xxm

K.B. 23 Aug. 1852, S. 141. Strandvonderij. 375

K.B. 30 Dec. 1852, Proc. Gen. fung. Dir. v. pol. 228

K.B. 25 Mrt. 1854, S. 18. Aanv. Strandvonderij. 378

K.B. 11 Nov. 1856, S. 114. Rijksveldwacht. 229

Wet 4 Junij 1858, S. 46. Benoembaarh. vreemde!. 135

Wet 1 Junij 1861, S. 53. Landverhuizers. 233

K.B. 1 Aug. 1861, S. 63. Inw. tred. wet landverh. 240

K.B. 25 Aug. 1861, Inst. Comm. Landverh. 233

Min. Res. 14 Jan. 1862. Instruct. Comm. Landverh. 233

K.B. 8 Mei 1863, S. 56, art. 2. Verkoop gestrand goed. 376

Wet 24 Junij 1863, S. 73. art. 4. Opheff. fonds Jagtwet, 57. 479 K.B. 22 Dec. 1863, S. 149. Afkond. wetten enz. Stsbl. xvm

Wet 22 April 1864, S. 29, art. 9. Voorz. Wanbetaling boeten 218

Wet 1 Junij 1865, S. 58. Geneesk. Staatstoezicht. 137

Wet 1 Junij 1865, S. 60. Uitoefening Geneeskunst. 143

Wet 1 Junij 1865, S. 61. Uitoef. Artsenijbereidk. 147

K.B. 3 Junij 1865, S. 64. Inw. tred. Geneesk. Sts.toez. 142

Id. Uitoef. Geneesk. 146

Id. Uitoef. Artsenijbereidk. 153

Wet 16 April 1867, S. 28. Wijz. Geneesk. Sts.toez. 24. 141

Wet 6 April 1869, S. 39. Vrachtverv. Rijkswegen. 344rf

-ocr page 15-

CHRONOLOGISCHE LIJST.

IX

Wet 10 April Wet 15 Julij K.B. 24 Julij Wet 3 Dec. Wet 4 April Wet 20 Julij K.B. 21 Aug. K.B. 8 Dec. K.B. 28 Mei K.B. 11 Junij

Wet 2 Nov. 1871,

Wet 4 Dec. 1872,

Wet 21 Mei 1873,

Wet 4 Julij 1874,

Wet 8 Julij 1874,

Wet 8 Julij 1874,

K.B. 11 Juli 1874,

1874,

1875, 1875, 1875, 1875, 1875, 1875, 1875, 1875,

Wet 3 Dec.

Wet 9 April

Wet 2 Junij

Wet 2 Junij

Wet 5 Junij

Wet 5 Junij

K.B. 17 Julij K.B. 28 Julij

1869, 1869, 1869,

1869,

1870, 1870, 1870,

1870,

1871, 1871,

Wet 10 Nov.

1876, 1876, 1876, 1876,

1876,

1877. 1877, 1877, 1877, 1877, 1877,

K.B. 5 Febr. 1876, K.B. 23 Mrt. 1876, Wet 24 Junij 1876,

Wet 28 Junij K.B. 9 Julij K.B. 9 Julij Wet 17 Nov. Wet 19 Dec. K.B. 25 Febr. Wet 28 Mrt. Wet 28 Mrt. Wet 9 April K.B. 5 Mei K.B. 21 Junij

65. Begrafeniswet. 124. Wijz. Landverh. passim. 142. Wachtgelden. 200. Wijz. Rijkstelegraaf 8, 13. 62. Schatkistbiljetten. 131. Veearts. Staatstoezicht. 154. Uitg. enz. Schatkistbiljetten. 194. Verbod rundvee doorvoer. 42. Visitatie vee. 75. Verkoop, onteig. goed door burgemeesters. 158, 118. Inv. Ned. Pharmacopoea. 134. Voorz. Besmettel, ziekten. 64. art. 7. Wijz. Pens. Burg. ambten. 90, art. 12. Wijz. Regterl. organisatie.

98. Uitoef. Veeartseuijkunst.

99. Onderw. Veeartseuijkunst.

109. Verkoop in beslag gen. vee door burgem.

luw. tred. Onderw. Veeartsk. Imv. tred. Uitoef. Veeartsk. 188. Toev. Besm. Z., 1, 11, 21. 67. Spoorwegen.

94. Veearts, pol. paarden leger.

95. Hinderwet.

110. Bep. bij voork. Hondsdolh. 113. Maatr. Coloradokever. 137. Imv. tred. wet Hondsdolh. 141. Uitv. Hinderwet.

204. Opheff., Instell. Geregtsh.

art. 8 dezer wet. 41. Inw. tred. Spoorwet. 55. Ligger Toegangsw. stations. 117. Afz. bevoegdh. Tandheel-kunst en Uitoefening. 150. Vervoer vergift, stoffen. 159. Toezicht spoorwegdiensten.

160, art. 1. Staking spoordienst. 227. Coöperatieve Vereenigingen. 255. Aanv. Hinderwet 2, V.

Belasting ambt. Veearts.T.

35. Quarantainewet.

36. Wijz. Besm. Ziekte 10. 80, art. 2. Bep. ontbonden rechtb. 100. Doorv. afval anilinekl. fabr. 152. Instr. Quarantaine geneesk.

198 233 498 434 502 250 504 253 253

181

154 157

479

480 245 241

260 244 249 157 v. 406 263 68 292 310 294 81 228 480 422 429

155

379 424 410 114

69 253 172 160 482

380 177

K.B. 10 Aug. 1874, S. 118.


-ocr page 16-

CHRONOLOGISCHE LUST.

K.B. 3Julij 1877, S. 156. Inw. tred. Quarantainewet. 177

K.B. 6 Nov. 1877, S. 194. Instel.MinisterieW. H.enN. 406

Wet 19 Dec. 1877, S. 285. Voorz.MioisterieW.H.enN.406

K.B. 18 Mrt. 1878, 8. 20. Wijz. Visitatie vee. 253

Wet 7 Mei 1878, S. 41. Wijz. Coöper. Vereenig. 16. 117

Wet 8 Aug. 1878, S. 115. Beteugel. Longz. 270 en 288

K.B. 17 Aug. 1878, S. 128. Vervoer longziek vee uit

kringen. 253, 270 en 289

K.B. 9 Jan. 1879, S. 2. Wijz. Vervoer longz. vee uit

kringen. 253 en 290

K.B. 19 Jan. 1879, S. 10. Wijz. Strandvond. 6, 7, 18. 376

Wet 23 April 1880, S. 65. Wijz. Uitoef. Geneesk. 2. 143

Wet 23 April 1880, S. 67. Middelen Vervoer. 402

Wet 25 Mei 1880, S. 88. Rijkspostspaarbank 455

Wet 25 Mei 1880, S. 89. Bescherming diersoorten. 306

K.B. 31 Julij 1880, S. 122. Inw. tred. Midd. Vervoer. 405

K.B. 4 Sept. 1880, S. 170. Inw. tred. Besch. diersoorten. 307

Wet 31 Dec. 1880, S. 258. Wijz. Spoorwet 70. 421

K.B. 5 Mrt. 1881, S. 36. Inw. tred. R. Postspaarbank. 461

K.B. 11 Mei 1881, S. 57. Voorw. opr. Part. Telegraaf. 436

Wet 21 Junij 1881, S. 70. Pakkctpost. 451

Wet 28 Juni 1881, 8.97. Drankwet. 209

Wet 28 Juni 1881, S. 124. Regel. Auteursrecïit. 129

Wet 5 Dec. 1881, 8. 185. Schatkistpromeasen. 506

K.B. 15 Jan. 1882, 8. 13. Inw. tred. Pakkctpost. 454

Wet 10 Mei 1882, 8. 66. Aanvull. Spoorwet. 415

Wet 11 Julij 1882, 8.86. Voork. Aanvaringen op Zee. 347

Wet 11 Juli 1882, S. 87. Tijd. aanv. beuoembaarh.

vreemdelingen. 135

Wet 6 Dec. 1883, S. 178. Toetred. Intern, overeenk.

Druifluis. 311

Wet 6 Dcc. 1883, 8. 181. üitv. idem. 311

K.B. 24 Dec. 1883, 8.248. Uitv. idem. 311

K.B. 5 Jan. 1884, 8.4. Reis-en vei blijfkosten. 227

Wet 23 April 1884, 8. 54. Wijz. Drankw. passim. 209

Wet 26 April 1884, 8. 80. Buiteng. Maatr. Besm. Z. 180

Wet 26 April 1884, S. 81. Vervoer Buskruit. 383

Wet 27 April 1884, S. 96. Krankzinnigenwet. 183

Wet 11 Juli 1884, 8. 139. Overeenk. België veeartsen. 245

Wet 20 Juli 1884. 8. 164. Wijz. Buiteng. Maatr. Besm.

Ziekten, 4, 5. 181

K.B. 29 Juli 1884, 8. 186. Inw. tred. Krankzinnigenw. 197

Wet 16 April 1885, 8. 78. Wijz. Drankwet. 209 en 216

K.B. 9 Juni 1885, 8. 125. Ontsm. Besm. \\\' eeziekten. 295

Wet 22 Juli 1885, S. 138. Wijz. Begrafeniswet. 205

Wet 23 Juli 1885, 8. 151. Opr. gezonk. vaartuigen enz. 345

X

-ocr page 17-

CHRONOLOGISCHE LIJST.

.B. 26 Juli 1885, S. 167. Regelen ontsmetting. 165

.B. 15 Oct. 1885, S. 187. Vervoer Buskruit. 385

.B. 9 Mei 1886, S. 103. Wijz. Instr. Quar. geneesk. 178 .B. 15 Sept. 1886, S. 164. Voorw.opr. telegr. enteleph.-

kantoren. 437

.B. 2 Mrt. 1887, S. 41. Verv. vergift, stoff. 1. d. Rijn 379 .B. 26 Mei 1888, S. 86. Verv. vee en ontsmett. vervoermiddelen. 253, 302 .B. 14 Aug. 1888, S. 142. Verbod varkensinvoer. 253 ^ett. 16 Dee. 1888, SS. 205 en 206. Spoorw. overeenkomsten. 421 fet 5 Mei 1889, S. 48. Arbeidswet. 20

ret 23 Juni 1889, S. 82. Voork. Bedrog Boterh. 315 \'et 28 Oct. 1889, S. 146. Spoorw. verm. snelheid. 406,422 .B. 30 Oct. 1889, S. 155. Inw. tred. Boterwet. 316

.B. 1 Dec. 1889, S. 178. Vervoeren visitatie vee. 253, 303 .B. 9 Dec. 1889, S. 176. K.B. Arbeidsw. ex. 5, 7, 11. 34 .B. 14 Dec. 1889, S. 178. Toev. Uitv. overeenk. Druif-

luis. 313

.B. 25 Febr. 1890, S. 28. Verv. petroleum 1. d. Rijn. 383 Iet 9 Mei 1890, S. 78. Burgerlijke Pensioenwet. 462 \'7et 9 Mei 1890, S. 79. Weduwenpensioenen. 484 let 9 Mei 1890, S. 81. Verbod dragen Wapenen. 223 .B. 26 Mei 1890, S. 93. Regl. Spoorw. verm. snelh.

Deel A, art. 1. 414

Deel B, art. 29. 417

tret 22 Juli 1890, S. 134, Spoorw. Overeenkomsten. 421 liss. M.v.B.Z. 24 Juli 1890. Overeenk. Duitschl. Hondsdolheid. 293 ^.B. 5 Sept. 1890, S. 152. Wijz. Verv. vee en ontsm.

vervoermiddelen. 253, 302 l.B. 30 Oct. 1890, S. 158. Tijd. Toev. K.B. Arbeidsw.

ex. 5, 7, 11. 38

Vet 28 Febr. 1891, S. 69. Rijks-waterstaatswerken. 317 i.B. 6 Mrt. 1891, S. 72. Wijz. Strandvonderij, 1 en 2. 375 Vet 15 April 1891, S. 80. Wijz. Hondsdolheid, 3. 293 Vet 15 April 1891, S. 81. Wijz. Geneesk. Staatstoez.

passim. 138

Vet 15 April 1891, S. 87. Brievenposterij. 441

Vet 15 April 1891, S. 91. Wet voork. Aanv. openb.

Wateren. 362

-B. 8 Juni 1891, S. 99. Cons, posten ex. 4 B.Pens.w. 463 ^■B. 24 Juli 1891, S. 153. Wijz. Regelen Ontsmetting. 166 v. ■ B. 13 Aug. 1891, S. 158. Alg. Pol. Regl. Rivieren enz. 320 :.B. 17 0ct. 1891, S. 172. Toev. K.B. Arbw. ex. 5,7,11. 34 liss. M.v.B.Z. 13 Nov. 1891. Overeenk.België Hondsdolh. 293 i.B. 30 Dec. 1891, S. 247. Wijz. Uitg. Schatkistbilj. 1. 504

XI

-ocr page 18-

CHEONOLOGISCHE I.IJST.

K.B. 11 Febr. 1892, S. 41. Inw. tred. Brievenposterij. 450 K.B. 15 Febr. 1892, S. 44. Regl. Baggeren enz. 340

K.B. 29 Mrt. 1892, S. 51. Bekendmaking Alg. Postverdrag. 448, 453 K.B. 4 April 1892, S. 60. Wijz. Wachtgelden passim. 498 K.B. 18 Mei 1892, S. 102. Keglem. Binnenvaart. 362 K.B. 10 Juni 1892, S. 136. Toev. K.B. Arbw. ex. 5. 7,11. 39 K.B. 28 Juni 1892, S. 169. Inw. tred. Pol. regl. Rivieren. 339 K.B. 14 Sept. 1892, S. 219. Wijz. voonv. opr. telegraaf-

en telephoonkantoren. 438 K.B. 24 Oct. 1892, S. 236 Uitv. Bescherm, diersoorten. 307 K.B. 28 Oct. 1892, S. 238. Wijz. Spoortoez. 8, 31, 33 v, 425 K.B. 28 Oct. 1892, S. 239. Wijz. StakingSpoorw.dienst. 410 K.B. 29 Nov. 1892, S. 257. Overbreng. Uitv. Arbw. 22 K.B. 3 Febr. 1893, S. 47. Overbreng. Uitv. Arbw. 22, 40 Wet 8 April 1893, S. 62. Wijzig. Spoorwet. 64. 420 Wet 8 April 1893, S. 63. Wijz. Quarantainewet, 8,10. 174 Wet 8 April 1893, S. 64. Wijz. Besm. Ziekten 16, 26. 161 K.B. 15 Mei 1893, S. 84. Wijz. Rijksveldw. passim. 229 K.B. 9 Juni 1893, S. 87. Wijz. Bescherm, diersoorten. 309 Wet 23 Juni 1893, S. 111. Wijz. afkond. Alg. maatreg.

van Bestuur. xxm

Wet 30 Sept. 1893, S. 145. Wijz. Wed. pens. pass. 484 Wet 30 Sept. 1893, S. 146. Fabrieks-en Handelsmerken. 119 Wet. 2 Oct. 1893, S. 149. Bedrijfsbelasting. 211, 214 K.B. 27 Oct. 1893, S. 156. Inw. tred. Fabrieks- en

Handelsmerken. 128

K.B. 29 Mrt. 1894, S. 49. Verv. ontvlb. stoff. 1. d. Rijn. 383 K.B. 17 April 1894, S. 57. Wijz. Politieregl. Rivieren

1, 62 en 87. 321

K.B. 17 April 1894, S. 58. Wijz. Regl. Baggeren 1. 341 K.B. 26 Mei 1894, S. 66. Wijz. Uitv. Overeenk.Druifl. 312 K.B. 16 Oct. 1894, S. 162. Wijz. Verv. Buskruit 28, 30. 394 Wet 20 April 1895, S. 71. Bakenw. openb. wateren. 371 Wet 20 Juli 1895, S. 135. Wijz. Rijkspostspb. passim. 455 Wet 20 Juli 1895, S. 137. Veiligheidswet. 43

Wet 20 Juli 1895, S. 138. Wijz. Arbeidswet passim. 20 K.B. 25 Juli 1895, S. 143 artt. 1—3. Wijz. Voorw. Opr.

Part. Telegr. 436

K.B. 9 Aug. 1895, S. 148. Regl. Bakendianst. 372

K.B. 17 Oct. 1895, no. 20. Bezold. Quarant. genecsk. 177 K.B. 14 Dec. 1895, S. 222. Regl. Posterijen art. 1. 441

idem art. 13. 449

K.B. 18 Dec. 1895, S. 224. Toev. Regl. Baggeren, 9. 343 Wet 15 April 1896, S. 68. Wijz. Veearts. Staatstoez. 24. 255 Wet 15 April 1896, S. 69. Stoomwet. 82

XII

-ocr page 19-

K.B. 4 Mei 1896

K.B. 16 Mei 1896

K.B. 11 Juni 1896

K.B. 10 Juli 1896

K.B. 27 Aug. 1896

Wet 4 Sept. 1896

K.B. 26 Sept. 1896

K.B. 19 Oct. 1896

K.B. 19 Oct. 1896

K.B. 9 Nov. 1896

Wet 7 Dec. 1896

K.B. 7 Dec. 1896

K.B. 7 Dec. 1896

K.B. 23 Dec. 1896

Wet 31 Dec. 1896

K.B. 14 Jan. 1897

K.B. 21 Jan. 1897

KB. 24 Mrt. 1897

K.B. 27 Mrt. 1897

Wet 9 April 1897

KB. 23 April 1897

K.B. 24 April 1897

Wet 2 Mei 1897

Wet 2 Mei 1897

K.B. 24 Mei 1897

K.B. 16 Juni 1897

K.B. 8 Juli 1897

K.B. 16 Sept. 1897

K.B. 9 Oct. 1897

K.B. 16 Oct. 1897

K.B. 28 Dec. 1897

Wet 31 Dec. 1897

K.B. 6 Jan. 1898

K.B. 19 Jan. 1898

K.B. 25 Jan. 1898

—jsterij. 450 340

_Postver-

448, 453 nassim. 498 =t. 362 ,5.7,11. 39 -liviereu. 339 Begraaf--gt;ren. 438 —soorten. 307 II, 33 v. 425 ^v.dienst. 410 zbw. 22

■rbw. 22, 40 =4. 420 Eet, 8,10. 174 n 16, 26. 161 nassim. 229 —soorten. 309 -laatreg.

XXIII

zass. 484 :smerken. 119 211, 214

|— en

128

. d. Rijn. 383

rivieren

321

-■en 1. 341 jk. Druifl. 312 Et 28, 30. 394 ■teren. 371 passim. 455 43

-tassim. 20 v. Opr.

436

372

■enecsk. 177 t. 1. 441 449

jren, 9. 343 ltstoez. 24. 255 82

CHRONOLOGISCHE LIJST.

s.

76.

Kamers Kooph. en Fabr.

13

s.

84.

Inw. tred. wijz. R. postspb.

461

s.

93.

Politieregl. R. Marinehavens. 337

s.

104.

Besm. Veeziek. en Maatr.

266

s.

151.

Wijz. K.B. Arbw. ex 5, 7, 11

. 40

s.

152.

Wiiz. Hinderw. passim.

68

s.

159.

■Wijz. Verv.Buskruit passim. 387

s.

162.

Inw. tred. Stoomwet.

91

S. 163.

Uitv. Stoomwet.

92

S.

169.

Ambtenaren Waterstaat.

322

s.

191.

Wijz. Krankz.wet 10, 40. Uitv. Veiligheidswet.

186

s.

215.

51

s.

216.

Inw. tred. Veiligheidswet.

50

s.

228.

Instructie Arbeidsinspectie.

64

s.

259.

Toev. Arbeidswet 7.

22

s.

45.

Instr. Stoominspectie.

108

s.

46.

Uitv. Arbeidswet ex. 4.

28

s.

74.

Wijz. Rijksveldw. passim.

229

s.

78.

Uitv. Arbeidswet ex. 7 lid 2. 41

s.

85.

Wijz. Burg. Pens. passim.

462

s.

105.

Wiiz. Politieregl. Rivieren 47. 92, 93.

329

s.

107.

Voork. Aanvaring op Zee.

348

s.

121.

Uitk. Bell-teleph. Mij.

440

s.

141.

Kamers van Arbeid.

1

s.

157.

Regl. Rijkstelegraaf art. 1.

433

s.

166.

Opr. Intercomm. Rijks-teleph. bureelen.

440

s.

174.

Wijz. Politieregl. Rivieren 1.

321

s.

200. artt. 4 en 5. Gebruik maken

Intercomm. tclephoon. 440 S. 204. Bekracht. Politieregl. Kijnv. 320 S. 205, art. 2. Wijz. Voorw. Opr. telegr.

en telephoonkantoren. 438 S. 267. Wijz. Opr. Intercomm. Rijks

teleph. bureelen. 440«

S. 281. Wijz. Schatkistbiljetten. 502 S. 20. Kiesregl. Kamers v. Arbeid. 509 S. 25. Politiebep. Wegen enz. 344a S. 27. Wijz.Uitg. Schatldstbilj. 2,6. 505


-ocr page 20-

AANVULLINGEN EN VERBETERINGEN.

Blz. 3—5. Wet Kamers van Arbeid. Achter artt. 8, 12, 14 en 16 te plaatsen als verwijzing: (K.B. 6 Jan 1898, S. 20.)

Blz. 13. K.B. Kamers van Kooph. en Fabr. Art 3, lees in de verwijzing: K.K. 2. inpl.v. K.F. 2.

Blz. 24. Arbeidswet. Regel 9 v. b. lees in de verwijzing: K.B. Aw#. inpl.v. K.B. Aw.

Blz. 35 opschrift, lees aett. inpl.v. art.

Blz. 158, Wet Besmettelijke Z. Op art. 5 en Blz. 181, Wst Buiten-gew. Maatr. Besm. Z. op art. 4 al. 7, lees als noot: Zie K.B. 11 Juli 1871, S. 75, houdende bevoegd verklaring der burgemeesters, of die hen als zoodanig vervangen, tot het houden van openbare verkoopin-gen van roerende goederen, voor rekening van het Rijk wegens besmettelijke ziekten onteigend enz.

Blz. 159. Wet Besm.Z. Achter art. 9, lees als verwyzing: (31; K.B. 31 Juli 1880, S. 121 jcto Wet Midd. Verv. 7; K.B. 9 Jan. 1876, S. 7 jcto Spoorw. 27.)

Blz. 270. K.B. Besm. Veeziekten. In de noot achter te voegen: (Zie blz. 288 en 289 hierachter.)

Blz. 290. K.B. Nadere bep. beteug. Longziekte onder het Rundvee. In noot 1 achter te voegen: (Zie blz. 295 hierachter.)

Blz. 300. K.B. Ontsmetting Besm. Veeziekten. Lees in de verwijzing achter § 5: (K.B. 26 Mei 1888, S. 86, gew. 5 Sept. 1890, S. 152. Zie blz. 302 hierachter.)

Blz. 317. Wet \'s Rijks Waterstaatswerken. Art. 1 sub 6°. aan de ver-wiizing toe te voegen: K.B. W.w.III.

Blz. 348—352 opschrift, lees aanvaringen inpl.v. aanvaring.

-ocr page 21-

VERKORTINGEN.

EN.

IA.

Apoth.U. Aw.

Begraafw. B.Pens.w. Besm.Z. B.W.

F.

G.

Gem. Gk.B.

Gk.T.

Gk.ü.

H.0.

Hw.

Instr.A.I.

Instr.S.I.

Inv.w.

Inv.w.F.

K.

K.A.

K.B.

K.B.Aw.

K.B.Aw*.

K.B.Besm.V.Z.

K.B.Besm.Z. j K.B.Hw. K.B.Rijks vw.

K.B.Sch.bilj.

K.B.Spoortoez.

K.B.Sw.

, 14: en 16 te es in de ver-ig: K.B. Aw*.

Wet Buiten-K.B. 11 Juli esters, of die re verkoopin-k wegens beng: (31; K.B. in. 1876, S. 7

3 voegen: (Zie

het Rundvee.

de verwijzing D, S. 152. Zie

0. aan de ver-

VARING.

= Wet houdende Algemeene Bepalingen van Wetgeving van het Koningrijk.

= Wet, regelende de Uitoefening Artsenijbereidkunst. = Arbeidswet.

= Wet op het Begraven van lijken enz. = Burgerlijke Pensioenwet.

= Wet voorziening tegen Besmettelijke Ziekten. = Burgerlijk Wetboek.

= Faillissementswet.

= Grondwet (zie Meijer Stsw. I.)

= Gemeentewet (zie Meijer Stsw. I.)

= Wet houd. regel, der voorw. t. verkr. der Bevoegdheid v. Arts, Tandmeester, Apotheker, Yroedvrouw en Apothekersbediende, (zie Meijer Stsw. I.) = Wet Geneeskundig Staatstoezicht.

= Wet, regel, de Uitoefening der Geneeskunst. = Wet op het Hooger Onderwijs. (Zie Meijer Stsw. I.) = Hinderwet.

= K.B. Instructie Arbeidsinspectie.

= K.B. Instructie Stoominspectie.

= Invoeringswet v. h. Wetb. voor Strafrecht. = Invoeringswet v. d. Faillissementswet.

= Wetboek van Koophandel.

= Wet tot oprichting van Kamers van Arbeid. = Koninklijk besluit.

= K.B. Arbeidswet ex art. 4.

\'= K.B. Arbeidswet ex artt. 5, 7 en 11.

= Besl. welke ziekten v.h. vee voor besmettelijk worden gehouden enz.

= Besluit houd. Regelen ontsmetting enz. = K.B. Hinderwet.

= Besluit houdende bepalingen omtrent den dienst

der Rijksveldwachters.

= K.B. Uitgifte enz. van Schatkistbiljetten. —■ K.B. Toezicht op de Spoorwegdiensten. = K.B. Stoomwet.


-ocr page 22-

VERKOBTINGEN.

= K.B. Veiligheidswet ex artt. 6 en 7. = Politiereglement voor de Rivieren enz. = Reglement op het baggeren enz. : Politiebepalingen op Wegen enz.

: Besluit tot vaststelling van een Algem. reglement

voor de Kamers van Koophandel en Fabrieken. = Wet houd. Staatstoezicht op de krankzinnigen. = Kieswet. (Zie Meijer Stsw. I.)

: Wet op het Lager Onderwijs. (Zie Meijer Stsw. I.) : Wet spoorwegen met verminderde snelheid. : Wet op de Middelen van Vervoer.

: Wet op h. Middelbaar Onderwijs. (Zie Meijer Stsw. I.) : Provinciale wet. (Zie Meijer Stsw. I.) : Quarantainewet.

: K.B. Reglement ter voorkoming van Aanvaring of

Aandrijving op openbare wateren in het Rijk. : Wet op de Regterlijke Organisatie.

: Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. : Wet op den Raad van State. (Zie Meijer Stsw. I.) : Staatsblad.

: Wet Uitgifte Schatkistbiljetten.

; Wet Uitgifte Schatkistpromessen.

: Spoorwegwet.

: Wetboek van Strafrecht.

: Staatscourant.

: Wetboek van Strafvordering.

Stoomwet.

Wet Afzonderl. bevoegdheid Tandheelkunst. : Wet tot regel, van het Onderwijs in de Veeartsenijkunde en van de voorwaarden tot verkrijg, van het Diploma als Veearts.

Wet Veeartsenijkundig Staatstoezicht. Wet Uitoefening der Veeartsenijkunst.

Wet tot regeling van het Pensioen der Weduwen en Weezen van Burgerlijke ambtenaren. Wet Bescherm, enz. v. \'s Rijks Waterstaatswerken. Artikel 8 van Wet of Besluit waarin het voorkomt.

XVI

K.B.Vw. K.B.Ww. I. K.B.Ww.IT. K.B.Ww.III. K.K.

Krankz.

Kw.

L.O.

Locaalsp.

Midd. Verv.

M.O.

P.

Qw.

Regl. Binnenv.

B.0.

R.V.

R.v.S.

S. of Stsbl.

Sch.bilj.

Sch.prom.

Spoorw.

S.R. of W.v.S.R.

Stcrt.

S.V.

Sw.

Tandheelk. Veearts.B.

Veearts.T. Veearts.ü. Wcd.pens.w.

Ww.

(8)

-ocr page 23-

1

BESLUIT,

betrekkelijk de daarstelling van een staatsblad der vbrëenigde nederlanden.

{Vastgesteld den 18den December 1813, no. 5; Stsbl. 1814, no. 1.)

Wu WILLEM, bij de gratie GODS, Prince van Oranje-I assau, Souveheik Vorst dee Verëenigde Nederlanden, enz., enz., enz.;

Gehoord de voordragt van Onzen Commissaris-generaal voor de Binnenlandsche zaken;

Hebben besloten en besluiten:

Art. 1. Er zal, van gouvernements wege, ten koste en ten behoeve vtn den Lande, een Staatsblad der Verëenigde Nederlan-iien worden uitgegeven, te beginnen met den Isten Januarij 1814.

2. In het Staatsblad zullen alleenlijk geplaatst worden alle wetten, proclamatien, publicatien en voorts zoodanige besluiten van den Souverein, als waarvan de publiekmaking noodig of nuttig wordt geoordeeld.

3. De insertie dezer stukken in het Staatsblad, wordt beschouwd a s derzelver publicatie, en als vervangende de bevorens gebruike-like toezending van gedrukte exemplaren; zullende alle Gemeente-li sturen, uit dien hoofde, verpligt zijn, zich van hetzelve, ten hun-njen koste, te voorzien. (Gem. 205«.)

4. Het Staatsblad zal in octavo worden gedrukt, en, zonder vaste tijdsbepaling, worden uitgegeven, in diervoege als de stoffe, daartoe Verhanden, zal vorderen.

5. Geen der voorz. stukken zal in eenig nieuwspapier opgenomen o publiek gemaakt mogen worden, vóór dat hetzelve in het Staats-Mad, is geïnsereerd geweest.

6. Vervallen. Zie thans K.B. 22 Deo. 1863, S. 149, ommestaand afgedrukt.

7. Vervallen als hebbende zijne beteekenis verloren.

z.

-ocr page 24-

Stew

BESLUIT,

ter nadere regeling van de wijze en den vorm van afkondiging van wetten en koninklijke besluiten.

(Vastgesteld den 22sten December 1863, Stsbl. no. 149, uitgegeven den 26sten December d.a.v.)

Wij WILLEM III, enz.

Overwegende dat het, ter rigtige afkondiging van wetten en door Ons genomen besluiten, wenschelijk is de zorg voor de uitgave van het Staatsblad, thans rustende op den Directeur van Ons Kabinet, no aan eenen daarvoor verantwoordelijken Minister op te dragen;

Gelet op art. 0 van het besluit van den Souvereinen Vorst van ^ den ISden December 1813 (Staatsblad no. 1814, no. 1);

Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen: V

Art. 1. De zorg voor de uitgave van het Staatsblad van het Ko- - Nas ningrijk der Nederlanden, en in het bijzonder voor de plaatsing enz\' daarin van wetten en van door Ons genomen besluiten, wordt opgedragen aan Onzen Minister van Justitie.

2. De wetten en de algemeene maatregelen van inwendig bestuur i van den Staat, worden, na door Ons onderteekend en na door het | hoofd van het departement van algemeen bestuur, dien het aangaat,

mede onderteekend te zijn, door dezen verzonden aan Onzen Minister van Justitie.

Wanneer de wet of de algemeene maatregel van inwendig bestuur de mede-onderteekening behoeft van meer dan één hoofd van een departement van algemeen bestuur, geschiedt de verzending door hem die het laatst teekent.

3. Onze Minister van Justitie voorziet de wet of den algemeenen maatregel van inwendig bestuur van het navolgende onderschrift;

«Uitgegeven den.......

(Invullen dagteekening en jaartal.)

De Minister van Justitie»

Hij zorgt tevens voor de onmiddellijke plaatsing van de wet o: | ji°n van den algemeenen maatregel van inwendig bestuur in het Staate ring blad, en, is van zoodanigen maatregel gelijktijdige plaatsing in dt ij (Zie

-ocr page 25-

K.B. AFKONDIGING VAN WETTEN EN KON. BESLUITEN. XIX

Staats-courant bevolen, ook voor de onmiddellijke plaatsing in die courant. (Besl. Souv.V. 18 Dec. 1813, zooals nader gewijzigd.)

De oorspronkelijke stukken worden daarna door hem teruggezonden aan het Kabinet des Konings, om in het archief dier instelling te verblijven.

4. De bepalingen van de artt. 2 en 3 zijn mede van toepassing op de door Ons genomen besluiten, geene algemeene maatregelen van inwendig bestuur van den Staat zijnde, waarvan de plaatsing in het Staatsblad door Ons bevolen is.

5. Dit besluit treedt in werking op den vijfden dag na de dagteeke-ning van het Staatsblad en de Staats-courant, waarin het geplaatst is.

Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit, enz.

BESLUIT,

\' NOPENS DE UITGAVE EENER NEDERLANDSCHEAATS-COURANT.

(Vastgesteld den 18 December 1813. Nederl. Staats-Courant voor Nov. en Dec. 1813, A0. 1814, No. 1.)

Wu WILLEM, bij de gratie GODS, Prinse van Oranje-Nassau, Souverein Vorst der Vereenigde Nederlanden, enz., enz., enz.;

Gehoord de voordragt van onzen commissaris-generaal voor de binnenlandsche zaken.

Hebben besloten en besluiten:

Art. 1. Er zal, van gouvernements vvege, ten kosten en ten behoeve van den lande, eene Nederlandsche 8taats-Courant worden uitgegeven, te beginnen met den Isten Januarij 1814.

2. Met volstrekte uitsluiting van alle particuliere stukken, nieuws-tijdingen en advertissementen,1) worden in de Staats-Courant geplaatst:

— VORM VAN EEBESIiUITEN.

=149, uitgegeven

bi wetten en door — de uitgave van sin Ons Kabinet, i te dragen;

—einen Vorst van =gt;■ 1):

3gt;/nd van het Ko-=)or de plaatsing Juiten, wordt op-

=inwendig bestuur _i en na door het 3ien het aangaat, aan Onzen Mi-

inwendig bestuur quot;in hoofd van een verzending door

■f den algemeenen □ie onderschrift;

n jaartal.)

stitic»

ng van de wet oi mur in het Staats-■e plaatsing in dt

1

Art. 5 van K.B. 30 Julij 1842, houdende wijziging nopens de uitgave der Staats-Courant, luidt:

In de Staats-Courant zullen voortaan geplaatst mogen worden, bijzondere advertentien van den volgenden aard, als berigten van bui-tenlandsche geldleeningen, aflossingen, rente betalingen, enz. van ver-koopingen en verpachtingen van vastegoederen, door Notarissen, enz. van ondernemingen, van stoombooten, postwagens enz. van boek- en kunsthandelaars wegens de uitgaven van boek- en kunstwerken, enz. en alle zoodanige verdere berigten, waarbij het publiek geacht kan worden belang te hebben, een en ander ter beoordeeling van onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, en met uitdrukkelijke uitzondering van bekendmakingen van geboorten, huwelijken en sterfgevallen. (Zie ook K. 28, 38; F. 14, 15,17,193.)

-ocr page 26-

XX K.B. NOPENS DE UITGAVE NEDERL. STAATS-COURANT.

1°. Alle besluiten, benoemingen en aanschrijvingen van de ministers en van alle nationale kollegien en ambtenaren, civiele en justitiële, welke dezelven aan het publiek willen mededeelen.

2°. Alle advertissementen en annonces van dezelve kollegien en personen.

3°. Zoodanige diplomatieke stukken, officiële tijdingen en verdere berigten, als het gouvernement wil hebben medegedeeld.

4°. Annonces en advertissementen van departementale en plaatselijke besturen en ambtenaren, voor zoo verre die de plaatsing daarvan, tegen betaling van het gewone advertentie-geld, mogten verlangen.

3. De Staats-Courant wordt in folio gedrukt en dagelijks uitgegeven; zullende de gemeente-besturen verpligt zijn, zich dezelve ten hunnen kosten aan te schaffen. {Zie echter Gem. 205«.)

4. (Over de zorg voor alles wat de inrichting en organisatie betreft.)

5. (Over de uitvoering van dit besluit.)

-ocr page 27-

frant.

WET,

HOUDENDE WIJZIGING VAN DIE VAN DEN 14DEN JUNI 1822 (STAATSBLAD No. 10).

(Vastgesteld den 15den Mei 1829, Stsbl. no. 28, uitgegeven den 25sten Mei d.a.v.)

; Wij WILLEM, enz.

| Alzoo Wij hebben in overweging genomen, dat de algemeene be-

Ipalingen,palingen, vervat bij de wet van den 14 Juni 1822 (staatsblad no. 10), niet bij uitsluiting toepasselijk zijn op het burgerlijk wetboek;

Dat daarenboven art. 1 over eene stoffe handelt, welke hare plaats zal behooren te vinden in eene afzonderlijke wet;

Hebben goedgevonden en verstaan enz.

Art. 1. De artikelen welke bij de wet van den 14den Juni 1822 (staatsblad no. 10) zijn vervat, zullen niet verder een gedeelte uitmaken van het burgerlijk wetboek.

2. De bepalingen vervat in de artt. 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14 en 15 van de aangehaalde wet, zullen als afzonderlijke wet, onder den titel van algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk, blijven bestaan.

WET,

HOUDENDE ALGEMEENE BEPALINGEN DER WETGEVING VAN HET KONINGRIJK. M

Art. 1. Geene wet is verbindende zoo lang zij niet behoorlijk is afgekondigd. (Wet 2 Aug. 1822, S. 33; KB. 22 Dec. 1863, S. 149.)

2. De wetten zijn in het geheele Koningrijk verbindende, uit krach-te van derzelver afkondiging door den Koning gedaan. (G. 55, 121.)

Zij werken terstond nadat derzelver afkondiging in alle deelen van het Koningrijk zal kunnen bekend zijn.

Wanneer bij de wet geen ander tijdstip is vastgesteld, wordt de afkondiging gerekend in het geheele Koningrijk bekend te zijn op

-van de minis-

-viele en justi-

!en.

=; kollegien en

rlt;\'n en verdere

^■ile en plaatse-tsing daarvan, =ten verlangen, dagelijks uitge-^ch dezelve ten

=M.)

—lisatie betreft.)

-ocr page 28-

XXII WET ALGEM. BEPALINGEN DER WETGEVING.

den 20sten dag na dien der dagteekening van het staatsblad in hetwelk de wet geplaatst is. 1)

3. Gewoonte geeft geen regt, dan alleen wanneer de wet daarop verwijst. {B.W.; K.; R.V. passim.)

4. De wet verbindt alleen voor het toekomende en heeft geene terugwerkende kracht. (Wet 16 Mei 1829, S. 29, gew. 23 Deo. 1837, S. 78, artt. 1 v.; B.W. 802, 2030; Inv.w. S.R. 29 v.; S.R. 1; Inv.w.F. 7 v.; B.Pens.w. wijz.w. 1897, art. 3; Wed.pens.w. wijz.w. 1893, art. 2.)

5. Eene wet kan alleen door eene latere wet, voor het geheel of gedeeltelijk, hare kracht verliezen.

6. De wetten betreffende de regten, den staat en de bevoegdheid der personen, verbinden de Nederlanders, ook wanneer zij zich buiten \'s lands bevinden. (B.W. 138.)

7. Ten opzigte van onroerende goederen, geldt de wet van het land of der plaats alwaar die goederen gelegen zijn.

8. De strafwetten 2) en de verordeningen van policie, zijn verbindende voor allen die zich op het grondgebied van het Koningrijk bevinden.

9. Het burgerlijk regt van het Koningrijk is hetzelfde voor vreemdelingen als voor de Nederlanders, zoo lange de wet niet bepaaldelijk het tegendeel vaststelt. (G. 4; R.V. 127, 152, 585 sub 10 v., 710 sub 1, 768, 8556; Wet 7 April 1869, S. 56.)

10. De vorm van alle handelingen wordt beoordeeld naar de wetten van het land of de plaats alwaar die handelingen zijn verrigt. (B.W. 138, 992; K. 310.)

11. De regter moet volgens de wet regt spreken: hij mag in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid der wet beoordeelen. (G. 121.)

12. Geen regter mag bij wege van algemeene verordening, dispositie of reglement, uitspraak doen in zaken welke aan zijne beslissing onderworpen zijn.

13. De regter die weigert regt te spreken, onder voorwendsel van het stilzwijgen, de duisterheid of de onvolledigheid der wet, kan uit hoofde van reglsweigering vervolgd worden. (R.V. 844 v.)

14. Door geene handelingen of overeenkomsten, kan aan de wetten, die op de publieke orde of goede zeden betrekking hebben, hare kracht ontnomen worden.

1

Hetzelfde wat thans bij art. 2 is vastgesteld, was reeds bepaald bp artt. 1 en 2 der „Wet van 2 Aug. 1822, S. 33, betrekkelijk de afkondiging dor wetten en omtrent het tijdstip waarop dezelve aanvangen verbindende te zijn.quot;

2

Art. 2 S.K. bepaalt:

De Nederlandsche strafwet is toepasselijk op ieder die zich binnen het rijk in Europa aan eenig strafbaar feit schuldig maakt. In verband met art. 3d Inv.w. S.E. zijn dus de eerste woorden van art. 8 vervallen.

-ocr page 29-

WET,

HOUDENDE REGELING DER AFKONDIGING VAN ALGEMEENE MAATREGELEN VAN INWENDIG BESTUUR VAN DEN STAAT.

(Vastgesteld den 26sten April 1852, Stsbl. no. 92, uitgegeven den 5den Mei d.a.v. Gewijzigd bij de wet van 23 Juni 1893, Stsbl. no. 111.)

Wij WILLEM III, enz.

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat, ingevolge art. 117 der Grondwet (1848), de wijze van afkondiging van algenieene maatregelen van inwendig bestuur van den Staat en het tijdstip waarna zij zullen werken, moeten worden bepaald bij de wet;

(G. 72.)

Zoo is het, dat Wij, enz.

Art,. 1. De algemeene maatregelen van inwendig bestuur van den Staat, zijn in het geheele Koningrijk verbindend, uit kracht van hunne afkondiging door den Koning gedaan.

Zij werken terstond, nadat hunne afkondiging in alle deelen van het Koningrijk bekend kan zijn. (A. 2.)

2. De afkondiging geschiedt:

door plaatsing in het Staatsblad, (Souv.B. 18 Dec. 1813, Stsbl. 1814 no. 1; K.B. 22 Dec. 1863, S. 149.)

door plaatsing in het Staatsblad en in de Staats-courant gelijktijdig. (Besl. Souv.V. 18 Dec. 1813, zooals nader gewijzigd.)

Ingeval gelijktijdige plaatsing in het Staatsblad en de Staats-courant bevolen is, wordt het tijdstip, waarna de maatregel, overeenkomstig art. 3 dezer wet, zal werken, daarbij uitgedrukt.

3. De afkondiging wordt gerekend in het geheele Koningrijk bekend te zijn op den twintigsten dag na dien der dagteekening van het Staatsblad, waarin de algemeene maatregel van inwendig be-

[ng.

Latsblad in helde wet daarop

en heeft geene 23 Dec. 1837, R. 1; Inv.w. P. v. 1893, art. 2.) r het geheel of

le bevoegdheid !er zij zich bui-

e wet van het

e, zijn verbin-Koningrijk be-

le voor vreem-niet bepaalde-585 sub 10 v.,

1 naar de wet-Q zijn verrigt.

•i

j mag in geen elan. (G. 121.) dening, dispo-a zijne beslis-

irwendsel van r wet, kan uit v.)

n aan de wet-hebben, hare

reeds bepaald lijk de afkon-ve aanvangen

e zich binnen laakt. In veren van art. 8

-ocr page 30-

XXIV WET AFROND. ALGEM. MAATE. V. BESTUUR.

stuur is opgenomen, of, indien bij het besluit, houdende vaststelling van zoodanigen maatregel, behalve de plaatsing in het Staatsblad, ook gelijktijdige opneming in de Staats-courant is bevolen, op den tweeden *) dag na dien der dagteekening van het Staatsblad en van de Staats-courant, waarin de algemeene maatregel van inwendig bestuur geplaatst is. (A. 2.)

1) Aldus „tweedenquot; gelezen in pl. v. „vijfdenquot; volgens de wet van 23 Juni 1893, S. 111.

-ocr page 31-

WET,

TOT OPRICHTING VAN KAMERS VAN ARBEID.

(Vastgesteld den 2deii Mei 1897, Stsbl. no. 141, uitgegeven den llden Mei d.a.v.)

HOOFDSTUK I.

Samenstelling en werkkring der Kamers.

Art. 1. Waar de behoefte daaraan is gebleken en eene behoorlijke samenstelling mogelijk blijkt, wordt bij Koninklijk besluit op voordracht van den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid, hetzij voor eene gemeente, hetzij voor verschillende gemeenten gezamenlijk, voor een of meer bedrijven eene Kamer van arbeid opgericht. (K.K. 1.)

Op gelijke wijze wordt eene Kamer van arbeid ontbonden of opgeheven.

Zij wordt ontbonden, wanneer de Kamer, handelende in strijd met haar huishoudelijk reglement of met de bepalingen van deze wet of van een krachtens haar vastgestelden algemeenen maatregel van bestuur, ondanks de door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid tot haar gerichte vertoogen, bij die handeling volhardt.

Het Koninklijk besluit, waardoor die ontbinding wordt uitgesproken, houdt tevens den last in tot het verkiezen van eene nieuwe Kamer binnen twee maanden.

De Kamer wordt opgeheven;

lu. wanneer gebleken is, dat de behoefte daaraan niet langer bestaat, of eene behoorlijke samenstelling niet meer mogelijk is;

2°. indien de Kamer, na ontbonden te zijn, in hare nieuwe samenstelling bij de handeling, die hare ontbinding ten gevolge had, volhardt.

2. De Kamer van arbeid heeft ten doel de belangen van patroons en werklieden in onderlinge samenwerking te bevorderen door:

a. het verzamelen van inlichtingen over arbeidsaangelegenheden; (K.A. 33.)

b. het dienen van advies aan de hoofden der Departementen van algemeen bestuur en de besturen van provinciën ea gemeenten hetzij op aanvrage van die autoriteiten, hetzij uit eigen beweging, ten aanzien van alle onderwerpen welke de belangen van den arbeid raken; (K.K. 2 sub A.)

stw. n. 1

^ vaststelling Staatsblad, =Dlen, op den ^ssblad en van Sinwendig be

de wet van

-ocr page 32-

WET KAMERS VAN ARBEID.

c. het dienen van advies en het ontwerpen van overeenkomsten en I regelingen op verzoek van daarbij belanghebbenden; (K.A. 32, 34; K.K. 2 sub B.)

d. het voorkomen en vereffenen van geschillen over arbeidsaangele-genheden, ook, voor zoover noodig, door te bewerken dat eene scheidsrechterlijke uitspraak tusschen de partijen tot stand kome. (K.A. 22 v.)

3. Onder patroons verstaat deze wet de hoofden of bestuurders van een bedrijf waarin ten minste één persoon boven de twintig jaren tegen genot van loon werkzaam is, en allen die op het beheer \' der hoofden of bestuurders toezicht houden, benevens hen, die, werkzaam in een bedrijf, wegens den aard van hunne werkzaamheden

bij een Koninklijk besluit als bedoeld in art. 4 met patroons worden gelijkgesteld.

Onder werklieden verstaat deze wet alle anderen, die tegen genot van loon in een bedrijf werkzaam zijn, behalve degenen ten aanzien van wie een Koninklijk besluit als bedoeld in art. 4, wegens het hun opgedragen gezag over anderen of wegens den aard van hunne werkzaamheden, verklaart, dat zij niet onder werklieden worden begrepen.

4. Het Koninklijk besluit, waarbij eene Kamer wordt opgericht, bepaalt haar gebied, do plaats waar haar zetel gevestigd is, het bedrijf of de bedrijven welke in de Kamer vertegenwoordigd zullen zijn, en het aantal leden dat in de Kamer zitting zal hebben. (K.A. 1, 3.)

Deze bepalingen kunnen bij nader Koninklijk besluit worcen ge- * wijzigd.

5. De Kamer bestaat voor de eene helft uit patroons, gekozen door de patroons, werkzaam in het bedrijf of de bedrijven in de Kamer vertegenwoordigd, voor de andere helft uit werklieden, gekozen door de werklieden in dat bedrijf of in die bedrijven werkzaam. (K.A. 3.)

6. De Kamer stelt haar huishoudelijk reglement vast.

Dit reglement treedt niet in werking alvorens bij Koninklijk besluit te zijn goedgekeurd, tot welk einde het door het bestuur der Kamer zoodra mogelijk na de vaststelling aan den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid wordt toegezonden.

In een vastgesteld reglement worden bii de goedkeuring geene veranderingen gebracht dan die, welke op grond van eenig wettelijk voorschrift of van strijd met het doel der Kamer noodzakelijk worden geacht, en niet dan nadat de Kamer door den genoemden Minister is gehoord.

Deze bepalingen gelden ook voor de latere wijzigingen van een goedgekeurd reglement. (K.K. 21; P. 84; Gem. 53.)

7. Iedere Kamer vergadert ten minste viermaal in het jaar en voorts zoo dikwerf als door den voorzitter noodig geoordeeld of, hetzij door de beide andere leden van het bestuur, hetzij door ten minste een derde van de leden der Kamer, met opgaaf van redenen schriftelijk verlangd wordt.

2

-ocr page 33-

WET KAMERS VAN ARBEID. 3

\' Ingeval de voorzitter tot het beleggen eener vergadering der Kamer op de wijze in het voorgaande lid van dit artikel omschreven wordt uitgenoodigd, belegt hij die vergadering uiterlijk binnen veertien dagen, nadat die nitnoodiging te zijner kennis is gekomen. (P. G4, Gem. 40.)

HOOFDSTUK II.

, Van de leden der Kamer.

Art. 8. Leden der Kamer kunnen alleen zijn mannelijke of vrouwelijke ingezetenen des Rijks, tevens Nederlanders, die den leeftijd van dertig jaren hebben bereikt en in een bedrijf in de Kamer vertegenwoordigd, als patroons of als werklieden binnen haar gebied werkzaam zijn geweest hetzij, gedurende het laatstverloopen kalenderjaar, hetzij, op meerderjarigen leeftijd, gedurende drie van de laatste tien kalenderjaren, die aan hunne verkiezing voorafgingen. (Wet 12 Dee. 1892, S. 268; Kw. 99,126; P. 17; Gem. 19.)

Ten aanzien van bedrijven, waarin niet gedurende het geheele jaar pleegt gearbeid te worden, geldt voor kalenderjaar zoodanig gedeelte van het jaar, als bij algemeenen maatregel van bestuur is bepaald.

Uitgesloten zijn:

1°. zij die bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak van het kiesrecht en de verkiesbaarheid of van het recht tot uitoefening van eenig beroep zijn ontzet, zoolang de tijd der ontzetting duurt; (S.R. 28 sub 3U en 6°.)

2°. zij die krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over hunne goederen hebben verloren, zoolang de tijd van het verlies duurt; (B.W. 487 v.; F. 23, 230.)

3°. zij die krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak tot gevangenisstraf of hechtenis van ten minste zes maanden zijn veroordeeld, zoolang de gevangenschap of hechtenis duurt.

Een lid der Kamer, op wien een of meer der bovenbedoelde uitsluitingen van toepassing worden, houdt op lid te zijn. (K.K. 4 sub 2; Kw. 125,144; P. 23; Gem. 25.)

9. Niemand kan tegelijk lid van meer dan ééne Kamer zijn.

Door aanneming van eene latere benoeming houdt het bestaande lidmaatschap op.

^ 10. De Leden der Kamer worden gekozen door hen, die op de kiezerslijsten voor de Kamer zijn gebracht. (Kw. 127 ; Gem. 5 ; P. 6.)

Bij eerste stemming wordt niemand benoemd, dan met volstrekte meerderheid van stemmen. (K.K. 12 ; Kw. 133 al. 2; P. 8; Gem. 10.)

Hebben meer personen de volstrekte meerderheid verkregen dan er plaatsen te vervullen zijn, dan zijn zij die de meeste stemmen hebben gekregen en bij gelijk getal stemmen de oudste in jaren benoemd. In geval van gelijken ouderdom beslist het lot.

Bij herstemming, noodzakelijk wanneer de volstrekte meerderheid

1*

sreenkomsten en ; (K.A. 32, 34;

arbeidsaangelc-Bat eene seheids-me. (K.A. 22 v.)

i of bestuurders

ii de twintig ja-s op het beheer

hen, die, werk-werkzaamheden ± patroons wor-

■die tegen genot genen ten aan-art. 4, wegens den aard van werklieden wor-

\'ordt opgericht, itigd is, het be-3igd zullen zijn, :jen. (K.A. 1, 3.) Buit worcen ge-

Iroons, gekozen iijven in de Karlieden, gekozen izaam. (K.A. 3.) sist.

■minklijk besluit -uur der Kamer Tan Waterstaat,

iring geene vereenig wettelijk eakelijk worden \'inden Minister

gingen van een

in het jaar en irdeeld of, hetzij Joor ten minste -denen schrifte-

-ocr page 34-

4 WET KAMERS VAN ARBEID.

van stemmen bij de eerste stemming niet is verkregen, geschiedt de \' 0\' benoeming met de meeste stemmen. Indien de stemmen staken is dtj P-1\' oudste in jaren de benoemde. Ingeval van gelijken ouderdom beslist het lot. (K.K. 12 ; Kw. 133 al. 3; P. 8; Gem. 10.1

De volstrekte en de betrekkelijke meerderheid worden vastgesteld naar het aantal van waarde zijnde in de stembus gevonden stembiljetten. (Kw. 133, al. 4.)

11. quot;Wanneer bij eene eerste stemming geen volstrekte meerder- ,

held voor alle te vervullen plaatsen is verkregen, wordt onmiddellijk door den voorzitter van het stembureau eene lijst opgemaakt, bevattende de namen der personen, die bij de eerste stemming, na de benoemden, de meeste stemmen hebben erlangd tot uiterlijk tweemaal zooveel namen als er plaatsen te vervullen zijn. Komen ten gevolge van gelijk aantal stemmen meer dan het bij de vorige zinsnede bepaald getal personen voor plaatsing op de lijst in aanmerking, dan worden deze alle daarop geplaatst.

De herstemming heeft plaats uiterlijk binnen veertien dagen na de eerste stemming. (K.K. 12; Kw. 134; P. 9 ; Gem. 11.)

12. De voorzitter van het stembureau geeft ten spoedigste bij te ad-viseeren dienstbrief aan eiken benoemde berieht van zijne benoeming. (Kw. 135 ;P. 10; Gem. 12.)

Die tot lid van meer dan eene Kamer, of door de patroons en door de werklieden tot lid van dezelfde Kamer wordt gekozen, ver-, klaart in welke Kamer of voor welke plaats hij wenseht zitting te nemen of te blijven nemen.

Bij gebreke van zoodanige verklaring, gedaan op de wijze en binnen den tijd, bepaald bij den in art. lö voorgeschreven algemeenen maatregel van bestuur voor de kennisgeving van de aanneming eener benoeming, en in geval van aanneming van meer dan éénc benoeming, wordt de gekozene niet toegelaten, en heeft eene nieuwe verkiezing plaats. Eveneens heeft eene nieuwe verkiezing plaats, wanneer een benoemde zijne benoeming niet aanneemt, of wanneer iemand, die in herstemming komt, vóór de herstemming komt te overlijden. (K.K. 14; Kw. 136, 137 ; P. 11—13; Gem. 13, 14.)

13. De leden der Kamer worden benoemd voor den tijd van vijf jaren. (K.K. 5.)

Zij treden tegelijk af en zijn dadelijk herkiesbaar.

Zij kunnen te allen tijde hun ontslag nemen; dit wordt ingediendj bij den voorzitter der Kamer.

Indien door overlijden, ontslag of het van toepassing worden van eene der redenen van uitsluiting eene Kamer hare bevoegdheid om te beraadslagen of te besluiten dreigt te verliezen of reeds verloren heeft, kan bij een op voordracht van den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid te nemen Koninklijk besluit eene buitengewone verkiezing worden uitgeschreven tot aanvulling van de opengevallen plaatsen. De bij deze verkiezing gekozen leden treden if tegelijk met

-ocr page 35-

WET KAMERS VAN ARBEID.

n, geschiedt de \' de overige leden en zijn mede dadelijk herkiesbaar. (K.K. 5; Kw. 143;

nen staken is dft P- 24 v.; Gem. 27 v.) in ouderdom be-

HOOFDSTUK III.

Van de kiezers vow de Kamers.

Art. 14. Kiesgerechtigd voor eene Kamer van arbeid zijn de manneliike en de vrouwelijke ingezetenen des Eijks, tevens Nederlanders, die den leeftijd van vijf en twintig jaren hebben bereikt en binnen het gebied der Kamer in een bedrijf, in de Kamer vertegenwoordigd, als patroons of als werklieden werkzaam zijn geweest gedurende het laatst verloopen kalenderjaar of gedurende zoodanig gedeelte van dat jaar als ten aanzien van bedrijven, waarin niet gedurende het geheele jaar pleegt gearbeid te worden, bij algemeenen maatregel van bestuur is bepaald.

De redenen van uitsluiting genoemd in art. 8, derde lid, 1°. en 2°. gelden ook voor de kiesgerechtigden.

Voor elke Kamer worden in elke gemeente, waarvoor zij is opgericht, twee kiezerslijsten vastgesteld, ééne voor de patroons en ééne voor de werklieden.

Kiesgerechtigden in gevangenschap of hechtenis zijn van de uitoefening van het kiesrecht uitgesloten. (Kw. 1—8.)

15. De kiesgerechtigden worden op de kiezerslijsten gebracht in de gemeente waar zij hun bedrijf of bedrijven uitoefenen.

Indien het bedrijf van een patroon zich over meer dan eene gemeente uitstrekt, wordt hij geacht het uit te oefenen in elk dier gemeenten waar het bedrijf in eene Kamer is vertegenwoordigd, of, indien voor die gemeenten en voor dat bedrijf dezelfde Kamer bestaat, in de gemeente, waar zijne woonplaats of, mocht deze niet in eene dier gemeenten zijn gelegen, de hoofdzetel van zijn bedrijf is gevestigd.

Indien de werkman in meer dan eene gemeente werkzaam is, wordt hij geacht het bedrijf uit te oefenen in de gemeente, waar zijne woonplaats is gevestigd, en indien aldaar het bedrijf niet in eene Kamer is vertegenwoordigd, in eene der andere gemeenten te zijner keuze. (K.K. 7 ; Kw. 8.)

16. De kiezerslijsten worden opgemaakt door het gemeentebestuur.

De kiezers stemmen in de gemeente waar zij op de kiezerslijsten

zijn geplaatst.

De leden van het stembureau en hunne plaatsvervangers worden door den gemeenteraad uit zijn midden benoemd. (K.K. li; Kw. 61.)

De besUssing van geschillen over de plaatsing op de kiezerslijsten en over de toelating van gekozen leden wordt opgedragen aan de Gedeputeerde Staten der provincie, met beroep op den Koning. (K.K. 9 sub 4; Kw. 36 v.)

^^quot;\'den vastgesteld gevonden stem-

■•trekte meerder-wordt onmiddel-lijst opgemaakt, ^Hte stemming, na ot uiterlijk tvvee-

-zijii- Komen ten

^=ij de vorige zin-lijst in aanmer-

-quot;tien dagen na de

=}edigste bij te ad-zijne benoeming.

^■r de patroons en ^■rdt gekozen, ver-, ^—v-enscht zitting te

de wijze en bin-^■reven algemeenen ■ aanneming eener dan ééne benoe-eene nieuwe ver-—\'zing plaats, wan-\'enit, of wanneer —;temming komt te —u. 13, 14.) —■ den tijd van vijf

—lit wordt ingediend

=assiiig worden van —e bevoegdheid om of reeds verloren =-r van Waterstaat, eene buitengewone an de opengevallen —\'den if tegelijk met

-ocr page 36-

WET KAMERS VAN ARBEID.

Bij algemeenen maatregel van bestuur worden voorschriften gege- \' ven omtrent: zij

het opmaken, vaststellen en openbaar maken van de kiezerslijsten; ril de verplichtingen van bijzondere personen tot het doen van opgaven en het geven van inlichtingen voor het opmaken en vaststellen wc van de kiezerslijsten en voor de beslissing van geschillen over de bij plaatsing op de kiezerslijsten;

het kiezen, inzonderheid tot verzekering van het geheim der stemming; sti de eischen waaraan het stembiljet moet voldoen en de redenen waarom het van onwaarde moet worden verklaard; wi

de wijze waarop en den tijd binnen welken de gekozenen van de wi aanneming eener benoeming moeten kennis geven;

de behandeling van de in het voorgaande lid genoemde geschillen. di

17. Het hoofd of de bestuurder van een bedrijf of eene onderneming, waarin personen die op eene kiezerslijst voor eene Kamer h van arbeid zijn geplaatst, arbeid verrichten in fabrieken en werkplaatsen, is verplicht te zorgen dat ieder van dezen gedurende ten sl minste twee achtereenvolgende uren van den voor de stemming bepaalden tijd gelegenheid vinde om mede te werken tot de keuze b waartoe hij bevoegd is. (Kw. 57.) tl

18. Het hoofd of de bestuurder in het voorgaande artikel bedoeld z is verplicht te zorgen, dat in zijne fabriek of werkplaats, op eene plaats

waar arbeid wordt verricht, gedurende twee werkdagen vóór en tijdens , o de tot stemming bepaalde uren, op eene zichtbare wijze is opgehangen eene door hem onderteekende lijst, de uren in het voorgaande e artikel bedoeld vermeldende voor elk afzonderlijk of groepsgewijze of \\ voor allen gezamenlijk. (Kw. 58.)

Op de woorden »arbeid:gt; en «fabrieken en werkplaatsen» in dit en i

in het vorige artikel is § 1 der Arbeidswet, met uitzondering van het laatste lid van art. 2, toepasselijk.

HOOFDSTUK IV.

Van het bestuur der Kamer.

Art. 19. Het bestuur der Kamer bestaat uit een voorzitter en twee ü leden.

Tot voorzitter wijzen de door de patroons en de door de werk- , lieden gekozen leden der Kamer ieder afzonderlijk een lid uit hun midden aan. (K.A. 3.)

Beide leden treden om beurten, telkens voor een half jaar, als voorzitter op; de eerste beurt wordt door het lot bepaald.

Van de twee andere leden van het bestuur wordt het eene gekozen door en uit de leden der Kamer, die door de patroons, het andere door en uit de leden der Kamer, die door de werklieden benoemd zijn.

6

-ocr page 37-

WET KAMERS VAN ARBEID.

De tot voorzitter aangewezen leden zijn gedurende den tijd welken zij het voorzitterschap niet waarnemen, bevoegd de bestuursvergaderingen bij te wonen en hebben daarin eene raadgevende stem.

Bij ontstentenis, afwezigheid of verhindering van den voorzitter wordt hij vervangen door het andere tot voorzitter aangewezen lid en bij gebreke van dezen door het oudste aanwezige bestuurslid in jaren.

Die ophoudt lid der Kamer te zijn, houdt tevens op lid van het bestuur te zijn. (K.A. 8al. 4, 13.)

In de eerste vergadering nadat de Kamer ten gevolge van de gewone verkiezing opnieuw is samengesteld, treedt het bestuur af en wordt een nieuw bestuur gekozen.

In de vervulling van tusschentijds opengevallen plaatsen wordt zoodra mogelijk voorzien.

20. De Kamer benoemt een secretaris. Zij ontvangt daartoe van het bestuur eene aanbeveling van twee personen.

Buiten de leden benoemd, heeft de secretaris eene raadgevende stem. (K.K. 18.)

De secretaris treedt af met de Kamer die hem benoemde, maar blijft zijne werkzaamheden waarnemen, totdat zijn opvolger zijne betrekking heeft aanvaard. De benoeming van dezen geschiedt binnen zes maanden nadat het nieuwe bestuur is gekozen.

De secretaris kan als zoodanig door de Kamer worden geschorst of ontslagen.

Hij geniet eene toelage voor bureelkosten, waarvan het bedrag bij een op voordracht van den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid te nemen Koninklijk besluit wordt bepaald. (K.K. 19; K.A. 35.)

Bij ontstentenis, afwezigheid of verhindering van den secretaris worden zijne werkzaamheden waargenomen door een lid, daartoe door den voorzitter aan te wijzen.

21. Het bestuur vergadert zoo dikwerf als door den voorzitter noo-dig geoordeeld of door een der leden, met opgaaf van redenen, schriftelijk verlangd wordt.

Ingeval de voorzitter tot het beleggen eener vergadering van het bestuur op de wijze in het voorgaande lid van dit artikel omschreven, wordt uitgenoodigd, belegt hij die vergadering uiterlijk binnen acht dagen, nadat die uitnoodiging te zijner kennis is gekomen.

HOOFDSTUK V.

Van geschillen.

Art. 22. Wanneer in een bedrijf, uitgeoefend in eene gemeente waar dat bedrijf in eene Kamer is vertegenwoordigd, een geschil dreigt te ontstaan of ontstaan is, kan door partijen of eene der partijen, bij schriftelijk verzoek aan die Kamer, houdende mededeeling van de aanleiding tot het geschil, de tusschenkomst worden ingeroepen van een verzoeningsraad. (K.A. 2d.)

7

-lorschriften gege-

de kiezerslijsten;

-- doen van opga-

-un en vaststellen

schillen over de

_in der stemming; en de redenen

=:kozenen van de

—temde geschillen.

of eene onder-^—ior eene Kamer —i\'U\'ken en werk-gedurende ten ■Ie stemming be-tot de keuze

^8 artikel bedoeld =s, op eene plaats —1 vóór en tijdens —v\'ijze is opgehan-het voorgaande ^groepsgewijze of

iatsen» in dit en =ndering van het

zDorzitter en twee

1 door de werkteen lid uit hun

■If jaar, als vooruit het eene ge-Je patroons, het = werklieden be-

-ocr page 38-

WET KAMERS VAN ARBEID.

De tusschenkomst wordt ingeroepen overeenkomstig een bij alge-meenen maatregel van bestuur vast te stellen en door den voorzitter van het bestuur der Kamer af te geven formulier.

23. Wanneer in een bedrijf, uitgeoefend in eene gemeente, waar dat bedrijf niet in eene Kamer is vertegenwoordigd, een geschil dreigt te ontstaan of ontstaan is, kan door partijen of eene der partijen op de wijze als in het voorgaande artikel is bepaald, de tusschenkomst van een verzoeningsraad worden ingeroepen bij eene Kamer, wier gebied zich over dezelfde gemeente uitstrekt, of bij gebreke van deze tot eene Kamer, wier gebied zich over eene naburige gemeente uitstrekt.

Wanneer de Kamer, waarbij een verzoek overeenkomstig hét eerste lid is ingekomen, zich bereid verklaart daaraan te voldoen, geeft zij daarvan onmiddellijk bericht aan den burgemeester der gemeente waarin het bedrijf wordt uitgeoefend, die van de ontvangst van dit bericht zoo spoedig mogelijk kennis geeft aan de Kamer, die het hem heeft toegezonden en aan de partij of de partijen door wie hel verzoek is gedaan.

Ontvangt de burgemeester na de ontvangst van dit bericht van eene andere Kamer een gelijk bericht omtrent hetzelfde geschil, dan deelt hij aan haar en aan de partij of partijen door wie het verzoek is gedaan onverwijld mede, welke Kamer zich reeds bereid heeft verklaard aan het verzoek te voldoen. De Kamer die zoodanige mededeeling ontvangt, onthoudt zich van alle bemoeiing met dit geschil.

De burgemeester eener gemeente of de Commissaris des Konings in eene provincie, waarin een geschil dreigt te ontstaan of ontstaan is, heeft gelijke bevoegdheid als in het eerste lid van het voorgaande en van dit artikel aan partijen of eene der partijen is toegekend.

24. Het bestuur der Kamer, waarbij een verzoek tot tusschenkomst van een verzoeningsraad is ingekomen, tracht, indien het meent, dat het geschil van eenvoudigen aard is, dat geschil in der minne te beëindigen. Vindt het daartoe geene termen of gelukt de aangewende poging niet, dan wordt het geschil ten spoedigste bij de Kamer aanhangig gemaakt.

Is deze van oordeel, dat de tusschenkomst kan leiden tot voorkoming of vereffening van het geschil, dan benoemt zij een verzoeningsraad, bestaande uit een voorzitter, uit of buiten haar midden te kiezen, en uit een even getal leden, waarvan de eene helft behoort tot de leden der Kamer die door de patroons, en de andere helft tot de leden der Kamer die door de werklieden zijn gekozen.

Het eerste lid van dit artikel is niet van toepassing in de gevallen bedoeld in art. 23.

De secretaris der Kamer treedt als secretaris van den verzoeningsraad op.

De voorzitter van den verzoeningsraad heeft, behoudens het ge-

8

-ocr page 39-

WET KAMERS VAN ARBEID.

Ige- val in art. 25, vierde lid, bedoeld, alleen eene raadgevende stem.

tter Bij ontstentenis, afwezigheid of verhindering van den voorzitter worden zijne werkzaamheden waargenomen door het oudste lid in

aar jaren, op wien dan ook het voorgaarde lid van toepassing is. Ter

;hil vervanging van den secretaris wordt zoo noodig door den voorzitter

iar- een lid aangewezen.

us- De voorzitter tracht te bevorderen, dat de partijen zich verbinden

me om gedurende den duur van het onderzoek, zonder nader overleg met

ge- den voorzitter, noch den arbeid te staken, noch iemand bij het ge-

ige schil betrokken te ontslaan.

25. De verzoeningsraad vergadert zoo dikwijls als door den voorste zitter noodig wordt geoordeeld.

zij Op deze vergaderingen zijn de artikelen 28, eerste lid, 29, eerste

ite lid, 30, eerste en tweede lid, en 31 van toepassing, het laatste artikel

dit behoudens hetgeen in het vierde lid van dit artikel is bepaald,

jm Bij staking van stemmen over zaken in eene niet voltallige verga-

;r- dering wordt het nemen van een besluit tot eene volgende vergadering uitgesteld. (Gem. 50.)

in Indien in deze vergadering of reeds in de eerste vergadering, in-

il, dien deze voltallig is, de stemmen staken, heeft de voorzitter eene

et beslissende stem behalve ten aanzien van den inhoud van het in art.

id 26 bedoelde verslag. Indien hierover de stemmen staken worden de

re verschillende gevoelens in dat verslag vermeld.

i). Van het verhandelde in den verzoeningsraad mag alleen in het in

rs artikel 26 bedoelde verslag openbare melding worden gemaakt.

(- 26. De verzoeningsraad deelt, na gehouden onderzoek en beraad-

r- slaging, aan partijen schriftelijk zijn oordeel mede over het geschil en

. over de middelen tot verzoening. Indien de minderheid het verlangt,

wordt haar gevoelen in dit verslag opgenomen.

i- De raad kan dit verslag geheel of gedeeltelijk openbaar maken.

(K.A. 35.)

e 27. Indien partijen het geschil aan eene scheidsrechterlijke uit

spraak onderwerpen, zijn, in afwijking van het bepaalde in het twee-r de lid van art. 622 van het Wetboek van Burgerlijke Kechtsvorde-

ring, ook vrouwen tot scheidsrechters benoembaar.

HOOFDSTUK VI.

gt; i Van de vergaderingen van dc Kamers en van hare besturen.

i Art. 28. Alle oproepingsbrieven tot bijwoning der vergaderingen

van de Kamers of van hare besturen worden, spoedeischende geval-i len uitgezonderd, ten minste tweemaal vier en twintig uren vóór het

houden der vergadering aan de leden verzonden.

Zij vermelden de te behandelen onderwerpen. Andere onderwerpen kunnen niet in behandeling worden gebracht dan met goedvinden van ten minste twee derden der aanwezigen. (Gem. 42.)

9

-ocr page 40-

WET KAMERS VAN ARBEID.

29. De vergaderingen worden met gesloten deuren gehouden.

De Kamer kan omtrent het in de vergaderingen verhandelde aan allen, die daarbij tegenwoordig waren, dé geheimhouding opleggen. Deze wordt in acht genomen totdat de Kamer haar opheft.

30. Bij stemmingen over personen in eene vergadering van eene Kamer benoemt de voorzitter twee leden tot stemopnemers; overigens geschieden die stemmingen overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 78 tot en met 83 van de (Prov.) wet van den (3den Juli 1850 (Staatsblad no. 39).

Alle besluiten over zaken worden bij volstrekte meerderheid der uitgebrachte stemmen opgemaakt. De stemming geschiedt bij hoofdelijke oproeping, wanneer een der leden dit verlangt en alsdan mondeling. (P. 76, 77; Gem. 50, 52.)

Bij staking van stemmen in eene vergadering van eene Kamer heeft de voorzitter eene beslissende stem.

Bij staking van stemmen in eene vergadering van het bestuur wordt het nemen van het besluit tot de eerstvolgende vergadering uitgesteld. Indien de stemmen alsdan opnieuw staken, heeft de voorzitter eene beslissende stem. (P. 76; (iem. 50.)

31. Aan elke stemming in eene vergadering van eene Kamer wordt alleen deelgenomen door een even getal leden, waarvan de helft behoort tot de leden der Kamer die door de patroons, en de andere helft tot de leden der Kamer die door de werklieden zijn gekozen.

Is het aantal der door de patroons gekozen leden in eene vergadering bij de stemming niet gelijk aan dat der door de werklieden gekozen leden, dan hebben aan de talrijkste zijde zoovele leden als het verschil bedraagt, aanvangende met den jongste in jaren, alleen eene raadgevende stem.

De vergadering mag niet beraadslagen of besluiten, zoo niet ten minste de helft van de leden, die door de patroons zijn gekozen, en de helft van de leden, die door de werklieden zijn gekozen, aanwezig zijn.

32. Wanneer door eene Kamer advies wordt uitgebracht, is de minderheid bevoegd in een afzonderlijk advies van haar gevoelen te doen blijken. (K.A. 2 c.)

33. De Kamer stelt jaarlijks binnen den door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid aan te wijzen termijn en in den door hem voor te schrijven vorm een verslag vast van hetgeen door haar is verricht. Het bestuur zendt dit verslag aan den voornoemden Minister.

Dit verslag wordt, hetzij in zijn geheel, hetzij gedeeltelijk, aan de Staten-Generaal medegedeeld.

Bij algemeenen maatregel van bestuur wordt bepaald, in hoeverre en naar welke regelen de Kamer, afgezien van het verslag, verplicht is inlichtingen als bedoeld in art. 2, a, te verzamelen en op te zenden aan den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid. De

10

-ocr page 41-

WET KAMEKS VAN ARBEID.

aldus bijeengebrachte inlichtingen worden geordend en, voor zoover zij daarvoor geschikt blijken, periodiek openbaar gemaakt en in afdruk aan de Kamers toegezonden.

34. De Kamer voldoet slechts dan aan een tot haar ingevolge art. 2, c, gericht verzoek, indien zij oordeelt, dat dit strekken kan tot bevordering van het doel in den aanhef van art. 2 aangegeven.

HOOFDSTUK VII.

Algemecnc bepalingen.

Art. 35. Op aanvraag van het bestuur der Kamer worden door de gemeente waar de zetel der Kamer is gevestigd, voor de vergaderingen van de Kamer, van haar bestuur en van de verzoeningsraden geschikte lokalen, zoo noodig verwarmd en verlicht, kosteloos beschikbaar gesteld. (K.K. 19; Gem. 205 x.)

De leden en de secretaris der Kamer en de voorzitter van den verzoeningsraad hebben recht op vergoeding van reiskosten voor reizen binnen het gebied der Kamer tot het bijwonen van vergaderingen volgens de voorschriften dezer wet gehouden.

Zij hebben bovendien recht op eene schadeloosstelling voor het bijwonen dier vergaderingen.

Een Koninklijk besluit, als bedoeld in art. 4, regelt de vergoeding van reiskosten en de schadeloosstelling, in het 2de en 3de lid van dit artikel omschreven.

Deze vergoeding van reiskosten en deze schadeloosstelling, benevens de toelagen voor bureelkosten van den secretaris en de kosten van openbaarmaking van verslagen van den verzoeningsraad, voor zoover het openbaarmaken op de door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid goedgekeurde wijze geschiedt, komen ten laste van het Rijk. (K.A. 20, 26.)

Vergoeding van reiskosten en schadeloosstelling voor het bijwonen der vergaderingen wordt niet toegekend, wanneer de vergadering op een Zondag of een algemeen erkenden Christelijken feestdag gehouden is.

De kosten van het aanleggen en bijhouden der kiezerslijsten en van het uitoefenen der kiesverrichting voor leden der Kamer komen ten laste dor gemeenten, zoo, dat elke gemeente de kosten draagt der verrichtingen waarvoor haar bestuur heeft te zorgen.

36. Alle stukken, opgemaakt ter voldoening aan de bepalingen dezer wet of aan de bij algemeenen maatregel van bestuur of bij Koninklijk besluit nader te geven voorschriften, zijn vrij van het recht van zegel, van de formaliteit der registratie en, met inachtneming van de bij Koninklijk besluit vast te stellen voorschriften, van briefport.

37. Bij de oprichting van elke Kamer van arbeid wordt bepaald, in hoeverre deze wet binnen het gebied dier Kamer van toepassing

11

-ocr page 42-

WET KAMERS VAN ARBEID.

zal zijn op patroons en werklieden in bedrijven, uitgeoefend door, of staande onder beheer van den Staat, van eene provincie, eene gemeente, een waterschap of een veenschap. (K.A. 1.)

38. Hetgeen behalve het in de artt. 8, 14, 16, 22 en 33 bepaalde nog ter voorbereiding van het in werking treden dezer wet en tot hare uitvoering noodig is, wordt bij algemeenen maatregel van bestuur geregeld.

39. Hij die opzettelijk, hetzij ter staving zijner verkiesbaarheid tot lid der Kamer, hetzij ter verkrijging van het kiesrecht voor de Kamer, eene valsche opgave doet omtrent een feit, waarvan zijne verkiesbaarheid of zijne plaatsing op de kiezerslijst afhankelijk kan zijn, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar. (Kw. 149.)

40. Hij die opzettelijk in de opgaven en inlichtingen, voor de beoordeeling van eens anders verkiesbaarheid of voor het opmaken of het vaststellen der kiezerslijsten of voor de beslissing van geschillen over de plaatsing op de kiezerslijsten krachtens wettelijk voorschrift van hem gevorderd, eene valsche opgave doet of eene valsche inlichting verschaft omtrent een feit, waarvan de verkiesbaarheid of de plaatsing op de kiezerslijst van den persoon wien het onderzoek geldt afhankelijk kan zijn, wordt gestraft met gevangenisstraf van tea hoogste zes maanden. (Kw. 150.)

41. Overtreding van art. 17 of 18 wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste veertien dagen of geldboete van ten hoogste vijf en zeventig gulden.

42. Hij die wederrechtelijk niet voldoet aan eene hem in eenigen krachtens deze wet uitgevaardigden algemeenen maatregel van bestuur opgelegde verplichting, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste veertien dagen of geldboete van ten hoogste vijf en zeventig gulden.

43. Als misdrijven worden beschouwd de in de artt. 39 en 40, als overtredingen de in de artt. 41 en 42 strafbaar gestelde feiten.

44. Bij veroordeeling wegens een der in de artt. 39 en 40 omschreven misdrijven kan ontzetting van de in art. 28, 3U., van het Wetboek van Strafrecht vermelde rechten worden uitgesproken.

45. Deze wet kan worden aangehaald onder den titel van »\\Vet op de Kamers van arbeid».

46. Deze wet treedt in werking op een nader bij Koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

12

-ocr page 43-

BESLUIT,

TOT VASTSTELLING VAN EEN ALGEMEEN REGLEMENT VOOR DE KAMERS VAN KOOPHANDEL EN FABRIEKEN.

(Vastgesteld den 4den Mei 1896, Stsbl. no. 76, uitgegeven den 12den Mei d.a.v.)

Art. 1. In elke gemeente, waar dit door den gemeenteraad in het belang van handel en nijverheid wenschelijk wordt geacht, kan door Ons eene Kamer van Koophandel en Fabrieken worden gevestigd, bestaande uit een voor elke Kamer door Ons te bepalen aantal leden, volgens de hierna gestelde bepalingen te kiezen door de kiesgerechtigde handelaren en nijveren. (K.A. 1.)

2. De bestemming dezer Kamers is:

A. aan het algemeen bestuur en aan de provinciale en gemeentebesturen binnen welker gebied zij gevestigd zijn, hetzij op daartoe haar te kennen gegeven verlangen, hetzij uit zich zelve, inlichtingen te geven, adviezen uit te brengen, of voorstellen te doen over onderwerpen van handel en nijverheid. (K.A. 2 a, b.)

B. aan hen, die bij handel en nijverheid betrokken zijn, zoodanige mededeelingen te doen, als de gezegde besturen zullen verlangen, of als zij zeiven in het belang van die takken van bedrijf nuttig zullen achten. (K.A. 2 c.)

3. De Kamers kunnen zich, voor zooveel dit noodig is om aan hare bestemming te voldoen, met elkander, gelijk ook met andere colleges of personen, in betrekking stellen. (K.F. 2.)

4. 1. Om tot lid eener Kamer te kunnen worden gekozen, moet men zijn mannelijk Nederlander, niet bij rechterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over zijne goederen hebben verloren, noch van de verkiesbaarheid ontzet zijn, den ouderdom bereikt hebben voor het lidmaatschap van den Gemeenteraad vereischt en bestuurder of medebestuurder zijn of geweest zijn van een bedrijf van handel of nijverheid in de gemeente waar de Kamer is gevestigd. (Wet Ncderlsch. 12 Dec. 1892, S. 268; F. 23, 230; B.W. 487 v.; S.R. 28 sub 3U; K.A. 8; Kw. 99, 126; P. 17; Gem. 19.)

2. Wanneer een lid een der vereischten voor de verkiesbaarheid verliest, houdt hij op lid te zijn. (K.A. 8; Kw. 125,144; P. 23; Gem. 2ü.)

5. 1. De leden der Kamers worden gekozen voor vier jaren. (K.A. 13.)

2. Om de twee jaren treedt op den eersten Januari de helft der

-ocr page 44-

ALGEMEEN REGLEMENT VOOR DE

leden van elke Kamer af, volgens een daarvan door de Kamer te maken rooster.

3. De aftredenden zijn dadelijk weder verkiesbaar.

4. Wie, ter vervulling eener buiten den bij den rooster bepaalden tijd opengevallen plaats, tot lid van de Kamer is gekozen, treedt af op het tijdstip, waarop degeen, in wiens plaats hij is gekozen, moest aftreden. (K.A. 13.)

6. Om kiezer van leden eener Kamer te zijn, moet men:

A. kiezer zijn van leden van den Raad der gemeente, waar de Kamer is gevestigd; (Kw. 1, 7.)

B. aldaar bestuurder of medebestuurder zijn en gedurende ten minste twaalf achtereenvolgende maanden zijn geweest, van een bedrijf van handel of nijverheid. (K.A. 14.j

7. 1. Vóór 15 Juli van het jaar waarin de bij art. 10, 1ste lid, bedoelde verkiezing plaats heeft, wordt door Burgemeester en Wethouders der gemeente, waar eene Kamer is gevestigd eene voorloopige lijst van kiesgereehtigden voor die Kamer opgemaakt. (K.A. 16; Kw. 8 v.)

2. Op die lijst worden gebracht de namen van:

A. hen, die op de laatst vastgestelde lijst van kiezers voor de Kamer voorkomen en voldoen aan de eisehen in art. (J gesteld;

B. hen, die van hunne aanspraak om op die lijst te worden go-plaatst schriftelijk hebben doen blijken.

De burgemeester noodigt daartoe hen, die niet op de laatstvastge-stelde kiezerslijst voorkomen, maar aanspraak kunnen maken om op de kiezerslijst te worden geplaatst, uit, daarvan vóór 1 Juli aangifte te doen. Het model dezer aangifte wordt door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid vastgesteld. (Kw. 12.)

3. Bij de oprichting van eene nieuwe Kamer worden voor de eerste maal op de kiezerslijst gebracht zij, die van hunne aanspraak daarop hebben doen blijken. Belanghebbenden worden uitgenoodigd, op de in het tweede lid van dit artikel omschreven wijze, binnen een door Ons, bij het besluit waarbij de Kamer wordt gevestigd, te bepalen termijn daartoe aangifte te doen.

8. 1. Vóór 20 Juli zenden Burgemeester en Wethouders de in het eerste lid van art. 7 bedoelde lijst aan de Kamer, onder uit-noodiging om vóór 20 Augustus van advies te dienen, welke van do daarop genoemde personen geacht moeten worden aan het vereischte, in art. 6, sub B, gesteld, te voldoen.

2. Met inachtneming van dit advies wordt de lijst door Burgemeester en Wethouders vóór 1 September definitief opgemaakt. (K.A. 16.)

9. 1. De in het tweede lid van art. 8 genoemde lijst, of ingeval van oprichting van eene nieuwe Kamer de lijst bedoeld in art. 7, derde lid, wordt gedurende acht dagen voor een ieder ter inzage ne-dergelegd, welke termijn, voor zooveel eerstgenoemde lijst betreft, den Isten September ingaat.

2. Van die nederlegging geschiedt openbare kennisgeving.

14

-ocr page 45-

KAMERS VAN KOOPHANDEL EN FABRIEKEN. 15

3. Bezwaren tegen die lijst, hetzij die den klager, hetzij die andere personen betreffen, kunnen gedurende acht dagen, te rekenen van den dag der kennisgeving, bij den Gemeenteraad worden ingebracht. (K.A. 16; Kw. 36 v.)

Deze beslist binnen drie weken over de ingebrachte bezwaren en brengt die beslissing ter kennis van de belanghebbenden.

4. Deze kunnen gedurende acht dagen, te rekenen van den dag, waarop hun deze beslissing is medegedeeld, bij de Gedeputeerde Staten in hooger beroep komen.

5. De Gedeputeerde Staten beslissen binnen drie weken en brengen die beslissing ter kennis van de belanghebbenden.

0. Op of vóór 15 November wordt de lijst, met inachtneming van de beslissingen door den Gemeenteraad en de Gedeputeerde Staten genomen, door Burgemeester en Wethouders gesloten.

7. De gesloten lijsten blijven tot de volgende tweejaarlijksche herziening van kracht. (Kw. 28 v.)

10. 1. De gewone verkiezing van leden van eene Kamer heeft plaats om de twee jaren in de maand November.

2. Alsdan wordt voorzien in de vervulling der plaatsen van de leden, die op den eersten Januari daaraanvolgende aan de beurt van aftreding zijn.

3. De verkiezing ter vervulling der plaatsen, die door ontslag, overlijden, of door eene andere oorzaak openvallen, geschiedt binnen zes maanden na dat openvallen.

4. De dag der verkiezing, de plaats waar en de tijd gedurende welken de stembriefjes kunnen worden ingeleverd, wordt eene maand te voren door Burgemeester en Wethouders bekend gemaakt.

5. Waar dit, met het oog op de uitgestrektheid der gemeente, waar eene Kamer is gevestigd, door den Gemeenteraad wensehelijk wordt geacht, kan die gemeente ter inlevering van de stembriefjes in af-deelingen worden verdeeld. In elke afdeeling zal alsdan een stembureau zijn.

6. Eene plaatselijke verordening, aan de Gedeputeerde Staten mede le deelen, stelt die verdeeling vast en bepaalt tevens waar het hoofdstembureau zal gevestigd zijn.

7. Wanneer eene gemeente in afdeelingen is verdeeld, geschiedt de verkiezing in alle afdeelingen op denzelfden dag.

11. 1. De stemming geschiedt bij ongeteekende briefjes, waartoe met het zegel der gemeente gewaarmerkte stembriefjes ten minste acht dagen voor den dag der verkiezing door den burgemeester aan de kiesgerechtigden worden toegezonden.

2. Den Idezer, die zijn stembriefje verloren of er geen ontvangen heeft, wordt gelegenheid verschaft, om er aan het stembureau een te bekomen.

3. De burgemeester zorgt voor eene geschikte zaal voor het inleveren der stembriefjes.

-ocr page 46-

16 ALGEMEEN REGLEMENT VOOR DE

4. De burgemeester is voorzitter van het stembureau.

5. Is in eene gemeente meer dan één stembureau aanwezig, dan wordt bet voorzitterschap van het hoofdstembureau bekleed door den burgemeester, dat van elk der overige door een lid van den Gemeenteraad, door dezen te benoemen.

6. Het stembureau bestaat behalve uit den, in een der vorige zinsneden aangewezen, voorzitter van dat bureau, uit twee leden van den gemeenteraad, door dezen te benoemen.

7. In de gemeenten, welke overeenkomstig het bepaalde bij art. 10, vijfde lid, in afdeelingen zijn verdeeld, kan de Gemeenteraad buiten zijn midden, telkens voor twaalf maanden, kiesgerechtigden voor de Kamer tot leden van een stembureau benoemen.

8. Het voorgaande lid is niet toepasselijk op het hoofdstembureau.

9. De stembureaux kunnen zich door den secretaris der gemeente of door beambten der secretarie doen bijstaan.

10. De in het zesde lid van dit artikel bedoelde leden van het stembureau zijn stemopnemers; beide teekenen de namen op van el-ken kiezer, die een stembriefje inlevert, en onderteekenen met den voorzitter de aldus door hen gehouden lijsten.

11. Bij elk stembureau is een exemplaar der laatst gesloten lijst van kiesgerechtigden aanwezig. (Kw. 62 v.)

12. 1. Zoodra de ter inlevering van stembriefjes bepaalde tijd is verstreken, wordt dit door den voorzitter van het stembureau aangekondigd; alsdan worden geen stembriefjes meer aangenomen dan alleen van de kiezers, die zich op dat oogenblik in de zaal bevinden. (Kw. 86.)

2. Het openen der stembriefjes geschiedt dadelijk na afloop dei-verkiezing. (Kw. 87.)

3. Is eene gemeente in afdeelingen verdeeld, dan worden, zoodra de tijd tot inlevering van stembriefjes verstreken is, de stembussen der onderstembureaux, behoorlijk verzegeld en vergezeld van de in art. 11, tiende lid, bedoelde lijsten, naar het hoofdstembureau overgebracht en aldaar geopend. (Kw. 92.)

4. Van den uitslag der stemming wordt een proces-verbaal opgemaakt, hetwelk door den voorzitter en de stemopnemers van het stembureau, waar de opening der stembriefjes plaats heeft gehad, wordt onderteekend. (Kw. 91.)

5. Bij eene eerste stemming wordt men gekozen met volstrekte meerderheid van stemmen.

6. Bij herstemming, noodig wanneer die meerderheid bij de eerste stemming niet is verkregen, wordt men gekozen met de meeste stemmen.

7. Indien bij eene herstemming de stemmen staken, is de oudste in jaren gekozen.

8. Ingeval van gelijken ouderdom beslist het lot. (K.A. 10; Kw. 133; P. 8; Gem. 10.)

-ocr page 47-

KAMERS VAN KOOPHANDEL EN FABRIEKEN.

9. Wanneer bij de eerste stemming niet voor al de te vervullen plaatsen eene volstrekte meerderheid is verkregen, wordt dadelijk door het stembureau waar de opening der stembriefjes plaats beeft, eene lijst opgemaakt, tweemaal zooveel namen bevattende als er nog plaatsen te vervullen zijn.

10. Op die lijst worden gebracht zij, die bij de eerste stemming de meeste stemmen op zich hebben vereenigd, en niet gekozen zijn.

11. Komt tengevolge van een gelijk aantal verkregen stemmen, een grooter aantal personen, dan in het negende lid van dit artikel bedoeld, voor plaatsing op de lijst in aanmerking, dan worden deze allen daarop geplaatst.

12. Deze lijst wordt bij de oproeping voor de herstemming aan de kiezers bekend gemaakt.

13. De stemming over de op de lijst vermelde personen wordt door Burgemeester en Wethouders binnen eene week na de eerste stemming uitgeschreven. (K.A. 11; Kw. 134: P. 9; Gem. 11.)

13. 1. Het stembureau waar de opening der stembriefjes plaats heeft, beslist over alle geschillen, die omtrent de geldigheid der ingeleverde briefjes mochten rijzen.

2. Van onwaarde zijn briefjes, welke niet zijn gewaarmerkt volgens het bepaalde bij art. 11, eerste lid, welke onderteekend zijn, welke niet duidelijk een persoon aanwijzen, of waarbij of waaraan andere stembriefjes zijn ingesloten of vastgehecht. (Kw. 89.)

14. 1. Het stembureau, waar de opening der briefjes is geschied, zendt ten spoedigste aan den gekozene een door den voorzitter en een der stemopnemers geteekend afschrift van het in art. 12, vierde lid, bedoeld proces-verbaal.

2. Het zendt hem, is hij bij herstemming gekozen, afschrift zoowel van het proces-verbaal der eerste stemming als van dat der herstemming.

3. Dit afschrift of deze afschriften strekken den gekozene tot geloofsbrief.

4. De gekozene geeft bij het bekomen van het afschrift of der afschriften een bewijs van ontvang daarvoor af en geeft binnen acht dagen na de dagteekening van dat bewijs, kennis aan het stembureau of hij zich de keuze laat welgevallen.

5. Hij wordt, laat hij dien tijd zonder kennisgeving voorbijgaan, geacht zich de keuze niet te laten welgevallen.

6. Wanneer een gekozene zich de keuze niet laat welgevallen, geeft het in het 4de lid van dit artikel bedoelde stembureau daarvan onmiddellijk kennis aan Burgemeester en Wethouders, die binnen eene week eene nieuwe verkiezing uitschrijven met inachtneming van den termijn in art. 10, 4de lid, bepaald. (K.A. 12; Kw. 135—137; P. 10—13; Gem. 12—14.)

1-5. 1. Elke Kamer onderzoekt de geloofsbrieven der gekozen leden en geeft van elke genomen beslissing kennis aan Burgemeester en Wethouders en aan den gekozene.

CmiIT TT ^

17

-ocr page 48-

ALGEMEEN REGLEMENT VOOK DE

2. Gedurende acht dagen, te rekenen van den dag waarop de Ka- k Ko mer heeft beslist, staat het vrij aan een niet-toegelatene, zoomede | lev aan elk lid der Kamer, tegen deze beslissing bezwaren in te brengen \' wo bij den Gemeenteraad. hai

3. De Gemeenteraad beslist binnen drie weken omtrent die in-gebraehte bezwaren en brengt die beslissing ter kennis van de Ka- kle mer en van den gekozene, tegen wiens toelating bezwaren zijn ge- he] rezen. be]

4. Hij, die in het ongelijk gesteld is, kan binnen acht dagen nadat i

de Gemeenteraad zijne beslissing heeft medegedeeld, daarvan in hoo- dif ger beroep komen bij de Gedeputeerde Staten der provincie, die in ste hoogste ressort binnen drie weken beslissen. (G. 98; P. 70; Gem. 31 v.)

16. 1. De leden der Kamers kunnen te allen tijde hun ontslag die nemen.

2. Het bericht daarvan wordt door hen ingezonden aan de Kamer. W

3. De Kamer geeft van het ontslag kennis aan Burgemeester en art Wethouders. (K.K. 5; K.A. 13.) de

17. Elke Kamer kiest jaarlijks uit haar midden een voorzitter en he een plaatsvervangend voorzitter.

18. 1. Elke Kamer benoemt een secretaris. (K.A. 20.) m(

2. Uit haar midden benoemd, houdt hij op lid te zijn. aa

3. De secretaris wordt benoemd voor den tijd van vier jarec, maar ne is telkens weder benoembaar.

4. Bij de beraadslagingen van de Kamer heeft de secretaris eene „ aa raadgevende stem.

19. 1. Aan elke Kamer wordt door den Gemeenteraad, uit tie ab kas der gemeente, waar zij is gevestigd, eene jaarlijks te bepalen som St toegelegd, ter bestrijding van noodzakelijke kosten en van de bezoldiging van den secretaris en verdere beambten. (K.A. 20.) Oi

2. De leden genieten geene bezoldiging. (Gem. 205 p.)

20. Jaarlijks vóór 1 April wordt door elke Kamer rekening en verantwoording over het afgeloopen jaar aan den Gemeenteraad ingezonden. IE

21. 1. Elke Kamer stelt haar reglement van orde vast. Dat re- lij glement en de later daarin te brengen aanvullingen of wijzigingen behoeven, alvorens van kracht te zijn, de goedkem-ing van den Ge- lij meenteraad. di

2. Bij weigering van den Gemeenteraad kan de Kamer de goed- sti keuring van de Gedeputeerde Staten en, indien ook deze haar weige- t ren. Onze goedkeuring vragen. (K.A. 0; P. 84; Gem. 53.) 1

22. 1. Wanneer het door de Raden van eenige gemeenten, waar re geen Kamer gevestigd is, in het belang van handel en nijverheid wenschelijk wordt geacht, of wanneer bestaande Kamers, na bekomen goedkeuring van de Kaden der Gemeenten, waarin zij gevestigd df zijn, zich tot eene gemeenschappelijke Kamer wenschen te vereenigen, zoo kan door Ons, in het laatste geval, met intrekking van de

18

-ocr page 49-

KAMERS VAN KOOPHANDEL EN FABRIEKF^N. 19

[a- i» Koninklijke besluiten, waarbij die Kamers afzonderlijk zijn in het

de | leven geroepen, in die gemeenten eene gemeenschappelijke Kanier en | worden gevestigd, met aanwijzing der gemeente, waar die Kamer

hare zittingen houdt.

in- 2. Het getal leden in en voor elke gemeente te kiezen door de

kiesgereehtigden, die ten opzichte van die gemeente voldoen aan het ;e- bepaalde bij art. (3, wordt door Ons, Gedeputeerde Staten gehoord, bepaald.

lat 3. De voor elke gemeente te kiezen leden moeten ten opzichte

gt;0- dier gemeente voldoen aan den laatsten der bij art. 4, 1ste lid, gein stelde eischen.

v.) 4. Do bepalingen der artt. 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13 en 14 zijn in elke

ag dier gemeenten bij het houden van verkiezingen van toepassing.

5. Waar in artt. 15 en 16 gesproken wordt van »Burgemeester en er. Wethouders» of van «Gemeenteraad » wordt in het geval van dit en artikel daarmede bedoeld het college van Burgemeester en Wethouders of de Raad der gemeente waarvoor het lid gekozen is of zitting

en heeft.

6. De Raden der gemeenten, waar eene gemeenschappelijke Kamer is gevestigd, regelen onderling de jaarlijks door elke gemeente aan de Kamer, overeenkomstig het bepaalde bij art. 19, toe te ken-

lar nen som, onder goedkeuring van de Gedeputeerde Staten. (Gem. 122.)

7. De rekening en verantwoording der Kamer wordt ingezonden ne , aan de Raden der gemeenten waar de Kamer gevestigd is.

8. Het door de Kamer vast te stellen reglement van orde behoeft, de alvorens van kracht te zijn, de goedkeuring van de Gedeputeerde )ni Staten der provincie, binnen welker gebied de Kamer gevestigd is. ol- 9. Bij weigering door de Gedeputeerde Staten kan de Kamer

Onze goedkeuring vragen.

Overgangsbepaling.

in- Art. 23. 1. Met afwijking van het bepaalde bij art. 7 worden vóór

lö Juli 1896 in al de gemeenten, waar Kamers gevestigd zijn, nieuwe re- lijsten van kiesgerechtigden opgemaakt.

:en 2. Daarbij worden voor de toepassing van art. 7, tweede lid, de

Ie- lijsten van kiesgerechtigden van kracht bij het in werking treden van

dit besluit, aangemerkt als de in dat artikel bedoelde laatst vastge-?d- stelde lijsten.

je- | 3. Aan de verkiezingen ingevolge art. 10, derde lid, te houden vóór 1 November 1896, worden ten grondslag gelegd de lijsten van kiesge-lar rechtigden van kracht bij het in werking treden van dit besluit.

eid

so- De Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid is belast met

igd de uitvoering van dit besluit, enz.

ni-

de -

o*

1

-ocr page 50-

DE ARBEIDSWET.

WET,

HOUDENDE BEPALINGEN TOT HET TEGENGAAN VAN OVERMATIGEN EN GEVAARLIJKEN ARBEID VAN JEUGDIGE PERSONEN EN VAN VROUWEN.

(Vastgesteld den 5den Mei 1889, Stsbl. no. 48, uitgegeven den IGden Mei d.a.v. Gewijzigd bij art. 30 der Veiligheidswet en de wetten van 20 Juli 1895, Stsbl. no. 138 en van 31 December 1896, Stsbl. no. 259.)

§ 1. Inleidende bepalingen.

Art. 1. Onder arbeid verstaat deze wet alle werkzaamheden in of voor eenig bedrijf, behalve: 1quot;. werkzaamheden in of voor de bedrijven van landbouw, tuinbouw, bosehbouw, veehouderij of veenderij; 2quot;. werkzaamheden buiten fabrieken en werkplaatsen in of voor hei bedrijf van hem, bij wien degene die ze verricht inwoont, voor zoover die werkzaamheden ook buiten eenig bedrijf in eene huishouding of stalling plegen voor te komen. (Aw. 9, 23, 24; Vw. 29.)

2. Onder fabrieken en werkplaatsen verstaat deze wet alle zoowel open als besloten ruimten, waar in of voor eenig bedrijf pleegt go-werkt te worden aan het vervaardigen, veranderen, herstellen, versieren, afwerken of op andere wijze tot verkoop of gebruik geschikt maken van voorwerpen of stoffen, of waarin of voor eenig bedrijf voorwerpen of stoffen eene daartoe strekkende bewerking plegen te ondergaan.

Keukens en soortgelijke inrichtingen, waar spijzen en dranken voor onmiddellijk verbruik bereid worden, benevens apotheken, zijn hieronder niet begrepen. (Aw. 1, 18, 19, 23, 24; Vw. 1, 29; Hw. 2, 3.)

§ 2. Van den arbeid van jeugdige personen en van vrouwen.

3. Het is verboden een kind beneden twaalf jaren arbeid te doen verrichten. (Aw. 9; L.O. 82; S.R. 253.)

4. Bij algemeenen maatregel van bestuur wordt door Ons, hetzij onvoorwaardelijk, hetzij voorwaardelijk, verboden een persoon bene-

-ocr page 51-

ARBEIDSWET. 21

den zestien jaren en in fabrieken en werkplaatsen eene vrouw bepaalde soorten van arbeid te doen verrichten, op grond van de gevaren voor de gezondheid of het leven, welke die soorten van arbeid, hetzij in het algemeen, hetzij bij niet inachtneming van zekere voorwaarden, door de wijze waarop zij verricht worden of door de verwerkt wordende stoffen, voor een persoon beneden de zestien jaren of voor eene vrouw opleveren. (K.B. 21 Jan. 1897, S. 4(i; S.K. 253.)

5. Het is verboden den arbeid van een persoon beneden zestien jaren of van eene vrouw in fabrieken en werkplaatsen vroeger te doen aanvangen dan te 5 uren des voormiddags of later te doen eindigen dan te 7 uren des namiddags, met dien verstande, dat het aantal uren, gedurende welke die arbeid wordt verricht, niet meer dan elf per etmaal bedrage. (Aw. 9.)

Voor bepaalde bedrijven kan door Ons bij algemeenen maatregel van bestuur worden vergund, hetzij in het algemeen, hetzij ten opzichte van bepaalde gemeenten, den arbeid van personen beneden zestien jaren en van vrouwen op andere dan de in het vorige lid bepaalde uren te doen aanvangen en te doen eindigen onder zoodanige voorwaarden als zullen noodig blijken, met dien verstande dat het aantal uren, gedurende welke die arbeid wordt verricht, niet meer dan elf per etmaal bedrage. Voor personen beneden veertien jaren of vrouwen mag het begin van dien arbeid niet vroeger dan te 5 uren des voormiddags en het einde niet later dan te 10 uren des namiddags worden gesteld. (Aw. 22; K.B. 9 Dec. 1889, S. 176.)

In bijzondere omstandigheden kan door Onzen Commissaris in de provincie schriftelijke vergunning worden gegeven om in eene daarin genoemde fabriek of werkplaats den arbeid van personen beneden zestien jaren en van vrouwen gedurende niet langer dan zes achtereenvolgende werkdagen, of om den anderen dag niet langer dan gedurende veertien dagen, hoogstens twee uren vroeger te doen aanvangen of hoogstens twee uren later te doen eindigen of wel een uur vroeger te doen aanvangen en oen uur later te doen eindigen dan in het eerste lid van dit artikel of hij algemeenen maatregel van bestuur, als bedoeld in het tweede lid van dit artikel, is bepaald, met dien verstande dat het aantal uren, gedurende welke die arbeid wordt verricht, niet meer dan dertien per etmaal bedrage en voor personen beneden veertien jaren of vrouwen het begin van dien arbeid niet vroeger dan te 5 uren des voormiddags en het einde niet later dan te 10 uren des namiddags worde gesteld. In spoedeischende gevallen kan, voor niet langer dan twee achtereenvolgende werkdagen, gelijke vergunning worden verleend door den burgemeester, die daarvan binnen 24 uren mededeeling doet aan Onzen Commissaris in de provincie; door dezen kan die vergunning tot een duur van zes achtereenvolgende werkdagen worden verlengd. Voor dezelfde fabriek of werkplaats geldt geene der genoemde vergunningen.

-ocr page 52-

ARBEIDSWET.

alvorens sedert het eindigen van eene vorige, voor dezelfde klasse van personen geldende, ten minste acht dagen zijn verloopen, tenzij na goedkeuring van Onzen Minister met de uitvoering van deze wet belast. !) (Aw. 22; 23 al. 1.)

6. Hij die een persoon beneden zestien jaren of eene vrouw arbeid doet verrichten in fabrieken en werkplaatsen is verplicht te zorgen, dat die arbeid ten minste worde afgewisseld door één rusttijd van één uur tusschen 11 uren des voormiddags en drie uren des namiddags.

Voor bepaalde fabrieken en werkplaatsen kan door of van wege Onzen Minister, met de uitvoering van deze wet belast, onder zoodanige voorwaarden als zullen noodig blijken, wijziging of vermindering van dien rusttijd worden toegestaan, met dien verstande, dat daardoor het aantal uren, gedurende welke aldaar arbeid wordt verricht door de in dit artikel bedoelde personen of vrouwen, niet groo-ter worde dan in art. 5 is veroorloofd.

Hij die bedoelde personen of vrouwen arbeid doet verrichten is verplicht te zorgen, dat deze gedurende voormelden rusttijd niet verblijven op eene besloten plaats, waar alsdan arbeid wordt verricht. (Aw. 23 al. 1.)

7. Het is verboden een persoon beneden zestien jaren of eene vrouw op Zondag arbeid te doen verrichten in fabrieken en werkplaatsen.

Dit verbod is niet van toepassing op den, bij algemeenen maatregel van bestuur, met name te noemen arbeid van vrouwen, boven den leeftijd van zestien jaren, in boter- en kaasfabrieken, voor zooverre daarbij de voorwaarden worden in acht genomen, voor alle of voor bepaalde gemeenten, bij dien algemeenen maatregel te stellen. 1) (K.B. 27 Maart 1897, S. 78.)

Voor personen, behoorende tot een kerkgenootschap, dat den weke-lijkschen rustdag niet op Zondag viert, treedt in de plaats van dit verbod dat om hen arbeid te doen verrichten in fabrieken en werkplaatsen in het etmaal, door hun kerkgenootschap als wekelijksche rustdag aangenomen, indien zij aan het hoofd of den bestuurder van het bedrijf of de onderneming hun verlangen hebben te kennen gegeven om in dat etmaal geen arbeid te verrichten, waarvan achter hunnen naam op de in art. 11 bedoelde lijst melding moet worden gemaakt.

22

1

Dit lid is inssehen het 1ste en 2de lid van art. 7 als, nieuw lid ingevoegd volgens de wet van 31 December 1896, S. 259.

-ocr page 53-

ARBEIDSWET. 23

Voor bepaalde bedrijven kan door Ons bij de algemeene maatregelen van bestuur, bedoeld in het tweede lid van art. 5, worden vergund aan den arbeid van mannelijke personen tusschen veertien en zestien jaren op Zondag te doen voortduren tot uiterlijk te 6 uren des voormiddags. (K.B. Aw.* 1 sub II, IV en V, 3.)

Waar in eene fabriek tot herstel o£ reiniging van eenen aldaar in gebruik zijnden stoomketel de arbeid van een mannelijken persoon beneden zestien jaren onontbeerlijk mocht zijn, kan de burgemeester der gemeente waar de fabriek gelegen is daartoe sehrifteliike vergunning voor eenen bepaalden Zondag verleenen. (Aw. 23 al. 1; Wet van 1 Maart 1815, S. 21.)

8. Het is verboden eene vrouw arbeid te doen verrichten in fabrieken en werkplaatsen binnen vier weken na hare bevalling.

9. Wanneer een persoon beneden zestien jaren of eene vrouw in de werkuren aangetroffen wordt op eene besloten plaats waar arbeid wordt verricht, die niet tevens een woonvertrek is, en wanneer een persoon beneden zestien jaren aangetroffen wordt aan boord van een vaartuig, dat niet bestemd is tot het vervoer van reizigers en aan boord waarvan die persoon niet woont, wordt die geacht aldaar zelf arbeid te verrichten, tenzij het tegendeel blijke. (Aw. 23 al. 1.)

10. Het hoofd of de bestuurder van een bedrijf of eene onderneming, waarin of waarvoor een persoon beneden zestien jaren arbeid verricht in fabrieken en werkplaatsen, moet in het bezit zijn van eene kaart, houdende opgave van den naam, de voornamen, den dag en de plaats van geboorte van dien persoon, van den naam en de woonplaats van het hoofd des gezins waarbij of van het gesticht waarin die persoon inwoont en van het hoofd of den bestuurder van het bedrijf of de onderneming. Deze is verplicht die kaart aan de bij art. 18 bedoelde ambtenaren op aanvrage te vertoonen.

Die kaarten worden ingericht naar een door Ons vast te stellen model en worden geteekend en afgegeven door of van wege den burgemeester der gemeente, binnen welke de jeugdige persoon arbeid zal verrichten.

De kaarten en de daarvoor noodige geboorte-extracten worden kosteloos verstrekt.

Binnen tweemaal vier en twintig uren na het eindigen van de arbeidsbetrekking tusschen den jeugdigen persoon en hem, die dezen arbeid deed verrichten, is het hoofd of de bestuurder van het bedrijf of de onderneming verplicht de betrekkelijke kaart, na daarop den dag van opneming en van ontslag te hebben vermeld, terug te bezorgen bij den burgemeester, door of vanwege wien zij werd afgegeven. (Aw. 23, 25 al. 1.)

11. Het hoofd of de bestuurder van een bedrijf of eene onderneming, waarin of waarvoor een persoon beneden zestien jaren of eene vrouw arbeid verricht in fabrieken en werkplaatsen, is verplicht te zorgen, dat in zijne fabriek of werkplaats, op eene plaats, waar ar-

-ocr page 54-

ARBEIDSWET.

beid wordt verricht, steeds op eene zichtbare wijze is opgehangen eene door hem onderteekende en door of vanwege den burgemeester gewaarmerkte lijst, vermeldende de namen en de voornamen van dien persoon of die vrouw en voor ieder in het bijzonder den aanvang en het einde van den werktijd, de werkuren en het etmaal bestemd tot wekelijkschen rustdag. (Aw. 5—7, 23.)

Voor bepaalde bedrijven kan door Ons bij algemeenen maatregel van bestuur vrijstelling verleend worden van de verplichting, om op de bedoelde lijst de werkuren te vermelden. (K.B.Aw. 1 sub I, V, VII, IX—XII.)

Het hoofd of de bestuurder van een bedrijf of eene onderneming, bedoeld in het eerste lid, is verplicht te zorgen dat een afschrift of uittreksel van de bij dat lid vermelde lijst steeds op eene zichtbare wijze is opgehangen in elk arbeidslokaal, daartoe door of vanwege Onzen Minister, met de uitvoering van deze wet belast, aangewezen.

§ 3. Toezicht.

Art. 12. 1) Onder do bevelen van Onzen Minister, met de uitvoering van deze wet belast, wordt het toezicht op die uitvoering opgedragen aan door Ons te benoemen inspecteurs en verdere ambtenaren, wier werkkring en bevoegdheden door Ons bij algemeenen maatregel van bestuur worden geregeld. (Instr.A.I.; Vw. 9; Sw. 7, 15; K.B.Sw. 48; Instr.S.I.)

13. M De hoofden en bestuurders van bedrijven en ondernemingen en de daarin werkzame personen zijn verplicht aan den bevoegden ambtenaar de verlangde inlichtingen te geven omtrent zaken en feiten, de naleving van deze wet betreffende. (Vw. 11.)

14. 1) Het is aan de in art. 12 bedoelde ambtenaren verboden middellijk of onmiddellijk deel te nemen aan bedrijven of ondernemingen van fabrieks- of ambachtsnijverheid. (Vw. 10.)

15. Ingetrokken (volgens art. 30 der Veiligheidswet).

16. De inspecteurs zenden elke twee jaren een beredeneerd verslag over hunne ambtsbezigheden aan den Minister, met de uitvoering van deze wet belast.

Deze verslagen worden, hetzij in hun geheel, hetzij gedeeltelijk aan de Staten-Generaal overgelegd. 2) (Vw. 15; Instr.S.I. 8.)

§ 4. Strafbepalingen.

Art. 17. Overtreding van een der bepalingen dezer wet, — behalve die van art. 5, 3de lid, door den burgemeester, die van art.

24

1

Artt. 12, 13 en 14 aldus gewijzigd volgens art. 1 der wet van 20 Juli 1895, S. 138.

2

Art. 16 aldus gewijzigd volgens art. 2 der wet van 20 Juli 1895, S. 138.

-ocr page 55-

ARBEIDSWET.

14 en art. 16 door een in die artikelen bedoelden ambtenaar, en die van art. 20, — van een der bepalingen van de algemeene maatregelen van bestuur, overeenkomstig art. 4, art. 5 of art. 7 dezer wet uitgevaardigd, alsmede van een der voorwaarden, waaronder wijziging of vermindering van den rusttijd overeenkomstig het tweede lid van art. 6 dezer wet is toegestaan, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste veertien dagen of geldboete van ten hoogste vijf en zeventig gulden. \')

Indien tijdens het plegen van het feit nog geen twee jaren zijn verloopen sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijke of eene andere overtreding dezer wet, behalve die van art. 20, of van een der bepalingen van de in het vorige lid van dit artikel bedoelde algemeene maatregelen van bestuur of van een der voorwaarden, waaronder wijziging of vermindering van den rusttijd overeenkomstig het tweede lid van art. (j dezer wet is toegestaan, onherroepelijk is geworden, kunnen de straffen worden verdubbeld.

Een afzonderlijke straf wordt opgelegd ten opzichte van eiken persoon met welken of ten aanzien van welken overtreding is gepleegd en voor ieder etmaal in den loop waarvan die overtreding is gepleegd. (Vw. 19 al. 2; Sw. 31.)

18. Met het opsporen van de overtredingen van deze wet en van de bepalingen van de algemeene maatregelen van bestuur overeenkomstig art. 4, art. 5 of art. 7 dezer wet uitgevaardigd en van de voorwaarden, waaronder wijziging of vermindering van den rusttijd overeenkomstig het tweede lid van art. 6 dezer wet is toegestaan, zijn, behalve de bij art. 8 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen personen, belast de marechaussee, alle ambtenaren van Rijks-en gemeentepolitie, alsmede de in art. 12 bedoelde ambtenaren.

Ten aanzien van de inrichtingen, bedoeld bij art. 24 der wet van 2 Juni 1S75 {Staatsblad no. 95), zijn uitsluitend met deze taak belast de in art. 12 bedoelde inspecteurs en de door Onzen Minister van Oorlog op grond van het tweede lid van genoemd artikel 24 der wet van 2 Juni 1875 (Staatsblad no. 95) aangewezen ambtenaren en officieren.

Het bepaalde in het eerste lid van dit artikel is niet van toepassing op de Rijks-werkplaatsen en -fabrieken. Aldaar wordt voor de toepassing der wet het toezicht geregeld door de hoofden der betrokken Departementen van Algemeen Bestuur. (Vw. 21.)

19. De in het eerste lid van art. 18 bedoelde ambtenaren hebben toegang tot alle plaatsen waar arbeid verricht wordt of pleegt verricht te worden, met uitzondering van de Rijks-werkplaatsen en -fa-

Ij Het 1ste lid van art. 17 aldus gewijzigd, volgens art. 30 der Veiligheidswet en art. 1 der wet van 20 Juli 1895, S. 138.

2) Art. 18, 1ste lid, aldus gewijzigd volgens art. 1 der wet van 20 Juli 1895, S. 138.

25

-ocr page 56-

ARBEIDSWET.

brieken en de inrichtingen bedoeld bij art. 24 der (Hinder)wet van 2 Juni 1875 {Staatsblad no. 95), waartoe, behoudens uit anderen hoofde aan anderen toekomende bevoegdheid, alleen toegang hebben de bij art. 12 bedoelde inspecteurs.

De veld- en boschwachters, de beambten der marechaussee, niet zijnde hulpofficier van justitie, en de ambtenaren van Kijks- en gemeentepolitie beneden den rang van inspecteur der Kijksveldwacht en van commissaris van politie \') behoeven daartoe, voor zoover hun de toegang niet uit anderen hoofde vrijstaat, een schriftelijken bijzonderen last van den burgemeester of van den kantonrechter.

Wordt aan de bij art. 18 bedoelde ambtenaren de toegang geweigerd, dan verschaffen zij zich dien desnoods met inroeping van den sterken arm. (Instr.A.I. 19.)

In plaatsen waar arbeid wordt verricht of pleegt verricht te worden, die tevens woningen of alleen door eene woning toegankelijk zijn, treden zij tegen den wil van den bewoner niet binnen dan op vertoon van eenen schriftelijken bijzonderen last van den burgemeester of van den kantonrechter. Van dit binnentreden wordt door hen proces-verbaal opgemaakt en binnen tweemaal vier en twintig uren aan dengenen, in wiens woning is binnengetreden, in afschrift medegedeeld. (Vw. 22; Instr.A.I. 19; Hw. 19; Sw. 16.)

20. De bij art. 18 bedoelde ambtenaren zijn verplicht tot geheimhouding van hetgeen hun in plaatsen waar arbeid wordt verricht of pleegt verricht te worden omtrent het daar uitgeoefend wordend bedrijf is bekend geworden, voor zoover het niet in strijd is met de bepalingen dezer of eener andere wet.

Hij die opzettelijk de bij het vorige lid opgelegde geheimhouding schendt, wordt.gestraft met gevangenisstraf van ton hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden, met of zonder ontzetting van het recht om ambten te bekleeden.

Hij, aan wiens schuld schending van die geheimhouding te wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van teu hoogste drie honderd gulden.

Geen vervolging heeft plaats dan op klachte van het hoofd of den bestuurder van het bedrijf of de onderneming. (Vw. 23; Hw. 19, 23; Sw. 23; S.E. 272.)

21. De bij deze wet strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als overtredingen, behalve de feiten, strafbaar gesteld bij het tweede en derde lid van art. 20, die als misdriiven worden beschouwd. (K.O. 44, 56.)

§ 5. Overgangs- en slotbepalingen.

2(5

Art. 22. Het voorschrift van het tweede lid van art. 5, dat voor

1) Het 2de lid van art. 19 aldus gewijzigd volgens art. 1 der wet van 20 Juli 1895, S. 138.

-ocr page 57-

ARBEIDSWET.

personen beneden veertien jaren of vrouwen, en dat van het derde lid van art. 5, dat voor vrouwelijke personen van eiken leeftijd het begin van den arbeid niet vroeger dan te 5 uren des voormiddags en het einde niet later dan te 10 uren des namiddags mag worden gesteld, gelden niet gedurende de eerste twee jaren na het in werking treden van deze wet.

23. Op arbeid in of voor het schippers- of visschersbedrijf, aan boord van vaartuigen verricht, zijn niet toepasselijk de artt. 5, 6, 7, 9, 10 en 11 en evenmin, voor zooveel betreft aan boord wonende kinderen of pupillen van den schipper, art. 3. \')

Op arbeid, verricht in of voor een bedrijf, in de eigen woning van het hoofd of den bestuurder daarvan, die het aldaar zonder hulp van anderen dan zijn echtgenoot, bloed- of aanverwanten, tot den vierden graad ingesloten, en pupillen uitoefent, zijn de artt. 10 en 11 niet toepasselijk.

24. Deze wet is niet van toepassing op arbeid in ambachtsscholen en vakscholen, \'s Rijks opvoedingsgestichten en werkinrichtingen en gevangenissen, noch op werkzaamheden in militairen dienst verricht.

25. Alle stukken, verzoekschriften en beschikkingen, ten gevolge van § 2 van deze wet -opgemaakt, zijn vrij van het recht van zegel en van de formaliteit van registratie en worden kosteloos uitgereikt.

De bij art. 10 vermelde kaarten worden van \'s Rijks wege kosteloos aan de gemeentebesturen verstrekt.

25 bis. Deze wet kan worden aangehaald onder den titel van «arbeidswet». 1)

26. Deze wet treedt in werking den Isten Januari 1890.

Op hetzelfde tijdstip vervalt de wet van 19 September 1874 {Slants-blad no. 130).

27

1

Art. 25 bis ingelascht volgens art. 3 der wet van 20 Juli 1895, S. 138.

-ocr page 58-

BESLUIT,

TOT VASTSTELLING VAN EENEN ALGEMEENEN MAATREGEL VAN BESTUUR, ALS BEDOELD BIJ ART. 4 DER ARBEIDSWET.

(Vastgesteld den 21sten Januari 1897, Stsbl. no. 4G, uitgegeven den 28sten Januari d.a.v.)

Art. 1. Het is verboden in fabrieken en werkplaatsen een persoon beneden zestien jaren of eene vrouw arbeid te doen verrichten:

A. aan drijfwerk, dat in beweging is, als;

1. smeren, reinigen, onderzoeken, herstellen;

2. drijfriemen, touwen of kettingen inkorten of herstellen;

3. drijfriemen, touwen of kettingen opleggen of afnemen, tenzij, voor wat drijfriemen betreft, deze niet breeder zijn dan 55 m.Mquot;. en het opleggen en afnemen geschiedt, zonder dat de daaraan werkzame persoon den vloer verlaat; (K.B.Vw. 19 sub 14.)

/». aan in gang zijnde werktuigen, wanneer die arbeid gevaar kan veroorzaken, als; snieren, reinigen, onderzoeken, herstellen.

Als arbeid, welke gevaar kan veroorzaken, wordt beschouwd:

1. die, welke als zoodanig door den bevoegden inspecteur is aangewezen ;

2. die, welke verricht wordt door personen beneden zestien jaren of door vrouwen, dragende wijde mouwen, hals- of hoofddoeken met loshangende slippen, mutsen met loshangende slippen of banden of losse boezelaars;

C. aan in rust zijnde werktuigen, wanneer die arbeid gevaar kan veroorzaken, als; smeren, reinigen, onderzoeken, herstellen, zoolang het drijfwerk, waardoor die werktuigen in beweging plegen te worden gebracht, nog in gang is.

Dit verbod geldt evenwel niet, indien de werktuigen behoorlijk afgekoppeld of zoodanig vastgezet zijn, dat zij alleen door eene onvoorziene omstandigheid in beweging kunnen komen.

Ten aanzien van het afkoppelen en het vastzetten kan de bevoegde inspecteur voorschriften geven, welker nietinachtneming me\'; niet behoorlijk afkoppelen of niet op de boven omschreven wijze vastzetten wordt gelijk gesteld;

D. waar drijfwerk of werktuigen door een krachtwerktuig worden gedreven, tenzij daar telkens vóór het in gang zetten van dit laatste een duidelijk waarneembaar sein wordt gegeven; (K.B.Vw. 19 s. 13.)

-ocr page 59-

K.B. ARBEIDSWET, ART. 4.

E. in overdekte ovens of andere besloten ruimten, waarin de temperatuur meer dan 32° Celsius bedraagt;

F. waar minder dan 1,80 M. van den werkvloer verwijderde, bewegende en gevaar veroorzakende deelen aanwezig zijn van:

1. krachtwerktuigen als vliegwielen, krukken, uitstekende zuigerstangen en waterraderen;

2. werktuigen, als door een krachtwerktuig gedreven vliegwielen van drukpersen en van andere werktuigen en als raderen bij voorbeeld van boorbanken, van lieren, van hijschkranen;

3. werktuigen en drijfwerken, als laagliggende krukken, assen, riemschijven, spieën, stelschroeven en andere gevaarlijke deelen;

tenzij een en ander behoorlijk beschut is, voor zoover het bedrijf zulks toelaat, volgens het oordeel van den bevoegden, inspecteur; (K.B.Vw. 19 sub 1.)

G. bij zware drijfriemen, kettingen en touwen, wanneer het afvallen daarvan bij hoog drijfwerk gevaar kan veroorzaken, alsmede bij weefgetouwen, waarvan de spoelen meer dan 80 slagen per minuut maken, tenzij een en ander behoorlijk beschut is, voor zoover het bedrijf zulks toelaat, volgens het oordeel van den bevoegden inspecteur; (K.B.Vw. 19 sub 3 en 4.)

H. bij werktuigen, waarvan de snijdende, snelloopende of plettende deelen gevaar kunnen veroorzaken, bij voorbeeld bij cirkel- en lintzagen, frees-, steek-, schaaf- en snijmachines bij het bewerken van hout in gebruik, stroosnijmachines, lompensnijders, pajjiersnijwerktuigen, hakmeswerktuigen, metaalscharen, stempelwerktuigen, duivels (wolven) der spinnerijen, kalanders en walsen, tenzij die deelen volgens het oordeel van den bevoegden inspecteur voldoende beveiligd zijn; (K.B.Vw. 19 sub 5.)

I. bij vaste kuipen of bakken, waarin zich kokende, heete of bijtende vloeistoffen, gloeiende of gesmolten metalen bevinden, bij onbedekte grondkuipen, reservoirs en putten, voor zoover die gevaar kunnen opleveren, tenzij die zoo mogelijk door op 0,90 M. hoogte aangebrachte gordingen of door andere doelmatige middelen zijn omschut; (K.B.Vw. 19 sub 36.)

K. in werklokalen,

1. die niet gedurende den werktijd zooveel mogelijk gelijkmatig zijn verlicht;

2. wanneer niet ter plaatse, waar die persoon of die vrouw arbeid verricht, het directe zonlicht kan worden afgesloten; (K.B.Vw. 10.)

L. ter plaatse, waar;

1. gedurende den tijd tusschen 9 uur des voormiddags en 3 uur des namiddags kunstlicht moet worden gebezigd ten einde eene voldoende verlichting te verkrijgen, tenzij de bijzondere weersgesteldheid het gebruik van kunstlicht noodzakelijk maakt;

2. het bedrijf wordt uitgeoefend van;

n. borduren.

29

-ocr page 60-

K.B. ARBEIDSWET, AKT. 4.

h. diamanten of andere edelgesteenten bewerken,

c. goud of zilver smeden,

(/. graveeren of houtsnijden,

e. instrumenten maken,

ƒ. letterzetten,

g. machinaal breien,

h. naaien,

i. teekenen,

k. stikken,

1. uurwerken maken of herstellen,

tenzij de verlichting overeenkomt met eene lichtsterkte van ten minste lö Londensche normaalkaarsen op 1 M. afstand;

3. een niet sub 2 genoemd bedrijf wordt uitgeoefend, dat goed licht vereischt, tenzij de verlichting overeenkomt met eene lichtsterkte van ten minste 10 Londensche normaalkaarsen op 1M. afstand; (K.B.Vw. 10.)

M. in werklokalen, waarin zich ketels, bussen of andere toestellen bevinden, die sterk samengeperste of vloeibaar gemaakte gassen inhouden en die gevaar bij ontploffing kunnen opleveren, tenzij die toestellen ten minste eene vijfvoudige zekerheid aanbieden tegen ontploffing en zoo noodig aan een onderzoek of eene beproeving kunnen worden onderworpen, bij die toestellen de ter verzekering van een veilig gebruik dienende middelen zijn aangebracht, welke steeds in goeden staat van onderhoud moeten verkeeren en die toestellen nooit geheel gevuld zijn met vloeibaar gemaakte gassen, noch worden blootgesteld aan groote zonnewarmte of vuurhitte. (K.B,Vw. 19 sub 38,)

2. Het is verboden een persoon beneden zestien jaren o: eene vrouw arbeid te doen verrichten in werklokalen, waar;

A. in den regel:

1, arsenicum verbindingen worden bereid;

2, cyanverbindingen, die giftig zijn, bereid of verwerkt worden of ontstaan;

3, kwik of kwikverfoeliesel wordt verwerkt of sublimaat of kwik-houdende verfstoffen worden bereid;

4, loodwit, loodsuiker, menie of chromaatstoffen worden bereid;

5, Spaansch groen wordt bereid;

(i, witte phosphor wordt verwerkt;

7. zinkwit wordt bereid;

8, schadelijke dampen ontstaan, als die van ammoniak, arseen-, chloor- of fluorwaterstof, chloor, houtgeest, kooloxyd, loodoxyd, ni-treuse verbindingen, phosphor, zinkoxyd, zwaveligzuur, zwavelkoolstof, zwavelwaterstof;

B. de dampkringslucht verontreinigd kan worden door stof van:

1, borstelmakerijen en bezembinderijen;

2, bronzerijen in letter- en steendrukkerijen;

3, kaarderijen van vezelstoffen;

4, kalk-, cement-, tras-, krijtmalerijen en zeefterijen;

30

-ocr page 61-

K.B. ARBEIDSWET, AKT. 4.

ó. kalkblusscherijen;

(J, lettergieterijen en steriotypie-inrichtingen;

7. letterzetterijen;

8. lompensorteerderijen;

9. ruwerijen;

10. schorsmalerijen;

11. sigarenmakerijen;

12. slijperijen langs den drogen weg van metalen, glas o£ andere stoffen;

13. specerijmalerijen en -zeefterijen:

14. steenhouwerijen;

15. stroohulzenfabrieken;

16. viltmakerijen;

17. vlas- of hennepbrakerijen, -zwingelarijen en -hekelarijen,

tenzij het hoofd of de bestuurder van het bedrijf of de onderneming binnen vier weken na eene daartoe strekkende schriftelijke en gedagteekende vordering van den bevoegden inspecteur, dezen eene geneeskundige verklaring vertoont, waaruit blijkt, dat de lichamelijke gesteldheid van den jeugdigen persoon of van de vrouw, bij die vordering aangewezen, niet van dien aard is, dat de arbeid voor hem of voor haar bijzonder gevaar oplevert. (K.B.Vw. 1.)

3. Het is verboden een persoon beneden zestien jaren of eene vrouw arbeid te doen verrichten:

A. In werklokalen, bedoeld sub A van art. 2, tenzij volgens het oordeel van den bevoegden inspecteur, zoo noodig na overleg met den geneeskundigen ambtenaar, geen gevaar voor vergiftiging bestaat of, indien dit bestaat, daartegen voldoende maatregelen genomen zijn;

li. in werklokalen, bedoeld sub B van art. 2, tenzij het voor de gezondheid schadelijke stof zooveel mogelijk wordt afgevoerd, of waar deze afvoer niet voldoende kan geschieden, voor de arbeiders doelmatige respirators, zoo daardoor de nadeelige gevolgen kunnen voorkomen worden, ter beschikking worden gesteld. (K.B.Vw. 18 sub 2.)

4. Het is verboden een persoon beneden zestien jaren of eene vrouw arbeid te doen verrichten in de in art. 2 sub A en sub B, 3, 4, 6, G, 7, Ö, 10, 11, 12 en 13 bedoelde werklokalen, die niet — wanneer de gemiddelde hoogte 3 M. of meer bedraagt — eene vrije luchtruimte voor eiken arbeider van ten minste 7 M3. hebben.

Bedraagt de gemiddelde hoogte 2,10 M. of meer, maar minder dan 3 M., dan mag de vrije luchtruimte voor eiken arbeider niet kleiner zijn dan de uitkomst der formule;

L_ 2,80 h h — 180 \'

Bedraagt de gemiddelde hoogte minder dan 2,10 M., dan mag de vrije luchtruimte voor eiken arbeider niet kleiner zijn dan 25 M3.

31

-ocr page 62-

K.B. ARBEIDSWET, ART. 4.

Onder gemiddelde hoogte wordt in dit artikel verstaan de gemiddelde hoogte tusschen den vloer en de zoldering — of waar geene zoldering bestaat — het dak.

In de formule, die in dit artikel voorkomt, geeft L de vrije luchtruimte in kubieke meters en h de hoogte in centimeters aan.

(K.B.Vw. 2 v., 6.)

5. Door of van wege den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid kan van het in het eerste, tweede en derde lid van art. 4 bepaalde vrijstelling worden verleend, met dien verstande, dat die vrijstelling ten aanzien van de werklokalen, bedoeld in art. 2 sub B, 6, 7 en 11 zich slechts kan uitstrekken over fabrieken en werkplaatsen, in werking gebracht vóór 1 November 1891.

6. Het is verboden een persoon beneden zestien jaren of eene vrouw arbeid te doen verrichten in de in art. 2 sub A en sub B, 2, (i, 7 en 8 bedoelde werklokalen, tenzij in de fabriek of werkplaats doelmatige, binnenshuis gelegene, naar seksen gescheiden, waschgelegen-heden aanwezig zijn. (K.B.Vw. 16 sub 7.)

7. Het is verboden een persoon beneden zestien jaren of eene vrouw arbeid te doen verrichten in de in art. 2 sub A en sub B, 0, 7 en 11 bedoelde werklokalen, tenzij:

1. die persoon of die vrouw buiten die werklokalen schaft; (K.B. Vw. 14.)

2. de vloeren dier werklokalen met uitzondering van die, genoemd in art. 2 sub A, 3 en 6, ten minste éénmaal per week geschrobd of gedweild worden. (K.B.Vw. 16 sub 2.)

8. Het is verboden een persoon beneden zestien jaren of eene vrouw onderaardschen arbeid te doen verrichten in mijnen.

9. Het is verboden een persoon beneden zestien jaren arbeid te doen verrichten:

A. als zelfstandig machinist of als zelfstandig stoker bij krachtwerktuigen, bij stoomketels, op locomotieven of op stoomschepen;

B. bij het vervaardigen of verwerken van ontplofbare stoffen, tenzij die arbeid door dien persoon veilig kan geschieden, volgens het oordeel van den bevoegden inspecteur; (K.B.Vw. 19 sub37.)

C. bestaande in het trekken, duwen of dragen van een last, welke kenlijk de krachten van dien persoon te boven gaat;

[). bestaande in werkzaamheden tot het uitoefenen van gevaarlijke kunstverrichtingen.

10. Het hoofd of de bestuurder van een bedrijf «f eene onderneming kan verlangen, dat de inspecteur hem de aanwijzing, het voorschrift of het oordeel, als in dit besluit bedoeld, schriftelijk ver-strekke.

Het schriftelijk stuk wordt door den inspecteur gedagteekend.

Heeft het hoofd of de bestuurder bezwaar tegen een aanwijzing, voorschrift of oordeel van den inspecteur, dan kan hij daarvan binnen acht dagen in beroep komen bij den Minister.

Deze beslist na onderzoek.

32

-ocr page 63-

K.B. ARBEIDSWET, ART. 4.

Van de met redenen omkleede beslissing wordt afschrift gezonden aan het hoofd of den bestuurder van het bedrijf of de onderneming.

Worden de bezwaren geheel of gedeeltelijk gegrond verklaard, dan treedt de beslissing in beroep gegeven in de plaats van de aanwijzing, het voorschrift of het oordeel, waartegen beroep werd ingesteld.

Voor het hoofd of den bestuurder vloeit geenerlei verplichting voort uit eene aanwijzing, een vocrschrift of een oordeel, zoolang daartegen beroep kan worden ingesteld en zoolang omtrent een ingesteld beroep niet is beslist. (Vw. 7, 16—18.)

11. Voor de toepassing van dit besluit ten aanzien van de Rijks-| werkplaatsen en -fabrieken wordt hetgeen daarbij is opgedragen of | overgelaten aan den bevoegden inspecteur, geacht te zijn opgedragen | of overgelaten aan den ingevolge het laatste lid van art. 18 der 1 Arbeidswet door het hoofd van het betrokken Departement van Al-| gemeen Bestuur aangewezen ambtenaar.

De Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid is belast met 1 de uitvoering van dit besluit, enz.

|

STW. II.

33

-ocr page 64-

BESLUIT,

TOT VASTSTELLING VAN EENEN ALGEMEENEN MAATREGEL VAN BESTUUR ALS BEDOELD BIJ DE ARTIKELEN 5, 7 EN 11 DER ARBEIDSWET.

(Vastgesteld den Oden December 1889, Stsbl. no. 176, uitgegeven den 12den December d.a.v. Gewijzigd bij K.B. van 30 Oct. 1890, Stsbl. no. 158, 17 Oct. 1891, Stsbl. no. 172,

10 Juni 1892, Stsbl. no. 136, 3 Febr. 1893,

Stsbl. no. 47 en 27 Aug. 1896,

Stsbl. no. 151.)

Art. 1. Voor de hieronder genoemde bedrijven worden de bij ieder vermelde afwijkingen vergund en vrijstellingen verleend van bepalingen der boven aangehaalde wet onder de voor ieder gestelde voorwaarden, met dien verstande, dat liet aantal uren, gedurende welke door personen beneden zestien jaren en door vrouwen arbeid wordt verricht, niet meer dan elf per etmaal bedrage, behoudens het bepaalde bij art. 5, derde lid, dier wet, en dat de arbeid van personen beneden zestien jaren en van vrouwen in elk geval worde afgewisseld door een rusttijd van ten minste een uur tusschen 11 uren des voor-middags en 3 uren des namiddags. (Aw. 5 al. 2, (i al. 1.)

1) 1. Sotvisscherj.

1quot;. Het is vergund in het tijdvak van 1 Juli lot 1 December den arbeid van een persoon beneden zestien jaren en van eene vrouw, bestaande in liet schoonmaken, het spieeten of het azen van hoekwant, te doen eindigen op zijn laatst te 10 uren des namiddags, onder voorwaarde, dat na een werktijd van ten hoogste vijf uren hem of haar ten minste een half uur rust worde gegeven;

2°. wordt vrijstelling verleend voor het tijdvak van 1 Juli tot 1 December van de verplichting om de werkuren te vermelden op de in art. 11 der wet bedoelde lijst, voor zooveel betreft die personen beneden zestien jaren en vrouwen, wier arbeid bestaat in het schoonmaken, het spieeten of het azen van hoekwant.

1) Deze bepaling is toegevoegd volgens K.B. van 17 Oct. 1891, Stsbl. no. 172.

-ocr page 65-

K.B. ARBEIDSWET, ART. 5, 7 EN 11.

\') Ia. Brood-, beschuit- en koekbakkcnjcn.

Het is vergund den arbeid van een mannelijken persoon tusschen veertien en zestien jaren te doen aanvangen op zijn vroegst te 2 uren des voormiddags, onder voorwaarde, dat het aantal uren, gedurende welke de betrokken persoon arbeid verricht, daaronder begrepen het door hem buiten de werkplaats verrichte loopwerk, niet meer dan elf per etmaal bedrage, en dat na een werktijd van ten hoogste vijf uren hem ton minste een half uur rust worde gegeven.

11. Courantdrukkerijen.

1quot;. Het is vergund den arbeid van een mannelijken persoon beneden zestien jaren, voor zoover die strekt tot hulp bij het drukken of vouwen van een dag- of weekblad, te doen eindigen, behoudens het sub 2°. bepaalde, op zijn laatst te 10 uren des namiddags, onder voorwaarde, dat het aantal uren, gedurende welke de betrokken persoon arbeid verricht, daaronder begrepen het door hem buiten de werkplaats verrichte loopwerk, niet meer dan elf per etmaal bedrage, en dat na een werktijd van ten hoogste vijf uren hem ten minste een half uur rust worde gegeven.

2quot;. Het is vergund den arbeid van een mannelijken persoon tusschen veertien en zestien jaren, voor zoover die strekt tot hulp bij het drukken of vouwen van een dag- of weekblad, op Zondag te doen voortduren tot uiterlijk te ü uren des voormiddags, onder voorwaarde, dat het aantal uren, gedurende welke de betrokken persoon arbeid heeft verricht, daaronder begrepen het door hem buiten de werkplaats ven-ichte loopwerk, in het etmaal, aan het einde van zijn arbeid op Zondag voorafgaande, niet meer dan elf hebbe bedragen.

Ill, Gecondenseerde melk. (Fabrieken van)

Het is vergund in het tijdvak van 1 April tot 1 October den arbeid van een persoon beneden zestien jaren en van eene vrouw, voor zoover die strekt tot het bewerken van de melk of tot het vullen of het sluiten van de bussen, te doen aanvangen op zijn vroegst te 4 uren des voormiddags, en dien arbeid te doen eindigen op zijn laatst te 8 uren des namiddags, onder voorwaarde, dat na een werktijd van ten hoogste vijf uren hem of haar ten minste een half uur rust worde gegeven.

35

Deze vergunning om den arbeid te doen aanvangen op zijn vroegst te 4 uren des voormiddags geldt voor dien van personen beneden veertien jaren en van vrouwen slechts tot 1 Januari 1892.

1) Het volgcijfer van deze bepaling is aldus veranderd in la. bi] K.B. van 17 Oct. 1891, Stsbl. no. 172.

3*

-ocr page 66-

30 K.B. ARBEIDSWET, ARTT. 5, 7 EN 11.

IV. Gistpakkenjen.

1°. Het is vergund den arbeid van een mannelijken persoon tus-schen veertien en zestien jaren te doen aanvangen op zijn vroegst (e 4 uren des voormiddags, onder voorwaarde, dat zijn arbeid niet later eindige, behoudens het sub. 2°. bepaalde, dan te 6 uren des namiddags, en dat na een werktijd van ten hoogste vijf uren hem ten minste een half uur rust worde gegeven.

2°. Het is vergund den arbeid van een mannelijken persoon tus-schen veertien en zestien jaren op Zondag te doen voortduren tot uiterlijk te (3 uren des voormiddags, onder voorwaarde, dat het aantal uren, gedurende welke de betrokken persoon arbeid heeft verricht in hel etmaal, aan het einde van zijn arbeid op Zondag voorafgaande, niet meer dan elf hebbe bedragen.

V. Glanblazenjen.

1°. Het is vergund den arbeid van een persoon beneden zestien jaren, die bij smelt- of koelovens werkzaam is, voor wat betreft vrouwelijke personen alleen voor zoover zij daarbij op 31 December 1889 arbeid verrichten, op zoodanige uren te doen aanvangen en te doen eindigen als het bedrijf eischt, onder voorwaarde, indien die uren andere zijn dan de in art. 5, eerste lid, der wet genoemde, dat na een werktijd van ten hoogste vijf uren hem of haar ten minste een half uur rust worde gegeven, en dat, waar met afwisselende dagen nachtploeg wordt gewerkt, dezelfde personen slechts om de andere week in de nachtploeg arbeid verrichten, alles met dien verstande, dat na 30 April 1891 de arbeid van mannelijke personen beneden veertien jaren en van alle vrouwelijke personen is verboden tussehen 10 uren des namiddags en 5 uren des voormiddags.

2°. Het is vergund den arbeid van een mannelijken persoon tussehen veertien en zestien jaren op Zondag te doen voortduren tot uiterlijk te ü uren des voormiddags, onder voorwaarde, dat hem na het einde van dien arbeid ten minste vier en twintig uren rust worden gegeven.

3°. Wordt vrijstelling verleend van de verplichting om de werkuren te vermelden op de in art. 11 der wet bedoelde lijst, voor die glasblazerijen, waar met één ploeg wordt gewerkt.

VI. Naaisters, breisters, borduursters, passementwerksters, modemaaksters oj vervaardigsters van vrouwelijke handwerken. (Werkplaatsen van)

Het is vergund den arbeid van eene vrouwelijke persoon boven veertien jaren te doen eindigen op zijn laatst te 8 uren des namiddags, onder voorwaarde, dat haar arbeid niet vroeger aanvange dan te 8 uren des voormiddags.

-ocr page 67-

K.B. ARBEIDSWET, AKTT. 5, 7 EN 11. 37

VII. Ncttenboeteryen.

1°. Het is vergund in het tijdvak van 1 Juni tot 1 Januari den arbeid van eene vrouwelijke persoon boven veertien jaren te doen eindigen op zijn laatst te 10 uren des namiddags, onder voorwaarde jlat na een werktijd van ten hoogste vijf uren haar ten minste een half uur rust worde gegeven.

2°. Wordt vrijstelling verleend voor het tijdvak van 1 Juni tot 1 januari van de verplichting om de werkuren te vermelden op de in nrt. 11 der wet bedoelde lijst, onder voorwaarde, dat op die lijst ver-jneld worden de tijden, gedurende welke in gewone omstandigheden rust wordt gegeven.

VIII. Steendrukkerijen.

Het is vergund in het tijdvak van 1 October tot 1 April den iirbeid van een niannelijken persoon beneden zestien jaren, voor zoo-ter die strekt tot hulp bij het kleurendrukken, te doen eindigen op zijn laatst te 8 uren des namiddags, onder voorwaarde, dat zijn arbeid niet vroeger aanvange dan te 7 uren des voormiddags.

IX. Steen- en pannenfabrieken en tegelfabrieken, de laatste voor zoover sij met een der eerstgenoemde fabrieken vereenigd zijn.

a. werkende met één ploeg:

lü. Het is vergund den arbeid van een persoon beneden zestien

taren en van eene vrouw te doen aanvangen op zijn vroegst te 4 iren des voormiddags, en dien arbeid te doen eindigen op zijn laatst :e 9 uren des namiddags, beide onder voorwaarde, dat na een werk-ijd van ten hoogste vijf uren hem of haar ten minste een half uur ust worde gegeven.aren en van eene vrouw te doen aanvangen op zijn vroegst te 4 iren des voormiddags, en dien arbeid te doen eindigen op zijn laatst :e 9 uren des namiddags, beide onder voorwaarde, dat na een werk-ijd van ten hoogste vijf uren hem of haar ten minste een half uur ust worde gegeven.

Deze vergunning om den arbeid te doen aanvangen op zijn vroegst e 4 uren des voormiddags geldt voor dien van personen beneden eertien jaren en van vrouwen slechts tot 1 Januari 1892.

2°. Wordt vrijstelling verleend van de verplichting om de werk-ren te vermelden op de in art. 11 dpr wet bedoelde lijst, voor zooveel betreft die personen beneden zestien jaren en vrouwen, wier arbeid bestaat in het op den kant zetten en het van de steenplaatsen baar de stapels brengen van de ongebakken steenen, en achter wier namen op die lijst is vermeld dat zij dien arbeid verrichten.

3°. Wordt gelijke vrijstelling als sub 2U. verleend voor de overige personen beneden zestien jaren en vrouwen, onder voorwaarde, dat gt;p de bedoelde lijst vermeld worden de tijden, gedurende welke hun n gewone omstandigheden rust wordt gegeven.

-ocr page 68-

K.B. ARBEIDSWET, ARTT. 5, 7 EN 11.

h. werkende met afwisselende ploegen;

lu. Het is vergund den arbeid van een mannelijken persoon beneden zestien jaren te doen aanvangen op zijn vroegst te 3 uren des voormiddags, voor wat betreft personen beneden veertien jaren tot 1 Januari 1892, en den arbeid van een mannelijken persoon beneden zestien jaren, te doen eindigen, behoudens het sub 2quot;. bepaalde, op zijn laatst te 10 uren des namiddags, beide ónder voorwaarde, dat na een werktijd van ten hoogste vijf uren hem ten minste vier uren rust worden gegeven, en dat het aantal uren, gedurende welke de betrokken persoon arbeid verricht, niet meer dan tien per etmaal bedrage.

2°. Het is vergund den arbeid van een persoon beneden zestien jaren en van eene vrouw, bestaande in het op den kant zetten en het van de steenplaatsen naar de stapels brengen van de ongebakken steenen, te doen eindigen op zijn laatst te 9 uren des namiddags.

3U. Wordt vrijstelling verleend van de verplichting om de werkuren te vermelden op de in art. 11 der wet bedoelde lijst, voor zooveel betreft die personen beneden zestien jaren en vrouwen, wier arbeid bestaat in het op den kant zetten en het van de steenplaatsen naar de stapels brengen van de ongebakken steenen, en achter wier namen op die lijst is vermeld dat zij dien arbeid verrichten.

Al de voor deze bedrijven toegestane afwijkingen en vrijstellingen gelden alleen voor het tijdvak van 1 April tot 1 November.

X. Verduurzaamde levensmiddelen of van vruchtensappen.

(Fabrieken van)

lu. Het is vergund in het tijdvak van 1 Mei tot 1 November den arbeid van een mannelijken persoon tussehen veertien en zestien jaren en van eene vrouwelijke persoon boven veertien jaren te doen eindigen op zijn laatst te 10 uren des namiddags, onder voorwaarde, dat na een werktijd van ten hoogste vijf uren hem of haar ten minste een half uur rust worde gegeven.

2°. Wordt vrijstelling verleend voor het tijdvak van 1 Mei tot 1 November van de verplichting om de wei-kuren te vermelden op de in art. 11 der wet bedoelde lijst, onder voorwaarde, dat op die lijst vermeld worden de tijden, gediyende welke in gewone omstandigheden rust wordt gegeven. 1)

XI. Vischrookeryen, -drogerijen en -zouteryen.

38

lquot;. Het is vergund den arbeid van een persoon beneden zestien

1

Ingevolge K.B. 30 Oct. 1890, Stsbl. no. 158, werd aan het slot van art. 1, X, een bepaling toegevoegd, die slechts tot 1 Jan. 1892 geldig was en daarom hier niet is opgenomen.

-ocr page 69-

K.B. ARBEIDSWET, AKTT. 5, 7 EN 11.

i jaren en van eene vrouw, bestaande in werkzaamheden om het bederven van visch te voorkomen of hetgeen daarmede in onmiddel-\\ lijk verband staat, te doen eindigen op zijn laatst te 10 uren des ; namiddags, onder voorwaarde, dat na een werktijd van ten hoogste 1 vijf uren hem of haar ten minste een half uur rust worde gegeven. 2°. Wordt vrijstelling verleend van de verplichting om de werkuren te vermelden op de in art. 11 der wet bedoelde lijst, voor zooveel betreft die personen beneden zestien jaren en vrouwen, wier | arbeid bestaat in werkzaamheden om het bederven van visch te | voorkomen of hetgeen daarmede in onmiddellijk verband staat.

1) XIci. Wasclir en bleekinriehtingen.

Het is vergund in of voor dit bedrijf, indien het zonder kracht-| werktuig wordt uitgeoefend en daarin of daarvoor niet meer dan vijf

I personen beneden zestien jaren of vrouwen arbeid verrichten, den arbeid van eene vrouw boven zestien jaren te doen eindigen in het _ tijdvak van 15 September tot 15 Maart op zijn laatst te 8 uren des personen beneden zestien jaren of vrouwen arbeid verrichten, den arbeid van eene vrouw boven zestien jaren te doen eindigen in het _ tijdvak van 15 September tot 15 Maart op zijn laatst te 8 uren des

[namiddags en in het tijdvak van 15 Maart tot 15 September op zijn laatst te 9 uren des namiddags, onder voorwaarde, dat na een werk-Itijd van ten hoogste vier uren haar ten minste een half uur rust | worde gegeven.namiddags en in het tijdvak van 15 Maart tot 15 September op zijn laatst te 9 uren des namiddags, onder voorwaarde, dat na een werk-Itijd van ten hoogste vier uren haar ten minste een half uur rust | worde gegeven.

XII. Wind- of waterkracht. (Inrichtingen gedreven door)

1°. Het is vergund den arbeid van een persoon beneden zestien |jaren en van eene vrouw te doen eindigen op zijn laatst te 10 uren ?des namiddags, voor zoover het gemis van voldoende wind- of wa-| terkracht hem of haar heeft belet in het te 7 uren des namiddags | geëindigde etmaal gedurende elf uren arbeid te verrichten, en onder

■ voorwaarde, dat na een werktijd van ten hoogste vijf uren hem of

■ haar ten minste een half uur rust worde gegeven.

■2U. Wordt vrijstelling verleend van de verplichting om de werk-luren te vermelden op de in art. 11 der wet bedoelde lijst, onder

■ voorwaarde, dat op die lijst vermeld worden de tijden, gedurende iwelke aan personen beneden zestien jaren en vrouwen in gewone

■ omstandigheden rust wordt gegeven.

XIII. Ijzergieterijen.

Tot 1 Juli 1890 is het vergund den arbeid van een mannelijken |persoon beneden zestien jaren te doen eindigen op zijn laatst te 8 iuren des namiddags.

1) De bepaling onder XI« is toegevoegd volgens K.B. 10 Juni 1892, lötsbl. no. 136.

|

-ocr page 70-

K.B. ARBEIDSWET, ARTT. 5, 7 EN 11.

XIV. Zijden vischnettcn. (Fabrieken van)

Tot 1 Juli 1901 is het vergund den arbeid van een mannelijken persoon tusschen veertien en zestien jaren op zoodanige uren te doen aanvangen en te doen eindigen als het bedrijf eischt, onder voorwaarde, indien die uren andere zijn dan de in art. 5, eerste lid der arbeidswet (wet van 5 Mei 1889, Staatsblad no. 48, gewijzigd door de wet van 20 Juli 1895, Staatsblad no. 138) genoemde, dat na een werktijd van ten hoogste 5 uren hera ten minste een half uur rust worde gegeven en dat, waar met afwisselende dag- en nachtploeg wordt gewerkt, dezelfde personen slechts om de andere week in de nachtploeg arbeid verrichten. 1)

Art. 2. Voor elk bedrijf, waarin werktuigen, toestellen of gereedschappen worden gebruikt, die reiniging behoeven, is het vergund eene meerderjarige vrouw, die geene andere werkzaamheden in of voor dat bedrijf verricht, die voorwerpen te doen reinigen gedurende één uur na het eindigen van de andere werkzaamheden in of voor dat bedrijf, met dien verstande, dat dit reinigen niet plaats hebbe tusschen 10 uren des namiddags en 5 uren des voormiddags.

3. Tot 1 Juli 1890 wordt voor een niet in art. 1 genoemd bedrijf vergund den arbeid van een persoon beneden zestien jaren en van eene vrouw, voor zoover die daarin op 31 December 1889 arbeid verrichten, op andere dan de in art. 5, eerste lid, der wet bepaalde uren te doen aanvangen en te doen eindigen, en den arbeid van een mannelijken persoon tusschen veertien en zestien jaren op Zondag te doen voortduren tot uiterlijk te ö uren des voormiddags, indien vooraf ten genoege van Onzen met de uitvoering van de wet belasten Minister, blijkens door dezen afgegeven schriftelijke verklaring, is aangetoond, dat de zorg voor het levensonderhoud van den betrokken persoon, het jaargetijde in aanmerking genomen, zulks eischt; met dien verstande, dat het aantal uren, gedurende welke door dien persoon arbeid wordt verricht, niet meer dan elf per etmaal bedrage, behoudens het bepaalde bij art. 5, derde lid, der wet.

Onze Minister van Justitie 2) is belast niet de uitvoering van dit besluit, enz.

40

1

Deze bepaling is aldus gewijzigd bij K.B. van 27 Augustus 1896, Stsbl. no. 151.

2

K.B. 8 Febr. 1893, Stsbl. no. 47, bepaalt dat de uitvoering der Koninkl. besluiten betreffende de Arbeidswet, door het Depart, v. Justitie wordt overgedragen aan het Depart, v. Waterstaat, Handel en Nijverheid.

-ocr page 71-

BESLUIT,

TOT VASTSTELLING VAN EENEN ALGEMEENEN MAATREGEL VAN BESTÜUK ALS BEDOELD BIJ ART. 7, TWEEDE LID, DER ARBEIDSWET.

(Vastgesteld den 27sten Maart 1897, Stsbl. no. 78, uitgegeyen den Isten April d.a.v.J

Art. 1. Als arbeid eener vrouw boven den leeftijd van zestien jaren op welken het verbod van het eerste lid van art. 7 der Arbeidswet niet van toepassing is, wordt aangewezen in eene botor-fabriek:

1°. het karnen;

quot;2U. het wasschen der boter;

3quot;. het zouten der boter;

4quot;. het kneden der boter.

De voorwaarden, die bij den in dit artikel genoemden arbeid moeten worden in acht genomen, zijn:

n. dat de arbeid behoort tot de dagelijksche bezigheden der vrouw behoudens dat deze wegens ziekte kan vervangen worden door eene andere vrouw;

b. dat in het tijdvak van 1 Maart tot 1 November die arbeid niet anders wordt verricht dan tusschen 5 en 8 uur des voormiddags en tusschen 4 en 61 2 uur des namiddags en in het tijdvak van 1 November tot 1 Maart niet anders dan tusschen 5 en 8 uur des voormiddags;

c. dat door de vrouw dien dag geen arbeid wordt verricht als in het volgende artikel genoemd.

2. Als arbeid eener vrouw boven den leeftijd van zestien jaren op welken het verbod van het eerste lid van art. 7 der Arbeidswet niet van toepassing is, wordt aangewezen in eene kaasfabriek: lu. het doorhalen der melk in den kaasbak;

2°. het in den kop zetten en daarin keeren der kaas;

3U. het doeken en randen der kaas;

4°. het uitspoelen der doeken;

5°. het reinigen der voorwerpen, welke dien dag bij den in dit artikel genoemden arbeid zijn gebruikt.

De voorwaarden, die bij den in dit artikel genoemden arbeid moeten worden in acht genomen, zijn:

n. dat de arbeid behoort tot de dagelijksche bezigheden der vrouw

-ocr page 72-

K.B. ARBEIDSWET, ART. 7, 2e lid.

behoudens dat deze wegens ziekle kan vervangen worden door eene andere vrouw;

b. dat die arbeid niet anders dan tusschen 8 en 11 Va uur des voormiddags en tusschen 1 en 21 2 uur des namiddags wordt verricht ;

c. dat door de vrouw dien dag geen arbeid wordt verricht als in het voorgaande artikel genoemd.

3. Dit besluit treedt in werking op den tweeden dag na de dag-teekening van het Staatsblad en van de Staatscourant, waarin het geplaatst is.

De Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid is belast met de uitvoering van dit besluit, enz.

42

-ocr page 73-

!

BS

DE VEILIGHEIDSWET.

n

WET,

HOUDENDE BEPALINGEN TOT BEVEILIGING BIJ HET VERBLIJVEN IN FABRIEKEN EN WERKPLAATSEN.

(Vastgesteld den 20sten Juli 1895, Stsbl. no. 137. uitgegeven den Isten Aug. d.a.v.)

§ 1. Inleidende bepaling.

Art. 1. Onder fabrieken en werkplaatsen verstaat deze wet:

1°. alle zoowel open als besloten ruimten, waar in of voor oenig bedrijf pleegt gewerkt te worden aan het vervaardigen, veranderen, herstellen, versieren, afwerken of op andere wijze tol verkoop of gebruik geschikt maken van voorwerpen of stoffen, of waar in of voor eenig bedrijf voorwerpen of stoffen eene daartoe strekkende bewerking plegen te ondergaan; een en ander voor zoover aldaar een krachtwerktuig of een oven wordt gebezigd of tien of meer personen plegen te verblijven. (Aw. 2.)

Daar, waar de werkzaamheden ten behoeve van eenzelfde bedrijf worden verricht in afzonderlijke, doch met elkander in gemeenschap staande ruimten, worden de afzonderlijke ruimten geacht een onaf-gescheiden geheel uit te maken;

2°. vlasbraakhokken en zwingelketen. (Vw. 29; Aw. 1,2, 23, 24; Hw. 2, 3.)

§ 2. Van het oprichten van fabrieken en werkplaatsen.

Art. 2. Hij die eene fabriek of werkplaats wenscht op te richten of uit te breiden, is bevoegd vooraf het bouwplan aan de beoordeeling van den inspecteur te onderwerpen.

3. Bij het verzoek om beoordeeling worden overgelegd:

1°. eene nauwkeurige beschrijving in tweevoud van de plaats waar de fabriek of werkplaats zal worden opgericht, eene opgave in tweevoud van hetgeen daarin zal worden verricht of vervaardigd, benevens van de drijfkracht, die daarbij zal worden aangewend; (Hw. 5sub 1°.)

2°. eene plattegrond-teekening in tweevoud op eene schaal van ten minste een op honderd, aanduidende de uit- en inwendige inrichting der fabriek of werkplaats; (Hw. 5 sub 2Ü.)

i

-ocr page 74-

VEILIGHEIDSWET.

3°. eene nauwkeurige beschrijving in tweevoud van de wijze waarop de aanvrager zich voorstelt te voldoen aan de eischen, voor fabrieken en werkplaatsen, op te richten na het in werking treden van deze wet, gesteld krachtens art. 6, voor zooveel noodig toegelicht door, eveneens in tweevoud over te leggen, doorsneden en opstanden op eene schaal van ten minste een op honderd.

De inspecteur bericht de ontvangst dezer stukken bij gedagteekend en onderteekend schrijven. (Vw. 5.)

4. De inspecteur is bevoegd van den aanvrager alle inlichtingen te vragen, die hij behoeft tot eene juiste beoordeeling van de overgelegde stukken. (Vw. 11; Hw. 6ter.)

5. Binnen eene maand na de dagteekening van het bewijs van ontvangst bedoeld in art. 3, deelt de inspecteur schriftelijk zijn oordeel over de overgelegde stukken aan den aanvrager mede. Luidt dit ongunstig, dan worden de redenen medegedeeld, waarop het oordeel steunt. (Hw. 7bis al. 2.)

Aan de beoordeeling wordt een exemplaar gehecht van de in artikel 3 bedoelde stukken, door den inspecteur gewaarmerkt.

§ 3. Maatregelen tot beveiliging.

Art. 6. Het hoofd of de bestuurder zorgt, dat zijne fabriek of werkplaats voldoet aan de eischen, die bij algemeenen maatregel van bestuur kunnen gesteld worden, hetzij in het algemeen ten opzichte van alle bedrijven, hetzij in hot bijzonder ten opzichte van sommige bepaalde bedrijven, ten aanzien van:

a. de vrije luchtruimte voor eiken arbeider in verband me; de hoogte van de werklokalen;

b. de luchtverversching;

c. de verlichting;

\'I. het voorkomen van brand en van ongevallen bij brand;

e. kleedkamers en schaftlokalen;

ƒ. de privaten.

Voor fabrieken en werkplaatsen, in werking gebracht vóór het in werking treden van deze wet, kunnen minder strenge voorschriften worden gegeven dan voor fabrieken en werkplaatsen in werking gebracht na dat tijdstip. (Vw. 7,25; K.B. Vw. 1—15.)

7. Bij algemeenen maatregel van bestuur wordt bepaald, wat door het hoofd of den bestuurder van eene fabriek of werkplaats, met inachtneming van de voorschriften, door den inspecteur te geven, moet worden aangewend; (Vw. G; K.B. Vw.)

a. tot het bevorderen van zindelijkheid;

b. tot het bevorderen van eene dragelijke temperatuur;

c. tot het verwijderen van schadelijke dampen, gassen en stof;

d. tot het voorkomen van ongevallen door werktuigen, werktuig-deelen, drijfwerken, gereedschappen of electrische geleidingen, door

44

-ocr page 75-

VEILIGHEIDSWET.

vallen, door vallende voorwerpen, kokende of bijtende vloeistoffen, gloeiende of gesmolten metalen of door ontplofbare stoffen.

De algeraeene maatregel van bestuur bepaalt tevens in welke gevallen door den inspectenr voorschriften gegeven kunnen worden:

lu. ten aanzien van den tijd gedurende welken personen mogen vertoeven in ruimten, waar het onvermijdelijk is dat hooge of lage temperaturen, sehadelijke dampen, gassen of stof voorkomen; (K.B. Vw. 20.)

2°. ten aanzien van het verstrekken van goed drinkbaar water. (K.B. Vw. 21.)

Elk mondeling of schriftelijk voorschrift bepaalt tevens den termijn, binnen welken er aan voldaan behoort te zijn.

Het hoofd of de bestuurder kan vorderen, dat het voorschrift hem schriftelijk wordt verstrekt.

Schriftelijk gegeven voorschriften worden door den inspecteur ge-dagteekend. (Vw. lü, 25; K.B. Vw. 22; K.B. Aw. 10.)

8. Het hoofd of de bestuurder van eene fabriek of werkplaats is verplicht op last van den inspecteur, op door dezen aan te wijzen plaatsen en zóó, dat het voor een ieder duidelijk leesbaar zij, een door dien ambtenaar opgemaakt en door hem en het hoofd of den bestuurder der fabriek of werkplaats onderteekend reglement op te hangen en opgehangen te houden, bevattende hetgeen door de in de fabriek of werkplaats verblijvende personen behoort te worden nagekomen in het belang van hen zeiven of van anderen.

Het hoofd of de bestuurder van eene fabriek of werkplaats zorgt, dat een afschrift of afdruk van zoodanig reglement worde uitgereikt aan eiken vasten arbeider in zijne fabriek of werkplaats, binnen acht dagen na de onderteekening, en aan alle nieuwe vaste arbeiders vóór of bij het begin hunner werkzaamheden. (Vw. 19a.)

§ 4. Toezicht.

Art. 9. Onder de bevelen van den Minister, met de uitvoering van deze wet belast, wordt het toezicht op hare naleving opgedragen aan door Ons te benoemen inspecteurs en verdere ambtenaren, wier werkkring en bevoegdheden bij algemeenei* maatregel van bestuur worden geregeld. (Aw. 12; Instr. A.I. 1 v.; Hw. 461«.) t

Deze inspecteurs en verdere ambtenaren worden niet tevens belast met het toezicht op het gebruik van stoomtoestellen. (K.B. Sw. 48.)

10. Het is aan de in het vorig artikel bedoelde ambtenaren verboden middellijk of onmiddellijk deel te nemen aan bedrijven of ondernemingen van fabrieks- of handwerksnijverheid.

11. De hoofden en bestuurders van fabrieken en werkplaatsen en de daarin verblijvende personen zijn verplicht aan den bevoegden ambtenaar de verlangde inlichtingen te geven omtrent zaken en feiten, de naleving van deze wet betreffende. (Aw. 14; Vw. 19a.)

45

-ocr page 76-

VEILIGHEIDSWET.

12. Het hoofd o£ de bestuurder van eeue inrichting, waarin eenige tak van fabrieks- of handwerksnijvcrheid wordt uitgeoefend, is verplicht van elk in zijn bedrijf aan een persoon overkomen ongeval binnen driemaal vier en twintig uren, nadat het ongeval heeft plaats gehad of de gevolgen van dat ongeval zich hebben geopenbaard, schriftelijk kennis te geven aan den burgemeester der gemeente, waar het ongeval plaats had. (Vw. 19 «.)

Heeft de persoon, wien het ongeval is overkomen, binnen tweemaal vier en twintig uren zijn gewonen arbeid hervat, dan vervalt de verplichting tot kennisgeving, tenzij de gevolgen van het ongeval eerst later blijken.

De vorm dezer kennisgeving wordt vastgesteld door den Minister, met de uitvoering van deze wet belast.

De burgemeester zendt binnen vier en twintig uren die kennisgeving aan den inspecteur.

De burgemeester stelt een onderzoek in naar de oorzaken en gevolgen van het ongeval, en deelt den uitslag daarvan mede aan den inspecteur, die bevoegd is een nader onderzoek in te stellen. (Aw. 15 jto Vw. 80.)

13. Het hoofd of de bestuurder van eene fabriek of werkplaats zendt binnen eene maand, na het in werking brengen daarvan, aan den burgemeester van de plaats, waar de fabriek of werkplaats is gelegen, eene opgave:

a. van het bedrijf, dat wordt uitgeoefend;

b. van de soort van drijfkracht en het aantal krachtwerktuigen die worden gebezigd;

c. van het aantal der personen, die aldaar in den regel zullen verblijven;

d. voor het geval, dat de fabriek of werkplaats behoort tot de inrichtingen, die gevaar, schade of hinder kunnen veroorzaken en niet mogen worden opgericht zonder vooraf verkregen vergunning, van het gezag, dat de vergunning gaf tot het oprichten en van de dagteeke-ning van het besluit, waarbij de vergunning werd verleend. (Hw. 2.)

De vorm dezer opgave wordt door den Minister, met de uitvoering van deze wet belast, vastgesteld. (Vw. 1, 27.)

14. De burgemeest#- zendt de in het vorig artikel bedoelde op-

faven aan den inspecteur, na daarvan aanteekening te hebben ge-ouden.aven aan den inspecteur, na daarvan aanteekening te hebben ge-ouden.

15. De inspecteurs zenden elke twee jaren een beredeneerd verslag over hunne ambtsbezigheden aan den Minister, met de uitvoering van deze wet belast.

Deze verslagen worden, hetzij in hun geheel, hetzij gedeeltelijk, aan de Staten-Generaal overgelegd. (Aw. 16; Instr. S.I. 8.)

§ 5. Hooger beroep.

Art. 16. Heeft het hoofd of de bestuurder van eene fabriek of

46

-ocr page 77-

VEILIGHEIDSWET.

werkplaats bezwaar tegen een door den inspecteur gegeven voorschrift, dan kan hij daarvan binnen acht dagen in beroep komen bij den Minister, met de uitvoering van deze wet belast.

De Minister beslist na onderzoek.

Van de met redenen omkleede beslissing wordt afschrift gezonden aan het hoofd of den bestuurder van de fabriek of werkplaats. (Vw. 7; K.B. Vw. 22; K.B. Aw. 10.)

17. Worden de bezwaren geheel of gedeeltelijk gegrond verklaard,

Idan treedt het voorschrift in beroep gegeven in de plaats van dat, waartegen beroep werd ingesteld.dan treedt het voorschrift in beroep gegeven in de plaats van dat, waartegen beroep werd ingesteld.

18. Voor het hoofd of den bestuurder van eene fabriek cf werkplaats vloeit geenerlei verplichting voort uit een voorschrift, zoolang daartegen beroep kan worden ingesteld en zoolang omtrent een ingesteld beroep niet is beslist,

§ C. Strafbepalingen.

Art. 19. Met hechtenis van ten hoogste eene maand of geldboete van ten hoogste honderd gulden wordt gestraft;

[, overtreding van een der artikelen 8, 11, 12, 1ste lid, 13, 1ste lid, en 27;

b. overtreding van eene der bepalingen van eenen algemeenen maatregel van bestuur als bedoeld in artikel (j of artikel 7;

c. het niet voldoen aan een voorschrift krachtens eenen algemeenen maatregel van bestuur uitgevaardigd ingevolge artikel 7.

Indien tijdens het plegen van het feit nog geen twee jaren zijn verloopen sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens eene overtreding als hiervoor sub a, b ot e genoemd, onherroepelijk is geworden, kunnende straffen worden verdubbeld. (Aw. 17; Sw. 31.)

20. Met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden wordt gestraft het hoofd of de bestuurder van eene fabriek of werkplaats, die eene onjuiste opgave doet van het in artikel 13 voorgeschreveue.

21. Met het opsporen van de overtredingen van deze wet, van de bepalingen van eenen algemeenen maatregel van bestuur overeenkomstig artikel 6 of artikel 7 uitgevaardigd en van de voorschriften krachtens eenen algemeenen maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 7 gegeven, zijn, behalve de bij artikel 8 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen personen, belast de marechaussee, alle ambtenaren van Rijks- en gemeente-politie, alsmede de in artikel 9 bedoelde ambtenaren.

Ten aanzien van de inrichtingen, bedoeld bij artikel 24 der wet van 2 Juni 1875 {Staatsblad no. 95), zijn uitsluitend met deze taak belast de inspecteurs en de door den Minister van Oorlog op grond van het tweede lid van genoemd artikel 24 der wet van 2 Juni 1875 [Staatsblad no. 95) aangewezen ambtenaren en officieren.

47

-ocr page 78-

VEILIGHEIDSWET.

Het bepaalde in het eerste lid van dit artikel is niet van toepassing op de Rijkswerkplaatsen en -fabrieken. Aldaar wordt voor de toepassing der wet het toezicht geregeld door de hoofden der betrokken Departementen van Algemeen Bestuur. (A\\v. 18.)

22. De in het eerste lid van artikel 21 bedoelde ambtenaren hebben toegang tot alle plaatsen, waar eenige tak van fabrieks- of handwerksnijverheid wordt uitgeoefend, met uitzondering van de Rijkswerkplaatsen en -fabrieken en de inrichtingen bedoeld in artikel 24 der wet van 2 Juni 1875 {Staatsblad no. 95), waartoe, behoudens uit anderen hoofde aan anderen toekomende bevoegdheid, alleen toegang hebben de inspecteurs.

De veld- en boschwachters, de beambten der marechausseé, niet zijnde hulpofficier van justitie, en de ambtenaren van Rijks- en gemeentepolitie beneden den rang van inspecteur der Rijksveldwacht en van commissaris van politie behoeven daartoe, voor zoover hun de toegang niet uit anderen hoofde vrijstaat, een schriftelijken bijzonderen last van den burgemeester of van den kantonrechter.

Wordt aan de in artikel 21 bedoelde ambtenaren de toegang geweigerd, dan verschaffen zij zich dien desnoods met inroeping van den sterken arm.

Jn plaatsen, in het eerste lid bedoeld, die tevens woningen zijn of alleen door eece woning toegankelijk zijn, treden zij legen den wil van den bewoner niet binnen dan op vertoon van een schriftelijken bijzonderen last van den burgemeester of van den kantonrechter. \' Van dit binnentreden wordt door hen proces-verbaal opgemaakt en binnen tweemaal vier en twintig uren aan dengenen, in wiens woning is binnengetreden, in afschrift medegedeeld. i\'Aw. 19; Instr. A.I. 19; Hw. 19; Sw. 16.)

23. De in artikel 21 bedoelde ambtenaren zijn verplicht tot geheimhouding van hetgeen hun in plaatsen, waar zij krachtens artikel 22 binnentreden, omtrent het daar uitgeoefend wordend bedrijf is. bekend geworden, voor zoover het niet in strijd is met de bepalingen van deze of van eene andere wet.

Hij, die opzettelijk de bij het vorige lid opgelegde geheimhouding schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden, met of zonder ontzetting van het recht om ambten of bepaalde ambten te bekleeden.

Hij, aan wiens schuld schending van die geheimhouding te wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Geen vervolging heeft plaats dan op klachte van het hoofd of den bestuurder van het bedrijf of de onderneming. (Aw. 20; Hw. 19, 23; Sw. 32; S.R. 272.)

24. De bij deze wet strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als overtredingen, behalve de feiten, strafbaar gesteld bij het twee-i

48

-ocr page 79-

VEILIGHEIDSWET.

4ft

)epas-or de etrok-

de en derde lid van artikel 23, die als misdrjiven worden beschouwd. (R.O. 44, 56.)

§ 7. Overgangs- en slotbepalingen.

naren i

ts- oi Art. 25. Een algemeene maatregel van bestuur, uitgevaardigd \'n \'k | ingevolge artikel 6 of artikel 7, treedt niet eerder ia werking dan

artl\' I een jaar na den dag zijner afkondiging. (K.B. Vw. 23.) egt; be- 26. Door of vanwege den Minister, met de uitvoering van deze Iheid, ■ wef belast, kan voor fabrieken en werkplaatsen, in werking ge-j bracht vóór of binnen het jaar na het tijdstip van afkondiging van , niet I eenen ingevolge artikel (i uitgevaardigden algemeenen maatregel van !n g®quot; ; bestuur, vrijstelling worden verleend van de bij zoodanigen maatre-wacht j ge] v,ln bestuur gestelde voorschriften gedurende een voor elk ge-r hun I va] {e bepalen termijn.

n b\'Jquot; 1 Deze termijn kan eenmaal worden verlengd.

I De gezamenlijke duur der vrijstellingen kan ten aanzien van het \'g J sub a, d, c oi / genoemde den tijd van tien jaren en ten aanzien ? van 1 van het sub h of c genoemde den tijd van drie jaren na het in het

^ eerste lid genoemde tijdstip niet overschrijden.

a zijn 27. De opgave bedoeld in artikel 13 wordt voor fabrieken en a den werkplaatsen, in werking gebracht vóór het in werking treden van irifte- | (|eze wef) verstrekt binnen drie maanden na dat tijdstip.

inton- 28. Indien bijzondere omstandigheden van plaatselijken aard in t\'Pgl-1quot; | eene gemeente voorschriften betreffende het onderwerp, in deze wet sn, m i| geregeld, noodig maken, die niet bij algemeenen maatregel van be-191 1 stuur zijn gegeven, kunnen deze voorschriften door den geraeente-l| raad onder Onze goedkeuring worden vastgesteld.

\'t gf- I Artikel 161 der (Gem.)wet van 29 Juni 1851 [StantMad no. 85) ^tikel g is 0p deze plaatselijke verordening van toepassing.

r\'jf 16 f\'; Deze plaatselijke verordening wordt afgekondigd op de wijze, be-palin- | doeld

in de artikelen 172 en 173 van die wet, met dien verstande, | dat in het formulier van afkondiging in plaats van de inzending aan uding i en het ontvangstbericht van Gedeputeerde Staten, worden vermeld e zes 1 de dagteekening en het nummer van het Koninklijk besluit, waarbij iet of | (]p verordening is goedgekeurd.

en te ■ 29. Deze wet is niet van toepassing op het bedrijf van land-1 bouw, tuinbouw, boschbouw, veehouderij of veenderij, op het schip-lV1Jten f pers- of visschersbedrijf, op \'s Rijks opvoedingsgestichten en werken of H inrichtingen en gevangenissen, noch op werkzaamheden in militairen

f dienst verricht. (Vw. 1; Aw. 1, 23, 24.)

\'f deu fi 2ij brengt geene wijziging in de voorschriften betreffende het \'\' Rijkstoezicht op stoomtoestelïen.

30. Artikel 15 der (Arbeids)wet van 5 Mei 1889 (Staatsblad no. ouwd a 48) wordt ingetrokken.

twee-1 in artikel 17 van die wet vervallen de woorden »en art. 15, 3de stw. 11. 4

P

-ocr page 80-

50 VEILIGHEIDSWET.

en 4de lid»; in artikel 23, 1ste lid, worden de woorden »11 en 15» vervangen door »en 11».

31. Alle stukken, verzoekschriften en beschikkingen ten gevolge van de artikelen 2 tot en met 5, 7, 8, 13, 16, 26 en 27 opgemaakt, zijn vrij van het recht van zegel en van de formaliteit van registratie en worden kosteloos uitgereikt.

32. Deze wet kan worden aangehaald onder den titel van »veiligheidswet».

33. Deze wet treedt in werking op een nader door Ons te bepalen tijdstip. 1)

gt;

4

1

Bij K.B. van 7 Dec. 189G, Stsbl. no. 216, is dit tijdstip bepaald op 1 Januari 1897.

-ocr page 81-

BESLUIT,

TOT VASTSTELLING VAN KENEN ALGEMEENEN MAAT-■ REGEL VAN BESTUUR ALS BEDOELD BIJ DE ARTIKELEN 0 EN 7 DER VEILIGHEIDSWET.

(Vastgesteld den 7den December 1896, Stsbl. uo. 215, uitgegeven den Sisten December d.a.v.)

WIJ K M M A, enz.

Hebben goedgevonden en verstaan ten aanzien van de fabrieken en werkplaatsen in den zin der Veiligheidswet te bepalen als volgt:

Eischen, waaraan fabrieken en werkplaatsen ingevolge art. 6 der Veiligheidswet moeten voldoen.

§ 1. Dc vrije luchtndmte voor eiken arbeider in verband met de hooyte van de werklokalen.

Art. 1. De werklokalen in fabrieken en werkplaatsen worden ten aanzien van de in deze paragraaf te noemen eischen onderscheiden in twee categorieën. (K.B. Aw. 2.)

Tot de eerste categorie behooren:

A. die, waar in den regel:

1. arsenicumverbindingen worden bereid;

2. cyanverbindingen, die giftig zijn, worden bereid of verwerkt of ontstaan;

3. kwik of kwikverfoeliesel wordt verwerkt of sublimaat of kwik-houdende verfstoffen worden bereid;

4. loodwit, loodsuiker, menie of chromaatstoffen worden bereid;

5. Spaansch groen wordt bereid;

6. witte phosphor wordt verwerkt;

7. zinkwit wordt bereid;

8. schadelijke dampen ontstaan, als die van ammoniak, arseen-, chloor- of fluorwaterstof, chloor, houtgeest, kooloxyd, loodoxyd, ni-treuse verbindingen, phosphor, zinkoxvd, zwaveligzuur, zwavelkoolstof, zwavelwaterstof;

B. die, waar de dampkringslucht verontreinigd kan worden door stof van:

4*

-ocr page 82-

K.B. VEILIGHEIDSWET, ARTT. 6 EN 7.

1. borstelmakerijen en bezembinderjien;

2. bronzerijen in letter- en steendrukkerijen;

3. kaarderijen van vezelstoffen;

4. kalk-, cement-, tras-, krijtmalerijen en -zeefterijen;

5. kalkblusscherijen;

fj. lettergieterijen en steriotypie-inrichtingen;

7. letterzetterijen;

8. lompensorteerderijen;

9. ruwerijen;

10. schorsmalerijen;

11. sigaren makerijen;

12. slijperijen langs den drogen weg van metalen, glas of andere stoffen;

13. specerijmalerijen en -zeefterijen;

14. steenhouwerijen;

15. stroohulzenfabrieken;

16. viltmakerijen;

17. vlas- of hennepbrakerijen, -zwingelarijen en -hekelarijen.

De overige werklokalen behooren tot de tweede categorie.

2. De in art. 1 sub A en B vermelde werklokalen in fabrieken en werkplaatsen, in werking gebracht vóór 1 Januari 1897, moeten, indien de gemiddelde hoogte 3 M. of meer bedraagt, eene vrije luchtruimte voor eiken arbeider van ten minste 6 M3. hebben.

Bedraagt de gemiddelde hoogte 2,10 M. of meer, maar minder dan 3 M., dan mag de vrije luchtruimte voor eiken arbeider niet kleiner zijn dan de uitkomst der formule:

2,40 h h - 180\'

Bedraagt de gemiddelde hoogte minder dan 2,10 M., dan mag de vrije luchtruimte voor eiken arbeider niet kleiner zijn dan 25 M3.

3. De in art. 1 sub A en IS vermelde werklokalen in fabrieken en werkplaatsen, niet in werking gebracht vóór 1 Januari 1897, moeten, indien de gemiddelde hoogte 3 M. of meer bedraagt, eene vrije luchtruimte voor eiken arbeider van ten minste 7 M3. hebben.

Bedraagt de gemiddelde hoogte 2,10 M. of meer, maar minder dan 3 M., dan mag de vrije luchtruimte voor eiken arbeider niet kleiner zijn dan de uitkomst der formule:

I = 2-80 h

h — 180 \'

Bedraagt de gemiddelde hoogte minder dan 2,10 M., dan mag de vrije luchtruimte voor eiken arbeider niet kleiner zijn dan 25 M3. (K.B. Aw. 4.)

4. De niet in art. 1 sub A en B vermelde werklokalen in fa-

52

-ocr page 83-

K.B. VEILIGHEIDSWET, AKTT. 6 EN 7. 53

brieken en werkplaatsen, in werking gebracht vóór 1 Januari 1897, moeten, indien de gemiddelde hoogte 3 M. of meer bedraagt, eene vrije luchtruimte voor eiken arbeider van ten minste 5 M3. hebben.

Bedraagt de gemiddelde hoogte 2,10 M. of meer, maar minder dan 3 M., dan mag de vrije luchtruimte voor eiken arbeider niet kleiner zijn dan de uitkomst der formule:

t _ 2 h

L — hquot; — 180\'

Bedraagt de gemiddelde hoogte minder dan 2,10 M., dan mag de vrije luchtruimte voor eiken arbeider niet kleiner zijn dan 20 M3.

5. De niet in art. 1 sub A en 7? vermelde werklokalen in fabrieken en werkplaatsen, niet in werking gebracht vóór 1 Januari 1897, moeten, indien de gemiddelde hoogte 3 M. of meer bedraagt, eene vrije luchtruimte voor eiken arbeider van ten minste 6 M3. hebben.

Bedraagt de gemiddelde hoogte 2,10 M. of meer, maar minder dan 3 M., dan mag de vrije luchtruimte voor eiken arbeider niet kleiner zijn dan de uitkomst der formule:

I 2,40 h h — 180\'

Bedraagt de gemiddelde hoogte minder dan 2,10 M., dan mag de vrije luchtruimte voor eiken arbeider niet kleiner zijn dan 20 M3.

6. Onder gemiddelde hoogte wordt in deze paragraaf verstaan de gemiddelde hoogte tusschen den vloer en de zoldering of — waar geene zoldering bestaat — het dak.

In de formules, die in de artt. 2, 3, 4 en 5 voorkomen, geeft L de vrije luchtruimte in kubieke meters en h de hoogte in centimeters aan. (K.B. Aw. (3.)

7. Voor de toepassing van de artt. 2, 3, 4 en 5 worden de lokalen, die zoodanig in open verbinding staan met een werklokaal, dat de gemeenschap niet kan worden afgesloten, geacht een geheel uit te maken met dat werklokaal, indien de opening, welke de gemeenschap vormt, eene doorsnede heeft van ten minste zoovele malen 800 cM2. als het aantal arbeiders in bedoelde lokalen bedraagt, met dien verstande, dat de doorsnede in geen geval kleiner zij dan 1,80 M2.

8. Het in de artt. 2, 3, 4 en 5 bepaalde is niet van toepassing op open loodsen en luchtige getimmerten.

g 2. Ik luehtverversehing.

Art. 9. 1. Door luehtverversehing mag in de werklokalen geen hinderlijke tocht ontstaan.

2. Het koolzunrgehalte der lucht in de werklokalen mag niet meer bedragen dan 4° uu, tenzij het koolzuurgehalte wordt vermeer-

-ocr page 84-

54 K.B. VEILIGHEIDSWET, ARTT. 6 EN 7.

derd door verbrandingsproducteu, in welk geval het ten hoogste 6U uo mag bedragen.

Het in dit artikel sub 2 voorgeschrevene geldt niet voor gist- en spiritusfabrieken, branderijen en brouwerijen.

§ 3. Dc verliehting.

Art. 10. 1. De werklokalen moeten gedurende den werktijd zooveel mogelijk gelijkmatig zijn verlicht.

2. In werklokalen moet, ter plaatse waar arbeid wordt verricht, het directe zonlicht kunnen worden afgesloten.

3. Op plaatsen, waar het bedrijf wordt uitgeoefend van: «. borduren,

b. diamanten of andere edelgesteenten bewerken,

e. goud of zilver smeden,

d. graveeren of houtsnijden,

e. instrumenten maken,

ƒ. letterzetten,

(j. machinaal breien,

h. naaien,

i. teekenen,

h. stikken,

1. uurwerken maken of herstellen,

moet de verlichting overeenkomen met eene lichtsterkte van ten minste 15 Londensehe normaalkaarsen op 1 M. afstand en op plaatsen, waar andere bedrijven wórden uitgeoefend, die goed licht ver-eischeu, moet de verlichting overeenkomen met eene lichtsterkte van ten minste 10 Londensehe normaalkaarsen op 1 M. afstand. (K.B. Aw. 1 KJ,.)

§ 4. Het voorkomen van brand en van ongevallen bij brand.

Art. 11. 1. De schoorsteenen en rookgeleidingen moeten naar den eisch van goed werk van onbrandbaar materiaal zijn vervaardigd; geen houtwerk, zelfs niet bekleed of bemetseld, mag daarin aanwezig zijn.

2. De rookgeleidingen of inrichtingen, waardoor warmte wordt voortgebracht of verspreid, uitgezonderd die tot verwarming door stoom of warm water, moeten op zoodanigen afstand van houtwerk of andere brandbare stoffen zijn geplaatst, dat geen gevaar voor ontbranding bestaat; op een afstand van ten minste 0,3 M. bovea deze rookgeleidingen en inrichtingen moet eene bescherming van ijzergaas of van ander onbrandbaar materiaal worden aangebracht, indien daarboven gedroogd wordt en er gevaar bestaat, dat daarop vallende voorwerpen in brand geraken. (K.B.Vw. 20.)

3. De lokalen, waar het bedrijf eene hitte van meer dan 40° C. vereischt, moeten brandvrij gebouwd of op doelmatige wijze met on-

1

-ocr page 85-

K.B. VEIUGHELDSWET, ARTT. 6 EN 7.

brandbare stof bekleed zijn, tenzij de verwarming geschiedt door stoom of warm water.

4. De van brandbaar materiaal vervaardigde vloer onder vuurhaarden, ovens, fornuizen of andere vuurplaatsen moet bekleed zijn met metselwerk of eenig ander brandvrij en slecht warmtegeleidend materiaal; die vloerbekleeding moet aan alle zijden uitsteken en wel aan de zijde, waar open vuur brandt of waar gestookt wordt, tot ten minste 0,3 M. Voor kachels en kleine fornuizen mag de vloerbekleeding ook uit ijzer of eenig ander brandvrij materiaal bestaan, mits tusschen de onderzijde van den kachel of het fornuis en de bekleeding eene luchtlaag is, waarvan de hoogte ten minste 0,02 M. bedraagt.

5. In de werklokalen moeten de niet olie of vet gedrenkte poetslappen of dergelijke, aan zelfontbranding onderhevige, voorwerpen brandvrij worden geborgen.

G. In de werklokalen, waar aether, naphta, benzine of andere vluchtige vloeistoffen, welker dampen niet lucht ontplofbare mengsels kunnen vormen, worden gebezigd, mogen deze vloeistoffen niet anders aanwezig zijn dan in metalen vaten en tot geene grootere hoeveelheid dan voor direct gebruik noodig is.

7. In de werklokalen, waar door den aard der te verwerken stoffen gevaar voor ontploffing kan ontstaan, mag nimmer vuur of ander dan voldoend geïsoleerd kunstlicht aanwezig zijn. (K.B.Vw. 12 sub 10, 19 sub 37.)

8. De lichtvlammen, die op een afstand van 0,75 M. of minder van brandbare zolderingen zijn geplaatst, moeten van warmtekeerende schermen zijn voorzien; de brandbare voorwerpen, die op zoodani-gen afstand van lichtvlammen zijn geplaatst dat gevaar voor ontbranding bestaat, moeten doelmatig zijn beschut.

12. 1. In fabrieken en werkplaatsen, niet in werking gebracht vóór 1 Januari 1897 en waar in den regel meer dan 50 personen verblijven, moet de trap of, wanneer er meerdere zijn, elke trap zijn ingesloten door wanden, van steen of van eenig ander onbrandbaar materiaal vervaardigd.

2. De breedte der trap, of wanneer er meerdere zijn, de gezamenlijke breedte der trappen moet bedragen;

n. ten minste 1,20 M., wanneer meer dan 50 doch niet meer dan 100 personen in den regel daarvan gebruik maken om van of naar hunne werklokalen te gaan, met dien verstande dat voor fabrieken en werkplaatsen, in werking gebracht vóór 1 Januari 1897 eene breedte van 1 M. voldoende is;

h. ten minste 1,50 M., wanneer meer dan 100 personen in den regel daarvan gebruik maken om van of naar hunne werklokalen te gaan, met dien verstande dat voor fabrieken en werkplaatsen, in werking gebracht vóór 1 Januari 1897 eene breedte van 1,25 M. voldoende is.

De gangen en deuren moeten, waar zij aan eene trap aausluiten.

55

-ocr page 86-

K.B. VEILIGHEIDSWET, ARTT. 6 EN 7.

ten minste gelijke breedte hebben als sub a en b voor zoodanige trap is bepaald.

3. De weg, waarlangs een werklokaal bij brand moet worden ontruimd, mag niet versperd zijn zoolang in dat lokaal iemand aanwezig is.

i. In fabrieken en werkplaatsen, waar in den regel meer dan 50 personen verblijven en waarin werklokalen zijn, waarvan de vloer meer dan 3,50 M. boven den beganen grond is gelegen eu waar de belendingen geene goede gelegenheid tot ontvluchting aanbieden, moet behalve de hoofdtrap eene tweede trap of eene doelmatige noodtrap buiten het lokaal aanwezig zijn.

5. In werklokalen, behalve de zoodanige, waar eene buitendeur aanwezig is en die gelijkstraats of lager dan de begane grond zijn gelegen, moet zich ten minste één raam bevinden, dat niet van traliën of dergelijke vaste belemmeringen is voorzien, tenzij naar de regelen van het burgerlijk recht het aanbrengen van traliën aan ille ramen verplichtend is gesteld. Het raam, of wanneer dit een vast raam is waarvan de roeden niet gemakkelijk zijn te verbreken, de ruiten daarvan, moeten bij brand gelegenheid aanbieden tot redding. (B.W. 093.)

6. Indien de inrichting geene tweede trap bevat en de belendingen geene goede gelegenheid tot ontvluchting aanbieden bij brand, moet in werklokalen, die gelegen zijn boven de gelijkstraatsche verdieping, ten minste één raam, of wanneer dit een vast raam is waarvan de roeden niet gemakkelijk zijn te verbreken, moeten de ruiten daarvan, bij brand gelegenheid aanbieden tot redding.

7. Werklokalen, waar in den regel meer dan 50 personen verblijven, moeten indien aldaar of in de ondergelegen verdieping licht brandbare stoffen worden bewerkt of aanwezig zijn, voorzien zijn van ten minste ééne deur, die naar buiten draaibaar of, indien dit niet mogelijk is, zijwaarts verschuifbaar is; zijn die werklokalen gelijkstraats gelegen, dan moeten deze ten minste twee uitgangen hebben, zoo mogelijk aan verschillende zijden van het werklokaal, tenzij teu minste één raam geopend kan worden en de ontvluchting daardoor niet wordt belemmerd. Het omtrent het aanwezig zijn van eene deur voorgeschrevene geldt voor werklokalen, in werking gebracht vóór 1 Januari 1897, slechts in zoover als het voldoen daaraan mogelijk is.

8. De buitendeur van fabrieken en werkplaatsen, waar in den regel meer dan 50 personen verblijven, moet naar buiten draaibaar of, indien dit niet mogelijk is, zijwaarts verschuifbaar zijn:

n. wanneer in de fabrieken en werkplaatsen licht brandbare stoffen worden bewerkt of aanwezig zijn;

b. wanneer de fabrieken en werkplaatsen niet in werking zijn gebracht vóór 1 Januari 1897.

9. In fabrieken en werkplaatsen niet in werking gebracht, vóór 1 Januari 1897, waar in den regel meer dan 50 personen verblij-

56

-ocr page 87-

K.E. VEILIGHEIDSWET, ARTT. 6 EN 7. 57

i-cn moeten, indien aldaar of in de ondergelegen verdieping licht brandbare stoffen worden bewerkt of aanwezig zijn, de liftkokers, die voor de werklokalen zijn bestemd, daar buiten geplaatst, of waar dit niet mogelijk is, van brandvrij materiaal vervaardigd en met brandvrije deuren gesloten zijn.

10. In of nabij de werklokalen, waar licht brandbare of ontplofbare stoffen worden bewerkt, aanwezig zijn of ontstaan, moeten brandbluschmiddelen beschikbaar zijn. (K.B.Vw. 11 sub 7, 19 sub 37.)

§ 5. Kleedkamers en schaftlokalen.

Art. 13. 1. Wanneer mannen en vrouwen in dezelfde lokalen of in hetzelfde lokaal arbeid verrichten en voor den aanvang van den arbeid zich verkleeden, moeten uitsluitend voor vrouwen bestemde kleedkamers beschikbaar zijn. Deze bepaling is niet van toepassing, wanneer uitsluitend bovenklceren worden afgelegd. Wanneer in fabrieken en werkplaatsen, in werking gebracht vóór 1 Januari 1897, geene voldoende localiteit voor kleedkamers aanwezig is, moet eene naar seksen gescheiden gelegenheid, waar do kleeren kunnen worden opgeborgen, aanwezig zijn.

i 2. De kleeren, afgelegd door personen, die de in art. 1 A sub 1 tot en met 7 genoemde werklokalen binnengaan, moeten opgeborgen kunnen worden buiten die werklokalen in eene binnenshuis gelegen, naar seksen gescheiden, gelegenheid.

14. In de in art. 1 A genoemde werklokalen mag niet worden geschaft en de daarin arbeidende personen moeten, wanneer zij in de fabriek of werkplaats schaften, daartoe gelegenheid hebben in een doelmatig, behoorlijk verlicht, zindelijk gehouden, naar seksen gescheiden en \'s winters voldoend verwarmd lokaal, dat niet in directe verbinding mag staan met de bovenbedoelde werklokalen. (K.B.Aw. 7 sub 1.)

§ 6. De privaten.

Art. 15. 1. Voor de arbeiders moeten naar seksen gescheiden en met het oog op de zedelijkheid geen aanstoot gevende privaten — ten minste één voor elke 30 of minder vrouwen en ten minste één voor elke 50 of minder mannen — en voor de mannen een I voldoend aantal urinoirs beschikbaar zijn.

2. Voor personen, die geregeld iu zeer warme lokalen arbeid verrichten, moeten de privaten en urinoirs tochtvrij en binnendoor te bereiken zijn.

3. De privaten en urinoirs in fabrieken en werkplaatsen, in werking gebracht vóór 1 Januari 1897, moeten — tenzij deze waterclosets zijn, die geen stank verspreiden — buiten de werklokalen zijn geplaatst of daarvan zijn gescheiden door zoodanig geventileerde portalen dat geen hinderlijke stank in de werklokalen waarneembaar

-ocr page 88-

K.B. VEILIGHEIDSWET, AKTT. 6 EN 7.

is. Indien noch het een noch het ander kan geschieden, dan moeten de privaten en urinoirs geventileerd en de afvoerpijpen van doelmatige luchtkeeringen zijn voorzien.

4. De privaten en urinoirs in fabrieken en werkplaatsen, niet in werking gebracht vóór 1 Januari 1897, moeten — tenzij deze waterclosets zijn, die geen stank verspreiden — buiten de werklokalen zijn geplaatst of daarvan zijn gescheiden door zoodanig geventileerde portalen dat geen hinderlijke stank in de werklokalen waarneembaar is.

Verplichtingen, waaraan hoofden of bestuurders van fabrieken en werkplaatsen ingevolge art. 7 der Veiligheidswet moeten voldoen.

§ 7. Bevorderen van zindelijkheid.

Art. 16. 1. In fabrieken en werkplaatsen, niet vóór 1 Januari 1897 in werking gebracht, moeten de vloeren in de werklokalen, die genoemd zijn in art. 1 sub A en I! of waarin aan bederf onderhevige stoffen worden verwerkt, doelmatig zijn vervaardigd en zoodanig zijn ingericht, dat zij behoorlijk rein gehouden en zoo noodig ontsmet kunnen worden.

2. Waar de aard van het bedrijf zich daartegen niet verzet, moeten de vloeren der werklokalen worden geschrobd of gedweild telkens na den tijd, die bepaald is in het overeenkomstig art. 8 der Veiligheidswet uitgevaardigde reglement. (K.B.Aw. 7 sub 2.)

3. De vloeren der werklokalen, waar voor den arbeid veel water wordt gebruikt, moeten zoodanig zijn ingericht, dat het water goed kan afloopen.

4. De werklokalen niet hunne aanhoorigheden — de privaten en urinoirs daaronder begrepen — moeten zooveel mogelijk zindelijk en stofvrij worden gehouden.

5. Het bij de bewerking ontstane afval, inzonderheid indien dit aan bederf onderhevig is, moet spoedig verwijderd worden.

6. De wanden en de zolderingen der werklokalen moeten ten minste eenmaal in de 15 maanden naar den aard en behoorlijk worden gewit, afgewassohen of op andere wijze gereinigd.

7. In fabrieken en werkplaatsen, waar werklokalen zijn, die be-hooren tot de in art. 1 A genoemde of waar de arbeiders aan groo-te warmte, stof of vuil zijn blootgesteld, moeten doelmatige, binnenshuis gelegen, naar seksen gescheiden waschgelegenheden aanwezig zijn. (K.B.Aw. 0.)

§ 8. Bevorderen van eenc dragelijke temperatuur.

Art. 17. 1. Het werklokaal, waarin een bedrijf wordt uitgeoefend, dat van de personen weinig lichaamsbeweging vordert, moet gedu-

58

-ocr page 89-

K.B. VEILIGHEIDSWET, ARTT. 6 EN 7. 59

■ende het koude jaargetijde behoorlijk zijn verwarmd, voor zoover ]e aard van het bedrijf zich niet daartegen verzet.

2. Het pannen dak, dat een werklokaal begrenst, behalve wanneer dat lokaal een open loods of luchtig getimmerte is of wanneer het eene gemiddelde hoogte van meer dau 4 M. boven den vloer heeft, moet behoorlijk beschoten zijn, tenzij de aard van het bedrijf zich daartegen verzet.

j 3. De te warme lucht moet doelmatig worden afgevoerd, voor izoover de aard van het bedrijf zulks toelaat.

§ 9. Verwijderen ran schadelijke dampen, gassen en stof.

Art. 18. 1. Voor de gezondheid schadelijke gassen, dampen of 5 stof, moeten zooveel mogelijk uit de werklokalen worden afgevoerd. Waar een krachtwerktuig beschikbaar is, behoort die afvoer zoo noodig machinaal te geschieden.

■ 2. tn de werklokalen, waaruit de sub 1 bedoelde afvoer niet voldoende kan geschieden, moeten voor de arbeiders doelmatige respirators, indien daardoor de nadeelige gevolgen kunnen voorkomen worden, ter beschikking worden gesteld. (K.B.Aw. 3 B.)

§ 10. Voorkomen van ongevallen door werktuigen, werktuigdeelen, drijfwerken, gereedschappen of electrische geleidingen, door vallen, door vallende voorwerpen, kokende of bijtende vloeistoffen, gloeiende of gesmolten metalen of door ontplofbare stoffen.

Art. 19. 1. De minder dan 1,80 M. van den werkvloer verwijderde bewegende en gevaar veroorzakende deelen van:

«. krachtwerktuigen als vliegwielen, krukken, uitstekende zuigerstangen en waterraden;

b. werktuigen als door een krachtwerktuig gedreven vliegwielen van drukpersen en van andere werktuigen en als raderen bij voorbeeld van boorbanken, van lieren, van hijschkranen;

e. werktuigen en drijfwerken als laagliggende krukken, assen, riemschijven, spieën, stelschroeven en andere gevaarlijke deelen, moeten doelmatig zijn beschut. (K.B.Aw. 1 F.)

2. De doorgangen tusschen de werktuigen moeten voldoende breed zijn en vrij worden gehouden van alles wat voor het verkeer gevaar kan veroorzaken.

3. Zware drijfriemen, kettingen en touwen, wanneer het afvallen daarvan bij hoog drijfwerk gevaar kan veroorzaken, moeten doelmatig zijn ondervangen. (K.B.Aw. 1 G.)

4. De arbeiders bij weefgetouwen, waarvan de spoelen meer dan 80 slagen per minuut maken, moeten doelmatig tegen het gevaar van het uitvliegen der spoel zijn beschermd. (K.B.Aw. 1 O.)

-ocr page 90-

K.B. VEILIGHEIDSWET, ARTT. 6 EN 7.

5. De arbeiders bij werktuigen, waarvan de snijdende, snelloopen-de of plettende deelen gevaar kunnen veroorzaken, bij voorbeeld bij cirkel- en lintzagen, frees-, steek-, schaaf- en snijmachines bij het bewerken van hout in gebruik, stroosnijmachines, lompensnijders, papiersnijwerktuigen, hakmeswerktuigen, metaalscharen, stempelwerk-tuigen, duivels (wolven) der spinnerijen, kalanders en walsen, moeten, voor zoover de praktijk middelen aan de hand geeft om gevaar te voorkomen, zijn beveiligd. (K.B.Aw. 1 H.)

6. Waar door het afvliegen van splinters, schilfers of vonken gevaar bestaat voor oogverwondingen, moeten doelmatige veiligheids-brillen worden verschaft.

7. Gereedschappen, die gevaar kunnen veroorzaken, moeten in goeden staat van onderhoud verkeeren.

8. Slijpsteenen en andere werktuigen die door een krachtwerktuig in beweging worden gebracht en die gevaar voor niteenvliegen opleveren, moeten steeds in goeden staat van onderhoud verkeeren en doelmatig zijn beschut, terwijl hunne omtreksnelheid de voor een veilig gebruik toe te laten maat niet mag overschrijden.

9. De werktuigen, die door een krachtwerktuig in beweging k in-nen werden gebracht, moeten onafhankelijk daarvan kunnen worden stilgezet, terwijl, indien dit door een riemuitzetter geschiedt, deze behoorlijk vastgezet moet kunnen worden.

10. Zware afgeworpen drijfriemen moeten zoo mogelijk zoodanig worden opgehangen, dat de riem niet op de in beweging zijnde as rust.

11. Indien het drijfwerk van verschillende bedrijven door één krachtwerktuig wordt gedreven, moet in elk dier bedrijven het drijfwerk afzonderlijk en doelmatig kunnen worden stilgezet of afgekoppeld of, wanneer dit niet mogelijk is, uit elk der bedrijven den machinist een sein kunnen worden gegeven om het krachtwerktuig onmiddellijk te stoppen.

12. Van uit elk werklokaal, waarvan het drijfwerk niet in dat lokaal kan worden stilgezet en waarin het krachtwerktuig niet is geplaatst, moet den machinist oen sein kunnen worden gegeven om het krachtwerktuig onmiddellijk te stoppen.

13. Vóór het in gang zetten van een krachtwerktuig moet steeds een sein worden gegeven, dat duidelijk waarneembaar is overal, waar door dat kraehtwerktuig drijfwerk of werktuigen worden gedreven. (K.B.Aw. 1 D.)

14. Het smeren van drijfwerk en het opleggen der riemen — waar zulks gevaar kan opleveren — moet bij stilstand geschieden, tenzij de aard van het bedrijf dit niet toelaat, in welk geval het smeren zoodanig moet kunnen geschieden, dat het — bij inachtneming der gewone voorzichtigheid— weinig of geen gevaar oplevert. (K.B.Aw. 1 A.)

15. Krachtwerktuigen, waarvan de kruk over het doode punx moet worden gebracht om ze in gang te kunnen zetten, moeten zoodanig

60

-ocr page 91-

K.B. VEILIGHEIDSWET, ARTT. 6 EN 7. 61

lijn ingericht, dat het verzetten van het vliegwiel zonder gevaar kan geschieden.

lö. De gemeenschappelijke stoomleiding en de gemeenschappelijke jpui- en voedingaleidingen van meerdere stoomketels moeten wan-ieer een of meer dier ketels worden schoongemaakt of hersteld, ter-nijl de overige in gebruik zijn, geheel worden afgekoppeld, tenzij twee goed werkende afsluiters tusschen de stoomleiding en elk der in rust zijnde ketels den stoom veilig afsluiten of wel in de stoomleiding tusschen den afsluiter en elk der buiten gebruik zijnde ketels een stopflens geplaatst is.

■ 17. In fabrieken en werkplaatsen, waar drijfwerk of werktuigen door een krachtwerktuig in beweging worden gebracht of waar kokende of bijtende vloeistoffen, gloeiende of gesmolten metalen of ontplofbare stoffen worden verwerkt, moeten doelmatige middelen voor eerste hnlp bij ongevallen aanwezig zijn.

18. De werktuigen en toestellen, die electrisch arbeidsvermogen voortbrengen of voor het gebruik geschikt maken, moeten doelmatig zijn opgesteld en zoodanig onderhouden worden, dat gevaarlijke vonken, vuur- of lichtverschijnselen zooveel mogelijk worden vermeden.

19. De hulpmiddelen, waardoor het electrisch arbeidsvermogen naar de verbruiktoestellen wordt overgebracht en over deze laatste tiordt verdeeld, moeten doelmatig zijn samengesteld, ingericht en opgesteld.

i 20. Het gebruik van blanke geleidraden voor electrische stroo-men, waar zulks gevaar zou kunnen opleveren, is verboden.

i 21. De isolatie der blanke en omkleede geleidraden, de afstand van deze tot wanden zoowel buiten als binnen gebouwen, de hoogte boven den grond en de onderlinge afstand dier draden moeten voldoende zijn; de doorsnede der geleidraden moet in verband met de sterkte der stroomen voldoende zijn om gevaren te voorkomen; de bovengrondsche geleidraden, voor zoover deze bniten gebouwen zijn aangebracht, moeten van een voldoend aantal bliksemafleiders zijn lïH®

voorzien.

22. De werktuigen en toestellen, waarin het electrisch arbeidsvermogen wordt verbruikt, moeten doelmatig zijn aangebracht, beves- ^UtT tigd of opgesteld.

23. De deelen bij werktuigen, geleidingen of andere inrichtingen,

waar bij het gebruik van electrische wisselslroomen spanningen van 250 Volt of meer, en bij het gebruik van gelijk gerichte stroomen Bpanningen van 500 Volt of meer bestaan, moeten, voor zoover het gebruik zulks veroorlooft, ontoegankelijk zijn gemaakt.

1 24. De isolatie-weerstand van het geheele geleidingsnet en van elk zijner hoofddeelen moet voldoende zijn.

i 25. In de electrische geleidingen moet een voldoend aantal doel-piatige veiligheidsverbindingen zijn geplaatst en behoorlijk worden pnderhouden.

\'I

I

éIÉ

\'i.T

li

-ocr page 92-

K.B. VEILIGHEIDSWET, ARTT. 6 EN 7.

26- De electrische inrichtingen moeten periodiek worden onderzocht en de uitkomsten dezer onderzoekingen moeten nauwkeurig worden aangeteekend.

27. De steigers met toebehooren moeten voldoen aan den eisch van goed en veilig werk.

28. De bordessen en gaanderijen, vloer- en wandopeningen benevens de plaats, waar eene lift neerkomt, moeten, indien zulks ter voorkoming van gevaar wenschelijk is, doelmatig zijn beschut.

29. De werkvloeren moeten in goeden staat van onderhoud ver-keeren.

30. De trappen moeten ten minste aan eene zijde van eene stevige leuning of een stevig traptouw en de in art. 12 sub 2 bedoelde trappen aan beide zijden van eene stevige leuning of een stevig traptouw zijn voorzien.

31. De ladders, die verplaatsbaar zijn, moeten van beveiligingsmiddelen tegen uitglijden zijn voorzien.

32. De personenliften moeten in goeden staat van onderhoud ver-keeren en van doelmatige veiligheidsmiddelen zijn voorzien, inzonderheid van de zoodanige, die beletten dat de liftbak kan nederstorten of dat de daarin vervoerd wordende personen door nedervallende voorwerpen kunnen worden gekwetst.

33. Met eene personenlift mag geen grooter aantal personen en met eene goederenlift niet meer gewicht aan goederen vervoerd worden dan een veilig gebruik toelaat. Het maximum aantal personen of het maximum gewicht aan goederen, dat vervoerd mag worden, moet bij de lift, zoo mogelijk op den liftbak, duidelijk vermeld staan.

34. Bij eiken toegang tot eene goederenlift, waarmede ook personen zouden kunnen worden vervoerd, moet duidelijk vermeld staan, dat personen niet van die lift gebruik mogen maken.

35. Op hijschkranen en andere hefwerktuigen moet het maximum hefvermogen duidelijk vermeld staan; de bewegende deelen van die werktuigen als kettingen, palraderen en remmen moeten steeds in goeden staat van onderhoud verkeeren.

36. De vaste kuipen of bakken, waarin zich kokende, heete of bijtende vloeistoffen, gloeiende of gesmolten metalen bevinden, de onbedekte grondkuipen, reservoirs en putten, voor zoover die gevaar kunnen opleveren, moeten zoo mogelijk door op 0,90 M. hoogte aangebrachte gordingen of door andere doelmatige middelen zijn om-schut. (K.B.Aw. 1 /.)

37. In de werklokalen, waar ontplofbare stoffen worden bereid of bewerkt, moet ten minste ééne deur zijn, die naar buiten openslaat ; de ramen mogen slechts verstrooid zonlicht doorlaten; gereedschappen van ijzer of staal mogen niet worden gebruikt, tenzij en voor zoover zulks voor de uitoefening van het bedrijf onvermijdelijk is; er mag niet meer ontplofbare stof aanwezig zijn, dan voor de be-

62

-ocr page 93-

K.B. VEILIGHEIDSWETj ARTT. IJ EN 7. 63

werking of voor direct gebruik noodig is en de lokalen moeten overigens voldoen aan de eisehen, die daarvoor te stellen zijn. (K.B.Vw. 11 sub 7, 12 sub 10; K.B.Aw. 9 B.)

38. De ketels, bussen o£ andere toestellen, die sterk samengeperste of vloeibaar gemaakte gassen inhouden en die gevaar bij ontploffing kunnen opleveren, moeten, wanneer zij zich bevinden in een werklokaal, ten minste eene vijfvoudige zekerheid aanbieden tegen ontploffing, en zij moeten zoo noodig aan een onderzoek of eene beproeving kunnen worden onderworpen; bij die toestellen moeten de ter verzekering van een veilig gebruik dienende middelen zijn aan-jgebracht, welke steeds in goeden staat van onderhoud moeten ver-keeren, terwijl die toestellen nooit geheel gevuld mogen zijn met [vloeibaar gemaakte gassen, noch mogen worden blootgesteld aan groote zonnewarmte of vuurhitte. (K.B.Aw. 1 M.)

§ 11. Het verblijven in ruimten, u-aar het onvermijdelijk is, dat hoogc of lage temperaturen, schadelijke dampen,

gassen of stof voorkomen.

Art. 20. In ovens, eesten, droogstoven en drooginrichtingen, waarin eene temperatuur van meer dan 40° C. pleegt te heerschen of in werklokalen, als bedoeld in art. 1 A en in art. 1 H sub 4, 5 en 12, waaruit de schadelijke dampen of het stof niet voldoende afgevoerd zijn of kunnen worden, mogen personen niet langer verblijven dan door den inspecteur is voorgeschreven in het ingevolge art. 8 der Veiligheidswet uitgevaardigde reglement. (K.B.Vw. 11 sub 3.)

§ 12. Het verstrekken van goed drinkbaar Kater.

Art. 21. Door den inspecteur kunnen voorschriften worden gegeven tot het verstrekken van goed drinkbaar water in de gevallen, dat niet in of nabij de fabrieken en werkplaatsen aan hen, die daarin verblijven, op hunne aanvraag goed drinkbaar water, gekookte of •andere geschikte niet geestrijke drank in voldoende hoeveelheid wordt verstrekt.

Slotbepalingen.

Art. 22. De inspecteur kan ten aanzien van het in de § § 7 tot en met 12 bepaalde en eveneens, wanneer naar zijn oordeel het in die paragrafen voorgeschrevene niet of niet voldoende wordt nageleefd, aan hoofden of bestuurders van fabrieken en werkplaatsen nadere voorschriften geven.

23. Dit besluit treedt in werking een jaar na den dag zijner afkondiging. (Vw. 25.)

De Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid is belast met de uitvoering van dit besluit, enz.

-ocr page 94-

1

BESLUIT,

tot regeling van den werkkring en de bevoegdheden vak

de bij Abt. 12 der Arbeidswet (wet van 5 Mei 1889, Staatsblad no. 48, gewijzigd door de wet van 20 Juli 1895, Staatsblad no. 138) en Akt. 9 der Veiligheidswet (wet van 20 Juli 1895, Staatsblad no. 137) bedoelde Inspecteurs en verdere Ambtenaren.

(Vastgesteld den 23sten December 1890, Stsbl. no. 228, uitgegeven den 30sten December d.a.v.)

Wij E M M A, enz.

Gezien § 3 en de artikelen 18, 19 en 20 der arbeidswet (wet van 5 Mei 1889, Staatsblad no. 48, gewijzigd door de wet van 20 Juli 1895, Staatsblad no. 138), § 4 en de artikelen 21, 22 en 23 der veiligheidswet (wet van 20 Juli 1895, Staatsblad no. 137) en het Koninklijk besluit van 2 April 1896 {Staatsblad no. 63);

Hebben goedgevonden en verstaan:

Tot regeling van den werkkring en de bevoegdheder van de bij art. 12 der arbeidswet en art. 9 der veiligheidswet bedeelde inspecteurs en verdere ambtenaren, de volgende bepalingen vast te stellen, welke hunne instructie zullen uitmaken.

Art. 1. De bij art. 12 der arbeidswet en de bij art. 9 der veiligheidswet bedoelde inspecteurs en verdere ambtenaren dragen den titel van inspecteur of adjunct-inspecteur van den arbeid.

2. Voor het toezicht op de uitvoering van de arbeidswet en van de veiligheidswet wordt het Kijk verdeeld in zes arbeids-inspectiën, waarvan de 1ste omvat de provinciën Limburg en Noordbrabant; de 2de de provincie Zeeland en dat gedeelte der provincie Znidhol-laml, dat gelegen is bezuiden den rechter oever van de Lek, de Nieuwe Maas, het Scheur en den Nieuwen Waterweg, benevens de gemeente Rotterdam; de 3de de provincie Utrecht en dat gedeelte der provincie Zuidholland, dat gelegen is benoorden den rechter oever van de Lek, de Nieuwe Maas, het Scheur en den Nieuwen Watenoeg, met uitzondering van de gemeente Rotterdam; de 4de de provincie Noordhoiland benevens het niet tot eenige provincie

-ocr page 95-

K.B. INSTRUCTIE ARBEIDSINSPECTIE. 65

behoorende watergebied des Rijks; de 5de de provinciën Gelderland en Overijssel; de 6de de provinciën Drenthe, Friesland en Groningen. (Instr. 8.1. 1; S.V. 246is.)

3. Het toezicht wordt in iedere arbeidsinspectie uitgeoefend door eenen inspecteur, onder wiens bevelen een of meer adjunct-inspec-leurs werkzaam kunnen worden gesteld.

De Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid wijst eiken inspecteur en adjunct-inspecteur de arbeidsinspectie aan, waarin hij i bevoegd zal zijn, benevens eene standplaats binnen die inspectie, j Van deze aanwijzingen doet de Minister zoodra mogelijk mededee-\'i ling in de Staatscourant.

4. Alvorens hun ambt te aanvaarden leggen de inspecteurs en de judjunct-inspecteurs in handen van den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid, naar de wijze hunner godsdienstige gezind-lieid, den eed of de belofte af van ijverig, nauwgezet en onpartijdig

j[le plichten te zullen nakomen, welke hun ambt medebrengt.

5. De inspecteurs en adjunct-inspecteurs bekleeden geen ander : unbt of andere bediening zonder Onze toestemming en nemen mid-|[lellijk noch onmiddellijk deel aan bedrijven of ondernemingen van

fabrieks- of ambachtsnijverheid.

6. Om zich gedurende langer dan twee dagen buiten hunne ar-] leidsinspectie te begeven, behoeven de inspecteurs verlof of op-

Iracht van den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid, die .•oor den tijd van ziekte, verlof, afwezigheid of ontstentenis eenen ier andere inspecteurs kan aanwijzen als ook in die arbeidsinspec-j ie bevoegd. Van die aanwijzing doet de Minister zoodra mogelijk nededeeling in de Staatscourant.

7. De adjunct-inspecteurs behoeven, om zich voor niet langer dan •ier dagen buiten de arbeidsinspectie, waarin zij werkzaam zijn geteld, te begeven, verlof of opdracht van den inspecteur. Verlof oor langeren termijn wordt door tusschenkomst van den inspecteur erleend door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid, ie voor den tijd van ziekte, verlof, afwezigheid of ontstentenis lenen der andere adjunct-inspecteurs kan aanwijzen, als ook in die rbeidsinspectie bevoegd. Van die aanwijzing doet de Minister zoo-Ira mogelijk mededeeling in de Staatscoiwant.

8. Bij de uitoefening van hun ambt zijn de inspecteurs en de ad-imct-iEspecteurs steeds voorzien var, eene hun door den Minister an Waterstaat, Handel en Nijverheid af te geven legitiiuatiekaart.

9. De inspecteurs en adjunct-inspecteurs volgen de bevelen op un door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid ge-:even.

10. De inspecteurs houden toezicht op de verrichtingen der on-r hunne bevelen staande adjunct-inspecteurs.

U. De inspecteurs zijn belast met het toezicht op de uitvoering

an de arbeidswet en van de veiligheidswet en van de naar aanlei-STW. 11. 5

1

-ocr page 96-

K.B. INSTRUCTIE ARBEIDSINSPECTIE.

ding van die wetten uitgevaardigde Koninklijke besluiten en mini-sterieele voorschriften. Zij bezoeken daartoe de plaatsen, die aan hun toezicht zijn onderworpen. (Hw. 46ts.)

12. De adjunct-inspecteurs staan den inspecteur bij in het vervullen van zijne taak en worden door hem meer in het bijzonder belast met het bezoeken der plaatsen die aan hun toezicht zijn onderworpen en met het opsporen van overtredingen van de in art. 11 bedoelde wetten en Koninklijke besluiten. Zij volgen de bevelen op van den inspecteur en geven hem zoowel mondeling als schriftelijk de door hem verlangde inlichtingen. (Aw. 19; Vw. 22.)

13. De inspecteurs trachten zooveel mogelijk overeenstemming te bevorderen tusschen de eischen der wetgeving en de belangen van alle bij den arbeid betrokken personen.

In geval van twijfel omtrent de juiste beteekenis van eenige bepaling, voorkomende in eene wet, in een Koninklijk besluit of in een ministerieel voorschrift, vragen zij het oordeel van den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid.

14. De inspecteurs onthouden zich van het geven van algemeene voorschriften bij wijze van reglementen, instructiën of circulaires.

15. De inspecteurs en de adjunct-inspecteurs houden aanteeke-ning van de door hen bezochte plaatsen, die aan hun toezicht zijn onderworpen, en van hunne bevinding aldaar.

16. De inspecteurs zenden aan den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid op door dezen aan te geven tijdstippen afschriften van de kennisgevingen en van de rapporten van burgemeesters, die bij hen ingevolge art. 12 der veiligheidswet inkomen en een verslag omtrent het nader onderzoek, hetwelk door hen mocht zijn ingesteld.

17. De inspecteurs dienen den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid desgevraagd van bericht en advies en kunnen hem voorstellen doen.

Zij dienen desgevraagd den Commissaris der Koningin en den burgemeester van advies in zake door deze ambtenaren ingevolge de arbeidswet te verleenen vergunningen. (Aw. 5 al. 3, 7 al. 5.)

18. Ter bevordering van eene gelijkvormige toepassing der arbeidswet en der veiligheidswet treden de inspecteurs met elkander in overleg. Zij kunnen tot dat doel vergaderingen houden, waarin als voorzitter en secretaris optreden door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid aan te wijzen inspecteurs. De secretaris zendt binnen acht dagen een uittreksel van het in de vergadering verhandelde aan den Minister.

Tot hetzelfde doel komen de inspecteurs eens in de drie maanden of zooveel meer als de Minister noodig oordeelt, daartoe door dezen opgeroepen, aan diens Departement bijeen tot het houden eener bespreking met den Minister of met een of meer door hem aangewezen ambtenaren.

66

-ocr page 97-

K.B. INSTRUCTIE ARBEIDSINSPECTIE.

19. Wordt den inspecteur of adjunct-inspecteur de toegang geweigerd tot de plaatsen, die aan hun toezicht zijn onderworpen, dan roepen zij de hulp in van den burgemeester der gemeente of van eenen anderen ter plaatse bevoegden hulp-officier van justitie. (Aw. 19; Vw. 22; S.V. 34 jto 8 sub 2»—S\'.)

20. De inspecteurs en de adjunct-inspecteurs zenden de door hen ter zake van overtredingen opgemaakte processen-verbaal aan den bevoegden ambtenaar van het Openbaar Ministerie, terwijl de inspecteurs gelijktijdig een uittreksel van het door hen opgemaakte proces-verbaal doen toekomen aan den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid; de adjunct-inspecteurs aan den inspecteur. Deze laatste zendt het uittreksel van het door den adjunct-inspec-teur opgemaakte proces-verbaal aan den Minister. (Aw. 21; Vw. 24; S.V. 22.)

21. Het Koninklijk besluit van den 2den April 1896 {.Staatsblad no. 63) tot regeling van den werkkring en de bevoegdheden van de bij art. 12 der arbeidswet bedoelde inspecteurs en verdere ambtenaren wordt ingetrokken.

22. Dit besluit treedt in werking op den tweeden dag na de dag-teekening van het Staatsblad en van de Staatscourant waarin het geplaatst is. (Stcrt. v. 30 Dec. 1896.)

De Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid is belast met de uitvoering van dit besluit, enz.

07

5*

-ocr page 98-

DE HINDERWET.

WET

TOT REGELING VAN HET TOEZICHT BIJ HET OPRICHTEN VAN INRICHTINGEN, WELKE GEVAAR, SCHADE OF HINDER KUNNEN VEROORZAKEN.

(Vastgesteld den 2den Juni 1875, Stsbl. no. 95, uitgegeven den lOden Juni d.a.v. Gewijzigd en aangevuld bij de wetten van li) December 187G, Stsbl. no. 255, 26 April 1884, Stsbl. no. 81 in verband met art. 75 van liet Koninkl. besluit van 15 Oct. 1885, Stsbl. no. 187 en bij de wetten van 15 April 1886, Stsbl. no. 64 en van 4 Sept. 1896, Stsbl. no. 152. Nader bekend gemaakt bij K.B. van 15 Dec. 1896,

Stsbl. no. 222.) 1)

Art. 1. Het is verboden inrichtingen, welke gevaar, schade of hinder kunnen veroorzaken, op te richten zonder vergunning, welke, behoudens de bij deze wet gemaakte uitzonderingen, door het gemeentebestuur wordt gegeven. (Hw. 2, 4 sub 1°., 16 al. 1, 24 al. 3,26 al. 1, 27 al. 1.)

2. De in art. 1 bedoelde inrichtingen zijn: (Aw. 2; Vw. 1.)

I. die, bij welke stoom, gassen of dampen van hooge spanning worden gebezigd; met name de inrichtingen, gedreven door stoom- en gaskrachtwerktuigen en door werktuigen met vloeibaar koolzuur; die tot voortbrenging van ijs of koude door ammoniak, aether of samengeperste lucht, en die tot vervaardiging van koolzuurhoudende wateren. (Sw.; K.B.Sw.)

Hiervan zijn uitgezonderd:

a. de stoomwerktuigen in vaartuigen, de locomotieven, de zoogenaamde locomobielen tot tijdelijk gebruik bij de uitvoering van bouwwerken en bij den landbouw, de stoomkranen, stoombrandspuiten en dergelijke vervoerbare stoomwerktuigen;

b. die inrichtingen, bij welke de spanning, door stoom, gassen of dampen te weeg gebracht, in verband met den inhoud van het daartoe gebezigd werktuig, eene grens niet over-

1) De met * gemerkte artikels en onderdeelen zijn toegevoegd of gewijzigd bij de artt. 1—20 der wet van 4 Sept. 1896, Stsbl. no. 152.

-ocr page 99-

HINDERWET.

schrijdt, door Ons bij maatregel van inwendig bestuur aan te geven. (K.B.Hw. 28 Juli 1875, S. 141.)

II. die, bestemd tot vervaardiging, verwerking en bewaring van buskruit en andere ontplofbare stoffen (fulminaten, picraten, chloraten en de zoogenaamde nitroverbindingen, met name schietkatoen, pyroxilin, nitro-glycerine, dvnamiet en dualin).

Hiertoe behooren de fabrieken en bewaarplaatsen van vuurwerken. (Hw. 24.)

III. die, bestemd tot vervaardiging van chemicalia, met name die tot bereiding van koolzure, dubbel-koolzure en zwavelzure soda, soda-hydraat; zwavel-, zout-, salpeter-, zuring- en arsenig-zuur; ammonia en ammoniak-zouten; bleekpoeders en bleek-wateren; de lood-, zink- en kwikverbindingen (waaronder begrepen zijn de lood- en zink witfabrit\'kon;; de cyaanverbindin-

jen gen (waaronder begrepen zijn de bloedloogzouten); en van

r phosphorus (waaronder begrepen is de lucifersfabricatie);

IV. die, bestemd tot verkrijging, verwerking en bewaring van vluchtige producten, met name alkohols, aethers, vluchtige oliën, zwavelkoolstof, vluchtige koolwaterstoffen (waaronder begrepen zijn de benzine, steenolie of petroleum en petroleum-naphta);

V. die, bestemd tot de droge distillatie van plantaardige en dierlijke zelfstandigheden en de verwerking van de daardoor ver-im- kregen producten, met name de gasfabrieken; de been- en

be- ivoorzwartbranderijen; de zwartsel- en drukinkt-fabrieken; de

ite- steenkolencoaks-, turfcoaks- en houtskoolbranderijen; de fa-

. 1, brieken van gasolie, turfolie, photogeen, solarolie en creosoot

(waaronder begrepen zijn de inrichtingen tot creosoteeriug van hout, de teer- en asphaltkokerijen), de fabrieken van ing kleurstoffen uit de producten der droge distillatie, de zooge-

oor naamde anilinekleuren); 1)

3ei- VI. die, bestemd tot de bereiding der vetten en harsen, met name

oor de vetsmelterijen, de kaarsenfabrieken, de zeepziederijen, de

lar- olie-, traan-, verf-, vernis-, harpuis- en lakkokerijen, de pa

tentolie- en harsoliefabrieken, de fabrieken tot het ontvetten van wol en van de residus der olieslagerijen; de VII. die, bestemd tot bewaring en verwerking van afval, met name

oe- asch, vuilnis, bagger, roet, bloed, beenderen, hoornen, lom-

en, pen, guano, mest en meststoffen (waaronder begrepen zijn de

en; poudretten en kunstguano\'s), zoomede de bloeddrogerijen en

;as- lijmfabrieken;

jud VIII. de mouterijen, brouwerijen, branderijen, distilleerderijen,

rer- azijnfabrieken en likeurstokerijen;

IX. de beetwortelsuikerfabrieken, suikerraffinaderijen, stijfsel-, l of---

L52. 1) Aldus aangevuld bij de wet van 19 December 1876, Stsbl. no. 255.

69

-ocr page 100-

70 HINDERWET.

aardappelmeel-, aardappel- en vruchtenstroopfabrieken, en bakkerijen; *de zuivel- en cichoreifabrieken;

X. de slachterijen, vilderijen, penserijen, drogerijen, rookerijen en zouterijen van dierlijke stoffen (met name vleesch, visch, huiden, darmen, lebben); de leerlooierijen en bewaarplaatsen van huiden en vellen;

XI. de porselein- en aardewerkfabrieken, steen-, pannen-, plavuis-en tegelbakkerijen, glasblazerijen, kalk- en gipsbranderijen en kalkblusscherijen, benevens de bewaarplaatsen van ongeblusch-te kalk;

XII. de metaalsmelterijen, gieterijen, smederijen (anker-, grof-, kachel-, hoef-, sloten- en andere); de metaal-klopperijen, pletterijen, stoomketel en andere ketelmakerijen; machinefabrieken; de geschutgieterijen en boerderijen en geweerfa-brieken, koper- en blikslagerijen, alsmede de affineerderijen van goud en zilver;

XIII. de eesten tot verschillende doeleinden (waaronder begrepen zijn de meestovcn en drogerijen van sigaren);

XIV. de koren-, cacao-, mout-, pel-, schors-, grut-, tras-, houtzaag-en oliemolens;

XV. de klopperijen van visch, katoen, wol, haar, vederen, huiden, schors en tapijten;

XVI. de orseille- (lakmoes) en garancinefabrieken, ververijen, katoendrukkerijen en wasscherijen en snelbleekerijen;

XVII. de scheepstimmerwerven, steenhouwerijen en zagerijen, molenmakerijen en kuiperijen;

XVIII. de schietinrichtingen.

3. Wij behouden Ons voor, zoo noodig, de aanwijzing der inrichtingen in art. 2 bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur aan te vullen. (K.B. 18 Mei 1876, S. 105.)

Zoodanige maatregel van inwendig bestuur vervalt, indien de daarbij bepaalde aanvulling niet binnen een jaar na de afkondiging van dien maatregel bekrachtigd is door de wet. (Wet 19 Deo. 1876, S. 255; Hw. 2 sub V.)

Wanneer een voorstel van zoodanige wet binnen het jaar bij de Staten-Generaal is aanhangig gemaakt, kan door Ons deze termijn eenmaal met zes maanden worden verlengd.

4. Bij plaatselijke verordening kan de gemeenteraad:

1°. wijken, buurten of straten aanwijzen, waar een of meer uitdrukkelijk genoemde inrichtingen, in art. 2 bedoeld, zonder voorafgaande vergunning kunnen worden opgericht;

2°. in het belang der openbare orde, veiligheid of gezondheid eene bepaalde plaats of gedeelte der gemeente aanwijzen voor het oprichten, hebben of gebruiken van eene der in art. 2 genoemde inrichtingen, met verbod om elders in de gemeente het bedrijf of de bedrijven uit te oefenen, waartoe de oprichting of het gebruik van die in-

-ocr page 101-

HINDERWET.

richting vereischt wordt. Deze bevoegdheid strekt zich evenwel niet uit tot de inrichtingen, die onder geen ander nummer dan I van i art. 2 vallen.

Plaatselijke verordeningen, in dit artikel bedoeld, gelden voor een bepaalden daarin genoemden tijd, die 20 jaren niet mag te boven | gaan.

Zij kunnen, voor dat die tijd is afgoloopen, telkens worden her-: nieuwd. (Hw. 31; G. 145; Gem. 153 v.; R.v.S. 22.)

*4 bis. De inspecteurs, waarin in deze wet sprake is, zijn die, bedoeld in art. 9 der Veiligheidswet. (Instr. A.I. 1 v.) 1)

5. Bij het verzoek om vergunning worden overgelegd;

1°. een nauwkeurige beschrijving, in dubbel, van de plaats waar de inrichting zal worden gesteld, eene opgave van hetgeen in de inrichting zal worden verricht, vervaardigd of verzameld, benevens van de beweegkracht, die daarbij wordt aangewend; (Vw. 3 sub 1°.)

2°. eene plattegrond-teekening, in dubbel, op eene schaal van minstens een op twee honderd vijftig, aanduidende de uit- en inwendige samenstelling der inrichting en toebehooren; (Vw. 3 sub 2°.)

3°. een uittreksel uit de kadastrale leggers, aanduidende de gebouwen of lokalen, bestemd tot ziekenverpleging, uitoefening van den openbaren eeredienst of scholen, binnen een kring van twee honderd meter van het gebouw of lokaal der inrichting gelegen.

*4°. eene verklaring of de inrichting al of niet eene fabriek of werkplaats zal zijn in den zin der Veiligheidswet. (Vw. 2; K.B.Hw.)

*5 bis. Zal de inrichting zijn eene fabriek of werkplaats in den zin der Veiligheidswet, dan wordt van elk der in artikel 5, sub 1 en 2, bedoelde stukken een exemplaar meer overgelegd. (Hw. (ibis, lt;er;Vw. i 2-6-)

6. Van elk verzoek om vergunning tot oprichting van eene inrichting, in art. 2 genoemd, geeft het gemeentebestuur ten spoedigste schriftelijk kennis aan de eigenaars en gebruikers van elk der per-ceelen, onmiddellijk grenzende aan dat, waar de inrichting zal worden opgericht, en van de gebouwen of lokalen, bedoeld in art. 5,

| sub 3.

Het verzoek met de bijlagen, genoemd in dat artikel, wordt ter visie gelegd op de secretarie en het gemeentebestuur geeft daarvan gelijktijdig op de in de gemeente gebruikelijke wijze, alsmede door - aanplakking op het terrein voor de inrichting bestemd, kennis aan het publiek.

Valt een gedeelte van een gebouw of lokaal binnen den kring, bedoeld in art. 5, sub, 3quot;., dan wordt het -geheele gebouw of lokaal gerekend binnen dien kring te liggen.

Strekt de kring zich in andere gemeenten uit, dan geschiedt ook daar openbare aankondiging.

71

1

De artikelen mfet bis- en lt;e/\'-volgcijfers voorzien, houden ver

2

band met de Veiligheidswet.

-ocr page 102-

HINDERWET.

*6 bis. Zal de inrichting tevens zijn eene fabriek of werkplaats in den zin der Veiligheidswet, dan zendt het gemeentebestuur aan den inspecteur eene kennisgeving als bedoeld in het tweede lid van art. 6, gelijktijdig met de kennisgeving in dat lid bedoeld. Het zendt hem tevens een exemplaar der in art. 5, sub 1 en 2. bedoelde stukken. (Hw. Six\'s, (iter.)

*6 ter. Zal de inrichting tevens zijn eene fabriek of werkplaats in den zin der Veiligheidswet, dan is de verzoeker verplicht den inspecteur alle inlichtingen te verschaffen, die deze behoeft tot eene juiste beoordeeling van de bij het verzoek overgelegde stukken. (Hw. öbis, 6bis; Vw. 4.)

7. Op den veertienden dag na de openbare kennisgeving wordt op de daarin aangewezen plaats en uur gelegenheid gegeven om, ten overstaan van het gemeentebestuur of een of meer zijner leden, bezwaren tegen het oprichten der inrichting in te brengen.

Daarbij worden zoowel de verzoekers als zij, die bezwaren inbrengen, in de gelegenheid gesteld de bezwaren mondeling en schriftelijk toe te lichten.

Van het op de zitting voorgevallene wordt proces-verbaal opgemaakt.

Zoowel de verzoeker, als zij die bezwaren inbrengen, kunnen gedurende drie dagen vóór het tijdstip, in het eerste lid van dit artikel bedoeld, op de secretarie der gemeente van de ter zake ingekomen schrifturen kennis nemen.

*7 bis. Zal de inrichting tevens zijn eene fabriek of werkplaats in den zin der Veiligheidswet, dan is de inspecteur bevoegd de zitting, in het vorig artikel bedoeld, bij te wonen. Het gemeentebestuur zendt hem afschrift van het in dat artikel bedoelde proces-verbaal, terwijl het laatste lid van dat artikel op hem van toepassing is.

De inspecteur deelt zoo spoedig mogelijk schriftelijk aan het gemeentebestuur mede, of de inrichting, voor zoover zulks kan blijken uit de in artikel 5, sub 1 en 2, bedoelde stukken, zal voldoen aan de eischen, krachtens artikel 6 der Veiligheidswet gesteld. (Hw. 126is al. 3; K.B.Vw. 1—15.)

8. Binnen eene maand na het in art. 7 bedoelde onderzoek beslist het gemeentebestuur over het verzoek, en geeft daarvan onmiddellijk aan den verzoeker en gelijktijdig, door aankondiging, aan het publiek kennis.

Kan de beslissing binnen den in het eerste lid van dit artikel bepaalden tijd niet genomen worden, dan wordt zij, bij een met redenen omkleed en af te kondigen besluit verdaagd, hetwelk aan den verzoeker wordt medegedeeld.

Het gemeentebestuur zorgt, dat in de gevallen, bij art. 6, laatste lid, voorzien, de beslissing ook in de andere gemeenten worde bekend gemaakt.

\'8 bis. Zal de inrichting tevens zijn eene fabriek of werkplaats in

72

-ocr page 103-

HINDERWET. 73

den zin der Veiligheidswet, dan zendt het gemeentebestuur binnen tweemaal 24 uren na het nemen der in het eerste lid van artikel 8 bedoelde beslissing hiervan afschrift aan den inspecteur.

9. De vergunning wordt schriftelijk verleend, en gesteld ten name van den verzoeker en zijne rechtverkrijgenden. (K.B.Sw. 11a, 12.)

Aan de vergunning wordt een exemplaar van de in art. 5, sub 1 en 2 bedoelde stukken, van wege het gemeentebestuur gewaarmerkt, gehecht.

10. Indien er binnen den afstand van 100 nieter van het gebouw of lokaal, waarin het bedrijf, waarvoor de inrichting bestemd is, zal worden uitgeoefend, geene perceelen aan anderen, dan de aanvragers, toebehoorende of bij anderen in gebruik, en binnen den afstand van 200 meter, bedoeld in art 5, no. 3, geene gebouwen of lokalen van aldaar bedoelde soorten zijn, wordt deze omstandigheid eenvoudig door het gemeentebestuur verklaard aanwezig te zijn, en op het verzoek beschikt, zoo als bevonden wordt te behooren.

*10 bis. Zal de inrichting tevens zijn eene fabriek of werkplaats in den zin der Veiligheidswet, dan zendt het gemeentebestuur aan den inspecteur een exemplaar der in art. 5, sub 1 en 2, bedoelde stukken en zijn de artikelen 6 ter, 7 bis, tweede lid, 8 bis en 12 bi* van toepassing.

11. In geval van weigering der vergunning worden de redenen, die daartoe geleid hebben, in het besluit vermeld. (Hw. 8.)

Tot weigering kunnen alleen leiden de bezwaren, ontleend aan vrees voor:

a. gevaar;

b. schade aan eigendommen, bedrijven of de gezondheid:

c. hinder van ernstigen aard, waartoe behoort het ter bewoning ongeschikt maken van woonhuizen of gedeelten van woonhuizen, het belemmeren van het gebruik van de lokalen en gebouwen, in art. 5, 3°., bedoeld, ieder overeenkomstig de bestemming, die het gebouw of lokaal, tijdens het verzoek werd gedaan, had en het verspreiden van vuil of van walglijke uitdampingen.

Vrees voor mededinging in eenig bedrijf, door belanghebbenden : geuit, kan geene reden tot weigering zijn.

*llèis. Zal de inrichting tevens zijn eene fabriek of werkplaats in den zin der Veiligheidswet, dan wordt de vergunning ook geweigerd, indien de inrichting, voor zoover zulks kan blijken uit de in : artikel 5, sub 1 en 2, bedoelde stukken, volgens den inspecteur niet zal voldoen aan de eisehen, krachtens art. ö der Veiligheidswet ge-; steld.

12. Indien door het stellen van voorwaarden aan het bezwaar van ; gevaar, schade of hinder kan worden tegemoet gekomen, wordt de

vergunning voorwaardelijk verleend.

Indien, na het verleenen eener voorwaardelijke vergunning, blijken mocht, dat de naleving der gestelde voorwaarden niet noodig

i i i

lil® iiquot;

■ 1-:

i

-ocr page 104-

74 HINDERWET.

mocht zijn, kan het gemeentebestuur den concessionaris geheel of gedeeltelijk daarvan ontslaan, na aan belanghebbenden, ten wier behoeve de voorwaarden zijn gesteld, gelegenheid te hebben gegeven hunne bezwaren in te brengen. (Hw. 7 al. 1.)

Evenzoo kunnen Wij den concessionaris geheel of gedeeltelijk ontslaan van de naleving van voorwaarden, welke bij eene door Ons verleende vergunning zijn opgelegd. Belanghebbenden worden alsdan vooraf gehoord, na op Onzen last door den burgemeester te zijn opgeroepen. (Hw. 16 al. 1, 24, 26, 27.)

Kan over de gevolgen eener inrichting, tijdens de aanvrage om vergunning, niet met voldoende zekerheid worden geoordeeld, zoo wordt eene vergunning voor een bepaalden proeftijd verleend. Van de aanvrage om verlenging van proeftijd, of om definitieve vergunning na afloop van den proeftijd, wordt de in art. 6 vermelde kennisgeving en openbare aankondiging gedaan, en vervolgens het onderzoek, in art. 7 bedoeld, herhaald.

Art. 8 is op dit geval van toepassing.

*12 bis. Zal de inrichting tevens zijn eene fabriek of werkplaats in den zin der Veiligheidswet, dan zullen de voorwaarden, in het vorige artikel bedoeld, de naleving van de eischen, gesteld krachtens de Veiligheidswet, niet mogen onmogelijk maken.

Het gemeentebestuur zendt, indien dit meent aan de te verleenen vergunning voorwaarden te moeten verbinden, het ontwerp van zijne te nemen beschikking ter kennisneming aan den inspecteur.

Deze deelt zoo spoedig mogelijk schriftelijk aan het gemeentebestuur mede, of, en zoo ja, welke wijzigingen die beschikking behoeft om de naleving van de eischen, gesteld krachtens de Veiligheidswet, niet onmogelijk te maken. (Hw. Tbis al. 2.)

Kan het gemeentebestuur zich niet vereenigen met de opmerkingen van den inspecteur, dan treedt het, alvorens eene beslissing te nemen, met dezen in overleg, ten einde zoo mogelijk tot overeenstemming te geraken.

13. Bij de vergunning wordt een termijn gesteld, binnen welken de inrichting voltooid en in werking gebracht moet zijn. Bij niet inachtneming van den termijn vervalt de vergunning, tenzij het bestuur dat haar verleend heeft, haar nog eenmaal vóór het verstrijken van den termijn, met een nieuwen termijn heeft verlengd. (Hw. 28 ai. 3.)

14. Eene nieuwe vergunning is noodig, om;

1°. de inrichting uit te breiden of eene andere wijze van bewerking, welke verandering van den aard der inrichting ten gevolge heeft, in te voeren; (Hw. 9 al. 2 jto 5 sub 1° en 2°.)

2°. eene inrichting, welke vier jaren heeft stil gestaan, op nieuw in werking te brengen;

3°. eene inrichting, welke door eenig onheil, dat het gevolg is van den aard of het gebruik maken der inrichting, is verwoest, te herstellen. (Hw. 5; Vw. 12; Sw. 24.)

-ocr page 105-

HINDEKWET. 75

15. Van de beslissing, ingevolge de artt. 8, 12 en 14 genomen, staat beroep bij Ons open binnen 14 dagen na de afkondiging bij art. 8 bedoeld. Tot dat beroep zijn gerechtigd de verzoeker en de belanghebbende, ieder voor zoover hij in het ongelijk is gesteld. (Hw. 7.)

Hij, die het beroep instelt, geeft daarvan gelijktijdig kennis aan het gemeentebestuur, hetwelk zorgt voor onverwijlde openbare kennisgeving. Zoo het beroep wordt ingesteld door een ander dan den verzoeker, moet aan dezen bij exploit worden kennis gegeven van het beroep.

Onze beslissing wordt, na verhoor van den Raad van State (afdee-ling geschillen van bestuur), binnen drie maanden nadat het beroep ~is ingesteld, bij een met redenen omkleed besluit genomen, ten ware zij vooraf bij afzonderlijk besluit mocht verdaagd zijn. (R.v.S. 35 v.)

*15 bi*. Zal de inrichting tevens zijn eene fabriek of werkplaats in den zin der Veiligheidswet, dan is ook de inspecteur tot beroep gerechtigd. Hij geeft van een door hem ingesteld beroep onmiddellijk bij aangeteekenden brief kennis aan den verzoeker. Zoo het beroep wordt ingesteld door een ander dan den inspecteur dan geeft het gemeentebestuur dezen zoo spoedig mogelijk schriftelijk kennis van een ingesteld beroep.

16. Indien eene inrichting, voor welker oprichting vergunning ver-eischt wordt, in twee of meer gemeenten eener provincie zal liggen, dan wordt de vergunning door Gedeputeerde Staten, de besturen dier gemeenten gehoord, verleend of geweigerd. Van die beslissing van Gedeputeerde Staten staat beroep bij Ons open. Liggen de gemeenten in verschillende provinciën, dan wordt de beslissing door Ons genomen, na Gedeputeerde Staten te hebben gehoord.

Alvorens advies uit te brengen, handelen Gedeputeerde Staten en de gemeentebesturen overeenkomstig het bepaalde bij de artt. 6 en 7.

Ten opzichte der beslissingen, door Ons en Gedeputeerde Staten te nemen, zoo mede van het beroep tegen de door Gedeputeerde Staten genomen beslissingen, geldt hetgeen voor die gevallen bij de artt. 8 —15 ten aanzien der gemeentebesturen is bepaald.

*10 bis. Zal de inrichting tevens zijn eene fabriek of werkplaats in den zin der Veiligheidswet, dan zijn in de gevallen, in het vorige (artikel bedoeld, de artikelen (3 bis, 6 ter, 7 bis en 12 bis van toepassing.

Ten opzichte der beslissingen, bedoeld in het derde lid van artikel 16, geldt het in de artikelen 8bis, 10bis, \\lbis, 12 bis en 15 bis bepaalde.

17. Het bestuur, dat de vergunning geeft, kan aan den concessionaris nieuwe voorwaarden opleggen, indien de ondervinding de noodzakelijkheid daarvan mocht aantoonen. (Hw. 12.)

Geene nieuwe voorwaarden worden opgelegd dan bij een met redenen omkleed besluit, nadat de concessionaris is gehoord of behoor-lijk opgeroepen. (Hw. 6 al. 1, 7, 12 al. 2, 3.)

I

-ocr page 106-

76 HINDERWET.

Van het besluit van een gemeentebestuur of van Gedeputeerde Staten kan de concessionaris, binnen 14 dagen nadat het hem is bekend gemaakt, bij Ons in beroep komen.

Artt. 15 en 16 zijn op dit beroep toepasselijk.

*17 bis. Is de inrichting tevens eene fabriek of werkplaats in den zin der Veiligheidswet, dan wordt voordat nieuwe voorwaarden worden opgelegd, de inspecteur gehoord en is het laatste lid van artikel 12 bis van toepassing. (Hw. Ibis, al. 2.)

Gelijktijdig met de bekendmaking, in het derde lid van artikel 17 bedoeld, zendt het gemeentebestuur den inspecteur een afschrift van het daar bedoeld besluit. De artikelen 15 bü en ld bis zijn op het in art. 17, 3de lid, bedoelde beroep van toepassing.

*17 Ier. Wanneer de toepassing van artikel 6 der Veiligheidswet mocht ten gevolge hebben, dat van den inhoud van de bij artikel 5, sub 1 en 2, bedoelde stukken of van eene bij de vergunning gestelde voorwaarde zoude moeten worden afgeweken, dan geeft de concessionaris daarvan kennis aan het gemeentebestuur.

Wanneer de toepassing van artikel 7 der Veiligheidswet ten gevolge mocht hebben, dat van den inhoud van de bij het vorige lid bedoelde stukken of van eene bij de vergunning gestelde voorwaarde zoude moeten worden afgeweken, dan geeft de inspecteur daarvan kennis aan het gemeentebestuur, zoodra tegen het door hem gegeven voorschrift geen beroep meer kan worden ingesteld en zoodra omtrent een ingesteld beroep is beslist.

Het gemeentebestuur beslist, of, en zoo ja, welke nieuwe voorwaarden zullen worden opgelegd. Artikel 12 bis is dan toepasselijk.

Op deze beslissingen zijn het tweede, derde en vierde lid van artikel 17 bis van toepassing.

Wanneer het gemeentebestuur beslist, dat geene nieuwe voorwaarden worden opgelegd, dan is de concessionaris bevoegd van de hem verleende vergunning af te wijken, voor zooveel zulks noodzakelijk is, om te voldoen aan de eischen, gesteld krachtens de Veiligheidswet.

18. Het gemeentebestuur houdt behoudens de uitzonderingen, in art. 24 vermeld, toezicht dat aan de voorwaarden, bij de vergunning of later gesteld, worde voldaan.

19. De leden van het gemeentebestuur en de door dat bestuur aan te wijzen gemeente- en politieambtenaren hebben, behoudens de uitzonderingen in art. 24, te allen tijde vrijen toegang tot de inrichtingen, bedoeld in art. 2. Zij hebben de bevoegdheid van de overtredingen dezer wet proces-verbaal op den ambtseed op te maken. Wordt hun de toegang geweigerd, dan verschaffen zij zich dien desnoods met inroeping van den sterken arm.

Is de inrichting enkel door eene woning toegankelijk, dan treden zij deze, tegen den wil van den bewoner, niet binnen, dan op schriftelijken last van den burgemeester.

Hiervan wordt door hen binnen tweemaal vier en twintig uren

-ocr page 107-

HINDERWET.

proces-verbaal opgemaakt en aan den ingezeten, wiens woning is binnengetreden, in afschrift medegedeeld.

Zij, die krachtens dit artikel eene inrichting binnentreden, zijn, op verzoek van den concessionaris, verplicht tot geheimhouding van hetgeen het daarin uitgeoefende bedrijf betreft, voor zoo verre dit niet met de naleving der gestelde voorwaarden in verband staat. (Aw. 19, 20; Vw. 22, 23; Sw. l(j, 32; Wet 31 Aug. 1853 S. 83.)

20. Worden de gestelde voorwaarden niet opgevolgd, dan kan het gemeentebestuur de vergunning intrekken. Indien de vergunning verleend is door Ons of door Gedeputeerde Staten, geeft het gemeentebestuur aan het gezag, dat de vergunning verleend heeft, kennis van de niet-naleving der voorwaarden en beslist dit, na onderzoek, over de intrekking. (Hw. 206is; Sw. 21c,- K.B.Sw. 59.)

Van het besluit tot intrekking, door het gemeentebestuur of door Gedeputeerde Staten genomen, kan de concessionaris binnen veertien dagen aan Ons voorziening vragen. Hierbij gelden de artt. 15 en lö.

Hangende Onze beslissing kunnen de werkzaamheden van de inrichting op Ons bevel worden geschorst.

*20bis. Is de inrichting tevens eene fabriek of werkplaats in den zin der Veiligheidswet, dan geeft het gezag, dat de vergunning introk, daarvan binnen 24 uren kennis aan den inspecteur.

21. Het voortzetten der werkzaamheden in eene inrichting wordt door het gemeentebestuur verboden, en des noods wordt de inrichting gesloten of worden de daarin aanwezige werktuigen verzegeld, wanneer de inrichting zonder de vereischte vergunning in werking is. (Sw. 22 al. 2, 23.)

De belanghebbende kan hiertegen binnen veertien dagen aan Ons voorziening vragen.

Het tweede en derde lid van art. 15 zijn hierbij van toepassing.

*21 bis. Is de inrichting tevens eene fabriek of werkplaats in den zin der Veiligheidswet, dan geeft het gemeentebestuur van elke sluiting of verzegeling binnen 24 uren kennis aan den inspecteur.

22. Het hoofd der onderneming wordt gestraft:

a. met eene geldboete van vijftig cents tot twee honderd gulden of eene hechtenis van een dag tot zestig dagen, indien hij zonder de vereischte vergunning, of op eene andere plaats dan in de vergunning is aangewezen, eene in art. 2 omschreven inrichting in werking brengt of houdt, in strijd handelt met het verbod, bedoeld in art. 4, sub 2, of in een der gevallen, vermeld in art. 20 (3de lid) en 21, met de werkzaamheden voortgaat;

è. met eene geldboete van vijftig cents tot honderd gulden of eene hechtenis van een dag tot veertien dagen, indien hij in strijd met de gestelde voorwaarden handelt.

Bij de ontdekking van een der in dit artikel genoemde strafbare feiten kunnen de aanwezige gevaarlijke of schadelijke stoffen in be-

77

-ocr page 108-

HINDERWET.

slag worden genomen, en bij het veroordeelend vonnis kan vernietiging of onbruikbaarmaking van die stoffen worden bevolen. 1)

*22 bis. Nalatigheid in de voldoening aan het voorschrift van het eerste lid van artikel 17 ter wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste eene maand of geldboete van ten hoogste honderd gulden.

Het in dit artikel strafbaar gestelde feit wordt beschouwd als eene overtreding. (R.O. 44.)

*23. Hij, die opzettelijk de in het slot van artikel 19 opgelegde geheimhouding schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zes honderd gulden, met of zonder ontzetting van het recht om ambten of bepaalde ambten te bekleeden.

Hij, aan wiens schuld schending van die geheimhouding te wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste drie honderd gulden.

Geen vervolging heeft plaats dan op klachte van den concessionaris.

De bij dit artikel strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als misdrijven. (R.O. 56; Aw. 20, 21 : Vw. 23, 24; Sw. 32, 33; S.E. 272.)

UITZONDERINGEN EN OVERGANGSBEPALINGEN.

Art. 24. De inrichtingen, bedoeld sub II van art. 2, daaronder niet begrepen de fabrieken en bewaarplaatsen van vuurwerken, slaan onder het toezigt van Onzen Minister van Oorlog.

Genoemde Minister wijst de ambtenaren en officieren aan, op welke de bepalingen van art. 19 van toepassing zijn, en die, krachtens deze aanwijzing, de bevoegdheid verkrijgen van de overtredingen dezer wet, ten aanzien van de in dit artikel bedoelde inrichtingen, proces-verbaal op te maken.

Door Ons kunnen bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur plaatsen worden aangewezen, waar inrichtingen, in het eerste lid bedoeld, kunnen worden opgericht en in werking gebracht, zelfs zonder vergunning der betrokken gemeentebesturen of collegiën van Gedeputeerde Staten. 2)

25. In de gevallen, bedoeld in de artt. 20 en 21, ten opzichte van de in het vorig artikel genoemde inrichtingen, zendt Onze Minister van Oorlog het proces-verbaal der gepleegde overtreding aan den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid, die het betrokken bestuur tot uitvoering van de bij die artikelen voorgeschreven maatregelen nitnoodigt.

78

1

Art. 22 aldus gewijzigd bij art. 10, no. 31 en art. 11 der wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64.

2

Art. 24 van de wet van 2 Juni 1875, Stsbl. no. 95, bevatte nog een alinea van den volgenden inhoud: „De wetten van 26 Januarij 1815, Stsbl. no. 7, en 9 Julij 1855, Stsbl. no. 68, en het Koninklijk besluit van

-ocr page 109-

HINDERWET.

26. Inrichtingen, bedoeld in art. 2, kunnen door een departement van algemeen bestuur met Onze goedkeuring worden opgericht, zonder vergunning van het gemeentebestuur.

Het hoofd van het departement zendt in dat geval de stukken, in art. 5 genoemd, aan het gemeentebestuur, dat voor de naleving van art. 6 zorgt.

Binnen eene maand na de openbare kennisgeving wordt op vooraf aan te wijzen plaats en uur gelegenheid gegeven om, ten overstaan eener commissie uit Gedeputeerde Staten, bezwaren tegen het oprichten van de inrichting in te brengen.

Van die bezwaren wordt proces-verbaal opgemaakt, hetwelk, niet het advies der commissie, aan het departement wordt toegezonden. Over aangevoerde bezwaren wordt door Ons, den Baad van State (afdeeling voor de geschillen van bestuur) gehoord, beslist. (B.v.ë. 35 v.)

Bij Onze beslissing, krachtens dit artikel te nemen, behoeven plaatselijke verordeningen, in art. 4, sub no. 2, bedoeld, niet te worden in acht genomen. (Hw. 12 al. 3.)

27. Voor het oprichten van eene inrichting, bedoeld in art. 2, door het bestuur eener gemeente of van een waterschap wordt de vergunning van Gedeputeerde Staten, voor het oprichten van zoodanige inrichting door eene spoorwegmaatschappij, door een provinciaal bestuur of door het bestuur van een waterschap, dat in meer dan ééne provincie is gelegen. Onze vergunning gevorderd.

In beide gevaflen zijn de artt. 5—7 en 9—14 van toepassing.

Het proces-verbaal, in art. 7 bedoeld, wordt onverwijld aan onzen Commissaris in de provincie gezonden, de stukken, in art. 9 vermeld, door den genoemden Commissaris gewaarmerkt, en de ontheffing van voorwaarden, in art. 12, 2de lid, bedoeld, wordt door Ons of Gedeputeerde Staten verleend, naar gelang de vergunning aan Ons of aan Gedeputeerde Staten is gevraagd.

Van de beslissing door Gedeputeerde Staten, volgens het eerste lid van dit artikel genomen, staat hooger beroep aan Ons open. Artt. 15 en 16 zijn daarbij van toepassing.

*27 bis. Zal in de gevallen, in het vorige artikel bedoeld, de inrichting tevens zijn eene fabriek of werkplaats in den zin der Veiligheidswet, dan zijn de artikelen 5bis, 6bis, (iter, Ibis, 106is, 11 his, 12 bis, en 15 his, van toepassing.

28. Het Koninklijk besluit van 31 Januarij 1824 (Staatsblad no. 19) en andere Koninklijke besluiten, die omtrent het daarbij geregelde onderwerp hebben gegolden, zijn afgeschaft.

21 Maart 1815 (Journal Ofliciel no. 5) blijven van kracht, totdat nader zal zijn voorzien in de daarbij geregelde onderwerpen.quot; — Deze bepaling, ofschoon bij een nieuwe wet niet uitdrukkelijk ingetrokken, is in den tekst van het Kon. Besluit van 15 Dec, 1896 niet meer over genomen. (Vgl. Art. 9 der wet van 26 April 1884, Stsbl. no. 81, in verband met Art. 75 van K.B. 15 Oct. 1885, Stsbl. no. 187.)

79

-ocr page 110-

80 HINDERWET.

Niettemin wordt op de verzoeken om vergunning, bij het in werking treden dezer wet ingediend, voor zoover die vergunning ingevolge deze wet wordt vereischt, door het bestuur, hetwelk daartoe volgens de tot dusver van kracht zijnde Koninklijke besluiten bevoegd was, beslist.

ter

4

Daarbij wordt tevens bepaald, binnen welken termijn de inrich

ting in werking moet zijn gebracht, op straffe van het vervallen der vergunning. (Hw. 13, 29.)

29. Op inrichtingen, tot welker oprichting krachtens de vóór het in werking treden dezer wet geldende Koninklijke besluiten vergunning is verleend, zijn de artt. 14, 17, 18, 19, 20 en 21 van toepassing, en ten aanzien van overtredingen van die artikelen gepleegd,

art. 22 en 23. 1) (Hw. 28, 30.)

*29 bis. Is eene inrichting, als in het vorige artikel bedoeld, tevens eene fabriek of werkplaats in den zin der Veiligheidswet, dan zijn ook de artikelen 17bis, liter, 20bis, 21 bis, 22bis en 23 van toepassing.

30. Vergunningen tot oprichting van inrichtingen, krachtens de vroeger geldende Koninklijke besluiten verleend vóór het in werking treden dezer wet vervallen, zoo zij niet binnen één jaar na de afkondiging dezer wet in werking zijn gebracht, ten ware in de vergunning een langere termijn was gesteld of het gezag, dat de vergunning verleend heeft, vóór den afloop van den termijn een nieuwen termijn toestaat. (Hw. 29.)

31. Algemeene bepalingen vóór het in werking treden dezer wet bestaande, waarbij in eenige gedeelten van gemeenten of plaatsen het uitoefenen van bedrijven of het hebben van inrichtingen is vrijgelaten zonder bijzondere vergunning, blijven van kracht gedurende vijf jaren na het in werking treden dezer wet, ten ware zij vóór dien tijd worden vervangen door plaatselijke verordeningen krachtens art. 4 dezer wet uit te vaardigen.

32. Door deze wet wordt geene verandering gebracht in de bestaande wetten en verordeningen omtrent mijnen, steengroeven en daarmede in verband staande fabrieken, en werkplaatsen, omtrent het bouwen in en langs rivieren, op en aan dijken en andere water-keerende werken, en op het onderhouden en instandhouden van wegen, vaarten en wateringen, omtrent het hebben van magazijnen of nederlagen op onvrij territoir, omtrent het bouwen, planten en maken van werken op zekeren afstand van vestingwerken, noch ook omtrent het gebruik van stoomtoestellen.

*33. Deze wet kan worden aangehaald onder den titel vaa «Hinderwet. »

I

1

Het is minstens twijfelachtig of „artikel 23quot; hier terecht nog vermeld is. Zie artikel 10, no. 31 van de Invoeringswet van het Strafwetboek.

-ocr page 111-

K.B. HINDERWET, art. 2, I, h.

81

i .

BESLUIT van den 28sten JULI 1875, Stsbl. no. 141, ter uitvoering van art. 2, I, sub b, der wet van 2 Juni 1875 (Stsbl. no. 95), tot regeling van het toezicht bij het oprichten van inrichtingen, welke gevaar, schade of hinder kunnen veroorzaken.

Art. 1. De vergunning, bedoeld in art. 1 der wet van 2 Juni 1875 miStaatshlad no. 95), wordt, overeenkomstig art. 2, no. I, sub h, dier wet niet vereischt voor het oprichten van de hierna genoemde inrichtingen, als:

die, gedreven door stoomwerktuigen, bij welke het product van den inhoud van den stoomketel en de spanning tegen zijne wanden het getal twee honderd (200) niet overschrijdt, of van een vermogen van niet meer dan een (1) paardenkracht;

die, gedreven door gaskrachtwerktuigen, van een vermogen van niet meer dan een vierde gedeelte (VJ van een (1) paardenkracht;

die, tot voortbrenging van ijs of koude door ammoniak, aether of samengeperste lucht; en

die, tot vervaardiging van koolzuurhoudende wateren, bij welke het product van den inhoud van den daartoe gebezigden toestel en de spanning tegen zijne wanden het getal zes honderd (600) niet overschrijdt.

Voor de toepassing van bovenstaande bepaling wordt de spanning uitgedrukt in atmospheren en de inhoud in kubieke decimeters.

Onder paardenkracht wordt verstaan de arbeid, vereischt om een last van vijf en zeventig (75j kilogram, in eene (1) seconde, een (1) meter hoog op te heffen.

Art. 2. Dit besluit treedt in werking op den vijfden dag na zijne afkondiging. (Uitgegeven den 6den Aug. 1875.)

iquot;

iff

Ji m \\

STW. II.

•b

Wfi t

-ocr page 112-

DE STOOMWET.

WET,

HOUDENDE REGELING VAN HET TOEZICHT OP HET GEBRUIK VAN STOOMTOESTELLEN.

(Vastgesteld den 15den April 1896, Stsbl. no. G9, uitgegeven den 24sten April d.a.v.)

§ 1. Algemeene bepalingen.

Art. 1. Onder stoomtoestel wordt in deze wet verstaan een stoomketel en elk ander, bij algemeenen maatregel van bestuur aan te wijzen toestel, verbonden met een stoomketel en bestemd om onder eene grootere drukking dan die van den dampkring te werken. (K.B.Sw. ; Hw. 2 sub I.)

Een stoomketel is een toestel, ingericht om uit eenige vloeistof stoom voort te brengen.

2. Onder toebehooren van een stoomtoestel worden in deze wet verstaan alle toestellen strekkende om het veilig gebruik van het stoomtoestel te verzekeren.

3. Onder gebruiker van een stoomtoestel wordt in deze wet verstaan :

o. bij uitsluitend huishoudelijk gebruik het hoofd van het gezin of het hoofd of de bestuurder van de inrichting, waarin het toestel wordt gebruikt;

h. in alle andere gevallen het hoofd of de bestuurder van het bedrijf, de onderneming of de inrichting, waarin het toestel wordt gebruikt. (Sw. 28.)

§ 2. Van vergunning tol het in werking brengen van stoom-toestellen.

Art. 4. Het is verboden een stoomtoestel in werking te brengen zonder daartoe eene door of namens den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid uitgereikte akte van vergunning te hebben. (K.B.Sw. 1, 9, 62, 03, 73; Hw. 1.)

5. De akte van vergunning wordt verleend, wanneer het van Re-geeringswege te houden onderzoek en de beproeving van het stoomtoestel, alsmede het onderzoek van zijn toebehooren, uitkomsten hebben opgeleverd die voldoen aan de eischen door en krachtens den in

-ocr page 113-

-

STOOMWET.

artikel 6 bedoelden algemeenen maatregel van bestuur te stellen.

(K.B.Sw. 3 v.)

6. Bij algemeenen maatregel van bestuur wordt bepaald:

o. welke opgaven de aanvrage tot het verkrijgen eener akte van vergunning moet bevatten, en wat daarbij moet worden overgelegd, alsmede de opgaven en voorwaarden, welke de akte moet vermelden; (K.B.Sw. 1, 11.)

b. aan welke eischen het stoomtoestel en zijn toebehooren moet voldoen, de wijze van het onderzoek en van de beproeving en de regelen daarbij in acht te nemen. (K.B.Sw. 5, 6.)

De algeraeene maatregel van bestuur wijst de gevallen aan, waarin de Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid geheel, gedeeltelijk of voorwaardelijk vrijstelling van de daarin vervatte voorschriften kan geven. (K.B.Sw. 71, 72.)

7. Door Ons worden benoemd de ambtenaren belast met het toezicht op en het onderzoek en de beproeving van stoomtoestellen, alsmede de leden der commissie, aan welke, in de gevallen bij deze wet aangewezen, handelingen en uitspraken van gemelde ambtenaren ter beoordeeling worden onderworpen. (Sw. 8 v.; K.B.Sw. 48; Instr.S.I. 1 v.; Aw. 12; Vw. 9; Hw. ibis.)

8. Deze commissie bestaat uit vijf leden, van welke één, door Ons aan te wijzen, het voorzitterschap bekleedt.

De leden treden, volgens een door Ons vast te stellen rooster, om de vijf jaren af, maar zijn opnieuw benoembaar.

9. De leden der commissie, alsmede de ambtenaren in artikel 7 bedoeld, leggen bij de aanvaarding hunner bediening, eerstgenoem-den in handen van den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid, laatstgenoemden in handen van Onzen Commissaris in de provincie, waar zij krachtens hunne aanstelling verblijf houden, den eed of de belofte af, dat zij de plichten hunner bediening getrouw zullen vervullen. (Instr.S.I. 5.)

10. Hij die de aanvraag om vergunning tot gebruik van het stoomtoestel heeft gedaan stelt ter beschikking van den ambtenaar met het onderzoek en de beproeving belast, zoowel de werklieden als de werktuigen, die voor het onderzoek en de beproeving noodig zijn.

Hij zelf alsmede een of twee door hem aan te wijzen personen, zijn bevoegd bij het onderzoek en de beproeving tegenwoordig te zijn. (Sw. 11, 19.)

11. De nadeelige gevolgen eener beproeving zijn voor rekening van hem die deze heeft verzocht, ten ware zij niet met het noodige beleid is bestuurd. In het laatste geval wordt de schade uit \'s Rijks schatkist vergoed. (Sw. 18 al. 2, 23 al. 8.)

12. Is de ambtenaar, tengevolge van het onderzoek of van de beproeving van oordeel, dat de vergunning geweigerd moet worden, dan deelt hij zijn aan den Minister in te zenden verslag te gelijk in afschrift aan hem die de vergunning heeft verzocht, mede. Deze

83

6*

-ocr page 114-

84 STOOMWET.

kan daartegen binnen veertien dagen zijne bezwaren bij den Minister indienen. Geschiedt dit, dan stelt de Minister de zaak in handen van de in artikel 7 bedoelde commissie, die een of meer leden tot het doen van een nieuw onderzoek of beproeving aanwijst.

Hij die de vergunning heeft verzocht draagt de kosten van dit onderzoek of deze beproeving, zoo de commissie in haar verslag aan den Minister, hetwelk den verzoeker in afschrift medegedeeld wordt, de ingediende bezwaren ongegrond verklaart.

Deze kosten worden berekend naar een door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid vast te stellen tarief.

Op het onderzoek en de beproeving door de commissie zijn de artikelen 10 en 11 dezer wet van toepassing.

13. Elke beschikking op aanvragen om vergunning of herhaling van onderzoek, wordt den belanghebbende binnen den kortsten tijd schriftelijk en kosteloos medegedeeld.

14. Wanneer door den gebruiker van een stoomtoestel aan den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid schriftelijk hei verlangen wordt te kennen gegeven, dat een met den stoomketel verbonden toestel, dat bestemd is om onder eene grootere drukking dan die van den dampkring te werken en niet valt onder den algemeenen maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 1, door een der in artikel 7 vermelde ambtenaren onderzocht of beproefd worde, geeft de Minister daartoe last. (Zegelwet 1, 8.)

De kosten van dit onderzoek of van deze beproeving, te berekenen naar een door gemelden Minister vast te stellen tarief, worden door den verzoeker gedragen.

§ 3. Van het toezicht op de stoom toestellen.

Art. 15. Alle in gebruik zijnde stoomtoestellen met toebehooren blijven aan een voortdurend toezicht van Regeeringswege onderworpen.

Het wordt uitgeoefend door de ambtenaren bedoeld in artikel 7, naar regelen vast te stellen bij algemeenen maatregel van bestuur. (K.B.Sw. 48; Instr.S.I.)

16. De in artikel 7 bedoelde ambtenaren hebben te allen tijde vrijen toegang tot de plaatsen waar de stoomtoestellen en toebehooren zich bevinden.

Wordt hun de toegang geweigerd, dan verschaften zij zich dien, desnoods met inroeping van den sterken arm.

Zijn de stoomtoestellen of hun toebehooren enkel door eene woning toegankelijk, dan treden die ambtenaren tegen den wil van den bewoner niet binnen, dan op vertoon van eenen schriftelijken bijzonderen last van den burgemeester of van den kantonrechter. Van dit binnentreden wordt door hen proces-verbaal opgemaakt en binnen tweemaal vier en twintig uren aan dengenen, in wiens woning is bin-

-ocr page 115-

STOOMWET. 85

nengetreden, in afschrift medegedeeld. (Instr.S.I. 19; Aw. 19; Vw.

22; Hw. 19.)

17. De gebruiker van het stoomtoestel en zij, die het bedienen,

zijn verplicht aan de in art. 7 bedoelde ambtenaren de verlangde inlichtingen te geven omtrent zaken en feiten, de naleving van deze wet betreffende. (Aw. 13; Vw. 4, 11; Hw. 6(c)\'.)

18. De in artikel 7 bedoelde ambtenaren zijn op de wijze, in de gevallen en onder de waarborgen bij den algemeenen maatregel van bestuur, in artikel 15 bedoeld, te omschrijven, bevoegd de stoomtoe-stellen opnieuw te onderzoeken en te beproeven.

De nadeelige gevolgen eener beproeving zijn voor rekening van den gebruiker van het stoomtoestel, ten ware zij niet met het noo- , \' ■ j,

dige beleid is bestuurd. In het laatste geval wordt de schade uit \'s Rijks schatkist vergoed. (Sw. 11, 23; K.B.Sw. 53 v.)

19. De gebruiker van het stoomtoestel stelt ter beschikking van den ambtenaar met het onderzoek en de beproeving belast, zoowel de werklieden als de werktuigen, die voor het onderzoek en de beproeving noodig zijn. Hij zelf alsmede een of twee door hem aan te wijzen personen, zijn bevoegd bij het onderzoek en dc beproeving tegenwoordig te zijn. (Sw. 10.)

20. Indien de gebruiker van een stoomtoestel in strijd met de \' meening hem door den dienstdoenden ambtenaar te kennen gegeven,

j vermeent, dat er geen voldoende reden bestaat, hetzij voor eene bui-^ tentijds in te stellen beproeving of onderzoek, bij welke het stoom-; toestel buiten werking moet worden gesteld, hetzij voor een door i dezen gelasten maatregel om het in een voor onderzoek of beproe-\' ving geschikten toestand te brengen, geeft hij van zijne bezwaren \' schriftelijk kennis aan dien ambtenaar.

I Deze zendt het bezwaarschrift onmiddellijk aan den Minister van 1 Waterstaat, Handel en Nijverheid, die de zaak stelt in handen van • de in artikel 7 vermelde commissie.

j De commissie wijst daarop drie harer leden aan ten einde de

|zaak plaatselijk te onderzoeken. ■ ;-ii ML

\' Verklaart de commissie in haar aan den Minister in te dienen

Iverslag, hetwelk den belanghebbende in afschrift wordt medegedeeld,

Me bezwaren ongegrond, dan gelast de Minister, dat tot de hande-

fling, waartegen bezwaar was gemaakt, zal worden overgegaan.

1 In dit geval draagt de gebruiker van het stoomtoestel de kosten

Ivan het door de commissie ingestelde plaatselijk onderzoek, berekend

■naar het in artikel 12 bedoelde tarief. (Sw. 18; K.B.Sw. 53 v., 66.)

\' 21. Bij algemeenen maatregel van bestuur wordt bepaald:

^ quot;■ aan welke verplichtingen moet worden voldaan:

1°. door den gebruiker, in geval van herstelling en ten aanzien \'Van het onderhoud van een stoomtoestel en zijn toebehoorcn, alsmede \'ten aanzien van de inrichting van het ruim in hetwelk de ketels van stoomvaartuigen geplaatst zijn; (K.B.Sw. 45, 47.)

:!«

li

-ocr page 116-

86 STOOMWET.

2°. door den gebruiker en door hem, die tijdens de werking van het toestel, dit bedient, zoowel wanneer het stoomtoestel en zijn toe-behooren in werking, als wanneer zij buiten werking zijn; (K.B.Sw.

46, 47.)

b. wat door den gebruiker van een stoomtoestel moet worden gedaan, om het toezicht mogelijk of gemakkelijk te maken, of te dien einde door de in artikel 7 bedoelde ambtenaren kan worden gelast; (K.B.Sw. 56, 58.)

c. in welke gevallen de akte van vergunning kan ingetrokken worden. (K.B.Sw. 10 al. 2, 59, 70.)

Tevens worden daarbij de gevallen aangegeven, waarin de Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid van het bij den algemee-nen maatregel van bestuur, in dit artikel bedoeld, voorgeschrevene geheel, gedeeltelijk of voorwaardelijk vrijstelling kan verleenen.

22. Indien de ambtenaar bij het onderzoek van een stoomtoestel met toebehooren bevindt:

1°. dat deze niet beantwoorden aan de eischen, bedoeld in artikel 6, sub 6;

2quot;. dat de verplichtingen, bedoeld in artikel 21, sub a of b, niet zijn in acht genomen — in beide gevallen voor zooveel niet van een of ander dezer eischen of verplichtingen vrijstelling is verleend;

3°. dat niet is voldaan aan de voorwaarden waaronder de vergunning is verkregen;

zoo maakt hij daarvan proces-verbaal op, hetwelk hij onverwijld aan den bevoegden ambtenaar van het openbaar ministerie zendt. (Instr.S.I. 20.)

Kan het verdere gebruik van het stoomtoestel dadelijk gevaar opleveren, zoo brengt hij zulks ter kennis van den burgemeester, die door verzegeling op de door den ambtenaar aan te geven wijze zorgt, dat het stoomtoestel onmiddellijk buiten dienst gesteld worde. (K.B.Sw. 60.)

Na de verzegeling wordt door den ambtenaar een nader onderzoek of nadere beproeving ingesteld, tenzij de gebruiker bij den Minister tegen de gedane verzegeling opkomt. In dat geval draagt de Minister een nieuw onderzoek of beproeving op aan de in artikel 7 vermelde commissie, die daartoe drie harer leden aanwijst. De kosten van dit onderzoek of deze beproeving, berekend naar het in artikel 12 bedoelde tarief, zijn ten laste van den gebruiker van het l toestel, indien de commissie het oordeel van den ambtenaar bevestigt.

Blijkt uil het nader onderzoek of de beproeving, dat het stoomtoestel met toebehooren geen gevaar heeft opgeleverd, of in geval van herstelling uit een daarna ingesteld onderzoek of eene beproeving, dat het gevaar is geweken, of wordt bij niet-herstelling de akte ingetrokken, zoo geeft de dienstdoende ambtenaar hiervan kennis aan den burgemeester, die alsdan voor zooveel noodig voor de ontzegeling zorg draagt.

-ocr page 117-

STOOMWET.

van De artikelen 18, 2de lid en 19 zijn van toepassing op het onder-[ toe- zoe\'£ quot;f de beproeving door de commissie ingesteld.

?.Sw. 23. Indien de ambtenaar bevindt dat een stoomtoestel met toe-behooren in werking is, zonder dat hem op zijne vordering de in □ ge. artikel 4 bedoelde akte van vergunning wordt getoond, zoo geeft hij dign daarvan kennis aan den burgemeester, die door verzegeling op de ilast\' door den ambtenaar aan te geven wijze zorgt, dat het stoomtoestel

onmiddellijk buiten dienst gesteld worde.

kken X;i de verzegeling wordt door den ambtenaar een onderzoek en

beproeving ingesteld, tenzij de gebruiker schriftelijk aan dien amb-[inis- tenaar kennis geeft, dat daartegen bij hem bezwaar bestaat op grond, mee- I (\'at voor het in werking brengen van zijn toestel geene akte van ■vene I vergunning wordt vereischt.

De ambtenaar zendt het bezwaarschrift onmiddellijk aan den Mi-)estel nister, die de zaak stelt in handen van de in artikel 7 vermelde commissie.

tikel De commissie wijst daarop drie harer leden aan tot het doen van

een plaatselijk onderzoek.

niet Verklaart de commissie in haar aan den Minister in te dienen een verslag, hetwelk den belanghebbende in afschrift wordt medegedeeld, de bezwaren ongegrond, dan gelast de Minister, dat tot de handeling, gun- waartegen bezwaar was gemaakt, zal worden overgegaan, tenzij de gebruiker schriftelijk verklaart geen onderzoek en beproeving te wijld ■ wenschen.

3ndt. Wanneer de bezwaren ongegrond zijn verklaard, draagt de gebrui

ker de kosteu van het onderzoek door de commissie, berekend naar

■ op- bet in artikel 12 bedoelde tarief en heeft geene ontzegeling plaats, die Verklaart de commissie in haar verslag de bezwaren gegrond, dan

ivijze gelast de Minister, dat tot ontzegeling zal worden overgegaan. )rde 1 *e door eene beproeving toegebrachte schade wordt uit \'s Rijks

schatkist vergoed, wanneer die beproeving niet met het noodige beider- is bestuurd. (Sw. 11, 18.)

([en 24. Van elk ongeval bij het gebruik van een stoomtoestel geeft

aagt de gebruiker binnen vier en twintig uren kennis aan den burgemees-tikel ter der gemeente, waarin zich het stoomtoestel bevindt. In geval ])e van ontploffing zorgt hij, dat tot de komst van den burgemeester it in 0\' van den door dezen aangewezen persoon, ter plaatse waar het i het l ongeval is voorgevallen alles in onveranderden toestand blijve, tenzij ltigt daaruit gevaar zou kunnen ontstaan.

lom- Heeft een ongeval plaats gehad aan boord van een stoomvaartuig,

eva] in zee of in een binnenwater, zoo geschiedt de kennisgeving in het iroe- eerste geval aan den burgemeester van de eerste Nederlandsche haakte venplaats waar het vaartuig binnenloopt, en in het tweede geval aan aan den burgemeester der gemeente waarin het vaartuig het eerst stil-,|;no. houdt. (Vw. 12; Hw. 14 sub 3°.)

25. Na een ongeval brengt de burgemeester, onverschillig of hij

87

-ocr page 118-

STOOMWET.

de mededeeling ontvangen hebbe dan niet, het gebeurde zoo spoedig mogelijk ter kennis van den ambtenaar belast met het toezicht in de gemeente.

Door dezen wordt ten spoedigste een onderzoek ter plaatse ingesteld. (Vw. 12 al. 5.)

Het onderzoek heeft voornamelijk ten doel te bepalen, of de gebruiker van het stoomtoestel of zij die het toestel bedienen, zich aan verzuim, nalatigheid of niet inachtneming der verordeningen omtrent het gebruik van stoomtoestellen hebben schuldig gemaakt. (Sw. 28; K.B.Sw. 46 v.)

26. Van dit onderzoek wordt door den ambtenaar op zijn ambtseed proces-verbaal in tweevoud opgemaakt, bevattende zoo mogelijk eene duidelijke en bepaalde verklaring omtrent de oorzaak van het ongeval.

Een exemplaar van het proces-verbaal wordt onmiddellijk aan den bevoegden ambtenaar van het openbaar ministerie gezonden. Afschrift van het proces-verbaal is voor iederen belanghebbende bij deu ambtenaar van hot stoomwezen tegen betaling der kosten verkrijgbaar. (Instr.S.I. 20.)

27. De burgemeester zorgt, dat zoolang het onderzoek van den ambtenaar niet is afgeloopen, ter plaatse waar de ontploffing is voorgevallen, alles, tenzij hij oordeele dat daaruit gevaar kunne rijzen, in onveranderden toestand blijve. (Sw. 24 al. 1.)

28. De burgerrechtelijke verantwoordelijkheid voor een ongeval, veroorzaakt door een stoomtoestel en waardoor schade is toegebracht aan personen of goederen, rust:

a. zoo het stoomtoestel dient voor een bedrijf of eene onderneming, op hem voor wiens rekening het bedrijf of de onderneming uitgeoefend wordt; (Sw. 36.)

b. zoo het stoomtoestel dient uitsluitend tot huishoudelijk gebruik, op het hoofd van het gezin of op het hoofd van het bestuur der inrichting, waarin het toestel werd gebruikt; (Sw. 3a.)

c. zoo het stoomtoestel tot wetenschappelijke onderzoekingen dient, op hem door wien de onderzoekingen verricht worden;

d. zoo het stoomtoestel onder het beheer staat van een Departement van algemeen bestuur, op den Staat; van een provinciaal bestuur, op de provincie; van een gemeentebestuur, op de gemeente; van een waterschapsbestuur, op het waterschap.

§ 4. Strafbepalingen.

Art. 29. De gebruiker van een stoomtoestel wordt gestraft:

a. met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden, zoo hij dat stoomtoestel in werking heeft, zonder aan den bevoegden ambtenaar op diens vordering het schriftelijk bewijs der in artikel 4 bedoelde vergunning te toonen;

88

-ocr page 119-

STOOMWET.

indien de overtreding enkel bestaat in het niet op de eerste vordering vertoonen van de reeds verkregen akte, wordt eene geldboete opgelegd van ten hoogste drie gulden;

6. met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden, zoo hij in strijd handelt met de in de akte vermelde voorwaarden;

c. met hechtenis van ten hoogste eene maand of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden, zoo hij niet nakomt eene der verplichtingen hem bij artikel 24 opgelegd.

30. Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden wordt gestraft;

a. de gebruiker van een stoomtoestel waarvoor eene akte van vergunning uitgereikt is en hetwelk of welks toebehooren niet beantwoordt aan een der eischen bedoeld in artikel 6, sub b, en bepaald bij een ingevolge den aanhef van dat artikel uitgevaardigden alge-meenen maatregel van bestuur;

b. hij die niet in acht neemt eene der verplichtingen bedoeld in artikel 21, sub a, en hem opgelegd bij een ingevolge den aanhef van dat artikel uitgevaardigden algemeenen maatregel van bestuur.

Met hechtenis van ten hoogste veertien dagen of geldboete van ten hoogste honderd gulden, wordt gestraft de gebruiker van een stoomtoestel, die niet in acht neemt eene der verplichtingen, bedoeld in artikel 21, sub 6, en hem opgelegd bij een ingevolge den aanhef van dat artikel uitgevaardigden algemeenen maatregel van bestuur.

Met hechtenis van ten hoogste eene maand of geldboete van ten hoogste honderd gulden wordt gestraft overtreding van artikel 17.

31. Indien tijdens het plegen van eene overtreding van deze wet of van een ingevolge deze wet uitgevaardigden algemeenen maatregel van bestuur nog geen twee jaren zijn verloopen sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige, wegens eene dezer overtredingen, onherroepelijk is geworden, kunnen de straffen worden verdubbeld. (Aw. 17 al. 2; Vw. 19 al. 2.)

32. De in artikel 7 bedoelde ambtenaren en leden der commissie zijn verplicht tot geheimhouding van hetgeen hun in plaatsen, waar zij krachtens deze wet binnentreden, omtrent het daar uitgeoefend wordend bedrijf is bekend geworden, voor zoover het niet in strijd is met de bepalingen van deze of van eene andere wet.

Hij, die opzettelijk de bij het vorige lid opgelegde geheimhouding schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden met of zonder ontzetting van het recht om ambten of bepaalde ambten te be-kleeden.

Hij, aan wiens schuld schending van die geheimhouding te wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Geen vervolging heeft plaats dan op klachte van hem, die het be-

89

-ocr page 120-

STOOMWET.

stuur uitoefent of het hoofd is van het bedrijf of de onderneming. (Aw. 20; Vw. 23; Hw. 19, 23; S.E. 272.)

33. De bij deze wet strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als overtredingen, behalve de feiten, strafbaar gesteld bij het tweede en derde lid van artikel 32, die als misdrijven worden beschouwd. (R.O. 44, 56.)

§ 5. Uitzonderingen en overgangsbepalingen.

Art. 34. Deze wet is niet van toepassing op de locomotieven van spoorwegen, waarvan het gebruik geregeld blijft door de wet van 9 April 1875 (Staatsblad no. 67| en artikel 1 der wet van 28 October 1889 (Staatsblad no. 146) en de krachtens die wetten uitgevaardigde verordeningen.

Deze wet is mede niet van toepassing op oorlogsschepen.

35. Met uitzondering van de artikelen 24, 25, 26, 27, 28 en 29 c is deze wet niet van toepassing op;

a. uitsluitend tot huishoudelijk gebruik dienende stoomtoestellen, waarvan de inhoud, vermenigvuldigd met de drukking die de stoom tegen de wanden uitoefent, niet overschrijdt eene grens, door Ons bij algemeenen maatregel van bestuur aan te geven; (Sw. 3«, 286; K.B.Sw. 73.)

b. stoomtoestellen uitsluitend dienende tot wetenschappelijke onderzoekingen; {Sw. 28e.)

c. stoomtoestellen onder het beheer van een der Departementen van algemeen bestuur gesteld; (Sw. 28d.)

d. stoomtoestellen van vreemde stoomvaartuigen, indien de gebruikers bewijzen, dat voldaan is aan de bepalingen omtrent het stoomwezen, van kracht in het land waar de stoomvaartuigen te huis be-hooren en dat zij minder dan zes achtereenvolgende maanden uitsluitend in Nederland zijn gebruikt;

e. vervoerbare stoomtoestellen, welke aan in het buitenland gevestigde eigenaren behooren en minder dan drie achtereenvolgende maanden uitsluitend in Nederland in gebruik zijn, indien de gebruikers binnen tweemaal vier en twintig uren na aankomst van het stoomtoestel hier te lande bewijzen dat voldaan is aan de bepalingen omtrent het stoomwezen, van kracht in het land waarin de eigenaren gevestigd zijn. (Sw. 14.)

36. Gebruikers van stoomketels, die op het tijdstip van het in werking treden dezer wet in het bezit zijn van akten van vergunning, blijven de bevoegdheid behouden om hunne ketels, krachtens de hun verleende akten en onder de daarin vermelde voorwaarden te gebruiken. Deze bevoegdheid houdt op, zoodra bij vernieuwing van eenig deel van den ketel of zijn toebehooren dit niet in overeenstemming wordt gebracht met de krachtens deze wet uitgevaardigde voorschriften.

90

-ocr page 121-

STOOMWET.

Aan gebruikers van stoom toestellen, andere dan stoomketels, die op het bovenvermelde tijdstip reeds in gebruik genomen zijn, wordt eene akte van vergunning verleend voor het onveranderd gebruik hunner toestellen, tenzij bij onderzoek blijkt dat het verder gebruik direct gevaar oplevert. (K.B.Sw. 61.)

De bevoegdheid om deze akte te gebruiken houdt op, zoodra bij vernieuwing van eenig deel van het toestel of van zijn toebehoo-ren, dit niet in overeenstemming wordt gebracht met de krachtens deze wet uitgevaardigde voorschriften.

37. De wet van 28 Mei 1869 {Staatsblad no. 97) wordt ingetrokken.

38. Deze wet kan worden aangehaald onder den titel van „Stoom-wet.quot;

39. Deze wet treedt in werking op een nader door Ons te bepalen dag. 1)

91

Nr

1

Bij K.B. van 19 Oct. 1896, S. 162, is bepaald, dat de Stoomwet zal in werking treden op 1 December 1896.

-ocr page 122-

BESLUIT,

TOT UITVOERING DER STOOMWET (WET VAN 15 APRIL 1890, STAATSBLAD No. 69).

(Vastgesteld den Wden October 1896, Stsbl. no. 163, uitgegeven den llden November d.a.v.)

HOOFDSTUK I.

Van dc vergunning tot het in werking brengen van stoomketeh.

Art. 1. Hij, die eene vergunning tot het in werking brengen van een stoomketel verlangt, wendt zich schriftelijk tot den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid. (Zegelwet 1, 8.)

De aanvraag behelst eene opgaaf van: (K.B.Sw. 11.)

a. den naam en de woonplaats van den vervaardiger;

b. het doel, waartoe de ketel zal gebruikt worden;

c. het materiaal, waaruit de ketel vervaardigd is;

d. de uitgestrektheid van het verwarmingsoppervlak van den ketel, waaronder gerekend wordt te behooren het oppervlak boven de roosters gelegen en dat waarlangs de verbrandingsproducten naaiden schoorsteen gaan;

e. de afmetingen der veiligheidskleppen of veiligheidsbuizen en de wijze van belasting der kleppen;

ƒ. de toestellen, dienende om het waterpeil waar te nemen en op behoorlijke hoogte te houden;

g. de toestellen, dienende om watergebrek aan te kondigen;

h. de grootste werkelijke stoomdrukking, dat is het verschil tus-schen de drukking, welke de stoom en die, welke de dampkring tegen de wanden van den ketel uitoefenen, uitgedrukt in kilogrammen op den vierkanten centimeter, waaronder de aanvrager den ketel wenscht te doen werken; (K.B.Sw. 6.)

i. de plaats, waar de ketel voor het onderzoek en de beproeving gereed staat.

Bij de aanvraag moet eene duidelijke teekening zijn gevoegd, tevens vermeldende de afmetingen en de wanddikte van den ketel. (K.B.Sw. 62.)

2. Voor het gebruik van ketels, die geheel of ten deele van gegoten ijzer zijn vervaardigd, wordt geene vergunning verleend. (K.B.Sw. 43, 61 al. 2.)

3. Wanneer de aanvrager het onderzoek en de beproeving in het buitenland wenscht te doen geschieden, dan kan de Minister tot dat onderzoek en die beproeving een ambtenaar aanwijzen.

-ocr page 123-

K.B. STOOMWKT.

De kosten van het onderzoek en de beproeving, te berekenen naar een door den Minister vast te stellen tarief, worden door den aanvrager gedragen.

4. Het onderzoek en de beproeving geschieden voor dat de ketels ingemetseld of bekleed zijn. Zij moeten in een voor onderzoek en beproeving geschikten toestand geplaatst zijn.

De ambtenaar is bevoegd om, ingeval van twijfel omtrent den aard van het materiaal eene proefneming voor te schrijven, tenzij de aard van het materiaal blijkt uit eene verklaring, waarmede de ambtenaar genoegen neemt.

5. De beproeving geschiedt door waterpersing en duurt zoolang als noodig is om de verschillende deelen van den ketel behoorlijk te kunnen onderzoeken.

6. De beproevingsdruk bedraagt bij de eerste beproeving:

a. voor eene gewenschte werkelijke stoomdrukking van niet hooger dan vijf kilogram op den vierkanten centimeter het tweevoud van die drukking, met dien verstande dat het verschil tusschen den beproevingsdruk en de gewenschte werkelijke stoomdrukking niet kleiner zij dan een half kilogram op den vierkanten centimeter;

b. voor eene gewenschte werkelijke stoomdrukking van vijf tot tien kilogram op den vierkanten centimeter vijf kilogram daarboven;

c. voor eene gewenschte werkelijke stoomdrukking van tien kilogram of hooger op den vierkanten centimeter anderhalf maal die drukking. (K.B.Sw. 57.)

7. Tot de redenen, waarom de uitkomsten van het onderzoek en de beproeving onvoldoende kunnen worden verklaard, behooren de gevallen, dat de ketel gedurende de beproeving eene zichtbare vervorming heeft ondergaan of dat er andere belangrijke gebreken aan den \'dag zijn gekomen. (K.B.Sw. 60.)

8. De ketel moet voorzien zijn van een merk, bestaande uit eene met vier koperen boutjes met verzonken kopjes vastgehechte koperen plaat — van acht bij veertien centimeter — waarop duidelijk en duurzaam zijn uitgedrukt;

а. de cijfers, die aanwijzen de grootste werkelijke drukking in kilogrammen op den vierkanten centimeter, waaronder de ketel mag werken;

б. zoo mogelijk het jaar, waarin de ketel vervaardigd is, de naam en de woonplaats van den vervaardiger.

Zijn de uitkomsten der beproeving gunstig, zoo stempelt de ambtenaar de bevestigingsboutjes met het Bijkswapen. (K.B.Sw. 74.)

9. Hebben het onderzoek en de beproeving eene voldoende uitkomst opgeleverd en is ook het toebehooren van den ketel in orde bevonden, zoo wordt door den ambtenaar aan den gebruiker namens den Minister eene voorloopige akte van vergunning uitgereikt. (Sw. 4.)

10. Levert, hetgeen ontbreekt aan den ketel of zijn toebehooren, geen dadelijk gevaar op, zoo kan de ambtenaar in de voorloopige

93

-ocr page 124-

94 K.B. STOOMWET.

akte van vergunning den termijn bepalen, binnen welken aan door hem te stellen voorwaarden moet zijn voldaan.

Wordt door den gebruiker binnen den bepaalden termijn niet voldaan aan de voorwaarden, dan is de ambtenaar bevoegd, de akte in te trekken of in bijzondere gevallen den termijn te verlengen. (K.B.Sw. 59, 70.)

11. De akte van vergunning vermeldt: (K.B.Sw. 1.)

a. den naam en de woonplaats van den gebruiker; (Hw. 9 al. 1.)

b. het doel, waartoe de ketel zal gebruikt worden;

c. zoo mogelijk het jaar, waarin de ketel vervaardigd is, den naam en de woonplaats van den vervaardiger;

d. de werkelijke drukking in kilogrammen, die de stoom in den ketel op den vierkanten centimeter niet mag te boven gaan; (K.B.Sw. (3.)

e. den vorm, de afmetingen en de wanddikte van den ketel;

ƒ. de uitgestrektheid van het verwarmingsoppervlak;

g. de middellijn en het aantal der veiligheidskleppen of veiligheidsbuizen, de wijze van belasting der kleppen en de hoogte der buizen; (K.B.Sw. 17 v.)

h. het aantal en den aard der voedingstoestellen; (K.B.Sw. 37 v.)

i. de toestellen, dienende om het waterpeil, een watergebrek en de stoomdrukking aan te geven; (K.B.Sw. 28, 32.)

k. den dag, waarop het onderzoek en de beproeving, krachtens welke de akte wordt uitgereikt, hebben plaats gehad;

l. zoo noodig, de toepassing, die van art. 71 is gemaakt.

Bij de akte wordt eene aanteekeningslijst gevoegd, waarop de ambtenaar bij een later onderzoek den toestand van den ketel en diens toebehooren vermeldt. (K.B.Swt. 46d, 69; Instr.S.I. 15.)

12. Wanneer een stoomketel aan een anderen gebruiker overgaat, dan wordt op aanvraag de akte van vergunning op diens naam overgeschreven.

Deze bepaling is niet van toepassing op vervoerbare stoomketels, die tijdelijk verhuurd zijn. (K.B.Sw. 14, 15.)

Bij beschadiging of verloren gaan eener akte van vergunning wordt op aanvraag eene nieuwe akte uitgereikt.

13. Voor nieuw vervaardigde stoomketels, die buiten het Kijk in Europa zullen gebruikt worden of waarvan de plaats, waarop zij zullen gebruikt worden, nog onbekend is, wordt indien het onderzoek en de beproeving een voldoenden uitslag opgeleverd hebben in plaats van eene akte van vergunning een bewijs uitgereikt van den uitslag van het onderzoek en de beproeving. Dit bewijs geeft geen recht den ketel in werking te brengen. (Sw. 4.)

De in dit artikel bedoelde ketels moeten op de stempelplaat, bedoeld bij art. 8, voorzien zijn van een volgnummer.

14. Onder vervoerbare stoomketels worden in dit besluit verstaan ketels van werk-, tram- en straatlocomotieven, brandspuiten, bagger-vaartuigen, heitoestellen, kranen en die, welke slechts tijdelijk gebruikt en gemakkelijk verplaatst kunnen worden.

-ocr page 125-

K.B. STOOMWET. 95

Op deze ketels moet bevestigd zijn eene koperen plaat, waarop duidelijk en duurzaam is uitgedrukt een volgnummer en de naam van hem, aan wien de akte van vergunning is verleend.

Vervoerbare stoomketels, in eene inrichting als vaste geplaatst, worden niet meer als vervoerbare beschouwd.

15. Hij, die een aan een derde toebehoorenden vervoerbaren stoomketel in werking wcnseht te brengen, vraagt daartoe verlof aan den Burgemeester der gemeente, waarin de ketel zal gebruikt worden.

Deze verleent dat verlof indien:

а. hem is overgelegd de voor den ketel uitgereikte akte van vergunning en aanteekeningslijst;

б. uit de sub a bedoelde lijst blijkt, dat de ketel bij een, binnen de laatste twaalf maanden ingesteld onderzoek in orde is bevonden;

c. de ketel is voorzien van de plaat, bedoeld bij art. 14..

16. Meerdere ketels in ééne inrichting moeten elk van een volgnummer voorzien zijn.

HOOFDSTUK If.

Van het toebehoor01 van stoomketehi.

Art. 17. Elke stoomketel moet voorzien zijn van ten minste twee veiligheidskleppen of veiligheidsbuizen. (K.B.Sw. 24 al. 1.)

Een der kleppen of een der buizen is afgesloten en alleen voor den gebruiker of diens gemachtigde toegankelijk. (Sw. 3.)

De kleinste waarde voor de middellijn van de openingen der kleppen en der buizen mag niet kleiner zijn dan twee centimeter en wordt berekend volgens de formule:

o r. w m = 2,b V --——

d 0,(32.

In deze formule is:

m. de middellijn in centimeters,

w. het verwarmingsoppervlak in vierkante meters,

rf. de werkelijke stoomdrukking in kilogrammen op den vierkanten centimeter, behoudens dat deze stoomdrukking nooit hooger dan 8,3 kilogrammen genomen wordt.

Het gebruik eener klep, waarvan de middellijn der opening kleiner is dan de waarde volgens bovenstaande formule, kan worden toegestaan indien blijkt, dat met volle stoomdrukking, volle vuren, volle luchtaanvoer en met gesloten voeding en stoomafsluiters in twintig minuten de stoomdrukking in den ketel niet hooger oploopt ! ilan tien ten honderd boven de toegestane drukking.

De hoogte der veiligheidsbuizen boven den gemiddelden waterstand wordt geregeld volgens de werkelijke stoomdrukking en bedraagt tien meter voor een kilogram werkelijke stoomdrukking op den vierkanten : centimeter.

18. Is een ketel van meer dan twee veiligheidskleppen voorzien,

-ocr page 126-

96 k.b. stoomwet.

dan moet de som van de gezamenlijke doorsneden der klepopenin-gen ten minste gelijk zijn aan de som van de doorsneden, die de openingen moeten hebben, wanneer een ketel van slechts twee veiligheidskleppen voorzien is.

Het 5de lid van art. 17 blijft in dit geval van toepassing, behoudens dat in plaats van één, twee der kleppen beurtelings te zamen genomen voldoende zijn om den stoom te doen ontsnappen. |V-U|

Ten minste één der kleppen moet afgesloten zijn. Een afgesloten klep of, bijaldien meerdere kleppen zijn afgesloten, deze kleppen te zamen, moeten voldoen aan de bepalingen van art. 17.

19. Voor ketels, die een gemeenschappelijken stoomhouder hebben, niet afzonderlijk kunnen gebruikt worden en toereikende gemeenschap hebben, zijn twee veiligheidskleppen voldoende. Voor de berekening van de middellijn van de openingen der kleppen, wordt dan in de formule van art. 17 voor w genomen de som der ver-warmingsoppervlakken der ketels.

20. De veiligheidskleppen en zittingen moeten uit een doeltreffend metaal of allooi zijn vervaardigd.

De breedte der zittingen moet ten hoogste het twintigste gedeelte van de middellijn der opening bedragen, maar mag niet grooter zijn dan vier millimeter.

Bij schuine zittingen mag de helling geene klemming kunnen veroorzaken.

21. De veiligheidskleppen moeten door gewichten worden gedrukt,

hetzij rechtstreeks, hetzij door middel van een hefboom.

Wordt een klep door twee of meer gewichten gedrukt, dan moeten deze uit gelijkvormige schijven bestaan.

Wanneer naar het oordeel van den ambtenaar het gebruiken van één gewicht niet wenschelijk is, dan moeten twee of meer schijven worden gebezigd.

De afgesloten kleppen moeten door den machinist of stoker gemakkelijk kunnen worden gelicht. Voor ketels van vaartuigen moet dit in de machinekamer of in de stookplaats kunnen geschieden. (K.B.Sw. 17 al. 2.)

Bij het berekenen van de op de kleppen aan te brengen drukking wordt de middellijn der opening twee millimeter grooter aangenomen dan zij werkelijk is.

22. Uitzonderingen ten opzichte van het belasten met gewichten zijn toegelaten:

a. voor ketels van zeevaartuigen of van vaartuigen hoofdzakelijk bestemd om in de zeegaten dienst te doen, van werk-, tram- en straatlocomotieven, van brandspuiten of voor dergelijke vervoerbare ketels, die hoofdzakelijk onder stoom moeten vervoerd worden; bij deze ketels is het geoorloofd de veiligheidskleppen door middel van veeren te drukken, hetzij rechtstreeks, hetzij door middel van een hefboom;

b. voor niet in alinea a genoemde vervoerbare ketels, bij welke

-ocr page 127-

K.B. STOOMWET.

liet geoorloofd is een der veiligheidskleppen door middel van een veer, doch niet rechtstreeks te belasten. (K.B.Sw. 14.)

Kleppen, rechtstreeks met veeren gedrukt, moeten voldoen aan de in art. 17 bepaalde stoomproef; zij moeten voorzien zijn van een lossen hefboom mot gewicht om de belasting of het spanningsvermogen der veer op de klep te kunnen onderzoeken en regelen, tenzij bij kleppen van kleine middellijn of waarvan de veeren eene geringe spanning hebben, zulks rechtstreeks met gewicht kan geschieden.

De kleppen moeten zoodanig ingericht zijn, dat zij bij het breken iler veer niet weggeslingerd kunnen worden.

23. Al de veiligheidskleppen en veiligheidsbuizen moeten zoodanig geplaatst zijn, dat zij, wanneer de ketel in werking is, gemakkelijk kunnen onderzocht worden.

1 Indien de middellijn der kleppen kleiner is dan vier centimeter, Imoet de geleiding boven de zitting zijn aangebracht.

24. Voor ketels, waarvan de inhoud kleiner is dan zeshonderd kubieke decimeter en waarvan de werkelijke drukking niet meer bedraagt dan een half kilogram op den vierkanten centimeter, is één veiligheidsklep of één veiligheidsbuis voldoende.

Het tweede lid van art. 17 is alsdan niet van toepassing.

25. De kleppen, hefboomen en lichttoestellen moeten zoodanig ingericht zijn, dat zij gemakkelijk beweegbaar zijn en dat de kloppen, wanneer zij voldoen aan het bepaalde in het 3de lid van art. 17, ten minste vier millimeter kunnen lichten.

Voor kleppen, waarvoor pene kleinere middellijn wordt toegestaan, wordt de lichthoogte geregeld bij de stoomproef.

Worden de kleppen door veeren gedrukt, dan moet de veerkracht dezer zoodanig zijn, dat de kleppen twee millimeter kunnen lichten voor dat de drukking op de klep met een kilogram op den vierkanten centimeter toeneemt.

De voeren moeten zoodanig ingericht zijn, dat zij niet hooger dan jtot de in de akte van vergunning toegestane spanning kunnen aan-; geschroefd worden.

26. Het is verboden bij veiligheidskleppen gebruik te maken van j gewichten, veeren of hefboomen, die niet onderzocht en goedgekeurd

zijn. (K.B.Sw. 21, 22.)

27. Is aan een stoomketel geen veiligheidsbuis aanwezig en be-\\ draagt de grootste werkelijke geoorloofde stoomdrukking minder dan

een half kilogram op den vierkanten centimeter, dan moet de ketel \' voorzien zijn van eene luchtklep of van een ander toestel, waardoor Ide buitenlucht toegang tot den ketel verkrijgt zoodra de drukking van den stoom minder dan die van den dampkring bedraagt.

28. Elke ketel moet voorzien zijn van een manometer, die de drukking van den stoom duidelijk en juist aanwijst.

Dit toestel moet, indien het een kwikmanometer is, ten minste ééne halve dampkringsdrukking en, indien het een metallieke manometer

STW. II. 7

97

-ocr page 128-

98 K.B. STOOMWET.

is, ten minste twee dampkringsdmkkingen hooger kunnen aanwijzen, dan de in de akte van vergunning vermelde maximum stoomdrukking.

De manometer moet door middel van een gebogen en waterhoudende pijp met den ketel verbonden zijn, maar mag niet aan eene stoomafvoerbuis zijn aangebracht.

Hij, die den ketel bedient, moet den manometer gemakkelijk kunnen raadplegen; het nummer der schaal, dat door den wijzer niet mag overschreden worden, moet duidelijk gemerkt zijn.

Ketels, die voor en achter gestookt worden, moeten op elke stookplaats van een manometer zijn voorzien.

29. Elke ketel moet voorzien zijn van een kraan met flens van 1 veertig millimeter middellijn en vijf millimeter dikte, zoodanig dat ] de manometer van den ambtenaar met den ketel in verbinding kan gesteld worden.

De verbinding van de kraan aan den ketel moet plaats hebben door middel van een gebogen of waterhoudende pijp.

Het is geoorloofd de kraan met flens aan een der manometers aan te brengen.

30. Voor ketels, die een gemeenschappelijken stoomhouder hebben, niet afzonderlijk gebruikt kunnen worden en toereikende ge- , meenschap hebben, is één manometer voldoende.

31. Er wordt geen manometer vereischt voor ketels, die van eene \' veiligheidsbuis voorzien zijn.

32. Elke ketel moet voorzien zijn van: (K.B.Sw. 33.)

a. een waterpeilglas met koperen afsluit- en doorblaaskranen of kleppen en voorzien van een sehermplaat of koker, zoodanig ingericht, dat het waterpeil goed waarneembaar blijft; (K.B.Sw. 466.) 1

b. twee proefkranen, tenzij er twee waterpeilglazen aanwezig zijn; (K.B.Sw. 35.)

c. een zelfwerkend middel, waardoor watergebrek in den ketel wordt kenbaar gemaakt. (K.B.Sw. 46c.)

33. De onder n en 6 van het vorige artikel vermelde toestellen moeten van elkander onafhankelijk zijn, tenzij de gemeenschappelijke buis en de opening in den ketel elk eene middellijn van ten minste vijftig millimeter heeft.

De openingen der kranen of kleppen moeten eene middellijn hebben van ten minste zes millimeter en onder stoom doorgestoken kunnen worden.

Hebben zij afzonderlijk gemeenschap met den ketel door middel van pijpen, dan moeten deze zooveel mogelijk recht zijn en eene middellijn van ten minste dertig millimeters hebben.

De stand van het waterpeilglas moet zoodanig zijn, dat het water niet lager dan vijftig millimeter boven de in art. 36 vermelde strook zichtbaar blijft; de eene proefkraan of klep moet halverwege die strook en bet waterpeil en de tweede evenveel boven dat waterpeil zijn geplaatst.

-ocr page 129-

K.B. STOOJIWET.

ijzen, Ketels, die voor en achter gestookt worden, moeten op elke stook-king- plaats van een waterpeilglas en twee proefkranen of kleppen zijn •hou- voorzien. (K.B.Sw. 28 al. 5.)

eene 34. Ketels met inwendige vuurplaatsen moeten boven elk dezer zijn voorzien van een\'koperen bout, met lood of een ander metaal kun- , 0{ allooi gevuld, dat smelt alsvorens de plaat gevaarlijk overhit uiet . wordt; de bout moet aangebracht worden waar de vlam het felst is II of op ongeveer drie vierde der roos ter lengte, en indien de vuurtop-took-1\' pen hellend zijn dan op het hoogste punt.

Voor ketels met eene inwendige vuurplaats en met verhoogde vau f vlamkast moet de bout aangebracht zijn in het midden van den vlam-; dat l kasttop; en indien er meerdere vuurplaatsen zijn, dan moet in elk \' P uiteinde der gemeenschappelijke vlamkast of in elk der uiterste vlam-

■ kasten een bout geplaatst worden.

■bben De kleinste doorsnede van de vulling moet ten minste een vier-H kante centimeter zijn voor eiken vierkanten meter roosteroppervlak-ieters | te, doch mag niet kleiner zijn dan een halve vierkante centimeter.

Ketels met uitwendige vuurplaatsen of van eene bijzondere in-beb- richting moeten van een ander doeltreffend middel zijn voorzien, e ge- 35. Het in art. 32 sub b voorgeschrevene is niet van toepassing ^ op stoomketels, waarvan de inhoud niet grooter is dan zes honderd eene ; kubieke decimeter.

36. Het hoogste deel van den ketel, dat met de producten der verbranding in aanraking komt, moet op den ketel nabij het peilen of \' glas door een koperen strook aangegeven worden: bij stoomvaartui-iuge- gen moet deze strook dwarsscheeps aan weerszijden van den ketel | zijn aangebracht.

zijn; ; Onder het hoogste deel van den ketel is niet begrepen het opgaande gedeelte, waarlangs de verbrandingsproducten naar den schoor-ketel steen worden geleid.

De bovenvermelde strook behoeft niet aangebracht te worden op tellen ketels, die eene zoo geringe hoeveelheid water kunnen bevatten, dat elijke eene scheuring geene ernstige gevolgen kan hebben.

linste 37. Alle stoomketels zijn met ten minste één zelfwerkend vocdings-toestel vei\'bonden behoudens die, waarvan het verwarmingsoppervlak heb- minder dan vijf vierkante meter bedraagt. Voor deze ketels is eene kun- handperspomp voldoende.

Bovenstaande bepaling is niet van toepassing op ketels van: liddel a. locomotieven, die met twee zelfwerkende voedingstoestellen moe-eene ten zijn verbonden, waarvan een in werking moet kunnen blijven

als het werktuig stil staat;

water b. stooravaartuigen, die van minstens twee dier toestellen, als on-itrook der a vermeld, moeten voorzien zijn en van eene handpomp, tenzij ;e die ! een der zelfwerkende voedingstoestellen tevens als handpomp kan ge-erpeil bruikt worden of dat er een afzonderlijke ketel aanwezig is, waar-: door het zelfwerkend toestel kan worden gedreven om den hoofd-

00

i

-ocr page 130-

100 K.B. STOOMWET.

ketel of de ketels, indien deze buiten werking zijn, tot op het ver-eischte peil van water te voorzien.

Is het verwarmingsoppervlak minder dan vijf vierkante meter, zoo zijn één zelfwerkend voedingstoestel en ééne handpomp voldoende.

De zelfwerkende voedingstoostellen van ketels in vaartuigen moeten elk afzonderlijk met den ketel gemeenschap hebben.

Onder zelfwerkende voedingstoestellen worden verstaan stoompompen, injecteurs en toestellen, welke niet uitsluitend met de hand bewogen worden. (K.B.Sw. 38.) ji

38. Elk der in het vorige artikel bedoelde zelfwerkende voedings- f toestellen en handpompen, behoudens de handpompen sub h va het vorige artikel vermeld, moet in staat zijn, alleen werkende denl ketel of de ketels van eene voldoende hoeveelheid vloeistof te voor- ■: zien.

39. Elk voedingstoestel of elke voedingspijp moet onmiddellijk aan den ketel verbonden zijn met eene kraan en zelfsluitende klep, beide van koper vervaardigd. De kraan moet tusschen ketel en klep zijn geplaatst.

Worden verschillende ketels door één voedingstoestel gevoed, zoo is elke ketel van een dergelijke kraan en klep voorzien.

Het gebruik van afsluitkleppen in plaats van kranen, is geoorloofd, mits tusschen de afsluit- en zelfsluitende klep een proefkraan is aangebracht.

40. Elke ketel moet voorzien zijn van een koperen pakkingsspui-kraan, hetzij onmiddellijk, hetzij door een koperen buis met den ketel verbonden. Deze buis moet vrij en zichtbaar zijn.

41. Elke stoomafvoerpijp moet aan den ketel voorzien zijn van een afsluiter, bij voorkeur zoodanig ingericht, dat deze op de stookplaats of in de machinekamer of op het dek van stoomvaartuigen kan gesloten worden.

De stoom verbindingspij pen van de ketels onderling en die van den ketel met het stoomwerktuig moeten zoodanig ingericht zijn, dat do uitzetting geen nadeel kan toebrengen; zij moeten van een of meer aftapkranen zijn voorzien.

Stoompijpen van ketels in stoomvaartuigen mogen niet van gegoten ijzer zijn.

42. De spui-, voedings- of andere kranen aan den ketel moeten zoodanig zijn ingericht, dat de pluggen bij het breken der pakking-of opsluitbouten niet weggeslingerd kunnen worden.

Deze bepaling is niet van toepassing op kranen, waarvan de middellijn der aanvoeropening niet grooter dan dertig millimeter is.

43. Elke ketel moet behalve van de noodige slijkgaten, zoo de inrichting dit toelaat, voorzien zijn van een mangat, ten minste veertig bij dertig centimeter groot, en versterkt door een geslagen ijzeren of stalen ring. De deksels der man- of slijkgaten moeten, zoo mogelijk, inwendig aangebracht zijn en zoodanig sluiten, dat tot dichtma-

-ocr page 131-

K.B. STOOMWKT. 101

ver- 1 king slechts zeer dunne stof wordt vereischt. Zij mogen niet van gegoten ijzer zijn. (K.B.Sw. 2, 61 al. 2.)

) zoo 44. Van ingemetselde ketels moeten de zijkanalen zoo mogelijk mde. voorzien zijn van openingen van gelijke doorsneden als deze. moe- 45. Het ruim, waarin de stoomketels vï.d stoomvaartuigen zijn geplaatst, moet door dichte ijzeren schotten van de voor de reizigers pom- bestemde afdeelingen zijn afgesloten. (K.B.Sw. 72.)

1 be- Deze bepaling is niet van toepassing op vaartuigen, die geen dek hebben.

ings- i

van 1 HOOFDSTUK III.

; den |

voor-1 Van dc regelen, hij het gebruik van stoomketels in acht te nemen.

c aan Art. 46. De gebruiker van een stoomketel draagt zorg: (Sw. 3, beide 21.)

i zijn «■ dat de ketel met toebehooren in behoorlijken staat van onderhoud verkeert;

l, zoo b. dat er steeds een of meer glazen buizen ter vervanging van het waterpeilglas beschikbaar zijn voor hem, die den ketel bedient; loofd, e. dat het smeltbaar metaal of allooi van het zelfwerkend middel, aan- bedoeld onder c van art. 32 ten minste eenmaal \'s jaars vernieuwd wordt;

sspui- d- dat de akte van vergunning en de aanteekeningslijst te allen ketel tijde ter inzage van den ambtenaar zijn voor een vasten ketel op eene zichtbare plaats in de nabijheid van den ketel, voor een ketel i van van een stoomvaartuig in een der kajuiten en voor een vervoerbaren stook- ketel onder berusting van hem, die den ketel bedient. (K.B.Sw. 11.) uigen Hij, die den ketel bedient, draagt zorg:

1°. dat de veiligheidskleppen gemakkelijk beweegbaar blijven, dat q den i zij niet vastgezet worden en dat de belasting er van niet overschrijde lat de \' die, welke vermeld is in de akte van vergunning; (K.B.Sw. 21.) meer j 2°. dat het waterpeil gehouden wordt ten minste tien centimeter s boven de in art. 36 vermelde strook en voor stoomvaartuigen ten gego- i minste vijftien centimeter daarboven.

47. De gebruiker van een stoomketel is verplicht den bevoegden loeten j ambtenaar kennis te geven van; (Sw. 21.i eking- j ci- den aard van elk gebrek, dat aan den ketel is ontstaan;

b. elke wijziging en van den aard van elke herstelling, die de . mid- ! ketel heeft ondergaan ;

is. j c. het tijdstip, waarop de ketel zal worden ontbloot of, indien het oo de een ketel van een stoomvaartuig betreft, het tijdstip, waarop deze veer- zal gelicht worden;

jzeren , d. het zinken en het lichten van het stoomvaartuig, waarin de moge- ; ketel geplaatst is;

;htma- ^ e. het afbranden van het gebouw, waarin de ketel geplaatst is.

I

-ocr page 132-

K.B. STOOMVVET.

HOOFDSTUK IV.

Van het op stoomketels uit te oefenen toezicht.

Art. 48. De ambtenaren, belast met het toezicht op en het onderzoek en de beproeving van stoomtoestellen, dragen den titel van hoofdingenieur, ingenieur, adspirant-iugenieur of opzichter voor het stoomwezen.

Het toezicht op den dienst wordt onder den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid opgedragen aan een hoofdingenieur.

De opzichters zijn werkzaam onder de bevelen van den hoofd- [ ingenieur, de ingenieurs of adspirant-ingenieurs. Zij ontleenen de bij | do Stoomwet en de bij dit besluit aan hen toegekende bevoegdheid aan een schriftelijken of mondelingen last van den hoofdingenieur, j ingenieur of adspirant-iugenieur, onder wiens bevelen zij werkzaam zijn. (Sw. 7; Instr.S.I.)

Art. 49. Om benoembaar te zijn tot ingenieur of tot adspirant-ingenieur moet men het na te noemen examen met goed gevolg hebben afgelegd, een leeftijd hebben bereikt, die voor een ingenieur drie en twintig jaar en voor een adspirant-ingenieur twintig jaar bedraagt, en lichamelijk geschikt zijn bevonden.

Art. 50. Het in het voorgaand artikel bedoeld examen, af te nemen door eene door Ons te benoemen Commissie, omvat:

a. grondige kennis van de Xederlandsche taal;

b. de wiskunde, zoo ver als deze gevorderd wordt bij het examen B, art. 04 der wet (Middelb. Onderw.) van 2 Mei 18fi3 (Staatsolad no. 50);

c. de beginselen van de theoretische en toegepaste mechanika, waaronder ook de leer van den wederstand der bouwstoffen;

d. de natuur- en scheikunde en hare voornaamste toepassingen, meer in het bijzonder de leer der dampen;

e. kennis van stoom- en andere werktuigen, meer in het bijzonder theoretische en practische kennis van stoomtoestellen;

f. theoretische en practische kennis der materialen, waaruit stoomtoestellen worden vervaardigd;

lt;/. het werktuigkundig teekenen, meer in het bijzonder het teekenen van stoomtoestellen;

h. kennis van de Stoomwet en van de ter uitvoering daarvan genomen wettelijke verordeningen.

51. Zoo noodig kan door Ons tijdelijk in de behoeften van den dienst worden voorzien door het aanstellen van tijdelijke ingenieurs of adspirant-ingenieurs.

52. Om benoembaar te zijn tot opzichter moet men niet ouder zijn dan dertig jaar, lichamelijk geschikt zijn bevonden en ten overstaan van eene door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid te benoemen commissie blijken hebben gegeven van eene voldoende praktische kennis van stoomtoestellen.

10-2

-ocr page 133-

\'

Ji.B. STOOMWET.

53. Elke in gebruik zijnde stoomketel wordt ten minste eenmaal in de twee jaren inwendig onderzocht; bij welk onderzoek de ketel buiten werking gebracht moet worden en deze opnieuw kan worden

on- beproefd.

van Het inwendig onderzoek van stoomketels van stoomvaartuigen ge-het schiedt ten minste eenmaal \'s jaars. (Sw. 18: K.B.Sw. 54, 57, 06.)

54. Aan den gebruiker wordt ten minste drie weken te voren ater- schriftelijk kennis gegeven van den dag, waarop het inwendig onder-r. i zoek of de beproeving van den ketel zal plaats hebben.

)ofd- fc De kennisgeving van het inwendig onderzoek of der beproeving e bij F wordt zoo noodig door den Burgemeester uitgereikt.

heid f\' Bestaat er bij den gebruiker bezwaar tegen het tijdstip van het ieur, f inwendig onderzoek of van de beproeving, dan is deze bevoegd zijn ;aam ? bezwaar ten minste twee weken te voren schriftelijk ter kennis te Ü\', brengen van den bevoegden ambtenaar. Meent deze geen anderen •ant- dag te kunnen aanwijzen, zoo kan de gebruiker zich tot den Minis-heb- 1 ter wenden, die alsdan beslist.

drie 55. Indien een stoomvaartuig of een vervoerbaar stoomtoestel ge-uigt, durende een langer tijdsverloop buiten \'s lands is geweest dan de termijn, bepaald bij art. 53, zoo is de gebruiker verplicht, zoodra het if te vaartuig of het stoomtoestel hier te lande is teruggekeerd, den bevoegden ambtenaar daarvan zoo spoedig mogelijk kennis te geven. 56. De ambtenaar is bevoegd den ketel te doen lichten en het men metselwerk of de bekleeding, zoomede de pijpen of steunen geheel •Mad quot;f gedeeltelijk te doen verwijderen. (Sw. 4, 21.)

De lastgeving daartoe geschiedt schriftelijk.

lika, 57. Is een stoomketel eenmaal beproefd en goedgekeurd, zoo geschieden de latere beproevingen onder eene werkelijke drukking, die igen, anderhalf maal de in de akte van vergunning toegestane werkelijke , drnkking bedraagt, met dien verstande dat het verschil tusschen den nder j beproevingsdruk en de toegestane werkelijke drukking niet kleiner zij \\ dan een half kilogram op den vierkanten centimeter. (K.B.Sw. 6.) jom- J Js de ambtenaar van meening, dat de herstelling van den ketel j zoodanig is geweest, dat deze als een nieuwe beschouwd en als zoo-leke- / danig beproefd moet worden, dan deelt hij zulks den gebruiker schrif-i; telijk mede.

! ge. 58. Moet eene herbeproeving van den ketel plaats hebben of een 1 onderzoek, waarbij de stoomketel buiten werking gesteld moet worden 1 den. dan draagt de gebruiker zorg: (Sw. 21.)

eurs i «• dat alle deelen van den ketel, zoo van binnen als van buiten, | alsmede de omringende rookkanalen voldoende gereinigd zijn en dat uder | roosterijzers, vuurbruggen en dergelijke voorwerpen, die het onder-iver- 3 Z(H,\'K zouden kunnen belemmeren, verwijderd zijn;

Xij- lgt;. dat de ketel met het oog op de gezondheid van den ambtenaar eene ; voldoende is afgekoeld;

c. dat, indien de ketel in verbinding is met een of meer onder

103

I

-ocr page 134-

104 K.B. STOOMWET.

stoom zijnde ketels, de stoom- en spuiafsluitingen zoodanig zijn voorzien, dat geen gevaar voor den ambtenaar kan ontstaan; (K.B.Vw. 19 no. 16.)

d. dat een schoon ketelpak voorhanden is.

59. Blijkt bij het onderzoek o£ bij eene herbeproeving van een goedgekeurden stoomketel, dat deze niet meer onder de toegestane drukking veilig kan werken en blijft de gebruiker in gebreke binnen den door den ambtenaar te bepalen termijn de noodige herstellingen aan te brengen, dan wordt de akte van vergunning door den Minister ingetrokken. (K.B.Sw. 10 al. 2, 70.)

60. Een ketel wordt geacht dadelijk gevaar op te leveren indien:

a. de dikte van een of meer platen of der steunen aanmerkelijk

is afgenomen;

h. er scheuren zijn ontstaan;

c. de ketel eene vervorming heeft ondergaan;

d. de wijze van sluiting der man- of slijkgaten geen genoegzamen waarborg voor de veiligheid oplevert;

e. de ketel belangrijk met ketelsteen of zout is bezet:

ƒ. de veiligheidstoestellen in slechten toestand of in strijd met de bestaande voorschriften verkeeren. (K.B.Sw. 7.)

HOOFDSTUK V.

Van stoomtocstellen, andere dan stoomketels.

Art. 61. De in art. 1 der Stoomwet bedoelde stoomtoestellen andere dan stoomketels zijn: (K.B.Sw. 62.)

a. voorwarmers, dienende om de temperatuur van het voedingswater te verhoogen en waarvan de middellijn der pijpen, waaruit zij zijn samengesteld, meer dan vijftien centimeter bedraagt;

b. stoomverhitters, dienende om de temperatuur van den stoom te verhoogen;

c. stoomvaten, waarin stoom uit een stoomketel wordt aangevoerd en waarvan de inhoud, uitgedrukt in kubieke decimeters, vermenigvuldigd met de drukking, die de stoom tegen de wanden uitoefent, ■ uitgedrukt in kilogrammen op den vierkanten centimeter, het getal zeshonderd overschrijdt. (K.B.Sw. 73.)

Het gebruik der onder a en 6 vermelde toestellen, geheel of gedeeltelijk van gegoten ijzer vervaardigd, is verboden, behoudens liet i geval, dat de middellijn der pijpen minder dan twintig centimeter : bedraagt. (K.B.Sw. 2, 43.)

62. Hij, die eene vergunning tot het in werking brengen van een . der in art. 61 bedoelde toestellen verlangt, wendt zich schriftelijk tot den Minister. (Zegelwet 1, 8.)

Ten aanzien van het toestel behelst de aanvraag eene opgaaf van:

a. hetgeen sub a, b, c, e en i van art. 1 ten aanzien van een | ketel is bepaald;

-ocr page 135-

K.B. STOOMWET.

b. de grootste werkelijke stoomdrukking in kilogrammen op den vierkanten centimeter, waaronder de stoomketels, waarmede de toestellen verbonden zijn, werken alsmede de grootste werkelijke stoomdrukking, waaronder de aanvrager de toestellen, sub c art. 61 vermeld, wenscht te doen werken.

Bij de aanvraag moet eene duidelijke teekening gevoegd zijn, tevens vermeldende de afmetingen en wanddikte van het toestel.

63. Op het onderzoek en de beproeving van een in art. 61 bedoeld toestel zijn de artikelen 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10 en 57 van toepassing, behoudens dat de afmetingen der stempelplaat, bedoeld in art. 8, acht bij vijf centimeter moeten zijn. dat deze plaat met twee koperen boutjes bevestigd moet worden en dat de plaat der sub c van art. 61 bedoelde toestellen tevens van een volgnummer, door den ambtenaar op te geven, voorzien moet worden.

64. De in art. 61 bedoelde toestellen moeten van de volgende veiligheidstoestellen zijn voorzien:

a. de voorwarmers van:

lu. een veiligheidsklep van ten minste vijf centimeter middellijn, met gewicht belast, hetzij rechtstreeks, hetzij door middel van een hefboom;

2°. een koperen pakkingspuikraan;

3°. een zelfsluitende klep aan de voedinginlaatopening;

4quot;. de noodige man- of slijkgaten;

b. de stoomverhitters van:

1°. een veiligheidsklep als sub a vermeld, wanneer het toestel kan afgesloten worden van den stoomketel;

2°. een of meer wateraftapkranen;

3quot;. de noodige man- of slijkgaten;

c. de stoomvaten van:

1°. één veiligheidsklep of veiligheidsbuia, wanneer de toegestane werkelijke stoomdrukking minder is dan die van den stoomketel, waaruit de stoom aangevoerd wordt, tenzij de inhoud van het toestel grooter is dan twee kubieke meter of dat de toegestane stoomdrukking minder is dan de helft van die in den stoomketel, in welk geval het toestel van twee veiligheidskleppen of veiligheidsbuizen moet voorzien zijn.

De middellijn der kleppen moet zoo groot zijn. dat bij volledige opening van den afsluiter en bij de hoogst toegestane stoomdrukking in den ketel de spanning in het toestel niet hooger kan rijzen dan tien ten honderd boven die waaronder het mag werken. Dit wordt geacht het geval te zijn wanneer de vrije doortocht der klepopening ten minste een vierde grooter is, dan de nauwste doortocht der stoomaanvoerpijp;

2°. een manometer;

105

^^3

-ocr page 136-

K.B. STOOMWET.

De manometer en de sub c 1° bedoelde veiligheidsklep of kleppen moeten op het toestel zelf of op de stoomaan-voerpijp zijn aangebracht en de mondingen zoo noodig beschermd worden, zóó dat de in het toestel aanwezige stoffen geene verstopping kunnen veroorzaken. Worden verschillende toestellen door ééne stoomleiding gevoed, dan is een manometer en een of twee veiligheidskleppen naar gelang van den inhoud of van de stoomdrukking, waaronder zij werken, voldoende;

3°. man- en kleinere gaten, zoo de inrichting het vereischt;

4°. de in art. 27 bedoelde luchtklep, indien er aan het toestel geen veiligheidsbuis aanwezig is en indien de toegestane werkelijke stoomdrukking minder bedraagt dan een half kilogram op den vierkanten centimeter.

65. De veiligheidstoestellcn moeten voldoen aan de voorschriften van de artikelen 20, 21, 23, 25, 2ö, 28, 29 en 43, behoudens dat die van stoomtoestcllen, als bedoeld in art. 01, aan boord van zeevaartuigen in gebruik, overeenkomstig de bepalingen van art. 22 met veeren mogen gedrukt worden, en dat de manometer slechts eéne dampkringsdrukking meer behoeft aan te wijzen dan de in ae akte van vergunning toegestane stoomdrukking.

66. Elk in gebruik zijnd stoomtoestel, als bedoeld in art. 61, wordt ten minste eenmaal in de vier jaar inwendig onderzocht, indien de inrichting het toelaat; is zulks niet het geval of geschiedt het onderzoek na eene belangrijke herstelling of acht de ambtenaar het om andere redenen noodig, zoo wordt het toestel herbeproefd. De artikelen 54, 56, 57, 58 en 59 zijn dan van toepassing. (K.B.Sw. 53.)

67. De gebruiker van oen stoomtoestel, als bedoeld in art. 61, zorgt dat;

a. de toestellen met toebehooren in behoorlijken staat van onderhoud verkeeren;

b. de akte van vergunning en de aanteekeningslijst te allen tijde ter inzage van den ambtenaar aanwezig zijn;

c. wanneer aan een stoomtoestel een belangrijk gebrek is ontstaan, daaraan eene belangrijke herstelling geschied of eene wijziging aangebracht is, den bevoegden ambtenaar daarvan kennis wordt gegeven.

68. Hij, die een stoomtoestel, als bedoeld in art. 61, bedient, zorgt dat de veiligheidskleppen gemakkelijk beweegbaar blijven, dat die nooit vastgezet worden en dat de belasting ervan de in de akte van vergunning vermelde niet overschrijdt.

69. De akte van vergunning vermeldt; (K.B.Sw. 11.)

a. den naam en woonplaats van den gebruiker;

b. het volgnummer van het toestel;

c. het doel, waartoe het toestel zal gebruikt worden;

d. het jaar, waarin het toestel vervaardigd is, en den naam en de woonplaats van den vervaardiger;

100

-ocr page 137-

K.B. STOOMWET.

c. de Werkelijke drukking in kilogrammen, die de stoom in het toestel op den vierkanten centimeter niet mag te boven gaan;

ƒ. de in den ketel, waaruit de stoom wordt aangevoerd, toegelaten stoomdrukking;

g. de kleinste middellijn der stoomaanvoerpijp;

h. de veiligheidstoestellen, waarvan het toestel is voorzien, alsmede de middellijn en de wijze van belasting der veiligheidskleppen;

i. den dag, waarop het onderzoek en de beproeving, krachtens welke de akte wordt uitgereikt, hebben plaats gehad;

de afmetingen, de wanddikte en den vorm van het toestel en ten aanzien van een toestel, als bedoeld sub c van art. 61, bovendien den inhoud eveneens in kubieke decimeters.

Bij de akte wordt eene aanteekeningslijst gevoegd, waarop de ambtenaar bij een later onderzoek den toestand van het stoomtoestel met toebehooren vermeldt. (K.B.Sw. 11.)

HOOFDSTUK VI.

Algcmcenc bepalingen en uitzonderingen.

Art. 70. Indien blijkt, dat een stoomtoestel buiten dienst is gesteld, dat het meer dan drie jaar buiten \'s lands is geweest of dat de gebruiker weigert te voldoen aan de voorschriften van dit besluit, dan kan de Minister de akte van vergunning intrekken. (K.B.Sw. 10 al. quot;2, 59.)

71. Geeft na onderzoek van een stoomtoestel de ambtenaar of de in art. 7 der Stoomwet genoemde Commissie aan den Minister te kennen, dat om de bijzondere inrichting of bestemming van een stoomtoestel of van een vaartuig, of dat om andere gegronde redenen geheele, gedeeltelijke of voorwaardelijke ontheffing van een of meer der in dit besluit, krachtens art. 0 der Stoomwet, voorkomende bepalingen wenschelijk is, dan is de Minister bevoegd die te ver-leenen. (Sw. 6.)

72. Voor stoom vaartuigen, welke den Isten October 1869 in de vaart waren, kan de Minister geheel, gedeeltelijk of voorwaardelijk vrijstelling verleenen van het bepaalde in het eerste lid van art. 45. (Sw. 6.)

73. Dit besluit is niet van toepassing op uitsluitend tot huishoudelijk gebruik dienende stoomtoestellen, waarvan de inhoud, uitgedrukt in kubieke decimeters, vermenigvuldigd met de drukking, die de stoom tegen de wanden uitoefent, uitgedrukt in kilogrammen op den vierkanten centimeter, het getal zeshonderd niet overschrijdt.

74. Het bepaalde in art. 8 is niet van toepassing op stoomketels, voor het gebruik waarvan vóór den Isten April 1870 eene akte van vergunning was uitgereikt.

De Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid is belast met de uitvoering van dit besluit, enz.

107

-ocr page 138-

BESLUIT,

TOT VASTSTELLING VAN EENE INSTEUCTIE VOOR DE AMBTENAREN, BEDOELD IN ART. 7 DER STOOM-WET (WET VAN 15 APRIL 1896, STAATSBLAD No. 69).

(Vastgesteld den 14den Januari 1897, Stsbl. no. 45, uitgegeven den 22sten Januari d.a.v.)

Wu EMMA, enz.

Gelet op art. 15 der Stoomwet (wet van 15 April 1896, Staatsblad no. 69), alsmede op het Koninklijk besluit van 19 October 1896 {Staatsblad no. 163);

Hebben goedgevonden en verstaan;

Vast te stellen de navolgende bepalingen, welke de instructie der in art. 7 der Stoomwet bedoelde ambtenaren zullen uitmaken.

Art. 1. Voor de uitoefening van het bij de Stoomwet voorgeschreven toezicht wordt het Rijk verdeeld in vijf districten, waarvan het 1ste omvat de provinciën Limburg, Noord-brabant en Zeeland; het ■2de de provincie Zuid-Holland; het 3de de provincie Noord-Holland, benevens het niet tot eenige provincie behoorende watergebied des Rijks; het 4de de provinciën Utrecht en Gelderland; het 5de de provinciën Overijssel, Drenthe, Friesland en Groningen. (Instr.S.I. 4; Instr.A.I. 2; S.V. 24bü.)

2. Het toezicht op den dienst van het stoomwezen wordt onder den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid opgedragen at.n een Hoofdingenieur. (K.B.Sw. 48.)

3. Het in art. 1 bedoelde toezicht wordt in ieder district uitgeoefend door de in dat district werkzaam gestelde ambtenaren, bedoeld in art. 7 der Stoomwet, onder leiding van een door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid, met in acht neming van het bepaalde bij het 3de lid van art. 48 van het Koninklijk besluit van 19 October 1896 (Staatsblad no. 163), uit hen aangewezen hoofd van het district.

De hoofden der districten gedragen zich in de uitoefening hunner bediening naar de bevelen, hun tot dat einde door den Minister gegeven.

-ocr page 139-

K.B. INSTK. ST00MIN8PECTIE.

De overige ambtenaren zijn verplicht, de bevelen van het hoofd van het district, waarin zij werkzaam zijn gesteld, op te volgen en hem zoowel schriftelijk als mondeling alle verlangde inlichtingen te verstrekken.

4. De Minister wijst aan in welk district de ambtenaren, bedoeld in art. 7 der Stoomwet, werkzaam zullen zijn, alsmede hunne standplaatsen. (Instr.S.I. 1.)

5. De ambtenaren, bedoeld in art. 7 der Stoomwet, leggen bij de aanvaarding hunner bediening in handen van Onzen Commissaris in de provincie, waar zij krachtens hunne aanstelling verblijf houden, den eed of de belofte af, dat zij de plichten hunner bediening getrouw zullen vervullen. (Sw. 9.)

6. De ambtenaren, bedoeld in art. 7 der Stoomwet, bekleeden geen ander ambt of andere bediening zonder de toestemming van den Minister.

De ambtenaren, werkzaam onder de bevelen van een hoofd van een district, verleenen hunne diensten niet aan derden dan met diens toestemming: de hoofden der districten niet dan met toestemming van den Minister.

7. De Hoofdingenieur houdt toezicht op de verrichtingen der overige ambtenaren, bedoeld in art. 7 der Stoomwet, die verplicht zijn hem, zoowel schriftelijk als mondeling, alle verlangde inlichtingen te verstrekken.

Hij doet de door hem noodig geachte voorstellen en dient den Minister desgevraagd van bericht en advies.

Hij bezoekt de verschillende districten, zoo dikwijls hij zulks in het belang van den dienst noodig oordeelt, waarbij hij zich in ieder district door een der aldaar werkzaam gestelde ambtenaren, door hem aan te wijzen, kan doen vergezellen.

8. Jaarlijks vóór Mei zendt de Hoofdingenieur aan den Minister een verslag betreffende de werking en toepassing van de wettelijke voorschriften, van de instructie en den gang van den dienst in al de districten, benevens statistieke opgaven en eene beoordeeling der overige ambtenaren, bedoeld in art. 7 der Stoomwet. (Aw. 16; Vw. 15.)

9. De hoofden der districten zijn, ieder voor hun district, gemachtigd de reizen te doen, tot het onderzoeken der stoomtoestellen noodzakelijk.

Desgevorderd strekken zij die machtiging tot de onder hunne bevelen staande ambtenaren uit met gelijk doel.

Zij dragen zorg, dat gedurende hunne dienstreizen de plaats van hun verblijf zoo noodig aan de post- en telegraafkantoren hunner standplaats bekend zij.

Zij zenden na afloop van elk kwartaal door tusschenkomst van den Hoofd-ingenieur aan den Minister een volledigen staat der ont-werp-akten van vergunning, door hen aan den Minister overgelegd,

109

-ocr page 140-

K.B. INSTR. STOOMINSPECTIE.

welke staten na invulling van de dagteekenlngen der definitieve akten van vergunning worden teruggezonden.

10. De hoofden der districten regelen de werkzaamheden der onder hunne bevelen staande ambtenaren. (Instr.S.I. 3.)

11. De hoofden der districten zorgen in hun district voor nauwkeurige invulling van een register van alle stoomtoestellen, waarin vermeld worden de tijd en plaats, waarop elk stoomtoestel is onderzocht en beproefd, en tot welke bevinding elk onderzoek en elke beproeving geleid hebben. Daarin wordt tevens aanteekening gehouden van den dag, waarop de voorloopige en de definitieve akten van vergunning zijn uitgereikt en van dien, waarop eene akte van vergunning is ingetrokken. Een exemplaar van ieder dier registers berust bij den Hoofdingenieur, die voor de noodige aanvulling zorg draagt, waartoe de hoofden der districten op door hem te bepalen tijdstippen de noodige opgaven verstrekken. Het model van genoemd register wordt vastgesteld door den Minister. (K.B.Sw. 9, 10 al. 2, 133, 59, 66, 70.)

12. Het onderzoek en de beproeving van stoomtoestellen geschieden door een der in art. 7 van de Stoomwet bedoelde ambtenaren, werkzaam in het district, waarin de plaats gelegen is, waar het toestel voor het onderzoeken de beproeving gereed staat. (K.B.Sw. li.)

Is een stoomtoestel bestemd om in een ander district te worden geplaatst, dan deelt het hoofd van het district, waar het onderzoek en de beproeving plaats hadden, den uitslag daarvan mede aan zijn ambtgenoot in het district, waar het stoomtoestel zal worden geplaatst.

Indien het onderzoek en de beproeving van een vervoerbaren stoomketel, bedoeld in art. 14 van het Koninklijk besluit van 19 October 1896 {Staatsblad no. 163) hebben plaats gehad in een ander district, dan dat, waar de eigenaar van den ketel woont, dan doet het hoofd van het district, waar het onderzoek en de beproeving zijn geschied, gelijke mededeeling aan zijn ambtgenoot in het district, waar de eigenaar woont.

13. Bij het inwendig onderzoek van stoomtoestellen wordt door den daarmede belasten ambtenaar er op gelet, of:

lu. het toestel behoorlijk is gereinigd van ketelsteen of andere stoffen, vooral ter plaatse, waar de plaat in aanraking komt met de verbrandingsproducten;

2quot;. langs de klinknaden inteeringen of groeven zijn ontstaan of bladders of putten in de volle plaat, welke hij zoo doenlijk met den hamer, hetzij inwendig, hetzij uitwendig, heeft te toetsen of op twijfelachtige plaatsen te boren, om de dikte te onderzoeken:

3U. de Idinknaden boven de vuurplaatsen op de nagelgaten ingescheurd zijn, of dat aan de laschnaden zich gebreken vertoonen;

4°. de verbinding van den romp met eindvlakken of stoomkasten, of der eindvlakken met de binnenkanalen, gekraakt of gegroefd is;

no

-ocr page 141-

K.B. INSTR. STOOMINSPECTIK.

5°. de plaat van den romp door het lekken der flenzen van de veiligheidstoestellen geleden heeft;

(5°. deelen vervormd zijn;

7°. de steunijzers verteerd of gebroken zijn;

8°. de gemeenschap van den ketel met de waterpeil toestellen, voeding* en spuikranen door aanslag van ketelsteen niet verhinderd is;

9quot;. de smeltbare proppen in goed onderhouden staat zijn:

10quot;. de veiligheidskleppen en de belasting voldoende speling in de geleiding hebben of niet klemmen;

11°. de belasting dezer kleppen nog overeenstemt met die, in de akte van vergunning vermeld.

14. De manometers, noodig ten behoeve van het in art. 1 bedoelde toezicht, alsmede de stempels, dienende tot het stempelen der boutjes, bedoeld in art. 8 van het Koninklijk besluit van 19 October 1896 (Staatsblad no. 163), worden door de hoofden der districten aangeschaft en de daarop vallende kosten aan het Rijk in rekening gebracht. Eveneens brengen zij aan het Rijk in rekening de kosten, door hen gemaakt ten behoeve van het onderhoud of de herstelBng dezer werktuigen.

De bovenbedoelde manometers worden door hen ter verificatie opgezonden aan den Hoofdingenieur ten minste eenmaal \'s jaars en voorts telkens na het voorkomen van omstandigheden, die foutieve aanwijzing kunnen doen vermoeden of veroorzaken. (K.B.Sw. 29.)

Ten opzichte van het tijdstip van het onderzoek wordt met den Hoofdingenieur in overleg getreden.

15. Blijkt na een nader onderzoek of eene nadere beproeving van een stoomtoestel. dat tegen het verdere gebruik daarvan geen bezwaar bestaat, dan stelt de ambtenaar, door wien het onderzoek of de beproeving heeft plaats gehad, eene desbetreffende aanteekening in een der vakken van de in de artt. 11 en 69 van het Koninklijk besluit van 19 October 1896 (Staatsblad no. 163) bedoelde aantee-keningslijst, welke bij het stoomtoestel behoort, met vermelding van dag en plaats, waarop het onderzoek of de beproeving is geschied. De aanteekening wordt door hem onderteekend.

Indien op eene aanteekeningslijst geen plaats meer is voor eene dergelijke aanteekening, dan reikt hij tegen teruggave van deze lijst eene nieuwe door het hoofd van het district gewaarmerkte int, nadat het hoofd der lijst is ingevuld.

Alvorens eene aanteekening op eene aanteekeningslijst te stellen, overtuigen zich de daarmede belaste ambtenaren, of de lijst behoort bij hel stoomtoestel, op hetwelk de aanteekening betrokking moet hebben.

16. Indien een der in het Koninklijk besluit van 19 October 1896 (Staatsblad no. 163) genoemde gevallen aanwezig is, waarin eene akte van vergunning kan worden ingetrokken, dan wordt hiervan door het bevoegde hoofd van het district onder overlegging van

111

-ocr page 142-

K.B. INSTE. STOOMINSPECTIE.

zijn advies ten deze aan den Minister kennis gegeven. Is liet hoofd van het district van oordeel, dat tot intrekking der akte moet worden overgegaan, dan voegt hij dat stuk zoo mogelijk bij zijn advies. (K.B.Sw. 10 al. 2, 59, 70.)

17. De ambtenaren, bedoeld in art. 7 der Stoomwet, verstrekken aan de in dat artikel bedoelde commissie alle inlichtingen, welke door haar worden verlangd.

Zij zijn, indien de commissie het verlangt, tegenwoordig bij het onderzoek, doch niet bij de raadpleging der commissie, wanneer een hunner uitspraken of handelingen aan haar oordeel is onderworpen.

18. De ambtenaren, bedoeld in art. 7 der Stoomwet, behoeven voor elke afwezigheid van hunne standplaats, die niet met den dienst in betrekking staat, en langer dan acht dagen duurt, de vergunning van den Minister.

Het hoofd van een district is bevoegd, aan de ambtenaren, ondei-zijne bevelen werkzaam, een verlof tot afwezigheid van ten hoogste vier dagen te verleenen, of zelf te nemen, mits daarvan kennis gevende aan den Hoofdingenieur.

Tot afwezigheid van langer dan vier en niet langer dan acht dagen kan de Hoofdingenieur aan de overige in art. 7 der Stoomwet bedoelde ambtenaren verlof verleenen, en zelf zulk een verlof nemen, mits hiervan kennis gevende aan den Minister.

De aanvragen om verlof tot afwezigheid van de ambtenaren, onder de bevelen van een hoofd van een district werkzaam, geschieden door diens tusschenkomst, zoo zij aan den Hoofdingenieur zijn gericht ; indien zij aan den Minister zijn gericht tevens door die van den Hoofdingenieur. De aanvragen om verlof van de hoofden der districten aan den Minister geschieden door tusschenkomst van den Hoofdingenieur.

19. Wordt den ambtenaren, bedoeld in art. 7 der Stoomwet, de toegang geweigerd tot de plaatsen, tot welke zij krachtens art. 16 dier wet vrijen toegang hebben, dan roepen zij de hulp in van den burgemeester der gemeente, of van eenen anderen ter plaatse bevoegden hulpofficier van justitie. (Sw. 16.)

20. De ambtenaren, bedoeld in art. 7 der Stoomwet, zenden de door hen krachtens art. 22 of 26 dier wet opgemaakte processen-verbaal aan den bevoegden ambtenaar van het Openbaar Ministerie. Gelijktijdig doen zij een uittreksel uit het proces-verbaal — de ambtenaren, onder de bevelen van een hoofd van een district werkzaam, door diens tusschenkomst — toekomen aan den Hoofdingenieur, die het aan den Minister overlegt.

Op gelijke wijze wordt zoo mogelijk het gevolg, dat het procesverbaal gehad heeft, ter kennis van den Minister gebracht. (Sw. 33; S.V. 22.)

21. Indien aan een der ambtenaren, bedoeld in art. 7 der Stoom-

112

-ocr page 143-

K.B. INSTR. STOOMINSPECTIE. 113

wet, overeenkomstig art. 3 van het Koninklijk besluit van 10 October 1896 (Staatsblad no. 163) het onderzoek en de beproeving van een stoomketel in het buitenland is opgedragen, bepaalt hij in overleg met den aanvrager der akte van vergunning het tijdstip, waarop het onderzoek en de beproeving zullen plaats hebben, en geeft van zijn vertrek aan den Hoofdingenieur kennis; indien hij onder de bevelen van een hoofd van een distriet werkzaam is, door diens tus-schenkomst.

22. Dit besluit treedt in werking op den tweeden dag na de dag-teekening van het Staatsblad en van de Staatscourant, waarin het geplaatst is. (St.Crt. 22 Jan. 1897.)

De Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid is belast met : de uitvoering van dit besluit, enz.

i-

it I 1;

T

n

n !r n

.6 6 n

le i-

3. r )-

h ie

3-

\' sïw. n.

8

1-

-ocr page 144-

WET

TOT REGELING DER COÖPERATIEVE VEREENIGINGEN.

(Vastgesteld den 17den November 1876, Stsbl. na. 227, uitgegeven! den 24sten Nov. d.a.v. Aangevuld en gewijzigd bij de wetten van 7 Mei 1878, Stsbl. no. il, 15 April 188G, Stsbl.

no. 64 en 20 Januari 1896, Stsbl. no. 0.)

J

Art. 1. De coöperatieve vereeniging wordt geregeld door de overeenkomsten der partijen, door de bepalingen dezer wet, door het burgerlijk regt, en, wanneer zij zich eene handelsonderneming ten doel stelt, ook door de bijzondere wetten van den koophandel (K.15.)

2. Onder coöperatieve vereenigingen verstaat de wet vereenigingen van personen, waarbij de in- en uittreding van loden is toegelaten, en-die de bevordering van de stoffelijke belangen der leden ten doel hebben, als door middel van gemeenschappelijke uitoefening van hunne nering of ambacht, door aanschaffing van hunne benoodigdheden of het hun verstrekken van voorschotten of crediet.

Eene vereeniging, welke aan deze vereischten voldoet, verliest haar karakter niet, indien de statuten haar veroorloven haren werkkring ook tot derden uit te strekken.

3. De naam der vereeniging moet de aanwijzing bevatten van haai doel, en daarin moet het woord gt;coöperatief .gt; voorkomen.

4. De akte van oprigting der coöperatieve vereeniging en die, waarbij verandering wordt gebragt in hare voorwaarden, of haar duur wordt verlengd, worden, op straffe van nietigheid, notarieel verleden. (7, 20; K. 22, 38 al. 1.)

5. De leden zijn verpligt de akte in haar geheel te doen inschrijven ter griffie van het kantongeregt in welks gebied de vereeniging is gevestigd, op de daartoe bestemde openbare registers, en die acte openbaar te maken in de Nederlandsche Staatscourant.

Daarenboven moet door hen in een der nieuwspapieren der gemeente, alwaar de vereeniging is gevestigd, en bij gebreke van zoodanig nieuwspapier, in dat eener naburige gemeente, eene aankondiging worden gedaan, houdende berigt van het bestaan der vereeniging, met aanduiding van de dagteekening en het nommer van lt;U\' Staatscourant, waarin de acte is geplaatst.

Deze bepalingen gelden ook ten aanzien van veranderingen in de voorwaarden en verlenging der vereeniging.

De openbaarmaking der acte in de Staatscourant geschiedt koste-

-ocr page 145-

WET COÖPERATIEVE VEBEENIGINGEN. 115

loos en in dier voege, dat al de acten krachtens deze wet in die courant opgenomen doorloopend worden genommerd.

Een exemplaar der courant of van het bijvoegsel, waarin de acte is opgenomen, wordt door Onzen Minister van Justitie aan ieder kantongeregt toegezonden en daar bewaard, ter kostelooze inzage voor de belanghebbenden.

leder kan de in het eerste lid van dit artikel bedoelde registers kosteloos inzien en daarvan te zijnen koste uittreksels bekomen. (K. 23 v., 38 v.)

6. Alvorens de acte van oprigting eener coöperatieve vereeuiging en de veranderingen in de voorwaarden of verlenging der vereeni-ging, op de wijze voorgeschreven in het vorige artikel, zijn ingeschreven en openbaar gemaakt, geldt een en ander tegen derden niet. Zoolang de acte van oprigting niet is ingeschreven of niet is openbaar gemaakt, zijn de bestuurders persoonlijk en ieder voor het geheel verantwoordelijk voor de handelingen, ten name der vereeniging, door hen of op hun last verrigt.

Eerst na inschrijving en openbaarmaking der akte van oprigting treedt de vereeniging als regtspersoon op. (Wet van 22 April 1855, S. 32, 5 v.; B.W. 1690 v.)

In geval van verschil tusschen het ingeschrevene en het in de Staatscourant bekend gemaakte geldt tegen derden alleen het laatste. (K. 29, 39.)

7. De acte van oprigting bevat op straffe van nietigheid: (K. 26.)

1quot;. den naam der vereeniging, in overeenstemming met art. 3, en

der gemeente waar zij gevestigd is;

2quot;. het voorwerp harer onderneming;

3quot;. eene voldoende aanwijzing van naam en woonplaats der op-rigters;

■lquot;. de bepaling in welke mate de leden persoonlijk aansprakelijk zijn voor de verbindtenissen der vereeniging;

5°. de regeling van het bestuur der vereeniging en van het toe-zigt op zijne handelingen;

(iquot;. den tijd waarvoor de vereeniging is aangegaan, welke echter in geen geval langer mag zijn dan dertig jaren, behoudens hare verlenging tolken reize na het verloop van dien tijd;

7quot;. den dag van aanvang van het dienstjaar;

Su. de voorwaarden van in- en uittreding der leden;

9°. aanwijzing, voor elders wonende leden, van een gekozen domicilie binnen de gemeente, waar de vereeniging haren zetel vestigt. (B.W. 81.)

8. Voorzoo verre bij de akte niet anders is bepaald:

lü. wordt het bestuur uit de leden gekozen;

2quot;. is het lidmaatschap persoonlijk.

9. Het bestuur en de commissarissen, zoo zij er zijn, worden door de leden gekozen.

8*

-ocr page 146-

WET COÖPERATIEVE VEREENIGINGEN.

Him last is ten allen tijde herroepelijk, ook indien zij voor een bepaalden tijd zijn aangesteld.

Het bestuur vertegenwoordigt de vereeniging in en buiten regten.

Afwijking bij de statuten van liet bij dit artikel bepaalde is niet geoorloofd. (K. 44; A. 14.)

10. Op schriftelijk verzoek van minstens een vijfde der leden is het bestuur tot bijeenroeping eener algemeene vergadering verpligt.

Indien aan dit verzoek binnen veertien dagen geen gevolg wordt gegeven, kunnen zij zeiven tot die bijeenroeping overgaan.

De bevoegdheid, bij dit artikel toegekend, kan niet worden beperkt bij de statuten. (A. 14.)

11. In het kantoor der vereeniging, ter plaatse barer vestiging, wordt een door den kantonregter vooraf gekantteekend en gewaarmerkt ongezegeld register gehouden, behelzende:

1quot;. de statuten der vereeniging;

2U. eene voldoende aanwijzing van naam en woonplaats der leden, bestuurders en commissarissen, zoo die er zijn;

3quot;. het tijdstip van de toetreding tot en de uittreding of ontzetting uit het lidmaatschap der vereeniging;

4quot;. het bedrag der door ieder lid gestorte en der aan hen terugbetaalde gelden;

5°. de aanwijzing, voor elders wonende leden, van een gekozen domicilie binnen de gemeente, waar de vereeniging haren zetel vestigt. Bij gebreke van zoodanige aanwijzing, worden zij ten opzichte van derden geacht domicilie te hebben gekozen ten kantore der vereeniging. (B.W. 81.)

Dit register wordt dagelijks bijgehouden.

Ieder heeft, gedurende den tijd dat het kantoor geopend is, regt op kostelooze inzage van het register en kan daarvan voor zijne rekening afschrift of uittreksel bekomen.

12. De toetreding tot de vereeniging wordt ten aanzien van de leden en van derden alleen bewezen door de gedagteekende onder-teekening van het in art. 11 bedoelde register der vereeniging of door eene notariële acte in afschrift aan dat register gehecht.

13. De opzegging van het lidmaatschap wordt ten aanzien van de leden en van derden alleen bewezen door de inschrijving eener daartoe strekkende verklaring op den kant van het in art. 11 bedoelde register naast den naam van het uittredende lid of door eene notariële acte in afschrift aan het register gehecht.

Deze inschrijving wordt gedagteekend en door het uittredend lid en het bestuur onderteekend.

14. Bij weigering van het bestuur om tot de in het vorige artikel bedoelde inschrijving mede te werken, wordt de verklaring afgelegd ter griffie van het kantongeregt, in welks gebied het kantoor der vereeniging is gevestigd.

De griffier maakt daarvan proces-verbaal op.

-ocr page 147-

WET COÖPERATIEVE VEREENIOINGEN.

■en Binnen 24 uren zendt de griffier bij aaugeteekenden brief afschrift

van dit proces-verbaal aan het bestuur.

3n. Het bestuur is verpligt dat afschrift vast te hechten aan en daar-

iet van tevens onmiddellijk aanteekening te houden in het bij art. 11

bedoelde register.

is Het proces-verbaal en het afschrift zijn vrij van zegel- en registratie-

gt. regten.

•dt 15. Ontzetting van het lidmaatschap, in de gevallen en op de wijze

i bij de statuten bepaald, heeft geen gevolg vóór hare inschrijving in •kt het bij art. 11 bedoelde register, met inachtneming van het bij nquot;. 3

van dat artikel bepaalde.

ig, 16. Het bestuur doet op eene algemeene vergadering binnen de

ir- eerste zes maanden na afloop van hel dienstjaar rekening en verant

woording, onder overlegging van de noodige bescheiden. (K. 55.)

Na verloop van dien tijd kan ieder lid de aflegging der rekening in, en verantwoording onder ovei\'legging van de noodige bescheiden van

het bestuur in regten vorderen. (R.V. 771 v.)

it- De rekening en verantwoording wordt door het bestuur binnen

ééne maand na hare goedkeuring nedergelegd ter griffie van het g- kantongeregt, in welks gebied de zetel der vereeniging is gevestigd.

Ieder kan daarvan kosteloos inzage en ten zijnen koste afschrift ;n bekomen.

el Ontheffing van de bij dit artikel aan het bestuur opgelegde ver

in pligting is niet geoorloofd. (A. 14.)

sn De rekening en verantwoording, voorzien van het bewijs der goed

keuring, is vrij van zegel- en registratieregt. \')

17. (Afgeschaft bij art. 2 der Wet ter invoering van de Faillisse-»t mentswet, van 20 Jan. 1890, S. 9.)

0- 18. De vereeniging eindigt:

lu. door het verstrijken van den tijd, voor welken zij is aangegaan; le 2°. door hare ontbinding krachtens besluit der algemeene vergade-

r- ring;

ir 3°. door hare verklaring in staat van faillissement. (21; B.W. 1683

v.; K. 31, 40.)

e 19. Indien bij de geregtelijke of buitecgeregtelijke vereffening van

den boedel der vereeniging blijkt, dat hare goederen ontoereikend e zijn om aan hare verbindtenissen te voldoen, zijn zij, die bij de ont-

1- , binding leden waren, of in het jaar daaraan voorafgaande zijn uit

getreden, tot dekking van het tekort, en wel, indien bij de statuten 1 niet anders is bepaald, voor gelijke deelen verpligt, met dien verstande, dat zij ook gezamenlijk voor de betaling van ieders aandeel 1 in den omslag borg blijven. De aansprakelijke personen zijn gehou-I den tot onmiddellijke betaling van hun aandeel in den omslag, ver-r __

1) Deze laatste alinea is aldus aan art. 16 toegevoegd volgens art. 2 der wet van 7 Mei 1878, Stsbl. no. 41.

117

-ocr page 148-

WET COÖPERATIEVE VEREENIGINGEN.

meerderd met vijftig ten honderd, of zooveel minder als de vereffenaar of curator voldoende acht, tot voorloopige dekking van een naderen omslag voor de kosten van invordering en voor het aandeel van hen, die in gebreke mogten blijven aan hunne verpligting te voldoen. (20; K. 32 v., 56.)

20. Indien de voordeden der vereeniging volgens de acte van op-rigting ongelijk tusschen de leden worden verdeeld, naar mate van het bedrag der inleggelden of eenigen anderen maatstaf, kan bij de acte van oprigting worden bepaald, dat de omslag van het tekort geheel of ten deele naar denzelfden maatstaf zal geschieden. (19; K. 33.)

In dat geval kan de aansprakelijkheid ook worden beperkt tot eene in verhouding tot den aangenomen maatstaf bepaalde som.

Bij toepassing dezer bepaling worden teruggaven van inleggelden in het jaar, aan de ontbinding voorafgaande, als niet geschied beschouwd.

21. In de gevallen, bij art. 18 voorzien, wordt de vereeniging geacht te blijven bestaan alleen voorzooverre als tot hare vereffening noodig is. (K. 32.)

Met de vereffening is in de gevallen, bedoeld bij nos. 1 en 2 van dat artikel, tenzij de statuten anders bepalen, het bestuur belast. (K. 56.)

22. Met eene geldboete van vijftig cents tot vijftig gulden worden gestraft de bestuurders;

1°. indien zij niet dagelijks het bij art. 11 bedoelde register b j-houden of weigerachtig zijn kosteloos inzage te geven van dat register, of daarvan tegen betaling afschrift of uittreksel te geven;

118

2°. indien zij de rekening en verantwoording niet op het bij het derde lid van art. 16 bepaalde tijdstip ter griffie van het kanton-geregt, in welks gebied de zetel der vereeniging is gevestigd, hebben nedergelegd. 1)

1

Art. 22 aldus gewijzigd bij artt. 3d, 10 no. 37 en II der wet van 15 April 188G, Stsbl. no. G4.

-ocr page 149-

WET,

HOUDENDE BEPALINGEN OP DE FABKIEKS- EN HANDELSMERKEN.

(Vastgestelil den SOsten September 1893, Stsbl. no. 146, uitgegeven den lOden Oct. (I.ii.v.)

§ I. Van het Bureau en dc Hidpburcaux voor den industricelen eigendom.

Art. 1. Er is een Bureau voor den industrieelen eigendom voor het Rijk in Europa en zijne koloniën en bezittingen in andere we-relddeelen, tevens dienende tot centrale bewaarplaats, als bedoeld bij art. 12 der internationale overeenkomst tot bescherming van den industrieelen eigendom, den 20sten Maart 1883 te Parijs gesloten en goedgekeurd bij de wet van 23 April 1884 (Staatsblad no. 53).

Aan het hoofd van dit Bureau, dat te \'s Gravenhage is gevestigd, staat een Directeur. Deze en de aan hem ondergeschikte ambtenaren en bedienden, worden door Ons benoemd en ontslagen.

De verdere inrichting van dat Bureau wordt geregeld door het Hoofd van het Departement van Justitie, en de kosten daarvan worden gebracht op het hoofdstuk der Staatsbegrooting, genoemd Departement betreffende. (Min. Circ. 22 Nov. 1893.)

De gelden bij dit Bureau ontvangen op grond van deze wet of van de overeenkomst betreffende de internationale inschrijving van fabrieks- en handelsmerken, den 14den April 1891 te Madrid gesloten en goedgekeurd bij de wet van 12 December 1892 (Staatsblad no. 270), komen voor zoover zij niet aan het Internationale Bureau der Unie tot bescherming van den industrieelen eigendom te Bern moeten worden overgemaakt, ten bate van \'s Rijks schatkist. Zij worden door den Directeur verantwoord. (4, 7, 17, 20.)

2. Door Ons worden de Hulpbureaux voor den industrieelen eigendom, tevens hulpbewaarplaatsen, belast met de openbare mede-deeling van de fabrieks- en handelsmerken in de koloniën en bezittingen in andere werelddeelen, aangewezen, en de verdere werkzaamheden dezer Hulpbureaux, benevens de daarmede verband houdende verrichtingen van het in het eerste lid van art. 1 bedoeld Bureau voor den industrieelen eigendom, geregeld. (K.B. 9 Nov. 1893, Stsbl. nos. 159, 160, 161.)

-ocr page 150-

WET FABHIEKS- EN HANDELSMERKEN.

§ II. Inschrijving, internationale inschrijving, vernieuwing of vervallen van inschrijvingen en overgang van merken.

Art. 3. Het recht tot uitsluitend gebruik van een merk ter onderscheiding van iemands fabrieks- of handelswaren van die van anderen komt toe aan dengene, die het eerst tot omschreven doel van dat merk in het Rijk in Europa of in de koloniën of bezittingen in andere werelddeelen gebruik heeft gemaakt, doch alleen voor die soort van waren, waarvoor het door hem gebruikt is, en niet langer dan drie jaren na het laatste gebruik.

Behoudens bewijs van het tegendeel en het bepaalde bij het volgende lid wordt hij, die het eerst voldeed aan de voorschriften van art. 4 geacht de eerste gebruiker van het ingezonden merk te zijn.

Hij die binnen de termijnen, bepaald bij art. 4 der voormelde internationale overeenkomst van Parijs aan het Bureau voor den in-dustrieelen eigendom een merk heeft ingezonden, hetwelk hij met inachtneming van art. (i der evengenoemde overeenkomst in een der tot die overeenkomst toegetreden Staten regelmatig heeft gedeponeerd, wordt geacht van dat merk reeds bij den aanvang van den toepasselijken termijn in het Rijk in Europa gebruik te hebben gemaakt.

4. Ter verkrijging van de inschrijving van een merk zendt do belanghebbende aan het Bureau voor den industrieelen eigendom een voldoend cliché van dat merk, ter lengte en breedte van ten minste 1,5 en ten hoogste 10 centimeters en ter dikte van 2,4 centimeters, benevens twee onderteekende exemplaren eener duidelijke afbeelding en daarmede overeenstemmende nauwkeurige beschrijving van zijn merk. In deze beschrijving moeten tevens worden vermeld de soort van waren, waarvoor het merk bestemd is, en de woonplaats van den inzender. (5.)

De inzending kan ook geschieden door een schriftelijk daartoe gemachtigde. (5 al. 4.)

Het merk mag geene woorden of voorstellingen bevatten, in strijd met de openbare orde of de goede zeden. Het mag niet bevatten, zij het ook met eene geringe afwijking, een wapen van het Rijk, eene provincie, gemeente of eenig ander publiekrechtelijk lichaam. (9.)

Bij de inzending is voor elk merk een bedrag van tien gulden te voldoen, waarvan in geen geval teruggave geschiedt. (7, 14, lO.)

5. Het overeenkomstig het vorig artikel ingezonden merk wordt, behoudens het bepaalde bij art. 9, door het Bureau voor den industrieelen eigendom binnen drie dagen na den dag der ontvangst ingeschreven in het daartoe bestemde openbare register, waarvan het model door den Minister van Justitie wordt vastgesteld. (17, 18 sub 2°.)

De beide overgelegde exemplaren van de afbeelding en beschrijving worden gewaarmerkt met bijvoeging van de dagteekening en

120

-ocr page 151-

WET FABRIEKS- EN HANDELSMERKEN.

het uommer waaronder de inschrijving in het register plaats heeft. (7 al. 4.)

Een dier exemplaren wordt binnen drie dagen daarna aan den inzender teruggezonden.

Aan het andere exemplaar wordt in het geval, bedoeld in het tweede lid van art. 4, de volmacht gehecht. (10.)

6. Door de zorg van het Bureau voor den industrieelen eigendom worden in de Nedcrlandsche Staatscourant van den eersten dag van iedere maand de in art. 4 bedoelde beschrijvingen opgenomen, elke met een afdruk van het cliché, van de sedert de laatste openbaarmaking ingeschreven merken, met opgave van de soort van waren waarvoor zij bestemd zijn en van de woonplaatsen der inzenders.

Deze openbaarmakingen worden geplaatst in afzonderlijke bijlagen van de Staatscourant, die afzonderlijk algemeen verkrijgbaar worden gesteld.

Daarna wordt het cliché aan den inzender desverlangd teruggegeven.

7. De Nederlander en de vreemdeling binnen het Rijk in Europa wonende of daar zijne voornaamste inrichtingen van Nijverheid of handel hebbende, die zich de bescherming wil verzekeren van zijn ingevolge art. 4 ingezonden merk ook in andere Staten, toegetreden tot de voormelde overeenkomst van Madrid, zendt aan het Bureau voor den industrieelen eigendom nog drie exemplaren, waarvan een onderteekend, eener duidelijke afbeelding van dat merk en een cliché, beantwoordende aan de bij art. 4 gestelde eischen.

Het tweede lid van art. 4 is ten deze toepasselijk.

Genoemd Bureau bewaart het onderteekende exemplaar der afbeelding, hetwelk wordt gewaarmerkt, zorgt verder, indien of zoodra het merk overeenkomstig art. ö is ingeschreven, met inachtneming van de bestaande voorschriften, voor de onverwijlde aanvrage van inschrijving aan het Internationaal Bureau te Bern en deelt al hetgeen door laatstgenoemd Bureau betreffende het merk te zijner kennis wordt gebracht en voor den inzender van belang kan worden geacht, aan dezen mede. (8.)

Wordt het merk, ingevolge art. 4 ingezonden, niet overeenkomstig art. 5 ingeschreven, dan geeft het Bureau voor den industrieelen eigendom aan den inzender kennis, dat ook de aanvrage van inschrijving aan het Internationaal Bureau te Bern voorshands niet kan volgen.

Bij de inzending is voor elk merk een bedrag van vijf en vijftig gulden te voldoen, waarvan in geen geval teruggave geschiedt.

8. Door het Bureau voor den industrieelen eigendom wordt, behoudens het bepaalde bij art. 9, binnen drie dagen na de ontvangst van wege het Internationaal Bureau te Bern van de bekendmaking, voorgeschreven bij art. 3 der voormelde overeenkomst van Madrid.

121

-ocr page 152-

I

122 WET FABKIEKS- EN HANDELSMERKEN.

het merk, waarop die bekendmaking betrekking heeft, ingeschreven in het daartoe bestemde openbare register, waarvan het model door (]e den Minister van Justitie wordt vastgesteld. (9, 17). val

De ontvangen bekendmaking wordt gewaarmerkt met bijvoeging V01 van de dagteekening en het nommer waaronder de inschrijving in het register plaats heeft. (18 sub 3Ü.) al.f

Indien het internationaal ingeschreven merk overeenkomstig art. 7 (|0, aan het Bureau voor den industrieelen eigendom was ingezonden, eig geeft dit aan den inzender zoodra mogelijk bericht van de internationale inschrijving en een gedagteekend bewijs van de inschrijving in het eerste lid van dit artikel bedoeld. (18 sub 2U.)

Aan genoemd Bureau wordt het bijvoegsel tot het «Journal» van rec het Internationaal Bureau te Bern, waarin de aankondiging van de pJl; internationaal ingeschreven merken is opgenomen, algemeen verkrijg- scj, baar gesteld.

Telkens geschiedt van die verkrijgbaarstelling mededeeling in de Nederlandsche Staatscourant. (10.) vai

9. Indien het ingevolge art. 4 ingezonden merk of het bij art. 8 v0 bedoeld buitenlandsch merk geheel of in hoofdzaak overeenstemt we met dat, hetwelk voor dezelfde soort van waren ten name van een ( ander is ingeschreven of door een ander vroeger is ingezonden, of ^o indien het in strijd is met de bepaling van het voorlaatste lid van vei art. 4, kan het Bureau voor den industrieelen eigendom de insehrij-

ving weigeren, waarvan het schriftelijk kennis geeft binnen drie dagen na den dag der ontvangst van het merk aan den inzender, of jle binnen drie dagen na dien der ontvangst van de in art. 8 bedoelde v0 bekendmaking aan het Internationaal Bureau te Bern. c]i,

De inzender ingevolge art. 4 of de inzender van het bij art. 8 ijg bedoelde merk kan zich bij door hem of zijn gemachtigde onder-teekend verzoekschrift tot de arrondissements-rechtbank te \'s Gra-venhage wenden, ten einde de inschrijving worde bevolen. De in- ^ zender ingevolge art. 4 doet dit binnen ééne maand, die van het z|j bij art. 8 bedoelde merk binnen zes maanden na die kennisgeving. (14, lö sub 1°.) v(

10. Indien het overeenkomstig art. 5 ingeschreven merk of het z., overeenkomstig art. 8 ingeschreven buitenlandsch merk geheel of

in hoofdzaak overeenstemt met dat, waarop een ander voor dezelfde |a soort van waren recht heeft krachtens art. 3, kan deze zich, voor wat betreft een overeenkomstig art. 5 ingeschreven merk, binnen tl zes maanden na de bij art. (5 voorgeschreven openbaarmaking in de Staatscourant, en voor wat aangaat een overeenkomstig art. 8 in- Vl geschreven buitenlandsch merk binnen negen maanden na de daar „

aan het slot voorgeschreven mededeeling, bij door hem of zijn gemachtigde onderteekend verzoekschrift tot de arrondissements-recht- w bank te \'s Gi-avcnhagc wenden, ten einde de inschrijving worde nie- a] tig verklaard. (14.)

-ocr page 153-

WET FABRIEKS- EN HANDELSMERKEN.

Binnen hetzelfde tijdsverloop kan, indien het merk in strijd is met de bepaling van het voorlaatste lid van art. 4, door den Officier van Justitie bij de in het vorige lid genoemde rechtbank worden gevorderd, dat de inschrijving worde nietig verklaard.

11. Van elk in art. 9 of art. 10 bedoeld verzoek, en van elke in art. 10 bedoelde vordering van den Officier van Justitie, wordt dooiden Griffier binnen drie dagen aan het Bureau voor den industrieelen eigendom schriftelijk kennis gegeven.

12. De rechtbank beslist in raadkamer.

De beslissing op een verzoek krachtens art. ü gedaan, wordt niet gegeven dan nadat de verzoeker in de gelegenheid is gesteld om zijn recht op de inschrijving van het merk, en de Directeur van het Bureau voor den industrieelen eigendom om de weigering van inschrijving voor de rechtbank mondeling te verdedigen.

Do beslissing op een verzoek of eene vordering krachtens art. 10 gedaan, wordt niet gegeven dan na verhoor of behoorlijke oproeping van don inzender van het merk op den door de rechtbank bij eenvoudig appointement op het verzoek of de vordering bepaalden dag welke aan het Bureau voor den industrieelen eigendom door den Griffier schriftelijk wordt medegedeeld, en, indien het een overeenkomstig art. ö ingeschreven merk betreft, aan den inzender ten minste veertien dagen te voren wordt bekendgemaakt door beteekening van het verzoek of de vordering en het daarop gegeven appointement.

Geldt het een overeenkomstig art. 8 ingeschreven merk, dan geeft het Bureau voor den industrieelen eigendom van het verzoek of de vordering kennis aan het luïernationaal Bureau te Bern en deelt aan dit Bureau zoodra mogelijk den door de rechtbank voor het verhoor bepaalden dag mede, en wel ten minste eene maand of drie maanden te voren, naar gelang de inzender in of buiten Europa woont.

Bij het verhoor kan de verzoeker, en in het geval voorzien bij het tweede lid van art. 10 de Officier van Justitie de gronden, waarop zijn verzoek of zijne vordering berust, mondeling uiteenzetten.

Vóór het sluiten van een verhoor, als in dit artikel voorgeschreven, bepaalt de rechter den dag, waarop hij zijne beslissing geven zal. (15.)

13. Hooger beroep van de beslissing der rechtbank is niet toegelaten.

Binnen ééne maand na den dag der beslissing kan beroep in cassatie worden ingesteld. (16 sub lu.)

Het daartoe strekkend verzoekschrift wordt, indien het een ingevolge art. 4 ingezonden of een overeenkomstig art. 5 ingeschreven merk betreft, aan de belanghebbende wederpartij beteekend. (14.)

Indien het beroep strekt ten einde de inschrijving van een merk worde bevolen, wordt het Bureau voor den industrieelen eigendom als belanghebbende wederpartij beschouwd.

Van elk ander beroep in cassatie, hetwelk niet is ingesteld door

123

-ocr page 154-

WET FABRIEKS- EN HANDELSMERKEN.

het Bureau voor den industrieelen eigendom, wordt door den Griffier bij den Hoogen Raad binnen drie dagen aan dat Bureau schriftelijk kennis gegeven.

Geldt het beroep in cassatie een merk als bij art. 8 bedoeld, dan geeft het Bureau voor den industrieelen eigendom daarvan kennis aan het Internationaal Bureau te Bent.

14. Hij die geene woonplaats binnen het Rijk in Europa heeft, moet bij de inzending bij art. 4 of art. 7 bedoeld, en bij de indiening van een verzoekschrift volgens art. t), art. 10 of art. 13, woonplaats binnen het Rijk kiezen.

Alle exploten geschieden dan aan die gekozen woonplaats.

15. Van de beslissing der rechtbank wordt binnen drie dagen door den Griffier schriftelijk kennis gegeven aan het Bureau voor den industrieelen eigendom.

Gelijke kennisgeving geschiedt door den Griffier bij den Hoogen Raad van den uitslag van het beroep in cassatie.

Overeenkomstig de beslissing van de rechtbank, zoodra die in kracht van gewijsde is gegaan, of van den Hoogen Raad, indien deze de hoofdzaak heeft beslist, wordt door genoemd Bureau het merk ingeschreven of vat, de nietigverklaring der inschrijving aa i-teekening gedaan in de daartoe bestemde kolom van het openbaar register, waarin het merk werd ingeschreven.

De inschrijving wordt alsdan geacht te zijn geschied op den dag der inzending of der ontvangst van de in art. 8 bedoelde bekendmaking.

Genoemd Bureau deelt de in dit artikel voorgeschreven kennisgevingen, voor zoover zij betreffen een merk als bij art. 8 bedoeld, mede aan het Internationaal Bureau te Bern zoodra de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.

16. Door de zorg van het Bureau voor den industrieelen eigendom wordt aankondiging gedaan van:

1quot;. de weigering van inschrijving van een merk overeenkomstig art. 8, zoodra de termijn, voorgeschreven in het tweede lid van art. 9 is verloopen zonder dat een verzoekschrift als daar bedoeld is ingediend, of zoodra de afwijzende beslissing op zoodanig verzoekschrift in kracht van gewijsde is gegaan;

2°. de nietigverklaring der inschrijving van een merk waarvan hetzij de beschrijving reeds werd openbaar gemaakt in de Ncderkmdsche Staatscourant, hetzij de aankondiging van internationale inschrijving reeds werd opgenomen in het bijvoegsel tot het «Journal» van het Internationaal Bureau te Bern;

3°. het vervallen van de kracht eener inschrijving om eene der redenen in art. 18, nos. 1 of 3 genoemd;

4°. den overgang van een overeenkomstig art. 5 ingeschreven merk, die overeenkomstig art. 20 is aangeteekend.

De aankondigingen, voorgeschreven in dit artikel, worden geplaatst

124

-ocr page 155-

WET FABRIEKS- EN HANDELSMERKEN.

in de in het tweede lid van art. 6 bedoelde afzonderlijke bijlagen van de Nederlandschc Staatscourant.

17. De bij de artt. 5 en 8 bedoelde openbare registers liggen voor ieder kosteloos ter inzage in de lokalen van het Bureau voor den industrieelen eigendom.

Ieder kan daarvan voor zijne rekening uittreksel o£ afsehrift bekomen, waarvan de kosten worden berekend op den voet van art.

11 van het tarief van jnstitiekosten en salarissen in burgerlijke zaken.

Tegen betaling van vijftig cents, desverkiezende in postzegels van Nederland, van Nederlandsch-Indië, van Suriname, van Ouraqao of vau een der andere Staten, toegetreden tot de voormelde overeenkomst van Parijs, kan ieder eene schriftelijke inlichting van genoemd Bureau bekomen.

18. De kracht eener inschrijving vervalt: (lö sub 3quot;., 21.)

lu. door doorhaling op verzoek van dengene, te wiens name de

inschrijving is gesteld of de overgang ingevolge art. 20 is aange-teekend;

2U. door verloop van twintig jaren na den dag, waarop de inschrijving overeenkomstig art. 5 of art. 8 is gesclüed, indien deze niet vóór het verstrijken van dien termijn is vernieuwd of indien de vernieuwing niet binnen gelijken termijn is herhaald; (19, 22.)

3U. door het vervallen van de kracht of het weigeren der inschrij- !\'si (

ving in het land van oorsprong.

Het vervallen van de kracht der inschrijving om eene der redenen in nos. 1 of 3 genoemd, wordt, met vermelding van die reden, aan-geteekend in de daartoe bestemde kolom van het openbare i-egister,

waarin het merk werd ingeschreven.

19. De inschrijving van een merk wordt vernieuwd indien de rechthebbende vóór het einde van den in het vorige artikel onder nommer 2 gestelden termijn dezelfde formaliteiten vervuld heeft als voor de eerste inzending bij art. 4 zijn vastgesteld.

De overgelegde exemplaren, bedoeld bij het eerste lid van art. -1,

worden gewaarmerkt met bij voeging van de dagteekening der ver- :. ! \'■

nieuwde inschrijving.

De vernieuwde inschrijving geschiedt door het Bureau voor den industrieelen eigendom door invulling van de dagteekening in de daartoe bestemde kolom van het openbaar register, waarin het merk werd ingeschreven. , , ,

Na de vernieuwde inschrijving van een merk, ingeschreven overeenkomstig art. 5, wordt aan den rechthebbende binnen drie dagen teruggegeven een der in het tweede lid van dit artikel bedoelde exemplaren.

Het vierde lid van art. 5 en art. 6 zijn verder ten deze toepasse-

Ten aanzien van een merk, ingezonden tot vernieuwde inschrijving

125

1H

li

illi

i 11

iip

il

-ocr page 156-

WET FABRIEKS- EN HANDELSMERKEN.

met inachtneming van de bij art. 7 vastgestelde formaliteiten, geldt het derde lid van dat artikel.

De vernieuwde inschrijving van een overeenkomstig art. 8 ingeschreven merk heeft niet jilaats vóór de ontvangst van wege het Internationaal Bureau te Bern van de bij dat artikel bedoelde bekendmaking.

Deze bekendmaking wordt gewaarmerkt met bijvoeging van de dagteekening, waaronder de vernieuwde inschrijving in het register ) plaats heeft.

Van de vernieuwde inschrijving hier te lande van een opnieuw internationaal ingeschreven merk, dat overeenkomstig art. 7 aan het Bureau voor den industrieelen eigendom was ingezonden, wordt aan den rechthebbende binnen drie dagen een gedagteekend bewijs afgegeven.

20. De overgang aan een ander van een merk, overeenkomstig art. 5 ingeschreven, wordt alleen aangeteekend indien tevens de fabriek of handelsinrichting, tot onderscheiding van welker waren het ; merk bestemd is, aan denzelfden persoon is overgegaan. (21.)

Het bewijs van dit laatste wordt geleverd door overlegging van een gewaarmerkt uittreksel van de betrekkelijke akte aan het Bureau \' voor den industrieelen eigendom.

De overgang wordt aangeteekend aan den kant van de inschrijving, voor wat betreft merken overeenkomstig art. 5 ingeschrevei, op schriftelijk verzoek van partijen, voor wat betreft merken ovef-eenkomstig art. 8 ingeschreven, nadat van het Internationaal Bureau te Bern bericht van den overgang zal zijn ontvangen.

Voor kosten van aanteekening van den overgang van een merk, overeenkomstig art. 5 ingeschreven, is een bedrag van vijf gulden verschuldigd, bij het verzoek tot die aanteekening te voldoen.

21. Van het vervallen van de kracht der inschrijving, gelijk mede van den overgang, van een internationaal ingeschreven merk, dat overeenkomstig art. 7 aan het Bureau voor den industrieelen eigendom was ingezonden, geeft dit onverwijld kennis aan het Internationaal Bureau te Kern.

§ III. Overgangs- en slotbepalingen.

Art. 22. De merken, die op het tijdstip van het in werking treden dezer wet reeds overeenkomstig de voorschriften der wet van 0 25 Mei 1880 (Staatsblad no. 85), zooals die gewijzigd is bij de wet van 22 Juli 1885 (Staatsblad no. 140), zijn ingeschreven, genieten dezelfde bescherming als waren zij overeenkomstig deze wet ingeschreven. De twintig jaren, bedoeld in art. 18, 2°., beginnen voor die merken te loopen van den dag, waarop de inschrijving ingevolge eerstgenoemde wet geschiedde.

126

-ocr page 157-

WET FABRIEKS- EN HANDELSMERKEN.

Voor de toepassing van art. 7 dezer wet worden die merken geacht overeenkomstig art. 4 te zijn ingezonden, en kan het daar ge-eisehte cliché worden vervangen door eene onderteekende Franschc vertaling van de beschrijving, welke werd ingezonden ingevolge art. 1 der eerstgenoemde wet.

23. Een merk, op het tijdstip van het in werking treden dezer wet reeds door den Griffier eener rechtbank aangeteekend, wordt, op schriftelijke aanvrage van den inzender, door het Bureau voor den iudustrieelen eigendom onverwijld ingeschreven in het in art. 5 bedoelde openbare register, behoudens het bepaalde bij art. 9.

Op zoodanig merk zijn toepasselijk art. 5, tweede en derde lid, art. 6, eerste en tweede lid, en de verdere artikelen dezer wet, mot dien verstande echter dat:

lü. wat art. (5 betreft, alleen dan in de openbaarmaking de afbeelding van het merk wordt opgenomen, indien bij de aanvrage om inschrijving een cliché is overgelegd, beantwoordende aan de bij art. 4 gestelde eischen, welk cliché na gemaakt gebruik aan den inzender desverlangd wordt teruggegeven;

2°. wat art. 7 betreft, het merk geacht wordt overeenkomstig art. 4 te zijn ingezonden en het daar geëischte cliché kan worden vervangen door eene onderteekende Franschc vertaling van de beschrijving, welke werd ingezonden ingevolge art. 1 der wet van 25 Mei 1880 (Staatsblad no. 85), gewijzigd bij de wet van 22 Juli 1885 (StaalMad no. 140);

3°. weigering van inschrijving niet geoorloofd, en een verzoek of eene vordering tot nietigverklaring van de inschrijving niet ontvankelijk is., indien op voormeld tijdstip reeds zes maanden zijn verloopen sedert de openbaarmaking in de Staatscourant, voorgeschreven bij art. 2 der evengenoemde wet;

4U. de termijn van zes maanden, in art. 10 gesteld, met zoovele maanden wordt verkort als er op voormeld tijdstip reeds verloopen waren sedert de openbaarmaking in de Staatscourant, voorgeschreven bij art. 2 der evengenoemde wet;

5°. verzoeken of vorderingen als bedoeld bij art. 3 der evengenoemde wet, die op voormeld tijdstip reeds mochten zijn aanhangig gemaakt bij eenige rechtbank of bij den Hoogen Kaad, door dat college met inachtneming van de artikelen 11 tot en met 15 dezer wet worden behandeld en afgedaan als strekten zij tot nietigverklaring van de inschrijving.

24. Op het tijdstip van het in werking treden dezer wet worden alle registers en verdere bescheiden betreffende fabrieks- en handelsmerken van de griffiën der rechtbanken, waar zij berusten, overgebracht naar de lokalen van het Bureau voor den industrieelen eigendom.

25. Deze wet is niet van toepassing op merken, die van overheidswege zijn vastgesteld.

127

-ocr page 158-

WET FABBIEKS- EN HANDELSMERKEN.

128

26. Met het in werking treden dezer wet vervalt de wet van den 25sten Mei 1880 (Staatsblad no. 85), zooals die is gewijzigd bij de wet van den 22sten Juli 1885 (Staatsblad no. 140).

27. Deze wet treedt iu werking op een door Ons te bepalen dag. gt;)

1) Bij K.B. van 27 Oct. 1893, Stsbl. no. 156, is deze dag bepaald op 1 December 1893.

-ocr page 159-

WET,

HOUDENDE BEPALINGEN TOT REGELING VAN HET AUTEURSRECHT.

(Vastgesteld den 28sten Juni 1881, Stsbl. no. 124, uitgegeven den llden Juli d.a.v. Gewijzigd bij de wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64.)

§ 1. Begrip en omvang van het auteursrecht

Art. 1. Het recht om geschriften, plaat-, kaart-, muziek-, too-neelwerken en mondelinge voordrachten door den druk gemeen te maken, alsmede om dramatisch-muzikale werken en tooneelwerken in het openbaar uit- of op te voeren, komt uitsluitend den auteur en zijnen rechtverkrijgenden toe.

Met eene uit- of opvoering in het openbaar wordt gelijk gesteld elke uit- of opvoering, die tegen betaling, voor eens of voor meermalen, toegankelijk is, zelfs dan wanneer bovendien een ballotage gevorderd wordt.

2. Met auteurs worden gelijk gesteld;

a. ondernemers van in art. 1 vermelde werken, gevormd door bijdragen van onderscheidene mede-arbeiders;

b. openbare instellingen, vereenigingen, stichtingen en vennootschappen, ten opzichte van de door hen bezorgde werken;

c. vertalers ten opzichte van hunne vertaling.

Bij werken gevormd door bijdragen van onderscheidene medearbeiders behoudt bovendien ieder mede-arbeider het auteursrecht op de door hem geleverde bijdragen, voor zoover niet anders is bedongen.

Ten aanzien van de onder a en b van dit artikel vermelde rechthebbenden blijft het tweede lid van art. 13 buiten toepassing.

3. Bij werken, zonder naam van auteur of onder een verdichten naam door den druk gemeen gemaakt, wordt de uitgever en, zoo ook diens naam niet op het titelblad of bij gebreke daarvan op den omslag vermeld is, de drukker als auteur aangemerkt, totdat een ander zich als rechthebbende heeft doen kennen op den voet in de artikelen 10 en 11 bepaald, met uitzondering van den in art. 10 gestelden termijn van inzending.

4. Behalve in de door Ons te bepalen gevallen bestaat er geen auteursrecht van wetten, besluiten, verordeningen en van hetgeen

STVV. II. 9

-ocr page 160-

WET OP HET AUTEURSRECHT.

verder in woord of schrift, door of van wege eenige openbare macht ter algemeene kennis gebracht is.

5. Tot het recht van den auteur behoort het uitsluitend recht om door den druk gemeen te maken vertalingen van:

а. zijne niet door den druk gemeen gemaakte werken, daaronder begrepen zijne mondelinge voordrachten; (16 sub 1°.)

6. zijne door den druk gemeen gemaakte werken, indien hij zich bij de oorspronkelijke uitgave, op het titelblad of bij gebreke daarvan op den omslag van het werk, dit uitsluitend recht voor een of meer bepaald genoemde talen uitdrukkeliik voorbehoudt, en zijne vertaling binnen drie jaren na de oorspronkelijke uitgave door den druk heeft gemeen gemaakt. (16 sub 2°.)

Bij werken, die uit onderscheidene deelen of afleveringen bestaan, wordt deze termijn voor elk deel of elke aflevering afzonderlijk berekend. (17.)

б. Bij gelijktijdige uitgave van hetzelfde werk in onderscheidene talen wordt slechts eéne uitgave als de oorspronkelijke aangemerkt en gelden de overige als vertalingen.

\' De auteur is bevoegd op het titelblad of bij gebreke daarvan op den omslag aan te wijzen, welke uitgave hij als de oorspronkelijke beschouwt.

Bij gebreke van zoodanige aanwijzing wordt de uitgave in de moedertaal des auteurs als de oorspronkelijke aangemerkt.

7. Het auteursrecht van door den druk gemeen gemaakte werken belet niet, dat daaruit ter aankondiging of beoordeeling, aanhalingen in andere werken worden opgenomen.

Mits de bron genoemd worde, staat het vrij, berichten of opstellen uit dag- en weekbladen verder door den druk gemeen te maken, tenzij het auteursrecht aan het hoofd van zoodanig bericht of opstel uitdrukkelijk is voorbehouden en voorts gehandeld wordt overeenkomstig art. 10.

8. Het auteursrecht van mondelinge voordrachten belet niet dat verslag gegeven worde van hetgeen in eene openbare bijeenkomst verhandeld is.

9. Het auteursrecht wordt beschouwd als eene roerende zaak.

Het is vatbaar voor geheele of gedeeltelijke overdracht en gaat

over bij erfopvolging.

Het is niet vatbaar voor beslag.

§ 2. Voorwaarden tot uitoefening van het auteursrecht oj:

door den druk gemeen gemaakte werken.

Art. 10. Het auteursrecht op een door den druk gemeen gemaakt werk vervalt zoo niet de auteur, uitgever of drukker twee exemplaren van dat werk, op het titelblad of bij gebreke daarvan op den omslag eigenhandig onderteekend, met opgaaf van zijne woonplaats

130

-ocr page 161-

WET OP HET AUTEURSRECHT. 131

en van het tijdstip der uitgave, binnen eene maand na de uitgave inzendt bij het Departement van Justitie, voor zooveel vertalingen betreft met inachtneming van den in art. 56 gestelden termijn.

Bij de inzending moet worden overgelegd een door den drukker onderteekende verklaring, dat het werk op zijne in het Rijk gevestigde drukkerij is gedrukt. (7, 25, 28.)

11. Het Departement van Justitie geeft aan de inzenders een ge-dagteekend bewiis van ontvangst af. (13.)

Van deze bewijzen wordt aan het Departement een dubbel gehouden in een register, waarvan ieder kosteloos inzage en voor zijne rekening uittreksel of afschrift kan ontvangen. _ ■

Van de ingezonden werken en vertalingen wordt maandelijks eene opgave gedaan in de Nederlandsche Staatscourant. (26.)

12. De uitsluitende bevoegdheid om dramatisch-muzikale werken of tooneelwerken uit- of op te voeren, gaat verloren zoodra die werken door den druk zijn gemeen gemaakt, tenzij de auteur bij de oorspronkelijke uitgave, op het titelblad of bij gebreke daarvan op den omslag van het werk, zich die bevoegdheid uitdrukkelijk voorbehoudt. (15.)

§ 3. Duur van het auteursrecht.

Art. 13. Het auteursrecht van door den druk gemeen gemaakte werken duurt vijftig jaren na de eerste uitgave, te rekenen van de dagteekening van het bewijs van ontvangst, vermeld in art. 11.

Indien de auteur dezen termijn overleeft, en zijn recht nooit aan een ander heeft overgedragen, behoudt hij dat recht levenslang. (1, 2 al. 3.)

14. Het auteursrecht van niet door den druk gemeen gemaakte werken, mondelinge voordrachten daaronder begrepen, duurt tijdens het leven van den auteur en dertig jaren na zijn dood.

15. De uitsluitende bevoegdheid om dramatisch-muzikale werken of tooneelwerken uit- of op te voeren duurt:

lquot;. voor niet door den druk gemeen gemaakte werken tijdens het leven van den auteur en dertig jaren na zijn dood;

2quot;. voor door den druk gemeen gemaakte werken, waarbij die uitsluitende bevoegdheid werd voorbehouden, gedurende tien jaren sedert de dagteekening van het in art. 11 vermelde bewijs van ontvangst. (12.)

16. De uitsluitende bevoegdheid tot het door den druk gemeen maken van vertalingen duurt:

1quot;. voor niet door den druk gemeen gemaakte werken, mondelinge voordrachten daaronder begrepen, zoolang daarop auteursrecht bestaat; (5a.)

2quot;. voor door den druk gemeen gemaakte werken gedurende vijf jaren sedert de dagteekening van het in art. 11 vermelde bewijs van ontvangst. (56.)

li

. i

17. Bij werken, die uit onderscheidene dealen of afleveringen

li

9*

-ocr page 162-

132 WET OP HET AUTEURSRECHT.

bestaan, wordt de duur van het auteursrecht voor elk deel of elke aflevering afzonderlijk berekend. (5b.)

§ 4. Handhaving van hei auteursrecht.

Art. 18. Onverminderd de burgerlijke rechtsvordering, voortvloeiende uit elke inbreuk op het auteursrecht, wordt hij die opzettelijk inbreuk maakt op eens anders auteursrecht, gestraft met geldboete van ten minste vijftig cents en ten hoogste twee duizend gulden.

De door middel van het misdrijf verkregen exemplaren, alsmede de den schuldige toebehoorende platen, vormen en matrijzen, die tot het plegen van het misdrijf gediend hebben, worden ten behoeve van den Staat verbeurd verklaard. \') (28.)

19. Hij die een werk, waardoor hij weet dat inbreuk gemaakt wordt op eens anders auteursrecht, verspreidt of openlijk te koop stelt, wordt gestraft met geldboete van ten minste vijftig cents eu ten hoogste zes honderd gulden.

De door middel van inbreuk op het auteursrecht verkregen exemplaren worden ten behoeve van don Staat verbeurd verklaard.1) (28.)

20. De misdrijven in de artt. 18 en 19 bedoeld, worden niet vervolgd dan op klachte van hem, tegen wien zij gepleegd zijn. 1) (28.)

21. De ingevolge de artt. 18 en 19 (art. 349bis en ter Wetfc. v. Strafr.) verbeurd verklaarde exemplaren worden aan den auteur of zijne rechtverkrijgenden afgegeven, indien deze zich daartoe ter griffie aanmelden binnen acht dagen nadat het vonnis in kracht vau gewijsde is gegaan. Bij gebreke daarvan worden deze exemplaren vernietigd.

Heeft de rechter te beslissen over eene burgerlijke rechtsvordering tot schadevergoeding, zoo brengt hij daarbij de waarde der aan den rechthebbende afgegeven exemplaren zooveel mogelijk in rekening. 1)

22. Auteurs of hunne rechtverkrijgenden kunnen in beslag nemen en afgifte of vernietiging vorderen van exemplaren, die in strijd met hun uitsluitend recht door den druk zijn gemeen gemaakt.

Dit beslag kan niet worden gelegd op enkele exemplaren, onder personen berustende, die in zoodanige voorwerpen geen handel drijven en deze tot eigen gebruik hebben verkregen.

De artt. 722 tot en met 726 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn op dit beslag van toepassing. (28.)

23. Bij opheffing van het beslag kan de arrestant worden veroordeeld tot vergoeding van kosten, schaden en interessen.

gt;! it

1

Voor het llijk in Europa zijn de artt. 18—20 afgeschaft bij art. 3lt;l der wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64, en vervangen door artt. 349 bis—qiiatey Wetb. v. Strafrecht. Of art. 21 voor het Rijk in Europa nog geldt, wordt betwist, in verband met art. 35 Wetb. v. Strafrecht.

-ocr page 163-

WET OP HET AUTEURSRECHT. 133

§ 5. Ocerganysbepalingen.

Art. 24. Kopijrecht of eenig ander recht van dezen aard verkregen onder eene vroegere wetgeving blijft gehandhaafd, mits de gerechtigde, binnen één jaar na het in werking treden dezer wet, daaromtrent eene verklaring inzendt bij het Departement van Justitie.

De artt. 18—23 dezer wet zijn op dat recht van toepassing.

25. Geen auteursrecht op een vóór het in werking treden dezer wet door den druk gemeen gemaakt werk, dat volgens de vroegere wetgeving niet voor recht van kopij vatbaar was of omtrent hetwelk de destijds vereischte formaliteiten niet behoorlijk zijn in acht genomen, kan worden uitgeoefend, tenzij de auteur, uitgever of drukker binnen één jaar na het in werking treden dezer wet twee exemplaren, op het titelblad of bij gebreke daarvan op den omslag eigenhandig onderteekend, inzendt bij het Departement van Justitie, met opgaaf van zijne woonplaats en van het tijdstip der oorspronkelijke uitgave. (10, 28.)

Dit tijdstip strekt tot aanvangspunt bij de berekening van den duur van het auteursrecht, behoudens tegenbewijs.

Het in dit artikel bedoelde auteursrecht kan niet worden ingeroepen tegen werken, die reeds vóór het in werking treden dezer wet zijn aangevangen of voltooid en destijds geoorloofd waren.

26. Het Departement van Justitie geeft aan de in de artt. 24 en 25 bedoelde inzenders een gedagteekend bewijs van ontvangst af.

Van deze bewijzen wordt aan het Departement een dubbel gehouden in een register, waarvan ieder kosteloos inzage en voor zijne rekening uittreksel of afschrift kan ontvangen.

Van de ingezonden verklaringen en werken wordt maandelijks eene opgave gedaan in de Ncderlancliche- Staatscourant, met vermelding van het door den inzender opgegeven tijdstip der oorspronkelijke uitgave van de ingezonden werken. (11.)

§ 6. Slotbepalingen.

Art. 27. Deze wet is van toepassing op in Nederland of in Ne-derlandsch Indië gedrukte en door den druk gemeen gemaakte werken, op niet door den druk gemeen gemaakte werken afkomstig van in Nederland of in Nederlandsch Indië woonachtige auteurs, daaronder begrepen in Nederland of in Nederlandsch Indië gehouden mondelinge voordrachten.

28. Deze wet is ook verbindend voor Nederlandsch Indië.

De aldaar door den druk gemeen gemaakte werken behooren te worden ingezonden aan den directeur van justitie, door wiens zorg daarvan opgaaf gedaan wordt in de Javasche Courant, en op wien verder de verplichtingen rusten, bij deze wet aan het Departement van Justitie opgedragen.

-ocr page 164-

WET OP HET AUTEURSRECHT.

De Ncdcrlandsche Staatscourant en de Javasche Courant nemen wederkeerig de opgaven zoo spoedig mogelijk van elkander over.

In het geval, bedoeld in art. 22, zijn voor Nederlandsch Indië van toepassing de gelijksoortige bepalingen van de aldaar geldende reglementen, met inachtneming van het verschil dat bestaat tusschen de wetgeving voor de Europeanen en met deze gelijk gestelden en die voor de inlanders en met deze gelijk gestelden.

Geen auteursrecht op een vóór het in werking treden dezer wet in Nederlandsch Indië door den druk gemeen gemaakt werk kan worden uitgeoefend, tenzij ten opzichte van dat werk gehandeld wordt overeenkomstig art. 25.

29. Alle vroegere wettelijke bepalingen betreffende het recht van kopij, van vertaling, van uit- en opvoering zijn ingetrokken.

30. Deze wet treedt in werking den Isten Januari 1882.

134

-ocr page 165-

WET,

REGELENDE DE BENOEMBAARHEID VAN VREEMDELINGEN TOT LANDSBEDIENINGEN.

(Vastgesteld den 4den Juni 1858, Stsbl. no. 46, uitgegeven den 12den Juni d.a.v.)

Wu WILLEM III, enz.

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat, volgens het 2de lid van art 6 (5) der Grondwet, het wensehelijk is bepalingen vast te stellen omtrent de benoembaarheid van vreemdelingen tot landsbedieningen, hetzij burgerlijke, hetzij militaire;

Zoo is het, dat Wij, enz.

Art. 1. Vreemdelingen zijn benoembaar tot de landsbedieningen van: (G. 5 al. 2.)

a. consul-generaal, consul en consulair agent;

b. kanselier, tolk en bediende bij de gezantschappen, consulaten-generaal en consulaten;

c. hoofd van, hoogleeraar, leeraar of beambte bij Rijks-instellingen van onderwijs, kunst of wetenschap;

d. ambtenaar bij de dienst der Rijkstelegrafen;

c. ambtenaar bij de stoomwerktuigen tot Rijkswerken behoorende;

ƒ. ambtenaar bij het mijnwezen;

g. directeur en commissaris van \'s Rijks entrepots;

h. wapen-controleur bij de inspectie der draagbare wapenen;

i. stempelsnijder bij \'s Rijks munt en bij het algemeen zegelkantoor;

k. graveur bij de departementen van algemeen bestuur. \')

2. Vreemdelingen, die bij de zee- of landmagt van den Staat in dienst zijn of geweest zijn, kunnen na twaalfjarige werkelijke dienst, mits eervol daaruit ontslagen, benoemd worden tot de bediening van commies, schipper of sloeproeijer bij de belastingen, fortwachter, poortier of boomsluiter in vestingen, tolgaarder, sluiswachter, geëm-

1) Door de wet van 11 Juli 1882, Stsbl. no. 87 is dit artikel tijdelijk tot 1 Januari 1890 aangevuld met een zinsnede: l. Officier van gezondheid der 2de klasse bij de zeemagt.

-ocr page 166-

WET BENOEMBAARHEID VREEMDELINGKK.

ploijeerde in militaire zieken-inrigtingen, in de magazijnen van kleeding, uitrusting en kampements-effecten, in die voor de geneesmiddelen en in de militaire bakkerijen.

3. Vreemdelingen, die op het tijdstip, dat deze wet in werking treedt, reeds in burgerlijke landsbedieningen zijn geplaatst, kunnen insgelijks tot de in art. 2 opgenoemde bedieningen worden benoemd.

4. Vreemdelingen, vóór het in werking treden dezer wet benoemd tot andere landsbedieningen dan in art. 1 vermeld, kunnen in deze bedieningen worden behouden, doch bekomen geene bevordering in de landsdienst dau na te zijn genaturaliseerd volgens de wet. (ö. 5 al. 1, 6; Wet 12 Dec. 1892, S. 2G8.)

136

-ocr page 167-

lee-iid-

WET,

REGELENDE HET GENEESKUNDIG STAATSTOEZIGT.

(Vastgesteld den Isten Juni 1865, Stsbl. no. 58, uitgegeven den 2den Juni d.a.v. Gewijzigd bij de wetten van 16 April 1867, Stsbl. no. 28, 15 April 1886, Stsbl. no. 64 en 15 April 1891, Stsbl. no. 81.)

§ 1. Algemeene bepalingen.

Art. 1. Het geneeskundig Staatstoezigt omvat:

o. het onderzoek naar den staat der volksgezondheid en, waar noodig, de aanwijzing en bevordering van middelen ter verbetering;

b. de handhaving der wetten en verordeningen in het belang der volksgezondheid vastgesteld.

2. Het is, onder Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, opgedragen aan;

n. inspecteurs en adjunct-inspecteurs; (9v.)

b. geneeskundige raden. (11, 21 v.)

Des noods worden voor eenig onderdeel van het geneeskundig Staatstoezigt tijdelijk of voortdurend bijzondere inspecteurs door Ons aangesteld.

3. De ambtenaren, genoemd in art. 2«, de leden en de plaatsvervangende leden van de geneeskundige raden worden door Ons benoemd en ontslagen.

4. Bij de aanvaarding hunner betrekking leggen de geneeskundige ambtenaren in handen van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, de leden en plaatsvervangende leden der geneeskundige raden in handen van den geneeskundigen inspecteur, den volgenden eed (belofte) af:

»Ik zweer (beloof), dat ik de verpligtingen, verbonden aan de betrekking van inspecteur (adjunct-inspecteur, lid, plaatsvervangend lid van den geneeskundigen raad) naar behooren en getrouw vervul-• len zal.

Zoo waarlijk helpe mij God Almagtig!» (»Dit beloof ik.»)

mg aen rud. imd leze in r. 5

5. De geneeskundige ambtenaren, de leden en de plaatsvervangende leden van de geneeskundige raden, mits deze voorzien zijn van eene magtiging van den geneeskundigen inspecteur van den dienst-kring, zijn bevoegd, alle openbare gebouwen, scholen, gestichten van

|

-ocr page 168-

I

138 WET GENEESKUNDIG STAATSTOEZIGT.

liefdadigheid, slaapsteden en fabrieken of andere werkplaatsen, kazernen en gevangenissen binnen te treden, ten einde zich zooveel mogelijk bekend te maken met den toestand en de inrigting dier gebouwen in het belang der gezondheid. Die bevoegdheid kan echter niet idtgeoefend worden dan in bijzijn hetzij van den kantonregter, hetzij van het hoofd of een der leden van het gemeentebestuur of van een\' commissaris van politie, wanneer moet worden binnengetreden in de in het vorig lid bedoelde gebouwen of gedeelten van gebouwen, voor zooveel die niet openbaar zijn.

Van dit binnentreden en van de redenen, die daartoe geleid hebben, wordt door hem, die krachtens bovenstaande bepaling daarbij tegenwoordig is geweest, binnen tweemaal 24 uren proces-verbaal opgemaakt en aan den ingezeten, wiens woning is binnengetreden, in afschrift medegedeeld. 1) (G. 158.)

6. De in het voorgaand artikel genoemde personen zijn bevoegd, van overtreding der wetten en algemeene, provinciale of plaatselijke verordeningen, ter bevordering der volksgezondheid vastgesteld, proces-verbaal op te maken. Zij zenden de processen-verbaal aan het openbaar ministerie. De adjunct-inspecteur, de leden en plaatsvervangende leden van den geneeskundigen raad zenden te gelijker tijd afschrift daarvan aan den inspecteur. (S.V. 8 sub 7U., 10.)

7. Onze Minister van Binnenlandsche Zaken roept ten minste éénmaal \'s jaars de inspecteurs, en zoover hij dit noodig oordeelt de adjunct-inspecteurs bijeen, ter overweging der aangelegenheden, aan het geneeskundig Staatstoezigt onderworpen.

Hij is bevoegd, andere deskundigen met raadgevende stem tot deelneming aan die bijeenkomsten uit te noodigen. (12.)

Hij is voorzitter in die bijeenkomsten. Bij afwezigheid wordt hij vervangen door dengene, dien hij daartoe aanwijst.

8. Hij geeft Ons jaarlijks een verslag, aan de Staten-Generaal mede te deelen, van de bevindingen en handelingen van het geneeskundig Staatstoezigt. Dit verslag wordt door den druk openbaar gemaakt. (19.)

§ 2. Van de geneeskundige ambtenaren.

Art. 9. De geneeskundige ambtenaren, in art. 2a genoemd, genieten eene vaste bezoldiging en vergoeding van bureau-, reis- en verblijfkosten uit \'s Lands kas.

Zij oefenen de geneeskunst of artsenijbereidkunst niet uit en be-kleeden zonder Onze toestemming geene andere bediening.

IJ Alinea 1 aldus gewijzigd bij de wet van 15 April 1891, S. 81, Eene derde alinea, hier weggelaten, is krachtens art. 3d der wet van 15 April 1886, S. 64 vervallen. Hierin wordt voorzien door art. 184 Wetb. v. Strafrecht. 1

-ocr page 169-

WET GENEESKUNDIG STAATSTOEZIGT.

10. Voor eiken van de door Ons aan te wijzen dienstkringen wordt een geneeskundige inspecteur aangesteld. 1)

Deze is, binnen dien kring, belast met de regeling van al de werkzaamheden, aan het geneeskundig Staatstoezigt verbonden.

Hij is lid en voorzitter van den geneeskundigen raad.

11. De geneeskundige raad, diens leden en plaatsvervangende leden en secretaris staan hem in de vervulling zijner taak bij.

De geneeskundige adjunct-inspecteurs, binnen zijnen kring aangesteld of tijdelijk werkzaam, zijn aan hem ondergeschikt.

12. Hij is bevoegd den geneeskundigen raad en commissiën van leden of plaatsvervangende leden uit dien raad ter behandeling van bepaalde onderwerpen bijeen te roepen, zoo dikwijls hij dit noodig oordeelt.

Hij is bevoegd andere deskundigen met raadgevende stem tot deelneming aan die bijeenkomsten uit te noodigen. (7.)

13. Hij benoemt zoo vele commissiën als hij noodig oordeelt, bestaande uit twee leden of plaatsvervangende leden van den geneeskundigen raad, één geneeskundige en één apotheker, aan welke wordt opgedragen het visiteren van de apotheken, van de winkels der drogisten en van den voorraad van geneesmiddelen en werktuigen, bestemd voor koopvaardijschepen. (Apoth.U. \'24 v.)

Deze commissiën zenden hem de verslagen van hare bevinding, de processen-verbaal door haar opgemaakt, en waar noodig, de afgekeurde geneesmiddelen, of werktuigen, met een advies omtrent de noodzakelijkheid en tijdsbepaling voor eene hervisitatie der onvoldoend bevonden apotheken.

Het onderzoek van de afgekeurde of verdachte geneesmiddelen, of werktuigen, en de hervisitatiën worden, op uitnoodiging van den inspecteur, verrigt door drie leden of plaatsvervangende leden van den geneeskundigen raad, één geneeskundige en twee apothekers, door den inspecteur hiertoe aangewezen.

De leveranciers van de geneesmiddelen, die onderzocht worden, mogen geen deel van eene commissie tot onderzoek van die geneesmiddelen uitmaken. (19, 24; K.B. 5 Nov. 1870, S. 174.)

14. De inspecteur deelt, met of zonder medewerking van den geneeskundigen raad, zijne opmerkingen en voorstellen mede aan Gedeputeerde Staten van de provincie of provinciën geheel of gedeeltelijk binnen zijnen dienstkring gelegen en aan burgemeester en wethouders van de in dien kring gelegen gemeenten. \'■)

Deze besturen treden wederkeerig met hem in overleg omtrent alles wat tot de volksgezondheid betrekking heeft.

139

Waar en zoover plaatselijke verordeningen zorg voor de volksgezondheid ten doel hebben, geven de gemeentebesturen kennis van

U De eerste alinea is aldus nader vastgesteld bij de wet van 15 April 1891, S. 81.

i

-ocr page 170-

WET GENEESKUNDIG STAATSTOEZIGT.

de genomen maatregelen aan den inspecteur. (H\\v. 4 sub 2°.; Begraaf, w. 8, 28, 29: Besm.Z. 29.)

15. De gemeentebesturen zenden hem maandelijks, en bi] meer dan gewone sterfte, op zijn verzoek, wekelijks, eene opgave der in hunne gemeenten overledenen, volgens een daartoe door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken voorgeschreven model.

Zij geven hem kennis van de vestiging, het vertrek, het overlijden en, zooveel hun bekend is, van het nederleggen der praktijk door eenen geneeskundige, eenen apotheker of eene vroedvrouw in hunne gemeente. (Gk.ü. 4.)

16. Bij het ontstaan van eene de volksgezondheid bedreigende of buitengewone sterfte veroorzakende ziekte, geeft de inspecteur hiervan berigt aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, aan Gedeputeerde Staten van de provincie of provinciën geheel of gedeeltelijk, binnen zijnen dienstkring gelegen en aan de geneeskundige inspecteurs der aangrenzende dienstkringen. 1)

Hij maakt zich persoonlijk bekend met den aard der ziekte en beraamt met de bevoegde autoriteiten en geneeskundigen de noodige maatregelen. (Besm.Z. 26.)

17. Hij viseert kosteloos de bewijzen van bevoegdheid van hen, die zich binnen zijnen kring als geneeskundige of apotheker, hulpapotheker of vroedvrouw vestigen. (Gk.U. 4; Apoth.U. 2.)

18. Hij vergezelt den officier van justitie bij zijn bezoek in d? krankzinnigen-gestichten.

Hij kan dit, bij verhindering, opdragen aan een lid of plaatsvervangend lid van den geneeskundigen raad. (Krankz. 1, 6.)

19. Jaarlijks geeft hij, vóór de maand Mei, aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken en aan Gedeputeerde Staten van de provincie of provinciën geheel of gedeeltelijk binnen zijnen dienstkring gelegen verslag der werkzaamheden van het geneeskundig Staatstoe-zigt over het afgeloopen jaar. 2)

20. Onze Minister van Binnenlandsche Zaken wijst aan de geneeskundige adjunct-inspecteurs hunnen werkkring aan, en bepaalt de verrigtingen, waarin zij den inspecteur kunnen vervangen.

De adjunct-inspecteurs hebben binnen dien werkkring gelijke bevoegdheid als de inspecteurs.

§ 3. Van dc geneeskundige raden.

Art. 21. Voor eiken dienstkring, waarvoor een geneeskundige inspecteur is aangesteld, wordt een geneeskundige raad benoemd, za-mengesteld, behalve uit den geneeskundigen inspecteur, uit den ge-

140

1

De eerste alinea is aldus nader vastgesteld bij de wet vf.n 15 April 1891. S. 81.

2

Aldus nader vastgesteld bij de wet van 15 April 1891, S. 81.

-ocr page 171-

WET GENEESKUNDIG STAATSTOEZIGT. 141

neeskundigen adjunct-inspecteur binnen dien kring gevestigd, uit minstens zes en hoogstens tien geneeskundigen, minstens twee en hoogstens zes apothekers en één regtsgeleerde, als leden. 1) (26.)

Wij behouden Ons voor, aan dien raad andere personen als leden toe te voegen.

Door Ons worden zoo vele plaatsvervangende leden benoemd als Wij noodig oordeelen.

Bij eiken raad wordt jaarlijks door Onzen Minister van Binnen-landsche Zaken een secretaris benoemd, die, tenzij hij lid mogt zijn, geen regt van stem heeft.

22. De geneeskundige raad wordt minstens twee maal \'s jaars dooiden voorzitter bijeengeroepen. Hij wordt mede door hem bijeengeroepen, wanneer dit door meer dan de helft der leden van den raad schriftelijk, met opgave van redenen, wordt verzocht.

De vergadering wordt in het openbaar gehouden.

De deuren worden gesloten, wanneer drie leden dit verlangen of de voorzitter het noodig keurt.

De vergadering beslist, of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd.

Over de punten, in besloten vergadering behandeld, kan daarin ook een besluit worden genomen.

In de vergadering wordt mededeeling gedaan van de handelingen van het geneeskundig Staatstoezigt en wordt aan elk lid de gelegenheid geopend, daarover zijne meening kenbaar te maken.

23. De geneeskundige raad is bevoegd, binnen den kring waarvoor hij is aangesteld, conesponderende leden te benoemen.

Deze deelea aan den raad en aan de geneeskundige ambtenaren alle noodige of gevraagde inlichtingen betreffende het geneeskundig •Staatstoezigt mede.

24. Aan ieder der geneeskundige raden wordt door Ons eene jaar-lijksche som toegekend ter bestrijding van zijne uitgaven, met inbegrip van vergoeding van reis- en verblijfkosten der leden en plaatsvervangende leden en, voor zoover zij niet behooren tot de geneeskundige ambtenaren, van vacatiegeld voor do vergaderingen die zij bijwonen en voor de werkzaamheden in art. 13 genoemd. 2)

De secretaris ontvangt vergoeding voor bureaukosten, en geniet eene vaste toelage uit \'s Lands kas.

25. De leden van den raad worden voor drie jaren benoemd. Jaarlijks treedt, zooveel mogelijk, een derde gedeelte van de leden af. De aftredende leden zijn niet dan na een jaar weder benoem-

1

De eerste alinea is aldus nader vastgesteld bij de wet van 15 April 1891, S. 81.

2

De eerste alinea werd aldus gewijzigd bij de wet van 16 April 1867, S. 28, met bepaling dat die wijziging geldt van de instelling dei-geneeskundige raden af.

-ocr page 172-

WET GENEESKUNDIG STAATSTOEZIGT.

baar, doch kunnen tot plaatsvervangende leden benoemd worden.

De plaatsvervangende leden worden voor den tijd van drie jaren benoemd. Aftredende, zijn zij dadelijk weder benoembaar.

26. Onze Minister van Binnenlandsche Zaken bepaalt de plaats van vestiging der geneeskundige ambtenaren en van de vergadering der geneeskundige raden, stelt de roosters van aftreding vast en regelt de plaatsvervanging der geneeskundige ambtenaren en der leden van de geneeskundige raden.

§ 4. Overgangsbepalingen.

Art. 27. Bij de invoering dezer wet houden de provinciale com-missiën van geneeskundig onderzoek en toevoorzigt en de plaatselijke commissiën van geneeskundig toevoorzigt op te bestaan.

28. De waarneming der werkzaamheden dier commissiën, waarin bij de wet of bij wettelijke verordeningen niet op andere wijze is voorzien, wordt door Ons geregeld.

29. De bestemming der archieven, gelden en andere voorwerpen, die onder het beheer zijn van de provinciale commissiën van geneeskundig onderzoek en toevoorzigt, wordt door Ons geregeld.

142

30. Deze wet treedt in werking vóór of op 1 Januari] 1866. \')

1) Bij besluit van 3 Junij 1865, S. 64, is het in werking treden bepaald op 1 Nov. 1865.

-ocr page 173-

WET,

KEGELENDE DE UITOEFENING DER GENEESKUNST.

(Vastgesteld den Isten Juni 1865, Stsbl. no. 60, uitgegeTon den 2dGn Juni d.a.v. Aangevuld en gewijzigd bij de wetten van 23 April 1880, Stsbl. no. 65 en 15 April 188G, Stsbl. no. 64.)

§ 1. Algemeene bepalingen.

Art. 1. Uitoefening der geneeskunst, waaronder de wet het verkenen van genees-, heel- of verloskundigen raad of bijstand als bedrijf verstaat, is alleen geoorloofd aan degenen, aan wie de bevoegdheid daartoe volgens de wet is toegekend. (Gk.B. 1—7. Zie Meijer Stsw. I.)

2. Wij behouden Ons voor aan vreemdelingen, deskundigen, dio over en langs de grenzen van het Rijk wonen, en bij heerschen-de ziekten ook aau ingezetenen, hoewel volgens de wet niet bevoegd, de uitoefening der geneeskunst onder bepaalde voorwaarden te vergunnen. Die vergunning kan ten allen tijde ingetrokken worden.

Desgelijks behouden Wij Ons voor aan vreemdelingen, die, na afgelegd examen, het regt tot uitoefening der geneeskunst in haren geheelen omvang in een ander rijk verkregen hebben, onder bepaalde voorwaarden vergunning te geven tot die uitoefening op Nc-derlandsehe zeeschepen, met uitzondering van oorlogsvaartuigen. Die vergunning kan ten allen tijde worden ingetrokken. \')

3. Alleen de geneeskundige mag binnen de grenzen zijner bevoegdheid in het openbaar aankondigen, dat hij de geneeskunst uitoefent, of een titel voeren, die hem aan het publiek als geneeskundige aanwijst.

§ 2. Van de geneeskundigen en de vroedvrouwen.

Art. 4. Alvorens de praktijk uit te oefenen, doen de genees-

1) De tweede alinea is bij de wet van 23 April 1880, S. 65, aldus aan artikel 2 toegevoegd.

-ocr page 174-

144 WET UITOEFENING DER GENEESKUNST.

kundigen en vroedvrouwen hun bewijs van bevoegdheid viseren door gel den inspecteur der provincie, waarin zij zich niet der woon vestigen. rigi (Gk.T. 17.) op

Bij de aanvraag tot het verleenen van dit visum moet het wette- zipi lijk hewijs van deze vestiging worden overgelegd. del

Zij geven, onder vertoon van het geviseerd bewijs van bevoegd- zen heid, aan den burgemeester hunner woonplaats kennis van hunne vestiging als geneeskundige of vroedvrouw daar ter plaatse. Bij een i tijdelijk verblijf ter uitoefening der praktijk vertoont de geneeskundige vooraf aan den burgemeester der gemeente zijn bewijs van bevoegdheid, geviseerd door den inspecteur der provincie, waarin hij met der woon is gevestigd. (Gk.T. 15; Apoth.ü. 2; Tandheelk. 8.)

5. De geneeskundigen onderteekenen bij het overlijden van elk hunner lijders ten behoeve van den ambtenaar van den burgerlijken stand eene verklaring van dit overlijden, en doen daarbij naar hunne overtuiging, doch met inachtneming van den door hen afge-legden eed of belofte van geheimhouding, zoo naauwkeurig mogelijk opgave van de oorzaak van den dood. (B.W. 50 v.)

6. Zij geven aan den inspecteur hunner provincie en aan burgemeester en wethouders hunner gemeente onverwijld, en uiterlijk binnen drie dagen, kennis, wanneer eene ziekte, waardoor de volksgezondheid bedreigd wordt, door hen is waargenomen. (Besm.Z. IC.)

7. Zij geven binnen veertien dagen na den afloop eener verrigte vaccinatie, of der behandeling van eenen lijder aan kinderpokken (vnriolac) het bewijs daarvan aan den belanghebbende af.

Een duplicaat daarvan wordt door hen bewaard, en uiterlijk ééne maand na het einde van het jaar, waarin de verrigting of behandeling, daarbij vermeld, plaats vond, aan het gemeentebestuur gezonden. was

8. Zij bepalen op het recept duidelijk den datum waarop het wordt en voorgeschreven, de wijze van gebruik van het middel, en paraphe- den ren of onderteekenen het recept. (Apoth.ü. 8.) 1

9. Het afleveren van geneesmiddelen is, behalve in de gevallen - boe in dit artikel voorzien, verboden aan allen die geneeskunst uitoefenen, zelfs indien zij de bevoegdheid tot uitoefening der artsenijbe-reidkunst verkregen hebben. (Apoth.ü. 1.)

De geneeskundigen, die zich vestigen in plaatsen in welke geen apotheker gevestigd is, hebben, zoolang zij daar gevestigd blijven, de bevoegdheid tot het afleveren van geneesmiddelen. Die bevoegdheid strekt zich ook uit tot andere plaatsen, in welke geen apotheker gevestigd is.

In plaatsen, waar slechts ééne apotheek gevestigd is, kunnen Gedeputeerde Staten der provincie, den geneeskundigen raad gehoord, aan de geneeskundigen verlof geven geneesmiddelen te leveren.

Zij, die van de bevoegdheid tot het leveren van geneesmiddelen

.

-ocr page 175-

WET UITOEFENING DER GENEESKUNST. 145

gebruik maken, houden steeds schouwbaar voorhanden naauwkeu-rige maten, gewigten, balansen en de geneesmiddelen, voorkomende op eene lijst, door hen opgemaakt en door den inspecteur voor gezien geteekend. Op deze lijst mogen niet ontbreken de geneesmiddelen. bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur aan te wijzen. (Apoth.U. 5; K.B. 27 Sept. 1889, S. 126.)

Zij zorgen dat bij hunne afwezigheid de geneesmiddelen en de vergiften door de commissie van toezigt en den inspecteur nagezien en onderzocht kunnen worden. (Apoth.U. 21, 24 v., 28.)

De geneesmiddelen mogen door geenen anderen dan door hen of door eenen hulpapotheker of leerling-apotheker ter aflevering gereed gemaakt worden. (20).

10. De geneeskundigen, die de bevoegdheid tot het leveren van geneesmiddelen ingevolge de bepaling van het voorgaand artikel niet bezitten, mogen, bij geheime ziekten, de geneesmiddelen aan de zieken leveren, mits die middelen in den vorm, waarin zij gebruikt worden, aan hen zeiven door eenen apotheker afgeleverd en van diens zegel voorzien zijn.

11. Het is hun verboden met eenen apotheker regtstreeks of zijdelings eene overeenkomst aan te gaan over het leveren van geneesmiddelen aan hunne zieken. (Apoth.U. 15.)

12. De geneeskundigen, die zich voor de dienst op schepen verbinden, doen bij het ondernemen van elke reis de bewijzen hunner bevoegdheid viseren door den inspecteur der provincie.

Zij worden niet op de monsterrol gebragt dan op vertoon dezer geviseerde bewijzen.

13. De geneeskundigen, die zich voor de dienst op schepen verbonden, hebben in een afgesloten gedeelte van het schip of in kisten, waarvan zij steeds den sleutel bij zich hebben, de geneesmiddelen en de werktuigen, vermeld op eene door hen opgemaakte en door den inspecteur goedgekeurde lijst. (Apoth.U. 27.)

14. De gezagvoerder, of die hem vervangt, maakt in zijn dagboek melding van de door den geneeskundige op zijn schip begane overtreding der voorgaande bepaling.

Een daartoe betrekkelijk uittreksel uit zijn dagboek wordt door hem, bij aankomst ter plaatse van bestemming hier te lande, ingezonden aan den inspecteur der provincie. (K. 358, 359.)

15. De vroedvrouwen zijn bevoegd tot het verleenen van verloskundigen bijstand of raad alleen bij ongestoord natuurlijk verloop der baring. In alle andere gevallen roepen zij de hulp in van een\' tot de uitoefening der verloskunst bevoegden geneeskundige. (Gk.B. 16.)

Bij ontstentenis van dezen roepen zij den bijstand in van eenen anderen geneeskundige, des noods van eene andere vroedvrouw, en ingeval de vereischte kunstbewerking geen uitstel kan lijden, gaan zij zelve daartoe over.

Daarbij is het gebruik van verloskundige werktuigen uitgesloten,

STW. II. 10

-ocr page 176-

WET UITOEFENING DER GENEESKUNST.

en de vroedvrouw verpligt tot kennisgeving aan den inspecteur binnen vier en twintig uren na afloop der verlossing.

16. Zij zijn bevoegd tot het zetten van lavementen en het aanwenden van den katheter bij barenden.

Op voorschrift van een\' geneeskundige mogen zij ook bij niet-baren-den den katheter aanwenden, en lavementen en bloedzuigers zetten.

17. De vroedvrouwen geven aan de geneeskundige ambtenaren alle door hen gevraagde inlichtingen omtrent de uitoefening harer kunst.

§ 3. Strafbepalingen. 1)

Art. 18. Afgeschaft.

19. Overtreding van andere voorschriften dezer wet en het verzuim van kennisgeving aan den inspecteur binnen 24 uren door den geneeskundige van hét verrigten eener kunstbewerking, waartoe hij niet dan in geval van nood bevoegd is, wordt gestraft met eene boete van ƒ 0,50 tot ƒ 200.

Bij herhaling van dezelfde overtreding binnen twee jaren nadat de eerste veroordeeling onherroepelijk is geworden of de op de overtreding gestelde geldboete vrijwillig is betaald, kan de boete tot ƒ 500 gebragt of eene hechtenis van één dag tot één jaar opgelegd worden.

§ 4. Overgangsbepalingen.

Art. 20. De geneeskundigen, die bij de invoering dezer wet tot het leveren van geneesmiddelen bevoegd zijn, behouden die bevoegdheid zoolang zij in de plaats gevestigd blijven, waarin zij op dat tijdstip gevestigd waren.

21. Allen, die bij invoering dezer wet bevoegd zijn de geneeskunst in haren geheelen omvang of gedeeltelijk uit te oefenen, zijn verpligt binnen zes maanden de bewijzen hunner bevoegdheid te. laten viseren door den inspecteur der provincie, waarin zij met der woon gevestigd zijn.

22. De wetten van 12 Maart 1818 (Staatsblad no. 16), van 27 Maart 1838 (Staatsblad no. 10) en van 28 Junij 1816 (Staatsblad no. 32), de verordeningen ter uitvoering dier wetten en alle verderf verordeningen, in strijd met de bepalingen dezer wet, zijn ingetrokken.

23. Deze wet treedt in werking vóór of op den Isten Januarii 1866. 2)

146

1

Afgeschaft, gehandhaafd en aldus gewijzigd krachtens artt. 3d, 10 no. 18 en 11 der wet van 15 April 1886, S. 64. Zie ook S.R. 436.

2

Bij K.B. van 3 Junij 1865, S. 64, is het in werking treden bepaald op 1 Nov. 1865.

-ocr page 177-

WET,

REGELENDE DE UITOEFENING DER ARTSENIJ-BEREIDKUNST.

(Vastgesteld den Isten Juni 1865, Stsbl. no. 61, uitgegeven den 2den Juni d.a.v. Gewijzigd bij de wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64.)

verden ? hij

pene

ji 1. Algemeenc bepaling.

Art. 1. Uitoefening der artsenijbereidkunst is het bereiden en tot geneeskundig doel afleveren van geneesmiddelen. (Aw. 2 al. 2.)

Tot uitoefening der artsenijbereidkunst zijn alleen bevoegd: apothekers, hulpapothekers en leerlingen-apothekers, onder de in art. 22 gestelde bepaling, en die geneeskundigen aan wie dit toegestaan is. |(Gk.B. 11—15, 17, zie Meijer Stw. I; Gk.U. 9.)

quot; if

§ 2. Van de apothekers.

Art. 2. Alvorens de artsenijbereidkunst uit te oefenen doen de apothekers hun bewijs van bevoegdheid viseren door den inspecteur der provincie, waarin zij zich met der woon vestigen. (Gk.T. 17.)

Bij de aanvraag tot verleening van dit visum moet het wettelijk bewijs van deze vestiging worden overgelegd.

Zij geven, onder vertoon van het geviseerd bewijs van bevoegdheid, aan den burgemeester hunner woonplaats kennis van hunne vestiging als apotheker daar ter plaatse. (Gk.U. 4; Tandheelk 8.)

3. De apotheker mag niet meer dan eéne apotheek hebben. (18.)

Hij oefent zijn beroep niet anders uit dan in een uitsluitend daar-

Itoe bestemd, bij dag steeds toegankelijk, gedeelte van een huis, dat ij ook des nachts door hem of door eenen hulpapotheker bewoond is. (34.)

4. In elke apotheek moeten voorhanden zijn naauwkeurige ma-i ten, gewigten en balansen, een exemplaar van de Nederlandsche

pharmacopoea en de geneesmiddelen, welke en zoo als die daarin zijn aangegeven. (Wet v. 2 Nov. 1871, S. 118; K.B. 27 Sept 1889. S. 125.)

Eene commissie uit den geneeskundigen raad beoordeelt, of van elk geneesmiddel eene genoegzame hoeveelheid aanwezig zij.

Bij verschil van meening met den apotheker of den geneeskundige die apotheek houdt, beslist de inspecteur.

I!

i

10*

-ocr page 178-

148 WET UITOEFENING DER ABTSENUBEREIDKUNST.

Binnen den door de commissie of den inspecteur gestelden termijn moet het ontbrekende in den voorraad zijn aangevuld.

5. De apothekers, uitsluitend voor instellingen van ziekenzorge of voor andere gestichten van liefdadigheid werkzaam, behoeven geene andere geneesmiddelen in voorraad en schouwbaar voorhanden te hebben, dan die op eene door den geneesheer van de instelling of het gesticht opgemaakte en door deu inspecteur voor gezien getee-kende lijst voorkomen. Daarop is art. 9, 4e alin. van de wet, regelende de uitoefening der geneeskunst, toepasselijk. (28.)

6. Elk geneesmiddel wordt bewaard in een daartoe geschikt voorwerp, hetwelk den officielen en meest gebruikelijken officinalen naam van het middel duidelijk leesbaar tot opschrift heeft.

Bij geneesmiddelen, in de pharmacopoea niet vermeld, wijst het opschrift aan, naar welk voorschrift zij bereid zijn.

7. De vergiften, bij openbare bekendmaking aan te wijzen door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, na eene commissie van deskundigen te hebben gehoord, worden in eene of meer gesloten kasten bewaard. (Besch. van 15 Oct. 1889.)

De sleutel daarvan berust bij den apotheker of den hulpapotheker.

De vergiften, in de Nederlandsche pharmacopoea niet opgenoemd, welke de apotheker voorhanden heeft, worden in dezelfde kast of kasten bewaard.

8. De apotheker levert op recept geene geneesmiddelen af, dan naauwkeurig volgens het recept en van deugdelijke bestanddeelen bereid.

Vermoedt hij in een recept eene welligt schadelijke vergissing, dan geeft hij daarvan terstond mondeling of schriftelijk kennis aan den geneeskundige, die het voorschreef. Is deze afwezig, dan stelt hij de aflevering uit, met oumiddellijke kennisgeving daarvan aan dien geneeskundige. (Gk.U. 8.)

9. De apotheker mag geene geneesmiddelen afleveren dan op recept of die met bepaalde aanduiding van het verlangd geneesmiddel gevraagd worden.

10. De apotheker zorgt, dat aan of op elk voorwerp, waarin hij een geneesmiddel of recept aflevert, een papier gehecht zij. waarop de naam van den zieke staat, of, des verlangd, een cijfer tot vervanging daarvan, de bepaald omschreven wijze van gebruik, de dag der aflevering en zijn naam.

Die opschriften worden bij geneesmiddelen tot inwendig gebruik op ongekleurd, bij die tot uitwendig gebruik op blaauw papier gesteld.

11. De apothekers liasseren de hun aangeboden en bereide recepten naar volgorde der bereiding, en bewaren die aldus gedurende twintig jaren.

Bij overgang van de apotheek op eenen anderen apotheker gaan

-ocr page 179-

WET UITOEFENING DER ABTSENIJBEBEIDKUNST.

ook de recepten op dezen over; bij opheffing der apotheek worden zij door de naaste belanghebbenden aan den inspecteur overgegeven. (14.)

12. Zij mogen de recepten aan niemand ter inzage, noch afschrift daarvan geven, dan aan den geneeskundige, die ze voorschreef, of die den zieke behandelt, aan dezen zelf, en aan de regterlijke of geneeskundige ambtenaren, met het onderzoek van die recepten belast.

Zij geven een naauwkeurig, onderteekend afschrift van die recepten, wanneer dit door bovengenoemden gevraagd wordt.

13. De apothekers leveren geene vergiftige zelfstandigheden af, dan op het voorschrift van eenen geneeskundige, of aan apothekers, aan geneeskundigen tot het leveren van geneesmiddelen bevoegd, aan veeartsen, of op schriftelijke en onderteekende aanvraag, met opgave van het doel waartoe de vergiftige zelfstandigheden dienen moeten, aan andere, doch bij hen bekende personen.

De vergiftige zelfstandigheid, niet door een\' geneeskundige voorgeschreven, wordt afgeleverd in een verzegeld voorwerp, waarop, nevens den naam. het woord vergift duidelijk staat uitgedrukt.

14. De apothekers schrijven zonder uitstel in een register elke aflevering van vergiften, met vermelding van den dag waarop, en van den persoon aan wien de aflevering is gedaan. Deze bepaling is niet toepasselijk op de afleveringen op voorschrift van eenen geneeskundige.

Zij liasseren de in het vorig artikel bedoelde schriftelijke aanvragen, afgescheiden van de voorschriften der geneeskundigen, en bewaren die gedurende twintig jaren. Het tweede lid van art. 11 is hier van toepassing.

15. Het is den apotheker verboden met eenen geneeskundige, regt-streeks of zijdelings, eenige overeenkomst betreffende het leveren van geneesmiddelen aan te gaan. (Gk.U. 11.)

16. De apotheker geeft aan de geneeskundige ambtenaren en de commissien uit den geneeskundigen raad alle door hen, tot handhaving der geneeskundige wetten en verordeningen, met betrekking tot zijne apotheek gevraagde inlichtingen.

17. De apotheker geeft, wanneer het door een der in art. 12 genoemde personen verlangd wordt, eene gespecificeerde rekening der geleverde geneesmiddelen.

18. Den apotheker kan vergund worden de apotheek van een\' afwezigen, zieken of overleden apotheker tijdelijk te gelijk met de zijne waar te nemen. De daartoe noodige schriftelijke vergunning van den inspecteur, die beoordeelt of daarvoor voldoende reden bestaat, moet alle drie maanden op nieuw worden aangevraagd.

Met gelijke, doch jaarlijks te vernieuwen vergunning, mag hij tevens de apotheek van een gesticht van liefdadigheid, waarin geen apotheker is, waarnemen.

140

-ocr page 180-

150 WET UITOEFENING DEB AKTSENIJBEREIDKUNST.

Hij is alsdan verantwoordelijk voor hetgeen in die apotheken aanwezig is, en voor de bereiding der geneesmiddelen. (3.)

19. De apotheek van eenen afwezigen, zieken, of overleden apotheker mag waargenomen worden door eenen niet gevestigden apotheker, nadat het bewijs zijner bevoegdheid door den inspecteur zal geviseerd zijn.

De waarnemende apotheker is verantwoordelijk voor hetgeen in de apotheek aanwezig is, en voor de bereiding der geneesmiddelen.

20. Wanneer bij overlijden van eenen apotheker niet voorzien is in de waarneming van de apotheek, wordt de sleutel der vergiftkast binnen 24 uren door de erfgenamen of den bewindvoerder, of bij ontstentenis van dezen door de huisgenooten, ter hand gesteld aan den burgemeester der gemeente.

Zoodra iemand met de waarneming is belast, wordt dezen de sleutel ter hand gesteld.

21. Ten aanzien van geneeskundigen, bevoegd tot het afleveren van geneesmiddelen, gelden art. 4 alinea 1 en 2, behoudens de bepaling van het 4e lid van art. 9 der wet, regelende de uitoefening der geneeskunst, de artt. 6 tot en met 8, 10 tot en met 14, 16 tot en met 20, 24, 25, 26, 31 en 32.

§ 3. Van de hulpapothekers en de leerlingen-apothekers.

Art. 22. De hulpapotheker en de leerling-apotheker mogen alleen onder toezigt van eenen apotheker of van eenen geneeskundige, bevoegd tot het leveren van geneesmiddelen, in eene apotheek werkzaam zijn. (Gk.B. 17.)

De hulpapotheker moet het bewijs zijner bevoegdheid laten viseren door den inspecteur.

Wanneer een hulpapotheker of een leerling-apotheker in eene apotheek aangenomen of daaruit ontslagen is, geeft de apotheker of de geneeskundige daarvan terstond kennis aan den inspecteur.

23. De hulpapotheker en de leerling-apotheker zijn aansprakelijk voor de door hen begane overtredingen dezer wet. Evenwel blijft de apotheker of geneeskundige ook in die gevallen verantwoordelijk voor hetgeen in zijne apotheek tegen deze wet geschiedt, zoo eenige schuld of nalatigheid van zijne zijde tot de overtreding aanleiding gegeven of bijgedragen heeft.

ve

§ 4. Van het toezigt op de apotheken.

Art. 24. Alle apotheken, de militaire en die in de gevangenissen uitgezonderd, de werk- en bergplaatsen der apothekers, hunne phar-maceutische toestellen, de maten, balansen en gewigten en hunne geneesmiddelen worden op onbepaalde tijden onderzocht door com-missien uit den geneeskundigen raad. De maten, balansen en ge

in

ge

-ocr page 181-

WET UITOEFENING DER ARTSENIJBEREIDKUNST. 151

wigten kunnen door den arrondissementsijker onderzocht worden. (Gk.T. 13; IJkwet 7 April 1869, S. 57, 22—25 v.)

25. De apotheken zijn van des morgens 7 tot des avonds 9 uur toegankelijk voor de in het vorig artikel genoemde commissien, den inspecteur en den adjunct-inspecteur.

De apothekers zorgen, dat het onderzoek, in het vorig artikel bedoeld, ook bij hunne afwezigheid plaats kunne hebben.

26. Worden bij het onderzoek geneesmiddelen, die voorhanden moeten zijn, niet deugdelijk of niet aanwezig gevonden, dan m^ken zij die het onderzoek doen daarvan proces-verbaal op. (32.)

Door hen wordt de tijd bepaald, binnen welken deugdelijke geneesmiddelen voor de niet deugdelijke of ontbrekende moeten voorhanden zijn.

Wanneer de apotheker de ondeugdelijkheid niet erkent, kan hij in beroep komen bij den inspecteur, aan wien de afgekeurde middelen, door den apotheker en hen, die het onderzoek deden, verzegeld, met de noodige bescheiden worden toegezonden.

Wordt de staat der apotheek onvoldoende bevonden, zoodat eene hervisitatie noodig wordt geoordeeld, dan ontvangt de apotheker hiervan berigt van den inspecteur.

27. Degene, die eenen geneeskundige op een koopvaardijschip aanstelt, laat de voor elke reis bestemde geneesmiddelen en heelkundige werktuigen keuren door eene commissie uit den geneeskundigen raad. (Gk.T. 13.)

Hij doet het verzoek tot die keuring aan den inspecteur minstens vijf dagen vóór het vertrek van het schip, onder overlegging van de lijst, bedoeld in art. 13 van de wet, regelende de uitoefening der geneeskunst.

De genoemde geneesmiddelen en werktuigen moeten vervat zijn in eene of meer gesloten kisten. Wanneer zij deugdelijk bevonden worden, verzegelt de commissie de kist of de kisten, waarin zij vervat zijn, en geeft zij een schriftelijk bewijs van goedkeuring af aan dengene, die de aanvraag tot het onderzoek deed. Dit schriftelijk bewijs moet door den gezagvoerder, of dengene die hem vervangt, bij de monstering vertoond worden.

Bij het ontbreken of niet deugdelijk bevinden van een of meer geneesmiddelen of werktuigen wordt de voorraad niet goedgekeurd, tenzij de niet deugdelijke door deugdelijke vervangen zijn of in het ontbrekende voorzien zij.

28. Do geneeskundigen, tot het leveren van geneesmiddelen bevoegd, en de apothekers, uitsluitend voor instellingen van zieken-zorge of voor andere gestichten van liefdadigheid werkzaam, leggen bij het onderzoek de door den inspecteur voor gezien geteekende lijst over der geneesmiddelen, welke zij voorhanden moeten hebben. (5; Gk.U. 19 al. 4.)

-ocr page 182-

152 WET UITOEFENING DER ABTSENIJBEREIDKUNST.

§ 5. Van het verkoopen van geneesmiddelen.

Art. 29. Bij het verkoopen in het openbaar van eene apotheek mogen de vergiftige zelfstandigheden alleen worden verkocht aan apothekers, aan geneeskundigen, tot het leveren van geneesmiddelen bevoegd, en aan veeartsen.

De verkoop geschiedt niet dan na minstens 5 dagen voorafgegane schriftelijke kennisgeving aan den inspecteur.

30. Behalve door de apothekers en door de geneeskundigen, tot het afleveren van geneesmiddelen bevoegd, mogen de geneesmiddelen, door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, eene commissie van deskundigen gehoord, aan te wijzen, niet worden verkocht beneden de hoeveelheid, daarbij voor elk dier middelen te bepalen. (Besch v. 15 Oct. 1889.)

§ 6. Strafbepalingen. 1)

Art. 31. Elke overtreding van de voorschriften dezer wet, behalve die van art. 1, die van art. 12, tweede lid, voor zoover afschriften door regterlijke of geneeskundige ambtenaren gevraagd worden, die van art. 19 en die van art. 25, wordt gestraft met eene boete van / 0,50 tot ƒ 200.

In geval van herhaling derzelfde overtreding binnen twee jaren nadat de eerste veroordeeling onherroepelijk is geworden of de op de overtreding gestelde geldboete vrijwillig is betaald, kan de boete tot ƒ 500 gebragt of eene hechtenis opgelegd worden voor den tijd van één dag tot één jaar.

32. Voor elk geneesmiddel, dat bij het onderzoek volgens artt. 26 en 27 ondeugdelijk wordt bevonden, en voor elk geneesmiddel, dat volgens art. 4 van deze wet en art. 9 van de wet, regelende de uitoefening der geneeskunst, voorhanden moet zijn, doch ontbreekt, wordt eene boete van ten hoogste J 3 opgelegd.

Wanneer, bij hervisitatie, het ontbrekende niet is aangevuld, of de niet deugdelijke geneesmiddelen niet door deugdelijke zijn vervangen, wordt deze boete verdubbeld.

Wanneer bij een derde onderzoek, onder inachtneming van het bepaalde in het tweede lid van art. 26, de toestand der apotheek nog onvoldoende wordt bevonden, wordt de apotheker gestraft met eene boete van ƒ 0,50 tot ƒ 600, of eene hechtenis voor den tijd van één dag tot één jaar.

33. Bij overtreding van art. 29, eerste lid, worden de ten verkoop aangeboden vergiftige zelfstandigheden in beslag genomen en verbeurd verklaard.

1

De strafbepalingen aldus gehandhaafd en gewijzigd krachtens de Inv.wet van 15 April 1886, S. 64.

-ocr page 183-

WET UITOEFENING DER AKTSENIJBEREIDKUNST. 153

§ 7. Overgangsbepalingen.

Art. 34. Zij, die uiterlijk vier maanden vóór het invoeren dezer wet als apothekers of drogisten zijn toegelaten, behouden de bevoegdheid, die zij bij het invoeren dezer wet hadden, doch zijn aan de bepalingen dezer wet, zoover die daarmede niet in strijd zijn, onderworpen.

Zij, die uiterlijk vier maanden vóór het invoeren dezer wet als winkelbedienden of leerlingen van apothekers bij de commissie van geneeskundig toevoorzigt, waarbij het behoort, zijn erkend en ingeschreven, en als zoodanig in eene apotheek zijn aangenomen, kunnen hunne tegenwoordige diensten in de apotheken blijven bewijzen.

Vergunning tot afwijking van art. 3, alin. 2, betreffende de in-rigting der bij de invoering dezer wet bestaande apotheken, kan dooiden inspecteur, op advies van den geneeskundigen raad, worden verleend.

35. Zij, die bij de invoering dezer wet den rang bezitten van militairen apotheker, zijn bevoegd tot uitoefening der artsenijbereid-kunst in militaire apotheken.

36. De wetten van 12 Maart 1818 (Staatsblad no. lü), van 27 Maart 1838 (Staatsblad no. 10), de verordeningen ter uitvoering dier wetten, de wet van 12 Julij 1821 (Staatsblad no. 7), de besluiten van 15 Julij 1818 {Staatsblad no. 31), van 10 October 1824 (Staatsblad no. 58) en van 28 April 1821 (Staatsblad no. 2) en alle verdere verordeningen, in strijd met de bepalingen dezer wet, zijn ingetrokken.

37. Deze wet treedt in werking vóór of op den Isten Januarij 1806. 1)

l

1

Bij K.B. van 3 Junij 1865, S. 64, is het in werking treden bepaald op I Nov. 1865.

-ocr page 184-

WET,

HOUDENDE BEPALINGEN OMTRENT DE INVOERING DER NEDERLANDSCHE PHARMACOPOEA.

(Vastgesteld den 2den November 1871, Stsbl. no. 118, uitgegeven den 7den Nov. d.a.v.)

Wij WILLEM III, enz.

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat er noodzakelijkheid bestaat het artsenijbereidkundig formulierboek, vastgesteld bij de wet van 12 Augustus 1849 {Staatsblad no. 36), door een nieuw te doen vervangen en het raadzaam is de Nederlandsche I\'harmaco-poea voortaan bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur vast te stellen;

Zoo is het, dat Wij, enz.

Art. 1. Zoo dikwijls nieuwe vaststelling of wijziging van de Nederlandsche Pharmacopoea door Ons noodzakelijk wordt geacht, geschiedt dit bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur, die ook het tijdstip van invoering bepaalt. (K.B. 27 Sept. 1889, S. 125.)

Hij onderscheidt de middelen, die in elke apotheek moeten voorhanden zijn, van de overige in de Pharmacopoea geschreven.

De laatste zijn evenwel, voor zooveel zij in eene apotheek worden aangetroffen, aan het gewone wettelijk toezigt onderworpen.

2. Zoodra aan het vorig artikel uitvoering wordt gegeven, vervalt op het tijdstip der invoering van de nieuwe Pharmacopoea de wet van 12 Augustus 1849 {Staatsblad no. 36).

3. De Nederlandsche Pharmacopoea wordt van Staatswege in de Nederlandsche en in de Latijnsche taal uitgegeven en algemeen verkrijgbaar gesteld en door of van wege Onzen Minister van Binnen-landsche Zaken gewaarmerkt.

Die uitgave en verkrijgbaarstelling vervangt de bekendmaking door middel van het Staatsblad.

De dag der uitgave en verkrijgbaarstelling wordt in de Staatscourant aangekondigd. (Sts-Ct, 3/4 Nov. 1889, no. 260.)

-ocr page 185-

WET,

HOUDENDE KBGELING VAN DE VOORWAARDEN TOT VERKRIJGING DER AFZONDERLIJKE BEVOEGDHEID TOP UITOEFENING DER TANDHEELKUNST EN VAN DE UITOEFENING DIER KUNST.

(Vastgesteld den 243ten Junij 1876, Stsbl. no. 117, uitgegeven den Isten Julij d.a.v. Gewijzigd bij de wetten van 25 Dee. 1878, Stsbl. no. 222 en 15 April 1886, Stsbl. no. 64.)

I

§ 1. Van de voomaarden tot verkrijging eener akte van bevoegdheid ah tandmeester.

Artt. 1—6. Vervallen door art. 26 der wet van 25 December 1878 (Staatsblad no. 222); bij die wet ziin de voorwaarden tot verkrijging der bevoegdheid opnieuw geregeld. (Gk.B. 8—10. Zie Meijer Stsw. I.)

§ 2. Van de uitoefening der tandheelkunst.

Art. 7. De tandmeester is bevoegd ziekten der tanden, der tandkassen en van het tandvleesch door het voorschrijven of aanwenden van middelen op die deelen te behandelen.

Aanwending van algemeen gevoelloos makende middelen en het voorschrijven van inwendige geneesmiddelen, alsmede het afleveren van geneesmiddelen is hem verboden.

8. Alvorens de tandheelkunst uit te oefenen, doen de tandmeesters hun bewijs van bevoegdheid viseren door den geneeskundigen inspecteur der provincie, waarin zij zich met der woon vestigen. (Gk.T. 17.)

Bij de aanvraag tot het verleenen van dit visum moet het wettelijk bewijs van deze vestiging worden overgelegd.

Bij vestiging in eene andere gemeente geven zij daarvan aan den geneeskundigen inspecteur kennis, onder toezending van hun bewijs van bevoegdheid.

Zij geven, onder vertoon van het geviseerd bewijs van bevoegdheid, aan den burgemeester hunner woonplaats kennis van hunne vestiging als tandmeester daar ter plaatse. Bij een tijdelijk verblijf ter uitoefening zijner kunst, vertoont de tandmeester vooraf aan den

-ocr page 186-

WET UITOEFENING DER TANDHEELKUNST.

burgemeester der gemeente zijn bewijs van bevoegdheid, geviseerd door den inspecteur voor de provincie, waarin hij met der woon gevestigd is. (Gk.U. 4; Apoth.ü. 2.)

§ 3. Strafbepaling.

9. Overtreding van art. 8 wordt gestraft met eene boete van ƒ 0,50 tot ƒ 100. »)

§ 4. Slotbepaling.

10. De personen, in art. 21 onder letter a, b, c, d en g, en in artt. 20, 22, 23 en 24 der wet van 1 Junij 1865 [Staatsblad no. 59) bedoeld, behouden de bevoegdheid tot het uitoefenen der tandheelkunst. 1)

156

1

Zie artt. 24 en 26 der wet, Gk.B., van 25 Dec. 1878, S. 222. (Meijer Stsw. I.)

-ocr page 187-

W E T,

TOT VOORZIENING TEGEN BESMETTELIJKE ZIEKTEN.

(Vastgesteld den 4den December 1872, Stsbl. no. 134, uitgegeven den lOden Deo. d.a.v. Gewijzigd bij de wetten van 3 Dec. 1874, Stsbl. no. 188; 28 Maart 1877, Stsbl. no. 36; 15 April 1886, Stsbl. no. 64 en 8 April 1893, Stsbl. no. 64.)

Art. 1. De besmettelijke ziekten, waarop deze wet van toepassing is, zijn: (11.)

n. Aziatische cholera; (16.)

h. typhus en febris typhoïdea;

c. pokken (variolae en varioloïdes); (16—18.)

d. roodvonk;

e. diphtheritis;

ƒ. mazelen;

g. dysenterie. \')

Een algemeene maatregel van inwendig bestuur kan deze wet geheel of gedeeltelijk ook op andere ziekten voor een bepaalden tijd in aan te wijzen gemeenten, in deelen van het Kijk of het geheele Kijk, van toepassing verklaren. Die maatregel is niet langer verbindbaar dan gedurende een jaar na zijne afkondiging, tenzij hij binnen dat tijdperk door de wet bekrachtigd zij. (K.B. 15 Febr. 1897, gt;S. 66, betr. de pest.)

2. De burgemeester is bevoegd, na ingewonnen advies van een geneeskundige. lijders aan eene besmettelijke ziekte, die zich in slaapsteden of logementen bevinden, naar eene openbare inrigting of andere verblijfplaats ter verpleging te doen overbrengen, wanneer de toestand van den lijder overeenkomstig de verklaring van den geneeskundige zulks gedoogt.

De kosten van de overbrenging worden, des noodig, ten laste van de gemeente gebragt. (9.)

3. De burgemeester is bevoegd in de in het vorige artikel genoemde slaapsteden of logementen maatregelen tot ontsmetting en, na ingewonnen advies van den geneeskundigen ambtenaar, ook andere maatregelen ter voorkoming van verspreiding der ziekte voor te schrijven en, zoo noodig, te doen uitvoeren. (Gk.T. 2 a.)

1) Lit g. is aan deze lijst toegevoegd volgens de wet van 3 December 1874, S. 188.

-ocr page 188-

WET BESMETTELIJKE ZIEKTEN.

Bij verzet tegen de volgens dit en het voorgaande artikel te nemen maatregelen, wordt de slaapstede of het logement door den burgemeester, na ingewonnen advies van den geneeskundigen ambtenaar, gedurende een door hem te bepalen tijd gesloten verklaard. (19.)

4. De burgemeester is bevoegd, na ingewonnen advies van den ambtenaar, in het vorig artikel vermeld, of van een in de gemeente praktiserend geneeskundige, huizen, keeten en vaartuigen, die brandpunten van besmetting zijn of dreigen te worden, geheel of gedeeltelijk, ten koste van de gemeente te doen reinigen en ontsmetten.

5. De burgemeester is bevoegd besmette of van besmetting verdachte voorwerpen ten koste van de gemeente te doen ontsmetten, of na voorafgaande onteigening te doen vernietigen. In zijn daartoe te nemen besluit worden de goederen, die onteigend moeten worden, met opnoeming van de namen der eigenaars, aangewezen, en wordt daarin wijders melding gemaakt van de schriftelijke verklaring van een geneeskundige, waaruit van de noodzakelijkheid der onteigening blijkt. Het besluit wordt op de gebruikelijke wijze ter openbare kennis gebragt. De in het besluit ter onteigening aangewezen goederen worden door den burgemeester onmiddellijk in beslag genomen. (G. 152 jto. Add. art. V.)

Artt. 70, 71 en 72 van de (Onteigenings-)wet van 28 Augustus 1851 {Staatsblad no. 125) zijn op deze onteigening toepasselijk.

6. Bij het verschijnen of dreigen van besmettelijke ziekten kunnen burgemeester en wethouders ten koste van de gemeente verzamelingen van mest en ander vuil, waar die zich ook bevinden, doen opruimen of onschadelijk maken, goten en slooten doen reinigen en andere voorzieningen tot bevordering der openbare reinheid treffen. Dit geschiedt niet dan nadat hij, dien het aangaat, in de gelegenheid is gesteld, binnen een door hen te bepalen tijd, daarin op eigen kosten te voorzien.

7. In iedere gemeente, waar dit door Gedeputeerde Staten der provincie wordt bepaald, is het gemeentebestuur verpligt eene gelegenheid tot afzondering en verpleging van lijders aan besmettelijke ziekten in te rigten. Zij bevelen tevens of die inrigting van tijdelijken dan wel duurzamen aard zal zijn.

Besturen van nabij elkander gelegen gemeenten kunnen zich omtrent die inrigting, volgens artt. 121 en 122 der gemeentewet, met elkander verstaan. (Gem. 205 fc)

8. Het is verboden, lijders aan eene besmettelijke ziekte te vervoeren of te doen vervoeren, behalve in de gevallen in deze wet aangewezen; zich, daaraan lijdende, naar eene andere plaats te begeven; voorwerpen, die in aanraking waren met lijders of overledenen aan eene besmettelijke ziekte of daarvan afkomstig, te vervoeren, te doen vervoeren, ten geschenke of in gebruik te geven of te doen geven, te nemen of te doen nemen, tenzij na ontsmetting volgens art. 25; door onvoorzichtigheid of achteloosheid gevaar van

158

-ocr page 189-

WET BESMETTELIJKE ZIEKTEN.

besmetting, dat voorzien kon worden, voor anderen te doen ontstaan. (2, 9, 30.)

9. Vervoer van lijders aan eene besmettelijke ziekte naar een ziekenhuis of naar hunne woning is geoorloofd volgens de daarvoor bij plaatselijke verordening te stellen voorschriften.

Jn bijzondere gevallen, kan vervoer van lijders aan eene besmettelijke ziekte door den burgemeester worden toegestaan onder door hem te geven voorschriften.

Dit vervoer met gebruik van openbare vervoermiddelen is verboden. (31.)

Voer- of vaartuigen, waarmede het vervoer heeft plaats gehad, moeten onmiddellijk daarna door de zorg en ten koste van den eigenaar worden ontsmet. (30.)

Indien het vervoer naar eene andere gemeente geschiedt, geeft de burgemeester der gemeente van vertrek onmiddellijk aan den burgemeester der gemeente van bestemming kennis van de verleende vergunning en van de daartoe gegeven voorschriften. (2, 11.)

Vervoer van voorwerpen, naar de plaats voor ontsmetting bestemd, is, met inachtneming van de door den burgemeester te geven voorschriften, geoorloofd.

10. Onverminderd de wettelijke bepalingen tot wering van besmetting door uit zee aankomende schepen, zijn schippers van vaartuigen, waarin zich een lijder aan een der ingevolge art. 1 dezer wet als besmettelijk aangeduide ziekten bevindt, of waarin iemand in de laatste 14 dagen aan een dier ziekten geleden heeft of gestorven is, gehouden vóór of bij het binnenvaren van eene gemeente, waar zij willen vertoeven of aanleggen, kennis van bovengenoemde omstandigheden te geven aan den burgemeester. Zij zijn verpligt met hun vaartuig de door hem aan te wijzen ligplaats in te nemen en aldaar zonder gemeenschap met den wal of met andere vaartuigen te blijven, totdat ontsmetting overeenkomstig art. 25 heeft plaats gehad.

Het verbod van gemeenschap met den vasten wal of met andere vaartuigen brengt mede, dat geen der opvarenden het vaartuig mag verlaten en dat niemand zich aan boord daarvan mag begeven, met uitzondering van den loods, de geneeskundigen met het gezondheidsonderzoek en de personen met de ontsmetting belast, en van de geueeskundigen of geestelijken, belast met het verleenen van geneeskundige of geestelijke hulp aan de lijders, en van de Rijksambtenaren der belastingen tot uitoefening hunner functiën, alsmede van ambtenareu van justitie en politie, wanneer hunne ambtsverrigtingen dit vereischen; dat geen goederen gelost mogen worden en geene andere goederen aan boord gebragt mogen worden, dan die, welke voor het levensonderhoud der opvarenden of de verpleging der lijders noodig zijn, met bepaling dat de personen, met het overbrengen belast, zich niet aan boord mogen begeven. De kleederen van

159

-ocr page 190-

160 WET BESMETTELIJKE ZIEKTEN.

de personen, die krachtens de vorige zinsnede aan boord worden toegelaten, worden onmiddellijk na het verlaten van het schip op de krachtens art. 25 voorgeschreven wijze ontsmet. Zij, die zich in strijd met het verbod van gemeenschap aan boord hebben begeven, worden onder de opvarenden gerekend en zijn aan dezelfde bepalingen als deze onderworpen, onverminderd de straffen tegen de gepleegde overtreding bedreigd. ^ (31; Qw. 4.)

11. Overledenen aan Aziatische cholera, typhus of febris typhoï-dea, pokken, roodvonk, dysenterie of diphtheritis mogen niet worden vervoerd naar andere dan de voor de ingezetenen der gemeente gebruikelijke, algemeene of bijzondere begraafplaatsen. 1)

Het vervoer mag niet plaats hebben in voer- of vaartuigen voor levenden bestemd en moet langs den kortsten weg geschieden. (13, 30 v.)

Art. 11 der (Begrafeniö-)wet van 10 April 1869 {Staatsblad no. 65) blijft van toepassing.

12. Bij elke begraafplaats wordt, uiterlijk binnen een jaar na het in werking treden dezer wet, een lokaal ingerigt voor tijdelijke bewaring van overledenen aan eene besmettelijke ziekte. Bij verzuim wordt, zoo het eene algemeene begraafplaats is, door de zorg Tan Onzen Commissaris in de provincie, ten koste van de gemeente, en zoo het eene bijzondere begraafplaats is, door de zorg van burgemeester en wethouders, ten koste van hen aan wie die behoort, ten spoedigste zoodanig lokaal ingerigt.

13. Onverminderd art. 6 der (Begrafenis-)wet van 10 April 1869 (Staatsblad no. 65) kan de burgemeester, indien de zorg voor de gezondheid van de bewoners van het sterfhuis of van de bevolking dit vereischt, des noodig ten koste van de gemeente, onmiddellijk vervoer naar het lijkenhuis gelasten van overledenen aan eene besmettelijke ziekte.

14. Bewoners van huizen of vaartuigen, waarin eene besmettelijke ziekte voorkwam, mogen geen scholen bezoeken, dan na verloop van 8 dagen nadat de ziekte, volgens schriftelijke verklaring van eenen geneeskundige, uit die huizen of vaartuigen geweken is.

Het verbod wordt opgeheven, zoodra ontsmetting overeenkomstig art. 25 dezer wet heeft plaats gehad.

Op scholen, uitsluitend bezocht door leerlingen boven de twaalf jaar, is, bij het voorkomen van mazelen en diphtheritis, het bepaalde in de eerste zinsnede van dit artikel niet van toepassing. (30.)

15. Hoofden of bestuurders van de in het vorig artikel genoemde inrigtingen mogen de daarbij vermelde personen, zoolang het verbod duurt, niet tot die inrigtingen toelaten. (30.)

16. Onverminderd de kennisgeving aan den geneeskundigen in-

1

1

Deze alinea is met het woord „dysenteriequot; aangevuld volgens de wet van 3 Dec. 1874, S. 188.

-ocr page 191-

WET BESMETTELIJKE ZIEKTEN.

specteur in art. (i der wet (Gk.U.) van 1 Junij 1865 (Staatsblad no. 60) voorgeschreven, geeft de geneeskundige, die een lijder aan Aziatische cholera of aan pokken waarneemt, daarvan binnen 24 uren kennis aan den burgemeester van de gemeente, waarin de zieke is aangetroffen. (21, 30.)

De burgemeester zendt van die kennisgeving onverwijld een afschrift aan den geneeskundigen ambtenaar. \') (Gk.T. 2 a.)

17. Onderwijzers, onderwijzeressen of leerlingen, die niet, blijkens verklaring van een geneeskundige, met goed gevolg of meer dan eens de inenting der koepokken hebben ondergaan, of aan de natuurlijke kinderpokken (yariolae) hebben geleden, worden in de scholen niet toegelaten. (30; Gk.U. 7.)

De vorm, de plaats, de wijze van inlevering, bewaring en teruggave dier verklaringen worden bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur geregeld. (K.B. 28 Febr. 18T3, S. 85 en 27 Mei 1873, S. 76.)

18. In elke gemeente wordt door de zorg van het gemeentebestuur minstens eenmaal in elke drie maanden gelegenheid gegeven tot kostelooze inenting en herinenting. Die gelegenheid wordt minstens eenmaal \'s maands gegeven, wanneer Onze Minister van Binnen-landsche Zaken ter algemeene kennis heeft gebracht, dat de pokken in eenig deel van het Rijk epidemisch verbreid zijn en minstens eenmaal \'s weeks, wanneer in de gemeente pokken voorkomen. Tijd en plaats voor de inenting wordt bij openbare aankondiging ter algemeene kennis gebragt.

Tot het verleenen van subsidiën ter tegemoetkoming in de kosten van inrigtingen, welke bevordering dier kunstbewerking ten doel hebben, wordt jaarlijks eene som op de Staatsbegrooting uitgetrokken.

19. Het hoofd van een gezin, de houder of houderes van eene slaapstede of een logement, de schipper van een in eene gemeente vertoevend vaartuig, de bestuurders van gestichten van weldadigheid. in artt. 1 en 2 der (Armen)wet van 28 Junij 1854 (Staateblad no. 100) vermeld, van gevangenissen, van Rijksopvoedingsgestichten, van Rijkswerkinrigtingen, van bedelaars- en krankzinnigengestichten geven, wanneer daarin eene besmettelijke ziekte voorkomt, hiervan binnen 24 uren, nadat hun het feit ter kennis is gekomen, mededee-ling aan den burgemeester. 1)

Gelijk voorschrift geldt voor de kommandanten van legercorpsen of oorlogschepen in havens, voor de onder hun toezigt staande kazernen, schepen of andere lokalen. (3, 31.)

20. Huizen en vaartuigen, waarin eene besmettelijke ziekte voor-

161

1

Art. 19 aldus aangevuld door art. 10, no. 27, der wet van 15 April 1886, S. 64.

STW. ir. 11

-ocr page 192-

162 WET BESMETTELIJKE ZIEKTEN.

komt, worden onmiddellijk en uiterlijk binnen 24 uren na de aangifte door de zorg van den burgemeester, ten koste der gemeente, voorzien van een van buiten duidelijk zigtbaar kenmerk, zoo noodig van meer dan één, de woorden «besmettelijke ziektequot;, en den naam dei-ziekte vermeldende. (25; K.B. Besm.Z. 2.)

Het kenmerk moet aldaar verblijven, tot dat door eene verklaring van eenen geneeskundige is gebleken, dat het gevaar van besmetting geweken is.

21. Zoodra de epidemische verschijning van eene besmettelijke ziekte in eene gemeente den geneeskundigen ambtenaar is gebleken, geeft deze daarvan kennis aan den burgemeester, welke daarop bij openbare aankondiging bekend maakt, dat die ziekte in de gemeente epidemisch voorkomt. (16.)

Van dit tijdstip af, maakt de burgemeester wekelijks, de week gerekend van zondag tot en met zaturdag, bekend:

bij Aziatische cholera, typhus of febris typhoïdea, pokken, roodvonk, dysenterie en diphtheritis, het aantal der aangegeven aangetasten en dat der aan die ziekten overledenen; \')

bij mazelen, dat der aan die ziekte overledenen.

22. Wanneer Aziatische cholera, pokken of roodvonk in eene gemeente epidemisch zijn waargenomen, worden aldaar geene kermissen noch jaarmarkten gehouden. Zij worden in dat geval van gemeentewege geschorst.

23. Bij epidemische verspreiding van besmettelijke ziekten kan het houden van kermissen en jaarmarkten, waar zij niet van gemeentewege geschorst zijn, door Ons verboden worden in aan te wijzen gemeenten, in deelen van het Kijk of het geheele Kijk.

24. Wanneer in eene gemeente Aziatische cholera voorkomt, maakt de burgemeester, onverminderd het bepaalde in het 2de lid van art. 21, dit onmiddellijk aan de ingezetenen bekend. Vervolgens maakt hij dagelijks bekend, hoevele personen in de verloopen 24 uren zijn aangegeven als overleden aan Aziatische cholera. 1)

25. De regelen omtrent het verbranden of op andere wijze vernietigen van voorwerpen, volgens deze wet onteigend, het ontsmetten van besmette en van de bij art. 8 genoemde voorwerper., de ontsmetting van gebouwen, voer- of vaartuigen en de onschaaelijk-making van mestvaalten en andere verzamelingen van vuil, de in-rigting en plaatsing van het in art. 20 vermelde kenmerk, worden door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur vastgesteld. (K.B. 26 Juli 1885, S. 167 en 24 Juli 1891, S. 153.)

1

Aan art. 24 was een 2de lid toegevoegd betr. wekelijks che bekendmaking in de Staatscourant van het cijfer der in elke gemeente aan cholera overledenen, welk lid is vervallen volgens de wet van 8 April 1893, S. 64.

-ocr page 193-

WET BESMETTELIJKE ZIEKTEN.

26. Van hetgeen door hem krachtens deze wet is verrigt geeft de burgemeester onmiddellijk berigt aan den geneeskundigen ambtenaar. (2—5, 9.)

Indien den geneeskundigen ambtenaar blijkt, dat door den burgemeester van eene tot zijnen dienstkring behoorende gemeente geen of geen voldoend gebruik wordt gemaakt van de hem bij deze wet toegekende bevoegdheid tot het nemen van maatregelen of het verordenen van voorschriften, geeft hij daarvan, met aanhaling van dit wetsartikel, aan dien burgemeester schriftelijk kennis, met opgave van de door hem noodzakelijk geachte maatregelen of voorschriften en van den termijn, binnen welken die maatregelen of voorschriften naar zijne meening behooren te zijn genomen of verordend. Te gelijker tijd zendt de geneeskundige ambtenaar een afschrift van deze kennisgeving aan den Commissaris der Koningin in de provincie. Zoo spoedig mogelijk, uiterlijk terstond na afloop van den termijn, door den geneeskundigen ambtenaar in zijne kennisgeving genoemd, is de burgemeester verpligt aan den Commissaris der Koningin schriftelijk kennis te geven, dat aan het advies van den geneeskundigen ambtenaar is gevolg gegeven, of, zoo niet, welke bezwaren het nemen of verordenen van de door dien ambtenaar noodzakelijk geachte maatregelen of voorschriften hebben belet. Van deze kennisgeving zendt de burgemeester te gelijker tijd een afschrift aan den geneeskundigen ambtenaar. \')

27. Onverminderd art. 5 der wet (Gk.T.) van 1 Junij 1865 (Staatsblad no. 58) zijn, bij het verschijnen van besmettelijke ziekten, de geneeskundige ambtenaren, de leden en plaatsvervangende leden der geneeskundige raden, mits voorzien van eene magtiging van den geneeskundigen ambtenaar, bevoegd tusschen zonsop- en ondergang, in den kring waarvoor zij zijn aangesteld, de woningen der ingezetenen huns ondanks binnen te treden, doch niet dan in bijzijn van den kantonregter, of wel van het hoofd of een der leden van het gemeentebestuur.

Van het binnentreden en van de redenen, die daartoe geleid hebben, wordt door hem, die krachtens bovenstaande bepaling daarbij tegenwoordig is geweest, binnen tweemaal 24 uren proces-verbaal opgemaakt en aan hem, wiens woning is binnengetreden, in afschrift medegedeeld. (G. 158.)

28. De burgemeester, alleen of vergezeld van de door hein daartoe noodig gekeurde en aangewezen personen, is bevoegd de woningen der ingezetenen huns ondanks tusschen zonsop- en ondergang binnen te treden, ter uitvoering van de bepalingen dezer wet of van de krachtens deze wet uitgevaardigde besluiten.

163

29. Provinciale en gemeentebesturen behouden de bevoegdheid

1) Dit 2de lid is aan art. 26 toegevoegd volgens de wet van 8 April 1893. S. 64.

11*

-ocr page 194-

WET BESMETTELIJKE ZIEKTEN.

tot het vaststellen van reglementen of verordeningen tot voorkoming, wering of beteugeling van besmettelijke ziekten, voor zoover zij niet in strijd zijn met de bepalingen dezer wet. (Grk.T. 14.)

Strafbepalingen. \')

Art. 30. Met eene boete van ƒ 0,50 tot ƒ 25 of met hechtenis van één tot drie dagen, wordt gestraft:

1°. Afgeschaft;

quot;2°. overtreding van artt. 11, le en 2e lid, 14, 15, 10 en 17.

Wegens het in de school zenden van kinderen in de gevallen, voorzien bij artt. 14 en 17, zijn de ouders of voogden dier kinderen strafbaar.

Wegens overtreding van art. 17 zijn verder strafbaar de hoofden of de bestuurders der scholen, die de onderwijzers of onderwijzeressen hebben toegelaten, en de onderwijzers en onderwijzeressen zeiven, die onderwijs op de scholen hebben gegeven;

3°. overtreding van artt. 8 en 9, 4de lid, indien de overtreder met den aard van de ziekte bekend was.

31. Met eene boete van ƒ 0,50 tot ] 100 of met hechtenis van één dag tot eene maand, wordt gestraft:

1quot;. Afgeschaft;

2°. overtreding van artt. 9, 3de lid, 10, 11, 2de lid, indien de overtreder met den aard van de ziekte bekend was, en van art. 19;

3U. Afgeschaft.

32. Afgeschaft.

33. Afgeschaft.

Slotbepaling.

164

Art. 34. Deze wet treedt in werking vóór of op den Isten Mei 1873.

1) Artt. 30 en 31 aldus gewijzigd en artt. 32 en 33 afgeschaft volgens art. 3d, art. 10, no. 27 en art 11 der wet van 15 April 1886, S. no. 64. Zie thans ook Wetb. v. Strafr. art. 184.

-ocr page 195-

BESLUIT,

HOUDENDE KEGELEN, OP TE VOLGEN BIJ VERBRANDING OF VERNIETIGING VAN ONTEIGENDE VOORWERPEN, ONTSMETTING VAN BESMETTE VOORWERPEN, GEBOUWEN, VOER- OP VAARTUIGEN, EN ONSCHADELIJKMAKING VAN MESTVAALTEN EN ANDERE VERZAMELINGEN VAN VUIL.

(Vastgesteld den 26sten Juli 1885, Stsbl. no. 167, uitgegeven den 13 Aug. d.a.v. Wat de Regelen betreft, gewijzigd bij K.B. van 24 Juli 1891, Stsbl. no. 153.)

Art. 1. Moet volgens de wet van 4 December 1872 {Staalshlnd no. 134) verbranding of vernietiging van onteigende voorwerpen,

ontsmetting van besmette en bij art. 8 van die wet genoemde voorwerpen, gebouwen, voer- of vaartuigen of onschadelijkmaking van mestvaalten en andere verzamelingen van vuil plaats hebben, dan geschiedt dit met inachtneming van de regelen bij dit besluit gevoegd. (Besm.Z. 3—6, 9, 10, 25.)

2. Het kenmerk in art. 20 der wet vermeld, bestaat in een wit papier, waarop de woorden «besmettelijke ziekte» en de naam der ziekte zwart gedrukt zijn. De letters, die den naam der ziekte vermelden, zijn ten minste drie centimeters hoog en twee centimeters breed; de dikke lijnen der letters zijn ten minste één centimeter breed.

3. Dit kenmerk wordt bevestigd op eene van buiten in het oog vallende plaats op of vlak boven de straatdeur en evenzoo bij eiken anderen ingang: bij winkels wordt het bevestigd aan den post van de deur of deuren; in elk geval een en een hal ven meter boven den drempel.

4. Het wordt, geplakt op een houten bord, gehecht;

o. bij vaartuigen met hooge verschansing: aan de valreep van \'

stuur- en bakboordszijde;

b. bij vaartuigen met lage verschansing: aan de buitenzijde van het want, een meter boven boord, aan stuur- en bakboordszijde;

c. bij elke andere soort van vaartuigen en bij vlotten: aan een paal of staak, ter hoogte van twee meters boven het vaartuig of vlot.

5. De artt. 1, 2 en 4 van dit besluit worden des nooelig toegepast op alle buitenlandsche en binnenlandsche vaartuigen en vlotten,

met uitzondering van vreemde oorlogschepen. !, j:

6. Ons besluit van 17 April 1873 (Staatsblad no. 43) met de daarbij aangehaalde voorschriften, is ingetrokken.

7. Dit besluit treedt in werking op den vijfden dag na dien der afkondiging in het Staatsblad en in de Staatscowrant.

Onze Minister van Binnenlandsche Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, enz.

-ocr page 196-

166 BESLUIT, HOUD. REGELEN ONTSMETTING ENZ.

REGELEN, op tc volgen bij verbranding of vernietiging van onteigende voorwerpen, ontsmetting van besmette voorwerpen, gehouwen, voer- of vaartuigen, en onscha-delijkmaking van mestvaalten en andere verzamelingen van vuil. quot;)

De ontsmettingsmiddelen iu deze regelen genoemd, zijn:

lu. Verzadigde stoom op atmospherischen druk of daarboven.

2°. Kokend water.

3quot;. Oplossing van sublimaat met chloorwaterstofzuur. Deze is eene oplossing van 1 deel sublimaat (chloretum hydrargyrieum) in 1000 deelen water, waarbij gevoegd zijn 5 deelen chloorwaterstofzuur (acidum hydrochloricum). Waar die oplossing gebruikt wordt, moeten de flesschen door een apotheker of anderen deskundige met de door hem zelve bereide oplossing worden gevuld. Die flesschen moeten, verzegeld en voorzien van het opschrift »Vergift», in een gesloten kast worden bewaard.

De oplossing van sublimaat kan ook versch bereid worden door 1 deel sublimaat en 1 deel keukenzout in 1000 deelen water op te lossen.

4°. Oplossing van phenol met chloorwaterstofzuur. De oplossing wordt bereid door 10 deelen phenol (phenylzuur) in 200 deelen water en 1 deel chloorwaterstofzuur (acidum hydrochloricum) op te lossen.

5°. Creolinc. Hieronder wordt verstaan steenkoolteerolie, die de tusschen 200° en 300° Celsius destilleerende gerectificeerde hoogere phenolen, maar geen carbolzuur bevat en door eene eigenaardige bewerking in een toestand is gebracht, waarin zij met water een zeer fijne vermenging vormt. Deze vermenging moet zich terstond vormen en blijven bestaan.

Oquot;. Creoline-mengsel. Hieronder wordt verstaan eene vermenging van 3 deelen creoline met 100 deelen water.

7°. Kalkmelk. Tot bereiding neme men 100 gewichtsdeelen onge-bluschte kalk en giete daarop langzaam 60 gewichtsdeelen water om ze te blusschen. Het verkregen poeder worde met 4 volumendeelen water tot kalkmeel aangeroerd en onmiddellijk in flesschen geschonken die, daarmede geheel gevuld zijnde, goed gesloten moeten worden.

8U. Chloorkalk (hvpochloris calsicus) in poedervorm. Deze moet ten minste 20 percent werkzaam chloor bevatten en in goed gesloten, donkere flesschen bewaard worden.

§ 1. Algemeene regelen.

Verbranding of vernietiging van onteigende voorwerpen geschiede

1) Deze Kegelen aldus gewijzigd bij K.B. van 24 Juli 1891, Stsbl. no. 163, waarbij tevens is bepaald dat deze Eegelen ook worden gevolgd bij toepassing van art. 5 van ommestaand besluit van 26 Juli 1885, S. 167.

-ocr page 197-

BESLUIT, HOUD. KEGELEN ONTSMETTING ENZ. 167

op eene of meer door den burgemeester daartoe aan te wijzen plaatsen, zoodanig dat de algemeens gezondheidstoestand daardoor geen gevaar kan lijden en geen brandgevaar kan ontstaan.

Waar eene algemeene plaats voor het verzamelen van mest en ander vuil, verwijderd van woningen bestaat, kan aldaar de verbranding of vernietiging geschieden. Ook begraafplaatsen kunnen tot dat einde dienen.

Ontsmetting van besmette of van besmetting verdachte en van de bij art. 8 der wet van 4 December 1872 {Staatsblad no. 134) bedoelde voorwerpen van lijken, van gebouwen of vertrekken, van voer- of vaartuigen geschiedt, onder onmiddellijk toezicht van den burgemeester, door personen die hij daarmede belast en bij voorkeur door daartoe aangestelde deskundigen, zooveel mogelijk in de uitvoering van deze regeling onderricht en geoefend. Deze ontsmetters geven eene verklaring af, dat de ontsmetting is geschied volgens deze regelen.

Deze verklaring kan ook afgegeven worden door geneeskundigen indien de ontsmetting onder hun onmiddellijk en voortdurend toezicht heeft plaats gehad, voorts door burgemeesters, commissarissen van politie, directeuren van ziekenhuizen, militaire gebouwen of gevangenissen en commandanten en gezagvoerders van zeeschepen.

Zonder deze verklaring wordt de ontsmetting geacht niet te hebben plaats gehad en kan zij geene wettelijke gevolgen hebben.

Wegens de vergiftige eigenschappen van het sublimaat moet met de sublimaat-oplossing zeer voorzichtig worden omgegaan.

De ontsmetting geschiedt, wat de vervoerbare voorwerpen aangaat, en behoudens later aan te wijzen uitzonderingen, op eene door den burgemeester daarvoor aangewezen plaats zoodanig dat dc algemeene gezondheidstoestand daardoor geen gevaar kan lijden. Zij kan echter onder goedkeuring des burgemeesters ook binnenshuis of op het erf, waar de te ontsmetten voorwerpen aanwezig zijn, plaats hebben.

Goederen, die naar een ontsmettingsoven worden vervoerd, moeten voorzichtig (d. i. zonder veel te roeren of uit te kloppen) in met sublimaat-oplossing of, is deze niet dadelijk voorhanden, met water bevochtigde zakken en daarna in goed gesloten kisten gepakt worden. Men drage daarbij zorg, dat goederen, die met bloed of faecaliën besmet zijn, worden nat gemaakt niet 1 deel bleekwater (hypochloris natricus) op 8 dealen water en in afzonderlijk gemerkte zakken worden gepakt; dat tapijten doelmatig opgerold worden en dat men zich overtuige, dat zich geene voorwerpen in de zakken der kleeding-stukken bevinden.

§ 2. Regelen omtrent het ontsmetten van besmette of van besmetting verdachte voorwerpen.

Kleedingstukken, beddengoed, bedden, matrassen, tapijten en alles

-ocr page 198-

168 BESLUIT, HOUD. REGELEN ONTSMETTING ENZ.

van dien aard, wat met den lijder in aanraking is geweest, of door hem tijdens de ziekte gebruikt is, worden in een ontsmettingsoven door verzadigden stoom op atmospherisehen druk of daarboven, ontsmet.

De tijd, gedurende welken de voorwerpen in den ontsmettingsoven moeten verblijven, hangt af van hunne afmetingen, hunne dikte, dichtheid en de meer of minder gemakkelijkheid, waarmede zij zich door stoom laten doordringen en van de constructie van dien oven en zal daarom verschillen van een half uur tot twee uren.

Zoo zal bij voorbeeld voor de inwerking van stoom op linnen of katoenen lakens en ondergoed een half uur voldoende zijn, terwijl kleederen van andere stoffen, wollen dekens, enz. drie vierden van een uur eu bedden, matrassen en tapijten soms twee uur zullen behoeven.

Bij de ontsmetting door stoom zorge men steeds dat de goederen zoo los op en tegen elkander liggen dat de stoom tot elk gedeelte er van toegang heeft.

Alles wat niet in den oven ontsmet kan worden als leder, bont, caoutchouc, gebonden boeken moet met sublimaat- of phenol-op-lossing of met creoline-mengsel worden afgesponst. Gewaste tijk van bedden moet afzonderlijk ontsmet worden, terwijl de inhoud in een zak ovcrgestort, eveneens ontsmet wordt.

Stoffen, die zonder nadeel kookhitte kunnen verdragen als linnen, katoen enz. kunnen ook gedurende een half uur in een grooten, van een deksel voorzienen geëmailleerd ijzeren pot met water, waarin men een paar handen vol keukenzout heeft gedaan, gekookt worden of gedurende drie uur in sublimaat-oplossing of gedurende 24 uur iu creoline-mengsel of phenol-oplossing gedompeld worden.

Stoffen die niet gekookt, maar gewasschen kunnen worden als wol, flanel, veeren, kapok, paardenhaar, kunnen ook gedurende een half uur in sublimaat-oplossing of 24 uur in creoline-mengsel of phenol-oplossingen worden gelegd en daarna gewasschen en gedroogd. De met creoline behandelde stoffen moeten ter dege met zeep gewasschen en goed gedroogd worden. Bedvulsel van weinig of geen waarde zooals stroo, duil, zeegras, varen, doppen, verband-stoffen enz. worden verbrand. Zoo er geene gelegenheid toe is, worden zij in met sublimaat-oplossing bevochtigde zakken vervoerd naar de door den burgemeester aangewezen plaats voor verbranding.

Springmatrassen worden met sublimaat-oplossing ter dege afgesponst.

Meubelen, huisraad en dergelijke voorwerpen. Deze worden met sublimaat-oplossing ter dege afgewasschen en vervolgens met lappen nauwkeurig afgewreven, welke lappen daarna worden verbrand.

Voorwerpen, die voor deze behandeling niet vatbaar zijn, zooals voorwerpen van metaal, worden met creoline-mengsel of phenol-oplossing behandeld.

Heel-, verlos- en ontleedkundige werktuigen en ander gereedschap

-ocr page 199-

BESLUIT, HOUD. REGELEN ONTSMETTING ENZ. 169

worden, zoo zij van metaal zijn, ontsmet door ze zorgvuldig te reinigen en daarna gedurende een half uur in water te koken of wel eenige malen door eene vlam te halen. Is dit niet doenlijk, dan worden ze door oplossing van phenol ontsmet.

Voorwerpen van caoutchouc vervaardigd, worden gedurende een uur in sublimaat-oplossing gelegd en daarna met zuiver water afge-wasschen.

Voorwerpen bij lijken gebruikt. De schragen en roeven worden met sublimaat-oplossing afgewasschen. De dekkleeden en rouwmantels worden, nadat de begrafenis is afgeloopen, op de begraafplaats onmiddellijk met de sublimaat-oplossing afgesponst, daarna gedroogd, uitgeklopt en afgeborsteld.

§ 3. Kegelen voor het onschadelijk maken van lijken.

De lijken van overledenen aan eene besmettelijke ziekte worden, geheel gehuld in een met sublimaat-oplossing gedrenkt laken, zoo spoedig mogelijk gelegd in eene kist, waarvan de bodem bedekt is met eene eenige centimeters dikke laag houtzaagsel, turfmolm of tuinaarde en zoo spoedig mogelijk uit de woning naar het lijkenhuis overgebracht.

Het plaatsen van een open schotel met chloorkalk in het lijkenhuis verdient aanbeveling.

§ 4. Regelen omtrent het ontumcllen van gehouwen of vertrekken en van vaar- of voertuigen.

Nadat uit het te ontsmetten ziekenvertrek alles verwijderd en op de bovengenoemde wijze ontsmet is, snijdt men, overeenkomstig de grootte van den ontsmettingsoven, de banen van het tapijt zoodanig los, dat men dit kan oprollen; vervolgens bespuit men om het stuiven tegen te gaan, den vloer met creoline-mengsel, sublimaat- of phenol-oplossing. Daarna wordt het behangsel al naar zijn aard ontsmet, hetzij door middel van groote sneden versch en goed doorbakken brood, waarmede langs het behangsel gestreken wordt, hetzij door middel van een verstuivingstoestel met sublimaat-oplossing of creoline-mengsel. Wanneer sublimaat gebruikt is, moet met eene oplossing van 1 deel koolzure soda op 100 deelen water worden nagespoten. Wanneer creoline gebruikt is, met gewoon water.

Cxlad behangsel of houtwerk kan met sublimaat-oplossing afgesponst worden. Gekalkte muren en zolderingen worden opnieuw gewit. De gebruikte lappen en kruimels worden verbrand.

De vloer wordt opgeveegd en gewasschen met sublimaat- of phenol-oplossing of creoline-mengsel.

Houtwerk en vloeren, met sublimaat behandeld, moeten worden afgenomen met eene oplossing van 1 deel koolzure soda op 100 deelen water.

-ocr page 200-

BESLUIT, HOUD. REGELEN ONTSMETTING ENZ.

Op gelijke wijze als met vertrekken in huizen, wordt gehandeld met kajuiten en andere scheepsruimten, waarin een lijder aan eene besmettelijke ziekte of het lijk van een daaraan overledene is geweest.

Het kielwater van zulke vaartuigen wordt ontsmet, door het te bedeelen met zooveel sublimaat-oplossing, dat eene verhouding van 1 op 3000 dealen kielwater naar gissing wordt verkregen. Na verloop van een uur wordt dit uitgepompt. Daarna wordt weder water ingelaten, dat nogmaals wordt uitgepompt. Rijtuigen, karren, kruiwagens, sleden, draagbaren, alsmede kisten en manden, gebruikt tot vervoer van een lijder aan eene besmettelijke ziekte of van het lijk van een daaraan overledene of van besmette goederen, worden na elk zoodanig vervoer van binnen met sublimaat-oplossing goed afge-sponst en daarna goed gereinigd.

Gevulde zittingen worden met sublimaat-oplossing bespoten en, na gedroogd te zijn, uitgeklopt; lederen zittingen worden daarmede afgesponst.

§ 5. Regelen omtrent hei onschadelijk maken van door zieleen langs verschillende wegen ontlaste stoffen.

A. Bij lijders aan Aziatische cholera, darmtyphus en dysenterie.

In de potten of flesschen, waarin de darmontlasting, het braaksel

of de urine wordt opgevangen, worde vooraf 200 gram (een bierglas) kalkmelk of 80 gram (een wijnglas) creoline-mengsel gedaan. Nadat de potten of flesschen gebruikt zijn en geledigd, worden zij met kalkmelk of creoline-mengsel omgespoeld.

Waar door de zorg van het gemeentebestuur gekenmerkte tonnen, uitsluitend bestemd tot het opnemen van de uitwerpselen der lijders, worden verstrekt, wordt de inhoud der potten of flesschen en de kalkmelk of creoline-mengsel, waarmede zij zijn omgespoeld, daarin geledigd. In die tonnen moet vooraf 500 gram kalkmelk worden gegoten. Zij moeten, alvorens zij na lediging weder aan huis worden bezorgd, met kalkmelk of creoline-mengsel worden omgespoeld.

Waar geen zoodanige tonnen worden verstrekt, kan de inhoud der potten of flesschen in een privaat worden geledigd, mits dit dagelijks op de hierna in § 6 op te geven wijze wordt ontsmet.

B. Bij lijders aan roodvonk of dyphtheritis.

Zijn de uit neus- of keelholte afgescheiden stoffen opgevangen op lapjes of zakdoeken, dan worden de eerste verbrand en de zakdoeken telkens wanneer zij door schoone vervangen worden, in eene phenol-oplossing of creoline-mengsel gedompeld, waarin zij gedurende 24 uur blijven liggen.

Worden die stoffen opgevangen in potten, spuwbakjes en dergelijke, dan wordt daarmede gehandeld als voor de uitwerpselen van lijders aan Aziatische cholera, darmtyphus en dysenterie is voorgeschreven. De urine wordt behandeld zooals in § 5 A is aangegeven.

170

-ocr page 201-

I

BESLUIT, HOUD. REGELEN ONTSMETTING ENZ. 171

§ 6. Regelen omtrent het onschadelijk maken van tot ontsmetting gebruikt waschwater en van verzamelingen van vuil en omtrent het ontsmetten van privaten en urinoirs.

Waschwater wordt behandeld op de wijze in § 5 aangegeven.

Verzamelingen van vuil. Wanneer gedurende het heerschen van Aziatische cholera, typhus of dysenterie nog niet opgeruimde verzamelingen van mest of ander vuil worden ontdekt, wordt na de geheele wegruiming daarvan, de bodem waarop zij hebben gelegen,

naarmate van de uitgestrektheid, met eenige emmers kalkmelk of creoline-mengsel begoten of met chloorkalk ontsmet.

Wanneer wegruiming niet mogelijk of niet raadzaam is, bedekke men de vuilnishoop of mestvaalt of het verspreide vuil met een laag houtskool, turfmolm of aarde of wel met plaggen.

Goten of andere waterlossingen, van welke men vermoeden kan :;

dat daarin uitwerpselen van lijders aan Aziatische cholera, darm-typhus of dysenterie zijn of worden geworpen, worden ontsmet op dezelfde wijze als de privaten.

Privaten. Algemeene privaten en urinoirs, privaten en urinoirs in logementen of slaapsteden, ia scholen en andere publieke gebouwen en in \'t algemeen alle privaten, die niet uitsluitend door personen uit één en hetzelfde huisgezin worden gebruikt, alsmede die privaten en urinoirs, welke wel alleen voor de leden van één huisgezin bestemd zijn, maar in welke uitwerpselen van lijders aan Aziatische cholera, darmtyphus of dysenterie zijn of worden geworpen, worden dagelijks ontsmet door er eene ruime hoeveelheid kalkmelk, chloorkalk of creoline-mengsel in te gieten. Ook de trechters worden met eene behoorlijke hoeveelheid bedeeld. De zitting van het privaat wordt met sublimaat-oplossing of met creoline-mengsel afgesponst. i |

Bij het ontsmetten van privaten wordt als maatstaf aangenomen dat 10 liter kalkmelk, 5 kilo chloorkalk of 5 liter creoline-mengsel voldoende zijn voor 1 kubieke meter faecaliën. Bij het ruimen van privaten verdient het aanbeveling, daarin vooraf chloorkalk te storten.

Straatvuil in straten, stegen, sloppen, gangen of poorten wordt na wegruiming behandeld volgens de regelen voor vuilnishoopen.

Daarna worden de plaatsen, waar het vuil gelegen heeft, met kalkmelk of creoline-mengsel begoten en geschrobd.

Wanneer graven of begraafplaatsen moeten ontsmet worden, bedekke men ze met eene ten minste één decimeter (palm) dikke laag kool, turfmolm of asch, waarover aarde wordt geworpen of plaggen of graszoden gelegd worden.

Wanneer aarde gebruikt wordt, bezaaie men deze met een snelgroeiend gewas.

lt;

-ocr page 202-

WET,

TOT WEEING VAN BESMETTING DOOR UIT ZEE AANKOMENDE SCHEPEN.

(Vastgesteld Jen 28sten Maart 1877, Stsbl. no. 35, uitgegeven den 6den April d.a.v. Gewijzigd bij de wetten van 15 April 1886 Stsbl. no. 61 en 8 April 1893, Stsbl. no. 63.)

Art. 1. Elk schip, uit zee in eene Nederlandsche haven of op cene Nederlandsche reede aankomende of na aankomst uit zee daar liggende, wordt onderworpen aan een gezondheidsonderzoek; (22.)

1°. wanneer het komt uit landen of plaatsen, door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken besmet vei\'klaard, wegens eene der ziekten, in het volgend artikel genoemd;

2°. wanneer eene zoodanige ziekte tijdens de jongste zeereis waargenomen is, of aan boord waargenomen wordt.

2. De ziekten, in het voorgaande artikel bedoeld, zijn: pest, gele koorts en Aziatische cholera.

Bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur kan door Ons deze wet ook van toepassing verklaard worden op daarin niet genoemde ziekten.

Die maatregel is niet langer verbindende dan gedurende een jaar na zijne afkondiging, tenzij hij binnen dat tijdperk door de wet bekrachtigd zij.

3. De schipper van een vaartuig, dat aan een gezondheidsonderzoek moet worden onderworpen, uit zee eene Nederlandsche haven of reede willende aandoen, laat, zoodra hij in het gezigt van den wal is, een gele vlag van den top, of bij gebreke van die, zijne natie-vlag op eene zigtbare plaats uit het voorwant waaijen, en zorgt, dat die blijve waaijen en dat geene gemeenschap van het schip met den wal of met andere vaartuigen plaats hebbe, alvorens het gezondheidsonderzoek is afgeloopen. (22.)

De schipper van het loodsvaartuig is verpligt, wanneer hij verneemt, dat eene der in art. 2 bedoelde ziekten aan boord voorkomt, zorg te dragen, dat de bemanning van het loodsvaartuig geene gemeenschap met het schip hebbe. Hij mag evenwel zijne hulp en die van den loods aan het schip niet onthouden. De aan boord genomen loods is verpligt voor de naleving van het in de serste alinea van dit artikel vermelde voorschrift te waken, voor zoover

-ocr page 203-

QUARANTAINEWET.

dit nog niet vóór zijne komst aan boord is nageleefd, en den schipper bekend te maken met de namen der landen en plaatsen krachtens art. 1 besmet verklaard, en met zijne verpligtingen volgens deze wet.

De loods, of bij ontstentenis van een loods, de schipper, geeft onverwijld aan den burgemeester der havenplaats, of der gemeente, waartoe de reede behoort, die het schip zal aandoen, hetzij door seinen, hetzij schriftelijk, berigt van den gezondheidstoestand der opvarenden en van de reden, ■waarom het schip de vlag, in de eerste zinsnede van dit artikel aangeduid, voert. (22.)

De schipper is verpligt met zijn schip de ligplaats, hem door of van wege den burgemeester aangewezen, in te nemen, en aldaar te verblijven, totdat de gemeenschap met den wal hersteld is.

4. Het verbod van gemeenschap met den wal of met andere vaartuigen brengt mede, dat geen der opvarenden het schip mag verlaten en dat niemand zich aan boord van het schip mag begeven, met uitzondering van den loods, de geneeskundigen met het gezondheidsonderzoek en de personen met de ontsmetting belast, van de geneeskundigen of geestelijken, belast met het verleenen van geneeskundige of geestelijke hulp aan de lijders, en van de Rijksambtenaren der belastingen tot uitoefening van hunne functien, alsmede van ambtenaren van justitie en politie, wanneer hunne ambtsverrigtin-gen dit vereischen; dat geene goederen gelost mogen worden en geene andere goederen aan boord gebragt mogen worden dan die, welke voor het levensonderhoud der opvarenden of de verpleging der zieken noodig zijn, met bepaling dat de personen, met het overbrengen belast, zich niet aan boord mogen begeven.

De kleederen van de personen, die krachtens de vorige zinsnede aan boord worden toegelaten, worden onmiddellijk na het verlaten van het schip, op de krachtens art. 25 der wet (Besm.Z.) van 4 December 1872 (Slaatsblad no. 134) voorgeschreven wijze, ontsmet.

Zij, die zich in strijd met het verbod van gemeenschap aan boord hebben begeven, worden onder de opvarenden gerekend en zijn aan dezelfde bepalingen als deze onderworpen, onverminderd de straffen tegen de gepleegde overtreding bedreigd. (Besm.Z. 10.)

5. De schipper is verpligt de vragen, hem door den loods en den met het gezondheidsonderzoek belasten geneeskundige gedaan, naauw-kenrig en naar waarheid te beantwoorden en aan laatstgenoemden zijn gezondheidsbrief, zoo hij dien bezit, te overhandigen. (7.)

6. Onverminderd de verpligting tot aangifte krachtens art. 19 dei-wet (Besm.Z.) van 4 December 1872 {Staatsblad no. 134), geeft de schipper, op wiens vaartuig, na aankomst uit zee in eene Nederland-sche haven of op eene Nederlandsche reede liggende, eene der in art. 2 bedoelde ziekten waargenomen wordt, daarvan binnen twaalf uren kennis aan den burgemeester van die havenplaats of van de gemeente, die het naast aan zijne ankerplaats ligt, hijscht de gele

173

-ocr page 204-

QUARANTAINEW ET.

vlag en zorgt dat die blijve waaijen en dat geene gemeenschap met den wal en met andere vaartuigen plaats hebbe, alvorens het gezondheidsonderzoek is afgeloopen. (22.)

7. Het gezondheidsonderzoek geschiedt door de ambtenaren van het geneeskundig Staatstoezigt of, onder hun opzigt, door geneeskundigen, daartoe door Ons aangewezen. (K.B. 21 Juni 1877, S. 152; Gk.T. 2a.)

Bij ontstentenis van de in het vorig lid genoemde personen, wordt in spoedeisehende gevallen door den burgemeester, in art. 3 of G bedoeld, een voorloopig gezondheidsonderzoek aan een anderen geneeskundige opgedragen.

8. Het schip, dat bij het onderzoek, in art. 7 bedoeld, in een toestand gevonden wordt, die gevaar voor de gezondheid van de opvarenden of van anderen oplevert, of dat sedert minder dan een door den Minister van Binnenlandsehe Zaken voor elke der in art. 2 bedoelde ziekten te bepalen en in de Nedcrlandschc Staatscourant aan te wijzen aantal dagen, eene wegens die ziekte besmet verklaarde haven verlaten heeft of een geval van die ziekte aan boord heeft gehad, kan bij bevelschrift van den burgemeester buiten gemeenschap met den wal gesteld worden, totdat de gezondheidsmaatregelen, krachtens art. 9 bevolen, toegepast zijn. \')

De schipper zorgt met al de te zijner beschikking staande middelen voor de stipte naleving van de voorschriften dezer wet.

Het staat evenwel aan den schipper vrij, weder naar zee te vertrekken, wanneer hij zich aan deze voorschriften niet wil onderwerpen.

9. Hij, die het onderzoek doet, in art. 7 bedoeld, geeft den burgemeester, aangewezen in art. 6, schriftelijk advies omtrent de in \'t belang der volksgezondheid te nemen maatregelen, aan welk advies de burgemeester verpligt is, overeenkomstig de bepalingen dezer wet en zoo noodig onder inroeping van de hulp der maritieme of militaire magt, onverwijld gevolg te geven, behoudens zijn beroep op Onzen Minister van Binnenlandsehe Zaken. Hangende diens beslissing, blijft het schip buiten gemeenschap met den wal.

10. De opvarenden, die bij het gezondheidsonderzoek bevonden worden niet te lijden aan eene der in art. 2 bedoelde ziekten, kunnen, met toestemming van den met het onderzoek belasten geneeskundige, terstond onbelemmerd aan den wal worden toegelaten; vooraf heeft ontsmetting plaats, indien deze door den geneeskundige noodig wordt geoordeeld. 1)

Zij mogen niet weder in het schip komen, alvorens de gemeenschap met den wal hersteld is.

174

11. De opvarenden, die bij het gezondheidsonderzoek bevonden worden aan eene der in art. 2 bedoelde ziekten te lijden of ziekte-

Ij Het 1ste lid van art. 8 en het 1ste lid van art. 10 aldus vastgesteld bij de wet van 8 April 1893, S. 63.

-ocr page 205-

QUARANÏAINEWET.

verschijnselen vertoonen, welke het ontstaan van zoodanige ziekte bij hen doen verwachten, worden overgebragt naar eene door den burgemeester aan te wijzen inrigting voor verpleging van lijders aan besmettelijke ziekten, en daar afgezonderd en verpleegd, tenzij de geneeskundige, met het gezondheidsonderzoek belast, verklare dat de toestand van den lijder het vervoer niet gedoogt of dat andere omstandigheden het vervoer niet raadzaam n aken. (Besm.Z. 2.)

Lijders, die op de plaats, waar het onderzoek geschiedt, of in hare onmiddellijke nabijheid wonen, kunnen, met vergunning van den burgemeester, gegeven na ingewonnen advies van den geneeskundige, naar hunne woning vervoerd worden.

Geene voer- of vaartuigen worden tot het in de twee vorige zinsneden bedoelde vervoer gebruikt, dan die door den burgemeester aangewezen of goedgekeurd zijn. Zij worden na gebruik ontsmet volgens zijne voorschriften. (Besm.Z. 9.)

Op het begraven der aan eene der genoemde ziekten overledenen zijn de bepalingen der wet (Besm.Z.) van 4 December 1872 (Staatsblad no. 134) van toepassing. (Besm.Z. 11 v.)

12. Indien in de gemeente geene gelegenheid tul verpleging van zieken aanwezig is, worden de lijders op de wijze, in het voorgaande artikel bedoeld, vervoerd naar eene naburige inrigting, des noodig door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken aan te wijzen. (Besm.Z. 7.)

13. De kosten van verpleging worden door de verpleegden of hunne erfgenamen vergoed, volgens een tarief, vast te stellen bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur. (K.B. 21 Juni 1877, S. 153.)

Behoeftigen worden op \'s Bijks kosten verpleegd volgens een op voormelde wijze vast te stellen tarief.

14. De bij het gezondheidsonderzoek besmet of van besmetting verdacht bevonden schepen worden, indien en voor zoover de geneeskundige, met het onderzoek belast, dit noodig oordeelt, onverwijld ontsmet, na verwijdering der passagiers en van het gedeelte der bemanning, dat niet met de bewaking van het schip of hulp bij de ontsmetting belast wordt.

Zoodra de ontsmetting van het schip is afgeloopen, worden ook de aan boord gebleven personen ontsmet.

Wanneer er nog zieken aan boord zijn, kan een gedeelte van het schip worden ontsmet en later het overige, of nog eenmaal het ge-heele schip, naar omstandigheden.

De ontsmetting geschiedt volgens de regelen, krachtens art. 25 der wet (Besm.Z.) van 4 December 1872 (Staatsblad no. 134) vastgesteld. (K.B. Besm.Z.)

De in de lading aanwezige koopmansgoederen worden onbelemmerd aan den vasten wal toegelaten, tenzij de toestand van het schip of de aard dezer goederen de ontsmetting noodzakelijk maakt.

De kleederen en het beddegoed, alsmede andere voorwerpen, die

175

-ocr page 206-

QUARANTAIJTEWET.

met zieken of lijken in aanraking zijn geweest, worden ontsmet of na onteigening vernietigd, overeenkomstig de regelen vastgesteld krachtens artt. 5 en 25 van de in dit artikel aangehaalde wet.

Is er, naar het oordeel van den persoon met het toezigt op de ontsmetting van koopmansgoederen belast, geene voor de ontsmetting geschikte plaats door den burgemeester aan te wijzen, dan worden zij onder de, door den geneeskundigen ambtenaar of die hem vervangt, aan te wijzen en door den burgemeester vast te stellen voorzorgen vervoerd naar eene voor dat doel door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken aangewezen plaats.

15. De kosten van het gezondheidsonderzoek en van de dien ten gevolge genomen maatregelen komen, behoudens het bepaalde in art. 13, ten laste van het Rijk.

16. De burgemeester en het door hem noodig gekeurde en hem vergezellende personeel is bevoegd, ter uitvoering van deze wet, uit zee aankomende of aangekomen schepen teu allen tijde te betreden, zelfs zonder toestemming van den schipper. (Besm.Z. 28.)

17. De voorgaande bepalingen omtrent schepen zijn op oorlogschepen, zoowel Nederlandsche als vreemde, toepasselijk, met dien verstande :

lu. dat hetgeen ten aanzien van den schipper is voorgeschreven toepasselijk is op den kommanderenden officier;

2°. dat het gezondheidsonderzoek, bedoeld bij artt. 1 en 7, zich kan bepalen tot eene schriftelijke beantwoording van vragen door een der in art. 7 aangewezen ambtenaren of geneeskundigen gedaan.

Die beantwoording moet dan worden onderteekend door den kommanderenden officier en den eerstaanwezenden officier van gezondheid aan boord.

Strafbepalingen. 1)

Art. 18. Afgeschaft.

19. Overtreding van de bepalingen der artt. 3, 4, 5, (i eu alinea 3 van art. 11 wordt gestraft met hechtenis van één dag tot een jaar of geldboete van ƒ 0,50 tot ƒ 500.

De straf tegen het niet hijschen der vlag, zooals dat bij het eerste lid van art. 3 is voorgeschreven, is niet toepasselijk op hem, die tijdens het verzuim met de besmetverklaring niet bekend was.

20. Afgeschaft.

Slotbepalingen.

176

Art. 21. De publicatie van 10 Januarij 1805 van het Staatsbe-

1

Aldus gehandhaafd, gewijzigd en afgeschaft volgens artt. 3(7, 10 no. 38 en 11 der wet van 15 April 1886, S. 64. Zie thans ook Wetb. , v. Strafr. art. 184. üeP

-ocr page 207-

qu akant a [newet. — instr. geneesk. 177

steld w\'n(\' ^1\'1\' Bataafschc Republiek en de Koninklijke besluiten van 8 | Maart 1817, van 19 November 1819 en van 6 Julij en 10 Augustus 1831 zijn ingetrokken.

22. Onder het woord -reede - wordt in deze wet verstaan elke ankerplaats voor uit zee komende sehepen binnen de zeegaten en op de rivieren en stroomen.

23. Deze wet treedt in werking op een nader door Ons te bepalen tijdstip. 1)

BESLUIT,

houdende instructie voor den geneeskundige belast met het gezondheidsonderzoek bedoeld bij art. 7 der wet van

28 Maart 1877 (Staatsblad no. 3ÖJ, tot wering van

besmetting door uit zee aankomende schepen.

(Vastgesteld den 21sten Junij 1877, Stsbl. no. 152, uitgegeven den 28sten Junij d.a.v. Gewijzigd bij K.B. van 9 Mei 1886, Stsbl. no. 103.)

Art. 1. De geneeskundigen, krachtens artikel 7 der (Quarantaine-) wet van 28 Maart 1877 {Staatsblad no. 35), belast met het gezondheidsonderzoek van schepen, zijn verpligt bij dit onderzoek de : voorschriften op te volgen, vermeld in de bij dit besluit gevoegde instructie. 2)

2. Dit besluit treedt in werking gelijktijdig met de wet van 28 Maart 1877 {Staatsblad no. 35.) 1)

Onze Minister van Biunenlandsche Zaken is belast met de uit-j voering van dit besluit, enz.

INSTRUCTIE i\'oor den geneeskundige, belast met het gezondheidsonderzoek, bedoeld bij art. 7 der wet van 28 Maart 1877 {Staatsblad no. 35), lot wering ran besmetting door uit zee aankomende sehepen.

Art. 1. De geneeskundige verrigt de werkzaamheden, in deze in-

1) De inwerkingtreding dezer wet is bij K.B. van 3 Julij 1877, S. 156, bepaald op 1 Augustus 1877.

2) Hunne bezoldiging is geregeld bij K.B. van 17 Oct. 18!)5, no. 20. stw. ii. 12

-ocr page 208-

178 INSTRUCTIE GENEESKUNDIGE QUARANTAINE WET.

structie omschreven, onder het opzigt van den betrokken ambtenaar van het geneeskundig Staatstoezigt (art. 7 der wet). (Gk.T. 2«.)

2. Hij zorgt, dat hij steeds zoo spoedig mogelijk beschikbaar zij, wanneer zijne diensten worden gevorderd.

3. Hij begeeft zich, op het berigt dat een vaartuig aan een gezondheidsonderzoek moet worden onderworpen, onmiddellijk aan boord van het schip.

4. Hij neemt inzage van de monsterrol en van den gezondheids-brief, zoo de schipper dien bezit.

5. Hij doet aan den schipper de vragen volgens het voorschrift door den Minister van Binnenlandsche Zaken gegeven, en meldt de beantwoording daarvan bij door hem en, in het geval van art. 17 der wet door den kommanderenden officier en den eerstaanwezenden officier van gezondheid, onderteekend rapport aan den burgemeester.

6. Hij moet alle opvarenden zien en, bij twijfel omtrent hun gezondheidstoestand, zoo naauwkeurig mogelijk onderzoek doen.

Indien uit de verklaring van den schipper blijkt, dat er lijders aan pest, gele koorts of Aziatische cholera gedurende de reis aan boord zijn geweest, of indien het onderzoek aantoont of vermoeden doet, dat er zoodanige zieken aan boord zijn of geweest zijn, stelt hij een onderzoek in naar den toestand van het schip (verblijfplaatsen, kielwater, drinkwater, enz.), naar den aard der lading en de wijze van stuwing.

7. Vóór of onmiddellijk na het verlaten van een besmet schip draagt hij zorg voor de ontsmetting zijner kleederen, volgens de regelen, ingevolge art. 25 der wet van 4 December 1872 {StaatMacl no. 134) door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur vastgesteld of nader vast te stellen. 1) (K.B. Besm.Z.)

8. Hij geeft aan den burgemeester onmiddellijk berigt van den uitslag van het onderzoek en, zoo daarvoor grond is, een schriftelijk advies omtrent: (Qw. 9.)

1°. het buiten gemeenschap niet den wal stellen van het schip (art. 8 der wet);

2°. de noodzakelijkheid van de ontsmetting der opvarenden, voor zoover dezen aan den wal kunnen worden toegelaten (art. 10);

3°. het vervoer van lijders naar eene inrigting voor verpleging van lijders aan besmettelijke ziekten (art. 11, alinea 1);

4quot;. de vergunning tot het vervoer van lijders naar hunne woning (art. 11, alinea 2);

5°. de ontsmetting van het schip en van de koopmansgoederen en de ontsmetting of vernietiging van voorwerpen, die met zieken of lijken in aanraking zijn geweest (art. 14).

9. Hij zendt aan den geneeskundigen ambtenaar vóór den lOden der maanden April, Julij, October en Januarij eene opgaaf, volgens

1

Artikel 7 is aldus gewijzigd bij K.B. van 9 Mei 1886, S. 103.

-ocr page 209-

INSTRUCTIE GENEESKUNDIGE QUARANTAINE WET. 179

door den Minister van Binnenlandsohe Zaken vast te stellen model, van de in het afgeloopen kwartaal onderzochte schepen, of een be-rigt, dat hij in dien tijd niet tot het onderzoek van schepen geroepen is.

Indien het gezondheidsonderzoek leidt tot het nemen van maatregelen, geeft hij hem binnen 24 uren kennis van hetgeen is verrigt.

Bij twijfel omtrent de te nemen maatregelen, wordt door hem ton spoedigste advies van den geneeskundigen ambtenaar gevraagd.

10. Hij houdt toezigt op de uitvoering der maatregelen, wanneer hem dit door den burgemeester wordt opgedragen.

11. Het is hem verboden eenige andere belooning, dan die hem van Rijkswege is toegekend, te vorderen of aan te nemen ter zake van het gezondheidsonderzoek van schepen.

12. De bepalingen dezer instructie gelden, met uitzondering van art. 9, ook voor de geneeskundige ambtenaren, indien het gezondheidsonderzoek door hen wordt verrigt en met uitzondering van art. 2 en van het berigt, bedoeld in het Isle lid van art. 9, ook voor den geneeskundige, die krachtens het 2de lid van art. 7 der (Quarantaine-) wet van 28 Maart 1877 (Staatsblad no. 35) door den burgemeester met het gezondheidsonderzoek van een schip is belast. Deze geneeskundige zendt vóór het einde der maand, waarin een gezondheidsonderzoek door hem is verrigt, hetwelk niet tot het nemen van maatregelen geleid heeft, daarvan berigt aan den geneeskundigen ambtenaar in zijnen kring.

12*

-ocr page 210-

W E T,

HOUDENDE BUITENGEWONE MAAÏRECxELEN TOT AFWENDING VAN EEN I GE BESMETTELIJKE ZIEKTEN EN TOT WERING HARER UITBREIDING EN GEVOLGEN.

(Vastgesteld den 26sten April 1884, Stsbl. no. 8U, uitgegeven den Isten Mei d.a.v. Aangevuld en gewiizigd bij de wetten van 20 Juli 1884, Stsbl. no. 164 en 15 April 1886, Stsbl. no. 64.)

Art. 1. Bij het bestaan, binnen of buiten \'s lands, van Aziatische cholera, pest, gele koorts of pokken, kan door Ons bij algeineenen maatregel van inwendig bestuur in-, door- en vervoer van lompen, gebruikte kleedingstukken, ongewassehen lijf- en beddegoed, onbewerkte wol en haar, huiden, bontwerk en andere voor het overbrengen van besmetting vatbare voorwerpen voor den tijd van ten hoogste een jaar verboden worden. Op gelijke wijze kunnen door Ons bepalingen vastgesteld worden omtrent het onderzoek, de afzondering en de ontsmetting van personen en goederen, het vervoer van personen en goederen en de middelen, zoo openbare als bijzondere, waarmede dat vervoer geschiedt, een en ander onverminderd de bepalingen der wet (Besm.Z.I van 4 December 1872 {Staatsblad no. 134), aangevuld bij die van 3 December 1874 (StaatMad no. 188) en de wetten van 28 Maart 1877 (Staatsblad nos. 35 (Qw.) en 36). (Wet 9 Juli 1894, S. 94, betreffende de bij K.B. 1 Sept. 1894, S. 148, gepubliceerde intemation. overeenkomst tot wering der cholera; K.B. 4 Aug. 1897, S. 185, één jaar van kracht.)

2. Onverminderd de toepassing van bij andere wetten bedreigde straffen, zoo daartoe termen zijn, worden gestraft mei hechtenis van een dag tot een jaar of geldboete van ƒ 0,50 tot ƒ 2000:

1quot;. hij, die een der voorschriften, door Ons krachtens het voorgaande artikel gegeven, overtreedt; 1)

2quot;. en 3°. Afgeschaft. Zie thans art. 184 Wetb. v. Strafr.

in

en

3. Indien tijdens het plegen van het strafbare feit nog geen iwee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijk feit onherroepelijk is geworden, kunnen de in art. 2 bepaalde straffen met een derde worden verhoogd; \')

1

Art. 2,1°. en art. 3 aldus gehandhaafd en gewijzigd volgens artt. 1!) en 11 der wet van 15 April 18SG, S. 64.

-ocr page 211-

WET, HOUD. BUITENGEW. MAATRKCiKLEN BESM. ZIEKTEN. 181

4. Hetgeen in strijd met Onze in art. 1 bedoelde voorschriften ingevoerd, doorgevoerd of vervoerd is en alle voer- of vaartuigen en andere voorwerpen, die gebruikt zijn tot het invoeren, doorvoeren of vervoeren, of tot het plegen van eenige handeling, die bij art. 2 strafbaar is gesteld, worden in beslag genomen en kunnen door den rechter in geval van veroordeeling verbeurd verklaard worden. (S.R. 96 sub 3°., 33.)

Echter heeft verbeurdverklaring der voer- of vaartuigen, die gebruikt zijn tot het invoeren, doorvoeren of vervoeren, alleen dan plaats, zoo het strafbare feit door den vervoerder is gepleegd. 1)

Voor zooveel in het belang der gezondheid of ter wering van besmetting noodig is, worden de in beslag genomen voorwerpen, op last van den burgemeester, vernietigd of onschadelijk gemaakt.

Vernietiging geschiedt niet daii na waardeering door een deskundige, te benoemen door den kantonregter van het kanton, waarin de inbeslagneming heeft plaats gehad; de deskundige legt in handen van den kantonregter een eed (verklaring) af, dat hij de hem vertoonde voorwerpen naar zijn beste weten naar waarheid heeft gewaardeerd.

De geldsom vertegenwoordigende de waarde van hetgeen vernietigd is, wordt, in geval van vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging, of indien de verbeurdverklaring niet is uitgesproken, aan den eigenaar van de vernietigde voorwerpen ten laste van \'s Kijks schatkist uitgekeerd.

Wanneer de in beslag genomen voorwerpen niet zijn vernietigd, worden zij, in geval van vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging, of wanneer de rechter geene termen tot verbeurdverklaring heeft gevonden, aan den eigenaar teruggegeven in den toestand waarin zij zich bevinden.

De bewaarde onschadelijke of onschadelijk gemaakte voorwerpen die verbeurd verklaard zijn, worden ten bate van \'s Rijks schatkist in het openbaar verkocht. (S.R. 35.)

5. Het in beslag genomen voer- of vaartuig met zijnen inventaris wordt tegen zekerheid ontslagen volgens regelen die bij alge-meenen maatregel van inwendig bestuur door Ons worden gesteld. 2)

(K.B. 15 Jan. 1885. S. 5.)

6. Met het opsporen van de overtredingen van deze wet en de door Ons ingevolge art. 1 uitgevaardigde algemeene maatregelen van inwendig bestuur zijn, behalve de bij art. 8 van het Wetboek van Strafvordering 3) aangewezen personen, belast de ambtenaren der

1

Deze alinea is aan art. 4 toegevoegd volgens de wet van 20 Juli 1884, S. 164.

2

Art. 5 is achter art. 4 ingevoegd volgens de wet van 20 Juii 1884, fj. 1C4, waarmede de volgende artikelen zijn geworden artikelen 6 en 7.

3

De verwijzing naar het artikel van het Wetboek van Strafvordering, aldus gewijzigd volgens art. 2 der wet van 31 December 1887, S. 205.

-ocr page 212-

182 WET, HOUD. BUITENGEW. MAATREGELEN BESM. ZIEKTEN.

invoerrechten en acciinzen, alle ambtenaren eu beambten van de Rijks- en gemeentepolitie en zoodanige andere personen, als bij de bedoelde besluiten daartoe zullen worden aangewezen.

De in het eerste lid van dit artikel bedoelde personen hebben te allen tijde vrijen toegang tot voer- of vaartuigen, waarmede zij vermoeden, dat voorwerpen, waarvan de in-, door- en vervoer tijdelijk verboden zijn, worden vervoerd, alsmede tot de winkels en bergplaatsen, waar zij vermoeden, dat die voorwerpen worden verkocht of bewaard. Wordt hun de toegang geweigerd, dan verschaffen zij zich dien, desnoods met inroeping van den sterken arm.

quot;Woningen en bewoonde vaartuigen treden zij tegen den wil van don bewoner niet binnen, dan op schriftelijken last van den burgemeester.

Van dit binnentreden wordt door hen binnen tweemaal vier en twintig uren proces-verbaal opgemaakt en aan den bewoner in afschrift medegedeeld. (G. 158.)

7. Deze wet treedt in werking op den dag harer afkondiging.

-ocr page 213-

WET

TOT REGELING VAN HET STAATSTOEZICHT OP KRANKZINNIGEN.

(Vastgesteld den 27steu April 1884, Stsbl. no. 9fi, uitgegeven den 30sten April d.a.v. Gewijzigd bi] de wetten van 15 April 1886, Stsbl. no, 64 en 7 December 1896, Stsbl. no. 191.J

i I

Wij WILLEM III, enz.

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is, met intrekking van de wet van 29 Mei 1841 (Staatsblad no. 20), bepalingen vast te stellen betreffende het Staatstoezicht op krankzinnigen ;

Zoo is het, dat Wij, enz.

g 1. Staatstoezicht op krankzinnigen cn krankzinnigengestichten.

Art. 1. Het Staatstoezicht op krankzinnigen en krankzinnigengestichten wordt, volgens de bepalingen dezer wet en de krachtens haar door Ons en van Onzentwege te geven voorschriften uitgeoefend door ten minste twee door Ons te benoemen inspecteurs, onverminderd hetgeen bij deze wet en andere wettelijke bepalingen aan rechterlijke en geneeskundige ambtenaren en burgemeesters is opgedragen.

Deze inspecteurs oefenen geene geneeskundige praktijk uit en be-kleeden zonder Onze toestemming geene andere bediening. (Gk.T. 1—3, 9, 18.)

2. Het Staatstoezicht strekt zieli uit over alle krankzinnigen, met uitzondering van hen die, zonder van hunne vrijheid te zijn beroofd, in hunne eigene woning of in die hunner ouders of echtgenooten worden verpleegd.

Onverminderd het toezicht dat op krankzinnigengestichten in verband met hunnen oorsprong volgens de bestaande voorschriften wordt uitgeoefend door provinciale en plaatselijke besturen, zijn alle krankzinnigengestichten aan het Staatstoezicht onderworpen.

3. Hij die een krankzinnige verpleegt over wien het Staatstoezicht zich uitstrekt, is gehouden hiervan aangifte te doen aan den burgemeester der gemeente van zijn werkelijk verblijf binnen tweemaal vier en twintig uren na den aanvang dier verpleging.

-ocr page 214-

WET STAATSTOEZICHT OP KRANKZINNIGEN.

Kinnen gelijk tijdsverloop geeft de burgemeester van deze aangifte kennis aan den officier van justitie en aan een der inspecteurs.

4. Zij, aan wie het Staatstoezicht is opgedragen, zijn bevoegd de woningen binnen te treden waar krankzinnigen verpleegd worden, omtrent wie de in art. 3 vermelde aangifte is gedaan, of wier verplegers wegens gemis van aangifte krachtens art. 38 no. 1 zijn veroordeeld.

Zij treden de woning eens ingezetenen tegen den wil des bewoners niet binnen dan voorzien van een schriftelijken last van den burgemeester of van den kantonrechter en in het bijzijn, hetzij van den kantonrechter, hetzij van het hoofd of een der leden van het ge-meentebesluur, hetzij van een commissaris van politie.

Van dit binnentreden en van de redenen, die daartoe geleid hebben, wordt door hem, die daarbij krachtens de bepaling van het voorgaande lid tegenwoordig was, binnen (weemaal vier en twintig uren een proces-verbaal opgemaakt, hetwelk melding maakt van den schriftelijken last des burgemeesters of des kantonrechters en aan den ingezetene, wiens woning is binnengetreden, in afsclu-ift wordt medegedeeld, ((r. 158.)

In de krankzinnigengestichten wordt te allen tijde vrije toegang verleend aan de inspecteurs en aan den officier van justitie.

Zij, die een krankzinnige verplegen over wien het Staatstoezicht zich uitstrekt of die een krankzinnigengesticht besturen, alsmede de daaraan verbonden geneeskundigen geven aan de genoemde ambie-naren de door hen verlangde inlichtingen. (S.E. 36!).)

Van elke toepassing van een dwangmiddel op een verpleegde in een krankzinnigengesticht wordt dagelijks aanteekening gehouden in een register ingericht naar een door Ons vast te stellen model. Dit register wordt aan eiken inspecteur op zijn verlangen voorgelegd. (K.B. 3 Juni 1884, S. 110.)

5. De inspecteur, bevindende dat een krankzinnige buiten een krankzinnigengesticht verwaarloosd wordt, geeft daarvan onverwijld kennis aan den officier van justitie na eene vergeefsche poging om verbetering in de behandeling van den krankzinnige te verkrijgen, (13,)

6. Onverminderd den hun ingevolge art, 4, zoo dikwijls dit noo-dig is, te verleenen toegang, bezoeken de officieren van justitie, vergezeld van den geneeskundigen inspecteur of adjunct-inspecteur, of zoo deze verhinderd zijn, van een door dien inspecteur aan te wi,zen niet met den geneeskundigen dienst van eenig gesticht belast lid of plaatsvervangend lid van den geneeskundigen raad, op onbepaalde tijden, ten minste eenmaal in de drie maanden, de gestichten in hun arrondissement, om zich te verzekeren dal niemand wederrechtelijk daarin geplaatst of teruggehouden wordt en dat de verpleegden behoorlijk worden behandeld. (Gk.T. 18; S.R. 282, 283.)

184

-ocr page 215-

WET STAATSTOEZICHT OP KBANKZINNI6EN.

De besturen der gestichten zenden aan de officieren van justitie in het arrondissement, waarin het gesticht gelegen is, en in dat, waarin de machtiging tot verpleging is gegeven, binnen vier en twintig uren eene schriftelijke kennisgeving van elke opneming, verplaatsing, verlof, ontslag en overlijden van een verpleegde, met vermelding van de redenen van de verplaatsing, het verlof of het ontslag en met opgave van den persoon die de aanvraag daartoe mocht hebben gedaan.

§ 2. Oprichting en sluiting van krankzinnigengestichten.

Art. 7. Tot oprichting van een gesticht voor krankzinnigen wordt Onze vergunning vereischt.

Als gestichten worden beschouwd alle woningen waarin iemand meer dan twee krankzinnigen, die niet tot zijn gezin behooren, verpleegt.

De gestichten zijn uitsluitend tot verpleging van krankzinnigen bestemd. (43 al. 7.)

8. (ieene vergunning tot oprichting van een krankzinnigengesticht wordt verleend tenzij behoorlijk voldaan is aan de volgende vereischten;

1°. eene ruime, gezond gelegen woning, met voldoende gelegenheid tot beweging in de open lucht;

2°. afscheiding der seksen, behalve bij kinderen beneden de tien jaren;

Hquot;. voldoende gelegenheid tot afzondering naar den aard en het getal der krankzinnigen;

4U. voldoende voorziening in den geneeskundigen dienst en in den huisdienst naar den aard en het getal der krankzinnigen, met dien verstande dat door Ons voor elk gesticht na verhoor van het bestuur en na ingewonnen advies van Gedeputeerde Staten, het maximum bepaald wordt van het getal verpleegden en het minimum van het getal geneeskundigen. (43 al. (i.)

Klke weigering van vergunning is met redenen omkleed.

9. Indien een gesticht voor krankzinnigen niet meer aan de vereischten bij deze wet of bij de krachtens haar uitgevaardigde besluiten gesteld voldoet, en indien na een door Onzen Minister van Bin-nenlandsche Zaken gestelden termijn de onvoldoende toestand voortduurt, kan de vergunning door Ons ingetrokken en het gesticht, het bestuur en Gedeputeerde Staten gehoord, op Onzen last gesloten worden.

Ons besluit tot sluiting van een gesticht wordt met redenen omkleed en in de Staatscourant geplaatst. Van dat besluit wordt kennis gegeven aan hen, voor wier rekening of te wier verzoeke de krankzinnigen in het gesticht geplaatst zijn.

Bij sluiting van een gesticht worden de daarin verpleegde krank-

185

-ocr page 216-

WET STAATSTOEZICHT OP KRANKZINNIGEN.

zinnigen door hen, voor wier rekening zij verpleegd worden, binnen een door Ons te stellen termijn naar andere gestichten overgebracht.

Wordt de lijder voor eigen rekening verpleegd, dan geschiedt die overbrenging door hem die de aanvraag tot opneming heeft gedaan, of, is er machtiging tot verlenging van het verblijf verleend, door hem op wiens verzoek de laatste verlenging is toegestaan.

Bij gebreke van overbrenging door de zorg van belanghebbenden binnen den gestelden termijn, worden de krankzinnigen op Onzen last naar andere gestichten overgebracht door de zorg van ambtenaren met het Staatstoezicht belast en ten koste van wien het aan-gaat.

10. In de verpleging zoowel van de krankzinnigen, wier onderhoud komt ten laste van het Kijk, als van hen, wier plaatsing in een krankzinnigengesticht door den daartoe bevoegden rechter in strafzaken, overeenkomstig het 2de lid van artikel 18, wordt gelast, wordt voorzien hetzij door inrichting van één of meer Rijksgestichten hetzij door overeenkomsten met de besturen van andere gestichten. Bovendien kan in de verpleging van eerstbedoelde krankzinnigen worden voorzien door overeenkomsten met particulieren.

Voor zoover in het Rijksgesticht of de Rijksgcstichten de plaatsruimte dit toelaat, kunnen aldaar ook behoeftige krankzinnigen voor ! rekening van gemeentebesturen worden opgenomen. (Armenw. 26.)

De voorwaarden der opneming en verpleging worden vastgesteld bij algemeenen maatregel van bestuur. \') (Iv.B. 22 Sept. 1884, S. 203; 16 Juni 1885, S. 127; 20 Aug. 1886, S. 129.)

11. Voor zoover niet op andere wijze in de behoefte aan gestichten tot opneming van de in eenige provincie wonende of verblijvende krankzinnigen wordt voorzien, zorgt het bestuur der provincie, hetzij afzonderlijk, hetzij in vereeniging met de besturen van andere provinciën, voor de oprichting en instandhouding van gestichten voldoende aan de door deze wet gestelde eischen. (P. 107, 127.)

§ 3. Plaatsiny cn verblijf in een krankzinnigengesticht.

Art. 12. Ieder meerderjarig bloedverwant of aangehuwde, in de rechte linie onbepaald, in de zijlinie tot den derden graad ingesloten, alsmede de echtgenoot, voogd of curator van een krankzinnige zijn bevoegd om schriftelijk aan den kantonrechter van de woon- of verblijfplaats des krankzinnigen, machtiging te verzoeken, hem voor-loopig in een gesticht te doen plaatsen, hetzij dit in het belang dei-openbare orde of in dat van den lijder zeiven wordt vereischt.

186

13. De officier van justitie bij de arrondissements-rechtbank van

1) Art. 10 aldus vastgesteld bij de wet van 7 Dec. 1896, S. 191.

-ocr page 217-

WET STAATSTOEZICHT OP KRANKZINNIGEN. 187 i; , s

I I

de woon- of verblijfplaats des krankzinnigen kan bij ontstentenis van de in art. 12 vermelde personen, bij schriftelijk requisitoir machtiging tot plaatsing in een gesticht verzoeken aan den president der rechtbank. De officier is tot gelijk requisitoir bevoegd, wanneer hij eene der kennisgevingen ontvangt bij artt. 5 en 14 vermeld.

Hij is daartoe verplicht, wanneer hij de plaatsing van den krankzinnige onder verzekerd toezicht in het belang der openbare orde of ter voorkoming van ongelukken noodzakelijk acht of wanneer het hem gebleken is, dat een krankzinnige verwaarloosd wordt.

14. In spoedeischende gevallen kunnen krankzinnigen door den burgemeester der gemeente van hun werkelijk verblijf in bewaring worden gesteld. Hij geeft daarvan binnen vier en twintig uren kennis aan den officier van justitie binnen wiens ressort de krankzinnige is in bewaring gesteld, met bijvoeging van de bescheiden, waaruit de krankzinnigheid blijkt. (13.)

Deze in bewaringstelling geschiedt bij voorkeur in een krankzinnigengesticht, alleen bij onvermijdelijke noodzakelijkheid in eene gevangenis.

De duur dezer in bewaringstelling kan nimmer den tijd van acht dagen te boven gaan, tenzij de officier van justitie verlenging van dien termijn noodzakelijk acht.

15. Ieder meerderjarige die gevoelt dat zijn toestand verpleging in een krankzinnigengesticht wenschelijk maakt, kan zijne plaatsing overeenkomstig art. 12 en, in een spoedeischend geval, zijne in bewaringstelling overeenkomstig art. 14 verzoeken.

16. In de in artt. 12, 13 en 15 vermelde verzoeken en requisitoiren wordt het gesticht genoemd waarin plaatsing verlangd wordt.

Bij die in artt. 12 en 13 vermeld, moet worden overgelegd eene uiterlijk zeven dagen vóór het verzoek opgemaakte, onderteekende en met redenen oiukleede verklaring van iemand bevoegd om hier te lande de geneeskunst uit te oefenen en die niet aan dat gesticht verbonden is, waaruit blijkt dat de persoon voor wien plaatsing verzocht wordt in een toestand van krankzinnigheid verkeert. (S.R.

228, al. 2.)

Bij de verzoeken kunnen bovendien omstandigheden vermeld en bescheiden overgelegd worden waaruit de staat van krankzinnigheid nader blijkt.

17. Wanneer de verklaring van den geneeskundige, hetzij alleen,

hetzij in verband met de vermelde omstandigheden en overgelegde bescheiden, het bestaan van krankzinnigheid aanvankelijk genoegzaam aantoont, of wanneer in het geval bij art. 15 vermeld de staat van krankzinnigheid voldoende blijkt, zoo verleent de kantonrechter,

of in het geval bedoeld bij art. 13 de president van de arrondisse-ments-rechtbank, de verzochte machtiging.

Zij kan op het verzoekschrift of requisitoir gesteld worden en is uitvoerbaar op de minuut en vóór de registratie.

i

lig ;

iii

:ii r,

ï

J

-ocr page 218-

WET STAATSTOEZICHT OP KRANKZINNIGEN.

De kantonrechter en de president zijn bevoegd, alvorens op het verzoek te beschikken, den persoon wiens plaatsing verzocht is, zijne bloedverwanten of aangehuwden, echtgenoot, voogd of curator daarover te hooren, wat eerstgenoemde betreft, al of niet in tegenwoor-digheid van een geneeskundige door den rechter aan te wijzen.

Vindt de kantonrechter of de president geene voldoende redenen om machtiging tot plaatsing te verleenen, zoo verklaart hij dit op het verzoekschrift of requisitoir. De president brengt dit stuk onverwijld ter kennis van de arrondissements-rechtbank. De kantonrechter zendt het ten spoedigste onder aangeteekenden omslag aan de rechtbank waaronder zijn rechtsgebied ressorteert of laat liet aldaar tegen bewijs van ontvangst ter griffie afgeven. De rechtbank beslist in het hoogste ressort volgens de voorschriften van dit artikel.

De machtiging van den kantonrechter, van den president of van de rechtbank wordt, evenals verdere beschikkingen der rechtbank krachtens deze wet niet beteekend aan den persoon wiens plaatsing is verzocht. Zij kan na veertien dagen sedert hare dagteekening niet meer ten uitvoer worden gelegd.

18. Opneming van een krankzinnige in een gesticht geschiedt tegen overlegging van eene expeditie der machtiging tot plaatsing of. indien de uitvoering gelast is op de minuut, op vertoon van die minuut, waarvan dan in afwachting van de expeditie, ten spoedigste door den griffier op te zenden, onmiddellijk in het gesticht een afschrift of uittreksel wordt genomen.

Ingeval de rechter oordeelende in strafzaken, met toepassing van het 2de lid van art. 37 van het Wetboek van Strafrecht, heeft bevolen, dat iemand in een krankzinnigengesticht zal worden geplaatst, geschiedt de opneming van zoodanigen persoon tegen overlegging van een uittreksel uit de onherroepelijk geworden uitspraak, die de plaatsing beveelt. 1)

Dit uittreksel en de expeditie van de in het eerste lid en in de artt. 28, 24, 30, 31 en 32 bedoelde rechterlijke beschikkingen, moeten aan het bestuur van het gesticht worden overgelegd; zij worden vermeld in en bewaard bij een register, ingericht naar een daarvan door Ons vast te stellen model. (K.B. 3 Juni 1884, S. 110.)

Dit register wordt aan de inspecteurs en aan den officier van justitie voorgelegd, zoo dikwijls zij dit verlangen. (S.R. 464.)

188

19. Bij elke plaatsing van een krankzinnige in een gesticht ten gevolge van een machtiging van den kantonrechter of een door het openbaar ministerie genomen requisitoir geeft in het eerste geval de kantonrechter, in het tweede geval de officier van justitie daarvan

1

Deze alinea aldus vastgesteld bij art. 10 no. 46 der wet van 15 April 188G, S. 64, ter vervanging van het oorspronkelijke 2de en 3de lid van art. 18.

-ocr page 219-

AVET STAATSTOEZICHT OP KRANKZINNIGEN.

onverwijld kennis aan den burgemeester der laatste woon- of verblijfplaats des krankzinnigen.

De burgemeester deelt die kennisgeving onverwijld mede aan de bekende naaste bloedverwanten of aangehuwden, of aan den echtgenoot, voogd of curator van den krankzinnige.

20. Gedurende de eerste veertien dagen na iemands opneming houdt de geneeskundige van het gesticht of, wanneer meer geneeskundigen daarin werkzaam zijn, die der afdeeling waarin de opge-nomene geplaatst is, dagelijks in een daartoe bestemd register, aan-teekening van zijne bevinding.

Van deze aanteekeningen wordt aan de inspecteurs op hun verlangen inzage gegeven.

Na den afloop der eerste veertien dagen geschiedt gelijke aantee-kening gedurende een halfjaar, minstens wekelijks, en daarna minstens maandelijks.

21. ^ ran de aanteekeningen des geneeskundigen wordt- uiterlijk drie dagen na den dag der opneming afschrift gezonden aan den officier van justitie bij de rechtbank van het arrondissement waarin het gesticht gelegen is, met vermelding, zoo de opgenomene geene blijken van krankzinnigheid gegeven heeft, of hetgeen vóór zijne opneming met hem voorgevallen is, in verband met hetgeen in het gesticht bij hem is waargenomen, zijne verdere afzondering van de maatschappij in zijn belang of in dat der openbare orde schijnt te rechtvaardigen.

22. Binnen vier weken na de ingevolge art. 17 verleende machtiging wordt een afschrift van de in art. 20 bedoelde aanteekeningen met een nader verzoekschrift door een procureur onderteekend, of requisitoir om den opgenomene gedurende een bepaalden tijd, die van één jaar niet te boven gaande, in een krankzinnigengesticht te doen verblijven, overgelegd aan de rechtbank van het arrondissement waarin het gesticht gelegen is. (24.1

Het verzoekschrift of requisitoir gaat vergezeld van eene gemotiveerde verklaring van den geneesheer van het gesticht omtrent het noodzakelijke of wenschelijke eener verdere verpleging in een krankzinnigengesticht. (S.K. 228 al. 2.)

23. Over het verzoek of requisitoir kan, na verhoor van het openbaar ministerie, door de rechtbank worden beschikt op de in art. 22 vermelde stukken.

De rechtbank kan echter nader bewijs door getuigen of andere middelen gelasten en zelfs het verhoor van den verpleegde bevelen.

Wordt het verhoor van den verpleegde bevolen, dan geschiedt dit in het gesticht, al of niet in tegenwoordigheid van een der daaraan verbonden geneeskundigen.

Hangende het onderzoek der rechtbank, blijft de verpleegde in het gesticht.

De rechtbank kan het verhoor opdragen aan een daartoe door

189

-ocr page 220-

WET STAATSTOEZICHT OP KRANKZINNIGEN,

haar te benoemen rechter-commissaris of aan den kantonrechter in wiens ressort het gesticht is gelegen.

Bij gelegenheid van het verhoor van den verpleegde kunnen tevens de geneeskundigen en andere personen, die zich in het gesticht bevinden, als getuigen worden gehoord zonder voorafgaande oproeping of schadeloosstelling.

De beschikking der rechtbank wordt gesteld op het verzoekschrift of requisitoir. Zij is aan geen hooger beroep onderworpen.

Zij wordt niet uitgesproken, noch aan den verpleegde betee-kend.

24. Ten hoogste veertien en ten minste acht dagen vóór het verstrijken van den tijd waarvoor de rechtbank iemands verblijf in een krankzinnigengesticht heeft vergund, kan aan haar een nader verzoekschrift of requisitoir worden ingediend tot verlenging van dien tijd met ten hoogste één-jaar.

De officier van justitie neemt, zoo daartoe termen zijn, een gelijk requisitoir bij de rechtbank binnen wier ressort iemand zich krachtens art. 18, alin. 2, van deze wet, in een krankzinnigengesticht bevindt, veertien dagen vóór het verstrijken van een jaar, nadat die persoon aldaar ter uitvoering van een bevel van den strafrechter is opgenomen.

Bij het verzoekschrift of requisitoir worden overgelegd de aantee-keningen van den geneeskundige bij art. 20 bedoeld, sedert de vorige machtiging, en daarop wordt beschikt met inachtneming van de in art. 23 gegeven voorschriften.

Telkens bij het verstrijken van den termijn der laatst verleende machtiging kan op gelijke wijze eene nieuwe machtiging worden verleend voor ten hoogste één jaar.

De verpleegde ten wiens aanzien machtiging tot verlengd verblijf in een gesticht is verzocht, blijft daarin, hangende het onderzoek dei-rechtbank.

De beschikkingen uit kracht van dit artikel gegeven zijn niet onderworpen aan hooger beroep.

25. De krankzinnige die krachtens machtiging van den kantonrechter, van den president, van den strafrechter o£ van de arron-dissements-rechtbank in een gesticht is opgenomen, kan zonder nadere machtiging naar een ander gesticht worden overgebracht binnen den termijn bij de laatst verleende machtiging gesteld.

In dat geval worden de hem betreffende stukken bij zijne overbien-ging door het bestuur van het eene gesticht aan dat van het andere toegezonden. (18, 20, 22, 35.)

26. Wie iemand die hier te lande woon- of verblijfplaats heeft of binnen de laatste zes maanden gehad heeft, in eene buitenlandsche inrichting voor krankzinnigen doet opnemen, is verplicht binnen acht dagen daarvan bericht te zenden aan den officier van justitie bij de rechtbank van het arrondissement waarin de laatste woon- of

100

-ocr page 221-

WET STAATSTOEZICHT OP KRANKZINNIGEN.

verblijfplaats hier te lande van den in de inrichting opgenomen persoon gelegen is.

Bij het bericht is gevoegd eene uiterlijk drie weken vóór de opneming afgegeven, onderteekende en met redenen omkleede verklaring van een ter plaatse bevoegd geneeskundige, waaruit blijkt dat de opneming wenschelijk was. (S.E. 228 al. 2.)

§ 4. Verlof en ontslag uit een krankzinnigengesticht.

Art. 27. Door den geneeskundige of, zoo er meer zijn, door den eersten geneeskundige van een gesticht kan aan ieder die daarin is opgenomen, met toestemming van hem die de opneming heeft verzocht, verlof worden verleend om het gesticht voor een bepaalden tijd te verlaten. Ingeval de verpleegde onder vaderlijke macht, voogdij of curateele staat, is daartoe ook de toestemming van den vader, of zoo deze ontbreekt, van de moeder, van den voogd of den curator noodig.

Het ingaan van het verlof en de terugkeer in het gesticht worden op het in art. 18 vermelde register aangeteekend.

28. Ontslag wordt verleend door het bestuur van het gesticht;

1°. op schriftelijke verklaring van den geneeskundige of, zoo er meer zijn, van den eersten geneeskundige van het gesticht, dat de verpleegde geene blijken van krankzinnigheid heeft gegeven, of dat hij van zijne krankzinnigheid genoegzaam is hersteld;

2°. op verlangen van het openbaar ministerie.

Ontslag kan worden verleend door het genoemde bestuur:

3°. op verzoek van hem, op wiens aanvraag de opneming geschiedt, of het verblijf in het gesticht het laatst verlengd is, of, bij ontstentenis van dezen, op verzoek van een anderen bloedverwant of aangehuwde, bedoeld bij art. 12 en in beide gevallen met de toestemming van de in art. 27 genoemde personen;

4°. wanneer de overeenkomst krachtens welke de lijder in het gesticht is opgenomen, niet wordt nageleefd en de schuldenaar zonder gevolg is in gebreke gesteld om te betalen.

Het ontslag wordt op het in art. 18 vermeld register aangeteekend.

De terugkeer in de maatschappij wordt door het bestuur geregeld in overleg met hem op wiens aanvraag de opneming geschied of het verblijf in het gesticht het laatst verlengd is, of, bij ontstentenis van dezen, met iemand dergenen die bevoegd waren de opneming te vragen of, bij gebreke hunner medewerking, met den burgemeester van de laatste woon- of verblijfplaats des verpleegden, en zoo die woon- of verblijfplaats niet bekend is, met den burgemeester der gemeente waar het gesticht gelegen is. Bij het ontslag van hen die op eigen verzoek in het gesticht zijn opgenomen, wordt het in de vorige zinsnede vermeld overleg niet vereischt. (12.)

191

-ocr page 222-

WET STAATSTOEZICHT OP KRANKZINNIGEN.

29. Over het verleenen van ontslag in ieder der gevallen in art. 28 snl) 2quot;., Squot;. en 4°. vermeld, geeft de geneeskundige, of, zoo er meer zijn, de eerste geneeskundige van het gesticht, vooraf schriftelijk advies aan het bestuur.

Zoo dat advies de verklaring inhoudt, dat liet ontslag niet kan plaats hebben zonder gevaar voor stoornis van de openbare orde of voor ongelukken, zendt het bestuur van het gesticht die verklaring met liet verzoek aan den officier van justitie bij de rechtbank in wier ressort het gesticht gelegen is. i S.K. 228 al. 2.)

L)e officier vraagt onmiddellijk na ontvangst dezer stukken de beslissing der reohtbank, die, op zijn requisitoir recht doende, in het hoogste ressort of het ontslag beveelt na zich verzekerd te hebben dat de noodige maatregelen genomen zijn om het gevaar voor stoornis van de openbare orde of voor ongelukken te verhoeden, of bepaalt dat het ontslag, als gevaarlijk, niet binnen den termijn der laatste machtiging zal geschieden.

Zoolang de rechtbank beraadslaagt, wordt het gevraagd ontslag niet verleend. De rechtbank kan vóór hare beslissing een nader onderzoek bevelen; het tweede lid en de volgende zinsneden van art. 23 zijn daarbij van toepassing.

Duurt het gevaar voor stoornis van de openbare orde of voor ongelukken voort na het verstrijken van de in het 3de lid van dit artikel vermelden termijn, zoo is art. 30 van toepassing.

30. Wanneer de termijn in het 1ste lid van art. 22 gesteld, of die voor welke de plaatsing krachtens deze wet is verleend, verstreken is, geeft het bestuur van het gesticht binnen acht dagen hiervan kennis aan den officier van justitie in wiens ressort het gesticht gelegen is.

Die officier beveelt onmiddellijk na ontvangst dier kennisgeving of nadat hem op andere wijze van het verstrijken van den bedoelden termijn blijkt, indien geen nader verzoek aan de rechtbank is ingediend, het ontslag, tenzij dit niet zonder gevaar voor stoornis van de openbare orde of voor ongelukken kan geschieden.

Zoo het bestaan van dat gevaar blijkt uit eene met redenen oiu-kleede verklaring van den geneeskundige, of zoo er meer zijn, van den eersten geneeskundige van het gesticht, requireert de officier, in de hiervoren omschreven vormen, de machtiging der rechtbank tot verder verblijf van den krankzinnige in een gesticht. (S.R. 228 al. 2.)

31. Bevindt de officier van justitie dat een verpleegde in ten krankzinnigengesticht op onwettige wijze is opgenomen of gehouden, zoo beveelt hij diens onmiddellijk ontslag, tenzij dit niet zonder gevaar voor stoornis van de openbare orde of voor ongelukken \'kan geschieden, in welk geval het 3de lid van art. 30 van toepassing is. (S.R. 282, 283.)

Treft de officier van justitie in een gesticht een verpleegde aan

192

-ocr page 223-

WET STAATSTOEZICHT OP KRANKZINNIGEN.

die, ofschoon daarin op grond van eene rechterlijke machtiging verblijvende, naar zijn oordeel niet meer krankzinnig is, dan kan hij diens ontslag alleen bevelen zoo de geneeskundige, of zoo er meer zijn, de eerste geneeskundige van het gesticht daarmede instemt.

Bij gemis van die instemming vraagt de officier de beslissing der rechtbank, die vooraf den geneesheer van het gesticht hoort, en een nader onderzoek kan bevelen; het tweede lid en de volgende zinsneden van art. 23 zijn daarbij van toepassing. (S.R. 368.)

§ 5. Beheer der yoederen van verpleegden in een krankzinnigengesticht en hunne onder curateelentelling.

Art. 32. Ieder meerderjarige die ter zake van krankzinnigheid in een gesticht is geplaatst, verliest het beheer over zijne goederen en over die van anderen, indien hem dit mocht zijn opgedragen.

Op de verbintenissen door hem aangegaan is art. 1367 van het Burgerlijk Wetboek toepasselijk.

Wat de artikelen 501 en 502 van het Burgerlijk Wetboek betreft, staat hij gelijk met iemand, wiens curateele verzocht of verleend is.

33. Indien het noodzakelijk is, om in het geheel of gedeeltelijk beheer der goederen van een verpleegde in een krankzinnigengesticht of in de waarneming zijner belangen in welk opzicht ook te voorzien, wordt een provisioneele bewindvoerder benoemd door de rechtbank van het arrondissement zijner laatste woon- of verblijfplaats, en bij gebreke van woon- of verblijfplaats hier te lande, door die van het arrondissement waarin het gesticht gelegen is.

Die benoeming geschiedt op verzoek van hen die bevoegd zijn de opneming in het gesticht te vragen of van andere belanghebbenden, of zoo dezen stilzitten, op requisitoir van het openbaar ministerie, hetwelk overigens altijd moet worden gehoord.

De vrouw kan tot provisioneele bewindvoerster voor haren man benoemd worden.

De bewindvoerder kan geene andere daden dan van zuiver beheer verrichten tenzij op machtiging des kantonrechters. Die machtiging wordt alleen verleend om gewichtige redenen en na verhoor of behoorlijke oproeping der vier naaste bloedverwanten of aangehuwden en van den echtgenoot, zoo zij er zijn.

De bepalingen van de artt. 2 en 4 der wet van 18 April 1874 {Staatsblad no. 68) zijn op deze machtiging des kantonrechters van toepassing, behoudens de in laatstgemeld artikel voorkomende bepaling omtrent de vacatiën der kantonrechters, welke vervallen is door art. 3 der wet van 9 April 1877 (Staatsblad no. 73).

De bevoegdheid van den provisioneelen bewindvoerder houdt op wanneer de verpleegde uit het gesticht is ontslagen in een der gevallen in art. 28, sub 1°. en 2quot;. vermeld, alsmede wanneer een cura-

STW. II. 13

193

-ocr page 224-

194 WET STAATSTOEZICHT OP KRANKZINNIGEN.

tor over hem is aangesteld, en de provisioneele bewindvoerder op wettige wijze van dit een of ander in kennis is gesteld.

34. Indien het na de eerste machtiging tot verlengd verblijf uit kracht van art. 24 verleend, noodzakelijk is, dat een verpleegde in een krankzinnigengesticht onder curateele wordt gesteld, hetgeen, zoo niet andere daartoe bevoegden dit tijdig vragen, ook buiten de gevallen bedoeld in art. 489 Burgerlijk Wetboek, door het openbaar ministerie kan worden gerequireerd, worden de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek in acht genomen, met de volgende wijzigingen:

1°. bij het verzoekschrift wordt geene opgave van getuigen ver-eischt; geene andere bewijsstukken behoeven te worden overgelegd dan eene door den geneeeskundige of, zoo er meer zijn, door den eersten geneeskundige van het gesticht afgegeven verklaring waaruit de voortdurende staat van krankzinnigheid blijkt, benevens een afschrift der laatste rechterlijke machtiging tot verblijf in het gesticht, voor zoover de curateele wordt aangevraagd bij eene andere rechtbank dan die de machtiging heeft verleend; (B.W. 491.)

2°. wanneer de sub 1quot;. vermelde stukken zijn overgelegd, houdt de rechtbank het bij art. 492 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde verhoor;

3°. de beteekening bedoeld bij art. 493 van dat Wetboek kan geschieden aan het bestuur van het gesticht ingeval een aan het gesticht verbonden geneeskundige aan den deurwaarder verklaart, dat de beteekening aan den verpleegde in persoon voor dezen schadelik wezen zou. Die verklaring wordt dan in het exploot vermeld en door den geneeskundige onderteekend, een en ander op straffe van nietigheid van het exploot;

4°. de bij art. 493 en art. 497 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde verhooren hebben plaats in het gesticht en zoo noodig in tegenwoordigheid van een daaraan verbonden geneeskundige: het 5de en Ode lid van art. 23 zijn daarbij van toepassing;

5°. na afloop van het verhoor doet de rechtbank uitspraak zonder nadere oproeping van partijen, onverminderd hare bevoegdheid om ingevolge art. 494 van het Burgerlijk Wetboek een getuigenverhoor te bevelen;

6°. de beteekening aan den krankzinnige van het vonnis of arrest waarbij curateele verleend wordt geschiedt aan hem in persoon, of, in het geval sub 3°. voorzien, op de aldaar voorgeschreven wijze;

7°. de schriftelijke conclusiën van het openbaar ministerie kun ien op het verzoekschrift gesteld worden.

35. Van de benoeming van provisioneele bewindvoerders, van de verleende onder curateelestelling en van de benoeming van curators en toeziende curators wordt binnen drie dagen na de dagteekening der stukken waarbij zij plaats hebben, door de griffiers der arron-dissements-rechtbanken en der kantongerechten bij brief kennis ge-

-ocr page 225-

WET STAATSTOEZICHT OP KRANKZINNIGEN.

geven aan het bestuur van het gesticht waarin de krankzinnige wordt verpleegd.

Die brief wordt bij het in art. 18 vermeld register bewaard, nadat daarin van den zakelijken inhoud aanteekening is gehouden.

§ 6. Strafbepalingen. \')

Art. 36. Met hechtenis van een dag tot zes maanden of geldboete van vijftig cent tot zeshonderd gtlden wordt gestraft ;

1°. Afgeschaft.

2°. Afgeschaft.

3quot;. hij die een krankzinnigengesticht opricht zonder Onze vergunning of daarin krankzinnigen blijft verplegen nadat die vergunning is ingetrokken; (7—9.)

4°. Afgeschaft.

37. Met geldboete van vijftig cent tot driehonderd gulden worden gestraft de bestuurders van krankzinnigengestichten die:

1°. nalaten de vereischte kennisgeving aangaande de opneming, verplaatsing, verlof, ontslag of overlijden van een krankzinnige te doen aan het bevoegd gezag met inachtneming van de wettelijke voorschriften; (3, 25, 27, 28 v.)

2°. bij de opneming van krankzinnigen nalaten zich te doen overleggen de bij de wet gevorderde stukken; (18.)

3°. nalaten de in de wet genoemde registers te houden overeenkomstig de wettelijke voorschriften; (4, 18, 20.)

4°. tot een ontslag overgaan in strijd met de wettelijke voorschriften, of indien een aangevraagd ontslag niet zonder gevaar voor stoornis van de openbare orde of voor ongelukken geschieden kan, nalaten daarvan de vereischte verklaring te zenden aan het bevoegd gezag. (28, 29 al. 2.1

38. Met geldboete van vijftig cent tot driehonderd gulden wordt gestraft;

lu. hij die nalaat aan het bevoegd gezag met inachtneming van de wettelijke voorschriften te doen de in art. 3, eerste lid, voorgeschreven aangifte en het in art. 20 voorgeschreven bericht;

2quot;. de geneeskundige, verbonden aan een krankzinnigengesticht, die nalaat, met inachtneming van de wettelijke voorschriften, de aanteekeningen te houden of te verzenden, of de verklaringen op te maken bij deze wet voorgeschreven. (20, 21, 28, 29, 30, 34 sub 1°.)

39. Afgeschaft.

§ 7. Voorschot en verhaal van kosten.

195

Art. 40. Door den Staat worden bij gebreke vao tijdige beta-

1) De Strafbepalingen aldus afgeschaft, gehandhaafd en gewijzigd volgens de Tnv.wet van 15 April 1886, S. 64; zie thans ook artt. 51, 184, 282, 283 en 445 van het Wetb. v. Strafrecht.

13*

-ocr page 226-

1\'JfJ WET STAATSTOEZICHT OP KRANKZINNIGEN.

ling op andere wijze, als voorschot voldaan de kosten, voortvloeiende uit:

1°. het, bij sluiting van een krankzinnigengesticht op Onzen last, overbrengen van krankzinnigen naar andere gestichten volgens het zesde lid van art. 9 en hunne opneming en verpleging aldaar;

2°. de overbrenging naar en de opneming en verpleging in een gesticht van krankzinnigen omtrent wie het onzeker is door wien de kosten moeten worden gedragen of wier plaatsing of verdere verpleging ingevolge deze wet geschiedt op requisitoir van het openbaar ministerie; (13.)

3°. het vervoer en de verpleging, waar ook, van krankzinnigen op bevel van den burgemeester of die hem vervangt, in bewaring gesteld in spoed vereischende gevallen ingevolge deze wet. (14.)

Deze kosten worden door den Staat verhaald:

«. op de bestuurders der gestichten, indien de uitgaaf het gevolg is van nalatigheid of verzuim hunnerzijds;

en anders:

b. op de inkomsten en bezittingen van den verpleegde, en voor zoover deze daartoe ontoereikend zijn; (Armenwet 52o.)

e. op zijne bloed- of aanverwanten die naar de artt. 376, 377, 378 en 383 van het Burgerlijk Wetboek tot zijn onderhoud verplicht zijn; (Armenwet 526.)

lt;1. op de gemeente die volgens de wet tot regeling van het arm- f bestuur de verplegingskosten van den krankzinnige heeft te voldoen. (Armenwet 26; Wijzig.w. armenwet 1870, 15.)

De kosten die niet verhaald kunnen worden op de wijze sub b en c van dit artikel vermeld, worden beschouwd als voor armen te zijn gedaan.

De kosten van verpleging in een Kijksgesticht worden aan de personen of gemeenten sub b, c en d genoemd, in rekening gebracht. \')

41. Het verhaal geschiedt uit kracht van een bevelschrift van tenuitvoerlegging, gesteld op de aan den rechter overgelegde, behoorlijk gesplitste en, zooveel mogelijk, door bewijsstukken gerechtvaardigde staten van kosten.

Het bevelschrift wordt verleend door den kantonrechter der woonplaats van hem tegen wien het verhaal wordt uitgeoefend of, geschiedt dit tegen meer dan één persoon, der woonplaats van één * hunner.

Is geen rechter binnen het Rijk in Europa bevoegd krachtens de bepaling van het vorige lid, dan wordt het bevelschrift verleend dooiden kantonrechter te \'s Gravenhage.

Tegen het bevelschrift wordt verzet toegelaten bij den kantonrech-

1) Het laatste lid van art 40 aldus gewijzigd bij de wet van 7 Deo. 1896, S. 191.

-ocr page 227-

WET STAATSTOEZICHT OP KRANKZINNIGEN. 197

ter of, indien het gevorderde bedrag zijne bevoegdheid overschrijdt, bij de arrondissements-rechtbank.

Art. 438 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is daarbij van toepassing.

§ 8. Slot- cn overganytéepalingen.

Art. 42. De stukken vereischt tot de opneming, het verblijf, de verplaatsing, het verlof en het ontslag van personen in en uit krankzinnigengestichten, zijn vrij van zegel en worden, voor zoover zij aan registratie onderworpen zijn, gratis geregistreerd.

43. De artt. 509 en 510 en het tweede lid van art. 518 van het Burgerlijk Wetboek zijn ingetrokken.

De wet van 29 Mei 1841 {Staatsblad no. 20) is ingetrokken.

Echter gelden de krachtens die wetten verleende rechterlijke machtigingen voor de termijnen daarin uitgedrukt.

De krachtens de wet van 29 Mei 1841 (Staatsblad no. 20) erkende gestichten voor krankzinnigen en bewaarplaatsen kunnen blijven bestaan, mits hunne besturen zich gedragen overeenkomstig de bepalingen der tegenwoordige wet.

Door Ons kan aan die besturen een termijn worden verleend om hunne inrichting in overeenstemming te brengen met deze wet.

Binnen zes maanden na het in werking treden dezer wet wordt door Ons voor elke der bestaande inrichtingen eene bepaling vastgesteld als bedoeld in art. 8, 4°.

Aan bestuurders van gestichten of bewaarplaatsen onder vigueur der wet van 29 Mei 1841 (Staatsblad no. 20) bestaande, kan door Ons gedurende een tijdvak van ten hoogste drie jaren worden vergund van art. 7 al. 3 der tegenwoordige wet af te wijken.

44. Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip. \')

1) Bij K.B. van 29 Juli 1884, S. 186, is dit tijdstip bepaald op 1 October 1884.

-ocr page 228-

W E T,

TOT VASTSTELLING VAN BEPALINGEN BETREKKELIJK HET BEGRAVEN VAN LIJKEN, DE BEGRAAFPLAATSEN EN DE BEGRAFENISREGTEN.

(Vastgesteld den lOden April 1869, Stsbl. no. 65, uitgegeven den lOden April d.a.v. Gewijzigd bij de wetten van 22 Juli 1885, Stsbl. no. 138 en 15 April 1886, Stsbl. no. 64.)

§ 1. Van het begraven van lijken.

Art. 1. Elk overleden persoon en doodgeboren kind wordt in eene gesloten kist begraven op eene begraafplaats, overeenkomstig dezo wet aangelegd of volgens de overgangsbepalingen dezer wet toegelaten. (13—29, 41 sub 1quot;., 4r) v. )

Zoo de niet gescheiden echtgenoot, of, bij ontstentenis of niet aanwezigheid van echtgenoot, de naaste ter plaatse van het sterfgeval aanwezige meerderjarige bloed- of aanverwanten tot den derden graad ingesloten en, ook deze niet tegenwoordig zijnde, de aanwezige meerderjarige erfgenamen of diegenen die anderzins voor de begrafenis te zorgen hebben, verlangen of vergunnen, dat een lijk niet begrii-ven, maar ontleed of bewaard worde, of zoo de overledene dergelijke beschikking over zijn lijk bij uitersten wil of bij eene akte, zoo als omschreven is in art. 082 van het Burgerlijk Wetboek, heeft bevolen, kan dit met verlof van den burgemeester geschieden. (41 sub 2U.)

Bij weigering van dit verlof is beroep binnen 24 uren op Onzen Commissaris in de provincie, die daarop onmiddellijk beschikt.

Voor lijkopening of gedeeltelijke ontleding, door of onder toezigt van een geneeskundige, waardoor de begraving binnen den na te melden termijn niet wordt verhinderd, is het verlof des burgemeesters niet noodig. Voor onderzoek van lijken op regterlijk gezag wordt noch dat verlof, noch do toestemming der personen, in het tweede lid van dit artikel genoemd, vereischt. (5, (5, 43 sub Tquot;.; S.V. 51, 102.)

2. Lijken, die, uit hoofde van den staat van ontbinding, niet naar eene begraafplaats kunnen worden overgebragt, worden ter plaatse waar zij gevonden zijn of in de onmiddellijke nabijheid zonder kist, mits ter diepte van ten minste één meter, begraven, met ongebli.sch-te kalk ter hoogte van twee decimeters en verder met aangestampte aarde overdekt.

-ocr page 229-

WET BEGRAVEN VAN LIJKEN, ENZ.

Is het niet mogelijk, dat de begraving, in dit artikel bedoeld, in Rijks- of gemeentegrond geschiede, dan moeten de eigenaars of bruikers van den grond, dien de burgemeester daartoe aanwijst, de begraving aldaar gedoogen. (B.W. 625.)

De schade, die aan den eigendom mogt worden veroorzaakt, wordt door den kantonregter begroot en door den Staat of de gemeente vergoed naar de onderscheiding, gemaakt in art. 37. Als schade komt niet in aanmerking de aanwezigheid van het graf zelf.

Met de uitvoering der voorschriften van dit artikel is de burgemeester belast.

3. Een algemeene maatregel van inwendig bestuur bepaalt de wijze, waarop met lijken van personen, aan boord van in zee zijnde Nederlandsche schepen overleden, moet worden gehandeld, alsmede waarop het vervoer van lijken uit Nederland naar het buitenland en uit het buitenland naar Nederland kan worden toegelaten. (40 sub 3quot;.; K.B. 18 Oct. 1869, S. 162.)

4. Geene begraving geschiedt zonder schriftelijk verlof van den ambtenaar van den burgerlijken stand, vrij van zegel en kosteloos af te geven, waarin de begraafplaats, of de in art. 2 bedoelde plaats, waar het lijk ter aarde zal worden besteld, wordt vermeld. (41 sub 3quot;., 42.)

Ligt deze begraafplaats buiten de gemeente, dan geeft die ambtenaar onmiddellijk kennis van het verleend verlof aan den burgemeester der gemeente, waarin de begraafplaats ligt.

Ligt de algemeene begraafplaats eener gemeente op het grondgebied eener andere gemeente, dan kan van de vorenstaande zinsnede worden afgeweken bij de verordening, bedoeld in art. 29 dezer wet.

Bij het vragen van verlof wordt overgelegd de schriftelijke verklaring, bedoeld in art. 5 der wet van 1 Junij 1865 (Staatsblad no. 60). Ontbreekt zoodanige verklaring, dan wordt de doodschouw ver-rigt en de verklaring afgegeven door een geneeskundige, jaarlijks door burgemeester en wethouders daartoe aan te wijzen en te beëe-digen. Het formulier van den eed wordt door Ons vastgesteld. (K.B. 26 Juni 1869 no. 109.)

5. Wanneer er teekenen of aanduidingen van een\' geweldigen dood aanwezig zijn, of andere omstandigheden dien doen vermoeden, geschiedt de begraving niet dan nadat het lijk geregtelijk is geschouwd en de officier van justitie of de regter-comraissaris, met het geregtelijk onderzoek belast, schriftelijke toestemming heeft gegeven, welk stuk aan den ambtenaar van den burgerlijken stand moet worden vertoond. (42, 43 sub 2°. en 3°.)

Bij het verbaal der schouwing worden, zooveel mogelijk, de voornamen, de naam, de ouderdom, de geboorteplaats, het beroep, en de woonplaats van den overledene opgegeven.

6. Geene begraving geschiedt vroeger dan 36 uren of later dan op den vijfden dag na het overlijden.

199

-ocr page 230-

WET BESKAVEN VAN WJKBN, ENZ.

Ontheffing van deze bepaling kan door den burgemeester, na verhoor van een geneeskundige, schriftelijk worden verleend.

Wanneer een geneeskundige verklaart, dat bespoediging of uitstel der begraving noodig is, kan het begraven op een vroeger of latei-tijdstip, dan in het 1ste lid van dit artikel is bepaald, door den burgemeester schriftelijk worden gelast.

Door burgemeester en wethouders kan in het belang der volksgezondheid worden bevolen, dat overledenen aan eene bepaald aangewezen ziekte, op eenen zelfs binnen de 36 uren na het overlijden te bepalen tijd, worden overgebragt naar een lijkenhuis, indien dit aanwezig is. (41 sub 4°. en 5quot;.; Besm.Z. 13.)

7. De tijd van begraven wordt vastgesteld bij plaatselijke verordening, die daartoe ten minste drie achtereenvolgende uren van el-ken dag bestemt.

De tijd wordt zóó gesteld, dat het mogelijk is op den eigen dag der begraving de lijkplegtigheden te vervullen, welke, volgens de leer der godsdienstige gezindte waartoe de overledene behoorde, aan de begraving moeten voorafgaan.

8. Plaatselijke verordeningen regelen hetgeen in het belang dei-openbare orde en gezondheid bij het brengen van lijken naar de begraafplaats is in acht te nemen. (Gk.T. 14 al. 2 en 3.)

Zij bepalen de wijze waarop de lijken, die op kosten der gemeente begraven worden, naar de begraafplaats zullen worden ge-bragt.

9. Ingeval voor het begraven van een lijk door de nabestaanden of betrekkingen of door armbesturen niet wordt gezorgd, wordt daarin door den burgemeester voorzien.

10. Wordt de toegang tot de woning ter verrigting der dood-schouw of der geregtelijke schouwing, of de afgifte van het lijk hetzij ter begraving, hetzij ter vervoer naar het lijkenhuis geweigerd, dan kan de woning, ondanks den bewoner, door de daarmede belaste personen op elk uur worden binnengetreden, mits in bijzijn van den burgemeester, den kantonregter of den commissaris van politie. (G. 158; 41 süb 6°.)

11. Tijdens het heerschen eener besmettelijke ziekte kan het vervoer van lijken uit eene gemeente, op wier grondgebied eene of meer begraafplaatsen zijn, door Ons worden verboden of slechts worden toegestaan onder door Ons te stellen voorwaarden. (13: Besm.Z. 11.)

12. Geen opgraving, noch vervoer van een opgegraven lijk mf.g, behalve op regterlijk gezag, geschieden, dan met toestemming van den eigenaar van het graf en met verlof van den burgemeester der gemeente, waar het begraven is. Bij weigering van dit verlof staat hooger beroep bij Ons open.

Eigenaar van een graf is hij, die het uitsluitend regt tot begraven in eene bepaalde grafruimte voor onbepaalden tijd heeft.

200

-ocr page 231-

WET BEGRAVEN VAN LIJKEN, ENZ.

Degene, die een tijdelijk uitsluitend regt op eene grafruimte bezit, is gedurende den tijd, waar voor dat regt gegeven is, met een eigenaar gelijk. (20, 32.)

§ 2. Van de begraafplaattien.

Art. 13. Elke gemeente heeft ten minste éene algemeene begraafplaats. Van dit voorschrift kan door Ons, Gedeputeerde Staten ge-1 hoord, tijdelijke ontheffing verleend worden. (Gem. 203 to.)

Ten behoeve van twee of meer gemeenten kan eene gezamenlijke begraafplaats worden ingerigt.

14. Bijzondere begraafplaatsen kunnen worden aangelegd met verlof en onder toezigt van burgemeester en wethouders der gemeente,

: waarin de daarvoor bestemde grond is gelegen.

Verlof tot het aanleggen eener bijzondere begraafplaats ten behoeve der leden van eene kerkelijke gemeente wordt aan het bestuur ; dier gemeente niet geweigerd, dan wanneer de aangewezen plaats niet aan de voorschriften der wet voldoet. (16 v.)

Ingeval burgemeester en wethouders weigeren het aanleggen eener bijzondere begraafplaats te vergunnen, kan hij, die daartoe verlof vroeg, tegen die weigering bij Gedeputeerde Staten bezwaren indienen.

Van het besluit van Gedeputeerde Staten is binnen eene maand \' hooger beroep bij Ons toegelaten.\'

15. De eigenaar van een niet tot begraafplaats bestemden grond kan op dien grond, mits op den in het volgende artikel gemelden afstand van elke bebouwde kom eener gemeente, één of meer graven of een grafkelder aanleggen, ten einde daarin zijn lijk en de lijken der leden van zijn geslacht worden begraven.

De aanleg geschiedt niet dan na bekomen verlof en onder toezigt van burgemeester en wethouders der gemeente, waarin die grond gelegen is. Wordt dit verlof geweigerd, dan kan hij, die het vroeg, tegen die weigering bij Gedeputeerde Staten bezwaren indienen.

Van het besluit van Gedeputeerde Staten is binnen eene maand hooger beroep bij Ons toegelaten.

Op graven, volgens het 1ste lid van dit artikel aangelegd, zijn de artt. 23 en 25 toepasselijk.

16. Geene begraafplaats wordt aangelegd dan op den afstand van ten minste 50 meters van elke bebouwde kom eener gemeente. (45, 46.)

Geschillen over de toepassing van het eerste lid van dit artikel worden beslist door Gedeputeerde Staten. Van hunne uitspraak is binnen eene maand hooger beroep bij Ons toegelaten.

Binnen gelijken afstand van de begraafplaats worden geene gebouwen opgerigt of putten gegraven, dan na bekomen verlof van Gedeputeerde Staten, na verhoor van den geneeskundigen inspec-

201

-ocr page 232-

WET BEGRAVEN VAN LIJKEN, ENZ.

teur in de provincie. Van hunne uitspraak is binnen éene maand hooger beroep bij Ons toegelaten. (Gk.T. 2 a.)

In dit verbod zijn niet begrepen lijkenhuizen, doodgraverswoningen en bedehuizen of kapellen, met pastorijen o£ kostershuizen, ten dienste der begraafplaats te stichten. (41 sub 7U., 48.)

De toegang of ingang van een graf of grafkelder raag echter niet in eenc kerk of ander gesloten gebouw zijn.

17. Elke algemeene begraafplaats heeft eene uitgestrektheid van minstens tien raaal de oppervlakte benoodigd voor het vermoedelijk getal der aldaar jaarlijks te begraven lijken.

18. Elke begraafplaats wordt door een rauur, heining, rasterwerk of heg, ter hoogte van ten minste twee meters, afgesloten.

Hiervan kan door Ons ontheffing worden verleend, indien op andere wijze behoorlijk in de afsluiting is voorzien.

19. De algemeene begraafplaatsen worden zóó aangelegd, dat, op verlangen van het bestuur eener kerkelijke gemeente die geen eigen begraafplaats bezit, de lijken van de leden dier kerkelijke gemeente in een afzonderlijk, uitsluitend voor hen bestemd gedeelte kunnen worden begraven.

Ieder zoodanig gedeelte heeft een afzonderlijken ingang, behoudens dat één hoofdingang voor de geheele begraafplaats kan dienen.

De inrigting van elk dezer gedeelten wordt door het gemeentebestuur geregeld, na daarop het bestuur van de betrokken kerkelijke gemeenten te hebben gehoord.

De afscheiding dier gedeelten geschiedt overeenkomstig art. 18.

20. Indien daartoe voldoende ruimte bestaat, wordt op de algemeene begraafplaatsen gelegenheid gegeven, het uitsluitend regt om lijken in een bepaald graf te doen begraven, hetzij voor onbepaal-den tijd, hetzij voor den tijd van minstens tien jaren, te verkrijgen. (12, 32.)

De hiervoor te betalen prijs wordt op dezelfde wijze als het in art. 30 bedoelde begrafenisregt vastgesteld.

21. Omtrent het stichten van grafkelders, gedenkteekenen en kruisen, het aanleggen van graftninen, het planten van boomen of andere gewassen, het plaatsen van zerken en het onderhoud van al deze voorwerpen worden, voor zooveel de algemeene begraafplaats betreft, bij plaatselijke verordening de vereischte voorschriften gegeven.

Voor die stichting, aanleg, aanplanting, plaatsing en onderhoud kan betaling worden gevorderd op dezelfde wijze als de in art. 30 bedoelde begrafenisregten. (32.)

22. De onderlinge afstand der graven, zoo aan het hoofd- en voeteneinde als aan de zijden, bedraagt minstens 0.3 meter.

Twee of meer lijken kunnen boven elkander worden begraven, mits boven elke kist eene laag aarde van minstens 0.3 meter dikte worde aangebragt, die bij eene volgende begraving niet raag worden

202

-ocr page 233-

WET BEGRAVEN VAN LIJKEN, ENZ.

geroerd. De bovenste kist wordt met eene laag aangestampte aarde van minstens 0.65 meter bedekt.

De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op gemetselde grafkelders. (41 sub 8°.)

23. De graven mogen niet dan met toestemming van den eigenaar en na verloop van tien jaren, nadat er het laatst een lijk in geplaatst is, geroerd worden.

De overblijfselen van lijken en kisten worden in een afgesloten gedeelte van de begraafplaats begraven. (41 sub 9°.)

24. Eene begraafplaats, waarvan geen gebruik meer wordt gemaakt, wordt bij een besluit van het gemeentebestuur, aan Gedeputeerde Staten mede te deelen, gesloten verklaard.

Wordt van eene bijzondere begraafplaats geen gebruik meer gemaakt, dan geeft het bestuur dier begraafplaats daarvan kennis aan het gemeentebestuur, hetwelk het berigt mededeelt aan Gedeputeerde Staten. (41 sub 10.1

25. Eene gesloten begraafplaats blijft gedurende tien jaren onaangeroerd liggen.

Na dien tijd is het verbod van art. 1(3, 3de lid, opgeheven en mag de grond tot bezaaijing of beplanting worden gebruikt, mits hij niet dieper dan 0.5 meter worde vergraven. Uitgraving ter meerdere diepte is binnen dertig jaren na de sluiting niet dan met vergunning van Gedeputeerde Staten geoorloofd. Van hunne beslissing is binnen eene maand hooger beroep bij Ons toegelaten.

Eigen graven op eene geslotene begraafplaats worden, voor zoover in hun onderhoud behoorlijk wordt voorzien, onaangeroerd gelaten. (41 sub 11°.)

26. Elke begraafplaats staat met inachtneming der plaatselijke verordeningen, bedoeld in de artt. 8 en 28, onder toezigt van burgemeester en wethouders.

27. Instruetien van doodgravers, opzigters en andere beambten der algemeene begraafplaats worden bij besluit van den raad der gemeente, aan welke de begraafplaats behoort, vastgesteld.

28. Bij plaatselijke verordening wordt geregeld hetgeen in het belang der openbare orde en gezondheid op de in de gemeente gelegen begraafplaatsen in acht moet worden genomen. (26; Gk.T. 14 al. 2 en 3.)

29. Ligt de algemeene begraafplaats eoner gemeente op het grondgebied eener andere gemeente, dan worden de verordeningen omtrent die begraafplaats door de raden van beide gemeenten, met inachtneming van het bepaalde in art. 121 en art. 173, laatste lid, der (Gem.)wet van 2!) Junij 1851 {Staatsblad no. 85), vastgesteld.

Weigert de raad der gemeente, op wier grondgebied de algemeene begraafplaats ligt, daartoe mede te werken, dan worden de verordeningen door den raad der gemeente aan wie de begraafplaats behoort, onder goedkeuring van Gedeputeerde Staten, vastgesteld.

Wordt uit anderen hoofde geene eenstemmigheid tusschen de beide

203

-ocr page 234-

WET BEGRAVEN VAN LUKEN, ENZ.

gemeenteraden over dit onderwerp verkregen, dan stellen Gedeputeerde Staten de verordeningen vast.

Liggen de gemeenten in verschillende provinciën, dan geschiedt deze vaststelling door Ons, Gedeputeerde Staten gehoord. 1)

§ 3. Van de bcgrafenisregten en kosten.

Art. 30. Voor het begraven van een lijk op de algemeene begraafplaats kan, ten behoeve der gemeentekas, een begrafenisregt worden geheven. (Gem. 238, 240.)

31. Het begrafenisregt bestaat voor elke soort van graven uit eene som, die overeenkomstig art. 254 der (Gem.)wet van 29 Junij 1851 (Staatsblad no. 85) niet hooger mag zijn dan noodig is ter voldoe-ning der kosten en lasten van aanleg, der kosten van het onderhoud der begraafplaats en der bezoldiging van doodgravers, opzigters en j andere beambten der begraafplaats. (84, 35.)

32. Behalve de in het vorig artikel bedoelde som, de betalingen, aangewezen in artt. 20 en 21 en een matig regt voor het begraven op buitengewone uren, voor het luiden der klok van de burgerlijke gemeente en voor het verstrekken van benoodigdheden voor de begraving van wege de gemeente, mag geene betaling voor het gebruiken der begraafplaats worden gevorderd.

Het onderhoud van eigen graven is echter ten laste van hen, die, hetzij voor onbepaalden tijd, hetzij voor den tijd van minstens tien jaren, regt hebben daarin lijken te doen begraven; daarin kan door het heffen van een regt worden voorzien. Voor het inschrijven e;a het overboeken van eigen graven in een daartoe bestemd register mag voor iedere boeking of overschrijving ƒ 3 worden geëiseht.

De regten, in dit artikel bedoeld, worden op dezelfde wijze al» het begrafenisregt vastgesteld.

33. Indien twee of meer gemeenten eene gezamenlijke algemeene begraafplaats bezitten, worden de daarop, behoudens Onze goedkeuring, te heffen regten en de wijze van invordering vastgesteld bij verordeningen door de raden van beide gemeenten, met inachtneming van het bepaalde bij art. 121 der (Gem.)wet van 29 Junij 1851 (Staatsblad no. 85.)

Wordt geene eenstemmigheid tusschen de gemeenteraden over dit onderwerp verkregen, dan stellen Gedeputeerde Staten die regten,

voor zoo veel zij oordeelen dat die moeten geheven worden, onder Onze goedkeuring en de wijze van invordering bij besluit vast.

204

Liggen de gemeenten in verschillende provinciën, dan worden die regten, voor zoo veel die moeten geheven worden, en de wijze van

1

Aan dit artikel was nog een alinea toegevoegd die volgens de Inv.wet van 15 April 1886, S. 64, is afgeschaft en daarom hier is weggelaten.

-ocr page 235-

WET BEGRAVEN VAN LIJKEN, ENZ.

invordering door Ons vastgesteld, na Gedeputeerde Staten te hebben gehoord.

Indien de algeraeene begraafplaats van eene of meer gemeenten op het grondgebied eener andere gemeente ligt, dan worden niettemin de daarop te heffen regten, behoudens Onze goedkeuring, en de wijze van invordering geregeld door den raad of de raden der gemeente of gemeenten, ten wier behoeve de heffing moet plaats vinden.

34. Voor de begraving van kinderen beneden het jaar wordt niet meer dan een vierde, voor die van kinderen beneden de 12 jaren niet meer dan de helft van de in art. 31 bedoelde som gevorderd.

35. Ten behoeve der gemeentekas mag geen regt geheven worden van lijken, die, hetzij buiten, hetzij binnen de gemeente, op eene andere dan de algemeene begraafplaats der gemeente worden begraven.

36. De lijken van onvermogenden worden, voor zoover diaconieën, armbesturen of andere instellingen, of het Rijk daarvoor niet zorgen, op kosten der gemeente begraven. \') (37; Oem. 2031.)

37. De kosten van het begraven der op het strand der zee aangespoelde en uit zee aangebragte lijken worden, voor zoover zij dooide bij de lijken gevonden goederen of gelden niet kunnen worden gedekt, gedragen door den Staat.

De begrafeniskosten van lijken, die op eene andere plaats binnen eene gemeente verlaten liggen, of voor welker begraving noch door nabestaanden, erfgenamen of executeurs-testamentair, noch door armbesturen gezorgd wordt, komen ten laste der gemeente. Voor zoover zij door de bij de lijken gevonden goederen of gelden niet kunnen worden gedekt, heeft de gemeente voor die kosten verhaal op de nalatenschap en, bij ongenoegzaamheid van deze, op de bloed- en aanverwanten, die krachtens artt. 376 tot 383 van het Burgerlijk Wetboek tot onderhoud van den overledene verpligt zouden zijn geweest.

38. Het staat ieder vrij, voor het vervoer van lijken naar de begraafplaats zoodanige personen en middelen te gebruiken als hij wil, mits zich gedragende naar de plaatselijke verordeningen, in art. 8 dezer wet bedoeld.

Dezelfde vrijheid bestaat voor het vervoer naar het graf binnen de algemeene begraafplaats.

§ 4. Strafbepalingen. 1)

Art. 39. Onverminderd de straffen bij de gewone strafwet ge-

205

1

De Strafbepalingen aldus gehandhaafd, gewijzigd en afgeschaft volgens artt. Sd, 10 no. 23, 11 en 19 der Inv.wet van 15 April 1886, S. 6i.

-ocr page 236-

WET BEGRAVJ3N VAN LIJKEN, ENZ.

steld tegen andere feiten, die gelijktijdig of in zamenhang met de in deze wet genoemde mogten worden gepleegd, worden de navolgende handelingen gestraft als volgt. (S.R. 145, 146, 148—151.)

40. Met eene boete van vijftig cents tot vijf en twintig gulden of met hechtenis van een tot drie dagen, wordt gestraft:

1°. het begraven en het doen begraven na den vijfden dag van het overlijden, behoudens het bepaalde in het 2de lid van art. 6;

2U. het vervoeren en het doen vervoeren van een lijk naar eene andere gemeente, in strijd met het verbod of de vergunning in art. 11 bedoeld;

3quot;. de overtreding der voorschriften van den algeraeenen maatregel van inwendig bestuur, bedoeld bij art. 3.

41. Met eene boete van vijftig cents tot honderd gulden of met hechtenis van een dag tot eene maand, wordt gestraft:

1°. de overtreding van het 1ste lid van art. 1;

2°. het ontleden of bewaren van een lijk, zonder het verlof in het 2de lid van art. 1 vermeld;

3°. de overtreding van het eerste lid van art. 4;

4°. het begraven binnen de 36 uren na het overlijden; (6 al. 1.)

5°. het niet voldoen aan het bevel, in het 3de of 4de lid van art. 6 bedoeld;

6°. het verhinderen of belemmeren der doodsehouw of de poging daartoe, en de weigering tot afgifte van een lijk in art. 10 bedoeld; (5.)

7°. het zonder verlof van Gedeputeerde Staten oprigten van gebouwen of graven van putten binnen den verboden afstand van begraafplaatsen. (16 al. 3.)

Bij het veroordeelend vonnis wordt de opruiming van de gebouwen en putten, in strijd met het verbod gemaakt, ten koste des overtreders gelast;

8°. het begraven op bijzondere begraafplaatsen, in strijd met art. 22;

il0. het roeren van een of meer graven, in strijd met art 23;

10°. het begraven op eene gesloten begraafplaats; (24.)

11°. het gebruik maken van zoodanige begraafplaats, in strijd met art. 25;

12°. Afgeschaft en vervangen door art. 148 S.R.

42. Op den ambtenaar van den burgerlijken stand, die het bij art. 4 bedoelde verlof verleent, zonder dat aan hem is overgelegd eene der volgens die bepaling vereischte verklaringen, of zonder dat aan hem is vertoond de schriftelijke toestemming, bedoeld bij ar;. 5, is art. 466 van het Wetboek van Strafrecht toepasselijk.

43. Met eene boete van vijftig cents tot honderd gulden of hechtenis van een dag tot een jaar, wordt gestraft:

1°. Afgeschaft en vervangen door art. 150 S.K.

2°. het verbergen van een lijk van iemand, die aan een geweldigen dood is gestorven, of de poging daartoe;

206

-ocr page 237-

WET BEGRAVEN VAN LIJKEN, ENZ. 207

| 3°. het vervoeren of begraven van een lijk in het geval van art. 5,

in strijd met dat artikel;

4°. het wegnemen van een lijk uit eene begraafplaats of een lijkenhuis, of de poging daartoe;

5°. Afgeschaft en vervangen door art. 149 S.R. 1; i ^

6°. Afgeschaft en vervangen door art. I!)() S.R.

7°. het verrigten van lijkopening of ontleding van een lijk door , iemand die geen geneeskundige is of buiten toezigt van een genecs-* kundige.

44. Afgeschaft.

- \'Ij

Overyanysbepahngcn. I\'l

Art. 45. De thans aanwezige begraafplaatsen, mits op een afstand van 35 meters van eene bebouwde kom gelegen en overigens aan de vereischten dezer wet voldoende, kunnen blijven bestaan.

Geschillen over de toepassing van het eerste lid van dit artikel worden beslist door Gedeputeerde Staten. Van hunne uitspraak is binnen eene maand hooger beroep bij Ons toegelaten.

46. De thans bestaande begraafplaatsen, welke niet op den in art.

45 bepaalden afstand van eene bebouwde kom liggen, worden, zoo zij schadelijk zijn voor de volksgezondheid, na ingewonnen advies van den geneeskundigen inspecteur, krachtens besluit van Gedeputeerde Staten door den burgemeester gesloten.

Van dat besluit is binnen ééne maand beroep bij Ons toegelaten.

47. Binnen vijf jaren na de afkondiging dezer wet worden alle,

zoo bijzondere als algemeene, thans bestaande begraafplaatsen, welke niet aan art. 18 en, voor zoo verre de algemeene begraafplaatsen betreft, niet aan art. 17 voldoen, overeenkomstig de voorschriften dezer wet ingerigt.

Bij gebreke hiervan worden zij krachtens besluit van Gedeputeerde Staten door den burgemeester gesloten.

48. Het verbod van art. 16, 3de lid, is op de bestaande begraafplaatsen toepasselijk, doch beperkt tot 35 meters of voor iedere be- ■esb graafplaats tot zooveel minder als de kortste afstand bedraagt, waarop zij van eene bebouwde kom eener gemeente verwijderd is.

49. Vóór den Isten Januarij 1870 worden alle voor het begraven op algemeene begraafplaatsen geheven regten overeenkomstig deze wet herzien en aan Onze goedkeuring onderworpen.

Die regten vervallen, wanneer Onze goedkeuring op de besluiten tot heffing niet vóór 1 Januarij 1871 is verleend.

50. Artt. 53 en 55 van het Burgerlijk Wetboek, artt. 358, 359 en 360 van het Strafwetboek (Code Pénal) en de algemeene en provinciale bij de afkondiging dezer wet geldende bepalingen omtrent het

■li

,

-ocr page 238-

208 WET BEGRAVEN VAN LIJKEN, ENZ.

begraven van lijken, de begraafplaatsen en de begrafenisregten zijn ingetrokken.

De plaatselijke verordeningen omtrent het begraven en de begraafplaatsen worden vóór 1 Januarij 1870 herzien. Bij gebreke hiervan zijn zij na afloop van dat tijdvak vervallen.

51. De bepalingen dezer wet omtrent de inrigting en het gebruik van en het toezigt op begraafplaatsen, alsmede omtrent de begrafenis- en andere regten en de wijze van begraven, zijn niet toepasselijk op de begraafplaats en het begraven van leden van het Koninklijk Huis.

-ocr page 239-

W E T,

HOUDENDE WETTELIJKE BEPALINGEN TOT REGELING VAN DEN KLEINHANDEL IN STERKEN DRANK EN TOT BETEUGELING VAN OPENBARE DRONKENSCHAP.

(Vastgesteld den üSsten Juni 1881, Stsbl. no. 97, uitgegeven den óden Juli d.a.v. Gewijzigd bij de wetten van 23 April 1884, Stsbl. no. 54 en 16 April i883, Stsbl. no. 78. Nader bekend gemaakt bij Koninkl. besluit van 10 Mei 1885,

Stsbl. no. 118, en gewijzigd bij de wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64.)

Art. 1. Hij die sterken drank in het klein verknopen wil, vraagt, behoudens de uitzonderingen in art. 15 vermeld, daartoe vooraf vergunning aan burgemeester en wethouders der gemeente binnen welke hij dat bedrijf wenscht uit te oefenen. (7, 8.)

Onder verkoop in het klein wordt verstaan verkoop bij hoeveelheden van minder dan twee liter.

Het verzoekschrift om vergunning bevat eene nauwkeurige opgave van de loealiteiten, waar men sterken drank in het klein wenscht te verkoopen, en van de namen, voornamen, ambten, beroepen en bedrijven, zoowel van den verzoeker als van hen, die het huis, waarin de loealiteiten zijn of waarbij die behooren, bewonen en ouder zijn dan zestien jaren. (5.)

De vergunning wordt alleen geweigerd in de gevallen bij de wet vermeld. (3.)

2. Het aantal te verleenen vergunningen mag niet meer bedragen dan:

I in gemeenten met meer dan 50000 zielen, 1 op 500 inwoners;

| in gemeenten met meer dan 20000 en ten hoogste 50000 zielen,

II op 400 inwoners;

in gemeenten met meer dan 10000 en ten hoogste 20000 zielen, 1 op 300 inwoners;

in de overige gemeenten 1 op 250 inwoners;

een en ander met dien verstande dat toeneming der bevolking geene verlaging van het maximum meêbrengt.

Door Ons kan. Gedeputeerde Staten gehoord, en op voorstel van len betrokken gemeenteraad, naar aanleiding van bijzondere plaat-ielijke omstandigheden, eene verlaging of verhooging van het maxi-STW. II. 14

-ocr page 240-

WET TOT REGELING VAN DEN

mum der volgens de eerste zinsneden van dit artikel in eene gemeente te verleenen vergunningen, worden vastgesteld. Deze vaststelling geschiedt voor een bepaalden termijn, die, desgevorderd, op gelijke wijze kan worden verlengd.

Vergunningen boven het vastgestelde maximum kunnen in bijzondere gevallen door burgemeester en wethouders eener gemeente, na machtiging van Gedeputeerde Staten, worden verleend bij gemotiveerd besluit, in de Staatscourant te vermelden. Zij worden, zoodra zich daartoe de gelegenheid voordoet, binnen de grenzen van het maximum teruggebracht.

Bij plaatselijke verordening kan de gemeenteraad, onverminderd zijne bevoegdheid krachtens art. 135 der gemeentewet:

1°. wijken, buurten of straten aanwijzen waar verkoop van sterken drank in het klein niet of niet dan onder zekere voorwaarden mag worden vergund;

2°. eischen stellen voor de localiteiten waar verkoop van sterken drank in het klein raag worden vergund.

3. de in art. 1 bedoelde vergunning wordt geweigerd: (10, 11, 26.)

1quot;. wanneer door het verleenen der vergunning in strijd zou worden gehandeld met de bepalingen van art. 2 of met eene in dat artikel bedoelde plaatselijke verordening;

2°. wanneer de vergunning wordt gevraagd voor eene localiteit, die voor de openbare dienst wordt gebruikt, of die met zoodanige localiteit binnen \'s huis gemeenschap heeft; (4.)

3quot;. wanneer de verzoeker tot eene gevangenisstraf van een jaar of tot eene zwaardere straf onherroepelijk is veroordeeld en er nog niet vijf jaren zijn verloopen nadat hij zijne straf heeft ondergaan;

4°. wanneer de verzoeker binnen de laatste twee jaren tweemaal wegens overtreding van eene strafbepaling dezer wet, met uitzondering van die van art. 23, of wegens een der feiten, omschreven in art. 184, voor het geval het feit betrekking heeft op een bevel of eene vordering, krachtens deze wet of de bij deze wet bedoelde plaatselijke verordeningen gedaan, of in de artt. 252, 42(5, 453 en 454 van het Wetboek van Strafrecht onherroepelijk is veroordeeld, of wanneer hij van de uitoefening van zijn beroep is ontzet, zoolang die ontzetting voortduurt;1)

5°. wanneer de verzoeker het genot van zijne burgerlijke of burgerschapsrechten krachtens een onherroepelijk strafvonnis geheel of gedeeltelijk heeft verloren, zoolang het gemis van dat genot voortduurt ;

6°. wanneer het verzoek strekt tot drankverkoop in bordeelen;

7°. wanneer binnen de laatste vijf jaren eene vroegere vergunning, den verzoeker verleend, werd ingetrokken krachtens art. 9, no. 3;

210

1

Deze alinea is aldus gewiizigd bij art. 10 no. 44 der Inv.wet van 15 April 1886, S. 64.

-ocr page 241-

KLEINHANDEL IN STERKEN DRANK ENZ.

8quot;. wanneer de vergunning wordt gevraagd voor eene localiteit waarin eene andere winkelnering wordt uitgeoefend of loten worden verkocht in de Nederlandsche Staatsloterij, of die met zoodanige In-ealiteiten binnen \'s huis gemeenschap heeft. (4.)

Onder andere winkelnering wordt niet verstaan het bedrijf van slijter in sterke dranken, wijnen of bieren, restaurateur, sociëteit-, billard-, kolfbaan-, kegelbaan- en opentafelhouder, koffiehuis-, wijnhuis- of bierhuishouder;

9quot;. wanneer de verzoeker of een bewoner van het huis waarin hij sterken drank in het klein wenscht te verkoopen, tolgaarder, brugwachter, brugwaker, sluiswachter, sluismeester of sluisknecht is, of wanneer de verzoeker eenig openbaar ambt bekleedt; (4.)

10°. wanneer de verzoeker is de tusschenpersoon voor iemand, die in een der onder nos. 3, 4, 5, 7 en 9 vermelde gevallen verkeert.

4. Van het verbod, vervat in art. 3, no. 2, kan vrijstelling worden verleend, voor zooveel betreft gebouwen, tot de Rijks- of provinciale dienst gebruikt, door Ons; voor zooveel betreft gebouwen, tot eene andere openbare dienst gebruikt, door Gedeputeerde Staten. Voor de localiteiten tot de openbare dienst der gemeente gebruikt, wordt geen vrijstelling verleend.

Op voordracht van burgemeester en wethouders kan door Gedeputeerde Staten vrijstelling worden verleend van het verbod, vervat in art. 3, no. 8. voor kommen van dorpen, voor gehuchten of voor afzonderlijk gelegen buurten, waar op niet meer dan twee plaatsen sterke drank in het klein wordt verkocht.

Van het verbod, vervat in art. 3, no. 9, kan vrijstelling worden verleend, voor zooveel Rijksambten of bedieningen betreft door Ons, voor zooveel andere ambten of bedieningen aangaat door Gedeputeerde Staten, in beide gevallen burgemeester en wethouders gehoord.

5. Het in art. 1 bedoelde verzoekschrift om vergunning wordt, zoodra het is ingekomen, door burgemeester en wethouders op de in de gemeente gebruikelijke wijze ter openbare kennis gebragt.

Binnen eene maand, nadat deze bekendmaking geschied is, wordt op het verzoek schriftelijk beschikt. (10.)

6. Onverminderd de bepalingen der wet van 21 Mei 1819 (Staatsblad no. 34),\') heeft de vergunning, in art. 1 bedoeld, geene kracht vóór de betaling van een gemeentelijk vergunningsrecht, door den gemeenteraad vast te stellen.

Als grondslag voor de berekening van het vergunningsrecht wordt aangenomen de jaarlijks te schatten huurwaarde, die de localiteit, iu verband met den omvang van het bedrijf, waarvoor de vergunning strekt, kan geacht worden te bezitten.

211

Dit vergunningsrecht mag niet lager zijn dan vijf gulden en niet

1) Deze (Patent)wet is vervallen bij art. 60 der wet (Bedrijfsbelast.) van 2 Oct. 1893, S. 149.

14*

-ocr page 242-

WET TOT REGELING VAN DEN

hooger dan twaalf gulden vijftig cents voor elke vijftig gulden huurwaarde of gedeelte daarvan, met dien verstande dat het recht voor eene vergunning tot 30 April 1890 niet lager dan vijftien gulden, van 1 Mei 1890 tot 30 April 1895 niet lager dan twintig gulden en daarna niet lager dan 25 gulden zij.

Het bedrag wordt met vijf en twintig ten honderd verminderd voor de localiteiten waar geen sterke drank verkocht noch geschonken wordt tusschen Zaterdagavond te zes en Maandagochtend te zes ure. (13.)

De regeling van dit vergunningsrecht geschiedt met inachtneming van de artt. 232 tot 230 der (Gem.)wet van 29 Juni 1851 (Staatsblad no. 85).

7. De vergunning wordt verleend voor één jaar, loopende van 1 Mei tot 30 April. Zij kan ook tusschentijds worden verleend; alsdan loopt de eerste termijn tot 30 April daaraanvolgende; voor dit tijdvak wordt het vergunningsrecht bij kwartalen berekend en geldt een gedeelte van een kwartaal voor een geheel.

De vergunning wordt telkens geacht weder voor één jaar te zijn verlengd, indien vóór het eindigen van den termijn het verschuldigde vergunningsrecht voor den volgenden termijn is betaald en burgemeester en wethouders art. 9 van deze wet niet hebben toegepast. (13.)

8. De vergunning geldt uitsluitend voor de daarin vermelde localiteiten. Zij geldt, behoudens de uitzonderingen in het tweede lid van dit artikel vermeld, uitsluitend voor den persoon des verzoekers.

Bij overlijden of tijdelijke onbevoegdheid of verhindering van den gerechtigde tot uitoefening van het bedrijf, kan dit gedurende het loopende vergunningsjaar, zonder nadere vergunning worden voortgezet, in het eerste geval door de erfgenamen of een of meer hunner, in het tweede geval door hen die, hetzij krachtens de wet, hetzij krachtens opdracht van den gerechtigde, daartoe bevoegd zijn.

9. De vergunning wordt door burgemeester en wethouders ingetrokken: (11, 13.)

lü. wanneer omstandigheden zich voordoen op grond waarvan, waren ze vroeger aanwezig of bekend geweest, zij krachtens art. 3, nos. 2—10 zou zijn geweigerd;

2°. wanneer van eene verleende vergunning gedurende drie maanden achtereen opzettelijk niet wordt gebruik gemaakt;

3°. wanneer zich in de localiteiten ten gevolge van dronkenschap feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat de voortduring der vergunning een gevaar zou opleveren voor de openbare orde of veiligheid.

10. Afwijzende beschikking op het verzoek, alsmede intrekking der vergunning is met redenen omkleed en wordt den belanghebbende in gesloten omslag gezonden.

11. Tegen de weigering of de intrekking der vergunning kan de belanghebbende, en tegen het verleenen der vergunning of het weige-

212

-ocr page 243-

KLEINHANDEL IN STEEKEN DEANK ENZ. 218

ren der intrekking de burgemeester in hooger beroep komen bij Gedeputeerde Staten, en wel de belanghebbende binnen veertien dagen nadat de beschikking van burgemeester en wethouders te zijner kennis is gebracht, en de burgemeester binnen veertien dagen na dag-teekening van de beschikking of weigering tot intrekking.

De beslissing van Gedeputeerde Staten wordt genomen bij een met redenen omkleed besluit, binnen drie maanden nadat het beroep is ingesteld, ten ware zij vooraf bij afzonderlijk besluit mocht verdaagd zijn.

Hangende de termijnen tot en de behandeling van het hooger beroep blijft de vergunning of hare intrekking buiten werking.

Wordt het besluit van Gedeputeerde Staten door Ons vernietigd, dan hebben deze opnieuw over de zaak uitspraak te doen, met inachtneming van Onze beslissing.

12. Burgemeester en wethouders zenden jaarlijks aan Gedeputeerde Staten eene opgave van het getal der gedurende het vorige jaar verleende en ingetrokken vergunningen, van den daarvoor betaalden prijs, alsmede van de in de gemeente bestaande inrichtingen waar, krachtens vergunning, sterke drank in het klein wordt verkocht.

Deze opgaven worden opgenomen in het provinciaal verslag en in de Staatscourant.

13. In elke inrichting waar krachtens vergunning sterke drank in het klein wordt verkocht, moet een door den gemeentesecretaris gewaarmerkt afschrift der vergunning, alsmede een gedrukt exemplaar van de wettelijke bepalingen tot regeling van den kleinhandel in sterken drank en tot beteugeling van openbare dronkenschap, duidelijk leesbaar zijn opgehangen. Tevens moet boven of ter zijde van de buitendeur, die toegang geeft tot de inrichting, met duidelijke letters te lezen zijn:

lu. de naam van hem, aan wien de vergunning is verleend;

2°. het woord „Vergunningquot;•

3°. voor de localiteiten, in de vierde zinsnede van art. 6 bedoeld, de tijd gedurende welken daarin geen sterke drank verkocht noch geschonken wordt.

Binnen acht dagen moet het in het eerste lid bedoelde afschrift, in geval van het vervallen of intrekken der vergunning, aan burgemeester en wethouders worden teruggezonden en het woord Vergunning worden weggenomen. (7, 9, 11, 23.)

14. Wanneer zonder de vereischte vergunning sterke drank in het klein wordt verkocht, verbieden burgemeester en wethouders het voortzetten van dien verkoop en doen zij dien desnoods beletten. (16 sub lu.)

15. De artt. 1—14 zijn niet van toepassing:

1°. op drankverkoop in logementen aan logeergasten;

2quot;. op drankverkoop aan boord van vaartuigen aan de opvarenden;

3U. op drankverkoop door marketentsters aan militairen op marsch,

-ocr page 244-

WET TOT REGELING VAN DEN

in legerplaatsen of in localiteiten aan het militair gezag onderworpen, door diegenen aan wie dit door de militaire overheid wordt toegelaten.

Strafbepalingen. 1)

Art. 16. Onverminderd de straffen wegens overtreding der wetten op het patent2) of wegens het houden van een huis van hazardspel, wordt met hechtenis van één tot een en twintig dagen of geldboete van vijftig cents tot honderd gulden gestraft: (S.R. 456.)

1°. hij die zonder de vereischte vergunning sterken drank in het klein verkoopt, te koop aanbiedt of ten verkoop in voorraad heeft;

2°. hij die in eene voor het publiek toegankelijke localiteit, waarvoor geen vergunning is verleend, sterken drank schenkt of in het klein toedient;

3°. hij die in eene localiteit waar sterke drank in het klein verkocht wordt, op eenigerlei wijze aan koop van sterken drank eene kans op winst verbindt;

4°. hij die eene der handelingen in de drie vorige nummers omschreven, in zijne woning toelaat.

17. Met hechtenis van één tot een en twintig dagen of geldboete van vijftig cents tot honderd gulden wordt gestraft:

1°. Afgeschaft. Zie thans art. 454 Wetb. v. Strafrecht.

2°. de verkooper of zijn vervanger die bij gelegenheid van eene openbare verkooping den kooper of gegadigde om niet sterken drank toedient of doet toedienen.

18. De in artt. 10 en 17 bedreigde straffen van hechtenis kiinnen met een derde worden verhoogd, indien, tijdens het plegen van het feit, nog geene twee jaren zijn verloopen sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens een der in die artikelen of in art. 252, 2°. en 3°., van het Wetboek van Strafrecht omschreven feiten onherroepelijk is geworden.

19—22. Afgeschaft. Zie thans artt. 252, 426 en 453 Wetb. van Strafrecht.

23. Met geldboete van vijftig cents tot vijftien gulden wordt gestraft de overtreding van elk der bepalingen van art. 13.

Indien de vergunning is verleend aan eene vennootschap onder eene firma of naamlooze vennootschap of een zedelijk lichaam of aan het bestuur van deze, is voor de hierbedoelde overtredingen aansprakelijk degene aan wien de verkoop van sterken drank in het klein is opgedragen, en bij gebreke van zoodanig persoon ieder der behee-rende vennooten of bestuurders. (S.R. 51.)

214

1

De Strafbepalingen aldus afgeschaft, gehandhaafd en gewijzigd volgens artt. 3d, 10 no. U en 11 der Inv.wet van 15 April 1886, S. 64.

2

De Patentwet is vervallen bij art. 60 der wet (Bedrijfsbel.) van 2 Oct. 1893, S. 149.

-ocr page 245-

KLEINHANDEL IN STERKEN DRANK ENZ. 215

24. Afgeschaft. Zie thans art. 184 Wetb. v. Strafrecht.

25. Met het opsporen van de overtredingen dezer wet en van de bij deze wet bedoelde plaatselijke verordeningen zijn, behalve de bij art. 8 van het Wetboek van Strafvordering\') aangewezen personen, belast de maréchaussee en alle ambtenaren van de Kijks- en gemeentepolitie.

De voormelde ambtenaren hebben ten allen tijde vrijen toegang tot alle localiteiten waar sterke drank in het klein wordt verkocht. Wordt hun de toegang geweigerd, dan verschaffen zij zich dien des noods met inroeping van den sterken arm.

Is de loealiteit tevens eene woning of alleen door eene woning toegankelijk, dan treden zij deze tegen den wil van den bewoner niet binnen, dan op schriftelijken last van den burgemeester.

Van dit binnentreden wordt door hen binnen tweemaal vier en twintig uren proces-verbaal opgemaakt en aan den ingezetene, wiens woning is binnengetreden, in afschrift medegedeeld. (G. 158.)

Overgangsbepalingen.

Art. 26. Voor de localiteiten, waarin op 1 Mei 1881, zonder strijd met wet of verordening, sterke drank werd verkocht, kan, zoolang aan die localiteiten de bestemming om voor verkoop van sterken drank in het klein te worden gebruikt niet door eene daad van den eigenaar of gebruiker is ontnomen, de vergunning, tenzij in de gevallen bedoeld bij art. 3, nos. 2, 3, 4, 5, 6, 7, 9 en 10, niet geweigerd worden;

a. aan hem, die op voormeld tijdstip daarin het bedrijf uitoefende, zoolang hij leeft;

b. aan anderen gedurende de eerste twintig jaren na voormeld tijdstip.

Na 30 April 1885 wordt, tenzij de vergunning verleend is op grond van eene vrijstelling krachtens het tweede lid van art. 4, de vergunning voor de bovengemelde localiteiten, waarin eene andere winkelnering wordt mtgeoefend of die met zoodanige loealiteit binnen \'s huis gemeenschap hebben, bij tijdige betaling van het vergunningsrecht slechts geacht verlengd te zijn onder voorwaarde:

1°. dat de verkoop van sterken drank geschiede in gesloten fles-schen, kannen of kruiken;

2°. dat in de voor het publiek toegankelijke localiteiten geen aangebroken vaten, flesschen, kannen of kruiken, sterken drank inhoudende, aanwezig mogen zijn; en

3°. dat het drinken van sterken drank in die localiteiten niet worde toegelaten.

1) De verwijzing naar het art. Wetb. v. Strafv. aldus gewijzigd bij art. 2 der wet van 31 Dee. 1887, S. 265.

-ocr page 246-

WET KLEINHANDEL IN STERKEN DRANK ENZ.

Vergunningen, bedoeld in het vorige lid, waarvan de termijn afloopt tussehen 1 Mei 1884 en 1 Mei 1885, worden geacht onder de in dat lid bedoelde voorwaarden verlengd te zijn, indien de betaling van het vergunningsrecht tot 1 Mei 1886 geschiedt vóór 1 Juni 1885.

27. De niet-inachtneming der voorwaarden, genoemd in het voorlaatste lid van art. 26, wordt gestraft met geldboete van vijftig cents tot vijf en twintig gulden. De vergunning van dengene, die te dezer zake onherroepelijk is veroordeeld, wordt ingetrokken.

28. Tot 1 Mei 1887 kan van het verbod, vervat in art. 3, no. 2, vrijstelling worden verleend door Gedeputeerde Staten voor zooveel betreft gebouwen tot de openbare dienst van een of meer gemeenten gebruikt.

29. De termijn van alle vergunningen, die in hel jaar aanvangende met 1 Mei 1885 verlengd worden, wordt geacht op 30 April 1886 te eindigen.

Van het vergunningsrecht voor dezen termijn wordt zooveel twaalfden betaald als de termijn maanden bevat. Een gedeelte van eene maand geldt voor een geheele.

30. Alle plaatselijke verordeningen, regelende het heffen van vergunningsrecht, worden overeenkomstig de bepalingen dezer wet herzien vóór 1 Januari 1886; de thans geldende blijven niet langer dan tot 1 Mei 1886 van kracht.

§ 26 der wet van 16 April 1885, Stsbl. no. 78.

De tegenwoordige wet treedt in werking op den dag harer afkondiging. (Deze wet is afgekondigd op 1 Mei 1885.)

216

-ocr page 247-

WET,

HOUDENDE VOORSCHRIFTEN TER VIERING DER DAGEN AAN DEN OPENBAREN CHRISTELIJKEN GODSDIENST TOEGEWIJD.

(Vastgesteld den Isten Maart 1815, Stsbl. no. 21. Gewijzigd bij de wet van 22 April 1864, Stsbl. no. 29 en 15 April 1886, Stsbl. no. 64.)

Wij WILLEM, enz.

Alzoo Wij in overweging genomen hebben de noodzakelijkheid om, op het voetspoor onzer godsdienstige voorvaderen, die daarop steeds den hoogsten prijs stelden, de pligtmatige viering van den dag des Hoeren en andere dagen, den openbaren christelijken godsdienst toegewijd, door eenparige en voor de geheele uitgestrektheid der Ver-eenigde Nederlanden algemeen werkende maatregelen te verzekeren;

Zoo is het, dat Wij, enz.

Art. 1. Dat op zondagen en op zoodanige godsdienstige feestdagen, als door de kerkgenootschappen van den christelijken godsdienst dezer landen algemeen erkend en gevierd worden, niet alleen geene beroepsbezigheden zullen mogen verrigt worden, welke den godsdienst zouden kunnen storen, maar dat in het algemeen geen openbare arbeid zal mogen plaats hebben, dan ingeval van noodzakelijkheid, als wanneer de plaatselijke regering daartoe schriftelijke toestemming zal geven.

2. Dat op deze dagen, met uitzondering van geringe eetwaren, geene koopwaren hoegenaamd op markten, straten of openbare plaatsen, zuilen mogen worden uitgestald of verkocht, en dat kooplieden en winkeliers hunne waren niet zullen mogen uitstallen noch met opene deuren verkoopen.

3. Dat gedurende den tijd, voor de openbare godsdienstoefening bestemd, de deuren der herbergen en andere plaatsen, alwaar drank verkocht wordt, voorzooverre dezelve binnen den besloten kring dei-gebouwen liggende zijn, zullen gesloten zijn, en dat ook gedurende dienzelfden tijd geenerhande spelen, hetzij kolven, balslaan of dergelijke mogen plaats hebben.

4. Dat geene openbare vermakelijkheden, zooals schouwburgen, publieke danspartijen, concerten en harddraverijen op de zondagen en algemeene feestdagen zullen gedoogd worden; zullende het aan

-ocr page 248-

ZONDAGSWET.

de plaatselijke besturen worden vrijgelaten hieromtrent eene uitzondering toe te staan, mits niet dan na het volkomen eindigen van alle godsdienstoefeningen.

5. Dat de plaatselijke polieie zorg zal dragen, ten einde alle hinderlijke bewegingen en gerucht in de nabijheid der gebouwen, tot de openbare eeredienst bestemd, en in het algemeen alles wat dezelve zoude kunnen hinderlijk zijn, voor te komen of te doen ophouden.

6. Dat de overtredingen tegen de bepalingen van dit besluit, naar gelang van personen en omstandigheden, zullen gestraft worden met eene boete van vijftig cents tot vijf-en-twintig guldens.1) (S.R. 23.)

7. Dat, wanneer tijdens het plegen van de overtreding nog geen vijf jaren zijn verloopen sedert de veroordeeling van den schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden, 2) de boete of straf zal verdubbeld worden, en wijders alle de te koop gelegde of uitgestalde goederen verbeurd verklaard, en de herbergen of andere publieke plaatsen voor ééne maand gesloten. (S.R. 33.)

En dat door deze algemeene verordeningen alle daarmede niet overeenkomstige provinciale of plaatselijke reglementen en inrigtin-gen zullen worden gehouden voor vervallen.

A

zen

gezi

»

gt;de

»de .lij

/ ]

wel afg

218

1

Art. 6 aldus gewijzigd door art. 9 der wet van 22 April 1864, S. 29, en gehandhaafd en gewijzigd volgens artt. 10 sub 3°. en 11 der Inv.wet van 15 April 1886, S. 64.

2

Art. 7 aldus gehandhaafd en gewijzigd volgens artt. 10 sub 3°. en 11 der Inv.wet van 15 April 1886, S. 64.

-ocr page 249-

BESLUIT,

HOUDENDE VASTSTELLING EENER INSTEUCTIE VOOR DEN COMMISSARIS DES KONINGS IN ELKE PROVINCIE.

(Vastgesteld den 27sten September 1850, Stsbl. no. 62, uitgegeven den Oden October d.a.v.)

Wu WILLEM III, enz.

In overweging genomen hebbende, dat het, na de uitvaardiging der wet van 6 Julij 11. {Staatsblad no. 39), regelende de zamenstel-ling en raagt van de Provinciale Staten, noodzakelijk is eene nieuwe instructie voor Onzen Commissaris in elke provincie uit te vaardigen ;

Den Raad van State gehoord, enz.

Hebben goedgevonden en verstaan:

De bij dit besluit gevoegde instructie voor den Commissaris des Konings in elke provincie vast te stellen.

Onze Minister van Binnenlandsche Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, enz.

INSTRUCTIE voor den Commissaris des Konings in elke provincie.

Art. 1. Alvorens zijne betrekking te aanvaarden, wordt door Onzen Commissaris in Onze handen, op de wijze zijner godsdienstige gezindheid, de volgende eed of belofte afgelegd: (Gem. 65.)

»Ik zweer (beloof) trouw aan den Koning en onderwerping aan »de Grondwet en de wetten des Rijks.»

»Ik zweer (beloof), dat ik alle de pligten, die de wet en de door »den Koning vastgestelde instructie aan mijn ambt verbinden, eer-slijk en vlijtig zal vervullen.»

»Zoo waarlijk helpe mij God almagtig.» (»Dat beloof ik.»)

Hij wordt hiertoe niet toegelaten, dan na den in art. 83 der Grondwet bedoelden eed (verklaring en belofte) van zuivering te hebben afgelegd. (G. 87.)

-ocr page 250-

1

220 BESLUIT, INSTRUCTIE COMMISSARIS DES KONINGS.

2. IIij heeft, behalve hetgeen, te zijnen opzigte, in de provinciale |lcven wet is bepaald, o£ hem bij andere wetten, reglementen, en verorde-1 ^2 \' ningen is opgedragen, de voorschriften, in de volgende artt. vervat,

in acht te nemen.

3. Hij bezoekt jaarlijks een deel der provincie en rigt zijne rondreizen zoo in, dat in de vier jaren elke gemeente der provincie ten minste eens door hem bezocht worde.

Hij ontvangt in elke gemeente den voorzitter van den raad, onderzoekt naar alles, wat het beheer en de belangen der gemeente aangaat; en hoort elk, die hem daarover wenscht te spreken.

4. Hij geeft, ten minste veertien dagen, alvorens zijne rondreis te beginnen, daarvan kennis aan den Minister van Binnenlandschc Zaken.

5. Hij doet van het door hem op zijne rondreis bevondene, binnen vier weken na den afloop daarvan, verslag aan Gedeputeerde Staten en aan het departement van Binnenlandsche Zaken.

6. Hij zendt, binnen de drie eerste maanden van elk jaar aan het departement van Binnenlandsche Zaken een algemeen beoordee-lend verslag van het bestuur der provincie gedurende het vorige jaar.

7. Over alle zaken, de provincie betreflende, dient hij van berigt en raad aan den Minister van Binnenlandsche Zaken, wien hij insgelijks zijne inzigten, omtrent de verbeteringen die hij in het provinciaal bestuur noodig en omtrent hetgeen hij verder in hel belang der provincie acht, mededeelt. (Gem. 124.)

Hij dient ook aan de hoofden der overige departementen van algemeen bestuur van berigt en raad, wanneer zij hem daartoe aanschrijven.

8. Wanneer de betrekking van voorzitter van den raad eener gemeente der provincie, of een ander ter Onzer benoeming staand ge-meente-ambt openvalt, zendt Onze Commissaris, binnen vier weken na dat openvallen, eene aanbevelingslijst van twee of meer personen, die hij ter vervulling der betrekking geschikt acht, met opgave der redenen, aan den Minister van Binnenlandsche Zaken. (Gem. 191.)

9. Hij geeft dezen Staatsdienaar terstond berigt, wanneer hij,

volgens art. 32 der provinciale wet, heeft gemeend de uitvoering van een besluit der Staten of Gedeputeerde Staten te moeten weigeren. (Gem. 70.)

Hij doet dat insgelijks zoodra hij van eene in de provincie voorgevallene belangrijke gebeurtenis, of gepleegde uitstekende daad, kennis krijgt.

10. Hij zorgt voor de spoedige en geregelde behandeling der zaken op de provinciale griffie, dat de alleen aan hem gerigte stukken afzonderlijk bewaard, en dat daarvan bijzondere registers gehouden worden. (P. 31, 34.)

-ocr page 251-

BESLUIT, INSTRUCTIE COMMISSABÏS DES KONINGS. 221

11. Hij zorgt, dat op de provinciale griffie geene leges worden geheven, dan die bij wettige verordeningen zijn toegestaan.

12. Hij ziet toe op de ambtsbetrachting van alle in de provincie aanwezige burgerlijke, onder de bevelen van eenig departement van algemeen bestuur staande Eijks-ambtenaren en bedienden en, geeft, zoodra hij daarin verkeerde handelingen ontdekt, daarvan kennis aan het departement, waaronder die ambtenaren of bedienden be-hooren.

13. De in het vorig artikel bedoelde ambtenaren en de bevelhebbers van het in de provincie in bezetting liggende krijgsvolk zijn verpligt hem de inlichtingen en berigten te geven, die hij, in zijne betrekking, van hen vraagt.

Hij brengt, zoo zij weigeren die te geven, zulks ter kennis van het departement van algemeen bestuur, waaronder zij behooren.

14. Hij zorgt voor de handhaving der openbare orde binnen de provincie. (K.B. Rijkspol. 17 Dee. 1851, S. 166, art. 15.)

Hij is bevoegd, de daartoe noodige bevelen te geven aan de bevelhebbers van de in de provincie aanwezige maréchaussee en schutterijen.

Bevelen aan eene schutterij worden door hem niet gegeven, dan in overleg, zooveel mogelijk, met het bestuur der gemeente waar-Itoe zij behoort.

15. Hij is, indien onrust of oproer ontstaat, bevoegd, de in de provincie in bezetting liggende krijgsmagt ter handhaving der orde, up te vorderen.

Hij doet die opvordering, geschreven en door hem onderteekend, aan de hoogste krijgsoverheid, in de provincie aanwezig.

Des noods kan hij die opvordering ook doen aan den bevelhebber die op de plaats zelve met de dadelijke uitvoering zou worden belast. In dit laatste geval geeft hij echter hiervan aan de gemelde hoogste krijgsoverheid onverwijld kennis.

De bevelhebbers der krijgsmagt zijn verpligt aan de bedoelde vordering te voldoen.

Onze Commissaris zendt terstond afschriften van zijne vordering uan de Ministers van Binnenlandsche Zaken, van Justitie en van Oorlog. (Gem. 184, 185.)

16. De bevelen, die Wij, of de hoofden der departementen van algemeen bestuur noodig achten hem te geven, worden stiptelijk door hem nageleefd.

: 17. Hij heeft, binnen de provincie, rang boven alle aldaar aau-] wezige burgerlijke ambtenaren en officieren bij de zee- of land-j magt, zooven-e le dien aanzien geene uitzondering door Ons is be-1 paald.

18. Hij mag, met zijn ambt, geenerlei provinciale of plaatselijke bediening, noch eenige betrekking bij een in de provincie gelegen waterschap, te gelijk bekleeden. (P. 21, 53; Gem. 62, 63.)

-ocr page 252-

222 BESLUIT, INSTRUCTIE COMMISSARIS DES KONINGS.

19. Hij behoeft verlof van den Minister van Binnenlandsehe Zaken, om langer dan tweemaal 24 uren; van Ons, om langer dan 14 dagen, buiten de provincie zich op te houden. (Gem. 75.)

20. Hij geeft, wanneer hij verlof vraagt, den persoon op, die hem, ter tijdelijke waarneming van zijn ambt, gedurende zijne afwezigheid geschikt voorkomt. (P. 35.)

21. Hij gebruikt, bij het verzenden der stukken, die hij, buiten medewerking der Staten of Gedeputeerde Staten, behandelt, als zegel, het Eijkswapen, met het randschrift: »Commissaris des Ko-»nings in........»

22. De aan den Commissaris des Konings in elke provincie ge-gevene voorschriften, omtrent bijzondere onderwerpen, blijven van kracht, zooverre zij niet strijden met deze instructie, of de bestaande wetten.

-ocr page 253-

WET,

HOUDENDE VERBODSBEPALINGEN TEGEN HET DRAGEN VAN WAPENEN.

(Vastgesteld den 9den Mei 1890, Stsbl. no. 81, uitgegeven den 12den Mei d.a.v.)

Wu WILLEM III, enz.

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodig is de verbodsbepalingen tegen het dragen van wapenen te herzien;

Zoo is het, dat Wij, enz.

Art. 1. Het is verboden op den openbaren weg o£ op eenige voor het publiek toegankelijke plaats een wapen bij zich te hebben.

Onder wapenen verstaat deze wet: geweren, karabijnen, revolvers, pistolen en andere vuurwapenen, windrooren, dolken, dolkmessen, sabels, degens, degenstokken, priemstokken, wapenstokken en diergelijke voorwerpen. (2, 3.)

2. Overtreding van het verbod in het vorige artikel gesteld wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zeven dagen of geldboete van ten hoogste honderd gulden. (5.)

Het wapen waarmede de overtreding plaats heeft, kan worden verbeurd vei\'klaard. (S.R. 33.)

Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen jaar is verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden, kan hechtenis van ten hoogste vier weken of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden worden opgelegd.

3. De bepaling van art. 1 is niet van toepassing op openbare ambtenaren of beambten die krachtens voorschrift, gegeven door of vanwege het hoofd van het departement van algemeen bestuur waaronder hun werkkring behoort, het wapen bij zich mogen hebben, en voorts op hen die;

1°. een wapen bij zich hebben dat behoort bij hunne ambtsklee-ding of bij de door hen met vergunning van het boven hen gesteld openbaar gezag gedragen kleeding;

2°. deel uitmaken van de gewapende macht, van de rijks- of van de gemeentepolitie, voor zoover het wapen dat zij bij zich hebben tot hunne uitrusting behoort;

-ocr page 254-

224 WET VEEBODSBEP. DRAGEN VAN WAPENEN.

3°. op weg zijn naar of van bijeenkomsten, bedoeld bij art. 21 der wet van 22 April 1855 {Staatsblad no. 32) tot regeling en beperking der uitoefening van het regt van vereeniging en vergadering, mits voor het houden van die bijeenkomsten, voor zoover zij gevorderd wordt, vergunning zij verleend;

4°. zonder lid te zijn van eene door Ons erkende vereeniging als in artikel 4 bedoeld, onder leiding van militairen deelnemen aan vrijwillige oefeningen in den wapenhandel, en zulks gedurende den tijd voor die oefeningen bestemd, daaronder begrepen de tijd om zich naar en van de loopplaatsen te begeven.;

5°. krachtens de bepalingen van de wet op de jacht en visscherij bevoegd om hetzij in open, hetzij in gesloten jachttijd buiten openbare wegen en voetpaden zich met schietgeweren in het veld te bevinden, van die bevoegdheid gebruik maken, zich daartoe op weg bevinden of zich, na van die bevoegdheid gebruik te hebben gemaakt, naar huis begeven; (Jagtwet 1, 6,26.)

6°. in dienst van personen in het vorige nummer bedoeld, deze vergezellen of door hen belast zijn met het overbrengen van het wapen van of naar het jachtveld;

7°. geen ander wapen vervoeren dan dat zoodanig is ingepakt, dat het niet voor dadelijk gebruik kan worden aangewend;

8°. van den burgemeester hunner woonplaats schriftelijke machtiging hebben om als deelnemer aan een optocht een in de machtiging aangewezen wapen bij zich te hebben, gedurende den tijd mede in de machtiging uitgedrukt;

9°. voorzien zijn van eene machtiging tot het bij zich hebben van een wapen, voor een bepaalden tijd afgegeven door Onzen Commissaris in de provincie waar de aanvrager woont, welke machtiging te allen tijde kan worden ingetrokken.

Het model dezer machtiging wordt door Onzen Minister van Justitie vastgesteld.

De bepaling van artikel 1 is mede niet van toepassing op voor het publiek toegankelijke plaatsen, waar met vergunning van het bevoegd openbaar gezag oefeningen in het schieten worden gehouden, doch alleen voor zoover betreft het soort van wapen waarop de vergunning betrekking heeft.

4. Onder de gewapende macht bedoeld in artikel 3 worden begrepen de door Ons erkende vereenigingen tot oefening in den wapenhandel, gedurende den tijd voor die oefeningen bestemd, diaronder begrepen de tijd om zich naar en van de loopplaatsen te begeven.

5. Het feit bij deze wet strafbaar gesteld wordt beschouwd als overtreding.

6. De Declaration du Koi van den 23sten Maart 1728 en het Decreet van den 2den Nivóse an XIV worden ingetrokken.

-ocr page 255-

BESLUIT,

HOUDENDE NADERE BEPALINGEN OMTRENT HET

aan

den I BEHEER EN BELEID DER ALGEMEENE OF 1 ora RIJKSPOLITIE.

herij (Vastgesteld den 17den December 1851, Stsbl. no. 166, uitge-ipen- | geven den 20sten Deo. d.a.v.)

3 be- |

weg |

i ge-

deze het

, dat

chti-

Wu WILLEM III, ENZ.

Overwegende, dat het belang van den Staat vordert, dat liet be-lieer en beleid der algemeene of Rijks-politie op nieuwe grondslagen worden gevestigd, en dat de dienst van dezen tak van bestuur over Rille deelen des Rijks op eenen eenparigen voet worde geregeld, en in overeenstemming gebragt met de beginselen voor de gemeente-jiolitie vastgesteld bij de wet van \'29 Junij 1851 (Staatsblad no. 85);

chti- Herzien de Koninklijke besluiten van 19 Maart 1818, no. 74, quot;de |(i Junij 1819, lit. S», 3 Nov. 1822, no. 23, en 23 Maart 1836, no.

|gt;0, houdende instruetien voor de procureurs-generaal bij de geregts-v;m Stoven, de voormalige procureurs-crimineel, en de directeuren van mis- jjiolitie in de groote steden des Rijks, alle betrekkelijk de dienst der \'g le Siijks- en plaatselijke politie;

Jus- (\' 0P de Koninklijke beschikking van 7 October 1842, no. 2;

I (\'det op artt. 184 en volgende der aangehaalde wet van 29 Junij voor S851 (Staatsblad no. 85):

het Hebben besloten en besluiten:

den,

ver-

gre-pen-ider

Art. 1. Het gezag over de algemeene of Rijkspolitie berust bij Onzen Minister van Justitie.

2. Voor het beheer der algemeene of Rijkspolitie wordt het Rijk |n vijf districten verdeeld.

Het eerste district omvat de provincie Noordbrabant en het her-■ogdom Limburg;

al3 het tweede de provinciën Gelderland en Overijssel;

het derde de provinciën Zuid-Holland en Zeeland;

het het vierde de provinciën Noord-Holland en Utrecht;

het vijfde de provinciën Friesland, Groningen en Drenthe.

3. Voor ieder dezer districten wordt door Ons, zoodra het belang p\'an \'s Rijks dienst dit vordert, een directeur van politie benoemd.

STW. II. 15

t. 21 i be-;ade-T zij

K als

-ocr page 256-

22ö BESLUIT, BEHEER ALGEMEENE OP RIJKSPOLITIE.

De standplaats van ieder directeur van politie wordt door Ons bij het besluit van benoeming aangewezen en naar gelang van omstandigheden veranderd. (Zie Overgangsbepaling.)

4. Aan de directeuren van politie wordt eene bezoldiging van minstens ƒ 2000 en hoogstens ƒ 3000 toegelegd, door Ons, naar gelang van plaatselijke omstandigheden, te regelen.

Bovendien wordt aan hen, voor bureau-kosten, mede van Staatswege, eene som van minstens J 300 en hoogstens ƒ 1000 verstrekt, door Ons insgelijks naar gelang van plaatselijke omstandigheden te regelen.

5. De directeuren van politie zijn belast met het beheer en beleid der algemeene of Rijkspolitie, in den dienstkring waarvoor zij zijn aangesteld.

Zij waken voor de handhaving van de wetten, reglementen van algemeen bestuur en van Onze besluiten, voor de rust en veiligheid van den Staat, voor de bescherming van personen en goederen. Zij zorgen inzonderheid dat de voorschriften der wet van 13 Augustus 1849 {Staatsblad no. 39), regelende de toelating en uitzetting van vreemdelingen, in de gemeenten van hun district behoorlijk en op gelijken voet worden nageleefd.

In het nasporen van misdrijven, die zij niet hebben kunnen voorkomen, zijn zij der justitie behulpzaam, overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering, en de bijzondere instructien van Onzen Minister van Justitie. (S.V. 8 sub 3°.)

6. Alle ambtenaren van Rijks-politie staan onder de bevelen van den directeur van politie van het district. (K.B. Eijksveldw. 5 al. 2; K.B. Marechaussee 30 Jan. 1815 als nader gewijzigd; S.V. 8.)

7. De directeuren van politie treden voortdurend in overleg met de burgemeesters der gemeenten van hun district, ten aanzien van de dienstregehng der commissarissen, inspecteuren, dienaren, veldwachters en andere beambten van plaatselijke politie, die tevens aan de algemeene politie dienstbaar zijn, en voorts ten aanzien van alle andere onderwerpen van politie, voor zoo verre die met de Kijks-politie in betrekking staan. (Gem. 190, 191.)

8. De burgemeesters doen aan den directeur van politie van het district mededeeling van alle verordeningen van politie en bevelen van algemeenen aard, binnen hunne gemeenten uitgevaardigd. (Gem. 161, 187.)

De directeur van politie wijst hun de verbeteringen aan, die de aangelegenheden der politie in hunne gemeenten, uit het oogpunt van Rijks-politie, schijnen te vorderen.

9. De directeuren van politie doen, zoo dikwerf het hun noodzakelijk toeschijnt om in de gemeenten van hun district zich persoonlijk te overtuigen van de geschiktheid van het personeel, den goeden gang der administratie en de gezette naleving der gegeven voorschriften, daartoe een gemotiveerd voorstel aan Onzen Minister van Justitie.

-ocr page 257-

BESLUIT, BEHEER ALGEMEBNE OF RIJKSPOLITIE. 227

Deze bepaalt de gemeenten, die in de rondreize en inspectie van den directeur zullen zijn begrepen.

De directeuren zenden van hunne bevinding een uitvoerig verslag aan Onzen Minister van Justitie.

10. De directeuren van politie zijn in elk geval verpligt om zich onmiddellijk te begeven naar zoodanige plaats van hun district, waar het algemeen belang hunne tegenwoordigheid vordert, en zulks overeenkomstig de instructien hun door Onzen Minister van Justitie te geven.

11. Wanneer de directeuren van politie in de uitoefening hunner dienst, of ter uitvoering van eenen hun opgedragen last, zich bui-

, ten hunne standplaats moeten verwijderen, voorzien zij zelve in de tijdelijke waarneming van hun ambt, met kennisgeving van de daaromtrent gemaakte schikkingen aan Onzen Minister van Justitie en Onze commissarissen in de provinciën van hun district. (13, 15.)

12. Voor de verplaatsing in de voorgaande artikelen bedoeld, genieten de directeuren van politie reiskosten, naar den maatstaf dei-tweede klasse, vastgesteld bij art. 2 van Ons besluit van 15 December 1849 (Slaateblad no. 62.) \')

13. Wanneer de directeuren van politie zich, buiten ambtsverrig-ting, van hunnen post willen verwijderen, doen zij het verzoek daartoe aan Onzen Minister van Justitie, met voordragt der wijze van voorziening in de waarneming hunner dienst.

Van het toegestaan verzoek en de goedgekeurde wijze van waarneming, wordt door Onzen Minister van Justitie aan Onze commissarissen in de betrokkene provinciën kennis gegeven. (11, 15.)

14. Wanneer commissarissen van politie zich van hunnen post verwijderen, wordt van de wijze van voorziening in de tijdelijke waarneming hunner dienst, door den burgemeester der gemeente onmiddellijk kennis gegeven aan den directeur van politie van het district.

15. Onze commissarissen in de provinciën kunnen steeds aan den directeur van politie van het district zoodanigen last opdragen, en van hem zoodanige inlichtingen en opgaven vragen, als zij zullen vermeenen met het belang van onze dienst overeen te komen. (K.B. 27 Sept. 1850, S. 62, artt. 2, 13, 14.)

16. De directeuren van politie, de commissarissen, waterschouten, inspecteuren en verdere beambten loggen, alvorens in dienst te treden, behalve den eed van zuivering, voorgeschreven bij Koninklijk besluit van 25 February 1817. af den volgenden ambtseed:

»Ik zweer (beloof) getrouwheid aan den Koning; dat ik de wetten »van den Staat zal nakomen en onderhouden; en dat ik mij in de »dienst naauwgezet zal toeleggen op de vervulling mijner pligten, »zoo als een braaf politie-ambtenaar betaamt.»

»Zoo waarlijk helpe mij God almaglig.»

1) Dit besluit is vervangen door K.B. 5 Jan. 1884, S. 4.

15*

-ocr page 258-

228 BESLUIT, BEHEEE ALGEMEENE OF BUKSPOLITIE.

17. Be eed wordt afgelegd door de directeuren van politie, voor het provinciaal geregtshof, 1) waaronder hunne standplaats behoort; door commissarissen van politie en waterschouten voor de regtbank van het arrondissement; door de overige beambten, in handen van den kantonregter.

18. Onze Minister van Justitie stelt de noodige reglementaire bepalingen en instructien vast op de goede geregelde waarneming van de dienst, en van al hetgeen tot bevordering en verzekering daarvan wordt vereiseht. 2)

19. Bij de invoering van dit besluit zijn ingetrokken de Koninklijke besluiten van 19 Maart 1818, no. 74, 6 Julij 1819, lit S2, 3 Nov. 1822, no. 23 en 23 Maart 1836, no. 80, en daarbij vastgestelde instructien voor de procureurs-generaal en crimineel, en de directeuren van politie in de groote steden des Rijks.

20. Ons tegenwoordig besluit komt in werking op den Isten Januarij 1852.

O VERG ANGS-BEP ALING.

Wij behouden Ons voor om in die provinciën, waar het algemeen belang de dadelijke aanstelling van directeuren van politie niet vordert, met de hierboven voor dezen vastgestelde verrigtingen tijdelijk te belasten zoodanige regterlijke of politie-ambtenaren als Wij zullen bevinden te behooren, zoo mede om op zoodanige punten, waar Onze dienst zulks mogt behoeven, van Rijks wege bijzondere politie-ambte-naren aan te stellen. 3)

Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering dezes, enz.

1) Bij de wet van 10 Nov. 1875, S. 204, zijn de provinciale geregts-hoven opgeheven en 5 nieuwe geregtshoven ingesteld.

2) Bij dispositie van den Min. v. Justitie van 31 Deo. 1851, is een instructie voor de directeuren van politie vastgesteld. Hierbij is tevens een Algemeen Politieblad ingesteld.

3) In aansluiting hiermee zijn de procureurs-generaal bij de geregtshoven belast met het waarnemen der funetiën van directeurs van politie. (K.B. 30 Deo. 1852. Zie ook K.B. Eijksv.w. 5 al. 2.)

-ocr page 259-

BESLUIT,

HOUDENDE BEPALINGEN OMTRENT DE DIENST DER RIJKSVELDWACHTERS.

(Vastgesteld den llden November 1856, Stsb). no. 114, uitgegeven den 17den Nov. d.a.v. Gewijzigd bij K.B. van 15 Mei 1893, Stsbl. no. 84 en 24 Maart 1897, Stsb]. no. 74.) \')

Wu WILLEM III, enz.

Gezien Onze besluiten van den 17den Januarij en den 7den Ee-bruarij 1854 (Staatsbladen nos. 3 en 10) en dat van den 17deii December 1851 (Staatsblad no. 166);

Hebben goedgevonden en verstaan, vast te stellen de navolgende bepalingen omtrent de dienst der Myks-veldwachters:

Art. 1. De dienst van geregtsdienaar, van Rijks-veldwachter en van bezoldigd opziener der jagt en visscherij wordt vereenigd onder de benaming van Mijks-veldwacht.

*2. De rijksveldwacht wordt uitgeoefend door inspecteurs, rijksveldwachters-rechercheurs, 1) brigadiers-majoor, brigadiers, gewone rijksveldwachters en rijksveldwachters-jachtopzieners.

Behoudens de hun aan te wijzen ressorten en standplaatsen, worden zij aangesteld en beëedigd voor het geheele grondgebied des Rijks.\' (13.)

Onder de benaming rijksveldwachter worden al de in dit artikel vermelde beambten begrepen.

Van de verdere artikelen van dit besluit zijn op de rijksveldwachters-rechercheurs alleen toepasselijk de artikelen 3/, 5, tweede lid, 6, 7, 9, 10, 11 en 13. 2)

3. De Rijks-veldwacht bestaat in het algemeen in:

a. het doen van dag- en nacht-rondes zoo binnen den bebouwden kring der gemeenten, als inzonderheid ten platten lande, ter handhaving der openbare orde, ter beveiliging van personen en goederen en ter voorkoming van misdrijven, en voorts in het bijzonder

1

Bewoorden rijksveldwachters-rechercheurs ingevoegd en het laatste lid aan art. 2 toegevoegd volgens K.B. van 24 Maart 1897, S. 74.

-ocr page 260-

\'230 BESLUIT, BEPALINGEN DER BIJKSVELDWACHTEKS.

h. het waken tegen bedelarij en landlooperij; (S.R. 432.1

e. het toezigt op vreemdelingen; (Wet 13 Aug. 1849, S. 39.)

(I. de bewaking van het jagtveld en de visscherij; (Jagtwet 36, zie Meijer Stsw. I.)

c. het in bewaring nemen van zwervende, beschonkene en verlaten personen; 1) (S.K. 426, 453.)

ƒ. het opsporen van misdadigers en het inwinnen van informatiën nopens gepleegde misdrijven; (S.V. 8 v., 34 v., 39 v.)

lt;/. het dienstbaar zijn tot de handhaving der orde op de openbare teregtzittingen der onderscheidene regts-collegiën; (S.V. 151, 179 al. 2, 196; R.V. 24.)

h. het overbrengen of transporteren van gevangenen; (11; K.B. 18 Dec. 1874, S. 212, artt. 2—6.)

i. de beteekening van dagvaardingen en andere geregtelijke stukken in strafzaken. (S.V. passim.)

*4. De rijksveldwachter beneden den rang van inspecteur kan tijdelijk tot ondersteuning der gemeentepolitie worden gerequireerd, aan welke vordering hij voldoet, behoudens zijne bevoegdheid om bedenkingen daartegen aan het oordeel van den inspecteur 2) te onderwerpen. (Gem. 190.)

*5. De rijksveldwachters worden ingedeeld in brigaden, elke met een brigadier-majoor of een brigadier tot commandant; verschillende brigaden vormen een district, aan het hoofd waarvan een inspecteur wordt gesteld. (13.)

De rijksveldwachters-rechercheurs staan onder de onmiddellijke bevelen van den procureur-generaal, fungeerend directeur van politie, binnen wiens rechtsgebied zij geplaatst zijn. 2)

(Oud artikel 6 vervallen.) quot;)

*6. (oud 7.) De inspecteurs der rijksveldwacht worden door de Koningin benoemd en ontslagen. De aanstelling en het ontslag der overige rijksveldwachters geschiedt door den Minister van Justitie.

Hij voorziet hen van de noodige instructie. (Besl. Min. Just. 29 Mei 1893 gew. 1 Aug. 1893.)

*7. (oud 8.) De kosten van wapening en uitrusting 3) en, voor wat rijksveldwachters beneden den rang van inspecteur betreft, die van uniforme bovenkleeding, komen ten laste van het Kijk.

*8. (oud 9.) Bij de aanstelling van inspecteurs der rijksveldwacht wordt bij voorkeur gelet op commissarissen, inspecteurs en andere

1

Het is de vraag of deze alinea, zooals zij luidt, niet strjjdt met art. 157 Grondwet.

2

Het woord „inspecteurquot; aldus te lezen in art. i, en hel tweede lid aldus aan art. 5 toegevoegd, volgens K.B. 24 Maart 1897, S. 74.

3

De woorden „en uitrustingquot; ingevoegd volgens K.B. 24 Maart 1897, S. 74.

-ocr page 261-

BESLUIT, BEPALINGEN DER RIJKSVELDWACHTERS. 231

ambtenaren van de gemeentepolitie en op officieren van het leger, hetzij als zoodanig nog in dienst of eervol ontslagen.

zie F Voor bevordering tot brigadier of brigadier-majoor komen in aanmerking de rijksveldwachters die in lageren rang door goed gedrag, trouwe dienst en ijverige waarneming hunner betrekking hebben uitgemunt en blijken hebben gegeven geschiktheid voor brigade-commandant te bezitten.

Bij de aanstelling van de overige rijksveldwachters wordt bij voorkeur gelet op dienaren van de gemeentepohtie, onbezoldigde rijksveldwachters, eervol ontslagen militairen, alsmede op bewaarders in gevangenissen en beambten in rijkswerkinrigtingen, die zich als zoodanig door goed gedrag, ijver, betrouwbaarheid en bekwaamheid hebben onderscheiden.

9. (Oud 10.) De Rijks-veldwachter, die op den eersten dag eener maand in dienst is, geniet het volle bedrag der jaarwedde over die maand.

Bij overlijden wordt de jaarwedde uitgekeerd aan zijne erven of regthebbenden.

Ingeval van ontslag op eigen verzoek, of wegens wangedrag wordt de jaarwedde niet verder gekweten, dan tot en met den dag van aftreding.

*10. (oud 11.) Bij eerste aanstelling of bij bevordering tot eenen hoogeren rang, tengevolge van vacature, gaat de jaarwedde of de verhooging niet vroeger in dan met den eersten dag der maand, volgende op de maand waarin de vacature is ontstaan, of zoo de benoemde zijne betrekking later aanvaardt, met den dag waarop hij in functie treedt.

11. (Oud 12.) De Rijks-veldwachter geniet vrijdom van alle Rijks-veeren en tollen zoo voor zich, als voor de transporten onder zijn geleide. (3A.)

*12. (oud 13.) De rijksveldw-achter beneden den rang van inspecteur geniet geen vergoeding van verblijfkosten, indien hij op den dag der heenreis, hetzij te voet, hetzij met een openbaar middel van vervoer, zijne standplaats weder had kunnen bereiken.

*13. (oud 14.) Al wat verder betreft de dienst en de tucht van het personeel der rijksveldwacht, de kleeding en wapening en verdere uitrusting, de indeeling in brigaden en districten, de aanwijzing van standplaatsen en het toezigt op de dienst wordt door den Minister van Justitie geregeld en vastgesteld. (Besl. Min. Just. 30 Mei 1893, Indeeling.)

(Oud artikel 15 vervallen.) \')

*14. (oud 16.) Het aanstellen tot onbezoldigd rijksveldwachter van daartoe geschikte personen, tot handhaving der orde in of bij inrig-tingen of werken van het Rijk of een ander publiekregtelijk lig-

1) Volgens K.B. 15 Mei 1893, S. 84.

-ocr page 262-

232 BESLUIT, BEPALINGEN DER KIJKSVELDWACHTERS.

chaam, of ter bescherming van bijzondere landeigendommeu en gebouwen, of wel van wegen, pleinen en erven aan particulieren toe-behoorende, blijft aan den Minister van Justitie overgelaten, die tevens de voorwaarden dezer aanstelling en eene instructie voor die beambten vaststelt. (Besl. Min. Just. 22 Juni 1893.)

Dergelijke aanstellingen kunnen ook door hem worden verleend aan gemeentebeambten op daartoe strekkend voorstel van den burgemeester, ingediend door tussehenkomst van den Commissaris der Koningin in de provincie.

De uitreiking der aanstelling tot onbezoldigd rijksveldwachter geschiedt kosteloos.

(Oud artikel 17 vervallen.) \')

Artt. 2 en 3 van K.B. 15 Mei 1893, Stsbl. no. 84.

Art. 2. Het Koninklijk besluit van 23 Juni 1876 (Staatsblad no. 116) wordt ingetrokken.

Art. 3. Dit besluit treedt in werking op den vijfden dag na dien zijner afkondiging. (Uitgeg. 24 Mei 1893.)

De Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit, enz.

1) Art. 17 luidde aidus: Met het in werking treden van dit besluit, waarvan het tijdstip nader door Ons zal worden bepaald (bij K.B. 2(i Dec. 1857, S. 189, bepaald op 1 Januari 1858), zullen alle vroegere verordeningen, betreft\'ende het getal, de aanstelling en de jaarwedden zon van de geregtsdienaren, als van de bezoldigde opzieners der jagt en visscherij, buiten werking zijn gesteld.

Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit, enz.

-ocr page 263-

WET,

HOUDENDE BEPALINGEN OMTRENT DEN DOOETOGT EN HET VEEVOER VAN LANDVERHUIZERS.

(Vastgesteld den Isten Junij 1861, Stsbl. no. 53, uitgegeven den 6den Jnnij d.a.v. Gewijzigd en aangevuld bij de wet van 15 Julij 1869, Stsbl. no. 124.) 1)

Art. 1. Aan vreemde landverhuizers wordt doortogt door Nederland verleend, ook zonder dat zij van paspoorten of andere geleibrieven voorzien zijn, op bloote aanmelding van hunne personen, mits ten genoegen van de bevoegde ambtenaren aan de grenzen of ter plaatse van eerste aankomst van het doel van den doortogt voldoende blijke. (Vreemd.w. 2—4. Zie Meijer Stsw. I.)

2. Met het onderzoek, bij art. 1 bedoeld, is belast het hoofd van politie ter grensplaats of ter plaatse van eerste aankomst. Hij geeft aan de landverhuizers een bewijs af van verleenden doortogt. Dit bewijs geldt als verblijfpas voor den lijd van twee maanden.

Hij verschaft hun de inlichtingen en doet hun de aanwijzingen, noodig ter bevordering hunner reis naar de haven van inscheping. (Vreemd.w. 5.)

3. Voor vreemde landverhuizers, die twee maanden na hunne aankomst niet uit het Rijk zijn vertrokken, wordt toelating ingevolge de wet gevorderd. Ingeval het vertrek door geldige redenen vertraagd is, kan hot bewijs, vermeld bij het eerste lid van het vorig artikel, verlengd worden voor eenen tijd, door het hoofd van politie, ter plaatse, waar de landverhuizer zich ophoudt, te bepalen. (Vreemd.w. 6.)

Ook vóór de toelating, bij het eerste lid bedoeld, kunnen vreemde landverhuizers, gevaarlijk voor de public?ke rust, op Onzen last worden uitgezet, op den voet, als ten aanzien van andere vreemdelingen bij de wet is bepaald. (Vreemd.w. 12.)

4. In de gemeenten, door Ons aan te wijzen, wordt door Onzen Commissaris in de provincie eene commissie van toezigt over het vervoer van landverhuizers benoemd, volgens voorschriften, door Ons te geven. (K.B. 25 Aug. 1801.) 1)

1

Bij dit K.B. zijn commissies v. toez. te Amsterdam en Botterdam gevestigd. Bij Min. Bes. 14 Jan. 1862 is hiervooreen instructie vastgesteld.

-ocr page 264-

WET OP DE LANDVERHUIZERS.

In de commissie hebben, zooveel mogelijk, zitting leden van de kamer van koophandel en fabrieken en van den gemeenteraad, mitsgaders met de groote scheepvaart bekende personen. (K.K.)

Ter bestrijding van noodzakelijke kosten wordt aan elke commissie uit \'s Rijks schatkist eene jaarlijks te bepalen som toegelegd.

In de gemeenten waar geene commissie van toezigt is gevestigd, zijn burgemeester en wethouders met het toezigt op het vervoer der landverhuizers belast. Op hen zijn de bepalingen dezer wet, de com-inissien van toezigt betreffende, toepasselijk. (5—8, 13—19.)

5. De ambtenaren der politie staan de commissie van toezigt bij in de handhaving dezer wet en der voorschriften, door Ons ter ha rer uitvoering te geven. (24; Gem. 190; K.B. 11 Nov. 1856, S. 114 /.ooals nader gewijzigd.)

*Op last van een der leden van de commissie, en in zijne tegenwoordigheid, zijn zij bevoegd de schepen, volgens art. 14 aangegeven als tot het vervoer van landverhuizers gereed, en de woningen, waarin landverhuizers worden gehuisvest, ondanks de bewoners, ten allen tijde binnen te treden.

Van de uitvoering van den last en van de redenen, die daartoe geleid hebben, wordt door de ambtenaren der politie binnen twee maal vier en twintig uren een proces-verbaal opgemaakt, hetgeen door hot lid der commissie, dat daarbij tegenwoordig was, mede-onderteekend en aan dengene, wiens vaartuig of woning is binnengetreden, medegedeeld wordt. (G. 158.)

6. Onverminderd de bevoegdheid, haar in het bijzonder bij deze wet en bij den algemeenen maatregel van inwendig bestuur, bedoeld bij art. 24, verleend, behoort tot de taak der commissie van toezigt in het algemeen:

het verleenen van bescherming en het geven van raad en inlichtingen aan de landverhuizers;

het aanwenden van pogingen tot minnelijke schikking der geschillen tusschen landverhuizers en ondernemers of hunne onderhoorigen, of tusschen landverhuizers en de personen, in art. 17 aangeduid, gerezen ;

*het onderzoeken of doen onderzoeken der schepen, volgens art. 14 aangegeven als tot het vervoer van landverhuizers gereed, en der woningen, waarin landverhuizers worden gehuisvest;

het houden van toezigt op den gezondheidstoestand der landverhuizers. (Besm.Z. 19.)

*6a. Aan de commissien van toezigt wordt mede opgedragen het op daartoe gedane aanvrage uitreiken van akten van aanbeveling:

1°. aan logementhouders om landverhuizers te herbergen;

2quot;. aan alle personen, die hunne diensten, van welken aard ook, aan landverhuizers zouden wenschen aan te bieden.

Deze akten worden kosteloos uitgereikt, telkens voor den tijd van een jaar, en kunnen ten allen tijde door de commissie worden ingetrokken.

234

-ocr page 265-

WET OP DE LANDVERHUIZERS.

7. *Hij, die, hetzij voor eigen rekening, hetzij als lasthebber, het ervoer van Nederlandsche of vreemde landverhuizers uit het Rijk

naar eene plaats buiten Europa wil ondernemen, hetzij de insche-ie\' ping in eene Nederlandsche of in eene vreemde haven plaats hebbe, ! stelt vooraf ter verzekering van de nakoming der verpligtingen, die krachtens deze wet en de voorschriften, door Ons ingevolge art. 24 te geven, op hem rusten, en ten behoeve van de commissie van toe-zigt in de gemeente, waar het schip tot vervoer van landverhuizers wordt opgegeven en onderzocht, een zakelijken of persoonlijken borg-

togt. (9—16, 21, 23; B.W. 1196 v., 1208 v., 1857 v.)

Is de borgtogt aangetast, hij vult dien weder tot het bepaalde bedrag aan, binnen den termijn, door de commissie vast te stellen.

Zoo hij een persoonlijken borgtogt stelt, worden slechts hier te lande gevestigde borgen, met wie daarenboven de commissie genoegen neemt, toegelaten en verbinden de borgen zich hoofdelijk met hem. (17; B.W. 1857 v., 1869 sub 2Ü.)

8. De ondernemer is jegens de commissie van toezigt aansprakelijk voor het vervullen der verpligtingen, die krachtens deze wet en de voorschriften, door Ons ingevolge art. 24 te geven, op hem rusten.

De commissie voorziet zooveel mogelijk in hetgeen de ondernemer, in strijd met zijne verpligtingen, nalaat te doen, en verhaalt de daardoor veroorzaakte kosten op den nalatige en, zoo noodig, op diens borgen. (7.)

Wordt de commissie ten aanzien der vordering, die zij in regten tegen den ondernemer of diens borgen doet gelden, in het ongelijk gesteld, de geldelijke veroordeelingen, tegen haar uitgesproken, en de uitgaven, door haar gedaan in het geval, bedoeld bij de vorige zinsnede, komen ten laste van den Staat.

*Bij gebrek aan eenig ander bewijs, wordt de ondernemer geacht aim al zijne verpligtingen te hebben voldaan, zoo na een tijdsverloop van één jaar na de aankomst op de bestemmingsplaats, vermeld in de bij art. 16 bedoelde verklaring, van wege de landverhuizers ter zake van het vervoer met dat schip bij de betrokken commissie geene vordering tegen hem is ingesteld. (17.)

9. De ondernemer geeft aan eiken landverhuizer, met wiens vervoer hij zich belast, eene schriftelijke, door hem onderteekende verklaring af, vermeldende; den naam, de voornamen, den ouderdom, het beroep en de laatste woonplaats van den landverhuizer, alsmede de plaats, waarheen hij vervoerd wil worden;

het bedrag van het door den landverhuizer verschuldigde vervoer-geld, de kosten van onderhoud daaronder bergrepen, met aanduiding der som, die hij daarvan reeds mogt hebben voldaan;

235

stigd, r der com-

tij r ha-

. 114\'

igen-?ege-igen, , ten

irtoe twee geen 3-on-nge-

deze oeld ïzigt

lich-

•hil-

gen,

ge-

. 14 der

het

T •

3

iok,

een en.

het aantal kubieke nieters, die den landverhuizer tot berging zijner goederen aan boord kosteloos zullen worden ingeruimd; den naam en de ligplaats van het schip, den naam van den

m de uiits-

-ocr page 266-

WET OP DE LANDVEBHTJIZEKS.

schipper en den dag, waarop de landverhuizers aan boord moeten komen;

zoo de overtogt geschiedt over Europeesche of andere plaatsen, waar van vervoermiddel gewisseld wordt, daarenboven den naam en de woonplaats der ondernemers, die den landverhuizer aldaar de verdere gelegenheid zullen verschaffen naar de plaats zijner bestemming.

Die verklaringen worden gesteld in de Nederlandsche en Hoog-duitsche talen of in eene dier beide, welke door den betrokken landverhuizer gesproken wordt.

Veranderingen, nader in de verklaring gebragt, alsmede de kwijtingen wegens betaald vervoergeld, worden daarop aangeteekend.

Die verklaringen worden vóór het vertrek aan het bureau der betrokken commissie vertoond en afgeteekend. (18, 23.)

*10. Hij zorgt voor de huisvesting en verpleging der landverhuizers, met wier vervoer hij zich heeft belast.

Deze verpligting vangt aan met den dag, waarop de landverhuizers volgens de verklaring aan boord moeten komen.

De verpligting duurt voort, totdat twee maal vier en twintig uren zijn verloopen, nadat de landverhuizers do plaats hunner bestemming hebben bereikt. (11.)

11. De verpligting, in het vorig artikel aan den ondernemer opgelegd, houdt op, wanneer de landverhuizers niet op den bepaalden dag aan boord zijn.

Aan landverhuizers, die, blijkens de schriftelijke verklaring van een geneesheer, wegens ziekte niet aan boord kunnen of mogen komen, of uit dien hoofde niet aan boord kunnen of mogen blijven, en aan al de leden hunner gezinnen, die met hen aan wal blijven of gaan, wordt het vervoergeld, voor zooveel dit reeds door hen voldaan is, terugbetaald.

12. Indien de reis met het schip niet wordt ondernomen, of na het vertrek van het schip wordt gestaakt, zorgt de ondernemer voor de huisvesting en verpleging der landverhuizers en voor hun vervoer met een ander schip.

Deze verpligting houdt op, ingeval de verbreking of staking dei-reis het gevolg is van overmagt, het geval van scheepsrampen uitgezonderd.

13. Voor het vertrek van hot schip sluit de ondernemer eene verzekering, waarbij de verzekeraar zich verbindt tot vergoeding der kosten, die, ingeval van scheepsrampen, gevorderd zullen werden om de landverhuizers gedurende de herstelling van het schip te huisvesten en te verplegen, of om hen naar de bestemmingsplaats over te brengen, zoo het schip niet in staat is de reis voort te zetten. (K. 240 v., 592 v.)

*Binnen drie dagen na de uitklaring van het schip levert de ondernemer bij de commissie van toezigt, ten behoeve van welke is borg gesteld, de polis dier verzekering in, welke wordt aangegaan voor

236

-ocr page 267-

WET OP dj; landverhuizers.

eene som, minstens gelijkstaande met anderhalf maal het vervoergeld der gezamenlijke landverhuizers.

Is de verzekerde som geheel of gedeeltelijk gebruikt, de ondernemer levert de polis eener nieuwe verzekering van het oorspronkelijk bedrag of van hetgeen daaraan ontbreekt, binnen een door haai- te bepalen termijn, bij de commissie in.

De ondernemer blijft persoonlijk voor den overtogt der landverhuizers aansprakelijk, zoo de verzekerde som niet is uitbetaald.

14. Zoo dikwijls een ondernemer een schip gereed heeft om landverhuizers te vervoeren, geeft hij daarvan kennis aan de commissie van toezigt in de gemeente, waar hij de landverhuizers wil inschepen, bij eene schriftelijke door hem onderteekende verklaring, houdende opgaaf zoo van den naam van het schip, van den schipper en de bestemmingsplaats, als van het getal landverhuizers, door hem te vervoeren. (5, 6.)

15. Geen schip, dat landverhuizers aan boord heeft, wordt uitgeklaard dan op vertoon eener schriftelijke verklaring der commissie van toezigt, houdende, dat tegen de uitklaring geen bezwaar is.

De commissie geeft die verklaring niet af, zoo het schip niet in staat om zee te bouwen, niet overeenkomstig de bestaande voorschriften ingerigt en niet van het noodige voorzien is, of zoo andere gewigtige redenen, in het belang der landverhuizers, het vertrek van het schip onraadzaam maken.

Van de redenen, die de verklaring doen terughouden, geeft de commissie onverwijld kennis aan den ondernemer, die van hare beschikking bij burgemeester en wethouders der plaats van inscheping, of, waar deze de commissie van toezigt vervangen, bij Gedeputeerde Staten der provincie in hooger beroep kan komen.

Zij doen uitspraak, na vooraf, des noodig, den ondernemer in zijne belangen te hebben gehoord, binnen den kortst mogelijken tijd, immers binnen acht dagen, nadat het beroep ter hunner kennis is ge-bragt.

*Wordt de ondernemer in het gelijk gesteld, dan vervangt die uitspraak de verklaring der commissie.

*De in dit artikel bedoelde verklaring of uitspraak wordt aan de uiterste wacht door de met de uitklaring belaste ambtenaren ingetrokken en teruggezonden aan de commissie, die haar heeft uitgereikt.

16. De ondernemer zendt binnen drie dagen na de uitklaring van het schip aan de commissie van toezigt, bedoeld in art. 7, een door hem onderteekenden staat, vermeldende:

de namen en voornamen, den ouderdom, het geslacht, het beroep en de laatste woonplaats der landverhuizers, die zich aan boord van het schip bevinden;

de namen van het schip, den schipper en de bestemmingsplaats.

Heeft het schip na de uitklaring gemeenschap met den wal gehad.

237

-ocr page 268-

WET OP DE LANDVERHUIZERS.

zoo kan de commissie vorderen, dat de ondernemer binnen een door haar te bepalen termijn, öf de juistheid van den staat bevestige, of daarop de landverhuizers vermelde, die niet zijn vertrokken of nader aan boord gekomen. (20, 23.)

*17. Hij, die, hetzij voor eigen rekening, hetzij als lasthebber, het vervoer van Nederlandsche of vreemde landverhuizers uit eene Neder] andsche naar eene andere Europesche plaats wil ondernemen, of tot bevordering van dat vervoer als agent werkzaam is, hetzij de inscheping in eene Nederlandsche of in eene vreemde haven plaats hebbe, stelt vooraf ten behoeve der commissie van toezigt, of, waar deze ontbreekt, ten behoeve van het gemeentebestuur zijner woonplaats, een zakelijken of persoonlijken borgtogt, de som van vijfduizend gulden niet te boven gaande, op den voet en met de gevolgen, bij art. 7 bepaald. (6, 23.)

Hel ondernemen van vervoer van landverhuizers naar eene plaats buiten Europa is hem verboden.

De bepaling van art. 8 is op hem van toepassing. *18. De ondernemer, bedoeld in het vorig artikel, geeft aan eiken landverhuizer, die zich aan hem toevertrouwt, eene schriftelijke door hem onderteekende verklaring af, vermeldende:

den naam, de voornamen, den ouderdom, het beroep en de laatste woonplaats van den landverhuizer, alsmede de plaats buiten het Rijk, waarheen deze vervoerd wil worden;

het bedrag van het door den landverhuizer verschuldigde vervoer-geld, de kosten van onderhoud daaronder begrepen, met aanduiding der som, die hij daarvan reeds mogt hebben voldaan;

het aantal kubieke meters, die den landverhuizer tot berging ziiner goederen kosteloos zullen worden ingeruimd;

den naam en de ligplaats van het schip, den naam van den schipper en den dag, waarop de landverhuizers aan boord moeten komen.

Die verklaringen worden gesteld in de Nederlandsche en Hoog-duitsche talen of eene dier beide, welke door den betrokken landverhuizer gesproken wordt.

Veranderingen, nader in de verklaring gebragt, alsmede de kwijtingen wegens betaald vervoergeld, worden daarop aangeteekend.

Die verklaringen worden vóór hot vertrek van het schip aan het bureau der betrokken commissie vertoond en afgeteekend. (9, 23.)

*10. Wanneer de ondernemer, bedoeld in art. 17, aanneemt ook voor de huisvesting en verpleging der landverhuizers tot hun vertrek zorg te dragen, wordt dit op de in art. 18 bedoelde verklaring vermeld; en wanneer die kosten voor huisvesting en verpleging niet in den passageprijs begrepen zijn, doch afzonderlijk in rekening worden gebragt, geschiedt dit naar een door de commissie van toezigt goed te keuren tarief.

Wanneer het schip, waarmede het vertrek zal plaats vinden, niet tot ontvangst van landverhuizers gereed is op den datum, vermeld in

238

-ocr page 269-

WET OP DE LANDVERHUIZERS.

de bij art. 18 bedoelde verklaring, is de ondernemer in allen gevalle verpligt voor zijne rekening voor de huisvesting en verpleging der landverhuizers te zorgen. (10.)

*20. De ondernemer, bedoeld in art. 17, vordert van de landverhuizers. die zich aan hem toevertrouwen, onder geen voorwendsel eenige meerdere belooning, dan op de verklaring, in art. 18 vermeld, is uitgedrukt.

De bepalingen van art. 16 zijn op hem van toepassing. (23.)

21. Het is verboden aan landverhuizers, eer zij de haven hunner bestemming hebben bereikt, vervoerbiljetten, bestemd voor hunne verdere reis, te verkoopen of te koop aan te bieden. (23.)

*Door de in art. 7 bedoelde ondernemers kan evenwel het vervoer, verder dan de plaats van aankomst, bij door hen onderteekeml contract worden ondernomen.

22. Het is aan een ieder, die krachtens deze wet daartoe niet bevoegd is, verboden, door aankondiging in de dagbladen, aanplakbiljetten, uithangborden of dergelijke voorwerpen te kennen te geven, dat hij zich met landverhuizing inlaat.

De ambtenaren der politie zijn bevoegd de aanplakbiljetten, uithangborden of dergelijke voorwerpen weg te nemen.

23. Overtreding van het 1ste lid der artt. 7 en 17 wordt gestraft met eene boete van vijftig cent tot vijf honderd gulden;

van het 2de lid van art. 7, ook wanneer zij gepleegd wordt door de personen, bij art. 17 bedoeld, en van art. 10 met eene boete van vijftig cent tot vijf en twintig gulden voor iederen dag verzuim;

van de artt. 9, 18 en 22 met eene boete van vijftig cent tot honderd gulden;

van art. 20 met eene boete van vijftig cent tot honderd gulden voor iederen landverhuizer, van wien belooning is gevorderd;

van art. 21 met eene boete van vijftig cent tot honderd gulden voor iederen landverhuizer, wien het verkochte biljet geldt, of een biljet is aangeboden. \')

24. Bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur worden door Ons voorschriften gegeven omtrent de inrigting der tot het vervoer van landverhuizers te gebruiken vaartuigen, omtrent hunne ruimte in evenredigheid tot het getal der te vervoeren personen, omtrent de benoodigdheden, waarvan die vaartuigen moeten voorzien zijn, en omtrent hetgeen verder ter uitvoering dezer wet vereischt wordt. (K.B. 27 Nov. 1865, S. 53 en 30 Sept. 1869, S. 124 laatst gew. 21 Juli 1875, S. 138.)

239

25. Op alle vaartuigen, waarop deze wet toepasselijk is, zijn exemplaren daarvan, mitsgaders van den algemeenen maatregel van inwendig bestuur, bij het vorig artikel bédoeld, in de Nederduitsche,

1) Art. 23 aldus gehandhaafd en gewijzigd volgens artt. 10 no. IC en 11 der wet van 15 April 1886, S. 64.

-ocr page 270-

WET OP DE TjANDVERHUIZERS.

Hoogduitsche, Engelsche en Fransche talen op zigtbare en toegankelijke plaatsen voorhanden.

26. Door deze wet wordt, in zoover daarvan niet is afgeweken, geene inbreuk gemaakt op de bepalingen van het Wetboek van Koophandel betreffende passagiers op bnitenlandsche zeereizen. (K. 521 v.)

*27. Deze wet is niet van toepassing:

op vaartuigen, bestemd naar eene plaats buiten Europa, die minder dan twintig landverhuizers, de kajuitspassagiers daaronder niet begrepen, aan boord nemen;

op vaartuigen, naar eene Europesehe plaats bestemd, die minder dan tien landverhuizers, de kajuitspassagiers daaronder niet begrepen, aan boord nemen;

op alle vaartuigen, welke geene zeeschepen zijn.

*27 a. De kantonregters ter plaatse der inscheping nemen kennis van alle persoonlijke of tot roerende zaken betrekkelijke regtsvorde-ringen, door of tegen landverhuizers ingesteld, voor zooveel deze regtsvorderingen ontstaan uit overeenkomsten of daden ter plaatse der inscheping of ten aanzien van vreemde landverhuizers bij hunnen doortogt hier te lande aangegaan of verrigt; behoudens hooger beroep, indien de vordering meer dan vierhonderd gulden bedraagt.

Zoo ter plaatse der inscheping meer dan een kantongeregt is, wordt de vordering ingesteld voor een van dezen ter keuze van den eischèr.

De gewone termijn van dagvaarding is van ten minste twee vrije dagen.

In spoedeischende gevallen kan de kantonregter verlof verleeneu om van dag tot dag en zelfs van uur tot uur te dagvaarden op de wijze, voorgeschreven bij art. 7 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering.

Art. 152 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering is op landverhuizers niet van toepassing.

De kantonregter kan in alle gevallen bevelen de voorloopige uitvoerbaarheid van het vonnis op de minuut vóór de registratie, met of zonder borgtogt.

De in het geding overgelegde stukken zijn vrij van registratie.

240

28. Deze wet en de algemeene maatregel van inwendig bestuur, bedoeld bij art. 24, treden gelijktijdig in werking op het door Ons te bepalen tijdstip, doch voor den Isten September 1801. 1)

1

Bij K.B. 1 Aug. 1861, S. 63 is dit tijdstip bepaald op 31 Aug. 18G1.

-ocr page 271-

WET,

TOT REGELING VAN HET ONDERWIJS IN DE VEEARTSENIJKUNDE EN VAN DE VOORWAARDEN TOT VERKRIJGING VAN HET DIPLOMA VAN VEEARTS.

(Vastgesteld den 8sten Jnlij 1874, Stsbl. no. 99, uitgegeven den 17deii Julij d.a.v.j

§ 1. van de rijks-vekartsenijschool.

Art. 1. Er wordt van Staatswege onderwijs gegeven In de veeartsenijkunde aan eene Rijks-veeartsenijschool. Deze school is bestemd tot opleiding van veeartsen.

De kosten komen ten laste van het Rijk, de baten worden in \'s Rijks schatkist gestort. (K.B. 25 Mei 1894, S. 65.)

2. Aan de Rijks-veeartsenijschool wordt onderwijs gegeven in: (9,10.)

1°. natuurkunde;

2°. scheikunde;

3°. natuurlijke historie (plant-, dier-, delfstof- en aardkunde);

4quot;. kennis der voeder-, vergift- en artsenijplanten en artscnijwa-renkennis;

5°. ontleedkunde der huisdieren;

6U. weefselleer en pln-siologie der huisdieren;

7U. natuurlijke historie, leer van het uitwendig voorkomen (zoo-genaamd extérieur) en raskennis der huisdieren;

8quot;. gezondheidsleer der huisdieren en veeteelt;

9U. kennis van den hoef en het hoefbeslag;

10quot;. ziektekundige ontleedkunde der huisdieren;

11°. algemeene en bijzondere ziektekunde en geneesleer der huisdieren ;

12°. heelkundige ontleedkunde, heelkunde, operatie- en verbandleer der huisdieren en leer der hoefziekten;

13quot;. verloskunde der huisdieren;

14u. veeartsenijkundige geneesmiddelleer en vergiftlecr;

15quot;. veeartsenijkundige kliniek en artsenijmengkunde;

16quot;. geregtelijke veeartsenijkunde en veeartsenijkundige politie;

17quot;. geschiedenis en litteratuur der veeartsenijkunde.

sïw. n. 16

-ocr page 272-

242 WET ONDERWIJS VEBARTSENIJK. EN DIPLOMA VEEARTS.

3. Het bepaalde in de artt. 5, 13, 14, 17, 29, 31, 32 en 33 der wet (Veearts.T.) van 20 Julij 1870 (Staatsblad no. 131) is niet van toepassing op het terrein van \'s Rijks veeartsenijschool.

4. Het onderwijs wordt gegeven door leeraren en onderwijzers. De geheele cursus duurt vier jaren. In de vakken, waarover het bij art. 9 vermelde natuurkundige examen loopt, wordt onderwijs gegeven in de twee eerste en in die, waarover het bij art. 10 bepaalde veeartsenijkundig examen loopt, wordt onderwijs gegeven in de twee laatste studiejaren. De geschiedenis en litteratuur der veeartsenijkunde worden in het laatste studiejaar behandeld.

Niemand wordt als leerling tot \'s Rijks veeartsenijschool toegelaten, die niet bij examen de blijken heeft gegeven de voorbereidende kundigheden te bezitten, vereischt om met vrucht de lessen te kunnen bijwonen. De vakken, waarover dat examen loopt, de verdere vereischten tot toelating van leerlingen, de regeling van het onderwijs en de verpligtingen van de leeraren en de onderwijzers, alsmede de werkkring en bevoegdheid van den directeur en van den raad van bestuur, hunne betrekking tot het overige personeel en de inwendige regeling der school, worden bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur geregeld. (K.B. 25 Mei 1894, S. 05.)

5. Het bestuur der school is opgedragen aan eenen directeur en eenen raad van bestuur, zamengesteld uit de leeraren der school. (4 al. 2.)

6. De directeur, de leeraren en onderwijzers worden door Ons benoemd, geschorst en ontslagen. Zij genieten eene jaarlijksche bezoldiging uit \'s Rijks kas; de directeur geniet daarenboven vrije woning of ontvangt eene schadeloosstelling, daarvoor door Ons te bepalen.

7. Voor den directeur en de leeraren komt, voor de berekening van hun pensioen, als diensttijd mede in aanmerking de tijd, dien zij, krachtens eene vaste aanstelling van Ons, Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken of van een gemeentebestuur ontvangen, als onderwijzer bij eene inrigting van openbaar onderwijs hebben door-gebragt.

§ 2. VAN DE VOORWAARDEN TOT VERKRIJGING VAN HET DIPLOMA VAN VEEARTS.

Art. 8. Het diploma van veearts wordt verkregen door het met goed gevolg afleggen van: (Veearts.ü. 1.)

a. een natuurkundig examen, en

h. een veeartsenijkundig examen.

9. Het natuurkundig examen betreft zoowel de theorie als de praktijk. Het theoretisch gedeelte betreft de vakken, genoemd in art. 2, onder 1, 2, 3, 5, 6, 7, 8 en 9; het praktisch gedeelte de vakken, genoemd in art. 2, onder 4, 5 en 9. (13.)

-ocr page 273-

WET ONDERWIJS VEEAKTSENIJK. EN DIPLOMA VEEARTS. 243

10. Het veeartsenijkundig examen betreft zoowel de theorie als de praktijk. Het theoretisch gedeelte betreft de vakken, genoemd in art. 2, onder 10, 11, 12, 13, 14 en 16; het practisch gedeelte de vakken, genoemd in art. 2, onder 12, 13 en 15, en toegepaste leer van het uitwendig voorkomen (extérieur) der huisdieren, benevens de voederkennis.

Om tot het veeartsenijkundig examen te worden toegelaten, wordt gevorderd, behalve het bewijs dat de candidaat het natuurkundig-examen met goed gevolg heeft afgelegd, eene verklaring van den directeur der Rijks-veeartsenijschool of van een tot uitoefening van de veeartsenijkunde bevoegden persoon, dat de candidaat gedurende minstens twee jaren de genees- en heelkundige behandeling van zieke dieren gevolgd heeft, alsmede dat hij, in tegenwoordigheid van een veearts, bij de grootere huisdieren (paard of rund) minstens tien gewone verlossingen bijgewoond en minstens twee buitengewone verlossingen verrigt heeft. (13, 14.)

11. Vrijgesteld van het examen:

1°. in de vakken, genoemd in art. 2, onder 1 en 2, zijn zij, die het getuigschrift bezitten van met goed gevolg afgelegd examen, vermeld in art. 57 van de wet (M.O.) van 2 Mei 1863 (Staatsblad no. 50); (Zie Meijer Stsw. I.)

2°. in de vakken, genoemd in art. 2, onder 1, 2 en 3, en van dat in artsenijwarenkennis, zij, die met goed gevolg het natuurkundig examen hebben afgelegd volgens art. 4 der wet van 1 Junij 1865 [Staatsblad no. 59), ^ of die volgens art. 8 derzelfde wet de bevoegdheid van hulpapotheker bezitten, alsmede zij, die aan eene Ne-derlandsche hoogeschool den graad van candidaat in de geneeskunde hebben verkregen; (H.O. 84 jcto K.B. 27 April 1877, S. 87 als nader gewijzigd.)

3°. in do vakken, genoemd in art. 2, ouder 1, 2, 3 en 4, zij, die volgens art. !) der wet van 1 Junij 1865 (Staatsblad no. 59) de bevoegdheid van apotheker bezitten. \')

12. Het natuurkundig examen wordt ten minste eenmaal \'s jaars afgenomen door den directeur en de leeraren van \'s Rijks veeartsenijschool. Deze kunnen zich daarbij door de onderwijzers doen bijstaan.

Het veeartsenijkundig examen wordt ten minste eenmaal \'s jaars afgenomen door eene commissie, waarvan de leden, en uit dezen de voorzitter en de secretaris, voor drie achtereenvolgende jaren door Ons worden benoemd. (15.)

Voor ieder lid wordt door Ons een plaatsvervanger benoemd.

De leden van deze commissie genieten reis- en verblijfkosten en vacatiegeld door Ons te bepalen.

1) Deze wet is vervallen volgens art. 26 der wet (Gk.B.) welke daarvoor in de plaats is getreden. Zie artt. 4 en 5, 11 en 17 dezer wet.

16*

-ocr page 274-

244 WET ONDERWIJS VEEARTSENIJK. EN DIPLOMA VEEARTS.

Onze Minister van Binnenlandsche Zaken bepaalt den tijd en de plaats van het zamenkomen der commissie.

13. Aan hem, die met goed gevolg het examen volgens art. 9 heeft afgelegd, wordt kosteloos een diploma uitgereikt. Voor het di-plima van veearts, verkregen na met goed gevolg afgelegd examen volgens art. 10, wordt in de schatkist gestort ƒ 20.

14. De examens worden in het openbaar gehouden, met uitzondering van die in de verloskunde, de operatieleer en de kliniek, welke alleen kunnen bijgewoond worden door hen, die daartoe vergunning bekomen van den voorzitter der commissie met het afnemen van het examen belast.

15. De commissie van examen zendt uiterlijk binnen eene maand na afloop harer werkzaamheden een verslag van haren arbeid aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken.

§ 3. OVERGANGSBEPALING.

Art. 16. Aan de leerlingen, die vóór het in werking treden dezer wet tot \'s Rijks veeartsenijschool zijn toegelaten, kan, op hun verlangen, na een met goed gevolg afgelegd examen op de tot dusver gevolgde wijze, een diploma als veearts worden uitgereikt.

§ 4. SLOTBEPALING.

Art. 17. Deze wet treedt in werking op een nader door Ons te bepalen tijdstip. \')

1) Dit tijdstip is bij K.B. van 10 Augustus 1874, S. 118, bepaald op 1 September 1874.

-ocr page 275-

WET,

TOT KEGELING VAN DE UITOEFENING DEE VEEABTSENIJKUNST.

(Vastgesteld den 8sten Ju)ij 1874, Stsbl. no. 98, uitgegeven den 17den Julij d.a.v. Gewijzigd bij de wetten van 4 April 1875, Stsbl. no. 37 en 15 April 1886, Stsbl. no. 64.)

§ 1. ALGEMEBNE BEPALINGEN.

Art. 1. Uitoefening der veeartsenijkunst, waaronder de wet het verleenen van genees- en heelkundigen raad of bijstand voor vee als bedrijf verstaat, is alleen geoorloofd aan hen, die, na afgelegd examen hier te lande, eene akte van bevoegdheid tot die uitoefening hebben verkregen. (14, 20; Veearts.B. 8 v.)

Uitoefening der verloskunst van het vee en het doen van heelkundige operatiën op gezond vee zijn, met uitzondering van inenten, aan ieder geoorloofd.

2. Wij behouden Ons voor, personen, die na afgelegd examen in een ander Rijk de bevoegdheid tot uitoefening der veeartsenijkunst in haren geheelen omvang hebben verkregen, tot uitoefening daarvan hier te lande toe te laten. De bepalingen dezer wet zijn alsdan op hen van toepassing. 1)

3. Zij, die eene akte van bevoegdheid als veearts bezitten, zijn bevoegd, ten behoeve van vee, de geneesmiddelen, door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken volgens art. 30 der wet (Apoth.U.) van 1 Junij 1865 (Staatsblad no. 61) aangewezen, ook beneden de hoeveelheid te verkoopen, daarbij voor elk dier middelen bepaald. (Besch. v. 15 Oct. 1889.)

Behalve ten behoeve van het door hen behandelde vee, verkoopen zij geene vergiftige zelfstandigheden dan aan veeartsen of op hun voorschrift, of wel op schriftelijke en onderteekende aanvraag, aan andere, doch bij hen bekende, personen.

De vergiftige zelfstandigheid wordt afgeleverd in een verzegeld

1

Zie ook de wet van 11 Julij 1884, S. 139, waarbij eene overeenkomst is goedgekeurd, gesloten tussehen Nederland en België tot wederzijdsche toelating in grensgemeenten van veeartsen voor de uitoefening der veeartsenijkunst.

-ocr page 276-

24(3 WET UITOEFENING VEEARTSENIJKUNST.

voorwerp, waarop, nevens den naam, het woord vergift duidelijk staat uitgedrukt. (5—7, 12, 17, 20; Apoth.U. 13.)

§ 2. VAN DE VEEARTSEN.

Art. 4. Alvorens de praktijk uit te oefenen, doen de veeartsen hunne akte van bevoegdheid viseren door den distriets-veearts in den kring, waar binnen zij zich wenschen te vestigen. Dit visum wordt kosteloos verleend.

Zij geven, op vertoon van de geviseerde akte van bevoegdheid, aan de burgemeesters der gemeenten, waarin zij praktijk wenschen uit te oefenen, kennis van hun voornemen. (12; Voearts.T. 9.)

5. Zij, die gebruik maken van de bevoegdheid hun bij art. 3 verleend, voorzien de voorwerpen, waarin zij geneesmiddelen afleveren, van een door hen onderteekend en gedagteekend opschrift, houdende aanwijzing van den eigenaar, houder of hoeder en van de soort van het dier, waarvoor het middel bestemd is. De wijze van gebruik wordt daarbij vermeld met bijvoeging van het woord vergift, wanneer het geneesmiddel vergiftige bestanddeelen bevat. In dit geval wordt het opschrift op rood papier geschreven. (12, 17.)

6. Zij schrijven in een register elke aflevering van geneesmiddelen in art. 3 bedoeld, met vermelding van den dag waarop, en van den persoon ten behoeve van wiens vee de aflevering is gedaan.

De distriets-veearts is bevoegd van des morgens 7 tot des avonds (J uur de woningen van de veeartsen in zijn district binnen te i reden, ten einde inzage te nemen van dit register, dat, des gevorderd dooiden veearts aan hem vertoond moet worden. (9; Ct. 158.)

Het wordt gedurende twintig jaren bewaard en bij overlijden van den veearts door zijne erfgenamen aan den distriets-veearts gezonden, die voor de verdere bewaring zorg draagt. (12, 17.)

7. Zij, die gebruik maken van de bevoegdheid hun bij art. 3 verleend, bewaren de vergiften, door Onzen Minister van Binnenland-sche Zaken, krachtens art. 7 der wQt (Apoth.U.) van 1 Junij 1865 {Staatsblad no. 61) aangewezen, in eéne of meer voor de bewaring van vergiften uitsluitend bestemde en afgesloten kasten. Op deze zoowel als op de voorwerpen, waarin vergiften bevat zijn, moet het. woord vergift duidelijk vermeld worden. Een sleutel van die kasten berust bij den eigenaar; een tweede verzegelde sleutel is steeds ten zijnen huize voorhanden. (Besch. v. 15 Oct. 1889.)

Bij overlijden van of bij het verlaten der praktijk door een der in dit artikel bedoelde veeartsen worden de sleutels der vergiftkas binnen 24 uren door de erfgenamen of den bewindvoerder of bij ontstentenis van dezen door de huisgenooten ter hand gesteld aan den burgemeester der gemeente.

Wordt de vergiftkas door een anderen veearts overgenomen, dan worden dezen de sleutels ter hand gesteld. (12, 17.)

-ocr page 277-

WET UITOEFENING VEEARTSEN1JKÜNST.

8. Bij het verkoopen in het openbaar van de in art. 3 dezer wet bedoelde geneesmiddelen, mogen de vergiftige zelfstandigheden alleen worden verkocht aan apothekers, aan geneeskundigen tot het leveren van geneesmiddelen bevoegd, en aan veeartsen.

De verkoop geschiedt niet, dan na minstens vijf dagen voorafgegane schriftelijke kennisgeving aan den districts-veearts. (12, 17; Apoth.ü. 29.)

9. De in art. 7 dezer wel bedoelde vergiften moeten, des gevorderd, door den veearts aan den districts-veearts worden vertoond, die bevoegd is te dien einde tusschen 7 uur des morgens en 9 uur des avonds de woningen van de veeartsen in zijn district binnen te treden. (12, 17; G. 158.)

10. Blijkt bij onderzoek dat niet voldaan is aan eene of meer dor bepalingen van de artt. 6, 7 of 8, dan maakt de districts-veearts daarvan proces-verbaal op. (17.)

11. De veeartsen zijn verpligt onverwijld aan den districts-vee-arts in den kring waar binnen hunne woonplaats gelegen is en aan den burgemeester der gemeente, waar het geval plaats had, kennis te geven van alle door hen opgemerkte veeziekten, die besmetting van vee of van menschen kunnen veroorzaken of op andere wijze gevaarlijk voor den gezondheidstoestand van den mensch of van den veestapel kunnen worden. (12, 17; Veearts.T. 10.)

§ 3. STRAFBEPALINGEN. \')

Art. 12. Overtreding van het tweede of derde lid van art. 3, van de artt. 4, 5, 6, 7, 8, 9, 11, 18 of 19 dezer wet, wordt gestraft met geldboete van } 0,50 tot ƒ 50.

Bij herhaling van eene der in de vorige zinsnede bedoelde overtredingen, binnen twee jaren sedert de vroegere veroordeeling van den schuldige onherroepelijk is geworden of de op de overtreding gestelde geldboete vrijwillig is betaald, kan de boete tot het dubbele gebragt of eene hechtenis van 1 tot 8 dagen opgelegd worden.

13. Afgeschaft.

§ 4. OVEEGANGSBEI-AWNCiEN.

Art. 14. Zij, die vóór het in werking treden dezer wet een diploma van veearts aan de Rijks-veeartsenijschool hebben verkregen, blijven bevoegd tot uitoefening der veeartsenijkunst.

15. Aan allen, die gedurende do laatste 10 jaren vóór het in werking treden dezer wet een patent hadden als veearts, zonder een diploma van veearts te bezitten, blijft de uitoefening der veeartsenij-

1) De Strafbepalingen aldus afgeschaft, gehandhaafd en gewijzigd volgens artt. 3fl, 10 no. 28, en 11 der Inv.wet van 15 April 1886, no. 64. Zie ook S.E. 436.

247

-ocr page 278-

WET UITOEFENING VEBARTSENIJKUNST.

kunst vergund, indien zij zich binnen drie maanden na het in werking treden dezer wet met een daartoe strekkend verzoekschrift tot Onzen Minister van Binuenlandsche Zaken wenden. Bij dit verzoekschrift moeten zij een bewijs overleggen, dat zij gedurende den in de eerste zinsnede van dit artikel vermelden termijn een patent als veearts hebben gehad.

Daarna wordt hun een bewijs van toelating tot de uitoefening der veeartsenijkunst uitgereikt.

16. Zij, die, zonder een diploma als veearts te bezitten voor lu Februarij 1875 als veearts gepatenteerd zijn, of vóór dien dag aanvrage om patent als veearts hebben gedaan, blijven tot de uitoefening der veeartsenijkunst tot den Isten Januarij 1877 bevoegd.

Om tot de verdere uitoefening dier kunst in haren geheelen omvang vergunning te bekomen, moeten zij met goed gevolg het nader te vermelden examen hebben afgelegd.

Bij hunue aanvrage tot het afleggen van dit examen moeten zij een bewijs overleggen, dat zij vóór den Isten Februarij 1875 een patent als veearts hadden, of daartoe vóór dat tijdstip aanvrtige gedaan hebben.

Het examen wordt afgenomen door eene commissie, waarvan de leden en uit dezen de voorzitter en de secretaris door Onzen Minister van Binuenlandsche Zaken worden benoemd. Het programma van dit examen, alsmede de plaats waar en de tijd wanneer het zal worden afgenomen, wordt door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken vastgesteld.

Het examen loopt hoofdzakelijk over de ziekte- en geneesleer der besmettelijke veeziekten, alsmede over de middelen, waardoor hare verspreiding kan worden tegengegaan. Aan hem, die dit examen op voldoende wijze afgelegd heeft, wordt een bewijs van toelating tot uitoefening der veeartsenijkunst uitgereikt.

17. Het bepaalde in de artt. 3, 5, 6, 7, 8, 9, 10 en 11 is ook van toepassing op hen, die volgens art. 14 bevoegd zijn tot uitoefening der veeartsenijkunst of volgens de artt. 15 en 1(J tot die uitoefening-zijn toegelaten.

18. Zij, die bij de invoering van deze wet een diploma van veearts bezitten of dit krachtens het bepaalde in art. 16 der wet, regelende het onderwijs in de veeartsenijkunde en de voorwaarden tot verkrijging van het diploma van veearts, verkrijgen, zijn verpligt op straffe van verlies hunner bevoegdheid dit binnen drie maanden te doen viseren door den districts-veearts in den kring, waarin zij wonen, en verder te voldoen aan het bepaalde bij art. 4 dezer wet.

Zij, die volgens artt. 15 of 16 een bewijs van toelating tot uitoefening der veeartsenijkunst hebben verkregen, doen, alvorens de praktijk uit te oefenen, hun bewijs van toelating viseren door den districts-veearts in den kring, waarin zij zich wensohen te vestigen. (4, 12.)

248

-ocr page 279-

WET UITOEFENING VEEARTSENUKUNST.

19. Allen, die volgens de artt. 15 of 16 toegelaten zijn tot uitoefening der veeartsenijkunst, geven onder vertoon van hunne geviseerde bewijzen van toelating, aan de burgemeesters der gemeenten, waarin zij praktijk wenschen uit te oefenen, kennis van hun voornemen. (4, 12.)

§ 5. SLOTBEPALINGEN.

Art,. 20. Door het woord vee worden in deze wet aangeduid eenhoevige en herkaauwende dieren, de varkens en honden. (Vee-arts.T. 42.)

249

21. Deze wet treedt in werking op een nader door Ons te bepalen tijdstip. \')

van ling ling

,\'ee-jge-tot op i te wo-

uit-do den !Sti-

1) Dit tijdstip is bii K.B. van 10 Augustus 1874, S. 118, bepaald op 1 September 1874.

-ocr page 280-

WET,

TOT REGELING VAN HET VEEARTSBNIJKUNDIG STAATSTOEZIGT EN DE VEIÜARTSENIJKUNDIGE POLITIE.

(Vastgesteld den 20sten Juli 1870, Stsbl. no. 131, uitgegeven den 5den Augustus d.a.v. Gewijzigd bij de wetten van 1 Aug. 1880, Stsbl. no. 123; 15 April 1886, Stsbl. no. 64 en 15 April 1896, Stsbl. no. 68.)

§ 1. Van het veeartsenijkundig Staatstoezigt.

Art. 1. Het veeartsenijkundig Staatstoezigt omvat:

a. het onderzoek naar den algemeenen gezondheidstoestand van den veestapel en, waar noodig, de aanwijzing en bevordering van middelen ter verbetering; (42.)

b. de handhaving van de wetten en verordeningen in het belang van den algemeenen gezondheidstoestand van den veestapel vastgesteld. (9; Gk.T. 1.)

2. Het is onder Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken opgedragen aan districtsveeartsen. Zij worden door Ons benoemd uit personen, die de akte van bevoegdheid als veearts van Rijkswege ontvangen hebben. Zij kunnen door Ons worden geschorst en ontslagen. (4, 11 ; Veearts.B. 8 v.)

Hunne standplaatsen, alsmede de kringen, waar binnen zij werkzaam zijn, worden hun door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken aangewezen.

Voor iederen districtsveearts worden door Ons één of meer plaatsvervangers benoemd, die, bij volstrekte verhindering van dien ambtenaar, zijne betrekking waarnemen. (7, 8.)

3. Bij de aanvaarding hunner betrekking leggen de districtsvee-artsen en de plaatsvervangende districtsveeartsen den volgenden eed (belofte) af in handen van Onzen Commissaris in de provincie:

gt;Ik zweer (beloof), dat ik de verpligtingen, verbonden aan de »betrekking van districtsveearts (plaatsvervangend districtsveearts), xgetrouw vervullen zal.

-gt;Zoo waarlijk helpe mij God Almagtig. (Dat beloof ik)!»

4. Bij schorsing van districtsveeartsen bepaalt het besluit of dit geschiedt met behoud, dan wel met geheel of gedeeltelijk verlies

der 1

-ocr page 281-

WET VEEARTSENIJKUNDIG STAATSTOEZIGT ENZ.

der bezoldiging gedurende den tijd der schorsing. Onze Minister van Binnenlandsche Zaken bepaalt op welke wijze, gedurende den tijd der schorsing, in de dienst zal worden voorzien. (2.)

5. De districtsveeartsen zijn bevoegd binnen den kring, waarin zij werkzaam zijn, onder vertoon des gevorderd van hunne akte van aanstelling, bij het aanwezig zijn van eene besmettelijke veeziekte of wanneer die vermoed wordt, de bij deze wet aan hun toezigt onderworpen erven, weiden, stallen en andere verblijfplaatsen van vee, slagthuizen, winkels of bergplaatsen van vleesch en spek, alsmede diergaarden, tentoonstellingen van vee, vilderijen, penserijen en dergelijke werkplaatsen, zelfs ondanks den wil der bewoners of gebruikers, tusschen zons op- en ondergang binnen te treden. Zij moeten daarbij voorzien zijn van een\' schriftelijken last van den burgemeester of den kantonregter en dien des gevorderd vertoonen. (43; G. 158; Veearts.B. 3.)

6. De districtsveeartsen zijn bevoegd van overtredingen der wetten en verordeningen in het belang van den veestapel proces-verbaal op te maken, op den eed bij de aanvaarding hunner bediening afgelegd. (3.)

Zij zenden de processen-verbaal aan het openbaar ministerie. (S.V. 8 sub 7quot;., 10.)

7. De districtsveeartsen genieten eene vaste bezoldiging uit \'s lands kas, benevens vergoeding voor bureau-, reis- en verblijfkosten. (K.B. 5 Jan. 1884, S. 4.)

Zij oefenen de veeartsenijkunst niet uit en bekleeden zonder Onze toestemming geene andere bediening. (11.)

De plaatsvervangende districtsveeartsen zijn bevoegd de veeartsenijkunst uit te oefenen. Zij ontvangen geene bezoldiging, maar vergoeding voor reis- en verblijfkosten en vacatiegelden. (2.)

8. Jaarlijks geven de districtsveeartsen vóór den Isten April aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken een verslag van de werkzaamheden van het veeartsenijkundig Staatstoezigt over het afgeloo-pen jaar in hunnen kring. Zij zenden van dit verslag een afschrift aan Ged. Staten der provincie of der provinciën waarin zij gesta-tionneerd zijn. (12.)

9. De districtsveeartsen houden, binnen den kring waarvoor zij zijn aangesteld, een naauwkeurig toezigi op den gezondheidstoestand van den veestapel en op de handhaving der wetten en verordeningen, in het belang van den veestapel vastgesteld, en viseren kosteloos de diplomata en de bewijzen van bevoegdheid der veeartsen. (1; Veearts.U. 4.)

Zij bezoeken zooveel mogelijk de markten, waar handel in vee wordt gedreven, alsmede de plaatsen waar openbare verkoopingen van vee worden gehouden en gelasten de inbeslagneming en afzondering van aldaar aanwezig, aan eene besmettelijke ziekte lijdend vee. (35; S.K. 184.)

251

-ocr page 282-

252 WET VEEARTSENIJKÜNDIG STAATSTOEZIGT EN

10. Bij het ontstaan eener de gezondheid van den veestapel bedreigende of buitengewone sterfte veroorzakende, of eener voor den mensch schadelijke ziekte onder het vee, of wanneer er vrees bestaat dat zoodanige ziekte van buiten \'s lands zal worden overge-bragt, geven zij daarvan onmiddellijk berigt aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, aan den Commissaris of de Commissarissen des Konings van de provincie of de provinciën waarin zij gestation-neerd zijn en aan de districtsveeartsen in de aangrenzende kringen. Zij maken zich, wanneer zich zulk eene ziekte in hunnen kring vertoont, persoonlijk bekend met den aard daarvan en stellen den burgemeester der betrokken gemeente de maatregelen voor, die dadelijk tot stuiting der ziekte te nemen zijn.

Van het voorkomen van voor menschen gevaarlijke veeziekten geven zij ook berigt aan den geneeskundigen inspecteur in den kring waarin zij gevestigd zijn, en treden met hem in overleg over de voor te stellen maatregelen. (Gk.T. 2 a.)

11. Bij het uitbreken van besmettelijke veeziekten kunnen door Ons tijdelijk buitengewone districtsveeartsen worden aangesteld.

Zij genieten bezoldiging en vergoeding voor bureau-, reis- en verblijfkosten uit \'s lands kas, door Ons te bepalen, en hebben, zoolang zij in dienst zijn, dezelfde bevoegdheden en verpligtingen als de gewone districtsveeartsen.

Ze mogen echter de veeartsenijkunst blijven uitoefenen. (7.)

12. Onze Minister van Binnenlandsche Zaken geeft Ons jaarlijks een verslag van de bevindingen en handelingen van het veeartse-nijkundig Staatstoezigt. Dit verslag wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal medegedeeld en door den druk openbaar gemaakt. (8; Wet 2 Junij 1875, S. 94, 8.)

§ 2. Bepalingen omtrent de veeartsenijkundige politie. 1)

Art. 13. Wanneer zich bij eenig stuk vee verschijnselen van eene besmettelijke ziekte openbaren, is de houder of hoeder verpligt daarvan onmiddellijk kennis te geven aan den burgemeester der gemeente, waar het vee zich bevindt. (14, 16, 39, 42; K.B. Bosm.V.Z. 2.)

14. Een stuk vee, dat verschijnselen eener besmettelijke ziekte vertoont, moet onmiddellijk door den eigenaar, houder of hoeder van het overige vee worden verwijderd en zoolang afgezonderd gehouden worden, tot dat daaromtrent door den burgemeester, in overleg met den districtsveearts of, bij afwezigheid van dezen en van een districtsveearts-plaatsvervanger, in spoedeischende gevallen met eenen geëxa-mineerden veearts overeenkomstig de bepalingen dezer wet sal beslist zijn. (16, 17, 35; Veearts.U. 1 jeto Veearts.B. 8 v.; K.B. Besm.V.Z. 2.)

1

Zie ook de wetten van 2 Junij 1875, S. 91 en 8 Aug. 1378, S. 115 hierachter.

-ocr page 283-

DE VEE ARTSENIJKUNDIGE POLITIE.

15. Wanneer, bij het ontstaan, binnen of buiten \'s lands, eener besmettelijke veeziekte, de zorg voor het behoud van den veestapel en voor de gezondheid der ingezetenen het vereischt, kunnen door Ons in- en doorvoer van buiten \'s lands, en vervoer binnen \'s lands van levend en dood vee, vleesch, huiden, haar, wol, mest en verderen afval, veevoeder, gereedschappen en voorwerpen, die bij de behandeling van vee gebruikt worden, en het houden van markten, verkoopingen, tentoonstellingen en andere vereenigingen van vee verboden, en verbods- en andere bepalingen vastgesteld worden omtrent aangifte, verkoop, behandeling en visitatie van alle in dit artikel genoemde voorwerpen, alsmede op de middelen, waarmede zij vervoerd worden, 1) een en ander onverminderd de door provinciale en gemeentebesturen vast te stellen reglementen en verordeningen, voor zooverre zij mot Onze voorschriften niet in strijd zijn. 2) (35, 42; K.B. Besm.V.Z. passim; Wet 8 Aug. 1878, S. 115; K.B. 17 Aug. 1878, S. 128; P. 140 v.; Gem. 150 v.)

16. Bij aangifte eener besmettelijke veeziekte door den eigenaar, houder of hoeder, of wanneer een stuk vee vermoed wordt door eene besmettelijke ziekte te zijn aangetast, doet de burgemeester onverwijld door den districtsveearts of, bij afwezigheid van dezen en van een districtsveearts-plaatsvervanger, in spoedeischende gevallen door eenen geëxamineerden veearts het zieke vee, of dat vermoed wordt ziek te zijn, onderzoeken. Deze geeft daarvan aan den burgemeester schriftelijk verslag, en, zoo het geval hem blijkt van een besmet-telijkcn aard te zijn, brengt hij daarbij advies uit omtrent de te nemen maatregelen tot beteugeling der ziekte, aan welk advies de burgemeester verpligt is, overeenkomstig de bepalingen dezer wet, onverwijld gevolg te geven, behoudens zijn beroep op Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken. (13, 14, 17, 19, 21, 23; Veearts.U. 1 jcto Veearts.B. 8 v.)

253

1

Bij K.B. van 25 Februari 1877 is aan alle ambtenaren van \'s Rijks belastingen opgedragen om te waken voor de handhaving van de maatregelen genomen of nog te nemen ter bestrijding der besmettelijke veeziekte en tevens van elke overtreding der betrekkelijke verordeningen proces-verbaal op te maken op den eed bij den aanvang hunner bediening afgelegd.

2

Krachtens de bevoegdheid in art. 15 verleend zijn verschillende besluiten uitgevaardigd en wel: houdende algemeene verbodsbepalingen betreffende in- en doorvoer van buitenslands van vee en daarvan afkomstige goederen (8 Dec. 1870, S. 194, rundvee enz. en 14 Aug.

1888, S. 142, varkens); houdende bepalingen omtrent visitatie van in schepen geladen, voor \'t buitenland bestemd vee (28 Mei 1871, S. 42, gew. 18 Maart 1878, S. 20); visitatie van vee in grensgemeenten (1 Dec.

1889, S. 173); vervoer van longziek vee uit kringen (17 Aug. 1878, S. 128 gew. 9 Jan. 1879, S. 2); vervoer langs spoorw. enz. en ontsm. ver-voerm. (2G Mei 1888, S. 86, gew. 5 Sept. 1890, S. 152).

-ocr page 284-

WET VEE ARTSENIJKUNDIG STAATSTOEZIOT EN

In gevallen van twijfelachtigen aard wordt aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken terstond kennis gegeven. Deze beveelt een onderzoek en schrijft alle de bij de wet toegelaten maatregelen voor, welke door hem noodzakelijk worden geacht.

17. Op last van den burgemeester wordt, zoo mogelijk na overleg met den districtsveearts of, bij afwezigheid van dezen en van een districtsveearts-plaatsvervanger, in spoedeischende gevallen met eenen geëxamineerden veearts, de hoeve, het erf, de stal of weide, waar zich door eene besmettelijke ziekte aangetast of daarvan verdacht vee bevindt of bevonden heeft, door of in tegenwoordigheid van een\' politiedienaar duidelijk kenbaar gemaakt; de kenteekenen, daartoe gebezigd, blijven daar geplaatst gedurende een tijd, door den burgemeester, na overleg met den districtsveearts te bepalen, doch niet langer dan honderd dagen na het einde van het laatste geval. (14, 20; S.R. 184; K.B. Besm.V.Z. 2 sub 1°.; Veearts.ü. 1 jcto Vee-arts.B. 8 v.)

18. De stof, vorm en grootte van deze kenteekenen worden door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken vastgesteld en door middel der Staatscourant ter openbare kennis gebragt. (Min. Besl. 22 Dcc. 1894.)

19. De burgemeester is verpligt om, op advies van den districtsveearts of, bij afwezigheid van dezen en van een districtsveearts-plaatsvervanger, in spoedeischende gevallen van eenen geëxamineerden veearts, vee door eene besmettelijke ziekte aangetast of daarvan verdacht, of nadat het hersteld is, van een merkteeken te doea voorzien. (16; K.B. Besm.V.Z. 2 sub 2°.)

20. De werktuigen tot het merken van vee en de kenteekenen, bedoeld in art. 17, zijn voor Rijksrekening in iedere gemeente aanwezig.

21. Vervoer van vee, door eene besmettelijke ziekte aangetast of daarvan verdacht, is verboden.

Wanneer echter dit vervoer noodzakelijk is, kan de burgemeester, den districtsveearts of, bij afwezigheid van dezen en van een districtsveearts-plaatsvervanger, in spoedeischende gevallen den geëxamineerden veearts gehoord, het vervoer doen plaats hebben onder de door dezen aan te wijzen voorzorgmaatregelen. (IS v., 22, 35; K.B. Besm.V.Z. 2 sub 3U.; Besm.Z. 8, 9, 11; K.B. 9 Jan. 1870, S. 7, 29 jcto Wet (spoorw.) 9 April 1875, S. 07, 27; K.B. 31 Juli 1880, S. 121, 7 jcto Wet (middelen vervoer) 23 April 1880, S. 07, 7; K.B. 26 Mei 1888, S. 80, gew. 5 Sept. 1890, S. 152.)

22. Het vee wordt verdacht gehouden, wanneer de districtsveeart-sen daaraan kenteekenen meenen te bespeuren van eene besmettelijke ziekte, wanneer het door smetstof bezoedeld kan zijn, zich met aan eene besmettelijke ziekte lijdend vee in dezelfde verblijfplaats bevindt of sedert een termijn, voor elke ziekte in den algemeenen maatregel van inwendig bestuur volgens art. 34 te bepalen, bevon-

254

-ocr page 285-

DE VEEARTSENI.IKUNDIÖE POLITIE.

den heeft, of daarmede in onmiddellijke aanraking is geweest. (K.B. Besm.V.Z. 4, 5, 16, 34, 46, 54, 60, 70, 75, 90, 102, 103.)

De beide laatste bepalingen gelden echter alleen voor vee, dat voor dezelfde ziekte vatbaar is, waaraan het vee lijdt, waarmede het iu dezelfde verblijfplaats is of geweest is, of waarmede het in onmiddellijke aanraking is gekomen.

23. Onverminderd de bepalingen der (Onteig.)wet van 28 Augustus 1851 (Staatsblad no. 125) voor alle andere gevallen van onteigening dan die van besmetting bij veeziekten, wordt, wanneer afmaking van vee noodig is, het besluit daartoe genomen door den burgemeester. Het vermeldt den eigenaar van het vee of houdt de verklaring in, dat de eigenaar den burgemeester onbekend is, en omschrijft het vee; het beveelt de onmiddellijke inbeslagneming daarvan en moet berusten op het verslag van den districtsveearts, in art. 16 bedoeld. (G. 152.)

24. De afmaking geschiedt niet dan na voorafgaande onteige-mng.

Alvorens tot onteigening ter afmaking over te gaan, benoemt de burgemeester een deskundige om het vee te waarderen, waarbij moet worden in acht genomen, dat voor verdacht vee de volle waarde, voor vee, door eene besmettelijke ziekte aangetast, ten minste de helft en ten hoogste het volle bedrag der waarde, die het in gezonden toestand zou hebben, wordt berekend, met dien verstande, dat in den algemeenen maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 34, voor elke besmettelijke ziekte, waarbij afmaking plaats heeft, de maatstaf bepaald wordt, naar welken het bedrag voor vee, door die ziekte aangetast, wordt berekend. \') (27; G. 152, Add. art. V.; K.B. Besm.V.Z. 105.)

De toestand van ziek of verdacht wordt, wat de vergoeding betreft, beoordeeld naar het oogenblik dat het vee in het bezit van den burgemeester overgaat.

Wanneer de burgemeester of de eigenaar of beiden geen genoegen nemen met de waai\'dering (van welke omstandigheid de burgemeester in zijn straks te noemen proces-verbaal melding maakt), benoemt de kantonregter terstond bij eenvoudige beschikking, op een verzoek van den burgemeester, twee deskundigen, die met den eersten deskundige beslissen bij meerderheid.

De, hetzij volgens het tweede of volgens het vierde lid van dit artikel, getaxeerde prijs wordt den eigenaar aangeboden en, bij weigering of ontstentenis van den eigenaar, in handen van den gemeen-le-ontvanger gedeponeerd. Voor het doen der in dit artikel vermelde aanbieding, zijn de vormen, voorgeschreven bij het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering, niet toepasselijk; de aanbieding wordt, even als de andere in dit artikel

1) Alinea 2 aldus nader vastgesteld bij de wet van 15 April 189C, S. 08.

255

-ocr page 286-

256 WET VEEARTSENIJKUNDIG STAATSTOEZIGT EN

genoemde handelingen des burgemeesters of die, waarbij deze tegenwoordig is, geconstateerd bij proces-verbaal van den burgemeester op zijn ambtseed opgemaakt. (Gem. 65.)

Zoowel de burgemeester als de eigenaar kan vorderen, dat de deskundige of ieder der deskundigen, alvorens te waarderen, den eed of de belofte aflegge van naar zijn beste weten de waardering te zullen doen. Deze eed of belofte wordt in handen van den burgemeester afgelegd.

Bij afwezigheid van den eigenaar, wordt hij, ten opzigte der bepalingen van dit artikel, vervangen door zijnen gemagtigde ter plaatse waar het vee zich bevindt, of zoo deze ontbreekt, door den houder of hoeder van het vee. De koopprijs wordt evenwel ten behoeve van afwezige eigenaars altijd gedeponeerd bij den gemeente-ontvanger. (26.)

25. Wanneer tot afmaking moet worden overgegaan, of ziektegevallen zijn voorgekomen, die daartoe aanleiding hadden kunnen geven, is de burgemeester verpligt te onteigenen en te vernietigen de voorwerpen, door den districtsveearts of bij afwezigheid van dezen en van een districtsveearts-plaalsvervanger, in spoedeischende gevallen door eenen geëxamineerden veearts aan te wijzen. Deze onteigening geschiedt op de wijze in art. 24 vermeld. Het besluit daartoe wordt genomen op gelijke wijze als dat in art. 23 bedoeld, en daarbij kan de inbeslagneming der voorwerpen bevolen worden. (27; Vee-arts.U. 1 jeto Veearts.B. 8 v.)

26. De eigenaar van volgens deze wet afgemaakt vee of van onteigende voorwerpen in art. 25 genoemd, die den aangeboden prijs niet heeft aangenomen, kan dien nog gedurende zes maanden bij den gemeente-ontvanger in ontvang nemen. (24.)

Na verloop van dezen termijn wordt de som in de kas der ge-regtelijke en vrijwillige consignatiën gestort. Het bewijs van uitbetaling aan den regthebbende of van storting in de consignatiekas wordt door den gemeente-ontvanger aan de Algemeene Rekenkamer gezonden. (K.B. 1 Dec. 1843 no. 45.)

Voor het overbrengen der gelden naar de consignatiekas zijn de vormen, voorgeschreven bij art. 1442 van het Burgerlijk Wetboek, niet toepasselijk.

De onteigende kan zich, gedurende vijf jaren na de consignatie, aan de consignatiekas aanmelden om alsnog de som te ontvangen. In dat geval worden hem de kosten van overbrenging in consignatie, door het Rijk voorgeschoten, gekort.

Na verloop van deze vijf jaren is de vordering van den eigenaar verjaard en vervalt de som aan het Rijk. De kosten blijven in dat geval ten laste van het Rijk.

27. De aanspraak op vergoeding wegens de onteigeningen krachtens de artt. 24 en 25 vervalt, wanneer de bij art. 13 voorgeschreven aangifte of de bij art. 14 voorgeschreven afzondering is verzuimd, of wanneer de eigenaar binnen den verboden termijn vee

-ocr page 287-

DE VEEARTSENIJKUNDIGE POLITIE.

heeft gebragt of doen brengen op stallen, hoeven of weiden, waar eene besmettelijke ziekte heeft geheerscht, of op eenige andere wijze zijn vee opzettelijk in verdachten toestand heeft gebragt of doen brengen.

In geval van bevinding van een dezer strafbare feiten, 1) wordt de vergoeding wel volgens artt. 24 en 25 bepaald, maar bij den ge-meente-ontvanger gesequestreerd tot na afloop van die strafzaak.

In geval van vrijspraak of ontslag van regtsvervolging begint de termijn, vermeld in de eerste alinea van art. 26, van de uitspraak van het eindvonnis.

In dat geval zendt de gemeente-ontvanger met de quitantie van den onteigende een ongezegeld afschrift van het eindvonnis, waarbij de strafzaak in diens voordeel is uitgewezen, aan de Algemeene Rekenkamer. (3ö.)

28. De schadevergoeding wordt uit de gemeentekas voorgeschoten, waartoe aan den burgemeester, met de onteigening belast, op zijne aanvraag het vereischte bedrag door den gemeente-ontvanger tegen quitantie wordt ter hand gesteld. Het voorschrift der tweede zinsnede van art. 114 der (Gem.)wet van 29 Junij 1851 (Staatsblad no. 85) geldt daarbij niet.

Zoo de burgemeester ten genoegen van Onzen Commissaris in de provincie aantoont, dal de kas der gemeente ontoereikend is voor de betaling of aanbieding, bedoeld in artt. 24 en 25, worden hem de daarvoor benoodigde gelden ter goede rekening uit \'s Rijks schatkist verstrekt.

Deze verstrekkingen zijn niet aan de voorafgaande verevening der Algemeene Eekenkamer onderworpen. Evenmin is de bepaling van art. 51 dar wet (Eekenk.) van 5 October 1841 (Stantsblad no. 40) daarop van toepassing.

De burgemeester is niet gehouden deswege borgtogt te stellen, doch verpligt van de ter goede rekening ontvangen gelden binnen twee maanden na de dagteekening van het stuk, waarop hem die zijn uitbetaald, rekening te doen aan de Algemeene Eekenkamer, overeenkomstig de bepalingen der in de vorige zinsnede aangehaalde wet. (Wet Algem. Eekenk. 39. Zie Meijer Stsw. I.)

Van iedere verstrekking wordt door Onzen Minister van Binnen-landsche Zaken aan gemeld collegie mededeeling gedaan.

257

Dit artikel is ook toepasselijk op alle onkosten, waartoe de onteigening aanleiding geeft, zoomede op de kosten van aanschaffing van kalk, brandstof of andere zelfstandigheden, die bij het, begraven, verbranden of onbruikbaar maken van afgemaakt of gestorven vee worden aangewend, alsmede op de kosten tot zuivering en ontsmetting van scallen en andere gebouwen.

1

Aldus sewiizigd overeenkomstig art. 10 no. 26 der Inv.wet van 15 April 1886, S. 64.

-ocr page 288-

258 WET VEEABTSENIJKUNDIG STAATSTOEZIGT EN

29. Wanneer dit door den districtsveearts noodig wordt geoordeeld, worden besmette hoeven of weiden, zoo noodig met inbegrip der naast aangelegen landerijen of erven, op last van den burgemeester, die daartoe de hulp van de militaire magt kan inroepen, afgesloten.

Vervoer uit en naar het in dien afgesloten kring besloten terrein van de voorwerpen, bij den algemeenen maatregel van inwendig bestuur, bedoeld in art. 34 aangewezen, is verboden.

Uitzonderingen op dit verbod kunnen in zeer bijzondere gevallen door Onzen Commissaris in de provincie worden verleend. (K.B. Besm.V.Z. 2 sub 4°.)

De kleederen der personen, die het bovengemelde terrein verlaten, worden vooraf ontsmet. (35.)

30. Bij het heerschen van besmettelijke veeziekten, kan, in de gevallen aan te wijzen bij den algemeenen maatregel van inwendig bestuur, bedoeld in art. 34, het vastleggen of vasthouden van houden worden geboden in de gemeente of een gedeelte der gemeente waar de ziekte voorkomt, en des noodig in naburige gemeenten.

De burgemeester brengt op advies van den districtsveearts het ingaan van dit gebod ter openbare kennis, en kondigt evenzeer de opheffing van het gebod aan, 30 dagen nadat het laatste geval van ziekte zich heeft voorgedaan.

Losloopende honden in die gemeenten of gedeelten van gemeenten kunnen door de ambtenaren van politie worden gedood.

Van de verpligting om honden vast te leggen of vast te houden kan Onze Commissaris in de provincie, den burgemeester en den districtsveearts gehoord, in gemeenten of gedeelten van gemeenten ontheffing verleenen. (39; K.B. Besm.V.Z. passim.)

31. Omtrent de verpligting tot en de plaats en wijze van begraven, verbranden of op andere wijze vernietigen van het volgens deze wet afgemaakte of aan eene besmettelijke ziekte gestorven vee, en van andere voorwerpen en de ontsmetting der stallen en andere gebouwen en onschadelijkmaking van mestvaalten, worden de voorschriften gevolgd, door Ons gegeven of te geven. (K.B. 9 Juni 1885, S. 125; K.B. Besm.V.Z. 2 sub 5°.)

De ontsmetting heeft plaats ten koste van het Rijk op aanwijzing en onder toezigt van den districtsveearts.

De ontsmetting behoort afgeloopen te zijn binnen 14 dagen nadat het laatste ziektegeval is geconstateerd. Deze termijn kan door Onzen Minister van Binnenlandsehe Zaken, waar dit noodig blijkt, worden verlengd.

Wanneer de begraving of de verbranding door eenige omstandigheid onmogelijk is op het erf of het land, waar het stuk vee gestorven of afgemaakt is, en geen erf in de gemeente voor den burgemeester beschikbaar is, doet deze de begraving plaats hebben ter naaster lage en vergoedt de daardoor eventueel veroorzaakte scha-

-ocr page 289-

DE VEEARTSENIJKIINDIGE POLITIE. 259

de aan den eigenaar van den grond. (Begrafeniswet 2; B.W. 625.)

Wanneer het vee in een stal of eene schuur is gestorven of afgemaakt en geen gemeentegrond beschikbaar is, wijst de burgemeester een terrein aan voor de begraving of verbranding op minstens 50 meters van stallen, woningen of drinkwaterputten gelegen en vergoedt de daardoor eventueel veroorzaakte schade aan den eigenaar van den grond. (Begrafeniswet 16.)

Bij verschil over het bedrag der schade, in de beide vorige zinsneden bedoeld, wordt deze door den kantonregter begroot bij beschikking op verzoek van de meest gereede partij, zonder hooger beroep.

32. In gebouwen of op weiden, erven of hoeven, waar vee staat of gestaan heeft, hetwelk aan eene besmettelijke ziekte lijdt of geleden heeft, mag geen vee gebragt worden gedurende een termijn, voor elke ziekte te bepalen iu den algemeenen maatregel van inwendig bestuur in art. 34 bedoeld. (35; K.B. Besm.V.Z. 2 sub 6°.)

33. De burgemeester, al of niet vergezeld van het door hem noo-dig gekeurde personeel, is bevoegd de weiden, stallen en woningen der eigenaars, houders of hoeders van vee, zelfs zonder hunne toestemming, tusschen zonsop- en ondergang binnen te treden ter uitvoering van de bepalingen dezer wet, of van de krachtens deze wet uitgevaardigde besluiten. (G. 158.)

34. Door Ons wordt bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur, eene commissie van deskundigen gehoord, aangewezen welke ziekten van het vee voor besmettelijk worden gehouden, waarbij tevens wordt vastgesteld, welke der in deze wet genoemde maatregelen bij het heerschen of bij het dreigen van elke dier ziekten moeten toegepast worden. (35; K.B. Besm.V.Z.)

§ 3. Strafbepalingen. 1)

Art. 35. Belemmering of verhindering van hetgeen geschiedt tot uitvoering van deze wet of van Onze krachtens de artt. 15, 31 en 34 te geven voorschriften, het geheel of gedeeltelijk opgraven van begraven vee, vleesch, beenderen of overblijfselen daarvan, het vervoer van een of meer der in art. 29 bedoelde voorwerpen, iu strijd met dat artikel, of met den algemeenen maatregel van inwendig bestuur in art. 34 bedoeld, naar of uit het in een afgesloten kring gelegen terrein; het opzettelijk in verdachten toestand brengen of doen brengen van vee; het zonder voorafgaande ontsmetting van kleederen verlaten van dat terrein, overtreding der artt. 14, 21 en 32 dezer wet, en van hetgeen door Ons krachtens de artt. 15, 31 en 34

17*

1

De Strafbepalingen aldus afgeschaft, gehandhaafd en gewijzigd volgens artt. 3rf, 10 no. 26, 11, 12, sub 1°. en 19 der Inv.wet van 15 April 1886, S. 64.

-ocr page 290-

260 WET VEEARTSENIJKUND1G STAATSTOEZIGT EN

wordt vastgesteld, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste één jaar o£ geldboete van ten hoogste vijf honderd gulden.

Eoerende voorwerpen, waarin of waarmede de overtreding heeft plaats gehad, worden aanstonds of zoodra mogelijk in beslag genomen en door den regter bij veroordeeling verbeurd verklaard, en, voor zooveel in het belang der gezondheid of ter wering van besmetting noodig, wordt de vernietiging of het onschadelijk maken daarvan bevolen. Vernietiging of onschadelijkmaking wordt gelijkerwijze bevolen bij vrijspraak of ontslag van regtsvervolging, wanneer het algemeen belang dit raadzaam maakt, tegen schadeloosstelling bij het vonnis door den regter te bepalen. (S.R. 33.)

36. Wanneer de in beslag genomen voorwerpen uit hoofde van gevaar van besmetting niet ter bewaring geschikt zijn, worden deze, na te zijn gewaardeerd op de wijze in art. 24 dezer wet vermeld, op last van den ambtenaar, die de voorwerpen in beslag heeft genomen, dadelijk vernietigd of onschadelijk gemaakt.

De geldsom, vertegenwoordigende de waarde van hetgeen vernietigd is, wordt aan den gemeente-ontvanger in bewaring gegeven. Zij wordt, in geval van vrijspraak of ontslag van regtsvervolging aan den eigenaar van de vernietigde voorwerpen uitgekeerd.

37. I jevend vee wordt, wanneer er geen gevaar van besmettingj bestaat, na te zijn gewaardeerd op de wijze in art. 24 dezer wet vermeld, vrijgegeven, wanneer daarvoor binnen 8 dagen na ce inbeslagneming het bedrag der waarde, benevens hetgeen voor het onderhoud van het vee besteed is, bij den gemeente-ontvanger gestort wordt.

Na dien tijd wordt het, op magtiging van den kantonregter, te stellen op het proces-verbaal en vrij van zegel en registratie, zoodva mogelijk in het openbaar verkocht. 1)

In beslag genomen voor bederf vatbaar goed wordt, wanneer er geen gevaar van besmetting bestaat, eveneens op magtiging van den kantonregter, te stellen op het proees-verbaal en vrij van zegel en registratie, zoodra mogelijk in het openbaar verkocht, ten ware het bedrag, gewaardeerd op de wijze in art. 24 dezer wet vermeld, onmiddellijk bij den gemeente-ontvanger mogt worden gestort.

In de gevallen, bedoeld in het 2de en 3de lid van dit artikel, wordt de opbrengst van den verkoop aan den gemeente-ontvanger in bewaring gegeven. Uit die opbrengst worden do kosten van onderhoud van het vee sedert den dag der inbeslagneming tot aan den verkoop gekweten.

van r in be

38 eigen; king nis g laatst

39 /0,51

H€ van | straft

W.

nama meldi

4C

Het zuiver overschot der opbrengst wordt in geval van veroordeeling in \'s Rijks schatkist gestort, in geval van vrijspraak of ontslag

1

„De burgemeesters, of die hen als zoodanig vervangen, zijn bevoegJ tot het houden van openbare verkoopingen van in beslag genomen veo of goederen, bedoeld in art. 37 der wet van 20 Julij 1870, S. 131.quot; (K.B. 11 Juli 1874, S. 109 jeto Wet 22 Pluvióse jaar VII.}

-ocr page 291-

DE VEEARTSENIJKUNDIGE POLITIE.

van regtsvervolging aan den eigenaar van het vee of ander goed, dat in beslag genomen was, uitgekeerd.

38, Is, in de gevallen bij de twee vorige artikelen bedoeld, de eigenaar niet in het Rijk te vinden, en wordt het te zijner beschikking liggende door hem niet binnen zes maanden na het eindvonnis gereclameerd, dan zijn de vier laatste alinea\'s van art. 20 en de laatste van art. 27 van toepassing.

39. Overtreding van art. 13 wordt gestraft met geldboete van ƒ 0,50 tot /75.

Het laten losloopen van honden in de gemeenten of gedeelten van gemeenten en binnen den tijd, bedoeld bij art. 30, wordt gestraft met eene geldboete van ƒ 0,50 tot ƒ 25.

Wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaar het namaken of het bedriegelijk gebruik maken van de in deze wet vermelde ken- of merkteekenen.

40 en 41, Afgeschaft.

§ 4. Slotbepalingen.

ieslag-rhoud rdt. er, tc oodra

ïer er n den ;el en •e het 3, on-

rtikel, anger n on-n den

)rdee-itslng

roogd n vee 131.quot;

Art, 42, In deze wet wordt verstaan:

1°. door vee; de eenhoevige en de herkaauwende dieren en de ettingl varkens:

it ver-| 2°. door vleesch: alle zachte bestanddeelen van bovengemelde (lieren afkomstig, onverschillig of zij al dan niet en hoe zij zijn bewerkt of vermengd, mitsdien ook gezouten, gerookt, en hoofdvleesch, spek, hammen, worst, enz.

De bepalingen van deze wet kunnen door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur ook van toepassing worden verklaard op andere in deze wet niet genoemde dieren, wanneer de zorg voor den veestapel dit vereischt.

Schorsing van veemarkten, sluiting van diergaarden en soortgelijke inrigtingen kan door Ons in zoodanig geval worden bevolen. Het daartoe strekkend besluit bepaalt den tijd, gedurende welken de inrigting gesloten blijft. Zoo noodig kan die termijn door Ons worden verlengd.

43. De stukken, krachtens deze wet opgemaakt en waaromtrent geene afzonderlijke bepaling in deze wet voorkomt, zijn vrij van zegel- en registratieregten en uitvoerbaar ook vóór dat zij zijn geregistreerd.

Deze vrijstelling van zegel- en registratieregt geldt echter niet ten aanzien der akte van aanstelling, in art. 5 dezer wet bedoeld.

44, Met het in werking treden dezer wet zijn vervallen de wet van 19 April 1867 (Staatsblad no. 30), de wet van 19 December 1867 (Staatsblad no. 126), de artt. 459, 460 en 461 van het Strafwetboek, de artt. 19 van den Isten titel 4de sectie en de artt.

261

ite één

\' heeft geno-•d, en, in be-naken lijker inneer telling

e van i deze, ild, op geno-

emie-n. Zij g aan

-ocr page 292-

262 WET VEEARTSENIJKT7NDIG STAATSTOEZIGT ENZ.

13 cn 23 van den 2den titel der wet van 6 October 1791, artt. 39 en 40 van het Keizerlijk decreet van 18 Junij 1811 voor zooveel het onderwerp betreft, bij deze wet geregeld en artt. 5 en 6 der wet van 9 Juli 1842 {Staatsblad no. 21).

45. Voor zoover de toepassing dezer wet dit vordert, worden door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur bijzondere bepalingen vastgesteld met betrekking tot den accijns op het geslagt.

46. Deze wet treedt in werking op den Isten Januarij 1871.

-ocr page 293-

WET,

HOUDENDE BEPALINGEN BETREFFENDE DE VEEART-SENIJKUNDIGE POLITIE TEN OPZIGTE VAN PAARDEN VAN HET LEGER, IN VERBAND MET DE WET VAN 20 JÜLIJ 1870 (STAATSBLAD No. 131.)

(Vastgesteld den 2den Junij 1875, Stsbl. no. 9i, uitgegeven den lOden Junij d.a.v. Gewijzigd bij de wet van 15 April 1886, Stsbl. no. (ii.)

Wij WILLEM IH, enz.

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is om, met behoud overigens der algcmeene voorschriften van de wet van den 20 Julij 1870 {Staatsblad no. 131), bijzondere bepalingen vast te stellen voor de behandeling van door besmettelijke ziekten aangetaste of daarvan verdachte paarden van het leger;

Zoo is het, dat Wij, enz.

Art. 1. Bij het voorkomen van eene besmettelijke ziekte onder de tot het leger behoorende paarden, officierspaarden, voor zooverre zij zich bevinden in stallen, bestemd voor paarden van het leger, of met dezen te zamen weiden, daaronder begrepen, treedt, voor de toepassing van de artt. 13, 14, 16, 17, 19, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27, alinea 1, 2 en 3 van art. 31 en art. 33 der wet van 20 Julij 1870 (Staatsblad no. 131), de plaatselijke of garnizoens-kommandant, daar waar de paarden zich bevinden, in de plaats van den burgemeester en de hoogste in rang aanwezige militaire paardenarts in de plaats van den districts-veearts. (K.B. Besm.V.Z. 45 v., 52 v.)

Doet zich het ziektegeval voor bij een paard, tijdens de troep, waarbij het behoort, gekampeerd of ingekwartierd is, dan wordt de ter plaatse bevelvoerende officier voor do toepassing van deze wet gelijk gesteld met den garnizoens-kommandant.

Bij ontstentenis van een militairen paardenarts wordt de wet door den burgemeester en den districts-veearts toegepast.

Wanneer de districts-veearts of die hem vervangt, of de in dit artikel bedoelde paardenarts de onteigening noodig oordeelt van een paard of van voorwerpen, toebehoorende aan den ter plaatse kom-mar.derenden officier of aan gemelden paardenarts zeiven, geschiedt de onteigening door den burgemeester.

-ocr page 294-

264 WET BETKEFFENDE VEEABTSENIJK. POLITIE

2. De militaire paardenartsen, die ten tijde van het in werking treden dezer wet in dienst zijn, leggen binnen een maand na dat tijdstip, — zij. die later als zoodanig in dienst komen, bij de aanvaarding hunner betrekking — in handen van Onzen Commissaris in de provincie hunner garnizoensplaats den volgenden eed (belofte) af:

»Ik zweer (beloof), dat ik de verpligtingen, mij als militairen paardenarts bij de wet betreffende de veeartsenijkundige politie ten op-zigte van paarden van het leger opgedragen, getrouw vervullen zal.»

igt;Zoo waarlijk helpe mij God Almagtig (dat beloof ik)!»

3. De militaire paardenartsen zijn bevoegd van overtredingen dei-wetten en verordeningen betreffende veeartsenijkundige politie, gepleegd ten opzigte van tot het leger behoorende paarden en dienstpaarden van officieren, proces-verbaal op te maken, op den eed, door hen krachtens art. 2 afgelegd.

Zij zenden de processen-verbaal aan den ambtenaar of officier, die voor de vervolging van het strafbaar feit heeft te zorgen. \') (Veearts.T. 6.)

4. De in art. 1 vermelde kommanderende officier doet, wanneer een of meer paarden door eene besmettelijke ziekte zijn aangetast of daarvan verdacht worden, hiervan binnen 24 uren nadat dit te zijner kennis is gekomen, mededeeling aan den burgemeester der gemeente, waarin de paarden zich bevinden, met opgave van de ziekte en van het getal der aangetaste of verdachte paarden.

5. Fn gevallen van twijfelachtigen aard of bij verschil van gevoelen tusschen den in art. 1 bedoelden kommanderenden officier en den militairen paardenarts, geeft eerstgemelde terstond daarvan kennis aan Onzen Minister van Oorlog. Deze beveelt een onderzoek en schrijft alle de bij de wet bedoelde maatregelen voor, welke door hem noodzakelijk worden geacht. (Veearts.T. 16.)

6. Bij de onteigeningen ter zake van het voorkomen van eene besmettelijke ziekte onder de paarden, op welke art. 1 toepasselijk is, hunne afmaking, begraving, verbranding of onschadelijkmaking en bij de zuivering of ontsmetting van stallen en andere gebouwen, waarin zich die paarden bevonden hebben, is art. 28 der wet van 20 Julij 1870 {Staatsblad no. 131) niet van toepassing. (K.B. 9 Junij 1885, S. 125.)

Alle kosten van onteigening van dienstpaarden en voorwerpen van officieren, alle kosten van ontsmetting en alle verdere uitgaven, welke gedaan worden ten gevolge van het voorkomen van besmettelijke ziekten onder de tot het leger behoorende paarden, de cienst-paarden van officieren daaronder begrepen, komen ten laste van hel Rijk en worden geleden op het hoofdstuk der Staatsbegrooting voor het departement van Oorlog.

1) Het 2de lid van art. 3 aldus gewijzigd bij art. 10 no. 26 der Inv.wet van 15 April 1886, S. 64.

-ocr page 295-

TEN OPZIGTE VAN PAARDEN VAN HET LEGER. 265

7. Geen tot het leger behoorend aan het Rijk in eigendom toe-behoorend paard wordt verkocht of ten verkoop aangeboden, tenzij;

1°. door den kommandant van het corps waartoe het behoort, ten minste acht dagen te voren aan den burgemeester der gemeente, waar de verkoop geschieden zal, schriftelijk kennis is gegeven van den dag, het uur en de plaats der verkooping, en

2quot;. aan dien burgemeester verstrekt is eene, hoogstens tweemaal 24 uren te voren, door den hoogst in rang aanwezigen paardenarts, ter plaatse waar de verkoop geschiedt, onderteekende schriftelijke verklaring, houdende dat het paard door hem is onderzocht en bevonden aan geene besmettelijke ziekte te lijden, en dat hij geen i\'e-den heeft om te vermoeden dat het in aanraking of in dezelfde verblijfplaats is geweest met een paard, lijdende aan eene besmettelijke ziekte.

Wanneer ter plaatse, waar de verkoop geschiedt, geen paardenarts is, wordt eene met de sub 2°. bedoelde gelijkstaande verklaring, van den districts-veearts, binnen wiens ressort de verkooping geschiedt, vereischt.

8. Jaarlijks, vóór den Isten April zendt de inspecteur van de geneeskundige dienst der landmagt aan Onzen Minister van Oorlog een verslag van hetgeen door de militaire paardenartsen ter toepassing van deze wet is verrigt en van hunne bevindingen daarbij, van welk verslag te gelijker tijd een afschrift wordt gezonden aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, ten einde daarvan gebruik te maken voor het aan Ons uit te brengen verslag, bedoeld in art. 12 der wet van 20 Julij 1870 {Staattblnd no. 131).

-ocr page 296-

BESLUIT,

waardij nader wordt bepaald, welke ziekten van het vee voor besmettelijk worden gehouden en\'welke der, in

de wet vak 20 Juli 1870 (Staatsblad do. 131) genoemde, maatregelen bij het heerschen of bij het dreigen van elke dier ziekten moeten toegepast worden.

(Vastgesteld den lOden Juli 189(1, Stsbl. no. 104, uitgegeven den 28sten Juli d.a.v.J

Wu E M M A, enz.

Overwegende, dat het noodzakelijk is te herzien het Koninklijk besluit van 27 Maart 1888 (Staatsblad no. 67), waarbij nader wordt bepaald, welke ziekten van het vee voor besmettelijk werden gehouden en welke der, in de wet van den 20 Juli 1870 (Staatsblad no. 131) genoemde, maatregelen bij het dreigen of heerschen van elke dier ziekten moeten toegepast worden, gewijzigd door het Koninklijk besluit van 12 Mei 1889 (Staatsblad no. 62) en aangevuld door de Koninklijke besluiten van 9 October 1889 (Staatsblad no. 128), 20 Mei 1890 (Staatsblad no. 92) en 17 November 1892 [Staatsblad no. 254);

Gezien de wet van 20 Juli 1870 (Staatsblad no. 131), tot regeling van het veeartsenijkundig Staatstoezicht en de veeartsenijkun-dige politie, aangevuld bij de wet van 1 Augustus 1880 (Staatsblad no. 123) en gewijzigd bij de wetten van den 15 April 1886 (Staatsblad no. 64) en 15 April 1896 (Staatsblad no. 68);

Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen:

§ 1. Dc ziekten van het vee, welke voor besmettelijk worden gehouden.

Art. 1. Voor besmettelijk worden gehouden de volgende ziekten van het vee:

-ocr page 297-

K.B. BKSMETTEUJKE VEEZIEKTEN.

1°. de veepest der herkauwende dieren;

2quot;. de longziekte (pleuro-pneumonia contagiosa) der runderen; 3quot;. het mond- en klauwzeer (besmettelijke blaaruitslag van den mond en de klauwen) bij de herkauwende dieren en de varkens; 4°. de kwade droes en huidworm bij de eenhoevige dieren; 5°. de schurft (sarcoptes-schurft en dermatocoptes-schurft) bij de eenhoevige dieren en de schapen;

6°. de schaapspokken bij de schapen en de geiten; 7°. het rotkreupel der schapen;

8quot;. de vlekziekte der varkens;

9°. de trichinenziekte bij de varkens;

10°. het miltvuur bij alle vee;

11°. de hondsdolheid bij alle vee.

toegepast moeten of kunnen worden.

Art. 2. Onverminderd de verplichte aangifte, voorgeschreven in artikel 13, en de verwijdering en afzondering, voorgeschreven in art. 14 der wet van 20 Juli 1870 (Staatsblad no. 131), zijn bij elke der, in artikel 1 van dit besluit genoemde, veeziekten de volgende, in de daarbij vermelde artikelen der aangehaalde wet genoemde, maatregelen toepasselijk:

1°. het plaatsen der kenteekenen (art. 17);

2°. wanneer dit door den districtsveearts noodig wordt geoordeeld, het merken van ziek of verdacht of hersteld vee (artikel 19);

3°. het verbod van vervoer van vee. door eene besmettelijke ziekte aangetast of daarvan verdacht, behoudens vergunning van den burgemeester (artikel 21);

4quot;. wanneer dit door den districtsveearts noodig wordt geoordeeld, de afsluiting van besmette hoeven of weiden en der naast aangelegen landerijen en erven en de ontsmetting van de kleederen der personen, die het afgesloten terrein verlaten (artikel 29);

5°. ontsmetting volgens de, bij algemeenen maatregel van bestuur gegeven of te geven, voorschriften (artikel 31);

6°. het verbod van gedurende een termijn, bij dit besluit voor elke besmettelijke ziekte bepaald, vee te brengen in gebouwen of op weiden, erven of hoeven, waar vee staat of gestaan heeft, dat aan eene besmettelijke ziekte lijdt of geleden heeft (artikel 32).

3. Indien een, aan eene besmettelijke ziekte lijdend, stuk vee is gestorven, is de houder of hoeder verplicht daarvan onmiddellijk kennis te geven aan den burgemeester der gemeente, waar het gestorven dier zich bevindt.

Vee en overblijfselen van vee, dat aan eene besmettelijke ziekte lijdende is gestorven, mogen zonder vergunning van den burgemeester niet vervoerd worden en moeten door de zorg en — behoudens

267

-ocr page 298-

K.B. BESMETTELIJKE VEEZIEKTEN.

het bepaalde in het derde lid van dit artikel — op kosten van den eigenaar zoo spoedig mogelijk na de, in het vorige lid bedoelde kennisgeving, binnen een, door den burgemeester te bepalen termijn, worden verbrand, begraven of op andere wijze, door den districtsveearts te bepalen, onschadelijk gemaakt. (K.B. Veearts.T.)

De brandstoffen en andere benoodigdheden voor het verbranden te bezigen, de, bij het begraven te gebruiken, ontsmettingsmiddelen benevens — voor zooveel dit noodig is — hulp en opzicht bij het verbranden of begraven worden den eigenaar op Rijkskosten ter plaatse verstrekt.

Schadeloosstelling voor het gestorven dier of de overblijfselen daarvan wordt niet gegeven, behoudens;

а. dat in gevallen en naar den maatstaf, door den Minister van Binnenlandsche Zaken te bepalen, door den burgemeester op Rijkskosten eene gedeeltelijke schadeloosstelling wordt gegeven voor de huid van het dier; (Min. besl. 19 Aug. 1896.)

б. dat de Minister van Binnenlandsche Zaken in bijzondere gevallen eene, door hem te bepalen, schadeloosstelling uit \'s Rijks kas kan toekennen aan den eigenaar van een dier, dat is ingeënt en binnen een, door den Minister gestelden tijd is gestorven, volgens de verklaring van een geëxamineerden veearts, lijdende aan de ziekte, waartegen het was ingeënt.

4. Indien een stuk vee, dal, naar luid van artikel 22 der wet van 20 Juli 1870 (Staatsblad no. 131), van eene besmettelijke ziekte verdacht wordt gehouden, is gestorven, mag dit zonder vergunning van den burgemeester niet vervoerd worden en is de houder of hoeder verplicht hiervan onmiddellijk kennis te gevan aan den burgemeester der gemeente, waar het gestorven dier zich bevindt.

Deze doet onverwijld door den districtsveearts het gestorven dier onderzoeken. Als bij dit onderzoek niet duidelijk blijkt, dat het dier niet door eene besmettelijke ziekte aangetast was, moet het gestorven dier of moeten de overblijfselen daarvan worden onschadelijk gemaakt, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 van dit besluit.

§ 3. Maatregelen tegen de veepest der herkauwende dieren.

Art. 5. De zieke en de verdachte dieren moeten ten spoedigste worden afgemaakt en daarna verbrand, begraven of op andere wijze, door den districtsveearts te bepalen, onschadelijk gemaakt.

Totdat de dieren worden afgemaakt, moeten zij afgezondera worden gehouden van alle ander vee.

De termijn, bedoeld bij artikel 22 der wet van 20 Juli 1870 (Staatsblad no. 131) wordt gesteld op 15 dagen.

6. Indien zieke of verdachte dieren mochten zijn geslacht, gelden de bepalingen, die bij de artikelen 3 en 4 van dit besluit ten aanzien van gestorven vee zijn vastgesteld.

268

-ocr page 299-

K.B. BESMETTELIJKE VEEZIEKTEN.

7. De stal of het gebouw en, wanneer dit door den districtsveearts noodzakelijk wordt geacht, ook het terrein, waar zich zieke of verdachte dieren hebben bevonden, moeten worden ontsmet.

De op het erf of op de hoeve aanwezige mestvaalt moet worden onschadelijk gemaakt.

8. In stallen en gebouwen of op weiden, erven of hoeven, waar zieke of verdachte dieren gestaan hebben, mag geenerlei vee gebracht worden gedurende een termijn van 30 dagen, te rekenen van den dag waarop de ontsmetting van die stallen, gebouwen en terreinen en de onschadelijkmaking van de mestvaalten geheel is afgeloopen.

9. Bij afsluiting van besmette hoeven, erven of weiden, ingevolge het in jirtikel 2, sub 4°., van dit besluit bepaalde, is verboden; invoer in en uitvoer uit den afgesloten kring van herkauwende dieren, honden, katten en pluimgedierte en uitvoer uit den afgesloten kring van eenhoevige dieren en varkens en van melk, vleesch, onbereide huiden, horens, klauwen, haar, wol, vederen, beenderen, ongesmol-ten vet, van mest en allen anderen afval en van hooi, stroo en ander veevoeder, touw, koedekken en stalgereedschap.

10. Het vastleggen of vasthouden van honden kan worden geboden, met inachtneming van hetgeen bepaald is bij artikel 30 dei-wet van 20 Juli 1870 (Staatsblad no. 131).

11. Binnen de door den Minister van Binnenlandsche Zaken bij aankondiging in de Staatscourant en zoo mogelijk in een of meer plaatselijke nieuwsbladen, aan te wijzen plaatsen of streken, is het verboden rundvee, schapen of geiten te vervoeren of te doen vervoeren, behoudens het in artikel 12 van dit besluit bepaalde omtrent vervoer:

1°. van vee naar de slachtbank;

2°. bij verhuizing van den eigenaar of houder van vee;

3°. door den kooper van vee op eene openbare verkooping;

4°. van vee naar de weide en uit de weide naar den stal.

12. Vervoer van vee in de aan het slot van artikel 11 van dit besluit bedoelde gevallen kan, den districtsveearts gehoord, plaats hebben met bijzondere vergunning van den Commissaris der Koningin in de provincie; deze kan ook den burgemeester der gemeente machtigen tot het verleenen van die vergunning.

13. Het in artikel 12 van dit besluit bedoelde vervoer mag alleen plaats hebben met een vervoerbiljet, afgegeven door den burgemeester der gemeente waar het vee zich bevindt.

Het vervoerbiljet vermeldt het getal, de soort en het signalement van het te vervoeren vee, den weg die tot aan de plaats van bestemming gevolgd moet worden, alsmede den tijd gedurende welken het biljet geldig is.

Wanneer de districtsveearts het noodig acht, moet het te vervoeren vee van een merkteeken worden voorzien.

Indien het vervoer naar eene andere gemeente plaats heeft, zendt

269

-ocr page 300-

K.B. BESMETTELIJKE VEEZIEKTEN.

de burgemeester, die het vervoerbiljet heeft afgegeven, een afschrift daarvan aan den burgemeester der gemeente, werwaarts het vervoer geschieden zal.

14. De slachting van het vee, bedoeld aan het slot van artikel 11, sub 1°., van dit besluit, geschiedt onder toezicht der politie binnen den tijd, door den burgemeester der gemeente, waar het vee zich na het vervoer bevindt, te bepalen.

15. Het houden van markten en openbare verkoopingen van alle vee is verboden in gemeenten, waarvan de aanwijzing door den Minister van Binnenlandsche Zaken, doorplaatsing in de Stantscotirant, en zoo mogelijk in een of meer plaatselijke nieuwsbladen, ter alge-meene kennis zal worden gebracht. De aanwijzing geschiedt voor een tijdvak van ten hoogste 3 maanden; op gelijke wijze lean die aanwijzing worden hernieuwd, telkens voor een niet langer tijdperk, alsmede worden ingetrokken of gewijzigd, zoo daartoe termen zijn.

Openbare verkooping van vee van denzelfden eigenaar of behoo-rende tot de nalatenschap van een overledene blijft geoorloofd met schriftelijk verlof van den burgemeester en binnen een, door dezen daarbij te bepalen, termijn, nadat de districtsveearts verklaard heeft, dat daartegen geen bezwaar bestaat.

§ 4. Maatregelen tegen de longziekte (pleuro-pnetunonia contagiosa) der runderen. 1)

Art. 16. De zieke en de verdachte dieren moeten ten spoedigste worden afgemaakt.

De termijn, bedoeld bij artikel 22 der wet van 20 Juli 1870 (Staatsblad no. 131), wordt gesteld op 4 maanden.

De Minister van Binnenlandsche Zaken kan de afmaking van Eegeeringswege van verdachte dieren voor bepaalde plaatsen of streken en bepaalden tijd doen staken.

17. Van de afgemaakte zieke dieren alsmede van de afgemaakte verdachte dieren, waarvan na de afmaking blijkt, dat zij door de ziekte waren aangetast, moeten de borst- en buikingewanden\' verbrand of begraven en de huiden ontsmet worden.

18. Wanneer de afmaking van verdachte dieren van Eegeeringswege niet plaats heeft, zijn de eigenaars daarvan bevoegd deze, met inachtneming van de, door den districtsveearts voor te schrijven, maatregelen van voorzorg, te slachten, na aangifte bij den burgemeester en onder toezicht der politie.

270

Indien na het slachten van verdachte dieren blijkt, dat zij dooide ziekte waren aangetast, moeten de borst- en buikingewanden verbrand of begraven en de huiden ontsmet worden.

1

Zie ook wet 8 Aug. 1878, S. 115 eu K.B. 17 Aug. 1878, S. 128.

-ocr page 301-

K.B. BESMETTELIJKE VEEZIEKTEN. 271

19. Totdat de zieke en de verdachte dieren afgemaakt of geslacht worden, moeten zij afgezonderd worden gebonden van alle ander vee.

20. Indien zieke of verdachte dieren mochten zijn geslacht of indien eerst na het slachten blijkt, dat niet voor ziek of verdacht gehouden dieren door de ziekte waren aangetast, gelden de bepalingen, die bij de artikelen 3 en 4 van dit besluit ten aanzien van gestorven vee zijn vastgesteld, met dien verstande, dat de onschadelijk-maldng beperkt is tot de borst- en buikingewanden.

21. De stal of het gebouw en, wanneer dit door den districtsveearts noodzakelijk wordt geacht, ook het terrein, waar zich zieke of verdachte dieren bevonden hebben, moeten worden ontsmet.

22. In stallen en gebouwen of op weiden, erven of hoeven, waar zieke dieren gestaan hebben, mogen geene runderen gebracht worden gedurende een termijn van 30 dagen, te rekenen van den dag, waarop het laatste ziektegeval door dood, afmaking of slachting is geëindigd, en in elk geval eerst na den geheelen afloop der ontsmetting.

23. Bij afsluiting van besmette weiden, erven of hoeven, ingevolge het in artikel 2, sub 4°., van dit besluit bepaalde, is verboden: invoer in en uitvoer uit den afgesloten kring van runderen en uitvoer uit den afgesloten kring van schapen, van onbereide of niet ontsmette huiden, hoornen, hoeven en klauwen van herkauwende dieren, van mest en allen anderen afval, hooi, stroo en ander veevoeder.

24. Het vastleggen of vasthouden van honden kan worden geboden, met inachtneming van hetgeen bepaald is bij artikel 30 dei-wet van 20 Juli 1870 {Staatsblad no. 131).

25. Het is verboden uit, naar of binnen de kringen, door den Minister van Binnenlandsche Zaken aangewezen, rundvee te vervoeren of te doen vervoeren en uit of binnen die kringen de, door voornoemden Minister nader aan te wijzen, in artikel 15 der wet van 20 Juli 1870 {Staatsblad no. 131) bedoelde, voorwerpen.

In bijzondere gevallen, wanneer dit door don districtsveearts noo-dig wordt geoordeeld, kan binnen de, in het eerste lid van dit artikel bedoelde, kringen ook verplaatsing van rundvee door den burgemeester verboden worden.

26. In de in artikel 25 bedoelde kringen wordt door veeopzichters al het rundvee in daartoe aangelegde lijsten opgeschreven.

Deze opzichters worden benoemd eu ontslagen door den Minister van Binnenlandsche Zaken. Bij de aanvaarding hunner bediening leggen zij in handen van den burgemeester der gemeente, die hun als standplaats is aangewezen, den volgenden eed (of belofte) af;

»Ik zweer (beloof), dat ik de verplichtingen, verbonden aan de betrekking van opzichter van het vee, naar behooren vervullen zal.

Zoo waarlijk helpe mij God Almachtig. (Dit beloof ik).»

I

quot;ïi-

-ocr page 302-

K.B. BESMETTELIJKE VEEZIEKTEN.

27. Op de, van het rundvee van eiken eigenaar afzonderlijk door de opzichters in duplo op te maken, lijsten wordt dat vee genummerd en beschreven. De lijsten worden in dubbel gehouden en door de eigenaars of, bij ontstentenis van dezen, door de houders of hoeders van het vee voor gezien onderteekend; indien zij opgeven niet te kunnen of te willen onderteekenen, maakt de veeopzichter daarvan melding op de lijsten. Een exemplaar van iedere lijst wordl aan den burgemeester toegezonden.

28. Van elke verandering in het, op de lijsten aangeteekend, getal van het rundvee door geboorte, sterven, slachting of verplaatsing binnen de kringen, volgens artikel 25 van dit besluit aangewezen, en van elke verwisseling van een der, op de lijsten beschreven, runderen met een ander geeft de eigenaar, houder of hoeder binneo 24 uren kennis aan den burgemeester, die daarvan aanteekening houdt op het, bij hem berustend, exemplaar der lijsten.

29. Onmiddellijk of uiterlijk binnen 12 uren na het sterven of na de slachting van een stuk rundvee, geeft de eigenaar, houder of hoeder daarvan kennis aan den opzichter, die het gestorven of geslachte dier binnen 24 uren na de aangifte moet visiteeren.

Zoolang deze visitatie niet heeft plaats gehad, is het verboden de longen los te maken of eenig deel van het stuk vee te vervoeren.

30. De opzichters zijn gehouden al het rundvee, vermeld op de, door hen opgemaakte, lijsten, ten minste éénmaal \'s wee*s te visiteeren en met de lijsten te vergelijken. Veranderingen, als in artikel

28 zijn vermeld, worden onverwijld op de lijsten aangeteekend en door de eigenaars, houders of hoeders voor gezien onderteekend.

Vermoeden de opzichters bij deze visitatie of bij die, in artikel

29 vermeld, dat een stuk rundvee aan longziekte lijdt of geleden heeft, of ontdekken zij eene verandering in de getalsterkte of eene verwisseling van het rundvee, waarvan niet, ingevolge de beide voorgaande artikelen, is kennis gegeven, zoo geven zij in het eerste geval daarvan onverwijld kennis aan den burgemeester, die handelt als in de wet van 20 Juli 1870 (Staatsblad no. 131) is voorgeschreven, en in de beide andere gevallen maken zij op hunnen ambtseed proces-verbaal op van de overtreding.

31. Wanneer dit door den districtsveearts noodzakelijk wordt geacht, moeten de veehouders hun rundvee, dat zich in weiden of andere opene plaatsen bevindt, op last van den burgemeester opstallen of ophokken.

Ten aanzien van de uitoefening van deze bevoegdheid volgt de districtsveearts de bevelen van den Minister van Binnenlandsche Zaken.

Voor de, uit het opstallen of ophokken voortvloeiende, buitengewone kosten van veevoeder kan door den Minister van Binnenlandsche Zaken uit \'s Rijks kas eene gedeeltelijke schadeloosstelling worden toegekend.

272

-ocr page 303-

k.b. besmettelijke veeziekten. 273

32. Het houden van markten, openbare verkoopingen, tentoonstellingen en andere vereenigingen van rundvee is verboden in gemeenten of gedeelten van gemeenten, door den Minister van Bin-nenlandsche Zaken aangewezen.

Openbare verkooping van rundvee van denzelfden eigenaar of behoorende tot de nalatenschap van een overledene blijft geoorloofd met schriftelijk verlof van den burgemeester en binnen een, door dezen daarbij te bepalen, termijn, nadat de districtsveearts verklaard heeft, dat daartegen geen bezwaar bestaat.

33. De, in de artikelen 25 en 32 bedoelde, aanwijzingen worden door plaatsing in de Staatscourant en zoo mogelijk in een of meer plaatselijke nieuwsbladen ter algemeene kennis gebracht.

Daarbij worden tevens voorschriften gegeven omtrent uitzonderingen, die op het uitgevaardigde verbod zullen worden toegelaten.

De intrekking of wijziging van de, in de artikelen 25 en 32 bedoelde, aanwijzingen worden op dezelfde wijze ter algemeene kennis gebracht.

g 5. Maatregelen tegen het mond- en klamvzeer (besmettelijke blaaruitslag van den mond en de klauwen) bij de herkauwende dieren en de varkens.

Art. 34. De zieke en de verdachte dieren moeten van de overige afgezonderd worden gehouden.

Wanneer, naar het oordeel van den districtsveearts, het afgezonderd houden van enkele, dieren geen nut meer kan opleveren ter voorkoming van de besmetting van den geheelen koppel of wanneer er geene gelegenheid bestaat tot afzondering van een geheelen verdachten koppel, geeft de burgemeester, op advies van den districtsveearts, vergunning de zieke dieren in den verdachten koppel te laten verblijven of verdachte dieren niet af te zonderen.

De termijn, bedoeld bij artikel 22 der wet van 20 Juli 1870 {Staatsblad no. 131), wordt gesteld op 15 dagen. ^ j|j

35. In bijzondere gevallen, ter beoordeeling van den districtsvee- Ai|\' arts, kan afmaking van zieke of verdachte dieren worden bevolen.

Ten aanzien van de uitoefening van deze bevoegdheid volgt de districtsveearts de bevelen van den Minister van Binnenlandsche Zaken.

De huiden, hoornen, hoeven en klauwen der afgemaakte zieke of verdachte dieren moeten worden ontsmet. De borst- en buikingewanden en, wanneer dit door den districtsveearts noodig wordt geacht,

ook de koppen der afgemaakte zieke of van ziekte verdachte dieren moeten worden verbrand of begraven.

36. Eigenaars van zieke of verdachte dieren zijn bevoegd deze, met inachtneming van de, door den districtsveearts voor te schrij-

stw. n. 18

■ [iill ii 1 li ü

1

w

-ocr page 304-

K.B. BESMETTELIJKE VEEZIEKTEN.

ven, maatregelen van voorzorg, te slachten, na aangifte bij den burgemeester en onder toezicht der politie.

In dit geval zijn de voorschriften van het 2de lid van artikel 35 van toepassing.

37. De stal of het gebouw, waarin zich zieke of verdachte dieren bevonden hebben, moet na afloop van het laatste ziektegeval worden ontsmet.

38. In stallen en gebouwen of op weiden, erven of hoeven, waar zieke dieren gestaan hebben, mogen geene herkauwende dieren en varkens gebracht worden gedurende een termijn van 15 dagen, te rekenen van den dag, waarop het laatste ziektegeval door herstel of dood is geëindigd en, wat de stallen en gebouwen betreft, in elk geval eerst na den geheelen afloop der ontsmetting.

Het oogenblik, waarop deze termijn voor het geval van herstel begint te loopen, wordt door den distrietsveearts vastgesteld bij schriftelijke en gedagteekende verklaring, die door tusschenkomst van den burgemeester aan den belanghebbende kosteloos wordt uitgereikt.

In bijzondere gevallen kan de districtsveearts bepalen, dat terstond na afloop der ontsmetting van de stallen en gebouwen wederom herkauwende dieren en varkens daarin gebracht mogen worden.

39. Bij afsluiting van besmette hoeven, erven of weiden, ingevolge het in artikel 2, sub 4°., van dit besluit bepaalde, is verboden: invoer in en uitvoer uit den afgesloten kring van herkauwende dieren en varkens en uitvoer uit den afgesloten kring van niet ontsmette huiden, hoornen, hoeven en klauwen van herkauwende dieren, van wol. van mest en allen anderen afval en van hooi, stroo en ander veevoeder, touw, koedekken en stalgereedschap.

40. Het is verboden uit, naar of binnen de kringen, door den Minister van Binnenlandsche Zaken aangewezen, te vervoeren of te doen vervoeren herkauwende dieren en varkens en uit of binnen die kringen de, door voornoemden Minister nader aan te wijzen, in artikel 15 der wet van 20 Juli 1870 (Staatsblad no. 131) bedoelde, voorwerpen.

In bijzondere gevallen, wanneer dit door den districtsveearts noodig wordt geoordeeld, kan binnen de, in het eerste lid van dit artikel bedoelde, kringen ook verplaatsing van herkauwende dieren en varkens door den burgemeester verboden worden.

41. Wanneer dit door den districtsveearts noodzakelijk wordt geacht, moeten de veehouders hun vee, dat zich in weiden of andere opene plaatsen bevindt, op last van den burgemeester opstallen of ophokken.

Ten aanzien van de uitoefening van deze bevoegdheid volgt de \' distrietsveearts de bevelen van den Minister van Binnenlandsche Zaken.

Voor de, uit het opstallen of ophokken voortvloeiende, buitengewone kosten van veevoeder kan door den Minister van Binnenland-

274

-ocr page 305-

K.B. BESMETTELIJKE VEEZIEKTEN.

sche Zaken uit \'s Rijks kas eene gedeeltelijke schadeloosstelling worden toegekend.

42. Het houden van markten, openbare verkoopingen, tentoonstellingen en andere vereenigingen van herkauwende dieren en varkens is verboden in gemeenten of gedeelten van gemeenten, dooiden Minister van Binnenlandsehe Zaken aangewezen.

Openbare verkooping van herkauwende dieren en varkens van denzelfden eigenaar of behoorende tot de nalatenschap van een overledene blijft geoorloofd met schriftelijk verlof van den burgemeester en binnen een, door dezen daarbi} te bepalen, termijn, nadat de districtsveearts verklaard heeft, dat daartegen geen bezwaar bestaat.

43. In de, door den Minister van Binnenlandsehe Zaken aangewezen, gemeenten of gedeelten van gemeenten, gelegen langs of in de nabijheid van de grenzen van eenen kring, waaruit door den genoemden Minister, krachtens artikel 40 van dit besluit, vervoer van herkauwende dieren en varkens is verboden, is het vervoer van de, eveneens door den genoemden Minister aan te wijzen, soorten van vee verboden, tenzij de vervoerder in het bezit zij öf van eene schriftelijke vergunning, waarbij hem, met inachtneming van de voorschriften, gegeven krachtens artikel 44, tweede lid, van dit besluit, afwijking van het verbod van vervoer uit den afgesloten kring ten behoeve van het vee, dat hij vervoert, is toegestaan, öf van een vervoerbiljet, afgegeven door den burgemeester van de plaats van herkomst van het vee en bevattende eene nauwkeurige beschrijving van het vee door opgave van geslacht, leeftijd, kleur en blijvende bijzondere kenteekenen, eene opgave van de plaats van herkomst en de plaats van bestemming en van den tijd, gedurende welken het biljet geldig is, alsmede de verklaring van den burgemeester, dat het vee zich na het inwerkingtreden van de, krachtens dit artikel gedane, aanwijzing niet in den afgesloten kring heeft bevonden.

44. De, in de artikelen 40, 42 en 43 bedoelde, aanwijzingen worden door plaatsing in de Staatscourant en zoo mogelijk in een of meer plaatselijke nieuwsbladen ter algemeene kennis gebracht.

Daarbij worden tevens voorschriften gegeven omtrent uitzonderingen. die op het uitgevaardigde verbod zullen worden toegelaten.

De intrekking of wijziging van de, in de artikelen 40, 42 en 43 bedoelde, aanwijzingen worden op dezelfde wijze ter algemeene kennis gebracht.

§ 6. Maatregelen tegen den kwaden droes en huidworm bij de eenhoevige dieren.

Art. 45. De zieke dieren moeten worden afgemaakt en daarna verbrand, begraven of op andere wijze, door den districtsveearts te bepalen, onschadelijk gemaakt.

46. In bijzondere gevallen, ter beoordeeling van den districts-

275

18*

-ocr page 306-

276 k.b. besmettelijke veeziekten.

veearts, kan afmaking van dieren, die verdacht zijn wegens ziekteverschijnselen, welke zij vertoonen, worden bevolen. De afmaking van zieke dieren kan, op advies van den districtsveearts, buiten toepassing blijven.

Ten aanzien van de uitoefening van deze bevoegdheid volgt de districtsveearts de bevelen van den Minister van Binnenlandsche Zaken.

De termijn, bedoeld bij art 22 der wet van 20 Juli 1870 {Staatsblad no. 131), wordt gesteld op 3 maanden.

47. Zieke dieren of dieren, die verdacht zijn wegens ziekteverschijnselen, welke zij vertoonen, moeten, zoo lang als zij niet worden afgemaakt, afgezonderd worden gehouden van alle ander vee.

48. Indien zieke of verdachte dieren mochten zijn geslacht of indien eerst na het slachten blijkt, dat niet voor ziek of verdacht gehouden dieren door de ziekte waren aangetast, gelden de bepalingen, die bij de artikelen 3 en 4 van dit besluit ten aanzien van gestorven vee zijn vastgesteld.

49. De plaats in den stal of het gebouw, waar een ziek of wegens ziekteverschijnselen verdacht dier gestaan heeft, moet worden ontsmet.

Waar de districtsveearts het noodig oordeelt, moet or.tsmetting plaats hebben ook van andere gedeelten van den stal of het gebouw of van den geheelen stal.

50. In stallen en gebouwen of op weiden, erven of hoeven, waar zieke of wegens ziekteverschijnselen verdachte dieren gestaan hebben, mogen geene eenhoevige dieren gebracht worden gedurende een termijn van 15 dagen, te rekenen van den dag, waarop het laatste ziektegeval door dood of afmaking is geëindigd en, wat de stallen en gebouwen betreft, in elk geval eerst na den geheelen afloop der ontsmetting.

51. Bij afsluiting van besmette hoeven, erven of weiden, ingevolge het in artikel 2, sub 4°., van dit besluit bepaalde, is verboden; invoer in en uitvoer uit den afgesloten kring van eenhoevige dieren.

§ 7. Maatregelen tegen de schurft (sarcoptes-schurft en detma-tocoptes-schurft) bij dc eenhoevige dieren en dc schapen.

Art. 52. De zieke of verdachte eenhoevige dieren moe.en van de overige eenhoevige dieren afgezonderd worden gehouden.

53. De zieke schapen moeten van de overige schapen afgezonderd worden gehouden.

In bijzondere gevallen kan de burgemeester, op advies van den districtsveearts, toestaan, dat de zieke schapen in de aangetaste, mits afgezonderd gehouden, kudde verblijven.

De zieke en de verdachte schapen mogen zich niet bevinden op

-ocr page 307-

K.B. BESMETTELIJKE VEEZIEKTEN.

plaatsen, waar dit door den burgemeester, op advies van den districtsveearts, ter voorkoming van besmetting, verboden is. De eigenaar, houder en hoeder zijn verplicht te zorgen, dat dit verbod wordt nageleefd.

54. De termijn, bedoeld bij artikel 22 der wet van 20 Juli 1870 (Staatsblad no. 131), wordt gesteld op 15 dagen.

55. Eigenaars van zieke of verdachte dieren zijn bevoegd deze te slachten, na aangifte bij den burgemeester en onder toezicht der politie.

De huiden der geslachte dieren moeten worden ontsmet of, volgens aanwijzing van den districtsveearts, op andere wijze onschadelijk gemaakt.

56. De plaats in den stal of het gebouw, waar een ziek eenhoevig dier, en de stal of het gebouw, waarin zieke schapen gestaan hebben, moeten worden ontsmet.

57. In stallen en gebouwen of op weiden, erven of hoeven, waar zieke dieren gestaan hebben, mogen onderscheidenlijk geene schapen of eenhoevige dieren gebracht worden gedurende een termijn van 3 dagen, te rekenen van den dag, waarop het laatste ziektegeval door herstel, dood of slachting is geëindigd en, wat de stallen en gebouwen betreft, in elk geval eerst na den geheelen afloop der ontsmetting.

Het oogenblik, waarop deze termijn voor het geval van herstel begint te loopen, wordt door den districtsveearts vastgesteld bij schriftelijke en gedagteekende verklaring, die door tusschenkomst van den burgemeester aan den belanghebbende kosteloos wordt uitgereikt.

In bijzondere gevallen kan de districtsveearts bepalen, dat terstond na afloop der ontsmetting van de stallen en gebouwen wederom schapen en eenhoevige dieren daarin gebracht mogen worden.

58. Bij afsluiting van besmette hoeven, erven of weiden, ingevolge het in artikel 2, sub 4U., van dit besluit bepaalde, is ver 1 joden : bij schurft van eenhoevige dieren, invoer in en uitvoer uit den afgesloten kring van eenhoevige dieren en uitvoer uit den afgesloten kring van niet ontsmette huiden van eenhoevige dieren; bij schurft van schapen, invoer in en uitvoer uit den afgesloten kring van schapen en uitvoer uit den afgesloten kring van niet ontsmette huiden van schapen en van ruwe wol die niet verpakt is in gesloten zakken.

§ 8. Maatregelen teyen de schaapspokken bij dc schapen en dc geiten.

Art. 59. Zieke dieren of dieren, die verdacht zijn wegens ziekteverschijnselen, welke zij vertoonen, moeten van de overige afgezonderd worden gehouden.

277

-ocr page 308-

K.B. BESMETTEliIJKE VEEZIEKTEN.

60. Dieren, die, zonder ziekteverschijnselen te vertoonen, van besmetting verdacht zijn, moeten door den districtsvee%rts, of op aanwijzing en onder toezicht van den districtsveearts, door een geëxa-mineerden veearts zoodra mogelijk worden ingeënt (geovineerd). De inenting (ovinatie) heeft niet plaats indien de dieren geslacht worden binnen 7 dagen, nadat zij in verdachten toestand zijn geraakt.

Totdat de dieren worden ingeënt of geslacht, moeten zij van de overige afgezonderd worden gehouden.

De termijn, bedoeld bij artikel 22 der wet van 20 Juli 1870 (Staatsblad no. 131), wordt gesteld op 15 dagen. Dieren, waarbij de inenting zonder merkbare uitwerking blijft, moeten tusschen den 8sten en 12den dag na de inenting herent (gereovineerd) worden. De inenting en de herenting geschieden op kosten van het Rijk. De in-geënte dieren worden geacht door schaapspokken te zijn aangetast, totdat de entpokken verdwenen zijn en, ingeval geene entpokken merkbaar worden, gedurende een termijn van 15 dagen, te rekenen van den dag der inenting of der herenting.

Do inenting van niet verdachte dieren is verboden.

61. Van de verplichting tot inenting en herenting kan, in bijzondere gevallen, door den Minister van Binnenlandsche Zaken vrijstelling worden verleend.

In dat geval moeten de, bij artikel 60 van dit besluit bedoelde, verdachte dieren afgezonderd worden gehouden.

Wanneer geene vrijstelling van de inenting of herenting is verleend, zijn de eigenaars, houders en hoeders der dieren verplicht toe te laten, dat die inenting of herenting, overeenkomstig artikel 60 van dit besluit, plaats hebbe.

62. In bijzondere gevallen, ter beoordeeling van den districtsveearts, kan afmaking van zieke of verdachte dieren worden bevolen.

Ten aanzien van de uitoefening van deze bevoegdheid vojgt de districtsveearts de bevelen van den Minister van Binnenlandsche Zaken.

De afgemaakte dieren moeten worden verbrand, begraven of op andere wijze, door den districtsveearts te bepalen, onschadelijk gemaakt.

De bepaling van het Me lid van dit artikel geldt niet ten aanzien van dieren, die zonder ziekteverschijnselen te vertoonen, van besmetting verdacht zijn.

63. Indien zieke of, bij artikel 59 van dit besluit bedoelde, verdachte dieren mochten zijn geslacht, gelden de bepalingen, die bij de artikelen 3 en 4 van dit besluit ten aanzien van gestorven vee zijn vastgesteld.

Van deze bepaling kan door den burgemeester, op advies van den districtsveearts, vrijstelling worden verleend ten opzichte van de ingeënte dieren, bedoeld bij het 3de lid van artikel 60 van dit besluit.

278

-ocr page 309-

K.B. BESMETTELIJKE VEEZIEKTEN.

64. De stal of het gebouw, waarin zich zieke dieren bevonden hebben, moet na afloop van het laatste ziektegeval worden ontsmet.

65. In stallen en gebouwen of op weiden, erven of hoeven, waar zieke dieren gestaan hebben, mogen geene schapen of geiten gebracht worden gedurende een termijn van ló dagen, te rekenen van den dag, waarop het laatste ziektegeval door herstel, dood of afmaking is geëindigd en wat de stallen en gebouwen betreft, in elk geval eerst na den geheelen afloop der ontsmetting.

Het oogenblik, waarop deze termijn voor het geval van herstel begint te loopen, wordt door den districtsveearts vastgesteld bij schriftelijke en gedagteekende verklaring, die door tusschenkomst van den burgemeester aan den belanghebbende kosteloos wordt uitgereikt.

66. Bij afsluiting van besmette hoeven, erven of weiden, ingevolge het in artikel 2, sub 4°., van dit besluit bepaalde, is verboden: invoer in en uitvoer uit den afgesloten kring van schapen en geiten en uitvoer uit den afgesloten kring van niet ontsmette huiden en klauwen, onbewerkte wol, van mest en allen anderen afval en, behoudens vergunning van den burgemeester, op advies van den districtsveearts, de uitvoer van melk en verseh vleesch van schapen en geiten.

67. Het is verboden uit, naar of binnen de kringen, door den Minister van Binnenlandsche Zaken aangewezen, te vervoeren of te doen vervoeren schapen en geiten en uit of binnen die kringen de, door voornoemden Minister nader aan te wijzen, in artikel 15 der wet van 20 Juli 1870 (Staatsblad no. 131) bedoelde, voorwerpen.

In bijzondere gevallen, wanneer dit door den districtsveearts noo-dig wordt geoordeeld, kan binnen de, in het eerste lid van dit artikel bedoelde, kringen ook verplaatsing van schapen en geiten door den burgemeester verboden worden.

68. Het houden van markten, openbare verkoopingen, tentoonstellingen en andere vereenigingen van schapen en geiten is verboden in gemeenten of gedeelten van gemeenten, door den Minister van Binnenlandsche Zaken aangewezen.

Openbare vcrkooping van schapen en geiten van denzelfden eigenaar of behoorende tot de nalatenschap van een overledene blijft geoorloofd met schriftelijk verlof van den burgemeester en binnen een, door dezen daarbij te bepalen, termijn van ten hoogste 7 dagen, nadat do districtsveearts verklaard heeft, dat daartegen geen bezwaar bestaat.

69. De, in de artikelen 07 en 08 bedoelde, aanwijzingen worden door plaatsing in de Staatscourant en zoo mogelijk in een of meer plaatselijke nieuwsbladen ter algemeene kennis gebracht.

Daarbij worden tevens voorschriften gegeven omtrent uitzonderingen, die op het uitgevaardigde verbod zullen worden toegelaten.

279

-ocr page 310-

K.B. BESMETTELIJKE VEEZIEKTEN.

De intrekking of wijziging van de, in de artikelen 67 en 68 bedoelde aanwijzingen worden op dezelfde wijze ter algemeene kennis gebracht.

§ 9. Maatregelen tegen het rotkreupel der schapen.

Art. 70. De zieke en de verdachte schapen moeten van de overige afgezonderd worden gehouden.

Wanneer, naar het oordeel van den districtsveearts, het afgezonderd houden van enkele zieke dieren geen nut meer kan opleveren ter voorkoming van de besmetting van den geheelen koppel, geeft de burgemeester, op advies van den districtsveearts, vergunning de zieke dieren in den verdachten koppel te laten verblijven of verdachte dieren niet af te zonderen.

De termijn, bedoeld bij artikel 22 der wet van 20 Juli 1870 (Staaln-blad no. 131), wordt gesteld op 15 dagen.

71. Eigenaars van zieke of verdachte dieren zijn bevoegd deze te slachten, na aangifte bij den burgemeester en onder toezicht der politie.

Van de geslachte dieren moeten de huiden ontsmet en de klauwen verbrand worden.

72. Plaatsen, waar zieke of verdachte dieren gestaan hebben, worden ontsmet, volgens aanwijzing van den districtsveearts.

73. In stallen of kooien, op erven of hoeven, waar zieke dieren gestaan hebben, mogen geene schapen gebracht worden gedurende een termijn van 10 dagen, te rekenen van den dag, waarop het laatste ziektegeval door herstel of dood is geëindigd en in elk geval eerst na den geheelen afloop der ontsmetting.

Het oogenblik, waarop deze termijn voor het geval van herstel begint te loopen, wordt door den districtsveearts vastgesteld bij schriftelijke en gedagteekende verklaring die door tusschenkomst van den burgemeester aan den belanghebbende kosteloos wordt uitgereikt.

In bijzondere gevallen kan de districtsveearts bepalen, dat terstond na afloop der ontsmetting wederom schapen in de stallen, kooien, erven of hoeven gebracht mogen worden.

Op weiden, waar zieke dieren zich bevonden hebben, mogen gedurende een termijn van 30 dagen geene schapen gebracht worden, tenzij de districts veearts een korteren termijn, die evenwel ten minste 10 dagen moet zijn, voldoende mocht achten.

74. Bij afsluiting van besmette hoeven, erven of weiden, ingevolge het in art. 2, sub 4°., van dit besluit bepaalde, is verboden; invoer in en uitvoer uit den afgesloten kring van schapen en uitvoer uit den afgesloten kring van niet ontsmette klauwen en van mest van schapen.

280

-ocr page 311-

K.B. BESMETTE I, UK F. VEEZIEKTEN.

§ 10. Maatregelen tegen de vlekziekte der varkens.

Art. 75. De zieke dieren moeten van de overige afgezonderd worden gehouden.

De verdachte dieren moeten van de gezonde afgezonderd worden gehouden.

Wanneer, naar het oordeel van den districtsveearts, het afgezonderd houden van enkele zieke dieren geen nut meer kan opleveren ter voorkoming van besmetting van de overige, waarmede zij bijeen zijn, kan de burgemeester verlof verleenen om de zieke dieren bij de aldus verdacht geworden dieren te laten verblijven.

De termijn, bedoeld bij artikel 22 der wet van 20 Juli 1870 {Staatsblad no. 131), wordt gesteld op 10 dagen.

76. Eigenaars van zieke of verdachte dieren, die deze slachten, moeten vóór of onmiddellijk na het slachten hiervan kennis geven aan den burgemeester der gemeente, waar de zieke of verdachte dieren zich bevinden.

De ingewanden der geslachte zieke of verdachte dieren, alsmede de gestorven dieren en de overblijfselen van zoodanige dieren moeten verbrand of op andere wijze, door den districtsveearts te bepalen, onschadelijk gemaakt worden.

Ten aanzien der kosten, vallende op deze verbranding of onschade-lijkmaking, geldt het bepaalde bij het 3de lid van artikel 3 van dit besluit.

Indien het slachten plaats heeft vóór dat het, in art. 16 der wet van 20 Juli 1870 (StaaMad no. 131) voorgeschreven, onderzoek verricht is, moeten de ingewanden der geslachte dieren door den eigenaar voor dat onderzoek bewaard worden.

77. In bijzondere gevallen ter beoordeeling van den districtsveearts, kan de afmaking van zieke of verdachte dieren worden bevolen.

Ten aanzien van de uitoefening van deze bevoegdheid volgt de districtsveearts de bevelen van den Minister van Binnenlandsche Zaken.

Het voorschrift van het 2de lid van artikel 76 van dit besluit is in deze gevallen van toepassing.

78. Het kot of de plaats in het gebouw, waar zieke dieren zich bevonden hebben, moet na afloop van het laatste ziektegeval worden ontsmet.

79. In kotten of gebouwen of op weiden, erven of hoeven, waar zieke dieren zich bevonden hebben, mogen geene varkens gebracht worden gedurende een termijn van 10 dagen, te rekenen van den dag, waarop het laatste ziektegeval door herstel, dood of slachting is geëindigd, en, wat de kotten en gebouwen betreft, in elk geval eerst na den geheelen afloop der ontsmetting.

Het oogenblik, waarop deze termijn voor het geval van herstel begint te loopen, wordt door den districtsveearts vastgesteld bij

281

-ocr page 312-

K.B. BESMETTELIJKE VEEZIEKTEN.

schriftelijke en gedagteekende verklaring, die door tussehenkomst van den burgemeester aan den belanghebbende kosteloos wordt uitgereikt.

In bijzondere gevallen kan de districtsveearts bepalen, dat terstond na afloop der ontsmetting van de kotten en gebouwen wederom varkens daarin gebracht mogen worden.

80. Bij afsluiting van besmette hoeven, erven of weiden, ingevolge het in artikel 2, sub 4°., van dit besluit bepaalde, is verboden: invoer in en uitvoer uit den afgesloten kring van varkens en uitvoer uit den afgesloten kring van varkensvleesch, strooisel, mest en allen anderen afval uit varkenskotten.

81. Inenting van varkens tegen de vlekziekte is alleen geoorloofd als de eigenaar, houder of hoeder van de in te enten dieren daartoe eene schriftelijke vergunning bekomen heeft van den burgemeester der gemeente, waar de inenting zal plaats hebben.

De vergunning wordt verleend op advies van den districtsveearts en onder de, door dezen te stellen, voorwaarden.

De ingeente dieren worden voor ziek gehouden, totdat de uitwerking der inenting afgeloopen is en, ingeval de inenting zonder merkbare uitwerking blijft, gedurende 10 dagen na de inenting.

De Minister van Binnenlandsche Zaken is bevoegd in bijzondere gevallen de inenting op Kijkskosten te doen plaats hebben.

§ 11. Maatregelen tegen de trichinenziekte bij de varken#.

Art. 82. Dieren, wier vleesch trichinen bevat, moeten, zoo dit nog bij hun leven ontdekt wordt, worden afgemaakt; de gestorven of gedoode dieren, die trichinen blijken te bevatten, of de overblijfselen van zoodanige dieren worden verbrand of op andere wijze, door den districtsveearta te bepalen, onschadelijk gemaakt.

Totdat de dieren worden afgemaakt, moeten zij afgezonderd worden gehouden van varkens.

83. Dieren, die verdacht zijn van trichinen te bevatten, moeten worden afgemaakt en daarna onmiddellijk door den districtsveearts of, in overleg met dezen, door een ander deskundige op trichinen worden onderzocht. Indien bij dit onderzoek blijkt, dat zij trichinen bevatten, wordt met de dieren of de overblijfselen der dieren gehandeld, zooals in art. 82 van dit besluit is voorgeschreven.

In elk geval moeten van de verdachte dieren de ingewanden worden verbrand.

Totdat de dieren worden afgemaakt, moeten zij afgezonderd worden gehouden van varkens.

84. Indien zieke of verdachte dieren mochten zijn geslacht of indien eerst na het slachten blijkt, dat niet voor ziek of verdacht gehouden dieren trichinen bevatten, gelden de bepalingen, die bij

282

-ocr page 313-

K.B. BESMETTELIJKE VEEZIEKTEN.

de artikelen 3 en 4 van dit besluit ten aanzien van gestorven vee zijn vastgesteld.

85. Het kot of het gebouw en, wanneer dit door den districtsveearts noodzakelijk wordt geacht, ook het terrein, waar zich trichineuse dieren bevonden hebben, moeten worden ontsmet en aldaar gevonden ratten benevens ander ongedierte worden gedood en verbrand.

Eveneens moeten, volgens aanwijzing van den districtsveearts, worden ontsmet slachthuizen, winkels en bergplaatsen van vleesch en spek mitsgaders inrichtingen tot bewerking daarvan, waar besmet vleesch en besmette voorwerpen zijn aangetroffen.

86. In kotten en gebouwen of op weiden, erven of hoeven, waar zich trichineuse dieren hebben bevonden, mogen geene varkens gebracht worden gedurende een termijn van 10 dagen, te rekenen van den dag, waarop de ontsmetting van die kotten, gebouwen en terreinen geheel is afgeloopen.

87. Bij afsluiting van besmette hoeven, erven of weiden, ingevolge het in artikel 2, sub 4°., van dit besluit bepaalde, is verboden: invoer in en uitvoer uit den afgesloten kring van levende varkens en uitvoer uit den afgesloten kring van doode varkens en varkens-vleesch, tenzij, volgens schriftelijke verklaring van den burgemeester, door den districtsveearts of, in overleg met dezen, door een ander deskundige onderzocht en vrij bevonden van trichinen.

Uitvoer van mest en allen anderen afval is toegelaten met inachtneming der voorschriften, door den districtsveearts zoo noodig te geven.

88. Het is verboden uit, naar of binnen de kringen, door den Minister van Binnenlandsche Zaken aangewezen, varkens te vervoeren of te doen vervoeren en uit of binnen die kringen de, door voornoemden Minister nader aan te wijzen, in artikel 15 der wet van 20 Juli 1870 {Staatsblad no. 131), bedoelde, voorwerpen.

In bijzondere gevallen, wanneer dit door den districtsveearts noodig wordt geoordeeld, kan binnen de, in het eerste lid van dit artikel bedoelde, kringen ook verplaatsing van varkens door den burgemeester verboden worden.

89. De, in artikel 88 bedoelde, aanwijzing, wordt door plaatsing in de Staatscourant en zoo mogelijk in een of meer plaatselijke nieuwsbladen ter algemeene kennis gebracht. Daarbij worden tevens voorschriften gegeven omtrent uitzonderingen, die op het uitgevaardigde verbod zullen worden toegelaten.

De intrekking of wijziging van de, in artikel 88 bedoelde, aanwijzing wordt op dezelfde wijze ter algemeene kennis gebracht.

§ 12. Maatregelen tegen het miltvuur bij alle vee.

Art. 90. De zieke dieren moeten van het overige vee afgezonderd worden gehouden.

283

-ocr page 314-

284 K.B. BESMETTELIJKE VEEZIEKTEN.

Insgelijks moeten van het overige vee afgezonderd worden gehouden dieren, welke verdacht zijn wegens ziekteverschijnselen, die zij vertoonen.

De termijn, bedoeld bij art. 22 der wet van 20 Juli 1870 (Staatsblad no. 131), wordt gesteld op 10 dagen.

91. Indien zieke of verdachte dieren mochten zijn geslacht of indien eerst na het slachten blijkt, dat niet voor ziek of verdacht gehouden dieren door de ziekte waren aangetast, gelden de bepalingen, die bij de artikelen 3 en 4 van dit besluit ten aanzien van gestorven vee zijn vastgesteld.

92. De plaats in den stal of het gebouw, waar zich zieke dieren bevonden hebben, moet onmiddellijk worden ontsmet.

Waar de districtsveearts het noodig oordeelt, moet ontsmetting plaats hebben ook van andere gedeelten van den stal of het gebouw of van den geheelen stal alsmede van andere besnfbtte plaatsen.

Eveneens moeten, volgens aanwijzing van den districtsveearts, worden ontsmet slachthuizen, winkels en andere plaatsen, waar besmet vleesch en besmette voorwerpen zijn aangetroffen.

93. In stallen en gebouwen of op weiden, erven of hoeven, waar zieke dieren gestaan hebben, mag geen vee gebracht worden gedurende een termijn van 10 dagen, te rekenen van den dag, waarop het laatste ziektegeval door herstel, dood of afmaking is geëindigd, en in elk geval eerst na den geheelen afloop der ontsmetting.

Het oogenblik, waarop deze termijn voor het geval van herstel begint te loopen, wordt door den districtsveearts vastgesteld bij schriftelijke en gedagteekende verklaring, die door tusschenkomst van den burgemeester aan den belanghebbende kosteloos wordt uitgereikt.

94. Bij afsluiting van besmette hoeven, erven of weiden, ingevolge het in artikel 2, sub 4°., van dit besluit bepaalde, is verboden: invoer in en uitvoer uit den afgesloten kring van vee; daar waar en zoolang en voor zoover als dit door den districtsveearts noodzakelijk wordt geacht, is verboden: uitvoer van melk uit den afgesloten kring en uit besmette, niet afgesloten hoeven, erven of weiden.

95. Inenting is alleen geoorloofd als de eigenaar van de in te enten dieren daartoe eene schriftelijke vergunning bekomen heeft van den burgemeester der gemeente, waar de inenting zal plaats hebben.

De vergunning wordt verleend op advies van den districtsveearts onder de, door dezen te stellen, voorwaarden.

De ingeente dieren worden voor verdacht gehouden, totdat de uitwerking der inenting afgeloopen is en, ingeval de inenting zonder merkbare uitwerking blijft, gedurende 10 dagen na d-; inenting. Waar de districtsveearts het noodig oordeelt, heeft ontsmetting plaats volgens artikel 92 van dit besluit.

-ocr page 315-

K.B. BESMETTELIJKE VEEZIEKTEN.

De Minister van Binnenlandsche Zaken is bevoegd in bijzondere gevallen de inenting op Rijkskosten te doen plaats hebben.

S 13. Maatregelen tegen de hondsdolheid bij alle vee.

Art. 96. De zieke dieren moeten worden afgemaakt en daarna verbrand, begraven of op andere wijze, door den districtsveearts te bepalen, onschadelijk gemaakt.

Totdat de dieren worden afgemaakt, moeten zij afgezonderd worden gehouden van alle ander vee.

97. Dieren, die verdacht zijn wegens ziekteverschijnselen, welke zij vertoonen, moeten van het overige vee afgezonderd worden gehouden.

Wanneer, op advies van den districtsveearts, de burgemeester het noodig oordeelt, wordt met deze verdachte dieren gehandeld, als in het vorige artikel omtrent de zieke dieren is voorgeschreven.

98. Indien zieke of verdachte dieren mochten zijn geslacht, gelden de bepalingen, die bij de artikelen 3 en 4 van dit besluit ten aanzien van gestorven vee zijn vastgesteld.

99. De plaats in den stal of het gebouw, waar een afgemaakt of gestorven dier gestaan heeft, moet worden ontsmet.

100. In stallen en gebouwen of op weiden, erven of hoeven, waar zieke dieren gestaan hebben, mag geen vee gebracht worden gedurende een termijn van 3 dagen, te rekenen van den dag, waarop het laatste ziektegeval door dood of afmaking is geëindigd en, wat de stallen en gebouwen betreft, in elk geval eerst na den geheelen afloop der ontsmetting.

101. Bij afsluiting van besmette hoeven, erven of weiden, ingevolge het in artikel 2, sub 4U., van dit besluit bepaalde, is verboden: uitvoer uh den afgesloten kring van vee, honden en katten, alsmede van melk, afkomstig van zieke dieren en van dieren, die verdacht zijn wegens ziekteverschijnselen, welke zij vertoonen.

De honden en katten, binnen dien kring aanwezig, moeten wor-dan gedood en de overblijfselen daarvan verbrand, begraven of op andere wijze door den districtsveearts te bepalen, onschadelijk gemaakt. \'

Door de bepalingen van deze paragraaf wordt in geen opzicht tekort gedaan aan de voorschriften der wet van 5 Juni 1875 (Staatsblad no. 110) betreffende de hondsdolheid.

§ 14. Algemeene bepalingen.

Art. 102. Vee, dat door den districtsveearts wegens kenteekenen, die hij daaraan meent te bespeuren, volgens artikel 22 der wet van 20 Juli 1870 (Staatsblad no. 131), gehouden wordt voor verdacht (van ziekte verdacht vee), blijft verdacht, totdat die kenteekenen op-

285

-ocr page 316-

286 K.B. BESMETTELIJKE VEEZIEKTEN.

gehouden hebben te bestaan of de districtsveearts op eenigerlei wijze de overtuiging heeft verkregen, dat het vee niet aan eene besmettelijke ziekte lijdt.

Het ophouden van den toestand van verdachtheid van aan eene besmettelijke ziekte te lijden wordt door den districtsveearts vastgesteld bij schriftelijke en gedagteekende verklaring, die door tusschen-komst van den burgemeester aan den belanghebbende kosteloos wordt uitgereikt.

103. Vee, dat zonder kenteekenen eener besmettelijke ziekte te vertoonen, door den districtsveearts, volgens art. 22 der wet van 20 Juli 1870 (Staatsblad no. 131), gehouden wordt voor verdacht (van besmetting verdacht vee), blijft verdacht gedurende een termijn van:

bij longziekte (pleuro-pneumonia contagiosa) . . 4 maanden.

bij mond- en klauwzeer.........15 dagen.

bij kwaden droes en huidworm.......3 maanden.

bij schurft..............15 dagen.

bij schaapspokken...........15 »

bij rotkreupel.............15 »

bij vlekziekte.............10 »

bij miltvuur.............10 »

bij hondsdolheid van runderen.......0 maanden.

bij hondsdolheid van eenhoevige dieren .... 4 » bij hondsdolheid van schapen, geiten en varkens . 2 »

Alle termijnen zijn te rekenen van den dag, waarop het vee, naar het oordeel van den districtsveearts, het laatst in de gelegenheid is geweest om besmet te worden.

De dag, waarop deze termijn begint te loopen, wordt door den districtsveearts vastgesteld bij schriftelijke en gedagteekende verklaring die door tusschenkomst van den burgemeester aan den belanghebbende kosteloos wordt uitgereikt.

De termijn, gedurende welken het in het eerste lid van dit artikel bedoelde, vee verdacht wordt gehouden van besmetting, eindigt zoodra de districtsveearts op eenigerlei wijze de overtuiging heeft verkregen, dat het vee niet besmet is. In dat geval wordt het ophouden van den toestand van verdachtheid van besmetting door den districtsveearts vastgesteld bij schriftelijke en gedagteekende verklaring, die door tusschenkomst van den burgemeester aan den belanghebbende kosteloos wordt uitgereikt.

104. Wanneer vee, door eene besmettelijke ziekte aangetast of daarvan verdacht, ingevolge het in artikel 2, sub 2°., van dit besluit bepaalde, van een merkteeken is voorzien, doet de burgemeester, op advies van den districtsveearts, dit merkteeken zooveel mogelijk onkenbaar maken, als de reden voor het merken opgehouden heeft te bestaan.

105. De maatstaf, naar welken, ter uitvoering van artikel 24 dei-wet van 20 Juli 1870 (Staatsblad no. 131), de waardeering van vee,

door eene besmettelijk ziekte aangetast, geschiedt, bedraagt bij vee

-ocr page 317-

K.B. BESMETTELIJKE VEEZIEKTEN.

pest, longziekte, kwaden droes en huidworm, schaapspokken, vlekziekte, triehinenziekte en hondsdolheid 50 pCt. en bij mond- en klauwzeer 90 pCt. der waarde, die het vee in gezonden toestand zou hebben.

106. Waar in dit besluit gesproken wordt van den districtsveearts wordt daarmede ook bedoeld de districtsveearts-plaatsvervanger of de geëxamineerde veearts, die hem vervangt volgens de voorschriften van de wet van 20 Juli 1870 {Staatsblad no. 131).

107. De maatregelen, welke krachtens dit besluit bij het heer-schen of bij het dreigen van de, in artikel 1, sub 3quot;. en 8°. genoemde, ziekten toegepast moeten worden, kunnen door den Minister van Binnenlandsche Zaken geheel of gedeeltelijk buiten toepassing worden gesteld daar, waar wegens de uitbreiding der ziekten van de handhaving der voorgeschreven maatregelen geen voldoend nut meer is te verwachten.

De uitvaardiging der daartoe te nemen beschikking alsmede hare intrekking of wijziging worden door plaatsing in de Staatscourant en zoo mogelijk in een of meer plaatselijke nieuwsbladen ter algemeene kennis gebracht.

108. De Koninklijke besluiten van 27 Maart 1888 (Staatsblad no. 67), 12 Mei 1889 (Staatsblad no. 62), Ö October 1889 (Staatsblad no. 128), 20 Mei 1890 (Staatsblad no. 92), 27 Juni 1892 (StaateblaiJ no. 167), 17 November 1892 (StaatMad no. 254), en van 13 September 1894 (Staatsblad, no. 150) worden ingetrokken.

De Minister van Binnenlandsche Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, enz.

287

-ocr page 318-

WET,

HOUDENDE VASTSTELLING VAN BIJZONDERE BEPALINGEN TOT BETEUGELING DEB LONGZIEKTE ONDER HET RUNDVEE IN BEPAALDE DEELEN DES LANDS.

(Vastgesteld den 8sten Augustus 1878, Stsbl. no. 115, uitgegeven den llden Augustus d.a.v. Gewijzigd bij de wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64.)

ST

Art. 1. Door Ons kan worden bevolen, dat het rundvee in bepaalde gedeelten van het Rijk, door Onzen Minister, met de uitvoering dezer wet belast, aan te wijzen, moet worden ingeënt en gemerkt of een van beide. (K.B. 17 Aug. 1878, S. 128, gew. 9 Jan. 1879, S. 2.)

Weigert de eigenaar of houder van dat vee die inenting of dat merken toe te laten, dan wordt dat vee door den burgemeester in beslag genomen en zorgt deze, dat de inenting of het merken ten koste van den eigenaar behoorlijk geschiedt.

Is, ten gevolge van eene volgens dit artikel ondergane inenting, een stuk rundvee, volgens verklaring van den districts-veearts of zijn plaatsvervanger, gestorven, dan wordt aan den eigenaar de volle waarde van dat rund in gezonden toestand vergoed.

2. Eigenaars of hoeders van vee in de gedeelten van het Rijk, in het vorig artikel bedoeld, zijn verpligt den distriets-veearts of zijnen plaatsvervangers en den door Onzen Minister, met de uitvoe-voering dezer wet belast, daartoe aangewezen opzigters in de stallen, weiden of bewaarplaatsen van vee toegang te verleenen tusscheu zonsop- en ondergang, op vertoon, desgevorderd, van hunne acte van aanstelling. (Veearts.T. 5.)

3 en 4. Afgeschaft. (S.R. 184.)

5. De bepalingen der wet (Veearts.T.) van 20 Julij 1870 {Staatsblad no. }31) en van de krachtens die wet door Ons genomen besluiten blijven, na het in werking treden dezer wet, onverminderd van kracht. (K.B. Besm.V.Z. 16 v.)

6. Deze wet verbindt met den dag harer afkondiging.

-ocr page 319-

BESLUIT,

HOUDENDE VASTSTELLING VAN NADERE BEPALINGEN TOT BETEUGELING DER LONGZIEKTE ONDER HET RUNDVEE.

(Vastgesteld den 17den Augustus 1878, Stsbl. no. 128, uitgegeven den 23sten Augustus d.a.v.)

Wij WILLEM III, enz.

Overwegende, dat het noodzakelijk is nadere bepalingen tot beteugeling der longziekte onder het rundvee vast te stellen;

Gezien art. 15 der wet van 20 Juli 1870 (Staatsblad no. 131) en art. 1 der wet van 8 Augustus 1878 (Staatsblad no. 115);

Hebben goedgevonden en verstaan:

Art. 1. Het is verboden uit de kringen, door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken aangewezen, rundvee te vervoeren zonder vergunning van den burgemeester dei- gemeente, waarin zich het vee bevindt. Deze aanwijzing wordt door plaatsing in de Staatscourant ter algemeene kennis gebragt. (6, 11; Veearts.T. 35.)

2. De in art. 1 vermelde vergunning wordt niet gegeven dan na verhoor van den districts-veearts en op diens verklaring dat hem, na onderzoek, van de noodzakelijkheid van het vervoer is gebleken en hij daartegen geene bedenking heeft.

De burgemeester verleent deze vergunning door afgifte van een vervoerbiljet. Dit biljet moet voorzien zijn van het wapen der gemeente; het vermeldt de namen en de woonplaats van den aanvrager, het advies van den districts-veearts, almede de namen en de woonplaats van hem, aan wien het rundvee verzonden wordt, omschrijft het vee naauwkeurig door opgave van geslacht, ouderdom, kleur en blijvende bijzondere kenteekenen en wordt afgegeven aan Jen vervoerder, die zorgt dat het uiterlijk twaalf uren na aankomst op de plaats van bestemming bij den burgemeester wordt ingeleverd.

Indien het aldus vervoerde vee niet voor de slagtbank is bestemd zendt de burgemeester afschrift van het vervoerbiljet aan den districts-veearts in zijnen kring. (8, 10.)

3. Het aldus vervoerde vee mag niet met ander vee in aanraking ivorden gebragt en zonder schriftelijke toestemming van den burgemeester, den districts-veearts gehoord, niet levend van het erf, waarop het zich bevindt, worden verwijderd binnen drie maanden na aankomst aldaar. Bij den dood van het vee of na verloop van drie maanden na het in de vorige artikelen vermeld vervoer, wordt

stw. ii. 19

-ocr page 320-

290 K.B. NADEKE BEPALINGEN TOT BETEUGELING

het vervoerbiljet door de zorg van den burgemeester vernietigd.

4. Het is den ondernemers van openbare middelen van vervoer verboden uit een volgens art. 1 afgesloten kring rundvee te vervoeren anders dan in een afgesloten wagen of afgesloten gedeelte van het vervoermiddel op zoodanige wijze, dat het niet in aanraking ge-bragt worde met ander vee of andere goederen. (Veearts.T. 35.)

De wagen of het afgesloten gedeelte, waarin zich zoodanig rundvee bevindt, moet voorzien zijn van het opschrift: vee uit afgesloten kring. Het vee mag daaruit niet worden verwijderd dan ter plaatse zijner bestemming. Het is verboden het aldaar te lossen anders dan onder toezigt der rijksveldwacht of der plaatselijke politie.

Het is verboden het vervoermiddel van de plaats van aankomst te verwijderen alvorens het onder toezigt der rijksveldwacht of der plaatselijke politie en ten koste der ondernemers ontsmet zij.

Op deze ontsmetting is Ons besluit van 4 December 1870 {Staatsblad no. 191) toepasselijk. 1) (Veearts.T. 31, 35.)

5. Uitvoer van het vee uit volgens art. 1 afgesloten kringen naar buiten \'s lands kan, behoudens het bepaalde in Ons besluit van 28 Mei 1871 {Staatsblad no. 42), zonder vergunning geschieden. In dat geval is het bepaalde in de eerste zinsnede van art. 3 slechts van toepassing tot het tijdstip der inlading in de vervoermiddelen waarmede de uitvoer plaats heeft. Uit deze vervoermiddelen mag geen vee op Nederlandsch gebied worden gelost. Indien het vervoer per spoorweg geschiedt, moeten de wagens, waarin het vee zich bevindt, gesloten zijn.

6. Al het rundvee, hetwelk zich in volgens art. 1 afgesloten kringen bevindt, wordt door geëxamineerde veeartsen, daartoe tijdelijk door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken aangewezen, ingeënt en door de zorg van den burgemeester voorzien van een bn ndmerk met de letter V op de regterdij beneden het heupgewricht. Evenzoo wordt al het rundvee, hetwelk in voormelde kringen wordt ingevoerd, binnen drie dagen na aankomst ter plaatse van bestemming door een der daarmede belaste veeartsen ingeënt en tusschen den 7den en lOden dag na de inënting door de zorg van den burgemeester van voormeld brandmerk voorzien. Vóór dat deze merldng heeft plaats gehad, mag het niet met gemerkt rundvee in aanraking worden gebragt.2)

1

Dit besluit is ingetrokken en laatstelijk vervangen door dat van 9 Junij 1885, S. 125.

2

Bij besluit van 9 Januarij 1879, S. 2, is bepaald dat met ingang van 1 Pebruarij 1879 het merkteeken in het besluit van 17 Aug. 1878, S. 128, genoemd, in den regter hoorn gebrand of, bij gemis van dezen, in den linker hoorn, of bij gemis van beide hoorns in den hoef van het regter voorbeen; dat art. 9 van het besluit ten opzigte van dit brandmerk verbindend is en dat runderen bij welke, bij het in werking treden van het besluit van 9 Januarij 1879, S. 2, het brandmerk op de regter dij duidelijk zigtbaar is, van het brandmerk op den regter hoorn zijn vrijgesteld.

-ocr page 321-

DER LONGZIEKTE ONDER HET RUNDVEE. 291

7. De met de inenting belaste veeartsen ontvangen uit \'s Rijks schatkist eene maandelijksche belooning, waarvan het bedrag door Ons wordt bepaald.

8. Ingeval, krachtens art. 2, vergunning tot vervoer van niet voor de slagtbank bestemd vee gegeven is, wordt het vóór den uitvoer ten tweeden male met de letter V gebrand, naast het eerste brandmerk.

9. Het op eenigerlei wijze onkenbaar of minder duidelijk herkenbaar maken van het in art. 6 vermelde brandmerk is verboden.

De eigenaar, houder o£ hoeder van rundvee in een der volgens art. 1 afgesloten kringen, die in het bezit gevonden wordt van rundvee waarbij het in art. 6 vermelde merk niet duidelijk zigtbaar is, wordt alleen dan geacht niet in overtreding te zijn, wanneer hij bewijst dat het vee binnen de drie laatste dagen in den afgesloten kring is ingevoerd en hij van dien invoer binnen 12 uren aan den burgemeester kennis heeft gegeven. (Veearts.T. 35.)

10. Het is verboden buiten den volgens art. 1 afgesloten kring, in het bezit te zijn van niet voor de slagtbank bestemd rundvee, gemerkt met eene V of, indien niet het in art. 2 vermelde vervoer-biljet bij den burgemeester is ingeleverd met VV.

Indien het vervoerbiljet, krachtens art. 3 wegens het verstrijken van den termijn van drie maanden na het vervoer, vernietigd wordt, geeft de burgemeester hiervan aan den eigenaar, houder of hoeder eene verklaring af. (Veearts.T. 35.)

11. Bij opheffing van de in art. 1 bedoelde kringen wordt al het zich daarin bevindende rundvee vooraf door de zorg van den burgemeester met een tweede brandmerk, bestaande in een omgekeerde V (A), naast het eerste gemerkt. Het aldus gemerkte vee mag vrij vervoerd worden. (6.)

12. Kalveren worden niet ingeënt eer zij den leeftijd van drie maanden bereikt hebben.

13. Ons tegenwoordig besluit treedt in werking op den vijfden dag na afkondiging in het Staatsblad en in de Staatscourant.

Onze Minister van Binnenlandsche Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, enz.

19*

-ocr page 322-

WET,

TOT VASTSTELLING VAN BEPALINGEN BIJ HET VOORKOMEN VAN HONDSDOLHEID.

(Vastgesteld den 5den Junij 1875, Stsbl. no. 110, uitgegeven den 17den Junij d.a.v. Gewijzigd bij de wetten van 15 April 1886, Stsbl. no. 64 en 15 April 1891, Stsbl. no. 80.)

Art. 1. Zoodra zich bij een hond of eene kat verschijnselen van dolheid voordoen, of zoodra een dezer dieren door een dol of van dolheid verdacht dier gebeten is, behoort de eigenaar, houder of hoeder dien hond of die kat terstond af te maken of te doen afmaken, of vast te leggen en op te sluiten, of te doen vastleggen en opsluiten. Hij geeft van zijne bevinding en van het door hem of van zijnentwege verrigte onverwijld kennis aan den burgemeester of aan den commissaris van politie zijner woonplaats. Tot die kennisgeving is hij ook verpligt, wanneer het hem niet mogelijk is geweest den hond of de kat te dooden, op te sluiten of vast te leggen. (2, 8.)

2. Zoodra bij den burgemeester of commissaris van politie aangifte is gedaan of hem op andere wijze gebleken is, dat zich bij een hond of eene kat verschijnselen van dolheid voordoen, of dat een hond of eene kat door een dol of van dolheid verdacht dier gebeten is, doet hij met den meesten spoed door den districts-veearts, of, een districts-veearts-plaatsvervanger, of, bij afwezigheid van beiden, door een geëxamineerden veearts, dien hond of die kat, of, indien zij gedood of gestorven zijn, hunne overblijfselen onderzoeken. (Veearts.T. 2.)

De veearts, die met het onderzoek belast werd, brengt de uitkomst daarvan onverwijld ter kennis van den burgemeester of commissaris van politie.

Indien het blijkbaar gevaarlijk is den hond of de kat in leven te laten, kan afmaking plaats hebben buiten de aanwezigheid en vóór het onderzoek van den veearts.

3. Wordt bij dit onderzoek de hond of de kat dol of door een dol dier gebeten bevonden, of wordt deswege door den veearts twijfel uitgedrukt, dan wordt het dier terstond op bevel en door de zorg van den burgemeester of van den commissaris van politie afgemaakt.

De burgemeester der gemeente, in welke een geval van hondsdol-

-ocr page 323-

WET HONDSDOLHEID. 293

heid is voorgekomen, beveelt bij een bevelschrift, dat hij onverwijld doet afkondigen, dat gedurende vier maanden, te rekenen van den dag der afkondiging, alle honden die zich buiten woningen of vaartuigen (geene openbare middelen van vervoer zijnde), in de gemeente bevinden en niet binnen een afgesloten erf aan een ketting liggen, moeten voorzien zijn van een muilkorf, volgens een model door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken vast te stellen.

1) Van dit bevel geeft de burgemeester onverwijld kennis aan de burgemeesters van alle aangrenzende gemeenten, die dan onmiddellijk gelijk bevel voor hunne gemeenten kunnen uitvaardigen.

Dezelfde bevoegdheid hebben de burgemeesters bij het voorkomen van hondsdolheid in naburige buitenlandsche gemeenten. 1)

Aan Onzen Commissaris in iedere provincie, in welke de betrokken gemeenten liggen, wordt afschrift van elk bevelschrift gezonden.

Deze kan gelijk bevelschrift uitvaardigen en terstond doen afkondigen voor de geheele provincie of een deel daarvan.

Van het uitvaardigen der in dit artikel bedoelde bevelschriften geeft hij onverwijld kennis aan zijne ambtgenooten in de aangrenzende provinciën. (6.)

4. Ambtenaren van politie, waaronder, voor de uitvoering van deze wet, ook worden verstaan de door den burgemeester of den commissaris van politie met het vatten, opvangen of afmaken van een hond of eene kat belaste personen, zijn, ter uitvoering van dien last, bevoegd de erven, woningen of andere gebouwen en vaartuigen, zelfs zonder toestemming van den eigenaar of bewoner, tusschen 7 uur des morgens en 9 uur des avonds binnen te treden, mits voorzien van eene schriftelijke lastgeving van den burgemeester of commissaris van politie. (G. 158.)

5. Overblijfselen van honden of katten, die aan dolheid gestorven, of in een der gevallen, in artt. 1, 2 of 3 bedoeld, afgemaakt zijn, worden, voor zoover dit niet reeds door of van wege belanghebbenden is geschied, door de zorg van den burgemeester op Rijkskosten verbrand of begraven, overeenkomstig de voorschriften, door Ons krachtens art. 31 der wet (Veearts.T. I van 20 Julij 1870 (Staatsblad no. 131) gegeven. (K.B. 9 Junij 1885, S. 125.)

Voorwerpen, welke met zoodanige honden of katten in aanraking zijn geweest, worden overeenkomstig dezelfde voorschriften op Rijkskosten door de zorg van den burgemeester gereinigd en ontsmet, of, indien de districtsveearts, of die hem vervangt, dit noodig oordeelt, verbrand, des noods na onteigening. (6.)

1

Tusschen Duitsehland en Nederland is eene overeenkomst gesloten betreffende maatregelen in zake hondsdolheid; Missive Min. v. B. Z. 24 Juli 1890. Evenzoo tusschen Begiö en Nederland; Missive Min. V. B. Z. 13 Nov. 1891.

-ocr page 324-

WET HONDSDOLHEID.

Bij deze onteigening zijn de bepalingen van art. 24 der hierboven aangehaalde wet toepasselijk.

6. De eigenaar, houder of hoeder van honden, die het bevelschrift van den burgemeester of van Onzen Commissaris, in art. 3 bedoeld, overtreedt, is strafbaar met eene geldboete van J 0,50 tot ƒ 10.

Bij ontdekking van deze overtreding wordt de hond in beslag genomen, of, indien daartoe geene gelegenheid is, of blijkbaar gevaar bestaat, afgemaakt en alsdan met de overblijfselen gehandeld, zooals in art. 5 is voorgeschreven.

Bij het veroordeelend vonnis wordt de hond verbeurd verklaard, indien hij nog in wezen is.

In ieder geval kan bij het vonnis de afmaking van den in beslag genomen hond worden bevolen.

Ingeval de eigenaar, houder of hoeder het maximum der boete betaalt, beslist het hoofd der politie of de hond hem kan worden teruggegeven of moet worden afgemaakt.

Is de eigenaar, houder of hoeder onbekend, dan wordt de hond, die bevonden wordt zonder muilkorf rond te loopen, door of van wege de politie afgemaakt. 1)

7. Honden en katten, die zonder opzigt rond loopende, zich op een vreemd erf bevinden, mogen straffeloos door of van wege den bewoner of bruiker worden gedood.

8. Verzuim van de in art. 1 voorgeschreven kennisgeving, wordt gestraft met geldboete van ƒ 0,50 tot ƒ 75 of hechtenis van een tot zeven dagen.

9. Afgeschaft.

10. Deze wet is niet toepasselijk op het terrein van \'s Rijks veeartsenijschool. De voorzorgen, aldaar te nemen, bij het onderzoek van dolle of van dolheid verdachte dieren, worden door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, den directeur der school gehoord, geregeld.

11. Provinciale en plaatselijke verordeningen, betreffende het onderwerp bij deze wet geregeld, zijn verbindend, voor zooverre zij niet in strijd zijn met de bepalingen dezer wet.

Onder hetzelfde voorbehoud kunnen nieuwe verordeningen worden vastgesteld. (P. 140, 167; Gem. 135, 153.)

12. Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip. 2)

294

I

1

Artt. 6—9 aldus afgeschaft, gehandhaafd en gewijzigd volgens artt. 10 no. 32 en 11 der Inv.wet van 15 April 1886, S. 64.

2

Bij K.B. van 17 Julij 1875, S. 137, is dit tijdstip bepaald op 1 Sept. 1875.

-ocr page 325-

BESLUIT,

houdende voorschriften betreffende het begraven, verbranden of op andere wijze vernietigen van het volgens de wet van 20 Jüli 1870 {Staatsblad no. 131) afgemaakt, aan eene besmettelijke ziekte gestorven of wegens zoodanige ziekte geslacht vee,

of volgens de wet van 5 Juni 1875 {Staatsblad no. 110) afgemaakte honden en katten, en

van andere voorwerpen en de ontsmetting van stallen en andere gebouwen en het onschadelijk maken van mestvaalten.

(Vastgesteld den 9den Juni 1885, Stsbl. no. 125, uitgegeven den 3den Juli d.a.v.)

Wu WILLEM III, enz.

Gelet op art. 31 der wet (Veearts.T.) van 20 Juli 1870 {Staatsblad no. 131) en op art. 6 der wet van 2 Juni 1875 {Staatsblad no. 94);

Hebben besloten en besluiten:

Art. 1. Omtrent het begraven, verbranden of op andere wijze vernietigen van aan eene besmettelijke ziekte gestorven of wegens zoodanige ziekte geslacht of volgens de wet van 20 Juli 1870 {Staatsblad no, 131) afgemaakt vee, van aan dolheid gestorven of wegens dolheid gedoode of volgens de wet van 5 Juni 1875 {Staatsblad no. 110) afgemaakte honden en katten en van besmette voorwerpen; het ontsmetten van stallen en andere gebouwen, van huiden van dieren, van kleederen van personen, en andere voorwerpen, alsmede van veewagens en ladingsterreinen van spoor- en tramwegen, en het onschadelijk maken van mestvaalten, gelden de bij dit besluit gevoegde voorschriften, die geacht worden daarmede een geheel uit te maken.

2. Onze besluiten van 4 December 1870 {Staatsblad no. 191) en 6 April 1882 {Staatsblad no. 49) zijn ingetrokken.

3. Dit besluit treedt in werking op den vijfden dag na de dag-teekening van het Staatsblad en van de Staatscourant, waarin het geplaatst is.

Onze Minister van Binnenlandsche Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, enz.

-ocr page 326-

K.B. ONTSMETTING BESMETT. VEEZIEKTEN.

VOORSCHRIFTEN betreffende:

1°. het begraven, verbranden of op andere wijze vernietigen van aan eene besmettelijke ziekte gestorven of wegens zoodanige ziekte geslacht of volgens de wet van 20 Juli 1870 (Staatsblad no. 131) afgemaakt vee en gedeelten van zulk vee, van aan dolheid gestorven of wegens dolheid gedoode, of volgens de wet van 5 Juni 1875 (Staatsblad no. 110) afgemaakte honden en katten, en van besmette voorwerpen;

2quot;. het ontsmetten van stallen en andere gebouwen, van huiden van dieren, van kleederen van personen en-ander e voorwerpen, alsmede van veewagens en ladingsterreinen van spoor- en tramwegen;

3°. het onschadelijk maken van mestvaalten.

§ 1. Het vernietigen van vee, van gedeelten van vee, van honden en katten en van besmette voorwerpen door begraven, verbranden of op andere wijze.

a. Verbrand moeten bij voorkeur worden; vee dat aan miltvuur lijdende gestorven of gedood is, vee dat aan veepest lijdende afgemaakt of gestorven is, de borst- en buiksingewanden van runderen, die aan besmettelijke longziekte lijdende afgemaakt of gestorven zijn; besmet strooisel, drcoge mest, hooi, stroo, riet; besmette en door gebrekkige gesteldheid en geringe waarde niet voor ontsmetting geschikte stalgereedschappen, tuigen, dekkleeden van vee, kleederen van menschen en gedeelten van houtwerk uit stallen en andere gebouwen.

Aan het verbranden van het bovengenoemde moet bepaald de voorkeur boven het begraven gegeven worden in alle gevallen, wtar de gesteldheid van den bodem het op behoorlijke diepte begraven niet toelaat en waar voor het begraven van aan miltvuur gestorven vee geen ander terrein dan wei-, bouw- of moesland ter beschikking is. Indien wegens gevaar voor de veiligheid van nabijzijnde gebouwen of gewassen, of wegens een te groot aantal te vernietigen dieren, of wel door andere omstandigheden het verbranden niet op voldoende wijze geschieden kan, heeft begraving plaats.

Na verbranding wordt het niet geheel door vuur verteerde overschot begraven, zoo mogelijk één meter diep.

b. Waar de gelegenheid bestaat, om, zonder te groote kosten of andere bezwaren, van vervoer enz., dood vee of gedeelten daarvan te vernietigen door inwerking van kokend water of stoom in gesloten ruimten, moet hieraan de voorkeur gegeven worden boven het verbranden in de open lucht.

c. Bij het begraven van vee worden te voren de huid en het vleesch geheel onbruikbaar gemaakt door elkander kruisende inker-

296

-ocr page 327-

K.B. ONTSMETTING BESMETT. VEEZIEKTEN.

vingen, die tot diep in het vleesch moeten indringen en waarin gegoten worden ruw carbolzuur of wel koolteer en petroleum. Het vee, de honden en katten en de mede te begraven voorwerpen worden in den kuil overgoten met carbolwater (waarvan de samenstelling in § 2 voorgeschreven is), daarna gelijkmatig bestrooid met eene één decimeter dikke laag gebrande kalk en vervolgens met eene één meter dikke laag aarde bedekt.

Waar zulks door den burgemeester in overleg met den districtsveearts noodig wordt geacht, moet de begraafplaats onmiddellijk na de begraving door eene stevige omheining, die voor vee ondoordringbaar is, afgesloten en gedurende een jaar afgesloten gehouden worden.

Het binnentreden van de omheinde begraafplaats of het ontsluiten der omheining is binnen dat tijdperk verboden, behalve met verlof of op last van den burgemeester. (Veearts.T. 35.)

§ 2. Het ontsmetten van huiden, van stallen en andere gebouwen, van kleederen van personen en andere voonverpen, alsmede van veewagens en ladingsterreinen van spoor- en tramwegen.

A. De ontsmettingsmiddelen.

Als ontsmettingsmiddelen worden uitsluitend de volgende gebruikt:

a. Hitte, en wel;

1. Vuur, als gloeiend of vlammend vuur, om vuurvaste metalen voorwerpen een lichten graad van roode gloeihitte te doen ondergaan, of als de vlam eener blaas- of schroeilamp om de oppervlakte van voorwerpen af te zengen of af te schroeien (zoogenaamd flambeeren).

2. Stoom.

3. Kokend water.

b. Scheikundig werkende stoffen, en wel:

4. Sublimaat (kwikchloride, chloretum hydrargyricum) als sublimaatwater, waaronder voor dit doel verstaan moet worden eene oplossing van 1 deel op 5000 deelen water of 1 gram per 5 liter water.

5. Carbolzuur als carbolwater, waaronder voor dit doel verstaan moet worden eene oplossing van 1 deel ruw carbolzuur, dat ongeveer 50 pCt. carbolzuur bevat, in 10 deelen water, of wel eene oplossing van 1 deel zuiver carbol- of phenylzuur in 20 deelen water.

6. Chloorkalk in den vorm van poeder, van chloorkalkmelk, gemaakt door vermenging van 1 deel chloorkalk met 10 deelen water, en ter bereiding van chloorgas door vermenging van 1 gewichtsdeel chloorkalk met l\'/a gewichtsdeelen ruw zoutzuur.

7. Zwaveligzuurgas, bereid door verbranding van pijpzwavel in stukjes bevochtigd met methylalcohol.

8. Gebrande kalk in den vorm van stukjes en grof poeder en van kalkmelk, de laatste gemaakt door vermenging van 1 deel gebrande kalk met 10 deelen water.

c. Voorafgaande reiniging van te ontsmetten voonverpen.

297

-ocr page 328-

298 K.B. ONTSMETTING BESMETT. VEEZIEKTEN.

Om de uitwerking der ontsmettingsmiddelen, inzonderheid der scheikundige, zoo volledig mogelijk te maken, moet aan de aanwending daarvan eene reiniging voorafgaan, wanneer hetgeen ontsmet moet worden bedekt is met vuil of aanklevende dierlijke stof, die eene grondige ontsmetting bemoeilijkt of verhindert.

Behalve het verwijderen der onreinheden door afvegen, afschuren, afkrabben, afschaven, enz., en door afwasschen, afschuieren, afschrobben enz. met koud of met heet water, worden als reinigingsmiddelen gebruikt;

Groene zeep, opgelost in heet water tot een sterk zeepsop, en pot-aschloog of sodaloog, bereid door 1 deel ruwe potasch of ruwe soda op te lossen in 20 deelen kokend water, er onder te roeren 1 deel gebrande kalk, die te voren door bevochtiging met water tot poeder uiteengevallen is, en na bezinking der kalk de oplossing af te gieten.

Ingeval van ziekten van dieren, die voor den mensch door besmetting gevaar kunnen opleveren, moet reiniging met ontsmetting gepaard gaan.

B. De ontsmettingswijzen.

1. Stallen en andere gebouwen en zi-nh daarin bevindev-de voorwerpen.

Uit de stallen en andere gebouwen worden eerst verwijderd en met de noodige voorzorgen tegen verspreiding van smetstof vervoerd: mest, strooisel, voeder en alle andere te verbranden of te begraven voorwerpen, alsmede het grove vuil, dat van de zoldering, wanden en vloer afgenomen en daarna onverwijld met een der scheikundige ontsmettingsmiddelen in ruime hoeveelheid vermengd moet worden.

Muur-, steen- en pleisterwerken, houtwerk en houten stalgereed-schappen, ijzer- en ander metaalwerk worden gereinigd met heet zeepsop of wel met heete potaschloog of sodaloog en ontsmet met sublimaatwater of carbolwater.

Los ijzerwerk behoeft enkel gegloeid te worden.

Het nauwkeurig en sterk afzengen of afschroeien (flambeeren) is op zichzelf voldoende ter ontsmetting van houtwerk of metaalwerk.

Dekkleeden, touwwerk enz. worden door stoom ontsmet of wel met heet sterk zeepsop of heete verdunde sodaloog (1 deel loog op 3 deelen water) gereinigd en met sublimaatwater of carbolwater ontsmet. Lederwerk wordt met warm zeepsop of koude verdunde sodaloog gereinigd en met ter halve sterkte verdunde ehloorkalkmelk of met sublimaatwater ontsmet.

Haren kussens mogen enkel ontsmet worden door kokend water of stoom.

Aarden vloeren worden minstens 20 c.M. diep uitgegraven, de bodem met sublimaatwater, carbolwater, chloorkalk of gebrande kalk ontsmet en daarna ter dikte der uitgegraven laag met niei\'.wen grond bedekt, die vast wordt aangestampt.

-ocr page 329-

K.B. ONTSMETTING BESMETT. VEEZIEKTEN. 299

Losse steenen vloeren worden opgebroken en de ondergrond als aarden vloer behandeld, met reiniging en ontsmetting van de weder te bezigen steenen, of wel in de voegen diep uitgekrabd, door afschrobben met heet sterk zeepsop of met heete potasehloog gereinigd en met sublimaatwater of carbolwater ontsmet.

Gemetselde en cementvloeren worden na reiniging op de genoemde wijze met sublimaatwater of carbolwater begoten of wel dik bestreken met chloorkalkmelk of kalkmelk.

Houten vloeren worden opgebroken, de ondergrond als aarden vloer behandeld en het niet verbrande of begraven houtwerk op de gewone wijze gereinigd en ontsmet.

Goten, groppen, vaste roosters, zinkgaten, riolen en putten tot afvoer of verzameling van uitwerpselen, stalwater enz. worden gereinigd met kokend water en kokend heete potasehloog en, na ruime doorspoeling, met sublimaatwater of carbolwater ontsmet. Goten enz., wier wanden niet geheel dicht zijn, worden behandeld als losse steenbevloering.

Ten slotte wordt de stal of het gebouw berookt met chloor of met zwaveligzuur. Voor berooking met chloor is voor elke 10 Ms. ruimte benoodigd minstens 3 hectogram chloorkalk. De chloorkalk moet aangewend worden in kommen of schalen, die elk 1 2 tot hoogstens 1 kilogram mogen bevatten. Voor berooking met zwaveligzuur is voor elke 10 M3. ruimte benoodigd minstens IV\'a hectogram pijp-zwavel. De pijpzwavel moet aangewend worden in vlakke schalen, die elk hoogstens \' 2 kilogram mogen bevatten. In den stal of het gebouw moeten vóór den aanvang der berooking de lucht en de wanden en voorwerpen zoo vochtig mogelijk gemaakt worden. Zij blijven tijdens de berooking 24 uren gesloten en worden na dien twee dagen goed gelucht.

Afzonderlijke standplaatsen van vee in stallen en andere gebouwen worden, met uitzondering van de berooking, op overeenkomstige wijze ontsmet. Daarbij behooren echter tot de standplaats van een stuk vee medegerekend te worden de gedeelten van daaraan grenzende standplaatsen, die voor besmet zijn te houden.

Toepassing dezer voorschriften bij bepaalde besmettelijke ziekten.

De ontsmetting van stallen en andere gebouwen en van standplaatsen volgens de vorenstaande voorschriften is alleen geboden ingeval van veepest, longziekte, schaapspokken, kwaden droes, huidworm en miltvuur. Bij miltvuur moet inzonderheid de vloer met de meeste zorg ontsmet worden, maar blijft berooking achterwege.

Ingeval van mond- en klauwzeer is het voldoende goed te reinigen met heet water, voor zooveel noodig met heet zeepsop of heete verdunde sodaloog of potasehloog, en daarna het muurwerk, het houtwerk en den vloer te overgieten of te bestrijken met chloorkalk-

-ocr page 330-

300 K.B. ONTSMETTING BESMETT. VEEZIEKTEN.

melk of kalkmelk. Berooking van den stal mag alleen geschieden als deze van vee geheel ontruimd is.

Ingeval van dolheid kan gehandeld worden gelijk voor mond- en klauwzeer bepaald is, maar blijft berooking achterwege.

2. Huiden.

De huiden worden ontsmet door indompeling gedurende 12 uren in sublimaatwater of carbolwater of gedurende minstens 24 uren in versch bereide kalkmelk, die met hoogstens vijfmaal zooveel water verdund mag worden.

3. Voertuigen.

Voertuigen alsmede schuiten, waarmede vee, besmette voorwerpen en mest vervoerd zijn, worden onverwijld gereinigd en ontsmet op de wijze als voor hout- en ijzerwerk der stallen voorgeschreven is.

4. Klccderen.

Het ontsmetten van kleederen zal zich in den regel bepalen tot de bovenkleederen, waarbij het schoeisel bijzondere zorg vereischt. Zijn ook de onderkleederen besmet, dan worden deze in de ontsmetting begrepen. Kleederen, die met van vee afkomstige stoffen zooals bloed, slijm, enz. verontreinigd zijn, worden door stoom ontsmet of na onderdompeling in kokend water of bevochtiging, met zwavelig-zuur of chloor berookt. Schoeisel wordt nauwkeurig gereinigd door afwasschen met heet zeepsop en daarna ontsmet met sublimaat water of carbolwater.

5. Veewagens, gereedschappen en ladingsterreinen van spoor- en tramwegen. (K.B. 2G Mei 1888, S. 86.)

De veewagens worden ontledigd van strooisel, mest, voeder enz. en door afkrabben en uitvegen van het grove vuil ontdaan.

Daarna worden de wanden en vloer met water afgeschrobd en vervolgens begoten, of bespoten, totdat zij geheel rein zijn. Voor zooveel noodig moet het afschrobben geschieden met sterk zeepsop of met verdunde sodaloog of potaschloog (1 deel loog op 3 deelen water) en moeten de genoemde vochten heet worden aangewend. Wandbekleedingen van leder of linnen worden met warm zeepsop of zoo noodig met warme verdunde sodaloog afgewasschen.

De goed gereinigde wanden en vloer worden ontsmet door witten met kalkmelk of chloorkalkmelk, of door bestrijken met carbolwater of sublimaatwater, of door stoom van minstens 2 atmospheeren (120° C.) op alle te ontsmetten plaatsen van nabij in een straal te doen inwerken, of door stoom van minstens 6 atmospheeren (160° C.) in den dicht gesloten wagen te doen instroomen.

-ocr page 331-

K.B. ONTSMETTING BESMETT. VEEZIEKTEN. 301

Op overeenkomstige wijze worden gereinigd en ontsmet loopplanken, voederbakken, emmers, touwen en andere voorwerpen, waarmede het vervoerde vee in aanraking geweest is.

Op de terreinen van in- en uitlading worden mest, gebruikt strooisel, enz. zorgvuldig bijeengeveegd, de aarden bodem met water afgespoeld en de bestratingen en houtbekleediugen met water afgeschrobd. Zoo noodig wordt, na reiniging, de bodem met carbolwater of sublimaatwater begoten.

De uit de wagens en van de voorwerpen verwijderde en de op de terreinen bijeengeveegde stoffen worden naar eene daarvoor bestemde bergplaats vervoerd en aldaar met gebrande kalk bestrooid of met carbolwater of sublimaatwater bevochtigd.

§ 3. Het onschadelijk maken van mestvaalten.

Het onschadelijk maken van mestvaalten geschiedt bij voorkeur door den mest naar bouwland te vervoeren en onmiddellijk onder te ploegen, of anders door overgieten met sublimaatwater of carbolwater of bestrooien met eene laag chloorkalk of gebrande kalk.

§ 4. Algemeene bepalingen.

De districtsveearts beslist in overleg met den burgemeester of het onschadelijk maken van dood vee in plaats van door begraven geschieden zal door verbranden of op andere wijze.

Voor elk bijzonder geval wordt door den districtsveearts of door den veearts, die hem vervangt, bepaald en aangewezen welke middelen ter ontsmetting aangewend zullen worden, en op welke wijze, voor zoover deze voorschriften verschillende wijze van handelen toelaten.

De aanwending van sublimaatwater als ontsmettingsmiddel mag uitsluitend plaats hebben in tegenwoordigheid van den districtsveearts, of van den veearts, die hem vervangt.

Voor zooveel noodig worden bijzondere regelen die bij de uitvoering dezer voorschriften inachtgenomen moeten worden, door den Minister van Binnenlandsche Zaken bij nadere instructie vastgesteld.

-ocr page 332-

K.B. BETR. MERKING EN VISITATIE VAN VEE.

handhaving van Onze besluiten van 8 December 1870 (Staatsblad no. 194) en van 14 Augustus 1888 (Staatsblad no. 142); (Zie noot 2 op art. 15 Veearts.T.)

Gelet op de artikelen 15 en 35 van de wet (Veearts.T.) van 20 Juli 1870 (Staatsblad no. 131), laatstelijk gewijzigd bij art. 10, 26°., der.(Inv.)wet van 15 April 1886 (Staatsblad no. 64);

Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen:

Art. 1. In de door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken aangewezen nabij de grenzen gelegen gemeenten of gedeelten daarvan is het vervoer van de mede door hem aan te wijzen soort van vee verboden, wanneer het niet op de in artikel 2 van Ons tegenwoordig besluit bedoelde wijze is gemerkt. (Veearts.T. 35.)

De aanwijzing dier gemeenten of gedeelten van gemeenten en van de veesoorten wordt, door plaatsing in de Staatscourant en zoo mogelijk in een plaatselijk nieuwsblad, ter algemeene kennis gebracht. (8, 10.)

2. Het merken geschiedt voor rekening van het Kijk door veeopzichters op de wijze, door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken te bepalen.

Deze opzichters worden benoemd en ontslagen door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken.

Bij de aanvaarding zijner bediening legt ieder veeopzïchter in handen van den burgemeester der gemeente, die hem als standplaats is aangewezen den volgenden eed of belofte af:

»Ik zweer (beloof) dat ik de verplichtingen, verbonden aan de betrekking van veeopzichter, naar behooren vervullen zal.

aZoo waarlijk helpe mij God Almachtig!» (Dit beloof ik.l

3. De merking geschiedt niet, dan nadat de inschrijving op de in artikel 4 van Ons tegenwoordig besluit bedoelde lij iten heeft plaats gehad.

4. Het in artikel 1 bedoelde vee van eiken eigenaar afzonderlijk, wordt onverwijld na de in dat artikel bedoelde aanwijzing van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken op daartoe in duplo aangelegde lijsten door de veeopzichters opgeschreven.

Op deze lijsten wordt het vee genummerd en beschreven. De lijsten worden door de eigenaars of bij ontstentenis van dezen, door de houders of hoeders van het vee voor gezien geteekend: indien zij opgeven niet te kunnen of te willen onderteekenen, maakt de veeopzichter daarvan melding op de lijsten.

Een exemplaar van iedere lijst wordt aan den burgemeester toegezonden.

5. De opzichters zijn gehouden al het vee, vermeld op de door hen opgemaakte lijsten, ten minste eenmaal \'s weeks te visiteeren en met de lijsten te vergelijken. Veranderingen worden, met inachtneming van artikel 6 van Ons tegenwoordig besluit, onverwijld op de

304

-ocr page 333-

K.B. BETR. MERKINCt Eli VISITATIE VAN VEE. 305

lijsten aangeteekend en door de eigenaars houders of hoeders voor gezien geteekend.

Behalve bij de wekelijksche visitatie kunnen de opzichters, op dezelfde wijze en met inachtneming van artikel 6 van Ons tegenwoordig besluit, veranderingen op de lijsten aanteekenen op verzoek van den eigenaar, houder of hoeder van het vee. (7.)

6. Een veeopzichter schrijft geen stuk vee op een lijst bij, waarvan hij vermoedt dat het met overtreding van Ons besluit van 8 December 1870 (Staatsblad no. 194) of van dat van 14 Augustus 1888 iStaaUhlad no. 142) uit het buitenland is ingevoerd.

In zulk een geval roept hij de beslissing van den burgemeester in. Bezwaren tegen de uitspraak van den burgemeester worden beslist door Onzen Commissaris in de provincie.

7. De veeopzichters geven van elke verandering op een lijst onverwijld kennis aan den burgemeester, die daarvan aanteekening houdt op het onder hem berustend exemplaar der lijst. (5.)

8. Het verbod, vermeld in artikel 1, geldt niet:

a. voor vee dat van buiten de in dat artikel bedoelde gemeenten of gedeelten van gemeenten, in die gemeenten of gedeelten daarvan wordt ingevoerd, zoolang de opschrijving van dit vee op de in artikel 4 bedoelde lijsten nog niet heeft kunnen plaats vinden;

b. voor vee, afkomstig uit gemeenten of gedeelten daarvan, niet in de aanwijzing volgens artikel 1 begrepen, dat tijdelijk in de bij dit artikel bedoelde gemeenten of gedeelten van gemeenten aanwezig is wegens doorvoer naar buitenslands of naar eene Xederlandsche gemeente of gedeelte daarvan, niet begrepen in de aanwijzing van artikel 1.

9. De bij artikel 8 bedoelde in- en doorvoer heeft plaats met een vervoerbiljet, afgegeven door den burgemeester ter plaatse van herkomst en vermeldende eene nauwkeurige beschrijving van het vee door opgave van het geslacht, ouderdom, kleur en blijvende kentee-kenen, benevens den tijd waarbinnen volgens de in het vervoerbiljet vermelde route, de uitvoer naar buitenslands of het vervoer naar de bestemmingsplaats moet zijn volbracht.

10. Op vee, per spoor of tramweg of per schip doorgevoerd door de in artikel 1 bedoelde gemeenten of gedeelten van gemeenten, zijn de bovengenoemde bepalingen niet van toepassing.

11. Dit besluit treedt in werking op den vijfden dag na de afkondiging in het Staatsblad en in de Staatscourant.

Onze Ministers van Binnenlandsche Zaken en van Financiën zijn belast met de uitvoering van dit besluit, enz.

20

stw. II.

-ocr page 334-

WET,

TOT BESCHERMING VAN DIERSOORTEN, NUTTIG VOOR LANDBOUW OF HOUTTEELT.

(Vastgesteld den 25sten Mei 1880, Stsbl. no. 89, uitgegeven den Sisten Mei d.a.v. Gewijzigd bij de wet van 15 April 1880, Stsbl. no. 64.)

Art. 1. Het is verboden in het wild levende zoogdieren of vogels, nuttig voor landbouw of houtteelt, te vangen, te dooden, te vervoeren, te koop aan te bieden, te verkoopen, af te leveren, of ten verkoop of ter aflevering in voorraad te hebben. (6; Jagtwet 17.)

2. Het is verboden van de in artikel 1 begrepen vogels: (6.)

1°. de eijeren uit te halen, te vernielen, te vervoeren, te koop aan te bieden, te verkoopen, af te leveren of ten verkoop of ter aflevering in voorraad te hebben; (Jagtwet 22.)

2°. de nesten te verstoren of te vernielen.

3. Door Ons wordt bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur aangewezen, welke in het wild levende zoogdieren of vogels, hetzij ten allen tijde, hetzij gedurende een gedeelte van het jaar, worden geacht voor landbouw of houtteelt nuttig te zijn.

Daarbij wordt tevens bepaald ten aanzien van welke dezer dieren de verbodsbepalingen van artt. 1 en 2, hetzij geheel, hetzij ten deele, tijdelijk en onder zekere voorwaarden, door Onze Commissarissen in de provinciën kunnen worden opgeheven. (K.B. 24 Oct. 1892, S. 236, aangev. K.B. 9 Juni 1893, S. 87.)

4. Bij gemeenschappelijke beschikking van Onze met de uitvoering dezer wet belaste Ministers 1) kan, voor een wetenschappelijk doel, aan bepaalde personen ontheffing worden verleend van eene of meer der in de artikelen 1 en 2 vervatte verbodsbepalingen.

5. Het vangen of dooden van de in deze wet bedoelde dieren, zich bevindende hetzij op, aan of in eene woning of op hel daarbij behoorende afgesloten erf, hetzij in tuinen, fruitboomgaarden of kweekerijen, is den bewoner, den gebruiker van den grond en, met hunne toestemming, ook aan derden vrijgelaten. Gelijke uitzondering geldt voor het uithalen, vernielen of verstoren van oe zich aldaar bevindende eijeren en nesten.

Als afgesloten wordt beschouwd het erf, dat ter hoogte van ten minste één meter omringd is door een muur, heg, schutting, raster-

1

Dit ziin de Ministers van Justitie en van Waterstaat, Handel en Nijverheid.

-ocr page 335-

wet bescherming van diersoorten.

of traliewerk of omgeven door eene sloot ter breedte van ten minste twee meter op en ter diepte van ten minste één meter vijftig centimeter onder het maaiveld. (Jagtwet 12 sub b.)

8. Behoudens de uitzonderingen in de drie voorgaande artikelen aangewezen, wordt overtreding van de artt. 1 en 2 gestraft met geldboete van vijftig cents tot twintig gulden.

Indien tijdens het plegen van het feit nog geene twee jaren ver-loopen zijn sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens overtreding van hetzelfde artikel dezer wet onherroepelijk is geworden, wordt het maximum der boete verdubbeld en kan in plaats van de boete hechtenis van ten minste één dag en ten hoogste zeven dagen worden opgelegd. r)

7. Bij elke bekeuring worden de gedoode of gevangen dieren, alsmede de eijeren en alle voorwerpen waarmede de overtreding werd gepleegd, in beslag genomen.

De levende dieren worden in vrijheid gesteld.

De doode dieren en de eijeren worden aan de ambtenaren van het openbaar ministerie bij het kantongeregt, onder welks regtsgebied de aanhaling geschied is, zoodra doenlijk uitgeleverd en, op diens mag-tiging, vernietigd. (Jagtwet 21, 45—48.)

8. Met het opsporen van de overtredingen dezer wet worden belast de maréchaussée en de ambtenaren der Kijks- en gemeente-poli-

| tie, alsmede de beambten der Rijksmiddelen. (Jagtwet 36.)

9. Deze wet treedt in werking op een nader door Ons te bepalen dag.

1) Art. G aldus gewijzigd volgens art. 10 sub 42°. en art. 11 der Inv.wet van 15 April 1886, S. 64.

2) Bij K.B. van 4 Sept. 1880, S. 170, is deze dag bepaald op 1 October 1880.

BESLUIT,

houdende nadere vaststelling van bepalingen ter uitvoering van art. 3 der wet van 25 Mei 1880 {Staatsblad no. 89) tot bescherming van diersoorten, nuttig voor landbouw op houtteelt.

(Vastgesteld den 24sten October 1892, Stsbl. no. 236, uitgegeven den 7den Nov. d.a.v. Aangevuld bij K.B. van 9 Juni 1893, Stsbl. no. 87.)

Wij EMMA, enz.

Overwegende, dat het wenschelijk is, de bepalingen van het Koninklijk besluit van den 25sten Augustus 1880 {Staatsblad no. 164)

20*

307

-ocr page 336-

308 K.B. BESCHERMING VAN DIERSOORTEN.

ter uitvoering van artikel 3 der wet van 25 Mei 1880 (Staatsblad no. 89) tot bescherming van diersoorten, nuttig voor landbouw of houtteelt, te herzien;

Hebben goedgevonden en verstaan, met intrekking van het Koninklijk besluit van 25 Augustus 1880 {Staatsblad no. 164), te bepalen:

Art. 1. Te allen tijde worden geacht voor landbouw of houtteelt nuttig te zijn:

A. de volgende insectenetende zoogdieren.

1. de egel (Erinaceus Europaeus),

2. de gewone veldspitsmuis of molmuis (Sorex vulgaris),

3. alle soorten van vleermuizen.

B. de koekoek (cuculus canorus).

C. alle zwaluwvogels, namelijk:

1. de boerenzwaluw, het zwaalfje (Hirundo rustica),

2. de huiszwaluw, het melkstaartje (Hirundo urbica),

3. de oeverzwaluw, aard-, tuin-, zand- of waterzwaluw (Hirundo riparia),

4. de gierzwaluw, steen- of torenzwaluw, haker, steenkrijter, scheer (Cypselus apus),

5. de nachtzwaluw, geitemelker, dagslaper, vliegende pad, vliegende kikvorseh, nachtratel, ratelaar (Caprimulgus europaeus).

D. de klautervogels, namelijk:

1. het boomkruipertje, klampvogeltje i^Certhia familiaris),

2. de boomklever, blauwspecht, het brabantertje (Sitta caesia).

E. de volgende spitsbekkige zangvogels:

1. het winterkoninkje, kleinduimpje (Troglodytes europaeus),

2. de zwartkop (Sylvia atricapilla),

3. de tuinfluiter, groote hofzanger, kersenpikker (Sylvia hortensis),

4. de grasmusch, het erwtenpikkertje of koewachtertje (Sylvia einerea),

5. de braamsluiper, het molenaartje, babbelaartje, garendiefje, brummeldiefje, de kersenpikker (Sylvia currucca),

6. de fluiter, (Phylloscopus sibilatrix),

7. de fitis of kleine gele hofzanger (Phylloscopus trochilus),

8. de tjiftjaf of tierentijn (Phylloscopus rufa),

9. de spotvogel, het geelborstje, geelbuikje of citroentje, de groote gele hofzanger (Phylloscopus hypolaïs),

10. het roodstaartje, de gekraagde roodstaart of muumachtegaal (Luseinia phoenicura),

11. het zwarte roodstaartje (Luseinia thytis),

12. het roodborstje (Luseinia rubecula),

13. de graspieper of piepleeuwerik (Anthus pratensis),

14. de boompieper (Anthus arboreus).

-ocr page 337-

K.B. EESCHERMING VAN DIERSOORTEN.

15. de gele kwikstaart, het koevinkje of gele akkermannetje (Mo-tacilla flava),

16. de witte kwikstaart, het akkermannetje, bouwmeestertje, paar-denwachtertje (Motacilla alba),

17. de bastaardnachtegaal, winterzanger, boerennachtegaal, doornkruiper (Accentor modularis),

18. de goudhaantjes (Eegulus cristatus en Eegulus ignicapillus).

F. de meezen, namelijk:

1. de koolmees, bijmees, plakker, het blokvinkje (Parus major),

2. de pimpel- of blauwmees (Parus coeruleus),

3. de zwartkopmees, het ossekopje, het korstjekaas (Parus pa-lustris),

4. de kuifmees (Paris cristatus),

5. de zwarte mees (Parus ater),

6. de staartmees, het langstaartje, pijlstaartje of doodshoofdje, de ijsbeer (Parus caudatus).

2. Behoudens de uitzondering in het tweede lid van dit artikel worden mede te allen tijde geacht voor landbouw of houtteelt nuttig te zijn;

1. de kokmeeuw, kapmeeuw, lachmeeuw, kob (larus rudibundus);

2. de zilvermeeuw, kaap of kobbe (larus argentatus);

8. de mantelmeeuw of zeekaag (larus marinus);

4. de kleine zeemeeuw, stormmeeuw of wintermeeuw (larus canus);

5. de kleine mantelmeeuw (larus fuscus);

6. de spreeuw, panlijster, spraan, spra, sprotter (sturnus vulgaris).

Ten aanzien van deze vogels kunnen, overeenkomstig art. 3 der

wet van den 25sten Mei 1880 [Staatsblad no. 89), voorzooveel betreft de vogels genoemd sub 1, 2, 3, 4 en 5, de verbodsbepalingen van art. 2 der wet, en voorzooveel betreft de vogels, genoemd sub 6, de verbodsbepalingen van art. 1 der wet, tijdelijk en onder zekere voorwaarden door Onze Commissarissen in de provinciën worden opgeheven. \')

3. Gedurende de eerste negen maanden des jaars worden geacht voor landbouw of houtteelt nuttig te zijn:

1. de zwarte lijster, meerl of gieteling (Turdus merula),

2. de zanglijster of grauwe lijster (Turdus musicus),

3. de veldleeuwerik (Alauda arvensis).

309

De Ministers van Waterstaat, Handel en Nijverheid en van Justitie zijn belast met de uitvoering van dit besluit, enz.

1) Art. 2 aldus gewijzigd bij K.B. 9 Juni 1893, S. 87.

-ocr page 338-

WET,

BETREKKELIJK HET NEMEN VAN MAATREGELEN TEGEN OVERBRENGING VAN DEN COLORADOKEVER.

(Vastgesteld den 5den Junij 1875, Stsbl. no. 113, uitgegeven den 16den Junij d.a.v. Gewijzigd bij de wet Tan 15 April 1886, Stsb). no. 64.)

Art. I. Door Ons kan, tot wering van bovongenoemden kever, de in- en doorvoer van aardappelen, hetzij regtstreeks, hetzij middellijk aangevoerd uit de bij Ons besluit aan te duiden landen of plaatsen, alsmede van afval van deze aardappelen, van zakken, vaten en andere tot verpakking daarvan gediend hebbende voorwerpen verboden en kunnen de noodige maatregelen, ter uitvoering van dat verbod, bevolen worden.

2. Overtreding van de krachtens deze wet uit te vaardigen besluiten, alsmede het afgeven van valsche verklaringen van oorsprong of herkomst van uit den vreemde aangevoerde aardappelen of andere voorwerpen, in artikel 1 bedoeld, wordt gestraft met eene boete van vijftig cents tot vijf honderd gulden of eene hechtenis van sen dag tot eene maand. 1)

Bij ontdekking dezer overtreding worden de voorwerpen, ten op-zigte waarvan die gepleegd is, in beslag genomen; bij het veroor-deelend vonnis worden die verbeurd verklaard en kan de vernietiging daarvan worden bevolen.

3. Behalve de ambtenaren van Rijks- en gemeente-politie, zijn ook die der in- en uitgaande regten en accijnsen belast met de opsporing der overtredingen van de krachtens artikel 1 te netrien besluiten.

1

Aldus gewijzigd volgens de artt. 10 no. 33 en 11 der Inv.wet van 15 April 1886, S. 64.

-ocr page 339-

W E T,

BETREFFENDE DE UITVOERING DER OP 3 NOVEMBER 1881 TE BERN GESLOTEN INTERNATIONALE OVEREENKOMST TOT WERING DER DRUIFLUIS (PHYLLOXERA).

(Vastgesteld den 6den December 1883, Stsbl. uo. 181, uitgegeven den 21sten December d.a.v. Laatstelijk gewijzigd bij de wet van 15 April 1890, Stsbl. no. 48.)

Art. 1. Door Ons kunnen ter uitvoering der op 3 November 1881 te Bern gesloten internationale overeenkomst 1) tot wering van de druifluis (phylloxera) bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur de noodige voorschriften worden vastgesteld. (K.B. 24 Dee. 1883, S. 248; Inv.wet 20.)

2. (Ingetrokken bij de wet van 15 April 1890, S. 48.)

3. Deze wet treedt in werking op den dag harer afkondiging.

1) Nederland is tot deze overeenkomst den 5/6den October 1883 toegetreden. Deze toetreding is goedgekeurd bij de wet van 6 Dec. 1883, Stsbl. no. 178.

BESLUIT,

HOUDENDE BEPALINGEN TEK UITVOERING DEK OVEREENKOMST TOT WERING DER DKUIEEUIS (PHYLLOXERA).

(Vastgesteld den 24sten December 1883, Stsbl. no. 248, uitgegeven den 29sten December d.a.v. Laatstelijk gewijzigd bij K.B. van 20 Mei 1894, Stsbl. no. 66.)

Art. 1. Het ter uitvoering van bovengenoemde overeenkomst ver-eischte toezicht op de wijngaarden, boomkvveekerijen van eiken aard, tuinen en broeikassen wordt opgedragen aan door Onzen Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid aangewezen offieieele deskundigen.

-ocr page 340-

312 K.B. WERINÖ DRUIFLUIS (PHYLLOXERA).

De werkzaamheden dezer deskundigen en de door hen daarvoor te genieten belooningen worden door Onzen genoemden Minister geregeld.

2. Wijn, druiven, rozijnen, wijnmoer, druivepitten, afgesneden bloemen, groenten (versche en gedroogde), bloembollen, zaden en vruchten van allerlei aard, worden tot den invoer en doorvoer toegelaten, zonder dat de afzenders bijzondere formaliteiten behoeven in acht te nemen.

Tafeldruiven mogen alleen in- en doorgevoerd worden in goed gesloten doch gemakkelijk te onderzoeken doozen, kisten of manden.

Wijndruiven mogen alleen gestampt en in goed gesloten vaten van den inhoud van ten minste vijf hektoliter in- en doorgevoerd worden.

Druivenmoer mag alleen in goed gesloten kisten of vaten in- en doorgevoerd worden.

De vaten moeten zoodanig schoongemaakt zijn, dat er zich geen aarde of gedeelten van den wijnstok aan bevinden.

3. De in- en doorvoer van uitgetrokken wijnstokken en drooge wijngaardranken is verboden. Hetzelfde geldt omtrent wijngaard-planten en stekken, afkomstig uit streken die door de phylloxera zijn aangetast.

Wijngaardplanten en stekken, met of zonder wortels, en groene wijngaardranken, afkomstig uit streken die niet door de phylloxera zijn aangetast, worden alleen toegelaten na verkregen vergunning van Onzen Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid, langs de in artikel 5 aangewezen douanekantoren en nadat zij op kosten van den geadresseerde met de verpakking onderzocht en ontsmet zijn, op die kantoren of in de daartoe aangewezen inrichtingen.

Genoemde voorwerpen mogen alleen in houten met schroeven goed gesloten doch gemakkelijk te onderzoeken kisten worden vervoerd.

4. De tot het internationaal verkeer toegelaten bezendingen, van welken aard ook, mogen geene gedeelten van wijnstokken noch wijngaardbladeren bevatten.

5. De in- en doorvoer van planten, heesters en alle niet tot den wijnstok behoorende gewassen, die niet genoemd zijn in artikel 2, afkomstig uit boomkweekerijen, tuinen of broeikassen, is toegelaten, doch mag alleen plaats hebben langs de door de Ministers van Waterstaat, Handel en Nijverheid en van Financiën aan te wijzen kantoren. 1)

De volgende voorwaarden moeten daarbij in acht genomen worden ; (7, 8.)

1. de voorwerpen moeten behoorlijk ingepakt zijn, doch zoodanig, dat het vereischte onderzoek gemakkelijk kan plaats hebben;

1

Het eerste lid aldus gewijzigd volgens K.B. 26 Mei 1894, S. 66.

-ocr page 341-

K.B. WERING DRUIFLUIS (PHYLLOXERA). 313

2. de zendingen moeten vergezeld zijn van:

A. eene verklaring, geteekend door den afzender, houdende;

a. aanwijzing van de plaats van bestemming en van het adres van hem, voor wien de bezending bestemd is;

b. verklaring, dat de inhoud geheel uit de inrichting van den afzender afkomstig is;

c. verklaring, dat de bezending geen wijngaardplanten bevat;

d. vermelding of in de bezending planten met aardkluiten zijn;

B. eene verklaring van het bevoegd gezag, gegrond op het getuigschrift van eenen officieelen deskundige, waaruit blijkt:

n. dat de bezending afkomstig is van een terrein (open of afgesloten) van eiken wijnstok gescheiden door eene tusschenruimte van ten minste 20 meter, of door eenig ander beletsel voor de wortels, door het bevoegde gezag voldoende geacht;

b. dat op dit terrein zelf geen wijnstok wordt gevonden;

c. dat daarop geene bewaarplaats van dergelijke planten aanwezig is;

d. dat, wanneer zich daarop aangetaste wijnstokken hebben bevonden, er eene algeheele uitroeiing, herhaalde ontsmetting en gedurende drie jaren onderzoekingen hebben plaats gehad, welke de volkomen vernietiging van het insect en van de wortels waarborgen.

Bij zendingen, afkomstig uit eene inrichting, welke op de ingevolge artikel 9, no. 6 der internationale overeenkomst tot wering der druifluis bekend gemaakte lijsten zijn gebracht, wordt overlegging van de sub B. genoemde verklaring niet geëischt. 1)

6. Zendingen als bedoeld in het vorige artikel, afkomstig uit Kijken, die niet tot de overeenkomst zijn toegetreden, en welke niet vergezeld zijn van de in dat artikel genoemde verklaringen, worden niet aan den geadresseerde afgeleverd dan nadat zij op zijne kosten door eea der krachtens artikel 1 benoemde deskundigen zijn onderzocht.

Bij den invoer worden aan de ambtenaren der invoerrechten op hunne aanvraag de vrachtbrieven of andere papieren vertoond, waaruit van de herkomst der zendingen blijkt.

7. De aan een douanekantoor wegens overtreding der bepalingen van dit besluit aangehouden goederen worden op kosten van den rechthebbende naar de plaats van herkomst teruggezonden.

De terugzending heeft plaats door de zorg van dengene, die de goederen ter in- of doorvoer aangeeft. Heeft er geene aangifte plaats, of weigert de aangever ze terug te zenden, dan worden zij door verbranding vernietigd.

Voorwerpen, waarop door den geraadpleegden deskundige druifluizen of verdachte sporen van het insect gevonden worden, worden met de verpakking terstond en op de plaats zelve door verbranding

1

Laatste lid aldus toegevoegd volgens K.B. 14 Dec. 1889, S. 178.

-ocr page 342-

314 K.B. WERING DRUIFLUIS (PHYLLOXERA).

vernietigd. In dit geval wordt een proces-verbaal opgemaakt en aan de Regeering van het land van herkomst gezonden.

8. Belanghebbenden die zendingen, als bedoeld in art. 5, naar Rijken die tot de overeenkomst zijn toegetreden, wenschen uit te voeren, wenden zich voor het onderzoek van hunne boomkweeke-rijen, tuinen of broeikassen, bij verzoekschrift, tot Onzen Commissaris in de provincie, door wien dat onderzoek aan een der volgens art. 1 aangewezen officieele deskundigen wordt opgedragen.

De ambtelijke verklaringen, welke de zendingen moeten vergezellen, worden op grond van de getuigschriften der deskundigen dooi de burgemeesters afgegeven.

De bedoelde zendingen worden door de spoorwegondernemingen niet ten vervoer aangenomen, zoo zij niet vergezeld zijn van verklaringen, als in art. 5 vermeld. (9.)

9. Mocht te eeniger tijd de aanwezigheid van de druifluis binnen liet Rijk blijken, dan zullen door Onzen Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid de noodige maatregelen van ontsmetting worden bevolen.

In dat geval is elk vervoer van planten, struiken en gewassen uit de kringen, voor zooveel noodig door Onzen genoemden Minister aan te wijzen, verboden.

10. Met de handhaving der bepalingen van dit besluit zijn belast de officieele deskundigen, in art. 1 bedoeld, de ambtenaren en beambten der Rijks- en gemeentepolitie, en de ambtenaren der invoerrechten.

11. Dit besluit treedt in werking den vijfden dag na zijne afkon-diging.

Onze Ministers van Waterstaat, Handel en Nijverheid en van Financiën zijn belast met de uitvoering van dit besluit, enz.

-ocr page 343-

WET,

HOUDENDE BEPALINGEN TOT VOORKOMING VAN BEDKOG IN DEN BOTERHANDEE.

(Vastgesteld den 233ten Juni 1889, Stsbl. no. 82, uitgegeven den 25sten Juni d.a.v.)

Art. 1. In den zin dezer wet is boter het vetartikel, waarin, behalve zout en kleursel, geen andere bestanddeelen voorkomen, dan die van melk afkomstig zijn en is surrogaat van boter het vetartikel dat geen boter is, maar daarop gelijkt en dienen kan om haar te vervangen.

2. Het is verboden een surrogaat van boter te leveren of het in een winkel of op eenige andere openbare verkoopplaats voorhanden te hebben indien niet op de verpakking of bij gebreke daarvan op de waar zelve, het woord margarine, of, is de^ waar niet uit oleomargarine bereid, het woord surrogaat in duidelijke letters voorkomt. (5, 7; B.W. 667; S.K. 330.)

De afmeting van de letters en de wijze waarop die moeten worden aangebracht, worden door Onzen Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid bepaald en in de Staatucoii-rant aangekondigd. (Min. B. 23 Oct. 1889.)

3. Met het opsporen van de feiten bij deze wet strafbaar gesteld, zijn belast de ambtenaren vermeld in artikel 8, nos. 1 tot en met 6 van het Wetboek van Strafvordering, de marechaussee en alle andere ambtenaren van Rijks- en gemeentepolitie.

4. De winkels of andere openbare verkoopplaatsen, waar boter of hierop gelijkende waren voorhanden zijn, zijn van des voormiddags 8 uren tot des namiddags 8 uren, behalve op Zondag, ook tegen den wil van den gebruiker of den bewoner toegankelijk voor de in artikel 3 bedoelde ambtenaren.

Is de winkel of andere openbare verkoopplaats alleen door eene woning toegankelijk, dan treden zij deze tegen den wil van den bewoner niet binnen dan op schriftelijken, bijzonderen last van den kantonrechter of van den burgemeester, welken lastbrief zij gehouden zijn den bewoner des verlangd te vertoonen. Van dit binnentreden wordt binnen tweemaal vier en twintig uren proces-verbaal opgemaakt en aan dengene, wiens woning is binnengetreden, in afschrift medegedeeld. (G. 158; Wet v. 31 Aug. 1853, S. 83.)

5. De ambtenaren in artikel 3 bedoeld, zijn bevoegd monsters te nemen van in winkels of op andere openbare verkoopplaatsen voor-

-ocr page 344-

EOTEinVET.

handen zijnde boter of daarop gelijkende waren, alsmede van boter of daarop gelijkende waren in geval van levering daarvan ook buiten die winkels of andere openbare verkoopplaatsen. Die bevoegdheid bestaat niet, wanneer de op boter gelijkende waren als surrogaten van boter zijn aangeduid op eene der in of krachtens artikel 2 voorgeschreven wijzen.

Voor het monster wordt de marktwaarde vergoed, wanneer daartoe het verlangen te kennen wordt gegeven aan den ambtenaar die het monster neemt. (6.)

6. De in het vorige artikel bedoelde monsters worden door de daar aangewezen ambtenaren verzegeld en onder bijvoeging van een proces-verbaal, vermeldende de herkomst van ieder monster, zoodra mogelijk verzonden aan den bevoegden ambtenaar van het openbaar ministerie, door wiens zorg zij worden overgegeven aan de door Onzen Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid aan te wijzen deskundigen, volgens door hem te geven voorschriften en tegen eene door hem vast te stellen belooning met het onderzoek van de monsters te belasten. (7; S.V. 10; art. 2a van K.B. 22 April 1892, S. 93, gew. 16 Nov. 1893, S. 164.)

De belanghebbende is bevoegd de monsters ook met zijn eigen zegel te voorzien of het papier, waarop het zegel der ambtenaren geplaatst is, met zijne handteekening te waarmerken. In hel procesverbaal wordt vermeld of, en zoo ja, op welke wijze van die bevoegdheid is gebruik gemaakt.

7. Overtreding van eene der bepalingen van artikel 2 dezer wet wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of eene geldboete van ten hoogste tweehonderd gulden, en indien tijdens het plegen van het feit nog geen jaar is verloopen sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens overtreding van eene der bepalingen dezer wet onherroepelijk is geworden, met hechtenis van ten hoogste vier maanden of eene geldboete van ten hoogste vierhonderd gulden.

Niet strafbaar is hij, die in geval van overtreding van artikel 2, eerste lid, bewijst, dat de waar, waarmede de overtreding gepleegd is, door hem te goeder trouw voor boter werd gehouden.

8. Bij veroordeeling kan door den rechter openbaarmaking op kosten van den veroordeelde worden gelast van de rechterlijke uitspraak of van een uittreksel daarvan. (S.R. 96 4°., 36, 339.)

9. De feiten bij deze wet strafbaar gesteld, worden beschouwd als overtredingen. (K.O. 44.)

316

10. Deze wet treedt in werking op een nader door Ons te bepalen tijdstip. 1)

1

Bij K.B. van 30 Oct. 1889, Stsbl. no. 155, is dit tijdstip bepaald op 1 Januari 1890.

-ocr page 345-

WET,

TOT VASTSTELLING VAN BEPALINGEN BETREFFENDE \'S BUKS WATEESTAATSWEEKEN.

(Vastgesteld den 28sten Februari 1891, Stsbl. no. 09, uitgegeven den l-lden Maart d.a.v.J

Art. 1. Door Ons worden, ter bescherming van \'s Rijks waterstaatswerken, alsmede ter verzekering van het doelmatig en veilig gebruik dier werken, voor zoover daarin niet door eene wet of door Ons krachtens eene wet is voorzien, bij algemeenen maatregel van bestuur vastgesteld door straffen te handhaven bepalingen, betreffende ;

1°. het met vaartuigen, vlotten of andere voorwerpen gebruik maken van openbare wateren, onder beheer van het Eijk, waaronder in deze wet mede. verstaan worden de territoriale wateren; (K.B.W.w. I.)

2°. het gebruik maken van kribben, dammen, steigers, veerponten, veerbooten, duikers, dukdalven, remmingswerken en andere werken in, over of onder de sub lu. vermelde wateren; alsmede van sluizen en bruggen, alles voor zoover die werken zijn waterstaatswerken onder beheer van het Eijk; (K.B.W.w. I.)

3°. het gebruik maken van de zeestranden, zeekeerende duinen en andere zeeweringen en van kaden, losplaatsen, meerpalen, dijken, bermen, glooiingen, wallen en oevers, onder beheer van het Eijk; (K.B.W.w. I.)

4°. het veranderen of het opzettelijk belemmeren van den loop van de wateren, sub 1°. vermeld; (K.B.W.w. I.)

5°. hot baggeren, graven en slikkeren, alsmede het visschen, aal-geeren of rapen van schelpdieren of mosselzaad op of langs de sub 2°. en 3°. vermelde werken en in de sub 1°. vermelde wateren, of de daarin opgekomen slikken, gorzen of gronden, voor zoover de laatste onder beheer zijn van het Rijk; (K.B.W.w. II.)

6°. het gebruik maken van wegen en paden, onder beheer van het Rijk, en van de daartoe behoorende glooiingen, bermen, slooten, bruggen, duikers, beschoeiingen en andere werken; (K.B.W.w. I.)

7°. het werpen of nederleggen van vaste stoffen in de sub 1°. vermelde wateren en op of in waterstaatswerken onder beheer van het Rijk, alsmede op de tot die werken behoorende gronden, voor

-ocr page 346-

316 EOTEEWET.

handen zijnde boter of daarop gelijkende waren, alsmede van boter of daarop gelijkende waren in geval van levering daarvan ook buiten die winkels of andere openbare verkoopplaatsen. Die bevoegdheid bestaat niet, wanneer de op boter gelijkende waren als surrogaten van boter zijn aangeduid op eene der in of krachtens artikel 2 voorgeschreven wijzen.

Voor het monster wordt de marktwaarde vergoed, wanneer daartoe het verlangen te kennen wordt gegeven aan den ambtenaar die het monster neemt. (6.)

6. De in het vorige artikel bedoelde monsters worden door de daar aangewezen ambtenaren verzegeld en onder bijvoeging van een proces-verbaal, vermeldende de herkomst van ieder monster, zoodra mogelijk verzonden aan den bevoegden ambtenaar van het openbaar ministerie, door wiens zorg zij worden overgegeven aan de door Onzen Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid aan te wijzen deskundigen, volgens door hem te geven voorschriften en tegen eene door hem vast te stellen belooning met het onderzoek van de monsters te belasten. (7; S.V. 10; art. 2a van K.B. 22 April 1892, S. 93, gew. 16 Nov. 1893, S. 164.)

De belanghebbende is bevoegd de monsters ook met zijn eigen zegel te voorzien of het papier, waarop het zegel der ambtenaren geplaatst is, met zijne handteekening te waarmerken. Tn hequot; procesverbaal wordt vermeld of, en zoo ja, op welke wijze van die bevoegdheid is gebruik gemaakt.

7. Overtreding van eene der bepalingen van artikel 2 dezer wet wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of eene geldboete van ten hoogste tweehonderd gulden, en indien tijdens het plegen van het feit nog gêen jaar is verloopen sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens overtreding van eene der bepalingen dezer wet onherroepelijk is geworden, met hechtenis van ten hoogste vier maanden of eene geldboete van ten hoogste vierhonderd gulden.

Niet strafbaar is hij, die in geval van overtreding van artikel 2, eerste lid, bewijst, dat de waar, waarmede de overtreding gepleegd is, door hem te goeder trouw voor boter werd gehouden.

8. Bij veroordeeling kan door den rechter openbaarmaking op kosten van den veroordeelde worden gelast van de rechterlijke uitspraak of van oen uittreksel daarvan. (S.R. 96 4°., 36, 339.)

9. De feiten bij deze wet strafbaar gesteld, worden beschouwd als overtredingen. (R.O. 44.)

10. Deze wet treedt in werking op een nader door Ons te bepalen tijdstip. r)

1) Bij K.B. van 30 Oct. 1889, Stsbl. no. 155, is dit tijdstip bepaald op 1 Januari 1890.

-ocr page 347-

WET,

TOT VASTSTELLING VAN BEPALINGEN BETREFFENDE \'S RIJKS WATERSTAATSWERKEN.

(Vastgesteld den 28sten Februari 1891, Stsbl. no. 69, uitgegeTen den 14den Maart d.a.v.j

Art. 1. Door Ons worden, ter bescherming van \'s Rijks waterstaatswerken, alsmede ter verzekering van het doelmatig en veilig gebruik dier werken, voor zoover daarin niet door eene wet of door Ons krachtens eene wet is voorzien, bij algemeenen maatregel van bestuur vastgesteld door straffen te handhaven bepalingen, betreffende :

1°. het met vaartuigen, vlotten of andere voorwerpen gebruik maken van openbare wateren, onder beheer van het Rijk, waaronder in deze wet mede verstaan worden de territoriale wateren; (K.B.W.w. I.)

2°. het gebruik maken van kribben, dammen, steigers, veerponten, veerbooten, duikers, dukdalven, remmingswerken en andere werken in, over of onder de sub lu. vermelde wateren; alsmede van sluizen en bruggen, alles voor zoover die werken zijn waterstaatswerken onder beheer van het Rijk; (K.B.W.w. I.)

3°. het gebruik maken van de zeestranden, zeekeerende duinen en andere zeeweringen en van kaden, losplaatsen, meerpalen, dijken, bermen, glooiingen, wallen en oevers, onder beheer van het Rijk; (K.B.W.w. I.)

4°. het veranderen of het opzettelijk belemmeren van den loop van de wateren, sub lü. vermeld; (K.B.W.w. I.)

5°. het baggeren, graven en slikkeren, alsmede het visschen, aal-geeren of rapen van schelpdieren of mosselzaad op of langs de sub 2°. en Squot;. vermelde werken en in de sub 1°. vermelde wateren, of de daarin opgekomen slikken, gorzen of gronden, voor zoover de laatste onder beheer zijn van het Rijk; (K.B.W.w. II.)

6quot;. het gebruik maken van wegen en paden, onder beheer van het Rijk, en van de daartoe behoorende glooiingen, bermen, slooten, bruggen, duikers, beschoeiingen en andere werken; (K.B.W.w. I.)

7Ü. het werpen of nederleggen van vaste stoffen in de sub 1quot;. vermelde wateren en op of in waterstaatswerken onder beheer van het Rijk, alsmede op de tot die werken behoorende gronden, voor

-ocr page 348-

WET \'S RIJKS WATERSTAATSWERKEN.

zoover deze tot het gebruiken of het instandhouden dier werken ver-eiseht worden; (K.B.W.w. I; K.B.W.w. II.)

8°. het maken van werken tot het afleiden van water uit kanalen onder beheer van het Rii\'k. (K.B.W.w. I.)

2. Op de overtreding van krachtens art. 1 gemaakte bepalingen kan door Ons bij algemeenen maatregel van bestuur straf worden gesteld, doch geene andere of hoogere dan; (K.B.W.w. I, 92; K.B.W.w. II, 17.)

a. hechtenis van ten hoogste zestig dagen of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden, voor zooveel betreft eene overtreding der in art. 1 sub 1quot;. bedoelde bepalingen, indien zij gepleegd is ten aanzien van wateren, bestemd om te worden bevaren met zeeschepen, en die van de in art. 1, sub 2°. en 3°. bedoelde bepalingen, indien zij gepleegd is in, op, onder of tegen werken als daarbij vermeld, liggende in, over, onder, langs of bij genoemde wateren;

b. hechtenis van ten hoogste dertig dagen of geldboete van ten hoogste honderd vijftig gulden, voor eene overtreding der in art. 1 sub 4°. en 8quot;. bedoelde bepalingen, gelijk mede van die sub 1°., 2°. en 3quot;. bedoeld, niet begrepen onder letter a;

c. geldboete van ten hoogste honderd gulden, van eene overtreding der in art. 1 sub 5°., 6°. en 7°. bedoelde bepalingen.

Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen jaar is verloopen sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden, kan de rechter hechtenis of geldboete tot het dubbel van het voor elk in den algemeenen maatregel van bestuur bepaalde maximum uitspreken.

3. De door Ons aan te wijzen ambtenaren zijn bevoegd, desnoods bijgestaan door de ambtenaren van de Rijks- of gemeentepolitie en op kosten der overtreders, te doen wegnemen, beletten, verrichten of in vorigen toestand herstellen hetgeen in strijd met de krachtens deze wet uitgevaardigde voorschriften wordt gemaakt of gesteld, ondernomen, nagelaten, beschadigd of weggenomen. (K.B.W.w. 1, 89.)

Spoedeischende gevallen uitgezonderd, geschiedt dit niet, dan nadat de belanghebbende schriftelijk is gewaarschuwd. (Wet 20 Juli 1895, S. 139, 14.)

4. De schippers van vaartuigen en vlotten zijn, onverminderd hun recht van verhaal, verantwoordelijk voor de betaling van alle kosten, zoo wegens de schade, welke door hunne schuld, nalatigheid of onvoorzichtigheid of door die van opvarenden aan de in art. 1 sub 2°. en 3U. vermelde werken wordt toegebracht, als wegens de te hunnen aanzien krachtens art. 3 genomen maatregelen.

Die kosten worden door de ambtenaren, door Ons aar. te wijzen, geraamd en vermeld in een proces-verbaal. (K.B.W.w. I, 91.)

De schipper is verplicht de geraamde sommen in handen van den ambtenaar, door wien het proces-verbaal is opgemaakt, te storten of daarvoor tot diens genoegen borg te stellen, onverminderd zijne verplichting om ook de meerdere kosten van herstelling te voldoen, en

818

-ocr page 349-

WET \'S RIJKS WATERSTAATSWERKEN. 310

behoudens zijne bevoegdheid om de beslissing van een hoogeren, door Ons aan te wijzen ambtenaar in te roepen. (K.B.W.w. I, 91.)

Bij gebreke van betaling of borgstelling zijn de in art. 3 bedoelde ambtenaren bevoegd, des noods met behulp van den sterken arm, het voortzetten der reis, het ondernemen van den terugtocht of het aanvangen eener nieuwe reis, ook zoo het vaartuig of vlot inmiddels binnen eene andere gemeente is gebracht, te beletten.

5. Zoo de werkelijke kosten blijken minder te bedragen dan heigeen door den schipper is gestort, wordt het meerdere op last van Onzen Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid ter beschikking van den schipper gesteld.

6. De door Ons aan te wijzen ambtenaren zijn bevoegd, voor zoover daarin niet bij andere wetten is voorzien, ter verzekering dei-uitvoering en handhaving van de krachtens deze wet uitgevaardigde voorschriften, zich te allen tijde te begeven aan boord der vaartuigen en vlotten die zich in de in art. 1 vermelde wateren bevinden. (K.B.W.w. I, 88.)

Zij zullen evenwel niet tegen den wil des bewoners binnentreden in de gedeelten van het vaartuig of vlot, tot woning bestemd, dan op vertoon van eenen schriftelijken last van den kantonrechter of van den burgemeester der gemeente, waarin het vaartuig of vlot zich bevindt.

Van dit binnentreden wordt door dengene, die deze handeling heeft verricht, proces-verbaal opgemaakt en aan dengene, in wiens woning is binnengetreden, binnen tweemaal vier en twintig uren in afschrift medegedeeld. (G. 158.)

7. De strafbare feiten, in deze wet bedoeld, worden beschouwd als overtredingen.

8. Deze wet treedt in werking met den dag barer afkondiging.

-ocr page 350-

BESLUIT,

tot vaststelling van een algemeen reglement van politie voor rivieren, kanalen, havens, sluizen, beuggen en daartoe behoorende werken, onder beheer van het rijk. \')

(Vastgesteld den 13den Augustus 1891, Stsbl. no. 158, uitgegeven den 26sten Augustus d.a.v. Gewijzigd bij K.B. 17 April 1894, Stsbl. no. 57, 23 April 1897, Stsbl. no. 105, 8 Juli 1897 Stsbl. no. 174.)

Wij E M M A, enz.

Overwegende, dat het noodig is, algemeene politiebepaiingen vast te stellen tot bescherming van de rivieren, kanalen, havens, sluizen, bruggen en daartoe behoorende werken, onder beheer van het Kijk, alsmede ter verzekering van het doelmatig en veilig gebruik daarvan; (Wet W.w. 1 sub lquot;.—4°., 6°.—8°.)

Hebben goedgevonden en verstaan:

TITEL I.

Algemeene bepalingen.

Art. 1. Dit reglement is toepasselijk:

1quot;. op de hierna genoemde rivieren en de Rijkskanalen, met hunne oevers, havens, grond- en kunstwerken, beplantingen, gebouwen en wat daartoe verder behoort;

2°. op de hierna genoemde verspreide havens, sluizen, bruggen \'en daartoe behoorende werken;

alles voor zoover die wateren en werken zijn onder beheer van het Kijk en voor zoover van dit reglement bij bijzondere reglementen niet is afgeweken.

De rivieren onder 1°. bedoeld, zijn:

de IJssel met zijne uitmondingen in de Zuiderzee, Ie Nieuwe Merwede, het Wantij, het Mallegat, de Dordtsehe Kil, de Krabbe, de

1) Een op de Bijnvaart-akte berustend Reglement v. politie voor de scheepvaart en de vlotvaart op den Rijn, met inbegrip van de Waal en de Lek, in werking getreden 1 Nov. 1897, is bekrachtigd en uitgegeven bij K.B. 9 Oct. 1897, S. 204.

-ocr page 351-

K.B. algem. reglem. politie voor rivieren enz. 321

Maas, het Hetisdensch kanaal, de krachtens de wet van 26 Januari 1883 (Staatsblad no. 4) in aanleg zijnde rivier de Maas, voor zoover die voor het openbaar verkeer is of zal worden opengesteld, het Oude Maasje, de TJonge van het separatiepunt met den linkeroever der \'s Gravemoersche vaart tot hare uitmonding in den Amer, de Amer, de Killen in het Bergsche veld, hel Hollandsch Diep, de Koningshaven, de Oude Maas, de Nieuwe Maas onder de gemeente Rotterdam, de rivieren beneden Rotterdam tot in zee, het Spui met het Beerengat, het Hartelschc gat, de Hollandsche IJssel met de Sliksloot, het Zwarte water en het Zicolsche diep.

De verspreide werken onder 2°. bedoeld, zijn:

■f a. de havens te Moerdijk, Breshens, Veere en Delfzijl en die der eilanden Terschelling, Vlieland, Wieringen, Urk en Marken;

b. de Kijkssluizen en beweegbare bruggen in de provincie Friesland;

e. de Bijkssluizen en bruggen in den waterweg van Amsterdam naar Rotterdam;

d. de schutsluizen te St. Andries en in de afgesloten killen van het Bergsche veld, met hare havens;

e. de draaibrug te Raamsdonk en de rolbrug bij Oeertnddenberg, beide over de rivier de Donge; de ophaalbrug over het Oude Maasje onder Capelle en de rolbrug onder Besoijen;

f. de beweegbare bruggen over de rivier de Mark en Dintel te Standdaarbxuiten, te Stampersgat en nabij Dinteloord. \')

2. In dit reglement wordt, evenals in de bijzondere reglementen, verstaan onder zeilvaartuig, elk vaartuig onder zeil en niet onder stoom, en onder stoomvaartuig, elk stoomvaartuig onder stoom, al of niet zeil voerende;

onder schipper, ieder gezagvoerder van een vaartuig of vlot of die dezen vervangt;

onder dag, den tijd tusschen op- en ondergang der zon;

onder nacht, den tijd tusschen onder- en opgang der zon;

onder Minister, de Minister met de uitvoering van dit besluit belast ; onder Onzen Commissaris, de Commissaris des Konings in de provincie, waarin de rivier, het kanaal, het betrokken gedeelte van de rivier of het kanaal of de werken zijn gelegen;

onder hoofdingenieur en ingenieur, de hoofdingenieur en ingenieur, met het beheer van de rivier, het kanaal, het betrokken gedeelte van de rivier of het kanaal of van de werken belast;

onder ambtenaren van den waterstaat, de inspecteurs, hoofdingenieurs, ingenieurs, adspirant-ingenieurs, en opzichters van \'s Eijks waterstaat.

1) Artikel 1 aldus vastgesteld bij K.B. 17 April 1894,8.57; de zinsnede a met t gemerkt aldus gewijzigd bij K.B. 8 Juli 1897, S. 174. stw. n. 21

-ocr page 352-

K.B. ALGEMEEN REGLEMENT VAN POLITIE

en de Eijksbakenmeesters; \') (K.B. 8 Februari 1849, S. 6; 5 Maart 1870, S. 48; 24 Februari 1881, S. 32, als nader gewijzigd; 14 April 1894, S. 56; Wet 20 April 1895, S. 71 jcto K.B. 9 Aug. 1895, S. 148.)

onder leanaalbeambten, de havenmeesters, sluis- en hulpsluismees-ters, sluis- en hulpsluis-, stuw-, brug-, pont-, kanaal- en dijkwachters, sluis- en brugknechten, in dienst van het Kijk.

3. Dit reglement wordt in de Nederlandsche, Engelsehe, Hoog-duitsohe, Fransche en Noorsche talen gedrukt en, evenals de bijzondere reglementen, algemeen verkrijgbaar gesteld.

Elk schipper, die een der in artikel 1 genoemde wateren bevaart of van de aldaar bedoelde werken gebruik maakt, moet van een exemplaar van dit reglement en van het bijzonder reglement, benevens van de bepalingen tot het voorkomen van aanvaring op de openbare wateren in het Kijk, voorzien zijn. Hij moet deze, des gevorderd, aan de ambtenaren en beambten, in art. 88 bedoeld, vertoonen. (92/.)

TITEL II.

Bepalingen, betrekkelijk het gebruik maken van rivieren, kanalen en havens.

Art. 4. Alle vaartuigen van meer dan één meter diepgang moeten aan den achtersteven voorzien zijn van een schaal, waarop de diepgang duidelijk leesbaar is. (92 e, 94.)

Noch de schroef, noch eenig ander gedeelte van een stoomvaartuig mag beneden de kiel uitsteken, tenzij de schaal van den onderkant van dat deel beginne te tellen. (92 e, 93.)

5. Vaartuigen zonder vast dek en van grooter inhoud dan 10 M1moeten voorzien zijn van waterdichte borden, boorden cf wanden, welke ten minste 0.25 M. boven den waterspiegel reiken. (92 e.)

6. De naam van het vaartuig, en bij vaartuigen, niet bestemd om de zee te bevaren, ook de naam en woonplaats van den gezagvoerder of den eigenaar, moeten op eene in het oog vallende plaats aan de buitenzijde van het vaartuig duidelijk leesbaar zijn aangegeven.

322

1

De Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid is belast met do uitvoering van dit besluit, enz.

-ocr page 353-

VOOR RIVIEREN, KANALEN ENZ.

Deze bepaling is alleen van toepassing op vaartuigen van grooter inhoud dan 10 M3 (92 e.)

7. Het is verboden in eenig kanaal of in eenige haven elders dan op de daartoe bestemde aanlegplaatsen aan te leggen of met vaartuigen, naast elkander vastgemaakt, te varen, tenzij met vergunning of op uitdrukkelijk bevel van een ambtenaar van den waterstaat of van een kanaalbeambte.

Evenzoo is het verboden een vaartuig dwars in het vaarwater te laten liggen of drijven. (37, 92 c.)

8. Kik zeeschip moet, zoolang het zich op eenig Rijkswater of in eene zijner havens bevindt, over dag de vlag voeren van de natie, waartoe het behoort. Hiervan zijn uitgezonderd de ingevrozen schepen.

Vaartuigen van meerderen diepgang dan 4 M. voeren bovendien eene kleine vlag aan den fokkemast. Voor vaartuigen van minderen diepgang is dit verboden.

Koopvaardijschepen mogen nimmer den wimpel voeren. (92 c).

9. De schipper, zijn vaartuig verlatende, doet zich door een geschikt persoon vervangen. Deze bepaling is niet van toepassing op vaartuigen van minderen inhoud dan 10 M3. of die van den wal met den boom worden voortgeduwd.

Het is verboden vaartuigen van 10 en meer M3. inhoud onbewoond op een Rijkswater te laten liggen, tenzij met vergunning van den havenmeester of van een ambtenaar van den waterstaat.

Het is mede verboden vaartuigen onbeheerd op een Rijkswater te laten drijven. (37, 92 e.)

10. De schipper van een vaartuig, dat overladen of naar het oordeel van den havenmeester of van een ambtenaar van den waterstaat onvoldoende bemand of getuigd is, moet op door hen gedane aanzegging de vaart staken en zijn vaartuig naar eene door hen aan te wijzen plaats vervoeren. (92 a, b.)

De schipper van een vaartuig, dat in onmiddellijk gevaar van zinken verkeert, moet het, zoodra mogelijk, buiten het vaarwater brengen. (37, 02 c.)

11. De schippers van vaartuigen, niet bestemd om de zee te bevaren, moeten het kluifhout vóór de aankomst in de sluizen doen toppen. (92/.)

De havenmeester, de sluismeester of de ambtenaren van den waterstaat kunnen bevelen, dat van vaartuigen, welke geheel of gedeeltelijk lossen, do bramraas en de bramstengen worden gestreken.

12. Het is verboden eenig vaartuig derwijze te plaatsen, dat de in- of uitvaart van een kanaal of van eene haven of de doorvaart van eene sluis of eene brug wordt belemmerd.

De schipper van een zoodanig geplaatst vaartuig is verplicht, op bevel van een ambtenaar van den waterstaat of van een kanaalbeambte, terstond te verhalen. (37, 92 a, b.)

13. Het aandoen eener haven is verboden, wanneer des daags eene

323

21*

-ocr page 354-

324 K.B. ALGEMEEN REGLEMENT VAN POLITIE

roode vlag of des nachts een rood licht op een van de hoofden dier haven is geplaatst, ten teeken dat de toegang tot die haven door aanwezige vaartuigen of door andere oorzaken is belemmerd. (92 a, b.)

14. Het openen eener sluis tot spuiing wordt ten minste een uur te voren aangeduid, des daags door eene blauwe vlag, waarin met witte letters het woord »spuien des nachts door drie roode lichten, geplaatst in de hoekpunten van een gelijkzijdigen driehoek, met den top naar boven gericht.

De vaartuigen in eene haven of een kanaal aanwezig, moeten door de schippers, bij vertoon van dit sein, of wanneer hun de spuiing door een kanaalbeambte wordt aangekondigd, stevig worden vastge-meerd en, zoo noodig, worden vertuid, om het aan den grond vallen te voorkomen. (92c.)

De kanaalbeambten zijn in dit geval bevoegd aan de schippers eene ligplaats voor hunne vaartuigen aan te wijzen en hun omtrent de wijze van vastleggen daarvan bevelen te geven.

Bij gebrek aan geschikte ligplaats, hebben de geladen vaartuigen de voorkeur boven de ledige. (37.)

15. Bij het naderen van sluizen en bruggen moet de schipper de vaart van het vaartuig zoodanig verminderen, dat het des noods op 100 M. afstand van de sluis of brug kan stoppen. Bij de daartoe gestelde handwijzers of teekenen moeten de zeilen gestreken of in de gei gebracht worden. De sluis- of brugwachters moeten met de stoomfluit, de scheepsklok of den misthoorn, of wel door roepen worden gewaarschuwd. (92 e.)

De schipper moet met het vaartuig doen stoppen, indien des daags een roode bol, bord of vlag, of des nachts een rood licht op de sluis of brug geplaatst is. Hij moet dan, des gevorderd, zijn vaartuig ter plaatse, hem door den sluis- of brugwachter aan te wijzen, vastleggen. (926.)

De beheerders der sluizen en bruggen zijn verplicht, zoo noodig, ter beoordeeling van den Minister, de doorvaartopeningen des nachts door groene lichten aan te duiden. (92 c.)

Het tweede en het derde lid van dit artikel hebben geen betrekking op de schipbruggen. (37.)

16. Wanneer twee of meer vaartuigen tegelijk eene sluis of brug naderen, regelt de sluis- of brugwachter de volgorde, waarin zij mogen naderen, en den afstand, dien zij daarbij onderling moeten bewaren. (37.)

17. Elk vaartuig wordt, behoudens het bepaalde in het volgend artikel, geschut naar de orde van aankomst. (35.)

Het vaartuig welks bemanning zich schuldig maakt aan het doorsnijden van de jaaglijnen of trossen van eens anders vrartuig, wordt eerst doorgelaten na het laatstgemelde.

Indien van weerszijden zich vaartuigen ter doorschutting aanmelden, worden zij beurtelings van de eene en de andere zijde doorgelaten, te beginnen met het vaartuig komende van den kant.

-ocr page 355-

VOOR BIVIEREN, KANALEN ENZ. 325

waar de waterstand gelijk is aan dien der schutkolk. Bij drukke scheepvaart geven de sluismeesters voor het bewaren der orde nummers af. (37.)

18. Recht op voorschutting hebben, in de na te noemen volgorde:

vaartuigen, die den wimpel voeren;

Rijksvaartuigen en vaartuigen, dienende tot vervoer van in dienst zijnde ambtenaren van den waterstaat of kanaalbeambten;

vaartuigen, dienende tot geregeld vervoer van personen;

vaartuigen, met verschen visch geladen;

vaartuigen, dienende tot geregeld vervoer van goederen of vee, met hunne lichters en bijliggers.

Vaartuigen met buskruit, vuurwerken, schietkatoen, nitroglycerine of andere ontplofbare of licht ontvlambare stoffen geladen, worden zooveel mogelijk vóór alle andere en steeds afzonderlijk geschut. (K.B. 15 Oct. 1885, S. 187, 53.)

19. Elk vaartuig, dat zich in of in de nabijheid van de schutkolk bevindt, moet voor en achter behoorlijk gemeerd zijn, ter plaatse door de kanaalbeambten aangewezen. (92 c.)

De vaartuigen, welke geschut of doorgelaten moeten worden, naderen de sluis of brug niet vóórdat de kanaalbeambte daartoe het sein geeft. (92 c.)

Wordt naar het oordeel van den kanaalbeambte, aan het sein niet spoedig genoeg gevolg gegeven, dan kan hij bevelen dat een ander vaartuig voorga.

Wanneer een vaartuig, na geschut te zijn, niet spoedig genoeg uit de sluis haalt, of, eene brug doorvarende, hierbij niet genoeg spoed maakt, naai- het oordeel van den kanaalbeambte, kan daarin door hem worden voorzien. (37.)

20. Bij de vaart door eene sluis moeten alle zeilen gestreken en vastgebonden, en bij de vaart door eene brug moeten zij opgegeid zijn.

Het verhalen, het in- en uitwinden en het vastleggen van vaartuigen en vlotten mag alleen geschieden aan de daartoe bestemde voorwerpen.

Bij het varen door sluizen of bruggen mogen de vaartuigen niet meer vaart hebben, dan voor het besturen noodig is.

Het slepen van kettingen of trossen is verboden bij het doorvaren van sluizen en bruggen, het kruisen van telegraafkabels en pontveren en het voorbijvaren van in werking zijnde baggerinrichtingen.

Het is, behoudens het bepaalde in het tweede lid, verboden, met haken of boomen in de kunstwerken te steken, of daaraan, zonder vergunning van den sluis- of den brugwachter, eenig vaartuig of vlot vast te maken. (92 e.)

21. Indien de doorvaart door eene sluis of brug, wegens onstuimig weder, spuiing, aftapping of inlating van water onraadzaam is, wordt die door den sluis- of brugwachter geweigerd.

Het is verboden door eene sluis of door eene beweegbare brug, die voor de doorvaart geopend moet worden, te varen, bij afwezigheid

-ocr page 356-

326 K.B. ALGEMEEN REGLEMENT VAN POLITIE

van den betrokken kanaalbeambte of in strijd met diens verbod. (92 c.)

22. Telkenmale nadat twee vaartuigen achtereen eene brug zijn doorgevaren, wordt deze, zoo noodig, ten behoeve der voetgangers en rij- en voertuigen gesloten.

Sleeptreinen worden in hun geheel in eens doorgelaten.

Bij het doorvaren eener brug hebben de vaartuigen, die stroomafwaarts gaan, de voorkeur boven de opvarende. Wanneer er geen stroom gaat, hebben de vaartuigen, die vóór den wind gaan, de voorkeur boven die, welke gesleept of gejaagd worden. (35, 37.)

23. Wordt een vaartuig in een kanaal of in eene haven door vorst ingesloten, dan is de schipper verplicht te zorgen dat rondom het vaartuig eene bijt van tenminste een halve meter breedte worde gehakt en opengehouden. (92/quot;.)

Het bevaren van een kanaal bij besloten water kan door Onzen Commissaris worden verboden.

Het is verboden in strijd met zoodanig verbod te handelen. (37, 92 al. 3.)

24. Bij het invallen van vorst of bij aanhoudende tegenwinden, moeten de vaartuigen, die zich in eene buitenhaven bevinden, zoodra de havenmeester zulks beveelt, naar de reede verhaald of naar de binnenhaven geschut worden.

In dit geval, zoo mede wanneer bij besloten water in het kanaal vaartuigen naar binnen geschut worden, zijn de in het kanaal zich bevindende vaartuigen verplicht, zoo noodig, volgens aanwijzing der kanaalbeambten te verhalen. (37, 92 c.)

25. Bij het vervoeren, laden en lossen van licht ontvlambare of ontplofbare goederen of ongeblusehte kalk, is de schipper, onverminderd de naleving der omtrent het vervoer bestaande wetten en verordeningen, verplicht de bijzondere voorzorgsmaatregelen na te leven, die hem door de ambtenaren van den waterstaat of de kanaalbeambten worden voorgeschreven. (37, 926; Wet 26 April 1884, 8.81.)

26. Indien van een vaartuig eenig voorwerp verloren raakt, hetwelk, drijvende of gezonken, voor de vaart gevaarlijk of hinderlijk kan zijn, is de schipper gehouden, hiervan zoo spoedig mogelijk kennis te geven aan den ambtenaar van den waterstaat, onder wiens ressort het vaarwater behoort of aan een kanaalbearabte. (29; Wet 23 Juli 1885, S. 151.)

De plaats, waar zoodanig gezonken voorwerp ligt, moet door den schipper terstond door een boei worden aangewezen.

De schippers zorgen, dat geen lichters, vlotten of balken, bij hunne vaartuigen in gebruik, zich los of ongemeerd bevinden. (37, 92 e.)

27. Wanneer een vaartuig aan den grond raakt en de lading naar het oordeel der ambtenaren van den waterstaat of der kan ialbeambten moet gelost worden om het weder vlot te brengen, is de schipper verplicht onmiddellijk tot het lossen over te gaan. (92 b.)

28. De schipper van een gezonken of aan den grond geraakt vaar-

-ocr page 357-

VOOR RIVIEREN, KANALEN ENZ.

tuig geeft van het ongeval terstond kennis aan den naastbij zijnden kanaalbeambte. (29, 92(1)

29. Tot op het oogenblik, dat van overheidswege, krachtens de wet van 23 Juli 1885 {Staatsblad: no. 151), tot opruiming wordt overgegaan, blijven belanghebbenden bevoegd het gezonken vaartuig te Lichten of het aan den grond zittend vaartuig weder vlot te maken (26, 28.)

30. Bij het voorbijvaren van diep geladen vaartuigen, baggermolens, in lossing of lading liggende vaartuigen, vlotten of andere drijvende inrichtingen, voor welke de golfslag gevaarlijk kan zijn en die tot teeken daarvan moeten vertoonen des daags eene roode vlag, des nachts twee helder roode lichten loodrecht boven elkander ge-heschen, met eene tusschenruimte van niet minder dan 0,50 M. en niet meer dan 1 M., moeten stoomvaartuigen hunne vaart zooveel verminderen als noodig is om nadeeligen golfslag te voorkomen.

Hetzelfde moet geschieden op die gedeelten van rivieren of kanalen, waar op last van de daartoe bevoegde ambtenaren van den waterstaat of dijksbesturen door de bedoelde seinen is aangeduid, dat door golfslag schade of onheil zou kunnen ontstaan. (92 c.)

31. Stoomvaartuigen, die stoomtuigen van-hooge drukking hebben, moeten hun afgewerkten stoom afvoeren door een afvoerpijp, welke buiten den schoorsteen uitmondt, tenzij die schoorsteen bedekt is met eene kap, vaa ijzerdraad met openingen van ten hoogste 5 millimeter. Zoodanige bedekking moet aanwezig zijn op alle stoombooten, welker ketels met cokes, turf of hout gestookt worden. (92 d.)

32. De vlotten moeten zoodanig zijn vastgemaakt en aan beide zijden verbonden, dat zij de vaart niet hinderen, noch andere vaartuigen of vlotten of de werken kunnen beschadigen. Zij moeten zoo zijn samengesteld, dat de balken gemakkelijk kunnen geteld worden en niet kruiselings.

De tengels, dienende tot koppeling der balken, mogen niet buiten het vlot uitsteken.

Ieder vlot moet voorzien zijn van een langs scheeps geplaatst vjit bord, waarop aan beide zijden, met zwarte letters van ten minste 30 centimeter hoogte en 5 centimeter breedte, de naam en woonplaats van den gezagvoerder of den eigenaar zijn te lezen. (92 rf.)

33. De houtlading van een vaartuig mag niet te water worden gelaten om er een vlot van samen te stellen, dan na bekomen vergunning van den betrokken beambte.

In geen geval mogen meer balken uit een vaartuig gelost worden dan dadelijk tot een vlot of tot vlotten kunnen worden vereenigd, waartoe de noodige manschappen moeten aanwezig zijn.

Deze bepalingen zijn ook van toepassing, wanneer balken tot samenstelling van vlotten van den wal te water worden gelaten. (92/.)

34. Schippers mogen met hunne vlotten de ligplaats daarvan niet vroeger verlaten dan één uur vóór zonsopgang. Zij mogen hunne

327

-ocr page 358-

K.B. ALGEMEEN REGLEMENT VAN POLITIE

reis niet later voortzetten dan één uur na zonsondergang, ten ware zij door onvoorziene omstandigheden verhinderd worden om vóór dat tijdstip de aanlegplaats te bereiken. (92 d.)

Bij mist, sneeuwjacht, storm, drijfijs en ijsgang mogen vlotten niet varen. Worden zij er onderweg door overvallen, dan moeten zij op de eerste bereikbare aanlegplaats worden ten anker gebracht of vast-gemeerd. (92 c.)

Evenmin mag een vlot zich in eene haven ophouden, zonder vergunning van den havenmeester. (92/.)

35. Een vlot wordt bij bruggen en sluizen eerst na de aanwezige vaartuigen doorgelaten, tenzij het, aan een schip vastgekoppeld, te zamen met het schip in de schutkolk kan worden toegelaten. (17, 22.)

36. Een vlot mag een vooruitvarend vlot niet naderen op kortoren afstand dan van 500 meter. (92/.)

37. De artikelen 7, 9, 10, 12, 14 tot en met 17, 19, 22 tot en met 26, 28 en 29 van dit reglement zijn evenzeer ten aanzien van vlotten als van vaartuigen toepasselijk.

38. Voor zooverre de bijzondere reglementen daaromtrent geene bepalingen inhouden, is een ieder bevoegd de jagerij uit te oefenen.

39. De jagers zorgen zooveel mogelijk de lijn strak te houden als zij over eenig vaartuig of vlot jagen, en de lijn tijdig te laten vallen, wanneer zij niet overjagen. (92/.)

Voorts moeten zij bij de daartoe gestelde teekenen de lijn laten vallen, bij het naderen van bruggen en sluizen de vaart verminderen en zich voorts in alles gedragen naar de aanwijzingen van de ambtenaren van den waterstaat of de kanaalbeambten. (92 e.)

Zij maken den schipper opmerkzaam op al wat bij de vaart hinderlijk kan zijn. (92ƒ.)

De schippers van de aan het jaagpad liggende vaartuigen moeten de masten, zoo mogelijk, strijken en bij het overbrengen der jaag-lijnen van de voorbijgaande vaartuigen en vlotten behulpzaam zijn. (92 e.)

40. Jagers, die wegens overtredingen der bepalingen van dit reglement zijn veroordeeld, of die zich in kennelijken staat van dronkenschap bevinden, kunnen door de ambtenaren van den waterstaat of de kanaalbeambten worden geweerd.

41. De schippers van de gesleept wordende vaartuigen zijn gehouden de orders van den schipper der sleepboot ten opzichte van het sleepen op te volgen.

Bij weigering of nalatigheid om de touwen te vieren of door te halen heeft de laatste het recht de touwen los te gooien of te kappen.

42. Het loslaten der sleeptrossen mag door de schippers der gesleept wordende vaartuigen slechts beurtsgewijze geschieden, in dier voege dat het achterste vaartuig het eerst loslaat en het voorste het laatst.

De schipper der sleepboot geeft telkenmale het sein tot het loslaten, door een slag op de klok. (92 c.)

328

-ocr page 359-

VOOR RIVIEREN, KANALEN ENZ. 329

43. Een loods of als zoodanig dienstdoend persoon, aan boord van een vaartuig, dat zich op eene rivier, een kanaal of in eene haven bevindt, is verplicht zich, voor zooveel de politie op die wateren betreft, te gedragen naar de aanwijzingen der ambtenaren van den waterstaat en kanaalbeambten. (92 c.)

44. Een ieder, als loods aan boord van een vaartuig dienstdoende, moet steeds voorzien zijn van een exemplaar van dit reglement en van het toepasselijk bijzonder reglement, benevens van de »bepalin-gen tot voorkoming van aanvaring». (92/; K.B. 18 Mei 1892, S. 102.)

45. Als loods dienstdoende personen, die zich in kennelijken staat van dronkenschap bevinden, kunnen door de ambtenaren van den waterstaat of de kanaalbeambten worden geweerd.

46. Wanneer een vaartuig schade heeft gevaren aan eenig werk of wanneer overtredingen van dit reglement of van het betrokken bijzonder reglement zijn gepleegd, geeft de loods hiervan ten spoedigste kennis aan den havenmeester of een der andere zich in de nabijheid bevindende ambtenaren van den waterstaat of kanaalbeambten. (92 d.)

47. Tenzij met vergunning van een ambtenaar van den Waterstaat is het den schippers, buiten het geval van noodzakelijkheid, verboden te ankeren of vast te meren of voor anker of vastgemeerd te liggen:

1°. op plaatsen, waar dit de scheepvaart zou belemmeren; (92c.)

2°. gedurende den tijd dat de visscherij met de zalmzegen mag worden uitgeoefend, in een riviervak, beginnende op 100 M. boven de plaats waar de zegens eener aan den wal gevestigde zalmzegenvis-scherij met vasten spil worden uitgebracht, en eindigende 100 M. beneden den benedensten ophaal van zoodanige zalmzegenvisscherij. (92c.)

Het verbod sub 2quot;. geldt alleen voor de riviervakken en voor den tijd, waarin de visscherij met de zegen werkelijk wordt uitgeoefend. \')

48. De schippers van stilliggende vaartuigen en vlotten zijn verplicht op een kanaal of in eene haven te verhalen naar de ligplaatsen die hun door de ambtenaren van den waterstaat of de kanaalbeambten worden aangewezen en die, zoo noodig, door dezen kunnen worden veranderd. (926.)

49. Het is verboden dichter bij de sluizen of bruggen te liggen dan de daarbij geplaatste stoppalen aanduiden, tenzij met vergunning van een ambtenaar van den waterstaat of een kanaalbeambte. (92 d.)

50. Behalve in geval van eenig onheil en in de gevallen, waarvoor dit verplichtend is gesteld, mag aan boord van een vaartuig of vlot des nachts geen klok geluid worden. (92/.)

51. De schipper op wiens vaartuig brand is ontstaan, moet terstond de klok doen luiden of een daarmede overeenkomstig geluid doen hooren, en het vaartuig uit de nabijheid van andere vaartuigen verhalen. (926.)

1) Art. 47 aldus gewijzigd bij K.B. 23 April 1897, S. 105.

-ocr page 360-

K.B. ALGEMEEN REGLEMENT VAN POLITIE

52. Niemand mag aan boord van eenig in een kanaal of in eene haven vertoevend vaartuig of vlot licht ontvlambare of bij ontvlamming fel brandende stoffen smelten, koken of warmen, tenzij met ververgunning van een ambtenaar van den waterstaat of een kanaalbeambte. (92 e.)

Het is insgelijks verboden, tenzij dit door het bevoegd gezag voor een bepaald doel is voorgeschreven of toegestaan, aan boord van vaartuigen of van vlotten te schieten, buskruit te ontbranden of eenig vuurwerk af te steken. (92/.)

53. De schipper, die eene haven wil verlaten, geeft hiervan kennis aan den havenmeester, die, zoo noodig, de orde bepaalt, waarin de vaartuigen en vlotten moeten verhalen. (92/.)

54. Het is verboden zonder vergunning van den Minister: (92c.)

1°. zich met eenig vaartuig of vlot in eene rivier, een kanaal of

eene haven te vestigen tot het drijven van handel, het houden van herberg, het verleenen van huisvesting of het houden van vast verblijf;

2°. in een kanaal of in eene haven vaartuigen te sloepen.

De ingenieur, met de uitvoering van een werk belast, kan vergunning geven tot het verleenen van huisvesting, van het daartoe behoorende personeel in een vaartuig.

TITEL in.

Bijzondere bepalingen voor het gebruik maken van rivieren.

Art. 55. Het is verboden eenig riviervak te bevaren met een vaartuig van meer diepgang dan de ondiepste plaats van de vaargeul toelaat, blijkens de tijdens lage waterstanden afgekondigde opgaven. (92 c.)

Daarenboven zijn de schippers verplicht op de door tonnen, bakens of andere teekenen voor de scheepvaart aangeduide riviervakken, wier geringe diepte of breedte of wel tijdelijke verondieping bijzondere omzichtigheid bij de doorvaart noodig maakt, de aanwijzingen en bevelen door de ambtenaren van den waterstaat of de kanaalbeambten nopens de vaart op deze riviervakken gegeven op te volgen. (92 a, b.) 1

De vaart bij nacht kan op deze riviervakken door den Minister verboden worden.

Zoodanig verbod wordt door openbare aankondiging tijdig ter kennis van de belanghebbenden bij de scheep- en vlotvaart gebracht.

Het is verboden in strijd met zoodanig verbod te handelen. (92 al. 3.)

56. Wanneer een stoom vaartuig, stroomopwaarts gaande zonder eenig vaartuig te sleepen, het laatste vaartuig van een sleepkonvooi beneden eene engte op een afstand van 120 M. genaderd is, mag dat sleepkonvooi de engte niet binnenvaren, voordat het door het eerste stoomvaartuig is voorbijgevaren. (92 c.)

57. Elk vlot moet ten minste eene bemanning hebben van 2 man voor elke 75 M3. hard hout en 2 man voor elke 150 M3. zacht hout.

330

-ocr page 361-

T!

VOOK RIVIEREN, KANAiEN ENZ.

Als hard hout wordt onder anderen beschouwd: eiken-, beuken-, olmen-, esschen-, kersen-, peren-, appel- en kornoeljehout; als zacht hout; onder anderen popel-, elzen-, dennen-, sparren-, pijnboomenen lorkenhout, alsmede andere harsachtige houtsoorten. (92 d.)

58. Voor vlotten, die door stoomvaartuigen gesleept worden, is de helft der in art. 57 genoemde verplichte bemanning voldoende, mits het vlot aan de voorzijde van eene doelmatige stuurinrichting voorzien zij en de sleepboot de volgende kracht bezitte; (92 d.)

1°. bij vlotten, van welke de verplichte bemanning niet meer dan 50 man bedraagt, ten minste 25 werkelijke paardenkrachten;

2°. bij vlotten, van welke de verplichte bemanning meer dan 50 tot en met 80 man bedraagt, ten minste 35 werkelijke paardenkrachten;

3°. bij vlotten, van welke de verplichte bemanning meer dan 80 man bedraagt, ten minste 45 werkelijke paardenkrachten.

59. Geen vlot mag eene bemanning hebben van minder dan 3 man, den vlotvoerder inbegrepen. (92 d.)

60. Vlotten, van welke de verplichte bemanning meer dan 4 man bedraagt, moeten voorzien zijn van het volgend materieel: (92d.)

331

Voor vlotten.

u

OJ

U

lt;v

03

4)

CD

O

waarvan de verplichte bemanning

ote ank chuiten.

il c £

.S o

d -14

O

O

-O

d

O

.9

Ankers.

c

O CU

bedraagt:

O CO

t-4

O

3

O

u

O

*s

s

w

5

tot 9 man

»

i

»

2

2

»

10

» 13 »

»

i

1

1

3

»

14

» 25 »

»

2

1

1

4

»

26

» 35 »

2

1

2

2

6

1

36

» 40 »

3

1

2

3

7

1

41

:» 45 »

3

1

3

3

8

1

46

» 50 »

3

2

3

3

9

1

51

» 60 »

4

2

3

3

10

2

61

» 70 »

4

2

4

3

11

2

71

» 80 »

4

2

4

4

12

3

81

» 90 »

5

2

5

4

13

3

91

» 100 »

5

2

5

4

14

3

101

» 110 »

6

2

6

5

16

4

111

» 120 »

6

2

6

5

18

4

121

» 130 »

7

2

7

5

20

4

131

» 140 »

7

2

7

5

22

5

141

» 150 »

7

2

8

5

24

5

151

» 160 »

8

2

8

5

26

5

161

» 170 »

8

2

8

5

28

7

171

» 180 »

8

2

8

5

30

7

181

» 190 »

9

3

9

6

32

8

-ocr page 362-

k.b. algemeen reglement van politie

Aanmerkingen :

1°. Groote ankerschuiten zijn die van een ladingsvermogen van meer den 1750 K.G.; kleine ankerschuiten die van een ladingsver-mogen van 1750 of minder K.G.

2°. Vlotten, waarvan de verplichte bemanning niet meer dan 7 man bedraagt, mogen in plaats van de kleine ankerschuit, een schuitje hebben, zoogenaamd »Dreibord» van 8 M. lengte en van 1 tot 1.4 M. breedte aan den bovenkant.

De schuit van den waarschuwer is niet in bovenvermeld aantal schuiten begrepen.

61. De beheerders der schipbruggen zijn verplicht de doorvaartope-ningen aan te duiden overeenkomstig de volgende bepalingen: (92c.)

1°. Zoodra de brugvakken zijn uitgevaren en doorvaart kan plaats hebben, moet ieder van de beide zijden der opening hy dag door een rood-witte vlag, by nacht door twee roode lantaarns, boven elkander geplaatst, worden aangeduid.

De lantaarns mogen slechts uitstralen naar de zijde, aan welke het vaartuig zich bevindt, dat het eerst tot doorvaren wordt toegelaten.

2°. Indien eene brug wegens een beletsel, bij voorbeeld, storm, beschadiging enz., tijdelijk niet kan geopend worden, moet deze omstandigheid aan de tot doorvaart toe te laten vaartuigen worden te kennen gegeven, bij dag door een blauw-witte vlag, bij :iacht door twee groene lantaarns, boven elkander geplaatst.

3°. De volgende waarschuwingsseinen moeten gegeven worden, om de naderende vaartuigen op grooteren afstand te verwittigen, dat zij de brug kunnen doorvaren:

a. ten teeken, dat de brug afwaarts kan doorgevaren worden, bij dag een roode vlag, bij nacht eene roode lantaarn;

b. ten teeken, dat de brug opwaarts kan doorgevaren worden, bij dag een witte vlag, bij nacht twee roode lantaarns.

4°. De lantaarns moeten met voldoende helderheid branden en de vlaggen mogen, om beter te kunnen uitwaaien, slechts zoo groot zijn, dat zij op den afstand, waarvoor zij bestemd zijn, nog duideliik zijn te onderkennen.

De breedte der vlaggen moet ten minste gelijk zijn aan de hoogte, doch mag deze slechts met de helft overschrijden.

Ook moeten de vlaggen aan schuins of horizontaal aangebrachte stokken of lijnen gevoerd worden of gedeeltelijk op een raam gespannen zijn.

Tweekleurige vlaggen moeten horizontaal verdeeld, en de onderste helft wit, de bovenste rood, of, bij het gebruik van blauw-witte vlaggen, blauw zijn.

Indien door mist of andere oorzaken de bovengenoemde seinen niet duidelijk te onderscheiden of niet zichtbaar zijn, mag niet door-

332

-ocr page 363-

VOOB RIVIEEEN, KANALEN ENZ. 333

gevaren worden voordat van den brugwachter op andere wijze vergunning is verkregen.

62. Het is verboden eenig op of in den bodem of den oever met ankers of andere voorwerpen bevestigd vischtuig te plaatsen of te doen verblijven: (92c.)

1°. in het vaarwater, tenzij met vergunning van den Minister;

2°. buiten het vaarwater, tenzij duidelijk aangewezen des daags door helder geschilderde boeien, des nachts door een helder wit licht en loodrecht daarboven op een afstand van ten minste 0.50 M. en ten hoogste 1 M. een helder rood licht, welke beide lichten van alle zijden duidelijk zichtbaar moeten zijn.

Dit verbod is niet toepasselijk op aan een vaartuig verbonden blijvende vischtuigen (ankerkuilen). Bij het bezigen daarvan moet echter het vaartuig zoodanig worden geplaatst dat het met het vischtuig de vaart niet belemmert. ^

T I T E L IV.

Bijzondere bepalingen voor het gebnuJc maken van kanalen en havens.

Art. 63. De bijzondere reglementen geven voor elk kanaal aan het maximum van de geoorloofde afmetingen der vaartuigen.

Bij het ontstaan van ondiepten of bij lage waterstanden hebben de ambtenaren van den waterstaat of de kanaalbeambten het recht den bij het bijzonder reglement bepaalden diepgang der vaartuigen te beperken.

Het is verboden het kanaal te bevaren met vaartuigen van groo-tere afmetingen dan volgens het eerste en tweede lid van dit artikel zijn toegelaten, tenzij krachtens schriftelijke vergunning van den hoofdingenieur. (92 c.)

64;. Behalve in de buitenhavens, uitkomende in rivieren, slroo-men, reeden, zeegaten of andere vaarwaters, alwaar het ankeren geoorloofd is, mag de schipper nimmer ankers buiten boord laten hangen, tenzij hem dit door den sluismeester of den havenmeester is vergund.

Het is verboden langs de berghouten, aan de stootklossen of voor aan de zwaarden van de vaartuigen uitstekende ijzers of punten te hebben. (92 e.)

65. Bij het doorvaren van eenig kanaal mogen geene ra- of lijzeilen gevoerd worden.

Schippers van raschepen op eenig kanaal of in eene haven varende of liggende, moeten de raas, zooveel mogelijk, bakboord doen aanbras-sen en de uitgaande vaartuigen bakboord- de binnenkomende vaartuigen stuurboord optoppen, en den lossen kluiverboom en het jaaghout inhalen of zooveel noodig inschieten. (92 e.)

1) Art. 62 aldus gewijzigd bij K.B. 17 April 1894, S. 57.

-ocr page 364-

K.B. ALGEMEEN REGLEMENT VAN POLITIE

66. Indien in de nabijheid van eenig kanaalboord wordt gereden, is het verboden de giek, boegspriet of ander scheepstuig over het kanaalboord te laten uitsteken, of de zeilen aan die zijde van het kanaal over te doen vallen of te strijken. (92 d.)

67. De bijzondere reglementen bepalen het maximum der snelheid, waarmede de stoomvaartuigen zich mogen bewegen.

In het belang der scheepvaart of der werken kan deze snelheid door de ambtenaren van den waterstaat of van de kanaalbeambten tijdelijk worden beperkt.

Het is verboden met grooter snelheid te varen dan volgens het eerste en tweede lid van dit artikel is toegelaten, tenzij krachtens schriftelijke vergunning van den hoofdingenieur. (92 a, b.)

68. Stoomvaartuigen mogen niet varen met eene grootere snelheid dan 75 meter in de minuut: (92a, b.)

lu. bij het varen tusschen de bij sluizen, bruggen en ponten geplaatste handwijzers of teekenen;

2°. bij het voorbijvaren van in tegengestelde richting varende stoomvaartuigen.

De kanaalbeambten zijn, zoo noodig, bevoegd den schippers te bevelen, de boven aangegeven snelheid nog te verminderen.

69. De bijzondere reglementen geven voor elk kanaa aan: de geoorloofde afmetingen der vlotten en de snelheid waarmede zij vervoerd mogen worden.

Het is verboden, het kanaal te bevaren met vlotten vac grootere afmetingen, of vlotten met grootere snelheid te vervoeren dan volgens de vorige zinsnede zijn toegelaten, tenzij krachtens schriftelijke vergunning van den hoofdingenieur. (92 c.)

70. Terstond na de samenstelling van een vlot moet het buiten het kanaal of, indien de plaats zijner bestemming aan hei kanaal gelegen is, naar die plaats worden gevoerd, waar het binnen tweemaal 24 uren na de aankomst moet worden gebroken en uit het kanaal verwijderd. Tenzij in geval van overmacht, mogen de vlotten slechts stilliggen op de bij het bijzonder reglement aangewezen plaatsen en op die, daartoe door de kanaalbeambten aan te wijzen. (92 d.)

71. Een vlot van niet meer dan 25 balken mag, mits daarop een man ter besturing is, aan een vaartuig worden vastgekoppeld.

Overigens moeten alle vlotten afzonderlijk gejaagd of gesleept worden.

Elk niet aan een vaartuig vastgekoppeld vlot van 25 meter of mindere lengte moet door ten minste twee bekwame mannen bestuurd worden.

Voor elke 20 meter meerdere lengte of een gedeelte daarvan moet één man meer ter besturing aanwezig zijn.

Te zamen gekoppelde vlotten worden als één vlot beschouwd. (92 d.)

334

-ocr page 365-

VOOR RIVIEREK, KANALEN ENZ.

72. De vlotten mogen geene masten of jaagstokkeu voeren, hoo-ger dan 4 meter boven den waterspiegel. {92f.)

73. Het is verboden meer dan twee paarden naast elkander aan de jaaglijnen te spannen. (92/.)

74. Het grootste getal vaartuigen, dat door eene sleepboot mag worden gesleept, wordt bij de bijzondere reglementen aangewezen.

Het is verboden een grooter aantal vaartuigen te sleepen dan krachtens het eerste lid van dit artikel is bepaald. (92 c.)

75. De gesleept wordende vaartuigen mogen op het kanaal geen groot of klein zeil voeren. Van die vaartuigen moeten gedurende de vaart alle zeilen gestreken of opgeborgen zijn. (92/.)

76. Stilliggende vaartuigen en vlotten moeten, waar dit mogelijk is, worden vastgelegd aan de daartoe bestemde meerpalen en dukdalven.

Bij het naderen van vaartuigen moeten de kettingen en touwen, zoo noodig, tijdig losgegooid en zoover uitgestoken worden, dat de doorvaart niet belemmerd wordt. (92 c.)

77. In een kanaal of haven mag niet geankerd worden, tenzij bij sterke strooming, tengevolge van spuiing, en in noodzakelijke gevallen.

De schippers van vaartuigen, niet besterad om de zeè te bevaren, mogen zich echter ter plaatse, waar geen meerpalen of dukdalven zijn, van katankers bedienen, geheel in den grond en nab\'j het kanaalboord geplaatst. (92 c.)

78. Vaartuigen mogen alleen geladen en gelost worden op de daartoe bestemde of door de kanaalbeambten aangewezen plaatsen.

Het is verboden eenig voorwerp op de boorden der havens te brengen of te ontladen, zonder vergunning van een ambtenaar van den waterstaat of een kanaalbeambte (92/.)

79. Bij het laden of lossen van vaartuigen mogen de wegen en bermen niet versperd worden.

De schippers der naast elkander liggende vaartuigen zijn verplicht, ten gerieve van elkander, de noodige ruimte te maken tot het bezigen van lichters en tot het verhalen. (92 e.)

80. De schipper van een vaartuig, liggende bij eene aanlegplaats, moet gedoogen dat een ander vaartuig ter zijde van het zijne komt en daarover gemeenschap met den wal hebbe, mits niet om te laden of te lossen. (92 e.)

81. De schipper moet zijn vaartuig, zoodra het geladen of gelost is, terstond doen verhalen, wanneer een ander vaartuig terzelfder plaatse moet geladen of gelost worden.

In geval van gebrek aan ruimte hebben, bij gelijktijdige aankomst, de vaartuigen, welke komen laden, den voorrang boven die, welke komen lossen. (92 d.)

82. De hoofdingenieur en, wanneer er onmiddellijke noodzakelijkheid bestaat, de ingenieur is bevoegd het kanaal op te zetten of af te laten.

335

-ocr page 366-

K.B. ALGEMEEN REGLEMENT VAN POLITIE

TITEL V.

Bepalingen ter instandhouding van de kanalen en van hetgeen daartoe behoort.

Art. 83. Behoudens verkregen rechten, is het verboden, zonder vergunning van den Minister:

1°. water uit een kanaal of de daartoe behoorende waterleidingen af te leiden; en (926.)

2°. in, op, onder of over het kanaal, zijne havens, bermslooten, bermen, dijken, jaagpaden, wegen of andere, tot het kanaal behoorende gronden, eenig werk uit te voeren. In afwijking van voorgaande bepaling is het geoorloofd, met vergunning van Onzen Commissaris, een trap, stoep, voetpad, oprit, leuning of uitweg langs den kanaaldijk of -weg te maken, te veranderen of op te ruimen met inbegrip van de daartoe noodige werken in de bermsloot. {92 c.)

84. Het is verboden:

1°. het gebruik van de werken te belemmeren of te beletten;

(92 c.)

2°. in het kanaal, met inbegrip van de daartoe behoorende gronden, vaste stoffen te werpen of te laten vallen, tenzij met schriftelijke vergunning van den hoofdingenieur; (92c.)

3°. over de bruggen te loopen of te rijden, voordat zij geheel gesloten en vastgezet zijn, of over de sluisdeuren te loopen, voordat zij geheel gesloten zijn; (92/.)

4°. anders dan stapvoets over de bruggen te rijden; (92/.)

5°. de vóór een brug geplaatste afsluiting zonder vergunning van den brugwachter te openen; (92 d.)

6°. over een brug eene vracht te vervoeren, waarvan het gewicht, naar het oordeel van den brugwachter, de brug aan beschadiging blootstelt; (92/.)

7°. in de ponten te gaan of daarin iets te brengen, in strijd met het verbod van den pontwachter; (92/.)

8°. zich op eenig werk te begeven, waartoe de toegang op eene voor ieder blijkbare wijze verboden is; (92/.)

9°. zonder daartoe door de kanaalbeambten te zijn aangezocht, bruggen te wippen, te draaien, te openen of te sluiten; sluisdeuren te openen of te sluiten, schuiven te lichten of te sluiten, schotbalken te lichten of andere werkzaamheden der kanaalbeamben te verrichten; (92 c.)

10°. op de los- of laadplaatsen andere goederen ot voorwerpen neder te leggen, dan welke moeten worden ingescheept of zijn ontladen, of goederen te laten liggen, nïl verloop van den door de kanaalbeambten voor de inlading of wegvoering bepaalden termijn. (92/.)

85. Behoudens verkregen rechten, is het verboden, zonder vergunning van Onzen Commissaris, over de kanaalgrom.en, welke geen openbare wegen zijn, met paarden of voertuigen te rijden.

336

-ocr page 367-

VOOR RIVIEREN, KANALEN ENZ.

Dit verbod is niet toepasselijk op de voertuigen van de ambtenaren van den waterstaat of van de kanaalbeambten, en op de jaag-paarden voor zooveel de jaagpaden betreft. (92/.)

86. Tenzij daartoe bepaaldelijk bij voorwaarden van pachteon-tracten vergunning is verleend, is het verboden, zonder vergunning van Onzen Commissaris, paarden of ander vee te weiden op de ka-naalgronden. Vee zonder begeleiding aangetroffen, kan door de ka-naalbeambten worden verwijderd. {92/.)

TITEL VI.

Bepalingen voor de verspreide Rijkswerken.

Art. 87. Voor de doorvaart en het verder gebruik van de in art. 1, derde lid, sub h, c, d, e en ƒ genoemde werken gelden de voorschriften, die omtrent het gebruik maken van sluizen, bruggen en verdere werken in Titel II, III en IV van dit reglement zijn opgenomen.

Voor de in het eerste lid genoemde werken alsmede voor de in art. 1, derde lid, sub a genoemde havens 1) gelden voorts de voorschriften, die ter instandhouding van de sluizen, bruggen, havens en verdere werken, tot de kanalen behoorende, in Titel V zijn opgenomen. 2)

TITEL VII.

licpalingen tot handhaving van dit reglement en dc bijzondere reglementen en strafbepalingen.

Art. 88. Met de handhaving van dit algemeen reglement en van de bijzondere reglementen zijn belast de ambtenaren en beambten der Rijks- en gemeentepolitie, de ambtenaren van den waterstaat, die van het loodswezen, van de ambulante recherche te water, die belast met het toezicht op de visscherij, de kanaalbeambten. (2.)

De ambtenaren en beambten, in het eerste lid bedoeld, zijn bevoegd tot de handelingen in art. 0 der wet van 28 Februari 1891 (Staatsblad no. 69) omschreven.

De door hen opgemaakte processen-verbaal worden gezonden aan den betrokken ambtenaar van het openbaar ministerie bij het kantongerecht en in afschrift aan den hoofdingenieur medegedeeld. (S.V. 8, 10.)

89. De ambtenaren van den waterstaat en de havenmeesters zijn bevoegd tot de handelingen in art. 3 der wet van 28 Februari 1891 ü (Staatsblad no. 69) omschreven. (2.)

337

1

Voor \'s Kijks Marinehavens: „het Nieuwediepquot;\' en die te Helle-voetsluis, zijn bij K.B. van 11 Juni 1896, S. 93, een Algemeen Reglement van Politie en PlaatseJiike Reglementen van Politie vastgesteld.

2

Art. 87 aldus gewijzigd bij K.B. 17 April 1894, S. 57.

STW. ii. 22

-ocr page 368-

338 K.B. ALGEMEEN REGLEMENT VAN POLITIE

90. De schippers zijn verplicht te gehoorzamen aan alle bevelen, welke hun door de ambtenaren van den waterstaat en de kanaalbeambten in het belang van de vaart of van de werken worden gegeven. (92 c.)

Van de bevelen der in het eerste lid genoemde ambtenaren en beambten is, .onverminderd de verplichting om daaraan onmiddellijk te voldoen, hooger beroep op Onzen Commissaris.

91. Van alle schade, welke aan de werken in dit en in de bijzondere reglementen bedoeld, wordt toegebracht, wordt door den ambtenaar van den waterstaat of den kanaalbeambte, die zulks bemerkt of verneemt, proces-verbaal opgemaakt. Dit proces-verbaa! houdt in: den staat, waarin het beschadigde zich vóór het ongeval bevond, de omstandigheden waaronder de beschadiging heeft plaats gehad, de vermoedelijke kosten der herstelling, den persoon, die tot de vergoeding gehouden wordt geacht, en het bedrag, dat door dezen is verschuldigd. Tot vaststelling van dit bedrag wordt achtgeslagen op den toestand, waarin de werken zich vóórdat de schade was toegebracht, bevonden. (Wet W.w. 4; S.E. 351, 351 bis.)

Dit proces-verbaal wordt, door tusschenkomst van den ingenieur, gezonden aan den hoofdingenieur en, zoo mogelijk, in afschrift aan den betrokken schipper medegedeeld.

Van de beslissing van den in het eerste lid bedoelden ambtenaar of beambte is, overeenkomstig art. 4 der wet (W.w.) van 28 Februari 1891 (Staatsblad no. 69) beroep op den hoofdingenieur.

92. Overtreding van de bepalingen van dit algemeen reglement wordt, voor zoover daartegen niet bij de wet is voorzien, gestraft als volgt;

а. met hechtenis van ten hoogste zestig dagen of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden, de overtreding van art. 10 eerste lid, 12, 13, 55 tweede lid, 67 derde lid en 68 eerste lid, indien zij gepleegd is ten aanzien van een rivier, kanaal of haven, bestemd om te worden bevaren met zeeschepen;

б. met hechtenis van ten hoogste dertig dagen of geldboete van ten hoogste honderd vijftig gulden:

1°. de overtreding van de onder a genoemde bepalingen, indien zij gepleegd is ten aanzien van eenig water, niet bestemd om met zeeschepen te worden bevaren;

2°. de overtreding van art. 15 tweede lid, 25, 27, 48, 51 en 83 1°.;

c. met geldboete van ten hoogste honderd gulden, de overtreding van art. 7, 8, 10 tweede lid, 14 tweede lid, 15 derde lid, 19 eerste lid, 21 tweede lid, 24, 30, 34 tweede lid, 42, 43, 47 1°. en 2°., 1) 54, 55 eerste lid, 56, 61, 62, 63 derde lid, 69 tweede lid, ^4 tweede lid, 77, 83 2quot;., 84 1°. en 90 eerste lid;

d. met geldboete van ten hoogste vijj en zeventig gulden, de over-

1

Het cijfer 47 aldus veranderd in 47 1°. en 2°., volgens K.B. 23 April 1897, S. 105.

-ocr page 369-

VOOR RIVIEREN, KANALEN ENZ. 339

treding van art. 28, 31, 32, 34 eerste lid, 46, 49, 57, 58, 59, 60, 66, 70, 71, 81 en 84 5°.;

c. met geldboete van ten hoogste vijftig gulden, de overtreding van art. 4, 5, 6, 9, 15 eerste lid, 19 tweede lid, 20, 26, 39 tweede en vierde lid, 52 eerste lid, 64, 65, 76, 79, 80 en 84 2°. en 9°.;

ƒ. met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden de overtreding van art. 3 tweede lid, 11 eerste lid, 23 eerste lid, 33, 34 derde lid, 36, 39 eerste en derde lid, 44, 50, 52 tweede lid, 53, 72, 73, 75, 78, 84 3°., 4°., 6°., 7°., 8°. en lOquot;., 85 en 86.

Overtreding van de artt. 7, 9, 10, 12, 13, 14 tweede lid, 15, 19 eerste en tweede lid, 20, 21 tweede lid, 23 eerste lid, 24, 25 en 26 met vlotten gepleegd, wordt gestraft met de straffen hierboven op overtreding dier bepalingen gesteld.

Overtreding van het verbod, krachtens art. 23 tweede lid uitgevaardigd, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijf en zeventig gulden, en van het verbod, krachtens art. 55, derde lid uit-ijTde gevaardigd, met de straffen onder a en h no. 1 gesteld naar de aldaar gemaakte onderscheiding.

Slotbepalingen.

Art. 93. De Minister is gemachtigd afwijking toe te staan of te bevelen van de bepalingen der artt. 4, 5, 6, 8, 18, 31, 32 derde lid, 47 \') 61, 73, 75, 79 en 84 van dit reglement.

94. Voor vaartuigen, bij het in werking treden van dit reglement reeds in de vaart, wordt, om te voldoen aan het voorschrift van art. 4 eerste lid, een termijn van twee jaar toegestaan.

Dit besluit treedt in werking op een nader door Ons te bepalen dag. 1)

De Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid is belast met de uitvoering van dit besluit, enz.

23

22*

1

K.B. 28 Juni 1892, S. 169 bepaalt het volgende;

Een ir/ artikel.

Ons besluit van 13 Augustus 1891 (Staatsblad no. 158), tot vaststelling van een Algemeen reglement van politie voor rivieren, kanalen, havens, sluizen, bruggen en daartoe beboerende werken, onder beheer van het Rijk, treedt in werking op 1 September 1892.

Met dat tijdstip vervallen de Koninklijke besluiten van 27 Oct. 1860, S. 170: 5 Febr. 1879,8.30; 27 Dec, 1880, S, 233; 2 Maart 1885, S, 70; 18 April 1885, S, 99; 13 April 1886, SS, 51, 53,57 en 58,

-ocr page 370-

BESLUIT,

houdende vaststelling van een reglement op het baggeren, graven en visschen van vookwerpen en het werpen van grond op andere zinkende stoffen in de rivieren onder beheer van het rljk, en langs de zeekusten, onder het beheer

van het Kijk.

(Vastgesteld den 15den Februari 1892, Stsbl. no. 4i, uitgegeven den 20sten Febr. d.a.v. Gewijzigd bij K.B. van 17 April 1894, Stsbl. no. 58 en 18 Dec. 1895, Stsbl. no. 224.)

Wij EMMA, enz.

Gezien de wet van 28 Februari 1891 (Staatsblad nc. 69); (Wet W.w. 1 sub 5°.)

Hebben goedgevonden en verstaan, met intrekking van het Koninklijk besluit vau 31 Maart 1887 (Staatsblad no. 46), vast te stellen het navolgende:

REGLEMENT op het baggeren, graven en msschen van voorwerpen en het werpen van grond of andere zinkende stoffen in de rivieren, onder beheer ran het Rijk, en langs de zeekusten, onder beheer van het Rijk.

Over hel baggeren en graven in de rivieren, onder beheer van het Rijk, en het daarin werpen van zinkende stoffen.

Art. 1. Voor het baggeren en graven in den Boven- en Neder-Jiijn, de Lek, de Waal, den IJssel met zijne uitmondingen in de Zuiderzee, de Oude en de Nieuwe Merwede, het Wantij, de Noord met hare armen, het Mallegat, de Dordtsehe Kil, de Krabbe, de Maas, het Heusdensch kanaal, de krachtens de wet van 26 Januari 1883 (Staatsblad no. 4) in aanleg zijnde rivier de 3Iaas, het Clide Maasje, de Donge van het seperatiepunt met den linkeroever der \'s Grave-moersehe vaart tot de uitmonding in den Amer, den Amcr, de Kil-len in het Bergsehe veld, het Hollandsch Diep, de Koningshaven, de Oude Maas, de Nietiwe Maas met hare vertakkingen tot in zee, het S.mi met het Beerengat, het Hartelsehe gat, den llollaiuhchcu Ijs-

-ocr page 371-

K.B. REGLEMENT OP HET BAGGEREN, GRAVEN ENZ. 341

sd met de Sliksloot, het Zxvarte water en het Zwohche Diep, gelden de voorschriften in de artikelen 2 tot en met 7 opgenomen. 1)

2. Het is verboden, zonder voorzien te zijn van eene schriftelijke vergunning van den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid, te baggeren of te graven; (11, 17 6.)

1°. landwaarts van eêne lijn, getrokken op 20 M. rivierwaarts van en evenwijdig aan den oever ter hoogte van den middelbaren rivier- of ebbestand;

2°. landwaarts van een lijn of de lijnen, getrokken op 35 M. rivierwaarts en evenwijdig aan:

a. de lijn, die de uiteinden van kribben en andere werken ter hoogte van den middelbaren rivier- of ebbestand verbindt, indien die kribben of andere werken niet verder van elkander verwijderd zijn dan 000 M.;

/gt;. de lijnen, die het uiteinde van eene krib of van eenig ander werk ter hoogte van den middelbaren rivier- of ebbestand verbinden met twee punten op den oever, gelegen het eene 300 M. boven het boveneinde, het andere 300 M. beneden het benedeneinde van de krib of het werk.

Het voorschrift sub b geldt niet ter plaatse, waar het baggeren of graven, krachtens het voorschrift sub a, reeds is verboden.

Zonder van zoodanige vergunning voorzien te zijn, is het mede verboden te baggeren of te graven binnen den afstand van 20 M.

3°. uit de ankerplaatsen der brugsehepen van schipbruggen, gierbruggen en veerponten;

•lquot;. uit de vaste voorwerpen of ankerplaatsen van badinrichtingen;

5°. uit de landhoofden, jukken, pijlers, ijsbrekers, remmingwer-ken, dukdalven of andere vaste voorwerpen of gedeelten van bruggen en sluizen;

6U. boven of beneden gezonken of onder water gespannen telegraafkabels, gerekend naar de lijn door de waarschuwingsborden aangewezen.

3. Het is gedurende den tijd, dat de visscherij met de groote zalmzegen mag worden uitgeoefend, verboden te baggeren of met baggervaartuigen of werktuigen of vaartuigen, dienende tot opneming van baggerspecie, voor anker te liggen in een riviervak waarin die visscherij met spil en vaste ophaalplaats of plaatsen wordt uitgeoefend, alsmede binnen den afstand van twee honderd (200) meter boven eu vijfhonderd (500j meter beneden dat vak.

De grenzen van het vak, waarin die visscherij wordt uitgeoefend, worden aangewezen door de lijnen loodrecht op de as der rivier getrokken uit de plaats, waar de zegen wordt uitgebracht (ingeschoten) en uit de benedenste ophaalplaats.

1

Art. 1 aldus gewijzigd bij K.B. 17 April 1894, S. 58.

-ocr page 372-

K.B. REGLEMENT OP HET BAGGEREN, GRAVEN

De voorschriften van dit artikel gelden alleen voor de riviervakken en voor den tijd, waarin de vissoherij met de zegen werkelijk wordt uitgeoefend. (11, 176.)

4. Het is verboden van één uur nil zonsondergang tot één uur vóór zonsopgang in de riviervakken, waarin de visseherij met drijf-want of vlouwen wordt uitgeoefend, te baggeren, of in de dreven of worpen zelve met baggervaartuigen of -werktuigen of vaartuigen, dienende tot opneming van baggerspecie, voor anker te liggen.

Gedurende dien tijd moeten de vaartuigen, waarmede gebaggerd wordt, en die waarin de gebaggerde specie tot vervoer wordt overgeladen, zoodanig worden gelegd dat geen hinder aan de visseherij wordt toegebracht.

De voorschriften van dit artikel gelden alleen voor de riviervakken en voor den tijd, waarin de visseherij met drijfnetten werkelijk wordt uitgeoefend. (11, 17 J.)

5. Plet is verboden, zonder voorzien te zijn van eene schriftelijke vergunning van den voornoemden Minister: (17c.)

1°. te baggeren met andere werktuigen dan met den gewonen hand- of hijschbeugel;

2°. met baggervaartuigen of werktuigen in het vaarwater te ankeren.

Bij de aan de vergunning te verbinden voorwaarden kan van de bepalingen van de artikelen 2, 3 en 4 worden afgeweken.

6. Het baggeren alsmede het graven van platen, nnder beheer van het Rijk, kan door den voornoemden Minister voor sommige riviervakken geheel worden verboden.

De aanwijzing der riviervakken waarvoor dat verbod geldt, wordt in de Nederlandsche Staatscourant bekend gemaakt.

Het is verboden te handelen in strijd met zoodanig verbod. (17 a.) |

7. Wanneer van platen, onder beheer van het Kijk, gegraven wordt, moet dat regelmatig geschieden.

De randen der putten moeten bijgevlakt en de hoogten, die daarbij mochten ontstaan, over de platen geslecht en daarmede gelijkgemaakt worden. (17 c.)

8. Zonder voorzien te zijn van eene schriftelijke vergunning van deu voornoemden Minister, is het verboden, in een der rivieren, in art. 1 genoemd, of in de daartoe behoorende wateroppervlakten grond of baggerspecie, puin of andere zinkende stoffen te storten. (10, 17 a,)

Over het baggeren en graven langs de onder beheer van het Rijk zijnde kusten der zee en het visschen van steen, schelpen, oesters of mosselen en het verrichten van andere handelingen langs die kusten.

Art. 9. Zonder voorzien te zijn van eene schriftelijke vergunning

342

-ocr page 373-

EN VISSCHEN VAN VOORWERPEN ENZ.

van den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid, is het verboden langs de kusten der Noord- en der Zuiderzee, met Inbegrip van hare zeeboezems, benevens in den Mond van de Maas, In het Haringvliet, het Ooereesche Ont, het Volkerak, de Krammer, de Grevelingcn, het Brouwershavensche Gat, de Ooster- en Westerschelde, de overige Zeeuwschc stroomen en In al de onder beheer van het Rijk zijnde vertakkingen en inhammen van bovengenoemde wateren: (17 6.)

1quot;. binnen den afstand van vijf honderd (500) meter, zeewaarts gemeten uit de paalwerken, de koppen der hoofden, of waar die ontbreken uit den buitenteen der dijken, duinen en zeeweringen of binnen denzelfden afstand ter wederzijden van gezonken telegraafkabels, te baggeren, te graven, te slikkeren, kornetten of rijven te sleepen, steen, oesters, mosselen of mosselzaad 1) te vissehen, te aalgeeren of vaste vlschtuigen te stellen. Onder dit verbod is niet begrepen het stellen van aalfuiken, het vissehen van schelpen en het rapen van schelpdieren of mosselzaad;

2°. op de werken, onder beheer van het Rijk schelpen te vissehen of schelpdieren of mosselzaad te rapen.

De met het beheer van zeeweringen belaste besturen mogen de slikken, platen en losse steenen, voor zoover die met laagwater droog-loopen, tot herstel en verbetering der achterliggende dijken en zeeweringen bezigen.

Voor zoover de slikken en platen met laag water droog loopen, mogen tot bevordering van aanwas, slikgruppen gedolven worden binnen den genoemden afstand van 500 meter.

10. Het verbod van art. 8 is ook toepasselijk op onder beheer van het Rijk zijnde toegangen tot havens en op uitwateringsgeulen, onder beheer van het Rijk, die zich langs de kusten en in de wateren, genoemd in art, 9, bevinden. (17rt.)

Algemccne bepalingen.

Art. 11. De bepalingen van dit reglement zijn niet van toepassing op bagger- en graafwerken, tot wegneming van droogten uit suatiegeulen en op die welke van Rijkswege of ingevolge eene door Ons verleende concessie van een werk van openbaar nut worden uitgevoerd.

12. De krachtens art. 8 van het bij Koninklijk besluit van 21 April 1862 (Staatsblad no. 41) vastgesteld reglement door Gedeputeerde Staten verleende vergunningen blijven van kracht, met verplichting tot naleving der bij die vergunningen gestelde bijzondere bepalingen.

343

13. Het is verboden, in strijd te handelen met de voorwaarden

_

1

Het woord „mosselziiadquot; aldus bijgevoegd volgens K.B. 18 Dec. 1895, S. 221.

-ocr page 374-

344 K.B. REGLEMENT OP HET BAGGEREN, GRAVEN ENZ.

der krachtons dit reglement door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid of der bij art. 12 bedoelde, door Gedeputeerde Staten verleende vergunningen. (2, 5—10, 12, 17.)

14. Tot het opmaken van proces-verbaal wegens overtreding van dit reglement zijn bevoegd de ambtenaren van den waterstaat in Kijks- of Provincialen dienst, de ambtenaren van waterschappen, de bakenmeesters, alsmede de beambten der Rijks- en gemeentepolitie. (17 al. 2; S.V. 8; K.B.W.w. I 2; Wet 20 April 1895, S. 71.)

15. De processen-verbaal wegens overtreding van dit reglement worden gezonden aan den rechterlijken ambtenaar, met de vervolging belast, en in afschrift aan den hoofdingenieur van \'s Kijks waterstaat, onder wiens beheer de rivier of stroom of de zeekust, waaide overtreding plaats heeft, staat. (S.V. 10.)

16. De ambtenaren van den waterstaat in Rijksdienst zijn bevoegd tot de handelingen, in art. 3 der wet van 28 Februari 1891 (Staatsblad no. 69) omschreven. (K.B.W.w. I 2.)

17. Overtreding van de bepalingen van dit reglement wordt, voor zoover daartegen niet bij de wet is voorzien, gestraft als volgt:

«. met geldboete van ten hoogste honderd gulden, de overtreding van art. 6, laatste lid, artt. 8 en 10 en van art. 13, voor zooveel de overtreding betreft eene vergunning, krachtens art. 8 of 10 verleend;

b. met geldboete van ten hoogste vijf en zeventig gulden, de overtreding van artt. 2, 3, 4 en 9 en van art. 13, voor zooveel de overtreding betreft eene vergunning, krachtens art. 2 of 9 verleend;

c. met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden, de overtreding van artt. 5 en 7 en van art. 13, voor zooveel de overtreding betreft eene vergunning, in art. 5 of 12 van dit reglement bedoeld.

Met het niet voorzien zijn van eene vergunning, als in dit reglement bedoeld, wordt gelijkgesteld het niet vertoonen der vergunning, wanneer dit door een der ambtenaren, in art. 14 vermeld, wordt gevorderd.

De Minister voornoemd (W. H. en If.) is belast met de uitvoering van dit besluit, enz.

-ocr page 375-

BESLUIT,

TOT VASTSTEIXING VAN EENIGE BEPALINGEN VAN POLITIE BETREFFENDE HET GEBRUIK MAKEN VAN WEGEN, ENZ. ONDER BEHEER VAN HET KlJK.

(Vastgesteld den 19den Januari 1898, Stsbl. no. 25, uitgegeven den Sisten Januari d.a.v.)

Wu EMMA, ENZ.

Gezien de wet van 28 Februari 1891, {StaatMad no. 69);

Hebben goedgevonden en verstaan, vast te stellen de navolgende:

BEPALINGEN VAN POLITIE, betreffende het gebruik maken van wegen en paden, onder beheer van het Rijk, en van de daartoe behoorende glooiingen, bermen, slooten, bruggen, duikers, beschoeiingen en andere werken. (14.)

Art. 1. Onze Commissaris in de provincie is bevoegd een gedeelte van een weg of een daartoe behoorend kunstwerk, onder beheer van het Rijk, tijdelijk af te sluiten, wanneer de toestand voor het verkeer gevaarlijk of uit anderen hoofde de afsluiting noodig is.

(Wet 6 April 1869, S. 39, art. 3; K.B. Ww.I, 2.)

Hij zorgt in dat geval voor onverwijlde afkondiging en mededee-ling aan het bestuur der gemeente of gemeenten, voor wie die me-dedeeling van belang kan zijn.

Bij dreigend gevaar is de Hoofdingenieur, of bij diens afwezen, de Ingenieur van den Rijkswaterstaat bevoegd eene afsluiting te gelasten. behoudens onverwijlde kennisgeving aan Onzen Commissaris voornoemd.

Ook voor deze afsluiting is het bepaalde in het tweede lid van toepassing.

2. Tenzij met vergunning van Onzen Commissaris in de provincie, is het verboden van de wegen en paden, onder beheer van het Rijk, en van de daartoe behoorende glooiingen en bermen gebruik te maken tot het houden van tentoonstellingen, harddraverijen, volksfeesten of jaarmarkten. (13 a.)

3. Tenzij met vergunning van den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid, is het, behoudens het bepaalde in de vijf volgende artikelen, verboden van de wegen en paden, onder beheer van het Rijk, en van de daartoe behoorende glooiingen, bermen,

-ocr page 376-

344b K.B. REGLEMENT VAN POLITIE BETREFFENDE

slooten, bruggen, duikers, beschoeiingen en andere werken eenig gebruik te maken, waardoor in den toestand van weg of werken verandering wordt gebracht. (13 a.)

Onder verandering wordt niet verstaan, hetgeen behoort tot de gewone onderhoudswerken, het snoeien of hakken van beplantingen en het maaien van op de glooiingen en bermen groeiend gras, door de daartoe gerechtigden.

Uitvoering van de gewone onderhoudswerken in het vorig lid bedoeld, waarbii de belangen van het verkeer of van de afwatering betrokken zijn, geschiedt niet dan na verkregen vergunning van Onzen Commissaris in de provincie en met opvolging van de door hem te geven voorschriften. (13 6.)

4. Tenzij met vergunning van Onzen Commissaris in de provincie is het verboden van de wegen en paden, onder beheer van het Kijk, en van de daartoe behoorende glooiingen, bermen en slooten gebruik te maken: (13«.)

a. tot het maken van uitwegen en andere verbindingen en hel verbroeden van bestaande uitwegen;

b. tot het maken van voetpaden en stoepen;

c. tot het plaatsen en laten staan van gebouwen of getimmerten, hekken, afrasteringen, schuttingen en hagen;

d. tot het plaatsen en laten staan van lantaarnpalen, aanplakborden, telephoonpalen en dergelijke voorwerpen;

e. tot het leggen van goten, riolen en buizen;

ƒ. tot het leggen of plaatsen van zand, steenen, hout en andere losse voorwerpen.

5. Tenzij met vergunning van Onzen Commissaris in de provincie is het, behoudens verkregen rechten, verboden van de wegen eu paden, onder het beheer van het Rijk, en van de daartoe behoorende glooiingen en bermen gebruik te maken tot het planten van hoornen, heesters of ander struikgewas. (13 a.)

6. De eigenaar van bestaande beplanting is te allen tijde bevoegd die te rooien, doch verplicht van het voornemen daartoe ten minste dertig dagen te voren schriftelijk kennis te geven aan Onzen Commissaris in de provincie. (13 c.)

Hij moet zich bij het rooien gedragen naar de voorschriften die hem door Onzen Commissaris worden gegeven. (13 c.)

Hij rooit op last van Onzen Commissaris de boomen, die door dezen voor het verkeer over den weg gevaarlijk worden geacht, binnen den bij den last bepaalden termijn en handelt evenzoo met de boomen, die gestorven, omgewaaid of afgebroken zijn (136.)

Bij vervanging van gerooide beplanting door nieuwe moeten de voorschriften door Onzen Commissaris in de provincie omtrent de soort der beplanting, de afstanden enz. te geven worden opgevolgd. (136.)

7. Ten minste dertig dagen vóórdat krachtens plantrecht van eenig onbeplant deel van den weg wordt gebruik gemaakt voor

-ocr page 377-

WEGEN ENZ. ONDER BEHEER VAN HET RIJK.

inplanting, geeft de rechthebbende daarvan schriftelijk kennis aan Onzen Commissaris in de provincie.

Deze geeft omtrent de soort der beplanting, de afstanden enz. de noodi-ge voorschriften, welke bij de inplanting moeten worden nageleefd. (136.)

8. De opgaande boomen moeten, zoodra zij eene hoogte van 7,50 M. hebben bereikt, tot ten minste 4 M. boven den beganen grond door den eigenaar worden opgesnoeid. (13 c.)

9. Tenzij voorzien van eene vergunning van den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid en met inachtneming van de daarbij gestelde voorwaarden is het verboden de wegen en paden, onder beheer van het Rijk, te bereiden met rij- of voertuigen, welke door eene mechanische kracht worden voortbewogen en een grooter gewicht hebben dan van 150 kilogram.

Met het niet voorzien zijn van eene vergunning, als in dit artikel bedoeld, wordt gelijkgesteld het niet vertoonen der vergunning, wanneer ditdooreender ambtenaren, in art. 10 vermeld, wordt gevorderd. (13 a.)

10. Met de handhaving van dit reglement zijn belast de ambtenaren en beambten van de Rijks- en gemeentepolitie en de ambtenaren van den Rijkswaterstaat, waaronder voor de toepassing van dit reglement worden verstaan de inspecteurs, hoofdingenieurs, ingenieurs, adspirant-ingenieurs en opzichters van den Rijkswaterstaat ; voorts de sluis- en brugwachters van de in de wegen gelegen sluizen en bruggen, en de kantonniers of wegarbeiders, voor zoover deze sluis- en brugwachters en kantonniers of wegarbeiders van eene aanstelling als onbezoldigd Rijks- of gemeenteveldwachter zijn voorzien. (S.V. 8; Gem. 190, 191; K.B. Ww. I, 2; K.B. Rijksveldw. 14.)

De door hen opgemaakte processen-verbaal worden gezonden aan den bevoegden ambtenaar van het Openbaar Ministerie bij het Kantongerecht en in afschrift aan den Hoofdingenieur van den Rijkswaterstaat medegedeeld. (S.V. 10, 24.)

11. De ambtenaren van den Rijkswaterstaat zijn bevoegd tot de handelingen in art. 3 der wet van 28 Februari 1891 (Staatsblad no. 69) omschreven. (10.)

12. Ieder, die overeenkomstig de bepalingen van de artt. 2 tot en met 9 van de wegen en paden, onder beheer van het Rijk, en van de daartoe behoorende glooiingen, bermen, slooten, bruggen, duikers, beschoeiingen en andere werken gebruik maakt, is verplicht te gehoorzamen aan de bevelen, welke door de ambtenaren van den Rijkswaterstaat, de sluis- en brugwachters van de in de wegen gelegen sluizen en bruggen, de kantonniers of wegarbeiders in het belang van weg en werken worden gegeven. (13 a.)

Van die bevelen is, onverminderd de verplichting om daaraan onmiddellijk te voldoen, hooger beroep op Onzen Comioissaris in de provincie.

13. Overtreding van de bepalingen van dit reglement wordt, voor zoover daartegen niet bij de wet is voorzien, gestraft als volgt: (Wet Ww. 2 c en al. 2: S.R. 162, 168, 427.)

344(3

-ocr page 378-

344d k.b. regl,. van politie bete. wegen enz. v. h. rijk.

«. met geldboete van ten hoogste vijftig gulden de overtreding van de artt. 2, 3 eerste lid, 4, 5, 9 en 12 eerste lid;

b. met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden de overtreding van de artt. 3 laatste lid, 6 derde en vierde lid en 7;

c. met geldboete van ten hoogste tien gulden de overtreding van de artt. 6 eerste en tweede lid en 8.

14. Op de tot de Rijkskanalen behoorende wegen en paden is dit reglement niet van toepassing. (K.B. Ww. I, 79, 83 v.)

De Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid is belast met de uitvoering van dit besluit, enz.

WET,

HOUDENDE INTREKKING der WETTEN v. 29 ELORÉAL JAAR X EN 7 VENToSE, JAAR XII (VERVOER VAN VRACHTEN OP DE LANDWEGEN).

(Vastgesteld deu Gden April 1869, Stsbl. no. 39, uitgegeven den lOden April d.a.v.J

Art. 1. De wet van 29 Floréal jaar X (19 Mei 1802), betreffende het gewigt der vracht- en postwagens, en de wet van 7 Ventöse jaar XII (27 Febr. 1804), bepalende de breedte der velgen voor de wielen van vrachtwagens, met meer dan één paard bespannec, benevens de verder omtrent het gewigt van voertuigen en de breedte der velgen van de wielen van voertuigen bestaande bepalingen, zoowel al-gemeene als provinciale, worden ingetrokken.

Die intrekking gaat voor de wegen, niet in onderhoud bij het Rijk, eerst in met 1 Januarij 1870 of zooveel vroeger als voor die wegen eene nieuwe voorziening krachtens art. 2 in werking treedt.

2. In het onderwerp, bij de in art. 1 genoemde wetten geregeld, wordt voor de wegen, niet in onderhoud bij het Rijk, zoo noodig, bij provinciale verordening voorzien.

3. Het vervoer van vrachten bij invallend dooi weder kan tijdelijk op de wegen, in onderhoud bij het Rijk, door de Ccmmissaris-sen des Konings in de provinciën, op voordragt van den betrokken hoofdingenieur van den waterstaat, worden verboden of beperkt.

Overtreding van de bepalingen, krachtens het eerste lid van dit artikel door de Commissarissen des Konings uitgevaardigd, wordt gestraft met eene boete van ƒ 0,50 tot ƒ 25, onverminderd de verpligting der overtreders tot vergoeding der aan de wegen toegebragte schade.1)

1

Art. 3 aldus gehandhaafd en gewijzigd volgens artt. 10 no. 21 en 11 der Inv. wet van 15 April 1886, S. 64.

-ocr page 379-

WET,

HOUDENDE BEPALINGEN OMTRENT DE OPRUIMING EN HET BEHEER VAN VAARTUIGEN EN ANDERE VOORWERPEN, IN OPENBARE WATEREN GESTRAND OF GEZONKEN.

(Vastgesteld den 23sten Juli 1885, Stsbl. no. 151, uitgegeven den SOsten Juli d.a.v.J

Art. 1. Vaartuigen, overblijfselen van vaartuigen en alle andere voorwerpen in openbare wateren gestrand, gezonken of aan den grond geraakt, kunnen door den beheerder van het water worden opgeruimd, zonder dal deze door belanghebbenden bij het vaartuig, de lading of het opgeruimde voorwerp aansprakelijk kan worden gesteld voor door die opruiming aan hen toegebrachte schade. 1 (K.B.W.w. I 29; K. 545—568; K.B. Strandv.)

2. Van het tijdstip, waarop door den beheerder tot opruiming wordt overgegaan, wordt door of namens hem, ten minste tweemaal vier en twintig uren te voren, in de Staatscourant aankondiging gedaan, tenzij de beheerder onverwijld de opruiming noodzakelijk acht, in welk geval de aankondiging zoo spoedig mogelijk wordt gedaan, met vermelding der redenen, welke de onverwijlde opruiming noodzakelijk maken of noodzakelijk gemaakt hebben.

In beide gevallen bevat de aankondiging, zoo zij de opruiming van een vaartuig geldt, zoo mogelijk opgaaf van den naam van den schipper, van den naam van het vaartuig en van den aard der lading.

3. Het verblijf op of de toegang tot een volgens art. 1 door den beheerder opgeruimd wordend vaartuig of ander voorwerp is verboden zonder vergunning van hem, die door dien beheerder met de

i opruiming is belast.

4. Al hetgeen bij de opruiming wordt geborgen, wordt tegen voldoening der gemaakte kosten of tegen het stellen van zekerheid voor de voldoening daarvan, aan belanghebbenden, die zich daartoe aanmelden, afgegeven, zonder dat de beheerder van het water aansprakelijk kan worden gesteld voor de afgifte aan een onbevoegde. (16; K. 556.)

5. Indien belanghebbenden zich niet aanmelden of indien zij zich wel aanmelden doch in gebreke blijven binnen een door den beheerder van het water te stellen termijn, de in art. 4 bedoelde kos-

g

-ocr page 380-

34(5 WET GESTRANDE OF GEZONKEN VAARTUIGEN ENZ.

ten te voldoen of voor de voldoening daarvan zekerheid te stellen, wordt hetgeen geborgen is, met opgave der voor de opruiming gemaakte kosten, overgegeven aan den burgemeester der gemeente, binnen welke de opruiming heeft plaats gehad, om in het openbaar, volgens plaatselijk gebruik, te worden verkocht. (9; K. 554, 557; K.B. Strandv. 11 jto art. 2 van K.B. 8 Mei 1863, S. 56.)

6. Het geborgene wordt aan belanghebbenden afgegeven ingeval zij, vóór den aanvang van den openbaren verkoop, de kosten van opruiming met de door den burgemeester gemaakte noodzakelijke kosten, aan dezen voldoen.

De burgemeester kan niet aansprakelijk worden gesteld voor afgifte aan een onbevoegde.

De aan den burgemeester betaalde kosten van opruiming worden door hem binnen tweemaal vier en twintig uren gestort in de kas van den beheerder van liet water, ingevolge opgave door dezen vóór of bij de overgifte ten verkoop te doen.

7. in geval van verkoop door den burgemeester zal deze van de opbrengst aftrekken de door hem gemaakte noodzakelijke kosten en binnen tweemaal vier en twintig uren, zoo het overschot minder bedraagt dan de kosten van opruiming, dat overschot, en zoo het meer bedraagt, eene som gelijkstaande met het bedrag der kosten van opruiming, storten in de kas van den beheerder van het water, ter plaatse als in de laatste alinea van art. (i bedoeld.

8. De burgemeester doet van den verkoop rekening en verantwoording aan den beheerder van het water en stort het batig saldo in de consignatiekas, om aldaar drie jaren lang ten behoeve van de daarop rechthebbenden te worden bewaard. Na het verstrijken van dien termijn, vervalt dat saldo aan de kas, waaruit d3 kosten van beheer van dat water, waarin de opruiming is geschied, worden gekweten. (9; K. 558; K.B. Strandv. 17.)

9. De kosten, krachtens deze wet gemaakt, komen, voor zooveel zij niet door belanghebbenden zijn terugbetaald of uit de opbrengst van het krachtens art. 5 verkochte kunnen worden gekweten, ten laste van den beheerder van het water, onverminderd diens bevoegdheid om, indien het zinken, stranden, of aan den grond geraken van een opgeruimd vaartuig of ander voorwerp aan schuld of opzet is toe te schrijven, de krachtens dit artikel te zijnen laste komende kosten te verhalen op hem door wiens schuld of opzet het vaartuig of ander voorwerp is gezonken, gestrand of aan den grond geraakt. (8; zie ook S.E. 328, 352.)

de

-ocr page 381-

WET,

HOUDENDE BEPALINGEN TER VOORKOMING VAN AANVARINGEN OF AANDRIJVINGEN OP ZEE.

(Vastgesteld den Hden Julij 1882, Stsbl. no. 86, uitgegeven den SOsten Julij (l.a.v. Gewijzigd bij de wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64.)

Art. 1. Door Ons worden bij algeraeenen maatregel van inwendig bestuur, voorschriften vastgesteld, op de vaartuigen der Koninklijke Nederlandsche Marine, de Nederlandsche loodsvaartuigen, de Nederlandsche zeeschepen en de Nederlandsche zeevisschersvaartui-gen, na te leven ter voorkoming van aanvaringen of aandrijvingen op zee. (K.B. 24 April 1897, S. 107.)

2. Bij overtreding van eenig voorschrift, in het voorgaande artikel bedoeld, wordt de gezagvoerder of die dezen vervangt, gestraft met geldboete van ten hoogste drie honderd gulden.

Indien de overtreding ten gevolge heeft dat eenig vaartuig zinkt of strandt, vernield, onbruikbaar gemaakt of beschadigd wordt en dat levensgevaar voor een ander ontstaat, kan, in de plaats van de geldboete, hechtenis van ten hoogste zes maanden worden opgelegd.

Indien de overtreding iemands dood ten gevolge heeft, wordt hechtenis van ten hoogste een jaar opgelegd.

De minima der in deze wet bedreigde boeten en straffen van hechtenis zijn voor de eerste vijftig cents, voor de tweede één dag. 1) (Zie ook S.E. 414, 473.)

3. De gezagvoerder is niet strafbaar, indien blijkt dat hij het mogelijke deed zoowel om de in deze wet bedoelde voorschriften te doen naleven, als om de gevolgen van de overtreding dier voorschriften te voorkomen.

De ondergeschikte, die de bevelen van den gezagvoerder niet opvolgende, de overtreding veroorzaakt, wordt met de straffen en naar de onderscheidingen van het vorig artikel gestraft.

4. Behalve de ambtenaren naar de wetten daartoe bevoegd, zijn met de opsporing der in deze wet bedoelde overtredingen belast de

1

Art. 2 gehandhaafd en aldus gewijzigd volgens art. 19 jcto 11 der Inv.wet van 15 April 1886, S. 64.

-ocr page 382-

wet voorkoming van aanvaring op zek

officieren der Koninklijke Nederlandsche Marine en de loodsen. (S.V. 8; K.B. regiem, loodsd. 23 Jan. 1879, S. 25, laatst gew. 17 Dec. 1892, S. 283.)

Alle Nederlandsche consulaire ambtenaren ontvangen klagten en aangiften. (Wet Cons. Em. waarvan tekst bekend gemaakt bij K.B. 15 Juli 1887, S. 138, gew. 16 Dec. 1888, S. 204.)

De processen-verbaal worden opgezonden aan den Minister, onder wiens Departement de verbalisant behoort, en door dezen aan den ambtenaar met de vervolging belast.

5. Van de in deze wet bedoelde strafbare feiten wordt kennis genomen :

indien zij zijn gepleegd aan boord van de vaartuigen der Koninklijke Nederlandsche Marine, door het Hoog Militair Geregtshof;

indien zij zijn gepleegd aan boord van zeevisschersvaartuigen, dooide arrondissements-regtbank te \'s Graveuhage;

in alle andere gevallen, door de arrondissements-regtbank te Amsterdam.

6. Afgeschaft volg. Inv.wet 15 Apr. 1886, S. 64.

7. Deze wet treedt in werking op den dag harer afkondiging. Hare bepalingen zijn van toepassing op de na dat tijdstip gepleegde overtredingen van Ons besluit van 9 Junij 1880 (Slaateblad no. 109), tot vaststelling van gewijzigde bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, zooals het is gewijzigd en aangevuld bij Ons besluit van 5 October 1881 {Staatsblad no. 162). \')

1) Dit K.B. is ingetrokken bij K.B. 26 Jnlij 1885, S. 168. Laatstelijk geregeld bij K.B. 24 April 1897, S. 107.

BESLUIT,

tot vaststelling van gewijzigde bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, en tot wijziging van het

Koninklijk besluit van 10 October 1875 (Staatsblad no. 178), aangevuld bij Koninklijk besluit van 3 Augustus 1896 {Staatsblad no. 147).

(Vastgesteld den 24sten April 1897, Stsbl. no. 107, uitgegeven den aden Mei d.a.v.)

Wu EMMA, enz.

Hebben goedgevonden en verstaan:

Met intrekking van het Koninklijk besluit van den 26sten Juli 1885 {Staatsblad no. 168), gewijzigd bij het Koninklijk besluit van

348

-ocr page 383-

K.B. VOORKOMING VAN AANVARING OP ZEE. 34!)

16 November 1896 (Staatsblad no. 173) vast te stellen de navolgende gewijzigde bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee. \')

Algemeene bepalingen.

De navolgende voorschriften zijn van toepassing op alle vaartuigen in zee.

Bij de toepassing wordt:

een stoomvaartuig, hetwelk onder zeil en niet onder stoom is, beschouwd als zeil vaartuig; en elk vaartuig onder stoom, ook al is het tegelijk onder zeil, als stoomvaartuig;

onder «stoomvaartuig» verstaan, elk vaartuig voortbewogen door machines;

een vaartuig als «varende» beschouwd, wanneer het niet ten anker is, noch vastgemaakt is aan den wal, noch aan den grond zit.

Voorschriften omtrent het voeren van lichten, enz.

De uitdrukking «zichtbaar gt; in deze voorschriften ten opzichte van lichten gebezigd, beteekent zichtbaar bij donkeren nacht en helderen dampkring.

Art. 1. De voorschriften betreffende de lichten moeten bij elke weersgesteldheid van zonsondergang tot zonsopgang worden opgevolgd; gedurende dien tijd mogen geen andere lichten, welke aangezien kunnen worden voor do voorgeschrevene, getoond worden.

2. Een stoomvaartuig moet, wanneer het varende is, voeren:

a. Aan of voor den fokkemast, of bij gebreke van een fokkemast voor op het vaartuig, op een hoogte boven den romp van ten minste 6 meter en indien het vaartuig meer dan 6 meter breed is, op eene hoogte boven den romp van ten minste die breedte, met dien verstande echter, dat het licht niet hooger boven den romp gevoerd behoeft te worden dan 12 meter, een helder wit licht, dat zoodanig is ingericht, dat het een onafgebroken licht doet schijnen over een boog van den horizon van 20 kompasstreken en zoodanig is geplaatst, dat het licht werpt over 10 kompasstreken ter wederzijde van het vaartuig, te weten van recht vooruit, tot twee streken achterlijker dan dwars aan elke zijde. Het licht moet op een afstand van ten minste 5 zeemijlen (van 60 in 1 graad) zichtbaar zijn.

b. Aan stnurboordszijde een groen licht, zoodanig ingericht, dat het een onafgebroken licht doet schijnen over een boog van den horizon van 10 kompasstreken en zoodanig geplaatst, dat het licht werpt van recht vooruit tot 2 streken achterlijker dan dwars aan die zijde. Het licht moet op een afstand van ten minste 2 zeemijlen (van 60 in een graad) zichtbaar zijn.

c. Aan bakboordszijde een rood licht, zoodanig ingericht, dat het

1) Vgl. het Eeglement voor de Binnenvaart v. 18 Mei 1892, S. 102, zocals nader gewijzigd, hierachter gedrukt blz. 363 volg.; en voorts Wetb. v. Kooph. artt. 534—544.

-ocr page 384-

K.B. VOORKOMING VAN AANVARING OP ÜEB.

een onafgebroken licht doet schijnen over een boog van den horizon van 10 kompasstreken en zoodanig geplaatst, dat het licht werpt van recht vooruit tot 2 streken achterlijker dan dwars aan die zijde. Het licht moet op een afstand van ten minste 2 zeemijlen (van 60 in 1 graad) zichtbaar zijn.

d. De genoemde groene en roode zijdelichten moeten aan de binnenzijde voorzien zijn van schermen, die tot een afstand van 9 decimeter van het voorvlak van de lantaarn naar voren doorloopen en zoo gesteld zijn, dat zij beletten dat het bakboords- of roode licht aan stuurboordszijde en het stuurboords- of groene licht aan bakboordszijde gezien wordt.

e. Een stoomvaartuig, dat varende is, mag bovendien een tweede wit licht voeren, van dezelfde inrichting als het onder n genoemde. Deze twee lichten moeten zoodanig in één richting met de kiel geplaatst worden, dat het eene ten minste quot;iVa meter hooger is dan het andere, en in zoodanige onderlinge positie dat het lagere licht vóór het hoogere is geplaatst. De verticale afstand tusschen deze twee lichten moet kleiner zijn dan de horizontale. (6, 7.)

3. Een stoomvaartuig, een ander vaartuig sleepende, moet behalve zijne zijdelichten twee heldere witte lichten loodrecht boven elkander voeren, met ten minste 18 decimeter tusschenmimte, en indien het meer dan één vaartuig sleept, en de lengte van den sleep, gerekend van het hek van het vaartuig dat sleept, tot het hek van het achterste gesleepte vaartuig, meer dan 180 meter bedraagt, moet het nog een derde helder wit licht voeren, 18 decimeter boven of beneden de reeds genoemde lichten. Elk dezer lichten moet van gelijke inrichting en sterkte en geplaatst zijn als het witte licht genoemd in art. 2 (a), met uitzondering van het derde licht, hetwelk gevoerd moet worden op een hoogte van ten minste 4 meter boven den romp.

Ten behoeve van het sturen op het gesleept wordende vaartuig mag het sleepende stoomvaartuig, achter den schoorsteen of den achtersten mast, een klein wit licht voeren, doch dit licht mag niet voorlijker dan dwars zichtbaar zijn.

4. a. Een vaartuig, waarmede ten gevolge van eenig ongeval niet gemanoeuvreerd kan worden, moet, tenzij het is een visschersvaar-tuig, waaromtrent geldt het bepaalde bij art. 9, § 8, op dezelfde hoogte als het in art. 2 (a) genoemde witte licht, daar waar zij het best gezien kunnen worden, en, wanneer het een stoomvaartuig is, in plaats van dit licht, twee roode lichten loodrecht boven elkander, met ten minste 18 decimeter tusschenruimte, voeren, zoodanig ingericht dat zij over den geheelen horizon zichtbaar zijn op een afstand van ten minste 2 zeemijlen (van 60 in 1 graad). Bij dag moet zoodanig vaartuig, daar waar zij het best gezien kunnen worden, voeren twee zwarte ballen of figuren, elk 6 decimeter in middellijn, ile een loodrecht boven den ander, met een tusschenruimte van ten minste 18 decimeter.

350

-ocr page 385-

K.B. VOORKOMING VAN AANVARING OP ZEE.

ft. Een vaartuig, bezig zijnde met het leggen of lichten van een telegraafkabel, moet, ter plaatse van het in art. 2 (ra) bedoelde witte licht, en, wanneer het een stoomvaartuig is, in plaats van dat licht, drie lichten, loodrecht boven elkander en met eene onderlinge tusschenruimte van ten minste 18 decimeter, voeren. Het hoogste en laagste van deze lichten moet rood en het middelste wit zijn; zij moeten zoodanig zijn ingericht dat zij over den geheelen horizon zichtbaar zijn, op een afstand van ten minste 2 zeemijlen (van (iO in 1 graad).

Bij dag moet zoodanig vaartuig, daar waar zij het best gezien kunnen worden, drie figuren van ten minste 6 decimeter middellijn, loodrecht boven elkander en met een onderlinge tusschenruimte van ten minste 18 decimeter, voeren. De bovenste en onderste dezer figuren moeten bolvormig en rood van kleur, de middelste ruitvormig en wit van kleur zijn.

c. De vaartuigen waarover in dit artikel gehandeld wordt, mogen, wanneer zij geen vaart loopen, de zijdelichten niet voeren, maar moeten die lichten voeren wanneer zij vaart loopen.

cl. De lichten en figuren bij dit artikel voorgeschreven, zijn voor andere vaartuigen het teeken, dat het vaartuig dat ze voert, niet kan manoeuvreeren en dus niet uit den weg kan gaan.

Deze signalen zijn niet die, welke gedaan moeten worden, wanneer vaartuigen in nood verkeeren en hulp noodig hebben. Laatstbedoelde zijn vermeld in art. 31.

5. Een zeilvaartuig dat varende is, en elk vaartuig hetwelk gesleept wordt, moet dezelfde lichten voeren welke in art. 2 voor een stoomvaartuig dat varende is, zijn voorgeschreven, met uitzondering van de in dat artikel genoemde witte lichten, welke het nimmer mag voeren.

6. Wanneer, zooals dit bij slecht weder op kleine vaartuigen die varende zijn kan voorkomen, de groene en roode zijdelichten niet vastgezet kunnen worden, moeten deze lichten aangestoken en klaar tot gebruik bij de hand worden gehouden, en, indien een ander vaartuig nadert, of indien het zelf in de nabijheid van een ander vaartuig komt, aan hunne respectieve zijden, tijdig genoeg om aanvaring te voorkomen, getoond worden op zoodanige wijze dat zij het best zichtbaar zijn; het groene licht mag niet aan bakboord, het roode niet aan stuurboord, en beide lichten mogen aan hunne respectieve zijden zooveel doenlijk niet meer dan twee streken achterlijker dan dwars, zichtbaar zijn.

Om het gebruik dezer draagbare lichten zoo zeker en gemakkelijk mogelijk te maken, moet elke lantaarn uitwendig geverfd zijn

Imet de kleur van het licht dat zij doet schijnen en bovendien voorzien zijn van een doelmatig scherm. (Regl. Binnenv. 8, 1quot;. jto 18 al. 2.)met de kleur van het licht dat zij doet schijnen en bovendien voorzien zijn van een doelmatig scherm. (Regl. Binnenv. 8, 1quot;. jto 18 al. 2.)

7. Stoomvaartuigen van minder dan 40, vaartuigen, voortbewogen door middel van riemen of zeilen, van minder dan 20 ton (van

351

-ocr page 386-

K.B. VOORKOMING VAN AANVARING OP ZEE.

2.83 M3.) bruto inhoud, en roeibooten, zijn, wanneer zij varende zijn, niet verplicht de lichten te voeren in art. 2 (a) (6) (c) vermeld; zij moeten echter, wanneer zij die lichten niet voeren, voorzien zijn van de volgende lichten: (Eegl. Binnenv. 8, 1°. jto 18 al. 2.)

1°. Stoomvaartuigen van minder dan 40 ton (van 2.83 M3.) bruto inhoud, moeten voeren;

a. Vóór op het vaartuig, of aan, of vóór den schoorsteen, waar dit het best gezien kan worden, en op een hoogte boven het potdeksel van ten minste 27 decimeter, een helder wit licht, ingericht en geplaatst op de wijze als voorgeschreven in art. 2 (a) en van zoodanige sterkte dat het zichtbaar is op een afstand van ten minste 2 zee- [ mijlen (van 60 in 1 graad).

b. Groene en roode zijdelichten, ingericht en geplaatst als voorgeschreven in art. 2 (6) en (c), en van zoodanige sterkte, dat zij zichtbaar zijn op een afstand van ten minste 1 zeemijl (van (30 in 1 graad), of een samengestelde lantaarn, toonende aan de daarvoor aangewezen zijden van het vaartuig groen en rood licht, van recht vooruit, tot 2 streken achterlijker dan dwars. Deze lantaarn moet ten minste 9 decimeter beneden het witte licht gevoerd worden.

2°. Stoomsloepen, zooals die aan boord van zeeschepen gevoerd worden, mogen het witte licht op minder dan 27 decimeter boven het potdeksel voeren, doch in elk geval boven de onder 1 b bedoelde samengestelde lantaarn.

3°. Vaartuigen, welke worden voortbewogen door middel van riemen of zeilen, van minder dan 20 ton (van 2.83 M3.) bruto inhoud, moeten een lantaarn aangestoken gereed houden, met esn groen glas aan de eene en een rood glas aan de andere zijde. Deze lantaarn moet,

indien een ander vaartuig nadert, of indien het zelf in de nabijheid van een ander vaartuig komt, tijdig genoeg om aanvaring te voorkomen, getoond worden, zoodanig, dat het groene licht niet aan bakboordszijde, en het roode licht niet aan stuurboordszijde gezien kan worden.

4U. Roeibooten, hetzij daarmede geroeid of gezeild wordt, moeten een wit licht gevende lantaarn aangestoken gereed houden, welke nu en dan, doch tijdig genoeg om aanvaring te voorkomen, getoond moet worden.

De in dit artikel bedoelde vaartuigen behoeven de in art. 4 (n)

en in art. 11, laatste zinsnede, voorgeschreven lichten niet te voeren.

8. Loodsvaartuigen op hun kruisstation varende, moeten niet de bij lichten voeren welke voor andere vaartuigen zijn voorgeschreven. Zij bov moeten enkel aan den top van den mast een wit licht voeren, dat ^ rondom zichtbaar is.

Bovendien moeten zij met korte tusschenpoozen, van ten hoogste 15 minuten, een of meer schitterlichten vertoonen.

Wanneer zij andere vaartuigen of andere vaartuigen hen op korten afstand naderen, moeten zij de, aangestoken en tot gebruik ge-

352

-ocr page 387-

k.b. voorkoming van aanvaringen op zee.

reed zijnde, zijdelichten bij korte tusschenpoozen toonen, om de rich-ting waarin zij sturen aan te geven, doch het groene licht mag niet aan bakboordszijde, en het roode niet aan stuurboordszijde getoond worden.

Een loodsvaartuig, dat langszij van een vaartuig moet gaan, om een loods af te geven, mag het wivte licht toonen, in plaats van het aan den mast te voeren, en mag, in stede van de bovengenoemde gekleurde lichten, een lantaarn tot gebruik gereed houden, met een groen glas aan de eene en een rood glas aan de andere zijde, ten einde die op de in art. 7 sub 3 omschreven wijze te gebruiken.

Loodsvaartuigen niet op hun kruisstation varende, moeten dezelfde lichten voeren als andere vaartuigen van hunne tonnenmaat.

9. § 1. Visschersvaartuigen bezig met de uitoefening der vissche-rij, moeten, behoudens het bepaalde bij de § § 3 en 4 van dit artikel, niet de lichten voeren in de artt. 2 en 5 voorgeschreven.

§ 2. Een visschersvaartuig bezig met de uitoefening der drijfnet-visscherij, moet, zoolang de netten in hun geheel of gedeeltelijk te water zijn, twee helder witte lichten voeren, zoodanig ingericht, dat zij rondom een onafgebroken licht doen schijnen, hetwelk op een afstand van ten minste 3 zeemijlen (van 60 in 1 graad) zichtbaar is.

Een daarvan moet geplaatst zijn op een hoogte, boven den romp gemeten, van niet minder dan 6 meter en niet meer dan 7.80 meter, terwijl de verticale afstand tusschen dit licht en het lager geplaatste niet minder mag bedragen dan 1.80 meter en niet meer dan 3 meter.

De horizontale afstand tusschen beide lichten, waarvan het lagere vóór het hoogere moet zijn geplaatst, gemeten in de richting van de kiel, raag niet minder dan 1.50 meter en niet meer dan 3 meter zijn.

Bovendien mag, ter voorkoming van aanvaring, aan de zijde van het vaartuig, waar de netten meer uitstaan dan recht voor het schip, een groen of rood pyrotechnisch licht worden getoond, dat gedurende ten minste 30 seconden moet branden; met dien verstande evenwel, dat het groene licht alleen aan stuurboords- en het roode licht alleen bakboordszijde mag worden getoond.

De in deze § bedoelde vaartuigen moeten van de in het vorige lid genoemde pyrotechnische lichten voorzien zijn.

Het bij de uitoefening der drijfnetvisscherij vereischte arbeidslicht bij de haringkribben mag niet hooger geplaatst zijn dan 1.50 meter boven den romp.

§ 3. Een visschersvaartuig, bezig met de uitoefening der beugvis-scherij, moet voeren:

a. terwijl het de beug schiet: de lichten in de artikelen 2 en 5 voorgeschreven, naar gelang het een stoom- of een zeilvaartuig is, benevens een helder wit licht, niet hooger geplaatst dan 1 meter boven den romp;

stw. ii. 23

353

-ocr page 388-

354 K.B. VOORKOMING VAN AANVARINGEN OP ZEE.

b. terwijl het de beug overzeilt: de lichten in de artt. 2 en 5 voorgeschreven;

c. terwijl het de beug inhaalt, of daaraan op speellijnen verbonden is: de onder letter a van deze § voorgeschreven lichten, benevens nog een helder wit licht, niet hooger geplaatst dan ter hoogte van de zijdelichten.

De in deze § voorgeschreven witte lichten moeten rondom een onafgebroken licht doen schijnen, hetwelk op een afstand van ten minste 3 zeemijlen (van 60 in 1 graad) zichtbaar is.

§ 4. Een visschersvaartuig, bezig met de uitoefening der kolvis-scherij, moet de lichten voeren in § 3 c, van dit artikel vastgesteld.

§ 5. Een visschersvaartuig, dat bezig is met eene korre of schrobnet te visschen, waaronder verstaan wordt een vischtuig, dat over den bodem der zee gesleept wordt, moet voeren:

I. Wanneer het een stoomvaartuig is:

a. aan of voor den top van den voormast een lantaarn, toonende een wit licht vooruit, een groen licht aan stuurboordszijde en een rood licht aan bakboordszijde.

Deze lantaarn moet zoodanig zijn ingericht en aangebracht, dat het witte licht onafgebroken schijnt over een boog van den horizon van 4 streken (van recht vooruit tot 2 streken aan elke zijde); hel groene licht aan stuurboordszijde onafgebroken schijnt over een boog van den horizon van 8 streken (van 2 streken van voren tot 2 streken achterlijker dan dwars); het roode licht aan bakboordszijde onafgebroken schijnt over een boog van den horizon van 8 streken (van 2 streken van voren tot 2 streken achterlijker dan dwars);

b. ten minste 2 meter en ten hoogste 4 meter beneden de driekleurige lantaarn, een helder wit licht, zoodanig inger.\'cht, dat het rondom een onafgebroken licht doet schijnen.

II. Wanneer het een zeilvaartuig is:

een helder wit licht, zoodanig ingericht, dat het rondom een onafgebroken licht doet schijnen.

Bovendien moet, wanneer gevaar voor aanvaring bestaat, aan de zijde van het vaartuig waar het net uitstaat, een groen of rood py-rotechnisch licht worden getoond, dat ten minste 30 seconden moet branden, met dien verstande evenwel, dat het groene licht alleen aan stuurboords- en het roode licht alleen aan bakboordszijde mag worden getoond.

De in deze g sub II bedoelde vaartuigen moeten van de in het vorige lid genoemde pyrotechnische lichten voorzien zijn.

De in deze § genoemde lichten, met uitzondering van de pyro-technische, moeten op een afstand van ten minste 2 zeemijlen (van ■ 60 in 1 graad) zichtbaar zijn.

§ 6. Visschersvaartuigen, behoorende tot die bedoeld in art. 7, moeten, indien zij bezig zijn met visschen, een helder wit licht voeren, zoodanig ingericht, dat het rondom een onafgebroken licht doet

schiji

in 1

§ \'

scher voere

wordi § f

geval 11, e 10 van 1 terlic

He den, scher een 1 ken ■ stand en z( word\' 11 dan \' doch in ee ken 1 mijl i \'Ee moet een 1 den i 4,5 r Al lengt Ee zit, i bepa; voere 4 (a 12 vaarl voen welk

ia

bijzo

met

halvi

-ocr page 389-

K.B. VOORKOMING VAN AANVABINGEN OP ZEE.

schiinen hetwelk op een afstand van ten minste 1 zeemijl (van 60 in 1 graad) zichtbaar is.

§ 7. Een visschersvaarluig moet, wanneer het bezig is met vis-schen. dit bij dag aan naderende vaartuigen kenbaar maken door het voeren van eene mand, ter plaatse waar deze het best gezien kan worden.

§ 8. Een visschersvaartnig waarmede, tengevolge van eenig ongeval, niet kan gemanoeuvreerd worden, moet het licht voeren in art. 11, eerste lid, voor vaartuigen ten anker zijnde, voorgeschreven.

10. Een vaartuig, hetwelk door een ander wordt opgeloopen, moet, van het hek, aan het oploopende vaartuig een wit licht of een schit-terlicht toonen.

Het witte licht mag vast zijn en in een lantaarn gevoerd worden, doch in dat geval moet de lantaarn zoodanig ingericht en van schermen voorzien zijn, dat zij een onafgebroken licht werpt over een boog van den horizon van 12 kompasstreken, namelijk 6 streken van recht achteruit aan elke zijde. Het licht moet op een afstand van ten minste 1 zeemijl (van 60 in 1 graad) zichtbaar zijn en zooveel mogelijk op gelijke hoogte als de zijdelichten gevoerd worden.

11. Een vaartuig, ten anker zijnde, moet, wanneer het minder dan 45 meter lang is, vooruit, waar het het best gezien kan worden, doch niet hooger dan 6 meter boven den romp, een wit licht voeren in een lantaarn, zoodanig ingericht, dat zij een helder en onafgebroken licht verspreidt, rondom, op een afstand van ten minste 1 zeemijl (van 60 in 1 graad), zichtbaar. (9, § 8.)

Een vaartuig van 45 meter lengte en daarboven, ten anker zijnde, moet twee zulke lichten voeren; het eene vóór op het vaartuig op een hoogte van niet minder dan 6 en niet meer dan 12 meter boven den romp; het andere op of bij het hek van het vaartuig, ten minste i 4,5 meter lager dan het voorste.

Als lengte van het vaartuig geldt de in den meetbrief aangegeven lengte.

Een vaartuig, hetwelk in of nabij een vaarwater aan den grond zit, moet, tenzij het is een visschersvaartuig waaromtrent geldt het bepaalde bij art. 9, § 8, het licht of de lichten hierboven genoemd voeren, en bovendien de twee roode lichten voorgeschreven in art. 4 (a).

12. Indien het noodig is om de aandacht te trekken, mag elk vaartuig, behalve de lichten welke het volgens deze voorschriften voeren moet, een schitterlicht toonén, of eenig knalsein geven, hetwelk niet voor een noodsein kan worden gehouden.

13. De inhoud dezer voorschriften belet noch de handhaving van bijzondere bepalingen, door de Regeering van eenige natie gemaakt, met betrekking tot het voeren van vaste of seinlichten, buiten en behalve de hierbij voorgeschrevene, voor twee of meer oorlogsvaartuigen

355

iyi\'0-(van

23*

-ocr page 390-

K.B. VOORKOMING VAN AANVARINGEN OP ZEE.

of voor vaartuigen onder convooi, noch het toonen van door readers aangenomen verkenningsseinen, mits deze van Regeeringswege zijn goedgekeurd en bekend gemaakt.

14. Een stoomvaartuig moet, ingeval het uitsluitend onder zeil is, doch zijn schoorsteen op heeft, overdag vóór op het vaartuig een zwarte bal of figuur voeren van 6 decimeter middellijn, ter plaatse waar dezelve het best gezien kan worden.

Geluidseinen bij mist, enz.

Art. 15. Alle seinen, in dit artikel voorgeschreven voor vaartuigen die varende zijn, moeten worden gegeven:

1. door »stoomvaartuigen» op de stoomfluit of sirene;

2. door zeilvaartuigen en vaartuigen die gesleept worden op den misthoorn.

Onder -lange stootgt; wordt in dit artikel verstaan, een stoot van 4 tot 6 seconden duur. (28.)

Een stoomvaartuig moet voorzien zijn:

van een krachtig geluidgevende stoomfluit of sirene, werkende door stoom of door eenig middel hetwelk stoom vervangt, en zoodanig geplaatst, dat het geluid niet door eenig beletsel kan worden onderschept;

van een deugdelijken misthoorn, waarvan het geluid op werktuigelijke wijze wordt voortgebracht; en

van een goed geluidgevende klok. \')

Een zeilvaartuig van 20 ton (van 2.83 M1.) bruto-inhoud en daarboven, moet van een dergelijken misthoorn en k\'ok voorzien zijn.

Ingeval van mist of nevelachtig weder, indien het sneeuwt of bij zware regenbuien, moeten zoowel bij dag als des nachts, de volgende seinen gegeven worden:

a. Een stoomvaartuig, hetwelk vaart loopt, moet, met tusschenpoo-zen van niet meer dan twee minuten, een langen stoot geven.

b. Een stoomvaartuig dat varende is, moet, wanneer het gestopt ligt en geen vaart loopt, met tusschenpoozen van niet meer dan twee minuten, twee lange stooten, met een tusschenpoos van ongeveer één seconde geven.

35(3

c. Een zeilvaartuig dat varende is, moet, met tusschenpoozen van niet meer dan één minuut, een stoot geven als het over bakboord bij den wind ligt, twee stooten achter elkander als het over stuur-

1

tuigen worden vervangen door een trom, of door een gong waar deze instrumenten aan boord van kleine vaartuigen gebruikt worden.

-ocr page 391-

K.B. VOORKOMING VAN AANVARINGEN OP ZEE. 357

boord bij den wind ligt en drie stooten achter elkander als het den wind achterlijker dan dwars heeft.

d. Een vaartuig ten anker zijnde, moet, met tusschenpoozen van niot meer dan één minuut, gedurende ongeveer vijf seconden snel de klok luiden.

e. Een vaartuig dat een ander vaartuig sleept, een vaartuig, bezig zijnde met het leggen of lichten van een telegraafkabel, en een vaartuig hetwelk varende is, en voor een naderend vaartuig niet uit den weg kan gaan, omdat er in het geheel niet, of niet volgens deze voorschriften mede gemanoeuvreerd kan worden, moet in plaats van de in dit artikel onder « en c voorgeschreven seinen met tus-

artm- schenpoozen van ten hoogste twee minuten, drie stooten geven, namelijk een langen stoot gevolgd door twee korte stooten.

Een vaartuig dat gesleept wordt, mag dit sein, doch geen ander geven.

Zeilvaartuigen en booten van minder dan 20 ton (van 2.83 M3.) bruto inhoud, behoeven de boven voorgeschreven seinen niet te geven; doch zijn, indien zij deze seinen niet geven, verplicht eenig ander duidelijk geluidsein met tusschenpoozen van ten hoogste een minuut te geven.

Vaart der vaartuigen bij mist enz. moet verminderd worden.

Art. 16. Elk vaartuig moet bij mist, bij nevelachtig weder, indien het sneeuwt of bij zware regenbuien, met zorgvuldige inachtneming van de bestaande omstandigheden en toestanden, slechts een matige vaart loopen.

Een stoomvaartuig dat vermeent voorlijker dan dwars het mist-sein te hooren van een vaartuig, waarvan de positie niet met zekerheid bekend is, moet, voor zooveel de omstandigheden dit toelaten, de machines stoppen en voorzichtig manoeuvreeren tot het gevaar ; van aanvaring geweken is.

eveer j

i van joord tuur-

c van vaar-deze

cende zoo-Drden

;uige-

d en irzien

}i bij jende

npoo-

Bepalingen omtrent het uitwijken.

•.stopt

twee Inleiding. — Gevaar voor aanvaring. (27.)

Gevaar voor aanvaring kan, indien de omstandigheden het toelaten, bemerkt worden, door zorgvuldig de kompaspeiling van het naderende schip na te gaan. Verandert die peiling niet noemenswaard, dan moet aangenomen worden, dat er gevaar voor aanvaring bestaat.

17. Wanneer twee zeilvaartuigen elkander naderen, zoodat gevaar voor aanvaring bestaat, moet een van beide wijken, waarbij de volgende regelen in acht genomen moeten worden; (21, 22.)

a. een vaartuig, dat met ruimen wind zeilt, moet wijken voor een vaartuig, dat bij den wind zeilt;

swege

r zeil g een laatse

) den t van

-ocr page 392-

358 K.B. VOORKOMING VAN AANVARINGEN OP ZEE.

b. een vaartuig, dat over stuurboord bij den wind ligt, moet wijken voor een vaartuig, dat over bakboord bij den wind ligt;

c. wanneer beide met ruimen wind zeilen, doch over verschillende boegen liggen, dan moet het vaartuig, dat over stuurboord ligt, wijken voor het vaartuig, dat over bakboord ligt;

d. wanneer beide ruim zeilen, over denzelfden boeg liggende, dan moet het loefwaartsche vaartuig wijken voor het lijwaartsehe vaartuig;

e. een vaartuig, dat vóór den wind zeilt, moet voor een ander vaartuig uit den weg gaan.

18. Indien twee stoomvaartuigen recht of bijna recht tegen elkander insturen, zoodat gevaar voor aanvaring bestaat, moeten bei-

de naar stuurboord uitwijken, zoodat zij elkander aan bakboordzijde en(: voorbij varen. (21, 23, 28.) \\

Dit artikel is alleen van toepassing in gevallen dat vaartuigen au(jf recht of bijna recht tegen elkander insturen en wel zoo dat gevaar jyjjg voor aanvaring bestaat, en is niet van toepassing op twee vaartui- j0j. ] gen, die, indien zij hunne koersen vervolgden, van zelve van elkan- (|e , der zouden vrijloopen. vera

Het is dus alleen van toepassing, wanneer elk der twee vaartui- |00p gen recht of bijna recht tegen het andere instuurt, met andere woor- tujg den, wanneer bij dag elk der twee vaartuigen de raasten van het . andere vaartuig met zijn eigen masten in ée\'ne lijn of nagenoeg in ée\'ne lijn heeft, of wanneer des nachts elk der twee vaartuigen de twee zijdelichten van het andere ziet.

Het is niet van toepassing, wanneer bij dag een vaartuig een ander recht vooruit ziet, welks koers den zijnen kruist, noch wanneer bij nacht het roode licht van het eene vaartuig gekeerd is I 21 naar het roode licht van het andere, of het groene licht van het ^„„j. eene vaartuig gekeerd is naar het groene licht van het andere, [lou(: noch wanneer bij nacht slechts een der gekleurde lichten recht 2( vooruit gezien wordt of de beide gekleurde lichten in eene andere voor richting dan recht vooruit gezien worden. nett€

19. Indien de koersen van twee vaartuigen onder stoom elkan-

der zoodanig kruisen, dat er gevaar voor aanvaring bestaat, moet ian(je het vaartuig dat het andere aan stuurboordszijde van zich heeft daarvoor uit den weg gaan. (21—23, 28.) Ibeho

20. Wanneer een stoomvaartuig en een zeilvaartuig zoodanige aanv

mmj schri

koersen volgen, dat er gevaar voor aanvaring beslaat, moet het stoomvaartuig voor het zeilvaartuig uit den weg gaan. (21—23, 28.)

21. Wanneer volgens deze bepaüngen een der beide vaartuigen uit den weg moet gaan, moet het andere zijn koers en zijn vaart behouden.

Zijn vari 2: een het 21 is v nad( slaai 2\'

gepa D zeke van

een \'

Noot. Wanneer echter tengevolge van dik weder of andere oor-

teek( E( Mig

zaken het vaartuig dat vaart moet houden, zich zoo dicht bij het vaartuig dat moet uitwijken bevindt, dat aanvaring door dit vaartuig alleen niet vermeden kan worden, zoo zal het ook verplicht

-ocr page 393-

K.B. VOORKOMING VAN AANVARINGEN OP ZEE.

zijn zoodanige maatregelen te nemen, als ter voorkoming der aanvaring kunnen bijdragen. (Zie artt. 27 en 29).

22. Elk vaartuig, dat volgens deze voorschriften verplicht is voor een ander vaartuig uit te wijken, moet, wanneer de omstandigheden het toelaten, vermijden vóór het andere over te gaan.

23. Elk stoomvaartuig, dat volgens deze voorschriften verplicht is voor een ander vaartuig uit te wijken, moet, wanneer het dit nadert, zoo noodig zijn vaart verminderen, stoppen of achteruitslaan. (28.)

24. Onafhankelijk van hetgeen in deze voorschriften is voorgeschreven, moet elk vaartuig, dat een ander oploopt, voor het laatst-

ZIJ genoemde uit den weg gaan.

Als oploopend vaartuig wordt beschouwd elk vaartuig, dat een llSen ander vaartuig in een richting van meer dan twee streken achter-ïvaar |;jijer (]an dwars nadert, d.w.z. in zoodanige positie, met betrekking irtiu- jjgj. vaartuig jat opgeloopen wordt, dat het des nachts geen van n- de zijdelichten van dat vaartuig zou zien. Geen daarop volgende . ! verandering van de peiling tusschen de twee vaartuigen zal het op-irtui- [00pen(je vaartuig volgens deze voorschriften tot een kruisend vaar-,voquot;rquot; tuig kunnen maken, of het kunnen ontslaan van den plicht, om voor i het jjgj. andere vaartuig uit te wijken, totdat het laatstgenoemde geheel -g in gepasseerd en er vrij van is.

11 quot;e i Daar men over dag op het oploopende vaartuig niet altijd met zekerheid kan weten of vóór of achter de boven omschreven richting van het andere vaartuig is, moet het, in geval van twijfel, zich als . een oploopend vaartuig beschouwen en uit den weg gaan.

rü is 25. In nauwe vaarwaters moet elk stoomvaartuig, zoo dit uitvoer-1 baar is en veilig kan geschieden, aan die zijde van het vaarwater

1\' \' houden, welke aan de stuurboordszijde van het vaartuig ligt.

reent 26. Zeilvaartuigen, welke varende zijn, moeten uit den weg gaan a e voor zeilvaartuigen of booten, visschende met netten, lijnen of sleepnetten. Deze bepaling geeft echter aan geen vaartuig of boot bezig met visschen, het recht om een vaarwater te versperren, dat door andere dan visschersvaartuigen gebezigd wordt.

neen 27. Bij het nakomen en uitvoeren dezer voorschriften, moet men behoorlijk acht geven, zoowel op de gevaren der navigatie en van an\'ge aanvaring, als op de eigenaardige omstandigheden, die, ter voorko-lining van onmiddellijk gevaar eene afwijking van de bedoelde voor-gt;. \' [schriften noodzakelijk mochten maken.

uigen 1

vaart\'i Geluidseincn voor schepen die elkander zien.

; oor-ij het vaar-plicht

Art. 28. De uitdrukking «korte stoot» in dit artikel gebezigd, be-teekent een stoot van ongeveer één seconde duur. (15.)

Een stoomvaartuig dat varende is moet, wanneer het overeenkomstig de vorenstaande bepalingen handelt, die handeling aan een

359

W1J-

ende wij-

dan tuig; nder

elk-bei-

; een wan-

Ikan-moet

-ocr page 394-

360 K.B. VOORKOMING VAN AANVABINGEN OP ZEE.

ander in \'t zicht zijnd vaartuig door de volgende seinen met de stoomfluit of sirene kenbaar maken.

Eén korte stoot beteekent:

»Ik wijk naar stuurboord uit».

Twee korte stooten beteekenen:

»Ik wijk naar bakboord uit».

Drie korte stooten beteekenen:

»Ik sla volle kracht achteruit».

Geen vaartuig mag, onder welke omstandigheden ook, de ver-eisekte voorzichtigheid uit het oog verliezen.

Art. 29. De bovenvermelde voorschriften ontheffen noch het vaartuig, noch zijn eigenaar, gezagvoerder of bemanning van de verantwoordelijkheid voor de gevolgen, welke mochten voortvloeien uit eenige nalatigheid in het voeren van lichten, in het geven vsÉÉugei- j nen, het houden van goeden uitkijk of uit veronachtzaming van die maatregelen van voorzorg, welke volgens het gewone zeemansgebruik of naar aanleiding van bijzondere omstandigheden behooren genomen te worden.

Voorbehoud ten opzichte van voorschriften voor havens of voor binnenwateren.

Art. 30. De inhoud dezer voorschriften belet niet de handhaving van bijzondere bepalingen, door de ter plaatse beroegde autoriteiten gemaakt, met betrekking tot de vaart in havens, op rivieren of op binnenwateren. (Wet 15 April 1891, S. 91 en Begl. blz. 362 volg.)

Noodseinen.

Art. 31. Wanneer een vaartuig in nood verkeert en hulp verlangt van andere vaartuigen of van den wal, moeten de volgende seinen, hetzij te zamen, hetzij afzonderlijk gebezigd worden:

Bij dag:

1°. Kanonschoten, of andere knalseinen, met tusschenpoozen van ongeveer één minuut;

2°. het sein N. C. van hel algemeen seinboek;

3°. het afstandssein, bestaande uit een vierkante vlag, boven of onder welke een bal, of eên voorwerp, dat op een bal gelijkt, isj geheschen;

4°. het aanhoudend geluid geven met eenig mistseintoestel.

Bij nacht:

1°. Kanonschoten, of andere knalseinen, met tusschenpoozen van ongeveer één minuut;

-ocr page 395-

K.B. VOORKOMING VAN AANVARINGEN OP ZEE.

de 2°. een vlammend vuur (zooals van een brandend teer- of olievat);

3°. vuurpijlen of lichtkogels, onverschillig van welke kleur of inrichting, welke één voor één met korte tusschenpoozen worden ontstoken ;

4°. het aanhoudend geluid geven met eenig mistseintoestel.

32. In het Koninklijk besluit van 10 October 1875 {Staatsblad no. 178) aangevuld bij Koninklijk besluit van 3 Augustus 1896 (Staatsblad no. 147), tot vaststelling van seinen voor schepen die in nood of gevaar verkeeren of een loods verlangen, worden de volgende wijzigingen gebracht:

A. In het opschrift en in de considerans vervallen de woorden nn nood of gevaar verkeeren, of»;

B. In art. 1 vervallen de woorden: »iu geval van nood of gevaar of,»;

C. Art. 2 wordt ingetrokken.

33. Dit besluit treedt in werking met den Isten Juli 1897.

De Ministers van Marine, van Waterstaat, Handel en Nijverheid, van Buitenlandsche Zaken, van Financiën en van Justitie zijn belast met de uitvoering van dit besluit, enz.

i vereende

i van |

en of kt, is

i van

361

-ocr page 396-

WET,

HOUDENDE BEPALINGEN TOT VOORKOMING VAN AANVARING OP AANDRIJVING OP DE OPENBARE WATEREN IN HET RIJK, DIE VOOR DE SCHEEPVAART OPENSTAAN.

(Vastgesteld den 15den April 1891, Stsbl. no. 91, uitgegeven den den 23sten April d.a.v.)

Art. 1. Door Ons worden bij algemeenen maatregel van bestuur voorschriften vastgesteld, door schippers of schepelingen in acht te nemen, tot voorkoming van aanvaring of aandrijving op de openbare wateren in het Rijk, die voor de scheepvaart openstaan. (K.B. 18 Mei 1892, S. 102, gew. lö Juli 1897, S. 179.)

2. De besturen der provinciën en gemeenten zijn bevoegd tot het vaststellen van bepalingen tot voorkoming van aanvaring of aandrijving op eenig voor de scheepvaart openslaand vaarwater of gedeelte daarvan, onder hun beheer, voor zoover die niet in strijd zijn met de krachtens art. 1 dezer wet door Ons uitgevaardigde voorschriften. (Gem. 150, 151, 153, 161, 162.)

Onder hetzelfde voorbehoud kunnen zoodanige bepalingen ook worden vastgesteld door de besturen van waterschappen, veenschap-pen en veenpolders, die tot het maken van verordeningen van politie bevoegd zijn. (Wet 20 Juli 1895, S. 139, 3—7.)

3. Deze wet treedt in werking met den dag harer afkondiging.

BESLUIT,

tot vaststelling van een reglement ter voorkoming van aanvaring op aandrijving op openbare wateren in het Ruk, die voor de scheepvaart openstaan.

(Vastgesteld den 18den Mei 1892, Stsbl. no. 102, uitgegeven den 4den Juni d.a.v. Wat het Reglement betreft, gewijzigd bij K.B. van 16 Juli 1897, Stsbl. no. 179.)

Wij emma, enz.

Gelet op art. 1 der wet van 15 April 1891 {Staatsblad no. 91); Hebben goedgevonden en verstaan:

-ocr page 397-

K.B. REOLEM. VOORKOMING AANVARING BINNENVAART. 363

1°. met intrekking van de Koninklijke besluiten van 13 Juni 1875 (Staatsblad no. 119) en van 30 November 1878 (Staatsblad no. 171), vast te stellen het Reglement ter voorkoming van aanvaring of aandrijving op openbare wateren in het Bijk, die voor de scheepvaart openstaan, gelijk het hiernevens is gevoegd;

2°. te bepalen dat dit reglement in werking zal treden op 1 September 1892.

De Ministers van Waterstaat, Handel en Nijverheid, van Marine en van Justitie zijn belast met de uitvoering van dit besluit, enz.

REGLEMENT ter voorkoming van aanvarinrj of aandrijving op openbare wateren in het Rijk, die voor de scheepvaart openstaan. 1)

HOOFDSTUK I.

Algemeenc bepalingen.

Art. 1. Voor de toepassing van dit reglement geldt:

ieder vaartuig bestemd om de zee te bevaren als zeeschip, en ieder vaartuig niet bestemd om de zee te bevaren als binnenvaartuig; (K. 748.)

ieder stoomvaartuig onder zeil en niet onder stoom als zeilvaar-tuig, en ieder stoomvaartuig onder stoom, al of niet zeilvoerende, als stoomvaartuig;

ieder vaarwater waarvan de doorgaande bevaarbare breedte tus-schen de betonning, en bij gebreke daarvan in de vaargeul, minder dan 300 meter bedraagt, als nauw vaarwater;

de tijd tusschen zonsopgang en zonsondergang als dag;

de tijd tusschen zonsondergang en zonsopgang als nacht. 2. Dit reglement geldt, binnen de uitertonnen, voor alle wateren in het Kijk, die voor de scheepvaart openstaan; met uitzondering van de rivieren, genoemd in de Koninklijke besluiten van 12 April 1892 (Staatsblad no. 86) en van 6 Mei 1892 (Staatsblad no. 97). 2)

Voor niet betonde toegangen tot zee geldt als grens de dieptelijn van 80 decimeter, indien deze binnen de territoriale grens ligt, anders die territoriale grens zelve.

1

Vgl. de Bepalingen ter voorkoming der aanvaringen op zee v. 2i Apr. 1897, S. 107, hiervoor gedrukt blz. 341) volg.; en voorts Wetb. v. Kooph. artt. 75G jto 534—544.

2

K.B. 12 April 1892, S. 86, ter bekrachtiging van een Reglement v. politie voor de scheepvaart en de vlotvaart op den Rijn, met inbegrip van de Waal en de Lek, is vervangen door K.B. 9 Oct. 1897, S. 204, waarbij een nieuw Reglement is vastgesteld. Zie de noot op bladz. 320.

De rivieren bedoeld in K.B. 6 Mei 1892, S. 97, zijn: de Menvede, de Noord en de Nieuwe Maas.

-ocr page 398-

364 K.B. REGLEM. VOORKOMING AANVARING BINNENVAART.

3. De schepelingen zijn verplicht te gehoorzamen aan alle bevelen, die hun ter uitvoering van dit reglement door den schipper worden gegeven.

4. Bij de toepassing van dit reglement moeten de schippers letten op de eischen van goede zeemanschap, indien deze, onder bijzondere omstandigheden, afwijking van de daarin vervatte bepalingen medebrengen.

5. De handhaving van dit reglement is opgedragen aan de ambtenaren en beambten der Bijks- en gemeentepolitie, aan die van den waterstaat en het loodswezen, aan de ambtenaren door of van wege den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid met eenig toezicht of beheer over de vaarwaters of eenig deel daarvan belast, aan de ambtenaren van de ambulante recherche te water, en van de ambtenaren belast met het toezicht op de visscherij. (K.B. 17 Dec. 1851, S. 160; K.B. 11 Nov. 1856, S. 114, als nader gewijzigd; Gem. 190, 191; K.B.W.w. I, 2.)

De schippers zijn verplicht op de vaarwaters, wier geringe diepte of breedte of wel tijdelijke verondieping bijzondere voorzichtigheid bij de doorvaart noodig maakt, de voorschriften en bevelen op te volgen, door de daartoe aangewezen ambtenaren en beambten met betrekking tot de doorvaart te geven.

HOOFDSTUK II.

Voorschriften omtrent het voeren van lichten en seinen.

Art. 6. De schippers zorgen dat hunne vaartuigen des nachtsi welke ook de weersgesteldheid zij, de lichten voeren voorgeschreven in de volgende artikelen.

Het voeren van andere lichten is verboden.

7. 1°. Ieder stoomvaartuig onder stoom moet voeren;

a. Aan of voor den fokkemast op eene hoogte boven den romp van niet minder dan de breedte van het vaartuig, doch in geen geval lager dan 3 meter, eene lantaarn, die een gelijkmatig en onafgebroken helder wit licht doet schijnen, hetzij rondschijnend, of ten minste over een boog van den horizon van 20 kompasstreken, en in het laatste geval zoodanig geplaatst dat zij licht werpt over ten minste 10 streken ter wederzijde van het vaartuig, te weten van recht vooruit tot 2 streken achterlijker dan dwars, aan elke zijde.

Het licht moet bij donkeren nacht en goed zicht op een afstand van ten minste 2 zeemijlen (van 60 in den breedtegraad, 3704 meter) zichtbaar zijn.

b. Aan stuurboordzijde eene lantaarn, die een gelijkmatig en onafgebroken groen licht doet schijnen over een boog van den horizon van 10 kompasstreken, en wel van recht vooruit tot twee streken achterlijker dan dwars.

c. Aan bakboordzijde eene lantaarn, die een gelijkmatig en onaf-

-ocr page 399-

K.B. EEGLEM. VOORKOMING AANVARING BINNENVAART. 365

gebroken rood licht doet schijnen over een boog van den horizon van 10 kompasstreken, en wel van recht vooruit tot 2 streken achterlijker dan dwars.

De lichten onder 6 en c vermeld moeten bij donkeren nacht en goed zicht, op een afstand van ten minste 1 zeemijl (van 60 in den breedtegraad, 1852 meter) zichtbaar zijn. Zij moeten zoo gesteld zijn, dat het bakboords of roode licht van stuurboordszijde, en het stuur-boords of groene licht van bakboordszijde niet kan gezien worden.

Deze lichten mogen op kleine stoomvaartuigen gevoerd worden in ééne lantaarn bij den voorsteven, mits voldaan worde aan de bovengestelde eischen van zichtbaarheid.

2°. Ieder stoomvaartuig moet gedurende het uitoefenen van eeni-gen sleepdienst, behalve de lichten hierboven voorgeschreven, een tweede wit tophcht voeren.

Dit licht moet in alle deelen overeenkomen met het toplicht onder lu. a omschreven, en op een afstand van niet minder dan 0,5 meter, en niet meer dan 1 meter, loodrecht boven het eerstgenoemde gehangen worden.

8. 1quot;. Alle vaartuigen die onder zeil of drijvende zijn, of gesleept, gejaagd, geroeid, geboomd of getrokken worden, moeten een helder wit licht van den grooten top voeren. Van de vaartuigen die onder zeil zijn of gesleept worden, moet het licht bij donkeren nacht en goed zicht, op ten minste 1 zeemijl (van 60 in den breedtegraad, 1852 meter) zichtbaar zijn.

Vaartuigen met gestreken mast moeten het licht ter hoogte van ten minste 3 meter boven den romp voeren. Op vaartuigen zonder mast moet het licht zoodanig zijn aangebracht, dat het van alle zijden goed zichtbaar is.

Zeilvaartuigen mogen op ruime vaarwaters, in stede van het boven bepaalde toplicht, de in art. 7 genoemde zijlichten voeren.

2°. Visschersvaartuigen die in span aan de netten liggen, moeten een helder wit licht aan den voorsteven voeren.

9. Gierponten, zoomede de veerponten die zich bewegen langs een dwars door het vaarwater gelegden kabel, moeten des nachts, op eene hoogte van ten minste 6 meter boven water, van een helder groen licht, en 1 meter loodrecht daaronder, van een helder wit licht voorzien worden.

Bij gierponten moet bovendien het bovenste schuitje, en wanneer in plaats van schuitjes boeien gebezigd worden, de bovenste boven water uitstekende boei, van een helder wit licht voorzien zijn, dat bij schuitjes ten minste 3 meter boven water moet hangen.

Voor de naleving van de bovenstaande bepalingen wordt de veerman als schipper beschouwd.

De schippers van stoomvaartuigen, den dienst doende in overzetveren, moeten, in stede van de lichten in art. 7 voorgeschreven.

-ocr page 400-

366 K.B. KEGtEM. VOORKOMING AANVARING BINNENVAART.

de lichten, die hierboven voor gierponten en veerponten zijn bepaald, doen voeren.

10. Vlotten, onverschillig waar zij zich bevinden, of zij stil liggen dan wel in de vaart zijn, moeten zoowel bij voor- als achtereinde, aan den kant van het vaarwater twee helder witte lichten voeren, naast elkander geheschen, met niet meer dan 4 en niet minder dan 2 meter tusschenruimte, en niet lager dan 4 meter boven het vlot.

11. Vaartuigen in eenig vaarwater ten anker of gemeerd liggende, mogen niet de lichten voeren, die voor in de vaart zijnde schepen zijn voorgeschreven. Zoodanig vaartuig voert ter plaatse waar zulks het beste kan gezien worden, evenwel niet lager dan 3 meter en niet hooger dan 6 meter boven den römp, een helder wit licht, dat aan alle zijden goed zichtbaar is.

Dit licht moet bij donkeren nacht en goed zicht op ten minste 1 zeemijl (van 60 in den breedtegraad, 1852 meter) zichtbaar zijn.

Dit artikel is niet van toepassing op vaartuigen, liggende;

1°. in vaarwaters, waarin de vaart door ijs of andere oorzaken gestremd is;

2°. aan een behoorlijk verlichte lig-, laad- of losplaats.

12. De schippers van baggervaartuigen, werkvaartuigen en dergelijke moeten al hunne ankers, die in of nabij het vaarwater uitstaan, aanduiden door eene roode ton, des nachts van eer, helder wit licht voorzien.

Deze verplichting rust, voor zooverre de zijankers betreft, op de schippers van alle vaartuigen die zulke ankers hebben uitstaan in of nabij het vaarwater.

Indien het niet doenlijk is, de ankers of zijankers des r.achts door een licht aan te duiden, zorgen de schippers dat op hunre vaartuigen de lichten worden geplaatst, voorgeschreven in het laatste lid van art. 13, voor vaartuigen geplaatst bij wrakken. (K. 544.)

13. Een vaartuig, dat in het vaarwater vastzit of waarmede door eenige oorzaak niet kan worden gemanoeuvreerd, voert des daags de vlag in sjouw, en mag des nachts niet de lichten voeren, die voor in de vaart zijnde schepen zijn voorgeschreven, doch moet in stede daarvan het licht voeren in art. 11 bepaald, en loodrecht daarboven, met eene tusschenruimte van niet minder dan 0.50 meter en niet meer dan 1 meter, een rood licht, dat aan de eischen voldoet voor het witte licht voorgeschreven.

Gelijke bepaling geldt voor wrakken, met dien verstande dat de lichten, zoo zij niet op het wrak zelf geheschen kunnen worden, in nauwe vaarwaters op een boven het wrak geplaatst vaartuig worden vertoond.

Wordt het vaartuig geplaatst ter zijde van het wrak, dan voert het, behalve de hierboven omschreven lichten, aan de zijde waar het vaarwater niet vrij is, een rood licht. Des daags worden deze lichten vervangen door zwarte bollen.

-ocr page 401-

K.B. KEGLEM. VOORKOMING AANVAEING BINNENVAART. 367

14. Van alle vaartuigen zonder onderscheid, hetzij zij in de vaart zijn o£ stil liggen, die door een ander vaartuig in eene richting genaderd worden, waarin hun licht of hunne lichten moeilijk of in het geheel niet kan of kunnen gezien worden, moeten de schippers tijdelijk een helder wit licht vertoonen, in zoodanigen stand dat dit van het naderende vaartuig tijdig kan worden waargenomen.

15. Wanneer door mist, sneeuwjacht of andere oorzaken het goed zicht belemmerd wordt, zorgen de schippers van vaartuigen, die zich in het vaarwater bevinden, dat zoowel bij dag als bij nacht de volgende seinen van hunne vaartuigen gegeven worden;

a. Een stoomvaartuig onder stoom doet met de stoomfluit, met tusschenpoozen van niet meer dan 2 minuten, een aangehouden stoot hooren;

b. Ieder ander vaartuig, dat varende is, doet met den misthoorn korte stooten geven, met kleine tusschenpoozen;

c. Ten anker liggende vaartuigen doen ten minste iedere minuut, en tevens wanneer geluidsignalen de nadering van andere vaartuigen aanduiden, de klok luiden of dergelijk geluid hooren.

Waar in dit en volgende artikelen gesproken wordt over een aangehouden stoot, wordt daarmede bedoeld een geluidsignaal van ten minste 5 seconden duur. Met korte stooten worden bedoeld geluidsignalen, die niet langer dan 2 seconden duren.

16. De schippers van stoomvaartuigeu, die in het zicht van elkander naderen met gevaar van aanvaring, kunnen door de volgende seinen aanwijzing doen omtrent de plaats hebbende manoeuvre:

Een korte stoot beteekent: »Ik wijk naar stuurboord uit.»

Twee korte stooten beteekent: »Ik wijk naar bakboord uit.»

Drie korte stooteu beteekent: »Ik sla met volle kracht achteruit.»

Indien een vaartuig niet manoeuvreeren kan, is de schipper bevoegd om dit door vier korte stooten te kennen te geven; welk sein alsdan zoowel tegenover het stoom- als tegenover het zeilvaartuig beteekent:

»Gij moet uitwijken, ik kan niet manoeuvreeren.»

17. Tot verkenning tusschen den schipper der sleepboot en die der gesleept wordende vaartuigen wederzijds, dient eene roode vlag met een wit vierkant in het midden.

Als seinen worden bepaald: de vlag in top beduidt op de sleepboot, dat de machine met volle kracht zal werken; en op de gesleept wordende vaartuigen, verzoek of goedkeuring dat met volle kracht gewerkt zal worden;

de vlag half gestreken beduidt op de sleepboot, dat de machine slechts met halve kracht zal werken; en op de gesleept wordende vaartuigen, verzoek of goedkeuring dat met halve kracht gewerkt zal worden;

de vlag geheel gestreken beduidt op de sleepboot, dat de machine

-ocr page 402-

368 K.B. REGLEM. VOORKOMING AANVARING BINNENVAART.

dadelijk gestopt zal worden; en op de gesleept wordende vaartuigen, verzoek of goedkeuring dat de machine dadelijk gestopt zal worden.

18. De schippers van zeeschepen moeten de lichten doen voeren en de seinen geven, voorgeschreven bij het Koninklijk besluit van 24 April 1897 {Staatsblad no. 107) tot vaststelling van gewijzigde bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, of wel die, welke bij latere besluiten voor die vaartuigen mochten worden vastgesteld.

De schippers van zeilschepen verkeerende in de gevallen omschreven in de artt. 6 en 7 van het in het vorige lid genoemde Koninklijk besluit, doen echter de lichten voeren, in de eerste twee alinea\'s van art. 8, 1quot;. van dit reglement omschreven. \')

HOOFDSTUK III.

Voorschriften omtrent de vaart, het uitwijken en ankeren.

Art. 19. De schipper van elk stoomvaartuig, dat een ander vaartuig nadert, moet, wanneer er gevaar voor aanvaring bestaat, zijne vaart verminderen, of zoo noodig stoppen en de werktuigen achteruit doen slaan. (28.)

20. Wanneer door mist, sneeuwjacht of andere oorzaken het goed zicht belemmerd wordt, matigen de schippers de snelheid zooveel als de omstandigheden mede brengen.

21. De schipper van een stoomvaartuig doet de machines stilstaan vóórdat de booten langs zijde komen om af te halen of aan boord te brengen.

22. De schippers van vaartuigen, die onder zeil of stoom zijn, of gesleept, geroeid of beiden langs denzelfden oever gejaagd worden, moeten, indien de vaartuigen elkander in tegenovergestelde of bijna tegenovergestelde koersen tegemoet gaan, zoodat zij gevaar loopen elkander aan te varen, beiden ter voorkoming daarvan naar stuurboord houden, en elkander aan bakboord voorbijvaren.

Wanneer echter een vaartuig, dat gejaagd wordt, een ander vaartuig, niet aan de lijn, in tegenovergestelden koers ontmoet, houdt de schipper van het gejaagde binnen door langs het jaagpad, en die van het vaartuig dat niet gejaagd wordt buitenom. (28.)

23. Wanneer twee zeil vaartuigen met kruisende koersen elkander naderen, zoodat gevaar voor aanvaring bestaat, moeten de schippers zich houden aan de volgende regelen: (33.)

a. een vaartuig dat met ruimen wind zeilt, moet wijken voor een vaartuig dat bij den wind zeilt; (26 al. 5.)

b. een vaartuig dat over stuurboord bij den wind ligt, moet wijken voor een vaartuig dat over bakboord bij den wind ligt;

c. wanneer beiden met ruimen wind zeilen, doch over verschillen-

1) Art. 18 aldus gewijzigd bij K.B. 16 Juli 1897, S. 179.

-ocr page 403-

K.B. REGLEM. VOOBKOMING AANVARING BINNENVAART. 3(59

de boegen liggen, moet het vaartuig dat over stuurboord ligt wijken voor het vaartig dat over bakboord ligt;

d. wanneer beiden met ruimen wind zeilen, over denzelfden boeg liggende, moet het loefwaartsche vaartuig wijken voor het lijwaart-sche vaartuig;

e. een vaartuig dat voor den wind zeilt moet voor ieder ander zeilvaartuig wijken.

24. Wanneer in ruime vaarwaters twee stoomvaartuigen met zoodanige koersen elkander naderen, dat het blijven volgen dier koersen gevaar van aanvaring oplevert, moet de schipper van het vaartuig dat het andere aan stuurboord van zich heeft, wijken. (26 al. 4.)

Naderen een stoomvaartuig en een zeilvaartuig onder die omstan-digheden elkander in zoodanige koersen, dat daaruit gevaar voor aanvaring ontstaat, dan is de schipper van het stoomvaartuig verplicht voor het zeilvaartuig te wijken.

25. Op plaatsen, waar het nauwe vaarwater sterke bochten vormt, moeten de schippers van alle stoomvaartuigen de stuurboordszijde

! van het vaarwater, en die van zeilvaartuigen, indien de windrichting het toelaat, het midden van het vaarwater of stuurboordswal houden. (28.)

26. Indien in nauwe vaarwaters stoomvaartuigen de stuurboordszijde van het vaarwater houden, moeten de schippers van alle andere vaartuigen, uitgezonderd die bedoeld in het tweede lid van art. 22 en do stoomvaartuigen bedoeld in het eerste lid van art. 27, zich zorgvuldig wachten van tusschen de stoomvaartuigen en den wal dien deze houden, te geraken.

De schippers van stoomvaartuigen, die in een nauw vaarwater den stuurboordswal niet kunnen houden, moeten wijken voor laveerende vaartuigen.

Steken zij het nauwe vaarwater geheel of gedeeltelijk over, dan mogen zij de koerslijnen niet snijden van andere vaartuigen, indien deze daardoor verplicht zouden worden van den koers af te wijken om aanvaring te voorkomen.

De schippers van twee stoomvaartuigen, die beiden het vaarwater geheel of gedeeltelijk oversteken, gedragen zich onderling naar de regelen gesteld in het eerste lid van art. 24.

De schippers van met ruimen wind zeilende vaartuigen moeten, bij het geheel of gedeeltelijk oversteken van een nauw vaarwater, wijken voor stoomvaartuigen, die zich in de richting van het vaarwater bewegen.

27. De schipper van een stoomvaartuig, dat een ander stoom- of zeilvaartuig oploopt en voorbij vaart, moet het vaartuig, dat voorbij gevaren wordt, aan bakboord houden. (28.)

I-oopt een zeilvaartuig een ander vaartuig op en voorbij, dan moet de schipper van het eerste boven \'s winds voorbijvaren.

Wordt het opgeloopen vaartuig, dat voorbij gevaren moet worden, gejaagd, dan houdt dit den wal van het jaagpad.

STW. li. 24

-ocr page 404-

370 K.B. RBGLEM. VOORKOMING AANVARING BINNENVAART.

Bij het oploopen en voorbijvaren van een vaartuig aan de lijn door een ander vaartuig aan de lijn, houdt de schipper van het voorbijvarende binnendoor, en laat die van het andere vaartuig in tijds de lijn vallen.

De schipper van het opgeloopen vaartuig is verplicht, het oploo-pende vaartuig de ruimte te laten en, zeil voerende, naar omstandigheden zeil te verminderen.

De schipper van een vaartuig, dat een ander vaartuig oploopt en wil voorbij varen, geeft, op een afstand van ten minste 200 meter, van zijn verlangen kennis door praaien, roepen of door een aangehouden stoot op de stoomfluit. Zoo noodig wordt dit sein herhaald.

28. Indien de omstandigheden den schipper van eenig stoomvaar-tuig noodzaken om naar bakboord uit te wijken, is hij in dit opzicht niet gehouden aan de voorschriften der artikelen 22, 25 en 27 eerste lid, en geeft hij van zijn voornemen tijdig kennis, des daags door het vertoonen eener blauwe vlag op een goed zichtbare plaats; des nachts door telkens herhaalde twee korte stooten. Bovendien moet hij, in de gevallen van afwijking van de artikelen 22 en 25, de vaart aanmerkelijk verminderen.

29. Wanneer in vaarwaters alwaar stroom loopt, twee vaartuigen elkander bij eene engte, brug of bocht ontmoeten, waarvan de doortocht zoo nauw is dat het doorvaren van beiden tegelijk gevaar zou opleveren, moet de schipper van het stroomopvarend vaartuig het gaande houden, totdat het stroomafvarend vaartuig de engte, brug of bocht is doorgevaren.

Wanneer in een vaarwater waar geen stroom loopt, vaartuigen bij eene bocht elkander ontmoeten, zoodat er gevaar bestaat indien de vaartuigen elkander in die bocht voorbijgaan, moeten de schippers van het vaartuig of van de vaartuigen, die de groote bocht aan hunne stuurboordszijde hebben, den weg vervolgen, en de schippers van het andere of van de andere vaartuigen wachten totdat de bocht vrij is.

30. De schipper van een vaartuig is verplicht uit te wijken voor vaartuigen, die voor stroom afdrijven. Bij gebrek aan voldoende ruimte, is de schipper van het voor stroom drijvende vaartuig verplicht, ruimte te laten door hulp van ankers of riemen.

31. Het is op nauwe vaarwaters verboden een vaartuig dwars-strooms te laten afdrijven.

32. De schippers van veerponten die zich bewegen langs een dwars door het vaarwater gelegden kabel, benevens die van gierponten, moeten bij het oversteken voor alle vaartuigen het vaarwater vrijlaten.

33. Wanneer overeenkomstig de bovenstaande voorschriften eeu der beide vaartuigen moet wijken, moet de schipper van het andere zijnen koers blijven volgen.

-ocr page 405-

quot;WET,

TOT REGELING VAN HET BAKENWEZEN OP OPENBARE WATEREN.

(Vastgesteld den 20sten April 1895, Stsbl. no. 71, uitgegeven den 29sten April d.a.v.)

Art. 1. De bebakening, in het belang der scheepvaart, van de openbare wateren, door Ons bij algemeenen maatregel van bestuur aan te wijzen, geschiedt van Rijkswege. (K.B. 9 Aug. 1895, S. 148.)

2. Op de wateren, in artikel 1 bedoeld, wordt ter zake van verlichting en bebakening geenerlei betaling, op welken grond of onder welke benaming ook, gevorderd, met uitzondering alleen van:

a. vuurgelden in bijzondere plaatsen geheven voor havenlichten, niet in het belang der algemeene stroombevaring, maar alleen iu dat van de vaart naar die plaatsen ontstoken;

b. bakengelden voor de afbakening van kreken en kleine vaarwaters, naar bijzondere plaatsen leidende en enkel in het belang der vaart naar die plaatsen dienstig.

3. Eigenaars, beheerders en gebruikers van gronden, werken of wateren zijn gehouden alle voorwerpen die in het belang van den bakendienst in of op die gronden, werken of wateren van Rijkswege noodig worden geoordeeld, te dulden en alle tot de plaatsing, de instandhouding, de wijziging of de verplaatsing dier voorwerpen strekkende werkzaamheden toe te laten.

De schade die daardoor mocht ontstaan, wordt, indien dit dooide belanghebbenden wordt verlangd, door den Staat vergoed; kan het bedrag dier schadevergoeding niet in der minne worden vastgesteld, dan wordt het door den kantonrechter bepaald.

4. Eigenaars, beheerders en gebruikers van gronden, werken of wateren zijn gehouden te dulden, dat de bakenmeesters en de ambtenaren, met het toezicht op het vaarwater en het bakenwezen belast, ten allen tijde toegang hebben tot de bakens en andere teekenen, die ten behoeve van de scheepvaart van Rijkswege op of in hunne gronden, werken of wateren gesteld zijn. (K.B.W.w. I en II.)

5. Het aantal bakenmeesters, hunne bezoldiging, de wijze en voor-waarden van hunne benoeming en ontslag, alsmede de wijze, waarop hun dienst geregeld wordt, worden door Ons vastgesteld. (K.B. 9 Aug. 1895, S. 148.)

24*

-ocr page 406-

372 wet tot regeling van het bakenwezen.

6. Met het opsporen der overtredingen van deze wet zijn, behalve de ambtenaren, genoemd in artikel 8 van het Wetboek van Strafvordering, belast de bakenmeesters.

7. Deze wet treedt in werking op 1 Mei 1895.

Te gelijker tijd vervallen de wetten van 30 December 1865 {Staatsblad no. 173) en van 22 December 1867 {Staatsblad no. 158).

BESLUIT,

tot vaststelling van een reglement voor den baken-dienst op eenige openbare wateren.

(Vastgesteld den 9den Augustus 1895, Stsbl. no. 148, uitgegeven den 17den Augustus d.a.v.)

Wu EMMA, enz.

Gezien de wet van 20 April 1895 (Staatsblad no 7i);

Hebben goedgevonden en verstaan:

Met intrekking van de Koninklijke besluiten van 29 December 1867 (Staatsblad no. 170); 18 Mei 1871 (Staatsblad no. 41); 20 April 1882 (Staatsblad no. 53); 4 Juli 1882 (Staatsblad no. 79); 9 October 1887 (Staatsblad no. 171) en 25 December 1889 (Staatsblad no. 198) vast te stellen het navolgende Keglement voor den baken-dienst op eenige openbare wateren;

Art. 1. De openbare wateren, waarvan de bebakening in het belang der scheepvaart van Kijkswege geschiedt, zijn:

de Boven-Rijn,

» Waal,

» Boven-Merwede,

» Beneden-Merwede,

» Oude Maas,

» Noord,

het Mallegat en de Dordtsche Kil,

de Nieuwe Merwede,

het Pannerdensch kanaal,

de Neder-Bijn,

» Lek,

» Nieuwe Maas boven Rotterdam,

-ocr page 407-

K.B. REGLEMENT BAKENDIENST.

de Noordgeul, de Botlek en de Brielsehe Maas boven Brielle, het Beeregat en het Spui,

de Maas,

het Heusdensch kanaal en de in aanleg zijnde Maas, voor zoover die voor het openbaar scheepvaartverkeer is of zal worden opengesteld,

de Donge beneden Geertruidenberg,

» Amer,

» I.Jssel,

het Zwarte water en Zwolsche diep,

de Hollandsche IJssel,

» Linge;

2. De in artikel 1 genoemde wateren worden verdeeld in het volgend aantal bakenkwartieren:

Aantal

NAAM VAN HET WATEE.

bakenkwar

tieren.

Boven-Rijn en Waal

12

Boven-Merwede, Beneden-Merwede, Oude Maas en

Noord

6

Mallegat en Dortsche Kil

1

Nieuwe Merwede

2

Pannerdensch kanaal, Neder-Eijn en Lek

12

Nieuwe Maas

1

Noordgeul, Botlek en Brielsehe Maas

1

Beerengat en Spui

1

Maas

16

Heusdensch kanaal, in aanleg zijnde Maas, Donge

en Amer

4

IJssel

8

Zwarte water en Zwolsche diep

2

Hollandsche IJssel

2

Linge

1

3. Er zijn ten hoogste negenenzestig bakenkwartieren. De baken-dienst in elk kwartier wordt uitgeoefend door één bakenmeester.

De grenzen der bakenkwartieren en de standplaatsen der baken-meesters worden bepaald door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid.

4. De bakenmeesters worden van Onzentwege door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid benoemd, bevorderd en ontslagen.

5. De bakenmeesters moeten zijn bekwame schippers, van goed gedrag en vrij van lichaamsgebreken, die hinderlijk kunnen zijn

373

-ocr page 408-

K.B. REGLEMENT BAKENDIENST.

voor de uitoefening van den dienst; zij moeten goed kunnen lezen en schrijven en voldoende bekendheid bezitten met den loop van het vaarwater in hun bakenkwartier.

6. De bakenmeesters worden in drie klassen verdeeld.

Tien bakenmeesters behooren tot de eerste, twintig tot de tweede, en de overigen tot de derde klasse.

De jaarlijksche bezoldiging bedraagt voor de eerste klasse ƒ 900, voor de tweede klasse ƒ 750 en voor de derde klasse j 600.

7. De dienst der bakenmeesters wordt door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid in eene instructie geregeld.

8. Het toezicht op den bakendienst wordt uitgeoefend door de ambtenaren van den Rijks-Waterstaat.

De Minister voornoemd is belast met de uitvoering van dit besluit, enz.

374

-ocr page 409-

BESLUIT,

HOUDENDE VASTSTELLING VAN BEPALINGEN OP DE STRANDVONDEEIJ.

(Vastgesteld den 23sten Augustus 1852, Stsbl. no. 141, uitgegeven den Isten September d.a.v. Gewijzigd bij K.B. van 19 Januarij 1879, Stsbl. no. 10 en 6 Maart 1891, Stsbl. no. 72.)

Wij WILLEM III, enz.

Hebben goedgevonden en verstaan, met intrekking der reglementaire instructie nopens het beheer der strandvonderij, goedgekeurd bij Koninklijk besluit van 9 November 1838, no. 35, vast te stellen de volgende bepalingen:

Art. 1. Het beheer der strandvonderij behoort in elke gemeente, zoover haar gebied strekt, aan den burgemeester.

Op het eiland Eottumeroog en in de gemeente \'s Gravenhage echter kan het worden opgedragen aan een door Ons daartoe aan te stellen persoon, op wien het bij dit besluit ten aanzien van den burgemeester bepaalde van toepassing is. \') (K.B. 3 Nov. 1871, S. 120.)

2. De gevallen waarin de burgemeester zich het beheer van gestrande schepen en goederen moet aantrekken, zijn uitsluitend die, vermeld bij artt. 550 en 551 van het Wetboek van Koophandel.

Des niettemin doet hij, wanneer zoodanige schepen en goederen aan wal worden gebragt in tegenwoordigheid van den schipper, bevelhebber, eigenaar der lading of geconsigneerde, zich, zoodra mogelijk, als strandvonder kennen, en verleent hij, zoo dit wordt begeerd, de noodige hulp en redding. \')

3. Hij houdt het oog, of doet het oog houden op de stranden onder zijne gemeente. Hij zorgt dat hetgeen krachtens het Wetboek van Koophandel onder zijn beheer behoort, daaraan niet worde onttrokken. Hij waakt tegen ontvreemding of verduistering der onder zijn beheer zijnde goederen. (K. 553 v.)

4. Hij ondersteunt de pogingen van redding-maatschappijen, zoo veel mogelijk.

5. Hij zorgt, dat er voor het redden en beheeren van gestrande

1) Art. 1 aldus aangevuld en art. 2 aldus gewijzigd bij K.B. van 6 Maart 1891, S. 72.

-ocr page 410-

376 K.B. BEPALINGEN OP DE STRANDVONDERIJ.

schepen en goederen geene meerdere kosten worden gemaakt, dan de waarde daarvan kan bedragen. ( K. 560 v.)

6. De opgevischte goederen, waarvan het zeker is dat zij aan den Staat behooren, worden door hem, zonder vordering van beheerloon, onmiddellijk ter beschikking van het betrokken departement van algemeen bestuur gesteld. 1)

7. Door geen rijksambtenaar worden bij hem aangebragte goederen aangenomen, dan wanneer hij oordeelt, dat die goederen aan den Staat behooren. Hij verwijst de aanbrengers van alle andere goederen naar den burgemeester. \')

8. De burgemeester verwittigt de directie der Marine, binnen welker ressort hij woont, zoo spoedig mogelijk van het aanbrengen van ankers, tot welker opvordering geene geregtigden stellig bekend zijn.

9. Ingeval de door hem in beheer genomen goederen tot een vreemd schip blijken te behooren, geeft hij van de stranding terstond kennis aan den naast bijwonenden consul-generaal, consul, vice-consul of anderen consulairen agent, dien het aangaat.

10. Onze Commissaris in de provincie wijst het nieuwspapier aan, waarin de kennisgevingen en oproepingen bij art. 555 van het Wetboek van Koophandel bedoeld, worden geplaatst.

11. De verkoopingen, bedoeld bij artt. 554 en 557 van het Wetboek van Koophandel, geschieden ten overstaan van een daartoe bevoegden ambtenaar. 2)

12. De burgemeester zendt, zoo spoedig mogelijk, nadat gestrande schepen en goederen zijn afgegeven of verkocht, zijne rekening en verantwoording deswege in duplo, waarvan eene op zegel, aan Gedeputeerde Staten zijner provincie. (16.)

13. Hij geeft, wanneer de rekening en verantwoording betrekking heeft op gereclameerd goed, vóór de inzending daarvan kenis aan de reclamanten of hunne gemagtigden, dat de rekening en verantwoording met de bescheiden gedurende eene maand, te rekenen van den dag der kennisgeving, ter hunner visie zal liggen. (14—16.)

14. Op verzoek der reclamanten of van hunne gemagtigden. wordt hun, ten hunnen koste, afschrift dier stukken op ongezegeld papier gegeven.

15. De inzending der rekening en verantwoording wegens gereclameerd goed geschiedt, zoodra de reclamanten of hunne gemagtigden in die inzending hebben toegestemd. Zij wordt echter niet langer opgehouden dan éene maand na de in art. 13 bedoeide kennisgeving, of ingeval afschrift is verzocht, na de afgifte hiervan.

1

Artt. 6 en 7 aldus gewijzigd bij art. 1 van K.B. 19 Jan. 1879, S. 10.

2

Bij art. 2 van K.B. 8 Mei 1863, S. 56, is als zoodanig aangewezen „de ambtenaar belast met het beheer der strandyonderij.quot;

-ocr page 411-

K.B. BEPALINGEN OP DE STRANDVONDERIJ. 377

16. Onder de rekening en verantwoording wordt de volgende verklaring door den rendant te teekenen, gesteld;

»De rendant verklaart, dat de vorenstaande rekening en verant-«woording voor zooveel hem is bekend, deugdelijk en ter goeder-»trouw is ingerigt; dat al de goederen en gelden ter zake der bij »deze rekening verantwoorde stranding of berging onder hem of «zijne ondergeschikten gekomen, zonder uitzondering, in deze reke-Diiing verantwoord worden; dat daarvan niets door hem, noch, zoo-»veel hem bekend is, door zijne onderhoorigen is verzwegen of aeh-»tergehouden.»

De rekening en verantwoording wegens gereclameerde goederen moet bovendien de verklaring behelzen, dat zij met de bescheiden aan de reclamanten ter visie is aangeboden; of daarvan door hen is gebruik gemaakt; en of hun een afschrift der stukken is afgegeven.

17. Ingeval van rekening en verantwoording wegens ongerecla-mecrde goederen, stort, bij goedkeuring daarvan door Gedeputeerde Staten, de burgemeester het batig saldo ten kantore van den ontvanger der registratie, waaronder zijne gemeente behoort, en doet hij van die storting blijken aan genoemd collegie, hetwelk daarvan kennis geeft aan den Slinister van Financien.

18. Het loon, bedoeld bij art. 552 van het Wetboek van Koophandel, wordt naar de bruto waarde der beheerde goederen, bepaald:

1°. in geval van verkoop der goederen door den burgemeesterstrandvonder, op: 100/o van de eerste ƒ 500, 80/o van de volgende ƒ 500, 60/o van de volgende ƒ 1000, 40/o van de volgende ƒ 1000, 3°/quot; van de volgende ƒ 1000, 2°ju van hetgeen de ƒ 4000 te boven gaat;

2°. bij afgifte der goederen aan de belanghebbenden of bij verkoop ten overstaan van een ander ambtenaar dan de burgemeester, op; i80/o van de eerste ƒ 500, 6u/o van de volgende ƒ 500, 40/o van de volgende ƒ 1000, 30/0 vai1 de volgende ƒ 1000, 2°/« van de volgende ƒ 1000, l1 2u/o van hetgeen de ƒ 4000 te boven gaat. \')

19. Wegens het beheer van schepen en goederen, gestrand vóór het tijdstip, waarop volgens de wet (Afk. Alg. Maatr. Best.) van 26 April 1852 (Staatsblad no. 92) dit besluit in werking treedt, wordt het loon genoten in art. 19 der reglementaire instructie nopens het beheer der strandvonderij bepaald.

20. Vóór dat tijdstip wordt door de tegenwoordige opper-strand-vonders het beheer van de gestrande goederen en van al wat de strandvonderij betreft, overgedragen aan de betrokken burgemeesters.

21. De bepalingen van dit besluit en van den zevenden Titel van het ITde Boek van het Wetboek van Koophandel, worden in de Nederlandsche, Fransche, Engelsche en Hoogduitsche talen in vier kolommen nevens elkander gedrukt, en in elke aan zee gelegene ge-

1

Art. IS aldus gewijzigd bi) art. 1 van K.B. 19 Jan. 1879, S. 10.

-ocr page 412-

378 k.b. bepalingen op de standv0nder1j.

meente voor de belanghebbenden, tegen voldoening der kosten, verkrijgbaar gesteld. (K. 545 v.)

Door tusschenkomst van Onzen Minister van Buitenlandsche Zaken worden de regeringen der zeevarende vreemde natiën, alsmede Onze diplomatieke en consulaire agenten bekend gemaakt met de verordeningen hier te lande ten aanzien der strandvonderij, door toezending van exemplaren der in het eerste lid van dit artikel vermelde bepalingen. \')

Onze Ministers van Binnenlandsehe Zaken (lees thans W. H. en N.) en van Buitenlandsche Zaken zijn belast met de uitvoering van dit besluit, enz.

1) Art. 21 wordt in de wijzigingsbesluiten ook op deze besluiten toepasselijk verklaard.

BESLUIT,

houdende aanvulling van dat van 23 augustus 1852 {Staatsblad no. 141), nopens de strandvondekij.

(Vastgesteld den 253ten Maart 1854, Stsbl. no. 18, uitgegeven den laten April d.a.v.

Wu WILLEM III, enz.

• Gezien Ons besluit van 23 Augustus 1852 (Staatsblad no. 141);

Hebben goedgevonden en verstaan:

Art. 1. In gemeenten, wier kom op eenigen afstand van de zee gelegen is, o£ wier grondgebied zich ver langs het strand uitstrekt, kunnen, op verlangen en op de voordragt van den betrokken burgemeester, een of meer strandvonders door Onzen Commissaris in de provincie worden aangesteld, ten einde het beheer over gestrande schepen en goederen op zich te nemen, totdat de burgemeester op de plaats aanwezig is.

2. Alvorens in dienst te treden, leggen zij in handen van Onzen Commissaris den eed of belofte af, dat zij met trouw, ijver en naauw-gezetheid de belangen der regthebbenden op de gestrande goederen behartigen en de voorschriften betrekkelijk de strandvonderij in acht nemen zullen.

3. Zoolang zij als zoodanig in dienst zijn, dragen zij een koperen plaat, met het woord; »strandvonder», er op gegraveerd, aan een breeden rooden band of lint om den linkerarm.

4- Voor hun beheer over gestrande goederen wordt geen afzonderlijk loon in rekening gebragt.

Onze Minister van Binnenlandsehe Zaken (lees ïhans W. H. en N.) is belast met de uitvoering van dit besluit, enz.

H

(Vai

A:

dig I

zen i worp voorl 2. ten tenis D( feit i tot \\ H daar voor king geno noen val ■ vaar regU taris

ging

word heid

*)

palir Eijn, 1) der

-ocr page 413-

WET,

HOUDENDE MAATKEGELEN TEGEN HET GEVAAR, HETWELK DOOR DEN IN-, DOOR- EN VERVOER VAN VERGIFTIGE STOFFEN KAN ONTSTAAN.

(Vastgesteld den 28sten Junij 1876, Stsbl. no. 150, uitgegeven den 8sten Julij d.a.v. Gewijzigd bij de wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64.)

, ver-

e Za-imede et de door l verin N.) ui dit

uiten

52 Art. 1. Door Ons kunnen bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur de in-, door- en vervoer van bepaald daarbij aangewezen vergiftige stoffen verboden, of aan zoodanige voorschriften onderworpen worden, als in het belang der openbare gezondheid noodig voorkomen. 1) (K.B. 5 Mei 1877, S. 100.)

2. Overtreding Onzer krachtens deze wet uit te vaardigen besluiten wordt gestraft met eene geldboete van ƒ 0,50 tot ƒ 500 of hechtenis van één dag tot zes maanden.

De strafbare poging tot het in dit artikel omschreven strafbaar feit wordt gestraft met bovengemelde boete of hechtenis van een dag tot vier maanden.

Het voer- of vaartuig, waarmede het strafbaar feit of de poging daartoe heeft plaats gehad, wordt met zijn inventaris en zijne lading, voor zoover deze uit de in art. 1 bedoelde stoffen en hare verpakking bestaat, bij ontdekking van een dier strafbare feiten in beslag genomen. Voor zoover een en ander niet op last der in art. 4 ge-)nzen noemde ambtenaren naar buiten \'s lands is vervoerd, worden in ge-■-! val van veroordeeling, de vergiftige stoffen, waarmede het voer- of vaartuig beladen is, en hare verpakking verbeurd verklaard. De regter kan, in hetzelfde geval, hel, voer- of vaartuig met zijn inventaris mede verbeurd verklaren. Tevens kan bij vonnis de vernietiging of onschadelijkmaking van de in beslag genomen voorwerpen worden bevolen, voor zoover dit in het belang der openbare gezondheid gevorderd wordt. \') (G. 152; S.R. 33 al. 2.)

deren acht

kope-n een

ifzon-nN

141):

e zee trekt, bur--is in itran-;ester

1

Afzonderlijke op artt. 1 en 32 der Bijnvaart-akte berustende bepalingen voor het vervoer van bijtende en vergiftige stoffen langs den Rijn, zijn vastgesteld bij K.B. 2 Maart 1887, S. 41.

1) Art. 2 aldus gehandhaafd en gewijzigd volgens art. 19 jcto 11 der Inv.wet van 15 April 1886, S. 64.

-ocr page 414-

380 WET MAATREGELEN VERVOER VERGIFTIGE STOFFEK.

3. Afgeschaft volgens de Inv.wet van 15 April 1886, S. 64.

4. Behalve de ambtenaren in art. 8 \') van liet Wetboek van Strafvordering vermeld, zijn ook die der in- en uitgaande regten en ac-cijnsen belast met de opsporing der overtredingen van Onze krachtens art. 1 te nemen besluiten.

IJ De verwijzing naar \'t W.v.S.V. aldus gewijzigd volgens de wet van 31 Deo. 1887, S. 265.

BESLUIT.

HOUDENDE liEPAIJNGEN OMTRENT DOORVOER VAN ARSENICUM HOUDENDEN AFVAL VAN ANILINEKXEÜRENPABRIEKEN.

(Vastgesteld den 5den Mei 1877, StsW. no. 100, uitgegeven den 24sten Mei d.a.v.

Wu WILLEM III, ENZ.

Gelet op art. 1 der wet van 28 Junij 1876 {Staatsblad no. 150), houdende maatregelen tegen het gevaar, hetwelk door den in-, door-en vervoer van vergiftige stoffen kan ontstaan, en op artt. 1 en 7 van de herziene acte omtrent de Kijnvaart, bekrachtigd bij de wet van 4 April 1869 {Staatsblad no. 37);

Hebben goedgevonden en verstaan, voorloopig en in afwachting dat nadere voorschriften zullen worden gegeven, te bepalen:

Art. 1. Invoer vau arsenicum houdenden afval van anilinekleu-renfabrieken wordt niet anders toegelaten, dan met bestemming tot wederuitvoer en overeenkomstig de bepalingen in de volgende artikelen vervat.

2. Die stof wordt in de aangifte, in te leveren aan het eerste kantoor der in- en uitgaande regten, vermeld, overeenkomstig de benaming in art. 1, met opgave van het bruto gewigt.

3. Het vervoer geschiedt langs geene andere dan de door Onze Ministers van Binnenlandsehe Zaken en Financiën te bepalen land-of waterwegen, onder bewaking van daartoe aan te wijzen ambtenaren. (Min. Res. 25/24 Mei 1877.)

Bij vervoer in vaartuigen verschaft de schipper dien ambtenaren, ten zijnen koste, voeding, vuur en licht.

-ocr page 415-

K.B. OMTR. DOORVOER V. ARSENICUM HOUDENDEN AFVAL. 381

4. Lossing der stof door de belanghebbenden gedurende het vervoer, behalve tot dadelijke overlading in het vaartuig, waarmede zij ter zee wordt uitgevoerd, is verboden. In geval van nood voor het voer- of vaartuig, kan die lossing echter geschieden met magtiging der ambtenaren-bewakers en met inachtneming der door hen te bepalen voorzorgsmaatregelen.

5. De kosten van bewaking en van terugreis der ambtenaren naar hunne standplaatsen, een en ander berekend volgens art. 154, 2de lid, der algemeene wet van 26 Augustus 1822 {Staatsblad no. 38), en die van de verdere voorzorgsmaatregelen, volgens dit besluit voorgeschreven, zijn ten laste van den vervoerder.

6. Bij de aangifte aan het eerste kantoor wordt, onvereenkomstig de door Onze Ministers van Binnenlandsche Zaken en Financiën te stellen regelen, bij den ontvanger der in- en uitgaande regten zekerheid voor de voldoening der in art. 5 bedoelde kosten gegeven, in reden van een gulden vijftig cents (ƒ 1,50) voor elke honderd (100) kilogram bruto gewigt. (Min. Res. 25/24 Mei 1877.)

7. Voor het vervoer der stof in vaartuigen gelden de volgende bepalingen:

Zij moet besloten zijn in stevige kisten of vaten van goed hout, inwendig met dik doek gevoerd.

Elke kist of elk vat moet in duidelijke leesbare met zwarte olie-verw geschilderde letters het opschrift dragen; »Vergifquot; (Poison Gift).

In geval van verzending bij hoeveelheden van vijf duizend kilogram en daarboven, met vaartuigen, waarin ook andere goederen geladen zijn, moet de stof geplaatst worden in afzonderlijke waterdigte afdeelingen. Wanneer de verzending geschiedt bij hoeveelheden van minder dan vijf duizend kilogram, gezamenlijk met andere goederen geladen, dan behoort de stof geheel afgezonderd van levensmiddelen te worden geplaatst.

Voor het vervoer op spoorwegen zijn toepasselijk de voorschriften van art. 44, sub 12°., van het Koninklijk besluit van 9 Jan. 1876 (Staatsblad no. 7). 1)

8. Is de stof bestemd om in zee te worden geworpen, dan worden de vaten of kisten, op last der havenbeambten, ter plaatse van overlading en overeenkomstig hunne aanwijzingen, zooveel noodig bezwaard, en geschiedt de storting, onder toezigt en overeenkomstig de aanwijzingen van de ambtenaren, die het zeeschip vergezellen, op geen naderen afstand dan 20 kilometer van eenige kust.

9. De volgens art. 6 gestelde zekerheid wordt opgeheven, zoodra bij den aldaar genoemden ontvanger zijn ingekomen:

1°. het bewijs dat de kosten, in art. 5 bedoeld, voldaan zijn;

T

2°. het bewijs dat de stof:

ét

1

Dit K.B. is laatstelijk gewijzigd bij K.B. 9 Jan. 1894, S. i.

-ocr page 416-

382 K.B. OMTR. DOOKVOER V. ARSENICUM HOUDENDEN AFVAL.

a. overeenkomstig de aanwijzingen der in art. 8 genoemde ambtenaren in zee is geworpen; of

b. ter plaatse van bestemming is aangekomen.

Het bewijs sub 2° b. behoort door een Nederlandschen consul geviseerd te zijn.

Indien de kosten na sommatie niet zijn betaald, worden zij op de gestelde zekerheid verhaald.

10. Bij in- of vervoer, in strijd met de voorgaande artikelen, kunnen de stof en hare verpakking op last van ambtenaren, ge- ^ noemd in artikel 4 der wet van 28 Junij 1876 {Staatsblad no. 150),

ten koste van den vervoerder naar buiten \'s lands of, met inachtneming van art. 8, naar zee worden vervoerd, onverminderd de toepassing der strafbepalingen der artt. 2 en 3 dier wet.

11. Dit besluit treedt in werking op den vijfden dag na zijne afkondiging. \'^a

Onze Ministers van Binnenlandsche Zaken, Financiën en Justitie zijn belast met de uitvoering van dit besluit, enz.

A

dig word koop bare S. li 2. digei hond 3. artik bare

______van

den V\' word meet D deeri van desk

1) ontv bepa kra c 2) 15 h

-ocr page 417-

W E T,

HOUDENDE NADERE BEPALINGEN OMTRENT HET VEEVOER, DEN IN-, UIT- EN DOORVOER, VERKOOP EN OPSLAG VAN BUSKRUIT EN ANDERE LICHT ONTVLAMBARE OF ONTPLOFBARE STOFFEN.

(Vastgesteld den 26sten April 1884, Stsbl. no. 81, uitgegeven den 2den Mei d.a.v. Gewijzigd bij de wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64.)

Art. 1. Door Ons kunnen bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur, in het belang der openbare veiligheid, voorschriften worden gegeven omtrent het vervoer, den in-, uit- en doorvoer, verkoop en opslag van buskruit en andere licht ontvlambare en ontplofbare stoffen. \') (K.B. 15 Oct. 1885, S. 187, laatst gew. 26 Sept. 1890, S. 159.)

2. Overtreding van Onze krachtens artikel 1 dezer wet uit te vaardigen besluiten wordt gestraft met geldboete van ten hoogste zcx-hondcrd gulden of hechtenis van ten hoogste een jaar. 1)

3. Het voer- of vaartuig met zijnen inventaris, alsmede de in artikel 1 bedoelde stoffen met hare verpakking, waarmede het strafbare feit is gepleegd, worden in beslag genomen, tenzij die op last van een der personen, in artikel 8 bedoeld, naar buitenslands worden vervoerd.

Voor zooveel in het belang der openbare veiligheid noodig is, worden de in beslag genomen voorwerpen, op last van den burgemeester vernietigd of onschadelijk gemaakt.

De vernietiging of onschadelijkmaking geschiedt niet dan na waardeering door een deskundige, te benoemen door den kantonrechter van het kanton waarin de inbeslagneming heeft plaats gehad; de deskundige legt in handen van den kantonrechter een eed (verkla-

T

mb-

1

Art. 2 aldus gewijzigd volgens art. 19 jeto 11 der Inv.wet van 15 April 1886, S. 64.

-ocr page 418-

384 WET OMTR. VERVOER ENZ. VAÏt BUSKRUIT ENZ.

ring) af, dat hij de hem vertoonde voorwerpen naar zijn beste weten naar waarheid heeft gewaardeerd.

De geldsom vertegenwoordigende de waarde van hetgeen vernietigd of onschadelijk gemaakt is, wordt, in geval van vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging, en in geval de verbeurdverklaring niet is uitgesproken, aan den eigenaar der voorwerpen ten laste van \'s Kijks schatkist uitgekeerd.

In geval van veroordeeling kunnen de in beslag genomen stoffen met hare verpakking, en zoo het feit door den vervoerder is gepleegd, ook het voertuig of vaartuig met zijnen inventaris door den rechter worden verbeurd verklaard. (S. 33 al. 2.)

Bij vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging kan vernietiging of onschadelijkmaking van de in beslag genomen voorwerpen worden bevolen, tegen schadeloosstelling, bij het vonnis door den rechter te bepalen. (Gr. 152.)

4. Het in beslag genomen voer- of vaartuig met zijnen inventaris wordt tegen zekerheid ontslagen volgens regelen, die bij den al-gemeenen maatregel van inwendig bestuur, door Ons uit kracht van art. 1 dezer wel genomen, worden gesteld. (K.B. 15 Oct. 1885, S. 187, 9.)

5. Afgeschaft. Zie thans S.R. 184. 1)

6. Indien tijdens het plegen van het misdrijf nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert een vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijk feit onherroepelijk is geworden, kunnen de in artikel 2 bepaalde straffen met één derde worden verhoogd. 2)

7. De minima der in deze wet bepaalde straffen zijn: van de geldboete vijftig cents; van de hechtenis één dag. 3)

8. Met het opsporen van de overtredingen van deze wet en van door Ons ingevolge art. 1 der wet uitgevaardigde algemeene maatregelen van inwendig bestuur zijn, behalve de bij art. 8 4) van het Wetboek van .Strafvordering aangewezen personen, belast de ambtenaren der invoerrechten en accijnzen, alle ambtenaren en beambten van de Rijks- en gemeente-politie en zoodanige andere personen, als bij de bedoelde besluiten daartoe zullen worden aangewezen. (K.B. 15 October 1885, S. 187, 10.)

De in het eerste lid van dit artikel bedoelde personen hebben te allen tijde vrijen toegang tot de voer- of vaartuigen, waarmede zij vermoeden dat buskruit of andere ontplofbare stoffeu worden ver-

1

Art. 5 afgeschaft volgens art. 3d, en 19 1ste lid der Inv.wetvan 15 April 1886, S. 64; hiermee verviel in art. 6 de verwijzing naar dit artikel.

2

Art. 6 aldus gewijzigd bij art. 19 van de Inv.wet van 15 April 1886, S. 64.

3

Art. 7 aldus gewijzigd volgens art. 19 jcto 11 der Inv.wet 1886, S. 64.

4

De verwijzing naar \'t Wetb. van Strafvordering aldus gewijzigd volgens de wet van 31 Dec. 1887, S. 265.

-ocr page 419-

wet omtr. vervoer enz. van buskruit enz. 385

voerd, alsmede tot de winkels en bergplaatsen waar zij vermoeden dat die stoffen worden verkocht of bewaard. Wordt hun de toegang geweigerd, dan verschaffen zij zich dien, desnoods met inroeping van den sterken arm.

Woningen worden door hen tegen den wil van den bewoner niet binnengetreden dan op schriftelijken last van den burgemeester.

Van dit binnentreden wordt door hen binnen tweemaal vier en twintig uren proces-verbaal opgemaakt en aan den bewoner in afschrift medegedeeld. (G. 158.)

9. De wetten van 26 Januari 1815 (Staatsblad no. 7) van 9 Juli 1855 (Staatsblad no. 68), het arrêté van 21 Maart 1815 (Journal Officiel de la Belgique, tome V, no. 3), mitsgaders de noot op den post buskruit der tabel in art. 1 der (Tarieven)wet van 15 Augustus 1862 (Staatsblad no. 170) vervallen op een nader door Ons te bepalen tijdstip. \')

In de thans van kracht zijnde internationale regelingen, betreffende het vervoer, den in-, uit- en doorvoer van buskruit en andere ontvlambare of ontplofbare stoffen, alsmede in de (Hinder)wet van 2 Juni 1875 (Staatsblad no. 95) wordt door deze regeling geene verandering gebracht.

1) Dit tijdstip is bij K.B. van 15 Oct. 1885, S. 187 (uitgegeven 4 Nov. 1885), bepaald op den dag der inwerkingtreding van dit besluit.

BESLUIT,

houdende vaststelling van voorschriften omtrent het vervoer, den in-, uit- en doorvoer, verkoop en opslag van buskruit en andere ontplofbare stoffen.

(Vastgesteld den 15den October 1885, Stsbl. no. 187, uitgegeven den éden November d.a.v. Gewijzigd bij K.B. van 10 October 1894, Stsbl. no. 162 en 26 September 1896, Stsbl. no. 159.)

é

Wu WILLEM III, enz.

Gelet op art. 1 der wet van 26 April 1884 {Staatsblad no 81);

Hebben goedgevonden en verstaan, enz.

stw. u. 25

-ocr page 420-

386 K.B. OMTK. VERVOER ENZ. VAN BUSKRUIT ENZ.

HOOFDSTUK I.

Algemeene bepalingen. (74.)

Art. 1. Voor de toepassing van dit besluit worden onder ontplofbare stoffen verstaan; (11.)

buskruit;

ontplofbare nitro-verbindingen, als; nitro-glycerine en preparaten die nitro-glycerine bevatten, in het bijzonder dynamiet en lithofrac-teur (niet vloeibare mengsels van nitro-glycerine en op zich zelf niet ontplofbare stoffen), nitro-cellulose, in het bijzonder schietkatoen;

ontplofbare mengsels die chloorzure of pikrinzure zouten bevatten;

knalkwikzilver en andere knalsoorten en de daarmede vervaardigde preparaten;

munitiën, waarin buskruit voorkomt, vuurwerken en andere ontstekingsmiddelen die ontplofbare preparaten bevatten.

Hetgeen verder in dit besluit bepaald wordt omtrent dynamiet geldt ook voor lithofracteur.

2. Van het vervoer zijn, behoudens het bepaalde in art. 3, uitgesloten: (4, 5.)

nitro-glycerine en alle andere ontplofbare nitro-verbindingen, in vloeibaren toestand, alsmede vloeibare mengsels, waarin dergelijke stoffen voorkomen;

niet-vloeibare mengsels van nitro-glycerine of andere ontplofbare nitro-verbindingen, met op zich zelf ontplofbare stoffen, als geni-treerde cellulose, buskruitsassen, enz.;

ontplofbare verbindingen die chloorzure of pikrinzure zouten bevatten ;

knalkwikzilver en andere knalsoorten en de daarmede vervaardigde preparaten, daaronder niet begrepen slaghoedjes en andere ontstekingsmiddelen die dergelijke preparaten bevatten.

3. Van het verbod van vervoer in het vorige artikel bedoeld kan, wanneer dit voor \'s Rijks dienst wordt vereischt, ontheffing worden verleend door Onzen Minister van Oorlog of van Marine, in welk geval het vervoer plaats heeft met inachtneming van de bijzondere voorschriften, door de hoofden van die Departementen te geven.

Door Ons kan van het verbod in het vorige artikel ten behoeve van anderen dan het Kijk op daartoe gedaan verzoek ontheffing worden verleend.

4. Van het vervoer zijn uitgesloten; (2, 5.)

ontplofbare stoffen, waarvan het vervoer overigens is toegestaan, indien zij wegens onvoldoende hoedanigheid of verpakking gevaar opleveren voor de openbare veiligheid, in het bijzonder niet-vloeibare mengsels van nitro-glycerine en andere ontplofbare nitro-verbindingen met op zichzelf niet voor ontploffing vatbare stoffen, wanneer zich daaruit de nitro-glycerine of andere ontplofbare nitro-ver-binding door afdruppelen en doorzijgen laat afzonderen.

5.

lietge\' plofb;

а. 1895,

6. 1882,

c. i Midd Va de )f in imbte het le uii lat n jehoo

Gel

б. ;

ran t ichepi ;eldt ruit ,§ 2 liet z len h leze s uurv uits ( diote le stc ichotc :an g 7. ikelei wssin ichen ïand chepi

Bij

ip de ■u de m ge

1) I krt. 7,

-ocr page 421-

K.B. OMTR. VERVOER ENZ. VAN BUSKRUIT ENZ. 387

5. Onverminderd het bepaalde bij de artt. 2 en 4 en behoudens hetgeen in art. 6 § 1, is voorgeschreven, is het vervoer van ontplofbare stoffen verboden; \') (11.)

a. met de brievenpost; (Wet 15 April 1891, S. 87; K.B. 14 Dec. 1895, S. 222.)

b. met de pakketpost: (Wet 21 Juni 1881, S. 70; K.B. 15 Jau. 1882, S. 14.)

c. met openbare middelen tot vervoer van personen. (6, 73; Wet Midd. Verv.)

Van het verbod sub c zijn uitgesloten:

de munitiën, welke tot de uitrusting van in dienst afzonderlijk, li in detachement, reizende militairen, van politiebeambten en van unbtenaren der invoerrechten en accijnzen behooren;

het buskruit en de vuurwerken, welke geacht kunnen worden tot ie uitrusting van het vaartuig te behooren; alsmede het buskruit lat reizigers in niet grootere hoeveelheid dan van één kilogram, in jehoorlijk gesloten verpakking met zich voeren.

Geladen vuurwapenen worden op deze vervoermiddelen niet toegelateu.

6. § 1. Met zeeschepen, zoowel stoom- als zeilschepen, is vervoer ran ten hoogste 30,000 K.G. ontplofbare stof toegelaten. Zijn die chepen tevens openbare middelen tot vervoer van personen, dan eldt die toelating alleen voor buskruit en munitiën, waarin bus-iruit voorkomt.

§ 2. Met stoomvaartuigen, geen zeeschepen zijnde, is, wanneer zij liet zijn openbare middelen tot vervoer van personen, vervoer van en hoogste 100 K.G. ontplofbare stof toegelaten. Echter is met leze schepen geoorloofd, het vervoer van metaalpatronen voor hand-uurwapenen, bevattende ten hoogste 30,000 K.G. ontplofbare stof, nits die patronen ziju geborgen in eene daartoe afzonderlijk afge-choten bergplaats of kruitkamer, welke ten minste vier meter van ie stookplaatsen en de ketelruimte verwijderd en behoorlijk afge-ichoten is, en welke in geval van brand gemakkelijk onder water :an gezet worden. 1)

7. De bepalingen vervat in hoofdstuk II, §§ 2 en 3 en in de ar-ikelen 44, 45, 46, 47 en 48, en in hoofdstuk III zijn niet van toe-mssing op het vervoer van ontplofbare stoffen met zeeschepen tus-chen de zee en de plaatsen door den Minister van Waterstaat, landel en Nijverheid aangewezen, noch gedurende het verblijf dier chepen op die plaatsen zelve. (Min. Besch. 17 Oct. 1896.)

Bij lading of lossing van ontplofbare stoffen, in of uit zeeschepen ip de in het vorig lid bedoelde plaatsen of tusschen deze plaatsen ïi de zee, behooren echter de voorschriften betreffende vergunning :n geleide te worden in acht genomen. 1) (17—26.)

25*

1

Het eerste lid van art. 5, art. 6 en het eerste en tweede lid van rt. 7, worden aldus gelezen volgens K.B. 26 Sept. 1896, S. 159.

-ocr page 422-

386 K.B. OMTE, VERVOER ENZ. VAN BUSKRUIT ENZ.

HOOFDSTUK I.

Algemeene bepalingen. (74.)

Art. 1. Voor de toepassing van dit besluit worden onder ontplofbare stoffen verstaan: (11.)

buskruit;

ontplofbare nitro-verbindingen, als; nitro-glycerine en preparaten die nitro-glycerine bevatten, in het bijzonder dynamiet en lithofrac-teur (niet vloeibare mengsels van nitro-glyeerine en op zich zelf niet ontplofbare stoffen), nitro-eellulose, in het bijzonder schietkatoen;

ontplofbare mengsels die chloorzure of pikrinzure zouten bevatten;

knalkwikzilver en andere knalsoorten en de daarmede vervaardigde preparaten;

munitiën, waarin buskruit voorkomt, vuurwerken en andere ontstekingsmiddelen die ontplofbare preparaten bevatten.

Hetgeen verder in dit besluit bepaald wordt omtrent dynamiet geldt ook voor lithofracteur.

2. Van het vervoer zijn, behoudens het bepaalde in art. 3, uitgesloten; (4, 5.)

nitro-glycerine en alle andere ontplofbare nitro-verbindingen, in vloeibaren toestand, alsmede vloeibare mengsels, waarin dergelijke stoffen voorkomen;

niet-vloeibare mengsels van nitro-glycerine of andere ontplofbare nitro-verbindingen, met op zich zelf ontplofbare stoffen, als geni-treerde cellulose, buskruitsassen, enz.;

ontplofbare verbindingen die chloorzure of pikrinzure zouten bevatten ;

knalkwikzilver en andere knalsoorten en de daarmede vervaardigde preparaten, daaronder niet begrepen slaghoedjes en andere ontstekingsmiddelen die dergelijke preparaten bevatten.

3. Van het verbod van vervoer in het vorige artikel bedoeld kan, wanneer dit voor \'s Rijks dienst wordt vereischt, ontheffing worden verleend door Onzen Minister van Oorlog of van Marine, in welk geval het vervoer plaats heeft met inachtneming van de bijzondere voorschriften, door de hoofden van die Departementen te geven.

Door Ons kan van het verbod in het vorige artikel ten behoeve van anderen dan het Rijk op daartoe gedaan verzoek ontheffing worden verleend.

4. Van het vervoer zijn uitgesloten; (2, 5.)

ontplofbare stoffen, waarvan het vervoer overigens is toegestaan, indien zij wegens onvoldoende hoedanigheid of verpakking gevaar opleveren voor de openbare veiligheid, in het bijzonder niet-vloeibare mengsels van nitro-glycerine en andere ontplofbare nitro-verbindingen met op zichzelf niet voor ontploffing vatbare stoffen, wanneer zich daaruit de nitro-glycerine of andere ontplofbare nitro-ver-binding door afdruppelen en doorzijgen laat afzonderen.

-ocr page 423-

K.E. OMTR. VERVOER ENZ. VAN BUSKRUIT ENZ.

5. Onverminderd het bepaalde bij de artt. 2 en 4 en behoudens hetgeen in art. 6 § 1, is voorgeschreven, is het vervoer van ontplofbare stoffen verboden: \') (11.)

а. met de brievenpost; (Wet 15 April 1891, S. 87; K.B. 14 Dec. 1895, S. 222.)

6. met de pakketpost: (Wet 21 Juni 1881, S. 70; K.B. 15 Jan. 1882, S. 14.)

c. met openbare middelen tot vervoer van personen. (6, 73; Wet Midd. Verv.)

Van het verbod sub c zijn uitgesloten:

de munitiën, welke tot de uitrusting van in dienst afzonderlijk, of in detachement, reizende militairen, van politiebeambten en van ambtenaren der invoerrechten en accijnzen behooren;

het buskruit en de vuurwerken, welke geacht kunnen worden tot de uitrusting van het vaartuig te behooren; alsmede het buskruit dat reizigers in niet grootere hoeveelheid dan van één kilogram, in behoorlijk gesloten verpakking met zich voeren.

Geladen vuurwapenen worden op deze vervoermiddelen niet toegelaten.

б. § 1. Met zeeschepen, zoowel stoom- als zeilschepen, is vervoer van ten hoogste 30,000 K.G. ontplofbare stof toegelaten. Zijn die schepen tevens openbare middelen tot vervoer van personen, dan geldt die toelating alleen voor buskruit en munitiën, waarin buskruit voorkomt.

§ 2. Met stoomvaartuigen, geen zeeschepen zijnde, is, wanneer zij niet zijn openbare middelen tot vervoer van personen, vervoer van ten hoogste 100 K.G. ontplofbare stof toegelaten. Echter is met deze schepen geoorloofd, het vervoer van metaalpatronen voor hand-vuurwapenen, bevattende ten hoogste 30,000 K.G. ontplofbare stof, mits die patronen zijn geborgen in eene daartoe afzonderlijk afgeschoten bergplaats of kruitkamer, welke ten minste vier meter van de stockplaatsen en de ketelruimte verwijderd en behoorlijk afgeschoten is, en welke in geval van brand gemakkelijk onder water kan gezet worden. 1)

7. De bepalingen vervat in hoofdstuk II, §§ 2 en 3 en in de artikelen 44, 45, 46, 47 en 48, en in hoofdstuk III zijn niet van toepassing op het vervoer van ontplofbare stoffen met zeeschepen tus-schen de zee en de plaatsen door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid aangewezen, noch gedurende het verblijf dier schepen op die plaatsen zelve. (Min. Besch. 17 Oct. 1896.)

Bij lading of lossing van ontplofbare stoffen, in of uit zeeschepen op de in het vorig lid bedoelde plaatsen of tusschen deze plaatsen en de zee, behooren echter de voorschriften betreffende vergunning en geleide ie worden in acht genomen. 1) (17—26.)

1} Het eerste lid van art. 5, art. 6 en het eerste en tweede lid van art. 7, worden aldus gelezen volgens K.B. 26 Sept. 1896, S. 159.

25*

387

-ocr page 424-

K.B. OMTR. VERVOER ENZ. VAN BUSKRUIT ENZ.

De betrokken reederij is verplicht om aan hen, die zich als passagier aanmelden of zich daartoe hebben laten inschrijven, van de voorgenomen verzending van ontplofbare stoffen mededeeling te doen.

8. Met stoomtrammen welke geen openbare middelen tot vervoer van personen zijn, is verzending of vervoer alleen geoorloofd van buskruit, munitiën en vuurwerken tot eene hoeveelheid van 25 kilogram ontplofbare stof, alsmede van raetaalpatronen tot een getal van 10000 stuks.

Voor de toepassing van dit besluit wordt onder vervoer met stoomtrammen verstaan het vervoer bedoeld bij art. 2 der wet van 9 Augustus 1878 (Staatsblad no. 124). 1) (31, 56 al. 2.)

9. Het bedrag der zekerheid, bedoeld bij art. 4 der wet van 26 April 1884 [Staatsblad no. 81), wordt bepaald door den ambtenaar van het openbaar ministerie, die belast is met de vervolging van het strafbare feit.

Als zekerheid kan door den vervoerder, ter beoordeeling van dien ambtenaar, een voldoende borgtocht, met solidaire verbindtenis van den borg of de borgen gesteld, of de bepaalde som in geld of geldswaardige papieren (courante effecten) gestort worden. (B.W. 1869 sub 2°. jto 1314 v.)

Deze storting geschiedt op een kantoor van registratie, door den ambtenaar van het openbaar ministerie aan te wijzen.

Zoodra de borgtocht gesteld of het geld of de geldswaarde gestort is, wordt het bedrag daarvan geacht de waarde van het in besla» genomen voer- of vaartuig te vertegenwoordigen. In geval van verbeurdverklaring wordt, bij gebreke van uitlevering van het tegen zekerheid ontslagen voer- of vaartuig met zijnen inventaris, de gestorte of de op den borg of de borgen verhaalde som aan \'s Rijk schatkist verantwoord; indien de zekerheid in effecten is gesteld, worden die ten bate van die schatkist ter beurze te gelde gemaakt; in geval van niet-verbeurdverklaring wordt de gestorte som of worden de gedeponeerde geldswaardige papieren aan den belanghebbende teruggegeven, laatstgemelde papieren met de daarop verschenen renten of dividenden, en vervalt de borgtocht.

10. Behalve de personen genoemd in art. 8 der wet, zijn met hel opsporen van de overtredingen der bepalingen van die wet en van dit besluit belast de ambtenaren en officieren, door Onzen Minister van Oorlog uit kracht van art. 24 der (Hinder)wet van 2 Juni 1875 (StnatMad no. 95) aangewezen, alsmede de ambtenaren van den Rijkswaterstaat, die van het loodswezen, de opzieners en schippers van de visscherijpolitie op de Schelde en de Zeeuwsche stroomen en de havenmeesters in dienst van het Rijk 2) (K.B. 8 Febr. 1849, S. (i;

388

1

De wet van 9 Aug. 1878, S. 124 is ingetrokker bij en vervangen door de wet van 28 Oct. 1889, S. 146.

2

Art. 10 aldus gewijzigd bij K.B. 26 Sept. 1896, S. 159.

-ocr page 425-

K.B. OMTR. VERVOER ENZ. VAN BUSKRUIT ENZ. 389

5 Maart 1870, S. 48; 24 Febr. 1881, S. 32, als nader gewijzigd; K.B. 11 Aug. 1892, S. 198 jto Wet 21 Juni 1881, S. 76.)

11. De bepalingen van dit besluit zijn niet toepasselijk op het vervoer van buskruit, munitiën en vuurwerken tot eene hoeveelheid van 3 kilogram ontplofbare stof, noch op het buskruit en de vuurwerken, welke geacht kunnen worden tot de uitrusting van een vaartuig te behooren, behoudens dat de stoffen moeten gepakt zijn in goed besloten houten of metalen voorwerpen, waarop in goed leesbare letters de soort der stof is vermeld. (31, 43, 55, 59.)

HOOFDSTUK II.

Verzending en vervoer van ontplofbare stoffen de hoeveelheid van 100 kilogram te boven gaande.

§ 1. Van de inpakking, alsmede van het op-, aj- en overladen.

Art. 12. De ontplofbare stoffen zijn stevig ingepakt in metalen kisten of bussen, of in houten kisten, tonnen, vaten of bussen. Deze voorwerpen moeten goed dicht en gesloten zijn. Aan de houten voorwerpen mogen geen ijzeren banden of beslag aanwezig zijn, terwijl zij, indien daarin buskruit is bevat, alleen mogen voorzien zijn van houten nagels of pennen, of wel van verzonken koperen of messingen nagels en schroeven.

De tonnen en vaten zijn op de beide bodems, de houten of metalen kisten en bussen ter weerszijden of wel enkel op het deksel, voorzien van een opschrift, waardoor de soort der stof wordt aangeduid (in de Nederlandscho, Fransche, Engelsche of Duitsche taal). Zijn de metalen kisten of bussen in houten kisten gepakt, dan behoeven alleen de laatsten van het opschrift voorzien te zijn.

Bij vervoer van Rijkswege zijn de kisten, tonnen, vaten of bussen volgens de voorschriften van het Departement van Oorlog of van Marine ingericht en gemerkt.

De voorwerpen, welke dynamiet inhouden, moeten bovendien de firma of het merk der fabriek, waarvan het dynamiet afkomstig is, vermelden. (56.)

13. Dynamiet mag alleen in patronen, niet in losse massa worden vervoerd.

Dynamietpatronen en schietkatoenpatronen (patronen die uit samengeperst gemalen schietkatoen vervaardigd en met paraffine overtrokken zijn), moeten in de kisten zoodanig door papier of doek omgeven zijn, dat geene aanraking met de wanden kan plaats hebben.

Dynamiet- en schietkatoenpatronen, schietkatoen en andere nitrocellulose mogen noch van ontstekingsmiddelen voorzien, noch daarmede in hetzelfde voorwerp ingepakt zijn.

If

k

-ocr page 426-

K.B. OMTB. VEEVOER ENZ. VAN BUSKRUIT ENZ.

Schietkatoen en andere nitro-cellulose moet na bedeeling met ten minste 20 pCt. water, in waterdichte voorwerpen bijzonder stevig ingepakt zijn, zoodat wrijving van den inhoud niet kan plaats vinden. (56.)

14. Het bruto-gewicht van buskruit, munitie en andere verpakte ontstekingsmiddelen mag 100 kilogram, dat van verpakt schietkatoen 85 kilogram en dat van verpakte dynamietpatronen 35 kilogram niet te boven gaan.

Deze bepaling is niet van toepassing op vervoer ten behoeve van \'s Rijks dienst. (56.)

15. De voorwerpen waarin ontplofbare stoffen zijn gepakt, mogen bij het op-, af- en overladen niet geworpen worden.

Het op-, af- en overladen geschiedt door dragen van de voorwerpen of door slepen daarvan over haren of wollen kleeden, of wel met behulp van een takeltuig.

Voor tonnen met buskruit is ook het rollen over kleeden toegestaan. (56.)

16. Het op- en afladen mag alleen op eene door den burgemeester aangewezen plaats geschieden, die zoo ver mogelijk van bewoonde plaatsen moet verwijderd zijn.

Deze bepaling geldt niet voor het op- en afladen van ontplofbare stoffen voor het Rijk.

De ladingsplaats mag, gedurende den tijd dat zij tot het op- en afladen gebezigd wordt, niet voor het publiek toegankelijk zijn en moet, wanneer bij uilzondering het op- en afladen bij donker plaats vindt, door vaste, hoogstaande lantaarns verlicht worden. In die lantaarns raag geen petroleum worden gebrand.

Het overladen van het eene vaartuig in het andere geschiedt zooveel doenlijk op stroom en zoo mogelijk op niet minder dan 300 meter afstand van andere vaartuigen of van bewoonde plaatsen.

Bij het op-, af- en overladen mag geen vuur gebrand en niet gerookt worden.

Licht mag alleen aanwezig zijn voor zoover zulks, overeenkomstig het bepaalde in de 3de alinea van dit artikel noodig is voor de verlichting van de ladingsplaats.

De ontplofbare stoffen mogen niet eer ter plaatse van oplading gebracht of aldaar toegelaten worden, dan wanneer het opladen een aanvang neemt.

Het op-, af- en overladen wordt, eenmaal aangevangen, steeds zoo spoedig mogelijk volbracht en bij dag niet onderbroken, tenzij dit bij opkomend onweder noodig blijkt.

§ 2. Van de kennisgevingen of de vergunningen tot vervoer en van het geleide. (7.)

Art. 17. Van elk transport van ontplofbare stoffen door of voor

390

-ocr page 427-

K.B. OMTR. VERVOER ENZ. VAN BUSKRUIT ENZ. 391

rekening van het Eijk wordt door de militaire autoriteit of door «leu afzender, met aanwijzing van den te volgen weg en van het tijdstip van binnenkomst in het Eijk of van den aanvang van het vervoer, vooraf kennis gegeven aan Onze Commissarissen in de provinciën door welke het vervoer moet geschieden.

Gelijke kennisgeving geschiedt, indien door onvoorziene omstandigheden de te volgen weg of het aangegeven tijdstip verandering moet ondergaan. (21.)

18. Voor elk transport van ontplofbare stoffen door en voor rekening van anderen dan het Rijk, wordt voorafgaande schriftelijke vergunning vereischt. (19, \'25 al. 2.)

Indien het vervoer zich binnen ééne provincie bepaalt, wordt de vergunning verleend door Onzen Commissaris in die provincie.

Indien het transport door meer dan ééne provincie moet plaats hebben, wordt de vergunning verleend door Onzen Commissaris in de provincie waar het vervoer, de in- of de doorvoer een aanvang neemt, en door dezen daarvan ten spoedigste mededeeling gedaan aan Onze Commissarissen in de andere bij het vervoer betrokken provinciën.

Een afschrift der verleende vergunning wordt gelijktijdig aan Onzen Minister van Oorlog gezonden.

Bij weigering der vergunning worden de redenen dier weigering schriftelijk aan den aanvrager medegedeeld.

Onder transport is in dit artikel en in de artikelen 22, 24, 25 en 2G ook te verstaan overlading. t)

19. De vergunningen in het vorige artikel bedoeld, worden aangevraagd bij schriftelijk door den afzender of zijn gemachtigde onderteekend verzoek.

In het verzoekschrift worden vermeld:

lu. De soort en de hoeveelheid der te verzenden stoffen en de wijze van inpakking.

2quot;. De naam der gemeente waaruit en die der gemeente waar-heei» de verzending zal geschieden, met aanwijzing van de bergplaats, waar de stoffen zoo noodig zullen worden opgeslagen, of van het vaartuig waarin zij tot verder vervoer zullen worden overgeladen, alsmede de naam van den geadresseerde.

3°. Het tijdstip der verzending. (21.)

4°. Het middel van vervoer.

5°. De naam van den voerman of van den schipper en bij vervoer te water, die van het vaar;uig of de vaartuigen, waarmede het vervoer zal geschieden.

Bij invoer of rechtstreekschen doorvoer wordt voor de toepassing van het hierboven sub 2°. bepaalde de gemeente van binnenkomst

voor

1) Het laatste lid van art. 18 aldus toegevoegd volgens K.B. 26 Sept. 1896, S. 159.

-ocr page 428-

392 K.B. OMTR. VERVOER ENZ. VAN BUSKRUIT ENZ.

hier te lande aangemerkt als die, waaruit de verzending zal geschieden.

20. In de vergunning worden de in het vorig artikel bedoelde opgaven vermeld en wordt de weg, dien het transport volgen moet, omschreven.

Aan de vergunning kunnen in het belang der openbare veiligheid voorwaarden worden verbonden, niet strijdig met de bepalingen van dit besluit.

In de vergunning wordt de tijd aangeduid waarvoor zij geldig blijft.

Indien het ter bespoediging van een transport te water wensche-lijk is, dat daarbij van eene sleepboot wordt gebruik gemaakt, wordt het gebruik daarvan in de vergunning voorgeschreven.

Bij transporten langs de groote rivieren is het bezigen van eene sleepboot regel, het zeilen uitzondering. (26.)

21. Indien door onvoorziene omstandigheden het tijdstip, bepaald voor den aanvang van het vervoer, den in- of den doorvoer, verandering moet ondergaan, wordt daarvan door den afzender of zijn gemachtigde ten spoedigste kennis gegeven aan Onzen Commissaris, die de vergunning tot vervoer heeft verleend.

Deze doet daarvan onverwijld mededeeling aan Onze Commissarissen in de andere bij het vervoer betrokken provinciën.

22. Van elk transport waartoe door Onze Commissarissen in de provinciën vergunning wordt verleend of waarvan aan hen mededeeling is gedaan, alsmede van de verandering van het tijdstip van aanvang van het vervoer, den in- of den doorvoer of van den daarbij te volgen weg, geven Onze Commissarissen in de provinciën, door welke het transport zal plaats hebben, tijdig kennis aan de burgemeesters der in hunne provincie gelegen gemeenten, waaruit het transport vertrekt, door welke het zal gaan en waarheen het bestemd is.

Bij invoer of rechtstreekschen doorvoer wordt ten deze de gemeente van binnenkomst aangemerkt als gemeente waaruit het transport vertrekt. •

23. Aan de burgemeesters der in het vorig artikel bedoelde gemeenten wordt overgelaten, in het belang der openbare veiligheid de noodige voorzorgsmaatregelen te nemen, niet strijdig met de bepalingen van dit besluit, noch met de voorwaarden der vergunning. (33.)

24. Voor elk transport, onverschillig of het door het Rijk of door anderen geschiedt, wordt het geleide van ten minste twee personen gevorderd. (25.)

Dit geleide bestaat:

a. bij transporten door en voor rekening van het Rijk, uit onderofficieren en minderen van de landmacht, bij voorkeur van het wapen der artillerie of van de zeemacht. Zoo noodig kan het bevel over het geleide aan eenen officier worden opgedragen;

-ocr page 429-

K.B. OMTB. VERVOER ENZ. VAN BUSKRUIT ENZ.

b. bij transporten door en voor rekening van anderen dan het Kijk, uit beambten daarvoor door of vanwege Onzen Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid aangewezen en door of van wege Onzen Minister van Justitie voorzien van eene aanstelling als onbezoldigd rijksveldwachter. (K.B. Rijksveldw. 14.)

Het getal dezer begeleiders wordt in elk bijzonder geval door Onzen Commissaris, die de vergunning tot vervoer verleent, met inachtneming van de tweede zinsnede van art. 45 bepaald en in de vergunning uitgedrukt, met aanwijzing van den beambte, wien het bevel over het geleide is opgedragen.

Bij ontstentenis dezer beambten geldt voor de hierbedoelde transporten het bepaalde sub a. Het geleide wordt alsdan verstrekt door de militaire autoriteit, op aanvraag van Onzen Commissaris in de provincie.

25. Het geleide ziet toe, dat de in de hoofdstukken I en II vervatte bepalingen worden nageleefd en is ook tegenwoordig bij het op-, af- en overladen der stoffen. (32.)

Aan het hoofd van het geleide wordt, door de zorg van de autoriteit die dit aanwijst, eene beknopte instructie verstrekt, onder bijvoeging van een gedrukt exemplaar der wet van 26 April 1884 (Staatsblad no. 81) en van dit besluit, bovendien bij elk transport door en voor rekening van anderen dan het Kijk, van een afschrift der vergunning en der daaraan verbonden voorwaarden. (20.)

Indien het transport door en voor rekening van anderen dan het Rijk geschiedt, wordt door het hoofd van het geleide, na afloop, een schriftelijk verslag uitgebracht aan Onzen Commissaris in de provincie, die de vergunning tot vervoer heeft verleend.

26. Bij elk transport door en voor rekening van anderen dan het Rijk, is door den afzender eene vergoeding verschuldigd, volgens een tarief, dat door Onzen Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid zal worden vastgesteld. (Min. Res. 11 Juni 188ö.)

Heeft het transport onder militair geleide plaats, dan worden door den afzender aan dat geleide de onkosten vergoed, die in gelijk geval door het Riik zouden zijn te goed gedaan.

De wijze waarop de uitbetaling der vergoeding moet geschieden en het bedrag daarvan worden door Onzen Commissaris in de provincie, zoo noodig in overleg met de militaire autoriteit, bepaald en in de vergunning vermeld.

Indien het vervoer te water geschiedt, wordt in de vergunning vermeld, dat door den afzender voor huisvesting van het geleide aan boord der vaartuigen moet worden gezorgd. (44 v.)

§ 3. Algemeenc voorschriften voor het vervoer. (7.)

Art. 27. De voorwerpen, waarin de ontplofbare stoffen zijn gepakt, zijn in de vervoermiddelen geplaatst op en overdekt met haren of wollen kleeden of dekens.

393

-ocr page 430-

K.B. OMTR. VERVOER ENZ. VAN BUSKRUIT ENZ.

Zij moeten zoodanig vastgezet zijn, dat geen wrijving op hout of op metaal kan ontstaan. (56.)

28. Op of in de vervoermiddelen met uitzondering van de stoom-vaartuigen bedoeld in art. 6, 2de lid mag geen vuur of licht aanwezig zijn en niet gerookt worden. 1)

Dit verbod is niet van toepassing op de seinlichten, die ingevolge de daaromtrent bestaande voorschriften aan boord der vaartuigen moeten aanwezig zijn.

Deze lichten, waartoe alleen raap-, patent- of slaolie gebezigd wordt, mogen niet aan boord van het vaartuig dat de ontplofbare stoffen vervoert, worden aangestoken of gebluscht.

29. Indien kisten, vaten, tonnen of bussen, waarin zich ontplofbare stoffen bevinden, zoodanig hebben geleden dat daaruit gevaar zou kunnen ontstaan, worden deze voorwerpen dadelijk in een enkel of dubbel genomen haren of wollen kleed ingenaaid, waartoe bij elk transport het noodige aanwezig moet zijn, ten genoegen van het hoofd van het geleide.

Het vernieuwen van de verpakking moet alleen bij dringende noodzakelijkheid plaats hebben.

De vervoerder zorgt dat, volgens aanwijzing van het geleide, eenige ledige buskruittonnen of kisten en kuipersgereedschappen bij het transport worden medegenomen.

30. Met een transport ontplofbare stoffen mogen niet gelijktijdig licht ontvlambare stoffen vervoerd worden, waartoe onder anderen gerekend worden: alkohol, chloroform, aether, zwavelkoolstof, chloor-zwavel, phosphorus, terpentijn, benzol, naphta, benzine, lichte petro-leumaether, gazoline, petroleum, oleonaphta, koolteer, houtteer.

Onder dit verbod zijn niet begrepen het voor eigen gebruik aan boord aanwezige teer en bij transporten als bedoeld bij art. 6, 2de lid, de benoodigdheden voor de bediening der machine. \')

31. Het gelijktijdig vervoer van buskruit, dynamiet, schietkatoen of andere ontplofbare stoffen met hetzelfde vervoermiddel is verboden, behoudens het bepaalde bij de artikelen 8 en 11. (56.)

32. Gedurende het vervoer, het op-, af- en overladen daaronder begrepen, staan de daartoe gebezigde voerlieden en schippers en hunne onderhoorigen onder de bevelen van het hoofd van het geleide, voor alle maatregelen die ter uitvoering van dit besluit en van de voorwaarden der vergunning in het belang der openbare veiligheid moeten worden genomen.

394

33. De doortocht door de bebouwde kom der gemeenten mag, buiten dringende noodzakelijkheid, niet bij nacht plaats hebben en wordt ook buitendien door het transport zooveel mogelijk vermeden.

1

Art. 28, 1ste lid en 30, 2de lid, aldus gewijzigd bij K.B. 16 Oct. 1894, S. 162.

-ocr page 431-

K.B. OMTB. VERVOER ENZ. VAN BUSKRUIT ENZ.

Is die doortocht noodzakelijk, dan doet het hoofd van het geleide den burgemeester in tijds van de nadering van het transport verwittigen.

De doortocht mag eerst aanvangen, nadat van den burgemeester bericht is ontvangen, dat de brizondere maatregelen van voorzichtigheid die hij noodig acht, genomen zijn of dat geen zoodanige maatregelen door hem worden geeischt. In afwachting daarvan moet het transport op ten minste 300 meter afstand buiten de bebouwde kom blijven. (23.)

34. Oponthoud binnen de bebouwde kom eener gemeente is verboden, tenzij dit volstrekt noodig is. In dit geval bepaalt de burgemeester, in overleg met het hoofd van het geleide, de plaats van het oponthoud en verordent hij de noodige veiligheidsmaatregelen.

In geen geval houdt het transport stil in de onmiddellijke nabijheid van in werking zijnde fabrieken, ovens, smederijen en van andere plaatsen, waar, anders dan tot huishoudelijk gebruik, vuren aanwezig zijn.

§ 4. Bijzondere voorschriften van het vervoer te lande.

Art. 35. Voor het vervoer worden alleeu overdekte voertuigen, bij voorkeur met veeren, gebezigd.

36. Elk voertuig is voorzien van eene aan een winkelhaak uitgezette witte vlag, van ten minste 0.5 meter in hel vierkant, waarop in goed leesbare zwarte letters het opschrift «buskruit» gesteld is.

37. De onderlinge afstand der voertuigen bedraagt ten minste 25 meter, behalve bij het doortrekken van de bebouwde kom eener gemeente, waarbij de afstand mag worden verminderd, indien dit in het belang der openbare veiligheid wordt noodig geacht.

Elk transport wordt op den noodigen afstand voorafgegaan door een geleider met eene roode vlag.

38. Het rooken is in de nabijheid der voertuigen verboden.

39. Bij het naderen van overwegen bij spoorwegen wordt door het transport op ten minste 150 meter afstand halt gehouden.

Het transport trekt de spoorbaan niet over, vóór dat het geleide zich overtuigd heeft dat geen trein nadert en dat de op den overweg gevallen sintels zijn uitgedoofd.

Wanneer het transport moet gaan langs wegen, die binnen den afstand van 150 meter evenwijdig aan spoorwegen gelegen zijn, geschiedt het vervoer zooveel mogelijk alleen dan, wanneer geen locomotief in aantocht is.

Het geleide is verplicht, hieromtrent vooraf inlichting in te winnen.

40. Wegen waarvan door een stoomtram wordt gebruik gemaakt, worden zooveel mogelijk door het transport vermeden.

395

-ocr page 432-

39Ö K.B. OMTE. VERVOER ENZ. VAN BUSKRUIT ENZ.

Moet van zoodanigen weg gebruik gemaakt worden, dan wordt bij het naderen van een tram een geleider met eene roode vlag afgezonden, op wiens aanmaning de tram stil houdt tot het transport zich aan den zijkant van den weg en zoo mogelijk boven den wind heeft opgesteld. Bij het voorbijtrekken van den tram mogen de vuren der locomotief niet geopend of geroerd worden, terwijl het transport zich eerst weder in beweging stelt, wanneer de tram ten minste 150 meter voorbij is.

41. Bij onweder houdt het transport zooveel mogelijk stil, op ten minste 300 meter afstand van bewoonde gebouwen of van plaatsen, die met hoog opgaand houtgewas bezet zijn. (52.)

42. Moet het transport van eene veerpont of gierbrug gebruik maken, dan mogen zich daarop niet gelijktijdig andere voertuigen of personen bevinden, tenzij deze laatsten voor de bediening dei-veerpont of der gierbrug noodig zijn.

43. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op het vervoer van buskruit, munitiën en vuurwerken, door troepen, munitieparken, munitiecolonnes en batterijen op marsch; ook niet op een vervoer dier stoffen met aan het Kijk behoorende voertuigen voor het houden van oefeningen of van proefnemingen. (55, 59.)

§ 5. Bijzondere voorschriften voor het vervoer te water.

Art. 44. Het vervoer geschiedt met overdekte vaartuigen, bij voorkeur met beweegbare mast.

Van het gedeelte van het vaartuig waarin de ontplofbare stoffen zijn geborgen, moeten de luiken met geteerde zeilen of preBenningen overdekt zijn. (7.)

45. Met uitzondering van den schipper, zijne onderhoorigen en van het geleide, mag zich niemand aan boord bevinden.

Op elk vaartuig zijn ten minste twee geleiders aanwezig (7, 24 v.)

46. Het hoofd van het geleide is gehouden te zorgen dat wanneer geladen vaartuigen ten anker liggen, steeds een man op het dek aanwezig zij, die de wacht houdt en aangeroepen wordende, verplicht is onmiddellijk antwoord te geven. (7, 32.)

47. Elk vaartuig is voorzien van eene stevige roeiboot, met de noodige riemen, van een scheepsroeper, van ten minste twee paar magazijnschoenen en van een goed sluitende kist ter berging van de seinlantaarnen en het daarbij benoodigde.

De sleutel dezer kist berust bij het geleide. (7.)

48. Aan den top van den mast is, zoowel bij dag als bij nacht, bevestigd eene aan een winkelhaak uitgezette witte viag van ten minste 1.3 meter lang en 0.65 meter breed, waarop in goed leesbare zwarte letters het opschrift «buskruit» gesteld is.

Bij het strijken van den mast wordt deze vlag aan een schippersboom of stok bevestigd, op de boeg geplaatst, of indien dit niet

-ocr page 433-

K.B. OMTK. VERVOER ENZ. VAN BUSKRUIT ENZ. 397

mogelijk is, met de hand uitgestoken. Bij dag is daarenboven eene roode vlag boven het roer geplaatst. (7.)

49. Elk transport bestaat uit ten hoogste vier vaartuigen.

Elk vaartuig mag niet meer dan 30,000 kilogram ontplofbare stof bevatten.

50. De onderlinge afstand tusschen de vaartuigen bedraagt, indien niet van eene sleepboot wordt gebruik gemaakt, ten minste 300 meter, behoudens uitzonderingen, ter beoordeeling van het hoofd van het geleide.

51. Indien bij het vervoer van eene sleepboot wordt gebruik gemaakt, mogen daarmede gelijktijdig twee vaartuigen van het transport, doch geene andere vaartuigen worden gesleept.

De onderlinge afstand tusschen sleepboot en vaartuigen bedraagt zoo mogelijk niet minder dan 50 meter.

Indien twee of meer sleepbooten elk een of twee vaartuigen met ontplofbare stoffen geladen, slepen, moet de afstand tusschen het laatst voorgaande vaartuig en de daarop volgende boot ten minste 300 meter bedragen.

52. Bij onweder worden de raasten dadelijk gestreken, zoo die daartoe ingericht zijn, en de vaartuigen vastgelegd, zoo mogelijk op ten minste 300 meter afstand van andere vaartuigen, van bewoonde gebouwen en van plaatsen die met opgaand houtgewas bezet zijn. (41.)

53. Moet het transport eene sluis doorgaan, dan wordt het vóór alle andere vaartuigen afzonderlijk geschut. (K.B.W.w. I 18.)

54. Spoorwegbruggen mogen door het transport niet worden doorgevaren, zoolang de signalen op onveilig of voorzichtig staan. In dit geval houdt het transport op een afstand van ten minste 150 meter van de brug stil en wordt de weg eerst vervolgd, wanneer het bedoelde signaal is weggenomen.

55. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op het vervoer van buskruit, munitiën en vuurwerken aan boord van vaartuigen tot \'s Rijks dienst behoorende of van \'s Rijks zee- en landmacht wanneer die stoffen tot de uitrusting der vaartuigen be-hooren of tot het houden van oefeningen of van proefnemingen worden vervoerd. (43, 59.)

HOOFDSTUK III.

Verzending en vervoer van ontplofbare Moffen, de hoeveelheid van 100 kilogram niet te boven gaande. (7.)

Art. 56. Op de verzending en het vervoer is het bepaalde bij de artt. 12, 13, 14, 15, 27 en 31 van toepassing, met dien verstande, dat bij het vervoer van metaalpatronen geen gebruik behoeft te worden gemaakt van haren of wollen kleeden en dat het dokken met

-ocr page 434-

398 K.B. OMTR. VERVOER ENZ. VAN BUSKRUIT ENZ.

zulke kleeden ook bij andere ontplofbare stoffen niet vereischt wordt, wanneer de voorwerpen, waarin zich die stoffen bevinden, in een haren of wollen kleed zijn ingenaaid. Zijn de voorwerpen aldus ingenaaid, dan worden de opschriften in art. 12 vermeld, op deze kleeden gesteld.

Het innaaien in een haren of wollen kleed is verplichtend, indien het vervoer per stoomtram geschiedt. (8.)

57. In vaartuigen worden de voorwerpen, waarin de ontplofbare stoffen zijn gepakt, op niet minder afstand dan 4 meter van de stookplaatsen of van de ketelruimte geplaatst. (6.)

58. Het vervoer wordt gedekt door een geleibiljet, afgegeven door den burgemeester der gemeente van afzending, of bij invoer of reeht-streeksehen doorvoer, van de gemeente van binnenkomst hier te lande. (59.)

In dit geleibiljet wordt vermeld het volledig adres van den afzender en van den geadresseerde, de soort en de hoeveelheid der te verzenden stoffen, de wijze van inpakking, het vervoermiddel, de tijd van afzending.

Dit geleibiljet wordt aan de personen, bedoeld bij art. 8 der wet, op hunne aanvraag vertoond en door hen afgeteekend.

Bij aankomst aan de plaats van bestemming wordt het geleibiljet aan den burgemeester afgegeven.

59. Bij vervoer van Rijkswege wordt het geleibiljet, in artikel 58 bedoeld, afgegeven door den afzender en behoeft dit niet door de burgemeesters te worden afgeteekend.

Het bepaalde bij de artt. 43 en 55 vindt ook hier toepassing.

HOOFDSTUK IV.

Van den in-, uit- en doorvoer van ontplofbare stoffen,

Art. 60. Op de van buiten \'s lands aangebrachte ontplofbare stoffen zijn de bepalingen van de vorige hoofdstukken toepasselijk.

Buitendien gelden ten dezen aanzien nog de volgende bijzondere voorschriften.

61. Van de landzijde is de invoer en de doorvoer van ontplofbare stoffen, de hoeveelheid van 100 kilogram tt boven gaande, te land verboden, en te water alleen vergund langs den Kijn, de Maas, de Schelde, het kanaal van Terneuzen, de Zuid-Willemsvaart en het kanaal van Luik naar Maastricht. (63.)

62. Van en naar zee is de in-, uit- en doorvoer van ontplofbare stoffen alleen vergund langs de plaatsen en wegen door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid aangewezen. 1) (64.)

63. Bij in- of doorvoer van de landzijde zijn de vervoerders ver-

1

Het opschrift van Hoofdstuk IV en art. 62 worden aldus gelezen volgens K.B. 26 Sept. 1896, S. 159.

-ocr page 435-

K.B. OMTR. VERVOER ENZ. VAN BUSKRUIT ENZ.

plicht dadelijk aan den burgemeester der gemeente van binnenkomst aangifte te doen van de in te voeren hoeveelheid ontplofbare stoffen, van den naam en de woonplaats van den afzender, van hem aan wien de verzending geschiedt en van de plaats van bestemming. Zoo de burgemeester dit noodig oordeelt, worden de stoffen, onder de door hem te verordenen veiligheidsmaatregelen, onverwijld naar eene door hem aan te wijzen bergplaats of ligplaats overgebracht, om aldaar te verblijven tot het vervoer door het Rijk een aanvang neemt.

Bij weigering van den vervoerder om deze overbrenging te verrichten, geeft de burgemeester, des noods ondersteund door den sterken arm, aan zijn bevel op kosten van den onwillige gevolg. (61.)

64. Bij invoer van de zeezijde zijn de gezagvoerders of schippers verplicht dadelijk aan het hoofd der haven- of rivierpolitie, of bij ontstentenis van dien, aan den burgemeester van de gemeente der naaste haven aangifte te doen van de in te voeren hoeveelheid ontplofbare stoffen, van den naam van den afzender, van den geconsigneerde en van de plaats van bestemming.

Op de eerste aanzegging van het hoofd dier politie of van den burgemeester, worden de schepen in afwachting van het verder vervoer, naar éene door hem aan te wijzen ligplaats overgebracht en nemen de gezagvoerders en schippers de door hem te geven voorzorgsmaatregelen in acht.

Indien het hoofd der politie of de burgemeester oordeelt dat de ontplofbare stoffen tijdelijk naar een Rijksmagazijn moeten worden overgebracht, dan geschiedt dit overeenkomstig de regelen, die omtrent de berging van die stoffen in de bedoelde magazijnen zijn of nader zullen worden vastgesteld.

Ingeval van weigering, geeft het hoofd der politie of de burgemeester, des noods ondersteund door den sterken arm, aan zijn bevel op kosten van den onwillige gevolg. (62.)

65. Het bij het vorig artikel bepaalde is niet van toepassing op het buskruit, de munitiën en de vuurwerken die de zeeschepen voor eigen gebruik aan boord hebben, tot eene hoeveelheid van 50 kilogram ontplofbare stof.

66. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op ontplofbare stoffen in voer- of vaartuigen tot \'s Kijks dienst behooren-de, noch op den munitievoorraad van vreemde oorlogsschepen.

HOOFDSTUK V.

Van den verkoop en den opslag van ontplofbare stoffen.

399

Art. 67. Verkoopers van ontplofbare stoffen zijn verplicht deze hunne nering in hunne aangifte voor het patentrecht uit te drukken. 1 i

1

De Patentwet vau 21 Mei 1819, S. 34 is vervallen bij art. 60 dei-wet (Bedrijfsbel.) van 2 Oct. 1893, S. 149.

-ocr page 436-

400 K.B. OMTB. VERVOER ENZ. VAN BUSKRUIT ENZ.

68. Voor het bewaren van ontplofbare stoffen wordt de vergunning vereischt van het gemeentebestuur, overeenkomstig de (Hinder) wet van 2 Juni 1875 {Staatsblad no. 95). (Hw. 2 sub II.)

Zij die reeds eene bewaarplaats hadden vóór het in werking treden dier wet. moeten zich gedragen naar de voorschriften, die door gemeentebesturen voor het bewaren van ontplofbare stoffen zijn of zullen worden vastgesteld.

69. Het is aan ieder, die niet tot het houden van eene bewaarplaats of tot opslag van ontplofbare stoffen gerechtigd is, verboden zoodanige stoffen voorhanden te hebben.

Dit verbod is niet van toepassing op het voorhanden hebben van buskruit tot eene hoeveelheid van 3 kilogram, van vuurwerken die niet meer dan 5 kilogram ontplofbare stof bevatten, op metaal- en jachtpatronen tot een getal van 2000, alsmede niet op slaghoedjes, op Flobertpatronen (patronen voor kamergeweren) en op hulzen tot metaal- en iachtpatronen.

Een en ander mag tot de daarbij vermelde hoeveelheid vrij worden bewaard.

70. De bepalingen der vorige artikelen zijn niet van toepassing op de in dit besluit met het woord »opslag» aangeduide tijdelijke berging of nederlegging van die stoffen, waaromtrent de bepaling geldt van het volgende artikel.

71. De opslag geschiedt:

hetzij in een Rijksmagazijn, onder beheer van de Departementen van Oorlog of van Marine, volgens de regelen, die omtrent het voorhanden zijn van ontplofbare stoffen in die magazijnen zijn of nader zullen worden vastgesteld; (K.B. 29 Mei 1879; 19 Mei 1884; 17 Maart 1893.)

hetzij, met goedvinden van de eigenaren in bergplaatsen, behoo-rende aan besturen of bijzondere personen;

hetzij ter plaatse als door den burgemeester zal worden aangewezen.

72. Geschiedt de aanwijzing van de opslagplaats door den burgemeester, dan wordt door dezen voor de bewaking daarvan gezorgd.

De opslagplaats moet zoo ver mogelijk verwijderd zijn van bewoonde gebouwen en van plaatsen, waar licht ontvlambare of ontplofbare stoffen aanwezig zijn.

Onder opslagplaats wordt ook verstaan de ligplaais van schepen met ontplofbare stoffen geladen.

Bij de aanwijzing van zoodanige ligplaats handelt de burgemeester in overleg met de betrokken ambtenaren der rivier-, kanaal- of havenpolitie. (K.B.W.w. I.)

Van elke aanwijzing eener opslagplaats geeft de burgemeester kennis aan Onzen Minister van Oorlog.

-ocr page 437-

K.B. OMTR. VERVOER ENZ. VAN BUSKRUIT ENZ. 401 SLOTBEPALINGEN.

Art. 73. De bepalingen van dit besluit zijn niet van toepassing op het vervoer van ontplofbare stoffen niet spoortreinen, ten aanzien waarvan het algemeen reglement voor het vervoer op de spoorwegen, vastgesteld bij Ons besluit van 9 Januari 187G {Staatsblad no. 7), 1) van kracht blijft. (5.)

74. De bepalingen van dit besluit zijn niet van toepassing op het vervoer van ontplofbare stoffen van het terrein der fabrieken, waar ze worden vervaardigd, naar buiten dat terrein gelegen, doch tot de fabriek behoorende magazijnen of bergplaatsen.

Voor zoodanig vervoer wordt evenwel Onze vergunning gevorderd, welke doorloopend kan worden verleend en waarbij voorwaarden kunnen worden vastgesteld.

75. Met den dag van het in werking treden van dit besluit, vervallen de wetten van 26 Januari 1815 {Staatsblad no. 7), van 9 Juli 1855 {Staatsblad no. 68), het arrêté van 21 Maart 1815 {Journal Ojficicl dc la Belgique, tome V, no. 3), mitsgaders de noot op den post buskruit der tabel in art. 1 der (Tarieven)wet van 15 Augustus 1862 {Staatsblad no. 170). (Wet 26 Oct. 1884, S. 81, art. 9.)

Onze Ministers van Waterstaat, Handel en Nijverheid, van Justitie, van Oorlog, van Marine en van Financiën zijn belast met de uitvoering van dit besluit, enz.

26

1

Dit K.B. is laatstelijk gewijzigd bij K.B. 9 Jan. 1894, S. 4; zie van dit aldus gew. K.B. art. 44.

-ocr page 438-

WET,

BETREFFENDE DE OPENBARE MIDDELEN VAN VERVOER, MET UITZONDERING DER SPOORWEGDIENSTEN. *)

(Vastgesteld den 23sten April 1880, Stsbl. no. G7, uitgegeven den 4den Mei d.a.v. Gewijzigd bij de wet van 15 April 188C,

Stsbl. no. G-4.) ■\'\'\'1

naar

__4.

gunning gevorderd.

2. De ondernemer van een openbaar middel tot vervoer van personen is verpligt vóór den aanvang der dienst: (9 al. 1.)

a. aankondiging te doen in een dagblad van de hoofdplaats der provincie of van elk der provinciën, waarin het vervoer zal plaats hebben; (3.)

h. een door hem geteekende afdruk of afschrift van die aankondiging met een exemplaar van het dagblad, waarin ze is geplaatst,

tegen bewijs van ontvangst in te zenden aan Gedeputeerde Staten van elke provincie, waarin het vervoer zal plaats hebben, aan de besturen van alle gemeenten, waar de wagens of vaartuigen zullen stilhouden tot in- en uitlaten van reizigers, en aan de officieren van justitie bij de regtbanken, in welker arrondissementen deze gemeenten zijn gelegen. (5.)

3. De aankondiging, bedoeld in art. 2, houdt in:

а. den naam, de voornamen, het beroep en de woonplaats van den ondernemer of de ondernemers.

Is de ondernemer eene vennootschap, eene vereeniging of een zedelijk ligchaam, dan moet bovendien eene aanwijzing geschieden van den persoon of de personen, aan wie het bestuur der onderneming is opgedragen; (K. 16 v., 36, 44; Wet 22 April 1855, S. 32, art. 5; B.W. Vo 1690, 1692.) inemei

б. eene omschrijving van de soort van het vervoermiddel en eene 7. __open!

opg! van;

c.

fend

d. in- i in e( dern plaai

e. ĥ

van aank

regel

8.

vraag

*) Zie voor de spoorwegdiensten de wetten van 9 April 1875, S. 67 en 28 October 1889, S. 146 hierachter gedrukt blz, 406 en 423. Zie ook Wetb. v. Kooph. artt. 86 v., 91—99, 453—533, 748 v., 755.

-ocr page 439-

T

WET OPENBARE MIDDELEN VAN VERVOER. 403

opgaaf van het aantal plaatsen, dat voor de reizigers bij den aanvang van elke reis minstens beschikbaar zal zijn; (9 al. 3.)

c. den land- of waterweg, waarlangs de onderneming zal uitgeoefend worden; (9 al. 3.)

d. de plaatsen, alwaar geregeld zal worden stilgehouden tot het in- en uitlaten van reizigers, met aanduiding van een hoofdkantoor in een dezer plaatsen, binnen het Koningrijk gelegen, alwaar de ondernemer. voor alles wat de onderneming betreft, geacht wordt woonplaats te hebben gekozeu; (9 al. 3.)

e. het tijdstip waarop de dienst een aanvang zal nemen; (9 al. 3.) ƒ. de dagen en uren, waarop het openbaar middel van vervoer

van elk der onder d bedoelde plaatsen zal vertrekken en aldaar zal aankomen; (9 al. 3.)

(/. de vrachtprijzen voor de reizigers en hunne bagage van en naar die plaatsen. (9 al. 3.)

4. In geval van verandering in de bepalingen, bedoeld in art. 3, of van het doen eindigen van de dienst, wordt daarvan aankondiging gedaan en berigt ingezonden, op de wijze bedoeld in art. 2.

Deze aankondiging en inzending geschieden ten minste acht dagen te voren.

Is de verandering het gevolg van veranderde dienstregeling op de spoorwegen of van stoombooten, dan geschieden de aankondiging en inzending zoo spoedig mogelijk, uiterlijk tweemaal vier en twintig uren na de verandering. (6 al. 2, 9 al. 2.)

5. De ondernemer of, waar deze overeenkomstig art. 3 lt;i is aangewezen, de bestuurder zorgt, dat een door hem gewaarmerkte afdruk of afschrift van de aankondiging bedoeld in art. 2, op elk der plaatsen, waar gelegenheid bestaat tot in- en uitlaten van reizigers, en in elk middel van vervoer gedurende de uitoefening van de dienst op eene voor allen zigtbare plaats, ten dienste van het publiek aan-

i van Iwezig is. (9 al. 2.)

neen- 6. De ondernemer is verantwoordelijk voor de schade door de reizigers bij de uitoefening der dienst geleden, ten ware de schade buiten zijne schuld of die zijner beambten of bedienden zij ontstaan. (B.W. 1401—1403; K. 91, 345 v., 532, 755; Spoorw. 1—3.) Insgelijks is hij verpligt tot vergoeding der schade, veroorzaakt m ze-j door niet nakoming der bepalingen omtrent de dienst in de aan-q van \'kondigingen opgenomen, of door verzuim van de aankondigingen bij ng is art. 4 bedoeld.

B.W. Voor de in dit artikel bedoelde schadevergoedingen zijn de ondernemers hoofdelijk aansprakelijk. (B.W. 131Ü, 1318; K. 18.)

i eene 7. De bepalingen tot verzekering der veiligheid van de reizigers met openbare middelen van vervoer worden door Ons bij algemeenen maat-s g7 regel van inwendig bestuur vastgesteld. (9; K.B. 31 Juli 1880, S. 121.) 8. De ondernemers zijn verpligt, tegen schadeloosstelling, op aanvraag van het bestuur der posterijen de brievenmalen te vervoeren.

len

iddel

per-

5 der ilaats

ikon-aatst, taten in de ,uilen \'

ie ook

26*

-ocr page 440-

WET OPENBARE MIDDELEN VAN VEEVOEK.

De schadeloosstelling wordt, bij gebreke van minnelijke schikking, op een verzoekschrift van het bestuur der posterijen, na verhoor of behoorlijke oproeping van den ondernemer of bestuurder, door den kantonregter, in wiens ressort de gekozen woonplaats gelegen is, bepaald.

Zij zijn verantwoordelijk voor het in goeden staat bewaren der brievenmalen en verpligt ze onverwijld na aankomst ter plaatse van bestemming aan den ambtenaar met de ontvangst belast af te leveren.

De ondernemers zijn bovendien gehouden om, bij ontoereikendheid van de gewone middelen van vervoer van het bestuur der posterijen, op aanvraag van de postdirecteuren, de pakketten, \'s Rijks dienst betreffende, kosteloos in hunne voer- of vaartuigen mede tc nemen. (9; Spoorw. 47.)

9. Hij, die een openbaar middel tot vervoer van personen in werking brengt of houdt zonder de bij de artt. 2 en 3 voorgeschreven aankondiging en inzending te hebben gedaan, wordt gestraft met eene geldboete van ƒ 0,50 tot ƒ 75.

De ondernemer of bestuurder van een openbaar middel tot vervoer van personen, die in gebreke blijft te voldoen aan de bepalingen van de artt. 4 en 5, wordt gestraft met eene geldboete van ƒ 0,50 tot ƒ 25.

De ondernemer of bestuurder van een openbaar middel tot vervoer van personen, of hunne beambten en bedienden worden gestraft :

indien zij buiten het geval van noodzakelijkheid in strijd handelen of doen handelen met hetgeen ingevolge de artt. 2, 3 en 4 i; aangekondigd omtrent het aantal plaatsen, dat bij den aanvang van elke reis voor de reizigers beschikbaar zal zijn, den land- of waterweg, waarlangs de onderneming zal uitgeoefend worden, de plaatsen alwaar geregeld zal worden stilgehouden tot het in- en jitlaten va: reizigers, het tijdstip waarop de dienst een aanvang zal nemen of de dagen en uren van vertrek en aankomst, of indien zij hoogere dan de aangekondigde vrachtprijzen vorderen of doen vorderen, met eeni geldboete van f 0,50 tot ƒ 25;

indien zij weigeren de hun overeenkomstig art. 8 aangeboden brievenmalen of pakketten, \'s Kijks dienst betreffende, te vervoeren, met eene geldboete van ƒ 0,50 tot / 75;

indien door hunne schuld of nalatigheid de overbrenging der brievenmalen of pakketten, of de aflevering daarvan ter plaatse van be stemming wordt vertraagd of brievenmalen of pakketter, verloren gaai of beschadigd worden, met eene geldboete van ƒ 0,5C tot ƒ 50.

Overtreding der bepalingen van den in art. 7 bedoelden algemenen maatregel van inwendig bestnnr wordt gestraft met eene gele boete van ƒ 0,50 tot ƒ 25.

De beambten en bedienden zijn niet strafbaar, zoo hunne overtr

404

-ocr page 441-

WET OPENBARE MIDDELEN VAN VERVOER.

ding een gevolg is van den last door den ondernemer of bestuurder gegeven. \')

10. De ondernemer van een bestaand middel tot vervoer van personen is, op straffe als bepaald in het eerste lid van art. 9, verpligt, binnen drie maanden na het in werking treden dezer wet, alsnog de aankondiging en inzending te doen, bij de artt. 2 en 3 voorgeschreven.

Inmiddels wordt hij voor de toepassing dezer wet geacht de aankondiging en inzending te hebben gedaan, overeenkomstig de bepalingen der hem vroeger verleende concessie.

11. Voor de toepassing van deze wet worden onder de woorden openbare middelen tot vervoer van personen verstaan de rijtuigen, met uitzondering van die der spoorwegdiensten, bedoeld bij de wet van 9 April 1875 (Staatsblad no. 67) en art. 1 der wet van 9 Augustus 1878 (Staatsblad no. 124), 1) en de vaartuigen, bestemd om geregeld langs een bepaalden weg de personen, die zich daartoe aanmelden, te vervoeren.

Het vervoer van personen binnen eene gemeente, alsmede de overzetveren, worden door deze wet niet geregeld.

12. Deze wet treedt in werking op een nader door Ons te bepalen tijdstip. 2)

Met dat tijdstip vervallen de Koninklijke besluiten van:

1 Maart 1818 (Staatsblad no. 9),

21 Augustus 1818 (Staatsblad no. 33),

4 September 1819 (Staatsblad no. 46),

24 November 1829 (Staatsblad no. 73),

6 Junij 1831 (Staatsblad no. 14),

31 Julij 1841 (Staatsblad no. 26),

19 December 1845 (Staatsblad no. 91),

9 Mei 1846 (Staatsblad no. 23),

6 Februarij 1847 (Staatsblad no. 3),

30 Januarij 1848 (Staatsblad no. 3) en 12 Februarij 1850 (Staatsblad no. 7).

405

1

Deze wet is ingetrokken bij en vervangen door de wet van 28 October 1889, S. 146.

2

Bij K.B. van 31 Julij 1880, S. 122, is dit tijdstip bepaald op 1 Sept. 1880.

-ocr page 442-

W E T,

TOT REGELING VAN DE DIENST EN HET GEBRUIK DER SPOORWEGEN. \') 1)

(Vastgesteld den Oden April 1875, Stsbl. no. 67, uitgegeven den 16den April d.a.v. Gewijzigd bij de wetten van 31 December 1880, Stsbl. no. 258, 10 Mei 1882, Stsbl. no. 66, 15 April 1880, Stsbl. no. 64 en 8 April 1893, Stsbl. no. 62.)

Wij WILLEM III, enz.

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat de wijziging en aanvulling, welke de wet van 21 Augustus 1859 {Staatsblad no. 98), omtrent de spoorwegdiensten en het gebruik der spoorwegen behoeft, het raadzaam maken haar door eene nieuwe wet te doen vervangen ;

Zoo is het, dat Wij, enz.

HOOFDSTUK I.

AliGEMEENE BEPALINGEN.

Art. 1. Ondernemers eener spoorwegdienst zijn verantwoordelijk voor de schade, door personen of goederen bij de uitoefening der dienst geleden, ten ware de schade buiten hunne schuld of die hunner beambten of bedienden zij ontstaan. (B.W. 1401—1403, 1902; Wet Midd. Verv. 6.)

1

Met een * zijn gemerkt die artikelen, waarvan volgens art. 1 der wet van 28 October 1889, S. 146, bij algemeenen bestuursmaatregel kan afgeweken worden voor zoover betreft den dienst en het gebruik van spoorwegen, waarop geen vervoer plaats heeft dan met eene snelheid van ten hoogste veertig kilometer per uur. Deze afwijkingen, voor zoover gemaakt, zijn in noten bij de betr. artt. opgenomen. Zie overigens genoemde wet, hierna blz. 422.

-ocr page 443-

WET DIENST EN GEBRUIK DER SPOORWEGEN. 407

2. Ten aanzien van ondernemers van spoorwegdiensten geldt hetgeen bij het Wetboek van Koophandel betrekkelijk voerlieden, schippers en ondernemers van openbare rijtuigen en vaartuigen is bepaald. (K. 91 v.)

3. Ondernemers van spoorwegdiensten zijn niet bevoegd hunne verantwoordelijkheid voor verlies, vertraagde bezorging van of schade aan koopmanschappen en goederen, noch den omvang en duur hunner verpligtingen en den bewijslast door eenig beding van den vrachtbrief, of door bijzondere dienstreglementen uit te sluiten of te beperken, dan met inachtneming der regels, door Ons bij algemee-nen maatregel van inwendig bestuur vast te stollen. (K.B. 9 Jan. 1876, S. 7, 1. gew. 9 Jan. 1894, S. 4.)

4. De ondernemers zijn verpligt te gedoogen, dat aan den spoorweg, waarover hunne dienst loopt, spoorwegen, door andere aan te leggen, zich aansluiten, en dat die weg door zoodanige wegen worde doorsneden.

Zoo, ten behoeve der aansluiting of doorsnijding, op den eerstge-noemden spoorweg werken te verrigten zijn, of de dienst moet worden gestaakt, wordt deswege door de ondernemers der aan te leggen spoorwegen schadeloosstelling verleend. (5.)

Indien Wij den aanleg van wegen, kanalen, waterleidingen of andere werken gebieden of toestaan, die den spoorweg doorsnijden of daarmede in aanraking komen, kunnen de ondernemers dit niet beletten, noch uit dien hoofde andere schadevergoeding vorderen dan teruggave van de vermeerdering der kosten van onderhoud en dienst, die uit den aanleg dier werken mogt voortvloeijen.

In zoodanig geval zorgt de Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid, dat, zonder kosten voor de ondernemers, alle definitieve of voorloopige werken worden uitgevoerd, die vereischt worden om te beletten, dat de exploitatie van den spoorweg gestoord of gestaakt worde.

*5. De ondernemers zijn insgelijks verpligt te gedoogen, dat de weg, waarover hunne dienst loopt, en de daartoe behoorende stations ten behoeve van andere spoorwegdiensten worden gebruikt.

Dit geschiedt krachtens een door Ons daartoe te nemen besluit, tegen schadeloosstelling, door de ondernemers der spoorwegdienst, ten wier behoeve het gemeenschappelijk gebruik van den weg of van een station wordt gegund, te voldoen.

Het gemeenschappelijk gebruik van den weg heeft plaats overeenkomstig een reglement, door Ons, de bestuurders der betrokken spoorwegdiensten gehoord, vast te stellen.

De bepalingen voor het gebruik van stations tot gemeenschappelijke dienst en de uitvoering der daarvoor noodige werken worden door de ondernemers der betrokken spoorwegdiensten, onder goedkeuring van Onzen Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid, onderling bij overeenkomst geregeld. (32, 537-, 56.)

-ocr page 444-

408 WET DIENST EN GEBRUIK DER SPOORWEGEN.

Indien het deswege te houden overleg niet binnen den door Onzen Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid te bepalen tijd tot overeenstemming heeft geleld, worden die bepalingen door Ons, bestuurders der betrokken spoorwegdiensten gehoord, vastgesteld.

De schadeloosstellingen, in dit en in het vorig artikel bedoeld, worden, bij gebreke van minnelijke schikking, door den regter bepaald. (537\')

6. De bestuurders eener spoorwegdienst stellen een reglement voor hunne dienst vast, en onderwerpen dat aan de goedkeuring van den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid.

Alvorens dit reglement goedgekeurd zij, wordt de dienst niet geopend. (53 3\')

Geene veranderingen worden zonder goedkeuring van den Minister van Waterstaat. Handel en Nijverheid in het reglement gebragt, die noodige veranderingen ook nadat het goedgekeurd is, de ondernemers gehoord, bevelen kan.

7. De dienst wordt niet geopend, noch na eene staking, voorzien in art. 8, hervat, dan nadat de Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid daartoe magtiging heeft verleend. (53 30

Alvorens die magtiging wordt verleend, heeft eene opneming van den weg en van de daartoe behoorende werken van regeringswege plaats.

Gelijke opneming gaat het in gebruik nemen van nieuwe of herstelde locomotieven, tenders, rijtuigen of wagens vooraf. (535\')

8. De bestuurders zorgen, ingeval van staking der óienst, voor het vervoer van personen en goederen in de rigting vau den spoorweg. (18, 52.)

De staking wordt voorts door hen zoo spoedig mogelijk algemeen bekend gemaakt door aankondiging in de Staatscourant en in een dagblad van elke der provinciën, door welke de weg loopt.

9. Voor bestuurders van spoorwegdiensten worden gehouden zij, die, hetzij als ondernemers, hetzij namens de ondernemers, het opperbestuur over de dienst uitoefenen. (S.E. 51.)

Minstens één dezer bestuurders moet zijn Nederlander en ingezeten. (66 al. 4; Wet 12 Dec. 1892, S. 268.)

HOOFDSTUK II.

VAN HET TOEZIGT OP DE SPOORWEGDIENSTEN.

Art. 10. Het algemeen toezigt op de spoorwegdiensten wordt, naar regelen, overeenkomstig deze wet door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur voor te schrijven, onder den Mi-

-ocr page 445-

WET DIENST EN GEBRUIK DER SPOORWEGEN.

nister van Waterstaat, Handel en Nijverheid uitgeoefend door een raad van toezigt, welks leden door Ons worden benoemd. (K.B. SpoorToez. Zie blz. 424.)

11. De leden van dien raad en de ambtenaren, onder hen met het dagelijksch toezigt belast, hebben regt op kosteloos vervoer in alle treinen en ten allen tijde vrijen toegang tot den spoorweg en de daartoe behoorende werken en gebouwen, de locomotieven, tenders, rijtuigen en wagens, alleen die rijtuigen of gedeelten van rijtuigen uitgezonderd, welke in de treinen voor autoriteiten en bestuurders der spoorwegdienst aangewezen of door bijzondere personen afgehuurd mogten zijn.

De woningen der beambten en bedienden van den spoorweg zijn onder de in dit artikel bedoelde gebouwen niet begrepen.

12. Zij zijn bevoegd mededeeling te vragen van alle, niet tot het geldelijk beheer betrekkelijke, inlichtingen en opgaven betreffende de spoorwegdienst, en van de daartoe betrekkelijke plans, teekenin-gen, bestekken, voorwaarden van aanbesteding en overeenkomsten, de dienst of het vervoer betreffende.

De bestuurders der spoorwegdienst, hunne beambten en bedienden voldoen, zooveel elk aangaat, terstond aan die aanvraag.

13. De leden van den raad van toezigt en de ambtenaren, onder hen met het dagelijksch toezigt belast, geven schriftelijk kennis aan de bestuurders der spoorwegdienst van hetgeen naar hun oordeel tot instandhouding van den spoorweg en tot behoorlijke uitoefening van de dienst behoort te worden gedaan. (K.B. SpoorToez. 25.)

Zij roepen, zoo de bestuurders daaraan geen behoorlijk gevolg geven, de beslissing van den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid in.

Die beslissing kan ook door de bestuurders worden ingeroepen, wanneer zij tegen hetgeen hun aanbevolen werd bezwaar hebben.

Bij onmiddellijk gevaar kan de raad van toezigt of de Minister last geven tot onverwijlde voorziening niettegenstaande het beroep. (K.B. SpoorToez. 26.)

Geene eindbeslissing wordt genomen dan nadat de bestuurders zijn gehoord of hun gelegenheid is gegeven hunne bezwaren toe te lichten.

14. Aan de beslissing van den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid wordt binnen den daarbij te stellen tijd door de bestuurders der dienst voldaan.

Geschiedt dit niet, dan kan de Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid:

zoo er nalatigheid bestaat met opzigt tot het herstellen of vernieuwen van den spoorweg of van de daartoe behoorende werken en gebouwen, of met opzigt tot de aanvulling van behoeften voor de dienst en van het getal beambten of bedienden, staking van de dienst bevelen;

409

-ocr page 446-

WET DIENST EN GEBRTJIK DER SPOORWEGEN.

zoo die bestaat met opzigt tot het herstellen of vernieuwen van de voor de spoorwegdienst bestemde locomotieven, tenders, rijtuigen of wagens, het gebruik van zoodanige locomotieven, tenders, rijtuigen of wagens verbieden en, zoo noodig, beletten.

15. Zoo de bestuurders der spoorwegdienst de door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid bevolen herstellingen of vernieuwingen aan den weg of aan de daartoe behoorende werken en gebouwen niet uitvoeren, of niet tot de door hem noodig geachte aanvulling van behoeften voor de dienst of van het getal beambten of bedienden overgaan, kan de Minister die ten koste der ondernemers van de dienst doen tot stand brengen en zich tot dat einde in het bezit stellen van de ter uitvoering der herstellingen, vernieuwingen of voorzieningen noodige, op of bij den weg voorhanden voorwerpen. (54.)

Hetgeen krachtens dit artikel ten koste der ondernemers is uitgegeven. gaat boven elke andere schuld der onderneming. (B.W. 1177 — 1184.)

16. Vordert de openbare veiligheid dadelijke staking van de dienst, hetzij over den geheelen weg, hetzij over een gedeelte daarvan, dan kan die staking worden bevolen door een van hen, die tot de uitoefening van het toezigt zijn aangewezen. (534-)

Dit bevel wordt gegeven door hem, die daartoe, volgens de door Ons voor te schrijven regelen, bevoegd is, en zooveel mogelijk schriftelijk gerigt aan de hoofdbeambten van de meest nabij zijnde stations, die daarvan terstond aan alle hoofdbeambten van de stations langs den weg kennis geven. 1) (20, 21.)

17. Wegens redenen van staatsbelang kan staking van de dienst door Ons worden bevolen. (20, 21, 23, 24.)

18. In het geval, bij het vorige artikel bedoeld, is art. 8 niet toepasselijk, en zorgt de Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid,

1) Artikel 1 van K.B. 9 Julij 1876, S. 160. gew. bij K.B. 28 Oct. 1892, S. 239 luidt:

Art. 1. Tot het geven van het bevel tot staking eener spoorwegdienst zijn bevoegd:

de Raad van ïoezigt op de spoorwegdiensten;

de leden van dien Raad, ieder afzonderlijk;

de ingenieurs voor het stoomwezen der spoorwegdiensten, wanneer dadelijke staking van de dienst in het belang der openbare veiligheid gevorderd wordt door den toestand van het rollend materieel in het algemeen van spoorwegdiensten, waarop hun meer bepaald het toezigt is opgedragen;

de distriets-inspecteurs der spoorwegdiensten, ieder voor zooveel aangaat den spoorweg of het gedeelte daarvan, waarover hem het da-gelijksch toezigt is opgedragen, wanneer dadelijke staking van de dienst in het belang der openbare veiligheid wordt gevorderd door den toestand van den weg, de kunstwerken, de seinen.

410

-ocr page 447-

WET DIENST EN GEBRUIK DER SPOORWEGEN. 411

dat zooveel mogelijk worde voorzien in de behoeften van het verkeer in de rigting van den spoorweg.

19. Staking der dienst in het geval, bij art. 17 bedoeld, wordt in de Staatscourant vermeld, en in de provinciën, door welke de weg loopt, zoo spoedig mogelijk, algemeen bekend gemaakt.

20. Eene krachtens deze wet gestaakte dienst wordt niet hervat dan na bekomen toestemming van den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid.

In het bij art. 17 bedoeld geval wordt de toestemming door Ons verleend. (21, ÓS4\')

21. Het voortzetten van de dienst na bevel tot staking, of het hervatten daarvan zonder de in het vorig artikel bedoelde toestemming wordt door hen, die tot do uitoefening van het toezigt zijn aangewezen, belet. (S.R. 180.)

22. Zij zijn bevoegd locomotieven, tenders, rijtuigen of wagens onverwijld uit een trein te doen verwijderen en het vertrek van een trein te verbieden, indien de toestand van het materieel of de za-menstelling van den trein, naar hun oordeel, voor den trein gevaar kan doen ontstaan.

23. Ingeval van oorlog of andere buitengewone omstandigheden kan geheele of gedeeltelijke onbruikbaarmaking van de baan en de daarop aanwezige bruggen, telegraaflijnen en seintoestellen door Ons worden bevolen. (50 al. 2.)

Ingeval er onbruikbaarmaking, krachtens bedoeld bevel, heeft plaats gegrepen, wordt de spoorweg, zoo spoedig als het staatsbelang zulks gedoogt, op Ons bevel en op kosten van het Kijk in vorigen toestand hersteld. (24.)

24. Wordt staking van de dienst door Ons voor belangen van \'s lands verdediging bevolen, dan kan door Ons tevens worden bepaald, dat alle locomotieven, tenders, rijtuigen, wagens en ander materieel van den spoorweg verwijderd worden. (50 al. 2; 52; K.B. 16 Sept. 1870, S. 182.)

De Minister van Oorlog wijst in dit geval de plaats of plaatsen aan, waarheen dat materieel moet worden vervoerd.

25. De Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid wijst de punten aan, waar halten of stations op den weg gemaakt moeten worden.

26. De uren van vertrek en aankomst, het kleinst getal der da-gelijksche treinen en het kleinst getal der rijtuigen van elke klasse, dat tot eiken trein behooren moet, worden door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid bepaald.

*27. Bij algemeenen maatregel van bestuur worden geregeld: (537\', 56; K.B. 27 Oct. 1875, S. 183, 1. g. 19 April 1892, S. 89; K.B. 9 Jan. 1876, S. 7, 1. g. 9 Jan. 1894, S. 4.)

de dienst op de stations;

het toezigt over de baan en de bediening der seinen;

-ocr page 448-

412 WET DIENST EN GEBRUIK DER SPOORWEGEN.

de inrigting van en het toezigt over de locomotieven, tenders, rijtuigen en wagens;

de zamenstelling der treinen;

de snelheid waarmede de treinen zijn te vervoeren;

het getal beambten en bedienden, op eiken trein noodig;

hetgeen in het belang der orde op eiken trein is in acht te nemen;

de voorwaarden voor het vervoer van reizigers en goederen; het afhalen en bestellen der goederen, en het loon daarvoor te genieten;

de behandeling der in de rijtuigen of stations achtergelaten voorwerpen en der onafgehaalde of onbestelbare goederen;

de tijd waarna die voorwerpen en goederen kunnen verkocht worden, en de wijze waarop die verkoop zal knnnen geschieden;

de beëediging van de beambten en bedienden van den spoorweg; en hetgeen verder ter verzekering van de behoorlijke uitoefening der spoorwegdiensten en het veilig verkeer over de spoorwegen, krachtens deze wet, is voor te schrijven. \')

HOOFDSTUK III.

VAN DE TARIEVEN EN HET VERVOER OVER DE SPOORWEGEN.

/

Art. 28. De tarieven voor het vervoer van personen en goederen behoeven de goedkeuring van Onzen Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid. (30.)

Zij worden, alvorens in werking te treden, openlijk aangekondigd, met vermelding der beschikking waarbij zij zijn goedgekeurd, en voor een ieder in druk verkrijgbaar gesteld, tegen den bij elk tarief te bepalen prijs.

De openlijke aankondigingen, in dit en volgende artikels geboden, geschieden op de wijze door Onzen Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid te bepalen.

29. Verlaging der tarieven kan ten allen tijde door Ons worden bevolen.

Zoo ten gevolge der bevolen tariefsverlaging de zuivere winst der ondernemers vermindert, ontvangen zij schadeloosstelling uit \'s Rijks kas.

Het bedrag der te verleenen schadeloosstelling wordt, wanneer van die vermindering blijkt, bij gebreke van minnelijke schikking door den regter bepaald.

1) Voor de spoorwegen, bedoeld in artikel 1 der wet van 28 October 1889, S. 146, is bij K.B. 26 Mei 1890, S. 93, waarbij tevens de al-gemeene reglementen voor den dienst en het vervoer op de spoorwegen niet toepasselijk zijn verklaard, een afzonderlijk Beglement vastgesteld.

-ocr page 449-

WET DIENST EN GEBRUIK DER SPOORWEGEN. 413

Die schadelooastelling wordt in geen geval tot hooger bedrag toegekend dan noodig is om de zuivere winst van het jaar of de jaren, waarvoor zij gevorderd is, tot acht ten honderd van het maatschappelijk kapitaal te brengen.

30. Wijziging in de tarieven wordt, ten minste ééne maand vóór dat zij in werking treedt, openlijk aangekondigd.

Bij het verleenen van de in art. 28 vermelde goedkeuring kan een kortere termijn worden bepaald.

31. De ondernemers zijn verpligt, tegen de vrachtprijzen bij de openlijk aangekondigde tarieven en op de voorwaarden bij de reglementen bepaald, de reizigers en de aangeboden, niet door wettelijke bepalingen uitgesloten, goederen te vervoeren zonder verleening van gunst aan bijzondere personen, vereenigingen, ondernemingen of zedelijke ligchamen.

Zij mogen geene bijzondere overeenkomsten met een of meer bevrachters tot vervoer naar een lager dan het openlijk aangekondigde tarief maken.

Hierop worden uitzonderingen toegelaten;

a. voor vervoer van groote hoeveelheden;

b. bij abonnementen voor vervoer van eene of meer wagenladingen ;

c. voor weldadige doeleinden en voor tentoonstellingen.

Van verlagingen, krachtens lilt. a en 6 verleend, geven de ondernemers onmiddellijk aan Onzen Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid kennis.

Deze verlagingen gelden dadelijk voor alle goederen van gelijken aard, op hetzelfde baanvak en onder dezelfde voorwaarden te vervoeren. Zij worden aanstonds door do ondernemers openlijk aangekondigd en blijven in stand gedurende den tijd, bij de overeenkomst bepaald en in de aankondiging vermeld, of bij gemis aan die tijdsbepaling tot dat aan het voorschrift van het 1ste lid van art. 30 voldaan zij.

*32. De ondernemers der spoorwegdiensten zijn verpligt, ouder goedkeuring van Onzen Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid, het doorgaand vervoer van reizigers en goederen over de spoorwegen onder hun beheer tusschen alle daartoe door den Minister aangewezen stations onderling te regelen, in dier voege dat;

1°. voor het vervoer tusschen die stations van reizigers met hunne bagage doorgaande plaatsbewijzen te verkrijgen zijn;

2°. goederen verzendingen kunnen geschieden met doorgaande vrachtbrieven en, zoo veel mogelijk, met overgang der wagens.

Bij gemeenten waar twee of meer stations bestaan, onderling door sporen verbonden, zijn de ondernemers verpligt, tenzij daarvoor eene andere regeling onder goedkeuring van Onzen Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid gemaakt worde, reizigers met doorgaande plaatsbewijzen en hunne bagage tijdig vóór het vertrek

-ocr page 450-

WET DIENST EN GEBRUIK DER SPOORWEGEN.

van den corresponderenden trein, en de doorgaande goederen, binnen den bij de algemeene of bijzondere reglementen te bepalen tijd, van het station hunner dienst naar die der andere ondernemingen over te brengen.

Zij zijn verpligt rijtuigen, wagens, tenders en locomotieven van andere ondernemingen, waarmede reizigers en goederen voor doorgaand vervoer worden aangebragt, in hunne stations en op de verbindingssporen toe te laten.

De vrachtprijzen voor die overbrenging van reizigers en goederen worden door Onzen Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid, de ondernemers gehoord, vastgesteld.

Waar en zoolang geen tarieven voor doorgaand vervoer van reizigers en goederen zijn aangekondigd, worden de vrachtprijzen berekend door zamenstelling van die tarieven voor lokaal of voor doorgaand verkeer op de baanvakken der verschillende ondernemingen, waarlangs moet worden vervoerd.

Heeft het overleg van de in dit artikel bevolen regeling met de ondernemers der spoorwegdiensten niet binnen den door Onzen Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid voorgeschreven tijd tot overeenstemming geleid, dan regelt de Minister, na de ondernemers te hebben gehoord.

Veranderingen der in dit artikel voorgeschreven regeling kunnen, ook nadat zij is goedgekeurd, door Onzen Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid, zoo noodig, de ondernemers gehoord, bevolen worden. (537\', 56.)

HOOFDSTUK IV.

VAN DE ZORG VOOR EN HET VERKEER OVER DE SPOORWEGEN.

§ 1. Van de zorg voor de spoorwegen.

*Art. 33. Elke spoorweg wordt, op de door Ons te bepalen wijze, afgesloten. (K.B. 9 Julij 1876, S. 161.)

De kosten dier afsluiting worden gedragen door de ondernemers der over den spoorweg loopende dienst. 1)

414

1

Art. 1 van Deel A van het Algemeen Beglement voor den dienst en het vervoer op de spoorwegen, bedoeld in art. 1 der wet van 28 October 1889, S. 146, vastgesteld bij K.B. 26 Mei 1890, S. 93, luidt:

In afwijking van het bepaalde bij art. 33 der wet van 9 April 1875 (Staatsblad no. 67) wordt de spoorweg alleen afgesloten op de gedeelten, door Onzen Minister van Waterstaat, Haudel en Nrjverheid aan te wijzen.

De wijze van afsluiting op die gedeelten wordt door Onzen voornoemden Minister bepaald. De kosten van aanleg en onderhoud der afsluitingen zijn voor rekening van de spoorweg-ondernemingen.

-ocr page 451-

WET DIENST EN GEBRUIK DER SPOORWEGEN, 415

33 o. Waar de spoorweg is aangelegd door of langs bosch-, veen-of heidegronden of gronden, met andere ligt brandbare gewassen begroeid, zorgen bestuurders der spoorwegdienst, dat het terrein van den spoorweg door het graven van slooten, het omspitten of het bedekken met onbrandbare stoffen van eene doorgaande strook gronds, of door eenig ander middel van de aangrenzende eigendommen wordt afgescheiden, aldus dat bij het ontstaan van brand op het terrein van den spoorweg, de brand zich niet op de aangrenzende eigendommen uitbreidt.

Op het maken en instandhouden van deze voorzieningen zijn artikel 13, het eerste lid van artikel 14 en artikel 15 van toepassing. !)

34. Zij, wier landen of erven door den spoorweg van den ge-meenen weg of de gemeene vaart worden gescheiden, hebben over den spoorweg een regt van uitweg.

Met betrekking tot zoodanige uitwegen gelden de artt. 715 tot en met 718 van het Burgerlijk Wetboek, met uitzondering der verplig-ting tot schadevergoeding.

Uitweg over den spoorweg kan ook in andere gevallen, voor zoover met de veiligheid van het verkeer bestaanbaar is, bij overeenkomst, onder goedkeuring van Onzen Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid, worden toegestaan.

*35. De sluiting der hokken langs den spoorweg geschiedt door of van wege de ondernemers der spoorwegdienst.

Waar de hekken tot afsluiting van uit- of overwegen dienen, geschiedt de sluiting door of van wege hen, die, hetzij als eigenaars, huurders of pachters of krachtens eenigen anderen titel, bruikers van landen of erven zijnde, genot van die wegen hebben.

*36. Binnen den afstand van acht meter van een spoorweg en waar die iu gebogen rigting is aangelegd, langs de binnenzijde van den boog, binnen den afstand van twintig meter, wordt geen gebouw, muur, schutting, aarden wal of ander verheven voorwerp op-gerigt en worden geen hoornen of houtgewas geplant of aangelegd. (39-41.)

*37. Binnen den afstand van zes meter van een spoorweg geschiedt geenerlei uitgraving. (39—41.)

*38. Binnen den afstand van twintig meter van een spoorweg worden geene riet- of stroodaken geplaatst, noch ligt ontvlambare stoffen nedergelegd. (39—41.)

39. Van de bepalingen in de artt. 36, 37 en 38 kan door Ons, waar het zonder nadeel voor de openbare veiligheid en voor den spoorweg kan geschieden, ontheffing worden verleend.

40. De afstand, in de artt. 36, 37 en 38 bedoeld, wordt gemeten van den teen der glooijing van den spoorweg, waar deze

1) Artikel 33 a iugelaseht volgens de wet van 10 Mei 1882, S. 66.

-ocr page 452-

WET DIENST EN GEBRUIK DER SPOORWEGEN.

opgehoogd en van de bovenlijn zijner glooijing, waar hij ingegraven is.

41. Hetgeen in strijd met de artt. 36, 37 en 38 is opgerigt, gegraven, geplaatst of nedergelegd, kan, onverminderd de vervolging voor den strafregter, ten koste des overtreders door de bestuurders der spoorwegdienst worden weggenomen of gedigt.

Spoedeischende gevallen uitgezonderd, geschiedt dit niet dan nadat de belanghebbende schriftelijk is gewaarschuwd. (Gem. 180; Wet 20 Juli 1895, S. 139, art. 14.)

§ 2. Van het verkeer over de spoorwegen.

Art. 42. Het is verboden op de spoorwegen eenig voorwerp, dat het verkeer belemmeren kan, neder te leggen. (63; S.R. 162— 165.)

*43. Het is aan elk, wien het uit den aard zijner betrekking niet vrij staat, verboden, buiten toestemming van de bestuurders der dienst, of van hem, wien dit door de bestuurders is opgedragen, langs of op den spoorweg te loopen of te rijden. (33, 63.)

*44. Het is verboden, buiten de toestemming in het vorig artikel bedoeld, paarden, vee of andere dieren langs of op den spoorweg te drijven of te laten loopen. (33, 63.)

HOOFDSTUK V.

VAN HET BESCHIKKEN OVER DE SPOORWEGEN IN HET BELANG VAN \'S RIJKS DIENST.

Art. 45. Vervoer in het belang van \'s Eijks dienst van krijgsvolk, paarden en oorlogstuig over de spoorwegen heeft tegen de helft van den vrachtprijs plaats.

Voor krijgsvolk worden niet gehouden officieren van de landmagt, zonder troepen reizende, zeeofficieren en zeelieden.

46. Vervoer van in dienst zijnde beambten der politie en onderofficieren of manschappen der maréchaussee heeft, op vertoon van eene reisorder, kosteloos plaats in rijtuigen, voor he\'; gewoon vervoer van reizigers bestemd.

Vervoer van personen, onder geleide van het openbaar gezag reizende, heeft ook kosteloos plaats in wagens, daarvoor door de Regering goedgekeurd of van regeringswege beschikbaar gesteld. (Wet (Nat. Militie) 19 Aug. 1861, S. 72, als nader gew., artt. 113 v.; K.B. 18 Dec. 1874, S. 212, artt. 2—6.)

*47 Vervoer van brievenmalen, van de rijtuigen der postadministratie, welke tot vervoerbare postkantoren zijn ingerigt en van de ambtenaren, in die rijtuigen dienst doende, of met het overbrengen

416

-ocr page 453-

wet dienst en gebruik der spoorwegen.

der brievenmalen in de gewone rijtuigen van den spoorweg belast, heeft kosteloos plaats. \') (Wet Midd. Verv. 8; Pakketpostw. 7, 8.)

48. De gebouwen, noodig om op de tot den spoorweg behooren-de gronden te kunnen doen hetgeen voor de invordering der reg-ten van in-, uit- en doorvoer wordt vereischt, en de grond, noodig om op den spoorweg bureaux en toestellen van den Rijkstelegraaf te kunnen plaatsen, worden kosreloos verstrekt. De met de behandeling dezer zaken belaste beambten worden, wanneer zij in dienst zijn, kosteloos vervoerd.

49. Elke spoorweg, welke gedurende twintig jaren door de ondernemers eener spoorwegdienst is gebruikt, kan van Rijkswege worden genaast. De naasting geschiedt tegen den prijs, die aldus wordt gevonden.

Men berekent de zuivere inkomsten van de zeven laatste jaren, trekt daarvan de twee ongunstigste jaren af, en neemt het gemiddeld bedrag der na de aftrekking overblijvende vijf jaren, brengt de alzoo verkregen som door die met twintig te vermenigvuldigen tot kapitaal en voegt daarbij eene premie van vijftien ten honderd.

Van het voornemen om den spoorweg te naasten wordt ten minste één jaar te voren aan de bestuurders der dienst kennis gegeven.

50. Het geheel of gedeeltelijk gebruik van eiken spoorweg en van het aan eene spoorwegonderneming toebehoorende materieel kan ten allen tijde door Ons, in het belang van \'s Kijks dienst, tegen schadeloosstelling worden gevorderd.

Ingeval oorlog of andere buitengewone omstandigheden dat gebruik voor \'s Rijks dienst in het belang van \'s lands verdediging noodig maken, kan de bedoelde vordering krachtens magtiging van Ons geschieden door den Minister van Oorlog of door een bevelhebber van het leger. (52; K.B. 16 Sept. 1876, S. 182.)

Da schadeloosstelling wordt, bij gebreke van minnelijke schikking, door den regter bepaald.

51. Regelen omtrent de aanwending van spoorwegen en spoorweg-materieel in de gevallen, bedoeld in art. 24 eu de 2e alinea van art. 50, worden door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur gesteld. (K.B. 16 Sept. 1876, S. 182.)

52. Kan in het geval, bij art. 50 bedoeld, het vervoer van reizigers of goederen niet langs den spoorweg plaats hebben, dan wordt in dat vervoer voorzien op de bij art. 18 bepaalde wijze.

1) Art. 29 van Deel B van het Algemeen Beglement voor den dienst en het vervoer op de spoorwegen, bedoeld in art. 1 der wet van 28 October 1889, S. 146, vastgesteld bij K.B. 26 Mei 1890, S. 93, luidt: In afwijking van het bepaalde bij art. 47 der wet van 9 April 1875 {StaatsUad no. 67) heeft alleen vervoer van brievenmalen en van de ambtenaren, met het overbrengen daarvan belast, kosteloos plaats.

stw. rt. 27

417

-ocr page 454-

418 WET DIENST EN GEBRUIK DER SPOORWEGEN.

HOOFDSTUK VI.

STRAFBEPALINGEN. 1) (InV.W. 11; R.O. 44.)

Art. 53. De bestuurders eener spoorwegdienst worden gestraft: (S.K. 51.)

zoo zij de voorwaarden, waarop de vergunning tot uitoefening der dienst is verleend, niet naleven of daarmede in strijd handelen of doen handelen, met eene boete van vijftig cents tot vijf duizend gulden;

zoo zij de bepalingen van deze wet niet naleven of daarmede in strijd handelen of doen handelen, voor zoover daaromtrent niet in het bijzonder is voorzien, met eene boete van vijftig cents tot vijf duizend gulden;

zoo zij de dienst op den spoorweg openen, alvorens het dienstreglement, in art. 6 bedoeld, is goedgekeurd, of die hetzij openen hetzij hervatten, alvorens de in het le lid van art. 7 bedoelde magti-ging verleend is, met eene boete van vijftig cents tot vijf duizend gulden bij de openstelling of hervatting van de dienst, en van vijftig cents tot duizend gulden voor eiken dag, dien de geopende of hervatte dienst heeft geduurd;

zoo zij de dienst voortzetten na bevel tot staking, of die hervatten zonder de toestemming, in art. 20 bedoeld, met eene boete van vijftig cents tot vijf duizend gulden bij de voortzetting of hervatting van de dienst, en van vijftig cents tot duizend gulden voor el-ken dag, dien de voortzetting of hervatting heeft geduurd;

zoo zij nieuwe of herstelde locomotieven, tenders, rijtuigen of wagens in gebruik nemen, alvorens zij daartoe, ten gevolge der opneming in het laatste lid van art. 7 voorgeschreven, zijn gemagtigd, met eene boete van vijftig cents tot duizend gulden voor elke zoodanige locomotief, tender, rijtuig of wagen;

zoo zij in gebreke blijven te voldoen aan de beslissing van den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid, in art. 14 bedoeld, of aan den in de voorlaatste alinea van art. 13 bedoelden last, met eene boete van vijftig cents tot vijf honderd gulden voor eiken dag verzuim; (54.)

zoo zij het in art. 5 bedoeld reglement op het gemeenschappelijk gebruik van een spoorweg, de aldaar en in art. 32 bedoelde regeling voor het gemeenschappelijk gebruik van stations en voor het doorgaand vervoer van reizigers en goederen, of een krachtens art. 27 uitgevaardigden algemeenen maatregel van inwendig bestuur niet naleven of daarmede in strijd handelen of doen handelen, met eene boete van vijftig cents tot vijf duizend gulden.

1

De Strafbepalingen aldus afgeschaft, gehandhaafd en gewijzigd volgens artt. 3 e?, 10 no. 30,11 en 19 der Inv.wet van 15 April 1886, S. 64.

-ocr page 455-

WET DIENST EN GEBBTJIK DEE SPOORWEGEN.

54. De boete, in het voorlaatste lid van art. 53 bedreigd, kan niet hooger gaan dan tot vijf duizend gulden. De aldaar bedoelde tijd houdt op te loopen, zoodra art. 15 wordt toegepast.

55. Afgeschaft.

56. De beambten en bedienden van den spoorweg worden gestraft :

zoo zij het in art. 5 bedoeld reglement op het gemeenschappelijk gebruik van een spoorweg, de aldaar en in art. 32 bedoelde regeling voor het gemeenschappelijk gebruik van stations en voor het doorgaand vervoer van reizigers en goederen, een krachtens art. 27 uitgevaardigd algemeenen maatregel van bestuur overtreden, met eene boete van vijftig cents tot duizend gulden;

zoo zij de bepalingen van deze wet niet naleven of daarmede in strijd handelen of doen handelen, voor zoover daaromtrent niet in het bijzonder is voorzien, met eene boete van vijftig cents tot duizend gulden.

Zij zijn niet strafbaar zoo hunne weigering of overtreding een gevolg is van den last, door de bestuurders van de spoorwegdienst gegeven. (S.B. 43.)

57. Afgeschaft.

58. Overtreding van de artt. 36, 37 en 38, of van de voorwaarden gesteld bij Onze besluiten, naar aanleiding van art. 39 genomen, wordt gestraft met eene boete van vijftig cents tot honderd gulden.

De overtreders worden daarenboven, op de vordering van het openbaar ministerie, veroordeeld om binnen een bij het vonnis te bepalen termijn, de zaken in den vorigen stand te herstellen.

Bij gebreke van voldoening aan die uitspraak, wordt, na verloop van den gestelden termijn, het vonnis van Regeringswege ten koste van den overtreder ten uitvoer gelegd door een ambtenaar of ambtenaren, met het toezigt op de spoorwegdienst belast.

De kosten worden op den overtreder verhaald door den ontvanger der registratie, naar een staat, opgemaakt door den ambtenaar, mot de uitvoering van het vonnis belast.

59—62. Afgeschaft.

63. Overtreding van de artt. 42, 43 en 44 wordt gestraft met eene boete van vijftig cents tot twee honderd gulden of met hechtenis van één dag tot ééne maand.

Gelijke straf wordt uitgesproken tegen de personen, in het tweede lid van art. 35 bedoeld, of die hen, volgens de wet, vertegenwoordigen, wanneer zij de sluiting der hekken geplaatst aan uit- of overwegen, waarvan zij genot hebben, verzuimen. Zijn door hen personen mot de sluiting belast, dan zijn deze wegens het verzuim strafschuldig.

64. Overtreding van de bepalingen van een algemeenen maatregel van bestuur in art. 27 bedoeld, door anderen dan de in artikel

419

27*

-ocr page 456-

420 WET DIENST EN GEBRUIK DER SPOORWEGEN.

53 en 56 genoemden, wordt gestraft met eene boete van ten hoogste vijj en zeventig gulden.

De beambten en bedienden van den spoorweg kunnen hen, die zich aan die overtreding schuldig maken, uit de rijtuigen weren of verwijderen. 1)

65. Afgeschaft.

OVERGANGSBEPALINGEN.

Art. 66. De bepalingen van deze wet zijn, behoudens de bepaling van het 2de lid van dit artikel, ook op de vóór 21 Augustus 1859 reeds bestaande spoorwegdiensten van toepassing.

De artikelen 25, 29, 33, 45 tot en met 49 kunnen, voor zoover dit nog niet mogt zijn geschied, door Ons op de toen bestaande spoorwegdiensten toepasselijk worden verklaard. Zoo hieruit voor de ondernemers dier diensten schade ontstaat, niet voortvloeijende uit de verpligtingen, waaraan zij zich bij het verkrijgen der vergunning tot het uitoefenen hunner dienst hebben onderworpen, of waarin zij later bij opzettelijke bedingen hebben toegestemd, ontvangen zij schadeloosstelling uit \'s Kijks kas.

Die schadeloosstelling wordt bij gebreke van minnelijke schikking door den regter bepaald.

Van het tweede lid van art. 9 kan door Ons dispensatie worden verleend.

67. De bestuurders der bestaande spoorwegdiensten onderwerpen het dienstreglement volgens art. 6, de tarieven voor het vervoer van personen en goederen, en de regeling in art. 32 bevolen voor het eerst of op nieuw aan de goedkeuring van den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid binnen zes maanden na afkondiging van den algemeenen maatregel van bestuur volgens art. 27.

68. Hetgeen binnen de afstanden, in de artt. 36, 37 en 38 bepaald, langs de bestaande spoorwegen is opgerigt, gegraven, geplaatst of nedergelegd, wordt, zoo de openbare veiligheid het vordert, tegen voorafgaande schadeloosstelling van regeringswege weggenomen of gedigt.

De schadeloosstelling wordt, bij gebreke van minnelijke schikking, door den regter bepaald.

SLOTBEPALINGEN.

Art. 69. Deze wet is van toepassing op de dienst en het gebruik der Staatsspoorwegen, zonder evenwel verandering te brengen in de bepalingen der wet van 3 Julij 1863 (Staatsblad no. 100) en in die van de concessie, bij de wetten van 3 Junij 1863

1

Art. 64 aldus nader vastgesteld bij de wet van 8 April 1893, S. 62.

-ocr page 457-

WET DIENST EN GEBRUIK DER SPOORWEGEN.

(Staatsblad no. 101) en van 7 Augustus 1865 {Staatsblad no. 99) bekrachtigd. \')

70. Wegen door het Rijk of door eene spoorwegonderneming aangelegd tot toegang naar een station worden, voor zoover dit nog niet mogt zijn geschied, aan de gemeenten, op welker grondgebied zij liggen, in behoorlijken staat overgedragen; daarna komt het onderhoud en de verlichting ten naren laste. 1)

Ligt een toegangsweg op het grondgebied van meer dan eene gemeente, dan wordt door Ons, den Raad van State gehoord, beslist aan welke gemeente die weg zal worden overgedragen.

Onderhoud van wegen aan het Rijk, aan gemeenten of anderen toebehoorende, vóór den aanleg van een spoorweg aangelegd, die tot toegang naar een station van den spoorweg dienen, blijft ten laste van dengene, die daarmede vroeger was belast.

Volgens voorschriften door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur te geven, wordt een ligger opgemaakt en bijgehouden van de toegangswegen tot stations, op welken ligger de onder-houdpligtigen vermeld zijn. (K.B. 23 Maart 1876, S. 55. Zie blz. 429.)

71. Alle ambtenaren, belast met het opsporen van strafbare feiten, hebben even als de beambten van politie vrijen toegang tot den spoorweg en tot de daartoe behoorende gronden en gebouwen die tot gebruik van reizigers bestemd zijn. 2)

Onze Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid kan vrijen toegang tot den spoorweg en tot de daartoe behoorende werken en gebouwen verleenen aan Rijksbeambten en aan leden en beambten van openbare besturen, voor de uitoefening hunner betrekking.

Het tweede lid van art. 11 is op die vergunningen toepasselijk.

72. Tot het opsporen der overtredingen van deze wet, van een krachtens art. 27 uitgevaardigden algemeenen maatregel van bestuur, van het in art. 5 bedoeld reglement en van de aldaar en in art, 32 bedoelde regeling zijn, behalve de bij art. 8 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen ambtenaren, de personen, tot uitoefening van het toezigt op de spoorwegdiensten door Ons aangewezen, bevoegd. (K.B. Spoorïoez. 27.)

421

1

Het eerste lid van art. 70 aldus gewijzigd bij de wet van 31 December 1880, S. 258.

2

Art. 71, alinea 1, aldus gewijzigd bij de Inv.wet van 15 April 1886, S. 64.

-ocr page 458-

422 WET DIENST EN GEBRUIK DER SPOORWEGEN.

Ook zijn daartoe bevoegd de beëedigde beambten en bedienden van den spoorweg over de geheele uitgestrektheid van den weg, waarop zij dienst doen, en binnen den kring van honderd meter aan beide zijden van dien weg. (K.B. 27 Oct. 1875, S. 183, 1. g. 19 April 1892, S. 89.)

Art. 401 van het Wetboek van Strafvordering is toepasselijk op de processen-verbaal, door hen opgemaakt. \')

73. De wet van 21 Augustus 1859 {Staatsblad no. 98) wordt ingetrokken.

74. Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip. 2)

1) Art. 72 gehandhaafd ingevolge art. 13 der Inv.wet van 15 April 1886, S. 64. De verwijzingen naar S.V. aldus gewijzigd ingevolge de wet van 31 December 1887, S. 265.

2) Bij K.B. van 5 Februari 1876, S. 41, is dit tijdstip bepaald op 15 October 1876.

WET,

TOT NADERE REGELING VAN DEN DIENST EN HET GEBRUIK VAN SPOORWEGEN, WAAROP UITSLUITEND MET BEPERKTE SNELHEID WORDT VERVOERD.

(Vastgesteld den 28sten October 1889, Stsbl. no. 146, uitgegeven den 30sten October d.a.v.)

Art. 1. Bij algemeenen maatregel van bestuur kunnen door Ons omtrent den dienst en het gebruik van spoorwegen, waarop geen vervoer plaats heeft dan met eene snelheid van ten hoogste veertig (40) kilometer per uur, bepalingen worden gemaakt, waarbij wordt afgeweken van de artikelen 5, 27, 32, 33, 35 tot en met 38, 43, 44 en 47 der wet van 9 April 1875 {Staatsblad no. 67). \') (K.B. 26 Mei 1890, S. 93, gew. 19 April 1892, S. 90.)

2. Op spoorwegen, waarop geen vervoer plaats heeft dan met eene snelheid van ten hoogste twintig (20) kilometer per uur, is de wet van 9 April 1875 {Staatsblad no. 67) niet van toepassing.

3. Overtreding van de bepalingen van den in art. 1 bedoelden

1) Zie genoemde wet hiervoor blz. 406 volg.

-ocr page 459-

WET DIENST SPOORWEGEN WAAROP BEPERKTE SNELHEID. 423

algemeenen maatregel van bestuur wordt gestraft met eene boete van ten hoogste vijf en zeventig gulden (Spoonv. 63—64.)

Indien zij plaats heeft door bestuurders van een spoorwegdienst, met eene boete van ten hoogste vijf duizend gulden. (Spoorw. 53; S.R. 51.)

Indien zij plaats heeft door beambten of bedienden van den spoorwegdienst, met eene boete van ten hoogste duizend gulden.

De beambten en bedienden zijn niet strafbaar zoo hunne overtreding een gevolg is van den last, door de bestuurders van den spoorwegdienst gegeven. (Spoorw. 56; S.R. 43.)

Die beambten en bedienden kunnen de reizigers, die zich aan overtreding der bepalingen van den in art. 1 bedoelden algemeenen maatregel van bestuur schuldig maken, uit de rijtuigen weren of verwijderen. (Spoorw. 64.)

4. Met het opsporen der overtredingen van den in art. 1 bedoelden algemeenen maatregel van bestuur zijn, behalve de bij art. 8 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen ambtenaren, de personen tot uitoefening van het toezicht op de spoorwegdiensten door Ons aangewezen, bevoegd. (K.B. SpoorToez. 27.)

Ook zijn daartoe bevoegd de beëedigde beambten en bedienden van den spoorweg, over de geheele uitgestrektheid van den weg waarop zij dienst doen en binnen den kring van honderd meter aan beide zijden van dien weg.

Art. 401 van het Wetboek van Strafvordering is toepasselijk op de processen-verba al door hen opgemaakt. (Spoorw. 72.)

5. De bij deze wet strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als overtredingen. (R.O. 44.)

6. De wet van 9 Augustus 1878 (Staatsblad no. 124) wordt ingetrokken.

7. Deze wet treedt in werking op 1 Januari 1890.

jns

een ;;j

rtig [

irdt I

44 i 26

sne ivet

len

-ocr page 460-

BESLUIT,

tot eegemng van het algemeen toezigt op de spoorwegdiensten.

(Vastgesteld den 9den Julij 1876, Stsbl. no. 159, uitgegeven den 15den Julij d.a.v. Gewijzigd bij K.B. van 28 Oct. 1892,

Stsbl. no. 238.)

Wij WILLEM III, enz.

Overwegende, dat volgens artikel 10 van de wet van 9 April 1875 {Staatsblad no. 67) een algemeene maatregel van inwendig bestuur het algemeen toezigt op de spoorwegdiensten moet regelen;

Hebben goedgevonden en verstaan:

§ 1. Algemeene bepaling.

Art. 1. Het algemeen toezigt op de spoorwegdiensten wordt onder Onzen Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid uitgeoefend door een Raad van Toezigt; het dagelijksch toezigt door ambtenaren onder den Raad. 1) (36.)

§ 2. Van de zamenstelling van den Baad van Toezigt.

Art. 2. De raad van toezigt bestaat uit niet minder dan drie en niet meer dan vijf leden en een secretaris.

Zij worden door Ons benoemd, geschorst en ontslagen.

Een der leden, daartoe door Ons aan te wijzen, is voorzitter.

3. Niemand is tot lid van den raad benoembaar, dan die Nederlander, in het volle genot der burgerlijke en burgerschapsregten is en den ouderdom van dertig jaren heeft vervuld. (13; Wet 12 Dee. 1892, S. 268.)

4. Bloedverwantschap of zwagerschap in den eersten of tweeden graad mag niet bestaan tusschen de leden onderling. (14.)

5. De leden van den raad mogen geen andere bedieningen gelijktijdig waarnemen, dan met Onze toestemming. (14, 33, 37.)

6. Alvorens hun ambt te aanvaarden wordt door de leden, ieder op de wijze zijner godsdienstige gezindheid, in handen van Onzen Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid de volgende eed of belofte afgelegd:

1

Zie noot 1 blz. 406.

-ocr page 461-

K.B. ALÖEM. TOEZIGT OP DE SPOORWEGDIENSTEN. 425

»Ik zweer (beloof), dat ik al de pligten, die de wet tot regeling van de dienst en het gebruik der spoorwegen en de krachtens die wet vastgestelde verordeningen aan mijn ambt verbinden, eerlijk en vlijtig zal vervullen.

Zoo waarlijk helpe mij God Almagtig!» (»Dat beloof ik.»)

Zij worden hiertoe niet toegelaten dan na den in artikel 83 der Grondwet (1848) bedoelden eed (verklaring of belofte) van zuive-ring te hebben afgelegd. (15.)

7. De leden hebben hunne vaste woonplaats te \'s Gravenhagc. (Ki.)

8. Zij behoeven, om zich buiten de uitoefening hunner betrekking van hunne vaste woonplaats te verwijderen, de toestemming van Onzen Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid. 1) (16.)

9. De raad mag niet beraadslagen of besluiten, zoo niet de helft, of is hun getal oneven, de grootste helft zijner leden tegenwoordig is.

Indien de stemmen staken, beslist de stem van den voorzitter.

10. De voorzitter ontvangt en opent alle aan den raad gerigte stukken.

Hij brengt die ter tafel in de eerstvolgende vergadering of verzendt die onmiddellijk aan het lid of de leden, meer in het bijzonder belast met de zaken, waarop de stukken betrekking hebben.

De minuten van al de brieven, die van den raad uitgaan, worden door hem gewaarmerkt. (17.)

11. Bij ongesteldheid, afwezigheid of ontstentenis van den voorzitter wordt hij vervangen door het oudste lid in diensttijd. (18.)

12. De raad stelt een reglement van orde voor zijne werkzaamheden vast.

Dat reglement behoeft de goedkeuring van Onzen Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid.

13. Niemand is tot secretaris van den raad benoembaar, dan die Nederlander, in het volle genot der burgerlijke en burgerschaps-

, regten is en den ouderdom van vijf en twintig jaar heeft vervuld. (3, 33, 37.)

14. De secretaris mag de leden niet in den eersten of tweeden graad van bloedverwantschap of zwagerschap bestaan.

Artikel 5 is op hem van toepassing.

15. Door den secretaris worden, alvorens zijne betrekking te aanvaarden, op de wijze zijner godsdienstige gezindheid, in de vergadering van den raad, in handen van den voorzitter dezelfde eeden of beloften afgelegd, als in artikel 6 zijn voorgeschreven. (33—35, 37.)

16. De secretaris heeft zijne vaste woonplaats te \'s Gravenhagc en behoeft, om zich daarbuiten te begeven, verlof van den raad. (7, 8.)

1

Een tweede alinea van artikel 8 is vervallen bij K.B. 28 October 1892, S. 238.

-ocr page 462-

426 K.B. ALGEM. TOEZIGT OP DE SPOORWEGDIENSTEN.

17. Hij heeft in de vergadering van den raad eene raadgevende j stem. cietl

Door hem worden de minuten van alle brieven, die van den raad sej; nitgaan, mede gewaarmerkt. (10.) j

Hij onderteekent alle stukken, die van of namens den raad uit- jei]

Saan- ... . art.

18. Bij ongesteldheid, afwezigheid of ontstentenis van den secre- sju)

taris, wordt hij vervangen door hel jongste lid in diensttijd, geen

voorzitter zijnde. (11.) jej

£

§ 3. Van de bevoegdheid van den raad van toezigt. sne

gee

Art. 19. De raad ziet toe op;a

de naleving van de bepalingen der wet tot regeling van de dienst (^e] en het gebruik der spoorwegen en van de krachtens die wet vastge- j stelde verordeningen, dienstreglementen, tarieven en door Ons of den ces Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid goedgekeurde of voorgeschreven regelingen; ;

de naleving van de voorwaarden waarop de vergunning tot uit- ^ oefening der dienst is verleend; j

de uitoefening der dienst zelve.

20. De raad wordt door Onzen Minister van quot;Waterstaat, Handel en Nijverheid gehoord, en dient hem van berigt en raad omtrent ([e alles wat de dienst en het gebruik der spoorwegen aangaat, en waaromtrent de beslissing aan Ons of aan dien Minister is opgedragen.

21. De raad beschikt ten aanzien van de geschillen tussehen de bestuurders der spoorwegdiensten en de in artikel 1 bedoelde ambtenaren gerezen, welke eene onmiddellijke beslissing eischen en waaromtrent de beslissing niet bij de wet aan Ons of aan Onzen Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid is opgedragen.

Hij geeft van elke beschikking onmiddellijk kennis aan genoemden Minister; deze is bevoegd de beschikking te schorsen of te vernietigen en doet, in geval van vernietiging, uitspraak.

22. De raad is verpligt de bevelen van Onzen Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid stipt na te leven.

23. Hij is bevoegd aan Onzen Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid de voorstellen te doen, welke hij in het belang van eene behoorlijke uitoefening der spoorwegdiensten noodig acht. (31.) j

24. Eenmaal \'s jaars heeft door leden van den raad eene opneming plaats van al de spoorwegen en der daartoe behoorende werken, gebouwen en werkplaatsen en van de voor de spoorwegdienst bestemde rij- en voertuigen. (31.)

Wanneer hun dit door Onzen Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid wordt opgedragen, doen de leden -v an den raad afzonderlijk of te zamen plaatselijke opnemingen van de hun daarbij aan te wijzen spoorwegen met bijbehooren.

ver £

en

-ocr page 463-

K.B. ALOEM, TOEZIGT OP DE SPOORWEGDIENSTEN.

Ingeval een ongeluk plaats vindt of zich bijzondere omstandigheden voordoen, zijn zij bevoegd afzonderlijk of te zamen eene plaatselijke onderzoeking in te stellen.

25. Van de schriftelijke kennisgevingen, die de raad of zijne leden en de ambtenaren met het dagelijksch toezigt belast, krachtens art. 13 der wet van 9 April 1875 (Staatsblad no. 67), aan de bestuurders der spoorwegdiensten doen, wordt door den raad onmiddellijk mededeeling gedaan aan Onzen Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid.

26. Met uitzondering van de gevallen, bedoeld in de vierde zinsnede van artikel 13 der wet van 9 April 1875 {Staatsblad no. 67), geeft de raad zonder toestemming van Onzen Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid geene bevelen aan de bestuurders der spoorwegdiensten, waaruit kosten voor den Staat zouden kunnen voortvloeijen.

27. De raad zorgt, zooveel van hem afhangt, dat, zoo noodig, proces-verbaal worde opgemaakt tegen de bestuurders der spoorwegdiensten, de beambten en bedienden der spoorwegen of tegen andere personen, wegens overtreding der wetten en andere verordeningen betrekkelijk de spoorwegen.

Hij zorgt, zooveel van hem afhangt, dat gevolg aan die processen-verbaal worde gegeven. (Spoorw. 72.)

28. De raad is bevoegd de hoofdingenieurs van den waterstaat in de onderscheiden districten omtrent den toestand van de spoorwegen en de daartoe behoorende werken en gebouwen te hooren.

29. Hij is bevoegd in briefwisseling te treden met Onze Commissarissen in de provinciën, met de Gedeputeerde Staten en de gemeentebesturen, ten einde inlichtingen te vragen.

30. Hij is bevoegd in briefwisseling te treden met de ambtenaren van het openbaar ministerie over de aangelegenheden, die tot zijn werkkring behooren.

31. Vóór den Isten Mei van elk jaar doet de Kaad een omstandig verslag aan den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid, omtrent den toestand van de spoorwegen en de daartoe behoorende werken en gebouwen en omtrent de uitoefening der spoorwegdiensten in hun gansehen omvang, alsmede omtrent het uitgeoefende toezicht in het afgeloopen jaar.

De Raad doet daarbij de voorstellen, welke hij noodig acht. (23.)

Het verslag wordt ingerigt in den vorm, door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid te bepalen.

De voornoemde Minister legt dit verslag aan Ons over en berigt Ons omtrent den inhoud. \')

427

32. Statistieke opgaven betrekkelijk de spoorwegdiensten worden jaarlijks door den raad aan Onzen Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid gezonden.

1) Artikel 31 aldus gewijzigd vastgesteld bij K.13. 28 Oct. 1892, S. 238.

-ocr page 464-

428 K.B. AI.OEM, TOEZIGT OP DE SPOORWEGDIENSTEN.

§ 4. Van de ambtenaren met het dagehjkseh toezigt belast en van de overige ambtenaren hij den Raad van toezigt. \')

Oi

met

Art. 33. Met het dagelijksch toezigt op het rollend materieel en op telegraaf en seinen zijn belast ingenieurs, onderscheidenlijk voor het stoomwezen en het seinwezen der spoorwegdiensten. (37.)

34. Met het dagelijksch toezigt op de uitoefening der spoorwegdiensten in hun geheelen omvang, op het onderhoud van dc spoorwegen en van wat daartoe behoort, alsmede op de uitvoering van werken op in exploitatie zijnde spoorwegen, zijn belast districts-in-specteurs der spoorwegdiensten. (37.)

35. Met het dagelijksch toezigt op de middelen, om de eerste K0U] hulp aan gekwetsten te verleenen en hen te vervoeren, zijn belast Kj geneeskundige inspecteurs der spoorwegdiensten.

36. Behalve de ambtenaren met het dagelijksch toezigt belast, worden onder den Eaad Kijksingenieurs voor de spoorwegen aange-steld, alsmede de noodige bureelambtenaren.

De Kijksingenieurs zijn belast met het opmaken en onderzoeken van ontwerpen tot wijziging, verbetering en uitbreiding der spoor- W wegwerken en met het beproeven der groote spoorwegbruggen. De ^ instructiën voor die ambtenaren worden door den Raad, onder goed-keuring van den Minister, vastgesteld.

37. Op de ambtenaren, in de artikelen 33 en 34 bedoeld, als- Hi mede op de Kijksingenieurs voor de spoorwegen, is van toepassing hetgeen bij artikel 5 ten aanzien van de leden van een Kaad en bij ; lt;) \\ j artikel 13 ten aanzien van den secretaris is bepaald. zorg

Op de ambtenaren, in de artikelen 33, 34 en 35 bedoeld, is van worp toepassing hetgeen bij artikel 15 ten aanzien van den secretaris is provj bepaald. 2.

De standplaatsen van de ambtenaren, in de artikelen 33, 34 en 35 meld bedoeld, en die van de Kijksingenieurs voor de spoorwegen, worden p door den Kaad, onder goedkeuring van den Minister van Water- 2°. staat. Handel en Nijverheid, aangewezen. static

38. De Kaad kan aan de ambtenaren met het dagelijksch toezigt 30 belast, de behandeling opdragen van alle zaken, welke daarmede aandi

4°. lengt 5°. men, 6quot;. 7quot;. 8°. 9°. weg; 10

verband houden.

39. Aan de Kijksingenieurs voor de spoorwegen, de ingenieurs en opzigters van den waterstaat en aan de ingenieurs van het stoomwezen kan door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid een afzonderlijk gedeelte van het dagelijksch toezigt worden opgedragen.

ring

te st( Di gelijl

40. De wijze, waarop het dagelijksch toezigt zal zijn uit te oefenen, wordt geregeld bij instructiën, door den Kaad, onder goedkeu-

1) De vierde paragraaf aldus gewijzigd vastgesteld bij K.B. 28 Oct. 1892, S. 238.

-ocr page 465-

k.b. algem. toezigt op de spoorwegdiensten. 429

ring van den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid vast te stellen.

De districten, binnen welke de daarmede belaste ambtenaren da-gelijksch toezigt hebben te honden, worden door den Raad, onder tl en goedkeuring van voornoemden Minister bepaald.

voor

Onze Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid is belast (veg. met de uitvoering van dit besluit, enz.

loor-

van \'

3

s-in-

BESLUIT,

erste elast

houdende vaststelling van voorscjibiften voor het opmaken en bijhouden van een ligger der toegangswegen tot spoorwegstations.

ilast,

nge- (Vastgesteld den 23sten Maart 1876, Stsbl. no. 55, uitgegeven den 3den April d.a.v.)

iczigt mede

ieurs oom-jver-)rden

oefe-Ikeu-

Oct.

eken —--

joor- Wu WILLEM III, enz.

Dg . • .

j Gelet op de vierde zinsnede van art. 70 der wet van 9 April

\'0e 1875 (Staatsblad no. 67);

als- Hebben goedgevonden en verstaan enz.

ssing Art. 1. Binnen drie maanden na het tijdstip, waarop de wet van n bij 9 April 1875 (Staatsblad no. 67) in werking treedt, wordt door de zorg van Gedeputeerde Staten van iedere provincie een ligger ont-van Worpen van de wegen, die tot toegang dienen naar elk in hunne •is is provincie gelegen spoorwegstation of naar het plein voor dat station.

2. De ligger wordt ingerigt volgens bijgevoegd model en ver-n 35 meldt: (14.)

irden lü. den naam van het station;

ater- 2°. den naam van den spoorweg of de spoorwegen, waartoe het station behoort;

3U. de gemeente of gemeenten waarin de toegangsweg ligt, met aanduiding der sectien of kadastrale gemeente;

4°. de benaming of benamingen van den weg, zijne strekking en lengte;

5°. de breedte van den weg, van de bermen, slooten en overber-men, langs den weg liggende;

6°. de aanduiding en breedte der kunstmatige hardmaking; 7°. de beplanting van weg en bermen;

8°. de kunstwerken in den weg aanwezig;

9°. de lantaarns, afsluitingen, tolboomen en ijzeren sporen op den weg;

10quot;. de regten of verpligtingen van gemeenten, polders, zedelijke

-ocr page 466-

430 K.B. LIGGER TOEGANGSWEGEN SPOORWEGSTATIONS.

\\

ligchamen en bijzondere personen ten opzigte van het gebruik van den weg;

llu. de aanwijzing van den onderhoudspligtige; (9, 16.)

12°. den titel (zoo die bestaat), waarbij de verpligting tot onderhoud is gevestigd;

13°. de aanwijzing of de weg, krachtens de eerste en tweede zinsneden in artikel 70 \') der wet van 9 April 1875 {Staatsblad no. 67), nog aan de gemeenten in onderhoud moet worden overgedragen; (6, 8, 11.)

14°. opmerkingen en toelichtingen.

Tot duidelijke aanwijzing van den weg kan aan den ligger eene grondteekening toegevoegd worden.

3. Gedurende dertig achtereenvolgende dagen wordt de ontworpen ligger door Gedeputeerde Staten op de provinciale griffie en een uittreksel, voor zooveel iedere betrokken gemeente aangaat, door burgemeester en wethouders op de secretarie der gemeente ter inzage voor ieder nedergelegd.

Van die nederlegging doen Gedeputeerde Staten en burgemeester en wethouders minstens acht dagen te voren openbare kennisgeving, door afkondiging op gebruikelijke wijze en door aankondiging in de Staatscourant. (4, 7, 9.)

Van de ontworpen ligger zenden Gedeputeerde Staten tijdig een afschrift aan den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid en een uittreksel aan bestuurders der betrokken spoorwegondernemingen, voor zooveel de stations van hunne dienst of diensten betreft.

4. Gedurende vijf en veertig dagen na de aankondiging in de Staatscourant is ieder bevoegd schriftelijk bezwaren tegen den ontworpen ligger bij Gedeputeerde Staten of, voor zooveel iedere gemeente afzonderlijk betreft, bij burgemeester en wethouders in te brengen. (5, 7.)

5. Van de ingediende bezwaarschriften wordt door den griffier der Staten of den secretaris der gemeente een bewijs van ontvangst afgegeven.

6. Burgemeester en wethouders zenden binnen 14 dagen na afloo) van den termijn, in artikel 4 genoemd, het uittreksel van den ont worpen ligger, met de bij hen ingekomen bezwaarschriften aan Gedeputeerde Staten, met bijvoeging van een verslag, met hun advies, ten aanzien van elk der ingebragte bezwaren.

Tevens doen zij opgaaf van hetgeen naar hun oordeel gevorderc wordt om de wegen, in artikel 2, sub 13, bedoeld, in behoorlijker staat te brengen. (10.)

7. Gedeputeerde Staten overwegen de bezwaren en het verslag stellen den ligger binnen eene maand na ontvangst dier stukken vasi

1) Zie dit artikel zooals gewijzigd bij de wet van 31 Decemb. 1880 S. 258, blz. 421.

-ocr page 467-

K.B. LIGGER TOEGANGSWEGEN SPOORWEGSTATIONS. 431

en deelen hunne beslissing onverwijld aan de betrokken gemeentebesturen en spoorwegondernemingen en aan hen, die bezwaarschriften hebben ingediend, mede.

Zij doen den ligger, zooals die door hen vastgesteld is, ter provinciale griffie nederleggen en maken deze nederlegging bekend door aankondiging in de Staatscoumni.

Van hunne beslissing is beroep bij Ons gedurende dertig dagen na de aankondiging in de vorige zinsnede bedoeld.

Gedeputeerde Staten wijzigen den ligger naar Onze uitspraak, zoo deze daartoe strekt.

8. Is er geschil tusschen twee of meer gemeenten, in het geval bedoeld bij artikel 70, 2de lid, der wet van 9 April 1875 (Staatsblad no. 67), of ook, indien een toegangsweg in meer dan ééne provincie ligt, tusschen collegien van Gedeputeerde Staten, dan wordt de zaak, overeenkomstig de aangehaalde wetsbepaling, door Ons beslist en hiervan mededeeling gedaan aan de betrokken gemeentebesturen en collegien van Gedeputeerde Staten.

9. Wanneer de 30 dagen, in artikel 7 genoemd, zijn verloopen, zonder dat tegen den ligger beroep is gedaan, blijft deze bepaald, zooals die door Gedeputeerde Staten is vastgesteld.

Zoodra de liggers in alle provinciën, hetzij op de evengenoemde wijze of door Ons, zijn vastgesteld, worden zij (ot een algemeenen ligger verzameld, die door Ons wordt bekrachtigd bij een besluit, dat in het Staatsblad wordt geplaatst. (11—13, 15.)

Met de inwerkingtreding van evengenoemd besluit zijn de op den ligger vermelde onderhoudspligtigen gehouden de wegen te onderhouden, ieder zooveel hem aangaat. (2 sub 11°., 16.)

10. Van de opgaven van burgemeester en wethouders omtrent vereischte herstellingen van wegen, in de tweede zinsnede van artikel 6 bedoeld, doen Gedeputeerde Staten, met hun advies, mededeeling aan Onzen Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid; \'j deze beslist over dat onderwerp.

11. De overdragt aan de gemeenten van de wegen, in artikel 2, sub 13, bedoeld, geschiedt bij besluit van Gedeputeerde Staten, nadat zij, zoo noodig, door het Kijk of door de betrokken spoorwegonderneming in behoorlijken staat zijn gebragt.

Van dat besluit wordt mededeeling gedaan aan den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid, aan burgemeester en wethouders der betrokken gemeente en aan de bestuurders der spoorwegdienst, tot welke het station behoort.

Op den algemeenen ligger, aanwezig in het Departement van Waterstaat, Handel en Nijverheid, en op den ligger der provincie, aanwezig ter griffie, wordt aanteekening gesteld van het besluit, in de eerste zinsnede van dit artikel vermeld. (15.)

1) Zie noot 1 blz. 406.

-ocr page 468-

432 K.B. LIGGER TOEGANGSWEGEN SPOORWEGSTATIONS.

12. De vaststelling van den ligger doet niet te kort aan aanspraken wegens eigendom en andere burgerlijke regten.

13. Wijziging van een vastgestelden ligger kan plaats hebben ten verzoeke van belanghebbenden of ook ambtshalve door Gedeputeerde Staten. Zoodanige wijziging moet geschieden in geval van opheffing, verlegging of verandering in de rigting van den toegangsweg, of verplaatsing of opheffing van het station.

Bij den aanleg van nieuwe stations en van nieuwe toegangswegen wordt de ligger door de zorg van Gedeputeerde Staten aangevuld met de wegen, welke daarop dien ten gevolge behooren te worden gebragt.

14. De regelen voor het ontwerpen en vaststellen van gewijzigde liggers en op het aanvullen van liggers zijn geheel dezelfde als voor de oorspronkelijke. (15.)

15. Iedere wijziging in een ligger gebragt wordt aangeteekend, als vermeld in de derde zinsnede van artikel 11, en bekend gemaakt, ids vermeld in de tweede zinsnede van artikel 9.

16. Verzuim van onderhoud door de daartoe volgens den ligger verpligten is strafbaar luidens artikel 1 der wet van 6 Maart 1818 (Staatsblad no. 12). 1)

Onze Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid 2) is belast met de uitvoering van dit besluit, enz.

1

Volgens art. 22 der Inv.wet van 15 April 1886, S. 64 bleef art. 1 der wet van 6 Maart 1818, S. 12, tot 1 September 1888 van kracht, welke termijn telken jare is verlengd, het laatst tot 1 September 1893. Sedert ontleent art. 16 zijn sanctie aan art. 20 dier Inv.wet.

2

Zie noot 1 blz. 406.

-ocr page 469-

WET,

TOT REGELING DER GEMEENSCHAP DOOR ELECTROMAGNET ISCHE TELEGRAFEN.

(Vastgesteld den 7den Maart 1852, Stsbl. no. 48, uitgegeven den 17den Maart d.a.v. Gewijzigd bij de wet van 3 December 1869, Stsbl. no. 200.)

Art. 1. Van staatswege worden eleetro-magnetische telegrafen aangelegd en onderhouden, tusschon \'s Gravenhage en de voornaamste steden, vestingen en havens van het Rijk.

De rigtingen worden zoo genomen, dat de telegrafen zich aan die van Belgie, Pruissen en Hanover kunnen sluiten. 1)

2. Bijzondere personen of maatschappijen die electro-magnetische telegrafen, hetzij afgezonderd, hetzij in verbinding met de lijnen van den Staat, wenschen aan te leggen, behoeven daartoe Onze magti-ging. (K.B. 11 Mei 1881, S. 57, gew. 25 Juli 1895, S. 143.)

Behalve de voorwaarden, in ieder bijzonder geval aan de magti-ging te verbinden, wordt als regel gesteld:

n. dat het tarief der prijzen voor het overbrengen der berigten aan Onze goedkeuring worde onderworpen;

6. dat bij het overbrengen der berigten de orde wordt gevolgd in art. 7 dezer wet voorgeschreven;

c. dat in tijd van oorlog de telegrafen, zoodra de Regering het verlangt, onder haar onmiddellijk beheer worden gesteld; (K.B. 10 Aug. 1880, S. 158, 1. gew. 11 Juni 1894, S. 68.)

d. dat het gebruik der telegrafen ten behoeve van bijzondere personen ten deele of geheel, zoodra de Regering het beveelt, worde gestaakt.

Dit verbod treft niet het gebruik van telegrafen, langs spoorwegen door de ondernemers van die wegen aangelegd, voor zoover de dienst der wegen het gebruik vordert.

3. Wanneer, tot het ontwerpen van eene telegrafische verbinding,

1

Art. 1 van het Eeglement voor den dienst der Bijkstelegraafkan-toren en lijnen (vastgesteld bij K.B. 24 Mei 1897, S. 157), behelst het volgende:

Do Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid bepaalt in welke plaatsen Rijkstelegraaf- of Eijkstelephoonkantoren gevestigd worden. De gemelde Minister is mede bevoegd tot opheffing van kantoren, zoo daartoe aanleiding bestaat.

stw. ii. 28

-ocr page 470-

434 WET ELECTRO-MAGNETISCHE TELEGHAFEN.

gravingen, opmetingen of het stellen van teekenen op iemands grond noodig worden geacht, moeten de bruikers dier goederen dit gedoo-gen, mits hun daarvan tweemaal vier en twintig uren te voren door het hoofd van het gemeentebestuur schriftelijk zij kennis gegeven.

(5; B.W. 625.)

4. De eigenaars van gronden, waarover of waardoor een electro-magnetische telegraaf wordt gebragt, zonder dat daartoe onteigening wordt vereischt, zijn gehouden het plaatsen der noodige palen, het leiden der draden, zoo boven als onder den grond, alsmede hetgeen voor de instandhouding van den telegraaf vereischt wordt, te dulden.

Voor de ambtenaren van den telegraaf is zijn zamenstel en wat daartoe behoort, schoon in of op bijzonderen eigendom geplaatst, ten allen tijde toegankelijk. (5; S.R. 351, 351 hi*; B.W. 625.)

5. De schade, welke uit de toepassing der bepalingen van de twee voorgaande artikelen mogt voortvloeiien, wordt dooi den kanton-regter begroot, en door den Staat vergoed. Deze verhaalt die kosten op hen, ten wier name het werk wordt ontworpen of uitgevoerd.

6. Het is aan een ieder geoorloofd, berigten door middel der eleetro-magnetische telegrafen te doen overbrengen. De overbrenging geschiedt door tusschenkomst van de beambten, aari de inrigting verbonden.

7. Bij de bezorging van berigten worden het eerst overgebragt: (2.)

n. berigten van de Regering; daarna

b. bijzondere berigten;

e. eindelijk, zoo de telegraaf tevens voor de dienst van een spoorweg gebruikt wordt, berigten die tot deze dienst betrekking hebben.

In spoed vereischende gevallen gaan de laatstgenoemde berigten vóór de bijzondere.

Wanneer er gevaar is, worden de spoorwegberigten zelfs vóór de berigten der Regering overgeseind.

8. De eerstaanwezende ambtenaar, die zich aan het station van afzending of aan dat van aankomst bevindt, weigert het overbrengen van bijzondere berigten, wanneer hij oordeelt, dat de inhoud daarvan in strijd is met de publieke orde of veiligheid van den Staat.

Van deze weigering geeft hij onmiddellijk kennis aan den hoog-sten ter plaatse aanwezigen burgerlijken overheids-persoon, welke tusschen dien ambtenaar en de belanghebbenden beslist. Van die beslissing is beroep op het hoofd van het departement waartoe de telegrafie behoort. \') (Regl. Tel. 29.)

9. Voor het niet ontvangen der bijzondere, aan den telegraaf

1) Art 8. aldus gewijzigd bij de wet van 3 Bec. 1869, S. 200.

-ocr page 471-

WET ELECTRO-MAGNETISCHE TELEGRAFEN. 435

toevertrouwde berigten is geene schadeloosstelling verschuldigd. (Eegl.

Tel. 30, 43, 44.)

10. De straffen, bedreigd in de artt. 187 en 378 van het Strafwetboek, zijn toepasselijk op de personen die, in hunne betrekking tot een telegraaf, zich schuldig gemaakt hebben aan de terughouding of opening van telegrafische berigten en aan het openbaar maken van de geheimen, in zulke berigten vervat.

Art. 463 van het Straf-wetboek is toepasselijk op overtredingen, krachtens de tegenwoordige wet strafbaar. \' j

11. De bij het afzenden der berigten te betalen gelden mogen de volgende sommen niet overtreffen, maar zullen overigens door Ons nader geregeld en zoo laag mogelijk gesteld worden. (Regl. Tel. 15.)

GRONDSLAGEN VAN HET TARIEF.

Over eenen afstand

tot 74 Ned. mijlen . . . . van 74—185 Ned. mijlen . . » meer dan 185 Ned. mijlen

Voor elk berigt van: 1—20 21—50 51—100

woorden, woorden, woorden.

. ƒ 1.20 J 2.40 / 3.60 . » 2.40 =» 4.80 » 7.20 . » 3.60 » 7.20 * 10.80


12. Art. 257 van het Straf-wetboek is toepasselijk op moedwillige beschadiging en verstoring van telegrafische toestellen. 1)

13. De verdere bepalingen omtrent den aanleg en het gebruik, gelijk de reglementen voor de dienst der telegrafen, worden door het hoofd van het departement waartoe de telegrafie behoort aan Onze goedkeuring onderworpen. \') (K.B. (Regl. Telegr.) 24 Mei 1897, S. 157; K.B. (Regl. gemeeusch. militaire en burgerl. telegraafdienst) 10 Aug. 1880, S. 158, laatst gew. 11 Juni 1894, S. 68; K.B. 11 Mei 1881, S. 57 (Voorw. part. verbind.); K.B. 15 Sept. 1886, S. 164, gew. 14 Sept. 1892, S. 219 (voorw. oprichten Rijkstelegraaf- en teleph.kan-toren); K.B. 16 Juni 1897, S. 166 (voorw. oprichten intercomm. Rijkstelephoonbureelen); K.B. (Regl. Teleph.) 16 Sept. 1897, S. 200.)

28*

1

Dit Strafwetboek (Code Pénal) is afgeschaft met invoering van het Wetboek van S.E. bij de Inv.wet van 15 April 1886, S. 64. Zie thans S.K. artt. 272, 371, 374, 375 èn 351 en 3516«.

-ocr page 472-

BESLUIT,

TOT VASTSTELLING DER VOORWAARDEN BETREFFENDE HET VERBINDEN VAN PARTICULIERE ELECTRISCHE GELEIDINGEN MET RIJKSTELEGRAAFKANTOREN.

(Vastgesteld Jen llden Mei 1881, Stsbl. no. 57, uitgegeven den 20sten Mei d.a.v. Gewijzigd bij K.B. 25 Juli 1895, Stsbl. no. 143.)

Art. 1. Aan bijzondere personen of maatschappijen kan den aanleg en het gebruik van eene electrische verbinding tusschen hunne gebouwen of perceelen en een Rijkstelegraafkantoor door Onzen voornoemden Minister (W. H. en X.) worden vergund, ouder de volgende voorwaarden en bepalingen:

2. De concessionaris zorgt voor den aanleg der electrische geleiding, volgens een door den Minister goedgekeurd ontwerp.

3. De seintoestellen worden, met inbegrip van hetgeen tot de verdere technische inrigting behoort, van Rijkswege verstrekt en onderhouden.

4. Voor het gebruik van die toestellen betaalt de concessionaris eene vergoeding aan den Staat, tot een bedrag van niet meer dan honderd gulden en niet minder dan vijf en twintig gulden \'s jaars, welk bedrag voor ieder geval, naar gelang van de kostbaarheid der seintoestellen, door den Minister wordt vastgesteld.

De vergoeding wordt over het kalenderjaar berekend, in dier voege, dat in het jaar der indienststelling en in dat der opheffing van de electrische verbinding, voor méér dan een half jaar het volle jaarlijk-sche bedrag, en voor minder dan een half jaar de helft van dat bedrag moet worden betaald. De berekening vangt aan met het tijdstip waarop de geleiding in gebruik wordt gesteld.

5. Ingetrokken bij het hiervoor in de plaats getreden K.B. van 25 Juli 1895, Stsbl. no. 143, uitgegeven 2 Aug. d.a.v., aldus luidende :

Art. 1. Wegens de wisseling van telegrammen langs eene particuliere aansluiting of langs de verbindingslijnen van een stedelijk telephoonnet met een Rijkstelegraafkantoor worden ten bate van het Rijk aan de belanghebbenden geenerlei kosten, boven het gewone telegraaftarief en de aan den Concessionaris van het betrokken telephoonnet te betalen vergoedingen, in rekening gebracht.

2. Voor de verzonden of ontvangen telegrammen, bedoeld in

-ocr page 473-

k.b. verbinden pabtic. klectr, geleidingen. 437

artikel 1, worden op verzoek afschriften uitgereikt tegen betaling van VVs cent voor elk afschrift. Het betrokken Rijkstelegraafkantoor zendt die afschriften per post of op andere wijze vrachtvrij aan den belanghebbende, tenzij deze verklaart ze te zullen doen afhalen.

3. Dit besluit treedt in werking op 1 Augustus 1895.

6. De noodige bepalingen voor het uitkeeren en verantwoorden der in artt. 4 en 5 genoemde gelden, alsmede voor het overseinen der telegrammen, worden door den Minister vastgesteld.

7. Het gebouw of perceel, dat op bovengemelde wijze met een Rijkstelegraafkantoor wordt verbonden, moet minstens vijf honderd nieter van dit kantoor verwijderd zijn.

Van dien regel wordt alleen om gewigtige redenen, ter beoordeeling van den Minister, afgeweken.

Onze Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid is belast met de uitvoering van dit besluit, enz.

BESLUIT,

houdende nadere regeling der voorwaarden, waarop, met medewerking der gemeenten, rijkstelegraapkantoren en rijkstelephoonkantoken in kleinere plaatsen kunnen worden opgericht en in stand gehouden.

(Vastgesteld den loden September 1886, Stsbl. no. 164, uitgegeven den 22sten September d.a.v. Gewijzigd bij K.B. 14 September 1892, Stsbl. no. 219 en 10 October 1897, Stsbl. no. 205.)

Wij WILLEM III, enz.

Hebben goedgevonden en verstaan, met intrekking van Onze besluiten van 17 Augustus 1870 {Staateblad no. 153), van 13 Mei 1880 (Staatablad no. 83) en van 25 April 1881 {Staatsblad no. 52), te bepalen als volgt:

Art. 1. In plaatsen, waar dit door de betrokken gemeentebesturen mocht worden verlangd, kunnen, in vereeniging met het kantoor der Posterijen, rijkstelegraafkantoren worden gevestigd, op de navolgende voorwaarden:

-ocr page 474-

438 K.B. VOOKW. OPRICHTEN RIJKSTELEGKAAFKANTOEEN

a. Vervallen volg. art. 1 van K.B. 16 Oct. 1897, S. 205. 1)

b. De gemeente levert en onderhoudt ten genoegen van Onzen Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid, de lokalen voor den post- en telegraafdienst en voor huisvesting van den beambte gevorderd.

c. De loealiteit voor den telegraafdienst wordt kosteloos door de gemeente beschikbaar gesteld, doch voor de woning van den beambte en de voor den postdienst noodige ruimte wordt van Rijkswege een billijke huurprijs betaald.

d. De gemeente verbindt zich, uiterlijk binnen zes maanden na den afloop van elk vol dienstjaar, aan het Kijk te vergoeden:

a. gedurende de eerste tien jaren, hetgeen de opbrengst van het telegraafkantoor over het dienstjaar minder dan 800 gulden zal hebben bedragen, en

b. gedurende de volgende jaren, hetgeen die opbrengst over het dienstjaar minder dan 400 gulden zal hebben bedragen.

De verbintenis wordt na afloop van het eerste tienjarig tijdvak geacht telkens voor één jaar verlengd te zijn, tenzij de gemeente haar uiterlijk drie maanden te voren heeft opgezegd, na welke opzegging het telegraafkantoor wordt opgeheven. 2)

e. Als opbrengst van een telegraafkantoor wordt voor ieder jaar berekend zooveel malen dertig centen als het aantal telegrammen bedraagt, dat door het kantoor in dat jaar is afgezonden of uit het buitenland ontvangen. Daaronder zijn te begrijpen de telegrammen, die door later binnen vijf kilometer afstand van het telegraafkantoor opgerichte telegraaf- of telephoonkantoren zijn afgezonden of uit het buitenland ontvangen.

ƒ. Buiten werking gesteld door K.B. 14 Sept. 1892, S. 219.

2. Mede op verzoek der betrokken gemeentebesturen kunnen in plaatsen, waar geen rijkstelegraafkantoor is, rijkstelephoonkantoren worden gevestigd, op de navolgende voorwaarden;

n. Vervallen volg. art. 1 van K.B. 16 Oct. 1897, S. 205. 1)

b. De gemeente levert en onderhoudt ten genoegen van Onzen Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid, eene gemeubelde loealiteit tot uitoefening van den dienst.

c. De gemeente wijst ten genoegen van genoemden Minister den kantoorhouder en zijn plaatsvervanger aan. Hunne bezoldiging is voor rekening der gemeente.

1

Art. 2 van K.B. 16 Oct. 1897, S. 205, uitgegeven 22 Oct. 1897, bepaalt het volgende:

De gemeenten, waarmede voor de uitvaardiging van dit besluit, overeenstemming is verkregen omtrent de oprichting van een telegraaf- of telephoonkantoor, zullen geene kosten hebben te betalen voor reeds geheel of ten deele aangelegde verbindingslijnen, voor zooveel zoodanig kantoor op de dagteekening van dit besluit aldaar nog niet gevestigd en in werking gebracht is.

2

Art. ld aldus gewijzigd bij K.B. 14 Sept. 1892, S. 219.

-ocr page 475-

EN rijkstelephoonkantoeen.

d. In de bestelling der telegrammen binnen den kring waarin volgens de bepalingen van het Rijkstelegraafreglement de bezorging van uit telegraafkantoren kosteloos geschiedt, wordt door en voor rekening der gemeente voorzien. Zij is bevoegd tot heffing van een bestelgeld van hoogstens 10 cent voor elk telegram.

3. Behoudens hetgeen hieronder is bepaald, rust op de gemeenten waar op 1 Januari 1887 een telegraafkantoor op den voet van de Koninklijke besluiten van 17 Augustus 1870 {Staatsblad no. 153) en 13 Mei 1880 {Staatsblad no. 83) is gevestigd, de verplichting tot vergoeding overeenkomstig art. 1 van dit besluit, met dien verstande, dat de gemeente waar op dat tijdstip het telegraafkantoor sedert meer dan tien jaar is gevestigd, bevoegd is zich aan die verplichting te onttrekken, door inzending eener daartoe strekkende verklaring aan Onzen Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid, uiterlijk ééne maand vóór meer bedoeld tijdstip, welke verklaring hetzelfde gevolg zal hebben als de opzegging, in art. ld bedoeld.

De verbintenis lot vergoeding wordt na 1 Januari 1887 of indien het tienjarig tijdvak alsdan nog niet is verstreken, na afloop van dat tijdvak, geacht voor het vervolg telkens voor één jaar verlengd te zijn, tenzij de gemeente haar uiterlijk drie maanden te voren heeft opgezegd, welke opzegging hetzelfde gevolg zal hebben als die in art. ld bedoeld.

Aan de gemeenten, die de vergoeding, welke van haar gevorderd werd, gedurende tien jaren of langer zullen betaald hebben, zal, te beginnen met het jaar 1892, evenals aan de gemeenten, vermeld in artikel 1, worden in rekening gebracht, hetgeen de opbrengst over het dienstjaar minder dan 400 gulden zal hebben bedragen. \')

De verdere verplichtingen die de gemeenten tegenover den Staat, ingevolge de bovengenoemde Koninklijke besluiten, en dat van 25 April 1881 {Staatsblad no. 52) op zich hebben genomen, blijven onveranderd.

439

Onze Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid is belast met de uitvoering van dit besluit, enz.

1897,

over-if- of •eeds joda-t ge-

1) Art. 3 al. 3 aldus gewijzigd bij K.B. 14 Sept. 1892, 8. 219.

-ocr page 476-

BESLUIT,

houdende regeling der voorwaarden, waarop met medewerking der gemeenten, rijkstelephoonbureelen van het intercommunale rijkstelephoonnet kunnen worden opgericht en in stand gehouden.

(Vastgesteld den 16den Juni 1897, Stsbl. no. 166, uitgegeven den 24sten Juni d.a.v.)

Wij EMMA, enz.

In aanmerking nemende, dat de exploitatie van do intercommunale telephoonverbindingen te rekenen van 1 October 1897 zal geschieden van Rijkswege 1) en in verband daarmede bepalingen noo-dig zijn omtrent de uitbreiding van het intercommunale telephoonnet;

Gelet op de (Telegraaf)wet van 7 Maart 1852 {Staatsblad no. 48);

Hebben goedgevonden en verstaan:

te bepalen:

Art. 1. Op verzoek van het bestuur eener gemeente kan het intercommunale Rijkstelephoonnet worden uitgebreid tot een in die gemeente te vestigen Rijkstelephoonbureel, 2) onder de volgende voorwaarden :

1

Bij de wet van 2 Mei 1897, S. 121, is het negende Hoofdstuk der Staatsbegrooting voor het dienstjaar 1897 verhoogd met de uitkeering aan de Nederlandsche Bell-Telephoonmaatschappij te Amsterdam voor de overname van de intercommunale telephoonlijneti van die maatschappij.

2

Artt. 4 en 5 van het K.B. vau den 16den September 1897, Stsbl. no. 200, houdende bepalingen omtrent het gebruikmaken van intercommunale Rijkstelephoonverbindingen, zooals dit is gewijzigd bij K.B. van den 28sten December 1897, Stsbl. no. 267, behelzen de volgende bepalingen:

Art. 4. Aansluiting van plaatseliike telephoonnetten aan intercommunale Rijkstelephoonbureelen geschiedt op de voorwaarden, welke in de concessiën voor den aanleg en de exploitatie van plaatselijke telephoonnetten zijn opgenomen, en met inachtneming van de voorschrif-

-ocr page 477-

K.B. OPRICHT. INTERCOMM. RIJKSTEI.EPHOONBUREELKN. 440a

lu. De gemeente verbindt zich, gedurende tien jaren, uiterlijk binnen zes maanden na den afloop van elk dienstjaar, aan het Kijk te vergoeden hetgeen de opbrengst van het telephoonbureel over het afgeloopen dienstjaar minder dan 1200 gulden zal hebben bedragen. De verbintenis wordt geacht na afloop van het eerste tienjarig tijdvak telkens voor een jaar verlengd te zijn, zoo de gemeente haar niet uiterlijk drie maanden vóór den aanvang van een nieuw dienstjaar heeft opgezegd, na welke opzegging het telephoonbureel wordt opgeheven.

2°. De opbrengst wordt gerekend te bestaan uit de helft van de kosten der verzonden-, vermeerderd met de helft van de kosten der ontvangen gesprekken. De eventueel gevoerde internationale gesprekken naar en van het buitenland worden daarbij tegen het tarief van intercommunale gesprekken medegerekend.

ten, door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid in het belang van de intercommunale telephoongemeenschap noodig geacht.

Art. 5. Behalve de in art. 4 bedoelde plaatselijke telephoonnetten, kunnen ook afzonderlijke perceelen met het naastbijgelegen intercommunaal Eijkstelephoonbureel verbonden worden. De belanghebbende, die hiertoe vergunning van den voornoemden Minister verzocht en verkregen heeft, moet de geleidingen tusschen het intercommunale quot;Eijkstelephoonbureel en het te verbinden perceel, zoomede de technische inrichtingen in dit laatste voor zijne rekening tot stand brengen en onderhouden ten genoegen van den meergenoemden Minister, en is voorts onderworpen aan de voorschriften, die de Minister voornoemd in het belang van de intercommunale telephoongemeenschap noodig acht.

Indien voor den aanleg van een plaatselijk telephoonnet in eenige gemeente door Ons geene vergunning is verleend en aldaar een intercommunaal telephoonbureel wordt of is gevestigd, zullen de in het voorgaande lid bedoelde geleidingen en technische inrichtingen, voor zooveel de Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid daartoe termen vindt, na verkregen overeenstemming met belanghebbenden, ook van Rijkswege kunnen gemaakt en onderhouden worden tegen heta-ling, ingevolge daaromtrent te sluiten contracten, voor elk te verbinden perceel, liggende niet verder dan 500 M. van het Bijkstelephoon-bureel, van f 25 per jaar en voor verder gelegen perceelen bovendien f 3 per jaar en per 100 M. of gedeelte daarvan, een en ander naar hemelsbreedte, en zulks gedurende niet minder dan 3 achtereenvolgende jaren.\')

Wijzigingen in geleidingen of inrichtingen wegens verhuizing, uitbreiding van de inrichting binnen de perceelen als anderszins, kunnen tegen vergoeding van den kostenden prijs tot stand gebracht worden.\')

Zij, wier perceelen van Rijkswege rechtstreeks met een intercommunaal telephoonbureel verhouden zijn, zullen onderling gesprekken kunnen voeren tegen vooruitbetaling van f 5 per jaar.\')

1) Het 2de lid van art. 5 aldus vervangen door deze 3 alinea\'s, vastgesteld bü K.B. 38 Dec. 1897, S. 267.

-ocr page 478-

440i K.B. OPRICHT. INTERCOMM, RIJKSTELEPHOONBUKEELEN.

2. Op de plaatsen, waar bij het in werking treden van dit besluit reeds gelegenheid tot intercommunaal verkeer bestaat, wordt die gelegenheid gehandhaafd, hetzij tot nadere opzegging, hetzij op de voorwaarden, waarop daarvoor vroeger van Rijkswege vergunning is verleend.

3. De vestiging van Kijkstelephoonbureelen op den voet van dit besluit, heeft niet plaats vóór den Isten October 1897.

De Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid is belast met de uitvoering van dit besluit, enz.

-ocr page 479-

WET,

TOT REGELING DER BRIEVENPOSTERIJ.

(Vastgesteld den 16den April 1891, Stsbl. no. 87, uitgegeven . den 24sten April d.a.v.)

Art. 1. In deze wet wordt verstaan:

a. onder brieven: alle bescheiden en op papier, perkament of andere soortgelijke stoffen gestelde mededeelingen en berichten, al of niet in gesloten omslag, voor zoover die niet zijn te rangschikken onder de sub b tot en met d omschreven stukken en niet zijn vermeld in de artikelen 18 en 19;

b. onder gedrukte stukken: alle door middel van boek-, plaat-, steen- of lichtdruk vermenigvuldigde stukken, met uitzondering van die, welke hieronder als nieuwsbladen of bijvoegsels worden aangeduid, alsmede die welke, hoewel op andere wijze vermenigvuldigd, door Ons met gedrukte stukken zullen worden gelijkgesteld; \')

c. onder nieuwsbladen: alle ten minste eenmaal per week verschijnende couranten en tijdschriften;

d. onder bijvoegsel: het vervolg van een nieuwsblad, namelijk dat gedeelte, waarvoor het gewone papierformaat, waarop het blad gedrukt wordt, geen genoegzame ruimte aanbiedt, doch dat overigens, hoewel op een afzonderlijk vel gedrukt, van dat blad kennelijk een wezenlijk deel uitmaakt en niet afzonderlijk verkrijgbaar wordt gesteld of voor afzonderlijke verspreiding bestemd is;

e. onder monsters: monsters of stalen van koopwaren op zich zelf geen handelswaarde bezittende, en uitsluitend moetende dienen om over de waar te kunnen oordeelen;

ƒ. onder stukken: al hetgeen hierboven onder a tot en met e vermeld is.

1) Art. 1 van het K.B. 14 Deo. 1895, Stsbl. no. 222 (Begl. Post.) luidt aldus:

Met gedrukte stukken worden gelijk gesteld: geautographeerde stukken, alsmede die met en relief aangebrachte punten en letters, ten ge-bruike van blinden, uitgezonderd de stukken, die het karakter hebben van briefwisseling; voorts alle op eenige andere wijze, dan door boek-, plaat-, steen- of lichtdruk, werktuigelijk vermenigvuldigde stukken (die, door de schrijfmachine verkregen, uitgezonderd), mits zii bij ten minste 20 volkomen gelijkluidende, met elkander overeenstemmende exemplaren, gelijktijdig ter post bezorgd worden.

-ocr page 480-

WET TOT REGELING DER BRIEVENPOSTERIJ.

2. Niemand dan de Staat is bevoegd, tegen genot van vracht, brieven te vervoeren, tenzij: (27 sub 1°.)

1°. de brieven zwaarder wegen dan een half kilogram; 2°. de brieven worden vervoerd binnen den kring van één postkantoor of één hulpkantoor met de bedoeling die ter post te bezorgen, welke bedoeling uit de voldoende frankeering zal moeten blijken;

3°. de brieven betrekking hebben op de voorwerpen, waarmede zij vervoerd worden;

4°. de brieven, welke te gelijk vervoerd worden, afkomstig zijn van één afzender of van personen tot één huisgezin behoorende, of slechts één brief te gelijk vervoerd wordt, in beide gevallen mits het vervoer plaats heeft binnen de grenzen des Rijks, en de persoon, die de brieven vervoert, niet is de ondernemer of de bestuurder der onderneming van het openbaar raiddel van vervoer, waarmede het brievenvervoer plaats vindt, of in dienst is van dien ondernemer of die onderneming;

5°. de brieven vervoerd worden overeenkomstig art. 26 dezer wet. Met afwijking van den bovengestelden regel, kan op de voorwaarden door Ons te bepalen, vergunning worden verleend tot het vervoer van brieven binnen den kring van één post- of één hulpkantoor, als mede tot het vervoeren van bestel- of boodschapskaarten.

3. Het port der brieven bedraagt, bij vooruitbetaling, voor eiken briefkaart 21/2 cent; voor eiken anderen brief; (la, 9.)

van een gewicht van niet meer dan 15 gram ... 5 cent,

boven 15 tot en met 200 gram........10 »

» 200 » » » 500 »........15 »

en voorts voor elk meerder gewicht van 500 gram of een gedeelte i; van 500 gram, 5 cents daarboven.

Bij bestelling echter van een brief van een gewicht van niet meer dan 200 gram binnen den kring van het post- of hulpkantoor, waar die ter post is bezorgd, bedraagt het port voor eiken brief:

van een gewicht van niet meer dan 15 gram ... 3 cent,

boven 15 tot en met 200 gram........5 »

Heeft er geene vooruitbetaling plaats gehad, dan wordt het alsdan volgens bovenstaand tarief van den geadresseerde te heffen port, behoudens het bepaalde bij het volgend artikel, voor eiken brief met vijf cent verhoogd.

Hetzelfde verhoogde port wordt toegepast bij ontoereikende frankeering, doch na aftrek van de waarde der gebezigde postzegels.

4. Het in het vorige artikel vermelde hoogere port der ongefran-keerde brieven is niet van toepassing op brieven, dienstzaken betreffende, voor welke geen vrijstelling van port is verleend, en die afkomstig zijn van Departementen van Algemeen Bestuur of van door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid aan te wijzen besturen of personen, een openbaar ambt bekleedende.

442

-ocr page 481-

WET TOT REGELING DER BRIEVENPOSTERIJ. 443

Deze brieven zijn van eene door den genoemden Minister te bepalen aanduiding te voorzien.

5. Het port der gedrukte stukken bedraagt voor een gewicht van: (16, 8, 9.)

niet meer dan 25 gram......1 cent.

boven 25 tot en met 50 gram ... 2 » » 50 » » » 75 » ... 3 * » 75 » » » 100 » ... 4 » » 100 » » » 150 » ... 5 » » 150 » » » 250 * ... 7 V2 * » 250 » » » 500 » ... 10 \' » 500 » » » 750 » ... 12 Va » » 750 » » » 1000 » ... 15 »

en voorts voor elk gewicht van 1000 gram of gedeelte van 1000 gram 212 cent daarboven.

De berekening van het port geschiedt naar het gezamenlijk gewicht van elke verzending onder een afzonderlijk adres, de omslagen en alles wat verder dient tot beveiliging van den inhoud daaronder begrepen. (7.)

6. Het port van nieuwsbladen, met of zonder bijvoegsels, bedraagt per nommer of exemplaar voor een gewicht van (1c en d, 8, 9.)

niet meer dan 40 gram...........Va cent

boven 40 gram tot en met 150 gram......1 »

en voorts voor elk meerder gewicht van 50 gram of van een gedeelte van 50 gram Va cent daarboven.

Hetzelfde port in verhouding tot het gewicht, is van toepassing op de bijvoegsels, bij afzonderlijke verzending.

De heffing van het bovenvermelde port kan, op de wijze door Ons te bepalen, mede bij abonnement geschieden. (K.B. 14 Dec. 1895, S. 222.)

De frankeering van nieuwsbladen kan echter ook geschieden naar het tarief in het vorige artikel vermeld.

7. Het port der monsters bedraagt 21/2 cent per 75 gram of gedeelte van 75 gram. (Ie.)

De tweede alinea van artikel 5 is daarop van toepassing. (8.)

8. Het port der in de drie voorafgaande artikelen genoemde stukken moet bij vooruitbetaling worden voldaan. (21.)

Indien zij ongefrankeerd ter post zijn bezorgd, worden zij belast met tweemaal het port bij vooruitbetaling verschuldigd; hetzelfde port wordt toegepast bij ontoereikende frankeering doch na aftrek der gebezigde postzegels.

Door Ons wordt bepaald welke bijvoegingen, doorhalingen of aanduidingen, op de adresstrook, den omslag of de in de drie voorgaande artikelen bedoelde stukken zelve geoorloofd zijn, alsmede welk gewicht voor eene verzending onder een afzonderlijk adres, welke afmetingen en welke wijze van inpakking zullen worden toegelaten.

-ocr page 482-

WET TOT REGELING DER BRIEVENPOSTBRIJ.

Wij behouden Ons eveneens voor te bepalen welk gewicht de brieven niet mogen te boven gaan.

Wordt in strijd gehandeld met de voorschriften, krachtens de beide vorige zinsneden door Ons gegeven, dan worden de stukken niet verzonden en aan den afzender, indien deze bekend is, teruggegeven. Is de afzender niet bekend, dan wordt van het niet-verzenden mededeeling gedaan aan den geadresseerde.

Het bij artikel 5 vastgestelde port is mede van toepassing op de handschriften, die met drukproeven onder denzelfden omslag verzonden worden, mits die drukproeven en handschriften tot eenzelfde uitgave behobren. (K.B. 14 Dec. 1895, S. 222.)

9. Voor stukken, die wegens verblijf elders van den geadresseerde of wel wegens terugzending aan den afzender, volgens art. 22 dezer wet, meer dan eene verzending ondergaan, wordt het port slechts eenmaal berekend, tenzij het geldt de verdere verzending van een brief, bestemd om te worden uitgereikt binnen den kring van het post- of hulpkantoor waar die ter post is bezorgd, buiten dien kring.

In dat geval wordt het bedrag, dat in art. 3 is vastgesteld voor ,de bestelling van een brief buiten den kring van het post- of hulpkantoor, waar die ter post is bezorgd, na aftrek van het betaalde port, van den geadresseerde geheven.

10. De afzender kan zijne stukken doen aanteekenen. Hem wordt alsdan ten kantore van afzending een bewijs van ontvang afgegeven. (11—13, 1(3.)

De uitreiking van een aangeteekend stuk geschiedt slechts tegen afgifte van een door den geadresseerde of zijn gemachtigde onderteekend bewijs van ontvang.

Gewone aanteekening kan geschieden van alle niet gesloten stukken, die geen geld, geldswaardig papier, edele metalen of kostbaarheden bevatten, alsmede van alle gesloten stukken; aanteekening met aangifte der geldswaarde alleen van gesloten brieven.

Door Ons wordt bepaald: de wijze waarop de aangeteekende brieven, die geldswaarde bevatten, alsmede de brieven met aangegeven geldswaarde moeten gesloten zijn, de wijze waarop de aangeteekende stukken worden uitgereikt en het hoogste bedrag, waarvan de aangifte mag worden gedaan. (K.B. 14 Dec. 1895, S. 222.)

11. Voor de in het vorig artikel bedoelde aanteekening is, boven het bij de voorafgaande artikelen vastgestelde port, verschuldigd; voor de gewone aanteekening een vast recht van 10 cent; voor de aanteekening met aangifte van geldswaarde een opk\'immend recht, dat door Ons wordt bepaald, doch dat niet hooger wordt gesteld dan 21i/2 cent voor elke honderd gulden of gedeelte van honderd gulden aangegeven waarde, met een minimum van twaa\'i en een halven cent voor eiken brief.

De bovenvermelde porten en rechten moeten bii vooruitbetaling worden voldaan. (21.)

444

-ocr page 483-

WET TOT REGELING DER BRIEVENPOSTERIJ. 445

Ten kantore van afzending kan vertooning van de aangegeven waarde gevorderd worden, in welk geval die waarde in tegenwoordigheid van een der ambtenaren van dat kantoor in den omslag moet worden gesloten. (13.)

12. De afzender van een overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 10 en 11 aangeteekend stuk heeft aanspraak op schadevergoeding in geval van verlies; indien de geldswaarde is aangegeven, ook in geval van vermissing van den inhoud of van een gedeelte daarvan, mits bij de uitreiking de brief zoodanig geschonden is, dat bcrooving mogelijk was en tevens de inhoud in tegenwoordigheid van den postambtenaar is geconstateerd.

De schadevergoeding bedraagt;

a. voor een gewoon aangeteekend stuk, onverschillig de waarde van het verlorene, vijf en twintig gulden, ook al is het verlies het gevolg van overmacht;

b. voor een aangeteekenden brief met aangegeven geldswaarde, het volle bedrag der aangegeven geldswaarde, of, bij vermissing van een gedeelte dier waarde, het gedeelte hetwelk aan dat bedrag ontbreekt; een en ander ook al is het verlies het gevolg van overmacht.

De verplichting tot eventueele schadevergoeding houdt op, zoodra het aangeteekend stuk tegen ontvangbewijs is uitgereikt.

De aanspraak op schadevergoeding vervalt, indien niet binnen één jaar, na de dagteekening van het aan den afzender verstrekte bewijs van ontvang, bij het hoofdbestuur der posterijen schriftelijk aanvraag tot uitbetaling daarvan is gedaan.

De afzender is verplicht, voor zoover hij daartoe in staat is, omtrent het vermiste aan den directeur van het postkantoor alle door dezen gevraagde inlichtingen te geven.

Wordt het vermiste geheel of gedeeltelijk teruggevonden, dan wordt hiervan zoo mogelijk aan den afzender en aan den geadresseerde mededeeling gedaan. De afzender kan het gevondene terugontvangen tegen wederuitkeering der betaalde vergoeding, mits deze plaats hebbe binnen dertig dagen nadat de voormelde mededeeling aan hem is ter hand gesteld.

Is die termijn verloopen zonder dat hij het gevondene terugvorderde, dan wordt den geadresseerde, gedurende een gelijk tijdvak, gelegenheid gegeven het gevondene, tegen uitkeering van het bedrag, dat aan den afzender is betaald, in ontvang te nemen. Wordt van die gelegenheid geen gebruik gemaakt, dan vervalt het gevondene aan den Staat.

13. De aanteekening is verplicht bij verzending van geld, bankpapier en muntpapier, edele metalen of kostbaarheden.

Bij vermoeden dat door den afzender in strijd hiermede is gehandeld, geschiedt de aanteekening ambtshalve. De uitreiking geschiedt alsdan tegen betaling door den geadresseerde van driemaal het recht

-ocr page 484-

WET TOT REGELING DER BRIEVENPOSTERIJ.

in art. 11 voor de gewone aanteekening bepaald, onverminderd het eventueel verschuldigde port, tenzij bij de opening op verlangen van den geadresseerde, aan den postambtenaar, ten mens overstaan de opening plaats heeft, blijkt, dat het vermoeden onjuist was.

14. Voor vermissing, beschadiging of vertraging in de uitreiking van een niet aangeteekend stuk of van den geheelen of gedeeltelijken inhoud daarvan wordt geene vergoeding verleend.

15. Op verlangen van den afzender of den geadresseerde worden de stukken door middel eener expressebestelling uitgereikt. (16, 18.)

De wijze en de voorwaarden waarop dit geschiedt, worden door Ons vastgesteld. (K.B. 14 Dec. 1895, S. 222.)

16. Op verlangen van den afzender van een stuk, dat aangeteekend is of waarvan expressebestelling verzocht is, wordt hem, tegen vooruitbetaling van een recht van 5 cent, een bewijs van uitreiking of een bericht, vermeldende de redenen waarom de uitreiking niet heeft kunnen plaats hebben, verstrekt. (21.)

17. Stukken, te wier aanzien zekerheid of vermoeden bestaat, dat zij stoffen bevatten, die gevaar voor de postambtenaren of schade aan de gelijktijdig te verzenden stukken kunnen doen ontstaan, worden niet verzonden.

18. De overmaking van geldelijke bedragen door postwissels of door postbewijzen kan geschieden tegen vooruitbetaling van een door Ons te bepalen recht, dat niet mag te boven gaan 5 cent voor elk bedrag van ƒ 12,50 of gedeelte van ƒ 12,50, met dien verstande echter dat voor bedragen tot en met ƒ 5 geen hooger recht kan worden geheven dan van 21 2 cent. (K.B. 14 Dec. 1895, S. 222.)

Op verlangen van den afzender van een postwissel, wordt hem, tegen vooruitbetaling van een recht van vijf cent, door het kantoor van bestemming een bericht der uitbetaling verstrekt.

De bepalingen van artikel 15 zijn toepasselijk op postwissels.

De verplichting tot uitbetaling van een postwissel of een post-bewijs vervalt, indien het stuk niet binnen een tijdvak van vijf jaren, te rekenen van den dag der uitgifte, ter uitbetaling is aangeboden.

18. De invordering van gelden op quitantiën, wisselbrieven, as-signatiën en ander handelspapier, een door Ons te bepalen bedrag niet te boven gaande, kan geschieden tegen vooruitbetaling van een recht van vijf cent voor elk afzonderlijk in te vorderen bedrag. (21; K.B. 14 Dec. 1895, S. 222.)

Bovendien is bij de uitbetaling wegens het ingevorderde bedrag het recht verschuldigd, dat is vastgesteld voor een postwissel van gelijk bedrag.

De uitbetaling geschiedt slechts tegen ontvangbewijs, dat vrij van zegelrecht is.

20. Op de voorwaarden door Ons vast te stellen en tegen vooruitbetaling van een door Ons te bepalen recht, wordt gelegenheid gegeven tot: (21; KB. 14 Dec. 1895, S. 222.)

44ö

-ocr page 485-

WET TOT REGELING DER BRIEVENPOSTERIJ.

lquot;. het aan een postkantoor in ontvang nemen, door of namens den geadresseerde van de voor hem bestemde stukken;

2°. het door tusschenkomst van een postkantoor verkrijgen van abonnementen op nieuwsbladen en tijdschriften.

21. De porten en rechten, bij vooruitbetaling verschuldigd, worden, behoudens de gevallen bedoeld in het 3de lid van art. ö en art. 20, voldaan door middel van postzegels, die, voor zooveel zij niet op omslagen of andere formulieren, welke van Rijkswege worden verkrijgbaar gesteld, zijn afgedrukt, door of namens den afzender op de te verzenden stukken zijn vast te hechten. (8, 11, 16, 18 al. 1 en 2, 19, 20.)

Door Ons wordt geregeld het in en buiten gebruik stellen en de wijze van uitgifte en gebruik der postzegels, der briefkaarten, der gezegelde omslagen en der verdere gezegelde formulieren.

Voor het gebruik van andere dan van Kijkswege uitgegeven brief-kaartforraulieren wordt door Ons vergunning verleend, op de voorwaarden door Ons vast te stellen; voor het gebruik van andere gezegelde formulieren kan zulks eveneens geschieden. (K.B. 14 Dec. 1895, S. 222.)

22. De geadresseerde is bevoegd stukken al dan niet met port bezwaard, niet in ontvang te nemen, mits de afwijzing plaats hebbe onmiddellijk na de uitreiking en zonder dat de sluiting of verzegeling geschonden is.

De stukken, waarvan de aanneming geweigerd is of die om eenige andere reden niet aan den geadresseerde kunnen worden uitgereikt, worden zoo mogelijk aan den afzender teruggezonden. Is dit niet mogelijk, dan worden zij nog gedurende ten minste drie maanden ter beschikking van den afzender of geadresseerde bewaard.

Na verloop van dien tijd worden zij op last van den kantonrechter te \'s Gravenhage en onder de voorzorgen door Ons te bepalen, geopend, en, met uitzondering van de stukken, welke geldswaardige papieren bevatten of waarin voorwerpen gevonden worden, die geacht worden voor den belanghebbende waarde te hebben, vernietigd. (K.B. 14 Dec. 1895, S. 222.)

De laatstgenoemde stukken blijven evenals de papieren of voorwerpen, die zij bevatten, nog gedurende drie jaren ter beschikking van den belanghebbende, na verloop van welken termijn de ingesloten gelden en geldswaardige voorwerpen aan \'s Rijks schatkist vervallen. Al het overige wordt vernietigd.

23. Stukken, aan de zorg der posterijen toevertrouwd, kunnen, met inachtneming der voorschriften door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid vast te stellen, aan den afzender worden teruggegeven.

Behoudens de gevallen voorzien in art. 28 dezer wet en de gevallen bij de wet omschreven, wordt beslag op stukken, aan de zorg der posterijen toevertrouwd, niet toegelaten.

447

-ocr page 486-

WET TOT REGELING DEK BRIEVENPOSTERIJ.

24. Vrijstelling van port wordt genoten door Ons en de leden van Ons Huis, alsmede voor de verzending van stukken, den dienst van Ons Huis betreffende.

Gelijke vrijstelling kan door Ons worden verleend voor de verzending van stukken, den openbaren dienst betreffende. De voor-schriften daaromtrent in acht te nemen, worden door Ons vastgesteld. (27 sub 5°.; K.B. 19 Dec. 1892, S. 284.)

25. De vorenstaande bepalingen dezer wet zijn alleen op het bin-nenlandsch verkeer van toepassing.

Behoudens het bepaalde in het volgend artikel, wordt door Ons geregeld alles wat betreft het postverkeer met de Koloniën en bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen en met het buitenland, zooveel noodig in overeenstemming met de overeenkomsten of schikkingen daaromtrent met andere Regeeringen of postbesturen getroffen of nader tot stand te brengen. 1) (K.B. 14 Dec. 1895, S. 223.)

26. De gezagvoerders van uit zee komende schepen zijn verplicht de brieven, waarvan het vervoer hun is opgedragen, zoo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen 24 uren, nadat zij eene haven of reede des Rijks hebben aangedaan, af te geven aan den directeur van het naastbijgelegen postkantoor, tenzij die brieven reeds door een ambtenaar der posterijen zijn opgevraagd en aan hem ter hand gesteld.

Voldoen zij niet aan bovenvermelde verplichting en worden na het verstrijken van den vastgestelden termijn bij hen brieven aan boord gevonden, dan vallen zij in de straf bij art. 27 sub 1 bepaald.

De gezagvoerders van naar zee vertrekkende schepen zijn verplicht de brievenmalen, waarvan de verzending hun door het bestuur der posterijen wordt opgedragen, mede te nemen en af te geven aan het postkantoor van de het meest nabij de plaats van bestemming gelegen haven, die door het schip wordt aangeloopen.

De schepen worden niet uitgeklaard, indien hun gezagvoerders weigeren die opdracht aan te nemen.

Aan de gezagvoerders van naar zee vertrekkende schepen wordt een derde gedeelte der porten, vastgesteld voor de door hen te vervoeren stukken, uitgekeerd, tenzij bij bijzondere overeenkomst met het bestuur der onderneming anders is bepaald.

Wanneer het schip, waarmede het vervoer plaats heeft, behoort tot de zeemacht van den Staat, is geenerlei uitkeering verschuldigd.

De bovenbedoelde overeenkomsten worden, indien de daarbij bepaalde vaste jaarlijksche vergoeding meer dan ƒ25000 bedraagt, niet aangegaan dan behoudens goedkeuring bij de wet.

44S

27. Met geldboete van ten hoogste honderd gulden wordt gestraft: (Zie ook G. 159; S.R. 216, 220, 222, 371—373, 375.)

1

Een internationaal Algemeen Postverdrag is gesloten op 4 Juli 1891, bekend gemaakt bij K.B. 29 Maart 1892, S. 51.

-ocr page 487-

wet tot regeling deb brievenposteeij. 449

1°. hij die brieven vervoert in strijd met artikel 2 dezer wet.

Indien de overtreding is gepleegd door een ondernemer van een openbaar middel van vervoer, een bestuurder van eane onderneming tot exploitatie van een openbaar middel van vervoer of een persoon in dienst van den ondernemer of de onderneming, kan geldboete van ten hoogste tweehonderd gulden worden opgelegd.

Alle vervoer, bij een verzameling of bestelling van brieven, door een der personen in de vorige zinsnede bedoeld, wordt, behoudens bewijs van het tegendeel, gerekend tegen genot van vracht te geschieden, tenzij het betreft de papieren betrekking hebbende op de onderneming; (26.)

2°. hij die in dienst der posterijen zijnde, stukken vervoert ten behoeve van anderen dan den Staat, hem zeiven of personen tot zijn huisgezin behoorende;

3°. hij die in stukken, waarvoor overeenkomstig artikel 24 vrijstelling van port is toegestaan, opneemt of insluit mededeelingen of voorwerpen die niet betreffen den openbaren dienst;

4°. hij die, niet in dienst der posterijen zijnde, gesloten brieven, niet afkomstig van één afzender of van personen behoorende tot één huisgezin, onder één omslag vereenigd of op andere wijze bijeengevoegd, door den dienst der posterijen, buiten den kring van één post-of hulpkantoor doet vervoeren.

Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen jaar is verloopen sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige, wegens gelijke overtreding, onherroepelijk is geworden, kan, in plaats van geldboete, hechtenis van ten hoogste één maand en, in het geval van het 2de lid van no. 1, hechtenis van ten hoogste twee maanden worden opgelegd.

28. Behalve de ambtenaren bij artikel 8 van het Wetboek van Strafvordering met de opsporing van strafbare feiten belast, zijn de ambtenaren van \'s Rijks belastingen alsmede die der posterijen bevoegd om alle overtredingen dezer wet, ook door aanhouding en visitatie van het vervoermiddel, waarmede de overtreding vermoed wordt begaan te zijn, te eonstateeren en deswege proces-verbaal op hunnen ambtseed op te maken. Die aanhouding en visitatie geschiedt niet dan op last van de door Ons aan te wijzen hoofdambtenaren. \') (K.B. 14 Dec. 1895, S. 222.)

De stukken, waarmede de overtreding vermoed wordt te zijn ge

il Als zoodanig zijn aangewezen (art. 13 van genoemd besluit) de Procureurs-Generaal bij de Gerechtshoven; de Officieren van Justitie bij de Arrondissements-rechtbanken; de Directeur-Generaal der Posterijen en Telegraphic; de Hoofdinspecteur der Posterijen; de Inspec-tenrs der Posterijen en de Inspecteurs der Posterijen en die der Telegraphic; de Directeuren der postkantoren en die der vereenigde posten telegraafkantoren; de Directeuren en Inspecteurs der directe belastingen, invoerrechten en accijnzen.

stw. ii. 29

-ocr page 488-

WET TOT REGELING DER BRIEVENPOSTERU.

pleegd, worden in beslag genomen en met het proces-verbaal, in dubbel opgemaakt, bij het bestuur der posterijen overgebracht. Van de aanhouding der stukken wordt aan den geadresseerde kennis gegeven.

De stukken worden met het proces-verbaal door het bestuur der posterijen aan den ambtenaar van het Openbaar Ministerie bij het kantongerecht, onder wiens ressort het feit is gepleegd, ter vervolging opgezonden.

De in beslag genomen stukken worden na afloop van het strafgeding aan de geadresseerden uitgereikt, tenzij daaromtrent bij rechterlijk vonnis anders is beslist. (23.)

29. De strafbare feiten in deze wet bedoeld, worden beschouwd als overtredingen. (K.O. 44.)

450

30. De tegenwoordige wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip. \') Met dat tijdstip vervallen de wetten van 12 April 1850 {Staatsblad no. 15), 5 Juli 1855 {Staatsblad no. 61), 22 Juli 1870 {Staatsblad no. 138), 12 April 1872 {Staatsblad no. 32), 28 Juni 1876 {Staatsblad no. 145), alsmede de artikelen 11 tot en met 15 en de 2de zinsnede van art. 16 der wet (Pakketpost) van 21 Juni 1881 {Staatsblad no. 70.)

tc

B dooi Z met ket nad. 3

ƒ 5C E

1) Dit tijdstip is bij K.B. van 11 Februari 1892, S. 41, bepaald op 1 April 1892.

-ocr page 489-

WET

TOT INRIGTING EENER DIENST TER VERZENDING MET DE POST VAN PAKKETTEN, EEN GE-WIGT VAN 5 KILOGRAM NIET TE BOVEN GAANDE.

(Vastgesteld den 21sten Junij 1881, Stsbl. no. 70, uitgegeven den STsten Junii d.a.v.

Wij WILLEM III, enz.

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het in het algemeen belang wenschelijk is de dienst der posterijen uit te breiden tot het overbrengen van pakketten van een beperkt gewigt;

Zoo is het, dat Wij, enz.

Art. 1. De dienst der posterijen wordt dienstbaar gemaakt aan het overbrengen van pakketten, het gewigt van 5 kilogram niet te boven gaande.

Die uitbreiding zal achtereenvolgens in de verschillende gedeelten des lands geschieden, aldus dat zij twee jaar na het in werking treden der wet in het geheele land zij ingevoerd.

2. Voor de verzendingen met de pakketpost wordt het volgende port geheven, onverschillig den afstand waarover het vervoer plaats heeft;

voor elk pakket:

tot een gewigt van 1 kilogram, 15 cents;

van een gewigt boven l tot 3 kilogram, 20 cents;

van een gewigt boven 3 tot 5 kilogram, 25 cents.

Het port wordt bij vooruitbetaling, door middel van postzegels door de afzenders op de pakketten vast te hechten, gekweten.

Zamenvoeging van pakketten voor meer dan een geadresseerde, met het doel om ze voor de toepassing van het tarief als één pakket te doen doorgaan, is verboden. (3; K.B. 1 Junij 1883, S. 48 als nad. gew.)

3. Aangifte van de waarde der pakketten is tot eene som van ƒ 500 toegelaten.

Behalve het port bij art. 2 vermeld, is voor pakketten met aan-

29*

-ocr page 490-

WET INRIGTING DIENST POSTPAKKETTEN.

gegeven waarde een evenredig regt verschuldigd van 10 cents voor elke ƒ 100 of een gedeelte van ƒ 100.

Dat regt wordt mede vooruitbetaald op de wijze als bij het vorige artikel is bepaald. (4, 5; K.B. 21 Aug. 1883, S. 130.)

4. Voor het verloren gaan of het in het ongereede geraken van pakketten, of voor de aan den inhoud daarvan toegebragte schade, wordt aan den afzender vergoeding verleend.

Die vergoeding geschiedt met betrekking tot pakketten, waarvan de waarde niet is aangegeven, naar den grondslag van de werkelijk geleden schade, doch zij bedraagt in geen geval meer dan ƒ 2.50 voor elk kilogram of gedeelte van een kilogram.

Wanneer pakketten met aangegeven waarde op de post verloren gaan of in het ongereede geraken, wordt het volle bedrag der aangegeven waarde aan den afzender vergoed. Indien een gedeelte van den inhoud op de post verloren gaat of in het ongereede geraakt, is, met toepassing van het bepaalde bij art. 93 van het Wetboek van Koophandel, vergoeding van dat gedeelte of, ingeval van beschadi ging, van de werkelijke toegebragte schade verschuldigd. (5.)

5. Do bij artikelen 3 en 4 bedoelde vergoeding is niet verschul digd:

a. wanneer de schade het gevolg is van overmagi;

b. wanneer zij uit een gebrek van het vervoerde zelf is ontstaan ;

c. wanneer zij veroorzaakt is door onvoldoende inpakking of in het algemeen door schuld of nalatigheid van den afzender;

d. wanneer de aanvrage om vergoeding niet binnen zes maanden na het ter post bezorgen van het pakket, waarvoor vergoeding gevraagd wordt, aan den Minister van Waterstaat, Handel en Nijver heid is ingediend.

De schade, ten gevolge van vertraagde overkomst, niet ten gevolge van overmagt ontstaan, wordt alleen dan vergoed, wanneer de inhoud van het pakket door de vertraging bedorven is.

Een pakket wordt geacht verloren te zijn gegaan of in hot ongereede te zijn geraakt, wanneer het 30 dagen na de ter post bezorging niet kan worden geleverd.

6. Wij behouden Ons voor, tegen betaling van een bijkomend regt, de gelegenheid te openen tot eene, op het verlangen der afzenders, meer bespoedigde verzending en bestelling van pakketten, dan volgens de gewone dienstregeling plaats heeft. (K.B. 15 Jan. 1882, S. 14.

7. Het vervoer op de spoorwegen van de pakketten en van de ambtenaren, onder wier geleide en toezigt dat vervoer plaats vindt, geschiedt in de rijtuigen of afdeelingen van rijtuigen der postadministratie, die zich in den trein bevinden.

Bij gemis van zulke rijtuigen of afdeelingen van rijtuigen of ook in geval van gebrek aan de noodige ruimte daarin, geschiedt hel vervoer in de goederenwagens van de onderneaiers der spoorweg-

452

-ocr page 491-

WET INEIGTING DIENST POSTPAKKETTEN.

diensten, die, op verlangen van het bestuur der posterijen, verpligt zijn daartoe in die wagens ruimte beschikbaar te stellen. (8, 9; Spoorw.w. 47.)

8. Voor het vervoer op de spoorwegen van de voorwerpen der pakketpost, onverschillig of het in de rijtuigen of afdeelingen van rijtuigen der postadministratie dan wel in de spoorwegwagens plaats vindt, wordt door de ondernemers der spoorwegdiensten, op den grondslag van de boeken of aanteekeningen der postadministratie, de navolgende vergoeding van vracht genoten:

7 cents voor een pakket tot een gewigt van 1 kilogram;

11 cents voor een pakket boven het gewigt van 1 kilogram tot 3 kilogram;

15 cents voor een pakket boven het gewigt van 3 kilogram tot 5 kilogram.

Indien meer dan éene spoorwegdienst in het vervoer betrokken is, wordt het bedrag van de vergoeding door die diensten gezamenlijk, elk voor een gelijk deel, genoten.

In overleg met de bestuurders der spoorwegdiensten, kan het bedrag der vergoeding voor het vervoer der pakketten ook bij abonnement per jaar of per kwartaal geregeld worden.

Het vervoer op de spoorwegen van de ambtenaren der posterijen, die met de begeleiding van pakketten of met eenig toezigt op de uitvoering der dienst van de pakketpost op de spoorwegen zijn belast, geschiedt kosteloos. (7, 9; Spoorw.w. 47.)

9. De bepalingen dezer wet betreffen het binnenlandsch verkeer. (K.B. 11 Mei 1883, S. 43.)

Het vervoer van pakketten met de post, in verkeer met de Ne-derlandsche bezittingen en koloniën, alsmede met de vreemde Staten, wordt door Ons geregeld in overeenstemming, voor zooveel het verkeer met vreemde Staten betreft, met de overeenkomsten of schikkingen, die daaromtrent met vreemde regeeringen of postadmi-nistratiën mogten tot stand komen. \') (Postwet 25.)

Het bepaalde bij de artikelen 7 en 8 dezer wet is mede van toepassing op de pakketten, die in het bij het voorgaande lid bedoelde verkeer worden vervoerd. (K.B. 9 Juni 1892, S. 135.)

10. Wij behouden Ons voor te bepalen: (K.B. 15 Jan. 1882,S. 14.)

cl, welke afmetingen de pakketten niet mogen te boven gaan;

6. welke voorwerpen ter verzending met de pakketpost niet kunnen worden toegelaten;

453

c. welke verpligtingen op de afzenders rusten omtrent de inpakking der voorwerpen, en welke formaliteiten door hen bij de ver-

1) Een internationaal Algemeen Postverdrag, waarbij ook het vervoer van postpakketten is geregeld, is gesloten op 4 Juli 1891, bekend gemaakt bij K.B. 29 Maart 1892, S. 51.

-ocr page 492-

WET TNRIGTING DIENST POSTPAKKETTEN.

zending en door de geadresseerden bij de in ontvangstneming zijn in acht te nemen;

d. welke regels zijn op te volgen met betrekking tot pakketten, diej door de geadresseerden geweigerd worden, of om andere reden onbestelbaar zijn.

Artt. 11—15 en de 2de zinsnede van art. 16 ingetrokken bij de Postwet van 15 April 1891, S. 87.

454

16. Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip. 1)

is

be

dc

st ar

to

ze lei dr de

bs zi( da

W(

wlt;

g€

W(

W\'

1

Dit tijdstip is bij K.B. van 15 Januarij 1882, S. 13, bepaald op 15 Maart 1882.

-ocr page 493-

WET,

TOT INSTELLING EENEK RIJKSPOSTSPAARBANK.

(Vastgesteld den 25sten Mei 1880, Stsbl. no. 88, uitgegeven den Isten Juni d.a.v. Gewijzigd en aangevuld bij de wet van 20 Juli 1895, Stsbl. no. 135. De tekst nader bekend gemaakt bii K.B. 23 Mei 1896, Stsbl. no. 87.) 1)

Art. 1. Van Rijkswege wordt eene postspaarbank ingericht. Zij is gevestigd te Amsterdam.

Die instelling draagt den naam van Rijkspostspaarbank.

2. Het beheer der Rijkspostspaarbank is opgedragen aan eenen bezoldigden directeur.

De directeur en de aan hem ondergeschikte beambten worden door Ons benoemd en ontslagen.

De directeur is verantwoordelijk aan den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid en uitsluitend rekenplichtig aan den bij art. 3 vermelden raad.

3. Op den toestand en het beheer der Rijkspostspaarbank wordt toezicht uitgeoefend door eenen raad. (2, 8.) *

De raad van toezicht bestaat uit minstens vijf, doch hoogstens zeven leden, die door Ons worden benoemd en ontslagen. Uit de leden wordt door Ons een voorzitter aangewezen. Na verloop van drie jaren na het in werking treden dezer wet treedt ieder jaar een der leden af, volgens daarvan op te maken rooster.

De aftredende is eerst na verloop van één jaar weder benoembaar. *Aan den voorzitter en aan de leden van den raad van toezicht worden door Ons presentiegelden toegelegd, en aan het lid dat de betrekking van secretaris vervult, bovendien eene vergoeding wegens bureelkosten.

4. Tot regeling der werkzaamheden van den raad van toezicht worden door Ons, den raad gehoord, de noodige voorschriften gegeven.

De instructiën van den directeur en van de verdere beambten worden door Ons, den raad gehoord, vastgesteld.

5. Inlagen.in en terugbetalingen uit de Rijkspostspaarbank kunnen

1) De met een * gemerkte artikels of deelen van artikels zijn aldus gewijzigd of toegevoegd volgens de wet van 20 Juli 1895, S. 135, in werking getreden 1 Juni 1896.

-ocr page 494-

456 WET TOT INSTELLING EENER KIJKSPOSTSPAARBANK.

op den voet en de wijze, bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur te bepalen, geschieden op al de postkantoren, alsmede op de hulpkantoren der posterijen, die daartoe door Onzen Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid worden aangewezen. (K.B. 10 Jan, 1881, 8. 2, laatst gew. 8 Mei 1896, S. 77.)

*6. Alle inlagen en terugbetalingen worden door de postbeambten ingeschreven in een spaarbankboekje ten name van den inlegger.

Zij worden met de handteekening van den beambte en met den afdruk van zijn kantoorstempel gewaarmerkt.

Als inlegger wordt naar deze wet beschouwd degeen te wiens name de inlage geschiedt.

Hij die eene inlage doet ten name van een ander, kan daarbij zoodanige voorwaarden stellen, als door Ons bij algemeenen maatregel van bestuur zullen worden toegelaten, zoo ter zake van de ge-heele of gedeeltelijke terugbetaling van hetgeen een inlegger op het spaarbankboekje, waarop de inlage geschiedt, te goed heeft, als omtrent den aankoop, voor dat tegoed of een gedeelte daarvan, van inschrijvingen op naam in een Grootboek van de Nationale Schuld, van rentegevende obligatiën ten laste van den Staat of van certificaten aan toonder van inschrijving in een Grootboek, een en ander als bedoeld bij art. 8bis. (K.B. 10 Jan. 1881, S. 2.)

7. Inlagen van minder dan 25 cents zijn niet toegelaten.

*8. Voor hetgeen boven ƒ 1200 ten name van één inlegger in de boeken der Rijkspostspaarbank is ingeschreven, wordt geene rente toegekend.

Voor vereenigingen, stichtingen en fondsen van maatschappelijk of godsdienstig belang of tot onderling hulpbetoon wordt het in het eerste lid van dit artikel genoemde bedrag tot ƒ 2400 verhoogd. Bij twijfel omtrent den aard der vereenigingen, stichtingen en fondsen beslist de raad van toezicht. (3.)

*8bis. Inleggers in de Rijkspostspaarbank kunnen, door hare tus-schenkomst, doen aankoopen inschrijvingen op naam in een Grootboek van de Nationale Schuld, rentegevende obligatiën ten laste van den Staat, of certificaten aan toonder van inschrijving in een Grootboek.

Van deze bevoegdheid kan alleen gebruik worden gemaakt door inleggers, wier tegoed bij de Rijkspostspaarbank, op het tijdstip der aanvraag om aankoop, naar het oordeel van den directeur der Rijkspostspaarbank, voldoende is tot dekking van den koopprijs der inschrijvingen, obligatiën of certificaten, alsmede van na te noemen commissieloon en verdere kosten, en welk tegoed bovendien gedurende drie maanden, aan evengemeld tijdstip onmiddellijk voorafgaande, ten minste drie-vierde heeft beloopen van het nominaal bedrag der verlangde inschrijvingen, obligatiën of certificaten.

Bij algemeenen maatregel van bestuur wordt bepaald, hoeveel de

-ocr page 495-

WET TOT INSTELLING EENER RIJKSPOSTSPAARBANK. 457

Rijkspostspaarbank aan inleggers die van de in het voorgaande lid bedoelde bevoegdheid gebruik maken, wegens commissieloon en verdere kosten in rekening brengt.

Het gezamenlijk bedrag van den koopprijs, het commissieloon en de verdere kosten wordt, onder de dagteekening waarop de aankoop heeft plaats gehad, afgeschreven op het spaarbankboekje van den belanghebbende, tegen uitreiking aan hem van het bewijs van inschrijving of van de gekochte obligatiën of certificaten, welke uitreiking voor terugbetaling geldt.

De rente van het kapitaal, dat, ingevolge aankoop door tusschen-komst der Rijkspostspaarbank, op een Grootboek van de Nationale Schuld op eenig hoofd van rekening is ingeschreven, wordt, — mits op hetzelfde hoofd van rekening geen op andere wijze verkregen kapitaal is ingeschreven. — door de directie der spaarbank, zoodra mogelijk ingevorderd, indien de inlegger haar daartoe schriftelijk gemachtigd heeft. Het formulier dezer machtigingen wordt vastgesteld bij algemeenen maatregel van bestuur. Het bedrag van de door de directie der Rijkspostspaarbank geïnde rente wordt in zijn geheel op het spaarbankboekje ten name van den inlegger als een gewone inlage bijgeschreven. (K.B. 10 Jan. 1881, S. 2, laatst gewijz. bij K.B. 8 Mei 1896, S. 77, nader bekend gemaakt bij K.B. 23 Mei 1896, S. 87.)

*9. Minderjarigen kunnen, zonder de tusschenkomst van hunnen vader of voogd, spaarbankboekjes bekomen en daarop inlagen doen. Op hetgeen op spaarbankboekjes ten name van minderjarigen is verschuldigd, is het in art. 366 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde vruchtgenot niet van toepassing.

Zij kunnen eveneens terugbetaling vorderen van het verschuldigde op die boekjes, tenzij de vader of voogd er zich tegen verzet. De terugbetaling kan ook gevorderd worden door den vader of voogd, doch indien de minderjarige den leeftijd van 12 jaren heeft bereikt, alleen na verkregen machtiging door den kantonrechter, te verleenen in de gevallen en op de wijze bepaald in art. 451 van het Burgerlijk Wetboek.

Gehuwde vrouwen kunnen, zonder bijstand van hare echtgenoo-ten, spaarbankboekjes te haren name bekomen en daarop inlagen doen. Met afwijking van het bepaalde bij de artt. 160 en 179 van het Burgerlijk Wetboek, geschiedt aan haar, met uitsluiting van hare echtgenooten, terugbetaling van hetgeen op een spaarbankboekje te haren name verschuldigd is.

Behoudens het bepaalde bij het slot van het tweede lid van dit artikel mogen op spaarbankboekjes verschuldigde gelden alleen aan den inlegger of aan dengene die daartoe door dezen is gemachtigd, worden terugbetaald.

Indien echter een inlegger het beheer over zijne goederen heeft verloren, is uitsluitend de wettelijke vertegenwoordiger gerechtigd terugbetaling te vorderen. Deze behoeft daartoe geen rechterlijke

-ocr page 496-

458 WET TOT INSTELLING EENER RIJKSPOSTSPAARBANK.

machtiging, tenzij in het geval bedoeld in art. 103 der (Faill.)wet van 30 September 1893 (Staatsblad no. 140).

*10. De spaarbankboekjes worden kosteloos verstrekt.

Door Ons wordt, bij algemeenen maatregel van bestuur, bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden een duplicaat-boekje kan worden afgegeven. (K.B. 10 Jan. 1881, S. 2.)

Voor een duplicaat-boekje kan 25 cent in rekening worden gebracht.

11. De Staat waarborgt zonder eenig voorbehoud aan de inleggers de teruggave hunner inlagen en de betaling der aan hen ingevolge deze wet verschuldigde renten.

12. Aan de inleggers wordt eene jaarlijksche rente uitgekeerd van 2.64 ten honderd van hunne inlagen.

*Door Ons kan echter, bij algemeenen maatregel van bestuur, een andere rentevoet worden vastgesteld, mits niet hooger dau de in het voorgaand lid genoemde.

*De gewijzigde rentevoet wordt toegepast met den eersten dag van de tweede maand, volgende op die waarin het besluit tot wijziging afgekondigd is. en geldt zoowel voor alle op dat tijdstip aanwezige rentegevende bedragen, als voor die, welke later rentege-vend worden.

quot;Tijdens de werking van een besluit, als bedoeld bij art. 14, 2de lid, zal geen besluit tot renteverlaging kunnen worden genomen; mocht na de afkondiging van een besluit tot renteverlaging, doch voor het verschijnen van het in het voorgaande lid bepaalde tijdstip, een besluit in werking treden als bedoeld bij art. 14, 2de lid, dan vervalt hierdoor van rechtswege het besluit tot renteverlaging.

Rij de vaststelling van het rentebedrag worden gedeeiten van een cent verwaarloosd.

De rente begint te loopen: voor inlagen van den Isten tot den 15den der maand met den 16den derzelfde maand, en voor inlagen van den 16den tot en met den laatsten der maand met den eersten der volgende maand.

De rente, die den Sisten December van elk jaar verschuldigd is, wordt door den directeur van de Rijkspostspaarbank door bijschrijving in het boekje van den inlegger aan zijn tegoed toegevoegd en als zoodanig met den eersten dag van het nieuwe jaar rentegevend.

Voor onderdeden van een gulden wordt geene rente vergoed.

Voor de renteberekening wordt iedere maand op dertig dagen gesteld.

13. Voor teruggevraagde gelden is geene verdere rente verschuldigd:

1°. van die, welke van den Isten tot den 15den der maand worden terugbetaald, dan tot den Isten derzelfde maand;

2°. van die, welke van den Itiden tot den laatsten der maand worden terugbetaald, dan tot den löden derzelfde maand.

-ocr page 497-

WET TOT INSTELLING EENER KIJKSPOSTSPAARBANK. 459

*14. Aan elke wettig gedane opvrage van op spaarbankboekjes verschuldigde gelden, wordt uiterlijk binnen 14 dagen, te rekenen van den dag der opvrage, gevolg gegeven.

In buitengewone omstandigheden kan die termijn door Ons, op voorstel van Onze Ministers vau Waterstaat, Handel en Nijverheid en van Financiën, den raad van toezicht gehoord, tot hoogstens zes maanden worden verlengd. De daartoe te nemen beschikking wordt, vóór dat zij in werking treedt, in de Nederlandsche Staatscourant geplaatst en aan de kantoren der posterijen aangeplakt.

15. De Nederlandsche Bank is de kassier der Rijkspostspaarbank en belast met de bewaring van alle eigendommen der spaarbank en van de door haar in pand genomen waarden. (Wet 22 Dec. 1863, S. 148, art. 10.)

Het voor de Rijkspostspaarbank voordeelig slot van de voor hare rekening door de ambtenaren der posterijen gedane ontvangsten en betalingen wordt, op daartoe door de betrokken Ministers te bepalen tijdstippen, te haren behoeve door den Minister van Financiën bij de Nederlandsche Bank gestort.

De voor de Rijkspostspaarbank nadeelige sloten dier ontvangsten en betalingen worden op last van den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid door haren directeur in aanwijzingen op de Nederlandsche Bank aan \'s Rijks schatkist terugbetaald.

*16. De beschikbare gelden der Rijkspostspaarbank worden belegd voor een gedeelte:

a. in Nationale Schuld;

b. in schuldbrieven ten laste van Nederlandsche provinciën, gemeenten o£ waterschappen;

c. in schuldbrieven, door den Staat, Nederlandsche provinciën, gemeenten of waterschappen rechtstreeks en onvoorwaardelijk voor rente en aflossing gewaarborgd;

d. in schuldbrieven van overeenkomstig de Nederlandsche wet opgerichte, uitsluitend in Nederland werkende hypotheekbanken of maatschappijen voor grond-, gemeente- of poldercrediet;

e. in schuldbrieven van volgens de Nederlandsche wet opgerichte maatschappijen, die spoorwegen in Nederland of in de Nederlandsche koloniën in eigendom hebben of exploiteeren;

ƒ. in schuldbrieven, welke door maatschappijen, als sub c bedoeld, rechtstreeks en onvoorwaardelijk voor rente en aflossing zijn gewaarborgd ;

voor een ander gedeelte, hetwelk in geen geval de helft van het te beleggen kapitaal zal mogen te boven gaan, in beleening op onderpand voor drie maanden of op korteren termijn, van fondsen die als zoodanig door de Nederlandsche Bank wordeu toegelaten. (Wet 22 Dec. 1863, S. 148, art. (i hix.)

De lijst der fondsen die voor belegging in aanmerking komen, wordt in de maand Januari van ieder jaar door den raad van toe-

-ocr page 498-

460 WET TOT INSTELLING EENER BIJKSPOSTSPAAEBANK.

zicht vastgesteld en onderworpen aan de goedkeuring van de Ministers van Waterstaat, Handel en Nijverheid en van Financiën. Deze lijst wordt, zoo noodig, in den loop van het jaar door den raad van toezicht, onder goedkeuring der genoemde Ministers, herzien.

De beleggingen, zoomede de tegeldemaking van inschrijvingen en effecten, geschieden in overleg met en ouder goedkeuring van den raad van toezicht.

17. Uit de overschotten op de renten der belegde gelden worden al de kosten der Rijkspostspaarbank bestreden, en van het overschietende wordt een reservefonds aangelegd, waarvan de gelden op dezelfde wijze worden belegd als ten aanzien van de ingelegde gelden der Rijkspostspaarbank is voorgeschreven. (20.)

*Vaste goederen, aangekocht ten dienste van de directie, worden, nadat de daarvoor bestede som in \'s Rijks schatkist is teruggestort, geacht tot het reservefonds te behooren.

Aan het reservefonds worden mede toegevoegd de gelden, die in de Rijkspostspaarbank berusten ten name van eenen inlegger, die dertig jaar heeft laten verloopen zonder eenige inlage gedaan of betaling van kapitaal of rente gevorderd te hebben.

Het reservefonds blijft het eigendom van den Staat.

18. Het reservefonds is bestemd om daaruit, bij ongenoegzaamheid van de andere bezittingen der Rijkspostspaarbank, de terugbetalingen aan inleggers te bestrijden.

Indien het is uitgeput en de Staat, krachtens den bij art. 11 dezer wet verleenden waarborg, voorschotten aan de Rijkspostspaarbank heeft gedaan, worden de gelden, die later weder voor dat fonds zouden kunnen worden afgezonderd, in de eerste plaats tot terugbetaling van die voorschotten aangewend.

19. Alle kosten van de Rijkspostspaarbank worden op het hoofdstuk der Staatsbegrooting betreffende het Departement van Waterstaat, Handel en Nijverheid gebracht en de teruggave dier kosten onder de middelen tot dekking der Staatsuitgaven opgenomen.

20. Vrijdom van briefport wordt toegekend voor de verzending van alle brieven en verdere stukken, die den dienst der Rijkspostspaarbank betreffen.

Als vergoeding voor dien vrijdom, wordt uit de overschotten, bedoeld bij het eerste lid van art. 17, tien cents per jaar en per inlegger aan \'s Rijks schatkist uitgekeerd.

Die vergoeding wordt onder de opbrengst der posterijen verantwoord.

*Alle akten en stukken noodig voor den inleg van gelden in en de terugbetaling daarvan door de Rijkspostspaarbank, daaronder begrepen de rechterlijke machtigingen, bedoeld in art. 9 en de daarvoor benoodigde stukken, worden kosteloos uitgereikt cn zijn vrij van zegel- en registratierechten, mits in of op die akten of stukken van die bestemming melding worde gemaakt. De machtigingen, bedoeld

-ocr page 499-

WET TOT INSTELLING EENER RIJKSPOSTSPAARBANK. 461

in het laatste lid van artikel 8bis, zijn vrij van zegel en van de formaliteit van registratie.

21. Maandelijks wordt een staat van de in de Rijkspostspaarbank ingebrachte en daaruit terugbetaalde gelden in de Nederlandsche Staatscourant openbaar gemaakt.

Omtrent den staat der inrichting en van hare werkzaamheden in elk afgeloopen jaar wordt door Onzen Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid telken jare aan Ons een uitvoerig verslag uitgebracht, dat aan de Staten-Generaal wordt medegedeeld en in de Ncderlandsche Staatscourant geplaatst.

22. Wij behouden Ons voor, spaarbaukzegels in gebruik te stellen.

Het bepaalde bij art. 9 der wet van 12 April 1850 (Staatsblad no. 15), zooals het is gewijzigd bij de wetten van 5 Juli 1855 [Staatsblad no. 61) en 22 Juli 1870 {Staatsblad no. 138), is mede op de spaarbankzegels van toepassing. 1)

23. Deze wet treedt in werking op een nader door Ons te bepalen dag. 2)

1

De hiergenoemde postwetten zijn vervallen met het in werking treden van de wet van 15 April 1891, S. 87. Voor het genoemde artikel 9, niet gehandhaafd bij de Inv.wet van 15 April 1886, S. 64, zijn in de plaats getreden de artt. 216 en 222 jto art. 44 \'W.v.S.E. Zie ook art. 220 W.v.S.B.

2

Bij K.B. van 5 Maart 1881, S. 36, is deze dag bepaald op 1 April 1881.

De wijzigingswet van 20 Juli 1895, S. 135, is volgens K.B. 16 Mei 1896, S. 84, in werking getreden op 1 Juni 1896.

-ocr page 500-

WET,

TOT REGELING VAN DE PENSIOENEN DER BURGERLIJKE AMBTENAREN. »)

(Vastgesteld den 9den Mei 1890, Stsbl. 110. 78, uitgegeven den 16den Mei d.a.t. Gewijzigd en aangevuld bij de wet van 9 April 1897, Stsbl. no. 85J

Wij WILLEM III, enz.

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat ingevolge art. 03 der Grondwet, de pensioenen der burgerlijke ambtenaren door de wet worden geregeld;

Zoo is het, dat Wij, enz.

Art. 1. Ten laste van den Staat wordt pensioen verleend aan all:; burgerlijke ambtenaren, onder de voorwaarden en naar de regelen bij deze wet bepaald.

2. Als burgerlijke ambtenaren worden beschouwd zij, die door of vanwege den Koning, door of vanwege eene der Kamers van de Staten-Generaal of door de Staten of de Gedeputeerde Staten der provinciën benoemd, van vaste aanstellingen zijn voorzien en wier wedden of belooningen uit de Staatsinkomsten gekweten worden, zoomede zij die bij de wet als burgerlijke ambtenaren zijn of zullen worden aangemerkt. (Wed.pens. 2; H.O. 20; M.O. 32.)

Onder de ambtenaren in het voorgaande lid bedoeld, zijn niet begrepen zij, die in kerkelijke of militaire betrekkingen zijn geplaatst, de loodsen en de mindere geëmployeerden, werklieden en bedienden, op daggeld werkzaam bij inrichtingen van \'s Rijks zee- en landmacht. (39; Wet 18 Juli 1890, S. 109; Wet 18 juni 1892, S. 144; K.B. 15 April 1893, S. 76; K.B. 9 Jan. 1895, S. 3; Wet 20 Juli 1895, S. 136.)

3. Burgerlijke ambtenaren hebben, nïl bekomen ontslag, recht op pensioen, wanneer zij; (4.)

a. den ouderdom van vijf en zestig jaren vervuld hebben; (8.)

1) De met een \' gemerkte artikelen of gedeelten van artikelen zijn aldus gewijzigd of ingelascht volgens art. 1 der wet van 9 April 1897, S. 85. De overige artikelen dezer wet zijn hierachter afgedrukt.

-ocr page 501-

WET PENSIOENEN BURGERLIJKE AMBTENAREN. 463

b. door eene der oorzaken in artikel 7 lit. b vermeld, ziels- of lichaamsgebreken bekomen, die hen ongeschikt maken voor de verdere waarneming van hun ambt; (8.)

c. nil tienjarigen dienst uit hoofde van ziels- of lichaamsgebreken, voor de waarneming van hun ambt ongeschikt zijn; (5, 8, 9, 25 al. 3, 26 al. 4.)

d. nil tienjarigen dienst, ten gevolge van de opheffing hunner betrekking of van eene nieuwe organisatie van het dienstvak waartoe zij behoorden, ontslagen zijn, indien hun geen wachtgeld wordt toegelegd, het wachtgeld wordt ingetrokken of minder bedraagt dan het pensioen waarop zij volgens hun diensttijd aanspraak hebben. (7 d, 9, 25 al. 3, 26 al. 4; K.B. Wachtgelden, hierachter gedrukt.)

*Gewezen burgerlijke ambtenaren, die minstens tien jaren hebben gediend in betrekkingen als bedoeld bij artikel 9 dezer wet, hebben, indien de laatste dier betrekkingen eene burgerlijke was, mede recht op pensioen, zoodra zij den ouderdom van vijf en zestig jaren vervuld hebben, en voorts wanneer zij ziels- of lichaamsgebreken beko-3 men, die hen ongeschikt maken voor de waarneming van eenig ambt

ie als waaruit zij ontslagen zijn. (5, 8, 18.)

4. Onafhankelijk van de voorwaarden bij het vorig artikel vermeld, hebben nil bekomen ontslag recht op pensioen;

a. de hoofden der Ministerieele Departementen, in geval van afin treding of van overgang tot eene andere ambtsbetrekking; in het n laatste geval behoudens de bepaling van artikel 25; (7a.)

b. de leden van de Algemeene Eekenkamer en van de Kechter-5i\' lijke Macht, die op grond van ziels- of lichaamsgebreken overeen-le komstig de daaromtrent bestaande wettelijke voorschriften, uil hun ;r ambt ontslagen worden; (Wet 5 Oct. 1841, S. 40, art. 3; R.O. 12 ;r sub. 1quot;.)

a, c. de consulaire ambtenaren, die als zoodanig veertig jaren heb-

m ben gediend, met dien verstande dat voor de berekening van dien

diensttijd, elke acht maanden doorgebracht op de door Ons bij al-e- gemeenen maatregel van bestuur aan te wijzen posten, zullen gel-

it, den voor één jaar; \') (7c.)

d, d- de ambtenaren bij den stenografischen dienst van de Kamers

i- der Staten-Generaal, de ambtenaren voor den dienst der kantoren 1; en lijnen van de Rijkstelegraaf, verificateurs, kommiezen-verificateurs

ili en kommiezen-ontvangers voor den dienst der invoerrechten en ac

cijnzen, opzichters van den waterstaat, opzichters en lichtwachters ip bij \'s Rijks kustverlichting, landmeters voor den velddienst, bewaarders in gevangenissen, veldwachters, deurwaarders, hoofdkommiezen en kommiezen voor den dienst der belastingen, brievenbestellers, post-

jn 1} Bij K B. 8 Juni 1891, S. 99, zijn als zoodanig aangewezen alle

7 posten gelegen binnen de keerkringen en bovendien de posten te Ben-

der-Bouchir en te Amoy.

-ocr page 502-

464 WET PENSIOENEN BURGERLIJKE AMBTENAREN.

boden en voorts in \'t algemeen alle andere zoodanige ambtenaren van ondergeschikten rang bij den actieven dienst als door Ons zullen worden aangewezen, indien zij den ouderdom van vijf en vijftig jaar bereikt en den Staat minstens tien jaar in de gezegde betrekkingen gediend hebben.

5. In de gevallen, onder lit. c en aan het slot der laatste zinsnede van art. 3 vermeld, wordt tot het bewijs der ongeschiktheid gevorderd eene met redenen omkleede schriftelijke verklaring van twee geneeskundigen. (17.)

Deze geneeskundigen worden benoemd door den Minister, hoofd van het Departement waaronder de belanghebbende behoort.

Indien de aanvraag tot benoeming geschiedt ten gevolge van een door of namens den belanghebbende gedaan verzoek of indien hem, ingevolge den uitslag van het onderzoek, pensioen wordt toegelegd, worden de kosten van het onderzoek door hem gedragen. Indien hij die niet dadelijk voldoet, worden zij door den Staat voorgeschoten en op hem verhaald.

De belanghebbende, aan wien ingevolge den uitslag van het geneeskundig onderzoek geen pensioen wordt toegekend, is bevoegd een nieuw onderzoek door twee andere geneeskundigen te vorderen. Deze geneeskundigen zullen op aanvrage van het Depavtemen; van Algemeen Bestuur waaronder de belanghebbende behoort, worden benoemd en beëedigd door den kantonrechter van de woon- of verblijfplaats van den belanghebbende.

De uit dit nader onderzoek voortvloeiende kosten worden dooiden Staat gedragen.

Alle stukken betreffende het onderzoek naar de ongeschiktheid van burgerlijke ambtenaren voor verderen dienst zijn vrij van zegel en worden gratis geregistreerd.

6. Het pensioen der ambtenaren wordt voor ieder jaar dienst berekend op een zestigste deel van de middelsom over een jaar van het bedrag, dat gedurende de laatste zestig maanden van den burgerlijken dienst des ambtenaars, overeenkomstig artikel 13, als grondslag voor de berekening van het pensioen moet gelden.

Waar die maatstaf ontbreekt, wordt daartoe genomen de middelsom over het kortere tijdvak, gedurende hetwelk die grondslag moet gelden.

Het pensioen kan noch het twee-derde gedeelte dier middelsom, noch het bedrag van drie duizend gulden te boven gaan. (7,10, 11, 26 al. 2.)

7. Met afwijking van het bepaalde bij het vorig artikel, wordt het pensioen van:

a. de hoofden der Ministerieele Departementen bepaald op een twaalfde deel hunner bezoldiging, voor ieder dienstjaar als zoodanig. (11 al. 5.)

Geldige diensten, door hen vroeger in andere burgerlijke betrek-

-ocr page 503-

»buegeblijke pensioenwet:

kingen bewezen, komen naar het voorschrift van het vorig artikel in berekening. Met betrekking tot alle overige diensten, vroeger door hen bewezen, komt voor elk dienstjaar in berekening een evenredig gedeelte van het volle pensioensbedrag, volgens de bepalingen voor die diensten geldende op het oogenblik van aftreding. De bezoldiging als hoofd van een Ministerieel Departement genoten, komt bij deze berekeningen niet in aanmerking. (9.)

Het pensioen voor den gezamenlijken diensttijd kan niet meer dan vier duizend gulden bedragen;

b. de ambtenaren die ziels- of lichaamsgebreken bekomen, die hen voor verdere waarneming van hun ambt ongeschikt maken, bepaald op 1/3 van de middelsom der wedde of belooning bij artikel 6 bedoeld, behoudens het maximum van drie duizend gulden, mits die gebreken het gevolg zijn, hetzij van tegen hen in de uitoefening hunner dienstverrichtingen of ter zake van die uitoefening gepleegde gewelddadigheden, hetzij van het volvoeren van diensten waarbij gevaar te voorzien was, hetzij van ongevallen bij het verrichten van diensten waarbij geen gevaar te voorzien was, indien het ongeval dat de gebreken veroorzaakte niet aan de schuld of aan de onvoorzichtigheid van den ambtenaar te wijten is.

De aanspraak op het bij de vorige zinsnede bedoeld pensioen vervalt, indien een langer termijn dan van twee jaren \') is verstreken tusschen den dag waarop gebreken als bovenbedoeld bekomen zijn en dien waarop de ambtenaar ontslagen wordt; (36.)

c. de consulaire ambtenaren in dier voege geregeld dat bij de berekening van hun pensioen, elke acht maanden doorgebracht op de door Ons bij algemeenen maatregel van bestuur aan te wijzen posten, zullen gelden voor één jaar, behoudens de maxima bij de laatste zinsnede van het vorig artikel vermeld; {4c zie noot.)

d. de ambtenaren bedoeld bij artikel 3, Ut. d, ingeval het wachtgeld minder bedraagt dan het pensioen waarop zij volgens hun diensttijd aanspraak hebben, bepaald op een bedrag, gelijkstaande met het verschil tusschen laatstbedoeld pensioen en het wachtgeld, dat zij genieten, behoudens de maxima bij de laatste zinsnede van het vorig artikel vermeld. (K.B. Wachtg. 3—9.)

8. Alle recht op pensioen gaat verloren voor hem, die behalve in de gevallen bij de artikelen 3, litt. a, b en c, en 4 voorzien, ontslagen wordt op eigen verzoek, die bij rechterlijke uitspraak van zijn ambt wordt ontzet, of die uithoofde van wangedrag, onzedelijkheid, verregaande achteloosheid of plichtverzuim uit zijne betrekking ontslagen wordt.

9. Als diensttijd komt in aanmerking do tijd vóór en na de invoering dezer wet in werkelijken dienst doorgebracht:

465

1

stw. li. 30

-ocr page 504-

466 WET PENSIOENEN BURGERLIJKE AMBTENAREN.

o. in burgerlijke betrekkingen, die aanspraak geven op pensioen; *b. in kerkelijke of militaire betrekkingen;

in betrekkingen bij het loodswezen;

in die als mindere geëmployeerde, werkman of bediende op daggeld, werkzaam bij inrichtingen van \'s Rijks zee- en landmacht en bij het Koloniaal Etablissement te Amsterdam; (2.)

in betrekkingen in de koloniën en bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen en in die welke hier te lande ten laste van de koloniale geldmiddelen zijn of zullen worden ingesteld; (2.)

mits al die betrekkingen naar de daarvoor geldende regelen aanspraak geven op pensioen; (15.)

*c. in onbezoldigde burgerlijke betrekkingen, die aanspraak geven op en onmiddellijk worden achtervolgd door latere benoeming tot eene bezoldigde betrekking; mits belanghebbenden binnen ééne maand nil de aanvaarding dezer laatste verklaren bereid te zijn tot voldoening eener rente, over het tijdvak gedurende hetwelk als onbezoldigd ambtenaar is dienst gedaan, berekend tegen vier ten honderd in het jaar van de bijdrage, welke ten gevolge van de aanvaarding dier bezoldigde betrekking verschuldigd is.

Deze rente wordt in de eerste vier jaren telkens tot een gelijk gedeelte op de wedde van den ambtenaar ingehouden. (15.)

d. als onderwijzer, bij eene openbare inrichting van onderwijs, krachtens eene vaste aanstelling van Ons, van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, van een provinciaal bestuur of gemeentebestuur ontvangen. (15.)

Als diensttijd komt mede in aanmerking de tijd gedurende welken het lidmaatschap van eene der beide Kamers van de Staten-Generaal is waargenomen door hem, die, tijdens de aanvaarding van dat lidmaatschap een der ovengenoemde betrekkingen beklee-dende, overeenkomstig de daaromtrent geldende bepalingen tijdelijk van de waarneming der door hem bekleede betrekking is ontheven.

Voor hem, die, na om welke redenen ook ontslagen te zijn, later wordt herplaatst, zijn de diensten vóór het ontslag, en die, nü de herplaatsing bewezen, gelijkelijk geldig. (16, 17.)

Tijdelijke diensten, diensten beneden den ouderdom van achttien jaren en die in bijzondere commissiën bewezen, komen alleen ia aanmerking voor zooverre dit bij de wet zal worden bepaald *cf voor zoover het betrekkingen betreft bij lit. b omschreven reeds bij de daarvoor geldende regelen bepaald is.

Bij de berekening van het pensioen blijft buiten aanmerking de tijd met of buiten bezwaar van \'s Rijks schatkist met verlof doorgebracht, indien het verlof langer dan een jaar achtereenvolgens geduurd heeft. Wij behouden Ons nochtans voor om in gevallen waarin een langdurig verlof in \'s Rijks belang verleend wordt, te bepalen dat de tijd van dat verlof voor de berekening van het pensioen wèl in aanmerking zal komen.

-ocr page 505-

»BURGERLIJKE PENSIOENWET

Mede blijven buiten aanmerking de diensten welke reeds met pensioen vergolden zijn. (3 al. 2.)

10. Behoudens de in art. 11 vermelde uitzonderingen wordt door de burgerlijke ambtenaren, tot het bekomen van pensioen, de helft van het beloop hunner wedde of belooning over één jaar bijgedragen. Deze bijdragen worden onder de middelen tot dekking der Staatsuitgaven verantwoord. (13, 14, 16, 17.)

11. De bijdrage bij het voorgaande artikel bedoeld wordt, zoowel op de door den ambtenaar bij de eerste aanstelling verkregen wedde als op elke latere verhooging daarvan in de eerste vier jaren telkens tot een gelijk gedeelte ingehouden.

Deze bijdrage is niet verschuldigd door ambtenaren wier wedde of belooning niet meer dan vierhonderd gulden in het jaar bedraagt, en wordt zoo bij eerste aanstelling als bij latere verhooging met zooveel verminderd als noodig is om de wedde of belooning door de heffing der bijdrage niet beneden de som van vierhonderd gulden in het jaar te doen dalen.

Ten aanzien van ambtenaren die meer dan eene burgerlijke betrekking bekleeden, worden de vorenstaande bepalingen op de aan elke betrekking verbonden wedde of belooning afzonderlijk toegepast. (26.)

*De bijdrage wegens verhoogingen is niet verschuldigd door ambtenaren, voor wie de verhooging niet ten gevolge zal kunnen hebben de toekenning van een hooger pensioen dan dat, hetwelk zou verleend zijn, bijaldien op den dag van ingang der verhooging pensioen was toegekend.

Voor de hoofden der Ministerieele Departementen, wordt de bij art. 10 bepaalde bijdrage door eene doorloopende korting van vijf ten honderd \'s jaars hunner wedde of belooning vervangen. (12.)

12. Onder wedde of belooning worden verstaan alle inkomsten, die, hetzij onder de benaming van traktement of percentsgewijze belooning, hetzij van vaste emolumenten, aan de ambten of bedieningen zijn verbonden, voor zooverre zij in den regel niet strekken tot vergoeding van onkosten, door de waarneming daarvan veroorzaakt.

De vergoeding van kosten van vertegenwoordiging, toegekend aan diplomatieke en consulaire ambtenaren, bureelkosten, schadeloosstellingen en alle soortgelijke vergoedingen, belooningen voor de waarneming van bijzondere commissiën, tijdelijke inkomsten of toevallige baten of voordeelen worden mitsdien niet als wedde of beloo-ning beschouwd.

Daarentegen wordt het genot van vrije woning, huisvesting en voeding, voor zooverre dit invloed heeft op het bedrag der inkomsten, als wedde of belooning aangemerkt.

Voor inkomsten die tevens strekken tot vergoeding van onkosten door de waarneming der ambten of bedieningen veroorzaakt, kan

467

30*

-ocr page 506-

WET PENSIOENEN BURGERLIJKE AMBTENAREN.

niet meer dan een derde gedeelte afgetrokken worden om het zuiver bedrag der wedde of belooning te vinden.

13. Bij de benoeming tot een ambt wordt de som bepaald, die tot grondslag moet strekken zoo voor de berekening van de overeenkomstig het bepaalde bij artikel 10 verschuldigde bijdrage als voor de latere regeling van het pensioen. (38.)

Bij elke verandering van belooning wordt de grondslag voor het pensioen opnieuw geregeld of bevestigd.

*In geval van vermindering van belooning wordt de vroegere grondslag, behoudens de daaraan verbonden verplichtingen, bevestigd, tenzij de belanghebbende het tegendeel verkiezen mocht en daarvan binnen vier maanden, nadat die vermindering hem kenbaar is gemaakt, aangifte doet. In het laatste geval wordt de bijdrage welke nog verschuldigd was, in verband met de wijziging van den pensioensgrondslag verminderd en de verminderde bijdrage, telkens tot een gelijk gedeelte, ingehouden in hetzelfde tijdvak, waarin die, welke vóór de wijziging van den grondslag nog verschuldigd was, zou ingehouden zijn. (16.)

quot;De pensioensgrondslag wordt echter tot geen lager bedrag teruggebracht dan dat, waarover, in verband met het bepaalde in de artikelen 10, 11 en 37 dezer wet of met dergelijke bepalingen in vroegere pensioenwetten, de bijdrage moet gerekend worden, op het tijdstip van ingang der vermindering, ten volle te zijn betaald.

Voor gewezen hoofden van Ministerieele Departementen kan, in het geval bij het voorgaande lid voorzien, de bevestiging van een vroegeren grondslag alleen plaats hebben tot het bedrag van dien, welke verbonden is geweest aan de betrekking die zij vóór de optreding als hoofd van een Ministerieel Departement mochten bekleed hebben. Indien zij vóór die optreding niet behoorden tot de bij deze wet bedoelde burgerlijke ambtenaren, worden zij met opzicht tot de bijdrage als nieuw aangestelde ambtenaren beschouwd.

Toevallige of tijdelijke vermeerdering of vermindering van de onzuivere opbrengst van percentsgewijze of andere veranderlijke belooningen, brengt geene wijziging van den eens bepaalden grondslag te weeg.

De grondslag wordt in de akten van aanstelling en bevordering of in het Koninklijk besluit waarbij de wedde of belooning bepaald is, vermeld.

Bekleedt een ambtenaar te gelijk meer dan eene betrekking, dan wordt in de akten van aanstelling en bevordering of in het Koninklijk besluit waarbij de wedde of belooning bepaald is, voor elke betrekking een afzonderlijke grondslag voor pensioen vermeld. (6.)

14. Burgerlijke ambtenaren die zonder aanspraak op pensioen worden ontslagen, en zij die, met behoud hunner hoedanigheid van ambtenaar, doch met stilstand van wedde, tijdelijk van de waarneming hunner betrekking worden ontheven, zijn, te rekenen van den

468

-ocr page 507-

»BURGERLIJKE PENSIOENWET». 469

ingang van hun ontslag of van hunne tijdelijke ontheffing, tot op het tijdstip hunner herplaatsing of van de wederopvatting hunner functiën, vrijgesteld van de voldoening der termijnen van bijdrage, die zij nog verschuldigd kunnen zijn.

15. Zij, die uit een der bij artikel 9, sub b, c en d vermelde betrekkingen in een burgerlijk ambt overgaan, met uitzondering van hen die eene der bij art. 9, sub c bedoelde betrekkingen beklee-dende, de bij eene eerste benoeming verschuldigde bijdrage voor pensioen vooruit betaald hebben, worden, ten opzichte van hunne bijdrage, als nieuw aangestelde ambtenaren beschouwd.

16. Gewezen burgerliike ambtenaren worden bij herplaatsing ten opzichte van hunne bijdrage, niet als nieuw aangestelde ambtenaren aangemerkt, behoudens hunne verplichting tot aanzuivering der bijdrage, welke bij den ingang van hun ontslag of verlof kan zijn verschuldigd gebleven. (17.)

Op de belanghebbenden bij het voorgaande lid bedoeld, met uitzondering der burgerlijke gepensionneerden, is, ingeval de herplaatsing op een mindere dan de vroeger genoten belooning geschiedt, het derde lid van artikel 13 van toepassing.

Gepensionneerden, wier pensioen uit de inkomsten van den Staat of van zijne koloniën en bezittingen in andere werelddeelen wordt gekweten, zijn bij herplaatsing iu eene burgerlijke betrekking van bijdrage vrijgesteld, indien hun pensioen het maximum bereikt, dat hun, naar de bepalingen dezer wet, kan worden toegekend. (24.)

*17. Van de bijdragen overeenkomstig de vorenstaande bepalingen verschuldigd of gekweten kan geene vrijstelling of teruggave verleend worden dan aan hen die, vóór dat zij tien jaren gediend hebben, uit hoofde van ziels- of lichaamsgebreken voor de verdere waarneming van hun ambt ongeschikt en daaruit ontslagen zijn.

Voor het bewijs dier ongeschiktheid wordt gevorderd eene verklaring als bedoeld in artikel 5, eerste lid. De verdere bepalingen van dit artikel zijn, voor zooveel mogelijk, ten deze mede van toepassing.

In geval van herplaatsing in eene betrekking, waaraan uitzicht verbonden is op een pensioen bij de regeling waarvan de vroeger bewezen burgerlijke diensten in aanmerking moeten komen, zijn de belanghebbenden verplicht binnen een door het hoofd van het Departement van Algemeen Bestuur waartoe zij behooren te bepalen termijn terug te betalen hetgeen hun ingevolge het eerste lid van dit artikel is uitgekeerd.

18. De pensioenen worden verleend op aanvrage van of vanwege de belanghebbenden.

Die aanvrage moet, met overlegging van de voor de regeling van het pensioen benoodigde stukken, worden ingediend bij het Departement van Algemeen Bestuur, onder hetwelk de ambtenaar het laatst werkzaam is geweest. (28.)

-ocr page 508-

470 WET PENSIOENEN BURGERLIJKE AMBTENAREN.

*Wanneer de aanvrage niet binnen één jaar nil het lijdstip waarop het recht op pensioen verkregen werd, ia ingediend, gaat het pensioen eerst in met het vierendeel jaars, volgende op dat waarin de aanvrage gedaan is. Is zij niet ingediend binnen vijf jaren d!i genoemd tijdstip, dan is alle recht op pensioen verbeurd. (20, 21.)

Dezelfde regelen gelden voor aanvragen om verhooging van reeds toegekend pensioen en voor de overlegging der stukken tot staving van het recht op die verhooging dienende, met dien verstande dat de termijnen van een jaar en vijf jaren dan beginnen te loopen van den dag, waarop het pensioen is toegekend.

*Pensioenen op grond van ziels- of lichaamsgebreken toegekend aan de gewezen burgerlijke ambtenaren bedoeld bij het laatste lid van artikel 3 dezer wet, gaan in op den dag, waarop de aanvrage om pensioen bij het betrokken Departement van Algemeen Bestuur is ingekomen. (Wed.pens.w. 14.)

19. De pensioenen worden, op voordracht van het hoofd van het Departement van Algemeen Bestuur onder hetwelk de ambtenaar het laatst werkzaam is geweest en met medewerking van den Minister van Financiën, toegekend bij Koninklijke besluiten, houdende vermelding van de gronden waarop ze verleend worden. (Wed. pens.w. 15.)

Van deze besluiten wordt in de StaaUcourant opgave gedaan, voor zooveel betreft den naam van den gepensionneerde, het bedrag van het pensioen en de toepasselijke wetsbepaling.

Bij de indiening van de jaarlijksche begrooting van Staatsuitgaven worden aan de Staten-Generaal overgelegd lijsten van de sedert de indiening der vorige begrooting verleende en vervallen pensioenen. (Wed.pens.w. 20.)

Die lijsten wijzen aan:

a. de namen der gepensionneerden;

b. hun ouderdom, laatste dienstbetrekking en laatsten grondslag voor pensioen;

c. de oorzaak van het gegeven ontslag;

d. de artikelen der wet, krachtens welke het pensioen verleend is;

e. het bedrag van het pensioen.

20. De pensioenen worden in volle guldens verleend.

Onderdeden van een gulden komen daarbij voor een gulden in

berekening. (Wed.pens.w. 16.)

*Zij gaan, behoudens de uitzonderingen in artikel 18 vermeld, in met den dag volgende op dien, waarop hetzij de wedde of belooning waarnaar zij berekend zijn, hetzij het wachtgeld of het pensioen dat zij vervangen, heeft opgehouden.

Behoudens het bepaalde bij artikel 24 worden zij uitbetaald tot het einde van het vierendeeljaars, waarin zij door overlijden of om andere redenen vervallen. (Wed.pens.w. 11, 12.)

21. De termijnen van een pensioen, welke niet zijn ingevorderd

-ocr page 509-

»BUR6ERLIJKE PENSIOENWET».

binnen één jaar namp; den eersten dag der betaalbaarstelling, worden niet meer uitbetaald.

Is die invordering achterwege gebleven gedurende vijf achtereenvolgende jaren, dan is het pensioen vervallen. Bij Koninklijk besluit kunnen de belanghebbenden die dit mochten verzoeken, in het genot van hun vervallen pensioen hersteld worden.

Dat genot zal in het hierbedoeld geval ingaan met het vierendeel-jaars, volgende op dat, waarin het verzoek gedaan is. (18; Wed. pens.w. 22.)

*22. Hij die is veroordeeld tot gevangenisstraf van drie maanden, tot hechtenis van drie maanden, tot plaatsing in eene Eijks-werkinrichting, of tot eenige zwaardere straf, mist gedurende den tijd, dat hij zijne straf ondergaat of zich door de vlucht aan de tenuitvoerlegging van het vonnis onttrekt, het genot van pensioen.

Wij behouden Ons voor, daartoe termen vindende, gedurende dien tijd over het pensioen van den veroordeelde ten behoeve van zijne vrouw, zijne minderjarige afstammelingen in de rechte linie of zijne bloedverwanten in de opgaande linie te beschikken.

Wij behouden Ons tevens voor, om, voor zoover van de bevoegdheid in het vorig lid bedoeld, geen gebruik is gemaakt, hem, die uit de gevangenis of werkinrichting is ontslagen, in het genot te stellen van eene uitkeering tot een bedrag, dat de helft van het jaarlijksch pensioen niet te boven gaat. (Wed.pens.w. 22.)

23. Het pensioen vervalt, wanneer de belanghebbende: (21.)

a. naturalisatie in een vreemd land of vreemden adeldom aanneemt; (G. 6, 65; Wet 12 Dec. 1892, S. 268, art. 7 sub 1°.)

b. buiten toestemming van den Koning zich in vreemden krijgsdienst begeeft, of een ordeteeken, titel, rang, waardigheid of openbare bediening aanneemt, welke door eene vreemde Regeering is verleend of opgedragen. (O. 67; Wet 12 Dec. 1892, S. 268, art. 7 sub 4°.)

24. Indien een burgerlijk gepensionneerde inkomsten of beloonin-gen geniet uit de geldmiddelen van den Staat, van \'s Rijks koloniën en bezittingen in andere werelddeelen of uit fondsen onder het beheer des Kijks geplaatst, in betrekkingen die ter begeving staan van het algemeen bestuur, dan wordt te dier zake, van den dag af waarop dergelijke inkomsten of belooningen zijn ingegaan, eene korting op zijn pensioen toegepast. (25.)

Die korting bedraagt:

а. wegens eene bijkomende inkomst of belooning van minder dan zestienhonderd gulden;

25 ten honderd van de eerste j 600 dier inkomst of belooning;

50 ten honderd van de volgende ƒ 400;

75 ten honderd van het overige;

б. wegens eene bijkomende inkomst of belooning van zestienhonderd gulden of hooger:

471

-ocr page 510-

472 WET PENSIOENEN BUBGEBLUKE AMBTENABEN.

50 ten honderd van het geheele bedrag dier inkomst o£ beloo-ning.

De korting wordt niet toegepast wanneer het vereenigd bedrag van pensioen en bijkomende inkomst of belooning de som van duizend gulden niet overtreft, en met zooveel verminderd als noodig is om het vereenigd bedrag niet beneden die som te doen dalen.

Het burgerlijk pensioen wordt in zijn geheel gelijktijdig genoten met de soldij en de toelagen, verbonden aan de Militaire Willemsorde en aan de benoeming tot broeder der Orde van den Neder-landschen Leeuw. (26; Wet 30 April 1815, S. 13 als nader gew.; Wet 29 Sept. 1850, S. 47.)

25. Indien een gepensionneerde, wiens pensioen uit de inkomsten van den Staat of uit die van zijne koloniën en bezittingen in andere werelddeelen wordt gekweten, herplaatst wordt in eene betrekking waaraan het uitzicht op burgerlijk pensioen verbonden is, dan wordt zijn pensioen, te dier zake, op den voet van het voorgaande artikel, behoudens de daarbij vermelde uitzonderingen, verminderd.

By latere aftreding wordt hij, behoudens het bepaalde bij de artikelen 22 en 23, in het volle genot van zijn vroeger pensioen hersteld, en wordt hem daarenboven, voor zooverre hij daarop naar de regelen dezer wet aanspraak kan maken, een verder pensioen verleend, in evenredigheid van den grondslag en den duur der diensten, nil de herplaatsing bekomen en bewezen, doch met dien verstande, dat het vereenigd bedrag der pensioenen de som van drie duizend gulden en voor gewezen hoofden van Ministerieele Departementen die van vier duizend gulden niet kan overschrijden.

*In de gevallen bedoeld bij artikel 3, litt. c en d, gelden, ten opzichte van het vereischte van tienjarigen dienst voor het verder pensioen alleen de jaren in de betrekking doorgebracht, waarin de gepensionneerde is herplaatst.

26. Het bepaalde bij artikel 24 is mede van toepassing op ambtenaren, die gelijktijdig meer dan eene burgerlijke of daarmede gelijkgestelde betrekking vervullen en uit eene daarvan ontslagen worden. Bij de regeling van het pensioen worden de grondslagen en de diensten der nog bekleed wordende betrekkingen niet in aanmerking genomen. (11.)

Bij latere aftreding uit de nog bekleed wordende betrekkingen wordt hun voor elke betrekking een afzonderlijk pensioen verleend, met dien verstande, dat het vereenigd bedrag der pensioenen de som van drie duizend gulden niet kan overschrijden. (6.)

Vroeger in andere betrekkingen bewezen diensten komen in het geval bedoeld bij de eerste en tweede zinsnede van dit artikel, zoomede indien de belanghebbende uit al de door hem waargenomen betrekkingen te gelijker tijd wordt ontslagen, in berekening bij de regeling van het pensioen wegens die betrekking waarin de hoogste pensioens-grondslag bekomen is. (9, 13.)

-ocr page 511-

BURGEBLIJKE PENSIOENWET».

*In de gevallen, bedoeld bij artikel 3, litt c en d, gelden, ten opzichte van het vereischte van tienjarigen dienst, voor het pensioen alleen de jaren in de betrekking doorgebracht, ter zake waarvan dat pensioen wordt verleend.

27. Er bestaat een pensioenraad voor de burgerlijke ambtenaren. (28, 29, 34; Wed.pens.w. 14, 3de lid.)

Hij is samengesteld vdt vijf leden en wordt bijgestaan door een secretaris, die allen door Ons worden benoemd en ontslagen.

In geval van vacature doet de raad Ons eene aanbevelingslijst van ten minste twee personen toekomen.

De voorzitter wordt uit de leden onmiddellijk door Ons benoemd. Hij treedt als zoodanig om de twee jaren af, doch is opnieuw benoembaar.

*Aan den voorzitter en de leden wordt ter zake van hunne bemoeiingen eene som van negentienhonderd gulden per jaar toegelegd, waarvan door den voorzitter driehonderd gulden en door elk der leden eenhonderd vijftig gulden als vaste toelage wordt genoten.

*Na afloop van elk halfjaar wordt de helft van het overschietend bedrag tusschen den voorzitter en de leden verdeeld naar gelang van het getal der vergaderingen door ieder hunner in dien tijd bijgewoond.

*Deze toelagen en presentiegelden worden voor de helft uit \'s Rijks kas gekweten; zij komen voor de andere helft als kosten van beheer ten laste van het fonds, bedoeld in art. 18 der (\\Ved.pens.)wet van den 9den Mei 1890 (Slaatiblad no. 79).

De raad kan geen wettige zitting houden, wanneer niet ten minste drie leden tegenwoordig zijn.

De voorzitter heeft eene beslissende stem.

De verplichtingen van den secretaris worden geregeld bij eene door den raad vast te stellen instructie.

28. De raad onderzoekt de aanvragen, bedoeld bij artikel 18, en brengt zijn advies uit omtrent het daaraan te geven gevolg. Dat advies wordt medegedeeld aan den belanghebbende.

Indien het hoofd van het Departement van Algemeen Bestuur, waaronder de belanghebbende het laatst werkzaam is geweest, zich met het advies van den raad niet vereenigt, deelt hij zijn gevoelen over het ingevolge de wet toe te kennen pensioen schriftelijk aan den belanghebbende mede.

Indien deze binnen drie maanden na den dag waarop de bovenbedoelde mededeelingen gedaan zijn, het verlangen daartoe te kennen geeft, dan wordt over het advies het gevoelen ingewonnen van de afdeeling van den Kaad van State, bedoeld bij het tweede lid van artikel 13 der wet van 21 December 1861 {Staatsblad no. 129).

Wanneer ingevolge het bepaalde bij dit artikel het gevoelen van

473

-ocr page 512-

474 WET PENSIOENEN BURGERLIJKE AMBTENAREN.

de afdeeling van den Eaad van State, bedoeld bij het tweede lid van artikel 13 der wet van 21 December 1861 (Staatsblad no. 129), wordt ingewonnen, wordt de zaak behandeld op de wijze vastgesteld voor de behandeling van geschillen van bestuur. (Wet 21 Dec. 1861, S. 129, artt. 23, 35—40,1

*Onverminderd het bepaalde in artikel 63 der wet van den 5den October 1841 (Staatsblad no. 40) worden pensioenen, die zijn toegekend met inachtneming van de in dit artikel gestelde regelen, door de Algemeene Eekenkamer verevend tot de bedragen waarop zij zijn toegekend, tenzij, ingevolge het bepaalde bij de artikelen 22 tot en met 26 dezer wet, een lager bedrag behoort te worden betaald of de betaling achterwege moet blijven. (Wed.pens.w. 14.)

29. De raad is bevoegd om van de Departementen van Algemeen Bestuur de vereischte inlichtingen te vragen en doet aan het Departement van Financiën de voorstellen, die hij in het belang eener goede regeling van het pensioenwezen noodig of nuttig acht. Hij geeft insgelijks de gevraagde inlichtingen aan de Departementen van Algemeen Bestuur.

*Mede door den raad wordt toezicht gehouden op de inhouding der pensioensbijdragen.

*De uitoefening van dit toezicht wordt door den Minister van Financiën in overleg met den raad geregeld.

30. De bepalingen der wet (kortingen op traktementen enz.) van den 24sten Januari 1815 {StaatMad no. 5), welke ook van kracht blijft voor de provincie Limburg, worden, zoowel wat de arresten als wat de kortingen betreft, met opzicht tot de burgerlijke pensioenen gehandhaafd en toepasselijk verklaard. (Wed.pens.w. 22.)

31. De pensioenen zijn onvervreemdbaar. De belanghebbends kan daarover op geenerlei wijze beschikken, ook niet door verpanding of beleening. Indien hij last geeft om het pensioen voor hem te ontvangen, kan hij die lastgeving altijd herroepen. Alle hiermede strijdige overeenkomsten zijn nietig.

Deze bepalingen worden op het bewijs van inschrijving van het pensioen afgedrukt.

De voorschotten door gemeentebesturen, liefdadige of tot algemeen nut werkende instellingen, hetzij renteloos, hetzij tegen eene matige rente op de pensioenen gegeven, tot zekerheid waarvan de bewijzen van inschrijving in het bezit van die lichamen worden gesteld, zijn niet onder de bij deze wet verboden beleeningen begrepen, mita de voorwaarden, volgens welke die voorschotten verstrekt worden, zijn goedgekeurd door den Minister van Financiën.

Indien een gepensionneerde in een gesticht of instelling van weldadigheid, door het openbaar gezag erkend, is opgenomen of, op welke wijze ook, door zoodanige instelling of door eene burgerlijke gemeente wordt verpleegd, wordt, zoolang dit geschiedt, zijn pensioen uitbetaald aan het bestuur van dat gesticht, die instelling of

-ocr page 513-

»BURGERLIJKE PENSIOENWET». 475

gemeente, hetwelk zich tot dat einde in het bezit zal stellen van het bewijs van inschrijving van het pensioen.

Indien het bedrag van het pensioen dat der verplegingskosten overtreft, wordt het verschil door het daarbij betrokken bestuur aan of ten behoeve van den gepensionneerde uitgekeerd. (33; Wed. pens.w. 22.)

32. In buitengewone gevallen, waarin bij deze wet niet is voorzien, of waaromtrent hare bepalingen geacht worden geen billijken maatstaf tot vergelding van diensten, door burgerlijke ambtenaren van den Staat bewezen, op te leveren, wordt bij afzonderlijke wetten voorzien.

Slotbepalingen.

Art. 33. De bepalingen van art. 31 zijn ook van toepassing op pensioenen ten laste van den Staat verleend aan andere dan burgerlijke ambtenaren, zoomede op de pensioenen toegekend aan weduwen en weezen van ambtenaren behoord hebbende tot de deelgerechtig-den in het fonds van de geëmployeerden van het Algemeen Bestuur, in het weduwenfonds van het korps ingenieurs bij den waterstaat en in dat van de opzichters van den waterstaat.

Daarmede in strijd zijnde bepalingen van andere wetten zijn ingetrokken.

34. Het pensioenfonds voor burgerlijke ambtenaren wordt opgeheven. De raad van toezicht op dat fonds wordt ontbonden. De in de bureelen van dien raad gebruikte registers, boeken en bescheiden worden overgebracht bij den pensioenraad in artikel 27 bedoeld.

35. De pensioenen van de burgerlijke ambtenaren en van hunne weduwen en weezen, ten laste van het in artikel 34 genoemde fonds verleend, zoomede de ingevolge deze wet te verleenen pensioenen, worden ten laste der Staatsbegrooting verevend.

36. Uit de bezittingen van het pensioenfonds voor burgerlijke ambtenaren wordt eene som van drie millioen gulden, op de wijze door Ons te bepalen, aan het Kijk uitgekeerd. De aan die gelden te geven bestemming wordt bij de wet geregeld. (Wet 22 Juni 1893, S. 96.)

De overige kapitalen en baten van dat fonds gaan over tot het bij de wet op te richten weduwen- en weezenfonds voor burgerlijke ambtenaren. (Wed.pens.w. 18.)

37. De sommen wegens afloopende bijdragen voor pensioen, welke bij het in werking treden dezer wet door de dan in dienst zijnde burgerlijke ambtenaren ingevolge de tot dat tijdstip van kracht geweest zijnde bepalingen nog verschuldigd zijn, worden ten behoeve van den Staat voor het geheel ingevorderd.

Met uitzondering op het bepaalde bij de vorige zinsnede zullen

-ocr page 514-

476 WET PENSIOENEN BURGERLIJKE AMBTENAREN.

de op hetzelfde tijdstip in dienst zijnde gewezen \') legestrekkende ambtenaren deelgerechtigd in het weduwenfonds voor de geëmployeerden tot het Algemeen Bestuur behoorende, en de ambtenaren die deelgerechtigd zijn in het weduwen-pensioenfonds van het korps ingenieurs bij den waterstaat en in dat van de opzichters van den waterstaat, wegens nog niet aangezuiverde bijdragen voor aan hen toegekend traktement of verhoogingen van traktement niets meer te betalen hebben, indien die bijdragen op gezegd tijdstip reeds tot op de helft zijn aangezuiverd. Is dit laatste niet het geval, dan zijn zij tot aanzuivering dier bijdragen tot op de helft, op de gewone wijze verplicht.

*38. De bij het in werking treden dezer wet voor de dan in dienst zijnde of op wachtgeld gestelde burgerlijke ambtenaren geldende grondslagen voor pensioen, worden bevestigd. Voor hen die op dat tijdstip twee of meer burgerlijke betrekkingen bekleeden of wel uit eene of meer daarvan onder toekenning van wachtgeld zijn ontslagen, worden die grondslagen opnieuw geregeld, met dien verstande dat het gezamenlijk bedrag der verschillende grondslagen niet hooger mag zijn dan de grondslag bij de invoering dezer wet verkregen. Heeft deze regeling ten gevolge dat een ambtenaar als bovenbedoeld minder pensioen zou bekomen dan waarop hij volgens de bepalingen der voor de invoering dezer wet geldende wetten aanspraak zou gehad hebben, dan wordt het hem toe te kennen pensioen tot laatstbedoeld bedrag verhoogd.

39. De mindere geëmployeerden, werklieden of bedienden, op daggeld werkzaam bij inrichtingen van \'s Rijks zee- en landmacht en op \'s Rijks jachten en werkvaartuigen, die bij de inwerkingtreding dezer wet reeds behoorden tot de deelhebbenden in het bij artikel 34 dezer wet opgeheven fonds, worden, met uitzondering op het bepaalde bij het laatste lid van artikel 2 dezer wet, als burgerlijke ambtenaren aangemerkt. (Wet 18 Juli 1890, S. 109.)

40. Artikel 42 der wet (L.O.) van den 17den Augustus 1878 (Staatsblad no. 127) wordt gelezen als volgt:

De bepalingen van de artt. 8, 9 derde lid, 12 derde lid, 18 tot en met 31 der wet betreffende de burgerlijke pensioenen, zijn op de pensioenen der onderwijzers van toepassing.

41. Deze wet treedt in werking den Isten Januari 1891.

Op dat tijdstip vervallen, behoudens de hierna en in de wet tot regeling der pensioenen van de weduwen en weezen van burgerlijke ambtenaren vermelde uitzonderingen;

1°. de bepalingen der wet (Burgerl. pensioenen) van 9 Mei 1846 (Staatsblad no. 24) en van alle wetten welke daarin wijziging gebracht hebben, in zooverre die bepalingen ambtenaren betreffen, die nïi de invoering der eerstgemelde wet zijn aangesteld; (zie a—d.)

1) Dit woord „gewezenquot; aldus mgelascht volgens de wet van 9 April 1897, S. 85.

-ocr page 515-

»BURGERLIJKE PENSIOENWET». 477

2°. de bepalingen der wet van 27 Mei 1865 {Staatsblad no. 39), \') voor zooveel betreft de door burgerlijke ambtenaren bewezen diensten als mindere geëmployeerden, werklieden of bedienden bij de inrichtingen van \'s Kijks zee- en landmacht;

3°. artikel 4Abis en de laatste zinsnede van artikel 19 der wet (Mil. pens. zeemacht) van 28 Augustus 1851 {Staatsblad no. 127),. zooals die luidt nil de daarin bij de wet van 1 April 1875 {Staatsblad no. 33) gebrachte wijzigingen, 1) in zooverre die bepalingen ambtenaren betreffen, die, n?i vroeger in de daarin genoemde betrekkingen werkzaam te zijn geweest, nil de invoering dezer wet als burgerlijke ambtenaren worden aangesteld;

4°. de laatste zinsnede van het bij de wet van 29 Mei 1877 {Staatsblad no. 114) in de wet (Mil. pens. landmacht) van 28 Augustus 1851 {Staatsblad no. 129) ingelaschte artikel 19 its en het bij eerstvermelde wet in die van 28 Augustus 1851 {Staatsblad no. 129) ingelaschte artikel 44 A is in zooverre die bepalingen ambtenaren betreffen, die na vroeger in de daarin genoemde betrekkingen werkzaam te zijn geweest, nil de invoering dezer wet als burgerlijke ambtenaren worden aangesteld;

5°. de artikelen 34 en 35 der wet (M.O.) van 2 Mei 1863 {Staatsblad no. 50);

6°. de artikelen 22 en 23 der wet (H.O.) van 28 April 1876 {Staatsblad no. 102);

Blijven van kracht;

a. artikel 12 der wet van 9 Mei 1846 {Staatsblad no. 24) voor de hoogleeraren, die vóór het in werking treden dezer wet zijn aangesteld;

b. de tweede en derde zinsnede van artikel 6 derzelfde wet, zooals die luidt na de daarin laatstelijk bij de wet van 21 Mei 1873 {Staatsblad no. 64) gebrachte wijzigingen, ten aanzien van de ambtenaren, die vóór het in werking treden dezer wet zijn ontslagen;

c. artikel 25 derzelfde wet, zooals die luidt nü de daarin laatstelijk bij de wet van 21 Mei 1873 {Staatsblad no. 64) gebrachte wijzigingen, ten aanzien van weduwen en kinderen van ambtenaren, aan wie, bij het in werking treden dezer wet, overeenkomstig het bepaalde bij dat artikel pensioen was toegekend, met dien verstande evenwel, dat, in het geval voorzien bij de vijfde zinsnede van dat artikel, door Onzen Minister van Financiën zal worden bepaald op welke wijze het aldaar bedoeld pensioen tusschen de rechthebbenden verdeeld zal worden;

1

Deze wet is laatstelijk gewijzigd bij de wet van 13 Juli 1896, S. 110.

-ocr page 516-

478 WET PENSIOENEN BURGERLIJKE AMBTENAREN.

d. artikel 29 derzelfde wet, zooals die luidt nk de daarin laatstelijk bij de wet van 21 Mei 1873 {Staatsblad no. 64) gebrachte wijzigingen ten aanzien van burgerlijke pensioenen toegekend vóór het in werking treden van deze wet; 1)

1) De aldus gehandhaafde artikelen (zóóals gedeeltelijk nader gewijzigd) der wet van 9 Mei 1846, Stsbl. no. 24, betreffende de burgerlijke pensioenen, luiden:

Art. 12. „Van de voorwaarden bij artikel 5 vermeld (d.z. ongeschiktheid voor de waarneming van het ambt uit hoofde van ziels- of ligchaams-gebreken na tienjarige dienst; zie analoge bepaling in art. 3 Burg. Pensioenwet) is insgelijks onafhankelijk de aanspraak op pensioen van hoogleeraren aan \'s Rijks hooge scholen en daarmede gelijkstaande instellingen van hooger onderwijs.

A.an hen kan ook pensioen worden verleend bij aftreding op eigen verzoek, tengevolge van zoodanige ongesteldheid, waardoor zij zich ongeschikt gevoelen voor de behoorlijke waarneming van hun ambt.

Hun pensioen wordt, met afwijking van het bepaalde bij artikel 8 (zie noot 7), geregeld voor ieder jaar dienst aan het academisch onderwijs hier te lande op een vijf en dertigste deel der wedde of beiooning. Geldige diensten in andere betrekkingen komen naar den maatstaf van artikel 8 in berekening, doch zal het pensioen voor de gezamenlijke diensten nimmer het bedrag der wedde, noch de som van drie duizend gulden kunnen te boven gaan.quot;

Art. 6 (tweede en eerde zinsnede van). „Als diensttijd wordt ook beschouwd de tijd tusschen het ontslag en de herplaatsing van hem, die anders dan op eigen verzoek, mits niet om een der redenen by het eerste lid van art. 7 (d.i. tengevolge van lijf- of onteerende straf, wangedrag, onzedelykheid of merkelijke achteloosheid, of wegens eigendunkelijke verlating van zijn post; zie analoge bepaling in art. 8 Burg. Pensioenwet) vermeld, zonder aanspraak op pensioen wordt ontslagen.

Hij die op de wijze bij het voorgaande lid bedoeld, na het volbrengen van zijn veertigste levensjaar is ontslagen, heeft, ingeval van niet-herplaatsing, regt op pensioen, zoodra bij den ouderdom van vijf en zestig jaren bereikt heeft. Het pensioen wordt dan echter alleen over den werkelijken diensttijd berekend.quot;

Art. 25. „Bij overlijden of hertrouwen van de weduwe eens ambtenaars, die op de wijze bij artikel 4 omschreven het leven verloor (d.i. in of door de uitoefening zijner functiën of ter zake van die uitoefening, tengevolge van gewelddadige aanranding of verzet of gevaarlijke dienstverrichtingen, binnen een jaar na de verwonding), gaat haar pens\'.oen over op het kind of de kinderen van den ambtenaar, die minderjarig en ongehuwd zijn.

Bij ontstentenis van zoodanige kinderen, vervalt het pensioen.

Het pensioen van kinderen vervalt met de meerderjarigheid of eerder huwelijk.

Zoodra een der kinderen ophoudt geregtigd te zijn tot het genot van pensioen, gaat diens aandeel over op zijne eigene moeder, ingeval deze, inmiddels andermaal weduwe geworden zijnde, volgens de verdere bepalingen van dit artikel, weder tot het genot van ^aaar vroeger | pensioen geregtigd mogt zyn, en bij ontstentenis van zoodanige moeder, op de overblijvende regthebbende kinderen. Wanneer

-ocr page 517-

BURGERLIJKE PENSIOENWET:

e. artikel 7 der wet van 21 Mei 1873 {Staatsblad no. 64), voor de teruggave der doorloopende bijdrage, betaald door de in dat artikel bedoelde tijdelijk ontslagen doch niet herplaatste ambtenaren; 1)

f. artikel 4 der wet van 24 Juni 1863 (Staatsblad no. 73), voor de gewezen bezoldigde opzieners der jacht en visscherij, met of nh den Isten Januari 1858 overgegaan of geplaatst, in eene betrekking waaraan het uitzicht op burgerlijk pensioen verbonden is, voor zooveel betreft den diensttijd door hen in eerstgenoemde betrekking doorgebragt; 2)

479

1

Het aldus gehandhaafde artikel 7 der wet van 21 Mei 1873, Stsbl. no. 64, tot nadere wijziging der wet van 9 Mei 1846, Stsbl. no. 24, betreffende de burgerlijke pensioenen, roet wijziging tevens van andere daarmede verband houdende wetsbepalingen, luidt:

„Bij de pensionering der tijdelijk ontslagen doch niet herplaatste ambtenaren, bedoeld bij het derde lid van het thans nader vastgestelde art. 6 (zie vorige noot) der wet van 9 Mei 1846 {Staatsblad no. 24), wordt hun de doorloopende bijdrage teruggegeven, krachtens het vroegere artikel 18 dier wet door hen voldaan.quot;

2

Het aldus gehandhaafde artikel 4 der wet van 24 Junij 1863, Stsbl. no. 73, houdende opheffing van het fonds, vermeld in art. 57 der (Jagt)wet van 13 Junij 1857, Stsbl. no. 87, luidt: „Voor

-ocr page 518-

480 WET PENSIOENEN BURGERLIJKE AMBTENAREN.

g. de tweede zinsnede van artikel 12 der wet van 4 Juli 1874 (Staatsblad no. 90), ten aanzien van de leden der Kechterlijke Macht, die bij gebleken ongeschiktheid, door aanhoudende lichaamsziekte of ten gevolge van zielsziekte, uit hun ambt ontslagen worden; 1)

h. de wet van 15 April 1854 {Staatsblad no. 41), tot regeling van het pensioen der militaire leden van het Hoog Militair Gerechtshof;

i. de laatste zinsnede van artikel 8 der wet van 10 November 1875 (Staatsblad no. 204); 2)

k. de laatste zinsnede van artikel 2 der wet van 9 April 1877 (Staatsblad no. 80); 3)

*1. artikel 8 der wet van 9 Mei 1846 (Staatsblad no. 24) zooals die luidt na de daarin laatstelijk bij de wet van 21 Mei 1873 (Staatsblad no. 64) gebrachte wijzigingen 4) voor de op 31 December 1890

1

De aldus gehandhaafde tweede zinsnede van artikel 12 der wet van 4 Juli 1874, Stsbl. no. 90, tot wijziging van de wettelijke bepalingen omtrent de regterlijke tucht, dat is: de tweede zinsnede van artikel 12 der wet op de Kegterlijke organisatie en het beleid der Justitie van 18 April 1827, Stsbl. no. 20, als bij bedoelde wet gewijzigd, luidt:

„Voor de aanspraak op pensioen der wegens ongeschiktheid door ziels- of ligchaamsziekte ontslagen ambtenaren wordt geen nader bewijs van de oorzaak der ongeschiktheid gevorderd.quot;

2

De aldus gehandhaafde laatste zinsnede van artikel 8 der wet van 10 November 1875, Stsbl. no. 204, tot opheffing van de provinciale geregtshoven en instelling van nieuwe geregtshoven, luidt;

„Als diensttijd der hierbedoelde ambtenaren (d.z. de leden der ontbonden geregtshoven, de ambtenaren van het openbaar ministerie ea de griffiers en substituut-griffiers bij die hoven) wordt ook beschouwd de tijd verloopen tusschen de inwerkingtreding dezer wet en hunne herplaatsing of hunne weigering om eene hun overeenkomstig art. 11 opgedragen regterlijke betrekking te aanvaarden.quot;

3

De aldus gehandhaafde laatste zinsnede van artikel 2 der wet van 9 April 1877, Stsbl. no. 80, houdende bepalingen omtrent het personeel der ontbonden arrondissements-regtbanken en kantongeregten, de daarbij aangestelde prokureurs en deurwaarders, de overbrenging der daarbij aanhangige zaken, alsmede omtrent den ambtskring van notarissen, luidt;

„Als diensttijd der hier bedoelde ambtenaren (d.z. de leden der ontbonden arrondissements-regtbanken, de ambtenaren van het openbaar ministerie en de griffiers en substituut-griffiers bij die regtbanken) wordt ook beschouwd de tijd, verloopen tusschen de inwerkingtreding dezer wet en hunne herplaatsing of hunne weigering om eene hun overeenkomstig art. 5 opgedragen regterlijke betrekking te aanvaarden.quot;

4

Bedoeld artikel 8 luidt aldus;

„Het pensioen der ambtenaren wordt geregeld als volgt;

-ocr page 519-

»burgerlijke pensioenwet». 481

in dienst zijnde ambtenaren, die door de toepassing daarvan een hooger pensioen zouden verkrijgen dan hun volgens de bepalingen der nieuwe wet zou toekomen.

Het bepaalde bij het voorlaatste lid van artikel 9 is niet van toepassing op verloven vóór den eersten Juli 1873 verleend, indien door den belanghebbende gedurende den tijd van zijn verlof de destijds verschuldigde doorloopende korting voor pensioen betaald is.

*Bij de regeling van het pensioen van de op 1 Januari 1891 bij de beide Kamers der Staten-Generaal in dienst zijnde stenografen, adspirant-stenografen en kweekeling-stenografen, zal mede in aanmerking komen de tijd, gedurende welken zij vóór 1 Januari 1891 als adspirant-, als kweekeling- of als leerling-stenograaf werkzaam zijn geweest.

*Zij, die op 1 Januari 1891 als kweekeling-stenograaf in dienst waren, zullen, om het in het vorig lid bedoelde recht deelachtig te worden, binnen drie maanden na het in werking treden dezer wet schriftelijk hebben te verklaren bereid te zijn om alsnog over het tijdvak van 1 Januari 1891 tot hunne indiensttreding als stenograaf, te betalen de bij lit. c van art. 9 der wet van 9 Mei 1890 (Staatsblad no. 78) bedoelde rente van vier ten honderd over de helft van het bedrag der bij hunne benoeming tot stenograaf verkregen wedde.

*Het, op grond dier verklaring, te betalen bedrag zal alsdan in de eerste twee jaren telkens tot een gelijk gedeelte op de wedde der belanghebbende ambtenaren worden ingehouden.

Bij de Wijzigingswet van 9 April 1897, Stsbl. no. 85, uitgegeven 23 April d.a.v., zijn gevoegd de volgende Overgangs- en Slotbepalingen ;

n. wegens diensten bij de zee- of landmagt, ook bij die in de koloniën of bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen, op den voet der bestaande of later daar te stellen wetten of verordeningen tot regeling van de militaire pensioenen, met dien verstande dat, voor ieder jaar militaire dienst, een evenredig gedeelte wordt toegekend van het pensioen, hetwelk, volgens die wetten of verordeningen, ter zake van langdurige militaire dienst kan worden verkregen, en dat dubbel gerekend wordt de diensttijd, waaraan dit voordeel, volgens die wetten of\' verordeningen, is toe te kennen; doch zonder dat de daarbij bepaalde verhoogingen van het voormelde pensioenbedrag bij die regeling in aanmerking komen.

b. voor ieder jaar dienst in andere dan militaire betrekkingen, naar één zestigste deel van de middelsom over een jaar der wedde ot\' belooning bij art. 13 (d.i. de middelsom der wedde of belooning die gedurende de zestig laatste maanden tot grondslag der korting heeft gediend) bedoeld.

Het pensioen voor den gezamenlijken diensttijd, kan, evenmin het twee derde gedeelte der bij letter b bedoelde middelsom, als het bedrag van drie duizend gulden te boven gaan.quot;

stw. n. 31

-ocr page 520-

WET PENSIOENEN BURGERLIJKE AMBTENAREN.

OVERGANGSBEPALINGEN.

Art. 2 (der Wijzigingswet van 1897). Voor hen die vóór 1 Juli

1897 benoemd zijn tot eene onbezoldigde betrekking als bedoeld bij ja

letter c van het thans nader vastgestelde artikel 9 der wet van den 9den f)e Mei 1890 {Staatsblad no. 78) en die overeenkomstig deze bepaling

gelijk zij oorspronkelijk luidde, hebben verkozen in kapitaal of rente cn

bij te dragen, blijft de oorspronkelijke regeling van kracht.1) Voor hen, }la die zich daartoe niet bereid verklaarden en niet vóór 1 Juli 1874

tot een bezoldigd ambt zijn benoemd, komt de tijd in de onbezoldig- 0p de betrekking doorgebracht mede als diensttijd in aanmerking, mits (jg

de belanghebbende binnen drie maanden nl» het in werking treden (]e

dezer wet of binnen ééne maand namp; de eerste aanstelling tot een be- (Je zoldigd ambt schriftelijk verklaart te zullen voldoen: voor zooverre ne hij op of nïl 1 Januari 1891 tot zijne onbezoldigde betrekking is aangesteld, over den tijd in die betrekking doorgebracht de rente ^ bij de in hoofde dezer gemelde bepaling bedoeld, en, voor zooverre w0 hij vóór evengemelden datum werd benoemd, over denzelfden tijd de pe rente bedoeld in artikel G der wet van den 21sten Mei 1873 (Staatsblad no. 64). 2)

De hier bedoelde renten worden in de eerste vier jaren telkens tot een gelijk gedeelte op de wedde van de ambtenaren ingehouden.

482

1

Oorspronkelijke regeling:

Art. 9 der wet van 9 Mei 1890, S. 78:

„Als diensttijd komt in aanmerking de tijd vóór en na de invoering dezer wet in werkelijken dienst doorgebracht:

c. in onbezoldigde burgerlijke betrekkingen, die aanspraak geven op en onmiddellijk worden achtervolgd door latere benoeming tot eene bezoldigde betrekking; mits tijdens het bekleeden der onbezoldigde betrekking de bijdrage, die bij de eerste benoeming tot een bezoldigd ambt naar de bepalingen van art. 10 (zie tekst) zou verschuldigd zijn, vooruitbetaald of eene rente daarvan, berekend tegen vier ten honderd in het jaar, voldaan worde;quot;.

2

Art. 6 der wijzigingswet van 21 Mei 1873, S. 64, uitgegeven 9 Junij d.a.v., luidt aldus;

„Voor hen, die vóór het in werking treden dezer wet benoemd zijn tot eene bezoldigde betrekking als bedoeld is bij letter c van \'net thans nader vastgestelde artikel 6 der wet van 9 Mei 1846 (Staatsblad no. 24), komt de tijd in zoodanige betrekking doorgebragt mede als diensttijd in aanmerking, mits de belanghebbenden, wier benoeming tot die betrekking na den laatsten Junij 1846 plaats vond, zich binnen een jaar na het in werking treden der tegenwoordige wet, bereid verklaren over dien tijd de rente te voldoen bij de gemelde bepaling bedoeld, en die rente binnen drie jaren na dat tijdstip volledig worde aangezuiverd.

Zij wordt berekend volgens de grondslagen, naar welke door de belanghebbenden bij hunne eerste benoeming tot eene bezoldigde betrekking is bijgedragen.quot;

-ocr page 521-

»BURGERLIJKE PENSIOENWET». 483

SLOTBEPALINGEN.

Art. 3 (der Wijzigingswet van 1897). Deze wet wordt geacht op 1 Januari 1891 in werking te zijn getreden, voor zooveel betreft het bepaalde in de § § i, c laatste lid, o, p en q van artikel 1 (aanvulling of wijziging van de artt. 7 ««6 b, 13 vierde lid, 37 tweede lid, 38 en 41 sub l, van de Burgerlijke Pensioenwet)- voor zooveel betreft hare overige bepalingen treedt zij in werking op 1 Juli 1897.

In de gevallen, waarin de bepalingen dezer wet aanspraak geven op een hooger pensioen dan hetgeen is toegekend onder de werking der bepalingen, die van 1 Januari 1891 af hebben gegolden, worden de termijnen bedoeld in het laatste (thans 4de) lid van artikel 18 der wet van 9 Mei 1890 (Staatsblad no. 78) gerekend een aanvang te nemen op den dag der afkondiging van deze wijzigingswet.

Art. 4 (der Wijzigingswet van 1897). De wet van 9 Mei 1890 (Staatsblad no. 78) zooals zij bij deze wel of bij latere wetten mocht worden gewijzigd, zal kunnen worden aangehaald als «Burgerlijke Pensioenwet».

31*

-ocr page 522-

WET,

TOT KEGELING VAN HET PENSIOEN DER WEDUWEN EN WEEZEN VAN BURGERLIJKE AMBTENAREN. gt;)

(Vastgesteld den 9den Mei 1890, Stsbl. no. 79, uitgegeven den 16den Mei d.a.v. Gewijzigd bij de wet van 30 September 1893, Stsbl. no. 145.)

Wu WILLEM III, enz.

Alzoo Wij in overweging genomen hebben dat het wenschelijk is pensioen te verleenen aan de weduwen en weezen der burgerlijke ambtenaren;

Zoo is het, dat Wij, enz.

Art. 1. Aan de weduwen van burgerlijke ambtenaren en aan hunne weezen beneden den leeftijd van 18 jaren, wordt pensioen verleend ten laste van het krachtens deze wet op te richten Fonds, in de gevallen, onder de voorwaarden en naar de regelen bij deze wet bepaald. (3, 8, 11, 13, 14, 18.)

2. Voor de toepassing dezer wet worden als burgerlijke ambtenaren aangemerkt zij, die daarvoor worden gehouden volgens de wet tot regeling van de pensioenen der burgerlijke ambtenaren, en die tijdens de invoering dezer wet in dienst zijn of daarna benoemd worden. (27, 28; B.Pens.w. 2.)

Vrouwelijke ambtenaren met een burgerlijk ambtenaar gehuwd of in het genot van een krachtens deze wet toegekend weduwenpen-sioen, worden niet als burgerlijke ambtenaren aangemerkt, wordende haar nochtans toegestaan tegen storting van het bedrag der in artikel 17 bepaalde kortingen deelgereehtigd te worden of te blijven in het bij artikel 18 bedoelde fonds ten behoeve van hare niet in huwelijk met een burgerlijk ambtenaar verwekte kinderen.

inj ne

Vrouwelijke ambtenaren die van de in de vorige zinsnede toegekende bevoegdheid gebruik maken, zullen hiervan moeten doen blijken door het afleggen eener verklaring. Die verklaring moet zijn

1) De met een * gemerkte artikelen of onderdeelen van artikelen ziin aldus gewijzigd vastgesteld of ingevoegd volgens de wet van 30 September 1893, S. 145.

-ocr page 523-

WET PENSIOENEN WEDUWEN EN WEEZEN ENZ.

ingeleverd bi] den directeur van het hiervoren vermelde fonds, binnen drie maanden na den dag waarop zij komen te verkeeren in een geval, waarin de bepaling dat zij niet als burgerlijke ambtenaren worden aangemerkt, op haar van toepassing wordt.

*Onder weezen worden in deze wet verstaan wettige of gewettigde kinderen van overleden burgerlijke ambtenaren.

*Indieu een kind, van hetwelk de echtgenoote van een burgerlijk ambtenaar bij het overlijden van haren man zwanger is, levend ter wereld komt, wordt het aangemerkt als reeds geboren toen de vader stierf.

*3. Weduwen en weezen, als zoodanig gerechtigd tot eenig ander pensioen uit de inkomsten van den Staat of uit die van zijne koloniën en bezittingen in andere werelddeelen, hebben geen recht op pensioen uit het in artikel 1 bedoelde fonds, dan voor zoover het door hen genoten pensioen lager is dan dat, waarop de bepalingen dezer wet aanspraak geven. In dat geval wordt hun, behoudens het bepaalde bij artikel 25, een aanvullingspensioen toegekend, gelijkstaande met het verschil.

Als betaald wordende uit de inkomsten van den Staat en van zijne koloniën en bezittingen in andere werelddeelen wordt niet aangemerkt een pensioen waarop recht is verkregen door vrijwillige deelname krachtens bepalingen in koloniale verordeningen. (13, 17 sub ƒ.)

4. Indien een burgerlijk ambtenaar in het huwelijk treedt nadat hij op wachtgeld gesteld, gepensionneerd of zijn zestigste levensjaar ingetreden is, hebben zijne weduwe en zijne bij haar verwekte kinderen geen aanspraak op pensioen.

Evenmin hebben aanspraak op pensioen de kinderen geboren uit het huwelijk door eene vrouwelijke ambtenaar aangegaan nadat zij was op wachtgeld gesteld of gepensionneerd.

Bij herplaatsing worden de ambtenaren voor de toepassing dezer wet als nieuw aangestelde ambtenaren aangemerkt, behoudens het bepaalde bij het 5de lid van art. 10 en het tweede lid van art. 17, a en h. (10, 7de lid, 13.)

*5. De pensioenen bedragen:

et. voor weduwen van burgerlijke ambtenaren, een vierde der som, die laatstelijk tot grondslag voor de pensioensberekening dier ambtenaren heeft gestrekt; (13.)

h. voor elk der pensioengerechtigde kinderen, geboren uit het huwelijk van een burgerlijk ambtenaar met de vrouw, welke hij als weduwe nalaat, een-twintigste der som, die laatstelijk tot grondslag voor de pensioensberekening des vaders heeft gestrekt.

Het geheele bedrag van het weezenpensioen kan het een-vierde van den in de vorige zinsnede bedoelden pensioensgrondslag niet overschrijden.

Indien de weduwe tot pensioen gerechtigd is, wordt het sub «

485

-ocr page 524-

486 WET PENSIOENEN WEDUWEN EN WEEZEN ENZ.

bedoelde weduwenpensioen verhoogd met het volgens de beide vorige zinsneden toe te kennen weezenpensioen; (12 al. 1.)

c. voor elk der pensioengerechtigde kinderen van burgerlijke ambtenaren niet vallende in de termen sub b bedoeld, een-twaalfde der som, die laatstelijk tot grondslag voor de pensioensberekening des vaders heeft gestrekt.

Indien de kinderen uit verschillende huwelijken gesproten zijn, wordt het weezenpensioen voor de kinderen uit elk dier huwelijken afzonderlijk geregeld, op den voet in de vorige zinsnede aangegeven.

Het geheele bedrag van het weezenpensioen of de weezenpensioe-nen volgens de beide vorige zinsneden toe te kennen, kan het een-vierde van den pensioensgrondslag des vaders niet overschrijden. (12 al. 2.)

d. voor elk der pensioengerechtigde kinderen van vrouwelijke burgerlijke ambtenaren, een-twaalfde der som, die laatstelijk tot grondslag voor de berekening van haar ambtenaarspensioen heeft gestrekt.

Indien de kiuderen uit verschillende huwelijken gesproten zijn, wordt het weezenpensioen voor de kinderen uit elk dier huwelijken afzonderlijk geregeld, op den voet in de vorige zinsnede aangegeven.

Het geheele bedrag van het weezenpensioen of de weezenpensioe-nen volgens de beide vorige zinsneden toe te kennen, kan het een-vierde van den pensioensgrondslag der moeder niet overschrijden.

Onder de som die laatstelijk tot grondslag voor de pensioensberekening der ambtenaren heeft gestrekt, is, wanneer zij meer dan «éne betrekking te gelijk hebben bekleed, te verstaan het vereenigd bedrag der pensioensgrondslagen die voor hen in elke dier betrekkingen het laatst hebben gegolden. (6, 8; B.Pens.w. 13.)

*6. Het weduwenpensioen, zoo ook het gezamenlijk bedrag dei-volgens artikel 5 te verleenen weezenpensioenen, kan de som van zeshonderd gulden niet overschrijden; bij de regeling dier pensioenen komt als pensioensgrondslag geen hooger bedrag dan ƒ 2400 in aanmerking. (7, 17.)

*7. Indien het gezamenlijk bedrag der pensioenen van uit verschillende huwelijken nagelaten weezen ƒ 600 zou overschreden en dus op grond van de voor weezenpensioen gestelde maxima vermindering moet ondergaan, geschiedt die vermindering zóó, dat de verhouding, die volgens de aanvankelijke berekening, tusschen de verschillende pensioenen bestond, dezelfde blijft.

8. Het eenmaal bepaalde weezenpensioen, daaronder ook begrepen het bedrag waarmede het weduwenpensioen in het geval, voorzien bij art. 5, lit. b, 3de zinsnede, is verhoogd, wordt tot zijn vol bedrag uitgekeerd tot dat het jongste kind den leeftijd van 18 jaren heeft bereikt. (9.)

-ocr page 525-

WET PENSIOENEN WEDUWEN EN WEEZEN ENZ. 487

*9. De uitbetaling van weduwen- en weezenpensioen houdt op na afloop van het kwartaal, waarin het recht daarop is komen te vervallen.

10. Ambtenaren gepensionneerd of op wachtgeld gesteld wordende, behouden recht op pensioen voor hunne weduwen en weezen overeenkomstig art. 5 dezer wet, behoudens de korting, omschreven in art. 17 sub d en e.

Indien echter het pensioen eens ambtenaars later ingaat dan zijn ontslag, wordt de daarop verschuldigde korting over den sedert zijn ontslag verstreken tijd ingehouden bij de eerste betaling van zijn pensioen, en zoo noodig ook bij volgende betalingen. (B.Pens.w. 18 al. 3.)

*Bij latere herplaatsing van gepensionneerde ambtenaren blijven deze de korting omschreven in artikel 17. sub d of e, betalen, doch wordt door hen geene korting over den in hunne latere betrekking voor hen geldenden pensioensgrondslag voldaan, dan voor zooverre deze, behoudens het maximum van twee duizend vierhonderd gulden, hooger is dan uie welke heeft gestrekt tot regeling van hun pensioen.

Ambtenaren die zonder pensioen of wachtgeld, onverschillig om welke reden uit hunne burgerlijke betrekking ontslagen worden, behouden desverldezende recht op pensioen voor hunne weduwen en weezen;

a. tegen storting, binnen drie maanden na hun ontslag, van eene som, berekend naar de laatst voldane korting, volgens onderstaand tarief.

Leeftijd van den ambtenaar bij zijne uit den dienst treding.

Storting in eens voor eiken gulden der laatste jaarlijksche korting.

20 t/m 24 jaar

/ 26.50

25 » 29 »

25.10

30 » 34 »

23.50

35 * 39 »

21.75

40 » 44 »

19.70

45 » 49 »

17.20

50 » 54 »

14.55

55 » 59 »

11.80

60 » 64 :■gt;

9.25

65

8.80

h. tegen betaling van eene jaarlijksche bijdrage ten bedrage van ƒ 1.60 voor elke gulden der laatste jaarlijksche korting. Deze bij-

-ocr page 526-

488 WET PENSIOENEN WEDUWEN EN WEBZEN ENZ.

drage behoort, op straffe van verlies van alle aanspraken, voor de eerste maal binnen drie maanden n?i het ontslag en in de volgende jaren telkens vóór den dag waarop het ontslag is ingegaan, aan den directeur van het in art. 18 bedoelde weduwen- en weezenfonds betaald te zijn.

*Ambtenaren die gebruik hebben gemaakt van de sub a vermelde bevoegdheid zijn bij latere pensionneering van betaling van kortingen vrijgesteld. Bij latere herplaatsing zal door deze ambtenaren geene korting behoeven te worden voldaan over den in hunne latere betrekking geldenden pensioensgrondslag dan voor zoover deze, behoudens het maximum van ƒ 2400, hooger is dan die welke vroeger was verkregen. (4 al. 3.)

Voor ambtenaren die gebruik hebben gemaakt van de sub b vermelde bevoegdheid, zal in de bij het vorig lid genoemde gevallen, de verplichting tot betaling der jaarlijksche bijdrage vervangen worden door die tot betaling der kortingen vermeld bij art. 17.

Indien ambtenaren die van de sub a of 6 vermelde bevoegdheid gebruik hebben gemaakt, in het huwelijk treden nadat zij ontslagen zijn, hebben hunne weduwen en hunne bij haar verwekte kinderen, of wel indien het vrouwelijke ambtenaren geldt, hare uit dal, huwelijk geboren kinderen, geen aanspraak op pensioen.

11. Het weduwen- of weezenpensioen gaat in daags nadat de bezoldiging, het wachtgeld of het pensioen van den overledene is opgehouden, of in het geval bedoeld bij het vierde lid van art. 10, daags na het overlijden van den belanghebbende. (B.Pens.w. 20.)

12. Bij overlijden eener weduwe komt haar pensioen met de verhooging, over het loopende kwartaal, ten bate der pensioengerechtigde weezen, elk voor zijn aandeel. (5 sub b.)

Het weezenpensioen volgens lit. c van art. 5 gaat eerst in met het daarop volgende kwartaal. \') (B.Pens.w. 20.)

13. Door het volgend huwelijk eener weduwe gaat de aanspraak op weduwenpensioen, aan haar vorig huwelijk ontleend, voor haar verloren.

Haar pensioen met de verhooging wordt echter over het tijdens het volgend huwelijk loopend kwartaal ten volle uitbetaald.

*Na afloop van dat kwartaal wordt het tot dusver als verhooging genoten bedrag als afzonderlijk weezenpensioen uitbetaald. (5 sub b.)

*Bij overlijden van den lateren echtgenoot eener hertrouwde weduwe wordt aan deze, indien zij krachtens haar nader huwelijk geen pensioen, hetzij burgerlijk of militair, of wel een minder pensioen dan haar krachtens het vorig huwelijk toekwam, geniet, een

1) Eene oorspronkelijke derde alinea van dit artikel is bij de wet van 30 September 1893, S. 145, in verband met de wijziging van art. 9, vervallen.

-ocr page 527-

WET PENSIOENEN WEDUWEN EN WEEZEN ENZ. 480

op den sub a van artikel 5 bedoelden voet berekend weduwen-pensioen of het in artikel 3 bedoeld aanvullingspensioen toegekend.

Behoudens de bepalingen van art. 14, gaat dat genot in met. den dag volgende op dien, waarop de laatste echtgenoot is overleden, en zoo deze JKijkstractement, wachtgeld of pensioen genoot, met den dag volgende op dien, waarop dit heeft opgehouden.

14. De weduwen- en weezenpensioenen worden verleend op aanvrage van of vanwege de belanghebbenden.

Die aanvraag moet, met overlegging van de voor de regeling van het pensioen benoodigde stukken, worden ingediend bij den directeur van het in art. 18 genoemde fonds. *Zoowel de aanvraag als de daarbij over te leggen stukken zijn vrij van zegelrecht, ingeval het onvermogen van de belanghebbenden blijkt uit een getuigschrift afgegeven door den burgemeester hunner woonplaats en onder voorwaarde dat op de stukken van hunne bestemming uitdrukkelijk worde melding gemaakt. *Mede de attestatiën de vita tot ontvangst van weduwen- en weezenpensioenen ingevolge deze wet toegekend, en de daarvoor afgegevene quitantiën zijn vrij van zegelrecht, indien het jaarlijksch bedrag van het pensioen de som van driehonderd gulden niet te boven gaat.

De directeur zendt de aanvraag met de stukken aan den pensioenraad, genoemd in art. 27 der wet tot regeling van de pensioenen der burgerlijke ambtenaren. Deze brengt zijn advies uit omtrent het daaraan te geven gevolg. Dat advies wordt aan belanghebbenden medegedeeld.

Indien de Minister van Financiën zich met het advies van den raad niet vereenigt, deelt hij zijn gevoelen over het ingevolge de wet toe te kennen pensioen schriftelijk aan belanghebbenden mede.

Indien binnen drie maanden na den dag, waarop de bovenbedoelde mededeelingen gedaan zijn, het verlangen daartoe door belanghebbenden te kennen gegeven wordt, dan wordt over het advies het gevoelen ingewonnen van de afdeeling van den Raad van State, bedoeld bij het 2de lid van art. 13 der wet van 21 December 1861 {Staatsblai no. 120).

Wanneer ingevolge het bepaalde bij dit artikel het gevoelen van de afdeeling van den Raad van State, bedoeld bij het 2de lid van art. 13 der wet van 21 December 18(31 (Staatsblad no. 129), wordt ingewonnen, wordt de zaak behandeld op de wijze, vastgesteld voor de behandeling van geschillen van bestuur. (Wet 21 Dec. 1861, S. 129 artt. 23, 35—40.)

Is de in het 2de lid bedoelde aanvrage niet ingediend binnen een jaar na het tijdstip waarop aanspraak op pensioen verkregen werd, dan gaat het pensioen eerst in met het vierendeel jaars volgende op dat waarin de aanvrage is gedaan. Is zij niet ingediend binnen vijf jaren nil dat tijdstip dan is alle recht op pensioen verbeurd.

-ocr page 528-

WET PENSIOENEN WEDUWEN EN WEEZEN ENZ.

Dezelfde regelen gelden voor aanvragen om verhooging van reeds toegekend pensioen en voor de overlegging der stukken, tot staving van het recht op die verhooging dienende, met dien verstande, dat de termijnen van een jaar en vijf jaren dan beginnen te loopen van den dag, waarop het pensioen is toegekend.

Aan den voorzitter en de leden van den pensioenraad, genoemd in art. 27 der wet tot regeling van de pensioenen der burgerlijke ambtenaren, kunnen ter zake van de in dit artikel vermelde bemoeiingen door Ons vacatiegelden worden toegelegd. Deze uitgaven komen ten laste van het in art. 18 genoemde fonds en worden geacht tot de kosten van het beheer daarvan te behooren.

*Onverminderd het bepaalde in artikel 63 der wet van 5 October 1841 {Staatsblad no. 40) worden pensioenen die zijn toegekend met inachtneming van de in dit artikel gestelde regelen, door de Algemeene Rekenkamer verevend tot de bedragen waarop zij zijn toegekend, tenzij de betaling daarvan achterwege moet blijven op grond van artikel 22 dezer wet. (B.Pens.w. 18, 28.)

15. De weduwen- en weezenpensioenen worden op voordracht van den Minister van Financiën bij Koninklijke besluiten toegekend. (B.Pens.w. 19.)

16. De pensioer.en worden in volle guldens verleend. Onderdee-len van een gulden komen daarbij voor een gulden in berekening. (B.Pens.w. 20.)

17. Ten behoeve van het in artikel 18 dezer wet genoemde fonds wordt op de wedde, de belooning, het wachtgeld of het pensioen eene doorloopende korting ingehouden. (2, 10.)

Die korting bedraagt:

a. voor de vóór 1 Juli 1868 aangestelde ambtenaren die bij het in werking treden dezer wet in dienst zijn of later herplaatst worden, vijf ten honderd \'s jaars voor de mannelijke en één ten honderd \'s jaars voor de vrouwelijke ambtenaren, over alle verhoogingen van pensioensgrondslag door hen nil de invoering dezer wet te bekomen; (4 al. 3.)

b. voor de van af 1 Juli 1868 tot en met 31 December 1890 aangestelde ambtenaren die bij het in werking treden dezer wet in dienst zijn of later herplaatst worden: (4 al. 3.)

1°. voor de mannelijke vijf en voor de vrouwelijke éér. ten honderd \'s jaars, over alle verhoogingen van pensioensgrondslag door hen nil het in werking komen dezer wet te bekomen;

2°. voor de mannelijke twee ten honderd en voor de vrouwelijke ambtenaren vier tiende ten honderd \'s jaars, over den tijdens het in werking treden dezer wet voor hen geldenden pensioensgrondslag, dan wel voor hen die herplaa(st worden, over den pensioensgrondslag welke laatstelijk voor hen gegolden heeft;

c. voor de nil de invoering dezer wet te benoemen ambtenaren, voor de mannelijke vijf ten honderd en voor de vrouwelijke

490

-ocr page 529-

WET PENSIOENEN WEDUWEN EN WEBZEN ENZ.

ambtenaren één ten honderd \'s jaars, over hunnen pensioensgrondslag;

d. voor gepensionneerde en op wachtgeld gestelde ambtenaren, die tijdens het in werking treden dezer wet in dienst waren, vijf ten honderd voor de mannelijke en één ten honderd voor de vrouwelijke ambtenaren, over dat gedeelte van hun pensioen of wachtgeld, hetwelk tot het geheele pensioen of wachtgeld in dezelfde evenredigheid staat als de verhooging van den pensioensgrondslag nil het in werking treden der wet verkregen tot den laatsten voor hen geldenden pensioensgrondslag; (10 al. 1—3.)

e. voor gepensionneerde en op wachtgeld gestelde ambtenaren, die nü het in werking treden dezer wet benoemd zijn, vijf ten honderd voor de mannelijke en één ten honderd voor de vrouwelijke ambtenaren over hun pensioen of wachtgeld; (10 al. 1—3.)

*ƒ. voor ambtenaren, wier na te laten betrekkingen, ingevolge artikel 3, uitzicht hebben op toekenning van een aanvullingspensioen, indien zij vóór de invoering dezer wet zijn aangesteld, twee, indien zij later zijn aangesteld, vijf ten honderd \'s jaars van het tweevoud van het maximum bedrag, dat, in verband met hunnen pensioensgrondslag, nil hun overlijden als aanvullingspensioen kan worden toegekend; van ambtenaren wier na te laten betrekkingen, ingevolge het bepaalde bij artikel 3, geen uitzicht hebben op pensioen uit het in artikel 18 bedoelde fonds, wordt geene korting geheven.

De in dit artikel bedoelde kortingen houden op met den dag, waarop een ambtenaar, die ongehuwd is en geene kinderen beneden den leeftijd van 18 jaren heeft, wordt gepensionneerd of op wachtgeld gesteld of zijn öOste levensjaar intreedt, zoomede voor hen, die, nadat ze gepensionneerd, op wachtgeld gesteld of hun 60ste levensjaar ingetreden zijn, weduwnaar (weduwe) worden en geene kinderen beneden den leeftijd van 18 jaren hebben.

De ambtenaren of gepensionneerde of op wachtgeld gestelde ambtenaren, op wie het vorige lid van toepassing wordt, zijn verplicht binnen drie maanden nadat de korting ophoudt, daarvan kennis te geven aan den directeur van het weduwenfonds. Bij verzuim van tijdige kennisgeving wordt de op hun traktement, wachtgeld of pensioen reeds ingehouden korting niet teruggegeven.

De op het traktement, het wachtgeld of pensioen van een vrouwelijke burgerlijke ambtenaar ingehouden kortingen voor weezen-pensioen worden teruggegeven, indien zij met een burgerlijk ambtenaar huwt of in het genot treedt van een krachtens deze wet toegekend weduwenpensioen, tenzij zij verklaard heeft van de in artikel 2 toegestane bevoegdheid gebruik te willen maken.

*De bij litt. a, b en c van dit artikel bedoelde kortingen zullen door de ambtenaren aan wie met stilstand van wedde verlof is verleend tijdens den duur van dat verlof aan den directeur van het in artikel 18 bedoelde fonds betaald moeten worden binnen

491

-ocr page 530-

WET PENSIOENEN WEDUWEN EN WEBZEN ENZ.

drie maanden na afloop van het jaar waarover ze verschuldigd zijn.

*Wanbetaling der verschuldigde kortingen binnen gezegden termijn heeft verlies der deelgerechtigheid ten gevolge.

*Voor de toepassing van deze bepalingen wordt de pensioensgrondslag, het pensioen o£ het wachtgeld niet hooger berekend dan twee duizend vierhonderd gulden, met dien verstande dat, zoo de pensioensgrondslagen, pensioenen en wachtgelden van hem die meer dan eéne betrekking te gelijker tijd vervult of vervuld heeft, te za-men meer dan twee duizend vierhonderd gulden bedragen, elke der-zelve eene evenredige vermindering zal ondergaan.

18. Er wordt opgericht een weduwen- en weezenfonds voor burgerlijke ambtenaren. (2.)

Dit fonds bestaat uit:

a. de kapitalen aan het fonds toegekend, volgens art. 36 der wet tot regeling van de pensioenen der burgerlijke ambtenaren, en de rente dier kapitalen;

b. de bij artt. 10 en 17 dezer wet bedoelde bijdragen der ambtenaren, en ontslagen ambtenaren;

Daaruit worden betaald: ■ over

«. de ingevolge deze wet toe te kennen pensioenen; B

b. de kosten van beheer van het fonds; woo:

c. de uitkeering aan het Rijk, in de tweede zinsnede van art. 31 der dezer wet vermeld. lijk.

19. Het beheer van het weduwen- en weezenfonds voor burger- D lijke ambtenaren wordt volgens door Ons te stellen regelen gevoerd Fin: door eenen directeur onder toezigt van vijf commissarissen, allen 2 door Ons te benoemen. ving

*Aan de commissarissen wordt ter zake van hunne bemoeiingen *S als zoodanig eene som van duizend gulden per jaar toegelegd, waar- sioei van honderd gulden door elk hunner als vaste toelaag wordt ge- zenj noten.

*Na afloop van elk halfjaar wordt de helft van het overschietend bedrag tusschen hen verdeeld naar gelang van het getal vergaderingen, door ieder in dien tijd bijgewoond.

*Minstens drie hunner worden uit de deelhebbers in het fonds gekozen.

In geval van vacaturen der betrekking, \'t zij van den directeur of van een der commissarissen, dienen laatstgemelden aan Ons eene aanbevelingslijst van minstens twee candidaten tot vervulling der opengevallen betrekking in, opdat daarop door Ons zoodanig acht geslagen worde als Wij zullen vermeenen te behooren.

De directeur en de ambtenaren bij dit fonds worden als burgerlijke ambtenaren aangemerkt.

20. De ontvangsten en uitgaven van het fonds worden jaarlijki bij begrootingswet geregeld.

492

E 1

van

2

verl

r

a b. of r c. leen d van E ken

opg\'

gelo begi E

pass artil sioei besc

A

dlt; voot d( deze ploy van krac

-ocr page 531-

WET PENSIOENEN WEDUWEN EN WEEZEN ENZ.

Bij de indiening dier wet worden overgelegd:

1°. een volledig verslag van de werkzaamheden van het bestuur van het fonds over het afgeloopen jaar;

2quot;. eene lijst van de sedert de indiening der vorige begrooting verleende en vervallen weduwen- en weezenpensioenen. (B.Pens.w. 19.)

Die lijst vermeldt:

a. de namen der gepensionneerden;

b. de laatste dienstbetrekking van den overleden echtgenoot, vader of moeder;

c. de artikelen der wet krachtens welke het pensioen is verleend ;

d. het bedrag van het weduwenpensioen, van de verhoogingen en van de weezenpensioenen, elk afzonderlijk.

Bovendien wordt om de 5 jaar nevens de hiervoren vermelde stukken nog overgelegd eene wetenschappelijke balans van het fonds, opgemaakt onder dagteekening van 31 December van het laatst afgeloopen jaar. De eerste dier balansen zal worden overgelegd bij de begroeting voor het jaar 1897. (31.)

De hiervoren onder 1°. en 2°. genoemde bescheiden worden niet overgelegd bij de indiening der begrooting voor het dienstjaar 1892.

De regelen bij de wet omtrent het doen van rekening en verantwoording wegens \'s Rijks bijzondere fondsen vastgesteld of nader vast te stellen, zijn op die ontvangsten en uitgaven toepasse-lijk.

De rekening en verantwoording geschiedt door den Minister van Financiën. (Wet 5 Oct. 1841, S. 40, artt. 37 v.)

21. De belegging der kapitalen van het fonds geschiedt in inschrijvingen op een der Grootboeken van de Nationale Schuld.

*22. De artikelen 21, 30 en 31 der wet tot regeling van de pensioenen der burgerlijke ambtenaren zijn ook op de weduwen- en weezenpensioenen, artikel 22 dier wet is op de weduwenpensioenen toepasselijk, met dien verstande, dat in het bij het tweede lid van dat artikel bedoeld geval aan Ons blijft voorbehouden, over het pensioen der veroordeelde ten behoeve harer minderjarige kinderen te beschikken.

Overgangsbepalingen.

Art. 23. De vorenstaande bepalingen zijn niet toepasselijk op:

de legcstrekkende ambtenaren, deelgerechtigd in het weduwenfonds voor de geëmployeerden tot het algemeen bestuur behoorende,

de ambtenaren en de gewezen ambtenaren die tijdens de invoering dezer wet deelgerechtigd zijn in het weduwenfonds voor de geëmployeerden lot het algemeen bestuur behoorende, met uitzondering van hen die deelgerechtigd geworden zijn door vrijwillige deelname krachtens het bepaalde bij Koninklijk besluit van 15 Mei 1868

493

-ocr page 532-

WET PENSIOENEN WEDUWEN EN WEBZEN ENZ.

no. 35 of een der bij artikel 1 van dat besluit vervallen verklaarde vroegere besluiten,

de ambtenaren en de gewezen ambtenaren die bij de invoering dezer wet deelgereohtigd zijn in het weduwenpensioenfonds van het korps ingenieurs bij den waterstaat en in dat van de opzichters van den waterstaat,

de ambtenaren en de gewezen ambtenaren behoorende tot de deel-gereehtigden in het voormalig pensioenfonds der ontvangsten,

de hoogleeraren en de gewezen hoogleeraren, wier weduwen en weezen volgens de daaromtrent bestaande bepalingen recht hebben op toekenning van weduwen- en weezenpensioen.

*De na te laten betrekkingen van de hierbedoelde ambtenaren hebben mitsdien geene aanspraak op pensioen uit het weduwen- en weezenfonds voor burgerlijke ambtenaren, voor zoover hun recht toekomt op pensioen uit een der in dit artikel genoemde fondsen, behoudens het bepaalde bij artikel 25 dezer wet.

*De hierbedoelde ambtenaren hebben voor hunne weduwen en weezen uit tweede of volgend huwelijk, voor welke zij niet deelgereohtigd zijn in een der in dit artikel genoemde thans bestaande fondsen, aanspraak op pensioen uit het weduwen- en weezenfonds voor burgerlijke ambtenaren. De volgens de bepalingen dezer wet te betalen korting gaat dan in met de dagteekening van het tweede of volgend huwelijk, of indien dit op 1 Januari 1891 reeds voltrokken was, met dien datum.

24. Bij de invoering dezer wet worden de bij art. 23 genoemde fondsen voor verdere deelneming gesloten.

De pensioenen der na te laten betrekkingen van de deelgerecl: tigden in die fondsen worden, ook ten aanzien van nil de invoering dezer wet toe te kennen rangs- en traktementsverhoogingen, overeenkomstig de daaromtrent tijdens die invoering geldende bepalin gen geregeld. Blijven mede onveranderd de tijdens die invoering geldende bepalingen nopens het bedrag hetwelk deelgerechtigden bij toekomstige rangs- en traktementsverhooging of huwelijk aan de fondsen te betalen hebben, met dien verstande evenwel dat bij het in werking treden dezer wet de verplichting tot voldoening van de jaar-lijksche contributie, bedoeld sub 2°. van het Koninklijk besluit dd. 9 October 1828 no. 140, zooals dat is gewijzigd bij dat van 16 Juni 1856 no. 27, vervalt. Bovendien vervalt de verplichting, vermeld in art. 2 van het Koninklijk besluit van 20 Maart 1884 no. 14, *als-mede het Koninklijk besluit van 8 Februari 1827 no. 231 en art. 2 van het Koninklijk besluit van 26 December 1844 no. 59.

De wijze waarop aan de fondsen zal worden betaald hetgeen deelgerechtigden bij of nïi de invoering dezer wet aan die fondsen verschuldigd zijn of worden, wordt door Ons bepaald.

Van den toestand der hier bedoelde fondsen op 31 December 1890, en verder telkens om de vijf jaren, wordt opgemaakt eene

494

-ocr page 533-

WET PENSIOENEN WEDUWEN EN WEEZEN ENZ. 495

wetenschappelijke balans, en het voordeelig saldo waarmede de onder dagteekening van 31 December 1890 op te maken balans sluit, wordt, met de rente daarover ad 3\'/t pCt. \'s jaars sedert 1 Januari 1891, in \'s Rijks schatkist gestort.

De aan die gelden te geven bestemming wordt bij de wet geregeld. (Wet 22 Juni 1893, S. 94.)

De betaling der ten laste van deze fondsen verleende en nog te verleenen pensioenen wordt door den Staat gewaarborgd.

*25. Burgerlijke ambtenaren, die bij of nil het in werking treden dezer wet den dienst der administratiën ten welker behoeve de in artikel 23 bedoelde, thans bestaande fondsen zijn ingesteld, verlaten en in andere burgerlijke betrekkingen treden, kunnen, indien zij, bij den overgang of later, door het verkrijgen van een hoogeren pensioensgrondslag komen te verkeeren in het geval dat aan hunne weduwen en weezen uit die fondsen een geringer pensioen toekomt dan waarop de artikelen 5 en volgende dezer wet aanspraak zouden geven, in het weduwen- en weezenfonds voor burgerlijke ambtena-ren deelgerechtigd worden; des, dat hunne nagelaten betrekkingen lande uit dit fonds een aanvullingspensioen genieten tot een bedrag dat, fonds na eerst te zijn berekend alsof de belanghebbenden niet deelgerech-ret te tigd waren in een der in artikel 23 vermelde fondsen, wordt vast-de of gesteld op het aldus verkregen bedrag verminderd met dat hetwelk trok- uit evenbedoelde fondsen wordt genoten.

In dat geval zijn deze ambtenaren gehouden aan het in artikel 18 genoemde fonds jaarlijks bij te dragen vijf ten honderd van het tweevoud van het maximum bedrag, dat in verband met hunnen pensioensgrondslag na hun overlijden uit dat fonds als aanvullingspensioen kan worden toegekend.

De aanvrage hiertoe strekkende, moet binnen drie maanden na den dag, waarop de belanghebbende ambtenaar is komen te verkeeren in het geval in het eerste lid van dit artikel bedoeld, aan den directeur van het weduwen- en weezenfonds voor burgerlijke ambtenaren zijn ingediend. Later ingediend, wordt zij niet meer aangenomen. (Zie blz. 497 Slotbep. wijz.wet 1893.)

Vóór 1 Juli 1868 aangestelde burgerlijke ambtenaren die vóór het in werking treden dezer wet den dienst der hierbovenbedoelde administratiën verlaten hebben en in andere burgerlijke betrekkingen getreden zijn of treden zullen, worden, zoodra aan hunne weduwen en weezen uit de bij art. 23 genoemde fondsen een geringer pensioen toekomt dan waarop de artikelen 5 en volgende aanspraak zouden geven, zonder deswege iets verschuldigd te zijn, in het we-duwen- en weezenfonds voor burgerlijke ambtenaren deelgerechtigd op den in de eerste zinsnede van dit artikel bepaalden voet.

Nk 1 Juli 1868 aangestelde burgerlijke ambtenaren, die in het bij de vorige zinsnede bedoelde geval verkeeren, kunnen op hunne aanvrage op den in de eerste zinsnede van dit artikel aangegeven

laar-

ering i het

deel-

!n en ■bben

laren n- en recht dsen,

n en

ïelge-

emde

rech-ering over-Dalin-ering ;n bij fond-i wer-jaar-t dd. Juni sld in *als-irt. 2

deel-ver-

mber

li

-ocr page 534-

WET PENSIOENEN WEDUWEN EN WEEZEN ENZ.

voet deelgerechtigd worden in het weduwen- en weezenfonds voor burgerlijke ambtenaren tegen betaling aan dit fonds van twee ten honderd per jaar van het tweevoud van het maximum bedrag dat in verband met hunnen pensioensgrondslag nil hun overlijden uit dat fonds als aanvullingspensioen kan worden toegekend.

De in dit vorig lid bedoelde aanvraag moet aan den directeur van het in artikel 18 genoemde fonds zijn ingediend binnen drie maanden na den dag, waarop de belanghebbende ambtenaar is komen te verkeeren in het geval dat aan zijne weduwe en weezen uit de in artikel 23 bedoelde fondsen een geringer pensioen toekomt dan waarop de artikelen 5 en volgende dezer wet aanspraak zouden geven. Later ingediend, wordt zij niet meer aangenomen. (2; zie blz. 497 Slotbep. wijz.wet 1893.)

26. Do bij het in werking treden dezer wet ongehuwde ambtenaren zullen de in artikel 17 dezer wet vermeide kortingen niet te betalen hebben, indien zij binnen drie maanden na het in werking treden der wet aan den directeur van het in artikel 18 bedoelde fonds schriftelijk verklaard hebben, dat zij in dat fonds niet wen-schen deelgerechtigd te worden.

Ten gevolge van deze verklaring gaat voor de door hen na te laten betrekkingen alle aanspraak op weduwen- en weezenpensioen onherroepelijk verloren.

27. Aan de weduwen en weezen van burgerlijke ambtenaren, die na den lOden December 1888 overleden zijn, wordt toegekend het pensioen, dat zij zouden bekomen hebben, indien die ambtenaren waren overleden op den dag, waarop deze wet in werking treedt.

Eveneens zal aan de weduwen en weezen van burgerlijke ambtenaren die nü den lOden December 1888 gepen si onneerd of op wachtgeld gesteld zijn, toegekend worden het pensioen dat zij zouden bekomen hebben indien die ambtenaren gepensionneerd of op wachtgeld gesteld waren op den dag waarop deze wet in werking treedt.

De bepalingen der vorige zinsneden zijn niet van toepassing op de weduwen en weezen van burgerlijke ambtenaren, die nïi 10 December 1888 en vóór het in werking treden van deze wet, uit anderen hoofde in het genot van weduwen- en weezenpensioen getreden zijn of daarop aanspraak erlangd hebben.

*Indien dat pensioen echter minder mocht beloopen dan het bedrag, waarop de vorige leden van dit artikel aanspraak zouden geven, wordt uit het weduwen- en weezenfonds voor burgerlijke ambtenaren een aanvullingspensioen toegekend, gelijk staande met het verschil.

28. *De weduwen en weezen van burgerlijke ambtenaren, die vóór of op den lOden December 1888 overleden, gepensionneerd of op wachtgeld gesteld zijn, hebben aanspraak op twee derden van het pensioen, dat zij zouden bekomen hebben, indien die ambtenaren waren overleden, gepensionneerd of op wachtgeld gesteld op den dag waarop deze wet in werking treedt.

496

-ocr page 535-

wet pensioenen weduwen en weezen enz.

Het voorgaande lid is niet van toepassing op de weduwen en weezen. die vóór het in werking treden dezer wet uit anderen hoofde in het genot van weduwen- of weezenpensioen getreden zijn of daarop aanspraak erlangd hebben.

^Indien dat pensioen echter minder mocht beloopen dan het bedrag, waarop het eerste lid van dit artikel aanspraak zoude geven, wordt uit het weduwen- en weezenfonds voor burgerlijke ambtenaren een aanvullingspensioen toegekend, gelijkstaande mei het verschil.

*29. De bepalingen der artikelen 27 en 28 zijn niet van toepassing op de weduwen van de bij die artikelen bedoelde ambtenaren, die hertrouwd zijn.

De bepaling van het vierde lid van artikel 13 blijft nochtans op deze weduwen van toepassing.

30. Voor de toepassing van de bepalingen der artikelen 27 en 28 worden hoofden van ministerieele departementen als zoodanig niet als burgerlijke ambtenaren aangemerkt.

31. De beide eerste der in het vierde lid van art. 20 bedoelde wetenschappelijke balansen worden opgemaakt door drie deskundigen, waarvan een benoemd wordt door Onzen Minister van Financiën, een door commissarissen van het in art. 18 genoemde fonds, en de derde door den Hoogen Raad.

Indien uit de tweede balans blijkt, dat in het evengenoemde fonds een grooter kapitaal aanwezig is dan gevorderd wordt om, in verband met de door deze wet voorgeschreven bijdragen, te voldoen aan de door deze wet op het fonds gelegde verplichtingen, wordt dat meerdere, tot een bedrag van ten hoogste vier millioen gulden, aan het Kijk uitgekeerd. De aan die gelden te geven bestemming wordt bij de wet geregeld. (18.)

32. Deze wet treedt in werking op den Isten Januari 1891.

Bij de Wijzigingswet van 30 Sept. 1893, S. 145 (uitgegeven 14 Oct. d.a.v.), is gevoegd de volgende Slotbepaling:

slotbepaling.

Art. 2 (der Wijzigingswet van 1893). Deze wét wordt geacht op 1 Januari 1891 in werking te zijn getreden, voor zooveel betreft het bepaalde in de § § n tot en met i (aanvulling of wijziging van de artt. 2, 3, 5, 6, 7, 9, 10, 12 en 13), de laatste zinsnede van §j(art. 14 laatste alinea), § k (litt. ƒ van alinea 2, alinea ö en T en de laatste alinea van art. 17 j en de § § m tot en met s (wijziging of aanvulling van de artt. 22, 23, 24, 25, 27, 28 en 29J; voor zooveel betreft het bepaalde in de eerste en tweede zinsnede van § j (tweede en derde zinsnede der tweede alinea van art. 14 j en in § / ftweede, derde en vierde alinea van art. 19) treedt zij in werking op 1 Januari 1894.

Pensioenen of verhoogingen van pensioen, waarop door hare bepa-

stw. ii. 32

497

-ocr page 536-

wet pensioenen weduwen en weezen enz.

langen recht verkregen wordt, worden mede gerekend op 1 Januari 1891 te zijn ingegaan. De termijnen, bedoeld in het zevende en achtste lid van art. 14, worden voor de aanvragen om die pensioenen en verhoogingen gerekend een aanvang te nemen op den dag der afkondiging. Deze wet blijft echter buiten invloed op de pensioenen, waarop vóór hare afkondiging recht verkregen is, en die bij berekening volgens hare bepalingen minder zouden bedragen dan bij toepassing der tot dusver geldende regelen het geval is of zou zijn, en evenzeer op het bedrag der tot dusver verschuldigde kortingen.

Door rechtverkrijgenden van vóór de afkondiging overleden weduwen en weezen kan op grond van de bepalingen dezer wet geenerlei aanspraak op pensioen of verhooging van pensioen worden gemaakt.

Ambtenaren die wegens het ongebruikt laten voorbijgaan van den termijn gesteld in het 3de en in het laatste lid van artikel 25 der (Wed.pens.) wet van 9 Mei 1890 {Staatsblad no. 79), gelijk dit, op grond van deze wijzigingswet wordt geacht van 1 Januari 1891 af te luiden, niet meer deelgerechtigd zouden kunnen worden in het weduwen- en weezenfonds voor burgerlijke ambtenaren, zullen hunne aan- ^ vrage om deelgerechtigd te worden, alsnog kunnen doen tot en met f\'011 31 Maart 1894. Later ingediend wordt zij niet meer aangenomen. v;ln

BESLUIT,

houdende herziening van het koninklijk besluit van

2 Juli 1849, no. 55, omtkent het toekennen van

wachtgelden aan burgerlijke ambtenaren. \')

(Vastgesteld den 24sten Juli 1869, Stsbl. no. 142, uitgegeven den 3den Augustus d.a.v. Gewijzigd bij K.B. van t April 1892, Stsbl. no. 60. De tekst nader bekend gemaakt bij K.B. van 6 Dec. 1892, Stsbl. no. 260.)

*Art. 1. Aan burgerlijke ambtenaren, die wegens opheffing van eene door hen bekleed wordende betrekking of ten gevolge van eene reorganisatie van het dienstvak waartoe zij behooren, eervol, doch niet op eigen verzoek worden ontslagen, wordt wachtgeld toegekend, indien zij geen aanspraak hebben op pensioen of indien het pensioen waarop zij aanspraak kunnen doen gelden, minder bedraagt dan het bij artikel 3 eerste lid van dit besluit bepaalde bedrag.

quot;Wachtgeld kan mede worden toegekend aan burgerlijke ambtenaren, die om andere dan de in het eerste lid van dit artikel genoem-

1) De met een * gemerkte artikelen of onderdeelen van artikelen zijn aldus gewijzigd vastgesteld of ingevoegd volgens art. 1 van K.B. i April 1892, S. 60.

498

-ocr page 537-

K.B. WACHTGELDEN BURGERL. AMBTENAREN. 499

de redenen eervol, doch niet op eigen verzoek worden ontslagen, indien zij geen aanspraak hebben op pensioen. (3, 4; B.Pens.w. 2, 3 sub d.)

*2. De wachtgelden worden verleend en genoten naar de bepalingen en onder de voorwaarden in de artikelen 3 tot en met 9 van dit besluit opgenomen.

*3. De wachtgelden, te verleenen aan de bij het eerste lid van artikel 1 bedoelde ambtenaren, bedragen de helft van den laatsten pensioensgrondslag, welke voor die ambtenaren bepaald was wegens de betrekking waaruit zij zijn ontslagen. (B.Pens.w. 13.)

De ingevolge het tweede lid van artikel 1 te verleenen wachtgelden worden, wat de berekening van het bedrag en de toerekening van den diensttijd betreft, geregeld volgens de op ] Januari 1891 van kracht zijnde of later te maken wettelijke bepalingen voor de regeling van de pensioenen der burgerlijke ambtenaren. (B.Pens.w. 6, 9.)

Zij bedragen echter minstens één derde en hoogstens de helft van den laatsten pensioensgrondslag, welke voor de bij het tweede lid van artikel 1 bedoelde ambtenaren bepaald was wegens de betrekking, waaruit zij zijn ontslagen. (5.)

Ongeacht de bovenstaande bepalingen kan een wachtgeld, zoomede het vereenigd bedrag van hetgeen door een ambtenaar wegens wachtgeld en pensioen wordt genoten eene som van drie duizend gulden \'s jaars niet overschrijden.

Geen wachtgeld wordt toegekend, tenzij de belanghebbende, indien hij valt in de termen van het eerste lid van artikel 1, minstens vijf jaren, en, valt hij in de termen van het laatste lid van dat artikel, minstens tien jaren als burgerlijk ambtenaar gediend hebbe. (B.Pens.w. 3.)

4. *De wachtgelden worden verleend bij Koninklijk besluit.

In de besluiten of beschikkingen, waarbij ambtenaren om één der redenen, bij het eerste lid van artikel 1 vermeld, worden ontslagen, wordt de oorzaak van het ontslag uitgedrukt.

*5. De wachtgelden worden verleend tot wederopzeggens toe.

Wachtgelden, toegekend aan ambtenaren, die op den dag waarop hun ontslag ingaat den vollen leeftijd van veertig jaren nog niet hebben bereikt en ontslagen zijn om andere redenen dan wegens opheffing hunner betrekking of reorganisatie van het dienstvak waartoe zij behoorden, worden verleend tot het bij artikel 3, derde lid, bepaalde maximum.

Onverminderd het bepaalde in het eerste lid van dit artikel en in artikel 8, vervallen de wachtgelden na vijf jaren, indien zij zijn toegekend:

a. aan ambtenaren, die op den dag waarop hun ontslag ingaat, den vollen leeftijd van veertig jaren nog niet hebben bereikt;

h. aan ambtenaren, die na tien jaren of langer gediend te hebben,

32*

-ocr page 538-

500 K.ll. WACHTGELDEN BURGERIj. AMBTENAREN.

ontslagen worden wegens opheffing hunner betrekking of reorganisatie van het dienstvak, waartoe zij behooren.

Behoudens het bepaalde bij artikel 10 en bij het eerste lid van dit artikel worden de wachtgelden, die na vijf jaren niet vervallen, herzien en, te rekenen van dat tijdstip, wat de berekening van het bedrag en de toerekening van den diensttijd betreft, nader geregeld volgens de op 1 Januari 1891 van kracht zijnde of later te maken wettelijke bepalingen voor de regeling van de pensioenen der burgerlijke ambtenaren. Deze herziening blijft achterwege, indien zij verhooging van het wachtgeld tengevolge zou moeten hebben.

De in het vorige lid bedoelde wachtgelden vervallen op den dag, waarop de belanghebbenden uit hoofde van hunnen leeftijd aanspraak verkrijgen op pensioen. (B.Pens.w. 3 al. 2.)

6 (\'oud 7). \') Ieder voorstel, tot het verleenen van wachtgeld aan Ons to doen, gaat vergezeld van een advies van het Departement van Financiën omtrent het bedrag daarvan.

De staten van dienst der ontslagen ambtenaren worden daartoe met de vereischte bescheiden aan dat Departement medegedeeld.

*7 (oud 8). De bepalingen van de artikelen 22 en 23 der (Burg. Pens.)\\vet van 9 Mei 1890 {Staatsblad no. 78) zijn op de wachtgelden toepasselijk. (11.)

8 (oud 9). Wanneer de titularis van een wachtgeld in \'s Rijks dienst wordt herplaatst in eene betrekking, waarvan de bezoldiging met de laatst door hem genotene gelijk staat of die overtreft, vervalt het wachtgeld, onverschillig of de benoemde de betrekking al dan niet aanvaardt.

Ingeval de nieuwe bezoldiging het bedrag der laatstgenotene niet bereikt, wordt het wachtgeld door Ons naar omstandigheden verminderd in dier voege, dat het gezamenlijk inkomen daardoor niet hooger zij dan de laatstgenoten bezoldiging en niet minder dan een vierde boven het bedrag van het wachtgeld.

Bij herplaatsing voor een bepaalden tijd of in eene afloopendc betrekking wordt het wachtgeld gedurende het vervullen der nieuwe betrekking geschorst, indien de daaraan verbonden belooning valt in de termen van liet eerste lid, en op den hierboven bepaalden voet gedeeltelijk of ten volle genoten, wanneer die belconing valt in de termen van het tweede lid van dit artikel. (5, 11.)

9 (oud 10). Bij overlijden van den titularis worden de wachtgelden uitbetaald over liet geheele vierendeel \'s jaars, waarin het sterfgeval plaats heeft. (11; B.Pens.w. 20.)

10 (oud 11). Wanneer in buitengewone gevallen de bepalingen van dit besluit geacht worden geen billijken maatstaf voor de toe kenning of berekening van wachtgelden op te leveren, kan daarin

1) Het oud art. 6 is vervallen volgens art. 1 van K.B. 4 April 1892

S. (30.

-ocr page 539-

K.B. WACHTGELDEN BUKGEKL. AMBTENAREN.

door Ons, op advies van den raad van Ministers, bij afzonderlijke besluiten worden voorzien. (5.)

11 (oud 12). De bepalingen van dit besluit zijn mede toepasselijk op hen, aan wie vóór de inwerkingtreding daarvan eervol ontslag is verleend, doch wier wachtgeld nog niet is geregeld.

*De artikelen 7, 8 en 9 zijn ook op de reeds verleende wachtgelden toepasselijk, voor zoover, wat de beide eerstgenoemde artikelen betreft, de daarbij omschreven gevallen zich na het in werking treden van dit besluit voordoen.

12 (oud 13). Ons besluit van den 2den Juli 1849, no. 55, wordt ingetrokken.

13 (oud 14). Voor Eijkstolgaarders, die ten gevolge van tolver-pachtingen of anderszins buiten betrekking geraken en niet dadelijk herplaatst worden, blijven Onze besluiten van 21 April 18U4, no. 60, en 20 Maart 1867, no. 63, van kracht.

14 (oud 15). Dit besluit treedt in werking met den vijfden dag na dien zijner afkondiging.

Artikel 2 van het Koninklijk besluit van den 4den April 1892 (Staatsblad no. 60).

De bepalingen van dit besluit zijn mede toepasselijk op hen aan wie vóór de in werking treding daarvan eervol ontslag is verleend, doch wier wachtgeld nog niet is geregeld.

Het bepaalde bij dit besluit is niet van toepassing op de wachtgelden, welke vóór de inwerkingtreding van dit besluit zijn verleend. Daarvoor blijft van kracht het Koninklijk besluit van 24 Juli 1869 (Staatsblad no. 142). 1)

Artikel 3 van het Koninklijk besluit van den 4den April 1892 (Staatsblad no. 60). (Uitgegeven den 12den April 1892.)

Dit besluit treedt in werking met den vijfden dag na dien zijner afkondiging.

501

1892,

1

Zooals door de * bij den tekst blijkt, wijkt \'t tegenwoordige K.B. slechts in de artt. 1,3,4, 5 en 7 in redactie van \'t oorspronkelijke af, terwijl het oude art. 6 vervallen is.

Voor de bij de inwerkingtreding van K.B. 4 April 1892, S. GO, reeds verleende wachtgelden, heeft thans nog slechts beteekenis de bepaling van

Art. 3 (oud) eerste lid: De wachtgelden worden geacht verleend te worden tot wederopzeggens toe. (Vergelijk in den tekst art. 5, eerste lid.)

Art. 8 (oud) bevatte een analoge bepaling als het tegenwoordige artikel 7.

-ocr page 540-

WET,

HOUDENDE BEPALINGEN OMTRENT DE UITGIFTE VAN SCHATKISTBILJETTEN.

(Vastgesteld den Iden April 1870, Stsbl. no. 62, uitgegeven den 9den April d.a.v. Gewijzigd bij de wet van 3i Dec. 1897, Stsbl. no. 281.J

Art. 1. Er kunnen schatkistbiljetten worden uitgegeven: (Wet Sch.prom. 13.)

o. om te voorzien in tijdelijke behoeften van \'s Eijks kas tot een bedrag van vier millioen gulden;

b. tot aanvulling van of dekking van tekorten op de raiddelen, bestemd tot goedmaking van de uitgaven in de Staatsbegrooting van eenig dienstjaar begrepen, voor zoodanig bedrag als boven dat onder lit. a vermeld bij de wet wordt toegestaan. (Wet Sch.prom. 1.)

2. De uitgifte van schatkistbiljetten geschiedt a pari of hooger. 1)

Zij wordt door Ons bevolen bij besluiten, die in het Staatsblad

en de Staatscourant worden geplaatst. (Wet Sch.prom. 3.)

Ieder schatkistbiljet bedraagt honderd gulden of veelvouden dier som. (K.B. Sch.bilj. 1; Wet Sch.prom. 4.)

De schatkistbiljetten worden bij de Algemeene Rekenkamer geregistreerd en van een bewijs dier registratie voorzien. (Wet Sch.prom. 2; Wet 5 Oct. 1841, S. 40, zie Meijer Stsw. L)

3. De schatkistbiljetten worden uitgegeven voor tijdvakken van niet langer dan twaalf maanden, te rekenen van het daarop aan te wijzen tijdstip van uitgifte. (5; Wet Sch.prom. 4; K.B. Sch.bilj. 1—3.)

4. De rente der schatkistbiljetten wordt naar omstandigheden door Ons bepaald en op de biljetten uitgedrukt.

Bij uitgifte van schatkistbiljetten boven den parikoers, wordt het verschil tusschen de voor die biljetten in \'s Rijks kas gedane stortingen en hun nominaal bedrag in mindering van de rente gebracht. *) (Wet Sch.prom. 8.)

5. De hoofdsom der schatkistbiljetten is opvorderbaar ra afloop van het tijdvak waarvoor ieder biljet wordt uitgegeven, mits dit van de zijde des houders ééne maand vóór dat tijdstip is opgezegd.

De schatkistbiljetten, die op het hierboven bepaalde tijdstip niet

1) De woorden „of hoogerquot; in art. 2 al. 1 en de tweede alinea van art. 4 aldus toegevoegd volgens artt. 1 en 2 der wet van 31 Deo. 1897, S. 281, uitgegevens Januari 1898. Art. 3 dezer wet bepaalt: Deze wet treedt in werking op den dag harer afkondiging.

-ocr page 541-

WET UITGIFTE VAN SCHATKISTBILJETTEN.

zijn opgezegd, worden geacht telkens voor drie maanden verlengd te zijn. (3, 6.)

6. De schatkistbiljetten zijn van de zijde van den Staat met den vervaldag aflosbaar, mits de aflossing minstens eéne maand voor dien dag in de Staatscourant worde aangekondigd.

7. De rente van opgezegde schatkistbiljetten is, onverschillig of de opzegging van de zijde der houders of van den Staat is geschied, niet verder dan tot den vervaldag verschuldigd. (K.B. Sch.bilj. 5.)

8. De hoofdsom der schatkistbiljetten is verjaard vijf jaren na den dag, waarop zij opvorderbaar wordt.

Deze bepaling wordt op de biljetten uitgedrukt. (Wet Sch.prom. 5.)

9. De Minister van Financiën is bevoegd de schatkistbiljetten, waarvan de uitgifte door Ons is bevolen, in beleening te plaatsen. (Bankwet Hits.)

10. Van de uitgifte, het aannemen van opzeggingen en de intrekking van schatkistbiljetten wordt door de ambtenaren, aan wie die verrigtingen zijn opgedragen, overeenkomstig voorschriften door Ons te geven, regtstreeks en volledig aan de Algemeene Rekenkamer opgave gedaan. (Wet Sch.prom. 7.)

11. De afgeloste schatkistbiljetten kunnen, onder nieuwe dagtee-kening, weder worden uitgegeven.

Onbruikbaar geworden schatkistbiljetten kunnen te allen tijde door nieuwe stukken worden vervangen.

De onbruikbaar geworden schatkistbiljetten en die, waarvoor de magtiging tot uitgifte, ingevolge nadere regeling bij de wet, is vervallen, worden, voorzien van een kenteeken dat zij van onwaarde zijn, ter vernietiging bij de Algemeene Rekenkamer overgebragt. (Wet : Sch.prom. 9.)

12. De verder noodige bepalingen betreffende de uitgifte, rentebetaling, opzegging en aflossing der schatkistbiljetten worden, in overeenstemming met de voorschriften dezer wet, bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur door Ons vastgesteld. (K.B. Sch.bilj.)

13. Tot bevordering van de aflossing en wederuitgifte der schatkistbiljetten kunnen zoodanige biljetten tot eene som, gelijkstaande met een vierde van het bedrag, waarvan de uitgifte bij de wet is toegestaan, in voorraad opgemaakt en door de Algemeene Rekenkamer geregistreerd, doch niet boven dit bedrag in omloop gebragt worden.

14. Op den vijftienden van elke maand wordt door den Minister van Financiën in de Staatscourant opgave gedaan van het bedrag van alle op den eersten der maand in omloop zijnde of in beleening geplaatste schatkistbiljetten. (Wet Sch.prom. 11.)

15. Ingeval schatkistbiljetten, overeenkomstig deze wet uitgegeven, vóór dat zij afgelost of verjaard zijn, vernietigd worden, kan daarvoor, behoudens het bepaalde bij het tweede en derde lid van dit

l artikel, tegemoetkoming worden verleend onder de voorwaarden en op den voet, omschreven in de artikelen 2 tot en met 8 der wet (te

503

-ocr page 542-

WET UITGIFTE VAN SCHATKISTBILJETTEN.

loor gaan v. schuldbr.) van den 30sten Mei 1847 [Staatsblad no. 26).

Het bij art. 6 dier wet bedoelde rentebewijs geeft geen regt op meer renten dan, naar de bepalingen der tegenwoordige wet, op het vernietigde schatkistbiljet zelf verschuldigd zouden zijn.

Wanneer een schatkistbiljet, waarvoor tegemoetkoming wordt gevraagd, van de zijde van den houder of van den Staat vóór de beweerde vernietiging is, — of van de zijde van den Staat daarna wordt opgezegd, — kan de hoofdsom van het biljet, tegen intrekking van het rentebewijs, aan den houder van dit laatste tegen quitantie worden voldaan, zoodra die hoofdsom, indien het biljet niet vernietigd ware, volgens artikel 8 dezer wet door verjaring getroffen zoude zijn. (Wet Sch.protn. 12.)

16. De wet (Sch.bilj.) van den 18den Junij 1851 (Staatsblad no. 65), art. 3 der wet van den 19den Augustus 1861 (Staatsblad no. 74) en het laatste lid van art. 3 der wet van den 20sten December 1867 (Staatsblad no. 131), zooals het is vastgesteld bij art. 2 der wet van den 27sten Junij 1868 (Staatsblad no. 91), worden ingetrokken.

Op de schatkistbiljetten, bij het laatstgenoemde wetsartikel bedoeld, zijn de bepalingen der tegenwoordige wet toepasselijk.

BESLUIT,

HOUDENDE BEPALINGEN OMTRENT DE UITGIFTE, OPZEGGING, AFLOSSING EN RENTEBETALING VAN SCHATKISTBILJETTEN.

(Vastgesteld den 21sten Augustus 1870, Stsbl. no. 154, uitgegeven den 27sten Augustus d.a.v. Gewijzigd bij K.B. 30 Dee. 1891, Stsbl. no. 247 en 25 Jan. 1898, Stsbl. uo. 27.)

Wu WILLEM III, ENZ.

Gezien art. 12 der wet van den 4den April 1870 (Staatsblad no. 62), houdende bepalingen omtrent de uitgifte van schatkistbiljetten;

Hebben goedgevonden en verstaan omtrent de uitgifte, opzegging, aflossing en rentebetaling der schatkistbiljetten vast te stellen de volgende bepalingen:

504

Art. 1. De schatkistbiljetten worden, naar indeelingen door den Minister van Financiën te regelen, uitgegeven in stukken van honderd gulden of van veelvouden dier som, en voor tijdvakken van drie, zes, negen of twaalf maanden. \')

Art. 1 aldus gewijzigd bij K.B. 30 Deo. 1891 S. 247.

-ocr page 543-

K.B. UITGIFTE, OPZEGGING ENZ. V. SCHATKISTBIUETTEN. 505

2. De uitgifte geschiedt, na aankondiging, bii openbare inschrijving, ten kantore van den Agent van het Ministerie van Financiën te Amsterdam, en door tusschenkorast van die Betaalmeesters, welke tot het aannemen van inschrijvingen op- en stortingen voor schatkistbiljetten worden aangewezen. \')

3. Op de schatkistbiljetten wordt als dag van uitgifte vermeld de eerste dag der maand, waarin het daarvoor verschuldigde bedrag in \'s Eijks kas wordt gestort.

In die storting wordt het bedrag der rente van en met den dag van uitgifte tot en met dien, welke de storting voorafgaat, begrepen.

Voor de berekening der bij te betalen rente wordt de maand op dertig dagen gesteld.

Geene storting geschiedt dan na bekomen berigt dat de biljetten verkrijgbaar zijn.

4. De opzegging van schatkistbiljetten geschiedt aan een der kantoren voor de uitgifte aangewezen, door inlevering in tweevoud van behoorlijk ingevulde en onderteekende, daartoe kosteloos verkrijgbaar te stellen formulieren, waarvan een exemplaar, van een bewijs van aanneming voorzien, wordt teruggegeven.

Die verklaringen zijn vrij van zegelregt.

Bij de opzegging worden de schatkistbiljetten vertoond en ten blijke daarvan gestempeld.

De aflossing geschiedt aan het kantoor van opzegging.

5. De rente van opgezegde schatkistbiljetten wordt, gelijktijdig met de hoofdsom, tegen kwitancie uitbetaald. (Wet Sch.bilj. 7.)

Die van de niet opgezegde biljetten wordt, mede tegen kwitancie, om de zes maanden, gerekend van de dagteekening van uitgifte, aan de bij art. 2 bedoelde kantoren voldaan, en zulks op vertoon der biljetten, die ten blijke der gedane betaling gestempeld worden.

Voor de rente-kwitancien worden formulieren kosteloos verkrijgbaar gesteld.

6. Door de zorg van den Agent van het Ministerie van Financiën wordt het bedrag, dat de schatkistbiljetten meer opbrengen dan hunne nominale waarde ten kantore van een Betaalmeester gestort. De hiervoor te ontvangen quitantiën van storting worden door den Agent aan den Minister van Financiën gezonden.

De daarin vermelde bedragen worden aangewend tot vermindering van het bezwaar, verevend op het artikel voor de betaling van rente van vlottende schuld, opgenomen in de Staatsbegrooting van het jaar, ten laste waarvan de eerste renteterraijn dier schatkistbiljetten komt.1)

Onze Minister van Financien is belast met de uitvoering van dit besluit, enz.

1

Art. 2 aldus gewijzigd vastgesteld en art. 6 toegevoegd, volgens K.B. 25 Jan. 1898, S. 27, inwerkingtredend 1 Febr. 1898.

-ocr page 544-

WET,

HOUDENDE BEPALINGEN OMTRENT DE UITGIFTE VAN SCHATKIST PROMESSEN.

(Vastgesteld den 5den December 1881, Stsbl. no. 185, uitgegeven den 6den December d.a.v.)

Wu WILLEM III, enz.

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk is de wettelijke bepalingen omtrent de wijze van uitgifte van vlottende schuld uit te breiden;

Zoo is het, dat Wij, enz.

Art. 1. Met de bestemming, vermeld in art. 1 der wet (Schatkist-bilj.) van den 4den April 1870 {Staatsblad no. 62), kunnen, behalve de schatkistbilletten, bij die wet bedoeld, ook schuldbewijzen worden uitgegeven, waarvan de rente bij de uitgifte verrekend wordt.

Zij dragen den naam van schatkistpromessen.

Hun bedrag mag, vereenigd met dat der ingevolge de voormelde wet opgemaakte schatkistbilletten, het bedrag niet overtreffen, waarvoor uitgifte of beleening van schatkistbilletten of schatkistpromessen bij de wet is toegestaan.

2. De voor schatkistpromessen bestemde formulieren worden on-geteekend en alleen ingevuld voor zooveel het volgnommer, het bedrag en den looptijd betreft, bij de Algemeene Rekenkamer geregistreerd en van een bewijs dier registratie voorzien, doch blijven bij haar berusten tot op het tijdstip van afkondiging der besluiten in art. 3 dezer wet vermeld. (Wet 5 Oct. 1841, S. 40, zie Meijer Stsw. I.)

3. De uitgifte van scbatkistpromessen wordt door Ons bepaald bij besluiten, die in het Staatsblad en de Staatscourant worden geplaatst. (Wet Sch.büj. 2.)

4. Iedere schatkistpromesse bedraagt duizend gulden of veelvouden dier som. (Wet Sch.bilj. 2.)

De schatkistpromessen houden in, dat het bedrag daarvan betaalbaar is hetzij aan toonder, hetzij aan de order van den nemer, na afloop van den op de promesse te vermelden termijn.

Die termijn is niet langer dan twaalf maanden. (Wet Sch.bilj. 3.)

5. Het regt tot opvordering van het bedrag der schatkistpromessen vervalt vijf jaren na den dag, waarop dat bedrag opvorderbaar is geworden.

-ocr page 545-

WET UITGIFTE VAN SCHATKIST-PROMESSEN. 507

Deze bepaling wordt op de promessen uitgedrukt. (12; Sch.bilj. 8.)

6. De uitgifte der schatkistpromessen geschiedt door of namens den Minister van Financien, hetzij na openbare aankondiging, bij inschrijving aan de meestbiedenden, hetzij bij onderhandsche plaatsing tegen een in beide gevallen overeen te komen disconto.

Ia het laatste geval worden te dier zake gedagteekende, wederzijds onderteekende verklaringen opgemaakt, vermeldende de nom-mers, het bedrag en den vervaldag der promessen, benevens het overeengekomen disconto.

De processen-verbaal van de bij dit artikel bedoelde inschrijvingen, de billetten voor die inschrijvingen en de bij het voorgaande lid bedoelde verklaringen zijn vrij van zegel- en registratieregt.

7. Van de bewaring, de uitgifte en de intrekking van schatkistpromessen wordt door den ambtenaar, aan wien die verrigtingen zijn opgedragen, rekening gedaan aan de Algemeene Rekenkamer. (13.)

Alle ter zake van die uitgifte opgemaakte processen-verbaal en verklaringen van plaatsing worden aan die Kamer medegedeeld. (Wet Sch.bilj. 10.)

8. Het verschil tusschen het nominaal bedrag der geplaatste schatkistpromessen en dat der daarvoor in \'s Rijks kas gedane stortingen wordt verevend ten laste der voor renten en kosten van uitgifte van schatkistbilletten of schatkistpromessen bestemde begroo-tingsposten van hot jaar, waarin de storting geschiedt. (Wet Sch. bilj. 4.)

9. Onbruikbaar geworden schatkistpromessen kunnen ten allen tijde door nieuwe worden vervangen.

De onbruikbaar geworden en de afgeloste stukken worden, voorzien van een kenteeken, dat zij van onwaarde zijn, ter vernietiging bij de Algemeene Rekenkamer overgebragt.

De bepaling van het voorgaande lid is mede toepasselijk op door de Kamer afgezonden formulieren van schatkistpromessen, waarvoor de magtiging tot uitgifte is vervallen.

Kunnen die formulieren in de plaats treden voor andere, die volgens nadere wetsbepaling opgemaakt mogen worden, dan kan door Ons magtiging worden verleend, om een daarmede overeenkomend bedrag aan vernietigbare formulieren van de vernietiging uit te zonderen. Deze worden bij de Algemeene Rekenkamer overgebragt, ten einde gebruikt te worden bij eene nieuwe uitgifte van schatkistpromessen. (13; Wet Sch.bilj. 11.)

IC. Boven het bedrag, dat volgens het laatste lid van art. 1 dezer wet in schatkistpromessen kan worden uitgegeven, kunnen formulieren van zoodanige promessen tot eene som, gelijkstaande met een vierde van dat bedrag, in voorraad opgemaakt en door de Algemeene Rekenkamer geregistreerd en afgezonden, doch niet boven dat bedrag in omloop gebragt worden.

11. Op den vijftienden van elke maand wordt door den Minister

-ocr page 546-

508 WET UITGIFTE VAN SCHATKIST-PROMESSEN.

van Financien in de Staatscourant opgave gedaan van het bedrag van alle op den eersten der maand in omloop zijnde schatkistpro-messen. (Wet Seh.bilj. 14.)

12. Ingeval blijkt, dat schatkistpromessen overeenkomstig deze wet uitgegeven, vóór dat zij afgelost of verjaard waren en dus terwijl zij zich nog in omloop bevonden, vernietigd zijn, kau daarvoor tegemoetkoming worden verleend, onder de voorwaarden en op den voet, omschreven in de artt. 2 tot en met 5, eu in het eerste lid van art. 6 der wet (te loor gaan v. sehuldbr.) van den 30sten Mei 1847 (Staatsblad no. 26).

Die tegemoetkoming bestaat in het bedrag van de vernietigde promessen en wordt aan hen, wien zij is toegekend tegen quitantie uitbetaald, zoodra dat bedrag, indien de promessen niet vernietigd waren, volgens art. 5 dezer wet door verjaring zou getroffen zijn. (Wet Seh.bilj. 15.)

13. De bepalingen van het eerste lid van art. 7 en van het laatste lid van art. ii dezer wet gelden mede voor de schatkistbilletten, bedoeld bij de wet van den 4den April 1870 [Staatsblad no. 62).

Die schatkistbilletten blijven, nadat zij bij de Algemeene Rekenkamer geregistreerd en van een bewijs dier registratie voorzien zijn, bij haar berusten tot op hel tijdstip van afkondiging der besluiten, waarbij hare uitgifte door Ons wordt bevolen.

Overgangsbepaling.

Art. 14. Van de bij art. 3 der wet van den SOsten December 1880 {Staatsblad no. 237) verleende magtiging kan, zonder overschrijding van het daarbij vastgestelde bedrag, ook tot uitgifte van schatkistpromessen worden gebruik gemaakt.

(

beii

J

15 nar nen tegi zaa gen 5

het: dur 76 arti 1

ste var

zijr

f lt;-

mei of opg ber

-ocr page 547-

BESLUIT,

TOT VASTSTELLING VAN EEN KIESREGLEMENT VOOR DE KAMERS VAN ARBEID.

(Vastgesteld den 6den Januari 1898, Stsbl. no. 20, uitgegeven den 12den Januari d.a.v.)

Wu EMMA, enz.

Gezien de artt. S, 12, 14 en 16 der wet op de Kamers van arbeid (wet van 2 Mei 1897, Staatsblad no. 141);

Hebben goedgevonden en verstaan;

te bepalen:

HOOFDSTUK I.

Van de kiezerslijsten.

Art. 1. Het hoofd of de bestuurder van een bedrijf maakt voor 15 Januari van elk jaar eene lijst of zoo noodig lijsten op van de namen en van de voornamen der personen, die in zijn bedrijf binnen het gebied eener Kamer van arbeid, waarin het bedrijf is vertegenwoordigd, als patroons of in ziin dienst als werklieden werkzaam zijn of geweest zijn met inachtneming van hetgeen in de volgende artikelen is bepaald. (2—6, 10.)

2. Op de in art. 1 bedoelde lijsten worden vermeld zij, die bij hetzelfde hoofd of denzelfden bestuurder werkzaam zijn geweest gedurende het laatst verloopen kalenderjaar of, indien het een in art. 76 genoemd bedrijf betreft, gedurende den tijd, die ingevolge dat artikel ten aanzien van bedoeld bedrijf voor kalenderjaar geldt.

Daarop worden niet vermeld zij, die gedurende den in het eerste lid bedoelden tijd niet binnen het gebied eener zelfde Kamer van arbeid bij hetzelfde hoofd of denzelfden bestuurder werkzaam zijn geweest. (7.)

3. Op do in art. 1 bedoelde lijsten behoeven niet te worden vermeld zij, die geen ingezetenen des Rijks of geen Nederlanders zijn, of die op 15 Februari van het jaar, waarin de lijst moet worden opgemaakt, den leeftijd van vijf en twintig jaren niet zullen hebben bereikt. (Wet 12 Dee. 1892, S. 268.)

4. Zijn de personen, bedoeld in het eerste lid van art. 2, slechts

edrag stpro- :

-ocr page 548-

KIESREGLEMENT VOOR DE KAMERS V. ARBEID.

in ééne gemeente werkzaam geweest, dan zendt het hoofd of de bestuurder vóór 15 Januari eene in art. 1 bedoelde lijst, waarop die personen zijn vermeld, aan Burgemeester en Wethouders der genoemde gemeente.

5. Zijn de personen, bedoeld in het eerste lid van art. 2, in meer dan ééne gemeente werkzaam geweest, dan zendt het hoofd of de bestuurder vóór 15 Januari eene lijst, als in art. 1\' bedoeld, waarop hunne namen zijn vermeld, aan Burgemeester en Wethouders dei-gemeente, waar die personen het laatst werkzaam zijn geweest.

6. De in de vorige artikelen bedoelde lijsten worden ingericht overeenkomstig een door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid vast te stellen model. (10.)

7. Hij, die gedurende het laatst verloopen kalenderjaar of gedurende den tijd. die ingevolge art. 7(3 voor kalenderjaar geldt, niet in het bedrijf van hetzelfde hoofd of denzelfden bestuurder werkzaam is geweest, en die aanspraak kan maken om geplaatst te worden op eene kiezerslijst, is bevoegd daarvan vóór 15 Januari aangifte te doen bij Burgemeester en Wethouders der gemeente, waar hij werkzaam is geweest of het laatst werkzaam is geweest. (K.A. 14.)

Deze aangifte behelst eene nauwkeurige opgave van de hoofden en bestuurders, bij wie en van de gemeenten, waar de aangever werkzaam is geweest en wordt overigens ingericht overeenkomstig een door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid vastgesteld model. (10.)

8. Ten aanzien van hem, die in een in art. 76 genoemd bedrijf, dat in eene Kamer van arbeid is vertegenwoordigd, werkzaam is geweest, wordt op de lijst bedoeld in art. 1, of in de aangifte, bedoeld in art. 7, opgegeven gedurende welken tijd hij in dat bedrijf werkzaam is geweest.

9. Burgemeester en Wethouders zijn bevoegd om alvorens een persoon, die gedurende den in art. 76 vermelden tijd in een daar genoemd bedrijf werkzaam is geweest, op eene kiezerslijst te plaatsen, van dezen eene opgave te vorderen waar hij den overigen tijd van het laatst verloopen kalenderjaar werkzaam is geweest. Blijkt uit die opgave, dat de persoon in verschillende gemeenten, gelegen binnen het gebied eener zelfde Kamer van arbeid, op eene kiezerslijst zoude kunnen worden geplaatst, dan wordt hij slechts op de kiezerslijst gebracht in de gemeente, waar hij het laatst werkzaam is geweest.

Betreffen de bij hen ingekomen aangiften van en lijsten voor de in het eerste lid bedoelde personen niet de gemeente, waar die personen het laatst werkzaam zijn geweest, dan zenden Burgemeester en Weihouders de desbetreffende stukken vóór 1 Februari aan Burgemeester en Wethouders van die gemeente.

Voor zooveel noodig zenden Burgemeester en Wethouders afschrift van de in het tweede lid bedoelde lijst.

510

-ocr page 549-

KIESREGLEMENT VOOR DE KAMERS V. ARBEID.

10. Burgemeester en Wethouders stellen formulieren voor de in art. 1 bedoelde lijsten en voor de in art. 7 bedoelde aangifte kosteloos voor belanghebbenden verkrijgbaar.

Zij zenden in de maand December zooveel mogelijk aan de in art. 1 bedoelde hoofden en bestuurders formulieren der in dat artikel bedoelde lijsten.

11. Burgemeester en Wethouders herinneren in de maand December door middel van eene openbare kennisgeving aan de in de artt. 1, 4 en 5 bedoelde verplichtingen. Zij geven daarbij tevens kennis waar de in art. 10 bedoelde formulieren kosteloos verkrijgbaar zijn.

12. In het geval bedoeld aan het slot van het derde lid van art. 15 der wet op de Kamers van arbeid, zenden Burgemeester en Wethouders zoo noodig den belanghebbende een formulier, waarvan het model wordt vastgesteld door den Minister van Waterstaat. Handel en Nijverheid, met uitnoodiging dit formulier binnen veertien dagen ingevuld en onderteekend aan hun college terug te zenden.

13. De kiezerslijst voor de patroons vermeldt in alphabetische volgorde de namen der kiesgerechtigde patroons en voorts van ieder hunner den voornaam of de voornamen, den leeftijd en de woonplaats.

14. De kiezerslijst voor de werklieden vermeldt in alphabetische volgorde de namen der kiesgerechtigde werklieden en voorts van ieder hunner den voornaam of de voornamen, den leeftijd en de woonplaats.

15. Burgemeester en Wethouders maken jaarlijks uit de lijsten, aangiften en formulieren, bedoeld in de artt. 1, 7 en 12, de kiezerslijsten op en stellen deze op 15 Februari vaat. Zij leggen de kiezerslijsten onmiddellijk daarna op de secretarie der gemeente voor een ieder ter inzage neder. Van die nederlegging geschiedt openbare schriftelijke kennisgeving, welke gedagteekend is.

16. De kiezerslijsten gelden zooals zij door Burgemeester en Wethouders zijn vastgesteld, tot zij overeenkomstig het in art. 25 bepaalde zijn gewijzigd, tot zij door nieuwe worden vervangen of tot de Kamer van arbeid wordt opgeheven.

17. Wordt eene Kamer van arbeid opgericht, dan treden voor de in de artt. 3, 4, 5, 7, 9, 10, 11 en 15 genoemde dagen of maanden ;n de plaats de in het Koninklijk besluit van oprichting aan te wij-sen dagen of maanden.

18. Burgemeester en Wethouders zenden op aanvrage een afdruk of afschrift der door hen vastgestelde kiezerslijsten aan den Minister ran Waterstaat, Handel en Nijverheid en aan Gedeputeerde Staten, erwijl zij bovendien een afdruk of afschrift tegen betaling der kos-;en algemeen verkrijgbaar stellen. (25 al. 2.)

19. Bezwaren tegen de door Burgemeester en Wethouders vast-

511

or de ■ pereester Bur

;cliri£t

-ocr page 550-

KIESREGLEMENT VOOR DE KAMERS V. ARBEID.

gestelde kiezerslijsten kunnen binnen veertien dagen na de dagtee-kening der in art. 15 bedoelde kennisgeving worden ingediend bij Gedeputeerde Staten van de provincie, binnen welke de gemeente, waarop de kiezerslijst betrekking heeft, is gelegen.

De bezwaren kunnen zijn ontleend aan het feit, dat de naam van den verzoeker of van een ander in strijd met de bepalingen der wet op de Kamers van arbeid of van dit besluit daarop voorkomt, niet voorkomt of niet behoorlijk voorkomt. (K.K. 9 sub 3 v.; Kw. 36 v.)

20. Indien de ingediende bezwaren niet den verzoeker maar een derde betreffen, wordt deze door Gedeputeerde Staten binnen twee maal vier en twintig uren met die bezwaren in kennis gesteld.

21. Gedeputeerde Staten beslissen na den verzoeker en, indien de bezwaren een derde betreffen, ook dezen in de gelegenheid te hebben gesteld de bezwaren mondeling of schriftelijk toe te lichten binnen zes weken na de dagteekening der in art. 15 bedoelde kennisgeving.

Zij zenden onmiddellijk aan den verzoeker en, indien de bezwaren een derde betreffen, ook aan dezen eene gedagteekende kennisgeving-van hunne beslissing.

Wanneer hunne beslissing eene wijziging beveelt van eene door Burgemeester en Wethouders vastgestelde kiezerslijst, geven zij aan dit college tevens onmiddellijk kennis van hunne beslissing.

22. De verzoeker en, indien de ingediende bezwaren een derde betreffen, ook deze kunnen van eene voor hen ongunstige beslissing binnen acht dagen na de dagteekening van de in het tweede lid van art. 21 bedoelde kennisgeving, onder overlegging van de beslissing van Gedeputeerde Staten, in beroep komen bij den Koning. (K.K. 9 sub 4; Kw. 40.)

23. De Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid geeft zoo spoedig mogelijk aan Burgemeester en Wethouders kennis, dat tegen eene beslissing van Gedeputeerde Staten, die wijziging beveelt van eene door eerstgenoemd college vastgestelde kiezerslijst, beroep is ingesteld.

Gelijke kennisgeving geschiedt in geval een in het eerste lid be doeld beroep wordt ingetrokken.

24. De Minister van Waterstaat, Handel en Nijverh eid deelt de beslissing van den Koning mede aan den verzoeker en, indien de bij Gedeputeerde Staten ingediende bezwaren een derde betreffen, ook aan dezen. Gelijke mededeeling wordt gedaan aan Burgemeester en Wethouders wanneer de beslissing eene wijziging beveelt van eene door dit college vastgestelde kiezerslijst.

25. Burgemeester en Wethouders wijzigen de vastgestelde kiezerslijst; (K.K. 9 sub 6; Kw. 49.)

1°. in het geval, bedoeld aan het slot van art. 24, onmiddellijk nadat de beslissing van den Koning hun is medegedeeld;

2°. in het geval, bedoeld in het derde lid van art. 21, veertien

512

dag deel eers

3

Stat houi dat vanj

O art.

Al

heeft Nijvi 27 de v( zing, zijde kenin Aa oproe van v doend De den ]\\ sub 2\' 28. itaanc 59, 6C

29. aren e

30. ie zitt ueer lt; iitting,

31. nn h(

Van erbaa] i\'isselii

32. an de

STW.

-ocr page 551-

KBESEEGLEMENT VOOR DE KAMERS V. ARBEID.

dagen nadat de beslissing van Gedeputeerde Staten hun is medegedeeld, tenzij binnen dien tijd eene kennisgeving, als bedoeld in het eerste lid van art. 23, is ingekomen;

3quot;. ingeval het beroep tegen eene beslissing van Gedeputeerde Staten, die wijziging beveelt van eene door Burgemeester en Wethouders vastgestelde kiezerslijst wordt ingetrokken, onmiddellijk nadat de in het tweede lid van art. 23 bedoelde kennisgeving is ontvangen.

Op de krachtens dit artikel aangebrachte wijzigingen is hetgeen in art. 18 ten aanzien der kiezerslijsten is bepaald, van toepassing.

HOOFDSTUK II.

Van de verkiezingen.

Art. 26. De verkiezing van leden voor eene Kamer van arbeid heeft plaats op eenen door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid aan te wijzen dag.

27. De Burgemeester zendt aan eiken kiezer, die bevoegd is aan de verkiezing deel te nemen, ten minste acht dagen voor de verkiezing, eene oproeping benevens een stembriefje, waarvan de achter-

ijde de handteekening van den Burgemeester bevat. Deze handtee-kening mag gestempeld zijn.

Aan den kiezer, die zijne oproeping heeft verloren, of wien geene oproeping is toegezonden, wordt op zijne aanvraag eenmaal door of van wege dan Burgemeester eene oproeping uitgereikt, mits hij voldoende van zijne identiteit doe blijken.

De modellen van de oproeping en van het stembriefje worden door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid vastgesteld. (34 sub 2U; Kw. 55; Kw. (oud) 37; K.K. 11.)

28. De verkiezing geschiedt ten overstaan van het stembureau, be-itaande uit drie leden, van wie de eerstbenoemde voorzitter is. (Kw. 59, 60.)

29. De inlevering der stembriefjes vsngt aan des morgens te acht iren en duurt tot des namiddags te drie uren. (42; Kw. 56.)

30. Zijn een of meer der leden van het stembureau verhinderd 3e zitting geheel of gedeeltelijk bij Ie wonen, dan nemen een of ueer der plaatsvervangers naar volgorde van benoeming als leden itting. (Kw. 64.)

31. Bij ziekte of noodzakelijke verhindering vervangen de leden an het stembureau elkander naar volgorde van benoeming.

Van alle verwisselingen van het stembureau wordt op het proceserbaai aanteekening gehouden met opgaaf van de reden der ver-risseling en van den tijd der vervanging. (Kw. 64.)

32. Op de tafel, voor het stembureau staande, ligt een exemplaar an de wet op de Kamers van arbeid, van dit besluit en van de

r. ii. 33

513

;tee-

Wj

■nte,

van wet niet v.)

een twee

n de heb-hten ken-

■aren sving

door j aan

ierde issing i van issing

.K. 9

ft zoo tegen t van )ep is

id be

^elt de de bij i, ook ter en i eene

iezers-

dellijk

sertien

-ocr page 552-

514 KIESREGLEMENT VOOR DE KAMERS V. ARBEID.

kiezerslijst, die op de verkiezing betrekking heeft. (Kw. 66; K.K. 11 sub 11.)

De tafel is zoodanig geplaatst, dat de in het stemlokaal aanwezige kiezers de verrichtingen van het stembureau kunnen gadeslaan. (Kw. 67.)

33. Nevens of op de tafel staat eene overeenkomstig het bepaalde krachtens art. 68 der kieswet (wet van 7 September 1896, Staatsblad no. 154, gewijzigd door de wet van 31 December 1896, Staatsblad no. 245) vervaardigde stembus.

De stembus is gesloten met twee verschillende sleutels, waarvan er een onder elk der beide eerstbenoemde leden van het stembureau berust.

34. Om tot de stembus te worden toegelaten moet men: (Kw.

74.)

1°. volgens de kiezerslijst bevoegd zijn tot de verkiezing mede te werken;

2°. aan den voorzitter van het stembureau de in art. 27 bedoelde oproeping overhandigen, en

3°. de omtrent de verkiezing gegeven voorschriften opvolgen.

35. Het laatstbenoemde lid van het stembureau stelt op een afschrift of afdruk der kiezerslijst zijn paraaf naast den naam van el-ken kiezer, die aan de verkiezing deelneemt.

36. De kiezer, die geen stembriefje heeft ontvangen of wiens stembriefje in het ongereede is geraakt, ontvangt op vertoon der in art. 27 bedoelde oproeping van den voorzitter van het stembureau een nieuw stembriefje. (Kw. 78.)

37. Gedurende den tijd, dat het stembureau zitting houdt, zijn de kiezers bevoegd in het stemlokaal te vertoeven voor zoover zij de orde niet verstoren.

De kiezers verschijnen daar ongewapend, tenzij zij behooren tot de gewapende macht of een wapen bij zich hebben, dat behoort bij hunne ambtskleeding of bij de kleeding, door hen met vergunning 3g van het boven hen gesteld openbaar gezag gedragen.

De in het stemlokaal aanwezige kiezers kunnen, indien de verkie zing niet overeenkomstig de daarvoor gestelde regelen plaats heeft bezwaren inbrengen. Die bezwaren worden door het stembureau ii het van de zitting op te maken proces-verbaal vermeld. (Kw. 82.)

38. De voorzitter van het stembureau is belast met de handha ving der orde in het stemlokaal. Niet dan op zijne vordering en al leen tot bedwang van wanorde mag eenige gewapende macht in hc stemlokaal of zijne toegangen worden geplaatst. (Kw. 83.)

39. Bevindt het stembureau, dat wanorde in het stemlokaal o zijne toegangen den behoorlijken voortgang der verkiezing oninoge lijk maakt, dan wordt dit door den voorzitter verklaard. De verkie zing wordt daarop aanstonds geschorst en tot den volgenden dag dc voormiddags te acht uren verdaagd.

]

stei ]

en het kie; woi 4

geli pak 4

ket ste 4

ven gek in ( Kw 4 kiez op : de i zege 0 E 4 K bep: Een sten den

4

di di di di 4( onm D mide van (oud 4\' kieze eiseh

-ocr page 553-

11

KIESREGLEMENT VOOR DE KAMERS V. ARBEID. 515

De stembus wordt onmiddellijk in tegenwoordigheid der in het stemlokaal aanwezige kiezers gesloten en verzegeld.

Het proces-verbaal der gehouden zitting wordt daarna opgemaakt en dit stuk door de leden van het stembureau onderteekend; van het proces-verbaal, de sleutels der stembus en de in art. 35 bedoelde kiezerslijst wordt vervolgens een pakket gemaakt, hetwelk verzegeld wordt. (Kw. 84.)

40. Onmiddelliik na de aan het slot van art. 39 bedoelde verzegeling neemt de voorzitter van hel stembureau de stembus en het pakket in bewaring. (Kw. 85.)

41. De ontzegeling van de stembus en de opening van het pakket geschieden door het stembureau op het in het slot van het eerste lid van art. 39 vermelde tijdstip.

42. Zoodra de voor de inlevering der stembriefjes bepaalde tijd verstreken is, wordt dit door den voorzitter van het stembureau aangekondigd en worden alleen de op het oogenblik dezer aankondiging in de zaal aanwezige kiezers nog tot de stembus toegelaten. (29, 39; Kw. 86 al. 1.)

43. Nadat de inlevering der stembriefjes is afgeloopen wordt de kiezerslijst door het stembureau met opgave van het aantal der daarop ingevolge art. 35 gestelde parafen gewaarmerkt. Van die lijst en de ingeleverde oproepingen wordt een pakket gemaakt, hetwelk verzegeld wordt. (Kw. 86 al. 2.)

Onmiddellijk daarop wordt de stembus geopend.

De stembriefjes worden dooreengemengd en geteld. (Kw. 87.)

44. De voorzitter opent de stembriefjes.

Hij deelt na opening van elk briefje met inachtneming van het bepaalde in art. 47 den naam of de namen mede, die het bevat. Een der beide laatstbenoemde leden van het stembureau ziet het stembriefje na, terwijl de beide genoemde leden aanteekening houden van den voorgelezen inhoud van elk briefje. (Kw. 88; Kw. (oud) inmngj] 39, 6o.)

45. Van onwaarde zijn stembriefjes: (Kw. 89; Kw. (oud) 61.) die niet voldoen aan art. 27;

die onderteekend zijn;

eau lij] (jje nipf ingevuld zijn;

• 82-) I die, en voor zoover zij, een persoon niet duidelijk aanwijzen, andhajl 46. Het stembureau beslist over de waarde van het stembriefje en \'\'\'Hl onmiddellijk nadat het geopend is.

De voorzitter maakt de redenen van twijfel en de beslissing onmiddellijk bekend. Van een en ander geschiedt aanteekening in het van de zitting op te maken proces-verbaal. (Kw. 89 al. 3, 4; Kw. (oud) 62.)

47. Bevat het stembriefje meer namen dan er personen te verkiezen zijn, dan worden de namen, die na het voor de keuze ver-eischte getal in het briefje zijn vermeld, geacht daarop niet voor te

awe-laan.

lalde Mad Mad

rvan ireau

(Kw.

de te oelde

:n af-

an el

stem-n art.

ijn de zij de

tot de )rt bij

,\'erkie heeft

in hei

kaal c nmoge verkie lag de

33*

-ocr page 554-

514 KIESREGLEMENT VOOR DE KAMERS V. ARBEID.

kiezerslijst, die op de verkiezing betrekking heeft. (Kw. 66; K.K. 11 sub 11.)

De tafel is zoodanig geplaatst, dat de in het stemlokaal aanwezige kiezers de verrichtingen van het stembureau kunnen gadeslaan. (Kw. 67.)

33. Nevens of op de tafel staat eene overeenkomstig het bepaalde krachtens art. 68 der kieswet (wet van 7 September 1896, Staatsblad no. 154, gewijzigd door de wet van 31 December 1896, Staatsblad no. 245) vervaardigde stembus.

De stembus is gesloten met twee verschillende sleutels, waarvan er een onder elk der beide eerstbenoemde leden van het stembureau berust.

34. Om tot de stembus te worden toegelaten moet men: (Kw.

74.)

1°. volgens de kiezerslijst bevoegd zijn tot de verkiezing mede te werken;

2°. aan den voorzitter van het stembureau de in art. 27 bedoelde oproeping overhandigen, en

3°. de omtrent de verkiezing gegeven voorschriften opvolgen.

35. Het laatstbenoemde lid van het stembureau stelt op een afschrift of afdruk der kiezerslijst zijn paraaf naast den naam van el-ken kiezer, die aan de verkiezing deelneemt.

36. De kiezer, die geen stembriefje heeft ontvangen of wiens stem- ^ briefje in het ongereede is geraakt, ontvangt op vertoon der in art.

27 bedoelde oproeping van den voorzitter van het stembureau een nieuw stembriefje. (Kw. 78.)

37. Gedurende den tijd, dat het stembureau zitting houdt, zijn de kiezers bevoegd in het stemlokaal te vertoeven voor zoover zij de orde niet verstoren.

De kiezers verschijnen daar ongewapend, tenzij zij behooren tot de gewapende macht of een wapen bij zich hebben, dat behoort bij hunne ambtskleeding of bij de kleeding, door hen met vergunning van het boven hen gesteld openbaar gezag gedragen.

De in het stemlokaal aanwezige kiezers kunnen, indien de verkiezing niet overeenkomstig de daarvoor gestelde regelen plaats heeft, bezwaren inbrengen. Die bezwaren worden door het stembureau in het van de zitting op te maken proces-verbaal vermeld. (Kw. 82.) 1

38. De voorzitter van het stembureau is belast met de handha- L ving der orde in het stemlokaal. Niet dan op zijne vordering en al- i leen tot bedwang van wanorde mag eenige gewapende macht in het , stemlokaal of zijne toegangen worden geplaatst. (Kw. 83.)

39. Bevindt het stembureau, dat wanorde in het stemlokaal of zijne toegangen den behoorlijken voortgang der verkiezing onmogelijk maakt, dan wordt dit door den voorzitter verklaard. De verkiezing wordt daarop aanstonds geschorst en tot den volgenden dag des voormiddags te acht uren verdaagd.

-ocr page 555-

KIESREGLEMENT VOOR DE KAMERS V. ARBEID. 515

De stembus wordt onmiddellijk in tegenwoordigheid der in het stemlokaal aanwezige kiezers gesloten en verzegeld.

Het proces-verbaal der gehouden zitting wordt daarna opgemaakt en dit stuk door de leden van het stembureau onderteekend; van het proces-verbaal, de sleutels der stembus en de in art. 35 bedoelde kiezerslijst wordt vervolgens een pakket gemaakt, hetwelk verzegeld wordt. (Kw. 84.)

40. Onmiddelliik na de aan het slot van art. 39 bedoelde verzegeling neemt de voorzitter van het stembureau de stembus en het pakket in bewaring. (Kw. 85.)

41. De ontzegeling van de stembus en de opening van het pakket geschieden door het stembureau op het in het slot van het eerste lid van art. 89 vermelde tijdstip.

42. Zoodra de voor de inlevering der stembriefjes bepaalde tijd verstreken is, wordt dit door den voorzitter van het stembureau aangekondigd en worden alleen de op het oogenblik dezer aankondiging in de zaal aanwezige kiezers nog tot de stembus toegelaten. (29, 39\' Kw. 86 al. 1.)

43. Nadat de inlevering der stembriefjes is afgeloopen wordt de kiezerslijst door het stembureau met opgave van het aantal der daarop ingevolge art. 35 gestelde parafen gewaarmerkt. Van die lijst en de ingeleverde oproepingen wordt een pakket gemaakt, hetwelk verzegeld wordt. (Kw. 86 al. 2.)

Onmiddellijk daarop wordt de stembus geopend.

De stembriefjes worden dooreengemengd en geteld. (Kw. 87.)

44. De voorzitter opent de stembriefjes.

Hij deelt na opening van elk briefje met inachtneming van het bepaalde in art. 47 den naam of de namen mede, die het bevat. Een der beide laatstbenoemde leden van het stembureau ziet het stembriefje na, terwijl de beide genoemde leden aanteekening houden van den voorgelezen inhoud van elk briefje. (Kw. 88; Kw. (oud) 39, 60.)

45. Van onwaarde zijn stembriefjes: (Kw. 89; Kw. (oud) 61.)

die niet voldoen aan art. 27 ;

die onderteekend zijn;

die niet ingevuld zijn;

die, en voor zoover zij, een persoon niet duidelijk aanwijzen.

46. Het stembureau beslist over de waarde van het stembriefje onmiddellijk nadat het geopend is.

De voorzitter maakt de redenen van twijfel en de beslissing onmiddellijk bekend. Van een en ander geschiedt aanteekening in het van de zitting op te maken proces-verbaal. (Kw. 89 al. 3, 4; Kw. (oud) 62.)

47. Bevat het stembriefje meer namen dan er personen te verkiezen zijn, dan worden de namen, die na het voor de keuze ver-eischte getal in het briefje zijn vermeld, geacht daarop niet voor te

33*

-ocr page 556-

516 KIESREGLEMENT VOOR DE KAMERS V. ARBEID.

komen. Hetzelfde geldt van andere bijvoegingen, die op het stembriefje zijn vermeld. (Kw. (oud) 63.)

48. Daarna wordt van de geopende, zoowel de geldige als de van onwaarde verklaarde, stembriefjes elke soort afzonderlijk een pakket gemaakt, hetwelk verzegeld wordt. (Kw. 90, 91; Kw. (oud) 67, 68.)

49. Heeft de verkiezing ten overstaan van slechts één stembureau plaats, dan handelt dit vervolgens zooals in de artt. 54, 56 en 57 is bepaald.

Heeft de verkiezing ten overstaan van meer dan één stembureau plaats, dan wordt gehandeld zooals in de artt. 50 tot en met 57 is bepaald.

50. Het proces-verbaal der zitting wordt met de pakketten, bedoeld in de artt. 43, eerste lid, en 48, door het laatstbenoemde lid van het stembureau, wanneer dit geen zitting houdt in de gemeente, waar de zetel der Kamer van arbeid is gevestigd, onverwijld overgebracht naar den voorzitter van het stembureau in die gemeente. (Kw. 92.)

51. De voorzitter van het stembureau, dat zitting houdt in de gemeente, waar de zetel der Kamer van arbeid is gevestigd, neemt de in art. 50 genoemde stukken van zijn stembureau in bewaring. (Kw. 92.)

52. Het stembureau, dat zitting houdt in de gemeente, waar de zetel der Kamer van arbeid is gevestigd, houdt den dag volgenden op dien der verkiezing des voormiddags te negen uren in het stemlokaal eene zitting tot het vaststellen van den uitslag der verkiezing.

Is te voorzien, dat de in art. 50 bedoelde stukken alsdan nog niet alle naar de genoemde gemeente kunnen zijn overgebracht, dan wordt de zitting door den Commissaris des Konings bij een met redenen omkleed besluit tot den tweeden dag na dien der verkiezing op een door hem te bepalen uur verdaagd.

Op deze zitting is het bepaalde in de artt. 37 en 38 van toepassing. (Kw. 90, 93.)

53. De voorzitter van het stembureau, dat zitting houdt in de gemeente, waar de zetel der Kamer van arbeid is gevestigd, maakt vervolgens bekend het getal der bij elk stembureau in het geheel en op eiken persoon uitgebrachte geldige stemmen en der van onwaarde verklaarde stembriefjes. (Kw. 94.)

54. De voorzitter van het stembureau maakt het getal geldige stemmen, dat in het geheel en op eiken persoon is uitgebracht, het getal der van onwaarde verklaarde stembriefjes alsmede den uitslag der verkiezing bekend. (Kw. 94 al. 1.)

55. Het stembureau, dat zitting houdt in de gemeente, waar de zetel der Kamer van arbeid is gevestigd, kan, hetzij ambtshalve, het-;\',ij naar aanleiding van een met opgaaf van redenen gedaan verzoek van een of meer kiezers, eene nieuwe opening der stembriefjes uit de in art. 48 bedoelde pakketten bevelen.

-ocr page 557-

KIESREGLEMENT VOOR DE KAMERS V. ARBEID.

Het neemt daartoe een met redenen omkleed besluit. Het gaat alsdan onmiddellijk tot deze opening over. Het is bevoegd, daartoe de verzegelde pakketten te openen en den inhoud te vergelijken met de processen-verbaal der stembureaux.

Bij en na deze opening geldt het in de artt. 44 tot en met 48 bepaalde. (Kw. 95.)

56. De in het stemlokaal aanwezige kiezers kunnen bezwaren inbrengen, indien het opmaken van den uitslag der verkiezing niet overeenkomstig de daarvoor gestelde regelen plaats heeft. In het van de zitting op te maken proces-verbaal worden die bezwaren vermeld. (Kw. 94 al. 2, 3.)

57. Het proces-verbaal der gehouden zitting wordt opgemaakt en door de leden van het stembureau onderteekend. Daarna zendt het stembureau, dat zitting houdt in de gemeente, waar de zetel der Kamer van arbeid is gevestigd, de in de artt. 43, eerste lid, en 48 bedoelde pakketten, benevens het proces-verbaal of de processen-verbaal aan Burgemeester en Wethouders van die gemeente. (60.)

58. Burgemeester en Wethouders doen onmiddellijk een afschrift van het in art. 57 bedoelde proces-verbaal aanplakken en ter secretarie voor een ieder ter inzage nederleggen.

Zij bewaren, behoudens het in art. 72 bepaalde, de in art. 57 genoemde stukken totdat over de toelating van den gekozene onher-I roepelijk is beslist en vernietigen ze vervolgens. Van deze vernietiging wordt proces-verbaal opgemaakt. (Kw. 98.)

59. Eene verkregen meerderheid geldt niet, wanneer daarop een tusschen het getal der in de stembus of stembussen gevonden stembriefjes en dat der kiezers, die aan de verkiezing hebben deelgenomen, bestaand verschil van invloed heeft kunnen zijn.

Het stembureau neemt te dien aanzien eene beslissing, die door den voorzitter onmiddellijk wordt bekend gemaakt. (Kw. (oud) 66.)

60. Ingeval herstemming noodzakelijk is, zendt het in art. 57 bedoelde stembureau terstond nadat het in dat artikel bedoelde procesverbaal is onderteekend, de in art. 11 der wet op de Kamers van arbeid bedoelde lijst aan den Burgemeester van de gemeente, waar de zetel der Kamer van arbeid is gevestigd.

De Burgemeester zendt onmiddellijk een afschrift van die lijst aan de Burgemeesters der overige gemeenten, waarover het gebied der Kamer van arbeid zich uitstrekt. (Kw. 134; K.K. 12 sub 9 v.)

61. De Burgemeester van de gemeente, waar eene herstemming moet plaats hebben, zendt tenminste vier dagen vóór den dag der herstemming aan eiken kiezer, die bevoegd is daaraan deel te nemen, eene oproeping benevens een stembriefje. De oproeping en het stembriefje zijn ingericht overeenkomstig het bepaalde in art. 27.

Bovendien vermeldt het stembriefje in alphabetische volgorde de namen der personen, tusschen wie de hei-stemming plaats moet heb-J ben.

517

-ocr page 558-

518 KIESREGLEMENT VOOB DE KAMERS V. ARBEID.

62. De bepalingen der artt. 28 tot en met 59 zijn van toepassing op de herstemming.

63. De benoemde en zij, die in herstemming komen, ontvangen onverwijld van den Burgemeester der gemeente, waar de zetel dei-Kamer van arbeid is gevestigd, een gedagteekend afschrift van het in art. 57 bedoelde proces-verbaal.

Dit afschrift strekt den benoemde tot geloofsbrief. (Kw. 135; K.K. 14 sub 1—3.)

HOOFDSTUK III.

Van de leden der Kamer van arbeid.

Art. 64. De benoemde geeft binnen acht dagen na de dagteeke-ning van den geloofsbrief aan den Burgemeester der gemeente, waar de zetel der Kamer van arbeid is gevestigd, kennis of hij de benoeming aanneemt. (K.A. 12.quot;)

Bij gebreke van zoodanige kennisgeving wordt de benoemde geacht de benoeming niet aan te nemen.

Ingeval de benoemde de benoeming niet aanneemt, alsmede in het geval, bedoeld in het tweede lid, geeft de Burgemeester daarvan onverwijld kennis aan den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid. (Kw. 130; K.K. 14 sub 4 v.)

65. Hij, die tot lid eener Kamer van arbeid is benoemd, legt binnen dertig dagen na de dagteekening van den geloofsbrief aan Burgemeester en Wethouders der gemeente, waar de zetel der Kamer van arbeid is gevestigd, zijn geloofsbrief over en een hem betreffend uittreksel uit de geboorteregisters of, bij gemis daarvan, eene akte van bekendheid, waaruit tijd en plaats zijner geboorte blijken. (Kw. 141, 142.)

Hij legt tevens eene door hem onderteekende verklaring over, waaruit blijkt, dat hij het aan het slot van het eerste lid van art. 8 der wet op de Kamers van arbeid bedoelde vereischte van kiesbevoegdheid bezit.

Hot model dezer verklaring wordt vastgesteld door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid.

66. Bij gebreke van tijdige inzending der in art. 65 bedoelde stukken wordt de benoemde geacht zijne benoeming nist te hebben v aangenomen. (Kw. 142 al. 2.)

Burgemeester en Wethouders geven van de niet tijdige inzending onverwijld kennis aan den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid.

67. Burgemeester en Wethouders der gemeente, wair de zetel der Kamer van arbeid is gevestigd, onderzoeken de geloofsbrieven der nieuwbenoemde leden en beslissen over de toelating.

Zij zenden onmiddellijk eene gedagteekende kennisgeving van hun-

-ocr page 559-

KIESREGLEMENT VOOR DE KAMERS V. ARBEID.

ne beslissing aan de Kamer van arbeid en aan den benoemde. (K.K. 15 sub 1.)

68. De benoemde kan tegen eene beslissing van Burgemeester en Wethouders tot niet toelating en elk lid der Kamer van arbeid tegen eene beslissing tot toelating binnen acht dagen na de dagteeke-ning van de aan het slot van art. 67 bedoelde kennisgeving bezwaren inbrengen bij Gedeputeerde Staten van de provincie, binnen welke de gemeente gelegen is, waar de zetel der Kamer van arbeid is gevestigd.

Wanneer de bezwaren zijn ingebracht door een lid der Kamer van arbeid geven Gedeputeerde Staten daarvan onverwijld kennis aan de Kamer van arbeid.

Gedeputeerde Staten beslissen binnen vier weken na de dagteekc-ning van de in art. 67 bedoelde kennisgeving. (K.K. 15 sub 2, 3.)

69. Gedeputeerde Staten zenden onmiddellijk eene gedagteekende kennisgeving van hunne beslissing aan de Kamer van arbeid, aan den benoemde en, zoo de bezwaren door een lid der Kamer van arbeid zijn ingebracht, aan dezen. (K.K. 15 sub 3.)

70. Binnen vier dagen na de dagteekening der in art. 69 bedoelde kennisgeving kan hij, die overeenkomstig art. 68 bezwaren inbracht, van eene voor hem ongunstige beslissing van Gedeputeerde Staten in beroep komen bij den Koning. (K.K. 15 sub 4.)

Wanneer het beroep is ingesteld door een lid der Kamer van arbeid, geeft de Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid daarvan zoo spoedig mogelijk kennis aan de Kamer van arbeid.

71. De Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid deelt de beslissing van den Koning mede aan de Kanier van arbeid, aan den benoemde en, zoo een lid der Kamer van arbeid het beroep instelde, aan dezen.

De Minister geeft kennis aan de Kamer van arbeid wanneer een beroep is ingetrokken.

72. Burgemeester en Wethouders van de gemeente, waar de zetel der Kamer van arbeid is gevestigd, zenden op aanvraag aan den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid en aan Gedeputeerde Staten de in art. 57 bedoelde stukken.

73. Hij, die tot lid eener Kamer van arbeid is benoemd, neemt geen zitting alvorens de beslissing over zijne toelating onherroepelijk is geworden.

74. De leden van eene Kamer van arbeid treden af vijf jaar na den dag, waarop de Kamer voor het eerst is bijeengekomen en vervolgens telkens om de vijf jaren. (K.A. 13; K.K. 5.)

75. Het tijdstip, waarop de leden eener Kamer van arbeid aftreden, wordt door den voorzitter der Kamer ten minste zes maanden te voren medegedeeld aan den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid.

Indien eene plaats in de Kamer van arbeid is opengevallen, wordt

519

-ocr page 560-

KIESREGLEMENT VOOR DE KAMERS V. ARBEID.

daarvan terstond door den voorzitter mededeeling gedaan aan dien Minister. (K.A. 13 al. 4.)

HOOFDSTUK IV.

Slotbepalingen.

Art. 76. Voor de hieronder vermelde bedrijven geldt voor kalenderjaar het tijdvak, dat achter ieder bedrijf is opgegeven: (K.A. 8.)

de aardappelmeel- en siroopfabricage......9 maanden

de beetwortelsuikerfabrieage.........3 »

het bloerabollenkweeken..........7 »

het bokking drogen en het bokking- en visehrooken. 3 »

het bouwvak..............7 »

de garnalenvisscherij...........9 »

het nettenboeten.............3 »

het bedrijf der olieslagerijen.........8 »

de steen-, pan- en estrikfabricage.......5 »

het verduurzamen van levensmiddelen.....7 »

het zwingelen van vlas...........6 »

de zeevisscherij met uitzondering der garnalenvisscherij.................5 »

77. Hij, die in een bedrijf, dat in eene Kamer van arbeid is vertegenwoordigd, werkzaam is of geweest is in de laatste tien verloo-pen kalenderjaren, is desgevraagd verplicht om aan den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid, aan Gedeputeerde Staten en aan Burgemeester en Wethouders op te geven welke personen met hem in dezelfde inrichting werkzaam zijn of geweest zijn, alsmede om inlichtingen te verstrekken aangaande den aard en den duur van de door die personen verrichte werkzaamheden.

78. Wanneer de in dit besluit voorgeschreven verrichtingen op eenen Zondag of op eenen algemeen erkenden christelijken feestdag zouden moeten plaats vinden, treedt daarvoor de eerstvolgende dag, geen Zondag of algemeen erkende christelijke feestdag zijnde, in de plaats.

79. De modellen der in de artt. 39, derde lid, 50 en 54 bedoelde processen-verbaal worden door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid vastgesteld.

80. Deze algemeene maatregel van bestuur kan worden aangehaald onder den titel van «Kiesreglement voor de Kamers van arbeid».

De Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid is belast met de uitvoering van dit besluit, enz.

520

-ocr page 561-

BESLUIT

tot vaststelling van het formulier, bedoeld in het tweede lid van art. 22 van de wet op de Kamers van arbeid.

(Vastgesteld den 3den Januari 1898, Stsb). no. 2, uitgegeven den 12den Jannari d.a.y.)

Wu EMMA, enz.

Gezien art. 22, tweede lid, der wet op de Kamers van arbeid (wet van 2 Mei 1897, Staatsblad no. 141);

Hebben goedgevonden en verstaan:

te bepalen:

Ecnig artikel.

Wanneer in eenig bedrijf een geschil dreigt te ontstaan of ontstaan is en partijen of eene daarvan de tusschenkomst van eenen verzoeningsraad inroepen, dan behoort dit te geschieden door het invullen en inzenden van het navolgende formulier: (K.A. 23.)

(1) Naam en voornaam voluit.

(2) Woonplaats.

(3) Naam van den patroon.

(4) Aard van het bedrijf.

(5) Omschriiving van de Kamer.

(C) Gemeente waaide zetel der Kamer is gevestigd.

(7) Handteeltening.

De ondergeteekende (1) wonende te (2) . . . .

werkman bij (3) .... in het (4) . . . . deelt aan de Kamer van arbeid voor (5) . .

te (6).....mede,

patroon

dat in bovengenoemd bedrijf een geschil dreigt te ontstaan

tot

vereffening reden waarom hij de tusschenkomst van eenen verzoeningsraad inroept.

De aanleiding tot het geschil is . . Aan de Kamer van arbeid

voor (ó) .....

te (0) ......

Te . . . deu . . .

(7).

De Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid is belast met de uitvoering van dit besluit, enz.

stw. ii. 33a.

ontstaan is en dat naar zijne meening de tusschenkomst van eenen verzoeningsraad kan leiden voorkoming

van het geschil;


i

-ocr page 562-

VERBETERING.

Volgens Verbeterblad van het Staatsblad 0 Jan. 1808, no. 20, Kiesreglement v. d. Kamers van Arbeid: iu art. 7!) inplv. »54» te lezen »57».

BESLUIT

betreffende het in wekking treden der wet op de

Kamers van arbeid.

Bij K.B. van 8 Januari 1898, Stsbl. no. 23, is het in werking treden der Wet op de Kamers van arbeid bepaald op 1 Februari 1898.

BESLUIT

tot vaststelling van eene instructie voor de secretarissen van de Kamers van arbeid, ten opzichte

van hun geldelijk beheer.

(Vastgesteld den 6den Mei 1898, Stsbl. no. 116, nitgegeven den 21sten Mei d.a.v.)

Wij EMMA, enz.

Gezien art. 35, vijfde lid, en art. 38 der wet op de Kamers van arbeid (wet van 2 Mei 1897, Staatsblad no. 141);

Hebben goedgevonden en verstaan:

Vast te stellen de navolgende Instructie voor de secretarissen van de Kamers van arbeid, ten opzichte van hun geldelijk beheer.

Art. 1. De secretarissen van de Kamers van arbeid zijn belast met de uitbetaling van: (4.)

o. de reiskosten, met uitzondering van die, veroorzaakt door het gebruik van bijzondere vervoermiddelen, en

b. de schadeloosstellingen,

bedoeld in art. 35 der wet op de Kamers van arbeid.

2. Deze uitbetalingen geschieden onmiddellijk na afloop van elke vergadering, tegen ontvangbewijs.

Voor de verschuldigde bedragen wordt door a\'de rechthebbenden voor voldaan geteekend op eenc betalingslijst, waarvan het model wordt vastgesteld door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid.

-ocr page 563-

K.B. INSTR. SECR. KAM. V. ARB.

Voor vergaderingen, gehouden vóór de in art. 4 bedoelde verstrekking van gelden, geschiedt de uitbetaling op de eerste vergadering na die verstrekking.

Voor elke vergadering wordt eene afzonderlijke betalingslijst gebezigd.

3. Aan de secretarissen worden voor de uitbetalingen, door hen volgens art. 1 dezer instructie te doen, gelden ter goede rekening verstrekt.

4. De Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid bepaalt het bedrag, dat den secretaris wordt verstrekt ter bestrijding der in art. 1 bedoelde uitbetalingen, te doen, gedurende de eerste drie maanden na den datum, waarop de secretaris in functie is getreden, of gedurende het tijdvak, korter dan drie maanden, dat door 31 December wordt afgesloten.

5. Bij de inzending van de verantwoording, bedoeld in het eerste lid van art. 7 sub a en bij die, bedoeld in art. 8, wordt eene beknopt gemotiveerde raming overgelegd van de uitbetalingen, welke ingevolge art. 1 zijn te doen in de eerstvolgende drie maanden, of in den tijd tusschen de laatste verantwoording en 31 December, indien dit tijdvak korter is dan drie maanden.

6. Geeft de in art. 5 bedoelde raming, bij onderzoek, geene aanleiding tot opmerkingen, dan wordt aan den betrokken secretaris een betalingstuk uitgereikt tot een bedrag, door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid te bepalen.

Geene nieuwe gelden worden verstrekt, zoolang niet de in het eerste lid van art. 7 sub a of de in art. 8 bedoelde verantwoording hoeft plaats gehad.

7. De verantwoording van de ontvangen en uitgegeven bedragen (aanvraag om décharge) wordt ingezonden; (10.)

a. binnen drie dagen, nadat het voordeelig saldo van de vorige verantwoording en drie vierde gedeelte van het laatstverstrekte bedrag zijn uitgegeven; (5.)

b. voor het geval, dat de sub a bedoelde uitgaven niet zijn geschied binnen drie maanden na de dagteekening van de laatste aanvraag om décharge, — vijf dagen vóór het verstrijken van dien termijn;

c. voor het geval, dat bij eene eerste verstrekking van gelden, of bi) de eerste verstrekking in een kalenderjaar, het drie vierde gedeelte van het ontvangen bedrag niet is uitgegeven binnen drie maanden na de dagteekening van verevening van het betalingstuk door de Algemeene Rekenkamer, — vijf dagen vóór het verstrijken van dien termijn van drie maanden.

Ook al hebben in den termijn van drie maanden, bedoeld sub b en c, geene betalingen plaats gehad, dan wordt toch onmiddellijk, na het verstrijken van dien termijn, van de in kas zijnde gelden eene verantwoording ingezonden, waarin dan is te vermelden, dat de uitgaven snihil» zijn geweest.

523

-ocr page 564-

B.K. INSTB. SECB. KAM. V. ABB.

8. In afwijking van het bepaalde in art. 7 sluit de laatste verantwoording van het jaar met 31 December. Zij mag over geen grooter tijdvak dan van drie maanden loopen, omvat alle verstrekte gelden, voor zoover zij niet vroeger verantwoord zijn en wordt ingezonden uiterlijk op den derden dag van het volgende jaar, behoudens inachtneming van den termijn van drie maanden, bedoeld in art. 49 der wet van 5 October 1841 {Staatsblad no. 40). (5.)

9. Bij schorsing, ontslag of overlijden, sluit de verantwoording met den datum, waarop de secretaris ophoudt in functie te zijn.

Bij overlijden wordt de verantwoording door de erven ingezonden.

10. De verantwoording wordt in drievoud opgemaakt, en, voorzien van de in art. 2 bedoelde, voor voldaan geteekende, betalingslijsten, ingezonden aan het Departement van Waterstaat, Handel en Nijverheid, dat voor de toezending aan do Algemeens Kekenkamer zorg draagt. (8; Wet 5 Oct. 1841, S. 40 artt. 39, 48, 50.)

11. In de verantwoording worden opgenomen allo ontvangsten en uitgaven, welke hebben plaats gehad in het tijdvak, waarover de verantwoording loopt.

Het voordeelig saldo wordt in de volgende verantwoording als eerste post van ontvangst, het nadeelig saldo als eerste post van uitgaaf geboekt.

Het voordeelig saldo van de verantwoording, bedoeld in art. 8 of in art. 9, wordt bij een der Kijksbetaalmeesters of een der ontvangers van \'s Rijks middelen gestort en als laatste post van uitgaaf in de verantwoording opgenomen, onder overlegging van de quitan-tie van storting.

Sluit deze verantwoording met een nadeelig saldo, dan wordt na goedkeuring van die verantwoording door de Algemeene Rekenkamer, den betrokken secretaris of, indien de verantwoording door diens erven is geschied, aan dezen, voor dat nadeelig saldo een bc-talingstuk uitgereikt.

Noch van het voordeelig, noch van het nadeelig saldo van de laatste verantwoording, als bedoeld in art. 8, noch van het bedrag van het in het voorgaande lid bedoelde betalingstuk, wordt in eene volgende verantwoording melding gemaakt.

12. De toelage voor bureelkosten, bedoeld in art. 20 der wet op de Kamers van arbeid, gaat in met den datum, waarop de secretaris in functie treedt, en eindigt met dien, waarop hij ophoudt in functie te zijn.

13. Het bedrag der jaarlijksche toelage wordt in twee gelijke termijnen betaald.

De eerste termijn verschijnt na 30 Juni, zoodra de vóór of op dien datum af te leggen verantwoordingen zijn goedgekeurd.

De tweede termijn verschijnt na goedkeuring van de verantwoording, bedoeld in art. 8.

14. Moet de toelage worden uitgekeerd over een gedeelte van een

524

-ocr page 565-

K.B. INSTR. SECR. KAM. V. ARE.

termijn van zes maanden, dan geschiedt de berekening van het bedrag in dier voege, dat het jaar op 360 dagen en de maand op 30 dagen wordt gesteld.

15. Bij de inzending van de verantwoording, na de goedkeuring waarvan een termijn, als bedoeld in art. 13, of het bedrag, bedoeld in art. 14, moet worden uitgekeerd, wordt door den seeretaris, of indien de verantwoording door diens erven is geschied, door dezen, betaalbaarstelling van dat bedrag aan den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid schriftelijk aangevraagd.

16. Voor zoover naar het oordeel van den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid daartoe termen zijn, gelden de artikelen 1 tot en met 11 dezer instructie ook voor hem, die tijdelijk de functiën van secretaris waarneemt.

De Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid is belast met de uitvoering van dit besluit, enz.

525

-ocr page 566-

BESLUIT

betreffende portvrije verzending van stukken ingevolge de wet op de kamers van arbeid.

(Vastgesteld den 25 Juni 1898, Stsbl. no. 150, nitgegeyen den 6den Juli d.a.v.)

Wij EMMA, enz.

Gelet op artikel 36 der wet van 2 Mei 1897 (Staatsblad no. 141), tot oprichting van Kamers van Arbeid;

Hebben goedgevonden en verstaan:

te bepalen, dat de voorschriften van het Koninklijk besluit van 19 December 1892 {Staatsblad no. 284) betreffende de vrijstelling van briefport, voor zooveel betreft de artikelen 2 tot en met 9, mede van toepassing zullen zijn op de stukken, welke ingevolge de bovenaangehaalde wetsbepaling worden verzonden, met dien verstande, dat deze stukken in plaats van de aanduiding .dienst-), bedoeld in artikel 3 van genoemd besluit, behooren te dragen het opschrift:

»vrij van port ingevolge artikel 36 dor wet op de Kamers van Arbeid»;

dat, voor zoover de stukkon niet afkomstig zijn van ambtenaren of autoriteiten, de waarmerking door den afzender kan plaats vinden door vermelding van zijn naam en woonplaats, bekrachtigd door zijne handteekening, en dat in de le alinea van artikel 9 van het meergenoemde besluit in plaats van de woorden:

»de vrijstellingen van port door de ambtenaren en autoriteiten aan wie zij zijn verleend,»

zal worden gelezen:

»de vrijstelling van briefport, verleend bij bovengenoemde wet,»

De Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid is belast met de uitvoering van dit besluit, enz.

-ocr page 567-

BESLUIT

KRACHTENS ART. 38 DER WET OP DE KAMERS VAN ARBEID.

(Vastgesteld den 5den Juli 1898, Slsbl. no. 173, uitgegeven den ICden Juli d.a.v.)

Wu EMMA, enz.

Gezien de artikelen 7, 19, 28, 31, 35 en 38 der wet op de Kamers van arbeid (wet van 2 Mei 1897, Staatsblad no. 141);

Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen:

Art. 1. Zoodra na de oprichting of ontbinding eener Kamer van arbeid de beslissing tot toelating van ten minste de helft der door de patroons en de helft der door de werklieden gekozen leden onherroepelijk is geworden, roepen Burgemeester eu Wethouders der gemeente, waar de zetel der Kamer is gevestigd, deze toegelaten leden op tot eene vergadering ter verkiezing van een bestuur. De vergadering wordt gehouden in een lokaal, als bedoeld in artikel 35 der wet op de Kamers van arbeid. (K.A. 1,10; Kiesregl. K.A. 67 v.)

De oproepingsbrief bevat tevens eene opgaat van de namen en de dagteekeningen van geboorte der bovenbedoelde leden in chronologische volgorde. In geval van gelijken ouderdom van twee of meer leden worden de namen van dezen in alphabetische volgorde gesteld.

2. Totdat de volgens artikel 19 der wet op de Kamers van arbeid aangewezen voorzitter zijne betrekking heeft aanvaard, treedt in de in artikel 1 bedoelde vergadering als voorzitter op diegene der aanwezigen, wiens naam op den oproepingsbrief het eerst is vermeld.

3. Wanneer in de in artikel 1 bedoelde vergadering ten gevolge van het bepaalde in het laatste lid van artikel 31 der wet op de Kamers van arbeid geene verkiezing van een bestuur kan plaats hebben, wordt de vergadering door den voorzitter verdaagd. Van de verdaging wordt door hem kennis gegeven aan Burgemeester en Wethouders en aan de opgeroepenen, die niet ter vergadering aanwezig waren.

Burgemeester en Wethouders doen met inachtneming van het bepaalde in artikel 28 der genoemde wet voor de tweede vergadering alsnog eene oproeping toekomen aan de leden, ten aanzieu van wie de beslissing tot toelating eerst na de in artikel 1 bedoelde op-

ïe

-ocr page 568-

K.B. KRACHTENS ART. 38 WET KAM. V. ARB.

roeping cmherroepelijk is geworden. De bepaling, vervat in het tweede lid van artikel 1, is op deze oproeping van toepassing.

Wanneer Burgemeester en Wethouders leden, als hierboven bedoeld, oproepen, zenden zij tevens aan de leden, die reeds voor de eerste vergadering zijn opgeroepen, eene nieuwe opgaaf, als bedoeld in het tweede lid van artikel 1.

Bij ontstentenis, afwezigheid of verhindering van hem, die in de eerste vergadering als voorzitter is opgetreden, wordt deze in de tweede vergadering vervangen door diengene der aanwezigen, wiens naam op den oproepingsbrief het eerst is vermeld.

4. Wanneer ook in de tweede vergadering ten gevolge van het bepaalde in het laatste lid van artikel 31 der wet op de Kamers van arbeid geene verkiezing van een bestuur kan plaats hebben, wordt de vergadering, met inachtneming van het in het voorgaande artikel bepaalde, opnieuw verdaagd.

5. Wanneer bij eene periodieke verkiezing van leden van eene Kamer van arbeid geen der bestuursleden der oude Kamer is herkozen, of wanneer ter. gevolge van ontslagneming of overlijden een bestuur ontbreekt, worden eveneens ten spoedigste door Burgemeester en Wethouders der gemeente, waar de zetel der Kamer is gevestigd, de leden opgeroepen tot eene vergadering, als bedoeld in artikel 1. Alsdan zijn de bepalingen, vervat in het tweede lid van artikel 1 en in de artikelen 2 tot en met 4, van toepassing. (K.A. 13.)

De Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid is belast met de uitvoering van dit besluit, enz.

528

.

-ocr page 569-

e-

ALPHABETISCH REGISTER.

A.

Bladz.

Aanvaring (Wet, bep. voorkoming) of Aandrijving op de Openbare

Wateren in het Rijk...........362

Aanvaring (Besluit Reglement voork.) of Aandrijv. id. id. . . 362 Aanvaringen (Wet, bep. ter voork.) of Aandrijvingen op Zee . . 347 Aanvaringen (Besluit bep. ter voork.) of Aandrijv. op Zee . . 348 Afkondiging (Besluit nadere regeling wijze en vorm van) van

Wetten en Koninklijke besluiten........xvm

Afkondiging (Wet, houdende regeling der) van Algemeene Maatregelen van Inwendig Bestuur van den Staat.....xxm

Afval (Besluit, omtr. doorvoer Arsenicum houdenden) van Aniline-

kleurenfabrieken.............380

Algemeene Bepalingen (Wet houdende) der wetgeving van het

Koningrijk..............xxi

Ambtenaren, zie Arbeidsinspectie en Stoominspectie.

Ambtenaren (Besluit wat te verstaan onder) van den Waterstaat 322 Ambtenaren (Wet regeling Pensioenen der Burgerlijke) . . . 462 Arbeid (Wet tot oprichting van Kamers van)

Arbeid (Besluit Kiesreglement Kamers van) .... Arbeidsinspectie (K.B. houdende Instructie) ....

Arbeidswet.............

Arbeidswet (Algem. Maatregel v. Best. ex art. 4 der)

Arbeidswet (Algem. Maatregel v. Best. ex artt. 5, 7 en 11 Arbeidswet (Alg. Maatr. v. Best. ex art. 7 lid 2 der) Artsenijbereidkunst (Wet reg. Uitoefening der) .

Auteursrecht (Wet, houdende bepalingen tot regeling van het)

Baggeren enz. (Besluit Reglement op het)......340

Bakendienst (Regiem, voor den) op eenige Openb. Wateren. . 372

Bakenwezen (Wet regeling) op Openbare Wateren .... 371

Begrafeniswet..............198

Beheer (Besluit houd. bep. omtrent) en beleid Rijkspolitie . . 225 Benoembaarheid (Wet, regelende de) van vreemdelingen tot Landsbedieningen ..............135

Bescherming (Wet, tot) van nuttige diersoorten.....306

1

509 64 20 28 34 41 147 128

der)

-ocr page 570-

AliPHABETISCH REGISTER.

Bescherming (Besluit ter uitvoering wet tot) van nuttige Diersoorten ...............307

Besmette (Besluit, houd. Regelen op te volgen bij verbranding

enz. van) voorwerpen enz...........165

Besmettelijk (Besluit bep. welke ziekten van het Vee voor) worden gehouden enz.............266

Besmettelijke (Wet, tot voorziening tegen) Ziekten .... 157

Besmettelijke (Wet, Buitengewone Maatregelen afwend.) Ziekten . 180 Besmettelijke ziekten (Besluit Begraven, Vernietigen enz. van aan)

gestorven Vee enz.............295

Besmetting (Wet Wering) door uit Zee aankomende Schepen . 172

Bevoegdheid (Wet regeling) tot uitoefening der Tandheelkunst . 155 Binnenvaart, zie Aanvaring.

Boterhandel (Wet tot voorkoming bedrog in den) . . . .315

Brievenposterij (Wet tot regeling der).......441

Bruggen, zie Politiereglement Rivieren enz.; id. Wegen.

Burgerlijke Pensioenwet...........^62

Buskruit (Wet omtrent vervoer enz. van) enz......383

Buskruit (Besluit omtrent vervoer enz.) van enz.....385

C.

Coloradokever (Wet, betrekk. maatreg. tegen overbrenging) . 310

Commissaris (Besluit vaststelling instructie) des Konings . . 219

Coöperatieve (Wet tot regeling der) vereenigingen .... 114

D.

Diersoorten (Wet tot bescherming van nuttige).....306

Diersoorten (Besluit uitvoering wet bescherming nuttige) . . 307 Diploma Veearts, zie Veeartsenijkunde,

Doortocht (Wet, bepalingen omtrent) en vervoer Landverhuizers. 233

Drankwet...............209

Druifluis (Wet, uitvoering overeenkomst wering).....311

Druifluis (Besluit, uitvoering overeenkomst wering) .... 311

F.

Fabrieken, zie Veiligheidswet.

Fabrieken (Besl. Alg. regiem, v. cl. Kamers van Kocphandel en). 13 Fabrieks- (Wet, houdende bepalingen op de) en Handelsmerken. 119

G.

Geneeskundig (Wet, regelende het) Staatstoezicht .... 137 Geneeskundige, zie Quarantainewet Besluit.

Geneeskunst (Wet, regelende de uitoefening der) .... 143 Godsdienst, zie Zondagswet.

-ocr page 571-

ALPHABETISCH KEOISTEB.

H.

Handelsmerken (Wet, houd. bep. op de Fabrieks- en) . . . 119 Havens, zie Politiereglement Kivieren enz.

Hinderwet...............68

Hinderwet (Besluit tot uitvoering der).......81

Hondsdolheid (Wet vaststelling bep. voorkomen) .... 292 Hondsdolheid, zie Besmettelijke ziekten gestorven Vee.

I.

Inrichtingen, zie Hinderwet.

Inspecteurs (Besluit, Werkkring) bedoeld bij Arbeids-en Veiligheidswetten ..............64

Instructie (Besluit vaststelling) Ambtenaren bedoeld bij Stoomwet 108 Instructie (Besluit vaststelling) voor Commissaris des Konings. 219 Instructie (Besluit) Geneeskundige gezondheidsonderzoek, Qua-

rantainewet..............178

Intercommunaal, zie Kijkstelephoon.

J.

Jeugdige personen (Wet, bepalingen tegengaan overmatigeu en gevaarlijken arbeid van) en van Vrouwen.....

K.

Kamers (Wet tot oprichting van) van Arbeid .... Kamers van Arbeid, zie Kiesreglement.

Kamers (Algem. regiem, v. d.) v. Koophandel en Fabrieken. Kanalen, zie Politiereglement ilivieren enz.

Katten, zie Besmettelijke ziekten gestorven Vee.

Kiesreglement voor de Kamers van Arbeid.....

Krankzinnigen (Wet regeling Staatstoezicht op) ....

L.

20

1

13

509 183

Landsbedieningen (Wet benoembaarh. Vreemdelingen tot) . . 135

Landverhuizers (Wet, bepalingen omtr. Doortocht en Vervoer) 233

Ligger (Besluit opmaken) Toegangswegen spoorwegstations. . 429

Longziekte (Wet bijzond. bep. beteugeling) onder het Rundvee. 288

Longziekte (Besluit nadere bep. beteugeling) onder het Eundvee 289 Lijken, zie Begrafeniswet.

M.

Maatregelen (Wet, houdende regeling der Afkondiging van Alge-

meene) van Inwendig Bestuur van den Staat.....xxm

Middelen (Wet betreffende de openbare) van vervoer . . . 402

-ocr page 572-

ALPHABETISCH REGISTER.

O.

Onderwijs veeartsenijkunde, zie Veeartsenijkunde.

Ontvlambare of ontplofbare stoffen, zie Buskruit.

Ontsmetting, zie Besmette voorwerpen, Veeziekten.

Ontsmetting Vervoermiddelen (Besluit omtr. Vervoer van Vee en) 302

Ontsmetting van Stallen, zie Besmettelijke ziekte gestorven Vee.

Openbare wateren, zie Wateren.

Opruiming (Wet) en beheer gezonken vaartuigen en voorwerpen . 345

P.

Paden (Rijksbeheer), zie Politie.

Pensioenen (Wet tot regeling) der Burg. Ambtenaren . . . 462 Pensioenen (Wet regeling) Weduwen en Weezen van Burg. Ambtenaren ...............484

Pharmacopoea (Wet, invoering der Nederlandsche) .... 154 Phylloxera, zie Druifluis.

Politie, zie Rijkspolitie.

Politie (Wet regeling Veeartsenijkundig staatstoezicht en de Vee-

artsenijkundige) .............250

Politie (Wet houd. bep. betr. de Veeartsenijkundige) van Paarden

van het Leger enz.............263

Politie (Algemeen; reglement voor Rivieren enz.....820

Politie (Besluit bepalingen van) voor Wegen, Paden enz . . 344« Post (Wet dienst verzending met de) van Pakketten enz. . . 451

Postspaarbank (Wet tot instelling eener Rijks-).....455

Postwet...............441

Q,.

Quarautainewet.............172

Quarantainewet (Besluit instructie geueeskundigo belast met Gezondheidsonderzoek volgens)........178

E.

Reglement, zie Bakendienst, Kamers v. Koophandel.

Eeglement Binnenvaart, zie Aanvaring.

Eeglement op het Baggeren enz. (Besluit vaststelling) . . . 340 Eeglement (Besluit Algemeen) v. Politie voor Eivieren enz. . . 320 Eijkspolitie (Besluit beheer en beleid der Algemeene of) . . 225

Eijkspostspaarbank (Wet tot instelling eener).....455

Eijkstelegraafkantoren (Besluit voorw. Verbinding partic. geleiding met)..............436

Eijkstelegraafkantoren (Besluit voorw. Opr.) en Eijksteleph.kant. 437 Eijkstelephoonbureelen (K.B. Oprichten Intercommunale.) . . 440

-ocr page 573-

ALPHABETISCH EEGISTEIt.

Bijkstelephoon-verbindingen (K.B. gebruikm. van intercomm.) . 440

Bijksveldwachters (Besluit bepalingen dienst der) .... 229

S.

Schatkistbiljetten (Wet uitgifte van)........502

Schatkistbiljetten (Besluit uitgifte enz. van)......504

Schatkistpromessen (Wet uitgifte van).......506

Schepen (Wet Wering Besmetting door uit Zee aankomende) . 172

Spoorwegdiensten (Besluit Algemeen Toezicht op de) . . . 424

Spoorwegen (Wet regeling dienst en gebruik der) .... 406

Spoorwegen (Wet dienst) met beperkte snelheid.....422

Spoorwegen (Reglement) verminderde snelheid, | ■\'^ee\' ^ ai

Spoorwegstations (Besluit ligger Toegangswegen) .... 429

Staatsblad (Besluit daarstelling van een)......xvn

Staatsblad (Herziening directie van het).......xvm

Staatscourant (Besluit nopens uitgave eener Nederl.) . . . xix

Staatstoezicht (Wet regeling) op Krankzinnigen.....183

Staatstoezicht (Wet regelende het Geneeskundig) .... 137 Staatstoezicht (Wet Veeartsenijk.) en Veeartsenijk. Politie . . 250 Sterken drank (Wet regeling kleinhandel in) en beteugeling Openbare Dronkenschap............209

Stofien (Ontvlambare), zie Buskruit.

Stoften (Wet maatregelen Vervoer Vergiftige).....379

Stoominspectie. (Besluit vaststelling Instructie).....108

Stoomwet...............82

Stoomwet (Besluit tot Uitvoering der).......92

Strandvonderij. (Besluit bepalingen op de)......375

Strandvonderij. (Besluit Aanvulling bepalingen).....378

T.

Tandheelknnst (Wet, bevoegdheid tot Uitoefening der) . . . 155

Telegrafen (Wet, gemeenschap door electromagnetische) . . 433 Telegraafkantoren, zie Bijks-.

Telephoonkantoren, zie Bijks-.

Toegangswegen (Besluit ligger) spoorwegstations .... 429 Toezicht, zie Stoomwet.

Toezicht (Besluit algemeen) op de Spoorwegdiensten . . . 424 Toezicht, zie Staatstoezicht.

U.

Uitoefening, zie Geneeskunst, Artsenijbereidkunst, Tandheelkunst.

V.

Vaartuigen en voorwerpen (Gezonken), zie Opruiming.

-ocr page 574-

ALiPHABKTISCH REGISTER.

Vee (Besluit verroer, merking en visitatie) in grensgemeenten. 303 Vee (Besluit omtr. Vervoer van) en ontsmetting Vervoermiddelen. 302 Vee, zie Besmettelijke ziekten gestorven vee.

Veeartsenijkunde (Wet regeling onderwijs in de) en voorwaarden

verkrijging Diploma Veearts.........241

Veeartsenijkundige politie (Wet houd. bep. betr. de) ten opzichte

van Paarden v. h. Leger..........263

Veeartseniikundig Staatstoezicht (Wet tot regeling van het) en

de Veeartsenijkundige Politie.........250

Veeartsenijkunst (Wet regeling Uitoefening der).....245

Veeziekten (Besluit bepaling welke) voor besmettelijk worden gehouden en welke Maatregelen toe te passen.....266

■ Veiligheidswet.............43

Veiligheidswet (Alg. Maatr. v. Best. ex artt. 6 en 7) . . . 51 Veiligheidswet, zie Arbeidsinspectie.

Vereenigingen (Wet tot regeling der Coöperatieve) .... 114 Vervoer (Wet betreffende de Openbare Middelen van) . . 402 Vervoer (Wet bepalingen omtr. Doortocht en) v. Landverhuizers . 233 Vervoer, zie Afval Arsenicum houd., Buskruit, Stoffen vergiftige. Vreemdelingen (Wet benoembaarb. van) tot Landsbedieningen . 135 Vrouwen (Wet, bepalingen tegengaan overmatigen en gevaarlijken Arbeid van Jeugdige Personen en van).....20

W.

Wachtgelden (Besluit toekennen van) aan Burgerlijke Ambtenaren . 498 Wapenen (Wet verbodsbepalingen tegen dragen van) . . . 223 Wateren, zie Aanvaring, Bakendienst, Bakenwezen, Opruiming. Waterstaat (Besluit wat te verstaan onder Ambtenaren) . . 322 Waterstaatswerken, zie Politie.

Waterstaatswerken (Wet bepalingen betreffende \'s Eijks). . . 317

Weduwen en Weezen, zie Pensioenen.

Wegen, zie Politie.

Werkplaatsen, zie Veiligheidswet.

Wetgeving, zie Algemeene bepalingen.

Z.

Zee, zie Aanvaringen, Quarautainewet.

Ziekten. (Wet tot voorziening tegen besmettelijke) .... 157 Ziekten. (Wet Buitengow. Maatr. Afwending besmettelijke) . . 180 Ziekten (Besluit bepaling welke) van het Vee voor Besmettelijk

worden gehouden enz............266

Ziekten, zie overigens Besmettelii\'ke.

Zondagswet...............217

C/ • S iQO

-ocr page 575-

UITGAVEN VAN J. F. VAN DRUTEN TE SNEEK.

NEÜEBLANDSCHE STAATSWETTEN,

MET VERWIJZING NAAR DE OVEREENKOMSTIGE ARTIKELEN UITGEGEVEN ONDER TOEZICHT VAN

MR. J. C. MEIJER.

8ste, vernieuwde druk. Geb. f 1,90. DE WETTEN 1897 ONDER MEDEWERKING VAN

MR. DR. H. J. ROMEIJN,

Advocaat-Procureur. Leeraar in de Staatswetenschappen te Soeek.

Deze uitgaaf bevat, in handig formaat en duidelijk gedrukt, o.a:

De Grondwet, Kieswet, Provinc. Wet, Gemeentewet, Gem.fin., Nederlandersch. en Ingez., Vreemdel.wetten, Vereeniging, Enquête, Watersch.besturen, Waterst.belangen, Verveningen, Uitv. G. 191 Verordeningen Watersch., Onteigening, Uitv. G. 152, 2° Inund., Ver-antw. Ministers, Raad v. State, Rekenkamer, Kerkgenootschappen, Muntwezen, Nederl. Bank, Armbestuur, Lager Onderwijs, Middelbaar Onderwijs, Hooger Onderwijs, Geneeskundigen en Apothekers, Beeldende Kunsten, Militair Onderwijs Landmacht, Nation. Militie, Schutterijen, Jagtwet, Regiem. Regeringsbeleid Ned. Indië, Comptabiliteitswet Nederl.-Indië, Regiem. Regeringsbeleid CuraQao met Suriname.

„Van de bekende uitgave Meijer, Nederl. Staatswetten is een 8ste geheel vernieuwde druk verschenen, tot 1 Sept 1897 bijgewerkt door de goede zorgen van Dr. H. J. Romeyn. De uitgave van den heer Meijer heeft reeds lang haar weg tot het publiek gevonden, zoodat aanbeveling overbodig is en wij ons bepalen tot de verklaring, dat deze achtste druk ons voorkomt met evenveel zorg te zyn bewerkt als vroegere. Het is ongetwijfeld een groot gerief voor de gebruikers, dat met de jongste wijzigingen der Gemeentewet en der Provinciale wet bij de bewerking rekening kon worden gehouden.quot; Rechtsgeleerd Magazijn Dec. 1897.

„Bij deze nieuwe uitgave van Meyer\'s bekende Staatswetten is dan ook de herhaling van vroeger oordeel voldoende dat de verzameling, zoowel wat nauwkeurige samenstelling als wat nette en duidelijke uitvoering betreft niets te wenschen overlaat. De overleden eerste bewerker dezer uitgave, de wakkere en bekwame wethouder van Leeuwarden Mr. J. C. Meijer, heeft een bevoegd opvolger gevonden in Mr. Romeijn, wien deze nalatenschap zeker niet tot eene sinecuur zal strekken.quot; Tijdspiegel.

„Het doet ons genoegen dat deze uitgaaf ook na den dood van Mr. Meijer zal worden bijgehouden; wij hebben alle vertrouwen dat Mr. Romeijn haar op dezelfde degelijke wijze als zijn voorganger zal voortzetten.quot; Tijdschr. Admin. I^echt.

-ocr page 576-

Bruna-Vos, De Reglementen en Besluiten v.d. Nede 1 Herv. Kerk,ra. aanteek. enz. 8ste dr.jFebr. 1897./2,40, geb./2,i l.

Bruna-Vos, De Reglementen v. d. Nederl. Herv. Kei 8ste dr.,Febr. 1897./0,90.

H. Pijttersen Tz., Bekn. Handleiding b. d. KIESWET, n , ■ Tekst der Wet en Alph. Register. 2de herz. druk. y 0,50.

H. Pijttersen Tz., Bekn. Handleid. b.d. WET KAMERS i ARBEID met Tekst d. wet, Kiesreglem. en Alpliab. Reg. ƒ 0,50.

Mr.H. Goeman Borgesius, DE NEDERL. DRANKWET, met Aanteek. enz. 2de, herz. en omgew. druk. Gr. 8vo. ƒ 1,90. ■

Mr. H. Goeman Borgesius, DE ARBEIDSWET, met Aan-\' teekeningen, enleSupplem. Gr. 8vo. /1,35.

Mr.H. Goeman Borgesius, DE VEILIGHEIDSWET met Aanteek., in verband met en Tekst der Arbeidswet, Hinderwet, en Stoom wet, benev. de Besluiten ter Uitvoering. Gr. 8vo./2,25.

Mr. H. Goeman Borgesius, DE NEDERL. ARBEIDS- en FABRIEKS WETTEN, bevattende: Arbw., Supplem., en Veilighw. enz. met Aanteekeningen. 1897.Gr, 8vo./3,50, geb./3,90.

Arbeids-, Fabrieks- en Handelswetten met verwijzing naar de overeenk. artikelen, uitgegeven onder toezicht van Mr. Dr. H. J. Bomeijn. Ing./0,50; geb. /quot;0,90. Inhoud;

Wet Kamers v. Arbeid, K.B. Algem. Regiem. Kamers v. Koophandel en Fabrieken, Arbeidswet, K.B. Art. 4 Arbw., K.B. Artt. 5,7 en 11 Arbw., K.B. Art. 7, 2e lid, Arbw., Veiligheidswet, K.B. Artt. t: en 7 Veilighw., K.B. Werkkring en Bevoegdheden Inspecteurs en Ambtenaren Arb. en Veilighw., Hinderwet, K.B. Art. 2, I, b, Hinderw., Stoomwet, K.B. üitv. Stoomw., K.B. Instr. Stoominspectie, Zondagswet, Drankwet, Boterwet, Wet Fabrieksmerken, Wet Coöperatieve Vereenigingen.

H. J. G. Hartman, WET op het LAGER ONDERWIJS, mei Aanteekeningen enz. onder toezicht van Mr. E. L. Van Emden In gr. 8vo. f 3,50; geb. / 3,90. Eerste en Tweede vervolg /1,40,

H. J. G. Hartman, Wet tot regeling der Financieele Verhouding tusschen het Rijk en de gemeentenen Herziening Plaatselijke Belastingen, met Aanteekeningen enz. ƒ 1,00.

H. J. G. Hartman, De Gemeentewet zooals thans luidende in , Vragen en Antwoorden, in verband gebracht m. Burg. Wetb., Grondw., Kieswet, Prov.w., enz. 1897. /1,25.

Mr. C. Reeling Knap, Beknopte Handleiding bij de FAIL-LISSEMENTSWET. Eenvoudige Uiteenzetting en Tekst der Wet. en Alphab. Register. 2de, bijgew. druk. /1,25; geb. / 1,50.

DE PAILLISSEMENTSWET benevens de Invoeringswet, met verwijzing naar de overeenkomstige artikelen, uitgegeven onder toezicht van Mr. J. C. Meyer./0,20.

HET BURGERLIJK WETBOEK, met verwijzing naar de overeenkomstige artikelen, uitgegeven onder toezicht van Mr. J. C.. Meijer. 2de, bijgewerkte druk, / 0,90; geb. / 1,25.

V V

-ocr page 577-
-ocr page 578-
-ocr page 579-
-ocr page 580-